Title: Lord Lister No. 0055: Het onschatbare kleinood
Author: Kurt Matull
Theo von Blankensee
Release date: September 13, 2026 [eBook #79568]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79568
Credits: the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg
☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜
UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.

„Zal ik je eens wat zeggen, beste Charly, Londen wordt vervelend”, sprak de veelgezochte, wereldberoemde John C. Raffles tot zijn vriend en secretaris Charly Brand, toen zij samen na het souper in de weelderig ingerichte studeerkamer van den Lord zaten.
Dit vertrek was met allerlei kostbaarheden gevuld, welke John Raffles daarin had verzameld als hartstochtelijk vereerder en verzamelaar van kunstvoorwerpen.
Op dit oogenblik trad zijn oude, getrouwe kamerdienaar binnen en overhandigde hem een visitekaartje.
„Deze heer wenscht u nog hedenavond te spreken”, meldde de bediende.
John Raffles las het kaartje, waarop in Latijnsche letters stond:
„Thomas Barring, handelaar in oudheden.”
„Een eigenaardige tijd van den dag om zaken te doen”, sprak hij tot Charly Brand, „wat zou de man willen?”
Daarop wendde hij zich tot den wachtenden kamerdienaar en beval:
„Laat mijnheer binnenkomen.”
„Heel goed, uw Lordschap.”
Eenige oogenblikken later trad de handelaar in oudheden, een man van zestigjarigen leeftijd, met een gezicht dat aan een kraai herinnerde, de studeerkamer binnen, boog en sprak:
„Neem mij niet kwalijk, Lord Warrington, dat ik u nog zoo laat kom lastig vallen. Ik dacht u in de club te zullen treffen, maar wachtte daar te vergeefs op u.”
De groote onbekende bezocht sinds verscheidene maanden de voorname club der „Citymen” onder den naam van Lord Warrington.
Niemand vermoedde daar, dat de elegante gentleman, die zulke fijnbeschaafde manieren had en zulk een voornamen indruk maakte, en Lord Edward Lister, alias John C. Raffles een en dezelfde persoon waren.
„Gij kiest een eigenaardig uur uit,” sprak Raffles tot den antiquiteitenhandelaar, „om mij op te zoeken.”
„Pardon,” antwoordde deze, „ik hoorde van een heer, die ook lid van uw club is, dat gij een groot liefhebber van antiquiteiten zijt. Eveneens vernam ik, dat gij waarschijnlijk morgen op reis zult gaan.
„Om die reden was ik zoo vrij, nog hedenavond bij u te komen om u gelegenheid te geven, in het bezit te komen van een prachtigen gouden sigarettenkoker, uit den tijd van den beruchten Romeinschen keizer Nero.” [2]
Raffles en Charly keken elkaar met een veelbetekenenden blik aan.
De Lord wist niet, waarover hij zich meer moest verbazen, over de gewetenlooze brutaliteit van dezen handelaar in oudheden, die hem een sigarettenkoker van keizer Nero wilde verkoopen of over de domheid van dezen man om te veronderstellen, dat hij werkelijk zoo dom zou zijn, om iets van deze oplichting te gelooven.
Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij hem in den nek zou pakken en hem de trap afgooien of wel dat hij, om hem te ontmaskeren, zaken met hem zou doen.
„Dat is zeer interessant”, sprak hij, „mag ik de doos zien?”
De antiquair haalde uit zijn zak een klein doosje te voorschijn, opende het voorzichtig en nam er een in vloei gewikkeld voorwerp uit, dat hij uitpakte en aan Raffles gaf met een gelaat, dat straalde van bewondering.
Het was een gouden sigarettenkoker, waarop aan de voorzijde „Nero” stond, gevormd door robijnen en smaragden.
De Lord opende het etui en bekeek het aandachtig.
„Jammer, Mr. Barring, er ontbreekt alleen de naam van de firma, die het étui heeft gemaakt.”
Zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, antwoordde de antiquair:
„Naar het werk te oordeelen is de koker afkomstig van den hofjuwelier van een Perzisch vorst. Het is echter ook mogelijk, dat het Egyptisch werk is en dat misschien Ramses, de groote Egyptische koning, het aan keizer Nero ten geschenke heeft gegeven.”
Raffles wist niet, of hij moest vloeken of lachen, terwijl Charly Brand met groote, verbaasde oogen zijn vriend en meester aanstaarde en dacht, dat de vreemde bezoeker plotseling krankzinnig was geworden.
Want het was immers onmogelijk, dat een mensch met gezond verstand, aan een sigarettenkoker van keizer Nero kon gelooven. En nog grooter was de onzin, dat een koning Ramses, die verscheiden duizenden jaren vóór Nero had geleefd, dezen het etui ten geschenke zou hebben gegeven.
De groote onbekende echter, wiens gelaat onverschilligheid uitdrukte, zoodat de antiquair, die hem met scherpen blik opnam, niets van zijn gedachten kon raden, sprak:
„De sigarettenkoker is inderdaad heel mooi, ik ben alleen bang, dat de prijs te hoog zal zijn.”
„Maar ik bid u”, antwoordde Mr. Barring, „voor een dergelijke kostbaarheid is geen prijs te hoog.
„Bedenk eens, welk een hoogst interessant bewijsstuk voor de kunstgeschiedenis van het Romeinsche Rijk onder keizer Nero het bestaan van dezen sigarettenkoker is.
„Tot dusverre was nog door niemand, die de Romeinsche geschiedenis bestudeert, vermoed, dat men reeds onder de regeering van keizer Nero sigaretten rookte. Dit alles wordt echter bewezen door het bestaan van dit etui.”
„Hoor eens,” sprak Raffles nu, „er is een groote phantasie voor noodig om te beweren, dat dit ding, dat in de een of andere Engelsche fabriek gemaakt zou kunnen zijn, het eigendom moet zijn geweest van keizer Nero.”
„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg de antiquair, „gij ziet immers, dat de naam Nero in robijnen en smaragden op de voorzijde is aangebracht.
„Dat is toch het beste bewijs, dat de koker het eigendom is geweest van keizer Nero.
„En daarenboven moet gij eens bedenken, wanneer ik u de luiers te koop aanbood, waarin de profeet der Turken, Mohammed, als kind heeft gelegen, dan zoudt gij met hetzelfde recht kunnen beweren, dat die luiers door mij misschien in den een of anderen Engelschen winkel gekocht zouden zijn.
„En ik heb toch werkelijk luiers gekregen van een zakenvriend uit Zürich, die van den profeet moeten zijn geweest en welke ik voor een zeer hoog bedrag heb verkocht aan Sultan Abdulhamed, toen hij nog op den troon zat.”
„Uitstekend!” sprak Raffles met een koelen blik, waaronder hij een glimlach verborg, „de luiers hadden zeker nog de initialen van den profeet?”
„Ja, dat hadden zij inderdaad”, antwoordde Mr. Barring, „de naam van den profeet was met gouden letters in het midden geborduurd”.
„Zeg mij eens,” vervolgde Raffles met den grootsten ernst. „Gij herinnert u misschien wel, dat Jacob van een ladder droomde, die naar den hemel voerde. Kunt gij mij daarvan niet een sport bezorgen?”
„Waarom zou ik dat niet kunnen?” antwoordde de antiquair, „ik heb al heel andere dingen in orde gekregen.
„Als er een ladder heeft bestaan, zal daarvan stellig nog wel een sport voorhanden zijn. Ik zal er werk van maken. In mijn vak is alles mogelijk”.
„Ik heb in het andere, dat gij mij hebt verteld, niet [3]veel vertrouwen, maar dit laatste geloof ik graag. Wie u een sigarettenkoker van keizer Nero te koop aanbiedt, luiers van den profeet ontdekt en in staat is, van de Jacobsladder een sport machtig te worden, die maakt het alleronwaarschijnlijkste mogelijk.
„En nu wil ik u eens iets zeggen:
„Deze sigarettenkoker bevalt mij niet, dien geef ik u derhalve terug. Ik dweep niet met keizer Nero. Maar ik wil u een goed zaakje aan de hand doen. Hebt gij wel eens hooren spreken over Mr. Simson, den biscuitfabrikant?”
„Jawel, ik heb wel van hem gehoord”, antwoordde de antiquair, „hij is hofleverancier van Z. M. den koning.”
„All right,” sprak Raffles. „Die man heeft naar ik hoorde, een minnares, Betsy genaamd, die aan het Hydepark woont en wier adres ik u hier opschrijf.
„Gij behoeft de dame niet te vertellen, dat ik u heb gestuurd, maar ga naar haar toe en geef haar den sigarettenkoker. Stel haar voor om het etui door haar bemiddeling aan den biscuitfabrikant te koop aan te bieden.”
„Denkt gij, dat de man zooiets zal koopen?” vroeg de antiquair met een loerenden vossenblik.
„Die koopt het stellig,” antwoordde Raffles, „ik ken dien heer zeer goed. Hij koopt u behalve het etui, ook de sport van de Jacobsladder af.
„Hij is namelijk precies zoo’n ezel als gij dacht, dat ik zou zijn.”
„Pardon”, antwoordde Mr. Barring, „ik hield u niet voor een ezel, maar voor een kunstliefhebber. Daar gij echter zoo openhartig met mij spreekt, moet ik u eerlijk verklaren, dat eigenlijk alle kunstvoorwerpen van antieke waarde slechts dat zijn, wat wij veronderstellen, dat ze zouden kunnen zijn.”
„Dat klopt,” lachte John Raffles. „Hoe zoudt gij het vinden, als wij eens samen die zaak opknapten?
„Ik heb nog verscheiden vrienden in Londen, waarop uw woorden van toepassing zijn.
„Het zijn domkoppen van de eerste soort.
„Verkoop hun een haring, waarvan gij vertelt, dat het de eerste haring is geweest, dien Adam in het Paradijs heeft gegeten om zijn katterigheid te boven te komen, dan zult gij den visch tegen goud kunnen inruilen.
„En ga nu naar het adres dat ik u heb opgegeven om met de dame dat zaakje in orde te brengen.”
De antiquair nam het stuk papier, waarop John Raffles den naam van de minnares van den biscuitfabrikant had geschreven en sprak:
„Hoeveel procent eischt gij bij deze zaak, Lord Warrington?”
„Niets,” antwoordde Raffles, „wel echter zal ik bij de verdere zaken, welke wij samen zullen doen, eerlijk met u moeten deelen.”
Onder veel dankbetuigingen nam de antiquair afscheid.
Toen hij vertrokken was, lachte Raffles hardop:
„Zeg eens, Charly, ik geloof, dat dit een kolossale grap zal worden. Voor zoover ik den biscuitfabrikant ken, koopt hij alle vodden, die hem worden aangeboden en voor het verdere verloop van de zaak, om den ouden bedrieger namelijk zijn oplichterij af te leeren, zal ik wel zorgen.”
„Hoe ken je de beminde van den biscuitfabrikant?” vroeg zijn secretaris.
„Ik heb haar meermalen met hem op een rit in het Hydepark gezien en informeerde, in welke verhouding zij tot hem staat.
„Het is een oude bekende van ons, je zult haar nog wel herinneren: het is de Zwarte Betsy, die het weer eens gelukt is, het in haar avontuurlijk leven zoover te brengen, dat zij de minnares is geworden van den millionnair Simson, den biscuitfabrikant.
„Ik ben van plan, die slang eindelijk onschadelijk te maken en hoop, dat de sigarettenkoker van keizer Nero mij daarbij zal helpen.”
„Ik ben werkelijk nieuwsgierig”, sprak Charly Brand, „hoe je dat weer aan zult leggen.”
„Dat zul je wel zien,” antwoordde Raffles. „Ik kreeg zooeven een schitterenden inval. Maak je gereed, ik wil den nacht niet ongebruikt voorbij laten gaan, maar een bezoek brengen aan de zaak van Mr. Barring.”
Eenige minuten later verlieten zij samen het huis en hadden zich, daar het regenachtig en guur was, in grijze gummijassen gestoken, waarvan zij de capuchons zoover over het gelaat hadden getrokken, dat zij door niemand herkend konden worden. [4]
Raffles en Charly Brand bleven voor den winkel van den antiquair Barring in de Essex-street staan en de eerste bekeek met scherpen blik de constructie van het deurslot, voordat hij er zich mee ging bezighouden.
Er was een schild aangebracht van den nachtveiligheidsdienst en daaruit bleek, dat de winkel door beambten van deze instelling werd gesloten en bewaakt.
Het uitstalvenster was, zooals dat gewoonlijk bij juweliers het geval is, naar de buitenzijde met een ijzeren traliedeur afgesloten.
In de uitstalling bevonden zich allerlei kostbaarheden, juweelen, gouden sieraden, kostbare porseleinen voorwerpen en brokaatstoffen, terwijl op den achtergrond zeer kostbare oude Hollandsche schilderijen waren tentoongesteld.
John Raffles had een bos kunstig bewerkte steeksleutels uit zijn zak te voorschijn gehaald en, nadat hij met eenige ervan het slot had onderzocht, vond hij eindelijk een die paste en waarmee hij de deur opende.
Raffles had vermoed, dat een bel of wekker met deze deur in verbinding zou staan, maar dit bleek niet het geval te zijn.
Snel trad Charly Brand achter hem binnen en zacht sloot de groote onbekende de deur weer aan de binnenzijde.
Nu gingen zij verder en Raffles, die vreesde van de straat opgemerkt te zullen worden, als hij licht maakte, begaf zich naar een kamer achter den winkel, om die meer ongestoord te kunnen doorzoeken dan den winkel zelf.
Toen hij de deur opende, bleef hij verschrikt staan.
Het vertrek was helder verlicht, in het midden stond een ezel met een bijna voltooid schilderij erop en daarvoor zat, alsof hij geheel in zijn werk verdiept was, een mensch, blijkbaar een schilder.
Hij scheen de binnenkomenden niet op te merken, want hij verroerde zich niet.
Charly Brand haalde nauwelijks adem.
Als versteend bleef hij staan en het was hem, alsof zijn voeten hun dienst weigerden.
Zijn vriend echter bekeek met koelen blik den schilder, van wien hij slechts den rug zag en het lange zwarte haar.
Zachtjes sprak Raffles tot Charly Brand:
„Die man slaapt, maak zoo weinig geluid als mogelijk is, dan is er geen gevaar voor ons.”
Onhoorbaar naderde hij den slapende, wiens hoofd diep op de borst hing, terwijl penseel en palet op den grond lagen.
Onmiddellijk zag hij, dat het een kunstenaar was, die daar voor hem zat en vol belangstelling bekeek hij het bijna voltooide schilderij op den ezel.
Hij zou het voor een echten Rembrandt hebben gehouden, zoo prachtig was de copie uitgevoerd. Het origineel stond er naast.
Met kennersblik ik bekeek de lord het meesterwerk.
Plotseling echter boog hij zich naar den rechterhoek van het schilderij en liet een zacht gefluit hooren.
„Ik dacht het wel,” sprak hij fluisterend, tot Charly,—„dit schilderij is niet alleen copie—het is vervalscht!”
De secretaris keek eveneens naar de plek, die zijne vriend aanwees: precies zooals op het kleine origineel stond daar op het grootere in verrassende gelijkenis de handteekening van Rembrandt.
„Dat wist ik,” vervolgde Raffles. „Ik wist, dat ik hier bij den antiquair een bedriegershol van de ergste soort zou aantreffen.
„Om de geheimen van Barring nauwkeuriger te onderzoeken, zal ik een gesprek aanknoopen met dezen schilder en hem voor dat doel wakker maken.”
„Ik bid je,” sprak Charly Brand, „laat hem slapen, je kunt niet weten, welke onaangenaamheden je uitlokt.” [5]
„Pah!” lachte de groote onbekende, „daarvoor ben ik nooit bang.”
Voordat Charly Brand het kon beletten, ging hij naar den schilder toe, legde hem de rechterhand op den schouder en schudde hem flink heen en weer.
Met een verschrikte gelaatsuitdrukking staarde de man, die zoo plotseling uit zijn slaap werd gewekt, Raffles aan.
Eindelijk sprong hij op en stamelde:
„Wie zijt gij, heeren? Wat wenscht gij van mij?”
„Stel u gerust,” sprak Raffles, „wij zijn geen moordenaars en wenschen ook niets slechts, integendeel!
„Ik zie, dat gij daar een mooi schilderij hebt vervaardigd. Rembrandt zelf had het niet beter kunnen schilderen. Gij zijt een genie!”
Het gelaat van den ongeveer twintigjarigen schilder, dat een meisjesachtige, zachte uitdrukking had, werd bij de woorden van lof, die Raffles tot hem sprak, donkerrood.
Hij scheen alle vrees voor de twee heeren, die zoo plotseling voor hem stonden te hebben verloren en sprak met een bitteren lach:
„Wat geeft mij al mijn aanleg, Sir, als ik daarmee niet genoeg verdien om mijn honger te stillen?”
„Wat?” vroeg Raffles verbaasd, „zooveel verdient gij nog niet?—Iemand die zoo begaafd is als gij, zou rijk moeten zijn.”
„Gij vergist u,” antwoordde de schilder, terwijl hij met een somberen blik naar het schilderij keek, „wie hier in Londen geen protectie bezit, dien koopen de voorname lui geen enkel schilderij af.
„Hier bij ons wordt alleen hij betaald, die in de mode is”.
„Wel”, antwoordde de Lord, „dat kan zijn, ik wil dat niet ontkennen. Maar zeg eens, wat krijgt gij van Mr. Barring voor dit werk?”
„Twee shilling per dag”, luidde het antwoord.
„Wat?” riep Raffles uit, meenende niet goed verstaan te hebben. „Krijgt gij per dag twee shilling? Zooveel verdient immers een huisschilder in een paar uur!”
„Ik ben niet geschikt om huisschilder te worden. Ik ben longlijder en heb reeds een keer een bloedspuwing gehad.”
„Nu,” sprak Raffles, „als gij hier van den morgen tot den avond in dit hol zit, zal uw gezondheid er ook niet beter op worden.”
„Ik heb geen andere keus”, antwoordde de schilder, „en ik dank den hemel, dat ik dit werk nog heb. In vergelijking met verschillende van mijn collega’s ben ik nog rijk te noemen. Zij hebben dikwijls nog niet zooveel om zich elken dag een warmen maaltijd te kunnen veroorloven.”
„Hm,” sprak Raffles peinzend, „ik had toch gedacht, dat gij inplaats van twee shilling per dag minstens twee pond sterling zoudt verdienen, want”—hij zweeg veelbeteekenend en keek naar den rechterhoek van het schilderij, waar de naam Rembrandt stond.
Met een schuwe gelaatsuitdrukking volgde de schilder zijn blik en opnieuw kleurde een donkere blos zijn gelaat.
Daar hij niet antwoordde, vervolgde de Lord:
„Ik geloof, dat gij mij begrijpt, mijnheer.
„Wie een Rembrandt zoo handig copieert en zijn handteekening zoo uitstekend namaakt, dat hij niet van de echte te onderscheiden is, die verdiende toch eerlijk twee pond per dag”.
Hij zweeg een oogenblik en vervolgde daarna:
„Zeg eens, vriend, hoeveel van dergelijke schilderijen hebt gij reeds gefabriceerd?”
De schilder was overbluft en wist niet wat te antwoorden.
Eindelijk sprak hij met moeite:
„Pardon Sir, ik weet niet, met welk recht gij mij dat vraagt.
„En—verder—mijnheer, ik weet in het geheel niet, hoe gij eigenlijk hier zijt gekomen. De winkel werd toch, evenals altijd, door Mr. Barring gesloten en zal niet voor morgenochtend geopend worden”.
Raffles gaf geen antwoord, sloeg de capuchon van zijn regenmantel, die nog steeds zijn gelaat bedekte, een weinig terug, nam een der antieke stoelen, die in het vertrek stonden, bekeek vluchtig het kunstige snijwerk daarvan en ging erop zitten met de kalmte en het gemak van een bezoeker, wien door den gastheer een stoel wordt aangeboden.
Hierop haalde hij zijn sigarettenetui te voorschijn, sloeg het eene been over het andere, stak tamelijk langzaam en omslachtig een sigaret aan en presenteerde daarop het van juweelen vonkelende etui aan Charly Brand.
Daarop begon hij te rooken en eerst nu richtte hij zich weer tot den schilder, die vol verbazing naar het eigenaardige optreden van den grooten onbekende keek en sprak:
„Gij hebt zeer zeker reden om u te verbazen, hoe ik hier ben binnengekomen, hoewel deze vraag eigenlijk geheel en al overbodig was.” [6]
„In hoeverre overbodig?” antwoordde de schilder.
„Wel, in zooverre”, sprak Raffles, „dat gij zelf weet, dat de deur van den winkel gesloten was en ik dus hier niet had kunnen binnenkomen, zonder deze te openen!
„Daar ik nu toch hier ben, moet ik natuurlijk de deur hebben geopend. En daar ik geen sleutel van Mr. Barring heb gekregen, heb ik dit met mijn eigen gedaan. Ik ben hier dus, zooals men dat noemt, ingebroken.”
Het gelaat van den schilder werd bleek, vol ontzetting staarde hij naar Raffles, die hem dit alles met de grootste kalmte, af en toe rookend, vertelde.
„Om Gods wil,” antwoordde hij nu, „wat wilt gij hier? Gij maakt u schuldig aan misdaad en als Mr. Barring kwam, zou hij de politie roepen!”
De groote onbekende lachte hartelijk en rookte bedaard door.
Daarop sprak hij op afgemeten toon:
„Mr. Barring zal toch zeker de politie niet halen, opdat deze kan zien, welke prachtige vervalschingen hier worden vervaardigd?”
„Gij hebt gelijk”, stamelde de schilder.
„Gij ziet dus,” vervolgde Raffles, „dat iemand, die bij Mr. Barring inbreekt, geen gevaar te duchten heeft. Ik begrijp niet, hoe de man zoo dom kan zijn om zijn winkel zoo af te sluiten tegen inbrekers.
„Werkelijk, als alles, wat zich in den winkel van dien heer bevindt, zulke mooie vervalschingen zijn als de Rembrandt, die gij daar copieert, dan moet het een domme inbreker zijn, die iets van Mr. Barring steelt.
„Maar luister nu eens, jonge vriend.
„En van het oprechte, eerlijke antwoord, dat gij mij geeft, hangt misschien veel voor u af.
„Ik vraag u nogmaals:
„Hoeveel van dergelijke vervalschte schilderijen hebt gij hier reeds gemaakt?”
Met onzekeren blik keek de schilder Raffles aan.
Daarop stamelde hij:
„Ik kan het u niet zeggen.”
„Een dozijn?”
De schilder haalde de schouders op.
„Meerdere dozijnen?”
„Yes, Sir!”
„Heeft Mr. Barring ze alle verkocht?
„Voor een deel wel. Twee zelfs aan het museum alhier”.
„Wie bezit de andere?”
„Eenige kunsthandelaren in Berlijn, Parijs en Petersburg. De heeren hebben een vereeniging opgericht om de schilderijen zoo goed mogelijk te verkoopen.”
„En gij zijt de eenige fabrikant?”
„Ja, dat ben ik!”
„Man, gij verdient om in een koudwaterinrichting te worden opgenomen. Gij zijt gek.
„Gij fabriceert voor duizenden aan waarde en zijt misschien niet eens in staat om u een fatsoenlijk pak kleeren te koopen.”
„Daarin hebt gij volkomen gelijk,” antwoordde de schilder, „maar de nood heeft mij hierheen gedreven en uit nood doe ik dit werk.”
„Zijn de meubelen en andere voorwerpen, die zich hier in den winkel bevinden, ook op die manier vervaardigd als de Rembrandt op den ezel?”
„Yes, Sir! Doch slechts met dit verschil, dat uit een echte oude tafel een kwart dozijn worden gemaakt.
„De drie stoelen bijvoorbeeld, die gij hier ziet, zijn van een enkelen echten gemaakt, die uit elkaar werd gehaald.
„De ontbrekende deelen heeft een jong beeldhouwer vervaardigd, die zich een half jaar geleden van kant heeft gemaakt.”
Raffles keek nadenkend naar de stoelen en zag daarop in een hoek van het vertrek een brandkast staan.
Hij stond op, ging er naar toe en nadat hij er eenige minuten vol aandacht naar gekeken had, haalde hij weer zijn steeksleutels te voorschijn en begon ze op het slot der brandkast te probeeren.
„Om ’s Hemels wil, Sir!” riep de schilder uit, „maak uzelf en mij niet ongelukkig en laat de brandkast onaangeroerd!”
„Wees onbezorgd”, antwoordde Raffles, „ik zal er niets uitnemen en stel alleen belang in de oude constructie.
„Kom eens hier, Charly!” riep hij dezen toe, „deze kast moet een van de oudste zijn, die er bestaan. Ze bezit slechts een eenvoudig draaislot en twee grendels.
„Kinderwerk, om haar te openen.”
„Daar—”
Met zacht geluid sprong het slot terug en Raffles opende de deur der brandkast.
„Ik bid u”, smeekte de schilder, „laat alles onaangeroerd. Mr. Barring zal anders gelooven, dat ik de kast heb opengebroken.”
„Daarin vergist gij u”, sprak Raffles, „dat zou Mr. Barring denken, als hij een ezel was. Daar hij echter [7]een geslepen schurk is, zal hij zulk een kunststuk niet van u verwachten.”
De Lord keek vol belangstelling in de brandkast en nam er plotseling iets uit.
„Aha, hier heb ik, wat ik zocht”, sprak hij tot Charly Brand, „het chequeboek van den heer Barring. En hier liggen ook brieven, die hij onderteekend heeft, zoodat het voor den jongen kunstenaar daar een kleinigheid zal zijn, mij volgens dit voorbeeld op een der cheques den naam van zijn edelmoedigen werkgever te zetten.
„Luister eens”, sprak hij nu tot den schilder, „ik wil u eens iets zeggen:
„Hebt gij zin om in de gevangenis te komen?”
„Neen, neen, om ’s Hemels wil, neen! Mijn oude moeder zou van schaamte en verdriet sterven.”
„All right”, antwoordde Raffles, „ik laat u de keus. Hier ligt een cheque, waarop gij den naam van Mr. Barring, precies zooals die op dezen brief staat, moet copieeren.”
„Dat kan ik niet doen”, antwoordde de schilder op angstigen toon.
„All right”, antwoordde de vreemde heer, het chequeboek weer in de brandkast terug leggend, „dan zal ik morgen de politie een wenk geven, omtrent hetgeen gij hier met Mr. Barring uitvoert en dan kunt gij jarenlang naar het tuchthuis gaan.”
Op het gelaat van den schilder stond hevige tweestrijd te lezen.
Raffles ging naar de deur, maar keerde zich nog eens om en sprak:
„Dus?”
Toen raapte de schilder al zijn moed te zamen, greep het chequeboek, nam papier en pen en zonder den Grooten Onbekende meer aan te zien, copieerde hij naar het voorbeeld van den brief den naam Barring en zette dien op de cheque.
Toen hij ermee gereed was, stond het zweet hem in dikke droppels op het voorhoofd.
„Hier hebt gij het verlangde”, sprak de schilder, terwijl hij Raffles, die naast hem was komen staan, de cheque gaf.
Deze vergeleek de onderteekening nauwkeurig met die van den brief, knikte tevreden en sprak:
„Zeer goed gedaan. En nu wil ik u eens wat zeggen, mijn jonge vriend. De vervalsching van deze cheque is geen schande voor u. Want ik dwong u tot deze misdaad. En nu wilt gij zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij uw adres te geven, dan hoop ik wel iets goeds voor u te kunnen doen.
„Zet uw naam op dit stuk papier.”
Nadat de schilder het had gedaan, stak de Lord het adres bij zich, evenals de cheque en ging naar de brandkast. Hierin legde hij het chequeboek en bracht alles weer zoo in orde, dat niemand iets van het voorgevallene kon vermoeden.
Daarna sloot hij de kast, trok de capuchon van zijn regenjas weer over het gelaat en sprak:
„Het zou beter zijn, als gij gingt slapen! Gij ziet er heel slecht uit, jonge vriend en misschien hebt gij spoedig uw krachten voor een beter doel noodig dan om voor Mr. Barring Rembrandt te vervalschen.”
Hij stak den schilder zijn hand toe, welke deze aarzelend aannam.
„Mag ik weten, wie gij zijt?” vroeg hij.
„Dat komt er voor u eigenlijk niet op aan”, antwoordde Raffles, „maar ik zal u zeggen onder welken naam ik bij de Engelsche pers en het Engelsche volk bekend sta:
„Ik ben de Groote Onbekende!”
Verschrikt staarde de schilder naar den sprookjesachtigen persoon, naar den meesterdief, dien hij uit de kranten kende.
Het was hem, alsof er een sluier voor zijn oogen kwam, alsof de persoon van John C. Raffles zich in een nevel had opgelost en nu plotseling was verdwenen.
Als onder hypnose staarde hij nog steeds naar de plek, waar Raffles zoo juist nog had gestaan en die nu leeg was.
Met een rilling van angst begaf de schilder zich met een licht naar den winkel om zich ervan te overtuigen of de deur gesloten was.
Juist toen hij deze was genaderd, kwam van buiten een beambte van den nachtveiligheidsdienst om te zien of het slot in goede orde was.
„Hallo, Sir Jonas”, riep de beambte den schilder toe door de gesloten deur, „werkt gij tegenwoordig elken nacht? Dat is niet goed voor u, ga liever slapen.”
De schilder hoestte en antwoordde:
„Ik zal weldra een tijdje verlof nemen. Zeg eens, nachtwacht, hebt gij hier aan de winkeldeur een paar mannen in gummijassen gezien?”
„Neen”, antwoordde de nachtwacht, „hoezoo? Ik heb hier niemand gezien. En aan de deur kan niemand geweest zijn. Alles is volkomen in orde!”
„Ik dank u”, antwoordde de schilder.
Daarop ging hij naar zijn werk terug, steunde het [8]hoofd met beide handen en, als hij niet den fijnen geur van Raffles’ sigaret had geroken en de asch op den grond had zien liggen, dan zou hij inderdaad aan een middernachtelijk spook hebben geloofd.
Inspecteur Baxter, de chef van het hoofdbureau van politie van Scotland Yard, had zijn secretaris, detective Marholm, die gewoonlijk „de Vloo” werd genoemd, weggestuurd, omdat hij een conferentie had met een dame.
„Het wordt steeds fraaier,” sprak de vloo tot zichzelf, toen hij in het portaal stond en naar de gesloten deur van het heiligdom van zijn chef keek, „nu laat hij de dames al in het hoofdbureau van politie komen en daarbij toont hij een slechten smaak te bezitten, die meer dan erg is. Ik heb zelden zulk een afschuwelijk vrouwspersoon gezien als die nu bij mijn chef op bezoek is.”
Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij een pijpje zou stoppen om te gaan rooken of dat het beter zou zijn om door het kijkgaatje te zien wat er in de kamer van zijn chef voorviel.
Het kijkgaatje was een klein venstertje in de deur, voorzien van een klein klepje van blik en dat iets grooter was dan een menschenoog.
De inspecteur van politie had het laten aanbrengen om zijn secretaris, wanneer deze werkte, ongemerkt te kunnen bespieden.
De vloo besloot om gebruik te maken van het kijkgaatje. Hij sloop op de teenen naar de deur en keek in de kamer.
Hij had iets anders verwacht dan hetgeen hij zag.
Inspecteur Baxter zat met over elkaar geslagen beenen aan zijn schrijftafel en rookte, terwijl naast de schrijftafel de bezoekster had plaats genomen. Zij had een notitieboekje en potlood in de hand.
De vloo kon alles wat er tusschen zijn chef en de vreemde meid werd verhandeld, duidelijk hooren.
Juist sprak de inspecteur:
„Voor alles, miss Prince, mag niemand iets van onze overeenkomst weten. Gij zijt de eerste persoon, aan wie ik beken, dat het mij niet gelukt om Raffles te vangen.
„Daar ik van uw groot succes bij internationale misdadigers heb gehoord, ben ik op het idee gekomen om door u Raffles eindelijk onschadelijk te laten maken. Ik hoop, dat het u zal gelukken.”
„Twijfel daaraan niet, inspecteur,” antwoordde Miss Prince,—„het zal mij ongetwijfeld gelukken, Raffles te vangen. Zoo lang gij de zaak in handen hadt, had ik er geen belang bij, mij met den meesterdief bezig te houden.
„Ik wilde u niet in de wielen rijden.
„Nu gij mij echter officieel opdracht er toe geeft, zeg ik u hiervoor mijn dank en waarschijnlijk zal aan de vrouw gelukken, wat de mannen tot dusverre niet hebben kunnen doen.”
De vloo glimlachte, en als de inspecteur van politie het grijnslachje van zijn detective had kunnen zien, zou hij hem een van zijn ellenlange vloeken naar het hoofd geslingerd hebben.
„Zooals ik zie, Miss Prince,” vervolgde hij, „ik heb er om verschillende redenen persoonlijk belang bij, Raffles onschadelijk te maken. Waar hij kan, speelt hij mij een poets.”
Miss Prince lachte vol zelfvertrouwen.
„Dat heerschap zal niet al te veel tijd meer hebben om zich in zijn vrijheid te verheugen. Ik houd van vlug afwerken!” [9]
„Ik wensch u het beste,” sprak Baxter.
„Hebt gij eenig vermoeden, waar de woonplaats of het tegenwoordige verblijf van den grooten onbekende in Londen is?”
„Hij bezit altijd verscheidene woningen, dat wil zeggen, zoogenaamde schuilhoeken, die hij tengevolge van zijn onmetelijk fortuin tegen elkaar verwisselt als een gentleman zijn handschoenen.
„Bovendien moet hij onder een vreemden naam hier een paleis bewonen, dat ik echter ook niet ken.
„Gij ziet, dat het niet gemakkelijk is, den meesterdief te pakken te krijgen.”
Miss Prince knikte toestemmend.
„Misschien bezit gij een photographie van hem.”
„Ook dat niet,” antwoordde Baxter, „ik kan u zelfs geen nauwkeurige beschrijving geven.
„Hij heeft telkens een andere vermomming.
„Ik zou u kunnen zeggen, dat hij gladgeschoren is, terwijl hij misschien op hetzelfde oogenblik een witten baard draagt of een Franschen Henry IV, misschien zelfs een snor als keizer Wilhelm.
„Misschien gaat hij op het oogenblik gekleed als een Engelsch gentleman, of in uniform, zoo hij niet als een bedelaar in lompen is gehuld.
„Ja, het zou best mogelijk kunnen zijn, dat gij hem op straat tegenkwaamt en dacht dat ik het was.”
„Een merkwaardig mensch!”
„Duivels handig! Hij zou een acteur geworden zijn, zooals er geen enkele op aarde bestaat.
„Een nieuwe Irving—een Kainz.
„Want elke vermomming geeft hij met onnavolgbare gelijkenis weer.
„Hoe dikwijls heb ik reeds de hand op hem gelegd, hoe vele malen heeft hij tegenover mij gestaan en gewoonlijk vernam ik eerst een kwartier later door de telefoon of door middel van zijn visitekaartje, dat hij mij heel beleefd zond, dat hij het was geweest.
„Hij heeft mij reeds dermate tot wanhoop gebracht, dat ik op straat of waar dan ook in iedereen, dien ik tegenkom, Raffles vermoed. Kort en goed, ik kan hem niet krijgen en daarom vraag ik uw medewerking.”
„Geef mij het bevel tot inhechtenisneming.”
Met een ijver, welke Baxter anders niet kenmerkte, schreef hij het bevel, onderteekende en stempelde het en overhandigde het aan Miss Prince.
De vrouwelijke detective las het bevel tot inhechtenisneming door, vouwde het zorgvuldig op en borg het in haar handtaschje.
„Gij zult weldra iets van mij vernemen,” sprak zij en stond op om heen te gaan.
„Laat ons het beste hopen, Miss Prince, ik laat alles over aan uw verstand en handigheid.”
Het tweetal gaf elkaar de hand, de vloo sprong van het kijkgaatje weg en toen Miss Prince uit het bureau kwam, stond hij zich zichtbaar bij het venster te vervelen en naar buiten te kijken.
Voordat Miss Prince echter het vertrek verliet, keerde Marholm zich met een ruk om, om nogmaals haar gelaat te zien.
„Drommels,” sprak hij, „een monster van leelijkheid. Die past eerder in manskleeren dan in een japon.”
Daarop ging hij naar zijn chef, die weer aan zijn schrijftafel zat en juist van plan was, een versche sigaar op te steken.
„Dat bezoek heeft niet lang geduurd,” sprak de vloo en nam een bundel acten op, die op zijn schrijftafel lagen om gecopieerd te worden.
„Stoor mij niet,” antwoordde Baxter kortaf. „Gij ziet, dat ik bezig ben.”
Bij die woorden blies hij vol welbehagen een dikke rookwolk voor zich uit.
„Ja, ja,” sprak de vloo, „daarvan een dozijn op een dag rooken, is een moeilijk werk!”
„Bedoelt gij mij daarmee?” vroeg Baxter op scherpen toon.
„Ik bedoel alleen,” antwoordde de vloo, „dat ik u tot dusverre altijd met veel knappere dames zag. Die lady van zooeven zou mijn keus niet zijn.”
„Weet gij dan, wie die dame was?” vroeg Baxter.
Marholm lachte.
„Drommels, denkt gij dat ik alle oude wijven in Londen ken? Dat genoegen laat ik graag aan u over.”
„Praat toch geen onzin,” antwoordde Baxter. „Het was geen gewoon damesbezoek, zooals men dat anders ontvangt, deze dame kwam voor zaken bij mij. Alleen voor zaken!
„Het is de beroemde Amerikaansche, Miss Prince!”
„Ha, ha, de vrouwelijke detective!”
„Ja”, riep Baxter, „en deze vrouw zal mij den geslepen Raffles eindelijk in handen leveren.”
„Nu,” lachte de vloo, „wie weet, welk Trojaansch paard gij met die dame weer naar binnen hebt gehaald.”
„Gij moet eindelijk uw aardigheden eens voor u houden, Marholm; ga maar liever aan uw werk en bemoei [10]u niet met dat, wat ik doe. Gij steekt veel te dikwijls uw neus in mijn zaken.”
„Neem mij niet kwalijk,” antwoordde de vloo met een spottende buiging, „de Hemel moge mij bewaren, want als ik mij met uw zaken bemoei dan zou immers mijn naam naast die van u in de kranten worden genoemd.”
Baxter deed alsof hij deze woorden niet hoorde—hij wilde zich niet ergeren.
De vloo echter vervolgde:
„Nu ontbreekt ons bij die vrouwelijke detective nog alleen maar een vrouwelijke Raffles.”
Zich niet storende aan den woedenden blik, dien zijn chef hem toewierp, nam hij aan zijn schrijftafel plaats, stopte, het voorbeeld van zijn chef volgend, zijn tabakspijp en begon dikke rookwolken voor zich uit te blazen.
Waarom zou hij werken als zijn chef het niet deed?
Zoodra de inspecteur van politie heenging, zou hij het copieerwerk op de secretarie brengen, dan konden de heeren daar zien, hoe ze er mee klaar kwamen.
Baxter had de gewoonte, nooit langer dan hoog noodig was, in het bureau te blijven.
Weldra stond hij op, kleedde zich aan en, in de deur staand, sprak hij tot zijn secretaris:
„Als er iets gewichtigs mocht gebeuren, moet gij maar naar mijn woning telefoneeren. Bonjour!”
De vloo beantwoordde den groet van zijn chef slechts met een onverstaanbaar gebrom.
Nauwelijks had de inspecteur de deur achter zich gesloten, of ook Marholm stond op en nam zijn overjas, om het voorbeeld van zijn chef te volgen.
Juist wilde hij heengaan toen hij een verbazend dikken heer tegen het lijf liep. Hij riep uit:
„Duivels, uw buik vult de geheele deuropening, gij moet er zijwaarts doorgaan.”
„Pardon,” antwoordde de ander, „ik zag niet, dat gij er uit wildet.”
„Ja, ja,” spotte de vloo, „Men kan moeilijk over zoo’n vetbuik heenkijken.
„Maar luister eens, ken ik u niet?”
„Jawel,” antwoordde de dikkert met een zware stem, „ik ben de hofleverancier van Zijne Majesteit den Koning, den biscuitfabrikant Simson.
„Alle koningen van Europa, alle hertogen en andere allerhoogste personen hebben mij voor mijn biscuit reeds bekroond en bovendien ben ik in het bezit van alle onderscheidingen der Engelsche en Amerikaansche hoogescholen.”
„Kolossaal!” sprak de vloo, „maar men kan ook wel aan u zien hoe beroemd gij zijt. Gij zijt een persoon van gewicht.”
„Dat ben ik zeker! Ik weeg driehonderdvijftig pond! Ik durf beweren, op een na de zwaarste man in de Vereenigde Koninkrijken te zijn.”
„Zeer aangenaam, kennis met u te maken; dat wil zeggen, ik kende u immers al van de geschiedenis, welke gij met Raffles hebt gehad, waarin gij ook een rol hebt gespeeld.
„Gij hielpt hem toen bij zijn vlucht, zonder te weten, met wien gij te doen hadt”.
„Ja,” sprak de biscuitfabrikant, „dat was toen een allergekste geschiedenis. Ik had er geen flauw vermoeden van, dat de voorname gentleman, dien ik te Ostende leerde kennen en dien ik op mijn jacht naar Londen bracht, de veelgezochte Raffles was.
„Dat zou me nu niet meer kunnen overkomen, nu zou ik den schurk onmiddellijk bij den kraag pakken en hem als een hond naar het hoofdbureau van politie sleepen.”
„Dan hadden wij hem eindelijk en dat zou te wenschen zijn,” antwoordde de vloo. „Gij zoudt daarmee politieinspecteur Baxter den allergrootsten dienst bewijzen.
„Mag ik u nu vragen, wat u eigenlijk tot ons voert?”
„Een eigenaardige zaak,” zuchtte de fabrikant, wien het spreken tengevolge van zijn vetbuik en zwaarlijvigheid moeilijk viel.
„Een zeer eigenaardige zaak. Ik heb in een mijner huizen in Eastend in een atelier, boven, op de vierde étage, iemand wonen, die beweert modelleur te zijn. Door dien man leerde ik een antiquair kennen, een zekeren Barring.
„Deze Barring nu bracht mij verleden week een met edelsteenen bezetten sigarettenkoker, op wier deksel met juweelen—en robijnen—de naam van keizer Nero stond”.
„Wat!” riep de vloo uit, de rechterhand aan zijn oor houdende om beter te kunnen hooren. „De naam Nero op uw sigarettenkoker?”
„Ja,” antwoordde de biscuitfabrikant, „het is een sigarettenkoker, die het eigendom is geweest van keizer Nero en de echtheid ervan is mij door een document gewaarborgd, dat de antiquair mij bij den koop overhandigde.
„Deze kostbare koker is mij gisteren ontstolen.
„Ik kom derhalve hier om den diefstal aan te geven.”
„Om u de waarheid te zeggen,” antwoordde de [11]vloo, „ik laat mij niet graag iets wijs maken. Een sigarettenkoker uit den tijd van Nero? Hoor eens, dat is een beetje gek! En die zou door iemand gestolen zijn? Zoo’n sigarettenkoker bestaat er immers niet!”
„Wat?” riep de biscuitfabrikant. „Bestaat die niet? Dat moet ik toch beter weten, ik had dien immers zelfs in mijn bezit en het was nog wel de grootste zeldzaamheid van mijn geheele verzameling!”
„Kostelijk!” lachte de vloo, „gij verkeert dus werkelijk in de meening, dat keizer Nero al sigaretten heeft gerookt? Kent gij misschien ook de firma, van welke hij ze betrok?”
„Jawel”, antwoordde de biscuitfabrikant, „ook de firma is mij bekend, want het wonderlijkste aan het geheele étui was een Egyptische sigarette, de laatste, die van de sigaretten van keizer Nero overbleef”.
De vloo ging een stap achteruit om den biscuitfabrikant goed te kunnen aankijken.
„Zeg eens, mijn waarde”, vroeg hij op eenigen afstand, „hebt gij al eens delirium tremens of een dergelijke hersenziekte gehad?”
„Ik begrijp u niet,” antwoordde Mr. Simson, „ik heb tot dusverre nog geen hoofd- of hersenziekten gehad. Ik ben zoo gezond als een visch in het water en alleen als ik eraan denk, dat misschien een gemeene vagebond, de eerste de beste gauwdief op dit oogenblik de laatste sigaret van keizer Nero rookt, dan zou ik razend kunnen worden.”
„Om ’s Hemels wil!” weerde de vloo af, „doe dat als gij thuis zijt, maar niet hier.
„Maar zeg eens, hoe heet de firma, waarvan die sigaret afkomstig is?”
„Aegyptos,” antwoordde de biscuitfabrikant in vollen ernst. „Eenvoudigweg Aegyptos en de naam was met Grieksche letters op het papieren omhulsel van de sigaret gedrukt.”
„Wat was hij?” lachte de vloo, „de naam was gedrukt? Sir, ik weet niet, wat ik meer moet bewonderen, uw domheid of uw krankzinnigheid! Voor zoover ik weet, bestond er in de tijden van Nero noch een drukkerij, noch een firma, welke sigaretten fabriceerde. Uw verstand schijnt in uw vetbuik gezakt te zijn!
„Mijnheer!” stoof de dikkert op, „houd uw beleedigingen voor u! Ik ben niet hier gekomen om mij door u te laten uitschelden en bespotten.”
„En ik sta niet hier,” antwoordde de vloo, „om mij door u dergelijke nonsens te laten vertellen.”
„Dat is geen nonsens,” riep de biscuitfabrikant met schrille stem, „vraag den antiquair Barring en lees het document, dat ik in mijn zak heb. Tenminste als gij Latijn kent.”
„Dat kan ik niet,” antwoordde de vloo, „maar het is mij voldoende, als gij het kent.”
„Ik kan het helaas ook niet,” was het antwoord van Mr. Simson, „maar Mr. Barring, door wiens tusschenkomst ik het sigarettenetui van keizer Nero van een vroegere actrice, Miss Betsy Hartwig kocht, zal u den inhoud van het document bevestigen.”
„Hoe heet de dame, van wie gij het etui hebt gekocht?”
„Miss Betsy Hartwig?”
„Hartwig?” lachte de vloo, „die dame heeft zwart haar, nietwaar?”
„Ja!”
„En een donker teint?”
„Ja!”
„Is ongeveer 35 jaar oud?”
„Ja,” antwoordde de biscuitfabrikant, „gij schijnt die dame te kennen, waarom vraagt gij mij dat alles dus?”
„Wacht een oogenblikje, Sir!” sprak de vloo, „ik zal u even het portret van die dame halen!”
Hij belde en beval den binnentredenden politieagent om uit de misdadigersalbums photographie no. 3874 te halen.
De politieagent ging heen en de vloo, die de geheele zaak als een kostelijke grap beschouwde, sprak tot den biscuitfabrikant:
„Gij schijnt een groot vriend van oudheden te zijn!”
„Ik ben daarvoor bekend,” antwoordde Dr. Simson. „Mijn huis is gevuld met de kostbaarste schatten, die ik heb kunnen verkrijgen. Ik bezit echte Rubens, Van Dijks, Rembrandt’s en Frans Hals’, kunstige goudwerken, kostbare meubelen, tapijten, wapens en borduurwerken. Mijn vermogen stelt mij in staat, mij deze weelde te veroorloven.”
„Uw biscuits moeten een onuitputtelijke bron van inkomsten vormen.”
„Dat doen zij ook,” sprak de fabrikant. „Er is geen hof in Europa en geen familie, waar niet mijn fabrikaat gegeten wordt. Zij zijn licht verteerbaar, goed van smaak en niet duur.”
„Kolossaal,” lachte de vloo, „het spijt mij werkelijk, dat ik niet ook biscuitfabrikant ben geworden.”
Op dit oogenblik trad de politieagent binnen en overhandigde de vloo de gevraagde photographie.
Nauwelijks had Mr. Simson een blik op het portret geworpen, of hij riep op levendigen toon uit: [12]
„Gij hebt gelijk, dat is zij. Hoe komt gij aan die photo?”
„Heel eenvoudig,” lachte de vloo, „die dame is hier op het hoofdbureau van politie een der meest bekende persoonlijkheden. Zij is een avonturierster van de gevaarlijkste soort en heeft ons al veel werk veroorzaakt.
„Zij is zeer handig en weet op sluwe wijze aan de naspeuringen der politie te ontsnappen.
„Slechts één enkel zwak heeft zij en dat is haar voorliefde voor den naam Betsy. Op dien naam is zij zoo verliefd als gij op uw antiquiteiten of als een jeugdig minnaar op zijn uitverkorene.
„Die naam schijnt een soort talisman voor haar te zijn. Den naam Betsy legt zij nooit af.
„Ik hoop, Mr. Simson, dat de aanwezigheid van het portret dezer dame in ons misdadigersalbum u voldoende zal zijn om u te overtuigen, dat gij werkelijk bedrogen zijt door een oplichtster, met behulp van medeplichtigen, waarvan de antiquair Barring er een is.
„Maar—ik wil u eerlijk toegeven, deze oplichterij is zoo vermakelijk en zoo.….. men zou bijna zeggen kunstig, dat niemand „Zwarte Betsy” een verwijt zal maken over den sigarettenkoker van keizer Nero en de zich daarin bevindende sigaret.
„Het zal het beste zijn, dat gij er over zwijgt, want anders moet gij niet alleen de schade, maar ook de schande dragen.
„Iedereen die zijn gezond verstand heeft, zal zeggen, dat een dergelijke sigarettenkoker en een dergelijke sigaret nooit hebben bestaan.”
„Gij vergist u”, sprak de fabrikant, „al mijn vrienden, die bij mij aan huis komen, bijvoorbeeld een onzer grootste kunstkenners, de hofslager van Zijne Majesteit, Sir Muller, en andere goede kenners, hebben absoluut niet getwijfeld aan de echtheid van het étui.”
„Ja, ja,” lachte de vloo, „er zijn meer ezels in het koninkrijk Engeland, dan wij vermoeden.
„Gij wenscht dus, dat de zaak vervolgd wordt?”
„Ongetwijfeld,” antwoordde do bestolene. „Ik heb voor het étui tweeduizend pond sterling betaald en voor de sigaret tweehonderdvijftig pond sterling.
„Ik heb een belooning van vijfhonderd pond sterling uitgeloofd voor het terugkrijgen der voorwerpen.”
„Nu, vooruit dan maar,” sprak de vloo.
„Ga dus even zitten en geef mij de noodige inlichtingen, daar ik een acte van het geval moet opmaken.”
Het duurde bijna een half uur, voordat de vloo de voorgeschreven formaliteiten was nagekomen en alles opgeschreven had.
Toen hij eindelijk gereed was, moest de biscuitfabrikant het protocol onderteekenen. Daarna stond hij op en nam afscheid.
Toen hij reeds bij de deur stond en zijn dikken buik juist door de opening wilde wringen, sprak de vloo:
„Luister nog eens, Mr. Simson, ik wil u een goeden raad geven: verwen uw vetbuik niet zoo erg, want het gaat ten koste van uw hersens.”
„Houd uw flauwe aardigheden voor u,” antwoordde de biscuitfabrikant met een beleedigd gezicht. „Gij hebt niets met mijn vetbuik te maken, daarover heb ik alleen te beschikken.”
Hoewel hij onmiddellijk daarop de deur in het slot gooide, hoorde hij toch het vroolijke lachen van de vloo achter zich weerklinken.
Van het hoofdbureau van politie begaf de biscuitfabrikant zich regelrecht naar de woning van Zwarte Betsy.
Zij zag dadelijk aan zijn ernstig gelaat, dat hem iets onaangenaams gepasseerd moest zijn.
„Wat is er, liefste?” vroeg zij, hem de vette wangen streelend.
„Men heeft mij mijn sigarettenkoker ontstolen,” antwoordde hij met sombere stem. „Dat zeldzame voorwerp, waaraan ik met den hartstocht van een kunstkenner gehecht was.”
„Och, nonsens,” lachte Zwarte Betsy, „dat heeft men je niet afgestolen. Ik weet nauwkeurig, dat je het étui gisteravond in het linksche vak van je schrijftafel hebt weggesloten.”
Over het gelaat van den biscuitfabrikant, dat glom alsof het opgewreven was, vloog plotseling een verheugd lachje.
„Juist, juist,” riep hij, „dat had ik heelemaal vergeten. En ik, stommerd, ben al naar de politie geweest om mede te deelen, dat mijn zeldzaamheid gestolen is!”
Hij wreef zijn cylinder op en wilde heengaan.
Plotseling echter keerde hij zich nog eens om en sprak:
„Hoor eens, ik heb daar op het hoofdbureau van politie een ware ontdekking gedaan, daaromtrent moet je mij eens opheldering geven.”
„Wat voor een ontdekking?”
De dikke heer kuchte eenige keeren verlegen, daar hij het pijnlijk vond, zijn geliefde, van wie hij zeer veel hield, over het voorgevallene te onderhouden. [13]
„Wil je het mij niet zeggen?” vroeg zij opnieuw.
Na herhaald aandringen begon hij eindelijk:
„Toen ik met den secretaris op het bureau van politie over mijn aangelegenheid sprak, vroeg hij, met wie ik goed bekend was.
„Ik noemde ook jouw naam.
„En wat denk je, wat hij zei? De zaak is pijnlijk,—de man liet mij je portret zien dat zij op het hoofdbureau van politie bezitten en beweerde, dat je een gevaarlijk persoon waart.”
Zwarte Betsy streelde opnieuw zijn vette wangen en sprak:
„Jij bent mijn groot, gouden schaap! Ik dacht, dat je mij heel wat te vertellen had!
„Natuurlijk is mijn portret op het hoofdbureau van politie.
„De man, dien jij daar gesproken hebt, is een kleine dikkert, nietwaar?”
„Ja,” antwoordde Mr. Simson, „je schijnt hem dus te kennen.”
„En of!” antwoordde Zwarte Betsy. „Ik ken hem zelfs zeer goed.
„Een heel jaar lang heeft hij mij met zijn liefdesverklaringen achtervolgd en toen ik niet naar hem wilde luisteren, dreigde hij, mij nog wel eens in ongelegenheid te zullen brengen.
„Hij schijnt zich nu op mij te willen wreken door het portret van mij, dat ik hem eens heb gegeven, in het misdadigersalbum te steken.”
„Maar dat is een gemeen sujet!” riep de biscuitfabrikant, „dien kerel moest men eens flink op zijn ribben geven!
„De duivel hale dien schurk! Ik zal hem dwingen, mij je portret terug te geven!”
„Ik verzoek je,” vleide Zwarte Betsy, „om dien man ongemoeid te laten. Dergelijke sujetten van de politie kunnen zich op allerlei manieren wreken.”
„Neen, neen!” antwoordde hij woedend, „met dien schobbejak reken ik af.”
Zonder verder naar haar te luisteren, snelde hij de kamer uit, nam op straat een rijtuig en reed naar huis.
Nadat hij er zich daar eerst van had overtuigd, dat de sigarettenkoker werkelijk op de door Zwarte Betsy aangeduide plaats lag, verliet hij zijn huis opnieuw en reed weer naar het hoofdbureau van politie.
De Vloo was niet aanwezig, maar in zijn plaats inspecteur Baxter.
Baxter had zich juist na een overvloedig diner op de leeren sofa uitgestrekt om een middagslaapje te doen en de wachthebbende politie-agent, die den biscuitfabrikant had moeten aandienen, had gebruik gemaakt van de goede gelegenheid en was op zijn stoel met het hoofd op de borst ingedommeld.
„Dat is hier een mooie boel”, sprak Mr. Simson, toen hij den slapenden politie-agent zag.
„Zoo iets moest men in de kranten bekend maken.”
Hij ging naar de deur van den inspecteur en toen hij geen antwoord kreeg op zijn kloppen, opende hij de deur en ging naar binnen.
Een luid gesnurk van de leeren sofa verried hem, dat de inspecteur hetzelfde deed als de agent.
„Nu, nu?” mompelde de biscuitfabrikant, „als de chefs slapen, waarom zullen de ondergeschikten dan iets anders doen?
„Zoo iets kan alleen in Rijksdienst gebeuren; bij mij, in mijn fabriek, komt iets dergelijks niet voor.”
Daarop zag hij op de schrijftafel van secretaris Marholm het portret van Zwarte Betsy, dat de Vloo daar had laten liggen.
Zonder er een gewetenszaak van te maken, dat hij eigenlijk diefstal pleegde, ging hij naar de schrijftafel en eigende zich de photo toe.
„Ziezoo”, sprak hij tot zichzelf, „dat is de beste gelegenheid om zonder veel praatjes Betsy haar portret terug te bezorgen!
„Nu zal ik dien man eens met een flinken stoot in de ribben wakker maken.”
De por, dien hij den snorkenden Baxter gaf, behoorde niet tot de zachtste.
Verschrikt opende de inspecteur van politie zijn oogen, staarde den zwaarlijvigen indringer aan en riep:
„Vervloekt, hoe zijt gij hier gekomen?”
„Door de deur”, antwoordde de dikkert kalm.
„Hoe durft gij het wagen om, zonder u te laten aandienen, bij mij binnen te komen?”
„Vraag dat liever aan uw agent in de voorkamer, die slaapt even vast als gij hier!
„En zal ik u eens wat zeggen? Ik denk er sterk over om hetgeen mij hier overkomen is, in de kranten wereldkundig te maken!”
Met een ruk sprong de inspecteur op.
„Wat?” riep hij. „Slaapt die kerel in de voorkamer?”
In hetzelfde oogenblik trok hij de deur open, sprong woedend naar den slapenden agent toe en gaf hem een klinkende oorvijg.
„Ik zal je toonen, wat het is om in dienst te slapen”, bulderde hij den man toe. [14]
„Gij weet immers, dat hij, die in dienst slapend wordt gevonden, onmiddellijk ontslagen kan worden?”
„Wel, dan moet men met u beginnen,” mengde zich de biscuitfabrikant in het gesprek.
Met een woedenden blik keek de inspecteur hem aan.
„Alle duivels, Sir, hoe durft gij u ermee bemoeien, als ik mijn ondergeschikten bestraf?”
Daar hij echter vreesde, dat de fabrikant den agent op de hoogte van het gebeurde zou brengen, ging hij met den dikken heer naar zijn bureau terug en sprak:
„Wat wenscht gij van mij?”
„Ik wilde u alleen mededeelen, dat de sigarettenkoker van keizer Nero teruggevonden is.”
„Wat is teruggevonden?” vroeg de inspecteur van politie, die het protocol, dat Marholm op zijn schrijftafel had gelegd, nog niet had gelezen.
„Ik was twee uur geleden hier,” verklaarde Mr. Simson, „en deed aangifte, dat een mij toebehoorende, kostbare antiquiteit, een sigarettenkoker van keizer Nero, mij ontstolen is. Deze is echter gelukkig teruggevonden.”
„Zoo,” antwoordde de inspecteur van politie, „en daarom komt gij hier en bezorgt ons noodeloos werk?
„Dat wordt hoe langer hoe fraaier! Als iedereen in Londen, die iets op een andere plaats heeft gelegd, dadelijk naar het hoofdbureau van politie loopt om er aangifte wegens diefstal van te doen, dan zouden wij minstens 10.000 beambten aan het werk kunnen zetten.”
„Wel,” antwoordde de biscuitfabrikant, „ik ben blij, dat mijn kostbaar eigendom weer terecht is en gij moogt blij zijn, dat gij geen dief behoeft te vangen, want in de kranten staat, dat gij er toch geen kunt krijgen!”
„Wat gaat u dat aan,” stoof de inspecteur op, „zijt gij mijn chef? of wilt gij u schuldig maken aan het beleedigen van een beambte?”
„Dank u, dank u”, antwoordde Mr. Simson met een afwerend handgebaar, nam zijn cylinder en verliet, zonder te groeten, de kamer.
Kort daarop trad de vloo binnen.
„Gij hebt visite gehad, nietwaar inspecteur?” vroeg hij, terwijl hij zijn overjas aan den kapstok hing.
„Ja,” antwoordde zijn chef, „waarschijnlijk een ontoerekenbaar sujet.”
„Luister eens,” sprak de vloo, hem vertrouwelijk op den schouder kloppend, „het is niet dikwijls het geval, dat wij beiden het eens zijn. Maar dezen keer denk ik er precies zoo over als gij. Die man is werkelijk ontoerekenbaar.”
Daarop nam de vloo aan de schrijftafel plaats en ontdekte onmiddellijk het ontbreken van de photo.
„Zeg eens, inspecteur, hebt gij een photographie van mijn tafel genomen?”
„Neen, ik roer niets aan wat op uw tafel ligt.”
„Wel duivels, van mijn schrijftafel is het mooie portret van Zwarte Betsy verdwenen.”
„Laat dergelijke portretten dan niet open en bloot liggen!”
„Hebt gij niet opgemerkt, dat misschien uw bezoeker, die vetbuik, de photo heeft weggenomen?”
„Wat?” schreeuwde Baxter, „denkt gij, dat het iemand mogelijk zou zijn om in mijn tegenwoordigheid hier in het bureau iets te stelen?”
„Och,” antwoordde de vloo, „het zou mogelijk kunnen zijn, dat gij geslapen hadt!”
Nauwelijks echter had hij deze woorden gesproken, of Baxter nam een portefeuille met acten op en slingerde die zijn secretaris naar het hoofd.
„Houdt uw cynische opmerkingen voor u! Gij spreekt tegen uw chef en gij weet, evengoed als ik, dat het verboden is, in dienst te slapen.”
„Daarin hebt gij gelijk,” antwoordde de vloo, „slapen is in het hoofdbureau van politie ten eenenmale verboden!”
Daarop boog hij zich over zijn werk heen en begon te schrijven. [15]
In de prachtvolle villa van den hofleverancier van Zijne Majesteit, den door zijn reclame wereldberoemden biscuitfabrikant Simson, was een gezelschap bijeen.
Na het souper trokken de heeren zich vervolgens in het rooksalon terug, om hier onder het genot van een sigaar en geestrijke dranken het gesprek verder voort te zetten.
Het middelpunt van het gesprek was op dien avond niet een levend wezen, maar—de sigarettenkoker van keizer Nero, die door den biscuitfabrikant onlangs van den antiquair Barring was gekocht.
En het interessantste van het sigaretten-étui was een sigaret, die eveneens nog het eigendom van keizer Nero moest zijn geweest en waarop in Grieksche drukletters, het opschrift „Aegyptos” stond.
Behalve een enkele uit het gezelschap waren zij allen zoo dom, dat men hun denkvermogen gerust bij een watermeloen kon vergelijken.
Slechts een der heeren maakte een uitzondering en dat was Lord Edward Lister, alias Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord Warrington in het huis van den gastheer verkeerde.
De biscuitfabrikant vermoedde in de verste verte niet, dat de Lord dezelfde persoon was, die eens als kamerheer van den koning van Servië met hem in verbinding had gestaan.
Toenmaals, als kamerheer van den koning van Servië, droeg Raffles de vermomming van een bejaard heer met lange, grijze bakkebaarden, terwijl hij nu, zonder eenige maskeering met zijn baardeloos, fijnbesneden gelaat het type van een echten Engelschman tusschen de dertig en veertig jaar vertoonde.
Ook hij bewonderde naar het scheen den beroemden sigarettenkoker, maar toen de biscuitfabrikant wilde beweren, dat dit de grootste kostbaarheid in geheel Londen was, was Raffles zoo vrij, hem te antwoorden, dat hij zich daarin wel zou vergissen.
„Neem mij niet kwalijk,” riep Mr. Simson uit, „dan ben ik toch werkelijk nieuwsgierig, of gij iets meer interessants en van grooter waarde bezit, dan deze zeldzaamheid.”
„Zeker!” antwoordde Raffles, „op mijn jarenlange reizen in het buitenland, vooral in den Oriënt, heb ik zeer veel dingen verzameld, die van veel meer waarde zijn dan deze sigarettenkoker uit den tijd van keizer Nero.
„Ik bezit bijvoorbeeld een zonnescherm van keizerin Cleopatra van Egypte, een tandenstoker van aartsvader Abraham en, als grootste kostbaarheid, die er op aarde te vinden is, de eenig bestaande sport van de bekende Jacobsladder.
„Ik hoop, mijne heeren, dat gij allen van de Jacobsladder in den bijbel hebt gelezen!”
Hoewel alle aanwezigen als zeer bijbelsche mannen en steunpilaren der kerk bekend stonden, konden zij zich slechts vaag uit hun schooljaren een Jacobsladder herinneren.
„Deze ladder, mijne heeren,” vervolgde Lord Lister, „is de eenige, die ooit van de aarde tot den hemel heeft gereikt. Zij is dus een reliquie van onschatbare waarde.
„Ik hoop, dat gij mij zult toegeven, dat een dergelijke sport een veel grooter zeldzaamheid is dan de sigarettenkoker van keizer Nero.”
Ondanks hun hersenloosheid moesten alle aanwezigen toegeven, dat Lord Warrington den ander de loef had afgestoken.
Men kon duidelijk aan het vette gelaat van den hofleverancier zien, dat hij zich ergerde, omdat de sport van de Jacobsladder, die Raffles bezat, zijn sigarettenkoker in de schaduw stelde. [16]
„Luister eens”, sprak hij tot Raffles, „ik heb er nu eenmaal mijn zinnen op gezet om de voornaamste en meest bekende antiquiteitenverzamelaar van Londen te zijn. Ik wil u een voorstel doen. Wilt gij mij de sport van de ladder verkoopen?”
„Dat kan ik onmogelijk doen,” antwoordde Raffles. „Van een dergelijk voorwerp kan ik uit piëteit niet op die manier afstand doen.
„Maar ik doe u een ander voorstel:
„Als het u aangenaam is, ruilen wij het in tegen een voorwerp uit uw verzameling.”
„Dat neem ik dolgaarne aan,” antwoordde de biscuitfabrikant! „Behalve de sigarettenkoker van keizer Nero moogt gij iets van mijn verzameling uitzoeken, waarvoor gij de laddersport in ruil wilt geven.”
Raffles had reeds weken geleden in de woning van Mr. Simson een zeer kostbaren Murillo ontdekt en bewonderd. Hij schatte het schilderij op een waarde van minstens 20,000 pond sterling.
Terwijl hij met den vinger het schilderij, dat aan den muur hing, aanwees, sprak hij:
„Het beste stuk uit uw collectie tegen het kostbaarste van de mijne. Ik houd meer van schilderijen dan van antiquiteiten en ben bereid, u de sport van de Jacobsladder tegen den Murillo in te ruilen.”
„Afgesproken!” riep de biscuitfabrikant en ongemerkt wreef hij zich in de handen, want nu zou hij werkelijk een voorwerp in zijn verzameling hebben, dat door niets kon worden overtroffen.
„Wanneer zal de ruil plaats hebben?” vroeg hij Raffles.
„Zendt mij het schilderij morgenochtend,” antwoordde Raffles, „of neen, ik zal lui sturen om het schilderij af te halen en wil u persoonlijk de in een gouden kast weggesloten laddersport overhandigen.”
Nadat het gesprek was afgeloopen, gingen de heeren naar het muzieksalon, waar zich de dames bevonden om naar de liederen van een beroemde zangeres te luisteren, die ook was uitgenoodigd.
Toen Raffles het muzieksalon binnentrad, bleef hij een oogenblik verbaasd staan.
In een zachtrose zijden japon, een magnifique Parijsch avondtoilet, zat Zwarte Betsy op eenigen afstand van den concertvleugel en keek met scherpe blikken naar de binnenkomenden.
Zij was eerst in den loop van den avond gekomen en het was de eerste keer, dat de biscuitfabrikant het waagde om zijn minnares onder den naam van Lady Melvil bij zich te ontvangen.
Niemand, behalve Raffles wist, welke gevaarlijke avonturierster zich onder de gasten bevond.
Niet ten onrechte noemde Zwarte Betsy zich de vrouwelijke Raffles.
En met dezelfde vijandschap die er tusschen kat en hond bestaat, haatte zij den veel handigeren mannelijken collega en onophoudelijk dacht zij erover na, op welke wijze zij hem, wiens concurrentie zij vreesde, onschadelijk kon maken.
Indertijd in Ostende, toen de groote onbekende als kamerheer van den koning van Servië den biscuitfabrikant waardelooze ordeteekens had aangesmeerd, was zij eenvoudig kamermeisje in het hotel geweest, waar de kamerheer had gelogeerd en het was haar bijna gelukt, hem te laten gevangen nemen, maar hij had zich door een van zijn meesterlijke streken weten te redden.
Inplaats daarvan zou zij zelf bijna in de gevangenis zijn gekomen!
Zij herkende hem onmiddellijk weer, toen hij binnenkwam.
Een oogenblik ontmoetten hun blikken elkaar en bleven tot elkaar aangetrokken als magneten en een groote haat lag in de oogen van Zwarte Betsy te lezen.
Zonder den blik neer te slaan, liet hij zich aan haar voorstellen als Lord Warrington en geen der aanwezigen vermoedde, dat de voorname demi-mondaine, die schijnbaar glimlachend met den Lord achter haar waaier fluisterde, een heftige woordenwisseling met dezen voerde.
„Ah!” sprak zij, „Lord Edward! Eindelijk ontmoeten wij elkaar weer eens. Ik had niet gedacht, dat gij het zoudt durven wagen om in het huis van een uwer vroegere slachtoffers te verkeeren.”
„Neem mij niet kwalijk, Madam,” antwoordde Raffles, „ik weet niet, waarover gij spreekt.”
„Och,” vervolgde Zwarte Betsy, „probeer maar niet mij te misleiden, of wilt gij comedie tegenover mij spelen? Ik herkende u onmiddellijk, Raffles, toen gij hier binnenkwaamt.”
„En ik jou, kleine Betsy,” spotte Raffles.
„Gij weet, dat ik gezworen heb om u onschadelijk te maken,” siste Zwarte Betsy, „wij hebben nog heel wat met elkaar af te rekenen.
„Gij hebt mij herhaaldelijk in mijn plannen gedwarsboomd en mij en mijn makkers groote schade veroorzaakt.
„Wat zoudt gij nu doen, als ik opstond en aan de [17]gasten vertelde, dat gij de alom gezochte John C. Raffles zijt?”
„Ik zou dwaas zijn, als ik u vertelde, wat ik in dat geval zou doen. Maar, Madam, ik ben aan dergelijke toevalligheden in mijn beroep gewend. Mijn sport brengt nu eenmaal mee, dat zulke kleinigheden af en toe voorvallen.
„Ik denk, dat ik minder in verlegenheid zou geraken dan gij het zoudt zijn, als ik opstond en zei: mijne heeren, de dame, die hier zit, is een persoontje, dat zeer welkom zou zijn op het hoofdbureau van politie.
„Haar photographie kunt gij daar onder no. 3874 in het misdadigersalbum vinden.”
„Ellendeling!” siste Zwarte Betsy, „ik lach om uw dreigementen. Maar ik zie in, dat ik u hier op het oogenblik niet onschadelijk kan maken. Er zal zich wel een betere gelegenheid voordoen.”
„Ik hoop het,” antwoordde Raffles op onverschilligen toon, „het is altijd goed, als personen van uw soort niet achter kanten gordijnen, maar achter stevige ijzeren tralies zitten.”
Niemand vermoedde, dat het tweetal in een soort van wapenstilstand den avond in hetzelfde gezelschap doorbracht.
Alleen de biscuitfabrikant werd onrustig en had met jaloersche blikken naar het tweetal gekeken, dat zoo’n langdurig onderhoud samen had.
Laat in den nacht namen de gasten afscheid en toen Zwarte Betsy in de auto plaats nam, die voor de deur wachtte, keek zij in het glimlachende, ironische gelaat van Raffles, die beleefd zijn hoed afnam en sprak:
„Tot weerziens, Madam; het was mij bijzonder aangenaam, u weer ontmoet te hebben.”
Een blik vol woede trof hem uit de oogen van Zwarte Betsy; daarop reed zij naar haar woning in het Hydepark, terwijl Raffles een cab nam en zich ook huiswaarts begaf. [18]
„Zeg eens, Edward, ben je werkelijk krankzinnig geworden?” sprak Charly Brand, toen hij zijn vriend en meester reeds in het vroege ochtenduur in den tuin van de villa vond in hemdsmouwen en tuinmansschort, druk bezig een sport uit een houten ladder te zagen.
„Welneen, volstrekt niet,” lachte Raffles.
„Nu, zeg eens,” antwoordde Charly Brand, „welk verstandig mensch zaagt een goede ladder stuk? Er ligt genoeg brandhout in den kelder, als wij dat noodig mochten hebben.”
„Je ziet toch wel, mijn jongen, dat ik geen brandhout noodig heb, maar alleen een sport van de ladder.”
„Een laddersport? Moet je een knuppel hebben?”
„Ja”, lachte Raffles, „ik heb een knuppel noodig, die 20,000 pond sterling waard is.”
Met krachtige slagen maakte hij de sport los van de zijkanten der ladder, terwijl Charly Brand met een ernstig gelaat toekeek.
„Ik maak mij werkelijk ongerust over je, Edward.”
„Dat is niet noodig, mijn lieve vriend; ik verzeker je,”—hij zwaaide de laddersport als een bijl eenige keeren door de lucht, wierp ze in de hoogte en ving haar weer op—„deze sport brengt mij 20,000 pond sterling op.
„Kom, ik heb weinig tijd, je kunt met mij meegaan.”
Charly Brand, die in den loop der jaren aan veel vreemde dingen was gewend, schudde dezen keer mismoedig het hoofd.
Hij kon met den besten wil van de wereld niet begrijpen hoe de geniale Edward met de sport van de ladder 20,000 pond sterling zou kunnen verdienen.
Een half uur later was Raffles gekleed, verliet met zijn secretaris het huis en beiden begaven zich in een cab naar een goudsmid.
Hier kocht hij een langwerpig kistje van gewoon goudblik, waarin hij op lichtblauw fluweel het stuk hout neerlegde.
Charly Brand keek stom van verbazing naar hetgeen zijn vriend deed.
Wat ter wereld moest dit waardelooze stuk hout, dat in een vergulde kist op hemelsblauw fluweel werd geborgen, beteekenen?
Nu reed Raffles naar een maatschappij voor goederenvervoer, huurde daar een rijtuig en twee werklieden.
Met deze lieden begaf hij zich naar de woning van den biscuitfabrikant, die hem reeds met ongeduld wachtte en bang was, dat de Lord spijt van zijn woorden had gekregen.
Met een vroolijk glimlachje ontving hij hem nu en na korte bespreking konden de werklieden den Murillo afnemen en in het rijtuig, dat voor het huis stond, laden.
Met eerbiedigen schroom bekeek hij de sport van de ladder en kon nauwelijks zijn kalmte bewaren, zoo verrukt was hij over deze zeldzame kostbaarheid.
Charly Brand woonde het geheele tooneel met open mond bij.
Nu werd het hem duidelijk, dat niet Raffles, maar de biscuitfabrikant de krankzinnige was.
Toen zij weer in hun rijtuig zaten en naar den wereldberoemden kunstkooper Ellionet reden, sprak hij:
„Zeg eens, Edward, die man schijnt aan ongeneeslijke hersensverweeking te lijden.”
Raffles lachte:
„Zijn hersens bestaan, evenals zijn biscuits, uit meel en water.
„Want—iemand, die een sigarettenkoker van keizer Nero koopt, zoo redeneer ik, is in staat om de onzinnigste dingen der wereld te koopen. Weet je, wat ik [19]hem zooeven heb verkocht in ruil voor een kostbaar schilderij?”
„Neen”, antwoordde Charly, „ik kan met den besten wil niet begrijpen, wat die laddersport moet beteekenen.”
En terwijl Raffles zijn gelaat in een ernstigen plooi trok, sprak hij op zalvenden toon:
„In den Bijbel staat geschreven, toen Jacob op het veld lag en sliep, droomde hij van een ladder, die tot den hemel reikte en waarlangs de engelen op en neer klommen.
„Van deze ladder, mijn lieve Charly, heb ik de eenige sport, die er nog van bestaat, aan den biscuit-idioot verkocht.”
Charly Brand barstte in een onbedaarlijk lachen uit en sprak:
„Ik had nooit gedacht, dat er zulke stommerikken bestaan!”
„Oho!” riep Raffles, „overschat de menschen om ’s Hemels wil niet, er zijn altijd nog veel dommere, dan men denkt.”
Zij hadden het huis van den kunsthandelaar bereikt en Raffles liet het schilderij naar binnen brengen.
Vol verrukking bekeek deze den wonderschoonen Murillo en sprak, toen Raffles hem het schilderij te koop aanbood:
„Het is dezelfde Murillo, die mij indertijd op een veiling door den biscuitfabrikant Simson afhandig is gemaakt. Maar zooveel als deze kan ik er niet voor besteden.”
„Wel”, antwoordde Raffles, „zeg mij, welk bedrag gij wilt betalen. Ik hoop, dat wij het over den koop eens zullen worden.”
Na eenig nadenken antwoordde de kunsthandelaar:
„Ik betaal u voor den Murillo 25.000 pond sterling.”
„All right”, sprak de Lord, „ik ga een groote reis naar het buitenland maken en heb geld noodig. Ik wil daarom niet verder er over spreken en verzoek u, mij een cheque te geven.”
Eenige minuten later was de koop gesloten en toen Raffles zich weer op straat bevond om zich naar de Bank te begeven, sprak hij tot zijn secretaris:
„Je ziet, jongenlief, wat men voor een stuk hout kan krijgen als men slechts de kunst verstaat, het goed aan den man te brengen.”
Terzelfder tijd, toen Raffles op de Bank het geld in ontvangst nam en tegelijk met de cheque van den kunsthandelaar een tweede aanbood, groot 8000 pond sterling, voorzien van de handteekening van den antiquair Barring, welke hij eveneens uitbetaald kreeg, had Mr. Simson zich ijlings met de laddersport naar Zwarte Betsy begeven om haar zijn nieuwste eigendom, het sieraad van zijn verzameling, te laten zien.
Nauwelijks had deze het stuk hout gezien of zij barstte in een schaterlach uit en riep:
„Ik moet werkelijk aan je verstand twijfelen, dat is immers een doodgewone laddersport, een waardeloos stuk hout!”
De biscuitfabrikant sprak op beleedigden toon:
„Daarvan heb jij geen verstand en het spijt mij, dat ik je de sport van de Jacobsladder heb laten zien.”
Zwarte Betsy dacht eenige oogenblikken na, of zij haar vriend en beschermer opheldering zou geven omtrent den persoon van Lord Warrington.
Maar zij was zoo verstandig om voorloopig nog te zwijgen.
Juist toen de hofleverancier van plan was, heen te gaan, bracht het kamermeisje een visitekaartje binnen.
Nauwelijks had Zwarte Betsy een blik op het smalle kaartje geworpen, of een lichte rilling beving haar en, als niet een dikke laag rood op haar wangen had gelegen, zou de biscuitfabrikant hebben opgemerkt dat zij vaalbleek was geworden!
„Miss Prince,” stond op het kaartje, anders niets.
Zwarte Betsy kende Miss Prince. Want meer dan eens had de beroemde Amerikaansche detective haar plannen in duigen doen vallen en haar zelfs tweemaal gevangen genomen.
Doch slechts heel kort duurde deze zwakte van het oogenblik; daarna reikte zij met haar beminnelijk, verleidelijk glimlachje den door haar betooverden dikken beminde de van kostbare brillanten voorziene hand met de woorden:
„Je wilt zeker wel zoo goed zijn mij nu te verlaten om mij vanavond voor het souper af te halen. Ik krijg daarjuist bezoek van een vriendin, en je weet, dat wij vrouwen er niet van houden dat gij mannen tegenwoordig zijt bij onze besprekingen van de mode en toiletgeheimen.”
De biscuitfabrikant kuste haar verliefd de hand, trachtte haar even te omhelzen en verliet daarna het salon.
Hij wierp een nieuwsgierigen blik op de in het voorvertrek zittende miss Prince. Doch nauwelijks had hij ontdekt hoe opvallend leelijk deze was, of hij liep haastig, voor zoover zijn corpulentie dit toeliet, naar de deur om langs de trap op straat te verdwijnen. [20]
Er was niets dat hem meer afstiet dan een leelijke vrouw. Hij behoefde op zulke vriendinnen van Betsy niet jaloersch te zijn.
Terwijl hij naar huis snelde was de dame het salon binnengetreden en nam door haar lorgnet met een onverschillig spotlachje de kostbare inrichting van het vertrek op.
Hierna richtte zij haar oogen op de bewoonster zelve en zei:
„Wat een prachtig toilet hebt gij aan, miss Betsy. Gij schijnt over een ruime beurs te beschikken.”
De aangesprokene wierp vol trots het hoofd in den nek en antwoordde:
„De geldmiddelen, waarover ik tijdelijk beschik, kunnen u geheel onverschillig laten, miss Prince, want deze sommen heb ik, zonder dat de wet hiertegen iets kan doen, van mijn vriend cadeau gekregen.”
„Dat weet ik,” hernam miss Prince. „Ik ken uwe betrekkingen tot den hofleverancier van Zijne Majesteit, den biscuitfabrikant Simson. Ik weet, dat gij zijn beminde zijt, en men op ’t oogenblik niet van plan is u opnieuw wegens oplichterij aan te klagen. Doch—”
Zij hield even op.
„Uw rekening van vroeger is echter nog altijd niet vereffend, en ik geloof, dat men aan het hoofdbureau van politie blij zou zijn als ik u daar aanbracht.
„Hoe zoudt gij het vinden, als ik tot u zei: „In naam der wet, miss Betsy, volg mij.””
De Zwarte Betsy sidderde zoo hevig, dat zij moest gaan zitten.
De detective keek een paar seconden naar haar en ging toen verder:
„Stel u gerust, Betsy, ik kom niet tot u om u gevangen te nemen, doch om zaken met u te doen.
„Ik wensch nl. een inlichting van u te hebben.
„Geeft gij mij deze inlichting en zijt gij mij behulpzaam bij de uitvoering van mijn plan, dan verzeker ik u kwijtschelding van alle straf, en de Engelsche politie zal zich niet meer met u bemoeien dan nadat ge weer een nieuwe streek hebt uitgehaald.”
„Vraag gerust, miss Prince,” sprak Zwarte Betsy met zwakke stem, „ik ben gaarne bereid u alle inlichtingen te geven.”
„Ge kunt misschien wel vermoeden, waarom ik bij u kom,” vervolgde haar bezoekster en ging in een roodzijde fauteuil zitten.
„Dat zou ik heusch niet weten,” antwoordde Betsy.
„Welnu, ik zal u direct ophelderen waar het om gaat, het betreft Raffles.”
„Zoo, zoo, Raffles,” herhaalde de avonturierster, inwendig blij.
„Hij is ons destijds in Ostende helaas ontsnapt.”
„Ja, helaas, in weerwil van alle voorzorgsmaatregelen was hij knapper dan wij; dat wil zeggen,” vulde zij aan, „het is niet mijn schuld dat hij ontkwam, doch die van den inspecteur van politie Baxter, die zijn maatregelen te laat nam en zich liet beetnemen.”
„Ik zou nu van u graag willen vernemen, Betsy, of u het verblijf van Raffles in Londen bekend is.”
„Neen, dat weet ik niet,” antwoordde Zwarte Betsy, zonder dat zij een leugen uitsprak.
In weerwil van ijverige nasporingen was zij van den biscuitfabrikant niet het adres van Lord Warrington te weten gekomen, daar deze het naar hij zei zelf niet wist, doch het haar uit jaloezie verzweeg.
„Zoo,” antwoordde miss Prince, „gij kent zijn woonplaats dus niet? Mogelijk hebt gij hem den laatsten tijd ergens ontmoet?”
„Dat heb ik wel,” antwoordde Betsy, „John Raffles komt onder den naam van Lord Warrington ten huize van mijn beminde, Sir Simson.”
„Is dat inderdaad zoo?” vroeg miss Prince met doordringenden blik.
„Ja, dat is zoo. Ik sprak hem zelf eenige dagen geleden op een partij.”
„En hij herkende u?”
„Ja, wij herkenden elkaar, doch in een soort wapenstilstand verrieden wij onze identiteit niet aan de gasten, wij moesten beiden, hij zoowel als ik, zwijgen.”
„Waarom deedt ge daar tot heden geen aangifte van bij de politie? Gij weet, dat op Raffles’ gevangenneming een prijs is uitgeloofd van 4000 pond sterling. Dat geld hadt ge toch kunnen verdienen.”
„Dat is zoo,” antwoordde Zwarte Betsy, „doch ik wilde een betere tijd en gelegenheid afwachten om mij te wreken op Raffles, met wien ik nog persoonlijk moet afrekenen.”
„Ik weet, dat gij hem haat, en daarom kom ik naar u om met uw hulp den sluwen vos eindelijk te vangen.
„Kunt ge het niet zóó inrichten, dat ge mij per telefoon inlicht, wanneer Raffles zich weer bij uw beminde bevindt?
„Ik zou dan dadelijk alle maatregelen lot zijn gevangenneming kunnen treffen.”
„Dat zou ik kunnen doen,” antwoordde Betsy, „geef mij uw telefoonnummer op en zorg, dat gij de eerstvolgende dagen in de avonduren thuis zijt.”
Miss Prince schreef voor Zwarte Betsy het telefoonnummer [21]op, en nadat zij haar nogmaals kwijtschelding van alle straf had verzekerd, wanneer het met haar hulp mocht gelukken Raffles te vangen, nam zij afscheid van de avonturierster.
Toen zij buiten kwam en een rijtuig nam, om naar den inspecteur van politie Baxter te rijden, wreef zij zich vergenoegd de handen.
„Kolossaal,” zei zij in zichzelf, „dat zal de beste vangst zijn van mijn heele leven, zeer zeker de kroon op mijn werk.”
In gedachten, zag zij zich al staan voor den grooten onbekende en hem toeroepen: „In naam der wet neem ik u gevangen, John C. Raffles.” [22]
„Wilt ge werkelijk vanavond naar de partij bij den biscuitfabrikant gaan?” vroeg zijn vriend en secretaris, toen John Raffles zich in rok had gestoken.
„Natuurlijk wil ik daar heen gaan. Zoo’n goeden klant mag men niet verwaarloozen, en ik vermoed, dat ik bij hem nog meer dan 25,000 pond sterling kan verdienen aan een eindje hout.
„Misschien verkoop ik hem daarna nog een klimopblad uit mijn tuin als het oudste toiletartikel, dat de dames op deze wereld hebben gedragen.”
„Ik zie, dat je in een stemming bent om grappen uit te halen,” zei Charly Brand, „doch ik weet het niet, het is mij vanavond vreemd te moede. Ik heb een gevoel, alsof je daar in huis wat onaangenaams zal overkomen.”
„Onzin,” antwoordde Raffles, „ik heb zoo’n gevoel niet, doch hoop integendeel een zeer amusanten succesvollen avond te doorleven.
„Daar zijn nl. een massa heeren, wier beroep tot de meest winstgevende van Londen behoort. Een der grootste slagers, een zaadhandelaar, een fabrikant van de beste schoensmeer, en wat er verder nog voor rijkmakende baantjes in Londen te vinden zijn.
„Deze heeren dragen zonder uitzondering de prachtigste briljanten en de meest gevulde portefeuilles bij zich. Zij houden ervan, vooral op dergelijke bijeenkomsten een hoog hazardspel te spelen, gaan in hun overhemd—op echte arbeidersmanier—om de groene tafel zitten en bluffen met hun bankbiljetten van 100 pond, alsof deze volstrekt geen waarde bezaten.
„Het zou niet kwaad zijn om deze heeren eens een beetje bloed af te tappen.
„Ook Zwarte Betsy is in het bezit van diamanten, welke de biscuitidioot haar heeft gegeven en waarvoor geen koningin zich zou behoeven te schamen.
„Het zou heel nuttig zijn om het geld, dat deze menschen zonder eenig ander doel dan om ermee te pronken, met zich meesleepen, onder de armen van Londen te verdeelen.”
Raffles zetten zijn modernen hoogen hoed op, schoof een kostbaren juweelen ring aan den vinger en overtuigde zich ervan, of in den zak van zijn rok het voorwerp aanwezig was, dat hij dien avond noodig had.
„Zoek je een revolver?” vroeg Charly Brand. „Ik geloof, dat je je wapen op de schrijftafel hebt laten liggen.”
Glimlachend antwoordde Raffles:
„Mijn lieve jongen, een revolver is soms een kwaad ding en het is dikwijls gevaarlijker er een bij zich te hebben dan er zonder te zijn.
„Als mijn verstand mij niet de middelen aan de hand doet, welke ik noodig heb om aan te vallen of om mij te verdedigen, dan helpt een revolver mij ook niet.
„Bovendien maakt het knallen van een schot zenuwachtig.
„Voor mij behoeven dergelijke wapens niet te bestaan.
„Er zijn betere dingen in de wereld dan zoo’n schietinstrument.”
„Wel, dat moet je zelf weten. Ik wensch je het allerbeste voor vanavond en zal blij zijn, als je weer thuis bent om mij vannacht bij een kop thee te vertellen, wat je vanavond hebt beleefd.”
Hij hielp zijn vriend de met zijde gevoerde, elegante ulster aantrekken. Daarop wierp Raffles nog een vluchtigen blik in een grooten spiegel, gaf Charly een hand en ging heen.
Ongeveer op denzelfden tijd, toen Lord Warrington zich voor de soiree kleedde, verliet miss Prince in avondtoilet haar hotel, waar zij gedurende haar verblijf in Londen haar intrek had genomen.
Ongeveer een half uur geleden had zij van Zwarte Betsy bericht gekregen, dat Raffles, de lang gezochte, [23]dien avond op de partij van den biscuitfabrikant aanwezig zou zijn en onmiddellijk begaf zij zich naar inspecteur Baxter, dien zij reeds door de telefoon had gesproken.
Beiden besloten nu, zonder de hulp van verdere politiemacht, de arrestatie van den grooten onbekende persoonlijk in handen te nemen, opdat hun alleen de eer zou toekomen eindelijk den gevreesden Raffles, den schrik van Londen, onschadelijk te hebben gemaakt.
Inspecteur Baxter was het niet geheel eens met het plan van miss Prince.
Hij kende uit tal van gebeurtenissen de behendigheid van John Raffles maar al te goed en wist, hoe moeilijk het was, hem in handen te krijgen.
Het liefst zou hij het huis van den biscuitfabrikant met een dubbel cordon politie-agenten hebben omsingeld, zoodat vluchten onmogelijk zou zijn.
Miss Prince had hem echter overreed en getracht, hem duidelijk te maken, dat zij het beter klaar zouden spelen zonder de hulp van agenten en detectives.
Toen zij nu de particuliere woning van den inspecteur van politie had bereikt, kwam deze haar reeds in visitetoilet tegemoet en op tevreden toon riep zij hem toe:
„Gij hebt u uitstekend gemaskeerd, inspecteur, gij ziet er uit als een echte oude Engelsche baronet.”
Baxter boog bij het hooren van dit compliment en antwoordde: „Men zegt algemeen, dat ik uitstekend de kunst versta om mij te vermommen. Maar om u een complimentje terug te geven, ook ik zou u niet hebben herkend.”
„Dat geloof ik gaarne”, lachte Miss Prince, „maar ik heb ook gebruik gemaakt van mijn beste schmink en toiletgeheimen om niet door den sluwen Raffles te worden herkend. En luister nu eens naar mijn plan.”
De vrouwelijke detective vervolgde:
„Wij rijden nu naar de woning van Zwarte Betsy, die ons als goede kennis vanavond bij den biscuitfabrikant zal introduceeren.
„Niemand mag weten, welk beroep wij uitoefenen en wat wij daar komen doen. Het zou anders mogelijk zijn, dat Raffles door den een of ander werd gewaarschuwd of wantrouwen kreeg.”
„En dan zou de vos ons weer ontsnappen.
„Wanneer en hoe denkt gij hem gevangen te nemen?”
„Ik denk, dat wij na afloop der partij wel gelegenheid zullen hebben om door bemiddeling van den gastheer of Zwarte Betsy een onderhoud met hem te hebben in de studeerkamer van Mr. Simson. Daar zullen wij dan de hand op hem leggen en hem gevangen nemen.”
„Ik weet niet”, sprak inspecteur Baxter, „of uw plan werkelijk goed is. Maar zooals gij het wenscht, zal het gebeuren. Ik wil u volkomen vertrouwen.
„Excuseer mij nog een oogenblik, ik ga nog even mijn witte handschoenen uit de slaapkamer halen en dan ben ik bereid, u te volgen.”
Het halen der witte handschoenen was echter slechts een voorwendsel om zich even te kunnen verwijderen.
Inderdaad had hij een geheel ander plan gemaakt. Hij vond het lang niet zeker, dat het Miss Prince en hem zou gelukken om John Raffles gevangen te nemen.
Daarom besloot hij om in elk geval het hoofdbureau van politie mobiel te maken, ten einde de villa van den biscuitfabrikant, die tamelijk afgezonderd, midden in een park lag, door een dubbele haag van politieagenten zoodanig te laten omsingelen, dat het niemand zou gelukken zich uit het huis te verwijderen.
Zoodra hij in de slaapkamer was, nam hij de telefoon op, die hem verbinding gaf met het hoofdbureau van politie en riep zijn secretaris Marholm, de vroolijke Vloo, zooals zijn collega’s hem in den laatsten tijd noemden, door de telefoon toe:
„Ben je daar, Marholm?”
De Vloo, die door het bellen van de telefoon in een heerlijk avonddutje werd gestoord, nam verdrietig de telefoon op en riep:
„Voor den duivel, wie is daar? Dat is een lawaai, alsof er ergens een moord was gepleegd!”
„Ge hebt zeker weer geslapen, nietwaar?”
Marholm herkende dadelijk de stem van zijn chef en dacht:
„Ha, die heeft weer het een of andere plan!”
Met luide stem riep hij door de telefoon:
„Wat gaat het u aan, of ik slaap of niet! Ga zelf liever slapen en laat mij hier met rust, ik heb geen zin om mij door u te laten storen.”
„Wel vervloekt, Sir!” schreeuwde de inspecteur woedend, „gij wordt met den dag brutaler!”
„Wat?” antwoordde Marholm slagvaardig, „wat valt u in, om mij hier door de telefoon te durven beleedigen. Jammer, dat ik u niet in werkelijkheid voor mij heb! En nu adieu!”
Bij die woorden hing hij de telefoon aan den haak en keek met een guitig lachje naar de bel van het toestel, [24]die nu zonder ophouden door Baxter in beweging werd gezet.
„Wacht maar,” lachte de vloo, „je zult eerst bellen, tot je pols moe is!”
Nadat er bijna een minuut was voorbijgegaan, welke Baxter een eeuwigheid scheen, nam de vloo de telefoon op en riep:
„Verduivelde ezel, wil je eindelijk eens ophouden zoo’n lawaai te maken?”
„Ik ben hier,— —ik— —.”
„Dat hoor ik, idioot, maar ik weet altijd nog niet, wie „ik” is— — — —!”
Duidelijk zag hij het paarsroode gelaat van Baxter voor zich, nu deze op woedenden toon riep:
„Maar mijn Hemel, Marholm, herken je mij dan niet aan mijn stem?”
„Neen,” antwoordde Marholm, „de eene os brult in Engeland precies zoo als de andere. Zoolang gij mij uw naam niet noemt, weet ik niet welke ezel gij zijt!”
„Baxter!” klonk het woedend terug. „Hier Baxter!”
„O, dat heb ik wel gedacht,” antwoordde de vloo doodkalm, „een ander zou het niet durven wagen, zoo door de telefoon te razen en te tieren!”
„Gij gedraagt u netjes, Marholm, om mij zoo te beleedigen, als je mij aan mijn stem had herkend.”
„Pardon,” riep de vloo terug, „ik had u niet aan uw stem herkend. Maar—wat wenscht gij van mij?”
„Maak onmiddellijk alarm, Marholm, laat twee wagens met agenten en detectives bezetten en omsingel het huis van den biscuitfabrikant Simson!”
„Is dat alles?” vroeg de vloo.
„Dat is alles!” antwoordde Baxter. „Haast u zooveel mogelijk, want ik heb daar uw hulp noodig bij een arrestatie! Vooruit!”
De inspecteur verbrak de verbinding en de vloo, die de telefoon ook weer aan den haak hing, mompelde:
„Ik durf er mijn hoofd op verwedden, dat dit groote alarm weer mijn besten vriend John C. Raffles geldt. Inspecteur Baxter heeft zich in langen tijd niet belachelijk gemaakt. Nu, wien het jeukt, die moet zich maar krabben!”
Met vrij veel omhaal, zonder bijzondere haast aan den dag te leggen, gaf hij den dienstdoenden agent, die lui in het wachtlokaal zat, bevel, de manschappen van het hoofdbureau mobiel te maken.
Dadelijk zette de beambte het alarmsignaal voor de verschillende vertrekken der manschappen in werking en spoedig dreunden de steenen vloeren onder de zware treden der welgedane Engelsche politie-beambten.
De wagens werden bezet door vijftig man en Marholm leidde zelf zijn troepen naar de villa van den biscuitfabrikant.
Gedurende den rit zaten de dienstdoende sergeants naast Marholm en vroegen hem welke maatregelen ter arrestatie zij moesten nemen.
„Hm,” meende de vloo, „het bevel luidt, dat wij de woning van Mr. Simson moeten omsingelen en ik denk dat dit beteekent, dat er geen enkele persoon in of uit mag.”
In de nabijheid van het huis verlieten de politiebeambten de wagens en begaven zich in twee troepen naar de villa, waar het feest reeds in vollen gang was.
In een dichte rij omsingelden zij onder leiding van Marholm het huis en juist hadden zij een stevige haag gevormd, toen de auto, waarin Zwarte Betsy, inspecteur Baxter en miss Prince zaten, de villa naderde.
„Wat beteekent dat?” vroeg de vrouwelijke detective den inspecteur, toen zij de uniformen der agenten zag.
Baxter glimlachte verlegen en antwoordde:
„Ik vond het toch noodzakelijk om hulptroepen te laten komen.”
Bij die woorden ging hij naar de vloo toe en sprak:
„Laat ons er door!”
„Ik denk er niet aan”, antwoordde de vloo, „hier komt niemand meer binnen.”
„Ben je krankzinnig, Marholm?” stoof Baxter op, „herken je mij niet?”
„Ja”, antwoordde de vloo, „uw onbeschofte manier van spreken in aanmerking genomen, zoudt gij inspecteur Baxter wel kunnen zijn. Maar die ziet er heel anders uit dan gij, vriend!”
„Ik heb mij vermomd”, sprak Baxter, „en heb daarvoor mijn redenen. Hier is mijn ambtspenning.”
Hij sloeg zijn jas open en de vloo zag het gouden schild, dat Baxter op zijn borst had gespeld.
„In orde, inspecteur”, antwoordde de vloo daarop, „nu kunt gij passeeren!”
… … … … … … … … … … … … …
Een enkel zacht licht scheen van het plafond neer en hulde het vertrek in een sprookjesachtig halfdonker.
In het midden van het vertrek stond een marmeren tafel, waarop een eigenaardig gouden kistje stond, dat de voornaamste kostbaarheid van de wereld bevatte,—de zeldzame, zoo kostbare „sport van de Jacobsladder!”—
Reeds gedurenden den maaltijd had de biscuitfabrikant zijn gasten verteld van de eigenaardige antiquiteit, [25]die hij pas had verkregen en met groote haast deden de gasten hun best, een einde aan het souper te maken, opdat zij hun nieuwsgierigheid zouden kunnen bevredigen.
De eenige, die deze belangstelling niet deelde, was Lord Warrington, die met den smaak van een fijnproever zich te goed deed aan de voortreffelijk toebereide spijzen, die op tafel stonden.
Slechts even keek hij van zijn bord op, en wel toen Zwarte Betsy met miss Prince en inspecteur Baxter binnenkwamen.
Hij merkte op, dat Betsy zich bij den gastheer over haar late komen verontschuldigde. Tegelijkertijd stelde zij het tweetal, dat met haar was gekomen, voor als een haar bekend echtpaar en sprak:
„Ik ben zoo vrij geweest, deze kennissen van mij, die mij vanavond wilden bezoeken, mede te brengen en hoop, Mr. Simson, dat gij mij deze vrijheid niet kwalijk zult nemen.
„De naam van mijn vriend en diens vrouw zal u wel bekend zijn. Het is de Schotsche baronet Smithfield.”
„Jawel”, knikte de biscuitfabrikant, die grooten eerbied had voor alle mogelijke titels, „ik heb den naam van dezen baronet wel eens gehoord en het verheugt mij, dezen heer en zijn echtgenoote in mijn huis te mogen begroeten.”
Hij stak den vermomden politie-inspecteur en de dame zijn hand toe en stelde ze aan de overige gasten voor.
Ook Raffles werd hun genoemd als „Lord Warrington”.
En zonder in het minst te verraden, dat hij hen bij hun binnentreden onmiddellijk had herkend, boog hij hoffelijk voor het echtpaar en ging daarna kalm door, van de fazant te eten, die hem juist geserveerd was.
„Hij heeft ons nog niet herkend”, fluisterde Miss Prince den inspecteur toe, toen zij op eenigen afstand van Raffles aan de tafel plaats namen.
Men bediende hun van eenige schotels, terwijl de andere gasten reeds aan het dessert waren en uit beleefdheid moesten wachten, totdat de laatkomers ook klaar waren met hun souper.
„Gij treft ons in een verklaarbare opgewondenheid”, sprak de biscuitfabrikant tot den vermeenden baronet Smithfield. „Ik ben in Londen de meest bekende antiquiteitenverzamelaar, en heb onlangs door vriendelijke bemiddeling van Lord Warrington een antiquiteit gekregen, die wel de zeldzaamste is, die er op de wereld bestaat.
„Het is een sport, een heilige sport van de bekende Jacobsladder!”
Miss Prince meende haar ooren niet te kunnen gelooven.
„Pardon”, antwoordde zij, „ik vrees niet goed verstaan te hebben. Bezit gij een sport van de Jacobsladder uit den Bijbel?”
„Ja”, knikte de fabrikant, „en ik heb er een vertrek voor laten inrichten, als een tempel, opdat dit kostbare voorwerp een waardige omgeving vindt.
„Want bedenkt eens, mijne vrienden, deze antiquiteit is geen profaan stuk, maar behoort tot de heilige reliquieën.”
Miss Prince veronderstelde, dat de gastheer haar voor den gek wilde houden.
De inspecteur van politie echter dacht er anders over.
Hij herinnerde zich nog vaag uit zijn schooljaren, dat er in den Bijbel van een Jacobsladder werd gesproken en hij meende werkelijk, dat het hier ging om de sport van een dergelijke antieke ladder van hooge waarde.
Toen het souper eindelijk was afgeloopen, stonden de gasten op en terwijl een beroemd pianist eenige klassieke nummers ten gehoore gaf, begaven de gasten zich, voorafgegaan door den biscuitfabrikant, naar de met donkerblauw fluweel en gouden sterren versierde kamer.
Behalve Miss Prince, Lord Warrington en Zwarte Betsy, stonden de idioten in eerbiedige bewondering voor het gouden kistje en staarden naar het stuk hout, dat niets anders was dan een laddersport uit den tuin van Raffles.
„Dit hier, mijn hooggeachte vrienden”, zoo begon de gastheer op fieren toon, „dit is de heilige sport”.
„Moet dat een grap verbeelden?” fluisterde de vrouwelijke detective Zwarte Betsy in het oor.
„Welneen”, antwoordde deze op denzelfden toon, „mijn beminde heeft voor deze laddersport, die volgens mijn meening ook niets meer dan een gewoon stuk hout is, Lord Warrington een zeer kostbaar schilderij in ruil gegeven, een echten Murillo, die een museumwaarde heeft van 25,000 tot 30,000 pond sterling”.
„Maar dat is niet te gelooven”, antwoordde Miss Prince, maar tegelijkertijd bekeek zij, om geen argwaan te wekken, evenals de andere gasten het stuk hout door haar lorgnet.
Nadat het gezelschap eenigen tijd in het vertrek was gebleven, leidde Mr. Simson zijn gasten ook door de [26]andere kamers om hun de andere kostbaarheden zijner verzameling te toonen.
Toen hij den sigarettenkoker van keizer Nero te voorschijn haalde en deze van hand tot hand ging om met de gewone uitroepen van verbazing bewonderd te worden, sprak miss Prince tot Zwarte Betsy:
„Komt deze koker ook van Raffles?”
„Neen, deze sigarettenkoker niet”, antwoordde zij, „die heeft een andere antiquair, Barring genaamd, mijn beminde aangepraat, maar ik vermoed, dat die ouwe vos door Raffles hierheen gestuurd werd. Waarschijnlijk werken zij samen.”
„Luister eens,” sprak Miss Prince, „neem mij niet kwalijk, maar uw beminde is een volslagen idioot”.
„Zooals waarschijnlijk elke verzamelaar”, antwoordde Zwarte Betsy lachend, „die menschen zijn zoo dwaas, dat zij soms alle nonsens gelooven”.
Lord Warrington was intusschen, zonder dat iemand het had gemerkt, naar het venster gegaan en had een vluchtigen blik naar buiten geworpen.
Duidelijk zag hij tusschen de struiken de glinsterende uniformknoopen der politie-agenten en nu begreep hij ook het verschijnen van den vermomden inspecteur van politie en de vrouwelijke detective.
Het was om hem te doen en het huis was door politiebeambten omsingeld, opdat hij niet zou kunnen ontsnappen.
Met het onverschilligste gezicht van de wereld, zijn voornaam glimlachje om den mond, trad hij nu naar den biscuitfabrikant toe en sprak tot dezen:
„Ik zal zoo vrij zijn u vanavond nog een kostbaarheid te laten zien, welke ik bezit. Een snuifdoos van Napoleon I, den grooten Corsicaan, zooals hij door de wereld wordt genoemd.
„Deze snuifdoos heeft onze beroemde Engelsche generaal Wellington hem eigenhandig afgenomen.”
„Wel,” antwoordde de biscuitfabrikant, „er zijn meer dergelijke doozen.”
„Dat wel,” antwoordde de Lord, „maar in deze, die ik bezit, bevindt zich een uitstekend soort tabak, die Napoleon gebruikte en die een voortreffelijken invloed moet uitoefenen op het denkvermogen van den mensch.
„Napoleon had de gewoonte, vóór elken veldslag een snuifje van deze geheimzinnige, wonderdadige denktabak te nemen en behaalde daardoor bijna al zijn overwinningen.”
„Drommels,” riep de biscuitfabrikant, „daar ben ik werkelijk nieuwsgierig naar. Kan men die tabak niet eens zelf probeeren?”
„Natuurlijk,” antwoordde Raffles. „Gij zult onmiddellijk na het gebruik een buitengewone vrijheid van denken, een bijna bovenmenschelijk vernuft bespeuren en ik ben zoo vrij om u en de geachte gasten van de waarheid mijner woorden te overtuigen, u een snuifje ervan aan te bieden.”
„Wij hebben nog nooit een snuifje genomen,” antwoordden de dames.
„O, dat hindert niet,” sprak de Lord op beminnenlijken toon, „ik zal u precies wijzen hoe men dat doet.
„Kijk eens hier, dames, ik zal een klein beetje op uw hand schudden en gij moet dan de tabak door den neus opsnuiven, alsof gij ademhaalt. Dat is verbazend eenvoudig.”
Lachend begonnen de dames te snuiven.
Toen Miss Prince aan de beurt kwam, weigerde zij op energieken toon, er ook van te nemen. Maar de andere dames, die reeds een zacht geprikkel in den neus voelden, drongen lachend om haar heen en of zij wilde of niet, zij moest eveneens meesnuiven.
„Haal flink op,” sprak Lord Warrington, „geneer u niet.”
En toen hij zag, dat Miss Prince de tabak niet voldoende had opgesnoven, gaf hij haar een tweede portie en sprak:
„Neen, neen, gij moet ook de weldadige uitwerking van deze tabak ondervinden. Neem er nog eens van. Denk eens, welk een eer het is, te mogen snuiven van de tabak van den grooten Napoleon.”
„Ik ben niets op die eer gesteld,” antwoordde Miss Prince op scherpen toon, „ik maak niet graag van mijn neus een schoorsteen, ik ben een vijandin van tabak in elken vorm.”
„Wel,” lachte Raffles, „misschien zult gij er nu een aanhangster van worden.”
Nu wendde hij zich tot de heeren, die er reeds vol ongeduld op wachtten, de snuiftabak van Napoleon den Groote te probeeren en te ondervinden, welke buitengewone uitwerking deze op de hersens had.
„Zoo,” sprak de elegante gentleman, toen allen ervan hadden genomen, „nu moet gij allen plaats nemen en de uitwerking der tabak afwachten. Het zal verscheiden minuten duren, voordat gij de gevolgen ervan ondervindt.”
Hij haalde zijn met juweelen afgezet horloge te voorschijn en terwijl de aanwezigen zwijgend en in gespannen verwachting naar hem keken, begon hij zacht de seconden te tellen.
„Ik vind,” sprak Mr. Simson, „dat de snuif van [27]Keizer Napoleon verbazend zwak is, ik voel nauwelijks eenige prikkeling in den neus.”
„Stel u gerust,” antwoordde Raffles, „het zal wel meer gaan werken. Maar het is een geheel andere soort snuiftabak dan die gij gewend zijt.”
Verscheiden dames begonnen plotseling te geeuwen en vermoeid de oogen te sluiten en Zwarte Betsy sprak:
„Ik voel mij doodmoe, ik geloof, dat het hier veel te warm is.”
Ook de vrouwelijke detective had hetzelfde gevoel. Raffles had haar een bijzonder sterke dosis gegeven en zij voelde haar ledematen zoo zwaar worden als lood.
De heeren begonnen luide te gapen en zich behaaglijk in de fauteuils uit te strekken.
En nu—het was zeer eigenaardig—maakte zich een niet te bedwingen slaperigheid van alle gasten meester. Het was hun, alsof de electrische lichten in het vertrek steeds verder terugweken en machteloos moesten zij de oogen sluiten.
De eene na den andere geraakte in een diepe verdooving.
Alleen Raffles stond met zijn kalmen glimlach midden in den kring, en toen de laatste der gasten de oogen had gesloten, stak hij zijn horloge weer bij zich en sprak tot zichzelf:
„De snuif, die ik als verdoovingsmiddel had klaar gemaakt, heeft haar uitwerking gedaan. Binnen een kwartier wordt geen der gasten weer wakker.”
Met de grootste gemoedsrust nam hij den slapenden gasten hun horloges, juweelen, diamanten en portefeuilles af en stopte al zijn zakken er mee vol.
Daarop ging hij naar de donkerblauwe kamer, haalde het stuk hout en legde het in de handen der slapende Miss Prince. (Zie het titelblad.)
Daarna begaf hij zich naar de schrijftafel van den biscuitfabrikant en schreef een briefje van den volgenden inhoud:
„Geachte Miss Prince
Ik beloofde u, door mijn Napoleonssnuif het denkvermogen der hier verzamelde idioten op te frisschen. Als gij een goed werk wilt doen, neem dan den Jacobsknuppel, dien ik u in de hand heb gegeven en die afkomstig is van een ladder uit mijn tuin en bewerk daarmee zoo krachtig de huid der aanwezigen, dat zij eindelijk zwart en wit van elkaar leeren onderscheiden.
Maar ik ben bang, dat zelfs deze Jacobsknuppel dat wonder niet zal kunnen teweeg brengen!”
Daarna nam hij een tweede vel papier en schreef daarop:
Geachte, heer Inspecteur van Politie.
Tegenover u zit onder den naam van Lady Melvil de door u lang gezochte Zwarte Betsy. Ik wensch u geluk, met dit geniaal detective-stukje en met den prachtigen Sherlock Holmes-tocht, dien gij hebt ondernomen om de avonturierster eindelijk onschadelijk te maken.
Als steeds gegroet door
JOHN C. RAFFLES.
Deze papieren hechtte hij zoowel den inspecteur van politie Baxter als miss Prince op de borst, nam toen den inspecteur van politie zijn baard af en sierde zichzelf ermee.
Met wat pasta en schmink maakte hij zijn gezicht gelijkend op dat van den inspecteur en verliet het gezelschap.
Toen hij voor het huis op den wachtenden vloo toetrad, zei hij hetzelfde, wat hij boven reeds aan de bedienden in de villa had meegedeeld, dat zij over tien minuten de gasten moesten opzoeken; tot zoolang wenschten deze niet gestoord te worden.
„En waar wilt ge naar toe?” vroeg de vloo met een verdacht lachje. „Gij wilt u zeker in veiligheid brengen, nietwaar?”
„Ik kom dadelijk terug”, antwoordde Raffles, „houd goed de wacht”.
„Dat zal ik doen”, hernam de vloo, „hoewel ik geloof, dat het nu niet meer noodig is”.
Hij had in weerwil van de verkleeding John Raffles herkend, doch uit vreugde over diens grappen, en als onfeilbaar middel, om zijn chef het leven te vergallen, liet hij Raffles door een kring van politieagenten heen en was nieuwsgierig, hoe zich het verdere verloop zou afwikkelen.
De geniale Lord echter was naar het naastbijzijnde telefoonkantoor gesneld, en had daar verscheidene groote bladen opgescheld, om hun mee te deelen, dat ten huize van den biscuitfabrikant Simson zich de Groote Onbekende ophield, en de inspecteur van politie Baxter hem aanstonds zou gevangen nemen.
In minder dan geen tijd kwam een half dozijn automobielen van de nachtredacties naar de villa van Simson, doch de reporters deden vergeefsche moeite om door den vloo in het huis te worden toegelaten.
De vloo had het horloge in de hand en zei:
„Nog drie minuten, eerder mag ik met mijn manschappen het huis niet betreden”. [28]
Toen de drie minuten voorbij waren, gaf de vloo een teeken aan de politieagenten en liep met hen in versnelden pas naar het gebouw.
Tegelijkertijd klonk van boven de signaalfluit van den inspecteur van politie en dringend geroep om hulp.
Een raam werd opengetrokken en de schelle stem van Zwarte Betsy riep in het nachtelijk donker:
„Pak Raffles, laat hem niet door, menschen!”
„Het mocht wat”, lachte de vloo, „die schijnt jullie daar boven te hebben gehouden en nog wel ten spot van iedereen”.
Toen de journalisten met de agenten de werkkamer van den biscuitfabrikant binnenstormden, vertoonde zich een vermakelijk schouwspel.
Met slaapdronken gezichten staarden de gasten naar de binnentredenden en de vloo, die dadelijk den toestand overzag, bleef met een der verslaggevers bij Miss Prince, die nog steeds sliep, staan en las den inhoud van het briefje, dat op haar borst was gespeld.
Toen zij den inhoud daarvan hadden vernomen, barstten de reporters uit in een uitbundig lachen.
Daarop wendden zij zich tot inspecteur Baxter, lazen diens briefje en lachten weer.
Met een domme gelaatsuitdrukking stamelde de biscuitfabrikant:
„Ik … ik weet niet, wat gij hier komt doen, heeren!”
Daarop keek hij het vertrek rond en riep:
„Waar is Lord Warrington?”
Alle anderen keken ook om zich heen.
Maar van Lord Warrington was geen spoor te ontdekken.
„Dien zult gij wel tevergeefs zoeken”, sprak de vloo, „want Lord Warrington, die u in dezen eigenaardigen toestand heeft gebracht, is niemand anders geweest dan Raffles en ik geloof niet, dat gij hem ooit zult weerzien.”
Nauwelijks was de naam van den Grooten Onbekende genoemd, of een groote vrees maakte zich van de gasten meester en als door een panischen schrik aangegrepen, wilden allen vluchten.
Als bezetenen liepen zij door elkaar en riepen om de bedienden, om hun mantels en hoeden.
Eerst nu bemerkten eenige van hen, dat hun briljanten en portefeuilles weg waren.
„Wij zijn bestolen!” schreeuwden zij woest door elkaar.
„Mijn sigarettenkoker, de sigarettenkoker van keizer Nero is weg!” kermde de gastheer.
Dadelijk snelden de vertegenwoordigers der pers naar hem toe en lieten zich door hem vertellen, welke bijzonderheden er aan den sigarettenkoker van keizer Nero verbonden waren.
Het kostte hun moeite, om bij het verhaal van den biscuitfabrikant ernstig te blijven.
Nog had hij zijn verhaal niet geëindigd, of hij sprong met een luiden kreet op, want hij ontdekte zijn kostbare antiquiteit, de sport van de Jacobsladder, in de handen van Miss Prince.
„Om ’s Hemels wil!” schreeuwde hij, „hoe komt de sport van de Jacobsladder in de handen van die dame?”
Als krankzinnig snelde hij naar Miss Prince en ontrukte haar zijn schat.
Met verbaasde gezichten keken de verslaggevers naar zijn handelwijze en nauwelijks had hij het stuk hout gegrepen, of zij verzochten hem nadere opheldering omtrent de laddersport.
Nog had hij niet uitgesproken, of zoowel de vertegenwoordigers der kranten als de politiebeambten begonnen uitbundig te lachen.
De tranen liepen hun over de wangen en zij huilden letterlijk van pret.
De biscuitfabrikant wist niet, wat hij van dit alles moest denken.
Te midden van het gelach klonk plotseling de luide stem van den inspecteur van politie.
„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”
„Ja, mijn waarde”, zei een der verslaggevers, hem op den schouder kloppende, „dat zouden wij ook graag willen weten.”
Nu ontwaakte ook Miss Prince, de vrouwelijke detective.
„Waar is de schurk?” riep zij uit, „hij heeft mij verdoofd!”
Met zoekende blikken keek zij om zich heen en toen zij niets dan domme of lachende gezichten om zich heen zag, bleef zij verlegen staan en wist niet, wat dit alles te beteekenen had.
Een der verslaggevers sprak tot haar:
„Lees het briefje eens, dat de geniale Raffles u op de borst heeft gehecht!”
Het scherpe gelaat van Miss Prince werd steeds langer, toen zij de woorden las, die Raffles op het stukje papier had geschreven.
Nu had ook Baxter zijn brief opgemerkt.
En om niet geheel onverrichterzake van het tooneel zijner blamage te verdwijnen, greep hij Zwarte Betsy beet en riep: [29]
„In naam der wet neem ik u gevangen!”
„Laat mij los!” schreeuwde deze. „Gij hebt het recht niet om mij gevangen te nemen. Mij is vrijheid van straf beloofd!”
„Zijt gij gek?” riep nu de biscuitfabrikant, „hoe durft gij mijn geliefde aan te raken? Dat is een lady!”
„Een mooie lady!” vloekte Baxter. „Een gewetenlooze avonturierster is zij en ik koester het vermoeden, dat zij heden met Raffles gemeene zaak heeft gemaakt om mij op deze wijze te blameeren.”
„Zeg eens,” vroeg een der reporters, „op welke manier zijt gij verdoofd?”
„Wij namen een snuifje van Napoleon den Groote!” antwoordde de biscuitfabrikant.
„Kinderen!” riep de verslaggever zijn collega’s toe, „nu komt er weer wat nieuws. Die kranige Raffles heeft hier een heele massa geestige verrassingen achtergelaten.”
„Neem mij niet kwalijk,” sprak Mr. Simson op beleedigden toon, „wilt gij soms beweren, dat het geen snuiftabak van den grooten Napoleon is geweest?”
„Neen, mijn waarde,” antwoordde de journalist, „ik spreek u niets tegen, want— —” en hij fluisterde zijn collega’s toe: „die man is krankzinnig en het is gevaarlijk om gekken tegen te spreken!”
De verslaggevers namen nu afscheid en keerden terug naar hun redacties, om het laatste nieuwtje van den Grooten Onbekende nog in den nacht voor de ochtendbladen gereed te maken.
Den volgenden morgen lachte heel Londen om de snuiftabak van den grooten Napoleon, de sport der Jacobsladder en den sigarettenkoker van keizer Nero.
Geheel Londen lachte—en Raffles, de geniale Lord en Groote Onbekende, was weer de held van den dag. [30]
Giovanni Ravigno behoorde tot de meest bekende verschijningen van den kunstkring te Rome.
Nog maar een paar jaar geleden is het museum te Rome met een groot schilderij van hem verrijkt.
Inderdaad behoorde de jonge schilder, die nauwelijks dertig jaar oud was, tot de meest op den voorgrond tredende kunstenaars van Italië en deed zeer veel van zich verwachten.
Op zekeren dag bezocht ik hem in zijn villa. Ravigno’s mooi atelier lag buiten tusschen bloeiende oranjeboomen.
Daar de bediende van den schilder toevallig niet aanwezig was, deed hij mij zelf de deur open.
„Och, ben jij het!” zei hij, nadat hij mij even had opgenomen.
„Ik dacht, dat je nog altijd in Amerika zat. In hoelang hebben we elkaar niet gezien!”
„In geen vijf jaar!” antwoordde ik, eenigszins verbaasd over de koele ontvangst, die mij bereid werd.
Ik kon zien, dat Giovanni juist aan een portret had geschilderd. Hij had het evenwel met een doek bedekt.
„Zou je me niet in je laatste werken willen inwijden?” vroeg ik, nadat we een tijdlang over ditjes en datjes hadden gepraat.
„Je weet, dat ik altijd oprecht belang stel in je kunst, ik zou graag een paar woorden voor mijn blad over je willen schrijven!”
Hij aarzelde.
„Het is iets geheel nieuws,” hernam hij eindelijk. „Iets fabelachtigs wat ik daar maak! Ik weet nog niet hoe men het zal opnemen!”
„Een groote compositie?”
„O, neen! Slechts een bajadere!”
„Een bajadere? Hoe kom je op dat thema? Dus een soort studie of portret?”
Hij schudde het hoofd.
„Hoe kun je zoo praten!
„Kan een bajadere ook geen groote compositie zijn? Doch wat praat ik ook. Je kent haar immers niet! Wat weet jij van Iluma! De wereld kan zoo’n wezen geen tweemaal hebben voortgebracht!
„Zij is het heerlijkste, schoonste, wat ik ooit gezien heb! Een vrouw, zóó vurig en hartstochtelijk, dat het bijna onmogelijk is haar gestalte met het oog vast te houden.
„En toch heb ik het beproefd, en wanneer het mij gelukt, Iluma’s dans te schilderen, zooals ik hem zie, heb ik in ieder geval het fabelachtigste gewrocht, wat de „salon” te Rome ooit heeft ten toon gesteld.”
Ik was na deze inleiding natuurlijk in groote spanning om Iluma’s portret te zien.
Giovanni stemde toe en sloeg het doek weg.
Inderdaad, het was moeilijk, het beeld van Iluma te beschrijven. Giovanni had een wolk van gloed en hartstocht geschilderd, een dans, saamgesteld uit gratie, onstuimigen hartstocht en zonde, een dans, die zich niet liet beschrijven, doch dien men zelf moest zien.
„Vanwaar ken jij Iluma?” vroeg ik na eenigen tijd.
„Ze is de vrouw van den Engelschen gezant X,” antwoordde Giovanni. „Hij heeft haar bij een verblijf in Indië leeren kennen en getrouwd.
„Die Engelsche gek dacht, dat Iluma, die voorheen bajadere was, wel zou aarden in de Westeuropeesche landen; hij weet niet met haar om te gaan, ja, hij was zelfs zoo dwaas om toe te staan, dat zij zich bij mij als bajadere liet schilderen.
„Ik heb hem een eenvoudige schets gezonden, waarop zich van Iluma niets anders bevindt dan de smalle gloeiende lippen. Hij was daarmee tevreden,—doch sedert komt Iluma bijna iederen nacht om te dansen—en nu schilder ik haar, zooals ik haar zie, zooals ze inderdaad is,—doch misschien begrijp je mij niet?”
Of ik hem begreep! Ik begreep, dat deze vroeger zoo koele jonge man zich met Iluma overgaf aan een dolheid, die de voorbode was van een catastrophe.
Toen wij elkaar het laatst in New-York hadden ontmoet, had hij mij een mooi jong meisje als zijn bruid voorgesteld. [31]
Op de kast stond haar portret en onwillekeurig nam ik het op om er naar te kijken.
Bijna brutaal rukte Giovanni het uit mijn hand en slingerde het in een hoek.
„Laat dat!”
De wijze, waarop hij met het portret der jonge dame omging, ergerde mij.
„Wat beduidt dat?” vroeg ik op scherpen toon. „Wat heeft zij je misdaan, dat je haar voor de oogen van een vreemdeling beleedigt?”
Hij maakte een beweging van walging.
„Niets heeft zij mij misdaan! Zij houdt nog altijd van mij! Doch ik haat haar, verafschuw haar, sedert ik Iluma liefheb!”
De atmosfeer in het atelier benauwde mij en maakte mij ongerust. Ik raapte het portret van het mooie, blonde jonge meisje op, zette het weer op zijn plaats en nam afscheid van Giovanni, die zoozeer in blijde afwachting stond, ongetwijfeld van Iluma’s komst, dat hij mij nauwelijks de hand reikte ten afscheid.—
Giovanni Ravigno liep onrustig in zijn atelier heen en weer, nadat ik hem had verlaten. Hij leefde in een zenuwkoorts, in een voortdurenden roes, sedert hij Iluma kende.
Hij telde de minuten, de oogenblikken, die hem nog van haar scheidden.
Wanneer zij ’s morgens van hem wegging, in een dichten sluier gehuld, om door een achterdeur in het paleis van haar man terug te keeren, stond hij met bleeke lippen aan het raam, kon niet in slaap komen en liep den heelen dag als een waanzinnige rond, totdat eindelijk de avond aanbrak.
Eerst dan vond hij rust en kracht tot werken, totdat het uur naderde, waarop zij moest komen. Dan begon hij te sidderen en te beven tot zij eindelijk kwam en danste.
Niet op Iluma was hij verliefd, doch op haar dans, op den dans der bajadere, die voor den Europeaan niet te beschrijven is.
Op dien avond werd er vroeger gebeld dan anders. Hij snelde naar buiten, rukte de deur wijd open, doch schrok terug en vloog naar het andere eind van het atelier.
„Maria!” riep hij uit, „jij waagt het, hier te komen?”
Het was een mooie, blonde jonge dame, dezelfde van het portret, dat Giovanni in mijn tegenwoordigheid in een hoek had geworpen.
„Waarom zou ik het niet wagen, Giovanni?” sprak zij met haar zachte, buigzame stem. „Waarvoor zou ik bang zijn? Heb je het recht, mij te verachten?”
„Neen, neen!” riep hij uit, „ik veracht je niet, maar ik bemin je niet meer. Ik haat je. Weg! Ga weg!”
Maria Bonmartini was de dochter van een deftige Italiaansche familie. Zij had glanzend blond haar en donkere oogen, hetgeen haar een bijzondere, droefgeestige bekoring verleende. Haar huid was blank als albast en het prachtige kleed deed haar vormen wondermooi uitkomen.
Zij was zoo schoon, dat het bijna onbegrijpelijk leek, dat een man aan wien zij haar hart had geschonken, zoo tot haar kon spreken. Zij was blijkbaar gekomen om het tusschen haar en Giovanni, die haar sedert weken ontweek en beleedigde, tot klaarheid te brengen.
De wijze, waarop hij haar nu behandelde, bracht de zachtmoedige Maria buiten zichzelf van woede.
Op verontwaardigden toon antwoordde zij:
„Hoe kom je er toe, Giovanni, zoo tegen mij op te treden? Heb je mij niet met een eed je liefde bezworen? Herinner je de uren en dagen, dat je aan mijn voeten hebt gezeten en mij hebt aangebeden! Vanwaar die plotselinge ommekeer? En hoe kun je denken, dat ik je beleedigingen kalm zal aanhooren? Ik laat mij dat niet welgevallen. Heel Rome weet, dat ik je vrouw zal worden,—waag je het werkelijk, mij prijs te geven aan de spot van alle mannen, die ik om jouwentwille heb afgewezen?”
Giovanni zat zwijgend in den hoek.
„Je prikkelt me met je klachten!” antwoordde hij ongeduldig. „Ga heen!”
Doch Maria ging niet en Giovanni, die ieder oogenblik vreesde, dat Iluma zou binnentreden, werd razend van woede.
Toen het hem niet gelukte, Maria te verwijderen, sprong hij plotseling op haar toe en trachtte haar met geweld naar buiten te dringen.
Maria Bonmartini echter was een Italiaansche; zij had warm bloed in haar aderen.
Zij trok een dolk.
Giovanni evenwel, sneller, behendiger en krachtiger dan zij ontwrong haar het wapen en stiet het haar in het hart.
Maria stortte neer. Zij ademde nog even, toen was zij een lijk.
Giovanni keek op zijn horloge. Door ontzetting aangegrepen [32]vloog hij van den eenen hoek van het atelier naar den anderen.
Daar lag de doode en over vijf minuten, misschien al eerder, zou Iluma komen.
Te vergeefs pijnigde hij zijn hersens met de vraag wat hij moest beginnen.
Bevangen door den roes, die hem had aangegrepen, vonden het berouw en de wroeging ternauwernood een plaats in zijn hart. Slechts dit ééne hield hem bezig: waarheen zou hij Maria’s lijk brengen, opdat de moord niet uitkwam?
Hij besloot, de ongelukkige voorloopig naar een kamertje te sleepen, dat gewoonlijk diende tot bewaring van tinnen en verf.
Daar sloot hij het lijk op, reinigde den vloer van bloedsporen, wiesch zichzelf en was juist met dit alles klaar, toen Iluma binnentrad.
Zij droeg onder den wijden mantel en den kostbaren witten sluier, die haar geheel bedekten, het doorzichtige kleed der bajadere. Zij danste en Giovanni werkte.
Terwijl haar lichaam zich met draaiende bewegingen door het atelier bewoog, dat door rood licht werd beschenen, stond Giovanni voor zijn ezel en schilderde.
Zoo ging het elken nacht, totdat het begon te dagen.
Iluma stiet plotseling een luiden kreet uit en wierp zich op den grond. Zij hield een langen, zwarten vrouwenhandschoen in haar handen en snelde naar Giovanni toe, die verbleekend terugweek.
„Ellendeling! Verrader! Wie was er bij je? Je bemint een vrouw behalve mij? Kom, zeg op, aan wie deze handschoen toebehoort!”
Giovanni begon te liegen, vond allerlei uitvluchten en schijnbaar gelukte het hem, Iluma gerust te stellen.
Doch inwendig werkte de jaloezie en zij was vast besloten, achter het geheim te komen en zich op vreeselijke wijze op Giovanni te wreken.
Nadat zij hem had verlaten zon Giovanni na over een middel om het lijk van Maria ongemerkt te verwijderen.
Intusschen werd Maria door haar ouders gezocht, die de politie te Rome hadden gealarmeerd. Doch haar lijk werd niet gevonden.
Vele weken verliepen, totdat de dag aanbrak der tentoonstelling in de Salon te Rome. Giovanni zond twee kunstwerken in, waar van het eene een portret, getiteld: de bajadere.
Geheel Rome was onder den indruk van dit kunstwerk en de jury wees Giovanni eenstemmig de gouden medaille toe.
Ook voor zijn tweede inzending, een beeldhouwwerk, kreeg hij een prijs. In de gelaatstrekken van de vrouwenfiguur, die het voorstelde, meende menigeen Maria Bonmartini te herkennen.
Op zekeren dag gebeurde er iets vreeselijks.
Iluma had Giovanni niet meer bezocht en hij verging van verlangen naar haar.
Eindelijk gelukte het hem, haar toestemming te krijgen tot een samenkomst in het Salon. Zij verscheen zwaar gesluierd en verlangde met heftige woorden opheldering over het ontstaan van die vrouwenfiguur, waarin zij van af den eersten dag de overeenkomst had gezien met het portret, dat reeds lang al haar jaloezie had opgewekt.
Iluma werd steeds opgewondener en voordat Giovanni het kon verhinderen, haalde zij een kleinen zilveren hamer uit haar ceintuur te voorschijn, wierp zich op het beeld en sloeg het in stukken.
Wat er toen gebeurde was niet te beschrijven.
Tusschen de overblijfselen van het beeldhouwwerk lag het met bloed bedekte lijk van Maria Bonmartini.
De bezoekers van den Salon vluchtten als door een paniek aangegrepen door alle deuren weg.
Iluma evenwel keerde zich met den blik van een krankzinnige naar Giovanni.
Wellicht had zij tusschen haar sluier reeds den dolk verborgen gehouden, waarmee zij Giovanni doodstak.
Toen eindelijk de politie zich door de verschrikte menschenmenigte een weg kon banen, vond zij Iluma als een krankzinnige tusschen de beide lijken.
Zij lachte, toen zij gevangen werd genomen en bracht den tijd in de gevangenis door met hartstochtelijke dansen.
Belooning: 1000 pond sterling.
| Wie kent hem? |
![]() |
Wie heeft hem gezien? |
| Dat vraagt men in Scotland Yard! | Dat vraagt heel Londen! |
Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven
brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.
Man van eer in alle opzichten
spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:
Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.
Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!
|
WARRANT OF ARREST. |
Vertaling: Bevel tot aanhouding. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under: |
Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
DESCRIPTION:
|
Beschrijving:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown. |
Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Charged with robbery. A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man. |
Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Headquarters—Scotland Yard. London, 1st October 1908. Police Inspector, |
Het Hoofdbureau van Politie Scotland Yard. Londen, 1. October 1908. Inspecteur van Politie |
Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler
Singel 236—Amsterdam.
| I. | De sigarettenkoker van keizer Nero. | 1 |
| II. | Een bezoek bij den antiquair. | 4 |
| III. | De beschuitfabrikant. | 8 |
| IV. | Kunstkenners. | 15 |
| V. | De sport van de ladder. | 18 |
| VI. | Groot alarm. | 22 |
| De bajadere. | 30 |
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 197 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| 1, 2, 9, 24, 24 | ”. | .” | 2 |
| Passim. | [Niet in bron] | „ | 1 |
| 2 | oogenbliken | oogenblikken | 1 |
| 2, 2, 2, 3, 6, 11, 25 | mr. | Mr. | 1 |
| 2 | Mohamed | Mohammed | 1 |
| 3 | Allright | All right | 1 |
| 3, 6, 20, 24 | [Niet in bron] | ” | 1 |
| Passim. | zwarte | Zwarte | 1 |
| 5 | ka | kan | 1 |
| 6 | [Niet in bron] | , | 1 |
| 7 | „ | [Verwijderd] | 1 |
| 7 | Halloh | Hallo | 1 |
| 9 | in hechtenisneming | inhechtenisneming | 1 |
| 11 | etui | étui | 1 / 0 |
| 11, 11 | Aegyptus | Aegyptos | 1 |
| 11 | dr. | Dr. | 1 |
| 12 | schand | schande | 1 |
| 13 | protret | portret | 2 |
| 14 | 10,000 | 10.000 | 1 |
| 15 | Orient | Oriënt | 1 / 0 |
| 19 | 25,000 | 25.000 | 1 |
| 22, 33 | [Niet in bron] | . | 1 |
| 23 | af | of | 1 |
| 23, 23, 23, 23, 23, 23, 23 | telephoon | telefoon | 2 |
| 25 | kunne | kunnen | 1 |
| 27 | Melwell | Melvil | 3 |
| 27 | telephoonkantoor | telefoonkantoor | 2 |
| 28 | [Niet in bron] | en | 3 |
| 33 | Sinclair | Raffles | 7 |
| 33 | Scotland-Yard | Scotland Yard | 1 |
| 33 | Oktober | October | 1 |
| 33 | Inspekteur | Inspecteur | 1 |