The Project Gutenberg eBook of Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Fortuna: Een Roman uit het Noorsch (Voortzetting van "Vergif")

Author: Alexander Lange Kielland

Translator: Margaretha Meijboom

Release date: July 31, 2010 [eBook #33308]
Most recently updated: January 8, 2023

Language: Dutch

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK FORTUNA: EEN ROMAN UIT HET NOORSCH (VOORTZETTING VAN "VERGIF") ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.
[Inhoud]

Fortuna

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.
Wereld Bibliotheek
Fortuna
Een roman uit het Noorsch
(Voortzetting van „Vergif”)
Uitgegeven door de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur—Amsterdam

[5]

[Inhoud]

I.

Abraham Lövdahl was student geworden.

Hij was negentien jaar oud, knap van uiterlijk, gezond en vroolijk; goed gekleed en goed van geld voorzien. Het leven sprong voor hem open als de deuren van een balzaal en hij stormde het binnen met groote oogen.

Nog lag er over het studentenleven de laatste wegstervende glans van een schoonen, zorgeloozen tijd; nog kon men spreken van idealen, zonder dat allen lachten; en als de president met zijn heldere stem, ’t mooie blonde hoofd in den nek, liefelijke woorden door de zaal deed ruischen, dan voelden de jongelieden als ’t ware machtige wiekslagen over zich heen gaan;—de borst zwol en ’t was als werd hun lichaam lichter, alsof ze zouden kunnen vliegen.

Abraham Lövdahl had ook zijn vleugels voelen groeien. De plotselinge overgang van ’t grauwe schoolleven in dwang en eentonigheid tot deze gulden vrijheid onder enkel vreemden—die bedwelmde hem als wijn.

Al de glans, waarin de studententijd voor hem straalde in zijn moeilijke schooluren, was nu over zijn eigen leven neergedaald. En ’t was hem alsof zijn voeten de aarde niet raakten, hij zweefde met [6]een vriend in elken arm hoog daarboven in een lichtstroom van mooie woorden, van geestdrift en aandoening.

Tot hij geplukt werd.

Want rondom, in de maatschappij en in de restauraties—altijd op dezelfde vaste plaatsen—zat een groep begaafde menschen, die leefden van het plukken van jongelieden. Ze namen hun niet hun geld af; maar de glanzende veeren, die de besten onder hen droegen.

’t Waren hoog ontwikkelde geesten, die alles kenden en bijna alles hadden doorgemaakt; daar was niets in den hemel of op de aarde, wat zij niet in een grap omzetten; en toen Abraham een jaar lang de eer genoten had zijn vaste plaats bij hen te hebben, was ook hij in staat om alles te lachen, zelfbewust, zonder belangstelling, geblaseerd—geplukt.

Hij ging toen over tot de conversatie, maakte daar opgang, en was spoedig verloofd met de dochter van den advokaat Meinhardt.

Dat kwam zoo van zelf, omdat Mevrouw Meinhardt het graag wilde en Abraham was in de wolken van geluk.

Zijn meisje was zeker ook wel gelukkig. Maar Clara was zwak. ’t Was tegen ’t eind van den winter, dat hun verloving beklonken werd en ze had zóóveel gedanst, dat ze volkomen uitgeput was.

Clara Meinhardt was de schoonheid van de familie; de drie andere zusters waren ook mooi, maar Clara—zij was een schoonheid, dat zei Mama ook.

Abraham Lövdahl was de beste partij op dat oogenblik, hoewel hij wel heel jong was. Maar Mevrouw Meinhardt vond, dat ’t aardig was als de heeren jong trouwden. Later werden ze waarlijk al te nonchalant. [7]

De studie in de medicijnen was geen vak voor hem; dat duurde veel te lang.

Maar Abraham was al begonnen. En ’t was altijd zijn plan geweest die wetenschap te kiezen, waarin zijn vader zoo’n grooten naam verworven had,—ja, hij droomde er zelfs van ’t werk van zijn vader voort te zetten en zich als specialiteit aan de oogheelkunde te wijden.

Professor Lövdahl had ook altijd gemeend, dat het van zelf sprak, dat zijn zoon dokter zou worden.

Maar wat hielp dat alles nu, als Mevrouw Meinhardt het niet wilde.

Abraham streed eerst half in gekheid, later in vollen ernst met de heele familie Meinhardt; maar hij verloor het en gaf zich over, toen Clara op een goeden dag in tranen badende zeide, dat ze ’t nu wel begreep; hij wilde het tot een breuk laten komen door zijn halsstarrigheid.

Daar kon hij niet tegen. En zoo werd het dan in „de rechten.” De professor was meer bereid de verandering goed te keuren, dan men verwachtte. Eigenlijk had hij er niets tegen, dat de opvoeding van zijn zoon in de richting van het juridische ging, nu hij zich door de nieuwe fabriek meer van de wetenschap af en tot het praktische leven aangetrokken voelde. Maar voor Abraham zelf werd die verandering van studie een inleiding tot en een oefening in het buigen van zijn wil en toch gelukkig zijn. Want Clara beloonde hem en Mevrouw Meinhardt vergaf hem.

’t Voornaamste was immers gelukkig te leven in een tevreden omgeving; hij gaf een geliefd levensplan op,—dat was een offer; maar daar zou hij voor beloond worden. ’t Was geen principe, dat hij opgaf;—want in dat geval zou hij nooit [8]hebben toegegeven—nooit! Thuis, in de groote woning van zijn vader ging ’t leven zoo stil en vreedzaam voort, juist zooals Abraham het graag had; sterke gemoedsbewegingen herinnerde hij zich alleen uit den tijd, toen zijn moeder leefde.

Hij herinnerde zich haar zoo goed, trek voor trek en vooral die wonderlijke diepe oogen; maar in die herinneringen mengden zich anderen aan veel pijnlijke oogenblikken, als hij vol schuldgevoel voor die niet te ontwijken oogen gestaan had, die altijd hetzelfde van hem verlangden: waar en oprecht te zijn.

Er was veel in hem, waarin die eisch weerklank vond; maar het leven had hem geen aanleiding gegeven een slag te slaan voor zijn innige overtuiging; en veel onaangename kleinigheden hadden gemaakt, dat ’t hem bijna pijnlijk was aan zijn moeder te denken, die hij toch zoo innig had liefgehad en zoo vroeg verloren.

Zijn jonge ziel nam veel nieuwe gedachten en ideeën in zich op, die heelemaal niet pasten in het salon van de familie Meinhardt—niet eens recht bij Professor Lövdahl. Zijn godsdienstige en politieke opvattingen veranderden snel, want hij had een sterke neiging tot kritiek en tegenstand. Maar zijn positie was noodlottig! Waar moest hij heen met alles wat in hem gistte? Bij de menschen op wier liefde hij prijs stelde zou dat maar onnoodige tweespalt en misverstand geven. Waarom zou hij verspelen wat hij liefhad, zonder eenig nut? En zoo ging hij het verste van al zijn kameraden, en zijn wilde paradoxen schitterden in de tabaksrook, als de vrienden bijeen zaten te drinken, tot ze welsprekend werden en zich in toekomstdroomen verloren.

Abraham Lövdahl deed zijn juridisch examen in [9]korten tijd—gelokt door zijn verlangen naar ’t bezit van zijn geliefde en aangezet door de lichte grijze oogen van Mevrouw Meinhardt.

Na een kort verblijf thuis—hij was zoo ongeduldig, dat hij zich geen tijd gaf voor een reis in het buitenland—vierde hij in Christiania zijn bruiloft met Mejuffrouw Clara Meinhardt.

De jonggehuwden deden ook geen reis in het buitenland; want Mevrouw Meinhardt vond, dat het veel gezelliger was al dat geld te gebruiken voor een zomer buiten met de heele familie. De jongelui zouden afzonderlijk op een boerderij in de buurt logeeren, dan waren ze toch waarempel even vrij als in Zwitserland.

Maar Abraham verlangde met ongeduld naar zijn eigen huis, om van al die Meinhardts af te komen en ook om zijn vrouwtje te toonen hoe mooi alles in hun eigen kamers was ingericht.

Ze zouden de bovenverdieping van Professor Lövdahls groot ruim huis bewonen. De hooge, deftige, ouderwetsche kamers, en suite, stonden op den zomeravond, toen het jonge paar thuis kwam vol bloemen, maar ze lagen halfdonker in ’t laatste roode licht van de avondzon.

De tweede verdieping van het groote huis lag zoo hoog, dat men het uitzicht had over de lage huizen aan ’t strand; en het fjord lag daar als een glanzende spiegel en droeg de kleine eilanden en de gladde uit het water opstekende rotsen, terwijl ’t land in een dalende lijn al lager en lager weggleed in den horizont, die samenviel met de open zee.

Abraham had zijn huis lief en zijn borst zwol, toen hij zijn vrouw naar het open raam van hun eetkamer bracht. [10]

„Is ’t hier niet heerlijk, Clara?”

„Waar?—wat bedoel je?”

„’t Uitzicht,—de zee—’t licht—”

„Maar lieve hemel!—hier is immers geen enkele boom.”

„Ach—jij domme Oostlander,” antwoordde hij vroolijk en draaide haar rond, zoodat ze de kamer inzag, „is ’t hier dan niet mooi, hè?”

„’t Is hier bijna donker.”

„Ik zal ’t licht aansteken.”

„O neen—dat hoeft niet; dat heeft geen haast.”

Maar hij stak gauw hier een kandelaber en daar een lamp aan, zoodat er een soort ongelijkmatig licht in de kamers viel; en nu trok hij haar meê om haar het allerbeste te laten zien: haar eigen boudoirtje.

„Hier kan ’t zeker wel aardig zijn overdag,” zei ze en voelde de portière tusschen de vingers.

„Komt hier zon?”

„Den heelen langen dag,” antwoordde Abraham blij.

„O foei!—dan moeten we overal hoezen over maken. We kunnen onze beste meubelen toch niet door de zon laten bederven.”

„Och kom!—die tijd, die zorg. Ze moeten maar tegen een beetje zon kunnen,” zei Abraham; „maar zie nu eens hier. Dit is nog ’t mooiste van alles—’t naaitafeltje van mijn moeder. Dat is jaren geleden hierheen gekomen uit Japan met een van de schippers van Grootvader Knorr.”

„Dat kan men wel zien.”

„Wat bedoel je?—Clara!”

„Maar lieve hemel!—Kijk nu eens, al dat goud en die gekke figuren; ’t is heelemaal niet smaakvol.”

„Neen hoor eens! nu heb je ’t toch waarachtig mis, Clara! Kijk eens naar den jager hier op den [11]deksel, met de valk op de hand en die ingelegde figuren van goud!—’t Is een prachtstuk—moet je weten—dat naar het oordeel van kenners een eerste plaats in een museum verdient.”

„Ja, maar ik wil geen museum hebben.”

„Maar je moet toch kunnen begrijpen...”

„Ja, ik kan me zoo best begrijpen, dat jij verrukt bent over dat oude meubel, omdat het van je moeder was, waar je immers zooveel van hieldt. Maar je moet toch toegeven, dat je zooiets nu niet meer gebruikt.”

Hij antwoordde niet, maar sloot het tafeltje.

„Neen—weet je wat het mooiste is wat ik hier in huis gezien heb?”—vroeg Clara, terwijl ze voor den spiegel stond en haar haren in orde bracht.

„Jij zelf waarschijnlijk.”

„Hê, wat ben jij onaardig?”—er kwam dadelijk een strammen trek om haar mond.

„Neen, neen,” riep hij lachend; „dat kwam me maar zoo op de lippen, toen ik je in den spiegel zag, want jij bent wezenlijk het mooiste en liefste wat er in ’t heele huis is”—en met veel dergelijke woorden en kussen werd ze eindelijk tevreden gesteld en ging voort:

„Het mooiste, wat ik tot nu toe gezien heb is werkelijk je vader.”

„Ja, niet waar!” riep Abraham verheugd. „Is dat niet een indrukwekkende figuur?”

„Hij heeft werkelijk iets gedistingueerds. Hij is een man, die men zelfs in de stad opmerken zou.”

„Ja, dat wil ik zoowaar wel gelooven,” zei Abraham en glimlachte wat uit de hoogte. Zij dacht dadelijk, dat hij aan haar kleinen uitgedroogden vader dacht, en voegde er bij: [12]

„Jij lijkt zeker ’t meest op je moeder, Abraham.”

„Moet dat een kleine... steek verbeelden?”

„Een steek?—maar mijn hemel, hoe kom je er bij?—je moeder, waar je immers zoo veel van hieldt!”

„Ja zeker—’t klonk alleen maar zoo wonderlijk, nadat je pas Vader zoo sterk geprezen hadt.”

„Hoor eens Abraham, je ben werkelijk irriteerend met je achterdocht—”

„Ik achterdochtig!—maar lieve kind, hoe kun je nu beweren...”

„Ja, dat ben je; je ben vreeselijk achterdochtig, je meent altijd, dat achter de onschuldigste woorden...”

„Gekheid! laat ons nu niet onzen intocht in huis houden met onzin en misverstand; komm Clärchen, zu Bett!”—en hij sloeg vroolijk den arm om haar middel en droeg haar half naar de slaapkamer; maar ze spartelde tegen en wilde niet op zijn scherts ingaan.

Maar toen zij in de flauw verlichte kleedkamer en later in de slaapkamer kwam, werd ze zachter gestemd.

Daar waren zooveel zaken, die in de eenvoudige slaapkamer van de meisjes Meinhardt nooit waren voorgekomen; en daar was een weelde en een smaak in de inrichting van het geheel, die een sterken indruk op haar maakte. Zij kuste haar man en zeide: „Naar zoo’n slaapkamer heb ik altijd verlangd.”

In verrukking ging hij heen om de kaarsen en lampen uit te doen en te zien of alles in huis in orde was en de vensters gesloten waren. Eindelijk kwam hij in ’t kamertje van zijn vrouw en bleef voor het Japansche naaitafeltje staan.

Van zijn vroegste kindsheid af was hij gewend [13]geweest vreemden bij dit prachtstuk te zien stilstaan, zoodat hij er toe gekomen was het voor een van de mooiste en merkwaardigste dingen in de wereld te houden. Hij kende iedere veer van den bonten valk en de scheeve oogen in het gele gezicht van den jager. En terwijl hij daar stond, mompelde hij: „dat oude meubel!”—zei ze. Dat meent ze niet. Ze meende er niets kwaads meê.” [14]

[Inhoud]

II.

De directeur van de bank, Christensen, naderde het slot van zijn toespraak; hij wisselde een blik met Professor Lövdahl, terwijl hij zich van zijn presidentsplaats vooroverboog naar zijn medebestuursleden en zijn stem dempte tot een vertrouwelijken, familiaren toon.

„Maar hoewel in dit alles nu geenszins een direct gevaar ligt voor de toekomst van de fabriek, moeten we toch nauwkeurig acht geven op alle omstandigheden, die schadelijk of voordeelig kunnen werken en over ’t geheel, naar ons beste vermogen trachten de belangen van onze medeaandeelhouders te behartigen. En daar nu de prijzen van velen van onze voornaamste produkten ontegenzeggelijk neiging tot dalen vertoonen, moeten we naar mijn overtuiging al onze aandacht richten op het verminderen van onze exploitatiekosten.

Dat kan op twee manieren gebeuren, òf doordat we tijdelijk enkele takken van ons bedrijf neerleggen en vrij wat arbeiders ontslaan òf door alle uitgaven voor administratie en loonen zooveel mogelijk in te korten.”

„Ik voor mij zou zeer weinig geneigd zijn met een beperking van ons bedrijf mee te gaan,” antwoordde Professor Lövdahl, „evenzeer ter wille van [15]onze brave arbeiders, als om een andere reden en wel deze: dat ik de bezwaren van onzen geachten president in het geheel niet deel. Ik wil gaarne toegeven, dat de aanleg zelf wat kostbaar was, dat verscheiden uitgaven, die in ’t eerst noodig waren, nog moeten blijven bestaan, en meer dergelijke zaken. Maar ik twijfel er geen oogenblik aan, of Fortuna, wanneer de zaak met kennis van zaken en verstandige zuinigheid bestuurd wordt, zal blijken, zooal niet een goudmijn—dan toch een goede zaak voor de aandeelhouders te zijn, zooals ze nu al een zegen voor de stad is.”

Nu was de afspraak, dat consul With op dit oogenblik een vrij groote verlaging van ’t honorarium van den chef—Mordtmann—zou voorstellen. Maar voor hij aan het woord komen kon, stond de jonge chef op; hij was uitdrukkelijk voor deze bestuursvergadering uitgenoodigd.

„Mijne Heeren,” begon Michal Mordtmann vrij en ongedwongen. „Het verheugt mij in zekeren zin, dat de verhandelingen vandaag deze richting genomen hebben; want dat maakt het nog gemakkelijker iets te zeggen, wat ik op het hart heb. Ik heb zelf met zorg het dalen der prijzen in het buitenland gevolgd; en zonder mij daar verder al te veel door te laten verontrusten, heb ik toch ingezien, dat nu en voor de naaste toekomst alle mogelijke besparingen van het allergrootste belang zijn. Ik heb dus eens rondgezien—in alle hoeken en gaten of er niet hier en daar iets overtolligs zou zijn, iets wat men zou kunnen missen, een post, die men uitsparen kon. En eindelijk heb ik werkelijk iets overtolligs gevonden, iets wat ik geloof, dat de fabriek nu goed missen kan en dat is... mijne Heeren,—ja, dat ben ik zelf.” [16]

De heeren directeuren zetten groote oogen op; maar hij ging vriendelijk en glimlachend voort:

„Zoo noodig als ik wel durf zeggen, dat ik was bij het aanleggen van de fabriek, even overbodig ben ik nu, nadat zij geheel in werking is gekomen, de arbeiders geoefend, het kantoorpersoneel geroutineerd, en vooral nu er een directie is, bestaande uit de meest deskundige en voornaamste mannen van zaken uit de stad. Ik heb er daarom al lang over gedacht u voor te stellen mijn post te schrappen. Een groot gedeelte van de loopende zaken zouden kunnen overgelaten worden aan onzen vertegenwoordiger Marcussen en overigens zou de fabriek door de geëerde directie zelf bestuurd kunnen worden. Maar ik heb er wat tegen op gezien, met dit voorstel voor den dag te komen; ten eerste omdat er toch misschien wat zelfbeheersching noodig is om je eigen overbodigheid in te zien; en dan kan ik niet ontkennen—dat spreekt trouwens van zelf—dat ik slechts ongaarne van deze fabriek afscheid neem, die me lief geworden is, en van het aangenaam samenwerken met u, mijne Heeren.” Op deze woorden volgde een pauze. Consul With verheugde zich over de gelukkige wending, die de zaak nam, en keek glimlachend Professor Lövdahl aan; maar de bankdirecteur Christensen wreef zijn groote neus en verborg met de vingers zijn oogen, terwijl hij wantrouwend en van ter zijde naar Mordtmann zag.

’t Was eigenlijk Professor Lövdahl, die een samenzwering in de directie tot stand had gebracht, om—zoo mogelijk—Mordtmann weg te krijgen; en nu ging hij vrijwillig, bij den eersten wenk. Daar moest iets achter steken.

„Ik, als president, kan ’t er niet meê eens zijn—[17]ten minste niet zonder nader motiveering meê eens zijn,—dat de heer Mordtmann als directeur plotseling overbodig zou geworden zijn. Er zou in ieder geval eenige tijd moeten verloopen...”

„Pardon, Mijnheer de president!—maar ik wilde om persoonlijke redenen, juist aan de geëerde directie verzoeken mij toe te staan reeds met Kerstmis af te treden.”

„Met Kerstmis al!”... De president keek nog bedenkelijker.

„Wij willen natuurlijk maar noode zulk een bekwaam directeur laten gaan; maar als Mijnheer Mordtmann ’t zelf wenscht, dan...”

De professor zette de toespraak van Consul With voort: „dan hebben wij waarlijk alle reden om hem hierin zooveel mogelijk tegemoet te komen, hoezeer we ook betreuren...”

„Maar hebben de heeren wel aan het meerder werk en de groote verantwoordelijkheid voor ons gedacht, wanneer de directeur nu plotseling aftreedt?” vroeg Christensen. „Wat mij betreft, ik durf in dat geval mijn plaats als president niet langer bekleeden. Dat wordt mij te veel. Ik ben niet sterk,” en half verscholen achter zijn groote witte hand, die hij over zijn gezicht liet glijden, sloeg hij nauwkeurig de anderen gade—overtuigd, dat zij allen als gewoonlijk zouden verzekeren, dat hij onmisbaar was.

Maar Professor Lövdahl voorkwam de anderen door eenigszins droog te zeggen:

„Als het om het welzijn van onze fabriek gaat, neem ik aan, dat wij allen ons met genoegen tot het uiterste zullen inspannen.”

De bankdirecteur Christensen aarzelde. Hij was tot nu toe algemeen erkend als de eerste in den [18]kleinen kring van mannen, die directeuren, bestuurders, vertegenwoordigers van alle mogelijke zaken in de stad waren. ’t Was zijn lust en zijn leven vergaderingen te houden, besluiten te redigeeren en zijn eigen zware stem te hooren voortrollen door de vergaderlokalen met welgevormde, edele en verheven zinnen. Maar bovendien bezat hij een onuitsprekelijke fijne snuif in handelszaken. Zijn groote zachte neus kon als ’t ware een slechte zaak op grooten afstand ruiken; en nadat hij nog eens ter sluiks een blik op Mordtmann geworpen had, nam hij zijn besluit en zei:

„Ik heb geen overdreven voorstellingen van mijn eigen beteekenis als president; maar daar de post mij nu te moeilijk worden zal, wil ik de heeren verzoeken, een ander te kiezen op de eerstkomende Algemeene Vergadering.”

Een ontevreden, afwijzend gemompel werd om de tafel gehoord, maar Christensen ging voort: „Ja, ja,—laat het zoo blijven, Heeren. Mijn gezondheid is, zooals u weet, niet zoo heel sterk; en de steeds toenemende ontwikkeling van de stad legt immers op velerlei wijzen beslag op... de meer op den voorgrond staande burgers. Bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat ik geen deskundige ben...”

„Kom... Mijnheer Christensen”—riepen velen glimlachend.

„Neen, neen. Ik meen het in ernst; er is—ronduit gezegd—eigenlijk maar één onder ons, die al die scheikunde begrijpt, en dat is Professor Lövdahl. Als hij genegen is de plaats als president over te nemen, dan twijfel ik er niet aan of de Algemeene Vergadering zal dit met acclamatie aannemen.”

„De Heeren weten zeker allen wel, dat ik meer voor het wetenschappelijke dan voor het mercantile [19]voel,” begon de professor, „en in ’t begin trad ik eigenlijk alleen tot de directie toe om een onderneming, waarvan men geluk en zegen voor onze stad verwachten kon, aan den gang te brengen.

Maar later is ’t me zoo gegaan, dat ik deze fabriek steeds liever gekregen heb; en als die nu te lijden zal hebben van slechte tijden, wil ik er mijn ouden rug gaarne onder zetten: maar Heeren—die rug is oud. Ik kan niet als Mijnheer Mordtmann in drie stappen van de fabriek naar de stad komen...”

„Natuurlijk! men zou den president een assistent moeten geven—”

„Pardon,—’t is niet mijn bedoeling om indiscreet te wezen,” zei Michal Mordtmann; „maar zooals we weten, heeft de professor een zoon, die onlangs met glans zijn examen in de rechten heeft gedaan. Zou zulk een post niet heel geschikt en aangenaam zijn voor een jongen candidaat—om meê te beginnen? De juridische kennis—ik kan u verzekeren, dat die in velerlei gevallen van groot belang voor onze zaak wezen zou.”

Professor Lövdahl kwam in de war. Voor de tweede keer doorzag die Mordtmann zijn geheimste gedachten; juist zóó had hij den uitslag van de zaak gewenscht; maar hij was voorbereid op veel kleine intrigues, om het doel te bereiken. En nu werd hem dit alles aangebracht in een oogenblik en juist door den man, dien hij ten val had willen brengen.

Want nu werd snel en bijna zonder debat aangenomen aan de Algemeene Vergadering deze veranderingen voor te stellen. De post als directeur in zijn vroegeren vorm wordt opgeheven. De directie zelf met Professor Lövdahl als president neemt het bestuur van de fabriek over. Aan den president wordt toegestaan een assistent te kiezen voor wien [20]het traktement door de Algemeene Vergadering zal worden vastgesteld.

Toen zij op straat gekomen waren, nam consul With den arm van den professor en feliciteerde hem lachend met dien gelukkigen uitslag.

„Maar kun je begrijpen wat Mordtmann bezielde? Wij hadden ons voorgesteld, dat hij zich met handen en voeten aan zijn baantje zou vastklampen. Hij moet gemerkt hebben, dat de stemming al te veel tegen hem was.”

„Misschien heeft hij dat wel,” antwoordde de professor verstrooid; maar toen hij afscheid van den consul genomen had, bleef hij op ’t kleine plein voor zijn huis staan en zag uit over de haven, waar de rookende schoorsteenen van Fortuna zich tegen den hemel afteekenden. De menschen, die voorbijgingen, groetten de statige figuur eerbiedig, zooals hij daar stond, geleund op zijn kostbaren donker bruinen stok—met uitgesneden ivoren knop, een geschenk van zijn collega’s aan de universiteit. Hij groette terug zonder ze te zien, want hij dacht aan het pas gebeurde met Mordtmann. Carsten Lövdahl had dien man altijd gehaat, en daardoor was hij er toe gekomen Fortuna en haar directeur nauwlettend te controleeren; voortdurend ging hij Mordtmann na,—nooit op een wijze, die persoonlijke bitterheid verraadde; maar alleen als een conscientieus directeur.

Eindelijk had hij het zoo ver gebracht, dat een partij in de directie tegen den directeur gestemd was; de een vond hem te kostbaar, een ander hield niet van hem en de goedige consul With ging met zijn vriend, den professor, meê.

En nu opeens—vrijwillig—glimlachend gaf Mordtmann alles op en ging heen. [21]

Niet zóó had de professor zijn doel willen bereiken: de ander had verdrongen, verworpen, vernederd moeten worden!

Maar nu was hij dan toch weg, en dat was de hoofdzaak. ’t Meerdere werk en de grooter verantwoording verontrustten Carsten Lövdahl niet bizonder. Hij had werkelijk in deze jaren lust gekregen om dat groote veelzijdige werk te besturen. Het ging zoo goed en gaf aan zoo velen werk. En hij brandde van verlangen te toonen hoe heel anders en veel beter ’t zou gaan zonder dien kwast—Mordtmann.

En ’t meest verheugde hij zich als hij er aan dacht, dat Abraham zijn assistent zou worden. Het jonge paar zou boven wonen; er zou leven en vroolijkheid in huis komen, en de vele bittere herinneringen zouden in de hoeken worden gedrongen en verdwijnen.

Maar de bankdirecteur Christensen was in zijn eigen kantoor blijven zitten, waar de vergadering gehouden was—nog steeds onzeker en wantrouwend.

Wat zou zijn vrouw zeggen als ze te weten kwam, dat hij zijn presidentsplaats had opgegeven en dat nog wel voor Professor Lövdahl, die eigenlijk niet in den kring thuis hoorde! Want zij wilde, dat hij de eerste, absoluut de eerste wezen zou in de stad, en dat was hij tot nu toe geweest. ’t Zou de noodige scènes geven. En toch... toch had hij er geen berouw van. Hij vertrouwde op zijn neus, die hem nog nooit bedrogen had. Er moest iets aan de lucht zijn. Mordtmann was niet de man, die zoo’n positie zonder reden opgaf; hij was een slimme snaak, en zijn vader Isaak Mordtmann en Co. in Bergen was nog slimmer; zij hoorden niet tot de ratten, die ’t schip verlieten vóór er gevaar was. [22]

Dus vatte hij moed en besloot te dragen wat gedragen moest worden, want zelfs niet al kon het hem redden, wilde hij tegenover zijn vrouw den minsten twijfel uiten over Fortuna; daarvoor had hij te veel aandeelen en zij te veel vriendinnen.

Michal Mordtmann schreef denzelfden dag aan zijn vader:

„’t Ging gladder dan een van ons zich had voorgesteld. Ik nam een toevallige ontstemming in de directievergadering te baat,—u kunt wel begrijpen van wien die kwam—en eer iemand het wist, was ik van alles af. En daar ben ik heel blij om, hoewel ik—in elk geval voorloopig—zonder betrekking ben; maar ik denk wel, dat u wat voor mij vinden zult. Wat de fabriek zelf betreft,—ik ben het volkomen eens met wat u in uw brief van den 18den schreef.”

Zoo kwam het, dat Professor Lövdahl in nader contact kwam met de handelswereld in de stad, die hij tot nu toe had trachten te vermijden.

Maar Fortuna nam meer en meer zijn belangstelling in, naarmate het werk en ’t groote bedrijf hem helderder werd. Hij las buitenlandsche werken en tijdschriften, veranderde en verbeterde, en maakte groote plannen voor nieuwe bedrijfsvormen en kostbare machines.

Zijn praktijk als dokter was niet groot en die beperkte zich langzamerhand tot eenige goede oude huizen, waar hij bleef komen als huisvriend.

Daarentegen werden zijn wachtkamer en studeerkamer meer en meer in kantoren veranderd; er kwam een penningmeester en een jong mensch om boodschappen in de stad en naar de fabriek te doen; en agenten en makelaars begonnen er te komen als op een gewoon koopmanskantoor. [23]Op een dag gelukte het een indringerigen korenagent, half onder scherts, een lading rogge aan Carsten Lövdahl te verkoopen; ’t schip lag in Dantzig te laden.

De professor was in spanning—in een spanning, die voor hem geheel nieuw was; hij ergerde er zich eigenlijk over; maar de rogge steeg.

En toen hij ten slotte 3000 kronen zuivere winst voor zich op zijn lessenaar liggen zag, toen voelde Carsten Lövdahl een geheel nieuw en eigenaardig welbehagen.

Als volwassen man was hij altijd rijk geweest door ’t groote vermogen van zijn vrouw; maar van zijn jeugd af zat hem de openlijke verachting voor „kooplui” en ’t heimelijke respect van ambtenaarsfamilies voor geld in het bloed. ’t Vermogen van zijn vrouw had hij verstandig en voorzichtig beheerd, blij met het welvaren, dat het geld bracht; maar zonder het directe gevoel van de macht van ’t geld en ’t vele, dat daarmeê te bereiken is.

Maar dit geld, dat daar voor hem op tafel lag, had iets heel bizonders. Hij zelf had het in een oogenblik voortgebracht; hij had macht zich nog meer te verschaffen. Voor ’t eerst had hij dat bedwelmend gevoel, dat in zijn handen een kracht berustte, die als een natuurmacht menschen opheffen en neerbuigen kon. En terwijl hij over de banknoten streek, tintelden zijn vingers en hij vond zelfs, dat het gekreukelde papier een aangenamen geur had.

Toen Abraham thuis kwam, vond hij dus zijn vader als verjongd en ijverig bezig in een groot bewegen van verschillende ondernemingen, ofschoon Fortuna nog als de voornaamste genoemd werd.

Hij kreeg zijn vaste plaats aan een nieuwen lessenaar en ging aan ’t werk—gelukkig en vol moed. [24]

[Inhoud]

III.

„Kom binnen, kom er maar in, Meneer! dan kunt u eens zien hoe de mindere man het heeft; dat is wel eens goed voor u. En dan is ’t ook in de mode, wat zegt u nou? De werkgevers kennen immers tegenwoordig het leven en de omstandigheden van hun arbeiders door en door. En kijk eens naar de letterkunde. Wat zegt u! de kleine burgerman, de arbeiders, de armen... O m’n waarde Meneer! we vloeien over van meêvoelen en medelijden! Ja ’t is een heerlijke wereld, waar we in leven. Wat zegt u nou?”

En bij die woorden wees hij rond in de kleine donkere kamer, waar bijna niets stond.

Alleen dicht bij ’t venster lag een hoop riet en witte afgeschilde teenen en daar midden in zat een jong meisje manden te vlechten.

„Wie hebt u daar bij u, Vader?” vroeg ze scherp.

„De advokaat, de jonge Lövdahl, de nieuwe directeur zegt men;—ja Meneer, ze is blind” voegde hij er droogweg bij:—„dat komt niet zelden voor bij de armen, de kleine burgerlui en de arbeiders.”

De dochter glimlachte bitter en keerde de doffe waterachtige blauwe oogen tegen ’t licht, terwijl haar witte vingers een wilgeteen bogen. [25]

Abraham Lövdahl voelde zich onaangenaam aangedaan; en toen de oude man naar de kleine keuken ging om zijn koffie te halen, zei hij verlegen:

„Is u altijd... is u al van uw geboorte af zoo ongelukkig geweest?”

Het jonge meisje keerde zich om, zoodra ze zijn stem hoorde, sloeg de oogen neer en luisterde oplettend naar die weinige woorden. Maar toen ze zoo zat en hij niet meer gedwongen werd in die pijnlijke, leege oogen te zien, trof het hem hoe wonderlijk mooi ze was.

’t Bittere en ontevredene in haar mond, dat ook in de licht opgetrokken neusvleugels trilde, was nu weg en haar zuiver gevormd voorhoofd met donkerblond golvend haar stond zoo onschuldig en droevig boven de doffe oogen, boven ’t magere, zwaarmoedige gezicht.

„Zeg dat nog eens,” vroeg ze.

„Hoor je ’t niet, Greta! die deftige Meneer doet je de eer aan je te vragen of je blind geboren ben. Ja, Meneer, dat is ze;—slecht bloed—slecht armelui’s bloed.”

De oude man ging zitten met zijn kop koffie in de eene en een stuk grof roggebrood, met een beetje boter vol zoutklompen besmeerd, in de andere hand.

Abraham Lövdahl had anders in den korten tijd, dat hij aan de fabriek was, de arbeiders toeschietelijk gevonden en prettig om meê om te gaan, maar deze oude machinist trok hem heelemaal niet aan, en hij had er spijt van, dat hij zich in zijn hol had laten lokken.

„Ja, zwarte koffie, zwart brood en boter, die als glas tusschen je tanden knarst;—dat zal nu nog wel niet iets zijn, om u aan te bieden.” [26]

Nu nog niet...? Abraham zag hem aan.

„Ja, ja, men kan nooit weten, wat men nog eens zal moeten eten,—voor men doodgaat. Wat zegt u nou?”

Hij schaterde van ’t lachen over zijn eigen geestigheid en ’t jonge meisje lachte meê; maar zij hield gauw op en boog zich over haar werk, terwijl Abraham, die deze menschen heelemaal niet begreep, afscheid nam en naar de deur ging.

„Als u eens weer komt, moet u eens naar Greta’s manden komen zien.”

„Hij komt nooit weer, Vader!” zei de dochter halfluid; maar Abraham hoorde het. En er was iets in haar toon, dat hem trof.

„Ik wil gaarne eens binnenkomen, als ik hier voorbijkom en uw manden zien; ik zal zeker wel manden noodig hebben voor mijn nieuwe huis.”—Hij richtte deze woorden vriendelijk tot haar en ging heen zonder verder op den ouden man te letten.

„Vader, zeg u eens!—wat is dat toch voor een soort mensch, die oude machinist Steffensen.”

„Och, een praatjesmaker, die van alles in de wereld heeft geprobeerd en nooit ergens voor deugde.”

„Maar hij zorgt toch voor de machines.”

„Nu ja!—Mordtmann protegeerde hem. Ze zijn allebei een beetje kwasterig; maar Steffensen is een oproermaker, die niet in een behoorlijke fabriek als de onze past.”

„U denkt er toch niet aan hem weg te zenden?”

„Ja, zoodra er een gelegenheid is.”

„Maar hij is arm.”

„Er zijn er, die meenen dat hij rijk is.”

„Maar zijn dochter is blind.” [27]

„Heeft hij een dochter?”

„Ik dacht, dat u haar oogen wel gezien had. Dat is een interessant geval.”

„Zoo,” antwoordde de professor droog en ging voort met zijn werk.

Maar Abraham besloot nauwkeuriger op Greta’s oogen te letten. Alle boeken van den professor waren naar boven gebracht. En Abraham bracht daar menig uur door, liefst ’s Zondags, als de anderen naar de kerk waren.

’t Was een drukke dag; en de jongelui boven zouden dien avond voor ’t eerst gasten ontvangen. De professor had het zoo gewild en zijn bedienden beneden zorgden voor ’t souper en al ’t andere. Toch was de jonge Mevrouw zoo moe, dat ze niet dacht ooit met haar toilet klaar te zullen komen. Abraham liep zenuwachtig de kamers in en uit: nu was ’t haast tijd; hij wachtte en luisterde aan de deur. ’t Dienstmeisje kwam de kamer uit,—neen—Mevrouw was nog niet klaar.

„Goede hemel, Clara! Kun je je niet een beetje haasten, al was ’t alleen maar ter wille van Vader.”

„Ach!—spreek niet over je vader! Een man als hij zou me nooit zoo overspannen hebben als hij ’t geweten had. Maar hij kan ’t immers niet weten en als jij dan niet meer zorg voor me hebt.”

„Nu, laat ons dan liever de menschen afzeggen.”

„Hè, Abraham, wat ben je onverdragelijk—als je zooiets zegt wat je toch niet meent”

„Ja, maar als je nu werkelijk zoo onwel ben...”

„Als—geloof je me soms niet?”

„Ja natuurlijk Clara! maar ’t is ook een drommelsch werk om in die omstandigheden gasten te ontvangen.”

„Foei toch! Vloek toch niet zoo vreeselijk.” [28]

Toch kwam ze mooi en stralend van vriendelijkheid haar schoonvader tegemoet en luisterde blozend naar zijn ouderwetsche complimentjes. En Abraham moest wel de kracht bewonderen waarmeê de zwakke Clara haar vermoeidheid overwon, als ’t moest. Neen, eigenlijk—om de waarheid te zeggen, hij ergerde er zich over, dat hij moest doen alsof hij aan die vermoeidheid geloofde—die vreeselijke vermoeidheid, die plotseling als weggeblazen kon worden. Maar ’t waren grillen, die Clara van haar moeder had. Die zou hij er wel uit krijgen. Maar behalve dat was ze bekoorlijk—dat zei iedereen.

De avond liep goed van stapel; de oude heeren speelden kaart; in het salon werd muziek gemaakt, en ’t gezelschap was feestelijk gestemd, omdat men voor ’t eerst bijeen was in ’t nieuwe huis, waar veel te zien en te bewonderen was.

Maar juist toen alles het vroolijkste toeging ontdekte Abraham plotseling een paar stramme plooien om den mond van zijn vrouw, een sprekende copie waren ze van anderen, die hij kende—die van Mevrouw Meinhardt.

Ze werd opeens stil, zag hem voorbij; en als hij ’t woord regelrecht tot haar richtte, hoorde zij ’t niet. Zelfs ’t algemeene gesprek stokte—er kwam als een domper over de vroolijkheid; ’t was als ging er koude uit van de jonge gastvrouw. ’t Was wezenlijk zoo vreemd. Men zag elkaar aan, een paar jonge vrouwen begrepen het,—ja zelfs Peter Kruse, die ongetrouwd was, mompelde in zichzelf: „Daar heb je waarachtig wat moois op sleeptouw gekregen—mijn beste Abraham à Santa Clara.”

Abraham streed den heelen avond als een wanhopende, met die rimpels; hij werd opgewonden vroolijk, om de stemming te bewaren; maar niemand [29]kon goed meêdoen onder den ijskouden glimlach van de gastvrouw.

Hij trachtte haar te bereiken om haar iets in te fluisteren—ze keerde zich om en sprak met wie ’t dichtst bij haar stond; hij smeekte haar met de oogen, dat ze toch ontdooien zou, en met die afschuwelijke comedie uitscheiden; had hij wat verkeerds gedaan—en daar had hij een duister gevoel van—dan konden ze daar immers later over praten—maar niet hier—niet zich bloot geven voor al die vreemden!

Maar hij had even goed gezichten kunnen trekken tegen de kachel; ze bleef voortdurend stijf, koud en beleefd—of onbeleefd—zooals ’t uitkwam. Toen Abraham dus eindelijk, afgemat van dien moeilijken avond—zijn laatsten gast had uitgelaten, liep hij snel door de kamers naar ’t boudoir van zijn vrouw, waar ze op hem stond te wachten, maar deed alsof ze onverschillig een paar bloemen schikte.

„Ziezoo! wat is er nu? zeg me wat er is, Clara,” riep hij en ging vlak voor haar staan.

„Wat er is?—Wat bedoel je?”

„Och, dat weet je heel goed, zooals jij den heelen avond gedaan hebt! Opeens, voor iemand ’t weet, zit je als een mummie, lacht niet, geeft geen antwoord.”

„Als ik tegen ’t eind van den avond niet heb kunnen verbergen dat ik ontstemd was—hoewel God weet, dat ik er al mijn krachten voor heb ingespannen—dan weet jij tenminste de reden en hoeft er niet naar te vragen.”

„Ik weet de reden niet. Ik begrijp wel, dat je boos op mij ben; maar de drommel hale me, als ik weet wat ik gedaan heb!” [30]

„En daar durf je op te vloeken!—je weet misschien niet hoe je daar achter de piano zat, met je neus in de haren van die malle Lina With.”

„We zaten toch niet achter de piano!”

„Nou... er was ten minste niet veel van jelui te zien; maar aan je lachen kon je wel hooren wat voor dingen jelui behandelde. En toen ik er aan kwam, omdat ik me voor jou schaamde en vriendelijk en voorkomend iets over haar japon zei...”

„Ja, je zei, dat je niet van die groene kleur hieldt.”

„Toen antwoordde ze, bizonder impertinent: die is blauw, Mevrouw! en jij—wat deedt jij?”...

„Ik zei zeker ook dat die blauw was, want dat was-ie.”

„Die was groen, flesschegroen, zoo groen als spinazie, maar dat doet er trouwens geen zier toe; je kunt niet begrijpen hoe volkomen onverschillig ’t me is of dat mensch haar botten met groen of blauw overtrekt; maar ’t karakteristieke voor jou, ’t leelijke van je is, dat zelfs in de kleinste, de meest onverschillige kwesties dadelijk naar de tegenpartij overloopt,—nooit kun je mij helpen...”

„Neen maar lieve Clara! als nu de japon me blauw toeschijnt.”

„Waarom denk je, dat ze je blauw voorkomt? Alleen omdat die misselijke Lina With ’t zei; dadelijk natuurlijk! was je ’t met haar eens! maar ik—je eigen vrouw!”

„Geloof je heusch, dat Lina With gevaarlijk is?”

„Och, ’t is met allemaal ’t zelfde! je trekt iedereen boven mij voor; ik ben alleen tusschen al die vreemde menschen; en jij, die me steunen moest je laat me gemeen in den steek, om... om... om...” Ze schreide zoo hevig, dat haar stem weg ging en vloog de kamer uit. [31]

Abraham liep haar achterna; maar aan de deur van de slaapkamer keerde hij om en stak een sigaar aan; hij liep op en neer in de kamers, die nog warm waren na ’t feest; en hij dacht na over zijn huwelijk en zijn vrouw—over zijn leven, zooals ’t met hem was voortgegleden in zonneschijn en geluk, zonder schokken. Nu en dan bleef hij voor een spiegel staan en bekeek zichzelf half verwonderd.

Was hij dat werkelijk, die dit beleefd had? Was hij het, die niet meer bereikt had. Dit leven, dat zoo los om hem heen hing, zoo zonder beteekenis,—was dat zijn leven?... Wel was hem zijn eerste frissche jeugd al spoedig ontnomen, maar later was hij toch zoover gekomen in moderne lectuur, dat hij al gauw vermoedde, dat ’t niet heelemaal zoo in de wereld toeging, als ’t aan de studenten aan de universiteit te Christiania gedoceerd werd.

’t Was niet zoo, dat alles bijna overal in orde was, behalve in Amerika, dat alle raadsels der wetenschap waren opgelost of in ieder geval vandaag of morgen zouden worden opgelost aan de universiteit te Christiania. In plaats van dat de waarheid vast stond, het bestaan over ’t algemeen harmonisch en rechtvaardig was, de jeugd voor inspanning bijna geheel bewaard, omdat de ouden alles zoo buitengewoon goed hadden ingericht—in plaats van dit alles, waar zijn thuis, de school en de universiteit zijn hoofd meê hadden opgevuld, zag hij al spoedig, dat hij integendeel geboren was in een tijd vol van de meest verschillende bewegingen, en in een maatschappij, die juist behoefte had aan moedige jonge menschen.

En Abraham Lövdahl had een machtigen drang gevoeld om aan te pakken—waar ’t maar mogelijk [32]was—overal! ’t Was alles immers averechts verkeerd. Maar altijd was dit de noodlottige vraag: Waar moest hij ingrijpen? ’t Moest zóó gebeuren dat er werkelijk iets door bereikt werd—een of andere taak voor hem; anders hielp het immers niet;—anders kon hij immers zijn naaste omgeving niet doen begrijpen wat hij bedoelde met dat „aanpakken.”

Hij had het met Clara geprobeerd, toen zij geëngageerd waren. Hij had haar al zijn wilde ideeën toevertrouwd; en tot zekere hoogte amuseerde ’t haar te luisteren naar al die schreeuwende tegenstellingen met al wat ze geleerd had en geloofde. Alleen als ’t al te gek werd lachte ze en beweerde, dat hij dat niet meenen kon.

Tot wat Clara ’t meest aantrok hoorde de emancipatie van de vrouw. Ze luisterde oplettend als hij in woorden, die gloeiden van toorn, den man aanviel, die duizende jaren lang in ruwheid de vrouwen had onderdrukt en verongelijkt. En als hij de toekomst schilderde, waar man en vrouw gelijken zouden zijn, die in onderling overleg handelden, dan drukte Clara zich tegen hem aan: „Zul je altijd zóó tegen mij wezen, Abraham?”

Al die beloften, die oprechte verzekeringen!—had hij ze gebroken?

Neen,—hij vond het niet; hij was zich bewust, dat hij er eerlijk naar had gestreefd hun samenleven vredig te maken en mooi; maar Clara was verwend—dat viel niet te ontkennen. Zulke afschuwelijke scènes als die van dezen avond moest hij niet verdragen.

Hij wilde ze ook niet langer verdragen; nu wachtte ze hem—dat wist hij—tot een verzoening bereid, als hij zich eerst voldoende verootmoedigd had; [33]maar Abraham zwoer, dat hij zich niet verootmoedigen zou en bleef in de kamers heen en weer loopen; en terwijl zijn sigaar langzamerhand uitging kwamen de machinist Steffensen en het blinde meisje hem weer in de gedachten. ’t Was een wonderlijk paar; hij zou den advokaat Kruse, die alle menschen kende, eens vragen, waar zij eigenlijk vandaan kwamen.

Voorloopig besloot hij ook zich te verzetten tegen zijn vaders plan om Steffensen te ontslaan. Het streed tegen Abrahams opvatting een bekwaam man uit ’t werk te laten wegzenden, omdat hij een praatjesmaker was—waarschijnlijk een knappe bol. Hij moest juist blijven.

Hoe zou ’t anders met dat arme blinde kind gaan?

En haar beeld stond opeens zoo helder voor hem—aandoenlijk, als was ’t een herinnering uit zijn jeugd: dat witte voorhoofd, dat zoo onschuldig boven die doffe oogen lag, boven dat magere, zwaarmoedige gezicht.

Lang en ver weg voerden Abraham zijn fantastische droomen over die oogen, waar misschien weer leven in zou kunnen komen; droomen van een blik vol dankbaarheid en genegenheid, waaraan hij zulk een behoefte had. En ’t was laat in den nacht toen hij naar bed ging. Clara sliep al. [34]

[Inhoud]

IV.

„De Heer zegene uw ingaan en uw uitgaan van nu af, alle dagen uws levens.”

Met deze woorden leidde de kapelaan zijn verloofde over den drempel van zijn vaders huis. De dikke Jörgen Kruse kwam zóó in de war door dien plechtigen intocht, dat hij de handen vouwde en „Amen” zei.

Maar zijn vrouw, die even mager was, als hij dik, wierp haar breiwerk weg en liep snel haar nieuwe schoondochter tegemoet.

„Welkom! Welkom in ons huis—lieve kind. En God geve, dat je je bij ons tevreden en gelukkig voelt; jij ben ook welkom, lieve Maarten!—ik kan je niet eens behoorlijk een kus geven om je grooten baard. Jelui verrast ons. De boot zou hier niet vóór zes uur wezen, zei Peter. Zag jelui hem niet? Dan komt hij wel dadelijk hier. Maar Frederika—hoe kun je Maarten nu met zoo’n akeligen baard laten loopen. Dat zou ik hem wel verbieden als ik jou was.”

„Zooiets moet Moeder niet tegen Frederika zeggen. De gedachte komt niet in haar op—dat weet ik wel zeker—dat zij zou opstaan tegen haar aanstaanden echtgenoot. Heb ik geen gelijk, Frederika?”

„Ja Maarten.” [35]

„Och”—zei Juffrouw Kruse, „zóó plechtig meende ik ’t ook niet; een vrouw kan waarempel heel wat klaar spelen, zonder juist tegen haar man op te staan.”

„De Schrift leert ons—zooals Moeder weet.”

„Ja jongen, dat weet ik,” viel zijn moeder hem droog in de rede; „maar nu moeten we niet met de theologie beginnen; maar met een kop koffie. Alles op zijn tijd. Ga zitten, Frederika, en nog eens: hartelijk welkom in ons huis, lieve kinderen!”

Jörgen Kruse dacht, zooals altijd, wanneer zijn vrouw sprak: „Wat drommel, waar haalt ze al die woorden vandaan?” Eindelijk kwam hij ook naar voren en mompelde wat, maar trok zich dadelijk terug in zijn hoek. Intusschen was ’t niet zoozeer zijn nieuwe schoondochter, maar eigenlijk zijn zoon, die hem zoo verlegen maakte. Toen Maarten de theologie als zijn studie koos, verheugden zijn beide ouders zich daarover. Dat paste ook goed: de oudste, Peter, was jurist, en de oude Jörgen dacht zoo: als ’t nu eenmaal een uitgemaakte zaak was, dat hij geen van zijn zonen daar kon krijgen, waar hij ze ’t liefst hebben wou—n.l. in den winkel, dan zou het toch eigenlijk wel aardig wezen zijn eigen jongen met de toga aan op den preekstoel te zien.

Maar was dat nu werkelijk zijn kleine, dikke Maarten, die hier zoo uit de hoogte aankwam en hem zoo ernstig—bijna beschermend de hand drukte? Groot was hij nu, met een dikken baard en hij keek de menschen zoo streng aan door zijn lichtblauwen bril.

’t Werd zijn vader heel wonderlijk te moede; en terwijl de flinke, kleine Juffrouw Kruse al gauw Frederika aan ’t praten kreeg onder de koffie en [36]onvervaard Maarten als vroeger behandelde, liep de oude Jörgen verlegen rond en zocht tevergeefs naar den toon, die hij moest aanslaan tegenover dien plechtig gestemden zoon.

„Rook je ook, Maarten?” vroeg hij eindelijk, half bang.

„Bijna nooit,” antwoordde Maarten met diepen ernst en een zucht, die moest aanduiden, dat dit een van zijn vele vrijwillige ontberingen was.

Allen vonden trouwens, dat Maarten heel waardig geworden was, nadat hij aan de studie van de theologie begonnen was. Het stugge, wat Maarten, de achterblijver, in de school eigen was, ging in den loop der jaren over in een zuren ernst, die hem als van zelf tot de theologie bracht.

Hij behoorde tot de gelukkigen; hij was reeds kapelaan aan de nieuwe kerk in de stad; kort na zijn benoeming volgde zijn verloving en hij was van plan dadelijk te trouwen; want zijn verloofde was rijk en had geen ouders.

Mooi was Frederika Andersen eigenlijk niet; maar Juffrouw Kruse meende, dat ze echt goed en lief wezen moest... zóó teer als ze soms naar Maarten op kon zien.

Kort daarna kwam de oudste zoon—de advokaat binnen; hij was buiten adem, kwam regelrecht van de stoomboot en maakte veel excuses, omdat hij niet bij de aankomst van ’t verloofde paar had kunnen zijn.

„Maar dat komt door die lieve vereeniging, die al mijn tijd in beslag neemt,” zei hij. „Ik moet hulp hebben. Jij, broer Maarten! moet meêdoen; onze menschen wonen meest in de buurt van de fabriek.”

„Je meent Fortuna; maar wat is dat voor een vereeniging waar je over praat?” [37]

„O—een arbeidersvereeniging. Eerst was ’t enkel een verbruiksvereeniging; nu is er een spaarkas aan verbonden, en een ziekenkas en van allerlei.”

„Een vereeniging van arbeiders dus?—en daar ben jij lid van, Peter?”

„Lid?”—riep Juffrouw Kruse, „’t is immers Peters vereeniging; hij heeft ze gesticht en alles op streek geholpen.”

„Zoo,” antwoordde Maarten droog.

Juffrouw Kruse kreeg een kleur en wilde iets zeggen; maar zij bedacht zich en vroeg haar schoondochter met haar meê naar boven te gaan naar haar kamertje.

De vader was ook weer weggeslopen naar den winkel, zoodat de beide broeders alleen waren.

„Ik feliciteer je—Maarten! met je benoeming èn met je verloving; ze ziet er zoo aardig en lief uit.”

„Frederika is een ernstig en streng opgevoed meisje.”

„Ja?—maar ze kan daarom wel aardig wezen.”

„Zulke lichtzinnige woorden passen in ’t geheel niet voor mijn verloofde. En ik wil je van te voren verzoeken om...”

„Onzin, Maarten. Stel je niet zoo aan. Die toon kan misschien goed voor anderen zijn; maar je moet je niet verbeelden, dat ik, die je zoo goed ken, daarvan onder den indruk kom. Onder vier oogen kun je gerust je heele dominé’swaardigheid op zij leggen; gerust jongen, je maakt er je in mijn oogen alleen maar belachelijk door.”

„Het doet me oprecht leed, Peter, dat je nog voortdurend schijnt...”

Maar Peter was al de deur uit en Maarten bleef hem een oogenblik staan nakijken. Toen ging hij [38]aan de tafel zitten, schreef cijfers in zijn zakboekje en ging aan ’t optellen.

De advokaat Peter Kruse had den naam tamelijk dom te zijn; en hij had het dan ook niet ver in de wereld gebracht. Hij verdiende zooveel als hij noodig had en woonde trouwens thuis, omdat de oudelui Kruse dat graag hadden.

De toekomst scheen niet schitterend; want ’t sprak van zelf, dat geen enkele publieke inrichting haar rechtszaken aan dat radicale advokaatje kon toevertrouwen. De ambtman kon hem geen zaken geven en omdat hij nu niet dronk en ook niet onvertrouwbaar was, werd men ’t er over eens, dat hij te dom was.

Daarentegen had hij er een zekeren slag van op een slinksche manier het vertrouwen van eenvoudige menschen te winnen.

Hij stookte namentlijk het volk op, heette het. Hoewel hij een aan de academie opgeleid man was, verkeerde hij onder de arbeiders en bracht ze er toe zich aaneen te sluiten ter wille van gemeenschappelijke belangen: goedkooper voedsel en betere woningen.

Hij was daarom van harte gehaat door alle fatsoenlijke menschen en werd in hun courant uitgescholden. Peter Kruse was zooveel ouder dan zijn broeder Maarten, dat hij al een volwassen man was toen Maarten nog op school ging. En daarom viel het hem nog moeilijker dien neerbuigenden dominé’stoon te verdragen; ook kon hij over ’t geheel de predikanten niet uitstaan; of—zooals ’t in de courant heette—ongeloof en goddeloosheid waren ook bij hem onafscheidelijk verbonden met politiek radicalisme.

Thuis had hij steun aan zijn moeder; want Jörgen [39]Kruse ging geheel in zijn zaak op. Maar zijn moeder, die van zijn kindsheid af hem alleen gehad had om voor te zorgen,—zij volgde hem zoo goed zij kon en kreeg daardoor belangstelling voor en kennis van allerlei; want in ’t begin had ze van geen van beiden veel.

Ze was begonnen als winkeljuffrouw bij Jörgen Kruse, in den tijd, toen hij nog een bescheiden komenijs-mannetje was, die kaarsen, en witte suiker en stroop verkocht aan den kleinen man. En eerst een heele poos, nadat ze hem een zoon geschonken had, werd ze tot de waardigheid van „Juffrouw” verheven en kwam in de kamer, als ze in den winkel gemist kon worden.

Maar later werd die kleine onregelmatigheid door bijna allen vergeten; zij sloofde en werkte met haar man; en toen ze eindelijk den weg tegen den steilen heuvel opgekomen waren, die van niets naar iets leidt;—toen zei Jörgen Kruse: „Ja, nu dank ik je wel voor je hulp—Amalia Catherina,—kom nu in de kamer zitten en rust uit.”

Toen kwamen de goede dagen, en toen kwam Maarten ter wereld;—daarom was hij zoo dik geworden! De goede dagen gebruikte Juffrouw Kruse om een en ander te leeren, en hoewel ’t altijd met de geleerdheid maar zóó zóó ging, toch kreeg ze er zóóveel respect voor, dat ze doorzette, dat haar beide zonen zouden studeeren.

Bij den eersten liet Jörgen dat zonder veel tegenwerking toe: Peter was mager en bleek en had lust in leeren. Maar toen Maarten op zijn twaalfde jaar naar ’t gymnasium moest, probeerde hij een klein gevecht te leveren.

Maarten was dik en stug en speelde nooit iets anders dan „winkeltje;” hij verloor nooit een cent. [40]En eer ’t werd uitgemaakt, dat hij studeeren moest;—want dat werd uitgemaakt: Jörgen kon ’t niet houden als Amalia Catherina met al die vele woorden aankwam—voor dien tijd stond Maarten met zijn vader in den winkel en dreef in allen ernst handel.

En hoe vaak had Jörgen niet met bewondering de taaie zekerheid gezien, waarmeê de kleine jongen de tabaksrol nam, die uitmeette volgens de streepjes op de toonbank en tabak afsneed voor twee cent, zoo precies op ’t streepje, dat—als ’t er niet binnen was, dan in elk geval er toch niet buiten.

„Och ja!” zuchtte de oude Jörgen Kruse in zijn kantoortje, „nu is hij dan dominé geworden, en dat is nu wel heel mooi; maar waarachtig, de jongen hoort hier.”

In de kamer zat Maarten en schreef op wat de reis van hem en zijn verloofde gekost had; en toen ze beneden kwam, zei hij:

„Frederika!—ik heb nu onze rekening opgemaakt en ik krijg nog twee en dertig en een halve cent van je.”

De nieuwe kapelaan had overigens nog niet veel succes in de stad; er was niets nieuws aan hem; alle menschen kenden den dikken zoon van Jörgen Kruse; en toen zij hem nu opeens op den preekstoel zagen met toga en bef en hem van uit de hoogte de gemeente bestraffend hoorde toespreken, vonden velen—vooral de ouderen—dat wat wonderlijk.

Maar toen hij zijn examens gedaan had en uitdrukkelijk naar deze gemeente gezonden was door hen, die volgens Gods eigen wil Zijn rijk hier op aarde in Stockholm besturen, toen moest men hem immers ootmoedig erkennen als degene, die een waardigheid bekleedde, die recht tot bestraffen [41]gaf,—hoe wonderlijk ’t ook wezen mocht voor vleesch en bloed, dat die dikke jongen opeens voor hen stond om hun zielen te verzorgen.

En al kwamen de menschen nu niet in zoo grooten getale toestroomen wanneer hij preekte, als gewoonlijk gebeurt bij een nieuwen predikant, hij won aan den anderen kant de onverdeelde achting en genegenheid van zijn superieuren en collega’s. Want hij was nooit lastig; hij wilde nooit iets nieuws of moeilijks, maar had een gepasten eerbied voor het oude, die hem goed stond.

Vooral het armbestuur was verrukt. Nieuwe kapelanen waren gewoonlijk een ware beproeving voor hen: dàn moest er een onderzoek naar een arm gezin gedaan worden, dan moest je hier en dan daar helpen; dames kwamen met soep aanzetten en de armen kwamen allemaal in beweging, zoodat je ze geen baas blijven kon.

Maar niets van dat alles gebeurde bij dezen nieuwen kapelaan. Hij verwees den eersten arme, die ’t bij hem probeerde, naar ’t armbestuur, zooals ’t hoort, en er kwam geen enkel potje soep door zijn toedoen.

Toen Maarten getrouwd was, huurde hij een woning dicht bij ’t huis van zijn vader, zoodat ze meestal even de straat overstaken om bij de oudelui te eten. ’t Vermogen van zijn vrouw was in aandeel en in schepen en dergelijke fondsen geplaatst in haar geboortestad Kragerö; maar Maarten wilde geen handel drijven en vroeg het geld op.

Juffrouw Kruse had er zich zoo op verheugd het jonge paar zoo dicht bij zich te hebben—misschien wel al te veel, dacht ze later; een mensch moet zich niet te veel ergens op verheugen; want dan volgt zoo licht een teleurstelling. [42]

Was ze teleurgesteld?—Volstrekt niet. Juffrouw Kruse zou zich geschaamd hebben, als iemand zooiets had durven zeggen;—neen, dat niet;—maar ’t was alleen zoo vreemd.

Maarten was immers dominé—streng en ernstig; en Frederika—ja ze was zoo lief en aardig als ’t maar kon voor wie van haar hielden; maar ze was werkelijk te oud voor Juffrouw Kruse. Jonge menschen moeten toch waarachtig jong zijn, vond Juffrouw Kruse.

En dan kwam er nog iets bij: ze moest erkennen, dat de jongelui er veel meer slag van hadden zuinig huis te houden, dan zij en haar man ooit gehad hadden—zelfs niet toen ze ’t zoo krap hadden die eerste jaren.

Ze hadden ook eenvoudig geleefd—ach! heel eenvoudig; maar zooals Maarten en Frederika—op een cent af te weten wat er kon worden uitgespaard op zeep en lucifers—dat had zij—en zelfs Jörgen nooit geweten.

Maar alles hadden de jongelui uitgerekend en berekend en alles konden ze goedkooper krijgen, van eieren af—die kochten ze trouwens niet vaak—tot schuurzand toe—en altijd keek Juffrouw Kruse even verlegen, als Maarten zei:

„Dat is maar heerlijk, dat Moeder ’t zoo ruim heeft en zoo duur koopen kan, niet waar Frederika?”

„Ja—je hebt gelijk—Maarten!—’t is alleen maar ongelukkig voor kleine burgers als wij, dat de prijzen stijgen als sommigen te veel betalen.”

En dan met de dienstboden... Juffrouw Kruse had er nooit op gelet, voor Frederika er haar opmerkzaam op maakte, hoe ongelooflijk veel de meiden „aan kunnen” als ze zelf over de boter mogen gaan. De dienstmeisjes van Frederika—[43]ze hield er maar één, maar telkens kreeg ze een andere—die aten waarempel bijna niets.

Het begon de goede Juffrouw Kruse te drukken, dat ze een oude vrouw zou zijn geworden, zonder geleerd te hebben op de kleintjes te passen en een goede huisvrouw te zijn. Want ze was ’t aan den anderen kant volkomen met de jongelui eens, dat niets leelijker is dan Gods gaven te verspillen en te vermorsen.

Aan tafel op een Zondag vroeg Peter Maarten of hij de fabriek had gezien. „Er is veel veranderd sinds je de laatste keer naar Christiania ging;—daar kun je van op aan.”

„Ik ben er een paar keer voorbij gegaan,” antwoordde Maarten; „wordt er geld verdiend?”

„Als water! Vraag Vader maar; hij heeft ieder jaar spijt als haren op zijn hoofd, omdat hij er maar één aandeel in heeft.”

„Och, één is genoeg,” bromde Jörgen; „een mensch moet niet al te begeerig zijn.”

„Als ’t is zooals Peter zegt, dat er geld verdiend wordt, weet ik niet, waarom u zich achteraf zoudt houden; ’t is immers een volkomen eerlijke zaak en behalve dat ook nuttig voor de stad.”

„Wil je aandeelen koopen, Maarten?”

„Ik drijf geen handel,” antwoordde Maarten stug, na een poosje vroeg hij zijn vader: „Hoe hoog staan zij?”

„Ze zijn niet op de beurs genoteerd,” antwoordde Peter, „want hier worden zoo goed als geen aandeelen in Fortuna verkocht. Men wacht ieder jaar een enorme winst; tot nu toe maakten ze maar 6%.

„Zes en een half,” verbeterde de vader.

„Ja, maar dan is er bijna niets voor het reservefonds afgenomen.” [44]

„Kom—een man als Prof. Lövdahl is zoo goed als een reservefonds.”

„Vindt Peter soms niet, dat 6% een mooie rente is? Weet je veel zaken, die meer geven?” Maartens toon tegenover zijn broeder was meestal een beetje oorlogszuchtig.

„Die rente is groot genoeg; maar er staat niemand borg voor...”

„Borg!” viel de oude man hem in de rede, „dat zijn immers de Professor en de directeur Christensen.”

„Ja, Christensen, vader. Maar hij zit nu overal in, dus kan hij wel niet zoo’n sterke borg zijn voor elke zaak afzonderlijk; maar wie kan er trouwens voor instaan, dat de produkten niet dalen in prijs, zoodat de fabriek met verlies werkt, en ’t kapitaal opvorderen moet en zich dan toch niet redden kan. Wie staat daar borg voor?”

„Dat is immers onzin, Peter!—we weten allemaal wel, dat ieder menschelijke onderneming aan de wisselingen van ’t geluk onderworpen is, of ik bedoel aan ’t bestuur van de Voorzienigheid; maar als de directie zorgvuldig en voorzichtig is, dan is een onderneming als Fortuna menschelijkerwijs gesproken—vrij zeker. Iedereen heeft immers vertrouwen in Professor Lövdahl?”

„Ja, dat is een groot man,” riep Jörgen Kruse, en legde zijn mes en vork neer. „Hij kan alles aan den gang krijgen, wat ’t ook is. En dan is hij ontzettend rijk.”

„Ik zou wel eens willen weten, waarom die man geld leent,” zei Peter.

„Leent hij geld?” vroegen de beide anderen.

„Ja, ik heb verscheidene cliënten gehad, die mij verteld hebben, dat zij Carsten Lövdahl geld geleend hebben, enkel op zijn quitantie.” [45]

„Wat zijn dat voor menschen?”

„Eenvoudige luidjes, die een beetje overgespaard hebben.”

„Ja, dan begrijp ik het wel,” meende Jörgen.

„Dat zijn dan van die stakkers, die geen kapitaal genoeg hebben om van te leven; en dan is Lövdahl goedhartig genoeg om hun geld te nemen en „in zijn zaak te zetten”—zooals dat heet; en dan betaalt hij ze meestal een rente van 6 à 7 procent.”

„Wat zegt u?” Maarten sprong op. „Zei u 6 à 7 procent?”

„Ja, wat weet ik er van?” antwoordde de oude.

„Maar dat lijkt op Professor Lövdahl om op die manier wel te doen. Want wel verdient hij zelf onnoemelijk veel; maar hij is een van die menschen, die graag hebben, dat ook anderen geld verdienen; hij is niet als sommige andere Pausen hier in de stad, die een armen stakker geen cent verdienste gunnen, omdat ze alles zelf willen hebben.”

Daardoor kwamen ze aan ’t praten over Christensen en anderen uit dien kring; en Peter bracht den ouden man aan ’t lachen door ’t laatste nieuws uit de stad te vertellen.

Maarten at in gedachten voort en mompelde nu en dan: „Zeven procent!” [46]

[Inhoud]

V.

Abraham haalde langzamerhand heel wat mandjes bij Greta Steffensen, tot ze zulke goede kennissen werden, dat er geen voorwendsel voor een bezoek meer noodig was.

Ze trok hem op een vreemde manier aan, met een zachte, stille kracht; hij dacht er geen oogenblik aan die te weerstaan.

En de oude was eigenlijk interessant, als men maar eerst aan hem gewend was. Abraham vond in de spottende redevoeringen, die Steffensen gewoonlijk hield, veel van de moderne beschouwingen terug, waar hij zelf in stilte mee rond liep. Maar liefst als er in Abraham iets in beweging kwam, een gevoel, dat er iets niet in orde was met hem, dat er een fout in zijn leven was, iets hols in ’t geluk, dat hem altijd gediend had, of als dat een nog erger vorm aannam en hij zich als ’t ware in bochten wrong voor twee onverbiddelijke oogen—dàn ’t liefst sloop hij ’t huisje binnen, dat daar aan den bocht van den weg lag, waar die zich van de fabriek af boog. Dan ging hij dicht bij Greta zitten, nam een van haar kleine, fijne handen en legde die op zijn gezicht, opdat ze de vingers over zijn trekken zou laten gaan om te raden, waar hij aan dacht. Ze zat met hem te babbelen onder haar [47]werk, en dan was er niets van ’t honende en bittere, dat daarop te voorschijn kwam, als haar vader sprak. Zij boog het hoofd en luisterde naar Abrahams stem, en een gelukkige glimlach lag om den fijnen mond, zoolang hij daar was.

’t Was niet moeilijk geweest voor Abraham om haar vertrouwelijkheid te winnen. Van ’t oogenblik dat zij zijn stem voor ’t eerst hoorde, had ze hem zooveel vertrouwen getoond, als een gewoon jong meisje hem nooit zou gegeven hebben. Maar omdat zij niet zien kon, werd ze nooit in de war gebracht door een schaduw of een veranderde uitdrukking op zijn gezicht, en daardoor kwam het, dat ze vrijmoedig en onbekommerd sprak over allerlei waar men anders over heen glijdt met een blik of een lichte handbeweging.

Ze was gewend de dingen bij hun naam te hooren noemen; en de omgang met haar grof besnaarde vader had haar een naieve zekerheid gegeven, die nooit geschokt was door een dubbelzinnigen glimlach of een kwetsenden blik.

Abraham was de eerste, dien zij ontmoette uit een wereld, die beschaafder was dan de hare; en daarom waren er ontelbare zaken, waar zij met hem over wilde spreken, en die ze vroeger vóór zich gehouden had. Zoo werden hun bijeenkomsten een bonte mengeling van kinderpraatjes en de allerintiemste vertrouwelijkheid.

„Hoe kun je ’t toch verdragen, dat je zoo rijk ben!” zei ze eens tegen hem.

„Wat meen je met „verdragen?

„Kun je dat niet begrijpen, dan ben je dom.”

„Ja, je weet, dat ik dom ben.”

„Alleen maar als je wilt; want anders ben je verschrikkelijk wijs.” [48]

„Wat meende je dan?”

„Heb je Vader nooit hooren vertellen van de armen? van de echte armen, niet zooals wij, maar van menschen, die geen eten hebben?”

„Vader is rijk; ik ben niet rijk.”

„Och—zoo kom je er niet af; je kunt alles krijgen, wat je wilt; en als hij sterft, krijg je alles. Wat zul je dan met al dat geld doen?”

„Ik zal jou zooveel geven als je hebben wilt.”

„Waarom wil je mij zooveel geven?”

„Omdat... omdat...”

„Omdat je me liefhebt,” zei ze en lachte.

Abraham voelde dit als een schok en zocht naar antwoord; ze gebruikte dat zeldzame, moeilijke woord even gemakkelijk als ze op andere oogenblikken met een echte ruwe uitdrukking van haar vader aan kon komen.

„Of heb je me niet lief? Waarom kom je dan hier en zit me op te houden als ik werken moet?” Ze lachte weer zoo vergenoegd. „Maar je kunt er van op aan, dat ik het weet. En van je vrouw houdt je ook niet meer.”

„Neen maar, Grete! Hoe ben je zoo wijs geworden!”

„Dat heb ik gehoord.”

„Van wie?”

„Van jou.”

„Dat is heelemaal niet waar,—Grete!—Ik heb nooit een woord gezegd...”

„Neen, geen woord!—’t Zijn niet de woorden, die ik hoor, ’t is de klank. Ik weet al waar je aan denkt, als je „Dag Grete,” gezegd hebt! Ja, ik kan ’t aan je voetstappen buiten hooren of je alleen komt om me op te houden, of dat...”

—„of dat...?” [49]

Ze liet haar werk vallen en strekte de armen naar hem uit; en eer hij het kon verhinderen—als hij het al gewild had—gleed zij op zijn schoot en fluisterde hem in ’t oor:

„Of dat je komt—moe en gedrukt, omdat je verdriet hebt, Abraham.”

Zonnestralen vielen in de kamer; ’t was herfst—vroeg in den herfst, met laag staande zon, die de kleine vensters binnenscheen en de kamer met warm goud licht vulde. En terwijl Abraham, wonderlijk bedwelmd en half beschaamd trachtte zich te houden, als gebeurde er niets bizonders om haar niet af te schrikken, legde Greta haar wang tegen de zijne en zei, dat ze voelde hoe de zonneschijn haar omringde aan alle kanten en dat het haar zoo goed deed.

Hij werd opeens zoo grenzenloos bedroefd, dat hij wel had willen schreien, zooals hij daar zat en haar in de armen hield; hij had het nooit te voren zóó gevoeld; maar ’t was als zag hij op dit oogenblik voor ’t eerst, hoe onuitsprekelijk averechts en onzinnig het leven was; alles werd hem zoo helder—zoo helder en leeg; ’t kwam hem voor of hij zelf al oud was en door een lange laan van teleurstellingen liep. En wat zou ’t leven die stumper brengen, die zich aan hem vastklemde?

Ze voelde zijn stemming dadelijk. Dat deed ze altijd.

„Vandaag ben je gedrukt, Abraham!—en weet je waarom?”

„Weet jij het, Grete?”

„Je zoudt mij liever tot vrouw hebben dan haar, die je nu hebt.”

„Ja, weet je; dat was misschien beter,” barstte hij bitter uit. [50]

„Maar dat gaat niet,” ging zij ernstig voort, en ging—voor zich uit voelend, weer naar haar plaats.

„Waarom niet?”

„Ten eerste omdat je er al een hebt, en ten tweede—ik kan niet trouwen.”

„Wie zegt dat?”

„Vader heeft het gezegd.”

„Och—als je een man vondt, dien je goed kende en waar je van hieldt.”

„Neen, ’t is niet om den man; maar om de kinderen; vader zegt, dat als ’t kleintje naar de kachel gaat en kokende koffie over zich heen gooit, dan kan ik het niet zien;—ach—ik zie het vóór me!” ze hield de hand voor de blinde oogen—, „neen, neen, het gaat niet.”

’t Was duidelijk, dat dit beeld in haar bewustzijn gebrand stond en alle gedachten aan zooiets buitensloot.

Abraham was in gedachten verdiept geraakt; hij zat met haar lange vlechten te spelen; zij boog zich over haar werk en zei ook niets.

Zoo zaten ze toen Steffensen tegen zeven uur van de fabriek thuis kwam. Abraham kon er niet goed achter komen of de oude iets tegen zijn bezoeken aan Greta had; maar vandaag was het toch duidelijk, dat Steffensen ’t niet prettig vond hem te ontmoeten.

Hij liep door de kamer te fluiten, en Greta fluisterde Abraham toe: „Vader is boos.”

Intusschen was Steffensen naar de keuken gegaan, waar hij zich gewoonlijk waschte, als hij van ’t werk kwam; en terwijl hij in ’t waschwater dook en proestte als een nijlpaard, riep hij hardop:

„Een trekpot!—wat zeg je—een zilveren trekpot met suikerpot en melkkan!—van alle... ho! [51]ho!”—hij dook weer met het gezicht onder water—„van alle arbeiders op Fortuna; dat wordt buitengewoon plechtig—wat zeg je?”

„Begrijp je ’t?” fluisterde Greta.

„’k Begrijp er geen woord van,”—antwoordde Abraham, en stond op om heen te gaan.

—„voor de vriendelijkheid: de trekpot;—voor de goede zorg: de suikerpot;—en voor de humane behandeling: de melkkan!—wat zal de brave man verrast wezen! haha!—neem me niet kwalijk—jongeheer!—de oude Steffensen neemt de vrijheid jelui allemaal uit te lachen.”

„Wat is dat toch voor een trekpot, waar je van praat?” riep Abraham.

„Och—stel u nu niet aan! hoe aandoenlijk dat u zoo’n stukje comedie wilt spelen voor een eenvoudig man. Ik heb ook comedie gespeeld in mijn jeugd—dat was nog wel in Mandal; God betere ’t! maar ik speelde beter dan u, Meneer de directeur!”

„Best mogelijk! Want ik speel geen comedie. Ik begrijp u niet,—geen woord van al wat u zegt.”

Steffensen kwam in de deur staan, terwijl hij zich met den handdoek afdroogde. Hij had een rood vet glimmend gezicht met twee groote uitpuilende oogen, die hij nu op Abraham richtte als een tooneelkijker.

„En u wilt me wijs maken...”

„Hij weet niets, Vader.”

„Bah, wat weet jij daarvan?—ik heb een paar goede oogen in mijn hoofd; durft u me vlak aankijken en zeggen, dat u niets weet van het arbeidersfeest, dat op Fortuna wordt voorbereid?”

„Ik heb er geen woord van gehoord,” antwoordde Abraham. [52]

„U kunt er zeker van zijn, dat hij niets weet,” voegde Greta er ernstig bij.

„Wel drommels!” mompelde Steffensen ongeloovig; „misschien weet u ook niets van het eeregeschenk: trekpot, suikerpot en voor de humane...”

„Schei uit,” riep Abraham knorrig, „ik heb geen lust naar je onzin te hooren; dag Greta!”

„Och, Meneer de directeur,” zei Steffensen en wreef zich vergenoegd in de handen. „Wil Meneer niet zoo vriendelijk zijn een paar minuten te blijven, dan zult u eens wat hooren. Vandaag ging Marcussen,—de kindermeid—zooals ze hem noemen—rond op de heele fabriek en zei ons aan, dat alle arbeiders overeen gekomen waren aan Professor Lövdahl een eeregeschenk te overhandigen—wat zegt u? op den 4den October,—den beroemden verjaardag van den professor. ’t Was natuurlijk volkomen vrijwillig; maar hij twijfelde er niet aan, dat elke brave arbeider met vreugde deze welkome gelegenheid zou aangrijpen... ja, dat lesje kent u wel?—’t Komt regelrecht van den droogzolder van den bankdirecteur Christensen.

„Wilt u meêdoen?” vroeg Abraham.

„Nee, nee, mijn beste Meneer! De oude Steffensen antwoordde: „nee niks, padetout!”—en de anderen hadden grooten lust hetzelfde te doen; maar toen zagen we allemaal, dat Marcussen een streepje in zijn boekje zette, en dat moest zeker beteekenen, dat Steffensen den langsten tijd op de fabriek geweest is.”

„Och onzin! Steffensen! meen je nu, dat Vader om zulke dingen geeft; ik ben er zeker van, dat hij alles zou doen om die dwaze collecte te verhinderen, als hij er van wist.”

„Ach, wist je maar... wist je maar...” neuriede [53]de oude en liep weer de keuken in om zich verder klaar te maken.

„Waarom kunt u niet meê doen, Vader?” vroeg Grete wat angstig; „’t is toch zeker niet veel voor elk apart.”

„Waarom ik niet meê kan doen, mijn kind?—ja, dat zal ik je zeggen.” En hij ging midden in de deur staan en richtte ’t hoofd op, alsof hij van ’t spreekgestoelte sprak: „omdat dit heelemaal humbug is—een spiegelgevecht en een drommelsche vertooning! Meen je soms, dat de menschen, die daar op de fabriek werken,—dat die ooit een cent bezitten, die ze niet zelf hard noodig hebben?—en toch komen ze allen met hun vrijwillige bijdragen aan.—Ja, vrijwillig, omdat ze liever een paar dagen droog brood eten, dan ’t er op te wagen om den heelen winter zonder brood te zitten;—daarom komen ze, omdat ze zóó arm zijn, dat ze gedwongen zijn om laf te zijn,—zóó arm is de oude Steffensen niet—dat is ’t heele verschil.”

En alsof hij ’t niet prettig vond, dat hij dat laatste gezegd had, ging hij haastig voort:

„Want je moet weten, kind! dat het hier in ’t land als een genade beschouwd wordt zich dood te werken voor een loon, dat je maar even in ’t leven houdt en je lichaam zoowat bekleed. En als je ’t nu zoo gelukkig treft, dat je slooft voor een kapitalist, die je niet heelemaal dood knijpt, en die je niet direct voor de minste kleinigheid de straat op jaagt—ja, dan moet je komen aanzetten met je vrijwillige bijdragen. ’t Kapitaal wil zilver hebben: een trekpot voor de vriendelijkheid, voor de goede zorg een suikerpot en voor de humane behandeling een melkkan.” [54]

Hij werd gestoord door dat iemand op de deur klopte; dat was Mevrouw Gottwald, die binnenkwam en groette. ’t Was nog zoo licht in het westen, dat men elkaar kon zien in de kamer, en Abraham groette wat verlegen; ’t was lang geleden, dat hij haar gezien had.

Mevrouw Gottwald gebruikte in hare modezaak veel manden van Greta Steffensen en kwam daarom dikwijls bij haar aan. Abraham had haar een paar maal ontmoet; maar vermeed dit liefst. Gedeeltelijk had hij een slecht geweten, omdat hij haar zoo zelden een bezoek bracht, gedeeltelijk vond hij het niet prettig menschen uit de stad te ontmoeten, als hij bij Greta was.

Maar dien avond kon hij niet ontsnappen. Mevrouw Gottwald verzocht hem ronduit te wachten, dan konden zij te samen naar huis gaan. Hij presenteerde haar den arm, en zij liepen een eindweegs voort, beiden wat verlegen. Eindelijk zeide zij: „U komt nooit meer bij mij, Mijnheer Lövdahl.”

„Lieve Mevrouw Gottwald, noem u mij toch Abraham, zooals vroeger.”

„Ik wil u zoo heel graag noemen als vroeger. Maar u is me in den laatsten tijd zoo vreemd geworden, ik kan u niet meer zien als de vriend en de afgod van kleine Marius, want dat was je. Herinner je hem nog?”

„Ja, zoo duidelijk,” antwoordde Abraham; „vooral in die kleine grijze winterjas, met die ceinture in den rug.”

„Ach, lieve hemel, ja!—die heb ik nog altijd. Het doet me zoo goed iemand te spreken, die hem gekend heeft. En je ben zoowat de eenigste.”

Abraham nam zich voor haar vaker een bezoek te brengen; en intusschen waren zij aan het kerkhof [55]gekomen, waar Mevrouw Gottwald heen wilde,—naar het graf van kleinen Marius.

’t Was Abraham een paar maal voorgekomen alsof zij iets trachtte te zeggen, maar ’t weer opgaf.

Maar toen ze afscheid van elkaar zouden nemen en elkaar bij de hand hielden, keerde zij ’t mooie bedroefde gezicht naar hem toe met een angstige uitdrukking in de heldere, bruine oogen: „Je moet niet boos op me worden,—Abraham!—Er is iets wat ik je zeggen moet. Greta Steffensen...”

Hij maakte een ongeduldige beweging en wilde zijn hand terugtrekken.

„Neen, neen!... zóó meen ik het niet—lieve Abraham. Ik weet wel, dat je zoo niet ben. Maar toch—ja dat wilde ik maar zeggen, omdat... omdat ik altijd een gevoel heb, dat je ook een beetje van mij ben, ter wille van kleine Marius. Nu moet je niet boos wezen en niet denken, dat ik me met iets bemoei, wat me niet aangaat; mijn leven is zoo geweest, dat ’t me is alsof alle weerlooze vrouwen mij aangaan. Goeden nacht!”

Abraham liep door in de richting van de stad, en dacht intusschen aan zijn moeder. Er was altijd iets in Mevrouw Gottwald, dat hem aan haar herinnerde.

Dat de menschen hem konden wantrouwen in zijn verhouding met Greta Steffensen, had hij wel gedacht. Maar het ergerde hem, dat Mevrouw Gottwald daarop gezinspeeld had. En door deze nieuwe indrukken raakte wat hij van Steffensen had gehoord wat op den achtergrond.

’t Was donker in de kamer van den professor; maar boven in zijn eigen woning vond Abraham zijn vader in een vertrouwelijk gesprek met Mevrouw Clara. [56]

„Goeden avond, mijn jongen! je ben den heelen middag uit geweest—zegt Clara. Kom nu eens bij ons zitten. Ik wil van avond jelui gast zijn.”

’t Gezicht van den professor straalde, terwijl hij het mooie jonge paar aanzag, de elegante kamers, al die weelde en al dat geluk, wat hij geschapen had voor die twee menschen, die hem zoo lief waren.

„Ja—ik zou ook wel eens willen weten, waar je al dien tijd geweest ben, Abraham?” begon Clara nu.

Maar de professor merkte, dat Abraham niet best gehumeurd was, en hij had al geleerd kleine scènes tusschen hen te voorkomen.

„Laat ons dat nu niet vragen, Clara! Er zitten zooveel geheimen en verrassingen in de lucht; je kunt er wel zeker van zijn, dat Abraham er ook een heeft.”

„’t Is dus waar, wat men vertelt, dat er een arbeidersfeest op Fortuna wordt voorbereid?” vroeg Abraham.

„Heb je dat dan niet eerder gehoord?” vroeg Clara.

„Niemand heeft er me een woord van gezegd.”

„Ja, mij ook niet; ’t moet een plannetje van de jonge Mevrouw zijn,” zei de professor; hij wilde er klaarblijkelijk schertsend over heen glijden.

„En die collecte, Vader...”

„St! st! Hoe kun je zoo indiscreet zijn?” riep de professor en hield de handen voor de ooren.

„Ja, dat moet ik ook zeggen,” merkte Clara op.

„U weet het dus—Vader!—Dat had ik niet gedacht. U moet toch zoo’n collecte onder arme arbeiders uiterst pijnlijk vinden.”

„Als we er nu juist over moeten praten,” antwoordde de professor, „dan vind ik zoo’n idee, [57]als het van de arbeiders zelf uitgaat, mooi en eervol voor beide partijen.”

„Ja, als het van de arbeiders uitgaat.”

„Daaromtrent bestaat in dat geval niet de minste reden tot twijfel,” sprak de professor met heel zijn waardigheid, die altijd indruk op Abraham maakte.

„Je meende misschien, dat die collecte van Vader zelf was uitgegaan?” vroeg Clara honend, terwijl ze den professor een glas warme grog bracht, die ze zelf voor hem had klaargemaakt; hij kuste haar galant de hand, en ze nam dicht bij hem plaats met haar werk. Abraham liep de kamer op en neer met een sigaar.

Na een pauze zei hij:

„’t Kan zijn, dat ’t oorspronkelijk plan van de arbeiders is uitgegaan; maar dit weten we toch allemaal, dat velen—misschien de meesten—meêdoen enkel omdat ze niet anders durven; ja ik weet zelfs, dat ze op de fabriek zeggen, dat hij, die niet met een bijdrage aankomt, niet zeker is dat hij in ’t werk blijft.”

„Wie heeft je dien onzin wijsgemaakt? Abraham! nu heb je zeker weer met je vriend Steffensen gepraat.”

Abraham moest toegeven, dat het zoo was.

„Ja, wat hem betreft is ’t vrijwel hetzelfde of hij al dan niet „met zijn bijdrage aankomt,” zooals jij ’t noemt. Zijn ontslag is al besloten, en hij krijgt het binnen kort.”

„Dat kan toch niet, Vader?—Moet Steffensen weggejaagd worden? een bekwaam arbeider, die nooit drinkt.”

„Weggejaagd!—wie zegt nu, dat hij zal worden weggejaagd?! De directie verlangt bezuinigingen en nu hebben we uitgezien naar goedkooper werkkracht. Die hebben we gevonden en nu moet [58]Steffensen weg. Dat is toch zoo eenvoudig en klaar als de dag.”

In den laatsten tijd was het een paar maal gebeurd, dat Abraham zijn vader in kleinigheden niet zoo groot en volmaakt gevonden had als hij hem anders toescheen; maar ’t was nog nooit gebeurd, dat Abraham zich ronduit tegen zijn vader verzette. Maar op dit oogenblik werd hij driftig; ’t bloed steeg hem naar het hoofd, en hij zei:

„Ik vind niet, dat ik volkomen royaal behandeld word: hier worden afspraken en schikkingen gemaakt, waar ik geen woord van weet;—òf ik ben directeur, en dan wil ik als directeur behandeld worden, òf ik kan heengaan. Ik wil niet als een nul voor spek en boonen er bij loopen!”

„Neen maar... wat bezielt je, Abraham!” riep Clara.

„Wees maar kalm, kind! Abraham is altijd wat driftig geweest, dat zit hem in ’t bloed.—Je zult zelf wel inzien, lieve Abraham, als je even kalm nadenkt, dat je je vergist. Men geeft je alle eer, die je toekomt, als assistent van de directie; maar dat jij noch ik iets van deze geheime voorbereidselen voor ’t feest gehoord hebben, zie je, dat is immers alleen uit kieschheid.”

„Nu ja, dat kan wel zijn: maar ik vraag nu: zal Steffensen ontslagen worden, als ik uitdrukkelijk verlang, dat hij blijven zal?”

„Steffensen—die Steffensen?—je kent hem niet, Abraham.”

Op dat oogenblik kwam het dienstmeisje binnen en zei, dat er een heer en dame in de vestibule waren, die vroegen of de familie thuis was. ’t Bleek, dat het dominé Kruse en zijn vrouw was. Zij spraken allebei tegelijk, en maakten veel excuses, omdat ze zoo laat op den avond de familie nog [59]kwamen storen. Maar ze kwamen juist van de bijbellezing en zagen, dat er nog licht op was, en toen kregen zij zoo’n lust om even binnen te komen.

Ze werden heel vriendelijk ontvangen, omdat ze zoo heel gelegen kwamen.

En dan ook—Clara hield veel van Mevrouw Frederika. Ze vond het prettig de dominé en zijn vrouw goed te onthalen,—liefst wat royaal—en tegelijk hoorde ze met belangstelling naar alle kunstjes, die Frederika haar leerde om zuinig te koken. En als Abraham dan den volgenden dag knorde over saus, die eigenlijk niet meer dan een dikke meelpap was, vond ze er een genoegen in hem voor te houden, hoe akelig en burgerlijk ’t was overdadig met eten en drinken om te gaan, zelfs al kon men ’t wel betalen.

De professor en de predikant kwamen spoedig in een gesprek, dat over de armen begon, toen op de fabrieksarbeiders kwam en eindelijk neerkwam op ’t inwendig bedrijf van de fabriek.

Alleen Abraham voelde zich steeds onaangenaam gestemd; hij hield niet van dien pedanten Maarten de achterblijver, ook niet van zijn vrouw; en ’t was hem zelfs onaangenaam, dat deze menschen zich in den laatsten tijd meer en meer in zijn kring drongen. Hij bleef op en neer loopen na tafel en nam maar weinig deel aan ’t gesprek.

Dat was anders levendig genoeg; want de predikant had evenveel aan den professor te vragen als Clara aan Frederika; en toen ze afscheid namen, hadden de dames afgesproken den volgenden Maandag weer bij elkaar te komen, terwijl de predikant,—wat verlegen—vroeg wanneer hij den professor over zaken zou kunnen spreken. [60]

[Inhoud]

VI.

Een paar dagen later bracht de kapelaan volgens afspraak aan Professor Lövdahl een bezoek in zijn particulier kantoor. De predikant was wat zenuwachtig en onrustig en moest gedurig het zweet van zijn voorhoofd vegen met zijn zakdoek, die hij in de gesloten vuist ineenkneep. De professor was kalm en welwillend, maar ’t viel niet te ontkennen, dat hij wat nieuwsgierig was.

Omdat hij meende dat ’t op een liefdadigheidscollecte of ander vereeniging zou neerkomen, begon hij, om den verlegen jongen man te hulp te komen, met een paar algemeene gezegden over de vele plichten en moeilijkheden, die een nauwgezet zieleherder konden drukken.

Maar hij begreep gauw, dat daar ’t gesprek niet over loopen moest; en eindelijk was hij op het punt ronduit te vragen wat de predikant wilde, toen deze eindelijk heel onhandig de vraag er uit bracht of de professor zich tevreden voelde in zijn arbeid als administreerend directeur van de fabriek.

„Och ja, zoo tamelijk; er is immers altijd een groote verantwoordelijkheid verbonden aan het feit dat men zoowat een Voorzienigheid in ’t klein moet wezen voor zooveel menschen. We probeeren [61]zooveel we kunnen het lot van de arbeiders te verbeteren.”

Maar dat was het ook niet.—Ook over de arbeiders wilde de kapelaan niet spreken. Hij hoestte en zei toen aarzelend:

„De aandeelen zijn zeker over verschillende personen verdeeld.”

„De aandeelen!—wat blieft u?—nu ja. U vroeg naar de aandeelen,—ja, die zijn over veel personen verdeeld, dat wil zeggen—zoo heel veel zijn er niet. Het bedrag is groot. Elk aandeel is van 1000 kronen, en wij hebben geen halve of kleinere willen uitgeven.”

De professor herwon zijn zelfbeheersching, die hij bijna verloren had, toen hij begreep, dat dit een gesprek over zaken zou worden.

Als hij met menschen uit zijn vroegeren kring sprak, was de professor altijd de man van wetenschap—klaar met spot van uit de hoogte met de „kooplui.” Daarom kwam het hem al dadelijk wat ongewoon en als iets uit de verkeerde wereld voor, dat twee academieburgers over aandeelen en winst zouden zitten praten.

Maar Maarten Kruse nam de zaak heel verstandig op, toen hij maar eerst op het gewenschte onderwerp van gesprek gekomen was. En hij sprak er over met een kennis van zaken, die den professor ten hoogste verbaasde.

„Hoe hoog staan de aandeelen van Fortuna op dit oogenblik?” vroeg de predikant, toen zij een poosje gepraat hadden.

„Ja,—om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Toen ik er ’t laatst van kocht...”

„Koopt u ze dan zelf?”

„Neen, dat doe ik eigenlijk niet,” antwoordde [62]de professor; „ik heb al zooveel aandeden; maar het is een paar maal gebeurd, dat een enkele aandeelhouder zich raar aanstelde op de algemeene ledenvergadering en dan wilde ik liever de aandeelen van den ontevredene koopen, dan onaangenaamheden hebben.”

„En toen hebt u betaald...?”

„Ik heb de aandeelen voor den inkoopsprijs overgenomen—voor zoover ik me herinneren kan.”

„Kan men dan nog aandeelen à pari koopen?” vroeg de kapelaan levendig.

„Wilt u dan koopen?”

„Ik zal u zeggen, Professor,” antwoordde Maarten en trachtte wat zalvend te spreken, „mijn vrouw is niet geheel en al ontbloot van wat men aardsche goederen noemt.”

„Ik heb gehoord, dat uw vrouw fortuin heeft.”

„Ach, fortuin kan men het eigenlijk niet noemen. Een sommetje als steun in ziekte of andere beproevingen—dat is alles. Maar hoe onbeduidend het ook is, ik wilde het toch graag in de stad plaatsen en liefst op een wijze, die zoo min mogelijk in het oog valt.”

„Natuurlijk,” merkte de professor op.

„’t Is in geen enkel opzicht goed, als de gemeente haar predikant voor vermogend houdt,” voegde de kapelaan er ernstig bij.

De professor, die nu eindelijk begreep waar zijn bezoeker heen wilde, zei welwillend:

„Wanneer u er over denkt effecten te koopen, of in ’t algemeen door mij uw geld te laten plaatsen...”

„Ja juist, dat wilde ik juist zoo graag,” riep Maarten levendig uit; „een man in mijn positie kan immers niet zoo goed zulke zaken zelf regelen; [63]maar aan den anderen kant is het toch ook niet goed het tijdelijke te verwaarloozen.”

„Zeer zeker niet,... neen... ik begrijp u zoo goed, en ’t zal mij een genoegen zijn, als ik...

„Dank u, ik dank u hartelijk!” riep de kapelaan en herwon nu al zijn waardigheid; „als ik dus met Gods hulp wat geld overhoud, mag ik hopen dat bij u te kunnen plaatsen?”

„Ik wil u graag naar vermogen helpen uw geld op de voordeeligste wijze uit te zetten.”

„Het voordeeligste zou wel zijn het in uw eigen zaak te plaatsen?” zei Maarten onderzoekend, en zag den ander oplettend aan.

„In mijn zaak?” herhaalde de professor langzaam.

„Dat laat ik geheel aan u over,” zei Maarten haastig, terwijl hij opstond om heen te gaan. „U weet zelf, Professor, hoe kleiner ’t kapitaal is, hoe meer men er van moet zien te maken.”

Toen hij weg was, dacht Professor Lövdahl lang na over dit merkwaardig bezoek. ’t Was wel waar, dat enkele van de kleine burgers hun spaarpenningen aan hem hadden gebracht en dat hij uit goedhartigheid hun een aandeeltje in een goede zaak hier en daar had gegeven, zoodat hun geld een betere rente gaf, dan in een bank. Maar ’t zou nooit in hem zijn opgekomen zoo iets in ’t groot te doen; hij had geen geld noodig—allerminst duur geld; en als ’t op hoop van hooger rente was, dat de predikant zijn geld bij hem wilde plaatsen, kon ’t wel gebeuren dat hij teleurgesteld werd; maar wilde hij aandeelen in Fortuna nemen—dat was iets anders. ’t Was altijd een steun als er koopers kwamen.

Maar Maarten liep er over te denken—of hij toch niet dom gedaan had door niet ronduit te vragen op welke rente hij rekenen kon. [64]

—’t Was niet gemakkelijk uit te maken van wie het idee van ’t groote arbeidersfeest op de fabriek was uitgegaan. Marcussen had eens tegen consul With gezegd, dat in den herfst de fabriek tien jaar had bestaan. En toen had de consul zeker gedacht dat dit magere jubileum wat steviger zou worden als ’t op den verjaardag van Professor Lövdahl werd gezet. En zoo was er telkens wat bij gekomen, tot het eindelijk op ’t zilveren servies en de grootsche toebereidselen was neergekomen.

Mevrouw Christensen schreide—ja zoowaar, dat deed ze,—ze schreide iederen dag een deuntje om dat zilveren servies.

Stel je voor! dat alles had zij kunnen hebben: Trekpot, suikerpot en melkkan van massief zilver!

Niet daarom: ze had zelf een zilveren theeservies; maar dat was nu niets voor haar man om daarmeê aan te komen. ’t Was daarom geen zier minder ergerlijk!

Soms, als ze lang over dat zilver gedacht had kwam het haar voor, alsof Professor Lövdahl ’t uit haar eigen kast gestolen had;—ja er was zelfs een plaats in de kast, waar het had moeten staan; en nooit keek Mevrouw Christensen naar haar zilver of ze zuchtte: „Daar stond het!”

„Je ben een uil—Christensen,” herhaalde ze snikkend toen het feest naderde; „je kunt president zijn van vereenigingen voor arme kraamvrouwen en voor alle mogelijke ziekenfondsen; maar je geeft me, goeie God!—je geeft me daar vrijwillig ’t eenige baantje op, waar een beetje zilver van kon komen,—ja, want dat kon je toch wel van te voren weten. En dan moet ons—ja ik zeg met opzet: ons zilver naar dien... dien...” Ze kon geen woord vinden, dat vreeselijk genoeg was voor Professor [65]Lövdahl en ze schreide, dat ze er van beefde.

’t Huwelijk van den bankdirecteur was als de meesten; hij was helaas niet zoo autoritair in zijn huiskamer als in zijn kantoor; tegen zijn vrouw kon hij niet op en dan werd hij boos, en dan werd zij boos en dan kibbelden ze en dan bleven ze boos op elkaar. Maar op den duur kon dat toch niet, omdat ze in ’t zelfde huis woonden; en dan werden ze weer goed op elkaar—tot ze weer boos werden.

Christensen moest deze keer den toorn van zijn vrouw zoo goed mogelijk verdragen en tegelijk zich voorbereiden voor de toespraak, die hij uit naam van de arbeiders tot Professor Lövdahl zou houden.

En terwijl hij daar zat en bezig was met groote woorden en klinkende zinnen, wreef hij zijn zachte neus en snuffelde zoowat, alsof zijn eigen lofrede hem wat verdacht voorkwam.

Alles kwam zoo goed bij elkaar voor dit feest. Er was een troep Duitsche muzikanten in de stad gekomen, en op den dag zelf was het weer zoo mooi als het maar kon. ’t Was heel stil in de lucht,—frisch, maar niet koud. De zon scheen met een roodachtigen gloed zacht door de lichte herfstnevelen, die optrokken en verdwenen; en de glad gespoelde landpunten en landtongen met paarse strepen heidekruid in de spleten staken uit in de blauwe, licht gerimpelde zee.

De fabrieksgebouwen zelf waren zoo leelijk en zoo vol roet, dat ze alle mogelijke versiering trotseerden; en Marcussen gaf ze ook intijds op en bracht al wat er was aan kransen en vlaggen bijeen om een groote estrade, die hij in de haast boven op den heuvel had laten opslaan. Van hier kon de spreker de fabriek overzien en zijn stem [66]doen voort klinken over de menigte op de helling beneden.

Marcussen was aan ’t versieren met vlaggen en groen; hij had een paar van de dienstmeisjes van den directeur tot hulp gekregen; en hij hielp ze op en af van trappen en stoelen—gedienstig en galant. En de meisjes lachten en gilden zoo’n beetje, en lieten zich in zijn armen vallen en konden niets doen zonder zijn hulp.

Marcussen was een groote, knappe man met een vluggen blik en een tact om met meisjes om te gaan, waar hij door beroemd geworden was. Hij had werkelijk een bizonder slechten naam en zelf placht hij onder vrienden te verklaren, dat hij een apart folio in ’t kerkeboek had. Maar overigens was hij in de zaak de rechterhand van den professor geworden en wat het feest betreft—hij was eigenlijk daar de man.

Intusschen was ’t ook druk in ’t huis van de Lövdahls: er zou een groot heerendiner gegeven worden ter eere van ’t feest en de tafel stond al gedekt in de zaal.

Het rijtuig stond voor de deur, en de koetsier zat in gala op den bok en hield de glanzende paarden. De professor liep, als naar gewoonte, heen en weer onder ’t kleeden en studeerde zijn toespraak in, waarmeê hij voor de ontvangen eerbewijzingen danken zou.

Daar kwam het dienstmeisje van de jongelui boven met de boodschap van Mevrouw of de professor niet zoo vriendelijk zou willen zijn even boven te komen, liefst dadelijk. De professor ging haastig heen met de witte das in de hand; hij meende, dat de jonge Mevrouw iets scheelde. Maar Clara kwam hem al in de voorkamer tegemoet, warm [67]en met een kleur en de japon nog maar half dicht.

„Stel u voor, papa, hij wil niet meê. Abraham wil niet meê naar het feest, zegt hij.”

„O zoo, is ’t anders niet?—Kind, je hebt me zoo doen schrikken. Wat is er? Abraham, waarom wil je niet meê?” vroeg de professor vriendelijk aan zijn zoon, die juist uit zijn kamer kwam.

„Och anders niet, dan dat ik geen lust heb naar dit feest te gaan. Maar Clara stuift dadelijk op en dan...”

„’t Verjaarfeest van je vader,” viel de professor hem glimlachend in de rede.

„Neen Vader,—dat is ’t niet. Dàt vieren we hier—thuis; maar ’t feest op de fabriek is niets dan aanstellerij, een echte vertooning—als u ’t bij den naam noemen wilt.”

De professor wenkte Clara kalm te zijn en antwoordde: „Ik heb geen tijd en wil ook mijn feestelijke stemming niet bederven door nu met jou hierover te disputeeren. Er kan wel wat van aan wezen, van wat je zegt of liever van wat je meent; maar je hebt—zooals de jeugd over ’t algemeen tegenwoordig—een ongelukkige lust om met een te groote ethische maatstaf aan te komen dragen, ook ten ontijde en in gevallen waar ’t in ’t geheel niet past.”

„Maar als ’t nu mijn overtuiging is.”

„Als je overtuiging je niet toelaat getuige te zijn van de eerbewijzen, die aan je vader worden aangeboden, dan moet je thuisblijven, dat is duidelijk. Maar ik hoop, dat je overtuiging je zal toestaan van middag om 4 uur bij mij te komen eten?”

„’t Is niet goed van u, Vader, om ’t zoo op te nemen; u weet best...”

„Ja zeker, ik weet ’t zoo best, dat je ’t op jouw [68]manier goed meent, en dat je deze manier kiest is iets, waar ik op voorbereid had moeten zijn; dat zit je in ’t bloed. Ik probeerde—zooals je je misschien herinnert—meermalen in je jeugd je te waarschuwen tegen dien geest van ontevredenheid, die niet hebben kan, dat iets of iemand zich boven ’t gemiddeld peil verheft—neen, neen! laat me uitspreken; we zullen niet disputeeren, maar dat is ’t toch, waar alles uit voortkomt.—Och, lieve Clara, wil je niet even een knoop in mijn das leggen?”

Abraham bedwong met geweld een heftig antwoord, keerde zich om en ging in zijn kamer. Zijn vrouw ging hem rakelings voorbij toen zij naar de slaapkamer terugging om zich verder te kleeden, en een poos later weer, toen ze naar het rijtuig ging. Hij merkte haar parfum en haar japon raakte hem bijna; maar geen van beiden sprak een woord.

Hij bleef voor zich uit zitten staren tot hij het rijtuig hoorde wegrijden. Daar zaten zij naast elkaar,—zijn mooie vrouw—vroolijk in feestdos en zijn vader met zijn ridderorden in groot formaat, den stok tusschen de knieën en de handen gevouwen over den ivoren knop. Die twee pasten bij elkaar. Abraham kon zich niet herinneren dat zijn vader en zijn vrouw ’t ooit over iets oneens geweest waren.

Bijna als bij instinct kwamen zij altijd tot elkaar met dezelfde opinie en die was bijna altijd precies het tegenovergestelde van die van Abraham.

Hij had, terwijl hij daar zoo aan ’t venster stond een gevoel, alsof er tusschen zijn levensbeschouwing en die van zijn vader een diepe klove moest zijn, een grooter afstand dan ooit tusschen oud [69]en jong bestond. Er was immers, als hij ’t nauwkeurig naging geen enkele zaak, die zij van de zelfde zijde konden zien; geen gedachte, die zich niet dadelijk in tweeën spleet en hen ver uit elkaar deed gaan in oneenigheid en ontstemming. Als hij nu alles samen nam aan toespelingen, gesprekken en warme debatten, kon hij niet begrijpen hoe zijn groote en bewonderde vader, wiens hoofd zoo helder, wiens gedachtengang in den grond toch zoo edel was,—hoe hij zoo vreemd, ja bijna vijandelijk tegenover alles kon staan, wat Abraham volgens den drang van zijn hart moest bewonderen en waar hij voor strijden wilde.

En Clara,—zij ook!—wel was zij opgegroeid in oude, zonderlinge pruiken-ideeën; maar hij had toch met haar zooveel gesproken over de nieuwe gedachten en zij had toch veel daarvan met zulk een ijver aangenomen. Nu ontkende zij, dat zij ooit aan zijn dwaze en goddelooze paradoxen haar bijval geschonken had.

Welnu, des te krachtiger moest hij zelf staan; aan de strenge eischen, die de nieuwe tijd stelde aan persoonlijke waarheid en verantwoording, zou hij wel weten te voldoen. In dit oogenblik dacht hij aan zijn moeder: zóó zou zij hem gaarne hebben gezien: als hij zulk een arbeidersfeest als humbug beschouwde, moest hij protesteeren en niet ter wille van zijn vader er zich aan medeplichtig maken.

Abraham bleef lang aan ’t hoekvenster staan en keek neer op de straat. Er waren bijna geen menschen; want de halve stad was buiten bij het feest; en terwijl hij de enkele achterblijvers nazag, die haastig weg gingen, dacht hij er over, hoe mooi het weer was, en welk een genoegen het voor oud en jong wezen zou een wandeling buiten [70]de stad te doen en frissche lucht te scheppen.

Vele brave burgers en eenvoudige lieden gingen met hun vrouwen daarheen; ze begrepen niet veel van de toespraken en dachten niet veel na over de diepere beteekenis van het feest. Voor hen was ’t enkel een Zondag midden in de week, een halve vrije dag, die hun goed deed.

En hier liep hij in zijn mooie kamers te protesteeren! Was daar toch niet eigenlijk iets heel belachelijks in?

Opeens stond het duidelijk voor hem, dat als dat protesteeren wat beteekenen zou, dan had hij òf zich ernstig tegen zijn vader moeten verzetten, òf—beter nog, midden op ’t feest moeten optreden en ’t luide uitspreken, dat hij zoo’n vertooning, waar het kapitaal indirect de arbeiders tot vernederende eerbewijzen dwong—humbug vond, en erger!

Durfde hij geen van beiden dan kon hij waarachtig even goed als die onschuldige burgers meegaan naar ’t feest; niets was toch zoo miserabel als dat protesteeren in zijn eigen kamers.

En weer kwam die stemming, die een enkele keer over hem was gekomen als een domper: ’t gevoel hoe averechts en onzinnig ’t leven was ingericht; hoe mislukt hij zelf was,—bedorven, een sukkel, die ’t nooit verder zou brengen dan tot een paar belachelijke aanloopjes en groote schandelijke nederlagen.

Mismoedig en onverschillig nam hij zijn hoed en slenterde naar buiten, om een poosje naar Greta te gaan; maar hij vond het huis gesloten. Waarschijnlijk had Steffensen haar meê naar het feest genomen; ze vond het prettig onder menschen te zijn; allen kenden haar en hadden een vriendelijk [71]woord voor haar en dan was er ook muziek. Abraham ging ook verder, de kant naar de fabriek uit. De muzikanten speelden: „die Wacht am Rhein” tusschen de verschillende toespraken in.

Toen hij op den top van den heuvel gekomen was bleef hij onwillekeurig staan, onder den indruk van dit wonderlijk tooneel. Hij was zoo gewoon hier iederen dag heen en weer te loopen, dat hij iedere plek om de fabriek kende; maar nu was het alsof vreemden hem alles afgenomen hadden en hij zelf heelemaal overcompleet was.

De groote tribune op den heuvel was vol elegant gekleede dames; champagneglazen fonkelden en bedienden liepen ijverig bezig rond. De vlaggen hingen onbewegelijk in rijke plooien neer over ’t laatste groen uit de tuinen, goudgele bladen en roode bessen. Aan beide zijden stond de nieuwsgierige menigte uit de stad; maar beneden aan den heuvel hadden de arbeiders van Fortuna zich om een lange tafel geschaard, waar ze werden onthaald op bier en sigaren. Hun vrouwen en dochters stonden in groepjes daar omheen;—stil en ernstig.

Abraham was niet in de stemming om zijn vrouw en de anderen te ontmoeten; hij nam een omweg tusschen de gebouwen van de fabriek door en van daar kwam hij onder de arbeiders terecht en ging tusschen hen in staan.

De bankdirecteur had gesproken over dezen dag en het dubbele feest, en de professor had geantwoord; een deputatie had het zilver gebracht en Lövdahl had bedankt met een: „Leve de arbeiders!” Die toast was juist gedronken toen Abraham kwam en het feest was dus bijna voorbij.

Warm door ’t bier drinken in de zon, en van [72]’t hoera! roepen stonden de arbeiders vergenoegd met hun korte pijpjes of met de kostelijke sigaren diep in den mond gestoken en in een rookwolk zóó dicht, alsof die uit de schoorsteenen kwam. Zij ontvingen Abraham eerbiedig en vriendelijk en het werd dadelijk zoo uitgelegd, dat de jonge directeur geen champagne met de deftige lui wou drinken, maar dat hij zich niet te goed achtte om een glas bier te nemen onder ’t volk.

Zonder veel van den indruk, dien hij maakte, te merken; zocht Abraham naar Greta en vond haar onder de vrouwen. Ze werd in ’t minst niet verlegen, maar vuurrood van blijdschap, toen ze zijn stem hoorde.

De vrouwen en meisjes trokken zich een weinig van haar terug, maar bleven toch in een opeen gedrongen groepje staan, zoodat ze van uit de tribune niet gezien konden worden. Er was niemand onder hen, die aan iets kwaads dacht,—niet omdat ze meenden, dat de jonge Lövdahl een haar beter was dan deftige stadsmenschen over ’t geheel waren; maar Greta Steffensen was blind, en niet als andere meisjes; het ongeluk beschermde haar tegen gevaar en tegen afgunst, zoodat ze bijna kon doen, wat ze wilde.

„Is je vader hier niet, Grete?”

„Ja,—hij was juist hier; zie je hem niet?”

„Neen—tenzij hij tusschen de menschenmassa daar ginds bij ’t spreekgestoelte is, daar verdringen ze zich omheen.”

„Ja, daar is hij zeker,” meende Greta met een slim lachje.

Abraham merkte dat dadelijk op. Haar mimiek was zoo opvallend.

„Wat bedoel je?—wat is je vader van plan te doen?” [73]

Vader zal een toespraak houden,” fluisterde Greta triomfeerend.

„Goeie hemel!—dat moet hij niet doen!” riep Abraham onwillekeurig; hij dacht er aan hoe moeilijk het nu al voor Steffensen was zijn werk te behouden. Als hij nu vandaag een onaangename toespraak hield—en die zou natuurlijk onaangenaam worden—dan maakte hij zichzelf heelemaal onmogelijk.

Maar Steffensen stond al op ’t spreekgestoelte; met den hoed in de hand en kromme armen maakte hij een reeks eerbiedige buigingen voor het deftige publiek, terwijl de jongelui uit de stad begonnen te lachen en hem met allerlei grappen aanmoedigden.

Abraham merkte op hoe zijn vader den bankdirecteur iets toefluisterde; en ’t heele gezelschap op de tribune trok zich zoo ver mogelijk van ’t spreekgestoelte terug in een verwarde mengeling van gedwongen beleefdheid en vrees voor dien algemeen bekenden, slecht gezinden man. Maar Steffensen liet hun geen tijd; hij begon dadelijk:

„Dames en Heeren!—ik ben een arbeider—een van de slecht gezinden—zegt men;—een van de ergsten, zeggen sommigen. Maar wees u maar niet bang, hooggeëerde heeren en dames!—Ik wil u hier alleen maar danken, u innig danken, zóó aangedaan als een diep bewogen arbeider op uw fabriek Fortuna maar wezen kan.”

Intusschen schenen de „Hooggeëerde heeren en dames” ’t plotseling druk te krijgen met afscheid nemen en elkaar de hand te drukken.

„Ik wil u dank zeggen,” riep Steffensen luid, „u dank zeggen, omdat u vandaag—dames en heeren!—de zon zoo heerlijk en gratis op ons, kleine luidjes, laat schijnen, omdat u niet meer van ons verlangt dan onze spaarduiten voor een zilveren [74]servies, omdat u onze vrouwen en dochters zoowat met rust laat, ja u allen wil ik vooral danken, omdat u ons zoo mooi vergunt ons leven te slijten in gezegenden arbeid voor u.”

Nu was er geen enkele van de hooggeëerde dames en heeren meer; de groote tribune was leeg; alleen enkele verblufte bedienden stonden bij de tafel met champagne. Maar Steffensen maakte toch een diepe buiging voor het gezelschap, dat zich bijeen groepeerde en heenging naar den weg waar de rijtuigen stonden; toen wendde hij zich luid lachend tot de arbeiders.

„Daar gaat de heele chique! Wat zeg je? Nu zal ik mijn toespraak voor jelui houden.”

„Steffensen moet zijn bek houden,” klonk een zware stem uit de arbeiders.

„Neen, neen! laat Steffensen spreken,” riepen zij van andere zijden; maar er werd een stil gemor gehoord, dat toenam, tot een ernstig, kalm man zei: „Steffensen moet niet spreken.”

’t Was een van de oudste meesterknechts op de fabriek, en nu riepen verscheidenen: „Steffensen moet niet spreken,” terwijl de beste arbeiders zich om Abraham schaarden.

Steffensen werd bleek; maar hij bedwong zich en riep: „Als hij ’t is—de jonge Lövdahl, waar jelui bang voor ben, dan kun jullie je de moeite sparen; want hij is ’t met ons eens;—hij is een van de onzen, niet waar, Mijnheer de directeur?”

Abraham voelde aller oogen op zich rusten; maar wist niet wat hij zeggen moest.

„Maar waarom antwoord je niet?” vroeg Greta verwonderd; „je ben ’t immers met ons eens.”

Steffensen greep de aanleiding aan om op een eenigszins behoorlijke manier van het spreekgestoelte [75]af te komen en er ontstond een oogenblik van stilte en gespannen verwachting in den kring. Er stonden nu verscheiden rijen arbeiders dicht om Abraham heen.

Maar in zijn binnenste schoot plotseling een lang onderdrukte kiem op: een jeugdig besluit vol geestdrift. Hij voelde kracht in zijn ziel en een opbruisende moed als iemand, die zich plotseling bewust wordt zelf te kunnen handelen, met vaste hand in ’t leven te kunnen ingrijpen en zijn man te staan.

„Ja, zeker ben ik een van de uwen,” riep hij den arbeiders toe; „daarom blijf ik hier beneden bij u—en niet daar boven bij de aristocraten. Wij,—wij arbeiders—we zullen elkaar trouw blijven, hier is mijn hand!”

Die werd door honderden gegrepen—gedrukt en omklemd. En niemand had den directeur ooit te voren zóó gezien,—rank en stralend, zooals hij zich langzaam een weg baande door de schare heen.

Steffensen wilde weer van ’t oogenblik gebruik maken en stelde luide voor onmiddellijk een vereeniging te stichten, een comité te vormen, enz. Maar zoodra Steffensen sprak, kwam er iets koels over de meesten; allen wisten, dat hij slecht aangeschreven stond: zijn dagen op de fabriek waren geteld, en hij kon zoo licht anderen meêsleepen in zijn val.

Naar zijn voorstel luisterde men niet en ’t verloor zich geheel in een donderend „hoera!” voor den directeur; men wilde op zijn gezondheid drinken; maar er was niets meer; de bedienden hadden de tafel opgeruimd, het feest was voorbij en de volksmassa had zich verspreid.

De arbeiders trokken zich toen ook terug in [76]kleine groepjes na eerst Abrahams hand stevig gedrukt te hebben.

Op weg naar de stad was Abraham in een vreemde, plechtige, strijdlustige stemming.

Flauwe beelden en herinneringen van wat hij in zijn jeugd gelezen had doken weer in hem op en hij zag een toekomst voor zich, waarin hij aan ’t hoofd van de arbeidersbeweging stond. De omtrekken van dat beeld werden grooter: hij brak alle bruggen af, hij ruimde al die grove onrechtvaardigheid in de samenleving weg, en toen hij de stad naderde was hij juist zoover gekomen, dat Clara en zijn vader zich voor hem bogen en zeiden:

„Je hadt toch gelijk!”

Maar Steffensen ging stil en knorrig naar huis. Greta was ook niet blij. Ze ergerde zich ter wille van haar vader en was niet heelemaal tevreden over Abraham.

„Er zijn toch, God bewaar me, geen arbeiders in de wereld, die zoo laf zijn als jelui,” zei Steffensen tegen een ouden timmerman, die lid was geweest van ’t comité, dat het zilver had aangeboden.

„We hebben zoo weinig, waarmeê we ons verweren kunnen.”

„Bah! als we ons maar bij elkaar aansloten.”

„Ja, enkelen van ons hebben zich immers aangesloten—bij de directie,” meende de timmerman.

„Ja, en wat heb jelui nu voor dat ellendige gekruip.”

„Dat zal mettertijd wel blijken.”

„Ja, dat zal ’t wel,” bromde Steffensen nijdig; hij begreep de toespeling.

De verjaardag van den professor was een feest voor de heeren van de stad, en vooral na den [77]dood van zijn vrouw had het groote diner langzamerhand een eigenaardigen vorm aangenomen met traditioneele toasten en wonderlijke plechtigheden.

Abraham was nog voortdurend in een strijdlustige stemming; maar er was geen aanleiding tot een uitbarsting. Clara was vriendelijk en beminnelijk, zacht als een lam. Ze had namelijk een gesprek met haar schoonvader gehad, waarin zij het er over eens geworden waren, dat Abraham tegenwoordig zenuwachtig was en dat men maar wat met hem meêpraten moest om te voorkomen dat het erger werd.

Ook aan tafel viel er niets voor, dat hem aanleiding kon geven op een of andere wijze een uitval te doen; iedereen was even zacht gestemd en zat innig vergenoegd te knipoogen.

En naarmate hij de roes bij de anderen zag toenemen en zelf onbekommerd meêdronk, werden de strenge lijnen van den maatschappelijken strijd uitgewischt en de aanrukkende kolonne der arbeiders werd overstemd door het vroolijk gerinkel van glazen en vorken.

Hij stond op en ging naar het hoofd van de tafel om te klinken met zijn vader, zooals op dien dag de gewoonte was.

De professor stond dadelijk van zijn plaats aan tafel op en trok zijn zoon naar ’t venster, waar ze samen konden spreken, zonder door het geraas van den feestdisch gestoord te worden.

„Ik wist wel, dat je komen zoudt—mijn beste jongen,” zei de professor hartelijk en legde den linkerarm om zijn schouders.

Abraham werd bewogen en stotterde; maar zijn vader ging voort: [78]

„Er kan wel allerlei humbug zijn bij velerlei dingen in deze wereld; maar je moet de beteekenis van een goede vriendschappelijke verhouding tusschen arbeiders en werkgevers niet te laag schatten; hoe nauwer ze aan elkaar verbonden worden...”

„Men verbindt zich niet nauwer aan de arbeiders met champagne en zilver,” antwoordde Abraham dapper; nu was het hem ernst; hij had een idee, waar hij meê voor den dag wilde komen.

„Hoe meen je dat?” vroeg zijn vader en trok zijn arm terug.

„Ik was vandaag beneden bij de arbeiders, Vader.”

„Ja, ik zag je daar.”

„En ik heb me heelemaal bij hen aangesloten; ze schaarden zich allen om mij heen.”

„Heb je een vereeniging gesticht?” vroeg zijn vader koel.

„Neen—geen vereeniging—geen bepaalde vereeniging; maar we hebben ons bij elkaar aangesloten—weet u.—Zoo’n heel hartelijke aaneensluiting—zooiets trouwhartigs, ziet u...” Abraham sprak onzeker en kreeg een kleur. Was ’t toch niet eigenlijk iets heel belachelijks, wat hij gedaan had? Maar ’t gezicht van den professor helderde op tot het straalde:

„Dat is goed—dat was uitstekend van je, Abraham. Zóó moet het juist zijn. Geen dwaze vereeniging die den enkele bindt.”

„Dat bedoelde ik juist,” viel Abraham hem in de rede. Hij kreeg nu al zijn moed terug.

„...en die alleen maar dient om kleine eerzuchtige wezens omhoog te helpen, zooals b.v....” de professor legde weer zijn arm om de schouders van zijn zoon en fluisterde hem vertrouwelijk in ’t oor,—[79]„zooals b.v. onze waardige vriend daar, de bankdirecteur Christensen.”

Abraham lachte—gevleid als hij was doordat zijn vader zich met hem vroolijk wilde maken over den machtigsten man van de stad, die nog wel in al zijn waardigheid op drie pas afstand van hen zat.

„Weet u, waar hij van achteren op lijkt, Vader?—op een olifant,” fluisterde Abraham.

„Ja, je hebt gelijk,” lachte de professor; „maar het gaat niet aan, dat we hier onze waardige gasten staan uit te lachen. Ik dank je hartelijk, Abraham; je hadt me vandaag geen beter cadeau komen brengen; juist in die ongedwongen verhouding tusschen ondergeschikten en superieuren zie ik een gezegenden weerglans van den goeden ouden tijd en een hoop voor de toekomst. Groet je volk van mij.”

Zij scheidden met een handdruk en gingen ieder naar zijn plaats aan tafel, waar de algemeene vroolijkheid hen spoedig weer meêsleepte.

Maar Abraham was dien geheelen avond als buiten zichzelf van blijdschap en hoop op de toekomst. En hij eindigde met in uitgelatenheid zijn vrouw alle trappen op te dragen, toen zij naar bed moest. Hij had in ’t leven ingegrepen, zich in den strijd van den dag geworpen; maar hij had al half overwonnen. Zijn vader stond aan zijn zijde, zijn groote, bewonderde vader! [80]

[Inhoud]

VII.

Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters, die uitzagen op den tuin van het huis—een ouderwetsche, stille stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. ’s Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en ’s winters lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van ’t onbetreden grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor stapten en de pooten schudden.

De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor den chef stond een prachtig bronzen inktkoker—de godin van ’t geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand; ’t was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara met eigen handen met bloemen beschilderd.

In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en teekeningen en fotografieën van Fortuna. [81]

Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen, dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af, waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen, Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam en berichten van en aan den principaal bracht.

Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan ’t hoofd van den grootsten omzet in de stad stond.

’t Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af te nemen.

Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets te vullen. Toen kreeg hij smaak in ’t financieele leven en liet er zich geheel door meesleepen.

Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl zich aan ’t hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als ’t ware opgroeiden in zijn voetstappen—onder zijn handen, en die plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en welvaart in ruimen kring verspreidden. [82]’t Groote vermogen van zijn vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken.

Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die op het bedrijf betrekking hadden en deze „Fortunawissels”—zooals zij in het kantoor genoemd werden—liepen met zijn eigene samen over al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van ’t werken van ’t huis kreeg. ’t Was intusschen niet alleen door ’t kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden; men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud; maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden, werden ze telkens vernieuwd.

Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan ’t eind van de wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen, dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw wisselstroompje [83]werd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween.

Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan achteraan kwam Christensen,—hij, die vroeger altijd de eerste was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben, dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en „interessentskaber,” bezette alle posten, bestuurde de banken, en hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden.

Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen—hoog geacht en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in leven en sterven—allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede houden moest.

Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,—het eenige wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige overtuiging uit te spreken.

Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag met welbehagen rond in zijn kantoor.

Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had hij gevoeld [84]hoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was.

En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde de aanbidding.

Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde—ja, dat een zekere nonchalance tegenover kleinere collega’s tot de voorrechten van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als eigenmachtigheid zich op wilde werken.

Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor, waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten met groote sprongen over ’t grasveld stoven met de staarten in de hoogte, om in huis te komen.

De professor was wat zenuwachtig—bijna plechtig gestemd; zijn zoon had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen, de huisdokter van de jongelui boven, was ook in ’t kantoor geweest om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw aanstaande was. [85]

Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel, voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien.

Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan.

De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur toch vandaag? Ze waren pas—eergisteren—bij elkaar geweest op de bestuursvergadering van de fabriek; ’t ging niet heelemaal zoo goed daar, als men verwacht had.

De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag, in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de groote gebeurtenis boven bij de jongelui.

„Goeden morgen—Mijnheer Christensen!—Gaat u uit in dien storm?”

„Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht te zeggen.”

De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten, en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd; dat stond den professor ook niet aan.

„Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende, die ik—ten minste voorloopig—niet op een bestuursvergadering wil aanroeren.”

„Ja, dat dacht ik wel;—Mijnheer Christensen schrikt gauw.”

„Ja zeker, al te gauw,” antwoordde Christensen goedig; „maar ik ben om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen.” [86]

„Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek.”

„Daar hebt u gelijk in—Professor, dat kan men niet,” antwoordde de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn stoel en streek zich over ’t gezicht, ernstig en waardig met al de zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den toestand voelde.

De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar krans reikte.

Een oogenblik stilte—dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven.

„’t Is geen uitlokkend reisweer,” zuchtte de bankdirecteur.

„Moet u op reis?”

„Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk.”

„Maar dat doet u toch nog vooreerst niet.”

„’t Zal niet zoo lang duren; want van ’t jaar wil ik ’t eerste seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten van ons—groot en klein—zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen.”

„Dat geloof ik volstrekt niet,” riep de professor levendig. „Lieve hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich een stuk in den kraag te drinken,—geen muziek, geen theater, geen openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat ’t leven hier nog grijzer en treuriger worden zal; [87]ik wil liever hopen, dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter, vroolijker leven voor groot en klein.”

„Ja, laat ons dat hopen—Professor. ’t Doet goed u zoo vol vertrouwen te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt.”

„Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen, hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet.”

„Die gaan nu niet allen even goed.”

„U bedoelt...?”

„Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar bedrijfskapitaal te kort komen zal.”

„Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten voorraad, waarvan de verkoop...”

„waarvan de verkoop ons schade geven zal,” viel de bankdirecteur hem kalm in de rede; „en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo’n geduldig crediteur—dat geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden.”

„Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt,” antwoordde de professor met een handbeweging.

„Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar.”

De professor maakte een ongeduldige beweging. ’t Had hem moeite genoeg gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging.

„Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen te vragen en [88]dat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening,” zuchtte de bankdirecteur.

„Neen—nu moet ik werkelijk lachen!—vindt u, dat u te veel aandeelen in Fortuna hebt?”

„Wilt u er misschien vijf van koopen?”

„Koopen?—nu, goed dan!—Ik koop vijf van uw aandeelen.”

„Wat geeft u er voor?”

„Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari.”

„Goed,” zei de bankdirecteur. „Duizend gulden per aandeel. Wilt u er soms meer hebben?”

„U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen,” lachte de professor wat gedwongen.

„Ik slaap nooit goed in ’t voorjaar,” antwoordde de andere droog en stond op; ’t scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had.

Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: „U moogt uw aandeelen terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen.”

„Dank u zeer,” antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging heen door ’t bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,—dat was alles. En toch scheen ’t hem alsof er iets was bijgekomen, dat er vroeger niet geweest was—of iets weggenomen.

Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu toe was alles goed gegaan, [89]allen hadden hem bewonderd met ’t volste vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan dat, als hij—Carsten Lövdahl—eerst zich verwaardigde koopman te willen worden, dan moest hij—dat sprak van zelf—in alle opzichten boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen leefde.

Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan!

Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met leege handen—een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren ze profetieën.

Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af, ging naar ’t middenste venster en staarde naar beneden in den kalen, ingesloten tuin, waar de storm huishield.

Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte, dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van ’t huis was.

Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel om en dacht in eens weer aan den toestand boven.

Maar ’t was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse’s dik lichaam kwam voor den dag,—waardig, maar wat verlegen—in de lage deur.

„Pardon, Professor!—ik maak gebruik van mijn [90]kennis van uw huis, die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren doorgaan. Dr. Bentzen vertelde ’t me; en toen meende ik, dat een bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon doen; dit is immers een oogenblik—een gebeurtenis zoo verblijdend in ’t einde—dat willen we ten minste bidden en hopen.”

„Ik dank u, dominé,—dat is heel vriendelijk van u.”

„Hoe staat het er nu meê?”

„Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;—maar ’t is toch altijd...”

„Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan te roepen.”

De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden door tegen den storm in te loopen.

De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk, godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden; er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem aan te pakken.

En de predikant scheen even erg in de war. ’t Ging weer juist als de laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te spreken. Vandaag was ’t nu iets anders; maar de pauze werd lang en de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde ’t eene been over ’t andere, zag van de godin van ’t geluk naar den kapelaan en zei—zoo in ’t voorbijgaan:

„Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?” [91]

„Ja, Professor!—dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna.”

„Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad.”

„Zeker, zeker!”

„En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen.”

„Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst.”

„En die wordt van ’t jaar niet minder.”

Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw Clara te vergeten, die daarboven lag.

Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn borstzak maakte:

„U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld, als ik een beetje over had.”

Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel een pak van den bankdirecteur Christensen.

De professor maakte het open; ’t waren de vijf aandeelen voorzien van de formeele overschrijving.

„Hij heeft haast,” mompelde de professor geërgerd.

„De bode wacht,” zei Marcussen.

„Waar wacht de bode op?”

Marcussen fluisterde: „Ik geloof dat hij iets van contant geld zei.”

De professor week achteruit: „Nu dadelijk! na [92]banktijd?—wat zijn dat voor praatjes!—Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten.”

Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond, die precies op ’t beeldje op den inktkoker leek.

De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere:

„Zijn dat aandeelen in de fabriek?”

„Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij gelaten heeft.”

„Verkoopt hij ze dan?” vroeg Kruse voorzichtig.

„Neen, verre van daar! ’t was een oude afrekening, een liquidatie, eigenlijk een soort vriendelijkheid.”

„Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?”

„Ik weet het waarlijk op ’t oogenblik niet. We zullen ’t Marcussen vragen.”

Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was: „’t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven pari.”

„Ja, natuurlijk,” antwoordde de professor en boog zich ver achter den lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed naar de wangen stijgen; ’t was voor ’t eerst, dat hij een zaak als deze probeerde.

De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad met zijn dikke hand.

„Mooie papieren,” zei hij glimlachend. „Was het niet 7 procent verleden jaar?”

„Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar... [93]een idee! dominé!” riep de professor vroolijk, „neem u ze! ’t zijn juist stukken voor u; hebt u er lust in—als ’t u belieft!... vijf stuks.”

„Wilt u ze verkoopen, Professor!”

„Ik wil mijn belofte houden: u te helpen.”

„O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn.”

„Och, daar worden we ’t wel over eens,” meende de professor. Hij keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. ’t Was voor ’t eerst, dat hij koopman in ’t klein zou zijn; hij voelde hoe de grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen—de grenzen, tusschen dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was.

Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die iets achtergelaten, een herinnering—een richting aan zijn gedachten gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden.

Nu hij eenmaal koopman was, moest hij ’t ook heelemaal zijn. ’t Ging niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien—op deze zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna, en kon hij ’t eene oogenblik een waar koopen en die in ’t volgende wat duurder verkoopen—dat was immers ’t principe van den handel,—volkomen „fair play”. Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon:

„Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor een [94]duizend en vijftig gulden per aandeel; dat is vijf procent boven ’t betaalde bedrag.”

„Staan ze niet hooger?”

De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel meer kunnen vragen; maar hij antwoordde:

„Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar...”

„Dank u wel!—ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u.” Op ’t gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde.

„Wel, dat mag ik graag zien,” riep de professor, „een contante post.”

En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna het overige in kleine biljetten te samen f 5250.

De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij:

„U hebt zeker een groot gedeelte van ’t vermogen van uw vrouw in de zaak van Mijnheer uw vader gestoken?”

„Neen,—Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past.”

„Dat kan ik me wel begrijpen,” lachte de professor, „Jörgen Kruse heeft zeker geld genoeg.”

„Denkt u dat?”

„Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal zooveel hebben.”

„Hoe dat?” [95]

„Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn inkomen verdubbelen.”

„Meent u dat werkelijk?”

Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn jas toeknoopte en afscheid nam.

Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden, klonk een scherpe, snijdende gil door het huis.

Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en procenten eindigde,—vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen.

Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem weer terug: „Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen.”

„Juist wat ik dacht; we moeten hopen—hopen en bidden,” zei de predikant en stak zijn hand uit; en ’t was hun beiden, terwijl ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven.

Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den knop voor de electrische bel.

„Marcussen—geef dezen brief aan de bode van Christensen.”

Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, telde [96]ze en borg ze zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen à pari had gekocht; hier had hij in een half uur tweehonderdvijftig gulden op diezelfde papieren verdiend.

Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde, en eindigde bij de godin van ’t geluk, die hem half zwevend haar krans toereikte.

Op ’t zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam binnenstuiven—bleek, met ’t gezicht van aandoening vertrokken. De tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij ’t zelf wist. Hij wierp zich in de armen van zijn vader:

„Een zoon—Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke jongen!”

„Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij geloofd!” [97]

[Inhoud]

VIII.

De lente kwam vroeg, maar langzaam; ’t was nog vrij koud ’s morgens als Abraham naar de fabriek ging.

Maar de lucht was frisch en licht en ’t was een gelukkige tijd voor hem. Terwijl Clara ziek was,—en dat duurde lang,—woonde hij in zijn zoogenaamd kantoor, waar zijn vaders boeken stonden; hij at beneden bij den professor of ergens anders en had het vrije leven van een ongetrouwd man, wat hij zeer aangenaam vond.

Zijn vrouw zag hij daarentegen weinig; ze vond het niet prettig als hij kwam. Clara was veranderd, ze was nadenkend geworden en lag liefst heel stil.

Ze had vreeselijk geleden; haar fijn, weinig ontwikkeld lichaam was zoo mishandeld geworden en ze dacht, dat ze nooit weer geheel herstellen zou.

En dàt was het, waar ze aan lag te denken. Als ze zich herinnerde wat ze doorgemaakt had, voelde ze een rilling langs haar rug gaan tot in de punten van de teenen toe, en als ze in een onrustigen slaap viel, richtte ze zich met een schok op en meende, dat het weer van voren af aan beginnen zou. Verscheiden keer per dag vroeg ze of het zeker was, dat ze weer als vroeger worden zou—heelemaal? Alle mogelijke maatregelen en [98]de grootste voorzichtigheid paste ze gehoorzaam en geduldig toe en dacht er aan als de dokter of de baker wat vergaten. Over haar gezicht was ze gerust, als ze vermoeid den handspiegel neêrlegde: de huid was zelfs blanker geworden.

In de eerste dagen bekommerde Mevrouw Clara zich niet zooveel om haar kind.

„Ze is te jong; wacht maar,” zei de baker.

Maar zij kon bijna niet verdragen den vader te zien. Als hij zijn gezicht vertoonde, achter het gordijn, glimlachend en overgelukkig, maakte zij een ongeduldige beweging en verzocht hem heen te gaan. Ze was zoo moe.

En hij ging zingende heen naar zijn fabriek, nadat hij zijn oogen had verlustigd met dat kleine geelachtig gerimpelde propje, dat in de wieg lag. Daar buiten onder ’t volk was hij ’t best op zijn plaats.

Marcussen was onontbeerlijk op het kantoor in de stad, zoodat het dagelijksch toezicht op het bedrijf op Abraham rustte; dat deed hij ook het liefst. Kantoorwerk was hem nog altijd vreemd gebleven.

Maar van ’t eene werk naar het andere te gaan, met ’t volk te praten, naar vrouw en kinderen te vragen, en vooral een beetje dokter te spelen—dat was juist een werkje voor Abraham. Hij was zoo blij als hij hen mocht helpen in ziekte en bij ongelukken. Maar het moest een beetje in ’t verborgen gaan, want Dr. Bentzen was de dokter van de onderneming. Intusschen begrepen de arbeiders spoedig, dat het de ambitie van den jongen Lövdahl was een even goed dokter te zijn als Bentzen, en ze vonden gauw uit, dat hij beter was. In dezen tijd, toen de vadervreugde hem zoo licht om het hart maakte en zijn gedachten zoozeer innam, voelde hij minder behoefte om Greta te bezoeken; en zij [99]miste hem ook minder, nadat men haar verteld had, dat Mevrouw Lövdahl een zoon gekregen had. Abraham sprak er niet over, want hij had een gevoel alsof het haar hinderen zou; maar hij merkte duidelijk, dat zij het wist.

Greta was ook niet ontwikkeld als andere jonge meisjes; het onvaste en overdrevene in haar vaders karakter had ook haar kennis van ’t leven onvast en grillig gemaakt; maar nu was ze zelf volwassen; ze wist ongeveer wat er met Mevrouw Clara gebeurd was en daarna voelde ze minder vreugde als Abraham kwam.

Greta Steffensen had van haar vader geleerd, dat het leven een bloedige onrechtvaardigheid is; dat eenigen mogen genieten en millioenen lijden. Als hij goed aan den gang was kon ze gloeien van ergernis of stroomden de tranen uit haar oogen.

Maar zij had het goed wat haarzelf betrof. Met al zijn gebulder was Steffensen in den grond teer voor haar; alle menschen hadden haar altijd zacht gestreeld en „arme Grete,” gezegd, op een manier, die haar goed deed.

Zij kon niet zien—dat was waar; ’t moest iets wonderlijks zijn, dat licht, dat ’s morgens kwam, en dat ze aan haar open oogen voelen kon. Maar lieve hemel! zij had het zoo goed in andere opzichten.

Zoo was het leven tot nu toe voor haar voorbij gegaan: geregeld werk en een opgeruimd gemoed hadden er haar boven op gehouden; nu was ze bijna negentien jaar en begon sterker te worden.

Maar nu was ’t alsof alles stil stond. Dat kind, dat die vreemde dame ter wereld gebracht had, en dat Abrahams stem van vreugde deed trillen hoewel hij er nooit over sprak,—dat kind veranderde heel het leven voor Greta Steffensen. [100]

Wat haar vader haar had uitgelegd, dat zij, die blind was, geen kind kon verzorgen, klonk haar nu als dom gepraat. Zou zij haar kind niet kunnen verzorgen—zijn kind! Ach—dat zou ze geen oogenblik alleen laten; zij zou het zoo vast—zoo vast houden!—en ze drukte haar hoofdkussen tegen haar warme borst in slapelooze nachten, die vol tranen en halfbewuste ellende waren over die jeugd, die verdorren moest—die liefde, die verwelken zou, zonder iemand tot vreugde te zijn.

De onrust in zijn huis had ook dit gevolg voor Abraham, dat hij meer tijd kreeg om zijn vrienden onder de ongetrouwde jongelui te bezoeken. Hij bracht vooral vaak zijn avonden bij Peter Kruse door. Wel was er een groot verschil in leeftijd tusschen hen; maar Kruse was een gemoedelijke kerel; je dacht nooit aan zijn ouderdom.

„Dat is toch niet waar!” riep daarom Abraham op een dag uit, „je bent toch nog geen veertig!”

„Ik ben waarempel al vijf en veertig,” antwoordde Kruse kalm en streek over zijn dun haar.

„Dat zou ik nooit gedacht hebben. Je moeder is toch nog zoo oud niet.”

„Ja, zie je... ik kwam ook tamelijk vroeg op de wereld,” antwoordde Kruse glimlachend. „En vrouwen houden zich ook langer goed.”

„Och welneen! Vrouwen worden veel gauwer oud.”

„Ja, enkelen; maar kijk nu b.v. eens naar Mevrouw Gottwald.”

„Mevrouw Gottwald!” riep Abraham, „zij ziet er toch even oud uit als jij.”

„Och—onzin, kinderpraat!” stoof Kruse plotseling op. „Mevrouw Gottwald ziet er waarachtig even jong uit als je vrouw.”

Abraham wou grappig zijn, liet de pijp uit den [101]mond vallen, sperde de oogen wijd open en riep:

„Brand!—brand in een oud huis!”

Maar toen werd de goede Peter Kruse heelemaal wanhopend; hij knorde en vloekte een paar maal geweldig.

Hij was inwoner geworden bij Mevrouw Gottwald en woonde boven in de drie kleine kamers. Waarom hij van huis was weggegaan, waar zijn moeder hem zoo graag had willen houden wist niemand met zekerheid; maar Abraham leidde uit enkele woorden af, dat Maarten op een of andere manier schuld aan deze verhuizing had.

Over zijn broeder Maarten sprak Peter Kruse niet graag; daarentegen had hij ’t druk over zijn gastvrouw, en Abraham had ieder oogenblik aanleiding om: „Brand!” te roepen.

„Och, schei nu uit,” zei Kruse uit de hoogte. „Je ben heelemaal niet grappig.”

„Ja, maar je vindt dus—in ernst, dat ze jong, mooi en rijk is—ja, want ze is wel rijk ook.”

„Neen, rijk geloof ik toch niet, dat ze is,” zei Kruse goedig, „maar ze heeft wel een spaarbankboekje met een paar honderd kronen.”

„Hoe weet je dat?”

„Ik heb het boekje gezien.”

„Kijk eens hier!—dus jelui ben al aan de geldquæstie toegekomen.”

„Ja, zooals je ziet; maar weet je wat ze met dat geld doen wil?”

„Vermoedelijk voor jou een nieuwe pruik koopen.”

„Neen—wees nu eens even ernstig! Stel je voor: ze heeft ’t vaste plan een mooi monument op te richten op het kerkhof voor haar zoon;—je weet immers, dat ze een zoon had?—hm! je kent die geschiedenis wel?” [102]

Ja, Abraham wist het wel; hij voelde een steek in het hart, zooals altijd als hij aan den kleinen trouwen Marius dacht en de bouquet, die hij eens gekregen had. Hij werd opeens ernstig genoeg en luisterde maar half naar Kruse, die doorging met het bespreken van Mevrouw Gottwalds aangelegenheden, die hem blijkbaar in hooge mate interesseerden.

Abraham stond op om heen te gaan; ’t was nog vroeg in den avond. De zon stond laag in ’t westen en scheen onder de laatste zware wolken door, die na een regendag naar ’t zuiden dreven. Hij kreeg lust naar Greta te gaan; ze zag zoo bleek toen hij ’t laatste bij haar was.

Peter Kruse ging meê om wat frissche lucht te scheppen en terwijl ze voortliepen, zei hij:

„Ik begrijp niet, Lövdahl, dat je dien Steffensen kunt uitstaan.”

„Hij is vermakelijk; er zijn werkelijk veel wonderlijke ideeën in zijn hoofd.”

„Een fraseur, een oude gek!”

„Voor een eenvoudige arbeider, vind ik toch...”

„Een arbeider! zeg je. Verbeeldt je je misschien, dat een arbeider in dezen tijd met zulke holle praatjes aankomt? Neen, zie je, Steffensen kan wel goed genoeg geweest zijn in zijn jeugd, tien à twintig jaar geleden; toen waren menschen als hij noodig om de arbeiders wakker te schudden met groote woorden en goed klinkende zinwendingen. Maar de arbeiders van heden zijn wakker en vrij wat meer ontwikkeld; daarom loopt Steffensen rond als een oude schreeuwer. Je ziet zelf wel, dat hij niet den minsten invloed onder ’t volk heeft.”

„Ze begrijpen hem niet.”

„Ja, òf ze. Ze doorzien hem en lachen om hem. [103]Er zijn vrij wat meer solide eigenschappen noodig om vertrouwen en invloed onder onze arbeiders te winnen; zij zijn waarachtig verder gekomen dan de meesten van ons weten.”

„Hoor eens Kruse!” zei Abraham en lachte. „Nu zijn we onder vier oogen en je weet, dat ik ’t over ’t geheel met je eens ben wat de meeste van je nieuwe ideeën betreft. Maar zeg me nu eens eerlijk: Geloof je niet, dat je in je haat tegen de steunpilaren van de maatschappij geneigd ben je lieve kleine burgers wat te veel in de hoogte te steken?”

„Ik geloof alleen wat ik weet. En dat is, dat in dit land de bovenste lagen van de maatschappij een paar geslachten stil gestaan hebben, terwijl een heel nieuwe levensbeschouwing de kamers van de denkers en boekengeleerden heeft verlaten, om in de maatschappij van onder op door te dringen als een levende stroom van bruikbare kennis van ’t leven, zooals het in werkelijkheid is.”

„Waarom alleen van onder op?”

„Omdat de tijd de steunpilaren van de maatschappij angstig maakt. Hun pers heeft hun zoolang de ooren vol gepraat over anarchie en de heerschappij van ’t gepeupel, dat als je maar komt met een klein voorstel van politieke vrijheid of invloed van ’t volk, ze dadelijk meenen, dat er sprake is van hun geld te deelen en hun vrouwen en kinderen prijs te geven. Maar op die manier, dat begrijp je wel, leeren die menschen niets ter wereld.”

Abraham lachte.

„Maar je kleine burgers dan! Wat leeren die?”

„Ten eerste lezen ze niet de couranten van de steunpilaren der maatschappij, waarin de heele wereld op den kop gezet wordt in usum Delphini, doode gedachten met versche scheldwoorden opgedischt; [104]een wegdoezelen van de werkelijke trekken van den tijd en een dagelijksch herhalen van de oude oer-waarheden, dat er schurken in Amerika wonen en „communards” in Parijs, de wijsheid in Christiania en de deugd in Stockholm;—dàt lezen ze niet.”

„Dat is altijd iets,” meende Abraham.

„Ja zeker—dat is nog niet zoo weinig!—Maar zij lezen, waar bijna niemand van ons aan denkt,—zij lezen en herlezen duizende brieven, die ons elk jaar toestroomen van de Noren in Amerika. Zie je, dat is een bron van ontwikkeling beter dan alle couranten en boeken. Want daar leert het volk voor ’t eerst van zijn eigen familie, in zijn eigen taal, uit zijn eigen gedachtenkring—het eenigste wat een mensch door en door begrijpen kan. En denk eens aan al die kritiek, die in die brieven ligt over al onze toestanden van onder tot boven, heldere, gemakkelijk te begrijpen oordeelvellingen en vergelijkingen van neven en nichten of van Oom Lars, die zoo geloofwaardig was en die allen kennen.”

Abraham liet hem uitspreken en antwoordde maar met enkele woorden; hij was in zekeren zin welsprekend—Kruse, als hij aan den gang kwam; en er was veel in wat hij zei, wat Abraham bewonderde.

Maar zich geheel bij hem en zijn opvattingen aansluiten, dat kon Abraham niet. Hij vond als ’t ware geen waarborg in die kleine, radicale rechtsgeleerde, die hij al van zijn jongensjaren af had leeren beschouwen als een gevaarlijk, half verachtelijk mensch.

Toen ze afscheid namen voor het huis van Steffensen spraken ze af elkaar te ontmoeten in [105]de arbeidersvereeniging, waar Abraham na het feest veel vertrouwen en de plaats als vice-president verworven had.

Terwijl Kruse verder ging en zijn toespraak in zich zelf voortzette, trad Abraham het kamertje binnen, waar hij Greta op haar gewone plaats midden in haar werk vond.

„Je ziet zoo bleek, Grete! voel je je niet beter?”

„Ja, dank je, veel beter; je medicijn smaakt niet lekker, maar ik vind, dat ik er sterker van word.”

„’t Is zeker wat bitter.”

„Och dat hindert niet; kom, ga zitten.”

„Je ben niet wel—Grete.”

„Ja zeker, hoor je. Scheid nu maar uit.”

„Ach, ik wou...”

„Wat wou je?”

„Als ik je alles zou vertellen, wat ik graag wou—Grete! dan werd ’t een lang verhaal.”

„Vertel maar en laat het maar goed lang worden.”

„Allereerst zou ik zoo’n vaste hand willen hebben als Vader had in zijn allerbesten tijd; en dan wou ik voorspoed en moed hebben—voorspoed vooral...”

„En dan?”

„Ja—dat kan ik niet vertellen.”

„Neen, nu moet ik wel lachen!—dat zijn de domste wenschen, die ik ooit gehoord heb; maar meer—nog meer domme wenschen!”

„Dan wou ik, dat ik op een stoomschip was.”

„Och ja! wie moest er meegaan.”

„Veel, heel veel menschen! Alle arbeiders op Fortuna.”

„Wie nog meer?”

„Jij moest meegaan.”

„Wie nog meer?” [106]

„Je vader.”

„Wie nog meer?”

„Mijn vader.”

„Wie nog meer?”

„Wil je nog meer meêhebben, Grete?”

„Wil je niet nog iemand meêhebben, Abraham?”

„Ik weet het niet.”

„Nu zeg je de waarheid niet.”

„Welnu, nog één dan.”

„Maar één?”

„Maar één!”

„Een heel kleintje?”

„Ja zeker, en dan moesten we...”

„Niemand meer, wel?”

„Neen, kind! nu zijn we dan aan boord; ’t is niet zoo’n vreeselijk groot schip; maar dan moesten we ver weg reizen.”

„Maar dan vielen alle anderen in ’t water behalve wij beiden, neen—wij tweeën, neen wij drieën, niet waar, Abraham.”

„Ja, als jij ’t beter kunt dan ik, dan is ’t maar beter, dat jij wenscht.”

Zoo liep hun gesprek, maar plotseling hoorden zij geraas; dat was Steffensen, die thuis kwam. De deur vloog open door een schop en een pak met olie bevlekte linnen kleeren vloog naar binnen, daarop een kist met werktuigen en eindelijk Steffensen zelf,—vuurrood, de handen diep in de zak, met uitpuilende oogen, maar stil,—stil als een kanon, vóór het afgaat.

Greta liet haar werk los en greep Abrahams arm.

„Vader!—u is ontslagen.”

„Ja!”—’t eerste schot bulderde los, „ik ben ontslagen binnentijds, op een verachtelijke manier. Steffensen, die uitdrukkelijk van uit Christiania hierheen [107]geroepen is om met die lorrige machines te werken, waar niemand hier begrip van had—mij hebben ze er uit gesmeten! Maar dat alles was nog zoo erg niet. Ik weet immers wel wat het lot van een gewoon arbeider is, en ik ken de bloedzuigers wel;—er was niets beters te verwachten; maar één ding brandt me in mijn ziel! Weet je waarom ik ontslagen ben—Greta!”

Hij ging vlak voor hen beide staan. En eerst toen drong het tot hem door—hevig bewogen als hij was, wie Abraham was.

„Ja kijk! daar heb je nou een van de hooge heeren. Wat zegt u er van? Hij kan ’t je vertellen. Vraag ’t hem maar, Greta!—dan kun je hooren wat er aan je vader mankeert.”

„Ik weet hier niets van, Steffensen! en ik kan eigenlijk niet gelooven, dat het mogelijk is,” antwoordde Abraham. Hij zelf was bleek geworden en hij voelde zijn drift opkomen, omdat de directie, of zijn vader dit toch gedaan had zonder er hem over te raadplegen.

„Nu als u dan niets weet, dan zult u en de anderen ’t hooren, voor den duivel! Ik ben weggejaagd zonder behoorlijke opzegging van te voren en zonder dat ze zich de moeite geven, een voorwendsel te zoeken, ze hebben me ronduit gezegd, dat ’t was om oneerbiedig optreden—hoor jelui!—wat zegt u daarvan?”

De man werd vuurrood en ’t was alsof hem de oogen uit ’t hoofd zouden springen: „Stel je voor! eerst moet je verdragen, dat ze alles bezitten, de aarde hier en de hemel hiernamaals—tot die vervloekte machines toe, waar je op loopt te passen zoo zorgvuldig alsof ’t je eigen vleesch en bloed was en dan willen ze nog, dat je ze eerbiedigen [108]zult!—En wie—Marcussen—dat zwijn—Lövdahl!...”

„Stil, Vader!”

„Hoor eens Steffensen!” zei Abraham en stond op. „Ik ben ’t met je eens. Dit is absoluut onverantwoordelijk van de directie en ik geef er je mijn woord op, dat je volkomen in je eer hersteld zult worden.”

Die woorden brachten Steffensen in de war; maar Greta riep blij:

„Ziet u wel, Vader! kom nu bij ons en wees kalm, u hoort, dat de directeur alles in orde brengen zal.”

Steffensen scheen ’t meest geneigd er weer op los te bulderen; maar hij kwam onder den indruk van de vastheid, die over de houding van den jongen directeur gekomen was, en toen Abraham was heengegaan, bromde de oude:

„Misschien zit er toch wel wat in dien jongen.”

„Ziet u wel!” riep Greta zegevierend. „U, die altijd gezegd hebt, dat hij precies als de anderen was.”

Steffensen zag haar aan en zei: „Als je nu toch eens teleurgesteld werd, Greta.”

„Ja, dan moest ik maar sterven,” zei ze zacht.

Maar Abraham liep met stormpas de stad in. Nu zou hij met allen afrekenen. De directie moest bijeenkomen. Hij was niet bang. Hij wilde vrijuit spreken. Ze zouden niet zeggen van de fabriek waar hij directeur was, dat bekwame menschen werden weggejaagd, omdat ze op een feest woorden spraken, die de groote lui niet aanstonden.

Maar eerst zou de slag geleverd worden tusschen zijn vader en hem. Er was toch een grens aan den kinderlijken eerbied; hij wilde zijn recht als volwassene eischen. Hoe uitstekend zijn vader in [109]alle opzichten ook was—’t viel toch niet te ontkennen, dat hij door dit leven tusschen al die geldmenschen niet weinig was veranderd.

Ook dat wilde Abraham hem zeggen—open en eerlijk, zonder heftigheid, en overigens er op staan, dat Steffensen zijn plaats behield en in zijn eer hersteld werd.

Hij liep zijn toespraak aan zijn vader in te studeeren en toen hij in de stad kwam, had hij die klaar; hij zou zóó beginnen: „Vader! ik kom mijn recht eischen als volwassene.”

De professor was niet thuis en dadelijk kwam bij Abraham de verdenking op, dat zijn vader op zijn komst was voorbereid en zich aan zijn eerste heftigheid wilde onttrekken; want zij hadden zoo vaak over Steffensen gesproken, dat de professor weten moest, dat dit Abraham krenken zou.

’t Dienstmeisje zei, dat de professor boven was. Abraham ging de trap op: nu werd het erger: hij moest de verklaring uitlokken in zijn eigen kamer, waar het stil moest gehouden worden voor de zieke, en waar de feestelijke rust om den jong-geborene heen ’t moeielijker maakte harde en scherpe woorden te gebruiken.

Maar dat hielp niet; nu moest het gebeuren; hij zou ze nu eens toonen, dat hij moed en wilskracht had als ’t er op aan kwam.

In de voorkamer lag een vreemde hoed en stok, maar hij dacht er niet over na en ging met vaste schreden de huiskamer binnen.

Hier kwam zijn vader hem te gemoet uit de slaapkamer. De professor hief de hand op en wilde iets zeggen; maar Abraham begon dadelijk, met gedempte stem, maar ernstig:

„Vader, ik kom om mijn recht...” [110]

„Stil, stil, in Gods naam—mijn jongen. Praat zoo hard niet,” fluisterde de professor en duwde hem de kamer weer uit in de voorkamer.

„Ik zal kalm zijn, Vader en zacht spreken; maar nu moet u me aanhooren.”

„Ja, ja lieve Abraham, maar op dit oogenblik...”

„Ik kan niet langer wachten, Vader.”

„Maar Bentzen is daar alleen.”

„De dokter!”—Abraham herinnerde zich opeens dien vreemden hoed. „Wat doet hij hier?”

„Ik had je een boodschap willen sturen, maar ik wist niet waar je was.”

„Maar mijn God!” riep Abraham; „wat is er dan? Is Clara ziek?”

„Neen, neen. Clara neemt het kalmer op dan ik dacht.”

„Maar wat is er dan, Vader? Zeg het dan!”

„Ik dacht, dat ’t meisje het je gezegd had. ’t Begon zoo, dat hij...”

„Hij!—kleine Carsten? Vader!—Vader, ’t zijn toch geen stuipen?”

„Neen, mijn jongen. Stuipen zijn ’t niet; dat wil zeggen...”

„U is er niet zeker van!—o Vader, laat me bij hem!”

„Neen, neen.—Wees nu kalm!—Ik zal naar binnen gaan. Mogelijk is ’t alleen maar wat koorts.”

„Ja, ga u naar binnen, Vader.—Gauw! en vertel u me wat het is. Groote God! Als we hem moesten verliezen!”

Hij stond voor het venster, terwijl zijn vader in de slaapkamer was. Hij stond in de oude ingesloten tuin te kijken, waar hij als kind had gespeeld; ’t grasveld werd groen en de knoppen van de lindeboomen zwollen op. [111]

Maar geen herinnering, geen gedachte kon plaats vinden in zijn hoofd—behalve dat ééne verschrikkelijke, wat in zijn licht bewogen fantaisie van een akelig voorgevoel aangroeide tot een halve zekerheid: ’t zou zoo moeten zijn: hij zou hem verliezen. Niets was waarschijnlijker; zwak en buitengewoon klein was de jongen, en met moeite was hij ter wereld gekomen. Stierven niet gezonde en normale kinderen bij massa’s op dien leeftijd? Neen—er was geen hoop. Hij voelde ’t zoo duidelijk.

’t Dienstmeisje kwam uit de keuken om te zeggen dat ’t water nu warm was en de professor kwam uit de slaapkamer om ’t bad in orde te maken. Terwijl hij Abraham voorbijging zei hij geruststellend:

„’t Wordt beter.”

Maar Abraham geloofde ’t niet; en de tijd ging voorbij. In de keuken hoorde hij water in de badkuip schenken; maar binnen bij kleine Carsten was alles stil. Geen enkel geluid, dat hoop gaf. Dr. Bentzen kwam de kamer uit.

„Nu, dokter?”—Abraham dacht, dat alles voorbij was.

„O, ’t gaat goed, heel goed,” antwoordde de dokter; en toen ’t dienstmeisje en de professor op ’t zelfde oogenblik met de kleine badkuip van ’t kind kwamen aandragen, zei hij: „Ik geloof niet, dat het bad noodig is—Lövdahl. De pols is nu vrij normaal; wat zwak; maar verder is ’t kind volkomen rustig.”

Beide doktoren gingen naar binnen, en Abraham bleef voor de dampende badkuip staan en luisterde. Hij durfde nog niet hopen:—de pols was zwak, had de dokter gezegd.

Na een lange, lange poos kwamen de twee heeren terug; zij slopen zacht voort en hielden de deurknop [112]vast; Abraham keerde zich naar hen toe met een vraag in elken trek van zijn angstig vertrokken gezicht.

„Hij slaapt; alle gevaar is voorbij,” fluisterde de professor.

Abraham wierp zich in zijn armen en barstte in schreien uit, zoodat ze hem verder weg moesten brengen.

Toen hij weer eenigszins in evenwicht gekomen was, zei Dr. Bentzen, die zich verkwikte met een glas portwijn:

„Ik zal je wat in vertrouwen zeggen,—mijn beste Abraham! Als we grootvader worden, dan worden we heel angstig; vooral als het een kleinzoontje geldt, dat onzen hooggeachten naam dragen zal.”

„Ja, achterna kun je wel moedig zijn,” meende de professor.

„Ach! je hadt me waarachtig wel met rust kunnen laten op de club, Professor! ’t Heele geval was niets anders dan een beetje koorts en dan misschien een beetje maagpijn.” Daarop dronk hij zijn glas uit en nam afscheid.

Zij gingen met hem meê naar beneden en bleven een oogenblik op de stoep staan. ’t Was laat geworden. De straat was leeg en stil, de avond mooi en zacht na den regen, en allen voelden zich min of meer verlicht na al die gemoedsbewegingen.

Maar eindelijk zei de professor:

„Nu, goeden nacht! nu wil ik graag naar bed. Ik ben zoo moe als na een langen dag praktijk in den ouden tijd.”

Bentzen ging heen en trok de huisdeur dicht.

Maar toen zij in ’t donker achterbleven zei de professor: „Ja, ’t is waar ook! Nu denk ik er aan: [113]er was iets, waar je me over spreken wou, Abraham.”

„Nu is u moe, Vader.”

„Maar ’t kwam me voor, alsof ’t iets heel gewichtigs was.”

„Ja, dat was ’t ook. Maar nu ben ik ook moe, om u de waarheid te zeggen. We laten dat rusten tot morgen. Goeden nacht Vader;—ik dank u.”

Steffensen?—Steffensen! hoe oneindig ver weg was hij niet van Abrahams gedachten; en hoe in de wereld had hij er aan kunnen denken zich om zooiets tegen zijn vader te verzetten—tegen zulk een vader!—Natuurlijk zou hij die zaak in orde brengen—morgen; maar dat kon immers wel in alle kalmte gebeuren.

Op de teenen sloop hij de slaapkamer binnen. Clara lag—bleek en mooi—in dat groote bed; en kleine Carsten sliep met zachte snikken in zijn heel klein neusje, en rimpeltjes in de fijne vingertjes, die op gepelde garnaaltjes leken, van de allerkleinste soort.

Toen ging ook Abraham ter ruste en sliep als een Patriarch tot aan den helderen morgen.

Iets onaangenaams hinderde hem dadelijk, vóór hij nog goed wakker was; dat was Steffensen. Maar hij zette dat op zij, belde en vroeg aan ’t dienstmeisje hoe het gegaan was.

O, goed! Mevrouw en de kleine hadden een rustigen nacht gehad.

Dat was het voornaamste; de rest zou wel in orde komen. Nadat hij Clara goeden morgen gezegd en er zich persoonlijk van overtuigd had, dat de kleine met de garnaalvingertjes wel bewaard was, ging hij naar beneden om te ontbijten.

Aan tafel begon de professor dadelijk:

„Ik dacht er gisteren avond laat nog over, wat [114]het toch zou zijn, waar je me over spreken wou, en ik kwam eindelijk op Steffensen.”

Abraham gaf toe, dat het zoo was; en nu begon de professor, steeds onder ’t eten, de zaak uit te leggen. De directie had eenstemmig zijn ontslag geëischt; de man was niet onontbeerlijk; hij was ook niet zoo arm als hij zich voordeed; men zei, dat hij gespaard had; daar kwam bij, dat hij een uiterst moeilijk heer was, slecht gezind en ontevreden. Er waren veel klachten van de andere arbeiders ingekomen; één had zelfs er op gewezen, maar alleen mondeling, dat er machineolie verdwenen was uit de machinekamer.

Abraham verdedigde Steffensen heel kalm en bezonnen; en de professor was bereid veel toe te geven. Vooral was hij ’t met Abraham eens, dat ’t dwaas was over een oneerbiedig optreden te spreken, dat moest iets zijn wat Marcussen verzonnen had.

Maar aan den anderen kant moest Abraham ook zijn vader hierin gelijk geven, dat hij tenminste niet anders had kunnen handelen. Wilde Abraham zich tot de directie wenden, dan stond hem dat natuurlijk vrij; maar de professor zou ’t hem om verschillende redenen afraden.

Abraham zou zich bedenken. En daarbij bleef het. [115]

[Inhoud]

IX.

De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te voren had gedaan.

Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn, als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben.

Wat vooral in Juffrouw Kruse’s verstandig kopje spookte, was een voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden waren en zich ’t leven zoo zuur maakten.

Ze dacht ’t meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel.

Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem geweest! dat moest ze toegeven.

En dan Maarten en nog erger—Frederika!

Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets te zien. Dat [116]waren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit, dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!—nooit een frisch jong lachen.

Maarten was dominé,—nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze lachten—lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. ’t Grootste genoegen was—dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;—hier nam juffrouw Kruse vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen, weg te breien.

Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren preeken over de tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge in uw gordelen hebben.”

’t Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden hun offer1 moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor ’t heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er over rijkdom geschreven staat; de beide mantels [117]en de rijke jongeling, de rijke man en Lazarus, de kameel en ’t naaldeoog—’t kwam alles in die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over, toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld; en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid.

Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart, en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij—als het jaar eens heel goed geweest was,—’t met de kerstgeschenken en ’t offer voor den predikant wat ruimer nam.

Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen, deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al ’t pijnlijke weg, wat uit den tijd van armoede overgebleven was; en [118]Jörgen, die altijd dik geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging.

Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve dat—hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine, dat—al had zij de huisdeur verguld—hij alleen gezegd zou hebben: „Ja Moeder,—daar zul je wel een bedoeling meê hebben.”

Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de eetkamer of naar boven verhuisden.

’t Eetservies veranderde ook. Ze waren begonnen met een stuk rookvleesch, dat op de tafel lag en waar ze om beurten een stuk van sneden, dat ze in de hand hielden en waar ze van beten.

Nu was Juffrouw Kruse zoover in haar ontwikkeling gekomen, dat ze eergierig werd wat damast tafelgoed betrof. Haar tafelkleeden en servetten blonken tegen de zilveren vorken en de glimmend gepoetste messen op; ’t huis was zooals ’t behoorde, een eenvoudig, solide, welgesteld huis.

Waarom moest ze nu op haar ouden dag daarmeê ophouden, en teruggaan naar de pijnlijkheid van de armoedige dagen? Zou het wezenlijk de bedoeling van Onzen lieven Heer zijn, dat elk dubbeltje ontelbare malen heen en weer gedraaid moest worden—dat men altijd op zijn dood moest zijn, dat ook niet de kleinste kleinigheid verspild wordt?

„Och! geen sprake van. Dat is nooit Zijn bedoeling,” zei Juffrouw Kruse halfluid en trok stevig aan de [119]kous, zoodat die een eindelooze lange dunne worst scheen. En dat verlangden ze toch van haar,—niet ronduit, maar door honderd kleine toespelingen—allebei, Maarten en Frederika. In ’t begin gaf ze er niet veel om; maar langzamerhand kon ze niet laten een steekje onder water te voelen in bijna elk woord, wat de jongelui spraken. Ze antwoordde niets; en lang meende zij, dat niemand anders het merkte, tot Peter op een dag plotseling zei:

„Zeg, Moeder!—ik heb drie kamertjes boven Mevrouw Gottwald gehuurd.”

„Maar mijn God! Peter! Waarom wil je uit huis gaan?”

„Vindt u niet, dat ik daar oud genoeg voor ben, Moeder?”

„Praatjes, Peter! meen je, dat ik niet aan je zien kan, dat je er een andere reden voor hebt!”

„Ja, dat heb ik ook. En als u weten wilt, welke dat is—dan is ’t omdat ik Maartens hatelijkheden niet langer verdragen kan.”

„Pas toch op je woorden, Peter! Heb je ’t ook gemerkt?”

Juffrouw Kruse keek onwillekeurig de kamer rond: „maar daar moet je je niet aan storen. Hij meent er niets kwaads meê.”

„Zoo?—Is u daar zoo zeker van? Hij heeft nu elken Zondag over de huishuur gesproken: hoe hoog die is en hoe goed zij ’t hebben, die ze niet hoeven te betalen; en dan valt zij meê in—zijn spaarpot!...”

„Stil, stil Peter! je kunt zoo raar praten. Frederika is een flinke vrouw. En stoor jij je maar niet aan Maarten; hij is wat wonderlijk, en je weet, dat je me een groot verdriet zou doen door heen te gaan.” [120]

„Ja, dat wist ik wel, Moeder, en daarom heb ik ’t zoo lang mogelijk verdragen; maar verleden Zondag, toen u uit was, vroeg hij mij hoeveel ik dacht, dat u in huur zoudt kunnen krijgen voor mijn kamers, als ik verhuisde.”

Juffrouw Kruse werd rood: „En dat zei Maarten tegen jou—Peter?”

„Ja, meent u, dat Mijnheer de kapelaan zich daarvoor geneert?”

„Hij is dominé—zie je,” mompelde de moeder aarzelend; en die gedachte verzachtte haar telkens.

Ze kon niets meer aan de zaak doen en Peter verhuisde.

Maar toen begon zij zijn nieuw tehuis in orde te maken; al zijn oude meubels en wat hij verder noodig had, liet zij naar het huis van Mevrouw Gottwald brengen; en ’t was haar een genot te zien hoe gezellig hij ’t kreeg.

Toen Mevrouw Frederika de volgende keer met haar man bij haar schoonouders kwam, om daar te eten, zei ze met haar eigenaardig zuur glimlachje:

„Zoo, hier is boedelscheiding geweest—hoor ik.”

Juffrouw Kruse schrikte op; maar ze antwoordde kalm: „Wat meen je daarmeê, Frederika.”

„Och, ’t was maar, omdat ik zoo’n verhuisboel van hier zag wegrijden,—eergisteren.”

„Maar kind, dat waren immers Peters meubelen, dat kon je toch wel weten.”

„O, zoo! ik wist niet, dat Peter ’t heele ameublement krijgen zou. Wist jij dat, Maarten?”

„Neen maar Frederika, hoe kun je nu zoo praten,” riep Juffrouw Kruse en probeerde te lachen. „’t Waren natuurlijk enkel de meubels, die hij altijd boven in zijn kamers heeft gehad.”

„Neen, pardon Moeder, dat was ’t niet.” [121]

„Maar ik verzeker je, Frederika.”

„Ja, Moeder hoeft mij geen rekenschap van haar doen en laten te geven; maar dat donkere mahoniehouten speeltafeltje—dat heeft ten minste in de voorkamer gestaan, in elk geval, zoolang ik hier in huis kom.”

„Ja, dat speeltafeltje!—daar heb je gelijk in,” antwoordde Juffrouw Kruse heel verlegen; „er waren misschien ook nog een paar andere kleinigheden bij; maar dat kwam omdat hij nu drie kamers kreeg en zoo was het er wat leeg, en toen...”

„Ja, lieve Hemel!—het gaat mij natuurlijk niet aan, wat u weggeven wilt; maar dan moet u niet beweren, dat Peter alleen zijn oude ameublement meê kreeg: eerlijk is eerlijk, dàt wil ik maar zeggen.”

Juffrouw Kruse drukte de lippen op elkaar. Ze wilde niets zeggen. En toch wist zij—en de anderen wisten ’t ook—dat de jonggetrouwden een flinke som van Jörgen gekregen hadden voor een ameublement, terwijl de oude rommel, die Peter meegekregen had, daar geen vierde part van waard was.

Dat alles wist Juffrouw Kruse, en ze wist ook, dat, als ze nu zweeg, Frederika een volgende keer nog vrijmoediger op zou treden, en toch zei ze geen woord.

Waarom?—ze wilde geen ongenoegen maken; en ook was ze een beetje bang voor die twee menschen die ’t zóó samen eens waren. En dan ook—hij was dominé.

Maar ze wist zelf niet, dat de ware reden, waarom ze allen strijd vermeed, deze was: dat ze te fijn voelde om tot hen af te dalen. En dat merkten ze en maakten er gebruik van.

Maarten was trouwens zoo onhandig, dat hij niet [122]zooveel kleine behendige steekjes kon geven als Frederika; maar hij steunde haar door daar zoo welgedaan en instemmend naast haar te zitten. Het eenige wat hij uit zich zelf bedenken kon, was te doen, alsof zijn moeder hem altijd bij Peter achter stelde. Maar als er iets was wat Juffrouw Kruse’s hart raakte, dan was het juist dit. Tusschen kinderen verschil te maken, was al meê het leelijkste wat ze zich voorstellen kon. En ’t allerergste was, dat haar geweten juist op dit punt haar niet heelemaal met rust liet.

Hij—Peter—was immers in den boozen tijd geboren en veel had ze nagedacht, terwijl ze hem onder ’t hart droeg—ongehuwd en onzeker hoe dit alles zou gaan.

’t Zou dus geen wonder zijn, als dit kleine zwakke kindje, dat bij haar geweest was in schande en zwaren arbeid, haar hart zóó vervuld had, dat er misschien niet precies evenveel plaats was overgebleven voor den kleinen dikzak, die zoo lang daarna kwam.

Maar ’t was niet waar—heelemaal niet waar, als iemand zou willen zeggen, dat ze Maarten niet even lief had, als ’t er op aan kwam; en nog minder waar was het, als iemand zou beweren, dat ze in woorden of daden Peter voortrok ten koste van zijn broer.

’t Ging integendeel zoo toe: uit vrees voor te dwalen door een geheime neiging overlaadde ze Maarten met weldaden, breide ze en spon, bakte en maakte zij in voor zijn huis, terwijl ze heel angstig werd als ze in alle stilte Peter een paar kousen toestopte. Maar of ’t nu kousen waren of een of ander kleinigheid in huis—een voetenbankje, een spiegeltje of zooiets, dat ze Peter gegeven had [123]voor zijn nieuwe woning—ze kon er zeker van zijn, dat, zoodra Frederika den volgenden keer de deur binnenkwam, haar oog juist op die leege plaats viel, al was die ook nog zoo klein, en dan kwam dat zure glimlachje of een of ander vlijmscherpe opmerking, die door de teerste vezels van ’t oude hart van Juffrouw Kruse ging.

Langzamerhand kwam het zoover, dat Juffrouw Kruse werkelijk dagelijks een beetje strijd voeren moest om haar huis in de eenvoudige welvarendheid te houden, die zij in de latere jaren had ingevoerd. Zelfs de oude Jörgen merkte het en werd zoo moedig, dat hij wat bromde over den wijn iederen Zondag. Maar zie, dat werd Amalia Catherine toch te kras, en hij werd zóó grondig onder handen genomen, dat hij daar niet meer meê aankwam. Maar met Frederika was het erger.

Op een zondag zei de jonge dominésvrouw:

„Ik geloof zeker, dat Moeder een halve koe zondags in die soep kookt.”

„Ja, maar die is dan ook zoo sterk, dat ik ze de heele week in mijn rug kan voelen; mag ik nog een schepje, Moeder.”

Dat was Peter, die zijn moeder placht te hulp te komen, als er een bui op komst was. Maar Frederika liet zich niet van de wijs brengen; ze wierp een snellen blik op haar man, die daar naast haar zat, bleek, vet en slap, maar heel waardig.

’t Was over ’t algemeen een merkwaardige ongelijkheid in het uiterlijk tusschen die twee, innerlijk zoo geheel overeenstemmende echtgenooten; want terwijl Maarten steeds dikker werd, was Frederika heel mager geworden na haar bruiloft. Het jeugdige in haar gezicht dat de eenigszins scherpe trekken afrondde, had zij verloren; en er was iets vogelachtigs [124]in de ronde oogen en de neus, die dor en spits geworden was.

Nadat ze kracht geput had uit een blik op Maarten, ging ze op dien vriendelijken, neerbuigenden toon voort, die Peter razend maken kon:

„Och ja,—als men meent, dat het er af kan en niet denkt aan al die vele monden, die verzadigd hadden kunnen worden met het vleesch, dat hier opgekookt is, om ons een onnatuurlijke—ja, ik noem dit „een onnatuurlijke sterke” soep te geven—niet waar? Maarten.—Ik vind het bepaald verkeerd, zoo’n overdaad.”

Er kriebelde en prikte iets in Juffrouw Kruse’s hart; zij wist door wat ze in de keuken hoorde heel goed wat de armen gewoonlijk bij de jonge dominésvrouw kregen; maar ze kon er niet toe komen te spreken over haar eigen weldadigheid en over wat ze met dat gekookte vleesch deed; daarom zei ze vriendelijk, maar met een ietwat bevende stem:

„Hoe maak jij dan vleeschsoep, lieve Frederika? Laat mij dat eens van je leeren.”

Frederika werd wat verlegen.

„Ja, dat kunnen we niet zoo heel dikwijls doen; maar verleden week of misschien de week daarvoor—toen kreeg je vleeschsoep, niet waar Maarten? Weet je ’t nog? je vondt ze lekker.”

„Die was misschien nog wel zoo lekker als die van Moeder,” antwoordde Maarten plechtig.

„Wel, dat doet me pleizier,” antwoordde Juffrouw Kruse en zette haar muts recht; „en wat had je dan in die soep gedaan, kind?”

„Ja, er was goed kalfsvleesch in en dan een volle lepel Liebig en dan wat gebruind meel.”

Maar toen was Juffrouw Kruse’s geduld uitgeput. Als er iets was wat zij als solide ouderwetsche [125]kookster haatte en verachtte, dan waren ’t zulke poespas-gerechten, en alleen al ’t woord Liebig kon haar tot een uitbarsting brengen.

Zij wendde zich geheel naar haar schoondochter en zei zóó levendig en met zooveel nadruk, dat haar mutsenbanden er van trilden:

„Ja, wil ik je eens wat zeggen—Frederika!—dan dank ik den hemel, dat ik zulke knoeierij niet hoef te eten.”

Peter barstte in hartelijk lachen uit. De oude Jörgen, die altijd eerst een poos daarna begreep wat er gaande was, keek van den een naar den ander, maar Frederika zat een oogenblik als verstomd. Ze kon van boosheid geen woord uitbrengen. Maarten—die stoffel—kwam haar ook niet te hulp, en plotseling barstte ze in luid huilen uit en vloog de eetkamer uit.

Maarten was bleek geworden; hij zei streng en verwijtend:

„Hoe kunt u ’t hart hebben, die arme Frederika zoo te mishandelen, Moeder.”

Ja zeker, dat was verkeerd, heelemaal verkeerd; maar het was haar zoo uit den mond gevallen, zei de moeder; ze had alweer vergeten, hoe het gekomen was en had enkel een gevoel, dat ze onaardig tegen haar schoondochter geweest was. En ’t eind was, dat ze de kamer uit moest gaan om Frederika op te zoeken, die ze snikkend op de sofa in de huiskamer vond. En daar moest de oude vrouw haar met veel verontschuldigingen verzachten om haar weer aan tafel terug te brengen. Maar die gebeurtenis werd voor Mevrouw Frederika een onuitputtelijke wapenkamer, van waar ze menig scherpe dolk haalde om haar schoonmoeder meê te kwetsen. En de oude vrouw had zoo oprecht [126]berouw, dat ze dit aannam als een rechtvaardige straf.

Intusschen was het gevolg van dit alles, dat de oude Juffrouw Kruse zich angstig en onzeker voelde in haar eigen huis; ’t kwam al spoedig zoover dat ook bij de kleinste kleinigheid, die ze deed, in zich zelf dacht: „Wat zullen Maarten en Frederika daarvan zeggen?”—En uren lang zat zij te peinzen bij haar breikous.

Maar altijd richtte zij zich met een ruk op en zette de breipennen aan ’t werk als die groote vraag bij haar opkwam: hoe zou ’t toch met Maarten zijn—hij, die een dienaar des Heeren zijn moest, en die toch klaarblijkelijk—dat kon ze niet langer voor zich zelf verbergen—die toch klaarblijkelijk verslaafd was—of in elk geval groot gevaar liep verslaafd te worden aan de zonde van de gierigheid? Hoe kon dat samengaan? Moest ze de gedachte plaats in haar ziel geven, dat haar kind een verharde huichelaar was?—neen—neen, dat kon zoo niet zijn; hij moest door de list des duivels verblind zijn voor ’t gevaar, dat hem dreigde. Als hij maar niet zoo stijf geweest was—zoo geharnast in zijn priesterwaardigheid, dan zou ze hem wel geholpen hebben; zij had immers die preek van proost Sparre in haar hart gegrift. Maar hij was als een groot hoog pantserschip en zij als een oud vrouwtje in een roeiboot,—zij kon niet naast hem gaan liggen en hem toeroepen, dat er klippen voor den boeg lagen.

Als men een oude vrouw ziet—gerimpeld en met keurig linnen aan, in een leunstoel met een breikous,—de kamer gezellig, met muurbloemen en schuine zonnestralen over ’t tapijt, dan heeft zij het goed, het oudje. [127]

En als ze dan toch de mutsenbanden schudt en zegt: „Ja, ja! de jeugd kan wel blij en luchthartig zijn; wij ouden moeten den last van ’t leven dragen,”—dan zou al licht de oneerbiedige jeugd denken: „De oude ziel! waar heeft zij zich over te beklagen? Ze zit daar in een rustig hoekje, en heeft afgedaan met den strijd en de teleurstellingen van ’t leven; ze breit onbekommerd voort, verdiept in haar herinneringen, tot de zon ondergaat.”

En toch!—er gaat zooveel om in zoo’n oud hoofd en ’t zou kunnen zijn, dat ze een zwaren last van de bitterheid des levens draagt, zooals ze daar zit, te midden van muurbloemen en zonneschijn, gerimpeld en met keurig linnen aan—een oude vrouw, die zit te peinzen bij haar breikous. [128]


1 Bij kerkelijke plechtigheden betalen de gemeenteleden in Scandinavië een zeker bedrag aan den predikant. Dat wordt „offer” genoemd.

[Inhoud]

X.

Daar rolt een stroom van goud van ’t eene land naar ’t andere. Waar de wereldhandel de groote sommen verplaatst vloeit die stroom in een breede, geweldige bedding, en naar alle kanten in tallooze vertakkingen gaan de kleine gulden stroompjes tot naar de verste achterhoeken van de wereld.

Maar boven op dien stroom kronkelt het blauw-witte schuim van de wissels rond.

Dat ziedt en ritselt en verspreidt zich in strepen over de heele aarde en loopt heen en terug in een onophoudelijke haast.

Maar als de groote goudstroom daar buiten daalt—dan snellen de kleine gulden wateraartjes terug van uit de uithoekjes van de wereld. Alsof de aarde zelf haar goud weer tot zich gezogen had—zoo verdwijnt het: eerst in de verste kleine kanalen, dan dichter en dichter bij, tot ook de groote vertakkingen inkrimpen en als tot ijs verstijven.

Maar juist als zulk een ijstijd nadert wordt het gewemel van de wissels steeds woester. Het schuimt en neemt toe, stijgt en stijgt als een opkomende vloed, drukt een smal, langwerpig streepje purper onder de deur door,—nog een, en nog een tot de deur meêgeeft en de losgebroken wateren heenspoelen over huizen en tuinen, velden en eigendommen, [129]’t groote en ’t kleine verwoesten, uit elkaar scheuren, doen splijten en voor alle winden heen jagen wat menschen met vlijt en liefde bijeen brachten. En daarna blijft niets over dan berouw en schande, vernedering en zelfverwijt, vervloekingen en tranen.

Niet eens de bankdirecteur Christensen had er een vermoeden van, dat een wereldcrisis naderde; maar zijn nooit falende neus begon te merken, dat de echte, onvervalschte goudlucht al zwakker en zwakker werd op sommige punten.

Daarom had hij een harden strijd te voeren, niet alleen met zijn vrouw, maar ook met zijn collega’s in de directie van de bank. De bank van Christensen—zooals die in de volkstaal heette—was opgericht door de eerste kooplieden in de stad en werd nauwgezet alleen tot hulp van den kring zelf gebruikt; maar Christensen, de eigenlijke stichter en oprichter behield altijd den grootsten invloed in ’t bestuur. Dat verdiende hij ook, omdat hij in de eerste moeilijke dagen zijn kracht en tijd ten offer had gebracht om de bank op te werken.

Daardoor kwam het ook, dat men hem de directeur van de bank bleef noemen, zelfs lang, nadat een gehonoreerd ambtenaar was aangesteld om de dagelijksche zaken te regelen. Maar men zei van Christensen, dat hij niet zou kunnen leven zonder een paar keer daags in zijn dierbare bank rond te snuffelen.

De strijd, dien hij nu voerde met zijn medebestuurders, liep over de zoogenaamde Fortunawissels. Christensen had zich in ’t hoofd gezet, dat hij ze uit de bank wilde hebben; zij moesten opgekocht worden, naarmate ze vervielen en niet weer vernieuwd. [130]

Dat zei hij intusschen niet in het openbaar; hij was een te nauwgezet koopman om ’t crediet van een onderneming te willen verzwakken—allerminst zoolang hij zelf aandeelen had. Maar hij werkte heel voorzichtig met toespelingen en schijnbaar onschuldige voorstellen, zoodat de anderen ongeveer de bedoeling wel konden vermoeden, zonder dat ze die behoefden te begrijpen of er in toe te stemmen; en de vergadering eindigde als gewoonlijk daarmeê, dat men met vage, onbepaalde woorden den president de handen vrij liet.

Groote kooplieden in een kleine omgeving haten elkaar altijd, omdat de een zich niet bewegen kan zonder den ander te hinderen; maar de bankdirecteur Christensen had een zeer bizonderen hekel aan Carsten Lövdahl. En dat niet alleen, omdat Lövdahl hem over het hoofd groeide; maar Christensen, die van kind af aan zich op den handel had toegelegd en zich zelf had opgewerkt,—rijk was hij pas door zijn huwelijk geworden,—hij kon ’t eenvoudig niet uitstaan, dat die trotsche man van wetenschap zich in de koopmanswereld indrong en daar den baas wilde spelen. Door allerlei intrigues en door middel van zijn invloed was het hem gelukt den professor buiten het bestuur van zijn bank te houden, waartoe Lövdahl anders natuurlijk zou zijn uitgenoodigd; en toen hij nu zoo half en half de toestemming van de andere bestuursleden had om de Fortunawissels te weren, wendde hij zich dadelijk tot den administreerenden directeur, die hem gehoorzaamde als een hond en gaf hem de noodige orders.

Marcussen kwam dus op een dag half lachend en half verbluft bij den professor binnen met een paar wissels in de hand.

„Nu zal ik u eens wat moois vertellen, Professor! [131]Rasmus komt terug van de bank van Christensen met de boodschap, dat de Fortunawissels tegen contanten moeten worden ingewisseld.”

„Welnu Marcussen, dan wisselen wij ze in. Christensen is werkelijk belachelijk met zijn angst.”

„Pardon Professor! maar er kan toch geen sprake van zijn, dat we alle Fortunawissels zullen inwisselen.”

„Bedoelde hij alle!

„Ja, dat heeft Rasmus begrepen, dat er bedoeld werd voor ’t vervolg.”

„Hoeveel kan de fabriek zoowat in Christensens bank aan wissels hebben staan?”

„Ik weet ’t niet precies; zoowat honderdvijftig à tweehonderd duizend gulden.”

„Maar Groote hemel!—Marcussen!—en dat moeten we tegen contanten inwisselen, nu dadelijk? een dezer dagen?”

Het bloed steeg den professor naar het hoofd; hij was zoo in ’t geheel niet gewend aan zulk soort verrassingen, dat hij dadelijk radeloos werd. De sombere voorgevoelens, waaraan hij al eens door Christensen’s schuld geleden had, kwamen hem nu weer bestormen. Wilde die man hem in ’t verderf storten? Was het mogelijk Carsten Lövdahl te ruïneeren. ’t Was ongehoord! absoluut ongehoord! papieren te weigeren, waarop zijn naam stond—en de schrik uitte zich in een stroom booze woorden over den bankdirecteur.

Marcussen luisterde verwonderd naar deze uitbarsting, maar hij was ’t er trouwens volkomen meê eens; hij ook voelde zich beleedigd in zijn zaak; en toen de professor zweeg, stelde hij voor, dat ze heel kalm Rasmus weer naar de bank terug zouden zenden, met de boodschap, dat het nu niet [132]schikte deze papieren in te wisselen. Dan kon de professor Christensen onder handen nemen, als zij elkaar eens ontmoetten.

Maar daar wilde de professor niet van hooren. Toen de toorn was uitgebarsten bleef alleen de schrik over; en hij begon Marcussen levendig uit te vragen of Fortuna niet iets te goed had in de boeken of contant in de kas.

Marcussen streek zijn mooie knevel op en vertrok den mond tot een schuinschen glimlach—ongeveer als wanneer de meisjes geld wilden hebben:—

„Als de professor werkelijk Christensens onbeschaamdheid verdragen wil, dan is er immers niets tegen die papieren in te wisselen.”

„Zoo—je hebt dus geld?”

„We hebben ’t niet liggen; maar we kunnen ons crediet gebruiken.”

„Crediet—Marcussen! Als de bank de wissels van de fabriek weigert is dat immers juist omdat ons crediet verzwakt is.”

„Pardon, Professor! maar in deze zaak gebruiken we ons crediet heelemaal niet.”

„’t Is een solide zaak, Marcussen.”

„Al te solide—ten minste in ons geval. Met den naam Carsten Lövdahl op ’t papier kan ik in acht dagen een millioen krijgen.”

De professor leunde achterover in zijn stoel, hij wist, dat het waar was. De naam was uitstekend; het groote vermogen, dat op eens losgemaakt was, had zijn zaak den naam gegeven van een van de meest solide en contante van de geheele kust, en Lövdahl hoorde dat graag.

„De fabriek heeft nog al veel schuld,” zeide hij.

„’t Beste zou zijn de fabriek naar den drommel te laten loopen,” zeide Marcussen openhartig. [133]

„Maar Marcussen, hoe kun je...!”

„Pardon Professor!—ik meende alleen, dat we wel veel doen voor die fabriek.”

„’t Zal gaan met Fortuna; je zult ’t zien,—jij en al die wijze heeren;—laat ons daar niet meer over praten.—Wat meende je met „ons crediet gebruiken?”

Marcussen zag zijn chef aarzelend aan; hij had zijn handelsopvoeding gekregen in zaken, die hun crediet zeer goed tot het uiterste wisten te gebruiken.

„Wij gaan naar de Noorsche bank en halen zooveel geld als we willen,” zei hij glimlachend.

„Maar waar dekken we dat meê?”...

Nu vond Marcussen dat ’t mooi genoeg was—al die onschuld. En hij verklaarde daarom vlug en vloeiend:

„We trekken voor de som, die we vandaag noodig hebben—b.v. op O. T. Falch-Olsen te Christiania met 6 dagen zicht, disconteeren de wissels in de Noorsche bank en zenden van avond per post ons drie maandsaccept tot dekking.”

„Hm, ja, dat zouden we kunnen doen,” antwoordde de professor; maar de zaak was eigenlijk dat hij, die er zoo laat aan begonnen was, niet zooals Marcussen met wissels om kon gaan; hij was daarvan altijd een weinig onder den indruk en liet graag zulke dingen aan zijn vertrouwden vertegenwoordiger over.

Marcussen voerde zijn plan in een ommezien uit en ging zelf naar de bank van Christensen om het genoegen te hebben daar eenige vriendelijkheden te zeggen.

De administreerende directeur kromp dan ook ineen als een worm onder Marcussens scherpe tong,—’t was dan ook werkelijk al te dwaas een papier [134]te weigeren, waarop Carsten Lövdahls naam stond.

Maar de bankdirecteur Christensen, die aan ’t ander eind van ’t kantoor stond en deed alsof hij een paar papieren doorzag, nam de zaak heel kalm op. En toen Marcussen weg was en de directeur een bescheiden opmerking wilde wagen over zijn al te groote strengheid, nam zijn chef alleen maar het geld, dat Marcussen gebracht had op, en hield ze den directeur onder den neus.

„Kijk eens naar deze bankbiljetten. Splinternieuwe banknoten uit de Noorsche bank!”

„Ja, wat meent u daarmeê?”

„Nu, dat beteekent geld opnemen op zijn eigen accept,” fluisterde Christensen, en ging heen, om verdere vragen te voorkomen. Maar de arme directeur was dien heelen morgen in de war. Zijn vertrouwen op den neus van den bankdirecteur was juist even vast als zijn overtuiging, dat Carsten Lövdahl solide was, en dat evenwicht hield hem in de pijnlijkste onrust.

Hij sprak ook met niemand over de verdenking, die Christensen in zijn ziel gezaaid had. En hoewel de naam van Carsten Lövdahl straalde in den glans van steeds toenemende macht, waren er toch op dit oogenblik eenige van die fijne, onzichtbare miasmen geboren geworden, die in de lucht zweven en zich verdichten tot een stil, zacht gesuis in ’t riet, een fluisteren in de hoeken, een zweem van een gerucht, geheimzinnige toespelingen, een vragen, dat ’t gerucht versterkt, algemeene spanning, tot de laster opeens opvlamt om een nieuwen naam die bedorven is, verteerd, versleten, gekauwd en weer uitgespuwd.

Maar in de zaak van Lövdahl kwam van dezen dag af nog meer leven en omzet. Marcussen was er de man voor om zijn crediet te gebruiken, en [135]de professor, die juist in dat jaar veel geld op koren verdiende, werkte met lust en vlijt en vond in Marcussen een medewerker, die hem kon volgen èn zijn plannen uitvoeren, en die—dit was ’t voornaamste—nooit verlegen was om middelen of met vervelende bezwaren aankwam.

De lange blonde knevel van Marcussen glansde en naarmate zijn positie als de eerste man op ’t eerste kantoor van de stad den kring van zijn kennissen uitbreidde, strekte hij zijn werk onder de dienstmeisjes uit tot hoogere kringen en was spoedig de ridder onder de dames. Dat verbeterde zijn naam niet, die even slecht bleef, maar wel zijn manieren; en zijn onbeschrijfelijke brutaliteit tegenover vrouwen maakte hem eenvoudig onweerstaanbaar. Onder mannen was hij vroolijk en ruw, vol van de ergste histories; een heerlijke kameraad—tot alles bereid—tot drinken en betalen; dat laatste deed hij uit een dikke portefeuille, waar de muntjes en de bonte bladen uit het boek der liefde door elkaar lagen.

Tegenover Abraham was hij altijd eerbiedig en nam nauwkeurig den afstand tusschen hen in acht. Maar juist daarom was Abraham, die daar niet van hield, dubbel vriendelijk en kameraadschappelijk. En daar het steeds meer bleek, dat Abraham het best op de fabriek thuis was, nam Marcussen langzamerhand de plaats op het kantoor in, die oorspronkelijk aan den zoon van den chef was toegedacht.

Maar Abraham had de handen vol,—allereerst in zijn dubbele positie als de officiëele leider en de geheime dokter van de fabriek; bovendien had hij heel wat werk van allerlei aard als vicepresident van de arbeidersvereeniging.

’t Was intusschen zijn lust en zijn leven bezig te zijn voor zulke dingen als het spaargeld van [136]de arbeiders, hun ziekenfonds en dergelijke zaken; ’t was dan ook door zijn positie aan de vereeniging, dat hij in staat werd gesteld de zaak van Steffensen in orde te brengen.

Toen hij namentlijk een paar dagen er over had loopen denken wat hij doen moest naar aanleiding van Steffensens onrechtvaardig ontslag, werd de heele zaak hem ten slotte uiterst onaangenaam om over te denken. En hij zou er zich misschien geheel van hebben teruggetrokken, als niet altijd het beeld van Greta weer teruggekomen was,—zooals ze daar zat met haar riet en wilgentakjes en op hem wachtte met dat sterke vertrouwen, dat hij niet meer kon ontberen.

’t Hinderde hem zóó, dat hij bijna niet tot zijn dagelijkschen gang naar de fabriek kon komen, omdat hij haar deur voorbij moest en wist, dat de oude in de kamer zat en haar telkens vertelde, dat hij haar deur voorbij ging.

Eindelijk nam hij zijn vriend Kruse in vertrouwen en vertelde hem de heele geschiedenis.

Kruse begreep alles. Hij zat zooals gewoonlijk, wat in elkaar gedoken en sloot de oogen half in een wolk van tabaksrook. In alle stilte zag hij dien sterken, knappen man aan, die geen raad wist met die kleine moeilijkheid en met een vlugge beweging sloeg hij de asch van zijn sigaar.

„Ik vind niet, dat je hier herrie over moet maken.”

„Neen, niet waar? Wat voor den drommel geeft dat ook—om iets wat eigenlijk zoo onbeduidend is; ging ’t om iets, dat de moeite waard was, dan zouden de hooge heeren ’t wel voelen...”

„Maar ik raad je aan om de zaak heen te gaan,” ging Kruse droog voort. „We maken Steffensen tot chef in den winkel.” [137]

„In de verbruiksvereeniging?”

„Ja, dat is toch ook een baantje, en nog niet zoo’n verkeerd baantje, als de handel blijft toenemen zooals tot nu toe.”

„Maar denk je, dat ze hem willen hebben? Je weet, hij is niet gezien onder de arbeiders.”

„We moeten onzen invloed gebruiken, zooals Christensen zou zeggen. Ik kan Steffensen niet uitstaan—dat weet je; maar ik geloof, dat hij geschikt is om den winkel te besturen; en ik denk ook, dat jij dien uitweg wel goed zult vinden.”

„Natuurlijk! Ik zou heel blij zijn...”

—„en nu nog iets,” viel Kruse hem in de rede en zag den ander met een fijn glimlachje aan: „’t Is voor die brave heeren van de directie heel goed te zien, dat de arbeiders zich zelf helpen; den man, dien zij zonder reden hebben uitgestooten, helpen de arbeiders zelf aan brood.”

„Ja, ja, ja! Daar heb je ook gelijk aan. ’t Is een prachtig idee! Dank je wel, Kruse! Ik dank je hartelijk.”

En Abraham sloeg het kleine mannetje krachtig op den schouder. Hij was verrukt, vol lust en ijver om aan den gang te gaan—direct!

Maar toen hij weg was stond Peter Kruse lang met dat bittere glimlachje op de lippen in gedachten verzonken en eindelijk zei hij in zich zelf: „Ja zie eens, zóó worden ze—zij, die de besten en moedigsten van ons allen zouden kunnen zijn!”

Abraham liep langzamer, naarmate hij dichter bij ’t huis van Steffensen kwam; hij bereidde het tooneel voor, maakte het plan en wist, toen hij de hand aan de deurknop bracht, precies hoe hij het zeggen zou en wat indruk het op die twee menschen maken zou. [138]

„Goedenavond Steffensen, goedenavond Grete! ’t is een heel poosje geleden, dat we elkaar zagen,” zoo begon hij met een zachte stem, alsof hij wat moe was.

„Ja, ik kan me wel voorstellen, dat u het druk gehad hebt,” bromde Steffensen.

Greta zeide niets, maar luisterde met hoopvolle verwachting.

„Ja, ik heb ’t druk gehad, met mijn eigen zaken en met die van anderen.”

Steffensen, die in ’t begin dwars en stug was blijven zitten, werd nu onrustig. Die dagen van wachten hadden hem gedrukt. ’t Was ook geen gekheid: een oud man met een blinde dochter en dan zonder werk! Wel was ’t waar wat men zei, dat hij wat geld op de spaarbank had, maar dat had hij altijd gehoopt Greta te kunnen nalaten. Als hij nu dat geld moest gebruiken dan was er voor haar geen ander vooruitzicht dan de armenzorg, als hij er niet meer was. Hij probeerde nog zich goed te houden, maar in werkelijkheid zat hij bevend zijn vonnis af te wachten.

„Nu,” zei hij zoo barsch als hij maar kon, „zal ik nu stoker blijven of niet?”

„Neen, je zult geen stoker blijven,” antwoordde Abraham kalm.

Hij voelde, hoe Greta, die naast hem zat, ineen kromp, maar Steffensen sprong op en begon te vloeken en te razen, zooals hij gewoonlijk deed. Abraham bleef heel kalm en had er pleizier in hoe het heele tooneel zich precies afspeelde zooals hij ’t zich had voorgesteld. Nu vond hij het oogenblik gekomen het beslissende woord te spreken.

„Herinner je je wel, dat ik beloofde de zaak in orde te maken?” [139]

„Jawel! En de oude Steffensen was dom genoeg het te gelooven.”

„Och, dat was nog zoo dom niet,” antwoordde Abraham lachend—„en toen ik eenmaal op me genomen had te helpen, meende ik, dat het ’t beste was ’t afdoende te doen. ’t Is een vrij hard werk met die machines, en in den winter voor de gezondheid gevaarlijk, zóó van de warmte in de open schuren—niet waar?”

„’t Is een ellendig werk, maar je hebt er toch je brood door.”

„Ja, je brood!—Er zijn verschillende manieren om je brood te verdienen, maar als je oud wordt dan komt ’t er op aan een manier te vinden, die voor je krachten past en je niet vóór je tijd om hals helpt.”

Steffensen voelde zich weer onzeker. Hij deed een paar stappen vooruit en keek Abraham met zijn strakke oogen vlak in ’t gezicht.

„Ik wilde je daarom de betrekking aanbieden van chef in den winkel van de arbeidersvereeniging.”

Steffensen was verbaasd. ’t Eerste wat in hem opkwam was de lust om op de knieën te danken voor die redding uit armoede en ellende.

Maar dat duurde maar een oogwenk; zijn lange haat tegen ’t kapitaal, zijn ingewortelde gewoonte om onverzoenlijk en misnoegd te zijn zat hem te diep in ’t bloed. Hij bromde maar wat van „dat je maar nemen moest wat zich voordeed als je eerst uit je werk getrapt was.”

Maar in werkelijkheid was hij zóó bewogen, dat hij naar de keuken ging, waar hij gedachteloos kopjes en emmers ging verzetten. ’t Was algemeen bekend, dat de vrouw, die tot nu toe den verkoop in den winkel bestuurd had, geld had overgelegd [140]en nu trouwen ging, ofschoon ze een weduwe over de vijftig jaar was.

Eerst toen de oude was heengegaan, keerde Abraham zich naar Greta om van zijn triomf te genieten, maar hij werd teleurgesteld door de uitdrukking op haar gezicht.

„Nu Grete?—ben je niet over me tevreden?”

„Jawel! Ik dank je wel! Vader is zoo bang geweest, maar ik wist wel, dat je zou helpen en voor hem opkomen. Dat heb je toch gedaan?”

„Ja, natuurlijk, dat kun je toch wel begrijpen,” antwoordde Abraham wat verlegen.

Greta werd dadelijk belangstellend, zoodat hij er haastig bijvoegde:

„Je kunt er van op aan, dat ik hen voelen liet...”

„Wat zei je? Toe vertel dat! wat zei je tegen hen? Was je vader er bij?”

Dat interesseerde haar klaarblijkelijk ’t meeste. Ze had haars vader bloed! En niets kwam haar zoo groot en heerlijk voor, als dat iemand zich tegen de machtigen verzette en hun de waarheid in het gezicht zei.

Nadat het ontwaakt bewustzijn van den geheelen omvang van haar ongeluk haar liefde zoo teer, zoo pijnlijk gemaakt had, was ze tegenover Abraham niet zoo gelijkmatig als vroeger; en terwijl ze nu haar gezicht naar hem toekeerde—zoo gespannen, zoo vol liefde, zoo begeerig hem nog meer te mogen bewonderen—ja toen had Abraham de kracht niet dit eenige menschenhart los te laten, dat hem heel zijn geloof—heel zijn vertrouwen gaf. En hij begon te liegen.—Opgewonden en door haar vragen geleid werd hij vindingrijk; hij had zoo vaak met haar de reis gemaakt door fantastische sprookjes. Deze keer waren ’t nu rondweg leugens; maar ’t leek er toch wat op. [141]

En hij gaf een referaat van zijn heele toespraak die hij had willen houden, en die zoo begon: „Ik kom om mijn recht te eischen.”—Ja, toen hij eenmaal aan den gang was gaf hij nergens meer om en beschreef hoe de heele directie gesmeekt had om Steffensen als stoker te mogen behouden; maar hij had het afgeslagen; hij—Abraham Lövdahl—zou de hooge heeren toonen, dat de arbeiders zich zelf kunnen helpen.

Maar te gelijkertijd voelde hij, dat hij vuurrood werd, toen hij haar liet beloven niets van dit alles aan iemand te zeggen, zelfs niet aan Steffensen.

Greta straalde en merkte niets en Abraham trachtte zijn slecht geweten gerust te stellen en nam haar bewondering aan. Nu was ’t maar goed, dat ze hem niet zien kon. ’t Zou hem onmogelijk geweest zijn zoo te doen tegenover een paar oogen, een paar niet te ontwijken oogen!

„Wat scheelt je? Abraham! Waarom loop je van me weg? Waar ben je? Kom weer hier en ga zitten.”

„Neen Grete! ik moet weg. ’t Is al laat. Goeie nacht!—ik kom gauw terug.”

Abraham keerde van zijn triomftocht terug met gebogen rug, schuw en zoo wonderlijk slap in de beenen. Niets van alles wat hij probeerde, hielp. ’t Was waarlijk geen kleinigheid wat er gebeurd was; want ’t waren leugens, echte, zonneklare leugens! Hij had wel vroeger al gelogen zoo in ’t klein; maar nooit zóó laf, zóó met opzet.

En een paar groote, diepe oogen hadden als ’t ware plaats genomen in dat blinde gezicht en een oogenblik voor hem gestaan. En hij kon ze niet ontwijken, wat hij ook deed en hoe hij zich wendde en keerde; hij moest aan zijn moeder denken, met pijn en tegenzin, maar hij moest! [142]

Naarmate de tijd voorbij ging en hij in ’t werk in kwam kreeg ook de kapelaan Maarten Kruse veel te doen. Zijn priesterlijk ambt nam hij waar door Zondags te preeken op zijn beurt en een of ander bijbellezing te houden, zoodat de leekenpredikanten geen voorwendsel tot aanmerkingen zouden hebben. Maar overigens werd zijn tijd eigenlijk gezegd—door zeer wereldsche zaken in beslag genomen, en hij werd een trouw bezoeker van Lövdahls kantoor—altijd door de achterdeur.

’t Nieuwe principe van Marcussen, dat het crediet gebruikt moest worden, maakte het wenschelijk voor de zaak van den professor meer en solide endossanten te hebben. Tot nu toe had men bijna geen andere namen noodig gehad dan Consul With, maar nu zou ’t goed zijn er meer te hebben; en Marcussen stelde de oude Jörgen Kruse voor.

De professor legde toen den kapelaan uit hoe ’t eenvoudig dwaas was in tijden als deze geld te laten liggen voor nauwelijks vier procent en ’t gevolg werd spoedig, dat er voorzichtig handelsbetrekkingen werden aangeknoopt tusschen Jörgen Kruse en Carsten Lövdahl.

De oude Jörgen moest de geschiktheid voor zaken doen van zijn zoon bewonderen, al was hij ’t niet altijd eens met de jongelui als ze geld opnamen. Maar hij kon toch over ’t geheel niet tegen Maarten op, want zoodra er oneenigheid kwam werd de zoon opeens predikant en dan wist de oude Jörgen niet hoe hij zich houden moest. Zoo kwam heel wat van Kruses goed bewaard geld voor den dag—„om in de zaak van Lövdahl gestoken te worden,”—zooals Maarten ’t noemde en de rente was een aardig sommetje bij de eerste half jaarlijksche afrekening, dat moest de oude Jörgen zelf toegeven. [143]En langzamerhand werd het gewoonte onder de menschen om hun spaarpenningen naar Carsten Lövdahl te brengen; de hoogere rente, die hij gaf maakte, dat de sierlijke „rekening-couranten” van Marcussen verre boven ’t spaarbankboekje te verkiezen waren.

En toen de oude Jörgen eerst den smaak beet kreeg van deze inkomsten, verkregen zonder moeite en bijna zonder risico, gaf hij zijn dwaze kleingeestige voorzichtigheid op en werd bijna nog begeeriger dan zijn zoon om met die schitterende zaak van Lövdahl aan den gang te gaan, waar zooveel goud uit vloeide.

Toen Maarten Kruse zijn vrouw voor ’t eerst de renten van ’t geld bracht, dat langzamerhand bij Carsten Lövdahl geplaatst was, legde Mevrouw Frederika haar magere armen om den hals van haar man en fluisterde:

„Dat is zeker bijna zeven procent, Maarten.”

„Dat weet ik niet; ik heb ’t niet nagerekend,” antwoordde Maarten met waardigheid; „maar ’t schijnt wel alsof een rijke zegen dien man begeleidt.”

„Maar dit geld—zullen we dat niet in de bank zetten? Dat is toch zekerder.”

„Zooals je wilt, Frederika.”

En toen werd dit geld in de bank gezet.

Maar acht dagen later zei Mevrouw Kruse:

„Weet je Maarten, hoeveel we in deze week verloren hebben?”

„Hebben we wat verloren?”

„Door die rente—je weet wel—in de bank te zetten in plaats van bij Lövdahl hebben we meer dan drie gulden in één week verloren.—Ik heb het uitgerekend.”

„Zoo!” antwoordde haar man teleurgesteld, en er ontstond een pauze. [144]

De predikant zat in zijn vaders couranten te lezen—zij werden ’t eerst bij de jongelui gebracht;—en Mevrouw Frederika was bezig een hoed te maken van een zwarte das, die Maarten niet langer gebruiken kon, omdat hij altijd met een witte das liep.

„Zeg eens,” zei eindelijk Mevrouw Frederika, „vind je niet, dat er iets verkeerds in is om zoo ’t geld te verspillen. Denk eens aan deze drie gulden. Wat hadden we daar niet voor kunnen koopen!”

„Of ze weggeven, Frederika.”

„Ja zeker, denk eens aan hoeveel armen hadden we niet met dat geld kunnen voeden, die nu niemand ten goede komen?—Ik geloof wezenlijk dat je naar den professor moet gaan—ja, want je ben toch wel zeker van hem?” en alsof die vraag alleen haar al ontzette, richtte zij haar scherpe vogel-oogen op haar man.

Maarten antwoordde door van uit de hoogte de schouders even op te halen.

„Wil je, dat ik dat geld ook naar Lövdahl breng?” vroeg hij.

„Ja, je moet maar doen wat je wilt; maar ik vind wel,... ja, je weet dat ik van zulke dingen geen verstand heb; maar ’t komt me voor, dat het eenvoudig verkeerd—zonde—is iets verloren te laten gaan.”

Toen Marcussen den volgenden dag in het kantoor van den chef geroepen werd door de electrische bel, riep de professor hem opgeruimd toe:

„Je hadt gelijk, Marcussen! De dominé is hier geweest met het geld.” [145]

[Inhoud]

XI.

De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het heele geluk te voelen van een kind te hebben;—dat zou wel komen.

Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen, die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden toeëigenen.

Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand van hadden hoe ’t kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets, dan was ’t altijd doordat de verpleegster of ’t dienstmeisje—of iemand anders—iets doms of verkeerds gedaan had.

Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen volkomenheid; daarom moest het zijn—en opgroeien als—een manlijk evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en aan de familie en vrienden, aan de versmaadde [146]balcavaliers, ja voor de heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk van Clara Meinhardt.

„’t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom beschouwt,” zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij het kind te komen.

„Ja, dat doe ik;—dat spreekt!”

„Maar ik dan!” riep Abraham lachend, „je behandelt me heelemaal als oud kruit.”

„Wat is dat nu voor onzin?”

Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen.

„Ja, dat kan hij ook,” antwoordde Clara zonder een spoor van een glimlach.

Maar Abraham lachte; hij wilde dit niet in ernst opnemen; hij wilde gelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den jongen wel naderen, later! ’t Was zoo natuurlijk, dat de moeder den eersten tijd heelemaal voor hem zorgde.

Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien moest hoe lief hij was—kleine Carsten in ’t bad.

En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten, terwijl ’t kind—oprecht gesproken—’t meest op een zieken aap geleek.

De professor was zóó vol van dat kind, dat hij ’t stof van een paar geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging „repeteeren.” [147]’t Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen, dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in zijn groot kantoor van verre ’t geluid van ’t schreien van een kind hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen hem glimlachte.

Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar kind, want zij had er geen en ’t scheen ook niet, dat ze kinderen krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben.

Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten.

Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in ’t eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en—Liebig niet te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken, die zij moesten eten.

Op andere oogenblikken,—b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard—vooral met een verfijnde manier van uitpingelen; op ’t oogenblik, dat ze de kookvrouw vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden.

Voor Mevrouw Frederika was een bezoek en [148]vooral een partij in dat huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op ’t allerzuinigste uit te zuinigen.

Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; ’t moest vreeselijk zijn aan ’t hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de armoede,—ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig.

Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op een of de andere manier tot haar konden komen—ook werkelijk kwamen; dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en werd zeer bewonderd.

Neen—als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou ’t haar man zijn;—hij was met zoo weinig tevreden,—dàt moest ze bewonderen.

Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;—hem kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en dergelijke zaken.

Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,—en behalve dat had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke betrekking. En in ’t huis van den kapelaan was ’t daardoor langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw, [149]die trouwens bijna geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon.

—Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in ’t oude huis—ja in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op ’t ijs, champagne en raketten.

’t Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en ’t gejubel van alle kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs, de Garmans—maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien—behalve dat van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid.

Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat het door, slag op slag met feesten en partijen.

Zij, die geld over hebben, halen ’t voor den dag en zij, die ’t niet hebben kunnen ’t met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen.

Maar die champagne wordt nooit betaald en als [150]een vreemde klant vele jaren later verbaasd wordt door ’t vinden van een prachtige zijden stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman: „Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd,” en hij schudt weemoedig zijn gefailleerd hoofd.

Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor, die dat juist „la haute finance” vond: bals, concerten en maskeraden ’s avonds en groote omzet, massa’s brieven en expedities ’s morgens op het kantoor.

Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken.

Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam.

Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw—„de strijkplank” genaamd—hem scherp in ’t oog hield. En dat was noodig; want de naam van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen.

Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in een voortdurende verwarring te houden. In ’t eerst lette hij niet op haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken. [151]

Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de stad onweerstaanbaar was. Nu zou ’t haar amuseeren dien mooien lompen visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van uit de hoogte.

En hij beet dadelijk—maar ze trok te vroeg aan het snoer.

Want hoe weinig fijn Marcussen ook was—een vrouw bedroog hem niet gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine wenken tot toenadering te willen begrijpen.

Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder—wou hij niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot Clara waagde te zeggen:

„Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen.”

„Wat meen je?”

„Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan...”

„dan je vaders kantoorbediende?—dat was ’t zeker wat je zeggen wou; ja, jij meent ’t nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid en gelijkheid. Als ’t er op aan komt, ben je een belachelijke aristocraat.”

„Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen...”

„Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien.”

Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen.

Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat hij zou verklaren wat hij met zijn [152]insinuaties meende; waarom hij haar allerlei verwijten deed en...

„Nu, nu Clara! antwoord me nu eens: vind je werkelijk, dat Marcussen fatsoenlijk is.”

„Hij is mooi, veel mooier dan jij.”

„Ieder zijn smaak!” antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, „maar vindt je dat hij beschaafd is.”

„Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren.”

„Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden staan?”

„Je zoudt ’t altijd kunnen probeeren. Maar nu wil ik weten, wat je mij tegenover Marcussen te verwijten hebt.”

„Zijn naam...”

„Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wil jij misschien den eersten steen werpen?”

„Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar ’t verwondert me, dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,—dat jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles heen schijnt.”

„Je ben jaloersch,—ja, dat ben je.”

„Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch.”

„Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten, dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen...”

„Nu, wat zou dat?” [153]

„Wat dat zou?—ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!” riep Mevrouw Clara, „je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen; terwijl jij van je vrouw verlangt...”

„Wat meen je, Clara? Ik?—”

Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden koud als glas.

„Greta Steffensen,” zei ze halfluid.

Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk gebruik van.

„Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt.”

„Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! ’t is immers een arm blind kind.”

—„Ja blind moest ze ook wel wezen—”

„om door mij bekoord te worden?” ging Abraham voort en moest er toch om lachen.

„Dat wou ik heelemaal niet zeggen,” antwoordde Clara en wendde zich af.—Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze zelf voelde, dat het al te dwaas was.

Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij ging zei ze—met de stem van haar moeder:

„Hoe dat alles nu zijn mag—ik verzoek van je jaloezie verschoond te blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen zorgen. Goeie nacht!”

Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij had immers al spoedig ingezien, dat [154]het onmogelijk was de dwepende liefde te bewaren, die hij in ’t begin voor haar had gevoeld en wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends vermoeden kon.

Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen beantwoording vond, keerde zich naar Greta,—natuurlijk en zonder dat hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk en rechtschapen wilde zijn.

En voor hem, die telkens in de kleine dingen van ’t leven uitweek, waar hij recht door zee had moeten gaan;—zweeg, waar hij had moeten spreken—werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof ’t zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,—dat juist hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen, die hij in ’t begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot groote lastige dingen met lange schaduwen. [155]

Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor te liegen!

Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad was echt en waar, maar ’t waren juist de versierselen, waar Greta ’t meeste prijs op stelde.

Hij vertelde—en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval—ze werden hem liever dan al ’t andere. Niet alleen, dat hij ’t geluk genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het leege, slappe van zijn leven.

Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd nooit moede te vragen en te bewonderen.

—Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon—waar hij rondweg ’t huis voor ontweek—was een eigenaardig soort vroomheid, die Clara bezig was in te voeren.

Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet.

En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstige [156]bijeenkomsten met een kopje thee en een predikant.

De professor schertste in ’t begin met zijn mooie schoondochter over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was ’t alsof hij ’t anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich gaarne ontheven zag.

Dit:—dat zijn vader meêdeed—kon Abraham ’t allerminst verdragen; want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar ’t avondmaal met Clara.

Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging hem daarom maar uit den weg.

Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in ’t kantoor.

Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen.

Abraham nam lachend de pen.

„Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!”

„’t Is ook alleen maar voor den vorm,” zei de professor snel, en nam het papier aan. „Mijn naam is ’t voornaamste.” [157]

„Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en wordt er geen greintje vetter door.”

„Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!”

„Ach Vader! Ik word toch nooit zoo’n koopman als u.”

„We zullen zien, mijn jongen,” antwoordde de professor; maar lang nadat Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,—in onrustige gedachten. [158]

[Inhoud]

XII.

„Mijnheer de bankdirecteur!—nu begin ik in ernst te gelooven, dat u me tegenwerkt.”

„Volstrekt niet, Professor! integendeel! Niemand kan er meer naar verlangen u te helpen dan ik.”

„Te helpen?—Dank u! maar ik heb waarlijk geen hulp noodig.”

„Neen, neen. U begrijpt me verkeerd, ik meende alleen, dat in deze slechte tijden—”

„Och, die crisis is een idee fixe van u, Mijnheer Christensen, en u weet, ik geloof er niet aan.”

’t Gesprek had een heele poos geduurd en de beide heeren waren tamelijk opgewonden—ieder op zijn manier. Vooral was ’t gezicht van den professor als gevlamd, en hij speelde zenuwachtig met zijn lineaal.

Christensen was kalmer; hij snuffelde alleen wat meer dan gewoonlijk en keek rond in het kantoor.

„Welnu, Professor Lövdahl—crisis of geen crisis—één ding is zeker. En dat is, dat Fortuna hoe eer hoe liever moet liquideeren.”

Dat kwam zóó plotseling,—dat de professor een oogenblik als verstomd bleef zitten met wijd opengesperde oogen.

„Moet dat een grap verbeelden, mijnheer Christensen?” [159]

„In ’t geheel niet, helaas! Ik dacht, dat u ’t volkomen met mij eens zoudt zijn: u moet den heelen toestand immers nog beter kennen.”

„Ja, dat doe ik ook; en ik kan u verzekeren, dat er in ’t geheel geen sprake kan zijn van de mogelijkheid waar u van spreekt. Maar nu zal ik u eens wat zeggen, Mijnheer Christensen! U hebt, van den dag af, dat ik administreerend directeur van Fortuna werd, gedaan wat u kon om mij te doen vallen en toen u dat niet lukte, hebt u geprobeerd de fabriek zelf te schaden; daarom komt u met al uw bezorgdheid op de algemeene vergaderingen, en om dezelfde persoonlijke redenen hebt u de Fortunawissels uit uw bank verdreven.”

„Persoonlijke redenen? Professor!”

„Ja, ik noem dat persoonlijke redenen;—want dit alles komt, doordat uw ijdelheid niet verdragen kon, dat ik president werd toen Mordtmann heenging; nu weet u het!”

De professor was geheel buiten zich zelf en liep de kamer op en neer; Christensen voelde aan zijn neus en glimlachte zoowat achter zijn hand:

„Laat ons beiden niet over persoonlijke ijdelheid spreken, Professor Lövdahl!—’t Zou beter zijn als we gezamenlijk het ongeluk trachtten te dragen. Die fabriek is—een mislukte onderneming—laat ons maar beginnen met dat te erkennen.”

„Volstrekt niet—dat wil ik in ’t geheel niet erkennen. De fabriek is goed en wordt goed bestuurd; maar de samenloop van omstandigheden is buitengewoon ongelukkig geweest.”

„Ja, dan ben ik genoodzaakt u te zeggen, Professor,—dat mijn bezoek bij u vandaag ten doel had er u op voor te bereiden, dat ik voornemens ben op de eerstvolgende algemeene vergadering een [160]voorstel in te dienen tot liquidatie van de fabriek.”

„Ga uw gang”—antwoordde de professor, keerde zich om en ging naar het middenste venster in de kamer.

Hij was zoo heftig bewogen, dat hij ’t een poos lang niet begreep; maar terwijl hij daar in den tuin staarde, waar de crocussen zich langs den kant van de paden begonnen te vertoonen kwam de geheele toestand met al zijn gevaar hem helder voor den geest.

De positie van Fortuna was helaas uiterst slecht—niemand wist dat beter dan hij zelf, die met groote persoonlijke offers de fabriek in leven en in oogenschijnlijken bloei gehouden had. ’t Was niet onmogelijk, dat de aandeelhouders, als ze volkomen over den staat van zaken werden ingelicht, de voorkeur zouden geven aan een liquidatie, en dan zou hij zelf staan als iemand, die zijn medeburgers verlies berokkend had; zijn heele positie, al de aanbidding, die hem zoo lief, zoo onontbeerlijk geworden was—’t zou alles weg zijn.

Maar iets veel—veel ergers rees in vage omtrekken voor hem op: als de fabriek failliet ging zou zijn naam half bedorven zijn, zijn crediet zou een stoot krijgen, de allergrootste moeilijkheden konden daaruit voortvloeien. Carsten Lövdahl voelde dat zijn knieën knikten; dàt mocht nu niet gebeuren; de tijden waren werkelijk dreigend. Alles kon nog terecht komen; als hij maar tijd had! Een oogenblik zonk zijn moed zóó zeer, dat hij er aan dacht zich te verootmoedigen en Christensen te vragen zijn voorstel niet in te dienen.

Maar terwijl hij zich weer tot den bankdirecteur wendde, die langzaam zijn handschoenen aantrok, kreeg hij een goeden inval: [161]

„Als u zoo angstig voor uw aandeelen in Fortuna is, dan is ’t beter, dat ik ze overneem. Hoeveel hebt u op ’t oogenblik?”

„Ik heb er tien, maar ik kan niet verwachten, dat u ze weer terug zult nemen, Professor.”

„Wees u maar niet bekommerd over mij,” zei de professor en lachte wat uit de hoogte, „de vorige vijf aandeelen, die ik van u kocht, heb ik een half uur later met winst verkocht.”

„Waarlijk?”—antwoordde Christensen beleefd. „Zoudt u ook deze aandeelen voor den vollen prijs willen overnemen?”

„Tegen pari—zooals laatst—natuurlijk,” antwoordde de professor, „en dan hoop ik, dat u zult inzien, dat uw voorstel de fabriek te liquideeren minstens ontijdig wezen zou.”

„Nu kan er van dat voorstel immers geen sprake meer zijn; nu ik niet langer aandeelhouder ben, treed ik natuurlijk uit de directie op de eerstvolgende algemeene vergadering.”

Die wending had de professor niet voorzien. Als Christensen uit de directie van Fortuna ging na al zijn aandeelen te hebben verkocht, dan was dat een even doodelijke slag voor de fabriek als zijn voorgenomen voorstel.

De professor maakte daarom een afwijzende beweging.

„Neen, neen, Mijnheer Christensen!—niet op die manier! U hebt mij niet goed begrepen. Als ik nu uw aandeelen overneem, dan gebeurt dat niet om een of ander oogenblikkelijk voordeel—dat weet u heel goed; maar ik doe dat uit belangstelling voor de fabriek. Ik verlang daarentegen van u, dat u niet alleen dat voorstel niet indient, maar dat u ook de directie steunt, speciaal mij, [162]als president; en dat u over ’t geheel op de algemeene vergadering zoo optreedt, dat het vertrouwen in de fabriek, niettegenstaande het ongelukkige bedrijfsjaar, bij de aandeelhouders niet geschokt wordt.”

„Ja, maar ik kan toch niet goed op eenige manier optreden, als ik niet langer zelf aandeelhouder ben.”

„Dan houdt u een paar aandeelen,” zei de professor, maar omdat hij dadelijk den ander aan kon zien, dat hij ze kwijt wilde wezen, verbeet hij zijn ergernis en ging voort: „of laat mij ze liever alle tien nemen—zooals ik eerst voorstelde, dan kunnen immers een paar aandeelbewijzen onovergeschreven blijven liggen, bij u, voor den vorm, ten minste tot na de algemeene vergadering. Dat is immers een volkomen particuliere transactie tusschen ons en raakt uw belangstelling niet, voor de fabriek die u immers zelf hebt helpen stichten en waarvan de bloei u zoo zeer aan ’t hart gaat.”

„Dat is wel waar. Ik wou alleen maar, dat u geen grooter assistentie van me verlangde dan mijn overtuiging toelaat.”

„Ja, ziet u! mijn waarde Mijnheer Christensen,” zei de professor half schertsend; „u is immers angstig van nature.”

„Zullen we niet liever zeggen: „voorzichtig” Professor?”

„Neen, laat ons zeggen: angstig, dat is toch ’t woord. Maar als u nu ziet, dat ik,—die naar uw eigen zeggen, ’t best den toestand moet kennen—dat ik me niet bedenk, als er sprake is van nog tien aandeelen te nemen, dan moet u dat toch wel de overtuiging geven, dat de onderneming heel wat beter is en er beter voor staat, dan u meent.”

„Ja, u hebt toch wel gelijk, Professor! Ik moet bekennen, dat u met uw wetenschappelijke vorming [163]de man is, die deze zaak ’t best beoordeelen kan en ’t zou mij zeer spijten als u niet beloond werd voor al uw werk en uw opofferingen met een uitslag, die aan uw verwachtingen beantwoordt. Ik zal doen wat ik kan.”

De beide heeren waren opeens heel hartelijk geworden en scheidden met een vriendschappelijken handdruk.

In de deur zei de bankdirecteur zachtmoedig:

„Ik mag dus hopen, dat onze zaken vandaag contant worden afgerekend? Ik ken uw handelsprincipes.”

„De helft contant en de rest tegen drie maands accept,” antwoordde de professor.

„Drie maands accept...” herhaalde de bankdirecteur wat langzaam; maar een blik op het gezicht van den ander overtuigde hem, dat de grens nu bereikt was: hier was niet meer te halen;—en hij veranderde behendig van toon:

„Ja, dat is immers ’t zelfde als contant; een stuk, waar „Carsten Lövdahl” op staat is even goed als de bank van Noorwegen. Goeden morgen Professor.”

En zij bogen glimlachend voor elkaar.

„Marcussen, we moeten vanmiddag 5000 gulden contant aan den bankdirecteur Christensen betalen. Wil je die som klaar leggen?”

De onvervaarde Marcussen, die nooit zijn gezicht vertrok, werd deze keer wel wat beduusd. Iedere dag had genoeg aan zijn eigen kwaad en ’t was geen gekheid vijf duizend gulden te voorschijn te tooveren naast al het andere wat gedekt en afbetaald moest worden. Ook was ’t al vrij laat op den dag.

Maar de professor was den laatsten tijd zoo heftig en opvliegend geworden, dat Marcussen, die de [164]vrede liefhad, placht te doen alsof alles van een leien dakje ging.

Hij zei daarom alleen:

„Hm! vijf duizend gulden? in orde, Professor!”

Zooals de zaak van Professor Lövdahl nu gedreven werd, paste Marcussen er voortreffelijk in. ’t Was juist iets voor hem van dag tot dag uitwegen te vinden, zonder met bekommering over de gevolgen te denken; en hoe schaarscher ’t geld werd, hoe sterker Marcussens vindingrijkheid zich ontwikkelde.

Hij was gewoon zich door heel wat erger moeilijkheden heen te slaan: jaloersche vrouwen, bedrogen meisjes, onvrijwillige schoonmoeders, bijdragen voor opvoeding van kinderen, predikanten en vermaners—de moeilijkheden op ’t kantoor waren maar kinderspel voor hem.

Vervallen papieren met nieuwe af te doen, die er uitzagen als deugdelijke stukken, naar links en rechts te trekken, de steeds toenemende schuld in voortdurenden omloop te houden, wat den indruk maakte van een sterken omzet—dat was juist een werkje voor Marcussen.

En als hij rondtastte in geld en papieren was hij niet slordig en onverschillig, omdat het geld van een ander was; hij zou zeer zeker zijn eigen zaak op dezelfde manier gedreven hebben, als hij er een had gehad.

Hij hield zelfs veel van den professor en van het huis en zou zoo innig graag willen, dat het zoo goed, zoo schitterend mogelijk mocht gaan. Goedig en hulpvaardig als hij was wenschte Marcussen zeker, dat alle menschen rijk waren, even oprecht als hij wenschte, dat alle meisjes mooi waren.

Ook de professor werkte van zijn kant. Hij was nu zoo ver gekomen, dat hij niet angstig wezen [165]wilde, hij wilde ’t niet merken, dat ’t heele handelsleven als ’t ware begon te verflauwen, ineen te krimpen; hij wilde niet verder zien dan van dag tot dag.

Maar daarentegen spande hij al zijn krachten in om den stroom te stuiten, die wegvloeide. Hij kocht groote partijen van waarde—alles wat men hem aanbood: koren, koffie, visch, zout—en verkocht het weer, bijna zonder dat hij aan winst of verlies dacht—als ’t maar gauw ging, als hij maar altijd geld door zijn handen voelde gaan.

En de koortsachtige kracht, door dien eenen man ontwikkeld, werkte aanstekelijk in wijden kring; en een lust tot speculeeren, een periode, als van het meest woeste spelen op de beurs, wierp een korten tijd zijn valschen glans over dien stillen uithoek van de wereld, waar Carsten Lövdahl aan den gang was.

Hoe verder hij het veld van zijn operaties uitstrekte, hoe meer namen hij binnen den kring van zijn endossanten trok; en daar de geheele omzet op wissels ging, was er spoedig geen huis van eenige beteekenis in de stad of in de naburige steden, dat niet met Lövdahl samen op een of ander stuk stond.

Maar zoolang de banken en het buitenland zonder morren disconteerden, was die manier om geld te krijgen zoo gemakkelijk, dat maar zeer weinigen de kracht hadden bijtijds op te houden.

Zelfs niet toen het disconto begon te stijgen zoodat dit geld waarmeê zoo gemakkelijk en zoo vlug gespeculeerd werd, in werkelijkheid zoo duur was, dat het weinig kans op verdienste gaf.

Ook scheen niemand zich in ernst ongerust te maken over de berichten uit het buitenland; het [166]eene artikel na het andere daalde 50% in een week: de petroleum begon, toen verdwenen er millioenen in spoorwegaandeelen, toen ging de koffie naar den kelder en de suiker er achter aan, maar niemand scheen te begrijpen, dat dit een gevaar voor alles en allen was.

Er waren niet veel neuzen als die van den bankdirecteur en het vertrouwen op Carsten Lövdahl was zoo boven allen twijfel verheven, dat geen mensch er aan dacht zijn naam te weigeren.

Trouwens, daar zou ook meer moed toe behooren dan de koopmansstand gewoonlijk bezit. Want Lövdahl behoorde tot „den kring,” die de stad en de bank bestuurde. Een onvoorzichtig woord tegen een van de „grootelui” kon genoeg zijn om er zachtjes aan uit geschoven, geïsoleerd, vergeten te worden; en wie niet sterk genoeg was om alleen te staan, hij moest verdorren en afsterven, omdat alle bronnen voor hem werden afgesloten. Daarom klonken er louter lofredenen op die grootsche en voor de stad zoo gezegende werkzaamheid, de bezige handen, de vele monden—enz.; en met die lofspraken bedwelmde men zich zelf en doofde zijn twijfel. In alle andere omstandigheden zou de balans van ’t laatste bedrijfjaar van de maatschappij op aandeelen „Fortuna” een gebeurtenis geweest zijn, dat wel tot nadenken kon stemmen.

’t Was een allerwonderlijkste algemeene vergadering geweest.

Na een vlug en kort financiëel overzicht, door Marcussen geschreven, had Prof. Lövdahl zijn spijt betuigd te moeten meêdeelen, dat de fabriek dit jaar geen winst gemaakt had.

Dat was een onaangename verrassing voor allen; en de stemming werd zeer gedrukt; een enkele [167]ontevreden stem probeerde voorzichtig een paar onaangenaamheden tot de directie te richten.

De directeur van de bank bleef zwijgend zitten en de vergadering kreeg den indruk, dat de ontevredenheid onder zijn bescherming kwam aanrukken; ’t was immers genoeg bekend, dat hij Lövdahl haatte;—men werd dus moediger; het scheen een stormachtige vergadering te zullen worden.

Christensen liet het ver komen, vóór hij opstond. Maar toen viel hij de verblufte ontevredenen in den rug aan, met een toespraak, zóó vol besef van zijn meerderheid, zoo open, zóó vol vertrouwen, dat de sterk bewogen algemeene vergadering tot een lachend meer werd, waarin het herkozen bestuur zich veilig spiegelen kon.

Daarop ging de bankdirecteur weer zijn jaarlijksche badreis maken en nam zijn neus meê; hij wist nu wel hoe het gaan zou.

Maar hij had niet de opvatting van zijn roeping, dat hij waarschuwen en voorkomen moest. Toen hij zijn eigen zaken geregeld had en naar zijn beste vermogens zijn dierbare bank beschut tegen de ongelukken, die hij voorzag, liet hij met een gerust hart zijn lieve medeburgers zich zelf ruïneeren, en hij wachtte kalm op het oogenblik, dat hij alleen zou blijven staan, terwijl rondom de gevallenen of wankelenden hem om hulp zouden smeeken.

—Carsten Lövdahl herademde na die algemeene vergadering en hij zag met vreugde de Hamburger boot met Christensen aan boord het fjord uit stoomen.

Toen de zomer kwam werden de zaken matter. De menschen gingen op reis of kregen bezoek en intusschen liepen de wissels hun gewonen loop, uit en in de banken, die op sluizen geleken, waardoor [168]de stroom op den middag bruisend heen ging om op den namiddag in de kas een allerbedroevendste leegte na te laten.

In het ruime huis van den professor was de heele familie Meinhardt op bezoek; en de grootere huishouding werd gedreven uit een overdadig ruime beurs, wat Mevrouw Meinhardt in verrukking bracht.

De oude uitgedroogde Assessor daarentegen werd onrustig; hij begon te snuffelen en te onderzoeken, maakte enkele berekeningen en eindigde met op een zekeren dag aan den professor voor te stellen enkele van de onroerende goederen op naam van zijn kleinzoon te zetten.

Abraham had nooit groote eischen gesteld als man van zaken, en daarom viel het den assessor minder moeilijk de zaak zóó te wenden, dat dit voorstel in ’t geheel niet uit eenig wantrouwen tegen den professor voortkwam. ’t Was alleen om intijds de familie in ’t bezit van de vaste eigendommen te stellen, als de zaak later bleek niet even schitterend te gaan in de handen van Abraham.

Op die manier kon de professor ook gemakkelijker het voorstel aannemen, dat hem trouwens toelachte; en de twee grootvaders schreven een aantal juridische meesterstukken in den vorm van giftbrieven en stukken van overdracht, die den kleinen Carsten tot een gezeten man maakten, terwijl hij boven liep te schreeuwen, omdat hij niet meer kersen mocht hebben.

Hiervan kwam Abraham niets te weten; hij had het zoo druk met de belangen van de arbeiders. Dat was iets, waar hij vol van was—vooral hun bouwfonds, dat zoo flink aangroeide, dat er al gauw sprake wezen zou van ’t bouwen van een vereenigingslokaal. De advokaat Kruse liet het bestuur [169]daarvan aan zijn jongen vriend over, want Abraham was door allen geacht en bemind.

Abraham was niet langer ongerust over de verandering, die hij in zijn vader had meenen op te merken. Hij meende, nu dat alles zoo goed ging, dat die rusteloosheid groote werklust was; en hij kon niet anders dan den grooten man bewonderen, die met het klimmen der jaren steeds over grooter kracht scheen te beschikken.

Op een dag, dat Abraham in ’t kantoor was, riep zijn vader hem toe:

„Heb je wat contant geld om ons te leenen? Marcussen is niet bij kas.”

„Ik heb niet anders, weet u, dan de spaarbankboekjes voor het bouwfonds en voor...”

„Ja—geef maar wat je hebt; we geven ’t morgen of over een paar dagen terug.”

Abraham haalde snel zijn kistje uit de brandkast van het kantoor.

„Ziehier, Vader! Is ’t niet prachtig? ’t Bouwfonds heeft al bijna twaalfduizend kronen en de ziekenkas is ook nog zoo verkeerd niet.”

„Goed—goed!” antwoordde de professor haastig en greep naar de boeken.

„Wilt u alles hebben?” vroeg Abraham lachend.

„Neen—we nemen alleen maar wat we vandaag noodig hebben.”

„En dan moet u de menschen de rente vergoeden—liefst wat royaal—als u ’t geld morgen teruggeeft.”

„Ja zeker,—natuurlijk,” antwoordde de professor, die al weer bij zijn lessenaar stond, waar Marcussen wachtte.

—Nu was de laatste, woeste strijd begonnen voor Carsten Lövdahl. [170]

Hij nam geld op naar alle kanten. Zelfs heel verre, kleine bevriende handelshuizen gebruikte hij voor onbeduidende sommetjes; hij spaarde niets, berekende niets meer, sloeg er zich maar door met den trouwen Marcussen, van den eenen dag tot den anderen.

Hij spande zijn crediet tot het uiterste, kocht van alles tegen driemaandswissels en verkocht tegen alle mogelijke prijzen, ver onder inkoopsprijs, als ’t maar contant geld inbracht. De stukken van den ouden Abraham Knorr gingen in alle stilte naar Hamburg om verkocht te worden, en alles wat ze bijeen konden schrapen aan stukken van werkelijke waarde, wierpen ze in den eenen put na den anderen—tot alles stilstond voor een, bodemloozen afgrond.

En toen was het gedaan met Carsten Lövdahl. [171]

[Inhoud]

XIII.

’t Was een koude regenachtige morgen tegen ’t eind van den herfst. De familie Meinhardt was reeds lang vertrokken uit het huis van den professor en Abraham was op reis voor zaken, naar ’t noorden, in dienst van de fabriek.

Verscheidene dagen lang was ’t zoo wonderlijk stil in de stad geweest; een ademloos wachten, waarin de onzinnigste geruchten onzeker rondfladderden. Alle tongen waren klaar om aan ’t werk te gaan en ’t was eenvoudig uit gebrek aan feiten, dat men elkaar de meest dwaze dingen vertelde, die niemand geloofde. Want nu was de lucht geheel vervuld met die kleine, fijne dampen, waaruit de geruchten ontstaan; en ’t gevoel, dat er iets ongehoords, iets verschrikkelijks op handen was, werd steeds sterker.

De arbeiders op Fortuna stonden bekommerd bijeen en vertelden elkaar, dat de fabriek gesloten zou worden. Niemand wist van waar dat bericht kwam; maar hoe meer enkelen dat ontkenden en den draak staken met hen, die naar zulke praatjes luisterden, hoe meer de meesten het geloofden. ’t Zat in de lucht, dat er een of ander onheil in aantocht was.

De directeuren van de verschillende banken durfden elkaar niet aan te zien. De laatste dagen waren [172]er verontrustende informaties van verschillende kanten gekomen, beleefde verzoeken om afbetaling op enkele posten; eindelijk werden het telegrammen om vaster zekerheidsstelling, of ronduit weigeringen om crediet te geven voor verschillende namen.

’t Was een Maandagmorgen na een veelbewogen week, waarin Carsten Lövdahl op zoo goed als al zijn handelsvrienden wissels had getrokken voor groote sommen en gedeeltelijk op geheel nieuwe papieren.

Reeds Zaterdagmiddags had Marcussen een paar onrustbarende telegrammen gekregen; maar hij had ze op zij gelegd, volgens de gewoonte van het huis. Zaterdagavond speelde de professor zijn partijtje kaart en Zondag was een rustdag.

Maar Maandagmorgen had zich een stapel telegrammen op Marcussens lessenaar opgehoopt—„een vlucht vervloekte roofvogels,” dacht hij, terwijl hij zijn natte jas uittrok. Hij begon met ze op zijn lessenaar te sorteeren in kleine hoopjes, nadat hij ze doorgeloopen had. Maar eindelijk gooide hij alle telegrammen op een hoop en sloeg er met zijn groote vuist op.

Rasmussen kwam met de zwarte leeren tasch om de orders te ontvangen voor de werkzaamheden aan de banken voor dien dag; maar Marcussen verzocht hem met zijn tasch naar den duivel te loopen.

Daarop nam hij na een oogenblik nadenken alle telegrammen in één hand, ging het kantoor van den professor binnen, sloot de deur achter zich en trok de portière dicht.

Carsten Lövdahl had voor ’t venster in den tuin staan kijken; hij wendde zich heftig om en zei:

„Wat is er? Marcussen!”

’t Gezicht van den professor was bijna aschgrauw [173]en de oogen lagen hem diep in het hoofd. Hij had verscheiden nachten niet geslapen en de inspanning van de laatste dagen om zich er boven op te houden,—zijn woeste plannen, de wanhopige zekerheid, die van alle kanten ’t hoofd opstak—dat alles had van den grooten statigen man een gejaagden misdadiger gemaakt.

„Wat is er? Marcussen!”

Zelfs zijn stem was veranderd,—ruw, alsof die niets gemeen had met menschenspraak, maar van een dier kwam.

Marcussen beefde van ontroering; hij legde de telegrammen voor zijn chef neer. Lövdahl zette zich met moeite in zijn leunstoel.

„Telegrammen! allemaal telegrammen?—van Donner? uit Christiania? Wat moet dat beduiden Marcussen!—waarom breng je mij dat alles door elkaar? Heb ik je niet gezegd, dat het jouw werk is en niet het mijne om dagelijks de papieren te regelen? Antwoord dan toch, man! Sta daar niet als een stok! Wat beteekent dat?”

„Professor Lövdahl!”—antwoordde Marcussen, en de tranen kwamen hem in de oogen, „dat beteekent, dat we ’t niet langer kunnen uithouden.”

„Wat zeg je?” schreeuwde de professor en stond op, „kunnen we ’t niet langer uithouden? Zeg je dat?—bedoel je—man!—bedoel je, dat ik—dat Carsten Lövdahl failliet zou zijn ?”—Bliksemsnel gingen zijn strakke oogen door de kamer, toen dat woord was uitgesproken—dat woord, waarmeê hij dag en nacht gestreden had in de laatste jaren; dat woord, dat nooit wegging, dat hem op de lippen kwam, als hij alleen in zijn kantoor was, dat hij in de oogen van ieder las, die hem op straat groette. [174]

„Stil, stil!—je sloot de deur toch wel? sluit hem af, Marcussen! We moeten ’t hoofd niet verliezen,—we moeten een uitweg vinden—alles kan nog niet verloren zijn,—onmogelijk!—laat me eens zien,—laat me de telegrammen zien—allemaal!”

En de oude man nam de telegrammen, die in zijn bevende handen ritselden; hij keek nu de een, dan de ander in, legde ze uit over den lessenaar en nam ze weer bij elkaar, tot hij ineen zonk met het hoofd in de handen en luid steunde.

Marcussen zei later, dat hij nog liever de aankondiging van de geboorte van een paar tweelingen had gehoord, dan dat hij dit oogenblik moest beleven.

Eindelijk ging hij naar zijn chef en legde de hand op zijn schouder.

De professor zag hem aan en stond met moeite van zijn stoel op:

„Ga heen, Marcussen en laat niemand bij mij binnen.”—

Dien voormiddag ging de zaak schijnbaar als gewoonlijk. Makelaars en agenten kwamen binnen en spraken met Marcussen; er werden orders naar de fabriek gezonden en de kassier zat achter zijn hekje, de menschen kwamen en gingen met geld. Maar de kleine Rasmussen kroop ineen in een hoek en staarde onafgebroken naar Marcussen. Dat hij niet naar een van de banken moest met een of ander stuk—dat kon hij maar niet begrijpen; en hij peinsde er over, wat dat beteekenen moest.

Maar toen het tegen één uur liep, kwam Taraldsen aandraven, de oude bode uit de Noorsche bank; hij liep altijd op een sukkeldrafje en zwaaide met de armen. Voor den lessenaar van Marcussen bleef [175]hij staan en groette; een onzeker glimlachje speelde op zijn oud gezicht, toen hij vroeg:

„’t Is—hm—natuurlijk een verzuim?”

„Wat?” vroeg Marcussen droog.

De glimlach verdween geheel en ademloos van schrik vroeg Taraldsen weer:

„Moeten uw wissels vandaag niet voldaan worden?”

„Neen.”

„Mijnheer Marcussen! De menschen zeggen, dat u van schertsen houdt; maar dit...”

„Ik scherts niet,—voor den duivel!”

De oude Taraldsen richtte zich op; ’t heele personeel zat over ’t werk gebogen; alleen de oogen van kleine Rasmussen ontmoetten de zijnen. De jongen zag bleek van schrik; hij begon het te begrijpen.

Ook voor den ouden Taraldsen begon alles duidelijk te worden; maar onmiddellijk daarna kwam hij weer in de war; want hij begreep den vollen omvang van wat hij hier hoorde; de wisselrelaties van de geheele stad had hij in zijn hoofd; en hoewel hij veel dergelijks in zijn lang leven had gezien, toch was dit alles maar kinderspel, vergeleken bij wat er nu gebeuren zou. Zijn stem beefde, toen hij bijna plechtig vroeg:

„Moeten de papieren van Carsten Lövdahl geprotesteerd worden?”

„Ja,” antwoordde Marcussen, zonder op te zien.

De oude Taraldsen draafde ’t kantoor uit, maar op de trap kwam hij den bode van de „Bank op aandeelen” tegen:

„Is ’t waar?—Taraldsen!”

„Nu gaat de heele stad!” antwoordde de oude met een wanhopige handbeweging.

„Is ’t waar?—is ’t waar?” Die woorden gingen [176]snel door de heele stad. En toen de zekerheid kwam, stond alles stil—alle werk, alle gesprekken, alle gedachten; en dat nieuwe vervulde alle menschen, tot de kinderen toe, die met groote oogen en ontzette gezichtjes elkaar vroegen: „Heb je gehoord, dat Lövdahl failliet is ?”

Om één uur ging de beurs open. Zoo plotseling was dit gekomen, dat consul With, die door Lövdahls failliet volslagen geruïneerd was, alleen door een toevallige ontmoeting met een directeur van een der banken verhinderd werd op de beurs te komen.

Hij keerde terug naar huis en sloot zich in zijn kantoor op.

Op de beurs was het stil; de menschen liepen zacht rond, zonder elkaar aan te zien; zij hadden allen ’t gevoel, dat ze er plotseling zoo armoedig uitzagen.

De banken in de millioenenhoek—zooals men ’t noemde—stonden leeg, en de leden van den „kring,” die tegenwoordig waren, wilden vandaag liever in een groep meer vooraan in de zaal staan.

Niet eens Garman en Worse zat op zijn oude plaats en die leege banken slopen als een stomme verschrikking langs de wanden door de heele zaal; niemand durfde er gaan zitten, alsof ze vreesden, dat ze niet zouden houden, dat alle banken vermolmd waren, dat een algemeen bankroet ze allen stuk zou slaan of ze allen omgooien.

Een paar jongere kooplieden probeerden royaal te doen; maar zij gaven ’t dadelijk op; en toen hun stemmen weer even gedempt klonken als het gemompel van de anderen, werd de stilte dubbel akelig. Een enkele kon het niet langer uithouden, maar keek op zijn horloge en ging heen, en drie minuten later was de zaal leeg. [177]

Maar dien middag zaten bezorgde mannen rondom in de stad in hun particuliere kantoren en zagen de boeken na, noteerden en telden op—en schudden de hoofden.

En in alle banken vergaderden de besturen, de boden brachten ’t eene bericht na het andere, de telegraafboden maakten ’t niet beter; en de arme directeuren, die aan hun eigen zorgen al genoeg hadden, begonnen te vreezen voor hun bank nu de eene kring na den ander werd meêgesleept in de draaikolk, waarin Lövdahl eerst verzonken was.

Door de bank van Christensen werd er getelegrafeerd door heel Europa naar den directeur, die dit jaar een zeer lange nakuur in Italië deed. En ’t was bijna, alsof de heele stad een beetje verlichting voelde, toen ’t bericht kwam, dat de directeur al op de terugreis was en uit Hamburg was vertrokken.

Reeds vóór vijf uur had men behalve de ontelbare kleine burgers, die geplukt waren, van groote faillieten de volgende bijeen: Carsten Lövdahl—met Abraham K. Lövdahl, de vennootschap Fortuna, C. R. With, Randulphs zonen en Co., en Jörgen Kruse.

Dat de zonen van Randulph met With meêgingen, kon men verwachten; ze waren zwagers en hadden veel gemeenschappelijke relaties. Maar onbeschrijfelijk was de schrik, toen hij ging—de oude Jörgen Kruse.

Niet alleen, omdat hij voor schatrijk gehouden werd—wat hij ook was; maar zoo’n klein voorzichtig kruideniertje, van wie niemand dacht, dat hij ooit tien gulden ergens aan waagde—dat hij nu bleek verward te zitten in al de meest wanhopige zaken van Lövdahl; met een wisselschuld, [178]die alles verslond, wat hij bezat en misschien nog meer,—ja, toen dat bekend werd, was het toppunt bereikt en men was geheel verslagen van schrik. En met Kruse kwam de ellende buiten de stad; want hij was de koopman van de boeren; en als nu al zijn voorschotten en vorderingen met de haast van advokaten in een failliet moesten worden geïnd, dan zouden velen van hun hoeve en akkers verdreven worden in deze slechte tijden.

Terwijl het groote ongeluk zoo in alle stilte ver in ’t rond voortwoekerde, als brand in ’t veen, ratelde de onmetelijke machine van den laster en weefde haar bont weefsel van boosaardigheid en leedvermaak.

De lang onvoldane behoefte aan stof wierp zich nu op dezen rijken voorraad met een razenden honger; en ieder, die niet zoo persoonlijk bij de zaken betrokken was, dat hij stom van wanhoop neêrzat, begon te praten, te praten en te praten, alsof zijn leven er meê gemoeid was, als hij zijn tong niet roerde.

En de stof—hoe overvloedig groot de hoeveelheid ook was—bleek spoedig nog onvoldoende te zijn. Men had er niet genoeg aan de gebeurtenissen te volgen, die nu slag op slag elkaar opvolgden; maar men snelde ze ver vooruit met voorspellingen en toespelingen; en ’t was alsof men geen rust kon vinden voor de diepste wanhoop allen bereikt had.

Sommigen namen de zaak zóó op, dat ze alle zijden japonnen van Clara Lövdahl nagingen en zich over ieder afzonderlijk ergerden, om daarna zich te verkwikken met de gedachte, dat ze geen draad aan haar lijf meer bezitten zou, als alles naar recht en billijkheid ging. [179]

Anderen waren goedaardiger en verdiepten er zich in hoe zij zich wel moesten voelen—die menschen, die zoo onmetelijk rijk geweest waren en nu—letterlijk tot den bedelstaf gebracht—geruïneerd waren—op straat stonden.

Weer anderen konden maar geen vrede hebben met die millioenen, die verloren waren; wie zou ze gekregen hebben? ergens moesten ze toch wezen; maar waar voor den drommel was die massa geld gebleven?—dat zouden ze wel eens willen weten.

Er was ook medelijden; maar van zeer gemengden aard; en menig kleine burger, die vrij gekomen was van den val der grooten, vond dat het bier hem vandaag bizonder goed smaakte.

Onder allen daar beneden—de arbeiders en zij, die van dag tot dag leefden van het werk van hun handen voor anderen,—onder hen heerschte een doffe stilte. Slechts enkelen barstten uit in vervloekingen en de ergste scheldwoorden tegen die rijken, die een lekker leventje leidden en den arbeider zwoegen lieten, om hem dan op een mooien dag op straat te laten staan zonder werk of verdienste.

Maar de meesten zwegen stil en vermaanden vrouw en kinderen om zich kalm te houden. Wisten ze bij ondervinding hoe ’t kapitaal in dagen van bloei den arbeider uitperst tot het uiterste toe; ze wisten ook, dat ze nooit in hooger mate slaven van datzelfde kapitaal waren dan juist in de slechte tijden, als de straf kwam voor de zwendelarij en de speculatie van de grooten.

Want ze wisten wel, wie vooral die straf zouden moeten dragen. Nu stonden ze voor dat bestaan van werkeloosheid, van ongeregeld werk hebben, halve werkdagen, en lange leege uren zonder werk met honger,—kleine leeningen hier en daar, [180]’t laatste crediet bij den koopman, later naar de bank van leening en ’t allerlaatst, in den uitersten nood, op den rand van de wanhoop—de wachtkamer van den armvoogd.

Daarom zaten zij stil neer en vermaanden de hunnen zich kalm te houden, opdat hun klachten niet gehoord zouden worden door dat vreeselijke kapitaal—nu vreeselijker dan ooit, nu ’t als een aardstorting kwam aanrollen en de kleinen verpletterde.

Ze begeerden niet anders dan te mogen werken, hun spieren waren bereid zich zoo sterk te spannen als iemand maar verlangen kon,—ze zouden er nog dankbaar voor zijn. Als ze maar niet stil hoefden te zitten en verslappen in honger en met slecht voedsel; ’s morgens uitgaan om wat te vinden, en ’s avonds thuiskomen om aan de deur die groote kinderoogen te zien, die vroegen—of Vader een brood meêbracht?

De oude Steffensen probeerde natuurlijk in troebel water te visschen; maar een troep arbeiders van Fortuna had hem bijna kreupel geslagen, toen hij de directie uitschold en ’t bestuur en ’t heele zoodje. Daarna verdween hij.

Neen—neen—Prof. Lövdahl was een eerlijk man; de jonge ook; niemand moest iets van hen zeggen; misschien kwamen zij er wel weer boven op; zooiets was meer gebeurd. Ja, enkelen hadden zelfs medelijden met die rijke menschen, die nu niet rijker waren dan een eenvoudig arbeider.

Maar er waren niet velen, die zoo ver gingen. Want dat wisten ze immers allen, hoe wonderlijk het is, met menschen, die in mooie kleeren geboren zijn. Die blijven ze dragen hoe ’t ook gaat. Men hoort wel, dat ze alles verloren hebben en ook [181]voor anderen alles bedorven en toch was het nog nooit gebeurd, dat zulke menschen heelemaal zonken tot het peil van arbeiders en onder hen kwamen wonen en zwoegen. Zij bleven met een overjas loopen, kregen warm eten en rookten, zoodat ze ’t toch niet zoo bizonder slecht hadden.

En dat was voor hen ’t alleronbegrijpelijkst van het kapitaal; maar dat boezemde hun juist daarom ’t meeste ontzag in; ’t moest dus Gods wil zijn, dat dit groote verschil er zijn zou, dat sommigen alleen maar voor anderen zouden werken en sloven,—en dat dit zoo blijven moest.

Maar ook daarvoor was er vergelding. „In den poel der hel zouden ze pijn lijden en branden, omdat ze hier een korten tijd in rijkdom en wellust geleefd hadden. Denk maar aan den rijken man, die den bedelaar om een droppel water smeekte; maar hij kreeg hem niet; neen—gepijnigd zouden ze worden—al die grooten en machtigen—, men kon ze één voor één met name noemen; in ’t helsche vuur met hen! en daar zouden ze eeuwig branden! Stel je voor:—eeuwig!”

Maar hoe veel de predikanten hier ook over preekten, toch waren er, die niet de rechte troost in deze gedachten vonden. Menigeen dacht, dat ’t beter zou zijn, als er in een volgend leven niet zoo heet gestookt werd onder de rijken, en de armen maar wat minder kou behoefden te lijden in dit leven. En dan waren er ook enkele rijken waarvan ’t jammer zou zijn als ze verbrand werden. Ja—zou ’t eigenlijk wel zulk een doodzonde wezen: rijk te zijn? De heele wereld streefde er immers naar.—Dat klopte niet, als je er goed over nadacht. Neen, hier was ergens iets niet in orde, waar ’t dan ook zijn mocht. [182]

Ja—zie, dat was ook een gevolg van de werkeloosheid—al die vervloekte gedachten, die je in ’t hoofd kreeg, als je zoo stil naar den wand zat te staren. Maar al dat denken deugde niet voor de kleine luidjes; ze moesten verdragen en zwijgen; hopen,—hopen,—en vooral geen brandewijn drinken.

Zoo gingen zij den winter tegemoet.

—Maar terwijl al die gemoedsbewegingen als een zee ver in ’t rond golfden, zat hij, de oorzaak van dit alles, alleen in zijn groot, prachtig kantoor. Hij zat niet in den leunstoel voor de godin van ’t geluk; maar voor ’t middenste venster.—Zoo had Carsten Lövdahl uren lang gezeten en naar beneden in den omheinden tuin gestaard. Soms waren zijn gejaagde gedachten zoo mat, dat hij bijna sliep; dan weer stond de ellende, de schande, de vernedering vlak voor zijn oogen, zóó dichtbij, zoo vlammend, dat hij de handen afwerend voor zich hield.

Hij had met zijn vrouw gestreden, de onverbiddelijke oogen waren er geweest, en hadden zich diep in zijn ziel geboord;—en voor ’t laatst overwonnen, gaf hij den strijd op en verheugde er zich lafhartig over, dat die oogen gesloten waren.

Maar er waren anderen, die hij ontmoeten moest: Abraham, Christensen, Clara—en ’t heele heirleger van hen, wier geld hij voor alle winden gestrooid had; hoe—o hoe zou hij dat kunnen verdragen, hoe was het toch mogelijk zooiets uit te houden?—Er was iets, dat zijn gedachten als ’t ware naar een uitweg trok; maar die sloot hij dadelijk af;—dàt wilde hij niet.

En weer begonnen ze op hem aan te stormen: alle kleine bizonderheden vol schande en vernedering. [183]’t Begon heel in de verte als een klein balletje, dat op hem toe kwam rollen en grooter en grooter werd, tot alles samenliep in één geweldig groote rol, die over hem heen rolde en hem heelemaal plat drukte—of zou het niet mogelijk zijn toch ’t hoofd hoog te houden? Hij was toch altijd Professor Lövdahl, de man van wetenschap, de leeraar aan de universiteit; hij had schipbreuk geleden hier onder die kooplui—welnu!—hij was niet rijk meer; maar hij was nog iets meer dan een geldman.

Ach neen! dat ging toch niet—dat hij ’t hoofd hoog hield. Hij moest het liever zoo diep mogelijk buigen om te trachten er door te komen. Er was al te veel in zijn laatste transacties waar èn de crediteuren èn de overheid de oogen heel dicht voor moesten sluiten, als dat er door zou kunnen. Zijn positie was niet van dien aard, dat het hem goed zou staan, als hij zich oprichtte; ’t kostte hem veel, maar hij moest het hoofd buigen.

Zich laten trappen!—voor de voeten van Christensen liggen zonder een spoor van macht!—niets anders kunnen na dit alles—zijn heele leven lang—dan als een hond de slagen verdragen en daarna de hand likken, die hem sloeg!—

En er lag toch een wapen vlak bij de hand—een wapen, waarmeê hij zelfs tot zekere hoogte zich den laatsten tijd had geoefend.

Professor Lövdahl kende zijn tijd en de maatschappij, waarin hij leefde. Hij wist, dat in dezen tijd en in deze maatschappij, waarin het Christendom niet bestaat, maar waar alles er op aan komt, dat men dat niet uitspreekt; waar alle krachten gebruikt worden om de openhartigheid te onderdrukken, zoodat niet heel die reusachtige comedie: dat allen [184]Christensen zijn—uiteen spat, doordat één den moed krijgt te zeggen: „Ik speel niet meer meê,”—hij wist, dat de huichelarij de levensmacht in die maatschappij is.

Hij wist, dat niets zoo sterk is als die huichelarij, die nooit de oogen neerslaat; dat geen rechtschapenheid, geen deugd in die mate de boosheid ontwapent of tegen verdenking beschut, als die huichelarij, die zich nooit schaamt, hij wist, dat hij, die zich een harnas kan maken van die stof, waarmeê de meeste menschen zich gedeeltelijk bedekken—hij zou door het vagevuur, dat hem wachtte, kunnen heengaan en weer vasten voet verkrijgen; ja misschien zijn schande tot een aureool maken, die niemand hem zou durven afrukken.

En toch aarzelde hij. De laatste overblijfselen van reinheid in hem verzetten zich tegen zulk een gemeenheid; hij dacht aan zijn jeugd, den korten, helderen dag van zijn wetenschap, hij dacht aan Wenche Knorr, en hij kon er niet toe komen zich neer te laten glijden in dien modderigen afgrond.

Maar wat hielp dat?—Die gedachten kwamen telkens terug. ’t Zou niet verdacht schijnen; de beproeving heeft zoo menig mensch tot den godsdienst gebracht; en behalve dat was hij al lang met Clara naar de kerk gegaan en had aan haar godsdienstige bijeenkomsten deelgenomen;—waarom eigenlijk?—als ’t niet juist was, omdat hij een vage behoefte aan een uitweg had, toen de mogelijkheid van dit groote ongeluk voor hem begon door te schemeren.

Als hij, een oud, onder leed gebogen man, nu de handen vouwde: „De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!” Ja—met Abraham was het ’t ergste; [185]maar de anderen kon hij wel aan, dat voelde hij. En toch liep deze overdenking er niet op uit, dat hij met volle bewustheid de huichelarij koos; maar de kleine achterdeur in de lambriseering werd opengerukt en de kapelaan stormde naar binnen. Hij liep recht op den professor aan, doodsbleek met het koude zweet parelend op zijn gezicht:

„Mijn geld,—mijn geld!” riep hij heesch.

De professor was opgestaan en hield zich aan de vensterbank vast; zijn lippen trilden en zijn oogen waren strak op ’t vertrokken gezicht van den predikant gevestigd; maar hij kon niet spreken.

„Vader is geruïneerd—dat weet ik!—maar mijn geld?—Frederika’s geld!—dat is behouden, niet waar?—natuurlijk! geef het me dadelijk! Wat? U hebt het niet! Het is weg,—verloren—verdwenen! o! vreeselijke man! Je hebt ons bedrogen! Je zult gestraft worden—neen—Je zult me alleen mijn geld terug geven.”

De professor was een paar seconden als lam geslagen geweest. Nu hief hij zijn blanke hand op, glimlachte weemoedig en antwoordde:

„Mijn waarde dominé Kruse! U weet zelf wel, dat ik op dit oogenblik helaas niet in staat ben u dit geld te bezorgen. Maar ik zal iets anders voor u doen,—iets wat misschien nog wel zoo goed en nuttig voor u zijn kan.”

„Wat is dat? Zeg het gauw!—Weet u een uitweg?—O! God zij geloofd!”

Maarten Kruse beefde over zijn geheele lichaam. Er was nog hoop; die merkwaardige man, op wien hij zoo blind vertrouwd had; hij wist misschien nog hulp—hulp voor hem alleen!

De professor legde vaderlijk de hand op zijn schouder en zei: [186]

„Ik zal Jezus bidden, dat Hij u helpe!”

De predikant stoof achteruit, alsof men hem met dien naam in ’t gezicht geslagen had; de beide mannen stonden onbeweeglijk stil en zagen elkaar vast in de oogen; hun gemeenschappelijk geheim hield hen gebonden. Wie had recht den ander iets te zeggen? De blik van den predikant gleed ’t eerste weg. Hij greep zijn hoed en stoof de kamer uit.

Carsten Lövdahl zonk terug in zijn stoel. Dit was zijn eerste overwinning.

’t Groote kantoor lag daar in de namiddagschaduwen; maar enkele gulden zonnestralen vonden hun weg door de verwaaide lindenbladen, en vielen schuins de kamer in over den man aan ’t venster, over het zware tapijt; en daar ginds op de tafel trof een straal de bronzen Fortuna, die half zwevend haar krans toereikte aan den ledigen leunstoel.

—Maar in één huis in de stad heerschte onvermengde vreugd.

De vrouw van den bankdirecteur Christensen hing om den hals van haar man, die juist was thuisgekomen en smeekte hem luid schreiend om vergiffenis, omdat ze hem zoo schandelijk miskend had; en half verward van aandoening lag ze te fantaiseeren over alles wat ze op de verkooping van Lövdahl koopen zou.

’t Leek wel een tableau!— [187]

[Inhoud]

XIV.

Clara kwam het te weten doordat ze vond, dat de dienstmeisjes zoo wonderlijk deden; maar toen ze haar vroeg wat er was, kreeg ze geen ander antwoord dan dat er zeker iets beneden in ’t kantoor gebeurd was.

Ze werd nieuwsgierig, maar ze schaamde zich een beetje voor haar schoonvader en zond een boodschap naar Marcussen.

Mevrouw Clara was keurig gekleed in ’t bruin. Het bleeke, bloed-armoedige meisje van de bals, was in haar huwelijk een vastgebouwde, bekoorlijke figuur geworden.

Marcussen was een poos lang in ongenade geweest; nu zou hij weer wat zonneschijn genieten; Mevrouw Clara ging hem tegemoet en reikte hem glimlachend de hand.

Nooit was Marcussen minder goed gestemd geweest dan vandaag; maar zijn adem stokte toch bijna, zóó prachtig als ze was; en zijn oogen vlamden een oogenblik, zoodat zelfs Clara, die anders niet gauw bang was, de hare afwenden moest.

„Kom hier zitten, Mijnheer Marcussen! ’t Is zoo lang geleden...”

Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en Marcussen—als een goede [188]jachthond, die op ’t spoor gebracht is,—ging dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch, waar hij al zoo lang omheen had gedraaid?

„Maar eerst moet u mij vertellen, wat er vandaag op het kantoor gebeurd is?—mijn dienstmeisjes beweren, dat er iets gaande is.”

Ja, was dat ook niet een duivelsch werk! Marcussen raakte hals over kop uit zijn pas opkomende droomen; hij vloekte en sprong van de sofa op en vergat heelemaal zijn deftige manieren.

„Wat is er toch? Mijnheer Marcussen! Waarom trekt u aan mijn bloemen? laat dat toch! Kom hier en vertel mij wat er voor onraad is. Waarschijnlijk een van uw eigen geschiedenissen midden in ’t kantoor... Hê?”

„Neen, waarachtig niet, Mevrouw!” barstte Marcussen uit, „deze keer is ’t niet een van mijn eigen geschiedenissen,—was het dat maar! Neen Mevrouw, ’t is erger—o! duizendmaal erger! En u moogt me gelooven—’t is zoo pijnlijk, zoo zwaar voor den professor en voor u, ja, voor Mijnheer Abraham natuurlijk ook.”

„Maar mijn God—Marcussen! schrei je? Wat is er dan? Antwoord dan toch!”

„Ja, ’t helpt immers niet het voor u te verbergen; we hebben onze betalingen gestaakt.”

„Gestaakt?—wie?—wat?—ik begrijp er geen woord van.”

„De zaak—ons huis—Carsten Lövdahl heeft zijn betalingen gestaakt!”

Mevrouw Clara gaf een gil—die Marcussen de deur uitjoeg. Dat was het eenigste, wat hij niet verdragen kon: vrouwen, die gilden. [189]

De dienstmeisjes kwamen toeloopen; Mevrouw lag op de sofa in een toeval of wat het nu was, en was geheel buiten zich zelf.

De professor wilde niet boven komen; hij gaf bevel een boodschap naar Dr. Bentzen te zenden.

’t Eerste gevoel wat bij Clara opkwam, toen haar bewustzijn eenigszins terugkeerde, was woede tegen hen, die dit over haar gebracht hadden, niet zoo zeer de professor, hij imponeerde haar altijd.

Maar Abraham!—die stumper van een man!—hij was dus niet eens rijk. Zij was bedrogen, afgezet!

En haar japonnen, haar juweelen. Wat? Verkocht men zulke dingen niet als iemand zijn betalingen staakte?—ja, dat wist ze wel;—maar de haren. Goede hemel, ze zou nog gek worden; moest zij eenvoudig gaan leven? gaan uitsparen in allen ernst, om ’t hardst met Frederika—dat was toch niet mogelijk,—dat was onzin!

Een telegram werd binnen gebracht; ze gooide hem weg; die was natuurlijk van Abraham! dat moest zeker een troost verbeelden;—maar zij wilde niet getroost worden;—allerminst door hem; ze wilde dien telegram niet lezen—heelemaal niet!—

Maar een gesloten telegram kan men niet zoo gemakkelijk laten liggen; en toen Mevrouw Clara er een paar keer voorbij gekomen was, terwijl ze de kamer op en neer liep en de handen wrong,—scheurde ze hem open.

Hij was van haar vader en luidde: „Houd moed! met wijsheid en voorzichtigheid kan veel gered worden, brief volgt.”

Een straal van hoop!—alles was dus niet verloren! nooit had ze geweten, dat ze zooveel van haar vader hield, als op dit oogenblik. Veel kon gered [190]worden,—gered? Clara was opeens sterk, ondernemend, vast besloten geworden.

Ze had een beetje begrip van politieagenten, verkooping en zulke dingen; maar heel helder was dat begrip niet; ze wist alleen, dat het iets vijandigs was en dat men de mannen van de wet kon en moest beetnemen.

Haastig ging haar oog de kamer rond; daar stonden twee massieve zilveren kandelaars op den schoorsteenmantel. Als een roofvogel vloog zij er op aan, liep er meê naar haar slaapkamer en verborg ze in een lade onder haar eigen linnengoed.

—En de eerste van de deelnemende vriendinnen, die bij haar geweest was, moest de anderen van hun kring een teleurstelling bereiden. Clara Lövdahl was heelemaal niet verslagen; integendeel. Ze nam het zoo goed op.

Ze had er over gesproken, dat ze nu natuurlijk allen moesten werken en in den grootsten eenvoud leven; maar wat haar betrof—zij was daar niet bang voor; ze had eigenlijk nooit veel om weelde gegeven; als maar ieder het zijne krijgen kon, zou ze blij toe zijn en niet klagen.—

—Abraham was op den terugreis uit het noorden, toen hij een telegram van Peter Kruse kreeg; die werd hem aan boord van de stoomboot gebracht op een der aanlegstations.

Eerst kon hij het niet begrijpen; een oogenblik zelfs dacht hij dat het een ruwe grap was;—maar dat leek niet op Kruse.

En nu—toen hij daar op het achterdek stond met de telegram in de hand, was hij opeens heelemaal alleen met den stuurman, die aan ’t roer stond; al de anderen waren verdwenen; en nu eerst viel het hem op, dat zijn reisgenooten al den vorigen [191]dag zoo vreemd tegenover hem gedaan hadden.

Toen begreep Abraham, dat dit bittere ernst was; en hij haastte zich naar beneden in zijn hut, en terwijl de zee schuimend voorbij ’t kleine ronde patrijspoortje ruischte, gaf hij zich over aan zijn pijnlijke gedachten en trachtte het groote ongeluk te overzien en te begrijpen.

Hij dacht het allereerst aan zijn vader; wat moest die al lang geleden hebben. Maar toen alle treurige gevolgen één voor één hem voor den geest kwamen verzonk hij diep in smart en moedeloosheid. Het lieve oude huis, de tuin, waar hij als kind in gespeeld had, al de duizend voorwerpen, elke hoek, zoo vol herinneringen,—dat alles verlaten; met leege handen heengaan en vreemden daar zien binnentrekken en er zich vestigen. En kleine Carsten zou niet als hij in dien omheinden tuin spelen en met steenen naar de katten gooien; en die kleine pony, waar Abraham over gefantaiseerd had als hij over de kinderjaren van zijn jongen dacht! van dat alles zou niets komen. Kleine Carsten zou de wereld ingaan als de zoon van een man, die zijn schulden niet betaald had.

’t Was eigenlijk voor ’t eerst, dat ’t leven hem zóó aangreep, dat hij zich op zich zelf alleen voelde aangewezen. Tot nu toe had hij altijd zijn geërfde plaats gehad onder hen, die veilig waren; op dit oogenblik voelde hij zich zonder steun, verantwoordelijk voor zijn zoon, die de wereld in moest en die niemand had om op te steunen dan zijn vader.

Maar van die gedachte ging een wonderlijke kracht uit. Nu was hij eindelijk gekomen, de groote tijd dat Abraham Lövdahl toonen zou wie hij was, als hij maar eerst voor een taak stond, groot genoeg voor zijn wil. [192]

Ja, nu was eindelijk zijn tijd gekomen. Greta zou blij zijn, zelfs Clara zou hem leeren waardeeren. Maar eerst uit al dien handel weg!—heelemaal weg uit dat alles, dat voor hen allen een vloek geweest was!—Nu zag hij het in. Laat de schuldeischers nemen wat er is; en dan met leege handen beginnen aan een nieuw leven van eenvoudig werk.

Die gedachte maakte zijn hoofd zoo warm, dat hij ’t poortje moest openzetten om zich aan ’t zoute schuim te verfrisschen; hij voelde zich zoo sterk en zoo vol hoop!—

Hij zag het al—hun vreedzaam thuis in een van de kleine kustplaatsjes; de Steffensens moesten ook verhuizen. De beroemde Professor Lövdahl zou zijn praktijk weer opvatten en Abraham zou hem helpen. ’t Zou wel onmogelijk zijn nu nog zijn doctoraal in de medicijnen te doen; maar hij was immers Mr. in de rechten; dat radicaal zou hij toch wel voor ’t een of ander kunnen gebruiken.

In die stemming kwam hij thuis tegen ’t donker, den vierden dag na het failliet.

Abraham ging door de donkerste straten en bereikte ’t huis van zijn vader door een gangetje achter den tuin. Niemand had hem herkend. Op de eerste verdieping was alles donker; de gordijnen waren neergelaten; alleen boven op zijn kleine woning was één venster verlicht; zijn hart klopte warm; dat was de kamer van zijn zoontje.

Hij zag met verwondering hoe groot en leeg de gang was. Maar hij dacht dadelijk aan de groote kast, waar zijn moeder het tafelgoed bergde. Die was van Grootvader Knorr en was meer dan honderd jaar in de familie geweest; vermoedelijk moest die naar de verkooping; misschien was die al verkocht.

Abraham bleef staan en leunde tegen de trap; [193]’t was toch vreeselijk hard—dat wat hij nu moest doormaken. Stuk voor stuk zijn liefste herinneringen uitrukken; alles wat hem dierbaar was naar vreemde, onverschillige menschen zien gaan. Maar hij verbeet zijn smart en verzamelde al zijn kracht; zoo moest het juist zijn,—ja—hij was er blij om, dat er al een begin gemaakt was, en hij ging langzaam de trap op.

Boven hadden ze hem beiden verwacht: Clara en de professor. Deze dagen had hen nader tot elkaar gebracht; en zonder, dat zij ’t elkaar behoefden te zeggen of iets af te spreken, werkten zij beiden, ieder op zijn manier, om het ongeluk te verzachten en te redden wat nog gered kon worden. De eerste opvlammende toorn van Mevrouw Clara was snel geweken, toen de diep neergebogen man haar een paar documenten bracht, die bewezen, dat kleine Carsten al lang meer bezeten had, dan de moeder vermoedde. En de professor had niet eens een kleinen, schuwen wenk behoeven te geven, dat het niet noodig was deze papieren dadelijk aan Abraham te laten zien; dat begreep ze volkomen. Beiden waren in spanning, angstig voor zijn thuiskomst—ieder op zijn manier.

De professor was voor Abraham ’t meeste bang—en tot het laatste oogenblik wist hij niet hoe hij zijn zoon zou durven aanzien. Moest hij niet verwachten, dat Abraham met zijn heftige natuur zou komen aanstormen met verwijten, omdat zijn leven bedorven was, zijn toekomst, zijn naam, zijn eer—alles meê getrokken in den ondergang van zijn vader.

Hij kon er niets op antwoorden—in ’t geheel niets; want dat was alles waar.

Hij had zelf van den beginne aan, dezen zoon opgevoed in volkomen afhankelijkheid en bewondering; [194]tot op ’t allerlaatste oogenblik had hij alles verborgen, wat in Abrahams oogen de minste schaduw op hem werpen kon; en nu!—nu wist hij geen schaduw waarin hij wegkruipen kon.

—Mevrouw Clara was ook bang voor Abraham, maar op een andere wijze; ook zij kende zijn natuur; maar zij nam bij tijds haar maatregelen. Wat zij vreesde, was, dat Abraham met zijn gewone neiging tot overdrijven alles zou opgeven; alles voor de voeten der schuldeischers neergooien en schoon schip maken.

Ze wist het best, dat hij in ’t geheel niet meê zou willen helpen om te redden wat gered kon worden, en daarom zag zij zijn thuiskomst met grooten angst tegemoet; hij was in staat al haar werk te bederven,—dat had de assessor Meinhardt haar ook geschreven.

Abraham Knorr Lövdahl was natuurlijk failliet gegaan, tegelijk met Carsten Lövdahl, maar de inboedel van den zoon was in werkelijkheid belachelijk klein; hij was meê verantwoordelijk voor bijna de geheele schuld van de firma, voor zoover als zijn naam gebruikt was; en dat was ’t geval op alle wissels van den laatsten tijd; en nu bezat hij feitelijk niets dan zijn meubels.

De door de wet voorgeschreven registratie boven bij de jongelui was bijna humoristisch. Of de schuldeischers een half of een kwart procent van dien inboedel kregen, kwam er werkelijk in ’t minst niet op aan bij dat ontzettend tekort. En de door den notaris gezonden gevolmachtigde liep rond en was doodverlegen tegenover Mevrouw Clara, die absoluut met hem meê wilde gaan in alle kamers om deuren en kasten voor hem open te doen en hem te laten zien wat opgeschreven moest worden. [195]

’t Was maar een paar weken geleden, dat hij in deze zelfde kamers met haar had gedanst, als een eenvoudige, bescheiden gast, en nu moest hij haar theelepeltjes tellen! dat was toch te veel verlangd van een jong, welopgevoed candidaat in de rechten; en de notaris ging immers nooit zelf op zulke zaken uit.

Daarom werd ’t een vrij gebrekkige lijst; en toen die op de verkooping kwam, gaf hij aanleiding tot veel scherpe opmerkingen over ’t feit, dat dit overdadig weelderige huis zoo opvallend slecht van zilver en andere voorwerpen van waarde was voorzien. Maar anderen daarentegen legden er sterk den nadruk op, dat Mevrouw Clara alles had open gelegd en niets achtergehouden. Men kon ook wel zien, hoe zij zich zelf geplukt had, als men hoorde, dat zelfs ’t beroemde japansche naaitafeltje van de overleden Mevrouw Lövdahl zou verkocht worden, dat Mevrouw Clara toch best had kunnen behouden, want het was een huwelijkscadeau van den professor. Waar alles nu ook gebleven mocht zijn—reeds bij Abrahams thuiskomst was ’t zoo leeg en eenvoudig in de kamers, dat het iedereen opvallen moest.

Mevrouw Clara had het zoo geschikt, dat het donker was in de gang, waar vroeger een prachtige gascandelabre brandde; ’t eenigste licht daar kwam door een glazen ruit uit de keukendeur. De eetkamer was ook donker en koud; zij zouden in de huiskamer eten, om niet in twee kamers te moeten stoken. Zij was er zeker van, dat Abraham die kleinigheden zou opmerken; en ze hoopte, dat dit goed zou werken. Als men maar tijd kon winnen en hem op ’t rechte spoor kon brengen, dan was de zaak gewonnen. Later kon er weer licht en warmte komen en al wat er verdwenen was kon [196]weer van den zolder worden gehaald; maar stuk voor stuk,—met tusschenpoozen.

Toen ze hem in de gang hoorden, begon de professor zóó te beven, dat hij zijn courant moest neerleggen; maar Clara stond op en liep haar man in de eetkamer tegemoet. Zóó was Abraham nog nooit door zijn vrouw ontvangen; en hij had in stilte voor iets heel anders gevreesd. Van ’t oogenblik af, dat hij ’t ongeluk vernam had hij zijn best gedaan zoo min mogelijk aan Clara te denken; zij zou naar zijn berekening heelemaal gebroken zijn, vol klachten—misschien vol verwijten.

En nu snelde ze hem tegemoet—liefderijk, vrijmoedig, bijna blij! maar zoo wonderlijk vreemd in die zwarte, wollen japon zonder garneering, en toch zoo net en zoo mooi, alsof juist de eenvoud haar het allerbeste stond.

Hij werd heelemaal warm en door haar betooverd; en toen hij zijn vader ontmoette, die hem met trillende lippen wachtte,—een gebogen grijsaard, wierp hij zich in zijn armen:

„O Vader, arme Vader! wat hebt u ’t vreeselijk gehad!”

„Kun je mij vergeven? Abraham!”

„Spreek u zoo niet, Vader. Laat ons allen elkaar vergeven en een nieuwe rekening beginnen, die beter uitkomen zal, niet waar?”

„Ja, met Gods hulp!” antwoordde de professor, met een diepe zucht; het ergste was voorbij.

Ze stonden een oogenblik alle drie hand in hand en zagen elkaar aan met een glimlach, die bijna blij was; ’t was boven verwachting gegaan voor alle drie—die eerste ontmoeting: en ieder kreeg weer hoop, maar om zeer verschillende redenen.

’t Dienstmeisje stoorde hen met een boodschap [197]van den advokaat Kruse, of de jonge Mijnheer Lövdahl wel dadelijk even bij hem wilde komen.

De professor kromp ineen; maar Clara antwoordde:

„Zeg, dat Mijnheer pas is thuis gekomen en te moe is van de reis, om van avond nog uit te gaan.—’t Is toch ook wel wat kras om je dadelijk te laten halen.”

Abraham meende ook, dat het morgen wel tijds genoeg zou zijn; en nu begon hij rond te kijken.

„Ja, je kijkt rond,” zei Clara; „ik heb alles wat verkocht moet worden beneden in de kamers van Vader laten zetten, waar ’t voor de verkooping klaar staat; ik dacht, dat je ’t liefst hebben zou, dat er niets werd achter gehouden.”

„Natuurlijk, lieve Clara!—ik ben er zoo blij om, dat je zoo moedig, zoo onvervaard ben. Dat is juist goed en—zal ik ’t maar bekennen?—meer dan ik van je verwacht had.”

„Ja,” antwoordde zij met een berustenden glimlach, „ik weet helaas maar al te goed, dat je niet veel van me verwacht. Je denkt altijd, dat ik opga in pronk en...”

„Neen, zeker niet!—dàt heb ik nooit gedacht en als ik je ooit in mijn gedachten onrecht deed—vergeef ’t me dan nu.”

Toen kwam kleine Carsten binnen, om goeden nacht te zeggen—in zijn deken gerold, slaperig en lief en toen gingen ze aan tafel in een gezellig hoekje bij de kachel.

„Ja, zie je, Abraham! we hebben niet anders dan brood en boter—en een stukje kaas ter eere van je thuiskomst.”

„Dat is uitstekend, Clara! Ik kon niets beters verlangen,” en hij boog zich neer om haar hand te kussen. [198]

„Maar je ziet zoo vreemd rond?—wat is er?”

„Is ook... Moeders naaitafel?—Was dat noodig?”

„Je zou toch niet willen, dat ik dat prachtstuk gehouden had?” vroeg Clara scherp. „Dat zou zeker aanleiding tot praatjes gegeven hebben.”

„Ja, ik voor mij,” viel de professor hem in de rede, „ik vond werkelijk ook, dat Clara dat met een gerust geweten had kunnen houden,—’t was een persoonlijk geschenk uit gelukkiger dagen.”

—„Neen Vader.—Clara heeft toch gelijk,” antwoordde Abraham met inspanning; „laat ons de bittere kelk tot op den laatsten droppel drinken!—’t was flink van je, Clara.”

Toen zij gegeten hadden en juist gezellig om de ronde tafel bij de sofa zouden gaan zitten, kwam het dienstmeisje weer binnen met een briefje voor Abraham.

„Wat is er nu weer? Is dat weer van dien afschuwelijken Kruse?” vroeg Clara.

„Ja; er moet iets heel gewichtigs wezen, want hij schrijft, dat ik van avond nog moet komen. Ik moet dus wel gaan.”

„Neen, dat moet je heelemaal niet. Ik ben er van overtuigd, dat ’t morgen tijds genoeg is.”

„Neen Clara! denk er aan, dat we niet meer onafhankelijk zijn; nu jij de last heelemaal op je schouders genomen hebt, wil ik de mijne niet afschuiven. We zullen ons niet vernederen, maar we moeten ons buigen, niet waar, Vader?”

De oude man mompelde wat en zag voortdurend zijn zoon aan; en toen Abraham hun goeden nacht had gewenscht en naar de deur ging, was het alsof de professor op wilde staan om iets te zeggen of hem terug te houden; maar hij zonk weer ineen en verborg het gezicht in beide handen. Clara liet haar [199]man uit en vroeg hem met veel liefkoozingen om gauw terug te komen. Zij zou op hem wachten. Het stond haar in ’t geheel niet aan, dat hij dadelijk in de handen van dien Kruse vallen moest; hij had ook zulke dwaze overdreven opvattingen.

„O Clara!—Wat is Vader oud geworden!” zei Abraham, toen ze hem zijn jas hielp aandoen. „Stel je voor, ik zag hem beven, toen hij zijn kop thee aannam! en hij, die zoo’n vaste hand heeft gehad.—Arme Vader!”

Onderweg was hij hier nog zóó van onder den indruk, dat hij er niet toe kwam er over te denken, wat het toch wezen kon, wat Kruse van hem wilde.

—Ze waren beiden wat verlegen, toen zij elkaar ontmoetten; Kruse drukte hem hartelijk de hand.

„Arme jongen!—dat is zeker als een donderbui over je gekomen; maar ik dacht, ’t was maar ’t best, dat je ’t door mij hoorde.”

„Ja, ja! ik dank je voor je telegram. Dat was goed van je bedacht.”

„Ik stuurde om je van avond; neem me dat niet kwalijk, omdat ik—eerlijk gezegd—in de pijnlijkste ongerustheid heb rondgeloopen in deze dagen; en veel anderen met mij. Ik ben blij je zoo vrijmoedig te zien, want nu kan ik wel begrijpen dat alles in orde is; maar ’t was onvoorzichtig—”

„Wat bedoel je?” vroeg Abraham. En een duister voorgevoel van iets vreeselijks snoerde hem de keel dicht.

„Wat ik bedoel?—ben je gek—Jongen? ’t Geld natuurlijk... dat heb je toch? ’t Geld van de arbeiders—’t bouwfonds en de ziekenkas?”

Abraham drukte beide handen in de zij, waar hij een pijn voelde als na een slag tegen ’t hart; [200]zijn keel werd dik en met moeite bracht hij een geluid uit:

„Vader...”

„Ja zeker—je vader heeft het geld uit de spaarbank gehaald, dat weten we! maar dat was natuurlijk maar voor een dag te leen?”

Abraham knikte.

—„en je vader gaf je ’t geld den volgenden dag terug?”

Abraham bleef met open mond en wijd opengesperde oogen staan.

„Groote God in den hemel!” schreeuwde de kleine advokaat. „Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar! Je vrouw gaat heen en verstopt haar zilver en steelt—ja ik zeg ’t je ronduit—ze steelt! en je vader! je groote vader—niet genoeg, dat hij mijn vader en nog veel anderen ruïneert; maar ik zal je maar één ding vertellen, dat toont wat hij voor een kerel is; jij hebt hem gezegd, dat Mevrouw Gottwald wat gespaard had...”

„Neen,” antwoordde Abraham; maar hij werd op ’t zelfde oogenblik rood, want zoo gemarteld als hij zich op dat oogenblik voelde, toch herinnerde hij zich, dat hij op een dag aan tafel over dat idee van een monument voor kleine Marius had gesproken.

„Zie je wel?” riep Kruse bitter, „je herinnert ’t je wel. Luister nu: acht dagen vóór ’t failliet was je vader hier en praatte Mevrouw Gottwald haar spaarbankboekje af, onder voorwendsel van haar hooger rente te willen bezorgen!—Wat zeg je daarvan? Zal ik je zeggen wat hij is—je groote vader? nu, hij is gewoon weg een gemeene schurk!”

Abraham viel achterover tegen een stoel en was verscheiden minuten bewusteloos. Kruse werd bang [201]en had berouw over zijn woorden, en toen hij ’t eindelijk zoover gebracht had, dat de ander de oogen weer opsloeg, zei hij:

„Je moet niet boos op me wezen, Lövdahl—maar je kunt wel begrijpen, dat die geschiedenis met de arbeiders mijn halve leven bederft.”

Abraham greep half bewusteloos zijn hand, maar ’t was duidelijk, dat hij nog als verlamd was. Kruse liet hem met rust en liep intusschen de kamer op en neer. Na een lange stilte zei Abraham:

„Wat moet ik doen?”

„Dat hangt er van af wat je kunt.”

„Wat ik kan?”

„Waar je kracht en moed voor hebt.”

„Je denkt toch niet, dat ik me meê schuldig wil maken...”—hij kwam niet verder, want hij hield op door een blik van zijn vriend en een glimlach, dien hij kende: half moedeloos, half verachtelijk; en Abraham voelde dien glimlach branden in zijn hart.

’t Was waar! Hij had noch moed, noch kracht zich van de anderen los te maken, om open en hardop te zeggen: „Zie! dit heeft mijn vader gedaan, dit heeft mijn vrouw gedaan en dat heb ik zelf gedaan. Straf ons, als dat moet; maar laat ons na onze schuld geboet te hebben een nieuw leven beginnen.”

Dàt kon hij niet, dat wist hij zelf wel. Beschaamd en zonder op te zien sloop hij heen en Peter Kruse sloot de deur achter hem dicht.

Maar één gedachte was er in zijn hoofd, één naam op zijn lippen; hij ging regelrecht Greta zoeken.

Hij was door de stille, leege straten zóó ver gekomen, dat er geen lantarens meer waren. Langs [202]den kant van den weg waren groote steenen gezet en in de diepte beneden hoorde hij ’t zware zuigen van de golven, die tegen de rotsen opstegen en weer neerzegen, zuigend en trekkend aan het taaie zeewier. Abraham stond stil, ging terug naar de laatste lantaarn om op zijn horloge te zien. ’t Was over tienen.

Greta zou wel naar bed zijn; maar dat deed er niet toe; hij wilde alleen maar naast haar bed zitten, haar hand in de zijne nemen en naar haar stem luisteren, waarin geen twijfel, geen ontrouw was.

Maar terwijl hij zich omkeerde om verder te gaan in het donker, hoorde hij zijn naam roepen en een dame in ’t zwart kwam uit de schaduw van de kerkhofpoort en snelde hem tegemoet.

„Ga niet verder, ik smeek je, Abraham. Ik smeek je er om, ter wille van kleine Marius! ga niet alleen zoo ver buiten de stad in ’t donker!”

„Maar lieve Mevrouw Gottwald, waarom mag ik dat niet?”

„Omdat ik vroeger gezien heb, dat... had ik toen maar...”

„Wanneer? Wie?”

„Je moeder stond ook hier! Ga niet verder, Abraham! Ik kan het niet verdragen.”

Eerst had hij gemeend, dat zij krankzinnig geworden was door ’t verlies van haar geld; maar toen ze zijn moeder noemde:

„Antwoord me, lieve Mevrouw Gottwald! antwoord me!—wat was dat met Moeder?”

„Niets. Vraag ’t me niet. Ik weet niets.”

„Antwoord me! U moet me antwoorden—ter wille van kleine Marius.” En hij hield haar vast. „Wat was dat met Moeder?”

„Ik zal je antwoorden en alles zeggen wat ik [203]weet; maar dan moet je niet meer vragen—arme Abraham!”

Nu was ze zooals in den ouden tijd de moeder van Marius en hij was de beste vriend van haar jongen.

„Ik heb je moeder juist hier zien staan, waar wij nu staan; ’t was nacht en donker als nu. En zij zag op haar horloge en hief toen haar gezicht op in ’t gaslicht;—o dat gezicht!—Ik stond daar in de schaduw van de kerkhofpoort en ik kwam niet te voorschijn; ik was immers—die ik ben. En zij was de vrouw van Professor Lövdahl. En toch zag ik, dat ze eenzaam was en in nood, en we waren beide moeders! Was ’t niet vreeselijk laf van me? En ze stierf dien zelfden nacht.”

„Stierf ze? was dat de laatste nacht?—waar stierf zij?”

„Je moeder stierf in haar bed,” antwoordde Mevrouw Gottwald vast; maar toen ik nu vanavond van Marius kwam en juist aan jou en je familie in je groot ongeluk dacht—ja, ik dacht vooral aan jou, Abraham!—daar zie ik ineens je gezicht—dat zoo op ’t hare lijkt. Je haalde je horloge uit, en keek daarna naar boven in ’t gaslicht—; ja, kun je je niet begrijpen, dat ik angstig werd, omdat je daar alleen, in wanhoop rondliep?”

„Maar Moeder!—gelooft u dan,—Mevrouw Gottwald! gelooft u, dat Moeder...”

„Ik weet noch geloof iets; maar menschen, die ongelukkig zijn, moet men niet in ’t donker laten loopen; kom, ga met mij naar de stad terug.” Ze nam zijn arm en zij liepen zwijgend voort.

„Was mijn moeder ongelukkig?”

„Hoe weet ik dat? Wat weet de eene mensch van den andere? Doen we wel anders dan elkaar [204]bedriegen? Sommigen met een booze, anderen met een goede bedoeling. Ik kende haar trouwens ook niet zoo goed; maar zij was zeker een bizondere vrouw, en juist daarom—”

—„daarom” zegt u?”

„Ja, lieve Abraham! daarom was ze zeker niet gelukkig;—dat is gewoonlijk zoo.”

Hij moest haar beloven niet buiten de stad te gaan; maar hij hield zijn belofte niet. ’t Was hem onmogelijk naar huis te gaan en er was voor hem geen gevaar. Hij dacht er niet aan in zee te springen of zich voor ’t hoofd te schieten.

En toch moest hij stilstaan en naar ’t geheimzinnige klotsen der golven luisteren—daar beneden in het donkere fjord, waar de lichten van de stad hem tegemoet kwamen springen in strepen van kleine glanzende puntjes. Had zijn moeder er over gedacht langs dezen donkeren weg het leven te verlaten? Was ze vrijwillig heengegaan?—Wat moest hij denken?

Hij doorleefde weer zijn herinneringen uit dien tijd. Nooit had hij er een flauw vermoeden van gehad, dat zijn moeder ongelukkig geweest was; eerst nu herinnerde hij zich hoe wonderlijk zwaarmoedig ze zeggen kon: „Arme kleine Abby!”

Maar als er een ongeluk in haar leven geweest was, dan moest het op een of andere manier met haar huwelijk in verband gestaan hebben en dat was het vreeselijke voor Abraham, dat alles vandaag zoo overweldigend samenliep om dien vader te verbrijzelen, dien vader, waar hij zijn leven lang tegen had opgezien, dien hij bijna aanbeden had met een soort godsdienstige vereering. De diepe kloof tusschen den aard van zijn ouders—in zijn kindschheid soms flauw vermoed, stond hem nu klaar voor den geest. En nu wist hij ook wat hij had [205]moeten kiezen.—Dat—wat in zijn moeder geknakt was had de kracht van zijn leven moeten worden. En in plaats daarvan?—er kwam een vreeselijke leegte in hem en in zijn ooren klonk het met de scherpe stem van Kruse: „Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar!”

Zou het toch niet het beste zijn als hij zijn schande daar beneden verborg, waar ’t zoo zwart en zoo stil was; dan was ’t voorbij—dan konden ze van hem zeggen wat ze wilden. Wat zouden ze zeggen?—Hij begon over alle gevolgen na te denken en kon niet verder komen dan zijn vaderlooze kleine Carsten. Maar opeens keerde hij zich af met een beweging alsof hij van zich zelf walgde; hij wist, dat hij nu niet en nooit zou durven; hij zag voor zijn oogen al de kleine treden van lafheid, waarlangs hij gedaald was, telkens lager van zijn kindschheid af tot op dit oogenblik toe.

Alle groote woorden, alle schitterende fantaisieën, alle kleine, slappe aanloopjes; heel die behoefte om waar en moedig te zijn, die hem altijd lokkend en bedriegelijk vergezeld had; alle mogelijkheden, die hij in handen had gehad, alle gelegenheden, die zich aan hem hebben voorgedaan—waarom? waarom was dat alles een rij van de meest smadelijke nederlagen geworden.

Hij streek zich in wanhoop met beide handen door ’t haar en riep zich zelf luid toe:

„Wat scheelt mij toch!—Wat voor duivel huist toch in mij, die maakt, dat ik nooit—nooit doen kan wat ik zelf wil. Eén laffe leugen, één carricatuur is mijn leven! ’t Is alsof elke vezel in mijn ziel vergiftigd is.” Grete! Grete! Nu was er niets anders in de wereld meer voor hem!—En hij liep bijna zoo hard als hij kon de stad uit. [206]

Toen hij het huis naderde vond hij, dat de deur er zoo vreemd uitzag; hij tastte er langs in ’t halfdonker en merkte, dat zij de deur uit de hengsels hadden gelicht en dien buitenshuis tegen den muur gezet.

In de kamers was niet de gewone lucht, ook was er niet... er was niets! hij liep langs de wanden in de keuken, in ’t slaapkamertje, in de huiskamer; er was niets—niets ter wereld, behalve stroo en afval, dat hij onder zijn voeten voelde.

Eindelijk stootte hij tegen de bank onder ’t venster, waarop hij gewoonlijk met Grete zat: die was vast aan den muur gebouwd.

Hier wierp hij zich neer. Steffensen was weg! Hij begreep alles: Grete had gehoord, dat hij de spaarpenningen van de arbeiders had weggenomen en toen was zij weggegaan. Zoo was ’t gegaan. En daarmee was ’t uit.

De duisternis werd verdrongen door de schemering, ’t werd lichter en lichter. De wind stak op tegen den morgen en ritselde in ’t stroo op den grond.

Daar ginds onder ’t venster, op ’t overschot van Grete’s wilgentakjes en riet lag Abraham Lövdahl te slapen. Hij was van de bank afgegleden.— [207]

[Inhoud]

XV.

Toen de faillissementen eindelijk allen bekend waren, zoodat men het ongeluk kon overzien, kwam er meer rust in de gemoederen; het eerste, haastig gevelde oordeel werd gewijzigd; de ontzettend groote omvang van de ellende, de groote omwentelingen en veranderingen, die men voorspeld had—alles kromp als ’t ware van dag tot dag, en ’t leven hernam bijna zijn ouden vorm, maar in wat grauwer kleuren. Haat en vergeving schaarden zich om zekere brandpunten. Van Professor Lövdahl was niet veel kwaads te zeggen; ’t haar van dien armen man was sneeuwwit geworden in een paar weken.

’t Was eerder de zoon, die al dit kwaad gesticht had; hij was een vrijdenker en hield zich met Kruse op, om de arme arbeiders af te zetten; zij hadden ook gevoeld wat de liefde van die twee beteekende; en ’t was bewezen, zei men, dat Abraham Lövdahl zich in de arbeidersvereeniging gedrongen had, alleen maar om aan ’t geld te kunnen komen.

Men vertelde ook al spoedig, dat hij naar de gevangenis moest—hij en Marcussen, allebei. ’t Was een goed paar; maar Lövdahl, een getrouwd man, was toch de ergste. En ’t meisje was nog al blind, en nu was zij de stad uit gestuurd,—zij moest [208]weg!—zeker met een flinke portie van ’t gestolen geld.

Intusschen werd spoedig verteld, dat de bankdirecteur Christensen gezegd zou hebben, dat er Goddank—geen sprake was van vervolging van een der gefailleerden; en als zijn woorden vroeger van gewicht waren—nu waren ze als orakels en werden door allen met onbepaald geloof en vertrouwen aangehoord.

De groote gestalte van den bankdirecteur met zijn onfeilbare neus was nu ’t eenige in de stad wat hoop gaf aan wie hem zagen; en wanneer hij als een olifant van zijn kantoor naar zijn dierbare bank liep, zagen de schuwe kleine burgers naar hem op als de Israëlieten naar de koperen slang in de woestijn.

Hij was overal aan ’t werk als aanvoerder, hij regelde en maakte orde en schikte en plooide, zoodat midden in de wanhopende ruïnen wat hoop begon te ontkiemen, nu voor dezen, dan voor dien.

De arbeiders dankten hem met tranen in de oogen, omdat ze op zijn scheepswerf mochten werken voor f 1.25 per dag; menschen, die verlegen waren om contant geld, kwamen bij hem om allerlei soort papieren en zaken van waarde te verkoopen; hij had hulp voor allen—en men zei, dat hij in dat jaar zijn vermogen bijna verdubbelde.

Op Mevrouw Frederika maakte het ongeluk den indruk, dat er nu met dubbele kracht gepingeld moest worden; het groote verlies kon ze niet recht vatten; wel kon ze de groote getallen herhalen en daarbij rillen, maar ’t ging haar toch veel erger aan ’t hart, als ze er achter kwam, dat de kruidenier haar voor vijftien cents had beetgenomen.

Maarten daarentegen had een knak voor zijn leven [209]gekregen: zijn berekeningen, zijn dierbare berekeningen hadden alles vernield wat hij had,—en alles wat hij berekend had te zullen erven van den ouden Jörgen. Hij ging door met rekenen en rekenen, tot hij zóó verbitterd was, dat zijn preeken, waar vroeger weinig op gelet werd, den naam kregen van „dierbaar” te zijn.

Maar in ’t huis van de oude Kruses veranderde alles; daar was alles gesloten,—leeg, uitgestorven.

Zoodra Juffrouw Kruse bekomen was van haar oprechte, onmetelijke verbazing, beval ze haar zoon Peter, dat hij nooit—met geen enkel woord, de schuld noemen zou, die Maarten hieraan had; zij hoopte, dat dit ongeluk voor haar jongsten zoon tot een zegen en een redding zou worden.

Maar daarbij pakte zij de zaak aan; en twee dagen na de beëindiging van het faillissement van Jörgen Kruse, verhuisden hij en zijn vrouw naar een van de drie kamers bij hun zoon den advokaat boven Mevrouw Gottwald.

De oude Jörgen zelf was half verward in ’t hoofd geworden toen hij begreep wat er was gebeurd.—Ja, hij begreep het eigenlijk nooit. Want zijn hersens, die altijd zwakke plekken gehad hadden, konden dien vreeselijken slag niet verdragen: de arbeid van een heel leven vergeefs! Als Amalia Catherine hem een oud kasboek gaf om op te tellen, was hij er den heelen dag meê bezig, tot men hem voor de maaltijden riep; alleen vroeg hij een enkele keer geheimzinnig, of Maarten nu in den winkel stond.

Juffrouw Kruse daarentegen hief haar klein hoofdje op en werd werkelijk vroolijk.

Peter en zij zetten den dikken advokaat Kahrs zoo zeer tot spoed aan, dat alles in korten tijd [210]verkocht en afgedaan werd. En toen het bleek, dat de crediteuren bijna hun geheele vordering kregen uitbetaald, had Juffrouw Kruse geen zucht over voor al het geld, dat ze zoo trouw had helpen bijeengaren. ’t Leven had haar nu werkelijk een afschrik van geld gegeven. Nu zou ze juist gelukkig zijn; en ze hoopte, dat ook anderen ’t zouden worden.

’t Meest medelijden had ze met Peter; want hij trok het zich zoo aan—die historie met ’t geld van de arbeiders; en Peter had toch geen schuld; ’t was die Lövdahl, die ’t gedaan had.

Maar daar wilde Peter niet van hooren. Hij liep er voortdurend over te tobben, en verweet het zich, dat hij niet zelf de zaken behartigd had. ’t Hielp niet wat zijn moeder ook zei, niet eens hielp het, dat de arbeiders zelf hem verzekerden, dat ze hem niet het minst te verwijten hadden en hem dringend verzochten hun president te willen blijven.

Peter kon dat geld maar niet vergeten wat hij met zooveel vreugde had zien vermeerderen. Dat zou zijn liefsten droom tot werkelijkheid hebben gemaakt; de arbeiders vergaderd in hun eigen huis, sterk en vereenigd!—Nu was alles bedorven en verstrooid—erger dan vroeger; wantrouwen, lafheid en al de oude ellende; er moest weer van voren af aan worden begonnen. Hij moest wat opgevroolijkt worden, dacht Juffrouw Kruse en klampte dadelijk Mevrouw Gottwald aan; ze had natuurlijk al lang Peters geheim ontdekt.

Mevrouw Gottwald verweerde zich lang schertsend door te doen, alsof zij ’t niet begreep; maar eindelijk werd zij ernstig:

„Luister eens, Mevrouw Kruse! daar moeten we niet meer over praten, niet eens uit gekheid. Zelfs al waren er geen honderd andere dingen tegen [211]dat, waar u op zinspeelt, dan moest het al volkomen genoeg—en meer dan genoeg zijn, dat u mijn verleden kende.”

„Dat ken ik, Mevrouw Gottwald.”

„Ik ben geen Mevrouw,” antwoordde de andere en boog zich over haar werk.

„Dat weet ik ook; maar u hebt een kind gehad.”

„Ach ja! Een lieve, kleine ongelukkige jongen.”

„Luister u nu eens—Mevrouw Gottwald!—die man, waar ik zoo graag zou zien, dat u van hieldt, is ook zoo’n ongelukkig jongetje.”

„Ik begrijp u niet,—of u begrijpt mij niet.”

„Zijn moeder was ook niet getrouwd, toen hij ter wereld kwam; er zijn tranen op zijn hoofdje gevallen—zulke tranen als u kent. Ja,—u ziet mij aan!—hier zit zij voor u—zijn moeder. Wij beiden—Mevrouw Gottwald—wij zijn gelijken.”

„Groote God! dat heb ik nooit geweten!”

„Neen, ziet u! Van mij heeft men het vergeten; omdat het mij meêliep en ik getrouwd ben; maar op u bleef de schande drukken, heel uw leven door. En daarom heb ik nu gedacht, dat de schande eigenlijk niet zoo groot kan zijn—voor geen van ons beiden; ik geloof, dat we ons al te veel geschaamd hebben—vooral u. Ja—u ziet me aan! maar ik meen het in ernst en daarom heb ik mijn schaamte overwonnen en Peter ook.”

„Weet hij het dan?”

„Ja, daar ben ik van overtuigd. Maar nog meer overtuigd ben ik er van, dat hij nooit in ’t verborgenste hoekje van zijn hart daarom ook maar een ziertje zou hebben van iets, dat op minachting voor zijn moeder lijkt. En dat zou uw zoon ook niet gehad hebben als hij was blijven leven. Hoe heette hij?” [212]

„Hij heette Marius—kleine Marius.”

„Nu,—Marius en mijn kleine Peter—zij zijn ongeveer broers. U hebt uw zoon verloren, neem u den mijnen in zijn plaats; hij zal van ons beiden zijn—van ons allebei.”

Mevrouw Gottwald lachte en schreide tegelijk; ’t overviel haar zoo; maar de oude haalde haar toch over om mee naar boven te gaan om thee te drinken. Op de trap bedacht Mevrouw Gottwald zich toch weer en wilde terugkeeren; maar gelukkig kwam er toen juist een heer de trap op en toen dit Peter bleek te zijn, nam Mevrouw Kruse dat aan als een zekere vingerwijzing en stelde zich zelf gerust in de overtuiging, dat „de jongelui” ’t nu wel samen eens zouden worden.

Haar zorgen voor haar tweeden zoon waren van heel anderen aard en voor hem had zij minder hoop. Morgen zou ze hem beproeven. Hij zou preeken over haar tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen.” Frederika had het verteld. Maarten beschouwde het als zijn plicht juist in dezen tijd krachtig ten strijde te trekken tegen de Mammonvergoding. Juffrouw Kruse zou niet zooveel om de woorden geven: zoo welsprekend als de Proost Sparre was Maarten immers in ’t geheel niet. Maar hij was haar zoon; ze kende elk geluid van hem. Zij zou ’t wel hooren of de rechte geest in hem was.

’t Was de tweeëntwintigste Zondag na Trinitatis, in den overgang van herfst tot vollen winter. ’t Weer was guur en doordringend koud zonder ’t frissche van de vorst; de menschen stroomden naar de kerk en haastten zich om onder dak te komen voor den gierenden zuidwestenwind.

Er waren veel menschen; de groote rampen hadden [213]menschen naar de kerk gedreven, die er anders nooit kwamen. De vrouwen waren in donkere kleuren gekleed—als boetelingen—; geen bonte linten waren er te zien.

De mannen zaten somber neer en worstelden met hun bekommeringen; of ’t ergste nu voorbij was; of was dit maar ’t begin van erger dingen?

Daar kwam consul With, die na zijn failliet in de directie van de bank was gekomen onder Christensen; hij bracht zijn „strijkplank” galant naar haar plaats en legde de plooien van haar mantel zorgvuldig om haar heen. Zooiets had men nog nooit gezien. Misschien had het ongeluk dit echtpaar tot elkaar gebracht. Daar kwam Juffrouw Kruse alleen—flink en beweeglijk, alsof er niets gebeurd was. Zij had zeker aardig wat achtergehouden, de oude raaf—dat ze er zoo onbekommerd uitzag.

Maar daar kwamen de Lövdahls! Alle hoofden keerden zich om; alle oogen volgden hen.

Mevrouw Clara liep bleek, met gebogen hoofd—schoon en onderworpen als een martelares. De japon, de eenvoudige hoed waren van een onwillekeurige gratie, die bijna aandoenlijk was.

Met den hoed in de hand, ’t witte hoofd wat op zij en een glimlach op de lippen, alsof hij allen om vergeving vroeg, liep Carsten Lövdahl naast haar.

Hij had zijn linkerhand in den arm van Mevrouw Clara gestoken; maar met de rechter steunde hij op den bedelstaf,—allen konden dien zien; hij was van bruin bamboes met ivoren knop.

De vrouwen taxeerden Clara. Ja zeker was zij eenvoudiger gekleed, véél eenvoudiger dan vroeger; toch was er, als men goed toekeek, iets irriteerends aan haar; echt geknakt was ze in ’t geheel niet. [214]

Maar de professor was lief! Stel je voor,—met bijna heelemaal wit haar! En zooals hij ’t opnam,—zoo ootmoedig, zoo onderworpen aan God, zoo stichtelijk voor de heele gemeente.

De mannen hielden beschouwingen over het accoord van 50 procent, dat—naar men zei—Christensen voor Lövdahl zou zien te verkrijgen; over de vele schandelijke transacties, die de curators hadden ontdekt—naar men zei. ’t Was toch eigenlijk al te erg, dat zooiets er maar door kon. De overheid van den ambtman tot den minsten klerk wisten ’t waarachtig goed genoeg; maar welke particulier had den moed of de macht om die overheid te dwingen, om te zien wat zij volstrekt niet zien wou. De weinigen, die nog vast stonden, behoorden zelf tot den kring; en hoewel alle menschen onder vier oogen en in vertrouwen ’t er over eens waren, dat het volkomen onverantwoordelijk was zooals het ging, toch kon men met geen mogelijkheid aantoonen, dat niet alles met de meest nauwgezette inachtneming van de voorschriften der wet plaats had.

Zulke gedachten volgden Clara en den professor door de kerk; en zóó druk hadden de oogen ’t met hen, dat de gemeente eerst later opmerkte, dat er nog iemand achteraan kwam.

Dat was Abraham.

—Er is smart in de wereld—vooral dat soort smart, die schande meêbrengt, die ’t een mensch volkomen onmogelijk doen voorkomen het leven verder te verdragen. Des namiddags en ’s nachts voelt hij zich alsof hij sterven moet, vóór ’t licht weer terugkomt.

En als de morgen komt, heeft hij een gevoel alsof er toch nog leven in hem is; hij moet de kleeren weer aantrekken, zijn haar borstelen en hij moet eten. [215]

’s Avonds zegt hij: „Hoe is ’t toch mogelijk, dat ik een heelen dag geleefd heb—en dit gedragen?”

Den volgenden dag scheert hij zich; acht dagen later komt hij er toe een grap te zeggen en er zelf om te lachen.

—Zoo had Abraham een paar weken geleefd. Dagen en nachten hadden hem heen en weer geslingerd. Niets was zwaarder of lichter geworden; maar alles rondde zich af onder het zwoegen in die uren.

Tot zekere hoogte had hij ’t nog nooit zoo goed gehad thuis; men behandelde hem als een lieve zieke. Zijn vader was zoo zacht, bijna eerbiedig;—en Clara omringde hem met alle teerheid, waar hij ooit van gedroomd had vóór zij getrouwd waren en die hij vroeger nooit bij haar gevonden had.

Zij waren beiden bang voor hem. Eén woord, één uitbarsting van zijn overdreven principes kon alles omverwerpen, wat zij opgebouwd en gered hadden.

Maar in werkelijkheid behoefden ze voor hem niet langer bang te wezen;—met hem was ’t gedaan.

En toen Clara hem dien Zondagmorgen half angstig in ’t oor fluisterde: „Je weet niet wat een pleizier je Vader zou doen, als je met ons naar de kerk ging,” antwoordde hij heel kalm:

„Ja, dat wil ik wel doen.”

Toch kromp iets in hem ineen, toen hij onder den boog doorging en de groote oude kerk voor hem lag in sombere, grauwe herfstkleuren. Herinneringen drongen zich naar boven, oogen drongen op hem aan. Maar hij ontweek ze bijna zonder strijd; zij hadden geen macht meer over hem.

En terwijl hij achter zijn vader en zijn vrouw [216]liep, spuwde hij in gedachten zich zelf in ’t gezicht en riep zich zelf toe:

„Kijk ootmoedig! Kijk vooral ootmoedig, hond, die je ben!”

Wat zag hij er akelig en griezelig uit! Niet een was er, die hem vertrouwde. Vrouwen en mannen zagen hem na met booze oogen. Hij—die de arme arbeiders bedrogen en bestolen had.—

—Maar daar kwam Christensen—de bankdirecteur en zijn vrouw in een nieuwen zwaren zijden mantel uit Hamburg! Goede hemel! ’t deed allen werkelijk goed menschen te zien, die nog zijde konden koopen!

Mevrouw Christensen glimlachte bewogen; ’t zilver stond nu op zijn plaats en het dwaze opschrift was er van weggenomen.

De houding van den bankdirecteur scheen te zeggen: „Aanbid mij niet!”

Maar hij kon het niet verhinderen. Hij was aller hoop en toevlucht; niet één had den moed aan zijn laatste zonderlinge manier van doen op de algemeene ledenvergadering van Fortuna te herinneren.

Toen begon Maarten Kruse zijn preek over de tienduizend talenten; over de booze macht, die ’t geld onder ons menschen heeft; over den mammon en de leliën des velds, en als grondtoon kwamen telkens deze woorden terug: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen.”

Daar stond midden onder de preek een kleine gestalte op aan den kant van de vrouwen. ’t Was Juffrouw Kruse! Ja waarachtig! ’t was Juffrouw Kruse.

Ze hield den zakdoek niet voor haar mond; ze had geen neusbloeding, ze was niet onpasselijk, [217]want ze zag in ’t geheel niet bleek. Integendeel ze zag er frisch en krachtig uit, zooals ze zich een weg baande tusschen de dames door, die van schrik vergaten plaats te maken.

Toen Juffrouw Kruse eindelijk het middenpad bereikt had, schikte ze kalm haar mantel terecht en ging toen met haar rustige oude vrouwen-stapjes, voort door ’t lange middenpad en de kerk uit. [219]

Inhoudsopgave

[Inhoud]

WB ONDER LEIDING VAN L. SIMONS NB

De Derde Jaargang (1907—1908) bevat:

[Inhoud]

WERELD-BIBLIOTHEEK.

Nos. 61/62. CLARA VIEBIG, Absolvo Te, (Ik scheld U kwijt), roman.

Nos. 63/66. CHARLES DARWIN, De Reis om de Wereld, (27 Dec. 1831–2 Oct. 1836), vertaling van J. Brandt. f 0.80; 0.95; 1.10.

No. 67. MOLIÈRE, Geleerde Dames, vertaling van J. Wendel.

Nos. 68/69. GEBRs. GRIMM, Sprookjes, (2e verzameling), vertaling van Mevr. M. van Eeden-Van Vloten.

No. 70. ARISTOPHANES, De Ridders, een satiriek spel, vertaling van Dr. H. C. Muller.

Nos. 71/72. LUDW. ANZENGRUBER, De Schandvlek, roman, vertaling van Mevr. Loman-Van Uildriks.

No. 73. HENRIK IBSEN, Een Vijand van ’t Volk, vertaling van Marg. Meijboom.

No, 74. LUDWIG FINCKH, De Rozendokter, vertaling van Mevr. M. van Vloten.

Nos. 75/76. THOMAS à KEMPIS, Imitatio Christi, vertaling van Willem Kloos.

No. 77. SHAKESPEARE, Macbeth, vertaald door Dr. Edw. B. Koster.

Nos. 78/80. E. CASIMIR, Geschiedenis der Wijsbegeerte I.

No. 81. BERNARD SHAW, Je kunt ’t nooit weten, vertaald door Ph. G. Gunning.

Nos. 82/83. BOCCACIO’S Decamerone, Bloemlezing door W. G. van Nouhuys. [220]

Nos. 84/85. KJELLAND, Fortuna, een roman (vervolg op 55/56: Vergift.) Vertaald door Mej. M. Meijboom.

Nos. 86/87. E. CASIMIR, Geschiedenis der Wijsbegeerte.—II.

[Inhoud]

NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK.

No. XXII. MULTATULI, Max Havelaar, volledige uitgave, met verklaringen en vertalingen van de Redactie der W.-B.

No. XXIII. J. A. SIMONS-MEES, Atie’s Huwelijk.

Nos. XXIV/XXV. Zelfkeur, 2e bundel.

Nos. XXVI/XXVII. M. SCHARTEN-ANTINK, Catherine.

Nos. XXVIII/XXXIV. Voordrachten over de ontwikkelingsgeschiedenis en de Toekomst der Bouwkunst. f 1.40; 1.60; 1.75.

J. E. v. D. PEK, ’t Begrip en ’t Wezen der Bouwkunst. f 0.20; 0.30; 0.40.

W. KROMHOUT Czn., Oostersche Bouwkunst. f 0.20; 0.30; 0.40.

J. H. W. LELIMAN, Klassieke Bouwkunst. f 0.20; 0.30; 0.40.

JOS. TH. J. CUYPERS, Middeleeuwsche Bouwkunst. f 0.20; 0.30; 0.40.

A. W. WEISSMAN, Renaissance. f 0.20; 0.30; 0.40.

H. J. M. WALENKAMP, Over hedendaagsche en toekomstige Bouwkunst. f 0.20; 0.30; 0.40.

H. P. BERLAGE Nz., Slotvoordracht-Samenvatting, f 0.20; 0.30; 0.40.

No. XXXV. I. BOUDIER-BAKKER, Het hoogste Recht. Tooneelspel.

Nos. XXXVI/XXXVII. IS. QUERIDO, Studiën.

Nos. XXXVIII/XXXIX. J. EIGENHUIS, De jonge Dominé, roman.

Nos. XL/XLI. Dr. EDW. B. KOSTER, Gedichten. [221]

Nos. XLII/XLIII. E. J. POTGIETER, Jan, Jannetje en hun jongste kind;—’t Rijksmuseum.

No. XLIV. E. J. POTGIETER, Liedekens van Bontekoe;—Novellen. (Blauwbes, Pennelikker, Marie, De Ezelinnen, Hanna.)

De Geheele Jaargang in eens, in abonnement, mèt gratis Correspondentieblad:

WERELD-BIBLIOTHEEK (omvattende alle 49 nummers, of 26 werken) in carton f 10.—; in linnen f 12.50.

NEDERL. BIBLIOTHEEK (alléén: 23 nummers of 11 werken) in carton f 5.20, in linnen f 7.50.

Een nummer ingenaaid 20 ct., in carton 30 ct., in linnen 40 ct.; dubbele nummers 40, 55 en 70 ct.; drievoudige 60, 75 en 90 ct.

Men zie verder onzen uitvoerigen Catalogus: „Het Nieuws van de Wereld-Bibliotheek.”

[Inhoud]

Oorspronkelijke rug.

 

Oorspronkelijke achterkant.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Oorspronkelijke Noorse titel: Fortuna, voor het eerst verschenen in 1884. Vervolg op Vergif.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Documentgeschiedenis

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
7 niet niets
13 [Niet in bron]
14 direkt direct
14 of òf
16 [Niet in bron] ,
26 [Niet in bron]
26 [Niet in bron]
39 respekt respect
43 [Niet in bron]
47 [Niet in bron]
56 [Verwijderd]
63 [Niet in bron]
65 duitsche Duitsche
73 [Niet in bron]
74 antwoordt antwoord
85 bestuursgadering bestuursvergadering
96 tweehondervijftig tweehonderdvijftig
104 radikale radicale
123 . :
131 [Niet in bron]
133 [Niet in bron]
144 vindt vind
152 vindt vind
178 onvoldoend onvoldoende
204 [Niet in bron]
205 kindsheid kindschheid
208 scheepswerk scheepswerf