The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0354: Montague en Capuletti

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0354: Montague en Capuletti

Author: Kurt Matull

Theo von Blankensee

Felix Hageman


Release date: October 31, 2026 [eBook #79885]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79885

Credits: The Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0354: MONTAGUE EN CAPULETTI ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[629]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN ROMAN-, BOEK- EN KUNSTHANDEL—SINGEL 326,—AMSTERDAM.

Alleenvertegenwoordigers voor België: Bestelhuis voor den Boek- en Dagblad handel.

[Inhoud]
MONTAGUE EN CAPULETTI.

MONTAGUE EN CAPULETTI.

HOOFDSTUK I.

Een zonderlinge wedstrijd.

Het was ongeveer negen uur in den avond van een verrukkelijken dag en bijna alle badgasten van Brighton hadden hunne optrekjes, villa’s, hotelkamers en prachtige eigen huizen verlaten, om te wandelen langs den breeden strandboulevard, die zich over een lengte van verscheidene kilometers uitstrekte.

Het wordt wel eens beweerd, dat het klimaat van de Engelsche badplaatsen aan de Zuidkust van het Vereenigd Koninkrijk weinig verschilt van dat van Italië en op dien avond ging de vergelijking zeker op.

Er stond bijna geen wind, de sterren schitterden met ongewone helderheid aan den wolkenloozen hemel en de maan goot haar zilveren licht uit over de kalme zee, waarvan de golven slechts even kuifden, als zij op het prachtige breede strand uitrolden.

En zelfs daar was het druk, want vele minnende paartjes hadden een wandeling over het gladde zand geprefereerd boven het geschuifel met tienduizenden anderen langs den strandboulevard, de plek, waar de badgasten gemeenlijk hunne pantoffelparade plachten te houden.

Maar daar honderden anderen hetzelfde gedacht hadden, vonden de gelieven daar niet wat zij zochten, eenzaamheid!

Uit talrijke hotels en pensions, waarvan de ramen en deuren wagenwijd openstonden, klonk muziek naar buiten, muziek van strijkjes, electrische piano’s, gramofoons en zelfs muziekdoozen.

Het leek wel of iedereen op dien schoonen avond behoefte scheen te gevoelen, aan zijn gevoelens uiting te geven door een of ander muziekinstrument te bespelen, of er naar te luisteren hoe anderen het bespeelden.

En daar alle kamers helder verlicht waren, kon men daarbinnen groepjes zien van vroolijke badgasten, enkelen slechts in het deftige zwart, de [630]meesten in wit flanel, want het was dien dag waarlijk te warm geweest, om zich de moeite te geven, zich voor het diner te verkleeden.

Dat ging natuurlijk niet op voor de bewoners van het deftige badhuis, het Hotel Continental, want deze waren wel verplicht, wilden zij geen inbreuk maken op de strenge regelen der etikette, hunne lichamen in rok en avondtoilet te persen, alvorens zich naar de groote dinerzaal te begeven.

Het was zóó warm geweest en zelfs nu nog, dat de groote Fransche ramen van die zaal wijd geopend stonden en men kon nog talrijke nablijvers aan de ronde tafels zien zitten, die plaats boden voor groepjes van twee tot acht personen.

Een tweehonderdtal meters van het Hotel Continental verwijderd, lag het groote cabaret, met een uitgestrekten tuin er achter, die thans op tooverachtige wijze verlicht was door een groot aantal lampions, die in guirlandes tusschen de boomen waren opgehangen.

De prijzen waren hier schrikbarend hoog en het was dan ook een gelegenheid, die uitsluitend bezocht werd door de rijken en door degenen, die om de een of andere reden voor rijk wilden doorgaan.

Er was een champagnebar, er was een zaal, waar men kon dansen, er was een speelzaal, men kon er ook biljarten, maar er was zeker geen gelegenheid waar men zoo voortreffelijk kon flirten!

Daartoe was de groote tuin als het ware geschapen met zijn vele prieeltjes, zijn donkere hoekjes, zijn smalle laantjes en zijn doolhof in een der hoeken, zijn gemakkelijke zitbanken en andere faciliteiten, die als het ware tot minnekozen uitlokten.

De danszaal bevond zich gelijkvloers en men kon vandaar onmiddellijk in den tuin stappen, want ook hier stonden de ramen open.

In een hoek was een voortreffelijk orkestje opgesteld en in den tegenovergestelden hoek een groot orchestrion, want de badgasten zouden moord en brand geschreeuwd hebben als er slechts één seconde voorbij zou gaan, waarin zij niet zouden kunnen dansen.

De laatste maat van een Jazz, door het orkest gespeeld, had dan ook niet weerklonken, of het orchestrion zette met daverend geweld een foxtrott in, en als de laatste noot van de foxtrott klonk, dan begon het orkest met frisschen moed een two-step.

En zoo ging het tot diep in den nacht, want de nabijheid van de zee en de versterkende “Italiaansche” lucht scheen de badgasten wel onvermoeibaar te maken en hen telkens met nieuwe kracht te bezielen.

Ondanks de warmte was de zaal bijna geheel gevuld met dansers zoowel als met toeschouwers.

Deze laatsten zaten op een soort van verhooging en keken toe.

Zij behoefden daarbij echter niet geheel werkeloos te blijven, want zij konden zich den tijd voorts aangenaam korten door het verzwelgen van American Drinks, Cocktails, Fizzes, Toddies en hoe verder deze dranken genoemd mogen worden, die echter alle dit met elkander gemeen hadden, dat zij zoo koud mogelijk moesten worden gedronken, en dat de champagne er één van de voornaamste bestanddeelen van uitmaakte.

De verhooging in kwestie liep aan alle zijden om de zaal heen en was ongeveer drie meter breed en bijna een meter boven den dansvloer gelegen.

Dicht bij het orchestrion zaten aan de balustrade, zoodat zij de geheele zaal konden overzien, twee badgasten, een dame en een heer, blijkbaar man en vrouw, beiden in avondtoilet gekleed, maar waarin zij zich allesbehalve op hun gemak schenen te gevoelen.

De vrouw kon niet veel ouder zijn dan een jaar of vijfenveertig, de man was misschien tien jaar ouder.

Hij was rood, zwaarlijvig, grof gebeend, met een korten nek, vleezige handen, waarvan de vingers met ringen overladen waren en spaarzaam, vlaskleurig haar.

Hij had een kort snorretje in den vorm van een tandenborstel, en worstelde met een monocle, hetwelk hij poogde in zijn oogholte vast te klemmen.

De vrouw was in vlammend roode zijde gekleed, de japon was ruitvormig uitgesneden, van achteren zoo laag, dat de spekkige rug bijna tot aan het middel zichtbaar werd, de dikke armen ontbloot, maar tot aan de ellebogen verdwijnend in lange, wit glacé handschoenen.

De polsen waren omgeven door dikke gouden armbanden, in de oorlelletjes glinsterden twee kolossaal groote diamanten en in het zorgvuldig gekapte haar stak een kam à l’Espagnolle, waarvan de rand met paarlen was bezet.

Het haar was gitzwart en werd klaarblijkelijk met groote zorg onderhouden. [631]

Aan hetzelfde tafeltje en blijkbaar bij hen behoorend zat nog een heer, met een aristocratisch, maar verlept gelaat en die zeker niet ouder was dan veertig jaar, ofschoon hij er wel uitzag als een vijftiger.

Hij was volkomen kaal, op een smal randje rossig haar na, dat rondom zijn schedel liep van het eene oor naar het andere en hij droeg een groote monocle, met een rand van schildpad.

Zijn handen waren buitengewoon goed gesoigneerd en men kon zien, dat deze man de helft van zijn leven den rok droeg.

Zulk een kleedingstuk had hij nu ook aan en het zat hem, zooals de geijkte term luidt, als geschilderd.

En nu was het merkwaardige, dat de dikke heer en zijn even dikke echtgenoote, telkens als zij hun kopje thee aan de lippen gingen brengen, een steelschen blik wierpen naar hun metgezel, die dan haastig zijn eigen kopje greep, het met een afgemeten deftig gebaar aan de lippen bracht en het weder neerzette.

Pas dan volgde het echtpaar zijn voorbeeld, keek hem vragend aan en ontving als antwoord een goedkeurend hoofdknikje.

Twee tafeltjes verder zat een heer, eveneens vergezeld door een dame, die klaarblijkelijk zijn vrouw was, met minachtende blikken naar het dikke echtpaar te kijken.

Waren zij even corpulent geweest, dan zouden deze lieden naar het uiterlijk veel geleken hebben op het zooeven beschreven paar, want ook zij waren overladen met juweelen, ook de dame droeg een zeer diep uitgesneden japon en ook de heer vocht wanhopig met een monocle, won soms voor enkele seconden den strijd, maar delfde meestal het onderspit.

Niet ver van deze beide tafeltjes waren twee heeren gezeten, in smoking, die met belangstelling hun omgeving opnamen.

De oudste was een man van een jaar of veertig, met een lichtgebruind, energiek gelaat, een licht gebogen, aristocratischen neus met dunne vleugels, een mond, waaruit stoutmoedigheid en voor niets terugdeinzende onverschrokkenheid spraken en staalgrijze, doordringende oogen.

Die man was John Raffles, die Gentleman-Inbreker, de langgezochte vijand van Scotland Yard en meer in het bijzonder van den hoofdinspecteur van politie, Baxter, die een duren eed had gedaan, den stoutmoedigen Raffles in handen te krijgen, zonder dat hij dien eed nog had kunnen houden.

Een paar dagen geleden, juist toen het seizoen in vollen gang was, had Raffles zich naar Brighton begeven, onder den naam van Johnson, staalfabrikant uit Philadelphia, in gezelschap van zijn trouwen vriend Charly Brand, die hier voor zijn secretaris Smith doorging.

Het weder lokte hem naar de zeeën; daar zich in deze mondaine badplaats een groot aantal zeer rijke lieden ophielden, zou zich misschien tevens de gelegenheid aanbieden “het nuttige met het aangename te vereenigen,” zooals Raffles zich uitdrukte, dat wil zeggen, Brighton weder te verlaten, met in den buidel een deel van dit geld.

Charly was maar al te verheugd geweest, dat Raffles een weinig ontspanning zocht, na de zeer vermoeiende weken, welke de beide vrienden achter den rug hadden en hij hoopte in zijn hart, dat er zich geen enkele gelegenheid zou aanbieden voor zijn eenigen vriend, om opnieuw zijn zenuwen op de proef te stellen.

Wat hem betrof, hij zou het liefste gezien hebben, dat Raffles zich met hem en met den trouwen chauffeur Henderson, deelgenoot van de meeste zijner avonturen, had ingescheept aan boord van het groote jacht van John Raffles, om daarmede een eenzaam rustig plekje aan de kust van Schotland op te zoeken waar de kans om een schatrijken landgenoot aan te treffen al zeer gering mocht heeten.

De beide vrienden hadden reeds een paar weken van te voren een kleine villa gehuurd, een huishoudster in dienst genomen en daar ook Henderson, de chauffeur, van de partij was en zij meestal buitenshuis dineerden, konden zij hier gemakkelijk en rustig van de heerlijke natuur en de versterkende baden genieten.

Eenigen tijd hadden de beide vrienden glimlachend naar het dikke echtpaar gekeken en eindelijk vroeg Raffles:

—Wie zouden dat toch wel zijn? Wat een zonderling trio! Die kleine, schrale man hoort in het geheel niet bij die twee dikzakken!

—Dat doet hij ook niet, Edward, antwoordde Charly Brand, en als het je interesseert, dan wil ik je wel even inlichten, want ik heb juist vanmiddag in geuren en kleuren door een paar badgasten hooren uiteenzetten, hoe het met dien Gerard Palmer staat!

—Laat het mij maar eens hooren, ik vermoed, [632]dat de man tot het gilde der oorlogswinstmakers hoort!

—Dat heb je goed geraden! Een jaar of drie geleden ten hoogste, was Palmer nog maar een simpel groentenhandelaartje ergens in Hounsditch op het East End. De hemel mag weten, hoe het zoo kwam, maar de man kreeg een paar bestellingen voor het leger, hij wierp zich ook op andere artikelen, hij bleek een fijnen neus en vooral veel geluk te hebben en binnen een paar jaar was hij “een man in bonis”. Een maand of zes geleden sloeg hij nogmaals een reusachtigen slag, die hem het bagatel van een half millioen pond opleverde!

—Aha, vandaar die tentoonstelling van juweelen en goud! kwam Raffles knikkend. En wie is die man met zijn verlept, aristocratisch gezicht als van een baron aan lager wal?

—Edward, je hebt het alweer geraden! Die man is inderdaad een baron, maar juist zijn bezittingen zijn door den oorlog ontzaggelijk achteruitgegaan en een krankzinnige speculatie heeft hem geheel en al geruïneerd. Hij is al een tijdje kellner geweest in Amerika!

—Toch waar? Ik dacht, dat zooiets alleen in boeken voorkwam!

—Neen, neen, hij is het werkelijk geweest! En toen hij terugkeerde, had hij een nieuw beroep gevonden, dat als het ware voor de hand lag!

—Wat dan?

—Hij is onderwijzer geworden van oorlogswinstmakers! Het is een heel goed baantje, mits men er niet tegen opziet, zich gelijkgesteld te zien met huisonderwijzers, butlers en kinderjuffrouwen!

—Hoe heet hij? vroeg Raffles.

—Lionel Kingscote.

—Zeer merkwaardig, mompelde Raffles. En waaruit bestaat zijn taak nu eigenlijk?

—O, hij vergezelt zijn patroon overal heen, meestal onder het mom van “een jeugdvriend” en dan geeft hij hem wenken, hoe hij zich te gedragen heeft. Hij tracht hem bij te brengen, dat men niet moet trachten zijn thee af te koelen, door haar in zijn schoteltje over te gieten, dat men geen visch met een mes eet, dat men evenmin met een mes aan een vrucht mag komen, dat men zijn tanden niet moet schoonmaken zoolang men nog aan tafel zit, dat het volstrekt niet noodig is, dat menschen op honderd meter afstand hooren, hoe men zijn soep nuttigt, dat men in gezelschap niet luid moet schreeuwen en in zijn eentje natuurlijk nog veel minder, dat men een dame op straat niet mag groeten, alvorens zij groet, en nog meerdere kleinigheden. Je hebt zooeven reeds kunnen zien, hoe het ging met theedrinken, het mag een weinig overdreven schijnen, maar zij staan er blijkbaar op zelfs hun gebaren zoo deftig mogelijk te maken en daarom moet Kingscote alles voordoen! Ik hoor, dat hij hen heeft leeren oesters eten, dat zij door zijn schitterend voorbeeld aangespoord, geen fouten meer maken bij het eten van asperges, en dat zij iederen dag vorderingen maken in de edele kunst van Mevrouw Etikette.

—Dat is een eigenaardig, nieuw beroep, maar ik zou er niet gaarne op neer zien, want ik ben het volkomen eens met Voltaire, die zeide: “Il n’y a pas de sots métiers, il n’y a que de sots gens”. Ik weet ook niet zeker, of het Voltaire geweest is, maar het is in ieder geval waar.

—Maar ik kan je verzekeren, dat het niet prettig is voor Kingscote, want hij wordt eenvoudig behandeld als een bediende. Hij krijgt weliswaar een hoog salaris, ik geloof honderd pond in de week en den kost, en die is voortreffelijk, want ons baronnetje heeft dadelijk gezorgd voor een uitnemenden kok.

—En die man daar, een paar tafeltjes verder, die hem zoo minachtend en nijdig aankijkt, wie is dat?

—Dat is zijn pendant! antwoordde Charly. De man heet Spicer, Godfrey Spicer, en hij was eenige jaren geleden drogist, hetgeen je misschien wel aan zijn tanig, droog gezicht kunt zien. Ook hij heeft het rad van Vrouw Fortuin in zijn richting zien wentelen en hij heeft er zijn voordeel mee gedaan! De man is op miraculeuze wijze in die paar jaren schatrijk geworden! En nu is dit het grappige van de zaak, die twee menschen, de dikke en de dunne, hebben vroeger om zoo te zeggen, naast elkander gewoond, in dezelfde straat, hun vrouwen waren vriendinnen, hun kinderen speelden met elkander, en nu gunnen zij elkander het licht in de oogen niet en het is een krankzinnige wedstrijd tusschen hen geworden, wie de meeste weelde ten toon zal spreiden! Zij willen elkander tot iederen prijs de oogen uitsteken! Twee weken geleden ongeveer schafte Palmer zich een nieuwe Lancia aan, een prachtige wagen van zestig paardenkracht, een lust om te zien! Wat deed Spicer onmiddellijk? Ofschoon de man al drie auto’s [633]heeft, kocht hij op staanden voet een Renault van tachtig paarden! Hij dacht natuurlijk, baas boven baas! Maar nu komt het mooiste. Palmer kon dat natuurlijk onmogelijk op zich laten zitten en hij bestelde direct een enormen Rolls Royce, en de motor moet minstens honderdtwintig paard zijn, heeft hij bevolen! Al zou hij met het ding te pletter rijden, het moet beter, grooter en vooral duurder zijn dan dat van den gehaten mededinger!

—Ja, ik ken dat, zeide Raffles hoofdschuddend. En ik weet zeker, dat je me daar slechts een klein staaltje vertelt, om mij eenig inzicht te geven van den verbitterden strijd tusschen die twee mannen.

—Ja, want op ieder gebied doen zij juist hetzelfde! Als de een een villa koopt, gaat de andere op weg om er een te ontdekken, die een paar kamers meer heeft, vijf meter hooger boven de oppervlakte van de zee ligt, zeven balkons inplaats van zes heeft, of desnoods tachtig dakpannen meer!

Als Palmer dansles gaat nemen, dan neemt Spicer schermles, als Spicer leert zwemmen, dan leert Palmer boksen, als Palmer een Smyrna tapijt koopt, dan moet Spicer volstrekt een Perzisch hebben, anders zou hij geen vijf minuten meer kunnen ademhalen, maar het moet vooral vier vierkante centimeters grooter zijn, en als het kan, honderd pond duurder! En de vrouwen volgen elkander na, en tot dusverre heeft de dikke het nog gewonnen, eenvoudig omdat haar lichaam meer oppervlakte biedt, om er juweelen en paarlen op te hangen! Mevrouw Palmer heeft een duren masseur om magerder te worden, mevrouw Spicer heeft een even duren specialist, die haar dikker moet maken! De eene heeft een loge in het “Criterion”, de ander in het “National Theatre”. Het is een zotte wedstrijd, waaraan natuurlijk nooit een einde kan komen, want hun rijkdommen lijken wel onuitputtelijk en iederen dag nemen hun woede en wraakzucht, hun naijver en hun wrok toe.

—En de kinderen? Die spelen zeker niet meer?

Er kwam een ondeugend glimlachje om de lippen van Charly, toen hij antwoordde:

—Zij spelen nog wel, maar de aard van het spel is veranderd, zij zijn verliefd op elkaar! [634]

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Romeo en Julia.

Juist toen Charly deze mededeeling gedaan had, verhief Palmer zich van zijn zetel, liet zijn blikken weiden over de danszaal en vroeg zoo luid, dat Raffles en Charly het op hun plaats duidelijk konden hooren:

—Waar zit die bliksemsche aap?

Onmiddellijk stond zijn mentor op en legde hem met een kalmeerend gebaar de fijne hand op den arm.

Dadelijk ging Palmer zitten als een bestrafte schooljongen en in zijn verbouwereerdheid nam hij zijn kop thee met twee handen aan, hetgeen hem een nieuwe reprimande bezorgde, terwijl Mevrouw Palmer zuchtend uitriep:

—Och, och, wat een man! Hij leert het nooit!

Maar bijna terzelfder tijd stond Godfrey Spicer op, keek eveneens rond en schreeuwde:

—Waar zit die duivelsche meid?

En daar de heer Spicer niemand had om hem te remmen, herhaalde hij nog eens en nu nog wat luider:

—Waar zit dat ondeugende nest? Zij zal toch niet met dien kwajongen van Palmer durven dansen?

Gerard Palmer had de vraag uitstekend gehoord, maar hij wendde zich niet eens om, toen hij met vollen mond, hij had juist een taartje genomen, uitriep:

—Als mijn jongen met die kwaje meid van Spicer danst, breek ik hem alle ribben in het lichaam!

Weer daalde de witte hand op zijn arm neer, maar Palmer was blijkbaar zeer vertoornd en hij bromde iets, terwijl zijn zware kaken werkten als de steenen van een pletmolen.

En alsof zij het hadden afgesproken, stonden de beide felle mededingers opnieuw op, hun beide echtgenooten klemden zich vruchteloos aan hen vast, om hen tot bedaren te brengen en de twee heeren baanden zich door de dansenden heen een weg naar een der opstaande ramen, die op den tuin uitzagen.

Maar als een wachter zijn planeet, zoo volgde de kleine baron Kingscote zijn principaal.

Hij werd er nu eenmaal voor betaald, en hij zou hem desnoods tot in den dood leeren, wat goede manieren waren.

En zoo wrong hij zich, in het zog van Gerard Palmer, door de dansende badgasten heen.

Palmer en Spicer bereikten bijna tegelijkertijd het Fransche raam en wierpen elkander een woedenden blik toe.

Raffles en Charly, die geen enkele bijzonderheid van dit kleine tafereeltje gemist hadden, wierpen elkander een glimlachenden blik toe:

Toen zeide Raffles op zachten toon:

—Ga mede, Charly, dat moeten wij zien! Die twee menschen zijn uit den aard der zaak veel amusanter dan de beste acteurs het kunnen zijn, want zij spelen geen comedie!

Raffles wierp snel een goudstuk op het tafeltje, juist toen de kellner aankwam en de beide vrienden bereikten den tuin, even nadat Palmer en Spicer er binnen waren gegaan.

Zij konden hen onmogelijk zien nog, maar zij hoorden hen!

Het was zoo, de heeren hadden zich niet langer kunnen bedwingen en waren in een woedenden twist uitgebarsten.

En daar ook in dit opzicht de een niet voor den ander wilde onderdoen en elkander trachtte te overschreeuwen, viel het niet moeilijk de plek te bepalen, waar zij zich moesten bevinden.

—Zij zijn niet bijzonder slim, zeide Raffles glimlachend, want zoo groot is de tuin niet, of men moet hen overal kunnen hooren en het verliefde paartje zal wel gewaarschuwd zijn op dit oogenblik!

De twee vrienden kwamen langzaam naderbij en hoorden nu hoe Spicer tot Palmer riep: [635]

—Denk je, dat ik ooit zou toestaan, dat mijn dochter omgang heeft met jouw zoon?

—En denk jij soms, dat ik mijn zoon niet liever naar Australië zou sturen, dan goed te vinden, dat hij grapjes maakt met jouw dochter? brulde Palmer terug.

—Mijn dochter kan wel wat beters krijgen!

—En mijn zoon aan iederen vinger zooveel meisjes als hij maar hebben wil!

—Stel je voor, de zoon van een groentenman!

—Denk je er eens in, de dochter van een drogist!

—Ik stuur haar liever naar een Fransch klooster!

—Ik laat hem liever haremwachter worden!

En zoo ging het nog eenigen tijd door, terwijl de beide mannen zich hoe langer hoe meer opwonden.

De kleine baron had reeds eenige malen getracht zijn principaal tot kalmte te brengen door hem de hand op den arm te leggen, maar telkens had Palmer hem afgeschud, zooals men het een vlieg of een wesp doet, terwijl hij op dezelfde wijze bleef doorschreeuwen.

Maar eindelijk kon de baron zich niet meer bedwingen en riep op bestraffenden toon:

—Mijnheer Palmer, gij moest werkelijk niet zoo hard schreeuwen! Dat past niet!

—Maar ik wil schreeuwen! Heeft u dat begrepen, mijnheer de baron! Ik zeg je, dat ik wil schreeuwen en dit is nog maar een begin!

—Maar alleen een proleet schreeuwt, begon de baron wanhopig.

—Dan ben ik maar een proleet! Denk je, dat ik lust heb om te stikken? Als ik niet mag schreeuwen, blijf ik op de plaats dood! Ga maar naar binnen, baron, en houd mijn vrouw gezelschap! En als je dat niet bevalt, verkas dan maar! Het idée, dat ik niet eens hard zou mogen schreeuwen, als me dat bevalt!

—Maar mijnheer Palmer.… stamelde het baronnetje.

—Het is al goed, mijnheer de baron, hernam Palmer, snuivend van woede. Ik zal van uw diensten niet langer gebruik maken! Gaat u maar naar mijn secretaris en laat hij u een maand extra geven!

Maar nu richtte de baron zich zoo hoog op, als zijn kleine, magere gestalte hem veroorloofde en zeide op koelen toon:

—Ik zal van u aannemen, wat gij mij schuldig zijt, mijnheer Palmer, en geen cent meer! Ik heb zooeven gezegd, dat gij een proleet zoudt zijn als gij zoo luid schreeuwt, dat neem ik weer terug; daartoe behoeft gij niet te schreeuwen!

Hij maakte een buiging en verdween in de halve duisternis.

Briesend van woede begonnen hierop de beide millionnairs naar hunne spruiten te zoeken en langzaam verstierf het gerucht van hun twistende stemmen.

Toen alles weder stil was, barstte Charly in lachen uit en zeide op zachten toon:

—Het is waarachtig een herhaling van het treurspel, waarin Romeo en Julia de hoofdrollen vervullen, de beklagenswaardige telgen van twee vijandige geslachten.

—Wees eens even stil, ik geloof, dat de bewuste telgen daar aankomen! Ik meen het jonge meisje te herkennen, dat ik vanmiddag in gezelschap van Mevrouw Spicer heb gezien!

—Je hebt gelijk, en het jongemensch, dat naast haar loopt, is Jack Palmer!

Raffles en Charly stonden een weinig in de schaduw van een zwaren boom en het jongepaartje dat daar een smalle laan kwam afloopen en in een druk gefluisterd gesprek gewikkeld was, had hen blijkbaar niet gezien.

Zij waren beiden in het wit gekleed, beiden even groot, beiden door de zon en de zeelucht gebruind, beiden blond en blauwoogig en nooit hadden twee menschen naar het uiterlijk beter bij elkander gepast.

Waarschijnlijk hadden ook zij in hun schuilplaats de bulderende stemmen van hun vaders wel gehoord, hetgeen was af te leiden uit den verschrikten toon, waarop zij hun gesprek voerden.

Een oogenblik daarna waren zij voorbijgegaan, zonder de beide vrienden achter den boom ontdekt te hebben.

Raffles keek hen zwijgend even na en zeide toen glimlachend:

—Werkelijk een heel aardig paar, en die beide mannen, hun vaders, zijn niet goed wijs!

—Dat heb ik dadelijk gemeend!

—Ik zal je eens wat zeggen, Charly, je weet, hoezeer ik van afwisseling houd, en de vermaken van deze moderne badplaats hebben voor mij weinig aantrekkelijks! Ik geloof, dat ik hier een kleine [636]voorstelling naar mijn eigen smaak ga opvoeren, waarin de beide tegenstanders en hun kroost een voorname rol zullen vervullen!

—Wat wil je dan doen?

—Dat weet ik nog niet zeker, maar in ieder geval wil ik hen bestraffen en een weinig de beschermengel spelen van de arme kinderen! En dan spreekt het vanzelf, dat de schatrijke parvenu’s een veer zullen moeten laten!

Raffles had zijn stem tot een zacht gefluister laten dalen, toen hij deze woorden sprak.

Charly keek hem eens schuin aan en zuchtte toen:

—Ik ben er al bang voor geweest van het oogenblik af, waarop wij die snuiters voor de eerste maal zagen!

—Wel, zij zijn immers als het ware voorbestemd om te worden geplunderd! zeide Raffles schouderophalend. Het zal geen misdaad, het zal sport zijn, en van de beste!

—Intusschen is die sport vrij gevaarlijk, en indien ik mij niet vergis, waren wij hier gekomen, teneinde onze zenuwen wat rust te geven!

—O, maar dit zal niets van onze zenuwen vergen, mijn waarde! hernam Raffles met een glimlach. Die twee twistzoekers zijn een al te gemakkelijk doelwit!

—Nu, ik zou wel eens willen weten, hoe je het denkt aan te leggen, om dat doelwit te treffen!

—Dat is al heel gemakkelijk! Je hebt zooeven zelf gehoord, hoe die bruut van een Palmer dien armen Kingscote zoo maar pardoes op straat zette, omdat hij hem belette, te schreeuwen! Welnu, ik, Lord Lister, alias John Raffles, zal hem voorstellen, mij in zijn plaats in dienst te nemen!

—En denk je, dat hij je zal nemen?

—Ik twijfel er geen seconde aan! De goede man heeft nu eenmaal behoefte aan leiding. Hij zou het misschien niet doen, als hij niet den strijd had aangebonden met Spicer, maar nu hij eenmaal zijn vijand op ieder gebied wil overbluffen, nu zal hij het ook in zake goede manieren willen doen! Neen, je kunt er op rekenen, dat hij dadelijk naar een plaatsvervanger van den baron zal uitzien!

—Maar hij krijgt misschien wel berouw en neemt den baron weer terug, meende Charly.

—Maar de baron zal niet willen! hernam Raffles. Hij schijnt mij een trotsch kereltje te zijn, en hij weet wel, dat er honderden menschen rondloopen, van de soort van zijn voormaligen patroon, die niets liever willen, dan een authentieken baron als wegwijzer door het doolhof van maatschappelijke gebruiken en gewoonten te benutten! Ik ga nog hedenavond, na mij te hebben vermomd, naar Palmer toe, en zal hem mijn diensten aanbieden!

—Maar dan zal ik je gezelschap voor de rest van ons verblijf hier moeten missen! riep Charly uit.

—Dat behoeft volstrekt niet. Je kunt heel goed een vriend van den nieuwen titularis zijn, en dan, ik zal natuurlijk een flink aantal vrije uren bedingen. Tenslotte, het geheele zaakje kan binnen enkele dagen zijn afgeloopen, wanneer alles goed gaat! En dan brengen wij de rest van onze vacantie weder te zamen door, in de hechte overtuiging, dat wij een goed werk verricht hebben! Zeker, de maatschappij zal er anders over oordeelen, maar die legt ook een anderen maatstaf aan als ik. Zij begrijpt niet, zooals ik het begrijp, dat het geld van die twee parvenu’s geen goed kan stichten, omdat die twee mannen, bezield door de lust elkander te overtroeven, hun geld met handenvol uitgeven zonder eenig nut of doel. En als ik hen ontlast van een deel der “meerwaarde” zooals Karl Marx het noemt, dan zal mijn geweten zich niet al te zeer bezwaard gevoelen!

En met deze woorden richtte Raffles zich weder naar de danszaal.

Charly liep zwijgend naast hem voort.

Toen de beide vrienden weder binnentraden, zaten de twee vijanden weder op hun vorige plaats.

Waarschijnlijk waren zij langs een anderen weg weder binnengekomen en hadden zij het paartje toch nog verrast.

Want op dit oogenblik zat Edith Spicer naast haar vader en Jack Palmer zat naast den zijnen en de beide jonge lieden zagen er uit als zes dagen slecht weer.

Raffles en Charly bleven het dansen nog een kwartier aanzien en daarop begaven zij zich naar de villa terug, waar alles in gereedheid zou worden gebracht voor de “kapitale grap”, zooals Raffles zich uitliet, ofschoon voor Charly de humor van het geval wel wat verduisterd werd door de overweging, dat er wel eens een kink in den kabel zou kunnen komen. [637]

[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

De nieuwe mentor.

Om elf uur in den avond presenteerde een zeer modieus gekleed heer, niet ver in de veertig, zijn kaartje aan den oberkellner van het hotel Continental, met het verzoek, hem aanstonds te willen aandienen bij mijnheer Gerard Palmer.

De ober keek wel een weinig verwonderd, want men begaf zich in deze badplaats tamelijk vroeg ter ruste, maar hij ging toch met het kaartje heen en keerde even later terug met het verzoek hem te willen volgen.

Hij bracht den bezoeker naar een fraai gemeubelde logeerkamer, waar hij zich in tegenwoordigheid bevond van den heer Palmer in hoogst eigen persoon.

Hij had het visitekaartje in de hand en toen de kellner de deur discreet weder gesloten had, zeide hij, na een blik op het fijne stukje carton te hebben geworpen:

—Ik heb het genoegen, graaf Chesterfield voor mij te zien?

—Die ben ik, mijnheer Palmer, antwoordde de bezoeker met een onberispelijke buiging, die de bewondering en de afgunst van Palmer opwekte.

—Wees dan zoo goed, mij het doel van uw bezoek uiteen te zetten!

—Ik kom aanstonds ter zake! Ik heb vernomen, dat baron Kingscote, die op zich had genomen.… eh.… u behulpzaam te zijn bij de eerste moeilijke stappen op het glibberige pad der High Life, eensklaps is heengegaan.

Hier sprak Raffles, men zal wel begrepen hebben, dat hij de bezoeker was, de volle waarheid, want nog geen half uur geleden had hij den ontslagen mentor van Palmer uit een rijtuig zien stappen, in iedere hand een valies, aan het groote station van de badplaats, natuurlijk met het doel een stad te verlaten, welke hem nu niets meer aan kon bieden.

—Ja, dat is ook zoo, graaf! zeide Palmer met een hoofdknik. De baron beviel mij niet langer, om het kind bij den naam te noemen. Hij liet mij soms wel wat al te veel zijn adellijke afkomst gevoelen, en het groote verschil tusschen hem en mij, en dat beviel mij op den duur niet! Gij komt toch hoop ik, niet vragen hem weder in dienst te nemen?

—Geenszins, mijnheer Palmer! Ik kom u integendeel het voorstel doen, mij in zijn plaats te engageeren!

—U? riep Palmer verbaasd uit, terwijl hij den chiquen bezoeker van het hoofd tot de voeten opnam. Maar.… wat zal ik zeggen, u ziet er eigenlijk in het geheel niet uit als iemand, die.… hm.… voor zijn boterham in dienst moet gaan.… al wil ik niet zeggen dat het geen best baantje is!

—Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijnheer Palmer! hernam Raffles. Maar ook hier bedriegt het uiterlijk! Door den oorlog zijn vele personen rijkelijk met aardsche goederen gezegend geworden, maar dat zijn de handelaars en de winkeliers. Wij leden van adellijke families echter, hebben somtijds gebrek geleden en hebben ons kapitaal ingeteerd. Om kort te gaan, ik heb mij wel gedwongen gezien een werkkring ter hand te nemen, en alles wat ik uit de débacle heb kunnen redden, zijn mijn kleederen! Want ik ben van oordeel, dat inderdaad de kleederen den man maken, en dat men in de wereld vooruit kan komen, zoolang men maar in het bezit is van goed zittende kleeren!

—Wel, daarin schuilt wel iets waars, graaf! riep Palmer op jovialen toon, nu hij tegenover iemand stond, die lang niet zoo rijk was als hij, om niet te zeggen straatarm!

—En daarom heb ik een beroep gekozen, waarbij mijn bijzondere gaven het beste rendabel zijn te [638]maken, dat van instructeur bij.… eh.… personen, die tengevolge der omstandigheden niet in staat zijn geweest, zich alle gebruiken der groote wereld behoorlijk eigen te maken.

Palmer bekeek zijn bezoeker nogmaals aandachtig en zeide toen:

—U ziet er heel goed uit. Ik wilde wel, dat mijn kleeren mij zoo goed zaten! Hoe lapt u hem dat toch?

—O, ik zal u wel een kleermaker aan de hand doen, die u onberispelijk zal kleeden, mijnheer Palmer! antwoordde Raffles. Uw figuur leent zich daar uitstekend voor!

—Zoudt u denken? vroeg Palmer een weinig argwanend, terwijl hij zijn blikken langs zijn omvangrijken buik liet glijden, en ze tenslotte op zijn wel wat kromme beenen liet rusten.

—Ik ben er zeker van!

Palmer bedacht zich nog even en ging toen voort:

—Nu, wij zullen het eens een maandje aanzien! Neemt u daar genoegen mede?

—Welzeker, mijnheer Palmer! antwoordde Raffles. Want ik ben er van overtuigd, dat ik u zal bevallen, en dat gij u voorloopig niet van mij zult ontdoen! Echter is het zeer wel mogelijk, dat de cursus, als wij het zoo noemen mogen, reeds binnen korteren tijd is afgeloopen! Want gij komt mij voor een zeer ijverig en schrander leerling te zijn!

—Nu dat houdt niet over! hernam Palmer droogjes. Ik weet niet wat het is, maar ik kan maar niet overweg met de malle fratsen, zooals ze bij de deftige lui in zwang zijn!

—En het zal toch noodzakelijk zijn, mijnheer Palmer, dat gij u die “fratsen” eigen maakt, hernam Raffles glimlachend, want anders zou u de toegang tot vele huizen zeer moeilijk zijn, en dat zoudt gij toch zeker niet willen.

—Neen, dat zou ik zeker niet! bromde de voormalige groentewinkelier, en daarom moeten wij maar door den zuren appel heen bijten. Wij zullen niet lang met elkander praten, graaf, want om u de gulle waarheid te zeggen, ben ik wat moe van een lange wandeling, en ik verlang naar mijn mandje, mijn bed wil ik zeggen. U bevalt me, ik engageer u! Voorloopig voor een maand. Kent u de voorwaarden?

—Ik geloof, dat de baron zoo iets van honderd pond in de week had, nietwaar?

—Ja, en dat kunt gij ook krijgen, zoolang ik u in dienst houd. Ik hoop, dat wij het goed zullen kunnen vinden, maar ik moet u waarschuwen, dat ik soms wel eens wat ongeduldig ben en wat ruw uitval, maar daar moet u maar niet op letten.

—Ik zal mijn best doen, mijnheer Palmer, maar ik hoop tevens, dat ik u te zijner tijd zal moeten wijzen op het weinig bevallige van zulke ruwe uitvallen! Een gentleman vergeet zich zelf nooit, en als hij een ander wil uitschelden, dan wacht hij tenminste, tot hij behoorlijk zijn huis verlaten heeft.

—Nu, ik zal in ieder geval mijn best doen! Saluutjes, graaf! Maf ze, ik wil zeggen: ik wensch u een genoeglijke nachtrust.

En hij stak Raffles zijn breede, roode vingers toe.

Raffles nam afscheid met een buiging, maar voor hij het vertrek had verlaten, riep Palmer hem terug en vroeg:

—Dat is waar, wanneer kunt u nu eigenlijk komen?

—Wanneer gij wilt, morgen reeds!

—Afgesproken! U gaat natuurlijk evenals de baron voor een kennis van mij door, en u logeert in het hotel. Ik denk, dat mijn zoon Jack wel ingenomen met u zal zijn. U is nog al een chique type en daar houdt hij van. Ik kan mij dan ook absoluut niet begrijpen, hoe hij met zoo’n drommelsche meid van een.… nu ja, dat zijn dingen, die u niet aangaan. U vindt den weg wel, hé?

—Geef u vooral geen moeite, mijnheer! Derangeer u niet. Ik zal het wel vinden.

En even later stond Raffles op de gang en keek hoofdschuddend naar de gesloten deur.

—Een hoogst zeldzaam exemplaar van zijn soort! bromde hij tusschen de tanden. Lieve hemel, ik geloof dat een heel leger van graven en barons niet bij machte zal blijken te zijn, dien ongelikten beer manieren te leeren. Hij is ordinair en hij zal ordinair blijven, tot men hem naar zijn laatste rustplaats draagt. Nu, het doet er verder niet toe, de hoofdzaak is, dat de man schatrijk is. Wij zullen zoo kort mogelijk van zijn gezelschap profiteeren, dat is alles wat er op overschiet.

Den volgenden morgen om tien uur reeds meldde Raffles zich weder aan, thans voorzien van een groot valies.

Het bleek hem, dat Palmer reeds een kamer voor hem besteld had in het hotel, want de oberkellner bracht hem naar het logeervertrek op de derde verdieping, [639]vanwaar men een waarlijk verrukkelijk uitzicht had over een deel van de baai en de zee.

Een kellner droeg zijn valies, maar zonder veel overtuiging, want onder het dienstpersoneel scheen men elkander reeds op de hoogte te hebben gesteld van de rol, welke deze aan lager wal geraakte graaf zou vervullen.

In het oog van den oberkellner althans, stond deze nieuwe bewoner van het deftige hotel weinig hooger dan een dansmeester, een gymnastiekonderwijzer of een gouverneur.

Raffles trok zich echter bitter weinig aan van hun opgetrokken neuzen, en hun gesnuffel, maar begon zich dadelijk op zijn gemak te stellen.

—Er komt aanstonds nog een groote koffer voor mij, zorg dat zij dadelijk in mijn kamer wordt gebracht, beval hij, zich even naar den oberkellner omwendend.

—Jawel, graaf! antwoordde de ober, toch onwillekeurig onder den indruk van den koudbevelenden toon en den titel van den nieuwen logeergast.

Zoodra de twee kellners vertrokken waren, opende Raffles het groote valies en begon verschillende toiletbenoodigdheden uit te pakken.

Een half uur later werd een groote koffer bezorgd en op zijn kamer neergezet, en daaruit haalde hij een aantal onberispelijk gesneden kleederen, welke hij dadelijk met zorg begon weg te hangen.

Hij stak zich in een wit flanellen strandpak, drukte zijn panama op het hoofd, stak een gardenia in zijn knoopsgat, genomen uit een bloempot, die in de vensterbank stond en klemde zijn monocle in het oog.

En hij mocht aan lager wal geraakt zijn, graaf Chesterfield was een edelman in den waren zin des woords, met zijn bleek, blasé gezicht, zijn spaarzaam haar en zijn krakende stem.

Tevreden over zich zelf verliet Raffles de kamer, en daalde de breede trap af.

Voor een groot venster op de eerste verdieping bleef hij even staan om naar het reeds drukke gewoel op het strand te kijken.

Het was dien dag zeer warm en er werd reeds druk gebaad.

Toen ging hij verder en trad de groote eetzaal binnen, waar nog vrij wat badgasten aan het eerste ontbijt zaten.

Dadelijk had Palmer hem in het oog gekregen en onmiddellijk stond hij op, kwam met veel omslag op hem toe, stak hem beide handen toe en riep met zijn bulderende stem, die een kwart mijl verder hoorbaar was:

—Wel, wel, is me dat een verrassing! Daar heb je graaf.…

Hij hield plotseling op, boog zich vlug naar John Raffles toe en fluisterde:

—Ik heb waarachtig je naam vergeten. Hoe heet u ook weer?

—Chesterfield, antwoordde Raffles even vlug en zacht.

—Daar heb je zoo waar graaf Chesterfield, mijn oude schoolkameraad, vervolgde Palmer op denzelfden lawaaierigen toon. Hoe gaat het met je, oude rakker? Nog altijd dezelfde grappenmaker? En je vrouw, nog altijd zoo’n sukkelend stakkertje?

—Ik ben niet getrouwd! fluisterde Raffles hem snel toe.

—Wat zeg je daar? Is ze dood het goede mensch? Och, och, och! Wat gaat me dat aan mijn hart. Dat goeie mensch. Nou daar zal mijn vrouw van ophooren. Maar weet je wat je doet? Zet je der over heen, want het leven is toch al belabberd genoeg. Kijk hier maar eens om je heen, er loopt hier wat moois rond hoor! En kom je nou gezellig bij ons zitten?

En het volgende oogenblik had Palmer met een gul gebaar zijn vette arm om de schouders van den graaf geslagen en geleidde hem met ostentatie naar het tafeltje, dicht bij een der groote, wijdopenstaande raamdeuren, die op den strandboulevard uitzagen.

Daar gekomen, vervolgde Palmer altijd met dezelfde bulderende stem:

—Vrouw, let op het springen van de lintworm. Hier stel ik je voor: graaf Chestercheese, Chesterfield, wil ik zeggen! Een joviale, goed ronde kerel, een kameraad uit mijn schooljaren en een bolleboos in het boksen. Dat is mijn vrouw, dat is mijn zoon Jack. En ga nu zitten, maak het je gemakkelijk, en prik een vorkje met ons mee.

Raffles maakte een ceremonieele buiging voor mevrouw Palmer en den zoon, die natuurlijk reeds op de hoogte waren gebracht, nam plaats en zeide toen op zachten toon, zoodat geen der gasten het kon hooren: [640]

—De term luidt: Wilt u ons niet het genoegen doen, graaf, het ontbijt met ons te gebruiken?

—Maar wat drommel, dat is immers precies hetzelfde, kwam Palmer met oogen, rond en groot van verbazing.

—Het is wel hetzelfde, mijnheer Palmer, hernam de nieuwe mentor geduldig, maar in deftige kringen zou men u waarschijnlijk niet begrijpen, of u tenminste zeer vreemd aanzien, wanneer gij uwe uitnoodiging zoudt inkleeden op de wijze, zooals gij daar even deed.

—Ik zal er om denken, vriend, maar het is bliksems lastig, hoor.

Hij timmerde met zijn mes op het tafelblad en riep tot den toeschietenden kellner:

—Nog een bord, een vork en lepel, een glas, een schoon servet, de heele santepetie, ik wil zeggen, alles was er noodig is. De graaf zal een vorkie.… de graaf doet ons het genoegen, het ontbijt met ons te gebruiken.

En trotsch op deze overwinning op zichzelf, viel Palmer met vernieuwden ijver aan op een moot tarbot, welke hij zooeven op zijn bord had geschoven.

—Eet ik zoo goed? vroeg hij zachtjes, terwijl hij Raffles met den elleboog onder het eten aanstootte.

—Als ik wat zeggen mag, mijnheer Palmer, ik zou u in overweging willen geven uw vork in de rechterhand te nemen, en dat mes te verwisselen met het voorwerp, dat recht voor uw bord ligt.

—Maar voor den drommel, dat is immers ook een mes?

—Het is er ook een, mijnheer Palmer, het is speciaal voor de visch bestemd, niet van staal, maar verzilverd.

—De nonsens, de tastbare nonsens, barstte Palmer uit. Of je nu visch met je vingers, met de tang of met een mes eet, het blijft toch allemaal hetzelfde.

—Daarin moet ik met u van meening verschillen, mijnheer Palmer, hernam de nieuwe instructeur geduldig. Fijne visch is niet bestand tegen de aanraking met staal, en die heeft wel degelijk invloed op den smaak.

—En ik mag niet eens de graten afkluiven?

Graaf Chesterfield kreeg bijna een stuip van schrik en antwoordde haastig:

—Goede hemel, mijnheer Palmer, waar denkt u aan? Gij zoudt u in dit fijne hotel voor goed onmogelijk maken. Let nu eens goed op! Houdt met uw vork de moot in het midden vast, neen, niet alsof ge een dollen hond in den nek hebt gevat, en doodelijk beangst zijt, dat hij u zal ontkomen, en licht dan met het vischmes het vleesch behoedzaam van de graat, juist, zoo is het uitstekend. Verricht hetzelfde aan den anderen kant, draai de moot om, herhaal de bewerking, en leg de graat, aldus van het vleesch ontdaan, terzijde van uw bord, neen, niet op het tafellaken! Als gij het zoo begrepen hebt, dan heb ik mij verkeerd uitgedrukt, ik bedoelde op den rand.

En zoo ging het door, Palmer at en de nieuwe instructeur gaf hem op zachten toon raadgevingen en deed het hem voor, toen de kellner hem een bord, een couvert en een glas had gebracht.

Maar terwijl Raffles dit deed, bestudeerde hij tevens aandachtig Mevrouw Palmer en haar zoon.

Mevrouw Palmer beijverde zich, de lessen eveneens ter harte te nemen, maar Jack scheen zich bijzonder te ergeren en zat er met een boos gezicht bij.

Met de intuïtie van de jeugd, had hij al heel spoedig de wetten der etikette leeren kennen en doorgrond en Raffles zag met genoegen en tevens met een zeker zweem van verbazing, dat de flinke jongeman volstrekt geen fout zou maken, ook al was hij te gast in de vorstelijke eetzaal van het Carlton Hotel te Londen.

Maar toen er ongeveer twintig minuten waren verloopen, maakte Palmer eensklaps een geluid, alsof hij een graat in zijn keel had gekregen en zijn gezicht werd vuurrood.

Hij had een blik geworpen op een kleine groep, die zoo juist aan een nog onbezet tafeltje had plaats genomen, het was de familie Spicer.

Maar niet dát had zoozeer de aandacht getrokken van den voormaligen groentebaas.

Dat was de fijngekleede man van een jaar of vijfenveertig, die bij hen zat, en wiens taak maar al te duidelijk bleek, hij deed Godfrey Spicer met mes en vork in de hand voor, hoe hij tarbot moest eten.

Er viel niet aan te twijfelen, zijn doodsvijand had zijn voorbeeld gevolgd en zich van een instructeur in de deftige manieren voorzien.

—Neem mij niet kwalijk, dat ik de opmerking maak, mijnheer Palmer, maar ik ben het wel verplicht, u betaalt mij er voor, merkte Raffles zachtjes [641]op. Het fixeeren van andere personen en vooral van vreemdelingen in een volle zaal, over het algemeen trouwens in iedere zaal, vol of niet, op straat of waar dan ook, is in de hoogste mate af te keuren.

—Wat is dat, fixeeren? vroeg Palmer zonder een oog van Spicer en de anderen af te wenden.

—Iemand onophoudelijk en strak aanzien, mijnheer Palmer.

—Hoor eens graaf, je kunt mij heel wat verbieden, maar denk je dat ik voor dien knul daar vóór mij zou kijken? Dan ken je Gerard Palmer niet!

—Hij is dus een kennis van u, die heer? vroeg Raffles onschuldig.

—Een kennis? Ik zou hem als deze moot tarbot kunnen behandelen! antwoordde Palmer en hij hakte woedend met het vischmes op de graat los.

—Ha, gij zijt zeker een weinig gebrouilleerd met dien heer daar?

—Wat bedoel je daar nu weer mee? Praat je moerstaal, als je wilt dat ik je begrijp!

—Gebrouilleerd zijn wil zeggen: met iemand in onmin leven.

—En onmin wil zeker zeggen als kat en hond. Ja, dan klopt het! Wat denk je nu dat de smeerlap, ik wil zeggen, die man daar, mij nu weer geleverd heeft, alleen om mij te.… plagen?

—Ik heb er niet het flauwste vermoeden van, antwoordde Raffles met een onschuldig gezicht, ofschoon hij er precies alles van af wist, want de instructeur, die daar zat, was Charly Brand.

Den avond te voren nog waren de beide vrienden op den schitterenden inval gekomen, ook Spicer te voorzien van een mentor, in den vorm van een verloopen burggraaf, want zoodoende zouden zij veel met elkander in aanraking kunnen zijn en ook het kamp van de Spicers zou zorgvuldig bewaakt kunnen worden.

En onmiddellijk, nadat Charly zich in zijn vermomming had aangeboden, was hij gretig door Spicer aangenomen, die hierin aanstonds een prachtig middel gezien had om zijn vijand het land in te jagen.

—Neen, ik kan mij wel begrijpen, dat u het niet snapt, hernam Palmer. Dan zal ik het u zeggen. Hij heeft ook een.… een onderwijzer in de nette manieren aangenomen. Kijk maar eens, hij wijst hem hoe hij een mes en een vork moet vasthouden. Dat kan de knuppel niet eens, wat een boer, wat een onopgevoed sujet. Dat eet visch met een gewoon mes. Dat weet niet eens, waar hij de graten moet laten. En dat logeert in het duurste hotel van de badplaats.

—Mijnheer Palmer, viel Raffles hem in de rede. Ik geef u een ernstigen, maar welgemeenden raad, eerst uw mond leeg te eten voor gij verder gaat en dat niet alleen uit ethische overwegingen, maar ook uit een gezondheidsoogpunt! Om kort te gaan, gij zult aanstonds stikken!

Met moeite slikte Palmer een paar malen, en wendde zich toen tot Raffles met de vraag:

—Wat was dat weer voor een woord? Ethische overwegingen? Dat heeft zeker iets met eten te maken?

—Niet geheel en al, mijnheer Palmer. Ik zal u daarvan een uitlegging geven, zoodra wij wat meer tijd hebben. Gij denkt dus werkelijk dat mijn vriend, Burggraaf Montrose, bij dien heer dezelfde diensten verricht, als ik bij u?

—Is die heer een vriend van u? vroeg mevrouw Palmer nu, die het geheele gesprek gevolgd had.

—Ik ken hem reeds geruimen tijd, mevrouw, antwoordde Raffles.

—Wat is een burggraaf voor iemand. Is dat net zoo hoog als graaf? vroeg Palmer gretig.

—Niet geheel en al mijnheer Palmer. Maar het scheelt toch niet heel veel.

—Goddank! kwam het uit den grond van zijn hart over de lippen van Gerard Palmer. Dat zal ik hem bij gelegenheid wel eens onder den neus wrijven. Een burggraaf! Een tweedehandsch graaf. Een halfsleetsche misschien. Nou, dan ben ik beter af! Ik heb er tenminste een, die gezien mag worden. Wat jij graafje?

En de vette hand van den heer Palmer daalde neer op het smettelooze flanel, dat de schouder van den gewaanden graaf bekleedde.

—Ik ben u erkentelijk, mijnheer Palmer, voor dit bewijs van toegenegenheid, zeide Raffles, maar ik moet er u op wijzen, dat dergelijke handtastelijkheden in een eersterangshotel volkomen ontoelaatbaar zijn.

Palmer wilde iets zeggen, maar Jack stond driftig op, met een kleur als vuur en zeide:

—Ik ga vast naar het strand, Mama! Ik wilde voor alles ter wereld, dat wij maar weer in ons eenvoudig groentekeldertje zaten. Wil ik u wat zeggen, ik geneer me, ja werkelijk, ik geneer mij dood!

En met dezen uitroep, die waarschijnlijk nog uit [642]den tijd van Hounsditch dateerde, snelde de jongeman weg, voor zijn vader hem had kunnen terugroepen.

—Wat zeg je daar nu van? vroeg Palmer boos, terwijl hij zich tot den instructeur wendde.

—Een flinke jonge man, mijnheer Palmer! antwoordde Raffles op hoffelijken toon.

—Dat bedoel ik niet! Ik wil weten of dat nu niet tegen de etikette strijd, of hoe noemen jullie het, dat een jongeman van tafel opstaat en zoo maar wegloopt, terwijl zijn vader, zijn papa nog bezig is?

—Geheel correct is het misschien niet, mijnheer Palmer, antwoordde Raffles glimlachend, maar aan de jeugd vergeeft men veel. Vermoedelijk heeft het strand om verschillende redenen meer attractie voor uw zoon, dan deze ontbijtzaal.

—Ik ken die attractie! Zij heet Edith Spicer! gaf Palmer op ziedenden toon ten antwoord. Heb ik geen gelijk? Daar staat het nest al op en vliegt hem achterna. Ja maar wacht eens, dat gaat zoo niet!

Palmer was opgestaan, had zijn servet neergeworpen en greep naar zijn hoed, die op een leegen stoel naast hem lag.

Mevrouw strekte de hand naar hem uit, en zeide op smeekenden toon:

—Wat ik je bidden mag, Gerard, stel je niet zoo aan. Gisteren heb jullie in het cabaret ook al zoo’n dwaas spektakel gemaakt, dat al het publiek er schande van sprak. Jullie schreeuwden zoo hard, dat de menschen je binnen konden hooren.

—Hou jij daar dan je kalmte bij, als je ziet dat je zoon zich verslingert aan dat nest van een Spicer, riep Palmer uit. Ik zeg je, dat ik niet zal dulden, dat die twee met elkaar smoesen! Van trouwen kan immers toch niets komen, liever sprong ik pardoes van de pier in zee en daarom heeft dat geflikflooi toch geen nut!

En met deze woorden stormde hij op zijn beurt de ontbijtkamer uit, bijna tegelijkertijd met den ouden Spicer, die zijn dochter begon te achtervolgen en het volgende oogenblik zette een wilde jacht over het breede strand in. [643]

[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Haat en liefde.

Jack en Edith schenen het gevaar wel bemerkt te hebben, waarin zij verkeerden, want zij liepen als hazen over het strand, Edith voorop, dertig passen achter haar Jack.

Daarop kwam Gerard Palmer en zijn mentor draafde ijverig naast hem, terwijl hij hem onder het hijgend voorwaarts gaan wees op het verkeerde en ondeftige van hard loopen, van heeren boven de vijfentwintig jaar, als het niet strikt noodzakelijk was, bijvoorbeeld bij het cricketspel, tijdens een voetbalwedstrijd, om een trein te halen, of om een dief achterna te snellen, die er met iemands horloge vandoor is.

Achter dit paar zwoegde zweetend Mevrouw Palmer, die met beide handen haar wit flanellen rok ophield en aldus een paar ongelooflijk dikke kuiten onthulde, met den hoed achter op het hoofd, blazend en puffend, rood en glimmend.

Nauwelijks twintig passen daarachter stormde de oude Spicer en aan zijn zijde draafde de pas verworven mentor, die evenzeer boetpredicaties hield, zonder dat het iets uitwerkte.

De stoet werd gesloten door Mevrouw Spicer, een dorre en beenige dame, die als een opgejaagde struisvogel met groote stappen door het mulle zand schreed. Sommige badgasten dachten misschien aan een spelletje en lachten.

Maar er waren velen, die op de hoogte waren, en die lachten nog veel harder.

Het vluchtende paar had nu een groep badstoelen bereikt, waartusschen een groot aantal op het droge gehaalde visschersbooten en het zou zeer moeilijk vallen de achtervolging onder deze omstandigheden voort te zetten, want het operatieterrein was uiterst gunstig voor de retireerende partij.

Zij konden hier een stelling kiezen, die voor den vijand uiterst moeilijk te ontdekken zou zijn, vooral daar hij niet over vliegmachines te beschikken had.

Palmer stond hijgend en proestend stil, wischte zich het zweet van het gelaat en kreunde:

—Ik zie ze niet meer! Ik krijg er nog een ongeluk van!

—U is dus wel zeer gekant tegen een meer teedere betrekking tusschen de jongelieden, mijnheer Palmer, vroeg Raffles.

—Als u daar mee bedoelt, graaf, dat ik er volstrekt niets van wil weten, dan kan ik u zeggen, dat u goed geraden hebt!

—Het is misschien zeer indiscreet, onbescheiden van mij, maar daar ik nu in zekeren zin deel van uw gezin uitmaak, zult gij mij de vraag misschien wel ten goede willen houden, wat hebt gij eigenlijk tegen die jongedame Edith Spicer, wat hebt gij eigenlijk tegen haar?

Palmer keek Raffles aan, als iemand die vreest voor den gek gehouden te worden en antwoordde toen:

—Wat ik tegen haar heb? Maar voor den drommel, zij is een dochter van Godfrey Spicer.

—En verder?

—Verder? Is dat soms niet voldoende? Me dunkt, dat er geen enkele reden meer noodig is, dan die! Ik behoef er geen geheim van te maken, u zoudt het hier trouwens gauw genoeg van anderen hooren, Spicer en Palmer, dan kan niet samen gaan, dat is vuur en water! Die kerel sart me met alles!

—En u? vroeg Raffles langs zijn neus.

—Ik? Wel, ik zal niet zeggen, dat ik hem ook niet eens een hak probeer te zetten! antwoordde Palmer. Kortom, we zijn doodsvijanden en het denkbeeld alleen, dat mijn zoon met zijn dochter zou [644]kunnen trouwen is te krankzinnig om er een oogenblik bij stil te staan!

—Dat is alles goed en wel! Maar heeft u er wel eens een oogenblik aan gedacht, dat die jongelieden elkander zouden kunnen liefhebben?

—Neen graaf, aan zoo iets onzinnigs heb ik zeker niet gedacht, hernam Palmer kortaf. Hij kan dat meisje niet liefhebben!

—En waarom niet als ik vragen mag?

—Omdat ik het hem verboden heb!

—Gij verbaast mij, mijnheer Palmer, neem me niet kwalijk, hernam Raffles kalm, en denkt ge werkelijk dat dat verbod een belemmering zal zijn?

Palmer verhief zich in zijn volle lengte en antwoordde:

—Ja, graaf, dat denk ik! Ik mag dan een ouderwetsche vader zijn, maar ik zal mijn wil laten gelden, dat verzeker ik u. Jack is nog geen negentien jaar, hij zal doen wat ik wil!

—U moet het mij nogmaals ten goede houden, mijnheer Palmer, maar ik betwijfel toch sterk of uw houding op den duur niet zeer verkeerd zal blijken. Ik heb eenige ervaringen in deze soort van dingen en ik heb steeds opgemerkt, dat tegenwerking juist iedere liefde sterker en onoverwinnelijker maakt.

—Dan zal die van mijn zoon een uitzondering zijn, graaf, hernam Palmer kortaf. Laten wij er maar niet meer over praten, ik weet wat ik wil, en wat ik wil, dat gebeurt!

Raffles haalde onmerkbaar de schouders op.

Hij begreep wel, dat een man van deze soort voor overreding niet vatbaar was, en dat er dus andere hulpmiddelen te baat zouden moeten worden genomen om hem van zijn besluit terug te doen komen.

Raffles had nog dienzelfden morgen bij verschillende personen op bescheiden wijze geïnformeerd naar den jongen Palmer en de inlichtingen waren zoo voortreffelijk geweest als men maar kon wenschen.

De jongeman dacht er niet aan, nu zijn vader plotseling schatrijk was geworden, zijn studies af te breken, maar hij had ze integendeel met des te grooter ijver voortgezet, nu hij er zeker van was, dat het geld van zijn vader hem in staat zou stellen, later belangwekkende en voor de wetenschap belangrijke proeven te nemen.

Hij deed veel aan sport, hij hield zielsveel van zijn moeder, die beter scheen te zijn dan haar uiterlijk zou doen vermoeden en hij leidde een zeer geregeld leven, zonder echter in het minst tot het onuitstaanbare genus der “Brave Hendrikken” te mogen worden gerekend.

Integendeel, hij hield van een goede grap, hij zou een goed glas wijn niet van zich afstooten, hij was een vroolijke kameraad en een eerlijk vuistgevecht schrikte hem nooit af.

Maar dat alles scheen niet te gelden voor de beide vijanden en zij bleven zich hardnekkig vastklampen aan het eenmaal genomen besluit.

Raffles wierp een blik om zich heen en zag op eenigen afstand Godfrey Spicer staan, die al even vruchteloos omzag naar zijn eenigst dochtertje als Palmer het naar zijn telg deed.

De jongelieden waren als door den grond gezonken en in geen velden of wegen te bespeuren.

—Als ik u een raad mag geven, mijnheer Palmer, begon Raffles, terwijl hij zich half afwendde, dan zou ik mij spoedig gaan verkleeden, want gij hebt u in het zweet geloopen en het is zeer ongezond, voor iemand op uw leeftijd in dien toestand te blijven rondloopen. Er staat een stevige bries!

—Ja, ik gevoel, dat ik drijfnat ben, antwoordde Palmer knorrig. Kunt gij hier op mij wachten, tot ik terugkom?

—Met het grootste genoegen, mijnheer Palmer. Ik zal in gindschen badstoel bij die omgekeerde visschersschuit gaan zitten. Trek ander ondergoed aan. Gij hebt werkelijk veel te hard geloopen en gij zoudt u door uw drift laten leiden tot een onvoorzichtigheid.

De voormalige groentehandelaar aanvaardde den terugtocht naar het hotel en ving onderweg zijn vrouw op, die er al bijna niet beter aan toe was dan haar echtgenoot en maar al te blij, dat zij weder naar het hotel kon gaan, om daar rustig een uurtje in de koele galerij op haar geliefkoosd plekje te gaan zitten en vandaar de pantoffelparade op den strandboulevard te kunnen gadeslaan.

Raffles slenterde intusschen naar den strandstoel, en hij zat nog nauwelijks of het gelaat van Charly kwam om den hoek gluren.

—Wel, hoe maakt mijnheer de mentor het? vroeg hij op grappigen toon.

—En hoe gaat het met mijnheer de instructeur? kwam Raffles op zijn beurt.

—Ik gevoel mij zeer opgewekt.

—Met mij gaat het eveneens! [645]

—En maakt de leerling goede vorderingen?

—De leerling is een ezel! En is mijnheer de instructeur nog al tevreden over den zijne?

—Mijn leerling is een uilskuiken.

—Dan behoeven wij elkander niets toe te geven, hernam Raffles lachend. Ik moet er echter nog aan toevoegen, dat mijn leerling waarschijnlijk onverbeterlijk is! Er zijn nu eenmaal naturen, die niet beschaafd te maken zijn, noch innerlijk, noch uiterlijk! Ik vrees, dat deze man tot aan zijn dood zal doorgaan de saus met een dessertlepeltje van zijn bord te scheppen en zijn soep zoo hoorbaar te slurpen, dat men op een kwartieruur gaans kan zeggen, wat hij uitvoert. Maar stil eens, wat zie ik daar? Is dat niet Jack Palmer, en nog altijd in gezelschap van Edith Spicer?

—Je hebt gelijk, Edward, zij zijn het en zij gevoelen zich blijkbaar al veel meer op hun gemak, wetende, dat het gevaar geweken is. Kijk, ze richten hun schreden naar de tweepersoons badstoelen, de oolijkers!

—Zouden zij ons gezien hebben?

—Neen, dat geloof ik niet! Ik ben er trouwens van overtuigd, dat zij zich zeer weinig aan ons gelegen zouden laten liggen, want wij behooren natuurlijk maar tot het dienstpersoneel.

—Laten wij dan den stoel eens van achteren trachten te besluipen en eens hooren, wat de twee jongelieden elkander te vertellen hebben! Niet, dat ik zoo onbescheiden zou willen zijn hun hartsgeheimen af te luisteren, die trouwens geen geheimen meer zijn, maar misschien geven zij ons wel kostbare aanwijzingen, omtrent.… andere zaken, welke voor ons plan van nut kunnen zijn.

—Ik ga aanstonds met je mee, want ik ben nieuwsgierig, wat die twee met elkander te bedisselen hebben.

En als twee onschuldige badgasten slopen Raffles en Charly op den badstoel toe, zoodanig manoeuvreerende, dat zij er juist achterkwamen. Zij hadden geen woord met elkander gesproken en hun nadering was dan ook niet opgemerkt.

Zij namen kalm achter den stoel in het zand plaats en ofschoon de beide jongelieden niet hard spraken, konden zij toch duidelijk het volgende gesprek hooren.

—Zoo kan het toch niet doorgaan, meisje! zeide Jack juist, met een trillenden klank in zijn stem. Het is bespottelijk, dat je vader zich tegen ons engagement verzet!

—Even bespottelijk, als dat de jouwe er niet van wil weten! gaf Edith ten antwoord.

—Zouden wij hen nu waarlijk niet kunnen vermurven?

—Ik geloof, dat wij ons die moeite wel kunnen besparen!

—Maar er moet toch iets gedaan worden!

—Ja, er moet bepaald iets gedaan worden!

En hierop volgde een diepe zucht, vergezeld door een tweeden zucht, die weinig minder diep was.

En daarop begon het weder.

—Als wij eens vluchtten? stelde Jack voor.

—Vluchten? herhaalde het jongemeisje verschrikt. Jij hebt makkelijk praten! Waarheen moeten wij vluchten? Hoe komen wij aan geld? Waar moeten wij trouwen? Durf jij de boosheid van je vader trotseeren? Wil je je studie aan de universiteit prijsgeven?

De jonge man wist blijkbaar op dit alles geen antwoord en hij dacht zwaar na, want een oogenblik bleef het stil.

En toen begon hij weer van voren af aan:

—Zoo kan het toch niet gaan, lieveling!

—Neen Jack, zoo kan het bepaald niet verder gaan! bevestigde Edith.

—Nu zijn ze weer, waar ze begonnen, fluisterde Raffles heel zacht. O die jeugd, die jeugd! Ik geloof werkelijk, dat wij hier zullen moeten ingrijpen!

—Zij schijnen werkelijk heel veel van elkander te houden, Edward!

—Daaraan behoeven wij niet te twijfelen! Dat is te hooren uit den klank van zijn stem, uit de geheele wijze, waarop zij tot elkander spreken en nu.… wel, dat geluid lijkt mij maar voor één uitlegging vatbaar, nu kussen zij elkander waarachtig. Op een druk strand!

—Dit alles bewijst, Edward, dat de jongelui het ernstig meenen, zou ik zeggen!

Juist had Charly deze opmerking gemaakt, toen Jack weder begon:

—In ieder geval zien wij nu nimmer van elkander af, nietwaar Edith?

—Nooit Jack, kwam Edith met vuur. Ik zal altijd van je blijven houden en ik zal op je wachten al moest het jaren duren!

—Ik dank je, Edith, en ik zweer je, dat ik alles [646]in het werk zal stellen, om zoo spoedig mogelijk in staat te zijn, om je tot mijn vrouwtje te maken! Ik vrees, dat mijn vader mij zal onterven, als ik tegen zijn wil in handel, maar dat kan mij niet schelen! Over een jaar ben jij meerderjarig en als ik hard studeer, kan ik over een paar jaren wel een goede betrekking als assistent op een chemisch laboratorium krijgen! Als wij dan onze eischen niet te hoog stellen, en dat toen wij toch niet, dan zullen wij zoo gelukkig zijn, als wij het ons nu nog nauwelijks kunnen voorstellen!

Daarop werd het weer stil, maar het was een betrekkelijke stilte, want zij werd telkens verstoord door het lichte geluid van een kus.

—Merkwaardig, hoe die jongelieden behoefte hebben om dergelijke beloften telkens en telkens opnieuw te bezegelen met een liefkoozing, fluisterde Raffles zacht.

Edith was de eerste, die nu weder begon te spreken en met een vleiend stemmetje zeide:

—Jij geeft niets om al dat geld van mijn vader, is het niet?

—Net zoo min als ik iets om het geld van mijn eigen vader geef! antwoordde Jack.

—Je zoudt me toch immers ook genomen hebben, als ik nog altijd de dochter van een drogist was?

—Ik zou geen seconde geaarzeld hebben! In ieder geval zou ik altijd dezelfde eenvoudige student zijn gebleven! En je zoudt er zeker schattig hebben uitgezien met een boezelaar voor!

Het jonge paartje barstte in lachen uit en daarop begon Edith weder:

—Ik vind het toch zoo vreeselijk, die dwaze strijd om de eerste te zijn tusschen onze vaders!

—Als zij zoo doorgaan, dan zullen zij zelfs kans zien, hun kolossaal fortuin het raam uit te gooien, merkte Jack op. De een doet nog onzinniger uitgaven dan de ander! En in de garage van mijn vader staan vier automobielen, die zoo goed als nooit gebruikt worden. Men zal minstens twintig man in dienst moeten nemen, alleen om het wagenpark schoon te houden!

—En mijn vader dan! Hij heeft vijf motorbooten en drie zeiljachten en hij is zoo bang op het water, als de boot niet flink groot is, dat hij er bijna nooit een gebruikt!

—Mijn vader heeft een postzegelverzameling en hij kan geen Deensche misdruk van 1880 onderscheiden van een Duitsche plakzegel!

—Mijn vader heeft een muntencollectie en hij zou onmogelijk kunnen zeggen hoe Julius Caesar er uitzag!

—Mijn vader heeft een wapenverzameling en hij durft niet eens een revolver in de hand nemen! Hij kan geen bajonet van een sabel onderscheiden en geen ruiterpistool van een browning!

—Mijn vader heeft een collectie oude snuifdoozen, die duizenden heeft gekost en hij kijkt er niet naar om!

—Mijn vader heeft een villa van veertienduizend pond gekocht, bijna vier maanden geleden en als je hem vraagt, waar ze ligt, dan zou hij met den mond vol tanden staan!

En zoo ging het maar door en toen de jongelieden klaar waren met het opsommen van hun vaders dwaasheden, slaakten zij opnieuw een diepen zucht en natuurlijk kusten zij elkander, zooals vanzelf spreekt!

Hoogstwaarschijnlijk was dit om elkander te troosten en een hart onder den riem te steken!

Raffles en Charly waren onhoorbaar weder opgestaan, na elkander een veelbeteekenenden blik te hebben toegeworpen.

En zij slopen weder weg, in hun ooren nog de klank van den uitroep:

—En toch trouwen wij met elkander! [647]

[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

De eerste aanval.

Het was in den avond van denzelfden dag en het was voor Raffles zoowel als voor Charly een vermoeiende dag geweest!

Zij hadden voortdurend klaar moeten staan met hun op- en aanmerkingen, zij hadden hun beide principalen moeten vergezellen op hun automobieltochten, zij hadden met hen moeten lunchen en dineeren en zij hadden slechts een enkel uurtje voor zichzelf mogen reserveeren.

Toch hadden zij hun tijd zoo nuttig mogelijk besteed en eens nagegaan, op welke wijze de beide mededingers hun fortuin beheerden, wat zij bij zich hadden en waar zich dat geld ergens bevond.

En het moet gezegd worden, dat het resultaat van dat onderzoek niet erg bemoedigend was.

Want zij hadden al spoedig opgemerkt, dat zoowel Spicer als Palmer bijna alles betaalden met behulp van cheques.

Zeker, zij hadden natuurlijk ook contant geld bij zich voor kleine uitgaven, maar alles, wat maar van eenig belang was, werd eenvoudig met hun handteekening en het invullen van een formulier uit hun chequeboek afgedaan.

Dat was een tamelijk onaangename omstandigheid en Raffles zou er rekening mee moeten houden en zijn plannen dienovereenkomstig eenigszins wijzigen.

De beide vijandige families zaten thans weder in de groote danszaal van het cabaret, ongeveer op dezelfde plek, waar zij den avond te voren gezeten hadden, maar thans waren zij in gezelschap van hun mentor en van hunne kinderen.

Het was omstreeks halftien en een groot aantal paartjes draaiden in de zaal in het rond op de tonen van het groote orchestrion.

Toen nam het orkestje de taak over en zette een foxtrott in.

En op hetzelfde oogenblik geschiedde er iets, dat Raffles met schrik en verbijstering vervulde.

Want daar kwam een spichtig jongmensch, uitermate schraal, met een gouden lorgnet op, op de vrouw van zijn principaal toeloopen, maakte een buiging en vroeg haar ten dans!

Raffles meende redelijkerwijs te kunnen verwachten, dat de dikke dame hem op een oorveeg zou onthalen, maar er geschiedde heel iets anders, zij stond met een verrukten glimlach op, daalde de treden van het podium af, en draaide het volgende oogenblik, den mageren danser tegen haar boezem geprest, door de zaal rond.

Charly had het ook aanstonds opgemerkt en het echtpaar Spicer eveneens.

De dorre echtgenoote van den voormaligen drogist werd letterlijk groen van woede, toen de dikke mevrouw Palmer zegevierend voorbij foxtrotteerde en haar in het voorbij draaien een triomfantelijken blik toewierp.

Ja, dat was het geheim geweest van de beide Palmers!

Zij hadden, zonder dat iemand er iets van wist, de edele danskunst geleerd bij een beroemdheid, tegen betaling van een ongehoord hoog bedrag, want ieder uur, ja iedere minuut van dezen dansleeraar was bezet.

Wat Charly betreft, hij meende zijn oogen niet te kunnen gelooven en zweefde in duizend angsten, dat de schrale jongeling aanstonds door midden zou knappen, tenzij mevrouw Palmer ter rechter tijd buiten adem raakte!

Maar zij scheen zich goed getraind te hebben en bovendien had zij het er nu eenmaal op gezet, de gehate mededingster te verpletteren onder haar meerderheid en daarom draaide zij maar steeds [648]door de zaal, vuurrood, glimmend en zweetend, blazend en puffend, als een monsterachtig groote voetbal, die met kleine schokjes op en neer wipt.

Wat de foxtrott van mevrouw Palmer betreft, dat was een geheel aparte dans, die waarschijnlijk nog niet bestond en ook wel nooit bestaan zou!

Zij had wel zeer goed onthouden wat de dansleeraar gezegd had en in de eenzaamheid van zijn groote studiezaal ging het ook tamelijk goed, maar het was heel iets anders met een vreemden danser en in een stampvolle zaal!

De goede dame raakte telkens uit de maat, fantaseerde dan maar een paar passen, schoof nu eens met een sneltreinvaart en met bliksemsnelle dribbelpasjes schuins door de dansenden heen, die verschrikt voor haar plaats maakten, om het volgende oogenblik als een tol om haar eigen as te draaien en daarbij haar jeugdigen, broodmageren danser als een vlaggestok in het rond te zwaaien!

Wel trachtte deze moedige jongeman nu en dan beide voeten op den vloer te plaatsen, maar dit gelukte hem slechts in hoogst zeldzame gevallen, meestal bevond hij zich tusschen hemel en aarde, met het hoofd gevleid op den machtigen boezem van zijn danseres, de armen met de uitgespreide vingers als staken terzijde uitstekend en half bewusteloos door den geweldigen druk, door de vuisten zijner danseres op zijn rug uitgeoefend.

Langzamerhand werden de dansers op het eigenaardige paar opmerkzaam en telkens hield er een paar met dansen op, om liever te kijken naar dit schouwspel, dat zich waarschijnlijk niet zoo spoedig weer aan hun verbaasde en ontstelde blikken zou voordoen!

En er waren nog geen drie minuten verloopen, of mevrouw Palmer en het magere jongemensch waren de eenigen, die in de geheele zaal nog dansten, dat wil zeggen, mevrouw Palmer foxtrotte en de magere heer werd gefoxtrott.

Eindelijk scheen hij om genade te smeeken of misschien zag mevrouw Palmer wel, dat zij op het punt stond een volkomen onschuldig man te dooden, want eensklaps hield zij op en liet den ongelukkige los, die, naar adem snakkend, steun zocht tegen de balustrade van het podium.

Hij had zelfs de kracht niet meer een buiging voor zijn danseres te maken, die geheel alleen, maar trotsch als een pauw, voorbij het tafeltje van haar mededingster schreed, terwijl de overige dansers, als een angstige kudde schapen in een hoek van de zaal bijeenhokkend, haar met hun blikken op dezen triomftocht volgden.

Zelfs de muziek had gezwegen, zooals dat ook wel in een circus het geval is, wanneer een groepje acrobaten een uiterst gevaarlijken toer gaat verrichten.

Het was een oogenblik zoo stil, dat men letterlijk niets anders hoorde dan het schuifelend geruisen van mevrouw Palmers voeten, terwijl zij over den parketvloer schreed, om zich naar haar eigen tafeltje te begeven.

Iedereen gevoelde, dat hier iets had plaats gegrepen, waarvan een herhaling in de eerste tijden waarschijnlijk tot de onmogelijkheden zou behooren.

De magere danser, die de Voorzienigheid dankte, dat hij er ditmaal het leven had afgebracht, sleepte zich, gesteund door twee vrienden, naar het buffet, dronk daar snel achter elkander eenige cocktails en werd voor het overige behandeld als een bokser, die vijftien ronden van drie minuten achter den rug heeft.

Maar nu was het gevaar geweken, en met frisschen moed zette het orkest een opgewekte wals in en even later had iedereen het opzienbarende intermezzo vergeten.

Maar in ieder geval waren er twee of drie personen in de zaal, die het niet zoo spoedig zouden vergeten en daarvan was mevrouw Spicer de voornaamste!

Zij keek haar man met een doorborenden blik aan en vroeg toen met een sissenden klank in haar stem:

—Had je mij deze vernedering niet kunnen besparen, Spicer?

—Ik bid je, vrouwtje, hoe had ik dit vooruit kunnen weten? stamelde Spicer. Zij hebben het in het geheim gedaan! Maar stel je gerust, ik zal hen wel kloppen! Jij leert vliegen!

De oogen van mevrouw Spicer schitterden een oogenblik, maar toen zeide zij:

—Ik zou liever iets anders bedenken, dat wat minder gevaarlijk is, Spicer!

—Leer dan schoonzwemmen! Bedenk eens, wat opzien het zou baren, als jij op een goeden dag ten aanschouwe van duizenden van de Groote Pier in zee dook. Je figuur leent er zich als het ware voor om in een sierlijk tricot te worden gehuld! Wat dunk je van hemelsblauw met rose strikjes afgezet?

Natuurlijk vroeg en zeide mijnheer Spicer dit slechts om bij zijn vrouw weder in een goed blaadje [649]te komen en het verwonderde hem niet weinig, toen zij er dadelijk op inging en uitriep:

—Dat plan is zoo kwaad niet, Spicer! Wij zouden misschien ook wel een kleinen jongen kunnen huren, die goed zwemt, maar die zich houdt alsof hij van de pier in zee is gevallen en op het punt is van te verdrinken! Dan zou ik hem achterna kunnen springen met een sierlijke saltomortale en in een donkergroen tricot, groen kleedt mij het best! Wat zal dat dikke mensch dan staan te kijken! Wij moeten er dadelijk werk van maken! Burggraaf, zoo wendde zij zich tot Charly, u zult hier wel een uitstekenden zwemonderwijzer kennen?

—Zeker ken ik dien, madame, antwoordde Charly met een buiging. Maar als gij het mij toestaat, dan zou ik mijzelf gaarne aanbieden om u in te wijden in alle geheimen van de edele zwemkunst.

—U burggraaf? riep mevrouw Spicer uit, terwijl zij al haar best deed om te blozen, wat echter lang niet zoo gemakkelijk ging als zij zich had voorgesteld.

—Ja madame, ik! Ik heb een diploma en ik heb reeds verscheiden menschenlevens mogen redden! Ik zal u het zwemmen op den buik, op den rug en op de zijde leeren, ik zal u den schoolslag, den Spaanschen slag, den crawl-slag en alle andere slagen leeren. Ik zal u leeren duiken in alle mogelijke en onmogelijke standen! Ik zal u den snoekduik, den rechten sprong, den keizerduik, den parketsprong, de pirouette, de enkele en de dubbele saltomortale, voorover en achterover en alle andere sprongen leeren! Ik zal u leeren zwemmen op uw hoofd staande, in een knoop gelegd, met uw beenen samengebonden, met uw handen op uw rug gevouwen, onder water en boven water, gekleed en ongekleed, in een duikerpak en in een balletrokje, ik zal u leeren duiken naar poppen en levende menschen, kortom, ik zal u alle kunsten leeren en gij zult binnen een paar weken Miss Kellerman naar de kroon steken! Mocht gij hiermede nog niet tevreden zijn, dan wil ik u ook gaarne leeren onder water een kous te stoppen, een pijp te rooken en een glas bier leeg te drinken!

Mevrouw Spicer had met groote verbazing toegeluisterd en riep nu uit:

—Is het noodig, om dat alles te kennen, burggraaf?

—Bepaald noodig is het niet, maar het zal natuurlijk bijdragen tot uw educatie, tot uw opvoeding meen ik, en het spreekt van zelf, dat gij die dikke, ordinaire dame daarginds, Palmer heet zij geloof ik, met een hoofdlengte zoudt slaan!

—Wat wil dat zeggen, burggraaf?

—Dat wil zeggen, madame, dat het ééne paard op een wedren het tweede de lengte van een paardenkop vóór is!

—Dus gij zoudt denken, dat ik daardoor indruk zou maken.

—Madame, ik verzeker u, dat mevrouw Palmer, als zij het verneemt, uit haar vel springt en een grooter satisfactie kan u toch moeilijk bereiken!

Terzelfder tijd had aan het tafeltje van de Palmers een gesprek plaats, dat in strekking weinig afweek van het zooeven beschrevene.

Mevrouw Palmer kwam het trapje opstrompelen, tamelijk wel uitgeput, liet zich in haar stoel zakken, naam een paar groote slokken van haar vruchtenbowl, wuifde zich met haar waaier koelte toe en vroeg toen blazend:

—Hoe heb ik het er afgebracht?

—Prachtig vrouw! riep Palmer vol geestdrift uit.

—Grandioos madame! kwam de gewaande graaf Chesterfield. Ik moet u zeggen, ik mag gerust verklaren, dat de wereld voor mij nog maar heel weinig geheimen bevat. Ik heb gereisd van de Noordpool tot de Zuidpool, van het Oosten naar het Westen, vele jaren lang, ik ben doorgedrongen tot in het binnenste van het duistere Afrika en ik heb daar de krijgsdansen der Betshoeanen gezien, ik heb den huwelijksdans gezien van de bewoners van Thibet, ik heb den doodendans gezien bij de Platvoet-Indianen, ik ben tegenwoordig geweest bij de plechtige begrafenisdansen van de Vuurlanders en met eigen oogen heb ik gezien, hoe de koning van een Afrikaanschen stam voor zijn harem van drieduizend vrouwen danste. Ik heb Eskimo’s, Japansche Geishas, Russische Moesjiks, Indische Fakirs, Hollandsche schippers, Fransche matrozen, Schotsche Hooglanders, Spaansche cigarettenmaaksters, kortom, ik heb alle stammen ter wereld zien dansen en in alle mogelijke omstandigheden, maar nog nimmer heb ik zien dansen als door mevrouw Palmer met dien benijdenswaardigen jongen vreemdeling!

—U was dus nogal tevreden, graaf? vroeg mevrouw Palmer gevleid.

—Tevreden, mevrouw, dat geeft mijn gevoelens [650]maar heel slecht weer! Ik was verstomd, dat is het ware woord!

—Zou ik straks nog eens een jazzje wagen?

—Waarom zoudt gij niet madame, als gij een weinig zijt uitgerust, kwam Raffles, maar, houdt mij de opmerking ten goede, dan zou ik in uw plaats de uitnoodigingen afslaan van iederen man, die zich in postuur niet met u meten kan! Uw Juno gestalte leent er zich niet toe, gepaard te worden met zulk een schraal, amechtig mannetje, als dat zooeven de hand naar u durfde uitstrekken!

—Wie is die Juno, graaf? vroeg mevrouw Palmer gretig. Kent u haar?

—Niet persoonlijk, mevrouw, antwoordde Raffles ernstig. Zij was de vrouw van Jupiter, een zeer achtenswaardige familie, maar die ik reeds geruimen tijd uit het oog heb verloren. Zij was bekend om haar wonderbaarlijke schoone, forsche gestalte!

—O, nu wilt u mij vleien, graaf, hernam mevrouw Palmer, terwijl zij waarschuwend haar worstvormigen wijsvinger ophief.

—Als ik jou een raad mag geven, vrouw, kwam nu mijnheer Palmer droogjes, dan hou je nu een half uurtje je gemak, want je drijft van het zweet.

—Ik vraag u verschooning, mijnheer Palmer, viel Raffles hem haastig in de rede, maar ik mag niet toelaten, dat u deze uitdrukking gebruikt!

—Wat moet ik dan zeggen? vroeg Palmer onnoozel.

—U kunt zeggen: “Je bent een weinig geëchauffeerd, kindlief,” of iets dergelijks. Geëchauffeerd zijn, wil zeggen, zich door lichamelijke inspanning wat al te warm hebben gemaakt, waardoor een zekere transpiratie in het leven is geroepen.

—Wat een omslag! bromde Palmer ontevreden. Maar voor den drommel, waar is die jongen ineens weer gebleven? zoo viel hij zichzelf in de rede, terwijl hij kwaad om zich heen keek.

Inderdaad, de jonge Palmer had van de algemeene verwarring, als men het zoo noemen mag, gebruik gemaakt, om er stilletjes van door te gaan en aan het tafeltje van de Spicers scheen iets dergelijks te zijn gebeurd, want Edith was nergens te bespeuren!

Reeds was Palmer woedend opgestaan, maar Raffles trok hem weder op zijn stoel neer en zeide nadrukkelijk:

—Mijnheer Palmer, laat ik u nu eens en vooral zeggen, dat het in de hoogste mate ordinair is en in het geheel niet strookt met uw positie, wanneer gij in een inrichting als deze, als een briesende leeuw omgaat teneinde naar uw zoon te zoeken. Hij zal niet verdwalen, hij is geen kind meer, en ik ben zeker, dat hij in voortreffelijk gezelschap is!

—Maar hij zal weer met.… met dat kind van Spicer praten! riep Palmer verbolgen uit.

—Welnu, dat is toch geen halsmisdaad? hernam Raffles op onschuldigen toon. Het is een heel aardig meisje, haar vader is zeer rijk, bijna even rijk als gij, er valt niets op haar te zeggen, wat hebt gij dan eigenlijk aan te merken?

Palmer keek Raffles strak aan, legde zijn vleezige hand op diens arm en zeide:

—Luister eens, mijn waarde graaf! Je bevalt me, je bevalt me waarachtig, maar nu kik je niet meer over deze zaak, of we worden kwade vrienden en ik kan je niet meer gebruiken! Ik heb je vanmiddag al eens gezegd, dat er geen sprake van is, dat die twee met elkander trouwen, en Palmer komt nooit op een eenmaal genomen besluit terug!

—Nu, dat zullen wij dan toch eens zien, jij oude dwarskop! bromde Raffles tusschen de tanden.

En daarop stond hij op, trad tot vlak voor mevrouw Palmer, maakte een zwierige buiging en vroeg met een beminnelijken glimlach om de lippen:

—Madame, wilt gij mij wel de eer en het genoegen verschaffen, mij de volgende wals toe te staan?

Mevrouw Palmer verschoot van kleur en stiet een gilletje van consternatie uit.

Dat was het toppunt, zij zou met een authentieken, een echten graaf, ten aanzien van honderden badgasten, ten dans optrekken! [651]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Grof geschut.

Het was zeer laat in den avond van denzelfden dag, of, om juister te zijn, was het vroeg in den morgen van den volgenden, toen Raffles en Charly met de handen op den rug over den breeden strandboulevard wandelden, die daar nu geheel en al verlaten lag.

Zij hadden eenigen tijd zwijgend naast elkander geloopen en toen zij de badplaats achter zich hadden, begon Raffles op zachten toon:

—Ik zei je dus, dat overreding niet schijnt te helpen en dat wij dus grof geschut zullen moeten laten aanrukken. Heeft Henderson zijn instructies gekregen?

—Ja, hij woont nu nog in onze villa en hij heeft de huishoudster wijs gemaakt, dat wij voor zaken naar Londen moesten, maar over een paar dagen weer terugkeeren.

—Heb je hem gezegd, dat hij moest zorgen, dat de duikboot van vannacht af steeds gereed ligt op het aangewezen punt?

—Ja, en hij is dadelijk vertrokken, om je bevel ten uitvoer te gaan brengen. Hij zal zorgen dat er levensmiddelen aan boord zijn, en dat het.… onzen passagiers aan niets zal ontbreken, behalve dan natuurlijk aan de vrijheid!

—Prachtig! Wij zullen nog één dag wachten. Morgen is er geen maan, en het weer schijnt ook om te loopen. Het is noodzakelijk, dat de nacht donker is, want wij moeten natuurlijk ieder opzien vermijden en mogen volstrekt de kans niet loopen, dat men iets van de ontvoering merkt!

—Maar zeg eens, Edward, zullen hunne vrouwen en kinderen niet zeer ongerust zijn?

—Ik zal zorg dragen, dat zij onmiddellijk op de hoogte worden gesteld, natuurlijk voor zoover het noodig is! Wat er inderdaad geschiedt, mogen zij niet vernemen, dat spreekt vanzelf!

—Heb je al eenig plan gemaakt, ik bedoel aangaande de ontvoering zelve?

—Nog niet, maar ik verwacht, dat ook nu de nacht raad zal brengen!

—Ik hoop, dat het goed afloopt, maar die Palmer schijnt mij niet bepaald de man te zijn, om zich voetstoots over te geven!

—O, als Henderson aan het geval te pas komt, zal vriend Palmer niet meer waard zijn dan een zuigeling van een paar maanden! hernam Raffles.

—Het moeilijkste zal zijn hen afzonderlijk ergens heen te lokken, want ik meen te hebben opgemerkt, dat onze twee vrienden zich maar hoogst zelden buiten het bereik van de stem hunner respectieve echtgenooten begeven.

—Ook daarop zullen wij wel wat vinden! Maar nu is het tijd om terug te keeren, Charly. Ik vrees, dat anders het hotel gesloten zal zijn.

De twee mannen keerden op hun schreden terug en hadden een kwartier later hun hotel bereikt.

Den volgenden dag, omstreeks vijf uur in den middag, ontving de heer Gerard Palmer een fijn geurend briefje, met een keurige dameshand geschreven, van den volgenden inhoud:

Hooggeachte Heer Palmer!

Een onbekende wendt zich tot u met het dringende verzoek haar met uw raad en daad terzijde te willen staan.

Ik ben variété-artiste en heb veel gehoord van uw goedhartigheid en uw gulheid!

Ik bevind mij voor het oogenblik in een zeer onaangename positie, geen geldelijke evenwel, waarin ik den steun noodig heb van een betrouwbaar, goedhartig man, zooals gij zijt!

Menigmaal heb ik u gezien, tijdens uw verblijf in deze badplaats en telkens opnieuw trof mij de [652]goedhartigheid van uw uiterlijk! Wanneer gij iets gevoelt voor een arme, beklagenswaardige artiste, geheel zonder familie, ten prooi aan de wanhoop, wil mij dan hedenavond om elf uur ontmoeten aan het begin van den strandweg, ten Zuiden van de badplaats.

Daar staat een kleine, onbewoonde villa, en daar kan ik u dan mijn toestand uiteenzetten!

Geloof mij, in afwachting, Uw zeer toegenegen

Yvonne Carotte.

Toen Palmer dit briefje gelezen had, wierp hij een schichtigen blik om zich heen met een hoofd als vuur en liet het kattebelletje verdwijnen met een vlugheid, die slechts door een enkel man werd opgemerkt, door graaf Chesterfield.

Raffles glimlachte, toen hij het gebaar zag en bromde voor zich heen:

—Het muisje heeft van het spek geproefd, het loopt blindelings in de val! Ik wil mijn geheele leven geen looper meer aanraken, als die oude schelm hedenavond niet lang voor elven op de plek van het rendez-vous aanwezig is! Het is merkwaardig dat het geparfumeerde briefje van een onbekende jonge vrouw nog altijd zulk een uitwerking heeft op oude heeren, al zijn zij getrouwd en al hebben zij ook volwassen zoons. Nu, oude grappenmaker, dit avontuurtje zal anders voor je afloopen, dan je wel denkt. Mademoiselle Carotte zal je een ontvangst bereiden, die je zal heugen! Nu hoop ik maar, dat het lieve briefje aan den heer Spicer dezelfde uitwerking heeft, anders zou alle moeite toch nog vruchteloos zijn!

Juist toen Raffles deze overdenking had gemaakt, slenterde Charly voorbij.

De jonge man deed, alsof hij geen notitie van hem nam, maar in het langs loopen knikte hij vlug met het hoofd en gaf Raffles een knipoogje, waarvan de beteekenis niet was mis te verstaan, ook bij den heer Spicer was het plan gelukt!

Nu moest men natuurlijk nog afwachten, of het berouw één van de beide heeren in den loop van den dag niet zou overvallen, maar eigenlijk zagen zij daar niet naar uit!

Zij waren den geheelen dag uiterst zenuwachtig, gingen elkander uit den weg, vielen over hun tong, brabbelden en verslikten zich, als zij een gesprek met hun respectieve ega’s begonnen, kochten een groote flesch parfum, welke zij als smokkelwaar het hotel binnenmoffelden, troffen elkander bij den coiffeur van het hotel, waar zij elkander verrasten door de zorg, die zij aan hun uiterlijk lieten besteden en aten des middags merkwaardig weinig.

Raffles, zoowel als Charly hadden dit alles met groote aandacht en niet weinig leedvermaak gevolgd.

Het was maar al te duidelijk, de beide oude heeren hoopten op een galant avontuurtje, hoe vreeselijk het ook is om het te moeten boekstaven!

Na het diner echter, begon de pret pas goed, want toen was er met Spicer en met Palmer eenvoudig geen land meer te bezeilen, zooals men dat noemt!

Zij kregen achtereenvolgens barstende hoofdpijn, kolick, jichtbeenen, keelpijn en een bezetting op de borst.

Zij wilden beurtelings vroeg onder de wol kruipen, een lange wandeling maken, onmiddellijk naar Londen vertrekken, uit vrees voor een epidemie, die wel eens plotseling in de badplaats kon uitbreken, voor vergiftigd drinkwater of voor de malariamug, en deden niets van dat alles.

Maar merkwaardigerwijze gevoelde de heer Palmer tegen tien uur in den avond een onweerstaanbare behoefte om in de eenzaamheid te vertoeven!

Hij bezong op elegische wijze de schoonheden van de golven, raakte in extase over de maan, die er in het geheel niet was en zong een loflied op het strand over het algemeen en op dat van Brighton in het bijzonder.

Hij gaf te kennen, hoe heerlijk het moest zijn in den zoelen avond een wandeling te maken, alleen vergezeld door zijn eigen gedachten en hij verklaarde het volstrekt noodzakelijk, dat hij zijn aandacht eens concentreerde op een financieele transactie, welke hem in den laatsten tijd bezig hield!

En om te denken, moest men altijd alleen zijn, dat sprak vanzelf!

Gerard Palmer had dit zoo vaak herhaald, dat Raffles, die er bij had gezeten, veel lust gevoelde, om den man tot zwijgen te brengen.

—De ezel! bromde hij tusschen de tanden. Hij zal haar achterdocht nog gaande maken! Men kan wel zien, dat hij een beginneling in het vak is! De stumper begrijpt niet, dat alle overdrijving schaadt, zooals de Franschen zeggen!

Misschien zag Palmer dit tenslotte ook in en begon het gelaat van zijn wederhelft inderdaad een weinig argwaan te verraden, in ieder geval, hij stond haastig op, nam zijn stok en hoed en verliet de veranda van [653]de hotelkamer, waar hij met vrouw en zoon en met zijn instructeur gezeten was.

Vijf minuten later nam Raffles eveneens afscheid en sloeg den weg in naar de onbewoonde villa, heel aan het begin van den strandweg, dat wil zeggen, op een plek, die om elf uur geheel en al verlaten was.

Daar ter plaatse nam de breede grintweg naar de stad een aanvang.

Het duurde niet lang, of Raffles had Palmer in het oog gekregen.

Hij stond stil bij een bloemenstalletje, dat op het punt was te worden gesloten en kocht daar een ontzaglijken ruiker rozen, waarschijnlijk een delicate wijze om de beklagenswaardige variété-artiste te troosten.

Raffles wierp een blik op zijn horloge.

Het was half elf en Palmer had dus nog ruimschoots den tijd.

Hij wandelde dan ook kalm voort, nu en dan een steelschen blik achter zich werpend, om zich te overtuigen, dat hij niet achtervolgd werd door vrouw of zoon.

—Zijn kwaad geweten plaagt hem, zeide Raffles spottend in zichzelf. Wacht maar, vriend Palmer, de straf zal dan ook gauw genoeg op de misdaad volgen!

De villa’s, de hotels, de kleine en groote optrekjes, werden nu hoe langer hoe schaarscher en de beide mannen naderden het einde van den strandweg.

Ook hier echter was de boulevard nog helder verlicht door booglampen, maar Raffles wist, dat er bij de onbewoonde villa een donkere plek was en hij behoefde er niet aan te twijfelen, of Palmer zou overal gaan zoeken, teneinde de jongedame te vinden die hem het hartelijke briefje geschreven had.

—Ik ben zeer benieuwd, wat de heeren zullen zeggen, als zij elkander daar aantreffen! bromde Raffles voor zich heen. Ik betwijfel of het wel een zeer aangename ontmoeting zal zijn! Als zij het maar niet met elkander aan den stok krijgen!

De laatste booglamp van den strandboulevard lag nu reeds achter de beide mannen en Raffles behoefde niet veel gevaar meer te duchten, dat hij zou worden gezien!

Dat moest hij ook zooveel mogelijk vermijden, anders zou Palmer misschien ter elfder ure aan een hinderlaag gelooven en om hulp gaan roepen!

De voormalige groentenhandelaar had nu de plek bereikt, waar de onbewoonde villa zich op een kleinen heuvel verhief.

En nauwelijks was Palmer daar aangekomen, of Raffles hoorde hem een kreet van verbazing en woede slaken en hem uitroepen:

—Voor den duivel, mijnheer Spicer, wat moet dat beteekenen? Wat voert u hier uit?

—Wel, antwoordde deze heer, ik zal toch wel denken, dat ik het recht heb om mijn wandelingen tot deze plek uit te strekken! Bemoei u met uw eigen zaken, mijnheer Palmer.

—Dat doe ik, mijnheer Spicer, als ik u vraag, wat u op dit uur hier te maken heeft!

—Zoo, mijnheer Palmer, is dat de zaak! schreeuwde Spicer woedend. Een klein rendez-vous, hé? U moest u wat schamen, mijnheer! Een man met een vrouw en een volwassen zoon!

—U raaskalt, mijnheer Spicer, brulde Palmer weer. Ik kan hetzelfde van u zeggen! U zult ook wel niet zoo laat in den avond naar deze donkere plek komen om met zandvormpjes te spelen of naar schelpjes te zoeken! Ik moet zeggen, het is fraai! Zeker een afspraakje, nietwaar? Een man met een vrouw en een volwassen dochter! Het is walgelijk!

—U praat maar wat in het wilde, mijnheer Palmer!

—En u praat nonsens, mijnheer Spicer.

—Ik verzoek u vriendelijk heen te gaan, mijnheer Palmer!

—En ik zal hier blijven, mijnheer Spicer!

—En ik blijf ook hier, mijnheer Palmer!

—Maar u is hier te veel, mijnheer Spicer!

—En uw aanwezigheid is hier ongewenscht, mijnheer Palmer!

—Ik denk, dat ik over u morgen eens een boekje zal opendoen!

—En ik geloof, dat ik morgen eens een bezoek aan mevrouw Palmer zal brengen.

—U is een schoft, mijnheer Spicer!

—En u mijnheer, u is een buitengewoon fatsoenlijk man! klonk het ironisch uit den mond van den ander.

En zeer waarschijnlijk zouden de beide vijanden elkander in het volgend oogenblik inderdaad te lijf zijn gegaan, als er niet iets onverwachts was gebeurd.

Want uit de duisternis van een boschje waren eensklaps twee gedaanten te voorschijn gesprongen en het volgend oogenblik klonk er een soort schreeuw [654]als van een haas, die men den nekslag geeft, gevolgd door het geluid van den val van een zwaar lichaam.

En onmiddellijk daarna kwam Spicer met zijn lange beenen den strandboulevard opstormen, ten prooi aan den grootsten angst.

Maar hij kwam geen vijf stappen ver want Raffles trad hem in den weg en zeide op bedaarden toon, maar met een uitdrukking in zijn stem, die niet voor tweeërlei uitlegging vatbaar was:

—Uw weg ligt in de andere richting, mijnheer Spicer! Rechtsomkeer, marsch en niet getreuzeld, ik houd niet van menschen, die aarzelen, als ik hen iets gebied.

Misschien zou de heer Spicer in zijn wanhoop nog wel getracht hebben den man te ontloopen, die zoo eensklaps voor hem opdoemde, ware het niet, dat hij in diens rechterhand iets had zien glinsteren, dat merkwaardig veel geleek op den nikkelen loop van een revolver en dat naderhand toch maar een heel onschuldig zilveren sigarenpijpje bleek te zijn!

Nu aarzelde hij en die aarzeling zou hem noodlottig worden, want Raffles bracht hem een fikschen stoot toe, een weinig boven het maagkuiltje, de heer Spicer maakte een geluid als iemand, die zwaar de hik heeft en knakte daarop dubbel, alsof er in het midden van zijn lichaam een scharnier was aangebracht.

Maar nog vóór hij den grond bereikte, had Raffles hem opgevangen en laadde nu het magere, slappe lichaam op zijn sterke schouders, waarop hij hem haastig naar een zeer groote auto droeg, die met gedoofde lichten aan het begin van een kleinen zijweg stond te wachten.

Henderson en Charly hadden Palmer reeds gebonden en gekneveld en in de auto gedragen, daar zij de stem van Raffles hadden gehoord en wel begrepen hadden, dat Spicer hem niet zou ontsnappen.

Raffles liet het lichaam van den ex-drogist naast dat van zijn zwaarlijvigen tegenstander glijden en nam met Charly in de auto plaats, terwijl Henderson, die de grootste moeite had, zijn lachen in te houden, vlug achter het stuurwiel plaats nam, na de lantaarns te hebben doen ontgloeien.

De kap van den wagen was opgezet en het zou zeer moeilijk vallen, bij een snelle vaart te onderscheiden, wie zich daarbinnen bevonden.

Dadelijk nadat de auto zich in beweging had gezet, werd ook Spicer machteloos gemaakt, door hem de armen tegen het lichaam vast te binden en hem een doek om den mond te doen.

Een paar minuten later opende hij de oogen en keek met verwilderden blik om zich heen, schijnbaar volstrekt niet beseffend, wat er met hem geschiedde.

Toch scheen het hem eenigszins gerust te stellen, dat hij, toen hij het hoofd een weinig terzijde wendde, zijn doodsvijand Palmer ontwaarde, die er al even ongelukkig aan toe was als hij.

De auto volgde den weg naar Brighton gedurende enkele minuten maar sloeg toen een breeden zijweg in, die over een afstand van vele tientallen mijlen de kustlijn volgde.

Deze weg was slechts schaarsch verlicht, maar dat hinderde niet, want de electrische lantaarns van den grooten wagen verlichtten tot op een kilometer afstand daghelder.

De wagen had de richting naar New Shoreham ingeslagen, dat op een tiental kilometer afstand van Brighton is gelegen.

De kust van Sussex vormt tusschen beide badplaatsen een inham van eigenaardigen vorm, feitelijk een soort binnenmeer van zeer gerekten vorm, met de langste zijden evenwijdig aan de kust en dat met de golven van het Kanaal in verbinding staat door een betrekkelijk nauwe vaargeul van omstreeks een halve kilometer breedte.

Er werden aldus twee zeer lange landtongen gevormd en aan het einde van de meest Oostelijke van deze landtongen verheft zich een vuurtoren.

De spoorlijn van Brighton naar Portsmouth volgt over een lengte van een vijftal kilometers den Noordelijken oever van dit soort binnenmeer.

Deze inham is op de meeste plaatsen zeer diep en levert een voortreffelijke ankerplaats op voor de vischersvaartuigen, die in New Shoreham thuis behooren.

De weg, welken de auto volgde, maakte nu een groote bocht en liep uit op den breeden hoofdweg, die de beide kustplaatsen verbindt en die vlak langs de spoorlijn loopt.

De twee gevangenen echter schenen in het minst niet te beseffen, waar zij zich bevonden en waarheen zij reden, hetgeen dan ook al heel moeilijk te verwachten was van lieden, die er voor het eerst van hun leven kwamen.

Weer verliet de auto den breeden straatweg en stoof nu voort over een prachtigen grindweg, die [655]den Noordelijken oever volgde van één der beide landtongen, degene, die zonder vuurtoren was en het meest Westelijk was gelegen.

Maar spoedig moest de auto ophouden, want de weg hield plotseling op, om over te gaan in een voetpad, dat zich langs de rotsen omhoog kronkelde.

Wel trof men hier eenige villa’s aan, maar zij lagen zeer ver uit elkander en alles was daar reeds in diepe rust.

De auto stond stil.

Een meter terzijde van den weg bevond zich de bovenste rand van de rotshelling, die steil naar de zee afhaalde, en daarginds beneden, zestig meter meer omlaag, door de golven bespoeld werd.

Van een eigenlijke branding bemerkte men hier natuurlijk niets aan dezen kant van de landtong.

De inham was gemeenlijk zoo kalm als een vijver, met uitzondering misschien van het gedeelte, dat juist tegenover de vaargeul was gelegen.

Het zou onmogelijk zijn, hier den wagen te laten keeren, maar als men er een honderdtal meter mee achteruit reed, dan zou men een plek aantreffen, waar gelegenheid zou bestaan, hem weder te laten omkeeren.

De lantaarns waren sedert eenigen tijd gedoofd en de nu volgende arbeid werd in het duister verricht.

De beide gevangenen werden uit de auto getild en behoedzaam naar den voet van de rotsen gedragen langs een smal pad.

Hierbij kwam de geweldige spierkracht van Henderson goed te stade, want het was zeker geen gemakkelijk werkje het zware lichaam van Palmer naar beneden te dragen!

Het strand daar omlaag was zeer smal, hoogstens een meter of drie, en wanneer de vloed op het hoogst was, viel er van een strand in het geheel niets te bespeuren.

De mannen volgden dit smalle strand over een afstand van een twintigtal meter en drongen toen een groot rotshol binnen, waar Charly zijn zaklantaarn moest te voorschijn halen, daar het hier zoo volmaakt donker was, dat men geen hand voor oogen kon zien.

Een soort pad, nauwelijks een meter breed, en omstreeks een halve meter boven de golven gelegen, voerde naar het achtereinde van deze grot, die bijna vijftig meter diep was.

En daar, juist onder de oppervlakte, scheen een groote visch te sluimeren, het was de duikboot van John Raffles, het was “de Bruinvisch”. [656]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Een vroolijk einde.

Raffles wierp een blik op zijn horloge.

Het zou nog een uur duren voor het water zoover gezakt was, dat het dek van de duikboot een paar centimeters boven de oppervlakte van de golven uitstak.

Raffles wendde zich tot Henderson en zeide op zachten toon:

—Ga nu maar terug, James, breng de auto naar de plek, die je bekend is, en keer dan aanstonds weder hierheen. Je kunt over een uur terug zijn, lang voor den dag aanbreekt! Mijnheer Brand en ik zullen wel voor de rest zorgen!

Henderson ging weder langs het smalle pad terug en spoedig was hij uit het lichtschijnsel van Charly’s lantaarn verdwenen.

En nu wachtten de beide mannen geduldig op het vallen van het water.

Na verloop van vijftig minuten werd het dek van de duikboot niet langer door de golven overspoeld en de twee mannen konden zich aan boord begeven.

Raffles schroefde het stalen deksel los, dat den ingangstoren afsloot en vervolgens droegen de beide vrienden eerst Palmer, daarop Spicer in de duikboot.

—Ik ben blij, dat onze vriend Palmer vandaag niet al te veel gegeten heeft, waarschijnlijk van zenuwen, anders had er groote kans bestaan, dat wij zijn omvangrijk lichaam niet eens door den ingangstoren hadden kunnen krijgen, bromde Raffles. Daarop is mijn schip niet berekend!

Het was niet zoo gemakkelijk de beide mannen langs de stalen ladder naar beneden te krijgen en men had hun beenen moeten losmaken!

Spicer scheen zelfs toen nog pogingen te willen doen om zich te verzetten en schopte woedend met zijn lange, magere beenen, maar Raffles hield hem even de vuist onder den neus, hetgeen een zeer kalmeerende uitwerking op hem had.

De twee mannen werden naar de voorste kajuit van de duikboot gebracht, een vertrek van ongeveer drie meter lang en twee meter breed op het breedste gedeelte, en daar op een sofa neergelegd.

Een half uur later klonken er voetstappen op het rotspad en even daarna klom Henderson langs de smalle stalen ladder naar de machinekamer af.

—Alles is in orde, Mylord! zeide hij op zachten toon, zich tot Raffles wendende.

—Uitstekend, Henderson, maar denk er om, dat ik hier aan boord “mijnheer” ben! En nu spoedig op weg, anders zou het water zoo ver gevallen zijn, dat wij de grot niet meer kunnen uitkomen!

Het luik van den toren werd gesloten, Henderson nam achter het stuurrad plaats en Charly haalde den kleinen hefboom over, waardoor het water uit de tank werd weggepompt, zoodat de duikboot rees en met de kiel vrijkwam van den bodem van de grot, waarop zij tot dusverre gerust had.

Henderson hield het oog strak gevestigd op den spiegel van den periscoop, een prachtige vinding van Raffles en die geheel afweek van de tot dusver gebruikelijke toestellen en de “Bruinvisch” voer langzaam de grot uit, die schitterend verlicht werd door het krachtige zoeklicht aan boord van de duikboot.

Maar zoodra zij den uitgang van de grot bereikt hadden, werd dit licht gedoofd, want Raffles was er volstrekt niet op gesteld de tegenwoordigheid van zijn vaartuig in deze streek te verraden.

Het vaartuig voer nog altijd aan de oppervlakte, hoewel slechts een decimeter boven het water en [657]Henderson stuurde de duikboot met vaste hand door de vaargeul naar zee.

Toen pas gaf Raffles het bevel, dat de “Bruinvisch” moest duiken en met een vaart van veertig knoopen per uur stoof het zonderlinge schip omstreeks een meter onder de oppervlakte varende, de Noordzee tegemoet.

Toen pas opende Raffles de deur van den salon weder, door Charly vergezeld, trad op zijn gevangenen toe en ontdeed hen van de touwen, die hunne armen nog gevangen hielden en van den doek voor hun mond.

Nauwelijks gevoelde hij zich vrij of Palmer vloog als een dolle stier overeind, vuurrood van woede en bulderde:

—Wat moet dat beteekenen, graaf? Voor den duivel, denkt gij dat ik zulke grapjes met mij laat uithalen? Breng mij onmiddellijk naar het hotel of blijf waar gij zijt en laat mij hier uit!

Raffles liet Palmer rustig uitrazen en merkte toen met een fijn glimlachje op:

—Ik moet tot mijn spijt de opmerking maken, mijnheer Palmer, dat mijn lessen u toch nog van weinig nut zijn geweest! Gij gaat te keer, alsof gij nog in uw groentekeldertje stond en met een van uw klanten twist had over de kwaliteit van de aardappelen. Gij behoeft ook uw stem volstrekt niet zoo uit te zetten, hetgeen gij geloof ik doet, in de hoop dat men u zou hooren! Ik kan u echter verzekeren, dat dit onmogelijk is!

—En waarom zou het onmogelijk zijn, mijnheer de graaf? schreeuwde Palmer.

—Omdat gij u op dit oogenblik op het Kanaal bevindt, of liever, er onder, om kort te gaan, gij zijt aan boord van een duikboot!

Palmer had onmogelijk meer kunnen schrikken, als Raffles hem had medegedeeld, dat hij was opgesloten in een reusachtige bom en op weg was naar de maan.

Hij begon over zijn geheel lichaam te beven en riep:

—Een duikboot? Gij drijft toch zeker den spot met mij?

—In het geheel niet, ik spreek in vollen ernst! Werp slechts een blik om u heen, en zeg mij of dit niet de kajuit is, de zeer fraaie kajuit, al zeg ik het zelf, van een moderne duikboot.

Onwillekeurig volgde Palmer de aanwijzing op en hij moest wel erkennen, dat zijn gewaande mentor de waarheid had gesproken, alleen de kajuit van een duikboot zou zulk een eigenaardigen vorm kunnen hebben, met zijn ovale wanden en zijn gewelfd plafond.

Aan het smalste einde zag hij met schrik het zeewater!

Want daar was een rond venster aangebracht, voorzien van dik glas van een bijzondere constructie, dat gemakkelijk bestand was tegen den druk van het water.

En hij zag niet alleen het zeewater, hij zag ook talrijke visschen verschrikt voorbijstuiven, verjaagd door de verschijning van deze monsterachtig groote soortgenoot in hun domein.

En toen Palmer zich overtuigd had, dat de ander de waarheid sprak, vroeg hij met bevende stem:

—En wat heeft dat alles nu te beteekenen? Moet het een grap zijn?

—Verre van dat, mijnheer Palmer! Waar ziet gij mij voor aan? riep Raffles verontwaardigd uit. Het is ernst, zeg ik u!

—Maar het doel van deze ontvoering, graaf? Wat hebt gij met ons voor? schreeuwde nu Spicer, die tot dusverre geen woord had kunnen uitbrengen. En voor alles, wie zijt gij, want dat gij niet de man zijt, voor wien gij u hebt uitgegeven, dat is, dunkt mij duidelijk!

—Dan hebt gij goed opgemerkt, mijnheer Spicer, antwoordde Raffles koeltjes, maar ik kan u tot mijn spijt op uw vraag niet antwoorden, tenminste voorloopig niet. En wat het doel van mijn kleine comedie betreft, wel, dat ligt voor de hand! Gij zijt hier aan boord van mijn duikboot, gij zijt in mijn macht! Dat laatste vooral moet gij goed begrijpen! Welnu, ik zal zoo lang met u blijven rondvaren, al moest het maanden, jaren duren, totdat gij vrede met elkander zult hebben gesloten, totdat gij toestemming zult hebben gegeven tot het huwelijk van uw beide kinderen!

Alsof zij het ettelijke malen met elkander gerepeteerd hadden, slaakten de beide vijanden precies tegelijkertijd een kreet van woede en protest en schreeuwden:

—Dat nooit!

—Niet? vroeg Raffles met een flauwen glimlach. Wel, ik ben er van overtuigd dat gij u nog wel eens zult bedenken! [658]

—Nooit! brulden de beide tegenstanders opnieuw.

—Nooit, is zulk een groot woord, hernam Raffles schouderophalend. Gij zult u nog wel eens bedenken! Een duikboot, en de mijne vooral, is een zeer aangenaam pleiziervaartuig, behalve wanneer men de reis gedwongen moet doen! Bedenk vooral, dat gij niet iemand voor u hebt, die zich bezig houdt met looze bedreigingen! Wat ik zooeven zeide, is mij heilige ernst! En ik weet ook wel, dat gij zeer spoedig zult toegeven, want ik heb een aardig dwangmiddeltje bij de hand, waarvan ik slechts in het uiterste geval gebruik zal maken!

—Gij zult mij nooit kunnen dwingen! brieste Palmer.

—Ik zal nooit toegeven! riep Spicer uit.

—Denkt gij waarlijk? vroeg Raffles spottend. Ik ben er niet zoo zeker van! Zeg mij eens, heeren, zoudt gij het wel zeer aangenaam vinden, wanneer uw respectieve echtgenooten eens ontdekten, wat u wel naar de eenzame plek gelokt heeft?

Met een spontaan gebaar brachten de beide mannen snel hun hand naar hun binnenzak en uitten een schreeuw van woede.

—Ja, ja, dat komt er van, wanneer men geparfumeerde briefjes van onbekende jongedames in zijn binnenzak laat zitten! Gij kijkt nu beiden zeer verstoord, gij zijt bleek, gij bijt op uw lippen en het is misschien mijn geluk, dat gij niet beiden een dikken knuppel in de hand hebt! Ik ben zoo vrij geweest, zooeven de briefjes uit uw binnenzak te verwijderen, en nog een kleinigheid, uw chequeboekjes.

—Maar, dat is diefstal! brulde Palmer.

—Dat is berooving! gilde Spicer.

—Ja, iets dergelijks! antwoordde Raffles koeltjes.

—Mijn hemel, wij hebben dus te doen met een struikroover! barstte Palmer uit.

—Met een gevaarlijken boef! kermde Spicer.

—De termen zijn wellicht een weinig overdreven, mijne heeren! ging Raffles voort op denzelfden kouden toon, maar in den grond zijt gij niet ver van de waarheid af!

—En denkt gij, dat ik mij door een man van uw soort zal laten dwingen te doen, wat tegen mijn overtuiging is?

—Dat denk ik niet alleen, ik ben er zeker van! antwoordde Raffles bedaard. Gij zult doen wat ik wensch, eenvoudig, omdat gij niet anders kunt!

—Dat zullen wij eens zien, riep Palmer uit. Gij kent mij nog niet, mijnheer de roover!

—Misschien nog niet! Maar ik ken daarentegen zeer goed de dwingende kracht van een langdurig verblijf in een gevangenis! antwoordde Raffles. Het is thans echter laat, gij zult wel naar een weinig slaap verlangen! In gindsche kast vindt gij beddegoed. Gij zult uw sponde zelve wel spreiden, nietwaar? De bediening is hier uit den aard der zaak een weinig primitief! Morgen spreken wij elkander nader!

En met deze woorden verliet Raffles het vertrek weder, door Charly vergezeld, en sloot de deur van buiten af, de beide doodsvijanden in elkanders gezelschap en hun eigen gedachten overlatend.

Een kwartier later waakte alleen Henderson aan boord van de duikboot, die zeer gemakkelijk door een enkelen man bestuurd kon worden, evenals een kleine motorboot.

Om zeven uur in den morgen kwam echter Charly Brand den reus aflossen, die nu op zijn beurt een paar uren rust zou nemen.

Een uur later kwam Raffles uit zijn hut, gekleed in een blauw colbertcostuum, die het stuurwiel zou overnemen, terwijl Charly voor het ontbijt ging zorgen.

Met behulp van een kleinen electrischen oven was het al heel gemakkelijk, uit den voorraad aan boord van de “Bruinvisch” een smakelijk maal te bereiden, vooral als men over de culinarische kennis van den jongen man beschikte.

Om negen uur opende Charly een klein luikje in de deur van de voorste hut, waar zich de beide gevangenen bevonden, en hij bemerkte tot zijn genoegen, dat de twee heeren luid snurkten en in een gerusten slaap verzonken waren.

Hij rammelde aan de kruk tot zij wakker waren geworden, en riep op vroolijken toon:

—Goeden morgen, mijneheeren! Ik kom u hier uw ontbijt brengen! Gij zult wel trek hebben na al die beslommeringen, nietwaar?

Met deze woorden opende hij de deur, trad binnen, en zette een groot blad, beladen met een stevig ontbijt en een pot heete thee, op de kleine tafel in het midden van de kajuit.

De twee vijanden lieten hem zwijgend begaan, maar toen Charly zich weder wilde verwijderen, riep Palmer: [659]

—Waar kan ik mij hier wasschen?

—Zoo mag ik het hooren! riep Charly vroolijk uit. De behoefte aan reinheid is een der voornaamste aanduidingen, dat de mensch zich in een normalen toestand bevindt! Ziet gij dien ring daar in den bodem van de kajuit? Gij behoeft er slechts aan te trekken en zult dan een breede plank oplichten, waaronder zich een badkuip bevindt! Draai aan dien koperen knop en het bad zal vol heerlijk zeewater loopen. Prefereert gij een warm bad, dan behoeft gij slechts dien kraan te openen, en als gij gereed zijt, kunt gij het water weder laten wegloopen, door een flinken ruk aan dien hefboom! Zeep en handdoeken in dat kastje!

En daarmede verdween Charly weder, en sloot de deur opnieuw af.

Terwijl dit alles geschiedde, had de “Bruinvisch” haar weg onophoudelijk voortgezet en zij stevende nu reeds in den Grooten Oceaan, nog altijd onder water.

Om tien uur werd er op de deur van de voorste kajuit gebonsd.

Charly schoot toe en vroeg:

—Wat is er van uw dienst?

—Ik wil, wij willen den.… den heer spreken, die ons hier heeft gebracht.

—Ik zal uw verzoek overbrengen, mijnheer Palmer! antwoordde Charly. Want ik zal het maar als een verzoek opvatten, nietwaar?

—Doe wat gij wilt, bromde Palmer.

Charly ging Raffles waarschuwen en een oogenblik later trad deze glimlachend de kajuit binnen, waar de beide gevangenen op een der sofa’s zaten, en wel naast elkander!

In ieder geval scheen de eenzaamheid op zee, of liever er onder, dan toch te hebben bewerkt, dat de vijanden ten minste in lichamelijken zin niet meer zoo ver van elkander afstonden!

Palmer stond op, kwam naar Raffles toe, en begon haperend en telkens zijn keel schrapend:

—Luister eens, mijnheer! Spicer en ik hebben lang en breed over de zaak gesproken.… hm.… het is misschien niet onmogelijk, dat wij toch nog tot een besluit komen.… hm.… in den zin, als door u bedoeld!

—Dat drukt gij daar heel goed uit, mijnheer Palmer! kwam Raffles prijzend.

—De zaak is.… wij willen niet dat onze vrouwen en kinderen misschien in doodelijke ongerustheid over ons verkeeren!

—O, maak u daaromtrent niet bezorgd! hernam Raffles met een geruststellend gebaar. Natuurlijk heb ik dadelijk, nadat gij hier aan boord waart gebracht, een mijner metgezellen een telegram laten verzenden, waarin ik aan de dames mededeel, dat gij in veiligheid zijt en alleen met graaf Chesterfield en burggraaf Montrose een tochtje op zee maakt!

—Zoo,.… dat.… dat is.… hm.… nog al schappelijk gedaan! Dat verheugt ons.… niet waar Spicer, dat verheugt ons immers?

—Dat doet het! bevestigde Spicer kortaf.

—Maar intusschen, het blijft voor ons verre van aangenaam, hier te worden gevangen gehouden.. en.… hm.… kortom.… wij wilden u vragen, of er geen mouw aan te passen is?

—Ik weet niet wat gij bedoelt, mijnheer Palmer! zeide Raffles op onschuldigen toon. Gij geeft uw toestemming tot het huwelijk, gij beiden en wel schriftelijk. Doet gij het niet, dan houd ik u aan boord tot gij er anders over denkt, en als uw gezelschap mij mocht gaan vervelen, waarop tusschen haakjes heel veel kans is, dan zou ik u eenvoudig aan wal zetten op een onbewoond eiland ergens in den Stillen Oceaan, en dan zoudt gij zeker wel spoedig tot betere gedachten komen.

—Ja.… als de zaken zoo staan, dan.… wat dunkt je, Spicer?

—Toegeven! antwoordde deze heer even kort als duidelijk.

—U hoort het, mijnheer! Wij erkennen, dat wij aan het kortste einde hebben getrokken, en.… wel, Edith is eigenlijk lang geen onaardig meisje!

—En Jack is een drommels bijdehande knaap! gromde Spicer.

—Dan is alles in orde, op een kleinigheid na! riep Raffles vroolijk uit. Daar ligt papier en hier hebt gij een pen. Neem de pen op, en schrijft ieder wat ik u zal dicteeren!

De twee gevangenen deden wat hen gezegd werd en Raffles dicteerde:

“Lieve vrouw! Ik amuseer mij uitstekend aan boord van een door graaf Chesterfield gehuurd jacht! Over een paar dagen keer ik terug, met Spicer.… en u schrijft: met Palmer, mijnheer Spicer! Wij zijn de beste vrienden geworden! Jack en Edith moeten zoo spoedig mogelijk met [660]elkander trouwen. Laat de verlovingskaarten dadelijk drukken en stuur ze aan de wederzijdsche kennissen! Burggraaf Montrose zal in persoon mijn brief komen brengen, en dan tevens voor mij de cheque innen ten bedrage van 10,000 pond sterling welk bedrag ik noodig heb, om het jacht, waarop ik mij nu bevind, contant te kunnen betalen.

Je liefhebbende man.”

—En nu de onderteekening!

Maar de twee gevangenen zaten met de pen in de hand, roerloos naar Raffles op te zien, tot Palmer stamelend vroeg:

—Is dat een grap?

—Volle ernst, mijnheer Palmer! Tweemaal tienduizend pond is maar ternauwernood voldoende om mij voor mijn moeite te beloonen! Bedenk eens dat ik hiervoor het levensgeluk van twee jonge menschen lever! Het is werkelijk te geef! Kom aan! Schrijf, anders wacht het onbewoonde eiland u!

En zuchtend, kreunend schreven de twee mannen..


Vier en twintig uren later had Charly Brand de cheques geïnd, en den morgen daarop ontvingen een paar honderd personen een fijne kaart, waarop hen de verloving van Edith Spicer en Jack Palmer werd medegedeeld.…

[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 355) bevat:

DE STRAATMUZIKANTEN.

Inhoudsopgave

I. Een zonderlinge wedstrijd. 629
II. Romeo en Julia. 634
III. De nieuwe mentor. 637
IV. Haat en liefde. 643
V. De eerste aanval. 647
VI. Grof geschut. 651
VII. Een vroolijk einde. 656

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 104 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
629, 658 [Niet in bron] , 1
630 ochestrion orchestrion 1
630 ’ ” 1
630, 643, 644, 644, 645 [Niet in bron] . 1
632 geruineerd geruïneerd 1 / 0
632 buttlers butlers 1
633 Renauld Renault 1
633 Theater Theatre 2
635 en door 4
635 i is 1
635 gi gij 1
635 millionairs millionnairs 1
636 [Niet in bron] ! 1
636 parvenus parvenu’s 1
636 greedheid gereedheid 1
637 te te te 3
Passim. U u 1
640 Het Hij 2
640 intuitie intuïtie 1 / 0
640 de te 1
641 grettig gretig 1
642 to tot 1
644 [Niet in bron] ? 1
644 slenderde slenterde 1
646 Ceasar Caesar 2
646 Mij Mijn 1
646 Pond pond 1
647 das dat 1
648 stamvolle stampvolle 1
648 mager magere 1
648 moet moed 1
648 minde minder 1
649 voorgestellt voorgesteld 2
651, 652, 654 onmiddelijk onmiddellijk 1
655 gevangene gevangenen 1
655 En hierbij Hierbij kwam 9
656 bord boord 1
656 machinenkamer machinekamer 1
657 [Niet in bron] ” 1
658 eens ,heeren eens, heeren 2
658 vorraad voorraad 1