The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0056: De motorboot „Dolfijn"

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0056: De motorboot „Dolfijn"

Author: Kurt Matull

Theo von Blankensee


Release date: October 17, 2026 [eBook #79814]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79814

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0056: DE MOTORBOOT „DOLFIJN" ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.

[Inhoud]
DE MOTORBOOT „DOLFIJN”

DE MOTORBOOT „DOLFIJN”

EERSTE HOOFDSTUK.

Geheimzinnige voorbereidingen.

In hun, op naam van den Amerikaanschen nabob, Mr. Iwaw, gehuurde buitenplaats in het Westend te Londen, zaten Lord Lister en zijn jonge vriend en secretaris Charly Brand aan de morgenkoffie.

Lister, die achter de uitgespreide reuzenbladen der „Times” zijn sigaret rookte, verbrak het stilzwijgen en sprak tot zijn vriend:

„Hoor eens, Charly, wat ik hier in de „Times” lees! Hoe denkt ge daarover? Dat schijnt mij een belangwekkend geval te zijn!”

„Hm,” kuchte Charly en spitste opmerkzaam de ooren.

„De tijding omtrent het vergaan van de vrachtboot „Matchless” van de reedersfirma Spotson en Zoon te Londen, die, met zijden stoffen geladen, een waarde van 50,000 pond sterling vertegenwoordigde en op weg van Marseille naar Sheerness, door het noodweer van den 26en op de klippen van Cardiff strandde en met man en lading verging, wordt helaas bevestigd.

„Kapitein en stuurman konden zich alleen in een kleine boot redden, werden door de Hollandsche stoomboot „Annetje van Steen” opgenomen en kwamen zoo juist te Portsmouth binnen. Het verlies der firma moet zeer aanzienlijk zijn, daar slechts een gedeelte der kostbare lading verzekerd was.”

„Een scheepsongeluk, dat voor ons van geen belang is!” bromde Charly teleurgesteld.

„Maar Charly! Komt het je niet wonderlijk voor, dat het schip met man en muis en de kostbare lading vergaan is en dat alleen de kapitein en stuurman zich hebben gered?

„Juist deze twee zijn immers verplicht, tot het laatste toe op het zinkende schip te blijven, om bij de paniek zooveel mogelijk de orde te bewaren. Juist zij behouden bij een schipbreuk zelden het leven. Wanneer echter een schip op de klippen strandt, zooals hier het geval is, dan volgt het vergaan zoo spoedig, dat juist voor deze eerste officieren redding onmogelijk is, wanneer— — —”

Charly luisterde aandachtig naar Lister.

„Wanneer— —spreek!— —Wat bedoelt ge?”

„Welnu, wanneer zij het vergaan niet vooruit wisten, alles in het geheim hadden voorbereid en zich nog bijtijds konden redden!”

„Drommels, Edward! Ge kondt wel eens gelijk hebben! Dat zou dan een vreeselijke misdaad zijn—!” [2]

„Een reusachtige moord!” viel Lister hem in de rede. „Dat is ook mijn meening. Buitendien komt het mij verdacht voor, dat de heeren reeders het zoo dadelijk aan de groote klok hangen, dat zij niet genoeg zouden verzekerd zijn.”

„Het oogmerk om iedere verdenking, als zou het met het stranden van den „Matchless” geen zuiver spel zijn, den kop in te drukken, ligt zoo voor de hand, dat juist deze bijzondere voorzorg er aanleiding toe geeft om argwaan te koesteren!”

„Zoo’n gemeene gauwdievenbende!” riep Charly verontwaardigd uit. „Doch wie kan dat bewijzen, nu scheepsvolk en passagiers op den bodem der zee rusten?”

„Ik, of wanneer ge het verkiest, wij, mijn waarde Charly”, sprak Lord Lister ernstig en op energischen toon, terwijl hij het bericht uit de „Times” knipte en zorgvuldig in zijn zakboek legde. „Ik denk namelijk, dat wij ons dit geval ter harte zullen nemen en zien wat er aan te doen is! Doet ge mee?”

„Nu of ik! Met hart en ziel! Doch het is bijna niet te gelooven, dat er zulke schurken in ons geliefd Engeland bestaan, wien honderd menschenlevens nog geen penny waard zijn.”

„Ge hebt gelijk, Charly! Het zijn gelukkig uitzonderingen. Zulke schurken echter onschadelijk te maken, dat is juist mijn levensdoel!”

„En ook het mijne, beste Edward!” riep Charly vol geestdrift uit.

„Nu, ben je nu weer beter geluimd, ouwe jongen?” vroeg Lister op spottenden toon, „je hebt mij in den laatsten tijd onvriendelijk behandeld, mijn waarde!”

„Heb ik?—Inderdaad?—Ach, Edward, wees niet boos op mij, doch ik kan je onuitstaanbare geheimzinnigheid niet verdragen! Neem het mij niet kwalijk, doch dat gaat boven mijn krachten! Wanneer ik moest denken, dat ik je vertrouwen heb verloren, dat ge mij niet meer, zooals vroeger, je plannen wildet vertellen.…”

Lister was intusschen opgestaan en had een nieuwe sigaret aangestoken. Daarna ging hij naar Charly toe en trok hem aan zijn oor:

„Wat een weerspannige kerel!” sprak hij. „Je moest mij toch, nu wij reeds zoo langen tijd te zamen zijn, wel zoo goed kennen om te weten, dat ik niets zonder oogmerk doe. Zooals nu, wanneer mijn geheim geen ander doel heeft dan jou een prettige verrassing te bezorgen?!—Ik moet mij over je weinig vertrouwen beklagen, niet jij! Voor straf moet je nog een paar dagen geduld hebbes, ouwe jongen! Dan zal echter het geheim onthuld worden, en dan zult ge mij, ik ben ervan overtuigd, om je verschrikkelijk wantrouwen vergiffenis vragen!”

Charly Brand hief met grappige gebaren zijn gevouwen handen omhoog en riep:

„Een verrassing en een nieuw avontuur? Hiep, hiep, hoera! Ik ben reeds weer goed gehumeurd, Lister! Ik neem je niets meer kwalijk!”

„Bijzonder edelmoedig, mijn waarde! Ik zal je dan dezen keer nog maar vergiffenis schenken! Doch, Charly, beter je!”

„Maar jij ook met je geheimzinnigheden! Wanneer komt er een einde aan?”

„Afwachten en thee drinken! Dat zal spoedig genoeg komen!”

Lister groette zijn vriend en ging naar zijn slaapkamer.

Charly viel schouderophalend in zijn stoel neer, want Lister—was weer zeer achterhoudend. Doch er was nu geen reden voor Charly om opnieuw uit zijn humeur te geraken, want eenigen tijd later werd er aan de deur geklopt, die naar de gang voerde.

Op zijn „Binnen!” werd de deur geopend, en met een linksche buiging trad een sjofel gekleed man op den drempel, die verlegen een ouderwetschen cylinder gladstreek, wat deze zeer noodig had, want hij was ruig als het steil overeind staande vel van een zwarten kater.

Over zijn verkreukten ouderwetschen kraag hingen lange, grijze krullen, en zijn vermagerd gelaat wekte onmiddellijk zooveel medelijden op, dat men hem spoedig iets te eten zou geven, om hem nog op het laatste oogenblik van den hongerdood te redden. De versleten overjas was blijkbaar afkomstig van een uitdrager en hing hem slap om zijn magere leden.

Charly sprong op.

„Wat wenscht gij? Hoe komt gij hier, Sir? Dat is een groote brutaliteit! Men schelt toch eerst aan!”

Doch het medelijden kreeg op Charly’s goed hart de overhand. Hij tastte in zijn vestzak en gaf den, armen bedelaar—want daarvoor beschouwde hij den mageren man—een shilling.

„Hier, neem dat, oude heer en sluit de deur!”

De oude bekeek het geldstuk verbluft en bijna ontroerd.

Plotseling begon hij echter zoo hartelijk en op zoo bekende wijze te lachen, dat Charly op zijn beurt verbaasd opkeek. [3]

„Wat—jij—Edward?— —Ik heb je toch reeds in verschillende vermommingen gezien! Doch—in mijn leven had ik je in deze kleeding niet herkend!—Dat is je fijnste masker—totaal onherkenbaar!”

Lister drukte den kalen cylinder op zijn schilderachtige, grijze krullen.

„Charly, beste jongen! De drommel moge mij halen, wanneer ik die shilling van jou niet in goud laat zetten, en als breloque aan mijn horlogeketting hang.—

„Doch, laat ik mij aan je voorstellen: Mr. Grandison, werktuigkundige en electrotechnisch uitvinder, medelid der Technische Academie van Arizona, correspondent van verscheidene geleerde maatschappijen, op weg naar de reedersfirma Spotson en Zoon, om deze zijn hulp aan te bieden in de betreurenswaardige stranding van de „Matchless”.”

Lister nam beleefd zijn versleten cylinder af, boog met goed gespeelde deftigheid en verdween.

Charly stak lachend een versche pijp aan en wachtte in een uitstekend humeur de dingen af, die volgens Lister’s mededeelingen zouden volgen.

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

Het reederskantoor van de „Matchless” en de slag van een grijsaard.

Op de kantoren der groote reederij van de firma Spotson en Zoon in de Strandstreet te Londen was men des namiddags nog altijd druk aan den arbeid.

Het eentonige geluid der klapperende schrijfmachines en van de over het papier krassende pennen, dat door vier dames en negen klerken werd veroorzaakt, terwijl de procuratiehouder van tijd tot tijd van zijn „Times” opkeek, om een gebiedenden blik op zijn ondergeschikten te werpen, werd plotseling op een aangename wijze gestoord.

In de voordeur verscheen namelijk zulk een vreemde gestalte, dat opeens alle pennen ophielden met schrijven en de ernstige gelaatstrekken der gezamenlijke klerken in een lachje overgingen, terwijl de jongste, de zondebok van den waardigen procuratiehouder, zijn lachbui in een luid niezen uitte.

„Natuurlijk weer Pickleby! Die heeft toch altijd een reden om te lachen, voor den duivel!” mompelde de kaalhoofdige kantoorregeerder. Doch ook zijn gelaatstrekken ondergingen een aanmerkelijke verandering en men bemerkte op zijn gelaat een stijgende vroolijkheid.

Een magere gestalte in een versleten overjas trad met een vriendelijken grijnslach op zijn ingevallen gelaat, met drie diepe buigingen nader, streek zijn kalen cylinder met den elleboog glad en keek, oogenschijnlijk door de vele menschen in de war gebracht, verlegen om zich heen.

De procuratiehouder verborg zoo goed mogelijk zijn inwendige vroolijkheid, stond op en ontving met zijn gewone koelbloedigheid deze komieke figuur zeer vriendelijk.

Door veeljarige ondervinding had hij deze manier van optreden tegenover het publiek geleerd.

„Wat is uw verlangen, mijnheer?” vroeg hij.

„Ik heb zeker de eer, met den heer Spotson persoonlijk te spreken!” informeerde de vreemde verschijning schroomvallig.

„Neen, ik ben de procuratiehouder!” beantwoordde deze minzaam deze voor hem zoo vleiende vraag.

„Wenscht u den heer chef persoonlijk te spreken? Kan ik misschien uw wenschen vernemen? De chef heeft het juist nu na het treurige ongeluk met de „Matchless” zeer volhandig.”

„O, mijnheer! Wanneer u mij zoudt willen aanhooren, zal ik u zeer dankbaar zijn. U ziet in mij een [4]ongelukkige technicus en uitvinder, voornamelijk op het gebied van scheepsbouwtechniek. Mijn naam is Grandison! Verscheidene van mijn uitvindingen, die ik helaas niet vooruit kan patenteeren, u begrijpt wel—uit gebrek aan het noodige—werden mij schandelijk ontstolen!

„Nu heb ik echter iets geheel nieuws en juist het betreurenswaardige ongeluk is de oorzaak, waarop ik tot u kom!

„Ik wilde den heer Spotson een werktuigkundige combinatie voorstellen, opdat het onmogelijk wordt, dat zulk een ongeluk voor den tweeden keer gebeurt en waardoor het verlies van reusachtige kapitalen voorkomen wordt!—Na een proef ben ik er zeker van, dat Mr. Spotson niet in gebreke zal blijven om zich mijn wereldberoemde uitvinding aan te schaffen!

„Ik verzoek u mitsdien om uw welwillende voorspraak, ik durf wel zeggen, in het belang van de firma!”

Lister had zijn rol zoo natuurlijk gespeeld, dat een tooneelspeler hem zijn talent had kunnen benijden.

De procuratiehouder krabde zich eenigszins bedenkelijk in het haar.

„Ik kan u in de tegenwoordige omstandigheden niet veel hoop geven, Mr. Grandison. Ik wil echter zien, of u den chef te spreken kunt krijgen!”

„Ik verzoek er u ten zeerste om, en zal u daarvoor bijzonder dankbaar zijn!”

De procuratiehouder ging naar de telefoon, en nadat hij den wensch van den bezoeker had medegedeeld, kreeg hij ten antwoord:

„Zend den kerel maar hierheen!”

Lister had den eersten stap in de Matchless-zaak gedaan, toen hij zich na eenige minuten in het privaatkantoor der reedersfirma bevond, om zijn argwaan al of niet te zien bevestigd.

Hij zag met een oogopslag in de gemakkelijk ingerichte kamer aan een ronde tafel twee heeren, die tegenover elkander zaten. Het groote ongeluk scheen hen niet te verhinderen, van het leven te genieten, want op de tafel stond een champagnekoeler met een aangebroken en een volle flesch en de beide heeren rookten, volgens Lister’s reukorgaan, uitstekende sigaren.

Een van hen had een met goud geborduurde kapiteinspet diep in den nek geschoven en gebruikte juist, daar de champagne hem zeker te licht was, een sterke whisky.

De tegenover hem zittende elegant gekleede heer met donker haar en bakkebaarden had een opvallend bleek gelaat en dunne, bloedlooze lippen. Zijn oogen waren half gesloten, hetgeen hun een loerende uitdrukking gaf. Hij stak met zijn rechterhand, waaraan verscheidene kostbare ringen met brillanten fonkelden, zijn sigaret in zijn mond.

Lister trad in zijn rol als Grandison beschroomd een stap nader, boog verscheidene keeren en draaide zijn ouderwetschen cylinder rond.

„Drommels, Spotson, kijk toch eens aan! Ik wil vervloekt zijn, wanneer ik nog ooit zulk een bespottelijk figuur zag!” riep de zeeman, zonder de minste plichtpleging en sloeg met de vuist op tafel, zoodat de glazen rammelden. Vervolgens begon hij luidkeels te lachen.

De reeder wierp onder zijn nu wat wijder geopende oogleden een loerenden blik op den vreemden bezoeker en sprak:

„Mr. Grandison, heb ik goed gehoord? U hebt een uitvinding op het gebied van den scheepsbouw gedaan, die u voor belangrijk houdt?”

„O, geachte heer Spotson! Dat is zij, dat is zij!—Zij is het sieraad van mijn scheppingen. Verscheidene uitvindingen heeft men mij ontvreemd, want het geld voor een patent ontbrak mij!—Op deze echter vestig ik al mijn hoop. Uw verschrikkelijk ongeluk had kunnen vermeden worden, wanneer u van mijn uitvinding had gebruik gemaakt!”

„Dat had ons te pas kunnen komen, niet waar, Spotson?” viel de kapitein hem lachend in de rede.

„Dat zou ik denken!” antwoordde de reeder. „Het zal mij en kapitein Underwood, die de „Matchless” helaas niet kon redden, bijzonder veel belang inboezemen, wat meer er van te hooren.”

De zoogenaamde heer Grandison maakte voor den kapitein een diepe buiging.

„Mijn oprechte deelneming, kapitein! Ik ben namelijk werktuigkundige en electrotechnisch uitvinder, medelid der Technische Hoogeschool van Arizona en correspondent van verscheidene technische maatschappijen van het Continent.

„Juist om een dergelijk ongeluk, zooals uw stoomboot „Matchless” getroffen heeft, te voorkomen en eenvoudig onmogelijk te maken, ben ik hier gekomen; ik wensch u mijn nieuwste auto-mechanische antilek werktuig aan te bieden!”

„Hohohoho!” lachte de kapitein. „Wat voor een ding?—Hohoho! een antilekste inrichting?—Mensch, ik geloof, dat ge stapelgek zijt!” [5]

De zoogenaamde Grandison richtte zich in zijn volle lengte op.

„Ik verzoek u, deze onbeschaamde beleediging onmiddellijk in te trekken, heer kapitein! In de geheele wereld wordt de naam van den uitvinder Grandison met eerbied genoemd! U schijnt te veel gedronken te hebben!”

Kapitein Underwood kreeg een vuurrood hoofd. Hij sprong snel overeind.

„Wat heeft hij gezegd, Spotson? Onbeschaamd—te veel gedronken?—ik zal je onmiddellijk een gat in je kalen schedel slaan, jou vindingrijke vogelverschrikker! Dan kan je je wonderbare antilek-uitvinding eerst bij je zelf beproeven, oud kameel!”

„Houd je gemak, Underwood, geen twist! Ik moet echter ook zeggen, Mr. Grandison, dat mij de uitvoering van uw plan, al is die misschien niet onmogelijk, toch weinig duidelijk voorkomt. Ook verbiedt mij mijn oogenblikkelijke toestand om groote uitgaven te doen!”

„All right! Punktum! Spaar ons verder met uw onzin en loop naar den duivel!” riep de kapitein. „Hebt ge dat begrepen, jou hongerlap?”

„Ik ga reeds, heeren! En wanneer gij mij bergen gouds boodt, zou ik mijn uitvinding en mij zelf niet zoo vernederen, om die aan lieden van zulk een slechte opvoeding aan te bieden!—Wat echter mijn persoon betreft, durf ik mij met u nog te meten, want een kapitein, die zijn schip met man en muis in den steek laat, is zulk een kostbare uitvinding niet waard!”

„Hel en duivel! Dat zal ik je betaald zetten, vervloekt geraamte!”

Kapitein Underwood gooide zijn stoel achteruit en wierp zich woedend op den vermeenden uitvinder.

Lister wachtte het juiste oogenblik af en gaf hem toen onverwachts zulk een slag op zijn hoofd, dat de kapitein van de „Matchless” als een overwonnen stier bewusteloos over den omvergeworpen stoel heenrolde.

De reeder was stom van verbazing in zijn stoel neergevallen en hield met zijn hand verschrikt de leuning vast.

„U hebt deze beleediging van den ruwen kapitein geduld, Mr. Spotson! Ik zie er van af om u mijn antilek te verkoopen!—Goeden dag!”

Lister zette trotsch zijn valen hoed op zijn valsche grijze lokken, groette nauwelijks bij zijn vertrek en stond het volgende oogenblik in de gang.

Toen hij daar een andere deur gewaar werd, drukte hij op de klink en opende haar geruischloos. Zonder zich lang te bedenken, ging hij naar binnen. Hij bevond zich in een mooie gemeubileerde voorkamer.

Op een tafel lagen brochures, kaarten en reisboeken der reederij.

Lister keek het vertrek eens rond. De groene portière links verborg de aangrenzende deur van het privaat-kantoor van Mr. Spotson. Hij ging naar de waschtafel met spiegel en luisterde. Tegelijkertijd nam hij zijn cylinder af, liet de grijze pruik met krullen in zijn zijzak verdwijnen, waaruit hij eerst een elegante, te zamen gevouwen chapeau claque had genomen, en vouwde nu den ouden hoed op. Koelbloedig ontdeed hij zich met ongelooflijke vlugheid van zijn overjas en pantalon, en stond nu daar in een onberispelijken, donkeren smoking en keurige pantalon.

Met een handigheid, die men alleen door menigvuldige oefening krijgt, was in een oogenblik het kostuum van Grandison omgekeerd, opgerold, zoo klein mogelijk te zamen gevouwen en in een plaidriem vastgegespt.

Hij ontvouwde nu de chapeau claque en met een zakdoek, waarop hij eerst eenige druppels eau de cologne deed, die hij uit een fleschje nam, dat in zijn vestzak was geborgen, verwijderde hij van zijn gelaat ieder spoor van blanketsel en toen hij in den toiletspiegel keek, was er niet de minste gelijkenis meer over met de komische gestalte van den ouden uitvinder Grandison.

Lister begon spottend te lachen, toen hij de monocle in zijn oog drukte en een zijner dure sigaren aanstak; hij voltooide zijn elegant uiterlijk door een paar fijne, grijze glacé handschoenen aan te trekken.

Nadat deze gedaanteverwisseling, die slechts eenige minuten geduurd had, klaar was, luisterde Lister aandachtig en nam toen met de grootste kalmte in een stoel, die dicht bij de deur stond, plaats. Hij kon nu in den spiegel zien, wanneer men hem mocht verrassen.

De pogingen, die Spotson aanwendde om den kapitein weer uit zijn bewusteloosheid in het leven terug te roepen, schenen intusschen succes te hebben gehad.

„Hier, drink dit glas champagne, Underwood, dat zal je goed doen!—Ik heb verdriet van je, kapitein! Laat je je met jou reuzenkracht door zoo’n zwakken, ouden kerel mishandelen?”

„Zwakke kerel? Vervloekt, wanneer dat een zwakke grijsaard was, Spotson! Dat voel ik wel beter! Geef [6]mij in plaats van je zoeten damesdrank liever een goede oude whisky! Die zal mij eerder weer op de been helpen.—

„Jij bent ook een mooie jongen, Spotson, je hebt geen hand uitgestoken. Waar is de kerel nu?—Ik begrijp er niets van! Ik denk toch niet dat je hem na deze handelwijze hebt laten loopen?”

„Ach, beste kapitein, ik had met jou mijn handen vol! Voordat ik met jou klaar was, was het oude geraamte verdwenen! In het eerste oogenblik was ik door het gebeurde zoo verschrikt— —”

„Wat—hel en duivel!—En jij hebt hem laten vluchten en blijft hier in je grootvadersstoel zitten?—Vervloekt! Is dat vriendschap? Het mag een wonder heeten, dat ik hier nog levend zit!”

„Beste Underwood, wat kon ik anders doen?”

„Hier is geen verontschuldiging voor, Spotson! Waarvoor hebt ge negen personen en den procuratiehouder in je dienst? Waarom hebt ge geen alarm gemaakt en hem vastgehouden, totdat je gedienstige geesten ter hulp kwamen? Schande is het, man!—Ik lag hier bewusteloos! Wat denkt ge wel, welke straf de kerel had gekregen.—Weg, weg, en we zullen hem nimmer terugzien! Duivels! Dat veroorzaakt mij nog meer pijn dan mijn hoofd!—

„Dat is de dank, dat ik je 50,000 pond baar geld bezorgde, dat ik mijn leven dubbel en dwars voor jou op het spel zette! Weet je wat, Spotson, voor jou stuur ik nog eens zoo’n oude kast naar de klippen van Cardiff!

„Ik help je nog eenmaal, om de heeren Mopkins en Chawl en hun ezels van verzekerings-inspecteurs uit de Buxley-street voor gemeen zaklinnen prima Lyonsche zijde in de maag te drukken! En het had geen haarbreed gescheeld, of wij waren eveneens tegen de klippen verpletterd en met de vloekende en jammerende lafaards naar de hel gegaan! Eenmaal en nooit meer, Spotson!”

De kapitein sloeg met de vuist op tafel, dat de glazen en zelfs de champagnekoeler dansten en schreeuwde op schorren toon:

„Ik wil niets meer met je te doen hebben, neen, dat wil ik niet! Ik wil met zoo’n kerel, zoo’n lafaard, zoo’n valschen vriend, zoo’n boosaardigen, geheimen vijand, die zich verheugt over het ongeluk van zijn vriend, die hem 50,000 pond aanbracht, en dien hij daarvoor met 5000 pond afscheept, niets meer te doen hebben! Wat een ellendige wereld, iedereen is valsch, iedereen is boosaardig en onuitstaanbaar!”

Lister had reeds langen tijd zijn zakboek voor den dag gehaald en van het begin af alles wat de opgewonden kapitein uitschreeuwde, met een ironisch lachje gestenographeerd.

Hij had nu niet alleen de bevestiging van zijn vermoeden, doch ook nog het adres der verzekeringsfirma, die door de redactie der „Times” niet was opgegeven.

Lachend stenografeerde hij verder, want eindelijk kwam nu de reeder aan het woord:

„Mijn waarde kapitein!” begon hij. „Wees toch eerst wat kalm! Hetgeen gij vooronderstelt, is niet waar!—Want ik had er mijn reden voor om den kerel te laten ontvluchten!”

„Reden? Nu, daar ben ik nieuwsgierig naar, Spotson! Natuurlijk, niemand is zoo dom, dat hij zich niet tracht te verontschuldigen en jij zeker niet! Welke reden?”

„Ja, een reden en wel zoo gegrond, dat ook gij, wanneer je niet in zwijm waart gevallen, haar had laten gelden.”

„Ik kan het nauwelijks gelooven, doch vertel verder!”

„Ten eerste kan ik je tegenover mijn personeel niet aan de kaak stellen! Wat moesten zij denken, wanneer ge daar in zwijm laagt en zij vernamen, dat jij voor dezen ouden zwakken man het onderspit had moeten delven!”

„Mooi!” bromde de zeeman norsch. „Doch dat wil ik je wel vertellen, wanneer hij werkelijk een oud man was, dan dank ik voor zulk een slag van een jongeren!—

„Ge hadt hem ten minste kunnen vasthouden, of wanneer je dit niet was gelukt, hem achtervolgen en de politie laten halen of er opmerkzaam op maken!”

„Politie, kapitein? Spreek je van politie?—Dan moest ik een ezel geweest zijn, brave zeeman!—En juist nu na onze Cardiff-zaak! Ik dacht, dat het verstandiger was, dat de politie haar neus in andere zaken stak dan in de onze, wanneer zij dit niet reeds heeft gedaan!”

„Spotson, wat bedoelt ge daarmede?” vroeg de kapitein, en Lister onderscheidde duidelijk den angstigen toon waarop dit gevraagd werd.

„De zaak is namelijk deze, Underwood: deze zwakke en bejaarde uitvinder staat mij niet aan!”

Lister richtte zich verbaasd op en luisterde gespannen.

„Waarde Spotson! Ik mag vervloekt zijn, wanneer [7]ik een woord begrijp van hetgeen gij bedoelt!” antwoordde de kapitein. „Ik wil onmiddellijk met hem afrekenen! Waar kan ik hem vinden?”

„Nu, weet ge kapitein, waar ge hem kunt vinden?—Blijf rustig zitten, oude vriend, want het is met een enkel woord gezegd!”

„Noem mij dan dit enkele woord, ik bezweer het je! Dat enkele woord!”

„Het heet Scotland Yard, Underwood!—Nu begrijpt ge wel waarom ik hem liet loopen, waarom ik geen politie haalde, en waarom ik hem niet achtervolgde!—Alles was een masker, om ons uit te hooren!

„Mopkins en Chawl, de verzekeringsfirma, vertrouwt dat zaakje van het stranden van de „Matchless” niet. Het was een door hen betaalde detective van Scotland Yard!”

„Hel en duivel! Die slag op het hoofd van den ouden kerel! Het komt uit, Spotson, het was een slag van de politie, van een sterken detective! Dat had ik onmiddellijk moeten begrijpen! Doch troost je, Spotson!

„Ten eerste weet niemand, dat die vervloekte, vermolmde, oude kast, de „Matchless”, niet bij de beruchte rots ligt aan het vaarwater, waar de meeste schepen stranden, en waar iedereen nasporingen doet, doch aan het derde en scherpste rotsblok, waar ik onmiddellijk liet stilhouden!—

„Onze kisten met zakkenlinnen liggen op den bodem der zee en komen niet weer te voorschijn!—Daar zijn wij zeker van. Deze man van de geheime politie schijnt echter niet tot de verstandigste te behooren, anders had hij met ons geen strijd begonnen, doch had er liever naar gestreefd om ons vertrouwen te winnen!”

„Ja,” antwoordde de reeder, „bepaald een domoor eerste klasse! Laten wij blij zijn, dat hij weg is! Doch, beste Underwood, wees voorzichtig!”

„Ik zal mij in acht nemen! Heb geen zorg, Spotson! Deze detective is een baas in vechten en boksen, zoo als ik tot mijn schande moest ondervinden, doch overigens schijnt hij mij tot het opsporen van ingewikkelde zaken niet erg bekwaam te zijn! Ik geloof niet, dat wij iets te vreezen hebben! Wie kan ons de oorzaak van de stranding der „Matchless” bewijzen?”

„Ik, schurken!” fluisterde Lister in zich zelf.

Hij stak nu notitieboek en vulpen in den zak en nam zijn pakje ter hand, om zich te verwijderen, daar hij genoeg bewijzen had, om zijn vermoeden te bevestigen. Doch toen hij van zijn stoel opstond, waarop hij plaats had genomen, om het gesprek der beide „mannen van eer” te stenografeeren, schoof hij bij vergissing den stoel achteruit en dit piepend geluid bleef in de zijkamer, waarvan de deur slechts op een kier stond, niet onopgemerkt.

[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

Spotson’s inlichtingen en Charly’s gedachte.

De beide schurken verbleekten. Zij wisselden met elkander een blik van verstandhouding, op hetzelfde oogenblik had de kapitein reeds een groot mes te voorschijn gehaald en was zoo snel mogelijk naar de deur gegaan, waarvan hij nu op den drempel verscheen.

Lister had iets dergelijks verwacht en zat oogenschijnlijk in een spoorboekje verdiept. Doch een blik in den spiegel tegenover de deur toonde hem het door woede verwrongen, hoogroode gelaat van kapitein Underwood en het flikkerende mes in zijn hand. Achter hem kwam het loerende gelaat van den boosaardigen reeder te voorschijn.

Lister zag met een spotachtig lachje den ribbestoot, dien de reeder den kapitein gaf, om hem op zijn vergissing te wijzen, waarop dan ook het mes in den borstzak van den kapitein verdween en de reeder naderkwam.

Lister gaf zich het voorkomen, alsof hij zoodanig in [8]zijn lectuur verdiept was, dat hij van de komst der beide mannen niets bemerkte.

„Onzin!” fluisterde hij. „Dat is Rotterdam! Vandaar moet toch een stoomboot direct van Eastend of Sheerness naar Hamburg gaan!”

De reeder wisselde met den kapitein een geruststellenden blik en gaf hem een stomp waarop Underwood brommend vertrok en zijn vriend en medeplichtige het veld ruimde.

„Ik vraag u verschooning!” ving de reeder op zoetsappigen toon aan, waarop Lister als in gedachten verdiept opsprong, zich omkeerde en daar hij schijnbaar eerst nu den reeder gewaar werd, zich zonder overhaasting en met een lichte buiging tot den binnentredende wendde.

„Ha, mijnheer, het verheugt mij zeer, dat u mij de moeite van zoeken bespaart! Spreek ik met den heer chef der firma?”

„Om u te dienen, sir! Spotson in eigen persoon! Ik hoop, dat ik u niet lang heb laten wachten! Ik vraag u excuus, dat ik uw komst niet hoorde!”

„Volstrekt niet, waarde Mr. Spotson! Integendeel! Ik zat pas in dezen gemakkelijken stoel! Lord Blackmore— —!”

De reeder was buitengewoon voorkomend en kon bijna een zucht van verlichting niet onderdrukken.

„En waarmede kan ik u dienen, mylord?”

„Wacht even! Ik zoek te vergeefs naar een stoomboot, die direct naar Hamburg vaart. De zaak is, dat ik Vrijdag bij den roeiwedstrijd te Kiel moet zijn, waar mijn zeiljacht „Seabird” reeds aangekomen is. Ik moet bepaald bij de opening tegenwoordig zijn! Kan dat nog gebeuren? Ik kan er niet uit wijs worden! Verschaf mij liever zelf de noodige inlichting!”

„Met genoegen, mylord! Het is vandaag eerst Dinsdag! Het treft uitstekend, dat morgen voormiddag om elf uur de voortreffelijke passagiersboot eerste klasse „Neptunus” direct naar Hamburg vertrekt. Mylord heeft dan nog genoeg tijd, om met een expresse Kiel op den gewenschten tijd te bereiken!”

„Uitstekend, waarde Mr. Spotson! Kan ik bij u biljetten krijgen?”

„Dat niet, uw lordschap! Doch wanneer gij uw naam en het aantal biljetten wilt opgeven ontvangt u tegen betaling van het bedrag de biljetten op de boot na overlegging van onze kaart.”

Op het volgende oogenblik lag reeds het inteekenboek voor hem, en Lister schreef als Lord Blackmore de twee biljetten voor zich en zijn bediende in, waarop Mr. Spotson een kaart, die voor dat doel bestemd was, invulde en hem ter hand stelde.

Lister nam nu afscheid van den eerbiedig buigenden Spotson, die door een fluitje een aan den hoek der straat posteerende auto riep.

Lister nam in de auto plaats en viel met zeer veel behagen in de grijze fluweelen kussens neer, na eerst met minzame groeten afscheid van den reeder te hebben genomen. Hij vergat het pakje echter niet.

Mr. Spotson was, toen hij den motorwagen met den voornamen bezoeker nakeek, evenals de kapitein, die uit nieuwsgierigheid naderbij was gekomen, er ten volle van overtuigd, dat hij met een volkomen ongevaarlijken, volbloed Lord te doen had gehad.

Nadat Lister hem verlaten had, had Charly weer spoedig zijn mismoedige en vervelende stemming terug gekregen!

Verheugd en tegelijkertijd verbaasd keek hij op, toen Lister in zijn gewone kleeding en niet meer in het vermakelijke costuum van den uitvinder van de beroemde antilekmachine bij hem verscheen en zich behagelijk in een der gemakkelijkste leuningstoelen tegenover Charly liet neervallen.

„Waar heb je je eigenaardige Grandison gelaten, Edward?” vroeg Charly vroolijk.

Lister tilde het pakje in de hoogte.

„Heeft mij voortreffelijke diensten bewezen, Charly. Heb de beide schurken leeren kennen en vernomen, hetgeen ik wilde weten. Mijn vermoeden is bevestigd.

„Zwart op wit hier in mijn zak!” Daarbij klopte Lister zich op de borst.

„Daar ik echter niet in gebreke wilde blijven den eenen schurk voor zijn onbeschoft optreden een klein aandenken te geven,—Jiu-Jitsu—gaf ik er toch de voorkeur aan, mij in de zijkamer een weinig anders aan te kleeden, waarbij ik tegelijkertijd naar hun stichtelijke bekentenissen met aandacht heb kunnen luisteren.

„Natuurlijk meenden die twee duivels, dat zij den juisten weg hadden gekozen om met het oog op de verzekering, het schip te laten stranden; ik was zeer in mijn schik na mijn goed toegebrachten slag, waarbij deze onbeschofte kapitein een salto mortale deed, als de beste circusclown en nog extra over een omvergevallen stoel viel— —”.

„Nu, ik denk,” beweerde Charly, „dat die zijn deel heeft gekregen!”

„O, het beste, dat ik hun heb toegedacht, komt nog, onschuldige jongeling! Doch wat ik zeggen wil, je valt [9]mij gedurig in de rede, Charly. Ja, het leukste is, dat zij door dien onschuldigen klap niet meer aan den ouden heer uitvinder gelooven! En wat meent ge wel, wien zij in den ouden man meenden te hebben ontdekt?”

„Bepaald een detective! O, dat is kostelijk!” riep Charly vergenoegd uit.

„Bijna juist geraden!” sprak Lister, terwijl Charly hem een kop thee inschonk. „En dit klopte zoo uitstekend, dat ik werkelijk vandaag mijn vroegere rol met die van Sherlock Holmes verwisseld heb.

„Ik verzeker je, Charly, dat die beide sluikmoordenaars mij in het costume van Grandison voor den een of anderen goeden vriend van Scotland Yard hielden!”

„Hahaha,” lachte Charly hartelijk. „De vloo kon er nog mee door, hoewel het costuum van Mr. Grandison te nauw voor hem is! Doch wanneer ik mij den commissaris van politie Baxter voorstel—hahaha!— —Neen, Edward, dat is om je dood te lachen!”

„En toch is het zoo,” knikte Lister, terwijl hij een kop thee dronk.

„Overigens zou hem de overjas zeer goed passen, daar hij mij rijkelijk wijd is! In elk geval roken de ezels onder dit masker lont, waardoor hun kwaad geweten aan het licht kwam.”

„En wat hebt ge verder besloten, wat is er te doen?” vroeg Charly in afwachtende houding.

„Lieve jongen,” antwoordde Lister lachend, „voorloopig in het geheel nog niets! Je moet geduld hebben. Doch, slechts tot overmorgen vroeg! Dan zijn mijn toebereidselen gereed!”

„Altijd zoo geheimzinnig!” zuchtte Charly verdrietig. „En eerst overmorgen! Dat is toch om wanhopig te worden!”

„Welnu, omdat je zoo jammert over mijn geheimzinnigheden, wil ik je een tipje van het geheim oplichten,” antwoordde Lister lachend. „Ik heb een prachtige kleine motorboot gekocht, Charly! Kan je dat niet vroolijk stemmen, jij sportsman?”

„Drommels! Edward, dat is fijn! Zullen wij haar reeds overmorgen vroeg in gebruik nemen?”

„Natuurlijk! Denkt ge, dat ik zulk duur speelgoed zonder reden koop? Tot zoolang zijt ge vrij! Doe, wat ge wilt! Amuseer je, ga naar een concert of variété, kortom verdrijf den tijd zoo prettig mogelijk. Doch zorg er voor, dat je overmorgen ochtend goed bent uitgeslapen en al je krachten bij elkander hebt. Je zult ze noodig hebben.—En daar je vrijwel door je geld heen bent, heb je hier een paar banknoten van vijf pond voor je en nu goeden dag!”

Hij schudde zijn getrouwen vriend krachtig de hand en ging toen frisch en opgeruimd naar zijn kamer, die hij achter zich dichtsloot.

Charly had niet het minste vermoeden, dat Lister tien minuten later in een donkerblauw zeemanspak met een kapiteinspet met gouden rand op het hoofd en een mantel van grijs laken over den arm, daardoor zelfs voor zijn vriend onkenbaar, het huis verliet, een rijtuig dat juist voorbijreed aanhield, en den koetsier gebood, naar de aanlegplaats der stoomboot aan het Strand W. C. te rijden.

[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

Charly’s streken in zijn vrijen tijd.

Charly had de banknoten met genoegen in zijn zak geborgen en een nieuwe sigaret aangestoken.

Hij had niet veel lust om zich volgens Listers voorstel in zijn vrijen tijd te amuseeren, hoewel hij zich vreeselijk verveelde. Doch zijn zucht naar avonturen liet hem geen rust, en bij al de vereering voor zijn vriend, dien hij verafgoodde, was hij toch aan den anderen kant in alle onschuld niet weinig jaloersch op diens succes en hij verlangde er vurig naar, om zijn heer en meester door een welgeslaagde onderneming te verrassen en zijn waardeering te verdienen.

Hij liep nu onrustig het vertrek op en neer en plotseling [10]begon hij hardop te lachen en slaakte een vreugdekreet. Hij viel in zijn stoel neer, sloeg op de tafel en stampte van pleizier op den grond, als een Duitsch student, wanneer hij met een zijner professoren een bijzondere grap wil uithalen.

„Hoe is het mogelijk! Dat iemand dat niet onmiddellijk invalt! En het moet dadelijk ten uitvoer worden gebracht! Lister zal verwonderd zijn, dat ik op zulk een idee ben gekomen!”

In een oogenblik had hij zijn haar in het midden gescheiden en met pomade ingesmeerd en uit zijn kast een donker kostuum genomen, dat hem het voorkomen gaf van een klerk, die vijf pond maandelijks verdient. Hij streek met een penseel wat blanketsel op zijn wangen. Vervolgens kreeg hij een fatsoenlijk uitziend vilt hoedje en legde het pak van Lister in een zwarten koffer, die nog groot genoeg was voor verscheiden dergelijke pakken.

Daarna sloot hij alles goed dicht en sloop met zijn koffer het huis uit.

Ieder, die hem ontmoette, moest denken dat deze jonge man met zijn fatsoenlijk uiterlijk een koffer met monsters bij zich had.

Hij stapte in een auto, hetgeen met zijn bescheiden uiterlijk niet goed overeenkwam en betaalde vooruit. Na een korten rit was hij aan het opgegeven adres Stephensonstreet W. C. aangekomen.

Voor een der smalle, hooge huizen prijkte het bijna onleesbare naambord van den koopman in oude kleeren Peter Dirksen.

Charly scheen hier zeer goed bekend te zijn. Hij liep door een smalle gang en klopte aan de achterste deur links.

Weldra werd een klepje opzij geschoven en voor de nu zichtbaar geworden opening verscheen een oog, dat den bezoeker eerst nauwkeurig opnam. Daar dit onderzoek naar wensch scheen te zijn uitgevallen, werd het klepje weer gesloten, weldra werd de deur geopend en een gelaat als van een roofvogel keek naar buiten.

Dit was Peter Dirksen in eigen persoon, die nu als een roofvogel krijschte, want hij leed aan een erge in het hoofd.

Eerst nadat het eenige malen was herhaald kwam men tot de overtuiging, dat dit wonderlijke gekrijsch eenige gelijkenis had met „kom binnen”.

Charly, die een goede klant van Mr. Dirksen was, scheen aan zijn stem gewend te zijn, want hij antwoordde onmiddellijk: „zeer goed!” en ging achter den koopman om in het magazijn, waar achter een zeer primitieve toonbank aan kapstokken en spijkers een rijke keuze van gedragen heerenkleederen van alle mogelijke soorten hing.

Charly glimlachte van pleizier, toen de oude, anders zeer scherpzinnige koopman, hem als een nieuwen klant behandelde.

„Wat wenscht gij, mijn waarde heer?—De keuze bij den ouden Dirksen is zoo als u ziet, ondanks de slechte tijden, zeer rijk! Ik ben er zeker van, dat ik al uw wenschen naar genoegen kan vervullen!”

Charly lachte.

„Dat is nog de vraag, Mr. Dirksen. Ik heb namelijk een zeer bijzonderen wensch.”

„Noem hem, als het u belieft, wat is het? U zult naar wensch en zeer goedkoop bediend worden.”

„Welnu, Mr. Dirksen. Hoor mij eens aan. Wij hebben op onze club een gemaskerd bal. Nu zou ik gaarne een echt landlooperscostuum willen hebben! Kunt u mij dat verschaffen?”

Dirksen kneep het linkeroog dicht, wat hij altijd uit gewoonte deed wanneer hij over iets nadacht.

„Wat is een landlooperscostuum? Dat kon men immers van iedere andere kleeding maken! Doch hier heb ik juist het gewenschte, dat heeft men reeds bij een dergelijk feest gedragen!”

Met groote behendigheid klauterde hij op een ladder en nam een doos van een plank, die hij Charly voorlegde.

„Ik verzeker u, mijn beste jonge man, dat dit het mooiste costuum is, dat ooit een landlooper heeft gedragen!”

Charly wreef zich in de handen en ontvouwde het kleedingstuk, dat vol gaten en overal versteld was en waarbij ook kousen, versleten schoenen, een gelapt hemd, roode halsdoek en een vilten hoed behoorden, die hij nauwelijks durfde aanraken.

„Dat is juist wat ik verlangde!” riep Charly verrukt uit. „Wat kost dat grapje, Mr. Dirksen?”

De koopman, die de tevredenheid van den nieuwen klant ook in rekening bracht, krabde zich in zijn dik grijs haar en sprak:

„U kunt zelf wel begrijpen, wat een moeilijke zaak het was, dit echte costuum machtig te worden! Betaal mij den schandelijk lagen prijs van negen shilling en het is uw eigendom.”

„Duivels, zooveel, voor die vodden? Goeden dag, Mr. Dirksen! Wanneer ge mij het vel over de ooren wilt trekken, ga ik eenvoudig naar uw concurrent aan de overzij.” [11]

„Dat zult u niet doen, jongmensch!

„Mijn hemel, dan was ik een geruïneerd man!

„Komaan, neem de rommel voor acht shilling!”

„Neen, Peter, dat betaal ik niet! De duivel zal mij halen, wanneer ik meer dan vier shilling geef en dat is reeds veel!”

De koopman hield met beide handen zijn hoofd vast en jammerde en schreeuwde verschrikkelijk. Toen hij echter zag, dat Charly daar niets om gaf, doch onverbiddelijk bleef, riep hij op eens zeer vriendelijk uit:

„Och, och, wat is de jonge heer een geslepen koopman!—neem het dan maar voor vier shilling!”

„Kijk nu eens aan, Mr. Dirksen. Zoo bevalt ge mij!”

Hij betaalde de vier shilling, rolde den rommel zoo klein mogelijk te zamen, en legde het in zijn koffer.

Toen stak hij de handen in de broekzakken en begon te lachen.

„Vertel mij eens, Mr. Dirksen, kunnen wij niet meer zaken doen? Ik heb veel klanten! Hoeveel provisie wilt gij mij afstaan? Dan verkoop ik een massa voor u!”

„Heb ik niet dadelijk gedacht, dat de jonge heer een koopman uit een stuk is!—ik zal u 25 procent toestaan, wanneer u mij eerst een kleinen borgtocht geeft.”

„Van 25 procent kan geen sprake zijn, Mr. Dirksen! Over een borgtocht kunnen wij later spreken. Doch 33½ procent is het minste!”

Peter Dirksen was voor rede vatbaar.

Voorloopig werd echter overeengekomen, dat Charly, of liever Mr. Edgar Smith, Mr. Dirksen persoonlijk de klanten zou aanwijzen, zoodat men van een borgtocht zou afzien.

Charly pakte een pakje adreskaarten der firma Peter Dirksen in zijn koffer en kreeg toen op naam van Edgar Smith een legitimatiekaart als reiziger voor de firma.

De oude koopman stelde nu het grootste vertrouwen in zijn nieuwen reiziger, zonder te vermoeden, dat hij voor de vier shilling van den geslepen Charly er terdege was ingeloopen. Het was dezen alleen om het legitimatiebewijs te doen geweest. Dirksen zag echter zijn reiziger Mr. Smith nooit weer terug, hoewel hij nog dikwijls een bezoek van zijn klant Charly Brand kreeg.

Nadat Charly den koopman in oude kleeren had verlaten, kocht hij nog in een parfumeriezaak eenige stiften blanketsel en poeder, en in een kapperswinkel verscheidene pruiken en baarden, die hij allen liet inpakken. Nu had hij ten minste een tamelijk vollen koffer met monsters bij zich.

Met het onschuldigste gelaat van de wereld liep nu de bescheiden jonge reiziger door de straten, totdat hij een leeg rijtuig gewaar werd, dat hij aanriep.

Spoedig werd hij het met den koetsier eens, te meer, daar hij vooruit betaalde en zelfs nog een flinke fooi gaf. Toen Charly echter het doel van zijn reis bekend maakte, keek de koetsier hem ter sluiks met een wantrouwenden blik aan, sprong toen zoo snel mogelijk op den bok en spoorde de paarden aan tot een buitengewone snelheid.

Charly reed nu, glimlachend om den ijver van den koetsier, snel heen.

[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Verveling te Scotland Yard.

In de vertrekken van Scotland Yard, het hoofdkwartier van de Londensche politie, heerschte in dezen tijd een buitengewone kalmte en behaaglijke rust.

Behalve eenige onbeduidende zaken en verscheidene kleine diefstallen, die in een millioenenstad zooals Londen dagelijks voorkomen, had geen zaak van diep ingrijpenden aard den speurzin der detectives van Scotland Yard opgewekt.

De commissaris van politie Baxter en zijn ondergeschikten hadden zeer gemakkelijke dagen gehad of hadden die ten minste kunnen hebben, wanneer Baxter er niet op had aangedrongen om het kantoorwerk zooveel mogelijk af te maken.

De commissaris van politie liep, met zijn pijpje in den mond, behagelijk in zijn „heiligdom” op en neer, terwijl de detective Marholm, de met recht beroemde „vloo”, met verbeten woede in de documenten bladerde waaraan hij moest werken, en in het dagboek met een [12]krassende pen zijn nieuwe aanteekeningen opschreef.

„Hoor eens,” sprak Baxter, zonder zijn wandeling door de kamer te staken, „vindt ge ook niet, Marholm, dat die vervloekte Raffles, die ons vroeger ten minste eenmaal per dag handen vol werk gaf, tegenwoordig zeer weinig van zich laat hooren?”

„Ja, kapitein, nu ge er zelf over begint, ben ik het volkomen met u eens! Het is om wanhopig te worden van verveling, nu Raffles zich, volgens alle waarschijnlijkheid, rustig houdt! Hopenlijk laat hij weer recht spoedig iets van zich hooren!”

Baxter bleef voor zijn ondergeschikte staan.

De „vloo” trok de schouders op.

„Vervelend vindt ge dat, Marholm?” vroeg Baxter verwonderd.

„Ik voelde mij nog nimmer zoo behagelijk, zoo aangenaam te moede als nu! Eindelijk heeft men dan toch eens rust van dien vervloekten kerel, die het er bepaald op gemunt scheen te hebben om mij door zijn gemeene streken, het eeuwigdurende telefoneeren en telegrafeeren mijn goeden naam te doen verliezen!”

De vloo had zijn chef rustig aangehoord en begon nu hartelijk te lachen.

„En daarbij gevoelt gij u behagelijk, kapitein?”

„Hoor eens, Marholm! Ge zoudt een zeer gezellig mensch zijn, wanneer ge niet altijd zonder reden lachtet. Kunt ge u dat niet afwennen? Dat maakt iemand uiterst zenuwachtig!”

„Ach mijn hemel, inspecteur, wanneer Londen eens wist, dat de chef van den veiligheidsdienst zenuwen had! Dan zou er nog anders worden gelachen, en zou het mijne als het gilletje van een bakvischje klinken!”

De chef knikte minzaam bij dit zonderlinge vergelijk en luisterde in een aangename stemming naar Marholms opmerking.

„Waarom zou ik mij niet behagelijk voelen, jij dikke vloo?” ging hij voort en klopte Marholm vriendelijk op den rug. „Ik geloof namelijk, dat ik mij niet vergis door te veronderstellen, dat wij voortaan gespaard zullen blijven voor de onaangenaamheden, die ons deze vervloekte Raffles heeft veroorzaakt!”

Marholm sprong achteruit alsof hij een electrischen schok voelde. Hij schrok geweldig, en ontsteld keek hij zijn chef aan. Zou het mogelijk zijn, dat hij Baxter toch te gering had geschat. Zou deze in stilte met eigen hand Raffles onschadelijk hebben gemaakt?

De vloo kreeg een hartklopping alleen bij deze gedachte. Doch een blik op het onbeduidende gelaat van den inspecteur van politie, die daar zoo wel behagelijk en tevreden voor hem stond, deed hem weer tot zich zelf komen. Hij zou Raffles hebben gevangen? Neen, dat kon Marholm niet gelooven!

„U hebt mij een grooten schrik aangejaagd, inspecteur!—Hoe, u hebt geheel alleen, achter mijn rug, onzen belangwekkenden vijand schaakmat gezet? Alle achting, inspecteur! doch vriendschappelijk kan ik zoo’n geheim van u niet vinden!”

„Schaakmat gezet? Wie zegt dat?” vroeg Baxter verwonderd.

„Op alle manier geloof ik, dat ik er het recht toe heb om te veronderstellen, dat de stilzwijgendheid van John C. Raffles, alias Lord Lister, van langen duur zal zijn. Na rijpelijk beraad ben ik tot de overtuiging gekomen, dat de edele Lord eindelijk zijn strijd met mij, waarvan de gevolgen vroeg of laat niet twijfelachtig konden zijn, heeft opgegeven.

„Ik geloof, dat ik hem zijn verdere streken te Londen onmogelijk heb gemaakt!

„Ik schrijf mij verder de verdienste toe, dezen gentleman-misdadiger tot inkeer te hebben gebracht en Londen eindelijk de lang ontbeerde rust te hebben teruggegeven, want gij zult zelf moeten toegeven, dat John Raffles nog nimmer zoo’n langen tijd heeft laten verloopen, zonder van zich te doen hooren.”

Zegevierend keek Baxter op zijn ondergeschikte neer. Deze was weer volkomen van zijn schrik hersteld. Hij was er nu van overtuigd, dat er voor de veronderstelling van den chef, die bijzonder met zich zelf was ingenomen, niet de minste reden bestond. Ja, de illusie, die Baxter zich schiep, verschafte hem een boosaardige vreugde.

„Zoo, zoo, inspecteur,” sprak hij spottend, „ik dacht reeds, dat gij Raffles achter mijn rug in het geheim hadt overwonnen en schaakmat gezet! Goddank, dat ik mij vergiste, want deze ontzettende verveling die hier heerscht zal toch niet eeuwig duren, er zal zich toch wel spoedig een belangwekkend geval voordoen, dat het de moeite waard maakt om detective te zijn!

„Zooals de dagen nu voorbijgaan, is zoo vervelend mogelijk!”

„Marholm, wat wilt ge daarmede zeggen? Zijt ge het niet met mij eens, dat ik Raffles den lust tot nieuwe streken heb benomen?”

De vloo wierp zijn pennehouder op zijn schrijftafel en rekte de armen uit.

„Onzin, inspecteur! Uw geheele gevolgtrekking is valsch! Hoe langer deze verdachte stilte duurt, des te zekerder zullen wij spoedig van een vermetelen truc van [13]Raffles te hooren krijgen. Dat was nog altijd bij dezen genialen kerel het geval.

„Wij bevinden ons, wanneer ik eenigszins over Raffles’ daden nadenk, in het laatste stadium van rust voor den storm, kapitein! Gelukkig, mag ik wel zeggen, want deze verveling maakt mij gek!”

„Welnu, Marholm! Ik blijf bij mijn opinie! Ge hebt nu eenmaal een zwak voor dezen man, dat weet ik reeds lang! Doch ge zult lang op verdere streken van hem kunnen wachten en zult u met minder belangwekkende detectivezaken moeten tevreden stellen!”

„Zooals nu: acten in het dagboek schrijven en zoo voorts!—Nu het is goed, inspecteur, dat wij den langsten tijd van stil zitten achter den rug hebben, want ik durf er zes flesschen Pommery onder te verwedden, dat binnen acht dagen Raffles weder een van zijn streken zal uithalen.”

Baxter begon medelijdend te lachen.

„Wanneer ge mij volstrekt op tien flesschen wilt tracteeren Marholm, zou ik een gek zijn, die niet aan te nemen!”

„Dus vandaag over acht dagen! Wat mij betreft; uitstekend!”

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt, en op het „binnen” van den chef verscheen de geheime politie-agent Teiler en overhandigde een kaartje.

Baxter draaide het om en om en keek vragend naar de „vloo”.

„Hebt ge misschien geld noodig, Marholm?”

„Ten allen tijde!” was het haastige antwoord.

„Ach, voor den donder! Laat iemand toch uitspreken! Hebt ge misschien een koopman besteld, om uw oude kleeren te verkoopen?”

De „vloo” grijnslachte.

„Besteld heb ik niemand, doch daar ik mijn weddenschap in elk geval verlies, zou het niet kwaad zijn, tijdig maatregelen te nemen! Wanneer iemand buiten is, laat hem dan maar binnen komen, kapitein! Dat is ten minste nog een kleine afleiding!”

„Peter Dirksen, gedragen kleeren enz.”, las Baxter op het kaartje.

„Ha zoo, Dirksen, die oude kerel uit de Stephensonstreet! Dien ken ik! Heeft ook costuums voor gemaskerde bals. Heeft al veel op zijn kerfstok, doch is altijd voorkomend!”

„Teiler, laat den ouden Dirksen binnenkomen!”

„Maar het is een jonge man, inspecteur!”

„Dat hindert niets, Teiler! Laat hem maar binnenkomen! Ik wil hooren, wat er van zijn dienst is!”

„Zeer goed, inspecteur!”

Teiler snelde naar buiten en liet spoedig Charly Brand binnen, die zich door zijn blanketsel en ander kapsel zoo goed als onkenbaar had gemaakt en die zijn koffer bij zich had.

Charly kwam vriendelijk lachend binnen, en boog onmiddellijk drie maal voor den inspecteur, en twee keer voor de „vloo”.

„Smith, mijne heeren, Edgar Smith, van de beroemde firma Peter Dirksen in koop en verkoop van tweedehands-kleeren, verkoop en verhuring van maskerade- en karnaval-costuums met toebehooren uit alle tijdperken, voor bijzonder lage prijzen!”

„Die heeft een aangename spraak, dat moet ik zeggen!” brak Baxter Charly’s woordenvloed af. „Zijt gij reeds langen tijd bij Mr. Dirksen, jongmensch?”

„Ach neen, mijnheer de inspecteur, eerst sedert vandaag! En daar dit mijn eerste optreden in de nieuwe betrekking is, zoo verzoek ik zeer vriendelijk om uw welwillende medewerking en voortdurende klandizie!”

Baxter begon te lachen.

„Kent gij mij?” vroeg hij.

Charly stak plechtig zijn rechterhand op alsof hij iets buitengewoon gewichtigs wilde beweren.

„Welke Londenaar zou den beroemden inspecteur van politie Baxter niet kennen, de ziel van den veiligheidsdienst van Londen?” riep hij vol geestdrift uit.

„Een nette man, niet waar?” vroeg Baxter aan Marholm.

„Ja, Mr. Smith, ik zou wel gaarne met u zaken willen doen, doch ik weet niet welke! U kunt met oude politieuniformen niets doen, en wat tweedehands kleeren betreft, die kan ik, zooals gij wel kunt denken, niet gebruiken!”

Charly toonde zich zeer verwonderd, hij kneep zijn rechteroog dicht en lachte:

„Natuurlijk, natuurlijk, heer inspecteur! Ik begrijp volkomen, niemand mag het weten, welk costuum gij voor uw geheime detective-gangen uitkiest, waarvan men in Londen elkander de zonderbaarste verhalen vertelt, als men van uw groot succes spreekt!

„Dat spreekt immers van zelf! Ik ben zoo stilzwijgend als het graf, geheimhouding is een zaak van eer!”

Baxter was opgetogen van blijdschap. Zoo werd er dus over hem gesproken. Zijn kunst om zich te vermommen werd besproken en daaraan schreef men zijn succes toe!

„Geheimhouding stel ik natuurlijk op den voorgrond! [14]Ook bij jou, Marholm,” sprak Baxter met verheffing van stem.

„Hebt gij misschien juist iets eigenaardigs, dat gij mij kunt voorleggen?—welke zaak is aan de orde, Marholm, waarvoor een vermomming noodig zou kunnen zijn?”

„Wacht eens chef!” antwoordde de aangesprokene. „Er is niet veel anders op het oogenblik. Misschien de nog altijd onopgehelderde stranding van de „Matchless”; men zou de reeders misschien op den tand kunnen voelen, zonder dat zij daar iets van bemerken!”

„Ik kan trouwens ook voor den moord in het „roode anker” voor uitvorsching een versleten Rowdycostuum gebruiken!”

„O, gentlemen!” roep Charly verrukt en klapte in de handen. „Wat treft dat! Ik heb u eigenlijk slechts monsters medegebracht, want onze monsterkeuze in tweedehands kleeren is zoo ontzaglijk groot, dat u geen bestelling kunt doen, die we niet onmiddellijk in staat zijn uit te voeren. Doch het geluk wil, dat mijn keus juist op twee costuums schijnt te zijn gevallen, zooals u ze wenschte!”

„Dat zou inderdaad prachtig zijn!” riep Baxter vergenoegd uit. Charly had reeds zijn koffer op tafel gezet en geopend.

De beide detectives kwamen naderbij en bekeken den inhoud met veel belangstelling.

„Hier heb ik namelijk een eigenaardig costuum, dat een eenigszins excentrieken, ouden uitvinder voorstelt; wanneer gij een cargadoorsfirma, zonder in verdenking te komen, wilt opzoeken, zou het inderdaad zeer practisch zijn om er als uitvinder heen te gaan en de firma een nieuw patent voor den scheepsbouw aan te bieden!”

Charly had gedurende dit, met groote welsprekendheid gedane verhaal Listers pak voor den dag gehaald en open gemaakt.

Hij ontvouwde de oude grijze overjas en toonde hun beiden den daarbij behoorenden cylinderhoed en de grijze krullen.

„Uitstekend, prachtig!” riep Baxter vol geestdrift uit. „Een fameus idee! wat zegt gij er van Marholm? De overjas neem ik onvoorwaardelijk, Mr. Smith! Die komt mij prachtig te pas!”

Charly straalde van vreugde.

„Het is mij een eer en een goed voorteeken, hooggeachte heer inspecteur, om mijn eersten handel in mijn nieuwe betrekking met u te doen. Ik zal u het geheele costuum met toebehoorende pruik, blanketsel, in één woord alles, voor slechts twee pond geven!”

„En dat noemt gij goedkoop?”

„Op mijn eerewoord, zoo goedkoop mogelijk!” beweerde Charly. „Reeds de grijze pruik alleen is meer waard, en alles past zoo goed bij elkander! De overjas zal u trouwens uitstekend passen!”

„Nu hier, jongmensch!” sprak Baxter minzaam en gaf hem twee goudstukken, die natuurlijk voor kosten van de politie kwamen.

„O, duizendmaal dank, mijnheer de inspecteur!” sprak Charly met een eerbiedige buiging en stak het geld met inwendige vreugde in den zak, natuurlijk niet om het geld, doch om het slagen van zijn plan.

Charly bracht het zoo ver, dat hij het costuum van een landlooper met drie shilling winst aan den voorzichtigen „vloo” verkocht. Hij werd ook nog daarenboven zijn gezamenlijke baarden en pruiken kwijt.

Hij wilde zich juist, innerlijk zeer tevreden en onder levendige dankbetuigingen van de beide heeren van Scotland Yard verwijderen, toen de achterhoudende „vloo” eensklaps uitriep:

„Wacht nog een oogenblik Mr. Smith!”

„Wat wilt ge dan nog, Marholm?” vroeg Baxter verwonderd.

„Wij veronderstellen, jongmensch, dat al deze voorwerpen, die wij zooeven van u kochten, eerlijk in uw bezit kwamen, en dat ge niet zoo brutaal zult zijn geweest op Scotland Yard met gestolen kleeren te durven aankomen!”

„Ach, loop toch heen, Marholm!” viel Baxter hem in de rede. „Wat denk je van dat jonge mensch! Zoo’n brutaliteit zou immers ongehoord zijn!”

„Och, laat mij mijn gang toch gaan, inspecteur!”

„Hier is immers de kaart met den naam van Peter Dirksen!” antwoordde deze.

„Die krijgt elke kooper en verkooper. Dat bewijst niets, kapitein! Gij weet dus absoluut niet, of deze jongeman de waarheid sprak of niet?”

„Nu ja, gij hebt gelijk! En— —”

„En, geachte chef, wij moeten toch werkelijk op onze hoede zijn, opdat wij ons niet driedubbel blameeren! Denkt maar aan Raffles, kapitein. Of wilt gij tot elken prijs uw weddenschap verliezen?”

„Drommels Marholm, gij hebt toch gelijk! Uw voorzichtigheid is zeer gegrond, maar mijn meening kunt gij niet wijzigen! Gij hebt immers een legitimatie, jonge man?”

„Natuurlijk, mijnheer de inspecteur!” [15]

Charly greep in zijn borstzak en overhandigde den inspecteur van politie de door Peter Dirksen onderteekende kaart.

Baxter las deze met een tevreden hoofdknikje en gaf ze ook aan de vloo om er inzage van te nemen.

„Dat klopt dus!” bromde deze eenigszins teleurgesteld. „Zal ik telefoneeren?”

„Och, dat is onnoodig, Marholm! Dus, Mr. Smith, laat u bij gelegenheid eens weer zien, als gij iets geschikts hebt!”

Charly boog en verzocht om de gunst en om mededeeling van eventueele wenschen, die hij steeds zoo snel mogelijk zou vervullen.

Toen hij buiten was en uit het gezicht van Scotland Yard, danste hij van plezier, dat de zaak hem zoo uitstekend was gelukt.

Hij wenschte zichzelf geluk, op de gedachte te zijn gekomen, om zich door Mr. Dirksen het legitimatiebewijs te hebben laten geven, want anders had de zaak weleens slecht voor hem kunnen afloopen.

[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

Politie-inspecteur Baxter op het oorlogspad.

Charly was den volgenden morgen nog met zijn toilet bezig, waarbij hij van zijn heerlijke mocca genoot, toen Lister, reeds in keurige, elegante zeemanskleeding gestoken, bij hem binnentrad.

„Ik moet toch eens even naar je komen kijken, mijn jongen!—Goeden morgen!” sprak hij, hem de hand drukkend.

„Ik moet echter dadelijk weer weg, daar ik nog een laatsten proeftocht wil doen met mijn motorboot „Dolfijn”, voordat ik die goed en wel overneem!—

„En jij, Charly? Nu, vertel eens, kerel, wat heb je gedurende mijn afwezigheid gedaan?”

Charly zette een grappig verlegen gezicht, hoewel Lister’s op schertsenden toon uitgesproken verdenking, een andere uitwerking had dan de bedoeling was.

Maar Charly had een slecht geweten vanwege de poets, die hij op zijn eigen houtje kapitein Baxter had gebakken.

Hij krabde zich tamelijk verlegen achter het oor.

„Het zou eigenlijk een verrassing voor je zijn, Lister,” begon hij aarzelend.

„Ook gij, mijn zoon Brutus?” viel de Lord hem in de rede. „Twee zielen en één gedachte!

„Nu, dan zal ik wachten, maar ik ben zeer nieuwsgierig, wat er voor den dag zal komen.”

„Ja, ik weet zelf ook niet goed, wat er de gevolgen van zullen zijn en vooral niet, wat jij ervan zult zeggen!

„Eigenlijk is het maar beter om je klaren wijn te schenken. Zeg, Lister, ik heb je prachtig Grandisoncostuum aan den man gebracht!”

Lister was verbluft en dat gebeurde hem niet dikwijls.

Hij staarde zijn vriend Charly met open mond aan.

Daarop lachte hij hartelijk en greep den misdadiger bij het oor.

„Maar ik had je toch wel een klein zakgeld gegeven? Als je meer noodig hebt, hadt je het immers maar voor het zeggen.”

Hij greep in zijn borstzak om zijn vriend opnieuw van geld te voorzien.

Maar Charly legde hem de hand op den arm.

„Wat denk je, Edward?—Ik heb het geld immers nog allemaal! Neen, ik wilde ook eens zelf iets doen, want ik vergelijk mijzelf altijd bij het vijfde rad aan den wagen, als je de wereld verbaasd doet staan door je vernuft.…

„Wien denk je wel, dat ik het origineele costuum heb verkocht?”

„Hoe kan ik dat weten, Charly! Er wonen hier in Londen tal van personen, die iets dergelijks graag koopen! Misschien aan je specialen handelsvriend Peter Dirksen, heet hij zoo niet?”

„Nu vergis je je toch!—Maar je zult niet boos zijn, Edward, wel?—Ik ben bang, dat ik een domheid [16]heb begaan en weet nog niet, wat de gevolgen zullen zijn!”

„Nu, voor den dag er mee, Charly! Wij zullen het wel weer in orde brengen. Ik heb geen flauw vermoeden, wie het kan zijn. Vertel eens!”

„Nu ja, je zoudt het niet gemakkelijk raden!—De gelukkige eigenaar van je Grandisoncostuum is namelijk— — — —mijnheer de inspecteur van politie Baxter in eigen persoon! De rest kan je wel denken!”

„Charly, een stoel!” riep Lister, „anders val ik flauw!”

Nadat de misdadiger het gewenschte had gegeven, liet Lister zich in den stoel neervallen en sloeg de handen boven het hoofd samen.

„Charly! Charly!—Jij haalt werkelijk mooie dingen uit.—Als ik mij Baxter voorstel in dat costuum met de grijze haren bij zijn dikke, roode wangen en stierennek, dan— — —!”

Hij lachte hartelijk en vervolgde:

„Eigenlijk is je idee nog niet zoo slecht, al komt het nu ook een beetje ongelegen …”

„O, Goddank!” riep Charly, hem in de rede vallend. „Ik was al op een ellenlange boetpredicatie voorbereid.”

„Hoe je dat hebt klaargespeeld—ik wensch je intusschen geluk met het welslagen der onderneming—kan je mij later vertellen! Wij hebben namelijk geen tijd over, want wij moeten ervoor zorgen, dat Baxter niets overkomt.

„Ik hoop, dat je hem niets hebt verteld van Spotson en Matchless! Want als hij na mij bij die heeren kwam, zou hij een moeilijk kwartiertje beleven. Die twee verstaan geen gekheid.”

„Hij begon echter zelf over deze zaak, of liever de vloo wees hem erop! Hij zal bepaald heden den reeder zijn opwachting maken!”

„Daar hebben wij het geval, Charly, dat jij hebt uitgelokt.—Maar in vollen ernst, wij mogen Baxter niet in den steek laten! Zonder hem zou ons leven lang zoo prettig niet zijn. Als wij hem in verlegenheid brengen, moeten wij er hem ook weer uithelpen, als wij tenminste als gentlemen willen handelen!”

„Dat ben ik volkomen met je eens!” riep Charly vol vuur. „Ik zal je helpen. Zeg mij maar, wat ik te doen heb!”

Lister stak een fijne sigaar op en gebood op grappige wijze met een handbeweging stil te zwijgen.

Hij blies dikke, blauwe rookwolken voor zich uit en keek een poosje naar het fraai beschilderde plafond van de kamer.

„Zoo zal het gaan.—Ik verkort de proefvaart zooveel mogelijk en blijf vanaf twee uur stroomafwaarts, of ga voor anker liggen bij het bootenstation aan het „Strand” bij Moultons bar.

„Jij trekt een sportcostuum aan, evenals ik, een jachtclubpakje, daaroverheen een elegante groom-livrei, die je, zoo noodig, gemakkelijk uit kunt trekken.

„Ik geef je twee brieven van een voorgewenden Lord Littleham met informaties omtrent stoombootverbindingen.

„In den tweeden brief is de edele Lord op een ander idee gekomen.

„Terwijl jij telkens op antwoord wacht, kijk je rond, of Baxter er al is en of hij in gevaar verkeert.

„Den eersten keer ga je niet naar voren in het kantoor, maar per abuis naar achteren, opent eerst de laatste deur in het midden en biedt je verontschuldigingen aan.

„Het venster hier kijkt uit op de Theems en op de dokken der firma. Hier zal ik twee of drie jongens aanstellen, die daar voortdurend rondkijken en die gaarne een paar stuivers willen verdienen.

„Daarna open je de volgende deur links evenzoo. Als men je ter verantwoording roept, moet je zeggen, dat je Lord je op het hart heeft gedrukt om den brief persoonlijk aan Mr. Spotson ter hand te stellen.

„Den volgenden keer doe je echter weer precies hetzelfde, want in die kamer zal men den inspecteur van politie brengen.”

Lister nam onmiddellijk, terwijl Charly vol ijver aan het werk ging om zich volgens voorschrift van zijn meester te kleeden, een paar vellen papier met zijn initialen en schreef de weinige regels, die hij als Lord Littleham onderteekende.

Daarna schoof hij ze in erbij passende, deftige couverts, die hij open liet, nadat hij ze had voorzien van het adres aan de reeders.

„Uitstekend!” riep hij uit, toen Charly binnenkwam, in zijn nauwsluitende, donkerbruine groom livrei, met het kleine bruine petje op het hoofd.

„Men zou dien Lord Littleham zijn knappen groom bijna benijden!—

„Ik heb de brieven open gelaten, opdat je je niet vergist. Voordat je ze afgeeft, sluit je ze natuurlijk.—Nu, doe je zaken goed en stuur mij onmiddellijk bericht, als— —het noodig is!”

Voor de deur namen zij afscheid. [17]

Charly sprong in een voorbijrijdende, leege cab. Lister snelde naar de halte van de electrische tram en reed weg in tegenovergestelde richting.


„Nu, Marholm, wat zeg je ervan? Hoe zie ik er uit?” vroeg dienzelfden middag de inspecteur van politie, die, gekleed in het pas verkregen Grandisoncostuum, het bureau binnentrad.

De vloo barstte in een luiden schaterlach uit.

„Neem mij niet kwalijk, inspecteur!” antwoordde hij. „Maar als gij er niet uitziet als een grijsaard uit de tijden vóór den zondvloed, mag ik Bob heeten! Als gij niet een beetje te dik waart, zoudt gij kunnen doorgaan voor een verloopen uitvinder! Zoo echter gelijkt gij meer op een welgedaan, oud professor, wien zijn broek een beetje te nauw is geworden.”

„Dat hindert niets. Een uitvinder let niet op zijn uiterlijk, ook niet al brengen zijn patenten hem tienduizenden op.—Hoe is het met de schmink—kan men die zien? Ik wil er niet te rood uitzien!”

Marholm stond op en hielp met zijn zakdoek en eenige der gekochte stiften verf, om het gelaat iets bleeker en holler te maken. Het was hem echter niet mogelijk, den dikken Baxter magerder te doen schijnen.

„Zoo, ik denk, dat uw vermomming nu uitstekend is, kapitein! De duivel moge u herkennen. Nu kunt gij den reeder getroost aan den tand voelen.”

„Dat zullen wij wel klaarspelen,” antwoordde Baxter, zich fier oprichtend. „Ik zal hem het vuur aan de schenen leggen, voordat hij eraan denkt. Als hij zich ook maar met een enkel woord verraadt, arresteer ik hem op grond van massamoord en bedrog met voorbedachten rade.”

„Maar wees voorzichtig, inspecteur! Wij verdenken nog maar alleen en hebben geen enkel bewijs. De man kan ook onschuldig zijn.”

Baxter haalde de schouders op.

„Gij hebt in ’t geheel geen politieneus, Marholm. Zooiets moet men ruiken. Onschuldig! Neen, man, dat kan je mij niet wijsmaken.”

„Best, inspecteur! Het gaat mij ook eigenlijk niet aan. Gij alleen draagt de verantwoording. Maar, wat ik zeggen wilde, zult gij alleen gaan? Wilt gij niet eenige beambten incognito in de buurt houden? Zal ik niet zelf in den omtrek blijven om u in geval van nood bij te springen?”

„Ik geloof, dat gij niet goed snik zijt, Marholm. Of is het een flauwe aardigheid? Als een groot uitvinder, zooals ik, die met alle Europeesche scheepstimmerwerven in verbinding staat, de firma Spotson mijn nieuw patent aanbiedt, dan is dat een groote eer voor die firma!

„Ik zal den reeder de voordeelen van mijn nieuwe uitvinding uiteenzetten—ik heb er gisternacht op zitten studeeren—en hij zal mij zeggen, of hij er belang in stelt of niet.

„Daarbij zal ik dan over het ongeluk van de Matchless gaan spreken en mijn gevolgtrekkingen maken.”

De vloo kneep zijn linkeroog dicht.

„Als dat maar zoo vredig in zijn werk gaat! Maar in allen ernst, uw plan is overigens niet slecht, inspecteur. Hoe heet uw nieuwe patent, hooggeachte uitvinder?”

„Ik heb mij letterlijk de hersens gebroken om een goed woord te vinden en een groot vel papier volgekrabbeld. Het best leek mij nog de benaming: „Antishipwreck-systeem.”

„Drommels! Dat klinkt geleerd, inspecteur, mijnheer de ingenieur, wou ik zeggen. Met zulk een uitvinding moet gij binnen een jaar milliardair zijn. Met kleinigheden houdt gij u, naar het schijnt, niet bezig.”.

„Hohohoho!” lachte de voorgewende uitvinder gevleid.

„Dank u voor uw gunstig oordeel, Sir! Wees ervan overtuigd, dat ik ook u niet zal vergeten, als de zaak succes heeft. Dan kunt gij mijn bureauchef worden.

„Zoudt gij met een maandelijksch inkomen van 100 pond tevreden zijn?”

De vloo lachte luidkeels. „Dat zou mij uitstekend te pas komen, mijnheer de ingenieur! Eerst echter, hoop ik, als detective met hart en ziel, dat mijn chef, de inspecteur van politie Baxter, mij een flinke toelage zal bezorgen, wanneer hij de oneerlijke reeders in het nauw heeft gebracht en zoodra hij tevens met John Raffles heeft afgerekend. En dan blijf ik liever, waar ik ben.”

„Dat van Raffles, Marholm, dat hadt je niet moeten zeggen. Dat bederft mijn stemming geheel en al en gij waart anders zoo aardig en geestig.

„Doch wacht maar, ik zal ook Raffles nog weleens een beentje lichten!”

„Daar wacht ik al lang genoeg op, inspecteur. Tot dusverre heeft hij u nog altijd een beentje gelicht, om bij uw schoone beeldspraak te blijven. En luister eens, ik vermoed zoo vaag, dat zich dit weleens heel spoedig [18]zou kunnen herhalen, daar zijn lang stilzwijgen mij verdacht voorkomt.”

„Je bent krankzinnig, Marholm! Jou ontbreekt elke aanleg om logisch te kunnen denken. Wat ter wereld heeft Raffles te maken met de reedersfirma?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde de vloo schouderophalend. „Het zou mij echter verbazen, als hij zich niet juist voor dit geval interesseerde. Het was maar een opkomende gedachte— —!”

„Natuurlijk! Ik begrijp het—alleen om mij te ergeren! Het komt er niets op aan, Marholm! Over korter of langer tijd zal hij mij toch in handen vallen!

„Maar wij praten hier veel te lang. Ik zal nu eens als hoofdingenieur en uitvinder van het wereldberoemde „Antishipwreck-systeem” deze nietswaardige reedersfirma uithooren. Bonjour, Marholm! Die kerels zullen wij wel krijgen!”

„Dat hoop ik voor u, inspecteur! Maar misschien is de zaak bij Spotson evenals bij Raffles, moeilijker voor u dan gij denkt.”

„Gij oude ongeluksprofeet! Gij zult u nog groen en geel ergeren over mijn succes als detective, gij oude uil!—Uil moest men je noemen en niet vloo! Begrepen?!”

Baxter lachte daverend om zijn geestigheid en wierp met een slag de deur achter zich dicht.— — —

Toen Baxter een half uur later op het punt was, de stoep op te gaan voor het huis der reedersfirma, gekleed in het Grandisoncostuum van Lister, dat Charly hem op zoo sluwe wijze op den hals had geschoven, vroeg een bedelaar in armzalige lompen gehuld, hem op deemoedigen toon om een aalmoes.

Hij zou bepaald zeer verbaasd zijn geweest, als hij de woorden had gehoord, waarmede deze de ontvangen geldstukjes in zijn zak stak

„Een mooie detective. De almachtige chef heeft mij niet eens herkend en hij heeft er gisteren toch bijgestaan, toen ik deze bedelaarskleeren kocht.”

Maar de beroemde uitvinder was het huis reeds binnengegaan, toen de vloo deze woorden met een heimelijk lachje bij zichzelf mompelde.

[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Ongehoorde verrassingen in het leven van een detective.

Toen Baxter, geheel in zijn rol en vol waardigheid, de treden der stoep was opgegaan en in de gang rondkeek, werd de kantoordeur geopend en een jonge man, gekleed in de bruine livrei van een groom, met het daarbij passende kleine mutsje op het hoofd, kwam met een brief in de hand naar buiten.

Toen hij de indrukwekkende gestalte en het door grijze haren omringd gelaat onder den ouden cylinder gewaar werd, speelde een bijna onmerkbaar glimlachje om zijn mond. Daarop echter ging hij met een bescheiden gelaatsuitdrukking voorbij, zooals dat den goed opgevoeden groom uit een aristocratisch huis betaamt.

Maar de oude heer hield hem staande.

„Zeg eens, groom! Is dat daar het kantoor der heeren Spotson? Kan men den chef der firma misschien te spreken krijgen? Weet gij ook of hij aanwezig is?”

Charly—want hij was het—bleef beleefd staan en nam zijn bruin jockeypetje af.

„All right, Sir!” antwoordde hij voorkomend, terwijl hij naar de deur wees, waaruit hij gekomen was.

„Dat is het kantoor, zooals gij kunt lezen! Voor zoover ik weet, is de chef aanwezig! Of hij u zal ontvangen, kan ik niet zeggen. Dat moet gij zelf zien.”

„Wat? Jij onbeschaamde jonge vlegel?! Is dat de manier, waarop fijne bedienden beleefde vragen beantwoorden?!”

Baxter hief zijn hand op om den brutalen groom een oorvijg te geven. Voordat hij deze kastijding echter had kunnen toedienen, hoorde men een klappend geluid en mijnheer de politie-inspecteur had in zijn drift weer eens aan het kortste eind getrokken en hield zijn [19]hand aan de pijnlijke, onnatuurlijk roode wang.

De brutale booswicht echter was reeds lang verdwenen.

„Zoo’n schandelijke kwajongen! Het is bijna niet te gelooven! En dat wil groom zijn in een voornaam huis! Als ik zijn meester kende, zou ik eens een boekje over dien brutalen aap opendoen!”

Mopperend en zeer ontstemd wendde kapitein Baxter zich naar de deur, waarop duidelijk het woord „kantoor” en daaronder de naam der reedersfirma in kleinere letter te lezen stond.

Een vloek mompelend, klopte de groote uitvinder aan de deur.

„Binnen!”

Toen de welgedane gestalte in de oude kleeren den drempel overschreed, hielden de ijverige pennen der negen klerken als op commando op te krassen en de procuratiehouder zelf begroette hem met een gelaat waarop vroolijkheid te lezen stond.

Hij stond op en nam den vreemdeling met onderzoekenden blik op. Op zijn gelaat lag grenzenlooze verbazing te lezen.

Was het mogelijk, vergiste hij zich of speelde zijn geheugen hem parten?

Kon deze vierkant gebouwde man met den stierennek een en dezelfde persoon zijn de magere Mr. Grandison, wien hetzelfde costuum precies had gepast?

Zijn oogen bleven met een starende uitdrukking op Baxter rusten.

Dat moest, ondanks alle gelijkenis, een bedrieger zijn, misschien zelfs had hij den goeden, ouden man om het leven gebracht en zich diens bezittingen toegeëigend!

De procuratiehouder besefte, welke verantwoordelijkheid hij droeg en besloot, den aanwezigen chef van te voren in te lichten en hem aan te raden, de politie te laten halen.

„Ah, zeer verheugd, Mr. Grandison, u weer te zien! Gij ziet er heden uitstekend uit. Gij wenscht zeker, den chef te spreken?”

De kapitein keek den procuratiehouder met open mond aan. Hij was zoo verrast en verbluft, hier in zijn vermomming reeds bekend te zijn en zelfs te worden toegesproken met een hem onbekenden naam, dat hij sprakeloos was en zijn zoo goed ingestudeerde les als groot uitvinder geheel was vergeten.

Bijna had hij uitgeroepen: domkop, nonsens dat Grandison! Ik ben de inspecteur van politie Baxter en kom hier om de Matchlesszaak te onderzoeken.

Maar plotseling meende hij het grijnslachende gelaat van de vloo voor zich te zien en zijn spottende woorden te hooren: Gij zijt verbazend knap in de kunst om u te vermommen. Een prachtige detective, om zoo met de deur in huis te vallen.

Deze gedachten en nog vele andere schoten in een oogenblik door zijn brein en het was merkwaardig, maar de gedachte aan de vloo gaf hem zijn vastberadenheid terug.

Onwillekeurig wreef hij met de mouw van zijn jas over zijn versleten cylinder en daarbij overlegde hij, dat het toch maar het beste zou zijn, als hij zich den naam, waarmee de procuratiehouder hem toesprak, toeëigende, opdat deze hem bij den reeder kon aandienen.

Hij kon zijn masker dan naar eigen goedvinden elk oogenblik laten vallen.

„Ik bied u mijn verontschuldiging aan, Sir! Een uitvinder zooals ik ben, gaan zooveel gedachten door het hoofd en voor een zoo gewichtige bespreking—gij begrijpt mij—!”

„Zeker, zeker! Dat hindert niets, Mr. Grandison, dat hindert niets! Maar mag ik vragen, om welke zaak het handelt?”

„Waarom niet, waarde heer! De naam zal u verder niets van mijn buitengewone uitvinding verraden dan dat zij een omwenteling beteekent in de menschelijke cultuur.

„Het is mijn zeer belangrijk antishipwreck-systeem, dat ik Mr. Spotson ter exploitatie wilde voorleggen!”

„Anti— —wat?—Drommels!”

De procuratiehouder was verbaasd en verscheiden der nieuwsgierige klerken keken elkaar grijnslachend of met een veelbeteekenend knipoogje aan.

De procuratiehouder vroeg zich zelf af, of hij misschien te doen had met een waanzinnige en opnieuw kwam de gedachte bij hem op, dat de arme, oude magere heer misschien beroofd en vermoord was.

Hij wist zijn tegenwoordigheid van geest echter te bewaren en besloot, den chef deelgenoot te maken van zijn veronderstellingen.

„Een zeer merkwaardige, hoogst interessante uitvinding, die een groote verandering zal brengen in den scheepsbouw, Mr. Grandison? Wacht een oogenblik! Ik zal onmiddellijk gaan zien of gij den chef, die het heden zeer druk heeft, kunt spreken!”

„Uitstekend, Sir! Doe dat als ’t u belieft! Ik zou dolgaarne een conferentie willen hebben met den heer Spotson!” [20]

De procuratiehouder boog en spoedde zich naar het particuliere kantoor van zijn chef.

Baxter krabde zich op het hoofd. De zaak had een eigenaardige wending genomen.

Hij overlegde ernstig met zichzelf, wat hij zou doen en zeggen en hoe hij tot het eigenlijke doel van zijn bezoek, het heimelijk uitvorschen der Matchlesszaak, zou kunnen geraken.

Inderdaad, onder deze omstandigheden was het spelen van zijn rol geen kinderwerk!

Charly was vlug de trap afgesneld na zijn ontmoeting met den inspecteur van politie en stak, buiten gekomen, den brief, dien hij in het kantoor voor Lord Littleham had ontvangen, in zijn zak. Op dit oogenblik zag hij op eenigen afstand een landlooper, die een vuil steenen pijpje rookte.

De kleeding van den man viel hem op en zonder te laten blijken, dat de man hem meer dan gewoon interesseerde, nam hij den bedelaar in lompen met scherpen blik op.

Hij stak een sigaret aan, langzaam naderkomende en duidelijk merkte hij op, dat het de kleeren waren, afkomstig van Peter Dirksen.

Dus was deze persoon vermoedelijk de vloo! En deze veronderstelling werd zekerheid, toen hij op de gestalte van den bedelaar lette.

Hij liet echter niets merken en toen hij den vagebond voorbij liep, rook hij, dat zijn conclusie juist was. Want de tabak, welke de man rookte, paste niet bij zijn armzalige kleeren.

Met de verwaandheid van een grootelui’s bediende wierp hij den bedelaar, met een nederbuigend knikje, een geldstuk toe en slenterde met de handen in de broekzakken en de jockeypet in den nek, de sigaret tusschen de lippen, de straat langs.

Hij sloeg de naaste zijstraat in, die naar het Strand en de Theems leidt en begon nu zoo snel mogelijk te loopen. Hier, bij de hooge stapels planken der reederij en bij de werven, waar juist de romp van een Middellandsche zeeboot en eenige jachten op de helling lagen, lag ook de witgeschilderde motorboot der reeders voor anker.

Toen hij langs de stapels planken kwam, begon hij langzamer te loopen en wenkte. Eenige oogenblikken later kwamen drie jongens van 12 of 13 jaar uit hun schuilhoeken te voorschijn. Zij zagen er armoedig uit en liepen op bloote voeten.

„Niets! Geen nieuws!” meldden zij alle drie als uit een mond.

„Wie is de vlugste van jullie?” vroeg Charly en toen de grootste van hen dat bleek te zijn, koos hij dezen uit en overhandigde hem een blaadje uit zijn zakboekje.

Hierop stond geschreven: „Vos B. in de val, vos M., bijgenaamd V. ervoor. Spoedig nieuws. C.”

Met dit briefje zond hij den jongen naar Listers ankerplaats, vanwaar hij antwoord mee zou brengen. Voor de boodschap zou hij een shilling krijgen.

De jongen vloog weg als een pijl uit den boog.


„Wat wensch je, Jimmy? waarom kom je zelf? waarom telefoneer je niet?” vroeg Spotson zijn procuratiehouder, toen deze met een geheimzinnig gelaat diens heiligdom binnenkwam.

„Ik durfde niet telefoneeren, Mr. Spotson. Luister eens!”

„Zoo? Ik ben geheel oor, ouwe jongen!” antwoordde kapitein Underwood, die ook op dezen dag tegenover den reeder zat.

De procuratiehouder keek den kapitein met een verwijtenden blik aan, maar hij had geen lust, met dezen lomperd te gaan twisten.

„De oude heer Grandison is er weer—en zou u gaarne willen spreken—!”

Als een bom in de kamer ontploft was, had de uitwerking niet heviger kunnen zijn.

„Wat zeg je? Die vervloekte—oude kerel—”

De kapitein was opgesprongen en stond met woedende blikken en in boksershouding in de kamer.

De reeder was bleek geworden. Zijn gewoonlijk half gesloten oogen waren wijd geopend, alsof hij de boodschap niet kon gelooven.

„Wat echter het vreemdste is”, vervolgde de procuratiehouder, „heeren, dat is, dat deze Grandison er vandaag heel anders uitziet. De grijsaard, die drie dagen geleden nog broodmager en zwak was—”

„Van zwakheid heb ik niets gemerkt, voor den duivel!” viel de kapitein hem in de rede.

„De oude man is nu zoo welgedaan, dat hij nauwelijks meer in zijn versleten kleeren kan!”

„Nonsens, Sir! Gij zijt gek geworden! Hoe zou hij in drie dagen dik en vet zijn geworden, dat geraamte! Al mest hij zich ook als een os! Wat zeg je van zulk een brutaliteit, Spotson?”

„Ongehoord, kapitein! Maar ik begrijp er niets van! Wij hebben hem er immers uitgegooid! (Hij knipte met de oogen.) Wat kan hij willen?”

„Misschien heeft deze man den ouden man vermoord, [21]zich al diens eigendommen en plannen toegeëigend en bovendien zijn kleeren aangetrokken!”

„Ach, nonsens!—Spotson, die zal mij zeer welkom zijn. Ik zal hem zijn brutaliteit van eergisteren inpeperen. Hij komt als geroepen! Breng hem hierheen! Zeg hem, dat wij het plan van zijn anti-lekinrichting hebben bestudeerd.”

„Hij noemt het nu: anti-shipwreck-systeem—dus geheel anders!”

„Och, jij landrat! Dat is immers hetzelfde, ezel!”

„Dus laat hem hier komen! Wij willen nadere bijzonderheden vernemen, en met hem confereeren! Zeg hem, dat kapitein Underwood als deskundige bij mij is. Vertel hem, dat wij van plan zijn, zijn zeer gewichtige uitvinding van hem aan te koopen”.

„Ik zal hem dadelijk bij u brengen! Maar moeten wij niet de politie—”

„Loop naar de hel met je politie! Als dat maar niet zelf een vermomde politiespion is!” schreeuwde de kapitein.

„Politie kunnen wij hier juist gebruiken—jij …”

De procuratiehouder hield zijn beide ooren toe en verdween door de deur, die naar de kantoren leidde.

„Spotson, gauw! Dat is een detective, zooals ik dadelijk vermoedde. Die moet onschadelijk gemaakt worden! Anders zijn wij verloren!”

„O, beste kapitein! Gij weet, hoe ongaarne ik hier in Londen geweld gebruik! Kan het niet zonder dat? Hebt gij geen ander idee?”

„Graag of niet! Hier is geen seconde te verliezen! Hebt gij touwen? Voor den dag ermee—gereed houden!

„En dat hier! Haal ook uw revolver te voorschijn—voor den uitersten nood!”

„Om ’s Hemels wil, kapitein! Gij wilt toch niet schieten?” jammerde Spotson.

„Lafaard, die gij zijt en ezel meteen!” riep kapitein Underwood met gedempte stem en ging met zijn buitengewoon groote en zware revolver bij de deur staan, waardoor de vermeende Mr. Grandison zou verschijnen.

Spotson opende een lade en nam er een bos touw en zijn revolver uit.

Hij ging tegenover den kapitein staan, maar zwoer zichzelf, niet te zullen schieten, doch alleen met zijn revolver te dreigen, opdat alles zonder opzien te verwekken, zou afloopen.

Hij nam, evenals de kapitein, zijn revolver omgekeerd in de hand.

De toebereidselen voor de ontvangst waren gereed.

De beide vechtersbazen stonden met opgeheven revolver rechts en links van de deur en de kapitein mompelde:

„Ik zal het hem inpeperen, dien spion! Wraak is zoet!”

Op dit oogenblik hoorden zij de stem van den procuratiehouder:

„De heeren zijn in deze kamer, Mr. Grandison. Wilt u maar binnengaan?”

Bij die woorden was de procuratiehouder weer teruggegaan, om zijn negen klerken en type-juffrouwen niet zonder toezicht te laten.

Onmiddellijk daarop werd er geklopt.

„Kom binnen!” sprak de reeder op gedempten toon, om niet te verraden, dat hij vlak bij de deur stond.

De deur werd geopend.

De brave Baxter had nauwelijks zijn voet over den drempel gezet, of de revolver van den kapitein viel als een hamer op Baxters linkerslaap neer en onmiddellijk daarop sloeg aan den anderen kant de reeder met alle kracht toe.

De versleten cylinder rolde de kamer in en de inspecteur van politie zakte bewusteloos in elkaar. [22]

[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

De tegenspoed van Scotland Yard.

Snel als de bliksem waren de beide revolvers verdwenen. Kapitein Underwood pakte met nijdig gebaar den bewusteloozen „Grandison” bij zijn beenen en trok hem verder de kamer in.

De reeder keek even rond en luisterde een oogenblik, doch toen hij niets verdachts bemerkte, sloot hij voorzichtig de deur en grendelde haar.

De kapitein was ondertusschen neergeknield en greep brutaalweg in den borstzak van de oude jas en haalde er een welvoorziene portefeuille uit te voorschijn.

Triomfantelijk hield hij den reeder, die juist ook de deur naar de voorkamer afsloot, een visitekaartje onder de oogen:

„Wat zegt ge nu, Spotson?”

De reeder had er nauwelijks een blik op geworpen, of hij werd vaalbleek en was een flauwte nabij. Hij moest zich aan de tafel vasthouden.

„Inspecteur van politie Baxter!” stamelde hij. „Underwood, wij zijn verloren! Als Scotland Yard ons op de hielen zit, zijn wij verloren. Alles zou men ons eerder vergeven, dan dat wij ons aan den eersten beambte van Scotland Yard hebben vergrepen!” sprak hij weeklagend. „Ik zie geen uitkomst meer!”

„Loop naar den duivel! Gij lijkt wel een oud wijf, dat alleen maar jammeren en klagen kan. Heb ik niet dadelijk gezegd, dat het een detective was? Voelde ik niet dadelijk den sterken arm?—

„We zullen niet zoo dom zijn, om Scotland Yard aan den neus te hangen, wat wij hebben gedaan.

„Buitendien, de Theems is diep en de zee dichtbij. Niemand zal vermoeden, wat er met dezen ezel van een inspecteur van politie, die bij ongeluk detective is geworden, is gebeurd. Kom, help mij liever om hem vast te binden en te knevelen, wanneer hij eens eerder mocht bijkomen dan ons lief is”.

Dit werkje was door Underwood’s geoefende zeemanshand spoedig volbracht. De ongelukkige inspecteur van politie lag voor dood op de canapé van den reeder uitgestrekt en was niet alleen goed gebonden, doch had nog bovendien een in elkaar gedraaiden, witten zakdoek van den reeder als knevel in den mond.

Voorloopig echter was hij nog volkomen bewusteloos, want de houw van den robusten kapitein zou zelfs een stier hebben neergeslagen, dus zeer zeker een mensch, al bezat hij een krachtig lichaam zooals Baxter.

„Wat moeten we doen, wat moeten we doen, Underwood?” riep Spotson, handenwringend. „Is het niet beter, dat we met het verzekeringsgeld over den grooten vijver verdwijnen en daar onder een anderen naam opnieuw beginnen?”

„Hou nu toch eindelijk eens op met dat gelamenteer, oud wijf! Geef me liever een goede oude Schotsche whisky en neem er zelf ook een. Dat zal uwe zenuwen sterken, laffe kerel!”

Spotson haalde zuchtend een aangebroken flesch uit een buffet en schonk twee wijnglazen vol.

Ze namen beiden een flinken slok.

Daarna onderzocht Underwood de portefeuille van den inspecteur van politie wat nauwkeuriger en vond daarin diens zilveren penning, het legitimatiebewijs van Scotland Yard, dat hij in koelen bloede in zijn vestzak stopte.

Bovendien nam hij de bankbiljetten ten bedrage van ongeveer drieduizend mark in verschillende waarden en gaf er 1500 van aan Spotson.

„Ik wil er niets van hebben, Underwood. Laat ze er toch in. Dat zou immers roof zijn!”

„Ik wist niet, dat ge zoo’n nauwgezet geweten hadt, edele ziel! Doch het helpt u niets. De helft ervan komt u toe. Mee geslagen, mee gestolen!—ik sta er op!”

De reeder stak zuchtend de biljetten in zijn eigen portefeuille en dronk zijn glas leeg.

„Nu zal ik u eens wat zeggen, Spotson. Ga dus zitten en luister!” [23]

Spotson nam aarzelend plaats tegenover Underwood en fluisterde:

„Wat zullen we doen?—Geef eens raad, Underwood. Help ons uit het moeras, waarin wij ons bevinden”.

„Natuurlijk,” riep de kapitein nijdig. „Wat zou ik dan anders! Hou uw mond toch, Spotson, en bedwing uw zenuwen, die ge anders ook niet bezit. Er is nog heelemaal geen reden om te wanhopen. Brutaal, zooals we zijn begonnen, moeten we ook eindigen, anders kunnen we niet op succes rekenen. Het zal gauw vier uur zijn en dan verlaten de arbeiders de werven”.

„Over tien minuten, vier seconden”, bevestigde Spotson, die op zijn chronometer had gekeken. „Hoor daar gaan juist de klerken. Wacht eens! Ik zal de procuratiehouders ook dadelijk met een opdracht wat vroeger wegsturen en ook de dokopzichters, opdat we vrije baan hebben naar de Theems, want er zal wel niets anders overblijven”.

„All right! Daar Spotson! Nu ken ik u weer! Anders verlangde ik niets. Het „hoe” bespreken we later.”

Spotson verliet stil de kamer. Kapitein Underwood stak een sigaar op en liep met de armen over elkaar op en neer om zijn misdadige plannen te smeden.


De armoedige schooier stond nog altijd met zijn eindje sigaar tegen den hoek van Spotson’s huis geleund. Hij begon zich echter langzamerhand te vervelen.

Toen hij ongemerkt op zijn horloge keek, merkwaardig bezit bij zoo’n haveloozen bedelaar, zag hij de klerken uit het huis komen.

Om niet op te vallen, begon hij wat heen en weer te loopen.

Hij verveelde zich verschrikkelijk en werd al tamelijk ongerust bij de gedachte aan Scotland Yard. Hij was zich bewust, hier zonder toestemming te staan, daar Baxter hem op het bureau waande. Men kon hem in hechtenis nemen vanwege de waardevolle acten, aanteekeningen, photographieën en vingerafdrukken, die daar bewaard werden, en waarvan het verlies niet zou zijn te herstellen; men zou hem ervoor verantwoordelijk stellen, daar hij de plaats had moeten innemen van den inspecteur van politie.

Hij haalde de schouders op.

Baxter moest zich maar alleen redden.

Na kort beraad liep Marholm op een draf weg en had spoedig Scotland Yard bereikt.

Een knaap, die reeds langen tijd in de nabijheid van den Vloo had rondgeslungeld, nam direct notitie van zijn aftocht en verdween eveneens snel tusschen de werven, waar Charly reeds op hem wachtte.

Eindelijk kwam de kleine, sluwe knaap onhoorbaar naderbij geslopen.

„De bedelaar is weg!” meldde hij vergenoegd. „Die kan zijn beenen goed bewegen!” fluisterde hij grijnslachend.

„Daar heb je drie shillings! Pas hier op, totdat ik terugkom. Ik zal ginds eens even kijken!”

„Pst!” waarschuwde het geslepen ventje. „De menschen gaan weg! Het is vier uur.”

Inderdaad passeerden de arbeiders in rijen de schuilplaats van Charly. Het tweetal trok zich nu nog verder terug in de schaduw der houtstapels.

De jongen loerde om den hoek en legde toen den vinger op zijn mond.

„De chef!” sprak hij zacht. „Hij praat met den opzichter.”

Charly beduidde den jongeling te blijven staan, want het scheen hem dan tijd zich nader op de hoogte te stellen van Baxter’s verblijf.

Hij sloop daarom buiten om het plaatsje, nam onderweg den tweeden brief van zijn voorgewenden Lord uit zijn zak en snelde om den hoek direct op het huis af.

Ofschoon hij zich de eerste maal van de zijde van den reeder en den kapitein een scherpe terechtwijzing op den hals had gehaald en naar het kantoor was gestuurd, besloot hij ook nu brutaal aan de achterdeur zijn geluk te beproeven.

Hij drukte voorzichtig op den deurknop.

De deur was gesloten of gegrendeld.

Doch hoe zacht het geluid ook was geweest, Underwood had het toch vernomen.

„Is daar iemand?” vroeg hij op luiden toon. „Ben jij het, Spotson?”

„Ja, ik ben het!” antwoordde Charly met groote brutaliteit en ging zoo staan, dat hij een blik in de kamer kon werpen, terwijl hij zich toch met een sprong zou kunnen verwijderen.

Kapitein Underwood kwam vloekend naar de deur toe en ontgrendelde die. Daarop draaide hij ook den sleutel om en opende haar.

„Wel voor den donder! Alweer die vervloekte spion van een bediende! Brutale leugenaar! Hoe durf je zeggen, dat je Spotson bent. Wacht eens, ik zal je een souvenir geven, mijn jongen, dat je zal heugen!” [24]

Maar Charly had al genoeg gezien. Hij had duidelijk de bewegenlooze gestalte ontdekt op de sofa en deze onmiddellijk aan de welbekende kleeren herkend.

De kapitein van politie lag daar bewusteloos of misschien zelfs dood en was in de macht van deze beide schurken, die niet voor deze nieuwe misdaad terugdeinsden.

Charly had zich tijdig door een behendigen sprong buiten het bereik van den kapitein weten te brengen.

„Dan geef ik den brief van Zijn Lordschap in geen geval af. Hij is ook niet voor u. Vaarwel, mijnheer, en geloof gerust, dat ik zelf u een souvenir zal geven, zoodra ik meer tijd heb dan heden.”

Underwood haalde met een vloek zijn revolver te voorschijn en zou zich niet hebben ontzien om midden in Londen op klaarlichten dag op een mensch te schieten.

Maar Charly was reeds met groote behendigheid verdwenen.

„Vervloekte spion!” mompelde Underwood en stak met een vuurrood gelaat zijn wapen weer bij zich.

„Het krioelt van detectives!” riep hij woedend uit. „Ik kom ook tot Spotson’s conclusie, dat het het beste is”, hierbij wees hij naar den nog steeds bewusteloozen Baxter, „om over den grooten vijver te verdwijnen, vooral, omdat het ons niet aan baar geld ontbreekt.”— —

[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

Raffles redt den inspecteur van politie.

Charly was intusschen zoo snel mogelijk naar zijn post teruggekeerd.

De jongen berichtte hem, dat de opzichter was heengegaan en dat de stuurman intusschen naar de witte motorboot was gegaan, waarmede hij waarschijnlijk wilde afvaren.

Inderdaad begon de motor op dit oogenblik te snorren.

Charly begreep, dat het doelloos was om hier nog langer te wachten. Hij verzocht den jongen, nog een half uur op deze plek te blijven en op te passen.

Hij zou er bij gelegenheid nog een fooitje voor krijgen.

Daarop snelde hij zelf naar het ontmoetingspunt aan het Strand, dat hem door Lister was opgegeven en was spoedig aangekomen op deze plaats, die niet ver van de werven van Spotson verwijderd was.

Hier lag een statige, blauwgrijze motorboot aan de kaai gemeerd en daarbij stonden twee heeren in zeemanskostuum, waarvan de een de met goud geborduurde pet van den kapitein of eigenaar droeg.

Charly had zijn meester reeds van verre herkend.

„Ach, Charly”, sprak deze, toen hij zijn bediende zag, „je kent dezen heer, ingenieur Burton, zeker niet meer? Mijn secretaris Charly Brand!” stelde hij voor.

De beide heeren begroetten elkaar vriendelijk en drukten elkaar de hand.

„Edward”, begon Charly nu te vertellen, „er is geen tijd te verliezen! Ik kan mij vergissen, maar ik geloof, dat wij een misdaad moeten voorkomen!”

Hij berichtte nu in korte woorden, wat hij had beleefd en gezien.

Lister dreigde hem met den vinger.

„Nu zie je eens, wat je hebt uitgericht, mijn beste jongen. Nu zit die arme inspecteur van politie leelijk in de val!—Maar in ernst! Je hebt gelijk met je veronderstelling! Zij zullen nu wel weten, wie in mijn Grandisoncostuum steekt.

„Uit vrees voor ontdekking zullen zij nu zeker trachten, elk spoor van hun misdaad uit te wisschen. Daartoe biedt hun een vaart in hun motorboot de beste gelegenheid!

„Het is eigenlijk grappig, dat ik mijn aartsvijand te hulp kom! Ik doe het echter, omdat ik jou een slecht geweten wil sparen, lieve Charly!”

„Ach, Lister, doe je maar niet slechter voor dan [25]je bent. Je kunt het immers niet laten om in te grijpen, als er een misdaad voorkomen moet worden.

„Daar komt bij, dat het hard voor ons zou zijn om den braven inspecteur van politie te verliezen, die ons zoo menig vroolijk uur bezorgt, al is het ook tegen zijn zin! Maar haast je, Edward, anders komen wij te laat!”

Lister wendde zich met een vragenden blik tot den ingenieur, die zich gedurende het gesprek tusschen Lord Lister en Charly eenigszins had verwijderd.

„Zouden wij het kunnen wagen?”

„Ongetwijfeld, Mylord, de motorboot „Dolfijn” van Uw Lordschap is geheel te uwer beschikking”.

„Nu, vooruit dan, jongens, aan boord!”

De ingenieur en Charly gingen vooruit, terwijl Lister volgde.

„Ga mee naar beneden, Charly! Misschien kan je Burton bij den motor helpen. Ik neem het commando op mij!”

Beide heeren verdwenen naar beneden, terwijl Lister boven bleef op de plaats, die bestemd was voor den stuurman. Van hieruit kon hij de geheele boot, die verder door een ovale overkapping was afgesloten, overzien.

De motor begon te werken, doch bijna geruischloos, daar het een electromotor was.

Zonder dat eenige beweging werd bespeurd, gleed het trotsche vaartuig snel voorwaarts.

Lister hield zijn scherpen verrekijker voor de oogen.

Over de door de ondergaande zon donkerblauw en lila gekleurde Theems, wier verre oevers waren bezaaid met huizen, villa’s, dokken en scheepshellingen, naderde op grooten afstand een klein, wit motorbootje, waarop zich twee mannen schenen te bevinden.

Lister stuurde het motorjacht zoo, dat hij volgens voorschrift het bootje rechts moest voorbijvaren, om het later te kunnen volgen, wanneer hij het vaartuigje als dat der reeders zou hebben herkend.

Op dit oogenblik echter herkende Lister door zijn scherpen kijker, duidelijk de gezichten der hem zoo welbekende schurken Spotson en Underwood.

Lister begon op dit oogenblik van opgewondenheid te beven, iets, wat hem niet dikwijls overkwam en zijn oogen werden onnatuurlijk groot.

Hij zag, hoe de misdadigers zich bukten en daarna een menschelijke gestalte, stijf als een doode, in de hoogte hieven. Door zijn kijker kon hij zelfs de touwen onderscheiden, waarmee de ongelukkige gebonden was.

Plotseling—een forsche zwaai—de geknevelde gestalte vloog over boord en was in de golven der rivier verdwenen.

Nu echter geschiedde iets onverwachts!

Lister floot luid door de spreekbuis en drukte een hevel, die zich vlak bij hem bevond, naar beneden.

Het platform, waarop hij stond, daalde en tegelijkertijd werd de onoverdekte plaats, waar hij zich bevond, door een overkapping afgesloten.

Op hetzelfde oogenblik snelde hij naar een eenigszins verhoogd punt op het voorschip, waar hij door verschillende lenzen een uitstekend uitzicht naar alle kanten had.

De motorboot van zijn Lordschap was namelijk, toen Lister had gefloten, door de bekwame hand van ingenieur Burton onder de oppervlakte van de Theems gedoken, want het was een onderzeesche boot, volgens Lister’s ideeën met groote kundigheid door zijn vriend, ingenieur Burton, gebouwd.

Lister had de leiding van het vaartuig op zich genomen en daar het zijn eerste zelfstandige vaart was, waren zijn spanning en opgewondenheid niet gering.

Hij had eerst door de spreekbuis bevolen: „Vierde snelheid!” waarna de onderzeesche boot als een pijl onder water vooruit was geschoten. Nu gaf hij het bevel: „tweede snelheid en stoppen!”

Daarop draaide hij langzaam den hevel om, om weer op te duiken.

Binnen eenige seconden bevond de prachtige boot zich weer aan de oppervlakte.

„Terug naar de kade! All right!” riep Lister en snelde naar zijn standplaats op het achterdek terug.

Hier drukte hij op een knopje. De overdekking schoof uiteen en tegelijkertijd kwam, als een lift, de vloer weer naar boven.

Een blik vol zegepraal schoot uit Lister’s oogen.

Dwars op het voordek lag de bewegenlooze gestalte van den geknevelden inspecteur van politie, die door de snelle manoeuvre van de onderzeesche boot, welke Lister juist, toen zij zich onder het zinkende lichaam bevond, had laten opduiken, van een zekeren dood in de golven op het laatste oogenblik was gered.

Lister boog zich zoover hij kon voorover en trok met beide handen het lichaam naar zich toe, totdat dit vlak bij hem lag.

Intusschen had de motorboot haar oude aanlegplaats aan de kade weer bereikt en Lister beval door de spreekbuis: [26]

„Stoppen en naar buiten komen!”

Hij wierp den schipper, die uit het bootwachtershuisje kwam den ketting toe, welke door den man aan den aanlegpaal werd vastgemaakt.

Charly en Burton kwamen nu naar boven.

Charly was nog vol geestdrift over den tocht onder water, den eerste, dien hij had meegemaakt.

Maar toch was er een zacht verwijt te lezen in den blik, dien hij zijn vriend toewierp.

Hij dacht namelijk niet anders dan dat Lister tevergeefs had gevaren en dat de beide misdadigers met hun slachtoffer niet te vinden waren geweest.

Plotseling echter struikelde hij bijna over het lichaam van den bewusteloozen inspecteur van politie, die in het druipnatte Grandisoncostuum niet te herkennen was.

„Mijn Hemel, Lister, jij kunt alles! Maar leeft hij? Is hij niet verdronken?”

„Prachtig, Mylord! Ik begrijp, hoe gij het hebt gedaan, uit uw commando’s heb ik het opgemaakt!”

Bij die woorden nam Burton zijn pet vol eerbied af.

„Ik geloof, dat een dergelijk bewijs van bekwaamheid u zelfs bij het Britsen Zeevaartkundig genootschap den titel van commandant der onderzeesche booten had doen verwerven!”

„God weet dan ook, dat ik al mijn krachten heb ingespannen. En nu, jongens, aangepakt! O wee, de arme inspecteur van politie heeft een zakdoek in den mond. Dat is bedenkelijk! Eruit dat ding!”

Lister verwijderde voorzichtig de geïmproviseerde prop en nu vernam men duidelijk de ademhaling.

Toen Lister zijn oor op Baxter’s borst legde, hoorde hij het hart zwak, maar toch merkbaar kloppen.

„Die zakdoek zal misschien hebben belet, dat hij al te veel water naar binnen kreeg”, meende de ingenieur. „Misschien ook heeft het koele water verfrisschend gewerkt.”

Intusschen hadden met behulp van den schipper, Charly en Burton den druipnatten Baxter opgenomen en in het bootenhuisje neergelegd.

Op eenigen afstand van hen stond een bedelaar in lompen gekleed, die elk hunner bewegingen met verbazing en vol belangstelling volgde.

„Zullen wij hem op het hoofd zetten en pogingen doen om de levensgeesten weer op te wekken?” vroeg Charly.

„Onnoodig! Het gaat hem, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortreffelijk! Hij zal spoedig weer tot bewustzijn komen.”

„Beckers, giet hem een beetje whisky in den mond, dat zal helpen! Wij hebben hem zooeven uit de Theems opgevischt!” sprak Lister tot den schipper.

Hij wierp dezen een geldstuk toe.

„Weet gij, wie het is?”

De schipper had met een bedankje het geldstuk in den zak gestoken en zijn pruim in den anderen mondhoek geschoven.

„Ik heb er geen flauw vermoeden van, mijnheer!”

Lister legde zijn vinger op den mond en fluisterde:

„Onmiddellijk herkend, ondanks vermomming. Inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard!”

Beckers zette groote oogen op.

„Dat had ik nooit gedacht! Is dat een feit?”

„Het is, zooals ik zei, maar nu vaarwel. Wij moeten van avond nog varen. Gentlemen, aan boord!”

Charly was zoo vol geestdrift over de daad van zijn vriend, dat hij niet kon nalaten, uit te roepen:

„Hiep hiep, hiep, hoera voor de motorboot „Dolfijn” van den Lord!”

Lister dreigde hem glimlachend met den vinger.

Daarop gingen zij alle drie achter elkaar van boord.

Beckers maakte den ketting los van den paal en wierp ze Charly toe.

Geruischloos verwijderde het prachtige vaartuig zich steeds sneller en sneller en stuurde Theems afwaarts.

De bedelaar op de kade keek de boot na en fluisterde verheugd:

„De motorboot „Dolfijn” van den Lord! Goed, dat ik den jongen hierheen ben gevolgd! Mijn lieve John Raffles, alias Lord Lister, nu zijt gij aan ons overgeleverd en geen macht ter aarde zal u nu aan onze vingers doen ontsnappen!”

Marholm had in een der heeren, die zich aan boord begaven, dadelijk John Raffles herkend, wiens uiterlijk door de zeemanskleeren weinig veranderd was.

Met brandende oogen keek hij het fiere vaartuig na, zonder te vermoeden, wat eigenlijk de voornaamste bijzonderheid der boot was.

Daarop begaf hij zich snel naar het bootenhuisje en wijdde al zijn zorgen aan zijn chef, die daar binnen op een harde, houten rustbank lag en die juist weer tot zichzelf begon te komen.

De groote ontdekking, welke hij had gedaan, dit wist Marholm wel, zou het beste middel zijn om Baxter spoedig de doorgestane ellende te doen vergeten. [27]

[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK.

De geheimen van den bodem der zee.

De motorboot Dolfijn doorkliefde intusschen geruischloos de donkergroene golven van de steeds breeder wordende Theems, aan wier oevers langzamerhand, nu de avond viel, aan weerskanten lichten opdoken, die hun schijnsel over het water wierpen.

Lister stond aan het stuur en keek naar een zeekaart, waarop het vaarwater nauwkeurig was aangegeven.

Intusschen bevond Charly zich bij ingenieur Burton in het ruim, waar honderden voorwerpen en tallooze toestellen langs de cirkelronde wanden zijn bewondering opwekten.

De ingenieur der onderzeesche booten schepte behagen in de weetgierigheid en geestdrift van Charly en beloofde hem, dat hij hem les zou geven in deze technische wetenschap en hem op de hoogte brengen van het besturen der onderzeesche booten.

Het was intusschen volkomen donker geworden.

Steeds verder weken de lichten der Theemsoevers van elkaar, Eastend en Sheerness kwamen in het gezicht met hun vuurtorens en reeds beschreef de Dolfijn, die nu de golven der Noordzee doorkliefde, een halven cirkel om de Oostelijke klippen van Zuid-Engeland en nam onder Lister’s bekwame hand koers naar het Kanaal.

Charly was intusschen naar den Grooten Onbekende gegaan en vroeg:

„Waarheen gaat de vaart?”

Lister glimlachte fijntjes.

„Je zult spoedig genoeg te zien krijgen, Charly, om je weetgierigheid te stillen.

„Tot zoolang moet je echter geduld hebben. En nu naar beneden!”

Raffles liet zijn zoeklicht schijnen om zich te oriënteeren.

Toen Charly naar beneden was gegaan, floot Lister in de spreekbuis en drukte de handel vóór hem neer. Weer daalde het platform, waarop hij stond, als een lift en boven hem sloot zich als een koepel van stalen platen de opening in het ovale bovendek.

Diepe stilte heerschte aan boord van de onderzeesche boot, die onmiddellijk, nadat Lister had gefloten, was ondergedoken en die met afnemende snelheid nog dieper onder het wateroppervlak zonk.

Nu waren alle geluiden, die men tot nu toe gedurende de vaart aan de oppervlakte van den zeespiegel had vernomen, gedempt en zelfs het zachte en bestendige snorren van den electrischen motor was niet in staat om de stilte te verbreken.

Door een ventiel, dat op mechanische wijze werd geopend, toen de boot onderdook, stroomde genoeg van de in stalen flesschen gecomprimeerde lucht naar buiten om te zorgen, dat er in de boot een voldoende hoeveelheid lucht voorhanden bleef.

Af en toe gaf Lister een kort bevel om dieper te gaan, waarop men telkens de tanden der in elkaar grijpende stuurraderen hoorde klapperen.

Lister riep een commando in de spreekbuis.

Men vernam het zachte rinkelen van een ketting en met een ruk bleef de boot stilliggen, terwijl tegelijkertijd het snorren van den motor ophield.

Met groote, glinsterende oogen over al deze nieuwe dingen had Charly gedurende de vaart terneer gezeten, stom van verbazing en toch zoo gelukkig als een kind, dat een blik mag slaan in een nieuwe, schitterende wereld.

Nu kwam Lister naar hem toe.

„Kom met mij mee naar voren, Charly”, sprak hij, „je zult nu iets wonderlijks te zien krijgen.”

Daarop draaide hij aan een rad en plaatste een sterk zoeklicht op den bodem van de boot.

Charly keek verbaasd en zwijgend naar deze maatregelen.

Lister echter knielde op den bodem neer en keek onder zich.

Charly gaf een luiden gil!

Dat was de zee, de bodem der zee!

„Wij zijn verloren, Lister! De bodem splijt vaneen, het zeewater stroomt naar binnen! O, kijk—dat—daar liggen lijken op den bodem der zee!” [28]

„Och, jij dwaze jongen! Als het zeewater naar binnen stroomde, dan zou je den bodem der zee met al zijn verschrikkingen en wonderen niet meer kunnen zien!

„Het is de doorzichtige bodem van de boot, die anders door stalen platen is afgesloten, een onbreekbare glazen wand, waardoor je kijkt.

„Het is mijn vinding, en het gelukte ons pas na verscheiden proeven om dit zoo te maken. Voor verschillende doeleinden heb ik deze inrichting samengesteld.”

Lister keek met onderzoekenden blik naar beneden en begaf zich weer naar het voorste gedeelte van de boot, die eveneens van electrische zoeklichten was voorzien.

Hij gaf door de spreekbuis een bevel en de motor begon zacht te snorren.

„Stop! Anker!” riep Lister en onmiddellijk daarop rinkelde de ankerketting en de Dolfijn lag vast op den zeebodem.

„Kom eens hierheen, Charly!” riep Lister.

„Groote God! Wat is dat daar vlak voor ons?! Ach—ik zie—ik zie het—!”

„Dat is de gespleten romp van de stoomboot „Matchless”, die hier tegen de rotsen liep en versplinterd werd!”

Inderdaad verhief zich vóór hen, als een zwarte en hooge massa, door midden gesneden door de scherpe rotswanden, de romp van het gestrande schip.

Reeds was het bezet door schelpdieren en zeekwallen en vreemdsoortige visschen, slangachtige amphibieën en dikke roggen, plomp van vorm, zwommen en krioelden er omheen en verdwenen door de versplinterde planken en gebroken vensters der hutten naar binnen.

Maar reeds knielde Lister opnieuw op den bodem neer, waar het zoeklicht alles in het rond daghelder bescheen.

En wat daar werd onthuld, wat anders diep onder de oppervlakte der zee voor menschelijke blikken verborgen bleef, was ontzettend. Lister’s hart klopte onstuimig van haat tegen de beide schurken, die uit vuile hebzucht niet voor een dergelijke onmenschelijke daad waren teruggedeinsd.

Opgezwollen lijken, aangevreten door het ongedierte der zee, klaagden met verglaasde oogen de beide misdadigers aan. Vele hunner, vooral onder de beter gekleede passagiers, hielden nog hun eigendommen in koffers en tasschen in de verteerde hand, terwijl balen en kisten, zooals zij uit den verbrijzelden scheepsromp waren gevallen, op den bodem der zee verstrooid lagen.

„Ha! Eindelijk!” riep Lister vol inwendige ontroering. „Het bewijs! Het bewijs!”

Bijna ademloos riep hij door de spreekbuis:

„Drie meter voorwaarts! Zes meter bakboord!”

De ankerketting ratelde. De motor snorde een oogenblik, daarop begon de boot zich te bewegen.

Het anker was voor de tweede maal uitgeworpen.

Opnieuw begaf Lister zich naar den doorzichtigen bodem en terwijl hij scherp naar beneden keek, draaide hij met de rechterhand een wiel rond, dat zich in den rechterwand van de boot bevond.

„O, wat is dat?” riep Charly verschrikt uit. „Kijk eens! Daar beneden wordt een der kisten als door twee vangarmen opgenomen! Is dat een zeemonster?”

„Stel je gerust, Charly! Dat zijn de vangarmen van ons grijptoestel! Wij zullen meteen naar boven gaan!”

Inderdaad gaf Lister nu het bevel om het anker te lichten en weer op te duiken.

Duidelijk hoorde men de stuurraderen in elkaar grijpen en nadat Lister op den daartoe bestemden knop had gedrukt, schoof geruischloos een stalen plaat over het doorzichtige gedeelte.

Nu vernam men ook het zachte gesnor en had het gevoel alsof de onderzeesche boot van ligging veranderde.

Binnen eenige minuten was het vaartuig aan de oppervlakte der zee gekomen en het achterdek werd weer door Lister geopend.

Door een toestel, dat voorzien was van een net, een uitvinding van Lord Lister, werd de kist uit de vangarmen van het grijpapparaat genomen en in het ruim gebracht.

Het bewijs van de misdaad was nu voorhanden.

Op het deksel der kist stond, eenigszins verbleekt door het lange verblijf in het zeewater, maar toch duidelijk leesbaar: „Lyonsche zijde”; en daaronder: „Matchless No. 85”.

Snel had Lister met behulp van Charly het deksel verwijderd en nadat de emballage was verwijderd, die uit een soort waterdicht taf bestond, kwam de waardelooze inhoud voor den dag: paklinnen, inplaats van kostbare zijde!

Charly sloot het deksel weer en dacht, dat nu het doel der vaart was bereikt.

Maar Lister ging nogmaals duiken en het gelukte nog een tweede kist van dezelfde soort, gemerkt no. [29]70 en tegelijkertijd een platten koffer te grijpen, zooals die door de matrozen worden gebruikt.

De kist vertoonde denzelfden inhoud en de koffer, eveneens van het merk „Matchless” voorzien en die met behulp van Lister’s steeksleutels werd geopend, bevatte behalve de geringe eigendommen van den ongelukkigen matroos, ook de doorweekte en nauwelijks leesbare brieven en scheepspapieren van den verongelukte.

Nadat dit alles eveneens in veiligheid was gebracht, sloeg het vaartuig zijn weg weer in langs de zuidkust van Engeland en had nog voor het aanbreken van den dag Sheerness bereikt.

[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

Lord Lister als amateur-detective.

Reeds gedurende den tocht had Lister zijn plannen vastgesteld.

In een der bewuste zijdekisten der oneerlijke reeders had hij een brief gelegd, waarop in reuzenletters stond vermeld:

„Monsters zijdewaren der firma Spotson and Sons, verzekerd voor 50,000 pond. Een bewijsstuk van den bodem der zee voor Scotland Yard!”

Het was vroeg in den morgen, toen zij landden.

Om geen tijd te verliezen, liet Lister de motorboot onder toezicht van den ingenieur achter, nadat men haar tusschen grootere schepen, die daar voor anker lagen, zoodanig had gemeerd, dat zij vanaf de Theems niet gemakkelijk was te herkennen.

Charly had op bevel van zijn meester al twee automobielen besteld. In de eene liet Lister de kisten zonder merk en den matrozenkoffer brengen, terwijl de andere auto de tweede kist met de aanteekening voor Scotland Yard opnam.

In de eerste nam Lister zelf, in de tweede Charly plaats, die zijn kist tot dichtbij Scotland Yard zou brengen en vandaar door een aparten kruier naar de geheime politie zou laten bezorgen, zonder zichzelf aan gevaar bloot te stellen.

Lister reed ondertusschen met de beide andere stukken naar de verzekeringsmaatschappij, die kapitein Underwood hem in een gesprek met zijn medeplichtige, zonder aan een mede-hoorder te denken, had verraden.

Hij kwam met een chauffeur, die hiertoe met het oog op de in uitzicht gestelde flinke fooi direct bereid was, overeen, met hem van kleeding te verwisselen, hetgeen op een stil punt van de landstraat in de gesloten automobiel spoedig en ongemerkt was geschied.

Hierna nam Lister, als chauffeur totaal onherkenbaar, voorop naast den als zeeman gekleeden autobestuurder plaats, en het voertuig had door zijn groote snelheid spoedig de voorstad achter den rug en hield in de in Oostelijk Londen gelegen Burleystreet stil voor het deftige huis der verzekeringsmaatschappij van Mssrs. Mopkins and Chawl.

Toen Lister, die zich door middel van een zijner phantasie-visitekaartjes als „Tom W. Murphy, particulier detective”, had aangediend, aan de heeren zijn twijfel had kenbaar gemaakt, of bij den ondergang van de Matchless alles wel eerlijk was toegegaan, antwoordden deze bevestigend, doch haalden tevens de schouders op.

„Mijn hemel! Onze agenten hebben in Marseille alles gecontroleerd en niets bevonden, en thans is eenig bewijs zeer zeker onmogelijk!” merkte de oudste firmant, Mr. Mopkins, op.

„Die meening ben ik niet toegedaan!” antwoordde Lister lachend. „Mijn voorstel is juist in uw voordeel. Wanneer ik u geen bewijs breng, behoeft ge geen cent te betalen. Doch wanneer ik u een zoodanig bewijs lever, dat gij beslag op uw verzekeringsbedrag kunt leggen (naar ik meen: 50,000 pond sterling), maak ik aanspraak op een vijfde van het bedrag, d. i. dus 10,000 pond, als honorarium! Gaat ge daarmee accoord?” [30]

De firmanten wisselden een hoopvollen blik, en zoowel Mr. Mopkins als Mr. Chawl spraken hun goedkeuring uit.

Tegelijkertijd werd op verzoek van Lister een soort contract in duplo opgemaakt en door de contractanten van weerszijden onderteekend.

Toen Lister dit contract in zijn zak had, zei hij:

„Met uw verlof, heeren!”

Hierna liep hij naar het raam, opende het en keek naar buiten. Hij klapte driemaal hard in de handen. Daarop sloot hij het raam weer.

„Wat zoudt ge wel zeggen, als ik het overtuigend bewijs in handen had, dat de heeren Spotson en kapitein Underwood, die op één kaart spelen, uit winstbejag de Matchless op de klippen lieten loopen?”

„Dat is haast niet aan te nemen, Mr. Murphy!” riepen de beide eigenaren der verzekeringsmaatschappij als uit één mond. „De verzekering dekt immers ternauwernood de waarde der kostbare Lyonsche zijdewaren!”

„Ge zult spoedig een monster der kostbare zijdewaren uit Lyon te zien krijgen!” antwoordde Lister met een ironisch glimlachje.

Hij liep naar de deur en opende deze, want hij had in de gang voetstappen gehoord.

De als zeeman gekleede chauffeur, die zelf den koffer droeg, stond er voor met twee kruiers.

Op een wenk van Lister kwam het drietal naar binnen en zette de voorwerpen neer voor de verbaasde oogen der firmanten.

Lister verzocht den chauffeur beneden op hem te wachten en gaf den kruiers een fooi. Daarna ging de deur dicht achter het drietal.

Men kan zich nauwelijks de verontwaardiging der heeren voorstellen over dat snoode bedrog en over de onmenschelijke wreedheid, waarmee de beide schurken zooveel menschenlevens hadden opgeofferd aan hun hebzucht.

Letters, nummers, grootte der kisten, alles klopte met die van de „Matchless”. De brutaliteit, deze kisten met zeildoek en paklinnen te vullen, deed de heeren verstomd staan.

Ten slotte werd men nog van de geloofwaardigheid van den zoogenaamden Mr. Murphy overtuigd door den bescheiden platten koffer van den matroos. Daarin toch bevond zich een boekje, waarin de nauwgezette kerel dag voor dag tot het oogenblik van het vergaan korte aanteekeningen had gemaakt.

Het scheelde niet veel, of de heeren Mopkins en Chawl hadden den pseudo-chauffeur als hun redder omhelsd. Want na uitbetaling van deze groote som, die gelukkig nog maar ter beschikking van de heeren Spotson and Sons gesteld, doch door de bank der firma nog niet uitbetaald was, zou de maatschappij groote moeite hebben gehad om zich boven water te houden.

Op raad van Lister liet de firma, in afwachting van eene gerechtelijke beslissing, hierop beslag leggen.

Tegelijkertijd evenwel gaf zij opdracht aan de Bank van Engeland om het bedrag van 10,000 pond sterling voor den heer Murphy op het tegoed van den heer Shaw uit Chicago over te schrijven.

Ook belde de firma dadelijk Scotland Yard op, om mede te deelen, dat de heeren Spotson en Underwood ter wille van het verzekeringsbedrag het stoomschip Matchless hadden laten stranden, en dat zij werden verdacht te willen vluchten.

De heeren Mopkins en Chawl voelden zich gelukkig en drukten „Mr. Murphy” telkens weer onder dankbetuigingen de hand.—

Toen de auto op Lister’s verlangen Scotland Yard was voorbijgesuisd, daar hij gaarne de uitwerking wilde zien van zijne zending zijde en het telefoongesprek, liet hij op een plein in de buurt stoppen en bleef, schijnbaar in gesprek met den zeeman, bij den motor staan.

In werkelijkheid echter keek hij naar de beide ingangen door de binnenplaats en aan den voorgevel.

Hij had nog geen tien minuten gewacht, of hij zag vier dienst-automobielen met tal van manschappen der geheime afdeeling uit de poort van het plein komen.

Buiten gekomen, verdeelden de beambten zich in twee groepen, om het huis der firma Spotson te bezetten.

„All right!” fluisterde Lister glimlachend. „Dat treft prachtig. Alles uitgevlogen. Dan kunnen wij wel een beetje rondsnuffelen in de vertrekken van den braven inspecteur van politie!”

Hij gaf den chauffeur een wenk om te wachten en sloop naar binnen.

Tien minuten later trad een slanke politie-agent, wiens uniform nogal op den groei was berekend, met een bundeltje uit het portaal van Scotland Yard en liep regelrecht naar den chauffeur in zeemanskleedij.

„Hier, chauffeur, hebt gij uw autopakje terug!” zei hij lachend en wierp hem het bundeltje toe. „Wees zoo goed het zeemanskostuum weer uit te doen, opdat [31]ik deze wijde en toch lastige politie-uniform kan kwijt worden!”

De chauffeur was stom van verbazing; hij had zich echter spoedig verkleed en even snel had Lister zich binnen in den wagen, die ondertusschen met snelheid naar Sheerness terugreed, weer in zijn elegante zeemansuniform gestoken.


Wanneer de politie-inspecteur Baxter het ironisch glimlachje had gezien, dat om Lord Lister’s, alias John Raffles, mondhoek speelde, zou hij niet met zooveel vertrouwen zijn tweeledig voornemen zijn begonnen.

Hoezeer het hem ook te moede was na de lotgevallen van den vorigen dag, hij was vervuld van haat en wraakzucht. Hij had gezworen zoowel de misdadige reeders in hechtenis te nemen, als eindelijk eens met John Raffles, alias Lord Lister, af te rekenen, hoewel deze hem nog pas het leven had gered.

Inderdaad had de inspecteur van politie, woedend en verontwaardigd over zijne voortdurende nederlagen, bovendien geplaagd door hevige hoofdpijn, zijn maatregelen voor beide gevallen zóó voorzichtig en uitgebreid genomen, dat zelfs de Vloo verbaasd stond over zijn omzichtigheid en energie en een succes in beide zaken voor waarschijnlijk hield.

De kist met het kenteeken van de Matchless, die nog naar zeewater rook, haar duidelijke inhoud en de oproep van de verzekeringsmaatschappij, wier naam Baxter uit de couranten kende als solide, gaven hem volkomen recht aldus op te treden.

Baxter had zichzelf gezworen John Raffles nog heden eene verrassing te bereiden, waartegen zelfs deze geniale tegenstander niet opgewassen zou zijn. Hij had zijn netten zoo fijn gesponnen, dat er niets anders overbleef voor John Raffles, dien rustverstoorder in zijn ambtelijk leven, dan zich over te geven.

Met gemengde gevoelens ging de Vloo hierbij de toekomst tegemoet. Het deed hem leed om John Raffles, die hem zoo menig genoeglijk uurtje had bezorgd. Gaarne had hij Raffles nog willen waarschuwen, doch hij zag geen kans zich ongemerkt te verwijderen.

Baxter scheen bovendien iets dergelijks te vermoeden, daar hij Marholm’s voorliefde voor Raffles kende. Hij was dus thans meer dan wantrouwend en verloor de Vloo geen oogenblik uit het gezicht.

Inderdaad had Baxter juist gezien. Raffles had geen vermoeden, dat de Vloo hem had herkend, en bovendien lag de landingsplaats zeer gunstig, daar dichtbij de electrische tram voorbijging, die hem vrij snel naar de door hem en Charly bewoonde villa bracht.

Toen hij na een snellen autotocht, die een paar uur had geduurd, zich weer op de kade van Sheerness bevond, vond hij reeds Charly en ingenieur Burton daar aanwezig.

Zij gingen in een fijn restaurant eten, bezochten een der café’s, waar men een heerlijk uitzicht heeft op de Noordzee en slenterden daarna nog eenigen tijd, een sigaar rookend, langs het strand.

Daarna meende Lister, dat het tijd werd om terug te keeren.

Zij namen weer plaats op de prachtige motorboot en de Dolfijn nam haar koers naar Londen.

De avond brak aan en aan de beide Theemsoevers flikkerden reeds hier en daar lichten, toen het snelle vaartuig het bootenhuisje van Beckers naderde.

Op dit oogenblik kwam hun een stoombootje van de havenpolitie tegemoet, zooals de vlag op den achtersteven aanduidde en, toen Lister naar rechts wilde uitwijken, werd hem dit belet door een motorboot, die eveneens de ambtsvlag voerde.

Lister glimlachte en floot door zijn tanden.

„Wij zijn toch vlugger!” mompelde hij.

Een bevel door de spreekbuis en de prachtige motorboot gehoorzaamde aan het roer en was, voordat de beide regeeringsvaartuigen waren genaderd, met een handigen draai van koers veranderd.

Maar tot zijn verbazing zag Lister, dat hij zich ook hier tegenover een sterk bemande politieboot bevond en, om den kring te sluiten en elk ontkomen onmogelijk te maken, kwamen zoowel van den rechter als van den linkeroever nog twee roeibooten met tot aan de tanden gewapende politieagenten opdagen.

Plotseling hoorde hij van de stoomboot vóór hem een bekende stem.

„Geef u over, John Raffles, alias Lord Lister! Gij zijt naar alle kanten ingesloten, elke tegenstand is nutteloos. Gij ontsnapt mij niet meer! Ik ben het, inspecteur Baxter! Geef u over en dwing ons niet, van onze wapens gebruik te maken!”

Daarop sprak Baxter tot zijn manschappen:

„Niet schieten! Wij moeten hem levend hebben!”

En hij commandeerde:

„Gereed houden om te enteren!”

Lister glimlachte spottend. [32]

„Mijn brave Baxter, nu heb ik u die mooie zaak van de Matchless in handen gegeven. Toen gij in de Theems laagt, heb ik u eruit gevischt en u het leven gered. En tot dank wilt gij mij arresteeren en zoo mogelijk in verzekerde bewaring brengen! Eigenlijk zijt gij toch een ondankbare kerel! Maar ga uw gang en pak mij.

„Waarom zullen wij wedden, Baxter, dat gij mij niet krijgt. Laten wij zeggen om 500 pond sterling, dat is een bagatel!”

„Vijfhonderd pond?” riep Baxter hoonend uit. „Het is mij goed. Maar ik zal ze incasseeren, als ik win, John Raffles en dat gebeurt! Voorwaarts, mannen, maakt er een einde aan! In naam der wet, John Raffles, gij zijt— — —!”

„Adieu, mijn brave, dankbare Baxter! Vergeet het niet! Gij zijt mij 500 pond schuldig!”

Terwijl hij deze woorden sprak, had Lister den handel neergedrukt. Een kreet van verbazing weerklonk uit de monden der manschappen, want plotseling dook de onderzeesche boot diep onder water en Lister liet haar zoo diep duiken, dat zij onder de boot waarop Baxter zich bevond, doorschoot en in snelle vaart onder water zulk een afstand aflegde, dat vervolging onmogelijk was geworden.

„De motorboot is gezonken! John Raffles heeft zelfmoord gepleegd!” riep de inspecteur teleurgesteld uit.

„Zal ik u eens wat zeggen, inspecteur?” sprak de havenmeester, die naast Baxter stond: „— —onderzeesche boot— —!”

„Vertel toch geen nonsens, kapitein! Alsof de onderzeesche booten zoo maar voor het grijpen waren! Daaraan behoeven we niet te denken!”

De Vloo schaterlachte om deze nieuwe grap van Lister en om de teleurstelling van zijn chef en barstte opnieuw in een onbedaarlijke lachbui uit, toen Baxter eenige uren later in Scotland Yard een telegram ontving van den volgenden inhoud:

„Mijn waarde Baxter!

„Vergeet niet, dat gij mij 500 pond schuldig zijt en neem mij niet kwalijk, dat ik mij die voor het gemak zelf heb gehaald! Gij moest u in Scotland Yard echter beslist een betere brandkast aanschaffen, want deze is niet meer voldoende! Terwijl ik u den raad geef, om voortaan beter op te passen, als gij met mij wedt (waarom wedt gij, dat gij het altijd zult verliezen!) groet ik u.

„Uw
JOHN C. RAFFLES.”

Baxter was buiten zich zelf van woede en hij gaf Marholm zelfs een oorvijg, toen deze zich niet kon bedwingen en in een luid gelach uitbarstte.

Bij onderzoek bleek namelijk, dat uit de brandkast werkelijk 500 pond waren ontvreemd maar ook geen penny meer.

Dit bedrag moest de inspecteur natuurlijk bijpassen.

Lister las in den trein tusschen Sheerness en Londen, dat de schipbreuk van de Matchless gewroken was.

In deze zaak tenminste had Baxter succes gehad.

Kapitein Underwood was in een wanhopig gevecht doodgeschoten, de reeder, de schurk Spotson, wachtte zijn veroordeeling af in de gevangenis.

[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 57) bevat:

DE MILLIOENEN-ERFENIS. [33]

[Inhoud]

Belooning: 1000 pond sterling.

Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven

brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.

Man van eer in alle opzichten

spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:

Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.

Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!

[Inhoud]

WARRANT OF ARREST.

Vertaling:

Bevel tot aanhouding.

Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under:

Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt:

DESCRIPTION:

Name: Lord Edward Lister, alias John C. Raffles.
Age: 32 to 35 years.
Height: 5 feet nine inches.
Weight: 176 pounds.
Figure: Tall.
Complexion: Dark.
Hair: Black.
Beard: A slight moustache.
Eyes: Black.
Language: English, French, German, Russian, etc.

Beschrijving:

Naam: Lord Edward Lister, genaamd John C. Raffles.
Leeftijd: 32–35 jaar.
Lengte: ongeveer 1,76 meter.
Gewicht: 80 kilo.
Gestalte: slank.
Gelaatskleur: donker.
Haar: zwart.
Baardgroei: kleine snor.
Oogen: zwart.
Spreekt Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.

Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown.

Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend.

Charged with robbery.

A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man.

Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling.

Headquarters—Scotland Yard.

Police Inspector,
Horny.

Het Hoofdbureau van Politie Scotland Yard.

Inspecteur van Politie
(get.) Horny.

[Inhoud]

Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler

Singel 236—Amsterdam.

Inhoudsopgave

I. Geheimzinnige voorbereidingen. 1
II. Het reederskantoor van de „Matchless” en de slag van een grijsaard. 3
III. Spotson’s inlichtingen en Charly’s gedachte. 7
IV. Charly’s streken in zijn vrijen tijd. 9
V. Verveling te Scotland Yard. 11
VI. Politie-inspecteur Baxter op het oorlogspad. 15
VII. Ongehoorde verrassingen in het leven van een detective. 18
VIII. De tegenspoed van Scotland Yard. 22
IX. Raffles redt den inspecteur van politie. 24
X. De geheimen van den bodem der zee. 27
XI. Lord Lister als amateur-detective. 29

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 127 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
1 [Niet in bron] EERSTE HOOFDSTUK. 17
Passim. mr. Mr. 1
1, 8, 8, 12, 12 lord Lord 1
1 belangwekend belangwekkend 1
Passim. [Niet in bron] „ 1
3, 8, 20, 22 [Niet in bron] ” 1
4 telephoon telefoon 2
6 stenographeerde stenografeerde 2
8 Stopson Spotson 2
9 van daag vandaag 1
10 bizonderen bijzonderen 1
11 geruineerd geruïneerd 1 / 0
12, 16, 33 [Niet in bron] . 1
12 bizonder bijzonder 1
17 Antishipreck-systeem Antishipwreck-systeem 1
18 Antishiprecksysteem Antishipwreck-systeem 2
18, 23, 25 Allright All right 1
18 ? . 1
19 kunt kunst 1
19 antishipreck-systeem antishipwreck-systeem 1
19 voorlegen voorleggen 1
21 afoopen afloopen 1
24 [Niet in bron] die 4
24 Grandison-costuum Grandisoncostuum 1
26, 26 ”. .” 2
27 platvorm platform 1
29 Scotland Scotland Yard 5
29, 30, 31 verzekering-maatschappij verzekeringsmaatschappij 1
29 Mopkin Mopkins 1
29, 30 Murphey Murphy 1
29 firman firmant 1
30 telephoongesprek telefoongesprek 2
31 Becker Beckers 1
32 vloo Vloo 1
32 , . 1
33 Sinclair Raffles 7
33 Scotland-Yard Scotland Yard 1
33 Oktober October 1
33 Inspekteur Inspecteur 1