The Project Gutenberg eBook of Don Quichot van La Mancha

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Don Quichot van La Mancha

Author: Miguel de Cervantes Saavedra

Editor: J. J. A. Goeverneur

Release date: April 1, 2009 [eBook #28469]
Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DON QUICHOT VAN LA MANCHA ***



[Inhoud]

Don Quichot

[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

Don Quichot en zijn schildknaap Sancho Panza.

Don Quichot en zijn schildknaap Sancho Panza.

Don Quichot van La Mancha

Tweede druk
Amsterdam
Tj. van Holkema

[Inhoud]

Boekdrukkerij van P. W. M. Trap, Leiden.

[1]
[Inhoud]

Hoofdstuk I.

Jonker Don Quichot.

Nog zoo heel, heel lang niet geleden woonde in een dorp van La Mancha, een edelman, gelijk men die heden ten dage in Spanje nog bij de vleet vinden kan. Zijne inkomsten waren slechts matig, en hij had daarvan althans drie vierden tot zijn dagelijksch schraal onderhoud noodig. Voor het laatste vierde schafte onze edelman zich zijne kleeding aan, die elk jaar in een nieuwen lakenschen rok, een fluweelen broek en leeren pantoffels bestond. Zijne verdere huisgenooten waren zijne nicht, een jong knap meisje van achttien jaren, eene oude huishoudster en eindelijk een jonge knaap, die het paard voeren, water halen, hout klooven en verder huiselijk werk verrichten moest.

Op den tijd, dat onze geschiedenis begint, had onze edelman, wiens naam Don (Don is in Spanje ons: Heer) Quichot was, zijn vijftigste jaar bijna bereikt. Evenwel was hij nog kloek, krachtig en lang, ofschoon ontzettend schraal en mager van gestalte, met een smal, ingevallen gezicht, en een bijzonder groot vriend van de jacht. Zijne allergrootste liefhebberij was echter, zich in het lezen van riddergeschiedenissen te verdiepen, waardoor hij niet alleen vaak eten, drinken en slapen vergat, maar ook het beheer van zijn vermogen verwaarloosde en zich gedwongen zag, het eene stuk goed land na het ander te verkoopen, alleen om tot aanschaffen van zulke avontuurlijke en zeldzame boeken het benoodigde geld in handen te krijgen. Op deze wijze bracht hij daar [2]mettertijd dan ook een groot aantal van bijeen, in ’t lezen waarvan hij zich van den vroegen morgen tot den laten avond zoozeer verdiepte, dat zijn hoofd er van op hol raakte en hij er zoetjes aan stapelgek door werd. Zijne arme hersens waren vol van tornooien en gevechten, van lansen en zwaarden, van betooveringen en minneliederen, van uitdagingen en wonden, van reuzen en draken; en ’t ongeluk daarbij was, dat hij al dien onzin voor wezenlijke en waarachtige waarheid hield en er niet minder geloof aan schonk, dan aan de beste wereldgeschiedenis, die hem toevallig in handen kwam.

De vreemde verwarring zijner begrippen bracht hem tot het nog vreemder voornemen, om tot vermeerdering van zijn roem en tot heil der wereld een dolend ridder te worden, in ridderlijke wapenrusting het land door te trekken en even zoo groote heldendaden te verrichten, als waarvan hij in de oude romans gelezen had. Zijne verbeelding spiegelde hem met levendige kleuren de ongehoorde avonturen en gevaren voor de oogen, door welker heldhaftig bestaan hij zich een onvergankelijken roem verzekeren moest. Door de kracht van zijn arm zag hij zich zelf reeds tot machtig keizer gekroond, en hij meende, dat het hem althans zeker gelukken moest een koningskroon te veroveren, gelijk al verschillende dolende helden dat in den ouden tijd hadden gedaan. Hij gaf zich meer en meer aan deze streelende gedachten over en achtte nu eindelijk den tijd gekomen, om zijn dolzinnig besluit ten uitvoer te brengen.

Zijn eerste werk was, dat hij aan het opknappen en schoonmaken van eene overoude, door een zijner voorzaten gedragen wapenrusting ging, welke hij uit een donkeren hoek van de rommelkamer had opgeschommeld. In ’t zweet zijns aanschijns wreef hij er met een wollen lap en puimsteen de roestvlekken af, en hij was innig voldaan, als hij na uren poetsen weer een deel van het harnas goed glad en blank had gekregen. Eerst toen hij hiermee eindelijk klaar was, bemerkte hij tot zijn niet geringe schrik, dat nog een zeer belangrijk stuk aan zijne uitrusting ontbrak: de helm namelijk.

Deze ongelukkige omstandigheid bracht hem in de grootste verlegenheid en gaf hem veel kommer en zorg. In de hoop van den [3]ontbrekenden helm op te sporen, haalde hij in de rommelkamer alles onderstboven, doch vond niets dan een oude stormkap, die bij de overige wapenstukken volstrekt niet paste en vroeger denkelijk aan den een of anderen geringen voetknecht had toebehoord. Desniettemin was hij met die vondst niet weinig ingenomen en wist zijne scherpzinnigheid zeer spoedig middelen te vinden, om de stormkap in een behoorlijken, schoon al niet prachtigen helm te herscheppen. Hij nam bordpapier, waarvan hij met veel moeite en getob de benedenhelft van den helm knutselde, hechtte die aan de stormkap, verfde alles staalkleurig en kreeg zoo een ding, dat wel nagenoeg het fatsoen van een ridderlijk hoofddeksel had.

Nu diende nog de proef te worden genomen, of zijn meesterstuk ook sterk genoeg was, om den houw van een vijand te kunnen weerstaan. Om daar zeker van te zijn, zette hij den helm op tafel, trok zijn zwaard en deed dat met al de kracht van zijn arm daarop neervallen. Terstond lag het heele ding in stukken, en onze held moest met schrik zien, hoe de arbeid van verscheidene dagen, die hem zoo menigen zweetdroppel gekost had, in een ommezien tijds was te niet gegaan.

Diep bedroefd zag hij de verwoesting aan. Hij had moeite, om zijne tranen in te houden en zette zich stil in een hoek neer, om door diep nadenken een middel uit te vinden om de schade te herstellen en in weerwil van alle hindernissen toch in het bezit van een behoorlijken helm te komen.

Na lang hoofdbreken kwam hij tot het besluit, om het bordpapier van binnen van ijzeren staafjes te voorzien, ging terstond aan het werk en kwam ook eindelijk tot zijn genoegen klaar. “Nu is hij sterk genoeg!” dacht hij, maar had toch den moed niet, zijn maaksel nogmaals aan zulk eene gevaarlijke proef te onderwerpen, zoodat hij zich vergenoegde met zonder omstandigheden zijn helm voor den besten en volmaaksten helm te verklaren, die ooit het hoofd eens dapperen ridders had gedekt.

Toen dit nu beredderd was, besteedde hij drie of vier dagen, om een gepasten en welluidenden naam voor zijn strijdros te bedenken. Het arme beest had wel meer gebreken, dan een gulden [4]centen en een pond wichtjes heeft, aan zijn lijf, maar Don Quichot was toch van oordeel, dat de hengst, daar die voortaan een edelen en beroemden ridder zou dragen, ook volstrekt een naam moest hebben, die met zijne nieuwe roeping en waardigheid strookte. Hij koos en koos weer, snuffelde al zijne ridder- en heldengeschiedenissen door en kwam na veel wikken en wegen tot het besluit, om aan zijn knol den liefelijken en welluidenden naam van Rocinante te geven.

Na het afdoen van deze hoogst gelukkige aangelegenheid viel hem in, dat ook hij zelf aan zijn ouden eerlijken naam een deftigen staart moest hechten, en besloot hij dus, in ’t vervolg als manhaftig en dapper ridder onder den naam van Don Quichot van La Mancha op te treden.

Nu eindelijk zoo de hoofdzwarigheden overwonnen waren, nu zijne wapenrusting blank gepoetst, Rocinante gedoopt en hij zelf van een deftigen naam voorzien was, nu haperde er alleen nog maar aan, dat hij, gelijk alle dolende ridders vóór hem, naar eene schoone dame rondzag, tot wier eer en verheerlijking de te verrichten groote daden moesten bedreven worden.

“Een dolend ridder,” sprak hij bij zich zelf, “is een onding zonder ridderlijke liefde. Hij is een boom zonder blad en bloesem, een lichaam zonder ziel en geest. Hoe toch, als ik nu op mijne tochten een reus ontmoet en hem door de kracht van mijn arm en van mijne dapperheid in het stof neerwerp of hem van den kop tot de teenen in tweeën hak, moet ik hem dan niet naar iemand heen zenden, om den roem mijner dapperheid te verkonden en door heel de wereld te verbreiden? En tot wien kan ik hem beter zenden, dan tot de uitverkorene dame van mijn hart, gelijk in alle tijden ieder avontuurlijk ridder er eene bezeten heeft? Ik moet en wil eene aangebedene van mijn hart en van mijne gedachten vinden!”

Eens tot dit besluit gekomen, vond hij de uitvoering er van zoo heel moeielijk niet.

In de nabijheid zijner woning, in een klein gehucht, Toboso genaamd, woonde eene flinke, stevige, gezonde boerenmeid. Don [5]Quichot had haar in vroeger tijd wel menigmaal gezien, en zij scheen hem recht geschikt toe, om tot de koningin van zijn hart te worden uitverkoren. Zij heette eigenlijk Aldonza Lorenzo, maar daar die naam hem niet mooi en deftig genoeg klonk, zoo noemde hij haar Dulcinea van Toboso, daar hij dit voor een recht hoogdravenden, welluidenden en geheimzinnigen naam hield, die eerder aan eene prinses en hooge dame, dan aan eene gewone boerendeerne deed denken. En dat immers was de hoofdzaak voor onzen held.

[Inhoud]

Hoofdstuk II.

Hoe Don Quichot zijn eersten tocht onderneemt.

Alle toebereidselen waren gemaakt en Don Quichot wilde dus de volvoering van zijn koen en grootsch opzet niet langer uitstellen.

Op een warmen Julimorgen legde hij dus, zonder een sterveling iets van zijn voornemen mede te deelen, zijne wapenrusting aan, zette den kunstig gefatsoeneerden helm op het hoofd, stak het schild aan zijn arm, greep zijne lans, besteeg Rocinante en reed door het achterdeurtje van zijn hoenderhof de wijde wereld in. Zielsvergenoegd, dat de eerste stap op zijne loopbaan als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk al de stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had kunnen ophangen. Zijne voldoening was evenwel niet van langen duur; want op eens schoot hem tot zijn geweldigen schrik te binnen, dat hij nog niet werkelijk tot ridder geslagen was en zich dus ook niet met een ridder, die hem in den weg kwam, in een kamp mocht inlaten. Deze gedachte viel hem zoo drukkend zwaar op het hart, dat hij bijna zijn plan [6]opgegeven en weer naar huis teruggekeerd was. Reeds wilde hij Rocinante den kop doen omwenden, toen hem nog tijdig inviel, dat hij zich immers door den eersten den besten, die hem bejegende, den ridderslag kon laten geven. Deze gedachte vervulde hem met nieuwen moed en bewoog hem, zijn gelukkig begonnen tocht getroost voort te zetten.

Toen de avond begon te vallen en Don Quichot zoowel als zijn knol van vermoeidheid en honger uitgeput waren, keek onze held naar alle kanten rond, of hij niet ergens een trots opstekenden ridderburcht of een gastvrij slot kon ontdekken, waar hij gelegenheid vond, om zijne behoeften te bevredigen en nachtrust te houden. Tot zijne blijdschap zag hij niet ver van zijn weg eene herberg staan, waarop hij aanreed en die hij, voordat het nog ten volle donker was, bereikte. Toevallig stonden voor de deur twee ganzenmeiden, die vroolijk met elkaar praatten en wier heldere stemmen hem reeds van verre in de ooren klonken.

Daar nu echter vriend Don Quichot alles, wat hem voorkwam, met de oogen van zijn verwarden geest zag en zich zoodoende de wonderlijkste dingen inbeeldde, zoo hield hij ook de herberg hier niet maar voor een gewone kroeg, maar meende in haar een echten en wezenlijken ridderburcht met torens en grachten, met wallen en ophaalbruggen voor zich te hebben. Toen hij er nog weinig passen van verwijderd was, bracht hij zijn paard tot staan en geloofde niets anders, of daar zou nu een dwerg op den torentrans verschijnen en door schetterend hoorngeschal verkondigen, dat een ridder door de burchtpoort verlangde toegelaten te worden. Tevergeefs wachtte hij eene poos, en Rocinante, die niet weinig naar den stal, naar voeder en rust verlangde, nam eindelijk de teugels tusschen de tanden en stapte bedaard op de deur van de herberg toe, zonder dat Don Quichot in staat was, het koppig dier tegen te houden. Voor de huisdeur bleef hij staan, en Don Quichot kreeg nu de beide morsige ganzenmeiden in het oog, welke zijne dolle verbeelding echter dadelijk in edele en hoogst bevallige jonkvrouwen herschiep, die zich voor de burchtpoort een weinig in de koele avondlucht vermeidden. [7]

Terwijl hij haar nog vol eerbied aanzag, wilde het toeval, dat de varkenshoeder met zijne kudde van een stoppelland naar huis kwam en bij het bereiken van het dorp uit zijn horen eenige luide, krachtige tonen lokte. Nu geloofde Don Quichot wat zijne verbeelding hem had voorgespiegeld ten volle bewaarheid te zien; want hij hield den zwijnenhoeder voor den ontbrekenden dwerg en sprong vroolijk van het paard, om de beide schoone adellijke jonkvrouwen, dat wil zeggen de ganzenhoedsters, met eerbiedige buiging te begroeten. De meiden echter, toen zij zoo onverwachts een geharnasten ridder voor zich zagen, gilden en gierden het uit en vluchtten vol schrik de herberg in. Don Quichot, die zich dit vreemd gedrag niet verklaren kon, snelde haar na, riep haar terug, lichtte het vizier van zijn helm op, ontdekte zijn mager, bestoven gezicht en zeide met lispelende stem en onder eene diepe buiging: “Mijne edele en hooggeboren jonkvrouwen, vlucht toch niet zoo voor een ridder, van wien gij nooit in der eeuwigheid eenige oneerbiedige behandeling te duchten hebt, maar die veeleer bereid is, u ten allen tijde naar zijn beste vermogen te dienen en bij te staan.”

Op eene haar zoo vreemde en ongehoorde wijze aangesproken, barstten de beide deernen in een luid, schaterend lachen uit en maakten zulk een leven en misbaar, dat Don Quichot in ’t eind ernstig boos begon te worden. Evenwel bedwong hij zijne drift en sprak:

“Mijne geëerde dames, zonder reden zoo te lachen verraadt onverstand. Gelieft dit echter niet als eene beleediging te beschouwen; want ik herhaal u met den diepsten eerbied, dat ik bloed en leven aan uw dienst wensch toe te wijden.”

De dolle taal van den gekken ridder deed de meiden, in plaats van haar tot bedaren te brengen, nog maar harder te lachen, en Don Quichots ergernis klom reeds tot een bedenkelijken graad, toen nog juist van pas de dikke herbergier voor de deur verscheen en als een vreedzaam man vrede zocht te stichten. Niettegenstaande zijne goede bedoeling was hij echter bijna zelf in den lach geschoten, toen hij de wonderbaarlijk kluchtige figuur van onzen ridder wat [8]nader had opgenomen; alleen het gezicht van de dreigende lans in Don Quichots vuist maakte, dat hij zich met geweld goedhield. Hij trad met eene beleefde buiging op den held toe en zeide uitermate vriendelijk:

“Heer ridder, ingeval gij misschien nachtkwartier zoekt, zult gij in mijn huis op de kostelijkste manier bediend worden.”

Don Quichot nam den dikken waard van het hoofd tot de voeten op en meende uit zijne woorden te mogen opmaken, dat deze de bewaarder van den ingebeelden burcht was. Zoo antwoordde hij dan, dat hij zelf met alles zou tevreden zijn, mits men maar zorg wilde dragen voor zijn ros, welks weerga in kracht en schoonheid men in de geheele wereld tevergeefs zou zoeken.

De waard keek den mageren Rocinante aan en schudde glimlachend zijn dik hoofd. Evenwel greep hij het dier gewillig bij den teugel, leidde het in den stal en keerde vervolgens tot zijn gast terug, om te vernemen, wat die verder zou te gelasten hebben.

In de gelagkamer tredend, vond hij daar Don Quichot onder de handen der beide ganzenmeiden, die na eene roerende verzoening thans druk bezig waren, den dolenden ridder van zijne zware wapenstukken te ontlasten. Borst- en rugharnas hadden zij hem reeds losgegespt; maar met den helm konden zij onmogelijk klaarkomen, daar die met eenige groene koorden stijf aan het pantser vastzat. Die koorden waren dusdanig in de war geraakt, dat men ze zou moeten doorknippen, om den held van den zwaren last van den helm te bevrijden. Dit echter wilde Don Quichot volstrekt niet toelaten, en daarom hield hij den helm liever den ganschen nacht op het hoofd; wat wel zeer krijgshaftig stond, maar ook zeker een weinig lastig en vermoeiend moest wezen.

Onderwijl vroeg de waard, die telkens moeite had, het niet uit te proesten, wat de edele ridder wel tot avondmaaltijd verlangde, en deed daarbij een hoog woord van zijn visch, die wat smakelijkheid betreft, in geheel Spanje haar weerga niet moest hebben. Don Quichot dacht nu natuurlijk aan versche visch, aan baars en forellen; maar de waard had stokvisch bedoeld en kwam met een groot stuk daarvan aansleepen. Dit was slecht gekookt en [9]ellendig toebereid; maar nog ellendiger was het zwarte en beschimmelde brood, dat daarbij den armen dolenden ridder werd voorgezet.

Daar hij een honger als een paard had, stoorde onze held zich daar nochtans weinig aan. Hij viel terstond gretig op de spijzen aan; doch toen hij den eersten hap aan zijn mond wilde brengen, kwam hij tot zijn schrik tot de ontdekking, dat hij om zijn helm geen beet over de lippen zou kunnen krijgen. De ondeugende meiden stonden eerst te schudden van lachen over zijne verlegenheid, maar waren toen toch goedhartig genoeg om hem tot het gewichtig werk der spijziging haar gullen bijstand te verleenen. De eene hield daartoe het vizier van zijn helm in de hoogte, terwijl de andere hem visch en brood brok voor brok in den mond stopte.

De honger van den edelen held werd op die wijze dan ook gestild. Maar hoe zou hij nu den dorst lesschen, die door den sterk gezouten visch in niet geringe mate was toegenomen?—De dikke waard wist raad daarvoor. Hij stak hem de dunne pijp van een trechter in den mond en goot daar van boven den wijn in, die op die manier heel verkwikkelijk in des armen lijders droge keel neerstroomde. Dat de helft van den wijn den mond voorbij en hem de broekspijpen weer uitliep, oordeelde de held van zoo groot belang niet tegenover de zoete voldoening, dat hij daardoor de groene koorden van zijn helm had gered.

Terwijl hij nog aan de pijp zoog, kwam toevallig een ezeldrijver de herberg voorbij en begon onder de vensters een deuntje op zijne dwarsfluit te blazen. Deze toevallige omstandigheid versterkte Don Quichot ten volle in zijne inbeelding, dat hij zich in een beroemd ridderlijk kasteel ophield, dat hij door edele dames werd bediend, dat de stokvisch forellen en ’t beschimmelde brood pasteitjes waren, en dat eindelijk de dikke waard de slotvoogd was. Door die zekerheid en misschien zoo wat half door den hem ingepompten wijn geraakte hij dan ook zoetjes aan in eene vrij jolige stemming en bleef de gedachte, dat hij nog niet tot ridder was geslagen, bijna ’t eenige, dat hem kwelde. [10]

[Inhoud]

Hoofdstuk III.

De ridderslag.

Toen de wonderbaarlijke maaltijd op die wijze was afgeloopen, wenkte Don Quichot den waard ter zijde, bracht hem in den stal, sloot zich daar met hem op, viel voor hem op de knieën neder en hief smeekend de handen tot hem op.

“O, gij dapperste van alle ridders en slotvoogden,” sprak hij tot hem, “hier wil ik knielen en ik zal niet weer opstaan, voordat gij mij met bovenmenschelijke goedheid en genade één wensch vervuld hebt, waarvan de verhooring u tot eeuwigen roem en de gansche wereld tot heil en zegen zal strekken.”

De dikke herbergier zag den knielenden held met verbaasde oogen aan en was niet weinig verlegen. Hij wist niet, hoe hij zich in dit geval gedragen moest, en verzocht Don Quichot met alle beleefdheid, dat hij toch maar opstaan en zijne wenschen op verstandige manier aan den dag leggen mocht. Don Quichot verroerde zich echter niet van de stee en rustte niet, voordat de waard beloofd had te doen, wat hij van hem begeeren zou.

“Ik dank u voor uwe grootmoedigheid,” sprak hij hierop “en zal u nu mijn verlangen openbaren. Dat bestaat hierin, dat gij mij morgen vroeg tot ridder slaan en mij vergunnen wilt, dezen nacht in de kapel van uw kasteel mijne wapenwake te houden. Hebt gij dat gedaan, dan wil ik de wijde wereld intrekken en wil vechten en strijden, totdat de roem mijner daden de aarde met verbazing en bewondering vervult; want dit is de plicht der dolende ridderschap, tot welke ik van den dag van morgen af hoop te behooren.”

De dikke herbergier was een guit van een kerel, en nu hij den edelen ridder daar zoo hoorde doordraven, begreep hij terstond, dat het bij dezen in de bovenverdieping niet recht pluis moest wezen. Dus nam hij zich dan ook voor eens terdege pret met hem te [11]hebben, en antwoordde met een deftig, uitgestreken gezicht, dat hij zeer gaarne bereid was, den wensch van een zoo dapper, volmaakt en roemruchtig ridder te vervullen. Hij versterkte hem in het geloof, dat hij zich werkelijk in een groot en prachtig slot bevond, en betreurde alleen voor ’t oogenblik geen kapel tot zijne beschikking te hebben, daar de oude kort geleden was afgebroken, om weer nieuw te worden opgebouwd.

“Maar toch, waardige held,” voegde hij er bij, “kunt gij hier getroost uwe wapenwake houden, daar in tijd van nood iedere plaats tot dat doel goed en passend is. Doe het dezen nacht in een binnenhof van het slot, en morgen wil ik alsdan de noodige toebereidselen maken en alles zoo inrichten, dat gij tot een zoo volmaakt ridder wordt geslagen, als er maar een op twee beenen loopt.”

Na deze troostrijke toezegging vroeg hij Don Quichot, of hij ook geld bij zich had. Tot zijne verwondering antwoordde de ridder ontkennend en voegde er bij, nog nooit gelezen te hebben, dat een braaf dolend ridder met ander nietig metaal, dan zijn goed harnas, was bezwaard geweest.

“Ei, dan moeten de schrijvers van uwe heldengeschiedenissen ’t niet recht goed geweten hebben,” antwoordde de guitige herbergier met gemaakte deftigheid. “Ik voor mij heb altijd gehoord, dat alle avontuurzoekende ridders op hunne tochten wel wezenlijk goed gespekte beurzen, schoone hemden en buitendien een doosje met wonderbalsem meenamen, om de in ’t gevecht bekomen wonden en kwetsuren te heelen, en dat zij die dingen, als ze geen schildknaap bij zich hadden, in een daartoe aan den zadel aangebrachten knapzak bewaarden. Neem dus goeden raad van mij aan, hoogedele Don Quichot: rijd, als ge van mij den ridderslag hebt ontvangen, naar huis, zorg voor geld en andere noodwendige behoeften, neem, zooals dat een held betaamt, een schildknaap in dienst en rijd dan in vredesnaam opnieuw op ontmoetingen en avonturen uit.”

Don Quichot beloofde dezen welgemeenden raad stiptelijk te zullen opvolgen, en verklaarde zich bereid, zijne wapenwake op een binnenhof van den burcht te houden.

Zonder dralen sleepte hij daarop de stukken zijner wapenrusting [12]naar buiten, legde die op den trog voor den waterput en begon toen, met het schild aan den arm, de lans in de vuist, met de grootst mogelijke deftigheid en waardigheid daarvoor op en neer te stappen.

Het was onderwijl vrij laat geworden en de dikke waard haastte zich al de wonderlijke dingen van ridderslag en wapenwake, die hij van Don Quichot vernomen had, aan zijne gasten in de gelagkamer zoo heet van den rooster over te vertellen. De menschen liepen nu lachend naar het venster en, daar de maan helder scheen, zagen zij daar den goeden Don Quichot parmantig en in volle glorie voor zijne wapens heen en weer kuieren. Nu en dan bleef hij, op zijne lans leunend, eenige oogenblikken nadenkend staan, keek zuchtend tot de maan op en begon dan opnieuw zijne eentonige wandeling.

Nu schoot een muilezeldrijver onder de gasten op eens te binnen, dat hij zijne beesten nog te drinken moest geven. Hij trad dus buiten in den hof en naderde den put, om de wapenstukken van den trog te nemen, daar hij anders niet bij het water kon komen. Zoodra nu echter Don Quichot hem in het oog kreeg, stelde deze zich dreigend in postuur en keek den komende grimmig aan.

“Terug, vermetel ridder!” riep hij. “Wie gij ook zijn moogt, die u zoo roekeloos verstout de hand naar mijne wapens uit te steken, hoed u, dat gij niet het leven laat tot straffe voor uw dolzinning bestaan!”

De ezeldrijver stoorde zich zoo weinig aan die hoogdravende taal, dat hij de hem in den weg liggende wapens zonder omstandigheden bij de riemen oppakte en ze, ’t eene stuk rechts, ’t ander links, op den grond smeet.

Toen Don Quichot dit zag, ontstak hij in hevigen toorn, verdraaide de oogen, liet zijn schild los, greep met beide handen zijne lans en liet die met zooveel geweld op het hoofd van den armen ezeldrijver neervallen, dat dezen hooren en zien verging en hij dadelijk bewusteloos neerstortte.

Zonder verder naar den overwonneling om te zien, raapte Don Quichot bedaard zijne wapens weer op, legde ze andermaal op den trog neer en zette zijne wandeling met alle deftigheid voort.

Het duurde echter niet lang, of daar kwam een tweede ezeldrijver [13]die volstrekt niet wist van hetgeen met zijn kameraad gebeurd was, en ontving van Don Quichot dezelfde waarschuwing, om zich op een afstand te houden. Daar de man dit nu niet dadelijk deed, hief de bedreigde ridder andermaal zijne lans op en bracht den armen drommel, die heel niet wist, wat hem overkwam, een paar zoo geweldige slagen op het hoofd toe, dat het bloed er bij neerstroomde en de onnoozele sukkel jammerlijk begon te schreeuwen en te huilen. Dit gerucht deed den herbergier en zijne gasten verschrikt toeschieten en met verbaasdheid zien, wat gebeurd was. En toen hij bemerkte, welk machtig leger tegen hem in aantocht was, greep de wakkere ridder nu zijn zwaard en riep uit:

“Nu, o Dulcinea, koninginne van mijn hart, nu is het tijd, dat gij uwe oogen op mij richt en ziet, welk vreeselijk en schrikbarend avontuur ik hier te bestaan heb.”

De dreigende gebaren, waarmede Don Quichot zijne wapens zwaaide, zijne vlammende blikken en onmiskenbare vastberadenheid boezemden den menschen zooveel ontzag in, dat zij terstond staan bleven en zich niet nader waagden. Om toch iets te doen, raapten zij echter steenen van den grond op en begonnen daarmee op veiligen afstand zulk een hevig bombardement, dat Don Quichot zich daar met zijn schild onmogelijk tegen kon dekken. Hij ontving dus menig harden bons, maar week geen voet van de plaats, daar hij liever zijn leven dan ook maar één enkel stuk van zijne wapenrusting wilde verliezen.

De herbergier, die medelijden met den armen held begon te krijgen, trad eindelijk als bemiddelaar op en zocht de aanvallers tot bedaren te brengen door hun te herinneren, dat Don Quichot niet recht wijs was, wat hij hun vroeger ook al had gezegd. Zijne dringende toespraak en des ridders ernstige bedreiging, dat hij den een na den ander den schedel zou klooven, hadden eindelijk ten gevolge, dat men den bont en blauw gesteenigden held verder met rust liet. Deze gaf nu den deerlijk gekwetsten ezeldrijver vrijheid, om zijns weegs te gaan, vatte de lans weer op en zette zijne wandeling voort, alsof er hoegenaamd niets was voorgevallen.

Onderwijl begreep de waard, dat het nu tijd werd, aan de grap [14]voorgoed een einde te maken, en besloot dus onzen heldhaftigen vriend maar terstond zonder verder uitstel tot ridder te slaan.

“Hoogedele heer,” sprak hij op eerbiedigen toon, “gij hebt thans ten volle uw plicht vervuld en door de heldhaftige verdediging uwer wapens uwe bovenmenschelijke dapperheid doen blijken. Ik acht het dus niet noodig, dat gij hier tot den morgen staan blijft, maar reken mij verplicht, u nu dadelijk hier onder den blooten hemel den ridderslag te geven.”

Door deze nederige toespraak, waarin een zoo hooge lof voor hem lag opgesloten, niet weinig gestreeld, toonde Don Quichot zich dan ook terstond bereid den slag te ontvangen; en om aan de zaak de behoorlijke plechtigheid bij te zetten, haastte de herbergier zich de beide ganzenmeiden en een keukenjongen te halen, om er als getuigen bij te dienen. Hierop beval hij den gekken ridder, neer te knielen, vroeg hem zijn zwaard en bracht hem daarmee twee zoo duchtige slagen op de schouders toe, dat ieder ander dan onze standvastige held het daarbij van pijn zou uitgeschreeuwd hebben. De dikke waard hield hierop eene korte toespraak, beval toen aan de meiden, welke Don Quichot nog altijd voor voorname, schoone jonkvrouwen hield, hem zwaard en sporen aan te gespen, en verklaarde, dat de ceremonie hiermee naar eisch was afgeloopen.

De nieuwbakken ridder dankte alle drie, den slotvoogd en de dames, voor hunne liefdediensten, hunne gunst en genade, en ging vervolgens in den stal, om Rocinante te zadelen en buiten te brengen. Hij kon namelijk niet besluiten den ganschen nacht in de herberg door te brengen. De dorst naar avonturen en ridderlijke daden dreef hem voort; en de waard, maar blij, dat hij hem kwijtraakte, liet hem trekken, zonder zelfs voor de huisvesting en de ellendige stokvisch betaling van hem te vergen.

De Ridderslag.

De Ridderslag.

[15]

[Inhoud]

Hoofdstuk IV.

Waarin braaf gerost en geranseld wordt.

De morgen begon juist te schemeren, toen Don Quichot de herberg verliet en welgemoed zijn tocht vervolgde. Zijne opgewonden verbeelding spiegelde hem reeds allerlei grootsche en ongehoorde wapenfeiten voor, toen hem op eens de goede raad inviel, dien de waard hem had meegegeven, te weten, om zich vooral van geld, schoon linnen en een schildknaap te voorzien. Dit deed hem dus besluiten naar zijne woonplaats terug te keeren en Rocinante den weg te doen inslaan naar het dorp, waar hij het levenslicht aanschouwd had. Het paard scheen zijn voornemen te begrijpen en nog meer dan hij naar den bekenden stal te verlangen. Het draafde lustig voort en scheen met zijne hoeven nauwelijks de aarde te raken.

Op eens trok Don Quichot de teugels aan en luisterde. Een klagend gekerm drong hem uit een dicht kreupelbosch in de ooren, en terstond stuurde hij zijn paard op de plaats, van waar dat geluid kwam, aan. Hij was nauwelijks vijftig passen ver, toen hij eene vastgebonden merrie en daar dicht bij een ongeveer veertienjarigen knaap ontdekte, welke die klagende tonen uitstiet. De jongen was aan een boom vastgebonden en zijn bovenlichaam tot aan de heupen ontbloot. Een stevige boer stond achter hem, ranselde den schreeuwenden knaap met een dik touw ongenadig af en deed op iederen slag de vermaning volgen: “Mond open, oogen toe, mijn jongen!”

Don Quichots hart zwol van toorn en verontwaardiging, terwijl hij den boer met donderende stem toevoegde: “Gij zijt een schandelijk en eerloos ridder, daar gij u zoo aan een weerlooze vergrijpen durft! Laat hem los, bestijg uw strijdros en grijp uwe lans, opdat wij elkaars krachten beproeven; want ik zweer u en wil [16]u bewijzen, dat uwe handelwijze de ergste lafhartigheid verraadt.”

Bij het hooren van de dreigende stem en ’t zien van den geharnasten ridder, die met gevelde lans op hem toe kwam, hield de boer zich reeds voor een man des doods en antwoordde met schrik: “Edele heer, deze knaap hier heeft zijne tuchtiging dubbel en dwars verdiend. Hij is een van mijne knechts en hoedt mijne schapen, maar past zoo slecht op zijn plicht, dat ik om den anderen dag een stuk kwijtraak, om ’t nooit weer te zien te krijgen. Als ik hem dan een pak ransel geef, dan zegt hij, ofschoon ’t een schandelijke leugen is, dat ik dat uit booze vrekkigheid doe en omdat ik hem zijn verdiende loon niet wil betalen.”

“Dat liegt gij, goddelooze schobbejak!” riep Don Quichot, die uit pure ridderlijkheid voor den zwakkere partij koos. “Gij liegt! Bind terstond den jongen los en betaal hem, wat hem toekomt, als gij niet op staanden voet met mijne lans doorboord wilt worden.”

In zijn angst bond de boer den jongen rekel los, en Don Quichot vroeg dezen laatsten, hoe veel geld zijn heer hem schuldig was.

“Negen en zestig realen,” antwoordde snikkend de gauwdief.

Zijn meester stond bij dit antwoord geheel verbijsterd en hief van verbaasdheid beide handen omhoog; doch de ridder beval hem, die som terstond zonder tegenspraak te betalen.

“En al moest ik hier nu zoo dadelijk op de plaats dood blijven, dat geld geven kan ik niet,” riep de boer. “Ik sleep de realen maar zoo niet in mijn zak mee. Als de jongen echter met mij naar huis wil komen, dan zweer ik u, heer ridder, dat hij hebben zal, wat hem eerlijk toekomt.”

“Neen, meegaan wil ik niet,” huilde de knaap. “Geloof mij, edele ridder, als hij mij weer onder zijn klauwen krijgt, dan haalt hij mij bij levenden lijve ’t arme vel over de ooren.”

“Neen, dat zal hij niet, maar hij zal doen, wat ik hem gelast. Hij moet mij op zijn woord beloven, dat hij u betalen zal, en de hemel moge hem genadig zijn, wanneer hij als een slecht en valsch ridder zijn woord brak. Ga gerust met hem.”

“Maar hij is heelemaal geen ridder, heer!” huilebalkte de jongen. [17]“Hij is maar de rijke boer Juan Haldudo uit Quintanar en anders niets.”

“Dat doet er niet toe,” verklaarde Don Quichot; “ook onder de Haldudo’s kunnen ridders zijn, en ik zeg u, als uw heer u niet betaalt, dan zal ik weeromkomen, om hem te tuchtigen. Weet, dat ik de beroemde dolende ridder Don Quichot van La Mancha ben, de verdelger aller boozen, de beschermer der onschuld en de toevlucht der onderdrukten. Ga daarom met uw meester, mijn zoon! Hij zal niet wagen u kwaad te doen, daar ik u onder mijne bescherming heb genomen.”

De boer zwoer bij hoog en bij laag, dat hij den knaap behoorlijk behandelen zou, en Don Quichot gaf zijn ros de sporen en stoof heen in galop. Niet zoodra was hij echter uit het gezicht, of de boer keerde zich tot zijn knecht en zeide: “Kom nu hier, m’n kereltje: ik wil je betalen, wat je toekomt, en dat met rente en interest. Kom hier, zeg ik!”

En met die woorden pakte hij hem, bond hem opnieuw aan den eik vast, waar hij den bengel zoo jammerlijk afranselde, dat zijn huilend brullen wijd en zijd door het bosch klonk en hij den wakkeren ridder, aan wien hij dat pak te danken had, naar den diepsten afgrond wenschte.

“Roep nu je bevrijder, mijn zoon!” spotte de boer, terwijl hij zijne slagen als hagel neer liet vallen. “Toe, roep hem nu en zie, of hij je hooren en helpen zal! Wacht, ik wil je leeren, tegen je meester rebellig te wezen. Klets, klets, klets!”

En hij beukte op den jongen los, tot zijn arm er lam van werd. Toen eerst bond hij hem los en joeg hem weg met een duchtigen schop tot reispenning.

Onderwijl sjokte Don Quichot in sukkeldraf zijns weegs en verheugde zich over zijn werk, daar hij weinig vermoedde, hoe zijn pas bevrijde beschermeling thans opnieuw onder de slagen zijns kastijders stond te kreunen en te krimpen. Maar daar op eens zag hij in de verte eene stofwolk opstijgen, welke hij terstond voor een troep stroopende roofridders hield, niettegenstaande ’t eenvoudig zes vreedzame kooplieden met hunne dienaren waren, die [18]van Toledo naar Murcia trokken, om daar hunne handelszaken af te doen. Don Quichot herinnerde zich intusschen wat hij vroeger in zijne oude riddergeschiedenissen gelezen had, en besloot op dezelfde wijze te werk te gaan als die onvergelijkelijke helden, welke hij zich eens voor al tot schitterend voorbeeld had gesteld. Hij zette zich dus met kalme bedaardheid vaster in den zadel, dekte zijne borst met het schild, legde de lans aan en bleef in deze houding de langzaam naderende kleine karavaan roerloos afwachten. Toen nu de vreemde ridders, want voor dezulken hield hij hen, binnen het bereik zijner klinkende stem waren gekomen, deed hij zijn mond open en schreeuwde hun uitdagend toe:

“Wie gij ook zijn moogt, ik zal u geen doortocht gunnen, voordat gij verklaard en betuigd hebt, dat Dulcinea van Toboso, mijne uitverkorene dame, de nobelste en schoonste jonkvrouw op den grooten, wijden aardbodem is!”

De kooplieden konden uit Don Quichots gansche toetakeling en uit de dolle taal, die hij uitsloeg, wel dadelijk opmaken, dat het met hem daar boven niet recht pluis moest wezen, en een van hen, een jolige snaak, antwoordde dus dadelijk met even groote deftigheid: “Koen, dapper en roemwaardig ridder! wij hebben den naam van de eerbare jonkvrouwe, dien gij daar uit- galmt, nog nooit gehoord en hebben dus ook geen sikkepitje tegen haar in te brengen. Laat ons dan zien, hoe zij is, en is zij werkelijk het toonbeeld van schoonheid, waarvoor gij haar uitgeeft, dan zullen wij haar eer en lof volgaarne overal uitbazuinen.”

“Dat is maar dwaze praat!” voegde Don Quichot hun toe. “Als ik haar toonde, zou ’t geen verdienste wezen, dat ge voor haar op de knieën neervielt. Neen, ook zonder haar liefelijk aangezicht te aanschouwen zult gij gelooven, bekennen en bezweren, dat zij de schoonste op aarde is, of allen door de kracht mijner lans in het stof worden neergeworpen. Komt nader dan, komt nader, een voor een of allen te gelijk, en ik wil u toonen, wat straf hen wacht, die wagen, aan de edele en hooge dame Dulcinea van Toboso de verschuldigde achting te ontzeggen.”

“Ei, heer ridder, hoe kunt gij u ook zoo schrikbarend driftig [19]maken?” antwoordde de spotzieke koopman, met moeite zijn lachlust bedwingende. “Toont ons maar eene beeltenis van uwe aangebedene, en al is die ook maar zoo groot als een gerstekorrel, we zullen tevreden zijn en uwe heerlijkheid alle eer bewijzen, zelfs als uit dat konterfeitsel blijkt, dat de edele Dulcinea erg scheel ziet en voor en achter een bochel heeft.”

“Ellendige, laaghartige schavuit!” riep Don Quichot, ten uiterste verontwaardigd. “Doña1 Dulcinea van Toboso kijkt niet scheel, en nog veel minder wordt haar edele gestalte door een bult ontsierd. Maar gij zult voor uwe snoode lastering het met den dood boeten.”

En nog terwijl hij dit uitschreeuwde, gaf hij Rocinante de sporen en stormde met zulk een geweld op den spotachtigen koopman in, dat hij hem met zijne lans doorboord zou hebben, zoo niet een gelukkig toeval dat dreigend gevaar had afgewend, De arme Rocinante namelijk, op dat harde rennen nog niet afgericht, stiet tegen een steen aan, struikelde, stortte neer en slingerde zijn ridderlijken berijder met zooveel kracht uit den zadel, dat hij wel tien passen ver door de lucht vloog. Hij deed wel al zijn best, om zich van zijn val weer op te richten; doch de zware last zijner rusting belette hem dat. Desniettegenstaande ging hij voort met schimpen en razen en overstelpte de kooplieden met een vloed van scheldwoorden, terwijl dezen daarbij zaten te schudden van lachen.

Maar het spektakel, dat hij maakte, begon eindelijk een der muilezeldrijvers van het gezelschap te vervelen en deed hem besluiten, den gevallen ridder op krachtdadige wijze tot zwijgen te dwingen. Hij steeg van zijn lastdier, ging op Don Quichot toe, rukte hem de lans uit de hand, brak die door midden, nam het dikste eind en beukte daarmee zoo lang op den nog voortdurend schimpenden en scheldenden ridder los, tot hij zijn knuppel in duizend splinters had geslagen. Vervolgens nam hij het andere stuk van de lans en bediende zich daarvan op dezelfde wijze tegen den armen gevallene, die daarom toch den mond niet hield, maar hemel en aarde tot getuigen van de schandelijke behandeling aanriep, die hij [20]van zulke ellendige gauwdieven en straatroovers ondergaan moest.

Toen eindelijk de kerel moe werd en Don Quichot eene ongenadige dracht slagen had ontvangen, zetten de kooplieden hunne reis voort, zonder zich verder om den jammerlijk toegetakelden held te bekommeren. Deze hernieuwde nu nog eens zijne pogingen om overeind te komen; doch dat gelukte hem niet, daar zijn gansche lichaam deerlijk gekneusd was en hij zijne armen en beenen bijna heel niet kon bewegen.


1 Spreek uit “donja”.

[Inhoud]

Hoofdstuk V.

Hoe Don Quichot naar huis kwam en een schildknaap vond.

Verscheiden uren lag Don Quichot niet ver van zijn paard stijf en roerloos op den grond en had tijd om over zijn treurig lot na te denken, totdat toevallig een boer uit zijne nabuurschap dien weg langs kwam en den ongelukkigen ridder daar zoo vond liggen. Die kwam hem te hulp, maakte hem den helm van het hoofd los en vroeg deelnemend, hoe het met hem was. De arme mishandelde gaf eerst volstrekt geen antwoord, maar bracht toen op eens zulk een onzin en wartaal voor den dag, dat de goede, eenvoudige boer er heel niet wijs uit kon worden. Het duurde lang, voordat hij de waarheid eenigermate op het spoor kwam. Eindelijk trok hij den gekneusde zonder omstandigheden de wapenrusting en de kleederen van het lijf, onderzocht zijn geheele lichaam en vond eene ontelbare menigte bruine, blauwe en groene plekken, die aan de krachtige slagen van den verbolgen muilezeldrijver waren toe te schrijven. Nu begreep hij zoo nagenoeg, wat hij te doen had, tilde den armen ridder op Rocinante, bond hem op den zadel vast, pakte de [21]stukken der wapenrusting op zijn eigen paard, nam beide rossen bij den teugel en geleidde den dolenden ridder op die wijze naar huis.

Onder weg kraamde Don Quichot zoo veel dwaze dingen uit, dat den eenvoudigen boer hooren en zien verging en hij hartelijk blij was, toen hij eindelijk zonder verdere ongelukken behouden Don Quichots huis bereikt en daar terdege op de gesloten deur gebonsd had.

Zijne nicht en de oude huishoudster waren intusschen niet weinig verbaasd geweest, toen zij op eens de afwezigheid van haren heer bemerkten, die met ros en rusting spoorloos verdwenen scheen. In haar angst en bezorgdheid zonden zij, toen eenige dagen verloopen waren, naar den pastoor en den barbier van het stadje, verzochten dezen, bij haar te komen, en deelden hun het vreemde geval in al zijne kleuren en fleuren mee.

“Die verwenschte ridderboeken hebben hem het hoofd op hol gebracht,” zeide de huishoudster tot den pastoor, “en het knapste verstand in heel Spanje totaal te gronde gericht.”

“Ja, ja, meester Nicolaas,” klaagde het nichtje, zich tot den barbier richtende, “mijn arme oom zat dagen en nachten lang in die domme boeken te studeeren en las zoo lang, tot het hem groen en geel voor de oogen werd. Soms smeet hij het boek weg, greep naar een ouden verroesten degen, die aan den wand hing, haalde hem uit de schede en begon er als een dolleman mee in de lucht te schermen. Als hij dan moe werd en ’t zweet hem bij ’t gezicht neerliep, zeide hij, dat hij met vier machtige reuzen had gekampt en alle vier doodgeslagen. Vervolgens dronk hij een groot glas water en verklaarde, dat het een kostelijke wonderdrank was, dien hij van zijn goeden vriend, den toovenaar Esquife, had gekregen. En dan eindelijk nam hij zijne malle ridderhistories weer op en las daarin, tot hij weer zoo’n nieuwe vlaag van razende dolheid kreeg. Zoolang die ellendige boeken niet tot asch verbrand zijn, krijgt mijn arme oom zeker zijn verstand niet weerom.”

“Nu, dan willen wij er het vonnis over uitspreken en ze morgen aan den dag zonder genade op het vuur te gooien.”

Op dit oogenblik bonsde de boer buiten op de huisdeur, en de [22]verzamelden sprongen op en haastten zich naar buiten, om te zien, wat er gaande was. Toen zij den verloren ridder Don Quichot herkende, gaf de huishoudster een kreet van blijdschap en vroeg hem, waar hij zoo lang geweest was. De arme man was echter niet in staat een verstandig antwoord te geven. Hij kwam met allerlei onzin voor den dag, en de boer, die hem gebracht had, moest het woord nemen en vertellen, in welken toestand hij den dolenden held gevonden had. Deze werd nu met alle zorg van het paard getild en te bed gebracht, waarop hij terstond in een diepen slaap verzonk. De overigen bleven echter nog tot laat opzitten, om te overleggen, wat zij doen moesten om de dwaze inbeeldingen van den armen man zooveel mogelijk te keer te gaan of althans voor het vervolg onschadelijk te maken.

Den volgenden morgen was de dag nauwelijks aan den hemel, of de ongelukkige riddergeschiedenissen ondergingen het vonnis, dat den vorigen avond onherroepelijk over haar was uitgesproken. De pastoor, de barbier, de huishoudster en de nicht trokken daartoe gezamenlijk naar de bibliotheek, sleepten de gansche vracht boeken naar buiten, stapelden ze als een houtmijt op elkander en legden er een duchtig vuur onder aan. De oude stroosnijders brandden als zwavelstokken, en het duurde geen half uur, of van heel den rommel was niets meer over dan een hoopje grauwe asch, die de wind naar alle richtingen verstrooide.

Om nu het goede werk te voltooien, deed de huishoudster toen een metselaar komen, die nog dienzelfden dag de deur naar de bibliotheek dichtmetselen moest, zoodat men er geen spoor meer van kon ontdekken. Toen dit gedaan was, stelde zij zich gerust en meende haren meester nu alle dolle kuren uit het hoofd te hebben gedreven of toch te kunnen drijven, daar de onzinnige ridderromans, waaruit hij al dat vergift had gezogen, nu voor altijd onschadelijk waren gemaakt.

Onderwijl werd Don Quichot wakker, sliep weer in, werd weer wakker, at en dronk en vertelde allerlei dwaze dingen, totdat hij zich eindelijk weer tamelijk wel gevoelde. Hij trok zijne kleeren aan, sukkelde naar zijne bibliotheek, om daar wat in zijne geliefde [23]boeken te studeeren, en vond—geen vertrek en zelfs geen deur meer. Op zijne verwonderde vraag vertelde zijne nicht hem, dat een booze toovenaar de geheele bibliotheek weggehaald had; en daar dit verzinsel met de denkbeelden van den ridder vrij goed overeenkwam, nam deze dat dan ook geloovig aan.

De eenige gedachte, die Don Quichot thans nacht en dag bezighield, was hoe hij best weer een nieuwen tocht zou ondernemen en aan een schildknaap komen, die hem daarop vergezellen kon. Zijn buurman, een eerlijke boer zonder bijzonder veel verstand, scheen hem voor zulk eene betrekking de meest geschikte persoon toe, en hij gaf zich dus alle moeite om den man over te halen. In den beginne wilde Sancho Panza, zoo heette de boer, van al die dolende ridderschap hoegenaamd niets hooren; doch Don Quichot deed hem zulke fraaie beloften en stelde hem zoo duidelijk voor, dat hij wat vroeger of later een koninkrijk of een eiland veroveren moest, waarop hij dan Sancho Panza als stadhouder zou aanstellen, dat de goede man eindelijk toegaf en, in spijt van vrouw en kinderen, tot het besluit kwam, den edelen Don te vergezellen.

Nadat op deze wijze eene voorname zwarigheid uit den weg geruimd was, moest de ridder van La Mancha nog geld en schoon linnen zien te bekomen. Hij verkocht en verpandde derhalve een goed deel van zijn eigendommen en bracht zoodoende eene vrij aanzienlijke som bijeen. Hierop lapte hij zijne wapenrusting weder op, bracht zijn helm in behoorlijken staat, kondigde Sancho Panza het uur aan, waarop zij opbreken zouden, en drukte hem op het hart, zich toch vooral van een duchtigen knapzak te voorzien. Sancho Panza beloofde niet alleen voor den knapzak, maar ook voor een rijdier te zullen zorgen, daar hij zijn ezel op de reis meenemen wou. Nu wist Don Quichot zich wel niet te herinneren, dat ooit een schildknaap op een grauwtje op avonturen was uitgegaan, maar toch had hij er vrede mee, daar hij zich voornam, den eersten den besten onheuschen ridder, met wien hij te doen kreeg, zijn strijdros af te nemen en op die wijze beter voor Sancho Panza dan voor zichzelf te zorgen. [24]

Nadat zoo alles bezorgd en in orde gebracht was, verlieten Don Quichot en zijn schildknaap in het holst van den nacht stil en heimelijk hun vredig dorp, zonder dat een van beiden van zijne betrekkingen afscheid had genomen. Zij haastten zich zoo veel mogelijk, om niet achterhaald te worden, zelfs als men hen misschien nazetten mocht. Sancho Panza bungelde op zijn ezel, rookte uit zijn kort pijpje, blies ontzettende rookwolken in de lucht en droomde van het hem toegezegde stadhouderschap zoo levendig, alsof hij het reeds goed en wel in den zak had. Zij volgden denzelfden weg, dien Don Quichot reeds vroeger had genomen, en raakten al spoedig in een zeer wijs en te gelijk onderhoudend gesprek verdiept, waarin de ridder zijn schildknaap opnieuw ongehoorde dingen voorspiegelde en hem beloofde, dat hij al heel gauw koning en zijne vrouw en kinderen koningin en prinsen of prinsessen zouden zijn. De eerlijke knaap nam al, wat zijn meester hem voorpraatte, geloovig aan, terwijl het uitzicht op eene zoo hooge waardigheid zijne eerzucht niet weinig streelde en zijne oogen blind maakte voor alle onwaarschijnlijkheden.

[Inhoud]

Hoofdstuk VI.

Don Quichot en de windmolens.

Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich zagen. Op dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide: “Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan wij hopen of verwachten konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik wil er op losgaan, op leven en dood met hen [25]kampen en hun allen het levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit en ik zelf onsterfelijken roem behalen, daar het een edel ridderlijk en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van den aardbodem verdelgt.”

“Wat voor reuzen dan?” vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend.

“Daar staan zij,” antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens, “daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel twee mijlen en meer lang zijn.”

“Die dingen daar, doorluchtige heer?” vroeg Sancho, ten uiterste verbaasd. “Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, maar geen reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind rondgedraaid worden en de molensteenen aan den gang brengen.”

“Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet,” riep Don Quichot. “Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart slaat, blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken strijd met hen wagen zal.”

Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn verwonderden schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen reuzen of ridders voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd gezet en zag zelfs zijne dwaling nog niet in, toen hij reeds dicht bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe:

“Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in het stof zal nederwerpen!”

Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor een antwoord en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust:

“En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus, toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten om genade smeeken.” [26]

Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige bescherming tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild, velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en richtte onversaagd zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging door een der wieken heen, welke de wind juist op dat oogenblik met vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken, terwijl ruiter en ros overhoop geworpen en, leelijk bezeerd en gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza toe, zoo vlug als zijn grauwtje maar draven kon, en ontdekte met schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen, dat hij geen lid meer verroeren kon.

“Och lieve hemeltje!” riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar zoo jammerlijk vond toegetakeld. “Heb ik u niet gezeid, dat ge u in acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij windmolens en geen reuzen voor zich had.”

“Stil, stil, vriend Sancho!” kreunde Don Quichot met matte stem. “Ik zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig is. De een of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen in windmolens hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, maar zal eindelijk toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne dapperheid overwonnen worden.”

“Dat hoop ik!” zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had gebroken.

Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte plaats was, eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang na, op wat wijze hij dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den besten eik of beuk een stevigen tak af te kappen en dien dan voortaan als lans te gebruiken.

Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.

Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.

[27]

“Gij zult zien, Sancho,” zeide hij, “dat ik zelf met een zoo ellendig werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren zal.”

“’k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer,” antwoordde de schildknaap, “Maar waarom zit gij toch zoo scheef in den zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien bij den val wat bezeerd?”

“Zoo is het,” erkende de ridder, “en dat ik het niet hardop van pijn uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord en gelezen heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur of verwonding, al was ’t ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen.”

“Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen,” antwoordde de schildknaap. “Ik had evenwel liever, dat gij maar schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm lichaam erg schade of letsel krijgt. Of is ’t misschien ook aan de schildknapen der dolende ridders verboden, te klagen, als hun iets overkomt?”

Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op, maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende gelegenheid naar hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit gehoord had, dat in de voorschriften voor de ridderschap iets voorkwam, dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden, doch deed een poosje later opmerken, dat de etenstijd gekomen was.

“Eet en drink, zoo gij wilt,” antwoordde de ridder. “Ik voor mij voel nog geen honger.”

Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte ’t zich zoo gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk is; hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende den bokkevellen wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen, dat de grootste nathals in heel Spanje ’t niet beter zou hebben kunnen doen. [28]

Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den wijnzak, totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde eikeboomen hun nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door de wijndampen een weinig beneveld was, lag dadelijk vast in slaap en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek er verschrikt de vlucht voor namen. Don Quichot daarentegen deed geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea, tot de morgen weer aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte zich opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden van vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou hebben geslapen, en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet bevonden, dat die veel magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn meester tot het ontbijt, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot, die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen wilde nemen. Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet.

“Sancho,” sprak hij, “hier op deze plaats zal het ons niet aan avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen te trekken, behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te kampen is u, volgens de wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf tot ridder geslagen zijt.”

“Ei,” antwoordde Sancho Panza, “in dit punt wil ik u dol gaarne gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam als een pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil, [29]tegen dien verweer ik mijne huid, om ’t even of ’t een ridder, een schildknaap of maar een uit het gemeene volk is.”

Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange zwarte gewaden en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig achter hen aan kwam eene koets, door eenige mannen te paard en een paar ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit Biscaye, die naar haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap van de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren.

Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij zeide tot zijn schildknaap:

“Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn zonder twijfel twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen, en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk een schandelijk bestaan met al de kracht van mijn arm te verzetten.”

“Allerdapperste heer ridder,” riep Sancho Panza vol schrik, “gij bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken van de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe inbeelding niet allerleelijkst in de klem komt.”

“Sancho Panza, zwijg stil!” gebood Don Quichot op hoogen toon. “Ik heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige avonturen nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte waarheid is.”

De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield hij toen zijn klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne woorden te kunnen verstaan, riep hij hun met luider stemme toe:

“Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses over, die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij, mijn [30]bevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen.”

De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende woorden denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen:

“Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in die koets daar prinsessen of prinsen zitten.”

“Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!” riep Don Quichot woedend, velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop op den eersten monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen man doorboord zou hebben, indien deze zich niet met verwonderlijke vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte zijn beest de hielen in de zijden en wist door overhaaste vlucht gelukkig zijn lijf te bergen.

Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, op den eersten monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu de ezeldrijversjongens toe, vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en baard en ranselden hem zoo ongenadig af, dat hij moord en brand begon te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten hadden en hem bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn muildier in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter zich had gelaten.

Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende dame aan te spreken.

Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.

Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.

“Hooge en edele prinses,” begon hij, “gij moogt nu weder naar welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik uw belager door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut aan de [31]meesteresse mijns harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden, wat ik volvoerd heb en hoe ik u door mijne dapperheid uit het geweld van twee schandelijke toovenaars bevrijdde.”

Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde en dat zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder toe, greep zijne lans en zeide:

“Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de koets verlaat.”

Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder voor zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid:

“Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!”

“Wacht!” riep de Biscayer, “ge zult zien, met wien ge te doen hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien, wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat ge kunt, kale jakhals van een edelman!”

Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los, met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel te klooven. De palfrenier ontblootte insgelijks zijn wapen, greep tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild voor zich, en de tweekamp begon met vreeselijk geweld. Men riep den strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De dame in de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden, waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn.

De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, die dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de ridder de zwaarte van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge patronesse Dulcinea van Toboso smeekend aan. De [32]gedachte aan haar bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en vol woede drong hij op den Biscayer in. Zijne zwaardslagen kletterden op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te gemoet. Had hij een goed paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon krijgen. Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling, waardoor ’t hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een tijdlang van ’t lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was, terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, moest hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide handen, hieuw den Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed hem terstond uit mond en neusgaten spoot en hij met paard en al op den grond stortte.

Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen te verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld zijn zwaard door den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst tusschenbeide was gekomen en in roerende bewoordingen om het leven van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die deemoedige bede goot water op den vlammenden gloed zijner gramschap.

“Het leven zij hem dan geschonken,” riep hij; “doch slechts onder voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te trekken en mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met mijn zwaard heb geveld.”

De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam met moeite weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres kon vervolgen.

In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn meester toe, die al weer hoog te paard zat en de wegrollende [33]koets triomfeerend naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap om en begon zijn nooit geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen.

“Ja, dat alles is mooi en wel,” viel Sancho Panza hem eindelijk in de rede; “maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, dat gij mij na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? ’k Wil mezelf niet roemen, maar ’k geloof, dat ik zoo’n knappe, fiksche stadhouder zou wezen, als maar één denken durft.”

“Sancho,” antwoordde de ridder, “toen ik dat zei, meende ik een eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, dat niets dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind nu mijn oor eens, dat die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar ’t bloed uitloopt.”

Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe erg gedeukt en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, schermde met beide handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een schoon tafellaken te zullen eten, voordat hij den snooden ridder, die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op schrikkelijke manier had doen boeten. Sancho kreeg hem niet zonder veel moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer op weg, nadat zij een stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden.

Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht gewenscht had, besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen.

Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen behandelden vooral den geharnasten ridder met groote beleefdheid. Na een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en gingen nieuwe gevaren en avonturen te gemoet. [34]

[Inhoud]

Hoofdstuk VII.

Hoe Don Quichot met paardenhoeders twist krijgt en wat hem in de herberg overkomt.

Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch, waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk hielden zij stil op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere, liefelijk murmelende beek stroomde voorbij en ettelijke boomen gaven verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden eene korte middagrust te houden. Zij stegen van hunne dieren, lieten Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras vergasten, vlijden zich onder een boom neer, openden hun knapzak en verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was.

Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen, daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en moedwil de vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde Galicische paarden door het dal werd gedreven. De hoeders kwamen aan de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek hun beviel, besloten zij, daar met hunne dieren insgelijks middagrust te houden.

De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang, of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante het leven lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem al spoedig den gordel losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht, dat dit veroorzaakte, kwamen toen ook de hoeders met hunne knuppels en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij eindelijk neerstortte en onder de hoeven der overige viervoeters den geest scheen te zullen uitblazen. [35]

De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder weg zeide Don Quichot tot zijn dienaar:

“Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden, maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij mij zonder bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem.”

“Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?” vroeg Sancho. “Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar met ons tweeën.”

“Ik tel voor honderd,” antwoordde de ridder en trok meteen zijn zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho Panza, hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld.

Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door ’s mans lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den schouder drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen onze beide helden in hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche slagen op hen neervallen. Deze begroeting had ten gevolge, dat Sancho Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna volgde ook zijn meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het toeval wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen en trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde.

Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden te hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. Sancho was de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel steenen en kreunen overeind, keek naar zijn heer om en zei met matte, klagende stem:

“Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!” [36]

“Wat wilt gij van mij, Sancho?” vroeg Don Quichot op even flauwen en klagenden toon.

“Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!” kreunde Sancho Panza. “Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt.”

“Ja, wel een pak!” stemde de ridder toe. “Als ik ongelukkige nu maar den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan zouden ons gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen.”

“Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?” vroeg Sancho.

“Jawel,” antwoordde Don Quichot; “ik zweer u, bij onze dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem in handen speelt.”

“Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?”

“Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman beschreven staat,” antwoordde Don Quichot. “Wij moeten opbreken en hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid dwingen, ons den kostelijken balsem af te staan.”

Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug, want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen, daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in den stal bracht.

Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezel [37]meer hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op, die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht.

In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed, waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen.

Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig, dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd, dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam, trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg, slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles gebeurde met zoo blinden [38]ijver en dolle drift, dat geen een er ook maar een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was.

Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep met donderende stem: “Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!”

De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard, trok hem daarbij en hield niet op te roepen: “Achting en ontzag voor de hooge overheid!”

Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had, geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: “De deuren toe! Alle deuren in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is een mensch vermoord.”

Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de keuken te vinden en daar licht aan te krijgen.

Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot bewustzijn en riep klagend: “Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij, Sancho Panza?”

“’t Mocht wat, slapen!” bromde de schildknaap. “Ik wou maar, dat ik sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan.”

“Neen, gij vergist u, vriend!” antwoordde Don Quichot. “Wij [39]zijn in een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen, kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen.”

“Ik heb er nog erger van gelust,” zeide Sancho Panza; “mij hebben vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden, daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt, altijd dubbel en dwars mijn part.”

“Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?” vroeg de ridder meelijdig.

“Bont en blauw geslagen hebben ze me!” antwoordde Sancho Panza op grimmigen toon. “Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!”

“Wees maar bedaard, vriend!” troostte Don Quichot; “ik zal u den kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds alle pijnen en smarten wegneemt.”

Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: “Nu, hoe gaat het je, goede vriend?”

“Ik zou toch wat beleefder spreken,” antwoordde Don Quichot op hoogen toon. “Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?”

Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lamp [40]en wierp haar Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en pruttelend heen.

“Ei,” sprak Sancho Panza, “als dat geen lomperd is, dan laat ik mij hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof ’t maar een aardigheid was.”

“Ja, ja,” kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed; “maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier, om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze pijnen verzachten zal.”

Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren.

“Wie gij ook zijn moogt, waarde heer,” zeide hij, “bezorg ons een weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder, dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een betooverden Moor op zijn bed.”

De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht, dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem geducht aan het [41]zweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de hoop, dat hij, in ’t bezit van dit middel, in ’t vervolg alle kampen, tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten, geheel onbezorgd te gemoet kon gaan.

Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder, altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel droppeltje in.

Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten en tot bedaren te brengen.

“Hoor, Sancho,” zeide hij, “ik geloof, dat de schuld alleen daaraan ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen maar een ridder helpen.”

“Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien dan?” schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid.

Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier.

Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maar [42]zoo flauw, slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden.

Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen.

“Heer slotvoogd,” sprak hij, “gij hebt mij vele en belangrijke diensten bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand, hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij mijne riddereer zij ’t gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik u volkomen voldoening heb verschaft.”

“Mijn beste heer ridder,” antwoordde de waard doodbedaard, “uwe gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en ’t is daarom, dat ik u met alle beleefdheid verzoek.”

“Wat!” schreeuwde Don Quichot, “’t was dus een ellendige herberg, waarin ik overnacht heb?”

“Eene herberg, ja,” antwoordde de waard; “doch niet eene ellendige, maar eene zeer voorname.”

“Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd heb,” antwoordde Don Quichot. “Voor ’t overige zult gij maar best doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in eenige herberg ook maar een penning betaald heeft.” [43]

“Dat gaat mij niets aan!” riep de waard driftig. “Betaal uwe schuld en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of ’k zal weten, wat me te doen staat, zotte kerel!”

“O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!” schreeuwde Don Quichot; “gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen.”

En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was.

De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat, als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld van zijn heer en toonbeeld volgen.

De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien; hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een kwartpenning betalen zou.

Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren komen pleisteren. ’t Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in de hoogte te gooien, [44]zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek in de pan ’t onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten.

Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis, om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op- en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt, en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen, indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet zoo sterk was geweest.

Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden, dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en den waard geen penning betaald had.

Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.

Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.

[45]

De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel en dwars betaald gekregen had.

[Inhoud]

Hoofdstuk VIII.

Don Quichot en de schapenkudden, met nog andere avonturen.

Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder:

“Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten kunnen geweest zijn.”

De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder geen woord.

Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho.

“Hoor, Sancho,” sprak hij, “dit is de dag, dien de hemel tot mijn geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk, Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet haar opstijgen.”

“Dan moeten er twee legers zijn,” zeide Sancho. “Daar van gindschen kant komt eene tweede stofwolk op.” [46]

Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren; want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen, gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd, maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen.

“Wat te beginnen?” riep Don Quichot, zich in den zadel vastzettende. “Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte mouw, die koning is van de Garamanten.”

Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste dingen voor.

“Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?” vroeg Sancho Panza eindelijk.

“Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een goed christen is geworden.”

“Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk,” zeide Sancho. “Als ’t van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij maar kunnen.” [47]

“Gij hebt het rechte inzicht, vriend,” antwoordde Don Quichot; “maar wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste en dapperste ridders van beide legers bekendmaken.”

Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles, wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende stem zijne inlichtingen te geven.

“Die ridder daar met de gele wapens,” begon hij, “die een gekroonden leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw, groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op donkerbruin veld met het opschrift “Miauw!” ter eere van zijne dame, die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië.”

Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en ’t zou vermoeien die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde vetgemeste hamels was.

“Loop naar den drommel, heer!” barstte hij op eens los. “Ik zie noch reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn oog reikt.”

“Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?” antwoordde Don Quichot. “Hoort gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren der [48]trompetten en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?”

“Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!” verzekerde Sancho, en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen, en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind.

“Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand,” zeide hij met fierheid. “Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de overwinning zal met mij zijn.”

Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: “Blijf, blijf, heer! Zoo waar ik een zondig mensch ben, ’t zijn enkel hamels en schapen, waarop gij instormt!” Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem.

Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen en steken uit, alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders en drijvers riepen hem toe, dat hij met zijne dwaasheid toch ophouden zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning luisterde, maar zich steeds doller en wilder aanstelde, namen zij hunne slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een tijdlang deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat zijn laatste uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen van. Op datzelfde oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger schade aan. Hij verbrijzelde de flesch met het kooksel en verlamde des ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde deerlijk zijne wang. De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok van [49]het paard op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden omgebracht, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen, pakten de doode hamels, ten getale van zeven, op hunne schouders en lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over.

Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.

Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.

Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan, waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren uit den baard rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden ridder in kennis had gebracht. Toen hij echter zag, dat de herders opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging hij naar hem toe en vond hem, schoon deerlijk gekneusd en gehavend, toch weer half bij zijne bezinning.

“Nu,” vroeg hij, “heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen ik u waarschuwde?”

“Sancho, gij zijt een ezel,” antwoordde Don Quichot. “Merkt gij dan niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels heeft veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. Overtuig u hiervan, Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig zien, dat de betoovering verdwijnt en de ridders zich weer in hunne natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel wat wachten, want ik heb dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn uitgeslagen. Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden.”

Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens tanden verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de lijder op eens al wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn armen, meewarigen schildknaap mee. Deze schrikte, daar hij het hem overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig merkte bij, wat het was, en kreeg zulk [50]een gevoel van walging, dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen, wat deze hem had gedaan.

De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit den knapzak het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, dat zijn knapzak verdwenen was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk een dolzinnigen heer gebonden had.

Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den toestand van zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte zich voort naar zijn schildknaap, die nu bedrukt op zijn grauwtje stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek.

“Sancho Panza,” sprak de edele ridder, “gij zijt bedroefd om de wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. Maar klaag niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en ’t zal spoedig beter met ons gaan.”

“Och wat!” bromde Sancho. “’t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch wel tureluursch onder worden.”

“Wat!” riep de ridder, “de knapzak weg?”

“Nergens te vinden,” antwoordde Sancho.

“Maar dan hebben we ook niets meer te eten.”

“Geen sikkepitje,” zei de schildknaap; “of we moeten het gras en de kruiden kauwen, die de schapen overlieten.”

“Dat alles zal zich wel schikken,” troostte Don Quichot; “maar kijk nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden ik ben kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze vroeger plachten te zitten.”

Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde en vroeg: “Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant gehad, gestrenge heer?”

“Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond.” [51]

“Heer,” antwoordde Sancho, “bedenk wel, wat gij zegt.”

“Vier zijn er geweest, zoo niet vijf,” betuigde Don Quichot opnieuw.

“Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen,” zeide de schildknaap; “want aan deze zijde hebt gij beneden nog maar twee en een halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren.”

“Ongelukkige, die ik ben!” riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd uit. “Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! Een mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den ridders, die zich voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen, dolenden held!”

“Heer,” zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig te hebben aangehoord, “heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang genoeg gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken, want ik blaf van honger.”

Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend Rocinante. “Rij voorop, vriend,” beval hij den schildknaap. “Ik wil den weg volgen, dien gij inslaan zult.”

Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op den breeden landweg voort. ’t Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd nergens rust gehouden, want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij hoopten nog altijd eene herberg te vinden. Toen echter wachtte hen een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had.

De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart bonsde hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren staande en staarden op de lichten, die van minuut tot minuut grooter en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den dapperen ridder begonnen de haren te berge te rijzen. Echter toonde hij zich moedig en sprak: [52]

“Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol avontuur.”

“O wee, o wee!” zuchtte Sancho. “Daar komen weer reuzen en gedrochten, en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt is, zal ’t opnieuw weer slagen regenen.”

“Geloof dat niet,” antwoordde Don Quichot. “Al zijn ’t ook nog zulke grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch vinger aanraken, daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken.”

“Ik wil mij goed zoeken te houden,” zei Sancho Panza, hield zich dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid naar de lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was.

Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden, die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, dat zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware koude koorts had.

Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen fakkels in de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen kwam eene met een zwart laken overdekte baar, en op deze volgden zes andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten in lange, donkere rouwgewaden staken. Dezen zaten echter niet te paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap dezer dieren gemakkelijk was op te maken. Met doffe stem mompelden alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en het hart van ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late uur, de donkere nacht en de lijkbaar,—dit een en ander had ook den dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen.

Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde hem de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op de [53]baar een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren.

Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen trein op te wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij zijne stem en sprak:

“Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder is, wiens lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar mijne maatregelen te nemen.”

“Heer ridder,” gaf een der mannen tot antwoord, “houd ons niet op, want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met u uitvoerig rekenschap van ons doen en laten te geven.”

Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden; maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in dier voege beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend riep: “Houd stil en leg rekenschap af! Zoo niet, dan zal ik u en al de uwen bloedig tuchtigen en kastijden.”

Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij, steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. Een knaap die er te voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat kon deze niet dulden en de kamp begon. De ridder velde de lans, viel op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard tuimelen. Hierop keerde hij zich tegen de overigen. Met waarlijk verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en ’t scheen wel, dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel galoppeerde hij over het slagveld heen en weer.

De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. Don Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne vlammende fakkels over het veld heen en deed hen zich naar alle kanten verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner rouwkleeren nauwelijks bewegen, en op dezen [54]hakte de verwoede ridder, zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne mantels wegwierpen en insgelijks de vlucht namen. De arme sukkels meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich al hun best.

Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten hoogste verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich uitgaf.

Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook nog een vijand ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn muildier was geraakt, zette hem de punt zijner lans op de borst en gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man des doods wilde zijn.

“Ach, heer ridder,” stotterde de beangstigde man, “ik ben, gelijk gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn beetje leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als gij een christelijk ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij zoudt eene gruwelijke daad begaan door de hand aan een dienaar van de kerk te slaan.”

“Maar, bij mijn zwaard,” schreeuwde Don Quichot, “als gij werkelijk een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht hier op den grooten weg gebracht?”

“Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder,” antwoordde de gevallene.

“En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord op mijne eerste vraag geeft,” riep Don Quichot.

“Ach, ik wil gaarne alles zeggen,” antwoordde de man. “Ik en de twaalf andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit de stad Baeza, en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder, dat daar op de baar ligt, naar zijn eigen grafkelder te begeleiden.”

“Wie heeft dien ridder omgebracht?” vroeg Don Quichot op barschen toon. [55]

“Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete koorts,” was het antwoord.

“Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken,” sprak de dappere dolende held. “Weet dan nu, eerwaardige heer, dat ik de hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, om alle onrecht te keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte menschheid te hulp te komen.”

“Ei, heer ridder,” antwoordde de geestelijke, “bij mij is u dat niet gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, gelijk mijn gebroken been u duidelijk kan bewijzen.”

“Dat doet mij leed om uwentwil,” betuigde de ridder; “doch gij hebt dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij niet terstond behoorlijk antwoord op mijne vraag?”

“Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot zoeken te troosten,” zuchtte de geestelijke. “Maar, heer ridder, wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen zadel en stijgbeugel vastgeklemd.”

“Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?” riep Don Quichot. “Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden.”

Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar beladen ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over te brengen. Eerst toen hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien zag, kwam hij zijn meester te hulp en haalde den geestelijke onder het muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer werd er op geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem, zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En Sancho Panza voegde er bij:

“En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeld [56]heeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is geweest.”

Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de Droevige Figuur te noemen.

“Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer,” zeide Sancho Panza. “Kijk, toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg goed bekeek, moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van mijn leven gezien heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet geleden hebben, of misschien ligt het ook daaraan, dat gij zoo’n geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt.”

“Neen, dat is het zeker niet,” antwoordde Don Quichot. “Maar wat ook de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig in den mond kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige Figuur noemen. Om dien naam met volle recht te dragen, wil ik eene recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen.”

“Die kosten kunt gij sparen, heer ridder,” zei Sancho Panza. “Als gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd wezen, dat de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want ik verzeker u, dat de honger en ’t verlies van die tanden u zoo’n jammerlijk aanzien gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid verbeelden kan.

Don Quichot lachte om Sancho’s dol zeggen, maar bleef er toch bij, dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene droevige figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar lang over na te denken, maar drong er op aan, dat men de reis zonder tijdverlies voortzetten zou. [57]

[Inhoud]

Hoofdstuk IX.

De molen.

’t Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt dal uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had meegepakt, en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. Den daarop volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam, braken zij weer op, leidden hunne dieren bij den teugel, om er in de donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun weg. De hen omringende duisternis was zoo groot, dat zij nauwelijks twee passen ver zien konden.

Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit gedruis ging gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu eenmaal van de natuur het hart van een haas had gekregen, met schrik en ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen, met geluiden als het rammelen van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind, die akelig langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid, de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, het loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend, schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het hart in de borst te doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een popelblad; maar Don Quichot bleef onverschrokken, besteeg Rocinante, greep lans en schild en sprak:

“Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen, [58]gelijk nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. Haal mij dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als ik binnen dien tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van Toboso, kond en te weten, dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held, onder het volvoeren van grootsche en verheven daden bezweken is.”

Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe, en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot aan den zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van zijn ezel vlug en ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. De ridder gaf nu werkelijk het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef toen onbeweeglijk staan.

Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho:

“Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes ledematen verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het u niet baten en gij zoudt geen stap verder voortkomen.”

Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar Sancho’s woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme beest los, zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. Eindelijk moest hij alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat Rocinante door een uitwendig middel gebonden kon zijn, besloot hij, zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten, wanneer, naar hij hoopte, Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel bijna gehuild hebben van ongeduld.

“Troost u, gestrenge heer,” voegde zijn guitachtige schildknaap [59]hem op deelnemenden toon toe, “troost u, want ik wil u, tot de dag komt, een aardige historie vertellen, als gij niet liever uit den zadel wilt komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten.”

“Neen, ik zal niet afstijgen en slapen,” verklaarde Don Quichot; “maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren.”

“Goed, gestrenge heer,” zeide Sancho. “Luister dan goed toe en val mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik volstrekt niet dulden kan.”

“In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of man, die geiten hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz.”

“Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te hooren krijgen,” viel de ridder hem verdrietig in de rede. “Spreek als een verstandig mensch, of houd liever den mond dicht.”

“Goed, goed, heer!” riep Sancho Panza en vertelde verder.

“Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, dien hij met de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman om en ontdekte al spoedig een visscher, die aanbood zijne driehonderd geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam een geit mee en bracht haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug, nam weer eene geit en bracht haar ook over.—En nu, gestrenge heer, tel nu goed al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.—De gindsche oever van de rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was buitengewoon glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de geiten over te krijgen. Evenwel voer hij heen en terug en bracht nog eene geit naar de overzij.”

“Maar, domme kerel,” riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig, [60]“neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten, en vertel dan verder.”

“Ja, dat gaat niet,” antwoordde Sancho. “Hoeveel geiten zijn er nu over?”

“Hoe drommel, weet ik dat?” riep de ridder.

“Daar hebben we ’t al!” zeide Sancho Panza. “Nu is mijn vertelsel uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom hebt gij de geiten dan ook niet beter geteld?”

“Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar verder.”

“Neen, nu gaat dat niet meer,” antwoordde Sancho, de schouders ophalend. “Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren, raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het hoofd gegaan.”

Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon te kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne banden te ontdoen. Hij maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan.

Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten op en maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was om het gevaarlijkste van alle avonturen te beginnen en te bestaan.

Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker groene takken het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho Panza, herhaalde hem zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg, terwijl de schildknaap langzaam te voet achternakwam.

Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, die te midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval zich in de diepte neerstortte. Aan den voet [61]daarvan lagen eenige ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk, dat onze beide helden al zooveel schrik aangejaagd had. Rocinante werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het aardrijk voortdurend deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend geraas aan.

Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van het vreeselijk rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen.

Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust, vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond in voortdurende trilling en schudding hielden.

Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden, maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen en hij zelf hartelijk meelachen moest.

Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles, wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige en bescheiden houding weder aan. [62]

“Vergeef mij, gestrenge heer,” zeide hij; “ik gekte maar wat.”

“Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken,” antwoordde de ridder. “Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven.”

Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho’s voorstel geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had.

Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog, die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich tot zijn schildknaap om en zeide:

Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino, draagt.”

“Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!” antwoordde Sancho Panza. “Wees niet al te voorbarig!”

“Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag zoo kunnen vergissen?” riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon te raken. “Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij den gouden helm op zijn hoofd niet?”

“Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen ezel, die veel van den mijnen heeft,” was het koele antwoord. “Wel heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet.”

“Het is de helm van Mambrino, domkop!” schreeuwde Don Quichot. “Ga op zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien, dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal.”

“En toch is het geen helm,” bromde de schildknaap. [63]

“Hondsvot, rekel, zwijg!” riep Don Quichot vol woede. “Als gij nog een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken.”

Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho ’t maar het verstandigst, op zij te gaan en geen mond meer open te doen.

Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in werkelijkheid niets van bestond.

In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was, schreeuwde hij hem toe: “Verweer u, roover en dief! of sta af, wat u niet toekomt!”

De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald.

Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken; want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde, terwijl hij zeide: “Waarachtig, een [64]heel goed scheerbekken, en onder broeders zijne acht realen waard.”

Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide: “Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer maar, dat de helft van den helm ontbreekt!”

Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en proestte het hardop uit.

“Waarom lacht gij?” vroeg Don Quichot dadelijk.

“Ei,” antwoordde de schildknaap, “ik lach, als ik mij den dikken kop voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben.”

“Sancho, gij spreekt onverstandig!” zeide de ridder op berispenden toon. “Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken, maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen gevalle is hij beter dan in ’t geheel niets en kan hij mij desnoods tegen een steenworp dekken.”

“Als die maar niet uit een slinger komt,” merkte Sancho spotachtig aan. “Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als ’t mijn eigendom was.”

“Gij moogt het u niet toeëigenen,” antwoordde Don Quichot. “Het zou onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel stilletjes staan.” [65]

“Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn zadeltuig voor mijn dier meepakken,” mompelde Sancho Panza en ging dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op, zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg, zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen.

[Inhoud]

Hoofdstuk X.

Hoe Don Quichot eenige ongelukkigen in vrijheid stelt en wat hem verder overkomt.

Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide: “Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning naar de haven worden geleid.”

“Wat, tot dwangdienst?” riep Don Quichot verontwaardigd uit. “Doet de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?”

“Dat zeg ik niet,” sprak Sancho. “Die menschen zijn boosdoeners, die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn.”

“In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar gedwongen daarheen?” [66]

“Ja, zoo is het,” zeide Sancho.

“Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand verleenen,” sprak Don Quichot.

“Maar in ’s hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid, en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf heeft veroordeeld,” riep Sancho angstig.

Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling, en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht, en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken.

Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: “Niettegenstaande dat wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren, mij daarin niet hinderlijk zult zijn.”

Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen toestand was geraakt.

“Dat moogt gij gerust weten,” antwoordde de kerel. “Kijk, ik was op een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar drie jaren lang vrij kost en logies te geven.”

“En waarom zijt gij geboeid, vriend?” vroeg Don Quichot aan den tweeden uit den troep.

“Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen kunnen zeggen.”

“Dat is waar,” zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn vergrijp. [67]

“Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen, juist toen ik die noodig had,” antwoordde de schelm.

Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren, die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek.

Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide:

“Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten gaan, waarheen ’t hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen.”

De wachters lachten hardop.

“Ge schijnt mij een rare snaak toe!” riep hun aanvoerder. “Maak, dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan niet met dingen, die je geen zier aangaan!”

“Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!” schreeuwde Don Quichot vol woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden, tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot, die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne boeien te verbreken en zich [68]in vrijheid te stellen. Het gevolg was, dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had, greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij, zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht.

Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn, dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar het nabijgelegen gebergte namen.

“Zwijg stil!” voegde Don Quichot hem barsch toe. “Ik weet best, wat mij in dit roemrijk geval te doen staat.”

Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten, hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht brengen zouden.

“Hoor, uwe edelheid,” gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot antwoord, “daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet.”

“Hoe is dat, ondankbare snoodaard?” vroeg Don Quichot ten hoogste verontwaardigd. “Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien gij te doen hebt.” [69]

Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos, of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet, waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken.

Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof ’t hem verwonderde, dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede, en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand ondankbaar behandeld hadden. [70]

[Inhoud]

Hoofdstuk XI.

Sancho Panza verliest zijn ezel en Don Quichot speelt voor gek.

Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking der zware steenworpen bekomen was, sprak hij:

“Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en vergeefsch werk doet, als men aan ’t gemeene volk weldaden bewijst. Die schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond, en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in te laten.”

“Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs wordt,” antwoordde Sancho Panza. “Voorts is ’t maar best, dat wij ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie, dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten.”

“Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop, dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal.”

Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena, waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen hun nachtleger opsloegen.

Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamonte [71]toevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd, hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds uren ver van de beroofde twee verwijderd.

De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam.

“Ach,” lamenteerde de knaap, “ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap, mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in ’t vleesch van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!”

“Kom, kom, Sancho, bedaar, man! trooste de ridder zijn weeklagenden dienaar; “gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben, die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij dieper in het gebergte komen.”

De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis.

Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho, die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen zou. Ten laatste werd het hem [72]echter toch al te erg en besloot hij, op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken.

“Heer,” begon hij, “ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve.”

“Sancho Panza,” antwoordde de ridder, “daar is raad voor, want weet, dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig.”

“Is er gevaar bij, heer ridder?” vroeg Sancho Panza.

“Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van uwe werkzaamheid af.”

“Van mijne werkzaamheid?” vroeg Sancho verwonderd.

“Zeker, mijn zoon,” luidde des ridders antwoord, “want weet, dat, zoo gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert, gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn, mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich gedurende dien tijd Beltenebros.”

“Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea versmaad?” zeide Sancho Panza.

“Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho,” antwoordde Don Quichot; “want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden, en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar mijne aanbiddelijke meesteres [73]Dulcinea van Toboso begeven en haar een brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen.”

Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit, dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond den vrijen teugel te vieren.

“Ha, ha!” riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek was geworden, “ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen.”

Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard zakken en gaf dat een slag op den rug.

“Vlucht weg,” riep hij dat toe, “vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim in bosschen en wildernissen rond.”

“Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer ridder,” zeide Sancho Panza; “maar toch reken ik ’t beter, dat ik maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn.”

“Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest,” antwoordde de ridder van de droevige figuur. “Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb.” [74]

“Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb, heer?” vroeg Sancho Panza verwonderd.

“O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen uit het hoofd kijkt,” antwoordde de ridder. “Vooreerst moet ik, daar ik nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet.”

“Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer,” antwoordde de schildknaap; “maar wees in ’s hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken en punten. Als ge toevallig op zoo’n punt te land kwaamt, kon ’t met alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan met het hoofd in ’t water te plompen of met vooraf een week, zacht ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren haar te berge rijzen. ’t Is toch alles maar fopperij en malligheid, edele heer!”

“Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Al de dingen, die ik wil uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en ’t zou dus niet kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet.”

“Heer, al ’t linnen is met den ezel naar de maan gegaan,” verzekerde de schildknaap. “Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb, en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over.”

Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. “Gij [75]hebt gelijk, Sancho,” zeide hij. “Doch hoe moeten wij ’t aanleggen, om den brief klaar te krijgen?”

“Ja, en ’t papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven,” voegde zijn schildknaap er bij.

“Juist, juist!” riep Don Quichot, “dat mogen wij niet vergeten. Ik zal alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren.

“Maar hoe moet het dan met de onderteekening?”

“De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit onderteekend,” verzekerde Don Quichot.

“Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan,” zei Sancho; “maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten.”

“Dat is zoo,” erkende Don Quichot, “en ik zal dus de lastgeving in het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de ridder van de droevige figuur.—Daar Dulcinea niet lezen kan, voor zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen, en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales, zeer streng wordt opgevoed.”

“Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge en edele gebiedster?” vroeg Sancho Panza heel verwonderd.

“Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche heelal te worden verheven.”

“O, haar ken ik wel,” zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik schudde. “Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren, dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwe [76]hooge en edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een prinses of een koningin of zoo’n andere voorname hoogheid. Dat valt me dan danig tegen! En ’t is maar een geluk, edele heer, dat al de lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij ’t vlashekelen of druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig hebben bespot en uitgelachen.

“Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!” riep Don Quichot verstoord. “Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren.”

“Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene schoonheid tevreden is,” verklaarde Sancho Panza. “Schrijf nu den brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan.”

Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren.

“Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af,” zeide hij, “en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak, dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo’n langen brief.”

De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering van zijne taak was.

“Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder,” zeide Sancho. “Geef mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien, [77]daar ik er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er versteld en verbijsterd van staat.”

“En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden met eigen oogen aanschouwdet,” zeide Don Quichot. “Gij kunt dan bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien, en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene van mijn hart maken.”

“Neen, neen, laat dat rusten,” antwoordde Sancho. “Wij hebben nog gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons beiden meer.

“Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon,” zeide Don Quichot. “Al waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven.”

“Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!” zeide Sancho. “Maar nog één ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze schijnt mij vrij wat afgelegen, en ’t zou een leelijk ding wezen, als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden.”

“Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het hoofd,” antwoordde Don Quichot. “Ik voor mij zal dezen omtrek niet verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers in mijne nabijheid terugbrengen.”

“Welaan, dat wil ik doen,” riep Sancho en sneed al dadelijk een voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep:

“Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaad [78]zou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek zijt geworden.”

“Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” riep Don Quichot verheugd uit. “Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen.”

Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging van zijns meesters dolheid weg kon rijden.

Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen, omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een menschenkind gedicht is.

[Inhoud]

Hoofdstuk XII.

Hoe Don Quichot uit het rotsdal bevrijdt wordt.

Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenige [79]dagen door eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk, in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen.

Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten, die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: “Kijk eens, heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder Don Quichot op avonturen is uitgegaan?”

“Ja, waarlijk, hij is het,” antwoordde de pastoor, “en hij zit op den knol van zijn meester.”

Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem: “Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?”

De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht, doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf, dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen, waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen.

“Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho,” sprak de barbier, die terstond begreep, hoe het was, “als gij niet zeggen wilt, waar de ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus ook uw meester terugbezorgen, of ’t zal leelijk met u afloopen.”

“Ho, ho, maar zoo driftig niet!” riep Sancho Panza op barschen [80]toon, alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust maakte. “Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan, en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt.”

Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso geschreven had.

Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem, waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde.

“Daar is mij ’t grootste ongeluk van mijn geheele leven overkomen!” huilde Sancho. “Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan ieder althans een gravenslot waard was.”

“Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?” vroeg de barbier.

“Wel, doodeenvoudig,” antwoordde Sancho. “Ik ben het zakboekje kwijt, waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren.”

De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezels [81]af te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust, terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude kleeren scheen te raken.

“Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven,” zei hij op onverschilligen toon.

“Toe dan, zeg hem ons voor,” antwoordde de barbier. “Wij willen hem dan later op papier brengen.”

Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep eindelijk in zijne verlegenheid:

“Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was: Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!”

“Alleronbeperktste zal er gestaan hebben,” zei de barbier lachend.

“Ja, ja, zoo was het vast,” zeide Sancho; “en dan kwam verder: “De verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en ondankbare jonkvrouwe!” en zoo al voort tot aan het slot, dat was: “De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.”

De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden, en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in de herberg ook maar met een woord te reppen.

“Als mijn meester,” zoo vervolgde hij, “zijne penitentie in het rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een keizerschap of toch voor ’t minst een koningschap te veroveren. Zoo hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en ’t kan niet anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn, dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven en [82]mij tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als heel Spanje is.”

Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol verwondering de hoofden schudden.

“Hoever,” fluisterde de pastoor den barbier toe, “hoever moet het met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!”

Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden.

“Wat!” vroeg Sancho, “kan een dolend ridder ook aartsbisschop worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene belooning te wachten!”

“Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats,” antwoordde de pastoor.

“Welaan,” verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende, “dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar ’t voor hemzelf het best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen.”

“Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho,” sprak de pastoor. “Doch ’t wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom, vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd.”

Sancho’s schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot pleizier doen, indien zij hem eene portie [83]warm eten en Rocinante een maaltje gerst buiten wilden zenden.

De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien.

Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft, en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou, den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen.

Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart, waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen, en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen had gehouden. [84]

Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier, dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde.

Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden zij hierop hunnen tocht.

Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die, naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid.

Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen.

De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord, [85]en daar zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame poets te helpen spelen.

“Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen,” zeide zij, “en kan die rol recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb, die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken.”

De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was.

“Zeker weet ik dat, vriend Sancho,” antwoordde de pastoor, om den schildknaap wat te foppen. “Deze schoone jonkvrouw is eene prinses en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus, die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid.”

Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd: “Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar hoe heet de schoone prinses eigenlijk?”

“Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon,” [86]antwoordde de pastoor; “en ik wil mijn uiterste best doen, om uw meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?”

“Och lieve hemeltje,” zeide Sancho Panza, “ik vond hem half naakt, in ’t bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd.”

Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho, die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende, en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame, de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel niet te bederven, vooreerst achterbleven.

Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden toon de volgende toespraak:

“Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven, de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden, die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken.”

“En ik,” antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, “zal u niet eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe, voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan.”

“Neen, edele heer,” verklaarde de smeekelinge, “hier zal ik neerknielen in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd, welke ik smeekend van u durfde vragen.” [87]

“Welaan dan,” sprak Don Quichot, “zoo zij uwe bede u toegestaan, mits zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben.”

“Tegen niets van dat alles strijdt zij,” antwoordde de hulpzoekende jonkvrouw en richtte zich op.

Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde hem in het oor: “Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon in ’t land van Aethiopië.”

“Zwijg!” beval de ridder op barschen toon. “Zij moge wezen, wie zij wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft.”

Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: “Spreek, doorluchtige jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?”

“Ik bid en smeek, hooge ridder,” zeide de dame, “dat uw grootmoedig persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen, voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft.”

“Het zij u toegestaan, edele dame,” antwoordde de ridder met veel grootmoedigheid. “Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort.”

De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde, [88]en nu riep hij: “Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame moet geholpen worden.”

De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om ’t niet hardop uit proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag, dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden; en dan kon ’t niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde, bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon.

Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten, kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet, omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen Rocinante ten gebruike overlaten.

Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te staan en achter dezen op het muildier te kruipen.

De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toen [89]hij nu echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor.

Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide.

Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte, bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet.

Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten, van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot op te zoeken en door list naar huis terug te lokken.

Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven. [90]

[Inhoud]

Hoofdstuk XIII.

Don Quichot velt eenige reuzen en wordt naar huis gebracht.

In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen, dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes, de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen; doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar ’s ridders ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf.

Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in zijn kraam te pas kwamen.

“Nu, Sancho Panza,” begon Don Quichot, nadat hij zich languit [91]op zijne legerstede had uitgestrekt, “waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen, want die zouden u hals en hoofd kosten.”

“Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen doen overschrijven en overbrengen,” antwoordde Sancho Panza met de handen in het haar. “Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder.”

“Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt spelden,” sprak Don Quichot uitermate tevreden. “Gij moet weten, dat ik zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u, het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg, waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?”

“Neen, dat deed zij niet,” bromde Sancho Panza verdrietig. “Zij was bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften.”

“Wat?” vroeg Don Quichot. “Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten veranderden?”

“Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove, gele tarwe.”

“Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken,” verklaarde de ridder. “Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij u mijnen naam hoorde noemen?”

“Neen, volstrekt niet,” antwoordde Sancho. “Zij stond midden in het dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei, dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij, dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer van u hooren. Dus, lieve heer, laat die domme [92]boerendeerne loopen en houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft.”

“Zwijg!” beval Don Quichot met somberen ernst. “Ik mag uw wensch niet vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso nog mijne hooge en verhevene gebiedster is.”

Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn ontvlammen. “Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona niet trouwt!” schreeuwde hij. “Denkt gij, dat u elken dag eene zoo goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet waard de wezenlijke en waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw haar in ’s hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt, en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben en mijne schaapjes geschoren heb.”

Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren, geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho’s breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond.

“Neem dat, gemeene boerenziel!” riep hij alstoen, “en hoed u in het vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg, zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken schedel zal stampen.”

Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenen [93]uit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op, dook in een hoek neer en hield zich doodstil.

Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde.

“Als wij hem eens daar hebben,” voegde hij er bij, “zullen wij wel zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt.”

Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider stemme riep: “Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp, want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld, dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk glad van den romp heeft weggesabeld.”

“Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?” vroeg de pastoor. “Zijt ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot dien reus geveld hebben, daar hij voor ’t minst twee duizend mijlen ver van hier woont!”

Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen.

“Halt, roover,” brulde hij, “halt, schandelijke booswicht! Ik heb u nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist in splinters worden geslagen.”

En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis er van trilde. [94]

“Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn meester bijstand te verleenen?” riep Sancho Panza. “Gaat in de kamer, scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte van een wijnzak had, in een hoek zien liggen.”

“De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!” riep nu op eens de waard. “Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht, en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken gezien heeft.”

Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle overigen volgden hem.

Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd; hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld, dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus, die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht, dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn degen geboorde gaten stroomde. [95]

Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen.

Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke verwoesting hij had aangericht.

Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: “Ik wist al lang, dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein.”

“Gij stomme rekel!” bulderde de waard, “wat leutert ge daar van bloed en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd totaal bedorven heeft?”

“Wat zou ik weten?” snauwde Sancho daartegen in. “Ik weet alleen, dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd naar de maan!”

De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal, d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen.

Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende, zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht. [96]Hij viel voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan, als volgt:

“Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb.

“Hoort gij ’t nu wel?” riep Sancho vroolijk. “Heb ik ’t niet gezegd? Ik sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan.”

Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit.

Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg, namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld; doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten, in de hand drukten.

Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid, droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de verte verdwenen was, verklapte men aan [97]Sancho, hoe ’t met de zaak was gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie, welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen, en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne woonplaats terug te brengen.

De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen, om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten.

Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld, en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels, en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen.

De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk uit het hoofd drijven zou.

Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna ’t leven kostte. [98]

Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet, keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in ’t wit gedoste lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken, dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de verdorde velden doen neerruischen. Bij ’t zien van hunne zonderlinge en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd.

Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld, greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met dreunende stem:

“Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen, dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende ridders behooren.”

Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg.

“Heer, bedroefde ridder,” schreeuwde hij hem na, “waar wilt gij dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet, dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is? [99]God helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet, en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!”

Zoo brulde Sancho; doch ’t was, zooals gezegd is, voor doovemansooren gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in, dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning meer tegenhouden.

Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros in en riep met dreigende stem: “Gij daar in witte kleederen, die uwe aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!”

De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk ook de eersten, die ’s ridders toeroep vernamen en vol verbazing bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij ’t zien van de wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug:

“Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als ’t wezen kan, niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang van stijl zijt, zwijg dan liever en maak u wat spoedig uit de voeten.”

“Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen,” antwoordde Don Quichot. “Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar hemeltergend geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme recht te buigen en de onderdrukten te helpen, zal niet dulden, dat men de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een stap verder moogt gaan, moet gij [100]haar de volle vrijheid teruggeven, die zij gewisselijk verdient.”

Uit deze onzinnige taal merkten allen, die ’t hooren en verstaan konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een vrij erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter olie in het vuur gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken, schuimbekkend van woede, zwaaide hij zijn zwaard en stoof tot den aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen, liet de sterkste zijn last aan een ander over, trad den dolleman in den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork, waarmee hij bij het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht te stutten. Die vork of gaffel werd wel door ’s ridders geweldige zwaardslagen in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield, onzen armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe, dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden, zandigen grond neerplofte.

Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen, den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem verder geen kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde ridder, die niet wist, wat hij deed, en derhalve het medelijden van alle verstandige menschen verdiende.

De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch ’t was niet Sancho’s kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar alleen de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den boer denken, dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn lang sleepkleed op, trok het tot den gordel in de hoogte, wierp zijn knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen.

Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten gevolge waarvan een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. De bedevaartgangers meenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken hunne kappen over het hoofd, zwaaiden [101]hunne geeselroeden en wachtten het begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter zagen, dat Sancho Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn meester neerknielde en, in de stellige verbeelding, dat die werkelijk morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de pastoor door een der priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening plaats en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht.

Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop met nog eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis lag. Op de kampplaats aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen en aan zijne droefheid lucht geven in de volgende bewoordingen:

“O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw, eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu, daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners weer stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en betreur ik uwen dood, o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor de korte dienstbaarheid van weinig maanden ’t schoonste eiland zoudt hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht, deemoedige onder de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der schelmen en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht, zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien ooit de wereld gezien en bewonderd heeft.”

Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht zijne oogen op en keek uiterst verbijsterd rond. [102]

“Waar ben ik?” vroeg hij. “Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde geveld. Bezorg mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te beklimmen. Mijne schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze woonplaats te bereiken, als ik er het leven afbrengen zal. Ach, wat zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn heldenarm haar niet langer beschermen kan!”

“Maak u daar niet ongerust over,” antwoordde de pastoor, die dit oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van de jonkvrouw mede te deelen. “Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer noodig heeft. De reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar koningrijk staat dus niets meer in den weg. Reeds is zij daarheen op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren innigsten dank betuigen.”

“Dat verheugt mij hartelijk,” antwoordde de ridder. “Ik wensch der edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd mij, dat zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een rijtuig krijg.”

“Terstond, terstond, edele heer!” riep Sancho en liep heen, om ergens in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond gelukkig eene oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee aankruien en laadde met behulp van den pastoor en den barbier den gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo de reis voortgezet. De bedevaartgangers stelden zich weder in beweging, en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid.

Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot’s geboortedorp aan. Het was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats hadden zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig toe, om met de lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman herkenden. Een jongen liep op een drafje naar ’s ridders [103]huis vooruit, om aan de huishoudster en de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bont en blauw geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar liggend, in aantocht was.

De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk misbaar, rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw de onzalige ridderboeken, die al deze ellende hadden veroorzaakt.

Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare verroeste hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen toe, namen den armen held op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis, ontkleedden hem en brachten hem eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard welgevallen. De pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar oom toch met de meeste zorg te verplegen en in ’s hemels naam toe te zien, dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen en haar hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw zoude beginnen.

Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen.

Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten op den hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots terugkeer kwam namelijk Sancho Panza’s vrouw toe en vond haren echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut en zijne dierbare gade terug te keeren. De schimp- en scheldwoorden, waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk den huiselijken haard had verlaten, willen wij hier liever niet herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armen [104]knaap terdeeg de ooren werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van zijne kijvende wederhelft thuis aankwam.

[Inhoud]

Hoofdstuk XIV.

Hoe Don Quichot tot een nieuwen tocht wordt bewogen.

Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun beste weten te onderrichten.

“Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle streken, die hij uitgevoerd heeft,” zeide de pastoor. “Misschien vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd weer een zoo wat half verstandig man.”

De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor ’t overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak zeer bedaard en verstandig en bediende [105]zich van zulke uitgezochte en gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.

Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.

“De koning,” zeide hij na eene poos, “heeft zeker bij deze gelegenheid als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten kunnen verkrijgen.”

Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en bij zichzelf dacht hij: “Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!”

De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en ongerijmde noemt.

“Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd,” antwoordde Don Quichot op barschen toon, “en stellig lang niet zoo dolzinnig als gij zelf.”

“Kom, kom, heer ridder, ik meende ’t zoo boos niet, als gij het daar opvat,” zei de barbier. “Ik wou alleen maar zeggen, dat veel voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk enkel schade en verlies zouden toebrengen.”

“Dat is echter met mijn voorslag niet het geval,” verzekerde [106]Don Quichot. “’t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man is opgekomen.”

“En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?” vroeg de pastoor.

Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. “Ik zal mij wel wachten, het te verklappen,” zeide hij. “Wie staat mij borg, dat gij niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij, als den uitvinder, heel alleen toekomt?”

“Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk een schandelijk verraad zal schuldig maken,” riep de barbier. “Wat gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken.”

“Dat is genoeg, dat is genoeg,” zeide Don Quichot. “Ik ken u als een eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle.”

“En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan,” verklaarde de pastoor. “Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme, op straffe der boete, die ik hem opleggen zou.”

“Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?” vroeg Don Quichot.

“Mijn heilig ambt,” antwoordde de pastoor met waardigheid, “mijn heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken plicht maakt.”

“Welaan dan,” riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten volle vertrouwde: “waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen, zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen! [107]God hoort mij en ziet in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen.”

“Och grut!” riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche gesprek had aangehoord, “och grut, dat is weer de oude mallepraat; en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne dolle avonturen uit te gaan.”

“Ja,” zeide Don Quichot op ernstigen toon, “als dolend ridder wil ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en geweldig, ik zal.”

“Luister, beste heer,” wendde de barbier, die een poosje stil nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: “vergun mij, eene kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en op deze dingen past, als het deksel op den pot.”

Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis:

“In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad meer met hem wist.

“De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen, dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.

“Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort, totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af te [108]vaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was, dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.

“De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet te denken viel.

“Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke, hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.

“De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.

“Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hier [109]wel erg tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.

“Beschik vrij over mij,” zeide hij tot den waanzinnige. “Nu ik mijn verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen medemenschen van dienst te zijn.”

“Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid schreeuwend: “Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen mag gaan?”

“Ik ben het, lieve broeder,” antwoordde de candidaat; “ik behoef hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade is verleend.”

“Ei, ge weet niet, wat ge zegt,” schreeuwde de gek den candidaat toe. “Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen.”

“O, dat heeft geen nood,” riep de candidaat lachend. “Ik weet, dat ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden.”

“Jij volkomen bij je verstand?” riep de gek. “Jij gezond? Loop heen! De tijd zal ’t gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, die zoo’n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die drie [110]jaren om zijn, zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen.”

“De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:

“Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt.”

“Ei, wat ge zegt!” riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren kennen. “Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een ander maal, als ’t mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u van hier weghalen.”

“De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen.

“Dit is mijne geschiedenis,” zeide de barbier; “en de toepassing kan ieder licht zelf maken.”

“O baardschrabber, o baardschrabber!” riep Don Quichot uit, “meent ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt, als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal.”

Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor en de barbier het ’t best oordeelden, maar stilletjes weer op te trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven, en deden dat dan ook. [111]

Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend, op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.

Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield, liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was, om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht mede. De arme vrouwen, die van Carrasco’s fijn plan niets wisten, waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen te laten afbrengen.

Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze was [112]met roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis in gereedheid te brengen.

Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden, zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.

[Inhoud]

Hoofdstuk XV.

Don Quichot zoekt zijne hooge gebiederes Dulcinea van Toboso op.

Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon ook het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer gunstig voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich de daden voorstelden, die zij in ’t vervolg zeker bedrijven, en den onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden.

“Sancho Panza,” sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij aan zij hadden voortgedraafd, “Sancho Panza, de avond valt en het zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken, dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar Dulcinea leeft en ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik daardoor ieder avontuur gelukkig zal te boven komen. Niets, moet gij weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij van de genade en de bescherming hunner meesteressen verzekerd zijn.” [113]

“Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer,” antwoordde Sancho Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; “maar toch kan ’t u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen van de hooge dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of door een gat in den muur zal moeten geven.”

“De schutting, Sancho?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Zijt gij dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat gij voor een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen, gangen en booggewelven, zooals men die altijd bij rijke koninklijke paleizen heeft.”

“Nu, dan weet ik het niet,” verklaarde Sancho. “Voor zoover mij voorstaat, was ’t een gewoone schutting, en nog wel in niet al te besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten in te zien.”

“Dat mag wezen, hoe ’t wil,” zeide Don Quichot een weinig verdrietig; “maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik haar maar te zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een raam, of door een traliehek de straal van haar oog op mij valt en mijne ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig, dat ik onvergelijkelijk moet worden in deugd en in dapperheid.”

Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap nu voortaan hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In het dorp heerschte de diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten in de armen van de slaap. De maan stond aan den hemel, en de nacht was dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. ’t Zou hem liever geweest zijn, dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen van Dulcinea en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden.

Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in den [114]diepsten slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl het den vreesachtigen schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield, voegden zich daar nog andere tonen bij: ezels balkten, varkens knorden, paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den nacht duidelijker dan ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens hield, hoewel hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza’s zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak:

“Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden.”

“Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?” riep Sancho verlegen uit. “Hier heeft men geen paleizen en, zooals ik u al zei, uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje.”

“Gij vergist u zeker, vriend,” beweerde Don Quichot. “Waarschijnlijk had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel van haar vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de stilte en eenzaamheid zoeken.”

“Gestrenge heer,” antwoordde Sancho, “gesteld nu al, dat gij gelijk hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den nacht de rust uwer meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen, zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige menschen houden.”

“Dat moeten wij afwachten,” zeide de ridder. “Laat ons eerst maar haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder te doen. Zie daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat voor de woonstede mijner onvergelijkelijke dame houd.”

“Rijd er dan maar op los,” bromde de schildknaap; “maar ’k laat mij hangen, als ge ’t niet glad mishebt.”

Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter in de nabijheid van het groote gebouw was gekomen, zag hij wel, dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van het dorp voor zich had. [115]

“Het is de kerk,” zeide hij, onaangenaam verrast.

“Ja, dat zie ik,” zeide Sancho Panza, “en de hemel geve maar, dat wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor ’t overige heb ik u wel gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje moet liggen.”

“Ezel! Domkop! Stommerik!” bulderde Don Quichot. “Waar hebt ge dan ooit van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen in achterafstraatjes liggen?”

“Gehoord en gezien heb ik dat niet,” was Sancho’s koel antwoord; “maar ’s lands wijs ’s lands eer, zegt het spreekwoord, en misschien is ’t hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad volgen, gestrenge ridder, laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt het ons wel ’t paleis van uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad.”

“Sancho Panza,” zeide de ridder op dreigenden toon, “ik raad u, met achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster ook maar van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best, en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet zoo dadelijk met de deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen en in alle omstandigheden moet de hoofddeugd van iederen dolenden schildknaap zijn.”

“Ik ben bedaard genoeg,” antwoordde Sancho Panza, “maar hoe zou ik mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, dat ik midden in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij zelf het dan niet? Gij moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij het meer dan duizendmaal moet gezien hebben.”

“Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen,” schreeuwde Don Quichot. “Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de gebiederesse mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis betreden heb.” [116]

“Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook niet gezien,” antwoordde Sancho. “Men kan uit u niet wijs worden! Nu spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar ’t u best past, en meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid vol moogt liegen. Fop je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, dat ik noch uwe Dulcinea, noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien heb,—en daarmee basta!”

“Sancho, Sancho,” sprak Don Quichot, “met heilige dingen mag men niet gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea nooit gezien hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?”

“Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad,” antwoordde de schildknaap.

Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk wou de man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen, en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem naar Dulcinea’s woning te vernemen.

“Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend,” riep hij hem toe, “waar ik hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses Dulcinea van Toboso vind?”

De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op.

“Heer,” zei hij na kort beraad, “ik ben hier zelf nog vreemd, daar ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht verhuurd heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor, die daar recht tegenover in dat groote huis woont. Evenwel kan ik kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt, ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen hare vier muren wel voor prinsessen doorgaan kunnen.”

Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door, terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek.

“Gestrenge heer,” zeide Sancho tot den ridder, “de dag begint te lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier vóór de zon op straat laten vinden. ’t Zou beter wezen, dat gij u hier in den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, terwijl ik geen [117]hoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te pakken kreeg!”

“Uw raad bevalt mij, Sancho Panza,” antwoordde Don Quichot na kort nadenken. “Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer terug om haar te hooren, te zien en te spreken.”

Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho, dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel eind daar vandaan stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld naar het dorp terugkeerde.

Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, wierp zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende alleenspraak:

“’k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt worden en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, ’t eene ding voor het ander houdt en zwart voor wit, maar wit voor zwart aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet waar meer zonneklaar gebleken is. De eerste de beste boerenmeid, die ik te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij niet, dan bezweer ik ’t, en vloekt hij, dan bezweer ik ’t weer en wil ’t zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij laat mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar zijne prinses, om hem te plagen, heeft omgehekst, en ’t een is mij zoo lief als ’t ander en zal mij voortaan ’t leven minder zuur maken.”

Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden inhaalde, die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was hij [118]spoedig bij zijn ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en weeklagend over het lang uitblijven van zijn schildknaap.

“Nu, hoe is het, Sancho” vroeg hij, “moet ik dezen dag met een zwarten of mag ik hem met een witten steen teekenen?”

“Met een witten, of nog liever met een vuurrooden,” antwoordde Sancho Panza. “Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en den weg op te rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee van hare hofdames aandraven, om u een bezoek te brengen.”

“Wat zegt gij daar?” riep Don Quichot half verschrikt. “Hoed u, hoed u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene bedrieglijke boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk te verkeeren.”

“Maar, heer ridder, wat zou ’t mij baten, dat ik u trachtte te bedriegen?” vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. “Gij zoudt dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, van parels en van brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in den wind. Zij rijden op drie telgangers, zooals ik ze mijn leven lang nog niet gezien heb.”

“Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat op, dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal.”

Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende, de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot keek deze echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met hare hofdames te zien te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van de drie geen spoor te ontdekken was, en vroeg dus zijn schildknaap, of die haar reeds buiten het dorp had gezien.

“Wel zeker heb ik dat,” zei Sancho Panza. “Heeft uwe edelheid dan geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar aankomt, schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend diamanten.” [119]

“Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere bonken van muilezels.”

“Wel drommel en geen einde!” riep Sancho met geveinsde verwondering. “Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes van paarden voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn naam mag geen Sancho Panza wezen, als ’t niet waarempel waar is.”

“Ik zeg je evenwel,” riep de ridder, “dat het drie ezelinnen en drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij op je grauwtje zit.”

“Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de oogen,” zei Sancho. “Daar komt uwe dame al aan; rijd haar te gemoet en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied.”

En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit, om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn ezeltje glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel, viel op beide knieën neer en sprak:

“Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die daar, door uw aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, de schildknaap, maar hij is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.”

Gedurende Sancho’s deftige toespraak was ook Don Quichot naast zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone en daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, dat hij buiten staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen.

De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden neer en wisten niet, wat van Sancho’s zotte toespraak te denken, totdat eindelijk de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij kribbig en boos riep: [120]

“Loopt naar de maan en laat ons ’t pad vrij! Wat hebben wij noodig met al die malligheden!”

“O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso,” antwoordde Sancho Panza, “wordt dan uw steenen hart niet verweekt door het leed van den ridder aan uwe voeten?”

“Laat ons met vree, leelijke kerels!” schreeuwden de meiden. “Wij doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te doen?”

“Sancho Panza, sta op!” beval Don Quichot op bedrukten toon. “Ik zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd staat en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter, aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, door een snooden toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt beroofd, buig u neder tot mij, verkwik en laaf mij door een zoeten straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u ten eeuwigen dage als mijne hooge gebiederesse vereeren zal.”

“Die smerige ouwe vent is gek!” riep de meid, terwijl zij Sancho de teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. “Laat los, leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik.”

Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam Dulcinea’s ezel te struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk toe, om haar weer op de been te helpen; doch voordat hij nog bij haar kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten op de achterschonken van haar rijdier, zat met een wip weer in den zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden ridder om te zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden:

“Wat zegt gij nu, mijn schildknaap? Ziet gij nu, hoe erg ik door de toovenaars gehaat en vervolgd word? Zij hebben mij het onschuldig genot ontroofd van mijne aangebedene in den vollen glans harer schoonheid te zien, en haar tot mijne kwelling in een gemeene boerenmeid veranderd.”

“Ja, ja, ’t zijn rekels, ’t zijn schobbejakken, al die toovenaars!” [121]riep Sancho uit. “Maar tob daar maar niet over, gestrenge heer; want ’k weet wel vast, dat de deugd en dapperheid bij slot van rekening over alle boosheid triomfeeren moeten.”

Don Quichot antwoordde hier niet op, maar besteeg weer zijn Rocinante en de schildknaap zijn grauwtje, en zoo sukkelden beiden den weg naar de wereldberoemde stad Saragossa op. Voordat zij die bereikten, moesten zij echter nog velerlei wonderbaarlijke avonturen beleven, waarvan wij niet verzuimen mogen het trouw en waarachtig relaas te laten volgen.

[Inhoud]

Hoofdstuk XVI.

De kar des doods en de ridder met de spiegels.

Terwijl Don Quichot in diep gepeins zijn weg vervolgde, keek Sancho Panza, over ’t gelukken van zijne list in zijn vuistje lachend, vroolijk rond en ontdekte een wagen, die met allerlei vreemde gedaanten en personages beladen was. Hij maakte Don Quichot daar opmerkzaam op, en beiden staarden het wonderlijk schouwspel verbaasd aan.

De voerman van den wagen was een schrikbarende duivel, en de wagen zelf was open en onbedekt. Binnenin zat de dood in levenden lijve en met een menschelijk aangezicht. Naast hem vertoonde zich een engel met bont beschilderde vleugels. Verder stond daar een keizer met zijn gouden kroon op het hoofd, en aan de voeten des doods zat god Cupido met boog, koker en pijlen. Buitendien waren nog een ridder in blank harnas en eene menigte andere personen in verschillende drachten en met allerlei tronies en gezichten op den wagen te zien. [122]

Hoewel eerst een weinig ontsteld, kreeg de Ridder van de Droevige Figuur toch spoedig zijne gewone bedaardheid weer en geloofde, dat daar een nieuw avontuur in aantocht was. In deze meening stelde hij zich dicht voor de kar in postuur en riep met dreigende stem:

“Voerman of duivel, of wat gij wezen moogt, zeg mij onverwijld, wie gij zijt en wat vreemd volk gij daar bij u hebt?”

“Och, waarde heer,” antwoordde de duivel zeer onderdanig, “anders niet dan arme komedianten, die in het kleine dorp ginder achter den heuvel eene voorstelling van de hofhouding des doods willen geven. Om tijd te sparen en terstond na onze aankomst het spel te kunnen beginnen, hebben we ons maar vooraf verkleed. Deze knaap hier speelt voor dood, die voor engel, die voor soldaat, die voor keizer en ik zelf voor duivel. Zoo is het gelegen met het geval, en als gij nog meer wilt weten, vraag dan maar vrij; daar een duivel alles moet weten, kan ik u wis voldoend bescheid geven.”

“Neen, neen, ik weet al genoeg,” sprak Don Quichot. “Toen ik uwe kar zag, meende ik, dat ik eenig avontuur zou moeten bestaan; maar ik merk nu wel anders. Trekt in vrede, goede lui, houdt uwe vertooning en bedenkt eens, of gij niet ’t een of ander voor mij te doen weet. Van harte gaarne wil ik u van dienst wezen, want als kind ben ik al een groot vriend van zulke mommespelen geweest.”

Terwijl Don Quichot zulke goelijke en vriendelijke woorden sprak, wilde het toeval, dat de paljas van het gezelschap, die wat achter was gebleven, aankwam. Hij was als hansworst gekleed, met belletjes behangen en had op het hoofd een zotskap en in de hand een stok, aan ’t eind waarvan drie groote, met erwten gevulde koeblazen hingen. Zoodra hij Don Quichot te zien kreeg, begon hij zijn stok te zwaaien, met de blazen te rammelen, te springen en cabriolen te maken, zoodat al zijne belletjes rinkelden. Dat geraas en het vreemd uitzien van den paljas brachten Rocinante zoo van streek, dat hij het gebit tusschen de tanden nam en, wat de ridder ook trok en riep, in suizenden galop over de vlakte voortstoof. Ziende, hoe zijn heer zoo gevaar liep van zandruiter te worden, sprong nu Sancho Panza van zijn grauwtje en liep achter den ridder aan, om hem [123]bijstand te verleenen. Voordat hij hem bereikte, was het ongeluk al gebeurd. Don Quichot lag zoo lang als hij was op den grond, en Rocinante lag naast hem.

Zoodra echter Sancho Panza van zijn ezel was gestapt, sprong de paljas op grauwtje en sloeg het met zijne rammelende blazen om de ooren. ’t Geduldige beest, door dat nooit gehoorde geraas verschrikt, zette het nu op een loopen en holde regelrecht op het dorp aan, waar de komedianten hunne voorstelling wilden geven.

Sancho zag zijn ezel wegloopen, maar zag ook te gelijk den benauwden toestand, waarin zijn heer verkeerde, en wist dus eerst niet, naar wat kant hij zich keeren zou. Na kort beraad besloot hij echter, als trouw en eerlijk schildknaap, eerst zijn heer te hulp te springen, niettegenstaande hem telkens een steek door ’t hart ging, als hij dien verwenschten hansworst zijn stok om de ooren van zijn arme grauwtje zag zwaaien. Hij wou liever, dat al die slagen hemzelf troffen, dan dat zijn lief ezeltje ook maar een haartje in zijn staart gekrenkt werd.

In woede en vertwijfeling over den ongelukkigen staat van zijn lieveling naderde hij Don Quichot, die vrij leelijk toegetakeld was, en hielp hem weer op de been en boven op zijn Rocinante.

“De duivel heeft mijn ezel gehaald, edele heer,” zeide hij toen.

“Welke duivel dan?” vroeg de dolende ridder.

“De duivel met blazen, antwoordde Sancho. “Daar gaat hij met hem aan den haal.”

“Dan wil ik hem weer veroveren, al zou ik hem uit den afgrond van de hel halen,” riep Don Quichot. “Volg mij, Sancho! De wagen rijdt langzaam en de muilezels, die hem trekken, zullen u ’t verlies van uw ezel vergoeden.”

“Laat dat maar rusten, heer,” zeide Sancho. “Naar ik zie, heeft de duivel mijn grauwtje al losgelaten, en ’t komt op een drafje weer naar ons toe.”

“Toch moet zijn lijden gewroken worden,” verklaarde Don Quichot, “en voor de ondeugendheid van den hansworst moet het gansche gezelschap boeten.”

“Heer!” riep Sancho Panza, “zet u die gedachten in ’s hemels [124]naam uit het hoofd en laat u niet in met potsenmakers, die overal in hooge gunst en gratie staan.”

“En toch zullen zij hunne verdiende tuchtiging ontvangen,” sprak de ridder.

Met deze woorden keerde hij zich naar den wagen, die al dicht bij het dorp was, en riep met daverende stem: “Halt, halt! Wacht wat, menschen, en ’k wil u toonen, hoe men een ezel behandelt, waarop de schildknaap van een dolenden ridder rijdt!”

Don Quichot was met zulke gezonde longen begaafd, dat het volkje op de kar hem van woord tot woord verstond en zonder veel moeite zijn voornemen begreep. Meteen was dus de dood van de kar; duivel, engel en keizer sprongen hem vlug achterna, en ook de overige gedaanten draalden niet dat voorbeeld te volgen. Allen raapten nu steenen van den grond op, gingen in eene gesloten rij staan en wachtten zoo manmoedig den ridder af, om hem met een hagelbui van steenen te ontvangen.

Toen onze held de dreigende houding der vijanden en hunne armen tot den worp opgeheven zag, hield hij Rocinante staande en overlegde, op wat wijze hij die rij met het geringste gevaar voor zichzelf aanvallen en overhoop werpen zou. Terwijl hij dienaangaande nog in ’t onzekere was, kwam Sancho Panza nader en riep hem vol schrik toe:

“Heer, ik zeg, dat het roekeloos en dwaas zijn zou, tegen zulk eene legermacht op te rukken. Bedenk, dat men tegen een keisteenenregen weinig uitrichten kan, en dat het doldriest zou zijn, een krijgsheer aan te tasten, dat dood en keizer tot aanvoerders heeft en waarin engel en duivel meevechten. En mocht dit alles u nog niet afschrikken, bedenk dan toch, dat onder die gansche bende, al heeft ze koningen en keizers, toch geen enkel dolend ridder is.”

“Dat is waar, Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Ge hebt daar het rechte punt getroffen, ’t eenige, dat mij bewegen kan, van mijn voornemen af te zien. Ik mag mijn goed zwaard tegen niemand ontblooten, die niet werkelijk tot ridder is geslagen. Maar gij, Sancho, zoo gij wraak wilt nemen voor de beschimping, uw ezel aangedaan, [125]draal dan niet en wees verzekerd, dat ik u met nuttige raadgevingen en wenken ter zijde zal staan.”

“Neen, edele heer, ik wil het maar liever blauwblauw laten; gedane dingen nemen toch geen keer,” verklaarde de schildknaap. “Als ik mijn grauwtje maar weerom krijg, wil ik er verder geen water om vuil maken.”

“Welaan dan, Sancho,” sprak de ridder, “indien dit werkelijk uw vast besluit is, willen wij die akelige schimmen en spooksels dan maar laten loopen en avonturen opzoeken, waarbij meer roem en eer is te behalen. Pak uw ezel bij den teugel: daar komt hij al vroolijk aandraven.”

Sancho ving zijn grauwtje op. Don Quichot wierp Rocinante om, en de opgejaagde zwerm komedianten keerde naar de verlaten kar terug.

Den nacht, die op dezen dag volgde, brachten onze twee helden onder eenige lommerrijke boomen door. Zij zadelden af, verteerden hun avondkost uit den knapzak van den ezel, strekten zich toen, Don Quichot onder een eik, Sancho Panza onder een kurkboom, uit en waren spoedig in slaap.

Een tijdlang snurkten beiden rustig en ongestoord; doch op eens rees Don Quichot overeind en keek rond. Hij had een ongewoon gerucht vernomen en ontdekte nu twee mannen te paard, van wie de een juist uit den zadel steeg en zeide: “Neem onze dieren de teugels af en laat ze grazen. Deze plaats schijnt rijkelijk met gras gezegend, en de stilte en eenzaamheid hier passen goed voor mijne rustzoekende gedachten.”

Na deze woorden wierp de nieuwe aankomeling zich op den grond, en zijne wapens maakten zulk een gedreun en gekletter, dat Don Quichot terstond begreep, dat hij hier een echten dolenden ridder voor zich had. Hij schudde Sancho bij den arm en kreeg hem, schoon niet zonder moeite, wakker.

“Sancho, vriend Sancho,” fluisterde hij, “een avontuur is nabij.”

“De hemel geve, dat het wat goeds is,” antwoordde de schildknaap en wreef zich de oogen uit. “Waar is het dan?”

“Kijk dien kant uit, vriend,” antwoordde Don Quichot. “Gij zult een dolenden ridder, als ik ben, ontdekken, die zoo even van zijn [126]strijdros steeg en zich onder het kletteren zijner wapenrusting op de aarde uitstrekte.”

“Ja, waarachtig, ik zie hem,” verzekerde Sancho Panza. “Wat zullen wij met hem aanvangen?”

Op dit oogenblik richtte de vreemde ridder, die dat gefluister vermoedelijk vernomen had, zich op en vroeg barsch: “Wie is daar? Wie spreekt daar? Behoort gij tot het getal der vergenoegden of tot het getal der mistroostigen?”

“Wij behooren tot de mistroostigen,” antwoordde Don Quichot.

“Welaan, komt dan hier, opdat wij elkaar nader leeren kennen,” sprak de vreemde ridder.

Terstond stond Don Quichot op en naderde met Sancho den onbekende, die zich van het gras half oprichtte en onzen ridder uitnoodigde, aan zijne zijde plaats te nemen. Sancho Panza vervoegde zich intusschen bij den wapendrager van den vreemden dolenden ridder, en zij evenals de ridders begonnen elkaar nu hunne ontmoetingen en avonturen te vertellen. Na voor zijn collega een waar klaaglied te hebben aangeheven, begon Sancho Panza dit onderhoud echter al spoedig moe te worden en verlangde, daar hij onderwijl al weer honger had gekregen, uitermate zeer naar eenige gezonde hartsterking voor de maag.

“De tong kleeft mij aan ’t gehemelte,” zuchtte hij.

“Daar weet ik goeden raad voor,” zeide zijn collega. “Ik heb een kostelijk middel tegen honger en dorst aan den zadelknop van mijn paard hangen.”

Met deze woorden stond hij op, en kwam al spoedig terug met een grooten, goed gevulden wijnzak en eene pastei, die wel een halve el hoog en breed was.

“Ei, ei, maat, ben je van zoo’n teerkost voorzien?” vroeg Sancho en likte zich al de lippen.

“Wel wis en zeker,” antwoordde de vreemde schildknaap. “Denkt ge, dat ik mijn zwaren dienst heb aangenomen, om van water en brood te leven? ’t Mocht wat! Ik eet en drink er zoo goed van, als menig generaal niet. Maar tast toe en laat je niet lang noodigen.”

Sancho liet ééne uitnoodiging genoeg zijn en at zonder er onnutte [127]woorden bij te verliezen. In den donker stopte hij brokken zoo groot als een vuist in den mond. Toen hij zijn bekomst had, tastte hij naar den wijnzak, en men zou liegen, als men den dorstigen knaap nazei, dat hij de opening daarvan korter dan een kwartier achtereen aan den mond hield. Toen hij met slokken ophield, boog hij het hoofd op zij, haalde diep adem en zeide:

“Hoor, ondeugend schermpje, ik wil gehangen worden, als deze wijn niet uit een klooster gestolen is.”

De vreemde lachte, zonder te antwoorden, en de beide kameraads praatten en dronken, totdat eindelijk de slaap hun de zware oogleden toedrukte.

Terwijl zij in vrede rustten, verhaalde de vreemde ridder aan onzen Don Quichot, dat zijne hooge en edele uitverkorene Casildea van Vandalia werd geheeten, en dat zij onvergelijkelijk zoowel in schoonheid als in voornaamheid was.

“Voor kort, zeide hij, “heeft zij mij opgedragen, alle provinciën van Spanje te doorkruisen en iederen dolenden ridder tot de bekentenis te dwingen, dat zij de aanminnigste schoonheid is, die ooit door de zon beschenen werd. Ik deed volgens haar bevel en wierp menigen ridder in het stof neder; maar waarop ik het meest trotsch ben, is een kamp met den beroemden ridder Don Quichot van La Mancha. Ook hem overwon ik in tweegevecht en dwong ik tot de verklaring, dat mijne gebiedster Casildea schooner is, dan de zijne, die Dulcinea heet.”

Toen onze Don Quichot den boschridder, dien hij in zijn gansche leven nog niet gezien had, aldus hoorde spreken, ontbrandde hij in geweldigen toorn, sprong op en riep:

“Gij liegt, snoode en schandelijke ridder! Want weet, ik ben het, dien gij noemt, ik ben Don Quichot van La Mancha, bijgenaamd de Ridder van de Droevige Figuur. Kom op ten strijde, zoo gij moed daartoe hebt.”

De boschridder antwoordde zeer koelbloedig: “Dus zijt gij Don Quichot? Nu, dan moet wel de een of andere schelm zich voor u hebben uitgegeven, dien ik in de meening, dat gij zelf voor mij stondt, in het zand wierp. Dat schaadt evenwel niet, daar ik nu [128]inhalen kan, wat ik toen verzuimde. Wacht nu echter den dag af, daar ’t geen gebruik is, dat edele ridders hunne wapenfeiten in den donker volbrengen als roovers en gauwdieven. Over dag wil ik u staan, te voet en te paard, met zwaard en met lans.”

“Goed, daar ben ik tevreden mee, en ik stel voor, dat wij onze schildknapen wekken, zoodat zij tegen zonsopgang onze paarden getuigd en gezadeld hebben.”

Zij gingen naar de plaats, waar de twee in slaap lagen, wekten hen en bevalen hun, al het noodige tot den voorgenomen kamp gereed te maken. Sancho schrikte niet weinig, daar hij voor het leven en de gezondheid van zijn heer bijzonder bezorgd was. Nochtans waagde hij geen woord van tegenspraak, maar ging in stilte zijn werk verrichten. De andere schildknaap volgde zijn voorbeeld.

“Hoor, broeder,” sprak hij tot Sancho, “als onze meesters aan het vechten zijn, mogen wij de handen niet stil in den schoot leggen, maar moeten elkaar ook eens duchtig op ’t jak zitten.”

“Dat reken ik heelemaal onnoodig,” antwoordde Sancho Panza. “Ook heb ik nog nooit gehoord, dat schildknapen van dolende ridders zich met de zaken van hunne meesters bemoeiden, en buitendien ben ik niet eens een zwaard rijk.”

“O, dat doet er niet toe,” zeide de ander. “Wij vullen een paar linnen zakjes met keisteentjes en slaan elkaar daar zoo lang mee om de ooren, tot een van ons op den grond ligt.”

“Kijk, bij mijns vaders baard, dat zou een groote gekheid wezen!” riep Sancho. “Neen, ik ben er niet op gesteld, dat men mij kop en schonken bont en blauw beukt.”

“En toch moeten wij op zijn minst een half uurtje lang samen vechten,” zei de vreemde schildknaap; “en als ge niet wilt, dan zal ik je zoo lang om de ooren slaan, tot ge wel weerom slaat.”

“O,” riep Sancho, die nu boos werd, “als ge me zoo aankomt, zal ik een knuppel pakken en je afranselen, tot je geen raad meer weet. Volg mijn raad en zet je die vechterijen uit de malle hersens. Zoo niet, dan zeg ik je, dat al ’t ongeluk, dat er uit ontstaat, op je eigen rekening komt.” [129]

“Goed, goed,” bromde de ander; “’t wordt gauw dag, en dan zullen we wel nader zien.”

Onderwijl begonnen de vogeltjes op de takken rond te huppelen en hunne fijne stemmetjes te laten hooren; het morgenrood verguldde den hemel en de dauw viel in flonkerende parels op bloem en kruid neer. Nauwelijks echter liet het licht van den dag de voorwerpen duidelijk onderscheiden, of Sancho Panza zag een ding, dat hem allen moed uit het harte dreef en hem eene rilling over den rug joeg. En dat ding was—de neus van zijn collega, den vreemden schildknaap.

Die was van buitensporige grootte, gebogen als een vogelsneb, met wratten en puisten bezaaid en vertoonde alle kleurschakeeringen van het zachte rozerood tot het donkerst purper toe. Sancho Panza kreeg zoo’n schrik van dien neus, dat hij in stilte besloot, zich liever tweehonderd oorvijgen te getroosten, dan zich met zulk een vogelverschrikker in een gevecht in te laten.

Intusschen nam ook Don Quichot zijn tegenstander op, die een stevig, gezet en grof gespierd man was. Over zijn harnas droeg hij een wapenrok van ’t fijnste goudlaken, die van onder tot boven met kleine halvemaanvormige spiegeltjes was bezet, wat bij iedere beweging eene zeer aardige vertooning maakte. Van zijn helm hing een zware pluimbos neer, en zijne lans, die tegen een boom geleund stond, was buitengewoon dik en lang en met een lange stalen punt gewapend.

Uit dit alles maakte Don Quichot op, dat hij eene kloeke tegenpartij had te bekampen; doch zijn bekende en beproefde heldenmoed geraakte daardoor geen oogenblik aan het wankelen. Veeleer daagde hij hem, zonder nog zijn door het vizier van den helm bedekt aangezicht gezien te hebben, op staanden voet ten kampstrijd uit, en beide ridders bestegen onmiddellijk hunne rossen.

Om de vereischte ruimte tot kampplaats te winnen, maakte Don Quichot eene korte wending met zijn paard, en de spiegelridder volgde zijn voorbeeld. Terstond daarop stonden zij tegen elkaar over en sloegen, als om afscheid van de wereld te nemen, nog eens een blik in het rond. Nu kreeg Don Quichot ook den vervaarlijken [130]neus van den vreemden schildknaap in het oog en verwonderde zich er niet minder over dan Sancho, die op ditzelfde oogenblik kwam aanloopen, om zijn meester eene dringende bede in het oor te fluisteren.

“Heer ridder, zei hij, “ik bid u in ’s hemels naam mij op gindschen kurkboom te helpen, omdat ik daar uit de hoogte het vreeselijk slagveld veel beter zal kunnen overzien.”

“Hoor, Sancho,” antwoordde Don Quichot, “ik vrees, dat gij enkel en alleen zoo hoogop wilt, om uw armzalig lijf in veiligheid te brengen.”

“Nu, nu, om de waarheid te zeggen, wil ik wel bekennen, dat ik wat bang voor dat gruwelijk neuswerk ben,” betuigde de knaap. “Dat jaagt mij zoo’n schrik aan, dat ik ’t er onmogelijk dicht bij uithouden kan.”

“Ja, ja, die neus is een afgrijselijk ding,” zei Don Quichot, “en maak dus maar gauw, dat ge naar boven komt.”

Terwijl Don Quichot zijn schildknaap een handje hielp, om op een tak te komen, spoorde de spiegelridder zijn ros aan, om zijn vijand met knaap en al overhoop te rennen. Daar nu evenwel zijn hengst een knol van de gemeenste soort was, bleef die midden in zijn vaart staan en kuchte en hijgde zoo erbarmelijk, dat men wel bijkans medelijden moest krijgen met het arme beest, dat van lamlendigheid haast niet op zijne vier pooten kon blijven staan.

Don Quichot had intusschen zijn knaap in veiligheid gebracht en, door zulk een verraderlijk gedrag in blakende grimmigheid ontstoken, gaf hij Rocinante nu met zooveel geweld de sporen, dat hij in vollen galop op den nu roerloos wachtenden spiegelridder instoof. In het midden van de baan bereikte hij dien en trof hem met zijne lans zoo geweldig in de zijde, dat de snoode man in den zadel waggelde en ruggelings over zijn paard heen ter aarde tuimelde. De bons, dien hij kreeg, was zoo geducht, dat hij stokstijf bleef liggen en Don Quichot zelf geloofde, dat hij zoo dood als een pier was.

Zoodra Sancho hem zag rollen, liet hij zich schielijk weer uit zijn boom neerglijden en kwam toe op zijn heer, die uiterst bedaard van Rocinante was gestegen en zich over den gevelden spiegelridder [131]neerboog. Hij gespte hem den helmband los, om hem lucht te verschaffen en te zien, of hij wis en wezenlijk dood was, en aanschouwde nu tot zijne allerovergrootste verbazing het aangezicht van—van den heer Sanson Carrasco, denzelfden, van wien hij zijn fraaien helm ten geschenke had gekregen.

“Sancho!” riep hij, “Sancho Panza, kom hier en zie met eigen oogen, welke kunstenarijen die snoode toovenaars aanwenden, om mijn zinnen te verbijsteren en mij geheel op ’t dwaalspoor te brengen.”

Sancho kwam reeds aansjokken en zette het bij dien toeroep op een drafje. Bij ’t zien van het bleeke aangezicht van Carrasco sloeg hij van louter verbaasdheid een kruis en spoorde zijn heer aan, om den gevallene maar zonder omslag het zwaard tusschen de tanden in te boren en zoodoende aan die verfoeielijke tooverij op eens een einde te maken.

“Dat zou zoo verkeerd niet wezen,” zeide Don Quichot en trok zijn zwaard, om Sancho’s raad onverwijld op te volgen. Evenwel werd hem dat nog bijtijds belet, daar de schildknaap van den gevallene, hoewel thans zonder zijn groot neuswerk, op een drafje kwam aanloopen en al van verre bad en smeekte, dat men zijn armen heer toch sparen mocht.

“Kijk wel toe, gestrenge heer!” lamenteerde hij. “Die man daar aan uwe voeten is wis en vast Sanson Carrasco, uw goede vriend, en ik ben zijn alleronderdanigste knecht en dienaar.”

“Maar waar heb je dan je neus gelaten?” vroeg Sancho Panza, als ten toppunt van verbazing, toen hij dat schrikbarend uitsteeksel niet meer ontdekte.

“Dien heb ik hier in mijn zak,” antwoordde de knaap en haalde een ding van beschilderd bordpapier voor den dag.

“Wat is dat?” schreeuwde Sancho, toen hij den vreemde nu eens goed had aangekeken. “Waarachtig, ’t is Tomé Cecial, mijn naaste buurman!”

“Geen mensch anders, mijn oude vriend Sancho Panza,” zei de ander; “en als ge een weinigje geduld hebt, wil ik je van haver tot gort vertellen, hoe en waartoe ik hierheen ben gekomen. Verzoek uwen [132]dapperen heer echter eerst, dat hij den armen spiegelridder geen kwaad doet; want het is wezenlijk de heer Sanson Carrasco, zijn oude vriend.”

Intusschen was de spiegelridder weer tot bezinning gekomen; en zoodra Don Quichot dat bemerkte, hield hij hem de punt van zijn zwaard voor het gezicht en sprak:

Gij zijt een kind des doods, zoo gij niet oogenblikkelijk erkent, dat mijne hooge gebiedster Dulcinea van Toboso de uwe, Casildea van Vandalia, in schoonheid ver overtreft.”

“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder, die in zijn hulpeloozen toestand natuurlijk niet zeer op zijn gemak was. “Casildea is niet waard, uwe Dulcinea de schoenriemen los te binden. Laat mij in ’s Hemels naam maar opstaan, gestrenge heer!”

“Erken eerst nog, dat gij nu en nooit mij, Don Quichot van La Mancha, den Ridder van de Droevige Figuur, in tweegevecht hebt overwonnen, en, hoewel gij in uitzien veel op Sanson Carrasco gelijkt, toch niet die, maar een heel ander zijt.”

“Dat erken ik! Dat erken ik!” riep de spiegelridder nogmaals in zijn doodelijken angst. “Ik beken alles, wat gij wilt, als gij mij maar eerst laat opstaan en mijne gekneusde ledematen wrijven, die van den val deerlijk geleden hebben.”

Don Quichot stak thans bevredigd zijn zwaard op en hielp den overwonnen ridder op de been. Beschaamd en neerslachtig trok deze met zijn schildknaap zijns weegs; maar Don Quichot en Sancho Panza vervolgden met fiere harten hun tocht, en de Ridder van de Droevige Figuur bleef onverzettelijk bij zijne meening, dat hij een vijand had geveld, dien een vijandig gezind toovenaar naderhand, om den overwinnaar te ergeren en den overwonnene te redden, in den persoon van Sanson Carrasco had veranderd.

Dit was echter, gelijk wij uit goede bron weten, in geenen deele het geval. De overwonnen dolende ridder was wel waarlijk Sanson Carrasco, die uitgetrokken was om Don Quichot van zijne dwaasheid te genezen. In de verwachting, dat het hem niet zwaar zou vallen den dolenden ridder te overwinnen, had hij dien tot een nieuwen tocht aangespoord en besloten Don Quichot, als hij [133]hem meester was geworden, te gelasten stilletjes naar zijn dorp terug te keeren en dat in de eerste twee jaren niet weder te verlaten.

Nu echter was dat anders uitgevallen. In plaats van victorie te kraaien, moest Sanson Carrasco met hangende pootjes aftrekken. Hij peinsde op wraak; maar Don Quichot was blij en welgemoed en had den overwonnene spoedig weer vergeten.

[Inhoud]

Hoofdstuk XVII.

Het avontuur met de leeuwen en andere wonderlijke geschiedenissen.

Den grooten weg volgende, haalde Don Quichot een goed gekleed, oudachtig heer in, met wien hij zich, daar hij in alles, wat niet met die dwaasheid van het dolend ridderschap in verband stond, een hoogst beschaafd en verstandig man was, op recht aangename wijze wist te onderhouden. Hij geraakte zóo met hem in ’t gesprek verdiept, dat Sancho Panza, die den helm zijns meesters aan zijn zadelknop droeg, zich ongemerkt van zijne zijde verwijderen en bij eenige herders vervoegen kon, die op een naburig veld hunne schapen weidden. Hij wilde wat melk van hen vragen, waarop hij ontzettend belust was.

Nog was Sancho bij de herders, toen Don Quichot toevallig opkeek en eene kar in het oog kreeg, die, met vele bonte vaantjes en wimpels versierd, regelrecht op hem toekwam. Daar hij terstond een nieuw avontuur vermoedde, riep hij met luider stemme aan Sancho om zijn helm.

De schildknaap vernam het dringend roepen van zijn heer juist op het oogenblik, toen hij van de herders een paar vette, weeke [134]kaasjes had gekocht. Inderhaast wist hij niet, waar hij die bergen zou, en daar hij ze reeds betaald had, wilde hij ze toch liefst niet in den steek laten. In deze verlegenheid viel zijn oog op den helm, die hem op eens op een gelukkigen inval bracht. Hij stopte de kaasjes in zijns meesters ijzeren hoofddeksel en kwam nu haastig aandraven, om te vernemen, wat Don Quichot van hem verlangde.

“Geef mij mijn helm, Sancho! riep de dolende ridder vol ongeduld. “Mijn helm hier! Haast u, want nu staat ons een avontuur te wachten, waarvan het late nageslacht nog gewagen zal.”

Driftig rukte hij Sancho, die nog geen tijd gehad had, om zijne kaasjes in veiligheid te brengen, den helm uit de hand en drukte dien, zonder te bemerken, dat er iets in was, stevig op zijn hoofd. Daar nu de kaas nog versch was en door de zwaarte van den ijzeren helm niet weinig geperst werd, zoo begon natuurlijk de vettige melkpap al spoedig over Don Quichots haar, gezicht en baard neer te druppelen en ’t hem niet weinig lastig te maken.

“Sancho,” riep hij ontsteld, “Sancho, wat is dat hier? ’t Is, alsof mij de hersenen gaan smelten, of ’t mij schemerachtig voor de oogen wordt, of ’t gulle zweet mij van alle kanten uitbreekt. Geef mij wat, om mij af te drogen, want die bijtende zweetdroppels zullen mij anders stekeblind maken.”

Zonder een woord te zeggen, reikte Sancho den ridder een vuilen, vettigen doek toe en was in zijn hart maar blij, dat Don Quichot in zijn ongeduld den eigenlijken aard van dat lastig zweet niet nader onderzocht.

De ridder merkte intusschen toch onraad en nam, na zich zoo wat afgeveegd te hebben, den helm af, om zijn zweetenden schedel eens te betasten. En toen hij nu aan zijne vingers dat witte kaasdeeg zag en daaraan rook, begreep hij ’t gansche geval en maakte zich. ontzettend driftig.

“Schandelijke, verraderlijke, laaghartige en arglistige knaap,” barstte hij los, “’t is kaas, wat gij daarin gestopt hebt! Kaas, bij het leven en de schoonheid mijner hooge dame Dulcinea van Toboso!”

Ofschoon Sancho Panza eerst geducht schrikte, herstelde hij zich toch spoedig en kreeg zijne gewone onbeschaamdheid terug. [135]

“Ei, als ’t werkelijk kaas is, edele heer,” sprak hij, “geef die mij dan, want op kaas ben ik dol. Schoon neen, de duivel mag haar eten, want die alleen kan ze daarin getooverd hebben. Gij zult toch niet gelooven, edele ridder, dat ik ooit de stoutheid zou hebben, uw helm te verontreinigen? De hemel moge mij voor zulke heiligschennis behoeden! Misschien vervolgt mij en u een snoode toovenaar, die de kaas er alleen indeed om u te vertoornen en mij daardoor een dracht slagen te bezorgen. Maar ik ben zeker, dat hem ditmaal zijne list niet gelukken zal, want mijn edele heer is veel te verstandig, om niet in te zien, dat ik de kaas, als ik die namelijk gehad had, honderdmaal liever in mijn maag dan in uw helm zou hebben geborgen.”

“Dat komt mij wel waarschijnlijk voor,” zeide Don Quichot, nu weer ten volle tevredengesteld.

Zonder zich aan het verwonderd gezicht te storen van den heer die hem gezelschap hield, reinigde hij zich ten volle van de vettige brij, zette toen zijn helm weer op, stond overeind in de beugels, keek naar zijn zwaard, velde de lans en riep vol kamplust en moed: “Kome nu, wie wil! Hier sta ik en voel de kracht in mij, om het zelfs tegen den baarlijken duivel op te nemen.”

Onderwijl naderde de met vaantjes versierde kar, en het bleek nu, dat daar niemand bij was dan de voerman met zijne muilezels en een man, die op het voorste bankje zat. Don Quichot plaatste zich toen midden in den weg en vroeg:

“Wie zijt gij, menschen? Waar gaat gij heen? Wat voor een wagen is dat? Wat hebt gij daarin? En wat moeten die vlaggetjes daar beduiden?”

“Heer,” antwoordde de voerman, “die kar is mijn eigendom, en er zijn twee geweldige leeuwen in, die de stadhouder van Oran aan zijne majesteit den koning ten geschenke zendt. Die vaantjes beduiden alleen, dat de inhoud der kar ’s konings eigendom is.”

“Zijn de leeuwen groot en sterk?” vroeg Don Quichot.

“Zeker, edele heer!” antwoordde de man. “Ze zijn grooter en sterker dan er ooit nog uit Afrika naar Spanje zijn gekomen. Ik heb al veel leeuwen gezien, maar huns gelijken nog niet. Hier in [136]het voorste hok zit de leeuw en in dat andere de leeuwin. Ze zijn nu ontzettend hongerig, daar ze vandaag nog geen voêr hebben gehad, en ik verzoek dus, dat de heeren uit den weg gaan en ons doorlaten, zoodat wij spoedig naar eene plaats komen, waar vleesch is te krijgen.”

“Ik voor zoo’n paar ellendige leeuwen uit den weg gaan?” vroeg Don Quichot met minachting. “Zie mij aan, of ik de man daarnaar ben! Gauw afgestapt, goede man, en de hokken geopend, zoodat de beestjes naar buiten kunnen komen! Hier midden op het open veld wil ik met hen vechten en hun toonen, wie Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is. Kom af, zeg ik, en voor den dag met de twee, in spijt van al de toovenaars, die ze mij zeker in den weg hebben gezonden.”

De vreemde heer zag Don Quichot met groote oogen aan en meende zeker, dat het hem eensklaps in het hoofd was geslagen. In zijn bitteren angst en benauwdheid wendde Sancho Panza zich tot hem en smeekte hem in roerende bewoordingen althans eene poging te doen, om den ridder van zijne roekelooze onderneming terug te houden.

“Ik bid u in Gods naam,” smeekte hij, “maak toch, dat mijn meester zich niet met dat wilde gedierte inlaat, dat ons zeker in stukken zal scheuren.”

“Maar wil uw heer dan wezenlijk die dieren bevechten?” vroeg de vreemde. “Is hij dan geheel razend en dol?”

“Dol en razend niet, maar zoo moedig, dat er geen houden aan is,” verzekerde Sancho.

“Nu, dan wil ik mijn best doen, om ongelukken voor te komen,” zeide de vreemde en keerde zich tot Don Quichot, die den leeuwenhoeder nog altijd drong de hokken te openen en de dieren vrij te laten.

“Heer dolend ridder,” sprak hij tot Don Quichot, “voor zoover mij bekend is, moeten alle helden slechts zulke avonturen bestaan, die hun kans laten op levensbehoud. Door zich met andere dingen in te laten verraden zij meer dwaasheid dan kracht en verdienen geen lof, maar berisping. Laat dus, bid ik u, deze leeuwen [137]met rust; zij komen aan zijne majesteit den koning toe en worden niet ongestraft aangeroerd.”

“Mijn beste heer,” antwoordde Don Quichot, “bemoei gij u met uwe hazen en patrijzen en laat mij mijn werk doen, gelijk dat mij goeddunkt. De kamp met deze leeuwen behoort daartoe, en ik verzoek u, dat gij u daar niet verder mee bemoeit.”

De heer zweeg, daar hij begreep, dat zijn spreken toch niet baatte, terwijl Don Quichot zich opnieuw tot den leeuwenhoeder wendde en sprak:

“Gij schandelijke en plichtvergeten dienaar! als gij niet op staanden voet gehoorzaamt, zweer ik, dat ik u met deze lans aan uw hok vast zal nagelen.”

Nu de man zag, dat het den geharnasten ridder ernst was, durfde hij zich niet langer verzetten en zeide: “Ieder hier tegenwoordig kan getuigen, dat ik alleen door geweld ben gedwongen geworden de kooi der leeuwen te openen en het eigendom des konings op het spel te zetten. Alle schade en alle onheil, dat daaruit ontstaan kan, gaat mij niet aan, maar alles moet naar billijkheid en recht op rekening van dezen ridder komen. Maakt plaats, mijne heeren, bergt u, voordat ik de grendels openschuif.”

“Heer,” keerde de voerman zich thans tot Don Quichot, “vergun althans, dat ik mijne muilezels afspan en in veiligheid breng. Als de leeuwen mijne dieren ombrengen, ben ik voor altijd mijne kostwinning kwijt.”

“Gij zijt een dom mensch,” riep de ridder verstoord. “Denkt gij, dat ik aan de leeuwen tijd zal laten, om uwe dieren aan te vallen? Mijnentwege doe echter, wat gij wilt; maar gij zult zien, dat gij nutteloos werk gedaan hebt.”

Niettegenstaande deze verzekering spande de man in aller ijl zijn trekvee af, en gedurende dien tijd trachtte de vreemde heer den ridder nogmaals tot andere gedachten te brengen. Deze bleef echter onverzettelijk bij zijn opzet volharden.

“Wilt gij niet getuige zijn van den kamp, dien ik hier op het open veld beginnen zal, spoor dan uw schimmel aan en maak u uit de voeten,” zeide hij. [138]

Thans deed ook nog Sancho Panza een goed woord en smeekte met tranen in de oogen zijn meester, toch van zijn voornemen af te zien.

“Dit avontuur is zoo vreeselijk,” zei hij, “dat al, wat wij reeds beleefd hebben, er maar kinderspel bij was. Hier is geen tooverij of hekserij in ’t spel, maar alles is wis en wezenlijk ernst. Ik heb tusschen de ijzeren tralies door in ’t hok gekeken en daar de klauwen van den leeuw gezien, die ontzettend lang en breed zijn. ’t Is een dier, zoo groot als een berg, heer.”

“Uwe benauwdheid zal het nog grooter maken dan de halve wereld,” zei Don Quichot. “Maak maar, dat ge weg komt, Sancho! Mocht ik bij den zwaren strijd, die mij te wachten staat, het leven laten, spoed u dan naar mijne gebiedster Dulcinea van Toboso en maak haar bekend met mijn dood.”

Na deze woorden begrepen allen, dat met Don Quichot niets meer was aan te vangen en dat men hem stil zijn gang moest laten gaan. Zoo dreef dan de voerman zijne muilezels op zij, bracht de vreemde heer zijn schimmel in veiligheid en zorgde Sancho Panza, dat hij met zijn grauwtje op eerbiedigen afstand kwam. En toen gebood de ridder op dreigenden toon, dat men de hokken zou openen.

Ziende, dat alle menschen en dieren buiten gevaar waren, bracht de leeuwenhoeder Don Quichot nogmaals onder het oog, welk eene roekelooze onderneming hij voorhad, en waarschuwde hem ernstig zich toch niet zoo moedwillig in gevaar te begeven. Don Quichot luisterde daar echter niet naar. Terwijl de man talmde en nog steeds tijd zocht te winnen, overlegde hij, of het niet beter zou zijn, den kamp te voet, in plaats van te paard te beginnen, en besloot eindelijk tot het eerste, omdat hij vreesde, dat Rocinante bij het zien van het vreeselijk roofdier schuw en wild zou worden. Hij sprong dus van het paard, wierp zijne lans op den grond, dekte zijne borst met het schild, trad met ontbloot zwaard voor de deur van het hok en beval zijne ziel Dulcinea van Toboso aan.

Toen de leeuwenhoeder nu zag, dat Don Quichot ten volle bedaard en beraden was, en dat hij hem dus wel zijn zin diende [139]te geven, rukte hij de deur van het eerste hok, waarin de leeuw zat, wagenwijd open. De leeuw, werkelijk een dier van buitengewone grootte en schrikinboezemende gestalte, keerde zich om in zijn kooi, schoof zijn voorpooten vooruit en rekte zich. Daarop ontsloot hij zijn ontzettenden muil, spalkte dien wijd open en gaapte zeer majestueus. Vervolgens stak hij de bloedroode tong uit, likte zich de oogen, trad met langzamen tred vooruit, stak zijn geweldigen kop buiten het hok, liet zijne gloeiende oogen naar alle zijden rondrollen en nam eene houding aan, die iedereen met ontzetting zou vervuld hebben. Don Quichot week echter niet terug, maar nam het vreeselijk dier kalm en bedaard op en wenschte zelfs, dat het dadelijk van den wagen springen en den kamp met hem beginnen mocht.

Na echter het landschap en zijn uitdager eene poos bedaard te hebben aangekeken, schudde de leeuw langzaam zijn kop en—draaide zich om, Don Quichot den rug toekeerend. Met de grootste onverschilligheid strekte hij zich vervolgens op de planken uit en scheen zich om niets ter wereld meer te bekommeren.

“Jaag hem op!” riep Don Quichot den leeuwenhoeder toe. “Stoot, sla, schop, terg en sar hem, tot hij uit zijn hok komt.”

“Ja, ja, dat zal ik wel uit mijn hersens laten,” riep de man. “Als ik hem aanraakte, zou hij mij allereerst beetpakken, en dat is een ding, waarvoor ik hartelijk bedank. Vergenoeg u met wat gij gedaan hebt, heer ridder, en wees verzekerd, dat het meer is, dan één menschenkind u zou durven nadoen. Stel u niet voor de tweede maal bloot en bedenk, dat gij alles gedaan hebt, wat men van een held kan verlangen. De deur staat open, de leeuw is uitgedaagd, gij staat tot den kamp bereid. Wil uw vijand niet vechten, dan is aan hem de schande en oneer en aan u de zege en de roem.”

“Dat is waar!” riep Don Quichot uit. “Sluit de deur weer toe, vriend, en geef mij de getuigenis, dat ik werkelijk alles gedaan heb, wat mij geoorloofd was. Gij hebt den leeuw de deur opengezet; ik heb hem opgewacht, maar hij is niet gekomen; eindelijk heb ik nog een poos gewacht, en hij is weer niet verschenen, maar [140]is naar den versten hoek van zijn kooi gekropen en heeft zich daar lafhartig neergelegd. Meer is niet noodig, om mijne dapperheid in vollen glans te vertoonen, en gij moogt dus vrij de deur sluiten, terwijl ik onze gevluchte vrienden wil terugroepen, opdat zij uit uw mond het verhaal van mijne daden hooren.”

De wachter sloot het hok weer toe, en Don Quichot bond den doek, waarmee hij de kaas van zijn gezicht had gewischt, aan zijne lans, om daarmee de anderen terug te roepen. Te gelijk verhief hij zijne stem en riep: “Sancho! Sancho!” dat het wijd over het veld klonk.

Sancho Panza vernam dien roep, keerde zich om, zag het witte vaantje en zei: “Ik laat mij levend villen, als mijn heer de wilde beesten niet overwonnen heeft; want zie, hij wenkt ons en zijn vaan wappert in den wind.”

Ook de anderen zagen het gegeven teeken, en hunne harten, die tot nog toe met angst vervuld waren geweest, werden gerust. Zij keerden naar de kar terug en waren zeer verlangend, de toedracht en den afloop van den gewaagden kamp te vernemen.

“Span uwe muilezels weer voor,” riep Don Quichot den voerman toe; “span ze voor en vervolg ongehinderd uwe reis. En gij, Sancho, geef den leeuwenhoeder twee goudguldens tot vergoeding omdat hij zich zoo lang heeft opgehouden.”

“Die goudguldens wil ik hem wel geven,” antwoordde de schildknaap; “doch zeg mij eerst, wat er van de leeuwen geworden is. Zijn ze al dood, of hebben ze er ’t leven afgebracht?”

“Wend u tot dezen man,” sprak Don Quichot met trotschheid; “hij zal u berichten, hoe de zaak is afgeloopen.”

Sancho talmde hier dan ook niet mee, en de leeuwenhoeder vertelde uitvoerig de geheele geschiedenis en kon niet genoeg roemen, hoe uitstekend dapper en heldhaftig de ridder zich in dit geval gedragen had. De leeuw scheen reeds bij zijne eerste verschijning door schrik aangetast en was, in plaats van den aangeboden kamp aan te nemen, lafhartig naar den versten hoek van zijn hok teruggeweken; en daar hij, de leeuwenhoeder, den dapperen Don Quichot nu gezegd had, dat het roekeloos zou zijn, den leeuw nog verder [141]te tergen, had de ridder, hoewel ongaarne, hem eindelijk vrijheid gegeven de deur van het hok weer dicht te doen.

“Wat zegt gij daarvan, Sancho?” vroeg Don Quichot vol fierheid. “Daar ziet gij nu uit, dat alle betooveringen tegen ware dapperheid en echten heldenmoed geen zier kunnen uitrichten.”

Sancho haalde stilzwijgend de schouders op en stopte den leeuwenhoeder de twee goudguldens in de hand, waarna deze laatste beloofde de koenheid van Don Quichot overal te zullen uitbazuinen en zelfs te zorgen, dat die zijne majesteit den koning ter oore kwam.

“Goed, dat moogt gij doen,” sprak Don Quichot; “en als de koning u naar mijn naam mocht vragen, kunt gij antwoorden, dat het de “leeuwenridder” is, die de stoute daad gewaagd heeft. Voortaan namelijk wil ik, een overoud heilig gebruik volgend, dezen bijnaam voeren en daarentegen dien van “Ridder van de Droevige Figuur” afleggen. Dat hebben vóór mij reeds vele dolende helden gedaan, en ik wil hun doorluchtig voorbeeld volgen.”

De kar reed nu weg en Don Quichot vervolgde met zijn klein gezelschap den vroeger ingeslagen weg naar Saragossa.

Het duurde nu niet lang, of zij kwamen eene beroemde grot, het zoogenaamde hol van Montesinos, voorbij, waarvan allerlei wonderbare dingen verteld worden, en de vreemde heer maakte daar Don Quichot opmerkzaam op. Terstond betoonde deze grooten lust het inwendige te bezien; doch de vreemde ried hem dit af, omdat men er niet anders in kon komen, dan door zich aan lange touwen in de diepte te laten neerzakken.

“En al zou ik er voor in de hel komen, toch moet ik de grot bezien,” verklaarde Don Quichot en reed regelrecht op het naaste dorp aan, om daar te overnachten en zich van de vereischte touwen en strikken te voorzien. Hij kocht daarvan tot eene lengte van honderd vaam, en begaf zich den anderen dag met den vreemden heer en met Sancho Panza naar de gevaarlijke plaats.

Na den middag te twee uren kwamen zij daar aan en vonden den toegang tot de grot vrij breed, ruim en slechts weinig door doornen en ander struikgewas bedekt en verdonkerd. Zij stegen af, [142]en Don Quichot werd vast en stevig aan een touw gebonden, om zonder verwijl in de diepte te worden neergelaten.

“Heer,” zeide Sancho Panza, terwijl zij daarmee bezig waren, “heer, bezin, eer gij begint, en bedenk nog eens goed, wat gij doet. Nog niemand heeft het eind van de spelonk bereikt, en niemand dwingt u zulk een gevaarvol stuk te ondernemen. Blijf stilletjes hier boven en neem goeden raad van mij aan.”

“Houd den mond, Sancho, en bind maar de touwen vast,” antwoordde Don Quichot op deze welgemeende waarschuwing. “Juist zulk eene onderneming, die nog niemand gelukt is, past voor mij.”

De schildknaap zweeg en liet verdrietig de lip hangen. Toen nu echter Don Quichot stevig was vastgebonden, knielde hij neder, riep de krachtdadige bescherming van zijne Dulcinea in en naderde toen den afgrond, waarin hij zich wilde laten neerzakken. Voordat hij aan den rand kwam, moest hij echter met zijn zwaard zich een weg door het struikgewas banen, dat voor den ingang der grot welig was opgeschoten. Het door het kraken en breken der takken veroorzaakte gerucht joeg eene ontzettende menigte raven, kraaien, uilen en vleermuizen op, die tot hiertoe in ongestoorde rust in de grot genesteld hadden, en zij stoven met zooveel geweld op Don Quichot los, dat die daardoor overhoop werd geworpen en zoo lang als hij was op den grond kwam te liggen.

Ieder ander, dan onze onverschrokken ridder, zou deze omstandigheid als een noodlottig voorteeken hebben beschouwd; doch hem versterkte zij slechts in zijn heldhaftig voornemen. Toen al dat fladderend roofgedierte zich een uitweg had gebaand, sprong hij in den afgrond neer; de vreemde heer en Sancho Panza vierden langzaam de lijn, en Don Quichot verdween aldra in de donkere, gapende diepte.

“De hemel behoede u, gij pronk en sieraad van de dolende ridderschap!” riep Sancho Panza hem na. “Daal neer, gij hoofd van ijzer, hart van staal en arm van metaal! Moogt gij behouden het daglicht weer aanschouwen, waarvan gij daar in den afgrond niet heel veel te zien zult krijgen.”

Onderwijl schreeuwde Don Quichot voortdurend, dat zij nog [143]maar meer touw zouden vieren, tot in ’t eind het geluid zijner stem niet langer tot hen opstijgen kon. Ten laatste liep de lijn echter toch ten einde, en nu wachtten zij een half uur, voordat zij haar weder optrokken. Toen zij hiermee begonnen, scheen zij hun echter zoo licht en onbezwaard toe, dat zij vreezen moesten, dat Don Quichot zich had losgemaakt en in de diepte was achtergebleven, wat Sancho tranen met tuiten deed schreien en zich al zijn best reppen, om toch maar spoedig zeker te zijn van de zaak. Op eens echter, toen reeds tachtig vaam van de lijn was ingehaald, voelden zij een zwaren last en bemerkten al spoedig, dat Don Quichot tegen vermoeden toch nog aan het touw hing. Zij trokken en trokken met al hunne kracht, en vol blijdschap riep Sancho naar beneden:

“Welkom, welkom, gestrenge heer! Wij waren al bang, dat wij uw edel aangezicht nooit meer aanschouwen zouden.”

Don Quichot antwoordde niet op dezen vriendelijken toeroep, en toen zij hem eindelijk goed en wel boven hadden, zagen zij, dat zijne oogen gesloten waren en dat hij in vasten slaap lag. Zij legden hem op den grond, bevrijdden hem van zijne banden en hoopten, dat hij nu vanzelf wel weer wakker zou worden. Dit gebeurde echter niet, en zij moesten hem lang knijpen en schudden, rollen en omkeeren, voordat hij ten laatste weer tot bezinning kwam, de oogen opsloeg, zich rekte en strekte en in alles deed als iemand, die uit eene zwaren droom ontwaakt. Verschrikt keek hij rond en eene rilling liep hem over de leden, toen hij zich weder op de bovenwereld verplaatst en den blauwen hemel boven zijn hoofd zag.

“O, mijne vrienden,” sprak hij op klagenden toon, “waarom hebt gij mij aan den zoetsten toestand ontrukt, waarin ik ooit in mijn leven heb mogen verkeeren? Een hemelsch aanminnig gezicht heb ik aanschouwd, en nu eerst zie ik in, dat alle genietingen van dit ondermaansche slechts nesterijen en kinderspel zijn, dat zij verdwijnen als een schaduw, en verwelken gelijk de bloemen des velds.”

“Maar, sakkerloot, heer, wat hebt gij dan daar wel in die hel te zien gekregen?” vroeg Sancho. [144]

“Eene hel noemt gij dat?” riep Don Quichot. “O, noem het niet zoo; ’t is de schoonste plaats, die op aarde te vinden is. Luister toe, wat ik zal vertellen.”

“Ja, naderhand met alle genoegen,” antwoordde Sancho Panza; “maar nu blaf ik van honger en moet eerst mijne arme maag wat tevredenstellen.”

Don Quichot zeide hier niets tegen en begon, nadat hij zichzelf ook door een hartig maal gesterkt had, het verhaal van zijne avonturen in de onderaardsche grot.

“Ongeveer twaalf vaam diep in de kloof opent zich rechts een gewelf, als eene hal, waar wel eene groote koets met zes paarden zou kunnen keeren. Door eenige spleten, die tot de oppervlakte der aarde reiken, dringt daar een flauw en schemerachtig licht in door.

“Dit gewelf ontdekte ik, toen ik het hangen en bongelen aan de lijn al moe was, waarom ik besloot er binnen te treden en er eene korte poos te rusten. Ik riep u toe, dat gij met het vieren van het touw moest ophouden; maar daar gij mij niet scheent te verstaan, rolde ik het touw, al naarmate dat mij nakwam, tot een tros op en ging toen daarop zitten, om mij in gepeins te verdiepen. Ik overlegde, hoe ik het aanvangen moest, om de diepte van den afgrond te bereiken, daar ik nu niemand meer had, die mij neerlaten kon, en onder dat denken overviel mij op eens de diepste slaap. Het duurde evenwel niet lang, of ik ontwaakte weer en bevond mij op eene groote weide, schooner en liefelijker, dan ik ooit nog met mijne oogen had aanschouwd. Ik dacht te droomen en betastte hoofd, borst en handen, om mij van mijn wakenden toestand ten volle te overtuigen. Uit alle teekens maakte ik op, dat werkelijk de slaap van mij geweken was, en dat geen droom, geen phantasie, geen drogbeeld van het verhitte bloed mij misleidde.

“Nadat ik mij ten volle van mijn waken overtuigd had, keek ik rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, welks dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, met een lang slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwam [145]op mij toe, groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. Ik boog mij dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door wijde portalen gingen wij, door lange gangen en onmetelijk groote zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit goud en diamanten, en op ieder prijkte een kristallen standbeeld van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden dolende ridders, die zich door deugd en dapperheid beroemd gemaakt hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun leven hadden uitgezien. Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen, welker namen ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in een heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden, grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets, dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk ik zag mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin gekleed en begeleid door twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den betooverenden lusthof, lachte en schertste en deed nu en dan sprongen, die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan.

“De grijsaard sprak mij aan en zeide: “Zie, in zulke nederige en armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. Maar wees getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie harer verheven schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, gelijk die hare natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft.”

“Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid stralende voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig neerstortte. [146]

“Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen ontruktet.”

“Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!” riep Sancho Panza uit. “Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, of een of ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te verstrikken en u naar den afgrond des verderfs te lokken.”

“Spreek niet zoo, Sancho,” zeide Don Quichot. “Alles, wat ik gezien heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd zal nog eens openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak.”

Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg, waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot en zijn twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop het gordijn naar boven gaan.

Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen.

Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren bestond. De Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende vijanden tot onder de torens van eene versterkte stad.

Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd en oordeelde hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam.

“Houdt op! Houdt op!” riep hij, driftig opspringend, het Heidensche poppenvolk toe. “Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, of gij krijgt het met mij te doen.”

Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde woede op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige trapte [147]hij als een pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een gruwelijk bloedbad hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk, van vleesch en bloed waren geweest.

Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem met tranen in de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot evenwel luisterde daar niet naar, en zou den armen poppenman zelven het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid uit de voeten had gemaakt.

De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui.

In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend en dol hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al veel gekke dingen had vertoond, maar nooit nog zoo’n gek stuk, als nu dit hier.

Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op zijn zwaard en zei: “Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend ridder een onnut ding in de wereld is! Was ik hier niet gekomen, dan was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode Heidenen tot den laatsten man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik: eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!”

“Ja, ja, dat is goed en wel,” riep de poppenman, die zich nu ook weer kwam vertoonen: “maar in allen gevalle moet gij mij de schade betalen, die gij mij moedwillig hebt toegevoegd.”

“Wat dan betalen?” vroeg Don Quichot verwonderd. “Wat heb ik u dan bedorven?”

“Hoe! dat weet gij niet?” vroeg meester Pedro, de eigenaar van het poppenspel. “Ziet gij dan niet het armzalig overschot van mijne poppen, die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?”

“Poppen?” vroeg Don Quichot. “Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk, het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. Daar ziet men weer, hoe ik door die snoode toovenaars [148]vervolgd word! Zij verblindden mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en dat ik alles, wat gespeeld werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht heb, is het ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro, welke som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn schildknaap Sancho Panza uitbetalen.”

Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza echter moest de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke som betalen.

[Inhoud]

Hoofdstuk XVIII.

De betooverde boot en de schoone jageres.

Den volgende morgen zetten Don Quichot en Sancho Panza, na van hun reisgenoot tot zoover, den vreemden heer, vriendschappelijk afscheid te hebben genomen, hun tocht verder voort. Zij kwamen aan de rivier de Ebro, welks helder doorzichtig water den dolenden leeuwenridder uitstekend behaagde. Hij reed langzaam langs den oever voort, deed Sancho al de schoonheden van het landschap opmerken en zweeg eerst stil, toen hij op eens eene kleine boot bemerkte, die dicht aan den stroom aan een boomstam vastlag en noch riemen, noch zeil, noch ander scheepstuig bevatte. Hij keek rechts en links uit, en toen hij nergens een mensch ontdekte, steeg hij van Rocinante en beval Sancho insgelijks van zijn grauwtje te komen en beide dieren ergens in de nabijheid aan een boom vast [149]te binden. Sancho Panza vroeg, wat dan gebeuren zou, en kreeg tot antwoord:

“Weet, dat deze boot mij oproept en mij uitnoodigt haar te bestijgen en met haar mee te varen, om een of anderen in nood zijnden ridder of verongelukte jonkvrouw te hulp te komen. Bind dus de dieren vast en kom mee, want, zoo waar ik leef, ik wil de tot mij gekomen roepstem volgen en mij zonder schroom in deze bark inschepen.”

“Heer,” antwoordde Sancho Panza, “ik laat mij hangen, als dat niet weer een nieuwe gekheid van u is. De boot is volstrekt niet betooverd, maar komt zeker aan den een of anderen visscher in dezen omtrek toe, waar men de beste visschen van de wereld kan vangen. Niettegenstaande dit is het mijn plicht u te volgen, en ik zal dus maar weer gehoorzamen, gestrenge heer.”

Zoo sprak Sancho en bond de dieren vast.

“Wat moet ik nu verder doen?” vroeg hij.

“In de boot stappen,” antwoordde Don Quichot; “als wij daarin zitten, snijden wij het touw door, dat haar vasthoudt, en geven ons aan ons lot over.”

Met deze woorden sprong hij er zelf in en Sancho volgde hem gewillig. Het touw werd doorgesneden en de boot gleed langzaam van den oever weg. Pas echter waren zij tien passen van den oever, of Sancho Panza begon als een popelblad te trillen en erg bang voor zijn eigen dierbaar ik te worden. Zijn angst nam toe, toen hij zijn ezeltje hoorde balken en Rocinantes bewegingen zag, om zich los te rukken en zijn meester te volgen.

“Heer droevige ridder,” zei hij, “hoor maar, hoe jammerlijk mijn grauwtje schreeuwt en hoe Rocinante staat te trippelen om ons na te loopen. Die arme, arme schepsels! Ze zullen ons misschien nooit weer te zien krijgen.”

Bij deze woorden begon hij zoo hard te huilen en te krijten, dat Don Quichot ernstig boos werd.

“Gij onnoozele hals, waar zijt gij dan toch eigenlijk bang voor?” riep hij verstoord. “Waarom zet ge zoo’n keel op? Wie vervolgt u? Wie heeft kwaad tegen ons in den zin? Houd den mond, kerel, [150]of wees verzekerd, dat ik je een stoot geef en hals over kop in ’t water doe tuimelen.”

Daar Sancho wist, waartoe zijn heer in zijne drift in staat was, hield hij op met huilen, droogde zijne tranen en vertrok geen gezicht meer.

Intusschen dreef de boot in het midden van den stroom voort en streek, door den lichten golfslag voortgestuwd, met snelle vaart langs de oevers. Op eens ontdekte Don Quichot eenige groote drijvende watermolens, die in het midden van de rivier lagen, en pas had hij die in het oog gekregen, of hij riep driftig uit:

“Ziedaar, vriend! daar is de stad of de burgt, waar de benarde ridder op mij wacht, of eene gevangen jonkvrouw naar verlossing uit de dikke kerkerwanden hijgt.”

“Wat drommel, ziet ge daar weer, gestrenge heer?” riep Sancho Panza verdrietig. “Een toovenaar moet u opnieuw de oogen verblinden, want die dingen daar op het water zijn eenvoudig een paar molens, waarin koren wordt gemalen.”

“Zwijg, Sancho!” bulderde Don Quichot. “Al lijken het op het oog ook al molens, toch zijn ze dat niet, en ik weet zeer goed, hoe het daarmee gelegen is.”

Intusschen werd de boot door den stroom met snelheid op de molens aangedreven. De molenaars, die haar zagen aankomen en vreesden, dat zij tusschen de schepraderen mocht geraken, schoten ijlings in menigte toe en grepen naar lange stokken, om haar tegen te houden. Don Quichot zag hen, en daar zij er in hunne met meel bestoven werkpakken vrij wonderlijk uitzagen, meende hij dadelijk, hen voor tegen hem uitgezonden vijandige geesten en spookgedaanten te moeten houden.

“Stommerikken!” schreeuwden intusschen de molenaarsknechts; “waar wilt gij dan toch naar toe? Wilt ge hier met geweld verzuipen of door de molenraden verpletterd worden?”

“Ziet gij wel, Sancho,” sprak Don Quichot vol zelfvoldoening, “ziet gij wel, dat wij nu de plaats bereiken, waar als gewoonlijk de sterkte van mijn arm moet blijken? Zie, wat een menigte schelmen en spitsboeven op ons aankomen! Zie, wat leelijke bekken ze [151]trekken, die monsters, die spookgedrochten! Maar wacht, ik zal hen wel tot hun plicht brengen of anders van het aardrijk verdelgen.”

En zich in de boot hoog oprichtend, begon hij het molenaarsvolk met harde woorden te bedreigen.

“O gij vuig, ontaard en nietswaardig volk,” schreeuwde hij hun toe, “laat zonder verwijl de gevangenen vrij, die gij in uw ellendig kasteel houdt opgesloten, van wat stand, rang en geslacht ze dan ook zijn mogen. Weet, dat ik Don Quichot van La Mancha ben, de dolende leeuwenridder en de beschermer en ’t schild van alle ellendigen en onderdrukten.”

Met deze woorden trok hij zijn zwaard en schermde er wild mee in de lucht rond. De molenaars hoorden zijn geschreeuw wel, maar konden er geen woord van verstaan en hielden zich met hunne stokken gereed, om de boot tegen te houden, die reeds in de strooming geraakte, die met vreeselijke snelheid op de molenraden toeschoot.

Bij het zien van het gevaar wierp Sancho Panza zich vol angst op de knieën neer. Don Quichot daarentegen hieuw met zijn zwaard op de stokken der molenaars in en bewerkte daardoor, dat de boot, in plaats van tegengehouden te worden, omsloeg en alle twee, ridder en knecht, hals over kop in het water tuimelden. Nu kon Don Quichot wel zwemmen als een eend; doch al zijne bekwaamheid zou hem in zijn tegenwoordigen toestand en bij de zwaarte zijner wapenrusting niets gebaat hebben, indien de molenaars hem niet waren te hulp gesprongen. Zij haalden hem en Sancho uit het water en sleepten hen zoo nat als gewasschen poedels op het droge.

Onderwijl kwamen ook de visschers, wien de boot toebehoorde, toe en begonnen, toen zij deze door de molenraden verbrijzeld vonden, een leven als een oordeel te maken. Zij verlangden van Don Quichot, dat die haar betalen en hun alle schade vergoeden zou.

De nu anders een bitter droevig figuur makende, druipnatte ridder, die zijne koelbloedigheid geen oogenblik verloren had, zeide [152]met de grootste bedaardheid, dat hij met genoegen de boot betalen zou, mits men onverwijld de personen wilde in vrijheid stellen, welke men in het slot gevangen hield.

“Welke gevangenen en wat kasteel meent gij dan?” vroeg een van de molenaarsknechts. “Moeten wij u dan de menschen uitleveren, die ons hier koren te malen brengen, domme vent?”

Don Quichot stond eene poos als voor ’t hoofd geslagen. “Genoeg!” mompelde hij eindelijk in zijn baard. “Genoeg; ’t zou dwaasheid zijn, hier verstandige woorden te verspillen. Zooveel merk ik wel al, dat twee booze toovenaars elkaar hier moeten hebben tegengewerkt. De een zond mij de boot toe, de ander gooide haar omver. Daar viel niets tegen te doen, en ik moet mij wel onderwerpen.”

En zich naar de molens toekeerend, riep hij met luider stemme: “Arme menschen en ongelukkige vrienden, die daar in een donkeren kerker wegkwijnen moet, schrijft het aan mijn boos gesternte en aan kwaadwillige toovenaars toe, dat ik u niet kan helpen en redden. Een ander ridder moet komen en u bijstaan, daar ik tegen onzichtbare en bovenaardsche wezens niet vermag te kampen.”

Hierop keerde hij zich tot de visschers, betaalde hun vijftig realen voor de verongelukte boot en sprak tot Sancho: “Nog één tocht, als deze hier, mijn vriend, en we zullen van al ons reisgeld geen penning meer overhouden.”

De molenaars en de visschers hielden Don Quichot en zijn schildknaap voor niet wijs en gingen hoofdschuddend heen; doch onze beiden keerden met een bedrukt hart naar hunne dieren terug, bestegen die en reden weg van de rivier, die hun zooveel onheil had berokkend.

Sancho Panza, inwendig boos om dat onvrijwillig bad en nog veel meer boos, dat hij zooveel geld voor die ellendige boot had moeten betalen, besloot heimelijk, bij de eerste gelegenheid zijn heer te verlaten en tot zijne vrouw Teresa terug te keeren. Het noodlot beschikte dat echter anders en verhinderde hem, zich aan zulk eene snoode trouweloosheid schuldig te maken.

Den volgenden dag, juist toen onze beide helden uit een boschje [153]op een groene dalvlakte kwamen, ontdekte Don Quichot op een afstand eenige lieden, welke hij bij scherper toezien voor valkenjagers hield. Wat naderbij gekomen, onderscheidde hij midden onder hen eene schoone dame op een sneeuwwitten telganger met groen tuig en een met zilver beslagen vrouwenzadel. Die dame droeg een prachtig groen jachtkleed en hield op hare linkerhand een valk, waaruit Don Quichot opmaakte, dat zij eene hoogadellijke vrouwe en de gebiedster van heel dat jachtgevolg moest zijn, ’t geen dan ook werkelijk het geval was.

“Hoor, Sancho,” sprak hij, na het schitterend gezelschap een poosje te hebben opgenomen, “rijd heen naar de schoone dame op dat witte jachtros, breng haar mijn groet over en zeg haar, dat ik, Don Quichot van La Mancha, de leeuwenridder, haar de handen kus en vergunning vraag, om haar mijne eerbiedige opwachting te maken.”

“Die boodschap wil ik wel overbrengen,” zeide Sancho, zette zijn grauwtje de hakken in de zijden, draafde heen en was spoedig op de plaats, waar de schoone jageres met haar gevolg stilhield. Hier steeg hij af, boog zijne knie voor haar en sprak aldus:

“Wonderschoone en glansrijke Dona, de ridder, dien gij daar in de verte ziet, is mijn heer, de leeuwenridder Don Quichot van La Mancha, en ik ben zijn schildknaap, Sancho Panza met name. Gezegde leeuwenridder, die vroeger de Ridder van de Droevige Figuur heette, zendt mij tot u, om u vergunning te vragen, dat hij komen en u alle mogelijke onderdanigheid betoonen mag, hetwelk hij als eene bijzondere gunst en gratie zou beschouwen.”

De dame zag glimlachend op den knielenden schildknaap neer en antwoordde: “Gij hebt uwe boodschap uitmuntend overgebracht, en zoo uw heer werkelijk de wijdvermaarde dolende ridder Don Quichot is, van wiens ongehoorde daden ik al zooveel heb vernomen, dan zal hij mij en mijn gemaal op ons landgoed welkom zijn. Maar sta op! Het betaamt mij niet, een zoo dapperen schildknaap zoo lang aan mijne voeten te laten neerknielen.”

Door de minzaamheid en genade der hooge dame geheel verrukt, stond Sancho op, boog tot den grond en keerde hoogstvoldaan tot [154]zijnen heer terug, die de vriendelijke uitnoodiging met innig genoegen vernam. Hij zette zich eerst behoorlijk in den zadel terecht, trad vast in de stijgbeugels, schoof het vizier van zijn helm op, gaf Rocinante de sporen en zette het toen in galop, om der hertogin de genadige handen te kussen.

Deze had inmiddels haar gemaal laten roepen en dien de door Sancho Panza overgebrachte boodschap medegedeeld. De hertog lachte daar hartelijk over en, daar hij werkelijk reeds veel van den dwazen ridder gehoord had, zag hij dien met brandend verlangen te gemoet en verheugde zich op eene persoonlijke kennismaking, waarvan hij zich allerlei kluchten en grappen beloofde. Hij kwam met zijne gemalin overeen, dat zij zich geheel naar de luimen van den kluchtigen heer schikken, hem gedurende zijn verblijf in alles als dolend ridder behandelen en alle ceremonies in acht nemen zouden, waarvan in de oude ridderboeken te lezen staat.

Intusschen kwam Don Quichot met opgeslagen vizier nader, en zoodra hij eene beweging maakte, om van Rocinante te stijgen, kwam Sancho toe, om hem den stijgbeugel te houden. Ongelukkig echter raakte Sancho met den eenen voet in den strik van zijn pakzadel vast, tuimelde voorover en lag languit op den grond, zonder den gevangen voet uit den strik los te kunnen krijgen. Don Quichot, die alleen oogen voor de schoone dame had, werd van dit ongeluk volstrekt niets gewaar en, daar hij nooit afstapte, zonder zich door zijn schildknaap den beugel te laten houden, meende hij, dat Sancho nu ook reeds bij de hand was, om zich van zijn plicht te kwijten. Zonder toe te zien, beurde hij zich zijwaarts van het paard en tuimelde nu plotseling rammelend en kletterend naast Sancho op den grond neer.

De ridder schaamde zich geducht, dat hij juist op zulk een oogenblik en voor zulke toeschouwers te vallen was gekomen, en mompelde de vreeselijkste verwenschingen tegen den onschuldigen schildknaap, die nog altijd aan zijn in den strik gevangen been lag te trekken. De hertog gaf nu echter aan zijne jagers een wenk, den ridder en zijn dienaar te hulp te komen, en Don Quichot kwam dus weer overeind. Hij had een zwaren val gedaan; maar [155]toch kwam hij hinkend aan, om, zoo goed het maar gaan wou, den hertog en zijne gemalin te begroeten en zijne knie voor beiden te buigen. Dit liet de hertog echter niet toe, maar hij sprong zelf van het paard, omarmde Don Quichot en zeide tot hem:

“Het doet mij hartelijk leed, heer Ridder van de Droevige Figuur, dat uw eerste aankomst op mijn gebied van zulk een kleinen tegenspoed moest vergezeld gaan. Evenwel moet men zich troosten, daar de onhandigheid dier knapen zelfs nog wel eens grooter ongelukken veroorzaakt.”

“Doorluchtige vorst,” antwoordde Don Quichot op deze vriendelijke toespraak, “ik kan dit ongeluk niet meer als een ongeluk beschouwen, nu gij mij op zoo minzame wijze hebt weten te troosten. Schoon ’t is waar, die verwenschte schildknaap weet beter zijn tong los te laten en domme dingen uit te brengen, dan behoorlijk, zooals het betaamt, den stijgbeugel te houden. Maar in welken staat ik ook verkeeren mag, te paard of te voet, vallend of staand, zittend of liggend, overal en te allen tijde zal ik u ten dienst staan en uwer verhevene gemalin als toonbeeld van schoonheid en lieftalligheid mijne hulde in alle nederigheid toebrengen.”

“Stil, stil, heer ridder van La Mancha!” riep de hertog. “Wie de edele jonkvrouwe van Toboso tot gebiederes heeft, mag andere schoonheden en lieftalligheden niet zoo roemen.”

Gedurende dit gesprek had Sancho Panza zich eindelijk losgewrongen en trad haastig toe.

“Dat is waar,” zeide hij, “en ik kan bekrachtigen, dat mijne genadige jonkvrouw Dulcinea van Toboso eene ware schoonheid is; doch met dat al moet ik erkennen, dat mevrouw de hertogin voor haar in schoonheid en lieftalligheid volstrekt niet onderdoet.”

“Doorluchtige vrouw,” keerde Don Quichot zich tot de hertogin, “uwe hoogheid mag vrij gelooven, dat nu en nooit, zoolang de wereld staat, een dolend ridder een babbelzieker, praatachtiger en onbeschaamder rekel tot schildknaap gehad heeft, dan ik hier, zooals blijken zal, als uwe hoogheid zich ons gezelschap eenigen tijd laat welgevallen.”

“De goede Sancho moet werkelijk een oolijke guit zijn,” antwoordde [156]de hertogin, “en dat verblijdt mij, omdat ik er uit opmaak, dat hij geest en verstand heeft en niet tot de vervelende domkoppen behoort.”

“In allen gevalle zal hij een onthaal vinden, dat hem geen reden tot klagen geeft,” voegde de hertog er bij.

Inmiddels had Sancho zijn ezel weer bestegen, terwijl Don Quichot op Rocinante zich aan de zijde der hertogin hield en zich met haar in een leerzaam en onderhoudend gesprek verdiepte.

[Inhoud]

Hoofdstuk XIX.

Wat ridder en schildknaap op het slot al beleven.

Terwijl de hertogin zich met Don Quichot onderhield en soms over Sancho Panza’s kluchtige invallen lachte, reed de hertog in vollen ren vooruit, om aan al zijne dienaren voor te schrijven, op wat wijze de dolende ridder moest ontvangen worden. Toen deze dus met de hertogin voor de slotpoort aankwam, werd hij daar door twee rijk gekleede stalknechts opgewacht, die hem van het paard hielpen en hem in ’t oor fluisterden, dat hij niet verzuimen mocht, de hertogin bij het afstijgen behulpzaam te zijn.

Don Quichot trad op de hooge dame toe, die nochtans weigerde, andere hulp dan van haren gemaal aan te nemen. De hertog maakte aan dezen twist een einde door zelf te komen en zijne gemalin de hand te reiken.

Zoodra nu het gezelschap het binnenhof betrad, kwamen twee jonge hofdames te voorschijn, die den ridder een grooten scharlakenrooden mantel over de schouders wierpen. Op hetzelfde oogenblik vertoonden zich alle toegangen en portalen van het slot met dienaren opgevuld, die de bloem en den roem der dolende [157]ridderschap met een daverend Vivat! welkom heetten. Te gelijk goten zij een geurigen regen van welriekende wateren over Don Quichot, den hertog en de hertogin uit, waarover de eerste zich niet weinig verwonderde.

Nu trok men het slot zelf binnen, waar Don Quichot in eene zaal werd geleid, die met de kostbaarste tapijten van zijde en goudlaken belegd was. Hier werd hij door zes edelknapen van zijne zwaarste wapenstukken bevrijd en van kleederen voorzien, die hem op bevel des hertogs werden aangeboden. Vervolgens omgordde hij zich met een zwaard, wierp zijn scharlaken mantel om, zette eene groene zijden muts op en begaf zich in eene groote zaal, waar eene menigte staatsiedames hem met zilveren bekkens tot handenwassching wachtten. Terwijl hij dit deed, verscheen de hofmeester met twaalf edelknapen, om hem naar de tafel te geleiden, waar de hooge heerschappen hem reeds wachtten. Don Quichot werd in het midden genomen en in eene zaal geleid, waar allerprachtigst, schoon slechts voor vier personen, gedekt was. De hertog, de hertogin en een hooge geestelijke kwamen den gast te gemoet en verwelkomden hem. Onder duizend ceremonies en plichtplegingen werd hij naar de tafel geleid en moest, niettegenstaande zijn weigeren, de eerste plaats daaraan innemen. De geestelijke zette zich tegenover hem, terwijl gastheer en gastvrouw hem in hun midden namen.

Sancho Panza, die bij alles tegenwoordig was, stond versteld en verbaasd over al de eer, die hier zijn meester werd bewezen, en kwam nu tot het vaste besluit, om dien ook verder op zijne avontuurlijke tochten getrouwelijk te volgen.

Gedurende den maaltijd vroeg de hertogin met belangstelling, hoe de jongste berichten van jonkvrouwe Dulcinea van Toboso luidden en of de ridder haar in den laatsten tijd ook weer eenige reuzen of gevangen helden had toegezonden.

“Neen, genadige vrouw,” antwoordde Don Quichot; “mijn ongelukkig gesternte belette mij dat. Ik heb wel reuzen, ridders en roovers overwonnen,—maar hoe hadden die de volschoone jonkvrouwe kunnen vinden, nu zij door een afschuwelijken toovenaar in eene gemeene boerin veranderd werd?” [158]

“Ei, ik vind haar toch nog ’t bekoorlijkst schepsel, dat maar ergens te vinden is,” zeide Sancho Panza, zich voorbarig in het gesprek mengende, “en wat springen aangaat, is zij den besten koordedanser de baas. Zij wipt op haar muilezel, alsof die niet hooger dan een kat was.”

“Hebt gij haar ook in haar onbetooverden staat gezien?” vroeg de hertog.

“Natuurlijk,” antwoordde Sancho Panza. “Ik ben immers de man geweest, die hare betoovering het allereerst in den neus kreeg.”

Toen de geestelijke zooveel over roovers, reuzen en betooveringen hoorde spreken, kwam hij vanzelf op de gedachte, dat het Don Quichot van La Mancha moest zijn, met wien hij hier aan ééne tafel zat. Op zijne navraag vernemende, dat zijn vermoeden gegrond was, gaf hij zich veel moeite, om Don Quichot van zijne onzinnige inbeelding terug te brengen. Tegen verwachting werd hij door den ridder zoo duchtig afgezouten, dat hij doodstil zweeg en gedurende den ganschen maaltijd geen mond meer tot spreken opendeed.

Toen nu de tijd kwam, dat men van tafel opstaan zou, traden vier jonkvrouwen in het vertrek. De eene droeg een zilveren waschbekken, de andere een zilveren lampetkan, de derde twee handdoeken van het fijnste en witste linnen, en de vierde een groot stuk welriekende Italiaansche zeep. De jonge dame met het bekken trad vooruit en hield dat Don Quichot, alsof dat vanzelf sprak, onder den baard. De ridder vond dit wel wat vreemd, doch deed zulks niet blijken, maar stak zonder omstandigheden zijn baard in het water, in de meening, dat het daar ter plaatse zeker gebruik moest zijn, zich na den maaltijd in plaats van de handen het baardhaar te wasschen.

Thans kwam de dame met de zilveren kan, goot het water daaruit over ’s ridders baard uit en trad toen achteruit, om voor hare gezellin plaats te maken, wier blanke hand hem het gansche gezicht met zeep inwreef.

Don Quichot liet zich alles welgevallen en sloot zijne oogen, om daar niet van het bijtend zeepsop in te krijgen. De hertog en de [159]hertogin hielden zich doodbedaard en wachtten den afloop dier kluchtige waschpartij rustig af.

Toen nu de dame met de zeep Don Quichots rimpelige tronie met een vinger dikke laag schuim overdekt had, hield zij zich, alsof er geen water meer was, en verzocht hare vriendin met de kan, schielijk nog wat te halen, om den edelen ridder niet te lang daar zoo ingezeept te laten zitten.

De dame ging en Don Quichot bleef in de potsierlijkste positie, die men zich voorstellen kan, stijf en onbeweeglijk als een paal op zijn stoel zitten. Al de aanwezigen staarden hem aan, en nu zij hem daar zoo zagen met zijn langen, bruinen, mageren hals, met gesloten oogen en wit bepleisterd gezicht, moesten zij zich geweld aandoen, om niet in luid lachen uit te barsten.

Nadat de klucht lang genoeg geduurd had, kwam de jonge dame met de schenkkan terug, goot een stroom water over ’s ridders mager gezicht uit en waschte dat, tot het laatste spatje zeep was verdwenen. Daarop kwam de dame met de handdoeken aan de beurt, maakte eene eerbiedige buiging voor den natten held en droogde hem heel handig en sierlijk af. Toen dit verricht was, wilden alle vier de zaal verlaten; doch de hertog riep haar nog bij de deur terug.

Hij had zich met dat kluchtig tooneel, waarvan hij volstrekt niets geweten had, evengoed als al de anderen verlustigd, maar wilde niet, dat de ridder merken zou, dat men hem voor den gek had gehouden.

“Komt,” zeide hij tot de dames, “komt en wascht nu mij ook, maar zorgt, dat er niet weer gebrek aan water is.”

De ondeugende meisjes begrepen dadelijk, wat de hertog wou, en maakten dus geen zwarigheid, om aan zijn verlangen te voldoen. Zij naderden zeepten hem met de grootste handigheid in, wieschen hem, droogden hem af en behandelden hem in alles, gelijk zij den ridder gedaan hadden, behalve dat zij daar nu niet de helft van den tijd toe besteedden.

Sancho Panza had deze vreemde ceremonie met groote oogen aangezien. [160]

“Waarachtig,” mompelde hij, “’k wou, dat het hier te lande gebruik was, ook schildknapen den baard te wasschen, en nog liever had ik, dat men zijn baard meteen kon afgeschoren krijgen, want de mijne wordt al schrikbarend lang.”

“Wat mompelt gij daar, Sancho?” vroeg de hertogin, die merkte, dat hij iets op het hart had.

Sancho zeide het haar.

“Dan kunt gij geholpen worden,” antwoordde de spotachtige dame. “Mijne hofjuffers zullen u afzeepen en u des noods tot over de ooren in het zeepsop steken. Hofmeester, draag gij zorg, dat de schildknaap van onzen edelen gast naar zijn wensch bediend wordt.”

De huishofmeester boog zich en verliet met Sancho Panza het vertrek, terwijl Don Quichot nog met den hertog en de hertogin aan tafel bleef zitten en hen druk over het lief en leed der dolende ridderschap en over de schoonheid zijner doorluchtige dame Dulcinea van Toboso onderhield.

Nog waren zij levendig in gesprek, toen zij op eens luide stemmen en een groot geschreeuw in het paleis hoorden. Zij luisterden, en de hertog wilde reeds buiten gaan, om naar de oorzaak van dat rumoer te vernemen, toen op eens Sancho Panza in een wonderlijken toestand en zeer verschrikt kwam binnenstuiven. Hij had een ouden schuurlap als een servet voor en een talrijke troep keukenjongens en ander volk volgde hem op de hielen. Een van dezen droeg eene tobbe met vuil spoelwater en een ander had een groot stuk grove zeep. in de hand. Deze beiden wilden den ontstelden schildknaap te lijf en deden al hun best, om hem te wasschen en zijn baard in te zeepen.

“Wat moet dat beduiden, menschen?” vroeg de hertogin. “Wat hebt gij met dezen braven man voor? Weet gij niet, dat mijn gemaal voornemens is, hem tot de waardigheid van stadhouder te verheffen?”

“Mevrouw,” antwoordde de keukenjongen, “wij wilden den heer eenvoudig wasschen, gelijk hier te lande gebruik is en zooals hij zelf verlangd heeft.”

“Ja zeker heb ik!” riep Sancho Panza hevig vergramd; “maar [161]ik wil, dat dit met schoone doeken en niet met oude schuurlappen gebeurt. Wie mij met zulke instrumenten aankomt, heeft te wachten, dat ik hem den schedel insla.”

De hertogin vond Sancho Panza’s gramstorigheid en heel zijn uitzien zoo kluchtig, dat zij ’t wel van lachen uitschateren moest. De hertog daarentegen zette een zeer ernstig gezicht en hield zich, alsof hij die plagerij ten strengste afkeurde.

“Gij zijt schandelijk lomp en vlegelachtig geweest,” wendde hij zich tot den dartelen troep, “en ik vertrouw, dat zulke dingen niet weer zullen gebeuren. Neemt den heer Sancho die vodden af en maakt, dat gij wegkomt. Ik waarschuw u, dat gij den schildknaap van dezen dapperen dolenden ridder niet weder reden tot klachten en ontevredenheid geeft.”

De knapen meenden, dat hun meester ernstig boos was, ofschoon hij zich alleen zoo hield, om ridder en knecht in den waan te houden, dat hij hen werkelijk voor dolende helden aanzag. Zij namen den schildknaap de schuurlappen af en dropen stilletjes af, terwijl Sancho den hertog te voet viel en hem met een vloed van woorden voor zijne welwillende bescherming dankzeide.

Thans stond men van tafel op en Don Quichot verwijderde zich, om in zijn koel vertrek een korte middagrust te nemen. De hertog nam intusschen maatregelen, dat Don Quichot voortdurend als een echt dolend ridder behandeld werd, en stelde zich daar niet weinig pret en vroolijkheid van voor.

Weinig dagen later wenschte de hertog eene groote jachtpartij te houden, en nadat zijne dienaren van al, wat zij te doen zouden hebben, nauwkeurig onderricht waren, werden Don Quichot en zijn schildknaap van een geheel nieuwe jachtkleedij voorzien. Sancho trok die aan en was er zeer in zijn schik mee; maar Don Quichot weigerde zulks, zeggende, dat hij zichzelf in geen opzicht vertroetelen mocht en dus liever zijne zware wapenrusting wilde aanhouden. Hij reed op Rocinante en Sancho Panza in zijn nieuw pak op zijn ezel, niettegenstaande hem een paard uit des hertogs stallen was aangeboden. Dat hij van zijn geliefd grauwtje scheiden zou, was immers wat al te veel van hem gevergd. [162]

De jachthorens schalden en op hun roepstem verscheen de hertogin, als eene koningin uitgedost. Don Quichot reed aan hare zijde en hield uit pure ridderlijkheid den teugel van haar telganger vast, ofschoon de hertog dit niet toelaten wou, wat hem eene bijna al te groote beleefdheid en hoffelijkheid toescheen.

Na een korten rit kwamen zij aan eene tusschen bergen ingesloten woudstreek, die rondom door jagers was afgezet en waar de jacht zou gehouden worden. Deze begon met groot alarm, met geschreeuw en geklapper. De honden blaften en huilden, de horens klonken en ’t was een leven en een rumoer, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan. De hertogin steeg van haar paard en vatte, met eene korte jachtspies gewapend, post op eene plaats, waar gewoonlijk wilde zwijnen plachten uit te breken. De hertog en zijn gast volgden haar voorbeeld en dekten haar aan weerszijden. Sancho Panza bleef op eenigen afstand achter hen op zijn grauwtje zitten, dat hij uit vrees voor mogelijk gevaar niet durfde verlaten.

Nauwelijks hadden allen op die wijze hunne posten ingenomen, of zij zagen een zwijn aankomen, dat, door de honden opgejaagd, grimmig zijne slagtanden wette en de schuimvlokken uit zijn wijden muil liet vliegen. Zoodra Don Quichot het ontdekte, greep hij zijn schild vaster, tastte naar zijn zwaard en trad een weinig vooruit, om het getergde dier te ontvangen. Datzelfde deed de hertog, daar hij zijn jachtspies vaster omklemde, en de hertogin volgde hem moedig op den voet. Sancho alleen werd door schrik overmeesterd bij ’t zien van het geweldig everzwijn.

Vol angst liet hij zijn grauwtje in den steek, ging op den loop en deed zijn uiterste best, om een steeneik te beklimmen en zich tusschen de takken te bergen. Dat gelukte hem echter niet. Toen hij ongeveer de helft van de hoogte bereikt had en naar een tak greep, om nog hooger te komen, brak die tak tot zijn schrik rits af, en onze arme Sancho tuimelde met een luiden schreeuw naar beneden. Onder het vallen raakte hij met zijne kleeren aan een anderen tak vast en bleef, zonder dat hij den grond kon bereiken in de lucht hangen. Zijn jachtkleed scheurde en hij verkeerde in doodelijken angst, dat de ever hem pakken zou. Dus zette hij een [163]geduchte keel op en brulde zoo ontzettend, dat ieder die hem hoorde en niet zag, in de verbeelding moest komen, dat een of ander wild beest hem reeds in zijne klauwen had.

Onderwijl werd het wilde zwijn geveld, en Don Quichot keek naar zijn schildknaap om, ten einde hem zoo noodig te hulp te snellen. Hij kwam op zijn gehuil af en zag hem, met het hoofd naar beneden, de beenen in de lucht, aan den stam van den eik spartelen, terwijl onder hem, aan den voet des booms, de ezel stond, die zijn meester, naar ’t scheen, in de ure van nood niet verlaten wilde.

Terstond snelde Don Quichot toe en hielp den luchtspringer weer op de been. Bij het zien van zijn gescheurd kleed wrong de schildknaap de handen, huilde bittere tranen en wilde van de troostwoorden, welke zijn heer hem toesprak, volstrekt niets hooren.

Intusschen werd het gedoode everzwijn op een pakezel geladen en in een groote jachttent gebracht, die midden in het bosch opgeslagen en waar men met de toebereiding van een kostelijken maaltijd bezig was. Men ging aan tafel en hield tot het vallen van den avond vroolijk feest.

Toen de sterren aan den hemel stonden, verlieten allen de tent en trokken het bosch in, om naar de netten te zien, waarin het wild gevangen werd gehouden. De nacht was donker en alleen de sterren gaven een zwak en onzeker licht.

Op eens scheen het gansche bosch aan alle kanten in lichtelaaie vlam te staan en te gelijk schetterden rondom tallooze horens en trompetten, alsof een geheel leger ruiterij door het woud trok.

De glans van het vuur, verblindde de oogen en het schallend geluid der blaasinstrumenten verdoofde de ooren der omstanders, en allen schrikten, toen zich onder al dat rumoer nu ook een gillend krijgsgeschrei mengde alsof twee vijandelijke legers tegen elkaar oprukten. De trompetten schetterden, de klarinetten krijschten, de trommen roffelden, de pauken donderden, de fluiten gilden, en dat alles gelijktijdig en met zoo doordringend geweld en zoo aanhoudend, dat men wel op staanden voet met doofheid had willen geslagen zijn. [164]

De hertog scheen ten hoogste verbaasd, de hertogin schrikte, Don Quichot verwonderde zich en Sancho had wel van angst in den grond willen zinken.

Op eens echter verstomde dat schrikbarend leven, eene diepe stilte volgde, en te gelijk naderde een ruiter in de dracht van den baardigen Satan, die, in plaats van op een trompet, op een grooten, vreemd gevormden Tritonshoren blies en daar akelig gillende, snerpende tonen uit te voorschijn bracht.

“Wie zijt gij, vriend?” vroeg de hertog den ruiter. “Waar wilt gij naar toe, en welke legerbenden zijn het, die daar door het bosch trekken?”

“Ik ben de Duivel en zoek den dolenden ridder Don Quichot van La Mancha,” antwoordde de ruiter met een stem, die allen omstanders door merg en been ging. “Het leger, dat daar in aantocht is, bestaat uit zes scharen beroemde toovenaars, die op een triomfkar de onvergelijkelijk schoone Dulcinea van Toboso medevoeren. Zij nadert betooverd onder geleide van den grijsaard uit de grot van Montesinos, die den edelen Don Quichot de wijze zal mededeelen, waarop hij de hooge prinses Dulcinea onttooveren kan.”

“En al zijt gij tienmaal de Duivel, gelijk uw uitzien verraadt, zoo vrees ik u toch niet,” riep onze dolende ridder. “Zie op en zie in den man, die hier staat, den onverschrokken Don Quichot van La Mancha voor u.”

“Welaan, als gij zelf de persoon zijt, dien gij noemt, antwoordde de Duivel, “wacht dan hier de aankomst af van den grijzen Montesinos en van de dame, welke men Dulcinea van Toboso noemt.”

Met deze woorden blies hij op zijn reusachtigen horen, wierp zijn paard om en stoof, zonder des ridders antwoord af te wachten, in vliegenden galop voort.

Allen verwonderden zich over deze boodschap, maar vooral Don Quichot, wien zij dan ook het meest aanging.

“Denkt gij de toovenaars, Montesinos en Dulcinea hier werkelijk af te wachten?” vroeg de hertog den held, die in diepe gedachten stond.

“Stellig!” verklaarde Don Quichot met vaste stem. “Onversaagd [165]en onverschrokken wil ik hier wachten, al mocht ook de gansche hel met al hare duivels tegen mij in aantocht zijn.”

“En ik wil bij u blijven, heer”, zeide Sancho Panza, terwijl hij, als bescherming zoekend, zich dicht aan hem drong.

Onderwijl was het weer donker geworden en begonnen tallooze lichtjes zich door het bosch te bewegen. Zij flikkerden hier en schemerden daar: men had ze voor groote huppelende dwaallichtjes kunnen houden. Toen echter volgde een gerucht en geraas, dat hooren en zien deed vergaan, en te gelijk scheen dieper in het bosch een hevig gevecht te beginnen. Van alle kanten dreunde het dof gedonder van zwaar geschut en het onophoudelijk knetteren van duizend en nog eens duizend musketten en geweren. Van dichtbij en uit de verte klonk het geschreeuw der strijdenden, de luide toeroep der aanvoerders, het gekerm en gekreun der gewonden en stervenden.

De trompetten, de horens, de fluiten, de trommen mengden zich daartusschen en veroorzaakten in verband met het kraken en knetteren van grof geschut en klein geweer een zoo schrikbarend en alle zinnen verbijsterend spektakel, dat Don Quichot al zijn vaak beproefden moed bijeenrapen moest, om niet het veld te ruimen. De arme Sancho was tegen al die verschrikkingen niet opgewassen. Half zinneloos van angst en schrik viel hij op den grond en begroef zijn gezicht in de wijde plooien van het kleed der hertogin, die terstond beval, dat men hem opnemen en een koud-waterbad zou toedienen. Dit gebeurde, en toen de schildknaap weer tot bezinning kwam, was reeds eene kar genaderd, welker knarsende wielen een scherp piepend, krijschend en gierend geluid voortbrachten, dat alle gehoorvliezen verscheuren moest. Vier goed gemeste, plompe stieren, met zwarte kleeden behangen, trokken haar. Aan hunne horens waren dikke, brandende harsfakkels vastgebonden, en op de kar zelve was een hooge zetel aangebracht, waarop een grijsaard van eerbiedwekkend voorkomen troonde, van wiens kin een lange, sneeuwwitte baard in dichte lokken tot over den gordel neergolfde. Een wijde mantel van zwarte stof omkleedde zijne forsche ledematen, en twee kleine duiveltjes, zoo verfoeilijk leelijk, dat Sancho Panza [166]er voor wegkroop, begeleidden hem en waren nagenoeg evenzoo gekleed als hij zelf. Toen die kar tegenover Don Quichot stilhield, rees de daarin zittende grijsaard van zijne kussens overeind en riep met luider stemme: “Ik ben de wijze Lirgandeo!”

Hierop reed die eerste kar door en een ander grijsaard volgde, die bekend maakte, dat hij de wijze Alquife was.

Toen verscheen een derde kar, waarin een vierkante, pootige kerel met een bruin, verweerd en brutaal gezicht was gezeten, die, evenals de vorigen, onder ’t voorbijrijden opstond en met rauwe, schorre en heesche stem uitschreeuwde, dat hij was de wijdbefaamde toovenaar Arcalaüs, de doodvijand van Amadis van Gallië.

Op korten afstand van ons gezelschap hielden de drie karren stil; ’t merg en been verscheurend piepen en gillen hield op en, in plaats daarvan, lieten zich de smeltende tonen eener uitermate liefelijke muziek hooren, wat Sancho Panza al dadelijk voor een gunstig voorteeken hield. Een weinig moed krijgende, richtte hij zich op en zeide tot de hertogin:

“Waar ze zulke deuntjes spelen, kan geen gevaar wezen, hoogedele doorluchtige mevrouwe!”

“En ook niet, waar zooveel licht en helderheid is,” gaf de hertogin hem glimlachend tot bescheid.

De muziek klonk nader en nader, en Don Quichot zag nu een kar aankomen, die van buiten geheel den vorm van een Romeinsche triomfkar had. Zij werd getrokken door zes grauwe muildieren, die met sneeuwwitte dekken van het fijnste lijnwaad behangen waren. Op elk dier zat eene in het wit gekleede gestalte met een fakkel in de hand; doch op een troon op de kar zelve vertoonde zich eene dame, in een langen golvenden sluier van zilverstof gehuld, waarop een tallooze menigte gouden sterretjes flonkerden. Het gelaat der dame was ook wel door een sluier bedekt, maar deze was zoo fijn en doorzichtig, dat men door de plooien heen een zeer schoon jonkvrouwelijk gelaat kon ontdekken.

Naast de dame vertoonde zich eene gestalte in een mantel, die haar van ’t hoofd tot de voeten reikte, terwijl een zwarte sluier haar gelaat aan het oog onttrok. [167]

Langzaam kwam die kar op Don Quichot en het verdere gezelschap toe, dat haar met nieuwsgierigheid en de uiterste spanning opwachtte. Tegenover onzen held hield zij stil; de muziek verstomde en de mannelijke gedaante richtte zich langzaam op. Den zwarten sluier opslaande, liet zij een ontvleesden schedel met ledige oogholten zien, zoodat men den dood in eigen persoon meende te aanschouwen.

Don Quichot schrikte, Sancho werd doodsbleek en zelfs de hertog en de hertogin staarden met angst en ontzetting de vreemde huiveringwekkende gedaante aan, die nu met holle, gesmoorde stem de woorden liet hooren:

“Ik ben Montesinos en kom in het gevolg der aanminnigheid en schoonheid, om den edelen ridder Don Quichot te verkondigen, dat zijne hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso kan onttooverd worden, indien Sancho Panza, zijn schildknaap, zichzelf drie duizend en drie honderd slagen op zijn breeden rug toetelt. En dan moeten die slagen zóó zijn, dat zij wezenlijk pijn, builen en striemen veroorzaken.”

“Lieve hemeltje, dan zou de heele historie op mijn armen rug neerkomen!” riep Sancho Panza. “Niet drie duizend slagen wil ik mijzelf geven, niet drie honderd, niet eens drie! Wat heeft mijn rug met de betooverde Dulcinea uitstaande? Loop heen! Als meester Montesinos er geen ander middeltje op weet uit te vinden, dan moet de schoone jonkvrouw vooreerst nog maar wat betooverd blijven.”

“Hoor me zoo’n ondankbaren schelm en deugniet eens!” riep Don Quichot verontwaardigd. “Wacht, man! ik wil je naakt aan een boom binden, en daar zult ge niet drie duizend drie honderd, maar zes duizend zes honderd zoo wichtige en klappende slagen toegeteld krijgen, dat men ze drie duizend en drie honderd buksschoten ver hooren kan. Zwijg stil, zeg ik, of ik ruk je dadelijk de zwarte ziel uit het lijf.”

“Bedaar, edele ridder!” sprak Montesinos met holle stem. “De slagen, die de wakkere Sancho Panza doorstaan moet, mogen niet opgedrongen worden, maar hij moet ze zich zelf geheel vrijwillig toebrengen, en hij heeft vrijheid, om ze op verschillende tijden [168]geheel naar eigen goeddunken door te staan. Mocht het zijne verkiezing wezen, ze van eene vreemde hand te ontvangen, dan zal het getal tot op de helft verminderd worden, ofschoon onder voorwaarde, dat de zweep door eene niet te zwakke vuist worde gevoerd.”

“Dat alles is goed en wel,” riep Sancho, “maar ik laat mij noch door mijn eigen noch door vreemde vuist afrossen, en wil mijn heer zijne Dulcinea onttooverd hebben, laat hem haar dan zelf onttooveren en zijne magere schouders zoo bont en blauw slaan, als hij maar verkiest. Ik voor mijn part zal zoo gek niet wezen, om tegen mijn eigen vleesch te woeden.”

Op dit woord rees nu eensklaps de vrouwelijke gedaante, die naast Montesinos zat, overeind, sloeg haar doorzichtigen sluier op en zag den weerspannigen schildknaap met een van verontwaardiging vlammenden blik aan.

“Nietswaardige,” riep zij; “man, met uw steenen hart en ziel van graniet, wat groote dingen verlangt men dan van u, dat gij u verstout, op zulk een toon te spreken? Indien u bevolen werd, van een hoogen toren te springen, of gesmolten lood door te slikken en met bloote voeten een half uur ver over gloeiende ijzeren platen te gaan, dan zou ik niets zeggen, zoo gij dat weigerdet; maar om een paar ellendige zweepslagen zoo’n leven te maken, dat noem ik boosaardig en slecht. Roert u dan mijne bloeiende jeugd en mijne betooverde schoonheid niet? Moet ik altijd en eeuwig als een gemeene boerendeerne omdolen, terwijl ik toch de schoonste prinses op aarde ben? Schaam u, flauwe lafaard! Schaam u en laat mij niet van hier weggaan zonder den troost, dat gij u tot mijne onttoovering aan eene lichte boete wilt onderwerpen. En zoo mijn beden en tranen u niet vermurwen, laat u dan bewegen door de ellendigheid van uwen heer, die van verdriet en hartzeer zal wegkwijnen, zoo gij niet tot een besluit komt, den schildknaap eens zoo beroemden helds waardig.”

“Neen, zoo gek ben ik niet,” bromde Sancho. “Om een ander wil ik mijn eigen vleesch niet mishandelen.”

“Vriend Sancho,” sprak nu de hertog, die door het lijden der schoone dame en het ongeluk van den ridder ten diepste geroerd [169]scheen, “vriend Sancho, ’t is wel waar, dat ik u een stadhouderschap beloofd heb, maar ik moet u nu ronduit en stellig verklaren, dat daar niets van komen kan, als gij u zoo halsstarrig en onhandelbaar betoont. Wat zouden mijne onderdanen op het eiland, dat voor u bestemd was, denken, als ik hun zulk een gruwzamen en hardvochtigen tiran op den hals zond? Neen, neen, Sancho! Gij moet of uit liefde tot uwen heer u die slagen getroosten, of ge zult het uw leven lang niet tot stadhouder brengen.”

“Ei, ei, niet zoo haastig, doorluchtige heer!” antwoordde Sancho op vrij wat onderdaniger toon; “men dient zich op zoo’n ding toch wel eens te beslapen. Gun mij twee dagen tijd en dan wil ik u nader bescheid geven.”

“Dat gaat niet aan!” sprak Montesinos met akelig holle stem. “Hier op staanden voet en binnen vijf minuten moet alles beslist zijn. Ja of neen—wat zegt gij?”

“Zeg ja, beste Sancho!” fluisterde de hertogin den schildknaap toe, die besluiteloos stond, als een ezel tusschen twee bossen hooi. “Zeg ja, en toon u daardoor dankbaar voor al de goedheid en liefde, die uw dappere heer u tot hiertoe betoond heeft. Zeg ja, en wees niet bang voor zoo’n beetje pijn.”

“Nu, welaan dan,” zei Sancho eindelijk; “daar gij allen mij zoo dringt, wil ik die vracht van drie duizend drie honderd in ’s hemels naam maar op mij nemen. Doch ’t is onder voorwaarde, dat ik ze mijzelf toetellen mag, wanneer en zoo veel of zoo weinig, als mij op een keer goeddunkt. Daartegenover beloof ik, dat ik mijn best zal doen om zoo gauw mogelijk schoone lei te krijgen en jonkvrouwe Dulcinea van hare betoovering te verlossen.”

“Dat is voldoende,” riep Montesinos.

En zoodra hij dat woord over de lippen had, nam de liefelijke muziek van fluiten, harpen en horens weer een aanvang, terwijl Don Quichot, verrukt over zijne opoffering, zijn trouwen schildknaap om den hals viel en hem onder heete tranen op voorhoofd en wangen kuste. De hertog, de hertogin en alle verdere tegenwoordigen gaven insgelijks hunne voldoening en tevredenheid te kennen, en toen de kar zich weer in beweging stelde, boog [170]Dulcinea eerbiedig het hoofd voor de hertogin en wierp Sancho Panza een allerliefst kushandje toe.

Sancho zelf voelde zich een oogenblik volkomen gelukkig, doch had twee minuten later al weer bitter berouw, dat hij zoo gek geweest was, dat zware pak van drie duizend drie honderd slagen op zich te nemen.

Onderwijl begon het in het oosten te schemeren, en allen keerden naar het slot terug, om na de vermoeienissen der jacht en na al die spannende ontmoetingen een verkwikkenden slaap te genieten. De hertog en de hertogin waren meer dan ooit in hun voornemen versterkt, om met Don Quichot en zijn schildknaap nog allerlei kluchten en dwaasheden te vertoonen, en stelden zich daar onbegrijpelijk veel pret en genoegen van voor.

Tot opheldering van het pas beschreven avontuur hebben wij alleen maar te zeggen, dat de geheele comedie volgens de beschikking van den hertog zoo was opgevoerd. Montesinos was de hofmeester van het slot, Dulcinea een knappe jonge page geweest, terwijl de verschillende talrijke dienaren des hertogs als toovenaars en duivels hadden moeten optreden.

[Inhoud]

Hoofdstuk XX.

Het avontuur met het houten paard.

Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan den schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was, antwoordde Sancho toestemmend. [171]

“En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?” vroeg zij verder.

“Wel, hier met mijn hand,” antwoordde hij.

“Ei,” sprak de hertogin, “dan zijn de slagen zeker wat heel zacht uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing van eene zoo uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden.”

“Nu, als ’t knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe, zooals ’t hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, als ’t niet te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven—schoon ’k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch even gevoelig als ’t vel van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn plan niet.”

“Goed, goed!” zei de dame lachend; “ge zult morgen eene roe hebben, die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg zal havenen.”

Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden.

Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over beroemde ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen, gillende toon van eene fluit en het dof gerommel van eene oude trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot werd zoo onrustig, dat hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te weten, welk nieuw avontuur hier voor hem aanstaande was. Sancho zat, als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij de hertogin hield en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed zou zijn weggekropen.

Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere eind van den tuin twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat zij ruischend op den grond nasleepten. [172]Die mannen sloegen op trommen, die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde stapte een pijper, en dicht achter hen volgde een reusachtig lang man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter breedte van wel ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend groot zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange, sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen neer. Zijne reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten allen in de grootste verbazing.

Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich aan diens voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, indien hij niet dadelijk weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op en vertoonde zijn gezicht, dat met den diksten, langsten en witsten baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd.

“Doorluchtigste heer en hooge gebieder,” begon hij met eene stem, die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit zijne breede borst kwam, “mijn naam is Trifaldin met den witten baard, en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met anderen naam ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik, om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, en om te vernemen, of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder Don Quichot van La Mancha ophoudt, om wiens wille mijne meesteres uit haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort van dit slot en verlangt slechts uwe vergunning, om binnen te komen en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen.”

“Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard,” antwoordde de hertog, “wij kennen sinds lang al het ongeluk van uwe meesteres, de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijen [173]van snoode toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden ridder van La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig alle bescherming en bijstand mag hopen.”

Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde zich met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten tijd daarna verschenen twaalf in ’t zwart gekleede dames in den tuin en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging de gravin Trifaldi aan den arm haars stalmeesters. Een zwart kleed golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den sleep nadroegen.

In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging, om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke dan fijne vrouwenstem de volgende woorden:

“Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld noodig heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder hier is en zijn getrouwen schildknaap Sancho Panza bij zich heeft.”

“Hier is Sancho Panza,” riep deze, nu weer moedig voor den dag springend, “en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert, betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid, ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen.”

Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide:

“Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier Don Quichot van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl de geschiedenis van uw ongeluk vernemen.”

De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; doch [174]hij liet dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar leed mee te deelen.

Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar zelve met al hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare gladde blanke gezichten met ruige borstels te bedekken.

Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen begroeid waren, dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog en de hertogin zich verschrikt afwendden.

“Zie, heer ridder,” sprak gravin Trifaldi, “zóó heeft die kwaadaardige booswicht Malambruno ons toegetakeld. ’t Was ons allen veel liever geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik u zeggen, dat niemand buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van uwe dapperheid gevonden wordt.”

“Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken,” antwoordde Don Quichot. “Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen zullen oogenblikkelijk vervuld worden!”

“Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat,” sprak de gravin, “is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend mijlen van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel, moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik te maken, die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, waarop de dappere Pierres de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk, die voor op den kop en ten volle de diensten van een teugel doet, en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht, alsof de duivel zelf het medevoerde. Dit paard is, volgens echte oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten Merlin, vervaardigd, die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl ieder vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste en beste dier van de wereld. In [175]een ommezien brengt het zijn berijder in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel, dat het noch eet, noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers afslijt. Voor ’t overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang, dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. Dit was de reden, waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed.”

“Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat,” zei Sancho, “heb ik zelf een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de wereld opneemt. Zijn eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen.”

Allen lachten over Sancho Panza’s dwaze aanmerking, en de gravin ging voort:

“Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het zich op mijn wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden.”

“Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?” vroeg Sancho.

“Niet meer dan twee,” antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne Trifaldi geheeten: “Één in den zadel en de ander achterop.”

“Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft,” vroeg Sancho Panza. “Weet gij mij dat ook te zeggen?”

“Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of Orelia, maar ’t is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid door geen schepsel ter wereld wordt overtroffen.”

“Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed,” verklaarde Sancho. “Maar waar is de toom of halster, waardoor ’t geregeerd wordt?”

“Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is,” antwoordde de gravin Trifaldi. “Al naarmate de ridder, die het berijdt, die kruk draait, gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer, houdt rechts of links, of rechtuit.” [176]

“Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en ’k ben verlangend, het eens te zien,” zei Sancho. “Als men zich evenwel verbeeldt, dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me wat moois wezen! Ik, die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed gevuld en zoo week als een kussen is, zou op de harde houten bonken van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat ik weet, of het ooit weer op aarde te land zal komen! Neen, neen, voor zoo’n reisje bedank ik!”

“Weest gerust, mijne heeren en dames!” zeide Don Quichot, die elk woord van zijn schildknaap verstaan had. “Ik vertrouw zeker, dat Sancho mij in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig, ik zou hem den kop van den romp houwen, voordat hij drie kon tellen.”

“Geduld, edele ridder, nog korten tijd,” zeide de gravin Trifaldi. “Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner dames zullen spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige erkentelijkheid verschuldigd zijn.”

Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig ongeduld en wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde, met groen klimop in plaats van met kleederen bedekte mannen in den tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij zetten dat in de nabijheid van den ridder behoedzaam op den grond, en een hunner sprak met machtige stem: “Wie moed voelt, die bestijge den Gevleugelden Krukhout.”

“Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen,” verklaarde Sancho op stelligen toon.

“Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt,” ging de met klimop bekleede man voort, “een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan moet deze achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder vrees zijn, want hem zal in het minst geen kwaad overkomen. De ridder heeft niets te doen, dan aan de kruk te [177]draaien, die aan den hals van het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats worden gedragen, waar Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make, moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. Dit is het teeken, dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt.”

Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter keerde zich met tranen in de oogen tot den ridder en sprak:

“Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij met uw schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt.”

“Dat zal geschieden, edele vrouwe,” antwoordde Don Quichot, “dat zal geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, om uw wreker te worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen.”

“Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer,” zeide Sancho Panza. “Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik mij niet in zulk een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of als ik meega, wil ik de reis op mijn eigen grauwtje doen.”

“Sancho Panza,” sprak hierop de hertog op bestraffende toon, “zoo gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken dan niet, dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap betaamt, dan zal het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij verzekerd wezen van mijne voortdurende gunst en goedwilligheid. Twijfel niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat ik zeg ernstig gemeend is.”

“Goed, goed, doorluchtige heer,” zeide Sancho, op wien het beloofde stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. “Ik ben een arme schildknaap en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen, [178]laat mij een doek voor de oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel en de hertogin aanroepen en hun krachtigen bijstand vragen mag.”

“Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho,” sprak Trifaldin, de stalmeester. “’t Is niet aan de tooverkracht des duivels en der helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar ’t is eene eerlijke en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten niets inbrengen kunnen.”

“Nu welaan, dan ben ik bereid,” zeide Sancho, niet zonder eene zachte trilling in zijne stem.

“Waarlijk,” sprak Don Quichot, “ik kan mij niet herinneren, mijn schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de molens, ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een slecht voorteeken houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”

Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide handen en sprak:

“Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. Daarom wensch ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek nog een vijfhonderd of duizend slagen van de drie duizend en drie honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea van Toboso noodig zijn. Wat gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend, want uitstel leidt tot afstel en uw woord houden moet gij toch.”

“Zoo waar ik leef, heer, ’t is een onverstandig ding, dat gij daar van mij vergt,” antwoordde Sancho. “Hoe kunt gij verlangen, dat ik mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder hoog noodig zal hebben! Waarachtig, ’t is, alsof ge niet goed bij uw hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees dan verzekerd, dat ik mijn uiterste best zal doen, om den tijd der betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlug [179]en handig van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate tevreden zult wezen.”

“Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen,” antwoordde Don Quichot. Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd, dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek.”

Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen worden.

“Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho,” zeide Don Quichot. “Wij moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt.”

“Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst,” sprak de schildknaap, “Als ik achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, en dus heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt.”

Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien voor de oogen te binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den houten rug van het tooverpaard getild. Toen hij vast zat, onderzocht hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk liet omdraaien en bewegen. Daar de ridder geen stijgbeugels had, hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van de figuur, welke men wel soms op oude behangsels ziet en die een Romeinschen triumphator moet voorstellen.

Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het paard zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij den hertog bad, hem toch een sprei of kussen te doen brengen, daar hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De gravin Trifaldi antwoordde, dat aan dit verzoek op geene wijze kon voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de minste bedekking kon verdragen. Om meer gemak te hebben, moest hij dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige verlichting zou aanbrengen. [180]

Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte hij dien echter nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de achterblijvenden, dat zij toch om hem zouden denken en zijn grauwtje goed verzorgen.

“Lafhartige kerel!” riep Don Quichot hem hierop toe, “staat gij dan al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de menschen hier met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter niet van gevaar, zoolang gij u in mijne tegenwoordigheid bevindt.”

Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor, en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep hij naar de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op ’tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne stemmen en riepen hem na:

“God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door de lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van ’t gezicht! Houd u vast, Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt in duizend stukken op den grond komen.”

Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer sloeg.

“Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer,” vroeg hij, “dat wij alles verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon wij nu toch al zoo hoog in de lucht vliegen? ’t Is net, alsof ze nog dicht om ons toe stonden.”

“Breek daar uw hoofd niet mee,” antwoordde de ridder. “Daar deze luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen ligt, zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of ge zult mij nog van het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig maakt, daar ik zeggen moet, nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. ’t Is waarlijk, of we heel niet van de plaats kwamen. [181]Onderdruk uwe vrees dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind is ons gunstig en blaast ons frisch in den rug.”

“Ja, dat is zoo,” erkende Sancho; “ik voel zoo’n koelte in mijn zij, alsof ’k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg.”

Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren ’t een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht in overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers in hun waan te versterken.

Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene poos het woord weer en zeide tegen Sancho: “wij moeten nu spoedig de tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als vurige slangen heen en weer schieten, en eindelijk, als wij al hooger en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. ’t Is leelijk, dat ik niet weet, hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van dat gebied te houden, dat wij niet verbranden.”

Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen vlas, die, aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even gemakkelijk waren uit te dooven.

“Ik laat mij villen,” zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam bespeurde, “als wij niet al midden in dat vuurgebied of er althans heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en ’t zou wel goed wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, om te zien, op wat hoogte we eigenlijk zijn.”

“Doe dat vooral niet!” waarschuwde Don Quichot. “Denk aan de historie, die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. De duivels voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij, zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren kwam hij naar Rome en werd in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering, en was den volgenden morgen al weer in Madrid, waar hij alles vertelde, wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels hem bevolen, de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de maan geweest, [182]dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan wel zoo hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen, als een valk op zijn prooi. In allen gevalle is Krukhouts vlucht van verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den tuin weg zijn, kunt gij er staat op maken, dat wij reeds honderden mijlen achter den rug hebben.”

“Hoe het daarmee is, weet ik niet,” bromde Sancho Panza; “maar wel weet ik, dat jonkvrouw Magalona, als ze ’t hier op mijne plaats kon uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest.”

Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig mee. Om echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig aangelegde avontuur met een luisterrijk slot te kronen, werd thans aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte nu de gansche buik van het holle paard met schrikbarend geknetter en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half verzengd en geheel bedwelmd en verbijsterd op den grond tuimelen. Van dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters, de twaalf dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof zij ook in onmacht lagen.

Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, keken zij vol bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij waren opgestegen, en hunne verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond zagen liggen. Eindelijk zag Don Quichot aan het eind van den tuin eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een groot blad wit perkament hing. Hij ging [183]daarop toe en ontdekte op het perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud:

“De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi bestaan alleen reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno is dood, en de heerschappij over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra de schildknaap Sancho Panza zijne zelfkastijding volbracht heeft, zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen en in de armen van haren dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars.”

Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, en zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. Evenwel herstelde hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en de hertogin toe, die schijnbaar nog altijd in diepe onmacht op een groen grasperk lagen uitgestrekt.

“Op, op, doorluchtige heer!” riep hij, de rechterhand des hertogs grijpend en duchtig schuddend. “Op, heer, en wees goedsmoeds! Het avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben, gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans met eigen oogen zien kunt.”

De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin en de overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half gesloten oogen las de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel toen Don Quichot om den hals, hem met gelukwenschingen overstelpend en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was, dien het aardrijk nog ooit had gedragen.

Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg, en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar verdwenen was op ’t zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaard [184]kwam aansuizen en brandend op de aarde was neergevallen.

De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo was overgekomen.

“Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw,” antwoordde Sancho. “Toen ik voelde, dat wij door de vuurstreek vlogen, vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken; maar die verbood mij dat. Daar ik evenwel zoo erg nieuwsgierig was, lichtte ik den doek toch zoo’n beetje op en keek door de opening bij mijn neus langs naar de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de bliksemstralen ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op omkrabbelden, leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt gij opmaken, tot wat hoogte wij ’t al gebracht hadden.”

“Maar, vriend Sancho,” zei de hertogin met een ernstig gezicht, schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, “als de aarde u maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo groot als een walnoot, dan moest immers één mensch de geheele aarde bedekt hebben?”

“Dat zou men wel haast zoo zeggen,” antwoordde Sancho; “maar toch stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal.”

“Sancho, dat is niet mogelijk,” verklaarde de hertogin. “Als men maar een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien.”

“Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet redetwisten,” antwoordde de schildknaap; “maar bij dit alles moet gij toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in ’t spel kwam, dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en dat ik door tooverij de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij evenwel dit niet gelooft, dan gelooft gij misschien ook niet, wat mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de oogen opsloeg, streken wij al zoo dicht bij den hemel langs, dat ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot, als men hem zoo van nabij ziet. Verder wou ’t geval, dat wij in de buurt van het zevengesternte [185]kwamen, en daar ik in mijne jeugd geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven geitjes toe te spreken. ’t Hing er maar van af, of ik kans zou zien, om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om, zonder dat mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al dien tusschentijd een poot verzet had.”

“Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u den tijd gekort?” vroeg de hertog.

“Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben, niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek geen oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel bemerkte ik, dat wij de streek der winden door en nabij de streek des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking nemende, dat wij niet zonder tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn, konden komen, moet ik zelfs denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf, wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft.”

“Daar kan men licht de proef van nemen,” zeide Sancho Panza met onverzettelijke onbeschaamdheid. “Men heeft mij maar te vragen, hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden, maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit.”

“Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig,” zeide de hertogin.

“Goed,” antwoordde Sancho. “Twee er van zijn groen, twee rozerood, twee hemelsblauw en een is bontgevlekt.”

“Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn,” zeide de hertogin. “Bij ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans ze nooit in die kleuren gezien.”

“Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid bestaat,” meende Sancho. [186]

“Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok gezien?” vroeg de hertogin.

“Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan vast te raken.”

Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan had hij het hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt stadhouderschap moest aanvaarden.

[Inhoud]

Hoofdstuk XXI.

Sancho Panza op het eiland Barataria.

Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij op een dag, korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart, Sancho Panza roepen en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om zijne waardigheid als stadhouder te aanvaarden, daar zijne aanstaande onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den Meiregen.

Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte, en zeide: “Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg en daar de aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. Indien uwe hoogheid mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zou [187]ik dat liever nemen, dan het grootste eiland van den aardbodem.”

“Vriend Sancho,” antwoordde de hertog, “gij weet wel, dat ik zoo hoog in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar dus ook geen stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven: een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai en volmaakt eiland, waar gij overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken.”

“Nu, komaan,” sprak Sancho, “om uwe doorluchtigheid pleizier te doen, wil ik dan zoo’n stadhouder worden; ’t is anders niet eerzucht, die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe zulk een stadhouderschap eigenlijk smaakt.”

“Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd van uw leven alle tien vingers naar likken,” meende de hertog. “Geen heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en van avond nog krijgt gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort.”

Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo pas was meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen, en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder van zijn zoo op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste verwachtingen opvatte.

En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde en daarover een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, werd hem nageleid, daar hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden en gelukkig, dat hij op dat oogenblik niet met den keizer van China had willen ruilen.

Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste bezittingen van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria was; en alhoewel Sancho nog over geen water was [188]gekomen, zoo nam hij die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd niet mee.

Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, om hem te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde, en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk geleid, om voor zijne verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in zijne volle waardigheid den volke te vertoonen.

De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim van den hertog waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden, niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid in de kerk was afgeloopen, bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en de huishofmeester van den hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde, sprak hem aan als volgt:

“Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene vraag te beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft geen andere bedoeling, dan om den bewoners al dadelijk een proefje van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens antwoord mogen zij dan opmaken, of zij over zijne aankomst zich te verheugen of wel te beklagen hebben.”

“Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer huishofmeester,” antwoordde de nieuwe stadhouder. “Ik wil haar beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf weten, of ’t lachen of huilen wil.”

Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de een als boer was gekleed en de ander zich door de groote schaar, die hij in de hand hield, als snijder deed kennen.

“Heer stadhouder,” begon deze laatste, “ik en die boer hier komen om eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede vriend namelijk kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene muts [189]voor hem te maken. Ik bekeek het laken van alle kanten, keerde ’t om en om, berekende de lengte en de breedte, en toen zei ik eindelijk: “Ja, dat zou ik wel kunnen.”

De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.

De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.

“Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg hij mij, of ’t niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken.

“Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, totdat we ’t eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af te halen, en ik geef ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon voor geven en verlangt zelfs, dat ik hem zijn laken zal betalen of ’t hem heel en gaaf, zooals ’t geweest is, teruggeven.”

“En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?” keerde Sancho zich tot het boertje. “Is alles zoo, als de snijder zegt?”

“Ja, daar kan ik niets tegen zeggen,” antwoordde de man. “Maar laat u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt heeft.”

De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag men vijf mutsjes, die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken.

“Hier is,” zeide hij, “wat die man van mij verlangde, en ’k mag hier door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad van ’t laken voor mij heb gehouden.”

Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht een poosje stil na en sprak toen:

“Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel en alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: “De snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus nam, verliest zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft besteld. De mutsen echter houd ik tot vergoeding van de rechtskosten.” [190]

Deze beslissing verwekte een algemeen gelach; maar men hield zich aan het vonnis van den stadhouder, en de zaak was hiermee afgeloopen.

Nauwelijks was weer stilte gevolgd, of daar traden twee oude mannen in de zaal, van wie de een op een dikken rietstok leunde. De ander, die geen stok bij zich had, trad voor en sprak:

“Gestrenge heer, voor eenigen tijd leende ik dezen man, uit goedwilligheid en om hem te helpen, tien goudguldens, eenvoudig onder voorwaarde, dat hij mij die som terug zou betalen, zoodra ik die opeischte. Ik liet een geruimen tijd verloopen, voordat ik het mijne terugvroeg. Daar echter de man volstrekt niet aan terugbetaling scheen te denken, sprak ik hem eindelijk aan en verlangde het geleende geld terug. Toen hield hij zich erg boos en hield vol, dat ik hem nooit uit de verlegenheid had geholpen, en al was dat zoo, dan had hij de schuld al lang afbetaald. Nu heb ik noch een getuige, dat ik hem de tien goudguldens leende, noch ook een getuige, dat ik ze weerom kreeg, want hij heeft ze werkelijk niet terugbetaald, en ik verzoek u dus, dat gij den leugenaar den eed moogt afnemen. Als hij zweert, dat hij mij het geld terugbetaalde, dan wil ik daar in ’s hemels naam in berusten.”

“Wat zegt gij van dit geval, gij oude met den stok?” vroeg Sancho.

“Ei,” antwoordde deze, “ik ontken niet, dat hij mij dat geld geleend heeft, maar ik ben evenzeer bereid, er een heiligen eed op af te leggen, dat ik de tien goudguldens weer in zijne handen gaf en hem dus wis en waarachtig betaalde.”

De stadhouder verlangde nu, dat de oude den eed afleggen zou, en deze was daar dadelijk toe bereid.

“Houd gij zoolang mijn stok vast,” zeide hij tot den eischer en reikte hem den stok toe. Hierop stak hij zijne rechterhand op en legde den verlangden eed af, dat hij de tien goudguldens in de handen van zijn schuldeischer had teruggegeven.

“Nu welaan,” zeide de eischer, “dan moet mijn zwak geheugen mij bedrogen hebben, en ik wil mij dus tevredenstellen.”

De beschuldigde nam zijn stok weder aan en beide partijen verlieten de gerechtszaal. [191]

Toen nu Sancho het bescheiden gedrag en de toegevendheid van den een en de onbeschaamdheid van den ander bemerkte, liet hij zijn hoofd op de borst zakken, legde den wijsvinger aan den neus en dacht een oogenblik na. Op eens richtte hij zich op, wierp het hoofd in de hoogte, alsof hij een licht zag opgaan, en beval, dat men de partijen terstond terug zou roepen. Men bracht hen dus weder in de zaal, en Sancho sprak:

“Hoor eens, oude met den stok, geef mij dien rotting eens eventjes hier.”

“Met genoegen,” zei de man en gaf den stok over.

Sancho nam dien, reikte hem den eischer toe en zeide tot dezen: “Ga nu in vrede, want thans zijt gij in waarheid betaald.”

“Hoe zoo dat?” vroeg de man verwonderd. “Dit ding is toch geen tien goudguldens waard?”

“Dat is het wel,” sprak Sancho, “of zeg anders, dat ik een ezel en een stommerik ben. Ziet toe, menschen, en oordeelt, of ik verstand genoeg heb, om uw stadhouder te blijven. Breek me dien stok eens midden door.”

De stok werd in tweeën gebroken, en tot verbazing van alle verzamelden bleek, dat hij van binnen hol was en de tien goudguldens bevatte, waarover men twist had gevoerd. Iedereen verwonderde zich en hield Sancho Panza voor een tweeden Salomo in wijsheid. Men vroeg hem, hoe hij op de gedachte was gekomen, dat het geld in den rotting kon wezen.

“Dat zal ik u vertellen,” antwoordde hij. “Toen die bedrieger zijn beschuldiger den stok gaf, terwijl hijzelf den eed aflegde, vermoedde ik eene list en begreep ik, dat in den rotting de betaling moest wezen.”

Toen deze eerste rechtszitting zoo roemrijk en glansrijk voor hem was afgeloopen, werd Sancho Panza naar een prachtig paleis geleid, waar in eene fraaie zaal een kostelijk middagmaal bereid stond.

Terstond bij zijn binnentreden liet zich eene liefelijke muziek hooren en traden vier pages toe, om hem een zilveren waschbekken voor te houden, waarin hij met veel zwier zijne handen waschte. Toen verstomde de muziek en Sancho Panza nam aan de rijkbezette [192]tafel plaats. Hij moest evenwel alleen zitten, want er was maar één stoel en ook maar voor één persoon gedekt. Achter hem vatte een personage post, die een baleinen stokje in de hand had en zich weldra als lijfarts deed kennen.

Men tilde een sneeuwwit laken op, waarmede al de kostelijke gerechten overdekt waren. Een jong mensch, die zeer veel van een student had, deed het tafelgebed; een page bond den stadhouder een kostbaar, rijk met kanten omzoomd servet om den hals, en de kok zette een schotel voor hem, waaruit hem een heerlijke geur tegensloeg.

Een honger als een paard hebbende, liet Sancho een begeerigen blik over de tafel gaan, verheugde zich in den geest over de genietingen, die daar voor zijn oog uitgebreid lagen, en wilde op den eersten hap uit dien eersten schotel juist een tweeden laten volgen, toen men hem ’t lekker gerecht met de grootste snelheid voor den neus wegnam en hem een anderen schotel voorzette.

Onze gewezen schildknaap verwonderde zich over dit vreemde doen en wou op den nieuwen schotel een aanval wagen, toen de dokter achter hem zijn zwart stokje uitstak en op dien schotel tikte. Als een havik uit de wolken schoot nu een page toe, pakte den schotel evenals den eersten weg en was daarmee, voordat de onthutste stadhouder een, twee, drie kon tellen, de deur uit.

Sancho zette een gezicht als een oorworm, keek de omstanders stijf aan en vroeg op hoogen toon, wat voor goochelaarskunsten ’t waren, dat men hem het eten zoo voor den neus wegkaapte.

“Heer stadhouder,” zeide hierop de lijfarts op plechtigen toon, “gij moet hier te lande eten, zooals het gebruik dat voorschrijft. Ik ben de lijfarts van uwe genade en word betaald, om u naar behooren te bedienen. Ik zorg voor uwe gezondheid meer dan voor mijn eigene, want ik studeer dag en nacht, om uw lichaamsgestel te leeren kennen en u, mocht ge eens ziek worden, te kunnen bijstaan en genezen. Vooral echter moet ik het oog op uwe maaltijden houden en toezien, dat gij u de maag niet bederft. Ik mag u alleen dingen laten gebruiken, die ik weet, dat u niet schaden kunnen. Al ’t overige moet ik met mijn stokje aanraken en buiten [193]uw bereik laten brengen. Daarom gelastte ik, den eersten schotel weg te nemen, omdat hij te verkoelend is, en de tweede schotel moest verdwijnen, omdat hij te veel verhit en te veel kruiderijen bevat, die den dorst aanzetten. Wie echter te veel drinkt, mag nimmer op een lang, gelukkig en gezond leven rekenen.”

“Nu,” bromde Sancho, “laat mij dan toch eens van die gebraden patrijzen proeven. Die kunnen toch wis en waarachtig geen kwaad.”

“Ja, zeker wel,” riep de lijfarts; “zoolang ik in leven ben, zal mijnheer de stadhouder daar geen sikkepitje van over de lippen krijgen.”

“En waarom dat niet?” vroeg Sancho Panza driftig.

“Omdat,” antwoordde de dokter met de grootste bedaardheid, “omdat ons aller meester Hippocrates, de grootste medicijnmeester van alle tijden, met wijsheid gezegd heeft: Omnis saturatio mala, perdix autem pessima; wat op zijn plat Spaansch beteekent: Men mag zijn maag niet volstoppen, en te veel patrijs eten is de pest.”

“Als dat waar is, zoek dan zelf uit, wat goed en dienstig voor mij is, maar poets dan de plaat en laat mij rustig eten, zonder steeds met dat verwenschte zwarte stokje te wijzen, want, zoo waar als ik leef, ik ben flauw van honger. Eten moet de mensch, en die heel niets gebruikt, zal eer aan zijn einde komen, dan die zich tienmaal op een dag de maag bederft.”

“Hoogst wijs en verstandig gesproken, heer stadhouder,” zeide de dokter; “en ’k wil dus eens zien, wat hier voor uwe genade al zoo dienstig is. Deze gestoofde konijntjes zijn een geducht zwaar eten, en gij moet ze maar stilletjes laten staan. Dit kalfsvleesch zou beter gaan; maar tot mijn spijt zie ik, dat het bijzonder vet is, en dus deugt het volstrekt niet voor uwe genade.”

“Maar daar dampt nog een groote schotel, zeker met olla podrida; geef dien hier, want onder al de dingen, die in zoo’n hutspot komen, is zeker toch wel een, dat goed voor mij is.”

“In geen geval!” antwoordde de lijfarts. “Zoo’n olla podrida is ’t ongezondste en onverteerbaarste, dat op de wereld te bedenken is. ’t Is een kost voor boeren en schippers; maar op de tafel van een stadhouder mogen alleen de fijnste, onschuldigste, uitgezochtste hapjes verschijnen. ’k Moet uwe genade dus ernstig raden, liever [194]een paar van deze beschuitjes met wat kweegelei te nemen. Dit laatste vooral verwarmt de maag, bevordert de spijsvertering en is dus bijzonder aan te bevelen.”

Bij het vernemen van deze woorden wierp zich Sancho Panza in zijn stoel achterover, keek den dokter een poosje stijf in de oogen en vroeg hem toen zeer ernstig, hoe hij heette en waar hij gestudeerd had.

“Mijn naam, heer stadhouder,” antwoordde de arts, “is Pedro Recio d’Aguero, ik ben geboren te Tirteafuera en heb aan de hoogeschool van Osuna gestudeerd.”

“Goed, goed! heer dokter Pedro Recio,” barstte Sancho Panza thans woedend los, “goed, goed! Maar ik zeg u nu: maak oogenblikkelijk, dat ge weg komt, of ’k zweer, een stok te zullen nemen, en je daarmee zoo lang te ranselen, als mijn arm ’t maar uithouden kan. Van een verstandigen en billijken dokter wil ik raad aannemen, maar niet van een domkop, als gij zijt. Ga, zeg ik! Scheer je dadelijk de deur uit, of ik neem dezen stoel en sla hem op je dommen schedel in duizend stukken. Geen mensch zou een woord zeggen, als ik een dokter ombracht, die beul en dwingeland over anderen wil wezen. Marsch, zeg ik nog eens, en geeft mij te eten, of loopt met heel dit stadhouderschap naar de maan! Een ambt, dat zijn meester niet genoeg te eten geeft, is geen knip voor den neus waard, en ik althans dank er voor.”

Toen Sancho zich zoo geweldig boos maakte, kreeg de dokter een schrik op het lijf en wou reeds heengaan, toen het luid schetteren van een posthoren hem nog even deed wachten. De hofmeester trad aan het raam, keek naar buiten en zeide: “Heer stadhouder, daar komt een bode van den hertog, die zeker gewichtige tijding brengt.”

“Laat hem binnenkomen!” beval Sancho.

Met zweet bedekt en half buiten adem trad de postiljon binnen, haalde een brief uit zijn tasch en reikte dien den stadhouder over, die den hofmeester beval, het adres voor te lezen.

Dit luidde: “Aan Don Sancho Panza, stadhouder van het eiland Barataria. Eigenhandig of door den secretaris te openen.” [195]

“Wie is hier mijn secretaris?” vroeg Sancho, na het adres te hebben vernomen.

“Ik, genadige heer,” antwoordde een der aanwezigen en trad voor. “Ik kan lezen en schrijven en ben een Biscayer.”

“Nu, als dat waar is, dan kunt gij secretaris zelfs van den keizer zijn. Maak nu dien brief open en vertel mij wat er in staat.”

De secretaris gehoorzaamde. Nadat hij zich met den inhoud van den brief had bekend gemaakt, zette hij echter een zeer bedenkelijk gezicht en zeide, dat het schrijven eene zaak van het uiterste gewicht betrof, die in het diepste geheim moest behandeld worden.

Sancho liet nu dadelijk allen, op den hofmeester en den secretaris na, de zaal verlaten, en verzocht den laatste vervolgens, den brief hardop voor te lezen.

“Mij is ter oore gekomen,” luidde de brief, “dat eenige woedende vijanden een aanval op het eiland Barataria voorhebben, en ik raad u dus, vriend Sancho Panza, toch vooral waakzaam en op uwe hoede te zijn. Ook heb ik vernomen, dat vier personen, die uwe wijsheid vreezen, eene samenspanning gemaakt hebben, om u van het leven te berooven. Houd dus uwe oogen open en eet niet van de spijzen, die men u voorzet. Ingeval gij in nood mocht geraken, zal ik u te hulp komen. Handel voor het overige, gelijk men dat van iemand van uw verstand verwachten kan, en wees gegroet.

De hertog.”

De stadhouder hoorde van dit schrijven niet weinig vreemd op en ook de anderen konden hunne verwondering niet verbergen.

“Wat moeten wij dan doen?” vroeg Sancho, zich tot den hofmeester keerend. “Ik voor mij ben er voor, dat wij in de eerste plaats en zonder alle verwijl dien heer dokter Recio in eene diepe gevangenis werpen, omdat juist hij pogingen gedaan heeft, om mij aan den pijnlijksten en akeligsten dood, den hongerdood namelijk, over te leveren.”

“Ja, maar nog noodiger reken ik, dat gij van al de gerechten, die hier op tafel staan, geen brok aanroert, heer stadhouder,” zeide de hofmeester. [196]

“Gij maakt u zeker al te bezorgd, heer,” bromde Sancho Panza; “maar toch wil ik uw raad opvolgen en niets gebruiken, dan een paar wijndruiven en een stuk brood. Geeft beiden hier, want ik val wezenlijk flauw van honger, en als wij ons, zooals de hertog schrijft, tot een veldslag moeten gereedhouden, is ’t bovenal noodig, dat wij ons hart en onze ledematen door krachtig voedsel sterken. De buik draagt het hart, zegt het spreekwoord, en niet het hart den buik. Gij, heer geheimschrijver, moogt den hertog antwoorden, dat wij zijne orders stipt opvolgen en niets verzuimen zullen, om zijne gunst en genade waardig te blijven. Nu weg met dat tafellaken, en geeft mij wat krachtigs tot hartsterking! Later zal ik ’t met alle schelmen, spionnen en moordenaars klaarspelen, al kwamen ze bij scheepsladingen vol naar ons eiland over.”

Op dit oogenblik trad een edelknaap in de zaal en berichtte, dat verscheidene partijen buiten stonden, om de gerechtigheid van den heer stadhouder in te roepen en zijne beslissing over verschillende twistvragen te hooren. Zuchtend bleef Sancho zitten en liet de menschen komen, welker verhalen hij met het grootste geduld aanhoorde. Zoo goed als hij kon, deed hij uitspraak in de verschillende gevallen en zocht iedereen naar zijn beste vermogen tevreden te stellen.

Eindelijk viel de avond, en nu eerst was Sancho vrij van zaken en hield, zonder door de wijze vermaningen van den lijfarts gestoord te worden, een duchtigen avondmaaltijd. Na afloop daarvan bekroop hem de lust om eens iets van het eiland te zien, en ging hij dus met den hofmeester, den secretaris, den kroniekschrijver en een talrijk gevolg van gerechtsdienaars en schrijvers op weg. Sancho Panza met den staf, die zijne waardigheid aanduidde, stapte in het midden en wel met zooveel deftigheid, dat tot de kleinste kinderen eerbied en ontzag voor hem kregen. Na zoo eenige straten doorgekuierd te zijn, vernamen zij een luid degengekletter, snelden daarop toe en bemerkten twee mannen, die woedend op elkaar inhieuwen, en eerst toen zij de hooge overheid zagen naderen, hun grimmig gevecht staakten.

“Hierheen, mijne heeren!” riep een der vechtenden het hooge [197]gezelschap toe. “Men heeft mij willen berooven en op de publieke straat aangevallen.”

“Stil, stil, goede man,” antwoordde Sancho. “Zet maar zoo’n keel niet op en vertel mij de oorzaak van uwe ruzie. Ik ben de stadhouder en zal dat appeltje wel zien te schillen.”

De tweede kampioen nam terstond het woord en zeide: “Heer, gij moet weten, dat deze knaap daar zoo pas in een speelhuis over de duizend realen heeft gewonnen. Ik was daarbij en besliste in twijfelachtige gevallen meermalen in zijn voordeel. Toen hij nu opstond, verwachtte ik, dat hij mij uit dankbaarheid eenige realen in de hand zou stoppen; doch hij streek zijn geld op en ging heen, zonder zelfs naar mij om te zien. Ik volgde hem en verzocht hem, mij althans acht realen af te staan, daar ik een arme drommel ben en dat geld opperbest kan gebruiken. Maar nu wou die schraalhans mij maar vier realen geven, waaruit uwe genade zien kunt, wat een gemeene en onbeschaamde rekel hij is. Ik maakte mij boos over zijne inhaligheid, wij kregen harde woorden en ’t einde van ’t lied was, dat wij de degens trokken en elkaar te lijf gingen.”

“En wat hebt gij van uwen kant te zeggen?” vroeg Sancho Panza den anderen rustverstoorder.

“Ik moet erkennen, dat die sinjeur over het geheel de waarheid heeft gesproken,” antwoordde gene. “Ik wou hem niet meer dan vier realen geven, omdat hij al vaak genoeg nog meer heeft gekregen en dus alles zoo nauw niet rekenen moest. En dat ik hem zijn zin niet gaf, is het beste bewijs, dat ik geen gauwdief ben, want gauwdieven zorgen wel, dat zij een ander, die hun in de kaart kijkt, met geld en goede woorden den mond stoppen.”

“Dat is wel wezenlijk zoo,” zei de hofmeester tot den stadhouder. “Uwe genade mag dat wel ernstig in overweging nemen.”

“Ik zal uitspraak doen naar billijkheid en recht,” antwoordde Sancho. “Gij, die eerlijk of oneerlijk gewonnen hebt, betaalt terstond honderd realen aan uw makker en dan nog dertig aan de armenkas.—En gij,” keerde hij zich tot den tweede, “steekt die som op en pakt dan zoo gauw mogelijk uwe biezen. Voor volle tien jaren zijt gij van het eiland verbannen, en als gij voor dien tijd [198]terug mocht komen, zult gij opgeknoopt worden aan de hoogste galg, die in mijne staten te vinden is. Zoo en niet anders zal het gebeuren, en daarmee basta!”

De een betaalde, de ander streek op; de een ging naar huis, de ander stapte de poort uit, en daarmee was de gansche zaak op de kortste en beste manier afgedaan.

Sancho Panza ging verder, toen daar een gerechtsdienaar aankwam, die een jongmensch bij zijn kraag voortleidde.

“Heer stadhouder,” sprak de gerechtsdienaar, “zoodra deze jonkman ons van verre in het oog kreeg, keerde hij dadelijk om en ging als een haas op den loop. Wie het oog van de wet schuwt, heeft zeker wat kwaads op zijn geweten, dacht ik, zette hem na en kreeg hem, daar hij kwam te vallen, gelukkig te pakken.”

“Waarom gingt gij op den loop, manneke?” vroeg Sancho.

“Heer, om niet op de vele vragen te moeten antwoorden, die de gerechtigheid iedereen voorlegt,” antwoordde de vreemde.

“Wat is uw beroep?”

“Ik ben wever.”

“Wat weeft gij?”

“Lanspunten, met uwer genades permissie.”

“Ei, ei, ge lijkt mij een rare snaak toe; ge wilt u er zeker met een grap afmaken,” zeide Sancho. “Maar ’t is goed.—Zeg, waarheen waart ge nu op weg?”

“Ik ging alleen, om een luchtje te scheppen.”

“En waar vindt men dat op dit eiland?”

“Waar ’t waait, heer.”

“Opperbest, mijn kereltje! Ik zie, dat ge een guit zijt. Verbeeld je dan nu maar, dat ik de frissche lucht ben en je in de gevangenis blaas. Pakt hem, mannen, en neemt hem mee. Zoo waar ik stadhouder ben, zal hij van nacht slapen, waar hij geen frissche lucht kan scheppen.”

De jonge man lachte. “Gij zult mij in de gevangenis evenmin tot slapen dwingen, als gij mij tot koning kunt maken,” antwoordde hij stout. [199]

“En waarom niet?” vroeg Sancho. “Kan ik u niet in de gevangenis stoppen en vrijlaten, al naardat ik verkies?”

“Ja, dat kunt gij; maar tot slapen in de gevangenis kunt gij mij niet dwingen.”

“Zoo’n dekselsche jongen!” riep Sancho. “Hebt ge bij geval ook een beschermengel bij de hand, die je de boeien afneemt, die ik je misschien zal laten aanleggen?”

“Neen, dat niet,” antwoordde de jonge man op luchtigen toon; “maar toch blijf ik er bij, dat gij mij niet in de gevangenis kunt doen slapen. Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, dat gij den cipier last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn ontsnappen belette, dan zou toch niemand in staat zijn, mij tot slapen te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden.”

“Ha, meent gij het zoo, maat?” riep Sancho en lachte hartelijk. “Ja, dat is een ander ding. Dus wilt gij dan maar niet slapen, om uw wil te hebben, maar niet, om mijne bevelen gehoorzaamheid te weigeren?”

“Zoo is het,” antwoordde de jonge loshoofd.

“Nu dan, slaap thuis en droom genoeglijk,” sprak Sancho. “Wees echter in ’t vervolg wat voorzichtiger met uwe tong, want niet iedereen houdt van gekscheren, en ge kondt u door die snakerijen licht wel eens een dracht slagen op den hals halen.”

De jonge spotvogel ging zijns weegs en daar Sancho moe begon te worden, maakte ook hij rechtsomkeert en keerde met zijn gevolg naar het paleis terug.

Den volgenden morgen, zoodra de stadhouder opgestaan was, werd hem een ontbijt voorgezet, dat, volgens de verordening van dokter Recio, eenvoudig uit wat fruit en een glas koud water bestond. Sancho had gaarne wat anders gehad; maar de lijfarts deed opmerken, dat weinig en licht voedsel den geest scherp en levendig houdt, wat vooral voor iemand, die ambt of waardigheid bekleedt een ding van uiterst groot gewicht is. De arme stadhouder moest zich met deze redeneering tevredenstellen; doch praatjes [200]vullen geen gaatjes, en hij leed een barbaarschen honger en begon in zijn hart het geheele stadhouderschap en hem, die ’t hem had opgedragen, al half naar de maan te wenschen. Intusschen zette hij zich toch met knorrende maag in den rechterstoel en hoorde in tegenwoordigheid zijner hoogste ambtenaren de vraag aan, welke een vreemde hem tot beslissing voorlegde.

“Genadige heer,” zeide deze tot hem, “uw gebied wordt door een waterrijken stroom in tweeën gescheiden. Over dien stroom ligt eene brug, aan wier eene eind een galg en een rechtshuis staan, in welk laatste zich gewoonlijk vier rechters ophouden, om eene wet te handhaven, die door den heer van den stroom is uitgevaardigd en luidt: “Indien iemand over deze brug gaat, dan moet hij vooraf zweren, waarheen en tot welk einde hij die overschrijdt. Zweert hij de waarheid, dan mag men hem ongemoeid laten gaan; doch zweert hij valsch, dan moet hij onverwijld opgehangen worden en sterven aan de galg, die bij de brug staat.”

“Na het bekendmaken van deze wet gingen velen over de brug; doch iedereen zwoer de waarheid, en men liet hen dus ongehinderd trekken. Nu gebeurde het echter, dat een man, wien de eed werd afgevorderd, zwoer en beweerde, dat hij over de brug ging enkel en alleen met plan, om aan die galg opgehangen te worden en te sterven.

“De rechters keken elkaar bij dien eed verbaasd aan en zeiden de een tot den ander: “Als wij dezen man ongemoeid gaan laten, dan heeft hij gelogen en moet volgens de wet wegens meineed sterven. Opknoopen mogen wij hem evenwel niet; want deden wij dat, dan had hij immers de waarheid gezeid, toen hij zwoer, dat hij enkel en alleen over de brug wilde gaan, om opgehangen te worden, en diensvolgens moet hij krachtens de letter van de wet vrij zijns weegs gaan.”

“Zoo staat nu het geval, en gij, heer stadhouder, moet beslissen, wat de rechters met den man moeten aanvangen. Tot hiertoe zijn zij ’t nog altijd oneens en zitten met de handen in het haar. Zij vertrouwen op uwe scherpzinnigheid en verkeeren in de zoete hoop, dat gij die harde noot kraken en het raadsel oplossen zult.” [201]

“Hoor, goede vriend,” antwoordde Sancho, “uwe heeren rechters hadden zich de moeite kunnen besparen van u hierheen te zenden, want ik ben een man, wien de natuur een grooter portie domheid dan verstand heeft geschonken. Vertel mij ’t geval evenwel nog eens, en dan wil ik zien, of ik, zooals men wel zegt, den spijker op den kop kan treffen. Spreek op, goede vriend!”

De vreemde vertelde de geheele geschiedenis nog eens, en toen nog eens, totdat Sancho Panza haar goed genoeg meende begrepen te hebben, om er zijn oordeel over te zeggen.

“Mij dunkt,” sprak hij, “dat ik dat dingetje wel zal klaren. ’t Geval komt eenvoudig hierop neer: De man verklaart onder eede, dat hij over de brug wil gaan, om aan de galg te sterven. Sterft hij nu, dan heeft hij de waarheid bezworen, en moet volgens de wet worden vrijgelaten. Sterft hij evenwel niet, dan heeft hij een meineed gedaan, en moet krachtens de wet gehangen worden.

“Juist zoo is het, heer stadhouder,” zeide de vreemde.

“Nu dan doe ik uitspraak,” sprak Sancho, “dat men de eene helft van den mensch, die de waarheid heeft gezegd, vrijen overgang late, maar de andere, die gelogen heeft, zonder barmhartigheid ophange. Op die manier krijgt ieder deel wat hem toekomt.”

“Als wij ons aan deze uitspraak hielden, heer stadhouder,” antwoordde de vreemde, “zouden wij gedwongen zijn, den bedoelden persoon in twee helften te deelen, en de leugenachtige van de waarheidsprekende te scheiden. Deze scheiding zou het onschuldig deel echter niet kunnen overleven, en de wet zou dus niet worden gehandhaafd.”

“Mijn beste vriend,” zeide Sancho Panza op deze tegenwerping, “de man, om wien ’t hier te doen is, heeft, als ik ’t wel begrijp, evenveel recht om te leven als om te sterven. De waarheid redt, de leugen veroordeelt hem. Zeg dus aan de rechters, dat zij voor ditmaal maar genade voor recht moeten laten gelden en den sukkel de vrijheid geven, omdat goeddoen altijd loffelijker is dan kwaaddoen.—En loop nu naar den drommel en meen niet, dat ik hier aangesteld ben, om raadseltjes te raden, die onmogelijk op te lossen zijn. Loop heen, zeg ik, en gij, hofmeester, bezorg mij wat [202]stevigs te eten en laat mij niet van honger en ergernis omkomen.”

De vreemdeling stapte op, en de hofmeester betoonde zich genadig, daar hij Sancho naar de tafel leidde, die evenals gisteren rijkelijk bezet was. Indien niet de dokter achter hem gestaan had, zou de stadhouder als een prins gesmuld hebben; maar nu kwam telkens een tik met dat verwenschte zwarte stokje en haalde onzen hongerigen vriend de vetste happen voor den mond weg.

[Inhoud]

Hoofdstuk XXII.

Het stadhouderschap neemt een einde.

Verscheidene dagen gingen voorbij, en de arme Sancho werd, in plaats van met krachtige en gezonde spijzen, bijna alleen met terechtzittingen en vervelende twistvragen gevoêrd. En toen hij in den zevenden nacht zijner regeering op zijn prachtig staatsieledikant lag en de zachte slaap hem niettegenstaande zijn honger juist de zware oogleden toedrukken wou, vernam hij op eens een vreeselijk alarm en hoorde het luiden der klokken met zulk een geschreeuw en rumoer, dat hij meende, dat de ondergang der wereld, of althans van zijn eiland, voor de deur stond. Hij rees verschrikt overeind en luisterde scherp toe, om zoo mogelijk de oorzaak van al dat spektakel te vernemen. Het al luider wordend getier, waaronder zich nu ook het geluid van trommen en trompetten mengde, maakte hem geheel verbijsterd, en half zinneloos van schrik en angst, was hij met een geweldigen sprong op de been, trok zijne pantoffels aan, vloog naar de deur van zijn vertrek, rukte die open en zag nu meer dan twintig personen, die van verschillende kanten met [203]brandende fakkels en ontbloote zwaarden toesnelden. Zoodra zij den sidderenden Sancho zagen, riepen zij met luider stem: “Te wapen! Te wapen! Op, heer stadhouder! Tallooze vijanden overstroomen het eiland, en zoo uw krijgsbeleid en uwe dapperheid ons niet redt, zijn wij reddeloos verloren! Grijp de wapens op!”

“Maar lieve tijd, waar zal ik mij mee wapenen?” huilde Sancho het uit. “Ik heb van wapens en van vechten heel geen verstand, en ’k stel dus voor, die dingen liever aan mijn heer Don Quichot over te laten, aan wien dat beter toevertrouwd is. Mij, arme sukkel van een schildknaap, staan de handen daar heel verkeerd toe.”

“Geen uitvluchten! Geen bezwaren!” schreeuwden al de heeren als met ééne stem. “Hier brengen wij u wapens; wapen u daarmee en stel u dan als aanvoerder aan onze spits. Dat komt u toe en gij moet het, want gij zijt onze stadhouder.”

“Nu, wapen mij dan in ’s hemelsnaam maar,” antwoordde Sancho en gaf zich lijdelijk aan zijn lot over.

Terstond namen de mannen nu twee groote schilden, die zij, daar de heele historie weer een afgesproken stukje was, al meegebracht hadden, en bonden daarvan het een vóór, ’t ander achter aan Sancho’s dikke lichaam vast, waarna zij zijne armen door een paar daarin gesneden gaten trokken en de schilden zoo vast bonden, dat hij tusschen de planken als ingemetseld zat en geen stap vooruit doen, noch ook de knieën buigen kon. Hierop gaven zij hem eene lans in de hand, waarop hij steunen moest, om zich op de voeten te kunnen houden, en vervolgens zeiden zij, dat hij nu maar voor hen uit moest stappen, als hun aanvoerder, en hun door zijne dapperheid moed inboezemen. Wanneer hij zich aan het hoofd des legers wilde stellen, zou de overwinning hun nooit betwist kunnen worden.

“Maar om ’s hemelswil!” schreeuwde de ongelukkige ridder in de klem; “hoe zal ik dan gaan en vooruitkomen, daar ik niet eens de knie buigen en geen lid van mijn lijf roeren kan? Als ik voorwaarts zal en moet, neemt mij dan op uwe armen en zet mij ergens op een punt, dat ik met mijne lans verdedigen kan. Dit wil ik met hart en ziel doen, maar meer kan men van een tusschen planken ingeklemd mensch niet verlangen.” [204]

“Vooruit, al vooruit, heer stadhouder!” riepen daarop de mannen. “Niet die planken hinderen u, maar de vrees voor den vijand is het, die de u knieën knikken doet. Er is al veel tijd verzuimd, de macht der vijanden groeit aan, ’t gevaar wordt al grooter en grooter. Vooruit, vooruit dan, heer stadhouder!”

Om deze beschuldigingen te ontgaan en de zich tegen hem verheffende stemmen tot zwijgen te brengen, deed de ongelukkige Sancho Panza werkelijk eene zwakke poging om zich van de plaats te bewegen. Zonder zich staande te kunnen houden, plofte hij echter met zulk een geweldigen bons voorover, dat hij een oogenblik meende, dat hij al zijne beenderen stuk had gevallen. Daar lag hij dan nu en bleef liggen, als een schildpad, die men de pooten heeft afgesneden. Geen mensch hielp hem op of had medelijden met hem; veeleer werden de fakkels terstond uitgedaan, een nieuw krijgsgeschreeuw ging uit de rauwe kelen op, de kreet “Te wapen!” werd onophoudelijk herhaald, en eindelijk liep zelfs de geheele schaar over den armen Sancho Panza heen, waarbij ieder in ’t voorbijgaan een zwaren zwaardstomp of slag op zijn plankenharnas liet neerkomen. Zoo de arme stadhouder zich niet als een schildpad had ingetrokken, zoo hij niet hoofd en voeten onder zijne schaal verborgen had, zou ’t leelijk met hem zijn afgeloopen. Zoo echter kwam hij er met eenig angstzweet en eenige schrammen en builen nogal boven verwachting goed af.

Intusschen daagden telkens nieuwe krijgers op. Eenige strompelden over Sancho heen, andere tuimelden werkelijk op hem neer, en eindelijk was er zelfs een, die eene geruime poos op hem bleef staan trappelen en van dit standpunt, als van een toren, het gevecht scheen te leiden, daar den moed der zijnen met bezielende woorden aanvurende.

“Hier, dappere mannen!” riep hij met donderende stem. “Hier is de strijd het heetst. Hierheen, die een hart in ’t lijf hebt! Verdedigt dat poortje daar! Sluit de valpoort daar ginder! Werpt de stormladders om en laat de beklimmers in de gracht tuimelen! Granaten hier! Hier pek en hars en kokende olie!—Wakker, mannen! Slaat dood, die te na komt!” [205]

Op deze wijze ging het eenigen tijd voort, daar de aanvoerder orders gaf en alle maatregelen scheen te nemen, om een heftigen aanval van het stadje en het slot af te slaan. Sancho hoorde elk woord en onderwierp zich lijdelijk aan zijn zwaar lot.

“Mocht de hemel toch maar geven, dat het eiland verloren ging,” zuchtte hij, “en dat de vijanden mij doodsloegen of althans uit deze harde gevangenis bevrijdden!”

Een half uur verliep weer; doch toen scheen eindelijk zijn wensch om verlossing uit zijn benauwden toestand verhoord te worden. Hij hoorde luide stemmen en den blijden kreet:

“Victorie! Victorie! De vijand is overwonnen! Heer stadhouder, op! Sta op en verheug u over uwe overwinning! Kom, en verdeel den onmetelijken buit, die door uwe dapperheid den vijand is afgenomen!”

“Helpt mij weer op de beenen!” kreunde de overwinnende held met klagende stem.

Men hielp hem overeind, en toen hij weer eenigszins vast op zijne voeten stond, zeide hij: “Den vijand, dien ik overwonnen heb, wil ik met huid en haar opeten, of ’k mag lijden, dat ge hem den nek omdraait. Ik verlang geen buit van den vijand; maar als een mensch hier in de nabijheid maar een sikkepitje medelijden of vriendschap in zijn hart heeft, laat hem mij dan een slok wijn geven en mij ’t zweet afdrogen, want ik smelt bijna tot klaar water weg.”

Op deze smeekende bede werd hem wijn gereikt. Men droogde hem af en bond de schilden los, waartusschen hij had vastgeklemd gezeten. Toen hij zich weer vrij roeren kon, waggelde hij naar zijn ledikant toe, en hij had dat pas bereikt, of hij lag in diepe onmacht.

Toen de deelhebbers aan de klucht dit bemerkten, werden zij ongerust en vreesden, dat de dolle comedie den armen schildknaap wel eens het leven kon kosten. Onze brave Sancho kwam echter spoedig weer bij, en zoo had die bezorgdheid dan ook een einde.

“Hoe laat is het?” vroeg de lijder met zwakke stem.

“Het daglicht zal spoedig aanbreken,” antwoordde men hem. [206]

Hierop stond Sancho zonder een woord te spreken van zijn ledikant op en begon zich aan te kleeden, en niemand waagde het, hem een woord te zeggen, ofschoon allen even nieuwsgierig waren, hoe de geheele geschiedenis afloopen zou.

Na zich in de kleeren te hebben gestoken, ging Sancho langzaam naar den stal en scheen er zich niet om te bekommeren of men hem volgde of niet. In den stal gekomen, trad hij zelf op zijn ezel toe, omarmde het trouwe dier, drukte het een kus op den ruigen kop en zei, terwijl de gulle tranen hem bij de wangen neerstroomden:

“Kom hier, mijn oude vriend en makker, die alle lasten en lusten met mij gedragen hebt. Zoolang wij ons aan elkaar hielden, wist ik van geen zorg, en ik kan in waarheid zeggen, dat toen mijne jaren, mijne dagen en mijne uren gelukkig waren. Sinds ik u verliet, heb ik maar altijd met ergernis, moeite en kommer te kampen gehad, en ik wil daarom alle eerzucht en trotschheid van mij afzetten en de ongelukkige zucht, om het tot wat hoogers te brengen, met kracht in mijne borst verstikken.”

Onder deze woorden zadelde hij zijn ezel, zonder dat iemand zich daartegen verzette, steeg, daar hij half lam en kreupel getrapt was, met moeite op en voegde den hofmeester, den secretaris, dokter Recio en anderen, die om hem stonden, de woorden toe:

“Mijne heeren, ik verzoek u, maakt plaats voor mij, opdat ik tot mijne oude vrijheid terugkeeren kan. Ik wil uit mijn tegenwoordigen dood opstaan en mijn vroeger leven weder opzoeken. Tot stadhouder ben ik nu eens voor al niet geboren, en hoe men eilanden en steden tegen een oprukkenden vijand verdedigen moet, daarvan heb ik geen verstand. Ik weet meer van spitten, graven en wingerd snoeien dan van wetten geven en vreemde rechtzaken beslissen. Ik wil liever schrale aardappelsoep eten dan aan een rijk bezette tafel zitten, voor de kostelijkheden, waarvan ik niets over de lippen mag nemen, zoodat ik te midden van den overvloed van honger omkom. Ik wil liever in vrijheid gebrek lijden, dan in slavernij op zijden kussens rusten. God zij met u, heeren! Zegt aan uwen hertog, dat ik hier arm [207]gekomen ben en ook arm weer weggegaan. Ik heb niets gewonnen en ook niets verloren, en mij dus althans aan geen schelmerij en afpersingen schuldig gemaakt. Gaat opzij en laat mij den weg vrij; want waarachtig, ’t wordt tijd, dat ik naar mijne ribben laat zien, waarvan in dezen stormachtigen nacht zeker een stuk of wat gebroken zijn.”

“Heer stadhouder, neen, dat mag niet gebeuren,” zeide Recio, de lijfarts. “Gij moogt niet weg, voordat ik zelf uw toestand onderzocht heb, en ik beloof u, mijn uiterste best te zullen doen, om u ten spoedigste van alle pijnen en kwetsuren te bevrijden. Ook geef ik u mijn woord, dat gij voortaan vergunning zult hebben, om alles te eten en te drinken, wat uw hart maar begeert.”

“Te laat, te laat!” antwoordde Sancho. “Gij komt te laat, vrienden. Ik laat mij nu zoo weinig van mijn voornemen afbrengen, als ik ooit een Turk worden wil. Liever dan in dit verwenschte stadhouderschap blijven, wil ik zonder vleugels ten hemel vliegen. Neen, neen! Ik ben uit het geslacht der Panza’s, die een hardnekkig geslacht zijn. Als die eens zeggen, dat een ding krom is, dan moet het krom blijven, al zei de heele wereld anders, en al was ’t ook zoo recht als een lamsstaartje. Ik moet weg, heeren; maakt mij dus ruimte, want iedere minuut, die ik nog hier blijf, wordt mij een nagel aan mijn doodkist.”

“Genadige heer,” nam nu de hofmeester het woord, “wij zouden u zonder tegenspraak gaan laten, ofschoon wij uw helder verstand en uitstekend voorbeeld ongaarne missen; maar ’t zal u bekend zijn, dat ieder stadhouder voor het neerleggen van zijn ambt rekenschap van zijn beheer moet geven. Voldoe aan deze verplichting, en ga, als gij u toch niet wilt laten terughouden.”

“Niemand kan zoo iets van mij verlangen, als niet de hertog zelf het gebiedt,” antwoordde Sancho. “Tot hem ga ik, en aan hem zal ik rekenschap afleggen, zooveel hij maar verkiest. Van u echter heb ik geen getuigenis noodig, want dat ik mij niet verrijkt en in alle onschuld geregeerd heb, weet gij even goed als ik zelf ’t weet.”

“Bij den hemel, Sancho heeft recht!” riep Recio, de lijfarts. “Ik [208]voor mij stem er voor, dat wij hem in vrede laten trekken, want de hertog zal brandend verlangen hem weer te zien.”

Al de anderen waren het met den dokter eens, verklaarden, dat men den stadhouder moest laten trekken, en boden aan, hem van al, wat hij op reis noodig had, ruim en rijkelijk te voorzien.

“Ik heb alleen maar wat haver voor mijn grauwtje, en wat brood en kaas voor mijzelf noodig, en van een en ander ben ik al voorzien,” zeide Sancho. “De weg, dien ik af te leggen heb, is niet lang, en daarom zou meer pakkage mij maar lastig wezen.”

Na deze woorden nam hij afscheid, omhelsde de achterblijvenden, werd door hen omarmd, en liet hen eindelijk verbaasd over zijne zielsgrootheid, levenswijsheid en standvastigheid staan.

Sancho Panza reed langzaam voort, totdat hij het landgoed van den hertog tot op ongeveer eene halve mijl was genaderd. Hier liet hij zich van zijn grauwtje glijden, legde zich onder een boom en overpeinsde, wat hij zijn meester Don Quichot en den hertog en de hertogin al zoo vertellen zoude. Terwijl hij hierover nadacht, overviel hem de slaap, en daar hij den ganschen voorgaanden nacht geen oog had toegedaan, werd hij eerst weer wakker, toen de zon al onder en het ten volle donker geworden was. Verschrikt rees hij op, klom weer in den zadel en wou zich zooveel mogelijk haasten, om het hertogelijk slot nog tijdig te bereiken.

Terwijl hij nu zoo voortdraafde, wilde het ongeluk, dat hij in de donkerheid opeens met zijn beest in een diep, donker gat stortte, dat daar tusschen eenig vervallen muurwerk openlag. Onder het vallen meende hij, dat hij den bodem des afgronds wel nooit levend bereiken zou.

Intusschen liep het nog al redelijk goed af. Op eene diepte van ruim achttien voet kreeg de ezel vasten grond onder zijne pooten en kwam Sancho op grauwtjes buik te liggen, zonder zich eenigszins van belang bezeerd te voelen. Hij betastte zijne ledematen, onderzocht de stevigheid zijner beenderen, en hield den adem in, om te weten, of hij ook ergens een gat in zijn lichaam was gevallen; echter was zijn lichaam van top tot teen heel gebleven.

Eindelijk stond hij op en zocht met de handen in de ruimten des [209]afgronds rond, om zoo mogelijk middelen en wegen te ontdekken, om zonder vreemden bijstand weer uit den kuil te komen. Tot zijn bitter leedwezen waren de wanden echter overal glad en zeer steil, zoodat hij zich over zijne toekomst niet weinig ongerust moest maken. Zijn angst nam nog toe, toen nu ook de ezel, die door den val deerlijk gekneusd en geschaafd was, op jammerlijken toon begon te schreien en te balken. Hij dacht nu niet anders, dan dat hij met zijn geliefd grauwtje in die ongelukkige groeve op ellendige manier van honger, dorst en gebrek zou moeten omkomen.

Weeklagend bracht hij den nacht in het gat door, totdat daarin eindelijk het schemerlicht van den aanbrekenden dag doordrong, zonder den braven schildknaap echter veel troost aan te brengen; want bij het schijnsel der zon overtuigde hij zich, dat uit zijne gevangenis te ontkomen zonder vreemde hulp een onmogelijkheid was. Hij begon opnieuw te jammeren en te schreeuwen, en zette zijne stem zooveel mogelijk uit, om een toevalligen voorbijganger van zijn klimmenden nood te onderrichten. Zijn geschreeuw was echter als de stem van een roepende in de woestijn, daar in den ganschen omtrek geen levend wezen dat vernam. Sancho achtte zich dus reddeloos verloren en begon zichzelf als een stervende te beschouwen. Desniettemin bespeurde hij nog iets als medelijden met zijn grauwtje, dat met verdraaide oogen op den grond lag en zijn bek opendeed, alsof het ieder oogenblik een roerend klaaglied dacht aan te heffen. Sancho Panza hielp hem met veel moeite op de been, liet hem, daar hij moeielijk rechtop staan kon, tegen den wand leunen en versterkte hem vervolgens met een stuk brood, dat hij nog uit zijn knapzak opschommelde.

“Neem dat maar en eet,” zeide hij, alsof de ezel hem verstaan kon. “Met een goede bete in den mond kan een mensch nogal veel doorstaan, en een ezel zeker ook.”

Terwijl grauwtje aan de broodkorst knabbelde, zag Sancho Panza nog eens in zijne gevangenis rond, en ontdekte eindelijk aan de eene zijde eene opening, die juist groot genoeg was, om hem door te laten, als hij zich bukte en zoo klein mogelijk maakte. Hij kromde zijn rug dus, kroop er in en vond, dat de doorgang naar [210]eene tamelijk ruime en wijde plaats leidde, waarin, vermoedelijk door een half vervallen dak, de zonnestralen helder en glansrijk neervielen. Bij hun schijnsel bemerkte hij, dat deze ruimte zich tot een hol verwijdde, welks omvang hij nader moest onderzoeken.

Allereerst keerde Sancho tot zijn ezel terug, van wien hij onmogelijk scheiden kon, en beproefde de opening zoo veel mogelijk te verbreeden. Met behulp van een zwaren, scherpen steen gelukte dit hem zoo tamelijk goed, en het duurde niet lang, of hij kon er ook grauwtje zonder al te groot bezwaar doorkrijgen. Hij pakte hem dus bij den halster, sleepte hem mee en drong toen verder in ’t hol door, om misschien aan ’t ander eind daarvan een uitgang te vinden. Soms tastte hij in den donker, soms verlichtte een van boven invallende zonnestraal zijn pad; maar nog altijd bleef zijne ziel met angst en bange vrees vervuld.

“De hemel sta mij bij!” mompelde hij in zijn baard. “Dat Don Quichot toch maar in mijne plaats was! Hij zou wat mij een ongeluk toelijkt, voor het allergelukkigst avontuur houden, en zeker al deze afgronden en onderaardsche gangen voor bloemtuinen en schitterende paleizen aanzien, waaruit hij op eene of andere heerlijke, bloeiende lustgaarde moest geraken. Ik ongelukkige daarentegen, die meer vrees dan heldenmoed in mijn binnenste bespeur, ik denk bij iederen voetstap, dat zich voor mij een bodemlooze afgrond zal openen, waaruit geen menschelijke macht mij ooit redden kan. O ongeluk, wees verwenscht door hem, dien gij zoo gruwelijk hebt beetgenomen!”

Toen hij onder zulke en soortgelijke ontboezemingen zijn weg een goed half uur had voortgezet, ontdekte hij in de verte een helder schijnsel, dat zeker het lieve volle daglicht moest zijn. Vol hoop ging hij daarop aan, en hij hield zich vast overtuigd, dat hij daar den uitweg uit de gruwelijke gangen en spelonken der onderwereld moest vinden.

Terwijl Sancho Panza in dat hol omdwaalde, trof het, dat de dappere ridder Don Quichot, die tot nu toe op het slot van den hertog een zeer aangenaam en genoeglijk leven geleid had, zijn nu bij den dag in welgedaanheid toenemenden Rocinante besteeg en [211]uitreed, om eenige uren de frissche lucht te genieten. In diepe gedachten reed hij vooruit, totdat eensklaps Rocinante met de voorpooten zoo dicht bij eene diepe steenkloof kwam, dat hij onwillekeurig een zijsprong deed en den edelen ridder uit zijne droomerijen opwekte. Deze hield zijn paard in, keek naar de kloof om en reed er zoo dicht bij, dat hij er in neerzien kon. Terwijl hij al bespiegelingen maakte, wat die donkere afgrond toch wel in zijn schoot verbergen kon, drong daaruit een dof, diep stemgeluid tot zijn oor door. Hij luisterde scherp en nieuwsgierig en vernam zeer duidelijk de woorden:

“Holla daar boven! Is er niet een of ander christenmensch in de buurt, die mij hooren en zich over mij armen zondaar ontfermen kan? Hulp, hulp, schrei ik; hulp voor een ongelukkigen, in de diepte gezakten stadhouder!”

Don Quichot was dadelijk overtuigd, dat dit de stem van zijn schildknaap Sancho moest zijn, en bleef een oogenblik stom van verbazing.

“Wie is daar omlaag?” riep hij eindelijk. “Wie schreeuwt daar om hulp?”

“Ik ben het,” antwoordde de stem uit den afgrond, “ik, de benarde en benepen Sancho Panza, gewezen stadhouder van het eiland Barataria en schildknaap van den beroemden en dapperen ridder Don Quichot van La Mancha.”

De verwondering van den dolenden ridder nam bij deze woorden nog toe, en daar hij zijn voormaligen dienaar onmogelijk in zoo zonderlingen toestand kon vermoeden, kwam hij op de gedachte, dat de arme stadhouder moest gestorven zijn, en dat nu diens geest verscheen, die wegens begane zonden in het graf geen rust kon vinden. In deze veronderstelling zeide hij:

“Bij alles, wat heilig is, bezweer ik u, verkond mij, wie gij zijt! Zijt gij een boetende ziel, geef mij dan te kennen, wat ik voor u doen moet, en zoo waar ik leef, wil ik alles doen, om u de rust en de ongestoorde zaligheid te verschaffen. Mijne roeping is, de noodlijdenden te helpen en de bedrukten bij te staan, en daarom wil ik ook u beschermen, ook als uw lichaam niet meer op aarde omwandelt.” [212]

“Heer,” schreeuwde Sancho Panza, die nu eindelijk de stem zijns meesters herkende, “heer Don Quichot van La Mancha, merkt gij dan niet, dat ik uw schildknaap en in mijn gansche leven nog nooit gestorven ben? Ik heb om redenen, die ik u later wel eens zal vertellen, mijn stadhouderschap verlaten en ben gisterenavond met mijn grauwtje in dit hol gevallen, zooals ’t stomme dier, als het spreken kon, zeker plechtig zou helpen getuigen.”

Op ditzelfde oogenblik, juist alsof de ezel verstaan had, wat zijn heer sprak, begon die geducht te schreeuwen en balkte zijn Y-ah zoo luid, dat de gansche grot er van weergalmde.

“Sancho, aan uw ezel herken ik u,” riep Don Quichot nu zeer verblijd. “Wacht nu maar een kort poosje en heb geduld, totdat ik terugkom. Ik wil in vliegende vaart naar het kasteel van den hertog rijden, dat dichtbij ligt, en wil volk roepen, om u uit den afgrond op te trekken, waarin uwe zonden u zeker hebben doen neerstorten.”

“Zoo gij gaan wilt, edele heer, blijf dan maar niet staan leuteren,” antwoordde Sancho uit de diepte. “Ik ben hier als bij levenden lijve begraven en kom om van angst en benauwdheid.”

Don Quichot zette het dadelijk op een galop en deelde de onderaardsche ontdekking aan den hertog en de hertogin mede. Terstond werden de noodige orders aan de dienaren gegeven; men trok, toereikend van ladders en touwen voorzien, naar het hol, en Sancho Panza werd, hij en zijn ezel, met behulp van veel volk en niet zonder groote moeite en inspanning uit zijn onderaardschen kerker opgetrokken. Zonder zich met de menschen, die hem geholpen hadden, in veel praatjes in te laten, trok hij nu met zijn grauwtje naar het slot, waar het doorluchtig paar en zijn niet minder doorluchtige meester hem reeds met groot ongeduld wachtten. Hij ging echter eerst tot hen, nadat hij zijn ezel met zorg van al het noodige had voorzien.

“Mijne genadige heerschappen,” sprak hij eindelijk, voor den hertog en de hertogin eerbiedig de knie buigend, “daar ben ik weerom. Het stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen, en dus vond ik maar beter dat te laten varen; voordat het mij liet varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug, [213]en ik heb niets verloren, dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb processen uitgewezen, en ben daarbij bijkans van honger omgekomen, omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond voor mij hield. Bij nacht en ontijd overvielen de vijanden ons, en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed weer verjaagd had, zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen verliet ik het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en troost was toegezonden.—Zoo is ’t met mij gegaan, heer hertog, en eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer in den dienst van mijn ouden heer terug, waar ’k mij althans zat mag eten, wat voor een hongerigen mensch een uitstekend en zeer aangenaam medicijn is.”

“Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza,” sprak de hertog, “dat gij ’t regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In allen gevalle wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar des te voordeeliger post aan te wijzen, en ik hoop, dat gij alsdan met uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn.”

Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd en verzorgd zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den hofmeester, geleden had. [214]

[Inhoud]

Hoofdstuk XXIII.

Don Quichot verlaat het kasteel van den hertog en komt te Barcelona.

De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht dus den hertog vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze vergunning werd hem verleend, schoon eerst nadat de hertog en ook zijne gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer blijven te bewegen. Hij nam afscheid van het doorluchtig paar en ging den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte Rocinante met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien, en in Sancho’s zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens, die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. Geen wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang nog niet bezeten.

Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden den weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen stam tot den anderen waren uitgespannen.

“Sancho,” sprak hij tot zijn schildknaap, “het zou mij verwonderen, als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste avonturen wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk plagen en vervolgen, mijne reis door dit net ophouden. Doch dit zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol, maar uit ijzer, staal, graniet of diamant geweven, [215]toch zou ik ze als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon.”

Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, daar eenige mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, beiden de wapens afnamen en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden, dat in den knapzak geen enkel kruimeltje meer overbleef. Een geluk voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn persoon dachten, daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had.

Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman van de bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk voorkomen. Op een wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop den edelen ridder Don Quichot, die bedroefd en nadenkend tegen een boom stond te leunen.

“Wees niet zoo bedrukt, man,” sprak hij den dolenden held aan. “Gij zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, en zoolang ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden.”

“Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman,” antwoordde Don Quichot. “Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen aanval verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke roofridders huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, want weet, dat gij met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw, van wiens daden de gansche aardbol weet te gewagen.”

“Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans overal hoort spreken?” zei de rooverhoofdman, die zich van die ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. “Nu, dan hoop ik, dat gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, en ik [216]beloof dan, u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe vermaardheid met recht verwachten mag.”

Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap van den rooverhoofdman door te brengen.

“Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?” vroeg Roque Guinart.

“Naar Barcelona, naar het stierengevecht,” antwoordde Don Quichot.

De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona, waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste, kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden kon. Hij wilde hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante zijn strijdros gezeten en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij, de vriend, moest zijne bekenden daar vooraf van verwittigen en zou zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken.

De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te brengen. Hierop keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met hem in, dat hem al zeer spoedig van des edelen ridders volslagen verstandsverbijstering overtuigde.

Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast, en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot lachen. Toen hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde, waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, ging hij met dezen op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van de stad. Hier nam hij afscheid en gaf den held aan zijn noodlot en aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer spoedig opsporen zouden. Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde, naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun gemak de eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet weinig verwonderden.

Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasde [217]oogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en riep met alle teekenen van de grootste blijdschap:

“Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! Wees gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde dapperheid!”

Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun midden. Deze wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: “Zie nu, mijn vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed zich verbreid heeft; want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon zij ons nooit te voren kunnen gezien hebben.”

Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. “Ga met ons, genadige heer!” sprak hij. “Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd heeft.”

“Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder,” antwoordde Don Quichot, “dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. Breng mij, waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen.”

De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, wilde het ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker den draak begonnen te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid een handvol stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren nu deze vreemde sporen voelden, trokken zij hunne staarten vast aan het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als dol en razend heen en weer sprongen en eindelijk hunne toch al niet bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don Quichot richtte zich [218]beschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza toe, met zijn ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets gespeeld hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn weg vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis, waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke dienaren met luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al ’t geen den goeden ridder in niet geringe mate streelde en met aangename aandoeningen vervulde.

Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, was hij er op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de leeuwenridder er iets van merkte; want zijn gast te krenken of zeer te doen, was in geenen deele zijne bedoeling.

Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten uiterst vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek, waarin niets dan een tafel van jaspis stond, die door een voetstuk van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig menschenhoofd van metaal, waarop Don Moreno zijn gast al dadelijk opmerkzaam maakte.

“Dit hoofd, heer,” sprak hij, “is vervaardigd door een der grootste toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit de eigenschap van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk van overtuigen kan. Maar ’t is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, zullen wij er de proef van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken.”

Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk gelooven kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden, gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, maar [219]dankte Don Moreno, dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij verlieten het vertrek en keerden naar het overige gezelschap terug, dat zich onderwijl met Sancho Panza’s grappen en kluchtige vertellingen niet weinig vermaakt had.

Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar een fraai, kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder dat hij er iets van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters geschreven stond: “Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha.”

Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: “Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha!” En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde zich zeer, dat iedereen hem zoo goed kende en bij zijn naam wist te noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde reed, en sprak:

“Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie maar, beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden bekend wezen.”

“Natuurlijk, en dat is ook geen wonder,” antwoordde Don Moreno hoogst ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. “Gelijk het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en schittert ook de verdienste, welke de man zich door heldenmoed en dapperheid verworven heeft.”

Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis terugkeeren moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep in den nacht vermaakte de ridder met zijn dolle, dwaze en ongerijmde redeneeringen het gansche gezelschap.

Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofd [220]zijne kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets van het eigenlijke geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno het ontdekt had. Het was een kunstwerk, dat van een vindingrijkheid en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan.

De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden verstaan kon, vroeg hij: “Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte ik mij op dit oogenblik bezighoud?”

Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem: “Over gedachten oordeel en spreek ik niet.”

De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in de nabijheid van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden.

“Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek bevinden?” vroeg Don Moreno weder.

“Gij en uwe vrouw zijn hier,” sprak het hoofd met dezelfde duidelijkheid; “buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe schildknaap.”

De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno trad nu echter achteruit en zeide: “De hier door mij genomen proeven overtuigen zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik dit hoofd afkocht, mij niet heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader.”

Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg: “Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?”

“Wees goed en deugdzaam,” luidde het antwoord.

De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de vraag: “Wie ben ik?”

“Dat weet gij zelf!” werd hem geantwoord. [221]

“Dat is waar,” sprak de ridder; “maar wilt gij mij niet zeggen, of gij mij kent?”

“Ik ken u,” antwoordde het hoofd; “gij zijt Don Pedro Noviz.”

“Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren,” riep de jonge man en scheen niets van het geval te begrijpen.

“Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?” vroeg een oud-achtig ridder, die insgelijks was toegetreden.

“Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen,” klonk de stem uit het hoofd; “alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te begraven.”

“Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!” zeide de oude ridder wrevelig. “Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer.”

Don Moreno’s vrouw trad nu toe en zeide: “Ik wensch niets anders te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele jaren zal mogen bezitten?”

“Dat zult gij,” antwoordde het hoofd. “Uw gemaal zal nog jaren lang leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam.”

“En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!” vroeg eindelijk Don Quichot. “Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was, wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?—Kan ik mij op Sancho Panza’s zelfkastijding gerust verlaten?—En eindelijk, zal mijne edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?”

“Van die grot zwijg ik,” antwoordde het hoofd. “Met Sancho Panza’s geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk zal de aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer verschijnen.”

“Verder verlang ik niets te weten,” zeide Don Quichot en trad terug. “Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene vraag voorleggen?”

“Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil ’t kort maken,” zei Sancho. “Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens tot een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan nog—zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?”

“Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor [222]’t overige zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van een heer hebt opgegeven.”

Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na, waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid van dat hoofd. Sancho daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden maar half naar zijn zin waren geweest.

Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend hoofd verklaren.

Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis had weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig ingezet was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van de tafel stond in verband met de keel en de borst van het hoofd, en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het hoofd was gelegen. Door de holte van voet, tafel, keel en borst liep eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand zichtbaar was en zich tot diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane vragen te verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis, en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken.

Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk wij gezien hebben, uitmuntend volgehouden.

Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. De kleine, onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, dat niemand hem te na kwam.

Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier een ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild droeg. [223]Deze vreemde ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde, met ridderlijke hoffelijkheid:

“Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, wiens faam denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen, om met u te kampen en de sterkte van uw arm te ondervinden, daar ik u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler dan Dulcinea van Toboso is. Erkent gij dit vrijwillig, dan moogt gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan; zoo niet, gord u aan ten strijde, en de hemel doe de waarheid zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u, dan dat gij voor een jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing te vinden. Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg, of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord zonder lang dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten.”

Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar vasten en ernstigen toon antwoordde hij:

“Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden aan. Neem uwe plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint Pieters naam de kamp beginnen.”

Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp wezen zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen groot gevaar voor zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop.

“Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in ’s hemelsnaam wat gij kunt, mijne heeren!” zeide hij glimlachend. “Ik zal mij, met uw goedvinden, tot kamprechter opwerpen.” [224]

De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea in, en nam hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne rossen en stormden met geweld op elkaar in.

Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, bereikte de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, dat ruiter en ros in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen in het stof. Terstond boog nu de ridder van de maan zich over Don Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak:

“Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt.”

Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht Don Quichot toch, zij ’t al met zwakke en trillende stem, de koene woorden uit: “In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden aardbodem is, niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze waarheid zegevierend staande te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven, gelijk gij mij reeds mijn eer en mijn roem ontnomen hebt.”

“Dat zij verre van mij,” antwoordde de ridder van de zilveren maan. “Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten eeuwigen dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, wanneer gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw avontuurlijk leven afzien.”

“Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne verheven gebiederesse strekt,” antwoordde Don Quichot al kreunend en zuchtend. “Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf ridder mijn woord in alles gestand blijven.”

Na het ontvangen van deze toezegging wierp de ridder der zilveren [225]maan zijn paard om, maakte voor Don Moreno en zijn geleide eene beleefde buiging en reed heen in galop.

Onderwijl werd de gevelde dolende ridder van den grond opgetild, zijn gelaat ontdekt en hem de helm afgenomen. Hij droop van zweet en was doodsbleek. Rocinante was zoo deerlijk gehavend, dat hij geen poot verzetten kon, en Sancho Panza toonde zich zoo bijster bedroefd en neerslachtig, dat men puur niet wist, wat met den armen sukkel aan te vangen. Sancho dacht, dat alles een droom of een werk van booze toovenaars en heksenmeesters was, nu hij zijn dapperen heer daar zoo uit den zadel gelicht, tegen den grond gekwakt en verplicht zag, om voor een rond jaar wapens, zwaard en lans neer te leggen. Dat leek hem ongehoord, ongeloofelijk toe. Lijdelijk zag hij toe, hoe Don Quichot in een draagkoetsje gepakt en naar de stad teruggebracht werd, terwijl hij zelf langzaam en met een bedrukt harte volgde.

Wij moeten nu verklaren, wie eigenlijk de ridder van de zilveren maan en wat zijne bedoeling was. Don Moreno vernam dat eerst, toen hij in al de logementen der stad naar hem vroeg, hem vond en de volgende opheldering van hem verkreeg:

“Gij moet weten, mijnheer, dat ik Sanson Carrasco heet en een landsman van onzen ridder Don Quichot ben. Zijne gekheid ging mij en allen, die hem kenden, aan het hart, en daar ik het er voor hield, dat alleen ongestoorde rust in zijn eigen huis hem van zijne dwaze inbeeldingen genezen kon, ontwierp ik een plan, om hem die te verschaffen. Eerst ging ik, als spiegelridder verkleed, op weg, om met hem te vechten en, bleef ik overwinnaar, hem de belofte af te dwingen, dat hij voor een bepaalden tijd zijne tochten opgeven en naar huis terugkeeren zou. Het geluk liep mij echter tegen, want ik werd de onderliggende partij en bracht er met moeite het leven af. Evenwel liet ik mij door dien eersten tegenspoed niet afschrikken, maar verschafte mij nieuwe wapens en een beter paard, volgde het spoor van den goeden man en vond hem eindelijk hier, waar ik mijn doel bereikte. Dit is alles, wat ik u te vertellen heb, en ik verzoek u dringend, Don Quichot niet te verraden, met wien hij gevochten heeft, daar ik dan een [226]vergeefsch werk zou gedaan hebben. Onze vriend moet echter zijn verstand terugkrijgen, daar hij op die dwaze inbeeldingen en kuren na de beste en braafste mensch van de wereld is.”

Don Moreno beloofde het diepste stilzwijgen en Sanson Carrasco verliet nog dienzelfden dag de stad.

Onderwijl bleef Don Quichot zes dagen te bed liggen, was verdrietig, somber en nadenkend, en kon zijn ongelukkig gevecht met geen mogelijkheid uit het hoofd zetten. Sancho Panza zocht hem te troosten, zoo goed hij maar kon.

“Beste heer,” sprak hij, “laat den moed niet zinken en steek het hoofd maar weer op. Het ding is nog vrij gezegend afgeloopen, en al hebt ge al een harden smak gekregen, toch zijn al uwe ribben nog heel. Kom, laat ons naar huis terugkeeren en ons alle avonturen uit het hoofd zetten. Troost u met mij en bedenk, dat ik er in den grond nog bekaaider afkom, dan gij. Dat stadhouderschap mag naar de maan loopen; maar ’k had toch wel graaf of zoo wat willen worden. Doch hoe is daar kans op, nu gij naar huis moet en op uw koningschap weinig hoop meer is? Door uw ongeluk hebt ge meteen mijn spel voor altijd verbroddeld.”

“Zwijg, Sancho!” antwoordde Don Quichot op knorrigen toon. “Hoe kunt ge zulke onnutte jammerklachten aanheffen, daar ge wel weet, dat ik mijn heldenleven toch maar voor één jaar opgeven moet? Is die tijd voorbij, dan grijp ik weer naar lans en zwaard en, onder ’s hemels zegen, zal een koninkrijk dan wel niet uitblijven. Maar anders hebt gij gelijk. Ik wil alle donkere gedachten uit mijn hoofd zetten en zonder verwijl op reis gaan naar huis. Zadel Rocinante en uw ezel, en pak mijne wapens op uw grauwtje, daar ik die nu toch een jaar lang niet dragen mag.”

Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.

Sancho kuierde te voet bij hem aan, daar zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen.

Ten hoogste verblijd, ging Sancho Panza heen, om aan de bevelen van zijn meester te voldoen. Deze zelf kwam uit zijn bed kruipen, trok zijn lederen kleeding aan en ging Don Moreno opzoeken, om dien edelen man voor zijne gastvrijheid te danken. Don Moreno omarmde hem hartelijk en wenschte hem allen bedenkelijken zegen en voorspoed. Daarop besteeg de dolende ridder Rocinante, en Sancho Panza kuierde te voet bij hem aan, daar [227]zijn langoor de wapens van den ridder moest dragen en hij ’t goede beest niet te zwaar belasten wou.

Zoo verlieten de beiden Barcelona, waar onzen ridder door zijne nederlaag ’t zwaarste leed had getroffen, dat hem, naar zijne gedachten, ooit op aarde kon overkomen.

[Inhoud]

Hoofdstuk XXIV.

Don Quichots tehuiskomst en dood.

De overwonnen ridder van den leeuw en de droevige figuur trok stil en bedrukt zijns weegs. De droefheid knaagde als een vretende worm aan zijn leven en deed zijne krachten bij den dag afnemen.

Eens, toen hij met Sancho Panza door een bosch reed, keerde hij zich na lang stilzwijgen eensklaps tot zijn reismakker en zeide:

“Sancho Panza, voor zoover ik weet, hebt gij u nog maar vijf van de slagen toegediend, die tot ontoovering van mijne Dulcinea vereischt worden. Zal ik haar zoet, liefelijk aangezicht ooit weer aanschouwen, dan moogt gij niet langer zoo traag zijn, maar moet voortaan wat vlijtiger tegen uw eigen vleesch woeden. Daar ik mij echter overtuigd heb, dat gij uit liefde tot mij dit offer niet brengen zult, stel ik u voor, iederen slag met klinkende munt te betalen. Overleg eens, wat gij eischen wilt, en begin dan maar dadelijk. Daar gij mijn geld in bewaring hebt, kunt gij u later zelf betalen.”

Bij dit aanbod spalkte Sancho mond en oogen open.

“Mijn gestrenge heer ridder,” zeide hij, “dat lijkt mij een heel verstandig voorstel toe, en uit liefde tot mijn vrouw en kinderen, [228]die dat geld goed gebruiken kunnen, wil ik het aannemen. Zeg op, hoe duur wilt gij iederen slag, dien ik mijzelf geef, betalen?”

“Bepaal zelf den prijs,” antwoordde Don Quichot.

“Ei, ’t zijn drie duizend drie honderd slagen,” zeide Sancho. “Vijf daarvan heb ik al beet, maar de rest blijft nog over. Om echter niet krenterig te wezen, wil ik die vijf niet meetellen, en dus komen we weer op drie duizend drie honderd. Reken ik nu voor iederen slag een quartillo, en dat is zuinig gerekend, dan geeft dat drie duizend drie honderd quartillo’s of acht honderd vijf en twintig realen1. Laat mij die som van uw geld afnemen, en dan zal ik, al doet mijn rug wat zeer, vergenoegd en tevreden naar mijn vrouwtje terugkeeren.”

“Sancho, gij zijt een juweel van een man!” riep Don Quichot. Ga dan maar terstond aan den gang, en als ge goed haast maakt, beloof ik u nog honderd realen extra.”

“Goed, om u genoegen te doen, wil ik van avond nog beginnen,” verzekerde Sancho Panza. “Onder den blooten hemel, midden in dit bosch zal mijne huid in flarden gaan en mijn bloed gestort worden.”

De avond, schoon voor Don Quichots ongeduld te traag en te langzaam, kwam eindelijk en breidde zijne donkere schaduwen over het geboomte uit. Ridder en knaap ontdeden tegen schemerdonker hunne dieren van zadel en tuig, legerden zich op het malsche gras en hielden in vrede hun sober avondmaal. Hierop maakte Sancho uit grauwtjes halster een stevig geeseltouw en ging alleen twintig passen dieper het bosch in, waarbij hij zorg droeg, zijn dik lichaam zoo goed mogelijk achter de boomstammen te verbergen.

“Vriend Sancho,” riep Don Quichot, toen zijn schildknaap zijne marteling zoo onverschrokken te gemoet ging, “vriend Sancho, zorg, dat ge uzelf niet doodslaat, en overhaast u niet zoo, dat ge te gauw buiten adem raakt. Nu, ga uw gang en wees verzekerd, dat [229]ik iederen slag, dien ge u geeft, nauwkeurig zal tellen. De hemel sterke u onder uw loffelijk werk.”

“Wees zonder zorg, heer; ik zal mij taai houden,” riep Sancho terug. “De pijn zal mij zoo gauw den dood niet doen.”

Hij trok zijn buis uit, ontblootte zich het bovenlijf tot aan den gordel en zwaaide zijn geeseltouw met macht en geweld. Klits, klats! vielen de forsche slagen neer, en Don Quichot begon te tellen.

Vijf of zes klappende slagen waren gevallen, toen hij ophield en riep: “Heer, ik heb te weinig gerekend! Ieder van deze slagen is op zijn minst een halven reaal waard.”

“Sla toe! Sla toe, Sancho!” riep Don Quichot. “Ik verdubbel den bedongen prijs.”

“Goed; dat blijft zoo afgesproken,” antwoordde Sancho, en klits, klats ging het opnieuw.

Don Quichot was natuurlijk van meening, dat Sancho Panza zijn eigen vleesch kastijdde; doch daar vergiste hij zich in, want de slimme deugniet sloeg, in plaats van op zijn rug, op de omstaande boomen los, en liet van tijd tot tijd eens een luider of zachter kreet hooren, om zijn meester in zijn goed geloof te versterken. Deze werd intusschen door Sancho’s voorgewende pijn en smarte tot diep in de ziel geroerd, en toen de geeseling eene goede poos geduurd had, riep hij hem toe, dat hij nu vooreerst maar uitscheiden moest.

“Naar mijne berekening hebt ge al ruim duizend slagen doorgestaan, en dat is voor één keer voldoende,” riep hij.

“Neen, neen, gestrenge heer,” antwoordde Sancho. “Ik houd vol, tot ik althans twee duizend op mijn baaitje heb. Op die manier is ’t in tweemaal beredderd en ben ik ’t gauwst van het ding af.”

“Nu dan, als dat uwe vrije verkiezing is, wil ik u niet tegenhouden,” sprak Don Quichot. “Sla toe dan maar, zoo lang gij kunt en wilt.”

Sancho begon zijn werk met nieuwe krachten en met zulk een ijver, dat de boomstammen onder zijn bereik bijna al hun bast verloren. Eens bracht hij een ouden beuk een slag toe, die door [230]het halve bosch dreunde, en schreeuwde daarbij: “Hier sterft Simson en alles, wat bij hem is.”

Nu kon Don Quichot het lijden van zijn armen schildknaap niet langer uitstaan. Hij liep op hem toe, hield zijn geeseltouw vast en riep: “Houd op! Ik kan niet langer aanhooren, hoe gij om mijnentwil kreunt en huilt. Denk aan vrouw en kind, en draag zorg, dat gij voor hen behouden blijft. Dulcinea mag wachten, en ik wil in hoop leven, tot gij weer nieuwe krachten hebt verzameld.”

“Zooals gij wilt, heer!” antwoordde Sancho Panza. “Wees echter nu zoo goed, mij uw mantel om te hangen, dat ik geen kou vat; want ik zweet als een oliekoek.”

De goedgeloovige ridder haalde zijn mantel, pakte Sancho als een bakerkind in, en legde zich toen met hem onder de boomen neder. Met de zon stonden zij echter weer op en vervolgden hun weg.

De volgende nacht gaf Sancho gelegenheid, om zijne boete geheel te volbrengen, en hij gebruikte dien, evenals den eersten, om niet zijn eigen rug, maar de arme basten der boomen met vreeselijke woede te kastijden. Don Quichot telde iederen slag, en toen de laatste viel, was hij hoogst verblijd en kon nauwelijks den dag afwachten, om te zien, of Dulcinea van Toboso dan ook in den vollen glans hare herkregen schoonheid voor hem zou staan.

Voor dag en dauw zat hij weer te paard en keek onderweg elk vrouwelijk wezen aan, om in haar de onttooverde prinses te herkennen. Maar de dag verstreek en toen het avond werd, gaf Don Quichot den moed verloren en hing als half suf en wezenloos op zijn paard. Droefgeestig zag hij voor zich neer, en zelfs Sancho’s kluchtigste uitvallen vermochten hem geen lachje af te persen. Eindelijk ontdekten de beide zwervers hun dorp en bereikten dat, voordat het nog ten volle donker was. Toen zij de straat doorreden, zag Don Quichot twee jongens op een dorschvloer en hoorde den eenen zeggen: “Geef je geen moeite, Periquille; je zult haar je leven lang niet weerzien.”

Bij het vernemen van deze woorden, zuchtte de ridder, alsof zijn hart breken zou, en zeide tot Sancho: “Hebt gij gehoord, wat die [231]jongen zei? Ik zal Dulcinea mijn leven lang niet weerzien.”

“Malligheid! Malligheid, edele heer!” riep Sancho lachend. “Die jongen meent heel wat anders.”

“Neen, neen,” antwoordde Don Quichot zwaarmoedig, “’t Is eene voorbeduiding en ik weet, dat mij zwaar ongeluk boven het hoofd hangt.”

Zonder naar Sancho’s troostend antwoord te luisteren, reed hij bedrukt verder en bereikte spoedig zijn huis, waar hij door zijne nicht, zijne huishoudster, den pastoor en Sanson Carrasco met groote blijdschap ontvangen werd. Ook vond hij er de vrouw van Sancho, die terstond beslag op haar man legde en hem met niet al te zachte en zoete woordekens welkom heette.

“Vrouw, zwijg stil!” zeide Sancho. “Ik breng een zak vol geld mee, en heb dat zuur, maar eerlijk verdiend.”

“Nu, als je geld meebrengt, wil ik je weer in genade aannemen, beste manneke,” antwoordde de vrouw op geheel veranderden toon. Zij omarmde hem, zoende hem, dat het klapte, pakte hem onder den arm, nam grauwtje bij den teugel en stapte zoo triomfantelijk naar huis.

Terwijl zij zich thuis Sancho’s avonturen liet vertellen, maakte Don Quichot zijne vrienden en verwanten met zijne lotgevallen en ontmoetingen bekend en verzweeg niet, dat hij overwonnen was geworden en de plechtige belofte had afgelegd, een vol jaar in werkeloosheid onder zijn eigen dak te zullen doorbrengen.

Men beklaagde hem, zonder hem te laten merken, hoe bij dien laatsten kampstrijd de vork in den steel had gezeten, en de huishoudster noodigde haar meester eindelijk uit, aan tafel te komen en zich door een duchtig avondmaal te sterken.

“Neen, goede vrouw, ik weet beter, wat mij dient,” antwoordde Don Quichot zwaarmoedig. “Breng mij te bed en laat mij slapen, want het is, alsof ik eene ziekte onder de leden heb.”

Aan zijn bleek en vervallen uitzien merkten de overigen zeer goed, dat de arme ridder werkelijk ziek moest zijn, en daarom verzette zich dan ook niemand tegen zijn verlangen. Hij werd te bed gebracht, om daar niet weder van op te staan. [232]

Het verdriet over de in zijn oog vernederende nederlaag, die hij had geleden, tastte hem hevig aan en haalde hem eene koorts op den hals, die hem spoedig aan den rand van het graf bracht. Zijne vrienden pasten hem wel met alle zorg op en lieten een dokter komen; doch de middelen, die deze voorschreef, misten de gewenschte uitwerking, en de toestand van den lijder verergerde van dag tot dag, zoodat de dokter zijn naderend einde voorspelde.

Toen de overigen, onder wie ook Sancho Panza, van deze uitspraak kennis kregen, waren zij sterk aangedaan, en alleen Don Quichot zelf behield zijne bedaardheid.

“Gaat heen,” zeide hij, “en laat mij slapen; zoodra ik weer wakker word, zal ik u laten roepen.”

Allen gingen op zijn verlangen de kamer uit, en hij sliep nu wel zes uren achtereen. Bij zijn ontwaken was het, alsof hem op eens de blinddoek van zijn oogen was gevallen, en met luider stem riep hij, dat hij al zijne verwanten en vrienden nog eens wenschte te zien. Zij kwamen en schaarden zich rondom zijn ledikant.

“Waarde en lieve vrienden,” sprak hij, “de genade des hemels heeft groote dingen aan mij gedaan en mijn verstand van de nevelen bevrijd, die het zoo lang verdonkerd hebben. Nu, daar mijn einde nabij is, zie ik in, dat mijn leven eene groote dwaasheid en dwaling was, waartoe alleen het lezen van die ellendige ridderromans mij gebracht heeft. Mij bedroeft niets, dan dat ik zoo laat tot dit inzicht ben gekomen en dat mij geen tijd meer vergund is om mijne verkeerdheden weder goed te maken. Ik weet, dat ik een dolzinnige dwaas was, terwijl ik mij inbeeldde, een groot held en vermaard dolend ridder te wezen, en het eenige, dat mij troost, is, dat ik gedurende mijne verblindheid alleen zotternijen en dwaasheden, maar geen misdaden heb begaan. Mijn einde is nabij; brengt mij dus een biechtvader, wien ik mijn zonden bekennen en een notaris, wien ik mijn laatsten wil opgeven kan. Haast u, want de minuten zijn kostbaar.”

Verwonderd zagen allen elkaar aan en waren verblijd dat zoo den armen krankzinnige nog in de laatste ure het helder licht der [233]rede werd teruggeschonken. Zij weenden bitter, doch verzuimden daarbij niet, dadelijk aan het verlangen van den stervende te voldoen. Deze biechtte den pastoor en liet daarop zijn testament opstellen, waarbij hij al zijne have en goed aan zijne arme nicht vermaakte met de bepaling, dat deze aan de oude huishoudster haar leven lang den kost moest geven en nooit een man mocht trouwen, die een vriend van avontuurlijke ridderromans en soortelijke geschiedenissen was. Aan Sancho Panza kende hij een aardig legaat toe, en de pastoor zou tot aandenken zijn helm en zijne verdere wapenrusting bekomen.

Nadat men hem de beschikking had voorgelezen, knikte hij tevreden met het hoofd, zeeg toen op de kussens achterover, strekte zijn lang lichaam tot zijne volle lengte uit en sloot de oogen. Allen schrikten, schoten toe en bevonden, dat de ziel van den armen avonturier zacht en vredig ter eeuwige ruste was ingegaan.

Zoo was het uiteinde van Don Quichot van La Mancha. Onder tranen werd hij begraven, en op zijn grafsteen liet Sanson Carrasco het volgend opschrift beitelen:

“Hier ligt de dappere, die alles overwinnen kon, behalve den dood. Bij zijn leven was hij dwaas, op zijn sterfbed echter werd hij wijs, en allen die hem kenden, betreurden hem.”

Sancho Panza leefde nog lang, vroolijk en zonder zorgen, en men zegt, dat hij dagelijks het graf van zijn ouden heer bezocht heeft. De schildknaap was een schelm, maar niet ondankbaar en had de herinnering van zijn heer tot aan zijn eigen dood van harte lief.


1 Een quartillo is het vierde van de Spaansche koperen reaal, welke laatste de waarde van omtrent 12½ cent heeft.

Inhoudsopgave

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

Oorspronkelijke titel: El ingenioso hidalgo Don Quijote de la Mancha., verschenen 1605–1615.

Gerelateerde WorldCat catalogus pagina: 63951222.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.

Documentgeschiedenis

  1. 2009-03-19 Begonnen.

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
2 poetsens poetsen
8 losgegepst losgegespt
28 onbijt ontbijt
62 [Niet in bron]
71 [Niet in bron]
75 [Niet in bron]
76 [Niet in bron]
77 [Niet in bron]
87 [Niet in bron] .
92 wezenzenlijke wezenlijke
96 , .
100 beevaartgangers bedevaartgangers
101 wachten wachtten
103 een en
104 VIII XIV
109 [Niet in bron]
109 [Niet in bron]
109 [Niet in bron]
109 [Niet in bron]
109 [Niet in bron]
110 [Niet in bron]
110 [Niet in bron]
114 anwoordde antwoordde
114 nababijheid nabijheid
119 kont komt
122 voorstoof voortstoof
123 [Niet in bron]
127 [Niet in bron]
130 [Niet in bron]
132 [Niet in bron]
132 Sanso Sanson
134 [Niet in bron]
135 vreeg vroeg
137 val zal
164 [Niet in bron]
165 houdden houden
179 [Niet in bron]
181 inden in den
182 Magelona Magalona
186 ; ,
189 [Niet in bron]
195 [Verwijderd]
198 korste kortste
198 blaast blaas
201 [Niet in bron]
206 trotscheid trotschheid
207 op zij opzij
208 op eens opeens
221 [Niet in bron] .