The Project Gutenberg eBook of Hanne Nüte en de kleine Poedel

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Hanne Nüte en de kleine Poedel

Author: Fritz Reuter

Translator: E. Laurillard


Release date: September 20, 2026 [eBook #79614]

Language: Dutch

Original publication: Arnhem: Gebr. E. & M. Cohen, 1891

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79614

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HANNE NÜTE EN DE KLEINE POEDEL ***
[Inhoud]

Nieuw ontworpen voorkant.

[Inhoud]

HANNE NÜTE

EN
DE KLEINE POEDEL.
ARNHEM–NIJMEGEN.—GEBR. E. & M. COHEN.
1891.

[1]

[Inhoud]

HANNE NÜTE
EN
DE KLEINE POEDEL.

[3]

1.

Toen ’t zomer werd, maar lente was,

Toen werden naar het groene gras

De jonge ganzen uitgedreven.

De landjeugd, vol van lust en leven,

Sprong links en rechts de deuren uit;

En ’t vroolijk-schaat’rend stemgeluid,

En ’t handenklappen, onder ’t dansen

In ’t licht der voorjaarszonneglansen,

Weêrklonk alomme vrij en blij.

„Kijk, Fiek! die zeven zijn van mij!”

„Kijk, Poedel! daar loopt de oude gent;

O, gansjes, die hem nog niet kent,

Past op maar, want de gent is valsch,

En als hij bijt, hij bijt niet malsch;—

Daar heb je ’t al!—Hou op, jou rakker!”

En, daad’lijk bij de hand en wakker,

Slaan hem de jongens op den kop

Met berketakken: „Toe! hou op!

Jou leelijkerd! allo! laat staan!

Geen gansje heeft jou iets gedaan.”

Zoo ging het daar in ’t groene gras,

Waar ’t schijnsel van den held’ren dag

Zoo rein en blinkend over lag,

Alsof ’t een zuiver laken was,

Breed op Gods tafel uitgespreid.

Toch is de disch nog niet bereid,

Althans aan zomerkost nog arm.—

Al is de zon zoo koest’rend warm,

De bloemen durven nog niet bloeien;

Wantrouwend voelen zij het gloeien

Dier stralen van den lentemorgen,

En houden schuchter zich verborgen.

Het ruig en stopp’lig winterkoren

Spitst luist’rend, scherp en fijn zijne ooren,

Of zich nog ’t ritselend in de lucht

Van hagel of van sneeuw doet hooren.

Het jonge blad, bedeesd, beducht,

Spreekt bevende de nachtvorst aan:

„Och, och! waart gij maar hier vandaan,

Dan zou ik vroolijk mij ontplooien

En lustig al de takken tooien.”

De boterbloem loert door de struiken,

Of zij zich reeds vertoonen mag,

Maar acht het beter weg te duiken

In ’t kruid, dat haar geboorte zag.

De zonnebloem kijkt uit de bladen,

Die haar omsluiten, naar omhoog,

Alsof zij uit het stralend oog

Der zon het antwoord wenscht te raden

Op hare vraag: „Wat denkt ge er van?

Denkt gij, dat ik verschijnen kan?”—

En overal, aan alle kanten,

Rolt de opgewonden jeugd in ’t gras;

En luchtig zijn die jonge klanten,

Alsof ’t reeds volle zomer was.

Deez’ zonder buis, die zonder pet,

De meesten op hun bloote beenen;

Ze dart’len door elkander henen

En hebben allen dolle pret.—

Lief groepjen in den zonneschijn!

Waar kan ’t op aarde beter zijn?—

En bij dat lustig kinderspel

Zat ééne stil. Ook zij had wel

Den gloed der vroolijkheid van binnen,

Maar zij was minder los van zinnen;

Ook had haar moeder haar gelast,

Dat zij zou breien. „Poedel” was ’t,

De kleine Fiek, van dertien jaren.

Nooit was er liever kind. Heur haren,

Heel kroez’lig door elkaâr gekruld,

Zijn nu, in ’t zonlicht, als verguld.

Dat licht, dat haar zoo echt gezond

Er uit doet zien, en hare lippen

Met rozetinten aan komt stippen,

Penseelt een glimlachje om haar mond

En dringt door ’t donker oog, vol gloed,

Tot in het diepst van haar gemoed.

En toen ’t daarbinnen onderzocht,

Hoe ’t met haar hartje wezen mocht,

Toen vond het alles daar zoo vredig,

Zoo blank, zoo rein, zoo trouw, zoo zedig;

En ’t sprak, als ’t ware: „Hier is ’t goed;

Dit zocht ik juist, zoo’n rein gemoed.”

En hierdoor kwam het dan ook, dat

Zij steeds iets zonnigs in zich had.—

’t Gejoel rondom haar duurt nog voort.

De kinderlach, door niets gestoord,

Blijft òm haar schallen blij en luid.

Maar ’t breien gaat niet hard vooruit.

Want nù komt kleine Doortje en legt

Haar bloemenstelen op de knie,

En eischt, dat zij een ketting vlecht’;

En dàn komt Peters Hannes, die

Van een verdorden, droogen stengel

Een fluit wil hebben.—„Domme bengel!

Een fluit van dat verdorde riet

Jou maken? Neen! dat kan ik niet.

Maar,—blijf hier voor mijn ganzen waken!”

Zij legt nu ’t breiwerk even neêr,

Loopt naar de beek en keert dan weêr

Met riet, waaruit iets is te maken.

„Kom hier nu, jongen! kijk goed toe,—

Dan leert ge ’t ook,—hoe ik dat doe,

En zing dan met twee bolle kaken:

Pipen, pijpen, pasterjaan!1 [4]

Laat de fluitjes vroolijk gaan!

Blaas den wind er lustig in,

Ruim van borst en blij van zin!

Maar, kom! mijn breiwerk komt niet klaar,

Car’lien! help jij hem verder maar.”

En nu de fluitjes zijn gemaakt,

Begint het feest eerst, en geraakt

De vroolijkheid in vollen gloed.

’t Is een geschetter en getoet,

Waar Lodewijk zijn best aan doet,

En Karel, Kris en Carolien;—

Ze fluiten allen door elkander,

De een op al scheller toon dan de ander,

En blazen, dat ze er rood van zien.

En Jochem Kort doet ook meê, die

Heel ernstig, met een dikken stok

Steeds vedelt op een elzeblok;

En voortgaat met die symfonie,

Ofschoon hem Fieken, ernstig zacht,

Het woord doet hooren: „Jochem, wacht

Dat ik je neus eens af kan vegen.”

De knaap verzet zich niet daartegen,

Maar vedelt immer dapper door;

’t Waar’ jammer, als hij tijd verloor.—

En daar komt Frits, en houdt zijn handen

Met heel veel zorg vast op elkaâr,

Terwijl zijn dikke wangen branden

Van vreugd. „Kijk, Fiek! wat heb ik daar?”

Zóó barst zijn hooge geestdrift los.

„Wat heb je dan?”—„Een mooie mosch.”

„Een jonge zeker?”—„Neen! een oude.”

„Laat zien.”—„Ja, als ik jou vertrouwde!

Neen, Poedel! ’k laat me niet bedriegen,

Jij zoudt hem aanstonds laten vliegen.”

„Welnu, dat was toch immers goed;

Laatst zei de meester nog: je moet

Zoo’n schuld’loos schepseltje niet plagen.”

„Ei, zoo? ’k Zal zijn verlof niet vragen.”

„Nu, als je’m thuis brengt, weet ik al,

Dat moeders hand je raken zal.”

„Dat doet zij toch; dus, ’t baat niet veel,

Wat je aanmerkt; ik krijg toch mijn deel.”

Maar eensklaps roept nu Poedel uit:

„Een wouw! een wouw!” en iedereen

Loopt ijlings naar zijn gansjes heen,

En allen roepen wild en luid:

„Een wouw!” En Frits, van moed aan ’t blaken,

Zoekt naar een steen, om hem te raken,

Maar onbedacht laat hij de mosch,

Zijn schoonen buit, een weinig los;

En,—tjielp! het vogelkijn ontvlucht,

En Frits roept: „O!”—en staat versteld

Te turen in de held’re lucht,

Waarin zijn mosch is weggesneld.

„Dat ’s jou schuld, Poedel! ’k Zal je … neen!

Neen, Poedel! jij hebt niets te vreezen;

Maar ’t had een ander moeten wezen!

Die ging niet zonder ransel heen!”

Nu wijden ze allen hunne hoede

Aan ’t ganzenvolk, hun toevertrouwd,

Zoodat elk met zijn berkenroede

Zijn eigen troepje samenhoudt.

En alles keert tot de orde weder;

En de oude ganzen, wijs en vroed,

Zien, met gerekte halzen, neder

Op ’t grijzig-gele jonge goed,

Als om met zekerheid te ontwaren,

Of geen verloren is gegaan;—

Waarna ze op éénen poot gaan staan,

En lodd’rig in de hoogte staren,

Terwijl zij uit de diepste hoeken

Van ’t ganzenhart de wouwen vloeken.

Doch, de oude gent, zoo valsch van aard,

Is nog zoo spoedig niet bedaard.

Den kop omhoog, den hals vooruit,

De vlucht gespreid, stapt hij, al blazend

Met boos en dreigend sisgeluid,

Langs de and’ren heen, of vliegt, als razend,

De kind’ren aan, die wijd en zijd

Verstuiven dan, door schrik gedreven,

Maar toch nog lachen bij hun beven,

En bij ’t geroep: „Pas op! Hij bijt!”

Terwijl het beest zoo woest zich roert,

Komt met een zeer voornamen gang,

Op ’t pad, dat langs de weide voert,

Een man aan, deftig, strak en lang.

„Daar komt de bakker,” roept Frits Smidt,

„De rijke bakker; kijk! hoe wit

Is hij van hoofd tot voeten toch:

’t Is net een wandelende trog.

En als je ’t eens niet beter wist,

Dan zou je zeggen: ’t vol gezicht,

Waar zoo iets bleeks en weeks in ligt,

Dat is een klonter deeg met gist.”

En op dien deegklomp zat, behoorlijk,

Een muts van fijn en helder doek,

Met zeven plooien, heel bekoorlijk;

Ze had iets van een ketelkoek.

De bakker blijft zijn tocht vervolgen,

En denkt soms onderweg aan niets,

En somtijds denkt hij weêr aan iets.

Maar, zie! daar pakt hem, fel verbolgen,

Op eens de valsche gent in ’t been.

De schrik vliegt door zijn aad’ren heen.

Hij slaakt een bangen schrillen kreet,

En schopt en slaat; de gent houdt beet;

En al de ganzen gaan aan ’t snaat’ren,

En al de kind’ren staan te schaat’ren,—

Om d’angst en gramschap van den man,

Die trapt, al wat hij trappen kan,

Naar adem hijgend, gansch ontsteld.—

Een leven was het van geweld.

Ten laatste komt de bakker vrij,

Doch stuift nu op de kind’ren af,

Ontvlamt in toornigheid; maar zij,

Zij gaan aan ’t loopen, op een draf,—

De schoenen uit,—door struik en hagen,

Totdat ze ’t veilig kunnen wagen,

Om weêr een wijle stil te staan.

Dan zien zij hem al spottend aan,

En roepen sarrend: „Dapp’re vent!

Daar komt de gent! Daar komt de gent!”

En Fiek, die dat tooneeltje zag,

Schoot ook,—ze moest wel,—in een lach.

De bakker wordt dien lach gewaar,

En, daar hij de and’ren niet kan grijpen,

Pakt hij nu Poedel in het haar,

En schreeuwt: „Wacht, nest! jou zal ik knijpen.”

Maar allen uiten éénen kreet:

„Pas op, hoor! je doet háár geen leed.”

De een dreigt: „hij zal ’t aan moeder zeggen.”

En de ander neemt een smeektoon aan;

Elk zoekt het hierop aan te leggen, [5]

Dat hij toch Poedel niet zal slaan.

En Hannes Peters zet zijn tanden

Schier raad’loos in zijn eigen handen,

En brult zoo luid van angst en smart,

Als drong een braadspit door zijn hart.

En poedel weeklaagt: „Laat me gaan!

Ik heb je niets geen kwaad gedaan.”

Toch wil de booze man haar slaan,

En tilt zijn arm— — —maar onverwacht

Krijgt hij een oorveeg heel onzacht.

Waar kwam opeens die klap vandaan?—

Hij ziet daar Hanne Nüte staan;

Smidsjongen, flink, en blank van ziel,

Schoon zwart van buiten; vlug en wakker;

Hij was ’t, die, als een inktvlak, viel

Op ’t mooie krijgsplan van den bakker.

„Wat doet dat kind jou, valschaard? zeg!

Je blijft er af, en gaat je weg!”

En trotsch kijkt hij den bakker aan,

Die jongen, zwart tot in zijne oogen;

De kind’ren komen aangevlogen

En blijven achter Hanne staan,

En roepen: „Toe maar! Sla er op!

Toe! sla den bakker op zijn kop!”

En: „Wou hij poedel slaan? die vent!

Zij deê hem niks; alleen de gent.”

Zoo kraaien ze uit hun veilig nest.

De bakker vond het nu maar ’t best,

Zijn mooie muts, met zeven hoeken,

Die afgezwaaid was, op te zoeken.

Hij zet die op; en nu, hij gaat,

Maar draait zich om, en zegt, heel kwaad:

„Wacht, deugniet! ik spreek jou wel nader,

Ik kom vandaag nog bij je vader.

„’t Is goed,” is ’t antwoord; „ga je gang!

Hoor bakker! ’k ben voor jou niet bang.”

En Frits roept: „Wat een malle broek!

En wat een muts!—Een ketelkoek!”

En Jochem roept: „Die domme poen,

Wat wou hij onze Fieken doen?”

En Hannes Peters schimpt nu meê,

Maar jammert weêr van angst en wee,

Terwijl zijn blos tot wit verschiet,

Zoo vaak de bakker ommeziet.

„Wel, Fiek,” spreekt Hanne en streelt haar wang,

„Ben je erg verschrikt? Je moet niet schromen;

Die Judas zal niet wederkomen;

Hij doet ons niets; wees maar niet bang.”

En Fieken grijpt zijn zwarte hand,

En doet deelnemend hem de vraag:

„Maar, Hanne! krijg jij nu geen slaag?”

„Ja, als die laffe, valsche klant

Naar vader gaat, zou ’t moog’lijk wezen;

Maar,—neen, dat is toch niet te vreezen:

Als ’k lieg of lui ben, slaat hij mij;

Maar hier, neen! hier komt moeder bij,

Als voorspraak; neen! hier is geen nood;

En dit geval bloedt zachtjes dood,”—

En toen ging Hanne Nüte heen.

De kind’ren dartelden al weder,

Fiek zat weêr met haar breiwerk neder,

En ’s avonds merkten ze: geen een

Der kleine gansjes was verloren.

Zoo eindigde alles naar behooren.

Maar allen waren toch nog kwaad

Op dien zoo valschen, witten vent,

En roemden Hanne’s heldendaad,

En Poedel en den grijzen gent.

Maar onverwacht krijgt hij een oorveeg heel onzacht. Waar kwam op eens die klap vandaan? Hij ziet daar Hanne Nüte staan.—

Maar onverwacht krijgt hij een oorveeg heel onzacht. Waar kwam op eens die klap vandaan? Hij ziet daar Hanne Nüte staan.

Pag. 639.


1 Verbastering van Sebastiaan. Op den dag van St. Sebastiaan treedt, volgens de volksmeening in Mekklenburg, het sap in de takjes. 

[Inhoud]

2.

Die Hanne was een een’ge zoon

Van Snoet, den smid, van ’t dorp Gallin

Doch Hanne noemde men niet Snoet;—

’t Is immers gansch niet ongewoon,

Maar ’t wordt bij dorpers veel gezien,

Dat men een naam verand’ren doet:—

Men noemde in ’t eerst den jongen Snüte,

En later werd het Hanne Nüte.1

En dezen naam moest hij behouden,

Al was ’t eene ergernis voor de ouden;

Vooral voor moeder, die, wanneer

Ze op straat dat Nüte weer moest hooren,

Van de achterkamer kwam naar voren,

En spijtig riep: „Wat hoor ik weer?

Altijd dat Nüte! ’t Is niet goed:

Hij heet niet Nüte, hij heet Snoet.”

Maar vader zei haar dan toch vaak:

„Och, kom! wat doet de naam ter zaak?

Als hij maar voortmaakt met zijn leeren,

En eens zijn ambacht goed verstaat,

En dan daarop aan ’t reizen gaat,

Wat kan hem dan die naam nog deren?

Dan gaat het hem toch zeker goed,

’t Zij dat men Nüte zegge of Snoet.”

Ook Poedel had,—wie kon daartegen?—

Op zulk een wijs haar naam gekregen.

Haar ware naam was Fieken Smidt.

Maar in het dorp Gallin was dit

De naam ook van twee and’ren nog;

En daar men ’t drietal meisjes toch

Behoorlijk diende te onderscheiden,

Gaf men òns Fieken en die beiden

Een bijnaam. De eene sprak wat zwaar,

En werd toen Stotter-Fiek geheeten.

Van de and’re was de gang wat raar,

Ze liep wat traag en afgemeten,

En werd Pantoffel-Fiek genoemd.

En ònze Fieken was beroemd

Om haar zoo mooien krullekop:

Daar zag die naam van Poedel op.

In ’t eerst had zij er hinder van,

Wanneer die naam haar werd gegeven,

En klaagde er over t’huis; maar dan

Zei moeder: „Kind! wees in je leven

Iets beters dan een poedel is,

En dan zal jou die naam gewis

Geen leed of schade kunnen doen.”

Dan gaf zij ’t kind een flinken zoen,

En sprak: „Gij zijt mijn beste meid;

Mijn oudste; en als ge in deugdzaamheid

Een voorbeeld zijt voor de and’re negen,

Dan treden die op goede wegen

Jou, net als schapen, achterna.

Maar als ge ooit slecht mocht worden, ja,

Dan zou ’k je lang niet malsch betalen.—

Kom! ga nu heen; ga groente halen.”

En Fiek groeide op, en evenzeer,

Met haar, die kring van de and’re negen;

En vaak moest zij dien ganschen zegen

Des huizes hoeden en verplegen,

Omdat de moeder meen’gen keer [6]

Door and’ren arbeid was bezet.

En schoon het stellen van de wet,

En daarmeê ook het klappen geven,

Aan moeders wijsheid was verbleven,

Door Fiek moest worden opgelet,

Dat Doortje toch niet vallen mocht,

Of Karel met de bijl ging spelen,

Dat Frits met Lodewijk niet vocht,

Dat Jochem met de karrezelen

Van vader zich niet mocht bezeeren.

Dat Kris niet trachtte zich te scheren,

En dat zich Rika niet mocht branden,

Noch Hendrik op de smalle randen

Zich wagen van den waterput.

Zoo was zij van veelzijdig nut,

En groeide bij den arbeid op,

Frisch als een roos, rank als een pop;

Het hoofdje vroeg reeds vol van zorgen,

’t Hart helder als een lentemorgen,

De hand vereelt, de ziele zacht,

Aan deugden rijk, maar arm aan kleêren;

Zoo was zij, toen, in ’t huis des Heeren,

Haar vader haar voor ’t outer bracht.

Daar had ze een eereplaats, want zij

Stond bovenaan daar, in de rij.

De leeraar immers had gedacht,

Daar kwam geen stand of geld te pas,

Maar meer de vraag, wie ’t knapste was.

En toen zij stil en vroom daar stond,

Armoedig, maar toch rein en net,

Liep in de kerk ’t gefluister rond:

„Kijk! Fiek is bovenaan gezet.”

Maar Boldt, een rijke pachter, sprak:

„Moet dàt vooraan?—zoo’n bedelpak?”

En toen de kerk was uitgegaan,

Toen zei een haat’lijk boerenwijf:

„Wel, wel! dat heeft geen hemd aan ’t lijf,

En dat moet vóór al de and’ren staan!”

„Nu,” zegt smid Snoet, „dat is met recht;

Flink heeft zij alles opgezegd,

En vlug weet zij met alles raad,

Wat in den katechismus staat;

Die rijke boerendochters stonden

Daar als toegelakte monden;

Maar gijlui ziet maar op het geld

En dat wordt toch,—hoe men ’t begeere,

En hoe men den bezitter eere,—

Door God niet bovenaan gesteld.”

„Ja, vader!” zegt de wever Dijk,

„Op dat punt geef ik jou gelijk.”

En de oude schout Vermeulen zegt:

„Ja, meester Snoet! jij hebt het recht;

Zij is een deerntje, kloek en knap.”

De wagenmaker Windelstap

Stemt ook met deze lofspraak in.

En zegt: „Zij heeft zoo’n vromen zin,

En ze is zoo ijv’rig en zoo gauw,

En ze is zoo eerlijk en zoo trouw,

En die haar eenmaal krijgt tot vrouw,

Heeft, denk ik, zeker nooit berouw:

Een mooi gezichtje en ’t hart zoo goed,

Dat is voorwaar!— —maar daar komt de meester;

Ik zou u raden, vrinden! leest er

Hem,—die het immers weten moet,—

Nog eens op na.”—„Ja, vader Snoet!”

Zegt meester Zuur, „’k mag niet verbloemen,

Zij weet nog meer dan uw Johan,

En die is lang niet dom te noemen;

Maar oordeel en begripsvermogen,

Daar heeft hij zóóveel toch niet van

Als Fieken Smidt, wier heldere oogen

Den glans weêrkaatsen van een geest,

Die veelomvattend is en meest

Met fierheid zich verheft ten hoogen.

„Bedaard!” zei Snoet. „Maak ’t niet te drok!

Maar ’k ben toch blijde er om, dat Smidt

Die met zoo’n bende kind’ren zit,

Op de oudste ’t hoogste nommer trok.”

Smid Snoet ging huiswaarts en vergat,

Door zijn gepeins, het middageten,

Terwijl hij op een plekje zat,

Waar hij al dikwijls had gezeten,

Wanneer hij iets te denken had.—

En daar viel altijd licht hem in.

Daar zat hij nù ook, met de kin

Op zijne handen, de ellebogen

Op zijne knieën, onbewogen.

Want zat hij zóó, en zat hij daar,

Dan kreeg hij ’t met de zwaarste zaken,

Die hem vervulden, eindlijk klaar,

En kon de hardste noten kraken.

Ook thans. Hij komt in huis en zegt:

„Kijk, vrouw! ik heb eens overlegd,

En ’k denk, gij zult gelijk mij geven,—”

En bij die woorden strijkt hij even

Langs hare wangen op en neêr;

Dat deed haar wel een weinig zeer,

Want, ja, haar huid had iets van leêr,

Maar zijne hand iets van een vijl;—

„Mij dunkt dan, lieve vrouw, dewijl

Die Fieken Smidt zoo braaf en knap is,

En ’t bij haar ouders nog al krap is,

Wij moesten, dunkt mij, dit of dat

Hun zenden op dit feestgetij:

Aardappels, meel, en nog zoo wat,

Bij voorbeeld, wat tabak er bij.

Johan kan ’t brengen, en een groet.”— —

„Ja,” zegt de vrouw, „maar, hoor eens, Snoet!

Sta mij dan toe, dat ik hem zeg,

Wat hij daarginder zeggen moet;

Want, zie je? jij kunt niet heel goed

Met complimenten overweg,

En als hij zegt, wat gij hem zegt,

Dan komt er niet veel van te recht;

En schoon ze armoedig zijn bij Smidt,

’k Hou van een groet,—bij wien ’t ook zij,

Die netjes in elkander zit.—

Kom hier, Johannes! hoor naar mij:

Je schiet je vest aan en je buis,

Je haalt de kar hier, en je zet

Daar alles op, en brengt het t’huis

Bij Smidt;—maar ga niet zonder pet.

Dan zeg je: Wel het compliment

Van vader en van moeder Snoet,

En dan was hier een klein present,

Omdat de grootte ’t juist niet doet,—

En dat aan Fieken, heel haar leven,

De Heer dàt alles moge geven.

Wat haar kan nuttig zijn en goed.—

Nu weet je, wat je zeggen moet.”

De jongen weet het en hij gaat,

Zijn vrachtje kruiend, door de straat,

Terwijl het ouderpaar, met vreugd

In ’t oog, hem na te kijken staat.

En de oude Snoet zegt, recht verheugd:

„’t Is toch een jongen, flink en rap: [7]

En ook in ’t ambacht is hij knap.

Gaat hij zoo voort, dan moet hij maar

Ons huis uit, in een volgend jaar,

Om zich al reizend te volmaken

In ’t vak.”—„Nu,” zegt de vrouw, „dan zal

Dat Nüte zeggen, dat ik al

Zoolang zoo laf vond en zoo mal,

Allengs wel uit de mode raken.”


1 Hanne is eene wijziging van Johan, en in Nüte schijnt iets spotachtigs te liggen, een zekere verbinding van klein en belachelijk.

(Vert.) 

[Inhoud]

3.

De tijd ging voort. En op een keer

Bezocht de smid dat plekje weêr,

Waar, als een plan in ’t hoofd hem zat,

Hij al zoo vaak gemijmerd had.

Hij peinst ook nu en weegt en wikt,

Of dit wel kan en dat wel schikt,

En wat misschien zijn goede vrouw

Van dit en dat wel zeggen zou.

Intusschen denkt zij ook, en zegt:

„Wat hij daar nu weêr overlegt?

Zóólang blijft hij toch zelden uit;

Hij weet, het eten staat hier klaar;

Toch komt hij niet; hij is soms raar!

Johan! weet jij, wat dat beduidt?

Heb je ook met vader iets gehad?”

„Ik? neen!—’k Heb naar zijn zin gewerkt.

Ik legde een band rondom een rad;

Hij keek er naar, en ’k heb gemerkt,

Dat hij daarin genoegen vond.

Ook zei hij iets, terwijl hij lachte,

Maar binnensmond en in gedachte,

Zoodat ik niets daarvan verstond.”

„’t Is vreemd,” zegt moeder. Maar daar kwam

Haar echtvriend binnen, en hij nam

Een toon vol ernst aan en gewicht,

En sprak: „Hoor, vrouw! ik kreeg weêr licht

Op ’t plekje, waar zoo menigmaal,

In de eenzaamheid, een held’re straal

Van wijsheid door mijn hersens schoot.

Hoor toe! Johannes wordt al groot,

En hij is krachtig; want een hand,

Die om een wiel een ijz’ren band

Van zes duim dikte leggen kan,

Dat is de hand haast van een man,

Die twee man waard is. Nu, Johan!

God gaf je knokkels, hard en sterk,

Ik leerde je de smederij,

De meester deed er ’t zijne bij,

De dominé deed ook zijn werk,

En moeder ging je in ’t goede voor,—

Dus, nu voor ’t vak aan ’t reizen, hoor!

Ik maak je morgen smidsgezel,

En dan maar voort, en ’t ga je wèl.”

„O!” zegt nu moeder, „dat is goed,

Dan hoor ’k dat Nüte toch niet meer,

En je echten naam krijg jij dan weêr,

Dan ben je weêr Johannes Snoet.”

En toen zij dan, den and’ren dag,

Als smidsgezel hem vóór zich zag,

Begon zij dapper zich te weren,

Om ondergoed en bovenkleêren

Te brengen in een goeden staat;

Zij naait en stopt tot ’s avonds laat.

En midd’lerwijl heeft vader Snoet

Een nieuwen jongen aangenomen,

Die, in Johannes’ plaats gekomen,

Nu aan den blaasbalg trekken moet.

De laatste Aprildag is verschenen,

En Hanne gaat nu, langs de rij.

Huis in, huis uit, door ’t dorpje henen.

„Vaarwel, vrouw Smidt! Vaarwel ook gij,

Mijn kleine Poedel!—Denk aan mij!”—

En zoo, bij ’t allengs verder gaan,

Komt hij ook bij den meester aan,

Die bij zijn bijenkorven staat,

En ’t gonzend volkje gadeslaat.

„Dag, meester Zuur! Ik ga op morgen

De wereld in.—Dank voor de zorgen,

Die gij voor mij steeds hebt gehad,

Toen ’k nog op uwe schoolbank zat.”

„Wel zoo, mijn Hanne! gaat gij weg?

Maar,— —’t past niet, dat ik Hanne zeg;

Mij dunkt, ’k mag wel mijnheer gaan zeggen.

Ja, kleine kind’ren worden groot;—

Dat stond ik juist daar te overleggen,

Doordien me in de gedachte schoot,

Hoe treffend de gelijkenis

Van jonge lui met bijen is.

Eerst vliegt het bijtje door den hof;

Maar ’t duurt dan ook niet lang meer, of

’t Begint zijn tochten uit te breiden,

Al verder, verder,—en het trekt

Tot naar de verste klaverweiden.

Want, zie je? ’t allerbeste insect

Voor bijen is de witte klaver,

Gelijk voor ’t paardenras de haver.

En als de beestjes wederkeeren,

Ze zijn met honig opgevuld.

Heb nu een weinigje geduld,

En luister goed naar mij; gij zult

Den zin dan van mijn beeldspraak leeren.

Gij ook, gij vliegt nu, als de bij,

Voor ’t eerst de wereld in; ook gij

Keert eens met honig heel verheugd,

Naar huis terug. Uw zuigvermogen

Is de arbeid, die u zal verhoogen;

De honig zelve is hier: de deugd,

Maar,—nog iets. Toen ik had vernomen,

Dat gij tot afscheid hier zoudt komen,

Toen heb ik fluks een brief geschreven,

Dien ’k u wel wenschte meê te geven.

In vroeger jaren,—moet gij weten,—

Heb ’k in Silezië gewoond,

En voor een meisje Trees geheeten,

Niet ongevoelig mij betoond;

Integendeel, de band was innig,

Die ons verbond; zij was aanminnig

En mooi; een wever was haar vader,

En heette Antonie David Kader;

Haar broeder had den naam van Hans,

En moet bij Polkwitz wonen thans.

Wanneer gij haar soms mocht ontmoeten,

Geef haar deez’ brief met mijne groeten,

En zeg haar dat nog steeds mijn geest

Dien tijd herdenkt, die van mijn leven

De schoonste en zaligste is geweest,— —

Maar,— ’k mag mijn vrouw geen argwaan geven.”

Ach! arme meester! arme Zuur!

Zijn vrouw stond bij de bijenschuur,

En sprong te voorschijn, gansch verwoed:

„Laat mij dien brief eens lezen, Snoet!”

En zij bemachtigt, met een ruk,

Den brief en breekt het zegel stuk. [8]

„Mijn heerlijke engel!”—„Al mijn leven!

Dat heeft mijn achtb’re man geschreven!”—

„’t Papier, door uwe hand ontvouwd,

Komt van uw vriend,—helaas! getrouwd.”

„Helaas?—Dus, hij beklaagt het zich.

Ik dacht, hij schreef aan pachter Zwingen

Om een gezonde, vette big,—

Ja wel! het geldt gansch and’re dingen.”

„Mijn vrouw is op vermaak gesteld,

’t Is waar, zij had een beetje geld,

En ze is bekwaam om huis te houën;

Toch kan ’t niet anders dan mij rouwen,

Dat ik een mensch als zij ging trouwen.

Als ik nog denk aan u, mijn beeld!

Die ’k vaak gekust heb en gestreeld.”

„Foei! hoor mij zulk een taal eens aan!

En heeft zij dat dan toegestaan?

En moest dan nu die nucht’re bengel

Zoo’n brief bezorgen bij zoo’n engel?

En dat van iemand, die moet leeren,

Dat ieder plicht en deugd moet eeren!”

En de arme meester, gansch ontdaan,

Roept smeekend: „Doortje! hoor mij aan!”

„Wat? ’k Wil niets hooren! ’t Is niet noodig.

Ik heb ’t gelezen. Dus, je moet,—

Want ik ben hier nu overbodig,

Ik doe je zaken toch niet goed,—

Je moet dat mensch hierhenen voeren,—

Die engel,—om jou brij te roeren,

En, engelachtig, op haar hurken

Je bier te tappen en te kurken,

Je kamer zind’lijk te doen blijven,

Je kousen altijd knap en heel,

En geitenvoêr bijeen te rijven,

En hout te halen,— —weet ik veel?

Maar ik, die nu niet meer kan deugen,

Nu ’t engeltje, zoo lief en fijn,

Jou gek maakt, ik zal mij verheugen,

Als door den gloed van deze liefde,

Die mij zoo krenkte, mij zoo griefde,

Je meelpap aangebrand zal zijn!”

En daarop frommelt zij verwoed

Den liefdebrief in duizend kreuken,

En springt naar binnen, in de keuken,

Waar zij ’t gebrom nog hooren doet:

„Dat weeklaagt over minnepijnen,

Met grijzen kop en met een huid,

Zoo rimp’lig als een tros rozijnen!”

En dan kijkt zij de deur weêr uit,

En, dreigend met een bezemsteel,

Herneemt ze: „Laat die engel komen,—

Dan geef ik haar en jou je deel,

Voor al je mooie liefdedroomen!”

Haar man staat voor haar, gansch ontdaan,

En spreekt: „Maar, Doortje! hoor mij aan;

’k Schreef zoo maar wat, om wat te schrijven;

’t Zijn woorden, en daarbij zal ’t blijven.

Mijn Doortje, Dora, Dorothee!

Je weet toch, jij bezit mijn hart;

En kon ik zeggen hoe ’t mij smart,

Dat deze zaak u.…” Maar, o wee!

Zijn lieve vrouw, nog gram te moê,

Kletst met een smak de keuken toe.

Hij krabt, onthutst, zich achter de ooren,

En spreekt nu tot den jongen smid:

„Wanneer gij naar mijn raad wilt hooren,

Trouw dan maar nimmer, want er zit

Iets zwaks en nukkigs in de vrouwen;

Je kunt ze nooit geheel vertrouwen.

Ik schreef dien brief; maar ’t was, dewijl

Ik me oef’nen woû in dezen stijl;

Want dat is eene van die zaken,

Waar ’k nog een winstje meê kan maken;

De liefde toch blijft overal,

Waar jongelui zijn, in de mode;

En nu ben ik wel niet zoo mal,

Dat ’k een verliefde worden zal,

Maar ’k schrijf die brieven om den broode;

En aan dat vak verdien ik meer

Dan aan de jongens, die ik leer.

De liefde is een gewichtig ding;

Maar die haar gloed in ’t hart onving,

Kan zelden goed zijn woorden vinden;

De Hemel moog’ twee harten binden,

De Hemel zegt daarbij niet, hoe

Zij spreken moeten tot elkaâr;

En daarom is elk minnend paar

Heel blij, als ik dat voor hen doe.

’t Kon soms gebeuren dat ook gij

Me eens noodig hadt; nu, spreek dan vrij,

De prijs zal billijk zijn. En nu,

Vaarwel, mijn vriend! ’k beveel me aan u!”

„Vaarwel,” zegt Hanne, „meester Zuur!”

En loopt nu langs den kerkhofmuur,

En treedt na een minuut twee, drie,

Den tuin in van de pastorie.

[Inhoud]

4.

En de oude dominé, bekoord

Door ’t zacht en heerlijk lenteweêr,

Loopt in de schaduw op en neêr.

Zijn harte lacht, zijn oogblik gloort

Van vreugde, dat hij nog een keer

Weêr ’t groen geboomte en ’t jonge graan

In frisschen dos daar mag zien staan.

Een blosje tintelt op zijn koon,

En lustig zet hij ’t mutsje schuin,

En ziet in ’t rond, van uit zijn tuin,

En vindt de wereld weêr zoo schoon.

Zoo stapt hij heen en weêr. Maar, zie!

Daar staat hij stil. „Zie ’k wèl, Sophie?

Is dat daar Hanne Nüte niet?”

„Ja, vader.”—„Hé, wat die hier doet?

Hij ziet er krachtig uit en goed,

’t Is een gezicht als melk en bloed;—

’t Is vreemd, maar in de lente ziet

Er alles helder uit en frisch,

Wat anders grauw en donker is.

Zoo’n smid zelfs, waar gij anders, wis,

Geen and’re kleur dan zwart aan vindt,

Heeft nu een appelbloesemtint.”

En Hanne, naderbij getreden,

Neemt van zijn hoofd den vilten hoed,

En geeft, en krijgt ook, hand en groet.

„Wel zoo, mijn zoon! wat voert u heden

Zoo naar mij heen?”—„Wel, domeneer!

Ik was bij vader in de leer,

Maar ben nu smidsgezel, en ’k moet

De wereld in.”—„Zoo, zoo! dat ’s goed.

Sophietje, ga en zeg,—maar snel,—

Aan moeder, dat de smidsgezel,

Johannes Snoet, ons zijn vaarwel

Komt brengen hier, en dat ze eens even

Een flesch en glazen ons moest geven.”

En zoo geschiedt. Het tweetal zit. [9]

„Wel zoo,” spreekt de oude man, „mijn smid!

Gij zult alzoo aan ’t reizen gaan.”

„Ja, morgen ga ik.”—„Zoo! dat ’s goed;

Gij vangt op ’t rechte tijdstip aan.

Met Mei krijgt alles nieuwen gloed,

Met Mei is alles frisch en schoon;

Dan ziet men alles bloeien, blinken,

Dan hoort men ’t leeuw’rikslied weêrklinken,

Met wonderzoeten zilvertoon.

Deswegens is ’t ook zeer terecht,

Wanneer het oude deuntje zegt:

’k Laat vandaag mijn zaken rusten;

’k Ga op reis, hoezee!

Weg de lasten! Nu de lusten!

Wie gaat met mij meê?

De eerste Mei is weêr gekomen,

Nu den wandelstaf genomen!—

Wie gaat met mij meê?

Maar, zeg! is u mijn wijn te min?

Drink uit; ik schenk u nog eens in.

Ja,—stonden mij mijn stand en jaren

Maar niet belemm’rend in den weg,

’k Ging met je rijden, loopen varen;—

Ik meen het ernstig, wat ik zeg.

En waar gaat nu de tocht zoo heen?”

„Mijn vader meent, ’k moet niet alleen

Door Zuid- en Midden-Duitschland trekken,

Maar mijne reis heeft tot aan ’t strand

Van België zich uit te strekken,

Misschien wel tot in Engeland!

„Welnu, dat oordeel is verstandig;

Een mensch moet altijd in één’ zaak

Recht kundig willen zijn en handig;

En dit beschouwen als zijn taak,

Dat hij van verre en van nabij,

Verzamele al, wat de waardij

Van zijne kennis kan vergrooten,

Opdat hij bij zijn vakgenooten

In waarheid man en meester zij.

Maar oordeelt moeder evenzoo?”

„O neen! die meent, naar Teterow,

Of, op zijn hoogst, ja, dan tot Schwaan;

Maar verder zou ’k niet moeten gaan.”

„Dat dacht ik wel; zoo zijn altijd

De moeders; nu, ik kan ’t verklaren:

Ze zijn niet gaarn’ haar kind’ren kwijt,

En vreezen overal gevaren.

Met dochters kan er dat door heen;

Die kan een moeder t’huis bewaren;

Maar voor een jongen zeg ik: neen!

Een jongen moet, op zeek’re jaren,

De wereld in; daar moet hij leeren,

Der menschen handel te begrijpen,

Zijn ruwe kanten af te slijpen,

Den stoot door tegenstoot te keeren;

Den last te dragen of te mijden,

En hier te helpen, daar te strijden,

Totdat hij heeten mag: een man,

En ook zich zelv’ beheerschen kan.—

Kom aan! Daar moeten we eens op drinken,

Daar moet het glas eens ferm op klinken,

Dat gij, aldus tot man verhoogd,

Eens herwaarts wederkeeren moogt.—

Nu nog één ding: kunt gij ’t verbinden

Aan ’t ernstig doel van uwen tocht,

Dan zou ’t wel goed zijn, als gij zocht

Uw staf met bloementooi te omwinden:

Trek door de schoone Duitsche landen,

Bewonder berg en dal en woud,

En stroomen, die, als zilv’ren banden,

zich bochtig sling’ren langs de randen

Der korenakkers, geel als goud.

Begroet de eerwaarde, grijze steden,

Gesierd door orde en goede zeden,

En brengt dàt oord mijn groetenis,

Waar deze wijn gewonnen.—

Mijn zoon! eens was ik jong, als gij,

Nu ben ik oud; maar van die dagen,

Toen ik den grooten sprong moest wagen,

Ligt nog mij de herinn’ring bij.

Gij hebt wel Jena hooren noemen?

Nu, daar ben ik student geweest;

Dat was een tijd van licht en bloemen,

Dat was een leven als een feest.

Wat praat uw moeder toch van Schwaan?

Uw vader van het land der Britten?

Neen! die te Jena komt te zitten,

Zit aan een godentafel aan.

’k Heb daar aan alles meêgedaan.—

Maar,—wacht eens even, vrind! je glas

Is leêg, en dat komt niet te pas.—

Welnu, toen ’k nog te Jena was,

Gebeurde ’t soms ook, dat we samen

Het marktplein tot een kampplaats namen.

Dan ging ’t er soms onstuimig toe,

Met bloote degens,—weet gij, hoe?”—

En hier nam hij een boonenstaak.—

„Kijk, zoo! zoo ging het wapen dan,

En bijna ied’re stoot was raak,—

Daar kunt ge staat opmaken, man!”

En, al vertellend, doet hij na

Hoe dan de blanke degen ging,

En, warm bij die herinnering,

Zingt hij met luider stem dit lied,

Maar wordt beluisterd door zijn gâ,—

Doch in zijn geestdrift merkt hij ’t niet:—

„Laat ons klinken! Jena leve!

Hoera! hoera! hoera!

’t Saaie ras der ploerten sneve!

Hoera! hoera! hoera!”

Maar nu komt vrouwlief voor den dag,

En schudt het hoofd, en spreekt: „Ik mag,

Ik wil zoo’n wereldsch lied niet hooren;

Een wanklank is het in mijne ooren.”

„Ja, vrouw! je hebt geen ongelijk,

Maar ’t lenteveld, aan vreugd zoo rijk,

De parelende wijn en dan

’t Herdenken van die schoone tijden,

Waar zóóveel goeds me in mocht verblijden,—

Daar werd ik opgewonden van.

Intusschen, gij, mijn zoon! wees wijs,

En stel niet op te hoogen prijs

Wat de aarde u biedt, want ijdel is ’t;—

Een waarheid, waar in oude dagen

Reeds koning Salomo van wist.

Laat de aarde u niet te veel behagen.

De kunst is lang, en kort is ’t leven.

En ’t schepsel dezer wereld is

Aan jammer en verderfenis,

Aan diepe ellende prijs gegeven,

Maar, hoor!—Daar slaat een nachtegaal.

Wat spreekt die toch een schoone taal!

Men wordt,—maar, laat ons niet vergeten;

De wereld is met schuld bedekt, [10]

De wereld is met schand bevlekt;

Zij heeft haar rang en roem versmeten.—

Maar, luister! hoor! daar klinkt het weêr

Dat blijde nachtegalenlied;

’t Glijdt troostvol in ons harte neêr;

’t Is of ’t aan hooger sfeer ontschiet,

’t Is of het uit den hemel daalt,

En zachtkens, ja, maar toch met kracht,

Ja, krachtig, maar toch ook zoo zacht,

Ons harte naar den hemel haalt.—

Doch nu genoeg. Vaarwel mijn vrind!

Gods zegen moge u vergezellen.

’k Zal later u wel eens vertellen,

Waarom ik de aard verdorven vind.”—

„Vaarwel, mijn waarde domeneer!”

Zegt Hanne, en gaat het tuinhek door;

Maar de oude roept hem nog eens weêr,

En zegt: „Nu, goed onthouden, hoor!

Is ’t mooglijk, dat ge Jena ziet,

Verzuim vooral dan dàt toch niet.”

[Inhoud]

5.

Den and’ren dag staat meester Snoet

Bij ’t aanbeeld, en hij slaat en slaat,

Dat hem de vonken, wit van gloed,

Al knett’rend spatten in ’t gelaat;

En ’t sist en bruist en klinkt en knalt,

Dat heel de smidse dreunt en schalt,

„Toe, jongen! trek wat beter dan!”

De blaasbalg-jongen doet zijn best,

Tot dat hem schier geen kracht meer rest;

Hij trekt en trekt, al wat hij kan,

Terwijl zijn neus geluiden geeft

Of hij een blaasbalg in zich heeft.

De baas is heden lang niet mak;

Barsch is zijn toon, en op zijn wezen

Staat strenge en donkere ernst te lezen.—

Daar komt Johan, met pak en zak,

Door zijne moeder begeleid,

Die alles goed heeft toebereid.—

Daar komt hij nader, vlug en kloek;

In de eene hand zijn nieuwen hoed,

Heel net gebonden in een doek;

In de and’re een stok. En welgemoed,

Zou men zoo zeggen, liep hij daar.

Toch was ’t hem om het hart zoo raar:

Hij vroeg zich zelv’, niet zonder beven,

Wat lot hem wachten zou; wat leven

De wijde wereld hem zou geven;— —

Hij was maar liever t’huis gebleven.

En moeder, ook niet blij te moê,

Den blauwen boezelaar voor de oogen,

Om zich de tranen af te droogen,

Spreekt hem met ernst en weemoed toe:

„Och! ga toch niet te ver van huis;

’t Zou mij een kwelling zijn, een kruis,

Indien ge ons Mekklenburg verliet;—

’t Is groot genoeg; ga verder niet;

En, denk er om, hoor, jongen lief!

Schrijf ons gedurig eens een brief.”

Nu zucht ze en weent met bang gesnik;

En toch, in dezen oogenblik

Doortintelt te gelijk een gloed

Van fiere weelde haar gemoed;

Want dit was niet te ontkennen, dat

Ze een knappen, fermen jongen had.

Zoo komen ze, aan elkanders zij,

De deur in van de smederij,

Waar vader steeds nog bezig is,

En zich ’t geknap nog en ’t gesis,

Van ’t vuur, op ’t aanbeeld en den haard,

Aan ’t hijgen van den blaasbalg paart.

„Och, vader!” zegt vrouw Snoet;—„Johan,—”

Ook hij zegt: „Vader!”— —de oude man

Geeft d’een noch de andere gehoor,

En smeedt maar immer dapper door.

„Hij is nu hier”—„’k Ben hier gekomen;”— —

Snoet heeft een staaf, geheel in gloed,

Intusschen uit het vuur genomen,

Die hij, als was, zich krommen doet,

Bij ’t dreunen van de hamerslagen,

Die stroomen vonken opwaarts jage.

„Maar, man! hebt gij nu niets te zeggen?”

„Ja vader! ’k ben voor ’t afscheid hier.

„Wat?” antwoordt de oude; „is dat manier?

Je moest eerst beter overleggen,

Jong mensch, die aanstonds heen zult gaan,

In wat verhouding wij nu staan;

Ik ben de meester nu en gij

De smidsgezel; vergeet dat niet;

Het vader-zeggen is voorbij.”

En bij die strenge toespraak schiet

Het bloed den jongen naar ’t gezicht,

Zoodat er hooge gloed op ligt,

Als op de staaf, die vader smeedt.

Hij gaat de werkplaats uit en treedt

Nu nog eens toe, maar blijft dan staan,

En ziet met eerbied vader aan,

En spreekt: „God zeeg’ne baas en knecht?

Is ’t mij geoorloofd in te komen?

„Zoo!” zegt nu de oude, „zoo is ’t recht!

Beleefdheid dient in acht genomen;

Daar zult gij altijd wel bij staan;

Zij doet de deuren opengaan.

Gij reist dan straks de wereld in:

Welk deel van ’t ambacht uwen zin

Bij voorkeur trekken zal en boeien,

Daar wil ’k me niet meê bemoeien;

De hoofdzaak is, Johannes! leer,

En,—kom terug als man van eer.

Maakt u het werk van buiten zwart,

Rein blijve steeds daarbij uw hart.

Is de arbeid af en ’t vuur gedoofd,

Wasch u de handen dan en ’t hoofd;

Niet zuiver is het in ’t gemoed,

Zeg ik maar altijd, van den man,

Die, als hij net zich maken kan,

Daartoe geen lust heeft en ’t niet doet.—

Drie jaar is lang, nu, in onze oogen:

Maar kort, wanneer ze zijn vervlogen:

Te lang, om niet voor schâ te vreezen,

Indien ze roek’loos zijn doorleefd;

Te kort, om in volleerd te wezen,

Ook als men trouw gearbeid heeft.

Reis rond, maar zij uw oog niet blind;

Merk alles op, maar wil niet meenen,

Dat alles goed is, wat gij vindt;

En dan, mijn zoon; onthoud steeds dit:

Wanneer ge iets vindt, waar vuil aan zit,

Blijf af, en wend u elders henen.

Leg alles, wat je in ’t harte vaart,

Eerst op den gloeiend heeten haard;

En, al is ’t vuil er afgegaan,

Dàn frisch en vlug de tang er aan! [11]

En dan, hou vol maar op den duur,

En smeed je werk in zuiver vuur!

En hebt ge alom eens rondgekeken,

En kom je weêr in deze streken,

Dan mag je, als dat je kan behagen,

Bij mij nog weêr eens komen vragen,

Of ik je ook soms gebruiken kan.

Maar, reeds genoeg! Vaarwel Johan!

Blijf moeder en ook mij gedenken;

En nu,—kom hier, zet af je hoed,

Mijn zoon, ’k wil u mijn zegen schenken:

Nog zijt gij goed; blijf immer goed!”

En bij die woorden legt de vader

Zijn zoon de handen zeeg’nend op;

Maar neemt dan afscheid, treedt weêr nader

Bij ’t haardvuur; en de hamerklop

Rinkinkt en dreunt en klettert weder;

De blaasbalg gaat weêr op en neder;

De vonken flikk’ren weêr in ’t rond.

Maar, wat hij zonderling toch vond,

’t Was telkens, of juist in zijne oogen

Die opgespatte vonken vlogen:

Daar telkens in elk oog iets zat,

Dat hij er uit te vegen had.

[Inhoud]

6.

Johan, de werkplaats uitgetreden,

Krabt mijm’rend met zijn stok in ’t zand;

En wischt gedurig met zijn hand

Een traan zich af, zijn oog ontgleden,

Bij ’t hooren van wat moeder zegt,

Die nog een tal verscheidenheden,

Tot ééne les te zamen vlecht.

„Pas goed op je horloge, hoor!

En zorg ook voor je nieuwe jas;

Loop niet te lang aan één stuk door;

Drink niet te veel en niet te ras,

Wanneer je warm bent of bezweet;

Zoo spoedig krijgt een mensch het beet!

Maar, ’t is ook waar,—och! wacht eens even;

Ik heb je nog iets meê te geven;

Is ’t mogelijk, dat ik dàt vergeet?”

Zij loopt in huis en komt heel vlug,—

—Een fleschje in hare hand,—terug;

„Deez’ droppeltjes zijn zoo probaat,

Wanneer je soms aan maagpijn lijdt;

Daarmeê heb ik het dikwijls kwaad,

Maar die ontspannen mij altijd.

Groet mijne zuster ook, te Schwaan;

Zeg haar, dat gij op reis zult gaan,

En geef haar ook eens te verstaan,

Dat onze goede domeneer

Je heeft betiteld als mijnheer!

En,—nòg eens,—doe me geen verdriet,

Verlaat ons Mekklenburg toch niet;

’k Weet waarlijk niet, wat dat beduidt,

Den tocht zoo heel ver uit te strekken,

Want in de rondte kan men trekken

Het zooveel mijlen als rechtuit.

Hier, in dit buideltje,”—en een traan

Rolt langs haar wang, terwijl zij ’t zegt,

„Heb ’k nog eene beetje geld gedaan;

Het groeide tot acht daalder aan,

Heel spaarzaam voor jou opgelegd.

Maar vader weet, dat ik het deed;

’k Wil nooit iets doen, dat hij niet weet;

Hij vond het goed; hij wist wel, dat

Ik daar zoo’n groot plezier in had.

Nu, dag, Johan! schrijft ons eens spoedig!”

Zij buigt den jongen tot zich heen,

En kust hem nog eens, en weemoedig

Hervat zij, onder stil geween:

„Dag mijn Johan! De Heer verzell’

Je op al je wegen, hoor! mijn jongen!”

En hij, als zij, van wee doordrongen,

Hij zegt: „Dag, moederlief! vaarwel!”

En nu, moet hij weg. Hij gaat,

En met een vlijm in ’t harte, staat

Zijn moeder hem nog na te staren,

En drukt haar boez’laar aan den mond,

Alsof zij ’t maar het beste vond,

Dat zij zich zoo de lippen bond,

Die nog geneigd tot spreken waren.

Toch lispt ze nog, hem achterna:

„Ja! ga met God! mijn jongen! ga!

Maar, toen hij bij den hoek haast was,

Toen viel haar, dacht ze, juist van pas

Een zeer gewichtig ding nog in.

„’t Is waar!—de jongen mocht zijn zin

Misschien eens op een meisje zetten,

Daar, in den vreemde; nu, dat zou

Me een oorzaak zijn van leed en rouw;

Dat moet ik trachten te beletten.”

Zij loopt hem na. „Mijn zoon, Johan!

’k Heb nog één wensch; dien moet ik uiten.

Ik bid je, wat ik bidden kan.

Och! wil toch nooit er toe besluiten,

Te trouwen met een vreemde vrouw.

Mij dunkt, ja, ’k weet het niet, maar ’k zou— —

Ja, ’k weet niet, wat ik liever wou.

Dat vreemde goed heeft geen verstand

Van huis en keuken, tuin en land,

En babbelt me zoo’n rare taal;

Och, jongenlief! ik bid je, haal

Je een vrouw, als ’t zijn moet, van de straat,

Om ’t maar eens platweg uit te spreken,

Mits, dat haar deugd u is gebleken,

En zij behoort in deze streken,

En dus ook onze taal verstaat.—

Je hebt nu immers in je zak

’t Horloge wel?—Maar, wacht! dat pak,

Daar zit je jas in, en ’t gaat open;

En ’k heb hier niets om ’t dicht te knoopen.

Of, ja,—ja, toch,”—En beî haar handen

Zijn fluks aan ’t fromm’len om haar been,

En,—één van hare kousebanden

Slaat ze ijlings om het pakje heen.

Johan trekt verder. En als dan

Haar blik hem niet meer volgen kan,

Gaat zij den tuin in, zielsbewogen,

En tranen vallen uit haar oogen,

Terwijl zij telkens nederbukt,

En hier en daar een bloempje plukt.

Zij legt die in haar bijbel neêr,

Waarin haar trouwdag stond geschreven,

En ’t meisje ook stond vermeld, weleer

Door God haar op den schoot gegeven,

Maar door haar, na een vluchtig leven,

Weêr afgegeven aan den Heer.

Zij schreef, zoo goed en kwaad, als ’t ging

Daarbij deez’ woorden van heur harte:

Één Mei.—Toen ging mijn lieveling

De wereld in. Met diepe smarte

Staar ik hem na. God! breng hem weder, [12]

En zie op hem in liefde neder;

En, wat hem op zijn weg ontmoet,

Dat zij hem goed; ’t zij alles goed!—

Gallin.—Car’lien, de vrouw van Snoet.”

Johan gaat nu door ’t dorpje heen.

De landjeugd staakt het vroolijk spel

En roept: „Dag, Hanne! ’t ga je wel!”

En Hanne groet ook iedereen,

En houdt zich groot en welgemoed,

Terwijl op weg het kleine goed

Zoo af en toe zich hooren doet:

„Kijk toch eens, wat een mooie hoed!”

„En wat een mooie blauwe rok!”

„En wat een mooie gele stok;

Dat is jeneverboomenhout,

Mijn vader heeft hem zelf gesneden;

Je kunt wel zien, die stok is echt.”

En Fiekens broertje, Jochem, zegt:

„Och, ware ik ook nu al zoo oud!

Ik heb óók altijd zin in ’t smeden.”

„Ik weet wat!” roept nu August Schult,

„Wij tellen ikke tikke, tak,

Wie werkman zijn zal; en die vult

Zijn buis met steenen, tot een pak,

Dat de anderen dan moeten stelen:

Wij willen Hanne Nüte spelen.”

De vrouwen laten ’t huiswerk staan,

Hier eene ’t schillen, daar een’ ’t schuren,

Om over de onderdeur te turen:

„Kijk! Hanne Nüte komt daar aan.”

„Zoo, Hanne! ga je?—Hou je goed!”—

„Een heel gemis voor moeder Snoet!”

„Dat kan je denken: zoo maar één!”

„Och ja: mijn Kris moet ook haast heen.”

„Wat zeg je?”—„Ja, in ’t andere jaar

Is hij dragonder of huzaar;

Weet ik het? Maar dit zeg ik maar,

Als je iets gaat krijgen aan je kind’ren,

Dan gaan ze weg; je komt op jaren,

Dan wou je, dat ze bij je waren;—

Vergeefs!—Dat kan me soms zoo hind’ren.”

Zoo spreekt vrouw Snor, en haar gemoed

Schiet vol, terwijl ze Hanne groet.

En allen geven hem een hand,

Waaraan zij ’t woord van afscheid paren:

„Vaarwel! en moge u God bewaren,

En wederbrengen hier in ’t land!”

Maar Doortje Bung, een frissche meid,

En altijd vol van dartelheid,

Roept lachend: „Nu, Johannes Snoet,

Kijk goed uit je oogen, man! kijk goed,

Opdat je een mooie keuze doet:

’t Moet niet te klein zijn of te groot;

Ook moet het blank zijn en toch rood;

En slaag je ginds niet in je wenschen,

Welnu, hier wonen óók nog menschen.

En Hanne zint ook op een grap,

Maar ’t lukt niet; en hij knikt alleen;

En gaat dan met bedaarden stap,

Al verder door de dorpsstraat heen.

Zoo komt hij op den landweg aan,

Waar hij een wijle stil blijft staan.

Wat valt hem nu van alles in!

Al, wat hij sinds zijn kindsche jaren,—

Toen onnadenkend,—had ervaren,

Krijgt nu beteekenis en zin.

Daar staat hij; voor de laatste maal

Richt hij zijn blik naar ’t dorpje henen,

Dat door den avondzonnestraal

Zoo zacht weemoedig wordt beschenen.

Hij ziet daar in de verte nog

Van ’t vaderhuis den schoorsteen rooken,

En, wat voor ’t oog is weggedoken,

Dat maalt hem zijn verbeelding toch.

Zijn vader smeedt, bij ’t vuurgeflonker,

Zijn moeder snijdt het avondbrood;

En wat zoo zwart eens was en donker,

Wordt hem nu alles rozerood.

’t Is, of voor ’t eerst, en ook voor ’t laatst,

De heuvel hem een groet doet hooren,

Die dan door ’t dal weêr wordt weêrkaatst;

’t Is alles anders dan te voren.

„Vaarwel!” roept alles, wijd en zijd,

„U gaat een nieuwe toekomst open:

Wat doet uw hart nu? Vreezen? Hopen?”

Och, och! de vrees heeft hem bekropen:

Die vreemde wereld is zoo wijd;

Daarom is ’t hart zoo eng.—Weemoedig

Zet hij zich neêr; met stil geween

En zuchtend staart hij om zich heen.

Och, Heer! wat is hij toch alleen!

Geen vader hier; en zij, die goedig

En trouw steeds toezag op zijn schreên,

Die moeder, ook niet hier,—wier liefde

Hem steeds verzorgde, hart’lijk teêr,

En troost hem bood, als leed hem griefde,

En voor hem tusschentrad, wanneer

Zijn vader soms in drift geraakte;—

Die moeder, die zoo meen’ge keer

Voor hem zijn boterhammen maakte.

Hij haalde er nu een uit zijn zak,

De laatste, die hem moeder gaf,—

En beet met graagte een stuk er af,—

Schoon droefheid nog in ’t hart hem stak.

Hij schreit en eet, en eet en schreit;

Maar zoo wordt zijne treurigheid

Iets minder toch.—Hoe meer hij slikt,

Hoe minder hij nog weent of snikt.

En toen zijn brood verorberd was,

Toen legde hij zich neêr in ’t gras,

De handen saâm, en na een poos

Lag hij te slapen als een roos.

[Inhoud]

7.

En boven hem, hoog in een boom,—

Een ouden wilg,—die aan den zoom

Des wegs stond, zat, vol teed’re min,

Een mosch op ’t donzig nest. Daar lagen

Zes bontgespikkelde eitjes in,

Waar ze op bleef broeden, onvermoeid;

Schier roerloos, nu al vele dagen,

Alsof ze aan ’t nest was vastgegroeid.

Haar kopje alleen ging heen en weêr;

En heel nieuwsgierig, ’t kuifjen op,

Keek ze op den frisschen slaper neêr

Van uit den hoogen wilgetop.—

Daar komt nu, tusschen gras en kruid,

Een muis te voorschijn, schiet vooruit,

En ruikt en loert, en veegt den bek

Zich met een voorpoot netjes af,

Alsof alleen reeds de etenstrek

Een schepsel vuile lippen gaf. [13]

„Wel,” denkt de muis, „waar is het dan?

Ik ruik toch brood en vet er bij;

Maar ’k weet niet, waar het wezen kan.”

„Hier!” roept de mosch, „aan deze zij!

Links van dien slaper, zie je?—hier!

Ja wel! dáár, in dat blauw papier.”

De muis ziet Hanne eens even aan,

En is wel niet geheel gerust,

Maar kan toch ook den sterken lust

Naar zooveel heerlijks niet weêrstaan.

Hij1 schiet dus Hanne in eens voorbij,

En zet zich naast de lekkernij,

Den rug heel krom en ’t viertal pooten

Door ’t krullend staartjen ingesloten;

En roept dan tot de mosch op ’t nest:

„Kom bij mij, Lotje! ’t smaakt zoo best!

De boter,—die neem ik voor mij;—

Maar wil je kruimels, haal ze vrij.”

Nu houdt de muis zijn smulpartij,

En richt zeer welgemoed den kop,

En soms het heele lichaam, op,

En snuffelt in den avondwind,

En roept al piepend vrouw en kind.

Mevrouw komt op ’t bekend geroep

Een hol uit, achter haar een troep

Van aangetrouwde en eigen kind’ren.

„Kom aan!” zegt vader, „zonder dralen

Hier aan den disch; wat zou ons hind’ren

Hier ’t hart eens lekker op te halen?”

„’t Is toch wel vrees’lijk!” roept de mosch,

„Dat volkje smult er maar op los,

En ik, die graag eens meêdoen zou,

Ik mag niet,—och! ik arme vrouw!—

Ik ben gebonden aan mijn huis.”

„Waar is uw man dan?” vraagt de muis.

„Waar zou hij wezen? Dag aan dag

Kroeg in, kroeg uit, bij ’t drinkgelag,

Met Krelis Vink en Hannes Putter;

En of ik zeg, dat heel wat nutter

Het leven kon en moest besteed,

Het baat mij niet; en ook,—hij weet

Nooit op zijn tijd naar huis te gaan,

Maar komt hier meest zeer laat nog aan,

En brengt soms uit een twist een sneê

Of buil of and’re wonden meê:

Nu, voelen moet wie niet wil hooren.

Maar, dat hij ook zich laat bekoren

Door ’t oude goudvinks-wijf,—haar vleit,

Daar streelt door liefde en hoff’lijkheid,

En met haar her- en derwaarts springt,

En dol verliefd haar lof bezingt,

En mij, zijn wettige, echte gâ,

Hier maar laat broeden voor en na,

Dat is het slechtste nog van al.

Maar, ’k zeg je, als hij nu weêr zoo laat

Als zoo’n schandaal hier vóór me staat,

Dat hij er toch van lusten zal!”

En in den kring der muizen springt

Een kikvorsch in, kijkt naar omhoog,

En vraagt, met schamp’ren spot in ’t oog:

„Wat zeg je?—dat je man bezingt

De schoonheid van dat dart’le ding?

O! wat een zinsverbijstering!

Eerst kunnen zingen! Maar jou man

Verstaat daar bijster weinig van.”

„Ja,” zegt daarop de wijfjesmuis,

„De zang hoort bij de kikkers t’huis;

’t Gaat mij althans door alles henen,

Als die hun stemmen saâm vereenen.”

En vader muis zegt: „Dat ’s maar waar!”

„Wel, wat ben jij een huichelaar!”

Roept nu de mosch. „Verleden jaar,

Toen schimpte je op die kikkerkoren,

Toen wou je haast verhuizen gaan,

Zoo ver maar moog’lijk, hier vandaan,

Om dat gekwaak toch niet te hooren.—

’t Is waar, mijn Jochem heeft geen stem

Om zich voor zanger uit te geven;—

Voor zwierbol, dat zou beter gaan;—

Maar toen ’k de bruid nog was van hem,

Hief hij, door liefde er toe gedreven,

Soms waarlijk schoone lied’ren aan,

Van „kusjes” en van „scheidingssmarte,”

Van „bitterzoet gevoel in ’t harte,”

En meer zoo;—ja! dat werd gezongen

Met gloed en met een fraai geluid;

Maar nu is hem de quint gesprongen;

De zuiv’re kracht is nu er uit;

Die glastoon, die er eens is was,

Is blijven hangen in het glas.

Maar daarom wil ik toch niet hooren,

Dat hem zoo’n kikker scheldt en smaalt.”

Nu grabbelt ze, achter en van voren,

Zich onder ’t warme lijf en haalt

Een ei te voorschijn, dat niet frisch,

Neen! nog al erg bedorven is,

En smijt dat met het woord; „Jou, gek!”

Den ouden kikker op zijn bek.

De booze groenrok tiert en raast

Van felle toornigheid, en blaast

Verwoed tot berstens toe zich op,

Ziet naar omhoog met dikken kop,

En schreeuwt: „Gemeen kanalje! wacht!

Jij zult tot straf den ganschen nacht

Vernemen ’t ratata-sonnet,

Voor kikkers op muziek gezet.”

En, kwak! en, kwak! springt de oude heer

Langs ’t veld, waar ’t jonge graan op staat,

En duikelt, altijd nog heel kwaad,

Plomp! in zijn groenen poel ter neêr,

Maar komt dan spoedig boven weêr,

En zet zich neder op een blad

En zegt wijsgeerig: „Nat is nat!”

En bij den boom, waar Hanne lag,

Deed zich een fladderende slag

Vernemen langs het stil gebladert’:

’t Is Jochem, die zijn woning nadert.

Een donk’re blos kleurt zijn gelaat,

Zijn kuif hangt ord’loos over ’t oog,

En ’t kraagje, dat hij om heeft, staat

Slechts aan één zijde nog omhoog.

Hij kijkt met vreemde blikken rond;

En nog eens weêr, en nog een keer.

„Hier,” denkt hij, „moet toch ongeveer

Mijn huisdeur zijn.”—Hij neemt terstond

Zich ’t kammetje uit den zak, en wat

Niet netjes zit, strijkt hij weêr glad;

Knipt wat sigaarasch van zijn linnen,

Wat stof van jas en vest, en wil

Nu zacht, heel zacht en stil, naar binnen,

Gelijk de dure tijd, zoo stil;

Maar zegt toch: „Zoo, dag, vader muis!

Ligt daar niet Hanne Nüte, daar? [14]

Waarom slaapt die hier voor mijn huis?”

„Ik weet niet,” is het antwoord, „maar,

Pas op; je vrouw is zeer verstoord.

Och, vrind!” zegt Jochem, „ons behoort,

Ons mannen, heel de schepping toe.

Wij zingen, springen blij te moê;

En onzer waarde ons zelv’ bewust,

Doen wij steeds alles, wat ons lust.

De man is baas, in alle dingen!”

En nu begint hij luid te zingen:

„’s Morgens klokke drie of vier,

Trek ik lustig al van hier,

Om door woud en veld te zwieren,

Links en rechts te tierelieren;

Dat ’s mijn werk, mijn vreugd, mijn eer,

En des avonds kom ik weêr.

Als ik dan maar aan de klink

Van mijn huisdeur zacht rinkink,

Hoor ’k mijn vrouw, die lief en goedig,

Heel teêrhartig en blijmoedig,

Uitroept: „Ben je daar weêrom?

Lieve Jochem! wellekom!”

Nu sluipt hij zachtjes in zijn huis.

En aanstonds spreekt de wijfjesmuis

Tot haren echtvriend: „Hier gebleven!

Dat zal me daar een standje geven;

Blijf hier, hier hooren we alles goed.”

Maar vader muis zegt: „Neen! men moet

Niet luist’ren; maar ook, bovendien,

Wie in een twist van echteliên

Zich mengt, die komt er tot zijn straf

Meest met een vrachtje ransel af;

Ik hou me er buiten; maar, kom aan!

’t Is tijd, dat wij ter ruste gaan.”

„Ter ruste?” zei toen ’t vrouwtje, „ik dacht …”

„Och! hou je mond toch!” antwoordt zacht

Haar egâ. „Ben je dan bezeten?

De kind’ren hebben ’t niet te weten.

Wij houden ons voor hen nu maar,

Of wij naar ’t kikkerlied wat hooren,

Maar strakjes gaan wij in het koren

Van heeroom en den molenaar.”


1 Ik gebruik het mannelijk geslacht, omdat, zooals later blijkt, bepaald de mannetjesmuis wordt bedoeld. 

[Inhoud]

8.

En Jochem sluipt, met zachten tred,

Heel stil zijn kamerdeurtjen in.

Zijn wijfje draait zich om in ’t bed.—

„Wel, Lotje! die ’k zoo teêr bemin,

Spreekt Jochem, „ben je wakker nog?”

Zij hoort zijn vraag heel goed, maar toch,

Zij zwijgt. „Wat is ’t een lieflijk weêr!”

Zegt hij. Zij zwijgt ook dezen keer.

En hij ontkleedt zich wat; en nu

Vervolgt hij: „’k Heb wat nieuws voor u;

Ik kan u, naam’lijk, dit berichten:

De nachtegaal is weder hier,

Met nieuwe lied’ren en gedichten;

En woont niet ver van ons kwartier.

En wat de kraai betreft, die wacht

Weêr kleintjes; ’k heb haar man ontmoet,

Die ’t kraambed al in orde bracht.”

Maar Jochem’s vrouw zegt niets, en—broedt.

„Zij is,” zoo mompelt hij, „niet recht

In haar humeur.” En luide zegt

Hij nu tot Lotje weêr: „Wel vrouw!

Hoe is ’t geweest hier? Niets geschied?”

Maar zij, aan haar systeem getrouw,

Zij antwoordt hem al weder niet.

„Is niemand hier geweest vandaag!

Geef dan toch antwoord, als ’k iets vraag!”

En nu gaat Lotje’s mond ook open:

„Jij losbol! die je nooit een zier

Om mij bekreunt en uit gaat loopen,

En mij alleen laat zitten hier,

Jij bent er eentje. Weet je wie

Naar jou gevraagd heeft hier vandaag?

Het meisje van den dokter, die

Haar stuurde, want hij wou zoo graag,

Dat zijne meerle leerde fluiten

’t Lied van „de slemperscompagnie,”

En dat ken jij geheel van buiten;

Zoo zei ze, en dat zei ook haar heer;

Je mag wel blij zijn om zoo’n eer!”

„Foei, Lotje! leer uw drift toch smoren!”

Zegt Jochem. „Wees zoo haat’lijk niet!

Gij baart mij waarlijk zielsverdriet.

’k Heb je immers lief nog, als te voren.

Vergeet gij, hoe ik tot u kwam,

Terwijl gij hier als weduw zat,

En ’t heele nest vol kind’ren hadt?

Hoe ’k u terstond tot gade nam?

Vergeet ge, welk een teed’ren eed

Gij dáár, in gindschen tuin, mij deedt?”

Nu loopt hij driftig op en neêr,

Geheel ontdaan van bovenkleeren,

En blijft, bij ’t loopen heen en weêr,

Veel over ondank declameeren,

En rukt zich, boos, de nachtmuts af,

En vraagt nog eens, of zij vergat,

Wat zij hem daar gezworen had,

En of ze daar dan niets om gaf,

En nu begint ze zacht te weenen

En kijkt weemoedig voor zich henen.

En Jochem zet zijn muts weer op,

En knorrig schudt hij met den kop,

En zegt: „Ja wel, dat ’s ’t ouwe lied:

Eerst draaf je koppig door, en dan,

Dan komt de droefheid en ’t verdriet;—

’t Is heel pleizierig voor je man!

Kom! schik maar wat op zij, en ’k zal

Je toch maar helpen weêr in ’t broeden.”

En bij die woorden zit hij al

Op de ei’ren mee. „Je zoudt vermoeden,

Misschien, dat mij de reine gloed

Der vaderlijke liefde ontbreekt.

Neen! in mij spreekt de stem van ’t bloed,

Zóó sterk, als die in iemand spreekt.

Ik ben geen koekoek, die zijn kroost,

Nog ongezien, geheel verzaakt;

Zijn eigen kind’ren weezen maakt,

Die zwerven zonder heul of troost;

Ik ben echt vaderlijk gezind.

Maar hou nu op met schreien, kind!

’t Wordt vrees’lijk nat hier.”—Half gesmoord,

Duurt nog ’t geween van Lotje voort.—

„Maar spreek dan toch! Wat scheelt je toch?

Hoelang wel wil je aan ’t stelsel nog

Je houden, Jantje huilt te spelen,

Terwijl ik Jantje lacht wil zijn?”

En Lotje snikt: „Mijn boezempijn,—

Ik wil het langer niet verhelen,—

Komt van dat gele goudvinkswijf.” [15]

„O, zoo!” zegt hij, „is dàt de zaak?

’t Is waar, soms woelt mij door het lijf

Een booze neiging, ja!—maar maak

Je om deze weêuw nooit ongerust.

Hoor dit: zoolang ’k mij zelf bewust,

Geleefd heb, kan ’k je zeggen, dat

Het geel altijd een kleur was, die

Voor mijn gevoel iets stuitends had:

Dat heet idiosynkransie.

En schoon je nou dat woord niet vat,

Geloof me, jij blijft steeds mijn schat;

En anders hale mij de kat.

Maar hou dan op met dat geween.”

Hij strijkt nu langs haar koontjes heen;

En Lotje zegt: „Wat is ’t hier heet!

’k Wou, dat je ’t raam wat opendeedt.”

Hij doet zoo, en heel zwoel en zacht

Kust hem het avondwindje en lacht,

En fluistert stil hem in het oor:

„Zend door, dit kusje; zend het door!

Het komt van lentebloem en graan;

’t Moet verder, àlweêr verder gaan.”

En Jochem geeft den kus aan Lotje,

En zegt: „Zend door, zend door, mijn dotje!”

Maar, niemand was daar, en heel vlug

Gaf zij dus hèm dien kus terug.

Nu kust hij haar weêr en hervat:

„Zie, vrouwtje, sympathie heet dat.”

Zij buigt zich neer en lacht weer blij,—

Daar snapt een kusje haar voorbij.

En ’t avond windje grijpt het aan,

En draagt het weer naar bloem en graan;—

Zoo blijft het in de rondte gaan.

[Inhoud]

9.

Kwartiermaan is ’t. Op veld en wei

Ligt de avonddauw, als witte sprei,

Beschenen door haar glans. En ’t meer

Geeft spieg’lend zóó haar beelt’nis weêr,

Alsof zij in den held’ren plas

Een vlottend gouden bootje was.

En òm het bootje klonk geklater,

En òm het bootje klonk gesnater,

Want de oude kikkerzanger zat

Nog op zijn waterlelieblad,

En zong dit lied, uit breeden mond,

In ’t stille van den avondstond:

„Nat, Nat,

Nat is het water.

’t Droge heeft geen lief’lijkheden;

Hier, hier zijn wij ’t best tevreden;

Geen kat en geen kater

Heeft met ons te maken;

Hier kunnen wij kwaken en kwaken en kwaken.”

En nu valt heel de kikkertroep

Den zanger bij met blij geroep:

’t Is goed hier in ’t water;

Geen kat en geen kater

Heeft met ons te maken;

En de ooievaar bespiedt ons niet,

En de ooievaar bedreigt ons niet;

Vrij kunnen wij kwaken en kwaken en kwaken.”

En uit de diepte van den plas

Roept nog een drom van ’t kikk’renras:

„Kom onder! Kom onder! Een koningskind

Is hier voor veel jaren verdronken;

Op den bodem, daar zit zij, daar zit zij en spint,

Wij hebben ons rijk haar geschonken.

Daar zit zij in doeken;

En wie haar wil zoeken,

Die kan haar hier vinden, hier, diep op den grond;

Maar drukke dan moedig een kus op haar mond.”

En dóór dat kwaken, hard en zacht,

Door avonddauw en voorjaarsnacht,

Schalt nog een lied in volle pracht.

Aanvank’lijk trilt het fijn en zwak,

Als de eerste ster aan ’t hemeldak,

Bij winteravond; maar het breidt

Zich uit met stille majesteit,

Gelijk bij zomeravondstond

De volle maan, zoo hel en rond;

En eind’lijk schiet het schoon geluid,

Als ’t ware, zonnestralen uit.

’t Klinkt als een kus en ’t maakt gezond

Denzelfden boezem, dien ’t verwondt,

Dat is de zoete nachtegaal,

Die in zijn oude en schoone taal,

Een teed’ren zang zingt van de beiden,

Die treuren om de smart van ’t scheiden:

„Vaarwel! vaarwel! Gij blijft mij bij,

Al zie ik u niet meer.

Vaarwel! vaarwel! Maar denk aan mij;

’k Bemin u toch zoo teêr.

En keeren uw broeders eens weêr, eens weêr,

Met groeten van u nog voor mij;

Misschien lig ik in ’t graf ter neêr,

En gij zijt niet er bij.”

„Hoor toch,” zegt Jochem, „hoor eens aan!

Wat kan dat ding toch heerlijk slaan,

Dat kleine ding, dat grauwe ding;

’t Is waarlijk een verlustiging;

En, ’k moet maar zeggen, hij is gaar;

Hij heeft steeds daad’lijk ’t antwoord klaar.

Van avond was ’k bij Jochem Smidt,

Voor ’t huis; en peinzend zat ik daar

Op ’t hek, en dacht aan dat en dit;

Toen kwam hij bij me en zei: „Haha!

Zie ’k u hier, Jochem? Kom, dat ’s goed;

’k Ben weer terug uit Afrika.”

„Wel zoo!” zei ’k toen, „maar, je moet

Je wijden aan bedaarder leven,

En niet zoo her- en derwaarts zweven;

Mijn Lotje kan je een voorbeeld geven,

Die al op ’t tweede broedsel broedt.”

Maar ’t antwoord was: „Mijn goeje man!

Jou Lotje is wel een ord’lijk wijf;

En kousen breien, eten koken,

En zulke dingen meer, en dan

Soms dagen lang, onafgebroken,

Met ei’ren zitten onder ’t lijf,

Ja, dat is ook een tijdverdrijf.

Maar wij, die in de poëzij

Ons bloemen en ook lauw’ren gâren,

Wij, zangers, dichters, kunstenaren,

Wij doen heel and’re dingen, wij.

Doch eenmaal, na het laatste lied,

Als stem en zangstof ons ontvliedt,

En zich een gunstig uitzicht biedt

Dan zijn wij zoo afkeerig niet …

Genoeg,—gij zult mij wel verstaan, [16]

Ik weet, iets geniaals hebt gij.

Maar, wilt gij nu eens met mij gaan,

Hier in den els? Hoor dan van mij

Een stukje schoone poëzij.”

Doch nauw’lijks gingen wij, of, zie!

Daar stond Fiek Smidt; gij weet wel, die

De kleine Poedel wordt geheeten.

Haar oogen waren roodgekreten,

En over hare wangen vloog

Een hooge gloed, terwijl ze aanschouwde

Johan, die naar den vreemde toog.

Zoo stond ze en keek hem na, en vouwde

Haar handen vroom, weemoedig, stil;

Zij had iets, wat haar deed gelijken

Naar eene duif, die vliegen wil,

Wegvliegen van hare enge til,

Om ergens anders neêr te strijken.

O! ’k voelde veel, heel veel voor haar,

Terwijl zij aan een boom daar leunde,

En zachtkens, maar verstaanbaar, kreunde:

„Wat ben ik vreemd! Wat ben ik naar!”

Toen riep haar moeder: „Fiek dan toch!

Pas op, of Karel tuimelt nog

Den put in!”—En op éénmaal gaf

Haar dat een schok; nu sprong ze toe

En trok het kind van ’t water af:

Maar zat toen neder, droef te moe,

Haar broertje in d’arm, en langs haar wang

Sloop telkens weer een dikke traan;

Dat weenen duurde voort, zoo lang,

Tot moeder ernstig deed verstaan,

Dat dit zoo langer niet kon gaan;—

En toen, toen was het ook gedaan.”

„Dat’s ’t zenuwstelsel; ’t arme schaap!”

Zoo antwoordt Lot: „En ze is zoo goed;

Voor jaren greep in euv’len moed

Haar broeder Frits, een stoute knaap,

Mij aan; maar Fieken kwam er bij,

En ’t lieve meisje redde mij.

Toen heb ’k een duren eed gedaan,

Dat ’k, waar ik kon, haar bij zou staan;—

En, och, nu moet het zóó haar gaan!

O! trek, mèt mij haar lot u aan!—

Maar, zeg eens, wie is die Johan?”

„Kent gij hem niet? Wil even dan

Naar buiten zien; daar ligt de man!”

„Ah! is het die? Ja wel, die kwam

Hier aan, en at zijn boterham;

Dat zag ik wel. Nu, maar die moet

Een domkop zijn, een hals, een bloed,

Dat hij een engeltje, zoo zoet,

Zoo maar gedachteloos verlaat,

En dan ver-weg aan ’t zwerven gaat.”

„Ja!” antwoordt Jochem, „slim is ’t niet.

Maar ’t is een stijfhoofd: hij wil voort.—

Vergetend, wat hij achterliet,

Wordt hij misschien eens nog bekoord

Door de eene of and’re vreemde vrouw,

Die goed was, als een tuinmansbaas

Een pop in de erwten zetten wou.

Hij is een Klaas en blijft een Klaas!”

En toen dit woord gesproken was,

Bewoog zich iets, dáár, in het gras:

’t Is Hanne Nüte die ontwaakt.

„Wie? Wat? Dat woord heeft mij geraakt,”

Zoo spreekt hij. „Vreemd! Daar, uit dien boom,

Die stem! Of, was ’t misschien een droom?—

Ja! ’k voel het nu, ik ben een bloed,

Een Klaas. Wat was zij lief en goed!

Wat keek zij door de rasters henen

Tot ’k uit haar oogen was verdwenen,—

En ’k merkte niets;—nu merk ik wat,

Mijn kleine Fiek, mijn lieve schat!

Was ’t jou stem, die me in ’t harte drong,

En mijn gevoel daar wakker zong?”

En aanstonds klonk, diep uit het hout,

Het nachtegalenlied door ’t woud:

„Vaarwel! Vaarwel!

Keer spoedig, spoedig weer!

Er is een hart, dat voor u slaat,

Dat vol van u is, vroeg en laat.

Zoo zoet, zoo zacht, zoo teêr.

Keer spoedig, eer dat hartje breekt,

Waar zooveel trouw en liefde in spreekt;

Keer spoedig, spoedig weêr!”

En al de kikkers gaan aan ’t kwaken:

„Waartoe zult gij toch het u moeilijk gaan maken

Wat geeft toch zoo’n leven

Van zwerven en zweven?

Kom! doe als de rest,—

Want dat is het best.

Dans met vlugge beenen,

Huppel op de teenen,

Trippel op de hakken,

Laat je koeken bakken;

En loop telkens naar het vat;

Vreugde bloeit eerst recht in ’t nat.

In het nat, ja! nat, nat, nat!

Op geen bruiloft mist men dat!”

En tusschen ’t oude kikkerkoor

Galmt, diep en zwaar, de zangtoon door:

„In zwachtels en in doeken

Een schat op ’s harten grond;

En wie met vrucht wil zoeken,

Die moet zich maar verkloeken,

En kussen het meisje op den mond.”

En Hanne neemt zijn stok; zijn jas

Werpt hij zich om, en ook zijn tas.

Hij luistert onder ’t verder gaan

En blijft gedurig weer eens staan,

En denkt er met verwond’ring aan,

Hoe ’t komt, dat hij den nachtegaal

Begrijpen kan, en dat de taal

Der kikkers, in den groenen poel,

Beteek’nis heeft voor zijn gevoel,

En tegelijk in zijn gemoed

Iets lief’lijks en iets pijnlijks voedt.

Wat was dat toch, daar, bij dien boom?

Zag hij een engel in zijn droom?

Ontsloot hem die het hart en de ooren?

Deed die in zijne borst een schat

Van zilver, goud en paarlen gloren,

Waarvan hij niet geweten had?

Riep die hem wakker, met een stem,

Zoo tooverachtig week en warm?

Sprak die hem toe, met kracht en klem,

En toch zoo vriend’lijk tegelijk:

„Behoudt ge uw schat, dan blijft gij arm;

Maar deelt ge er van, dan wordt gij rijk!

Ja, haar wil hij er deel aan schenken,

Vol zuiv’ren gloed en reinen glans;

Aan haar wil hij steeds blijven denken,

Altijd aan haar,—voortaan als thans. [17]

En zoo vervolgt hij nu zijn tocht,

Totdat hij aankomt bij een bocht,

Waar ’t pad door ’t bosch naar onder gaat.

Daar staat hij nog eens stil, en slaat,—

Dat is nu voor den laatsten keer,—

Een blik naar achter, zwaait den hoed,

En spreekt met hoogen zielegloed:

„Ja, nachtegaal! eens kom ik weêr:

En ’k breng mijn goud en edelsteen

Naar mijne kleine Fieken heen,

En werp ’t haar alles in den schoot.

Een trouwe liefde en ’t daag’lijksch brood,

Dat is de schat van onzer één.—

En, zit ze omwikkeld en verholen,

En in de diepte weggescholen,

Ik haal haar van den diepsten grond,

En kus haar op den rooden mond,

En maak haar, met een blijden zin,

Mijn heil, mijn kroon, mijn koningin!

En, als ik ooit dien eed verbreek,

Dan, meester Mosch, dan zeg ik: spreek

Van mij als van een Klaas niet meer,

Maar noem me een kerel zonder eer!”

En zoo trekt Hanne verder weêr.

„Wel, dat is mooi!” zegt Jochem, „hij

Heeft ieder woord van u en mij

Gehoord, en ook den zin gevat.”

„Och!” antwoordt Lotje, „meen je dat?

Geen mensch, die onze taal verstaat.”

„Mijn kind!” spreekt Jochem, „wordt niet kwaad,

Maar dat is waarlijk domme praat.

Hoor! Vroeger,—’t was heel lang voor dezen,—

Toen kon de menschheid ons verstaan,

Ja, zelfs in de gesternten lezen;

Maar deze kunst moest ondergaan.

Waarom? De menschheid werd te wijs;

Zij las heel veel, gedrukt, geschreven,

En stelde dat op hoog’ren prijs,

Dan ’t geen haar onze taal kon geven,

Of ’t schitt’rend sterrenschrift haar bood.

Wel zegt men, dat in verre streken,

Onnoem’lijk verre hier vandaan,

Nog enkl’en door hun wijsheid groot,

De talen, die wij, voog’len, spreken,

En ook het sterrenschrift verstaan;

En dat ook hier een en’kle dweeper,—

Althans, zoo wordt hij dan genoemd,—

Of ook een enk’le grijze scheper,

Zich op ’t bezit dier kunst beroemt;

Maar ’k heb er toch nog geen gevonden,

Want dit vermogen is verbonden

Aan velerlei. Vooreerst al dit:

Wie deze schoone gaaf bezit,

Moet rein van hart zijn, en geboren

Des Zondags, tusschen twaalf en één,

Terwijl een goed gesternte scheen.

Voorts moet hij eene maagd bekoren,

Maar zonder dat hij ’t zelf nog weet;

Die moet, met zalig zieleleed,

Zeer diep, zeer diep in ’t hart hem dragen,

Reeds sinds haar vroegste lentedagen.

Voorts moet hij, in den avondstond

Van d’eersten Mei, in zijnen mond

Een dikke boterham vermalen,—

Waarna hij alle zielekwalen

Vergeten moet, en, bij een boom,

Waar lang een aardig paartje in lag

Niet verre van den donk’ren zoom

Eens wouds, dat eens een gruwel zag,

Moet hij dan zacht in sluim’ring vallen,

Terwijl der voog’len lied’ren schallen;

’t Moet bovendien kwartiermaan zijn,

En scheem’rig moet die maneschijn

Hem spelen om ’t gelaat;—en dan,

Maar anders niet, is hij de man,

Die onze taal begrijpen kan.

Maar deze kunst begeeft hem weêr,

Wanneer hij zelf voor d’eersten keer

In eigen borst de liefde ontdekt.

Geen hopen, wenschen, treuren wekt

Die kracht meer op. Die blik in ’t leven

Is weg. Dat effen spiegelglas

Blijft niet zoo effen meer, als ’t was;

En al zijn denken, doen en streven

Kookt in een kroes en bruist en ziedt

De vroeg’re vorm is dan verbroken,

En wat eens ’t hart heeft toegesproken,

Dat spreekt daarbinnen langer niet.

Het oude moet gansch ondergaan;

Iets nieuws moet in zijn plaats ontstaan.

Gelukkig is de mensch gewis,

Die daar en dan een kunst’naar is.

„Och, Heer!” spreekt Lotje nu, „die menschen!

Wat maken zij ’t bestaan zich zuur!

’t Is altijd zorgen, streven, wenschen,

En alles is zoo kort van duur!

Nu, ’t zij zoo.—Maar nog eens, die beiden,

Die moeten wij behoeden,—wij;

Wij moeten hun geluk bereiden;

En zoo ’t gebeurt, dat zij of hij

Soms leed ontmoet, wij moeten zorgen,

Maar altijd stil en in ’t verborgen,

Dat de uitkomst toch ten goede zij.

’k Heb mij dit vast in ’t hoofd gezet,

’k Wil mijn erkent’lijkheid betoonen;

Want eens heeft Fieken mij gered:

Ik moet haar liefdedaad beloonen.”

„Ja,” antwoordt Jochem haar, „mijn popje!

Zet gij u eens zoo iets in ’t kopje,

Dan ware er geen verand’ren aan,

Al zou ik òp mijn kop gaan staan;

Dus, ’t is mij wèl.—Nu goeden nacht!”

En weldra slaapt hij, en met kracht

Gonst zijn gesnork in ’t rond. Maar zij

Blijft peinzend nog een poosje waken;

Zij heeft huishoudelijke zaken:

De dag van ’t doopmaal is nabij.

[Inhoud]

10.

Dien avond, in den maneschijn,

Kwam Hanne in ’t stadje Stavenhagen,

En dacht, hij moest vóór alles vragen,

Waar daar voor hem logies mocht zijn.

Men wijst hem dan een herberg aan

Hij gaat er binnen, en blijft staan

In ’t zijvertrek, en roept: „Mag ’k weten,

Is dit hier ’t smeden-logement?”

Maar niemand, die zich tot hem wendt.

„Is heer noch vrouw, hoe die mag heeten,

Is niemand hier? Geen zoon of knecht?”

Maar niemand, die daar iets op zegt.

„Nu,” spreekt hij, „als geen mensch mij hoort,

Dan richt ik tot de banken ’t woord,

En tot de tafel; of die dan

Mij en mijn ransel kunnen wachten, [18]

En of ik hier ook mag vernachten,

En morgen verder reizen kan.”

En met één worp, heel flink en vlug,

Gooit hij zijn ransel van den rug,

En gaat weêr bij de deurpost staan,

En vangt nog eens met vragen aan.

„Zijn soms ook and’re smeden hier?”

En nu bewoog zich toch een gast

Die in een hoek zat; schoof zijn bier

Een eind terug; en, met een zwier,

En een’ge stappen! zeer onvast,

Kwam hij van zijne zitplaats af.

Een smid, maar zonder arbeid, was ’t

Die nu de vraag tot antwoord gaf:

„Met uw verlof, van waar zijt gij?”

En ging zoo voort, en vroeg daarbij,

Waar Hanne had in dienst gestaan,

Wanneer hij was van huis gegaan,

En wat hij zoo al had gedaan.

En Hanne noemt hem dorp en land,

Van waar hij komt, en geeft bescheid,

Beleefd, maar flink en bij de hand,

Op elke vraag, hem voorgeleid.

Nu vraagt de dronken smidsgezel:

„Zijt gij de zoon ook van een smid?”

Johan zegt: „Waarom vraagt gij dit?

Maar, als gij ’t weten wilt, ja wel;

Dat ben ik. Wat ik weet en kan,

Daar heeft mijn vader de eere van.

En stond soms iemand in den waan,

Dat zulk een leer niet goed kan gaan,

Dat ik te zwak behandeld ben,

Dien wil ik toonen, wat ik ken

Van ’t vak;—en wie dan lust nog heeft

Tot spot, dien zal ’k voldoening vragen,

Die kan iets voelen van de slagen,

Waar vader onderricht in geeft.”

De smidsgezel, wiens lodd’rig oog

Een vuur’ge nevel overtoog,

Van ’t bier en van den brandewijn,

En die daarbij,—óók niet heel fijn,—

Wat pruimtabak ten bodem spoog,

Werd boos en honend. Van zijn kant

Kreeg Hanne een kitt’ling in de hand;

En ’t was hem, of, in moed en kracht,

Die ééne dag, die was verstreken,—

Er was zooveel gebeurd dien dag!—

Hem jaren verder had gebracht.

En als nu de and’re smaad gaat spreken

Van Hanne’s ouders, valt een slag

Hem op den neus, waarbij zijne ooren

’t Gedreun van honderd klokken hooren,

En al de sterren van de transen

Hem voor zijne oogen staan te dansen.

Toch houdt hij zich nog op de been.

Nu komen and’ren om hen heen,

En roepen: „Toe maar, dapp’re smeden!

Maar naar den regel!” En Johan

Schreeuwt wild: „Ja wel, daar houd ik heden,

Daar hou ’k in alle dingen van:

Steeds naar den regel,—zonder streken!”

En de andere, achteruit geweken,

Rolt op den grond. „Zeg! wil je zwijgen?”

Roept Hanne. „Of wil je meer nog krijgen?”

„’k Wil vrede,” is nu zijn antwoord, „vrede!”

Hij richt zich op; Johan helpt mede;

En beiden zetten zich den hoed

Weêr op; en de beschonk’ne doet

Zich hooren: „Smid! ik wil je vragen,

Of ’t jou, als mij, ook kan behagen,

Verzoend te zijn?”—„Ja,” zegt Johan,

Maar goed en naar den regel dan.”

De smidsgezel kijkt om zich heen,

En vraagt dan: „Is er uwer geen,

Die iets er tegen heeft, dat wij

Verzoenen?” Allen vallen bij.

En hij voegt dit nog daaraan toe:

„Als we ooit elkander weêr ontmoeten,

Dat wij elkaâr als vrienden groeten,

En niemand meer verwijten doe.”

„Dàt afslaan ware zonde en schand’!”

Zegt Hanne, en reikt de vriendschapshand—

Toen nu ’t verbond gesloten was,

Moest, zei men, daar een borrel bij.

Maar Hanne sprak: „Neen, niet voor mij!

Ik drink dat goed niet;” en het glas

Schoof hij dan ook terstond op zij,

En riep: „Hei, moeder! kom eens hier;

Geef liever mij een glaasje bier.”

De herbergierster keek hem aan,

Alsof zij meer hem had gezien,

En vroeg: „Is ’t moog’lijk? Kan ’t bestaan?

Zijt gij niet Snoet, en uit Gallin?”

„Ja, antwoordt Hanne. „Wel, mijn kind!

Je vader was een goede vrind

Van mijn nu overleden man;

Je moeder ken ik ook sinds jaren;

En ik getuig er gaarne van,

Dat ze altijd brave menschen waren.”

Nu wenkt zij Hanne mee te gaan,

En als ze in haar vertrekje staan,

Ziet zij met strakken ernst hem aan,

En spreekt: „Wat is dat? Vechten? Slaan?

Gij zijt er veel te knap toe, gij,

Om met een kerel, zooals hij,

Een strijd te hebben;—echt gemeen

Is die gezel; en ’t is alleen

Het geld zijns broeders, dat hem nog

Voor spinhuis of gevang’nis spaarde.

Daarom, mijn jongen! schaam u toch,

En heb wat meer gevoel van waarde.”

„Ja moeder!” antwoordt nu Johan,

„’t Is iets, wat ik niet helpen kan.

’k Was nauw’lijks in uw huis getreden,

Of hij kwam op mij af, en ging

Met lagen spot en lastering

En onbeschofte geestigheden

Mijne ouders smaden; en ofschoon

’k Slechts logen vond in al zijn hoon,

Toch scheen ’t mij toe, dat hij hen kende.

Welnu, dat duldde ik niet, en ’k wendde

Een middeltje aan van tucht. Wie ooit

Wil doen, als hij, zal ’t zelfde krijgen;

Bij zulken schimp zal ’k nimmer zwijgen;

Zoo waar ik leef, ik duld dien nooit.”

„Nu, als het zóó is,” antwoordt zij,

„Dan heeft hij zijn pak slaag verdiend.

Maar toch, ik raad u aan, mijn vriend!

Ontwijk dien kerel; hoor naar mij.

Hij en zijn broêr zijn beiden slecht;

Ze zijn bekend, ook bij ’t gerecht;

Ook mompelt men,—ik weet het niet,—

Maar dat een moord eens is geschied,

Voor jaar en dag, diep in het woud,

Alleen door ’t oog van God aanschouwd.

Maar dit is zeker: na dat feit

Zonk deze hier in dierlijkheid,

En evenzeer is dit gewis, [19]

Dat nu zijn broêr, die bakker is,

En op de markt daarginder woont,

Als man van midd’len zich vertoont.”

„Is dat zijn broeder?” zegt Johan,

„Dan vat ik alles nu er van:

De vent heeft vast zich willen wreken,

Omdat ik eens dien broêr van hem

Heb uitgeveegd, nog al met klem,

En flink langs de ooren heb gestreken.”

En nu vertelde hij ’t geval.

„Zoo, zoo? Ja wel: ’k begrijp het al,”

Zei toen de vrouw; „maar nog een keer

Moet ik u tot uw bestwil raden:

Bemoei u met die soort niet meer;

Zij kunnen niets doen, dan u schaden.

Maar, kom, mijn jongen! ga nu mee.”

Zij gaat naar boven met Johan,

En wijst hem daar een legersteê,

Waar hij dien nacht in slapen kan.

„Hier wensch ik, dat ge u neêr zult leggen:

Want niemand zal ooit mogen zeggen,

Dat in mijn huis de zoon van Snoet

Op stroo moest liggen. Slaap nu goed,

En wacht u voor dat laag gebroed.”

En toen Johan op ’t leger lag,

Herdacht hij nog eens weêr den dag.

Wat was er veel dien dag geschied!

Een dag van blijdschap en verdriet

Toen moeders liefde en vaders hand

Hem losmaakte uit den vroeg’ren band

En vrij en frank hem trekken liet,

Toen greep de wereld woest hem aan,

Woest, als een zee, wier wilde baren

Nu schuimend in de hoogte varen,

Dan dwarr’lend naar de diepte gaan.

Geen moeder is hem meer nabij.

Geen vader staat meer aan zijn zij.

Maar zachtkens vloeide een nieuwe min,

Tot hier hem vreemd, zijn boezem in;

En tevens viel de haat hem aan.

Toen zong de wereld in zijne ooren:

„Wat vroeger was, dat is verloren,

De kindsheid is voorbijgegaan.

Ik ben een groot betooverd slot,

En wien ik eenmaal binnenliet,

Die is geen heer meer van zijn lot;

Ik heb hem, en ’k ontsla hem niet;

Wie eens hier is, gaat niet licht voort;

Wie met mij ’t welkom heeft gedronken,

Die is aan mij als vastgeklonken;

Ook gij, Johan! ook gij behoort

Voortaan aan mij; span thans uw krachten,

Blijf nu maar streven, wenschen, trachten,

Of gij misschien het tooverwoord

Kunt vinden, dat van mijne poort

De sterke grendels kan verkrachten.”

Nu wordt het Hanne bang en naar;

Een zweetdrup hangt aan ieder haar;

En velerlei gedachten dringen

Zich in zijn hersens op elkaâr;

En kikkers kwaken, vogels zingen,—

’t Is in zijn hoofd een vreemd misbaar.

En ’t meest wordt hij beangstigd dàn,

Als hij zich vraagt: ben ik de man,

Die ’t groote woord ontdekken moet,—

Waarbij dat slot zich opendoet?—

„Slaap in, Johan! daar zijn er toch,

Die ’t vonden; slaap nu in, mijn kind!”

Zoo hoort hij, en nog eens, en nog;

’t Is, of de ruischende avondwind

Uit moeders mond dien groet hem bracht;—

En rustig sliep hij dòòr, dien nacht.

[Inhoud]

11.

’t Zal feest bij Jochem zijn vandaag;

’t Zal doopfeest zijn. Reeds staat hij daar

Voor zijne huisdeur kant en klaar,

Met gladden rok en schoonen kraag.

Nu drentelt hij eens op en neêr,

Een deuntje fluitend, en dan weêr

Kijkt hij eens binnen, of zijn vrouw

Haast in gereedheid wezen zou.

„Maakt voort wat, Lotje! of ge zijt

Niet klaar, als onze gasten komen.”

„Geen nood;—wij hebben nog wel tijd;

Leer toch dat ongeduld betoomen.

Als ’k eerst mijn haar heb opgestoken,

Dan zal ik daad’lijk koffie koken.”

En Jochem kijkt nu weêr eens buiten,

En staat een poosje weêr te fluiten,

Maar ziet dan weêr naar binnen; en

Hij spreekt: Misschien wel gist gij al,

Waarnaar ik zeer nieuwsgierig ben?

’k Meen, of hij zelf hier komen zal.”

„Wie?” vraagt zijn vrouw. „Welnu, komaan!

Mij dunkt, gij zult mij wel verstaan,

’k Wil toch eens naar den berg daar gaan;

Wellicht is hij daar in ’t gezicht.”

Maar, als hij weerkomt, zegt hij: „Neen!

Hem zag ik niet; ik zag alleen

De rietmosch, onze waarde nicht.”

„Dat dacht ik wel,” roept Lotje; „zij,

Zij is er steeds het eerste bij;

’t Is naar genoeg; zij is zoo druk

En babbelt me mijn ooren stuk.”

De rietmosch komt; en, ver nog weg,

Roept ze al: „Wel lieve neef, ik zeg,

Dat gaat hier vlug. Er is zoo’n feest

Hier in de maand van Maart geweest,

En nu al weer! Nu, dat kan gaan!

En wie zal nu als peter staan?

Maar, kom! ’k wil Lot mijn hulpe bieden.

Dag, nicht!—Wie wacht je? Welke lieden

Heb je uitgenoodigd dezen keer?

Is ’t goed, als ik wat broodjes smeer?

En wie zal doopen?—Laatst, bij mij

Was ’t doom’né Raaf, zooals je weet,

En Hop was daar als koster bij.

En bij de goudvinksvrouw, daar deed

Het doom’né Kraai; en ’k meen wel, dat

Hij koster Ekster bij zich had.”

„Wel, schepsel!” zei toen Lotje, „jij

Weet bijster goed, hoe alles is;

Maar als je soms gelooft, dat wij

Het als de goudvink zullen doen,

Dan, moet ik zeggen, heb je ’t mis;

Wij zijn gesteld op ons fatsoen.

Hier komt hij zelf;—omdat de man

Wel weet, wat hij hier wachten kan;

Beschaafde lui, daar houdt hij van.”

„Wat?” zegt nu nicht, geheel en al

Verbaasd, door ’t geen zij heeft vernomen;

„De consistoriaalraad zal

Dus zelf hier op het doopfeest komen?” [20]

„Ja wel,” zegt Jochem, „in persoon

Zal hij de plechtigheid hier leiden;

En zanger Haan geeft ons den toon,

Als wij tot zingen ons bereiden.

En peters zullen de ooievaar,

De nachtegaal en kievit zijn.

Eerst had ik plan ook nog een paar

Van hoogen adel op ’t festijn

Te nooden, zooals uil en wouw

En havik; maar mijn lieve vrouw

Vond toch wel wat bezwaar daarin.

Wie weet niet, dat de nachtegaal

Zeer democratisch is van zin?

Dus, dat zou op ons plechtig maal

Allicht den vrede kunnen storen;

Personen, die niet saâm behooren,

Moet men niet brengen bij elkaâr;

’k Mag anders de adellijken wel,

Vooral de dames, zie je?—maar,

Ze hebben soms een vreemd gestel,

En dikwijls kan ’t niet veilig heeten,

Met deze lieden kersen te eten.”

„Ja,” antwoordt nicht, „maar toch, er is

Zoo iets voornaams in, en”— —„Wel wis!”

Zegt Jochem, „dat’s volkomen waar;

Maar, naar ik meen, heeft de ooievaar

Ook iets voornaams; en evenzeer

De gans; dus, nicht! wat wil je meer?”

„Die doet niet onder voor de besten,”

Roept Lotje nu, „die heeft zoo veel

Voornaamheid dat je al met een deel

Een matig varken vet zou mesten.”

Terwijl zij nog zoo redeneeren,

Komt de ooievaar, die, lief en goed

En minzaam, uit de hoogte groet;

Vervolgens, in hun mooiste kleêren,

De lijster en de nachtegaal,

De vink en koekoek; en, benevens

Den specht, de spreeuw en zwaluw; tevens

Verschenen tot het feest’lijk maal

De leeuw’rik, putter en patrijs,

En ook de kievit;—daarna kwamen

De kwikstaart met den ekster samen,

En meer nog;—elk op zijne wijs

Heel netjes uitgedost, in ’t grijs,

In ’t rood, in ’t geel, in ’t groen, in ’t blauw,

In ’t wit, in ’t zwart, in ’t bruin, in ’t grauw.

Alleen ontbrak de goudvinksvrouw;

’t Was Lotje’s vaste wil geweest,

Dat die niet komen zou op ’t feest.—

Nu zetten allen in een kring

Zich neer; en Lotje toont nu dezen,

En dan weer genen lieveling;

En al haar kroost wordt luid geprezen.

De rietmosch acht zich nu verplicht

Verklaringen daarbij te geven,

Alsmede een duid’lijk overzicht

Van àl de kind’ren, èn die leven,

Èn die al dood zijn. En daarna

Treedt Jochem in den kring. Zijn wezen

Geeft als in ied’ren trek te lezen

Één woord;—het schoone woord „papa”.

En al de gasten opgetogen,

Bezweren,—zeldzaam eensgezind,—

Met luider stem, bij ieder kind:

„Net Jochem! Net zijn neus en oogen!”

En de ooievaar staat op één been;—

Zoo schijnt hij ’t best te kunnen kijken,—

En ziet zoo langs zijn snavel heen,

En zegt heel deftig: „Waarlijk! ja!

’t Is waar, volkomen waar, papa!

Gij ziet uw beeld in allen prijken.”

En nu wil Jochem, zijn waardij

Van vader zich bewust, iets zeggen,

’t Verschijnsel nader uit gaan leggen,—

Maar kwikstaart roept: „Hij komt daar! hij!

Hij zelf;—kijk, kijk! dat is toch aardig.”

En allen nemen nu een waardig

En deftig, ernstig wezen aan.

De consistoriaalraad komt;

Men noemt hem den kalkoenschen haan:—

Zijn beenen eenigszins gekromd,

Hoogrood zijn nog al vol gelaat,

Zijn haren glad, eenvoudig vroom,

En ’t zwart en wijdgeplooid gewaad

Net afgepoetst van kraag tot zoom.

Aan zijne linkerzijde gaat

De gans, die hem heel veel doet hooren

Van haar verdiensten op ’t gebied

Der kerk, en telkens naar hem ziet

Als om te ontdekken, of hem niet

Zoo’n lief’lijke ijver zou bekoren.

Welnu, hij is ook zeer voldaan.—

Terwijl de twee zoo samengaan,

Is hooge vroomheid hun van voren

Heel klaar en duid’lijk aan te zien;

Van achteren zoo niet misschien.

Ten minste, dit zei zanger haan,

Die meêkwam,—maar hij achteraan,—

Dat zij, van achteren bekeken,

Wel iet of wat hoogmoedig leken.

„Maar,” sprak hij, „och! wat raakt het mij?

De wereld heeft graag zand in de oogen;

Welnu, zij worde dan bedrogen;

Maar, hoofdzaak is, daar blijf ik bij,

Dat men zich steeds behoorlijk voedt.”

Nu wendt hij zich tot zijne vrouw,

Die, hem tot eere en vreugd, heel trouw

Tien kuikentjes heeft uitgebroed:

„Vrouw! luister! Al het jonge goed

Moet paar aan paar hier vóór ons gaan,

En stemmig de oogen nederslaan;

En buig ook gij uw hoofd naar de aarde,

Zooals de gans nu; maar, mijn waarde!

Als ’t eten vóór ons klaar zal staan,

Dan val je maar recht dapper aan!”

En toen zij bij ’t gezelschap kwamen,

Toen groette, vol van welgevallen,

De consistoriaalraad allen;

Zelfs enk’len bij hun eigen namen.

Slechts vink en putter groet hij niet,

Want die beschouwt hij niet als vrinden

Ook kan hij geen behagen vinden

Zoo min in nachtegaal als lijster,

Omdat hij deze lui niet bijster

Getrouw bij zich ter kerke ziet.

Maar nu de gans! Wat vroom gemoed!

Wat reine blik! Hoe suikerzoet!

Gelijk een lichtstraal uit een wolk,

Zoo rust die blik op al dat volk,

Op al die slechten en verloor’nen;

Want zij behoort tot de uitverkoor’nen.

Zij zet met opzet nu zich neêr

Naast lijster en naast nachtegaal,

En trekt een zucht, met diepen haal,

Haar boezem uit, en nog eens weêr.

En zanger haan?—Ja zanger haan

Heeft als die and’re twee gedaan; [21]

Hij is, verzeld van zijn gezin,

Het feestgezelschap ingetreden,

Het vroom gezicht, en zelfs zijn schreden,

Daar lag iets waardigs, plechtigs in.

Zijn oogen stonden streng en strak:

Maar lief zag hij ’t patrijsjen aan,

Een volle nicht van hem, en sprak:

„Och, nicht! wil ietwat verdergaan;

Dan kunnen hier mijn kind’ren staan.”

Als nu al de and’ren zijn gezeten,

Verheft zich de kalkoensche haan,

En vangt dan zijne toespraak aan,

’k Meen, uit Kronieken of Profeten.

Vervolgens wenscht hij nu te weten,

Hoe al de kind’ren moeten heeten.

Nu, daar had Jochem aan gedacht.—

Hij had een edel, fijn geslacht,

En meende daarom, eêl en fijn

Moest dan ook elk der namen zijn.

Dus: Oscar, Arthur, Boudewijn,

Had hij gekozen voor zijn zoons.

Melania en Olga kwamen

Hem daarbij voor als meisjesnamen,

Waar iets voornaams in lag en schoons.

Wat roept met donderend geluid

De consistoriaalraad uit:

„Zijn we in een Turksch of Heidensch land?

Of sloeg de waanzin je in ’t verstand?

Zal ik daartoe mijn hulpe bieden?

Zijn dat nu namen? Nimmer sprak

Van zulke namen de almanak!

Neen, Jochem! dat kan niet geschieden;

Dat bracht ook zeker onheil voort.”

En in ’t gezelschap bromde de een:

„Nu, zóó iets heb ik nooit gehoord.”

En de ander lispt: „Dat is door geen

Verstandig mensch ooit nog beweerd.”

Maar de ooievaar,—op ’t ééne’ been,—

Spreekt luid: „Ik heb al heel veel jaren

In wijsbegeerte gestudeerd;

En ’k zeg u, de philosophie.…”

„Ik bid u, wil mijne ooren sparen!”

Zoo antwoordt nu de spreker, die

Daarbij heel rood wordt in ’t gezicht.

De gans het oog omhoog gericht,

Slaat zuchtende haar handen samen.

En and’ren anders weêr ontsticht,

Beweerden: al die troeb’len kwamen

Alleen ook door die gekke namen.

En nu, hoe liep dat eind’lijk af?

Dat Jochem and’re namen gaf,

Gansch and’re namen nu, dan die

Hij toch zoo edel vond en fijn

Melania werd Annemie;

Kris kwam in plaats van Boudewijn.

En zoo zou ’t ook met de and’ren zijn.

De doop is uit. Het feestmaal wacht.

Nu komt de haan eerst in zijn kracht,

Hij wenkt en pinkt en wijst en lokt,

Zijn vrouwtje komt en kloekt en klokt,

En ’t kroost, met neêrgebogen kop,

Vult zich den kinderlijken krop.

De gans, die met haar zondaarsmin,

Ook sterken lust voor koffie paart,

Drinkt zoet en zacht de teugjes in

Reeds van het derde kopje, en staart

Met wellust in het bruine nat,

Dat zij zoo lekker vindt, en dat,

Zoo zegt zij, alle kwade sappen

Weldadig uitdrijft uit het lijf,

En iemand gansch’lijk op kan knappen.

Soms gunt zij, maar heel stroef en stijf,

Aan wie zij naast zich ziet gezeten,

Een woordje; maar de nachtegaal

En lijster zwijgen, want zij weten

Geen weg in haar verheven taal.

Of neen, zij zwijgen niet, maar spreken

Heel stil: „’k Verlang naar ’t eind van ’t maal;

Want gasten van die soort verbreken

De vreugd van ’t feestelijkst onthaal.”

En allen, die niet volop aten,

Gevoelden samen, dat ze daar

Bijzonder akelig en naar,

En ongemeen vervelend zaten.

Maar de ekster en de rietmosch samen

Verhandelden zoo druk, zoo veel,

Dat bijna likdoorns in hun keel

En op hun tong en lippen kwamen.

Ten laatste neemt nu Jochem ’t woord,

Nadat hij eerst zijn das en boord

Heeft recht getrokken en een poos

Zich in de handen heeft staan wrijven:

„Geliefde vriendenschaar! Altoos

Zal ’t mij een zeldzame eere blijven,

Dat ’k u hier zien mocht; u vooral,

Eerwaarde heer!—en nu, ik wil

Niet vreezen, dat ’k u hind’ren zal,

Wanneer ik …” Hier hield Jochem stil;

Hij was den draad der toespraak kwijt.

Maar Lotje kwam en sprak: „Gij kunt

Nog wel eens op een ander tijd

Zoo’n toespraak houden. Maar, vergunt

’t Gezelschap mij eens even ’t woord,

Dan wil ik wel eens iets vertellen,

En ’k heb daarbij iets voor te stellen.

Nu dan, geachte vrienden, hoort!

Eens heeft de kleine Poedel mij

Gered uit zwaren angst en nood;

Zij toonde een ziel, zoo goed, als groot;

En ’k ben haar dankbaar. Nu is zij

Ontvlamd in laaien liefdegloed

Voor Hanne Nüte, of, beter, Snoet.

En ’k vraag u thans, wie hem en haar

Voor ramp wil hoeden en gevaar,

En meê wil werken, om die beiden

Geluk en zegen te bereiden,

En ze eens te maken tot een paar.”

Toen klonk op eens één enk’le schreeuw:

„Wij allen!” Daarop zei de spreeuw

Nog in ’t bijzonder: „Ja, dat moet!”

En voorts de kwartel: „Zoo is ’t goed!”

En toen de koekoek, vink en specht

En kievit: „Zeker! dat is recht!”

En nachtegaal en lijster zingen:

„Ja wel! Wij hoeden de gelieven,

Wij helpen hen in alle dingen,

Bezorgen hunne minnebrieven,

En dragen tevens kus en groet

Van hem naar haar, van haar naar hem.”

„Wat?” roept nu met een barsche stem,

De consistoriaalraad. „Moet

Dat zóó hier gaan?—Zoo rood, als bloed,

Is dit gezelschap!—Anders niet

Dan democraten, jacobijnen!

En wat hier een verbond wil schijnen

Is samenzwering. Ziet toch, ziet,

Met hoeveel wijsheid onze wet, [22]

De staatswet, is inééngezet,

Die zooveel mogelijk ’t vermeêren

Der menschenmassa zoekt te keeren.

Met reden. Want een groot getal

Van menschen met en bij elkaâr,

Dat brengt het zekerst tot den val.

En ook, wat wordt er van een paar,

Dat zoo maar luchtig trouwen zal?

Eerst dan, wanneer de zeed’lijkheid

Van twee verloofden tal van jaren

Zich rein en zuiver bleef bewaren,

Eerst dan kan de echtelijke stand

Iets zijn, dat zegen hun bereidt

En heil aan ’t lieve vaderland.

Wat denkt gij? Dat ’k die jonge menschen

Zal helpen? Enkel hier maar om,

Dat zij zoo gaarne zouden wenschen

Te trouwen?—Neen! neen! niet zoo dom,

Niet zoo lichtzinnig zal ik wezen.

En,—allen, die hier samen zijt!

Gij hebt mijn toornigheid te vreezen,

Als gij aan zulk een zaak u wijdt;

Als gij niet ied’ren vriendschapsband,

Die u aan dezen Jochem bindt,

In wien ik nu een booswicht vind,

Terstond verscheurd met vaste hand.”

Hij draait zich om en hij vertrekt,

Den staart al pronkend uitgestrekt.

En nu de gans? Die krijgt een schrik,

Een schok, als drong er in haar vleesch

Op eens een diepe speldeprik.

„Wat?” roept zij, van ontroering heesch:

„Is ’t hier te doen om minnarij?

Foei! foei! daar blijf ik ook niet bij!—

Wacht, waarde vriend! ik ga met u.”

En zanger haan?—Ja, die moet nu,

Dat kan niet anders, ook vertrekken,

En duidt dit vrouw en kind’ren aan.

En de ekster en de rietmosch wekken

Elkaâr ook op, om heen te gaan;

Want, zeggen zij, nu gaan ze ontdekken,

Dat ze op onreinen bodem staan:

Ook kon een strafgericht hen slaan.

Zij rollen ’t breiwerk dus inéén,

En heel voornaam gaan beiden heen.

„Laat gaan maar!” roept nu zeer verheugd

De wachtelkoning. „Want de vreugd

Zal nu eerst recht zich kunnen uiten.”

„Die spellebrekers!” knort de vink.

En Jochem zegt: „Kom, Lotje, flink!

Breng eens wat fijnen wijn naar buiten,

En ook wat lekk’ren worst er bij.

Dan zal ’t eerst feest zijn, en dan zullen

De vrinden hier gezellig smullen,

En klinken samen, vrij en blij.”

En nu begint het zingen;—allen

Doen de oude, lieve liedjes schallen,

Die ze altijd zongen in hun jeugd,

Wanneer hun ’t harte was verheugd.

„Nachtegaal! ik zie je drinken

Uit het beekje, frisch en klaar,

En ik hoor je zangen klinken,

Honigzoet en wonderbaar.”

„Mijn liefste! Tusschen u en mij

Zijn bergen en zijn dalen;

Maar waar gij zijt, daar ruischt u toe

Het lied der nachtegalen.”

„Koekoek! zeg me eens even.

Als je ’t zeggen kunt,

Hoeveel jaren leven

Mij nog zijn gegund.”

„Zeg, kievit! waar blijf ik? Bij braamstruik en vlier;

Daar zing ik, daar spring ik, daar heb ik pleizier.”

Zoo vloeiden en zoo klonken daar

Veel blijde deuntjes door elkaâr.

Toen trok de waardige ooievaar

Recht vergenoegd één poot omhoog,—

’t Schijnt, dat het denken beter gaat,

En hij meer heeft aan oor en oog,

Wanneer hij in die houding staat,—

En zegt: „Nu voel ’k geen dwangbuis meer,

Nu kom ik tot mij zelven weêr,

Nu ongestoord mijn harte smaakt

De vreugd, waarop het is gemaakt.”—

Het zonlicht straalt en ’t koeltje stoeit

Met bloem en blad; ’t gebloemte bloeit,

En ’t vogelvolkje kweelt en zingt

Een lied, dat schel ten hemel dringt,

En ’t is alom, of God, de Heer,

Naar de aarde ziet, van boven neêr,

En roept: „Zing op en nog eens weêr!”

En alles, wat op de aarde leeft,

Met moeite kruipt of lustig zweeft,

Voelt, dat Gods vriend’lijk aangezicht

Heel ’t landschap toelacht en verlicht.

Maar— —plots’ling slaat Hij ’t venster dicht

En wendt van de aard Zijn oogblik af.

Die zooveel vroolijkheid haar gaf.

De donk’re wolken trekken woest

Langs ’t hemelvlak; de stormwind hoest

En steunt en gromt met zwaar gezucht,

En roeit zich op zijn zwarte vlucht,

Als somber nachtspook, door de lucht.

En, waar hij soms een wijle zwijgt,

Als een, die van vermoeidheid hijgt,

Daar barst hij plotseling weêr uit;

En, dreunend als ’t bazuingeluid

Van d’oordeelsdag, zoo hol en sterk,

Vliegt hij langs ’t veld en door het zwerk;

De bliksem schiet met wilde vaart;

Aan alle zijden neêr op de aard;

De donder rolt met dof geknal

Langs weide en woud en berg en dal,

Als stem des Heeren Zebaoth,

Die roept: „Ik ben een ijv’rig God!”

De voog’len, eerst zoo blij, beteug’len

Hun lust, terwijl zij hunne vleug’len

Deemoedig laten nederhangen,

Door bange ontsteltenis bevangen.

En,—tusschen ’t hout in staat een man,

Die ook het woord des Heeren hoort,

Dat krachtig en ontzettend woord;

En hij verschrikt en beeft er van;—

Maar toch verhardt hij zijn gemoed.

Zijn hand roofde eens des naasten goed,

Een hand, besmet met menschenbloed.

Nu wendt zijn strak en bleek gezicht,

Zoo stout, en toch zoo bang metéén,

Gedurig naar de plek zich heen,

Alwaar ’t verslagen offer ligt.

En telkens schiet de bliksem weêr

Juist op die plek al sissend neêr.

De musch roept uit: „Daar staat hij! Dáár!

De bakker is ’t,—die moordenaar!” [23]

De kievit geeft zich op, omhoog,

En òm hem fladd’rend in een boog,

Vervult zij ’t luchtruim met den kreet:

„Een doodslag, waar ook ik van weet!”

„Verwenscht gedierte!” roept verstoord

De moordenaar; „voort! maak u voort!

Wat wilt gij? Wie aanschouwde mij?

Alleen de duivel was er bij.”

„Neen!” riep toen weêr der voog’len stem,

„Wij zagen ook, o moordenaar!

Uw doodslag en het lijk van hem:

Dáár ligt dat lijk! Daaronder! Dáár!”

De bakker werpt nu met een steen

En vloekt: „Vliegt naar den Satan heen!”

En, nauw ontglipt dit woord zijn mond,

Of weder schiet de bliksem rond.

De rijzige eik, die, vol van pracht,

Eene eeuw trotseerde door zijn kracht,

Valt, als een riet geknakt in ’t zand;

Terwijl des Heeren sterke hand

De teek’nen Zijner majesteit,

Maar ook van Zijne toornigheid,

Met vuur in rots en boomstam brandt.

De moordenaar zinkt duiz’lend neêr,

Maar ziet weêr op, verheft zich weêr,

En ijlt dan voort, voort, uit dit oord,

Door nacht en storm, voort! immer voort!

Het onweêr brult nog steeds door ’t woud;

De voog’len krijschen om hem heen,—

En ’t dringt hem als door merg en been:—

„Ja! in den hemel is er Een,

Die ook uw gruwel heeft aanschouwd.”

[Inhoud]

12.

Ja,” zegt vrouw Smidt, „mijn lieve kind,

’k Heb maar twee kleintjes nu; ik vind,

Daar kan ons Doortje wel voor waken;

In tuinwerk en in and’re zaken

Biedt Kris mij hulp; en Fritsje hoedt

De schapen bij de boeren hier.

Daarom, ik kan op die manier

Jou nu ontberen; dus je moet

Gaan dienen.”—„O ja, moeder! goed,”

Zucht Fieken; „’k wil wel dienen gaan;

Als ’t maar niet ver is hier vandaan.”

„Neen, in de stad. De bakker kwam,

Hier gist’ren; en je vader nam

Toen met den voorslag, die hij deed,

Genoegen. Dus, mijn kind, je weet,

Bij wien je nu in dienst zult gaan.

Godspenning heeft hij ook gegeven.

Hier is het geld, hier! neem dan aan!”

Maar Fieken slaat op eens aan ’t beven,

En roept met bange en droeve stem:

„Ach, moeder, moeder! niet naar hem!

’k Wil alles doen, wat gij gebiedt,

Maar stuur mij niet naar dezen man!

Zaagt gij dan die gejaagdheid niet?

Die onrust in zijn oog? En dan,

Hoe krijschend was zijn stem!—O, neen!—

Zend mij naar dezen man niet heen!

Zoo leelijk! Ik verschrikte er van.

De dominé heeft mij gezegd;

Zoo’n soort van mensch is zeker slecht.

Nog in mijn droom heeft hij van nacht

Me in vreeselijken angst gebracht.”

En zacht, maar toch met kracht en klem,

Smeekt zij weêr telkens: Niet naar hem!”

„Wat?” is het antwoord, kind! je maakt

Je een angst, die spoedig zal bedaren.

Is dat iets, om zoo uit te varen?

’t Is, of je ’t onweêr heeft geraakt!

Kom, kom! wat kinderpraat is dat?

Jou tast nog de herinn’ring aan

Van toen je bij de ganzen zat,

En toen hij boos was en wou slaan.

Denk daar niet om; dat is voorbij;

En wees verstandig; hoor naar mij.”—

En Poedel zucht en Poedel schreit;

En moeder gromt wel: „Kwaje meid!”

Maar voelt toch ook, Fiek is haar kind,

Dat zij met hart en ziel bemint.

Wat helpt dat echter? Arme menschen,—

’t Zij, dat ze ’t wenschen of niet wenschen,—

Die kunnen wel niet anders, dan

Hun kind’ren in de wereld zenden.

Zij hebben vaak veel leed daarvan;

Zij doen het vaak met bloedend hart.

O! als de rijken van die smart

Ook maar een klein gedeelte kenden,

Er iets van voelden, hoe het grieft,

Wanneer men wegstoot wat men lieft,

Ze zouden tot zoo’n kind zich wenden,

Om ’t aan te nemen en te hoeden,

Om ’t voort te helpen, op te voeden,

En denken, bij dat droevig lot:

Dat kind is ook een kind van God.—

De Zondag komt; en Fieken staat

Gereed, om naar heur dienst te gaan:

Haar tegenspraak heeft niet gebaat.

Vrouw Smidt geeft haar het pakjen aan,

Waarin haar kleêren zijn gedaan,

Wel schamel, en met meen’gen lap

Bezet, maar zind’lijk, net en knap.

En voor de deur der woning zit

In ’t zonneschijntje vader Smidt,

Die nu, terwijl zijn vrouw nog dit

En dat bezorgt, tot Fieken spreekt:

„Ja, meid! Die dag van heengaan breekt

Voor ieder op zijn beurt al aan;

Ik ben zoo ook eens heen gegaan.

Ook ik ging zonder kist of koffer;

’t Pakje in mijn hand was al een offer

Geweest voor vader, niet gering.

En,—’k weet het goed nog,—ik ontving

Toen, bij dat afscheid, deez’ bretel.”

Hij knoopt die los.—„Kijk! zie je wel?

De riem is stevig nog en sterk;

Ze maakten toen recht deeg’lijk werk;

’k Gebruik dat ding reeds al die jaren,

En ook voor allerhande zaken,

Al naar de omstandigheden waren:

’t Heeft voor en na al moeten strekken,

Om iets, wat losbrak, vast te maken,

Om kar of sleê meê voort te trekken,

En om den rug der kleine snaken,

Bij stoute kuren, meê te raken.

’k Deed met dien riem dus heel wat af,

Den man tot eer, die hem mij gaf.

Nu, jou kan ’k geen bretel gaan geven,

Maar treed ik eenmaal uit dit leven,

En is het leer ook dan nog goed,

Dan zal ik onzen Frits haar schenken:

Wat mij nog dikwijls denken doet [24]

Aan mijnen vader,—zie! dat moet

Hem zijnen vader doen gedenken.

Maar Fiek! jou kan ’k niet anders geven

Dan dezen laatsten goeden raad;—

Neem telkens dezen raad te baat;

En volg dien op, geheel uw leven,

Draag hem in ’t harte vroeg en laat;

Hij hebbe steeds, gelijk het leder

Van dezen riem, een taaie kracht;—

Als ge in een laagte zijt gebracht,

Hij trekke u naar de hoogte weder;

En, zet ge uw voet op slechte wegen,

Hij houde intijds u dan nog tegen;—

Hoor nu mijn raad; het is mijn zegen:

Als ge ooit, mijn Fieken! hebt misdaan,

Wil ’t door geen leugens dan verhelen;

Wie liegt, die komt ook licht tot stelen;

Wie op het pad der zonde gaan,

Die loopen op een schuine baan,

Wees nimmer wreev’lig; en als iets

U hindert, ga er niet om morren,

Volhard geduldig; want het knorren

Op lot en leven baat u niets.

En als gij iets gebeuren ziet,

Wat stof tot denken u kan geven,

Onthoud u van ’t gevaarlijk streven

Om ’t rond te kleppen; babbel niet!

Door babb’len is in menig leven

Al heel veel droefs en kwaads geschied.

En nu dit ééne nog er bij,—

Vergeet dat nooit,—verstaat gij mij?”

Hier keek hij duchtig streng haar aan,

En liet, heel zinrijk, zijn bretel

Met drift door zijne handen gaan,

„Onthoud vooral dit ééne wel:

Als je ooit je moeder kwam te onteeren,”— —

Maar verder sprak hij toen niet voort,

En ging in huis. Doch ’t harde woord

Doet Fieken ’t oog naar de aarde keeren,

En recht verdrietig zucht ze en weent.

„Kom!” spreekt nu moeder, „schrei maar niet!

Zoo erg heeft vader ’t niet gemeend;

Je weet, hij houdt veel van je, en liet

Dat blijken steeds door zorg en trouw.

Maar als je slecht je mocht gedragen,

Of over alles komen klagen,

Hier bij ons t’huis, ja wel, dan zou

Je vader boos zijn, en ook ik.

Maar, kom! wees nu maar in je schik.”

Dit woord ging van een kus verzeld.—

„Heb je alles nu? Waar is je geld?

Is ’t in je zak? Maar ’t zit zoo open;

Wacht! ’k zal het in je zakdoek knoopen.

Maar, hoor! geen gekheid daarvoor koopen;

En ’t niet vertoonen; want er loopen

Veel slechte menschen door het land,

En die zijn daad’lijk bij de hand.

Wie laag zich houdt, heeft zelden nood;

Wie praalt, heeft spoedig zelfs geen brood.

Nu, groet ook Fieken Schult van mij.

’k Hoor, zij wordt thans „Zaphie” geheeten;

Maar dat is dwaze hoovaardij;

En jij blijft „Fiek,” dat moet je weten;

Waarom daar zoo’n voornaamheid bij?—

En, wil je voor de Pinksterdagen

Verlof, om hier te komen, vragen,

En heeft de bakker niets er tegen,

Kom dan; maar breng voor de andre negen,

Voor elk, een krentenbroodje mee;

Zoo geeft het weêrzien meer verblijden,

Dan ’t zonder krentenbroodjes deê,—

Hoe graag ze je allen mogen lijden.

En nu, vaarwel, en blijf gezond!”

Zij drukt een kus haar op den mond,—

„En als je goed blijft van gedrag,

En niets van wat je hebt, verkwist,

Dan geef ik je, op St. Michelsdag,

Een mooie, nette kleêrenkist;

Althans, wanneer niet, onverhoopt,

De ganzenteelt ons tegenloopt.

Alzoo, mijn kind! vaarwel nu! ga!”

En Fieken gaat. Zij kijkt haar na,

Terwijl ook vader nog eens groet:

„Dag, lieve Fieken! hou je goed!”— —

En Fieken gaat, en weent nog zacht.

’t Is haar, als doolt zij in een nacht;

Alsof de sterren, zon en maan

Verschoten zijn en uitgegaan.

En toch is alles licht in ’t rond

En blij als in den wordingsstond

Des lichts; ’t is licht, als op dien dag,

Toen God voor ’t eerst Zijn schepping zag,

En over alles lag gespreid

Een glans van stille heerlijkheid.

Zoo treedt zij over bloem en gras,

Bij voog’lenzang en zonneschijn.

Zoo rein en schoon, als Eva was;

Maar toch met een gevoel van pijn,

Alsof zij voor haar gansche leven

Het Paradijs was uitgedreven.

En evenwel, al heeft zij smart,

Er springt een klare, held’re bron

Heel diep in ieder jeugdig hart,

Die al veel leed genezen kon:

De bron der hoop. Die ruischt daar zacht,

Maar toch met wonderbare kracht,

En deint en golft en bruist en wiegelt,

Tot zich er ’t hemelsblauw in spiegelt;

Dan vloeit de stroom steeds verder voort,

Al kronk’lend door een lief’lijk oord,

En al de schoonheid aan zijn zoom,

De frissche bloem, de groene boom,

’t Weêrkaatst zich alles in den vloed,

En alles blinkt in hoogen gloed,

En alles schittert, alles glanst,

En alles jubelt, alles danst;

’t Is in het kabb’lend golfgewemel

Of de aarde danst en ook de hemel,

En ’t hart wordt weêr van droef’nis vrij,

En ’t hart klopt hoog en ruim en blij.

Zoo kan de hoop verkwikken, streelen,

Met moed en levenslust bedeelen,

De diepste zielewonden heelen,

Door hare zoete poëzij.—

Zoo werkte zij op Fieken ook;

En ieder schrikbeeld, ieder spook,

Dat voor haar geest was opgedaagd,

Werd door die toovermacht verjaagd.

En verder liep ze, en liep, totdat

Zij op dat plekje nederzat,

Waar ook Johan gezeten had.

[Inhoud]

13.

En Jochem kijkt zijn venster uit,

En roept bewonderend: „Wel, verbruid,

Wat is die mooi!—Waar ben je, vrouw? [25]

Kom gauw, kom hier eens even kijken;

Wat is ze mooi! Zoo waar, ik zou

Haar haast met jou gaan vergelijken.”

„Och!” antwoordt Lotje, een beetje kwaad,

„Jij altijd met je gekken praat!

’t Is tijd om iets te doen. Maar wat?

Mij dunkt, vergadering beleggen.

Althans, nu aan de zwaluw zeggen,

Dat zij thans weg moet, naar de stad.”

„Ja,” antwoordt Jochem; „zie je? dat

Is iets wat wij met goed fatsoen

Nu samen mede konden doen;

Wij konden mede stadwaarts gaan,

En leggen daar een huizing aan;

Dan zijn wij altijd haar nabij.

’k Weet aan den muur der bakkerij

Een ouden boom, heel hol en dik;—

Daarheen dus, dunkt me; gij en ik;

De kind’ren niet; die worden groot;

Die kunnen nu zich zelv’ bedruipen,

En zorgen voor hun eigen brood.

Een sidd’ring kan mijn hart bekruipen,

Wanneer ’k me voorstel, dat al ’t kroost,

’t Welk wij al kwamen uit te broeden,

Nog hier was. Waarlijk! ’t is een troost,

Dat eens ’t verplegen en het voeden

Aan ’t eind is. ’k Heb wel liefde; maar,

Dan werd de taak toch al te zwaar.

Dus, heden moeten onze spruiten

Van óns af, en de wereld in;

Wij moeten kalm daartoe besluiten,

En dan ook hand’len in dien zin.”

En nu riep Jochem al de namen

Der kind’ren af; en toen ze kwamen,

Sprak hij recht vaderlijk hun aan:

„Door uwe moeder en door mij

Is voor uw vorming veel gedaan;

Wij stonden u in ’t vliegen bij;

Wij spijsden u; de kunst van eten

Wordt door u meesterlijk verstaan;

Wij leerden u, wat gij moest weten,

Met name, dat gij steeds de kat,

En wouw en zoo, te vreezen hadt;

’k Herhaal die les; blijft haar betrachten,

En voor zulk moord’naarstuig u wachten.

Voorts moet ik dezen raad u geven:

Neemt alles wat gij krijgen kunt;

Grootmoedigheid houdt niet in ’t leven:

En ook het brood, dat niet gegund

U wordt, smaakt lekker en doet goed.

Maar toch, vergeet niet, wat ge ook doet,

En welke streken ge uit moogt voeren,

Dat gij als heeren, niet als boeren,

Dus met iets fijns, steeds hand’len moet.

Vaartwel nu, maar, wat lot u beid’,

Wat stand de toekomst u bereid’,

Verzaakt toch nooit de dankbaarheid.

Dat is een deugd die bij de kind’ren,

Hoe lang ze leven, niet mag mind’ren.

Bedenkt alom dus en altijd,

Dat gij ons ’t leven schuldig zijt,

Dat door ons beiden is gebroed

Twee weken lang,—en veertien dagen

Door ons voor u is zorg gedragen;

Wij hebben u verpleegd, behoed,

En steeds voorzien van kost’lijk voeder

Dus, denkt aan mij en aan uw moeder.

Nu, in òns hart blijft gij ook leven,

Al gaat gij henen uit ons oog.

Houdt even nu den staart omhoog,

Dan zal ik ’t laatst vaarwel u geven.”

Nu doet hij met een hort hen allen,

D’een na den ander, ’t nest uit vallen.

Maar allen vliegen weg. Slechts Kris,

Die niet zoo vlug als de and’ren is,

Ook minder sterk en minder groot,

Valt, bij dien onverwachten stoot,

Gansch hulpeloos in Fiekens schoot.

Zij nam hem zachtjes in haar hand,

Terwijl ze medelijdend sprak:

„Uw vleugeltjes zijn nog te zwak;

Ik zal u met mij nemen; want

De havik maakte u maar van kant,

Wanneer ik hier u liet:—gij zijt

Hier in den omtrek vast geboren;

Gij zult mij, in vervolg van tijd,

Iets van mijn vaderhuis doen hooren.”

Zij neemt hem meê, en zij verheugt

Zich om die mosch met reine vreugd;

’t Is maar een mosch; maar toch een wezen,

Waar zij den kommer van verzoet;—

Dat is de liefde, in haar gemoed

Heel zachtkens, zachtkens opgerezen.

En òm haar hoort ze alomme fluiten:

„Daar gaat zij! Kijkt eens! Komt eens buiten!

Daar gaat zij! Fieken! Kijkt toch, dan!

’t Aanstaande bruidje van Johan.”

De zwaluw scheert steeds op en neêr,

En doopt, bij ’t fladd’ren heen en weêr,

Haar wiekjes telkens in het water,

En roept met blij en luid gesnater:

„Ja, Fieken! Ja, Fieken! de beste zijt gij;

Ja, Fieken! Ja, Fieken! ik blijf u nabij;

’k Ga nest’len bij ’t venster aan ’t huis van den bakker;

En ’s morgens, nog vroeg al, dan maak ik u wakker.”

En moeder Lotje zingt een lied,

Om ’t geen haar liev’ling is geschied:

„Wat is u, mijn Krisje! Wat is u gebeurd?

Mijn Benjamin, die me van ’t hart zijt gescheurd!

Wat zijt gij gevallen, zoo hals over kop!

Maar wij blijven bij u; verlaat u daarop.

Wij bouwen een nest ons in ’t vensterkozijn;

En als we u dan roepen, mijn Krisje! verschijn:

Dan deelen we u spijs meê, o! meer dan genoeg;

Maar pas op de katten en vlieg niet te vroeg.

En wek in het hartje van Fiek goeden moed;

Mijn Krisje! mijn lieveling! hou je maar goed.”

En ’t nachtegaaltje keek nieuwsgierig

Naar Fiek, en wipte en sprong, heel tierig

En opgeruimd, van tak tot tak,—

Haar begeleidend steeds,—en sprak:

„’k Weet een hoekje; ver is ’t niet

Van des bakkers huis;

In zijn tuin; waar ’t beekje vliet

Over ’t kiezelgruis.

Fieken! op dat plekje daar

Vindt gij mij steeds weêr;

’k Zet mij zingend jaar op jaar

In dat hoekje neêr.

Wend u vaak, als de avond dauwt,

En de scheem’ring zachtkens grauwt,

Naar die stille plek;

En wanneer gij soms eens brief [26]

Hebben mocht voor Hanne-lief,

’k Neem dien gaarne voor u meê, als ik weer vertrek.”

En als zij verder gaat, dan dringt

Haar uit het bosch, zoo groen en frisch,

Waar ’t nacht’lijk koel en duister is,

De feestgalm van een talrijk koor

Gepluimde zangers in het oor,

Een koor, dat, o! zoo prachtig zingt.—

O, voog’lenlied! O, statig woud!

Al voelt het hart zich krank of oud,

Al slaakt de boezem zucht bij zucht,

Uw reine klank, uw zuiv’re lucht,

Heeft tooverkracht, die troost en streelt,

De smart verzacht, de wonde heelt.—

En toen in ’t plechtig avonduur

De sterren blonken aan ’t azuur,

Zat Fieken in haar eenzaamheid,

In ’t klein, armoedig kamerkijn,

Dat tot verblijf haar was bereid,

Dicht onder ’t dak. En teêr en fijn

Weêrklinkt in dezen oogenblik,

Op ’t vensterglas een zacht gepik.

Dat doet de zwaluw, die dan zegt:

„Zie! hier heb ik mijn nest gelegd;

Vlij thans u kalm ter ruste neêr;

Ik wek u morgenochtend weêr.”

En Jochem arbeidde in den knoest,

Die hem tot woonsteê worden moest;

En Lotje riep tot Christiaan:

„Mijn kind! gij moet nu slapen gaan;

Rust wel, mijn Krisje! maar ’k verwacht

U morgen weêr aan ’t venster;—dan

Vertelt ge er, hoop ik, mij iets van,

Hoe zij den nacht heeft doorgebracht.”

En buiten zong toen, en nog lang,

De nachtegaal dien zoeten zang:

„De een trekt over berg en dal,

De and’re zit te treuren;

Maar, hoe lang ’t ook duren zal,

Eenmaal zal ’t gebeuren,

Dat die twee weer samen zijn,

Vrij van zorg en hartepijn.

Zielevreugde ligt heel dicht

Bij de zielekwalen:

Als de bergen, schitt’rend licht,

Bij de duist’re dalen.

Werpe dan de macht der smart

Uwe hoop niet neder;

Houd vertrouwen in uw hart,

Want hij komt eens weder!”

[Inhoud]

14.

Uit de ene streek naar ’t andere oord,

En over bergen en door dalen

Zet Hanne steeds zijn tocht nog voort.

En als hij ’t lied der voog’len hoort,

Houd hij daarbij nog enk’le malen

Zich op,—of hij ’t nog kan verstaan;

Doch sinds hij weet heeft van een maagd,

Die in haar hart zijn beelt’nis draagt,

Is deze kunst voor hem vergaan.

Maar ’t schaadt niet, want in zijn gemoed

Klinkt nu eene and’re stem, en doet

Hem woorden, o! zoo zacht en zoet,—

De woorden liefde en weêrzien,—hooren.

Zijn hart is nu ontwaakt, herboren,

En spreekt met hem den ganschen dag,

En roept hem toe, met elken slag:

„Sla flink er op! Sla flink er op!

Sla ’t ijzer flink en vlug!

Gij liet tehuis een rozeknop,

Een roos vindt ge eens terug!”

Dat was geen zuchten en geen steunen,

Dat was geen kermen en geen kreunen,

Geen blinde hartstocht, en ook niet

Een week en ziekelijk verdriet;

Maar ’t was een frissche levensmoed,

Die ’t harte juichen, juub’len deed:

Het ijzer werd door hem gesmeed

In hoogen lust en reinen gloed;

En waar hij werkte, was hij ras

Gelijk een zoon van ’t huisgezin;

En als hij henenging, dan was

Een sprank van ’t wondervuur der min

In menig hartje stil ontvonkt,

En werd hij lang nog nagelonkt

Door menig meisje, dat dan dacht,

Of ook wel zei, maar zacht, heel zacht:

„Vaarwel, vaarwel op al uw wegen!

God moge u zeeg’nen voor en na!

En,—waart gij ooit of ooit genegen,— — —

’t Kon zijn!— — —ik had dan niets er tegen,

En moeder zei dan óók wel: „Ja!”

Maar toch, de jonkman trok steeds verder,

Gedachtig, dat de eerwaarde herder

Van ’t kleine troepje van Gallin

Hem had gezegd: hij moest niet dralen,

Uit alle streken kennis halen,

En heel veel van de wereld zien.

En,—zou ’t hem al wat moeilijk zijn,

De reis tot Jena uit te strekken,

Hij voelde toch zijn harte trekken

Naar de oevers van den groenen Rijn.

Zoo reist hij voort.—Eens, ’s avonds laat,

Treft hij een paar gezellen aan,

Die ook denzelfden weg uit gaan;—

De een is een snijder, en zijn maat

Een metselaar.—Een korte prop

Is ’t snijdertje; die heeft van voren

Een bult, en óók een achterop,

Die van fatsoen gansch saâm behooren.

De twee gezellen, blij te moê,

Zien onzen Hanne vroolijk aan,

En spreken vriendelijk hem toe,—

Maar in het Hoogduitsch.—En nu gaan

Die drie een herberg in; en daar,

Daar vinden ze ook een kamer klaar;

Wel is er maar één slaapvertrek,

Maar, goed, zij deelen stroo en dek,

Alsof hun vriendschap oud reeds waar’.

En ’s morgens, als ze verder gaan,

Dan spreken vaak de twee gezellen,

Elkander in het platduitsch aan;

En meenen, wat zij zóó vertellen,

Kan toch die vreemd’ling niet verstaan.

Zoo hoort Johan, wat zij verhalen;

Ook hoort hij af en toe, dat zij

Van hèm in scherts en spotternij [27]

Gewagen, maar loopt stil er bij,

En denkt: „Ik zal ’t je wel betalen.”

„Waar,” zegt nu de een, „is hij gebleven?”

„Ik denk,” zegt de ander, „in de stad;

Hij had weêr aan zijn broêr geschreven,

Of die nog niet wat reisgeld had.”

„Die zal wel weig’ren.”—„Neen, die kan,

Beweert hij, hem geen hulp ontzeggen;

Want als hij dat beproefde, dan

Zou hij een boekjen openleggen,

Waarvan zijn broeder zou gaan beven;

Daarom, die moet hem reisgeld geven.”

„Ja! zegt de mets’laar, „in dien geest

Is, wat hij mij zei, ook geweest.

’t Was, zei hij, immers al te dol:

Zijn broeder zat met zakken vol,

Werd ook door ieder rijk genoemd,

En was tot gebrek gedoemd.—

Intusschen staat hij slecht mij aan:

Hij heeft iets leelijks in ’t gezicht,

Een trek, waar, dunkt mij, iets in ligt,

Of hij een gruwel heeft begaan.

Maar hoe kent gij hem, moet ik vragen.”

„Hij is, als ik, ook uit Stemhagen,1

Ik ken hem sinds mijn kindsche dagen;

Maar steeds,—zoo lang het mij kan heugen,—

Was hij er een, die nooit wou deugen.

En als ’t nog eenmaal uitkwam, dat …”

Hier zwijgt hij, en met achterdocht,

Bevreesd, of Hanne iets vatten mocht,

Pinkt hij met de oogen. „Och, kom! wat?”

Zegt de and’re, „ga maar door, want hij

Verstaat ons niet; wij spreken vrij.”

„Welnu!” hervat de snijder, „’k wil

U meer nog zeggen. Luister!—maar

Gij houdt de zaak voor ieder stil,

Want als hij immer mocht ontdekken,

Dat ik daar iets van uit liet lekken,

Dan was mijn leven in gevaar.

Zijn broêr en hij, naar ’t geen ’k vernam,

Die hebben eens,—nu lang geleden,—

Een koopman, die uit Keulen kwam,

Ontmoet, en die veel kostbaarheden

En heel veel geld ook, met zich droeg;

Men zegt, het was een Jood;—genoeg,

Die man is onderweg gebleven.

Toen is er links en rechts geschreven;

’t Gerecht bemoeide zich er meê;

Er was vermoeden op die twee;

En beiden hebben lang gezeten.

En de oude moeder van den Jood

Kwam over, en zij wilde weten,

Al jamm’rend om haar bangen nood,

Wat met haar zoon toch was geschied;

Maar wàt zij deed, het baatte niet.

Het tweetal, menigmaal verhoord,

Hield immer vol, bij alle vragen,

Zij wisten van geen Jood of moord;—

En eindlijk werden ze ook ontslagen.

Daarna is de een, de smidsgezel,

Op reis gegaan; toen kwam in jaren

Er geen bericht van hem; maar wel

Wist deze en gene te openbaren,

Die Hamburg had bezocht, dat hij

Daar leefde in ruwe zwelgerij,

En laag en los zijn goed verteerde.

Toen eind’lijk alles weg was, keerde

De kerel naar Stemhagen weêr

En lei bij broêr zijn anker neêr.

Die houdt, wat hij bezit, graag vast,

En had dus beter opgepast;

Hij had zijn geld met zorg bewaard

En ook nog heel wat opgespaard.

Maar toen,—toen was er alle dagen

Veel onrust in de bakkerij,

En werd, bij meen’ge vechtpartij,

Een neus of mond aan bloed geslagen.

Ten laatste werd door d’ arm der wet

De smidsgezel op straat gezet.

Hij zwierf van d’ een naar d’ ander rond;

Nu was hij hier, dan elders weêr,

En wat zijn broeder hem nog zond,

Dat werd steeds weêr door hem terstond

Verkwist;—zoo ging dat op en neer.”

„Zoo?” zegt nu de and’re, „maar die bakker …”

En aanstonds valt de snijder in:

„Die bakker is een sluwe rakker,

Een sluiperd, die je tegenzin

En je afkeer gaande maakt, doordien

Hij niemand durft in de oogen zien.

Ook is hij hard voor de arme liên,

Gunt niemand iets, dan zich alleen,

En schraapt steeds al meer geld bijeen.

De menschen praten van hem veel.

En, is niet alles waar,—een deel

Zal toch wel waar zijn; en wat ik

Met zekerheid u zeggen kan,

Is dit, dat hem een bange schrik

Bevangt, en dat hij beeft er van,

Zoodra hij maar een kievit hoort.—

Eens ging mijn vader naar Gallin,

En liep zoo, stil en eenzaam, voort.

Maar merkte toen, door om te zien,

Dat ook de bakker derwaarts ging.

Toen deden zij de wandeling

Te zamen. Maar zij waren niet

Het bosch uit, of op eenmaal liet

Zich ’t roepen van een kievit hooren,

Die, nu van acht’ren, dan van voren,

Een wijle in hun nabijheid bleef.

De bakker schrikt; een bang gebeef,

Alsof een koorts hem viel op ’t lijf,

Liep door zijn leên; en stram en stijf

Bleef hij daar staan, nu bleek, dan rood,

Totdat in ’t lest hem ’t woord ontschoot:

„Vervloekte plek! Ellendig beest!”

Toen liep hij voort met snellen pas.

Mijn vader was verschrikt geweest,

In ’t eerst; maar toen dat over was,

En toen hij, om dat laf versagen,

Den bakker spottend was gaan plagen,

Had die een blik op hem geslagen,—

Uit oogen, kil en strak als glas,—

Een blik, die hem door ’t harte ging,

Zoo scherp en snijdend als een kling;

En die in zijn herinnering

Nooit opkwam weêr, of hij gevoelde,

Dat bange schrik in ’t hart hem woelde,

En hem een huivering beving.”—

Zoo spraken onderweg die twee,

En Hanne liep onschuldig meê,

En werd door hen ook niet verdacht.—

Maar toen de zon de volle kracht

Bereikt had van haar middagtijd, [28]

En ’t drietal onder ’t looverdak

Der eiken zich had neêrgevlijd,—

Elk met zijn hoofd op eigen pak,—

Toen zweefde op eens een dichte schaar

Van ooievaren daar omhoog,

Die hooger steeds en hooger vloog;

En Hanne werd ze ’t eerst gewaar,

En riep in ’t platduitsch, onbedacht:

„Kijk! kijk! daar komen de eibers aan!”—

„Wat? Had ik dat van jou verwacht?”

Riep nu de snijder, gansch ontdaan.

„Jij kent platduitsch;—je hebt verstaan

Misschien, wel alles, woord voor woord.”

„Jij hebt,” roept de and’re, „ons uitgehoord;

Verspieder!—maar ik zal je leeren!”

Hij houdt de vuist hem voor ’t gezicht.

„Pas op!” zegt Hanne, „want niet licht

Wordt op mijn neus een klap gericht,

Dien niet mijn hand terug doet keeren.

Ik weet nu alles; ’t was je plan,

Met mij je eens aardig te vermaken,

Met mij te spelen eerst, en dan

Mij ook eens aan den zak te raken,

En voorts om mijn onnooz’len zin

Mij uit te lachen;—maar je ziet,

Dat gaat nog zoo gemakk’lijk niet;

Je waart te dom; je liept er in.

Als ik dien boozen smidsgezel

Wat hier verteld is, weêr vertel,

Dan zal je er geen mooi weêr op krijgen.”

De mets’laar schold, de snijder bad,

En Hanne sprak: „Nu, ik zal zwijgen;

Ik ken den bakker en den smid;

’k Heb ook eens iets met hen gehad.

Maar nu, onthoudt dan nu ook dit:

Ik laat den draak niet met mij steken;

En als gij weêr zoo iets verzint,

En weêr zoo’n laffen streek begint,

Dan zullen wij wel nader spreken.”

Toen gaven zij elkaâr de hand,

En waren sedert saâmverbonden

En trokken samen door het land,

En bleven, waar zij arbeid vonden;

En als zij dien niet vinden konden

Dan reisden ze weêr verder voort;

En onderweg werd uit drie monden

Dan ’t luid en lustig lied gehoord:

Die ’t reizen kent, vraagt, blij van zin,

Wat toch tehuis beduidt

Al waait de wind de mouwen in,

Hij waait er ook weêr uit.

Wij trekken voort met drie of twee,

Van de eene in de and’re streek;

En wil de laars niet heel meer meê,

Dan maar met lossen steek!

De meisjes zien ons glurend aan,

Om ’t hoekje van den tuin.

Steeds moge ’t haar gezegend gaan,

Die meisjes, blond of bruin.

Wat lieflijke oogjes, zwart of blauw!

Wat roosjes op ’t gelaat!

Ik neem er zeker een tot vrouw,

Als ’t reizen niet meer gaat.

Kom, moeder!2 geef wat wijn voor geld

En voor een vriend’lijk woord,

Wij hebben thans ons aangemeld,

Maar morgen zijn wij voort.

En kwel ons niet met taai gezeur,

Al borgt gij ons eens wat;

Schrijf ’t niet op uwe kamerdeur,

Maar in het schoorsteengat.

Vandaag is ’t in de beurs heel naar,

Maar morgen weêr heel goed:

Zoo trekken wij van hier naar daar,

Altijd met frisschen moed.


1 Dit is de in de volkstaal gebruikelijke samentrekking van Stavenhagen

2 Zoo worden de herbergiersters toegesproken. 

[Inhoud]

15.

Toen ’t rits’len van den najaarswind

Langs ’t stoppelveld zich voortbewoog,

Toen lagen blij en eensgezind

De drie in ’t gras; hun zwervend oog

Keek naar de bergen en de boomen,

Die d’ouden, groenen Rijn omzoomen;

En hun gemengde lied’ren rezen,—

Nu eens van dien en dan van dezen,—

Frisch in de morgenlucht omhoog,

Vervloeiend in d’azuren boog.

En of daarbij het eene lied

Op ’t and’re past, dat deert hen niet:

Elk zingt maar wat hem ’t best bevalt,

Maar zingt van harte, en daardoor schalt

Die toon daar rond, zoo rein en blij,

Die dàn slechts klinkt, als ’t hart nog vrij

Zich voelt, en vol van poëzij,

En die in onze laat’re dagen

Alleen nog in eene echo leeft,

Maar, óók nog zóó, ons kan behagen,

Ook zóó, nog zooveel zoetheid heeft.

De lust is ’t, die zich uiten moet,

Wanneer des Heeren majesteit,

Des Heeren stille heerlijkheid,

Zich in een hart gevoelen doet,

Dat vroolijk, jeugdig nog en frisch,

En door geen zorg gebroken is.

Dan vraagt men niet,—als ’t dor gemoed,—

Wat beter klinkt, wat minder goed,

Wat meer, wat min gepast zou zijn;

Dan is daarbinnen zonneschijn,

Die zich zoo lang niet op laat sluiten;

Wat in de ziel is, moet naar buiten,

En of het past er bij, of niet,

Aan ’t volle hart ontwelt een lied.—

De metselaarsgezel, die één

Gezang in zijn geheugen had,

Maar ook slechts één en anders geen,

Had steeds voor zich genoeg aan dat.

Hij zong het zacht, wanneer de smart

Zich had gelegerd in zijn hart;

En luid en hoog, wanneer de vreugd

Hem met haar bloemen had verheugd;

Bij zijn gelach, bij zijn geween,

Zong hij steeds dat, en anders geen:

„Weemoed is ’t, die mij door ’t harte beeft,

Daar mijn schat, het schoone, lieve kind,

Door mijn ziel zoo rein en warm bemind,

Hare trouw, helaas! gebroken heeft.

[29]

Hare tanden waren wit als krijt,

Wit als krijt, ja! en op ied’re koon

Bloeide een roos,—o! wonder-, wonderschoon;

En ik had mijn leven haar gewijd!

Na den dag, toen zij haar trouw verbrak,

Lag ik neêr een ganschen langen nacht,

Altijd wakker, daar ik overdacht,

Welk een doorn mij in het harte stak.

Vaar dan wèl, gij, ongetrouwe maagd!

Ik ga henen over berg en dal.

Als uw oog niet meer me aanschouwen zal,

Kan ’t wel zijn, dat gij ’t u nog beklaagt.

En als eens de tijding zich verbreidt,

Dat ik rust in ’t verre, verre land,

Roerloos rust in ’t kille, dorre zand,

Kan ’t wel zijn, dat gij er nog om schreit.”

„Nu,” zegt de snijder, „slecht is ’t niet;

Maar ’k vind het toch zoo’n treurig lied;

Het klinkt zoo droef, zoo somber zacht;

’t Klinkt als de doffe en schorre horen,

Van d’ ouden wachter op den toren,

Bij valen, grauwen najaarsnacht.

En als ik niet de volle pracht

Gezien had van je roode wangen,

Dan had mij vast de vrees bevangen,

Dat je al naar ’t kerkhof werdt gebracht.

Neen, vrind! als je anders niet kunt geven,

Hou verder dan je mond maar toe;

Er moet in ’t zingen lust en leven

En gloed zijn. Hoor, hoe ik dat doe.

Een snijder wou een huw’lijk doen;

Maar goed.—Hij zocht, zoo slim, als koen,

Een gravenkind te trouwen.

Hij koos zich eerst een schoon blazoen:

’t Gaf „Schaar en Naald” te aanschouwen.

En in den rand werd en blê,

En nog eens blê en weder ,

En al zoo voort, gelezen;

Dat zou zijn schildspreuk wezen.

En toen hij nu met „Naald en Schaar,”

Zijn schatje voerde naar ’t altaar,

Toen liet al ’t volk zich hooren:

„Die bruigom,—dat is zonneklaar,—

Moet snijder zijn geboren.”

En de een riep lachend en blê,

En de ander spottend blê en mê.

En luider steeds en wijder

Weêrklonk ’t: „Die graaf is snijder!”

En toen hij kwam aan ’s keizers hof,

En daar zijn wapen de aandacht trof,

Toen schertsten de edelknapen:

„Die man heeft recht op eer en lof,

Om ’t scherpe van zijn wapen!”

En aanstonds klonk het dáár ook: mê

En blê, en weder mê en blê.

’t Scheen, dat geen mensch kon laten

Het plagen en het blaten.

De keizer zelf lacht om den man,

En houdt den buik zich vast er van,

En proest naar alle zijden;

En roept: „Brengt hier een el, dan kan

Die ridder daarop rijden.”

En weder ging het mê en blê,

Den ganschen kring door: blê en mê.

En ook de bruid,—die wreede!—

Deed nu met de and’ren mede.

Toen ging de nieuwe ridder heen

Van ’t hof, waar hij nooit weer verscheen,

En liet zijn bruid maar zitten;

Maar hoorde steeds bij iedereen

Nog ’t plagen en het vitten.

Doch als een deern soms blê of

Hem nariep, en dan of blê,

Dan sprak hij: „Dat mijn wrake,

Vermetele! u niet rake!

Dus, brave snijders! leert hieruit:

Zoekt nooit een gravenkind tot bruid,

En wilt aan ’t hof niet komen;

Want anders wordt door u ’t gefluit

Van meid en knecht vernomen.

Maar, elleridders! als een maagd

Ooit of blê te roepen waagt,

Dan moet ge uw gramschap blusschen,

Door dapper haar te kussen.

„Gij beiden zingt,” spreekt nu Johan,

„Slechts boekentaal; maar ik, ik kan

Je een lied doen hooren, dat met kracht

Je tot het hart spreekt;—geeft goed acht,

En let goed op, wanneer ’t uw tijd

Om met mij in te vallen, is;

Dan klinkt de zang heel schoon, gewis.

Als gij platduitsch van oorsprong zijt,

Verzaakt dan, vrinden! ook in ’t lied

Uwe afkomst en uw maagschap niet.

Ik weet eenen eik, en die staat bij de zee;

Met loover gekroond is zijn hout;

En, spelen de stormen van ’t Noorden er meê,

Hij is toch al duizend jaar oud.

Geen menschenhand

Heeft hem geplant;

Hij spreidt zijne takken wijd uit over ’t land.

Hier heeft hij een knoest en daar heeft hij een kwast;

Geen bijl en geen zaag, die hem schond.

Zijn schors is zoo ruw en zijn hout is zoo vast,

Alsof hij betooverd daar stond.

En welgedaan

Zal hij nog staan.

Als weêr duizend jaren in ’t Niet zijn vergaan.

Eens zag hem de koning, die daar, met zijn vrouw

En dochter, kwam wand’len aan ’t strand;

En riep: „Wat een prachtvolle boom, dien ’k aanschouw!

Hoe ver dekt zijn lommer het land!

Van waar toch kwam

Hier deze stam,

Zoo grootsch en zoo schoon, door de vlucht, die hij nam?”

Toen antwoordde een jonkman hem: „Machtige heer!

Hoe vorscht ge dit alles zoo na?

Gij hebt u daar nooit om bekommerd weleer,

Uw kind niet en ook niet uw gâ.

Door rijke liên

Werd niet gezien,

Dat hier ook een boom stond, en wat die kon biên.

[30]

En toch, hij staat groen nu en welig en frisch,

Ofschoon hij maar boeren behoort;

En trotsch zijn we, dat hij ons eigendom is,

Het is: onze taal en ons oord.

Zij wiesen vrij

En bloeien blij;

Maar kunstwerk of vorstengunst kwam er nooit bij.”

Toen reikte de dochter des konings haar hand

Den jonkman, zoo rond en zoo fier,

En sprak: „Steekt de stormwind ooit op in ons land,

Dan zoek ik mijn toevluchtsoord hier:

Wie eigen goed

Zoo kreeg en hoedt,—

Bij dien is men veilig, als ’t noodgetij woedt.”

En toen zijn zingen was aan ’t end,

Toen was ’t, als werd daar iets bewogen;

En toen hij zich had omgewend,

Stond hem de smidsgezel voor de oogen.

Een duivelsche en verglaasde gloed,

Straalde uit zijn blik; en in zijn trekken

Was aak’lig duidelijk te ontdekken

De zondigheid van zijn gemoed;

En haat en valschheid zag men zweven

Om zijne lippen, blauw als lood;

En als een lach daarover schoot,

Dan was ’t een lach, om bij te beven.

Vervallen was hij en vergrijsd,

Een leelijk beeld in vuile lijst.

„Zoo!” riep hij, met een woesten vloek,

Hier is te vinden, wat ik zoek:

Gij zingt hier zoo uit volle borst;

Dan zal ook wel de brandewijn

Niet ver van hier verwijderd zijn;

Geef mij een slok; ’k heb altijd dorst.”

De drie gezellen sprongen op;

De vreugd was weg, ’t genot vergald,

Gelijk, als op een rozeknop

Op eens een gifspin nedervalt.

„Wat is ’t, dat ge u met ons bemoeit?”

Zoo spreekt Johan, in toorn ontgloeid,—

„Ga gij uw weg; laat ons met vrede.”

En beî zijn makkers spraken, mede:

„Laat ons met rust en ga voorbij.”

En met dat woord vertrokken zij.

Maar de and’re riep: „Ik ben toch vrij;

En ’k laat mij hier geen wetten stellen.

Maar, wacht maar, vroolijke gezellen!

Wij spreken nader,—gij en ik!”

Hij ziet hen na met valschen blik,

Gelijk de Nijd, een hel in ’t oog,

’t Geluk gewoon is na te staren.

En, schoon ’t Geluk ook nòg zoo hoog

Van uit het stof is opgevaren,

De Nijd, al is zijn gang niet snel,

Al is hij lam, bereikt het wel,

En zonder deernis of erbarmen

Verworgt hij ’t in zijn knokk’lige armen.

[Inhoud]

16.

Terug komt weêr de voorjaarstijd.

De leeuw’rik fladdert weêr verblijd,

Zijn lenteliedje zingend, op

’t Geboomte staat weêr vol met knop,

En werpt het laatste gele blad,

Als dekbed over gras en kruid.

De plantjes kijken schuchter uit,

En spreken stil van dit en dat,

Van zomerpret en winterpijn,

En liggen in den zonneschijn

Gezellig in elkanders arm,

En fluist’ren zacht: „Hoe lekker warm!”

En uit het hooge luchtgebied

Trompet de kraan zijn zegelied:

„De lucht is vrij! De lucht is vrij!

Met sneeuw en hagel is ’t voorbij!”

Zijn zwager, de ooievaar, verblijd

Dat nu de schoone kikkertijd

Eerstdaags weer zal gekomen zijn,

Richt zijn van vreugde stralend oog,

Van ’t dak af, naar den groenen Rijn,

En trekt daarbij één poot omhoog.

Maar nu de kraan zich hooren doet,

Nu roept hij klepp’rend: „Wees gegroet,

Mijn waarde zwager! Zie! wij kwamen

Hier schier gelijk; zoo goed als samen.

Maar ik blijf hier een poosje stil,

Omdat ik eens beproeven wil,

Of ’k soms,—ge weet wel,—van Johan

Niet iets te weten komen kan.”

En, als hij dat zoo heeft gezegd,

Vliegt hij heel statig naar beneden,

En daar ontmoet hij nu den specht.

Het wederzien verheugt hen zeer,

En groetenis en vriend’lijkheden

Gaan eerst een wijle heen en weer;—

Daarop spreekt de ooievaar: „Gij zijt

Den ganschen langen wintertijd,

Naar uw gewoonte, hier gebleven;

Gij kunt mij vast wel tijding geven.”

„Van Hanne Nüte?” vraagt de specht;

„O ja: en nog al niet zoo slecht:

Gij ziet die smederij daar wel?

Daar vond hij werk. Zijn medgezel,

De snijder, is hier ook gebleven;

De mets’laar zwierf een tijd lang rond,

Maar onlangs wou het toeval geven,

Dat die óók hier weer arbeid vond.”

„Och!” antwoordt de ooievaar, verstoord:

„Wat gaan ons die twee vreemden aan?

Ik vraag, hoe ’t Hanne al is gegaan,

En of hem Fieken nog bekoort;

En of, sinds ’k weg moest, over zee,

Dus alles goed bleef met die twee.”

„Dat weet ik alles niet zoo recht,”

Is ’t antwoord: „dit slechts weet ik wis,

Dat hij in dienst gekomen is

Bij ’t weêuwtje ginder: en men zegt,

Zij ziet er niet onaardig uit.”

„Een mooie tijding! Wel, verbruid!”

Roept de ooievaar; nu weet ik niet,

Waarom men jou het toezicht liet

Op Hanne en op zijn minnetrouw;

Je laat hem zitten bij een vrouw,

Een jonge vrouw! Je lijkt wel gek!”

„Ja,” zei toen wrevelig de specht,

„Dat is gemakk’lijk zoo gezegd;

Maar weet, dat ik, sinds jou vertrek,

Veelal ter prooi was aan ’t gebrek;

Ik zocht en tuurde en pikte in ’t rond,

Heel dankbaar, als ’k één kever vond.

Dus, waarlijk! ’k had genoeg te doen

Voor eigen zaken. Maar het hoen

Der weduw heeft mij stil verteld, [31]

Dat zij schier al zijn schreên verzelt;

Zij zit hem immer op de hakken.

Vandaag weêr wil zij koeken bakken,

En brengen die hem in het veld,

Waar hij thans werkt. Niets is te zwaar,

Niets is te veel, te duur voor haar,

Wanneer het hèm maar kan behagen:

Zóó,—hoopt zij,—zal zij eind’lijk slagen.

En, de ooievaar, weer op één been,

Kijkt langs zijn spitsen snavel heen;—

Zóó krijgt hij, schijnt het, ’t beste licht

Als iets belangrijks dient verricht.

Ook thans is ’t plan zeer gauw gereed.

Hij vraagt den specht, of die ook weet

Het veld, waar Hanne werkt; de specht

Helpt aanstonds hem hierin terecht,

En de ooievaar vliegt voort met spoed,

En vraagt, als hij den spreeuw ontmoet:

„Zeg, vrindje! hebt gij ook misschien

Hier ergens de patrijs gezien?”

„Ja wel.”—„Och, laat haar hier eens komen.”

En nauw heeft de patrijs vernomen,

Dat de ooievaar haar diensten vraagt,

Of ze is er al. En fluistrend draagt

Hij zijn geheimen last haar op;

En zij knikt telkens met den kop,

En wil, natuurlijk, daarmeê zeggen,

„Ik zal uw plan ten uitvoer leggen.”

Hij vliegt weêr naar de dakspits heen,

En staat daar weêr op ’t ééne been.—

’t Is negen uren. Daar ontsluit

Zich ’t huis van ’t weêuwtje. Vlug en slank

En frisch en blozend komt ze er uit;

En, in een doek, als sneeuw, zoo blank,

Draagt zij het goedgevulde bord

Met koeken meê. „Dit zal hem smaken,

Zoo denkt zij, „en ik zal wel maken,

Dat nu met ons er iets van wordt,—

Maar ’t spreekt van zelf, in deugd en eer;—

Hij is toch, denk ik steeds maar weer,

Hij is toch ook van vleesch en been,

En heeft geen hart van staal of steen.”

Zoo trippelt zij dan voort op straat,

En waar een goot dwars voor haar ligt,

Of waar een modd’rig plasje staat,

Daar tilt bevallig hare hand

Den rok wat op:—een vuile rand

Is onbehaag’lijk voor ’t gezicht.

Maar ook op plekjes, waar het droog

En rein is, waar zij zelv’ niets ziet,

Blijft vaak het rokje toch omhoog;

En ’t nette been valt in het oog;—

Maar dáárom deê ze ’t zeker niet.

Daar klinkt het boven van een dak:

Klak, klak, klak, klak, klak, klak, klak, klak!

Zij kijkt omhoog. „Ha! de ooievaar!

’t Is de eerste, dien ik zie van ’t jaar.

Een gunstig teeken wel misschien;

Ofschoon, het zou nog beter wezen,

Wanneer ’k hem vliegend had gezien;

Want, zoo als ’t nu ging, is te vreezen,—

Althans, zoo zeggen hier de liên,—

Dat heel veel potten zullen breken.

Nu, ik voor mij, ’k lach om dat teeken;

En ik blijf even wèlgemoed.

Wees welkom, langbeen! Wees gegroet!

Wel, vrind! het doet me waarlijk goed,

Dat ik juist nu voor ’t eerst van ’t jaar

Je zie;—kom, goedige ooievaar!

Kom, bouw je nest bij mij op ’t dak.”

Terwijl zij zoo in stilte sprak,

Ging zij nog voort, en verder; maar

Ze dacht er bij: „Kijk! ’t is toch raar;

’t Is raar, en waar toch, dat zoo’n teeken

Je moed en blijdschap in kan spreken.”

Doch, zie! daar staat ze voor een sloot

Wat nu? Naar gindsche brug te gaan,—

Dien afstand vindt zij wel wat groot;

Zij zal maar springen;—ja, komaan!

Dat heeft ze wel eens meer gedaan.

Zij neemt, zoo wat tot aan de knie,

Haar rokken op, en—een, twee, drie— — — —

Brrr! klinkt het plots’ling, en meteen

Vliegt fladd’rend, snorrend langs haar heen

De listige patrijs; haar sprong

Was nu gebroken; en zij lag,

Terwijl een schrik haar hart doordrong,

Op eens in ’t groen en drabbig water,

En met een kletterend geklater

Brak ’t bord in stukken; en zij zag

Haar kleed tot boven toe bemorst,

Zij zag haar koeken als omkorst

Van modder; alles was bedropen,

Of overdekt van ’t zwarte nat;

Zij voelde ’t in haar kousen loopen;

En zij vergat zelfs, ja! vergat

Haar liefde, toen ze in ’t water zat.

Ten laatste was ze er uit gekropen,

En bibb’rend, snuivend stond ze daar,

En zocht nog scherven bij elkaâr,

Alsof ze toch vooral moest weten,

Hoe die eens hadden saâmgezeten,

En zag bedroefd de koeken aan;

En was haar liefde nòg vergeten;

Zóó had haar ’t onheil aangedaan.

Zij gaat naar huis, maar tilt haar kleed

Nu niet meer op, wáár ze in moog’ treden;

Zij laat het liever hangen heden;

Want nu is ’t haar tot schaamte en leed,

Wanneer een mensch haar beenen ziet.

En waar ze weer den ooievaar

Op ’t dak ziet zitten, daar ontschiet

Haar ’t woord: „Verwenschte lepelaar!”

Maar de ooievaar, met spot in ’t oog,

Trekt wederom één been omhoog,—

Zoo doet hij óók, wanneer hij stil

Om iemands dwaasheid lachen wil,—

En roept nu klepp’rend: „Lieve mensch!

Dat ging vandaag niet erg naar wensch;

Dus, laat het daar vooreerst maar bij!

Wat misselijke vrijpartij!”

Nu vliegt hij naar het veld, alwaar

Nog Hanne spit, en denkt: „’k Wil daar

Toch eens gaan zien, of hij nog frisch

En wèl van lijf en zinnen is.”

En Hanne, die hem vliegen ziet,

Slaat vol opmerkzaamheid hem gâ,

De handen kruis’lings op zijn spâ,

En zingt dan ’t oude kinderlied:

„Ooievaartje! langebeen!

Wanneer trek je weder heen?

En de ooievaar spreekt weltevreden:

„Dat ’s goed: hij denkt nog aan ’t verleden

Der kindsheid, dat is altijd goed;

Hij ziet er uit als melk en bloed,

En vrij en wakker kijkt zijn oog. [32]

Heel goed, Johan! ’t geluk klimt hoog

Voor wie, bij ’t reizen over de aard,

De reinheid van ’t gemoed bewaart.”—

En verder vliegt hij, verder voort,

En zeilt zoo over menig oord,

En waar hij zich te zien geeft, daar

Weêrklinkt het blijde: „De ooievaar!”

En als ook boven ’t dorp Gallin

De kinderen van Smidt hem zien,

Dan halen zij met schel geluid

’t Bekende lied der kind’ren uit:

„Ooievaar! verhoor mijn bede:

Breng me een aardig broêrtje mede!

Ooievaar! doe mijn verlangen

Laat me een aardig zusje ontvangen!”

Zoo bidden die om nieuwen zegen:

En toch, daar zijn er nu al negen!

Het weêuwtje intusschen, toen de dag

Van ’t onheil was voorbijgegaan,

Dacht: „’k Wend nog eens een poging aan;

Geen boom valt met den eersten slag.”

Zij haalt een worst af, heerlijk vet,

En biedt er Hanne van, en zet

Dan naast zijn bord een goed glas wijn,

En zegt: „Dat zal wel bruikbaar zijn;

Kom, Mekklenburger! drink en eet.”

En Hanne?—Nu, dien smaakt het best.

Maar, als een knaap, die niets nog weet,

Zoo zoekt hij, argeloos, daarin

Geen heim’lijk doel, geen diepen zin;

Hij slikt, en denkt niet om de rest.

En, gaat het vrouwtje naar heur kamer,

En spreekt ze vriend’lijk: „Goeden nacht!

En als je droomt, droom zoet en zacht,”—

Dan zegt hij, geeuwend: „Ja, die hamer,

Die maakt een mensch wel moê en mat.”—

Hoe dom, dat hij er niets van vat!—

Vier weken later,—Zondag was ’t—

Kwam weêr iets lekkers uit de kast:

Zij kookte een ketel chocolaad.

Wat nu daarbij?—In pannekoeken,

Zoo dacht zij, was geen heil te zoeken;

Die waren eens een bron van kwaad,

Van ramp geweest en van bedroeven:

Zij wou ’t met wafels nu beproeven.—

Hebt gij daar ooit wel op gelet,

Hoe ferm zoo’n jonge vrouw en net

Dan de ei’ren klutst, het meel beslaat,

Hoe flink het wafelijzer gaat;

Hoe gauw de ronde en lichte voet

Van de een’ naar de and’re zij zich spoedt:

Hierheen! het vuur wordt weêr gevoêrd;

Daarheen! de melk wordt omgeroerd;

’t Gaat alles even rein en knap,

’t Gaat alles even vlug en rap.

Zoo was ’t ook hier. Men zou zoo zeggen,

Een knoop kon ze in haar leden leggen;

Zoo vlug ging alles en zoo licht,

Zoo ras werd been en arm bewogen;

En kolen gloeiden in hare oogen

En op haar blozend aangezicht.

En ’t hartje, dat verborgen zit

Diep onder ’t rein en helder wit

Van haren doek, gloeit ook zoo zeer,

En gaat zoo rust’loos op en neer,

En tikt zoo driftig, op den duur,

Als de oude klok, die ongeveer

Vijf, zes kwartier geeft in een uur.

Maar, was zij daar zoo in de weer

Slechts om ’t gebak en om de melk?

Neen, waarlijk niet!—Dat voelt toch elk.

Dat kon geen vlam in ’t hart haar brengen,

Die haast haar kleêren had doen zengen.

Haar zichtbaar en onzichtbaar werken,

Haar ijv’ren met gejaagden spoed,

Haar bezig zijn met hand en voet,

Haar harteklop, haar oogengloed,

’t Was alles om Johannes Snoet;—

Och! mocht de droomer dat toch merken!

Dien zelfden avond zat Johan

Met haar in ’t tuinhuis aan de tafel.

En nu eens reikt zij hem een wafel,

En dan weer schenkt zij uit de kan

De lekk’re chocolaad hem in.

„Kom, Mekklenburger! heb je zin,

Doe dan je nu eens recht te goed.”

„’t Smaakt heerlijk, heerlijk!” antwoordt Snoet

En drinkt de melk, heel zoet en heet,

En zegt, terwijl hij wafels eet:

„Die kwamen nooit nog in mijn mond;

Van moeder had ’k ze wel gekregen,

Maar vader was er vrees’lijk tegen;

Daar hij gebak maar weelde vond.”

„Dan was je vader toch wel hard.”

„O, zeg dat niet; hij was voor mij

Wel streng, en sloeg mijn rug soms zwart,

En wou niet hebben, dat wij smulden:

Hij kon geen lekkerbekken dulden;

Maar toch heeft niemand, zóó, als hij,

Voor mij gezorgd, en mij bemind.”

Het weêuwtje ziet hem aan, en windt

Verlegen ’t boez’laarsbandjen om

Den vinger heen, en spreekt: „Och, kom!

Zoo zullen er wel meer toch zijn.

’k Moet zeggen, schoon ik daarmeê schijn

Uws vaders eere te vermind’ren

De meeste vaders zijn voor kind’ren

Te hard; zij slaan en zij bezeeren

De stumperds, als die schuldeloos

Wel eens een zoeten mond begeeren.

Neen! ziet ge? daar was ik altoos

Heel anders, o! heel anders van.

Althans, mijn overleden man,— —

Och heer! ’k was toen nog in mijn jeugd,

En ’t was, helaas! een korte vreugd:

Want in de helft van ’t eerste jaar

Was reeds voor ons de scheiding daar,—

Nu, maar, die had ook slechts te wenken,

En ’k zorgde en streefde, om hem te schenken

Wat hij begeerde; ziet gij?—ik,

Ik las zijn wensch al in zijn blik.

Het is nu juist twee jaar geleden,—

Maar ’t staat mij helder voor, als ’t heden,—

Dat hij zoo zei: „Mijn lieve vrouw!

Wil ’k u eens zeggen, wat ik wou?

’k Wou, dat we eens chocolade dronken.”

Heel kort daarna stond ze ingeschonken,

’t Was op dit plekje, en ook dit uur,

En Zondag óók juist. En met vuur

Trok hij mij toen nog op zijn schoot;

Och hemel, ja! wij dronken elk,

Vereend in liefde, ons kopje melk;—

Een week daarna was hij al dood!”

Zij zucht, en weder zucht ze en steent; [33]

Ze wordt recht treurig, en ze weent,

En doet,—zij moest op iets toch steunen,—

Haar hand op Hanne’s schouder leunen.

En hij, hij vindt het ook erg naar,

En zegt, om troost haar toe te deelen,

En eenigszins haar wond te heelen:

„Och, ween maar niet; al valt het zwaar,”

En strijkt haar over ’t gladde haar.—

Och! waar is heden de ooievaar?—

„Ja!” gaat zij voort, „ik gaf mijn man

Een leven als een prins; en ’t kan

Dan ook nog blijken, dunkt me, dat

Hij dit erkend heeft. Wat hij had,

Zijn huis en smidse en schuur en erf,

’t Is alles ’t mijn’. „Wanneer ik sterf,”

Stond in zijn testament geschreven,

„Worde alles aan mijn vrouw gegeven,

En alles vrij van last of schuld.”

Nu, daarin is zijn wensch vervuld.”—

Zij weent daarbij een bitt’ren traan,

En stelt als troosteloos zich aan,

En schuift wat dichter bij den jongen,

Die nu van deernis diep doordrongen,

En, met haar, innig aangedaan,

Haar weder strijkt en streelt op ’t haar.—

Och! was nu de patrijs hier maar!—

„En,” zegt zij, ’t zou nog zijn te dragen;

Maar, dat ik in mijn jonge dagen

Zoo op mij zelv’ sta, zoo alleen,

Dat kan mij wel eens doen versagen.

Waar moet het met mijn toekomst heen?

Wat helpt mij ook dat goed en geld,

Dat ’k u zoo even heb vermeld?

O ja, ’k ging leven van mijn rente,

Als ’k oud was; maar, zoo in mijn lente— —!

En weêr en wederom ontschiet

Een traan haar oog; en Hanne koost

Haar nog eens weder, tot haar troost;

En, overweldigd door ’t verdriet,

Laat ze op zijn borst haar hoofdje zinken,

En Hanne vangt haar in zijn arm,

En Hanne vindt het vrees’lijk warm;—

Misschien van ’t chocolade drinken.—

O, nu, patrijs! nu wordt het tijd,

Dat gij en de ooievaar hier zijt!

En als zij nu naar zijn gezicht

Een blik vol diepen weedom richt,

Bedenkt zoo bij zich zelv’ Johan

Of soms een kus haar troosten kan.

De bengel! Hoe weet hij daarvan?—

En toch, hij buigt zich naar haar mond,

En plooit zijn lippen,— —maar terstond,

Als lichtte daar een bliksemstraal,

Sprong hij nu op, als uit een droom;

En riep: „Hoor! Hoor! De nachtegaal!”

En in den naasten appelboom,

Die vol in bloei staat, prachtig wit,

En heerlijk geurend, ja! daar zit

De nachtegaal, en zingt nu weêr

Wat Hanne al bij een vroeg’ren keer,

Toen hij voor Jochem’s huisdeur lag,

Zoo diep was door de ziel gegaan;

Wat hij zoo goed toen had verstaan,

Toen, op dien droeven afscheidsdag.

Die zang doet zijn gevoel nu aan,

Gelijk de weemoedvolle taal

Eens waldhoorns, die van verre klinkt;

En ’t is, of voor de laatste maal

Hem Fieken groet, en ied’re straal

Van heil en vreugd en hoop verzinkt,

Maar dàn weêr is ’t, of alles blinkt,

En ’t murm’len van een frissche beek

Muziek geeft in een groene streek,

En voortgolft naar een blauw verschiet.

Zoo toovert dat veeltonig lied,

Dat eind’lijk stijgt tot luid geschal,

En dan voor ’t oog in rijken gloed

Den schoonen hemel opendoet,

Dien trouwe min beërven zal.

Wat ieder voelt, maar wat geen taal,

Kan zeggen, zingt de nachtegaal.— —

Daar staat nu Hanne, bang gestemd,

’t Hart door een engen band beklemd.

Wat heeft hij daar toch ondervonden?

En wat gezegd? En wat gedaan?

Hij durft zijn oog niet opwaarts slaan.

’t Is hem, als heeft hij iets geschonden,

Wat heilig hem had moeten zijn;

’t Is hem, als heeft hij, door zijn daden

En woorden, God en mensch verraden

En in zijn ziel dringt diepe pijn.

’t Beeld zijner ouders staat hem voor;

’t Woord van zijn vader treft zijn oor:

„Leg alles, wat je in ’t harte vaart,

Eerst op den gloeiend heeten haard:

En, is al ’t vuil er af gegaan,

Dan frisch en vlug de tang er aan!

En dan, houd vol maar, op den duur,

En smeed je werk in zuiver vuur!”

Welnu, wat in het hart hem kwam,

Dat is nu in de laaie vlam

Geweest van schaamte, rouw en spijt,

En ’t is van alle smet bevrijd.

Nu volgehouden, op den duur!

Nu voortgesmeed in zuiver vuur!

Hij ziet met ernst de weduw aan,

En spreekt: „Ik heb verkeerd gedaan.

’k Zal uit uw dienst naar elders gaan.”

En zij, iets vragends op ’t gezicht,

Als had ze niets van hem verstaan,

Houdt droef op hem haar oog gericht.

„Ik moet,” roept Hanne, „uw woning uit;

’k Heb t’ huis een meisje, dat mijn bruid

Moet worden; ’k mag haar niet vergeten;

Die vogel zong mij in ’t geweten!

Zijn meesteres verbleekt en weent,

Gepijnigd door zoo diepe grief;

Zij had het goed met hem gemeend,

Zij had den jongen waarlijk lief.

Zij spreekt geen woord, geen enkel woord,

Maar wenkt hem toe: „Ga, ga dan voort!”

En nu Johan ook werk’lijk gaat,

Nu zit zij daar, ten einde raad.

Maar toen hij nog eens ommezag,

Toen werd het anders toch; toen lag

Haar hartstocht overmand, gebroken:

Haar beter ik had weêr gesproken;

Zij vliegt hem aanstonds achterna,

Een blos van schaamte op ’t frisch gelaat,

En spreekt met kalmte: „Nu dan, ga,

Indien ’t uw plicht is, dat gij gaat;

Maar, niet met ongenoegen dan!

Ik wil u mijne vriendschap bieden;

En, zal het ooit of ooit geschieden,

Dat ik u hulp verleenen kan,

Ik doe het vast. Vaarwel, Johan!”

Johan drukt haar de hand en gaat;

En lang, nog, o! zoo lang nog, staat [34]

Het weêuwtje op ’t zelfde plekje, daar,

En kijkt hem na.—Ja! menig jaar

Nog na dien dag van zijn vertrek

Stond zij veelmalen op die plek,

Alwaar ze ’t laatst hem had gegroet,

En voelde een weeke en doffe snaar

Dan trillen in haar vol gemoed,

Zoo bitterzoet, zoo wonderbaar!

Wij, menschenkind’ren, zien de plekken

Wel gaarne weder, waar de gloed

Der vreugd ons harte mocht doortrekken;

Maar ook de plekjes, waar ’t gemoed

Gefolterd werd door tegenspoed,

Of scheiding smarte ons kwam verwekken:

Waar onze ziel eens heeft gebloed,—

Die trekken óók gedurig weder

Ons op hun kerkhofzoden neder.

Of soms een kus haar troosten kan. De bengel! Hoe weet hij daarvan? En toch, hij buigt zich naar haar mond, en plooit zijn lippen.—

Of soms een kus haar troosten kan. De bengel! Hoe weet hij daarvan? En toch, hij buigt zich naar haar mond, en plooit zijn lippen.

Pag. 667.

[Inhoud]

17.

De nachtegaal was heengegaan,

Nadat hij overtuigd was, dat

Zijn stem hier invloed had gehad,

En dat Johan hem had verstaan.

„Dag, Hanne! zei hij, „Wees gegroet!”

En tot het weêuwtje: „Houd maar moed!

De tijd maakt heel veel dingen goed.”

En weldra zag hij, dat Johan

Den weg op ging en henentoog;

Maar was er ook getuige van,

Dat, met een echt boosaardig oog,

De slechte smid, die lui daar lag

In ’t dicht struweel, naar Hanne zag,

En fluist’rend sprak: „Ga maar voorbij!

Eens krijg je nog te doen met mij.

Mijn toorn is niet zoo gauw te stillen;

’k Heb steeds nog om die vechtpartij,

Een appeltje met jou te schillen.”

De nachtegaal vliegt, zonder lied,

Een heel eind verder, met het woord:

„Voor zulk een kerel zing ik niet!”

En telkens vliegt hij verder voort,

En waar, aan d’oever van een vliet

Een boschje staat, van blaad’ren dicht,

Of waar een heim’lijk plekje ligt,

Daar stort zijn zoete tooverfluit

De zachtste en schoonste tonen uit;

Maar waar een paartje, stil verrukt,

In liefde elkaâr de handen drukt,

Daar is ’t, alsof hij van die beiden

In eeuwigheid zich niet kan scheiden.

En, juist als bij den ooievaar,

Roept elk: „De nachtegaal is daar!

Nu wordt het hart eerst recht verblijd,

Nu is ’t eerst de echte lentetijd!”

De nachtegaal kiest zijn kwartier,

Waar hij verleden jaar al was.

De kleine Fiek woont immers hier.

Dus hier het nest gebouwd!—Alras

Ziet hij bekenden in dat oord:

’t Is Jochem met zijn gemalin;

Die hupp’len tusschen de erwten voort,

En nemen ’t noodige er van in.

„Hier zijn wij goed in ons gedoente,”

Zegt Jochem; „’k hou van jonge groente.”

De nachtegaal brengt hun een groet:

„Hoe is het, vrinden? Gaat het goed?”

„Wij houden steeds, gelijk gij ziet,”

Is Jochem’s antwoord, „’t hoofd nog boven.”

„Och ja,” zegt Lot, maar veel verdriet,—

Gij zoudt het bijna niet gelooven,

Zeer veel verdriet was weêr ons deel.

Men zaam’le ’s zomers nòg zooveel,

De winter brengt toch steeds weêr nood;

Wij stierven haast den hongerdood.

En daarbij plaagde mij de jicht,

Zoodat ’k geen lid haast kon bewegen;

Doch nu, dat is een groote zegen,

Staat weêr de tuindisch aangericht;

Wij vinden telkens nu ons maal,

En komen weêr op ons verhaal;

Maar toch blijft altijd zorg ons hind’ren:

Wij hebben weder ’t nest vol kind’ren.”

„Alweder?” vraagt de nachtegaal.

„Och ja! Alweder! En ditmaal

Zijn zes door ons weêr uitgebroed;

Ik weet niet, waar dat henen moet.”

„Maar, lieve Lotje! denk toch,” sprak

Nu Jochem, „is er niet een Macht,

Die steeds den raven voedsel bracht,

En ook ons, musschen, op het dak?

’t Is waar, ja! kind’ren zijn een last;

Maar, als men op hun vorming past,

En hen van dankbaarheid vervult,

Betalen ze op hun beurt hun schuld

Aan de ouders. Zie! ons beider leven

Zijn wij verplicht aan onzen Kris,

Die altijd nog gedachtig is

De lessen, die ’k hem heb gegeven.

Hij woont nog steeds bij Fieken in.

Welnu, vol vromen kinderzin,

Heeft hij voor de ouders, hem zoo waard,

Zich ’t eten uit den mond gespaard;

En wat hij spaarde, wierp hij uit

Door ’t scheurtje van een vensterruit.”

„’t Is waar,” zei Lotje, „hij is goed,

Hij heeft ons liefderijk gevoed:

Hij is de beste van ons kroost.

De rest is van ons heengegaan

En bood ons nimmer hulp of troost;

Maar Krisje heeft zijn plicht gedaan.”

„Dat ’s mooi,” hervat de nachtegaal.

„Maar, lieve vrinden! och, verhaal

Me eens, een van beiden, hoe het gaat

Met Fieken.”—„’t Ging haar eerst heel kwaad,”

Zei Lot; „in ’t eerste halve jaar

Werd zij niet lief behandeld; zwaar

Viel haar ook ’t vele werken; maar

Nu heeft ze ’t beter; ja, wel let

De bakker schier op ied’ren tred,

Dien zij maar doet; maar toch, ’t is net,

Of hij nu meer toch om haar geeft.

’t Moet al gebeurd zijn,—want dat heeft

Ons Krisje ons wel eens aangebracht,—

Dat hij des avonds, ja! bij nacht,

Op hare deur kwam tikken.”—„Wat!”

Roept nu de nachtegaal; „en dat

Vertel je, of ’t niets bijzonders waar’!

Je lijkt wel een krankzinnig paar!

En, Jochem! jij,—ja, waarlijk! jij

Krabt niet om niet je kop hierbij;—

Jij, die de wereld toch zoo kent,

Jij laat dat toe! En van zoo’n vent!

Jij, die zoo ridderlijk vaak snoeft, [35]

Dat de onschuld, die een schut behoeft,

Op jou kan reek’nen, zit hier stil!

Jij ziet niet, dat die lage bakker

Haar onheil zoekt, en dat de rakker

Het lieve kind verleiden wil?”

„’t Is waar,” zegt Lotje, „de ooievaar

Zei ’t óók al; en ik óók al; maar

Dan lachte Jochem om dat blijk

Van mijn bekomm’ring; want, niet waar?

De vrouw krijgt altijd ongelijk.”

„Hm! hm!” zegt Jochem, „’t is wel raar,

Dat ik daarin geen doorzicht had;

’t Kan zijn, dat jijlui ’t beter vat;

Wats,—nu je ’t zegt,—ja, ’t is zoo; hij

Vervolgt haar met zijn vleierij,

Maar altijd ruw en lomp en plat.

Nog gist’ren deed hij zoo.”—„En zij?”

Vroeg nu de nachtegaal.—„Zij stiet,

Toen hij wou streelen om haar kin,

Hem van zich af; dus, ’t lukte niet;

Haar blik had angst en afkeer in,

Gelijk òns oog, wanneer een lid

Van ’t kattenras nabij ons zit.”

„Derhalve blijkt uit dit verhaal,”

Zoo antwoordt nu de nachtegaal,

„Dat waakzaamheid hier noodig is;

’k Beveel u die zeer ernstig aan;

Pas op dus; goed uw plicht gedaan!—

Ik ga eens praten nu bij Kris.”

Toen vloog hij weg, en weldra kwam

Hij, met zacht fladd’rend wiekgeruisch,

Aan d’achtermuur van ’t bakkershuis,

Waar hij een plaats voor ’t venster nam,

En riep toen met een zoet geluid

Den braven, kleinen Kris er uit:

„Kom, Krisje! mijn jongen, zoo lief mij en dier!

Kom buiten! Ik ben het; je peetoom is hier.

Kom bij me! Vertel me van dit en van dat;

Kom, Krisje! mijn jongen! dan geef ik je wat.

En Krisje komt, maar bevend, ach!

En zoo vermagerd, zoo armoedig,

Dat peetoom schrikte, toen hij ’t zag,

„Wel, kind! wat scheelt je?” vroeg hij goedig,

„Wat zie je bleek! En zoo bedrukt!

En heel je staart is uitgerukt!”

„Dat deed onze oude grijze kat,

Die haast mij opgevreten had,”

Zoo zuchtte Kris.—„Wel, wel! Wel, wel!”

Is ’t antwoord, „Kris! wat is dat naar!”

„Ja, oom!” hervat hij, „mijn gestel

Is ondermijnd; en ’k voel heel klaar,

Dat ik ’t niet lang meer maken kan.”

„Maar, jongenlief! ik schrik er van;

Kom meê wat, in den zonneschijn;

Daar zou je, dunkt me, beter zijn.”

„Neen, oom! ik ga van hier niet heen;

Want dan is Fieken zoo alleen.

Zij heeft altijd aan mij gedacht,

En me altijd spijs en drank gebracht;

Zij is zoo lief voor me, en zoo zacht.

’k Hou veel van Fieken, innig veel.”

„Ja, Kris! dat ’s goed; maar als ’t je deel

Moest worden, om eens door de kat,”— —

„Die heeft me toch al beet gehad;

En als me die eens weder vat

Ja! opeet,—wat beteekent dat?

Och, ik voor mij, ben ’t leven zat.

Intusschen, neen! dat vrees ik niet;

Ginds is,—ik weet niet, of gij ’t ziet,—

Daar, in dien hoek, een muizengat;

Daar sluip ik in, wanneer ’k iets hoor,

En blijf daarin, zoolang mijn oor

Beweging waarneemt, die verdacht

Mij is.”—„Maar, jongen! ieder uur,

Daar, in dat hol, zoo doorgebracht,

Moet dan wel eind’loos zijn van duur.”

„Neen, tòch niet. Al te nauw is ’t niet;

Integendeel, ’t is ruim en wijd;

En ’k vind daarbinnen, meest altijd,

Iets, wat mij veel genoegen biedt.

Gij weet niet, wat ik daar al vond:

Een jas, mooi bruin; een vest heel bont;

Den jaszak kruip ik dikwijls in,

Als ’t koud is; en die is mij zóó

Een nest, volkomen naar mijn zin.

En in den zak van ’t vestjen,—o!

Daar vond ik eens een prachtig ding:

Een mooien, halven gouden ring,

Waar ’k menigmalen nog meê speel.”

Wanneer ik mij somtijds verveel.”

„Wat,” roept de nachtegaal, „is dit?

Als daar maar niet wat achter zit!

Kris-lief! verkondigd deze zaken

Vooral niet,—hoor je?—van de daken;

Houd dicht je mond! Houd dicht je mond!

Dat is een stuk, dat ik terstond

Aan d’ooievaar bekend moet maken,

En aan den kievit. Maar vertel

Jij ’t niemand, hoor! Nu, Kris, vaarwel!

Groet Fieken van me, en zeg, dat ik

Eens zingen kom, en van Johan

De groetenis haar brengen kan;

Dan is zij zeker in haar schik.”— —

De Junimaand is aangebroken:

En Lotje en Jochem letten goed,

Gelijk ze hadden afgesproken,

Op alles, wat de bakker doet.

„Mij dunkt,” zei Jochem op een keer,

„Ik moet vandaag met haar naar ’t veld;

Ze is daar zoo ver, en onverzeld;

Ze moet gaan hooien.”—„Nooit is ’t meer

Dan heden noodig, dat gij ziet,

Wat daar met onze Fiek geschiedt,”

Zegt Lotje. En Fieken,—’t was nog vroeg,—

Ging uit, naar buiten; en zij droeg

De rijf en ook wat eten meê.

Toen ze in de stad nog was, toen deê

Vrind Jochem, die haar trouw bleef volgen,

Al hupp’lend over goot en dak,

Niet anders, dan zeer fel verbolgen,

Zich uiten: „Zie! zoo’n schobbejak!

Zoo’n deeg-aap, die wel zou gelooven,

Dat niemand hem een kool kan stoven!”

En als daarna Fiek door het veld

Haar weg neemt, langs het groene koren,

Doet Jochem zich daar weder hooren,

En knort en gromt nog steeds en scheldt,

Op alle menschen, Jood en Christen,

En vraagt, verstoord, of zij niet wisten,

Dat, wie ooit Fiek mocht willen deren,

Het heel onzacht gauw af zou leeren:

Hun Fieken is ’t; dus niemand doe

Haar kwaad; zij laten dat niet toe.

Gekomen op ’t bestemde land, [36]

Neemt Fiek met vlijt haar werk ter hand.

De lange en dichte zwaden wendt

Zij om, van ’t een’ naar ’t andere end;

En waar geen dauw het land meer net,

Strooit zij de hoopjes uit elkaâr.

Terwijl zich Jochem nederzet

Hoog in een wilgeboom, van waar

Hij heel den weg kan overzien.

Intusschen zoekt hij, of die plek

Geen wormpje of rups hem heeft te biên,

En hapt in ’t rond met gragen bek,

Nu naar een vlieg, dan naar een mug.

Maar dikwijls zijn ze hem te vlug;

En,—moog’ hij nu en dan iets vangen,

Toch heeft hij niet veel smaak er van:

Zijn hart blijft over Fieken hangen

En voelt zich kwetsen, voelt zich prangen,

Wanneer hij denkt aan ’s bakkers plan,

Dat hij vermoedt.—Daar komt hij, daar!

En nauw wordt Jochem hem gewaar,

Of ’t gaat, van toorn, zóó in hem branden,

Dat hij in staat zou zijn geweest

Een moord te plegen, onbevreesd,

Ja! zelfs den duivel aan te randen.

En nu juist snort, met dof gebrom,

Een bij rondom hem, om en om.

Hap! zegt hij, en hij pakt het dier:

„Wat heb jij zoo te brommen hier?”

Het arme beest maakt veel misbaar,

En bidt en smeekt: „Och, laat mij maar,

Laat mij, grootmoedig, maar in ’t leven,

En wil mijn euveldaad vergeven!

Och, lieve Jochem! laat mij gaan!

’k Heb u toch nimmer kwaad gedaan.”

„Kanalje! zwijg me daarvan stil!

Brom jij niet, rekel! op den duur,

Als ik in ’t rustig middaguur

Somtijds een beetje slapen wil?”

„Och, lieve Jochem! Och ontferm

U over mij, en uit mijn zwerm

Zal zeker niemand u meer storen.”

„Welnu, ik wil uw beê verhooren,”

Zegt Jochem, „mits gij heden doet,

Wat ik u zeg.” En Jochem fluistert;

De bij, vol dankb’re vreugde, luistert,

En antwoordt eindelijk: „’t Is goed!”

De bakker nadert. Fieken ziet

Hem komen; maar zij slaat ook heden,

Als immer, de oogen naar beneden:

Hem in ’t gezicht zien, durft zij niet.

Maar hij is minzaam, en hij prijst

Haar vlijt en arbeid, en hij zegt,

Dat zij hem grooten dienst bewijst;

Door haar komt eerst zijn hooi terecht;

Zij is zoo’n fiksche, lieve meid,

En hij heeft, uit erkent’lijkheid,—

Wanneer ze een korten tijd nog wacht,—

Een hooger loon haar toegedacht,

Vervolgens wordt hij vroolijk, aardig,

Maar, zóó gemeen en zóó onwaardig,

Dat Jochem gruwt en walgt er van,

En langer ook niet zwijgen kan.

„Jou smeerpoes!” roept hij, „laat dat staan,

En tast het schuld’loos kind niet aan!”

En zij,—wat zij daarbij gevoelt?

’t Is, of een koorts haar pols doorwoelt;

De schaamte schiet een blos haar aan;

Zij weet niet, waar zij ’t oog zal slaan;

Ontsteld, verlegen, staat ze daar,— —

Och! was nu Hanne Nüte er maar!— —

De lage kerel wordt hoe langer

Zoo driester; zij wordt immer banger;

Zij voelt, hoewel ze van den praat,

Door hem geuit, geen woord verstaat,

Dat onder schertsen, als hij doet,

Een groote zonde schuilen moet,

Gelijk een adder, fel van beet,

Zich schuilhoudt onder ’t bloemtapeet,

Zij wil ontvluchten, maar terstond

Grijpt hij haar aan, en houdt haar vast,

En wil haar kussen op den mond.

En Jochem roept: „Gemeene hond!

Kom, bij! ’t Is tijd; nu opgepast!

En nu mijn last voltrokken,—kom!

Daar komt de bij,—Zom, zom, zom, zom;—

De bakker heeft schier eer hij ’t weet,

In zijnen neus den steek al beet,

Springt achteruit, en hem vergaat

De lust tot kussen.—„Kameraad!”

Roept Jochem van zijn wilgetak,

„Hoe smaakt je dat pikant gebak?”

[Inhoud]

18.

De herfst,—de trektijd,—is weêr daar.

De nachtegaal heeft d’ooievaar

De vreemde ontdekking reeds gemeld,

Die Krisje deed; maar of hij al

Bij iedereen voor wijsgeer geldt,

In dit zoo zonderling geval,

Komt, hoe hij peinst, voor zijn gezicht

Geen licht, geen enkel straaltje licht.

Ten laatste dunkt het beiden goed,

De zaak den kievit voor te leggen:

Misschien kan die er meer van zeggen.

En weldra vliegen zij met spoed

Naar d’omtrek van Gallin, alwaar

De kievit, als verleden jaar,

Nog woont bij ’t bosch. En de ooievaar

Neemt, bij hunne aankomst, ’t eerst het woord:

„Dag, vrind!—Wij zijn met iets verlegen;

Gij woont zoo lang reeds in dit oord,

En zijt, zoo dachten wij, genegen

Niet enkel, maar ook wel in staat,

Ons voort te helpen.” En nu gaat

Hij verder heel de zaak vertellen.

De kievit voelt een killen schrik

Daarbij langs al zijn leden snellen.

Springt op, en roept vol vuur: „Ja, ik,

Ik weet daar, waarlijk, alles van:

Ik zag het, dat zij daar den man

Vermoordden: ’k zag ook voor mijne oogen

Zijn jas en vest hem uitgetogen;

Vervolgens zag ik óók nog, dat

Zij ’t lijk met aarde en ruigte en blad

Bedekten, bij die wilgen, dáár:

Bruin was de jas; het vest was bont;

De bakker bond ze bij elkaâr!

Dat is wel ’t goed, dat Krisje vond!”

„Ja!” roept de nachtegaal, „bepaald!

Na ’t geen gij daar ons hebt verhaald,

Is zonder twijfel dit dat goed;—

En, dat juist Kris dat vinden moet!”

„Stil!” zegt nu de ooievaar, „weest stil!”

En zet zich peinzend op één been;—

Als hij door neev’len staren wil, [37]

Dan kijkt hij zóó er ’t best door heen;—

„Laat mij een wijle hier alleen!”

Ten laatste is hij gereed, en vat

Een, naar ’t hem voorkomt, wijs besluit.

Hij slaat nu fluks zijn wieken uit

En vliegt naar ’t water heen. Daar zat

De kikker weêr op ’t plompen-blad.

En langbeen sprak: „Zoo! goeden morgen!

Mijn vriend! och, kom wat naderbij.”

„Ik dank je; ’k hoop er voor te zorgen,

Dit niet te doen,” zegt de and’re; „gij

Kunt nooit me iets zeggen of iets vragen,

Dat eenigszins mij kan behagen.”

„Wat? ’k Ben zeer gunstig u gezind.”

„Nu,” zegt de kikker, „wie een vrind

Ooit in verzoeking brengt, doet kwaad;

’k Zal hier wel naar u luist’ren; laat

Mij hooren, wat gij hebt.”—„Voorwaar!

Hij is niet dom,” denkt de ooievaar.

„Maar goed; hij is een volgend jaar

Al weêr veel vetter nog dan nu.”

„Hoor!” zoo vervolgt hij dan, „’k wil u

Gaarn’ laten zitten, waar gij zit;

Wat ik verlang, is enkel dit:

Kunt gij me ook zeggen, waar de muis

Zich heeft gevestigd metterwoon?”

„Ja wel; die houdt daarginder huis.

Daar op de hoogte, in ’t klavergras.”

„Welnu, dan is het goed, mijn zoon!

Alleen de mededeeling was

Dat, wat ik wenschte. Nu, ik zeg

U thans vaarwel; ik ga weêr weg.

Houd u maar goed, en leef gezond,

En word intusschen vet en rond;

Ik krijg u dan toch in mijn mond,

En dan zal ’t lekker zijn.”—„Jou, hond!”

Zegt nu de kikker, boos; en ras

Plomt hij naar onder in den plas.

En de ooievaar ging nu terstond

Den berg op, om de muis te zoeken,

En keek in reten en in hoeken,

Totdat hij werkelijk hem1 vond.

Hij grijpt hem, en spreekt zóó hem aan:

„Ha, ha, kanalje! dat ’s jou werk,

Niet waar? om zoo op roof te gaan;

Jij eet je dik en vet en sterk

Aan ’t geen volstrekt niet jou behoort;

Noem jij dat zeed’lijk?—Spreek geen woord,

Of aanstonds daal je, tot je straf,

Zieltogend in mijn slokdarm af.”

De muis smeekt jamm’rend om genade,

En spreekt: „Ja, heer! ’k heb kwaad gedaan;

Maar, och! mijn kind’ren en mijn gade,

Die zetten daag’lijks weêr mij aan;

En ’k denk dan al;—ik, arme ziel,—

Wat juist zoo voor mijn huisdeur viel,

Dat zal ’k maar pakken. O, ’t is zeker,

Ik doe niet goed; ’k ben wetverbreker;

Maar gij zijt heer, en ik ben knecht,—

Och, oefen toch genadig recht!”

„Nu, ditmaal zal ik ’t nog vergeven;

Maar, voor die redding van uw leven,

Zult gij ook doen, wat ik u zeg:

Gij trekt uit dezen omtrek weg,

En gaat met dochters, vrouw en zonen,

Je weet wel, bij dien bakker wonen,

Waar Fiek, de kleine Poedel, dient.

Daar woont ook Kris, haar jonge vriend;

En wat die Kris je zeggen zal,

Dat doe je, altijd en overal.

Daar is een gat, en in dat gat,

Daar ligt een jas en nòg al wat,

Daar ga je wonen; en hoe dàn

Te doen, daar hoor je later van.

Maar Krisje mag daar ook verblijven,

Je zult hem nooit daaruit verdrijven;

Je zult ook Fiek nooit schrik verwekken,

Niet kruipen in haar bed, of ’k zal,

Dat zeg ik je ernstig, eens voor al

Je ’t vel dan over de ooren trekken.

Dus, oude schelm! Houd woord! Sta pal!”

En de ooivaar vliegt nu omhoog;

De muis ziet met deemoedig oog

Hem na, en vouwt de handen saâm,

En zucht: „Welnu in ’s hemels naam!

In naam ook van den ooievaar!

Ik zal dan maar gaan wonen daar.

’t Beviel mij anders hier ook best;

’k Had hier een kostlijk winternest;

En ’t is al weêr een heele last,

Met vrouw en kindren op te breken;

Maar, wil dat eens zoo’n hoogen gast

Dan moet men maar niet tegenspreken;

En, bovendien, een bakkershuis

Is nog zoo slecht niet voor een muis.”

Hij piept zijn volkje ras bijéén;

En dra trekt de familie heen.

En, zie! op ’t pad, waarlangs zij gaan,

Zien zij toevallig Fieken staan.

Alleen en treurig stond die daar,

Al turend naar den ooivaar,

Die juist daar over kwam gevlogen;

En tranen stonden in haar oogen;

Want Fieken had,—juist ook vandaag,—

Gallin bezocht; zij wou zoo graag

Haar ouders een en ander zeggen.

En met hen saâm eens overleggen.

’t Was Zondag, maar haar vader zat

Niet t’ huis; die was juist uitgegaan,

Voor wien hij veldwerk had gedaan.

Maar moeder stond het zeer goed aan,

Dat Fieken kwam: dat gaf haar stof,

Om recht naar hartelust te praten,

Van koe en zwijn, van huis en hof;

Niets, niets werd onvermeld gelaten.

Maar ’t meiske kon niet langer meer

Nu zwijgen, en zij ging het wagen

Aan moeder haren nood te klagen.—

Maar, ach! daar trof ze geen mooi weêr.

Want moeder zei: ze had geen plan,

Haar zondagmiddag te besteden

Aan ’t luist’ren naar die malligheden,

Die kinderachtigheid; en dan:

Zoo iets kwam overal wel voor;

Fiek maakte er te veel leven van;

En zij behoefde ook geen gehoor

Te leenen aan ’t geen leelijk was;

En, ’t kussen kwam wel niet te pas;

Maar had zij dan nog niet haar handen,

Wanneer haar iemand aan wou randen?

„Och, kind! een mensch komt nooit terecht

Wanneer hij zich niet weet te voegen,

En aanstonds klaagt van naar en slecht.

Al geeft die dienst je geen genoegen.

Je moet er blijven; laat je raân!

Hoe zou ’t ook voor de wereld staan, [38]

Indien ’t bericht hier rond moest gaan:

Fiek is al uit haar dienst vandaan?

Wie nam je ook dan terstond weer aan?

Neen! gist’ren sprak me nog vrouw Snoet

Van haar Johan; die maakt het goed:

Die maakt het zóó, dat, waar gebeurt,

Dat hij vertrekt, men hem betreurt,

En nooit vertrekt hij, of ’t moet zijn,

Dat elders meer weêr valt te leeren;—

Hij is op heden aan den Rijn;—

Zie! zulk een wandel moet men eeren;

En zoo moet ook doen, altijd.

Maar, staak nu dat benauwd gekrijt,

Want blijven moet gij, waar ge zijt.”

Dat was de troost, dien moeder gaf.

En Fieken trok verdrietig af;

En toen ze, op weg, genaderd was

Aan ’t plekje, waar eens in het gras

Johan lag,—zag op eens haar oog

Den ooievaar, die hoog, heel hoog,

Zich, lustig zwevend, voortbewoog,

En aan den lichten slag der schachten

Van dien zoo vrijen ooievaar

Verbond het arme kind gedachten,

Die pijnlijk waren, droef en zwaar:

Gij kunt uw vleug’len strekken,

Vrij, over zee en land;

O! kon ik met u trekken,

Ver, ver van smaad en schand’!

Omlaag hier, drukken grieven

Op ’t arme hart, zoo zwaar;

Kon ik de lucht doorklieven,

Als gij, lieve ooievaar!

Wie liefde in zijn gedachten

En hart draagt, diep en stil,

Moet maar geduldig wachten,

Of ’t beter worden wil.

O! groet toch duizendmalen

Mijn Hannes, aan den Rijn!

Want, naar ik hoor verhalen,

Daar ergens moet hij zijn.

O! kon ik u verzellen!

Als gij, gevleugeld zijn!

En immer verder snellen

Tot aan den groenen Rijn!


1 Zie de noot op bl 647. 

[Inhoud]

19.

Bij Keulen ligt, aan d’oeverrand

Des Rijns, een steenblok in het zand;

En daarop zit, in diepen rouw,

Van dag tot dag een Joodsche vrouw.

Vol rimpels in haar oud gezicht;

Het matte hoofd naar de aard gericht,

En aan haar holle en donkere oogen,

Beschaûwd door witte wenkbrauwbogen,

Ontschiet een somber flikk’rend licht.

Steeds tuurt zij naar het oosten heen,

Met diep gezucht en stil geween;

Zij weent haar handen nat, die krom

En lam zijn, door den ouderdom.

Dáár toog hij heen, haar eenig kind,

Haar zoon, door haar zoozeer bemind,

Haar Izaäk, zoo sterk en schoon,

Haar levensvreugd, haar moederkroon!

Hier, bij dien steen, op deze plek,

Hier was de plaats van zijn vertrek;

Hier had zij hem voor ’t laatst gekust,

Hier ’t laatst vaarwel hem toegesproken;

Hier had zij ook den ring gebroken,

Waarvan de helft nog, met een band

Omstrikt, op haren boezem rust,

En de and’re helft— —in moord’naars hand!

Hier zit ze nu al jaar en dag,

En klaagt haar eind’loos wee en ach;

Bij winterkoû en zomergloed

Blijft steeds één wond in haar gemoed.

En, gaat zij huiswaarts, vol verdriet

Lispt dan haar stem: „Hij kwam nog niet;”

En, legt zij op haar bed zich neder,

Dan zegt ze: „Morgen ga ik weder.”

Geen mensch is bij haar. De oude weêuw

Heeft slechts één huisgenoot: een spreeuw,

Die langs haar heen en weder sluipt

En onder kast en kisten kruipt.

Dat dier had,—’t was al lang geleden,—

Zich laten vangen, en men had

Hem toen den tongriem losgesneden.

Wat hij nu dikwijls hoorde, dat

Herhaalde hij. Zoo riep hij ’t woord

Zeer dikwijls uit: „De moord! de moord!

En klaagde ook somtijds, dof en zwak:

„Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”

En riep dan weer, met luid misbaar:

„Vloek! Driemaal vloek den moordenaar!

Dat beest is alles, wat zij heeft,

En wat die vogel hooren laat,

Is echo, die steeds wedergeeft

Wat haar door ’t hoofd en ’t harte gaat.—

En, naast haar stille en somb’re kamer

Hanteert Johan den grooten hamer,

Met ruime borst en forschen arm,

En werkt zich lustig moe en warm.

Het zwaarste werk is steeds voor hem;

En komt er iets, wat niemand kan,

Dan hoort men dra des meesters stem:

„Gaat weg maar, jelui!” Roept Johan!

Doch in de werkplaats niet alleen

Was hij geacht; maar evenzeer

Ook in de herberg; steeds, wanneer

Daar Hanne was, was iedereen

Recht goed geluimd; men hield er vreê;

Hij deelde aan allen vreugde meê.

Alleen als de oude smidsgezel,

Die booswicht, zich daarbij bevond,

Dan voelde zich zijn hart niet wèl,

Dan wou geen liedjen uit zijn mond.

Eens, toen hij nog wat buiten stond,

Nadat hij, om dien man te ontwijken

’t Gelagvertrek was uitgegaan,

Kwam wagg’lend een jodin daar aan;

Oud was ze en scheen haast te bezwijken;

Aamechtig blijft ze een wijle staan,

En grijpt een deurpost. Met een lach

Vol hoon en smaad komt nu de smid,

De dronken woest’ling, voor den dag,

Van uit het raam, waarbij hij zit,

En, met een schor en scherp geluid,

Jouwt hij haar onbarmhartig uit. [39]

En de oude vrouw verneemt die stem

En kijkt naar ’t raam; daar ziet zij hem,

Hem met dat leelijk, boos gezicht,

Dat zij al kent, dat op den duur

Haar voorzweeft, ook in ’t nacht’lijk uur,

Als ze op haar eenzaam leger ligt.

Dat is de ellendeling, wiens beeld

Haar allen zielenvrede ontsteelt,

Dat is de satan, voor wien zij

Eenmaal een voetval heeft gedaan,

Om toch te weten,— — —ja!” ’t is hij,

Die eens dien doodslag heeft begaan.

Gelijk een spook, een graf ontstijgend,

Richt zij zich voor hem op; en hijgend

En bleek breidt zij haar handen uit,

Die nu van zwakte en woede trillen;

En, op een toon, om van te rillen,

Vervloekt zij, aak’lig schril en luid,

Met alles, wat de menschenspraak

Ooit uitvond, om er vloek en wraak

En helleweeën meê te noemen,

Den snoodaard. Maar bij dat verdoemen,

Door vuur’gen haat haar hart ontlokt,

Vergaat haar laatste kracht, en stokt

Haar oude stem; en, diep geschokt,

Zinkt zij in onmacht neêr, maar toch,

Een vloek zweeft op haar lippen nog.

Johan, die alles heeft gezien,

Schiet toe, om bijstand haar te biên;

En tilt haar hoofd op, en hij legt

Het medelijdend in zijn arm.

Dat ziet de booswicht aan en zegt:

„Hoe heerlijk, jongenlief! hoe warm

En innig rust je schatje daar!

Je bent zoo saâm een aardig paar!”

En hiermeê slaat hij ’t venster dicht.

En Hanne, verontwaardigd, richt

Met luider stem nog ’t woord daarheen:

„Ja, schurk! Mijn arm zal haar beschermen;

Als hier geen mensch zich ging erbarmen,

Er kwam erbarming in een steen!”

Hij brengt haar bij: en nu, hij wacht

Een poosje nog, tot weêr haar kracht

In staat haar stelt, om voort te gaan;

Biedt op zijn arm een steun haar aan,

Terwijl hij vriendelijk en zacht

Haar toespreekt; en zoo gaat hij voort

Tot ze is, daar waar zij t’huis behoort.—

Daar had hij lang reeds, af en aan,

Haar daag’lijks in en uit zien gaan.—

Bij ’t binnentreden klinkt de schreeuw,

Zoo droevig-klagend, somber-zwak,

Hem tegen van den ouden spreeuw:

„Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”

Nu legt hij haar op ’t leger neder,

En aanstonds klinkt het woord daar weder,

Al krijschend, maar volkomen klaar:

„Vloek! Driemaal vloek den moordenaar!”

En de oude slaakt een bang gesteen;

Een huiv’ring siddert door haar leên;

De vogel klaagt en scheldt dan weêr;

En grauw valt de avondscheem’ring neêr,

En schaduwbeelden, op den duur

Steeds zwarter, sluipen langs den muur.

’t Is Hanne nu, of de oude dingen,

Die aan de wanden staan, rondom,

Zich om hem henen samendringen,

Herschapen tot een spokendrom;

’t Is Hanne nu, of voor en na,

Een deksel hier, en daar een lâ

Zich opent, zonder menschenhand,

En of daaruit dan schimmen kijken,

En rits’lend door de kamer strijken,

En zwervend dolen langs den wand,—

Ontstegen aan hun donk’re hoeken,

Om zuchtend eene daad vol schand’

En ongerechtigheid te vloeken.

Maar toch verliest hij niet den moed,

Verzorgt de grijze trouw en goed,

En als zij ’t oog soms opwaarts slaat,

Vraagt hij deelnemend, hoe ’t haar gaat.

Zij beurt ter helft zich op en legt

Haar hand hem op het hoofd, en zegt

Daarbij iets, wat hij niet verstaat;

Het is een taal, die hij niet kent.

Maar na dat vreemde momp’len wendt

Zij andermaal zich heen tot hem,

En spreekt met goed verstaanb’re stem:

„Ja, tand om tand, en oog om oog!

Zoo zeeg’ne God u van omhoog!

Gij stond mij in mijn jammer bij:

De God van Vader Abram zij

Uw schild, en zeeg’ne uw levenslot!

Zoo doe Jehovah-Zebaoth!”—

Nu, zegt zij, kan hij henengaan.

Hij gaat, maar ’t is hem vreemd om ’t hart;

Het is, als grijpt hem duiz’ling aan;

Hij heeft vandaag in menschensmart

Voor ’t eerst een held’ren blik geslagen;

Voor ’t eerst gezien de hel vol plagen,

Waar de een den and’re in nederstoot;

Het is, of een gewicht van lood

Hem drukt op ’t hart, en of zijne oogen

Van zware neev’len zijn omtogen;

Het is, of hij ook zit gesnoerd

Aan ’t koord van zonde en van ellende,

Dat hij zóó vroeger nog niet kende,

En op en neêr wordt meêgevoerd.— —

En sinds dien dag kwam meer en meer

Iets sombers in hem; en wanneer

De rust van d’avond ’t werk verving,

Bezocht hij de oude, telkens weêr,

Om te onderzoeken hoe ’t haar ging,

Hij sprak haar dan vertroostend aan;

Hij haalde water, hakte hout,

En al wat zij, zoo zwak en oud,

Niet kon, dat werd door hem gedaan.

Zoo kwam hij bij haar alle dagen,

En wist toch niet, waarom hij ’t deed;

’t Was meer dan deernis met haar leed;—

Die scheen ze ook niet van hem te vragen;—

’t Was meer ook dan nieuwsgierigheid:

Den sluier, op dien moord gespreid,

Kon zij, zoo min als hij, doen scheuren;—

Toch trok ’t hem aan, met haar te zijn.

En met en nevens haar te treuren,

Met weêrpijn van haar hartepijn.

’t Was of een vreemde tooverkracht

Gedurig weêr hem tot haar bracht.

En als hij daar niet wezen kon,

Dan stond hij dikwijls en verzon,

Of hij toch ’t middel niet kon vinden,

Om van ’t geheim den knoop te ontbinden.

Verloopen was het tweede jaar,

Vertrokken was weêr de ooievaar,

Vertrokken was de nachtegaal,

De lijster en een gansche stoet, [40]

Maar geen had toen voor hem een taal,

Geen had voor hem een vriendschapsgroet.

Geen vogel hoort de werkman zingen,

Die bij den fellen, laaien gloed

De tang hanteert en zwenkt den hamer;

En tot de duist’re jodenkamer

Vermag ook ’t lied niet door te dringen,

Slechts de ooievaar had hem zien staan,

Bij ’t overvliegen van den Rijn,

En was hoofdschuddend voortgegaan,

En had daarbij toen dit gezegd:

„Hoe kunt ge zoo kleinmoedig zijn?

De zaak, die gij zoo overlegt,

Is ònze zaak, en komt terecht.”

Maar ook zijn makkers schudden ’t hoofd:

Hij was gansch anders dan voorheen,

Hij was van vreugd en fleur beroofd,

En leefde voor zich zelv’ alleen.

Zijn arbeid deed hij, als weleer,

Maar ook niets anders, en niets meer;

Geen grap, geen scherts, geen jokkernij:

Dat was voorbij, geheel voorbij

Zij lieten hem een poos begaan,

Maar spoedig ving het plagen aan;

Eerst fiuist’rend nog, maar dra ook luid.

Kwam toen de dart’le spot er uit.

Of hij misschien die oude vrouw

Tot echtvriendin zich kiezen zou,

Of enkel van haar erven wou.

En, was eens Hanne niet er bij,

Dan gaf de booze smidsgezel

Steeds voedsel aan die spotternij.

En in de smederij, zoowel,

Als in de herberg,—allerwegen

Kwam hem geplaag en schimpscheut tegen.

Zijn meester spreekt hem ernstig toe:

„Hoe zijt ge zoo,—ik weet niet hoe,—

Zoo vreemd, zoo anders dan weleer?

Gij waart zoo opgeruimd voorheen,

En hadt ook vreê met iedereen;

Maar dat is nu al lang niet meer;

Hoe kwam daar zoo’n verand’ring in?

Wat hebt gij toch met die Jodin?”

„Niets heb ik met haar,” zegt Johan;

„Niets, wat een ander aangaan kan.

Gij echter, die mij al den tijd,

Dien ’k bij u heb in dienst gestaan,

Een trouwe vriend gebleven zijt,

En immer mij hebt goed gedaan,

Gij zijt bevoegd, er naar te vragen:

Die oude vrouw had zware slagen;

’k Beklaag het arme mensch; dat is ’t.”—

„Arm is zij niet; in kast en kist

Heeft ze,—ieder weet het,—geld en goed

En kostbaarheên in overvloed.

Maar zie toch in, dat zij, gewis,

Voor jou geen goed gezelschap is.

’t Verkeer met haar kan slechts je schaden;

Dus, wees voorzichtig; laat je raden;

Zoek haar niet meer zoo op; men zegt

Veel leelijks en veel laags van haar;

Ga,—dan komt alles weêr terecht,—

Weêr naar de herberg heen, alwaar

Gij de oude en u bekende vrinden

Gedurig weder saâm kunt vinden;

Doe daar weêr vroolijk met hen meê,

En wees geen uil meer bij de kraaien;

Zaai vreugd en gij zult vreugde maaien.”

Wat hem zijn meester hooren deê,

Dat bleef, bij ’t heengaan, in zijn ziel.

Toen hij de werkplaats intrad, viel

Zijn oog wel op den smidsgezel,

Die heimlijk-sluipend, maar toch snel,

Er uit ging; maar dat was wel meer

Gebeurd, en dus ook dezen keer

Dacht daar Johan niet verder aan.

Doch toen hij aan zijn werk wou gaan,

Zocht hij zijn hamer vruchteloos;

Den hamer, dien hij nog altoos

Op ééne plaats leî bij de hand,

En waar een kruis stond ingebrand,

Van acht’ren in den steel. Met wrevel

Rukt hij zich ’t schootsvel af, en zegt;

„Ik zie den hamer niet; en, evel,

Ik heb hem gist’ren hier gelegd;

Nu, goed! Wanneer hier alle zotten

Het eens zijn, om mij te bedotten,

Daar ligt de boêl!”—En hij gaat heen.

Zijn makkers lachen; maar van één

Dier makkers wordt het woord vernomen:

„Snoet! gaat gij Maandag-houden heden?

Wacht even; wij ook zullen komen,

En dan u leeren, wat den leden

Van ’t vak betaamt.” En bij dat woord

Voegt Hanne nog den spreker toe:

„Wij zullen zien,” en hij gaat voort.

Maar onderweg bedenkt hij, hoe

Het was bedoeld. Ja, wel, ’t is waar,

’t Is Maandag juist: en de ambachtslieden

Vergaad’ren heden met elkaâr;

En voor hetgeen daar moet geschieden

Staat in de herberg ook reeds klaar

De kist van ijzer, die den schat

Der akten van het gild bevat.

„Dat komt me intijds nog voor den geest,”

Denkt Hanne; „zou die kerel meenen,

Dat ’k bang ben? Neen, ik ga er henen;

Ik ben nog nooit bestraft geweest

Vanwege ’t gild, en nooit bekeurd;

’k Wil wel eens zien, wat nu gebeurt.”

[Inhoud]

20.

Hij gaat ter herberg heen. Daar zit

Van ’t smedengild het oudste lid:

Twee meesters nemen plaats daarnevens,

En vier gezellen zetten tevens

Zich aan diezelfde tafel neêr,

In ’t midden van een groote zaal.

En ééns laat de Oudste, en nog een keer,

En nog eens weer, ten derdenmaal,

Den hamer op de tafel vallen,

En richt vervolgens ’t woord tot allen:1

„Met uw welnemen, gezellen! stilte!—’t Is heden vier weken geleden, dat wij voor ’t laatst eene vergadering hebben gehouden. En het is hier bij ’t ambacht het gebruik, dat men, ten minste om de vier weken, in de herberg samenkomt en rondvrage doet. De meester-gezel zal de kist ter tafel brengen, overeenkomstig hetgeen bij ’t ambacht gewoon en gebruikelijk is.”

Die brengt de kist, maar blijft dan staan,

En spreekt Bestuur en Leden aan:

[41]

„Met uw welnemen, dat ik van mijne plaats afkome en voorwaarts stappe op dezen vloer van vader, den waard, en moeder, de waardin, en toetrede tot de tafel van de goedgunstigste meesters en gezellen.”

Daarop zegt de Oudste: „Dat zij u vergund!”

De jongere gezel laat nu de kist los en spreekt:

„Met uw welnemen, dat ik de kist op de tafel der goedgunstige meesters en gezellen plaatse. Met uw welnemen heb ik aangevat; met uw welnemen laat ik los.”

En de Oudste geeft hem te verstaan,

Dat hij nu weêr terug kan gaan,

Ontsluit de kist, en haalt er dan

Dat uit wat noodig wezen kan.

Voorts teekent hij een dubb’len kring:

Één dicht, één met een opening,

Een oop’ning die zijn rechterhand

Met duim en vinger overspant,

Ten teeken, dat hem is gegeven

De bovenhand, en elk behoort

Wat zijn wil voorschrijft, na te leven.

Vervolgens neemt hij weder ’t woord:

„Met uw welnemen, zoo heb ik den gezellenkring geteekend; hij zij groot of klein, ik overspan hem, en schrijf er de gezellen in, die hier in ’t werk zijn. Schrijf ik te veel of te weinig, zoo komt er wel een rijk koopman, die straf en boete voor mij betaalt.”

Nu klopt hij driemaal op de tafel en spreekt:

„Met uw welnemen, zoo heb ik macht en gezag, en trek den gezellenkring toe!”

En met het krijt, dat vóór hem ligt,

Trekt hij den open cirkel dicht.

„Met uw welnemen, gezellen! stilte!—Ik heb u ingeschreven; is deze of gene vergeten geworden, die melde zich aan. Maakt u gereed tot het storten uwer bijdragen.”

En nauw’lijks is dat woord verstaan,

Of al de werkliên treden aan,

En storten, één voor een hun geld.

Nu niemand meer wordt aangemeld,

Nu is ’t de beurt der vreemdelingen.

En de oudste vangt aldus weêr aan:

„’t Is ’t recht der overleveringen,

Waarnaar hier immer is gedaan,

Dat ied’re smid, die veertien dagen

Hier werkt, en langer nog wil blijven,

Zich in ’t genootschap in laat schrijven.

Wilt gij u ook daarnaar gedragen?

Zoo raak dan, vreemd’ling, met uw hand

Den hamer, die mijn vuist omspant.”

En aanstonds wordt, met welbehagen,

Zóó door den vreemd’ling ’t woord verpand.

De oudste.

God geve u vrede en heil, mijn smid!

De vreemdeling.

Mijn smid! de Heer vergelde u dit!

De oudste.

Waar hebt gij rondgedoold, mijn smid!

Uw schoenen zijn van stof gansch wit,

Uw haren zijn verward, uw baard

Steekt zijlings uit gelijk een zwaard.

Die baard, en tevens uw manieren,—

Die zouden zelfs een meester sieren;—

Hebt gij ’t tot meester reeds gebracht?

Of is ’t een graad, dien gij nog wacht?

De vreemdeling.

Mijn smid! ik trek in ’t rond door ’t land.

Gelijk een kreeft doet over ’t zand,

Gelijk een visch doet in de zee,

En ’k win met eer mijn brood daarmeê.

Een meester ben ik niet, maar toch,

’k Denk altijd dezen titel nòg

Te krijgen, zij het ginds of hier.

Een mijl verwijderd van de kringen,

Waar honden over heggen springen,2

Daar is men meester met plezier.

De oudste.

Mijn smid! zeg op, hoe moet gij heeten,

Als ge in de herberg binnengaat,

Waar de actenkist geopend staat,

En de gezellen zijn gezeten?

De vreemdeling.

Mijn naam zal Zilvernagel zijn.

Gesproten ben ’k uit edel bloed.

Mijn stam eet goed en drinkt ook goed

Ook ik ben vriend van vleesch en wijn.

’k Heb,—tot op éénen ouden hoed,—

Verteerd, wat mij mijn vader liet.

’t Is waar ook, ja,—mijn smid! ik schiet

Nog in een lach, als ’k denk daaraan;

Ik liet dien hoed als pand eens staan

Ginds, bij een herbergier:—’t zij hij

Er in zijn schik of boos om zij,

Ik los dien stellig nimmer in.

Wilt gij hem lossen? Hebt gij zin?

Dan leg ik gaarne een stuiver bij.

De oudste.

Mijn smid! wat van dien hoed ook zij,

Dien ik voor mij toch niet begeer,

Uw naam van Zilvernagel klinkt

Zeer schoon; en ’t is een naam, die blinkt;

Wij houden zeker dien in eer,

Hoe komt ge er aan? Er voor gezongen?

Of voor gewerkt? Of voor gesprongen?

De vreemdeling.

Mijn smid! o ja, ik kon goed zingen

En, zeker! ik kon ook goed springen;

Maar daarmeê lukte ’t mij nog niet.

Er is veel meer, veel meer geschied,

’k Moest werken, zorgen, zwoegen, loopen.

Om voor mijn werkloon hem te koopen,

En kon hem zóó nog niet behalen;

’k Moest ook met drinkgeld hem betalen.

De oudste.

En in welk land, in welke stad

Hebt gij dat groot geluk gehad?

De vreemdeling.

Te Brambor,3 waar men veel meer bier

Verwerkt, dan goud en zilver hier.

[42]

De oudste.

Mijn smid! geef mij drie namen aan

Van wie,—zoo zijn hier onze wetten,—

Bereid zijn, voor u in te staan.

De vreemdeling.

Hier zijn ze; wil er goed op letten:

Peter smee-’t-ijzer,

Fiksch voor het blok,

Vlug met den balg.

Ik hoop, dat dit voldoende zij:

Of ’k doe, als vierde van de rij,

Er Koenraad Zilvernagel bij.

Nog vroeg hem de Oudste dit en dat;

En bij de hand en zeer gevat

Had steeds de vreemd’ling ’t antwoord klaar.

Als hij zijn bijdraag’ had gegeven

Werd dan zijn naam ook ingeschreven

In ’t boek der broederschap aldaar.—

Vervolgens vangt de rondvraag aan,

Of iemand ook een twistzaak heeft,

Of iemand niet heeft nageleefd

De wet, of tegen ’t vak misdaan.

De Oudste staat op en zegt: Met uw welnemen, gezellen! stilte! ’t Is heden vier weken geleden, dat wij voor ’t laatst vergaderd waren. Heeft er in dien tijd iets plaats gehad, wat den een of den ander niet naar den zin is, zoo moge hij opstaan voor meesters en gezellen en de zaak in omvraag brengen.

„Het zal hem wel veroorloofd zijn.

Elk breng’ zijn zaken voor den dag.

Gij weet, in ’t huis van vader4 mag

Elkeen, die bij zijn bier of wijn

Gezeten is met zijn gezellen,

Wat hem op ’t harte ligt, vertellen.

Men heeft in stegen en op straten,

Elkander steeds met vreê te laten;

Geen recht te zoeken onderweg,

En ook daarbuiten niet te praten

Van ’t geen tot dezen kring behoort.

En daarom let op ’t geen ik zeg,

Houdt u daaraan, en zegt het voort:—

Die heden zwijgt, moet blijven zwijgen,

Niet elders,—hier is recht te krijgen.

Al wie iets weet, hij spreke dan;

Wij nemen gaarne er kennis van.

Dit zeg ik eenmaal, andermaal;

Terwijl ik ’t nog eens weêr herhaal;—

En, niemand duide ’t mij ten kwade,

Wanneer ik wijs op boete en straf;

Elk legge zijn getuig’nis af,

En ieder wachte zich voor schade.”

De booze smid nam toen het woord.

Hij wou, zoo sprak hij, wel eens vragen,

Of brandhout hakken, water dragen,

Ook tot het smedenvak behoort,

En of hij is een waardig smid,

Die steeds, in plaats van, blij van zinnen,

’t Verkeer met kameraads te minnen,

Bij oude jodenwijven zit.

En aanstonds sprak ’t gerecht zich uit:

„Zeg ons, wien gij hebt aangeduid,

Naardien de man, die zoo misdoet,

Een dubb’le boete hebben moet.”

Toen wees hij op Johannes Snoet.

Nu zoekt zich Hanne te verweren,

Maar op zijn woord geeft niemand acht;

’t Gerecht en de vergaad’ring lacht;

En ook zijn eigen makkers keeren

Zich tegen hem met grieve en klacht.

En wat Johan ook zeggen moog’,

Hij spreekt geen woord, dat hem bevoordeelt,

Hij wordt verongelijkt, veroordeeld;

En, met verkropte woede in ’t oog,

Legt hij zijn geld, als boete neêr,

En keert naar zijne zitplaats weêr.

En de oudste spreekt: „Als niemand meer

Iets heeft, hoort mij dan aan: wij zullen

De gelden tellen, en alsdan

Ons frisch de bekers laten vullen,

En nemen ons genot er van.

Wij zullen bier ons laten tappen,

Waar mooie meisjes met ons snappen,

En ’t kannedeksel laten klappen.”

Hij telt het geld en sluit de kist. Zooals ik het slot van onze gildekist sluit, zoo moet ieder zijn mond sluiten. Met uw welnemen, ik sluit, krachtens de macht en ’t gezag, mij verleend. Ik steek mijn zwaard in de scheede. Ik dek mij het hoofd. Met uw welnemen, gezellen, dekt u!”

De werkzaamheden zijn gedaan;

En ieder vat het drinkglas aan.

En onder ’t luid en blij gejoel

Zit ook Johan. Maar ’t dof gevoel

Van wrok woelt diep in zijn gemoed.

Zijn blik zoekt nog zijn vijand op.

Maar die is weg; en ’t is ook goed;

Want als hij nòg er was geweest,

Dan was hij denk’lijk van dit feest

Vertrokken met bebloeden kop.

Daar zit Johan met bitt’re ziel;

Dat was voor ’t eerst nu in zijn leven,

Dat hij in boete en straf verviel;

En onrecht was aan hem bedreven.—

Rondom hem duurt het joelen voort;

Luidruchtiger wordt steeds de kring,

En een uit de vergadering

Duwt hem een glas toe, met het woord:

„Wij willen uw gezondheid drinken!

Wij willen allen op u klinken,

O, menschenvriend! Johannes Snoet!

Wie ’t glaasjen uitdrinkt, meent het goed!”

Johan wil nu niet laten merken,

Dat hem ’t geval nog grieft en kwelt;

Hij drinkt,—maar hij vergeet de perken,

Die hij zich immer heeft gesteld;

Hij drinkt te veel:—ten laatste gaat

Hij wagg’lend weg, en op den tast;

Hij houdt aan muur en post zich vast,

En komt zoo op de donk’re straat.

Eerst loopt hij voort; dan staat hij stil,

Alsof hij zich bezinnen wil,

Waarheen moet;—als in een droom,

Zoo loopt hij verder; alles draait;

Daar is ’t, of boven hem iets waait:

Hij kijkt omhoog; ja, ’t is een boom.

Wat boom zou daar wel voor hem staan?

Hij grijpt hem vast en kijkt hem aan:

Doch spoedig zakt hij neder, daar, [43]

En voelt zich, o! zoo ziek, zoo naar,—

Maar valt in slaap, en slaapt zoo door,

Tot de allereerste morgengloor

Een schemerschijn door ’t oosten trekt.

Dan wordt hij door den vink gewekt,

Die uit het groen de harde taal

Hem hooren doet: „Sta op, schandaal!

Zeg! wat manier van doen is dat?

Nog slaapt gelukkig heel de stad,

Zoodat geen mensch er nog van weet;

Maar ga naar huis en schaam je wat,

Jij, losbol! over ’t geen je deedt!”

Hij krabbelt overeind; de kou

Jaagt hem een bibb’ring over ’t lijf,

Hij kijkt in ’t rond en denkt: „Hoe zou

Ik aan dit vreemde nachtverblijf

Gekomen zijn? Wat is geschied?”

En nu, zoo peinzend, ja! nu ziet

Hij voor zijn geest den boozen smid,

De herberg, alles. En met smarte,

De scherpe smart der schaamte, in ’t harte,

Gedenkt hij, hoe de smaad hem tartte,

Maar voelt; de grootste schande is dit.

Naar huis! Naar huis!—Verward, ontdaan,

Sluipt hij nu voort, komt eind’lijk aan

Bij zijne werkplaats, en hij ziet,

Terwijl hij ’t slot doet opengaan,

Nog rond, of niemand hem bespiedt:—Goddank!

getuigen zijn er niet.

Maar,—maar,—daar hoort hij toch geluid,

Gesteun, gekerm;—het zet zich uit;—

Of is ’t verbeelding slechts van hem?

Neen! neen! dat is een menschenstem.

Hij treedt terug, en merkt, het klagen

Komt uit de kamer der jodin;

En ruiten zijn daar stukgeslagen.

Wat mag dat zijn?—Hij tuurt er in:

Zou ’t mooglijk wezen? Ziet hij goed?

De oude op den grond! ’t Bed ’t onderst boven!

Nauw kan hij nog zijn oog gelooven;

Hij ’t venster in!—God! daar ligt bloed!

’t Mensch zwemt in bloed; hij tilt terstond

Haar hoofd zorgvuldig van den grond,

Maar weet niet wat hij verder moet.

Hij legt, terwijl zij keer op keer

Verschrikk’lijk kermt, op ’t bed haar neêr;

En wil nu roepen, ’t venster uit,

Om hulp:—daar ziet hij op de straat

Zijn meester, die te kijken staat,

Wat daar geschiedt, wat dat geluid

En dat gestommel toch beduidt.

„Wat is dat toch, dat vreemd misbaar?”

Daar staat Johan, bloed aan zijn handen,

En aan zijn kleêren; en zijn haar

Zit wild en ord’loos door elkaâr;

Zijn lichaam beeft, zijn oogen branden,

En stott’rend bromt hij door de tanden,

Dat ook voor hem de gruweldaad

Een raadsel is; hij had op straat,

Hij had dien nacht op straat gelegen,

Hij was pas ’t venster in gestegen.—

De buurt komt aanstonds op de been;

Men breekt in haast de deuren open,

En: „Moord! Een moord!” roept iedereen.—

Een toon, die aak’lig voort blijft loopen.

Nu vraagt men: wie? dan vraagt men: hoe?

En bij dat al doet, af en toe,

De schorre stem van d’ouden spreeuw

Zich hooren met den woesten schreeuw:

„Moord! Moord! Vervloekte moordenaar!”

En altijd nog staat Hanne daar,

Zijn hand en kleed bevlekt met bloed,

En sprekend, hij weet zelf niet goed,

Hoe en waarvan. Elk ziet hem aan:

„Zou die het zijn? Heeft die ’t gedaan?”

„Neen! die vast niet, die was haar vrind;

Die was haar altijd goed gezind,

Die droeg haar hout en water aan:

Neen! neen! die heeft het niet gedaan.”

„Nu, ja, dat klinkt nu alles goed;

Maar hoe komt hij dan zoo bebloed?

Hoe is hij zoo verward van zinnen?

En hoe kwam hij de kamer binnen?

’t Laat, dunkt mij, zich van zelf verstaan,

Dat hij, geen ander, ’t heeft gedaan.”

Zoo fluisterde en zoo sprak men daar.

Maar toen trad uit de dichte schaar

De baas van Hanne voort en lei

De hand op hem, terwijl hij zei:

„Hem ken ik; en hij deed het niet,

Hij is mijn beste en flinkste knecht;

Die nooit de baan van eer en recht,

Van eerlijkheid en trouw, verliet;

Ook was hij met die vrouw bevrind:

Ik zal hem, wat men moog’ vertellen,

En wie zich tegen hem moog’ stellen,

Beschermen als mijn eigen kind.”

En juist terwijl dit woord zijn mond

Verlaat, zien enk’le lieden rond,

En zoeken nog eens in de kamer,

En vinden—een bebloeden hamer.

„Ziet hier! Ziet hier! die hamer lag

Daar in de bedsteê.” Ieder zag

In spanning nu den hamer aan,

En Hanne’s baas zag in den steel

Het hem bekende teeken staan,—

En de ademtocht stokte in zijn keel,

En ’t harte werd hem aangedaan,

Alsof er ’t onweêr in kwam slaan.

„O God! mijn hamer!” gilt Johan.

„Ja! ’t is zijn hamer! ’t Is zijn hamer!”

Zegt dof en droevig de oude man.

En ijlings gaat het door de kamer:

„Hij is ’t! Hij heeft den moord begaan!

’t Is klaar, dat hij het heeft gedaan!”

Toen riep de spreeuw weêr, zacht en zwak:

„Mijn Izaäk! Mijn Izaäk!”

En ’t was, als stortte dat geluid

In Hanne moed en kracht weêr uit;

Hij hief zijn handen naar omhoog,

En riep met vurig stralend oog:

„Al kleeft aan deze handen bloed,

Zoodat men mij verdenken moet,

Ik ben onschuldig en bezweer

Bij mijne ziel, bij God, den Heer!

Ik heb dit moordwerk niet verricht;

En, ’k weet, al zwijgt de hemel thans,

Eens komt de waarheid toch aan ’t licht,

En doodt den booze met haar glans!”

De heeren van ’t gerechte komen,

En artsen ook. Nu wordt Johan

Terstond in hechtenis genomen.

En de artsen onderzoeken dan

De wonden, d’ oude vrouw geslagen,

En zeggen, als ze hooren vragen,

Of zij nog beter worden kan,

Dat dit nog ver van zeker is, [44]

Maar dat ze, als zij herstelt, gewis,

Altijd zal blijven zwak van hoofd,

Zoo niet van haar verstand beroofd.—

Daarnaast nu in de smederij,

Waar vroeger scherts en jokkernij

Steeds t’huis was, en waar steeds zoo blij

’t Werk van de hand ging,—is ’t nu stil;

De lust van ’t leven is voorbij,

En alles is er dof en kil.

De baas zit in gepeins verloren

In zijn vertrek; maar wat hij doe,

’t Is, of hem niets meer vlotten wil;

Hij is zoo droef, zoo droef te moê.—

O! had hij zóó iets van te voren

Ooit kunnen weten, kunnen gissen.

Hij had het beste willen missen,

Om ’t af te wenden.—„Ach, Johan!

Gij, gij zoo’n gruweldaad begaan!—

Maar, ’t kan niet! Waar geloof ik aan?

En toch,—vanwaar die hamer dan?”

Zoo denkt hij, en, van schrik vervuld,

Roept hij op eens: „’t Is mijne schuld!

Ik heb van ’t vele goed en geld

Dier oude buurvrouw hem verteld!

Heeft dat hem niet den stoot gegeven?

Wierp dat niet in ’t verderf hem neêr?—

Zoo ja, dan heb ik, heel mijn leven,

Geen oogenblik van vrede meer.”

Ook Hanne is eenzaam neêrgezeten,

In hecht’nis, achter stang en slot.

O! huiv’ringwekkend was zijn lot!

’t Was, of zijn hoofd was opgespleten;

’t Was hem zoo vreemd, zoo wee van binnen;

Verwarring sloeg door al zijn zinnen,

En bonzend hamerde iedere ader.

O God! zijn moeder! En zijn vader!

Zijn Fieken! Ach! En hij nu daar!

Och of hij dood, begraven waar!—

En peinzend grabbelt hij in ’t haar:— —

Hoe is dat?—denkt hij,—neen toch!—maar,—

Ja,—uit de herberg kwam hij,—ja!—

En bij dien boom had hij gelegen;

Toen had hij ’t raam in ’t oog gekregen,

Dat wijd geopend stond; daarna

Was hij er met gejaagden spoed,—

Dat wist hij wel nog,—ingegaan,

En had bij de oude vrouw gestaan,

Die op den bodem lag, bebloed.

Maar toen? Wat was er toen geschied?

Veel menschen waren in de kamer,

Waar ook zijn baas zich hooren liet;

Maar heel veel anders wist hij niet.— —

Ja, toch! die hamer,— —’t was zijn hamer;

En daar zat bloed aan;—altijd nog

Ziet hij dat bloed;—hoe kwam dat toch?

Hij slaat nu wild den blik naar boven:

„Mijn God! men zal toch niet gelooven,

Dat ik,”— —hij klopt en maakt misbaar:

„Doe open!”—Klop maar, klop jij maar!

Geen mensch, die acht geeft op je slaan.

„’t Is leugen! ’k heb het niet gedaan!

Ik niet!—Bij God! het is niet waar!”

Men hoort niet, Hanne! klop jij maar.

„Maar, Heer! die leeft hier en daarboven,

Men moet, men moet mij toch gelooven;

Wat waar is, is toch, is toch waar.

Breng Gij de waarheid dan aan ’t licht!”

Ja, Hanne! bid maar! bid jij maar!

De Alziende houdt Zijn lippen dicht.

Ja, bid maar,—doch, de Hemel zwijgt,

’t Kan zijn, dat hij nog deernis krijgt,

Als lang nog uwe ziel van pijn

Gekrompen heeft; dan kan ’t nog zijn;

Licht wordt de waarheid dan nog klaar,—

Maar zit nu, Hanne! zit jij maar!


1 Wat in deze vertaling proza is, is het ook in ’t oorspronkelijke. 

2 Dit schijnt, spreekwoordelijk, te willen zeggen: dáár, waar men in ’t geheel geen overlast heeft te lijden en vrij van onaangename bejegening is. 

3 Brandenburg. 

4 Daarmede wordt de herbergier aangeduid. Vgl. de noot op bl. 662. 

[Inhoud]

21.

Intusschen woonde reeds de muis,

Met zijne vrouw, in ’t bakkershuis.

Hij had, op last van d’ooievaar,

Zich aangemeld bij Krisje, aldaar,

En toen die niet heel vriend’lijk was,

Had hij zoo ernstig en zoo kras

Zich op ’t bevel, hem voorgeschreven,

Beroepen, dat dan toch in ’t end

In ’t hol, aan Krisje alleen bekend,

Hem vrije toegang werd gegeven.

De muis, verzeld van zijn gezin,

Trok vroolijk die verblijfplaats in.

„Kijk!” sprak hij, „’t is hier waarlijk lief;

Een mooie plek en vol gerief;

Alleenlijk zou ik nog begeeren

’t Getal der deuren te vermeêren;

Kom, moeder! met me aan ’t werk gegaan!

Kom, kindren! ook je best gedaan!”

Nu, dat was koren op hun molen,

En onder muur en vloer verscholen,

Ging de familie fluks aan ’t knagen,

Aan ’t breken, krabben, schrappen, zagen:

Een tweede deur kwam in den vloer,

En, om den wille van het voêr,

Nog twee ook op den korenzolder.

Ze werkten flink; het steengruis rolde er

Al links en rechts door naar beneên.

En Krisje dacht: „Waar moet dat heen?

Ik woonde vroeger hier alleen,

Maar nu, zoo’n troep hier bij elkaâr;

Mij dunkt, dat geeft nog al bezwaar.”

De winter komt. Maar de oude muizen,

En ook de jongen, die daar huizen,

Zijn al zoo menigmaal verheugd

Door ’t zoet genot van oudervreugd,

Dat lang reeds de familiekring

Den omvang van een staat ontving,

Maar die van rooven samenhing.

En de oude muis, ’t hoofd van den stam,

Was daar bestuurder, en hij nam,

Tot meer gezag en waardigheid,

Een titel aan van „Majesteit,”

Het goed, door Krisjen eens beheerd,

Werd nu door hem geannexeerd;

En als de dag gezonken was,

En Kris zat in de bruine jas,

Dan werd hij dra door jong en oud

Daaruit, en uit het gat verdreven;

Dan zat hij daar, dan was hij koud,

En onder ’t huiv’ren en het beven,

Verlangde hij naar ’t lenteweêr.

En ’s morgens vroeg kwam, keer op keer,

Zijn vader door de vensterruiten,

En riep: „Och, Krisje, kom eens hier!

Uw lieve vader staat hierbuiten:

Wij hebben weêr geen brood, geen zier;

Geef mij een stukje, door dien kier; [45]

Want dankbaarheid is eere en sier

Der kind’ren: wil die deugd betrachten,

Wanneer uwe ouders bijstand wachten.”

„Ach!” zei dan droef de kleine Kris,

„’k Erken, dat dit betaam’lijk is;

Maar vaderlief! hoe wil ik geven?

Zelf weet ik niet, waar ’k van moet leven:

Dat muizentuig hier, in den grond,

Neemt mij het brood ook uit den mond.”

En dan riep Jochem, gansch verwoed:

„Dat rooversvolk! Dat dievengoed!

Maar, wacht! is eens de lente daar,

Dan zien wij weer den ooievaar,

Die zal de rekels duchtig nijpen,

Die zich aan and’rer goed vergrijpen.”

Maar heden hielp dat niet. Het ras

Der muizen stelde driest zich aan,

Of ’t liev’ling van den hemel was,

En zorgeloos zijn gang kon gaan.

Ze leefden lui, ze maakten pret,

En sliepen warm in Krisje’s bed;

Maar Jochem en zijn arme vrouw

Bedreigde schier de hongerdood;

En kleine Kris had ook zoo’n nood,

En leed zoo bitter van de kou.

Eens zat hij erg zich te vervelen,

O! had hij thans dien halven ring!

Dat was zoo’n mooi en glinst’rend ding,

Zoo aardig, om er mee te spelen.

Hij sluipt nu naar het muizengat,

En tuurt, en, zie! wat treft hij dat!

Geen is er t’huis. Hij kruipt in ’t hol,

En spoedig brengt hij, vreugdevol,

Den halven ring er uit, en zit

Er mee te spelen.—„Wat is dit?”

Zoo hoort hij nu door vader muis,

Die in dien tusschentijd weêr t’huis

Gekomen is, zich vragen.—„Och!”

Zegt Kris verstoord, „bemoei je toch

Niet met mijn zaken; ’t is mijn ring.”

Jou ring? Heb ’k ooit zoo iets gehoord?

Hier, zeg ik! toe! geef hier dat ding.”

Maar Krisje maakt er zich mee voort,

Vliegt op en zet er zich meê neêr

Op Fieken’s kist. En Fieken komt.

De muis keert naar zijn schuilplaats weêr,

Maar ziet Kris nog eens aan, en bromt:

„Als zij maar eerst is weggegaan,

Dan zal ik jou wel nader spreken.”

En Fiek, ontstemd en aangedaan,

En vol, alsof haar hart zal breken,

Zegt weenend,—maar het zacht geluid

Nog smorend van haar bang geween:—

„Neen! ’k houd het langer hier niet uit;

Ik moet, ’k moet naar mijne ouders heen.”

Ze ontsluit de kist, krijgt haar japon,—

Haar eenige, die heeten kon

Een voegzaam kleed;—en, kleine Kris,

Die weder opgevlogen is,

Werpt, eer zij ’t deksel vallen doet,

Den ring de kist in, tusschen ’t goed.

„Zie zoo! ’k Wil wel aan Fiek hem geven;

Maar aan de muis nooit van mijn leven!”

Zoo zegt hij bij zich zelven; maar,

Dat hij hem had geworpen daar,

En dat de ring toen naar beneden,

Tot op den bodem, was gegleden,

Daarvan werd Fieken niets gewaar.

Alzoo, zij sloot toen weêr haar kist,

Terwijl ze van dien ring niet wist,

En ging,—’t was Zondag,—naar Gallin,

Om haar familie weêr te zien.—

„Kijk!” roept vrouw Smidt, „mijn droom komt uit!

Zeg niet, dat droomen niets beduidt!

Heb ik van nacht niet liggen droomen,

Dat Fieken kwam?—Nu zie ’k haar komen!—

Maar, meidlief! zeg, wat scheelt er aan?

’t Gezicht moet niet zoo droevig staan.”

Smidt zelf heeft ’t werk op zij gelegd,

En komt nu ook er bij, en zegt,

Terwijl hij haar in de oogen ziet:

„Wat is het, Fiek? Je huilt toch niet?”

„Neen, vader! maar bedrukt, bevreesd,

Ben ’k al dien tijd al weêr geweest:

De bakker wil geen rust mij laten,

En ’k vind zoo iets in al zijn praten …”

Hier stamelt ze, en een bloedkleur slaat

Daarbij op eens haar door ’t gelaat.

„Kom, Fiek! spreek voort!” zegt nu haar vader,

Zijn voorhoofd fronsend; „kom! je ziet,

Ik wacht er op; verklaar je nader.”

„Och!” spreekt zij, „’t is mijn schuld toch niet;

Maar nog van morgen klopte hij

Aan mijne deur, en riep hij mij.

Ik kwam, en wou aan d’arbeid gaan;

Hij zei: ik moest dat laten staan;

Hij wou geen bezem in mijn hand

Meer zien, zoo zei hij; dat was schand’;

Voor mij was ’t schande, zei hij, want

Als ik ook wilde wat wou,

Dan kon ’k bevelen daar als vrouw.”

Zij sloeg de hand zich voor ’t gezicht.

„Welnu,” roept moeder, „Fiek! wellicht”— —

„Stil, vrouw!” zegt Smidt: „zwijg stil; aan mij

Is ’t woord; dus eerst spreek ik, dan jij.

Nu, kind! wat verder?”—„Wel, hij nam

Mij meê naar binnen; toen ’k daar kwam,

Ontsloot hij voor mijn oog een kast,

Waarin veel geld lag opgetast,

Verschrikk’lijk veel; hij zei: dat geld,

En huis en erf en tuin en veld,

Dat werd op éénmaal alles mijn,

Indien ik zijne vrouw wou zijn.”

„En toen? Wat was jou antwoord toen?”

„Ik zei hem, dat hij wél zou doen,

Wanneer hij mij met vrede liet;

Dat deed hij toen ook; maar daarbij

Sprak hij de woorden: weiger vrij,

Eenmaal behoort ge toch aan mij,

Hoor, Fieken! jij ontgaat mij niet;

Ik zal eens bij je vader komen.”

En als nu Smidt dit heeft vernomen,

Ziet hij zijn dochter aan, maar zwijgt,

En zet zich neder, en hij krijgt

Zijn werk weer. Maar zijn vrouw bevroedt,—

Zij kent haar echtgenoot zoo goed,—

Dat zij nu verder ’t woord doen moet;

Daar heeft zij lang reeds op gewacht:

Nu is zij dan ook in haar kracht:

„Wel, wat ben jij een domme meid!

Daar zit je voor ons en je schreit;

De domste ben je van den troep!

Als ’k onze Riek of Heintje roep,

Die zóóveel jonger zijn, en ’k vraag,

Of zij ’t niet hadden aangenomen,

’k Wed, dat ze zeggen: „Nou! wat graag!”

Hoe kan ’t jou in je hersens komen, [46]

Om zóó iets, zóó iets, af te slaan?

Of denk je, dat ze twee, drie keeren,

Met bakkershuizen voor je staan,

En vragen: wilt ge er nu soms aan?—

Gelijk wij koffie presenteeren?—

Je moet terug, op staanden voet;

En maken je verzuim weêr goed;

Niet preutsch zijn, en niet mal verlegen,

Maar zeggen: „’k Ben er gansch niet tegen,

En dat ik zoo niet daad’lijk sprak,

Dat kwam doordien ’t me aan moed ontbrak;”

En zeggen, dat ik zelf nog heden

Je na zal komen,—maar, ’t is waar,

Voor uitstel is volstrekt geen reden,”—

En aanstonds heeft ze bij elkaâr

Haar kap en doek;—„zie zoo; ’k ben klaar!”

„Neen! jij blijft t’huis,” zegt nu de man;

„’k Moet toch naar ’t bosch nog; dus, ik kan

Een eind haar brengen.”—Kort en goed,

Hij haalt zijn jas af en zijn hoed

En kleedt zich daarmeê op, en doet

Vervolgens ook zijn wanten aan:

„Kom, Fieken! ik zal met je gaan.”

Zoo gaan die beiden samen voort,

Hij spreekt tot haar geen enkel woord,

Totdat ze komen dicht bij ’t bosch;

Daar laat hij toch een woordje los,

En spreekt op zijn bedaarde wijs:

„Kijk, Fiek! daar staat mijn bezemrijs;

De boschbaas heeft mij toegestaan

Het daar te plaatsen. Nu, vaarwel,

Mijn kind! Dat God u vergezell’!”

En Fieken kijkt hem treurig aan.

„Neen, lieve kind! ’k ben niet in staat,

Te helpen thans; de nood is groot;

Wij teren van ons laatste brood.

Maar neem mijn raad in acht, en laat

Je van den duivel niet verstrikken;

Dan zal zich alles nog wel schikken.

In elk geval, en hoe het ga,

Gij hebt toch niet te zeggen: „ja!”—

Hij uit nog eens zijn afscheidsgroet,

Terwijl hij zijne hand, bewogen,

Op haren schouder rusten doet:

„Dag, Fieken! hou mijn raad voor oogen;

Verdraag, wees sterk, houd moed, blijft goed!”

[Inhoud]

22.

Ook hier was heen het tweede jaar,

En nachtegaal en ooievaar

En ook al de and’ren keerden weêr,

Ze streken vaak bij Jochem neêr.

En vonden altijd groot vermaak

Bij hem. Maar somtijds was ’t een zaak

Van ernst, die zij daar zoo, te zamen

Vergaderd, in behand’ling namen.—

Zoo liet eens de ooievaar hen hooren,

Dat hij Johan, nog kort te voren,

Gezien had in een smederij

Te Keulen aan den groenen Rijn;

„Maar,” voegde hij er zuchtend bij,

„Het mocht met hem wel anders zijn.

Hij had van Hanne altijd gedacht,

Dat veel meer wakkerheid en kracht

Hem eigen was; maar, neen! geen vuur,

Geen lust, geen blijheid zat er in;

Voor omgang had hij ook geen zin;

Alleen bezocht hij op den duur

Een bes, en nog wel een Jodin;

En van den spreeuw, hun wel bekend,

Lag de oom daar t’ huis, maar deze had

Voor zich ook de overtuiging, dat

De zaak zoo nooit een gunstig end

Kon krijgen.—Nu van Lotje ’t woord:

„Met Fieken staat het ook al slecht;

En duurt dat op die wijze voort,

Dan komt er nooit iets van terecht.

De bakker maakt haar ’t hoofd op hol,

Althans, dat poogt hij meer en meer;

En Krisje zegt: houdt hij dat vol,

Dan stort zij in ’t verderf ter neêr.”

„’t Is waar,” zegt Jochem, „’t arme wicht

Zit droef in haar vertrekje neêr;

Het hartzeer ligt haar op ’t gezicht,

De liefde doet haar boezem zeer.

Ja, was mijn Kris gelijk weleer,

Gezond, dan kon zijn zingen, spelen

Haar lust en vreugde mededeelen,

Maar die is ook in droeven staat;

En, meester langbeen!—word niet kwaad,—

Maar dat is uwe schuld: gij laat

Daar dat gemeene volk der muizen

Met mijnen jongen samen huizen,

Die telkens weder hem verjagen,

En in de barre winterdagen

Hem lieten bibb’ren;—zelfs de jas,

Die hij in ’t hol gevonden had,

Die hem zoo vaak een toevlucht was,

En waar hij dan zoo warm in zat,

Behielden zij.”—En de ooievaar

Hernam: „Ja, Jochem! ’t is wel waar,

De muis, en zoo zijn heel geslacht,

Is onbeschoft en ruw; maar, wacht!

Ik zal hem zijne les eens lezen.”

„Daar zal gelegenheid voor wezen,”

Zegt Lotje, „juist op heden; want

Hij ging van morgen naar het land,

Om zich een weinigje op te frisschen.

De kikker had hem daar verzocht;

Hij deed met vrouw en kroost den tocht;

Gij vindt hem daar; dat kan niet missen.”

„Waar dan?”—„Hierachter, bij de sloot,”—

En aanstonds stapt de purperpoot

Er statig heen. En als hij dan

Daar nadert tot den waterkant,

Dan schrikt er heel ’t gezelschap van;

En, door hun zielangst overmand,

Vlucht al wat muis heet, klein en groot,

En springt de kikker in zijn sloot.

Maar vader muis kan ’t niet ontkomen,

Hij voelt zich in den nek genomen,

Hij wordt geslingerd met geweld,

En hoort,—voorbeeldeloos ontsteld,—

Zijn vele zonden opgeteld.

Hij smeekt, zoodat de gansche weî

Weêrgalmt van ’t roerend angstgeschrei:

„Genade! spaar mij! spaar mijn leven!”

„Wees stil dan,” antwoordt de ooievaar,

„’k Wil u een blijk van gunst nog geven,

Schoon gij die lang verbeurd hebt, maar

Doe dan ook, wat ik u gebied;

Versta me wel; want, doet ge ’t niet,

’k Ben met de bakkerskat bevrind,

Die heb ’k één woord maar in te fluist’ren,

Dan vreet ze u op, met vrouw en kind! [47]

Pas op dus; en, nu moet gij luist’ren:

Ik heb gemerkt, dat kleine Kris

Van jullie troep afkeerig is;

Hij wil dus niet meer met je leven;

Maar hij verlangt, dat hem de jas,

Die vroeger steeds zijn slaapsteê was,—

Zijn eigendom,—word’ weêrgegeven.”

„Maar,” roept de muis, „dat is te dol!

Die jas kan nooit door ’t gat van ’t hol.”

„Wanneer ’t niet kan in zijn geheel,

Dan maar bij stukken, deel voor deel.

Zijn eigendom moet hij bekomen,

’t Zij, dat je ’t spijtig geeft of graag;

Krijg ik je nog eens bij den kraag,

Dan kun je ’t allerergste schromen.”

Nu laat hij dan den zondaar gaan,

En vliegt terug.—En op den weg

Komt wand’lend onze bakker aan.

En, hoor! uit boom en struik en heg

Weêrklinkt der voog’len luid geschal:

„Kijk! Kijk! daar loopt hij! Kijk! hij zal

Ons Fieken zich ter vrouw gaan vragen;

Hoe durft zoo’n leelijkerd het wagen?

Zoo’n bleeke gistklomp! Is hij mal?

Ons Fieken te streelen,

Van liefde te kweelen,

Met lonkjes te spelen,—

Wat haalt hij toch uit?

Zij wordt niemand anders dan Hanne tot bruid!”

„En de onze! roept de koekoek luid;

Terwijl de duif zich hooren doet:

„Kous op den kop! Kous op den kop!

Dat is het, wat hij hebben moet!”

De bakker geeft geen acht daarop,

En verder loopt hij;—naar Gallin;

Naar Fieken’s ouders. Hij wil zien,

Of hij die niet bepraten kan.

Hij vindt vrouw Smidt alleen; haar man

Is uit; hij doet heel mooi zijn woord,

Een woord dat zij met vreugde hoort,

Terwijl zij nu en dan eens zegt:

„O ja!”—„Natuurlijk!”—„Dat is recht,”

Ook voegde ze er bescheiden bij:

Haar Fiek was goed; haar man en zij,

Ze hadden dat altijd gezeid:

En, leed zij aan neêrslachtigheid,

Nu, in de laatste dagen,—dat

Kwam zeker dat de gansche zaak

Voor haar iets vreemds, iets treffends had.

„Maar ziet ge? als ik er werk van maak,”

Zoo ging ze voort, „dan zal ’t wel gaan;

Ziedaar, ik bied terstond mij aan,

Om u naar huis te vergezellen;

En dan zal ik ’t haar wel vertellen.”—

Zoo deed zij nu ook, en begon,

Wat voor den bakker pleiten kon,

Bij Fiek wijdloopig uit te meten:

Hij was in goeden doen gezeten;

Had huis en hof, veel goed en geld;

Al, waar haar hart op was gesteld,

Dat kon ze hebben; bovendien

Kon ze ook haar ouders hulpe biên,

Dat die eens op hun hooge jaren

Ook veilig en geborgen waren.—

Maar Fiek zei: „Vraag niet, of ik wil;

Ik kan niet.” En zij weende stil.

„Wat?” riep nu driftig en verstoord

Haar moeder;—„Heb ik wèl gehoord?

Je kunt niet; ’k heb ’t wel eens gegist,

Of jij ’t niet met een ander wist;

Ik heb ’t je vader ook gezegd.”

„Neen moeder! neen! dat is niet recht!

Maar, ’k weet niet”—en daar vloog meteen

Een rilling door haar leden heen,—

„’k Ben bang, ik gril voor dezen man;

Neen, moeder! neen! geloof me! ik kan

Uw zin niet volgen; neen! hij heeft

Voor mij iets, waar mijn hart van beeft.”

En weder houdt haar moeder aan,

En geeft haar weder te verstaan,

Dat zij dan toch voor haar en vader,—

Wie had zij op de wereld nader?—

Een steun kon zijn, hun oudermin

Vergelden kon: die kinderzin

Hield toch ook altijd zegen in,

En Fieken liet met bleeke lippen,

En zonder zucht en zonder traan,

Kalm, maar toch innig aangedaan,

Zich dit als laatste woord ontglippen:

„Als vader ’t óók wil, neem ik ’t aan—

Nu moet vrouw Smidt dus huiswaarts gaan,

Zij gaat; zij ziet een buurvrouw loopen;

En ’t zwijgen wordt haar vrees’lijk zwaar;

Te zwaar, te zwaar;—haar mond moet open;

Ze zei: ’t lag aan haar man nog maar,

En dan kon Fiek den bakker krijgen;

Doch ’t beste was, vooreerst te zwijgen.—

Maar, nauw komt Smidt daarginder aan,

Om van zijn werk naar huis te gaan,

Of hem vertelt de gansche straat,

Dat zijne Fiek op trouwen staat;

En meester Zuur houdt ook hem staande,

En spreekt heel deftig: „Mij aangaande,

Ik hoorde met genoegen, heden,

Dat Fiek in ’t huw’lijk zal gaan treden.

Heb ik ’t niet immer u gezegd?

Die deern komt nog eens goed terecht.

De bakker is een deftig man,

En die het heel goed stellen kan;

En als nu de bedrevenheid

Van Fiek nog wat wordt uitgebreid

In zaken van het huisbeleid,

Wat groeit er dan een vrouwtje van!

In waarheid, ’k geef er, voor mijn part,

Mijn zegen op, met heel mijn hart.”

„’t Is nog zoo ver niet,” is nu ’t woord

Van Smidt; hij loopt verdrietig voort,

En treedt zijn need’rig stulpjen in.

Zijn vrouw maakt daad’lijk een begin

Met heel de zaak hem voor te stellen,

Van Fiekens onwil te vertellen,

En zoo al voort. Hij hoort er naar,

Maar antwoordt niet. En, als hij daar

Gezeten heeft een heele poos,

Zoo min of meer besluiteloos,

Dan zet hij, zonder iets te zeggen,

Voor deur, op zijne bank, zich neêr,

Om nog eens weêr, en nog eens weêr,

Goed met zich zelven te overleggen.—

Dicht bij hem was een troepje saâm

Van kind’ren,—allen nog maar klein,—

Zijn Lodewijk, en Riekje en Hein,

En Gustaaf Schult en Jochem Frahm;

Die praatten, zooals kind’ren.

„Wij eten morgen ’t gele hoen,”

Zei Jochem, vol van hoovaardij; [48]

„Dat mooie gele!—en gort er bij!”

„Wij niet;—aardappels eten wij,”

Zei Heintje Smidt, „als ied’ren dag.”

„Ja,” zei toen Gustaaf, met gezag,

„Jijlui bent arm; en dus, dat moet;

Maar wij doen ons aan worst te goed.”

„Jawel,” hernam de kleine Riek,

„Maar als mijn groote zuster, Fiek,

Getrouwd is, zijn wij uit den nood;

Dan eten we altijd krentenbrood.”

„Krijg ik dan ook een stukje er van?”

Vraagt Jochem. „Neen!” zegt Heintje, „dan

Pas ik wel op, dat ’k jou niet roep;

Jij geeft ons ook geen kippensoep.”

„Ja! krentenbrood!” roept Lodewijk,

„Dat’s dan voor ons; dan zijn wij rijk!”

En Smidt, die dat heeft aangehoord.

Staat op, en spreekt het somber woord:

„Dat brood, waarnaar die kleinen snakken,

Daar zijn dan tranen in gebakken;

De tranen van mijn liefste kind!”

Hij gaat naar binnen. Weêr begint

Zijn vrouw de zaak hem aan te preeken,

Maar hoort dan ’t antwoord, streng en hard:

„’k Wil daar niet meer van hooren spreken;

Heb jij geen deernis met haar smart?

Wil jij aan eigen vleesch en bloed

Je zoo bezondigen? En moet

Haar onheil ons tot heil verstrekken?

Neen! uit dien dienst zal zij vertrekken.

’k Wil niets meer van dat huw’lijk weten;

’k Begeer geen brood der zonde te eten.”—

En Smidt, toen de and’re dag verscheen,

Ging stadwaarts, naar den bakker, heen,

En zei hem toen rondborstig aan,

Dat Fieken uit zijn dienst zou gaan;

Op Maartensdag. De groote reden,

Zoo voegde hij beleefd er bij,

Was enkel en alleen, dat zij

Maar niet besluiten kon te treden

In ’t voorstel, haar door hem gedaan;

Doch, zag de bakker liever heden

Haar heengaan,—zij kon met hem gaan.

„Neen!” zei de bakker, „vóór den tijd

Ben ’k liever hare hulp niet kwijt.”

Toen wendde hij met wrok en spijt

Zich af, en vlammen schoot zijn oog;

Terwijl hij voor zich henen spoog,

Alsof hij gif had ingeslikt.

En nog eens ommeziende, blikt

Hij vol haat naar Fieken’s vader,

En bromt: „Wacht, vrind! jou spreek ik nader.”

Smidt troost nu zijne Fiek; en, o!

Wat hij haar zegt, verruimt haar zoo;

Zijn harde hand, met eelt bedekt,

Is nu zoo zacht, als ooit voor dezen,

Nu zij haar harte komt genezen,

Doordien zij uit dat harte trekt

Den splinter, die haar zoo deed lijden;

En bron van ’t allergrootst verblijden

Is haar de boodschap, dat zij al

Op Maartensdag vertrekken zal.

Een vreugdevuur, niet uit te blusschen,

Rijst bij dat woord in haar gemoed;

Zij had den man,—wat was hij goed!—

Wel hand en voeten willen kussen.

Nu laat haar vader haar alleen;

Zij snelt naar haar vertrekje heen,

En zendt, voor d’omkeer in haar lot,

Een hart’lijk dankgebed tot God.

En Krisje springt haar op den rug,

Zoo blij, zoo dartel en zoo vlug,

Als was hij ook om haar verheugd,

Als deelde hij in hare vreugd.

„Ja!” sprak ze, „spoedig is ’t gedaan,

Lief diertje! en jij zult met me gaan;

Dan is het toch voorbij, Goddank!

Met onze moeite en ons verdriet.”—

Zij keert zich om. Maar nu,— —daar ziet

Ze iets liggen, daar, op deze plank;— —

Een lap;—bruin goed;—’t is laken;—maar

’t Behoort haar niet;—hoe komt dat daar?

’t Is vrucht’loos, dat ze raadt en gist;

Maar, wegdoen, daar heeft niemand aan;

Ze werpt den lap dus in haar kist.

Doch nauw’lijks is zij opgestaan,

Den and’ren morgen vroeg, of daar

Ligt weêr zoo’n lap;—’t is wonderbaar!

Zij neemt hem met zich, laat hem zien,

Maar niemand weet te zeggen, wien

Dat ding behoort. De bakker spot,

Vol bitterheid: „Wel, vuile tod!

Mij dunkt, een prul, als dit is, moet

Behooren bij jou eigen goed:

Bij zulk een tod past zulk een vod.”

Zij hoort dat, zonder iets te zeggen,

En gaat dien lap bij d’and’re leggen.

Maar bijna ied’ren morgen vond

Zij zulke lappen op den grond.

Zij legde, zonder meer te spreken,

Ze bij elkaâr: zij kon er wat

Van maken, als ze er veel van had,

Al was het maar een lappendeken.

[Inhoud]

23.

De kleine, lieve nachtegaal

Heeft in de tuinhaag veel gezongen,

En bij dien zang is menigmaal

Iets zoets in Fieken’s hart gedrongen.

Maar nu is weêr de trektijd daar,

En spreekt hij tot den ooievaar:

„Vaarwel! deez’ late tijd in ’t jaar

Is koud; vaarwel, mijn vriend! ik ga

Naar ’t warme land van Afrika!”

„Ik kom u eerstdaags achterna,”

Is ’t antwoord;—„’k vind geen adders meer,

Geen kikkers ook; en, keer op keer

Met muizenvleesch mijn maal te doen,

Dat brengt mijn maag uit haar fatsoen.

Vaarwel! Maar welke weg zal ’t zijn,

Dien ge uitgaat?—„Ik ga langs den Rijn.”—

„Zoo doe ik ook; dat komt heel goed;

’k Denk, dat ’k u daar nog wel ontmoet.”

De nachtegaal vliegt op, en trekt

Al verder, over land en meer;

En als hij ’t Rijnland heeft ontdekt,

Strijkt hij een weinig lager neêr,

En ziet daar twee gezellen wand’len,—

Een mets’laar en een snijder was ’t;—

Nieuwsgierig is de kleine gast,

En wat die beiden daar verhand’len,

Dat wil hij weten. „Neen!” zegt de een,

„’k Zeg, dat hij ’t niet gedaan heeft; neen!

’k Mag beed’len, al mijn levensdagen,

Als hij zoozeer zich kon verlagen.”— [49]

„Wie niet gedaan? Wat niet? zoo sprak

De nachtegaal in stilte, en vloog

Al luist’rend meê, van tak tot tak.—

„Al werd mijn bochel eens zoo hoog!”

Zei toen de snijder, gansch in gloed:

„Ook ik hou vol: in zoo’n gemoed

Als dat van onzen Hanne Snoet

Wordt nooit een moordplan uitgebroed.”—

„Wat is dat hier? Versta ik ’t goed?”

Denkt nu de nachtegaal, ontsteld;

„Een moordgeschiedenis! En geldt

Dat Hanne? Maar hoe kan ’t bestaan?”

Maar nu,—daar komt een rijtuig aan;

Een aardig vrouwtje, knap en frisch,

En met twee oogen vol van geest,

Zit op de bank daarin. Zij is

Eens Hanne’s meesteres geweest.

Zij houdt bij de gezellen stil,

Daar ze ook iets naders weten wil,

En vraagt hun: „Spreekt gij niet van Snoet?

Dat meen ik wel. Kon ’t u behagen.

Zoo komt dan bij mij in den wagen,

Als gij denzelfden weg op moet.”

En door vertellen en door vragen,

Blijkt nu weldra, dat alle drie

Van Hanne gaan getuigen, die

Weêr voor zal komen,—„Neen!” zegt zij,

Wat mij de krant ook late lezen,

Hij is het niet; hij kan ’t niet wezen;

Hij was zoo trouw; zoo goed was hij!

’k Wil huis en goed en smederij

En alles daar wel om verwedden;

Maar, ’k moet den Mekklenburger redden!”

En toen zij zoo dan, verder door,

Den weg op reden samen,—hoor!

Daar trof op eens een lied hun oor,

De nachtegaal verhief dat lied;

Maar ’t was zijn lenteliedje niet,

Dat voor een mensch een blij verschiet

Van levenslust en liefde ontsluit;

Hij haalde een and’ren zangtoon uit;

Een echo was het, zacht en teêr,

Die vroeg’re dagen nog eens weêr

Terug deed komen voor den geest;

„Hoor, vrouwtje lief! ik ben ’t geweest,

Die Hanne van u, door mijn zang,

Verwijderde; o! toen was ’t u bang;

Toen viel uw lot u vrees’lijk zwaar;

Maar toch was ’t goed zoo;—is ’t niet waar

Dat werd u later immers klaar,

Dat hij niet blijven mocht bij u.

De booze stond is weggedreven,

Die anders onheil had gegeven;

En zoo is ’t beter toch; want nu,

Nu drong de reine menschenmin

U zacht, maar diep ten boezem in;—

God zegene u! Nu is het goed.

God zeeg’ne u, om uw rein gemoed!”— —

Nu vliegt hij verder, en hij ziet

Den spreeuw. „Goên avond! Kunt gij niet

Mij zeggen, wat hier is geschied?”

Zoo vraagt hij dezen. Die vertelt,

Wat door zijn oom hem is gemeld,

En wat de menschen zoo al zeggen.

„’k Denk, dat op morgen de ooievaar

Wel hier zal zijn; ’t is ’t beste maar,

Dan met uw oom eens te overleggen,”—

Zoo spreekt de nachtegaal; „dan kan— —”

„Ja,” valt de spreeuw nu in, „maar, man!

Mijn oom moet willen; dikwijls wil

Hij zich niet uiten; houdt zich stil,

Of heeft de zonderlinge gril,

Van met der menschen taal te praten.

Maar, kom! de plek is mij bekend,

Waarheen hij dag aan dag zich wendt;

’t Kan zijn, dat hij zich uit wil laten.”

Zij gaan dan. In een nauwe gang,

Vlak naast de kamer der jodin,

Daar zit hij, mat en dof van zin.

Hij ziet hen komen; droef en bang

Blikt hij hen aan, terwijl hij stil

Zich aan hun oog onttrekken wil.

Maar als zijn neef vol vriend’lijkheid

Hem toespreekt en hem streelt en vleit,

En hij dus niet wel zwijgen kan,

Vertelt het oude beest hun dan:

De vrouw, ja, leefde nog, maar had

’t Verstand verloren, en zij zat

Steeds met haar handen om te woelen,

En àl maar op de plek te voelen,

Waar eens een halve gouden ring

Haar op den blooten boezem hing;

Die ring, al jaren daar verscholen,

Was door den moord’naar haar ontstolen.

Zoo sprak hij, en daartusschen in

Wierp hij gedurig dezen zin,—

Wild, of hij zelf verbijsterd waar:—

„Vloek! driemaal vloek den moordenaar!”

Terwijl nu zoo de spreeuw vertelt,

Is ’t jonge vrouwtje, vergezeld

Van snijder en van metselaar,

Ook in die buurt gekomen, daar,

Zij zijn bij Hanne’s baas en staan

Met hem in ’t voorhuis bij elkaâr.

Een mansgestalte komt daar aan,

Vervallen, mager, arm en naar.

Hij strompelt langzaam voort; hij strijkt

Langs ’t huisje der jodin en kijkt

In ’t rond, of hem ook iemand ziet.—

Een drang, die hem geen vrede liet,

Dreef telkens naar de plek hem heen,

Alwaar de gruwel was geschied;

En toch, het was hem, of er een

Daar telkens dreigend hem verscheen,

En toeriep: „Gij ontkomt mij niet!”—

Hij staat en staart, gejaagd en bang,

Het venster in.—„De moord! De moord!”

Zoo wordt op schrillen toon gehoord,

Van achter uit de nauwe gang.

Dat is die stem, dat is dat woord!

Dat joeg hem in dien nacht ook voort,

Toen hij zijn gruwel had verricht.

Hij staat, alsof een bliksemschicht

Hem raak’lings is voorbijgegaan;

Hij strekt de handen voor zich heen,

En roept: „Wat wilt gij? Laat toch staan

’k Nam niets u af,—dan dit alleen.”

Nu klinkt iets tegen ’t venster aan,

En dan op straat iets, op een steen.

„Neem weg! Neem weg! Meer heb ik niet!”

Zoo gilt hij angstig, en hij schiet

Terug,—verwild’ring op ’t gelaat,—

En ijlt dan door de stille straat,

Terwijl hij steeds nog ’t krijschen hoort:

„Vloek! Driemaal vloek! De moord! De moord!”—

Het viertal staat een heele poos

Bewegingloos en ademloos,

Tot eindelijk de snijder zegt: [50]

Hij is ’t,— —de booze, dronken knecht!

Hij is de dader!”—En zij komen

Nu aanstonds alle vier naar buiten,

Ze hebben, alle vier, vernomen,

Dat daar iets rinkelde op de ruiten,

En zoeken samen ijvr’ig rond,

„Hier ergens viel het op den grond.”

Ja! zie! het jonge weêuwtje vindt

Een halven vingerring van goud,

Gebonden aan een zijden lint.

En als zij ’t in de hoogte houdt,

Dat lint, waar deze ring aan hing,

Dan kijkt van uit de gang daarop

De nachtegaal, en schudt zijn kop,

En zegt: „’t Is vreemd! Een halve ring!

En kleine Kris heeft net zoo’n ding.

Wat kan daar toch wel achter steken?

Nu, eerstdaags komt hier Langbeen aan;

Dien moet ik daar eens over spreken.

Dag, oom! dag spreeuw!—’k moet verder gaan.”

Hij vliegt in ’t bosch, en zegt: „Goddank!

Hier is geen jammer en—geen stank!

De stad zou nooit een woonplaats zijn,

Geschikt voor mij en mijns gelijken.”— —

De week daarop, komt aan den Rijn

Heer Langbeen werk’lijk nederstrijken.

De nachtegaal had hem zien zweven,

Hem en de zwaluw; en hij had

Geroepen: „Wacht jelui eens even!

Wacht even! Ik geloof haast, dat

Gij zonder mij op reis zoudt gaan!”

En toen was de ooievaar gedaald.

De nachtegaal alzoo verhaalt

Hem alles, van ’t begin af aan,

Wat daar in ’t huisje der jodin

Gebeurd is; en hij vlecht er in,

Dat juist den laatstverloopen nacht

De smid in hecht’nis is gebracht,

Maar dat hij alles loochent, wat

Men hem ten laste legt, en dat

Men daardoor, tot nog toe, geen vat

Op hem kon krijgen;—voorts nog dit,

Dat Hanne ook nog gevangen zit,

En dat de spreeuw, op gist’ren nog,

Bij hem door ’t venster had gestaard;

Dat hij erg was verbleekt, maar toch

Er rustig uitzag en bedaard.

En nu besluit de nachtegaal

Met deze vraag zijn lang verhaal;

„Wat nu te doen?”—„Een naar geval!”

Zegt de and’re; „ik moet me zeer bedroeven

Om Hanne; hij zou hulp behoeven;

Dat voel ik wel; maar met dat al,

Ik kan hier toch niet langer toeven:

Geen kikker springt hier op of neêr;

Voor jou is ’t ook de tijd niet meer.

Maar, wacht,—de zwaluw! Kom eens hier,

Jij, zwaluw! ’t Is me een groot plezier,

Wanneer je met ons op den duur

Wilt reizen; maar voor jou is ’t niet

Noodzaak’lijk, zie je? de natuur

Verleende jou bijzond’re gaven:

Jij kruipt in ’t najaar maar in ’t riet,

Jij kunt je zelfs in ’t slijk begraven,

En,—naakt het schoone jaargetij,

Dan kom je gansch en al weêr bij.

Vlieg jij nu naar de bakkerij,

Groet Jochem vriendelijk van mij,

Vertel hem van den halven ring.

En zeg hem, dat het net zoo’n ding,

Precies zóó, als dat andere is,

Dat in ’t bezit is van zijn Kris.

Zeg ook, dat als dáár iets geschiedt,

Hij van hetgeen ’k hem zeggen liet,

Dan altijd naar bevind van zaken,

En met verstand gebruik moet maken;

Zeg tevens, dat ik hem gebied,

Geen handen in den schoot te leggen:

Waarbij gij eind’lijk nog kunt zeggen,

Dat ’k hier ter plaatse drie vertrouwden,

Specht, mees en d’ouden spreeuw er bij,

Een oogje zal in ’t zeil doen houden,

Opdat ons niets te wijten zij.

[Inhoud]

24.

De zwaluw ijlt met haren last

Naar Jochem. Die gaat juist te gast

In ’t oogstveld. Op een schoof gezeten,

Is hij met smaak en lust aan ’t eten.

Hij luistert stil met vollen krop,

En schudt zoo nu en dan zijn kop,

Totdat zij alles heeft verteld.

Maar dan, dan wordt hij boos en scheldt:

„Zoo’n domkop! Zich te laten pakken,

En achter ’t slot te laten plakken!

’t Is om te springen uit je vel!

Ik heb van deze zaak al wèl.

En denkt die ooievaar, dat ik

Niets heb te doen, dan zulke zaken,

Die krom zijn, weder recht te maken?

’k Ben met die taak niet in mijn schik.

Elk heeft genoeg aan eigen nood:

’k Bracht twee dozijntjes kind’ren groot,

Dit jaar; en daarbij maakt ook Lot

Mij met haar drukte ’t hoofd nog zot;

Ik moet gestaâg op Fieken letten,

En naar den bakker zien, daarbij;

Zie! zooveel wenschen, zooveel wetten,

Vermoeien en vervelen mij.”

Terwijl ze zoo nog spreken, zien

Zij iemand naad’ren. Wie zou ’t wezen?

De bakker. Hij gaat naar Gallin.

IJskoude blijdschap is te lezen

Op ’t leelijk bol en bleek gezicht,

Gelijk die op het wezen ligt

Des winters, als zijn hand het groen

Vernielt van veld en van plantsoen.

„’k Zie wel, daar broeit een onheil,” spreekt

Nu Jochem; „ga eens met mij meê;

’k Wil weten, wat daarachter steekt.”

En aanstonds volgen hem die twee.

De bakker komt in ’t dorp. Hij doet

Smidt’s huis niet aan, maar vraagt naar Snoet.

En Snoet komt uit zijn smederij.

De bakker maakt nu een begin,

En leidt, wat hij wil zeggen, in,

En heeft daar heel veel omhaal bij:

Hij kwam belangeloos, maar dacht,

Niet goed was ’t, dat hier werd gezwegen;

Hij had vandaag een brief gekregen,

Die hem een droeve tijding bracht;

Een brief uit Keulen, aan den Rijn,

Van zijnen broeder, die aldaar

Verblijf hield: en die schreef: ’t scheen waar,

Ja! ’t scheen maar al te waar te zijn, [51]

Dat daar iets aak’ligs was geschied.

„O God! wat is ’t? Is Hanne krank?”

Roept moeder Snoet. „Neen, neen! dat niet.”

„O zoo! Dat niet! Nu, God zij dank!

Ik dacht aan erge tijding; en— — —”

Ja! ’t is ook erg; daar kunt ge op aan;

’t Is de ergste tijding, die ik ken;

Want wat uw jongen heeft gedaan,

Komt vast op ’t leven hem te staan.”

„Heer in den Hemel! spreek toch man!

Wat is er dan? Wat deed hij dan?”

Zoo roept zij uit, terwijl de schrik

Door ’t hart haar spookt en door den blik.

„O God! mijn kind!” Zoo gilt zij weêr,

En zakt daarbij doodsbleek ter neêr

In haren stoel.—„Maar, spreekt toch voort!”

Zoo roept nu Snoet den bakker toe,

Die daarop antwoordt, woord voor woord,

Opdat het goed zijn werking doe:

„Welnu,—uw zoon,—die zit,—voor moord.”—

De moeder slaakt een kreet van smart,

En krimpt en kromt zich als een worm;

En vader zwijgt, maar in zijn hart

Ontwaakt een woedend-felle storm:

Hij kijkt den vent strak in ’t gezicht,

Waarop, nu hij er goed in ziet,

Eene, o! zoo helsche vreugde ligt,

Die als een vlam hem tegenschiet.

Nu vliegt hij op, en schreeuwt: „Gij zijt,

Gij zelf, al eens om moord gevat,

Maar Satan heeft je toen bevrijd;

En moet ik nu van jou hier dát

Vernemen, wat mijn kind bekladt,

En voor mijn arme, brave vrouw

En doodsteek is?—Er uit met jou!”

En, als dat woord zijn mond verlaat,

Smijt hij d’ellend’ling op de straat,

Nu troost hij zijne vrouw en zegt:

„Bedaar, bedaar! we doen niet recht

Met aan dien kerel ons te storen;

’t Zijn leugens, die hij ons deed hooren;

We moesten voor ons kind ons schamen,

Als we iets er van voor waarheid namen.”

Zoo spreekt hij met zijn vrouw in d’ arm.

Intusschen komt er groot alarm

Voor ’t huis: de bakker is verwoed;

En zijn onstuimig schelden doet

De dorpsjeugd om hem henen staan,

Veel vrouwen ook de straat op gaan,

Nieuwsgierig, wat daar zal gebeuren,

Terwijl de mans het gadeslaan,

Uitkijkend over de onderdeuren.

Juist komt ook vader Smidt daar aan;

Hij komt, van zijne vrouw verzeld,

Terug van d’ arbeid op het veld;

En gaat, door dat rumoer voorbij,

Zich niet bekreunend, wat het zij.

Maar zijne weêrhelft is zoo niet;

Die vraagt: „Wat is hier toch geschied?”

Waarop de bakker een verhaal

Haar doet, doorspekt met vloekentaal,

Dat haar doet roepen: „Hoor je dit?

Man! Kind’ren! Hanne Nüte zit!”

„Och, babbelpraat!” bromt vader Smidt.

Toch komt de gansche buurt bijéén,

En dringt zich om den bakker heen,

En vraagt: „Hij zit?—Waarom?—Hoe dan?

Een moord’naar? Hij? Johan?—Johan!”

En ieder zegt, dat dit niet kan.

„Hij liegt!” zegt Doortje Bung, „die vent!

De jongen staat voor knap bekend.”

„Hij liegt!” roept ook de wever Frahm;

„Hij liegt!” zoo roepen ze al te zaâm.

En spoedig gaat, van mond tot mond,

Het somber, dof gemompel rond:

Een moord? Er was, voor jaar en dag,

Een moord gepleegd; en goed zou ’t wezen,

Als elk maar op zich zelven zag;

En wie dat stuk beging, voor dezen,

Die zou ’t voor zich wel weten;—maar

Geen uit hun dorp was tot zoo’n daad

Van duiv’lenlaagheid ooit in staat;

Geen uit hun dorp was moordenaar.—

De bakker beeft van angst en schrik.

En in dienzelfden oogenblik

Verheft Kris Snoer,—een jong soldaat,

Maar met verlof terug,—zijn stem:

„Weg met dien kerel! Weg met hem!”

De hartstocht klimt, en bijna slaat

De troep tot daad’lijkheden over.

Maar zie! van achter ’t kerkhofloover

Kwam kalm en stil een grijsaard aan,

Wiens komst schier allen fluist’ren deê:

„Stil, jongens! stil! de dominé!”

En hij bleef voor die schare staan,

En vroeg: „Wat brengt u hier zoo saâm?”

Toen trad vooruit de wever Frahm,

En sprak: „Een woord van dezen man,

Maar dat geen waarheid wezen kan.”

En hij vertelde kort en ras

Wat tijding daar van Hanne was.

En de oude man keek stil naar de aarde,

En hoorde zwijgend naar ’t bericht;

En toen hij in de hoogte staarde,

Toen lag er op zijn aangezicht

Een waas van droefheid uitgespreid,

Als had hij zelf een kind verloren,

En hij hervatte: „Wilt mij hooren!

Geen leugens heeft die man verbreid;

Laat hem met rust, want hij heeft recht:

Johan zit werk’lijk in den kerker.

En wordt beschuldigd, als bewerker

Van daden,—God! zoo gruw’lijk slecht!

’t Is van ’t gerecht mij aangezegd.

Toch zij het ver, zeer ver van mij,

Dat ik hem schuldig keure; hij

Was mij bekend reeds in zijn jeugd;

’k Heb toen, en later, mij verheugd

In zijn zoo braaf en rein gemoed;

En ’k meen, dat wie zóó is, zóó goed,

Niet eensklaps zulk een misdaad doet;

En,—ligt de waarheid nog in ’t duister,

Eens treedt zij op in al haar luister.

Maar gaat nu huiswaarts, kind’ren! gaat!

En bidt God, als gij voor Hem staat,

In ’t heiligdom der eenzaamheid,

Dat Hij dien ouders troost bereid’,

Door hen van angst en schrik te ontheffen;

Want, licht’lijk kunt gij dit beseffen:

Vooral die ouders lijden zwaar.”

Nu gaan ze zachtkens uit elkaâr.

Alleen vrouw Smidt gaat niet, want haar

Spreekt vriendelijk nog de grijsaard aan:

„Wilt gij met mij naar binnen gaan,

Bij Snoet? Want raadzaam dunkt het mij,

Dat vrouwenhulp aanwezig zij.”

Zoo doet zij nu; terwijl haar man,

Met al de diepe en reine smart [52]

Van ’t medelijden in het hart,

Zich neerzet voor het huis. Hij kan

Daar hooren wat er wordt gezegd.

In ’t eerst verstaat hij wel niet recht

Nog alles, wat de grijsaard spreekt;

Maar ’t wordt al klaarder. En nu breekt

De vrouw in jamm’rend weenen uit,

En roept met aak’lig klaaggeluid:

„Johan!—Arm kind!—Mijn zoon!—Johan!”

Vertroostend spreekt nu de oude man

Haar toe, maar, ach! haar zielewond

Gevoelt daar geen verzachting van;

Te diep, te heftig is haar smart:

Het troostwoord valt voorbij haar hart,

Gansch vrucht’loos op den kouden grond.

En als hij eind’lijk ronduit zegt,

Dat, door een schrijven van ’t gerecht,

Onloochenbaar en zeker is,

Dat Hanne zit in hechtenis,

Ontstaat in huis daar een gekrijt,

Dat Smidt het hart als openrijt.

Snoet zelf heeft zich nog niet geuit,

Maar barst nu los met kracht en luid:

„’t Is niet! Hij heeft het niet gedaan!

Mijn kind kan niet zoo’n daad begaan!

Mijn kind kan niet om geld of goed

Zijn hand bezoedelen met bloed;

En, welke rechters dat beweren,

En wat getuigen dat bezweren,

’k Zeg, dat het laster wezen moet!”

Hij gaat naar buiten en ziet rond,

Verward, of hij in vreemde streken,

En niet voor eigen smidse stond;

Treedt weêr naar binnen, zonder spreken,

En kijkt verbijsterd, laag en hoog

In ’t rond, als heeft hij iets verloren;

Daar valt zijn schootsvel hem in ’t oog;

Werktuig’lijk smijt hij langs zijne ooren

’t Ding achter zich.—„’t Is vuile logen!

’t Is logen, wat ze ook zeggen mogen!”

Nu treedt hij weêr naar ’t zwart fornuis

En roert in ’t smeulend kolengruis,

En spreekt: „Toe, jongen! maak wat voort!”—

Daar is geen jongen, die hem hoort.

Maar nu komt zachtkens Smidt naar binnen

En trekt den balg. En, stomp van zinnen,

Laat meester Snoet met woest geweld,

Waarbij de slag steeds wordt versneld,

Den hamer op het ijzer vallen;

Een stroom van vonken spat er uit,

En ’t zwaar en donderend geluid

Doet alles rink’len, dreunen, knallen;

Weêr legt hij ’t ijzer in het vuur,

En peinst en mijmert op den duur,

En leunt op zijne tang, en zegt:

„Hier was ’t; hier heb ik mijne handen

Hem zegenend op ’t hoofd gelegd.”

Weêr doet hij ’t vuur nog feller branden,

Weêr trekt hij ’t ijzer van den haard:

„’t Is logen!” roept hij, „niets dan logen!”

En weder wordt met wilde vaart

De hamer op en neêr bewogen,

Totdat den ouden man op ’t lest

Geen kracht meer in de spieren rest;

En hij inéén zijgt.—Bang te moê

Doet Smidt de deur een weinig toe,

En Snoet, diep, diep bewogen, slaat

Zich beide handen voor ’t gelaat,

En tranen bigg’len langs zijn koon.

„Mijn kind!—Johan!—Mijn kind!—Mijn zoon!—

Ach! ’k weet wel, dat het leugens zijn,

Maar toch,—o God! wat zielepijn!

Och! dat ik dit nog moest beleven!

Had God mij maar den dood gegeven!”

En Smidt, met sprakelooze smart

Diep in zijn trouw en eerlijk hart,

Kijkt voor zich neêr, en treedt dan aan,

Blijft naast den droeven vader staan,

En legt zijn hand, vereelt van binnen,

Hem op den schouder. „Houd uw zinnen

Bijéén! De waarheid zal het winnen!”—

„Die ure moge spoedig slaan!”

Zegt Snoet, die weêr is opgestaan;

En kalm veegt hij den laatsten traan

Zich uit het oog. „Weg met die tranen!”

Zoo roept hij; „neen! geen mensch mag wanen,

Dat ik kan twijf’len aan mijn kind.

Mijn kind is niet zoo boos gezind.

Mijn zoon! uw vader blijft u trouw!”

En nu, nu houdt hij op met weenen,

Maar mompelt somber voor zich henen:

„Och, lieve God! mijn oude vrouw!”

[Inhoud]

25.

Op ’t steenblok aan den groenen Rijn,

Bij Keulen, waar die joodsche vrouw

Placht neêr te zitten met haar rouw,

En waar, met bitt’re zielepijn,

Zij, onder zuchten en geklag,

Gedurig naar het oosten zag,—

Daar zit de spreeuw met mees en specht

Van avond samen. En nu zegt

De mees: „Zal ’t morgen uitspraak wezen?”

„Ja!” zegt de spreeuw, „en anders zou

’t Ook, naar mijn oom zegt, zijn te vreezen,

Dat bij de rechtbank de arme vrouw

Niets meer kon doen; haar kracht vliedt heen;

’t Mensch is niets meer dan vel en been;

En men begeert haar te vertoonen

Johan en dan den boozen knecht.”

„Dat zal de moeite toch niet loonen,”

Hervatten nu èn mees èn specht;

„Ze is zóó verward, dat, wat zij zegt,

Geen licht zal geven aan ’t gerecht.”

„Och!” zegt de spreeuw, „dat weet men niet;

Want somtijds is het wel geschied,

Dat men de zaak van lieverleê

Ontdekte en in het eind ’t geweten

Den moordenaar bekennen deê,

Wanneer hij zag, wat, naar ik meen,

Corpus delicti wordt geheeten.

„Neen!” spreekt de specht nu, „vrienden! neen.

Dat geeft niet; maar een duchtig pak

Van rottingslagen op het jak

Gaf zeker, dunkt mij, beter baat.”

De spreeuw hernam: Dat ’s malle praat;

Ze weten zonder dat wel raad.

Ik zal je zeggen, hoe ’k dit weet:

Een sierlijk lid van ons geslacht,—

Een, die kanarievogel heet,—

En aan een raadsheer toebehoort,

Wordt somtijds buitenshuis gebracht;

En ik had de eer, al menig woord

Met hem te wiss’len, als zijn tijd

Dat toeliet;—nu, die is heel gaar, [53]

Is, wat men noemt, van zessen klaar,

En goed in alles ingewijd.

En die zei mij: „De zaak komt uit;

Daar ben ’k moreel van overtuigd;—

Weet jullie wat moreel beduidt?—

Je zult het zien, de kerel buigt

Op morgen voor ’t ontwaakt geweten;

Johan heeft lang genoeg gezeten,

Maar nu is dan toch ook in ’t end

De zaak in ’t stadium getreden,—

Is jullie soms de zin bekend

Van stadium?—„Neen! spreekt de specht.

„Die advocaten-fraaiigheden,

Daar kan ik gansch niet meê terecht.”

„Wel, stadium en dan moreel,

Bij overtuiging, zegt zooveel,

Als dat de zaak zoo goed als klaar is,”

Herneemt de spreeuw; „en als dat waar is,

En alles neemt een goeden keer,

Dan heeft Johan zijn vrijheid weêr.”—

„Maar, stel eens even, dat die vent

Halsstarrig blijft en niet bekent.”—

„Och, wat! ze zullen ’t hem wel leeren.”—

„Maar, als ’t niet lukt?”—„Ja, zie je, dan—

Dan zullen wij ons moeten weren;

Want als we ’t niet doen, aan Johan

Geen bijstand biên, en de ooievaar

Krijgt daar, in ’t voorjaar, kennis van,

Hij vreet ons op met huid en haar.

Maar, ’k moet toch nog met oom eens spreken.”—

„Kom, wat zal die? Het is gebleken,

Dat hij half gek is; laat hem maar

Met rust, hem, met zijn vreemde streken.”

En hiermeê gaan zij van elkaâr.—

Den and’ren morgen staat Johan

Voor zijne rechters. Heel een drom

Van menschen staat geschaard rondom,

Zoo dicht gedrongen, als ’t maar kan,

Die naar de zaal zijn heengesneld,

Dewijl ’t hier iets bijzonders geldt,

Het leven van een jongen man.—

Er heerscht een stilte, dof en zwaar;

In ernstig zwijgen zitten daar

Al de gezwoor’nen naast elkaâr,

En voor hen zit de rechterschaar;

Iets plechtigs is er, of de baar

Eens dooden in gereedheid waar’.

En als dan de aanklacht wordt gelezen,

Bonst menig hart zoo angstig snel;

Ook harten, niet gewoon te vreezen,

Gevoelen d’ angst op heden wel.

Men vraagt Johan, of hij de daad

Bekent.—„Onschuldig!” zegt hij zacht;

En heel zijn houding teekent kracht

En ernst; hoewel zijn bleek gelaat

En droeve trek toch ook verraadt,

Dat hij de zwaarte van ’t gewicht

Gevoelt, dat op zijn schoud’ren ligt.

Maar als hij ziet, dat van die schaar

Alle oogen op hem zijn gericht,

Zegt hij nog eens, nu luid en klaar,

En met een blik vol hoogen gloed;

„Onschuldig ben ik aan dit bloed!”

En bij die woorden loopt terstond

Daar, onder ’t volk, ’t gefluister rond:

„Die niet! Die heeft het niet gedaan!”

En allen trok ’t verlangen aan,

Dat hij in vrijheid heen mocht gaan.—

Nu komen de getuigen; en

Het tweetal is ook onder hen,

Dat met hem reisde, hier en daar:

De snijder en de metselaar.

De mets’laar roept: „Het is niet waar!

Die hem beticht, is leugenaar;

Er mochten duizend moorden wezen,

Toch zou het wel niet zijn te vreezen,

Dat ooit of immer één er van

Gepleegd zou zijn door dezen man.

Ik ben geboortig van Malchin,

En ken zijne ouders te Gallin.”

De rechter houdt met vragen aan;

Vergeefs; de mets’laar blijft er bij:

„Hij deed het niet en hij moet vrij!”

De mets’laar kon naar buiten gaan.

Niet anders ging het, toen het woord

Daarop den snijder werd gegeven.

Hij moest verklaren, in wat oord

Hij met Johan had omgegaan,

Hoelang zij hier en elders bleven;

En wat door hen dan was gedaan;

Waarom? en hoe?—en zoo al voort.

„Ik weet,” zoo sprak de bult’naar toen,

„Dat hij het niet heeft kunnen doen;

Maar ’k weet ook even goed, wie wel

Het stuk bedreef; mijn vader zag

Den broeder van den smidsgezel

Eens onderweg, op zeek’ren dag”— —

„Houd stil!” riep hem de rechter toe,

„Geef op de vragen, die ik doe,

Uw antwoord, en niets meer. Waarheen

Zijt gij geweest te zaâm? En hoe?”

„Dat,” zei de snijder, „heeft, naar ’k meen,

Hier geen belang; maar van gewicht

Is ’t, dat die smid hier binnensta;

Dan zeg ik hem vlak in ’t gezicht,

Wie ’t moordstuk heeft bedreven,—ja!

Wie dat alleen heeft kunnen plegen.”

„Ik zeg nog eens: daarvan gezwegen!”

Zoo spreekt hem weêr de rechter aan;

„Alleen geantwoord op mijn vragen!”

Maar ja! dat kreeg hij niet gedaan.

„Johan heeft niet die vrouw verslagen!”

Zoo riep de snijder steeds, met kracht,—

Tot hij ook buiten werd gebracht.

Nu kwam, zeer bang en bleek en bevend,

Het weêuwtje binnen, en zij stond

Daar schaamrood, kijkend naar den grond,

En niet dan stott’rend antwoord gevend.

Zij moet verklaren, hoe en waar

Zij ’t eerst in kennis kwam met Snoet,

En wat en wie hij was voor haar.

Tot in het diepst van haar gemoed

Geeft deze naam een schok.—Zij zegt,

Al staam’lend: hij was bij haar knecht,

En diende haar steeds trouw en goed,

Zoo eerlijk steeds en zoo oprecht!—

Nu ziet zij op, maar al het bloed,

Dat haar door ’t warme hartje vloeit,

Stijgt naar omhoog; haar voorhoofd gloeit:

Daar staat Johan haar voor ’t gezicht,

Die ’t oog vol weemoed op haar richt.

Zij slaat haar blikken neêr, en vindt,

Bedeesd, bedremmeld als een kind,

Geen woorden meer. Zij had haar leven

Wel voor den jong’ling willen geven,

Maar voor hem spreken kan zij niet.

Wat men nog vraag’, zij hoort en ziet [54]

Alleen Johan, Johan alleen,

En in verwarring gaat zij heen.

Helaas! bij haar en zijn twee vrinden

Was weinig baat voor hem te vinden.—

Nu komt zijn baas, een ernstig man,

En rustig; en die antwoordt dan

Met kalmen toon op al de vragen:

Hoe zich Johan wel had gedragen;

Wat hij gezien had in die kamer;

Wat hij kon zeggen van dien hamer,

En wat hij zoo van alles wist.

„Ja, heeren! ja! zijn hamer is ’t”—

Dit woord zegt veel; en ieder hart,

Dat vóór hem klopte, beeft met smart

Terug, nu zich dat woord laat hooren;

Er is voor Hanne veel verloren.—

Zijn baas gaat voort: „Zijn hamer is ’t;

Maar die was reeds door hem gemist,

En ook gezocht, een dag te voren.

Dat zullen u al mijn gezellen,

Als gij het navraagt, ook vertellen.”

En nu die ’t werk’lijk ook verklaren,

Nu is het, of een zonnestraal

Komt glinst’ren in de duist’re zaal;

En fluist’rend gaat het door de scharen:

„Hij heeft het dan toch niet gedaan;

Neen, neen! hij heeft geen schuld er aan.”

En toen de rechter verder vroeg,

Of Hanne ook kennis daarvan droeg,

Hoe ’t met die oude was gesteld,

Dat zij veel goed bezat en geld,

Toen sprak zijn baas, maar ’t wou niet recht

Zijn keel uit: „Ja, dat wist hij wel;

Ik zelf had hem dat eens gezegd.”

En door de zaal loopt nu weêr snel

’t Gemompel rond: „Hij wist het!—Dan,—

Ja, dan kan ’t zijn; hij wist daarvan;—

En ’t geld trekt aan;—die arme jongen!”

En neêrgedrukt werd meen’ge ziel,

Die nog zoo even was doordrongen

Van vreugd. En, ach! zooals ’t nu viel,

Was ’t, of de taal juist van zijn vrinden

Hem vaster in het net moest winden,

Of ieder, die vóór hem wou spreken,

Zijn heil en hoop juist af moest breken.

Johan ziet sidd’rend reeds zijn graf,

Want ook de liefde valt hem af.

Maar, wild bruist in zijn jeugdig bloed

Het leven op;—zoo kan ’t niet enden!

En weder krijgt de hope gloed,—

Want nu kan alles zich nog wenden,—

Nu de oude vrouw wordt ingedragen.

Zij kent hem toch: haar kan men ’t vragen.—

Maar, ach! het mensch herkent hem niet,

Zij is verbijsterd en zij ziet

Met zwervend oog en ongewis

Rondom zich henen, waar zij is;

En zakt weêr moê op ’t leger neêr.

„Ik ben het! Kent gij mij niet meer?”

Zoo roept Johan. Haar maag’re hand

Gaat naar haar hals; zij zoekt den band,

En in verwarring en ontzind

Ontlaat zij ’t woord: „Mijn kind! Mijn kind!”

’t Verandert niet; de wolken blijven

Haar donker voor het zielsoog drijven,

En altijd zwarter, altijd dikker

Wordt steeds zijn wolk ook, waar ’t geflikker

Van bliksemen uit neder slaat.

Zijn harte bidt, zijn harte breekt;—

Er is geen God, die tot hem spreekt.

Ontroerd, in drift, onstuimig, laat

Hij zijn gedachten nog eens gaan

Langs de achter hem gelegen baan:

„Wil God mij dan het jonge leven

Nu reeds, nu reeds niet langer geven?

Mag mijne Fiek mij niet behooren?

Mijn liefde, en alles dan verloren!”

Maar, bij dat denken is het hem,

Als klinkt van verre nog een stem:

„Hou moed, hou moed, mijn zoon Johan!”

En ’t harte komt hem weêr in gloed,

En veêrkracht keert in zijn gemoed:—

„Volharden, ja! zoolang ’t maar kan!”

Zoo spreekt hij nu weêr tot zich zelven:

„Al moet ik ’t onderspit ook delven.”

Ja! moog’ dan alles hem verlaten,

Zijn oude moed keert in hem weêr;

Moog’ liefde of vriendschap hem niet baten,

Zinkt menschenmacht hier machtloos neer,—

Er is toch hulp bij God, den Heer!

De Heere God heeft duizend handen,

Waardoor Hij hem uit nood en banden

Kan redden. En, past in Gods plan

De liefde of vriendschap niet, nu, dàn

Kan ’t kwade zelf, ten top gestegen,

De bron nog zijn van heil en zegen.— —

De smidsgezel wordt voorgeleid,

En trotschheid en vermetelheid

Ligt op zijn aangezicht gespreid;

En welke vragen hij ook hoor,

Hij heeft er steeds een leugen voor,—

Den halven ring had hij van Snoet,

Op diens verlangen, aangenomen;

Hij had hem juist,—als iets maar moet!

Bij die Jodin toen uit zien komen;

En Snoet had hem gevraagd, of hij

Dat ding een poosje wou bewaren,

Maar stil voor zijne kameraads,

Om hem voor hunne plagerij

En voor hun dart’le scherts te sparen;

Ze hadden anders zooveel praats,

Wanneer zij wisten, dat hij ’t ding

Van de oude joodsche vrouw ontving.

Hij had dus ingewilligd, maar

Toen weldra Snoet als moordenaar

Genoemd werd, was hij na gaan denken;

Eerst had hij aan de somb’re faam

Nog geen vertrouwen willen schenken;

Maar toen de gansche stad den naam

Van Snoet bleef noemen,—zie! toen had

De schrik hem in de ziel gevat;

Die halve ring was in zijn handen,

Alsof hij gloeiend was, gaan branden;

En toen, schier zonder zelf te weten,

Waarheen hij vloog en wat hij deed,

Had hij den ring naar ’t raam gesmeten.

Toch was ’t een schuld,—die hij beleed,

En gaarn’ beleed,—van niet terstond

De zaak te hebben uitgebracht;

Maar dit was toch óók waar: hij vond

Daarvoor zijn straf reeds in den kerker;

En als de rechtbank nu bedacht,

Dat immers hij in den bewerker

Van ’t misdrijf eenen landgenoot,

Een vriend had, die hem broeder noemde,

Dan was zijn schuld toch minder groot,

Ofschoon hij haar niet gansch verbloemde,

En dan mocht hij vergeving hopen. [55]

Toen wendde hij zich tot Johan:

„Kom! doe uw oog eens helder open,

En kijk me eens in ’t gezicht; en dan,

Kom! neem dan maar een kloek besluit,

Beken het feit;—het komt toch uit;—

En als je ’t eerlijk hebt gezegd,

Gaat licht genade nog voor recht.”—

Nu loopt weêr ’t stil gefluister voort:

„Die kerel spreekt een dapper woord;

En, flink, dat hij zijn kameraad

Niet wou verklikken, schoon ’t hèm in schaadt.”—

En naar Johan ziet ieders blik,

Maar nu met afkeer en met schrik,

En ieder werpt, met wrang gevoel

En diep vergramd op hem den steen.

Alleen de rechters blijven koel;

En uit hun midden rijst er een

Op eenmaal van zijn plaats, en trekt

Het wijde laken weg, waardoor

De legersteê was overdekt;

Van de oude vrouw;—hij zet er voor

Den smidsgezel, en wijst op haar,

En vraagt: „Kent gij die oude, daar?”

Hij staart haar aan, en hij verschrikt,

Maar houdt zich goed nog en hij blikt

Weêr driest in ’t rond, en antwoordt dan:

„Ik ken haar niet: ’k weet niets er van.”

Hij drukt zijn nagels in zijn handen,

En knarst zijns ondanks met zijn tanden:

„Ik ben hier vreemdeling, hoe zou

Ik kennis hebben aan die vrouw?”—

„Zaagt gij haar voor de herberg niet,

Toen ze op de steenen lag, die oude?

En is het niet eenmaal geschied,

Dat zij voor u de handen vouwde,

U smeekend.”— —Bij die vragen liet

Hij op haar éénen blik weêr vallen,

En ’t was hem, of de zaal, met allen,

Die saâm daar waren, draaien ging;

Een bange huivering beving

Zijn hart, en ’t koude, klamme zweet

Stond op zijn voorhoofd. Maar hij deed

Nog ééne poging. „Satan! red

Mij ditmaal nog; er zijn hierbij

Toch geen getuigen tegen mij.”

Dat is zijn laag en vuil gebed.

En ééns nog geeft hem Satan moed,

En giet hem kracht weêr in het bloed.

En nu spreekt hij nog eenmaal weêr:

„Ik ken haar niet!” en heft zijn hand

Ten hoogen, tot den Hemelheer,

En roept met kracht: „Als ’k in dit land

Of ergens elders in mijn leven

Haar zag, mag God een teeken geven:

Ik zweer ’t bij God en bij Gods woord!”

En onbeschaamd ziet hij in ’t rond,

En eensklaps, op dienzelfden stond,

Wordt daar een rauwe stem gehoord:

„Den moord’naar vloek! De moord! De moord!”—

Den voet vooruit, als moest hij voort,

De handen uitgestrekt, of spoken

Verschenen, om hem te bestoken;

Verglaasd van oog, met stopp’lend haar

De lippen kramperig opéén,—

Zoo stond de lage booswicht daar,

Gelijk een aak’lig beeld van steen.

De bliksem was op hem geschoten,

Het rijk der dooden was ontsloten,

En handen zonder vleesch of huid

Verhieven zich, de graven uit,

En wenkten hem. Ontroerd, vervaard,

Heeft hij die stem nog in zijne ooren,

En,—Satan heeft zijn spel verloren:

De moord’naar zijgt verplet ter aard.

„Dat was die stem!” zoo bromt hij uit,

Terwijl zich nauw zijn mond ontsluit:

„Dat is ze! Ik weet, wat zij beduidt!

Laat af! ’k Wil tot bekentenis komen!

Ik heb ’t gedaan!—En ook heb ik

Dien Jood het levenslicht benomen.”—

Zoo was in éénen oogenblik

De waarheid schitterend gewroken;

En toen het somb’re woord van moord

Daar van dien vogel was gehoord,

Toen had de Heere God gesproken.

[Inhoud]

26.

Kris zit voor ’t venster, en hij praat

Heel levendig met zijn papa.

„Ja,” zegt hij opgetogen, „ja!

We zullen, als ’t niet tegenslaat,

Gelukkig hier vandaan gaan1, morgen,

En dan is ’t uit met onze zorgen

En nooden, en ons Fieken krijgt …”

Op eenmaal houdt hij op en zwijgt;

’t Is, of daar iemand komt;— —ja wel!

Hij luistert,—’t is zoo!—en heel snel

Vliegt hij van ’t raam af, en hij zet

Zich neder onder Fieken’s bed.

De deur gaat stil en zachtkens open

De bakker komt er ingeslopen.

Hij haalt met spoed een sleutel uit,

Waarmeê hij Fieken’s kist ontsluit;

Werpt iets, wat blinkt en klinkt, daarin,

Sluit weêr de kist, en bromt: „’t is klaar!

Heen wil je? Nu, je krijgt je zin:

Heentrekken zal je ook, zie je?—maar

Den weg zal ik je wijzen;—dáár,

Daarginds, in ’t raadhuis, is een plek,

Waar jij kunt zitten; een vertrek,

Waar stilte en tijd je wordt gegund,

En waar je dus bedenken kunt,

Waarom je mij dorst tegenstaan.”

Hij gaat, en als hij is gegaan,

Komt Kris weêr onder ’t bed vandaan,

En zegt: „Daar heb ’k geen hoogte van!

Wat heeft hij in die kist gesmeten?”

Zijn vader heeft een poos gezeten

Diep in gedachten, en geeft dan

Het antwoord: „’k Wil eens overleggen

Met moeder, wat die wel zal zeggen,

En of die dat verklaren kan,

Althans, er eenig licht in heeft,

Maar dit zeg ik: niet goed kan ’t wezen,

En ’t ergste is voor een elk te vreezen,

Wien Satan zilv’ren lepels geeft.”— —


De burgemeester is aan ’t werk.

Een groot pak acten is gekomen,

En „Keulen” staat er op, als merk, [56]

En als hij ’t heeft uitééngenomen,

Rolt òòk nog een klein pakje er uit.

Hij breekt het lak los, en ontsluit

’t Papier, en vindt een halven ring.

„Hé!” zegt hij, „wat beduidt dat ding?”

Nu neemt hij de acten en vangt aan

Met lezen; diepe frons’len trekken

Zich in zijn voorhoofd, en ze gaan

Al dieper en al vaster staan.

„Is ’t moog’lijk?” roept hij, „dáár te ontdekken,

Wat hier voor jaren is gedaan!”

En weder leest hij verder voort,

En spreekt: „’t Is vreemd! Na zooveel jaren!

En hier een moord en daar een moord!

En juist van hier de moordenaren!

Hij leest ten einde toe, en legt

De kin zich peinzend in de hand,

En denkt zich bijna stomp, en zegt:

„’t Is vreemd! Een wonderbaar verband!

Maar hoe is ’t moog’lijk?—Deze man,

Met wien ik,—hoe ongaarne dan,—

Zoo goed als daag’lijks zaken had,

De rijkste burger van de stad,—

Loopt die zoo lang reeds onvervaard

Hier rond, met zulk een schuld bezwaard?”

Er wordt geklopt.—„Doe open maar!”

De burgemeester ziet, verschrikt,

Dat daar de bakker is, en blikt

Hem aan, alsof ’t een adder waar’,

Die, eer hij ’t wist, reeds giftig beet;

En, blozend, of hij zelf misdeed,

Bedekte hij het actenpak

En stak den ring zich in den zak.—

„Wat wenscht gij?”—„Ja! ik heb een zaak,

Die ’k haast maar liever had gezwegen;

Maar, och! ze komt toch op de spraak,

Wat ’k doe of niet; wie kan daartegen?

Mijn meid gaat uit mijn dienst vertrekken,

En, bij een onderzoek, dat ’k deê,

Moest ’k tot mijn grooten schrik ontdekken.

Ik miste zilv’ren lepels,—twee.

Geef mij, als ’t kan, een dienaar meê,

En laat die in ’t geheim de hoeken

Van hare kleêrkist eens doorzoeken,

Daar in mij de overtuiging leeft,

Dat zij ze mij ontstolen heeft.”

Maar de achtb’re heer heeft zich hersteld:

„Vast! daar dient kennis van genomen,”

Zoo zegt hij; „maar ik zelf zal komen,

En van een raadsheer vergezeld.”— —

Nu, dat gebeurde. En toen ze kwamen,

Toen stonden Fiek en vader Smidt

Verlegen en ontsteld te zamen,

En dachten: „Wat hier achter zit,

Begrijp ik niet; hij heeft gezeid:

Niet heengaan!—en nu de overheid!”

Fiek ziet daarbij haar vader aan,

Zoo angstig en zoo vreemd te moê.

De burgemeester spreekt haar toe:

„Gij hebt uw kist al dichtgedaan,

Maar meisje! die moet nog eens open.”

„Mijn kist? Mijn kist? Maar ’k wil toch hopen,

Dat ik hier niet”— — —en daarop sloot

Zij zich aan vader, bleek van schrik,

En stond daar zoo een oogenblik,

Alsof de bliksem langs haar schoot.

„Wat nu?” zoo vaart haar vader uit,

„Ik weet niet, wat dat hier beduidt!

Wie geeft aan iemand hier het recht,

Om zulke midd’len aan te wenden?

Wie is er, die van haar wat zegt?

Wie is er, die haar naam durft schenden?”

De bakker kan wat in hem spookt,

’t Venijn, dat in hem bruist en kookt,

Niet meer bedwingen, en hij bijt

Den vader toe: „Kom, open maar!

Ik ben mijn zilv’ren lepels kwijt;

En, ’k weet heel goed, die zitten daar!”

„Wat! Lepels?” roept nu Smidt verwoed,

Met beurtelings koud en ziedend bloed.

„Hier, Fiek! je sleutel!” En hij trekt

Den sleutel uit haar zak. „Welaan!

Zoek nu dan maar, of je iets ontdekt,”

Zegt Smidt, en gaat bij ’t venster staan

Met Fiek, en kijkt dan door de ruiten,

Voor de uitkomst niet bevreesd, naar buiten.

En Jochem zit daar voor het glas,

in kijkt nieuwsgierig strak naar binnen,

En roept: „Kom, Krisje, hou je kras!

Nu zal jou groote taak beginnen;

Trek nu één lap eerst van de jas

De kamer in; is dat gemerkt,

Dan zorg je, dat je een tweede stuk

Van uit het hol naar buiten werkt.”—

Inmiddels is men nu al druk

Aan ’t zoeken, en men woelt en wroet

Het klein en schamel beetje goed

Al om en om.—De burgemeester

Ziet steeds den bakker in ’t gezicht

Bij deze hand’ling, en hij leest er

Een blijdschap op, die open ligt,

Ofschoon zij zich te mask’ren tracht.

Ook merkt hij, dat de bakker wacht,

Het oog steeds op één plek gericht.

En, ja! juist op die plek verscheen

Het zilver.—„Hier!” zoo roept er een,

„Hier zijn ze!” En allen staan daar stom;

En vader Smidt ziet haastig om,

En vraagt bestorven: „Zijn ze daar?”

Zijn oogen schieten heen en weêr,

En, ’t hoofd verward, het harte zwaar,

Zinkt hij op ’t bed van Fieken neêr,

En zucht: „Die daad hebt gij begaan!

Kind! hebt gij dat van ons geleerd?”—

En zij, van droefheid overheerd,

Ziet hem zoo bang, zoo smeekend aan

En roept, terwijl zij nederzakt,

En snikkend zijne knieën pakt:

„Neen, vader! ’k heb het niet gedaan!”

En met een blik vol diepe smart

Legt zij zijn hand zich op het hart,

En spreekt: „Leg af dien wreeden waan:

Ik kan voor u en God bestaan!”

Maar ziende op zijn gelaat, als steen

Zoo koud, zoo bleek, wendt zij zich nader

Nu naar den burgemeester heen,

En smeekt: „Och! zeg iets tot mijn vader!

Één woord, mijnheer! één woord alleen!”

Haar oog staat wild, en zwak en zwakker

Slaan hare polsen;—en zij ziet

Verward in ’t rond; zij ziet den bakker,

En gilt: „Weg! Weg! Die kerel niet!”

De burgemeester treedt nu nader

Tot den geschokten, droeven vader,

En troost hem nog, zoo goed hij kan,

En beurt Fiek van den grond, en dan [57]

Geeft hij den oude zijne hand,

Die nu weêr opzit op den rand

Van ’t bed.—„Gij zijt een eerlijk man,”

Zoo spreekt hij vriendelijk hem aan;

„En met uw kind zal ’t ook wel gaan.”

Het arme schaap slaat innig teeder

Haar armen om hem heen, en hij,

Hij fluistert in zich zelv’ daarbij,

En fluistert telkens ’t zelfde weder:

„Neen! neen! zij heeft het niet gedaan!”

En als zij aan zijn boezem rust,

En als, terwijl haar mond hem kust,

Gedurig weêr een heete traan

Op zijne hand valt van haar koon,

Zegt hij op vasten, zeek’ren toon:

„Zij deed het niet! ’t Kan niet bestaan!”

Terwijl de vader zoo in ’t end

Zijn kind weêr in heur waarde erkent,

Heeft nog de assessor rondgevoeld

En in de lappen omgewoeld.

„Zie! ’t is opmerk’lijk!” zegt hij; „zie!

Deez’ lappen hier, en die, en die,

Zijn van een jas;—dat is heel klaar!—

Daar heeft de kraag gezeten,—daar;

Het laken is nog niet gesleten,

Maar is ten deele stukgereten,

Deels van de muizen doorgebeten,

En stoff’rig is ’t;—hoe kreeg zij dit,

En waar vandaan, in haar bezit?

Men vraagt het haar. Zij zegt terstond:

„Ik vond die lappen op den grond.”—

„Op welke plek is dat geweest?”

„Alom; maar bij den schoorsteen ’t meest.”—

De burgemeester ziet haar aan

En twijfelt: „Wil de waarheid zeggen!

Waar kwam hier dan dat goed vandaan?

Wie kwam dat op den vloer hier leggen?”

Maar, zie! de raadsheer heeft al vast

De meeste stukken saâmgepast,

En wijst den kraag ook. „Zulke kragen

Heeft men vóór twintig jaar gedragen,”

Zoo spreekt hij:—„die men heden ziet,

Zijn van de halve grootte niet.”—

De burgemeester staat verslagen

Een bruine jas?— —Voor twintig jaar?— —

Zou ’t moog’lijk zijn?—Maar ’t was toch raar!—

Zou nu nog licht daarover dagen?—

Hij ziet den bakker aan; die staat,

Alsof voor zijn verbijsterde oogen,

Een zwarte wolk wordt opgetogen,

En òm hem alles dwarr’len gaat.

’t Is aak’lig stil. Geen enkel woord

Wordt nu van iemand daar gehoord,

Totdat de burgemeester zegt:

„Laat alles worden neêrgelegd,

Wat in de kist is, op den grond.”

En toen men dat verrichtte, vond

Een dienaar iets, waarbij hij sprak,

Terwijl hij ’t in de hoogte stak:

„Zie hier, mijnheer! een glinst’rend ding!

De helft is ’t van een gouden ring!”

De burgemeester nam het aan.

Hoe is dat toch? Hoe kan ’t bestaan?

Dat stuk lag t’huis toch, bij zijn acten;

Wat wond’ren zijn dan hier geschied?

Hij stond verplet; de handen zakten

Hem neêr bij ’t lijf.—Op eens, daar ziet

Hij licht in die geheimenis:

Dit is de wederhelft gewis!—

Hij vraagt den bakker: „Kent gij niet

Dit stuk?”—Die neemt het in zijn hand,

Maar spreekt, terwijl hij zich vermant:

„Dat heeft zij vast, ik weet niet hoe,

Gestolen; maar ’t komt mij niet toe,”

Nu ondervroeg men Fieken weêr:

„Hoe komt dat ding in uwe kist?”

Haar antwoord was, dat zij ’t niet wist;

Van haar was ’t niet; zij wist niets meer.

Toen zuchtte zij en weende zeer.

Hier werd nu alles duist’re nacht,

Waarin door gissen en door vragen

Geen licht kon worden aangebracht,

Maar nu roept Jochem Krisje zacht,

En spreekt: „Mijn zoon! wil niet vertragen!

’t Is tijd nu! Kom! Aan ’t werk met kracht!”

En Krisje, wakker, vlug en knap,

Sleept uit het hol een bruinen lap.

„Kijk!” roept de raadsheer, „wonderbaar!”

Ziet gij dien bruinen lap weêr daar?

Dat is een and’re; ja, voorwaar!

Want hier, hier liggen bij elkaâr,

Die ’t eerst ons kwamen in de hand;

En niemand onzer is dien kant

Ook uit geweest; en—zie eens!— —weêr

Zoo’n lap daar aan de schoorsteenzij!

Een vogel trekt hem op en neêr.

Hij loopt en komt er dichter bij,

En bukt, en ziet, dat kleine Kris

Nu met een derden bezig is.

„Kijk!” roept hij, „nòg een! Maar ik vat

Nu niets er van, want ’k zag heel klaar,

Dat deze kleine vogel daar

Hem optrok uit dat muizengat.”—

Verpletterend beroert de schrik

Den bakker in dit oogenblik;

Hij moet zich houden aan den wand,

Hij rilt van koude en klappertandt,

En toch, ten zelfden tijde staat

Het paar’lend zweet hem op ’t gelaat

Geen wolk belet nu meer ’t gezicht,

Op zijne daad; zij treedt in ’t licht,

De burgemeester grijpt hem aan

En vraagt hem: „Wat is hier gedaan?

Weet gij er van, wat dat beduidt?

Spreek op! Wat komt hier onderuit?”

Bang en gejaagd kijkt hij in ’t rond,

En bromt iets binnen in den mond,

En wil de deur uit. „Sta daar, man!

Voegt hem de burgemeester toe;

„Er uit gaan,—neen! daar komt niet van;”

En spreekt dan tot den dienaar: „Doe

Hier aanstonds timmerlieden komen;

De vloer moet worden opgenomen.”—

Ze komen.—„Maakt eens los dien grond!

Het eerst hier, bij dit muizengat.”

Zoo doen de werklui ook terstond;

En één van hen zegt: „’t Schijnt wel, dat

Die planken hier nog wel eens meer

Zijn los geweest.”—Men breekt al weêr,

En zie! toen men iets verder was,

Daar lag een bont en zijden vest,

En daar benevens ook de rest,

De helft nog van een bruine jas.

De burgemeester wendde nu

Zich af en gaf een hand aan Smidt

En zei: „We merken al, hoe ’t zit;

Ik vind geen reden meer, om u [58]

Te houden; gaat naar huis; en dra

Komt, denk ik, Fieken u wel na.—

En gij, kind lief! wees wel te moe;

Uw hand is rein; goed zal ’t u gaan;

Ik zeg u mijn bescherming toe,

En ’k neem in mijnen dienst u aan.”

En na dat goed en vriend’lijk woord

Spreekt hij, met somber, streng gelaat,

Den booswicht toe, die voor hem staat,

En beeft, en de oogen neder slaat:

„U neem ’k in hecht’nis wegens moord!”— —


1 In ’t oorspronkelijke staat dynsen, een werkwoord, dat heentrekken beteekent en met Dionysius samenhangt, want in Mekklenburg verlaten de dienstboden hun dienst op St. Dionysius-dag (Dynsdag). 

[Inhoud]

27.

Waarheen? Waarheen?”—„Kom meê! kom meê

Een heele pret vandaag, hoezee!

Zit hier dan niet en toef hier niet,

Nu Jochem weêr een doopfeest biedt.”

„’t Is goed; ik ga niet naar de stad;

Wat kil en schraal pleizier is dat!

Op d’eersten Mei, als om ons heen

Alom het groen verschijnt, dan mag

De koekoek, voor mijn part, den dag

Besteden tusschen kalk en steen.”—

„Jij, malle kievit! domme klant!

Ze wonen immers weêr op ’t land,

Weêr aan denzelfden waterzoom,

En in denzelfden wilgeboom,

Waar Hanne toen bij nederlag,

En in den droom zijn Fieken zag.”

„O! dan is ’t goed!—Kom, nachtegaal,

En lijster! ’t is een ruim onthaal,

Dat weêr ons wacht! Kom! alle man!

Wie dansen en wie zingen kan,

Zal heden zeker recht verheugd

Genieten volle lentevreugd.”—

En al de voog’len, rap van leên,

Begeven zich naar Jochem heen,

Die, in zijn schik en weltevreden,

Met schoone, witte boordjes om,

Reeds voor zijn woning is getreden,

En allen toeroept: „Wellekom!”

Zijn mooi bruin rokje is net en glad,

Of ’t aan zijn lijf geschilderd zat;

En ’t geeft hem iets voornaams, zoo goed

Als ’t knikje, waar hij nu meê groet.

„Weest welkom!” spreek hij dan; „maar, vrinden,

’t Is geen gemakkelijk geval:

’k Weet haast geen peters meer te vinden;

Zes is alweder ons getal.”

En alles lacht en alles zingt,

En alles danst en alles springt;

Zelfs de ooievaar,—zoo’n deftig heer!—

Staat in ’t geheel niet op één been,

Maar springt met de and’ren op en neêr,

En huppelt door hun rijen heen,

Ja, op de klaver, groen en malsch,

Danst hij verrukt een Schotsche wals.

En onze lieve Heer ontsluit

Zijn venster en kijkt even uit,

En zegt: „Een zonderling idee!

De philosofen dansen meê,

Met hout’rig been en schralen voet,

Maar toch, die aanblik doet toch goed.”

In ’t end zijn allen mat en moê;

En Jochem blaast zich op, en nu

Spreekt hij aldus zijn gasten toe:

„Mijn vrienden! ’k heb een woord aan u:

Gij meent, dat heden ’t doopfeest is;—

Dat is zoo niet; dat hebt gij mis;

Een ander feest brengt ons bijéén:

We kregen, naam’lijk, ’t minnend paar

Door allen nood en moeite heen;

Ze zijn nu boven elk bezwaar;—

Dat is ons feest vandaag, maar weet,

Dat één,”—hier hield hij even op

En kreeg een blos en boog den kop,—

„Dat een van ons het meeste deed,

Het meeste deed, en ’t meeste ook leed.

En allen kijken rond en vragen:

„Is ’t de ooievaar? De nachtegaal?

Maar, de oogen schuchter neêrgeslagen,

Spreekt Jochem deez’ bescheiden taal:

„Neen! lieve vrienden!—neen!—ik was ’t,

Ik droeg den allerzwaarsten last,

Ik heb het meest mij uitgesloofd,

En ik heb ze aan elkaâr verloofd.”—

En weêr ziet onze lieve Heer

Glimlachend naar Zijne aarde neêr,

En spreekt dan: „Hoor eens, wat gepoch!

Nu wees maar trotsch op uw gewicht!

De menschen doen ’t wel erger nog:

Heeft soms een dwaas iets goeds verricht,

Doordien ik maakte, dat hij ’t vond,

En met zijn neus er tegen stond,

Dan meent hij, dat hij iets beduidt,

En kakelt eigen knapheid uit!”

Alsnu neemt Jochem weêr het woord,

Maar eer schier iets nog is gehoord,

Verheft de kwikstaart, luid en blij,

’t Geroep: „Zij komt! Zij is nabij!”—

En daar komt Fieken op den weg,

Van achter kreupelhout en heg;

En als zij uittreedt uit het hout,

Omkranst de zon haar als met goud.

Haar donkere oogen teek’nen kracht,

En toch, haar blik is lief en zacht;

Haar leden zijn gevuld en rond,

Rood is haar wang en frisch haar mond.

En als zij blij en welgemoed

Den ouden wilg daar weêr begroet,

Zet zij zich in de schaduw neder,

En ziet dan haar verleden weder.

Voorbij is ’t leed, geheel de wond,

Voorbij is zorg en druk en nood!—

Zij vouwt de handen in haar schoot,

En ziet in ’t lachend landschap rond.

O! als eens iemand zeggen kon,

Dat al haar wenschen, al haar droomen,

Zoo dikwijls in haar opgekomen,

Eens zouden liggen in de zon,

Gelijk daar, vóór haar, beek en boomen!—

Zoo zit ze, en brengt zich alle dingen

Weêr voor den geest, door niets gestoord.

En ’t weefsel der herinneringen,—

Daar werkt de hand der hoop aan voort.

En om haar heen hoort zij het kweelen

Der voog’len met hun orgelkelen;

En boven de and’re tonen uit

Verneemt zij ’t fijn en zoet geluid

Der lijster, die daar vroolijk fluit:

„Hij komt!—Als jong’ling heengetogen,

Treedt hij als man weêr voor uwe oogen,

In zijne min nog onbewogen. [59]

Verblijd u, Fiek! gij wordt zijn bruid.”—

En, ja, daar komt met vaste schreden

Een man de boschlaan uitgetreden,

Met wakk’ren blik en bruin gelaat.

En, als hij de oogen om zich slaat,

Dan zegt hij: „’t Is nog als weleer.”

En, als hij nog wat verder gaat,

Dan zegt hij: „Dit is ’t plekje weêr,

Waar ’k eenmaal mijn gelofte deed;—

Zal ’k trouw zijn aan dien duren eed?”—

Diep in gedachten treedt hij voort

Door ’t vroolijk, vriend’lijk-lachende oord,

Maar merkt op eens een maagdelijn,—

Dat stil het landschap zit te aanschouwen;

Heur handen zijn inééngevouwen,

Heur haar glanst in den zonneschijn.—

Daar trilt op eens door zijn gemoed

Een diepe weemoed, maar zoo zoet:—

Is ’t moog’lijk! Zou dat Fieken zijn?

„Zij is ’t! Zij is ’t!”—„Ik ben’t! Ik ben ’t!”

En, eensklaps tot hem heengewend,

Ligt zijne Fieken, zacht en warm

Van ziel, in zijn gespierden arm;

En zacht en warm omvat hij haar,

En vol van weelde staan ze daar,

Terwijl hij, juichend en verrukt,

Een kus haar op de lippen drukt.

En ook zoo zacht en warm ontschiet

Aan ’t woud het nachtegalenlied;

En ’t is nu, of tot haar en hem

God zelf zich richt met hoorb’re stem:

Kom Hanne! Fieken! Kom bij mij!

Al is het veld zoo groen en blij,

Al schijnt de zon met zooveel pracht,

Voor zùlk een vreugd is dàt nog nacht;

Komt! boven ’t hart verheven!

Ik zelf wil u de bruiloft geven!—


En toen St-Jan gekomen was,

Toen was ’t de bruiloft, hier op aarde.

Blij klonk de vedel en de bas,

Waaraan de klarinet zich paarde,

Voor ’t huis van Snoet was alles vreugd;

De kind’ren waren dol verheugd;

Daar waren al de spruiten saâm

Van Smidt, en tevens Jochem Frahm.

En Gust en and’ren, frisch en kloek;

En ieder kreeg een krentenkoek;

Ze hielden die verrukt omhoog,

En riepen luid en vroolijk uit,

Met hupp’lend hart en tint’lend oog:

„Hoera! Ons Fieken is de bruid!”

En toen de stoet ging naar de kerk,

Was weêr de klarinet aan ’t werk,

En, met de klarinet, de fluit.

En alles drong toen meê naar binnen.

Nu werd het stil: nu zou ’t beginnen.

Daar stond weêr Fieken voor ’t altaar;

Rondom haar stond een dichte schaar;

De zon speelde in haar krullend haar,

En schitterde op haar bloesemkrans

En in haar ziel met zachten glans,

Zoo heerlijk en zoo wonderbaar!

En naast haar staat, zoo flink en frisch,

Hij, die haar één en alles is;

En met een handdruk, trouw en vast,

Belooft hij haar: „Ik draag uw last.”

De leeraar bidt hun zegen toe;

En Hanne’s moeder, vreemd te moe,

Laat tranen vallen uit hare oogen

Op ’t bloementuiltje, dat zij draagt;

En ook de moeder van de maagd

Heeft telkens tranen af te drogen;

En ook de vaders zijn bewogen.

Die van den bruigom zegt: „Vriend Smidt!

Kom mee, kom naar mijn werkplaats mede!

’k Weet niet, wat me in het harte zit:

’t Is vreemd:—is ’t van des leeraars rede?

Of, is het me in het hart zoo raar

Om ’t heil van ’t jong en bloeiend paar?

’t Zijn onze kind’ren toch die twee;

Maar, kom!—kom naar mijn smidse meê.”

Toen ’t jonge paar weer buiten kwam,

Toen trad de koster toe, en nam

Aldus het woord op: „Mijnheer Snoet

En juffrouw Snoet! God moge u beiden

Veel zegen en veel heil bereiden,

Al wat u zoet kan zijn en goed!

Ik ben onnoemelijk verblijd,

Dat gij zoo, na verloop van tijd,

Toch tot elkaâr gekomen zijt!”

Hij keert nu naar Gust Schult zich heen,

En spreekt: „Jij deugniet; geef wel acht!

Wat heeft die twee bijééngebracht?

Dit was het immers, dit alleen:

Dat zij elkander trouw steeds bleven;

Zoek zulk een voorbeeld na te streven!

Maar, och! ’t zal wel niet gaan met jou:

Jij krijgt vast nooit een goede vrouw!”

’t Feest is in gang. „’k Wou wel eens weten,”

Zegt Jochem, daar op ’t dak gezeten

Met Lotje, „of ieder zal vergeten,

Wat diensten door ons zijn gedaan.

Daar mocht wel eenig loon op staan.

Ik ruik een lekk’ren geur van koeken;

Ze mochten òns—” „Och, wat?” spreekt zij,

„Wij moeten geen belooning zoeken:

Verblijd u liever maar, met mij,

Dat Hanne en Fiek elkander vonden,

En nu door ’t huw’lijk zijn verbonden.—

En voorts, aan ’t werk! zoek halm en veder,

Dan bouwen wij te zaam weder

Een nest; maar hier, hier moet het wezen:

Wie hier woont, heeft geen kwaad te vreezen;

Hier drukt geen zorg, hier dreigt geen nood,

Hier vindt vast elk zijn daag’lijksch brood.

En, valt de winter ons soms zuur,

Hier is ons Krisjen onze buur;

Ja, hier rust zegen op ons nest;—

Kom, Jochem! werken!—doe je best.”

En toen het feest was afgedaan,

Stond in de lucht de volle maan;

En goot haar licht op berg en dal:

En uit den groenen nacht der boomen

Werd af en toe het blij geschal

Van ’t nachtegalenlied vernomen,

Dat zong van eenheid tusschen twee,

Van vreugde zonder scheidingswee,

Van stil genot aan eigen haard,

Ja! van een hemel hier op aard.—

Wat neev’lig ieder hart doorzweeft,

En diep in elken boezem leeft,

Maar waar geen taal een woord voor heeft, [60]

Dat vindt vertolking in de taal

Der lied’ren van den nachtegaal.—

En toen de herfsttijd was genaderd,

En ’t koren in de schuur vergaderd,

Toen stond, zeer deftig, stijf en strak,

Vriend ooievaar op Hanne’s dak,

Wat die verschijning daar beduidt?

Wat voert daar toch die langbeen uit?

Hij trekt zijn éénen poot omhoog,—

Dit scherpt, zoo ’t schijnt, voor hem ’t gezicht,—

En, in die houding staande, richt

Hij stil een zeer nieuwsgierig oog

Door ’t zwarte schoorsteengat naar binnen;—

Hij schijnt zich even te bezinnen,

En spreekt dan: „Goed zoo!—Leeft in vreê!

Als weer de lente zal beginnen,

Dan breng ik u iets aardigs meê;

Iets, wat vast allen zal bevallen,

En grootje Snoet het meest van allen.”

Inhoudsopgave

1. 1
2. 5
3. 7
4. 8
5. 10
6. 11
7. 12
8. 14
9. 15
10. 17
11. 19
12. 23
13. 24
14. 26
15. 28
16. 30
17. 34
18. 36
19. 38
20. 40
21. 44
22. 46
23. 48
24. 50
25. 52
26. 55
27. 58

Colofon

De nieuwe omslagillustratie van dit eboek is hiermee aan het publieke domein verleend.

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 143 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
5, 6, 12, 13, 20, 28, 34 [Niet in bron] . 1
Passim. . , 1
9 Engelandi Engeland! 1
10, 12, 14, 16, 17, 18, 19, 52, 54, 55, 57 , . 1
10, 16, 29 [Verwijderd] 1
10, 11, 18, 26, 27, 29, 29, 31, 31, 33, 34, 38, 46, 49, 53, 53, 58 [Niet in bron] 1
10 ; : 1
12, 13 Hanna Hanne 1
12, 26 teer teêr 1 / 0
13 , .” 2
14, 23, 23, 30, 39, 42, 45, 51, 52, 58 [Niet in bron] 1
14, 14 weer weêr 1 / 0
15 Fn En 1
17 Hij hij 1
19, 27 broer broêr 1 / 0
19 neér neêr 1 / 0
19 opgstoken opgestoken 1
19 wêer weêr 2 / 0
20, 25, 58 [Niet in bron] , 1
21 : , 1
21, 54 [Verwijderd] 1
21 , : 1
22 Dan Dat 1
24 deè deê 1 / 0
24 kleerenkist kleêrenkist 1 / 0
24 , 1
26, 32 Weerklinkt Weêrklinkt 1 / 0
27 Aij Hij 1
27 mee meê 1 / 0
29 Weerklonk Weêrklonk 1 / 0
30 - 1
30 berst borst 1
30, 31, 32, 34, 34 weeuwtje weêuwtje 1 / 0
31 elkaar elkaâr 1 / 0
32 t’ ’t 2
32 kleeren kleêren 1 / 0
32 Snoe Snoet 1
32 daarmee daarmeê 1 / 0
34 stuweel struweel 1
34 alof alsof 1
35 eind loos eind’loos 1
36 elkâar elkaâr 2 / 0
37 tranon tranen 1
37 luistren luist’ren 1
38 d’oeverand d’oeverrand 1
40 laats laatst 1
46 ”! ’!” 2
46 bij hij 1
55 21 26 1
56, 56, 57, 58 , [Verwijderd] 1
57 moogl’ijk moog’lijk 2
58 1
58 elkaàr elkaâr 1 / 0