The Project Gutenberg eBook of Per auto door den Kaukasus naar Perzië

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Per auto door den Kaukasus naar Perzië

Author: Claude Anet

Release date: November 4, 2006 [eBook #19712]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK PER AUTO DOOR DEN KAUKASUS NAAR PERZIË ***



[85]

Per auto door den Kaukasus naar Perzië.

De breede en eenige straat van Batsji-Seraï.

De breede en eenige straat van Batsji-Seraï.

Reizen, wat is het heerlijk, wat is het schoon! Men hecht eerst recht waarde aan de dingen des levens, als men op het punt is, ze te verliezen. Zou dat het geheim van de bekoring van het reizen wezen? In snelle opeenvolging ontdekt men telkens nieuwe landschappen, maakt kennis met oude en jonge steden, betreedt tempels en paleizen en vindt eenzaamheid en stilte, waar eens drukte van leven heerschte en men voelt, dat het alles u ontsnapt op het oogenblik van het eerste aanschouwen.

Wij zijn gereisd naar Midden-Perzië en hebben de rozen van Ispahan geplukt. We zijn niet de gewone wegen gegaan, want in plaats van met den trein naar Bakoe te stoomen, besloten we een deel van het traject en wel een zoo groot mogelijk deel per automobiel af te leggen. Zoo zijn we dan ook met onze machines in Bessarabië geweest, een land, dat nog lang terra incognita voor auto’s blijven zal. De Krim hebben wij bezocht, en in den Kaukasus hebben regen en sneeuw ons opgehouden. Toen we eenige uitstapjes hadden gedaan rondom Batoem en Koetaïs, hebben wij den trein genomen en de auto’s deden hetzelfde. In Perzië heeft één van ons geprobeerd, over de bergen bij Tabris het hooge plateau van Iran te bereiken, terwijl wij anderen in de automobielen de tweede heilige stad van het rijk der Shahs, Koem, bezochten. En toen we daar waren in de zesde week van onze reis, nadat we groote moeilijkheden hadden overwonnen, gevoelden we ons wel ver van Parijs en de onzen; maar we hebben te Ispahan een onvergetelijke week doorleefd.

Wij hadden twee jonge vrouwen meegenomen, of eigenlijk hadden zij ons meegevoerd, zoo groot en levendig waren haar enthousiasme, haar vroolijkheid, haar moed, haar wensch om het doel te bereiken. Zij waren gewend aan weelde en niets doen, aan comfort van allerlei aard; maar ze hebben met ons meegemaakt de nachten zonder slaap, gedeeld de onvoldoende maaltijden, de slechte, vuile herbergen, de koude van den vroegen morgen, den ijzigen wind der bergen en de hitte, die des middags uit de woestijn opstijgt.... Zij zijn te Ispahan geweest, en allen zijn we teruggekeerd.

Hoe konden zeven menschen van gezonde zinnen op het denkbeeld komen, per auto naar Perzië te gaan?

De wensch om met zijn auto eens een anderen weg te rijden dan van Toulon naar Nice, deed een mijner vrienden, prins Emanuel Bibesco, een reis ondernemen langs de Corniche van de Krim. Hij ging er eerst heen, zonder van huis te gaan, namelijk [86]door in zijn Baedeker te lezen en kaarten te bekijken. Baedeker leerde hem o.a., dat er een stoombootdienst bestaat van Sebastopol naar Batoem in den Kaukasus. Op dien tijd, het was in Januari 1905, sprak hij er mij over.

Men zou al heel weinig van aardrijkskunde moeten weten, om niet te hebben gehoord, dat de Kaukasus een land van prachtige bergen is, en dat de Russen er wegen hebben aangelegd. Zoo bereisden wij dan den Kaukasus, altijd op dezelfde luie manier, reden door dalen en over passen, om in steden uit te rusten. We kwamen op de kaart te Bakoe aan de Kaspische Zee. Die hield ons tegen.

Toen kwam Emanuel Bibesco weer bij mij.

“Weet je, waar Resjt ligt?” vroeg hij.

“Resjt in Perzië?”

“Resjt in Perzië!”

“Niet heel ver van de Kaspische Zee, ten zuiden.”

“Weet je nog wel, dat wij al te Bakoe zijn geweest?”

“Ik zie nog de kozakken in de straten.”

“Er gaan tweemaal ’s weeks stoombooten van Bakoe naar Enzeli, de haven van Resjt....”

Mijn hart begon onrustig te kloppen.

“En van Resjt naar Teheran,” ging hij voort, “hebben de Russen een uitmuntenden weg aangelegd van 325 kilometer, waar de automobielen...”

“Zeg maar niets meer. Wanneer gaan we?”

We hebben drie maanden aan de voorbereiding besteed.


Er kwamen slechte berichten uit Rusland, zeer slechte berichten, maar niets hield ons terug. In de eerste dagen van April waren wij allen te Boekarest. Daar zal ik u voorstellen ons gezelschap, prins Georges Bibesco, verdienstelijk sportsman en zoon van een Bibesco, die in dubbele mate Franschman heeten mag door de twee oorlogen, waar hij aan deel nam, dien van Mexico en dien van 1870; dan zijn zeer jonge vrouw, die altijd bloemen had en die evenveel van verzen hield als van bloemen, terwijl zij er zelve zeer mooie maakte; verder haar nicht mevrouw Michel C. Phérékyde en den man van deze laatste, oud-leerling van Louis-le-Grand; prins Emanuel Bibesco, den ontwerper van deze reis, die in Rusland en den Kaukasus de verantwoordelijkheid voor onze expeditie op zich nam; den heer Leonida, roemeensch sportsman, en mijn persoon.

Buitendien onze drie chauffeurs, Keiler, een Zwitser, Eugène, een Franschman, die niet van de zee hield, en den melancholieken Giorgi, een Roemeen. Zij hadden nog wel eens reden, zich te verbazen dat wij op deze wijze voor ons pleizier reisden.

Laat ons vooral ook niet vergeten de drie wakkere automobielen, die ons vervoerden, een Mercedes van 40 paardenkrachten, een open wagen met kap; dan een Mercedes van twintig paardenkrachten, en een Fiat van zestien, alle van hetzelfde jaar en denzelfden aard.

Gedurende twee dagen en twee nachten rolde ik in expresstreinen naar het oosten; ik reed over München, Weenen en Boedapesth, maar den elfden April ging het dan werkelijk naar Perzië, en wij waren tegen negen uur in den morgen bijeen in het hôtel op den boulevard te Boekarest. We zagen er schilderachtig uit in onze stofmantels, regenmantels, bont, verschillende petten, gevoerde handschoenen, laarzen, slobkousen, putties en wat niet al, dat toonde, hoe wij niet maar voor een paar dagen op reis gingen. Bloedverwanten en vrienden waren bij het vertrek aanwezig.

Buiten stonden automobielen te puffen in de koude lucht. Ze behoorden aan leden van de Automobielclub van Roemenië, die ons zouden geleiden naar Giurgevo aan de Donau, waar we aan boord van een oostenrijksche stoomboot zouden gaan, want deze autoreis begint met de boot.

We zouden onze machines in Galatz weervinden, om door Bessarabië te rijden.

De lucht was helder en de barometer stond goed. We moesten den volgenden en daarop volgenden dag mooi weer hebben, want de bessarabische wegen zijn niet veel meer dan voetpaden door weeke aarde.

Omhelzingen, handdrukken, eerste genietingen van photografietoestellen, en we zeiden Boekarest vaarwel. Er liggen zestig kilometer tusschen die stad en Giurgevo, kilometers van een goeden roemeenschen weg, wat gelijk staat met een middelmatigen franschen. Het land was vlak met een paar reeksen niet zeer hooge heuvels. Ik zocht de Donau aan den horizon, maar vond ze niet. Te Giurgevo hadden we een zeer vroolijk ontbijt. De musici uit de plaats kwamen uit hun schoen- en kleermakerswerkplaatsen, trokken hun beste jas aan en maakten muziek voor ons; daarna dansten we in de groote societeitszaal. Zullen we ook te Teheran dansen?

Laat ons nu naar de Donau gaan, die een paar kilometer van de stad is verwijderd. Daar is het gele water, en aan den overkant in de verte de bulgaarsche oever. Bij de aanlegplaats der booten vonden we onze bagage, die met den trein was gekomen. Ieder van ons zocht alles na, om te zien of alle doozen en koffers en valiezen en shawls waren meegekomen.

Ik bewonder die reizigers, die, als ze naar verre landen en onbekende streken gaan, het nooit over hun bagage hebben. Het schijnt wel, of zij geen lichamen van vleesch en bloed hebben, en of ze ongevoelig zijn voor kou en regen, dorst en honger. Zulke reizigers zijn wij niet. Wij hebben schoon linnen noodig en nog allerlei andere dingen, en het meesleepen van al die benoodigdheden is een dagelijksche zorg van de reis. Elken dag moesten we valiezen in en uitpakken, dekens en shawls oprollen en ontvouwen, als men doodop is van moeheid. De lezer wordt verzocht medelijden met ons te hebben, maar bij onze manier van reizen is het onvermijdelijk.

Wij zijn met ons zevenen reizigers en drie chauffeurs. We hebben ieder recht op twee valiezen, ten onrechte handvaliezen genoemd. Alleen onze photografietoestellen vormden een heel bataljon. Ook waren er koffers, die op eigen gelegenheid treinen namen of booten of met de post reisden. Ze maakten een plezierreisje, en heel zelden ontmoetten wij ze op onzen tocht. We vonden ze soms op het onverwachtst en altijd met hetzelfde verbaasde genoegen.

Op het dek van de Donaustoomboot waren we zelf [87]verwonderd, dat we nu heusch vertrokken waren. Het was een eentonig landschap, en de rivier was zoo breed, dat men bijvoorbeeld licht den oever van een eiland in de rivier voor den tegenoverliggenden oever der rivier kan aanzien. Den 12den April waren we te Braïla, een groote roemeensche uitvoerhaven, leelijke en moderne stad, en toen volgde Galatz, waar wij ons moesten inschepen op een russische stoomboot, die naar Odessa ging. We vonden de auto’s op de kade. Ze moesten nu aan boord worden gebracht en dat was geen gemakkelijk werk. Een platboomd vaartuig kwam langszij met de wagens; maar de stoomboot had geen kraan, sterk genoeg, om ze op te hijschen. Een losse brug leidde van de kade naar de schuit, en van daar legde men balken en planken naar het dek van de stoomboot. Het was een helling van 40 ten honderd. Georges Bibesco bracht den motor in beweging; de raderen draaiden. Dertig arbeiders en russische matrozen tilden het zware ding op, en eindelijk was de machine aan boord. De beide andere werden op dezelfde manier opgeheschen. De inscheping duurde twee uren, en daarbij klonken vrijwat vloeken, russische, roemeensche, turksche en zelfs fransche. Onze ooren raken langzamerhand gewend aan het niet en het da der Slaven. Emanuel Bibesco heeft er spijt van, dat hij zoo gemakkelijk talen leert en van zijn onvoorzichtigheid, Russisch te leeren, want reeds vallen wij hem lastig met allerlei vragen.

Op de Corniche van de Krim.

Op de Corniche van de Krim.

We hadden heel wat vertraging toen we van Galatz vertrokken, iets, waarom de kapitein zich niet bekommert. Op de kade zonden vrouwen uit het volk afscheidsgroeten toe aan een armen soldaat, die naar den oorlog ging, naar het verre, vreemde Mandsjoerije. Een uur na het vertrek waren we te Reni, russisch douanestation. Maar onze aanbevelingen waren gericht aan de autoriteiten te Ismaïlia, waar wij aan wal zouden gaan. Het duurde lang, voor het met de douane in Reni in orde was. Ze zeiden, dat ze moesten wachten op den Gouverneur-Generaal van Bessarabië. Bij voorbaat waren wij slecht te spreken over de russische ambtenaren. De Gouverneur kwam met een geleide van prachtige officieren. Hij stapte naar de auto’s op het dek, keek er naar en had een langdurig onderhoud met den kapitein. Reeds zagen we ons den voortgang verhinderd en allerlei moeilijkheden met de douane; maar toen de man weg was, hoorden we, dat hij bevel had gegeven, om op alle manieren onze reis door zijn gouvernement te vergemakkelijken.

Toen ging het verder de Donau af naar Ismaïlia; we kregen de eerste kozakken te zien; een ruiter op een klein paardje reed langs de rivier aan den linkerkant. Rechts ligt de roemeensche Dobroedsja, een vlakte, begrensd door lage bergen. Links is Bessarabië met kudden schapen, oude wilgen, zandige oevers, schaarsch gras, alles overgoten met een rosse tint.

Wie heeft ooit kwaad gesproken van de russische douane en politie? Laat men zoo iemand naar mij toe zenden. De douane en de politie vlagden te onzer eer; er werd geen enkel van onze acht-en-twintig valiezen en onze zes koffers geopend, en de chef van de politie bracht zelf de wapens naar beneden, die wij invoerden, het verbod daarbij over het hoofd ziende.

Een eigenhandige brief van den minister van binnenlandsche zaken bezorgde ons die gemakkelijke entree in Rusland. Zonder veel moeite werden de auto’s van boord gebracht, en op de kade stond het vol menschen. Arbeiders en handwerkslieden drongen op ons toe; heldere boerenoogen keken ons aan uit gebruinde gezichten; maar de stank, die uit de menigte opsteeg, was om iemand ziek te maken. Meer dan een uur moesten we het uithouden, terwijl een deel der bagage naar Odessa werd afgezonden en het andere op onze rijtuigen werd geladen.

De mensch is toch het vuilste dier der schepping. Hij is het vuilste van al wat bestaat, want op de straatsteenen regent het nog nu en dan; maar als het regent, kruipt de boer uit Bessarabië weg, en hij kent heelemaal het gebruik van water niet.

Eindelijk zijn we onder weg. De marschorde is de volgende. Eerst de groote Mercédes, dan de [88]kleinere met Leonida en dan de Fiat met de machinisten en de bagage. Zoo zijn wij zeker, dat als we wat krijgen, de chauffeurs ons te hulp kunnen komen.

We rijden op russischen grond. Het is zwaar werk. De weg tusschen de dunne boomen is vol steenen met hier en daar onverwachte kuilen. En daar op tien kilometer afstands van Ismaïlia houdt plotseling de weg geheel op. Mijn vrienden waren er niet zoo verbaasd over als ik, en ze dreven zonder haperen hun rijtuigen in het veld, de gaten volgend vóór ons, waar andere wagens hadden gereden. De grond was zacht, en we kwamen niet gauw vooruit. In regen zou dit spoor onberijdbaar wezen.

De kleine huurrijtuigjes van Odessa.

De kleine huurrijtuigjes van Odessa.

Zoo ging het verder over de donkere aarde, waar de boeren aan het werk waren met spannen ossen, tot de avond viel en het licht van onze lantaarns groote vlekken wierp over het eenzame land. Daar zagen we eindelijk een groepje huizen, het stadje Bolgrade, waar we onzen eersten nacht op russisch grondgebied zouden doorbrengen. Alle honden huilden ons tegen, toen wij bij de herberg stilhielden, en toen we het binnenplein opreden, stonden eenige gorodovoïs of agenten van politie bij den ingang van de poort, om anderen den toegang te beletten, want wij werden verwacht.

De binnenplaats was ledig, en op de markt buiten waren veel menschen bijeen. Door een merkwaardig verschijnsel van endosmose filtreerden de boeren één voor één door de deur, die door de agenten gesloten werd gehouden.

Bolgrade! Wij hadden de ergste verwachtingen, en we waren voorbereid op vuilheid, ongedierte, middelmatig voedsel, want het was immers een gat, dat Bolgrade! En ziedaar wat een verrassing! In een gebouw aan de plaats waren vier kamertjes met witte muren en lakens in ijzeren ledikanten! Er werd ons een dragelijk maal voorgezet, dat met een heerlijk bessarabisch wijntje werd besproeid.

Ons troepje was in de beste conditie. Wat is het goed geweest, dat we zijn gegaan, en niet hebben geluisterd naar de ongeluksprofeten, die ons allerlei rampen voorspelden!

Den volgenden dag stonden we om zeven uur op voor een langen dag in de automobiel. We hebben 250 kilometer te doen, om in Ackermann, de groote stad aan den mond van de Dnjester, te gaan logeeren.

De ervaring van den 12den had ons geleerd, dat we niet aan snelheid moesten denken, en dat als er regen kwam, we niet vooruit zouden kunnen. Dadelijk ’s morgens raadpleegden we mijn reisbarometer. Helaas, die stond laag, op 740 millimeter. Wijze menschen zouden in Bolgrade den trein naar Odessa hebben genomen; maar wij hebben Parijs en onze zaken niet verlaten om wijs te wezen; het regent nog niet, en wij zullen per auto gaan.

Om negen uur konden we vertrekken. Te laat, want we kenden nog niet den tijd, die noodig was om onze acht-en-twintig stuks handbagage te pakken en op de auto’s vast te maken. Toen we dien kenden, was het trouwens hetzelfde, en we gingen voort met te laat te vertrekken, daar het ons tot gewoonte was geworden.

[89]

Rivierovertocht in de bosschen boven Yalta.

Rivierovertocht in de bosschen boven Yalta.

Boven Bolgrade ging het eerst tegen een heuvel op en van de hoogte overzagen we het vlakke land Bessarabië, zonder boomen, met hier en daar een heuvel of een ouden observatiepost van de romeinsche legers onder Trajanus. De grens van het groote rijk liep hier langs; aan den anderen kant was het gebied der barbaarsche Sarmaten. Op een mijl afstands kon men in de totale eenzaamheid de figuur van een enkelen herder zien, die bij onze nadering vluchtte. Als een eindelooze zee lag het land met kleine golfjes, en de weg was afschuwelijk, vol modderkuilen, en nu eens driehonderd meter breed, dan niet breeder dan drie meter. Een weg is namelijk in Bessarabië iets, waar geen ingenieur aan te pas is gekomen, een ding, dat net doet wat het wil. Als zoo’n weg een kloof ziet, loopt hij er pardoes in, net als in een rivier, en dat is eigenlijk nog het beste, want als men een brug heet te hebben aangelegd, is alles veel moeilijker. Dan zijn er gaten en kuilen tusschen de steenen, dat men er een wiel in moet verliezen. We doen niet meer dan twintig kilometer in het uur, en we worden geschud, alsof we honderd deden op de mooie, gladde wegen van Ile de France.

Daar begon het te regenen, een dichte, harde regen, en al spoedig was de weg doorweekt. Onze Mercédes deed al haar best, maar zakte al dieper weg en de modderkuilen waren zoo week, dat onze carter1 den grond raakte. De groote Mercédes zat vast. Waren we maar niet zoo ver nog van Tatar-Boenar, waar we zouden dejeuneeren! De twee wagens van de anderen waren niet in het gezicht. Wat zou hun overkomen zijn?

Na een uur hield de regen op en met verbazende moeite werd de wagen uit den kuil getrokken. De dames vonden nog viooltjes in een sloot, welkome ontmoeting in de wildernis. Maar toen moesten wij terug, om de anderen te zoeken, en we vonden ze in een droevigen toestand; de kleine Mercédes worstelde tegen een heuvel op en toen ze eindelijk in een armoedig dorp was gekomen, waren er allerlei reparaties noodig. Ten laatste arriveerde ook de auto der machinisten, die maar niet konden begrijpen, wat wij voor ons pleizier in Bessarabië deden.

In het armoedige dorp La Fontaine aux Fées, werd ons de herberg gewezen, tegelijk kruidenierswinkeltje. Er was niets eetbaars en wij behielpen ons met harde eieren. Wij hielden raad. Wat te doen? We waren nog veertig kilometer verwijderd van Tatar-Boenar, een stadje van 5000 inwoners volgens Emanuel, die de boeken en kaarten heeft bestudeerd. Zullen wij zoo gelukkig wezen, vandaag nog daar aan te komen en dan morgen Ackermann bereiken? Maar beter weêr is er voor noodig, dat hebben wij bemerkt.

Zou het niet beter zijn, naar Bolgrade terug en dan toch met den trein naar Odessa te gaan?

Er zou iets smadelijks zijn in dien laatsten maatregel, zich te laten overwinnen door de bezwaren van den weg en dat op den allereersten dag! Neen, de lucht klaarde op; de barometer heeft neiging om te stijgen, de grond moet wat opgedroogd zijn, nu het in de laatste drie uur niet heeft geregend, dus wij vertrokken naar het onbereikbare Tatar-Boenar.

Wij lieten in het dorpje Leonida achter met zijn wagen en zijn chauffeur, die ons later zou volgen en tegen half zes gingen we weer op weg. De aarde was nog week en kleefde aan de wielen; het ging niet veel beter dan des morgens, maar we kwamen toch vooruit. We reden nog een eind om, moesten weer de lantaarns aansteken, maar arriveerden dan toch in dat Tatar-Boenar, waar we om twaalf uur hadden willen zijn. Nu was het tien uur in den avond.

We verdronken bijna in de straten, die slechts modderpoelen waren. De commissaris van politie hield ons voor verdachte lieden, en wij wilden maar van hem het hôtel hebben, dat ons hier was beloofd. Er was intusschen geen hôtel, en bij het zien van het plaatsje moest men zich wel afvragen, waarom daar ook een hôtel zou zijn. Sedert het ontstaan van het nest is er stellig nooit een West-Europeaan geweest, [90]en na ons zal er wel nooit meer een komen.

In een vieze herberg bood men ons het eenige, wat men had, een onsmakelijk kamertje met drie bedden, vlak op elkaar. Er was een niet te beschrijven reuk, en men kon er niet aan denken daar een oog dicht te doen.

Toen sprak Emanuel Bibesco, die onze ontmoediging zag, over Ackermann, een stad van 80,000 inwoners, met prachtige hôtels, zindelijke bedden, baden en smakelijk eten. Hij beweerde, dat er ons nog geen zestig kilometer van scheidden. “Laat ons hier een uur uitrusten, laten we soupeeren, daar wij niet geluncht, noch gedineerd hebben, en laten we dan om elf uur vertrekken, dan zijn wij om één uur in den morgen in dat gezegend Ackermann.”

Ik trachtte nog wat verstandigs te zeggen, door erop te wijzen, dat we een tocht vóór ons hadden, die even lang was als die van ’s morgens door een onbekend terrein en mogelijk in den regen, en dat alles ’s nachts. Maar ik liet mij overreden. Tatar-Boenar had ons te erg teleurgesteld. De dames waren bereid voor den nachtelijken tocht, en we zouden gaan. Doch eerst soupeeren!

Dat was ook al niet gemakkelijk. Er was niets te eten. Eindelijk kwam een blikje verdroogde sardines voor den dag en een stuk worst. Wij aten sardines en worst, tot in de kamer naast de onze veel menschen kwamen en de reuk zoo ellendig werd, dat men niet eten kon. Om elf uur zouden we juist gaan, toen het valies van Emanuel Bibesco bleek te ontbreken. Iemand had er zich in den donkeren nacht mee uit de voeten gemaakt. Wij lieten den commissaris roepen, die niet verbaasd was. Keller zou met hem de herberg doorzoeken. Keller kwam terug, verontwaardigd, want men had hem niet overal willen toelaten. Levendige discussies; nieuw onderzoek van de herberg. Onnoodig te zeggen, dat het kostbare valies niet werd teruggevonden. Het bevatte, behalve linnengoed en kleederen, gidsen voor de geheele reis, gidsen, die, zooals blijken zou, onmisbaar voor ons waren.

Tegen half twaalf verlieten wij het verfoeilijke Tatar-Boenar met een wegwijzer op de trede van onzen wagen, om ons den weg door de stad te wijzen.

Het bevel werd gegeven, elkaar niet uit het oog te verliezen. Voorop reed de groote Mercédes; ik zat in het rijtuig van de machinisten, en Leonida was nog niet weer bij ons.

Wij reden zoo snel mogelijk, zonder veel te vorderen, want de weg werd al gauw afschuwelijk. De nacht was stikdonker. Wij verloren het voorste rijtuig uit het oog. De chauffeurs werden bang, en onze lantaarn ging bijna uit. Voorzichtig ging het verder, maar daar zagen we in de verte een licht; dat was onze voorrijder, die ons wachtte.

Hoe laat is het? Eén uur in den morgen. Waar zijn dan de lichten van Ackermann? Ik hoor lachen van de dames in den grooten wagen.

Vooruit maar!

Telkens zaten we vast in kuilen, waaruit soms de groote Mercédes ons moest helpen. Toen het drie uur was, lachte men niet meer in het groote rijtuig. Altijd de woestijn om ons heen en geen Ackermann, geen Ackermann! Eindelijk wat daglicht in het Oosten en een paar karren op den weg, en toen we nog een half uur hadden afgelegd, verschenen voetgangers en huizen, een bedompte voorstad en werklieden, die zich naar hun werk begaven. Dat is de stad.

Waar is het hôtel? Er is geen hôtel, maar een vuile herberg, waar ze ons kamers geven zonder lucht, die op een binnengalerij uitkomen. Dat is nu het beloofde paleis!

Het is twee-en-twintig uren geleden, dat we Bolgrade hebben verlaten; wij hebben in dien tijd niet geslapen en maar heel weinig gegeten; we hebben doorstaan honger, regen, koude, gebrek aan slaap en vermoeienis. We hebben avonturen willen zoeken, welnu daar zijn ze, en we zijn er niet bijzonder mee ingenomen.

Twee uur van onrustigen slaap, toen moesten we opstaan, om Leonida te ontvangen, die den geheelen nacht had doorgereisd. Hier in Ackermann moeten we de Dnjester oversteken, die tien kilometer breed is. Dank zij den bevelen van den gouverneur vonden we voor de auto’s een schuit gereed liggen naast de stoomboot, waar we mee zouden worden overgezet.

Twintig kilometer ver was de overtocht over de rivier in schuine richting. Het was donker, want het scheen wel of de lucht op onze schouders rustte, en al gauw begon een fijne regen te vallen, die ons van het dek jaagde en de oevers voor ons verborg.

Te Ovidiopol had de politie gevlagd te onzer eere en stond erop, dat we thee gebruikten, wat we niet konden weigeren, maar wat ons lang ophield. Het was al vijf uur; maar we hadden ook maar 38 kilometer meer tot Odessa. Eindelijk reden we weg, en voor het oogenblik regende het niet.

Ik zal den weg niet beschrijven tusschen Ovidiopol en Odessa. De eenvoudige feiten zullen voor zichzelven spreken. Acht-en-dertig kilometer liggen tusschen de beide steden. Wij hebben meer dan vier uren noodig gehad, om ze af te leggen en we hebben geen ongeluk gehad.

We reisden weer in den nacht en kwamen om half elf aan.

Het kompas heeft diensten moeten bewijzen.

Meen niet, dat gij weet wat regenen is, voordat ge het in het gouvernement Cherson hebt bijgewoond. De aardrijkskundigen beweren, dat er in een jaar slechts veertig centimeters water te Odessa vallen; die hebben wij dan in twee uur tijd in hun geheel ontvangen. Een horloge, dat ik in den binnenzak van mijn tweeden overjas had onder een caoutchouc regenjas met de kap van het rijtuig omhoog, was bij aankomst vol water en modder! En ik was niet van mijn plaats geweest!

Maar dienzelfden avond lagen wij uitgestrekt in mollige fauteuils in het Hôtel de Londres te Odessa, en pas ontsnapt aan de gevaren van de reis door Bessarabië en Zuid-Rusland, maakten wij toebereidselen voor de Krimcampagne.

Ongehaast hebben we Odessa bekeken, want al moesten we eigenlijk den 15den naar Sebastopol vertrekken, we waren te moe en besloten te wachten op de boot van den 17den.

We gingen in de stad en daarbuiten uit rijden in belachelijk kleine rijtuigjes, waar iemand, die wat dik is, haast niet in kan zitten. We bekeken de [91]kathedraal en zagen de popen met lang haar als van vrouwen. We deden inkoopen van ingemaakt goed voor de Krim en brachten zoo drie prettige en nuttige dagen door.

Maandag 17 April namen wij met al onze colli’s, onze koffers en de drie auto’s de boot naar Sebastopol, en het bleek, dat we al een groote handigheid hadden verkregen in het inschepen van onze wagens. Den volgenden morgen verscheen de kust van de Krim voor onze oogen en in de diepte van een baai lag daar de stad. Wij zouden er slechts zoo lang blijven, als noodig was, om ons klaar te maken voor het vertrek met de auto’s naar de kleine tartaarsche plaats Batsji-Seraï. Ons program voor den dag was het volgende. Vroeg ontbijten en vertrek om elf uur naar Batsji-Seraï op 50 kilometer afstands; van daar in het Balbekdal omhooggaan, een pas overtrekken in de bergen boven Yalta en naar die bekende badplaats, het russische Nice, afdalen, die, naar ons gezegd werd, door het bergland honderd kilometer van Batsji is. Maar er worden ons mooie wegen beloofd. Dat werd ook tijd.

Van naam zijn de omstreken van Sebastopol genoeg bekend. Wie heeft geen herinneringen aan Alma of den Malakoff? Wij reden door Inkermann en bestegen den Malakoff heuvel, van waar we naar het Balbekdal zouden gaan. Men heeft de waarheid gesproken, want er waren wegen en goede. Het landschap was mooi, en een late lente had nog bloesems aan de amandelboomen gelaten. Te Batsji-Seraï wonen vijftien duizend Tartaren in een smal dal, een lange, schilderachtige straat, die maar niet eindigen wou. Alle inwoners liepen uit, om ons te zien.

Ik heb vaak op deze reis een gevoel, alsof wij alleen door zooveel landen trekken, om wat afleiding te bezorgen aan de bewoners van de verre steden, die we bezoeken. Wij moesten door een woest dal rijden en honderd kilometer afleggen door de bergen en over een pas, om te Yalta te komen.

Beneden was het dal dicht bevolkt, en we passeerden huisjes, in kleine tuinen gelegen bij velden, waar Tartaren werkten, maar daarna volgden eenzaamheid en stilte. Steil beklom de weg den berg. Ik zag de groote Mercédes honderd meter beneden mij en merkte hoe zij zonder moeite de scherpe bochten nam, en achter ons den wagen met de bagage, die er zich ook goed doorheen sloeg. Het werd avond; we zouden zeker niet vóór den nacht in Yalta wezen.

Wij stegen nog steeds langs den bezwaarlijken weg. Eindelijk waren we buiten het bosch en niet ver van den top van den pas, toen op eens een sneeuwmuur van een meter hoog zich voor ons verhief. De groote Mercédes nam een aanloop, maar zat al gauw in de sneeuw vast. Wat te doen?

Wij waren maar twintig kilometer van Yalta en toch moesten we omkeeren, niettegenstaande den erbarmelijken weg achter ons. Een honderd kilometer terug naar Sebastopol en nu in donker! Maar we hadden geen keus en daar ging het heen vliegensvlug naar beneden langs afgronden en remmend bij de scherpe bochten, terwijl de wind zich tot storm had verheven. Tegen elf uur waren we weer op den Malakoffheuvel. Daar sprong een band. Terwijl ze aan het repareeren waren, gingen wij op shawls op den grond liggen, doodop van vermoeidheid en honger. Daar op de kale aarde tusschen de steenen kwamen herinneringen aankloppen aan anderen, die er zoo hadden gelegen, vermoeider nog dan wij, zoo moe, dat het leven langzaam uit hen heenvloot op een avond als dezen, waarop de kogels floten als nu de wind.

Den volgenden morgen liepen wij door Sebastopol en ik trachtte de opschriften te lezen op de uithangborden van de winkels.

Waarom hebben de Russen toch zoo’n ingewikkeld letterschrift? Om het ons nog moeilijker te maken, hebben ze enkele letters van ons genomen, maar hebben die andersom gezet. Hun M is een T, hun P onze R. En dan verschillen de gedrukte letters van het loopende schrift en de hoofdletters van de gewone en zoo meer. Men mag zich dan ook gelukkig rekenen, als men er na een verblijf van eenige weken in is geslaagd, de opschriften te ontcijferen. Wat het lezen van een geschreven adres betreft, daarop moet men maar niet hopen.

Langs de beroemde Corniche van de Krim reden we in den namiddag naar Yalta. Ons eerste uitstapje was naar het klooster Saint-Georges. Om daar te komen, moesten we den grooten weg verlaten en vijftien kilometer door het veld afleggen. De boer, die ons terecht zou helpen, verdwaalde en bij een gracht moesten wij pontonnierswerk verrichten, om door vulling met aarde erover te kunnen komen. Onze dames, altijd vol moed, droegen mee steenen aan. Ofschoon ik te Parijs wel wat bezwaar had gezien in de deelneming van teêre en aan weelde gewende vrouwen aan onzen avontuurlijken tocht, hier was ik al lang gerust gesteld. Zij hadden steeds haar goed humeur behouden en onzen moed aangevuurd. Ik kan dus ieder aanraden, dames mee te nemen, maar men moet ze weten te kiezen....

Prachtig was het klooster gelegen, driehonderd meter boven de diepblauwe zee, op een steile rots, en het moet voor de monniken met de lange haren niet moeilijk wezen, dag aan dag God te loven en te prijzen, dat hij hen in zulk een heerlijk oord laat leven. Over Balaklava reden we door een mooi en afwisselend land naar Yalta.

Het was er nu rustig, maar het oproer had er huisgehouden, en hier en daar was geplunderd. Wij hadden tot nu toe niets van al de onlusten, waarvan de couranten vol hadden gestaan, gezien; maar we hadden ons wel degelijk op gevaar gewapend. Ieder van ons had een revolver. Dan was er in de auto een karabijn en een jachtgeweer, waar we telkens onze beenen zeer aan deden; de dames droegen een dolkje, dat alleen gediend heeft, om de bladen van Steindhal’s “Amour” open te snijden, maar dat in geval van nood dienst kan doen. Ik moet bekennen, dat van het begin af de wapens in de diepte van onze valiezen hebben gerust, want al is het al een groote last, een revolver te koopen, het is nog een veel grootere, het wapen in zijn broekzak te dragen.

Kort na onze aankomst hoorden we, dat Maxime [92]Gorki in een villa in de buurt woonde. Bij een apotheker kregen we het adres, en ik toog er op uit. Door het mooie park van Tsjoekoerlar reed ik er heen en het laatste huis van een kronkelende laan met veel villa’s was het huis, waar Gorki met zijn vrouw woonde. Bij de deur verstond de meid mij niet, maar toen ik een paar passen in de vestibule had gedaan, verscheen de stoere figuur van den dichter, die toen nog veel van de rechtvaardigheid van de russische regeering verwachtte. Wij hebben lang en veel over de fransche en russische letteren gesproken en ik zal altijd de aangenaamste herinnering aan de gesprekken van hem en van zijn vrouw behouden, waarbij mevrouw Gorki onze tusschenpersoon was, want Gorki zelf kende geen Fransch.

Het paleis der khans in Batsji-Seraï.

Het paleis der khans in Batsji-Seraï.

In de omgeving van Yalta reden wij door een verrukkelijk land. De geuren van de lente waren overal, en wat natuurschoon aangaat kan de Krim met de beroemdste oorden wedijveren. Men zou hier weken willen blijven, maar wij zijn al ten achteren met ons reisplan en nog zoo ver van Teheran! Zullen we daar ooit komen?

Livadia, de zomerresidentie van den Czar, was onbewoond; wij zagen het park en het eenvoudige woonhuis. Bloemen waren er veel, en veel soldaten. Bij elke bocht van een laan stonden soldaten; op de grasperken exerceerden ze en ze zaten op de treden der trappen. De kleur der uniformen staat niet leelijk tusschen het groen, maar hier in Livadia is er te druk gebruik van gemaakt.

Op 21 April gingen we aan boord van de Grand Duc Boris, die van Sebastopol kwam en ons over de Zwarte Zee zou voeren. In de hutten vonden we al onze bagage, en bij helderen maneschijn zeiden we vaarwel aan Yalta met de witte terrassen en de slapende villa’s. De boot deed Novorossisk aan en Soekhoem en kwam den 24sten in de plaats onzer bestemming, Batoem. Het is het best, maar niet stil te staan bij die dagen op zee; de mensch is blijkbaar er niet voor bestemd, om als een flesch, die omgespoeld moet worden, dagen lang te worden geschud. Wat er van ons over was werd in Batoem naar het Hôtel International gebracht.

De stad was in den kleinen staat van beleg. De poort van het hôtel was op slot en de vensters waren gebarricadeerd. De koetsier schelde; een soldaat deed de poort open, stemde er na wat onderhandelen in toe ons op te nemen, en liet ons binnen.

De bedienden staakten; er waren geen levensmiddelen, en niemand wou ze aan den heer des huizes leveren, die met den dood was gedreigd door de revolutionnairen.

We kregen een somberen indruk van de leêge gangen, en in een salon op de eerste verdieping dronken we bij een schrale verlichting een glas thee, philosofeerend over wat ons mogelijk wachtte. Ziedaar onze aankomst in den Kaukasus.

Den volgenden morgen scheen de zon.

Met Emanuel Bibesco ging ik uit; overal soldaten met de bajonet op het geweer. Menschen met donkere en dreigende gezichten liepen rond, van plundering teruggehouden door de aanwezigheid van al die militaire macht. We zagen de meest verschillende [93]typen, weinig Russen, maar Armeniërs, Georgiërs, Turken, Joden, Tsjerkessen, Tartaren, Lesghiërs, slenterend in de vuile straten aan de haven.

Reisgelegenheid in den Kaukasus.

Reisgelegenheid in den Kaukasus.

Gelukkig zijn wij nog maar enkele uren in Batoem en hebben er nog geen vijanden, of men moest het ons kwalijk nemen, dat we logeeren in een hôtel, dat door de revolutionnaire comité’s op den index is geplaatst. We hooren veel over die comité’s in de twee dagen die we hier blijven; er zijn er drie, naar het schijnt, een georgisch, een armenisch en een russisch. Dat is wel veel voor een enkele stad, en de ter dood veroordeelingen, die ze uitspreken, zijn geen ijdele bedreigingen.

Er staan in de straten populieren met heerlijk frisch groen. Wij reden erlangs, toen we naar den gouverneur-generaal gingen, een man van echt mongoolsch type. We kregen van hem slecht nieuws.

De eenige weg van Batoem naar Tiflis gaat over een hoogen pas bij Akhaltsikh. Maar door het slechte weer, dat al een maand duurt, zijn de sneeuwhoopen zoo hoog, dat alle gemeenschap met Tiflis langs den weg verbroken is. Dus is het onmogelijk, ons plan uit te voeren en per auto in de hoofdstad van den Kaukasus aan te komen. Een groote teleurstelling.

Wij besloten een tocht te doen in het schoone Tsjorokdal, voor we per trein naar Tiflis gingen of eigenlijk naar Koetaïs, want van daar willen we toch nog beproeven over den Madisonpas Tiflis per motorwagen te bereiken.

Kozak en officier bij ons in het rijtuig.

Kozak en officier bij ons in het rijtuig.

In twee auto’s vertrokken we, maar niet alleen. De ordonnansofficier van den gouverneur ging met ons mee. Hij was een Georgiër van origine, had te Sint-Petersburg gestudeerd, en daar hij Fransch sprak en het land kende, was hij ons een aangenaam reisgenoot. Wij kregen ook een kozak, die op de trede van het rijtuig plaats nam.

Het was een krijgshaftige expeditie! Toch reden we door een liefelijk dal met goede wegen; toen het enger werd en de bergen dichter naar de rivier [94]drongen, hingen de bloeiende rhododendrons boven ons hoofd en vormden een troonhemel, en wilde azalea’s bedekten de weiden, die op de steile hellingen lagen.

Nu hebben we werk voor onzen Kozak, die eindelijk zijn sabel eens kan gebruiken. We sturen hem in de azaleavelden en naar de rhododendrons. Die sabel is heel geschikt, om bloemen mee te snijden. Een geurigen oogst kregen we in de rijtuigen. Het leek wel, of we naar een bloemencorso trokken.

De kozak ging weer zitten op de trede en wij zochten weer naar roovers, die we niet vonden.

Maar gevaarlijk was het er niettemin. Dienzelfden avond in den trein naar Koetaïs bleek het land tusschen Batoem en Koetaïs in opstand, en alle voorzorgsmaatregelen waren genomen. Wij hoorden, dat aan het station, toen de auto’s ingeladen werden, de stakende werklieden, die de machinisten fransch hoorden spreken, gezegd hadden: “Uw meesters zijn Franschen! Zeg hun, dat ze overal veilig zijn.”

Dus zijn wij gerust, want van de zijde van het gouvernement waren ons kozakken meegegeven.

Koetaïs heeft een beroemden bazar, waar alle typen zich vertoonen, die den Kaukasus bevolken. En het land om Koetaïs had veel te lijden van den regen. Het heeft eigenlijk elken dag geregend in den Kaukasus. De overvloed van dat hemelvocht heeft een noodlottigen invloed gehad op onze reis en op de beslissingen, die we moesten nemen tijdens onze week in Tiflis.

Daarheen vertrokken we den 29sten.

Op het perron hoorden we bij aankomst al, dat de helft der stad in staking was, dat men de hôtels had gesloten, en dat de bedienden weigerden te werken. De trams reden niet. Dat was zoo erg niet, maar nu hadden ook de spoorwegbeambten het bijltje erbij neergelegd, en onze trein was de laatste, die in langen tijd in Tiflis zou aankomen; gelukkig bleek het bericht ongegrond, want een deel van ons gezelschap, dat zich bij het vertrek van Koetaïs verlaat had en niet met den trein was meegekomen, arriveerde den volgenden morgen.

Tiflis is de hoofdstad van Georgië, tegenwoordige residentie van den onderkoning van den Kaukasus; er zijn 200,000 inwoners en de stad wordt doorsneden door de Koer, een snelstroomend, grijs water.

Wij willen hier:

1. Tiflis bezien.

2. Per auto den militairen weg van Georgië naar Wladikawkas afleggen.

3. Naar Eriwan gaan per auto, langs het meer Goktsja en een bezoek brengen aan den Catholicos van Esjtmiadzin, den armenischen kerkvorst.

4. Noodige inlichtingen inwinnen over onze reis in Perzië en beslissen over den te nemen weg.

5. Aanschaffen wat noodig zal zijn voor den tocht door de woestijnen van Perzië. Wij weten nu, dat we het moeilijk langer dan twaalf uren zonder voedsel kunnen stellen.

Niets meer dan dat.

Wij hadden brieven voor enkele personen in Tiflis en we werden er zeer gastvrij ontvangen. We moesten den geheelen dag eten, een goede voorbereiding voor den aanstaanden vastentijd in Iran. Wij bekeken de bazars in gezelschap van den franschen consul, die ze goed kent. Ook werden we naar een karavanseraï gevoerd, waar perzische kooplui bibelots, wapens en antieke stoffen te koop aanboden.

De Perzen met hun fijne, bruine, magere gezichten zaten er op matten. Ze lieten ons moderne ringen zien, middelmatige wapens, ijzeren dieren, met zilver ingelegd, wat nog nieuw werk was uit Ispahan, en enkele kaschmireesche stoffen, waarvoor ze buitensporige prijzen vroegen.

Wij zullen maar wachten tot we in Perzië zijn met het aanschaffen van perzische dingen.

Het plan, om tot Wladikawkas te rijden, moest worden opgegeven, want de pas is te hoog en we zouden door de sneeuw worden opgehouden. Daarbij was het weêr altijd maar ellendig, en de inwoners van Tiflis zeiden, dat ze nooit zulk weêr hebben gehad in het begin van Mei. De zeldzaamheid van het verschijnsel is voor ons maar een kale troost.

Wat te doen? Naar Eriwan gaan? De wegen zijn niet berijdbaar.

Wachten? Het regent sinds drie weken; het kan nog wel veertien dagen regenen; dan treffen we de groote hitte in Perzië en dan adieu! tocht door de woestijn en reis naar Ispahan.

Intusschen bleef het maar regenen en wij bleven maar beraadslagen, hoe we naar Perzië zouden komen. Het waren discussies aan de maaltijden en aan de thee, en ze werden in onze particuliere vertrekken met frisschen moed weer opgevat. Emanuel Bibesco was de eerste, die een vast besluit nam, namelijk om zijn auto naar Marseille terug te zenden met een fransche boot van Batoem.

Waarna ik met energie het plan verdedigde, om, daar wij onzen tocht begonnen waren om Perzië te bezoeken, en daar de revolutionnairen nog wel treinen lieten loopen naar Bakoe, daarvan gebruik te maken en dan met de boot over de Kaspische Zee naar het verlangde land te varen. Zondagavond vertrekt een boot, laat ons daarmee gaan en laat ons de auto’s stil te Tiflis achterlaten.

Binnen een half uur was toen alles in orde en dat plan onverbrekelijk vastgesteld. Alleen Leonida verklaarde, dat hij in Teheran wou aankomen over land en in een auto, dat hij over Eriwan en Tabris gaan zal en dat, al moest hij zijn wagen in brokjes door kameelen laten dragen, hij er zal komen.

Georges Bibesco heeft een tolk geëngageerd, den Tsjerkess Hassan. Hassan word gecenseerd Russisch te kennen en ook Perzisch en Fransch te spreken.

Hij zal ons naar Teheran vergezellen. Kent hij wezenlijk Perzisch? Dat weet ik niet; maar wat ik wel weet, is dat hij het Fransch alleen door gebaren spreekt en zoo onderhouden we ons ook in het Russisch. Hoe het zij, Hassan ziet er met zijn krulharige muts, zijn grooten nationalen mantel of boerka en de vier-en-twintig kleine kokertjes op zijn borst, die kruit moesten bevatten, maar waarin wij wel poudre de riz voor onze dames kunnen doen, zeer indrukwekkend uit. Hij doet aan ons prestige goed.

Reizigers hebben beweerd, dat de Kaukasus een [95]land van bergen is, en aardrijkskundigen houden vast aan dezelfde stelling. Zij hebben een Kasbek bedacht, die zijn top meer dan 5000 M. in de lucht zou verheffen, en een Elbroes van 5600 M.

Welnu, ik kan dat formeel tegenspreken. Ik heb drie weken in den Kaukasus vertoefd en heb gewoond aan den voet van de plek, waar zij beweren, dat de Kasbek zich verheft.

Ik verklaar nog eens, ik heb geen Kasbek gezien. Geen mijner vrienden heeft den Kasbek gezien, ofschoon een hunner, om een oogenblik ons de baas te wezen, gezworen heeft, dat hij den berg even heeft bemerkt. Hij droomde denkelijk. Dus noch de Kasbek, noch de Elbroes bestaan.

Ik zeg hier openlijk, dat, naar mijn ervaring te oordeelen, de leerboeken der aardrijkskunde moeten worden herzien. De Kaukasus is geen land van hooge bergen; er zijn een paar hooge heuvels, dat is alles. Wat de dwaasheid betreft, er een ander Zwitserland van te maken, die moet geboren wezen in het brein van den een of anderen jaloerschen Rus, die zich verbeeldde, dat Rusland alle vreemde landen overtrof.

Wanneer men naar mijn aanwijzingen de aardrijkskunde van Rusland zal herzien, verzoek ik, dat er ook zal worden gezegd, dat nergens de hemel dichter bij de aarde is; naar mijn gissing is hij er niet meer dan duizend meter van verwijderd en soms nog minder. Buitendien zal vermeld moeten worden, dat hij onophoudelijk in water bezig is zich op te lossen. Dat is een onverklaarbaar natuurverschijnsel, dat we voorloopig maar moeten boeken, tot tijd en wijle, dat we het zullen kunnen verklaren.

Twee dagen lang waren we bezig, aankoopen te doen voor onze reis naar Perzië en wel allereerst veldbedden.

Als men nooit anders heeft gereisd dan in de groote expresstreinen, die internationaal zijn, of op de transatlantische stoombooten, kan men maar moeilijk gewennen aan het denkbeeld van een land, waar men geen bed vindt om op te slapen. Toen te Parijs een vriend, die in Perzië was geweest, mij zei: “Koop een bed”, lachte ik. Een bed te transporteeren leek mij onuitvoerbaar en onnoodig.

Maar neen, nu zie ik in, dat men een bed moet koopen, wil men in Perzië naar bed gaan. Te Parijs heb ik mij een zeildoeken zak laten maken, dien ik in Rusland dacht te gebruiken, maar die opgevouwen in mijn valies is gebleven.

Te Tiflis kocht ik een bed, om den zak over uit te breiden. Wij vonden vrij gemakkelijke bedden, die bij den koopman bijzonder goed in en uit elkaar gingen, maar in Perzië ons veel inspanning kostten. Zij besloegen, toegeslagen, niet veel meer plaats dan een opgevouwen reisdeken en wogen elk elf kilo’s. Ze zijn maar smal, en het zijn harde rustbedden.

We zullen tijd hebben eraan te wennen.

Een van ons heeft het lumineuse idee, wasdoek over het bed te leggen, om de vochtigheid van den grond niet te voelen, want we zullen geen kamers met parketvloeren vinden boven kelders.

Met onze zes bedden hebben we zeventig kilo bagage meer. Er zullen stevige wagens noodig zijn, om ons door de woestijn te loodsen.

Wij voegen er nog bij veertig kilo conserven, hammen, sardines, foie gras, beschuitjes, confituren in massa, daar houden we allen veel van, compôte, groenten, worsten en zelfs kaas. De oude tolk, die in Perzië heeft gereisd, raadt ons twee ketels te koopen, want de Perzen beschouwen ons als onrein en zullen niet willen, dat we hun keukengereedschap gebruiken. We koopen de beide ketels en twaalf borden en voor ieder van ons een couvert plus nog zout, suiker, thee, chocolade en citroenen, theedoeken, om nog eens over te wasschen, en handdoeken. Het is, of we een huishouding opzetten en of we als groote kinderen moedertje gaan spelen.

Er werd voor ons een zeer groote mand gemaakt, waarvan het gewicht bij elke etappe zal verminderen, terwijl, door een onverklaarbaar natuurverschijnsel, wij, die door den inhoud van de mand dikker moesten worden, elken dag magerder zullen worden op den tocht door de zand- en steenwoestijn.

Wij kochten nog allen caoutchouc-regenmantels.

Die hadden we ook meegenomen uit Roemenië; maar door de aanhoudende stortregens waren ze lek geworden en we lieten ze in Tiflis.

Van Tiflis naar Bakoe reed de trein achttien uren. Hij ging langzaam, maar was gemakkelijk als alle russische treinen. Men is in Rusland niet op het idee gekomen, zes personen in een compartiment eerste klasse te stoppen. In de coupé zit men hoogstens met zijn tweeën; in de dubbele compartimenten met zijn vieren; ofschoon er acht plaatsen zijn; de banken zijn verder van elkaar dan in Frankrijk; er is een tafeltje bij elk venster en daarbij is de waggon breeder dan bij ons. Tegen den avond komt de conducteur de bedden klaar maken, twee boven elkaar, en men kan lekker slapen. Er wordt geen supplement betaald zooals in de exprestreinen in Europa. Van Batoem naar Bakoe scheelt niet veel in afstand van de route Parijs-Marseille; men betaalt voor het eerste eind vijftig francs, voor het tweede zes-en-negentig francs; maar men doet den eersten afstand in de helft van den tijd.

Tegen den middag kregen we de Kaspische Zee te zien, grijsblauw en met schitterlichtjes door de zon.

De oevers waren kaal, met slechts hier en daar lage heuvels.

Maar daar verschijnt links een bosch van zonderlinge boomen, waarboven een donkere wolk hangt. Dat zijn de boortorens of derricks van Bhala-Khané, die vreemde houten schoorsteenen.

Houdt ge van soldaten, dan moet ge naar Bakoe gaan. De inwoners beklagen zich erover, dat ze overdag door de roovers worden bestolen en des nachts door de soldaten. Wij gingen in lichte rijtuigen met twee paarden en tartaarsche koetsiers rijden naar Bibi-Ebat, een petroleum-onderneming aan de zee. Daar krijgen wij het treffende schouwspel van een woud van derricks, die er hun geteerde, hoekige vormen naar den hemel heffen. Er zijn lanen in dit bosch gemaakt, waar het gefluit van den door de buizen jagenden stoom doorheen gaat. Wolken zwarte rook worden met kracht uitgeworpen uit de schoorsteenen, en er hangt steeds boven Bibi-Ebat een dichte damp. Men hoort aanhoudend het knarsen der katrollen, waar de boren aan bevestigd zijn. Buizen loopen langs de wegen; de bodem is vet en zwart, [96]en links en rechts ziet men meren van petroleum. De petroleumvoorraad onder den grond vloeit in een vaste richting. Hier is een derrick, die niets levert, en op vijf meter afstands staan er drie of vier, die hun eigenaar een fortuin opbrengen. Er worden gangen gegraven, om de aardolie onder water te vervolgen.

Wij reden met gematigde snelheid, tot op den terugweg de koetsiers grapjes begonnen, en een wedren gaan houden. Zij willen elkander voorbijrijden. De voorste gooit zijn rijtuig naar links of rechts, om den ander den weg te versperren. Ik weet zeker, dat het een heel aardig gezicht moet opleveren voor toeschouwers in een circus, maar wij zitten in de rijtuigen en vinden de zaak minder grappig. Twee- of driemaal zouden we zóó in een petroleumplas terecht komen. Tevergeefs waarschuwen wij de koetsiers.

Ze roepen: “Soeda, Soeda!” en jagen verder. Ik vergeet nooit hun gebruinde gezichten en de levendige oogen....

De rivier de Koer in Tiflis.

De rivier de Koer in Tiflis.

Eindelijk raakte ons rijtuig voor. Wij hadden den ren gewonnen.

Kalm reden we Bakoe weer binnen.

Daar liepen wij te voet door de oude perzische stad, en in het hôtel vroeg een respectabel inwoner van Bakoe ons naar onze reisplannen. Toen hij hoorde, dat wij naar Perzië gingen, zuchtte hij: “U gaat naar Perzië? Wat moet ge u gelukkig voelen! Daar zult ge tenminste veilig wezen!”

Om tien uur ’s avonds gingen wij scheep, na tot op het laatste oogenblik vrees te hebben gekoesterd, dat een plotseling in de haven uitgebroken werkstaking ons zou verhinderen naar Perzië te vertrekken.

Het gaat goed. Het anker wordt gelicht en de stoomboot glijdt over de stille wateren, waar de duizenden lichten der stad zich in spiegelen. De reede van Bakoe bij nacht levert een interessant schouwspel op.

Toch zeiden we ze zonder weemoed vaarwel.

Wij gaan eerst in Perzië aan wal.

Op 8 Mei naderden we langzaam het land onzer hope. Vijf uren lagen we te Lenkoran voor anker. Dat is een in de boomen verscholen russisch stadje. Er achter verheffen zich de groote kruinen van de Ghilanbergen, met wouden bedekt. Een blauwachtige damp hangt in de atmosfeer, verzacht de omtrekken en geeft aan dit land iets fluweeligs, iets onwezenlijk bekoorlijks, dat aan enkele vlaamsche landschappen eigen is.

Het is intusschen een der ongezondste streken der aarde en ook een der meest woeste. Nog voor enkele jaren huisden er tijgers in die bosschen.

Tijgers! Wat zijn we ver van Ile de France!

Rondom de boot vliegen zwarte cormorans.

Aan het ontbijt gaf een asthmatische russische doktores ons inlichtingen over de organisatie van de medische hulp in den russischen veldtocht. Als men haar hoort, zou men meenen, dat Rusland in dit opzicht, net als in alle andere, aan de spits der beschaving staat. Wij behoeven haar gelukkig niet te gelooven.

In den namiddag kwamen we te Astara aan de russische grens. Een volle boot met gegalonneerde heeren kwam bij ons aan boord, en de passagiers moesten zich aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen, terwijl ik voor de honderdste maal onze paspoorten moest vertoonen.

Wij lagen bijna een kilometer uit de kust voor anker, want er was weinig water, en onze boot kon niet dichter bij de kust komen.

Des nachts ging het verder, nu naar Enzeli.

Er was maar één ding, dat ons bezig hield, namelijk het weêr van den volgenden dag. Als er een hooge zee is, moet de postboot ons naar Bakoe terugbrengen. Het zou een bittere teleurstelling wezen.

Wij raadpleegden mijn barometer. Hij ging achteruit, en daar begon ook al een flinke regen te vallen, terwijl de boot begon te rollen. Toch vielen we in slaap... [97]

Onze perzische booten, op het Moerdabmeer voor anker.

Onze perzische booten, op het Moerdabmeer voor anker.

Het weer was ’s morgens te Enzeli grijs; er vielen af en toe regenbuien; een frissche oostenwind zweepte de zee en joeg de golven op, die hoog genoeg waren om de kust met schuim te bedekken en het schip erg te doen schommelen. Maar de kapitein hield vol, dat wij aan wal konden gaan. De kust was in nevelen gehuld; we konden flauwtjes lage gebouwen onderscheiden, met een toren en enkele boomen. Wij keken onze oogen uit. Dat is Perzië, daar voor ons!

Bootjes kwamen van land en een klein stoombootje, dat al gauw naast ons lag en aan onze boot gemeerd werd. Wat gaat het op en neer! Een auto hadden wij nooit hier kunnen ontschepen. Het zal een tref zijn, als we zelf van de boot af komen zonder een of ander lichaamsdeel te breken!

Onze koffers en valiezen werden zonder ongelukken vastgebonden en ontscheept. Toen kwamen wij aan de beurt. Er moest gewacht worden tot de kleine boot omhoog ging en naast de onze kwam; als ze dan boven was, moest men een der stangen grijpen, waar bij kalmer weêr de zonnetent aan vast werd gemaakt; twee matrozen duwen iemand naar den rand, men doet een sprong, en twee andere zeelui nemen u in ontvangst, terwijl de kleine boot weer neervalt in een golfdal.

De dames brachten het er goed af; nu waren we op een klein dek, waar het water overheen sloeg, en tien minuten later waren we te Enzeli aan de kade, eindelijk in Perzië!

We bleven eerst op de boot. Beleefde ambtenaren, Belgen, kwamen ons begroeten. Het waren heeren van de douane, maar de menigte om hen heen was wel echt perzisch. Eenige mannen droegen de nationale muts van gekruld lamsvel; anderen een vilten hoed zonder rand, die op het hoofd geplakt stond en waaruit aan beide kanten toefen haar uitkwamen, die over de ooren hingen. Bij die haren zal de profeet zijn getrouwen optrekken naar zijn paradijs, natuurlijk alleen als ze zijn geboden hebben opgevolgd.

Die Perzen dragen voor het meerendeel wijde, bruine kleêren. Enkele baarden van een lichte mahoniehoutkleur verhoogen voor ons de belangwekkendheid van deze exotische menigte. Ze kijken ons zeer nieuwsgierig aan, wat wij op dezelfde manier beantwoorden.

Perzië te Enzeli, dat gelijkt op Cochin-China.

Ik ben niet in Cochin-China geweest, maar naar beschrijvingen moet het hierop lijken.

Een vlak land, zand, biezen, zeer groene boomen en veel water. Aan beide zijden van het breede water, dat de Kaspische Zee in verbinding stelt met het groote binnenmeer, de Moerdab, staan strooien hutten op palen, en op het houten stoepje voor de hutten zijn goederen uitgestald. Platboomde vaartuigen brengen die aan; de beide einden van de jonken zijn spits en omhoogloopend, en een groot vierkant zeil wappert hoog in den wind.

Het water is grijs, en de lucht hangt laag in grijsheid, en tusschen die beide grijze doen de verschillende tinten van bruin van de hutten, het touwwerk en de zeilen en dan het groen van het riet genoegelijk aan.

Groote vluchten cormorans scheren over de golven; bij honderden vliegen ze achter elkaâr aan, maken wendingen en draaien om ons heen.

Het weêr is drukkend, zwaar en vochtig.

Dat lijkt alles op Cochin-China.

Wij voeren over de Moerdab op de kleine paketboot, die twee jonken sleepte voor onze bagage.

We dronken thee op het dek en keken naar de evoluties van de cormorans.

Bij de monding van de rivier, de Piré-Bazar, verlieten we de stoomboot en gingen aan boord van de jonken. Acht forsche kerels, met den vilten hoed zonder rand, zetten zich aan de riemen en roeiden, waarbij ze zich van de banken verhieven en weer neervielen. Ze waren al gauw in ’t zweet gewerkt. [98]

De rivier kronkelde tusschen het riet door en tusschen gladiolusstengels. Kleine schildpadden kropen langs den oever. Noteboomen stonden er, en er waren een massa vogels, die door ons in het minst niet werden verontrust, reigers van allerlei soort, snippen, valken en wouwen.

Spoedig werd de rivier te smal voor de riemen. Onze roeiers sprongen aan land, en aan een touw, dat ze boven aan den mast vastmaakten, trokken ze ons in snellen pas voort.

Waarom moest dat touw zoo hoog worden bevestigd? De mast boog door, gaf mee en de acht trekkers vielen met hun neus in het slik.

Toch maakten ze daarna het touw weer vast, zoo hoog, als ze konden klimmen.

Een oogenblik later kruisten we een boot, die verschrikkelijk vol was met koffers en kleurige kisten, waar gesluierde vrouwen op zaten en mannen met rokken. Nu begrepen we de manoeuvre. Het touw van de andere boot ging onder het onze door en de booten passeerden aldus elkaâr, zonder dat men behoefde op te houden.

Eindelijk waren we aan het doel, Piré-Bazar.

Stel u voor in een wat verwijde bocht van de rivier de meest grootsche verwikkeling van een oneindig aantal booten, vlak naast elkander gelegen. Onze roeiers vonden toch nog gelegenheid, ons bij de plek te brengen, waar we konden landen.

Er werd een plank uitgeworpen naar den oever. Die bestond uit dik, kleverig slijk, en daar de kanten steil waren, kostte het ons veel moeite, vasten grond onder de voeten te krijgen. Er stonden rijtuigen op ons te wachten, en een troep koetsiers en sjouwers, die zeker gauw wat van onze bagage zouden hebben geroofd, als wij niet op de ontscheping van ieder stuk nauwkeurig toezagen.

Gelukkig kwamen er twee kozakken te paard aan van het russisch consulaat-generaal te Resjt.

De weg was vuil en door de overvloedige regens bedorven. Wij zouden er met de auto’s niet door zijn gekomen.

Halfweg werden we begroet door ruiters, die de gouverneur der stad, een der zoons van den Shah, ons tegemoet zond.

Iets verder liet een der hoofdambtenaren, de Salar, admiraal der perzische vloot, naar ik begreep, ons prachtig opgetuigde paarden brengen, en een der ruiters, die ze vergezelde, stelde ons een brief ter hand, waardoor de Salar ons meedeelde, dat hij een van zijn huizen te onzer beschikking stelde. Maar we zouden te Resjt de gasten zijn van Rusland.

Wij reden stapvoets door de plassen en kuilen. Met de kozakken, die voor ons uit reden, de stalknechts, die de rijk opgetuigde paarden aan den teugel voerden, want de étiquette wil, dat ze met ons meegaan, maar niet bereden worden, en de perzische ruiters, die onze vier rijtuigen volgden, hebben we wel een beetje van een buitenlandsch circus, dat in een nieuwe stad binnen trekt, en we wisselden van wagen tot wagen genoegelijke glimlachjes....

Tegen den middag kwamen we in een tuin, waar een groot huis stond, vierkant en van steen op zijn Europeesch opgetrokken. Dat was het keizerlijk consulaat van Rusland.

De consul-generaal, de heer Olferieff, ontving er ons op de vriendelijkste manier. Hij bood ons wat hij had, groote, ledige kamers, en wij zagen dadelijk, dat het veldbed geen weelde was in Perzië, maar het allernoodzakelijkste meubelstuk.

Resjt is de hoofdstad van Ghilan, de provincie die in het zuidwesten de Kaspische Zee begrenst. Dit land aan den voet van de bergketen, die ons scheidt van het hooge Iranplateau, is vochtig, warm, rijk en ongezond.

Een perzisch spreekwoord zegt: “Als gij een vijand hebt, laat hem dan benoemen tot gouverneur van Ghilan”.

Niets weerspreekt zoo sterk als dit land het denkbeeld, dat men zich bij voorbaat van Perzië maakt. Enzeli-Resjt is een paradijs van groen, van rustige wateren, rijstvelden, waterlelies, irissen, gewone leliën, en ganzebloemen, zoo hoog, dat men ertusschen verdwalen kan.

Toen Pierre Loti uit Ispahan kwam, passeerde hij Resjt. Hij hield er zich niet op, hij heeft het niet gezien. Daarom kan ik hem wel verklaren, dat Resjt het mooiste van Perzië is. Zoo denkt ook er Emanuel Bibesco over.

De stad, die vrij groot is, wordt geheel door water omringd, met tuinen ertusschen en lanen van oude boomen. Het is, of men in een park is. De bazar, een onoverdekte, is druk en schilderachtig. Wij reden erdoor met de gebruikelijke kozakken, al behoeft men hier niet voor zijn veiligheid een gewapend geleide, want het is, zooals de inwoner van Bakoe zei: “In Perzië zult u veilig zijn”. Maar wij zijn gasten van Rusland, en wij moeten alles vermijden, wat schaden kon aan het prestige der Europeanen.

De bazar bestaat uit smalle straatjes met open winkels. Hier verkoopt men fluweel van Resjt, waar prachtig goudborduursel wordt aangebracht op fluweelen stoffen, die in de plaats worden vervaardigd. Het is rijk, maar niet bijzonder smaakvol. Dan zijn er tapijten, maar niet in groote keuze, want de perzische tapijten komen per karavaan aan en worden dan direct naar Enzeli en van daar naar Bakoe vervoerd.

Kooplieden zitten op den drempel van hun winkels en rooken de kelyan, terwijl in de smalle straat zorgvuldig gesluierde vrouwen en die zelfs haar oogen bedekt dragen, de stoffen koopen, waarmee ze zich thuis zullen tooien en thuis alleen, want op straat is haar toilet leelijk en altijd hetzelfde. Ezeldrijvers drijven kleine ezels door de menigte, grijze, zachtmoedige dieren met mooi tuig, en de zonnestralen vallen op de blauw porseleinen torens, die in den bazar hier en daar verrijzen.

Wij hebben dan nu eindelijk zonneschijn en rijden voorbij het paleis van den gouverneur, den zoon van den Shah, naar een plein, waar een groote menigte bijeen was. De rijtuigen hielden stil; rijen gesluierde vrouwen zaten voor een gebouw met houten zuilen; mannen en kinderen vormden de drie andere zijden van een vierkant, dat in het midden open gelaten was. Daar stond een kleine estrade. Er zaten [99]en stonden enkele personen. Wij trilden van vreugde, want er was geen twijfel aan, wij woonden de voorstelling bij van een van die taziehs of perzische mysteriën, die gedeelten uit de kerkelijke geschiedenis te zien geven.

Toen we nader traden, zagen we op de estrade de acteurs en konden de neusklanken bijna verstaan. De doodsche vlakte van Kerbela werd voorgesteld en een doodvonnis, dat er op ongeloovigen zou worden voltrokken. De Perzen, die vóór ons stonden, gingen wat op zij, en zoo konden we enkele photografieën nemen.

Maar al gauw hadden alle toeschouwers ons gezien. Mag ik het zeggen? Ze hadden veel meer aandacht voor onze aanwezigheid dan voor het gewijde drama. Ze keken niet naar het tooneel, maar naar ons. Hun onernstige afgetrokkenheid was niet naar den zin van den mollah van Resjt, die de voorstelling bijwoonde. Verontwaardigd stond hij op en sprak de menigte heftig toe, haar verwijten doende over haar profane nieuwsgierigheid voor onreine lieden, vervloekte Europeanen, die door geloovige Mohammedanen verafschuwd moeten worden.

De tolk van het consulaat gaf ons een teeken, dat we weg moesten gaan, want dat er anders herrie zou komen.

Toen stapten wij weer in de rijtuigen, terwijl al de vrouwenhoofden in de zwarte sluiers met een zelfde beweging zich naar ons keerden, om ons te zien weggaan.

Wij reden door de omstreken van Resjt langs lanen van eeuwenoude olmen naast rivieren met zeegroen water. De zon had alle nevelen verspreid. Wij zagen in het Zuiden de hooge bergen, die Emanuel Bibesco en ik den volgenden dag zouden beklimmen, om Teheran te bereiken. Ze waren bedekt met zware bosschen, en van Resjt uit leken de hoogten, die ons scheidden van het centrale plateau van Perzië, ontoegankelijk.

Wij hielden stil voor den tuin van een rijken Pers, zijn zomerverblijf. Wij waren al op de hoogte van de gastvrijheid der Perzen. Waar ge er lust in hebt, kunt ge binnentreden. De heer des huizes trekt zich bescheiden terug, opdat ge zijn huis of zijn tuin rustig kunt bezien. Hij komt eerst later voor den dag, om koffie of ijs te presenteeren.

Wij wandelden in de lanen onder bloeiende seringenboschjes, die over perken met leliën zich wuifden. Daarna brachten we een bezoek aan het huis, helaas, naar europeeschen trant gemeubeld, als alle huizen van rijke Perzen. Alleen de tapijten zijn die van het land.

De heer des huizes verschijnt; hij spreekt Fransch en laat ons ververschingen aanbieden, om daarna met ons te gaan wandelen en ons bloemen te geven.

Het gezicht, van het terras, op het boschrijke land was zeer mooi; het liep tot de bergen door, die in de verte blauwden. Wij vroegen onzen gastheer, of hij deze bezitting bewoonde.

“Ik heb dit landhuis om er des avonds in het voorjaar den nachtegaal te hooren zingen,” antwoordde hij.

Wij keerden naar het consulaat terug; de zon was ondergegaan. De vochtigheid steeg uit den grond en uit de ons omringende rijstvelden op. Lichte dampen als doorzichtige feeënsluiers zweefden onder de onbewegelijke boomen van dit slapende park. De maan stond hoog aan den hemel.

Des avonds klonken langzaam en met een eigenaardig rhythme langs den weg, die den tuin begrensde, de klokjes aan den hals der kameelen, die in lange rijen van Kaswyn of Hamadan kwamen. De karavanen reizen alleen als de zon onder is, want reeds is de hitte overdag te groot. En we zagen tusschen de boomen de groote geheimzinnige gedaanten voorbijgaan, schommelend als op een onstuimige zee. Dit is wel echt een oostersch geluid, dat geklep van de kameeleklokjes.

Wij hadden trouwens de gelegenheid, ze nog vaker in den nacht te hooren, want het was de eerste nacht, dien we op onze veldbedden doorbrachten. Een harde geschiedenis! Wij zullen er wel aan gewend raken.

Den 10den Mei hadden we nog geen bericht van Keller, die zich met de groote Mercédes te Bakoe zou inschepen.

Emanuel Bibesco en ik besloten, vooruit te gaan en in een perzisch rijtuig naar Teheran te vertrekken. Onze medereizigers zouden misschien nog onderweg zich bij ons voegen, en in elk geval zouden we elkaâr in de hoofdstad treffen.

Om van Resjt naar Teheran te gaan, zouden we den beroemden, voor enkele jaren aangelegden weg volgen, die niet door het gouvernement, maar door een russische maatschappij is gemaakt, die er concessie voor had gekregen. De weg is 337 wersten lang en stijgt tot meer dan 1500 meter.

Het is een gepachte weg, en rijtuigen en karavanen betalen een recht, dat voor een rijtuig met vier paarden acht tomans bedraagt. Een toman is nominaal tien krans of francs; maar een ongunstige koers heeft dit jaar de krans tot veertig centimen en bij gevolg de toman tot vier francs doen dalen. De kosten voor het onderhoud van den weg zijn groot, want het klimaat is niet gunstig. Er is een plotselinge overgang van de diluviale regens tot een droogte van wel zes maanden; in de lente smelt de sneeuw in enkele uren onder den invloed van een brandende zon, en de rivieren, die van de kale bergen vloeien, worden overvol en zijn onstuimige bergstroomen.

De russische maatschappij verliest dan ook geld op den weg, die haar twintig millioen francs heeft gekost. Maar ze hoopt zich schadeloos te stellen door de haven van Enzeli, waarvoor ze concessie heeft gekregen. Er wordt een lange pier gebouwd, in welker beschutting de booten de kade zullen kunnen naderen. Binnen enkele jaren zullen de reizigers niet meer met levensgevaar te Enzeli ontscheept worden.

Uit financieel oogpunt is dus de weg voor het oogenblik een slechte zaak; maar hij is van groote beteekenis uit politiek oogpunt en hij dient wonderlijk goed Ruslands bedoelingen.

Dank zij dien weg, die aan Rusland behoort, zou dat land in geval van nood in enkele dagen van Bakoe uit, een leger voor de broze, geëmailleerde muren van Teheran brengen kunnen.

In tijd van vrede heeft Rusland een veiligen weg voor zijn koopwaren. Geen europeesche transporten [100]worden door den Kaukasus toegelaten met bestemming naar Perzië, zoodat Rusland op den heenweg alle concurrentie heeft afgesneden, terwijl het op den terugweg profiteert van het grootste deel van den perzischen handel.

De reizigers gaan tegenwoordig over Resjt, zoodat men langs een russischen weg in de hoofdstad van Perzië komt. Bij elken haltpost treft men een postmeester aan, die Russisch spreekt. Bij elke afgelegde vijftig kilometers vindt men een douanebureau of zastava, tot men aan het kantoor is gekomen van onzen machtigen gastheer, den russischen consul-generaal.

Zoo krijgt men den indruk, tusschen de Kaspische Zee en Teheran het onmetelijke russische rijk niet te hebben verlaten.

Zastava, waar de Shah logeerde.

Zastava, waar de Shah logeerde.

Wij hadden den volgenden morgen ons rijtuig om acht uur ’s morgens besteld. Een Rus is concessionaris voor de postpaarden en de rijtuigen. Hij levert gevaarlijke voertuigen en vermoeide paarden. Een rijtuig voor vier personen met weinig bagage kost bijna zevenhonderd krans van Resjt naar Teheran, plus tachtig krans tol en twee of drie krans fooi aan den nieuwen koetsier, dien men bij elke halt krijgt.

De post doet er ongeveer vijftig uren over en houdt alleen op, om van paarden te verwisselen. Maar wij zijn geen postpaketten en willen gemakkelijk reizen, dat wil zeggen tweemaal onder weg slapen, te Mendjil den eersten avond, te Kaswyn den tweeden. Wij zullen den derden dag te Teheran komen, zoo God het wil, in ch’ Allah! zooals de Perzen zeggen.

Om tien uur is het rijtuig er eindelijk. Het is een oude berline, waarvan de veêren met touwen zijn verzekerd; de kap kan niet gesloten worden dan voor een vierde deel; wat de portieren betreft, ze zijn zeker in geen vijftig jaar open geweest. Wij moesten er uit nood wel over heen klimmen.

Onze valiezen werden vastgemaakt naast den koetsier op de voorbank. Onze vrienden zien op de toebereidselen toe en benijden ons, want nu gaan wij nog eerder dan zij door Perzië reizen!

Alles is gereed; de koetsier, een groote, gebruinde vent, met een viltmuts, staat bij de koppen van zijn paarden en fluit hun een geheimzinnig deuntje voor, dat we nog vaak zouden hooren op de perzische wegen. Hij heeft geweigerd, zich met onze bagage in te laten, bewerend, dat als hij zijn plaats vóór de paarden verliet, deze op hol zouden gaan.

Nu moet hij wel de teugels nemen. Hij plaatst twee kozakken voor zijn paarden, springt op den bok, roept, alles los te laten, wij houden ons aan de kap vast.... en de vier paarden loopen sukkelig met hangende ooren langs den weg, die naar Teheran voert. Ze zijn nu al vermoeid.

Wij rijden met een snelheid van tien kilometer in het uur. Dat is genoeg, om ons alle schokken van de harde berline, waaraan we onze beenderen en ons vleesch hebben toevertrouwd, danig te doen gevoelen. De veêren van het rijtuig zijn niet anders dan ijdele sieraden.

Het was grijs en vochtig weer. Wij volgden stroomop het riviertje van Piré-Bazar. Weldra [101]waren we in het bosch. De plantengroei was er wonderlijk weelderig; beuken, ahornen met groote bladeren, platanen, olmen verheffen hun kruinen in de lucht, terwijl het onderhout dicht is en lianen de boomen omslingeren; een diepe beek stroomt langs den weg. Kleine zeboes weiden op de open plekken en eten het harde gras, maar vluchten het bosch in bij onze nadering.

Wij reden door een paar gehuchten van enkele huizen. Vrouwen in lichte stoffen gekleed, werken in de tuinen en bedekken zich het gelaat, als ze ons zien. Het landschap gaf een indruk van weelderigheid, maar ook van eentonigheid.

De auto vóór het gouverneurspaleis in Kaswyn.

De auto vóór het gouverneurspaleis in Kaswyn.

Maar op eens werden onze paarden onrustig, sprongen op zij en wierpen ons in de sloot. We hadden nog even den tijd, over het portier te springen. Onze valiezen, die we zorgvuldig hadden vastgebonden, vielen niet in het water. De koetsier, die van den bok gerold was, stond op zonder zich te haasten of zich te verbazen. De paarden amuseerden zich in het heldere water. Wij wisten nu wat hen had verschrikt, want een abominabele stank verstikte ons bijna.

Die kwam van een grooten kameel, aan den weg verrottend. Hij is daar neergevallen, en men heeft het beest er laten liggen, zonder het zelfs af te maken en zijn lijden daardoor te bekorten. Wij moesten het rijtuig ontladen, om het op te halen; gelukkig was er niets gebroken en we konden verder gaan op de gewone langzame en pijnlijke manier.

In den namiddag kwamen we bij de eerste uitloopers van het bergland. Overal was het met bosch bedekt. Wij reden door een eindelooze laan van het heerlijkst groen, en overal was stroomend water, dat ruischte en nog den invloed ondervond van den pas afgeloopen regentijd. Nu eens roken we de heerlijke geuren van vlier, dan volgde er een bosch van eeuwenoude olijfboomen met zilvergrijs gebladerte; op een open plek graasden kameelen, en op het gras lagen pakken en balen. De karavaan zou eerst tegen den nacht verder trekken.

Wij hebben eindelijk het bosch achter ons en rijden langs rotswanden en over een brug; een koude luchtstroom blaast door den bergpas en spoedig daarna zijn we aan de zastava Mendjil, waar we zouden slapen en waar men ons verwacht, dank zij de hulp van den consul van Resjt.

Het is half elf, dus zijn we twaalf uren tusschen de wielen geweest en erg vermoeid.

Wij vonden te Mendjil als meester der zastava een jood, die vriendelijk was en wel onderwezen bleek. Zijn zoon had een paar maanden geleden het gymnasium te Rostov aan de Don verlaten, toen dat gesloten werd evenals alle onderwijsinrichtingen in Rusland.

Al gauw zong de samovar zachte muziek op de [102]tafel en er werd een groote schotel pilau binnengebracht, die we heel lekker vonden. Wij maakten de mand met provisie open en deelden met onze gastheeren een maaltijd, die met grooten smaak gebruikt werd, terwijl buiten de wind, die door de bergkloof huilde, het huisje scheen te willen meenemen.

Emanuel Bibesco sprak met hen in het Duitsch. Toen boden ze ons hun kamers aan. Een der bedienden moest tot middernacht bij het tolhek op wacht staan, om de schatting van de karavanen te innen; de meester verving hem dan voor het overige van den nacht.

Wij gingen te bed.

Helaas, van slapen kon niet komen. De jacht op een klein beestje legde beslag op de eerste uren van den nacht. En toen we onze maatregelen hadden genomen en eindelijk de kaars hadden uitgeblazen, begon een dame muis haar werk, knaagde aan het houtwerk, klom bij de gordijnen omhoog en sprong op onze bedden... Adieu, slaap! En toch waren we zeer vermoeid; maar het muisje wou, dat we ons met haar bezighielden. We moesten het licht weer opsteken... Zachtjes lachten we om ons ongeluk, want in het vertrek naast ons sliepen onze gastheeren, en die menschen waren zoo vriendelijk geweest, dat wij voor niets ter wereld zouden willen, dat ze van onzen naren nacht wisten. Doodvoorzichtig liepen we op bloote voeten achter het muisje aan, dat we ten laatste vingen achter een gordijnplooi...

Het was al bijna morgen; we hadden geen minuut geslapen, en daar was al gauw het uur van opstaan, want we hadden een lange dagreis vóór ons.

De dag van den elfden Mei brak aan. De bergpas zag er somber uit. We moesten meer dan een uur op den koetsier en de paarden wachten. Het landschap vertoonde geen bloemen en water en bosschen meer; het waren nu alles rotsen en steenen. Daarbij een brandende zon, en eer een half uur voorbij was, moesten we onze reisdekens afleggen en zaten in hemdsmouwen onder een parapluie, die ons maar gebrekkig tegen de heete zon beschutte.

We hadden de kap van onze antieke berline moeten opzetten. Maar we waren onervaren reizigers en wisten dat niet.

Al die uren in de zon maakten ons slaperig; ons hoofd viel op zij, en de zon profiteerde ervan, om onze ooren of neuzen te verbranden. Wij wilden nog denzelfden avond in Kaswyn wezen. Dus moesten er meer dan honderd kilometer door het bergland worden afgelegd. De paarden, die alle twee uren verwisseld werden, waren in het algemeen langzaam en zeurig. De weg was verlaten, want de karavanen reizen in dezen tijd van het jaar alleen des nachts.

Bij elke halt dronken we een paar glazen thee, die altijd klaar staat op kolenvuurtjes. En we aten harde eieren, die overal te krijgen waren.

Tegen vijf uur in den avond waren wij honderdvijftig kilometer van Resjt verwijderd. Het land veranderde weer van aanzien; het dal werd breeder; er kwamen vlakten; de hellingen werden minder steil, en weldra zagen we velden van haver en rogge. Het licht bleef steeds merkwaardig helder en doorschijnend.

Eindelijk hadden we het hoogste punt van den weg bereikt. We waren op zestienhonderd meter hoogte en ontdekten plotseling een nieuw land vóór ons, het hooge plateau van Iran, dat zich tot in eindelooze verte uitbreidde en waar we zoo naar verlangd hadden.

Links werd het beschermd en van Turkestan gescheiden door een reuzenbergland, de Elboersketen, die oostwaarts in den Himalaya zich voortzet. De witte toppen rezen naar den hemel. In de verte schittert de kegelvormige piek van den Demavend, den heiligen berg, wiens krater onder eeuwige sneeuw slaapt. Aan den voet van den Demavend ligt Teheran. Vlak vóór ons daalde de weg naar Kaswyn.

Rechts lag het hooge perzische plateau ter hoogte van elf- of twaalfhonderd meter; lage ketenen liepen erover van het Oosten naar het Westen. Het strekte zich doodsch en eentonig uit in het grijze licht. Daar is dan nu het oude Perzië; eindelijk hebben we het bereikt!

Nu voelden we geen vermoeidheid meer. De nacht, die snel in het Oosten valt, overviel ons onder weg, en het was tien uur, toen wij in Kaswyn binnenreden, een oud beschavingscentrum. In de sjapar khané zouden we den nacht doorbrengen. Dat hôtel is eenig in Perzië in zijn soort. Men vindt er kamers met bedden en kan er op elk uur eten krijgen tegen niet te hooge prijzen. Er werd ons een kip met rijst voorgezet voor nog geen franc. Zooiets vergeet men niet, als men van de hôtels in den Kaukasus komt, waar andere prijzen worden gevraagd.

Van buiten geeft het hôtel zich allures van een paleis, met de zuilengalerij eromheen en den tuin, waarin het is gelegen. Trouwens ook de eenvoudigste huizen nemen in Perzië graag iets monumentaals aan, met mooie portieken en veel beeldhouwwerk.

Er heerschte te Kaswyn dien avond veel opwinding, want den volgenden morgen zou Z.M. de Shah, die Teheran had verlaten voor zijn reis naar Europa, een plechtigen intocht houden. De vorst reisde met zijn geheele hofhouding. Reeds om zes uur in den morgen werden we door rumoer buiten gewekt.

We gingen in den tuin van de sjapar khané. De lucht was heerlijk blauw en de atmosfeer aangenaam koel. Een echte heldere feestmorgen.

Vóór onzen tuin strekte zich de lange laan uit, die naar het paleis van den gouverneur leidt, een koninklijke weg.

Links, dicht bij ons, lag een donker hoekje onder olmen, die den hoofdingang naar de groote moskee overschaduwden. Onder den boog van de eerepoort door konden we het binnenplein zien met de fontein voor de wasschingen, en boven de muren staken tusschen het frissche gebladerte de minarets op, die den hoofdkoepel omgeven.

De keizerlijke stoet zou over het terrein van de sjapar khané trekken en zich dan langs den tuin door de groote laan naar den gouverneur begeven.

Ik installeerde mij op het dak van een laag paviljoen aan het hek. Dat was een best plekje om te zien en te photografeeren.

Het was al vol in de laan.

Er liepen groepen mannen rond in lange gewaden, [103]meestal bruin, soms blauw. Een gekleurde gordel omgaf het kleed boven het middel, en op het hoofd droegen ze meest de kale vilten muts.

Alleen de mollahs of priesters droegen een witten tulband. Er waren veel priesters. Kaswyn is een priesterstad; het zijn knappe figuren met mooie gezichten, fijne, regelmatige trekken, een gewelfd voorhoofd, langen, fijnen neus. De afstammelingen van den Profeet hadden een groenen tulband en een gordel ook van die kleur.

In groepjes zag ik vrouwen met grooten, zwarten sluier, die haar geheel omhulde. Onder den sluier is dan nog haar gezicht bedekt met een dunnen witten doek, waardoor ze kunnen zien, zonder te worden gezien.

Allen liepen kalm en deftig, zonder ongeduld; er was geen gedrang en geschreeuw; kooplieden boden kleine blokjes ijs aan voor twee centimes; anderen verkochten gedroogde vruchten of sigaretten.

Aan den voet van het paviljoen, waar ik mij op bevond, zaten een half dozijn nog al arme menschen; ze vormden een kring en vertelden elkaâr geschiedenissen of grapjes. Het trof mij, hoe waardig dat alles toeging. Twee- of driemaal kwamen politie-agenten van den gouverneur ze verspreiden; dan gingen ze zonder verzet uiteen, en vijf minuten later waren ze terug en hervatten het afgebroken gesprek. In hun buurt speelden kinderen, die de gevechten van den nationalen held Rustem nabootsten.

Besproeiers goten water op het zware stof van de laan. Dat haalden ze uit de goten, die liepen langs wat bij ons de trottoirs zouden zijn. Zooals de meeste perzische steden, heeft Kaswyn een waterleiding, die van de bergen komt. De Perzen hebben altijd wonderlijk goed de kunst verstaan, om de bronnen op te vangen en ze onder den grond naar aanmerkelijke afstanden te leiden.

Op de daken der meestal lage huizen waren vrouwen en kinderen opgesteld, om te kijken.

Van zeven uur af kwamen lange rijen kameelen uit het keizerlijke kamp, dat twintig kilometer van de stad verwijderd was. Ze waren achter elkaâr vastgebonden, in groepen van zes. De kameeldrijvers gilden, dat de menigte plaats zou maken; de klokjes, die de dieren aan den hals hadden, klingelden en ze liepen voort, zonder op te houden, met vooruitgestrekten hals. Dat zonderlinge beest boezemde mij veel belang in; het heeft iets melancholieks.

Die nu voorbijgingen, droegen tenten, pakken tapijten en zakken haver en gerst. Muilezels bij honderden volgden, daarna kwamen bagagewagens met tallooze koffers, europeesche en kleurige perzische kisten. Bedienden van het hof in scharlaken liverei met gouden brandebourgs, soldaten en ambtenaren van de keizerlijke post met den zilveren leeuw op hun hooge muts van lamsvel dienden tot geleide voor de bagage. Die optocht duurde wel drie uren; er moeten wel vijftienhonderd kameelen en evenveel muildieren zijn voorbijgegaan. Ze hebben de wonderlijkste dingen op den rug; ik zag een schommelstoel met rieten zitting boven op den bult van een dromedaris; een kolossale muziekdoos op een muilezel, die eronder gebukt ging, een grammophoon en een aardglobe.

De groote laan in Kaswyn.

De groote laan in Kaswyn.

Daar kwam een klein, grijs mannetje aan met een bril en een puntbaardje, op een nietig ezeltje, beladen met een reuzenknapzak vol geheimzinnige voorwerpen, waartusschen dreigend en hemelwaarts wijzend, een onmetelijk groote kijker opstak. Dat was de sterrenwichelaar van Z.M.

Om de schilderachtigheid en het levendige van het tooneel nog te vergrooten hielden ook de hoofden der bergstammen en de gouverneurs der groote dorpen uit de buurt hun intocht in Kaswyn, om den Shah op zijn doortocht te begroeten. Zij zijn gezeten op levendige, kleine paardjes, mooi opgetuigd, hebben het geweer en bandoulière en stappen in groepen van twaalf of twintig in de laan voort.

De Shah, die ons dit schouwspel bezorgt, reist tegenwoordig nog juist als vroeger Xerxes en Darius reisden. Niets of haast niets is veranderd in 2500 jaar, en als hij uit moet gaan, is dat een heele optrek.

Het is niet voldoende, dat hij een paar dozijn hovelingen bij zich heeft. Hij heeft een gevolg van bij de vijf duizend personen, de bevolking van een kleine stad, die gevoed en geherbergd moet worden. [104]De ministers en de hooge ambtenaren verlaten den souverein niet, evenmin als de hovelingen, die hij gewend is elken dag te zien. De harem blijft te Teheran; perzische vrouwen reizen niet in den vreemde.

Daar diegenen, die met den Shah reizen, personen van gewicht zijn, hebben zijzelf ook weer een gevolg, dat met hun rang overeenkomt. Ieder van die heeren wordt vergezeld door een talrijken stoet van dienstbaren. In Perzië heeft iemand van rang minstens een twintigtal lieden, wier eenige bezigheid is, elkaâr, op hun hurken gezeten, eindelooze geschiedenissen te vertellen. Ieder hoveling heeft twee tenten noodig, een, waarin hij slaapt, en een andere, die vooruit wordt gezonden voor het kamp van den volgenden dag, en zijn domestieken moeten ook hun tenten hebben.

Hij neemt verscheiden rijpaarden mee en evenveel palfreniers als paarden, dan kameelen, ezels voor het dragen van de tenten en de meubels, veel tapijten, een weelde, die een Pers niet ontberen kan, tapijten uit Kerman, Yezd of Ispahan, die bij de halten op den grond worden uitgespreid; twee of drie koffers, waarop in heldere kleuren allerlei versieringen zijn aangebracht. En daar de reis door de woestijn plaats heeft, moeten ook levensmiddelen worden meegenomen. Eindelijk waken een duizendtal soldaten voor de veiligheid van den Shah.

De reis om aan den russischen spoorweg te komen duurt twee maanden, want Z.M. houdt er niet van, meer dan twintig kilometer per dag af te leggen. En bij die snelheid zucht Zij nog, en als men in steden als Kaswyn of Resjt is aangekomen, wordt verscheiden dagen uitgerust.

Een teheransch paleis.

Een teheransch paleis.

Aan den oever van de Kaspische Zee neemt de Shah niet de boot. Hij houdt niet van de zee en in het algemeen niet van water. Een waarzegster heeft hem eens voorspeld, dat hij door het water sterven zou. En sedert dien tijd vermijdt de Shah de zee, de rivieren en zelfs de beekjes. Wij zijn over de Moerdab gevaren; daar waagt de Shah zich niet op. Hij volgt een zandigen weg, die pas is gebaand en die langs een grooten omweg naar Enzeli voert. Onze automobiel zal daarvan profiteeren.

Ornament

[161]

Perzische kopjes uit de 18de eeuw.

Perzische kopjes uit de 18de eeuw.

Wat moet de waarzegster lachen, als de Shah, in plaats van op een der uitstekende stoombooten van de russische maatschappij naar Bakoe over te steken, over land de lastige reis doet langs de Kaspische Zee op een nauwelijks gebaanden weg door een streek, die veel koortsachtiger is dan Perzië. De tocht naar Bakoe duurt dan drie weken en met de boot slechts vijftien uren.

Aan de russische grens laat hij dan 4500 personen en een onnoemelijk aantal kameelen en muildieren achter. Er blijven dan slechts een vijftigtal ministers en hovelingen over, om mee naar Europa te gaan. Dat leger van volgelingen wordt gevreesd in de landen, die worden doorreisd. De bedienden van den Shah dragen een schitterende uniform, maar ze ontvangen zelden hun loon. Zonder dat is men van oordeel, dat het al genoeg eer is, de keizerlijke uniform te mogen dragen. Zij moeten zich maar zien te redden. Als ze aankomen, nemen soms de bewoners de vlucht, en de kameeldrijvers verlaten den weg met kameelen en muilezels.

De moderne en allerkluchtigste verschijning in dit tooneel is de automobiel van den Shah, want de vorst heeft een stoomautomobiel en twee fransche chauffeurs.

Waarvoor gebruikt hij zijn auto?

Niets zou aardiger wezen dan dat de groote koning van de snelste en nieuwste manier van reizen gebruik maakte, en bijvoorbeeld in Teheran in de auto stapte, om in een enkelen dag de 350 kilometers af te leggen, die de hoofdstad van de Kaspische Zee scheiden. Het zou mooi zijn, dat Zijne Majesteit de snelste man uit zijn rijk was. Men kan zich zoo voorstellen, wat een legenden dit bijgeloovige volk zou spinnen rondom een souverein, die de buitengewone macht bezat, om des morgens in Teheran en des avonds in Resjt te wezen.

Dat heeft de Shah niet begrepen. En buitendien heeft hij pijn in de lenden.

Hij bedient zich van de automobiel, zooals gij en ik een ziekenwagentje zouden gebruiken. Hij rijdt erin door zijn tuinen. Op den weg legt hij twintig of vijf-en-twintig kilometer per dag af. En dat gaat niet in een half uurtje. De soldaten moeten het rijtuig in stap kunnen volgen....

Zoo houdt de Shah, die om zeven uur in den morgen in de automobiel is vertrokken voor een reis van 800 kilometers, om tien uur op en heeft dan een twintigtal achter zich.

Overigens wisselt hij nog af en gebruikt de auto maar om den anderen dag. Ik denk, dat hij nu wel in het rijtuig zijn zal, om zijn getrouwe onderdanen van Kaswyn niet te verschrikken.

Eindelijk klonk tegen tien uur een kanonschot. De Shah is de stadspoort doorgegaan. Dadelijk daarna zien we een wolk van menschen aankomen, te voet en te paard, met lange stokken gewapend. Dat zijn de voorloopers van Z.M., die de menigte ordelijk opstellen. De belangstelling is trouwens maar matig.

Dan gaat een peloton voorbij van lieden van het keizerlijke huis, in scharlaken liverei met gouden brandebourgs; een majordomus stapt voor hen uit, een korte, dikke man, die onhandig zwaait met een dikken staf van tamboer-majoor; dan volgt een fanfarecorps te paard en perzische kozakken met een rooden generaal aan de spits, en eindelijk in een [162]rijtuig met zes paarden de Koning der Koningen onder de half opgeslagen kap.

Hij was op zijn Europeesch gekleed en zag er zeer vermoeid uit; een oude afgeleefde dorpsnotaris leek hij wel.

Het kanon bulderde, maar de menigte juichte niet. Zij bleef onverschillig. Dat schijnt altijd zoo te zijn. De Perzen zijn nooit geestdriftig geweest tegenover de koningen of shahs, die hen nu al vijf-en-twintig eeuwen en meer regeeren.

Tegen den middag waren wij weer op weg van Kaswyn naar Teheran. Wij kruisen nog de achterhoede van den Shah en ontmoeten al maar weer kameelen en muilezels. De weg, die tot Teheran door de woestijn leidt, is gruwelijk eentonig. Mijlen en mijlen lang gaat hij steeds rechtuit. De Elboersketen verrijst aan den linkerkant. Rechts ligt het eindelooze plateau van Iran. Er was geen boom, geen struik; niets dan steenen en zand, zoo ver het oog reikte. Aan de eene zij stonden de palen van de russische telefoon en telegraaf, en aan de andere die van de indo-europeesche telegraaf, die uit Tabris en Odessa komt.

Alle 26 of 30 kilometer een posthuis met een paar boomen. Het duurt telkens wel een uur, eer we met de versche paarden wegrijden. Ondanks het voorbijgaan van den Shah waren we nog al gelukkig met het krijgen van paarden. Maar de ongelukkige beesten waren uitgeput van vermoeienis, en wij kwamen langzaam voort. Wij hoopten zonder tusschenpoozen de honderd-vijftig kilometer te kunnen afleggen, die ons van Teheran scheidden.

Toen we van Kaswyn vertrokken, hoopten we vóór middernacht in de hoofdstad te wezen. Nu is het vijf uur en we denken er niet voor het aanbreken van den morgen te zullen zijn. Maar we hielden vast aan ons besluit, om niet in een zastava te overnachten, en niet in een sjapar khané.

De warmte en de weerkaatsing van het felle zonlicht op den weg vermoeiden ons zeer. Wij kropen beiden onder de witte parasol van mijn metgezel. Te vergeefs beloofden we vorstelijke fooien aan de koetsiers, we komen toch nooit met grooter snelheid dan tien kilometer in het uur vooruit.

Bij elke halt stapten we uit, om onze beenen te strekken. Het werd donker en we waren nog onder weg. Daar moesten we over een rivier. Een der bogen van de brug was ingestort. De koetsiers verklaren, dat ze de doorwaadbare plek in donker niet kunnen vinden. Te vergeefs beloofde Emanuel Bibesco aan den postmeester, die Russisch verstaat, een zeer groote belooning; geen enkele koetsier durft op den bok klimmen. Zij zeggen maar, dat het onmogelijk is; dat wij door den stroom worden meegesleurd.

En zoo waren we genoodzaakt, de bagage af te laden voor een nacht in een sjapar khané.

Ons humeur was ver van prettig.

Het huis was nog al groot; wij liepen onder een poort door, dan door een tuin en langs gebouwen, terwijl een vriendelijke maan ons mooie boomen en bloemen vertoonde. Toen gingen we een trap op met te hooge treden en kwamen op terrasjes, waar een zilveren licht speelde. Daar werd ons een deur geopend van een kamertje met gewitte muren en dat er zeer zindelijk uitzag. Er stonden twee ijzeren ledikanten met twee stroozakken, een tafel en twee stoelen.

Wij waren doodop van den langen dag in den zonneschijn, vroegen naar een samovar, haalden conserven voor den dag en sloegen de veldbedden op. Het was vochtig; we waren zeker aan een plas of een moeras.

Het was over middernacht, eer wij, in onze shawls gewikkeld, te rusten lagen. Ondanks de bedekking rilden we.

Maar we konden niet slapen, want onder het terras klonk een onophoudelijk gekwaak van kikkers. Hun muziek dreunde door den nacht; er waren soli en er waren koren, en nooit hoorde ik ze zoo krachtig en hoog. En nu begrijp ik die heeren in de Middeleeuwen, die in den nacht hun lijfeigenen het water lieten slaan, om niet door de kikkers uit den slaap te worden gehouden. Ik had tot hier toe in dezen voorzorgsmaatregel een gril van dwingelandij gezien, het egoïst gevoel van een meester, die slaapt, terwijl anderen voor hem waken. De perzische kikkers, die bij het maanlicht uit den treure zingen, rechtvaardigen de wreedste maatregelen, die eertijds genomen werden, om aan de europeesche zusteren het zwijgen op te leggen.

Toch won eindelijk de vermoeidheid het van al het andere.

Het moet nog geen half uur geweest zijn nadat we in slaap gekomen waren, daar werden we wakker door een geluid in de kamer.

Wat is dat? Dieven? Wij zijn in zulk een diepen slaap, dat we ons wel zouden willen laten bestelen, mits het maar zachtjes gebeurde.

Neen, het was de postmeester met een primitieve lantaren in de hand. Hij probeert, ons iets in het Perzisch uit te leggen. Wij willen nergens naar luisteren. We jagen hem weg en slapen weer in.

Voor korten tijd, want een uur later komt die hardnekkige man weer ter plaatse.

Weer worden we wakker en vinden hem voor ons staan, zwaaiend met zijn lantaarn en vertelt onder drukke gebaren een historie, die wij ten laatste, nu hij ze voor de derde maal herhaalt, begrijpen. Hij verklaart blijkbaar, dat wij moeten vertrekken, om bij het aanbreken van den dag aan de doorwaadbare plaats van de rivier te zijn, want dat naarmate de zon hooger komt, het water ook zal rijzen en dat, als we nog langer wachten, we er niet over zullen kunnen.

Daar hij niet wegging, moesten wij wel opstaan.

Wij waren verstijfd; de vochtigheid had een laag fijne druppeltjes afgezet in de kamer; ik had een papier met potloodaanteekeningen buiten laten liggen, en het schrift was geheel uitgewischt. Rillend maakten we ons een kop thee.

Toen moesten de bedden uit elkaar worden genomen en in hun bergplaats worden geborgen; de shawls worden opgerold, de proviand worden ingepakt, de valiezen gesloten en naar buiten gebracht, en wijzelf moesten de trap afgaan met de te hooge treden!

Wij zaten in het rijtuig, maar de paarden zijn niet aangespannen. En ten slotte gingen wij, die vóór het dag was opstonden en bijna niet hadden geslapen, pas weg om zes uur. [163]

Na enkele kilometers te hebben afgelegd, waarbij we de zon zagen opgaan achter de in nevelen gehulde bergen, waren we aan den oever der rivier.

Zij stroomde snel tusschen haar steile oevers. Er was een brug over, maar de middelste pijler was door het water meegesleurd. Men had ter eere van den Shah een houten hulpbrug gemaakt voor voetgangers. De rijtuigen moesten door het water gaan en langs den oever dalen en klimmen. Er werden hulppaarden voorgespannen, de koetsiers gilden, het water spoelde om de wielen, en wij zagen ons rijtuig oversteken, terwijl wij van de houten brug toekeken.

Den geheelen dag gingen wij langzaam verder op den eentonigen weg. De warmte was erg, en geen koeltje bracht verlichting. Maar eindelijk wees de koetsier ons een streep boomen; dat is Teheran. De steden in Europa kondigen zich aan den reiziger aan door huizen en grootere gebouwen; in de steden van Azië daarentegen verbergen de hooge boomen de lage huizen en uit de verte ziet men, als de gids u een stad wijst, niets anders dan groen.

In plaats van den gordel van voorsteden, die vaak een indruk van armoede maken, omringen tuinen de steden in het Oosten.

De zon heeft ons echter zoo gebrand, dat wij ons over niets meer kunnen verheugen.

Langzaam naderen we de stad. De weg werd druk. Soldaten te paard en te voet kwamen terug uit het kamp van den Shah; ezeldrijvers dreven troepen kleine ezels, met brandhout beladen, voort, en een ruiter had een toegedekten valk op zijn hand. Stofwolken deden iemand pijn aan de oogen.

Nog een uur, en wij waren voor de poorten van Teheran.

De koetsier voerde ons door breede straten, tusschen muren zonder vensters. Het was affreus. Waren wij dat van zoo ver komen zoeken? Is dat Teheran? Wij hadden een paar wanhopige oogenblikken.

Daar verschenen eindelijk eenige winkels. Het zijn geen perzische gelegenheden. Wij vernamen, dat de heer Bedrossian ons wel een pak europeesche kleeren wil aanmeten, tegen betaling wel te verstaan, en dat de heer Élijan ons op amerikaansche manier een kies wil trekken.

Emanuel Bibesco is aan zwarte melancholie ten prooi.

Ten laatste kwamen we aan het hôtel. Men kwam binnen door een aardige binnenplaats, beplant met zware boomen en bezet met mooie bloemen, terwijl aan de vier zijden portieken waren, waar kamers op uitkwamen.

Het was het Hôtel Anglais, gehouden door den heer Reitz.

Wij richtten er ons in. Er waren bedden, bedienden en warm water. Wij leerden zulke dingen op prijs stellen.

Na een bad te hebben genomen, ging ik naar de fransche legatie.

Den volgenden morgen was het ontwaken verkwikkend in die zindelijke kamer met de open vensters en de heerlijke lucht, die binnenstroomde. Wij zouden acht dagen in Teheran blijven, en we hadden wel wat rust en goede dagen verdiend. Emanuel Bibesco wil nog niets anders zien dan de europeesche voorstad van Teheran. Hij zegt, dat Teheran een groote bedriegerij is, installeert zich prettig in het hôtel, knoopt kennis aan met de jonge Engelschen van de Bank en de indo-europeesche telegraaf, spreekt den geheelen dag Engelsch en wil verder niets zien. Men moet niet met Ispahan bij hem aankomen; die stad wil hij niet kennen; wat hij van Perzië kent, zijn de verschrikkelijke vermoeienissen, die men er ondervindt op reis. Dat is hem genoeg, en hij is mild met zijn overwegingen, dat hoe korter een dwaasheid duurt, des te beter.

De morgens waren heerlijk.

Ik ging niet weg van het balkon, waar mijn kamer op uitkwam. Om zeven uur bracht de perzische bediende, Mahmoed, dien ik riep door in de handen te klappen, water voor het bad; ik bleef blootsvoets en in mijn pyama aan mijn ontbijt en wachtte op kooplieden. Vóór mij lag de tuin met roode rozen onder den blauwen hemel. Een koele, droge frischheid was in de lucht, en in de kamer waren reine matten, klare katoentjes en ook al enkele kostbare stoffen, die ik had gekocht.

Tegen tien uur kwamen de dellals of rondtrekkende kooplieden, want onze aanwezigheid was spoedig in Teheran bekend geworden.

Ze lieten hun ezel aan de poort van het hôtel en brachten hun waren boven. Coupes van geciseleerd koper, vazen, aardewerk van allerlei vorm en soort, degens, geweren en émail. Er moest nauwkeurig toegekeken worden, want negen van de tien dingen waren waardeloos. Ik vroeg aan de dellals mij stukken te brengen met metaalweerschijn op witten of crême ondergrond uit den mongoolschen tijd of nog ouder, als ze die kunnen krijgen; ik zou ook tevreden wezen met metaalinlegsel op blauwen grond, dat uit den tijd van Shah Abbas dateert, eind 16de eeuw. Zij beloven er moeite voor te zullen doen. Zij zeggen, wel te weten, waar zulk een “khelly antic” stuk te vinden is, dat honderden tomans (een toman is vier francs) waard is.

En den volgenden dag komen ze met een doos, die ze met allerlei voorzorgen opendoen en halen er een voorwerp uit, dat in watten is gewikkeld; ik beef van ongeduld. Zij onthullen het en ik zie een valsch, waardeloos ding. Zij vragen er vierhonderd francs voor, een enorme som in Teheran; ik bied hun één franc. Toen lachen ze en roepen: “O, Meneer is op de hoogte”. Ze nemen mij die vrijheid volstrekt niet kwalijk, en morgen komen ze weer met een ander valsch stuk.

Maar op een dag bood een oude koopman mij een werkelijk niet kwade coupe aan. Ik onderzocht nauwkeurig en alles leek echt, maar de prijs.... Hij vroeg zestig tomans, dat was verontrustend. Als hij wist, dat het stuk echt was, zou hij wel 250 tomans hebben gevraagd, en het dan voor tachtig of honderd hebben gelaten. Eenige dagen later liet ik het aan een kenner zien, die niet op zich durft nemen, te zeggen, dat het echt is, maar mij aanraadt, het te koopen als ik het voor een veertigtal tomans krijgen kan.

Toen de koopman terugkomt, verklaar ik hem, dat de coupe valsch is. “Nist antic” zeg ik beslist. Waarna hij, zonder een poging tot tegenspraak het [164]inpakt en weggaat. Ik heb hem niet teruggezien.

Wat er nog wel te krijgen is, zijn potten en vazen met blauw décor zonder weerschijn, die honderdvijftig of tweehonderd jaar oud zijn. Ik koop die niet zonder veel gesjacher voor één of twee tomans. Ik heb er al gauw een schoorsteenmantel van vol en een tafel. Emanuel Bibesco ontdekt een stuk wit aardewerk, met koper gemonteerd, een prachtig stuk.

Wie oude gebouwen in Teheran gaan zoeken, worden teleurgesteld. Er zijn geen oude porseleinen muren en poorten; die men er ziet, zijn modern, weensch maaksel. Teheran is nog maar hoofdstad sinds de troonsbestijging der Kadjaren, welke dynastie door een eunuch was gesticht.

Maar men kan eenige aangename uren slijten in den bazar. Die is overwelfd en boven in de gewelven laat een opening een weinig licht door. Het is er koud, stoffig en donker, waar men eerst aan wennen moet.

Acht dagen, nadat we onze vrienden te Resjt hadden verlaten, voegden zij zich weer bij ons. Zij hadden het best gehad, en de auto had hen afgehaald. Die was na een moeilijke inscheping te Bakoe goed en wel in Enzeli aangekomen, was van daar naar Resjt gereden, en om vier uur in den namiddag waren de beide paren met Keller en den Tsjerkess Hassan uit Resjt vertrokken met hun zessen in de groote Mercédes. Dezen keer hadden ze elk maar één toiletzak mogen meenemen, want in de auto moesten de vier veldbedden worden geborgen en de dekens. Met de knieën tot de kin opgetrokken, waren ze het hooge plateau gaan beklimmen, hadden te Mendjil gedineerd, en waren tegen elf uur in Yusbasjaï aangekomen.

De Sjah was er gekampeerd, en een engelsche dokter, die Z.M. vergezelde, wou voor een nacht zijn tent wel aan de vreemdelingen leenen. Zij verlieten in den morgen om acht uur hun kamp, ontbeten te Kaswyn en deden van Kaswyn tot hier de reis in een beetje meer dan vijf uur. En wij hadden er vier-en-twintig over gedaan! De auto was ook door de rivier gegaan en was op dat kritieke oogenblik gephotografeerd.

Jonge vrouw met een aap spelend. Perzisch miniatuur uit de 16e eeuw.

Jonge vrouw met een aap spelend. Perzisch miniatuur uit de 16e eeuw.

(Uit de verzameling van den schrijver).

Daar waren we nu weer allen bijeen. Of er ook veel te vertellen was! Van Leonida waren geen berichten.

Nu straks samen naar Ispahan! Rozen plukken!

Eerst brachten we nog een bezoek aan het paleis van den Shah. Ik zal precies zeggen hoe wij het er vonden. Men moet niet meenen, dat de Koning der Koningen in een pracht van een oostersch paleis een leven leidt als uit een sprookje. Hij logeert op zijn Europeesch, en deze perzische monarch heeft een zeer slechten smaak, waardoor hij de voorkeur geeft aan weensche artikelen uit een guldensbazar boven kunstvoorwerpen uit Perzië.

Het is waar, men laat u den vermaarden pauwentroon zien; maar die komt niet uit Delhi en nooit heeft de Groote Mogol erop getroond. Hij is te Ispahan vervaardigd in het begin der 19de eeuw, en er wordt verteld, dat vele der kostbare steenen, waarmee hij versierd was, door minder kostbare steenen zijn vervangen.

Maar de tuinen van het Gulistanpaleis zijn prachtig. Er is veel stroomend water, dat over steenen van blauw émail loopt; dan ziet men wondermooie porseleinen bekkens naast de heerlijkste vakken van bloemen en rozenheggen....

Daar de Shah niet thuis was, werden we ontvangen door den Valyat of kroonprins, gouverneur van Tabris, die het regentschap waarneemt tijdens de afwezigheid van zijn vader. Er moest eerst onderhandeld over ons toilet. Volgens de étiquette moesten wij verschijnen in rok en witte das en met een hoogen hoed. Die hadden wij niet bij ons, en daar ieder wist, dat wij per auto in Perzië waren, stemde Zijne Hoogheid erin toe, dat wij met onze automobielpetten zouden worden toegelaten. Die vraag van de hoofdbedekking is niet onbelangrijk, want bij tractaat van 1827 is vastgesteld, dat de Europeanen zich niet het hoofd zouden ontblooten in tegenwoordigheid van Z.M., die zelf nooit zijn lamsvelmuts aflegt. [165]

Dus kwamen wij in het paleis onder het beminnelijke geleide van den russischen consul, en als gewoonlijk werden ons eerst in een voorvertrek ververschingen aangeboden, waarna wij in een onmetelijke zaal binnentraden, waar in den versten hoek de Valyat zat, die bij onze intrede opstond. Het is een man van 38 jaar, die wel 45 lijkt, klein, dik en verlegen, met knippende oogen achter een gouden bril.

Er was een russische tolk, en er volgde een kort, alleronbelangrijkst gesprek, waarna de audiëntie was afgeloopen en wij heengingen. We hadden onze petten niet afgezet. Men mag enkel achteruitgaand zich retireeren en zoo voerden wij alle zes een figuur uit een quadrille uit in dat reuzensalon, met de oogen op den Valyat gericht, de hand aan de klep van onze pet, waarbij wij zoo goed mogelijk de hinderpalen vermeden, die zich op onze weg voordeden in den vorm van tafeltjes en ornamenten, en waarbij we groote moeite hadden, ons lachen in te houden, als een van ons tegen een meubel stiet.

In de diligence op den vijfden dag van de marteling.

In de diligence op den vijfden dag van de marteling.

In de verschillende legaties ontving men ons uiterst vriendelijk. Het was amusant, daar zoo gemakkelijk door Europa te reizen. Wij déjeuneerden in Rusland, dronken thee in het huis van Zijne Britsche majesteit, dineerden vroolijk in Frankrijk en deden een walsje bij den Grooten Turk.

Onze koffers hadden zich in Teheran weer bij ons gevoegd. We reden in onze auto tot groote verbazing der Perzen, en de morgens werden dikwijls met de dellals gesleten. Het verveelde ons nooit, de drukte op de straten en in den bazar gade te slaan, te rijden door de omstreken tegen den avond en dan terug te keeren naar de drukte van Teheran.

Sedert wij in Iran zijn, hebben we nog geen enkele wolk aan den hemel gezien. Op den dag welft zich in onveranderlijk blauw een koepel over ons, die in den nacht verandert in een violet gewelf met sterren bespikkeld. En de tegenstelling is groot tusschen deze stralende perzische dagen en die van den eersten tijd onzer reis, toen we steeds sombere luchten hadden met nevel, wolken en regen.

Het kost haast moeite ons los te rukken, maar wij moeten Ispahan zien. Toen wij vertelden, dat het ons plan was, bleek er groote verbazing bij de buitenlandsche kolonie. Wie dacht daar nu ooit aan in Teheran! En ze noemden ons de bezwaren, het gebrek aan levensmiddelen, de vermoeienis van den tocht door de woestijn. De dames zouden het nooit uithouden. Het was dwaasheid.

Maar wij zijn niet van zoo ver gekomen, om niet anders te zien dan de half-europeesche stad, die Teheran heet.

Er liggen tusschen Teheran en Ispahan ongeveer 480 kilometer, langs den weg, dien de rijtuigen volgen. Wij hebben al zooveel kilometers verslonden [166]sinds ons vertrek uit Boekarest, dat die 480 er als dessert ook nog wel bij kunnen, en het verwondert ons, dat niemand van de legaties zich op dat dessert heeft getracteerd buiten nu en dan een Engelschman.

Wij dachten, dat men eens voor een weekje naar Ispahan ging in het seizoen van de rozen, maar neen, dat gebeurt niet.

Wij zullen het dan toch maar doen en maken ons voor het vertrek gereed.

Dat is geen kleinigheid.

Wij weten het nu vooruit. Er moet proviand zijn voor ons zessen, want er is onderweg niets te krijgen. Wij rekenen ruim en stellen vier dagen, om in Ispahan te komen, maar omdat het een woestijnreis is, stellen we acht dagen. Wij vullen dus weer de groote mand met conserven, te Tiflis gekocht, en er mag niets vergeten worden, want als we vertrokken zijn, is het te laat.

Er moet een bediende mee, want de Tsjerkess Hassan, die tot Teheran is meegegaan, bleek evenmin Perzisch als Fransch te kennen. Die werd dus naar den Kaukasus teruggezonden.

We namen een leerling-tolk mee, een 18-jarigen jongen, die eigenlijk maar twaalf jaar leek. Hij was al tweemaal in Ispahan geweest; Aimé heette hij en hij had heldere, schelmsche oogen. Al wat hij deed, deed hij goed, al kon zijn kleeding netter zijn en al waschte hij zich zelden.

Dan hebben we rijtuigen noodig.

We hebben maar één auto en zijn met ons zevenen, met Aimé mee. Daarbij al de bagage, de benzine en de proviand. Het is jammer, dat Leonida nog maar altijd in de bergen van Tabris is; nu zijn we wel genoodzaakt de groote Mercédes te Teheran achter te laten, waar Keller haar grondig zal schoonmaken.

Wij vernamen, dat er geen drie landauers te krijgen waren, daar er maar twee aanwezig waren, en dat er na Koem ook niet voor drie gelegenheid was, want er zijn maar acht paarden op de halten en ieder rijtuig moet er vier hebben. Er was echter een ongemakkelijke break met twee banken zonder kussens of bekleeding, met een dak erboven, op vier ijzeren stangen rustend. Die moesten we wel nemen, en te Koem was een diligence te krijgen, die gemakkelijker zou wezen.

Wij besloten, omdat het warm zou zijn, des morgens om vier uur te beginnen, dan tot tien uur te reizen, daarna te ontbijten en te rusten en om vier uur weer te beginnen, zoo meenden we in vier dagen er te zullen kunnen zijn.

Zondagmorgen, 21 Mei ging het erop los.

De break, die als diligence dienst deed, was er om vier uur niet. Wij zonden Aimé naar de post, en na een heele poos kwam de wagen. Het duurde tot zeven uur, vóór alles goed en wel gereed was. Vooraf spraken we nog af, niet te rusten op het midden van den dag en in Koem te overnachten op 150 kilometer afstands, waar we tegen den avond hoopten te zullen aankomen.

We waren nu echt in de woestijn, zand en nog eens zand, met af en toe kleine heuvelreeksen, rotsachtig en met steile hellingen. De rit in den postwagen was een ware marteling, want het ding schudde en hotste erbarmelijk, en we zaten te ongemakkelijk, om een onzer ledematen rust te geven. Elke twee of drie uren was er een haltpost. Tegen den middag ontbeten wij en haalden in de gloeiende zonnehitte den voorraad uit onze mand. Dat was zwaar werk. De sjapar khané, waar we waren, had wel een kaal kamertje voor ons, vol muskieten. Er waren noch tafels, noch stoelen; maar wij beginnen op de hoogte te komen van de perzische gebruiken, en we aten dus, zittend op onze valiezen, conserven, die in de zon nagestoofd waren. Ook ontdekken we dat sardines zulke temperaturen niet kunnen verdragen en genoten willen worden in gematigder klimaat.

Dan ging men, na het drinken van slappe thee, verder door een troosteloos landschap over den rotsachtigen zandbodem van het plateau.

Geen planten en geen rivier, en altijd een fijne stof om ons heen. Telkens verliezen we een uur bij de wisseling van paarden. Beloften noch bedreigingen vermogen iets op de koetsiers. Men zou ze slaan! Maar zoo ver zijn we nog niet.

De eenige episode, die de eentonigheid verbrak, was de verschijning van een troep gieren, die het karkas van een kameel nazocht. Georges Bibesco schoot er een, en de jonge Aimé apporteerde als een jonge hond.

Om zeven uur in den avond waren we in een klein dorp, Aliabad. We hielden er stil, om te dineeren. Er was een bekoorlijke tuin, en als groote weelde een tafel en tabouretten. Aimé maakte de groente voor ons warm in onzen ketel, want de bewoners van Aliabad verafschuwen ons als onrein.

Ze zouden misschien niet denzelfden weerzin hebben tegen den inhoud onzer valiezen, en één van ons moest op wacht staan bij de diligence.

Bij kaarslicht aten we in den tuin. Daar verklaarde ons Emanuel Bibesco, dat hij na dezen verschrikkelijken dag zich niet goed voelt, dat hij niet met ons verder zou gaan, maar hier wou blijven wachten, tot wij hem een wagen uit Koem zenden, om hem naar Teheran terug te brengen.

Wat een wanhoop! Onmogelijk, onzen vriend hier alleen te laten in dit dorp, waarvan de bewoners ons zelfs geen water willen geven; aan den anderen kant durven we ook niet de verantwoordelijkheid op ons nemen van hem mee te voeren naar Koem.

Toen haalden we hem over, mee te gaan tot de volgende halt. Als we er kunnen logeeren, willen wij er ook blijven, want we zijn nog maar halfweg Koem en kunnen al niet meer.

In den nacht gaat het dan verder. We voelen ons gebeukt en gemalen. Aan de volgende vuile sjapar khané gekomen, besloten we er te blijven, hoe ellendig het er ook was.

Om vijf uur werden we wakker door het gegons van duizenden muggen. Ik ging opstaan en vond in den tuin een beek, die zich iets verder stortte in een breeden plas. Er was niemand op, en de perzische vrouwen, die den vorigen avond gekomen waren en een pelgrimstocht deden, sliepen in haar wagen. Ik snelde naar den vijver, kleedde mij uit en nam een bad, het eerste in de open lucht van dit jaar, en het is aardig, dat in de perzische woestijn te gebruiken. [167]

Op deze plek was het echter niets woestijnachtig; het landschap was zelfs mooi, en de anderen, die ook een bad namen, herstelden zich met mij van de vermoeienis van den vorigen dag, zoodat Emanuel Bibesco besloot, met ons naar Koem te gaan.

Tegen acht uur vertrokken wij naar Koem, dat zestig kilometer verwijderd is. We hebben nog pas een paar minuten gereden, of we weten al, dat het lijden van den vorigen dag weer begonnen is. En we zijn nu al 24 uren ten achter bij onze voornemens.

We dachten om twaalf uur in Koem te wezen, maar bij het langzaam rijden vorderen we te weinig, en reeds was het middag, zonder dat nog in de verte iets van Koem te zien was, noch van den vergulden koepel van Sint-Fatmeh, waar de hoop van zooveel geloovigen naar uitgaat. Werd Koem ooit door eenige reizigers met vuriger verlangen gezocht dan door ons?

Het was drie uur, toen we boomen aan den horizon zagen, waarboven minarets uitstaken. Dat was de verlangde stad.

Wij stapten af aan de sjapar khané, die een grooten tuin had, vol bloemen en boomen. Een welverdiende rust viel ons hier ten deel. Eerst morgen om vier uur willen we van hier gaan.

Aimé werd naar den bazar gezonden om proviand en ijs, en wij bekeken intusschen de diligence, die hier voor ons beschikbaar was en die ten minste vrijwat geriefelijker was dan de zoogenaamde break. Er was een compartiment voor zes personen vóórin en een ander voor vier achterin.

Daarna installeerden we ons in den tuin in de zware schaduw van moerbeiboomen en, liggend op den rug, wachtten we tot de rijpe vruchten ons in den mond vallen.

De bagage en de veldbedden werden bij ons gebracht. In Perzië is het zaak, zijn valies niet uit het oog te verliezen.

Er was maar één kamer in de sjapar khané. Maar wij waren zoo verrukt van ons zitje, dat wij besloten, buiten te overnachten. Alleen Emanuel Bibesco geeft aan de kamer in de herberg de voorkeur.

Eerst aten wij nog een heerlijk rijstgerecht, met melk klaargemaakt, dat wij met confituren smakelijker maakten en besloten toen, twee uren te rusten vóór we Koem gingen zien.

De veldbedden werden opgeslagen en we genoten de rust in de schaduw der moerbeiboomen. De een sliep als een marmot; de ander ging schrijven, en een derde droomen. De dalende zon bescheen een grooten muur, die den tuin omsloot en waarboven de gouden koepel zich verhief van de moskee, waar de heilige Fatmeh rust, die Koem tot bedevaartplaats maakt. Alleen Medsjed, waar de imam Reza is begraven, is nog heiliger dan Koem.

In de schemering gingen wij naar den overdekten en donkeren bazar. Enkele beleedigingen werden ons in het voorbijgaan toegeroepen, want Koem is bij zijn heiligheid zeer dweepziek. De menigte houdt niet van Europeanen en vooral niet van ongesluierde vrouwen. Ze kijken onze dames aan met nieuwsgierigheid en minachting. Jongens liepen achter ons aan. De bazar was zoo smal, dat als er iemand op een paard aankwam, men niet voorbij kon.

Wij verlieten den bazar en kwamen op een kerkhof. Er waren veel menschen om ons heen, en de nieuwsgierigheid werd lastig. Toch probeerden wij de groote moskee achter op het kerkhof te naderen, maar dat scheen heiligschennis in de oogen der menigte, zoodat wij door een straatje afsloegen naar de rivier dicht bij onze sjapar khané.

Het was donker, en toen de tafel gedekt was onder de boomen, volgde er een vroolijke maaltijd met kaarsen, die lichte stipjes teekenden in den nacht.

Wij maakten toebereidselen voor onzen nacht in de open lucht. De beide paren kozen de beschutting van de groote moerbeiboomen, en ik nam een verder verwijderden. De shawls werden op de veldbedden uitgespreid en uit vrees voor dieven maakten we de valiezen aan de bedden vast.

Wij ontkleedden ons bij het onzekere licht der kaarsen, dat in den wind flakkerde; geld en revolver werden onder het hoofdkussen gelegd, en de kleêren op het bed.

Daar lagen we, wenschten elkander goeden nacht, en de kaarsen werden uitgeblazen.

De opwinding van de reis, de nieuwheid van in de open lucht te kampeeren in het midden van Perzië, joegen den slaap op de vlucht.

Ik lag wakker en keek naar de vier minarets van de Fatmeh-moskee, waar lichten waren ontstoken, om aan de pelgrims, die onderweg waren, het doel van hun tocht te laten zien. Aimé lag op een deken, en pas had hij zich uitgestrekt, of hij snorkte. Een warme wind streek over ons heen, bewoog de takken, er vielen moerbeien van de boomen, en de lucht was vol ongewone geluiden.

Er moeten wolken zijn, want ik zie geen sterren meer.

Plotseling kwam er een sterkere windstoot, geritsel van de bladeren, dan een druppel op mijn gezicht, nog een en weer een... het regent!

Wanhoop! Zullen we in den nacht moeten opstaan en ons weer aankleeden? O, waarom houdt de regen niet op! Een minuut van spanning; neen, de druppels vallen dichter op de bladeren en op mij.

Toen volgde in de duisternis bij den kletterenden regen een verwarde vlucht; ieder van ons was half gekleed, de dames in shawls gewikkeld, de mannen, de veldbedden versleepend, waar de valiezen op werden gestapeld. In onze nachthemden of pyama’s liepen wij door den grooten tuin onder de boomen door, die bij elke windvlaag ons met een bad van druppels besproeiden.

In de sjapar khané gingen de Bibesco’s hun neef wekken en installeerden zich in zijn kamertje met hun drieën. Het gezin Phérékyde en ik, we schikten ons zoo goed mogelijk in het portiek. De bagage en de voorraden werden tusschen de bedden opgestapeld. Zouden we nu kunnen slapen? Het is al middernacht. Over een uur of vier zullen we moeten opstaan.

Onder de opgehangen lamp trachtten wij in slaap te komen. Een verontrustend geluidje heel dichtbij verschrikte ons. Het leek wel, of er muizen bezig waren. Inderdaad waren het muizen, knabbelend aan [168]onzen voorraad. Twee-, driemaal joegen we ze weg; ze kwamen terug, en onze waakzaamheid verslapte. Wij legden ons weer neer, en onderwierpen ons aan de schade, die ze kunnen aanrichten, vastbesloten, ze met rust te laten, als ze ons maar niet in de ooren beten.

Daar doet een luid gerinkel ons opspringen. Een kat had drie kisten met conserven omgegooid en twee glazen gebroken, en is toen gaan eten; hij had eerst de muizen voor ons weggejaagd. Op onze bedden zittend, keken we zonder kwaadheid naar de kat.

Maar moeilijk is het wel, in zoo’n portiek te slapen. Regendruppels kunnen ons van den weg bereiken, en daar rijdt een rijtuig binnen. Er komen twee Perzen uit, kijken naar ons en praten met hun koetsier.

Eindelijk gaan ze heen.

Met roode Kozakken en gala-landauers in Ispahan.

Met roode Kozakken en gala-landauers in Ispahan.

Nu komt de beurt aan den hond, dien ik al in den tuin had gezien. Hij is achter ons aan gegaan, en op het oogenblik toen ik net wat doezelig werd, voelde ik een warmen adem op mijn gezicht.

Ik joeg den hond weg, die even daarna de plaats van de kat innam bij den voorraad proviand. Maar alles is ons onverschillig, zoo moe waren we.

Een oogenblik later luid klokjesgebengel. Een kameelenkaravaan verlaat de karavanserai; een van de dieren, nieuwsgieriger dan de andere, treedt uit de rij, om te onderzoeken, hoe Europeanen er uitzien, die niet slapen. Het lijkt een goedige, gezellige kameel, die zeker heel wat aan zijn collega’s te vertellen zal hebben. Hij mag ter herinnering aan ons meenemen wat de muizen, de kat, de hond en de ezel, die er ook nog is geweest, van onzen voorraad hebben overgelaten.

Zoo halen we zonder slaap, maar niet zonder afleiding en vermaak, half vier in den morgen. Wij zullen dan ten minste om vier uur klaar wezen. Wij staan op en overzien de verwoesting. De menagerie heeft een aangebroken blikje paté de foie gras opgepeuzeld, dan wat rijst, brood en vier-en-twintig harde eieren, die gekookt waren voor de dagreis van heden. Dat het hun wel bekome!

Woensdag was de derde dag van de woestijnreis van Teheran naar Ispahan. Hoewel we niet geslapen hebben, zijn we toch niet vroeg, want bij de vlucht door den tuin voor den regen zijn er kleinigheden zoekgeraakt. Die moesten opgezocht. De lucht was weer onverbiddelijk blauw.

Vandaag moeten de honderd kilometers worden afgelegd, die ons van Kosjan scheiden. Het zal weer heel wat inhebben.

De weg is kaal en leelijk en stijgt nu en dan, en de diligence is toch niet veel gemakkelijker dan de break. Ook worden de muggen al lastiger. Maar wij leven nog. De sjapar khané’s waren minder goed dan tusschen Teheran en Koem, en we bleven maar buiten in de hitte ontbijten. Toen het avond werd, waren we nog niet te Kasjan, maar tegen negen uur daagde het stadje op. We logeerden er door de tusschenkomst van den engelschen consul in het huis van de indische telegraaf. De chef van den post ontving ons vriendelijk, we werden getracteerd op ijskoude dranken en gebruikten een uitstekende pilau. Maar onze gastheer kan de drukkende hitte niet verminderen en hij kan aan de muggenplaag geen eind maken. Onze nacht was dan ook weer ellendig en we hadden afgesproken om, vóór het dag was, op te breken. [169]

Gesprongen band in de woestijn bij middaghitte.

Gesprongen band in de woestijn bij middaghitte.

Met de grootste moeite stonden we den vierden dag op, en vier uur te laat kwamen we eerst weg. Hoe kan het ook anders!

De lezer denke even na, en in plaats van boos te worden, zal hij medelijden met ons krijgen. Na een heelen nacht wakens en een dag van geradbraakt worden in de diligence komen we aan de plaats van rust. Eerst tegen middernacht komen we te liggen. De warmte, de muggen, de uitputting beletten ons te slapen; eindelijk overwint de vermoeidheid voor korten tijd en we vallen in een onrustigen slaap, telkens afgebroken en niet verkwikkend, ook door de hardheid van de zeelen der veldbedden.

Aimé, die ons zou wekken, sliep. Een van ons, die nog al conscientieus was, keek op zijn horloge. Hij kan de oogen haast niet opendoen. Het is vier uur. We moeten opstaan. Toen denkt hij, dat een oogenblik langer of korter niets aan den aard van den dag, die volgen gaat, verandert en denkt aan de dames, die misschien slapen en nog meer dan hijzelf behoefte zullen hebben aan rust.

Hij voelt zich verteederd over haar ongelukkig lot, over haar dapperheid, en onder die verteedering door gaat de wijzer van het horloge zijn gang, en zie, het is vijf uur.

Op dat oogenblik wordt Aimé, die in een of ander hoekje op een matje sliep, wakker, rekt zich uit, gaat overeind zitten en staat weldra op zijn slappe beenen. Hij behoeft niet veel toilet te maken en komt ons wekken in de verschillende kamers, en ieder van ons zegt tot zichzelf, dat hij of zij het vlugst met aankleeden is en wel een kwartier aan die, en een kwartier aan die andere mag gunnen—en blijft in het bed.

Zoo wordt de vertraging grooter; het pakken op de diligence duurt lang; het water kookt nog niet voor de thee....

Om acht uur gaan we van Kasjan weg, waar we slechts den puntigen koepel der moskee zien en vervallen straten. Het rijtuig van den gouverneur brengt ons een eind heen, en eerst bij het begin der woestijn stappen we weer in de diligence.

Het is nu alles fijn, rood zand zonder steenen over licht golvend terrein. De wielen van het rijtuig zakken vijftien centimeter in den grond, en nu en dan moeten we door de droge bedding van een zeer breede rivier. De ongelukkige paarden doen wat ze kunnen, maar houden op oogenblikken uitgeput stil.

Toen stapten wij in de brandende zon uit en duwden de wielen, maar we kwamen op die manier verschrikkelijk langzaam voort. Om tien uur waren we nog geen zes kilometer van Kasjan, en de eerste rustplaats is nog twintig kilometer ver.

Op dat oogenblik raakte de diligence positief vast in het zand, en de paarden weigerden te trekken. Wij moeten wachten tot ze zijn uitgerust.

Wij bekijken de plek des ongeluks.

We zijn midden in de woestijn; loodrecht valt de zon op ons, en de weerkaatsing op het zand is gruwelijk.

Links zijn lage duinen; rechts doet zich een uitkijk voor op een bekoorlijke oase. Groene boomen wiegelen door een koeltje heen en weer. Daar er boomen zijn, moet er water in de buurt wezen. Wij sterven van dorst, en twee van ons maken de paarden van voor het rijtuig los en rijden naar de oase, die geen kilometer ver lijkt. Maar ze zijn nog geen vijf minuten weg, of daar zijn ze al terug, want het is overal zand en het groen is een illusie geweest, een luchtspiegeling.

De vermoeidheid overmant ons. Een van ons slaapt onder de diligence. De anderen stappen uit en voelen het zand, dat zoo heet is dat men het niet in de hand kan houden. Wij moeten vlak bij onzen wagen blijven.

Toen zonden we Aimé te paard uit, om versche paarden uit Kasjan te halen, want de onze kunnen niet meer.

Hij komt niet terug. Twee uren lang wachtten we onbewegelijk in dit warmste deel der woestijn [170]op het midden van den dag, als geen Pers zich buiten waagt.

Rondom alles zand en bedriegelijke fata morgana’s. Geen zuchtje wind. Onbewegelijk bakken wij onder het dakje van de diligence.

Daar komt om twaalf uur Aimé terug met drie paarden en een tweeden koetsier.

Met groote moeite krijgen ze nu de diligence in beweging; maar we komen slechts stapvoets vooruit. Twee uren hebben we noodig, om de eerste halt te halen.

Vreeselijk was die vierde dag, onuitsprekelijk van ellende. In den avond reden we maar sukkelend voort van negen tot één uur bij prachtig sterrenlicht. Aimé beloofde nachtrust in de volgende sjapar khané. Op steenen gezeten in het licht van de opkomende maan, aten we harde eieren, biscuits en zetten thee, in afwachting dat de paarden uitgerust zijn. Onze leden waren verstijfd door zooveel uren in de diligence.

Nu, bij het begin van den vijfden dag, hebben wij, naar het schijnt, het middel om niet te laat op weg te gaan, dat is heelemaal niet te gaan slapen.

Wij legden dekens op de banken van de coupé, dat de dames konden liggen en daarop rolden we verder over het ongelijke zand. We waren doodop, maar hadden nu ten minste geen last van de warmte en vorderden op den weg naar Ispahan.

In het achtercompartiment van den wagen veranderden wij elke vijf minuten van houding, leunend tegen elkaar en strekten afwisselend onze beenen op elkaars knieën uit. Aan slapen viel natuurlijk niet te denken.

We zullen in de halt de schade inhalen.

De minuten gingen langzaam voorbij. Tegen vijven kwam de dageraad. Venus schitterde als een brillant in het Oosten; de andere sterren verbleekten.

Nu zijn we aan de wisselplaats. Wij springen uit den wagen, om uit te rusten en eindelijk te slapen! O, wanhoop! Er is slechts een stal en geen kamer, niet de minste schuilplaats zoo groot als een scheepshut, geen boom zelfs om ons tegen de zon te beschermen!

Minuten van ellende en van kwaadheid; maar wat hielp het?

Er was weer een heldere beek voor een bad, en geitemelk werd voor ons gemelkt van kleine, zwarte geiten, die van de bergen kwamen.

Tegen zeven uur ging het verder. In 24 uur hebben we nu die vervloekte diligence bijna niet verlaten.

We gaan het bergland in.

De paarden trekken wat ze kunnen; onze weg stijgt met steile hellingen. Twee-, driemaal reeds hebben we moeten uitstappen en de wielen duwen, en nu weigeren de paarden ons verder te brengen. Gisteren vast in het zand, vandaag in de bergen. Wij zullen alle emoties moeten hebben van een reis in Perzië per diligence.

Weer zenden we Aimé met een der paarden naar de volgende halt op een uur afstands. Dus even rust.

De zon stijgt en het begint al heet te worden.

We worden er nu stil onder. Wanneer zullen we Ispahan zien?

De versche paarden. Het zijn kwade beesten, die schoppen in plaats van te trekken. Wij hebben een koetsier op den bok en een ander vóór de paarden, die niet vooruit willen. Toen gingen de koetsiers duwen.

Van het imposante landschap zagen we op deze wijze niets. En het was toch iets heel bijzonders, het leek een maanlandschap met die lavabergen en die reeksen van uitgedoofde kraters, langs welker hellingen gele zwavel te zien was, tusschen rotswanden van alle tinten tusschen bruin en geel. Verlaten was het alles, dor en steenachtig, een doode wereld, versteend in haar doodsstrijd.

Bij de eerste sjapar khané konden we nog in de open lucht ontbijten, maar den verderen dag was weer de hitte ondragelijk en om de honderd kilometers tusschen ons en Ispahan vlugger af te leggen, besloten we maar weer des nachts te reizen. Maar om drie uur in den morgen gingen we toch maar schuilen in de ellendige herberg en sliepen tot acht uur. Als we niet wisten, dat Ispahan niet ver meer was, bleven we hier, want we kunnen haast niet verder.

Het was nu alles vlakte en zand. Eindelijk tegen één uur ontdekten we aan den horizon een lijn van boomen.

“Ispahan!” roept Aimé van den bok.

Ispahan! Wij naderen langzaam; nu kunnen we al tusschen de boomen koepels onderscheiden van de moskeeën, een blauwe aan den linkerkant is hooger dan de andere; het is de koninklijke moskee.

Bij de laatste wisselplaats wacht ons een coupé met vier paarden, waaruit een Pers in een deftige, zwarte jas stapt. Hij stelt ons een brief ter hand van Zijne Hoogheid Zil es Sultan, den broeder van den Shah en gouverneur van Ispahan, die ons gastvrijheid aanbood in een van zijn paleizen en ons zijn rijtuigen aan de poort der stad tegemoet zendt.

Wij nemen de rijtuigen aan en danken voor de paleizen, want we worden verwacht aan het russische consulaat.

We gaan weer op weg. Nu rijden we langs velden met witte papavers, die een koelen gordel om Ispahan leggen; irrigatiekanalen kruisen ieder oogenblik den weg.

Wij zien er bleek en afgemat uit. We wekken onszelven echter op in de oude diligence, want onze energie is nog onverflauwd, en we zijn niet ver van Ispahan.

Daar zijn de poorten der stad. Een generaal en honderd kozakken in het rood wachten ons en escorteeren twee landauers in groot gala, geheel van glas. De carroezar of burgemeester is er, om ons te ontvangen.

Wij gevoelen, dat onze oude wagen veel beter in overeenstemming is met ons uiterlijk dan de koetsen van Zil es Sultan. Zes dagen in de woestijn hebben hun sporen achtergelaten op onze gezichten en onze kleêren. Wij hadden aan een bescheiden inkomst in Ispahan stellig de voorkeur gegeven; maar de koetsen zijn er, en wij moeten instappen. De roode kozakken rijden voor ons uit en zoo gaat het door straten en bazars.

De menigte verdrong zich op onzen weg. Zij kreeg door wolken stof, die het geleide te paard opwierp [171]Europeanen te zien, die ongekapt en ontredderd waren; maar wij zagen er toch triomfantelijk uit, want we waren in Ispahan.

We gingen in het russische consulaat binnen, een paleis zonder vensters, waarvan de vier gebouwen een tuin vol dichte boomen en rozen insluiten. Blonde, stevige kozakken stonden er omheen geschaard met opgeheven sabel. De zaakgelastigde, de heer Tsjirkine, kwam ons met bloemen in de hand tegemoet.

Wij zijn zeer stoffig, maar vol waardigheid.

We komen in een salon, waar tafels zijn en tapijten, een divan, fauteuils en stoelen. Onze laatste halt was een soort van kalkoven, en wij weten nu wat comfort beteekent.

Stoelen lijken een groote triomf der beschaving, en we kijken ze met bewondering en verteedering aan.

Bedienden brachten ons geparfumeerde thee, kleine schijfjes citroen en ijs! In onze kamers vonden wij waschtafels, water, keurig ingerichte badgelegenheden met kranen van warm en koud water!

We zijn nog gebeukt door de planken van de diligence en hebben in drie dagen niet meer dan zes uren geslapen. En nu strekken we ons, gewasschen en gekleed, onder de boomen van den tuin uit in den geur van alle rozen van Ispahan, die op onze komst schijnen te hebben gewacht.

Wij hebben het Paradijs gevonden.

Het regende in den avond, een heerlijke frischheid onder de oude platanen. Al vroeg gingen we naar bed op onze getrouwe veldbedden, want het consulaat heeft geen bedden over. In het Oosten begrijpt men overal dat woord van Jezus: “Neem uw beddeke op en wandel.”

Wat is het goed geweest, dat wij onze bedden hebben meegenomen!

Wij veroorloofden ons den volgenden dag allerlei weelde, en weelde bestaat nu voor ons in nietsdoen. In plaats van de stad te bekijken, blijven we in den mooien tuin onder de schaduw der platanen, wier stammen oprijzen uit boschjes van roode rozen.

Wij zijn nog verwezen van de zesdaagsche vermoeienis, en we zouden altijd zoo willen blijven liggen in den geur der rozen en tot onszelven zeggen: “Ik ben in Ispahan.”

Des morgens is Ispahan nog koeler en heerlijker dan Teheran, het ligt dan ook op de hoogte van Sanct-Moritz.

Geen geluid van de ons omringende stad dringt tot ons door. Alleen honden loopen door de struiken, er gaan perzische bedienden voorbij, en de oude bewaker van den hammam gooit af en toe wat hout op het vuur.

Er zijn in dezen tuin van rechte lanen en jonge boomen een oneindige verscheidenheid van rozen, zwarte en purperen, witte en rose, de meeste al op het punt de bladeren te laten vallen. Binnen acht dagen zal er van de rozenglorie niet veel meer over wezen.

Aimé waardeert zeer de gastvrijheid, die ons wordt aangeboden. Hij zegt ’s morgens tot mij: “Ik heb thee gedronken, en ik heb wijn gehad; ik heb van alles gegeten en ze hebben mij ijs gegeven, en toen ben ik onder de tafel gaan liggen slapen.”

De kleeding van Aimé, die nooit veel om zijn toilet gaf, heeft iets om zich voor te geneeren in dezen mooien tuin van het consulaat. Aimé draagt de perzische lange jas, die al vol gaten was toen we vertrokken. De zware reis heeft er niet veel van overgelaten. Een mouw is half verdwenen en de boord aan den hals is er af. De katoenen broek is vol gaten en de twee gele dingen, die hij aan de voeten had en die in veel vroeger tijd schoenen waren geweest, maakte hij met touwen vast; een teen stak brutaal door het leer heen, en de zolen gaapten geducht. Nu is een der laarzen in de woestijn gebleven; hij loopt nu mank met een blooten voet. Hij lijkt wel wat op een bedelaar, die de waakzaamheid van den portier heeft verschalkt en stil in het consulaat is binnengedrongen.

Het is vernederend voor ons, door zulk een bediende ons te laten vertegenwoordigen. Wij zenden hem dus naar den bazar, om zich een jas en een broek en een nieuw buisje te koopen met een paar witte schoenen, zooals in Ispahan worden gemaakt, en waar hij al acht dagen over praat als over het toppunt van élégance in zake perzisch schoeisel.

Aimé komt met een groot pak terug en met een lange rekening. Den volgenden dag ontmoet ik hem in zijn oude kleeren; ik stuur hem weg, om zich aan te kleeden; hij verdwijnt en wij krijgen hem den heelen dag niet weer te zien. Den dag daarop en de volgende dagen dezelfde historie. Hij wil zich niet in de nieuwe kleeren steken, en wij worden maar steeds vernederd in onzen bediende.

“Zeg, jij, wil je mij wel eens zeggen”, vroeg ik hem op den dag van ons vertrek, “waarom jij hebt geweigerd, de kleêren te dragen, die wij voor je hebben gekocht?”

“Och, Meneer”, zei hij met zijn slepende stem, “waarvoor zou ik ze aantrekken? Ik ken hier niemand. Ik bewaar ze voor Teheran, waar ieder weet wie ik ben.”

Wij gingen plechtig onze opwachting maken bij Zil es Sultan, de Schaduw van den Souverein, die voor onzen luisterrijken intocht in Ispahan heeft gezorgd.

Hij is de oudste broeder van den Shah, maar daar hij niet de zoon was van een wettige vrouw, mocht hij zijn vader niet opvolgen. Dat is jammer voor Perzië, want hij is een zeer verstandig man met veel energie. Hij is voorstander van den engelschen invloed, en hij vindt de Engelschen veel minder gevaarlijk voor Perzië dan de Russen. Hij is geabonneerd op de Times en op de Temps en laat zich beide voorvertalen door zijn zoons, die een franschen gouverneur hebben gehad en ontwikkelde, flinke, aardige jongens zijn.

Wij werden in het zomerpaleis ontvangen. Men komt er door een van die echt perzische tuinen met jonge, dichtopeenstaande boomen, rechte lanen, vijvers met irissen aan den kant, die ons zoo aantrekkelijk voorkomen. De russische zaakgelastigde stelt ons voor en daar zitten we in een kring in een perzisch salon, een lang en smal vertrek, met aan beide kanten de ramen open. Het is op zijn Europeesch gemeubeld.

De jonge prinsen Bahram Mirza en Akhbar Mirza spelen voor tolk, en toen de officiëele complimenten [172]zijn gewisseld, neemt het gesprek een vrijen en belangwekkenden gang. Zil es Sultan, die nooit uit Perzië is geweest2, is goed op de hoogte van de europeesche politiek. Hij weet, hoeveel milliarden wij aan Rusland hebben geleend en vertelt ons anecdoten over onze staatslieden. Hij spreekt over den fameusen heer Combes. Zou men het gelooven? De roem van den heer Combes is wel universeel.

Maar het is heel natuurlijk, dat de perzische staatslui zich voor Combes’ politiek interesseeren, want de eenige macht, die zich tegen de in naam absolute macht van den Shah verzet, is die der priesters, der mollahs, en Zil es Sultan, die in termen vol lof over Frankrijk sprak, zeide, dat Perzië een minister als Combes noodig had, om de mollahs tot rede te brengen.

Een halt tusschen Kasjan en Ispahan.

Een halt tusschen Kasjan en Ispahan.

Wij gebruikten thee, ijs en koffie en gingen in de galakoetsen heen.

Wij bezochten ook de Medresseh, de oude theologische school, waar nu een drukbezocht park is. Er zijn weinig mooier parken. Wij wandelden op de terrassen der gebouwen en zagen de oude kamers van leeraren en leerlingen. Alles was nu onbewoond. Er werden in den tuin ververschingen aangeboden, en eerst was het er zeer vol met een menigte, die alleen uit mannen bestond. Ze drongen in den aanvang om ons heen, want niet alleen zijn wij vreemdelingen en christenen, maar ook hadden wij vrouwen bij ons, die haar jonge gezichten ongesluierd laten zien. De kozakken van het consulaat duwen zonder geweld de nieuwsgierigen terug, en deze hervatten langzaam hun gebabbel aan den oever van de waterplassen en hun rustig rooken, door slokjes thee of koffie afgebroken, en wij wandelen verder ongestoord onder de eeuwenoude platanen.

Des morgens kwamen de dellals weer, om ons een en ander te verkoopen, als te Teheran, en in den namiddag gingen we rijden en brachten bezoeken aan paleizen, als dat van de Veertig Zuilen en dat van Ali Kapoe.

Op een avond zouden we bij Zil es Sultan dineeren. Uit den aard der zaak was ons toilet gebrekkig. Wij hadden in het eenige valies, dat ieder van ons gegund was, slechts plaats voor het linnengoed en een extra paar laarzen. De vernuftige Aimé had in persoon blouses voor de dames gewasschen en gestreken en met de roode rozen was dat geheel in orde. Twee van ons hadden zwarte jacquets, welk een weelde!

Een ander, minder gelukkig, heeft geen ander overhemd dan een nachthemd, gelukkig van zijde. Hij knoopt onder den kraag van zijn hemd een groote lavallière, die uitgespreid wordt over een khaki vest, om met haar zwart er deftigheid aan bij te zetten. Op het vest volgt een grijze, vermoeide broek, die rust op tennisschoenen met gaten. Ik had een korte broek aan en kousen van de soort alsof ik op een bergtocht moest, maar ik heb een overhemd en onberispelijke boord en manchetten.

Wij défileeren voor de gardes van het paleis en leggen in onze démarche al de waardigheid, die aan onze kleeding ontbreekt. Ik zal nooit vergeten de voor een hof geschikte révérences van de dames in de korte reisjaponnen en evenmin den prachtigen turkoois, dien onze gastheer op de borst droeg. Die steen was intens donkerblauw, groot [173]als een kippenei en was gevat in een kring van diamanten.

Tijdens het diner speelde een orkest onder de boomen van den tuin melancholieke melodieën. Zij pasten bij onze stemming, want den volgenden dag zou het echtpaar Phérékyde ons verlaten. Hij moet op een bepaalden datum in Roemenië zijn en hij is voorzichtig, wetend wat de reis door de woestijn beteekent. Er is den 11den Juni een boot te Enzeli, en die hoopt hij te nemen. Daarom moeten ze weg.

Op den Delijanpas.

Op den Delijanpas.

Wat ons betreft, wij zouden liefst geen plannen maken; wij hebben te veel moeite gehad om Ispahan te bereiken en zouden er in het oneindige willen blijven. Het denkbeeld van de terugreis vervult ons met schrik. Desniettemin zullen wij de stad der rozen moeten verlaten en we bepalen ons vertrek op Vrijdag 3 Juni in den namiddag. Georges Bibesco heeft naar Keller getelegrafeerd, om de Mercédes naar Koem te brengen. Zoo vermijden wij de laatste etappe van 150 kilometer, die wij in 25 lijdensuren per diligence hebben afgelegd.

De landauer, die de Phérékydes besteld hadden, zou er om drie uur zijn. Hij is er niet.

Om vijf uur komt hij eindelijk en men begint de bagage op te laden. Phérékyde onderzocht de wielen en ontdekt, dat een der wielen onrustbarend wiegelt en dan ook al gauw van de as afloopt. Tegen zeven uur was eerst alles klaar, en de vrienden vertrokken op een nieuwe woestijnreis.

Om acht uur gingen wij aan tafel. Wij spraken over de afwezigen. Waar zijn ze? Welke avonturen zullen ze beleven? Wij zien ze in onze verbeelding gebeukt op de slechte wegen. Kwartier vóór negen, toen wij juist ons maal eindigden, ging de deur van de eetzaal open, en op den drempel verschenen onze beide reizigers.

Zij zijn een uur bezig geweest, om de poort te bereiken door den smallen, vollen bazar en toen ze er waren, raakte weer een wiel los. Toen bestegen ze de afgespannen paarden en gingen naar ons terug.

Phérékyde is ongerust, dat hij de boot niet op tijd zal bereiken te Enzeli. De heer Tsjirkine stuurt [174]een boodschap naar de post, waar ze voor den volgenden morgen om vijf uur een rijtuig beloven. En wij gingen toen nog charades opvoeren met enkele wederwaardigheden van onze reis in Perzië.

Op Vrijdag 3 Juni sloeg voor ons het uur van vertrek. De angst om Ispahan te verlaten was groot. We zagen er tegen op als tegen een berg. Nu zouden we weer verliezen wat met zooveel moeite was veroverd, de kalme uren van de morgens onder de platanen en tusschen de rozen van het consulaat, de stilte en rust op den middag, als de zon op het felst brandt, de avondwandelingen in de verlaten tuinen, waar paleizen slapen, die nooit ontwaken zullen op de roepstem van een prinses, de tochten door interessante ruïnen en de schoonheid der heldere sterrennachten.

Ispahan verlaten is weer terugvinden de vermoeienis van de reis, den zwaren trek door de woestijn, de drukkende warmte, het niet ophoudende stof, de onvoldoende maaltijden in de weinige schaduw van een enkelen boom, de nachten zonder slaap in stallen met muizen, de verveling aan de wisselplaatsen, de twisten met de koetsiers. Dat alles zal zich herhalen zonder het opwekkend vooruitzicht van het onbekende.

Toch moeten wij gaan. De laatste aankoopen zijn gedaan. Meubelmakers pakken voor ons in.

Om vier uur zijn de vier landauers voor. Wij zullen ons daarin installeeren. Er zijn echte bedden in aangebracht. De heer Tsjirkine, die ons zoo goed ontvangen heeft, doet ons uitgeleide te paard met alle kozakken van het consulaat tot buiten de poorten; de vice-consul van Engeland voegt zich bij hem met acht prachtige hindoesche ruiters, de lansiers van Bengalen.

Voor de laatste maal gaan wij door de drukke bazars en de stille straten van Ispahan. Op een paar kilometer afstands van de stad neemt ons escorte afscheid van ons. Boven de boomen zien we nog heel lang den grooten koepel van de groote moskee.

En in den langzamen draf van onze paarden over het zand verwijderen we ons van Ispahan, dat we nooit zullen terugzien en wenden ons naar het Noorden, naar Teheran, naar Europa.

Dag en nacht gaat het nu voort door de woestijn en de bergen, bijna zonder ons op te houden. Overdag zijn onze landauers gesloten en bij nacht geopend. Wij blijven liggen op onze gemakkelijke matrassen en stappen alleen uit aan de halten, waarbij een paar uur worden verloren, want nu zijn bakhtiaarsche prinsen ons voor en nemen de paarden weg.

Wij hoorden aan een wisselplaats, dat onze vrienden Phérékyde een ongeluk hebben gehad, en dat midden in de woestijn een wiel van hun rijtuig gebroken is. Zij hebben op den middag zes kilometer te voet moeten afleggen door het zand, om een sjapar khané te bereiken. Zes-en-dertig uren hebben ze er moeten wachten, tot het rad hersteld was in het stadje Natanz, dat 30 kilometer verder lag. Ze zijn ons dus nauwelijks één dag voor.

Te Kasjan, waar we lang op paarden moesten wachten, hielden we een siesta op onze veldbedden, maar ze werd verstoord door muskieten. Eindelijk was Koem bereikt, waar Keller en de Mercédes ons wachtten. Er was nog nooit een automobiel in Koem geweest. Om drie uur lieten we ons dan ook voor ons vertrek photografeeren aan den oever der rivier met als achtergrond, o heiligschennis, de heilige moskee!

Wij lieten Aimé met de bagage in Koem; hij zal 24 uur na ons in Teheran komen, en wij gaan op weg.

Hoe zal ik een denkbeeld geven van het genot, daar voort te vliegen met een snelheid van veertig kilometer in het uur in een uitmuntende automobiel op veêrende kussens! In zijn blijdschap over de herwonnen snelheid leidt Georges Bibesco ons in vliegende vaart over alle oneffenheden, die ons in het heengaan zoo hebben geradbraakt. Als het zoo voortgaat, zijn we nog dezen avond in Teheran en kunnen we, met het oponthoud erbij gerekend, in vijf uur de honderd-vijftig kilometer verslinden, die ons van de hoofdstad scheiden.

Werkelijk deden we er vijf en een half uur over, terwijl we er in het heengaan 25 uren lijdens voor hadden doorgestaan.

Wij hadden drukke dagen met vaarwel zeggen, in Teheran, van de vrienden die we er hadden gemaakt, en met het per post expediëeren van onze bagage, die ons te Enzeli zal bereiken, zoodat de beide dagen omvlogen.

Wij troffen er ook de Phérékydes, die ons hun avonturen vertelden en toen onmiddellijk in hun landauwer naar Resjt gingen.

Wij gingen naar Goelah-ek, waar de russische legatie in den zomer is en naar Sjimran, waar de engelsche zaakgelastigde in den warmsten tijd verblijf houdt. Dat zijn aan den voet der bergen heerlijke parken met veel water en frisch groen, waar zelfs in de hondsdagen een verrukkelijke temperatuur heerscht.

Op Donderdag 8 Juni waren we weer per auto op weg naar Resjt en de Kaspische Zee.

Het kostte veel moeite, om voor dezen laatsten tocht in genoegzame hoeveelheid benzine te krijgen, en eindelijk slaagden we er in, het voêr voor de auto te erlangen tegen een prijs, die overeenkwam met drie francs de liter.

We zouden de 350 kilometer graag in twaalf uren afleggen met rust voor het déjeûner. Op die wijze zouden we wel vermoeid, maar vóór den nacht in Resjt aankomen. Maar er kwamen allerlei tegenspoeden door mankementen aan onzen wagen, en het was al half vier, toen we in Kaswyn arriveerden. Wij waren moe en hongerig, en het duurde nog anderhalf uur, eer we wat te eten en een samovar kregen.

Op het oogenblik dat we zouden vertrekken, werd de lucht verduisterd door een opkomend onweer en wolken stof; maar het liep met een korte bui af en in het bergland, waar we reden, was het prachtig weêr. Onze lampen werden in den avond aangestoken; het was tien uur, toen we te Mendjil waren en drie uur in den nacht, toen Resjt was bereikt. Ik geloof, dat we nog nooit op de geheele reis zoo vermoeid [175]waren geweest als toen. Spreken konden we haast niet meer.

Aan het consulaat zouden we slapen, maar de muggen lieten ons geen rust.

Den 10den Juni namen we van Perzië afscheid en lagen voor anker te Lenkoran aan de Kaspische Zee. Georges Bibesco en ik namen een bad in het lauwe water van den grooten plas. We stapten in Bakoe aan wal en namen den trein naar Tiflis, zonder ons meer op te houden.

In het hôtel de Londres vonden wij Leonida, die sinds twee dagen terug is van zijn reis in zijn automobiel. Hij heeft gevaarlijke avonturen beleefd. Over Tabris en Zendjan is hij gereisd, soms zonder dat er een weg was. De brief van den gouverneur baande dikwijls voor hem een doorgang, als de kozakken bezwaren maakten om hem door te laten.

De tuinen der medresseh in Ispahan.

De tuinen der medresseh in Ispahan.

Maar de meer dan slechte wegen noodzaakten hem eindelijk naar Tabris terug te gaan en over Delyan en Akstafa te reizen, waar hij den trein naar Tiflis nam. Den 12den Juni waren we samen op het perron te Tiflis, klaar om in den trein naar Batoem te stappen. Wij zeiden Tiflis zonder leedwezen vaarwel, waar men van niets anders hoort dan van troebelen en politieke moorden.

De trein was vol; groote beweging aan het station. Toen wij een praatje maakten vóór onzen waggon met kolonel Tamamsjef, die ons uitgeleide deed, voelde ik mij aan mijn overjas trekken. Ik keerde mij om en zag een man naast mij geknield. De mantel, dien hij droeg, getuigde niet van grooten nood, en zijn muts was niet erg versleten. Voor ik iets kon zeggen, vatte hij mijn hand en kuste die tweemaal; ik voelde zijn lippen en walgde van afkeer en ging haastig op zij. Waarom verlaagt die man zich zoo? Ik zou hem willen slaan; maar de man verroert zich niet en blijft met opgeheven handen liggen. Ik zocht naar geld in mijn zakken en gaf hem enkele zilverstukken; toen vatte hij een slip van mijn jas en kuste die weer.

Ik kan niet zeggen, hoe dat tooneel mij tegenstond. Als ik er nog aan denk, kan ik er van griezelen en ik zou liever willen, dat de man mij dreigend om geld had gevraagd.

Te Batoem waren wij slechts vervuld van de gedachte, karrevoerders te krijgen voor het vervoer van onze koffers, kisten met voorwerpen van waarde uit Perzië en onze valiezen van het station naar de haven. Gelukkig waren de kruiers niet in staking en om elf uur waren we aan boord van de Circassie van de Paketpostmaatschappij.

Wij vonden er een fransch ontbijt, een kapitein [176]die Marseillaan was, veiligheid, rust en de moedertaal!

Op geen tien meter van ons verwijderd, aan den wal, was het terrein der stakers, der kozakkenpatrouilles, der onheilspellende gezichten van opstandelingen, die aan de kaden rondliepen. Welk een veilig gevoel aan boord te wezen!

Het was donker weer, en al gauw begon het te regenen, zoodat de bergen aan ons oog werden onttrokken. Het regent in de bergachtige omgeving van Batoem zoowat driehonderd dagen per jaar; er valt jaarlijks 2.60 meter water, dat is meer dan drie maal zooveel als te Parijs.

Tegen zes uur lichtten we het anker. De zee was kalm.

Ali-Kapoe.

Ali-Kapoe.

Met onze boot deden we de havens aan van de zuidkust der Zwarte Zee, een ideale reis, waarop we ons geheel herstelden van de vermoeienissen der perzische reis te midden van het meest afwisselend decor, dat voor onze oogen voorbijging. De boot voer alleen des nachts, en als de dag aanbrak, waren we weer in een andere haven.

Wij sliepen tien uren op de bedden van de boot, smalle bedden wel is waar, maar dan toch bedden, en als ik wakker werd, zag ik de mooie heuvels naar de zee glooiend, met hun sierlijke villa’s in het weelderigste groen, met hier en daar ook een spitse minaret en hooge muren van oude interessante ruïnen.

In Trebizonde gingen we aan land, om nog eens een kijkje in Azië te nemen. Het is een rijke, drukke stad. De bazars zijn niet overdekt, en wij doolden rond in den doolhof van straatjes, waar ijverige werkers, op hun hurken gezeten, leder bewerken en hout of kostbare metalen. Trebizonde roept het verleden in herinnering. Xenophon rustte er uit met zijn Tienduizenden; de stad maakte deel uit van het Byzantijnsche Rijk en de Grieken bouwden er kerken, die nog in wezen zijn. Toen kwamen de Turken onder Mohammed II en bouwden moskeeën, waar wij tot onze groote verbazing vrij mochten binnentreden.

Wij deden nog allerlei aardige stadjes aan, en namen er noten en eieren en andere waren in, die de kapitein moest vervoeren, tot we eindelijk, voldaan over onze reis, in de mooiste stad ter wereld, Konstantinopel, aankwamen.

Ornament.


1 De Franschen gebruiken dus ook het woord carter voor gearcase, zooals Henri Meijer in de Kampioen opgeeft en welk woord bestrijding vond bij Henri Polak. (Vert.)

2 In den winter van 1905 op 1906 heeft hij met zijn beide zoons een bezoek aan Frankrijk gebracht.