The Project Gutenberg eBook of Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Kunstenaarsleven te Parijs: Roman uit het Bohème-leven

Author: Henri Murger

Translator: Willem Jacob Aarland Roldanus

Release date: April 1, 2011 [eBook #35741]
Most recently updated: January 13, 2023

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS: ROMAN UIT HET BOHÈME-LEVEN ***


[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.
De Meulenhoff-editie

Een Algemeene Bibliotheek
Uitgegeven door J. M. Meulenhoff
in het jaar MCMXVII te Amsterdam
[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.
Kunstenaarsleven te Parijs
Roman uit het Bohème-leven
Uitgegeven door J. M. Meulenhoff
te Amsterdam op het Damrak 88

[1]

[Inhoud]

Hoofdstuk I.

Hoe de Vriendenkring der Bohème tot stand kwam.

Ziehier hoe het toeval, dat de ongeloovige sceptici den zaakwaarnemer van onzen Lieven Heer noemen, op een goeden dag de individuen met elkaar in aanraking bracht, die in hun broederlijke samenhoorigheid later den vriendenkring zouden vormen, samengesteld uit dat deel der Bohème, hetwelk de schrijver van dit boek getracht heeft aan het publiek te doen leeren kennen.

Op een goeden morgen (het was 8 April) werd Alexandre Schaunard, die twee vrije kunsten, n. l. de schilderkunst en de muziek, beoefende, plotseling gewekt door het wijsje, dat een haan uit de buurt, dien hij als wekker gebruikte, hem toezong.

„Allemachtig!” riep Schaunard uit, „mijn gevederde wekker loopt voor; het kan nog onmogelijk vandaag zijn.”

Terwijl hij dit zeide, sprong hij vlug uit een meubelstuk, dat hij na heel veel moeite en inspanning uitgedacht had, en dat ’s nachts de rol van bed speelde—en niet om er wat van te zeggen, maar het speelde die vrij slecht—, terwijl het overdag die van alle andere meubels vervulde, welke ten gevolge van de strenge koude, die den vorigen winter geheerscht had, door afwezigheid schitterden: een soort Jan-draag-an-meubel dus, zooals men ziet.

Om zich tegen den snijdenden kouden morgenwind te beschermen, schoot Schaunard inderhaast een rose zijden [2]en met sterretjes en loovertjes bezaaiden rok aan, dien hij als kamerjapon gebruikte. Dit klatergoud was op een bal-masqué-nacht bij den artist achtergelaten door een Pierrette, die zoo dom geweest was zich te laten vangen door de bedriegelijke beloften van Schaunard, die, vermomd als markies de Mondor, in zijn zakken den verleidelijken klank had laten rinkelen van een dozijntje daalders, nagemaakt geld, uit een stuk metaal door een uitslagmachine gesneden, en uit de accessoires van een schouwburg geleend.

Na zich in zijn kamertoilet gestoken te hebben, zette hij het raam en het luik open. Als een lichtpijl drong plotseling een zonnestraal in de kamer door, die hem dwong zijn oogen, welke nog vol slaap zaten, wijd open te doen; tegelijkertijd sloeg het op een kerktoren in de buurt vijf uur.

„De ochtendstond in eigen persoon,” mompelde Schaunard in zichzelf; „dat is prachtig. Maar,” voegde hij eraan toe, een kalender, die aan den muur hing, raadplegende, „desniettemin is zij leelijk in de war. De aanwijzingen der wetenschap verzekeren, dat in dezen tijd van het jaar de zon eerst om half zes moet opgaan; het is pas vijf en nu is zij al op. Een misdadige ijver! dat hemellichaam is heelemaal van streek; ik zal een klacht indienen bij de sterrewacht. Intusschen,” voegde hij eraan toe, „zou ik me toch eigenlijk een beetje ongerust moeten gaan maken; het is vandaag de dag, volgende op dien van gisteren, en daar het gisteren de 7de was, moet het, tenzij Saturnus achterwaarts loopt, vandaag de 8ste April zijn; en indien ik de woorden van dit geschrift gelooven mag,” zeide Schaunard, terwijl hij een deurwaardersexploot, dat hij aan den muur geplakt had, ging lezen, „moet ik vandaag om twaalf uur precies deze vertrekken verlaten en mijnheer Bernard, mijn huisbaas, een som van vijf-en-twintig francs ter hand gesteld hebben voor drie vervallen termijnen [3]huur, die hij in een zeer slecht schrift van mij opeischt. Zooals altijd had ik hoop gehad, dat het toeval er zich mede zou belasten deze zaak in het reine te brengen; maar het begint erop te lijken, dat het er geen tijd voor gehad heeft. Enfin, ik heb nog zes uur voor me; wie weet, wanneer ik ze goed gebruik .... Vooruit .... vooruit, op weg,” voegde Schaunard eraan toe.

Hij maakte aanstalten, om een overjas, waarvan de oorspronkelijk langharige stof door een algemeene kaalheid was aangetast, aan te trekken, toen hij plotseling als bezeten in zijn kamer een door hem gecomponeerde balletdans begon uit te voeren, die hem op de publieke bals meermalen de eer verschaft had kennis te maken met de politie.

„Kijk, kijk!” riep hij uit, „het is verwonderlijk, zooals de morgenlucht je op idées brengt; het is net, alsof ik mijn wijsje op het spoor ben. Even probeeren ....”

En, half naakt, ging hij voor zijn piano zitten en begon, na het ingeslapen instrument door een stormachtigen accoordaanslag te hebben gewekt, op het klavier den melodischen zin, dien hij reeds sedert zoo langen tijd zocht, te vervolgen.

„Do, sol, mi, do, la, si, do, ré, boem, boem. Fa, ré, mi, ré. Nee, aïe! die ré is zoo valsch als Judas,” riep Schaunard uit en sloeg daarbij zoo hard als hij kon op de noot met den twijfelachtigen klank. „Laten wij den mineur eens probeeren .... Die moet het verdriet schilderen van een jong meisje, dat een witte margeriet in een blauw meer ontbladert. Het is niet wat je een bepaald nieuw denkbeeld noemt. Enfin, het is nu eenmaal de mode, en daar je niet makkelijk een uitgever zoudt vinden, die een romance durft uitgeven, waarin geen blauw meer voorkomt, moet ik me er wel in schikken .... Do, sol, mi, do, la, si, do, ré; dat klinkt zoo kwaad niet, het geeft vrijwel een denkbeeld van een madeliefje, vooral aan menschen, die [4]sterk zijn in botanie. La, si, do, ré, verdomde ré, loop naar den bliksem! Om een goed denkbeeld te geven van het blauwe meer, zou ik nu iets vochtigs, hemelsblauws, iets heldere-maanachtigs (want de maan is ook van de partij) noodig hebben; maar laat ik oppassen, dat ik de zwaan niet vergeet .... Fa, mi, la, sol,” ging Schaunard voort, terwijl hij de heldere noten van de hooge octaven liet klinken. „Rest nu nog het afscheid van het jonge meisje, dat besluit zich in het blauwe meer te storten, om zich weer met haar onder de sneeuw begraven geliefde te vereenigen. Die ontknooping is niet duidelijk,” mompelde Schaunard, „maar zij is interessant. Daar moet ik iets teers, iets melancholieks voor hebben; daar is het al, daar is het al, dat zijn een twaalf maten, die weenen als Magdalena’s, het snijdt je door je hart! Brr! Brr!” zeide Schaunard, rillend in zijn met sterren bezaaiden rok, „als het ook maar hout sneed! Er ligt in mijn alkoof een balk, die me leelijk hindert, wanneer ik menschen .... te dineeren heb; ik zal er een beetje vuur mede aanleggen .... la, la .... ré, mi .... want ik voel, dat de inspiratie tegelijk met een verkoudheid tot mij komt .... Enfin, ook al zoo erg niet! Laat ik het jonge meisje verder verdrinken!”

En terwijl zijn vingers het trillende klavier pijnigden, vervolgde Schaunard met vlammend oog en gespannen oor zijn melodie, die, als een ongrijpbare sylphide, zweefde midden in de klankrijke mist, welke de trillingen van het instrument in de kamer schenen te doen oprijzen.

„En laten we nu eens zien,” ging Schaunard voort, „hoe mijn muziek zich aanpast bij de woorden van mijn dichter.”

En hij neuriede met een onaangenaam stemgeluid dit fragment van poëzie, die speciaal gebruikt wordt voor opéras comiques en ulevelrijmpjes: [5]

La blonde jeune fille,

Vers le ciel étoilé,

En ôtant sa mantille,

Jette un regard voilé,

Et dans l’onde azurée

Du lac aux flots d’argent ...

. . . . . . . .

„Lieve Hemel!” riep Schaunard in een gerechtvaardigde verontwaardiging uit, „de hemelsblauwe golf van een zilver meer, dat had ik nog niet opgemerkt, dat is ten slotte te romantisch, die dichter is een idioot, hij heeft nog nooit zilver of een meer gezien. Zijn ballade is bovendien onzin; de caesuur der verzen staat mijn melodie in den weg; in het vervolg zal ik mijn teksten zelf dichten, en niet later dan op dit oogenblik begin ik er mee; daar ik mij in vorm gevoel, zal ik een kleine schets van coupletten maken, om er mijn melodie bij aan te passen.”

En Schaunard nam, zijn hoofd tusschen zijn beide handen begravende, de houding aan van een sterveling, die betrekkingen met de Muzen onderhoudt.

Na verloop van eenige minuten van dit heilige huwlijk bracht hij een van die gedrochtelijkheden ter wereld, welke de schrijvers van libretti terecht monsters noemen en die zij vrij makkelijk improviseeren om als voorloopige schets voor de inspiratie van den componist te dienen.

Doch het monster van Schaunard had beteekenis en zin; het drukte vrij duidelijk de ongerustheid uit, welke in zijn geest gewekt werd door de brutale komst van dezen datum: den achtsten April.

Ziehier het couplet:

Huit et huit font seize,

J’pose six et retiens un.

Je serais bien aise

De trouver quelqu’un

[6]

De pauvre et d’honnête

Qui m’ prête huit cents francs,

Pour payer mes dettes

Quand j’aurai le temps.

Refrein.

Et quand sonnerait au cadran suprême

Midi moins un quart.

Avec probité je paîrais mon terme (ter.)

A monsieur Bernard.

„Duivels,” zeide Schaunard, toen hij zijn gedicht herlas, „terme en suprême zijn nu niet bepaald millionairsrijmen, maar ik heb geen tijd om ze rijk te maken. Laten we nu eens zien hoe de noten zich paren met de lettergrepen.”

En met het hem eigen vreeselijk neusgeluid begon hij opnieuw zijn romance uit te voeren. Ongetwijfeld voldaan over het resultaat, dat hij verkregen had, wenschte Schaunard zichzelf geluk met een jubelenden grijns, die, gelijk aan een accent circonflexe, zich telkens wanneer hij tevreden over zichzelf was, schrijlings op zijn neus vertoonde. Doch die trotsche gelukzaligheid was niet van langen duur.

Het sloeg op den dichtstbijzijnden toren elf uur; iedere slag drong in de kamer door en loste zich op in spottende klanken, die tot den ongelukkigen Schaunard schenen te zeggen: „Ben je gereed?”

De artist sprong op een stoel.

„De tijd loopt als een hert,” zeide hij .... „ik heb nog maar drie kwartier om mijn vijf-en-zeventig francs en mijn nieuwe woning te vinden. Ik kom er nooit mee klaar, dat zou tot het domein der tooverij gaan behooren. Welnu, ik geef me vijf minuten om het te vinden”; en [7]zijn hoofd tusschen zijn knieën verbergend, daalde hij af in de afgronden der overpeinzing.

Toen de vijf minuten om waren, richtte Schaunard zijn hoofd weer op, zonder iets gevonden te hebben, dat op vijf-en-zeventig francs geleek.

„Er blijft nog slechts één manier over, om van hier weg te komen, en die is, om heel gewoontjes weg te gaan; het is mooi weer, mijn vriend het toeval wandelt misschien wel in het zonnetje. Hij moet me maar gastvrijheid verleenen, totdat ik het middel gevonden heb, om mijn zaken met mijnheer Bernard af te wikkelen.”

Nadat Schaunard de zakken van zijn overjas, die diep waren als kelders, had volgepropt met al de voorwerpen, die zij konden bevatten, knoopte hij in een das enkele stukken linnengoed en verliet daarop, niet zonder met enkele woorden zijn domicilie te hebben vaarwel gezegd, zijn kamer.

Toen hij de binnenplaats overstak, hield de concierge van het huis, die blijkbaar op hem wachtte, hem plotseling staande.

„Hé, mijnheer Schaunard!” riep hij hem toe, terwijl hij den artist belette verder te gaan; „u bent toch niet vergeten, dat het vandaag de 8ste is.”

„Huit et huit font seize.

J’pose six et retiens un,”

neuriede Schaunard; „ik denk nergens anders aan.”

„U bent wel wat laat met uw verhuizing,” zeide de portier; „het is half twaalf, en de nieuwe huurder, die uw kamer gehuurd heeft, kan ieder oogenblik komen. U moet probeeren wat haast te maken!”

„Maar dan moet u mij doorlaten,” antwoordde Schaunard; „ik wou juist een verhuiswagen halen.”

„Dat is prachtig; maar vòòr u verhuist, moet er nog een kleine formaliteit vervuld worden. Ik heb order, dat [8]u geen haar moogt meenemen, voordat u de drie vervallen termijnen betaald hebt. Daartoe zult u waarschijnlijk wel in staat zijn.”

„Voor den donder,” zeide Schaunard, die een pas voorwaarts deed.

„Kom dan even bij me in mijn loge, dan zal ik u uw quitantie geven.”

„Ik zal ze, als ik terugkom, wel meenemen.”

„Maar waarom niet dadelijk?” drong de concierge aan.

„Ik moet geld wisselen .... Ik heb geen kleingeld.”

„Zoo, zoo!” zeide de andere ongerust, „gaat u geld wisselen? Om het u makkelijk te maken, zal ik zoolang het pakje, dat u onder uw arm hebt, en dat u zou kunnen hinderen, bewaren.”

„Mijnheer de concierge,” zeide Schaunard in het volle besef van zijn waardigheid; „wantrouwt u mij bij geval ook? Denkt u, dat ik mijn meubels in een zakdoek meeneem?”

„Neem me niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde de concierge, die een toontje lager begon te zingen, „dat is mijn consigne. Mijnheer Bernard heeft mij uitdrukkelijk bevolen u geen haar te laten medenemen, voor u betaald hebt.”

„Maar kijk dan,” zeide Schaunard, terwijl hij het pakje open maakte, „dat zijn geen haren, maar hemden, die ik naar de waschvrouw breng, die naast den geldwisselaar, twintig pas hiervandaan, woont.”

„Dat is wat anders,” merkte de concierge, na den inhoud van het pakje onderzocht te hebben, op. „Maar zonder indiscreet te willen zijn, mijnheer Schaunard, zou ik ook uw nieuwe adres mogen weten?”

„Ik ga in de rue de Rivoli wonen,” antwoordde koeltjes de artist, die, nu hij eenmaal in de straat was, zich zoo gauw mogelijk uit de voeten maakte.

„Rue de Rivoli,” mompelde de concierge in zichzelf, [9]terwijl hij met zijn vingers in zijn neus pulkte, „het is wel een beetje vreemd, dat ze hem in de rue de Rivoli kamers verhuurd hebben en hier heelemaal geen informaties naar hem zijn komen nemen; het is wel een beetje vreemd. Enfin, zonder betalen krijgt hij zijn meubels niet mede. Als de nieuwe huurder nou maar niet net komt als Schaunard bezig is zijn boeltje weg te halen. Dat zou me op de trap een herrie geven! Lieve Hemel,” zeide hij plotseling, terwijl hij zijn hoofd door het schuifraampje stak, „daar heb je hem net.”

Gevolgd door een pakjesdrager, die nu niet bepaald onder zijn last scheen te bezwijken, kwam op dat oogenblik een jonge man met een witten Louis XIII hoed op, de vestibule binnen.

„Mijnheer,” vroeg hij den concierge, die hem tegemoet ging, „is mijn appartement vrij?”

„Nog niet, mijnheer, maar het zal niet lang meer duren. De tegenwoordige huurder is een verhuiswagen gaan halen. Misschien wil mijnheer zijn meubels zoo lang op de binnenplaats zetten.”

„Ik ben bang, dat het zal gaan regenen,” antwoordde de jonge man, terwijl hij kalm op een bouquetje viooltjes, dat hij tusschen zijn tanden hield, kauwde, „en dan zouden mijn meubelen bederven. Vriendje,” voegde hij eraan toe, terwijl hij zich wendde tot den witkiel, die achter hem was blijven staan en aan zijn draagzeel een aantal voorwerpen had hangen, waarvan de concierge niet precies begrijpen kon, wat het waren, „zet dat maar neer in de vestibule en ga dan op mijn vroegere kamers halen wat er nog aan kostbare meubels en kunstvoorwerpen over is.”

De witkiel zette langs den muur verschillende houten lijsten neer van zes à zeven voet hoog, waarvan de bladen gemakkelijk heen en weer konden gaan.

„Kijk!” zeide de jonge man tegen den witkiel, terwijl [10]hij een der deksels opende en hem op een scheur in het linnen wees, „daar heb je al een ongeluk. Er zit een stervormige barst in mijn Venetiaanschen spiegel. Wees op je tweeden tocht voorzichtiger en let vooral goed op mijn bibliotheek.”

„Wat bedoelt hij toch met zijn Venetiaanschen spiegel?” bromde de concierge, die ongerust om de langs den muur geplaatste houten ramen dwaalde, in zichzelf; „ik zie geen spiegel; maar dat is zeker een grap, ik zie niets, dan een kamerschut; enfin we zullen wel eens kijken wat er met de tweede reis mee komt.”

„Zou uw huurder niet gauw de kamers leeg maken? Het is half een, en ik zou wel willen beginnen met inruimen,” zeide de jonge man.

„Hij zal nu wel dadelijk hier zijn,” antwoordde de concierge; „trouwens, zoo heel erg is het niet, want uw meubels zijn toch nog niet hier,” voegde hij eraan toe, nadruk leggend op de laatste woorden.

De jonge man wilde antwoorden, toen juist een dragonder-ordonnance de binnenplaats opkwam.

„Woont mijnheer Bernard hier?” vroeg hij, terwijl hij een brief uit zijn portefeuille haalde.

„Die woont hier,” antwoordde de concierge.

„Hier is een brief voor hem,” zeide de ordonnance, „geef mij het reçu ervoor;” en hij overhandigde den concierge een reçu, dat deze in zijn loge ging teekenen.

„Neem me niet kwalijk, dat ik u even alleen laat,” zeide de concierge tot den jongen man, die ongeduldig op de binnenplaats heen en weer liep, „maar ik heb hier een brief van den minister voor mijnheer Bernard, den huisheer, dien moet ik even boven brengen.”

Toen de concierge op zijn kamer kwam, was mijnheer Bernard bezig zich te scheren.

„Wat wil je van me, Durand?”

„Mijnheer,” antwoordde deze, zijn pet afnemend, „een [11]ordonnance is dat voor u komen brengen, het komt van den minister.”

En hij gaf mijnheer Bernard den brief, op welks enveloppe het zegel van het departement van Oorlog geplakt was.

„Goede God!” zeide mijnheer Bernard, zòò ontdaan, dat hij zich bijna in zijn gezicht sneed: „van het ministerie van Oorlog! Dat is zeker mijn benoeming tot ridder van het Legioen van Eer, waarom ik reeds zoo lang gevraagd heb; eindelijk laten zij mijn verdiensten recht wedervaren. Hier, Durand,” zeide hij, terwijl hij in zijn vestjeszakje zocht, „daar heb je vijf francs om op mijn gezondheid te drinken. Ach, ik heb mijn beurs niet in mijn zak; ik zal ze je dadelijk geven, wacht maar even.”

De concierge was door dezen aanval van verpletterende edelmoedigheid, waaraan zijn huisheer hem niet gewend had, zòò ontdaan, dat hij zijn pet weer opzette.

Maar mijnheer Bernard, die bij andere gelegenheden dien inbreuk op de wetten der maatschappelijke hiërarchie niet geduld zou hebben, scheen het niet op te merken. Hij zette zijn bril op, scheurde de enveloppe open met de eerbiedige ontroering van een vizier, die een firman van den sultan ontvangt, en begon den inhoud te lezen. Bij de eerste regels groefde een vreeselijke grijns karmijnroode plooien in het vet van zijn wangen, en begonnen zijn kleine oogjes vonken te schieten, die bijna de lokken van zijn verwarde pruik in brand staken.

In het kort zijn trekken veranderden plotseling zòò, dat men vermoed zou hebben, dat er op zijn gezicht een aardbeving had plaats gehad.

Ziehier den inhoud der missive, geschreven op papier met het hoofd van het ministerie van Oorlog en met lossen teugel gebracht door een ordonnance: [12]

„Mijnheer en huisheer,

De beleefdheid, die, mag men de mythologie gelooven, de grootmoeder der hoofsche manieren is, verplicht mij u te doen weten, dat ik mij in de wreede noodzakelijkheid bevind niet te kunnen voldoen aan de gewoonte om zijn huur te betalen, vooral wanneer men die schuldig is. Tot op dezen ochtend had ik de hoop gekoesterd, dezen schoonen dag te kunnen vieren door uw drie huurquitanties te voldoen. Chimère, illusie! Terwijl ik op het kussen der zekerheid sluimerde, deed het ongeluk, anangke in het Grieksch, mijn hoop in rook vervliegen. De gelden, waarop ik rekende—God, wat gaat de handel slecht—zijn niet binnengekomen; van de belangrijke sommen, die ik moet innen, heb ik nog slechts drie francs ontvangen, die ik bovendien nog geleend heb; ik durf ze u niet aanbieden. Betere dagen zullen aanbreken voor ons schoon Frankrijk en voor mij, mijnheer, twijfel daar niet aan. Zoodra zij aan den hemel geschitterd hebben, zal ik vleugels nemen, om u daarvan te onderrichten en uit uw huis terug te halen de kostbare zaken, die ik daar heb achtergelaten en die ik onder de bescherming stel van u en van de wet, welke u verbiedt deze vòòr het verstrijken van een jaar, te verkoopen in het geval, dat gij zulks zoudt willen beproeven, om in het bezit te komen van de sommen, waarvoor gij gecrediteerd zijt op de boeken van mijn rechtschapenheid. Ik beveel u in het bijzonder mijn piano aan en den grooten lijst, waarin zich zestig haarlokken bevinden, wier verschillende kleuren de geheele gamma der haarnuances doorloopen en die door het ontleedmes der Liefde ontnomen zijn aan het voorhoofd der Gratiën.

„Gij kunt dus, mijnheer en huisheer, over het plafond, waaronder ik gewoond heb, beschikken. Ik geef u daartoe mijn toestemming, gewaarmerkt door mijn onderteekening.

Alexandre Schaunard.”

[13]

Toen mijnheer Bernard dezen brief, welken de artist in het bureau van een zijner vrienden, die ambtenaar aan het ministerie van Oorlog was, had geschreven, ten einde gelezen had, frommelde hij hem verontwaardigd in elkaar; en toen zijn blik op vader Durand viel, die op de beloofde fooi stond te wachten, vroeg hij hem ruw wat hij daar deed.

„Ik wacht, mijnheer!”

„Waarop?”

„Wel, op het fooitje, dat mijnheer .... van wegens de goede tijding!” stamelde de concierge.

„Eruit! Kerel, blijf je met je pet op je kop in de kamer staan?”

„Maar, mijnheer ....”

„Vooruit, geen maren, eruit, of neen, wacht even. Wij zullen naar de kamer van dien smeerlap-artist gaan, die verhuist zonder me te betalen.”

„Wat?” riep de portier uit, „mijnheer Schaunard?”

„Ja,” antwoordde de huisheer, die hoe langer hoe meer op een razenden Roland begon te gelijken. „En als hij ook maar het geringste heeft meegenomen, dan jaag ik je weg, versta je, jaaààg ik je weg.”

„Maar dat bestaat niet!” mompelde de arme concierge, „mijnheer Schaunard is niet vertrokken; hij is uitgegaan, om klein geld te halen, om mijnheer te betalen, en om een verhuiswagen voor zijn meubels te bestellen.”

„Zijn meubels weghalen!” riep mijnheer Bernard uit; „gauw wat; ik ben er zeker van, dat hij daarmede bezig is; hij heeft je een loer gedraaid om je uit je loge te lokken en zijn slag te slaan, stommeling, die je bent!”

„Lieve Hemel, stommeling, die ik ben!” riep vader Durand uit, bevend voor de Olympische toorn van zijn heer, die hem op de trap meesleepte.

Toen zij op de binnenplaats kwamen, werd de concierge aangesproken door den jongen man met den witten hoed. [14]

„Hé daar, conciërge!” riep hij, „wanneer word ik nu eindelijk in het bezit van mijn appartementen gesteld? Is het vandaag de 8ste of niet? Heb ik hier gehuurd of niet? Heb ik je je Godspenning gegeven of niet?”

„Een oogenblik, mijnheer, een oogenblik!” zeide de huisheer, „dan ben ik tot uw dienst. Durand,” voegde hij eraan toe, zich tot den concierge wendende, „ik zal mijnheer zelf wel te woord staan. Vlieg jij naar boven, die smeerlap van een Schaunard is natuurlijk teruggekomen, om zijn boeltje te pakken; sluit hem op, als je hem snapt, en kom dan naar beneden, om de politie te halen.”

Vader Durand verdween de trap op.

„Pardon, mijnheer,” zeide hij, terwijl hij een buiging maakte, tot den jongen man, met wien hij alleen gebleven was; „met wien heb ik de eer te spreken?”

„Mijnheer, ik ben uw nieuwe huurder; ik heb in dit huis een kamer op de zesde verdieping gehuurd; en het begint me te vervelen, dat die kamer nu nog niet leeg is.”

„Het spijt mij ook zeer, mijnheer,” antwoordde mijnheer Bernard, „maar er is een moeilijkheid ontstaan tusschen mij en den huurder, voor wien u in de plaats komt.”

„Mijnheer, mijnheer!” gilde uit een raam van de hoogste verdieping vader Durand; „mijnheer Schaunard is er niet....maar de kamer is er.... Stommeling, die ik ben, ik bedoel, dat hij niets heeft medegenomen, geen haar, mijnheer.”

„Dan is het goed. Kom naar beneden,” antwoordde mijnheer Bernard. „Een oogenblikje geduld, als het u blieft,” ging hij voort, zich tot den jongen man richtend. „Mijn concierge zal de voorwerpen, die de kamer van mijn insolvabelen huurder versieren, naar den kelder brengen, en binnen een half uur zult u de appartementen kunnen betrekken; trouwens uw meubels zijn er ook nog niet.”

„Pardon, mijnheer,” antwoordde de jonge man kalm.

Mijnheer Bernard keek om zich heen, doch zag slechts [15]de groote kamerschutten, waarover de concierge ook al zijn hoofd geschud had.

„Wat, pardon .... wat ....” mompelde hij, „maar ik zie niets.”

„Daar,” antwoordde de jonge man, terwijl hij de bladen der lijsten losmaakte en den verbaasden eigenaar een prachtig paleis-intérieur met colonnes van jaspis, bas-reliefs en schilderijen van groote meesters liet zien.

„Maar uw meubels?” vroeg mijnheer Bernard.

„Daar zijn ze,” antwoordde de jonge man, terwijl hij op het luxueuze meubilair wees, dat geschilderd was in het paleis, hetwelk hij pas gekocht had in het hôtel Bullion1 op een verkooping van een salon-tooneel.

„Mijnheer,” antwoordde de huisheer, „ik wil liever aannemen, dat u ernstiger meubelen hebt dan deze ....”

„Wat, dit zijn echte Boule-meubelen.”2

„U begrijpt, dat ik garantie voor mijn huur moet hebben.”

„Voor den duivel, maar is een paleis dan geen voldoende garantie voor de huur van een dakkamertje?”

„Neen, mijnheer, ik wil meubels, echte meubels van mahoniehout!”

„Helaas, mijnheer, goud noch mahoniehout maken ons gelukkig, heeft een oud wijsgeer gezegd. En bovendien ik kan dat soort hout niet uitstaan; het is zoo ordinair; iedereen heeft het.”

„Dat is allemaal tot uw dienst, mijnheer, maar u heeft dan toch zeker wel andere meubels?”

„Neen, dat neemt te veel plaats in in de kamer; wanneer je stoelen hebt, weet je niet meer waar je moet gaan zitten.”

„Maar u hebt toch zeker een bed! Waar slaapt u op?” [16]

„Ik rust op de Voorzienigheid, mijnheer!”

„Pardon, nog een vraag,” zeide mijnheer Bernard, „wat is uw beroep?”

Juist op dat oogenblik kwam de witkiel van den jongen man, van zijn tweeden tocht terug, de binnenplaats op. Onder de voorwerpen, die hij aan zijn draagzeel droeg, zag Durand een schildersezel.

„O, mijnheer!” riep hij verschrikt uit, terwijl hij den huisheer op den ezel wees. „Het is een schilder!”

„Een artist, als ik het niet dacht!” gilde op zijn beurt mijnheer Bernard, en de haren van zijn pruik rezen van schrik ten berge; „een schilder!!! Maar heb je dan geen informaties genomen naar mijnheer?” bulderde hij den concierge toe. „Wist je dan niet, wat hij deed?”

„Lieve Hemel,” antwoordde de arme kerel, „hij had mij vijf francs als goospenning gegeven; dus kon ik niet vermoeden....”

„Wanneer u eindelijk klaar bent,” vroeg op zijn beurt de jonge man.

„Mijnheer,” viel mijnheer Bernard hem in de rede, terwijl hij zijn bril recht op zijn neus zette; „als u geen meubels hebt, kunt gij uw kamer niet betrekken. De wet staat toe een huurder, die geen garantie meebrengt, te weigeren.”

„En mijn woord dan?” vroeg de artist in zijn volle waardigheid.

„Dat is niet zooveel waard als meubels ... u kunt ergens anders een kamer zoeken. Durand zal u uw Godspenning teruggeven.”

„Wat?” zeide de concierge verschrikt, „die heb ik al naar de spaarbank gebracht.”

„Maar mijnheer,” viel de jonge man hem in de rede, „ik kan maar niet zoo direkt een andere kamer vinden. Geef me tenminste gastvrijheid voor één dag.”

„Ga in een hotel logeeren,” antwoordde mijnheer [17]Bernard. „Maar tusschen twee haakjes,” voegde hij er vlug aan toe, terwijl hem plotseling iets in de gedachte viel; „als u dat wilt, dan zou ik u de kamer gemeubeld met de meubels van mijn insolventen huurder kunnen geven. Maar zooals u weet, moet in zoo’n geval de huur vooruit betaald worden.”

„Het is maar de vraag, hoeveel u voor dat krot moet hebben,” zeide de artist.

„Maar het is heusch een zeer geschikte kamer; in verband met de omstandigheden is de huur vijf-en-twintig francs per maand. Maar vooruit betalen.”

„Dat hebt u al gezegd; en die zin verdient de eer van een bis niet,” antwoordde de jonge man, terwijl hij in zijn zakken zocht. „Hebt u terug van vijfhonderd francs?”

„Wat?” vroeg de huisheer stom-verbaasd. „U zegt?”

„Nou, de helft van duizend dan. Hebt jullie soms zoo iets nooit gezien?” voegde de artist eraan toe, terwijl hij het papier heen en weer bewoog voor de oogen van den huisheer en van den concierge, die op het gezicht daarvan hun evenwicht schenen te verliezen.

„Ik zal het voor u laten wisselen,” antwoordde mijnheer Bernard vol eerbied; „er behoeft maar twintig francs af, want Durand zal u de Godspenning teruggeven.”

„Die mag hij houden,” zeide de artist, „op voorwaarde, dat hij mij iederen ochtend komt zeggen welke dag en datum het is, den stand van de maan, welk weer het is en onder welken regeeringsvorm wij leven.”

„Zeker, zeker mijnheer!” riep vader Durand uit, terwijl hij een buiging van negentig graden maakte.

„Al goed, kerel, je moet voor mij als almanak spelen. Intusschen moet je mijn witkiel even helpen de boel boven te brengen.”

„Mijnheer,” zeide de huisheer, „ik zal u de quitantie boven laten brengen.”

Dien avond nog was de nieuwe huurder van mijnheer [18]Bernard, de schilder Marcel, geïnstalleerd in de tot een paleis gemetamorphoseerde kamers van den voortvluchtigen Schaunard.

Intusschen was gezegde Schaunard bezig te trachten overal in Parijs geld los te krijgen.

Schaunard had het leenen tot de hoogte van een kunst verheven. Het geval voorziende, waarin hij de vreemdelingen zou moeten aanspreken, had hij de manier, om vijf francs te leenen, in alle talen der wereld geleerd. Hij had het repertoire der listen, die het edele metaal gebruikt om aan hen, die het najagen, te ontsnappen, tot in den grond bestudeerd; en beter dan een loods de uren der getijden, kende hij de tijdstippen, waarop het bij anderen hoog of laag water was, d. w. z. de dagen, waarop zijn vrienden en kennissen gewoonlijk geld kregen. Er waren dan ook verschillende huizen, waarin men, als hij ’s ochtends op bezoek kwam, niet tegen elkaar zeide: „Daar heb je mijnheer Schaunard”; maar „Daar heb je den eersten of vijftienden der maand.” Om dit soort belasting, die hij, wanneer de noodzakelijkheid hem ertoe dwong, van de menschen, die de middelen hadden om hem die te betalen, ging heffen, wat makkelijker en minder ingewikkeld te maken, had Schaunard arrondissementsgewijze een alphabetisch tableau gemaakt, waarop de namen van al zijn vrienden en kennissen stonden. Naast iederen naam waren genoteerd het maximum der som, die hij in verband met hun fortuin kon leenen, de tijdstippen, waarop het bij hen hoog water was, benevens het uur der maaltijden met het gewone menu van het huis. Behalve dat tableau hield hij er nog een boekhoudinkje op na, waarin hij keurig boek hield van de sommen, die hem geleend waren, tot de kleinste bedragen toe, want hij wilde zich niet verder bezwaren dan tot een zeker cijfer, dat een Normandische oom, van wien hij moest erven, nog in de pen had. Zoodra hij [19]aan een persoon twintig francs schuldig was, leende hij niet langer en betaalde de som in eens terug, ook al moest hij voor die aflossing van hen, aan wie hij minder schuldig was, meer leenen. Op die manier had hij altijd een zeker crediet, dat hij zijn vlottende schuld noemde; en daar men wist, dat hij de gewoonte had het geleende terug te geven, zoodra zijn middelen het hem veroorloofden, hielp men hem, als men dat kon, gaarne.

Nu had hij, sedert hij ’s ochtends elf uur uitgegaan was om te trachten de vijf-en-zeventig francs, die hij noodig had, bijeen te krijgen, nog niet meer bij elkaar dan een daalder, dien hij te danken had aan de medewerking der letters M., V. en R. van zijn beroemde lijst: van de rest van het alphabet, dat evenals hij een termijn huur te betalen had, kreeg hij nul op het request.

Om zes uur luidde een hevige honger in zijn maag de etensbel; hij was toen juist bij de barrière du Maine, waar de letter U. woonde. Schaunard liep binnen bij de letter U., waar hij zijn servetring had, als er servetten waren.

„Naar wien wilt u toe?” vroeg de concierge hem in het voorbijgaan.

„Naar mijnheer U ....” antwoordde de artist.

„Die is niet thuis.”

„En Mevrouw?”

„Ook niet: zij hebben me gevraagd aan een van hun vrienden, die van avond bij hen zou komen, te zeggen, dat zij in de stad zijn gaan eten: mocht u de bewuste persoon zijn, dan hebt u hier het adres,” en hij overhandigde Schaunard een stukje papier, waarop zijn vriend U .... geschreven had:

„Wij zijn bij Schaunard, rue .... No...., gaan eten; kom ons daar halen.”

„Prachtig!” zeide hij, weggaande; „wanneer het toeval zich er mede bemoeit, krijg je dikwijls aardige vaudevilles.” [20]

Schaunard herinnerde zich toen, dat er vlak bij een klein herbergje was, waar hij een paar maal voor weinig geld goed gegeten had, en richtte zijn schreden naar dat etablissement, in de chaussée du Maine gelegen en in de Bohème-wereld bekend onder den naam van la Mère Cadet. Het was een etenshuis, waarvan de gewone clientèle bestond uit de vrachtrijders naar Orleans, zangeressen uit den Montparnasse en jonge rollen van het Bobino-theater.3 Tijdens het mooie seizoen komen schilders uit de vele ateliers in de nabijheid van den Luxembourg, schrijvers van onuitgegeven boeken en journalisten van obscure blaadjes gezamenlijk dineeren bij la Mère Cadet, die bekend is voor haar konijnenragouts, haar echte zuurkool en een wit wijntje, dat naar vuursteen smaakt.

Schaunard ging onder de bosquets (boschjes) zitten: zoo noemde men bij la Mère Cadet het dunne loof van een paar kromgegroeide boomen, waarvan het ziekelijke groen onder tegen de zoldering was aangebracht.

„Lieve Hemel, het kan me niet schelen ook,” zeide Schaunard tot zichzelf, „ik zal me eens lekker te goed doen en een feestmaal bestellen.”

En zonder er gras over te laten groeien, bestelde hij een soep, een halve portie zuurkool en twee halve konijnenragouts: hij had n.l. opgemerkt, dat je, wanneer je halve porties bestelde, minstens een kwart op het geheel won.

Deze bestelling trok de aandacht van een jonge, in het wit gekleede vrouw met oranjebloesem in het haar en balschoenen aan; een imitatie van een imitatie-kanten sluier golfde over haar schouders, die beter hun incognito hadden kunnen bewaren. Het was een zangeres van het théâtre Montparnasse, waarvan de coulissen om zoo te zeggen uitkwamen in la Mère Cadet. Gedurende [21]een entre-acte van de Lucia di Lammermoor was zij even komen eten; zij besproeide nu met een kleintje koffie een maaltijd, die uitsluitend uit een artisjok in olie en azijn bestond.

„Twee konijnenragouts, drommels!” zeide zij zacht tot het meisje, dat als kellner dienst deed; „dat is ook een jonge man, die van goed eten houdt. Hoeveel krijg je van me, Adèle?”

„Vier sous voor de artisjok, vier voor een kleintje koffie en één voor brood. Dat is negen sous.”

„Hier,” zeide de zangeres, en zij ging weg onder het neuriën van:

Cet amour que Dieu me donne!

„Zij haalt de hooge A,” zeide toen een mysterieus persoon, die, achter een wal van oude boeken verborgen, aan dezelfde tafel als Schaunard zat.

„Haalt zij hem?” zeide Schaunard; „ik zou eerder zeggen, dat ze hem thuis gelaten heeft. Het is dan ook belachelijk,” voegde hij eraan toe, terwijl hij met zijn vinger op den schotel wees, waaruit Lucia di Lammermoor haar artisjok genuttigd had, „om je fausset in azijn in te leggen.”

„Het is inderdaad een scherp zuur,” begon weer de persoon, die reeds gesproken had. „De stad Orleans produceert een soort, die terecht een goede reputatie heeft.”

Schaunard nam den onbekende, die blijkbaar een gesprek wilde uitlokken, aandachtig op. De starre blik uit zijn groote blauwe oogen, die steeds iets schenen te zoeken, gaf aan zijn gelaatsuitdrukking het karakter van vrome zielerust, die men zoo dikwijls bij seminaristen ziet. Zijn gelaat had de kleur van oud, vergeeld ivoor, behalve zijn wangen, die met een roodkleurige laag ingesmeerd schenen te zijn. Zijn mond leek geteekend te zijn door een eerste-klas leerling, dien men tijdens zijn werk tegen zijn elleboog gestooten had. De negerachtig opgetrokken [22]lippen lieten tanden zien, die een jachthond geen oneer zouden hebben aangedaan, en de twee plooien van zijn kin rustten op een witte das, waarvan de eene punt de sterren bedreigde, terwijl de andere zich in den grond scheen te willen boren. Uit een kalen vilten hoed met wonderlijk breede randen, stroomden zijn haren in blonde watervallen. Hij had een notenkleurige pèlerine-jas, die tot op de draad afgesleten en zoo ruw als een rasp was. Uit de wijdopenstaande zakken van die jas kwamen bundels papier en brochures te voorschijn. Zonder zich te bekommeren om de opmerkzaamheid, waarmede hij opgenomen werd, nuttigde hij een portie zuurkool met worst, waarbij hij telkens een tevreden geknor liet hooren. Onder het eten door las hij een boek, dat open voor hem lag, en waarop hij nu en dan met een potlood, dat hij achter zijn oor had zitten, aanteekeningen maakte.

„Nou?” riep plotseling Schaunard uit en sloeg daarbij met zijn mes tegen zijn glas; „waar blijft mijn konijnenragout?”

„Mijnheer,” antwoordde het meisje, dat met een schotel in haar hand naar hem toe kwam, „die zijn er niet meer, dit is de laatste, en die is al door mijnheer besteld,” voegde zij eraan toe, terwijl zij den schotel voor den man met de boeken neerzette.

„Verduiveld!” riep Schaunard uit.

Er klonk zooveel melancholieke teleurstelling door in dat „Verduiveld!”, dat de man met de boeken er door getroffen werd. Hij schoof den wal van boeken, die zich tusschen hem en Schaunard verhief, op zij en zeide, terwijl hij den schotel tusschen hen in zette, op den zachtsten toon, dien hij in zijn stem leggen kon:

„Zou ik het genoegen mogen hebben dit gerecht met u te deelen?”

„Mijnheer,” antwoordde Schaunard, „ik zou er u niet gaarne van berooven.” [23]

„U zult mij dus van het genoegen willen berooven, u een dienst te bewijzen.”

„Als u het zoo opvat, mijnheer....” En Schaunard schoof zijn bord bij.

„Veroorloof mij u den kop niet aan te bieden,” zeide de vreemdeling.

„Daar kan ik niet in komen, mijnheer,” riep Schaunard uit.

Maar toen hij zijn bord weer naar zich toe trok, zag hij, dat de vreemdeling hem juist dat gedeelte gegeven had, dat hij zeide voor zichzelf te willen houden.

„Wat?” bromde Schaunard in zichzelf, „wil hij me met zijn beleefdheid er tusschen nemen?”

„Al moge,” zeide de vreemdeling, „het hoofd het edelste deel van den mensch zijn, van het konijn is het juist het tegenovergestelde. Vandaar dan ook, dat er vele menschen zijn, die het niet kunnen uitstaan. Bij mij is het juist andersom. Ik aanbid het, om zoo te zeggen.”

„Dan spijt het mij dubbel,” zeide Schaunard, „dat gij u voor mij daarvan beroofd hebt.”

„Wat? ... pardon,” zeide de boekenman, „ik heb den kop voor mijzelf gehouden. Ik heb zelfs de eer gehad u te doen opmerken, dat....”

„Neem me niet kwalijk!” viel Schaunard hem in de rede, terwijl hij hem zijn bord onder de neus hield; „maar wat is dat dan voor een stuk?”

„Lieve Hemel! Wat zie ik, o goden? Nog een kop! Het is een bicephaal4 konijn!” riep de vreemdeling uit.

„Bice....” stotterde Schaunard.

„.....phaal. Dat komt van het Grieksch. Inderdaad noemt mijnheer de Buffon, die altijd manchetten droeg, voorbeelden van die eigenaardigheid. Maar werkelijk, [24]ik vind het inderdaad zeer aangenaam, zoo’n natuurwonder gegeten te hebben.”

Tengevolge van dat incident was het gesprek voor goed aan den gang. Schaunard, die in beleefdheid niet achter wilde blijven, bestelde een nieuwe flesch. De boekenman liet een tweede aanrukken. Schaunard offreerde salade, de man met de boeken toespijzen. Om acht uur stonden er zes ledige flesschen op tafel. Al pratende had de openhartigheid, die door de plengoffers van den rooden wijn besproeid was, hen ertoe gebracht elkaar hun levensloop te vertellen; zij kenden elkander reeds, alsof zij samen opgegroeid waren. Na de vertrouwelijke mededeelingen van Schaunard aangehoord te hebben, had de boekenman hem verteld, dat hij Gustave Colline heette; hij was wijsgeer van beroep en leefde van de lessen, die hij gaf in mathematica, scholastica, botanica en andere wetenschappen op ica.

Het weinige geld, dat hij met lesgeven verdiende, besteedde Colline voor het aankoopen van oude boeken. Zijn notenkleurige pèlerine was een goede bekende aan alle boekenstalletjes van den pont de la Concorde tot den pont Saint-Michel. Wat hij met al die boeken, waarvan het aantal zòò groot was, dat men ze in een menschenleeftijd niet had kunnen uitlezen, deed, wist niemand en hij zelf nog het allerminst. Maar die manie was bij hem een hartstocht geworden; en wanneer hij ’s avonds zonder een nieuw oud boek thuis kwam, paste hij het woord van Titus op zichzelf toe en zeide: „Ik heb een dag verloren laten gaan!” Zijn innemende manieren en zijn wijze van uitdrukken, die een bloemlezing van alle stijlen vormde, en de vreeselijke woordspelingen, waarmede hij zijn gesprek kruidde, hadden haar uitwerking op Schaunard niet gemist, die op staanden voet Colline permissie vroeg zijn naam te mogen inlasschen op de beroemde lijst, waarover wij reeds gesproken hebben. [25]

Tamelijk aangeschoten en met den gang van menschen, die pas een vertrouwlijk gesprek met wijnflesschen gevoerd hebben, verlieten zij tegen negen uur la mère Cadet.

Colline noodigde Schaunard uit met hem een kop koffie te gaan drinken, wat deze aannam op voorwaarde dat de pousse-café voor zijn rekening was. Zij gingen een café binnen in de rue Saint-Germain-l’Auxerrois, dat op zijn uithangbord Momus, den god der Spelen en van het Lachen, had.

Toen zij binnenkwamen, was er juist een hevige discussie begonnen tusschen twee stamgasten. Een van hen was een jonge man, wiens gelaat zoo goed als geheel verloren ging in een zware, veelkleurige baard. Als een tegenstelling tot dien overvloed van kinhaar was zijn voorhoofd zoo kaal als een biljartbal; een klein groepje haren, die zoo weinig talrijk waren, dat men ze zeer makkelijk zou kunnen tellen, trachtte vergeefs die kaalheid te verbergen. Hij droeg een zwarte, aan de ellebogen glad geschaafde jas, die, wanneer hij zijn armen te hoog oplichtte, een paar onder de schouders aangebrachte luchtgaatjes liet zien. Zijn broek kon desnoods nog voor zwart doorgaan, maar zijn schoenen, die nooit nieuw geweest waren, schenen reeds meermalen aan de voeten van den Wandelenden Jood de reis om de wereld gemaakt te hebben.

Schaunard had opgemerkt, dat zijn vriend Colline en de jonge man met de groote baard elkaar gegroet hadden.

„Ken je dien mijnheer?” vroeg hij aan den wijsgeer.

„Kennen bepaald niet,” antwoordde deze, „maar ik zie hem wel eens in de Bibliotheek. Ik geloof, dat het een schrijver is.”

„Zijn kleeding wijst er tenminste wel op,” antwoordde Schaunard.

De persoon, met wien de jonge man het aan den stok [26]had, was iemand van een jaar of veertig, die, zooals uit zijn groot hoofd, dat zonder overgang van den hals tusschen zijn beide schouders zat, op te maken was, ongetwijfeld aan een beroerte sterven zou. De onnoozelheid was in groote letters op zijn laag, met een klein zwart kalotje bedekt voorhoofd te lezen. Hij heette mijnheer Mouton en was ambtenaar op de mairie van het vierde arrondissement, waar hij de overlijdensregisters bijhield.

„Mijnheer Rodolphe!” riep hij met een eunuch-orgaan uit, terwijl hij den jongen man, dien hij aan een knoop van zijn jas vasthield, heen en weer schudde, „wil ik u mijn meening eens zeggen? Nou, al die couranten dienen tot niets. Kijk eens, laten we eens veronderstellen: ik ben een huisvader, niet waar? .... goed ... Ik kom hier in het café een partij domino spelen. Volg nu goed mijn redeneering.”

„Verder, verder!” zeide Rodolphe.

„Welnu,” ging vader Mouton voort, terwijl hij iederen zin scandeerde met een vuistslag, die de flesschen en glazen op het tafeltje deed rinkelen; „welnu, ik kijk de couranten eens in, goed .... Wat zie ik? De een zegt wit, de ander zegt zwart, enzoovoort, enzoovoort. Wat heb ik daaraan? Ik ben een goed huisvader, die hier komt om ....”

„Zijn partijtje domino te spelen,” zeide Rodolphe.

„Iederen avond,” ging mijnheer Mouton voort. „Nou, laten we eens veronderstellen: Je begrijpt ....”

„Heel goed!” zeide Rodolphe.

„Ik lees een artikel, waar ik het niet mee eens ben. Dat maakt me woedend, en ik verbijt me, ziet u, mijnheer Rodolphe, al die couranten is leugenpak. Ja, leugenpak!” krijschte hij in de hoogste tonen van zijn faussetstem, en de journalisten zijn bandieten en prutsschrijvers.”

„Maar toch, mijnheer Mouton ....”

„Ja, bandieten,” ging deze voort. „Zij zijn de oorzaak [27]van alle ongelukken in de wereld; zij hebben de revolutie en de assignaten gemaakt; bewijs: Murat.”

„Pardon,” viel Rodolphe hem in de rede; „u bedoelt Marat.”

„Waarachtig niet, waarachtig niet,” ging Mouton voort; „Murat; ik heb hem zien begraven, toen ik nog een kleine jongen was ....”

„Maar ik verzeker u ....”

„Ze hebben nog een stuk over hem in het Cirque gegeven ....”

„Ja juist, precies,” zeide Rodolphe: „dat is Murat.”

„Maar dat zeg ik al een uur lang,” riep de stijfkoppige Mouton uit. „Murat, die in een kelder werkte, wat? Welnu, laten we eens veronderstellen. Hebben de Bourbons geen gelijk gehad om hem te guillotineeren, omdat hij hen verraden had?”

„Wien? Geguillotineerd! Verraden! Wat?” riep Rodolphe uit, die nu op zijn beurt mijnheer Mouton bij den knoop van zijn jas pakte.

„Wel Marat!”

„O God, neen, neen, mijnheer Mouton, Murat. Laten we elkaar voor den donder eindelijk begrijpen!”

„Ja zeker. Murat, een hondsvot. Hij heeft den keizer in 1815 verraden. Daarom beweerde ik, dat alle couranten één pot nat zijn,” ging mijnheer Mouton voort, daarbij op het voornaamste punt van zijn rede, die hij een verklaring placht te noemen, terugkomend. „Weet u wat ik zou willen, mijnheer Rodolphe? Welnu, laten we eens veronderstellen .... Ik zou een goede courant willen ... O, niet groot ... goed, en een die geen phrases maakt ... Zoo!”

„U bent veeleischend,” viel Rodolphe hem in de rede. „Een courant zonder phrasen!”

„Ja, zeker. Let nu goed op!”

„Dat probeer ik!” [28]

„Een courant, die alleen berichten geeft over den gezondheidstoestand van den koning en de goederen der aarde. Want wat heb je ten slotte aan al die couranten, wanneer je er niets van begrijpt? Laten we eens veronderstellen: Ik ben op het stadhuis, niet waar? Ik houd mijn registers bij, prachtig! Welnu, het is net als wanneer ze tegen me zouden zeggen: „Mijnheer Mouton, u schrijft de sterfgevallen in, welnu, doe nu dit eens, doe nu dat eens. Welnu, wat moet dat, wat moet dat? Welnu, met de couranten is het precies zoo,” eindigde hij zijn redeneering.

„Zeer juist!” merkte iemand, die naast hem zat en de uiteenzetting begrepen had, op.

En mijnheer Mouton ging, nadat hij de gelukwenschen van eenige stamgasten, die het met hem eens waren, in ontvangst genomen had, verder met zijn partijtje domino.

„Ik heb hem eens flink op zijn plaats gezet,” zeide hij, terwijl hij op Rodolphe wees, die aan het tafeltje van Schaunard en Colline was gaan zitten.

„Wat een stommeling!” zeide deze tot de twee jonge lui, terwijl hij naar den ambtenaar wees.

„Hij heeft dan ook een prachtigen kop met zijn wenkbrauwen als rijtuigkappen en zijn kalfsoogen,” merkte Schaunard op, terwijl hij een prachtig doorgerookten neuswarmer uit zijn zak haalde.

„Bliksems, mijnheer,” zeide Rodolphe, „wat een mooie pijp hebt u daar!”

„O, ik heb nog een heel wat mooiere, als ik uit ga,” zeide Schaunard onverschillig. „Geef me even wat tabak, Colline.”

„Lieve Hemel,” riep de wijsgeer uit, „mijn tabak is op.”

„Sta mij toe u wat aan te bieden,” zeide Rodolphe, terwijl hij een pakje tabak uit zijn zak haalde en op tafel zette.

Colline meende die beleefdheid met het offreeren van een rondje te moeten beantwoorden. [29]

Rodolphe meende niet te kunnen weigeren. Het gesprek kwam op de litteratuur. Rodolphe, naar zijn door zijn kleeding reeds verraden beroep gevraagd, erkende zijn betrekkingen tot de Muzen en bestelde een tweede rondje. Toen de kellner de flesch wilde medenemen, vroeg Schaunard hem die maar te laten staan. Hij had in een van Colline’s zakken het zilveren duo van twee vijffrancstukken hooren weerklinken. Rodolphe had weldra het niveau van openhartigheid bereikt, waarop de beide vrienden zich reeds bevonden, en deed hun op zijn beurt vertrouwelijke mededeelingen.

Zij zouden zeker den nacht in het café hebben doorgebracht, indien men hun niet was komen vragen heen te gaan. Zij waren nog geen tien pas verder, waarover zij tusschen twee haakjes een kwartier gedaan hadden, toen zij door een stortbui overvallen werden. Colline en Rodolphe woonden aan de twee tegenovergestelde uiteinden van Parijs, de eene in Ile-Saint-Louis, de andere in Montmartre.

Schaunard, die totaal vergeten was, dat hij geen onderdak meer had, stelde hun voor naar zijn kamer te gaan.

„Ga met mij mede,” zeide hij, „ik woon hier vlak bij; wij zullen den nacht doorbrengen met praten over litteratuur en schoone kunsten.”

„En dan maak jij muziek en moet Rodolphe ons zijn gedichten voordragen,” zeide Colline.

„Waarachtig, zeker,” voegde Schaunard eraan toe, „we moeten lachen en vroolijk zijn, we leven maar eens.”

Voor zijn huis gekomen, dat Schaunard slechts met moeite herkende, ging hij op een paaltje zitten wachten op Rodolphe en Colline, die bij een nog open zijnden wijnhandelaar de eerste elementen van een souper waren gaan halen. Toen zij terug waren, klopte Schaunard meermalen hard op de deur, want hij herinnerde zich [30]vaag, dat de concierge de gewoonte had hem te laten wachten. Eindelijk ging de deur open en vader Durand, die in de heerlijkheden van den eersten slaap verzonken was en zich niet herinnerde, dat Schaunard zijn huurder niet meer was, maakte volstrekt geen tegenwerpingen, toen deze zijn naam door het schuifraampje geroepen had.

Toen zij alle drie boven op de trap waren (een even lange als moeilijke klimpartij), uitte Schaunard, die voorop liep, een kreet van verbazing, toen hij den sleutel in het slot van zijn kamerdeur zag steken.

„Wat is er?” vroeg Rodolphe.

„Ik begrijp er niets van,” mompelde hij, „ik vind in het slot den sleutel, dien ik vanmorgen medegenomen heb. Enfin, we zullen zien. Ik had hem in mijn zak gestoken. Wel, alle duivels, daar heb je hem nog,” riep hij uit, terwijl hij den sleutel liet zien.

„Dat is tooverij!”

„Phantasmagorie,” zeide Colline.

„Phantasie,” voegde Rodolphe eraan toe.

„Maar,” ging Schaunard voort, en in zijn stem beefde angst, „hooren jullie dat?”

„Wat?”

„Wat?”

„Mijn piano, die uit zichzelf speelt, ut, la mi ré do, la si sol, ré. Vervloekte ré, die zal altijd valsch blijven!”

„Maar dan is dat zeker jouw kamer niet,” zeide Rodolphe, die Colline, op wien hij zwaar leunde, in het oor fluisterde:

„Hij is dronken!”

„Dat geloof ik ook. In de eerste plaats is dat geen piano, maar een fluit.”

„Maar jij bent ook dronken, mijn waarde,” antwoordde de dichter den wijsgeer, die op den steenen vloer was gaan zitten. „Het is een viool.” [31]

„Een vio ... Ha, ha! Luister eens, Schaunard,” stamelde Colline, terwijl hij zijn vriend aan zijn beenen trok, „die is goed! Mijnheer daar beweert, dat het een vio ....”

„Alle duivels!” riep Schaunard, thans zeer angstig, uit; „mijn piano speelt nog altijd, dat is tooverij!”

„Phantasma .... gorie,” huilde Colline, terwijl hij een der flesschen, die hij in zijn hand had, liet vallen.

„Phantasie,” krijschte op zijn beurt Rodolphe.

Midden onder dat lawaai ging plotseling de deur open en zagen zij op den drempel iemand verschijnen met een drie-armigen kandelaar, waarin rose kaarsen brandden.

„Wat is er van uw dienst, heeren?” vroeg hij, terwijl hij beleefd de drie vrienden groette.

„Lieve Hemel, wat heb ik gedaan? Ik heb mij vergist, dit is mijn kamer niet,” zeide Schaunard.

„Mijnheer,” voegden Colline en Rodolphe gezamenlijk eraan toe: „wees zoo goed onzen vriend te excuseeren; hij is zoo dronken als een ladder.”

Plotseling schoot een lichtstraal door het benevelde brein van Schaunard; hij had op zijn deur deze met krijt geschreven woorden gelezen:

„Ik ben driemaal hier geweest, om mijn Nieuwjaarsgeschenken te halen.

Phémie.”

„Waarachtig, maar ik ben wel degelijk thuis!” riep hij uit; „daar heb je het visitekaartje, dat Phémie met Nieuwjaar heeft achtergelaten: het is dus wel mijn deur.”

„Lieve God, mijnheer,” zeide Rodolphe; „ik ben er werkelijk confuus van.”

„Wees overtuigd, mijnheer,” voegde Colline eraan toe, „dat ik een werkzaam aandeel neem in de confuusheid van mijn vriend.” [32]

De jonge man brak in een schaterlach uit.

„Als u even binnen wilt komen,” antwoordde hij, „dan zal uw vriend, zoodra hij de kamer gezien heeft, zijn dwaling wel erkennen.”

„Gaarne.”

De dichter en de wijsgeer namen ieder Schaunard bij een arm en brachten hem in de kamer, of liever in het paleis van Marcel, dien de lezer zeker reeds herkend heeft.

Schaunard keek eenigszins verward om zich heen en mompelde:

„Het is verwonderlijk, hoe veel mooier mijn kamer geworden is.”

„Nou, ben je nu overtuigd?” vroeg Colline hem.

Maar Schaunard had zijn piano in het oog gekregen, ging er naar toe en begon gamma’s te spelen.

„He, luisteren jullie eens,” zeide hij, terwijl hij verschillende accoorden aansloeg; „Bravo, het dier heeft zijn baas herkend: si la sol, fa mi ! O, bliksemsche ré! Jij verandert ook nooit. Ik zie wel, dat het mijn instrument is.”

„Hij houdt vol,” zeide Colline tot Rodolphe.

„Hij houdt vol,” herhaalde Rodolphe tegen Marcel.

„En dat dan,” ging Schaunard voort, terwijl hij op den met sterren en loovertjes bezaaiden rok, die over een stoel geworpen was, wees, „dat is ook zeker mijn ambtsgewaad niet?”

En hij keek Marcel uitdagend aan.

„En dat dan,” vervolgde Schaunard en trok het deurwaardersexploot, waarvan hierboven sprake was, van den muur.

En hij begon te lezen:

„Dientengevolge zal mijnheer Schaunard gehouden zijn genoemde woning te ontruimen en haar in goeden en bewoonbaren staat terug te geven den achtsten April [33]vòòr twaalf uur des namiddags. Ten bewijze daarvan heb ik hem deze acte ter hand gesteld, waarvan de kosten vijf francs bedragen. Nou, ben ik nou mijnheer Schaunard niet, wien de kamer bij deurwaardersexploot opgezegd wordt en wien men gezegelde stukken, waarvan de kosten vijf francs bedragen, vereert? En dan dat nog,” ging hij voort, toen hij zijn pantoffels aan de voeten van Marcel zag; „zijn dat niet mijn muiltjes, geschenk van een mij dierbare hand? Mijnheer,” zoo wendde hij zich nu tot Marcel, „thans is het aan u, om uw aanwezigheid in mijn laren en penaten te verklaren.”

„Mijne heeren,” antwoordde Marcel en hij richtte zich hierbij in het bijzonder tot Colline en Rodolphe, „mijnheer,” en hij wees op Schaunard, „mijnheer is op zijn kamer, ik beken het eerlijk.”

„Zoo,” riep Schaunard uit, „dat is maar gelukkig ook.”

„Maar,” vervolgde Marcel, „ook ik ben op mijn kamer.”

„Maar mijnheer,” viel Rodolphe hem in de rede, „als onze vriend toch ....”

„Ja,” vervolgde Colline, „als onze vriend ....”

„En als u u van uw kant herinnert, dat ....”, voegde Rodolphe eraan toe, „hoe komt het dan ....”

„Ja,” echode Colline, „hoe komt het dan ....”

„Neem plaats heeren,” antwoordde Marcel, „dan zal ik u het mysterie ophelderen.”

„Wat zoudt u ervan zeggen, als we die opheldering eens besproeiden?” waagde Colline op te merken.

„En daarbij familiaar een stukje aten?” voegde Rodolphe eraan toe.

De vier jonge mannen zetten zich aan tafel en openden een hevigen aanval op een stuk koud kalfsvleesch, dat de wijnhandelaar hun afgestaan had.

Marcel legde toen uit, wat er dien ochtend, toen hij [34]was komen verhuizen, tusschen hem en den huisbaas was voorgevallen.

„Derhalve,” zeide Rodolphe, „heeft mijnheer volkomen gelijk, wij zijn zijn gasten.”

„Pardon, u bent hier thuis,” antwoordde Marcel beleefd.

Het kostte echter ontzaglijke moeite, om Schaunard aan zijn verstand te brengen wat er gebeurd was. Een komisch incident maakte de zaak nog ingewikkelder. Schaunard, die in een kast naar God weet wat zocht, ontdekte daarin het kleingeld, dat Marcel dien ochtend van zijn vijfhonderd francs teruggekregen had.

„Ha,” riep hij uit, „ik wist wel, dat mijn vriend, het toeval, mij niet in den steek zou laten. Ik herinner me nu, dat ik van morgen uitgegaan ben, om hem te zoeken ..... Voor die huurtermijnen, dat is waar ook; hij is zeker in mijn afwezigheid hier geweest. Wij hebben elkaar misgeloopen, dat is alles. Het is toch maar heel verstandig van me geweest den sleutel op de kast te laten.”

„Zoete dwaasheid!” mompelde Rodolphe, toen hij zag hoe Schaunard de geldstukken in even hooge hoopen opstapelde.

„Droom en bedrog, dat is het leven,” voegde de wijsgeer eraan toe.

Marcel lachte.

Een uur later lagen zij alle vier in een diepen slaap.

Den volgenden middag om twaalf uur werden zij wakker; in den beginne waren zij niet weinig verwonderd elkaar daar te vinden: Schaunard, Colline en Rodolphe schenen elkaar zelfs niet te herkennen en noemden elkaar mijnheer. Marcel moest er hen aan herinneren, dat zij den vorigen avond met elkaar bij hem gekomen waren.

Op dat oogenblik kwam Durand in de kamer.

„Mijnheer,” zeide hij tot Marcel, „het is vandaag de [35]negende April achttien honderd en veertig ... het is modderig op straat, en Z. M. Louis-Philippe is nog steeds koning van Frankrijk en Navarre. Lieve Hemel,” riep vader Durand uit, toen hij zijn ouden huurder zag, „daar heb je mijnheer Schaunard. Hoe bent u hier gekomen?”

„Per telegraaf,” antwoordde Schaunard.

„Hoor hem eens aan,” zeide de concierge, „u bent nog de oude grappenmaker!”

„Durand,” zeide Marcel, „ik houd er niet van, dat de livrei zich in mijn gesprekken mengt; je gaat naar het dichtstbijzijnde restaurant en laat een dejeuner voor vier personen boven brengen. Hier heb je de spijskaart,” voegde hij eraan toe, terwijl hij hem een stukje papier met het menu erop gaf. „En een beetje vlug.”

„Heeren,” ging Marcel voort, „u hebt mij gisteren avond een souper aangeboden, laat mij u nu hedenmorgen een dejeuner aanbieden, niet bij mij, maar bij u,” voegde hij eraan toe, terwijl hij Schaunard zijn hand toestak.

Na afloop van het dejeuner vroeg Rodolphe het woord.

„Heeren,” zeide hij, „staat mij toe, dat ik u verlaat ....”

„O neen,” zeide Schaunard op sentimenteelen toon, „laten we elkaar niet meer verlaten.”

„Dat is zoo,” merkte Colline op; „je bent hier erg op je gemak.”

„U een oogenblik verlaat,” ging Rodolphe voort, „morgen verschijnt de Echarpe d’Iris5, een mode-tijdschrift, waarvan ik hoofdredacteur ben, en ik moet de drukproeven nog corrigeeren. Binnen een uur ben ik terug.”

„Alle duivels,” zeide Colline; „dat brengt mij op de gedachte, dat ik les moet geven aan een Indischen prins, [36]die naar Parijs gekomen is, om Arabisch te leeren.”

„Geef die les morgen,” zeide Marcel.

„Neen, dat gaat niet,” antwoordde de wijsgeer: „de prins zou mij vandaag betalen. En bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat deze schoone dag voor mij bedorven zou zijn, indien ik niet even langs de boekenstalletjes loop.”

„Maar je komt toch terug?” vroeg Schaunard.

„Met de snelheid van een met zekere hand afgeschoten pijl,” antwoordde de wijsgeer, die van excentrieke beeldspraak hield.

En hij ging met Rodolphe weg.

„Maar,” zeide Schaunard, toen hij met Marcel alleen gebleven was, „indien ik, in plaats van me hier te koesteren op het kussen van het dolce far niente, wat goud ging zoeken om de begeerigheid van mijnheer Bernard te stillen?”

„Maar,” zeide Marcel ongerust; „wil je dan nog steeds verhuizen?”

„Lieve God, ik moet wel,” antwoordde Schaunard, „ik heb immers een exploot, waarvan de kosten vijf francs zijn, gekregen.”

„Maar,” vervolgde Marcel, „als je verhuist, dan neem je zeker je meubels mee?”

„Ja, dat is mijn bedoeling, ik laat hier geen haar achter, zooals mijnheer Bernard zegt.”

„Duivels, dat zal me leelijk in verlegenheid brengen, want ik heb je kamers gemeubileerd gehuurd.”

„Waarachtig, dat is waar ook,” zeide Schaunard. „Maar,” voegde hij er melancholiek aan toe, „er is geen enkele aanwijzing, dat ik vandaag of morgen of wanneer ook mijn vijf-en-zeventig francs zal vinden.”

„Maar wacht even,” riep Marcel uit, „ik heb een idee.”

„Laat hooren,” zeide Schaunard. [37]

„De zaak staat zoo: wettelijk behoort de woning aan mij, omdat ik een maand vooruit betaald heb.”

„De woning, ja; maar als ik betaal, neem ik de meubelen wettelijk mede; en als het mogelijk was, zou ik ze zelfs onwettelijk medenemen.”

„Zoodat,” zeide Marcel, „jij de meubels en geen woning, en ik een woning en geen meubels heb.”

„Dat klopt,” zeide Schaunard.

„Maar mij bevalt de woning uitstekend.”

„En mij,” merkte Schaunard op, „mij beviel ze nooit meer.”

„Wat zeg je?”

„Nooit .... meer. Ik weet heel goed, wat ik zeg.”

„Welnu, dan kunnen we het op een accoordje gooien,” meende Marcel; „blijf bij me, ik lever de woning en jij levert de meubelen.”

„En de huur?” vroeg Schaunard.

„Daar ik nu geld heb, betaal ik ditmaal; den volgenden keer is het jouw beurt. Denk er eens over na.”

„Ik denk nooit na, vooral niet om een voorstel aan te nemen, dat in mijn geest valt; ik neem het zonder bedenken aan. Bovendien zijn schilder- en dichtkunst zusters.”

„Schoonzusters,” vond Marcel.

Op dat oogenblik kwamen Colline en Rodolphe, die elkaar op straat ontmoet hadden, terug.

Marcel en Schaunard stelden hen van hun vennootschap in kennis.

„Heeren,” riep Rodolphe uit, terwijl hij het in zijn broekzak liet rinkelen, „ik offreer het gezelschap een diner.”

„Dat was juist mijn plan ook,” zeide Colline, terwijl hij uit zijn zak een goudstuk haalde, dat hij als een monocle naar zijn oog bracht. „Mijn prins heeft mij dat gegeven voor een Hindostansch-Arabische grammatica, die ik zooeven voor zes stuivers gekocht heb.” [38]

„En ik,” zeide Rodolphe, „heb mij door den kassier van de Echarpe d’Iris een voorschot laten geven van dertig francs, onder voorgeven, dat ik mij moest laten inenten.”

„Het is vandaag dus Heiligendag,” zeide Schaunard; „ik alleen heb niets gekregen, dat is toch vernederend.”

„Intusschen,” viel Rodolphe hem in de rede, „handhaaf ik mijn uitnoodiging voor een diner.”

„En ik ook,” zeide Colline.

„Nou,” zeide Rodolphe, „dan zullen we opgooien, wie betalen zal.”

„Neen,” riep Schaunard uit, „ik weet wat beters, om jullie uit die moeilijkheid te helpen, heel wat beters.”

„En dat is?”

„Rodolphe betaalt het diner, en Colline geeft een souper.”

„Een Salomo-oordeel,” riep de wijsgeer uit.

„Dan zal het vandaag nog erger toegaan dan op de bruiloft van Camacho,”6 meende Marcel.

Het diner had plaats in een provençaalsch restaurant in de rue Dauphine, dat bekend was door zijn litteraire kellners en zijn ayoli-gerechten. Daar zij nog een plaatsje over moesten houden voor het souper, dronken en aten zij matig. De den vorigen avond tusschen Colline en Schaunard, en later met Marcel aangeknoopte kennismaking werd nu intiemer; de vier jonge mannen heschen de vlag van hun kunstinzichten, en alle vier erkenden, dat zij met denzelfden moed en dezelfde verwachtingen bezield waren. Al pratende en debatteerende, bemerkten zij, dat zij gemeenschappelijke sympathieën hadden, dat zij allen dien zin voor en die behendigheid hadden in geestige schermutselingen, welke opvroolijken, zonder te [39]kwetsen; dat alle mooie deugden der jeugd leefden in hun harten, die door het zien of hooren van iets moois makkelijk in geestdrift waren te brengen. Alle vier, van hetzelfde punt uitgegaan, om hetzelfde doel te bereiken, waren van oordeel, dat iets anders dan het banale spel van het toeval hen had samengebracht, en dat misschien de Voorzienigheid, de natuurlijke beschermster der verlatenen, hen zoo samenvoerde en hun heel zacht het woord van het Evangelie influisterde, dat eigenlijk de eenige wet voor de geheele menschheid moest zijn: „Helpt elkander en hebt elkander lief!”

Tegen het einde van het diner, dat een eenigszins ernstig karakter had aangenomen, stond Rodolphe op, om een toast uit te brengen op de toekomst; Colline antwoordde met een kleine toespraak, die aan geen enkel boek ontleend en vrij van alle oratorische wendingen was, maar heel eenvoudig de simpele taal der natuur sprak, die zoo goed doet begrijpen wat zoo slecht gezegd wordt.

„De philosoof lijkt wel niet wijs!” mompelde Schaunard, over zijn glas gebogen; „nu dwingt hij me water in mijn wijn te doen.”

Na het diner gingen ze een pousse-café drinken in Momus, waar zij den vorigen dag den avond ook reeds hadden doorgebracht. Van dien dag af was het daar voor de overige gasten niet meer uit te houden.

Na de koffie en de daarbij behoorenden likeuren ging de nu voor goed opgerichte bohème-clan terug naar de kamer van Marcel, die voortaan den naam Elysée Schaunard droeg. Terwijl Colline het door hem beloofde souper ging bestellen, haalden de anderen voetzoekers, vuurpijlen en andere stukken vuurwerk; en voor zij aan tafel gingen, staken zij uit een der vensters een prachtig vuurwerk af, dat het heele huis op stelten zette en gedurende hetwelk de vier vrienden uit volle borst zongen: [40]

„Célébrons, célébrons, célébrons ce beau jour!”

Den volgenden ochtend vonden zij elkaar weer terug, doch ditmaal zonder zich erover te verwonderen. Voor zij ieder weer tot hun werk terugkeerden, gingen ze gezamenlijk eenvoudig dejeuneeren in Momus, waar ze afspraken des avonds weer te zullen bijeenkomen en waar men hen gedurende langen tijd dagelijks weer zag verschijnen.

Dit zijn de hoofdpersonen, die men zal ontmoeten in de kleine verhalen, waaruit dit boek bestaat, dat volstrekt geen roman is en geen andere pretentie heeft dan die door zijn titel aangegeven; want de tooneelen uit het Parijsche kunstenaars-leven zijn inderdaad niets anders dan zedenstudiën, waarvan de helden behooren tot een tot dusver verkeerd beoordeelde klasse, wier grootste gebrek een beetje losbandigheid is, en die nog als excuus kunnen aanvoeren, dat die losbandigheid een noodzakelijkheid is, welke het leven hun oplegt. [41]


1 Een hôtel in de tegenwoordige rue-Jean-Jacques-Rousseau, waarin meubelverkoopingen gehouden werden.

2 Een bekend soort, met brons ingelegde meubelen.

3 De in het quartier latin gebruikelijke naam voor het Théâtre du Luxembourg.

4 Tweehoofdig.

5 De Regenboog.

6 Een beroemde slemppartij uit Cervantes’ Don Quichotte, beschreven in hoofdstuk XX van dat werk.

[Inhoud]

Hoofdstuk II.

Een gezant der Voorzienigheid.

Schaunard en Marcel, die reeds van den vroegen ochtend af dapper aan het werk waren, hielden plotseling op.

„Alle duivels, wat heb ik een honger!” zeide Schaunard; en hij voegde er langs zijn neus weg aan toe: „Wordt er vandaag niet gedejeuneerd?”

Marcel scheen over die meer dan ooit ongelegen komende vraag zeer verbaasd:

„Sedert wanneer wordt er twee dagen achter elkaar gedejeuneerd?” zeide hij. „Het was gisteren Donderdag.”

En, om zijn antwoord als het ware meer kracht bij te zetten, wees hij met zijn schilderstokje op het gebod der Kerk.

„Vendredi chair ne mangeras,

Ni autre chose pareillement.”

Schaunard kon geen antwoord vinden en begon weer te werken aan zijn schilderij, dat een vlakte voorstelde met een rooden en een blauwen boom, die elkaar een hand- of liever takdruk gaven. Een zeer duidelijke en inderdaad ook zeer philosophische toespeling op de heerlijkheden der vriendschap.

Op dat oogenblik klopte de concierge aan de deur. Hij bracht een brief voor Marcel.

„Drie sous,” zeide hij. [42]

„Heusch?” antwoordde de kunstenaar. „Die mag je houden.”

En hij sloeg de deur voor zijn neus dicht.

Marcel verbrak het zegel en las. Bij de eerste woorden reeds begon hij te springen als een acrobaat en hief luidkeels het volgende lied, dat bij hem de hoogste graad van verrukking was, aan:

„Y’avait quat’ jeunes gens du quartier

Ils étaient tous les quatre malades;

On les a m’nés à l’Hôtel-Dieu

Eu! eu! eu! eu!

„Prachtig,” zeide Schaunard en vervolgde:

„On les a mis dans un grand lit,

Deux à la tête et deux au pied.

Dat kennen we al.”

Marcel ging door:

„Ils virent arriver un’ petit’ soeur,

Eur! eur! eur! eur!”

„Als je niet oogenblikkelijk ophoudt,” zeide Schaunard, die reeds symptomen van hersenverweeking begon te voelen, „dan ga ik het allegro van mijn symphonie over den Invloed van het Blauw in de Kunsten spelen.”

En hij stapte reeds naar zijn piano.

Dit dreigement werkte als een droppel koud water, die in een borrelende vloeibare massa valt.

Marcel kalmeerde als door een tooverslag.

„Hier!” zeide hij, terwijl hij den brief aan zijn vriend gaf; „lees!”

Het was een uitnoodiging voor een diner van een député, een verlicht beschermer der kunsten in het algemeen [43]en in het bijzonder van Marcel, die een schilderij van zijn landhuis gemaakt had.

„Dat is voor vandaag,” zeide Schaunard; „jammer, dat het geen invitatie voor twee personen is. Maar daar bedenk ik me, dat jouw député ministerieel gezind is; je kan, je mag die uitnoodiging niet aannemen: je principes verbieden je brood te eten, dat gedrenkt is in het zweet van het volk.”

„Ba!” zeide Marcel, „mijn député behoort tot de linkerzijde van het centrum; hij heeft pas nog tegen de regeering gestemd. Bovendien zal hij wel een opdracht voor me hebben, en hij heeft me beloofd mij in andere kringen te introduceeren. En al is het ook vandaag honderd maal Vrijdag, ik heb een honger als Ugolino in zijn toren; ik wil vandaag dineeren en daarmede basta!”

„Er zijn nog andere hinderpalen,” ging Schaunard voort, die zijn jaloerschheid op het fortuintje, dat zijn vriend ten deel viel, niet bedwingen kon. „Je kunt toch niet zoo in je roode trui en met je sjouwerspet op gaan dineeren.”

„Ik zal van Rodolphe of Colline een pak leenen.”

„Jeugdige dwaas! Ben je vergeten, dat wij den twintigsten van de maand voorbij zijn en dat om dezen tijd de kleeren van die heeren bij oom Jan logeeren?”

„Maar ik zal toch vòòr vijf uur wel een zwart pak vinden,” zeide Marcel.

„Ik heb drie weken noodig gehad, om er een te vinden, toen ik naar de bruiloft van mijn neef moest—en dat was toch in het begin van Januari.”

„Nou dan ga ik zoo!” antwoordde Marcel, terwijl hij met groote passen de kamer op en en neer liep. „Van mij zal niet gezegd worden, dat een armzalige quaestie van etiquette mij heeft weerhouden den eersten stap in de wereld te doen.”

„O ja, dat is waar ook!” viel Schaunard, die het blijkbaar [44]pleizierig vond zijn vriend te plagen; „hoe staat het met je schoenen?”

Marcel ging in een toestand van niet te beschrijven opwinding weg. Na verloop van twee uur kwam hij terug met een boord.

„Dat is alles wat ik heb kunnen vinden,” zeide hij met een deerniswaardig gezicht.

„Daarvoor hadt je waarachtig niet zoo behoeven rond te loopen,” antwoordde Schaunard; „we hebben hier papier genoeg, om er een dozijn te maken.”

„Maar alle duivels!” riep Marcel uit en rukte daarbij de haren uit zijn hoofd; „we moeten hier toch kleeren hebben.”

En in alle hoekjes en gaatjes der beide kamers begon hij een nauwgezet onderzoek.

Na een uur zoekens had hij het volgende costuum bij elkaar:

Een geruite broek.

Een grijze hoed.

Een roode das.

Een eertijds witte handschoen.

Een zwarte handschoen.

„Daar zijn in geval van nood ten minste twee zwarte handschoenen uit te maken,” zeide Schaunard. „Maar wanneer je aangekleed bent, zal je er uitzien als het zonnespectrum. Doch dat is minder—je bent schilder.”

Intusschen paste Marcel de schoenen.

O ramp! Ze waren beide van denzelfden voet.

Daar zag de wanhopige kunstenaar in een hoek een ouden schoen, waarin ze gewoonlijk hun leege verfblazen gooiden. Hij maakte er zich meester van.

„Van kwaad tot erger,” zeide zijn ironische makker: „de een is puntig en de ander breed van voren.”

„Dat zie je niet; ik zal ze lakken.” [45]

„Dat is een idée! Nu ontbreekt je alleen nog de onontbeerlijke rok.”

„O,” zeide Marcel, terwijl hij zich van woede in zijn vuisten beet „ik zou tien jaar van mijn leven en mijn rechterhand geven, als ik er een had.”

Op dit oogenblik hoorden zij opnieuw op de deur kloppen. Marcel ging open doen.

„Mijnheer Schaunard?” zeide een vreemdeling, die op den drempel bleef staan.

„Dat ben ik,” antwoordde de schilder en verzocht hem binnen te komen.

„Mijnheer,” zeide de onbekende, die een van die trouwhartige gezichten had, welke den provinciaal kenmerken, „mijn neef heeft me verteld, dat u zoo mooi portretten kunt schilderen; en daar ik op het punt sta een reis naar de koloniën te maken, als gedelegeerde der raffinadeurs van Nantes, zou ik gaarne een souvenir van mij aan mijn familie achterlaten. Daarom ben ik naar u toe gekomen.”

„O, heilige Voorzienigheid!” ... mompelde Schaunard. „Marcel, geef een stoel aan mijnheer....”

„Blancheron,” vulde de vreemdeling aan; „Blancheron uit Nantes, afgevaardigde van de suikerindustrie, oud-burgemeester van V...., kapitein van de garde nationale, en schrijver van een brochure over de suikerquaestie.”

„Ik voel mij zeer vereerd, dat ik door u gekozen ben,” zeide de artist, terwijl hij een buiging maakte voor den gedelegeerde der raffinadeurs. „En hoe wenscht u uw portret te hebben?”

„Een miniature, zooals dit,” antwoordde mijnheer Blancheron, terwijl hij op een portret in olieverf wees; want, zooals voor zoovele anderen, is voor den gedelegeerde alles, wat geen verf op huizen is, miniatuur: zij kennen geen middenweg. [46]

Dit naïeve antwoord deed Schaunard dadelijk begrijpen met wien hij te doen had, vooral toen de vreemdeling er nog aan toevoegde, dat hij gaarne zijn portret in fijne kleuren geschilderd wilde hebben.

„Ik gebruik nooit andere,” zeide Schaunard. „En in welke grootte wilt u uw portret?”

Zoo groot ongeveer,” antwoordde mijnheer Blancheron, op een doek van twintig francs wijzend. „Wat is de prijs daarvan?”

„Vijftig tot zestig francs; vijftig zonder handen en zestig met.”

„Drommels, mijn neef sprak van dertig francs.”

„Dat hangt af van het seizoen,” zeide de schilder; „in sommige tijden zijn de kleuren veel duurder.”

„Zoo, dat is dus net als met den suiker.”

„Precies eender.”

„Nou, voor vijftig francs dan,” zeide mijnheer Blancheron.

„Dat zou ik u niet aanraden; voor tien francs meer schilder ik u met uw suiker-brochure in uw handen, dat zal meer effect maken.”

„Waarachtig, u hebt gelijk!”

„Lieve Hemel,” zeide Schaunard in zichzelf; „als hij zoo doorgaat, dan barst ik nog los en gooi ik hem een van mijn stukken naar zijn hoofd.”

„Heb je gezien?” fluisterde Marcel hem in.

„Wat?”

„Hij heeft een rok.”

„Ik snap je en ik zal je helpen. Laat mij maar begaan.”

„Welnu, mijnheer,” zeide de gedelegeerde, „wanneer zullen we beginnen? We moeten niet te lang wachten, want ik vertrek eerstdaags.”

„Ik moet zelf een klein reisje maken; overmorgen verlaat ik Parijs. Als u het dus goed vindt, zullen we maar [47]dadelijk beginnen. Een flinke séance zal de zaak zeer bespoedigen.”

„Maar het zal zoo dadelijk donker zijn, en u kunt toch niet bij kunstlicht schilderen,” zeide mijnheer Blancheron.

„Mijn atelier is zòò ingericht, dat ik er op ieder uur van den dag kan werken...” viel de schilder hem in de rede. „Als u uw rok wilt uittrekken en de pose aannemen, zullen we beginnen.”

„Mijn rok uittrekken? Waarom?”

„Hebt u niet gezegd, dat het een portret voor uw familie moet zijn?”

„Zeker.”

„Dan moet u ook in een kamerjapon geschilderd worden. Dat is trouwens gewoonte ook.”

„Maar ik heb geen kamerjapon bij me.”

„Ik heb er een. Ik ben voor zulke gevallen ingericht,” zeide Schaunard en gaf zijn model een oud met verfvlekken overladen vod, dat den eerzamen provinciaal op het eerste gezicht deed aarzelen.

„Dat is al een heel raar kleedingstuk,” zeide hij.

„En heel kostbaar,” antwoordde de schilder. „Indertijd heeft een Turksch vizier het cadeau gegeven aan Horace Vernet, die het weer aan mij vermaakt heeft. Ik ben zijn leerling.”

„Bent u een leerling van Vernet?” vroeg Blancheron.

„Ja, mijnheer, en daar ben ik trotsch op.—Schande,” mompelde hij in zichzelf, „ik verloochen mijn goden.”

„Daar hebt u dan ook reden voor, jonge man,” antwoordde de gedelegeerde, terwijl hij de kamerjapon van zoo voorname afkomst aantrok.

„Hang den rok van mijnheer aan den porte-manteau,” zeide Schaunard met een beteekenisvollen blik tot zijn vriend.

„Zeg eens,” mompelde Marcel, terwijl hij zich op zijn [48]prooi wierp en heimelijk naar Blancheron wees „hij ziet er prachtig uit zoo! Als je hem zoo eens schilderen kon!”

„Ik zal het probeeren! Maar dat is van minder belang, kleed je gauw aan en maak, dat je weg komt, maar zorg, dat je om tien uur terug bent; ik zal hem wel tot zoo lang aan de praat houden. Maar vòòr alles, vergeet niet iets voor me mede te brengen.”

„Ik zal een ananas voor je meebrengen,” antwoordde Marcel en maakte, dat hij weg kwam.

Hij kleedde zich in vliegenden haast. De rok paste hem, alsof hij hem aangemeten was. Dan ging hij door de tweede deur van het atelier weg.

Schaunard was intusschen met werken begonnen. Toen het heelemaal donker geworden was, hoorde mijnheer Blancheron het zes uur slaan en bedacht zich, dat hij nog niet gedineerd had. Hij vertelde dat aan den schilder.

„Ik verkeer in hetzelfde geval, maar om u ter wille te zijn, zal ik mij daarvan vanavond maar speenen,” zeide Schaunard; „wel had ik voor vanavond een invitatie in den faubourg Saint-Germain, maar we kunnen het werk nu niet afbreken, dat zou schade doen aan de gelijkenis.”

En hij begon weer te werken.

„Maar,” zeide hij plotseling, „we zouden kunnen dineeren, zonder dat we ons werk onderbreken. Er is hier vlak bij een uitstekend restaurant, vanwaar ze ons alles, wat we willen, kunnen brengen.”

En Schaunard wachtte met spanning de uitwerking van zijn trio meervouden af.

„Ik ben het volkomen met u eens,” zeide mijnheer Blancheron, „en het zal mij aangenaam zijn, indien u mij de eer wilt aandoen aan tafel mijn gast te zijn.”

Schaunard maakte een buiging.

„Waarachtig,” zeide hij tot zichzelf, „het is een brave kerel, een ware gezant der Voorzienigheid. Wilt u het [49]menu maar opmaken?” vroeg hij aan zijn amphytrion.1

„Het zal mij aangenaam zijn, indien u zich daarmede belasten wilt,” antwoordde deze beleefd.

„Dat zal je berouwen,” zong de schilder, die vliegensvlug de trap afstormde.

Hij ging het restaurant binnen, liep naar de toonbank en stelde een menu samen, dat den Vatel2 in den winkel bij het lezen bleek deed worden.

„En goede Bordeaux.”

„Wie betaalt dat?”

„Ik waarschijnlijk niet,” zeide Schaunard; „maar een oom van me, een lekkerbek en fijnproever, dien u boven bij me zult zien. Zet dus je beste beentje voor en zorg, dat we binnen een half uur kunnen eten en denk erom, op echt porcelein.”


Om acht uur voelde mijnheer Blancheron reeds behoefte aan de borst van een vriend zijn denkbeelden over de suikerindustrie uit te storten, en declameerde hij voor Schaunard de brochure, die hij geschreven had.

Deze begeleidde hem op den piano.

Om tien uur dansten mijnheer Blancheron en zijn vriend een galop en tutoyeerden elkaar.

Om elf uur zwoeren zij elkaar eeuwige trouw en maakten een testament, waarin zij elkaar wederkeerig hun fortuin nalieten.

Om twaalf uur kwam Marcel thuis en vond ze in elkanders armen. Ze zwommen in tranen. Er stond al een halve duim water in het atelier. Marcel stootte zich tegen de tafel en zag de schitterende overblijfselen van het heerlijke festijn. Hij onderzocht de flesschen—zij waren totaal leeg. [50]

Hij wilde Schaunard wakker maken, maar deze dreigde hem te zullen vermoorden, als hij hem Mijnheer Blancheron, dien hij als hoofdkussen gebruikte, wilde ontrooven.

„Ondankbare!” zeide Marcel, terwijl hij uit zijn rokzak een handvol noten te voorschijn haalde. „Mij vermoorden, mij, die een diner voor hem meegebracht heb.” [51]


1 Gastheer.

2 Vatel was de hofkok van Lodewijk XIV.

[Inhoud]

Hoofdstuk III.

De liefde in den Vastentijd.

Op een avond in den vastentijd kwam Rodolphe al vroeg thuis met het vaste plan om te gaan werken. Doch nauwlijks had hij zich aan tafel gezet en zijn pen in den inktkoker gedoopt, toen zijn aandacht door een zonderling geluid getrokken werd; en toen hij luisterde aan het indiscrete beschot, dat hem van de kamer ernaast scheidde, hoorde hij heel duidelijk een regelmatigen dialoog van kussen en andere amoureuse klanknabootsingen.

„Drommels!” dacht Rodolphe, terwijl hij op de pendule keek, „het is nog niet laat ... en mijn buurvrouw is een Julia, die haar Romeo gewoonlijk nog lang na het zingen van de leeuwerik bij zich houdt. Ik zal vannacht niet kunnen werken.” En hij zette zijn hoed op en ging uit.

Toen hij zijn sleutel in de portiersloge wilde leggen, vond hij de vrouw van den concierge in de armen van een galant. De arme vrouw was er zoo verschrikt door, dat er meer dan vijf minuten verliepen, voordat zij kon opentrekken.

„Ha!” dacht Rodolphe, „er zijn dus oogenblikken, waarop de portiersters weer vrouwen worden.”

Toen hij de huisdeur opende, vond hij in den hoek een dragonder en een keukenmeid in een avondmantel staan, die elkaar bij de hand vasthielden en het geld der liefde wisselden.

„Alle duivels!” zeide Rodolphe met een toespeling op [52]den krijgsman en zijn robuste vriendin, „dat zijn een paar ketters, die er niet aan denken, dat wij in de vasten zijn.”

En hij ging de straat op naar een van zijn vrienden, die in de buurt woonde.

„Als Marcel thuis is,” zeide hij tot zichzelf, „dan kunnen we den avond doorbrengen met eens lekker Colline over den hekel te halen. Je moet toch wat doen ....”

Op zijn krachtig kloppen werd de deur op een kiertje open gemaakt en vertoonde zich daarin een jonge man met alleen een monocle op en een hemd aan.

„Ik kan je vandaag niet ontvangen,” zeide hij tegen Rodolphe.

„Waarom niet?” vroeg deze.

„Hier!” zeide Marcel en hij wees op een vrouwehoofd, dat achter een bedgordijn te voorschijn kwam; „hier heb je mijn antwoord!”

„Zij is niet mooi!” antwoordde Rodolphe, toen de deur voor zijn neus gesloten was. „Maar wat nu?” zeide hij, toen hij weer op straat was. „Als ik eens naar Colline ging? Dan zouden we eens lekker over Marcel kunnen kletsen.”

Toen hij de gewoonlijk donkere en weinig drukke rue de l’Ouest doorging, zag hij plotseling een schaduw, die melancholiek heen en weer liep en binnensmonds verzen scheen te reciteeren.

„He, he,” zeide Rodolphe; „welk sonnet loopt daar zoo te blauwbekken? Lieve Hemel, het is Colline.”

„He, Rodolphe! Waar is de reis naar toe?”

„Naar jou.”

„Daar zal je me niet vinden.”

„Wat doe je hier?”

„Ik wacht.”

„En waar wacht je op?”

„Ach!” zeide Colline met spottende hoogdravendheid, „waarop kan je wachten, wanneer je twintig bent, de [53]hemel van sterren fonkelt en liederen door de lucht weerklinken?”

„Spreek toch in proza.”

„Ik wacht op een vrouw.”

„Bonsoir,” zeide Rodolphe, die in zichzelf pratend verder ging. „Bliksems! Is het dan vandaag St. Cupido en zou ik geen stap kunnen verzetten zonder op verliefden te stooten? Het is onzedelijk, schandelijk. Waarom doet de politie er niets aan?”

Daar de Luxembourg nog open was, ging Rodolphe dien binnen, om zijn weg te bekorten. In de verlaten lanen zag hij dikwijls, als verschrikt door zijn passen, geheimzinnig elkaar omvattende paren voor zich uit vluchten, die, zooals een dichter gezongen heeft, de dubbele wellust der stilte en der schaduw zoeken.

„Net een avond, die uit een roman overgeschreven is,” zeide hij tot zichzelf. En toch ging hij, zijns ondanks door een smachtende bekoring bevangen, op een bank zitten en keek sentimenteel naar de maan.

Na eenigen tijd was hij geheel door een hallucinatiekoorts bevangen. Het was, alsof de marmeren goden en heroën, die den tuin bevolken, van hun voetstukken afdaalden, om aan de godinnen en heroïnen het hof te maken; en hij hoorde heel duidelijk hoe de dikke Hercules de Velleda, wier tunica hem buitengewoon kort voorkwam, galante complimentjes influisterde.

Van af de bank, waarop hij zat, zag hij, hoe de zwaan uit het bassin naar een nymph daar vlak bij ging.

„Mooi!” dacht Rodolphe, die dit alles mythologisch opvatte, „dat is Juppiter, die naar zijn rendez-vous met Leda gaat. Als de bewaker ze nu maar niet betrapt.”

Dan legde hij zijn hoofd in zijn handen en boog zich nog dieper in de doornen van zijn gevoel. Doch op dit heerlijke oogenblik van zijn droom werd Rodolphe plotseling [54]wakker geschrikt door een bewaker, die hem op zijn schouder tikte.

„Mijnheer, de tuin wordt gesloten.”

„Dat is maar gelukkig ook,” dacht Rodolphe. „Als ik hier nog vijf minuten bleef, zou ik in mijn hart meer vergeet-mij-nietjes hebben dan er op de oevers van den Rijn of in de romans van Alphonse Karr groeien.”

En met zachte stem een sentimenteele romance, die voor hem de Marseillaise der liefde was, neuriënd, verliet hij met vluggen pas den Luxembourg.

Een half uur later zat hij—God weet hoe hij er kwam—in den Prado voor een glas punch te praten met een grooten, jongen man, die beroemd was om zijn neus, welke er door een merkwaardig privilege van ter zijde snavelvormig en en face plat uitzag; een meesterneus, wien het niet aan geest ontbrak en die genoeg avonturen medegemaakt had, om in dergelijke gevallen goeden raad te kunnen geven en zijn vriend nuttig te zijn.

„Dus,” zeide Alexandre Schaunard, de man met den neus, „je bent verliefd!”

„Ja, mijn waarde .... ik heb het daarnet plotseling te pakken gekregen; precies hevige kiespijn, die je in je hart hebt.”

„Geef me je tabak eens,” zeide Alexandre.

„Stel je voor,” ging Rodolphe voort, „dat ik sinds twee uur niets dan verliefden, mannen en vrouwen, twee aan twee, tegenkom. Ik kwam op het denkbeeld den Luxembourg in te loopen, waar ik allerlei soorten phantasmagorieën gezien heb; dat heeft me buitengewoon aangegrepen; elegieën schieten in mij op; ik blaat en ik kir; ik ben half lam, half duif geworden. Kijk me eens goed aan; ik moet wol en veeren hebben.”

„Wat heb je toch gedronken?” zeide Alexandre ongeduldig, „je laat me poseeren alsof ik een model ben.” [55]

„Ik verzeker je, dat ik volkomen helder ben,” zeide Rodolphe. „Of toch eigenlijk niet. Maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik behoefte heb om iets te omhelzen. Zie je, Alexandre, het is niet goed, dat de mensch alleen zij: kort en goed je moet me helpen een vrouw te vinden .... Wij zullen een rondgang door de balzaal maken, en daar moet jij de eerste, die ik je aanwijs, gaan zeggen, dat ik haar liefheb.”

„Waarom ga je zelf dat haar niet zeggen?” antwoordde Alexandre met zijn prachtigen nasalen bas.

„Ach mijn waarde,” zeide Rodolphe, „ik wil eerlijk bekennen, dat ik heelemaal vergeten ben hoe je het aan moet pakken, om zulke dingen te zeggen. Van al mijn liefderomans hebben mijn vrienden de inleiding geschreven, sommigen zelfs de ontknooping. Ik heb nooit een goed begin kunnen vinden.”

„Het is voldoende, om er een eind aan te kunnen maken,” zeide Alexandre; „maar ik begrijp je. Ik heb een jong meisje gezien, die veel van hobo’s houdt. Misschien val je wel in haar smaak.”

„Ach!” zeide Rodolphe, „ik zou zoo graag zien, dat zij witte handschoenen en blauwe oogen had.”

„Drommels, blauwe oogen, dat zal nog wel gaan .... maar witte handschoenen .... je weet toch, dat je niet alles tegelijk hebben kan. Maar laten we naar het aristocratische kwartier gaan.”

„Kijk,” zeide Rodolphe, terwijl hij een salon binnenging, waar de modepoppetjes zich ophielden, „daar zit er een, die me nog al zacht toeschijnt ....” en hij wees op een vrij elegant gekleed meisje, dat zich in een hoek teruggetrokken had.

„Goed,” antwoordde Alexandre; „houd jij je maar wat op den achtergrond; ik zal voor jou den fakkel van den hartstocht in haar hart slingeren. Wanneer je moet komen, zal ik je roepen.” [56]

Een minuut of tien stond Alexandre te praten met het jonge meisje, dat nu en dan in een vroolijken lach uitbarstte en eindelijk Rodolphe een glimlachje toewierp, dat meer dan duidelijk te kennen gaf: Kom maar, je advocaat heeft zijn proces gewonnen.

„Ga nu maar,” zeide Alexandre; „de overwinning is ons; het kleintje zal in ieder geval niet wreed zijn, maar doe in den beginne een beetje naief.”

„Dat behoef je me volstrekt niet te zeggen.”

„Ook goed,” zeide Schaunard. „Geef mij nu eerst wat tabak en ga dan bij haar zitten.”

„Lieve Hemel,” zeide het jonge meisje, toen Rodolphe naast haar plaats genomen had; „wat een type, die vriend van je. Hij heeft een stem als een jachthoorn.”

„Dat komt, omdat hij musicus is,” antwoordde Rodolphe.

Twee uur later bleven Rodolphe en zijn vriendinnetje voor een huis in de rue Saint-Denis staan.

„Hier woon ik,” zeide het jonge meisje.

„Lieve Louise, wanneer zal ik je weer zien, en waar?”

„Morgenavond om acht uur op je kamer.”

„Heusch?”

„Hier heb je mijn woord,” antwoordde Louise, terwijl zij Rodolphe haar frissche wangen toestak, die zoo maar in die prachtige rijpe vruchten van jeugd en gezondheid beet.

Dol en dronken van liefde kwam Rodolphe weer op zijn kamer.

„O,” zeide hij, terwijl hij met groote passen op en neer liep; „dat kan zoo maar niet afloopen! Ik moet verzen maken.”

Den volgenden morgen vond de concierge in de kamer een dertig blaadjes papier, aan het hoofd waarvan majestueus deze enkele alexandrijn prijkte:

„O l’Amour! ô l’Amour! prince de la jeunesse!” [57]

Rodolphe was dien dag, tegen zijn gewoonte in, al heel vroeg wakker, en hoewel hij weinig geslapen had, stond hij dadelijk op.

„Dus,” riep hij uit, „is het vandaag de groote dag .... Maar nog twaalf uur wachten .... Hoe die twaalf eeuwigheden doorkomen?”

En toen zijn blik op zijn schrijftafel viel, was het alsof zijn pen heen en weer huppelde en tegen hem zei: Werk.

„Werken? weg met het proza!... Ik wil niet hier blijven, het stinkt hier naar inkt!”

Hij ging naar een café, waar hij zeker was geen vrienden te zullen aantreffen.

„Zij zouden dadelijk zien, dat ik verliefd was,” dacht hij.

Na een zeer eenvoudig dejeuner gebruikt te hebben, liep hij naar het station en stapte in een coupé.

Een half uur later was hij in de bosschen van Ville d’Avray.

Rodolphe wandelde den geheelen dag door de verjongde natuur en keerde eerst tegen het vallen van den avond naar Parijs terug.

Nadat hij den tempel, die zijn afgod zou ontvangen in orde gemaakt had, maakte hij een voor deze gelegenheid passend toilet, waarbij hij het zeer betreurde, dat hij zich niet geheel in het wit kleeden kon.

Tusschen zeven en acht uur was hij ten prooi aan een hevige wacht-koorts, een langzame marteling, die hem zijn vroegere jaren en zijn vroegere verliefdheden weer in de gedachte terugriep. Dan droomde hij, volgens zijn gewoonte, reeds van een grooten hartstocht, een liefde in tien deelen, een waar lyrisch gedicht met maneschijn, ondergaande zon, afspraakjes onder wilgen, jaloezie, zuchten enz. enz. Zoo ging het iederen keer, als het toeval een vrouw aan zijn deur voerde, en geen enkele [58]had hem verlaten zonder een aureool om haar voorhoofd en een collier van tranen om haar hals.

„Zij zouden liever een hoed of een paar schoenen hebben,” zeiden zijn vrienden.

Maar Rodolphe was hardnekkig en tot nog toe hadden de talrijke ervaringen, die hij al had doorgemaakt, hem niet kunnen genezen. Hij wachtte nog altijd op een vrouw, die een idool voor hem zou willen zijn, een engel in zijde en fluweel, tot wie hij, als de inspiratie ze hem ingaf, zijn sonnetten kon richten.

Eindelijk hoorde Rodolphe het „gewijde uur” slaan, en toen de laatste slag weerklonk, meende hij te zien dat de Amor en de Psyche op zijn pendule hun albasten lichamen tegen elkaar drukten. Op hetzelfde oogenblik werd er tweemaal bescheiden aan de deur geklopt.

Rodolphe ging open doen; het was Louise.

„Je ziet, dat ik op tijd ben,” zeide zij.

Rodolphe deed de gordijnen dicht en stak een nieuwe kaars aan.

Intusschen had de kleine haar sjaal afgedaan en haar hoed afgezet en die beide op het bed gelegd. De hagelwitte lakens deden haar glimlachen en bijna een kleur krijgen.

Louise was eerder gracieus dan mooi te noemen; haar frisch gezichtje verried een aantrekkelijke vermenging van naïveteit en schalkschheid. Het was iets als een motief van Greuze, gearrangeerd door Gavarni.1 De bekoorlijke, jeugdige vormen van het jonge meisje kwamen zeer voordeelig uit door een toilet, dat, hoewel heel eenvoudig, ook bij haar die aangeboren kennis verried [59]van koketterie, welke alle vrouwen bezitten van af haar eerste windselen tot aan haar bruidskleed. Louise scheen bovendien in het bijzonder de theorie der houdingen bestudeerd te hebben en nam voor Rodolphe, die haar met kunstenaarsoogen beschouwde, een reeks verleidelijke standen aan, die in hun gemaniereerdheid dikwijls meer gracieus dan natuurlijk waren: haar fijn geschoeide voetjes waren klein genoeg .... zelfs voor een romanticus, die Andalusische of Chineesche miniaturen als zijn ideaal beschouwt. Haar teere handen verrieden, dat zij niet aan werken gewoon waren. Inderdaad hadden zij in de laatste zes maanden de steken der naalden niet behoeven te vreezen. In het kort Louise was een van die trekvogeltjes, welke uit een gril en dikwijls uit noodzaak, haar nestje voor een dag of liever voor een nacht bouwen in de dakkamertjes van het Quartier latin en daar gaarne een paar dagen blijven, indien men ze door aardige invallen of zijden linten weet te binden.

Na een uurtje met Louise gepraat te hebben, wees Rodolphe haar als een navolgenswaardig voorbeeld den groep van Amor en Psyche.

„Zijn dat niet Paul en Virginie?” vroeg zij.

„Ja,” antwoordde Rodolphe, die haar niet dadelijk door een tegenspraak wilde krenken.

„Zij zijn goed nagemaakt,” vond Louise.

„O je!” dacht Rodolphe, terwijl hij haar aankeek, „het arme kind is weinig bedreven in de litteratuur. Ik ben er zeker van, dat zij alleen op de hoogte is van de orthographie van het hart, die geen en of s in het meervoud schrijft. Ik zal een grammatica voor haar koopen.”

Toen Louise erover klaagde, dat haar schoenen haar knelden, hielp hij haar voorkomend bij het uittrekken.

Plotseling ging het licht uit.

„Hè?” riep Rodolphe uit, „wie heeft de kaars uitgeblazen?” [60]

Een vroolijke lach was het antwoord.

Enkele dagen later kwam Rodolphe op straat een van zijn vrienden tegen.

„Wat voer je toch uit?” vroeg deze hem. „We zien je heelemaal niet meer.”

„Ik maak huiselijke poëzie,” was Rodolphe’s antwoord.

De ongelukkige sprak de waarheid. Hij had aan Louise meer gevraagd dan het arme kind hem had kunnen geven. Als doedelzak had zij niet de tonen van een lier. Zij sprak, om zoo te zeggen, het patois der liefde en Rodolphe wilde er absoluut de salontaal van spreken. Daardoor begrepen zij elkaar nauwlijks.

Acht dagen later ontmoette Louise in hetzelfde danslokaal, waar zij Rodolphe voor het eerst gezien had, een blonden jongen man, met wien zij verscheidene malen danste en die haar na afloop van het bal naar zijn kamer meenam.

Het was een tweedejaarsstudent, die heel goed het proza van het pleizier sprak en mooie oogen en rinkelende zakken had.

Louise vroeg hem papier en inkt en schreef Rodolphe den volgenden brief:

„Reeken niet meer op mei, ik omhels je voor het laast. Adieu.

Louise.”

Toen Rodolphe ’s avonds bij zijn thuiskomst dien brief las, ging zijn licht plotseling uit.

„Kijk!” zeide hij nadenkend, „dat is de kaars, die ik den avond, dat Louise kwam, aangestoken heb: zij moest met onze liaison sterven. Als ik het vooruit geweten had, zou ik een langere genomen hebben,” voegde hij er half spijtig, half boos bij en hij legde het briefje van zijn maîtresse in een lade, die hij wel eens de catacomben van zijn liefde noemde. [61]

Toen Rodolphe eenigen tijd later eens bij Marcel was, raapte hij, om zijn pijp aan te steken, een stuk papier van den grond op, waarop hij het schrift en de orthographie van Louise herkende.

„Ik heb een autograaf van dezelfde hand,” zeide hij tot zijn vriend; „maar er staan in den mijne twee fouten minder dan in die van jou. Bewijst dat niet, dat zij meer van mij hield dan van jou?”

„Dat bewijst, dat je een idioot bent!” antwoordde Marcel. „Blanke schouders en blanke armen hebben geen grammatica van noode.” [62]


1 Greuze, volgens Diderot „le peintre des familles et des honnêtes gens”, is bekend door zijn sentimenteel-kokette meisjesfiguren; Gavarni daarentegen gaf aan die koketterie een meer overmoedige uitdrukking.

[Inhoud]

Hoofdstuk IV.

Ali-Rodolphe, of de Turk tegen wil en dank.

Door een ongastvrijen huisheer verbannen, leefde Rodolphe sedert eenigen tijd in meer dwalenden toestand dan de wolken en volmaakte zich, zoo goed hij kon, in de kunst zonder avondeten naar bed te gaan of te soupeeren zonder naar bed te gaan. Zijn kok heette het Toeval en hij logeerde meestal in het hotel: De Bloote Hemel.

Twee dingen echter verlieten Rodolphe te midden van al zijn tegenspoeden nooit: zijn goed humeur en het manuscript van „Le Vengeur”, een drama, dat een lijdensweg door alle Parijsche schouwburgen gemaakt had.

Op een goeden dag, toen Rodolphe ten gevolge van een al te fantastische danse macabre naar de „nor” gebracht was, stond hij plotseling tegenover een oom van hem, een zekeren mijnheer Monetti, kachelsmid, rookverdrijver en sergeant bij de garde nationale, dien hij in geen eeuwigheid gezien had.

Geroerd door de tegenspoeden van zijn neef, beloofde oom Moretti zijn positie te verbeteren. Wij zullen zien hoe, als de lezer tenminste niet opziet tegen een zes verdiepingen hooge klimpartij.

De leuning dus gepakt en naar boven. Oef! honderd vijf-en-twintig treden. Daar zijn we eindelijk boven. Nog een stap en wij zijn in de kamer, nog een en wij zouden er niet meer in zijn. Het is wat klein, maar het is hoog: en verder licht en lucht en uitzicht first class. [63]

Het meubilair bestaat uit verschillende kachels in den vorm van een schoorsteen, twee haarden, spaarovens (vooral wanneer je er geen vuur in aanlegt), een dozijn aarden of ijzeren pijpen en een menigte verwarmingstoestellen; laten we, om den inventaris te sluiten, nog noemen, een aan twee in den muur geslagen spijkers bevestigde hangmat, een tuinstoel met een poot eraf, een kandelaar met een afdruipglaasje en verschillende andere kunst- en luxe voorwerpen.

Het tweede vertrek, het balcon, wordt gedurende het mooie seizoen door twee in potten staande dwerg-cypressen in een park veranderd.

Op het oogenblik, dat wij binnentreden, beëindigt de bewoner van die heerlijkheid, een jonge als een Turk uit een opéra comique gekleede jonge man, een maaltijd, waarbij hij, zooals de aanwezigheid van een ex-ham en een te voren volle flesch wijn verraadt, op snoode wijze de wet van den propheet schendt. Na afloop van den maaltijd strekt de jonge man zich op zijn Oostersch uit op den vloer en begint nonchalant een met J. G.1 gemerkte pijp te rooken. Terwijl hij zich geheel en al overgaf aan deze Aziatische gelukzaligheid, streelde hij van tijd tot tijd den rug van een prachtigen Newfoundlander, die ongetwijfeld die liefkoozing beantwoord zou hebben, als hij niet van terra cotta geweest was. Plotseling hoorde men op de gang geluid van stappen; de deur ging open en een man kwam binnen, die, zonder een woord te zeggen, recht op een der beide haarden, welke als secretaire dienst deed, toeliep, het deurtje van den oven openmaakte en er een rol papier uitnam, dat hij met groote aandacht ging lezen.

„Wat?” riep de pas binnengekomene met een sterk [64]Piemonteesch accent; „heb je dat hoofdstuk over de luchtgaten nog niet af?”

„Neem me niet kwalijk, oom,” antwoordde de Turk, „het hoofdstuk over de luchtgaten is een van de interessantste van uw boek en vereischt een nauwkeurige studie. Ik ben bezig het te bestudeeren.”

„Maar, ellendeling, dat antwoordt je me iederen dag. En hoe ver ben je met het hoofdstuk over de vulkachels?”

„De vulkachel staat er goed voor. Maar van kachels gesproken, oom, als u me wat hout zoudt willen geven, zou ik er niets tegen hebben. Het is hier een klein Siberië. Ik heb het zoo koud, dat ik den thermometer zeker beneden nul zou laten dalen alleen door er naar te kijken.”

„Wat, heb je dien heelen takkebos al opgebruikt?”

„Neem me niet kwalijk, oom, er zijn takkebossen en takkebossen, en de uwe was al heel klein.”

„Ik zal een kolengruisblok boven laten brengen. Dat bewaart de warmte.”

„Daarom geeft het die zeker niet.”

„Nou dan,” zeide de Piemontees weggaande, „ik zal je wat talhout boven sturen. Maar morgen moet ik mijn hoofdstuk over de vulkachels hebben.”

„Wanneer ik vuur heb, zal ik daar beter vlam voor kunnen vatten,” zeide de Turk, terwijl de Piemontees de deur aan den buitenkant sloot.

Wanneer we een tragedie aan het schrijven waren, zou nu het oogenblik aangebroken zijn, om den vertrouwde te laten optreden. Hij zou Noureddin of Osman moeten heeten en op tegelijk bescheiden en beschermende wijze onzen held moeten naderen en hem zijn geheim ontlokken met deze verzen:

„Quel funeste chagrin vous occupe, seigneur?

À votre auguste front, pourquoi cette pâleur?

Allah se montre-t-il à vos desseins contraire? [65]

Ou le farouche Ali, par un ordre sévère,

A-t-il sur d’autres bords, en apprenant vos vœux,

Éloigné la beauté qui sut charmer vos yeux?

Maar wij schrijven geen tragedie, en moeten het dus, al hebben wij eigenlijk een vertrouwde dringend noodig, zonder hem stellen.

Onze held is niet wat hij schijnt te zijn: de tulband maakt den Turk niet. Deze jonge man is onze vriend Rodolphe, die door zijn oom onder dak is gebracht, voor wien hij nu een „Handboek voor den Volmaakten Rookverdrijver” samenstelt. Mijnheer Monetti, die voor zijn kunst zeer geestdriftig was, had al zijn vrijen tijd gewijd aan de rookverdrijverij. Deze waardige Piemontees had voor zijn gebruik een stelregel gevonden, die bijna een pendant van dien van Cicero vormde, en in oogenblikken van grooten geestdrift riep hij uit: „Nascuntur poê .... liers”2. Op een goeden dag was deze waardige Piemontees, tot nut en stichting van de komende geslachten, op het denkbeeld gekomen een theoretischen codex te formuleeren van de grondbeginselen der kunst, in de praktische uitoefening waarvan hij uitblonk, en hij had, zooals wij gezien hebben, zijn neef uitverkoren, om zijn diepzinnige denkbeelden te gieten in een voor de menschheid begrijpelijken vorm. Rodolphe werd door hem gevoed, gelegerd enz. ... en zou na de voltooiing van het Handboek een gratificatie van honderd daalders krijgen.

Om zijn neef tot werken aan te sporen, had Monetti hem in de eerste dagen edelmoedig een voorschot van vijftig francs gegeven. Maar Rodolphe, die al in een jaar zoo’n groote som niet gezien had, was half waanzinnig van [66]blijdschap in gezelschap van zijn daalders uitgegaan en bleef drie dagen onder water: den vierden kwam hij, van de zwaarte der looddeelen bevrijd, weer boven.

Monetti, die vurig verlangde zijn Handboek af te zien, daar hij hoopte er een brevet voor te krijgen, was bang voor nieuwe escapades van zijn neef. Om hem tot werken te noodzaken en hem te beletten uit te gaan, nam hij hem zijn kleeren af en gaf hem daarvoor in de plaats het kostuum, waarin we hem zooeven hebben aangetroffen.

Desniettegenstaande vorderde het beroemde Handboek slechts piano aan, daar Rodolphe te eenenmale de voor dit genre van litteratuur vereischte eigenschappen miste. De oom wreekte zich over die trage onverschilligheid ten opzichte der schoorsteenen door zijn neef een aantal kwellingen te laten ondergaan. Nu eens gaf hij hem slechts kleine maaltijden en meermalen liet hij hem zonder rooktabak.

Op een Zondag brak Rodolphe, na bloed en inkt over het beroemde hoofdstuk der luchtgaten gezweet te hebben, zijn pen, die hem in de vingers brandde, in tweeën en ging een wandeling maken in zijn park.

Maar als om hem te plagen en zijn lust nog meer te prikkelen, kon hij nergens heen kijken, of hij zag voor ieder raam iemand zitten rooken.

Op het vergulde balcon van een pasgebouwd huis kauwde een modegek in een kamerjapon tusschen zijn tanden een aristocratischen panatella. Een verdieping hooger joeg een artist den geurigen mist van Turksche tabak, die in een pijp met barnsteenen mondstuk brandde, voor zich uit. Voor het raam van een kroeg liet een dikke Duitscher zijn bier schuimen en blies met mechanischen regelmaat dikke wolken uit zijn Cudmer-pijp. Op straat kwamen zingend groepen werklieden met hun neuswarmers tusschen de lippen voorbij. En ook alle [67]andere voetgangers, die de straat vulden, rookten.

„Helaas!” zuchtte Rodolphe, „behalve ik en de schoorsteenen van mijn oom, rookt op dit oogenblik alles in de schepping.

En met zijn voorhoofd op het hek van het balcon geleund, overdacht hij hoe bitter eigenlijk het leven was.

Plotseling hoorde hij beneden zich een helderen, lang aangehouden lach. Rodolphe boog zich wat voorover, om te zien, vanwaar die uitbarsting van vreugde kwam, en hij bemerkte, dat hij opgemerkt was door de bewoonster van de verdieping beneden hem: mademoiselle Sidonie, de jeune première van het Théâtre du Luxembourg.

Mademoiselle Sidonie kwam nu buiten op haar balcon en rolde met Castiliaansche handigheid lichte tabak, dien zij uit een geborduurden fluweelen tabakszak nam, in een blaadje dun papier.

„Wat een mooie tabakszak,” mompelde Rodolphe met contemplatieve bewondering.

„Wie is die Ali-Baba?” dacht op haar beurt mademoiselle Sidonie.

En zij zon op een voorwendsel om een gesprek aan te knoopen met Rodolphe, die van zijn kant niets liever wilde.

„Lieve God!” riep mademoiselle Sidonie uit, alsof zij tegen zichzelf sprak, „wat vervelend toch, nu heb ik geen lucifers.”

„Mademoiselle, wilt u mij toestaan u er een paar aan te bieden?” vroeg Rodolphe, terwijl hij een paar lucifers in een papiertje wikkelde en op het balcon liet vallen.

„Dank u zeer!” antwoordde Sidonie, terwijl zij haar sigaret aanstak.

„Mademoiselle ....” ging Rodolphe voort, „zou ik u in ruil voor den kleinen dienst, dien mijn goede engel mij toegestaan heeft u te bewijzen, u mogen vragen?...” [68]

„Wat! Begint hij nu al te vragen!” dacht Sidonie, terwijl zij Rodolphe wat belangstellender opnam. „O, die Turken! Men zegt, dat zij wispelturig zijn, maar wel gezellige menschen. Spreek mijnheer!” zeide zij, terwijl zij naar Rodolphe opkeek; „wat wilt u?”

„O, mademoiselle, in naam der Christelijke barmhartigheid smeek ik u om wat tabak: in geen twee dagen heb ik gerookt. Eén pijp maar ....”

„Met alle genoegen, mijnheer .... Maar hoe moet ik dat doen? Neem de moeite om even een verdieping lager te komen.”

„Helaas, dat is mij niet mogelijk .... Ik ben opgesloten, maar mij blijft nog de vrijheid om een eenvoudig middel te gebruiken.”

En hij bond zijn pijp aan een touwtje en liet haar zakken op het balcon, waar mademoiselle Sidonie haar eigenhandig goed vol stopte, waarna Rodolphe haar, d. w. z. de pijp, weer langzaam en voorzichtig opheesch, wat zonder ongeval gelukte.

„O, mademoiselle,” zeide hij tot Sidonie, „wat zou die pijp mij nog lekkerder smaken, indien ik ze aan het vuur van uw oogen had kunnen aansteken.”

Deze aardige vleierij beleefde nu minstens haar honderdsten druk, maar mademoiselle Sidonie vond ze desniettemin prachtig.

„U vleit me,” meende ze te moeten antwoorden.

„Ah, mademoiselle, ik verzeker u, dat u mij even bevallig toeschijnt als de drie Gratiën!”

„Ali Baba is beslist zeer galant,” dacht Sidonie .... „Bent u werkelijk een Turk?” vroeg zij dan aan Rodolphe.

„Niet uit roeping,” antwoordde hij, „maar vi coactus;3 ik ben dramatisch auteur, madame.” [69]

„En ik dramatische artiste,” antwoordde Sidonie.

Dan liet zij erop volgen:

„Wilt u, waarde buurman, mij de eer aandoen bij mij te komen dineeren en verder den avond door te brengen?”

„Helaas, mademoiselle, hoewel deze uitnoodiging den hemel voor mij opent, is het mij niet mogelijk haar aan te nemen. Zooals ik reeds de eer gehad heb u te zeggen, ben ik achter slot en grendel gezet door mijn oom, mijnheer Monetti, kachelsmid en rookverdrijver, wiens secretaris ik op dit oogenblik ben.”

„En toch zult u met mij dineeren,” antwoordde Sidonie; „let goed op: ik ga in mijn kamer en zal tegen mijn plafond kloppen. Op de plek, waar ik klop, moet u kijken, en u zult daar de sporen vinden van een kijkgat, een judas, dat daar vroeger was, maar nu sedert lang dicht gespijkerd is: tracht het stuk hout, dat het gat afsluit, te verwijderen, dan zullen we, hoewel ieder bij ons thuis, zoo goed als samen zijn ....”

Rodolphe zette zich dadelijk aan het werk. Na vijf minuten was er een verbinding tusschen de twee kamers tot stand gebracht.

„Helaas!” zeide Rodolphe; „het gat is wel klein, maar er is toch nog altijd ruimte genoeg, om u mijn hart er doorheen te kunnen reiken.”

„En nu,” zeide Sidonie, „gaan we eten. Dek bij je, dan zal ik u den schotel geven.”

Rodolphe liet aan een touwtje zijn tulband neer en heesch die, gevuld met eetwaren, weer op; daarna begonnen de dichter en de artiste samen, ieder aan zijn kant, te eten. Met zijn mond verslond Rodolphe de pastei, met zijn oogen mademoiselle Sidonie.

„Mademoiselle!” zeide Rodolphe na afloop van het diner; „dank zij u, is mijn maag thans bevredigd. Zoudt u niet eveneens den geeuwhonger van mijn [70]hart, dat reeds zoo lang gevast heeft, willen stillen?”

„Arme jongen!” zuchtte Sidonie.

Dit zeggende, klom zij op een stoel en bracht tot aan de lippen van Rodolphe haar hand, die deze met kussen bedekte.

„Ach!” riep de jonge man uit; „hoe jammer dat u niet kunt doen als de Heilige Dionysius, die het recht had zijn hoofd in zijn handen te dragen.

Na het diner ontspon zich een erotisch-litterair gesprek. Rodolphe sprak over zijn „Vengeur” en mademoiselle vroeg hem haar het stuk voor te lezen. Over den rand van het gat gebogen, begon Rodolphe zijn drama voor te dragen voor de actrice, die, om beter te kunnen hooren, was gaan zitten op een fauteuil, welken zij op haar commode gezet had. Mademoiselle Sidonie vond „Le Vengeur” een meesterstuk en beloofde, daar zij in den schouwburg, waaraan zij verbonden was, tevens de eerste viool speelde, Rodolphe, dat zij zou zorgen, dat zijn stuk zou worden aangenomen.

Juist op het teederste oogenblik werd het gesprek gestoord door oom Monetti, wiens stap, licht als die van den commandeur,4 op den corridor klonk. Rodolphe had nog slechts juist den tijd, om den judas te sluiten.

„Daar!” zeide Monetti tot zijn neef, „hier heb je een brief, die je nu al een maand achterna loopt.”

„Laat eens zien!” zeide Rodolphe. „Oom!” riep hij na het lezen uit; „oom, ik ben rijk! Deze brief meldt me, dat ik een prijs van driehonderd francs gekregen heb van een Académie de Jeux floraux.5 Geef me gauw [71]mijn jas en mijn bagage. Ik wil mijn lauweren gaan plukken. Men wacht mij op het Capitool!”

„En mijn hoofdstuk over de luchtgaten?” vroeg Monetti koud.

„Maar oom, die trekken nu niet meer! Geef me mijn kleeren. Ik kan in dit costuum niet op straat komen ....”

„Je gaat niet weg voor mijn Handboek af is,” zeide zijn oom, terwijl hij Rodolphe weer achter slot en grendel sloot.

Toen hij weer alleen was, aarzelde Rodolphe niet lang over wat hem te doen stond .... Hij bond een beddelaken, dat hij handig in een touwladder gemetamorphoseerd had, stevig aan zijn balcon en liet zich ondanks het gevaarlijke van de expeditie, met behulp van dien geïmproviseerden ladder op het balcon van mademoiselle Sidonie zakken.

„Wie is daar?” riep deze uit, toen zij Rodolphe tegen de ruiten hoorde tikken.

„Sstt!” antwoordde hij; „doe open ....”

„Wat wilt u? Wie bent u?”

„Hoe kunt ge dat nog vragen? Ik ben de dichter van Le Vengeur, en ik kom mijn hart halen, dat ik door den judas in uw kamer heb laten vallen.”

„Rampzalige!” zeide de actrice; „je hadt dood kunnen vallen!”

„Luister, Sidonie ....” ging Rodolphe voort en liet haar den brief zien, dien hij pas gekregen had. „Zooals je ziet, lachen de fortuin en de roem mij toe .... Moge de liefde dat ook doen!”


Den volgenden ochtend kon Rodolphe, dank zij een heerencostuum, dat Sidonie hem gegeven had, uit het huis van zijn oom ontsnappen .... Zijn eerste tocht was naar den vertegenwoordiger der Académie des Jeux floraux, om een gouden hondsroos in ontvangst te nemen [72]ter waarde van honderd daalders, die bijna zoo lang leefden als de rozen plegen te leven.

Een maand later kreeg mijnheer Monetti van zijn neef een uitnoodiging voor de première van „Le Vengeur”. Dank zij het talent van mademoiselle Sidonie beleefde het stuk zeventien voorstellingen en bracht den schrijver veertig francs op.

Eenigen tijd later—het was toen zomer—woonde Rodolphe in de Avenue Saint-Cloud, boom No. 3 links van het Bois de Boulogne, tak No. 5. [73]


1 Het fabriekstempel J. G. vindt men op kleine aarden pijpen, die voor twee sous verkrijgbaar zijn.

2 Cicero’s uitdrukking was: Nascuntur poetae (Dichters worden geboren). Poêlier, beteekent kachelsmid, rookverdrijver.

3 Door geweld gedwongen.

4 Persoon uit don Juan, die steeds geharnast was en dus zeer zwaar liep.

5 Letterkundige wedstrijden, waarbij de winnaars een gouden bloem, meestal een roos, krijgen.

[Inhoud]

Hoofdstuk V.

De Carolusdaalder.

Tegen het einde van December kreeg het personeel van de firma Bidault1 een honderd uitnoodigingsbrieven te bezorgen, waarvan hier een trouwe en eensluidende copie volgt:

„Mijnheer,

De heeren Rodolphe en Marcel verzoeken u hun de eer te bewijzen Zaterdag a. s., den dag vòòr Kerstmis, den avond bij hen door te brengen. Er zal gelachen worden.

P.S. Wij leven slechts eens in deze wereld!!”

Programma van het feest.

Zeven uur: Opening der salons; levendig en geanimeerd discours.

Acht uur: Entrée en wandeling door de salons van de geestige auteurs van de door het Odéon geweigerde comédie: „De barende berg.”

Acht en een half uur: „De invloed van het blauw in de kunsten”, nabootsende symphonie, voor te dragen door den beroemden pianist-componist Alexandre Schaunard.

Negen uur: Eerste lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel. [74]

Negen en een half uur: Dispuut tusschen den hyperphysischen wijsgeer Gustave Colline en mijnheer Alexandre Schaunard over vergelijkende philosophie en meta-politiek. Om iedere lichamelijke botsing tusschen de twee tegenstanders te vermijden, worden ze beiden vastgebonden.

Tien uur: De heer Tristan, letterkundige, zal zijn eerste liefde vertellen. Alexandre Schaunard zal hem daarbij op den piano begeleiden.

Tien en een half uur: Tweede lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel.

Elf uur: Voordracht over een jacht op casuarissen door een buitenlandschen prins.

Tweede Deel.

Twaalf uur: Marcel, historieschilder, zal zich laten blinddoeken, en met krijt de ontmoeting van Napoleon en Voltaire in de Champs-Elysées op het doek improviseeren. Rodolphe zal eveneens een parallel improviseeren tusschen den schepper van „Zaïre” en dien van den slag bij Austerlitz.

Twaalf en een half uur: Nabootsing van de athletische spelen der 4de Olympiade door Gustave Colline in een kuisch déshabillé.

Een uur: Derde lezing van de verhandeling over de afschaffing van de straf van het treurspel en collecte ten bate van de tragische dichters, die in de toekomst broodeloos zullen zijn.

Twee uur: Begin der gezelschapspelen en samenstelling der quadrilles, die tot in den ochtend zullen worden voortgezet.

Zes uur! Zonsopgang en slotkoor.

Gedurende den geheelen duur van het feest zullen de ventilatoren werken.

N. B. Ieder, die verzen zal willen lezen of voordragen, [75]wordt onmiddellijk uit de salons verwijderd en aan de politie overgeleverd; men wordt ook verzocht geen stukjes kaars mede te nemen.”

Twee dagen later circuleerden exemplaren van dien brief in de onderste lagen der litteratuur- en kunstwereld, en veroorzaakten daar niet weinig opzien.

Onder de genoodigden waren er echter eenigen, die de door de beide vrienden voorgespiegelde heerlijkheden in twijfel trokken.

„Ik vertrouw het zaakje niet heelemaal,” zeide een van die twijfelaars; „ik ben een paar maal op de Woensdagen van Rodolphe in de Rue de la Tour-d’Auvergne geweest, je kon er onmogelijk zitten en je dronk er een weinig gefiltreerd water uit bij elkaar gescharrelde potten en pannen.”

„Ditmaal,” zeide een ander, „moet het echter bittere ernst zijn. Marcel heeft mij een plan van het heele feest laten zien, en dat belooft een magisch effect.”

„Komen er ook dames?”

„Zeker Phémie Klad heeft gevraagd koningin van het feest te mogen zijn en Schaunard zal dames uit de groote wereld medebrengen.”

De oorsprong van dit feest, dat een zoo groote beroering in de Bohème-wereld, die aan gene zijde van de bruggen woont, veroorzaakte, was in het kort als volgt. Een jaar geleden ongeveer hadden Marcel en Rodolphe dit schitterende galafeest aangekondigd, dat steeds Zaterdag aanstaande moest plaats hebben; doch ten gevolge van allerlei moeilijke omstandigheden hadden zij reeds twee-en-vijftig maal dat „aanstaande” moeten verzetten, zoodat het eindelijk zoo ver gekomen was, dat de beide vrienden hun neus niet buiten de deur konden steken, zonder een stekelige opmerking te hooren van hun vrienden, waarvan er sommigen zelfs indiscreet genoeg waren om krachtig tegen zoo’n manier van doen te protesteeren. [76]Daar de zaak langzamerhand op een fopperij begon te lijken, besloten de beide vrienden er een eind aan te maken, door zich van de verplichtingen, die zij op zich genomen hadden, te kwijten, en hadden zij derhalve de boven vermelde uitnoodiging verzonden.

„Nu kunnen we niet meer terug,” had Rodolphe gezegd; „we hebben onze schepen achter ons verbrand; we hebben nu nog acht dagen voor ons om de honderd francs te vinden, die we, om een dragelijk figuur te maken, beslist noodig hebben.”

„Als we ze noodig hebben, zullen we ze wel krijgen ook,” was Marcels antwoord geweest. En met het verwaten vertrouwen, dat zij hadden in het toeval, sliepen de twee vrienden in, vast overtuigd, dat hun honderd francs reeds op weg waren: den weg van het onmogelijke.

Doch toen den Donderdagavond voor het feest nog niets gearriveerd was, vond Rodolphe, dat het toch maar veiliger was het toeval een handje te helpen, wilden zij niet met beschaamde kaken staan, wanneer het uur sloeg om de kaarsen aan te steken. Voor het gemak wijzigden de beide vrienden langzamerhand de overdadige weelde van het door hen ontworpen programma.

Door die verschillende wijzigingen, o. a. het schrappen van het artikel: Gebak, het zorgvuldig herzien en verminderen van het artikel: Ververschingen, werd het totaal der onkosten tot vijftien francs teruggebracht.

Daarmede was het vraagstuk echter wel eenvoudiger gemaakt, doch niet opgelost.

„Maar,” zeide Rodolphe, „nu moeten we tot de uiterste middelen overgaan. We kunnen ditmaal in geen geval weer den datum verzetten.”

„Beslist onmogelijk.”

„Wanneer heb ik het laatst het verhaal van den slag bij Studzianka2 gehoord?” [77]

„Een paar maanden geleden.”

„Twee maanden, prachtig, dat is een fatsoenlijke termijn; mijn oom kan zich waarachtig niet beklagen. Ik zal me morgen dan den slag bij Studzianka maar weer eens laten vertellen. Dat is vijf francs, die zeker binnenkomen.”

„En ik,” zeide Marcel, „zal een Burchtruïne aan den ouden Médicis gaan verkoopen. Dat maakt ook vijf francs en als ik tijd heb, om er nog drie torentjes en een molen bij te kladden, misschien wel tien; dan zijn we aan ons budget.”

En de twee vrienden gingen slapen en droomden, dat de prinses van Belgiojoso hun verzocht hun ontvangdagen te verzetten, om haar haar meest geziene gasten niet te ontnemen.

Den volgenden ochtend stond Marcel vroeg op, spande een nieuw doek en begon met ijver aan den bouw van een Burchtruïne, een artikel, dat hem steeds door een antiquiteiten-schacheraar op de place du Carrousel gevraagd werd. Intusschen ging Rodolphe een bezoek brengen aan zijn oom Monetti, die een matador was in het verhalen van den terugtocht uit Rusland, en aan wien Rodolphe vijf of zes maal per jaar, n.l. wanneer de geldnood erg nijpte, de voldoening schonk zijn veldtochten te vertellen in ruil voor een leening van wat geld, waartoe de veteraan-kachelsmid-rookverdrijver wel over te halen was, indien men bij het luisteren naar zijn verhalen slechts veel geestdrift wist te toonen.

Tegen twee uur ontmoette Marcel, die met gebogen hoofd en een doek onder zijn arm op de place du Carrousel liep, daar Rodolphe, die van zijn oom kwam; zijn geheele houding wees op slechte berichten.

„Nou,” zeide Marcel; „ben je geslaagd?”

„Neen, mijn oom is vandaag het museum in Versailles gaan kijken. En jij?” [78]

„Die schaapskop van een Médicis wil geen Burchtruïnes meer; hij heeft me een Bombardement van Tanger gevraagd.”

„Onze reputatie is naar de maan, als we ons feest niet geven,” mompelde Rodolphe. „Wat moet onze vriend, de invloedrijke criticus, wel denken, als ik hem voor niets een witte das en gele handschoenen laat aantrekken?”

Ten prooi aan groote onrust gingen zij beiden naar het atelier terug.

Op dat oogenblik sloeg het op de pendule van een buurman vier uur.

„Wij hebben nog maar drie uur voor ons,” zeide Rodolphe.

„Maar,” riep Marcel, terwijl hij vlak bij zijn vriend kwam staan, „ben je er wel zeker van, dat er hier geen geld over is?....”

„Noch hier, noch elders. Waar zou dat saldo vandaan moeten komen?”

„Als we eens onder de meubels zochten .... in de fauteuils? Men beweert immers, dat de emigranten ten tijde van Robespierre hun geld verstopten. Wie weet!... Onze fauteuil is misschien het eigendom van een emigrant geweest; en bovendien is hij zòò hard, dat ik al eens meer gedacht heb, dat er metalen in zitten ... zouden we niet eens tot een lijkschouwing overgaan?”

„Dat is iets voor een klucht,” antwoordde Rodolphe op een toon, waarin tegelijk ernst en toegeeflijkheid lag.

Plotseling stiet Marcel, die zijn opgravingen in alle hoeken van het atelier had voortgezet, een luiden triomfkreet uit.

„Wij zijn gered!” riep hij uit; „ik wist wel, dat hier geldswaarde verborgen lag. Kijk maar!” en hij liet Rodolphe een geldstuk zien, zoo groot als een daalder en half verteerd door roest en kopergroen.

Het was een munt uit het tijdvak der Karolingers en [79]niet zonder eenige kunstwaarde. Op het gelukkigerwijze gespaard gebleven inschrift kon men het jaartal van Karel den Groote lezen.

„Dat ding is nauwlijks dertig sous waard,” zeide Rodolphe met een minachtenden blik op de vondst van zijn vriend.

„Dertig sous, goed gebruikt, kunnen veel uitwerken,” antwoordde Marcel. „Met twaalfhonderd man heeft Napoleon tienduizend Oostenrijkers verslagen. Handigheid weegt tegen het getal op. Ik ga dadelijk den Carolusdaalder bij den ouden Médicis wisselen. Is er hier nog niet iets verkoopbaars? Waarachtig, als ik het gipsafgietsel van het scheenbeen van Jaconowski, den Russischen tamboer-majoor, eens meenam? Dat zou heel wat in het laadje brengen.”

„Neem het scheenbeen maar mee. Maar prettig is het allesbehalve. We hebben nu geen enkel kunstvoorwerp meer over.”

Tijdens Marcels afwezigheid ging Rodolphe, vast besloten de soirée, het mocht kosten wat het wilde, te geven, naar zijn vriend Colline, den hyperphysischen wijsgeer, die vlak in de buurt woonde.

„Ik kom je verzoeken,” zeide hij tegen hem, „mij een dienst te bewijzen. In mijn qualiteit van gastheer moet ik beslist een rok hebben, en .... ik heb er geen .... leen me de jouwe ....”

„Maar,” merkte Colline op, „in mijn qualiteit van gast heb ik mijn rok ook noodig.”

„Ik sta je toe in gekleede jas te komen.”

„Ik heb nooit een gekleede jas gehad, dat weet je even goed als ik.”

„Enfin, luister eens, we kunnen ook op een andere manier de zaak in orde brengen; jij zoudt niet op mijn soirée kunnen verschijnen en me je rok leenen.”

„Het is wel beroerd, maar dat gaat niet; ik sta op het programma en kan dus niet ontbreken.” [80]

„Er zal nog heel wat meer ontbreken,” zeide Rodolphe. „Leen me je rok, en wanneer je beslist komen wilt, kom dan, zooals je het zelf het beste vindt.... voor mijn part in je hemdsmouwen .... dan kan je voor een trouwen dienaar doorgaan ...”

„Dat gaat niet,” zeide Colline blozend. „Ik zal mijn notenkleurige paletot aantrekken. Maar het heele zaakje is per slot van rekening een beroerde boel.”

En toen hij merkte, dat Rodolphe zich reeds van zijn beroemde rok meester gemaakt had, riep hij tegen hem:

„Maar wacht toch even .... Er zitten nog een paar kleinigheden in.”

De rok van Colline is een nadere beschouwing waard. In de eerste plaats was die rok volmaakt groen, en alleen uit gewoonte sprak Colline van zijn zwarte rok. En daar hij op dat oogenblik de eenige van de geheele troep was, die een rok bezat, hadden ook zijn vrienden de gewoonte aangenomen, om, wanneer zij van het officieele kleedingstuk van den wijsgeer spraken, zich te bedienen van de uitdrukking: de zwarte rok van Colline. Bovendien had dat beroemde kleedingstuk een zeer bijzonderen vorm, den meest bizarren, dien men zich denken kan: de zeer lange panden zaten n.l. aan een zeer korte taille en hadden twee zakken, ware afgronden, waarin Colline gewoon was een paar dozijn boeken, die hij altijd en eeuwig bij zich had, te bergen, wat zijn vrienden deed zeggen, dat de schrijvers en geleerden in den tijd, dat de bibliotheken gesloten waren, inlichtingen konden gaan inwinnen in de panden van Colline’s rok, een bibliotheek, die steeds geopend was.

Bij uitzondering bevatte Colline’s rok dien dag slechts een quarto-deel van Bayle, een verhandeling over hyperphysische krachten in drie deelen, een deel Condillac, twee deelen Swedenborg en Pope’s „Essai over den mensch.” Eerst toen hij zijn zak-bibliotheek had leeggeruimd, [81]stond hij Rodolphe toe den rok aan te trekken.

„Hè,” zeide deze, „de linkerzak is nog aardig zwaar; je hebt er zeker nog iets in gelaten.”

„Dat is waar ook,” zeide Colline, „ik heb vergeten den vreemde-talen-zak leeg te maken. En hij haalde er twee Arabische grammatica’s uit, een Maleisch woordenboek en een „Volmaakte veedrijver” in het Chineesch, zijn geliefkoosde lectuur.

Toen Rodolphe weer thuis kwam, was Marcel met drie vijf francstukken aan het schijfwerpen. Het eerste oogenblik stiet Rodolphe de hand, die zijn vriend hem toestak, weg: hij geloofde aan een misdaad.

„Laten we ons haasten,” zeide Marcel .... „We hebben de benoodigde francs bijeen... Luister, hoe ik eraan gekomen ben: Bij den ouden Médicis trof ik een verzamelaar van antiquiteiten aan. Toen hij mijn munt zag, viel hij bijna flauw: dat was de eenige, die nog aan zijn collectie ontbrak. Hij had al in alle landen laten zoeken, om die leemte aan te vullen, en had reeds alle hoop op succes verloren. Hij aarzelde, toen hij mijn Carolusdaalder goed bekeken had, dan ook geen oogenblik om mij vijf francs te bieden. Médicis stiet mij met zijn elleboog aan, zijn blik vulde de rest aan. Hij wilde daarmede zeggen: „Laten we de buit samen deelen, dan bied ik hooger!” We zijn tot dertig francs gekomen. Daarvan heb ik er vijftien aan den Jood gegeven, en hier is de rest. Nu kunnen onze gasten komen; wij zijn nu in staat om hun oogen te verblinden. Maar hoe kom jij aan dien rok?”

„O,” zeide Rodolphe, „dien heb ik van Colline geleend.” En toen hij zijn zakdoek uit zijn zak wilde halen, liet hij een klein deeltje Mandsjoesch vallen, dat in den vreemde-talen-zak was blijven zitten.

De beide vrienden gingen nu dadelijk aan het werk. Het atelier werd in orde gebracht, de kachel aangemaakt; een met kaarsen voorziene schilderijlijst hingen ze bij [82]wijze van kroonluchter aan den zolder; een bureau, dat als katheder voor de sprekers dienst moest doen, werd midden in het atelier geplaatst; daarvoor zetten zij hun eenigen fauteuil, waarop de invloedrijke criticus moest zitten, terwijl zij op een tafel alle aanwezige boeken: romans, gedichten en feuilletons, waarvan de schrijvers de soirée met hun tegenwoordigheid zouden vereeren, neerlegden. Ten einde alle mogelijke botsingen tusschen de verschillende variëteiten letterkundigen te vermijden, was het atelier verdeeld in vier afdeelingen, aan den ingang waarvan men op inderhaast vervaardigde borden lezen kon:

Dichters Romantici
Prozaschrijvers Classici

Voor de dames was een ruimte in het midden vrijgelaten.

„Alles is in orde, maar er ontbreken stoelen,” zeide Rodolphe.

„O,” antwoordde Marcel, „er staan er verscheidene op het trapportaal, maar die staan vast aan den muur. Als we die eens los maakten!”

„Dat zal wel dienen,” meende Rodolphe, terwijl hij zich meester ging maken van de stoelen, die aan den een of anderen buurman behoorden.

Het sloeg zes uur; de twee vrienden gingen vlug dineeren en kwamen weer gauw terug, om met de verlichting der salons te beginnen. Om zeven uur kwam Schaunard, vergezeld door drie dames, die haar diamanten en hoeden bij vergissing thuis gelaten hadden. Een van haar had een rooden omslagdoek met zwarte vlekken om. Schaunard maakte Rodolphe op haar speciaal opmerkzaam.

„Dat is een echte vrouw van de wereld,” zeide hij, „een Engelsche, die door den val der Stuarts in ballingschap [83]is moeten gaan; zij leeft zeer eenvoudig en bescheiden van wat haar Engelsche lessen haar opbrengen. Haar vader is onder Cromwell kanselier geweest, zooals zij mij verteld heeft; je moet beleefd tegen haar zijn en haar niet te veel tutoyeeren.”

Inmiddels lieten zich op de trap talrijke stappen hooren—de gasten kwamen; zij waren erg verbaasd, toen zij vuur in den kachel zagen.

Rodolphe’s rok ging de dames tegemoet en kuste haar met achttiende-eeuwsche gratie de hand; toen er ongeveer twintig gasten waren, vroeg Schaunard, of er nog niets rondgediend moest worden.

„Dadelijk,” antwoordde Marcel; „we wachten op de komst van den invloedrijken criticus, om den punch aan te steken.”

Om acht uur waren alle genoodigden aanwezig, waarna een aanvang met het programma gemaakt werd. Tusschen de verschillende nummers werden er ververschingen aangeboden; wat, daar is men nooit precies achter kunnen komen.

Tegen tien uur zag men het gele vest van den invloedrijken criticus verschijnen; hij bleef maar een uur en was matig in het gebruik der „ververschingen”.

Toen er tegen middernacht geen hout meer was en het aardig koud begon te worden, lootten de gasten, die zaten, wie zijn stoel in het vuur zou werpen.

Om een uur stond iedereen.

Toch bleef er onder de gasten een aangename, opgewekte stemming heerschen. Er viel geen enkel ongeval te betreuren, behalve een winkelhaak in den vreemde-talen-zak van Colline’s rok en een klap, dien Schaunard aan de dochter van den kanselier van Cromwell toediende.

Acht dagen lang was deze gedenkwaardige soirée het onderwerp van gesprek in het stadsdeel; en Phémie [84]Klad, die de koningin van het feest geweest was, placht, wanneer zij er met haar vriendinnen over sprak, te zeggen:

„Het was er prachtig; er waren zelfs waskaarsen.” [85]


1 Met het personeel van de firma Bidault (den toenmaligen postdirecteur) worden de brievenbestellers bedoeld.

2 Een gefingeerde naam.

[Inhoud]

Hoofdstuk VI.

Mademoiselle Musette.

Mademoiselle Musette was een knap meisje van twintig jaar, die kort na haar komst te Parijs dat geworden was, wat knappe meisjes worden, wanneer zij een mooie taille, veel coquetterie, een weinig eerzucht en in het geheel geen orthographie bezitten. Nadat zij langen tijd de vreugde had uitgemaakt der soupers van het Quartier Latin, waar zij met altijd frissche, hoewel niet steeds zuivere stem een groot aantal landelijke liedjes zong, die haar den naam gaven, waaronder de beste rijmsmeden haar sedert gevierd hebben, verliet mademoiselle Musette plotseling de Rue de la Harpe, om de aan Venus gewijde hoogten van het Quartier Bréda te gaan bewonen.

Al heel spoedig werd zij een der toonaangeefsters van de aristocratie van het genot en langzamerhand kwam zij tot die beroemdheid, welke daarin bestaat, dat men in de Parijsche couranten genoemd wordt of bij alle kunsthandelaars uitgestald staat.

En toch was mademoiselle Musette een uitzondering onder de vrouwen, in wier midden zij leefde. Evenals alle ware vrouwen was zij van nature elegant en dichterlijk en hield zij van luxe en van alle genietingen, die daarvan het gevolg zijn; in haar coquetterie had zij een gloeiend verlangen naar al wat mooi en voornaam was, en zij zou, hoewel zij een dochter uit het volk was, volstrekt niet misplaatst geweest zijn te midden van de koninklijkste pracht en pronk. Doch mademoiselle Musette, [86]die zelf jong en knap was, zou er nooit in toegestemd hebben de maîtresse te worden van een man, die niet eveneens jong en knap zou zijn. Men had haar dan ook eens de prachtige aanbiedingen hooren weigeren van een grijsaard, die zoo rijk was, dat hij de Croesus van de Chaussée-d’Antin genoemd werd, en aan Musette gouden bergen beloofd had. Intelligent en geestig als zij was, kon zij evenmin dwazen en fatten uitstaan, hoe ook hun leeftijd, hun titel en hun naam was.

Musette was dus een flink, knap meisje, dat in liefdesaangelegenheden de helft van Champforts beroemd aphorisme: „De liefde is de uitwisseling van twee phantasieën” tot het hare maakte.1 Haar liaisons werden dan ook nooit voorafgegaan door een van die schandelijke koopcontracten, welke de tegenwoordige galanterie onteeren. Zij speelde, zooals zij zelf zeide, altijd een eerlijk en open spel, en eischte, dat men haar oprechtheid met dezelfde munt terugbetaalde.

Maar al waren haar neigingen heftig en spontaan, toch waren zij nooit duurzaam genoeg, om te stijgen tot de hoogte van een hartstocht. De buitensporige onbestendigheid van haar grillen en de groote onverschilligheid, die zij had voor de beurzen en spaarpenningen van hen, die haar het hof maakten, brachten een even buitensporige onbestendigheid in haar bestaan, dat een eeuwigdurende wisseling was tusschen eigen equipage en omnibus, tusschen bel-étage en vijfde verdieping, zijden japonnen en katoenen rokjes. Bekoorlijk meisje, levend gedicht van jeugd met uw helderen lach en vroolijk lied! Medelijdend hart, dat onder het even-geopende boezemlijfje voor iedereen klopt! mademoiselle Musette, [87]zuster van Bernerette en Mimi Pinson!2 Ik zou de pen van Alfred de Musset moeten hebben, om uw zorgelooze zwerftochten op de bloeiende paden der jeugd naar waarde te verhalen; en zeker zou hij u ook hebben willen bezingen, indien hij, evenals ik, u met uw lieve, valsche stem dit ongekunstelde couplet uit een van uw lievelingsliederen had hooren voordragen:

C’était un beau jour de printemps

Que je me déclarai l’amant,

L’amant d’une brunette

Au cœur de Cupidon,

Portant fine cornette

Posée en papillon.

De geschiedenis, die wij nu gaan vertellen, is een der bekoorlijkste episoden uit het leven van deze bekoorlijke gelukzoekster, die zich aan het oordeel der wereld al heel weinig gelegen liet.

Ten tijde, dat zij de maîtresse was van een jongen staatsraad, die haar galant den sleutel van zijn erfdeel in handen gegeven had, placht mademoiselle Musette eens per week een soirée te geven in haar aardig klein salonnetje in de rue de la Bruyère. Deze avondpartijen geleken op de meeste Parijsche soirées, met dit verschil, dat de gasten zich hier werkelijk amuseerden; wanneer er niet genoeg ruimte was, ging de een op den schoot van den ander zitten; en meermalen gebeurde het, dat twee uit hetzelfde glas dronken. Rodolphe, die de vriend van Musette was en die nooit iets anders dan haar vriend was (zij hebben geen van beiden ooit geweten, waarom), vroeg Musette op een goeden dag, of hij zijn vriend Marcel niet eens mocht medebrengen—„een talentvollen jongen”, [88]zeide hij, „voor wien de toekomst bezig is een rok van de Académie te borduren.”

„Breng hem maar mee,” antwoordde Musette.

Den avond nu, dat zij samen naar Musette zouden gaan, ging Rodolphe Marcel afhalen. De kunstenaar was bezig zijn toilet te maken.

„Wat?” vroeg Rodolphe, „wil jij met een gekleurd overhemd in gezelschap verschijnen?”

„Kwetst dat dan de etiquette?” zeide Marcel kalm.

„Of het die kwetst? Tot bloedens toe, ongelukkige.”

„Bliksems!” vloekte Marcel met een blik op zijn overhemd, waar op een blauwen achtergrond wilde zwijnen door een troep honden vervolgd werden; „ik heb hier geen ander. Enfin, ik weet er niets anders op dan dat ik een vadermoorder aantrek; niemand zal dan de kleur van mijn overhemd zien, daar ik Methusalem tot mijn hals kan toeknoopen.”

„Wat?” zeide Rodolphe ongerust, „trek je Methusalem weer aan?”

„Ik moet wel!” was Marcels antwoord. „God wil het, en mijn kleermaker ook; trouwens er zijn pas nieuwe knoopen aangezet, en ik heb hem pas met Frankfurter zwart opgeknapt.”

Methusalem was de rok van Marcel; hij noemde dien zoo, omdat het de doyen van zijn garde-robe was. Methusalem was naar de laatste mode van vier jaar geleden en schreeuwend groen van kleur. Marcel echter beweerde, dat hij er bij kunstlicht zwart uitzag.

Vijf minuten later was Marcel met zijn toilet klaar; hij was met den meest volkomen slechten smaak gekleed: precies een kladschilder, die voor het eerst in de wereld gaat.

Mijnheer Casimir Bonjour zal den dag, waarop men hem zal komen vertellen, dat hij tot lid van het Instituut gekozen is, nooit zoo verwonderd kunnen zijn als Marcel [89]en Rodolphe waren, toen zij bij het huis van mademoiselle Musette kwamen. Ziehier de reden van hun verbazing: mademoiselle Musette, die sedert eenigen tijd met haar vriend den staatsraad gebrouilleerd was, was op een zeer kritiek oogenblik door hem in den steek gelaten. In opdracht van haar schuldeischers en van haar huisbaas waren haar meubels in beslag genomen en naar beneden gebracht, om den volgenden dag weggehaald en verkocht te worden. Niettegenstaande dit incident kwam het in Musette geen oogenblik op haar gasten in den steek te laten of de soirée af te zeggen. Met den meesten ernst liet zij de binnenplaats in een salon veranderen, legde zelf een tapijt op de steenen, maakte alles zooals gewoonlijk in orde, kleedde zich om haar gasten te ontvangen en noodigde al de medebewoners van het huis op haar klein feestje, ter opluistering waarvan de goede God voor een mooie illuminatie zorgde.

Deze grap had een groot succes, nooit had er op de soirées van Musette zoo’n prettige en opgewekte toon geheerscht; er werd nog gezongen en gedanst, toen de witkielen de meubels, tapijten en divans kwamen halen en daardoor het gezelschap noodzaakten weg te gaan.

Musette deed al haar gasten uitgeleide met het gezang:

„On en parlera longtemps, la ri ra,

De ma soirée de jeudi;

On en parlera longtemps, la ri ri.

Slechts Marcel en Rodolphe bleven bij Musette, die naar haar kamer gegaan was, waar alleen het bed nog maar stond.

„Hè,” zeide Musette; „ik vind nu mijn avontuur lang zoo aardig niet meer; ik zal in het hotel De Bloote Hemel moeten gaan logeeren; ik ken het heel goed, het kan er zoo gemeen tochten.”

„O, mevrouw,” zeide Marcel, „als ik de rijkdommen [90]van Plutus bezat, dan zou ik u een tempel, schooner dan die van Salomo, aanbieden, maar ...

„Ge zijt geen Plutus, vriendlief. Maar dat is minder, ik ben je toch dankbaar voor je goede bedoeling .... Maar kom!” voegde zij eraan toe, terwijl zij haar blik door de kamer liet gaan; „ik verveelde me hier, en bovendien werd het meubilair oud; ik heb het nu al bijna zes maanden. Maar dat is niet alles; na het bal wordt er toch gesoupeerd, en ik zou graag wat consumeeren.”

„Laten we dan consou-peeren,” zeide Marcel, die aan een woordspelingziekte leed, welke vooral in de ochtenduren zich deed gelden.

Daar Rodolphe ’s avonds bij het lansquenetspel een klein sommetje gewonnen had, nam hij Musette en Marcel mede naar een restaurant, dat juist geopend was.

Na het déjeuner besloten zij, daar zij volstrekt geen lust hadden te gaan slapen, den dag in het vrije veld te gaan doorbrengen; en daar zij vlak bij een station waren, stapten zij in den eersten den besten trein, die vertrok, en reden naar Saint-Germain.

Den geheelen dag liepen zij door de bosschen; eerst tegen zeven uur in den avond kwamen zij in Parijs terug. Marcel hield stok en stijf vol, dat het pas half een en de donkerte het gevolg van de bedekte lucht was.

Gedurende de geheele soirée en de rest van den dag was Marcel, wiens hart als buskruit was, dat een enkele blik deed ontbranden, steeds verliefder geworden op Musette en had haar het hof gemaakt „in alle kleuren”, zooals hij tegen Rodolphe zeide. Ja, hij was zelfs zoo ver gekomen, dat hij het knappe meisje had voorgesteld een nog mooier meubilair voor haar te koopen dan het oude; hij zou er zijn beroemde schilderij „De doortocht door de Roode Zee” voor verkoopen. Met angst en beven zag hij dan ook het oogenblik naderen, waarop hij zou moeten scheiden van Musette, die, hoewel zij zich haar [91]handen, hals en toebehooren liet kussen, hem telkens, wanneer hij door middel van inbraak in haar hart trachtte te dringen, zachtjes van zich af stiet.

Zoodra zij in Parijs terug waren, had Rodolphe zijn vriend met het jonge meisje alleen gelaten, dat hem nu vroeg haar naar huis te brengen.

„Wilt u mij toestaan, dat ik u kom bezoeken?” vroeg Marcel. „Ik zou graag uw portret schilderen.”

„Maar beste jongen,” antwoordde Musette; „ik kan je mijn adres niet geven, omdat ik dat morgen misschien niet meer heb; maar ik zal bij jou komen en je rok verstellen, waar zoo’n gat in zit, dat je er, zonder betalen, door zoudt kunnen verhuizen.”

„Ik zal op u wachten als op den Messias,” zeide Marcel.

„Maar niet zoo lang,” was Musette’s lachend antwoord.

„Wat een bekoorlijk schepseltje,” zeide Marcel tot zichzelf, terwijl hij langzaam verder liep; „de godin der vroolijkheid. Ik zal twee gaten in Methusalem maken.”

Hij was nog geen dertig pas verder, toen hij zich op zijn schouder voelde kloppen: het was mademoiselle Musette.

„Beste mijnheer Marcel!” zeide zij; „is u een Fransch ridder?”

„Dat ben ik. Rubens en mijn dame, luidt mijn devies.”

„Welnu, leen dan het oor aan mijn kommer en erbarm u mijner, edele heer,” ging Musette verder, die een weinig in de litteratuur bedreven was, hoewel zij met de grammatica op zeer gespannen voet leefde; „de huisbaas heeft den sleutel van mijn kamer meegenomen, en het is elf uur: begrijp je?”

„Natuurlijk,” zeide Marcel en bood Musette zijn arm aan. Hij nam haar mede naar zijn op den Quai aux Fleurs gelegen atelier. [92]

Hoewel Musette bijna omviel van slaap, had zij toch nog kracht genoeg om te zeggen:

„Vergeet niet, wat je me beloofd hebt.”

„O Musette, bekoorlijk wezen,” zeide de artist met eenigszins ontroerde stem; „ge zijt hier onder een gastvrij dak; slaap in vrede, goeden nacht! Ik ga heen.”

„Waarom?” vroeg Musette, wier oogen bijna dicht vielen; „ik ben heusch niet bang; en dan zijn er toch twee kamers, ik zal op je canapé gaan slapen.”

„Mijn canapé is te hard, om erop te slapen; het lijkt wel, of hij met keisteenen opgemaakt is. Ik verleen u gastvrijheid bij mij en ga die vragen aan een vriend, die hier op dezelfde verdieping woont .... dat is verstandiger. Ik houd gewoonlijk wel mijn woord; maar ik ben twee-en-twintig en gij achttien, Musette .... ik ga. Goeden nacht.”

Den volgenden ochtend om acht uur kwam Marcel met een bloempot, dien hij op de markt gekocht had, weer op zijn kamer. Hij vond Musette, die zich geheel gekleed op bed geworpen had, nog slapende. Door het leven, dat hij maakte, werd zij wakker en stak Marcel haar hand toe.

„Brave jongen!” zeide zij.

„Brave jongen!” herhaalde Marcel, „is dat niet synoniem met: belachelijke dwaas?”

„O, hoe kan je dat zeggen!” viel Musette hem in de rede; „dat is niets aardig van je; geef me liever dien mooien pot met bloemen, in plaats van dergelijke onaardige dingen naar mijn hoofd te werpen.”

„Alleen met dat doel heb ik hem hier gebracht,” zeide Marcel. „Aanvaard hem dus en zing, als dank voor mijn gastvrijheid, een van je aardige liedjes voor mij; de echo van mijn dakkamertje zal misschien iets van uw stem bewaren, zoodat ik u nog kan hooren, wanneer ge weer weg zijt.” [93]

„Zoo, dus je wilt me wegsturen?” vroeg Musette. „En als ik nu eens niet weg wil? Luister eens, Marcel, ik neem geen blaadje voor mijn mond, om te zeggen wat ik denk. Jij valt in mijn smaak en ik in den jouwe. Dat is nog geen liefde, maar het is er misschien de kiem van. Welnu, ik ga niet weg; ik blijf hier en zal hier blijven zoolang als de bloemen, die je me daarnet gegeven hebt, niet verwelkt zijn.”

„Ach!” riep Marcel uit, „maar dat zijn ze binnen twee dagen. Had ik dat geweten, dan had ik immortellen gekocht.”


Veertien dagen woonden Musette en Marcel al samen en leidden, hoewel zij dikwijls zonder geld zaten, het heerlijkste leven der wereld. Musette voelde voor Marcel een toegenegenheid, die niets gemeen had met haar vroegere verliefdheden, en Marcel begon bang te worden, dat hij werkelijk van zijn maîtresse zou gaan houden. Daar hij echter niet wist, dat zij harerzijds hetzelfde vreesde, keek hij iederen ochtend naar de bloemen, wier afsterven het einde van hun liaison zou beteekenen, en trachtte hij zich te verklaren, hoe zij iederen morgen opnieuw weer zoo frisch waren. Doch weldra vond hij den sleutel van het mysterie: toen hij op een goeden nacht wakker werd, zag hij Musette niet naast zich. Hij stond op, liep naar de kamer en vond daar zijn geliefde, die iederen nacht tijdens zijn slaap de bloemen begoot, om op die manier het verwelken tegen te gaan. [94]


1 De tweede helft luidt... „en de aanraking van twee opperhuiden.”

2 Zie de beide novellen van de Musset: „Frédéric et Bernerette” en „Mademoiselle Mimi Pinson.”

[Inhoud]

Hoofdstuk VII.

De golven van den Pactolus.1

Het was 19 Maart .... En al zou Rodolphe zoo oud worden als Raoul-Rochette, die Ninive heeft zien bouwen, nooit zal hij dien datum vergeten, want juist op dien aan St. Joseph gewijden dag, des namiddags om drie uur verliet onze vriend het kantoor van een bankier, waar hij een som van vijfhonderd francs in klinkenden, gangbaren munt uitbetaald gekregen had.

Het eerste gebruik, dat Rodolphe van dit in zijn zak terecht gekomen stukje van Peru maakte, bestond hierin, dat hij zijn schulden niet betaalde, en wel omdat hij zichzelf plechtig beloofd had voortaan spaarzaamheid te betrachten en geen extra- of overbodige uitgaven te doen. Hij had trouwens op dit punt zeer vaststaande denkbeelden en beweerde dan ook, dat men, alvorens te denken aan het overbodige, eerst voor het noodzakelijke zorgen moest; daarom betaalde hij zijn schuldeischers niet en kocht een Turksche pijp, die reeds sedert lang zijn begeerte had opgewekt.

Met dit kostbare voorwerp gewapend, ging hij naar de woning van zijn vriend Marcel, bij wien hij reeds sedert eenigen tijd logeerde. Toen hij het atelier binnenkwam, luidden zijn zakken als de klokken van een dorpstoren op een hoogen feestdag. Toen Marcel dit ongewone geluid hoorde, dacht hij, dat het een van zijn buurlieden [95]was, een verwoed beurs-speculant, die zijn agio-winst de revue liet passeeren, en hij mompelde:

„Daar begint die intrigant van hiernaast weer met zijn epigrammen. Als dat nog lang zoo duurt, ga ik verhuizen. Het is niet mogelijk onder zoo’n lawaai te werken. Je zoudt waarachtig lust krijgen, om de kunst aan den kapstok te hangen en straatroover te worden.”

En zonder in de verste verte te vermoeden, dat zijn vriend Rodolphe in een Croesus veranderd was, ging Marcel verder werken aan zijn „Doortocht door de Roode Zee,” waaraan hij nu al drie jaar bezig was.

Rodolphe, die nog geen woord gezegd had en een proef bedacht, die hij met zijn vriend wilde nemen, zeide tot zichzelf: „We zullen dadelijk lachen, dat zal een jolige boel worden.” En hij liet een vijffrancstuk vallen.

Marcel keek op en staarde Rodolphe aan, die even ernstig was als een artikel uit de „Revue des deux Mondes”.

De kunstenaar raapte het geldstuk met een zeer voldaan gebaar op en bereidde het een zeer vriendelijke ontvangst, want, hoewel hij een kleurenmenger was, kende hij toch zijn wereld en was steeds zeer beleefd tegenover vreemdelingen. Daar hij bovendien wist, dat Rodolphe uitgegaan was, om te trachten wat geld te krijgen, beperkte hij, nu hij zag, dat zijn vriend daarin geslaagd was, zich ertoe het resultaat te bewonderen, zonder hem te vragen met behulp van welke middelen het verkregen was.

Zonder een woord te zeggen, begon hij weer aan zijn werk en ging voort een Egyptenaar in de golven der Roode Zee te verdrinken. Terwijl hij bezig was dien moord te plegen, liet Rodolphe een tweede vijffrancstuk vallen. En terwijl hij heimelijk keek naar het gezicht, dat zijn vriend zou trekken, begon hij in zijn vuistje te lachen.

Bij den helderen klank van het metaal sprong Marcel [96]als door een electrischen schok getroffen, plotseling op en riep uit:

„Wat? Heeft dat lied een tweede couplet?”

Een derde stuk rolde over den vloer, toen nog een en nog een; ten slotte danste er een heele quadrille daalders in de kamer rond.

Marcel begon zichtbare teekenen van zinsverbijstering te geven en Rodolphe lachte als het parterre van het Théâtre Français bij de eerste opvoering van „Johanna van Vlaanderen”. Plotseling en zonder eenige omzichtigheid greep Rodolphe met volle handen in zijn zakken en begonnen de daalders een fabelachtigen steeple chase. Het was als een overstrooming van den Pactolus, als het bacchanaal van Juppiter bij Danaë.

Marcel stond onbeweeglijk, stom, met starre oogen; de verbazing veroorzaakte bij hem een metamorphose, als die, welke de nieuwsgierigheid vroeger de vrouw van Loth had doen ondergaan; en toen Rodolphe zijn laatste rol van honderd francs op den grond smeet, was de artist aan een kant van zijn lichaam reeds geheel verzout.

Rodolphe stond nog steeds te lachen. En bij die stormachtige vroolijkheid zou het gedonder van een orkest van Sax2 zoo iets als het gezucht van een kind aan de moederborst geweest zijn.

Verblind, ademloos en verstomd van ontroering dacht Marcel, dat hij droomde; en om de nachtmerrie, die zijn borst benauwde, te verjagen, beet hij zich tot bloedens toe in zijn vinger, wat hem zoo’n pijn deed, dat hij het uitschreeuwde. Toen merkte hij, dat hij klaar wakker was; en al dat goud aan zijn voeten ziende, riep hij als een treurspelheld uit:

„Mag ik mijn oogen gelooven?”

En dan de hand van Rodolphe in de zijne nemend: [97]

„Geef mij de verklaring van dit mysterie!”

„Als ik die gaf, zou het er geen meer zijn!”

„Maar hoe dan....?”

„Dit goud is de vrucht van mijn zweet,” zeide Rodolphe, terwijl hij het geld opraapte, dat hij op een tafel opstapelde! Dan ging hij een paar stappen achteruit, keek met eerbied naar de vijfhonderd francs en dacht:

„Nu zal ik dus mijn droomen kunnen verwezenlijken.”

„Dat zal niet ver van de zesduizend francs af zijn,” dacht op zijn beurt Marcel met een blik op de daalders, die op de tafel stonden te trillen. „Daar kom ik op een goed idée. Ik zal Rodolphe vragen mijn „Doortocht door de Roode Zee” te koopen!”

Plotseling nam Rodolphe een theatrale houding aan en met groote plechtigheid in gebaar en stem zeide hij:

„Luister eens, Marcel; het fortuin, dat ik hier voor uw oogen heb laten schitteren, is niet het resultaat van lage handelingen, ik heb niet met mijn pen gesjacherd, ik ben rijk, maar op mijn naam kleeft geen smet; een edelmoedige hand heeft mij dat goud gegeven, en ik heb een plechtige belofte afgelegd, om het te gebruiken ten einde mij door mijn werk een positie te verschaffen, die een ernstig man waardig is. De arbeid is de heiligste der plichten.”

„En het paard het edelste der dieren,” viel Marcel hem in de rede. „Maar waar wil je eigenlijk heen? Wat bedoel je met die woorden? Waar haal je dat proza vandaan? Zeker uit de steengroeven der school van het gezond verstand?”

„Val mij niet in de rede en scheid uit met je flauwe spotternijen,” zeide Rodolphe; „zij zouden trouwens toch afstuiten op het harnas van een onkwetsbaren wil, waarmede ik in het vervolg gepantserd ben.”

„Nou is de proloog lang genoeg. Waar wou je eigenlijk op neer komen?” [98]

„Luister naar mijn plannen: Gevrijwaard tegen de materieele zorgen des levens, wil ik ernstig aan het werk gaan; ik zal mijn meesterwerk voltooien en mij voor goed naam maken. In de eerste plaats breek ik met de Bohème-manieren, ik kleed mij zooals iedereen, koop een rok en ga de salons frequenteeren. Indien je denzelfden weg bewandelen wilt, zullen we samen kunnen blijven wonen, maar je zult mijn programma moeten aanvaarden. De strengste spaarzaamheid zal ons bestaan moeten beheerschen. Wanneer wij goed onze maatregelen weten te nemen, kunnen we drie maanden ongestoord en onbekommerd werken. Maar daarvoor is oeconomie noodig.”

„Beste vriend,” zeide Marcel, „de oeconomie is een wetenschap, die alleen onder het bereik van de rijken valt, zoodat jij en ik er zelfs de grondbeginselen niet van kennen. Maar met een uitgave van zes francs zouden wij de werken kunnen koopen van Jean-Baptiste Say, een uitstekend oeconoom, die ons misschien de manier, om die kunst praktisch te beoefenen, zal kunnen leeren... Maar wat zie ik, heb je daar een Turksche pijp?”

„Ja,” zeide Rodolphe: „die heb ik voor vijf-en-twintig francs gekocht.”

„Wat, jij geeft vijf-en-twintig francs uit voor een pijp .... en durft dan nog van oeconomie te praten?”

„Dat is zeer zeker oeconomie,” antwoordde Rodolphe; „ik brak iederen dag een pijp van twee sous; aan het eind van een jaar maakt dat een uitgave, die heel wat grooter is dan die, welke ik nu gedaan heb .... Het is dus in werkelijkheid een besparing.”

„Waarachtig,” zeide Marcel; „je hebt gelijk, daar zou ik nooit op gekomen zijn.”

Op dat oogenblik sloeg het zes uur.

„Laten we nu gauw gaan dineeren,” zeide Rodolphe; „ik wil vanavond nog met de uitvoering van mijn plan [99]beginnen. Maar van eten gesproken, daar valt me iets in: wij verliezen iederen dag kostbaren tijd met het klaarmaken van ons diner. De tijd echter is de rijkdom van den arbeider, wij moeten er dus zuinig mede zijn. Met vandaag te beginnen gaan we buitenshuis eten.”

„Uitstekend,” zeide Marcel; „twintig pas hier vandaan is een uitstekend restaurant; het is er wel een beetje duur; maar daar het vlak bij is, behoeven we niet ver te loopen en verdienen we aan tijd wat we aan geld uitgeven.”

„Vandaag zullen we nog gaan,” zeide Rodolphe; „maar morgen of overmorgen zullen we nog oeconomischer maatregelen toepassen .... In plaats van naar een restaurant te gaan, zullen we een keukenmeid nemen.”

„Neen, neen!” viel Marcel hem in de rede; „laten we liever een knecht nemen, die tevens voor kok fungeeren kan. Bedenk eens welke groote voordeelen daaruit zullen kunnen voortvloeien. In de eerste plaats zal ons huishouden steeds in orde zijn: hij kan onze schoenen poetsen, mijn penseelen uitwasschen, onze boodschappen doen; ik zal zelfs probeeren hem wat smaak voor de schoone kunsten bij te brengen, dan kan hij mijn leerling worden. Op die manier sparen we met ons beiden per dag minstens zes uur uit, die we nu besteden aan allerlei onnoodige bezigheden, welke ons in ons werk hinderen.”

„Wacht even!” zeide Rodolphe; „ik heb nog een ander idée .... maar laten we eerst gaan dineeren!”

Vijf minuten later zaten de beide vrienden in een der kamertjes van het naburige restaurant en zetten daar hun oeconomisch debat voort.

„Weet je wat mijn idée is?” waagde Rodolphe op te merken; „wat zou je ervan zeggen, als we in plaats van een knecht een maîtresse nemen?” [100]

„Een maîtresse voor twee man!” viel Marcel verbaasd uit; „dat zou de gierigheid tot in het verkwistende drijven zijn; wij zouden onze spaarduiten gebruiken, om messen en andere moordwerktuigen te koopen, waarmede we elkaar te lijf zouden gaan. Neen, ik prefereer een knecht; bovendien staat dat deftig ook!”

„Je hebt gelijk,” zeide Rodolphe; „wij zullen een intelligenten jongen nemen; en als hij eenig begrip van orthographie heeft, zal ik hem leeren redigeeren.”

„Dat zal dan een bron van inkomsten voor hem zijn op zijn ouden dag,” zeide Marcel, terwijl hij de rekening, die vijftien francs bedroeg, optelde. „Jongens, dat is vrij duur. Gewoonlijk dineerden wij voor dertig sous samen.”

„Dat is zoo,” vond Rodolphe, „maar we dineerden slecht en waren daardoor genoodzaakt ’s avonds weer te soupeeren. Goed beschouwd is het dus een besparing.”

„Tegen jou valt niet te redeneeren,” mompelde de schilder, door die redeneering overtuigd; „jij hebt altijd gelijk. Gaan we vanavond werken?”

„Waarachtig niet. Ik ga naar mijn oom; dat is een brave kerel, ik zal hem op de hoogte brengen van mijn nieuwe positie, hij zal me goeden raad kunnen geven. En waar ga jij heen, Marcel?”

„Ik ga den ouden Médicis vragen, of hij geen schilderijen voor mij te restaureeren heeft. A propos, geef mij even vijf francs.”

„Waarvoor?”

„Ik wil over den Pont des Arts gaan.”

„O, dat is een onnoodige uitgave, die, ook al is zij niet zoo heel groot, toch met onze principes in strijd is.”

„Ik heb ongelijk, het is zoo,” antwoordde Marcel; „ik zal over den Pont Neuf gaan .... maar dan neem ik een rijtuig.”

De twee vrienden namen afscheid en sloegen ieder een [101]verschillenden weg in, die door een zonderlingen samenloop van omstandigheden hen beiden op dezelfde plaats terugbracht.

„Zoo, heb je je oom niet thuis gevonden?” vroeg Marcel.

„En was de oude Médicis er niet?” was Rodolphe’s wedervraag.

En zij barstten in lachen uit.

Toch gingen zij op een vroeg uur naar huis terug ... den volgenden ochtend namelijk.

Twee dagen later hadden Rodolphe en Marcel een volledige metamorphose ondergaan. Beiden gekleed als pasgehuwden, waren zij zoo mooi, zoo schitterend, zoo elegant, dat zij, wanneer zij elkaar op straat tegenkwamen, aarzelden elkaar te herkennen.

Hun oeconomisch stelsel werkte in al zijn kracht, de organisatie van het werk kwam echter slechts met groote moeite tot stand. Zij hadden een knecht gehuurd. Het was een lange slungel van vier-en-dertig jaar en Zwitsersche afkomst en niet al te groote intelligentie. Bovendien was hij niet voor knecht in de wieg gelegd; wanneer een van zijn heeren hem een eenigszins groot pakket te bezorgen gaf, kreeg Baptiste een kleur van verontwaardiging en liet de boodschap door een witkiel doen. Maar Baptiste had ook goede eigenschappen: wanneer men hem bijv. een haas gaf, kon hij daarvan zoo noodig een hazenpeper maken. Ook had hij, daar hij, alvorens knecht te worden, destillateur geweest was, een groote voorliefde voor die kunst gehouden en ontstal hij een groot deel van den tijd, dien hij voor zijn meesters moest gebruiken, aan het zoeken naar de samenstelling van een nieuw wondmiddel, waaraan hij zijn naam wilde geven. Verder had hij het ver gebracht in het maken van notenbrandewijn. Maar de kunst, waarin Baptiste door niemand geëvenaard werd, was die om de sigaren van Marcel op te rooken en [102]ze aan te steken met de manuscripten van Rodolphe.

Op een goeden dag wilde Marcel Baptiste in het costuum van Pharao voor zijn „Doortocht door de Roode Zee” laten poseeren. Baptiste weigerde dit beslist en zeide zijn dienst op.

„Goed,” zeide Marcel; „we zullen vanavond afrekenen.”

Toen Rodolphe thuis kwam, zeide zijn vriend tegen hem, dat Baptiste beslist weggezonden moest worden.

„Wij hebben absoluut geen nut van hem,” zeide hij.

„Dat is zoo,” antwoordde Rodolphe; „hij is een levend kunstvoorwerp.”

„Hij is zoo dom als het achtereind van een koe.”

„En lui!”

„Hij moet weg.”

„Laten we hem wegsturen!”

„Toch heeft hij eenige goede eigenschappen. Hij kan heel lekker hazenpeper maken.”

„En notenbrandewijn dan. Hij is de Raphaël van den notenbrandewijn.”

„Zeker, maar dat is ook het eenige, waarvoor hij deugt, en dat is voor ons niet voldoende. Wij verliezen al onzen tijd door al die discussies met hem.”

„Hij hindert ons in ons werk.”

„Het is zijn schuld, dat ik mijn „Doortocht door de Roode Zee” nog niet heb kunnen tentoonstellen. Hij heeft geweigerd om voor Pharao te poseeren.”

„En door hem heb ik het werk, dat mij opgedragen was, niet kunnen afmaken. Hij heeft geweigerd, om in de bibliotheek de aanteekeningen, die ik noodig had, te gaan halen.”

„Hij ruïneert ons.”

„We kunnen hem beslist niet houden.”

„Laten we hem dan wegzenden .... Maar eerst moeten we hem betalen.” [103]

„Wij zullen hem betalen, maar weg moet hij! Geef me geld, dan zal ik met hem afrekenen.”

„Wat, geld! Ik houd toch de kas niet, maar jij!”

„Geen quaestie van, jij! Jij hebt je met de generale intendantuur belast,” zeide Rodolphe.

„Maar ik geef je de heilige verzekering, dat ik geen geld heb!” riep Marcel uit.

„Zou al het geld nou al op zijn? Dat is onmogelijk! Je kan geen vijfhonderd francs in acht dagen uitgeven, vooral wanneer je, zooals wij, met de grootste spaarzaamheid geleefd hebt en je je tot het strikt noodzakelijke beperkt (Tot het strikt overbodige had hij moeten zeggen.). Wij moeten de rekeningen even verifieeren, dan zullen we de fout wel vinden.”

„Ja, die wel,” zeide Marcel, „maar niet het geld. Maar dat hindert minder, we kunnen toch het uitgaven-boekje wel even doorloopen.”

Ziehier het specimen van die boekhouding, welke onder de auspiciën van Sancta Oeconomica begonnen was.

„19 Maart. Ontvangen: 500 francs. Uitgegeven: een Turksche pijp, 25 francs; diner, 15 francs; diversen, 40 francs.”

„Wat zijn dat voor uitgaven?” vroeg Rodolphe aan Marcel, die las.

„Dat weet je wel,” antwoordde deze, „dat is de avond, dat we ’s morgens pas thuis gekomen zijn. Trouwens daardoor hebben we vuur en licht gespaard.”

„Verder.”

„20 Maart. Dejeuner, 1 fr. 50; tabak 20 cent; diner, 2 fr.; een monocle, 2 fr. 50. Die monocle is voor jouw rekening. Waarvoor hadt je een monocle noodig? Je mankeert niets aan je oogen.”

„Je weet heel goed, dat ik voor de Echarpe d’Iris een verslag over de schilderijen-tentoonstelling moest maken; en zonder monocle kan je geen schilderijen beoordeelen; [104]dat was een gerechtvaardigde uitgave. Verder? ....”

„Een wandelstok ...”

„O, die is voor jouw rekening,” zeide Rodolphe. „Je hadt geen wandelstok noodig.”

„Dat is alles, wat den 20sten uitgegeven is,” zeide Marcel, die op Rodolphe’s uitval niet inging. „Den 21sten hebben we in de stad geluncht, gedineerd en gesoupeerd.”

„Dan hebben we dien dag toch niet veel uit kunnen geven?”

„Inderdaad slechts een kleinigheid .... Bijna dertig francs.”

„Maar waaraan toch in hemelsnaam?”

„Dat weet ik niet meer,” antwoordde Marcel; „maar het staat onder de rubriek: Diversen.”

„Dat is een heel vage en verraderlijke titel,” riep Rodolphe.

„22 Maart. Dat was de dag, waarop Baptiste in dienst gekomen is; we hebben hem een voorschot van 5 francs op zijn loon gegeven; voor een draaiorgel 50 centimes; voor den afkoop van vier Chineesche boerenjongens, die door hun ouders, ongelooflijke drankorgels en doordraaiers, tot verdrinking in de Gele Rivier gedoemd waren, 2 fr. 40 c.

„Lieve Hemel,” zeide Rodolphe, „verklaar mij toch eens de tegenstelling, die in dit artikel op te merken is. Als je aan draaiorgels geeft, waarom scheldt je dan op die doordraaiers en drankorgels van ouders. En waar was het noodig voor geld voor die Chineesche boerenjongens uit te geven? Als het nu nog boerenjongens op brandewijn geweest waren!”

„Ik ben nu eenmaal grootmoedig geboren,” antwoordde Marcel. „Doch lees jij nu eens verder. Tot nu toe zijn we niet veel van het spaarzaamheidsprincipe afgeweken.”

„23 Maart. Niets. 24 Maart. Idem. Dat zijn twee goede [105]dagen, 25 Maart. Een voorschot van 3 francs op het loon van Baptiste.”

„Het schijnt, dat we hem nog al veel voorschot gegeven hebben,” zeide Marcel.

„Des te minder hebben we hem dan nu uit te betalen,” antwoordde Rodolphe. „Ga verder.”

„26 Maart. Verschillende, uit een oogpunt van kunst nuttige uitgaven, 36 fr. 40 c.”

„Wat hebben we dan voor nuttigs gekocht?” vroeg Rodolphe; „ik herinner me er niets van. 36 fr. 40 c., wat kan dat zijn?”

„Herinner je je dat niet?... Dat is de dag, waarop wij de Notre-Dame beklommen hebben, om Parijs in vogelvlucht te zien.”

„Maar dat kost toch niet meer dan acht sous,” dacht Rodolphe.

„Ja, maar toen we weer beneden waren, zijn we in St. Germain gaan dineeren.”

„Dan is de zaak duidelijk.”

„27 Maart: Niets!”

„Prachtig! Dat is nu eens spaarzaam!”

„28 Maart. Voorschot aan Baptiste, 6 fr.”

„O, nu ben ik er zeker van, dat we hem niets meer te betalen hebben. Het is zelfs niet onmogelijk, dat hij ons nog wat schuldig is .... Enfin, dat zal ik wel eens narekenen.”

„29 Maart. Waarachtig, op 29 Maart hebben we niets uitgegeven. Er staat het begin van een preek voor in de plaats. 30 Maart. Juist, toen hadden we menschen te dineeren; een groote uitgave: 30 fr. 55c. Den 31sten, dit is vandaag, hebben we nog niets uitgegeven. Je ziet dus, dat de boekhouding zeer nauwkeurig geweest is. Het totaal bedraagt op geen stukken na 500 francs.”

„Dan moet er nog geld in kas zijn.”

„We zullen zien,” zeide Marcel, terwijl hij een lade opentrok. „Neen, er is niets meer, alleen een spin.” [106]

„Een spin op den morgen brengt kommer en zorgen,” merkte Rodolphe op.

„Maar waar kan al dat geld gebleven zijn?” vroeg Marcel, terneergeslagen bij het zien van de ledige kas.

„Vraag je dat nog? zeide Rodolphe. „Dat is nogal eenvoudig: we hebben het aan Baptiste gegeven.”

„Wat is dat?” riep Marcel uit, die in de lade een stuk papier vond. „De rekening voor het laatste kwartaal huur!”

„Hoe is die hier gekomen?” vroeg Rodolphe.

„En gequiteerd ook!” voegde Marcel eraan toe. „Heb jij huur betaald?”

„Ik? Loop nou rond!”

„Maar wat beteekent dan?”

„Maar ik bezweer je ....”

„Wat is dan dit mysterie?” zongen zij in koor op de melodie der finale van La Dame Blanche.

Baptiste, die graag muziek hoorde, kwam dadelijk aanloopen.

Marcel liet hem de quitantie zien.

„O ja, dat is waar ook!” zeide Baptiste langs zijn neus weg; „dat had ik nog vergeten te zeggen. De huisbaas is hier geweest, toen jullie uit waren, en om hem de moeite te besparen terug te moeten komen, heb ik hem maar betaald.”

„Waar heb je dat geld vandaan gehaald?”

„O, ik heb het uit de la genomen, die stond open; ik dacht, dat de heeren die juist daarom open hadden laten staan, en ik zei zoo tegen mezelvers; De heeren hebben, toen ze uit gingen, vergeten te zeggen: „Baptiste, de huisbaas zal zijn huur komen halen, je moet hem betalen;” en toen heb ik gedaan, alsof ik dat bevel gekregen had, zonder het bevel gekregen te hebben.”

„Baptiste,” zeide Marcel, ziedend van woede, „je hebt onze bevelen overtreden. Van af heden ben je uit onzen dienst ontslagen. Baptiste, geef je livrei terug.” [107]

Baptiste nam zijn wasdoeken pet, waaruit zijn heele uniform bestond, af en gaf die aan Marcel.

„Goed,” zeide deze; „je kunt gaan ...”

„En mijn loon?”

„Ben je soms niet erg lekker? Je hebt al meer gekregen dan we je schuldig zijn. Ik heb je in nog geen veertien dagen veertien francs gegeven. Wat doe je met al dat geld? Mainteneer je soms een danseres?”

„Op het slappe koord,” voegde Rodolphe eraan toe.

„Ik sta dus alleen op de wereld,” zeide de ongelukkige knecht; „zonder iets, waarop ik mijn hoofd kan nederleggen!”

„Neem dan je livrei maar terug,” antwoordde Marcel, ondanks zichzelf aangedaan.

En hij gaf de pet aan Baptiste terug.

„En toch heeft die ongelukkige ons fortuin verkwist,” zeide Rodolphe, toen hij den armen Baptiste zag weggaan. „Waar dineeren we vandaag?”

„Dat zullen we morgen weten,” antwoordde Marcel. [108]


1 Rivier in Lydië, bekend om haar goudrijkdom.

2 Sax was een fabrikant van beroemde muziekinstrumenten.

[Inhoud]

Hoofdstuk VIII.

Wat een vijffrancsstuk kost.

Op een Zaterdagavond in den tijd, dat hij nog niet met mademoiselle Mimi „was”, met wie we weldra kennis zullen maken, leerde Rodolphe aan zijn table-d’hôte een handelaarster in mode-artikelen, mademoiselle Laure geheeten, kennen. Toen zij gehoord had, dat Rodolphe hoofdredacteur van de Echarpe d’Iris en van den Castor, twee modebladen, was, begon zij, in de hoop, dat hij reclame voor haar artikelen zou maken, op vrij in het oog loopende wijze met hem te coquetteeren. Op die uitdagingen had Rodolphe geantwoord met een vuurwerk van galante complimentjes, die Benserade, Voiture en alle Ruggieri’s van den precieusen stijl jaloersch gemaakt zouden hebben; en toen zij na afloop van het diner vernam, dat Rodolphe dichter was, gaf zij hem heel duidelijk te verstaan, dat zij niet ongeneigd was hem als haar Petrarca aan te nemen. Zelfs stond zij hem zonder veel omhaal van woorden een rendez-vous voor den volgenden dag toe.

„Bij Juppiter!” zeide Rodolphe tot zichzelf, toen hij mademoiselle Laure naar huis bracht, „dat is beslist een beminlijke persoonlijkheid. Het lijkt wel, dat zij over een voldoende grammatica en een rijk voorziene garde-robe beschikt. Ik ben werkelijk wel geneigd haar gelukkig te maken.”

Toen zij bij de deur van haar huis gekomen was, liet mademoiselle Laure den arm van Rodolphe los en dankte [109]hem hartelijk voor de moeite, die hij zich getroost had, om haar naar een zoo afgelegen stadswijk te brengen.

„O, madame,” antwoordde Rodolphe met een buiging, waarbij zijn gezicht op den grond kwam, „ik wilde, dat u te Moskou of op de Sunda-eilanden woonde, alleen om nog langer uw cavalier te kunnen zijn!”

„Dat is wel wat erg ver!” antwoordde Laure gemaakt.

„We zouden over de boulevards gegaan zijn, madame,” zeide Rodolphe. „En sta mij toe, u, in den persoon van uw wang, de hand te kussen,” vervolgde hij, terwijl hij Laure, voor zij het verhinderen kon, een kus op de lippen drukte.

„O, mijnheer,” kirde zij, „dat gaat te vlug.”

„Ja, maar dan bereik ik ook eerder mijn doel,” zeide Rodolphe. „In de liefde moeten de eerste afstanden in galop worden afgelegd.”

„Een type!” dacht de modiste, terwijl zij naar binnen ging.

„Een allerliefst persoonlijkheidje,” zeide Rodolphe, toen hij naar huis wandelde.

Zoodra hij op zijn kamer was, ging hij naar bed en droomde de zoetste droomen. Hij zag zich op bals, in de schouwburgen en op wandelplaatsen met Laure aan zijn arm, die nog mooiere japonnen dan die, welke in de sprookjes van Moeder de Gans voorkomen, aan had.

Volgens zijn gewoonte stond Rodolphe den volgenden dag om elf uur op. Zijn eerste gedachte was voor mademoiselle Laure.

„Een heel beschaafde vrouw,” mompelde hij. „Ik ben er zeker van, dat zij te Saint-Denis is opgevoed. Ik zal dus eindelijk het geluk leeren kennen een maîtresse te bezitten, die er warmpjes in zit. Ik moet mij offers voor haar getroosten. Ik zal dus mijn geld aan de Echarpe d’Iris gaan halen, een paar handschoenen koopen en met Laure gaan dineeren in een restaurant, waar ze servetten [110]geven. Mijn rok is wel niet heel mooi meer, maar zwart kleedt toch altijd goed!”

En hij ging naar het bureau van de Echarpe d’Iris.

Op straat zag hij echter in den omnibus groote affiches met de woorden:

Heden, Zondag, springen de waterwerken te Versailles.

Het inslaan van den bliksem vlak voor zijn voeten zou op Rodolphe geen dieperen indruk gemaakt hebben dan het zien van dat affiche.

„Het is vandaag Zondag! Dat was ik heelemaal vergeten!” riep hij uit. „Dan krijg ik nergens geld vandaag. Zondag! Alles wat in Parijs daalders heeft, is al op weg naar Versailles.”

Desniettemin liep Rodolphe, voortgedreven door een van die fabelachtige verwachtingen, waaraan de mensch zich steeds vastklampt, zoo snel als zijn beenen hem dragen konden, naar het bureau van zijn blad. Misschien zou een gelukkig toeval den kassier daar gebracht hebben.

Mijnheer Boniface was er inderdaad geweest, doch onmiddellijk weer vertrokken.

„Hij is naar Versailles,” zeide de loopjongen.

„Dat is verkeken,” zeide Rodolphe.... „Maar wacht eens even. Het rendez-vous is vanavond pas. Het is nu twaalf uur, ik heb dus nog vijf uur om vijf francs te vinden—dat is twintig sous per uur, net als de paarden in het Bois de Boulogne. En nu voorwaarts marsch!”

Daar hij juist in het stadsdeel was, waar een journalist woonde, dien hij den invloedrijken criticus noemde, besloot hij bij dezen een poging te wagen.

„Ik vind hem zeker thuis,” zeide hij, terwijl hij de trap [111]opliep; „het is vandaag zijn feuilletondag, dus gaat hij niet uit. Ik zal van hem vijf francs leenen.”

„Ha, ben jij het!” zeide de criticus, toen hij Rodolphe zag, „je komt als geroepen; ik heb je een kleinen dienst te vragen.

„Dat treft prachtig!” dacht de redacteur van de Echarpe d’Iris.

„Was je gisteren in den Odéon?”

„Daar ben ik altijd!”

„Je hebt dus het nieuwe stuk gezien?”

„Wie zou het anders gezien hebben? Het publiek van den Odéon ben ik!”

„Dat is waar ook,” zeide de criticus. „Je bent een der steunpilaren van dien schouwburg. Er loopt zelfs een gerucht, dat je subsidie geeft. Doch om op de zaak terug te komen, kan je me geen overzicht van het nieuwe stuk geven?”

„Niets makkelijker dan dat. Ik heb het geheugen van een schuldeischer.”

„Van wien was het stuk?” vroeg de journalist aan Rodolphe, terwijl deze aan het schrijven was.

„Van een mijnheer.”

„Dan zal het geen sterk stuk zijn.”

„In geen geval zoo sterk als een Turk.”

„Dan is het ook niet sterk. Want de Turken hebben geheel ten onrechte den naam van sterk te zijn. Zij zouden hier nog niet eens voor schoorsteenvegers deugen.”

„En waarom niet?”

„Omdat alle schoorsteenvegers Savoyaards zijn, en alle Savoyaards weer Auvergners, en alle Auvergners weer kruiers zijn. En bovendien zijn er geen Turken meer, behalve op de bals masqués in de voorsteden en op de Champs Elysées, waar zij dadels verkoopen. De Turk is een vooroordeel. Een van mijn vrienden kent het Oosten heel goed en die heeft me verzekerd, dat al de onderdanen [112]van die natie geboren zijn in de rue Coquenard.”

„Alleraardigst!”

Vind je?” vroeg de criticus. „Dan zet ik het in mijn feuilleton.”

„Hier heb je de analyse van het stuk,” zeide Rodolphe. „Gauw gedaan, wat?”

„Dat wel, maar het is verduiveld kort.”

„Wanneer je er wat gedachtenstreepjes bij zet en je kritische opinie ontwikkelt, neemt het plaats genoeg in.”

„Daar heb ik geen tijd voor, mijn waarde, en bovendien beslaat mijn kritische meening zooveel plaats niet.”

„Dan zet je er om de drie woorden een adjectief bij.”

„Zou je aan de analyse niet een korte, of liever een lange beschouwing over het stuk kunnen vasthechten?” vroeg de criticus.

„Och,” zeide Rodolphe, „ik heb wel mijn bepaalde ideeën over de tragedie, maar ik waarschuw je, dat ik ze al driemaal in den Castor en in de Echarpe d’Iris heb laten afdrukken.”

„Dat is minder; hoeveel regels beslaan je ideeën?”

„Veertig regels.”

„Bliksems, jij hebt groote ideeën! Nou, wil je me je veertig regels leenen?”

„Prachtig!” dacht Rodolphe. „Als ik hem voor twintig francs copie lever, zal hij mij geen vijf francs kunnen weigeren. Ik moet je echter eerlijk bekennen,” zeide hij vervolgens tot den criticus, „dat mijn denkbeelden niet bepaald nieuw zijn. Zij zijn aan den elleboog een beetje doorgesleten. Voor ik ze liet drukken, heb ik ze in alle koffiehuizen van Parijs uitgebazuind: er is geen kellner in Parijs, die ze niet uit zijn hoofd kent.”

„Wat kan mij dat schelen?.... Je kent me nog niet. Is er, uitgezonderd de deugd, iets nieuws in de wereld?”

„Hier!” zeide Rodolphe toen hij klaar was.

„Donder en bliksem! Er mankeeren nog twee kolom... [113]Waarmede dien afgrond te dempen? Kom, lever me, nu je toch hier bent, nog een paar paradoxen!”

„Ik heb er van mijzelf niet bij me,” zeide Rodolphe; „maar ik kan je er wel een paar leenen; ze zijn echter niet van mij; ik heb ze voor vijftig centimes van een vriend, die in geldverlegenheid zat, gekocht. Ze hebben nog maar heel weinig dienst gedaan.”

„Des te beter!” zeide de criticus.

„Het gaat goed!” zeide Rodolphe tot zichzelf, terwijl hij weer begon te schrijven; „ik vraag hem minstens tien francs; in dezen tijd zijn de paradoxen even duur als jonge patrijzen.”

En hij schreef een dertig regels, waarin hij zottenpraat uitkraamde over piano’s, goudvisschen, de school van het gezond verstand en Rijnwijn, dien hij toiletwijn noemde.

„Prachtig,” zeide de criticus; „doe mij nu nog het genoegen er bij te schrijven, dat het bagno de plaats in de wereld is, waar je de meeste rechtschapen menschen vindt.”

„Waarom?”

„Om nog twee regels te vullen. Zoo, dat is in orde,” zeide de invloedrijke criticus en riep zijn bediende, om zijn feuilleton naar de drukkerij te brengen.

„En nu,” zeide Rodolphe; „de koe bij de horens gevat!” En hij deed plechtig en ernstig zijn verzoek.

„O je, mijn waarde,” zuchtte de criticus, „ik heb zelf geen sou in huis. Lolotte ruïneert me met pomade en zooeven heeft zij mij tot mijn laatste halve duit uitgeschud om naar Versailles te gaan en de Nereïden en andere bronzen monsters water te zien spuwen.”

„Naar Versailles?” vroeg Rodolphe. „Is het vandaag dan een epidemie?”

„Maar waarom heb je geld noodig?”

„Ziehier het geval,” antwoordde Rodolphe. „Om [114]vijf uur heb ik een afspraak met een vrouw van de wereld, een gedistingeerde dame, die altijd in een omnibus uitgaat. Ik zou gaarne voor eenige dagen mijn lot aan het hare verbinden; en daarom komt het mij passend voor haar de zoetheden des levens te laten smaken. Diner, bal, wandelingen enz. enz. Ik heb absoluut vijf francs noodig; als ik ze niet vind, is in mijn persoon de geheele Fransche litteratuur onteerd.”

„Waarom leen je die som niet van die dame zelf?” vroeg de criticus.

„Dat gaat den eersten keer niet. Alleen jij kunt mij redden!”

„Bij alle mummies van Egypte zweer ik je op mijn woord van eer, dat ik zelfs geen geld heb, om een pijp van een sou of een panatella te koopen. Maar ik heb daar een paar boeken, die je zoudt kunnen verkoopen.”

„Vandaag, op Zondag, onmogelijk. Moeder Mansut, Lebigre en alle winkels op de kaden en in de rue Saint-Jacques zijn gesloten. En wat zijn het voor boeken? Zeker gedichten met het portret van den schrijver. Maar die dingen zijn onverkoopbaar.”

„Tenzij je er door de rechtbank toe veroordeeld wordt. Doch wacht even, daar heb je nog een bundel romances en een paar billetten voor concerten. Wanneer je het wat handig aanlegt, zou je er best wat geld van kunnen maken.”

„Ik zou liever wat anders meenemen, een broek bijv.”

„Daar,” zeide de criticus, „neem dien Bossuet en die gipsbuste van Odilon Barrot nog mee; maar op mijn woord van eer, dat is het penningske der weduwe.”

„Ik zie in ieder geval je goeden wil,” zeide Rodolphe. „Ik neem de schatten mede, maar als ik er dertig sous voor krijg, dan beschouw ik dat kunststuk als het dertiende werk van Hercules. [115]

Nadat hij ongeveer vier mijl had afgelegd, slaagde hij er met behulp van een welsprekendheid, waarvan hij bij groote gelegenheden het geheim bezat, in bij zijn waschvrouw twee francs te leenen, waarvoor hij de deelen poëzie, de romances en de buste van Barrot in pand moest geven.

„Kom,” zeide hij, toen hij de bruggen weer overging, „dat is tenminste de jus, nu moet ik het vleesch nog zien te vinden. Als ik eens naar mijn oom ging!”

Een half uur later was hij bij zijn oom Monetti, die op het gelaat van zijn neef dadelijk las, waarom het ging. Hij was dus op zijn hoede en voorkwam iedere vraag door een serie klachten als:

„Het zijn moeilijke tijden: het brood is duur, de klanten betalen niet, de huur moet worden opgebracht, de handel zit in het moeras enz. enz.,” en al de verdere huichelachtige klachten van winkeliers.

„Zou je wel willen gelooven,” zeide de oom, „dat ik genoodzaakt ben geld te leenen van mijn bediende, om een wissel te betalen?”

„Dan hadt u mij even een boodschap moeten sturen,” zeide Rodolphe. „Ik zou u het geld gaarne geleend hebben; drie dagen geleden heb ik tweehonderd francs gekregen.”

„Ik vind het heel aardig van je, jongen, maar je hebt zelf je geld noodig .... Maar zeg, nu je toch hier bent, zou je wel even een paar rekeningen voor me kunnen schrijven, die ik wil laten innen; je schrijft zoo’n mooie hand.”

„O je, die vijf francs zullen me duur kosten,” zeide Rodolphe, terwijl hij zich aan het werk zette, dat hij zooveel mogelijk bekortte.

„Beste oom,” zeide hij, „daar ik weet, dat u een groot muziekliefhebber bent, heb ik een paar entrée’s voor u medegebracht.” [116]

„Heel vriendelijk van je, jongen. Wil je bij me blijven dineeren?”

„Neen, dank u, oom; ik word in den Fauborg St. Germain op een diner verwacht. Ik verkeer zelfs eenigszins in verlegenheid, omdat ik geen tijd meer heb om geld te gaan halen, om handschoenen te koopen.”

„Heb je geen handschoenen bij je? Wil je de mijne leenen?”

„Dat zal niet gaan; we hebben hetzelfde nummer niet; maar u zoudt mij verplichten mij te leenen....”

„Negen-en-twintig sous, om een paar te koopen? Zeker, jongen, daar heb je ze. Wanneer je in gezelschap komt, moet je fatsoenlijk voor den dag komen. Beter benijd dan beklaagd, zeide je tante altijd. Ik ben blij, dat je in betere kringen komt .... Ik zou je wel wat meer gegeven hebben, maar ik heb op het oogenblik hier in het kantoor niet meer; ik zou naar boven moeten en ik kan den winkel niet alleen laten: ieder oogenblik komen er koopers.”

„En u vertelde daarnet, dat het zoo slecht met den handel ging!”

Oom Monetti deed, of hij die opmerking niet hoorde en zeide tot zijn neef, die de negen-en-twintig sous in zijn zak stak:

„Je behoeft je niet te haasten, om ze terug te geven.”

„Wat een gierige brok!” zeide Rodolphe, terwijl hij zich wegspoedde. „Nu ontbreken me nog een-en-dertig sous. Waar die te vinden? Wacht, een idee, laat ik naar den viersprong van de Voorzienigheid gaan.”

Dat was de naam, dien Rodolphe gaf aan het meest centrale punt van Parijs, d. w. z. het Palais Royal, een plek, waar het bijna onmogelijk is tien minuten te blijven staan zonder tien personen te ontmoeten, die je kent, vooral schuldeischers. [117]

Rodolphe ging dus op het bordes van het Palais-Royal op wacht staan. Ditmaal liet de Voorzienigheid zich lang wachten. Eindelijk meende Rodolphe haar te zien. Zij had een witten hoed, een groenen paletot en een wandelstok met een gouden knop .... een zeer elegant gekleede Voorzienigheid dus.

Het was een voorkomende en bemiddelde, maar eenigszins woordenrijke jongeling.

„Ik ben blij je te zien,” zeide hij tot Rodolphe; „loop een eindje mede, dan kunnen we wat praten.”

„Ach, ik zal die woordenmarteling maar ondergaan,” mompelde Rodolphe, terwijl hij zich door den witten hoed liet medenemen, die hem inderdaad zijn trommelvlies half kapot praatte.

Toen zij bij den Pont des Arts kwamen, zeide Rodolphe:

„Ik moet je nu verlaten, daar ik geen geld heb, om de tol voor de brug te betalen.”

„Kom maar mee,” antwoordde de witte hoed, terwijl hij den invalide twee sous toewierp.

„Nu is het oogenblik gekomen,” dacht de redacteur van de Echarpe d’Iris, toen hij de brug overliep; aan het einde ervan bij de klok van het Instituut gekomen, bleef Rodolphe plotseling staan, wees met een wanhopig gebaar naar de wijzerplaat en riep uit:

„Vervloekt! Kwart voor vijf. Ik ben verloren.”

„Wat is er?” zeide de andere verwonderd.

„Wel, dat ik door jouw schuld een rendez-vous verzuim.”

„Een belangrijk?”

„Dat zou ik denken .... Ik moest om vijf uur geld gaan halen .... in Batignolles .... Ik zal er nooit op tijd zijn .... Bliksems! Wat moet ik beginnen?”

„Dat is nogal eenvoudig,” zeide de woordenrijke, „ga met mij mee naar huis, dan zal ik je wat leenen.”

„Onmogelijk! Je woont in Montrouge, en om zes uur [118]moet ik voor een zaak in de Chaussée-d’Antin zijn .... Een beroerde geschiedenis!”

„Ik heb wel een paar sous op zak,” zeide de Voorzienigheid bescheiden .... „maar niet veel.”

„Als ik genoeg had om een bakje te nemen, dan zou ik misschien nog op tijd in Batignolles kunnen zijn.”

„Hier heb je den inhoud van mijn beurs, mijn waarde, een-en-dertig sous.”

„Geef maar gauw hier, dan maak ik, dat ik weg kom!” zeide Rodolphe, die het vijf uur had hooren slaan, en hij haastte zich naar de plaats van zijn rendez-vous.

„Dat is een heele toer geweest,” zeide hij, terwijl hij zijn geld telde. „Honderd sous, precies op den kop af. Enfin, ik ben nu gered, en Laure zal zien, dat zij te doen heeft met een man, die savoir-vivre heeft. Ik wil vanavond met geen centime thuis komen. Ik moet de litteratuur weer tot eer brengen en bewijzen, dat het haar beoefenaars slechts aan geld ontbreekt, om rijk te zijn.”

Rodolphe vond mademoiselle Laure op de afgesproken plaats.

„Nou,” zeide hij tot zichzelf, „wat stiptheid betreft, lijkt zij wel een chronometer.”

Hij bracht den avond met haar door en smolt zijn vijf francs dapper in den smeltkroes der verkwisting. Mademoiselle Laure was verrukt over zijn manieren en was wel zoo goed eerst te merken, dat Rodolphe haar niet naar haar huis terugbracht vóór het oogenblik, dat hij haar zijn kamer liet binnentreden.

„Het is verkeerd wat ik doe,” zeide zij. „Zorg, dat ik er geen berouw over moet hebben door een ondankbaarheid, die uw sexe eigen is.”

„Madame,” zeide Rodolphe, „ik sta bekend voor mijn bestendigheid, en wel in dien mate, dat al mijn vrienden zich over mijn trouw verwonderen en mij den bijnaam gegeven hebben van generaal Bertrand der Liefde.” [119]

[Inhoud]

Hoofdstuk IX.

De witte viooltjes.

In dien tijd was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die hem niet kon uitstaan, en de thermometer van den ingenieur Chevalier wees twaalf graden onder nul.

Mademoiselle Angèle was de dochter van mijnheer Monetti, den kachelsmid-rookverdrijver, over wien we reeds meermalen gelegenheid hadden te spreken. Mademoiselle Angèle was achttien jaar en pas terug uit Bourgondië, waar zij vijf jaar doorgebracht had bij een bloedverwante, van wie zij later moest erven. Die bloedverwante was een oude vrouw, die nooit jong of mooi geweest was, maar altijd kwaadaardig, niettegenstaande of liever omdat zij vroom was. Angèle, die bij haar vertrek een bekoorlijk kind was, dat in haar jonge jaren reeds een bekoorlijk meisje beloofde te worden, kwam na verloop van vijf jaar als een knap, maar koel, droog, ongevoelig jong meisje terug. Het teruggetrokken provincieleven, de overdreven godsdienstige oefeningen en de bekrompen beginselen, volgens welke zij was opgevoed, hadden haar geest vervuld met vulgaire en dwaze vooroordeelen, haar phantasie lam geslagen en van haar hart een orgaan gemaakt, dat zich er toe bepaalde zijn functie als bloedsomloop-regulateur te vervullen. Angèle had, om zoo te zeggen, wijwater in plaats van bloed in haar aderen. Bij haar terugkeer ontving zij hem met een ijskoude reserve en Rodolphe trachtte ieder oogenblik [120]vergeefs in haar de teedere snaar der herinneringen weer te doen trillen, herinneringen uit den tijd, toen zij samen de amourette à la Paul et Virginie gespeeld hadden, die tusschen neef en nicht zoo dikwijls gespeeld wordt. Toch was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die hem niet kon uitstaan; en toen hij op een goeden dag hoorde, dat het jonge meisje binnenkort naar een bal, dat ter gelegenheid van het huwelijk van een harer vriendinnen gegeven werd, zou gaan, liet hij zich door zijn hartstocht zoo ver medesleepen, dat hij Angèle voor dat bal een bouquet viooltjes beloofde. En na toestemming van haar vader gekregen te hebben, nam Angèle het galante aanbod van haar neef aan, waarbij zij er echter op aandrong, dat zij witte viooltjes zou krijgen.

Gelukkig door de beminlijk- en vriendelijkheid van zijn nicht, ging hij dansend en zingend naar zijn „St. Bernard” terug. Zoo noemde hij zijn toenmalig domicilie; waarom zullen we dadelijk zien. Toen hij door het Paleis Royal ging en voorbij den winkel van madame Provost, de beroemde bloemiste, kwam, zag hij witte viooltjes in de etalage; uit nieuwsgierigheid liep hij naar binnen, om den prijs ervan te vragen. Een eenigszins toonbare bouquet kostte niet minder dan tien francs, doch er bestonden er, die nog duurder waren.

„Alle duivels!” zeide Rodolphe; „tien francs, en nog maar acht dagen tijd, om dat millioen te vinden. Dat zal moeite kosten; maar dat is minder, mijn nicht krijgt haar bouquet. Ik heb al een idée.”

Dit avontuur overkwam Rodolphe in den tijd, dat hij nog in zijn litteraire genesis was. Al zijn inkomsten bestonden toen uit een maandelijksche toelage van vijftien francs, welke hem toegekend was door een van zijn vrienden, een groot dichter, die na een lang verblijf te Parijs met behulp van de noodige kruiwagens schoolmeester in de provincie geworden was. Rodolphe, aan [121]wiens wieg de verkwisting als peet gestaan had, kwam met die toelage precies vier dagen rond; en daar hij het gewijde, maar weinig productieve beroep van elegisch dichter niet wilde opgeven, leefde hij de rest van de maand van die manna van het toeval, welke langzaam uit de korven der Voorzienigheid druppelt. Doch die vastentijd had voor hem geen verschrikkingen; hij bracht dien vroolijk door dank zij een stoïsche matigheid en de schatten der phantasie, die hij dagelijks uitgaf, om den eersten der maand te bereiken, dien Paaschdag, welke een einde maakte aan zijn lijdenstijd. Rodolphe woonde toentertijd in de rue Contrescarpe-Saint-Marcel in een groot gebouw, dat vroeger het hôtel de l’Eminence grise heette, omdat vader Joseph, de vervloekte ziel van Richelieu, daar gewoond zou hebben. Rodolphe woonde op de bovenste verdieping van dat huis, een der hoogste van Parijs. Zijn kamer, een soort belvédère, was in den zomer een heerlijke verblijfplaats; maar van October tot April was het een klein Kamschatka. De vier hoofdwinden, die door de vier vensters drongen, kwamen er gedurende den geheelen winter de meest woeste quatuors uitvoeren. Als een ironie zag men er nog een grooten schoorsteen, waarvan de groote opening een eerepoort scheen te zijn voor Borreas1 en zijn gevolg. Dadelijk bij het intreden van de eerste koude had Rodolphe zijn toevlucht genomen tot een bijzonder verwarmingssysteem, hij had namelijk de weinige meubelen, die hij bezat, in regelmatige stukken gezaagd en na verloop van acht dagen was zijn meubilair aanzienlijk verminderd; hij hield niet meer dan zijn bed en twee stoelen over, waarbij de eerlijkheid nog gebiedt te zeggen, dat die meubelen van ijzer waren en dus van nature tegen brand verzekerd waren. Rodolphe had voor dit [122]verwarmingsstelsel den naam: „verhuizen door den schoorsteen” uitgedacht.

We waren dus in het midden van Januari, en de thermometer, die op den Quai des Lunettes twaalf graden aanwees, zou zeker nog twee of drie graden gedaald zijn, indien hij overgebracht was naar den belvédère, waaraan Rodolphe de bijnamen St. Bernard, Spitsbergen en Siberië gegeven had.

Den avond, waarop hij aan zijn nicht witte viooltjes beloofd had, geraakte Rodolphe bij zijn thuiskomst in een heftige woede: de vier hoofdwinden hadden bij hun spel in de vier hoeken der kamer nog een ruit gebroken. Dat was in de laatste veertien dagen de derde. Rodolphe barstte in woedende vervloekingen tegen Aeolus en zijn heele familie Breekal los. Na dit nieuwe gat met het portret van een van zijn vrienden gestopt te hebben, ging Rodolphe geheel gekleed tusschen de twee wollen planken, die hij zijn matras noemde, liggen en droomde den geheelen nacht van witte viooltjes.

Vijf dagen later had Rodolphe nog geen enkel middel gevonden, dat hem zou kunnen helpen zijn droom te verwezenlijken, en toch moest hij acht-en-veertig uur later den bouquet aan zijn nicht geven. Gedurende dien tijd was de thermometer nog meer gedaald, en de ongelukkige dichter was de wanhoop nabij bij de gedachte, dat de viooltjes nog duurder geworden zouden zijn. Eindelijk had de Voorzienigheid medelijden met hem en kwam hem op de volgende wijze te hulp.

Toen hij op een goeden morgen toevallig bij zijn vriend Marcel, den schilder, ging dejeuneeren, vond hij hem in gesprek met een dame in den rouw. Het was een weduwe, wier man pas kort geleden gestorven was; zij kwam hem vragen naar den prijs van een manlijke hand, die met het opschrift:

Ik wacht u, geliefde vrouw

[123]

geschilderd moest worden op het grafteeken, dat zij voor haar man had laten oprichten.

Om het kunstwerk goedkooper te krijgen, liet zij den artist in den loop van het gesprek doorschemeren, dat hij, wanneer God haar weer met haar echtgenoot zou vereenigen, een tweede hand te schilderen zou krijgen, haar met een armband versierde hand, en wel met een nieuw opschrift, luidende:

Eindelijk heeft God ons vereenigd

„Ik zal die beschikking in mijn testament zetten,” zeide de weduwe, „met mijn uitdrukkelijken wil, dat u met de uitvoering ervan belast zult worden.”

„In dat geval, mevrouw,” antwoordde de artist, „neem ik den prijs, die u mij voorstelt, aan, maar dan reken ik ook op den handdruk. Vergeet niet mij in uw testament te zetten.”

„Ook zou ik graag zien, dat het werk zoo gauw mogelijk gereed was,” zeide de weduwe; „maar neem er uw tijd voor, en vergeet vooral het litteeken op den duim niet. Ik wil een goed gelijkende hand.”

„Zij zal sprekend zijn, mevrouw, wees gerust,” zeide Marcel, terwijl hij de weduwe uitliet. Doch op den drempel keerde zij zich weer om.

„O ja, ik wou u nog graag wat vragen; ik zou graag op het graf van mijn man nog een vers laten aanbrengen, waarin de edele levenswandel en de laatste woorden, die hij op zijn sterfbed gesproken heeft, vermeld worden. Staat dat voornaam?”

„Zeer voornaam .... men noemt dat een epitaphium .... het is heel voornaam.”

„Kent u niet iemand, die dat goedkoop voor mij zou kunnen maken? Ik heb wel een buurman, mijnheer Guérin, den openbaren schrijver, maar die is zoo peperduur.” [124]

Bij die woorden wierp Rodolphe Marcel een blik toe, dien deze dadelijk begreep.

„Mevrouw,” zeide de schilder en wees op Rodolphe, „een gelukkig toeval heeft hier den persoon heen gevoerd, die u in deze droevige omstandigheden zou kunnen helpen. Mijnheer hier is een uitstekend dichter, u zoudt geen beteren kunnen vinden.”

„Ik zou er zeer op staan, dat het heel treurige verzen zijn,” zeide de weduwe, „en dat er geen spelfouten in voor komen.”

„Mevrouw,” antwoordde Marcel, „mijn vriend kent de orthographie op zijn duimpje: hij heeft op het college alle prijzen gewonnen.”

„Zoo,” zeide de weduwe; „mijn neefje heeft laatst ook een prijs gekregen; en hij is toch pas zeven jaar.”

„Een zeer voorspoedig kind, mevrouw,” was Marcels antwoord.

„Maar,” drong de weduwe aan, „kan mijnheer ook treurige verzen maken?”

„Beter dan wie ook, mevrouw, want hij heeft veel verdriet in zijn leven gehad. Mijn vriend munt uit in treurige verzen; dat verwijten de couranten hem zelfs wel eens.”

„Wat?” riep de weduwe uit, „wordt er over hem in de couranten geschreven? Dan is hij zeker even knap als mijnheer Guérin, de openbare schrijver!”

„O, nog veel knapper! Wend u maar tot hem, mevrouw, u zult er geen berouw over hebben.”

Nadat de weduwe den dichter de bedoeling van het opschrift in verzen, dat zij op het graf van haar man wilde laten aanbrengen, uiteengezet had, stemde zij erin toe Rodolphe tien francs te geven, als het gedicht in haar smaak viel; maar zij wilde de verzen heel gauw hebben. De dichter beloofde ze haar den volgenden dag reeds door bemiddeling van zijn vriend te zullen doen toekomen.

„O goede fee Artemisia,” riep Rodolphe uit, toen de [125]weduwe weg was, „ik zweer je, dat je tevreden zult zijn; ik zal je een goede maat dooden-lyriek geven, en mijn orthographie zal beter zijn dan die van een hertogin. O goed oudje, moge, om u te beloonen, de hemel je honderdzeven jaar laten leven evenals goede brandewijn!”

„Daar kom ik tegen op!” riep Marcel uit.

„Dat is waar ook!” zeide Rodolphe; „ik zou bijna vergeten, dat je na haar dood nog een tweede hand te schilderen krijgt, en zoo’n lang leven je dat geld dus zou doen verliezen.” En zijn handen ten hemel heffend, bad hij: „O, lieve God, verhoor mijn gebed niet! Hè,” voegde hij er aan toe, „dat is een bofje, dat ik hierheen gekomen ben.”

„Ja, wat kwam je eigenlijk hier doen?” vroeg Marcel.

„Daar denk ik nu ook weer aan en vooral nu ik, om dat gedicht te maken, den geheelen nacht op zal moeten blijven zitten, kan ik dat, wat ik je kwam vragen, onmogelijk missen, n.l. 1e. wat eten; 2e. wat tabak en een kaars; 3e. je ijsberencostuum.”

„Ga je naar een bal masqué? O ja, dat is waar ook, vanavond wordt het eerste gegeven.”

„Neen, dat niet; maar zooals je me hier ziet, ben ik even bevroren als het groote leger op zijn terugtocht uit Rusland. Mijn groen wollen paletot en mijn broek van Schotsch merinos zijn ongetwijfeld heel mooi, maar toch beter geschikt voor de lente en om onder den equator te wonen; wanneer je echter, zooals ik, je tenten onder den pool hebt opgeslagen, is een ijsberencostuum passender, ik zou bijna zeggen, onmisbaar.”

„Daar heb je de pels,” zeide Marcel. „Het denkbeeld is niet kwaad, het beest heeft een vurig gestel, en je zult je erin voelen als een brood in een oven.”

Rodolphe was intusschen reeds in de huid van het dier gekropen. [126]

„Wat zal mijn thermometer gloeiend boos worden,” zeide hij.

„Wil je in dat costuum de straat op?” zeide Marcel tot zijn vriend, toen zij hun geheimzinnig diner, dat in schalen van vijf centimes opgediend werd, naar binnen hadden gewerkt.

„Ik heb maling aan de heele wereld,” zeide Rodolphe; „en bovendien begint vandaag het carnaval.”

En hij doorliep werkelijk heel Parijs in de ernstige houding van den viervoeter, in wiens huid hij zich gestoken had. En toen hij voorbij den thermometer van den ingenieur Chevalier kwam, trok hij er een langen neus tegen.

Toen hij, niet zonder zijn concierge de stuipen van schrik op het lijf gejaagd te hebben, weer boven op zijn kamer was, stak de dichter zijn kaars aan, die hij, om de moedwillige streken van de Noordenwinden te voorkomen, met een doorschijnend stuk papier omgaf, en ging dadelijk aan het werk. Maar al heel gauw kwam hij tot de ontdekking, dat, al was zijn lichaam vrijwel tegen de koude beschermd, zijn handen het niet waren; en hij had nog geen twee verzen van zijn epitaphium op het papier, of zijn vingers begonnen te tintelen van de koude en lieten de pen vallen.

„Tegen de elementen kan zelfs de moedigste niet op,” zeide Rodolphe, die zich wanhopig achterover in zijn stoel liet vallen. „Caesar heeft wel den Rubicon overgestoken, maar over de Beresina had hij nooit kunnen komen.”

Plotseling echter ontsnapte een kreet van vreugde aan het diepst van zijn berenborst en stond hij zoo bruusk op, dat hij een deel van zijn inkt liet vallen op het smettelooze wit van zijn pels: hij had een idée, een nieuwen druk van het denkbeeld van Chatterton.

Hij haalde onder zijn bed een grooten stapel papieren [127]te voorschijn, waaronder zich een dozijn reusachtige manuscripten van zijn beroemd drama Le Vengeur bevond. Dit drama, waaraan hij twee jaar gewerkt had, was zoo dikwijls over- en omgewerkt, dat de gezamenlijke copieën een gewicht van zeven kilogram vormden. Rodolphe legde het jongste manuscript ter zijde en sleepte de overige naar den schoorsteen.

„Ik wist wel, dat het nog eens geplaatst zou worden,” riep hij uit .... „je moet echter geduld weten te hebben! Dat is toch zeker een flink takkenbosje proza. O, als ik geweten had, wat er gebeuren zou, dan had ik er nog een voorspel bij gemaakt en zou ik nu meer brandstof hebben .... Maar je kunt niet alles van te voren weten.”

En hij stak eenige bladen van het manuscript in brand en ontdooide zijn handen bij de vlammen daarvan. Na vijf minuten was het eerste bedrijf van Le Vengeur afgespeeld en had Rodolphe drie verzen van zijn epitaphium gereed.

Niets ter wereld zou de verbazing der vier hoofdwinden hebben kunnen schilderen, toen zij vuur in de haard zagen.

„Dat is gezichtsbedrog,” blies de Noordenwind, die vroolijk in de berenharen van Rodolphe speelde.

„Als we eens in den schoorsteen gingen blazen,” antwoordde een andere wind, „dan zou de haard heerlijk gaan rooken.”

Maar juist toen zij den armen Rodolphe wilden gaan kwellen en treiteren, zag de Zuidenwind mijnheer Arago voor een raam van het observatorium zitten, vanwaar de geleerde met zijn vinger de vier winden dreigde.

Onmiddellijk riep de Zuidenwind zijn broeders toe: „Laten we maken, dat we weg komen, de almanak geeft voor dezen nacht stil weer aan; wij zijn dus in tegenspraak met de sterrenwacht, en als we om twaalf uur niet thuis [128]zijn, zal mijnheer Arago ons school laten blijven.”

Gedurende dien tijd brandde het tweede bedrijf van Le Vengeur met groot succes. En Rodolphe had tien verzen geschreven. Maar tijdens den duur van het derde bedrijf kon hij er slechts twee schrijven.

„Ik heb altijd gevonden, dat die acte te kort was,” mompelde Rodolphe; „maar je merkt die fouten altijd pas bij de opvoering. Gelukkig zal het volgende bedrijf langer duren: drie-en-twintig scènes, waaronder de troonscène, die het tooneel van mijn roem had moeten zijn.”

De slotwoorden der troonscène gingen in vlammen op, toen Rodolphe nog een strophe van zes regels te schrijven had.

„En nu het vierde bedrijf,” zei hij, terwijl zijn gezicht van dichtvuur gloeide. „Dat zal wel vijf minuten duren, het is heelemaal monoloog.”

Hij ging over tot de ontknooping, die opvlamde en onmiddellijk weer uitging. Op hetzelfde oogenblik vatte Rodolphe de laatste woorden van den overledene, te wiens verheerlijking hij gewerkt had, in een prachtvolle lyrische ontboezeming samen.

„Er blijft nog genoeg over voor een tweede opvoering,” zeide hij, terwijl hij de overgebleven manuscripten weer onder het bed schoof.


Den volgenden avond om acht uur deed mademoiselle Angèle haar intrede in de balzaal met een prachtigen bouquet witte viooltjes, in het midden waarvan twee pas-ontloken witte rozen prijkten. Den geheelen avond kreeg zij om dien bouquet complimentjes van de dames en galante vleierijen van de heeren te hooren. Angèle was haar neef, die haar al die kleine voldoeningen van haar eigenliefde verschaft had, dan ook wel eenigermate dankbaar, en misschien zou zij, wanneer een bloedverwant der bruid, met wien zij verscheidene malen gedanst [129]had, niet steeds om haar heen gedraaid had, nog meer aan hem gedacht hebben. Dat familielid was een jonge blonde man met een prachtige, kurkentrekkerachtig opgedraaide snor, de echte angel, waaraan onervaren jonge meisjesharten blijven hangen. De jonge man had Angèle reeds gevraagd om de twee witte rozen, die alleen nog waren overgebleven van den bouquet, waarvan iedereen een viooltje geplukt had .... Maar Angèle had geweigerd, doch alleen om ze tegen het einde van het bal te lagen liggen op een stoeltje, waarvan de blonde jongeling ze onmiddellijk ging weghalen.

Op dat oogenblik vroor het veertien graden in den belvédère van Rodolphe, die, geleund voor zijn venster, in de richting van de barrière du Maine keek naar de lichten van de balzaal, waar Angèle danste, die hem niet uit kon staan. [130]


1 Borreas = Noordenwind.

[Inhoud]

Hoofdstuk X.

De Stormkaap.

Er zijn in de maanden, waarin een kwartaal begint, angstwekkende oogenblikken, gewoonlijk de 1ste en de 15de. Rodolphe, die deze beide data nooit zonder schrik zag naderen, noemde ze de „Stormkaap”. Dien dag opent niet Aurora de poorten van het Oosten, maar schuldeischers, huiseigenaars, deurwaarders en andere geldzakdragers staan buiten de deur. Die dag begint met een plasregen van aanmaningen, rekeningen en wissels en eindigt met een hagelbui van protesten, dies irae!

In den ochtend van zoo’n 15den April lag Rodolphe rustig te slapen .... en droomde, dat een van zijn ooms hem bij testament een geheele provincie van Peru had vermaakt .... met alle Peruaansche schoonen erin begrepen.

Terwijl hij daar midden in een imaginairen Pactolus rondzwom, kwam het geluid van een sleutel, die in het slot ronddraaide, den ingebeelden erfgenaam op het schitterendste oogenblik van zijn gouden droom storen.

Rodolphe ging rechtop in zijn bed zitten en keek slaapdronken om zich heen.

Hij zag toen vaag in het midden van zijn kamer een man staan, die pas binnengekomen was, .... en wat voor een man!

De matineuse vreemdeling had een driekanten hoed op, een lederen geldzak op zijn rug en een grooten portefeuille in zijn hand; hij had een grijzen linnen rok met staanden [131]kraag aan en scheen buiten adem van het klimmen naar de vijfde verdieping. Zijn manier van optreden was zeer vriendelijk en minzaam en zijn gang was klankrijk als wanneer het kantoor van een bankier aan het wandelen zou gaan.

Rodolphe was een oogenblik angstig; hij meende, bij den aanblik van den driekanten hoed en den rok, een politie-agent voor zich te zien.

Maar het zien van den vrij goed gespekten geldzak genas hem van zijn dwaling.

„O, nu begrijp ik het,” dacht hij, „dat is een voorschot op mijn erfenis en die man komt van de Eilanden .... Maar waarom is hij dan geen neger?” Hij gaf den onbekende een wenk en zeide, op den geldzak wijzend:

„Ik weet wat het is. Leg hem daar maar neer. Dank je wel.”

De vreemdeling was een wissellooper van de Banque de France en hield, als antwoord op Rodolphe’s uitnoodiging, dezen een klein papiertje met veelkleurige teekens en cijfers onder den neus.

„U wilt een bewijs van ontvangst?” vroeg Rodolphe. „Ja, dat hoort zoo. Geef me maar even pen en inkt.”

„Neen, ik kom zelf wat ontvangen,” antwoordde de wissellooper; „een bedrag van honderdvijftig francs. Het is vandaag 15 April.”

„Ach zoo!” zeide Rodolphe, terwijl hij den wissel bekeek.... „Order Birmann, dat is mijn kleermaker .... Helaas!” voegde hij er droefgeestig aan toe, terwijl hij afwisselend naar de over het bed liggende overjas en naar den wissel keek, „de oorzaken verdwijnen, maar de gevolgen blijven. Wat, is het vandaag 15 April! Merkwaardig! Ik heb nog geen aardbeien gegeten!”

De wissellooper, wien dat gepraat begon te vervelen, ging weg en zeide tot Rodolphe: „U hebt tot vier uur tijd om te betalen!” [132]

„Voor eerlijke menschen is er geen uur,” antwoordde Rodolphe. „De intrigant”, voegde hij er woedend aan toe, terwijl hij met zijn blikken den financier met zijn driekanten hoed volgde; „hij neemt zijn geldzak weer mee.”

Rodolphe trok de gordijnen van zijn bed dicht en trachtte weer den weg van zijn erfenis terug te vinden; maar hij vergiste zich in de richting en kwam trotsch en wel terecht in een droom, waarin de directeur van het Théâtre-Français hem heel nederig een drama voor zijn schouwburg kwam vragen en Rodolphe, met de gebruiken bekend, een voorschot vroeg. Maar juist op het oogenblik, dat de directeur door den zuren appel scheen te willen bijten, werd de slaper opnieuw half wakker gemaakt door het binnenkomen van een tweeden persoon, een nieuw creatuur van den 15den April.

Het was mijnheer Benoît, de eigenaar van het hotel garni, waarin Rodolphe woonde; mijnheer Benoît was tegelijkertijd de huisheer, de schoenmaker en woekeraar voor zijn huurders; dien ochtend rook mijnheer Benoît sterk naar slechten brandewijn en vervallen rekeningen. Ook hij had een ledigen zak in zijn hand.

„Duivels!” dacht Rodolphe; „dat is de directeur van het Théâtre-Français niet .... die zou een witte das dragen .... en zijn geldzak zou gevuld zijn!”

„Morgen, mijnheer Rodolphe,” zeide mijnheer Benoît, op het bed toetredend.

„Mijnheer Benoît .... bonjour! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek?”

„Ach, ik wilde u komen zeggen, dat het vandaag 15 April is!”

„Nu al? Wat gaat de tijd toch gauw! Het is ongelooflijk. Ik zal een nanking-broek moeten koopen. 15 April. Lieve Hemel, zonder u, mijnheer Benoît zou ik er nooit aan gedacht hebben. Wat een dank ben ik u verschuldigd!” [133]

„U bent me ook honderd twee-en-zestig francs schuldig,” viel mijnheer Benoît hem in de rede. „En het wordt tijd, dat wij die kleine rekening eens in orde maken!”

„Ik heb absoluut geen haast, mijnheer Benoît .... Ik wil u graag tijd geven .... Die kleine rekening zal nog wel grooter worden ....”

„Maar u hebt mij al zoo dikwijls uitgesteld,” merkte de huisheer op.

„Nu, dan zullen we de zaak in orde maken, mijnheer Benoît, het is mij precies hetzelfde, vandaag of morgen ... En bovendien zijn we allen sterfelijk .... Laten we dus de zaak in orde maken ....”

Een beminlijke glimlach speelde bij die woorden over het gerimpelde gelaat van mijnheer Benoît; en zelfs zijn geldzak blies zich tot hoopvolle verwachting op.

„Wat ben ik u schuldig?” vroeg Rodolphe.

„In de eerste plaats een kwartaal huur tegen vijf-en-twintig francs per maand, dat maakt vijf-en-zeventig francs.”

„Vergissingen buitengesloten,” zeide Rodolphe. „En verder?”

„Verder drie paar schoenen à twintig francs.”

„Een oogenblikje, mijnheer Benoît, een oogenblikje; laten we de zaken niet verwarren; ik heb nu niet meer te doen met den huisheer, maar met den laarzenmaker ... ik verlang daarvoor een afzonderlijke rekening. Cijfers zijn ernstige dingen, daarbij moet je geen abuizen maken.”

„Voor mijn part,” zeide mijnheer Benoît, zacht gestemd door de hoop, dat hij eindelijk het woord: Voldaan onder de rekening zou kunnen zetten. „Hier is een afzonderlijke nota voor het schoeisel. Drie paar schoenen à twintig francs, maakt zestig francs.”

Rodolphe wierp een medelijdenden blik op een paar afgeloopen schoenen. [134]

„Helaas!” dacht hij, „wanneer de Wandelende Jood ze gedragen had, zouden ze in geen deerniswaardiger toestand kunnen zijn. En toch zijn ze door het naloopen van Marie zoo versleten .... Ga verder, mijnheer Benoît.”

„Ik zeide dus zestig francs,” herhaalde deze. „Verder geleend zeven-en-twintig francs.”

„Wacht even, mijnheer Benoît. We hebben afgesproken, dat iedere heilige zijn eigen nis zou krijgen. U hebt mij dat geld geleend als vriend. Laten wij dus het gebied van het schoeisel verlaten en die van het vertrouwen en van de vriendschap, welke een afzonderlijke rekening vereischen, betreden. Hoe hoog loopt uw vriendschap voor mij?”

„Zeven-en-twintig francs.”

„Zeven-en-twintig francs. Dan hebt u een vriend voor een koopje, mijnheer Benoît. Enfin, laten we eens optellen: Vijf-en-zeventig, zestig en zeven-en-twintig ... Dat is samen?”

„Honderd twee-en-zestig francs,” zeide mijnheer Benoît en presenteerde tegelijk de drie nota’s.

„Honderd twee-en-zestig francs,” zeide Rodolphe .... „dat is merkwaardig. Wat is optellen toch een mooie kunst. Welnu, mijnheer Benoît, nu de rekening in orde gebracht is, kunnen we beiden gerust zijn en weten we waar we ons aan te houden hebben. De volgende maand zal ik u vragen de rekening voor Voldaan te teekenen, en daar in dien tijd het vertrouwen en de vriendschap, die gij voor mij koestert, slechts grooter kunnen worden, zult u mij voor het geval, dat dit noodig mocht zijn, opnieuw uitstel willen geven. Inmiddels zou ik, wanneer de huisheer en de laarzenmaker al te veel op betaling aandringen, den vriend vragen hen tot rede te brengen. Het is merkwaardig, mijnheer Benoît, maar telkens als ik aan uw drievoudige qualiteit van huisheer, laarzenmaker en vriend denk, voel ik de neiging in mij opkomen aan de Drieëenheid te gelooven.” [135]

Terwijl Rodolphe sprak, was de huisheer tegelijk rood, groen, geel en wit geworden, en bij iedere nieuwe spotternij van zijn huurder nam deze regenboog der woede op zijn gelaat een meer intensieve kleur aan.

„Mijnheer,” antwoordde hij ten slotte, „ik houd er niet van voor den gek gehouden te worden. Ik heb lang genoeg gewacht. Ik zeg u de kamer op en indien u mij vanavond het geld niet geeft .... zal ik zien wat mij te doen staat ....”

„Geld! Geld! Vraag ik van u geld?” zeide Rodolphe. „En bovendien, zelfs al had ik het, dan zou ik het u niet geven .... het is vandaag Vrijdag, en dat brengt ongeluk aan ....”

De woede van mijnheer Benoît wakkerde aan tot een orkaan; en indien de meubelen niet zijn eigendom geweest waren, zou hij ongetwijfeld de pooten van een fauteuil stuk geslagen hebben.

In plaats daarvan ging hij, bedreigingen mompelend, weg.

„U vergeet uw geldzak!” riep Rodolphe hem achterna.

„Wat een baantje!” mompelde de jonge man, toen hij alleen was. „Ik zou nog liever leeuwentemmer zijn.”

„Maar,” ging Rodolphe voort, terwijl hij uit zijn bed sprong en zich vlug aankleedde, „hier kan ik niet blijven. De invasie der geallieerden zal hiermede nog wel niet geëindigd zijn. Ik moet vluchten, moet zelfs ontbijten. Wacht, als ik eens naar Schaunard ging. Ik kan bij hem eten en hem een paar sous te leen vragen. Honderd francs zullen voldoende voor mij zijn.... Naar Schaunard dus....”

Terwijl hij de trap afging, kwam hij mijnheer Benoît tegen, die bij zijn andere huurders nieuwe échecs geleden had, wat zijn ledige geldzak, in deze omstandigheden een luxevoorwerp, duidelijk aantoonde.

„Wanneer iemand naar me vraagt, moet u maar zeggen, [136]dat ik buiten ben ... in de Alpen of zoo ....” zeide Rodolphe. „Of nog beter, dat ik hier niet meer woon.”

„Dan zeg ik tenminste de waarheid,” bromde mijnheer Benoît, terwijl hij aan zijn woorden een bijzonderen nadruk gaf.

Schaunard woonde in Montmartre. Dus moest Rodolphe heel Parijs door. Die wandeling was voor Rodolphe allergevaarlijkst.

„Vandaag,” zeide hij tot zichzelf, „zijn de straten met schuldeischers geplaveid.”

Toch ging hij niet, zooals hij eigenlijk het liefst gedaan had, de buitenboulevards. Een phantastische hoop drong hem den gevaarlijken weg door het centrum van Parijs te volgen. Op een dag, dat de millioenen in het openbaar op den rug der wisselloopers wandelen, dacht Rodolphe, zou het heel goed kunnen gebeuren, dat een onderweg vergeten billet van duizend francs op zijn Vincentius de Paula1 lag te wachten. Hij liep daarom langzaam en met zijn hoofd naar den grond. Doch hij vond slechts twee spelden.

Na verloop van twee uur kwam hij eindelijk bij Schaunard aan.

„Zoo, ben jij het?” zeide deze.

„Ja, ik kom vragen, of ik bij je dejeuneeren mag.”

„O je, dat treft slecht; ik heb zoo juist bezoek gehad van mijn maîtresse, die ik in geen veertien daag gezien had; als je tien minuten eerder was gekomen ....”

„Maar heb je dan niet een honderd francs voor me te leen?” viel Rodolphe hem in de rede.

„Wat?” antwoordde Schaunard vol verbazing; „kom jij me ook al geld vragen? Schaar je je bij mijn vijanden?” [137]

„Ik zal ze je Maandag teruggeven.”

„Of met St. Juttemis. Maar ben je dan vergeten, mijn waarde, welke dag het vandaag is. Ik kan je onmogelijk helpen. Maar je behoeft niet te wanhopen, de dag is nog niet om. Je kunt de Voorzienigheid nog tegenkomen, die staat nooit vòòr twaalven op.”

„Lieve Hemel!” zeide Rodolphe; „de Voorzienigheid heeft het veel te druk met de vogeltjes. Ik zal liever maar naar Marcel gaan.”

Marcel woonde toentertijd in de rue de Bréda. Rodolphe vond hem in een gedrukte stemming zitten voor zijn groot doek, dat den doortocht door de Roode Zee moest voorstellen.

„Wat scheelt eraan?” vroeg Rodolphe bij zijn binnenkomen, „je ziet er zoo in-bedroefd uit.”

„Ach God!” zeide de dichter; „ik leef nu al veertien dagen in de Stille Week.”

Voor Rodolphe was dit allegorische antwoord zoo helder als bronwater.

„Gezouten haring en ramenas! Dat ken ik!”

Inderdaad voelde Rodolphe nog altijd een zouten smaak in zijn mond, wanneer hij dacht aan den tijd, dat hij tot het exclusieve gebruik van die visschen gedoemd was.

„Alle duivels!” zeide hij, „dat is ernstig! Ik kwam je juist honderd francs vragen.”

„Honderd francs!” zeide Marcel .... „Je zweeft dus altijd nog in fantastische regionen. Me deze mythologische som te komen vragen op een tijdstip, dat je geregeld onder den aequator van de misère zit. Heb je soms hatchiche2 gebruikt?”

„Ik heb helaas heelemaal niets gebruikt!” zuchtte Rodolphe. [138]

En hij liet zijn vriend aan het strand der Roode Zee achter.

Van twaalf tot vier uur zocht Rodolphe al zijn kennissen op; hij doorliep de acht-en-veertig stadsdeelen en legde, doch zonder eenig succes, acht mijlen af. De invloed van den 15den April deed zich overal met dezelfde strengheid gelden; intusschen naderde het uur van het diner. Maar het leek er niet veel op, dat het diner met het uur naderde. Rodolphe had een gevoel, alsof hij op het vlot der Medusa was.

Toen hij den Pont Neuf over ging, viel hem plotseling iets in:

„O, o!” zeide hij tot zichzelf, terwijl hij rechtsomkeert maakte, 15 April, 15 April .... maar ik heb een uitnoodiging voor vandaag om te dineeren.”

Hij zocht in zijn zakken en vond er een gedrukt billet van den volgenden inhoud:

Barrière de la Villette

In den grooten Overwinnaar.

Salon voor drie honderd couverts

Jaarlijksch Banket Ter eere van de Geboorte van den Messias der Menschheid op 15 April 184...

Geldig voor één persoon.

N.B. Men heeft slechts recht op een halve flesch wijn.

[139]

„Ik deel weliswaar de meeningen der discipelen van den Messias niet,” zeide Rodolphe tot zichzelf, „maar ik wil met genoegen hun voedsel deelen.” En met de snelheid van een vogel verslond hij den afstand, die hem van de barrière de la Villette scheidde.

Toen hij in de salons van den Grooten Overwinnaar kwam, was er een ontzaglijke menigte bijeen .... De salon voor driehonderd couverts bevatte vijfhonderd personen. Een uitgestrekte horizont van kalfsvleesch met peen doemde op voor Rodolphe’s blik.

Eindelijk begon men de soep op te doen.

Juist toen de gasten den lepel naar hun mond brachten, deden plotseling vijf of zes personen in burgerkleeding met verscheidene agenten en een commissaris van politie een inval in de zaal.

„Mijne heeren!” zeide de commissaris, „op hoog bevel mag dit banket niet plaats hebben. Ik verzoek u dit lokaal te verlaten.”

„O, o!” zuchtte Rodolphe, terwijl hij met de anderen de zaal verliet: „het noodlot heeft mijn bord soep omgegooid!”

Droefgeestig gestemd ging hij weer op weg naar zijn kamer, waar hij om elf uur aankwam.

Mijnheer Benoît wachtte hem op.

„O, bent u het?” zeide de huiseigenaar. „Hebt u gedacht aan wat ik u van ochtend gezegd heb? Brengt u geld mede?”

„Ik moet het vannacht krijgen en zal het u dan morgenochtend geven,” antwoordde Rodolphe, terwijl hij in het hokje naar zijn sleutel en zijn kandelaar zocht. Hij vond geen van beide.

„Mijnheer Rodolphe,” zeide mijnheer Benoît, „het spijt me erg, maar ik heb uw kamer verhuurd; en een andere heb ik niet disponibel, u moet ergens anders een onderkomen zien te vinden.” [140]

Rodolphe was voor geen klein geruchtje vervaard en een nacht onder den blooten hemel had voor hem niets verschrikkelijks. Bovendien kon hij bij slecht weer in een loge d’avant-scène van den Odéon overnachten, wat hem al meermalen overkomen was. Hij eischte echter eerst van mijnheer Benoît zijn „dingen” op, die uit een berg papieren bestonden.

„Volkomen juist,” zeide de huisheer; „ik heb niet het recht u die zaken af te nemen—zij liggen nog boven in de secretaire. Ga maar even mee; indien de persoon, die uw kamer gehuurd heeft, nog niet slaapt, kunnen we wel even binnen gaan.”

In den loop van den dag was de kamer verhuurd aan een jong meisje, Mimi, met wie Rodolphe indertijd een liefdes-duo begonnen was.

Zij herkenden elkaar dadelijk. Rodolphe fluisterde Mimi iets in het oor en drukte haar zacht de hand.

„Kijk eens hoe het regent!” zeide hij, terwijl hij haar opmerkzaam maakte op het onweer, dat juist losgebarsten was.

Mademoiselle Mimi liep regelrecht naar mijnheer Benoît, die in een hoek van de kamer stond te wachten, en zeide tegen hem, terwijl zij op Rodolphe wees:

„Mijnheer, mijnheer hier is degene, dien ik vanavond verwachtte .... Ik ben voor niemand verder thuis.”

„Zoo,” zeide mijnheer Benoît met den lach van een boer, die kiespijn heeft. „Het is goed!”

Terwijl Mimi inderhaast een geïmproviseerd souper klaarzette, sloeg het middernacht.

„God zij dank!” zeide Rodolphe, „15 April is voorbij en de Stormkaap is gelukkig omzeild. Lieve Mimi,” en hij sloot het mooie meisje in zijn armen en drukte haar een kus in haar hals; „ik wist vooruit, dat je het niet over je hart zou verkrijgen mij de deur uit te laten zetten. Jij bezit den gastvrijheidsknobbel!” [141]


1 Een heilige uit de R.K. kerk, die zich voornamelijk het lot van arme verworpenen en maatschappelijk ellendigen aantrok.

2 Een verdoovend, uit een soort hennepplant bereid middel.

[Inhoud]

Hoofdstuk XI.

Een Café der Bohème.

Hier volgt het verhaal hoe Carolus Barbemuche, letterkundige en Platonisch wijsgeer, op zijn vier-en-twintigste jaar lid der bohème werd.

In dien tijd bezochten Gustave Colline, de groote wijsgeer, Marcel, de groote schilder, Schaunard, de groote musicus, en Rodolphe, de groote dichter, zooals zij elkaar onderling noemden, geregeld het café Momus, waar zij, omdat men ze altijd samen zag, den bijnaam van de „vier musketiers”1 gekregen hadden. Inderdaad kwamen zij samen, gingen samen, speelden samen, bleven soms samen hun vertering schuldig, alles met een eenheid, het orkest van het Conservatorium waardig.

Voor hun samenkomsten hadden zij een zaal gekozen, waarin veertig personen op hun gemak hadden kunnen zitten, maar men vond ze steeds alleen, want zij hadden ten slotte het vertrek voor de stamgasten onmogelijk gemaakt.

De toevallige bezoeker, die zich in dat hol waagde, werd onmiddellijk bij zijn binnentreden het slachtoffer van het ruwe quartet en maakte zich meestal uit de voeten zonder zijn courant gelezen of zijn kleintje koffie gedronken te hebben, waarvan de room door de ongehoorde aphorismen over kunst, liefde en staathuishoudkunde zuur werd. De gesprekken van het vriendenviertal [142]waren van dien aard, dat de kellner, die hen bediende, in den bloei van zijn leven idioot geworden was.

Ten slotte liep het echter met de dwaasheden zoo de spuigaten uit, dat de eigenaar van het café zijn geduld verloor en op een goeden avond naar boven ging, om een ernstige uiteenzetting van zijn grieven te geven:

1o. Mijnheer Rodolphe kwam reeds vroeg in den ochtend dejeuneeren en nam alle couranten van het etablissement mede naar zijn salon: hij was daarbij zelfs zoo veeleischend, dat hij opspeelde, wanneer de strookjes verbroken waren. Dit had ten gevolge, dat de overige gasten, van alle organen der openbare meening verstoken, tot aan het diner omtrent de politiek van den dag zoo onwetend bleven als een visch. Het gezelschap Bosquet wist nauwlijks de namen der leden van het nieuwe ministerie.

Mijnheer Rodolphe had het café zelfs verplicht zich te abonneeren op den Castor, waarvan hij hoofdredacteur was. De eigenaar van het café had er zich eerst tegen verzet, maar daar mijnheer Rodolphe en zijn vrienden ieder kwartier den kellner met luide stem om den Castor vroegen, begonnen ook enkele andere stamgasten, wier nieuwsgierigheid door die herhaalde vragen gaande gemaakt was, naar dat blad te informeeren. Er werd dus een abonnement genomen op den Castor, een hoedenmakersvakblad, dat maandelijks met een vignet en wijsgeerig artikel van Gustave Colline verscheen.

2o. Genoemde mijnheer Colline en zijn vriend Rodolphe waren gewoon zich van hun geestelijke inspanning te verpoozen door van ’s ochtends tien tot ’s nachts twaalf uur tric-trac te spelen; en daar het etablissement slechts één tric-tracbord had, werden de andere bezoekers in hun hartstocht voor dat spel benadeeld door het inbeslagnemen van dat bord door die heeren, die telkens, [143]als men er hen om kwam vragen, strijk en zet antwoordden:

„Het tric-tracbord is in handen. Kom morgen maar terug.”

Het gezelschap Bosquet zag zich dus genoodzaakt elkaar hun liefdesavonturen te vertellen of piquet te spelen.

3o. Uit het oog verliezend, dat een café een openbare plaats is, heeft mijnheer Marcel zich de vrijheid veroorloofd er zijn ezel, zijn verfdoos en alle verdere schildersbenoodigdheden heen te brengen. Zelfs drijft hij de onbeschaamdheid zoo ver, dat hij personen van verschillend geslacht er als model laat poseeren, wat de zedelijke gevoelens van het gezelschap Bosquet kan kwetsen.

4o. Het voorbeeld van zijn vriend volgend, heeft mijnheer Schaunard het plan zijn klavier naar het café over te brengen; ook heeft hij niet geschroomd er in koor een motief uit zijn symphonie: „De invloed van het blauw in de kunsten” te laten zingen. Mijnheer Schaunard is nog verder gegaan; hij heeft in de lantaarn, die als uithangbord voor het café dient, een transparant aangebracht met het opschrift:

GRATIS CURSUS IN VOCALE EN INSTRUMENTALE MUZIEK VOOR BEIDE GESLACHTEN.

Zich aan te melden aan het buffet.

Wat ten gevolge heeft, dat genoemd buffet ieder oogenblik overstroomd wordt door slechts oppervlakkig gekleede personen, die komen vragen „waar ze wezen motten.”

Bovendien geeft mijnheer Schaunard er rendez-vous aan een dame, die zich Phémie Klad noemt en nooit een hoed op heeft.

Mijnheer Bosquet Jr. heeft dan ook verklaard, dat hij [144]geen voet meer zou zetten in een café, waar de natuur zoo met voeten getreden wordt.

5o. Ofschoon de heeren zich toch al met een zeer matige consumptie tevreden stelden, hebben zij getracht die nog meer te verminderen. Onder voorwendsel, dat zij de mokka op overspel met de chicorei betrapt hebben, hebben zij hier een spiritustoestel gebracht, waarop zij zelf koffie zetten, die zij aanzoeten met suiker, die buiten de deur tegen lagen prijs gekocht is, welke handelwijze een beleediging is voor de keuken van het etablissement.

6o. Door de gesprekken der heeren tot in den grond bedorven, heeft de kellner Bergami, zijn nederige afkomst en alle gevoel van schaamte uit het oog verliezend, zich vermeten aan de buffetjuffrouw een gedicht te richten, waarin hij haar aanspoort haar plichten als moeder en echtgenoote te verzaken; uit den verwarden stijl heeft men meenen te moeten opmaken, dat die brief geschreven is onder den verderfelijken invloed van mijnheer Rodolphe en diens letterkundige voortbrengselen.

Dientengevolge ziet de directeur van het etablissement zich tot zijn spijt verplicht het gezelschap-Colline te verzoeken een andere plaats voor zijn revolutionnaire samenkomsten te kiezen.

Gustave Colline, de Cicero der troep, nam nu het woord en bewees a priori aan den eigenaar van het café, dat zijn klachten belachelijk en ongegrond waren; dat het voor hem juist een groote eer was, indien men zijn inrichting ervoor uitkoos om er een haard van intelligentie van te maken; dat zijn en zijner vrienden vertrek den ondergang van zijn café zou veroorzaken, dat door hun tegenwoordigheid tot de hoogte van een artistiek en litterair café verheven was.

„Maar,” merkte de eigenaar van het café op, „u en uw vrienden verteert zoo weinig.”

„Deze matigheid, waarover gij u beklaagt, is een argument [145]ten gunste van onze goede zeden,” was Colline’s antwoord. „Bovendien hangt het slechts van u af, of wij onze uitgaven kunnen vermeerderen; u behoeft dan slechts crediet te geven.”

„Wij willen zelfs het rekening-courantboek cadeau geven,” zeide Marcel.

De eigenaar deed, alsof hij het niet hoorde, en vroeg eenige inlichtingen omtrent den brandbrief, dien Bergami tot zijn vrouw gericht had. Rodolphe, die ervan beschuldigd was als secretaris voor dien ongeoorloofden hartstocht gediend te hebben, betuigde met vuur en ijver zijn onschuld.

„Trouwens,” voegde hij eraan toe, „de deugd van uw vrouw was een zekere barrière, die ....”

„O,” zeide de eigenaar met een glimlach van trots, „mijn vrouw is te Saint-Denis2 opgevoed.”

In het kort, Colline slaagde er tenslotte in den café-man te vangen in het net van zijn arglistige welsprekendheid, waarna de vrede hersteld werd op voorwaarde, dat de vier vrienden niet meer hun koffie zelf zouden zetten, dat het café een gratis-exemplaar van den Castor zou ontvangen, dat Phémie Klad een hoed zou opzetten, dat het tric-tracspel alle Zondagen van twaalf tot twee uur overgelaten zou worden aan het gezelschap Bosquet, en vooral, dat er geen nieuwe crediet zou gegeven worden.

Gedurende enkele dagen ging alles goed.

Den avond vòòr Kerstmis kwamen de vier vrienden in gezelschap van hun respectievelijke „echtgenooten” in het café.

Er waren dus mademoiselle Musette, mademoiselle Mimi, het nieuwe vriendinnetje van Rodolphe, een allerliefst [146]persoontje met een stem, helder als een klok, en Phémie Klad, de afgod van Schaunard. Dien avond droeg Phémie Klad een mutsje. Mademoiselle Colline, die men nooit zag, was als gewoonlijk thuis gebleven, om komma’s in de handschriften van haar man te zetten. Na de koffie, die tegen alle gewoonten in door een bataillon glaasjes likeur geëscorteerd werd, bestelden zij punch. Weinig aan dergelijke uitspattingen gewend, liet de kellner de bestelling nog tweemaal herhalen. Phémie, die nog nooit in het café geweest was, scheen in extase, dat zij uit glaasjes met een voet mocht drinken. Marcel had het aan den stok met Musette over een nieuwen hoed, waarvan de herkomst hem verdacht voorkwam. Mimi en Rodolphe, die nog in de wittebroodsweken van hun samenleven waren, voerden een gesprek zonder woorden maar met allerlei vreemde geluiden. Wat Colline betreft, met een vriendelijken lach op zijn gelaat ging hij bij de dames alle galanterieën, die hij uit zijn collectie van den Almanach des Muses verzameld had, verkoopen.

Terwijl dit vroolijke gezelschap zich aldus aan spel en lach overgaf, keek een vreemdeling, die eenzaam aan een tafeltje achter in de zaal zat, met vreemde blikken naar het schouwspel, dat zich voor hem afspeelde.

Reeds sedert veertien dagen kwam hij iederen avond: hij was van alle bezoekers de eenige, die het vreeselijke lawaai, dat de bohémiens maakten, had kunnen uithouden. De lafste voor-de-gek-houderijen waren op zijn onverstoorbaarheid afgestooten; hij bleef met een mathematische regelmaat zijn pijp zitten rooken, zijn oogen starend op één punt, alsof hij een schat bewaken moest, het oor geopend voor alles, wat er om hem heen gezegd werd. Overigens scheen hij zachtmoedig en welgesteld, want hij bezat een horloge, dat door een gouden ketting in zijn zak in slaverij gehouden werd. Toen Marcel toevallig eens gelijk met hem aan het buffet stond, had hij [147]gezien, dat hij een louis wisselde, om zijn vertering te betalen. Van dat oogenblik af noemden de vier vrienden hem den „kapitalist.”

Plotseling ontdekte Schaunard, die uitstekende oogen had, dat de glazen leeg waren.

„Voor den duivel,” zeide Rodolphe; „het is de avond vòòr Kerstmis; wij zijn allen goede Christenen .... we moeten een extraatje nemen.”

„Waarachtig, zeker,” zeide Marcel, „laten we bovennatuurlijke dingen bestellen.”

„Colline,” voegde Rodolphe eraan toe, „bel den kellner eens.”

Colline belde als een bezetene.

„Wat zal het zijn?” vroeg Marcel.

Colline maakte met zijn bovenlichaam een hoek van vijf-en-veertig graden en zeide, op de dames wijzend:

„Het staat aan de dames om de volgorde en den aard der ververschingen te bepalen.”

„Ik,” zeide Musette, die met haar tong klapte, „ik zou een glas champagne niet graag weigeren.”

„Ben je niet wijs?” vloog Marcel op. „Champagne .... dat is zelfs geen wijn.”

„Dat kan me minder schelen, ik vind het lekker en het maakt lawaai.”

„Ik,” zeide Mimi, terwijl zij Rodolphe met een blik liefkoosde, „ik zou graag beaune willen hebben in zoo’n klein mandje.”

„Is jouw hoofd op hol?” vroeg Rodolphe.

„Neen, maar ik wil het laten hollen,” antwoordde Mimi, op wie de beaune een bijzonderen invloed had. Haar man werd door dat woord verpletterd.

„En ik,” zeide Phémie Klad, die op den elastischen divan op en neer zat te springen, „ik wil graag parfait amour. Dat is goed voor je maag.”

Schaunard bracht met zijn neusklank eenige woorden [148]voort, die Phémie op haar basis deden sidderen.

„Ach wat!” zeide Marcel, „het is niet alle dagen ker(st)mis, laten we er voor dezen keer eens honderdduizend francs aan spendeeren.”

„En,” voegde Rodolphe eraan toe, „laten we niet vergeten, dat de baas zich beklaagt, dat we te weinig verteren.”

„Dat is zoo,” zeide Colline. „Laten we een schitterend festijn aanrichten: trouwens we zijn den dames de meest passieve gehoorzaamheid verschuldigd; de liefde leeft van zelfverloochening, de wijn is het sap van het pleizier; het pleizier is de plicht der jeugd,—de vrouwen zijn bloemen, je moet ze begieten. Laten we haar dus begieten! Kellner, kellner!”

En met een koortsachtige opgewondenheid ging hij aan het schelkoord hangen.

De kellner schoot toe als op de vleugelen van den wind.

Toen hij van champagne, beaune en diverse likeuren hoorde spreken, speelden zijn gelaatstrekken alle toonladders der verbazing af.

„Ik heb zoo’n leeg gevoel in mijn maag,” zeide Mimi, „ik zou wel trek in een paar sneedjes ham hebben.”

„En ik in sardientjes met boter,” voegde Musette eraan toe.

„En ik in radijs,” zeide Phémie, „met wat vleesch erom heen.”

„Zeggen jullie nou maar dadelijk, dat je een souper wilt hebben,” merkte Marcel op.

„Dat zou heusch zoo’n gek idée niet zijn,” antwoordden de vrouwen.

„Kellner, breng alles boven, wat voor een goed souper noodig is,” zeide Colline ernstig.

De kellner was van verbazing driekleurig geworden.

Langzaam liep hij naar het buffet en deelde daar den [149]eigenaar van het café de buitengewone dingen mede, die ze hem besteld hadden.

De café-man dacht, dat het een grap was, maar toen er weer gescheld werd, ging hij zelf naar boven en wendde zich tot Colline, voor wien hij een zeker respect had. Colline legde hem uit, dat zij den réveillon bij hem wilden vieren en hij het bestelde dus moest laten brengen.

De eigenaar van het café antwoordde niets en ging met den kreeftengang weg, terwijl hij knoopen in zijn servet maakte. Een kwartier lang overlegde hij met zijn vrouw, tot deze, die dank zij de liberale opvoeding, die zij te Saint-Denis gehad had, een vereerster der schoone kunsten was, haar echtvriend wist over te halen het souper te laten opdienen.

„Eigenlijk heb je gelijk,” zeide hij; „het is best mogelijk, dat zij bij uitzondering eens geld hebben.” En hij gaf den kellner order alles wat besteld was boven te brengen. Dan verdiepte hij zich met een ouden stamgast in een partij piquet. Een fatale onvoorzichtigheid!

Van tien tot twaalf uur deed de kellner niets dan de trap op- en afloopen. Ieder oogenblik werden er extra-schotels besteld. Musette liet zich op zijn Engelsch bedienen en moest bij iederen hap een nieuw couvert hebben; Mimi dronk van alle wijnsoorten uit alle glazen; Schaunard had een onleschbaren Sahara in zijn keel; Colline onderhield, terwijl hij zijn servet met zijn tanden doorbeet, een kruisvuur met zijn oogen en kneep in den poot van de tafel, dien hij voor de knie van Phémie hield. Marcel en Rodolphe bleven echter stevig in den stijgbeugel der koelbloedigheid zitten en zagen niet zonder angst het uur der ontknooping naderen.

De vreemdeling keek met een ernstige nieuwsgierigheid naar dit tooneel; van tijd tot tijd zag men zijn mond als tot een glimlach opengaan; dan hoorde men een [150]knarsend geluid, alsof er een raam dicht gedaan werd. Dat was de vreemdeling, die inwendig lachte.

Om kwart voor twaalf zond de buffetjuffrouw de rekening, die het ontzaglijke bedrag van 25 fr. 75 c. aanwees.

„Ja,” zeide Marcel, „nu zullen we moeten loten wie met den eigenaar zal moeten gaan onderhandelen. Dat zal een lang niet makkelijke zaak zijn.”

Ze namen een dominospel en trokken om het hoogste aantal.

Het lot wees ongelukkigerwijze Schaunard als plenipotentiaris aan. Schaunard was een uitstekend virtuoos, maar een slecht diplomaat. Hij kwam juist bij het buffet, toen de waard van zijn ouden stamgast verloren had. Woedend over zijn schandelijk verlies, was Momus in het humeur van een menscheneter en geraakte bij de eerste woorden van Schaunard in een hevigen toorn. Schaunard was een goed musicus, doch had een buitengewoon heftig karakter. Hij antwoordde met dubbel zoo grof geschut. De twist werd zoodoende hoe langer hoe giftiger, en ten slotte stormde de waard naar boven, om te zeggen, dat hij ze niet zou laten vertrekken, vòòr alles betaald was. Colline trachtte met zijn kalmeerende welsprekendheid den storm te bezweren, doch toen de café-man het servet zag, waarvan Colline pluksel gemaakt had, barstte zijn woede in dubbele heftigheid los en waagde hij het, om tenminste eenige zekerheid te hebben, zijn profane hand uit te steken naar den notehoutkleurigen paletot van den philosoof en de mantels van de dames.

Een pelotonvuur van beleedigingen werd nu tusschen de bohémiens en den eigenaar van het établissement geopend.

Intusschen praatten de dames gezellig over vroegere amourettes en modenieuwtjes.

De vreemdeling echter liet nu zijn passieve houding [151]varen; langzamerhand was hij opgestaan, had één pas gedaan, dan twee en liep ten slotte als een heel gewoon mensch op zijn twee beenen; hij kwam naar den café-man toe, nam hem ter zijde en praatte heel zachtjes met hem. Rodolphe en Marcel volgden hem met de oogen. Eindelijk was het gesprek afgeloopen en zeide de waard tot den vreemdeling:

Zeker vind ik het goed, mijnheer Barbemuche, zeker, maak u het maar met hen in orde.”

Mijnheer Barbemuche ging naar zijn tafeltje, om zijn hoed te halen, zette dien op, maakte een zwenking naar rechts, was in drie stappen bij Rodolphe en Marcel, nam zijn hoed af, boog voor de heeren, wierp den dames een groet toe, haalde zijn zakdoek te voorschijn, snoot zijn neus en nam dan met schuchtere stem het woord:

„Ik moet u vergiffenis vragen voor mijn indiscretie, heeren. Reeds lang brand ik van verlangen, om kennis met u te maken, maar tot nog toe heb ik geen gunstige gelegenheid gevonden, om mij aan u voor te stellen. Veroorlooft u mij deze, welke zich thans voordoet, aan te grijpen?”

„Zeker, zeker,” zeide Colline, die dadelijk begreep waar de vreemdeling heen wilde.

Rodolphe en Marcel bogen, zonder iets te zeggen.

De overdreven lichtgeraaktheid van Schaunard bedierf bijna alles.

„Neem me niet kwalijk, mijnheer,” zeide hij eenigszins heftig, „u hebt niet de eer ons te kennen en de etiquette verzet er zich tegen, dat .... Zoudt u de goedheid willen hebben mij wat tabak te geven .... Verder zal ik mij bij het gevoelen van mijn vrienden aansluiten...”

„Heeren,” begon Barbemuche, „ik ben evenals u een discipel der schoone kunsten. Voor zoover ik uit uw gesprekken heb kunnen opmaken, stemmen onze smaken overeen, waarom ik de vurige begeerte koester tot uw [152]vriendenkring te mogen behooren en u iederen avond hier te kunnen ontmoeten .... De eigenaar van dit etablissement is een bruut, maar ik heb een paar woorden met hem gesproken, en gij zijt volkomen vrij om te gaan of te blijven ..... Ik waag het de hoop uit te spreken, dat u mij het middel, om u hier weer te ontmoeten, niet zult onthouden, door den kleinen dienst aan te nemen, dien ....”

Naar Schaunards wangen steeg een kleur van verontwaardiging.

„Hij speculeert op onzen toestand,” zeide hij. „Wij mogen zijn aanbod niet aannemen. Hij heeft onze rekening betaald—ik zal met hem een partij billard spelen om vijf-en-twintig francs en hem een paar caramboles voorgeven.”

Barbemuche nam het voorstel aan en was verstandig genoeg de partij te verliezen; maar door dezen trek won hij de achting der Bohème. Men scheidde met de afspraak den volgenden dag weer samen te komen.

„Op die manier,” zeide Schaunard tot Marcel, „zijn we hem niets schuldig en is onze waardigheid gered.”

„En kunnen we bijna nog een souper van hem eischen,” voegde Colline eraan toe. [153]


1 Toespeling op Dumas’ roman: „De drie musketiers”.

2 Te Saint-Denis was een kostschool, waar dochters van officieren van het Legioen van Eer werden opgevoed.

[Inhoud]

Hoofdstuk XII.

Een installatie in de Bohème.

Carolus Barbemuche had het den avond, waarop hij een door de bohémiens gebruikt souper uit zijn particuliere kas betaald had, zoo weten aan te leggen, dat Gustave Colline met hem het café verliet, om naar huis te gaan. Van af het oogenblik n.l., dat hij de bijeenkomsten van de vier vrienden in het etablissement, waar hij hen uit een pijnlijken toestand verloste, bijwoonde, had Colline zijn bijzondere aandacht getrokken en voelde hij zich aangetrokken tot dien Sokrates, wiens Plato hij later worden zou. Daarom had hij al dadelijk Colline uitverkoren, om zich in den vriendenkring te introduceeren. Onderweg stelde Barbemuche Colline voor even in een café, dat nog open was, binnen te loopen, om nog wat te gebruiken. Niet alleen sloeg Colline die uitnoodiging af, maar hij verhaastte nog zijn tred, toen hij genoemd café voorbijging, en drukte zijn hyperphysischen vilten hoed diep in zijn oogen.

„Waarom wilt u daar niet binnengaan?” vroeg Barbemuche, die met fijngevoelde beleefdheid aandrong.

„Daar heb ik mijn redenen voor,” antwoordde Colline. „De buffetjuffrouw in dat etablissement houdt zich veel met de exacte wetenschappen bezig, en wanneer wij er binnen gingen, zou het onvermijdelijk op een langdurig debat uitloopen, wat ik tracht te vermijden door noch op den middag, noch op andere uren, dat de zon schijnt, door deze straat te gaan. Dat is trouwens heel natuurlijk”, voegde hij eraan toe; „ik heb met Marcel in dezen wijk gewoond.” [154]

„Toch zou ik graag onder het genot van een glas punch nog een oogenblikje met u praten. Weet u hier in de buurt niet een of ander lokaal, waar u zoudt kunnen gaan zonder bezwaren .... van natuur-philosophischen aard weerhouden te worden?” vroeg Barbemuche, die het noodig oordeelde buitengewoon geestig te zijn.

Colline dacht een oogenblik na.

„O, ja, dat is waar, hier is een lokaal, waar ik beter verschijnen kan.”

En hij wees op den winkel van een wijnhandelaar.

Barbemuche zette een leelijk gezicht en scheen te aarzelen.

„Is het een fatsoenlijke inrichting?” vroeg hij.

Zijn koude, gereserveerde houding, zijn weinige spraakzaamheid, zijn discreet glimlachje en vooral zijn horloge en zijn ketting met breloques hadden Colline op het denkbeeld gebracht, dat Barbemuche tot het een of ander gezantschap behoorde en bang was om zich te compromitteeren, wanneer hij in zoo’n kroeg kwam.

„Er is geen kans, dat wij gezien worden,” zeide hij; „op dit uur ligt het geheele corps diplomatique al onder de wol.”

Eindelijk besloot Barbemuche toch maar om naar binnen te gaan; maar met den geheimen wensch een kartonnen neus te hebben. Voor alle zekerheid vroeg hij een afzonderlijke kamer en hing een servet voor de ruiten van de glazen deur. Na deze voorzorgsmaatregelen scheen hij minder ongerust en bestelde een bowl punch. Door de warme drank wat opgewonden, werd Barbemuche iets spraakzamer; en na enkele bijzonderheden over zichzelf medegedeeld te hebben, waagde hij het de hoop uit te spreken, dat hij officieel in den bond der bohémiens zou worden opgenomen, en verzocht hij Colline’s medewerking om hem te helpen dit eerzuchtige plan te verwezenlijken.

Colline antwoordde, dat hij voor zijn persoon zich [155]gaarne ter beschikking van Barbemuche stelde, doch dat hij hem natuurlijk niets zeker beloven kon.

„U kunt op mijn stem rekenen,” zeide hij, „maar ik kan natuurlijk niet op mij nemen over die van mijn vrienden te beschikken.”

„Maar om welke redenen zouden zij weigeren mij in hun kring op te nemen?”

Colline zette het glas, dat hij juist naar zijn mond wilde brengen, weer op tafel en vroeg met een zeer ernstig gelaat aan den vermetelen Carolus:

„Cultiveert u de schoone kunsten?”

„Ik bebouw op bescheiden wijze deze edele velden der intelligentie,” antwoordde Carolus, die de vlag van zijn kunst meende te moeten toonen.

Colline vond de phrase mooi gestyleerd en vroeg met een buiging:

„Doet u aan muziek?”

„Ik heb op den contrabas gespeeld.”

„Dat is een philosophisch instrument; die geeft zulke ernstige tonen. Welnu, daar gij dus verstand hebt van muziek, begrijpt u heel goed, dat men niet, zonder de wetten der harmonie te verstoren, een vijfden speler aan een quartet kan toevoegen; anders zou het geen quartet meer zijn.”

„Dat is zoo, dan wordt het een quintet,” antwoordde Carolus.

„U zegt?” vroeg Colline.

„Een quintet.”

„Precies—juist op dezelfde wijze, alsof je aan de Drieëenheid, dien goddelijken driehoek, een vierden persoon toevoegde; het zou dan een vierhoek vormen, maar de godsdienst zou zijn basis verloren hebben.”

„Neem me niet kwalijk,” zeide Carolus; wiens verstand te midden van al die doornstruiken van Colline’s logica begon te struikelen, „maar ik zie niet in ....” [156]

„Let eens goed op,” ging Colline voort; „hebt u verstand van astronomie?”

„Een beetje .... ik ben bachelier.”1

„Daar bestaat nog een liedje over,” zeide Colline: „Bachelier de Lisette .... Het wijsje herinner ik me niet meer .... Dus dan weet u natuurlijk, dat er vier hoofdwinden bestaan. Welnu, als er nu plotseling een hoofdwind bijkwam, dan zou de heele harmonie der natuur verstoord worden. Dat noemt men een cataclysme. Begrijpt u me?”

„Ik wacht op de slotsom.”

„Inderdaad de slotsom is het slot van een rede, evenals de dood het einde van het leven en het huwelijk het einde van de liefde is. Welnu, mijn waarde heer, mijn vrienden en ik zijn gewoon met elkaar te leven en wij zijn bang door de opneming van een vijfde in onzen kring, de harmonie, die in ons concert van zeden, meeningen, smaak en karakter heerscht, te verstoren. Wij moeten eenmaal de vier hoofdwindstreken der moderne kunst worden; ik zeg u dit zonder er doekjes om te winden; en daar wij nu eenmaal met dat denkbeeld vertrouwd zijn, zou het ons onaangenaam stemmen nog een vijfde hoofdwindstreek te zien.”

„Maar wanneer je met je vieren bent, kan je toch even goed met je vijfjes zijn,” waagde Carolus op te merken.

„Ja, zeer zeker, maar dan ben je niet meer met je vieren.”

„Dat is een nietswaardige uitvlucht.”

„Er is niets nietswaardigs in deze wereld, alles is in alles, kleine beken maken groote rivieren, kleine lettergrepen maken alexandrijnen en bergen zijn uit zandkorrels opgebouwd; dat las ik dezer dagen in de Sagesse [157]des nations; u kunt een exemplaar daarvan op den quai vinden.”

„U denkt dus, dat de heeren bezwaar zullen hebben mij in hun intiemen kring op te nemen?”

„Ik ben er wel eenigszins bang voor. Maar vertel me eens, waarde heer, welke vore beploegt u het liefst in de edele velden der intelligentie?”

„De groote wijsgeeren en de goede klassieke schrijvers zijn mijn voorbeelden, ik voed mij met hun studie. Télémaque heeft mij het eerst den hartstocht, die mij verteert, ingeboezemd.”

Télémaque vind je bij hoopjes op de boekenstalletjes,” zeide Colline. „Onlangs heb ik er nog een voor vijf sous gekocht, omdat het een koopje was. Maar ik wil het u, om u een pleizier te doen, graag afstaan. Overigens een goed en voor den toenmaligen tijd heel aardig samengesteld werk.”

„Ja, mijnheer,” ging Carolus voort, „de hooge philosophie en de gezonde litteratuur, daarheen gaat mijn streven; mijns inziens is de kunst een priesterschap.”

„Zeker, zeker ....” zeide Colline; „daar bestaat nog een liedje op.”

En hij begon te zingen:

„Oui, l’art est un sacerdoce

Et sachons nous en servir.

Ik geloof dat het uit Robert le Diable is,” voegde hij eraan toe.

„Ik zeide dus,” ging Barbemuche voort, „dat de kunst een heilig beroep is en dat de schrijvers dus onophoudelijk ....”

„Pardon, mijnheer,” viel Colline, die een laat uur had hooren slaan, hem in de rede; „het zal zoo dadelijk ochtend zijn en ik ben erg bang, dat ik door nog langer uit te blijven iemand, die mij dierbaar is, ongerust zal maken; trouwens,” mompelde hij nog in zichzelf, „ik [158]had haar beloofd vroeg thuis te komen; het is vandaag haar ontvangdag!”

„Inderdaad het is tamelijk laat!” zeide Carolus. „Laten we naar huis gaan.”

„Woont u ver hiervandaan?”

„Rue Royale-Saint-Honoré, 10.”

Colline was bij een vroegere gelegenheid eens in dit huis geweest en herinnerde zich, dat het een prachtig heerenhuis was.

„Ik zal morgen met de heeren over u spreken,” zeide hij bij het afscheid nemen tot Carolus, „en ik beloof u, dat ik al mijn invloed zal aanwenden, om ze gunstig voor u te stemmen .... A propos, mag ik u nog een raad geven?”

„Gaarne”.

„Wees aardig en galant tegenover de dames. Mimi, Musette en Phémie hebben een niet geringen invloed op mijn vrienden, en wanneer u het zoo weet aan te leggen, dat zij onder den druk van hun maîtressen komen, dan zult gij veel makkelijker bereiken, wat gij van Marcel, Schaunard en Rodolphe gedaan wilt krijgen.”

„Ik zal er mijn best voor doen.”

Den volgenden dag viel Colline als een bom te midden van het gezelschap der bohémiens: het was op het ontbijtuurtje, en ditmaal was werkelijk het ontbijt met het uur gekomen. De drie paren zaten aan tafel en deden zich te goed aan een orgie van artisjokken in pepersaus.

„Alle donders!” zeide Colline; „het gaat hier royal toe, dat zal niet lang zoo kunnen duren. Ik kom,” ging hij voort, „als gezant van den edelmoedigen sterveling, dien wij gisteravond in het café ontmoet hebben.”

„Zou hij nu het geld al komen terugvragen, dat hij ons voorgeschoten heeft?” vroeg Marcel.

„He,” zeide mademoiselle Mimi, „dat zou ik nooit van hem gedacht hebben, hij ziet er zoo fatsoenlijk uit.” [159]

„Daar is geen sprake van,” antwoordde Colline; „de jonge man zou gaarne in onzen kring worden opgenomen; hij wil aandeelen in onze maatschappij nemen en, zooals van zelf spreekt, ook de voordeelen daarvan genieten.”

De drie bohémiens keken elkaar aan.

„Het voorstel is ingediend,” eindigde Colline; „de discussies erover kunnen geopend worden.”

„Welke maatschappelijke positie bekleedt je beschermeling?” vroeg Rodolphe.

„Hij is geen beschermeling van me,” antwoordde Colline; „toen we gisteren avond uiteen gingen, hebben jullie me gevraagd hem te volgen, en hij, van zijn kant, noodigde me uit om met hem mede te gaan, dat viel dus prachtig samen. Ik heb hem dus gevolgd; en hij heeft mij een gedeelte van den nacht met allerlei attenties en fijne likeuren overstelpt, maar desniettemin heb ik mijn onafhankelijkheid bewaard.”

„Bravo!” zeide Schaunard.

„Geef ons een schets van eenige van zijn hoofdkaraktertrekken,” vroeg Marcel.

„Zielegrootheid, strenge zeden, bang om een wijnkroegje binnen te gaan, eind-examen gymnasium, de oprechtheid in eigen persoon, speelt op den contrabas, een natuur, die tusschenbeide vijf francs wisselt.”

„Bravo!” zeide Schaunard.

„Wat verwacht hij van ons?”

„Zooals ik reeds zeide, kent zijn eerzucht geen grenzen; zijn ideaal is ons te tutoyeeren.”

„Met andere woorden, hij wil ons exploiteeren, hij wil in onze karossen gezien worden.”

„En wat is zijn beroep?” was Marcels vraag.

„Zijn kunstrichting? Zijn beroep? Litteratuur en philosophie door elkaar.”

„Waaruit bestaat zijn philosophische kennis?” [160]

„Hij beoefent een kleinsteedsche wijsbegeerte. Hij noemt de kunst een priesterschap.”

„Een priesterschap!” riep Rodolphe verschrikt uit.

„Hij zegt het.”

„En tot welke litteratuurrichting behoort hij?”

„Hij leest druk in Télémaque.”

„Bravo!” riep Schaunard, die op de wortels der artisjokken zat te knabbelen.

„Wat, bravo, stommeling?” viel Marcel hem in de rede. „Zeg zoo iets als het je blieft niet, wanneer er andere menschen bij zijn.”

Schaunard gaf, in zijn woede over die terechtwijzing, Phémie, die hij op een aanval op zijn saus betrapte, bovendien nog onder de tafel door een trap.

„Nog een vraag,” zeide Rodolphe; „wat is zijn positie in deze wereld? Waarvan leeft hij? Hoe heet hij? Waar woont hij?”

„Zijn positie is zeer eervol; hij is leeraar in alle mogelijke vakken bij een rijke familie. Hij heet Carolus Barbemuche, verteert zijn inkomsten op zeer voorname wijze en woont in de rue Royale in een hôtel.”

„Een hôtel garni?”

„Neen, er zijn echte meubelen in.”

„Ik vraag het woord,” zeide Marcel. „Het is duidelijk, dat Colline omgekocht is; hij heeft voor een som van kleine glaasjes likeur zijn stem verkocht. Val mij niet in de rede,” zeide Marcel, die den wijsgeer zag opstaan, om te protesteeren; „je kunt straks antwoorden. Colline, die veile ziel, heeft u den vreemdeling onder een veel te gunstig aspect laten zien, dan dat het het beeld der waarheid kan zijn. Ik heb reeds gezegd, dat ik de bedoelingen van dezen vreemdeling doorzie. Hij wil op ons speculeeren. Hij denkt bij zichzelf: Kijk eens eventjes, dat zijn jongens, die carrière zullen maken; ik moet zien, dat ik me in hun zak verberg, dan kom [161]ik tegelijk met hen aan den steiger van den roem.”

„Bravo,” zeide Schaunard; „is er geen saus meer?”

„Neen,” antwoordde Rodolphe; „de oplaag is uitverkocht.”

„Anderzijds,” ging Marcel voort, „streeft deze arglistige sterveling, welke door Colline beschermd wordt, misschien slechts met misdadige gedachten naar de eer, om in onzen kring opgenomen te worden. Wij zijn hier niet alleen, heeren,” ging de redenaar voort en wierp daarbij een welsprekenden blik op de dames; „en de protégé van Colline is mogelijk een trouwelooze verleider, die zich onder den mantel der litteratuur bij ons wil indringen. Denkt goed na! Ik voor mij stem tegen de toelating.”

„Ik vraag slechts het woord voor een rectificatie,” zeide Rodolphe. „In zijn merkwaardige improvisatie heeft Marcel gezegd, dat genoemde Carolus zich, met het doel om ons te onteeren, bij ons wil binnendringen onder den mantel der litteratuur.”

„Dat is een oratorische figuur,” zeide Marcel.

„Ik keur die figuur af; zij is slecht. De litteratuur heeft geen mantel.”

„Omdat ik hier de functies van rapporteur vervul,” zeide Colline opstaande, „zal ik de conclusies van mijn rapport verdedigen. De jalousie, welke onzen vriend Marcel verteert, heeft zijn verstand verstoord, de groote kunstenaar is krankzinnig ....”

„Tot de orde!” brulde Marcel.

„Zoo krankzinnig, dat hij, een zoo voortreffelijke teekenaar, in zijn rede een figuur gebruikt heeft, waarvan de onjuistheid door den geestigen redenaar, die vòòr mij gesproken heeft, ten duidelijkste is aangetoond.”

„Colline is een idioot!” riep Marcel uit en gaf een heftigen vuistslag op tafel, die geen kleine beroering onder de borden veroorzaakte, „Colline heeft niet het minste [162]begrip van gevoelszaken; op dat gebied is hij te eenenmale onbevoegd; in plaats van een hart heeft hij een oud, beschimmeld boek!” (Langdurig gelach van Schaunard.)

Gedurende dit tumult schudde Colline den vloed van welsprekendheid, die hij tusschen de plooien van zijn witte das verborg. Toen de stilte weer hersteld was, ging hij verder:

„Mijne heeren, met één enkel woord zal ik de hersenschimmige vrees, die de vermoedens van Marcel misschien ten opzichte van Carolus in u wakker geroepen hebben, doen verdwijnen.”

„Probeer het maar eens,” zeide Marcel spottend.

„Dat zal me niet moeilijker vallen dan dit”, antwoordde Colline en blies een lucifer uit, waarmede hij zijn pijp aangestoken had.

„Maar spreek dan toch,” riepen Rodolphe, Schaunard en de vrouwen, die in het debat een levendig belang stelden, in koor uit.

„Mijne heeren,” zeide Colline, „hoewel ik persoonlijk en heftig in dezen kring ben aangevallen, hoewel men mij beschuldigd heeft den invloed, dien ik op u zou kunnen hebben, voor spiritualiën verkocht te hebben, zal ik toch, krachtig in het bewustzijn van mijn onschuld, niet antwoorden op de aanvallen, die gedaan zijn op mijn rechtschapenheid, oprechtheid en moraliteit.” (Beweging.) „Een eigenschap echter wil ik echter niet, dat ook maar één oogenblik in twijfel getrokken wordt.” (De redenaar slaat zich tweemaal op zijn buik.) Men heeft het willen doen voorkomen, alsof ik mijn u zoo welbekende voorzichtigheid verloren heb. Men beschuldigt mij in uw kring een sterveling te willen binnensmokkelen, die de bedoeling heeft een aanslag te plegen op uw liefdesgeluk. Deze veronderstelling is een beleediging, de eerbaarheid en den goeden smaak van de dames hier aangedaan. [163]Carolus Barbemuche is foei leelijk,” (zichtbare tegenspraak op het gelaat van Phémie Klad. Lawaai onder de tafel, afkomstig van Schaunard, die de compromitteerende openhartigheid van zijn jonge vriendin met zijn voeten verbetert.)

„Maar,” ging Colline voort, „wat het ellendige argument, waarvan mijn tegenstander, door gebruik te maken van uw eersten schrik, een wapen smeedt tegen Carolus, geheel ontzenuwt: genoemde Carolus is een Platonisch wijsgeer.” (Sensatie op de bank der heeren, tumult op de bank der dames.)

„Platonisch, wat beteekent dat?” vroeg Phémie.

„Dat is de ziekte van mannen, die een meisje niet durven zoenen,” antwoordde Mimi. „Ik heb een minnaar van dat soort gehad, maar na twee uur heb ik bonjour tegen hem gezegd.”

„Je reinste onzin!” vond Musette.

„Je hebt gelijk, lieveling!” zeide Marcel tot haar; „Platonisme in liefde is hetzelfde als water in wijn. Laten we onzen wijn onversneden drinken.”

„En leve de jeugd!”

De verklaring van Colline had een voor Carolus gunstigen ommekeer veroorzaakt. De wijsgeer wilde van die goede wending, door zijn handige en welsprekende pleitrede te weeg gebracht, gebruik maken.

„Ik zie niet in”, ging hij voort, „welke bezwaren redelijkerwijze nog ingebracht kunnen worden tegen dezen jeugdigen sterveling, die ons in ieder geval een dienst bewezen heeft. Wat mij nu betreft, ik, dien men beschuldigt onbezonnen gehandeld te hebben door hem in onzen kring te willen doen opnemen, ik beschouw die meening als een aanslag op mijn waardigheid. Ik heb in deze zaak gehandeld met de listigheid van een slang, en wanneer dit beleid niet door een gemotiveerd votum erkend wordt, neem ik mijn ontslag.” [164]

„Wil je de kabinetsquaestie stellen?” vroeg Marcel.

„Ja, die stel ik,” antwoordde Colline.

De drie bohémiens beraadslaagden onderling en verklaarden ten slotte eenstemmig, dat zij den wijsgeer het karakter van groot beleid, dat hij eischte, teruggaven. Colline liet daarop het woord aan Marcel, die, eenigszins teruggekomen van zijn vooringenomenheid, verklaarde, dat hij misschien voor de conclusies van den rapporteur zou stemmen. Maar alvorens het definitieve besluit, dat Carolus in de intimiteit van den vriendenkring zou worden toegelaten, te nemen, liet Marcel over het volgende amendement stemmen:

„Daar het toelaten van een nieuw lid in den vriendenkring een ernstige zaak is, en daar een vreemdeling, onbekend als hij is met de zeden, karakters en inzichten van zijn kameraden, er elementen van tweedracht in zou kunnen brengen, moet ieder der leden een dag met genoemden Carolus doorbrengen en een onderzoek instellen naar zijn leven, zijn smaak, zijn litteraire capaciteiten en zijn garde-robe. De bohémiens zouden elkaar dan hun particuliere indrukken mededeelen, waarna zij zouden stemmen over weigering of aanneming: verder zou Carolus, vòòr zijn toelating, een proeftijd van een maand moeten doormaken, dat wil zeggen, dat hij vòòr dien tijd niet het recht zou hebben hen te tutoyeeren en hun op straat een arm te geven. Op den dag der installatie zou het nieuw-aangenomen lid een schitterend feestmaal moeten geven, waarvan de kosten minstens twaalf francs zouden moeten bedragen.”

Dit amendement werd met drie stemmen tegen één, die van Colline, aangenomen; deze vond, dat men niet genoeg vertrouwen in hem had en dat dit amendement een nieuwe aanslag op zijn beleid was.

Dienzelfden avond ging Colline met opzet zeer vroegtijdig naar het café, om de eerste te zijn om Carolus te zien. [165]

Hij behoefde niet lang te wachten: Carolus kwam weldra met drie reusachtige bouquetten rozen in de hand.

„Allemachtig!” riep Colline uit; „wat wilt u met dien tuin?”

„Ik heb gedacht aan wat u me gisteren gezegd hebt: uw vrienden zullen ongetwijfeld met hun dames komen, en daarom heb ik die bloemen meegebracht; zij zijn heel mooi.”

„Dat geloof ik graag; ze zullen u minstens vijftien sous gekost hebben.”

„Stel u voor! In de maand December. Als u nu vijftien francs zeide!”

„Lieve Hemel!” riep Carolus uit, „een trio daalders voor die eenvoudige kinderen van Flora, wat een dwaasheid! Is u misschien familie van de Cordillera’s? Welnu, waarde heer, dat zijn vijftien francs, die wij in den letterlijken zin des woords uit het raam zullen moeten smijten.”

„Wat wilt u daarmede zeggen?”

Colline vertelde nu welke jaloersche vermoedens Marcel onder zijn vrienden had gewekt, en bracht Carolus op de hoogte van de heftige discussie, die plaats had gehad tusschen de bohémiens naar aanleiding van zijn verzoek, om in den vriendenkring te worden opgenomen.

„Ik heb betoogd, dat uw bedoelingen zoo rein en zuiver en eerlijk mogelijk waren,” voegde Colline eraan toe; „maar de oppositie is niet minder krachtig geweest. Zorg er dus voor de jaloersche vermoedens, die men tegen u koesteren kan, niet aan te wakkeren door te galant tegen de dames te zijn; laten wij dus, om te beginnen, die bouquetten doen verdwijnen.”

En Colline nam de rozen en verborg ze in een kast, waarin ze alles en nog wat bewaarden.

„Maar dat is niet alles,” ging hij voort; „de heeren wenschen, alvorens op meer intiemen voet met u te komen, [166]ieder afzonderlijk een onderzoek in te stellen naar uw karakter, uw smaak enz.”

En opdat Barbemuche zijn vrienden niet te veel aanstoot zou geven, gaf Colline hem in ruwe trekken een moreel portret van ieder der bohémiens.

„Tracht nu met ieder afzonderlijk op goeden voet te komen, dan zullen zij ten slotte allemaal voor uw toelating stemmen.”

Carolus stemde in alles toe.

Kort daarop verschenen de drie vrienden met hun respectievelijke „vrouwen”.

Rodolphe was zeer beleefd tegenover Carolus, Schaunard erg vertrouwelijk en familiaar, terwijl Marcel koel bleef. Carolus trachtte vroolijk en hartelijk te zijn tegenover de mannen, doch hield zich op een afstand van de dames.

Bij het afscheid noodigde Barbemuche Rodolphe uit den volgenden dag met hem te dineeren met het verzoek ’s middags reeds te komen.

De dichter nam de invitatie aan.

„Goed”, zeide hij tot zichzelf; „ik begin dus de enquête.”

Rodolphe zorgde den volgenden dag op het afgesproken uur bij Carolus te zijn. Barbemuche woonde inderdaad in een zeer mooi heerenhuis in de rue Royale en had daar een kamer, waarin een zeker confort heerschte. Wel verwonderde het Rodolphe, dat, hoewel het nog klaarlichte dag was, de luiken gesloten, de gordijnen dichtgetrokken en twee kaarsen op een tafel aangestoken waren. Hij vroeg Barbemuche naar de bedoeling daarvan.

„De studie,” zeide deze, „is de dochter van het mysterie en der stilte.”

Ze gingen zitten en begonnen te praten. Na een uur wist Carolus met een geduld en een oratorische handigheid, die oneindig was, een zin te pas te brengen, die, [167]niettegenstaande zijn bescheiden vorm, niets meer of minder dan een sommatie aan Rodolphe was, om te luisteren naar de voorlezing van een klein werkje, dat de vrucht van de doorwaakte nachten van genoemden Carolus was.

Rodolphe begreep, dat hij gevangen was, en daar hij bovendien gaarne den stijl van Barbemuche wilde leeren kennen, boog hij zeer beleefd en verzekerde, dat het hem een waar genoegen en .....

Carolus wachtte het slot van den zin niet af, vloog naar de deur, schoof den grendel ervoor, draaide den sleutel om, ging naar Rodolphe terug en nam eindelijk een klein schrift, waarvan het kleine formaat en de geringe dikte een glimlach van tevredenheid op het gelaat van den dichter te voorschijn riepen.

„Is dat het manuscript van uw werk?” vroeg hij.

„Neen”, antwoordde Carolus, „dat is de catalogus van mijn manuscripten; ik zoek naar het nummer van het werkje, dat u mij wel wilt vergunnen u voor te lezen .. Hier is het: Don Lopez of het Noodlot, No. 14. Dat is op de derde plank.”

Hij opende een klein kastje, waarin Rodolphe tot zijn schrik een groote hoeveelheid handschriften zag staan, Carolus nam er een uit, sloot de kast en ging tegenover den dichter zitten.

Rodolphe wierp een blik op een der vier cahiers, waaruit het werk bestond, waarvan het formaat hem aan de Maliebaan deed denken.

„Enfin”, zeide hij tot zichzelf, „het is niet in verzen ... maar het heet Don Lopez!”

Carolus nam het eerste cahier en begon te lezen:

„In een kouden winternacht reden twee ruiters, dicht gewikkeld in hun jassen op twee trage muilezels naast elkaar op een der wegen, die de vreeselijke eenzaamheid der stille Sierra Morena ....” [168]

„Lieve Hemel, waar ben ik!” dacht Rodolphe, die door dit begin verschrikt was. Carolus ging verder en las aan één stuk het eerste hoofdstuk, dat geheel in dien stijl geschreven was.

Rodolphe luisterde maar half en zon op een middel om te ontsnappen.

„Daar is wel een raam,” zeide hij tot zichzelf; „maar behalve dat het dicht is, zijn we hier op de vierde verdieping. Ha, nu begrijp ik al die voorzorgsmaatregelen.”

„Wat zegt u van mijn eerste hoofdstuk?” vroeg Carolus; „maar wat ik u verzoeken mag, spaar mij uw kritiek niet.”

Rodolphe meende zich te kunnen herinneren, dat hij stukken hoogdravende philosophie over den zelfmoord, door genoemden Lopez, den held van den roman, uitgesproken, gehoord had en antwoordde op goed geluk af:

„De groote figuur van don Lopez is zeer gewetensvol bestudeerd—het doet je onwillekeurig denken aan de Profession de foi du vicaire savoyard2; de beschrijving van den muilezel van don Alvar bevalt mij uitstekend en herinnert aan een schets van Géricault3. Het landschap geeft heele mooie lijnen; en wat de denkbeelden betreft, dat is zaad van Jean Jacques Rousseau, gezaaid op den bodem van Lesage. Echter moet ik één opmerking maken; U zet te veel komma’s en gebruikt te veel het woord: „in den vervolge”; dat is een aardige uitdrukking, die het van tijd tot tijd wel doet en aan het geheel kleur geeft, maar die je niet te dikwijls gebruiken moet.” [169]

Carolus nam zijn tweede cahier op en las nogmaals den titel: Don Lopez of het noodlot.

„Ik heb indertijd ook een don Lopez gekend,” zeide Rodolphe; „hij handelde in sigaretten en chocolade uit Bayonne; hij was misschien wel familie van den uwe.. Doch lees verder ....”

Bij het einde van het tweede hoofdstuk viel de dichter Carolus in de rede:

„Begint u nog geen keelpijn te krijgen?” vroeg hij.

„Volstrekt niet,” antwoordde Carolus; „ik zal u nu de geschiedenis van Inésille voorlezen.”

„Ik ben er zeer nieuwsgierig naar .... Maar indien het u vermoeien mocht, dan zou ik ....”

„Hoofdstuk III!” zeide Carolus met een heldere stem.

Rodolphe nam Carolus aandachtig op en merkte, dat hij een zeer korten, dikken nek en een hoog roode gelaatskleur had.

„Ik heb nog één hoop,” dacht de dichter, nadat hij die ontdekking gedaan had;—„een beroerte!”

„Wij zullen nu met hoofdstuk IV beginnen. U wilt dan zeker wel zoo goed zijn mij te zeggen wat u van de liefdesscène denkt.”

En Carolus las verder.

Toen Carolus Rodolphe even aankeek om op zijn gelaat de uitwerking van het tweegesprek te lezen, zag hij, dat de dichter, gebogen over zijn stoel zijn hoofd rekte in de houding van iemand, die naar ververwijderde klanken luistert.

„Wat hebt u?” vroeg hij.

„Sst!” zeide Rodolphe; „hoort u niets? Het is net of ik: Brand hoor roepen! Willen we even gaan kijken?”

Carolus luisterde een oogenblik, doch hoorde niets.

„Dan zal ik een oorsuizing gehad hebben,” zeide Rodolphe; „lees verder; don Alvar interesseert me buitengewoon; het is een edele jongeling.” [170]

Carolus las verder en legde al de muziek van zijn orgaan in de volgende woorden van den jongen don Alvar.

„O, Inésille, wie ge zijt, engel of demon, en wat ook uw vaderland moge zijn, mijn leven behoort u, en ik zal u volgen, zij het naar den hemel, zij het naar de hel.”

Op dat oogenblik werd er aan de deur geklopt; een stem buiten riep Carolus.

Het was de concierge, die een brief bracht, welken Carolus vlug open scheurde.

„Een leelijke streep door de rekening!” zeide hij; „wij zullen verplicht zijn de verdere lezing tot een volgenden keer uit te stellen; ik krijg nl. een bericht, dat mij noodzaakt onmiddellijk uit te gaan.”

„O”, dacht Rodolphe; „dat is een brief, die uit den hemel valt; ik herken daarop het zegel van de Voorzienigheid.”

„Indien u het goed vindt,” zeide Carolus, „dan zullen we samen de boodschap doen, waartoe deze tijding mij noodzaakt, dan kunnen we daarna gaan dineeren.”

„Ik ben geheel tot uw dienst,” zeide Rodolphe.

Toen hij ’s avonds weer in den vriendenkring zat, werd de dichter door zijn kameraden met vragen over Barbemuche bestormd.

„Ben je tevreden over hem? Heeft hij je goed onthaald?” vroegen Marcel en Schaunard.

„Ja, maar het heeft me heel wat gekost.”

„Wat? Heeft Carolus je laten betalen?” vroeg Schaunard met stijgende verontwaardiging.

„Dat niet, maar hij heeft me een roman voorgelezen, waarin don Lopez en don Alvar de hoofdpersonen zijn en de jeune premiers hun geliefden Engel of Demon noemen.”

„Ontzettend!” riepen alle bohémiens in koor.

„Maar”, vroeg Colline, „afgezien nu van de litteratuur, wat is je meening omtrent Carolus?” [171]

„Barbemuche is een fatsoenlijke jonge man. Trouwens jullie kunnen persoonlijk je waarnemingen doen: Carolus wil ons n.l. een voor een als gast hebben. Schaunard is voor morgen te dejeuneeren gevraagd. Maar vertrouw, wanneer je naar Barbemuche gaat, de kast met manuscripten niet, dat is een gevaarlijk meubel.”

Schaunard was den volgenden dag precies op tijd bij Barbemuche en stelde een onderzoek in, zooals een beëedigd taxateur of een deurwaarder, die gerechtelijk beslag komt leggen, gewoon zijn in te stellen. Hij kwam dan ook terug met zijn hoofd vol aanteekeningen; hij had Carolus bestudeerd uit een oogpunt van zijn roerend goed.

„Nu?” zoo vroegen ze hem; „wat is jouw meening?”

„Die Barbemuche”, riep Schaunard uit; „loopt over van goede eigenschappen; hij kent de namen van alle wijnsoorten en heeft me dingen laten eten zòò lekker, als je ze bij mijn tante op haar verjaardag niet krijgt. Met de kleermakers uit de rue Vivienne en de laarzenmakers van de Panorama’s schijnt hij op den besten voet te staan. Bovendien heb ik opgemerkt, dat hij ongeveer even groot is als wij, zoodat we hem desnoods onze pakken kunnen leenen. Zijn zeden zijn minder streng dan Colline ons heeft willen doen gelooven; hij is overal heen meegegaan, waar ik hem wilde brengen, en hij heeft me getracteerd op een déjeuner in twee bedrijven, waarvan het tweede zich afgespeeld heeft in een kroeg van de halle, waarin ik heel goed bekend ben, omdat ik er in carnavalstijd heel wat orgieën heb medegemaakt. Carolus deed net alsof hij er thuis was. Marcel is voor morgen uitgenoodigd.”

Carolus wist, dat van de bohémiens Marcel zich het meest tegen zijn opneming in den vriendenkring verzette: hij ontving hem dan ook met de grootste voorkomendheid; maar vooral wist hij den kunstenaar voor zich [172]te winnen door hem voor te spiegelen, dat hij portretten van de familie van zijn leerling te schilderen zou krijgen.

Toen het Marcels beurt was, om zijn bevindingen mede te deelen, merkten zijn vrienden niets meer van de vijandelijke gezindheid, die hij in den beginne ten opzichte van Carolus getoond had.

Den vierden dag deelde Colline Barbemuche mede, dat hij toegelaten was.

„Wat? Ben ik heusch toegelaten?” riep Carolus dol-verheugd uit.

„Ja”, antwoordde Colline, „maar als u u verandert.”

„Wat bedoelt u daarmede?”

„Ik bedoel, dat u nog een groot aantal vulgaire gewoonten hebt, die u u zult moeten afwennen.”

„Ik zal mijn best doen u in alles na te volgen,” antwoordde Carolus.

Gedurende zijn noviciaat bezocht de Platonische wijsgeer de bohémiens dagelijks, en daar hij op die manier in staat gesteld werd hun zeden grondiger te bestudeeren, kon het niet anders, of hij moest van de eene verbazing in de andere vallen.

Op een goeden morgen kwam Colline met een van vreugde stralend gezicht bij Barbemuche.

„Nu, mijn waarde,” zeide hij, „je bent definitief toegelaten. Nu blijft nog slechts over om den dag en de plaats voor het groote feestmaal vast te stellen, en ik kom nu daarover eens met je praten.”

„Maar dat treft prachtig,” antwoordde Carolus; „de ouders van mijn leerling zijn op dit oogenblik buiten en de jonge vicomte, wiens mentor ik ben, zal mij voor een avond de kamers wel willen afstaan: op die manier kunnen we het veel prettiger hebben, maar we zullen ook den jongen vicomte moeten inviteeren.”

„Dat zou prachtig zijn,” vond Colline. „Wij zouden de horizonten der litteratuur voor hem kunnen openen; [173]maar geloof je, dat hij zijn toestemming geven zal?”

„Daar ben ik bij voorbaat zeker van.”

„Dan blijft nog alleen over den dag vast te stellen.”

„Dat zullen we vanavond in het café verder afspreken.”

Carolus ging nu dadelijk zijn leerling opzoeken en deelde hem mede, dat hij aangenomen was als lid van een voorname litterair-artistieke vereeniging, en dat hij, om zijn toelating te vieren, van plan was een diner en daarna een klein feestje te geven. Ten slotte noodigde hij hem uit aan de plechtige installatie deel te nemen ...

„En daar je toch niet laat thuis kunt komen en het feest wel tot na middernacht zal duren, zullen we voor alle gemak dat diner maar hier aan huis geven. François, je knecht, zal het niet verraden; je ouders zullen er dus niets van te weten komen en jij zult op die manier kennis maken met de geestrijkste menschen uit Parijs, kunstenaars en schrijvers.”

„Die al gedrukt zijn?” vroeg de jonge man.

„Zeker wel, gedrukt; een van hen is hoofdredacteur van de Echarpe, een tijdschrift waarop je moeder geabonneerd is; het zijn zeer gedistingeerde, bijna beroemde personen; ik ben hun intieme vriend. Zij hebben bekoorlijke vrouwen.”

„Komen er ook vrouwen bij?” vroeg de vicomte.

„Verrukkelijke schepsels.”

„O, ik ben u zeer dankbaar voor uw uitnoodiging, waarde meester; natuurlijk zullen we het feest hier geven; we zullen alle kroonluchters laten aansteken en de hoezen van de meubelen laten nemen.”

’s Avonds in het café vertelde Barbemuche, dat het feest den volgenden Zaterdag gegeven zou worden.

De bohémiens verzochten hun vriendinnen aan haar toilet te denken.

„Vergeet vooral niet,” zeiden zij tot haar, „dat we [174]ditmaal in echte salons komen. Bereid je daar dus op voor: eenvoudige, maar rijke toiletten.”

Denzelfden dag nog werd de geheele straat er mede in kennis gesteld, dat Mimi, Phémie en Musette in de „wereld” zouden gaan.

Op den ochtend van de plechtigheid geschiedde nog het volgende: Colline, Schaunard, Marcel en Rodolphe begaven zich gezamenlijk naar Barbemuche, die zeer verwonderd was ze al zoo vroeg te zien.

„Er is toch niets gebeurd, waardoor het feest uitgesteld moet worden?” vroeg hij eenigszins ongerust.

„Ja en neen,” antwoordde Colline. „De zaak is deze. Tusschen ons gezegd en gezwegen, doen we onder ons nooit aan plichtplegingen; maar wanneer we met vreemden samenkomen, dan willen we graag een zeker decorum bewaren.”

„Welnu?” vroeg Barbemuche.

„Welnu”, ging Colline voort, „daar we vanavond den jongen edelman ontmoeten, die zijn salon voor ons opent, komen wij uit achting voor hem en uit achting voor onszelf je heel vriendschappelijk vragen, of je ons voor vanavond niet een paar kleedingstukken van goeden snit kan leenen. Je begrijpt even goed als wij, dat het voor ons zoo goed als onmogelijk is in trui en paletot de weelderige vertrekken van deze woning te bezoeken.”

„Maar,” zeide Carolus; „ik heb geen vier rokken.”

„Ach!” zeide Colline, „we zullen ons wel weten te behelpen met wat je hebt.”

„Kijk maar eens!” zeide Carolus en opende een tamelijk rijk voorziene kleerkast.

„Maar je hebt daar een compleet kleeding-arsenaal.”

„Drie hoeden!” zeide Schaunard in extase; „hoe kan je in Godsnaam drie hoeden hebben, als je maar één hoofd hebt.”

„En kijk eens wat een schoenen!” brulde Colline. [175]

In een oogwenk hadden zij ieder een volledige uitrusting gekozen.

„Tot vanavond,” zeiden zij, terwijl zij afscheid namen van Barbemuche; „de dames zullen er schitterend uitzien.”

„Maar”, zeide Barbemuche met een blik op de geheel leeggeplunderde kast, „jullie laat voor mij niets over. Hoe moet ik jullie ontvangen?”

„O, jij”, zeide Rodolphe, „voor jou is het heel wat anders; jij bent de heer des huizes en behoeft het dus met de etiquette zoo nauw niet te nemen.”

„Maar ik heb alleen nog maar een kamerjapon, een slaapbroek, een flanellen vest en pantoffels over; jullie hebt alles weggenomen.”

„Wat hindert dat? Je bent bij voorbaat geëxcuseerd,” antwoordden de bohémiens.

Om zes uur werd er een prachtig diner in de eetzaal opgediend. De bohémiens arriveerden. Marcel hinkte een beetje en was in een slecht humeur. De jonge vicomte Paul snelde den dames tegemoet en geleidde ze naar de beste plaatsen. Mimi had een zeer fantastisch toilet aan. Musette was zeer uitdagend gekleed. Phémie geleek op een venster met gekleurde ramen, zij durfde bijna niet te gaan zitten. Het diner, dat twee en een half uur duurde, was zeer geanimeerd.

De jonge vicomte Paul, die Mimi tot tafeldame had, stootte haar ieder oogenblik met waren hartstocht aan met zijn voet. Phémie vroeg bij iedere gang tweemaal om dezen of genen schotel. Schaunard zwelgde in het druivennat. Rodolphe improviseerde sonnetten en brak bij het aangeven van den rhythmus de glazen. Colline praatte met Marcel, die nog steeds knorrig was.

„Wat heb je toch?” vroeg hij.

„Ik heb zoo’n vreeselijke pijn aan mijn voet en dat hindert me. Die Carolus heeft een voet als een jong meisje.” [176]

„O, als het anders niet is,” vond Colline, „dan zullen we hem aan zijn verstand brengen, dat dit zoo niet langer gaat en dat hij „in den vervolge” zijn laarzen een paar nummers grooter moet laten maken. Wees maar gerust, dat zal ik wel in orde brengen. Maar ga nu mee naar den salon, waar liqueuren der Antillen ons roepen.”

Het feest begon met nieuwen glans en schittering. Schaunard zette zich voor den piano en speelde met een wonderbare bravoure zijn nieuwe symphonie: „De dood der jonkvrouw”. Het mooie gedeelte van de Schuldeischersmarsch had zoo’n succes, dat hij het driemaal moest herhalen. Na afloop waren er twee snaren gesprongen.

Marcel was nog steeds uit zijn humeur, en toen Carolus zich daarover bij hem beklaagde, antwoordde de schilder hem:

„Mijn waarde heer Barbemuche, wij zullen nooit op intiemen voet met elkaar omgaan. Ziehier de reden. Physieke verschillen zijn bijna altijd een zekere aanwijzing voor psychische verschillen. Op dit punt zijn de wijsbegeerte en geneeskunde het volmaakt eens.”

„En verder?”

„Welnu,” zeide Marcel en wees op zijn voeten, „je laarzen, die veel en veel te nauw voor mij zijn, toonen aan, dat we niet hetzelfde karakter hebben; overigens was je feestje heel charmant!”

Om één uur in den ochtend gingen de bohémiens langs een grooten omweg naar huis. Barbemuche was lichtelijk aangeschoten en sloeg allerlei onzin uit tegen zijn leerling, die op zijn beurt droomde van de blauwe oogen van mademoiselle Mimi. [177]


1 Iemand, die toelatingsexamen voor de universiteit heeft gedaan.

2 „Geloofsbelijdenis van den savoyaardschen vicaris”. Vergelijk Rousseau’s Emile.

3 Géricault, een beroemd schilder, wiens doek „Vlot der Medusa”, in 1819 groot opzien verwekte en de eerste overwinning van het realisme in de schilderkunst genoemd wordt.

[Inhoud]

Hoofdstuk XIII.

De inwijdingsfuif.

Het gebeurde eenigen tijd, nadat de dichter Rodolphe met de jonge mademoiselle Mimi een eigen huishoudentje had opgezet; sedert ongeveer acht dagen heerschte er in den geheelen vriendenkring een groote onrust naar aanleiding van de verdwijning van Rodolphe, die plotseling als in een nevel scheen te zijn opgelost. Ze hadden hem gezocht op alle plaatsen, waar hij gewoon was te komen, en overal kregen ze hetzelfde antwoord:

„We hebben hem in geen acht dagen gezien.”

Gustave Colline vooral was in duizend angsten en vreezen, en wel om de volgende reden. Eenige dagen te voren had hij Rodolphe een artikel van groote wijsgeerige waarde toevertrouwd, dat deze in de rubriek „Varia” van le Castor, het bekende hoedenmakersblad, waarvan hij hoofdredacteur was, zou opnemen. Was het philosophische artikel reeds voor de oogen van het verbaasde Europa verschenen? Dat was de vraag, die de ongelukkige Colline zich stelde; en men zal zich dien angst kunnen begrijpen, wanneer men weet, dat de philosoof nog niet het genoegen gehad had zich gedrukt te zien en dus van verlangen brandde, om te zien welken indruk zijn in cicero1 gedrukt proza zou maken. Om zich die bevrediging van zijn eigenliefde te verschaffen, had hij reeds zes francs uitgegeven voor verschillende [178]leeszalen zonder er le Castor te vinden. Daar hij dit niet langer volhouden kon, zwoer Colline zich een duren eed, dat hij geen minuut rust zou nemen alvorens de hand op den onvindbaren redacteur van dat blad gelegd te hebben.

Geholpen door verschillende toevallige omstandigheden—het zou te veel tijd vorderen die alle te vertellen—gelukte het den wijsgeer zijn eed te houden. Twee dagen later had hij Rodolphe’s woning uitgevorscht en ging hij hem ’s morgens om zes uur opzoeken.

Rodolphe woonde toentertijd in een hôtel garni in een eenzame straat van den faubourg Saint Germain, waar hij de vijfde verdieping betrokken had, omdat er geen zesde was. Toen Colline bij de deur kwam, vond hij den sleutel niet in het slot steken. Hij klopte een minuut of tien zonder dat hij van binnen antwoord kreeg; op de aubade kwam zelfs de concierge af, die Colline vroeg kalm te zijn.

„U ziet toch wel, dat mijnheer slaapt,” zeide hij.

„Daarom wil ik hem wakker trommelen,” antwoordde Colline en begon opnieuw te kloppen.

„Dan wil hij u zeker niet antwoorden,” meende de concierge, terwijl hij voor de deur van Rodolphe een paar lakschoenen en een paar dameslaarsjes, die hij juist gepoetst had, neerzette.

„Wacht eens even,” zeide Colline, terwijl hij het mannelijke en vrouwelijke paar laarzen bekeek; „een paar nieuwe lakschoenen. Ik heb me zeker in de deur vergist; hier moet ik zeker niet zijn.”

„Wien moet u eigenlijk hebben?” vroeg de concierge.

„Vrouwenlaarsjes!” ging Colline voort als in zichzelf sprekend en denkend aan de strenge zeden van zijn vriend; „ja, ik heb me beslist vergist. Dit kan de kamer van Rodolphe beslist niet zijn.”

„Vraag excuus, mijnheer; dat is hier wel.” [179]

„Zoo. Dan vergis jij je, beste man!”

„Hoe bedoelt u dat?”

„Dat je je beslist vergist,” zeide Colline, terwijl hij op de lakschoenen wees. „Wat zijn dat?”

„Dat zijn de schoenen van mijnheer Rodolphe; wat is daar voor verwonderlijks aan?”

„En die daar?” zeide Rodolphe en wees hem de dameslaarsjes; „zijn die ook van mijnheer Rodolphe?”

„Die zijn van zijn dame,” zeide de concierge.

„Van zijn dame?” riep Colline verbaasd uit. „Wat een wellusteling! Daarom wil hij natuurlijk niet open doen!”

„Lieve Hemel!” zeide de concierge; „die jonge man is toch vrij om te doen of te laten wat hij wil; als mijnheer mij zijn naam wil zeggen, dan zal ik mijnheer Rodolphe zeggen, dat u hier geweest is.”

„Neen”, zeide Colline, „nu ik eenmaal weet waar ik hem vinden kan, zal ik wel terugkomen.” En hij ging heen, om zijn vrienden het groote nieuws te gaan vertellen.

De lakschoenen van Rodolphe werden algemeen als fabels beschouwd, als een vrucht van Colline’s rijke fantasie, en éénstemmig werd verklaard, dat zijn maîtresse een paradox was.

En toch was die paradox een waarheid; want nog dienzelfden avond kreeg Marcel een collectieven brief voor alle vrienden van dezen inhoud:

„Mijnheer en Mevrouw Rodolphe, letterkundigen, hebben de eer u uit te noodigen voor een diner, dat zij zich voorstellen morgenavond om vijf uur precies te geven.

P.S. Er wordt van borden gegeten.”

„Mijne heeren,” zeide Marcel, die zijn vrienden met den inhoud van den brief in kennis stelde, „Colline heeft toch gelijk: Rodolphe heeft werkelijk een maîtresse; [180]bovendien vraagt hij ons te dineeren en het postscriptum belooft zelfs tafelgerei. Ik wil u niet verhelen, dat deze laatste paragraaf mij een lyrisch-poëtische overdrijving toeschijnt; we zullen echter dienen af te wachten.”

Op het aangegeven uur gingen den volgenden dag Marcel, Gustave Colline en Alexander Schaunard, uitgehongerd alsof ze in geen dagen gegeten hadden, naar Rodolphe, dien zij bezig vonden te spelen met een roode kat, terwijl een jonge vrouw de tafel dekte.

„Heeren”, zeide Rodolphe, terwijl hij zijn vrienden de hand drukte en met een gebaar naar de jonge vrouw wees, „mag ik u de vrouw des huizes voorstellen?”

„Dan ben jij dus de heer des huizes?” zeide Colline.

„Mimi,” antwoordde Rodolphe, „ik stel je mijn beste vrienden voor, en doe nu de soep op.”

„O, mevrouw,” zeide Alexandre Schaunard, terwijl hij naar Mimi toe ging, „u zijt frisch als een woudbloem.”

Na zich overtuigd te hebben, dat er in werkelijkheid assietten op tafel stonden, informeerde Schaunard wat zij te eten zouden krijgen. Hij dreef de nieuwsgierigheid zoo ver, dat hij de deksels van de pannen nam, waarin het diner kookte. De aanwezigheid van een kreeft maakte een diepen indruk op hem.

Colline had Rodolphe even apart genomen, om hem naar zijn philosophisch artikel te vragen.

„Dat is op de drukkerij,” zeide Rodolphe. „Le Castor verschijnt a.s. Donderdag.”

Wij zullen niet trachten de vreugde van den wijsgeer te schilderen.

„Heeren”, zeide Rodolphe tot zijn vrienden; „jullie moeten het me niet kwalijk nemen, dat ik jullie zoolang zonder eenig bericht gelaten heb, maar ik was in mijn wittebroodsweken.”

En hij vertelde hun de geschiedenis van zijn „huwlijk” met dit bekoorlijke schepseltje, dat hem als bruidschat [181]haar achttien jaar en zes maanden, twee porceleinen kopjes en een roode poes, eveneens Mimi genaamd, medegebracht had.

„En nu, heeren,” ging Rodolphe voort, „zullen wij onze nieuwe woning inwijden. Maar ik waarschuw je van te voren, dat het een eenvoudige burgerpot is en de truffels door de grootste hartelijkheid vervangen worden.”

Inderdaad bleef die bekoorlijke godin dan ook heerschen onder de gasten, die intusschen vonden, dat die „eenvoudige burgerpot” nog al meeviel. Rodolphe was dan ook „uit zijn slof geschoten.” Colline maakte er op opmerkzaam, dat de borden verwisseld werden en verklaarde op luiden toon, dat mademoiselle Mimi het blauwe lint waardig was, waarmede de keizerinnen van het fornuis gedecoreerd worden, een zin, die voor het jonge meisje zuiver Sanskriet was, en die Rodolphe voor haar aldus vertaalde, „dat zij een uitstekende keukenmeid zou zijn.”

Het optreden van de kreeft veroorzaakte een algemeene bewondering. Onder voorwendsel dat hij in de natuurlijke historie gestudeerd had, vroeg Schaunard het dier te mogen verdeelen; hij maakte zelfs van de gelegenheid gebruik om een mes te breken en zichzelf de grootste portie toe te eigenen, wat een algemeene verontwaardiging deed ontstaan. Doch Schaunard was niet gevoelig, vooral niet op het punt: kreeft; en toen er nog een portie overbleef, was hij brutaal genoeg die apart te leggen onder voorwendsel, dat die hem als model moest dienen voor een stilleven, dat hij juist onder handen had.

In hun toegeeflijke vriendschap deden de kameraden, alsof zij aan dezen leugen, die de vrucht van een onmatige eetlust was, geloof schonken.

Colline daarentegen bewaarde al zijn sympathieën voor het dessert en weigerde zelfs halsstarrig om zijn deel van de rhumkoek te ruilen voor een toegangsbewijs [182]voor de orangerie te Versailles, wat Schaunard hem voorstelde.

Het discours werd langzamerhand geanimeerder.

Op de drie flesschen met roode capsules volgden er drie met groene, in het midden waarvan ze weldra een flesch zagen te voorschijn komen, welker met een zilveren helm bedekte hals dadelijk verried, dat zij tot het regiment van Royal-Champenois behoorde. Het was een imitatie-champagne, die in de wijnbergen van Saint-Ouen geoogst was en te Parijs voor twee francs verkocht werd wegens liquidatie, zooals de wijnhandelaar beweerde.

Maar niet het land maakt den wijn, en onze bohémiens aanvaardden den drank, dien ze in speciaal daarvoor bestemde glazen kregen, als echte Champagne en waren ondanks de weinige opgewektheid, waarmede de kurk uit zijn gevangenis ontsnapte, in extase over het voortreffelijke merk, toen zij de groote hoeveelheid schuim zagen. Schaunard gebruikte daarbij de rest van zijn bezinning, om zich in de glazen te vergissen en dat van Colline te ledigen, die op zijn beurt met het ernstigste gezicht van de wereld zijn beschuit in den mosterdpot doopte en mademoiselle Mimi het wijsgeerige artikel, dat in le Castor moest verschijnen, trachtte uit te leggen. Terwijl hij daarmede bezig was, werd hij plotseling bleek en vroeg permissie of hij even aan het raam naar de ondergaande zon mocht gaan kijken, hoewel het al tien uur was en de zon reeds lang onder de wol lag.

„Het is jammer, dat de champagne niet gefrappeerd is,” zeide Schaunard, die nogmaals trachtte zijn leeg glas te verwisselen voor een vol van zijn tafelbuurman, welke poging echter ditmaal geen succes had.

„Mevrouw,” zeide Colline, die genoeg versche lucht gehapt had, tegen Mimi, „je koelt champagne met ijs, ijs wordt gevormd door condensatie van water, aqua in het Latijn. Water bevriest bij twee graden, en er zijn [183]vier jaargetijden, zomer, herfst en winter. Dat is de oorzaak geweest van den terugtocht uit Rusland; Rodolphe, geef mij nog een hemistichium champagne!”

„Wat zegt je vriend toch?” vroeg Mimi, die er niets van begreep, aan Rodolphe.

„O, hij vraagt, of ik hem nog een half glas Champagne wil geven,” antwoordde deze.

Plotseling gaf Colline Rodolphe een harden klap op zijn schouder en zeide stotterend, alsof de lettergrepen als taai-taai tusschen zijn lippen bleven zitten:

„Het is morgen Donderdag, niet?”

„Neen, het is morgen Zondag.”

„Neen, Donderdag.”

„Neen, heusch niet, Zondag.”

„O, Zondag,” zeide Colline, terwijl hij zijn hoofd heen en weer wiegde, „meestal is het morgen Don...der...dag...”

En terwijl hij zijn gezicht in de ijspudding, die nog op zijn bord lag, drukte, sliep hij in.

„Wat wil hij toch eigenlijk met zijn Donderdag?” vroeg Mimi.

„O, nou ben ik er achter!” antwoordde Rodolphe, die de halsstarrigheid van den door zijn idée fixe gekwelden wijsgeer begon te begrijpen; „dat komt door zijn artikel in Le Castor ... Luister maar, hij droomt er hardop van.”

„Goed”, zeide Schaunard, „dan krijgt hij ook geen koffie, niet waar mevrouw?”

„Dat is waar ook, Mimi,” zeide Rodolphe, „presenteer de koffie eens.”

Zij wilde juist opstaan, toen Colline, die van de ijspudding zijn koelbloedigheid eenigszins teruggekregen had, haar om haar middel vatte en haar vertrouwelijk in het oor fluisterde:

„Mevrouw, de koffie is afkomstig uit Arabië, waar hij [184]door een geit ontdekt is. Van daar uit kwam de gewoonte om koffie te drinken naar Europa. Voltaire dronk twee-en-zeventig koppen per dag. Ik drink ze zonder suiker, maar graag heel warm.”

„Lieve Hemel, wat een knappe vent!” dacht Mimi, terwijl zij de koffie en de pijpen bracht.

Intusschen was het aardig laat geworden; het had al geruimen tijd geleden middernacht geslagen en Rodolphe trachtte zijn vrienden aan het verstand te brengen, dat het nu langzamerhand tijd werd om heen te gaan. Marcel, die nog volkomen helder was, stond op, om afscheid te nemen.

Schaunard echter ontdekte, dat er in een flesch nog wat brandewijn was, en verklaarde, dat het nooit middernacht kon zijn, zoolang er nog een druppel in het glas was. Colline zat schrijlings op zijn stoel en bromde binnensmonds.

„Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag....”

„Maar lieve hemel,” zeide Rodolphe wanhopig, „ik kan ze toch vannacht hier niet houden. Vroeger ging dat goed, maar nu is dat wat anders,” en hij keek daarbij naar Mimi, wier warme blik om eenzaamheid met hun tweetjes scheen te smeeken.

„Wat moet ik beginnen? Geef mij toch eens raad, Marcel. Verzin toch een middel, om ze hier vandaan te krijgen!”

„Neen, ik verzin er geen,” zeide Marcel; „maar ik zal er een navolgen. Ik herinner me een comedie, waarin een intelligente knecht het middel vindt om drie als tempelieren zoo dronken schelmen uit het huis van zijn meester te zetten.”

„Ja, dat herinner ik me,” antwoordde Rodolphe „dat komt in Kean2 voor. De toestand is inderdaad vrijwel dezelfde.” [185]

„Welnu, dan zullen we eens zien of het tooneel met de werkelijkheid overeenkomt. Wacht even, we zullen met Schaunard beginnen. Hé, Schaunard!” riep de schilder.

„Ja, wat is er?” antwoordde deze, die in de blauwe zee van een zoete roes scheen te zwemmen.

„Er is hier niets meer te drinken en we hebben allemaal nog dorst.”

„Ach ja,” zeide Schaunard, „die flesschen zijn ook zoo klein!”

„Nou luister dan; Rodolphe heeft besloten, dat we vannacht hier zouden blijven; maar er moet nog eerst wat gehaald worden, om te drinken, vòòr de winkels gesloten worden.”

„Mijn leverancier woont hier op den hoek van de straat,” zeide Rodolphe. „Schaunard, ga jij er even heen en vraag uit mijn naam twee flesschen rhum.”

„Zeker, zeker, zeker!” zeide Schaunard, die bij vergissing de overjas van Colline aantrok, welke laatste met zijn mes ruiten op het tafellaken teekende.

„Dat is nummer één!” zeide Marcel, toen Schaunard weg was. „Nou komt Colline aan de beurt: dat zal een heele dobber worden. Wacht, een idee. He, he, Colline!” schreeuwde hij, terwijl hij den wijsgeer heen en weer schudde.

„Wat is er.... wat is er?”

„Schaunard is weggegaan en heeft bij vergissing jouw jas aangetrokken.”

Colline keek om zich heen en zag inderdaad in plaats van zijn notehoutkleurige jas de geruite van Schaunard hangen. Deze ontdekking maakte hem zeer ongerust. Colline had n.l. ouder gewoonte in den loop van den dag de boekenstalletjes bezocht en voor vijftien sous een Finsche grammatica en een kleinen roman van Nisard: „De begrafenis van de melkvrouw” gekocht. Bij deze [186]nieuwe aanwinst kwamen nog zeven of acht deelen hoogere philosophie, die hij altijd bij zich droeg, om steeds een arsenaal te hebben, waaruit hij argumenten zou kunnen putten voor het geval er wijsgeerige discussies ontstonden. De gedachte, dat die bibliotheek in handen van Schaunard was, deed bij hem het angstzweet uitbreken.

„De ongelukkige!” riep Colline uit; „wat heeft hem bezield mijn overjas mee te nemen?”

„Het is een vergissing.”

„Maar mijn boeken..... hij kan er een slecht gebruik van maken.”

„Wees maar niet bezorgd: hij zal ze niet lezen,” zeide Rodolphe.

„O, ik ken hem! Hij is in staat er zijn pijp mede aan te steken!”

„Als je daar bang voor bent, dan kan je hem nog best inhalen,” zeide Rodolphe; „hij is net weg; je zal hem nog wel aan de deur vinden.”

„Zeker moet ik hem inhalen,” antwoordde Colline, terwijl hij zijn hoed opzette, waarvan de randen zoo breed waren, dat men er makkelijk voor tien personen thee op zou kunnen ronddienen.

„Dat is nummer twee,” zeide Marcel tot Rodolphe; „nu ben je vrij. Ik ga ook weg en zal den portier op zijn hart drukken, dat hij niet open moet doen, als er geklopt wordt.”

„Slaap lekker,” zeide Rodolphe, „en wel bedankt!”

Nadat hij zijn vriend uitgelaten had, hoorde Rodolphe op de trap een langaangehouden gemiauw, waarop zijn roode kat teeder antwoordde, terwijl hij behendig door de halfgeopende deur trachtte te ontsnappen.

„Arme Romeo!” zeide Rodolphe; „je Julia roept je. Vooruit, ga je gang maar,” en hij opende de deur voor het [187]verliefde dier, dat met één sprong de trap af was en in de armen van zijn geliefde lag.

Eindelijk met zijn maîtresse, die voor een spiegel in een bekoorlijke en verleidelijke houding haar haar in de krul stond te zetten, alleen, ging Rodolphe naar Mimi toe en drukte haar in zijn armen. Dan trok hij, als een musicus, die, alvorens zijn stuk te beginnen, een reeks accoorden aanslaat, om zich van de qualiteit van zijn instrument te overtuigen, Mimi op zijn knieën en drukte op haar schouder een langen, vurigen kus, die het frissche schepseltje van verlangen deed rillen.

Het instrument klonk prachtig. [188]


1 Cicero is een lettersoort.

2 Vergelijk Dumas’ Kean, 2de bedrijf, tooneel 1–3.

[Inhoud]

Hoofdstuk XIV.

Mademoiselle Mimi.

O, vriend Rodolphe, wat is er toch gebeurd, dat ge zoo veranderd zijt? Moet ik de geruchten gelooven, die in omloop zijn, en heeft dat ongeluk zoozeer uw krachtige philosophie kunnen terneerslaan? Hoe zal ik, ik, de geschiedschrijver van uw vrij kunstenaarsheldendicht, zoo vol vroolijk gelach en jolijt, hoe zal ik op een voldoend melancholischen toon het smartelijk avontuur kunnen vertellen, dat een rouwfloers werpt over uw voortdurende levenslust en op die wijze plotseling den vroolijken klank van uw paradoxen tot zwijgen brengt?

O, vriend Rodolphe, gaarne wil ik gelooven, dat uw smart groot is, maar dat is toch werkelijk geen reden, om dadelijk in het water te springen. Daarom raad ik je aan zoo gauw mogelijk een streep door het verleden te halen. Ontvlucht vooral de eenzaamheid, die bevolkt is met spookgestalten, welke uw bekommernissen tot het oneindige verlengen. Ontvlucht de stilte, waarin de echo der herinneringen nog weerklinkt van doorleefde vreugde en doorleefde smart. Werp moedig naar alle windstreken der vergetelheid den naam, dien ge zoo lief gehad hebt, en ook alles wat u nog overblijft van haar, die hem droeg. De haarlokken, die uw van hartstocht vurige lippen hebben gekust; het kristallen flaconnetje, waarin nog een rest van den parfum sluimert, die op dit oogenblik voor u gevaarlijker is om in te ademen [189]dan alle vergiften der wereld; in het vuur de bloemen, de bloemen van gaas, van zijde en van fluweel; de witte jasmijnen, de door het bloed van Adonis gepurperde anemonen, de blauwe vergeet-mij-nietjes, en al die bekoorlijke ruikers, welke zij in de verre dagen van uw kort geluk samenbond. Toen hield ik ook van uw Mimi, en zag ik er geen gevaar in, dat gij haar lief hadt. Maar volg mijn raad: in het vuur die linten, die mooie roode, blauwe en gele linten, die haar hals en boezem sierden, om uw blikken te trekken en te boeien; in het vuur de kanten en mutsjes en sluiers, al die coquette prulletjes, waarmede ze zich tooide, om te gaan liefkoozen met mijnheer César, mijnheer Jérôme, mijnheer Charles of een anderen geliefde, dien de kalender aangaf, terwijl gij aan uw venster op haar stondt te wachten, rillend onder den guren wind en den rijp van den winter; in het vuur, Rodolphe, alles wat haar heeft toebehoord en wat u aan haar herinneren kan; in het vuur, meedoogenloos in het vuur, de liefdesbrieven. Zie, daar is er juist een, waarover ge tranen hebt gestort als uit een fontein, o, rampzalige vriend!

„Daar je niet thuis komt, ga ik naar mijn tante.

Het aanwezige geld neem ik mede, om een rijtuig te kunnen betalen.

Lucile.”

En dien avond hebt ge niet gegeten, Rodolphe; herinnert ge het u nog? En ge zijt bij mij gekomen en hebt op mijn kamer een vuurwerk van geestigheden afgestoken, die getuigden van de rust van uw ziel. Want ge geloofdet, dat Lucile bij haar tante was, en indien ik u gezegd had, dat zij bij mijnheer César of bij een comediant van den Montparnasse was, dan zoudt ge me zeker naar de keel gevlogen hebben. In het vuur ook dat andere briefje, dat geheel en al de laconische teederheid van het eerste ademt: [190]

„Ik ga laarzen bestellen; je moet beslist zorgen, dat je geld krijgt, zoodat ik ze overmorgen kan gaan halen.”

O, vriendlief, die laarzen hebben heel wat contredansen gedanst, waarin gij haar vis-à-vis niet waart!

Aan het vuur die herinneringen, aan de winden haar asch prijsgeven!

Maar Rodolphe, grijp, uit liefde voor de menschheid en ter wille van den roem van de Echarpe d’Iris en van den Castor, weer met vaste hand de teugels van den goeden smaak, die ge in uw zelfzuchtige smart slap hebt laten hangen; anders zouden de vreeselijkste dingen, waarvoor gij verantwoordelijk zoudt zijn, kunnen gebeuren. Wij zouden weer terugkeeren tot de pofmouwen en de klepbroeken en wij zouden op een goeden dag misschien weer hoeden in de mode zien komen, die het heelal beleedigen en den toorn des hemels op ons laden zouden.

En nu is dan het oogenblik gekomen, om de liefdesgeschiedenis van onzen vriend Rodolphe en mademoiselle Lucile, meer bekend als mademoiselle Mimi, te vertellen.

Midden in zijn vier-en-twintigste levensjaar werd Rodolphe plotseling aangegrepen door dien hartstocht, welke zoo’n grooten invloed op zijn leven had. In den tijd, dat hij Mimi voor het eerst ontmoette, leidde Rodolphe dat bewogen en fantastische leven, dat wij in de vorige tooneelen van deze serie hebben trachten te beschrijven. Hij was ongetwijfeld een der vroolijkste armoedzaaiers, die ooit in het land der bohémiens geleefd hebben. Wanneer hij een slecht middagmaal gebruikt en een goede aardigheid getapt had, dan liep hij trotscher op het plaveisel, dat hem dikwijls tot hoofdkussen diende, trotscher in zijn versleten rok, die uit alle naden om genade smeekte, dan een keizer in zijn purperen mantel. In den vriendenkring, waarin Rodolphe verkeerde, deed men ten [191]gevolge van een geblaseerdheid, die aan sommige jonge mannen eigen is, net alsof men de liefde als een luxe-artikel, als een voorwendsel voor platte grappen beschouwde. Gustave Colline, die sedert lang intieme relaties onderhield met een vestenmaakster, welke hij naar lichaam en geest mismaakt had door haar dag en nacht de manuscripten van zijn wijsgeerige werken te laten copieeren, beweerde, dat de liefde een soort purgeermiddel was, geschikt om ieder nieuw jaargetijde in te nemen, ten einde de slechte lichaamsvochten te verwijderen. Te midden van al die valsche sceptici was Rodolphe de eenige, die met een zekeren eerbied over de liefde placht te spreken; en wanneer men het ongeluk had om met hem over dat thema te beginnen, dan was hij in staat om meer dan een uur lang elegieën te kirren over het geluk bemind te worden, over het blauw van het vredige meer, het suizen van den wind, het concert der sterren enz. enz. Schaunard had hem naar aanleiding daarvan den bijnaam Harmonika gegeven, terwijl Marcel een heel aardig woord verzonnen had, waarin hij een toespeling maakte zoowel op de Germaansch-sentimenteele ontboezemingen als op de vroegtijdige kaalheid van Rodolphe; hij noemde hem n.l. myosotis calva, d.i. het kale vergeet-mij-nietje. De waarheid was echter, dat toentertijd Rodolphe in allen ernst geloofde met alle dingen van jeugd en liefde afgerekend te hebben; hij zong overmoedig het De profundis over zijn hart, dat hij dood waande, terwijl het slechts sliep en gereed was ieder oogenblik te ontwaken, toegankelijker dan ooit voor vreugde en ontvankelijker dan ooit voor die zoete smarten, waarop hij niet meer hoopte en die hem nu wanhopig maakten. Gij hebt het gewild, Rodolphe, en wij zullen u niet beklagen, want de smart, waaraan gij lijdt, behoort tot die, welke men het meest terugwenscht, vooral wanneer men weet, dat men er voor goed van genezen is. [192]

Rodolphe dan ontmoette de jonge Mimi, die hij trouwens vroeger, toen zij nog de maîtresse van een zijner vrienden was, gekend had, en maakte haar tot de zijne. In den beginne was het een luid gebrom van afkeuring onder Rodolphe’s vrienden, toen zij van zijn liaison hoorden, maar daar mademoiselle Mimi een zeer innemend persoontje was, volstrekt niet preutsch, en, zonder hoofdpijn te krijgen, hun tabaksrook en litteraire gesprekken kon verdragen, raakte men al spoedig aan haar gewend en behandelde haar als een kameraad. Mimi was een bekoorlijk en mooi wezentje, dat de plastieke en poëtische sympathieën van Rodolphe op bijzondere wijze bevredigde. Zij telde toen twee-en-twintig zomers, was klein, tenger gebouwd en grappig-ondeugend. Haar gelaat had iets aristocratisch, haar trekken echter, die buitengewoon fijn waren en door den glans van haar vochtig-blauwe oogen als het ware met een zacht licht overgoten werden, konden in sommige oogenblikken van verveling of slecht humeur een uitdrukking van een bijna beestachtige woestheid krijgen, waarin een physioloog misschien de aanwijzing gezien zou hebben van een grenzenlooze zelfzucht of van een groote ongevoeligheid. Maar meestal was het een charmant kopje met een jong, frisch lachje en oogen, die nu eens smachtend, dan weer veroverend coquet iemand aankeken. Het bloed der jeugd stroomde warm en snel door haar aderen en kleurde haar doorzichtige, als camelia’s zoo blanke huid met rozenroode tinten. Die ziekelijke schoonheid bekoorde Rodolphe, dikwijls kroonde hij ’s nachts uren lang steeds weer met kussen het bleeke voorhoofd van zijn geliefde, wier vochtige en moede oogen, half geopend, schitterden onder den gordijn van haar prachtige, bruine haren. Maar vooral haar handen, die zij niettegenstaande de zorgen voor het huishouden, blanker wist te houden dan wanneer zij de godin van het dolce far niente in eigen persoon [193]geweest was, maakten Rodolphe waanzinnig op haar verliefd. En toch zouden die zoo teere en kleine handen, die voor de liefkoozingen van een lip zoo zachte kinderhanden, waarin Rodolphe zijn opnieuw bloeiend hart had nedergelegd, toch zouden die blanke handen van Mimi spoedig het hart van den dichter met haar rose nageltjes verminken.

Na verloop van een maand begon Rodolphe te merken, dat hij een liaison gesloten had met een stormwind en dat zijn maîtresse een groot gebrek had. Zij ging n.l. gaarne op buurbezoek en bracht een groot gedeelte van haar tijd door bij de maintenées uit de buurt, waarmede zij, God weet hoe, kennis gemaakt had. En al heel spoedig werden de gevolgen merkbaar, waarvoor Rodolphe gevreesd had, toen hij van de nieuwe „kennissen” van zijn maîtresse hoorde. De onbestendige rijkdom van sommige dier nieuwe vriendinnen had een geheel woud van begeerten doen ontstaan in den geest van Mimi, die tot op dat oogenblik slechts bescheiden eischen gehad had en met het noodzakelijke, dat Rodolphe haar naar zijn beste krachten gaf, tevreden geweest was. Mimi begon te droomen van zijde, fluweel en kant. En niettegenstaande Rodolphe het haar verbood, bleef zij omgaan met die vrouwen, die haar éénstemmig trachtten te overreden te breken met den bohémien, die haar zelfs geen honderdvijftig francs kon geven voor een lakensche japon.

„Een zoo knap meisje als jij,” zeiden haar raadgeefsters haar, „kan makkelijk een betere „positie” vinden. Je behoeft maar te zoeken.”

En mademoiselle Mimi begon te zoeken. Rodolphe, die deze menigvuldige en onhandig gemotiveerde uitgangen met leede oogen aanzag, begon nu den smartelijken weg van argwaan en vermoedens in te slaan. Maar zoodra hij weer een nieuw bewijs van ontrouw op het [194]spoor meende te zijn, bond hij steeds weer stevig een doek voor zijn oogen, om toch maar niets te zien, want niettegenstaande alles bleef hij Mimi aanbidden. Hij koesterde voor haar een jaloersche, phantastische, twistzieke liefde, die de jonge vrouw niet begreep, omdat zij toen voor Rodolphe nog slechts die lauwe genegenheid voelde, welke uit het dagelijksche samenzijn voortspruit. En bovendien was de eene helft van haar hart reeds verbruikt ten tijde van haar eerste liefde en was de andere helft nog vol herinnering aan haar eersten minnaar.

Zoo verliepen acht maanden van afwisselend goede en slechte dagen. Gedurende dien tijd stond Rodolphe wel twintigmaal op het punt met Mimi te breken, die hem met alle uitgezochte wreedheden, waarover een vrouw zonder liefde beschikt, kwelde. Eerlijk gezegd was dit bestaan voor beiden een hel geworden. Maar Rodolphe had zich aan die dagelijksche twisten vrijwel gewend en vreesde niets zoozeer als het einde van dien toestand, omdat hij begreep, dat daarmede tevens voor goed een einde zou komen aan die opbruisingen van zijn jeugdig bloed en aan al de gemoedsbewegingen, die hij in zoo langen tijd niet meer gekend had. En dan waren er, om de waarheid niet te kort te doen, ook uren, waarin mademoiselle Mimi allen argwaan uit Rodolphe’s door booze vermoedens verscheurd hart wist te verjagen. Er waren oogenblikken, waarin deze dichter, die door haar zijn verloren poëzie had teruggevonden, aan wien zij zijn jeugd teruggegeven had, die dank zij haar weer onder den aequator der liefde was doorgegaan, als een kind aan haar knieën nederknielde onder de betoovering van haar blauwen blik. Twee of driemaal per maand staakten Rodolphe en Mimi hun stormachtige twisten, om zich te verkwikken in de frissche oase van een liefdesnacht en liefdesgesprekken. Dan nam Rodolphe het glimlachende [195]en opgewekte kopje van zijn vriendinnetje in zijn armen en sprak tot haar uren lang die bewonderenswaardige en dwaze taal, welke de hartstocht in uren van passie improviseert. In den beginne luisterde Mimi kalm, meer verbaasd dan ontroerd, maar langzamerhand sleepte de geestdriftige welsprekendheid, die beurtelings teeder, vroolijk en melancholiek was, ook haar mede. Zij voelde bij het contact van die liefde, het ijs der onverschilligheid, dat haar hart deed verstijven, smelten; koortsachtige begeerten begonnen haar dan te doortrillen, en zij sloeg haar armen om zijn hals en zeide hem in kussen alles wat zij niet in woorden zou hebben kunnen uitdrukken. En zoo verraste hen dan het morgenrood, oog in oog, hand in hand, borst aan borst, terwijl hun vochtige, van hartstocht brandende lippen nog steeds het onsterfelijke woord mompelden:

„Qui depuis cinq mille ans,

Se suspend chaque nuit aux lèvres des amants.”

Doch den volgenden dag ontstond uit een nietige aanleiding weer een twist en vluchtte de liefde, verschrikt, weer voor langen tijd.

Eindelijk en ten laatste merkte Rodolphe, dat, als hij niet oppaste, de blanke handen van mademoiselle Mimi hem naar een afgrond zouden voeren, waarin hij zijn toekomst en zijn jeugd zou zien verdwijnen. Een oogenblik sprak de strenge logica in hem krachtiger dan de liefde, en hij overtuigde zichzelf door prachtige, op bewijzen steunende redeneeringen, dat zijn vriendinnetje hem niet lief had. Hij hield zich zelfs voor, dat de uren van liefde, die zij hem toestond, niets anders waren dan zinnelijke caprices, die getrouwde vrouwen voor haar mannen voelen, wanneer zij een nieuwe sjaal of een nieuwe japon willen hebben, of wanneer haar minnaar ver van haar weg is, wat als het ware een pendant is van het spreekwoord: „Bij gebrek aan brood eet men [196]korstjes van pasteien.” Om kort te gaan, Rodolphe kon zijn vriendinnetje alles vergeven behalve dat zij hem niet lief had. Hij nam dus een kloek besluit en zeide tegen mademoiselle Mimi, dat zij naar een anderen minnaar moest uitzien. Mimi begon te lachen en nam een uitdagende houding aan. Toen zij echter eindelijk inzag, dat Rodolphe bij zijn besluit bleef en haar heel kalm ontving, toen zij na een afwezigheid van vier-en-twintig uur weer terugkwam, begon toch die vastberadenheid, waaraan zij niet gewend was, haar ongerust te maken. Zij was nu twee of drie dagen lang de lieftalligheid zelve. Maar Rodolphe bleef bij wat hij gezegd had en vergenoegde zich te vragen, of zij al een ander gevonden had.

„Ik heb nog niet eens gezocht,” was haar antwoord.

Zij had echter wel gezocht, en wel reeds voordat Rodolphe het haar aangeraden had. In een tijdsverloop van veertien dagen had zij twee pogingen gedaan. Een van haar vriendinnen had haar geholpen en haar in kennis gebracht met een manlijken bakvisch, die voor Mimi’s oogen een horizont van Indische sjaals en palissandermeubelen had laten schitteren. Maar volgens het oordeel van Mimi zelf was de jonge student, die misschien heel sterk in algebra was, op het gebied der liefde nog een leek; en daar Mimi absoluut geen opvoedkundige neigingen had, liet zij haar verliefden novitius zitten met zijn sjaals, die nog in de weiden van Tibet graasden, en met de palissanderhouten meubelen, die in de Amerikaansche oerwouden nog in blad stonden.

De student werd al heel spoedig vervangen door een Bretonschen edelman, waarop zij bliksemsnel verliefd raakte, en dien zij niet lang behoefde te smeeken haar tot gravin te verheffen.

Niettegenstaande de protesten van zijn maîtresse had Rodolphe toch lucht van de een of andere intrigue gekregen; hij wilde precies weten waar hij aan toe was; [197]en op een goeden morgen ging hij, na een nacht, dat mademoiselle Mimi niet thuis gekomen was, naar een plaats, waar hij vermoedde, dat zij zijn zou. Hier had hij volop gelegenheid zich een van die bewijzen, waaraan men nolens volens gelooven moet, diep in het hart te boren. Hij zag Mimi met door een aureool van wellust omkringde oogen aan den arm van haar nieuwen heer en meester het huis verlaten, waarin zij tot den adelstand verheven was. Haar nieuwe minnaar scheen echter heel wat minder trotsch op zijn nieuwe verovering dan Paris, de mooie Grieksche herder, na de schaking van de schoone Helena.

Mademoiselle Mimi scheen eenigszins verrast, toen zij Rodolphe zag aankomen. Zij ging naar hem toe en zij spraken gedurende een minuut of vijf heel kalm met elkaar. Dan namen zij afscheid, om ieder huns weegs te gaan. De breuk was definitief.

Rodolphe keerde dadelijk naar huis terug en bracht den geheelen dag door met het in pakjes bijeenpakken van alle dingen, die aan zijn maîtresse toebehoorden.

In den loop van den dag na de „echtscheiding” kreeg Rodolphe bezoek van verscheidene van zijn vrienden en vertelde hun wat er voorgevallen was. Allen feliciteerden hem met die gebeurtenis als met een groot geluk.

„Wij zullen u helpen, o dichter,” zeide een van hen, die meermalen getuige geweest was van de kwellingen welke mademoiselle Mimi Rodolphe had laten verduren, „wij zullen u helpen om uw hart uit de handen van dat ellendige schepsel te bevrijden. En binnen korten tijd zult gij genezen zijn en weer verlangen met een andere Mimi te dwalen over de groene paden van Aulnay en Fontenay-aux-Roses.

Rodolphe bezwoer, dat het nu voor goed uit was met zijn wroeging en wanhoop. Hij liet zich zelfs overhalen mede te gaan naar het bal Mabille, waar zijn veronachtzaamde [198]kleeding al heel slecht de Echarpe d’Iris vertegenwoordigde, die hem vrijen toegang tot dezen tuin van galanterie en genot verschafte. Daar ontmoette Rodolphe weer andere vrienden, met wie hij begon te drinken. Hij vertelde hun zijn ongeluk met een ongehoorde overdaad van bizarre wendingen en woorden en gedurende een uur sprak hij met een hartstocht en een vuur, die de anderen stil maakten.

„Helaas, helaas!” zeide de schilder Marcel, toen hij den regen van ironie hoorde, die van de lippen van zijn vriend stroomde, „Rodolphe is te vroolijk.”

„Hij is charmant!” antwoordde een jonge vrouw, aan wie Rodolphe een ruikertje bloemen aangeboden had, „en hoewel zijn kleeding nu niet bepaald schitterend is, zou ik mij graag compromitteeren door met hem te dansen, als hij mij vragen zou.”

Twee seconden later stond Rodolphe, die deze woorden gehoord had, voor haar en noodigde haar ten dans, wat dankbaar werd aanvaard.

Rodolphe kende van de eerste grondbeginselen der dans evenveel als van den regel van drieën. Doch bezield door een buitengewonen moed, aarzelde hij niet zich in het dansgewoel te storten en improviseerde een dans, die aan alle vroegere choreographieën onbekend geweest was. Men noemt haar den pas des regrets et soupirs (dans der tranen en zuchten) en haar originaliteit verschafte haar een ongelooflijk succes. De drieduizend gasvlammen mochten vrij haar vurige tongen naar hem uitsteken, als om hem te bespotten, Rodolphe bleef steeds doordansen en wierp onophoudelijk zijn danseres handenvol nog onuitgegeven galanterieën in het gelaat.

„Het is waarachtig bijna niet te gelooven,” zeide Marcel, „Rodolphe doet me denken aan een dronken man, die op gebroken glazen danst.” [199]

„Intusschen heeft hij een heele knappe vrouw aan den haak geslagen,” zeide een andere, die Rodolphe met zijn danseres zag weggaan.

„Je neemt niet eens afscheid van ons!” riep Marcel tegen hem.

Rodolphe ging weer naar den artist terug en stak hem zijn hand toe; die hand was koud en klam als vochtig marmer.

Rodolphe’s danseres was een krachtige dochter van Normandië, een opgewekte en levenslustige natuur, wier aangeboren onbeholpenheid te midden van de elegance en de luxe van het Parijsche bestaan en een lui leventje, al heel spoedig plaats gemaakt had voor aristocratische vormen. Zij liet zich madame Séraphine of iets van dien aard noemen en was op dat oogenblik de maîtresse van een door rheumatiek geplaagden pair de France, die haar maandelijks vijftig louis gaf, welke zij deelde met een elleridder, die haar niets dan slaag gaf. Rodolphe was in haar smaak gevallen; zij hoopte, dat hij haar niets zou geven, en nam hem mee naar huis.

„Lucile,” zeide zij tot haar kamenier; „ik ben vanavond voor niemand te spreken.”

En na even in haar toiletkamer geweest te zijn, kwam zij na vijf minuten in een speciaal kostuum terug. Zij vond Rodolphe onbeweeglijk en zwijgend in de kamer staan, want sedert hij daar binnen was, had hij zich verdiept in een duisternis vol stille snikken.

„U kijkt mij niet meer aan, je spreekt niet tegen me,” zeide Séraphine verwonderd.

„Kom,” zeide Rodolphe tot zich zelf en keek op, „laat ik naar haar kijken, maar alleen uit een oogpunt van kunst!”

Et quel spectacle, alors, vint s’offrir à ses yeux! zooals Raoul in de Hugenooten zingt.

Séraphine was bewonderenswaardig mooi. Haar prachtige [200]vormen, die door de coupe van haar kleed zeer voordeelig uitkwamen, schemerden uitdagend en verleidelijk door het half doorzichtige weefsel. In Rodolphe’s aderen begon het bloed van koortsachtig verlangen onstuimig te kloppen. Een gloeiende nevel steeg hem naar het hoofd. Hij zag Séraphine nu reeds met andere oogen dan die van een kunstkenner aan en nam de handen van het mooie meisje in de zijne. Het waren sublieme handen, als het ware gebeeldhouwd met den zuiversten beitel der Grieksche sculptuur. Rodolphe voelde die bewonderenswaardige handen in de zijne beven; en hoe langer hoe minder kunstcriticus wordend, drukte hij Séraphine tegen zich aan, wier wangen zich kleurden met den blos, dien men het morgenrood der wellust zou kunnen noemen.

„Dit schepsel is werkelijk een instrument der wellust, een liefde-stradivarius, waarop ik gaarne een lied zou willen spelen,” dacht Rodolphe, toen hij het hart der schoone zeer duidelijk een stormaanval hoorde slaan.

Op dat oogenblik werd er hard aan de bel getrokken.

„Lucile, Lucile!” riep Séraphine tegen haar kamenier; „doe niet open, zeg, dat ik nog niet thuis ben.”

Bij den tweemaal uitgesproken naam Lucile stond Rodolphe op.

„Ik wil u op geen enkele wijze in ongelegenheid brengen, mevrouw,” zeide hij. „Trouwens het wordt mijn tijd, het is al laat en ik woon ver weg. Goeden nacht!”

„Wat, wilt u weg?” riep Séraphine uit, en liet haar oogen snelvuur geven; „waarom gaat u weg, waarom? Ik ben vrij; u kunt blijven.”

„Onmogelijk, mevrouw,” antwoordde Rodolphe. „Ik verwacht vanavond een van mijn familieleden uit Vuurland, en die zou me zeker onterven, als hij mij niet thuis vond, om hem behoorlijk te ontvangen. Goeden nacht, mevrouw!”

En hij snelde weg. De kamenier lichtte hem bij en Rodolphe [201]keek haar toevallig in het gezicht. Het was een jong tenger meisje met sleependen gang; haar bleek gezichtje vormde een bekoorlijke tegenstelling met het van nature golvende, zwarte haar; haar blauwe oogen geleken op twee zwakke sterren.

„O, spookgestalte!” riep Rodolphe uit en week terug voor haar, die den naam en het gezicht van zijn vriendinnetje had. „Terug! Wat wilt ge van mij?”

En hij stormde de trap af.

„Maar mevrouw!” zeide de kamenier, toen zij weer bij haar meesteres terugkwam, „bij dien jongen man is er één van de vijf op den loop!”

„Zeg liever, dat hij een groote stommeling is!” antwoordde Séraphine woedend. „Enfin een goede leer voor een volgende keer! Als die stomme Léon nu maar zoo verstandig was dadelijk te komen!”

Léon was de elleridder, die in zijn liefde-blazoen een zweep voerde.

Rodolphe liep zoo hard als zijn beenen hem dragen konden, naar huis. Toen hij de trap opging, hoorde hij zijn rooden kater klagende zuchten uitstooten. Twee nachten lang riep hij zoo reeds vergeefs naar zijn ontrouwe schoone, een angora-Manon Lescaut, die op de daken in de buurt op galante avonturen uit was.

„Arm dier,” zeide Rodolphe; „ook jij bent bedrogen; jouw Mimi heeft je al even leelijke poetsen gebakken als de mijne mij. Maar laten we ons troosten. Het hart van vrouwen en van katten is een afgrond, dien mannen en katers nooit zullen kunnen peilen.”

Toen hij zijn kamer binnentrad, had hij, niettegenstaande de drukkende hitte, een gevoel, alsof er een ijsmantel om zijn schouders gelegd werd. Het was de koude der eenzaamheid, de vreeselijke eenzaamheid van den nacht, die door niets gestoord werd. Hij stak zijn kaars aan en zag bij het licht daarvan de kale kamer. Uit de kasten [202]staken de ledige laden, en van den zolder tot den grond vulde een eindelooze triestheid deze kleine kamer, die aan Rodolphe grooter dan een woestijn scheen. Al voortloopend stiet zijn voet tegen de pakjes, die Mimi’s eigendommen bevatten, en een gevoel van blijdschap doorstroomde hem, toen hij zag, dat zij ze nog niet was komen halen, wat zij volgens afspraak dien ochtend zou hebben gedaan. Rodolphe voelde, hoe hij er zich ook tegen verzette, het uur der reactie naderen, en hij voorzag heel goed, dat hij zijn uitgelatenheid van dien avond met een afschuwelijken nacht zou moeten boeten. Toch had hij nog eenige hoop, dat zijn door en door vermoeid lichaam zou slapen vòòr de smart, die hij zoo lang in zijn binnenste had onderdrukt, ontwaken zou.

Toen hij echter het bed naderde en de gordijnen open sloeg, voelde hij bij den aanblik van deze legerstede, die in twee dagen niet aangeraakt was, en van de beide naast elkaar liggende kussens, onder een waarvan nog het kanten borduursel van een nachtmutsje te voorschijn kwam, zijn hart samenpersen in de onontkoombare schroef van die doffe smart, welke zich niet uiten kan. Hij viel neer voor het bed, drukte zijn voorhoofd in zijn handen, en riep, na een smartelijken blik in de eenzame kamer geworpen te hebben, uit:

„Mimi, kleine Mimi, vreugde van mijn huis, ben je werkelijk heengegaan, heb ik je werkelijk weggezonden, zal ik je nooit meer terugzien? O God! O, gij lief, bruin kopje, dat zoo lang op deze plaats geslapen hebt, zult gij niet meer terugkomen, om er weer te slapen? O, gij grillige stem, wier liefdesgefluister me in verrukking bracht en wier booze tonen als muziek klonken, zal ik je niet meer hooren? En gij kleine, blanke, blauwdooraderde handjes, waarop ik zoo dikwijls mijn heete lippen drukte, o, gij kleine, blanke handen, hebt gij mijn laatsten kus ontvangen?” [203]

En Rodolphe drukte als in koortswaanzin zijn hoofd in de kussens, waaruit nog steeds de geur van het haar van zijn vriendinnetje opsteeg. Van achter uit het alkoof meende hij de spookgestalte van de heerlijke nachten, die hij met zijn jonge maîtresse daar had doorgebracht, te zien opdoemen. Helder en duidelijk hoorde hij Mimi’s frisschen lach nog klinken door de nachtelijke stilte, en hij dacht verlangend terug aan die betooverende, aanstekelijke vroolijkheid, waarmede zij hem zoo dikwijls de zorgen en ellenden van hun aan wisselvalligheden zoo rijk bestaan had doen vergeten.

Gedurende dien geheelen langen nacht liet hij de acht maanden de revue passeeren, welke hij met de jonge vrouw doorleefd had, die hem misschien nooit lief gehad had, maar wier gelogen teederheid toch aan zijn hart zijn jeugd en manlijke kracht had teruggegeven.

Het grauwe ochtendlicht verraste hem, toen hij, door moeheid overmeesterd, zijn oogen, rood door de in den nacht gestorte tranen, gesloten had. Een smartelijke en vreeselijke nacht, zooals zelfs de meest spottende sceptici onder ons meer dan eens doorwaakt hebben.

Toen ’s ochtends zijn vrienden bij hem binnenkwamen, schrikten zij bij het zien van Rodolphe, wiens gelaat nog de duidelijkste sporen droeg van al de benauwdheden, die hem gedurende zijn nachtwake op den Olijfberg der liefde gekweld hadden.

„Dat wist ik vooruit wel,” zeide Marcel; „zijn vroolijkheid van gisteravond is hem op het hart geslagen. Maar dat mag niet zoo blijven voortgaan.”

En in overleg met twee of drie vrienden begon hij over mademoiselle Mimi een groot aantal indiscrete onthullingen te vertellen, waarvan ieder woord als een doorn in Rodolphe’s hart drong. Zijn vrienden bewezen hem zonneklaar, dat zijn maîtresse hem steeds en overal, binnen- en buitenshuis, bedrogen had alsof hij een sul [204]was, en dat dit als de engel der tering zoo bleeke schepsel slechts een juweelkistje was van lage gevoelens en verdorven instincten.

De vrienden wisselden elkaar af in de taak, die zij op zich genomen hadden en waarvan het doel was Rodolphe tot het punt te brengen, waarop de liefde overgaat in verachting; doch dat doel werd slechts voor de helft bereikt. De wanhoop van den dichter veranderde in toorn. Woedend wierp hij zich op de pakjes, die hij den vorigen dag gereed gemaakt had; en nadat hij alle voorwerpen, die reeds Mimi’s eigendom waren bij haar komst, op zijde gelegd had, hield hij alles wat hij haar gedurende hun liaison gegeven had, achter, d.w.z. het grootste gedeelte en voornamelijk de toiletartikelen, waaraan zij met alle vezels van haar in den laatsten tijd onverzadigbaar geworden behaagzucht hing.

In den loop van den volgenden dag kwam Mimi haar „boeltje” halen. Rodolphe was thuis en alleen. Hij moest op dat oogenblik al zijn zelfrespect te hulp roepen, om zijn maîtresse niet om de hals te vallen. Hij ontving haar met zwijgende, stille beleedigingen, welke zij met dien kouden scherpen toon beantwoordde, die zelfs de zwakste en meest bedeesde naturen buiten zich zelf doet geraken. Bij de minachting, waarmede Mimi hem op hardnekkig-brutale wijze geeselde, barstte Rodolphe’s toorn woest en angstaanjagend los, zoodat Mimi, bleek van vrees, zich een oogenblik afvroeg, of zij levend uit zijn handen zou komen. Op haar angstkreten snelden eenige medebewoners toe en trokken haar uit Rodolphe’s kamer.

Twee dagen later kwam een vriendin van Mimi Rodolphe vragen of hij Mimi’s „boeltje” wilde teruggeven.

„Neen,” antwoordde Rodolphe.

Dan wist hij de afgezante van zijn maîtresse aan het praten te krijgen. Zij vertelde hem, dat Mimi zich in uiterst [205]benarde omstandigheden bevond en dat het niet lang meer zou duren, of zij had geen dak meer boven haar hoofd.

„En haar geliefde, waar zij zoo dol op is?”

„Maar die jonge man heeft volstrekt geen plan haar tot maîtresse te nemen,” antwoordde Amélie. „Hij heeft er al lang een en hij schijnt zich van Mimi, die nu zoo lang bij mij is en mij erg in verlegenheid brengt, niets aan te trekken.”

„Zij moet maar zien, hoe zij het klaar speelt,” zeide Rodolphe; „zij heeft het zelf zoo gewild; de zaak gaat mij niet langer aan.”

En hij begon mademoiselle Amélie het hof te maken en verzekerde haar, dat zij het mooiste meisje op aarde was.

Amélie vertelde Mimi van haar bezoek aan Rodolphe.

„Wat zegt hij? Wat doet hij?” vroeg Mimi. „Heeft hij over mij gesproken?”

„Geen woord. Hij heeft je reeds heelemaal vergeten. Rodolphe heeft al een nieuw liefje en hij heeft voor haar een prachtig toilet gekocht, want hij heeft veel geld gekregen, en ziet er zelf uit als een prins. Het is een heel aardig iemand en hij zelf heeft mij heel vleiende complimentjes gemaakt.”

„Ik zal er wel achter komen wat dat allemaal beteekent,” dacht Mimi.

Dagelijks ging mademoiselle Amélie nu onder een of ander voorwendsel naar Rodolphe, die, men kon het draaien hoe men wilde, steeds weer over Mimi begon.

„Zij is erg vroolijk,” antwoordde de vriendin, „en schijnt zich al heel weinig van haar toestand aan te trekken. Overigens beweert zij, dat zij weer bij je terug kan komen, wanneer zij maar wil, zonder eenige tegemoetkoming van haar kant, en alleen maar om je vrienden woedend te maken.” [206]

„Het is goed,” zeide Rodolphe; „laat ze maar komen dan zullen we verder zien.”

En hij begon Amélie weer het hof te maken, die alles dadelijk aan Mimi ging overbrieven en verzekerde, dat Rodolphe „smoor” op haar was.

„Hij heeft mijn handen en mijn pols gezoend,” zeide zij; „kijk maar, ze zijn er nog rood van. Hij wil me morgen meenemen naar het bal.”

„Maar beste meid,” zeide Mimi gepiqueerd, „ik begrijp heel goed, waar je heen wilt. Je wilt me wijs maken, dat Rodolphe verliefd op je is en niet meer aan mij denkt. Maar je verspilt je tijd, zoowel bij hem als bij mij.”

Inderdaad was Rodolphe alleen maar zoo vriendelijk tegen Amélie, om haar dikwijls bij zich te lokken, waardoor hij de gelegenheid had met haar over zijn maîtresse te spreken; doch met een macchiavellisme, dat misschien een welbewust doel had, deed Amélie, die zeer goed inzag, dat Rodolphe nog steeds van Mimi hield, en dat deze er volstrekt niet ongeneigd toe was weer naar hem terug te gaan, al haar best om door handig verzonnen berichten alles te vermijden, wat de twee geliefden weer tot elkaar zou kunnen brengen.

Den dag, waarop zij naar het bal zou gaan, ging Amélie in den ochtend aan Rodolphe vragen, of de afspraak zoo bleef.

„Zeker”, antwoordde hij haar, „ik zou de gelegenheid, om de cavalier van de mooiste vrouw van onzen tegenwoordigen tijd te zijn, niet gaarne verzuimen.”

Amélie zette hetzelfde coquette gezicht, dat zij den avond van haar eenig debuut in een voorstadschouwburg in de rol van een soubrette van den vierden rang getrokken had, en beloofde op het afgesproken uur klaar te zijn.

„A propos,” zeide Rodolphe, „zeg aan mademoiselle Mimi, dat ik haar al haar zaakjes zal teruggeven, wanneer [207]zij ter wille van mij haar minnaar eens voor een nacht ontrouw wil worden.”

Amélie bracht de boodschap over, doch gaf aan zijn woorden een geheel andere beteekenis dan die, welke zij erin geraden had.

„Jouw Rodolphe is een ignobele kerel,” zeide zij tegen Mimi; „zijn voorstel is een schande. Hij wil je door dien stap vernederen tot den rang der laagste deernen; en indien je naar hem toe gaat, zal hij je niet alleen je boeltje teruggeven, maar je bovendien de risée maken van al zijn vrienden; dat is een samenzwering, die ze onderling gesmeed hebben.”

„Ik ben niet van plan te gaan,” zeide Mimi en vroeg, toen ze zag, dat Amélie bezig was toilet te maken, of zij naar het bal ging.

„Ja”, antwoordde de ander.

„Met Rodolphe?”

„Ja, hij zal me vanavond op twintig pas van het huis wachten.”

„Veel pleizier,” zeide Mimi, die, toen het uur van het rendez-vous naderde, zoo gauw mogelijk naar den minnaar van mademoiselle Amélie liep en hem mededeelde, dat deze op het punt stond hem met haar (Mimi’s) vroegeren minnaar te bedriegen.

De mijnheer, jaloersch als een tijger, vloog naar mademoiselle Amélie en zeide tegen haar, dat hij het uitstekend vond, dat zij den avond in zijn gezelschap doorbracht.

Om acht uur snelde Mimi naar de plek, waar Rodolphe op Amélie zou wachten. Zij zag haar vroegeren minnaar daar heen en weer loopen in de houding van iemand, die wacht; zij liep tweemaal langs hem heen, zonder hem te durven aanspreken. Rodolphe was dien avond heel elegant gekleed, en de heftige gemoedsbewegingen, waaraan hij in de laatste acht dagen ten prooi geweest was, hadden [208]aan zijn gelaatsuitdrukking iets verhevens gegeven. Mimi voelde zich zeer onder den indruk. Eindelijk vermande zij zich om hem aan te spreken. Rodolphe nam het kalm en waardig op, informeerde naar haar gezondheidstoestand en vroeg ten slotte naar de beweegreden, die haar tot hem voerde; en dit alles op zachten, kalmen toon, waarin een accent van droefheid niet te miskennen viel.

„Ik moet u een onaangename boodschap overbrengen: mademoiselle Amélie kan niet met u medegaan naar het bal—zij heeft bezoek van haar man.”

„Dan zal ik alleen naar het bal moeten gaan.”

Mimi deed op dit oogenblik alsof zij struikelde en leunde op den schouder van Rodolphe: hij gaf haar een arm en bood haar aan haar naar huis te brengen.

„Dat zal niet gaan,” zeide Mimi; „ik woon bij Amélie, en daar haar man bij haar is, kan ik niet naar huis gaan, vòòr hij weg is.”

„Luister eens,” zeide nu de dichter tot haar; „ik heb je door bemiddeling van mademoiselle Amélie een voorstel laten doen; heeft ze dat overgebracht?”

„Ja”, zeide Mimi, „maar in bewoordingen, waaraan ik, zelfs na alles, wat er tusschen ons voorgevallen is, geen geloof schenken kan. Neen, Rodolphe, niettegenstaande alles wat u me verwijten kunt, heb ik nooit geloofd, dat gij in mij zoo weinig fijn gevoel veronderstelde, dat gij ook maar een oogenblik hebt kunnen denken, dat ik zoo’n voorstel zou aannemen.”

„U hebt me niet begrepen of men heeft u mijn voorstel verkeerd overgebracht. Maar wat ik gezegd heb, blijft van kracht,” zeide Rodolphe; „het is nu negen uur, u hebt nog drie uur tijd om na te denken. Mijn sleutel steekt tot twaalf uur in het slot. Bonsoir, adieu, of tot weerziens.”

„Adieu dan!” zeide Mimi met bevende stem.

En zoo scheidden zij ..... Rodolphe ging naar zijn [209]kamer terug en wierp zich geheel gekleed op bed. Om half twaalf kwam Mimi binnen.

„Ik kom u gastvrijheid vragen,” zeide zij; „de man van Amélie is gebleven, en nu kan ik niet naar huis.

Tot drie uur in den ochtend praatten zij. De eene verklaring volgde op de andere, waarin het familiare jij en jou afwisselde met het officieele u.

Om vier uur ging de kaars uit. Rodolphe wilde een nieuwe aansteken.

„Ach neen,” zeide Mimi, „het is de moeite niet waard. Het is tijd, om naar bed te gaan.”

En vijf minuten later had haar aardig bruin kopje zijn plaats op het kussen weer ingenomen en riep zij met een vleiend stemmetje Rodolphe’s lippen weer op haar kleine, blanke, blauwdooraderde handen, waarvan de paarlemoerkleur wedijverde met het wit der lakens. Rodolphe stak geen nieuwe kaars aan.

Den volgenden ochtend stond Rodolphe het eerst op en zeide, terwijl hij Mimi verschillende pakjes wees, heel zacht en teeder:

„Dat is uw eigendom, u kunt het medenemen .... ik houd woord.”

„O,” antwoordde Mimi; „ik ben erg moe en kan al die groote pakken niet tegelijk dragen. Ik kom liever nog eens terug.”

En nadat zij zich aangekleed had, nam zij alleen een kraagje en een paar manchetten mede.

„De rest kom ik wel halen .... stuk voor stuk,” voegde zij er glimlachend aan toe.

„Neen,” zeide Rodolphe; „neem alles mede of niets, er moet een eind aan de zaak komen.”

„Of een nieuw begin, maar dan om altijd te duren,” zeide de jonge Mimi, terwijl zij Rodolphe om de hals vloog.

Na samen ontbeten te hebben, gingen ze in de omstreken [210]een uitstapje maken. Toen zij door den Luxembourg liepen, kwamen zij een groot dichter tegen, die Rodolphe steeds met de grootste welwillendheid ontvangen had. Uit beleefdheid wilde Rodolphe doen, alsof hij hem niet zag. Maar de dichter liet hem er den tijd niet voor, en knikte hem in het voorbijgaan familiaar toe, terwijl hij zijn gezellin met een vriendelijk glimlachje groette.

„Wie is dat?” vroeg Mimi.

Rodolphe noemde haar een naam, die haar een kleur van blijdschap en trots deed krijgen.

„Ja,” zeide Rodolphe, „die ontmoeting met den dichter, die zoo mooi de liefde bezongen heeft, is een goed voorteeken en zal onze verzoening geluk aanbrengen.”

„Ik heb je lief,” zeide Mimi innig en drukte haar vriend de hand, hoewel zij midden in de drukte van het verkeer waren.

„Lieve hemel!” dacht Rodolphe; „wat is nu beter, of je altijd te laten misleiden, omdat je geloofd hebt, of nooit te gelooven uit vrees altijd misleid te worden?” [211]

[Inhoud]

Hoofdstuk XV.

Donec gratus.....

We hebben reeds verteld op welke wijze de schilder Marcel mademoiselle Musette had leeren kennen. Op een goeden dag door den priester van de luim, die tevens maire van het dertiende arrondissement1 is, met elkaar verbonden, hadden zij, zooals dat dikwijls het geval is, gemeend, met uitsluiting van hun hart getrouwd te zijn. Maar op een avond, toen zij na een heftigen twist besloten hadden onmiddellijk van elkaar weg te gaan, kwamen zij tot de ontdekking, dat hun handen, die zij elkaar ten afscheid gereikt hadden, elkander niet meer loslaten wilden. Bijna zonder het zelf te weten was hun luim liefde geworden. Half lachend bekenden zij elkaar hun liefde.

„Dat is een heel ernstige zaak,” zeide Marcel. „Hoe zijn we zoover gekomen?”

„O,” antwoordde Musette, „we zijn onoplettend geweest, we hebben niet genoeg voorzorgsmaatregelen genomen.”

„Wat is er aan het handje?” vroeg Rodolphe, die naast Marcel was komen wonen, toen hij de kamer binnenkwam. [212]

„Wel,” antwoordde de schilder en wees daarbij op Musette, „mademoiselle en ik zijn daar zooeven tot een prachtige ontdekking gekomen. Wij zijn verliefd op elkaar. Dat is zeker in den slaap gekomen.”

„Oho, in den slaap, neen, dat geloof ik zoo gauw niet. Maar waar is het bewijs, dat jullie van elkaar houdt? Je overdrijft misschien het gevaar.”

„Voor den duivel!” riep Marcel uit, „we kunnen elkaar niet uitstaan.”

„En kunnen niet buiten elkaar,” voegde Musette eraan toe.

„Dan is de zaak zoo duidelijk mogelijk, kinderen. Jullie hebt allebei heel mooi willen spelen en je hebt allebei verloren. Het is precies mijn geschiedenis met Mimi. Bijna twee jaar lang hebben we nu al van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat ruzie. Met dat systeem laat je de huwlijken eeuwig duren. Vereenigt een Ja met een Neen en je krijgt een verbintenis à la Philemon en Baucis. Jullie huishouden zal een pendant van het mijne worden; en wanneer Schaunard en Phémie bij hun dreigement blijven en bij ons komen wonen, dan kan ons trio het hier in huis erg gezellig maken.”

Op dat oogenblik kwam Gustave Colline binnen. Ze vertelden hem het ongeluk, dat Musette en Marcel overkomen was.

„Nou, philosoof,” vroeg deze, „wat denk jij ervan?”

Colline krabbelde op de haren van zijn hoed, die hem als dak diende, en bromde:

„Dat heb ik van te voren wel zien aankomen. De liefde is een hazardspel. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Het is niet goed, dat de mensch alleen zij.”

Toen Rodolphe ’s avonds bij Mimi kwam, waren zijn eerste woorden:

„Ik heb nieuws. Musette is dol op Marcel en wil niet van hem vandaan.” [213]

„Arme meid!” zeide Mimi. „Zij had zoo’n gezonde eetlust.”

„En van zijn kant is Marcel smoor op Musette. Zijn liefde is zes-en-dertig karaat, zooals die intrigant van een Colline zou zeggen.”

„Arme jongen,” vond Mimi; „hij is zoo jaloersch!”

„Dat is zoo,” zeide Rodolphe; „hij en ik zijn leerlingen van Othello.”

Eenigen tijd later kwamen werkelijk Schaunard en Phémie Klad in hetzelfde huis als Rodolphe en Marcel wonen.

Van af dien dag sliepen alle andere bewoners op een vulkaan en zegden na afloop van het kwartaal gezamenlijk de huur op.

Inderdaad ging er bijna geen dag voorbij of er barstte in één van de huishoudens een onweer los. Nu eens waren het Mimi en Rodolphe, die, wanneer hun de krachten om te schreeuwen begonnen te ontbreken, elkaar hun meening duidelijk maakten door elkander de eerste de beste projectielen, die ze in handen kregen, naar het hoofd te slingeren. Dan weer, en dat gebeurde het meest, maakte Schaunard met het einde van zijn wandelstok eenige aanmerkingen op de melancholieke Phémie. Marcel en Musette echter hielden hun beraadslagingen met gesloten deuren; zij waren tenminste zoo voorzichtig de deuren en ramen dicht te doen.

Wanneer er toevallig eens vrede heerschte in de drie huishoudens, dan waren de andere huurders wederom het slachtoffer van die tijdelijke eensgezindheid. De indiscretie der tusschenmuren verried hun al de geheimen der bohème-families en wijdde hen tegen hun wil in al hun mysteriën in. Meer dan een buurman verkoos dan ook den casus belli boven de ratificatiën der vredes-verdragen.

Het bestaan, dat onze vrienden gedurende zes maanden [214]leidden, was, eerlijk gezegd, al heel buitengewoon. De meest oprechte broederschap heerschte, zonder eenige mooidoenerij, in den vriendenkring, waarin alles aan allen behoorde, en, al naar het viel, geluk of ongeluk trouw gedeeld werd.

Er waren in iedere maand enkele gala-dagen, dagen, waarop ze voor geen geld van de wereld zich zonder handschoenen op straat vertoond zouden hebben, dagen van uitgelatenheid, waarop ze van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aten. Er waren echter ook andere dagen, waarop ze bijna zonder schoenen naar beneden gegaan zouden zijn, vastendagen, waarop ze, na niet gemeenschappelijk ontbeten te hebben, ook niet samen dineerden of hoogstens ertoe kwamen met behulp van oeconomische combinaties een van die maaltijden te ensceneeren, waarbij borden en lepels en vorken „geen rol speelden”, zooals Mimi dat noemde.

Doch wonderlijk genoeg ontstond er in dien kring, waartoe toch drie jonge, knappe vrouwen behoorden, tusschen de mannen niet de geringste oneenigheid; zij knielden dikwijls neer voor de minste luim van hun maîtresse, maar geen van drieën zou ook maar één oogenblik geaarzeld hebben tusschen de vrouw en den vriend.

Liefde ontstaat vooral uit eigen beweging: zij is als het ware een improvisatie. Vriendschap daarentegen bouwt zich om zoo te zeggen op; zij is een gevoel, dat met omzichtigheid en bedachtzaamheid rondtast; zij is het egoïsme van den geest, terwijl de liefde het egoïsme der ziel is.

Zes jaar lang kenden onze bohémiens elkaar nu al. Dit lange tijdsverloop, waarin zij dagelijks in elkaars gezelschap verkeerden, had, zonder de scherp omlijnde individualiteit van ieder afzonderlijk afbreuk te doen, een overeenstemming van ideeën, een geheel geschapen, dat zij elders niet gevonden zouden hebben. Zij hadden [215]hun eigen zeden en gewoonten en een bijzondere taal, waarvan een vreemde den sleutel niet gevonden zou hebben. Wie hen niet van dichtbij kende, noemde hun vrije manier van optreden cynisme. En toch was het niets anders dan zich geven zooals zij waren. Als uitgesproken vijanden van iederen dwang, haatten zij alles wat onwaar, verachtten zij alles wat laag en gemeen was. Wanneer men hen van zelfoverschatting beschuldigde, antwoordden zij met een openhartige uiteenzetting van hun eerzucht, en in het bewustzijn van hun eigen waarde misbruikten zij hun eigen Ik niet.

Hoewel zij gedurende de vele jaren van hun gemeenschappelijk leven en streven dikwijls door den nood gedwongen werden met elkaar te wedijveren, hadden zij nooit den vriendschapsband verbroken en, zonder er bepaald moeite voor behoeven te doen, den gevaarlijken klip van eigenliefde en ijdelheid weten te omzeilen, telkens wanneer anderen die in hen hadden trachten op te wekken, om oneenigheid tusschen hen te zaaien. Zij schatten elkaar op hun juiste waarde; en de trots, het beste tegengif tegen de ijverzucht, bewaarde hen voor alle kleinzielige beroepsjaloezie.

Doch na zes maanden gemeenschappelijk samenleven brak er plotseling onder de bohémiens een echtscheidings-epidemie uit.

Schaunard opende de rij. Op een goeden dag merkte hij, dat de eene knie van Phémie Klad beter gebouwd was dan de andere, en daar hij op het gebied der plastiek het strengste purisme huldigde, zond hij Phémie weg en gaf haar als souvenir den wandelstok, waarmede hij haar zoo dikwijls opmerkingen gemaakt had. Hij zelf ging inwonen bij een bloedverwant, bij wien hij gratis onderdak kreeg.

Veertien dagen later verliet Mimi Rodolphe, om plaats te nemen in de equipage van den jongen vicomte Paul, [216]den vroegeren leerling van Barbemuche, die haar geelzijden japonnen beloofd had.

Na Mimi verdween Musette, om op opzienbarende wijze terug te keeren in de aristocratie der galante wereld, die zij verlaten had, om Marcel te volgen.

Deze scheiding geschiedde zonder twist, zonder strijd, zonder voorbedachten rade. Geboren uit een luim, die liefde geworden was, werd deze liaison door een andere luim weer verbroken.

Op een carnavalsavond had Musette op het gemaskerde bal in de Opera, waarheen zij met Marcel gegaan was, in een contredans als vis-à-vis een jongen man, die haar vroeger het hof gemaakt had. Zij herkenden elkaar en wisselden onder het dansen enkele woorden. Misschien zonder het te willen liet Musette, toen zij den jongen man van haar tegenwoordige levenswijze op de hoogte bracht, eenige spijt over het verleden doorschemeren. Doch hoe dit zij, aan het einde der quadrille vergiste Musette zich en nam, in plaats van Marcel, die haar cavalier was, de hand te geven, die van haar vis-à-vis, welke haar meetrok en met haar in het gewoel verdween.

Marcel, die vrij ongerust was, zocht haar. Na een uur zag hij haar aan den arm van den jongen man en een van haar lievelingsliedjes zingend, uit het café van de Opera komen. Toen zij Marcel, die met zijn armen over elkaar in een hoek stond, zag, wierp zij hem een afscheidsgroet toe en zeide:

„Ik kom terug.”

„Dat wil zeggen: wacht niet op mij!” vertaalde Marcel. Hij was jaloersch, maar logisch en kende Musette; hij wachtte dan ook niet langer, doch keerde met een vol hart en een leege maag naar huis terug. Hij keek in de kast, of er niet een paar kliekjes over waren: hij vond een stuk brood, zoo hard als graniet, en het skelet van een haring in het zuur. [217]

„Tegen truffels kon ik niet op,” dacht hij. „Enfin, Musette zal tenminste goed gesoupeerd hebben.” En nadat hij, onder voorwendsel zijn neus te moeten snuiten, een punt van zijn zakdoek tegen zijn oogen gedrukt had, ging hij naar bed.

Twee dagen later werd Musette in een in rose tinten gehouden boudoir wakker. Voor de deur wachtte een blauwe equipage, en alle feeën der mode, die tot haar dienst gerequireerd waren, legden haar wonderwerken aan haar voeten. Musette zag er uit om te stelen, en haar jeugd scheen in dezen eleganten lijst nog jonger te worden. Zij begon nu haar oude leven weer, nam deel aan alle feesten en heroverde weer spoedig haar vroegere beroemdheid. Overal werd over haar gesproken: op de beurs zoowel als in de koffiekamer van het Parlement. Haar nieuwe minnaar, mijnheer Alexis, was een charmante jonge man. Dikwijls beklaagde hij zich tegenover Musette, dat hij haar wat lichtzinnig en onverschillig vond, wanneer hij over zijn liefde met haar sprak; dan keek Musette hem glimlachend aan, gaf hem haar hand en zeide:

„Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? Ik heb zes maanden lang geleefd met een jongen man, die me voedde met salade en waterachtige soep, me in het katoen gekleed liet gaan en me veel meenam naar het Odéon, omdat hij niet rijk was. Daar de liefde niets kost en ik gewoonweg gek op dat monster was, hebben we heel wat liefde verbruikt. Er zijn alleen nog maar wat kruimels over. Raap die op, ik zal je dat niet beletten. Ik heb je trouwens van te voren alles opgebiecht; en als de linten en strikjes niet zoo duur waren, zou ik nu nog bij mijn schilder zijn. En wat mijn hart betreft, ik hoor het, sedert ik een corset van tachtig francs draag, bijna niet meer kloppen, en ik ben erg bang, dat ik het in een van de laden van Marcel heb laten liggen.”

Het verdwijnen der drie Bohème-huishoudens gaf aanleiding [218]tot een groot feest in het huis, dat zij bewoond hadden. Als vreugdebetoon gaf de eigenaar een grootsch diner en illumineerden de huurders hun ramen.

Rodolphe en Marcel waren samen gaan wonen. Beiden hadden zij een idool gevormd, waarvan zij den naam niet goed wisten. Tusschenbeide gebeurde het, dat de een over Musette en de ander over Mimi sprak; dan hadden zij stof genoeg voor den geheelen avond. Zij haalden hun vroeger leven weer op en de liederen van Musette en de liederen van Mimi, en de slapelooze nachten en de verslapen ochtenduren en de in droomen genoten diners. Een voor een lieten zij in hun duo’s van herinneringen al die vervlogen uren aan hun geest voorbijgaan; en zij eindigden gewoonlijk hun tweegesprek met te zeggen, dat zij per slot van rekening nog gelukkig waren, daar zij gezellig samen met hun voeten op het haardkleedje zaten, het houtvuur konden oppoken en hun pijp rooken en zij elkander hadden, om al die dingen hardop te zeggen, welke zij tot zichzelf zeiden, als zij alleen waren: n.l. dat zij van die schepseltjes, die bij haar verdwijning een stuk van hun jeugd hadden medegenomen, veel gehouden hadden en dat zij ze misschien nog lief hadden.

Toen op een goeden avond Marcel den boulevard overstak, zag hij op enkele passen voor zich een jonge dame, die bij het uit haar rijtuig stappen een witten kous liet zien, welke een buitengewoon zuiveren vorm van het been verried; de koetsier zelf verslond de bekoorlijke „fooi” met zijn oogen.

„Bliksems,” dacht Marcel, „een alleraardigste kuit! Ik heb waarachtig zin haar mijn arm aan te bieden; laat eens kijken .... op welke manier zal ik haar het best aanspreken!.... Daar heb ik een idee.... Iets heel nieuws!”

„Pardon, mevrouw,” zeide hij, terwijl hij naar de onbekende, wier gezicht hij niet dadelijk zien kon, toe [219]ging; „u hebt bij toeval mijn zakdoek niet gevonden?”

„Zeker, mijnheer,” antwoordde zij; „als het u blieft.”

En zij gaf Marcel een zakdoek, die zij in haar hand hield.

De schilder rolde bij die woorden in een afgrond van verbazing.

Maar een luid gelach, waarvan hij plotseling de volle laag in het gelaat kreeg, deed hem weer tot zichzelf komen; aan die vreugdefanfare herkende hij zijn oude liefde.

Het was mademoiselle Musette.

„Zoo, zoo!” riep zij uit; „mijnheer Marcel op jacht naar galante avontuurtjes. Hoe vindt je dit, zeg? Vroolijk is het zeker.”

„Ik vind het tamelijk,” was zijn antwoord.

„Wat doe je zoo laat in dit stadsdeel?” vroeg Musette.

„Ik ga naar dit gebouw,” lichtte hij haar in en wees naar een kleinen schouwburg, waar hij vrijen toegang had.

„Uit liefde voor de kunst?”

„Neen uit liefde voor Laure.”

„Wie is Laure?” vroeg Musette, wier oogen vraagteekens schoten.

Marcel ging op zijn flauwe aardigheid door.

„Dat is een chimère, die ik najaag en die binnen deze kleine muren ingénue-rollen speelt.”

En hij verfrommelde met zijn hand een imaginairen boezem.

„U bent vanavond wel geestig,” zeide Musette.

„En u nieuwsgierig!”

„Praat toch wat zachter, iedereen hoort ons, ze zullen ons nog voor een verliefd paar, dat ruzie heeft, aanzien.”

„Het zou de eerste keer niet zijn, dat zoo iets ons overkwam!” zeide Marcel.

Musette zag in die woorden een uitdaging en antwoordde vlug: [220]

„En misschien de laatste keer ook niet, wel?”

De vraag was duidelijk, zij klonk Marcel als het fluiten van een kogel in het oor.

„Gij schitterende hemellichten,” riep hij, opkijkend naar de sterren; „gij zijt getuigen, dat ik niet het eerste schot gelost heb. Vlug mijn pantser.”

Van dat oogenblik af was het vuur geopend.

Het eenige noodige was nu nog maar, om een verbindingsstreepje te vinden, ten einde deze twee grillen, welke plotseling weer met zulk een gloed ontwaakt waren, samen te brengen.

Al verder loopend keek Musette Marcel en Marcel Musette aan. Zij spraken niet, maar hun oogen, die plenipotentiarissen van het hart, ontmoetten elkaar dikwijls. Na een diplomatieke conferentie van een kwartier had dit congres van blikken deze aangelegenheid in alle stilte geregeld. Alleen de ratificatie moest nog plaats hebben.

Het afgebroken gesprek werd weer voortgezet.

„Zeg nou eens eerlijk,” vroeg Musette, „waar wou je daarnet heen?”

„Ik heb het je al gezegd: naar Laure.”

„Is zij knap?”

„Haar mond is een nestje van glimlachjes!”

„Dat ken ik al,” zeide Musette.

„Maar jij?” vroeg Marcel, „waar kwam jij vandaan op de vleugelen van dat rijtuig?”

„Ik heb Alexis, die zijn familie gaat bezoeken, naar het station gebracht.”

„Wat is die Alexis voor een man?”

Op haar beurt ontwierp Musette van haar tegenwoordigen minnaar een bekoorlijk beeld. Al verder wandelend bleven Marcel en Musette midden op den boulevard de comedie: „De terugkeer der liefde” spelen. Met dezelfde, nu eens liefkoozende, dan weer spottend plagende [221]naïeveteit herhaalden zij strophe voor strophe die onsterfelijke ode, waarin Horatius en Lydia met zooveel gratie en bekoorlijkheid de heerlijkheid van hun nieuwe liefde bezingen en ten slotte aan hun oude liefde een postscriptum toevoegen.

Toen zij bij den hoek van een straat kwamen, marcheerde plotseling een vrij sterke patrouille voorbij.

Musette „organiseerde” vlug een angstige houding, klampte zich vast aan Marcel’s arm en zeide:

„Lieve Hemel, kijk eens, daar komen de schutters, zeker een revolutie. Laten we maken, dat we wegkomen; ik ben zoo bang: breng me weg!”

„Maar waarheen?” vroeg Marcel.

„Naar mijn huis,” zeide Musette; „je zult eens zien hoe aardig het er is. Ik geef een souper: we zullen over politiek praten.”

„Neen,” antwoordde Marcel, die steeds aan Alexis dacht; „ik ga niettegenstaande je uitnoodiging voor een souper niet met je mee. Ik drink niet graag wijn uit een andermans glazen.”

Musette wist op die weigering geen antwoord te geven. Plotseling zag zij door de mist van haar herinneringen weer het armoedige kamertje van den armen schilder—want Marcel was geen millionair geworden—en zij kwam op een ander denkbeeld. Een tweede patrouille, die kwam aanrukken, was voor haar een welkome gelegenheid om opnieuw een aanval van angst te krijgen.

„Ze zullen gaan vechten!” riep zij uit; „ik durf niet naar huis terug. Lieve Marcel, breng mij naar een vriendin van me, die dicht bij jou wonen moet!”

Toen zij den Pont Neuf overgingen, barstte Musette in een schaterlach uit.

„Wat heb je?” vroeg Marcel.

„Niets,” antwoordde Musette; „ik bedenk me daar [222]op eens, dat mijn vriendin verhuisd is. Zij woont tegenwoordig in Batignolles!”

Toen Rodolphe Marcel en Musette arm in arm binnen zag komen, was hij heelemaal niet verbaasd.

„Als de liefde niet goed begraven is,” zeide hij, „is dat altijd het slot van het lied!” [223]


1 Parijs bezat vroeger slechts twaalf arrondissementen en evenveel bureaux voor den burgerlijken stand—een voor den maire van het dertiende arrondissement gesloten huwelijk was dus een huwelijk uit vrije liefde.

[Inhoud]

Hoofdstuk XVI.

De doortocht door de Roode Zee.

Een jaar of vijf, zes werkte Marcel nu reeds aan dat beroemde doek, dat volgens zijn bewering de Doortocht door de Roode Zee moest voorstellen, en een jaar of vijf, zes reeds weigerde de jury hardnekkig dit kleurrijke meesterwerk. Ten gevolge van het heen en weer trekken van het atelier naar het Museum en van het Museum naar het atelier had het doek den weg dan ook zoo goed leeren kennen, dat het, wanneer men het op rolletjes gezet zou hebben, ongetwijfeld in staat geweest zou zijn zich alleen naar den Louvre te begeven. Marcel, die het tienmaal veranderd en van boven tot beneden omgewerkt had, schreef het ostracisme, dat hem jaarlijks den toegang tot den vierkanten Salon ontzegde, toe aan een persoonlijke vijandigheid der juryleden en had in zijn verloren oogenblikken ter eere van de cerberussen van het Instituut een kleinen dictionnaire van scheldwoorden samengesteld, die met scherpe en giftige illustraties versierd was. Deze verzameling was al heel gauw beroemd geworden en had in de ateliers en in de Ecole des Beaux-Arts hetzelfde succes verworven, dat eens ten deel gevallen was aan het onsterfelijke klaaglied van Jean Bélin,1 schilder van den sultan van Turkije: alle schildersleerlingen [224]van Parijs hadden er een exemplaar van in hun geheugen.

Gedurende langen tijd had Marcel zich door de hardnekkige weigeringen, welke bij iedere tentoonstelling aan zijn doek ter deel vielen, niet laten ontmoedigen. Hij had zich nu eenmaal in zijn hoofd gezet, dat zijn werk, in kleinere verhoudingen dan, het verwachte pendant was van de „Bruiloft te Kanaän”, dat gigantische meesterwerk, welks schitterende kleurenpracht het stof van drie eeuwen niet dof had kunnen maken. Ieder jaar zond Marcel dan ook weer tegen de opening van den „Salon” zijn doek aan de jury ter beoordeeling. Alleen wijzigde hij, om de juryleden op een dwaalspoor te brengen en te trachten het vooroordeel, dat zij blijkbaar tegen de „Doortocht van de Roode Zee” hadden, op te heffen, telkens een of ander detail, zonder echter iets te veranderen aan de compositie in haar geheel, en gaf het doek dienovereenkomstig een anderen naam.

Op die wijze kwam de schilderij op een goeden dag als „Overtocht over den Rubicon” voor de jury; maar Pharao, die onder den mantel van Caesar slecht vermomd was, werd herkend en met alle eer, die hem verschuldigd was, afgewezen.

Het volgend jaar bracht Marcel op verschillende punten van het linnen witte plekken aan, als zinnebeeld van de sneeuw, plantte in een hoek een den, trok een Egyptenaar den uniform van een grenadier der keizerlijke garde aan en doopte zijn schilderij: „Overtocht over de Beresina.”

Doch de jury, die dit jaar haar brillen op de opslagen van haar met groene palmtakken versierde rokken goed had schoongeveegd, werd geen slachtoffer van deze nieuwe list. Zij herkende het hardnekkige doek onmiddellijk en wel aan een groot, bont paard, dat schrikkend voor een golf der Roode Zee, steigerde. De robe van dit [225]duivelsche paard werd door Marcel gebruikt voor alle proefnemingen, die hij op het gebied van coloriet deed, en hij noemde het in vertrouwelijke gesprekken de „synoptische tabel der fijne tinten,” omdat hij met het spel van licht en schaduw op die plaats de meest verschillende kleurencombinaties wist aan te brengen. Doch, ongevoelig voor dit détail, had ook ditmaal de jury geen zwarte bolletjes genoeg om den „Overtocht over de Beresina” te weigeren.

„Goed,” zeide Marcel, „dat dacht ik wel. Het volgend jaar zal ik het inzenden onder den titel: „Doortocht door de panorama’s.”

„Zij zullen voor den gek, gi, ga, gi, ga, gek gehouden worden!” zong Schaunard op een nieuwe door hem gecomponeerde melodie, een vreeselijke melodie, lawaaierig als een gamma van donderslagen, en waarvan de begeleiding de schrik van alle piano’s in de buurt was.

„Hoe kunnen zij het weigeren zonder dat al het vermillioen van mijn Roode Zee hun op het gelaat komt en het met het scharlaken van schaamte bedekt?” mompelde Marcel, terwijl hij naar zijn doek keek..... „Wanneer men bedenkt, dat er voor honderd daalders verf en een millioen genie op zit, zonder nog te spreken van mijn schoone jeugd, die zoo kaal geworden is als mijn vilten hoed. Een ernstig werk, dat nieuwe horizonten voor de glazuurkunst opent. Maar zij zullen het niet voor de laatste maal gezien hebben; tot aan mijn laatsten ademtocht zal ik mijn schilderij inzenden. Ik zal zorgen dat het tenminste in hun geheugen gegraveerd blijft!”

„Dat is de zekerste manier, om er gravures van te krijgen,” merkte Gustave Colline op en voegde er voor zichzelf aan toe: „Een heel aardige woordspeling, heel aardig .... die zal ik verder vertellen.”

Marcel bleef zijn verwenschingen uitbraken, die Schaunard steeds weer op muziek bracht. [226]

„Zij willen mij niet in den Salon toelaten!” riep Marcel uit. „Ha, de regeering betaalt ze, geeft ze onderdak en het kruis van het Legioen van Eer, alleen maar met het doel, om eens per jaar, den eersten Maart, mijn doek te weigeren .... Maar ik zie heel goed, wat zij daarmede voor hebben, ik zie het heel goed in; zij hopen, dat ik mijn penseelen in stukken zal breken. Zij denken misschien wel, dat ik, wanneer zij mijn „Doortocht door de Roode Zee” weigeren, mij hals over kop uit het raam van de wanhoop zal storten. Maar zij kennen mijn hart al heel slecht, als ze me door zoo’n plompe list hopen te vangen. Ik zal voortaan de opening van den Salon niet afwachten. Van af heden zal mijn schilderij het Damokles-doek zijn, dat eeuwig boven hun leven zal hangen. Ik zal het van nu af eenmaal per week aan een van de heeren thuis zenden, in zijn eigen woning, in de schoot van zijn familie, midden in het hart van zijn particulier leven. Het zal hun huiselijke vreugde vergiftigen; zij zullen daardoor hun wijn zuur, hun wild aangebrand, hun vrouwen onuitstaanbaar vinden. Zij zullen binnen zeer korten tijd krankzinnig worden; en men zal ze een dwangbuis moeten aantrekken om op de zittingsdagen naar den Salon te kunnen gaan. Dat denkbeeld lacht mij toe.”

Eenige dagen later, toen Marcel zijn vreeselijke wraakplannen tegen zijn vervolgers reeds lang weer vergeten had, kreeg hij bezoek van vader Médicis. Zoo noemde men in den vriendenkring een Jood, Salomon geheeten, die toentertijd heel goed bekend was aan alle artistieke en litteraire bohémiens, met wie hij bijna dagelijks in aanraking kwam. Vader Médicis schacherde in alles en nog wat. Hij verkocht complete ameublementen van twaalf tot duizend daalders. Hij kocht alles en wist alles met winst weer kwijt te raken. De wisselbank van Proudhon is niets vergeleken bij het door Salomon toegepaste systeem, die het schachergenie bezat in een [227]graad, welken zelfs de handigsten van zijn geloofsgenooten nog niet bereikt hadden. Zijn winkel op de Place du Caroussel was een tooverpaleis, waarin je alles vondt, wat je maar noodig hadt. Alle producten der natuur, alle voortbrengselen der kunst, alles wat voortkomt uit de ingewanden der aarde en het brein der menschen—alles was voor Médicis een handelsobject. Hij schacherde in alles, absoluut in alles, wat maar bestaat, hij werkte zelfs in het denkbeeldige. Médicis kocht n.l. denkbeelden, hetzij om ze zelf te exploiteeren, hetzij om ze weer te verkoopen. Bekend met alle schrijvers en alle kunstenaars, vertrouwde van de paletten en vriend van den inktpot, was hij om zoo te zeggen de Asmodé der kunsten. Hij gaf je sigaren in ruil voor een feuilleton, pantoffels voor een sonnet, versche zeevisch voor paradoxen; hij praatte tegen betaling—per uur zoo en zooveel—met de journalisten, die stof voor de chronique scandaleuse moesten verzamelen; hij bezorgde je toegangskaarten voor de kamertribunes en uitnoodigingen voor particuliere soirées; hij gaf schildersleerlingen onderdak per nacht, per week of per maand en liet zich daarvoor met copieën naar oude meesters in den Louvre betalen. De coulissen hadden voor hem geen geheimen. Hij zorgde ervoor, dat stukken werden aangenomen door de theaterdirecties. Hij was een wandelend adresboek van Parijs en kende de namen, de woonplaatsen en de geheimen van alle beroemdheden—zelfs van de meest obscure.

Beter echter dan de uitvoerigste verklaring zullen eenige bladzijden uit zijn memoriaal u een denkbeeld kunnen geven van zijn alles omvattenden handel:

20 Maart 184..
Verkocht aan den antiquair L. het kompas, dat Archimedes tijdens het beleg [228]van Syracuse gebruikt heeft. 75 francs
Gekocht van den journalist V. ... de verzamelde, nog niet opengesneden werken van * * * *, lid der Académie. 10 francs
Verkocht aan denzelfde een kritisch opstel over de verzamelde werken van * * * * lid der Académie. 30 francs
Verkocht aan * * *, lid der Académie, een feuilleton van twaalf kolom over zijn verzamelde werken. 50 francs
Gekocht van den schrijver R . . . een kritische verhandeling over de verzamelde werken van * * * * , lid der Académie française 10 francs
benevens 50 pond steenkool en 2 K.G. koffie.
Verkocht aan * * * * een porseleinen vaas, die aan madame du Barry toebehoord heeft. 18 francs
Gekocht van de kleine D .... haar haar. 15 francs
Gekocht van B .... een verzameling zedestudiën en de drie laatste spelfouten van den prefect van de Seine 6 francs
benevens een paar Napolitaansche laarzen
Verkocht aan Mlle. O ..... een blonde haarvlecht. 120 francs
Gekocht van den historieschilder M. een reeks vroolijke teekeningen 25 francs
Voor het opgeven aan mijnheer Ferdinand van het uur, waarop barones R .... de P..... naar de kerk gaat, en voor het verhuren van den kleinen entresol in den faubourg Montmartre, te zamen 30 francs
Verkocht aan mijnheer Isidore zijn portret als Apollo 30 francs [229]
Verkocht aan Mlle. R .... een paar kreeften en zes paar handschoenen 36 francs
(Ontvangen als voorschot 2 fr. 75 c.)
Voor het verschaffen van een zesmaandsch crediet aan dezelfde bij madame * * *, modiste
(Prijs nader overeen te komen)
Voor het verschaffen aan madame * * *, modiste, van Mlle. R ..... als klant
(In plaats contant geld ontvangen 3 M. zijde en 6 el kant).
Gekocht van den journalist R .... een vordering van 120 francs op het blad * * *, thans in liquidatie 5 francs
benevens 2 pond Turksche tabak.
Verkocht aan mijnheer Ferdinand twee liefdesbrieven. 12 francs
Gekocht van den schilder J .... het portret van Isidore als Apollo. 6 francs
Gekocht van * * * * 75 K.G. van zijn werk over „Onderzeesche revoluties” 15 francs
Verhuurd aan gravin de G .... een Saksisch servies 20 francs
Gekocht van den journalist * * * * 52 regels in zijn Courrier de Paris 100 francs
Verkocht aan O .... & Co. 52 regels in den Courrier de Paris van * * * * 300 francs
Verhuurd aan Mlle. S .... G. .. op één dag een bed en een equipage . . . . . memorie
(Zie de rekening van Mlle. S . ... G ..... in het grootboek, folio’s 26 en 27)
Gekocht van Gustave C .. . een brochure over de linnen-industrie 50 francs
benevens een zeldzame editie van Flavius Josephus.
Verkocht aan Mlle. S .... G . . . een [230]modern ameublement 5000 francs
Voor dezelfde een rekening bij den apotheker betaald 75 francs
Idem idem bij de melkvrouw . . . . 3 fr. 85 c.
Enz. enz.

Uit deze aanhalingen ziet men duidelijk hoe uitgebreid de handelsbetrekkingen van den Jood Médicis waren, die, niettegenstaande zijn wijze van zaken doen niet steeds door den beugel kon, nog nooit door iemand lastig gevallen was.

Toen de Jood met zijn intelligent gezicht bij de bohémiens binnentrad, zag hij dadelijk, dat hij op een voor hem gunstig oogenblik kwam. Inderdaad zaten de vier vrienden in krijgsraad bijeen en bespraken, onder voorzitterschap van een in hun maag hamerenden honger, de hoogst belangrijke brood- en vleeschvraagstukken. Het was een Zondag tegen het einde der maand—een rampzalige dag en een sinistere datum.

Het binnenkomen van Médicis werd derhalve met een luid Hoera begroet, want ze wisten, dat de Jood te gierig was met zijn tijd, om dien met beleefdheidsbezoeken te verspillen. Zijn komst was dan ook steeds een zeker bewijs, dat er zaken te doen waren.

„Goedenavond, heeren!” zeide de Jood. „Hoe gaat het?”

„Colline!” riep Rodolphe, die languit op zijn bed lag en zwelgde in het genot van een horizontale houding; „Colline, neem jij de honneurs waar en geef onzen gast een stoel; een gast is heilig. Ik groet u uit naam van Abraham!” voegde de dichter eraan toe.

Colline haalde een fauteuil, die even elastisch als staal was, schoof dien naar den Jood toen en zeide gastvrij:

„Stel u een oogenblik voor, dat u Cinna2 bent, en neem dezen zetel.” [231]

Médicis liet zich in den fauteuil vallen en wilde enkele opmerkingen omtrent de hardheid ervan maken, toen hem nog juist bijtijds te binnen schoot, dat hij zelf dien indertijd met Colline geruild had voor een beginselverklaring, welke hij verkocht had aan een Kamerlid, dat de gave der improvisatie miste. Toen de jood ging zitten, lieten zijn zakken een zilveren klank hooren, waarvan de melodie de vier bohémiens in zoete droomerijen deed verzinken.

„Laten we nu naar het lied luisteren,” fluisterde Rodolphe Marcel in. „Het accompagnement is niet kwaad.”

„Mijnheer Marcel,” zeide Médicis, „ik kom uw fortuin maken. Dat wil zeggen, ik kom u een prachtige gelegenheid aanbieden, om u in den artistieken wereld te introduceeren. U weet, mijnheer Marcel, de kunst is een dorre woestijnweg, waarop de roem een oase is.”

„Papa Médicis,” zeide Marcel, die op kolen van ongeduld zat; „in naam der vijftig procent, uw gebenedijden schutspatroon, wees kort!”

„Ja,” voegde Colline eraan toe; „even kort als koning Pepijn, die even bondig was als u, want gij moet kort en bondig zijn, zoon van Jacob!”

„Hei, hei, hei!” riepen de bohémiens verschrikt en keken rond, of de vloer zich niet opende, om den wijsgeer te verzwelgen.

Doch ditmaal werd Colline nog niet verzwolgen.

„De zaak is deze,” ging Médicis voort. „Een rijke liefhebber, die een galerij verzamelt, welke een tournée door Europa moet maken, heeft mij opgedragen een reeks interessante schilderijen voor hem aan te koopen. Ik kom u nu voorstellen u in dat museum een plaatsje in te ruimen; in één woord: ik wil uw „Doortocht door de Roode Zee” koopen.”

„A contant?” vroeg Marcel. [232]

„A contant,” antwoordde de Jood en liet het orkest in zijn broekzak weer spelen.

„Ben je nou tevreden?” vroeg Colline.

„Natuurlijk,” zeide Rodolphe woedend; „we moeten waarachtig een paar bittere pillen koopen, om dien kerel zijn mond te stoppen. Zie je dan niet, lummel, dat hij met daalders spreekt? Bestaat er dan niets heiligs voor jou, vervloekte atheïst?”

Colline klom op een tafel en nam de houding van Harpokrates, den god van het zwijgen, aan.

„Ga verder, Médicis,” zeide Marcel en wees op zijn schilderij: „Ik wil u de eer laten zelf den prijs van dit werk, dat eigenlijk onbetaalbaar is, te bepalen.”

De Jood legde vijftig nieuwe daalders op de tafel neer.

„Dat is de voorhoede,” zeide Marcel; „en wat verder?”

„Mijnheer Marcel,” zeide Médicis, „u weet heel goed, dat mijn eerste woord ook altijd mijn laatste is. Ik geef geen sou meer. Denk eens goed: 50 daalders, dat is 150 francs. Dit is een heele som, wat?”

„Maar te weinig,” antwoordde de artist; „alleen aan den mantel van Pharao zit voor meer dan vijftig daalders kobalt. Betaal tenminste het maakloon. Maak de stapeltjes gelijk, rond de som af en ik zal u Leo X noemen, Leo X bis.”

„Ziehier mijn laatste woord,” antwoordde Médicis; „ik doe er geen sou bij, maar ik bied u alle vier een diner aan, wijn zooveel als u lust, en bij het dessert betaal ik in goud.”

„Niemand meer?” brulde Colline en sloeg driemaal met zijn vuist op tafel. „Eenmaal, andermaal; niemand meer? ten derden male!”

„Nou goed dan!” zeide Marcel.

„Ik zal morgen de schilderij laten halen,” zeide de Jood. „En nu mee, mijne heeren, de tafel is gedekt!”

Onder het zingen van het koor uit de Hugenooten: [233]A table, à table!” gingen de vier vrienden naar beneden.

Médicis onthaalde de bohémiens op zeer royale manier. Hij liet hun een groot aantal gerechten voorzetten, die tot nog toe voor hen onbekende grootheden geweest waren. Na dit diner was kreeft niet langer een mythe voor Schaunard, die voor deze amphibie een hartstocht opvatte, welke dicht aan waanzin grensde.

De vier vrienden verlieten het festijn dronken als waren zij op een wijnoogstfeest geweest. Deze dronkenschap had bijna betreurenswaardige gevolgen voor Marcel, die, toen hij ’s morgens om twee uur voorbij zijn kleermaker kwam, met alle geweld zijn schuldeischer wilde wekken, om hem de honderd vijftig francs, die hij zoo pas ontvangen had, op afrekening te geven. Een sprankje gezond verstand, dat nog in Colline’s geest over was, redde den kunstenaar nog juist op den rand van den afgrond.

Acht dagen later zag Marcel in welke galerij zijn doek een plaatsje gekregen had. Toen hij door den faubourg Saint Honoré liep, stootte hij op een troepje menschen, dat blijkbaar met alle aandacht toekeek hoe er aan een winkel een uithangbord werd aangebracht. Dit uithangbord was niets meer of minder dan de schilderij van Marcel, die door Médicis aan een delicatessenhandelaar verkocht was. Alleen had de „Doortocht door de Roode Zee” nog een nieuwe verandering ondergaan en weer een anderen naam gekregen. Er was nog een stoomschip bij geschilderd en het doek heette nu: „In de haven van Marseille.” Toen het doek onthuld werd, liet de nieuwsgierige menigte een gemompel van goedkeuring en bewondering hooren.

Verrukt over dezen triomf, keerde Marcel zich om en zeide tot zichzelf:

„De stem van het volk is de stem van God!” [234]


1 De „Complainte van Jean Bélin” is een satyriek gedicht van een onbekenden schrijver, dat in 1840 verschenen was. Ook in andere werken zinspeelt Murger er op.

2 Vergelijk Racine’s Cinna, acte V, Scène I.

[Inhoud]

Hoofdstuk XVII.

Het toilet der Gratiën.

Op een goeden morgen werd Mimi, die anders gewoon was tot diep in den ochtend te slapen, reeds op klokslag van tien uur wakker en scheen heel verbaasd Rodolphe noch naast zich noch in de kamer te zien. Den vorigen avond had zij hem, voor zij in slaap viel, toch aan zijn schrijftafel zien zitten, waaraan hij van plan was den geheelen nacht te blijven werken aan een extra-litterairen arbeid, die hem opgedragen was en waarbij, als hij gereed was, Mimi zeer veel belang had. De dichter had zijn vriendinnetje namelijk beloofd haar van de opbrengst van zijn werk een bepaalde voorjaarsjapon te koopen, waarvan zij een coupon had zien liggen in „De Twee Apen”, een bekend modemagazijn, voor welks etalages Mimi’s coquetterie haar godsdienstige plichten dikwijls ging vervullen. Sedert Rodolphe met het werk begonnen was, nam de voortgang ervan al de gedachten van Mimi in beslag. Dikwijls ging zij vlak bij den schrijvenden Rodolphe staan, keek over zijn schouder en zeide dan heel ernstig:

„Nou, en hoe staat het met mijn japon?”

„Wees maar gerust hoor, er is al een mouw klaar!”

Toen zij op een goeden nacht hoorde hoe Rodolphe met zijn vingers klapte, wat meestal een bewijs was, dat hij tevreden was over zijn werk, ging zij plotseling rechtop in bed zitten, en riep, terwijl zij haar bruin kopje door de gordijnen stak: [235]

„Is mijn japon af?”

„Kijk maar”, antwoordde Rodolphe en liet haar vier groote, dichtbeschreven zijdjes zien; „ik heb zooeven den corsage gekocht.”

„Heerlijk!” riep Mimi. „Nu ontbreekt alleen de rok nog maar; hoeveel blaadjes heb je noodig om een rok te maken?”

„Dat hangt ervan af; maar daar jij niet groot bent, zullen we met een blaadje of tien van vijftig regels à drie-en-dertig letters een heel fatsoenlijken rok kunnen hebben.”

„Ik ben niet groot, dat is zoo,” zeide Mimi; „maar het mag toch niet den schijn hebben, alsof we stof te kort kwamen: de rokken worden op het oogenblik heel wijd gedragen en ik zou graag mooie groote plooien hebben, die zoo aardig frou-frou maken, wanneer je loopt.”

„Heel goed hoor,” antwoordde Rodolphe ernstig, „ik zal tien letters meer op een regel zetten, dan kan jij je frou-frou krijgen.”

En overgelukkig sliep Mimi weer in.

Daar zij zoo onvoorzichtig geweest was met haar vriendinnen Musette en Phémie te spreken over de mooie japon, die Rodolphe bezig was voor haar te maken, hadden de twee jonge meisjes al heel gauw de heeren Marcel en Schaunard in kennis gesteld met de vrijgevigheid van hun vriend tegenover zijn liefje; welke vertrouwelijke mededeelingen al even spoedig gevolgd waren door ondubbelzinnige toespelingen om het door den dichter gegeven voorbeeld na te volgen.

„Wanneer het namelijk nog acht dagen zoo duurt,” zeide Musette en trok daarbij aan de snor van Marcel, „dan zal ik me verplicht zien een broek van je te leenen, wanneer ik uit wil gaan.”

„Ik moet nog vijftien francs van een solide firma hebben,” antwoordde Marcel; „zoodra ik die som krijg, zal ik een vijgeblad naar de nieuwste mode voor je koopen.” [236]

„En wat krijg ik?” vroeg Phémie aan Schaunard. „Mijn peigne noir (zij kon het woord peignoir niet uitspreken) valt aan flarden.”

Schaunard vischte drie sous uit zijn vestjeszak op en gaf die aan zijn maîtresse met de woorden:

„Hier kan je naald en draad voor koopen. Naai daar je peigne noir maar mee, dat zal je kennis vermeerderen en je tevens aangenaam bezig houden: utile dulci.”

Toch kwamen in een zeer in het geheim gehouden bijeenkomst Marcel en Schaunard met Rodolphe overeen, dat ieder van zijn kant zou trachten de rechtmatige ijdelheid van hun vriendinnetjes te bevredigen.

„Een kleinigheid maakt die arme kinderen al mooi,” had Rodolphe gezegd; „maar die kleinigheid moeten zij dan ook hebben. Sedert eenigen tijd gaat het met de schoone kunsten en de litteratuur zeer naar wensch; we verdienen bijna even veel als pakjesdragers.”

„Dat is zoo,” antwoordde Marcel, „ik heb niet te klagen: de schoone kunsten verheugen zich in een ongekenden bloei; je zoudt bijna denken in den tijd van Leo X te leven.”

„Dat is waar ook,” viel Rodolphe hem in de rede, „Musette heeft mij verteld, dat je de laatste acht dagen ’s morgens vroeg al weggaat en pas met het vallen van den avond thuiskomt. Heb je werkelijk zooveel te doen?”

„Een prachtig werk, mijn waarde! Médicis heeft het mij bezorgd. Ik maak n.l. in de kazerne Ave Maria de portretten van achttien grenadiers tegen gemiddeld 6 francs per stuk, met een éénjarige garantie voor de gelijkenis, net als bij horloges. Ik hoop het heele regiment tot klant te krijgen. Het was juist mijn voornemen Musette weer eens op te tuigen, zoodra Médicis mij betaald heeft, want met hem heb ik gecontracteerd, niet met de modellen.”

„En wat mij betreft,” zeide Schaunard langs zijn [237]neus weg, „ik heb, al zou je het niet zeggen, tweehonderd francs ergens liggen.”

„Laat ze dan voor den donder opstaan!” riep Rodolphe.

„Binnen een paar dagen hoop ik ze bij den bankier te gaan halen,” ging Schaunard verder; „en ik wil het voor jullie niet onder stoelen en banken steken, dat het mijn plan is om, wanneer ik ze in ontvangst genomen heb, aan enkele van mijn hartstochten den vrijen teugel te laten. Bij den uitdrager hier vlak naast hangen n.l. een nangkin rok en een jachthoren, die me reeds lang de oogen uitsteken. Die zal ik me zeker zelf cadeau doen.”

„Maar,” vroegen Marcel en Rodolphe tegelijk, „waar hoop je dat reusachtige kapitaal vandaan te krijgen?”

„Luistert, heeren,” zeide Schaunard, terwijl hij met een ernstig gezicht tusschen zijn twee vrienden ging zitten; „we behoeven elkaar niet te verhelen, dat we, voor we lid van het Instituut en belastingplichtig worden, nog een aardig stukje roggebrood zullen moeten naar binnen werken, en het dagelijksch brood is moeilijk te verdienen. Bovendien zijn we niet alleen; waar de hemel ons met een liefderijk hart geschapen heeft, heeft ieder van ons zijn tweede ik gekozen, om zijn lot met haar te deelen.”

„Waar natuurlijk een niet op gevallen is,” viel Marcel hem in de rede.

„Nu is het,” ging Schaunard voort, „zelfs al betracht je de grootste zuinigheid, beslist onmogelijk, wanneer je niets hebt, nog wat over te leggen, vooral niet wanneer je honger altijd grooter is dan de schaal.”

„Waar wil je eigenlijk op neer komen?” vroeg Rodolphe.

„Hierop”, antwoordde Schaunard, „dat wij in onzen tegenwoordigen toestand al heel verkeerd zouden doen, om onzen neus op te halen, wanneer er zich, zelfs buiten het gebied van onze kunst, een gelegenheid voordoet, [238]om een cijfer te zetten voor de nul, die ons maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt.”

„Hei, hei!” zeide Marcel, „wien van ons kan jij verwijten, dat hij zijn neus ophaalt? Heb ik, hoe groot schilder ik mettertijd ook zal zijn, er niet in toegestemd mijn penseel te offeren aan een schilderachtige reproductie van Fransche krijgers, die mij van hun zakgeld betalen? Ik zou zoo denken, dat ik niet aarzel af te dalen van den ladder van mijn toekomstige grootheid!”

„En ik dan?” zeide op zijn beurt Rodolphe; „weet je niet, dat ik sinds veertien dagen aan een medisch-chirurgisch-osanorisch gedicht bezig ben voor een beroemden tandarts, die mijn inspiratie subsidieert met vijftien sous voor een dozijn Alexandrijnen, dat is iets meer dan voor een dozijn oesters? .... En toch schaam ik me daar niet voor; voor ik mijn Muze werkeloos zou laten, zou ik nog liever het adresboek van Parijs op rijm brengen. Wanneer je een lier hebt, dan moet je die, duivels nog toe, gebruiken ook .... En bovendien heeft Mimi hard schoenen noodig.”

„Dan zult ge mij er niet hard om vallen, wanneer je hoort, uit welken bron de Pactolus, waarvan ik een overstrooming verwacht, ontsprongen is.”

De geschiedenis van Schaunards tweehonderd francs was de volgende:

Een dag of veertien geleden was hij binnengeloopen bij een muziekuitgever, die hem beloofd had hem bij zijn klanten muzieklessen of een plaats als pianist te bezorgen.

„Bliksems,” zeide de uitgever, toen hij hem binnen zag komen, „u komt als geroepen. Er is mij juist vandaag om een pianist gevraagd. Het is een Engelschman. Ik geloof, dat hij goed betalen zal .... Bent u werkelijk een goed pianist?”

Schaunard dacht, dat een bescheiden optreden hem in [239]de achting van zijn uitgever zou kunnen doen dalen. Een musicus, vooral een pianist, en bescheiden .... dat is een weinig voorkomende combinatie. Schaunard antwoordde dan ook met veel aplomb:

„Ik ben een prima-pianist; als ik de tering, lange haren en een zwarten rok had, zou ik op dit oogenblik even beroemd zijn als de zon, en zoudt u, in plaats van aan mij achthonderd francs te vragen voor het drukken der partituur van de „Dood van de jonge maagd”, mij op uw knieën en in een zilveren schaal er drieduizend komen aanbieden.

„Doch hoe het zij,” ging de kunstenaar voort, „een feit is het, dat, waar mijn vingers reeds tien jaar lang dwangarbeid op de toetsen verrichten, ik het ivoor en de kruisen vrij goed weet te behandelen.”

De persoon, tot wien Schaunard verwezen werd, was een Engelschman, Mr. Birn’n geheeten. De musicus werd het eerst in ontvangst genomen door een blauwen lakei, die hem aan een groenen lakei overhandigde, welke op zijn beurt hem weer overgaf aan een zwarten lakei, die hem in een salon bracht, waar hij een eilandbewoner tegenover zich zag, die in de houding van een spleenlijder, waardoor hij aan Hamlet deed denken, peinzend over de nietswaardigheid van ons bestaan, in een fauteuil weggedoken zat. Juist wilde Schaunard het doel van zijn komst uiteenzetten, toen doordringende kreten zich lieten hooren en hem de woorden afsneden. Dit vreeselijke gekrijsch, dat je trommelvlies bijna deed scheuren, werd uitgestooten door een papegaai, die op het balcon van de benedenverdieping op zijn stok zat.

„O, deze beest, deze beest!” jammerde de Engelschman, die uit zijn fauteuil opsprong. „Hij zal doen sterven mij.”

En op hetzelfde oogenblik begon de vogel zijn repertoire af te krijschen, dat veel uitgebreider was dan dat van gewone papegaaien. Schaunard bleef stom verbaasd [240]staan, toen hij het dier, op bevel van een vrouwelijke stem, de eerste verzen van het verhaal van Théramène1 met de intonaties, die op het Conservatoire geleerd worden, hoorde voordragen.

Deze papegaai was de lieveling van een actrice, wier boudoir toentertijd zeer gezocht was. Het was een van die vrouwen, welke, zonder dat men weet waarom of hoe, op den turf der galanterie tot waanzinnige prijzen genoteerd zijn en wier naam op de menu’s van vrijgezellensoupers staat, waar zij als levend dessert dienst doen. In onzen tijd staat het voor een Christen „gekleed” om gezien te worden in het gezelschap van zulke heidinnen, die dikwijls niets antieks hebben behalve haar geboortebewijs. Wanneer zij knap zijn, zit er per slot van rekening nog zooveel kwaad niet bij: het ergste, dat je riskeert, is dat je eens op stroo moet slapen, omdat je haar een palissanderhouten ameublement gegeven hebt. Maar wanneer ze haar schoonheid bij het ons in parfumeriewinkels koopen en deze niet bestand is tegen drie druppels water op een lapje, wanneer haar geestigheid ophoudt bij een café-chantant-couplet en haar talent zetelt in de hand van een claqueur, dan is het bijna onbegrijpelijk hoe menschen van stand, die soms geest, een naam en een nieuw-modisch pak hebben, zich uit liefde tot het laag-bij-den-grondsche zoo laten medeslepen, dat zij schepsels, die hun huisknecht niet als liefje zou willen hebben, tot een mode-voorwerp verheffen.

De hier bedoelde actrice nu behoorde tot die modeschoonheden. Zij noemde zich Dolorès en gaf zich uit voor een Spaansche, hoewel zij geboren was in het Parijsche Andalusië, dat de rue Coquenard2 heet. Ofschoon de [241]afstand tusschen de rue Coquenard en de rue de Provence slechts tien minuten bedraagt, had zij toch zeven à acht jaar noodig gehad om dien weg af te leggen. Haar voorspoed was toegenomen in denzelfden mate als haar schoonheid afgenomen was. Zoo had zij op den dag, dat zij haar eersten valschen tand liet inzetten, één paard, en den dag, dat zij een tweeden een buurman gaf, twee paarden. Thans leefde zij op zeer grooten voet, woonde in een paleis, gaf op de wedrennen te Longchamp de mode aan en organiseerde bals, waarop geheel Parijs tegenwoordig was, d.w.z. het geheele Parijs van die dames: de nietsdoende hovelingen van de lichtzinnigheid en van het schandaal, de lansquenetspelers en paradoxenjagers; zij, die met ledige hoofden rondboemelen en hun eigen tijd en die van anderen verspillen; de bravi der ontucht, de valsche adel, de ridders van geheimzinnige orden, die geheele bohème, waarvan men niet weet vanwaar zij komt en waar zij heen gaat; al die slechtbefaamde en beruchte schepsels; al die Eva’s-dochteren, welke vroeger de lichaamsvrucht van haar moeder op een stalletje verkochten en deze nu in elegante boudoirs te koop aanbieden; dat geheele van de wieg tot het graf in het vuil wentelende ras, dat men bij de premières vindt met Golconda op het voorhoofd en Tibet op de schouders, en waarvoor toch de eerste viooltjes der lente en de eerste liefde der jonge mannen bloeien. Al die menschen, welke de couranten tout Paris noemen, verkeerden in de salons van mademoiselle Dolorès, de meesteres van de bovenbedoelde papegaai.

Deze vogel, dien zijn oratorische talenten in den geheelen wijk beroemd gemaakt hadden, was langzamerhand de schrik der naaste buren geworden. Van zijn stang op het balcon maakte hij een tribune, vanwaar hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat eindelooze redevoeringen [242]hield. Enkele met zijn meesteres bevriende journalisten hadden hem een paar parlementaire spreekwijzen geleerd, waardoor het dier buitengewoon sterk in de suikerquaestie was. Hij kende het repertoire der actrice van buiten en declameerde het zòò goed, dat hij in geval van ziekte desnoods haar rollen zou kunnen opnemen. Daar deze bovendien een polyglotte in haar gevoelens was en uit alle oorden der wereld bezoeken ontving, sprak de papegaai alle talen en ging zich soms in alle idiomen te buiten aan vloeken en verwenschingen, welke den schippersknechts, aan wie Vert-Vert3 zijn al te geavanceerde opvoeding te danken had, het schaamrood naar de wangen gejaagd zoude hebben. Het gezelschap van dien vogel, dat de eerste tien minuten leerzaam en amusant kon zijn, werd een ware kwelling, wanneer het langer duurde. De buren hadden reeds meermalen geklaagd, doch de actrice had er geen oor voor gehad. Twee of drie huurders, eerzame familievaders, hadden in hun verontwaardiging over de lichte zeden der actrice, waarin de indiscreties van den papegaai ze had ingewijd, zelfs hun huur opgezegd aan den huiseigenaar, dien Dolorès in zijn zwakke zijde had weten te tasten.

De Engelschman, bij wien we Schaunard hebben zien binnenkomen, had drie maanden lang geduld geoefend.

Op een goeden dag echter hulde hij zijn woede, die eindelijk uitgebarsten was, onder een rok en witte das en liet zich met al de plichtplegingen, die noodig zijn om te Windsor bij koningin Victoria voor den handkus te worden toegelaten, bij mademoiselle Dolorès aanmelden. [243]

Toen deze hem zag binnenkomen, dacht zij eerst, dat het Hoffmann4 in zijn kostuum van lord Spleen was, en noodigde hem, daar zij een collega goed wilde ontvangen, uit bij haar te blijven déjeuneeren. De Engelschman echter antwoordde in een Fransch, dat een Spaansche réfugié hem in vijf-en-twintig lessen geleerd had, met den grootsten ernst:

„Ik neem aan uw uitnoodiging op voorwaarde, dat wij zullen opeten dien .... vreeselijken vogel,” en hij wees op de kooi van den papegaai, die reeds den eilandbewoner in hem geroken had en hem met het „God save the King” begroette.

Dolorès dacht, dat de Engelschman gekomen was, om haar voor den gek te houden, en wilde juist een heftig antwoord geven, toen Mr. Birn’n eraan toevoegde:

„Daar ik ben zeer rijk, ik vogel wel koopen wil.”

Dolorès antwoordde, dat zij zeer gehecht was aan het dier en het niet in de handen van een ander wilde zien overgaan.

„O, ik wil het ook niet hebben in mijne handen, maar onder mijne voeten!” zeide de Engelschman en liet den hak van zijn laarzen zien.

Dolorès beefde van woede en wilde in verontwaardiging losbarsten, toen zij aan den vinger van den Engelschman een ring zag, waarvan de diamant misschien wel een rente van vijf-en-twintighonderd francs vertegenwoordigde. Die ontdekking werkte als een stortbad op haar woede. Zij bedacht, dat het niet verstandig zou zijn het aan den stok te krijgen met een man, die vijftigduizend francs aan zijn pink droeg.

„Goed, mijnheer!” zeide zij dan ook; „als de arme Coco u last veroorzaakt, zal ik hem in de achterkamer zetten; op die manier zult u hem niet meer kunnen hooren.”

Het gezicht van den Engelschman helderde eenigszins op. [244]

„Maar toch,” zeide hij en liet nogmaals zijn schoenen zien, „zou ik liever ....”

„Wees maar niet bang,” viel Dolorès hem in de rede; „van de plek, waar ik hem zetten zal, kan hij milord onmogelijk lastig vallen.”

„O, ik niet ben milord .... ik enkel ben esquire.”

Toen echter Mr. Birn’n zich, na een stijve buiging gemaakt te hebben, wilde terugtrekken, nam Dolorès, die haar belangen onder alle omstandigheden in het oog hield, van een hoektafeltje een klein pakje en zeide:

„Mijnheer, vanavond wordt in den * * * Schouwburg mijn benefice-voorstelling gegeven. Ik moet in drie stukken optreden. Zoudt u mij willen toestaan u een paar loges aan te bieden. De prijs der plaatsen is slechts weinig verhoogd.”

En met die woorden drukte zij den eilandbewoner een tiental loge-biljetten in de hand.

„Nu ik zoo bereidwillig geweest ben hem een dienst te bewijzen,” dacht zij bij zichzelf, „is het voor hem, als hij tenminste een welopgevoed iemand is, onmogelijk mij dit te weigeren; en wanneer hij mij in mijn rood costuum ziet .... je kan nooit weten .... we wonen zoo vlak naast elkaar .... de diamant, dien hij aan zijn pink draagt, is de voorhoede van een millioen. Nou ja, hij is wel leelijk en erg vervelend, maar dat zal mij gelegenheid geven om zonder zeeziekte naar Londen te gaan.”

Nadat de Engelschman de toegangsbewijzen in zijn zak gestoken had, liet hij zich het doel, waarvoor zij bestemd waren, nog eens verklaren en vroeg dan naar den prijs.

„De loge kost zestig francs en u hebt er tien .... Maar het heeft geen haast,” voegde Dolorès eraan toe, toen zij zag, dat de Engelschman zijn portefeuille voor den dag wilde halen; „ik hoop, dat u, als buurman, mij van tijd tot tijd wel een bezoek zult brengen.” [245]

Doch Mr. Birn’n antwoordde:

„Ik niet houd van zaken op crediet;” en hij nam een billet van duizend francs uit zijn zak, legde het op tafel en stak de toegangsbewijzen in zijn portefeuille.

„Ik zal u teruggeven,” zeide Dolorès en opende een kastje, waarin zij haar geld bewaarde.

„O, neen,” zeide de Engelschman; „dat is drinkgeld,” en hij ging heen, Dolorès, die door die woorden met stomheid geslagen was, alleen latend.

„Drinkgeld!” riep zij uit, toen zij haar spraak teruggekregen had. „Wat een lomperd! Ik zal hem zijn geld teruggeven.”

Doch deze grofheid van Mr. Birn’n had slechts de opperhuid van haar trots gekwetst; bij nadere overweging werd zij kalmer; zij bedacht zich, dat twintig louis d’or toch een aardig sommetje vormden, en dat zij vroeger voor heel wat minder geld veel meer had moeten slikken.

„Ach wat,” zeide zij tot zichzelf; „je moet niet zoo trotsch zijn. Niemand heeft mij gezien en vandaag komt juist mijn waschvrouw. En bovendien radbraakt die Engelschman onze taal zoo, dat hij misschien wel gedacht heeft mij een complimentje te maken.”

En vroolijk deed Dolorès haar twintig louis achter slot en grendel. Doch na de voorstelling kwam zij woedend thuis. Mr. Birn’n had de toegangsbewijzen niet gebruikt en de tien loges waren leeg gebleven.

Toen zij dan ook om half een het tooneel betrad, las de ongelukkige beneficiante op het gezicht van haar coulissen-„vriendinnen” heel duidelijk, hoe zij zich verkneukelden, dat de zaal zoo leeg was.

Zij hoorde zelfs, hoe een vriendelijke collega, terwijl zij op de leege loges wees, tot een andere zeide:

„Die arme Dolorès heeft een leeg huis.”

„In de loges zit bijna niemand.”

„En in het orkest geen kip!” [246]

„Lieve Hemel; haar naam op het affiche werkt als een luchtpomp.”

„En dan nog zoo verwaand, om de prijzen te verhoogen.”

„Een mooie benefiet. Ik wed, dat de recette in een spaarpot of in een hiel van een kous kan.”

„Daar is ze met haar fameus costuum met rood fluweelen linten.”

„Zij ziet er uit als een gekookte kreeft.”

„Hoeveel heb jij met je laatste benefiet gemaakt?” vroeg een der actrices aan haar vriendin. „Ik heb slechts zes francs overgehouden; de rest heeft mijn modiste genomen. Als ik niet bang was voor winterkloven, dan zou ik naar St. Petersburg gaan.”

„Wat? Nog geen dertig jaar en dan wil je al naar Rusland gaan!”

„Wat zal ik je zeggen? En is jouw benefiet gauw?”

„Over veertien dagen. Ik heb al voor duizend daalders verkocht, ongerekend de cadetten.”

„Kijk eens, de stalles loopen leeg.”

„Omdat Dolorès zingt.”

Inderdaad bracht Dolorès, even rood als haar kostuum, haar niet aan te hooren coupletten eruit. Toen zij met groote moeite het slot bereikt had, werden haar twee bloemruikers toegeworpen door twee vriendinnen (eveneens actrices), die zich over haar baignoire heen bogen en riepen:

„Bravo, Dolorès!”

Men kan zich voorstellen hoe woedend zij was. Zoodra zij op haar kamer kwam, opende zij, hoewel het midden in den nacht was, het raam en maakte Coco wakker, die op zijn beurt Mr. Birn’n weer wekte, die in vol vertrouwen op het woord der actrice was gaan slapen.

Van dien dag af was de oorlog tusschen de actrice en den Engelschman uitgebroken: een oorlog op leven en dood, een oorlog zonder wapenstilstand of rust, waarin [247]de beide betrokken deelnemers voor geen kosten of moeiten terugdeinsden. De papegaai, die door Dolorès diensovereenkomstig opgeleid werd, had een ernstige studie gemaakt van de tale Albions en braakte nu den geheelen dag door met zijn scherpste faussettonen vloeken tegen zijn buurman uit. Dat was inderdaad iets onverdragelijks. Dolorès zelf leed eronder, maar zij hoopte dat dit Mr. Birn’n binnen enkele dagen tot den aftocht zou dwingen: dat toch was het doel, dat haar eigenliefde zich gesteld had. De eilandbewoner van zijn kant had allerlei middelen uitgedacht om zich te wreken. Om te beginnen had hij in zijn salon een trommel-academie gesticht, maar de commissaris van politie had daarover zijn veto uitgesproken. Toen had hij, met den dag vindingrijker wordend, een schietbaan voor pistool aangelegd; dagelijks verschoten zijn bedienden minstens vijftig schijven. Weer kwam de commissaris tusschenbeide en maakte hem opmerkzaam op een artikel uit de politieverordening, waarbij het gebruik van vuurwapen in bewoonde huizen strafbaar gesteld was. Mr. Birn’n liet het vuren dus staken. Maar acht dagen later merkte mademoiselle Dolorès dat het in haar appartementen regende. Ten gevolge daarvan stelde de huiseigenaar een onderzoek in bij Mr. Birn’n, dien hij aantrof juist op het oogenblik, dat hij op het punt stond een zeebad te nemen in zijn salon. De wanden van dit vrij groote vertrek waren n.l. in de rondte met zinken platen bekleed; alle deuren waren toegespijkerd; en in dat geïmproviseerde bassin had men in een honderd drachten water een vijfhonderd centenaars zout vermengd. Het was een echte Oceaan in het klein. Niets ontbrak eraan, zelfs de visschen niet. Door een in het bovenpaneel van de middendeur aangebrachte opening kon men in dit zeetje afdalen en Mr. Birn’n nam op die wijze dagelijks een bad. Na korten tijd begon men in den wijk de werkingen van eb [248]en vloed waar te nemen, terwijl mademoiselle Dolorès een halven duim water in haar slaapkamer had staan.

De huisheer werd woedend en dreigde Mr. Birn’n met een proces tot schadevergoeding voor de in zijn pand aangerichte verwoesting.

„Ik dan niet heb het recht in mijn huis mij te baden?”

„Neen, mijnheer!”

„Als ik niet heb het recht, dan goed,” zeide de Engelschman vol eerbied voor de wet van het land, waarin hij leefde. „Het is jammer, ik amuseerde zoo mij.”

En denzelfden avond nog gaf hij order zijn Oceaan te laten leegloopen. Het was inderdaad hoog tijd: op den vloer had zich reeds een oesterbank gevormd.

Doch daarom had Mr. Birn’n den strijd niet opgegeven; integendeel hij zocht naar een wettig middel tot voortzetting van dezen zeldzamen oorlog, die het onderwerp van gesprek uitmaakte van geheel Parijs, want de tijding van dit avontuur had zich spoedig in de schouwburg-foyers en andere openbare plaatsen verspreid. Het was dus voor Dolorès een eere-zaak om als overwinnares uit dezen strijd, die reeds tot verschillende weddenschappen aanleiding gegeven had, te voorschijn te treden.

Mr. Birn’n was toen op het denkbeeld van den piano gekomen. Dat was zoo’n kwaad denkbeeld niet: het nietswaardigste van alle instrumenten was zonder twijfel in staat den strijd aan te binden tegen den nietswaardigsten van alle vogels. Zoodra dat goede denkbeeld bij hem opgekomen was, had de Engelschman zich gehaast het ten uitvoer te brengen. Hij had een piano gehuurd en daarbij een pianist gevraagd. Die pianist nu was, zooals men zich herinneren zal, onze vriend Schaunard. De Engelschman wijdde hem dadelijk in alle hem door den papegaai van zijn buurvrouw aangedane martelingen in en stelde hem ook in kennis met alles wat hij reeds geprobeerd had om de actrice tot overgave te dwingen. [249]

„Maar milord,” zeide Schaunard; „er bestaat toch een heel eenvoudig middel om dat beest uit den weg te ruimen; peterselie. Alle scheikundigen zijn het volkomen eens, dat deze soepplant Pruisisch zuur voor die dieren is; strooi dus wat fijngehakte peterselie op uw tapijten en laat die uit het raam boven de kooi van Coco uitkloppen: hij zal daar even zeker aan sterven als wanneer hij te dineeren gevraagd was bij paus Alexander VI.”

„Daar ik wel aan heb gedacht,” antwoordde Mr. Birn’n, „maar de dier wordt bewaakt; de piano is zekerder.”

Schaunard, die den Engelschman in den beginne niet begreep, keek hem verwonderd aan.

„Luister eens wat ik bedacht heb. De comediante en haar dier slapen tot ’s middags twaalf uur. Volg nu goed mijn redeneering ..... Ik van plan ben haar te storen in haar slaap. De wet van dit land mij toestaat te maken muziek van den ochtend tot den avond. Begrijpt u, wat ik verwacht van u?”

„Maar de actrice zal het heusch niet zoo onaangenaam vinden om mij den geheelen dag piano te hooren spelen, en dat nog wel gratis,” meende Schaunard. „Ik ben een eerste klas pianist en wanneer ik tering had .....”

„Ho, ho!” viel de Engelschman hem in de rede; „ik u ook niet zeg te maken goede muziek. U moet maar slaan op het instrument. Zoo bijvoorbeeld .....” en Mr. Birn’n probeerde een gamma te spelen; „en altijd hetzelfde, altijd hetzelfde, meedoogenloos, mijnheer de muzikant, altijd weer de gamma. Ik weet wat van geneeskunde, dat maakt krankzinnig. Zij zullen daar beneden krankzinnig worden, daarop ik reken. Neem plaats aan het instrument, mijnheer; ik betalen zal u goed.”

„Dit nu,” zeide Schaunard, die al de bijzonderheden, welke men hierboven gelezen heeft, verteld had; „dit nu is sedert veertien dagen mijn bezigheid: een gamma en niets dan diezelfde gamma van ’s ochtends vijf uur tot [250]’s avonds. Het behoort, strikt genomen, niet tot de ernstige kunst; maar wat kan ik eraan doen, kinderen? De Engelschman betaalt voor het lawaaimaken tweehonderd francs per maand; je moet wel een beul voor je eigen lichaam zijn, om zoo’n buitenkansje van de hand te wijzen. Ik heb het aangenomen en over een paar dagen ga ik naar de bank om het salaris voor de eerste maand te halen.”

Aan het slot van die wederkeerige vertrouwelijke mededeelingen besloten de drie vrienden dit gelijktijdige binnenkomen van looddeelen te gebruiken, om de gerechtvaardigde coquetterie van hun vriendinnetjes te bevredigen en haar het voorjaarscostuum te geven, waarnaar zij zoo vurig verlangden. Bovendien spraken zij af, dat degene, die het eerst zijn geld krijgen zou, wachten moest tot bij de andere dezelfde blijde gebeurtenis plaats gehad zou hebben, om op die manier de inkoopen gemeenschappelijk te doen en de dames Mimi, Musette en Phémie gelijktijdig het genoegen te laten smaken zich „in een nieuwe huid te steken”, zooals Schaunard het noemde.

Twee of drie dagen na deze geheime bijeenkomst opende Rodolphe de rij, zijn osanorisch gedicht was betaald; hij woog tachtig francs zwaarder. Nog twee dagen later had Marcel van Médicis het honorarium voor achttien korporaalsportretten à zes francs ontvangen.

„Het is net, of ik goud zweet,” zeide de dichter.

„Ik heb precies hetzelfde gevoel,” antwoordde Marcel. „Als Schaunard nog lang talmt, zal ik onmogelijk mijn rol van anonymen Croesus verder kunnen spelen.”

Maar den volgenden dag reeds zagen de bohémiens Schaunard in een prachtig goudgeel nangkin jaquette thuiskomen.

„Goede God!” riep Phémie, die door het zien van haar zoo elegant gebonden minnaar verblind werd; „waar heb jij die jas gevonden?” [251]

„Tusschen mijn papieren,” antwoordde de gammakunstenaar, terwijl hij zijn vrienden een wenk gaf, om hem te volgen.

„Ik heb het,” zeide hij, toen zij alleen waren; „daar heb je het zaakje,” en hij liet een handvol goudstukken zien.

„Voorwaarts, marsch dan!” riep Marcel uit; „laten we de magazijnen gaan plunderen! Wat zal Musette in haar schik zijn!”

„En Mimi dan!” voegde Rodolphe eraan toe. „Nou vooruit, ga je mee, Schaunard?”

„Laat ik nog even op één ding wijzen!” antwoordde de gammakunstenaar. „Wanneer we de dames overladen met de duizend luimen der mode, begaan we misschien een dwaasheid. Denkt eens goed na. Zijn jullie niet bang, dat, als zij op de platen uit de Echarpe d’Iris gelijken, al die pracht en praal een verderfelijken invloed op haar karakter zal uitoefenen? En past het bovendien jongemannen, zooals wij zijn, de vrouwen zoo te behandelen, alsof wij afgeleefde en gerimpelde grijsaards waren? Ik zeg dit niet, omdat ik geen veertien of achttien francs ervoor over heb, om Phémie een nieuw costuum te geven, maar omdat ik bang ben, dat zij mij niet meer zal willen groeten, als zij eenmaal een nieuwen hoed heeft. En wat is ze knap, als ze alleen maar een bloem in haar haar heeft. Wat zeg jij ervan?” Deze vraag was gericht tot Colline, die tijdens Schaunard’s rede binnengekomen was.

„Ondank is de zoon der weldaad,” zeide de wijsgeer.

„En ook mogen jullie wel eens overwegen,” ging Schaunard voort, „wat voor figuur jullie in je afgedragen pakken naast je vriendinnetjes in haar elegante costuums zult maken. Je zult er uit zien als haar kamermeisjes. Ik zeg dat niet voor mij,” voegde Schaunard er aan toe, terwijl hij in zijn nangkin rok een breede borst zette, „ik kan mij nu, Goddank, overal laten zien!”

Niettegenstaande de oppositie van Schaunard werd [252]toch besloten den volgenden dag alle bazars in de buurt ter wille van de dames te plunderen.

En werkelijk kwamen den volgenden ochtend op hetzelfde uur, dat wij in het begin van dit hoofdstuk mademoiselle Mimi heel verbaasd over de afwezigheid van Rodolphe wakker hebben zien worden, de dichter en zijn twee vrienden met een loopjongen uit de „Twee Apen” en een modiste, die de stalen droegen, de trap naar hun kamer op. Schaunard, die inmiddels den beroemden jachthoorn gekocht had, liep voorop en blies de ouverture van „De Karavaan.”

Musette en Phémie, door Mimi, die in den entresol woonde, geroepen, vlogen op het bericht, dat er hoeden en japonnen voor haar gebracht werden, als een lawine de trap af. Bij het zien van al de armzalige rijkdommen, die voor haar uitgestald lagen, werden de drie vrouwen bijna dol van blijdschap. Mimi kreeg een aanval van overmoedige vroolijkheid: zij sprong rond als een geit en zwaaide een dunne wollen sjaal heen en weer. Musette was Marcel om den hals gevlogen en had in iedere hand een klein groen laarsje, die zij als cymbalen tegen elkaar sloeg. Phémie keek snikkend Schaunard aan en kon niets anders uitbrengen dan de woorden:

„O, mijn Alexander, mijn Alexander!”

„Bij haar is het gevaar niet groot, dat ze de geschenken van Artaxerxes weigert,” mompelde de wijsgeer Colline.

Toen de eerste vreugde wat geluwd, de keuze gemaakt en de rekeningen betaald waren, zeide Rodolphe tot de drie dames, dat zij zorgen moesten den volgenden ochtend haar costuums af te hebben.

„We gaan naar buiten!” zeide hij.

„Dat is zoo moeilijk niet!” riep Musette uit. „Het is niet voor het eerst, dat ik op één en denzelfden dag een japon gekocht, geknipt, genaaid en aangetrokken heb. Wij zullen klaar zijn, niet waar dames?” [253]

„Natuurlijk!” riepen Mimi en Phémie tegelijk uit.

Dadelijk gingen zij aan het werk en de eerstvolgende zestien uur gaven zij schaar en naald geen oogenblik rust.

De volgende dag was de eerste Mei. De Paaschklokken hadden reeds eenige dagen tevoren de opstanding der lente ingeluid; en van alle kanten kwam zij nu haastig en vroolijk aan; zij kwam, zooals het in het Duitsche volkslied heet, als de jonge bruidegom, die den Meiboom onder het venster van zijn geliefde gaat planten. Zij schilderde den hemel blauw, de boomen groen en al het andere in mooie kleuren. Zij wekte de zon, die in haar nevelbed sliep, het hoofd op de van sneeuw zwangere wolken, die haar tot kussen dienden, en riep haar toe: „Sta op, vriendin, het is tijd! Hier ben ik! Vlug aan het werk! Trek zonder talmen je mooi nieuw stralenkleed aan en laat je dadelijk op je balkon zien, om mijn komst te melden!”

Op dit verzoek was de zon inderdaad op weg gegaan en wandelde nu trotsch en stralend als een hoveling rond. De zwaluwen, die van hun pelgrimstocht naar het Oosten teruggekeerd waren, schoten pijlsnel door de lucht, de meidoorn sierde de struiken met de sneeuw van zijn bloesems; het viooltje doorgeurde het gras der bosschen, waarin men reeds de vogels met een liederenboek onder de vleugels uit hun nest zag komen. Het was inderdaad de lente, de echte lente der dichters en verliefden, en niet de lente van Matthieu Laensberg,5 een leelijke lente met een rooden neus en door koude stijve [254]vingers, die den arme nog doet rillen aan het hoekje van zijn haard, waarin de laatste vonken van zijn laatste houtblok reeds lang uitgedoofd zijn. Zoele koeltjes golfden door de heldere atmospheer en droegen de eerste geuren der naburige velden naar de stad. De heldere, warme zonnestralen klopten tegen de vensterruiten en zeiden tot den zieke: „Doe open, wij zijn de gezondheid!” en tot het meisje, dat in haar dakkamertje voor haar spiegel staat, die onschuldige eerste liefde der onschuldigen: „Doe open, opdat wij uw schoonheid beschijnen; wij zijn de lenteboden; nu kunt ge je linnen pakje aantrekken, je stroohoed opzetten en je mooie schoentjes gaan dragen: zie, de grasperken, waarop gedanst wordt, tooien zich met nieuwe bloemen, en reeds lokken de violen ten dans. Gegroet, gij schoone!”

Toen de dichtstbijzijnde kerkklokjes het Angelus luidden, stonden onze drie ijverige coquetten, die nauwelijks tijd hadden kunnen vinden, om een paar uur te slapen, reeds voor haar spiegel, om een laatsten onderzoekenden blik op haar nieuwe toiletjes te werpen.

Zij zagen er in haar gelijkkleurige costuums alle drie bekoorlijk uit en op haar gezichtjes was duidelijk de bevrediging te lezen, die de verwezenlijking van een lang gekoesterden wensch geeft.

Vooral Musette straalde van schoonheid.

„Ik ben nog nooit zoo in mijn schik geweest,” zeide zij tot Marcel; „het is net, alsof de goede God al het geluk, dat voor mij bestemd is, in dit eene uur samengedrongen heeft, en ik ben bang, dat er nu voor het vervolg niet veel meer overblijft. Maar kom, wanneer er niet meer zijn zal, dan maken we het zelf. Wij hebben er een goed recept voor,” voegde zij er vroolijk aan toe, terwijl ze Marcel een kus gaf.

Phémie had iets, dat haar hinderde.

„Ik houd wel van het groen en de kleine vogels,” [255]zeide zij; „maar buiten kom je niemand tegen, zoodat niemand mijn mooien hoed en japon zal zien. Kunnen we niet op den boulevard gaan picnicken?”

Om acht uur werd de geheele straat door de fanfares van den jachthoorn van Schaunard, die het signaal tot vertrek gaf, in rep en roer gebracht. De buren kwamen aan het venster, om de bohémiens voorbij te zien gaan. Colline, die van de partij was, sloot den stoet met de parasols der dames onder zijn arm. Een uur later was het geheele vroolijke troepje in Fontenay-aux-Roses.

Toen zij ’s avonds, aardig laat, thuiskwamen, verklaarde Colline, die den geheelen dag de functies van schatbewaarder vervuld had, dat zij zes francs vergeten hadden uit te geven, en legde dat overschot op tafel.

„Wat moeten we daarmee beginnen?” vroeg Marcel.

„Hoe zou je het vinden, als we er effecten voor kochten?” was Schaunard’s antwoord. [256]


1 Vergelijk Racine’s Phèdre, acte I, scène I.

2 In de Rue Coquenard ligt de kerk Notre-Dame-de-Lorette, wier naam overgegaan is op de schoone zondaressen, die in deze straat wonen.

3 De papegaai Vert-Vert is de held van een naar hem genoemd komisch epos van Gresset. Opgevoed in een klooster te Nivers, was hij zoo deugdzaam en vroom, dat zijn roem zich overal heen verbreidde en ook de nonnen in een klooster te Nantes hem wenschten te hooren. Op een boot daarheen gebracht, leerden de schippersknechts hem vloeken als een ketter, wat bij de nonnen groote consternatie verwekte.

4 Toespeling op Offenbach’s operette Les contes d’Hoffmann.

5 Matthieu Laensberg leefde omstreeks 1680 als canonicus in Luik en gaf een kalender met weersvoorspellingen uit. Omstreeks 1840 aapten de socialisten (Louis Blanc) in hun volkskalender de populaire taal van den canonicus na om propaganda te maken voor revolutionnaire doeleinden; hierdoor werd de naam in Frankrijk in grootere kringen populair.

[Inhoud]

Hoofdstuk XVIII.

De Mof van Francine.

[Inhoud]

I

Onder de echte bohémiens der echte bohème heb ik indertijd een zekeren Jacques D.... gekend. Hij was beeldhouwer en beloofde mettertijd een groot kunstenaar te zullen worden. Doch zijn ellendige levensomstandigheden hebben hem niet den tijd gelaten die beloften te houden. Hij stierf in Maart 1814, in het hospitaal Saint-Louis, zaal Sainte-Victoire, bed 14, aan uitputting.

Ik leerde Jacques kennen in het hospitaal, waarin ik zelf langen tijd ziek gelegen had. Zooals ik reeds gezegd heb, stak er in Jacques een groot kunstenaar, doch hij liet er zich volstrekt niet op voorstaan. Gedurende de twee maanden, waarin ik hem bijna dagelijks opzocht en hij zich in de armen van den dood wiegen voelde, heb ik hem geen enkele maal hooren klagen, noch dat gelamenteer aanheffen, dat den onbegrepen kunstenaar zoo belachelijk gemaakt heeft. Hij is gestorven zonder eenige pose, met den vreeselijken grijns van de met den dood strijdenden op het gelaat. Zijn dood doet me zelfs denken aan een der afschuwelijkste scènes, die ik in dezen caravansérail1 van menschelijk lijden heb medegemaakt. De vader, dien men met zijn overlijden in kennis gesteld had, was het lijk komen opeischen en had een tijd [257]lang afgedongen op de door de administratie geëischte som van zes-en-dertig francs. Ook voor den dienst in de kerk marchandeerde hij zóó lang en zóó hardnekkig, dat men hem ten slotte zes francs minder liet betalen. Toen men het lijk in de kist wilde leggen, nam de ziekenoppasser het aan het hospitaal behoorende laken weg en vroeg aan een der vrienden van den overledene om geld voor het lijkkleed. De arme duivel, die geen sou bezat, ging dadelijk naar Jacques’ vader, die in een opwelling van drift en woede vroeg, of men hem nooit met rust zou laten.

Toen wierp de zuster, die dit afschuwelijke tooneel meemaakte, een blik op het lijk en sprak de aangrijpend naïeve woorden:

„Maar mijnheer, de arme jongen kan toch zoo niet begraven worden: het is zoo koud; geef hem tenminste een hemd, opdat hij niet heelemaal naakt voor onzen lieven Heer verschijnt.”

Eindelijk gaf de vader den vriend vijf francs om een hemd te koopen, doch drukte hem daarbij op het hart het te halen bij een uitdrager in de rue Grange-aux-Belles, die tweedehandsche hemden had.

„Dat is niet zoo duur,” voegde hij eraan toe.

Later kreeg ik opheldering omtrent die onmenschelijke hardheid van Jacques’ vader: hij was woedend, dat zijn zoon zich aan de kunst gewijd had, en die woede was zelfs bij het zien van de lijkkist niet tot bedaren gekomen.

Maar ik ben al heel ver afgedwaald van mademoiselle Francine en haar mof. Doch ik kom er nu toe: mademoiselle Francine was het eerste en eenige vriendinnetje van Jacques geweest, die toch niet oud gestorven was, want hij was nauwelijks drie-en-twintig, toen zijn vader hem heelemaal naakt onder den grond wilde laten stoppen. Jacques heeft mij het verhaal van die amourette gedaan, toen hij nummer 14 en ik nummer 16 was op de zaal [258]Sainte-Victoire, een vreeselijke plaats om te sterven.

Maar wacht nog even, lezer! Voor ik dit verhaal begin, dat zeer mooi zou zijn, als ik het kon oververtellen zooals Jacques het mij verteld heeft, moet ik nog eerst een pijp aansteken, die oude steenen pijp, die Jacques mij gegeven heeft op den dag, dat de dokter hem het rooken verboden had. Maar ’s nachts, wanneer de broeder sliep, leende hij zijn pijp van mij en vroeg me wat tabak: je verveelt je ’s nachts zoo in die groote zalen, wanneer je niet slapen kunt en pijn hebt.

„Een of twee trekjes maar!” zeide hij, en ik liet hem zijn gang gaan en wanneer zuster Sainte-Géneviève de rondte deed, hield zij zich alsof zij niet merkte, dat er gerookt werd. O, goede zuster, wat waart ge goed en wat waart ge mooi, wanneer ge ons met wijwater kwaamt besprenkelen! We zagen u reeds van verre aankomen, wanneer ge zoo zacht liept onder de sombere gewelven in uw wijden witten nonnesluier, welks mooie plooien Jacques zoo bewonderde. O, goede zuster, gij waart de Beatrice2 van dezen hel. Zoo zoet en zacht klonken uw troostwoorden, dat we alleen klaagden, om door u getroost te worden. Als mijn vriend Jacques niet gestorven was, zou hij voor u een kleine Heilige Maagd gebeeldhouwd hebben, goede zuster Géneviève!

Eerste lezer: En waar blijft de mof nu? Ik zie er nog niets van.

Tweede lezer: En mademoiselle Francine dan?

Eerste lezer: Het is heelemaal geen vroolijk verhaal.

Tweede lezer: Je kunt niets zeggen, voor we het slot weten.

Ik vraag u wel vergiffenis, heeren, de pijp van mijn vriend is de oorzaak van al deze afdwalingen. Overigens [259]heb ik volstrekt niet beloofd u te zullen laten lachen. Het gaat niet altijd vroolijk toe in het bohème-leven.

Jacques en Francine hadden elkaar leeren kennen in een huis in de rue de la Tour d’Auvergne, waarin zij in het begin van April gelijktijdig waren komen wonen.

Eerst na acht dagen werden tusschen den kunstenaar en het jonge meisje die buurpraatjes gewisseld, welke een noodzakelijk gevolg zijn van het op dezelfde verdieping wonen; en toch kenden zij elkaar reeds, nog voordat ze één woord gewisseld hadden. Francine wist, dat haar buurman een arme tobberd van een kunstenaar was, en Jacques had gehoord, dat zijn buurmeisje een naaistertje was, van huis weggeloopen, om zich aan de slechte behandeling door haar stiefmoeder te onttrekken. Zij deed wonderen van spaarzaamheid om er zich, zooals men dat noemt, „door heen te slaan” en daar zij nooit genietingen had leeren kennen, miste zij die niet en verlangde zij er niet naar.

De kennismaking had plaats op de volgende manier. Op een zekeren Aprilavond kwam Jacques doodmoe, met een leege maag en in een heele trieste stemming op zijn kamer. Het was een onbestemde triestheid, die geen bepaalde reden heeft, die je overal en op ieder uur kan overvallen—een soort apoplexie van het hart, waarvoor voornamelijk die ongelukkigen, die alleen leven, vatbaar zijn. Jacques, die het in het kleine kamertje benauwd kreeg, wierp het raam open, om versche lucht te kunnen inademen. Het was een prachtige avond en de ondergaande zon spon om de heuvels van Montmartre een droefgeestigen tooversluier. Jacques bleef voor het raam zitten mijmeren en luisterde naar het koor der gevederde lentezangers, die in de avondstilte zongen; en zijn trieste stemming werd nog triester. Toen hij een raaf krassend voorbij zag vliegen, dacht hij aan den tijd, waarin de raven brood brachten aan Elia, den [260]vromen kluizenaar, en maakte hij bij zichzelf de opmerking, dat de raven thans niet zoo barmhartig meer zijn. Ten slotte kon hij het niet langer uithouden, hij sloot zijn raam, trok het gordijn dicht en stak, daar hij geen geld had, om olie te koopen, een harskaars aan, die hij van een reis naar La Grande Chartreuse meegebracht had. En in een steeds melancholieker stemming stopte hij zijn pijp.

„Gelukkig, dat ik nog zooveel tabak heb, dat ik het pistool door den rook niet meer zal zien,” mompelde hij en begon te rooken.

Mijn vriend Jacques moest dien avond wel heel droefgeestig zijn, dat hij erover dacht „het pistool te omsluieren”. Dat was zijn laatste toevlucht in groote crisissen; en meestal lukte het hem wel. Het middel bestond hierin: Jacques rookte tabak, waarop hij een paar druppels laudanum gesprenkeld had, en hij rookte zoo lang, totdat de rookwolk, die uit zijn pijp kwam, dik genoeg geworden was, om alle voorwerpen, die in zijn kamertje waren, en met name een aan den muur hangend pistool in een waas voor hem te hullen. Dat was een kwestie van een pijp of tien. Wanneer het pistool geheel onzichtbaar geworden was, sliep hij gewoonlijk door de gecombineerde werking van de tabak en het laudanum in en meestal verliet zijn droefgeestigheid hem op den drempel van zijn droomen.

Doch dien avond had Jacques al zijn tabak opgerookt en was het pistool volkomen onzichtbaar geworden, en nog was hij steeds bitter droefgeestig. Dien avond was daarentegen mademoiselle Francine buitengewoon opgewekt, toen zij naar huis terugkeerde en evenmin als Jacques’ droefgeestigheid had Francine’s opgewekte stemming een bepaalde oorzaak: het was een vroolijkheid, die, om zoo te zeggen, uit den hemel valt en die de goede God in goede harten doet nederdalen. Kort en goed, mademoiselle Francine was dus vroolijk en opgewekt en kwam zingend de trap op. Maar toen zij haar kamerdeur wilde open maken, [261]blies plotseling een rukwind, die door het openstaande raam binnenkwam, haar kaars uit.

„Lieve Hemel, hoe vervelend!” riep het jonge meisje uit. „Nu moet ik weer zes trappen op en af.”

Toen zij echter in Jacques’ kamer licht zag, gaf een instinct van gemakzucht, geënt op een gevoel van nieuwsgierigheid, haar de gedachte in den kunstenaar om licht te vragen. Dat zijn van die diensten, die je elkaar onder verdiepingsgenooten dagelijks bewijst, dacht zij bij zichzelf, en het is volstrekt niet compromitteerend. Dus klopte zij tweemaal zacht op de deur van Jacques, die, een weinig verrast over dit late bezoek, open ging doen. Doch nauwelijks had zij een stap in de kamer gedaan, of de rook, die daarin hing, benam haar den adem en zij viel, voordat zij nog een woord had kunnen zeggen, bewusteloos op een stoel, waarbij zij haar sleutel en haar kaars uit haar hand liet vallen. Het was middernacht, iedereen in huis lag in diepe rust. Jacques vond het beter niet om hulp te roepen: hij was bang daardoor zijn buurmeisje aan allerlei praatjes te zullen blootstellen. Hij wierp dus slechts het raam open, om frissche lucht binnen te laten; en toen hij het jonge meisje een paar druppels water in het gezicht gesprenkeld had, zag hij, dat zij haar oogen opsloeg en langzamerhand weer bijkwam. Toen zij na verloop van vijf minuten weer geheel tot bewustzijn gekomen was, vertelde zij hem waarom zij bij hem had aangeklopt en maakte zij hem haar excuses voor den last, dien zij hem veroorzaakt had.

„Nu ik weer heelemaal beter ben,” voegde zij eraan toe, „kan ik weer naar mijn kamer”. Hij had de deur geopend, toen zij bemerkte, dat zij niet alleen vergat haar kaars aan te steken, maar ook dat zij den sleutel van haar kamer niet had.

„Ik ben nog wat in den war,” zeide zij, terwijl zij met haar blaker naar de harskaars ging; „ik ben hier [262]gekomen om licht te halen en nu ga ik zonder weg.”

Doch op hetzelfde oogenblik ging door de tocht, die ontstond door het open gebleven zijn van de deur en van het raam, plotseling de kaars uit en bevonden de twee jonge menschen zich in het donker.

„Je zoudt bijna gelooven, dat het expres gebeurt,” zeide Francine. „Wat vervelend, dat ik u zooveel overlast moet aandoen, maar zoudt u niet zoo goed willen zijn om wat licht te maken, anders zal ik mijn sleutel niet kunnen vinden.”

„Zeker wel, mademoiselle,” antwoordde Jacques en zocht tastend naar lucifers.

Hij had ze al heel gauw gevonden. Plotseling echter kwam hij op een eigenaardige gedachte; hij stak de lucifers in zijn zak en riep uit:

„Lieve hemel, al weer een nieuwe moeilijkheid, mademoiselle, ik heb geen enkelen lucifer meer hier; ik heb den laatsten gebruikt, toen ik thuis kwam.”

„Een prachtig gevonden list,” dacht hij bij zichzelf.

„Goede God!” riep Francine uit; „ik kan wel naar mijn kamer gaan—ik zal daar niet in zeven slooten tegelijk loopen, maar om erin te komen, moet ik mijn sleutel hebben. Ach mijnheer, help mij even zoeken, hij moet op den grond liggen”.

„Laten we maar even zoeken, mademoiselle,” zeide Jacques.

En nu waren zij beiden in het donker naar het verloren schaap aan het zoeken; maar alsof zij door hetzelfde instinct bestuurd werden, ontmoetten hun handen, die op dezelfde plaats zochten, elkaar wel tienmaal in de minuut. En daar zij beiden even onhandig waren, vonden zij den sleutel niet.

„De maan is op het oogenblik door een wolk bedekt, maar schijnt dadelijk vlak in mijn kamer,” zeide Jacques. „Wacht u dus even. Straks zal zij ons bij het zoeken helpen.” [263]

Om den tijd wat te bekorten, begonnen zij te praten. Een gesprek in het donker, in een klein kamertje, in een lentenacht; een gesprek, dat, in den beginne nietszeggend en onbeteekenend, langzamerhand vertrouwelijker wordt ..... u weet, waarheen dat leidt. De zinnen worden wat onsamenhangend en door veelzeggende pauzes onderbroken; de stem wordt zachter; woorden wisselen af met zuchten. De handen, die elkaar ontmoeten, vullen de gedachte aan, die uit het hart naar de lippen stijgt, en .... Zoekt het slot maar in uw herinneringen, jonge paartjes. Zoek het, jonge man, zoek het, jonge vrouw, zoekt het gij, die vandaag arm in arm en hand in hand loopt en elkaar twee dagen tevoren nog nooit gezien hadt.

Eindelijk kwam de maan achter de wolken te voorschijn en wierp haar lichte stralen in het kamertje. Mademoiselle Francine werd wakker als uit een droom en stiet een klein gilletje uit.

„Wat is er?” vroeg Jacques, die zijn armen om haar middel sloeg.

„Niets,” mompelde Francine; „ik dacht, dat ik hoorde kloppen.”

En zonder dat Jacques het merkte, schoof zij met haar voet den sleutel, dien zij vlak bij zag liggen, onder een kast.

Zij wilde hem niet vinden.


Eerste Lezer: Ik zal dit verhaal mijn dochter zeker niet in handen geven.

Tweede Lezer: Tot nog toe heb ik geen haar van Francine’s mof gezien; en wat het meisje zelf betreft, ik weet nog niet eens of zij bruin of blond is.

Geduld lezers, geduld! Ik heb u een mof beloofd en ik zal u die ook geven, zooals mijn vriend Jacques er een gegeven heeft aan zijn arm vriendinnetje Francine, [264]die, zooals ik hierboven door de puntjes heb aangeduid, zijn maîtresse geworden was. Francine was blond, blond en vroolijk, wat niet dikwijls voorkomt. Tot haar twintigste jaar had zij de liefde niet gekend; maar een onbestemd voorgevoel van haar naderend einde waarschuwde haar, dat zij zich moest haasten, als zij die nog wilde leeren kennen.

Zij ontmoette Jacques en kreeg hem lief. Hun liaison duurde zes maanden. In het voorjaar hadden zij elkaar gevonden; in het najaar scheidden zij weer. Francine was een teringlijdster, zij wist het en haar vriend Jacques wist het ook: veertien dagen nadat hij met Francine was gaan samen wonen, had hij het gehoord van een van zijn vrienden, die dokter was. Zij zou met het vallen der gele bladeren heengaan, had hij gezegd.

Francine had die voorspelling gehoord en zag eveneens, hoe wanhopig haar vriend daaronder was.

„Wat kunnen ons die gele bladeren schelen?” zeide zij met een glimlach, waarin zij al haar liefde legde; „wat kan ons het najaar schelen? Wij zijn in den zomer en de bladeren zijn groen: laten we die niet ongebruikt voorbij laten gaan ..... En wanneer je ziet, dat ik uit dit leven heengaan wil, neem me dan in je armen, kus me en verbied me weg te gaan. Ik ben gehoorzaam, dat weet je; dus zal ik bij je blijven!”

En zoo leefde dit bekoorlijke schepseltje vijf maanden lang met lachjes en liedjes op haar lippen het moeilijke bohème-leven mede. Jacques liet zich daardoor om den tuin leiden; zijn vriend zeide dikwijls tot hem: „Francine gaat achteruit; zij moet goed verpleegd worden.” Dan liep Jacques heel Parijs af om geld te vinden voor de door den dokter voorgeschreven geneesmiddelen, maar Francine wilde er niets van weten en wierp ze het raam uit. Wanneer zij ’s nachts een hoestaanval kreeg, stond zij zachtjes op en ging naar [265]de gang, uit vrees, dat Jacques het anders hooren zou.

Toen zij op een goeden dag samen buiten waren, zag Jacques, dat er aan de boomen gele bladeren begonnen te komen. Treurig keek hij Francine aan, die langzaam en mijmerend naast hem liep.

Francine zag hem bleek worden en raadde de oorzaak ervan.

„Je lijkt wel niet goed wijs,” zeide zij, terwijl zij hem een kus gaf; „wij zijn pas in Juli; het is nog drie maanden voor October in het land is: en wanneer wij, zooals wij dat doen, elkaar dag en nacht liefhebben, dan verdubbelen we den tijd, dien we nog samen te leven hebben. En wanneer ik mij met het vallen der gele bladeren erger voel worden, dan gaan we in een dennenbosch wonen: daar zijn de bladeren altijd groen.”


In het begin van October moest Francine het bed blijven houden. Jacques’ vriend behandelde haar. Het kleine kamertje, waarin zij woonden, lag op de bovenste verdieping van het huis en zag uit op een binnenplaats, waarin een boom stond, welks bladerentooi met den dag dunner werd. Jacques had een gordijn voor het raam gehangen, om den boom voor het oog van de zieke te verbergen; maar Francine stond erop, dat het weer weggenomen werd.

„Lieve jongen!” zeide zij tot Jacques; „ik zal je honderd maal meer zoenen geven, dan de boom bladeren heeft .... En zij voegde eraan toe: „Ik voel me trouwens veel beter .... Ik zal heel gauw weer uit kunnen gaan, maar omdat het zoo koud is en ik geen winterhanden wil krijgen, moet je een mof voor me koopen.”

Gedurende den geheelen duur van haar ziekte was die mof haar eenige wensch.

Den dag voor Allerheiligen was Jacques wanhopiger dan ooit. Francine zag het en wilde hem wat moed geven, [266]en om hem te bewijzen, dat het werkelijk beter ging, stond zij op.

Juist op dat oogenblik kwam de dokter, die haar dwong onmiddellijk weer naar bed te gaan.

„Jacques,” fluisterde hij den artist in het oor; „wees sterk, kerel! Het is afgeloopen .... Francine moet sterven.”

Jacques smolt in tranen weg.

„Je kunt haar nu alles geven, wat zij vraagt; er is geen hoop meer.”

Francine hoorde met haar oogen wat de dokter haar vriend toefluisterde.

„Geloof hem niet!” riep zij, terwijl zij haar armen naar Jacques uitstrekte; „geloof hem niet, hij liegt. Morgen gaan we samen uit .... dan is het Allerheiligen; het zal koud zijn, ga een mof voor me koopen .... Ik heb zoo vreeselijk het land aan winterhanden.”

Jacques wilde met zijn vriend weggaan; Francine echter vroeg den dokter nog even te blijven.

„Ga jij de mof koopen, Jacques,” zeide zij; „neem maar een goede, dan duurt hij des te langer.”

Toen zij met den dokter alleen was, zeide zij:

„O, dokter, ik ga sterven, ik weet het .... Maar geef mij, vòòr ik heenga, nog een middel, dat mij voor één nacht mijn krachten teruggeeft .... ik smeek u erom: maak mij nog één nacht mooi, dan wil ik gaarne sterven, nu de goede God niet wil, dat ik nog langer leef.”

Toen de dokter haar zoo goed mogelijk troostte, woei een windvlaag door het openstaande raam een geel blad van den boom op de binnenplaats op het bed der zieke.

Francine schoof het gordijn weg en zag, dat de boom heelemaal kaal was.

„Dat is het laatste,” mompelde zij en legde het blad onder haar kussen. [267]

„U zult morgen pas sterven,” zeide de dokter tot haar; „u hebt nog een nacht voor u.”

„Wat een geluk!” zeide het jonge meisje. „Een winternacht .... die duurt lang.”

Jacques kwam met een mof terug.

„Wat een mooie!” zeide Francine; „als ik uitga, zal ik hem dragen.”

Den nacht bracht zij in Jacques’ armen door.

Den volgenden dag, Allerheiligen, trad met het kleppen van het middag-angelus de doodstrijd in. Zij begon over haar geheele lichaam te beven.

„Ik heb zulke koude handen,” mompelde zij. „Geef me mijn mof.”

En zij wikkelde haar magere handen in het bont ....

„Het is het einde,” zeide de dokter tot Jacques; „geef haar een afscheidskus.”

Jacques drukte zijn lippen op die van zijn vriendinnetje. In het laatste oogenblik wilden zij de mof wegnemen, maar krampachtig hield zij die vast.

„Neen, neen!” zuchtte zij; „laat ik die houden; het is winter en zoo koud ..... Mijn arme Jacques .... Mijn arme Jacques .... wat moet er van je worden ... O, God!”

En den volgenden dag was Jacques alleen.

Eerste lezer: Ik heb wel gezegd, dat het geen vroolijk verhaal was!

Wat zal ik u zeggen, lezer? Men kan niet altijd lachen.

[Inhoud]

II.

Het was de ochtend van Allerheiligen. Francine was zooeven gestorven.

Twee mannen waakten aan het sterfbed: de een, die erbij stond, was de dokter; de ander, die naast het bed geknield lag, drukte zijn lippen op de handen der doode [268]en scheen die er in een wanhopigen kus voor eeuwig aan vast te willen kleven; dat was Jacques, Francine’s minnaar. Reeds zes uur lang lag hij daar in een toestand van gevoelloosheid, die een gevolg van diepen smart schijnt te zijn. Een draaiorgel, dat onder zijn raam begon te spelen, riep hem eindelijk weer tot het leven terug.

Dit orgel speelde een wijsje, dat Francine ’s morgens bij het wakker worden placht te zingen.

Een van die waanzinnige verwachtingen, welke slechts in de grootste wanhoop kunnen geboren worden, doorflitste plotseling Jacques’ geest. Hij ging in gedachten een maand in het verleden terug, naar den tijd, dat Francine nog slechts stervende was; hij vergat het heden en beeldde zich een oogenblik in, dat de doode slechts sliep en dadelijk met het gewone morgenliedje op de lippen wakker zou worden.

Doch nog voor de tonen van het orgel geheel weggestorven waren, was Jacques reeds tot de werkelijkheid teruggekeerd. Francine’s mond was voor altijd verstomd en de glimlach, die haar laatste gedachte op haar lippen getooverd had, verdween reeds, om plaats te maken voor de trekken des doods.

„Moed, Jacques!” zeide de dokter tot zijn vriend.

Jacques stond op en keek den dokter aan:

„Het is afgeloopen, niet waar? Er is geen hoop meer?”

Zonder op die droevig-dwaze vraag te antwoorden, ging de dokter naar het bed, trok de gordijnen dicht, wendde zich dan weer tot den beeldhouwer en drukte hem de hand.

„Francine is dood .....” zeide hij; „het was te verwachten. God weet, dat wij alles, wat in onze macht stond, gedaan hebben, om haar te redden. Het was een braaf meisje, Jacques, dat veel van je gehouden heeft, meer en anders, dan jij van haar hieldt; want haar liefde was niets dan liefde, terwijl er bij jou nog iets anders [269]bij kwam. Francine is dood .... maar alles is nog niet afgeloopen; we moeten nu aan de voor de begrafenis noodige maatregelen denken. Wij zullen dat samen doen en een buurvrouw vragen tijdens onze afwezigheid bij het lijk te waken.”

Willoos liet Jacques zich door zijn vriend medenemen. De geheele dag ging heen met bezoeken aan de mairie, den begrafenisondernemer en het kerkhof. Daar Jacques in het geheel geen geld had, verpandde de dokter zijn horloge, een ring en verschillende kleedingstukken, om de kosten voor de begrafenis, die den volgenden dag zou plaats hebben, te kunnen bestrijden.

Eerst laat in den avond kwamen zij samen terug. De buurvrouw drong er bij Jacques op aan wat te eten.

„Goed,” zeide hij; „geef maar wat; ik heb het koud en moet weer wat krachten verzamelen, want ik moet vannacht nog werken.”

De buurvrouw en de dokter begrepen niet wat hij bedoelde.

Jacques ging aan tafel zitten en slokte zoo gulzig een paar happen naar binnen, dat hij er bijna in stikte. Toen vroeg hij wat te drinken. Doch toen hij het glas naar zijn mond bracht, liet hij het op den grond vallen. Het brak. Het glas had een herinnering in hem wakker geroepen, die op haar beurt zijn verdriet, dat een oogenblik ingesluimerd was, weer tot nieuw leven wekte. Op den dag n.l., dat Francine voor het eerst bij hem gekomen was, had het jonge meisje, dat toen reeds lijdende was, zich plotseling onwel gevoeld, en had Jacques haar uit dat glas wat suikerwater laten drinken. Later, toen zij samen woonden, hadden zij er een liefde-reliquie van gemaakt.

Ook had de beeldhouwer in zijn zeldzame oogenblikken van rijkdom een paar maal voor zijn vriendinnetje een of twee flesschen versterkenden wijn, die haar door den dokter was voorgeschreven, gekocht, en dan had Francine [270]altijd uit dat glas dien drank gedronken, waaruit haar liefde een betooverende vroolijkheid putte.

Langer dan een half uur bleef Jacques sprakeloos naar die overblijfselen van dat dierbare, brooze souvenir te staren. Hij had een gevoel alsof ook zijn hart gebroken was en de scherven daarvan zijn borst verscheurden. Toen hij eindelijk weer tot de werkelijkheid teruggekeerd was, raapte hij de scherven van het glas bijeen en sloot die weg in een kast. Dan vroeg hij zijn buurvrouw twee kaarsen te halen en door den portier een emmer water te laten boven brengen.

„Ga niet weg,” verzocht hij den dokter, die daar geen oogenblik aan dacht; „ik heb je straks noodig.”

Toen het water en de kaarsen gebracht waren, bleven de twee vrienden alleen.

„Wat wil je doen?” vroeg de dokter, toen hij zag, dat Jacques, na het water in een houten bak gegoten te hebben, er gips bij wierp.

„Wat ik doen wil?” antwoordde Jacques; „kan je het niet raden? Ik wil een afdruk maken van Francine’s hoofd; en omdat de moed daartoe mij zou ontbreken, als ik alleen bleef, mag je niet weggaan.”

Jacques trok de gordijnen van het bed open en sloeg het laken, waarmede het gelaat van de doode bedekt was, weg. Zijn hand begon te beven en een half-verstikte zucht steeg uit zijn borst op.

„Breng de kaarsen eens hier,” riep hij zijn vriend toe, „en houd den bak eens vast.”

De eene kaars werd aan het hoofdeinde van het bed gezet, zoodat het volle licht ervan op het gelaat der doode viel; de andere aan het voeteneinde. Dan doopte hij een penseel in olijfolie en wreef daarmede de wenkbrauwen, de wimpers en het haar in, dat hij opgemaakt had, zooals Francine het gewoonlijk droeg.

„Op die manier zal het haar geen pijn doen, wanneer [271]wij het masker afnemen,” zeide hij tot zichzelf.

Na deze voorzorgsmaatregelen genomen en het hoofd in een gemakkelijke houding gelegd te hebben, begon Jacques het gips in gelijke lagen op te leggen, totdat het masker de vereischte dikte had. Na een kwartier was de bewerking afgeloopen en volkomen geslaagd.

Door een eigenaardig proces had op het gelaat van Francine een merkwaardige verandering plaats gegrepen. Het bloed, dat nog geen tijd gehad had geheel en al te verstijven, was ongetwijfeld door de hooge temperatuur van het gips weer warm geworden en naar de bovenste lichaamsdeelen gestroomd, zoodat het matwitte van het voorhoofd en de wangen langzamerhand een rosen tint begon te krijgen. De oogleden, die door het wegnemen van het masker eenigszins geopend waren, lieten het rustige blauw der oogen zien, welker blik een vaag begrijpen scheen te verraden, en de door een half glimlachje even geopende lippen schenen het bij het laatste afscheid vergeten woord te spreken, dat men slechts met het hart hoort.

Trouwens, wie zou kunnen verzekeren, dat het begrip ophoudt op hetzelfde oogenblik, dat de gevoelloosheid van een wezen intreedt? Wie kan zeggen, dat de hartstochten sterven en verdwijnen tegelijk met den laatsten harteklop? Zou de ziel niet een enkele maal vrijwillig besloten kunnen blijven in het reeds voor de begrafenis gekleede lichaam, en van uit haar vleeschelijk omhulsel een oogenblik de droefheid en de tranen bespieden kunnen? Zij, die van ons scheiden, hebben zooveel redenen om hen, die blijven, te wantrouwen.

Wie weet, of niet misschien op het oogenblik, dat Jacques besloot haar trekken met behulp der kunst te vereeuwigen, een laatste aardsche gedachte Francine weer was komen wekken uit den eersten sluimer van haar eeuwige rust. Misschien had zij zich herinnerd, dat hij, [272]dien zij zoo pas verlaten had, behalve een minnaar ook een kunstenaar was; dat hij beide was, omdat hij niet het een zonder het andere kon zijn; dat voor hem de liefde de ziel der kunst was, en dat hij haar daarom slechts zoo lief gehad had, omdat zij voor hem vrouw en minnares tegelijk, een gevoel in een vorm had kunnen zijn. En toen had in haar begeerte om Jacques dat menschelijk beeld, dat voor hem het ideaal zelve geworden was, achter te laten, Francine misschien, hoewel reeds dood en koud en stijf, nog eenmaal op haar gelaat den glans van haar liefde en al de bekoring van haar jeugd weten te voorschijn te roepen: zij blies het kunstwerk leven in.

En misschien had het arme meisje goed gedacht: want er bestaan onder de ware kunstenaars van die Pygmalions, die, in tegenstelling met hun klassieken naamgenoot, gaarne hun levende Galathea’s in marmer zouden willen veranderen.

Bij het zien van die kalme rust op dat gelaat, waarop de doodstrijd geen sporen achtergelaten had, zou niemand hebben kunnen gelooven aan het lange lijden, dat aan den dood voorafgegaan was. Francine scheen een liefdesdroom verder te droomen; en wanneer men haar daar zoo zag liggen, zou men gezegd hebben, dat zij aan schoonheid gestorven was.

Uitgeput door vermoeienis, was de dokter in een hoek in slaap gevallen.

Jacques daarentegen was opnieuw ten prooi aan zijn twijfel van zooeven. Zijn aan zinsbegoochelingen lijdende geest bleef hardnekkig in den waan, dat de vrouw, die hij zoo grenzenloos lief had, weer zou ontwaken; en daar van tijd tot tijd zwakke zenuwtrekkingen (het gevolg van het mouleeren van het gezicht) de onbeweeglijkheid van het lijk verbraken, versterkte dit schijnbare leven Jacques in zijn gelukkige illusie, die voortduurde tot den ochtend, toen een ambtenaar den [273]dood constateeren en verlof tot begraven geven kwam.

Trouwens evenals men geheel waanzinnig van wanhoop moest zijn, om aan haar dood te twijfelen, zoo moest men de onfeilbaarheid der wetenschap te hulp roepen om bij het zien van dat schoone wezen aan den dood te kunnen gelooven.

Toen de buurvrouw Francine in de lijkkist legde, bracht men Jacques in een ander vertrek, waar hij enkele van zijn vrienden vond, die gekomen waren, om de ontslapene de laatste eer te bewijzen. De bohémiens onthielden zich tegenover Jacques, hoewel zij hem heel graag mochten lijden, van al die troostwoorden, die het verdriet toch slechts grooter maken. Zonder een van die woorden te spreken, welke in zulke oogenblikken zoo moeilijk te vinden en zoo pijnlijk om aan te hooren zijn, drukten zij, de een na den ander, hun vriend zwijgend de hand.

„Het sterven van Francine is een groot ongeluk voor Jacques,” zeide een hunner.

„Zeker,” antwoordde de schilder Lazare, een bizarre persoonlijkheid, die reeds vroeg alle hartstochten der jeugd had weten te overwinnen door daartegenover de onbuigzaamheid van een vasten wil te stellen, zoodat eindelijk de mensch in den kunstenaar ten onder gegaan was—„zeker, maar dan toch een ongeluk, waarvan hij zelf de grootste schuld is. Sedert Jacques Francine kent, is hij vreeselijk veranderd.”

„Zij heeft hem gelukkig gemaakt,” merkte een derde op.

„Gelukkig?” antwoordde Lazare; „wat noem je gelukkig? Hoe kunt ge een hartstocht, die iemand brengt in een toestand, waarin Jacques thans verkeert, geluk noemen? Laat hem eens een meesterwerk zien, hij zal er zich van afwenden; en om nog eenmaal zijn vriendinnetje levend te zien, zou hij desnoods een Titiaan of een Raphaël vertrappen. Mijn geliefde daarentegen [274]is onsterfelijk en zal mij nooit bedriegen; zij woont in den Louvre en heet Joconda.”

Juist toen Lazare zijn theorieën over kunst en gevoel nader uiteen wilde gaan zetten, vertrok de stoet naar de kerk.

Na enkele fluisterend uitgesproken gebeden zette de stoet zich in beweging naar het kerkhof.

Daar het toevallig Allerzielen was, verdrong zich een groote menigte op den doodenakker. Velen keken om naar Jacques, die blootshoofds achter den lijkwagen liep.

„Arme jongen!” zeide er een; „zeker zijn moeder.”

„Neen zijn vader!” dacht een ander.

„Of zijn zuster!” merkte een derde op.

Slechts een dichter, die op dit feest der herinnering, dat eenmaal per jaar in de nevels van November herdacht wordt, den doodenakker was komen bezoeken, om de gebaren van droefheid te bestudeeren, zou bij het zien van Jacques, als bij instinct gevoeld hebben, dat hij zijn geliefde naar haar laatste rustplaats bracht.

Toen zij bij het graf gekomen waren, ontblootten de bohémiens het hoofd en plaatsten zich in een kring erom heen. Jacques stond aan den rand, zijn vriend de dokter hield zijn arm vast.

De doodgravers hadden haast en wilden zoo gauw mogelijk klaar zijn.

„Er wordt gelukkig niet gesproken,” zeide er een. „Des te beter. Vooruit kameraad, opgepast!”

En in een oogwenk werd de kist uit den wagen genomen en aan touwen in het graf neergelaten. De man trok nu de touwen onder de kist uit en kwam uit het gat, nam dan een schop en begon met een van zijn kameraads aarde op de kist te werpen. Weldra was het graf dichtgegooid. Een klein houten kruis werd erop geplaatst.

Toen hoorde de dokter Jacques onder luide zuchten deze egoïstische woorden uitstooten: [275]

„Daar wordt mijn jeugd begraven!”

Jacques behoorde tot een club, waarvan de leden zich „Waterdrinkers” noemden, en die een navolging scheen te zijn van den beroemden vriendenkring uit de rue des Quatre-Vents, waarvan sprake is in Balzac’s mooien roman: „Un Grand Homme de province.” Maar toch bestond er een groot verschil tusschen de helden van dien vriendenkring en de Waterdrinkers, die, zooals alle navolgers, het systeem, dat zij in praktijk wilden brengen, gruwlijk overdreven hadden. Dit verschil zal men alleen reeds uit dit enkele feit kunnen begrijpen, dat in het boek van Balzac de leden van den vriendenkring het doel, dat zij zich voor oogen gesteld hadden, ten slotte bereikten en daarmede het bewijs leverden, dat ieder systeem, dat tot het doel leidt, goed is, terwijl de club der waterdrinkers na een bestaan van vele jaren op heel natuurlijke wijze, n.l. door den dood van al haar leden, aan haar eind kwam, zonder dat de naam van een hunner verbonden was aan een werk, dat van hun bestaan had kunnen getuigen.

Gedurende zijn liaison met Francine was de verhouding van Jacques tot de club der Waterdrinkers minder intiem geworden. Om in het onderhoud van hem en zijn vriendinnetje te kunnen voorzien, had hij enkele wetten en voorschriften, die op den oprichtingsdag der club door de Waterdrinkers plechtig onderteekend en bezworen waren, moeten overtreden.

Steeds doorstappend op de stelten van een onzinnigen trots hadden deze jonge menschen als hoofdprincipe van hun club opgesteld, dat zij nooit van de hooge toppen der kunst zouden mogen afdalen, d.w.z. dat geen hunner, ook al drong de nood nog zoo, ook maar de geringste concessie daaraan mocht doen. Zoo zou bijv. de dichter Melchior er nooit in hebben toegestemd zijn „lier” voor eenige oogenblikken aan de wilgen te hangen, om een [276]handelsprospectus of een politieke geloofsbelijdenis te schrijven. Dat was goed voor den dichter Rodolphe, een deugniet, die voor alles deugde, en die nooit een honderd-sous-stuk in zijn nabijheid liet komen zonder er, het kwam er niet op aan waarmee, op te schieten. Zoo zou ook de schilder Lazare, een trotsche armoedzaaier, nooit zijn penseel hebben willen bezoedelen door het portret van een kleermaker met een papegaai op zijn vinger te schilderen, zooals onze vriend Marcel eens gedaan had in ruil voor den beruchten rok Methusalem, waarop ieder van zijn maîtressen de kunst van oplappen geleerd had. Zoolang Jacques met de Waterdrinkers in gemeenschap van denkbeelden leefde, had hij zich aan die tyrannieke clubvoorschriften onderworpen; maar toen hij Francine had leeren kennen, wilde hij het arme, toen reeds zieke kind niet blootstellen aan de levenswijze, die hij tijdens zijn „ongehuwden staat”, geleid had. Jacques was vòòr alles een oprechte, eerlijke natuur. Hij ging dus naar den president der club, den starren Lazare, en deelde hem mede, dat hij in het vervolg alle werkzaamheden, die hem wat zouden kunnen opbrengen, aannemen zou.

„Je liefdesverklaring,” antwoordde Lazare hem, „was tevens je afscheid aan de kunst. Wij zullen je vrienden blijven, als je dat wilt, maar je medeleden kunnen we niet meer zijn. Oefen je vak uit zooals je wilt; voor mij ben je geen beeldhouwer meer, maar een gipsmenger. Wel zal jij nu in het vervolg wijn kunnen drinken, en zullen wij evenals vroeger ons water drinken en ons kommiesbrood eten; maar wij blijven kunstenaars!”

Wat Lazare echter ook zeggen mocht, Jacques bleef een kunstenaar. Maar om Francine bij zich te kunnen houden nam hij ook, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, werkzaamheden aan, die wat opbrachten. Zoo werkte hij bijv. een tijd lang in het atelier van den [277]ornamentist Romagnési. Handig in de uitvoering en vindingrijk in het ontwerpen, had Jacques, zonder daarom ernstige kunst geheel vaarwel te moeten zeggen, een groote reputatie kunnen krijgen in die genre-composities, welke een der voornaamste artikelen in den luxe-handel geworden zijn. Maar Jacques was lui, zooals alle ware kunstenaars, en verliefd als een dichter. De jeugd was in hem laat, maar daardoor des te vuriger ontwaakt; en hij wilde, als had hij een voorgevoel van zijn vroegen dood, die geheel en al uitleven in de armen van Francine. Het gevolg daarvan was, dat de goede gelegenheden om te werken dikwijls aan zijn deur kwamen kloppen, zonder dat Jacques er antwoord op gaf; hij wilde zich niet laten storen: hij vond het te heerlijk te droomen in den glans der oogen van zijn vriendinnetje.

Toen Francine gestorven was, ging de beeldhouwer zijn oude vrienden, de Waterdrinkers, weer opzoeken. Maar in dezen kring voerde de geest van Lazare de opperheerschappij: ieder lid leefde als versteend in het egoïsme van de kunst. Jacques vond daar niet wat hij zocht. Zijn wanhoop werd er niet begrepen; men trachtte zelfs die door redeneeringen tot zwijgen te brengen. Toen Jacques die weinige sympathie bemerkte, wilde hij liever met zijn smart alleen zijn dan deze op zoo’n manier aan discussies blootgesteld te zien. Hij brak dus volkomen met de Waterdrinkers en leefde alleen voor zichzelf.

Vijf of zes dagen na Francine’s begrafenis ging Jacques naar een marmerhandelaar van het kerkhof Mont-Parnasse en stelde hem de volgende transactie voor: de handelaar zou voor het graf van Francine een hekje leveren, dat Jacques zich voorbehield te teekenen, en bovendien den kunstenaar een stuk wit marmer geven, waartegenover Jacques zich verplichtte drie maanden lang als steenhouwer of beeldhouwer te werken. De fabrikant [278]had toen verscheidene belangrijke bestellingen; hij ging naar het atelier van Jacques en kwam bij het zien der vele begonnen werken tot de overtuiging, dat het toeval hem in den persoon van Jacques een mooi fortuintje bracht. Acht dagen later had Francine’s graf een hekje, terwijl het houten kruisje vervangen was door een groot steenen kruis, waarin Francine’s naam gebeiteld was.

Gelukkig had Jacques met een fatsoenlijk iemand te doen, die inzag, dat honderd kilogram gietijzer en drie vierkante voet marmer niet voldoende waren om drie maanden arbeid van den jongen kunstenaar, wiens talent hem verscheidene duizenden daalders had opgebracht, te betalen. Hij bood Jacques dan ook aan hem tegen een aandeel in de winst deelgenoot te maken van zijn zaak, maar de kunstenaar sloeg dat aanbod af. De weinige verscheidenheid der te behandelen onderwerpen kwam niet overeen met zijn vindingrijke natuur, en bovendien had hij wat hij wilde: n.l. een groot stuk marmer, waaruit hij een kunstwerk, dat hij voor Francine’s graf bestemde, wilde te voorschijn roepen.

In het begin der lente werden trouwens de levensomstandigheden van Jacques beter: zijn vriend de dokter bracht hem n.l. in kennis met een voornamen en rijken edelman, die zich te Parijs wilde vestigen en in een der voornaamste wijken een prachtig huis liet bouwen. Verschillende beroemde kunstenaars waren reeds aangezocht om mede te werken aan dit luxueuse paleis. Jacques kreeg de opdracht voor een salonschoorsteen. Het is me alsof ik zijn cartons nog voor mij zie; het was een bekoorlijk iets: het geheele sprookje van den winter was op dit marmer verteld, dat als omlijsting voor het vuur moest dienen. Daar Jacques’ atelier te klein was, vroeg en verkreeg hij, om zijn werk uit te voeren, een vertrek in het nog niet bewoonde huis, terwijl hem bovendien een vrij groot voorschot op de voor het werk [279]overeengekomen som gegeven werd. Het eerste, wat Jacques daarvan deed, was zijn vriend den dokter het geld, dat deze hem bij den dood van Francine geleend had, terug te geven; daarna ging hij naar het kerkhof, om den grond, waaronder zijn vriendinnetje rustte, onder bloemen te bedekken.

Maar de lente was Jacques voor geweest, en op het graf van het jonge meisje bloeiden tusschen het groenende gras duizend bloemen. De kunstenaar had den moed niet ze eruit te trekken, want hij dacht, dat er iets van zijn vriendinnetje in deze bloemen overgegaan was. Toen de tuinman hem vroeg wat hij met die rozen en viooltjes doen moest, verzocht Jacques hem die te planten op een pas gedolven graf ernaast, de armzalige laatste rustplaats van een armzalige, die geen ander herkenningsteeken had dan een in de losse aarde gestoken stuk hout, waarop een krans van verschoten papieren bloemen hing, een armzalige liefdegave van een armzalige. Jacques verliet het kerkhof in een geheel andere stemming dan hij er gekomen was. Opgewekt en nieuwsgierig keek hij naar de mooie lentezon, diezelfde zon, die zoo dikwijls gouden stralen getooverd had in Francine’s haar, wanneer zij met hem door de weiden liep en met haar blanke handen bloemen plukte. Een groote zwerm heerlijke gedachten en herinneringen zoemde in zijn hart. Toen hij voorbij een klein herbergje van den buitenboulevard kwam, viel het hem in, dat hij op een dag, toen hij door een onweer verrast werd, met Francine daar was binnengegaan en dat zij er samen gegeten hadden. Hij ging er nu ook binnen en liet het diner aan hetzelfde tafeltje van toen brengen. Het dessert werd op een beschilderd schaaltje opgediend; hij herkende het schaaltje en herinnerde zich, dat Francine wel een half uur lang bezig geweest was om de rebus, die er op geschilderd was, op te lossen; ook kwam hem weer een liedje in de gedachte, dat Francine [280]voor hem gezongen had, toen de goedkoope landwijn, die meer vroolijkheid dan druivensap bevat, haar in een montere stemming gebracht had. Doch deze opwelling van zoete herinneringen deed thans wel zijn liefde, maar niet zijn verdriet ontwaken. Bijgeloovig, zooals alle dichterlijke en mijmerende naturen, verbeeldde Jacques zich, dat Francine zelf, toen zij hem daareven vlak bij zich had hooren loopen, hem uit haar graf deze wolk van blijde herinneringen had toegezonden, die hij niet met tranen wilde bevlekken. En hij verliet met lichten stap, opgeheven hoofd, schitterende oogen, kloppend hart en bijna een glimlach op de lippen het herbergje en neuriede onder het loopen het refrein van Francine’s liedje:

L’amour rôde dans mon quartier,

Il faut tenir ma porte ouverte.

Dit refrein was in den mond van Jacques nog een herinnering, maar toch was het ook reeds een lied, en misschien deed hij dien avond, zonder het zelf te vermoeden, den eersten stap op den weg, die van droefheid tot weemoed en van weemoed tot vergetelheid leidt. Ach, wat men ook doet of laat, de eeuwige en rechtvaardige wet der veranderlijkheid wil het zoo.

Evenals de bloemen, die, misschien uit Francine’s lichaam voortgesproten, op haar graf waren ontbloeid, zoo gistten de jeugdsappen in Jacques’ hart, waarin de herinneringen aan zijn oude liefde onbestemde verlangens naar een nieuwe wekten. Bovendien behoorde Jacques tot dat ras van kunstenaars en dichters, die van hun hartstochten een werktuig voor hun kunst en poëzie maken en wier geest eerst dan volkomen levend is, wanneer de drijfkracht van het hart dien in beweging brengt. Bij Jacques was de kunst inderdaad een kind van zijn gevoel; tot in de kleinste dingen, die hij maakte, legde hij een stuk van zijn eigen ik. Hij kwam tot de ontdekking, [281]dat de herinneringen niet langer voldoende voor hem waren, en dat zijn hart, evenals de molensteen, die bij gebrek aan koren afslijt, uit gebrek aan emotie zijn kracht verloor. Het werken had geen bekoring meer voor hem; de inspiratie, die anders koortsachtig en als uit zichzelf voortkomend werkte, kwam nu slechts onder den druk van lang en geduldig nadenken. Jacques was ontevreden en benijdde bijna de levenswijze van zijn oude vrienden, de Waterdrinkers.

Hij trachtte afleiding te vinden, knoopte nieuwe vriendschapsbanden aan. Zoo ging hij veel om met den dichter Rodolphe, dien hij in een café had leeren kennen; beiden hadden een groote sympathie voor elkaar opgevat. Jacques had hem zijn verdriet verteld en Rodolphe had al heel gauw de oorzaak daarvan geraden.

„Ik ken dat, kerel,” zeide hij. En terwijl hij Jacques op de borst klopte, voegde hij eraan toe: „Gauw het vuur daarin weer aansteken! Zorg onmiddellijk voor een nieuw hartstochtje, dan komen de denkbeelden ook weer terug.”

„Ach!” zeide Jacques; „ik heb te veel van Francine gehouden.”

„Dat zal je niet beletten om haar altijd lief te hebben. Kus haar op de lippen van een ander.”

„O,” zeide Jacques, „dat zal ik alleen maar kunnen, als ik een vrouw vond, die op haar leek!”

En diep in gedachten verzonken ging hij heen.


Zes weken later had Jacques al zijn phantasie weer terug gevonden, die weer ontvlamd was door de zachte blikken van een knap meisje, dat Marie heette en wier ziekelijke schoonheid eenigszins aan de arme Francine deed denken. Men kon zich inderdaad moeilijk iets aardigers denken dan die kleine Marie met haar achttien jaar min zes weken, wat zij nooit vergat op te merken. Hun [282]liefdesbetrekkingen waren begonnen in den maneschijn, in den tuin van een danslokaal, bij den klank van een scherpe viool, van een teringachtige bas en een klarinet, die schetterde als een merel. Jacques had haar opgemerkt, toen hij met een ernstig gelaat om den voor de dansers gereserveerden kring heen liep. De luidruchtige en knappe bezoeksters van het lokaal, die den kunstenaar van gezicht kenden, fluisterden, wanneer zij hem in zijn eeuwig zwarte, tot aan de hals dichtgeknoopte jas stijf voorbij zagen komen, elkaar toe:

„Wat komt die doodbidder hier toch doen? Moet er iemand begraven worden?”

Jacques liep steeds alleen: zijn hart bloedde onder de doornen van een herinnering, die het orkest, dat op dit oogenblik een contradans speelde, die den kunstenaar droef als een De Profundis in de ooren klonk, nog levendiger maakte. Midden in zijn droomerijen zag hij Marie, die van uit een hoekje naar hem keek en in een luiden lach uitbarstte, toen zij zijn doodgraversgezicht zag. Jacques sloeg zijn oogen op en hoorde op drie pas van hem dat gelach, dat van onder een rose hoedje opklonk. Hij ging naar het jonge meisje toe en zeide enkele woorden tot haar, waarop zij antwoordde; hij bood haar zijn arm aan, om een wandeling door den tuin te maken; zij nam dien aan. Hij zeide haar, dat zij mooi was als een engel, wat zij hem nog tweemaal zeggen liet; hij plukte voor haar van de boomen groene appels, die zij met veel smaak opat, terwijl zij daarbij telkens weer dien helderen lach liet hooren, die het refrein van haar onverwoestbare vroolijkheid scheen te zijn. Jacques dacht aan den Bijbel en bedacht, dat men nooit tegenover een vrouw wanhopig moet zijn, vooral niet tegenover die, welke veel van appels houden. Hij maakte dus met het rose hoedje nog een wandeling door den tuin, waarvan weer het gevolg was, dat hij, die alleen op het bal gekomen was, het niet alleen verliet. [283]

Maar toch had hij Francine niet vergeten: hij kuste, zooals Rodolphe het uitgedrukt had, haar dagelijks op de lippen van Marie en werkte in het geheim aan het beeld, dat hij op het graf der doode plaatsen wilde.

Toen Jacques op een goeden dag geld gekregen had, kocht hij voor Marie een zwarte japon. Het jonge meisje was er erg blij mede, ook al vond zij, dat zwart voor den zomer geen bijzondere vroolijke kleur was. Doch Jacques zeide haar, dat zwart zijn lievelingskleur was en dat zij hem een groot pleizier zou doen, als zij die japon iederen dag zou dragen. Marie deed hem dat pleizier.

Op een Zaterdagavond zeide Jacques tot het jonge meisje:

„Kom morgenochtend vroeg, dan gaan we naar buiten.”

„Dat treft prachtig,” antwoordde Marie; „ik heb een verrassing voor je. Het zal wel mooi weer zijn!”

Marie werkte den geheelen nacht door aan een nieuwe japon, die zij voor haar spaarduitjes gekocht had, een allerliefst, rose japonnetje, waarmede zij ’s Zondagsochtends, stralend van vreugde, in het atelier van Jacques kwam.

De kunstenaar ontving haar koel, bijna grof.

„En ik dacht nogal, dat ik je een plezier zou doen, toen ik dat lichte pakje kocht!” zeide Marie, die voor Jacques’ koelheid geen verklaring vinden kon.

„Wij gaan niet naar buiten,” antwoordde hij; „ga maar terug, ik moet werken.”

Marie ging bedroefd naar huis. Onderweg kwam zij een jongen man tegen, die de geschiedenis van Jacques kende en haar vroeger het hof gemaakt had.

„Wat, mademoiselle Marie, bent u niet meer in den rouw?”

„In den rouw?” vroeg zij; „en voor wie?”

„Wat, weet u dat niet? Het is toch bekend genoeg die zwarte japon, die Jacques u gegeven heeft ....”

„Nou?” [284]

„Wel dat was een rouwjapon: Jacques liet u om Francine rouwen.”

Na dien dag heeft Jacques Marie niet meer gezien.

Die breuk bracht hem ongeluk. De slechte dagen keerden terug: hij had geen werk meer en verviel in zoo’n groote ellende, dat hij, daar hij niet wist wat hij beginnen moest, zijn vriend den dokter vroeg hem in een ziekenhuis te laten opnemen. De dokter zag bij den eersten oogopslag, dat het niet veel moeite zou kosten daarvoor toestemming te krijgen. Zonder dat Jacques eenig vermoeden van zijn toestand had, was hij op weg, om weer spoedig bij Francine te zijn.

Hij werd opgenomen in het hospitaal Saint-Louis.

Daar hij nog werken en loopen kon, verzocht hij den directeur van het ziekenhuis hem een klein kamertje te willen geven, dat toch niet gebruikt werd, en liet daar een werkbank, beitels en leem brengen. De eerste veertien dagen werkte hij daar aan het beeld, dat hij voor Francine’s graf bestemd had. Het was een engel met uitgestrekte vleugels. Dit beeld, dat Francine’s trekken had, werd niet voltooid, want al heel gauw kon Jacques de trap niet meer op, en kort daarop mocht hij zelfs het bed niet meer uit.

Toen Jacques op zekeren dag het cahier van den dokter in handen kreeg en daaruit zag welke geneesmiddelen hij kreeg, begreep hij, dat hij verloren was: hij schreef aan zijn familie en liet zuster Sainte-Géneviève, die hem met groote toewijding verpleegde, roepen.

„Zuster,” zeide hij tot haar, „in het kamertje boven, dat men mij heeft afgestaan, staat een kleine gipsfiguur; het beeld, dat een engel voorstelt, was bestemd voor een graf; maar ik heb geen tijd gehad het in marmer uit te voeren. En toch heb ik thuis een prachtig stuk, wit met rose aderen, liggen. Om kort te gaan .... zuster, ik geef u het kleine beeld, om het in de kapel te zetten.” [285]

Enkele dagen later stierf Jacques. Daar de begrafenis gelijktijdig met de opening van den salon plaats had, konden de Waterdrinkers er niet bij tegenwoordig zijn. De kunst voor alles, had Lazare gezegd.

Jacques’ familie was niet rijk en de kunstenaar had geen eigen graf.

Hij werd in een hoek van het kerkhof begraven. [286]


1 Letterlijk: een pleisterplaats voor karavanen.

2 Zinspeling op Dante’s Inferno.

[Inhoud]

Hoofdstuk XIX.

De grillen van Musette.

Men zal zich herinneren hoe Marcel zijn beroemd doek „De Doortocht door de Roode Zee”, dat later als uithangbord voor een comestibleswinkel dienen zou, aan Médicis verkocht had. Den dag na den verkoop, die gevolgd was door een schitterend souper, hetwelk de Jood als toegift op den koop aan de bohémiens had aangeboden, ontwaakten Marcel, Schaunard, Colline en Rodolphe eerst diep in den ochtend en konden zich, nog onder den invloed als zij waren van de wijnen van den vorigen avond, eerst niet goed herinneren wat er eigenlijk gebeurd was. Toen van een kerk in de buurt het middag-Angelus klepte, keken zij elkaar met een melancholiek glimlachje aan.

„Dat is het klokje, dat met zijn vrome klanken de geloovigen naar de eetzaal roept,” zeide Marcel.

„Zeker,” antwoordde Rodolphe, „dit is het plechtige uur, waarop alle fatsoenlijke menschen naar het refectorium opgaan.”

„Dan zullen we toch moeten zien fatsoenlijke menschen te worden,” bromde Colline, voor wien iedere dag op den kalender St. Appetitus1 was.

„O, melkinrichting van mijn min; o, gezegende vier maaltijden van mijn jeugd, wat is er van u geworden?” voegde Schaunard eraan toe. En op een melancholiek, [287]droomerig en zacht motief herhaalde hij: „Wat is er van u geworden?”

„En te moeten denken, dat er op dit uur in Parijs alleen meer dan honderd coteletten in de pan liggen!” zeide Marcel.

„En evenveel biefstukjes!” zuchtte Rodolphe.

En als een tegenstelling vol bittere ironie schreeuwden, terwijl de vier vrienden elkaar voor het vreeselijke, dagelijks terugkeerende probleem van het dejeuner stelden, de kellners uit het restaurant beneden in het huis de bestellingen der gasten de keuken in.

„Zullen die lummels nooit hun mond houden?” vroeg Marcel; „ieder woord geeft me een steek in mijn maag.”

„De wind zit in het Noorden!” zeide Colline ernstig en wees daarbij op een weerhaantje, dat op een dak in de buurt vroolijk heen en weer zwaaide; „wij zullen dus vandaag niet dejeuneeren, de elementen verzetten zich er tegen.”

„Hoe dat?” vroeg Marcel.

„Dat is een atmospherologische waarneming, die ik gedaan heb,” legde de wijsgeer uit: „een Noordenwind beteekent bijna altijd onthouding, evenals de Zuidenwind gewoonlijk pleizier en goed eten voorspelt. De philosophie noemt dat: wenken van uit den hooge.”

Als Gustave Colline een leege maag had, hadden zijn geestigheden iets grimmigs.

Op hetzelfde oogenblik stiet Schaunard, die een van zijn armen in den afgrond, die als zak dienst deed, had gestoken, een gil van angst uit.

„Hulp! Hulp! Er zit iemand in mijn jas,” brulde hij, terwijl hij trachtte zijn hand uit de scharen van een levende kreeft te bevrijden.

Op den angstkreet van Schaunard volgde onmiddellijk een andere gil. Marcel had werktuigelijk zijn hand in zijn zak gestoken en daarin een Amerika ontdekt, waaraan [288]hij in het geheel niet meer dacht: d.w.z. de honderdvijftig francs, die de Jood Médicis hem voor zijn „Doortocht door de Roode Zee” betaald had.

„Salueert, heeren!” zeide Marcel, terwijl hij een stapeltje daalders, waartusschen vijf of zes nieuwe louis schitterden, neerzette.

„Je zoudt zeggen, dat ze leven!” vond Colline.

„En wat een prachtige stemmen!” merkte Schaunard, die de goudstukken liet rinkelen, op.

„Wat een mooie medailles!” voegde Rodolphe eraan toe; „precies stukjes uit de zon. Als ik koning was, zou ik geen andere munten in mijn rijk dulden en er de beeltenis van mijn vriendinnetje op laten slaan.”

„Kan je eigenlijk wel gelooven, dat er een land is, waar die dingen evenveel waard zijn als kiezelsteenen?” vroeg Schaunard. „De Amerikanen gaven er vroeger vier voor twee sous. Een van mijn voorouders heeft indertijd Amerika bezocht; hij heeft zijn graf gevonden in de maag der Wilden. Dat heeft den bloei der familie veel kwaad gedaan.”

„Maar vertel toch eens even,” zeide Marcel met een blik op den kreeft, die een wandeling door de kamer was gaan maken; „waar komt dat beest vandaan?”

„Nou begin ik me te herinneren,” antwoordde Schaunard, „dat ik gisteren een ontdekkingsreis gemaakt heb in de keuken van Médicis; ik moet wel aannemen, dat dit reptiel, zonder het zelf te willen, in mijn zak gevallen is—die dieren zijn zoo bijziende. En nu ik het beest eenmaal heb, zal ik het maar houden ook; ik zal het temmen en rood verven, dat is een vroolijker kleur. Sinds Phémie weg is, ben ik melancholiek; nu heb ik tenminste gezelschap.”

„Heeren,” riep Colline uit; „kijkt als het je blieft eens, de wind is naar het Zuiden gedraaid: we zullen dejeuneeren.” [289]

„Dat geloof ik graag,” zeide Marcel, terwijl hij een goudstuk van de tafel nam; „hier heb je er een, dat we eens lekker zullen laten braden, en met veel jus ook.”

De vaststelling van het menu werd lang en ernstig besproken. Iedere schotel gaf aanleiding tot een levendige discussie en werd daarna met meerderheid van stemmen vastgesteld. De door Schaunard voorgestelde omelette soufflée werd na zorgvuldig onderzoek afgestemd, evenals de witte wijnen, waartegen Marcel in verzet kwam in een krachtige improvisatie, die zijn oinologische kennis duidelijk aan het licht bracht.

„De eerste plicht van een wijn is rood te zijn,” riep de kunstenaar uit; „laat me met rust met jullie witte wijnen.”

„En de Champagne dan?” merkte Schaunard op.

„Onzin! Een elegante appelwijn! Een epileptische coco2! Ik zou alle kelders van Epernay en Aï3 voor één vat Bourgogne geven. Bovendien behoeven we vandaag geen grisettes te verleiden of vaudevilles te dichten. Ik stem tegen Champagne.”

Toen het programma definitief vastgesteld was, gingen Schaunard en Colline in het restaurant beneden het dejeuner bestellen.

„Wat zou je er van zeggen als we wat vuur aanlegden?” vroeg Marcel.

„Dat zou geen halsmisdaad zijn, de thermometer noodigt ons daar reeds lang toe uit,” antwoordde Rodolphe. „Laten we wat vuur maken. Wat zal de kachel een kleur van verbazing krijgen!”

En hij liep naar de trap en schreeuwde Colline na, dat hij hout moest laten boven brengen.

Enkele oogenblikken later kwamen Schaunard en Colline, [290]gevolgd door een kolendrager met een zware bos hout, weer boven.

Toen Marcel in een lade naar waardelooze papieren zocht, om de kachel aan te maken, kreeg hij toevallig een brief in handen, waarvan het handschrift hem deed beven en dien hij heimelijk begon te lezen.

Het was een door Musette met potlood geschreven brief uit den tijd, dat zij nog met Marcel samenwoonde; op den dag af was hij een jaar oud. De inhoud der weinige regels luidde:

„Lieveling,

Wees niet ongerust over mij, ik kom dadelijk weer terug. Ik ga wat uit, om door het loopen wat warmer te worden: het vriest in de kamer en de kolenhandelaar is voor ons dood. Ik heb de twee laatste pooten van den stoel kapot geslagen, maar ze hebben niet lang genoeg gebrand, om er een ei bij te koken. Bovendien fluit de wind door het raam alsof hij hier thuis is, en blaast mij een hoop slechte raadgevingen in, die je, wanneer ik ze zou opvolgen, verdriet zouden doen. Ik vind het daarom beter een oogenblikje in de buurt te gaan winkelen. Er moet fluweel zijn van tien francs den meter. Het is ongelooflijk, dat moet ik zelf zien. Voor het eten ben ik weer terug.

Musette.”

„Arme meid!” mompelde Marcel in zichzelf, terwijl hij den brief in zijn zak stak .... En met zijn hoofd in zijn handen bleef hij eenige oogenblikken in gedachten bij de haard zitten.

In dien tijd leefden de bohémiens reeds lang in een toestand van weduwnaarschap, uitgezonderd Colline, wiens liefje steeds onzichtbaar en anoniem gebleven was. [291]

Zelfs Phémie, de lieve levensgezellin van Schaunard, had een naïeve ziel gevonden, die haar haar hart, een mahoniehouten ameublement en een ring van haar roode lokken aangeboden had. Veertien dagen na die schenking echter had Phémie’s amant haar zijn hart en ameublement weer willen ontnemen, omdat hij aan haar vinger een ring van haar, maar nu zwart haar gezien had en haar daarom van verraad durfde verdenken.

Toch was Phémie niet van het pad der deugd afgeweken; zij had alleen, omdat haar vriendinnen haar ieder oogenblik met den ring van roode haren plaagden, dien zwart laten verven. De „mijnheer” was met die verklaring zòò voldaan, dat hij voor Phémie een zijden japon kocht—de eerste in haar leven! Den dag, dat zij die voor het eerst droeg, riep de arme meid uit:

„Nu kan ik rustig sterven.”

Musette was weer een bijna officieele persoonlijkheid geworden. Marcel had haar in geen drie of vier maanden meer gezien.

En wat Mimi ten slotte betreft, Rodolphe had nooit meer iemand over haar hooren praten, behalve zichzelf, wanneer hij alleen was.

„Nou?” vroeg plotseling Rodolphe, toen hij Marcel zoo peinzend bij den schoorsteen zag staan; „wil de kachel niet trekken?”

„Zeker wel, zeker wel!” zeide de schilder, terwijl hij het hout aanstak, dat knetterend begon te branden.

Terwijl de drie anderen door de voorbereidende maatregelen voor het dejeuner hun eetlust nog prikkelden, had Marcel zich weer in een hoekje teruggetrokken en legde het briefje, dat hij toevallig gevonden had, bij de andere souvenirs, die Musette hem gelaten had. Plotseling viel hem het adres in van een vrouw, met wie zijn vroegere vlam op zeer intiemen voet stond.

„Ha!” riep hij hard genoeg, om door de anderen gehoord [292]te worden, uit; „nu weet ik tenminste, waar ik ze vinden kan.”

„Wat vinden?” vroeg Rodolphe. „En wat voer je toch eigenlijk uit?” voegde hij eraan toe, toen hij zag, dat Marcel wilde gaan schrijven.

„Niets .... Een brief, die haast heeft en dien ik bijna vergeten had. Ik ben dadelijk weer tot je beschikking.”

En hij schreef:

„Lieve kind,

Door een verpletterende apoplexie van geluk heb ik geld in mijn schrijftafel! We hebben een reuzendejeuner, dat op dit oogenblik staat te braden, edele wijnen, ja zelfs in de haard een echt vuur, zooals gezeten burgers dat hebben. Dat moet ik zelf zien, zou je vroeger gezegd hebben. Kom dus een oogenblik bij ons; je zult hier Rodolphe, Colline en Schaunard vinden, en bij het dessert, want er is waarachtig een dessert ook, moet jij dan wat voor ons zingen. Daar wij nu eenmaal bij elkaar zijn, zullen we waarschijnlijk een dag of acht aan tafel blijven. Je behoeft dus niet bang te zijn, dat je te laat komt. Het is al zoo’n tijd geleden, dat ik je niet heb hooren lachen. Rodolphe zal je het hof maken en wij zullen van alles drinken op onze gestorven liefde, op gevaar of ze tot nieuw leven te wekken. Tusschen menschen zooals wij .... is de laatste kus nooit de laatste. Ach, als het den vorigen winter niet zoo koud geweest was, zou je me misschien in het geheel niet verlaten hebben. Je hebt me bedrogen voor een bos hout en omdat je bang was voor winterhanden. Je hadt gelijk, en ik ben er voor ditmaal even min boos om als voor andere keeren. Maar kom je nu tenminste warmen, zoolang er vuur is.

Met heel veel kussen, Marcel.”

[293]

Toen deze brief af was, schreef Marcel een tweeden aan madame Sidonie, de vriendin van Musette, waarin hij haar verzocht den ingesloten brief zoo spoedig mogelijk aan het juiste adres te doen toekomen. Vervolgens ging hij naar den concierge, die de twee epistels moest wegbrengen. Daar hij hem vooruitbetaalde, zag de concierge in de hand van den schilder een goudstuk schitteren, waarom hij, alvorens zijn boodschap te doen, den huiseigenaar, aan wien Marcel nog achterstallige huur schuldig was, ging waarschuwen.

„Mijnheer,” zeide hij buiten adem van het trappen klimmen, „de kunstenmaker van de zesde etasie heit geld. U weet wel, die groote, die me altijd in m’n gezicht uitlacht, als ik met de kietansie kom!”

„Ja, ik weet het wel!” zeide de huisheer; „die kerel, die zoo brutaal is geweest geld van me te willen leenen, om een gedeelte van de huur te kunnen afdoen. Ik heb hem de huur al opgezegd.”

„Juist, mijnheer. Maar nou zit-ie stikvol met geld; m’n oogen doen nog pijn van al het geschitter. Hij geeft nu een feest ..... het is een prachtig oogenblik.”

„Je hebt gelijk,” viel de eigenaar hem in de rede; „ik zal straks zelf even naar boven gaan.”

Madame Sidonie was thuis, toen de brief van Marcel kwam, en liet haar kamermeisje dadelijk het ingesloten briefje naar Musette brengen.

Musette woonde toen in een mooi appartement op de Chaussée d’Antin. Toen zij den brief van Marcel kreeg, was zij niet alleen en had bovendien voor dienzelfden avond een groot aantal uitnoodigingen voor een groot diner rondgezonden.

„Dat is ook een wonder!” riep zij, lachend als een bezetene, uit.

„Wat is er?” vroeg een knappe, jonge man, die stijf als een standbeeld voor haar stond. [294]

„Een invitatie voor een diner,” antwoordde de jonge vrouw. „Hoe vindt je het?”

„Ik vind het vervelend,” zeide de jongeman.

„Waarom?”

„Waarom? Je denkt er toch zeker niet aan naar dat diner te gaan.”

„Daar denk ik zeker wel aan ..... Zie jij maar hoe jij het alleen klaar speelt!”

„Maar beste kind, dat geeft toch heelemaal geen pas! Je moet een anderen keer maar eens gaan.”

„Die is goed, een anderen keer! Het is een invitatie van mijn ouden vriend Marcel en het is zoo’n zeldzaam geval, dat ik het zelf zien moet. Een anderen keer! Maar echte diners komen daar nog minder voor dan zonsverduisteringen!”

„Wat! Je wilt ons in den steek laten, om naar dien kerel te gaan, en dat zeg je me zoo maar in mijn gezicht!”

„Aan wien moet ik het anders zeggen? Aan den sultan van Turkije soms? Maar die heeft met de zaak niets te maken.”

„Maar dat is een buitengewone openhartigheid.”

„Je weet wel, dat ik anders ben dan de anderen,” antwoordde Musette.

„Maar wat zou je wel van mij denken, als ik je liet gaan, nu ik weet waarheen je gaat. Bedenk toch eens Musette, zoowel voor jou als voor mij zou dat in het geheel geen pas geven. Je moet je maar excuseeren bij dien jongen man.”

„Mijn beste Maurice,” antwoordde Musette op vastberaden toon; „je wist wat je aan me hadt voor je me nam, je wist, dat ik vol grillen zit en dat niemand er zich op beroemen kan er één uit mijn hoofd gepraat te hebben.”

„Vraag me wat je wilt .... maar dat niet,” zeide Maurice. „Er zijn grillen ..... en grillen.”

„Maurice, ik wil naar Marcel gaan ..... en ik ga,[295]zeide Musette, terwijl zij haar hoed opzette. „Verlaat me, als je wilt, maar ik kan niet anders: Marcel is de beste jongen van de wereld en de eenige, waar ik ooit van gehouden heb. Als zijn hart van goud geweest was, zou hij het hebben laten smelten, om er ringen van voor mij te laten maken. Arme jongen!” voegde zij eraan toe, terwijl zij Maurice den brief liet zien, „zoodra hij wat vuur heeft, vraagt hij me me te komen warmen. O, als hij maar niet zoo lui en er geen fluweel en zijde in de winkels geweest was. Ik was echt gelukkig met hem; hij had het talent mij nu en dan werkelijk verdriet te doen, en hij heeft mij om al mijn liedjes den naam Musette gegeven. Als ik naar hem toe ga, kan je er tenminste zeker van zijn, dat ik bij je terugkom ..... als je tenminste de deur niet voor mijn neus dicht gooit.”

„Openhartiger zou je me moeilijk kunnen zeggen, dat je niet van me houdt,” zeide de jonge man.

„Kom nou, mijn beste Maurice, je bent te veel man van geest om ons in zoo’n ernstige discussie te verdiepen. Je hebt me net zoo als je een mooi paard in stal hebt, en ik houd van je ..... omdat ik houd van luxe, van drukke feesten, van alles wat straalt en schittert. Laten we niet sentimenteel worden: dat zou belachelijk en nutteloos zijn.”

„Maar laat ik dan tenminste met je mee gaan.”

„Maar je zou je daar volstrekt niet amuseeren,” zeide Musette, „en je zou ons maar beletten het ook te doen. Je begrijpt toch, dat die jongen mij noodwendig zoenen zal.”

„Musette,” vroeg Maurice; „heb je ooit iemand ontmoet, die zoo inschikkelijk is als ik?”

„Mijnheer de vicomte,” antwoordde Musette; „toen ik onlangs met lord*** op de Champs Elysées een wandelrit maakte, heb ik Marcel daar ontmoet met zijn vriend Rodolphe: ze waren te voet, zaten slecht in hun kleeren [296]en rookten hun neuswarmertjes. In geen drie maanden had ik Marcel gezien; ik had het gevoel, alsof mijn hart door het portier wou springen. Ik heb het rijtuig laten stil houden en een half uur lang met Marcel gepraat, terwijl geheel Parijs in equipages voorbij reed. Marcel heeft me toen een taartje gegeven en een ruikertje viooltjes van een sou, die ik dadelijk in mijn ceintuur gestoken heb. Toen hij wegging, wilde lord**** hem terugroepen, om hem te vragen met ons te gaan dineeren. Voor die vriendelijkheid heb ik hem een zoen gegeven. Dat is nu eenmaal mijn karakter; en als je dat niet bevalt, dan moet je het maar dadelijk zeggen, dan neem ik mijn pantoffels en mijn nachtmuts mee.”

„Het heeft toch ook zijn goede zijde, om arm te zijn!” zeide Maurice met iets van afgunst en droefheid in zijn stem.

„O neen,” antwoordde Musette; „als Marcel rijk was, zou ik hem nooit verlaten hebben.”

„Ga dan maar,” zeide de jonge man en gaf haar de hand. „Die nieuwe japon staat je heel goed!”

„Inderdaad het is of ik er vanochtend een voorgevoel van gehad heb. Marcel zal de eerste zijn, die me in mijn nieuwe japon een zoen zal geven. Nou, adieu, ik ga een beetje van het gewijde brood der vroolijkheid eten.”

Musette had dien dag een bekoorlijk toilet aan: nooit had het gedicht van haar jeugd en van haar schoonheid in een verleidelijker band gezeten. Bovendien bezat Musette van nature een goeden smaak. Toen zij op de wereld kwam, moet het eerste, wat zij met haar blikken zocht, een spiegel geweest zijn, om zich in haar luiers een mooie houding te kunnen geven; en voor zij gedoopt werd, had zij reeds de zonde der coquetterie begaan. Reeds in den tijd, dat zij nog in zeer behoeftige omstandigheden leefde en zich nog met japonnetjes van gedrukt katoen, hoedjes met pompons en geitenleeren laarsjes moest tevreden stellen, droeg zij die eenvoudige grisette-toiletjes met [297]elegance en coquetterie. Deze knappe meisjes, half bijen, half mieren, die zingend de geheele week door werkten en den Goeden God slechts om mooi weer op Zondag smeekten, hadden gewoonlijk slechts lief met haar hart en zetten nu en dan de bloemetjes buiten. Nu is die soort geheel verdwenen, dank zij de tegenwoordige generatie van jonge mannen: een verdorven en verderfelijke, maar boven alles aanmatigende, opgeblazen en brutale generatie. Alleen uit genoegen voor minne paradoxen hebben zij die arme meisjes om haar door de heilige litteekenen van het werk geschonden handen gehoond en bespot, zoodat die handen weldra niet genoeg meer konden verdienen, om de uitgaven voor amandelzeep te bestrijden. Langzamerhand is het dien jongelingen gelukt haar hun opgeblazenheid en dwaasheid in te enten, en sedert is de grisette verdwenen. Toen werd de lorette geboren, een bastaardgeslacht, impertinente schepsels van middelmatige schoonheid, half vleesch, half schmink, wier boudoir een toonbank is, waarop zij stukken van haar hart, alsof het sneedjes roastbeef waren, te koop aanbieden. Het meerendeel van die meisjes, die het pleizier onteeren en een schande zijn voor de moderne galanterie, heeft dikwijls niet eens den geest van de dieren, wier veeren zij op haar hoeden dragen. En wanneer het door een groot toeval nog eens gebeurt, dat zij niet een liefde, zelfs niet een verliefdheid, maar een geile begeerte hebben, dan is het nog voor den een of anderen alledaagschen potsenmaker, dien de dwaze menigte op openbare bals toejuicht en voor wien de couranten, die vleiende hovelingen van al wat belachelijk is, reclame maken.

Hoewel Musette gedwongen was in die wereld te leven, had zij toch niet de gewoonten noch de allures ervan; zij had niet die tot slavin zijn vernederende hebzucht, zooals die maar al te veel voorkomt bij die schepsels, welke alleen maar Bartjens lezen en cijfers schrijven kunnen. [298]Zij was een intelligent, geestig meisje, dat in haar aderen het bloed van Manon Lescaut had, en, wars van elken dwang, zich nooit tegen een enkele gril had kunnen of willen verzetten, wat de gevolgen ervan ook mochten zijn.

Marcel was de eenige man geweest, van wien zij werkelijk gehouden had. In ieder geval was hij de eenige geweest voor wien zij inderdaad geleden had, en al de hardnekkigheid van die instincten, welke haar trokken naar „alles wat schittert en straalt”, was noodig geweest, om haar ertoe te kunnen brengen hem te verlaten. Zij was twintig jaar en luxe was voor haar bijna een levensbehoefte. Zij kon er wel eenigen tijd buiten, maar geheel afstand ervan doen kon zij niet. Haar eigen wispelturigheid maar al te goed kennende, had zij nooit het hangslot van een eed van trouw voor haar hart willen doen. Verscheidene jonge mannen, voor wie zij zelf veel voelde, hadden haar waarachtig lief gehad; en altijd had zij tegenover dezen met een openhartigheid, die gepaard ging met voorzichtigheid, gehandeld. De verbintenissen, die zij aanging, waren eenvoudig, eerlijk en waar als de liefdesverklaringen van Molière’s boeren. „Jij hebt zin in mij, en ik zin in jou; top, laten we bruiloft vieren!” Wel tienmaal had Musette als zij gewild had, een „vaste positie”, een zoogenaamde toekomst kunnen hebben; maar zij geloofde nauwlijks in de toekomst; ten opzichte daarvan was zij het scepticisme van Figaro toegedaan.

„Morgen,” zeide zij dikwijls, „morgen is een dwaasheid van den kalender, een dagelijksch voorwendsel, dat de menschen uitgevonden hebben, om hun zaken vandaag niet behoeven te doen. Morgen is er misschien een aardbeving—en vandaag staat de aarde nog vast!”

Op een goeden dag deed een gentleman, met wien zij bijna zes maanden samengeleefd had en die intusschen tot over zijn ooren verliefd op haar geworden was, haar [299]in allen ernst het voorstel met haar te trouwen. Musette had hem in zijn gezicht uitgelachen.

„Ik mijn vrijheid door een huwlijkscontract aan banden leggen? Nooit in der eeuwigheid!”

„Maar dag in dag uit sidder ik van angst, dat ik je verliezen zal.”

„Je zoudt me nog veel eerder verliezen, wanneer ik je vrouw was,” antwoordde Musette. „Laten we er niet verder over spreken. Trouwens ik ben niet vrij meer ook,” voegde zij eraan toe en dacht bij die woorden ongetwijfeld aan Marcel.

Zoo ging haar jeugd voorbij, terwijl zij zich op alle winden van het toeval liet medevoeren en velen, ja bijna ook zichzelf gelukkig maakte. Vicomte Maurice, met wien zij op dat oogenblik leefde, kostte het niet weinig moeite om zich aan dat ontembare, naar vrijheid snakkende karakter te wennen, en met een met jalousie sterk geoxydeerd ongeduld wachtte hij op den terugkeer van Musette, die hij naar Marcel had zien gaan.

„Zal ze bij hem blijven?” vroeg de jonge man zich den geheelen avond af, terwijl hij zich dat vraagteeken als een dolk in zijn hart boorde.

„Die arme Maurice!” zeide Musette van haar kant tot zichzelf; „hij vindt dat een beetje kras. Maar ach, de jeugd moet opgevoed worden.”

Toen sloeg haar gedachtengang plotseling een heel andere richting in; zij dacht aan Marcel, naar wien ze toeging; en terwijl zij alle herinneringen, die de naam van haar aanbidder in haar wakker riep, de revue liet passeeren, vroeg zij zich nieuwsgierig af, welk wonder bij hem de tafel gedekt had. Al loopende las zij den brief, dien de schilder haar geschreven had, nog eens over, en onwillekeurig maakte een gevoel van droefheid zich van haar meester. Doch dat duurde slechts een oogenblik. Musette overwoog terecht, dat zij nu minder dan ooit reden had om bedroefd te zijn, en toen [300]er op dat oogenblik een sterke wind opstak, riep zij uit:

„Het is toch gek; als ik niet naar Marcel zou willen gaan, zou de wind mij nu naar hem toe blazen.”

En haar pas versnellend liep zij verder, blij als een vogeltje, dat naar zijn eerste nest terugkeert.

Plotseling begon het hard te sneeuwen. Musette keek rond of zij geen rijtuig zag, maar er was geen te bekennen. Daar zij juist in de straat was, waar haar vriendin Sidonie woonde, die Marcel’s brief naar haar doorgestuurd had, kwam zij op het denkbeeld even bij haar binnen te gaan en daar te wachten, tot het weer wat beter zou zijn.

Bij madame Sidonie vond zij een groot gezelschap bijeen. Er werd een partij lansquenet gespeeld, die drie dagen tevoren reeds begonnen was.

„Laat ik jullie niet storen,” zei de Musette; „ik blijf maar even.”

„Heb je den brief van Marcel gekregen?” fluisterde madame Sidonie haar in het oor.

„Ja, dank je,” antwoordde Musette, „ik ben op weg naar hem toe, hij heeft me te dineeren gevraagd. Ga je mee? Je zult je best amuseeren!”

„Tot mijn spijt kan ik niet,” zeide Sidonie, op de speeltafel wijzend. „En hoe staat het?” vroeg zij den bankhouder.

„Er staan zes louis,” antwoordde deze, terwijl hij de kaarten schudde.

„Ik zet er twee,” riep Sidonie.

„Goed, ik ben niet trotsch, ik begin ook met twee,” antwoordde de bankhouder, die reeds verscheidene malen gepast had. „Koning en aas; ik ben naar de maan,” ging hij voort, terwijl hij de kaarten liet vallen; „alle koningen zijn dood!”

„Hier mag niet over politiek gesproken worden,” zeide een journalist.

„En het aas is de vijand van mijn familie,” merkte de bankhouder op, die nog een koning keerde. „Leve de [301]koning!” riep hij uit; „lieve Sidonie, geef mij twee louis d’or.”

„Schrijf ze maar in je memorie pro memorie,” zeide Sidonie woedend, dat zij verloren had.

„Dat maakt dan vijfhonderd francs, kleintje,” zeide de bankhouder.” Je zult de duizend wel bereiken. Ik geef.”

Sidonie en Musette praatten zachtjes met elkaar. Het spel ging door.

Ongeveer op hetzelfde uur gingen de bohémiens aan tafel. Gedurende het geheele dejeuner was Marcel opvallend onrustig. Iederen keer, dat men op de trap stappen hoorde, zagen de anderen hem opschrikken.

„Wat heb je toch?” vroeg Rodolphe; „het is net, of je nog iemand wacht. Zijn we niet compleet?”

Maar uit een blik, dien de schilder hem toewierp, begreep de dichter, welke gedachten zijn vriend bezig hielden.

„Hij heeft gelijk,” dacht hij bij zichzelf; „we zijn niet compleet.”

De blik van Marcel beteekende: Musette, die van Rodolphe: Mimi.

„Er ontbreken vrouwen,” zeide Schaunard plotseling.

„Wil jij voor den duivel je losbandige taal wel eens voor je houden? We hadden toch afgesproken, dat er niet over liefde gesproken zou worden!” brulde Colline. „Daar schift de jus van.”

En terwijl buiten de sneeuw nog viel en in de haard het hout vroolijk vlamde en een vuurwerk van vonken afstak, begonnen de vier vrienden weer hun tot den rand gevulde glazen te ledigen.

Terwijl Rodolphe met luide stem het refrein van een lied begon te zingen, dat hij onder in zijn glas gevonden had, werd er verscheidene malen op de deur geklopt.

Als een duiker, die door een krachtigen afzet tegen den bodem weer naar de oppervlakte van het water komt, [302]vloog Marcel, die reeds eenigszins onder den invloed was, haastig van zijn stoel op om open te maken.

Musette was het niet.

Op den drempel vertoonde zich een man, die een klein stukje papier in zijn hand hield. Zijn uiterlijk was niet onaangenaam, maar zijn chambercloak zag er onooglijk uit.

„Ik vind u hier in nog al goeden welstand,” zeide hij met een blik op de tafel, op het midden waarvan een groote lamsbout prijkte.

„De huisbaas!” zeide Rodolphe; „laten wij hem de verschuldigde eer bewijzen!”

„En hij begon met zijn mes en vork den generaalsmarsch op zijn bord te slaan.

Colline gaf hem een stoel en Marcel riep uit:

„Schaunard, geef mijnheer een glas!”

En zich tot den huiseigenaar wendende, zeide hij:

„U komt juist op het goede oogenblik! Wij waren juist op het punt een toast uit te brengen op den eigendom. Mijn vriend hier, mijnheer Colline, zeide precies eenige treffende dingen omtrent dat onderwerp. Maar nu u hier bent, zal hij, om u genoegen te doen, opnieuw beginnen. Vooruit, Colline!”

„Pardon, heeren!” antwoordde de huisheer; „ik zou u niet graag verder storen.”

En hij ontvouwde het kleine papiertje, dat hij in zijn hand hield.

„Wat is dat voor drukwerk?” vroeg Marcel.

De huisheer, die inmiddels onderzoekend de kamer rondkeek, had het goud en zilver, dat nog op den schoorsteen was blijven staan, gezien en zeide:

„De quitantie, die ik reeds de eer had u te laten presenteeren.”

„Precies,” viel Marcel hem in de rede; „mijn trouw geheugen heeft die bijzonderheid niet vergeten; het was Vrijdag 8 October des namiddags te 12 uur.” [303]

„Ik heb de quitantie reeds, als voldaan geteekend, en als het u niet derangeert, dan .....”

„Mijnheer,” zeide Marcel, „het lag in mijn bedoeling u te komen bezoeken. Ik moet eens ernstig met u praten.”

„Geheel tot uw dienst.”

„Doe mij dan eerst het genoegen een kleine verfrissching te nemen,” ging Marcel voort, terwijl hij hem een glas wijn opdrong. „Welnu, mijnheer, u hebt mij onlangs een papiertje thuis gestuurd met de beeltenis van een dame, die een weegschaal in haar hand houdt. De inhoud was onderteekend: „Godard.”

„Dat is mijn deurwaarder,” zeide de huisheer.

„Hij heeft al een heel leelijk pootje,” zeide Marcel. „Mijn vriend hier”—en hij wees op Colline—„die alle talen kent, is zoo goed geweest deze depeche, die mij vijf francs gekost heeft, voor mij te vertalen ....”

„Het was een opzegging van de huur,” viel de huisheer hem in de rede; „een voorzorgsmaatregel .... dat is zoo de gewoonte.”

„Ja juist, een opzegging,” antwoordde Marcel. „Ik wilde u juist komen opzoeken, om over die zaak te spreken; ik zou n.l. die opzegging graag in een huurceel veranderd zien. Het huis bevalt me, de trap is netjes, de straat vroolijk en bovendien ben ik om familieredenen en andere oorzaken zeer aan deze woning gehecht”.

„Maar de laatste termijn huur moet nog betaald worden,” zeide de huiseigenaar en liet opnieuw zijn quitantie zien.

„Wij zullen die betalen, mijnheer, dat is ons vaste voornemen.”

Intusschen had de huisheer geen oog afgewend van den schoorsteen, waarop het geld lag, en de aantrekkingskracht van zijn hebzuchtige blikken was zòò groot, dat de geldstukken schenen te bewegen en naar hem toe te komen.

„Ik vind het zeer aangenaam, dat ik juist op een oogenblik [304]kom, dat wij deze kleine zaak kunnen regelen, zonder dat het u derangeert,” zeide hij en bood de quitantie aan Marcel aan, die de attaque niet anders pareeren kon dan door uit te wijken en met zijn schuldeischer nogmaals de scène tusschen don Juan en Dimanche4 te spelen.

„U hebt, geloof ik, ook nog eigendommen in de provincie?” vroeg hij.

„O,” antwoordde de huisheer; „niet noemenswaard: een klein landhuis in Bourgondië, een boerderij, weinig zaaks ..... de pachters betalen niet ..... Deze kleine vereffening,” voegde hij eraan toe, terwijl hij nogmaals de quitantie aan Marcel trachtte te geven, „komt mij dan ook zeer van pas ..... Het is zestig francs, zooals u weet.”

„Zestig francs, precies!” zeide Marcel en nam van den schoorsteen drie goudstukken af. „Zestig francs, zeiden we,” en hij legde de drie louis op eenigen afstand van den huisheer op de tafel.

„Eindelijk!” mompelde deze; en zijn gelaat helderde op.

En op zijn beurt legde hij de quitantie op tafel.

Schaunard, Colline en Rodolphe volgden de ontwikkeling van het drama met gespannen aandacht.

„Maar lieve Hemel,” zeide Marcel; „daar u een Bourgondiër bent, zult u toch zeker niet weigeren een paar woordjes met een landgenoot te spreken.”

En hij trok een flesch ouden Mâcon open en schonk den huisheer een glas in.

„Heerlijk!” zeide deze; „ik heb nooit beteren gedronken.”

„Ach, een oom van me, die in die streken woont, stuurt me zoo nu en dan een mandje.”

De huisheer was opgestaan en strekte zijn hand naar het voor hem geplaatste geld uit, maar Marcel hield hem tegen.

„Ja, maar op één been kunt u niet loopen,” zeide hij [305]en dwong zijn schuldeischer nogmaals met hem en de drie andere bohémiens te klinken.

De huisheer durfde niet weigeren. Hij dronk zijn glas leeg, zette het neer en wilde weer het geld nemen, toen Marcel uitriep:

„Maar daar valt me nog iets in, mijnheer. Ik ben op het oogenblik nogal ruim bij kas. Mijn oom uit Bourgondië heeft me een supplement op mijn jaargeld gezonden. Ik ben bang dat geld er door te lappen. U weet, niet waar, de jeugd haalt wel eens dolle streken uit .... Wanneer ik u er niet mede beleedig, zou ik graag een termijn vooruit betalen.”

En opnieuw nam hij zestig francs in zilver van den schoorsteen en legde die bij de louis op tafel.

„Ik zal u daar dadelijk een quitantie voor maken,” zeide de eigenaar; „ik heb blanco formulieren in mijn zak”—en hij haalde zijn portefeuille te voorschijn—„ik zal die invullen en antidateeren.”

„Een aardige huurder,” dacht hij bij zichzelf en wierp verliefde blikken naar de honderd-twintig francs.

Bij dit voorstel stonden de drie bohémiens, die toch al niets van Marcel’s diplomatie begrepen, gewoonweg „paf”,

„Maar de schoorsteen rookt,” begon nu de schilder, „dat is erg onaangenaam.”

„Maar waarom hebt u me dat niet eerder gezegd? Dan had ik den schoorsteenveger laten komen,” zeide de eigenaar, die voor den schilder niet onder wilde doen. „Morgen zal ik werklui sturen.”

En nadat hij de tweede quitantie ingevuld had, legde hij die bij de eerste, schoof ze toen beide naar Marcel toe en stak zijn hand weer naar het stapeltje geld uit.

„U kunt u niet voorstellen, hoe gelegen die som mij op het oogenblik komt,” zeide hij; „ik moet een paar rekeningen voor reparaties aan het huis betalen en ik was werkelijk om geld verlegen.” [306]

„Het spijt mij, dat ik u wat heb moeten laten wachten!” viel Marcel hem in de rede.

„O, zoo erg is het niet ..... Heeren, ik heb de eer ....” En weer stak hij zijn hand uit.

„O, o, neem me niet kwalijk,” zeide Marcel vlug; „zoover zijn we nog niet. Wie a zegt,” en hij schonk opnieuw in, „moet ook b zeggen.”

„Dat is zoo,” zeide deze en ging uit beleefdheid weer zitten.

Ditmaal begrepen de bohémiens uit een blik, dien Marcel hun toewerp, wat zijn doel was.

Intusschen begon de huisheer al op een vreemde manier met zijn oogen te draaien. Hij balanceerde op zijn stoel heen en weer, begon dubbelzinnige taal uit te slaan en beloofde Marcel, die hem een paar reparaties vroeg, fabelachtige verfraaiingen.

„En nu de zware artillerie voor het front!” fluisterde de schilder Rodolphe in en wees op een flesch rhum.

Na het eerste glaasje zong de huisheer een schuin liedje, dat Schaunard deed blozen.

Na het tweede glaasje vertelde hij zijn huiselijke onaangenaamheden; en daar zijn vrouw Helena heette, vergeleek hij zich bij Menelaus.

Na het derde glaasje kreeg hij een philosophische vlaag en gaf de volgende aphorismen ten beste:

„Het leven is een stroom.”

„Geld maakt niet gelukkig.”

„De mensch is een ééndagsvlinder.”

„O, hoe lieflijk is de liefde!”

Dan maakte hij Schaunard tot zijn vertrouweling en vertelde hij hem van zijn heimelijke liaison met een jong meisje, Euphémie geheeten, aan wie hij een mahoniehouten ameublement gegeven had. Daarbij gaf hij zoo’n nauwkeurig portret van dit jonge meisje, dat Schaunard een vreemd vermoeden in zich voelde opkomen, dat [307]onmiddellijk daarna een zekerheid werd, toen de huisheer hem een brief, dien hij uit zijn portefeuille haalde, liet zien.

„O, hemel!” riep Schaunard uit, toen hij de onderteekening zag; „hardvochtige, gij boort mij een dolk door het hart.”

„Wat heeft hij toch?” riepen de bohémiens, over die taal verwonderd, uit.

„Kijk maar,” zeide Schaunard; „deze brief is van Phémie. Dat is haar onderteekening.”

Schaunard liet den brief van zijn vroegere maîtresse circuleeren. Deze begon met de woorden:

„Mijn lief, dik beertje,”

„Dat lief, dik beertje ben ik,” zeide de huisheer, die vergeefsche pogingen deed om op te staan.

„Prachtig!” zeide Marcel, die dit zag, „hij heeft zijn anker uitgeworpen.”

„Phémie, hardvochtige Phémie!” zuchtte Schaunard; „wat heb je me aangedaan!”

„Ik heb voor haar in de rue Coquenard No. 12 een entresol laten meubileeren,” stamelde de huisheer; „het is er heel aardig, heel aardig ..... maar het heeft me een aardige duit gekost .... Doch de ware liefde ziet niet op geld ..... en bovendien heb ik twintigduizend francs rente ..... Zij vraagt mij geld ....” ging hij voort, terwijl hij den brief weer in zijn zak stak; „Arme kleine! ... Ik zal haar dit geld geven ..... dat zal haar plezier doen.”

En hij strekte weer zijn hand naar het geld uit.

„Wat is dat?” vroeg hij verbaasd, terwijl hij op de tafel rond tastte, „waar is het gebleven?”

Het geld was verdwenen.

„Een fatsoenlijk man mag zich onder geen voorwaarden tot zulk een misdadigen minnehandel leenen,” had Marcel gezegd. „Mijn geweten en de moraal verbieden mij de huur aan dezen wellustigen kerel in handen te geven. [308]Ik zal mijn huur niet betalen. Maar mijn ziel zal tenminste geen wroeging hebben. Wat een zeden! Een man met zoo weinig haren op zijn hoofd!”

Intusschen was de huiseigenaar stomdronken geworden en sloeg met luide stem allerlei onzin tegen de flesschen uit.

Daar hij nu al twee uur weg was, stuurde zijn vrouw, die ongerust begon te worden, eindelijk het dienstmeisje naar boven; toen zij haar meester in zoo’n toestand zag, stiet zij een gil van schrik uit.

„Wat hebt u met hem uitgevoerd?” vroeg zij aan de bohémiens.

„Niets,” antwoordde Marcel; „hij is daarnet hierboven gekomen, om de huur te halen, en daar we geen geld hadden, hebben we hem uitstel gevraagd.”

„Maar hij is stom bezopen,” zeide het dienstmeisje.

„Dat was hij al grootendeels, toen hij hier kwam,” antwoordde Rodolphe; „hij vertelde ons, dat hij zijn wijnkelder opgeruimd had.”

„Hij was al zòò in den lorem,” voegde Colline eraan toe, „dat hij zijn quitanties zonder betaling hier wou laten.”

„Geef ze maar aan zijn vrouw,” zeide ten slotte de schilder, terwijl hij de quitanties aan het dienstmeisje overhandigde, „wij zijn eerlijke jongens en willen geen misbruik maken van zijn toestand.”

„Lieve God, wat zal mevrouw wel zeggen?” zuchtte het dienstmeisje, dat haar meester, die nauwelijks op zijn beenen staan kon, meetrok.

„Eindelijk!” riep Marcel verlicht uit.

„Hij zal morgen wel terugkomen,” zeide Rodolphe; „nu hij eenmaal geld gezien heeft.”

„Als hij terugkomt,” zeide de kunstenaar, „dan dreig ik hem zijn vrouw zijn liaison met de jonge Phémie te zullen vertellen, dan zal hij wel uitstel geven.”

Toen de huisheer weg was, begonnen de vier vrienden [309]weer te drinken en te rooken. Marcel was niettegenstaande zijn roes de eenige, die nog eenig besef had van wat er om hem gebeurde. Bij het minste leven op de trap vloog hij op, om de deur open te maken. Maar degenen, die naar boven kwamen, bleven altijd op een lagere verdieping. Langzaam ging de schilder dan weer in het hoekje bij de haard zitten. Het sloeg middernacht, en nog was Musette er niet.

„Misschien was ze niet thuis, toen mijn brief kwam,” dacht hij. „Ze zal hem dan vanavond bij haar thuiskomst vinden en morgen komen. Morgen hebben we ook nog vuur. Want komen zal zij. Tot morgen dus.”

En in zijn hoekje sliep hij in.

Op hetzelfde oogenblik, dat Marcel van haar droomde, verliet Musette het huis van madame Sidonie, bij wie zij tot zoo lang gebleven was. Musette was niet alleen, een jong mensch was met haar; een rijtuig wachtte beneden voor de deur; zij stapten er samen in; het rijtuig reed in grooten vaart weg.

De partij lansquenet duurde bij madame Sidonie voort.

„Waar is Musette toch?” vroeg plotseling een der spelers.

„En de kleine Séraphin?” een tweede.

Madame Sidonie begon te lachen.

„Die zijn er samen stil vandoor gegaan,” zeide zij. „Een typische geschiedenis! Wat een zeldzaam exemplaar is die Musette toch! Stel je voor ....”

En zij begon te vertellen hoe Musette, na bijna ongenoegen met vicomte Maurice gekregen en zich op weg naar Marcel begeven te hebben, heel toevallig even bij haar opgeloopen was en hier den jongen Séraphin aangetroffen had.

„Ik had er dadelijk wel vermoeden op,” zeide Sidonie, zichzelf in de rede vallend; „ik heb ze den geheelen avond in het oog gehouden, en waarachtig de jonge man is zoo [310]kwaad niet. Kort en goed, zij zijn, zonder een woord te zeggen, weggegaan, en een kraan, die ze vinden kan. Doch hoe het zij; het is eigenlijk te gek om los te loopen, wanneer je bedenkt, dat Musette dol op Marcel is.”

„Maar als ze dol is op Marcel, wat wil ze dan eigenlijk met den kleinen Séraphin, die nog bijna een kind is? Hij heeft nooit een maîtresse gehad,” merkte een der aanwezigen op.

„Zij wil hem leeren lezen,” antwoordde de journalist, die altijd heel „geestig” was, als hij verloren had.

„Dat is goed en wel,” meende Sidonie. „Waarom gaat ze met Séraphin, als ze van Marcel houdt? Dat gaat boven mijn petje.”

„Ja, waarom?”


Vijf dagen lang leidden de bohémiens, zonder hun kamer ook maar één oogenblik te verlaten, het vroolijkste leventje, dat men zich denken kan. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat zaten zij aan tafel. Een bewonderenswaardige wanorde heerschte in het vertrek, waarin een Pantagruelistische atmospheer hing. Op een bijna geheel uit oesterschalen bestaande bank lag een leger van de meest verschillende flesschen. De tafel was bedekt met allerlei etensrestjes, en in de haard brandde een formeel bosch.

Ook op den ochtend van den zesden dag maakte Colline als opper-ceremoniemeester het menu voor het dejeuner, het diner en het souper op, zooals hij dat iederen morgen deed, en onderwierp het dan aan de goedkeuring van zijn vrienden, die het als teeken van instemming met hun handteekening voorzagen.

Maar toen Colline de lade, die als schatkist dienst deed, opentrok, om het voor dien dag noodige geld te krijgen, [311]deed hij verschrikt twee pas achteruit en werd bleek als de schim van Banquo.5

„Wat is er?” vroegen de anderen onverschillig.

„Wat er is? Ik heb nog maar dertig sous,” zeide de philosoof.

„Alle duivels!” riepen de anderen uit; „dat zal een heele verandering in het menu veroorzaken. Enfin, wanneer we die dertig sous goed gebruiken ..... Maar de truffels zullen er wel bij moeten inschieten.”

Eenige oogenblikken later was de tafel gedekt. Er stonden in volkomen symmetrie drie schotels op, n.l.:

Een schotel haring;

Een schotel aardappelen

Een schotel kaas.

In den schoorsteen brandden twee blokjes hout, zoo groot als een vuist.

Buiten viel nog steeds de sneeuw.

De vier bohémiens gingen aan tafel en legden hun servetten op hun knieën.

„Het is vreemd,” zeide Marcel; „maar die haring smaakt naar fazant.”

„Dat ligt aan de manier, waarop ik hem klaargemaakt heb,” antwoordde Colline; „tot nu toe is de haring miskend.”

Op dat oogenblik kwam een vroolijk gezang de trap op en klopte aan de deur. Marcel, die bij de eerste tonen al opgesprongen was, vloog naar de deur, om open te doen.

Musette sloeg haar armen om hem heen en zoende hem wel vijf minuten lang. Marcel voelde hoe zij in zijn armen beefde.

„Wat heb je?” vroeg hij haar.

„Ik heb het koud,” zeide zij en liep naar den schoorsteen.

„Hè,” zeide Marcel, „we hebben zoo’n lekker vuurtje gehad.” [312]

„Ja,” zeide Musette met een blik op de overblijfselen van het vijfdaagsche feestmaal; „ik kom te laat.”

„Waarom?” vroeg Marcel.

„Waarom?” zeide Musette .... en kreeg een kleur. In plaats van antwoord te geven ging zij op Marcels knieën zitten; zij beefde nog steeds en haar handen waren blauw van de kou.

„Was je niet vrij?” vroeg Marcel haar fluisterend.

„Ik niet vrij!” riep Musette uit. „O Marcel, al zat ik midden tusschen de sterren of in het paradijs van den goeden God, en jij gaf me een teeken, ik zou naar beneden komen. Ik niet vrij!....”

En zij begon weer te rillen.

„Er zijn hier vijf stoelen,” zeide Rodolphe; „dat is een oneven getal, en bovendien heeft de vijfde een allerbelachelijksten vorm.”

En hij sloeg den stoel tegen den muur kapot en wierp de stukken in de haard. Het vuur flikkerde plotseling tot een heldere en vroolijke vlam op. Dan gaf hij Colline en Schaunard een wenk en ging met hen weg.

„Waar gaan jullie heen?” vroeg Marcel.

„Tabak halen!” antwoordden zij.

„Ja, in Havana!” voegde Schaunard er aan toe en gaf Marcel een teeken van verstandhouding, waarop deze met een dankbaren blik antwoordde,

„Waarom ben je niet eerder gekomen?” vroeg hij opnieuw aan Musette, toen zij alleen waren.

„Ja, het is zoo, ik ben wat laat ....”

„Vijf dagen om over den pont Neuf te komen. Heb je misschien een omweg over de Pyreneeën gemaakt?”

Musette sloeg haar oogen neer en bleef zwijgen.

„O jou slecht meisje!” zeide Marcel op droefgeestigen toon, terwijl hij zacht met zijn hand op den corsage van zijn vriendinnetje sloeg; „wat heb je daar toch onder zitten?” [313]

„Dat weet je heel goed,” antwoordde zij snel.

„Maar wat heb je gedaan, nadat ik je geschreven heb?”

„Vraag het me niet!” smeekte zij en sloeg haar armen om hem heen; „vraag me niets. Laat ik me naast je warmen, zoo lang het koud is. Je ziet, ik had mijn mooiste japon aangetrokken, om naar je toe te gaan ..... Die arme Maurice kon zich maar niet begrijpen, dat ik naar je toe wilde .... maar ik kon mijn verlangen niet bedwingen .... ik ben op weg gegaan .... Lekker, dat vuur!” voegde zij eraan toe, terwijl zij haar handjes dichter bij de vlammen hield. „Ik blijf tot morgen bij je. Goed?”

„Het zal hier leelijk koud worden,” zeide Marcel, „en eten is er ook niet meer. Je bent te laat gekomen.”

„Och, wat!” antwoordde Musette; „dan lijkt het des te meer op vroeger!”


Rodolphe, Colline en Schaunard bleven vier-en-twintig uur uit, om hun tabak te halen. Toen zij weer terugkwamen, was Marcel alleen.

Vicomte Maurice zag Musette na een afwezigheid van zes dagen eerst terug.

Hij maakte haar geen enkel verwijt, vroeg alleen waarom zij zoo bedroefd was.

„Ik heb ruzie gehad met Marcel,” antwoordde zij; „we zijn kwaad van elkaar weggegaan!”

„En toch zal je misschien weer naar hem terugkeeren?”

„Wat zal ik je zeggen?” zeide Musette; „ik heb behoefte om van tijd tot tijd de lucht van dat leven in te ademen. Mijn dol bestaan gelijkt op een lied; ieder van mijn amourettes is een couplet ervan; maar Marcel is het refrein.” [314]


1 Eetlust.

2 Een verfrisschende drank (bereid uit citroen en zoethout), die in Frankrijk langs den weg verkocht wordt.

3 Bekende champagne-merken.

4 Zie Molière’s Don Juan: Acte IV, scène III.

5 Zie Shakespeare’s Macbeth.

[Inhoud]

Hoofdstuk XX.

Mimi in zijde en fluweel.

[Inhoud]

I.

„Neen, neen, neen, ge zijt niet meer Lisette. Neen, neen, ge zijt niet meer Mimi!

„Ge zijt nu mevrouw de vicomtesse, overmorgen zult ge misschien mevrouw de hertogin zijn, want ge hebt den voet op den ladder, die tot hoogheid leidt, bestegen; de deur van uw droomen heeft zich eindelijk voor uw schreden geopend en overwinnend en triompheerend zijt gij binnengetreden. Ik heb vooruit geweten, dat gij den een of anderen nacht daarin slagen zoudt. Het moest trouwens zoo gaan: uw kleine, blanke handjes waren voor niets doen geschapen en verlangden reeds lang naar den ring van een aristocratische verbintenis. Eindelijk hebt ge een blazoen! Maar wij zien toch nog altijd liever dat, hetwelk de jeugd aan uw schoonheid gaf: uw bleek gelaat, welks leliënveld uw blauwe oogen in vier kwartieren scheen te verdeelen. Doch edele vrouwe of grisette, bekoorlijk zijt gij altijd; en ik herkende u dadelijk, toen ge me onlangs op een avond op straat snel in uw mooie laarsjes voorbij liept, terwijl uw gehandschoend handje den wind hielp om de volants van uw robe op te houden, eensdeels om die niet vuil te laten worden, anderdeels om uw geborduurde onderrokken en à-jour kousen te laten zien. Ge hadt een hoed van een bewonderenswaardigen vorm en het kwam me voor, dat ge in groote verlegenheid [315]verkeerde ten gevolge van een kostbaren kanten voile, die van dien kostbaren hoed neergolfde. Inderdaad een moeilijk geval: het gold immers de vraag, wat beter en voor uw coquetterie voordeeliger was, die voile neergelaten of opgeslagen te dragen. Wanneer ge hem voor uw gezicht zoudt dragen, dan liept ge kans niet herkend te worden door uw vrienden, die ge tegen zoudt kunnen komen, want die zouden zeker tienmaal langs u gegaan kunnen zijn, zonder ook maar te vermoeden, dat die prachtige enveloppe mademoiselle Mimi verborg. Sloegt ge hem daarentegen terug, dan liep de voile gevaar niet gezien te worden—en waartoe diende het anders dien te hebben? Doch ge wist die moeilijkheid op zeer geestrijke wijze te overwinnen, door den voile om de tien pas neer te doen en weer terug te slaan, dezen voile, dit kostbare weefsel, dat ongetwijfeld bewerkt is in het spinnewebbenland, dat Vlaanderen genoemd wordt en dat alleen zeker meer gekost heeft dan uw geheele vroegere garderobe samen .... Ach, Mimi! .... Pardon .... Ach, mevrouw de vicomtesse! Ik had, zooals ge nu ziet, wel gelijk, toen ik zeide: „Geduld, wanhoop niet: de toekomst gaat zwanger van kaschmir-sjaals, brillanten en intieme soupers. Ge wildet me toen niet gelooven, ongeloovige. Welnu, mijn voorspellingen zijn toch werkelijkheid geworden, en ik sta bij u thans zeker even hoog in aanzien als uw Oracles des Dames, die kleine heksenmeester in 18°, dien ge voor vijf sous aan een boekenstalletje op den pont Neuf gekocht hebt en dien ge met uw eeuwigdurende ondervragingen lastig vielt? Nogmaals, had ik geen gelijk met mijn prophetieën en zult ge me nu gelooven, wanneer ik u zeg, dat ge op deze trede niet zult blijven staan; als ik u zeg, dat ik, als ik aandachtig luister, in de diepte van uw toekomst, reeds het getrappel en gehinnik hoor van paarden, gespannen voor een blauwen coupé, bestuurd door een gepoederden koetsier, die de [316]trede voor u neerslaat met de eerbiedige vraag: „Waar gaat mevrouw heen?” En zult ge me ook gelooven, als ik u zeg, dat ge later .... God geve, zoo laat mogelijk!... het doel van een lang gekoesterde eerzucht zult bereiken en een table d’hôte zult houden te Belleville of in Batignolles en u het hof gemaakt zal worden door oude militairen en gepensionneerde smachtende aanbidders, die in het geheim lansquenet en baccaraat bij u komen spelen. Maar voor dit tijdstip, waarop de zon van uw jeugd reeds ter kimme zal dalen, komt, zult ge nog heel wat ellen zijde en fluweel gebruiken; zullen nog heel wat vaderlijke erfdeelen in de smeltkroes van uw grillen en luimen wegsmelten, zal nog menige bloem in uw haar, nog menige bloem onder uw voet ontbladerd worden, zult ge zelf nog dikwijls van blazoen veranderen. Beurtelings zal op uw hoofd de parelsnoer der baronessen, de kroon der gravinnen en de diadeem der markiezinnen schitteren; als devies zult ge in uw wapen het woord: „Onbestendigheid” voeren; gij zult, al naar luim of behoefte, al die talrijke aanbidders op hun beurt of allen tegelijk weten te bevredigen, welke queue zullen komen maken in de anti-chambre van uw hart, zooals men queue maakt voor den ingang van een schouwburg, waar een trekstuk gegeven wordt. Ga dus voorwaarts, schud al uw herinneringen van u af, om ruimte te hebben voor uw eerzucht; voorwaarts dus: de weg, die voor u ligt, is mooi, en wij hopen, dat hij nog lang zacht voor uw voeten zijn mag; maar vòòr alles hopen wij, dat al die luxe en pracht, al die schitterende toiletten niet te spoedig de lijkwade zullen worden, waarin men uw vroolijkheid inwikkelt.”

Zoo sprak de schilder Marcel tot de kleine Mimi, die hij drie of vier dagen na haar tweede echtscheiding van den dichter Rodolphe ontmoet had. Hoewel hij getracht had op de spotternijen, die hier en daar door zijn horoscoop heen gezaaid waren, een sourdine te zetten, was Mimi [317]in geen enkel opzicht het slachtoffer van Marcel’s mooie woorden en begreep zij heel goed dat hij zich zonder eenigen eerbied voor haar nieuwen titel, vroolijk maakte over haar.

„Je bent heel onaardig tegen me, Marcel,” zeide mademoiselle Mimi; „dat is slecht van je: ik ben altijd goed voor je geweest, toen ik met Rodolphe samenwoonde, en dat ik hem verlaten heb, is zijn schuld. Heeft hij me niet bijna op straat gezet, en hoe heeft hij mij de laatste dagen, dat we bij elkaar waren, behandeld? Ik was erg ongelukkig. Jij weet niet wat voor een man Rodolphe is: een opvliegend en jaloersch karakter, dat mij langzamerhand vermoordde. Hij hield van me, dat weet ik heel goed, maar zijn liefde was even gevaarlijk als een geladen pistool. En wat voor een leven heb ik die vijftien maanden bij hem gehad? Ach, Marcel, ik wil mij niet beter voordoen dan ik ben, maar ik heb met Rodolphe veel geleden, dat weet je trouwens zelf ook wel! En niet omdat we het arm hadden, ben ik van hem weggegaan, daaraan was ik van jongsaf aan gewend; neen ik zeg je het je nogmaals: hij heeft mij weggejaagd; hij heeft mijn hart met voeten getreden; hij heeft me gezegd, dat ik geen eergevoel had, als ik bij hem bleef; hij heeft me gezegd, dat hij niet meer van me hield en dat ik maar een anderen minnaar moest zoeken; ja hij is zelfs zòò ver gegaan, dat hij mij een jongen man heeft aangewezen, die me het hof maakte; en door zijn eeuwige uittartingen is hij, om zoo te zeggen, de trait-d’union tusschen mij en dien jongen man geworden. Ik heb met hem slechts uit dépit tegen Rodolphe en door den nood gedwongen geleefd, want ik hield niet van hem; je weet zelf heel goed, dat ik niet veel op heb met zoo heel jonge kereltjes, zij zijn bijna altijd vervelend en sentimenteel als harmonica’s. Enfin wat gebeurd is, is gebeurd en ik heb er geen spijt van; wanneer ik weer in denzelfden toestand kwam, zou [318]ik hetzelfde doen. Nu ik niet meer bij hem ben en nu hij weet, dat ik gelukkig ben, is Rodolphe woedend en voelt hij zich verongelijkt; dat weet ik van iemand, die hem een paar dagen geleden gezien heeft: hij had roode oogen. En dat verwondert me niets, want ik wist wel, dat het zoo gaan zou en hij me heel gauw weer zou naloopen; maar je kunt hem uit mijn naam zeggen, dat het vergeefsche moeite is ..... ditmaal is het ernst geweest; het is nu voor goed tusschen ons uit ..... Heb je hem de laatste dagen nog gezien, Marcel en is hij werkelijk zoo veranderd?” vroeg Mimi plotseling op een heel anderen toon.

„Zeker is hij veranderd,” antwoordde Marcel; „heel erg veranderd zelfs.”

„Hij is bedroefd, dat spreekt. Maar wat kan ik er aan doen? Des te erger voor hem, het is zijn eigen schuld. Ten slotte moest er een eind aan komen. Troost jij hem, Marcel.”

„O, o,” zeide Marcel kalm; „maak je daar maar niet ongerust over, Mimi; dat is al voor de grootste helft in orde.”

„Wat je daar zegt, is niet waar, beste jongen!” merkte Mimi eenigszins ironisch op; „zoo gauw zal Rodolphe er niet over heen zijn. Hoe was hij den avond voor mijn vertrek niet! Het was op een Vrijdag, ik wou dien nacht niet bij mijn nieuwen minnaar blijven, omdat ik bijgeloovig ben en de Vrijdag een ongeluksdag is.”

„Daar vergis je je in, Mimi: in de liefde is de Vrijdag een geluksdag; de Ouden noemden hem Dies Veneris.”

„Latijn heb ik nooit geleerd,” viel Mimi hem in de rede. „Maar enfin; ik kwam dan bij Paul uit en vond Rodolphe beneden op straat op schildwacht staan. Hij wachtte op me. Het was laat, al over twaalven, en ik had honger, want ik had slecht gedineerd. Ik vroeg Rodolphe of hij [319]niet wat voor het souper wilde halen. Een half uur later kwam hij terug met niet zoo veel bijzonders: brood, wijn, sardientjes, kaas en een appelkoek, dat was alles. In dien tusschentijd was ik onder de wol gekropen. Hij schoof de tafel bij het bed. Ik deed net, alsof ik niet op hem lette, maar ik nam hem heel goed op: hij was zoo bleek als een lijk, hij rilde en liep in de kamer op en neer als iemand, die niet weet wat hij wil. In een hoekje zag hij mijn pakjes met kleeren liggen. Dat scheen hem te hinderen en hij zette het scherm voor die pakjes, om ze niet meer te zien. Toen alles klaar was, begonnen we te eten; hij probeerde me te laten drinken, maar ik had geen honger of dorst meer. Ik had net een gevoel, alsof er een prop in mijn keel zat. Het was koud, want we hadden geen hout om vuur aan te leggen; je hoorde den wind door den schoorsteen fluiten. Het was wel triest. Rodolphe keek me voortdurend aan, zijn oogen stonden strak. Dan legde hij zijn hand in de mijne; en ik voelde hoe de zijne beefde, zij was warm en koud tegelijk.

—„Dat is het begrafenismaal van onze liefde,” zeide hij heel zacht.

„Ik antwoordde niet, maar had ook niet den moed, mijn hand terug te trekken.

—„Ik ben moe,” zeide ik eindelijk; „het is laat, we moesten maar gaan slapen.”

„Rodolphe keek me aan. Ik had een van mijn dassen om mijn hoofd gebonden, om me een beetje tegen de koude te beschermen. Zonder een woord te zeggen nam hij die das weg.

—„Waarom doe je dat?” vroeg ik. „Ik heb het koud.”

—„O, Mimi,” zeide hij; „zet dezen nacht je gestreepte mutsje nog eens op. Dat zal je zooveel moeite niet kosten.”

„Hij bedoelde een bruin en wit gestreept nachtmutsje van gedrukt katoen, dat hij mij graag op zag hebben, omdat het hem herinnerde aan eenige gelukkige nachten. [320]want daarnaar telden we onze gelukkige dagen. Daar het de laatste nacht was, dat ik bij hem zou slapen, durfde ik zijn verzoek niet te weigeren. Ik stond op en ging het mutsje, dat onder in een van de pakjes lag, halen; ik vergat het scherm weer op zijn plaats te zetten. Rodolphe merkte het en verborg voor de tweede maal de pakjes.

—„Goeden nacht!” zeide hij tegen me.

—„Goeden nacht!” antwoordde ik.

„Ik dacht, dat hij mij een zoen zou geven, en ik zou mij daar niet tegen verzet hebben, maar hij nam slechts mijn hand en drukte die aan zijn lippen. Je weet, Marcel, hoe graag hij mijn handen kuste. Ik hoorde hem klappertanden en voelde, dat zijn lichaam zoo koud als marmer was. Hij hield mijn hand maar steeds vast en had zijn hoofd op mijn schouder gelegd, die al heel gauw nat van tranen was. Rodolphe was in een vreeselijken toestand. Hij beet in de beddelakens, om het niet uit te schreeuwen; maar ik hoorde zijn onderdrukt gesteun en voelde zijn tranen over mijn schouders stroomen, waarop zij eerst brandden als vuur, dan koud werden als ijs. Op dat oogenblik had ik al mijn moed noodig; en ik had dien noodig, dat verzeker ik je, want ik had maar één woord behoeven te zeggen, mijn hoofd maar behoeven om te keeren, en mijn mond zou Rodolphe’s lippen aangeraakt hebben en wij zouden ons nogmaals verzoend hebben. Een oogenblik dacht ik werkelijk, dat hij in mijn armen sterven of minstens krankzinnig worden zou, wat vroeger bijna reeds het geval geweest is ..... herinner je je nog wel? Ik voelde, dat ik op het punt stond toe te geven; ik wilde den eersten stap tot verzoening doen; ik wilde hem in mijn armen sluiten, want je moet wel een hart van steen hebben om tegenover zoo’n smart ongevoelig te blijven. Plotseling herinnerde ik me echter de woorden, die hij den vorigen avond gezegd had: „Je hebt geen eergevoel, als je bij me blijft, want ik houd niet meer van je.” En bij de herinnering [321]aan die grofheden had ik Rodolphe naast mij hebben kunnen zien sterven, zou ik, ook al had ik geweten, dat een kus van mij hem zou hebben kunnen redden, mijn hoofd hebben afgewend. Uitgeput door vermoeienis viel ik eindelijk in een lichte sluimering. Ik hoorde Rodolphe nog steeds snikken, en ik verzeker je, Marcel, het duurde den geheelen nacht door. Toen de dag aanbrak en ik in dat bed, waarin ik voor het laatst sliep, keek naar mijn minnaar, dien ik ging verlaten, om in de armen van een ander te snellen, schrok ik vreeslijk bij het zien van de verwoestingen, die de smart op Rodolphe’s gezicht had aangericht.

„Hij stond op zonder iets te zeggen. Bij de eerste stappen, die hij deed, sloeg hij bijna tegen den grond, zoo zwak en afgemat was hij. Toch kleedde hij zich vlug aan en vroeg mij slechts of alles al klaar was en wanneer ik wegging. Ik antwoordde, dat ik nog niets zekers wist. Hij ging uit, zonder afscheid te nemen, zonder me een hand te geven. Op die manier zijn we van elkaar gegaan. Wat een steek zal het hem in zijn hart gegeven hebben, toen hij me bij zijn thuiskomst niet meer vond!”

„Ik was op zijn kamer, toen hij thuiskwam,” zeide Marcel tot Mimi, die buiten adem was van het lange verhaal. „Toen hij beneden om den sleutel vroeg, zeide de vrouw van den concierge tegen hem:

—„De kleine is weg.”

—„Zoo,” antwoordde Rodolphe, „dat verwondert me niets, dat had ik wel gedacht.”

„Toen liep hij de trap op en ik volgde hem, omdat ook ik voor een crisis vreesde. Maar er gebeurde niets van dien aard.

—„Daar het nu al te laat is om nog een andere kamer te huren,” zeide hij tegen me, „zullen we het maar tot morgen uitstellen. Dan kan je met me meegaan. En laten we nu gaan eten.”

„Ik dacht, dat hij zich wilde gaan bedrinken, maar ik [322]vergiste me. We dineerden heel eenvoudigjes in een restaurant, waar jij ook dikwijls met hem gezeten hebt. Om hem een beetje onder verdooving te brengen, had ik Beaune besteld.”

—„Dat was de lievelingswijn van Mimi,” zeide hij tegen me; „we hebben dien samen dikwijls gedronken aan hetzelfde tafeltje, waaraan we nu zitten. Ik herinner me nog hoe zij op een goeden dag haar glas, dat zij reeds verscheidene malen geledigd had, naar mij toeschoof met de woorden: „Schenk nog eens in, met dien Beaune kom je uit de boonen.” Een vrij flauwe woordspeling, nauwelijks goed voor een vaudeville, vindt je niet? Ja, Mimi kan goed drinken!”

„Daar ik zag, dat hij zich weer in herinneringen wilde gaan verdiepen, begon ik over wat anders te praten, van jou was er geen sprake meer. Hij bracht den geheelen avond in mijn gezelschap door en scheen even kalm als de Middellandsche Zee. Wat mij het meest verwonderde, was dat zijn kalmte niets gekunstelds had. Hij was de onverschilligheid in eigen persoon. Tegen middernacht gingen we naar huis.”

—„Je schijnt je er over te verwonderen, dat ik in mijn toestand zoo kalm ben,” zeide hij tegen me; „laat ik even een vergelijking gebruiken, die, als is zij misschien ook wat triviaal, tenminste de verdienste heeft juist te zijn. Mijn hart is als een fontein, waarvan de kraan den geheelen nacht open heeft gestaan, ’s morgens is er geen droppel meer in. Zoo is het nu ook met mijn hart; al de tranen, die ik nog had, heb ik vannacht verhuild. Het is vreemd; ik dacht, dat ik rijker was aan smartuitingen en nu heeft één lijdensnacht mij uitgeput, mij volkomen op het droge gezet. Ik verklaar je op mijn eerewoord, dat het zoo is. En in hetzelfde bed, waarin ik den afgeloopen nacht naast een vrouw, die als een blok naast me lag, uit wanhoop bijna gestorven ben, zal ik straks, terwijl het hoofd van die [323]vrouw op het kussen van een ander rust, slapen als een pakjesdrager, die een zwaren dag achter den rug heeft.”

„Comedie,” dacht ik bij mijzelf; „voordat ik goed en wel weg ben, loopt hij met zijn hoofd tegen den muur.”

„Toch liet ik Rodolphe alleen en ging naar mijn eigen kamer, maar slapen deed ik niet. Om drie uur meende ik leven in de kamer van Rodolphe te hooren; ik vloog naar beneden in de meening, dat hij aan het ijlen was.”

„En?” vroeg Mimi.

„Och, beste meid, Rodolphe sliep, het bed was in het geheel niet in de war; alles wees erop, dat zijn slaap rustig geweest was en niet lang op zich had laten wachten.”

„Dat is heel goed mogelijk,” vond Mimi; „hij was zoo moe van den vorigen nacht ... Maar den volgenden morgen?”

„Den volgenden morgen is Rodolphe mij al heel vroeg komen halen, en toen zijn we kamers gaan huren in een ander huis, die we denzelfden avond nog betrokken hebben.”

„En wat heeft hij gedaan, toen hij de kamer verliet, waarin we samen gewoond hebben?” vroeg Mimi; „wat heeft hij gezegd, toen hij scheidde van de kamer, waarin hij mij zoo heeft liefgehad?”

„Hij heeft heel kalm zijn boeltje gepakt,” antwoordde Marcel; „en daar hij in een lade een paar gehaakte handschoenen en twee of drie brieven vond, die jij vergeten hadt mede te nemen ....”

„Dat weet ik,” viel Mimi hem in de rede op een toon, die scheen te willen zeggen: Ik heb ze exprès vergeten, om een souvenir aan me achter te laten. „En wat heeft hij er mede gedaan?” voegde zij eraan toe.

„Ik meen me te herinneren, dat hij de brieven in de haard en de handschoenen uit het raam gegooid heeft; maar zonder eenig theatraal gebaar, zonder pose, op een heel [324]natuurlijke manier, zooals je dat doet, wanneer je iets, waar je niets meer aan hebt, weg doet.”

„Beste Marcel, uit den grond van mijn hart hoop ik, dat die onverschilligheid voortduren zal. Maar eerlijk gezegd, ik geloof niet aan een zoo spoedige genezing, en niettegenstaande alles wat je me zegt, ben ik er zeker van, dat mijn dichter een gebroken hart heeft.”

„Het is best mogelijk,” antwoordde Marcel, terwijl hij afscheid nam van Mimi; „maar de stukken zijn nog goed, als ik mij niet sterk vergis.”

Gedurende dat gesprek op de straat wachtte vicomte Paul op zijn nieuwe maîtresse, die veel later dan afgesproken was bij hem kwam en allesbehalve vriendelijk tegen den vicomte was. Hij knielde voor haar neer en kirde haar zijn lievelingsromance voor: dat zij bekoorlijk was, bleek als de maan, zacht als een lam, maar dat hij haar vooral liefhad om de schoonheid van haar ziel.

„Ach!” dacht Mimi, terwijl zij de golven van haar bruin haar op de sneeuw van haar schouders liet neervallen; „Rodolphe was niet zoo exclusief.”

[Inhoud]

II.

Het was, zooals Marcel tegen Mimi gezegd had: Rodolphe scheen radicaal genezen te zijn van zijn liefde voor Mademoiselle Mimi, en drie of vier dagen na hun scheiding zag men den dichter geheel gemetamorphoseerd weer verschijnen. Hij was gekleed met een elegance, die hem zelf onherkenbaar voor zijn spiegel moest maken, en niets in of aan hem scheen de vrees te rechtvaardigen, dat hij het voornemen had zich te storten in de afgronden van het Niet, welk praatje mademoiselle Mimi met gehuicheld medelijden ingang trachtte te doen vinden. Rodolphe was inderdaad volkomen kalm; hij luisterde, zonder dat er ook maar één spier op zijn gelaat vertrok, naar de verhalen, [325]die hem gedaan werden over de nieuwe en weelderige levenswijze van zijn vriendinnetje, dat er van haar kant een genoegen in vond hem zooveel mogelijk over haar te laten inlichten door een jonge vrouw, die haar vertrouwde gebleven was en in de gelegenheid verkeerde bijna iederen avond met hem te praten.

„Mimi is erg gelukkig met vicomte Paul,” zeide zij tegen den dichter; „zij schijnt dol verliefd op hem te zijn; één ding echter verontrust haar, zij is n.l. bang, dat gij haar rust zult komen storen door achtervolgingen, die echter zeer gevaarlijk voor u zouden zijn, want de vicomte aanbidt zijn maîtresse en heeft twee jaar lang de schermschool bezocht.”

„Zoo!” antwoordde Rodolphe; „zij kan rustig slapen; ik heb heelemaal geen lust azijn in het suikerwater van haar wittebroodsweken te gieten. En wat haar jeugdigen minnaar betreft, die kan gerust zijn degen aan den spijker laten hangen evenals Gastibelza, den man met den karabijn.1

Natuurlijk werd Mimi op de hoogte gebracht van de kalmte, waarmede haar vroegere minnaar al die bijzonderheden opnam, en van haar kant verzuimde zij niet met een schouderophalen te antwoorden:

„Het is goed! We zullen binnenkort wel zien, waar het op uitloopt!”

Intusschen was Rodolphe nog meer dan ieder ander verbaasd over die plotselinge onverschilligheid, welke, zonder de gewone phasen van droefgeestigheid en melancholie te doorloopen, volgde op de woeste stormen, die nog eenige dagen te voren in zijn hart gewoed hadden. [326]De vergetelheid, die anders vooral voor ongelukkige verliefden zoo langzaam komt; de vergetelheid, die zij luide roepen en die zij nog luider terugstooten, wanneer zij haar voelen naderen; deze onverbiddelijke troosteresse had zich plotseling en onverwachts, zonder dat hij er zich tegen had kunnen verzetten, in Rodolphe’s hart ingedrongen, en de naam van de vrouw, die hij zoo hartstochtelijk had liefgehad, kon nu genoemd worden, zonder in zijn ziel een weerklank te vinden. Wonderlijk, Rodolphe, wiens sterk geheugen de herinneringen aan dingen, die in de verst verwijderde dagen van het verleden geschied waren, en aan personen, die in zijn leven, al was het nog zoo lang geleden, een rol gespeeld of op zijn bestaan invloed gehad hadden, bewaarde; diezelfde Rodolphe kon, hoe hij zich ook inspande, zich vier dagen na de scheiding niet duidelijk de trekken herinneren van zijn vriendinnetje, dat met haar blanke, zachte handjes zijn leven bijna gebroken had. De zachte oogen, in wier schittering hij zoo dikwijls ingeslapen was, kon hij zich niet meer voor den geest roepen. Hij herinnerde zich zelfs den klank der stem niet meer, wier uitbarstingen van woede of verliefd gefluister hem tot waanzin brachten.

Een van zijn vrienden, ook een dichter, die hem sinds zijn echtscheiding niet gezien had, zag hem op een avond blijkbaar in droeve gedachten verzonken met groote passen op straat op en neer loopen.

„Zoo, ben jij daar!” zeide de dichter, terwijl hij Rodolphe de hand toestak en hem nieuwsgierig opnam.

Daar hij zag, dat Rodolphe een bedroefd gezicht zette, meende hij hem wat moed te moeten inspreken:

„Kom, kerel, moed! Ik weet, dat dergelijke dingen zwaar te dragen zijn, maar het had er toch eenmaal toe moeten komen. Beter nu dan later! En binnen drie maanden ben je weer heelemaal genezen!” [327]

„Wat voor een dwaasheid sta je toch uit te slaan?” zeide Rodolphe; „ik ben niet ziek.”

„Kom,” antwoordde de ander, „houd je nou maar zoo groot niet. Ik ken de heele geschiedenis, en al kende ik die niet, dan zou ik die toch op je gezicht kunnen lezen.”

„Pas op, kerel, je vergist je!” zeide Rodolphe; „weliswaar ben ik vanavond een beetje mismoedig, waar wat de oorzaak daarvan betreft, sla je de plank heelemaal mis.”

„Ach, Rodolphe, waarom strijdt je toch zoo tegen? Het is heel natuurlijk; een liaison, die bijna twee jaar geduurd heeft, breek je niet zoo maar zonder kleerscheuren af.”

„Dat zeggen jullie allemaal!” zeide Rodolphe ongeduldig; „maar jullie hebt het allemaal op mijn woord van eer mis. Ik ben erg bedroefd en zie er misschien ook zoo uit, dat is mogelijk; maar ik ben het alleen maar, omdat mijn kleermaker mij vandaag mijn nieuwe pak zou bezorgen en het niet gedaan heeft. Zie je, daarom heb ik het land.”

„Grappenmaker, grappenmaker!” zeide de ander lachend.

„Waarachtig niet, ik ben ernstig, doodernstig. Luister maar even naar mijn redeneering.”

„Nou ik luister: bewijs mij eens hoe je redelijkerwijze zoo’n bedroefd gezicht kunt zetten, omdat een kleermaker je pak niet thuisbezorgd heeft. Ga je gang, en laat eens hooren.”

„Je weet toch,” zeide Rodolphe, „dat kleine oorzaken groote gevolgen kunnen hebben. Ik moest vanavond een zeer gewichtig bezoek afleggen en dat kan ik nu niet doen, omdat ik geen fatsoenlijk pak heb. Begrijp je het nu?”

„Neen, volstrekt nog niet. Ik zie tot op dit oogenblik geen voldoende motief, om zoo het land te hebben. Je vindt het vervelend ..... omdat ..... kort en goed, [328]je lijkt wel dwaas, om me zoo iets op de mouw te willen spelden. Dat is mijn meening.”

„Kerel, je bent al bliksems halsstarrig. Je hebt altijd reden om het land te hebben, wanneer je een gelukje of zelfs maar een pleiziertje misloopt, omdat het dan zoo goed als onherroepelijk verloren is, want het is meestal zelfbedrog als je tegen je zelf zegt: „Ik zal het een anderen keer wel inhalen!” Maar om kort te gaan, ik had vanavond een rendez-vous met een jong meisje: ik zou haar ontmoeten in een huis, vanwaar ik haar misschien mee naar mijn kamer genomen zou hebben, als het korter was dan om naar de hare te gaan, en misschien ook wel, al was het langer. In dat huis nu wordt vanavond een soirée gegeven, een soirée waarop je alleen maar in rok kunt komen; ik heb geen rok, mijn kleermaker moest mij er een brengen; hij brengt dien rok niet, dus kan ik ook niet naar de soirée gaan; dus ontmoet ik het jonge meisje niet, dat nu misschien een ander ontmoet; dus breng ik haar noch naar mijn kamer noch naar de hare, waarheen ze nu misschien door een ander gebracht wordt. Zooals ik al zeide, loop ik derhalve een gelukje of een pleiziertje mis; derhalve heb ik het land; derhalve zie ik eruit, alsof ik het land heb; derhalve is de heele zaak heel natuurlijk.”

„Nou goed dan,” zeide de vriend. „Derhalve ben je nauwelijks met je eenen voet uit de hel, of je stapt met je anderen weer in een nieuwe; maar, waarde vriend, toen ik je hier in de straat zag, maakte het toch precies den indruk, alsof je hier liept te schilderen.”

„Dat deed ik ook,” antwoordde Rodolphe.

„Maar het is toch wel heel toevallig, dat dit juist gebeurt in het stadsdeel, waarin je vroeger vriendinnetje woont: wat bewijst mij, dat je niet op haar wacht?”

„Hoewel ik van haar gescheiden ben, hebben particuliere redenen mij genoopt in dit stadsgedeelte te blijven wonen; maar al zijn we bijna buren, toch zijn we even [329]ver van elkaar verwijderd, alsof zij zich aan de Noord- en ik mij aan de Zuidpool bevond. Bovendien zit mijn vroegere maîtresse op dit oogenblik in het hoekje van den haard en neemt les in de Fransche taal bij vicomte Paul, die haar door middel van de orthographie op het pad der deugd wil terugbrengen. Lieve Hemel, wat zal hij haar verwennen! Enfin, dat is zijn zaak, nu hij de hoofdredacteur van zijn geluk is! Je ziet dus, dat je opmerkingen meer dan onzinnig zijn, en dat ik, verre van het uitgewischte spoor van mijn oude liefde weer te willen zoeken, juist een nieuwe op het spoor ben, die reeds in mijn nabijheid woont en nog dichter bij mij komen zal, want ik ben volkomen bereid haar een eind weegs tegemoet te gaan, en als zij dat ook wil doen, zal het niet lang duren voor we het eens zijn.”

„Ben je dus werkelijk alweer verliefd?” vroeg de dichter.

„Dat ligt nu eenmaal in mijn natuur,” antwoordde Rodolphe; „mijn hart lijkt op een woning, die je dadelijk te huur hangt, zoodra de bewoner heeft opgezegd. Wanneer een liefde mijn hart verlaat, hang ik een bordje uit, om een andere te krijgen. De kamers zijn bovendien prettig om te bewonen en pas gerepareerd.”

„En wie is die nieuwe afgod? Waar en wanneer heb je ze leeren kennen?”

„Laat ik het je regelmatig vertellen,” zeide Rodolphe. „Toen Mimi me verlaten had, was ik er vast van overtuigd, dat ik nooit van mijn leven weer verliefd zou worden, en geloofde ik in allen ernst, dat mijn hart van uitputting of ouderdomszwakte of wat je maar wilt gestorven was. Het had zoo hard en zoo lang geklopt, dat dit zeer goed mogelijk was. Kortom ik waande het dood, morsdood, zòò dood, dat ik erover dacht het net als Marlborough te begraven. Bij die gelegenheid gaf ik een klein begrafenisdinertje, waarop ik enkele van mijn intieme [330]vrienden inviteerde. De gasten moesten een bedroefd gezicht trekken en de flesschen hadden een rouwfloers over de hals.”

„En waarom heb je mij niet gevraagd?”

„Neem me niet kwalijk, maar ik wist het adres van de wolk, waarop je troont, niet.”

„Nou enfin, vertel maar verder!”

„Een van de gasten had een jong meisje meegebracht, dat ook kort geleden door haar minnaar verlaten was. Een van mijn vrienden, die heel goed op de violoncel der sentimentaliteit speelt, vertelde haar mijn geschiedenis. Hij schilderde de jonge weduwe de goede hoedanigheden van mijn hart, dien armen doode, dien we juist wilden gaan begraven, en noodigde haar ten slotte uit een dronk te wijden aan zijn eeuwige rust. Doch haar glas opheffende zeide zij: „Integendeel, ik drink op zijn voortdurende gezondheid!” En bij die woorden wierp zij mij een blik toe, om een doode weer levend te maken, zooals men dat noemt, en hier kon men dat met recht zeggen, want nauwelijks had zij haar toast uitgebracht, of ik voelde, dat mijn hart het O Filii der Opstanding begon aan te heffen. Wat hadt jij in mijn plaats gedaan?”

„Dat is ook een vraag!.... hoe heet zij?”

„Dat weet ik zelf niet, en ik zal haar naam niet vragen, voordat we ons contract teekenen. Ik weet wel, dat ik volgens het inzicht van sommige menschen den wettelijken treurtermijn nog niet geheel doorloopen heb, maar ik heb aan mezelf dispensatie gevraagd en.... . verleend. Wat ik wel weet, is dat mijn aanstaande als bruidschat vroolijkheid, die de gezondheid is van den geest, en gezondheid, die de vroolijkheid van het lichaam is, zal medebrengen.”

„Is zij knap?”

„Heel knap, vooral haar tint is mooi; je zoudt bijna denken, dat zij zich ’s ochtends met het palet van Watteau schminkt. [331]

Elle est blonde, mon cher, et ses regards vainqueurs Allument l’incendie aux quatre coins des cœurs.

Getuige het mijne!”

„Een blondine? Dat verwondert me van jou!”

„Ja ik heb genoeg van ivoor en ebbenhout, ik ga over tot de blondines.”

En al luchtsprongen makend, begon Rodolphe te zingen:

„Et nous chanterons à la ronde,

Si, vous voulez,

Que je l’adore, et qu’elle est blonde

Comme les blés.”

„Arme Mimi!” zeide de vriend; „zoo gauw vergeten!”

Deze naam deed Rodolphe’s uitbundigheid dadelijk verstommen en gaf aan het gesprek plotseling een andere wending. Rodolphe gaf zijn vriend een arm en vertelde hem uitvoerig de oorzaken van zijn breuk met Mimi; den angst, die zich van hem meester had gemaakt, toen zij hem had verlaten; hoe ontroostbaar hij geweest was, omdat hij meende, dat zij al zijn levenskracht en liefde met zich medegenomen had; en hoe hij twee dagen later tot de ontdekking gekomen was, dat hij zich vergist had, toen hij voelde, hoe het kruit van zijn hart, dat door zooveel snikken en tranen nat geworden was, onder den eersten van jeugd en hartstocht fonkelenden blik voor de eerste vrouw, die hij ontmoette, weer warm geworden was, vuur had gevat en ontploft was. Hij schilderde hem den plotselingen en geweldigen ommekeer, dien de vergetelheid, zonder dat hij die te hulp had geroepen, in hem veroorzaakt had, en hoe de smart in hem gestorven en in die vergetelheid begraven was.

„Is het geen wonder?” vroeg hij aan den dichter.

Doch deze, die alle smartelijke hoofdstukken van een ongelukkige liefde uit eigen ervaring kende, antwoordde:

„Welneen, beste kerel, er gebeuren geen wonderen meer, [332]noch voor jou noch voor anderen. Wat jou nu overkomt is mij ook overkomen. Wanneer de vrouwen, die wij liefhebben, onze maîtressen worden, houden zij op voor ons te zijn wat zij in werkelijkheid zijn. Wij zien ze dan niet alleen meer met de oogen van den minnaar, maar ook met die van den dichter. Zooals de schilder om een ledepop het keizerlijke purper of den met sterren bezaaiden sluier van een heilige jonkvrouw hangt, hebben wij altijd magazijnen vol schitterende mantels en verblindend witte gewaden, die we onverstandige, onbevallige of kwaadaardige schepselen om de schouders werpen; en wanneer zij dan zoo gekleed zijn in het kostuum, waarin onze ideale geliefden ons in het azuur van onze droomen verschenen, dan laten wij ons door deze vermomming om den tuin leiden. Wij belichamen onzen droom in de eerste de beste vrouw, tegen wie wij onze taal spreken, en die ons niet begrijpt.

„En wanneer dan zoo’n schepsel, dat wij aanbidden en aan wiens voeten wij nederknielen, zichzelf het goddelijk omhulsel, waaronder wij het verborgen hadden, afrukt, om ons des te beter haar lage natuur en haar gemeene instincten te laten zien; wanneer zoo’n vrouw onze hand op haar hart legt, waarin niets meer klopt en misschien nooit iets geklopt heeft; wanneer zij haar sluier wegslaat en ons haar doffe oogen, haar bleeke lippen en haar verwelkte trekken zien laat, dan hullen wij haar weer in dien sluier en roepen uit: „Gij liegt, gij liegt! Ik heb je lief en gij hebt mij lief! Die witte boezem is het omhulsel van een hart, dat nog in de volle kracht van zijn jeugd is; ik heb je lief en gij hebt mij lief! Gij zijt mooi, gij zijt jong! Onder in al je gebreken leeft nog de liefde. Ik heb je lief en gij hebt mij lief!

„Ten slotte echter—o, heelemaal ten slotte—bemerken wij, nadat wij ons vergeefs een driedubbele blinddoek voor de oogen gebonden hebben, dat wij zelfs de slachtoffers [333]van onze dwalingen geworden zijn en jagen wij de ellendige weg, die den dag tevoren nog onze afgod was geweest; wij nemen dan den gouden sluier van onze poëzie terug, om ze den volgenden dag weer te werpen over de schouders van een nieuwe onbekende, die onmiddellijk haar plaats als stralenomkranst afgodsbeeld inneemt. En zoo zijn wij allen—vreeselijke egoisten bovendien, die de liefde liefhebben ter wille van de liefde; je begrijpt, wat ik bedoel; en wij drinken dien goddelijken nektar uit het eerste het beste glas, getrouw aan de spreuk:

„Qu’importe le flacon, pourvu qu’on ait l’ivresse!”

„Wat je daar zegt is even waar, als tweemaal twee vier is,” zeide Rodolphe tot den dichter.

„Ja,” antwoordde deze, „het is waar en treurig, zooals bijna alle waarheden. Bonsoir.”


Twee dagen later hoorde mademoiselle Mimi, dat Rodolphe een nieuw vriendinnetje had. Zij informeerde echter verder slechts naar één ding, n.l. of hij haar even dikwijls de hand kuste als haarzelf vroeger.

„Even dikwijls!” antwoordde Marcel. „En bovendien kust hij ook haar haren, het eene na het andere, en zij zullen zòò lang bij elkaar blijven, tot hij ze alle gekust heeft.”

„Hè!” antwoordde Mimi, terwijl ze met beide handen door haar haar streek; „gelukkig maar, dat hij zich niet in zijn hoofd gehaald heeft met mij hetzelfde te doen, anders waren we ons leven lang bij elkaar gebleven. Geloof je overigens werkelijk, dat hij heelemaal niet meer van me houdt?”

„Ach!.... En houdt jij nog van hem?”

„Ik heb nooit van hem gehouden!”

„Dat is wel waar, Mimi, je hebt van hem gehouden op het oogenblik, dat het hart van een vrouw op zijn goede [334]plaats zit. Je hebt van hem gehouden—spreek dat niet tegen, want juist daarin ligt je rechtvaardiging.”

„Bah!” zeide Mimi; „hij houdt nu van een ander!”

„Dat is zoo!” zeide Marcel, „maar dat doet aan de andere zaak niets af. Later zal de herinnering aan jou voor hem zijn als die bloemen, welke men frisch en geurend tusschen de bladeren van een boek legt, en die men veel, heel veel later terugvindt, verwelkt, verkleurd en dood, maar toch nog altijd met een onbestemden geur van haar eerste frischheid.”


Op een avond, dat Mimi zacht een melodie neuriede, vroeg vicomte Paul haar:

„Wat zing je daar, lieveling?”

„De lijkrede van onze liefde, die mijn vroegere minnaar Rodolphe onlangs gedicht heeft.”

En zij zong:

„Je n’ai plus le sou, ma chère, et le Code,

Dans un cas pareil, ordonne l’oubli;

Et sans pleurs, ainsi qu’une ancienne mode,

Tu vas m’oublier, n’est-ce pas, Mimi?

C’est égal, vois-tu, nous aurons, ma chère,

Sans compter les nuits, passé d’heureux jours,

Ils n’ont pas duré longtemps; mais qu’ y faire?

Ce sont les plus beaux qui sont les plus courts.”

[335]


1 Gastibelza is de held van het drama „Gastibelza of de Waanzinnige van Toledo” van d’Ennery en Cormon. In het tweede bedrijf wordt hij krankzinnig, in het derde echter krijgt hij, zooals dat een held betaamt, zijn verstand vrijwel weer terug. Hij komt nooit zonder zijn karabijn op het tooneel.

[Inhoud]

Hoofdstuk XXI.

Romeo en Julia.

Mooi als een plaatje uit zijn tijdschrift l’Echarpe d’Iris, met nieuwe handschoenen, elegante schoenen, gladgeschoren, gefriseerd, opgedraaide snorpunten, een wandelstokje in de hand, een monocle in het oog, stralend en verjongd stond onze vriend, de dichter Rodolphe op een Novemberavond op den boulevard op een rijtuig te wachten, waarmede hij zich naar huis wilde laten brengen.

Rodolphe wachten op een rijtuig? Welk een ommekeer was er plotseling in zijn particulier leven gekomen?

Op hetzelfde uur, dat de als het ware gemetamophorseerde dichter, een grooten regalia in den mond, zijn snor opdraaide en de blikken der dames trok, kwam een vriend van hem denzelfden boulevard langs. Het was de wijsgeer Colline. Rodolphe zag hem in de verte aankomen en herkende hem dadelijk; trouwens wie, die hem ook maar éénmaal in zijn leven gezien had, zou hem niet herkennen? Colline was als gewoonlijk belast en beladen met een dozijn oude boeken. In zijn onsterfelijken bruinen paletot, welks onverslijtbaarheid de veronderstelling, dat hij door de Romeinen gemaakt was, rechtvaardigde, en met zijn beroemden, breedgeranden hoed, die op een vilten koepel geleek, waaronder een zwerm hyperphysische droomen door elkaar krioelde, en die den bijnaam had van de „stormhoed van den Mambrin der moderne philosophie”, liep Gustave Colline langzaam voort en declameerde voor [336]zichzelf zacht de voorrede van een werk, dat sedert drie maanden ter perse lag ..... in zijn verbeelding. Zoo kwam hij langzamerhand bij den plek, waar Rodolphe stond te wachten; hij meende hem te herkennen, maar de buitengewone elegance van den dichter bracht den wijsgeer in twijfel en onzekerheid.

„Rodolphe met handschoenen en een wandelstok! Een chimère! Een utopie! Een verstandsverbijstering! Rodolphe, die al even weinig haren heeft als de gelegenheid, gefriseerd! Waar zitten mijn oogen? Bovendien is mijn ongelukkige vriend op dit oogenblik druk bezig met het dichten van klaagliederen over het vertrek van zijn Mimi, die hem, naar ik heb hooren vertellen, heeft laten zitten.

Intusschen was Colline, toen hij vlak bij Rodolphe stil bleef staan, wel genoodzaakt zich door de werkelijkheid der feiten te laten overtuigen; het was inderdaad Rodolphe, gefriseerd, met een wandelstok en handschoenen; het was onmogelijk, maar het was waar.

„Alle duivels,” riep Colline; „ik vergis me niet; jij bent het, het kan niet missen, ik ben er zeker van.”

„Ik ook,” antwoordde Rodolphe.

Colline begon nu zijn vriend van top tot teen op te nemen en zette daarbij een gezicht zooals de hofschilder Lebrun het geschilderd had, om de allergrootste verbazing uit te drukken. Maar plotseling ontdekte hij twee heel bijzondere dingen, die Rodolphe bij zich had, n.l. 1o een touwladder en 2o een kooitje, waarin een vogel rondvloog. Toen Colline die dingen zag, drukte zijn physionomie een gevoel uit, dat de hofschilder Lebrun op zijn doek der „Menschelijke Hartstochten” vergeten heeft weer te geven.

„Kom,” zeide Rodolphe tot zijn vriend; „ik heb de nieuwsgierigheid van je geest heel duidelijk door het venster van je oogen zien gluren; ik zal ze bevredigen; [337]maar laten wij niet zoo hier op straat blijven; het is zoo koud, dat vraag en antwoord zouden bevriezen.”

En zij gingen een café binnen.

Colline’s oogen waren geen moment van den touwladder af, evenmin als van het kooitje, waarin de vogel, die door de warmte van het café wat fleuriger werd, begon te zingen in een taal, welke Colline, die toch een polyglot was, niet kende.

„Vertel me nu eindelijk eens,” vroeg Colline op den touwladder wijzend, „wat dat is?”

„Een verbinding tusschen mijn geliefde en mij,” antwoordde Rodolphe met den klank van een mandoline in zijn stem.

„En dat?” vroeg de wijsgeer met een blik op den vogel.

„Dat,” zeide de dichter en zijn stem werd zacht als een lentebriesje; „dat is een klok.”

„Spreek toch zonder gelijkenissen, in alledaagsch proza, maar duidelijk!”

„Goed. Heb je Shakespeare gelezen?”

„En of! To be or not to be. Een groot philosoof.... Of ik hem gelezen heb!”

„Herinner je je Romeo en Julia?”

„Dat zou ik denken!” zeide Colline.

En hij begon te reciteeren:

„It is not yet near day;

It was the nightingale, and not the lark,

That pierc’d the fearful hollow of thine ear.1

„Ja hoor, ik herinner me Romeo en Julia best. En verder?”

„Wat?” zeide Rodolphe, op den touwladder en den vogel wijzend, „begrijp je het nu nog niet? Ik ben verliefd, kerel, verliefd op een meisje, dat Julia heet!” [338]

„Nou, en verder?” vroeg Colline ongeduldig.

„Welnu, daar mijn nieuwe geliefde Julia heet, heb ik het plan gevormd met haar het drama van Shakespeare nogmaals op te voeren. In de eerste plaats heet ik niet meer Rodolphe, maar Romeo Montague, en je zult me zeer verplichten mij in het vervolg zoo te noemen. Bovendien heb ik, opdat iedereen het zal weten, nieuwe visitekaartjes laten drukken. Maar dat is niet alles: ik zal van de omstandigheid, dat we nog niet in den carnavalstijd zijn, gebruik maken, om een fluweelen wambuis en een degen te dragen.”

„Om Tybalt te dooden?” vroeg Colline.

„Precies,” antwoordde Rodolphe. „Kort en goed, deze touwladder moet dienen, om binnen te komen bij mijn geliefde, die toevallig een balcon voor haar kamer heeft.”

„Maar die vogel, die vogel?” bleef Colline aandringen.

„Wel, die vogel is een duif en moet de rol spelen van nachtegaal door iederen ochtend precies het oogenblik aan te geven, waarop mijn geliefde, uit wier omarming ik mij losmaken wil, haar armen om mijn hals slaan en juist zooals in de balconscène zeggen zal: „Neen, het is nog niet de dag, het was de nachtegaal .....” d.w.z.: „Neen , het is nog geen elf uur, het is vuil op straat, ga nog niet weg, het is zoo lekker hier.” Om de illusie volkomen te maken, zal ik probeeren een min te krijgen en die ter beschikking van mijn geliefde stellen; en ik hoop, dat de kalender zoo goedgunstig zal zijn om mij nu en dan, wanneer ik het balcon van mijn Julia beklim, wat maneschijn te verleenen. Wat zeg je van mijn plan, philosoof?”

„Heel aardig,” antwoordde Colline; „maar wil je me misschien ook het mysterie van dit prachtige omhulsel, dat je onherkenbaar maakt, ontsluieren? .... Ben je millionair geworden?”

Rodolphe gaf geen antwoord, maar wenkte een kellner en gaf hem onverschillig een louis met de woorden: [339]

„Houd maar af!”

Dan sloeg hij op zijn vestjeszakje, dat begon te zingen.

„Heb je soms een klokketoren in je zak, dat het daar zoo luidt?”

„Een paar louis maar.”

„Echte louis d’or?” zeide Colline met een van verbazing gesmoorde stem. „Laat mij eens kijken, hoe die eruit zien!”

Dan scheidden de beide vrienden, Colline, om Rodolphe’s schatten en nieuwe liefde verder uit te bazuinen, Rodolphe om naar huis te gaan.

In de week, die gevolgd was op den tweeden breuk met Mimi, had zich het volgende afgespeeld.

Toen de dichter met zijn vriendinnetje gebroken had, voelde hij behoefte om van omgeving te veranderen en verliet hij met zijn vriend Marcel het sombere hôtel garni, welks eigenaar de beide heeren zonder al te veel spijt zag heengaan. Zooals wij reeds verteld hebben, gingen zij samen een ander onderdak zoeken en huurden twee kamers in hetzelfde huis en op dezelfde verdieping. De door Rodolphe gekozen kamer was veel geriefelijker dan al degene, die hij vroeger bewoond had. Er stonden bijna werkelijke meubels in; met name een canapé met een rood overtrek, dat fluweel moest voorstellen, welke stof echter in geen enkel opzicht het spreekwoord: „Doe wat ge moet” in praktijk bracht.

Op den schoorsteen flankeerden twee porceleinen vazen met bloemen en een albasten pendule met afschuwlijke versieringen. Rodolphe zette de vazen in een kast en verzocht den huisheer, toen deze de pendule kwam opwinden, dat liever niet te doen.

„De pendule mag voor mijn part op den schoorsteen blijven staan,” zeide hij, „maar alleen als kunstvoorwerp; zij staat nu op middernacht, dat is een mooi uur; zij moet er dus op blijven staan. Zoodra zij vijf minuten later wijst, ga ik verhuizen ..... Een pendule!” ging Rodolphe, die [340]zich nooit aan de tyrannie van een wijzerplaat had kunnen onderwerpen, tot zichzelf sprekende, voort; „een pendule is een verbitterde vijand , die je onverbiddelijk je bestaan uur voor uur, minuut voor minuut voortelt en je ieder oogenblik zegt: „Daar is weer een deel van je leven voorbij!” O, ik zou niet rustig kunnen slapen in een kamer, waarin een van die martelwerktuigen staat, in welker nabijheid zorgeloosheid en droomen onmogelijk zijn .... Een pendule, waarvan de wijzers zich verlengen tot aan je bed en je ’s ochtends, wanneer je in een heerlijken sluimer ligt, komen prikken ..... Een pendule, die je steeds toeroept: „ding, ding, ding! Het is tijd, om te gaan werken, maak je los uit de armen van je heerlijken droom, onttrek je aan de liefkozingen van je visioenen (en soms aan die van werkelijkheden). Zet je hoed op, trek je schoenen aan, het is koud, het regent, ga aan je werk, het is tijd, ding, ding” ..... Een kalender is al meer dan mooi .... Mijn pendule moet verlamd blijven, anders ....”

Gedurende dezen monoloog onderwierp Rodolphe zijn nieuwe kamer aan een nauwgezette inspectie en voelde daarbij in zich die heimelijke onrust, welke zich bijna altijd van ons meester maakt, wanneer we een nieuwe woning betrekken.

„Ik heb,” dacht hij bij zichzelf, „opgemerkt, dat de kamers, die we bewonen, een geheimzinnigen invloed uitoefenen op onze gedachten en derhalve ook op onze daden. Deze kamer hier is kil en stil als een graf. Indien hier ooit vroolijkheid heerschen zal, dan moet zij van buitenaf worden ingevoerd; en ook dan zal zij hier niet lang blijven, want onder dezen lagen zolder, die koud en grijs als een sneeuwlucht is, moet de lach zónder echo sterven. O wee, hoe zal mijn leven tusschen deze vier muren zijn!”


Eenige dagen later echter was deze zoo trieste kamer verlicht en weerklonk van vroolijk gelach: Rodolphe [341]gaf een inwijdingsfeest, en de talrijke ledige flesschen verklaarden meer dan genoeg de opgewekte stemming der gasten. De dichter zelf had zich door de aanstekelijke vroolijkheid der feestgenooten laten medesleepen. Hij zat met een jong meisje, dat het toeval hier gebracht en waar hij dadelijk beslag op gelegd had, in een hoek en flirtte met haar met woorden en handbewegingen. Tegen het einde van het feest was hij al zoover, dat hij een rendez-vous met haar had voor den volgenden dag.

„Zoo,” zeide hij tot zichzelf, toen hij weer alleen was, „deze avond is nog al aardig geslaagd. Mijn verblijf hier is onder goede voorteekenen begonnen.”

Den volgenden dag kwam Julia op het afgesproken uur bij hem. De avond ging geheel weg met verklaringen en uitleggingen. Julia had gehoord, dat Rodolphe kort geleden gebroken had met het blauwoogige meisje, waar hij zooveel van gehouden had; zij wist ook, dat Rodolphe na de eerste scheiding haar weer teruggenomen had, en was daarom bang het slachtoffer van een nieuwe verzoening te zullen worden.

„Want, zie je,” zeide zij met een aardig en schalksch gebaartje, „ik voel er heelemaal niets voor een belachelijke rol te spelen. Ik zeg je vooruit, dat ik niet makkelijk ben; ben ik hier eenmaal de vrouw des huizes”—en met een guitigen blik onderstreepte zij de beteekenis, die zij aan deze laatste woorden gaf—„dan blijf ik het en sta ik mijn plaats niet af.”

Rodolphe riep al zijn welsprekendheid te hulp om haar te overtuigen, dat haar vrees ongegrond was, en daar het jonge meisje van haar kant niets liever wilde dan overtuigd worden, waren zij het heel gauw eens. Doch die eensgezindheid hield weer op, toen het twaalf uur was, want Rodolphe wilde, dat Julia bleef, terwijl zij naar huis wilde gaan.

„Neen!” zeide zij, toen hij bleef aandringen. „Waarom [342]zouden we ons zoo haasten? Wij komen nog altijd vroeg genoeg waar we wezen willen, als jij tenminste niet blijft staan. Morgen kom ik terug.”

En zoo kwam zij een week lang iederen avond terug, om weer weg te gaan, zoodra het twaalf uur sloeg.

Rodolphe vond dien langzamen voortgang volstrekt niet vervelend. Hij behoorde in het land der liefde of verliefdheid tot die soort van reizigers, die de reis rekken en schilderachtig trachten te maken. Deze kleine sentimenteele inleiding voerde hem echter ten slotte verder dan hij eigenlijk wilde gaan. En ongetwijfeld had mademoiselle Julia deze taktiek toegepast met het oogmerk hem tot dat punt te brengen, waarop verliefdheid, gerijpt door den tegenstand, op liefde begint te gelijken.

Iederen keer, dat zij den dichter opzocht, merkte Julia in wat hij tot haar zeide, een grootere innigheid, een duidelijker uitgesproken gevoel op. Wanneer zij wat laat was, maakte zich die kenteekenende onrust van hem meester, welke het jonge meisje in verrukking bracht; en hij schreef haar zelfs brieven, welker bewoordingen haar reden gaven te hopen, dat zij weldra zijn wettige „vrouw des huizes” zou worden.

Toen Marcel, die zijn vertrouwde gebleven was, bij toeval eens een van die epistels gelezen had, vroeg hij lachend:

„Zijn dat stijloefeningen, of meen je werkelijk wat je schrijft?”

„Waarachtig, ik meen het,” antwoordde Rodolphe; „en het verwondert me zelf ook wel een beetje, maar toch is het zoo. Acht dagen geleden was ik in een zeer droefgeestige stemming. Die stilte en die kalmte, die zoo plotseling en onmiddellijk op de stormen van mijn vroeger leven gevolgd waren, maakten mij vreeselijk van streek, maar heel onverwacht kwam Julia. Ik hoorde in mijn ooren de fanfares van een vroolijkheid van een twintig-jarige [343]weerklinken. Ik zag voor mij een frisch gezichtje, lachende oogen, een mondje om te kussen, en langzamerhand heb ik mij laten medevoeren op die helling der verliefdheid, welke mij misschien tot liefde leiden zal. Ik heb graag lief.”

Intusschen begon Rodolphe al heel gauw te merken, dat het slechts van hem afhing, om een slot te maken aan dezen roman, en was toen op het denkbeeld gekomen Shakespeare’s Romeo en Julia te monteeren. Zijn toekomstige geliefde vond het een aardig idee en had haar medewerking toegezegd.

De repetitie van de balconscène was vastgesteld juist op denzelfden avond, dat de wijsgeer Colline Rodolphe op straat ontmoette. De dichter had even te voren den zijden touwladder gekocht, waarmede hij op het balcon van Julia wilde klimmen. Daar de vogelkoopman geen nachtegaal voorhanden had, nam hij er een duif voor in de plaats, die, naar hem verzekerd werd, iederen ochtend bij het opgaan der zon zong.

Op zijn kamer gekomen, bedacht de dichter, dat een hemelvaart per touwladder nu niet zoo heel gemakkelijk was en dat het derhalve wenschelijk was de balconscène vooruit in te studeeren, als hij niet, behalve de kans om te vallen, ook het gevaar wilde loopen, belachelijk en onhandig te schijnen in de oogen van haar, die hem wachtte. Hij sloeg dus twee spijkers diep in het plafond, maakte daaraan den touwladder vast en gebruikte de twee uren, die nog voor hem lagen, voor gymnastische oefeningen. Na talrijke vergeefsche pogingen slaagde hij er ten slotte in zoo goed en zoo kwaad als het ging twaalf sporten hoog te klimmen.

„Ziezoo,” zeide hij tot zichzelf; „nu ben ik zeker van mijn zaak; trouwens als ik onderweg blijf steken, zal de liefde mij vleugels geven.”

En met zijn touwladder en zijn duivenkooitje ging hij [344]op weg naar Julia, die dicht in zijn buurt woonde. Haar kamer lag achter in een kleinen tuin en had inderdaad een balcon. Doch helaas, deze kamer bevond zich op den rez-de-chaussée en van den grond af kon men makkelijk zoo op het balcon stappen.

Toen Rodolphe deze terreingesteldheid, welke zijn poëtisch klimplan in duigen deed vallen, zag, was hij zeer teneergeslagen.

„Het zij zoo,” zeide hij tot Julia; „wij kunnen de balconscène daarom toch wel opvoeren. Deze vogel hier zal ons morgen vroeg met zijn welluidende stem uit onzen sluimer wekken en ons precies het oogenblik kond doen, waarop wij met wanhoop in onze ziel moeten scheiden.”

En met deze woorden hing Rodolphe zijn kooitje in een hoekje van de kamer.

Den volgenden ochtend om vijf uur vervulde de duif op tijd haar plicht en de kamer met een langaangehouden gekir, dat de twee geliefden zeker gewekt zou hebben, als zij geslapen hadden.

„Welnu,” zeide Julia, „thans is het oogenblik gekomen om naar het balcon te gaan en wanhopig afscheid te nemen.”

„De duif gaat voor,” zeide Rodolphe; „wij zijn in November en dan gaat de zon pas om twaalf uur op.”

„Dat komt er niet op aan,” zeide Julia; „ik sta op!”

„En waarom?”

„Ik heb een leeg gevoel in mijn maag en zou graag wat eten.”

„Het is merkwaardig, zooals onze sympathieën overeenstemmen, ik heb ook zoo’n gruwelijken honger,” zeide Rodolphe, die nu ook opstond en zich vlug aankleedde.

Intusschen had Julia reeds vuur aangelegd en keek nu of er nog wat in het buffet te vinden was; Rodolphe hielp haar zoeken.

„Hier,” zeide hij; „uien!” [345]

„En spek!”

„En boter!”

„En brood!”

„Maar dat is ook alles.”

Gedurende dezen onderzoekingstocht kirde de optimistische duif niets vermoedend voort.

Romeo keek Julia aan, Julia Romeo, en beiden de duif.

Zij spraken geen woord, maar met dien blik was het vonnis over de klok-duif geveld. Hooger beroep en cassatie zou haar niet geholpen hebben—honger is een wreede raadgever.

Rodolphe liet het spek in de sissende boter opkomen. Hij trok een ernstig en plechtig gezicht.

Julia maakte in een droefgeestige stemming de uien schoon.

De duif kirde nog steeds door... het was haar zwanezang.

Het sudderen van de boter in de pan begeleidde het stervenslied.

Vijf minuten later sudderde de boter nog, maar de duif zong, evenals de tempelridders, niet meer.2

Romeo en Julia hadden hun klok à la crapoudine3 gebraden.

„Het diertje had een lieve stem,” zeide Julia, toen zij aan tafel ging.

„Ja, het was een lief beest,” zeide Romeo en sneed het volgens de regelen der kunst bruingebraden duifje in stukken.

En de twee verliefden keken elkaar aan en zagen in elkaars oog een traan.

De huichelaars! Dat hadden de uien gedaan! [346]


1 Neen, het is nog niet de dag; het was de nachtegaal en niet de leeuwerik, wiens tonen doordrongen tot je angstige ooren.

2 Toespeling op den versregel uit het laatste tooneel van Raynouard’s tragedie: „Les Templiers”:

„Mais il n’était plus temps; les chants avaient cessé”.

3 Een duif à la crapoudine is een duif, die opgediend wordt in den vorm van een pad.

[Inhoud]

Hoofdstuk XXII.

Mimi’s dood.

[Inhoud]

I.

In de eerste dagen na zijn definitieven breuk met mademoiselle Mimi, die hem, zooals onze lezers zich herinneren zullen, verlaten had, om plaats te nemen in de equipage van vicomte Paul, had Rodolphe getracht zijn smart te vergeten door een nieuwe liefdesbetrekking aan te knoopen.

Zijn nieuwe vriendinnetje was de blondine, voor wie wij hem op den dag van paradoxale dwaasheid het kostuum van Romeo hebben zien aantrekken. Doch deze liaison, die hij uit dépit en zij uit een gril begonnen waren, kon onmogelijk van langen duur zijn, daar Julia, in één woord gezegd, een ongestadige deerne was, die alle vrouwenstreken van a tot z kende, geestrijk genoeg was, om den geest van anderen op te merken en daarvan, als de gelegenheid zich voordeed, gebruik te maken, en slechts zooveel hart had, dat zij hartwater kreeg, als zij te veel gegeten had. Daarbij kwam nog een ongebreidelde zelfzucht en een grenzenlooze ijdelheid, die haar minder deden treuren om een gebroken been van haar minnaar dan om een volant minder aan haar japon of een verkleurd lint om haar hoed. Een betwistbare schoonheid, een ordinair schepsel, van nature begiftigd met alle slechte instincten, was zij toch door sommige eigenschappen en op sommige oogenblikken verleidelijk. Al heel gauw bemerkte zij, [347]dat Rodolphe haar alleen genomen had, om hem met haar hulp de verlorene te doen vergeten, aan wie hij integendeel met meer verlangen dan ooit begon terug te denken, want nooit was de herinnering aan zijn vroeger vriendinnetje zoo levendig geweest.

Op een goeden dag praatte Julia met een student in de medicijnen, die haar sedert eenigen tijd het hof maakte. Het gesprek kwam op Rodolphe.

„Maar lieve kind,” zeide de student, „die jongen gebruikt je, zooals wij helschen steen gebruiken om wonden te branden; hij wil zijn hart cauteriseeren. Je behoeft je voor hem niet druk te maken, en hem trouw zijn is absoluut niet noodig.”

„Maar,” riep het jonge meisje lachend uit; „dacht je dan heusch, dat ik mij voor hem geneer?”

En denzelfden avond nog gaf zij den student het bewijs van het tegendeel.

Dank zij de babbelzucht van een van die gedienstige vrienden, die voor geen geld ter wereld een tijding, welke je bedroefd maken kan, onder zich zouden houden, kreeg Rodolphe lucht van de zaak en maakte er onmiddellijk gebruik van, om den ad-interim liaison af te breken.

Hij zonderde zich nu af in een volkomen eenzaamheid, waarin al heel gauw alle vleermuizen der verveling hun nest kwamen maken. Dan riep hij het werk te hulp, maar het was vergeefsche moeite. lederen avond schreef hij, nadat hij evenveel droppels water gezweet als droppels inkt gebruikt had, een twintigtal regels, waarin een oud denkbeeld, nog meer levensmoe dan de Wandelende Jood, en gehuld in lompen, die hij gehaald had in een uitdragerswinkel, op het slappe koord der paradoxen danste. Bij het overlezen van die regels voelde Rodolphe zich als iemand, die in het bloembed, waar hij rozen gezaaid meent te hebben, brandnetels ziet groeien. Hij verscheurde dan het blad papier, waarop hij die rozenkrans van zotheden [348]had afgebeden, en vertrapte het woedend onder zijn voet.

„Waarachtig,” zeide hij, terwijl hij zich op zijn linkerborst sloeg, „de snaar is gesprongen; ik moet van de kunst afzien.”

En daar eenigen tijd achtereen op al zijn pogingen, om te werken, een zelfde teleurstelling volgde, maakte een van die moedeloosheden zich van hem meester, welke het krachtigste zelfvertrouwen doen wankelen en de helderste geesten afstompen. Inderdaad niets is vreeselijker dan die eenzame worstelingen, welke nu en dan plaats vinden tusschen den koppig volhoudenden kunstenaar en de weerspannige kunst; niets is aangrijpender dan die nu eens smeekende, dan weer gebiedende aanroepingen van den scheppen willenden dichter tot de minachtend op hem neerziende of hem ontvluchtende Muze.

De hevigste zielsangsten, de diepste aan het hart toegebrachte wonden veroorzaken geen lijden, dat te vergelijken is met dat, hetwelk men ondergaat in die uren van wanhoop en twijfel, welke maar al te dikwijls voorkomen bij hen, die zich wijden aan het gevaarlijke kunstenaarsberoep.

Op die heftige crisissen volgden pijnlijke afmattingen. Uren lang bleef Rodolphe dan in een doffe wezenloosheid als versteend zitten. Zijn ellebogen rustend op de tafel, zijn oogen strak gericht op den lichtplek, dien het lamplicht op het blad papier beschreef, op het „slagveld”, waarop zijn geest dagelijks overwonnen werd en zijn pen zich vergeefs inspande om het ongrijpbare denkbeeld te vervolgen, zag hij, gelijk aan figuren uit een tooverlantaren, waarmede men kinderen bezig houdt, fantastische beelden aan zich voorbijtrekken, die een panorama van zijn verleden voor hem ontrolden. Eerst kwamen de dagen van harden arbeid, waarin ieder uur van de wijzerplaat de vervulling van een plicht eischte, de aan de studie [349]gewijde nachten, waarin hij sprak met de muze, die zijn in eenzaamheid en geduld gedragen armoede als in een tooverweelde herschiep. En met afgunst dacht hij terug aan het trotsche gevoel van zelfvertrouwen, dat hem vroeger bezielde, wanneer hij de taak, die hij zichzelf gesteld had, ten einde had gebracht.

„O,” riep hij uit; „niets gelijkt op u, niets evenaart u, genotrijke uitputting na volbrachten arbeid, die de rust van het far niente zachter doet schijnen. Noch de bevrediging van de ijdelheid noch de koortsachtige, onder de zware gordijnen van geheimzinnige alkoven verstikte zinnenzwijmel—niets gelijkt op dien edelen, kalmen vrede, die gewettigde zelfvoldaanheid, welke de arbeid den vlijtigen als eerste belooning geeft.”

En zijn blikken nog steeds gericht op de visioenen, die de tooneelen uit het verleden voor zijn geest bleven tooveren, klom hij weer naar de dakkamertjes, die hij gedurende zijn avontuurlijk bestaan bewoond had, en waarheen zijn muze, zijn eenige liefde en trouwe en standvastige vriendin toen, hem steeds gevolgd had, en het met de armoede goed vinden kon, zonder ooit haar hoopvol gezang te onderbreken. Doch daar verscheen plotseling midden in dit rustige, vredige en kalme bestaan de gestalte van een vrouw, en toen de muze die vrouw zag binnentreden in de woning, waarin zij tot dat oogenblik de eenige koningin en meesteresse geweest was, stond zij bedroefd op en ruimde haar plaats in voor de nieuw-aangekomene, in wie zij dadelijk een mededingster vermoedde. Een oogenblik aarzelde Rodolphe tusschen de muze, wie zijn blik een: „Blijf!” scheen toe te werpen, en de vreemde, tot wie zijn gebaar een: „Kom!” zeide. Hoe zou hij ook het bekoorlijke schepseltje, dat, gewapend met de verleidelijke bekoorlijkheden van een ontluikende schoonheid, tot hem kwam, hebben kunnen van zich stooten, dat schepseltje met haar kleine mondje en rose [350]lipjes, dat een naief en tevens brutaal taaltje, vol guitige beloften, sprak? Hoe kon hij zijn hand weigeren aan het blanke, blauw geaderde handje, dat zich liefkozend naar hem uitstrekte? Hoe had hij: „Gaat heen!” kunnen roepen tot die bloeiende achttien jaren, wier aanwezigheid het huis reeds met een geur van jeugd en vreugde vervulde. En met haar zachte, licht bewogen stem zong zij de cavatine der verzoeking zoo verleidelijk mooi! Met haar levendige en schitterende oogen zeide zij: „Ik ben de liefde”; met haar lippen, waarop de kussen ontloken: „Ik ben het genot”; met haar bloeiend lichaam: „Ik ben het geluk” zòò wondermooi, dat Rodolphe zich liet medesleepen. En was die jonge vrouw dan ook in werkelijkheid niet de levende, geïncarneerde poëzie? Dankte hij haar niet de oogenblikken van meest verheven inspiratie? Had zij hem niet dikwijls bezield tot een enthousiasme, dat hem zoo hoog in den aether van het ideaal meevoerde, dat hij al het aardsche uit het oog verloor? En als hij om en door haar veel geleden had—was dan dat lijden niet een boetedoening voor al de ontzaglijke genietingen, die zij hem geschonken had; was het niet de gewone wraak van het noodlot, dat het volmaakte, ongestoorde geluk als iets goddeloos verbiedt? Indien de christelijke leer hun vergiffenis schenkt, die veel hebben lief gehad, dan schenkt zij die slechts, omdat zij ook veel geleden hebben, want aardsche liefde wordt eerst goddelijke hartstocht, als zij door tranen gelouterd is.

Evenals men zich soms bedwelmt door den geur van reeds lang verwelkte rozen in te ademen, zoo bedwelmde Rodolphe zich door voor zijn geest te roepen zijn vroeger leven, waarin iedere dag een nieuwe elegie, een schokkend drama, een groteske comedie bracht. Hij doorleefde nogmaals alle phasen van zijn liefde voor de verloren geliefde, van af hun wittebroodsweken tot de huiselijke stormen, die tot hun laatsten breuk geleid hadden. Hij riep het geheele [351]repertoire van alle listen van zijn vroeger vriendinnetje in zijn geheugen terug, hij herhaalde in zichzelf al haar kwinkslagen. Hij zag weer voor zich hoe zij in hun klein huishoudentje om hem heen draaide, haar lijfdeuntje: Ma mie Annette op de lippen, met dezelfde zorgelooze opgewektheid zoowel blijde als droeve dagen aanvaardend. En ten slotte moest hij erkennen, dat het verstand in liefdesaangelegenheiden altijd ongelijk heeft. Immers wat had hij bij dien breuk gewonnen? Toen hij met Mimi samenleefde, bedroog zij hem, dat is waar—maar dat hij het wist, was zijn eigen schuld, omdat hij zich de grootste moeite getroostte, om het te weten te komen, omdat hij altijd op den loer lag naar bewijzen, omdat hij zelf de dolken scherpte, die hij zich in het hart boorde. Was bovendien Mimi niet handig genoeg om hem zoo noodig te bewijzen, dat hij zich vergiste? En bovendien met wie was zij hem ontrouw? Meestal was het met een sjaal, een hoed, met dingen, niet met mannen. En had hij nu die rust, die kalmte, welke hij van een breuk met Mimi verwacht had, na haar vertrek teruggevonden? Helaas, neen! Alles, behalve zij, was gebleven. Vroeger kon hij tenminste nog uiting geven aan zijn smart, kon hij zijn hart luchten in beleedigingen en verwijten, kon hij laten zien, wat hij leed en het medelijden opwekken van haar, die de oorzaak van dat lijden was. Doch nu moest hij zijn smart in zich opkroppen, nu was zijn ijverzucht machtelooze woede geworden, want vroeger kon hij, wanneer hij achterdocht koesterde, Mimi beletten uit te gaan, haar bij zich houden en bewaken; maar thans zag hij haar aan den arm van haar nieuwen minnaar op straat en moest hij zich afwenden, om haar van vreugde stralend en op weg naar het een of ander pleiziertje, voorbij te laten gaan.

Dat ellendige leven duurde een maand of drie, vier. Dan werd Rodolphe langzamerhand rustiger. Marcel, [352]die, om te trachten Musette te vergeten, een lange reis gemaakt had kwam in Parijs terug en ging weer met Rodolphe samen wonen, zoodat zij elkaar konden troosten.

Toen Rodolphe op een Zondag door den Luxembourg wandelde, kwam hij Mimi in groot toilet tegen. Zij ging naar een bal. Zij knikte hem in het voorbijgaan toe, wat hij met het afnemen van zijn hoed beantwoordde. Deze ontmoeting gaf hem weliswaar een steek door zijn hart, maar de emotie was toch minder pijnlijk dan gewoonlijk. Hij bleef nog wat in den Jardin du Luxembourg wandelen en ging vervolgens naar huis. Toen Marcel ’s avonds ook thuiskwam, vond hij Rodolphe aan zijn schrijftafel.

„Wat?” vroeg Marcel, terwijl hij over den schouder van den dichter keek, „ben je aan het werk ... en zelfs verzen?”

„Ja,” antwoordde Rodolphe vroolijk; „dat kleine dingetje hier in mijn borst is blijkbaar niet heelemaal dood. De vier uur, die ik hier nu al zit, heb ik het dichtvuur uit vroegere dagen teruggevonden, ik heb Mimi gezien!”

„Ei!” zeide Marcel bang. „En hoe staat het met jullie?”

„O, wees maar niet bang, we hebben elkaar slechts gegroet—verder niets.”

„Heusch?” vroeg Marcel.

„Heusch! Tusschen ons is het voor goed uit, dat voel ik; maar als ik weer werken kan, schenk ik haar graag vergiffenis.”

„Maar waarom maak je, wanneer alles tusschen jullie uit is, nog verzen voor haar?” vroeg Marcel, die Rodolphe’s verzen intusschen gelezen had.

„Ach!” zeide de dichter; „ik neem mijn poëzie waar ik ze vind!”

Acht dagen lang werkte hij aan dit kleine gedicht. Toen het klaar was, las hij het aan Marcel voor, die er heel tevreden over was en Rodolphe aanspoorde om zijn dichtader, die weer ontsprongen was, ook op ander gebied te laten vloeien. [353]

„Want,” zoo merkte hij op, „het zou de moeite niet loonen van Mimi te scheiden, als je toch altijd met haar schim blijft leven. Maar,” voegde hij er glimlachend aan toe, „ik zou beter doen, wanneer ik, in plaats van tot anderen te preeken, tegen mezelf een strafpredikatie hield, want mijn hart is nog vol van Musette. Maar enfin, wij zullen toch niet altijd jonge menschen blijven, die op zulk duivelsgebroed verliefd zijn.”

„Ach!” zeide Rodolphe; „tot de jeugd behoef je helaas niet te zeggen: Ingerukt, marsch!”

„Dat is wel zoo,” antwoordde Marcel, „maar toch zijn er dagen, waarop ik een eerwaardige grijsaard zou willen zijn, lid van het Instituut, ridder van verschillende orden, en los van alle Musettes ter wereld. En de duivel mag me halen, als ik ooit weer tot haar terug keeren zou! En jij,” vroeg hij lachend, „zou jij al graag zestig jaar achter den rug hebben?”

„Vandaag had ik liever zestig francs in mijn zak!”


Eenige dagen later sloeg mademoiselle Mimi, die met den jongen vicomte Paul in een koffiehuis zat, een revue open, waarin de verzen stonden, die Rodolphe voor haar gemaakt had.

„Zoo, zoo!” zeide zij eerst lachend, „mijn vriend Rodolphe spreekt kwaad van me in tijdschriften.”

Doch toen zij het gedicht heelemaal uitgelezen had, bleef zij stil en peinzend voor zich uit zitten staren. Vicomte Paul vermoedde, dat zij aan Rodolphe dacht, en trachtte haar af te leiden.

„Ik zal dat paar mooie oorbelletjes voor je koopen!” zeide hij tot haar.

„Ja,” zeide Mimi; „jij ..... jij hebt geld!”

„En een hoed van Italiaansch stroo,” voegde hij eraan toe. [354]

„Dank je,” zeide Mimi, „maar als je me een pleizier wilt doen, koop dan dat hier voor mij.”

En zij wees op de aflevering, waarin zij het gedicht van Rodolphe gelezen had.

„Dat? Neen!” zeide de vicomte boos.

„Goed!” antwoordde Mimi koel. „Ik zal het zelf koopen voor geld, dat ik zelf verdienen wil. Ik koop het liever niet voor jouw geld.”

En werkelijk keerde Mimi voor twee dagen terug naar het atelier, waar zij vroeger bloemen gemaakt had, en verdiende daar het geld, dat zij noodig had, om de aflevering te kunnen koopen. Zij leerde Rodolphe’s verzen van buiten en droeg ze, om den vicomte te plagen, dagelijks aan zijn vrienden voor.

Het gedicht luidde:

Alors que je voulais choisir une maîtresse

Et qu’un jour le hasard fit rencontrer nos pas,

J’ai mis entre tes mains mon cœur et ma jeunesse

Et je t’ai dit: Fais-en tout ce que tu voudras.

Hélas! ta volonté fut cruelle, ma chère:

Dans tes mains ma jeunesse est restée en lambeaux.

Mon cœur s’est en éclats brisé comme du verre,

Et ma chambre est le cimetière

Où sont enterrés les morceaux

De ce qui t’aima tant naguère.

Entre nous maintenant, n-i, ni- c’est fini,

Je ne suis plus qu’un spectre et tu n’es qu’un fantôme,

Et sur notre amour mort et bien enselevi,

Nous allons, si tu veux, chanter le dernier psaume.

Pourtant ne prenons point un air écrit trop haut,

Nous pourrions tous les deux n’avoir pas la voix sûre; [355]

Choisissons un mineur grave et sans fioriture;

Moi je ferai la basse et toi le soprano.

Mi, ré, mi, do, ré, la.—Pas cet air, ma petite!

S’il entendait cet air que tu chantais jadis,

Mon cœur, tout mort qu’il est, tressaillirait bien vite,

Et ressusciterait à ce De profundis.

Do, mi, fa, sol, mi, do,—Celui-ce me rappelle

Une valse à deux temps, qui me fit bien du mal,

Le fifre du rire aigu raillait le violoncelle,

Qui pleurait sous l’archet ses notes de cristal.

Sol, do, do, si, si, la.—Point cet air, je t’en prie,

Nous l’avons, l’an dernier, ensemble répété

Avec les Allemands qui chantaient leur patrie

Dans les bois de Meudon, par une nuit d’été.

Eh, bien, ne chantons pas, restons-en là, ma chère;

Et pour n’y plus penser, pour n’y plus revenir,

Sur nos amours défunts, sans haine et sans colère,

Jetons en souriant un dernier souvenir.

Nous étions bien heureux dans la petite chambre

Quand ruisselait la pluie et que soufflait le vent;

Assis dans le fauteuil, pres de l’âtre, en décembre,

Aux lueurs de tes yeux j’ai rêvé bien souvent.

La houille petillait; en chauffant sur les cendres,

La bouilloire chantait son refrein régulier,

Et faisait un orchestre au bal des salamandres

Qui voltigeaient dans le foyer.

[356]

Feuilletant un roman, paresseuse et frileuse,

Tandis que tu fermais tes yeux ensommeillés,

Moi je rajeunissais ma jeunesse amoureuse,

Mes lèvres sur tes mains et mon cœur à tes pieds.

Aussi, quand on entrait, la porte ouverte à peine,

On sentait le parfum d’amour et de gaîté

Dont notre chambre était du matin au soir pleine,

Car le bonheur aimait notre hospitalité.

Puis l’hiver s’en alla; par la fenêtre ouverte,

Le printemps un matin vint nous donner l’éveil,

Et ce jour-là tous deux dans la campagne verte

Nous allâmes courir au-devant du soleil.

C’était le vendredi de la sainte semaine,

Et, contre l’ordinaire, il faisait un beau temps,

Du val à la colline, et du bois à la plaine

D’un pied leste et joyeux, nous courûmes longtemps.

Fatigués cependant par ce pèlerinage,

Dans un lieu qui formait un divan naturel

Et d’où l’on pouvait voir du loin le paysage,

Nous nous sommes assis en regardant le ciel.

Les mains pressant les mains, épaule contre épaule,

Et sans savoir pourquoi, l’un et l’autre oppressés,

Notre bouche s’ouvrit sans dire une parole,

Et nous nous sommes embrassés.

Près de nous l’hyacinthe avec la violette

Mariaient leur parfum qui montait dans l’air pur;

Et nous vîmes tous deux, en relevant la tête,

Dieu qui nous souriait à son balcon d’azur.

[357]

Aimez-vous, disait-il; c’est pour rendre plus douce

La route où vous marchez que j’ai fait sous vos pas

Dérouler en tapis le velours de la mousse,

Embrassez-vous encore,—je ne regarde pas.

Aimez-vous, aimez-vous: dans le vent qui murmure,

Dans les limpides eaux, dans les bois reverdis,

Dans l’astre, dans la fleur, dans la chanson des nids,

C’est pour vous que j’ai fait renaître ma nature.

Aimez-vous, aimez-vous; et de mon soleil d’or,

De mon printemps nouveau qui réjouit la terre,

Si vous êtes contents, au lieu d’une prière

Pour me remercier—embrassez-vous encore.

Un mois après ce jour, quand fleurirent les roses,

Dans le petit jardin que nous avions planté,

Quand je t’aimais le mieux, sans m’en dire les causes,

Brusquement ton amour de moi s’est écarté.

Où s’en est-il allé? partout un peu, je pense;

Car, faisant triompher l’une et l’autre couleur,

Ton amour inconstant flotte sans préférence

D’un brun valet de pique au blond valet de cœur.

Te voilà maintenant heureuse: ton caprice

Règne sur une cour de joyeux jouvenceaux

Et tu ne peux marcher sans qu’à tes pieds fleurisse

Un parterre émaillé d’odorants madrigaux.

Dans les jardins de bal, quand tu fais ton entrée,

Autour de toi se forme un cercle langoureux;

Et le frémissement de la robe moirée,

Pâme en chœur laudatif ta meute d’amoureux.

[358]

Elégamment chaussé d’une souple bottine

Qui serait trop étroite au pied de Cendrillon,

Ton pied est si petit qu’à peine on le devine

Quand la valse t’emporte en son gai tourbillon.

Dans les bains onctueux d’une huile de paresse,

Tes mains, brunes jadis, ont retrouvé depuis

La pâleur de l’ivoire ou du lis que caresse

Le rayon argenté dont s’éclairent les nuits.

Autour de ton bras blanc une perle choisie

Constelle un bracelet ciselé par Froment,

Et sur tes reins cambrés un grand châle d’Asie

En cascade de plis ondule artistement.

La dentelle de Flandres et le point d’Angleterre,

La guipure gothique à la mate blancheur

Chef d’œuvre arachnéen d’un age séculaire,

De ta riche toilette achève la splendeur.

Pour moi, je t’aimais mieux dans tes robes de toile

Printanière, indienne ou modeste organdi,

Atours frais et coquets, simple chapeau sans voile,

Brodequins gris ou noirs, et col blanc tout uni.

Car ce luxe nouveau qui te rend si jolie

Ne me rappelle pas mes amours disparus,

Et tu n’es que plus morte et mieux enselevie

Dans ce linceul de soie où ton cœur ne bat plus.

Lorsque je composai ce morceau funéraire

Qui n’est qu’un long regret de mon bonheur passé,

J’étais vêtu de noir comme un parfait notaire

Moins les bésicles d’or et le jabot plissé.

[359]

Un crêpe enveloppait le manche de ma plume

Et des filets de deuil encadraient le papier

Sur lequel j’écrivais ces strophes où j’exhume

Le dernier souvenir de mon amour dernier.

Arrivé cependant à la fin d’un poëme

Où je jette mon cœur dans le fond d’un grand trou,

—Gaîté de croque-mort qui s’enterre lui-même

Voilà que je me mets à rire comme un fou.

Mais cette gaîté-là n’est qu’une raillerie

Ma plume en écrivant a tremblé dans ma main,

Et quand je souriais, comme une chaude pluie,

Mes larmes effaçaient les mots sur le vélin.

[Inhoud]

II.

Het was 24 December, en dien avond had het quartier Latin steeds een bijzondere physiognomie. Van vier uur af waren de bureaux van de Bank van Leening, de winkels van uitdragers en antiquairs in boeken overstelpt door een luidruchtige menigte, die later in den avond een stormaanval begon op de slagerijen, gaarkeukens en kruidenierswinkels. En hadden de winkelknechts ook al evenals Briareus1 honderd armen gehad, dan zouden zij toch niet in staat geweest zijn de klanten, die elkaar de waren als het ware uit de handen rukten, te helpen. Bij de bakkers werd, als in tijden van hongersnood, queue gemaakt. De wijnhandelaars verkochten de opbrengst van drie oogsten, en zelfs een handig statisticus zou moeite gehad hebben om het getal hammen en worsten te tellen, die door den beroemden Borel uit de rue Dauphine verkocht werden. Alleen op dien avond zette vader Cretaine, bijgenaamd [360]Petit-Pain, achttien uitgaven van zijn boterkoekjes om. Gedurende den geheelen avond klonk uit alle huizen gezang en gelach, waren de vensters hel verlicht en vulde een ware kermis-atmospheer het stadskwartier.

Naar oud gebruik werd het „réveillon” gevierd.

Dien avond gingen tegen tien uur Marcel en Rodolphe in een vrij droeve stemming naar huis. Toen zij door de rue Dauphine kwamen, zagen zij in een fijne vleeschwaren- en comestibleshandel een groot gedrang en bleven, door die geurige gastronomische producten aangelokt, een oogenblik voor de ramen staan kijken; in hun aandachtige beschouwing geleken de twee bohémiens op den persoon uit een Spaanschen roman, die alleen door ernaar te kijken, de hammen mager deed worden.

„Dat noemen ze een kalkoenschen haan met truffels,” zeide Marcel en wees op een prachtigen vogel, die door zijn rose en doorzichtige huid de Perigourdsche knolletjes liet zien, waarmede het dier gefarceerd was. „Ik heb menschen gezien, die zòò goddeloos waren, om die dingen te eten zonder dat ze daarbij op hun knieën vielen,” voegde de schilder eraan toe, terwijl hij naar den kalkoen keek met blikken, die in staat geweest zouden zijn het dier te braden.

„En wat zeg je van die heerlijke lamsbout?” vroeg Rodolphe. „Wat een prachtkleur. Je zoudt denken, dat hij zoo pas uit dien slagerswinkel, dien je op een schilderij van Jordaens ziet, weggehaald is. Lamsbouten zijn de lievelingsspijzen der goden en van madame Chandelier, mijn peettante.”

„En kijk die visschen eens,” ging Marcel voort en wees op eenige forellen, „dat zijn de handigste zwemmers onder de waterbewoners. Die kleine diertjes, die er op het eerste gezicht zoo onbeduidend uitzien, zouden schatten kunnen verdienen, wanneer zij hun kunststukken lieten zien; stel je voor, ze zwemmen een snellen bergstroom [361]even makkelijk op, als wij een paar uitnoodigingen voor een souper aannemen.”

„En daar dan, die groote stapel goudkleurige vruchten, waarvan het gebladerte gelijkt op een tropee van Turksche sabels; dat zijn ananassen, de goudreinetten der tropen.”

„Dat laat mij koud,” antwoordde Marcel; „als het om fruit gaat, geef ik den voorkeur aan dat muisje rookvleesch, dien lamsbout of dat hammetje met zijn pantser van gelei, die zoo doorzichtig is als barnsteen.”

„Je hebt gelijk!” zeide Rodolphe; „de ham is de vriend van den mensch, als hij ze heeft. En toch zou ik die fazant niet afslaan.”

„Dat geloof ik graag,” antwoordde Marcel; „fazant is het gerecht van gekroonde hoofden.”

Verder voortwandelend, kwamen zij verschillende vroolijke troepjes tegen, die naar huis terugkeerden, om Momus, Bacchus, Comus en andere lekkerbekkerij-godheden op us te vieren, en zij vroegen elkaar af, wie die mijnheer Camacho2 was, wiens bruiloft met een grooten voorraad levensmiddelen gevierd werd.

Marcel herinnerde zich plotseling welke datum het was.

„Het is vandaag réveillon,” zeide hij.

„Herinner je je nog, hoe wij verleden jaar dien avond gesmuld hebben?”

„Waarachtig zeker, bij Momus. Barbemuche heeft toen betaald. Ik had nooit kunnen denken, dat een zoo tenger meisje als Phémie zooveel worstjes naar binnen kon werken.”

„Hoe jammer, dat Momus onze vrijkaarten heeft ingetrokken,” zeide Rodolphe.

„Helaas!” antwoordde Marcel. „De dagen volgen, maar gelijken niet op elkaar.”

„Zou jij niet graag réveillon vieren?” vroeg Rodolphe. [362]

„Met wien en waarmee?”

„Nou met mij!”

„En het geld?”

„Wacht even!” zeide Rodolphe; „ik zal even dat café hier binnenloopen, waar altijd een paar kennissen van me zijn, die grof spelen. Ik zal van een door het geluk begunstigde eenige sestertiën leenen en wel zooveel meebrengen, dat we een sardientje of een varkenspootje met een glas wijn kunnen bevochtigen.”

„Doe dat!” zeide Marcel; „ik heb honger als een paard. Ik zal wel even op je wachten.”

Rodolphe ging het café, waarvan hij de meeste stamgasten kende, binnen. Het was voor een der aanwezigen, die in tien keer drie honderd francs gewonnen had, een waar genoegen den dichter veertig sous te leenen, welke hij hem gaf met het slechte humeur, dat de speelkoorts in ons opwekt. Op een ander oogenblik en op een andere plaats zou hij hem misschien veertig francs geleend hebben.

„En?” vroeg Marcel, toen hij Rodolphe weer buiten zag komen.

„Hier heb je de recette,” zeide de dichter en liet het geldstuk zien.

„Een korstje met een klein worstje!” meende Marcel.

Toch wisten zij het met die bescheiden som nog zòò ver te brengen, dat zij brood, wijn, vleesch, tabak, vuur en licht hadden.

Dan gingen zij naar huis. Zij woonden toen in een hôtel garni, waar zij ieder een afzonderlijke kamer hadden. Daar die van Marcel, welke tegelijk als atelier dienst deed, grooter was, werd deze tot feestzaal uitverkoren. De beide vrienden maakten samen hun intiemen maaltijd gereed.

Doch aan het kleine tafeltje, dat zij naast den kachel geschoven hadden, waarin het vochtige en slechte hout zonder vlammen of warmte verkoolde, kwam als een [363]melancholieke geest de schim van het verleden aanzitten.

Minstens een uur lang bleven zij zwijgend en peinzend zoo zitten, beiden bezig met dezelfde gedachte en beiden trachtend die voor elkaar te verbergen. Eindelijk verbrak Marcel het eerst de stilte.

„Kom,” zeide hij tot Rodolphe; „dit was toch ons plan niet!”

„Wat bedoel je?” vroeg Rodolphe.

„Lieve hemel, speel toch met mij geen kiekeboetje! Jij denkt aan wat je moest vergeten .... en met mij is het precies zoo, dat ontken ik niet!”

„Nu dan ....”

„Maar het moet de laatste maal zijn! Naar den duivel met al die herinneringen, die den wijn een zuren smaak geven en ons triest stemmen, terwijl iedereen zich amuseert!” riep Marcel uit, zinspelende op het vroolijke gelach en gezang, dat uit de kamers ernaast klonk. „Kom laten we aan wat anders denken en laat het verleden begraven blijven!”

„Dat zeggen we altijd, en toch ....” zeide Rodolphe en viel weer in zijn droomen terug.

„En toch komen wij er altijd weer op terug,” vulde Marcel aan. „Dat komt, omdat we, in plaats van eerlijk de vergetelheid te zoeken, de meest onbeteekenende dingen als voorwendsel gebruiken, om oude herinneringen weer in ons wakker te roepen; dat komt vooral, omdat wij maar blijven voortleven in datzelfde milieu, waarin die schepsels, welke ons zoolang gekweld hebben, geleefd hebben. Wij zijn niet zoozeer de slaven van een hartstocht als wel van een gewoonte. Die boeien nu moeten wij verbreken, anders gaan wij in een belachelijke en schandelijke slavernij ten gronde. Welnu, het verleden is het verleden—weg met de banden, die ons daar nog aan binden; het uur is gekomen om voorwaarts te gaan zonder achterwaarts te zien; wij hebben onze jeugd, [364]onzen tijd van onbezorgdheid en paradoxen gehad. Dit alles is heel mooi, je zoudt er een aardigen roman van kunnen maken; maar deze comedie van verliefde dwaasheden, deze tijdverspilling, die wij bedrijven met de verkwisting van menschen, die denken, dat zij de eeuwigheid uit kunnen geven, dat alles moet nu eindelijk eens een einde nemen! Wij zouden de verachting, die ons zou treffen, verdienen, wij zouden ons zelf moeten verachten, indien wij dit leven buiten de maatschappij, ja bijna buiten het leven zelf, nog langer zouden voortzetten. Want is het bestaan, dat wij leiden, eigenlijk wel een leven? En zijn die onafhankelijkheid, die vrijheid van zeden, waarop wij zoo prat gaan, eigenlijk geen heel middelmatige voordeelen? De ware vrijheid is: zonder hulp van anderen, uit eigen kracht kunnen leven. En kunnen wij dat? Neen. De eerste de beste domkop, wiens naam we geen vijf minuten zouden willen dragen, wreekt zich over onze spotternijen en wordt onze meester van af den dag, waarop wij honderd sous van hem leenen, die hij ons geeft, na ons voor honderd daalders aan listen en zelfvernedering te hebben laten uitgeven. Ik voor mij heb er genoeg van. De poëzie bestaat niet alleen in een ongeordend bestaan, in onverwachte meevallertjes, in verliefdheden, die den levensduur van een kaars hebben, in min of meer excentriek verzet tegen bestaande vooroordeelen, die eeuwig de wereld zullen blijven beheerschen, want het is makkelijker een dynastie omver te werpen dan een vooroordeel, hoe belachelijk het ook zijn mag. Het is nog geen bewijs van talent of genie, om midden in December een zomerjas te dragen; en je kan heel goed een echt dichter of kunstenaar zijn, wanneer je voor warme voeten zorgt en driemaal per dag eet. Hoe je de zaak ook draait of keert, indien je iets wilt bereiken, moet je den weg nemen, dien ook anderen inslaan. Deze woorden zullen je misschien wel verbazen, beste kerel, misschien zal je zeggen, dat ik [365]mijn idealen verraad, je noemt me misschien verdorven, maar toch is wat ik zeg de uitdrukking van mijn vaste overtuiging. Buiten mijn weten heeft zich in mij een langzame en heilzame metamorphose voltrokken: het gezonde verstand is in mijn geest binnengekomen, met inbraak, wanneer je wilt, en ondanks mijzelf misschien; maar hoe dit zij, het is eindelijk binnengekomen en heeft mij bewezen, dat ik op den verkeerden weg was en dat het even belachelijk als gevaarlijk zou zijn daarop te blijven voortgaan. Ik vraag je af, wat zal er van ons worden, indien wij dit eentonige en nuttelooze vagabonden-leven blijven voortzetten? Wij loopen zoo langzamerhand naar de dertig en zijn nog steeds onbekend, hebben geen relaties, zijn ontevreden met alles en met ons zelf, afgunstig op allen, die wij een doel, wat het dan ook zij, zien bereiken, verplicht onze toevlucht te nemen tot een schandelijk parasiteeren, om verder te kunnen leven. En denk nu niet, dat dit een phantasiebeeld is, dat ik oproep, om je bang te maken! Ik zie volstrekt de toekomst niet systematisch zwart in, maar evenmin rooskleurig; ik zie ze met een juisten blik. Tot nog toe was het leven, dat wij geleid hebben, ons door de omstandigheden opgedrongen; wij hadden het excuus der noodwendigheid. Maar thans zouden we die verontschuldiging niet meer kunnen doen gelden; en wanneer wij niet in het gewone leven terugkeeren, dan is dat heelemaal onze vrije wil, want de hindernissen, waartegen we te vechten hadden, bestaan niet meer.”

„Maar kerel,” zeide Rodolphe; „waar wil je eigenlijk heen? Om welke reden en met welk doel sta je zoo te preeken?”

„Je begrijpt me heel goed,” antwoordde Marcel op denzelfden ernstigen toon; „ik heb daarnet gezien, hoe jij, evenals ik trouwens, bestormd werdt door herinneringen, die je het verleden deden terugverlangen: jij dacht aan Mimi, zooals ik aan Musette; jij zoudt, evenals ik, [366]je vriendinnetje graag naast je zien zitten. Welnu, ik zeg je, dat we niet meer aan die schepsels moeten denken, dat wij niet alleen geschapen en op de wereld gekomen zijn, om ons geheele bestaan op te offeren aan die vulgaire Manons, en dat die chevalier Desgrieux, die zoo mooi, zoo waar en zoo poëtisch is, alleen door zijn jeugd en door de illusies, die hij had weten te bewaren, niet belachelijk geworden is. Toen hij twintig jaar was, kon hij, zonder op te houden interessant te zijn, zijn geliefde naar de Antillen volgen; maar indien hij vijf-en twintig geweest was, zou hij Manon de deur gewezen hebben, en dat met het volste recht. Wij kunnen er onze oogen wel voor sluiten, beste kerel, maar het feit blijft bestaan: wij zijn oud, wij hebben te veel en te snel geleefd; ons hart is gesprongen en brengt nog slechts valsche tonen voort: je blijft niet drie jaar lang ongestraft verliefd op een Musette of een Mimi. Doch voor mij is het nu voor goed uit; en daar ik volkomen wil breken met de herinneringen aan Musette, zal ik nu onmiddellijk enkele kleinigheden, die zij bij mij achtergelaten heeft en die me dwingen aan haar te denken, als ik ze weer zie, in het vuur werpen.”

Marcel stond op en ging uit de lade van zijn commode een kartonnen doos halen, waarin de souvenirs aan Musette lagen, te weten een verdorde bouquet, een ceintuur, een stuk lint en enkele brieven.

„Kom, Rodolphe, volg mijn voorbeeld!” zeide hij tot den dichter.

„Welnu, het zij zoo!” riep Rodolphe, als kostte het hem moeite, uit; „je hebt gelijk. Ook ik wil een einde maken aan die herinnering aan dat meisje met haar blanke handen.”

En hij vloog de kamer uit, om een klein pakje met de souvenirs aan Mimi te halen, zoo ongeveer van denzelfden aard als die, waarvan Marcel nu zwijgend den inventaris opmaakte. [367]

„Dat treft prachtig,” mompelde de schilder. „Deze snuisterijen kunnen gelijk het vuur, dat bijna uit is, nog wat aanwakkeren.”

„Waarachtig,” antwoordde Rodolphe, „het is hier in de kamer een temperatuur voor een ijsberenfokkerij.”

„Kom,” zeide Marcel, „laten we het brandduet aanheffen. Kijk, het proza van Musette vlamt als een punchbowl; het arme kind hield zoo van punch. Allo, Rodolphe, jouw beurt!”

En gedurende enkele minuten wierpen zij beurtelings de reliquieën van hun liefde stuk voor stuk in het vuur, dat vroolijk knetterend opvlamde.

„Arme Musette,” zeide Marcel zacht, terwijl hij naar het laatste souvenir, dat hij in zijn handen had, keek.

Het was een klein verwelkt bouquetje van veldbloemen.

„Arme Musette, ze was toch wel mooi en ze hield wel van me, niet waar, klein bouquetje, heeft haar hart het je niet gezegd, toen je bloemen in haar corsage prijkten? Arm, klein bouquetje, het is net alsof je om genade smeekt; nu ik schenk je die, maar onder voorwaarde, dat je niet meer met mij over haar praat, nooit, nooit meer!”

En hij maakte gebruik van een oogenblik, waarop hij meende, dat Rodolphe niet op hem lette, om het bouquetje in zijn borstzak te laten glijden.

„Het spijt mij, maar ik kan niet anders,” dacht de schilder.

Toen hij echter tersluiks naar Rodolphe keek, zag hij, hoe de dichter aan het slot van zijn auto-da-fé een nachtmutsje, dat Mimi gedragen had, eerbiedig kuste en dan heimelijk in zijn zak stak.

„Zoo,” mompelde Marcel, „die is al even laf als ik.”

Toen Rodolphe naar zijn eigen kamer wilde gaan, werd er tweemaal zacht op de deur van Marcel geklopt.

„Wie voor den duivel kan nog zoo laat hier willen zijn?” zeide de schilder. [368]

Een kreet van verbazing ontsnapte hem, toen hij de deur geopend had.

Het was Mimi.

Daar het donker in de kamer was, herkende Rodolphe zijn vriendinnetje niet dadelijk. Hij kon slechts een vrouwelijk wezen onderscheiden, en daar hij dacht, dat het een van die tijdelijke veroveringen van zijn vriend was, wilde hij zich uit discretie verwijderen.

„Stoor ik jullie?” vroeg Mimi, die op den drempel was blijven staan.

Bij het hooren van die stem viel Rodolphe, als door den bliksem getroffen, op zijn stoel neer.

„Goeden avond,” zeide Mimi, die naar hem toe ging en hem de hand drukte, wat hij werktuigelijk toeliet.

„Wat voor den duivel kom jij hier doen?” vroeg Marcel; „en nog wel op dit uur?”

„Ik heb het zoo koud,” antwoordde Mimi rillend; „en daar ik in het voorbijgaan nog licht hier zag, ben ik, al is het wat laat, naar boven gekomen.”

Zij rilde nog steeds. Haar stem had een bijzonderen, kristalhelderen klank, die als een doodsklok in het hart van Rodolphe echode en het met een doffen angst vervulde: heimelijk nam hij haar nauwkeuriger op. Het was Mimi niet meer, het was haar schim.

Marcel schoof een stoel naast den kachel voor haar.

Mimi glimlachte, toen zij de heldere vlam vroolijk in de haard zag dansen.

„Dat doet je goed,” zeide zij, terwijl zij haar arme, door de koude blauwe handjes boven het vuur hield. „Tusschen twee haakjes, Marcel, weet je, waarom ik hier kom?”

„Op mijn woord van eer niet!” antwoordde deze.

„Nou,” zeide Mimi; „ik kwam vragen of jullie niet zoudt kunnen zorgen, dat ik een kamer in dit huis krijg. In mijn hôtel garni hebben ze mij de deur gewezen, omdat [369]ik in een maand geen huur betaald heb. Ik weet niet, waar ik heen moet.”

„Duivels,” zeide Marcel hoofdschuddend; „wij staan bij den huisbaas ook niet erg in den pas, en een aanbeveling van ons zou je eer schaden dan nuttig zijn.”

„Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet werkelijk niet, waar ik heen moet.”

„Wat, ben je dan geen vicomtesse meer?” vroeg Marcel.

„O God, neen!”

„Al hoe lang niet meer?”

„Al sedert twee maanden!”

„Heb je den jongen vicomte te veel geplaagd?”

„Neen,” zeide zij, terwijl zij een steelschen blik wierp op Rodolphe, die in den donkersten hoek van de kamer was gaan zitten; „de vicomte heeft me een scène gemaakt naar aanleiding van het gedicht, dat men op mij gemaakt heeft. Wij hebben woorden gekregen, en toen heb ik hem den bons gegeven! Het is een echte gierigaard!”

„Maar hij had je toch aardig in de kleeren gestoken, ten minste te oordeelen naar den keer, dat ik je eens gezien heb.”

„Dat wel!” zeide Mimi, „maar stel je voor, dat hij, toen ik den liaison afgebroken had, mij alles weer afgenomen heeft, en dat hij, zooals ik later gehoord heb, mijn kleeren verloot heeft aan een slechte table d’hôte, waar ik dikwijls met hem gegeten heb. En toch is het een rijke jongen, maar met al zijn fortuin is hij zoo gierig als een vrek en zoo stom als het achtereind van een koe; ik mocht niet eens wijn zonder water drinken en Vrijdag moest ik altijd vasten. Wil je wel gelooven, dat hij me zwarte wollen kousen wilde laten dragen, omdat die niet zoo gauw vuil worden als witte? Je kunt je niet voorstellen hoe driftig hij is. Hij heeft me dan ook aardig geërgerd. Ik kan wel zeggen, dat ik bij hem mijn vagevuurtijd doorgemaakt heb!” [370]

„En weet hij in welken toestand je nu bent?”

„Ik heb hem niet meer teruggezien en wil hem ook niet terugzien!” antwoordde Mimi. „Alleen door aan hem te denken word ik al zeeziek! Ik zou liever van honger sterven dan hem om een stuiver vragen.”

„Maar,” vroeg Marcel verder, „je bent, nadat je hem verlaten hebt, toch zeker niet alleen gebleven?”

„Zeker wel, Marcel, zeker wel!” riep Mimi eenigszins heftig uit; „ik heb gewerkt om te kunnen leven; maar daar ik met het bloemenmaken niet genoeg verdienen kon, heb ik een ander beroep gekozen: ik poseer nu voor schilders. Als je soms werk voor mij hebt....” voegde zij er lachend aan toe.

En toen zij zag, hoe Rodolphe, dien zij, hoewel zij tot zijn vriend sprak, geen oogenblik uit het oog verloor, een ongeduldige beweging maakte, ging zij verder:

„O, maar ik poseer alleen maar voor mijn hoofd en mijn handen. Ik heb nog al wat te doen en van twee of drie schilders moet ik nog geld hebben. Binnen een paar dagen krijg ik het, maar tot zoolang moet ik onderdak hebben. Zoodra ik weer geld heb, ga ik naar mijn hôtel terug. Zoo,” zeide zij met een blik op de tafel, waarop nog de praeparatieven stonden voor het bescheiden maal, dat de twee vrienden nauwlijks hadden aangeraakt; „zoo, gaan jullie soupeeren?”

„Neen,” zeide Marcel; „wij hebben geen honger.”

„Dan zijn jullie wel gelukkig,” merkte Mimi naïef op.

Bij die woorden voelde Rodolphe een steek in zijn hart; hij gaf Marcel een wenk, dien deze dadelijk begreep.

„Maar nu je eenmaal hier bent,” zeide de schilder, „moest je maar à la fortune du pot bij ons blijven eten. Wij waren van plan réveillon te vieren, maar ..... toen zijn we waarachtig aan iets anders gaan denken.”

„Ik val met mijn neus in de boter,” zeide Mimi, terwijl zij een bijna hongerigen blik op de tafel wierp; „ik heb [371]vanmiddag in het geheel niet gegeten,” fluisterde zij den schilder in, opdat Rodolphe, die op zijn zakdoek beet, om niet in tranen uit te barsten, het niet zou hooren.

„Schuif wat bij, Rodolphe!” zeide Marcel tot zijn vriend; „we zullen met ons drieën soupeeren!”

„Neen!” zeide dichter, die in zijn hoek bleef zitten.

„Ben je boos, Rodolphe, dat ik hier gekomen ben,” vroeg Mimi zacht; „heb je liever, dat ik weer weg ga?”

„Neen, neen!” antwoordde Rodolphe; „maar het doet mij pijn, dat ik je zoo terugzie.”

„Dat is mijn eigen schuld, Rodolphe—ik klaag dan ook niet; wat voorbij is, is voorbij, denk er maar niet verder aan. Kan je mijn vriend niet zijn, omdat je vroeger wat anders geweest ben? Ja toch! Zet dus niet zoo’n verdrietig gezicht meer en kom bij ons zitten!”

Zij stond op, om naar hem toe te gaan; maar zij was zoo zwak, dat zij geen stap doen kon en op haar stoel terugviel.

„De warmte heeft me bevangen,” zeide zij; „ik kan niet meer op mijn beenen staan.”

„Kom nou bij ons zitten, Rodolphe,” zeide Marcel.

De dichter kwam bij hen zitten en begon met hen te eten. Mimi was erg uitgelaten.

Toen het eenvoudige maal afgeloopen was, zeide Marcel tot Mimi:

„Beste kind, het is ons niet mogelijk je hier in dit huis een kamer te geven.”

„Dus moet ik gaan!” zeide zij, terwijl zij trachtte op te staan.

„Wel neen!” riep Marcel uit; „er is nog wel een andere manier, om de zaak te regelen; jij blijft hier in deze kamer en ik ga zoolang bij Rodolphe logeeren.”

„Dat is wel lastig voor jullie!” zeide Mimi; „maar het zal niet langer dan een paar dagen duren.”

„Het is volstrekt niet lastig voor ons,” antwoordde Marcel; „dus zoo blijft het afgesproken: jij blijft hier en [372]Rodolphe en ik slapen op de kamer van Rodolphe. Bonsoir, Mimi, slaap lekker!”

„Ik dank jullie wel!” zeide zij, terwijl zij Marcel en Rodolphe, die weggingen, de hand gaf.

„Wil ik de deur afsluiten?” vroeg Marcel, toen hij bij de deur was.

„Waarom?” zeide Mimi met een blik op Rodolphe; „ik ben niet bang.”

Toen de twee vrienden in de kamer ernaast waren, vroeg Marcel plotseling aan Rodolphe:

„En wat ben jij nu van plan te doen?”

„Ik weet het zelf niet!” stamelde Rodolphe.

„Kom, sta niet zoo te treuzelen, ga naar Mimi! Ik voorspel je, dat, wanneer je naar haar toegaat, jullie morgen weer verzoend zullen zijn!”

„Wat zou jij gedaan hebben, als Musette teruggekomen was?” vroeg Rodolphe.

„Als Musette in de kamer hiernaast was,” antwoordde Marcel, „dan zou ik al een kwartier geleden niet meer in deze zijn.”

„Nou,” zeide Rodolphe; „ik zal moediger zijn dan jij, ik blijf hier!”

„Dat zullen we nog eens zien!” zeide Marcel, die reeds in bed lag; „ga jij ook naar bed?”

„Zeker!” antwoordde Rodolphe.

Doch toen Marcel midden in den nacht wakker werd, zag hij, dat Rodolphe weg was.

’s Ochtends klopte Marcel zachtjes op de deur van de kamer, waarin Mimi sliep.

„Binnen,” riep zij. Toen zij hem zag, gaf zij hem een wenk zachtjes te praten, om Rodolphe, die nog sliep, niet wakker te maken. Hij zat in een fauteuil, dien hij bij het bed geschoven had, en rustte met zijn hoofd op het kussen naast Mimi.

„Hebben jullie zoo den nacht doorgebracht?” vroeg Marcel verwonderd. [373]

„Ja,” antwoordde het jonge meisje.

Plotseling werd Rodolphe wakker. Na Mimi een kus gegeven te hebben, stak hij den schilder, die hoe langer hoe verbaasder scheen, de hand toe.

„Ik zal zien, dat ik wat geld krijg, om eten te koopen,” zeide hij tot Marcel; „houd jij Mimi zoo lang gezelschap.”

„En,” vroeg Marcel aan het jonge meisje, toen zij alleen waren, „wat is er vannacht gebeurd?”

„Ach God, niets dan treurige dingen,” zeide Mimi; „Rodolphe houdt nog altijd van me.”

„Dat weet ik!”

„Ja, jij hebt hem van mij willen aftrekken,” zeide zij; „maar dat neem ik je niet kwalijk, Marcel, je hadt gelijk; ik heb dien armen jongen leelijk behandeld!”

„En jij,” vroeg Marcel, „houdt jij nog altijd van hem?”

„Of ik van hem houd!” zeide zij handenwringend. „En dat is juist zoo’n pijniging voor me. Ik ben wel veranderd, beste jongen, en daarvoor is niet veel tijd noodig geweest.”

„Nou, als hij van jou houdt en jij van hem en jullie niet buiten elkaar kunt, moeten jullie maar weer samen gaan leven en dan probeeren, dat het ditmaal voor goed is.”

„Dat is onmogelijk,” zeide Mimi.

„Waarom?” vroeg Marcel; „zeker, het zou verstandiger zijn, indien jullie voor goed van elkaar gingen; maar om elkaar niet meer te zien, zouden jullie wel duizend mijl van elkaar moeten zijn!”

„Wat bedoel je daarmee?”

„Spreek er niet met Rodolphe over, dat zou hem te veel aanpakken—maar ik ga gauw voor goed weg.”

„Maar waarheen?”

„Kijk eens, Marcel,” zeide Mimi snikkend.

En de dekens wat terugslaande, liet zij den schilder haar schouders, haar hals en haar armen zien.

„Goede God!” riep Marcel verschrikt uit. „Arme meid!” [374]

„Zie je wel, beste jongen, dat ik mij niet vergis en dat ik spoedig sterven zal?”

„Maar hoe is dat in zoo’n korten tijd kunnen gebeuren?” vroeg Marcel.

„Ach!” antwoordde Mimi; „bij het leven, dat ik sedert twee maanden leid, is dat niet te verwonderen: al die slapelooze, doorweende nachten, dat poseeren in onverwarmde ateliers, het slechte voedsel, het vele verdriet.... En dan weet je nog niet alles: ik heb me met eau de Javel willen vergiftigen; ze hebben me gered, maar niet voor lang, zooals je ziet. Bovendien ben ik nooit heelemaal gezond geweest. Enfin, het is mijn eigen schuld: als ik kalm bij Rodolphe gebleven was, zou het zoover niet gekomen zijn. En nu kom ik dien armen jongen weer lastig vallen, maar het zal niet voor lang zijn: het laatste kleedingstuk, dat hij me geven zal, zal heelemaal wit zijn, Marcel, en daarin zal ik begraven worden. O, als je eens wist, hoe vreeselijk ik het vind, dat ik sterven moet! Rodolphe weet, dat ik ziek ben; gisteren heeft hij langer dan een uur sprakeloos naast mijn bed gezeten, toen hij mijn magere armen en schouders heeft gezien: hij herkende zijn Mimi niet meer ..... ach, mijn spiegel herkent me zelfs niet meer. Maar enfin, ik ben knap geweest en hij heeft veel van me gehouden. O lieve God,” riep zij uit, terwijl zij haar gezicht in Marcel’s handen verborg, „ik ga je verlaten, beste jongen, en Rodolphe ook. O, lieve God!”

Tranen verstikten haar stem.

„Kom, Mimi,” zeide Marcel, „doe niet zoo wanhopig, je zult weer beter worden; je hebt alleen een goede verpleging en rust noodig.”

„Ach, neen!” antwoordde Mimi; „het loopt af met mij, ik voel het heel goed. Ik ben zoo vreeselijk zwak: toen ik gisterenavond hier kwam, heb ik meer dan een uur noodig gehad om boven te komen. En als ik hier een andere vrouw [375]had aangetroffen, zou ik me uit het raam geworpen hebben. En toch was hij vrij, nu wij niet meer samen waren; maar zie je, Marcel, ik was er zeker van, dat hij nog van me hield. En daarom”—en weer barstte Mimi in tranen uit—„daarom alleen heb ik niet dadelijk willen sterven. Maar toch is het gedaan met mij. Och, Marcel, wat is hij toch een goede jongen, dat hij mij na alles wat ik hem aangedaan heb, toch nog bij zich genomen heeft. Ach, de lieve God is niet rechtvaardig, dat hij mij den tijd zelfs niet laat om weer goed te maken wat ik tegenover Rodolphe misdaan heb. En hij begrijpt heel goed hoe het met mij gesteld is. Ik wou niet, dat hij naast mij kwam liggen, want het is net alsof ik de wormen al aan mijn lichaam voel vreten. Wij hebben den geheelen nacht door samen geweend en over vroeger gesproken. O, wat is het toch droevig, dat je het geluk dan eerst ziet, wanneer het niet meer bereikbaar is en nadat het aan je voorbijgegaan is, zonder het te zien!.... O, het brandt me in mijn borst als vuur; en wanneer ik mijn ledematen beweeg, is het net, alsof zij zullen breken ..... Och, Marcel, geef me mijn japon even aan. Ik wil de kaart leggen, om te zien of Rodolphe geld meebrengen zal. Ik zou nog zoo graag eens lekker met jullie willen dejeuneeren, net als vroeger—het zal me geen kwaad doen, want God kan me toch niet zieker maken dan ik al ben. Kijk,” zeide zij, terwijl ze Marcel de kaart liet zien, die zij gecoupeerd had; „dat is schoppen, de kleur van den dood. En hier klaveren,” voegde zij er vroolijk aan toe. „We krijgen geld.”

Marcel wist niet wat hij moest zeggen bij die helderziende ijlkoortsen van dit ongelukkige schepseltje, dat, zooals zij zeide, de wormen reeds aan zich voelde vreten.

Na een uur kwam Rodolphe terug. Hij bracht Schaunard en Colline mede. De musicus had zijn zomerjas aan: hij had, zoodra hij gehoord had, dat Mimi ziek was [376]zijn winterjas verkocht, om Rodolphe geld te kunnen leenen. Colline van zijn kant had verschillende boeken van de hand gedaan. Weliswaar had hij liever een arm of been verzilverd, maar Schaunard had hem aan zijn verstand gebracht, dat men met zijn arm of been niets beginnen kan, waarom hij maar besloten had van zijn lievelingen afstand te doen.

Mimi spande al haar krachten in om haar oude vrienden met een vroolijk gezicht te ontvangen.

„Ik ben niet ondeugend meer,” zeide zij tot hen, „en Rodolphe heeft mij vergiffenis geschonken. Als hij mij bij zich wij houden, zal ik klompen aantrekken en een halsdoek omdoen. Zijde is niet goed voor mijn gezondheid,” voegde zij er met een hartverscheurend glimlachje aan toe.

Op aandringen van Marcel had Rodolphe een van zijn vrienden, die pas dokter geworden was, laten halen. Het was dezelfde, die vroeger de kleine Francine behandeld had. Toen hij kwam, liet men hem met Mimi alleen.

Rodolphe was door Marcel reeds te voren op de hoogte gebracht van den gevaarlijken toestand, waarin Mimi verkeerde. Toen de dokter Mimi onderzocht had, zeide hij tot Rodolphe:

„Je kunt haar hier niet houden. Slechts een wonder kan haar redden. Zij moet naar het ziekenhuis. Ik zal je een brief voor de Pitié geven; een van mijn kennissen is daar assistent; ik zal hem vragen haar te behandelen. Als zij de lente haalt, kunnen we haar misschien nog heelemaal beter maken; maar als zij hier blijft, is het binnen acht dagen afgeloopen.”

„Ik zal het haar nooit durven voorstellen,” zeide Rodolphe.

„Ik heb het haar al gezegd,” antwoordde de dokter, „en zij vindt het goed. Morgen zal ik je een formulier voor de Pitié zenden.” [377]

„Beste jongen,” zeide Mimi tot Rodolphe, „de dokter heeft gelijk. Je zoudt me hier niet kunnen verplegen, zooals het behoort; je moet mij naar het ziekenhuis laten gaan. O, ik zou nu zòò graag blijven leven, dat ik de rest van mijn leven mijn linkerhand in het vuur zou houden, als ik de jouwe in mijn rechter mocht hebben. Je komt me toch zeker dikwijls opzoeken. Kom wees niet zoo bedroefd: ik zal daar goed verpleegd worden, heeft de dokter gezegd. Je krijgt kalfssoep in het ziekenhuis, en het is er warm. En terwijl ik daar aan het opknappen ben, moet jij werken, om geld te verdienen; en wanneer ik weer beter ben, kom ik weer bij je terug en blijf ik altijd bij je. Ik heb nu heel veel hoop. Ik kom even knap als vroeger terug. Vroeger, toen ik je nog niet kende, ben ik ook eens ziek geweest, en toen ben ik ook beter geworden. En in dien tijd was ik niet gelukkig, en het zou beter geweest zijn, als ik toen maar gestorven was. Nu ik jou teruggevonden heb en wij nog gelukkig kunnen zijn, zullen ze me ook wel beter maken, want ik zal me krachtig tegen de ziekte verzetten. Ik zal alle leelijke drankjes, die ze me geven, slikken, en de dood zal me alleen maar met geweld van je kunnen nemen. Geef den spiegel eens, het is net, of ik al weer een kleur krijg. Ja,” zeide zij, terwijl zij in den spiegel keek, „mijn mooie tint komt alweer terug. En kijk, mijn handen zijn nog altijd mooi; geef er nog eens een zoen op; het zal heusch de laatste keer niet zijn, jongenlief!”

Toen zij dit gezegd had, sloeg zij haar armen om zijn hals en bedekte zijn gezicht onder haar loshangende haren.

Voor zij naar het ziekenhuis ging, wilde zij nog een avond met al de vroegere vrienden samen zijn.

„Laat me lachen,” zeide zij; „vroolijkheid is voor een mensch het beste geneesmiddel. Die slaapmuts van een vicomte heeft mij ziek gemaakt. Hij wou me orthographie leeren, stel je voor; wat moest ik daarmede beginnen? En zijn vrienden—lieve God, wat een kerels! Je reinste hoenderhof, [378]waarin de vicomte de pauw was. Hij merkte, God betert, zijn eigen linnengoed. Als hij ooit trouwt, krijgt hij vast de kinderen.”

Niets kon aangrijpender zijn dan deze opgewekte stemming, die, om zoo te zeggen, den dood van het lichaam overleefde. Slechts met inspanning van al hun geestkracht slaagden de bohémiens erin hun tranen terug te houden en het gesprek in den schertsenden toon te houden, waarin het gebracht was door dat arme kind, voor wie het noodlot zoo vlug het linnen voor haar laatste kleed weefde.

Den volgenden ochtend kreeg Rodolphe het formulier voor het ziekenhuis. Mimi kon onmogelijk meer loopen: ze moest in het rijtuig worden gedragen. Tijdens het rijden leed zij vreeselijk onder de schokken. Maar het laatste, dat bij vrouwen sterft, de ijdelheid, overwon ook nu nog die pijnen: twee of driemaal liet zij het rijtuig voor mode-magazijnen stil staan, om naar de étalages te kijken.

Toen zij in de op het formulier aangegeven zaal kwam, voelde Mimi haar hart samenkrimpen; een inwendige stem zeide haar, dat zij haar leven tusschen deze kale, droefgeestige muren zou eindigen. Al haar wilskracht moest zij te hulp roepen, om den somberen indruk, die haar had doen rillen, voor Rodolphe te verbergen.

Toen zij te bed lag, omhelsde zij hem voor de laatste maal en drukte hem op het hart haar den volgenden Zondag te komen opzoeken.

„Het ruikt hier zoo akelig,” zeide zij; „breng bloemen voor me mee, viooltjes, die zijn er nog!”

„Ja,” zeide Rodolphe; „adieu, tot Zondag!”

En hij trok de gordijnen dicht. Toen Mimi hoorde hoe de stappen van haar geliefde zich steeds verder verwijderden, kreeg zij plotseling een koortsaanval. Zij sloeg wild de gordijnen open, boog zich half uit haar bed en riep met een door tranen verstikte stem: [379]

„Rodolphe, neem me weer mee; ik wil weg!”

De zuster kwam naar haar toe en trachtte haar te kalmeeren.

„O,” steunde Mimi; „ik zal hier sterven!”

’s Zondagsochtends, den dag dat hij Mimi zou gaan opzoeken, herinnerde Rodolphe zich, dat hij haar beloofd had viooltjes mee te zullen brengen. Door een poëtisch bijgeloof gedreven, ging hij, niettegenstaande het vreeselijke weer, te voet naar de bosschen van Aulnay en Fontenay, waar hij zoo dikwijls met haar geweest was, om daar zelf de bloemen te zoeken, waarom zij hem gevraagd had. Twee uur lang dwaalde hij door het met sneeuw bedekte kreupelhout en lichtte met een klein stokje de struiken en het heidekruid op, tot hij eindelijk een paar viooltjes vond vlak bij het struikgewas langs den vijver van Le Plessis, hun lievelingsplekje, waar ze altijd heengingen, als ze buiten waren.

Toen hij op den terugweg naar Parijs door het dorp Châtillon kwam, zag hij op het kerkplein een doopstoet en daarbij een van zijn vrienden, die met een zangeres van de Opéra peet was.

„Wat voer jij hier uit?” vroeg hij, verwonderd Rodolphe daar te zien.

De dichter vertelde wat er gebeurd was.

De jonge man, die Mimi gekend had, werd door het verhaal zeer aangegrepen. Hij haalde een doos bonbons uit zijn zak en gaf die aan Rodolphe.

„Die arme Mimi, geef haar dit uit mijn naam en zeg, dat ik eens naar haar kom kijken!”

„Als je dat wil, moet je je haasten, anders zou je te laat kunnen komen,” zeide Rodolphe en ging verder.

Toen hij in het hospitaal kwam, vloog Mimi, die zich niet meer bewegen kon, hem met een blik om de hals.

„Ha, daar zijn mijn bloemen!” riep zij, terwijl een glimlach van geluk om haar lippen speelde. [380]

Rodolphe vertelde haar zijn pelgrimstocht naar het struikgewas langs den vijver, dat het paradijs van hun liefde geweest was.

„Lieve bloemen!” zeide het arme kind, terwijl zij de viooltjes kuste.

Ook de bonbons vielen in haar smaak.

„Ze hebben me dus nog niet heelemaal vergeten!” zeide zij. „Wat zijn jullie toch allemaal goed. Ik mag al je vrienden graag, Rodolphe!”

Het samenzijn was bijna vroolijk te noemen. Ook Schaunard en Colline waren gekomen. De zuster moest hen tot weggaan aansporen, daar de bezoektijd reeds lang voorbij was.

„Vaarwel!” zeide Mimi; „tot Donderdag dus! En zorg op tijd te zijn!”

Toen Rodolphe den volgenden avond thuis kwam, vond hij een brief van een jongen assistent uit het ziekenhuis, aan wien hij Mimi bijzonder aanbevolen had. De brief bevatte slechts deze woorden:

„Amice, ik moet je een treurige tijding geven: No. 8 is dood. Toen ik vanochtend door de zaal kwam, vond ik het bed leeg.”


Rodolphe viel op een stoel neer, maar geen tranen kwamen hem verlichting brengen. Toen Marcel later op den avond bij hem kwam, vond hij zijn vriend nog in dezelfde wezenlooze houding; met een handgebaar wees Rodolphe hem op den brief.

„Arme meid!” zeide Marcel.

„Het is vreemd,” merkte Rodolphe op; „ik voel niets. Zou mijn liefde reeds gestorven zijn, toen ik hoorde, dat Mimi sterven moest?”

„Wie zal het zeggen?” mompelde de schilder.

Mimi’s dood veroorzaakte in den kring der bohémiens een groote ontroering. [381]

Acht dagen later ontmoette Rodolphe op straat den assistent, die hem den dood van zijn vriendinnetje gemeld had.

„Beste Rodolphe,” zeide hij, „je neemt het me toch niet al te kwalijk, dat ik je door mijn voorbarigheid verdriet gedaan heb?”

„Wat bedoel je?” vroeg Rodolphe verwonderd.

„Wat? .... Weet je het niet? Heb je haar dan niet meer gezien?”

„Wie?” schreeuwde Rodolphe.

„Maar Mimi natuurlijk!”

„Wat?” stamelde de dichter, die doodsbleek werd.

„Ik had me vergist. Toen ik je die vreeselijke tijding schreef, was ik het slachtoffer van een dwaling. Kijk eens, ik was in twee dagen niet in het ziekenhuis geweest. Toen ik den derden dag weer terugkwam, vond ik het bed van je vrouw leeg. Op mijn vraag aan de zuster waar de zieke was, kreeg ik ten antwoord, dat zij ’s nachts gestorven was. De zaak zit zoo in elkaar. Tijdens mijn afwezigheid was Mimi naar een andere zaal gebracht. In bed No. 8 hadden ze een andere vrouw gelegd, die nog denzelfden dag gestorven is. Dat is de oorzaak van mijn vergissing. Den dag, nadat ik je geschreven had, vond ik Mimi in een zaal ernaast. Jouw wegblijven had haar vreeselijk veel verdriet gedaan; zij gaf me een brief voor je, dien ik dadelijk naar je kamer gebracht heb.”

„Lieve God!” riep Rodolphe uit; „vanaf het oogenblik dat ik dacht, dat Mimi dood was, ben ik niet meer op mijn kamer geweest. Ik heb hier en daar bij mijn vrienden geslapen. Mimi leeft. God, wat moet zij wel van mijn wegblijven denken! Arme, arme meid! En hoe is het met haar? Wanneer heb je haar voor het laatst gezien?”

„Eergisterenochtend. Zij was niet erger en niet beter, maar zij is erg ongerust over jou, ze denkt, dat je ziek bent!” [382]

„Ga dadelijk met me naar de Pitié,” zeide Rodolphe; „ik moet ze zien.”

„Wacht hier een oogenblik,” zeide de assistent, toen zij bij den ingang van het ziekenhuis waren, „ik zal den directeur vragen, of je haar zien mag.”

Rodolphe wachtte een kwartier in de vestibule. Toen kwam de assistent terug, greep de hand van den dichter en zeide:

„Je moet maar denken, beste kerel, dat de brief, dien ik je acht dagen geleden geschreven heb, waarheid gesproken heeft.”

„Wat?” zeide Rodolphe, terwijl hij wankelde en steun zocht tegen een pilaar; „Mimi.....”

„Vanochtend om vier uur.”

„Breng mij naar de snijkamer, dan kan ik ze nog eenmaal zien,” vroeg Rodolphe.

„Daar is ze niet meer,” zeide de dokter. En terwijl hij den dichter op een grooten wagen wees, die op de binnenplaats stond voor een gebouw, waarboven het woord: Snijkamer te lezen was, voegde hij eraan toe:

„Daarin is zij.”

Het was inderdaad de lijkwagen, waarin de niet opgevraagde lijken naar de gemeenschappelijke graven gebracht worden.

„Adieu,” zeide Rodolphe tot den assistent.

„Wil ik soms met je meegaan?” vroeg deze.

„Neen, dank je,” zeide Rodolphe, terwijl hij zich langzaam verwijderde. „Ik wil alleen zijn!” [383]


1 Een persoon uit de Grieksche mythologie met honderd armen.

2 Bekende persoon uit don Quichotte.

[Inhoud]

Hoofdstuk XXIII.

Men is slechts eens jong.

Een jaar na Mimi’s dood vierden Rodolphe en Marcel, die steeds bij elkaar gebleven waren, met een feest hun intrede in de officieele wereld. Marcel, die eindelijk tot den Salon was toegelaten, had er twee schilderijen geëxposeerd, waarvan er een gekocht was door een rijken Engelschman, een vroegeren minnaar van Musette. Met de opbrengst van dien verkoop en met die van een hem door de regeering opgedragen werk, had Marcel het grootste gedeelte van zijn oude schulden afgelost, zich in een fatsoenlijke woning geïnstalleerd en een echt atelier ingericht. Bijna tegelijk waren Schaunard en Rodolphe voor het publiek getreden, dat over den naam en het fortuin van kunstenaars beslist, de eerste met een album liederen, die op alle concerten gezongen werden en die zijn naam vestigden; de tweede met een boek, waarmede de kritiek zich een maand lang bezig hield. Barbemuche had zich sedert lang uit het bohème leven teruggetrokken, terwijl Gustave Colline een erfenis gekregen en een rijk huwlijk gedaan had en nu avondjes gaf, waarop muziek gemaakt en koekjes gegeten werden.

Op een avond, dat Rodolphe in zijn fauteuil en met zijn voeten op zijn tapijt zat, zag hij Marcel opgewonden binnenkomen.

„Weet je wat mij overkomen is?” vroeg hij.

„Neen,” antwoordde de dichter. „Ik weet alleen, dat [384]ik bij je geweest ben, dat je beslist thuis was en dat je me niet hebt willen open doen.”

„Ik heb je wel gehoord. Raad eens wie bij mij was.”

„Hoe zou ik dat weten?”

„Musette! Zij is gisteravond als débardeur1 bij me binnen komen vallen.”

„Musette? Heb jij Musette teruggevonden?” vroeg Rodolphe met iets van spijt in zijn stem.

„Maak je niet ongerust! de vijandelijkheden zijn niet hervat. Musette is den laatsten nacht van haar bohème-leven bij mij komen doorbrengen.”

„Wat bedoel je daarmee?”

„Zij gaat trouwen.”

„Wat!” riep Rodolphe uit. „En met wien, lieve hemel?

„Met een postmeester, den voogd van haar laatsten minnaar, een type, naar het schijnt. Musette heeft tegen hem gezegd: „Waarde heer, alvorens ik u definitief mijn hand geef en met u naar het stadhuis rijd, wil ik nog eerst acht dagen volkomen vrijheid. Ik moet mijn zaken regelen en ik wil mijn laatste glas champagne drinken, mijn laatsten quadrille dansen en mijn vriend Marcel, die net zoo goed is als ieder ander, een laatsten kus geven.” Acht dagen lang heeft het lieve kind naar mij gezocht, tot ze gisteravond juist op een oogenblik, dat ik aan haar dacht, bij mij is komen binnenvallen. Wij hebben een treurigen nacht gehad ..... het was lang dat van vroeger niet, lang niet. Wij zagen er net uit als een slechte copie van een meesterwerk. Ik heb naar aanleiding van deze laatste scheiding een klein klaaglied gemaakt, dat ik je voorjammeren zal, als je het goed vindt.”

En toen begon hij eenige coupletten te neuriën ...


[385]

„Nou ben je toch zeker wel gerustgesteld,” zeide Marcel, toen hij uitgejammerd had; „mijn liefde voor Musette is zoo dood als een pier, dat bewijst dit treurige treurlied wel.”

„Arme kerel!” zeide Rodolphe; „je verstand duelleert met je hart; pas op, dat het laatste niet gedood wordt.”

„Dat is al gebeurd,” antwoordde de dichter; „het is afgeloopen met ons, we zijn dood en begraven. Je bent maar eens jong. Waar dineer je vanavond?”

„Als je het goed vindt, kunnen we voor twaalf sous in ons oud restaurant in de rue du Four gaan eten, waar je nog van die echte dorpsborden hebt, en waar je, als je klaar bent, nog steeds trek hebt.”

„Neen, dank je wel,” antwoordde Marcel. „Ik wil wel nog eens praten over het verleden, maar dan bij een goed glas wijn in een makkelijken fauteuil. Ach ja, ik ben nu eenmaal verdorven. Ik houd alleen nog maar van wat goed is.”

EINDE.

[386]


1 Débardeur = iemand, die tijdens het carnavalsfeest als houtdrager gecostumeerd rondloopt.

[Inhoud]

DE MEULENHOFF-EDITIE

WIL EEN GOED BOEK IN EEN GOED KLEED GEVEN VOOR WEINIG GELD.

Wij laten hier de titels volgen die reeds verschenen zijn.

No. 1. DE POLITIE-SPION. Roman uit den tijd van de Revolutie in Rusland, door Maxim Gorki f 0.75

(Uitverkocht.)

No. 2. SARAH BERNHARDT, Gedenkschriften door haar zelf geschreven.Jeugd.Eerste Tooneeljaren. 2e druk. (6e–10e duizendtal) f 0.75

No. 3. HET HUWELIJK VAN EEFKE BRIEST. Roman door Th. Fontane. 2e druk f 0.75

No. 4. NAPOLEON. Opkomst en Grootheid. Met illustratiën, door H. P. Geerke 6e–10e duizendt. f 0.75

No. 5. WALLY, De Roman van een Kellnerin, door Edw. Stillgebauer. 2e druk f 0.75

No. 6. DE FRAAIE COMEDIE. Een Haagsch Verhaal, door Henri van Booven f 0.75

No. 7. SARAH BERNHARDT. Gedenkschriften door haar zelf geschreven.—Na den oorlog. Sarah Bernhardt als „Ster” f 0.75

No. 8. LIEFDE, door Björnstjerne Björnson. Uit het Noorsch door Cl. Bienfait f 0.85

No. 9. DE VAL VAN NAPOLEON, door A. Kielland en H. P. Geerke. Geïllustreerd f 0.75

No. 10. ALS HET IJZER GESMEED WORDT. Roman door Clara Viebig f 0.85

No. 11. RICHARD WAGNER. Zijn leven en werken, door J. Hartog. Rijk geïllustreerd f 0.95

No. 12. KIPPEVEER of het Geschaakte Meisje. Roman door Cosinus. 419 bladzijden. Deel I. 5e druk. (25e–30e duizendt.) f 0.85

No. 13. KIPPEVEER of het Geschaakte Meisje. Roman door Cosinus. 381 bladzijden. Deel II. 5e druk. (25e–30e duizendt.) f 0.85

No. 14. GALERIJ van beroemde Fransche Tooneelspelers. Hun intiem leven anecdotisch beschreven, door J. H. van der Hoeven, met vele illustraties f 0.75

No. 15. MONNA VANNA, door M. Maeterlinck, vertaling van Frans Mijnssen, met 1 portret, 4e druk f 0.65 [387]

No. 16. HET HEKSENLIED, door Von Wildenbruch, op maat overgezet voor de muziek van Max Schillings door Fr. Pauwels f 0.45

No. 17. EEN VROUWENBIECHT. Oorspronkelijke roman door G. van Hulzen f 0.85

No. 18. MARIE ANTOINETTE. Jeugd.—Eerste jaren der Revolutie, door Cl. Tschudi. Naar de oorspronkelijke Noorsche uitgaaf door J. Clant van der Mijll-Piepers. Met vele illustraties f 0.85

No. 19. DRAMATISCHE WERKEN. door Björnstjerne Björnson. Naar de oorspronkelijke Noorsche uitgaaf vertaald door Marg. Meijboom. Drie spelen van recht: De Jonggehuwden; Een handschoen; Leonarda f 0.85

No. 20. MARIE ANTOINETTE EN DE REVOLUTIE, door Cl. Tschudi. naar de oorspronkelijke Noorsche uitgaaf door J. Clant van der Mijll-Piepers. Met vele illustraties. 469 bladz. f 0.95

No. 21. HALFBLOED. Een huwelijk in de tropen. Roman door A. Perrin. Vertaald door D. Jacobson f 0.85

No. 22. NA HET DERDE KIND. Roman door H. von Mühlau, vertaald door Anna van Gogh-Kaulbach f 0.75

No. 23. VERLOVING EN HUWELIJK IN VROEGER DAGEN, door Prof. Dr. L. Knappert. Rijk geïllustreerd f 0.95

No. 24. DE OORLOG. Geïllustreerde geschiedenis van den Wereldoorlog, door H. P. Geerke en G. A. Brands. Deel I. Rijk geïllustreerd f 0.95

No. 25. OPGANG. De roman van een vrouwenleven. Oorspronkelijke roman van Anna van Gogh-Kaulbach f 0.95 In extra fraaien band— 1.50

No. 26. „DE WAPENS NEER”. Roman van Bertha von Suttner. Deel I. (8e–12e duizendtal der nieuwe uitgave) f 0.85

No. 27. „DE WAPENS NEER.” Roman van Bertha von Suttner. Deel II (8e–12e duizendtal) f 0.85

No. 28. HAREM. Schetsen uit het leven van de Turksche vrouw door Demetra Vaka f 0.75

No. 29. ONS MOOIE NEDERLAND. GELDERLAND I, door D. J. van der Ven. Met 80 kunstplaten naar de natuur. 316 bladz. f 0.95

No. 30. HET SCHANDAAL. Roman van G. van Ompteda f 0.85 [388]

No. 31. ACHTER DE SCHERMEN. Herinneringen van den Impressario J. Schürmann f 0.75

No. 32. BRAND, door Hendrik Ibsen, vertaald door J. Clant van der Mijll-Piepers f 0.85

In extra fraaien band f 1.15

No. 33 HET WONDERE LEVEN DER PADDENSTOELEN, door D. J. van der Ven, 280 bladz., met 80 photogr. natuuropnamen f 0.95

No. 34. DE LAATSTE DAGEN VAN POMPEJI, door Edw. Bulwer Lytton. 544 bladz. f 0.95

In fraaien band— 1.25

No. 35. DE OORLOG. Geïllustreerde geschiedenis van den wereldoorlog, door H. P. Geerke en G. A. Brands. Deel II f 0.95

No. 36. NAPOLEON EN DE VROUWEN, door H. P. Geerke. Rijk geïllustreerd f 0.95

No. 37. PETRA, door Björnstjerne Björnson. Naar de oorspronkelijke Noorsche uitgaaf vertaald door Cl. Bienfait f 0.95

No. 38. DE TORENS ZINGEN. Nederlandsche torens en hunne klokkespelen, door D. J. van der Ven, met 65 photografische natuuropnamen f 0.95

In prachtband— 1.25

No. 39. JEANNE D’ARC. De maagd van Orleans, door H. E. Koopmans van Boekeren f 0.95

In prachtband— 1.25

No. 40. BLOEMEN. Onze wilde bloemen, beschreven door D. J. v. d. Ven, met 65 photografische natuuropnamen f 0.95

In prachtband— 1.25

Geïllustreerde, volledige catalogus, met besprekingen en aanbevelingen op aanvraag gratis verkrijgbaar bij den uitgever

J. M. MEULENHOFF—AMSTERDAM.

[Inhoud]

Oorspronkelijke rug.

 

Oorspronkelijke achterkant.

Inhoudsopgave

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
4, 60, 115, 194, 280, 333, 352 poezie poëzie
22 erwijl terwijl
24, 65, 107, 386 [Niet in bron] .
26, 42, 46, 110, 151, 162, 233 [Niet in bron]
28, 58, 160 , .
32 re
35, 37, 109, 199, 294, 300 . ,
38, 238 ”, ,”
38 Gamacho Camacho
39 behooren behoorenden
42 l’Hótel l’Hôtel
42, 67, 70, 81, 89, 90, 104, 106, 111, 114, 197, 209, 225, 303, 325, 384 [Niet in bron]
42 symptonen symptomen
55, 58 . [Verwijderd]
56 ó ô
65 . ?
69 vinden [Verwijderd]
74, 74 . :
75 moet moeten
88 , [Verwijderd]
101 paket pakket
103 specimem specimen
107 Baptitste Baptiste
112 Vindt Vind
134 Drieeenheid Drieëenheid
143 antwoorden antwoordden
145 Saint Denis Saint-Denis
145 trictracspel tric-tracspel
156 huwlijk huwelijk
157, 219 [Verwijderd]
157 vindt vind
158 werkellijk werkelijk
159 gymnaisum gymnasium
160 terechtwijziging terechtwijzing
162 aangstoken aangestoken
165 in ze ze in
166 instellen in te stellen
167 catologus catalogus
168 Rouseau’s Rousseau’s
173 Francois François
174 Bereidt Bereid
174 Colilne Colline
180 lyrisch-poetische lyrisch-poëtische
180 er en
182 koel koelt
188 levenlust levenslust
192 laison liaison
192 aristrocatisch aristocratisch
194 kniën knieën
198 das des
203 maitresse maîtresse
204 had hadden
215 souvernir souvenir
216 Opéra Opera
220 Laura Laure
228 Academie Académie
231 bohémens bohémiens
239 akei lakei
241 lichtzinnnigheid lichtzinnigheid
249 mylord milord
250 wet wat
250 gerecht vaardigde gerechtvaardigde
250 mosst moest
251 . [Verwijderd]
265 terwij terwijl
283, 361 antwoodde antwoordde
286 Colljne Colline
288 Collein Colline
290 steed steeds
292 dïtmaal ditmaal
293 bovondien bovendien
295 [Niet in bron] ,
300 Sinonie Sidonie
308 vroegde voegde
308, 327 liason liaison
313 ,
318 plotesling plotseling
322 dropgel droppel
344 poetisch poëtisch
348 :; ;
387 [Niet in bron] f
388 in In
388 Geillustreerde Geïllustreerde