The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0345: De bankroovers

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0345: De bankroovers

Author: Kurt Matull

Theo von Blankensee

Felix Hageman


Release date: May 14, 2026 [eBook #78683]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78683

Credits: The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0345: DE BANKROOVERS ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN ROMAN-, BOEK- EN KUNSTHANDEL—SINGEL 326,—AMSTERDAM.

Alleenvertegenwoordigers voor België: Bestelhuis voor den Boek- en Dagblad handel.

[Inhoud]
DE BANKROOVERS.

DE BANKROOVERS.

HOOFDSTUK I.

Het gerucht onder den grond.

Het was ongeveer twee uur in den middag toen twee heeren den grooten tuin overstaken, die zich bevindt achter een der grootste huizen van de Regent-Street, niet ver van Pall Mall.

Het huis behoorde toe aan Lord William Aberdeen, den bekenden Londenschen philantroop.

De grootste van de beide heeren, die daar door den tuin liepen en hun schreden richtten naar een groot tuinhuis, was Lord Aberdeen zelf, maar de jonge man die bij hem was, Charly Brand geheeten, kende hem als John Raffles, den Grooten Onbekende.

Zij hadden nu het tuinhuis bereikt, en gingen binnen.

Indien wellicht een buurman, ondanks het dichte geboomte de beide heeren daar had zien binnentreden, dan zou hij zich toch niet verbaasd hebben, want hij kon weten, dat Zijne Lordschap een zeer ontwikkeld man was, die zich met zijn secretaris druk bezig hield met het nemen van proeven op het gebied der chemie.

Maar wat hij niet wist of kon weten, dat was, dat men het voornaamste gedeelte van het tuinhuis niet boven, maar onder den grond moest zoeken.

Maar daar bevond zich de geheime werkplaats, daar was ook het laboratorium, waar de Groote Onbekende eenige zijner meest verrassende uitvindingen had gedaan, daar was het plan voor de electrische vliegmachine ontstaan, welke zich met een snelheid van 500 kilometer per uur door de lucht kon bewegen. Daar was ook het aanschijn gegeven aan de plannen van de wonderbare duikboot, kleiner dan de kleinste oorlogsduikboot, maar zeker drie maal zoo snel.

Het tuinhuis bevatte twee vertrekken, het eigenlijke chemische laboratorium waar de beide onafscheidelijke vrienden ook zeer vaak werkten, en [2]een soort rookkamer, die tevens een kleine wetenschappelijke boekerij bevatte.

En in deze rookkamer, ter hoogte van den monumentalen schoorsteen, bevond zich de ingang naar de onderaardsche werkplaats.

Door het verdraaien van een der kleine krullen in de gebeeldhouwde lijst van den spiegel, schoof een stuk van den schoorsteen terzijde en men bevond zich dan in een zeer smallen gang, nauwelijks vier decimeter breed, en waarin een zeer zwaarlijvig man zich zelfs niet had kunnen bewegen.

De beide heeren waren zoo juist het vertrek binnengetreden, en nu begon Raffles:

„Nu zal ik je eens zeggen, waarom ik je eigenlijk hier heb gebracht.”

„Ik ben er nieuwsgierig naar.”

„Je weet dat eergisteren in een winkel in de Grosvenor-Street een allerhevigste ontploffing heeft plaats gehad.”

Charly Brand keek Raffles verbluft aan en zeide:

„Ja, ik meen zoo iets gelezen te hebben. Tot op een half uur gaans waren de ruiten van de huizen gesprongen, en er zijn drie personen zwaar gewond. Ik kan mij alleen met den besten wil van de wereld niet voorstellen, op welke wijze dit in verband kan staan met je verzoek om hier heen te gaan!”

„Maar wij blijven hier niet, wij gaan verder naar beneden!”

„Maar om wat te doen dan toch?”

„Heb je het nog niet begrepen? Luister dan. De onderaardsche tunnel van dit huis naar mijn huis in de Victoria-Street loopt op slechts weinige schreden afstands van de Grosvenor-Street en de gasontploffing heeft plaats gehad in een grooten kelder. Het is dus niet onmogelijk, dat die ontploffing schade aan onze tunnel heeft toegebracht, en ofschoon wij haar in geruimen tijd niet gebruikt hebben, moeten wij haar toch steeds in goeden staat houden, men kan nooit weten, hoe zij ons nog eens kan dienen! Je weet, dat ik eenige jaren geleden het bestaan van dien onderaardschen gang bij toeval ontdekte, en mij toen gehaast heb, haar te verbeteren, en over een tiental meters door te trekken, totdat zij uitliep op onze onderaardsche werkplaats.”

„Nu begrijp ik het!” riep Charly uit. „Je wilt dus een kleine inspectie-reis ondernemen.”

„Zoo is het! Ik wil mij overtuigen, of de tunnel ergens is ingestort, om nu maar dadelijk het grootste ongeluk te noemen, en dat de spoorstaaf niet verbogen is, waarover ons twee wielig, electrisch wagentje rijdt. Het is verder niet buitengesloten, dat de electrische geleidingsdraad door den schok is gebroken, dat alles wil ik onderzoeken.”

„Nu ik ben tot je dienst.”

Raffles trad nu op den spiegel toe, draaide aan de krul en geruischloos schoof een stuk van den schoorsteen zoover terzijde, dat er een opening ontstond bijna anderhalven meter hoog en omstreeks een halven meter breed.

De beide mannen gingen er achtereenvolgens door, en door aan een kleinen hefboom te trekken, liet Raffles den schoorsteen weder op zijn plaats terug gaan.

De twee vrienden liepen een tiental passen door den smallen gang die niet anders was dan de ruimte tusschen den buitenmuur van het tuinhuis en den loozen muur van het vertrek en bereikten zoo een smalle ijzeren trap, die naar het binnenste van de aarde scheen af te dalen.

Het werd spoedig zeer donker, en de beide vrienden ontstaken hun electrische zaklantaarn.

De trap had dertig treden en eindigde in een soort kelderruimte.

Met een eigenaardig gevormden sleutel opende Raffles een stalen deur en nu stonden de mannen in het laboratorium.

Raffles draaide een schakelaar van het licht om, en nu baadde het vertrek in een zee van licht, uitgestraald door een viertal groote booglampen.

Hier bevond zich een volmaakte inrichting voor het doen van proeven op allerlei gebied, die menig professor of leeraar aan de Universiteit Raffles zou hebben benijd.

Een tweede deur gaf toegang tot een ander vertrek, bijna even groot, waar een paar werkbanken stonden, een kleine smidse, een electrische smeltoven, een machine voor houtbewerking, waar Raffles zelf zijn modellen vervaardigde, en een groot rek met de beste en fijnste gereedschappen.

En hier ook begon de ingang van de tunnel, welke Raffles bij toeval ontdekt had, en die waarschijnlijk dateerde uit de middeleeuwen, toen Londen letterlijk onder den grond een doolhof van gangen en geheime plaatsen had voor bijeenkomsten van verschillende secten, die toen achtereenvolgens aan vervolging bloot stonden.

Op den vloer glinsterde iets, dat was de stalen [3]spoorstaaf, waarover een klein wagentje kon glijden, dat plaats bood voor drie personen, die op een soort zadel konden gaan zitten.

Maar het wagentje was op het oogenblik aan het ander uiteinde van de tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.

Raffles haalde een stang over, die dicht naast den ingang aan de tunnel aan den muur bevestigd was en de beide mannen wachtten.

Maar zij wachtten vruchteloos, er verscheen niets.

„Ik heb het wel gevreesd, er is iets niet in orde,” mompelde Raffles. „Als de automatisch-electrische inrichting nog werkte, dan had het wagentje reeds lang hier moeten zijn. Er is niets aan te doen, Charly, wij zullen er te voet op uit moeten.”

De beide mannen hadden reeds hun grijze werkjassen over hun kleederen aangetrokken en hingen nu hun krachtige electrische lantaarns aan een haak voor hun borst.

Want het was gebleken, dat ook de electrische lichtleiding verbroken was.

Het schijnsel van de beide lantaarns verlichtte nu het begin van de tunnel.

Zij had bijna overal een zuiver ronde doorsnede, maar de vloer was vlak gemaakt, om er des te steviger de enkele spoorstaaf op te kunnen bevestigen, waarover het electrische gedreven wagentje liep, dat met een snelheid van ruim honderd kilometer per uur door deze onderaardsche gang snelde.

Naast deze spoorstaaf bevond zich een smal plankier, die juist ruimte genoeg bood aan twee personen, om naast elkander voort te loopen.

De tunnel was bijna twee meter hoog en Raffles kon er met gemak rechtop in loopen, zonder gevaar voor een ongewenschte aanraking met de electrische draden, die langs den bovenkant van de tunnel liepen.

Na ongeveer een half uur te hebben voortgeloopen, stond Raffles, die zijn blikken onafgewend op de electrische draden gevestigd had gehouden, eensklaps stil.

Hij had een plek bereikt, waar de geleidingsdraad door den hevigen schok der ontploffing was afgebroken.

Het uiteinde van den draad lag op den vloer van de tunnel.

De twee mannen hingen nu hun lantaarns aan een der steunijzers voor den geleidingsdraad en ontpakten hun gereedschapstasch, teneinde den draad aanstonds te herstellen.

Binnen een half uur waren zij hiermede gereed.

Maar het bleek, dat hier niet de eenige plaats was, waar de draad was vernield.

Want toen Raffles een van de schakelaars omdraaide, waarvan er ook in de tunnel een aantal te vinden waren, bleef het nog altijd duister, met uitzondering van het licht der beide zaklantaarns.

Niet ver van de Grosvenor-Street vonden zij de tweede breuk.

Ook deze herstelden zij, en toen Raffles opnieuw een schakelaar omzette, straalden een groot aantal gloeilampjes hun licht uit, die op geregelde afstanden langs de bovenzijde van de tunnel waren aangebracht.

Hier en daar was de kalk uit de voegen tusschen de eeuwen oude steenen gevallen, en het smalle plankier was op enkele plaatsen ontzet.

Maar de stalen spoorstaaf was gelukkig in het minst niet verbogen, alle bouten en moeren, waarmede zij op het plankier bevestigd was, bevonden zich nog in den besten staat.

Maar ook de draad was gebroken, die aan beide zijde van de tunnel uitliep op een klein toestel, hetwelk weder in verbinding stond met den electromotor van het wagentje.

Wanneer men aan het eene uiteinde van de onderaardsche gang op een knop drukte, of een kleinen hefboom overhaalde, dan werd de electrische stroom gesloten, een kernspoel werd magnetisch en trok een weekijzeren anker tot zich, waardoor een nok losschoot, welke den hefboom in bedwang hield, die den motor en tevens de giroscoop van het electrische wagentje in gang zette, hetwelk zich dan met groote snelheid in beweging zette.

Ook deze verbindingsdraad was spoedig gelascht, en nu zetten de beide mannen hun weg voort naar het andere einde van de tunnel.

Na nog bijna een uur loopens kwamen zij aan een plek, waar de tunnel eensklaps veel breeder werd.

Het licht van de gloeilampjes weerkaatste op het staal en het koper van een eigenaardig gevormd wagentje, niet veel grooter dan een groote kruiwagen, voorzien van drie achter elkander geplaatste zadels, en van een ondiepen bak, waarin men van alles kon mede nemen.

In het midden, beschermd door een metalen kap, [4]bevond zich het zware vliegwiel van de giroscoop, dat tijdens den rit uiterst snel ronddraaide, als een tol werkte, en dus het wagentje op zijn twee achter elkander loopende wielen even goed in evenwicht hield, alsof het er vier had bezeten.

Onder ieder zadel waren een paar pedalen zichtbaar, zooals bij een gewoon rijwiel, die ten doel hadden, het wagentje met menschelijke spierkracht toch nog te kunnen voortbewegen, ingeval door een of ander ongeluk de motor mocht weigeren.

Raffles en Charly traden op het wagentje toe, en onderzochten het nauwkeurig.

Alles was in de beste orde, en het zou desnoods dadelijk gebruikt kunnen worden.

„Wij zullen nu weder terug loopen, om ons te overtuigen, dat alles in orde is en wij niets hebben overgeslagen, en dan aan den anderen kant eens beproeven, of de startinrichting nu werkt!” zeide Raffles.

En zoo ondernamen de beide vrienden weder den terugweg door de tunnel, die bijna vijf kilometer lang was.

Zij hadden reeds weder de plek bereikt, waar de herstelling had plaats gehad, toen Raffles eensklaps stilstond, en met een gebaar Charly dwong, hetzelfde te doen.

„Wat is er?” vroeg de jonge man verwonderd.

„Luister eens, hoor je niets?”

Charly luisterde ingespannen, en keek toen Raffles vragend aan.

„Wat zou dat zijn?” kwam hij toen. „Wat is dat voor een zonderling gerucht?”

„Ik wilde je juist hetzelfde vragen!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik heb de tunnel reeds lang in gebruik, maar het is voor het eerst, dat ik er ooit eenig gerucht in vernam, dat weet ik zeker.”

De twee mannen stonden onbewegelijk en luisterden.

Een dof, zoemend, snorrend geluid drong tot hen door, sterk gedempt door de dikke muren van de tunnel, maar toch duidelijk verneembaar.

Het klonk als het gonzen van een sterken motor, of van een stoommachine.

Ook leek het, of de grond zeer snel trilde alsof er dichtbij een exprestrein voorbij reed.

Wel een kwartier bleven Raffles en Charly in de zelfde houding staan, zonder een woord te wisselen.

Toen richtte Raffles zich weder op, en zeide:

„Ik kan mij den aard van het geluid niet goed begrijpen. Nu eens zou ik zeggen dat het eenigszins gelijkt op het geluid van een steenboor, die met geweld door harde aarde wordt gedreven, dan weder doet het mij denken aan een automobielmotor, die op den bok loopt, teneinde op proef te draaien.”

„Waar zijn wij hier ergens?”

„Ik zou zeggen ter hoogte van de Grosvenor-Street, maar je weet, dat ik een zeer nauwkeurig plan heb van alle straten, waaronder de tunnel heenloopt, en ik kan dus de plek zeer nauwkeurig vaststellen, waar wij het zonderlinge gonzen nu hooren en dat ben ik ook van plan, want een man in mijn positie moet niets ondoorzocht laten!” [5]

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Het geluid komt nader.

Haastig gingen de beide vrienden terug naar de onderaardsche werkplaats, en een half uur later stonden zij weder aan het uiteinde van de tunnel.

Gedreven door een gevoel van achterdocht waaraan hij nog geen naam wist te geven, zag Raffles er van af, het starttoestel te beproeven.

Hij wilde geen gerucht in de tunnel veroorzaken, al was het ook niet luider dan dat hetwelk veroorzaakt werd door het rijden van het electrische wagentje.

Raffles en Charly beklommen opnieuw de geheime trap, en traden door het gat naast den schoorsteen weder in het paviljoen.

Door den tuin bereikten zij het huis en dadelijk begaven zij zich naar de bibliotheek, waar Raffles uit een geheim vak van de groote boekenkast een portefeuille nam, welke hij geopend voor zich op tafel legde.

Hij zocht eenigen tijd tusschen de papieren, die er zich in bevonden, nam er tenslotte een teekening uit, een soort plattegrond, met strepen, namen en cijfers bedekt, en zeide:

„Op deze schets kunnen wij van meter tot meter nagaan, waar wij ons ergens bevinden, als wij in de tunnel zijn afgedaald. De plek waar wij het vreemde gerucht hoorden, moet zich bevinden omtrent den hoek van de Grosvenor-Street en de Baker-Street. Nog heden zullen wij daar eens een kijkje gaan nemen, want om je de waarheid te zeggen, bevalt mij dat ondergrondsche geluid niet!”

„Zou de Gemeente misschien ergens bezig zijn met het leggen van buizen?”

„Ik ontken het niet! Maar dan houdt de Gemeente er tegenwoordig eigenaardige methodes op na. Tot dusverre werd eenvoudig een soort loopgraaf gedelfd nadat men het asphalt had opgebroken en in dien kuil werd de buis neder gelaten. Voor zoo ver ik weet, gaat het overal ter wereld zoo toe!”

„Er wordt toch nergens een nieuwe lijn van de Underground aangelegd?”

„Niet bij mijn weten, maar het is niet geheel onmogelijk, en daarom zullen wij het maar eens dadelijk gaan onderzoeken!”

Hij borg het papier weder in de map, schoof haar in het geheime vak, en wendde zich weder tot Charly met de opmerking:

„Mij dunkt, dat wij, als er werkelijk een nieuwe tunnel werd geboord, ten behoeve van den ondergrondschen spoorweg, de uiterlijke kenteekenen daarvan hadden moeten zien want wij zijn in de laatste dagen dien kant nog al eens uit gekomen. Wij zullen het echter spoedig weten.”

Raffles nam de huistelefoon ter hand en stelde zich in verbinding met Henderson, den chauffeur, die op de hoogte was van menige onderneming van zijn meester en aan tal van gevaarlijke avonturen een levendig aandeel had genomen.

Vijf minuten later stond de groote, blauw gelakte auto van Zijne Lordschap William Aberdeen voor de deur.

Raffles en Charly verlieten het huis en de eerste wendde zich tot Henderson, een man van reusachtigen lichaamsbouw:

„Rijdt ons eens naar de Baker-Street, Henderson, maar vooral geen spoed, als ik je verzoeken mag, het is ons er ditmaal eens niet om te doen een wedstrijd met een sneltrein te houden!”

Henderson trok een bedrukt gezicht, want langzaam rijden met een auto, die makkelijk honderd kilometer per uur kon halen, dat leek hem het toppunt van dwaasheid.

Maar Mylord had het gezegd, en dat was voldoende.

Ongeveer een kwartier later reed de auto met een [6]kalm gangetje door de oude Baker-Street, na den hoek van de Grosvenor-Street te zijn omgeslagen.

Maar nergens viel ook maar iets te bespeuren van den aanleg van een zoo geweldig werk als de bouw van een tunnel voor den ondergrondschen spoorweg is.

Het asphalt was overal ongeschonden en nergens viel een kuil te ontwaren, zoo groot als een knikkerkuiltje!

Voor alle zekerheid reden de beide mannen nog door een aantal andere straten in deze wijk, maar hun onderzoek was vruchteloos.

Toen zij weder terug reden, het was bijna halfzes, begon Raffles, die eenigen tijd in gedachten tegen de kussens van de auto had geleund:

„Het wordt er aldus niet duidelijker op. Het gerucht bestond toch niet alleen in onze verbeelding?”

„Aardschokken komen in Engeland wel niet veel voor, maar toch zijn zij wel eens voorgekomen,” merkte Charly op. „Acht je het volkomen ondenkbaar, dat hier van zulk een natuurverschijnsel sprake kan zijn?”

„Het zou mogelijk zijn, als het slechts honderd maal korter had geduurd, mijn waarde! Aardschokken van een kwartier achter een zijn nog nergens ter wereld voorgekomen, en zeker wel het allerminst in ons land! Bovendien is de aard van zulk een schok een geheel andere. Het is een bepaalde schok, geen trilling”

„Dan moet ik het opgeven!” riep Charly uit. „Tenzij er misschien vlak boven ons hoofd een afdeeling zeer zware artillerie is voorbijgetrokken!”

„Die uitlegging is althans heel wat aannemelijker!” kwam Raffles. „Ik kan mij voorstellen, dat het dreunen van een groot aantal zware kanonnen zich op groote diepte doet gevoelen. Maar toch, ik ben door deze oplossing niet tevreden, en ik wil eens zien, of ik geen betere kan vinden! Maar voor vandaag zullen wij ons maar niet langer met deze aangelegenheid bezig houden, het wordt tijd voor het diner, en daarna zouden wij naar de opera gaan, als ik mij niet vergis!”

En zoo spraken de beide vrienden dien avond geen woord meer over de vreemde geluiden in de tunnel, die van het onderaardsche laboratorium naar het huis in de Victoria-Street leidde.

Maar den volgenden morgen, toen Charly de kleine eetkamer binnentrad, vond hij daar Raffles reeds zitten, met een zorglijke uitdrukking op het gelaat.

De jonge man stak hem de hand toe en vroeg:

„Zoo vroeg reeds opgestaan? Een onaangename tijding gehad?”

„Geen onaangename tijding, maar een onaangename ontdekking, beste Charly!” gaf Raffles ten antwoord. „Ik ben zooeven in de tunnel geweest, op de plek, waar wij gisteren het gerucht hoorden.”

„Welnu?” vroeg Charly vol spanning.

„Welnu, het geluid is sterker geworden sedert gisteren!”

„Wat!” riep Charly verwonderd uit. „Het duurde dus nog altijd voort?”

„Ja, en daarmede vervalt natuurlijk jou theorie van de voorbijrijdende afdeeling zwaar geschut!”

„Ik moet erkennen dat die nu niet langer houdbaar is!” hernam Charly. „Dus, het zonderlinge gerucht nadert onze tunnel?”

„Ja, en de aard laat zich nu ook reeds duidelijker en met meer beslistheid vaststellen, het wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een electrisch gedreven grondboor. Men gebruikt dergelijke toestellen wel om den harden rotsgrond, dien men op vele punten onder de stad Londen aantreft, aan te tasten en te vergruizelen alvorens hem met het houweel en de spade verder te verwijderen.”

„Maar wat kan dit dan te beteekenen hebben?” riep Charly vol verbazing uit.

„Dat is juist wat ik gaarne zou willen weten!” antwoordde Raffles lakonisch. „Het staat nu wel vast, dat men een tunnel graaft, hier in de buurt, en dat die tunnel gegraven wordt in een richting, die volkomen of bijna rechtstandig op die van onze tunnel staat. De gevolgen zal je zelf wel kunnen voorstellen, zonder dat ik je daar in het bijzonder op wijs!”

„Natuurlijk! Op een goeden dag boren zij den wand van onze tunnel door en vinden zij den weg naar je huis in de Victoria-Street zoowel als hierheen! Het zou hoogst onaangenaam zijn!”

„Het verheugt mij dat je geen krasse termen gebruikt!” hernam Raffles droogjes. „Inderdaad zou [7]het buitengewoon onaangenaam zijn, zoo onaangenaam, dat ik het in geen geval mag toestaan!”

„Maar hoe wil je het verhinderen?” kwam Charly, die nu ook begon in te zien, dat de zaak ernstiger was dan hij oorspronkelijk vermoed had.

„Ik kan het niet verhinderen, of ik moet eerst volkomen zeker zijn van de richting van de nieuwe tunnel, wie weet met welk doel gegraven, en vooral van haar beginpunt!”

„Laten wij dat dan dadelijk grondig gaan onderzoeken!” riep Charly uit.

„Ik hoor uit den toon van je stem, dat je nu ook begint in te zien, dat ons werkelijk een groot gevaar dreigt! Zeker, ik zou nu aanstonds het eindpunt van onze tunnel kunnen vernielen, maar ten eerste zou ik aldus een vol jaar arbeids te niet doen, en bovendien zou dat wel eens niet voldoende kunnen zijn voor lieden die bijzonder nieuwsgierig zijn uitgevallen! Zij zouden misschien er in slagen, het puin weg te ruimen door de vernieling in de tunnel opgehoopt, en dan zouden zij op een voor ons zeer noodlottigen dag toch wel eens in het tuinhuis, en verder kunnen doordringen!”

„En je zoudt bezwaarlijk kunnen volhouden niets van het bestaan van dien onderaardschen gang af te weten, vooral wanneer het vast stond, dat jij zelf het begin er van verwoest had, teneinde ontdekking te voorkomen!”

„Zeer juist geredeneerd en daarom is mij er zoo veel aan gelegen, dat ik de plannen ken van die vreemde tunnelgravers, en voor alles het punt, waar zij begonnen zijn.”

„Heb je eenig denkbeeld omtrent den aard van de menschen, die daar nu in onze richting onder den grond aan het wroeten zijn?” vroeg Charly, terwijl hij zich aan tafel zette en zich een kop thee inschonk.

„Ik wil mij niet knapper voordoen dan ik ben, ik weet er niets van en ik vermoed ook niets, ik begrijp het alleen maar niet!”

„Op onze tunnel kan het toch onmogelijk gemunt zijn!”

„Dat lijkt mij het minst waarschijnlijk! Aan de tunnel zijn maar twee uitgangen. Die van de Victoria-Street kan men niet binnengaan, zonder dat een alarm in mijn slaapkamer uitkomend mij waarschuwt, en dat men het andere einde onder den grond van onzen tuin zou hebben ontdekt dat is volkomen buitengesloten.”

„Zou het kunnen dat een fabriek, die zich gaat uitbreiden, tusschen haar kelders een gemeenschap wil maken?”

„Dan zouden die kelders door mijn tunnel van elkander gescheiden moeten zijn, mijn waarde, en dat acht ik niet bijzonder aannemelijk!”

„Dan weet ik het ook niet!” riep Charly uit.

„Ontbijt maar spoedig, want ik wil geen tijd verliezen!” hernam Raffles. „Die ganggravers maken nog al haast, zij zijn sedert gisteren zeker wel een paar meters vooruit gekomen! In ieder geval werken zij dus met geperfectioneerde graafwerktuigen.”

Charly repte zich zooveel hij kon, en daarop trokken de beide vrienden hun overjassen aan en verlieten het huis, maar ditmaal zonder van de diensten van Henderson gebruik te maken.

Te voet zouden zij wellicht iets meer kunnen ontdekken.

Zij reden per motorbus tot den hoek van Grosvenor-Street en Baker-Street en begonnen daar hun onderzoekingstocht.

Zij liepen langzaam de straat teneinde, keerden op hun schreden terug, stonden voor de meeste huizen, winkels en fabrieken even stil en luisterden ingespannen.

En toch wisten zij wel, dat dit verloren moeite was, het straatrumoer was hier zoo groot, dat het alle geluid onder den grond moest dempen, en dat zeker als de avond nog lang niet gevallen was.

Zij doorliepen een aantal zijstraten en stegen, en daarop keerden zij onverrichter zake, na een wandeling van bijna vier uur, weder naar het groote huis in de Regent-Street terug.

Raffles was in een sombere stemming, want hij gevoelde, dat het gevaar dreigend was.

Wie die geheimzinnige tunnelgravers ook mochten zijn, als zij den wand van zijn eigen onderaardschen gang doorboorden, dan kwam een kostbaar en tevens een gevaarlijk geheim van John Raffles alias Lord William Aberdeen aan het licht!

Tot iederen prijs moest hij dit trachten te voorkomen!

De twee onafscheidelijke vrienden gebruikten de lunch in de kleine eetzaal en al dien tijd spraken zij over weinig anders dan over het vreemde graafwerk, zoo dicht in hunne nabijheid. [8]

„Als ik maar zeer nauwkeurig de richting kende, waarin die nieuwe tunnel op de mijne staat,” bromde Raffles, „dan zou ik ongeveer kunnen nagaan, waarop die gravers het voorzien hebben, wat hun doel is en wie zij zijn! Maar ik weet alleen, dat zij nader komen!”

Zoodra zij geluncht hadden, daalden de beide vrienden weder in de tunnel af en begaven zich naar de plek, waar zij voor de eerste maal het zonderlinge gerucht vernomen hadden.

En er kon niet aan getwijfeld worden, het geraas was veel duidelijker verneembaar dan den vorigen dag.

Het was nu ook niet langer een onafgebroken dof gegrom, als van een reusachtig spinnende kat, maar het werd telkens afgebroken door hortende stooten alsof er met geweld een hard voorwerp in den grond werd gedreven, ongeveer als bij het inheien van palen.

Wel bijna een half uur stonden de twee mannen zwijgend te luisteren.

Toen zeide Charly op zachten toon alsof hij vreesde dat men hem zou kunnen hooren:

„Het is mij niet goed duidelijk, hoe het komt, dat men elders dit gerucht ook niet gehoord heeft, bijvoorbeeld in de kelders van de huizen, waaronder die vreemde tunnelgravers hun gang aanleggen!”

„Dat is heel eenvoudig, Charly! Onze eigen tunnel ligt op een diepte van bijna twintig meters onder den grond, en geen enkele kelder in geheel Londen ligt dieper dan hoogstens vijf meter.”

„Misschien bestaat er nog wel kans, dat zij boven of onder onze tunnel doorgraven!”

„Ik hoop het, maar ik verwacht het niet! En daarenboven, als zij dat werkelijk deden, dan moest de afstand tusschen de twee tunnels ook groot zijn, anders zou onze vloer of dak of de hunne bezwijken! Als er niet minstens twee meters aarde tusschen onze beide gangen is, dan vrees ik het ergste!”

„Het is, als of zij hier recht op af komen!” kwam Charly, die zijn oor tegen den wand had gedrukt.

„Ja, dien indruk heb ik ook gekregen. Misschien kan het nog een week duren, maar misschien ook niet langer dan een dag! Men bedriegt zich gemakkelijk over den afstand onder den grond.”

„En dat wij niet weten, waar die tunnel begint!” barstte Charly uit. „Die lieden hebben natuurlijk weinig goeds in den zin en wij zouden het volste recht hebben, hun de politie op het dak te zenden, die dan maar eens moet nazien, waartoe die tunnel kan dienen!”

„Ik zou zeker geen seconde aarzelen, Charly!” gaf Raffles te kennen. „Als ik wist, in welk huis of liever onder welk gebouw de nieuwe tunnel een aanvang nam, dan waarschuwde ik één minuut later Scotland-Yard!”

„Maar zou die de tunnel niet verder doorgraven, om te zien, waar zij heen leidt?”

„Dan zou zij volkomen overbodig werk doen. Dat kan iedere ingenieur zien, als hij maar een maal de richting weet van de tunnel. Hij trekt dan een lijn door, en die lijn zou wel blijken een groot bankgebouw te snijden! Dat is waar ook!” zoo viel Raffles zichzelf eensklaps in de rede. „Weet je wel, dat het gebouw van de Midland-Bank zich in de Baker-Street bevindt?”

„Dat is waar! Dat was mij ontschoten!” riep Charly uit. „Dus je acht het mogelijk, dat de tunnel daar heen voert?”

„Het is in ieder geval niet buitengesloten. Als wij het zeker wisten, zou het terrein van onze nasporingen wederom aanzienlijk beperkt worden. Want wij zouden dan kunnen volstaan, van dit punt uit een lijn van de plek over het bankgebouw te trekken en die te verlengen. Dan zouden wij in de buurt van die lijn moeten zoeken.”

„Maar laten wij dat dan aanstonds doen!” hernam Charly. „Ik heb het gevoel, alsof zij zoo dicht bij zijn, dat zij onze stemmen kunnen hooren!”

„Nu, zoover zal het nog wel niet zijn,” kwam Raffles. „Maar in ieder geval zullen wij nog eens zien, hoever wij komen, als wij te werk gaan volgens het plannetje, dat ik je zooeven uiteenzette.”

„Maar kunnen wij de tunnel nu wel geheel onbewaakt laten?”

„Neen, dat gaat niet. Wij zullen Henderson van alles op de hoogte brengen, en hij moet hier zoo lang op post gaan staan, tot dat wij zekerheid hebben.”

Raffles en Charly aanvaardden den terugweg, maar nog lang hoorden zij het knarsende, stootende, borende geluid.

Zoodra zij het tuinhuis verlaten hadden, begaven zij zich naar de groote garage, die tegen een zijmuur van den tuin was aangebouwd, en in welks bovenverdieping Henderson zijn kamer had.

De reus was op dit oogenblik bezig met het schoonmaken [9]van een zwaar motorrijwiel, waarbij hij een vroolijk liedje neuriede.

Hij had de mouwen van zijn werkkiel opgestroopt en zijn geweldige armen, met spieren als scheepskabels waren ontbloot.

Raffles legde hem de hand op den schouder en zeide ernstig:

„Luister eens, Henderson. Er valt op het oogenblik een onaangenaam werkje voor je te doen, maar het is noodzakelijk!”

En nu deelde hij den reus mede in korte woorden, wat hij en Charly Brand dien dag en den vorigen in de tunnel ontdekt hadden.

Henderson behoorde niet tot de domsten, en ook hij begreep aanstonds, welk gevaar hier school.

Hij vertrok dan ook geen spier van zijn gelaat, toen hem de opdracht werd gegeven, in de tunnel de wacht te houden, ofschoon men deze taak waarlijk niet onder de aangename kon rangschikken.

En de reus daalde naar de tunnel af, gewapend met zijn onverstoorbaar goed humeur, en met twee stevige knuisten, in staat om een ijzeren staaf van een duim dik door midden te breken.

[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Een gevaarlijke verwikkeling.

Raffles en Charly gingen intusschen het huis weder binnen en begonnen zich in hun slaapkamer zorgvuldig te vermommen.

Al zou het den geheelen dag moeten duren, zij moesten en zouden het punt van uitgang ontdekken, er hing voor hun te veel van af.

Het verlies van de tunnel zou nog niet het meeste te beteekenen hebben, ofschoon het nut menigmaal onmiskenbaar was gebleken, als Raffles zich wat spoediger moest verwijderen dan waarop hij gerekend had, maar dat men zou kunnen ontdekken, waarheen de tunnel leidde, dat was ontoelaatbaar, want dan zou het dubbele leven van Lord William Aberdeen aan den dag komen, en aldus zou aan den Grooten Onbekende een zijner krachtigste wapens uit de hand worden geslagen.

Toen zij met hun vermomming gereed waren, zagen de beide mannen er uit als provincialen die op hun gemak door de straten konden slenteren, zonder daardoor achterdocht te wekken.

Zij verlieten nu het huis aan de tuinzijde, en traden door een kleine deur een zijstraat binnen, waar zich nooit een levende ziel vertoonde.

De een zijde bestond uit den langen muur van hun eigen tuin, de andere uit den blinden muur van een groote fabriek.

In de Regent-Street namen de beide vrienden een huurauto, welke hen naar de Baker-Street bracht.

Hier stapten zij uit en zonden den chauffeur weg.

„En nu zullen wij onze taak eens verdeelen, zoodat wij de helft van den tijd kunnen besparen,” zeide Raffles. „Ik zal den zuidelijken kant van de straat nemen, en jij den noordelijken. Wij ontmoeten elkander weder in het café op den hoek van de Grosvenor-Street, behalve natuurlijk voor het geval, dat een onzer iets mocht hebben ontdekt, hetwelk hem noodzaakt, dadelijk handelend op te treden. Indien noodig, halen wij er dadelijk de politie bij! Maar in ieder geval moeten wij om het half uur een [10]van beiden het café binnen gaan, want ik heb Henderson last gegeven, ons daar telefonisch te waarschuwen, in geval er in onze afwezigheid zich iets van groot gewicht mocht voordoen. Hij moet dan vragen naar een zekeren Johnson, en een goede fooi aan den kellner zal wonderen uitwerken.”

En nu volgden de mannen ieder een kant van de straat, nauwkeurig acht gevend op het voorkomen van de huizen, en nu en dan stil staande, in de hoop, dat zij het geraas van de machine zouden hooren.

Zoo bereikte Raffles, die wist, dat hij nu een rechte lijn volgde, waar hier of daar het beginpunt van de tunnel moest zijn, tenminste als de gang in zuiver rechte richting was gegraven, na ongeveer twintig minuten loopen een huis, in welks benedenverdieping een kleine drukkerij gevestigd was.

De beide groote ruiten waren halverhoogte van matglas, maar daarboven kon Raffles duidelijk een paar riemschijven zien, waarover eenige breede riemen snel heen schoven.

Een oogenblik stond hij stil, in beraad, en toen trad hij vastberaden den winkel binnen.

Hij bevond zich in een vrij groot vertrek, waar een drietal kleine klappersen stonden, zooals men ze wel gebruikt voor het drukken van visitekaartjes en ander klein drukwerk, en die met de hand zoowel als mechanisch bewogen kunnen worden.

Alles blonk van nieuwheid, zooals Raffles met een enkelen oogopslag kon waarnemen.

Het vertrek was aan de achterzijde afgesloten door een matglazen wand, waarin schuifdeuren, eveneens met matglazen ruiten.

Alle drie de persen liepen dol, dat wil zeggen, dat de riemen wel over de bovenste schijven snorden, maar dat de schijven van de persen waren uitgeschakeld.

Nergens was iemand van het drukkerspersoneel te bespeuren.

„Een merkwaardige drukkerij!” mompelde Raffles voor zich heen. „Zij schijnen het hier ook niet bijzonder druk te hebben!”

Juist had hij deze opmerking voor zich zelf gemaakt, toen een der schuifdeuren openging, en er een kleine jongen verscheen, met geen al te snugger gezicht, die met hoog opgetrokken wenkbrauwen even naar Raffles bleef kijken en toen als het ware aarzelend een paar stappen naar voren kwam.

Het openschuiven van de deur had maar even geduurd, maar toch lang genoeg, om te kunnen zien, dat het aangrenzend vertrek zoo goed als geen meubels had, en dat er een klein tafeltje stond, misschien bestemd voor dit kantoorjongentje.

Eindelijk opende de knaap zijn groote mond, en vroeg:

„Wat is er van uw dienst, mijnheer?”

„Kan ik hier visitekaartjes laten drukken, en reclamekaarten voor mijn zaak?”

„Dat zal wel gaan, mijnheer?” antwoordde de jongen met een onnoozel lachje.

„Is je patroon er niet?”

„Die werkt in de schuur, achter in den tuin.”

„Zoo? Daar is zeker de zetterij?”

„Ja, mijnheer!”

„Kan ik den patroon niet zelf even spreken?”

„Dat zal niet gaan, mijnheer! Kunt u mij de boodschap niet geven?”

„Neen, jongen, nu is het mijn beurt om te zeggen, dat zal niet gaan! Roep je baas maar eens even, maar een beetje vlug, ik heb niet veel tijd!”

Raffles had dit met opzet gezegd, om te kunnen nagaan, of de jongen lang wegbleef, en dus, of hij zijn patroon spoedig had kunnen vinden.

De jongen verdween weer door de schuifdeur, en Raffles nam plaats op den eenigen stoel dien hij in het vertrek zag.

Zijn blikken vlogen snel door de werkplaats.

In een hoek stond een krachtige electromotor, die de beweegkracht leverde voor de drie persen.

Maar Raffles scherp en geoefend oog merkte bovendien nog een riem op, die niet naar de persen liep, maar buiten het vertrek werd geleid, door een paar sleuven in den zijmuur.

Er was een extra riemschijf aan den motor bevestigd, die er oorspronkelijk niet toebehoord had, want de as was nauwelijks lang genoeg om de beide schijven naast elkander te bevatten.

Er werd dus nog ergens anders een machine door dezen motor in beweging gebracht, maar waar zich die bevond, dat kon Raffles onmogelijk waarnemen.

Hij stond even op, en trachtte over het matglazen gedeelte van de schuifdeur heen te zien, maar dit gelukte hem niet, ofschoon hij toch meer dan gewoon lang was.

Een blik op de drie persen overtuigde hem dat de machines splinternieuw waren. [11]

Er stond ergens een letterbak, maar de specie was blijkbaar nog volkomen nieuw.

„Heel veel krijgen de menschen hier niet te doen, dat is zeker,” mompelde Raffles. „In ieder geval een onderneming, welke pas begonnen is! Maar dan mochten zij toch in ieder geval wel een paar man bij de machines laten!”

Op dit oogenblik gingen de schuifdeuren weder open en er trad een man van omstreeks veertig jaar binnen, met een glad geschoren gelaat, kleine, doordringende oogen, en bijzonder zwart en glanzend haar.

Voor ieder ander was het zeker onopgemerkt gebleven, maar Raffles had voor zulke dingen goede oogen en met een oogopslag had hij gezien, dat de man een pruik droeg.

Hij was wat links opgestaan, maakte een onhandige buiging, en begon:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, als ik u kom lastig vallen, maar ik begin hier binnenkort een zaak in kaas en eieren en ik wilde wel een paar duizend reclamekaarten gedrukt hebben, maar vooral visitekaartjes, met er achter: „Handelaar in kaas en eieren en gros.” Begrijpt u? Ik kon wel naar een groote zaak gaan, maar die zijn zoo duur, en ik hoop, dat gij mij het vel niet over de ooren zult halen.”

„Dat zal wel losloopen,” kwam de man met de pruik. „Geef uw naam en adres maar even op.”

„Price Johnson. Voor het oogenblik logeer ik in het Marlborough Hotel, maar als ik het huis kan krijgen, dan kom ik te wonen in de Victoria-Street, nummero 78. U levert immers goed en deugdelijk werk?”

„Wij zijn specialiteit in zulke dingen, maar ik kan u niet beloven dat u de bestelling zoo spoedig krijgt afgeleverd! Wij worden overstelpt met dergelijk werk!”

Raffles weerhield bijtijds de opmerking die hem naar de lippen drong, toen hij dacht aan de verlaten persen.

Een drukker, jong nog, die een voortreffelijke pruik droeg, daarmede moest men in ieder geval voorzichtig zijn, en zeker, als men John Raffles heette.

„Ik hoop dat u zoo veel mogelijk spoed met de zaak zult maken,” hernam hij kalm. „Als uw werk mij bevalt, blijf ik uw klant!”

Raffles meende een vaag spottend lachje om de dunne lippen van den man te zien spelen, maar hij kon zich ook wel vergist hebben.

„Mag ik eens wat cartonsoorten en letters van u zien? ging hij voort.

De patroon trad op een wandkast toe, en kwam terug met een monsterboek, dat hij aan Raffles voorlegde.

Deze zocht voor de leus een lettersoort uit, koos een dik carton uit, en zeide toen:

„Voorloopig zijn tweeduizend kaarten voldoende.”

„Wij zullen ons best doen, dat gij ze over een dag of vier hebt!”

„Het is wel heel lang, kan het niet wat vlugger?”

„Wij zullen ons best doen, mijnheer,” herhaalde de drukkerspatroon, een weinig ongeduldig naar het scheen.

En reeds maakte hij een beweging naar de deur, als om zijn nieuwen klant uit te laten.

„Ik kan niet zeggen, dat die heer er veel slag van heeft, om met zijn klanten om te gaan,” mompelde Raffles voor zich heen, toen hij weder op straat stond. „En dan noemt men ons in het buitenland nog wel „Een Natie van Winkeliers!” Deze vriend scheen er niet bijzonder op gesteld te zijn, mij tot zijn afnemers te mogen rekenen! Zijn keuze van papier en letters was ook al bijster schraal! En dan die pruik, die drie onbeheerde persen, die tweede riemschijf van den electromotor, waarvan de riem op geheimzinnige wijze buiten het vertrek verdween, de lange tocht van dat onnoozele jongentje, om zijn patroon te gaan waarschuwen! John Raffles, ik weet het niet, maar ik geloof, dat er in deze zoogenaamde drukkerij iets niet heelemaal pluis is! Die drukker had niet het type van zijn beroep, hij zag er als iets heel anders uit.……!”

Onder deze overdenkingen vervolgde Raffles zijn weg.

Weer lette hij nauwkeurig op alle huizen en winkels, maar nergens kon hij iets verdachts opmerken.

Er waren groentewinkels, kruidenierszaken, boekwinkels, maar nergens bromden machines, die konden dienen om het geraas van een ander toestel te overstemmen.

En de huizen waren alle deftige gebouwen, rustig en stil.

Zoo bereikte Raffles de Midland-Bank.

Het was een nieuw gebouw, uit een onbekrompen beurs betaald, zooals uit alles bleek. [12]

Bedienden van effectenhandelaars en bankiers liepen bedrijvig in en uit en Raffles kon hen de breede marmeren trappen naar de eerste verdieping zien op en af gaan.

Een portier in een groene livrei stond met de handen op den rug naast de monumentale voordeur.

Een reeks van vuistdikke tralies voorziene vensters wees even boven de straat de plek aan, waar zich de safes moesten bevinden.

Raffles maakte snel een berekening:

„Van deze bank tot aan de drukkerij, dat was ongeveer honderd meter, van de bank tot aan de tunnel was niet meer dan vijf-en-twintig meter, de ganggravers hadden dus zeker bijna driekwart van den weg onder den grond afgelegd, wel te verstaan als zijn wantrouwen tegen dezen zonderlingen drukkerspatroon gegrond bleek te zijn.”

Even later trad hij het café binnen en hij was er nog geen vijf minuten of ook Charly verscheen.

Er lag een uitdrukking van teleurstelling op zijn gelaat, die hij vruchteloos trachtte te verbergen.

Hij had Raffles in zijn hoekje spoedig ontdekt, en trad op hem toe.

Zonder zelfs zijn vraag af te wachten, zeide hij moedeloos:

„Een vergeefsche tocht, Edward! Ik heb geen geluid gehoord, geen verdacht huis gezien!”

„Dan ben ik gelukkiger geweest, mijn waarde,” kwam Raffles zacht.

En hij deelde Charly uitvoerig mede, wat hem in de drukkerszaak wedervaren was.

Charly had aandachtig toegeluisterd, en zeide nu:

„Dat alles klinkt zeker tamelijk verdacht, maar laat je je nu niet al te zeer beïnvloeden door je wantrouwen, dat je overal spoken op klaarlichten dag doet zien?”

„Waarde Charly, een spook met een pruik op is en blijft een voorwerp, waar tegenover ik terecht achterdocht koester! Als men in een straat als de Baker-Street een nieuwe drukkerszaak gaat openen, dan pakt men de zaak dadelijk grootscheeps aan, of tenminste zoo, dat men alle eventueele klanten flink kan bedienen. Dat kon deze man, hij droeg een pruik, niet doen, want hij liet zijn personeel uit wandelen gaan, hij had geen letters genoeg, en ook geen voldoenden voorraad carton, kortom, hij is niet in staat zelfs aan de bescheiden eischen te voldoen van een buitenmannetje, zooals ik er een voorstelde.”

„Op zich zelf beschouwd is het zeker opvallend. Toch zou het zaak zijn, nader op deze aangelegenheid in te gaan.”

„Dat ben ik dan ook van plan! Zoodra zich de gelegenheid voordoet, zullen wij die zoogenaamde drukkerij eens nauwkeurig onderzoeken. En het zou mij volstrekt niet verwonderen als daarbij aan het licht kwam, dat zij iets heel anders verborg.

„De persen maken een groot lawaai, en dempen volkomen het geluid van iedere andere machine die elders in het huis is opgesteld, bijvoorbeeld in de schuur, waarover die onnoozele jongen het had. Ik denk, dat zij met opzet een suffertje hebben genomen, om geen last te hebben van brutale snuffelaars!”

Hij wierp een blik op de klok, die boven het buffet hing, en vervolgde:

„Het wordt nu tijd voor de lunch, Charly. Het onderzoek heeft mij hongerig gemaakt! Het café hier lijkt mij wel voldoende! Willen wij hier wat eten?”

„Ik vind het goed! Wij blijven dus hier in de buurt?”

„Ja. Ik zou er prijs op stellen als jij zelf ook eens een kijkje ging nemen in de drukkerij van onze vriend met de pruik. Misschien merk je nog wel iets anders en iets nieuws op.”

Raffles wenkte den kellner, en bestelde een eenvoudige lunch.

Juist toen de beide vrienden gereed waren met den maaltijd, trad de kellner op hen toe, en vroeg:

„Is een van de heeren misschien mijnheer Johnson?”

„Die ben ik, vriend!” antwoordde Raffles.

„Daar is iemand voor mijnheer aan de telefoon!” vervolgde de kellner. „Er is groote haast bij.”

Raffles wisselde een snellen blik met Charly en sprong op.

„Ik volg je!” zeide hij, zich tot den kellner wendende.

De telefoon hing in een klein hokje naast het buffet.

Raffles trad er binnen, sloot de deur, nam het toestel terhand, en zeide:

„Hier Johnson! Met wien?”

„Met Henderson! Ik verzoek u, zoo spoedig [13]mogelijk terug te komen? Zooeven is er een gat in den wand van .…. den muur geslagen!”

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Zoodra Raffles en Charly het huis in de Regent-Street verlaten hadden, begaf Henderson zich naar de tunnel.

Voor alle zekerheid had hij zich met zijn revolver gewapend, ofschoon hij het wapen niet noodig dacht te hebben.

Ook had hij zich voorzien van zijn electrische zaklantaarn, ingeval het licht in de tunnel door een of andere oorzaak mocht uitgaan.

Na een half uur te hebben geloopen, bereikte hij de plek, waar de gasontploffing de draden vernield had.

Hij stond stil en luisterde.

Zijn scherp gehoor ving het zoemend geluid op, afgewisseld door beukende slagen of stooten.

Hij legde zijn hand tegen den muur, en mompelde hoofdschuddend in zich zelf:

„De wand trilt er waarachtig van! Zij werken hard, daar onder den grond!”

De reus zette zich op den grond, juist tegenover de plek, van waar het dof gerucht kwam, en hield den blik onafgewend op den tegenover liggenden wand gevestigd.

Langzaam verstrekken de minuten, de kwartieren, de uren.

En telkens werd het geluid sterker.

Henderson stond nu en dan op, teneinde zijn hand tegen den wand te leggen, en hij merkte op, dat het kloppend geluid steeds sterker werd.

Het was omstreeks een uur in den middag, toen Henderson eensklaps opnieuw opsprong en naar den wand van de tunnel trad.

Het geluid was nu zoo dicht bij gekomen, dat hij meende, ieder oogenblik den tunnelwand te zien bezwijken.

Nu werd het plotseling geheel stil en daarop dreunde de doffe slagen van een houweel aan den anderen kant van den tunnelwand.

In gebogen houding bleef Henderson op dezelfde plek staan, de oogen strak gevestigd op den muur.

De wand moest wel zeer dun geworden zijn, want bij iederen slag knipoogden de electrische lampjes en toen gingen er eenige uit, waarschijnlijk waren de platina draden gebroken.

En onverhoeds geschiedde er iets, waarop Henderson verdacht had moeten zijn en dat hem toch ten zeerste verschrikte, met een luid gekraak en het versplinteren van een steen drong het ijzer van een houweel door den muur heen, bewoog even, en verdween toen weder.

Maar op hetzelfde oogenblik had Henderson den schakelaar van het electrische licht reeds omgedraaid, zoodat de tunnel in volkomen duisternis gehuld was.

De reus had begrepen, dat hij zoo lang mogelijk moest trachten te voorkomen, dat de lieden, die daar hun tunnel aan het graven waren, het bestaan van deze gang ontdekten, en dat zouden zij zeker onmiddellijk doen, wanneer zij hier licht zagen, en het glinsteren van de spoorstaaf op den grond konden waarnemen.

Voorloopig zouden zij waarschijnlijk vermoeden, dat zij nog altijd niet diep genoeg hadden gegraven, en op een kelder waren gestuit.

Het was nu de vraag of zij aanstonds aan de tunnel een andere richting zouden geven, dan wel of zij eerst zouden willen onderzoeken of zij inderdaad bij een kelder terecht waren gekomen.

Henderson hield zelfs zijn adem in, uit vrees dat hij zijn tegenwoordigheid zou verraden, en keek strak naar de kleine opening in den wand, niet grooter dan eenige centimeters, waardoor een krachtig lichtschijnsel in de tunnel doordrong.

Toen werd dit schijnsel een oogenblik verduisterd en Henderson begreep, dat dit veroorzaakt werd doordat er aan den anderen kant van den muur iemand zijn oog voor de kleine opening had gebracht.

En het volgende oogenblik klonken de slagen van het houweel opnieuw.

Toen begreep Henderson dat hij geen tijd meer te verliezen had en dat hij Raffles aanstonds moest waarschuwen.

Hij ontstak zijn zaklantaarn, en dempte het licht zooveel mogelijk, door er zijn zakdoek om te wikkelen, en zocht bij dit weinige licht zijn weg naar den ingang van de tunnel.

Toen hij zeker wist dat men hem niet meer kon hooren of zien, begon hij haastig voort te snellen en rustte niet vóór hij het tuinhuis bereikt had waar zich een telefoon bevond en waar hij aanstonds aan Raffles mededeelde wat den lezer reeds bekend is.

En toen ging hij haastig weder naar het onderaardsche laboratorium terug. [14]

Daar lagen, in een der hoeken, een aantal platen van nikkelstaal, bijna een meter hoog, tachtig centimeter breed, en een duim dik, welke Raffles noodig had voor het doen van eenige proeven.

Deze platen wogen bijna honderd dertig kilo, maar Henderson bedacht zich niet, maar tilde er een op, en laadde ze op een soort duwwagentje, zooals ze wel gebruikt worden door kruiers op het perron, om zware koffers te vervoeren.

Zoo vlug hij kon, bracht hij de zware pantserplaat naar de plek van de doorbraak.

En reeds op verren afstand zag hij tot zijn schrik, dat de slagen van het houweel het gat in den wand nog vergroot hadden, en dat het thans bijna een decimeter hoog en eenige centimeters breed was.

Er kon niet aan worden getwijfeld, de geheimzinnige tunnelgravers moesten nu reeds lang de spoorstaaf gezien hebben, den houten vloer, en de rij gloeilampjes tegen den wand van de tunnel.

Henderson reed de zware vracht tot vlak voor de opening, laadde daar de plaat van het wagentje en schoof haar met geweldige inspanning zoodanig langs den wand, dat zij juist de opening bedekte.

Natuurlijk begreep hij, dat men hem aan den anderen kant van den muur had moeten hooren, maar daaraan was nu eenmaal niets te doen, en de tunnelgravers zouden toch al wel begrepen hebben, dat zij een zeer eigenaardige ontdekking hadden gedaan.

Ook zag hij wel in, dat de gravers van den gang, nieuwsgierig geworden, zouden trachten dit beletsel weder uit den weg te ruimen, daarom wentelde hij het duwwagentje op een kant en zette het schoor tusschen den anderen wand en de pantserplaat, zoodat men deze laatste niet omver zou kunnen duwen.

Aan den anderen kant werd woedend met het houweel tegen de plaat geslagen, maar Henderson haalde glimlachend de schouders op en mompelde in zich zelf:

„Beuk jullie maar raak, je bent knap, als je met een houweel die plaat van nikkelstaal aan kunt tasten!” [15]

[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

De overval.

Er waren nog geen twintig minuten verstreken nadat Henderson de plaat voor het gat had gezet, of hij hoorde haastige schreden van Raffles en Charly die door de tunnel naderbij kwamen.

Ook zij hadden het licht van hun zaklantaarns zooveel mogelijk gedempt, daar zij maar al te goed begrepen, aan welk gevaar zij zich anders zouden blootstellen.

Wat Henderson betreft, hij had den schakelaar van het electrische licht weder omgedraaid zoodra hij de naderende schreden hoorde.

Eenige seconden later stond Raffles voor hem, en vroeg op zachten toon:

„Wat is er gebeurd, Henderson?”

„Zij zijn door den muur heen, Mylord! Een uur geleden ongeveer sloeg een van die menschen met zijn houweel glad door dien wand, en sindsdien hebben zij het gat nog vergroot, het is nu achter die pantserplaat, welke ik zoo vrij ben geweest uit het laboratorium te halen.”

„Dat is een voortreffelijke inval van je geweest, Henderson!” zeide Raffles, terwijl hij den reus op den schouder klopte. „Het verheugt mij nu, dat ik je hier op post heb gezet! Wij zullen aanstonds de andere platen er ook voorzetten en de schoren wat steviger maken! Blijf jij hier Charly, en let op, Henderson gaat met mij mee!”

Het wagentje op zijn lage wielen werd weder overeind gezet en vervangen door een paar dwarsliggers, waarop de spoorstaaf rustte, en die in allerijl werd losgemaakt.

En daarop vertrokken de twee mannen met het wagentje terwijl Charly achterbleef om aanstonds alarm te kunnen geven als het noodig mocht blijken.

Charly telde de seconden die er verliepen tusschen het vertrek en de terugkomst van de twee mannen.

Het was op dit oogenblik stil achter de stalen plaat en het geheimzinnige, zoemende gerucht had opgehouden, maar de jonge man gevoelde zeer goed, dat het de stilte was, die den storm vooraf ging.

Oogenschijnlijk broeiden de dieven aan den anderen kant van de tunnel op een plan, om de plaat te vernielen, en als zij zoo knap waren geweest om op een diepte van ruim twintig meter en met zulk een snelheid zoo’n groote tunnel te breken, dan zouden zij zeker ook pienter genoeg zijn om zulk een belemmering als een stalen pantserplaat uit den weg te ruimen.

Maar, daar kwamen Raffles en Henderson weder aan en thans hadden zij twee pantserplaten medegebracht, die op het wagentje waren geladen, hetwelk zij met inspanning van al hun krachten voortduwden.

„Ik ben blij, dat je er weer bent!” zeide Charly zachtjes. „De stilte aan den anderen kant van de gang bevalt mij in het geheel niet.”

„Waarschijnlijk houden zij krijgsraad!” meende Raffles. „Laten wij maar spoedig deze borstwering overeind zetten.”

Terwijl de drie mannen de eerste plaat van het wagentje tilden en tegen het andere schild aanplaatsten, begon het gezoem en het vreemde gegons aan den anderen kant van den muur opnieuw, maar nu was het toch van een anderen aard, en het ging vergezeld van een knarsend geluid, zooals een boor maakt, die metaal aantast.

„Zij probeeren er een gat in te boren!” zeide Raffles spottend. „Nu, eer zij zoover zijn, voor zij door de drie platen heen zijn zullen er wel een paar dagen zijn verstreken, want ik geloof niet dat er ter wereld een stalen plaat is te vinden van deze dikte, die even glashard is als deze schilden van [16]chroomnikkelstaal! Zij zullen om het kwartier een nieuwe boor moeten nemen!”

Hierin bleek Raffles goed te hebben gezien want de tweede plaat was nog nauwelijks overeind gezet of het gonzen hield op. Blijkbaar zette men eene nieuwe boor in het toestel.

Nu werd ook de derde plaat opgezet en aldus was een stalen wand opgericht van bijna acht centimeter dikte, dus bijna even dik als de dikste bepantsering van eenig Engelsch oorlogsschip.

Toen werd de spoorstaaf over vrij groote lengte losgemaakt, en met behulp van de meegebrachte metaalzaag werden er vier stukken afgezaagd, allen even groot, en die met geweld tusschen de pantserplaten en den tegenovergestelden wand werden gedreven.

„Als zij nu geen dynamiet gebruiken, termiet, of een ander dergelijk middel,” zeide Raffles glimlachend, „dan zullen er wel eenige dagen verloopen, alvorens zij dezen hinderpaal hebben opgeruimd.

„Maar zij kunnen het wel op een andere wijze probeeren,” zeide Charly bedrukt.

„Hoe dan wel denk je?”

„Zij kunnen beginnen met den steenen wand, die nu zeker niet dikker is dan op zijn hoogst een decimeter, en alleen maar uit metselsteen bestaat, op verscheidene plaatsen aan te tasten, totdat zij op de pantserplaat stuiten, en dan kunnen zij trachten die met behulp van koevoeten van hun plaats te verschuiven.”

„Ik erken dat dit mogelijk is, maar ook daarmede gaat geruime tijd heen, en voor er twee uren verloopen zijn zullen wij een bezoek hebben gebracht aan die zoogenaamde drukkerij.”

„En als je je eens vergist hebt met die drukkerij en wij er niets bijzonders ontdekken?”

„Dan, dan zou ik naar het laatste middel moeten grijpen, ik zou mijn kostbare tunnel over een grooten afstand moeten laten instorten. Maar je begrijpt dat ik slechts in het uiterste geval tot dit paardenmiddel zal overgaan.”

Raffles raadpleegde zijn horloge.

Het was bijna zes uur geworden.

Zoolang had deze zware arbeid geduurd.

Hij overtuigde zich nog eens dat de stukken van de spoorstaven onwrikbaar op hun plaats zaten, en wendde zich toen tot Henderson met de woorden:

„Het is onpleizierig, beste vriend Henderson, maar het gaat niet anders, wij zullen de tunnel voortdurend in het oog moeten houden, en daarom ga jij nu eerst den maaltijd gebruiken, en je keert hier niet voor negen uur terug, tenzij je het waarschuwingssein krijgt, want dan moet je aanstonds hierheen komen!”

„Maar, Mylord? Gij zelf dan, en mijnheer Brand?” riep de chauffeur uit.

„Wij kunnen wel wat later eten, James, de zaak van de tunnel gaat op dit oogenblik voor. Zoodra je hier terug bent gekeerd zullen wij je wel nadere instructies geven!”

Henderson bood geen tegenstand meer, en begaf zich naar het uiteinde van de tunnel en verder naar het bediendenvertrek, waar hij, in gezelschap van den Italiaanschen kok, en van den ouden kamerbediende Gaston, den eenvoudigen maaltijd gebruikte.

Raffles en Charly bleven nu alleen achter en geruimen tijd zaten zij zwijgend naast elkander op het kleine wagentje waarmede de pantserplaten waren aangevoerd.

Slechts vaag en onduidelijk klonk het gerucht van de boor, op geregelde tijden onderbroken door een langdurige pauze, wanneer het bot geworden ijzer door een nieuw moest worden vervangen.

En om acht uur hield het zoemen geheel en al op, toen waren zeker alle voorradige boorijzers opgebruikt.

Maar een kwartier later klonk een geregeld geklop, hetwelk onafgebroken zou voortduren; de lieden aan den anderen kant van den muur hadden den steenen wand opnieuw met hun houweelen aangetast.

Waarschijnlijk waren zij op dit oogenblik bezig het oorspronkelijke gat te vergrooten in de hoop, dat zij ten slotte wel de beide kanten van de stalen belemmeringen vrij zouden krijgen, waardoor het mogelijk zou worden, haar naar links of rechts te verschuiven, men hield aan den anderen kant van den muur waarschijnlijk geen rekening met de vier stukken spoorstaaf, die met zware hamerslagen waren vastgedreven.

„Dat kan lang duren!” begon Raffles. „Minstens tot morgenochtend, als alles hun meeloopt, en voor dien tijd moeten we die menschen overvallen hebben en weten wat zij doen en wie zij zijn!”

„Als je het mij vraagt, dan zou ik zeggen, dat wij [17]met een gevaarlijk volkje te doen krijgen!” zeide Charly hoofdschuddend.

„Ja dat lijdt geen twijfel! Wij moeten nu maar niet aannemen, dat men deze tunnel met een wetenschappelijk doel graaft, bijvoorbeeld om den aard van de gesteldheid van den bodem van Londen te onderzoeken! Neen, wij mogen het wel bijna als zeker beschouwen, dat het voorzien is op de Midland-Bank, het zou wel heel toevallig zijn, als de tunnel dien kant uitliep, zonder dat men het op de bank begrepen had. Maar hoe het ook zij, wij gaan zoo vroeg mogelijk aan den slag, zoodra het gedaan kan worden zonder al te groot gevaar. Ik heb opgemerkt dat een paar huizen van de drukkerij af een openbare school is, met een groote speelplaats er achter. Wij kunnen misschien over een schutting klimmen en van daar aan den achterkant die zoogenaamde drukkerij binnendringen.”

„Nemen wij Henderson mede?”

„Neen, die moet hier de wacht blijven houden.”

„Dat zal hem alles behalve aangenaam stemmen.”

„Dat is wel mogelijk, maar wij mogen de tunnel niet onbewaakt laten! Stel je eens voor dat wij terug keeren en wij loopen in ons huis in de Regent-Street in de uitgespreide armen van een bende bandieten!”

De beide vrienden spraken nog geruimen tijd door over de kans, dat het geheim der tunnel bewaard zou blijven, of dat men althans haar lengte, haar doel, en haar richting nooit zou uitvinden, toen precies om negen uur Henderson weer verscheen.

„Luister nu eens, mijn vriend,” begon Raffles. „Ik verg veel van je uithoudingsvermogen, maar het is volstrekt noodzakelijk, dat er hier iemand blijft opdat wij er zeker van zijn, dat niemand ongezien in ons huis in de Regent-Street kan binnendringen.”

„Als het moet dan moet het, Mylord!” gaf Henderson te kennen.

„Dat is een schoon beginsel, Henderson, en wij zullen verstandig doen als wij ons daaraan houden, vooral in dit bijzondere geval. Mijnheer Brand en ik gaan vannacht naar dat huis, waarin ik vermoed, dat de tunnel een aanvang neemt.”

„Neem mij niet kwalijk, Mylord, maar ik zou gaarne weten waar dat huis is!” hernam Henderson. „Men kan nooit weten, hoe die kennis naderhand te pas kan komen! Ik weet gaarne steeds waar gij zijt, vooral in zaken als deze!”

„Je hebt misschien gelijk, Henderson, het is beter als je het huis kent, hetwelk ik op het oog heb! Het is in de Baker-Street, niet ver van die Grosvenor-Street, een drukkerij, met twee voor de helft matglazen winkelruiten, groengeschilderd houtwerk en een kleine uitgangsdeur. Het is aan de rechterzijde van de straat als je van ons huis komt. Ik geloof echter niet dat je gebruik behoeft te maken van deze kennis, als wij die lieden verrassen, dan zijn wij een heel eind op weg.”

„Maar Edward, als je je vermoedens nu toch eenvoudig aan de politie mededeelde!” riep Charly eensklaps uit.

„Een prachtig plan!” kwam Raffles ironisch. „Zij dringen dan het huis binnen, zij vinden dan eventueel de tunnel en aan het einde van het groote gat, met geglans van de stalen pantserplaat daarachter, en denk je dan dat ze hun nieuwsgierigheid bevredigd achten en hun onderzoek niet verder zouden voortzetten? Daar zou ik maar niet al te vast op rekenen. Neen, als ik het even kan vermijden, dan haal ik er de politie niet in, zij helpt ons dan van den regen in den drop, en van den wal in de sloot! Als het onmogelijk anders kan, dan zal het nog altijd tijd genoeg zijn, om Scotland-Yard te waarschuwen. Maar als ik dat doe, dan moet ik ook tevens mijn tunnel prijs geven, ik zou haar over grooten afstand moeten vernielen. En nu genoeg gepraat, wij moeten nog veel doen en in orde maken voor onze onderneming.”

Henderson kreeg zijn laatste instructies en Raffles en Charly verlieten de tunnel, beklommen de smalle trap naar het laboratorium en voorzagen zich daar van eenige voorwerpen door Raffles uitgevonden, en welke verdedigingsmiddelen hun wellicht te pas konden komen.

Het was bij tienen, toen zij door den tuin, die nu in volkomen duisternis gehuld was, naar de achterzijde van het groote huis gingen en dit binnentraden door een van de achterdeuren.

Zij hadden zich nog den tijd niet gegund hun vermomming af te leggen, en deze was nog zeer goed bruikbaar, want als zij bij hun onderneming het onderspit moesten delven, dan kwam het er al zeer weinig op aan, of de zoogenaamde drukkerspatroon [18]in een van de nachtelijke indringers al of niet zijn provinciaalschen klant herkende.

Maar, daar een revolver altijd een uitstekend wapen is, onverschillig of het door een Londenaar of door een provinciaal wordt gebruikt, zoo lieten de beide vrienden ieder van deze practische wapenen één in hun zak glijden.

Een paar tasschen werden gevuld met de noodige inbrekerswerktuigen, Raffles ging zich in zijn slaapkamer voorzien van een paar kleine voorwerpen, welke hem misschien te pas zouden kunnen komen, en om elf uur, nadat hij zich telefonisch bij Henderson had overtuigd, dat in de tunnel alles nog bij het oude was, verlieten zij het vertrek en vervolgens het huis.

Maar Raffles had Henderson moeten beloven, dat hij hem dadelijk op de hoogte zou brengen als de zaak tot een goed einde was gebracht, en als het later werd dan drie uur, dan mocht Henderson die maatregelen nemen, welke hem het beste zouden toeschijnen, want dan zou het bewijs geleverd zijn, dat in de Baker-Street niet alles voor den wind was gegaan.

Het was een donkere avond, want de maan was achter de wolken verdwenen, een gelukkige omstandigheid, die het gewaagde plan van de beide mannen moest begunstigen.

En dan, het plasregende, en ook dat kwam hun te stade, want daardoor was het aantal late wandelaars zeer verminderd.

Op een kwartier loopens van hun huis wisten zij niet zonder moeite, een huurauto te veroveren, en den chauffeur, die eigenlijk liever naar huis was gegaan, te bewegen, hen naar de Baker-Street te rijden.

Aan het begin van deze straat gekomen, dankten zij den chauffeur met een goede fooi af, men moest het nooit verbruien voor anderen, zooals Raffles het niet ten onrechte opmerkte.

Het was over twaalven, toen de beide vrienden, hun regenjassen met de rechterhand dichthoudend, tegen den stijven bries opworstelden, die door de straat stoof.

Een kwartier later hadden zij het schoolgebouw bereikt, na de zoogenaamde drukkerij te zijn gepasseerd.

Daar was nu alles duister, ten minste van de straat af was nergens eenig lichtschijnsel te bespeuren.

Ook het schoolgebouw lag natuurlijk in dichte duisternis gedompeld.

Raffles en Charly sloegen den hoek van de zijstraat om, waaraan de school grensde, kwamen aan den steenen muur, die hier de speelplaats van de straat afscheidde, en zaten er het volgende oogenblik bovenop.

Een jarenlange, geduldige oefening, die hun natuurlijke lenigheid nog had vermeerderd, stelde hen in staat, zulke toeren te verrichten met een verbazende vlugheid, en zonder ooit te falen.

Maar zij vonden den bovenkant van een smallen muur niet de aangewezen plaats om er te blijven zitten, en daarom lieten zij zich zoo snel mogelijk aan den anderen kant zakken.

Zij stonden nu op een ruime binnenplaats, waar eenige populieren stonden, die een vrij armzalig bestaan leidden.

In een hoek tegenover den kant waar zij waren overgeklommen, bevond zich een hoop zand, bestemd voor de kleintjes.

Raffles en Charly maakten ook van deze hoop zand gebruik, maar voor een geheel ander doel.

Zij gebruikten haar eenvoudig om aldus de hoogte van den scheidingsmuur te verkleinen.

Volgens hun gewoonte wachtten zij tot dat zij niets meer hoorden, en toen pas slingerden zij zich op den muur, en lieten zich aan den anderen kant vallen.

Zij kwamen terecht in de weeke aarde van een kleinen stadstuin, en haastten zich, dezen over te steken, en over een schutting te klimmen.

En nu waren zij in den tuin van de drukkerij.…

Maar op dat oogenblik geschiedde er iets waarop zij misschien wel gerekend hadden, maar dat hen toch niet minder onaangenaam trof, een paar huizen verder begon eensklaps een waakhond, die hen misschien geroken had, woedend aan te slaan.

Zelfs hier konden zij het rammelen hooren van den ketting waaraan het dier was vast gelegd.

„Vlug aan het werk, Charly! Als die schreeuwleelijk wordt losgemaakt, zouden al de schuttingen, welke hem van ons scheiden wel eens een peuleschil voor hem blijken, en dan konden wij evengoed regelrecht naar Scotland-Yard wandelen, en ons aan den hoofdcommissaris presenteeren!” [19]

„Waar is ergens die schuur?” vroeg Charly fluisterend. „Ik denk dat we daar moeten zijn!”

„Ja, dat vermoed ik ook. Daar staat zij!”

Raffles wees naar een klein houten gebouwtje, een soort bergloods, dat men ook een tuinhuis zou kunnen noemen, met een enkel klein venster, en dat door een overdekten gang in verbinding stond met het huis.

Raffles trad haastig op de deur toe, en het duurde niet lang, of hij had het slot met een zijner sleutels geopend.

En juist toen de beide vrienden binnendrongen, ging er eenige huizen verder een deur open, en een barsche mannenstem scheen den nog altijd woedend blaffenden hond te ondervragen en hem van den ketting los te maken.

De beide vrienden verloren geen tijd, maar onderzochten snel de loods, waar zij zich nu bevonden.

Zij bleken zich in een ruim vertrek te bevinden, zonder eenig meubelstuk, als men tenminste dien naam niet wilde geven aan een paar zetkasten die blijkbaar zeer weinig gebruikt werden, want de letters waren nog volkomen blank, en werden waarschijnlijk zoo goed als nooit gebruikt.

In een hoek was het begin zichtbaar van een trap, die waarschijnlijk naar een kelder leidde.

Wel een kwartier bleven de beide vrienden volgens hun gewoonte op dezelfde plek en gaven hun ooren goed den kost.

Toen achter alles stil bleef, besloten zij, de trap af te gaan, en te zien waar die hen zou brengen.

Het was zeer donker in de loods, en daar zij nog geen licht durfden maken, moesten zij hun weg vinden door langs den houten wand te tasten.

Zoo bereikten zij de trap en voorzichtig begonnen zij de houten treden af te dalen.

Telkens stonden zij opnieuw stil, om te luisteren.

Zij waren reeds tien treden afgedaald, toen Raffles, die vooraan ging, Charly waarschuwde door hem in het been te knijpen.

Zijn scherp, geoefend gehoor, had eenig gerucht opgevangen, waarvan hij zich niet dadelijk den aard kon begrijpen.

Het was als het verzetten van een schakelaar van het electrische licht, maar het kon ook evengoed het overhalen van den haan van een revolver zijn. [20]

[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

In de handen der bankroovers.

Raffles dacht er nog over na of hij licht zou maken, toen zich plotseling weder een ander geluid liet hooren, ditmaal zeer dicht bij hem, het was als het verschuiven van een zwaar voorwerp, bijvoorbeeld van een kast over een houten vloer.

Terwijl de beide mannen er nog over nadachten wat dit zijn kon, begon de trap, waarop zij stonden, zachtjes te slingeren, en zij moesten zich aan de leuningen vast houden om er niet af te vallen.

„Voor den drommel, wat is dat nu?” fluisterde Charly voor zich heen. „Wat mankeert dat ding? Ik heb een gevoel of ik op de kermis in een reuzenschommel zit!”

Inderdaad, de trap begon hoe langer hoe erger te zwaaien en de beide mannen moesten zich met alle kracht aan de wrakke leuning vastklampen die verdacht kraakte, en die ieder oogenblik scheen te zullen afbreken.

De slingeringen werden voortdurend heviger en de geheele trap scheen nu wel om een scharnier te draaien, dat zich ergens in de bovenste trede moest bevinden.

Maar nu nam deze zonderlinge beweging gaande weg af, en na eenige minuten was de trap tot rust gekomen.

Maar zij liep niet langer in een schuine richting omlaag, neen, zij hing loodrecht naar beneden, en dus waren de bovenkanten der treden niet meer horizontaal maar schuin.

Om er op te kunnen blijven staan, moesten Raffles en Charly zich aan de leuning vasthouden.

Raffles, die onderaan stond, strekte voorzichtig een been uit, en tastte naar de lager gelegen trede.

Zijn voet ontmoette echter geen tegenstand, er was geen trede meer!

Maar evenmin voelde hij den grond!

„Zullen wij niet liever licht maken?” vroeg Charly op fluisterenden toon. „Er is iets niet in orde, dat is zeker! Wat doe je daar toch, Edward?”

„Wat ik doe? Ik zoek naar den bodem!” antwoordde Raffles lakoniek.

„Wat is dat? Rust de trap dan niet op den vloer?”

„Ik kan er tenminste geen vinden. Wij zullen licht maken, wat er ook gebeuren moge!”

Zich met een hand aan de leuning vastklampend, haalde Raffles met de andere zijn zaklantaarn te voorschijn, en drukte op den knop.

Een helder schijnsel verlichtte nu de ruimte, waar de beide mannen zich bevonden.

Het was een groote kelder, met wit gekalkte muren, en ongewoon diep.

Zoldering en vloer waren tenminste zes meter van elkander verwijderd.

De smalle trap, waarop de twee mannen zich bevonden, bleek uit twee deelen te bestaan, het benedenste vast met het bovenste scharnierend.

Op welke wijze de trap zoo eensklaps haar oorspronkelijke gedaante had verloren, viel moeilijk te zeggen, maar het was zeker, dat nu het bovenste stuk loodrecht omlaag hing, en dat de onderste trede zich ongeveer drie meter boven den grond bevond.

En men mocht het tevens voor verzekerd houden, dat dit niet van zelf zoo was gekomen, maar dat de trap door menschenhanden in twee deelen was gebroken!

En toch was er niemand in den kelder te zien.

Een deur was er ook niet, tenminste niet zichtbaar.

„Ik wil gevild worden als ik er iets van begrijp!” mompelde Charly, die zich met handen en voeten aan de loshangende trap vastklemde.

„Ik geloof dat ik het maar al te goed begrijp, [21]Charly,” kwam Raffles. „Men heeft ons gehoord, dat staat als een paal boven water! Maar hoe dan ook, ik heb weinig lust, hier als een rijpe pruim te blijven hangen!”

„Waar wil je dan heen? Weer naar boven?”

„Neen. Wij zijn van boven gekomen en wij moeten verder!”

„Dat is gemakkelijk gezegd, maar wij zijn hier drie meter boven den steenen vloer!”

„Dien afstand kunnen wij bekorten!”

En met die woorden hing Raffles zijn zaklantaarn aan een knoop van zijn jas, hurkte als het ware op de onderste trede, bracht zijn handen zoover mogelijk naar beneden, omvatte stevig de stijlen van de trap, en strekte toen zijn lichaam, zoodat hij nu alleen aan zijn handen hing.

En daarop liet hij zich vallen.

Bijna tegelijker tijd schoof ergens in den kelder een luik of deur weg, en drie mannen stormden binnen, allen gemaskerd, die zich op Raffles wierpen, voor hij weder op de been kon zijn.

De strijd was kort, maar hevig.

Als Raffles op beide voeten had gestaan, had hij misschien wel weg geweten met drie aanvallers, maar nu was hij in de minderheid.

Hij kon een paar malen zijn vuist tegen de kin van een vijand laten neerkomen, maar toen werd hij zelf half verdoofd door een hevigen slag tegen het hoofd, en toen hij zich daarvan hersteld had, waren zijn armen reeds gebonden.

„Red je, Charly!” schreeuwde hij. „Ik beveel het je!”

Maar al had de jonge man dit bevel willen opvolgen, dan zou hij het toch niet hebben kunnen doen.

Want boven, in de deuropening, verscheen een vierde man, met een revolver in de vuist en er viel niet aan te denken, dat Charly, in de positie waarin hij als het ware aan de trap vastkleefde, met eenige kans van raken van zijn eigen wapen gebruik zou kunnen maken.

Lang voor hij het had kunnen grijpen, zou de ander hem hebben kunnen neerschieten.

En daarom deed hij het verstandigst, wat er in de gegeven omstandigheden te doen viel, hij liet zich op zijn beurt op den vloer vallen, en werd evenals Raffles overmand.

De drie geheimzinnige mannen hadden hun gevangenen snel van hun wapens beroofd, en dwongen hen nu, door de nauwe opening in een der muren te gaan, waardoor zij zelven waren binnengekomen.

Nu bevonden zij zich in een tweeden kelder, maar veel lager en kleiner dan de andere, en met onregelmatige wanden, hier en daar met sterke eikenhouten balken gestut.

Dicht bij een der langste wanden stond een krachtige dynamo, en de dikke draden daarvan verdwenen in de zoldering.

Behalve deze machine stond er nog een kleine keukentafel en een tweetal stoelen.

Op de tafel lag een vel papier, bedekt met teekeningen en cijfers.

Zelfs in den toestand waarin hij zich thans bevond, was Raffles helder genoeg van geest om dadelijk te zien, dat daar een keurig geteekend plan van de tunnel voor hem lag.

Voor de tafel zat een breedgeschouderd man met kleine, opmerkelijk glanzende zwarte oogen.

Raffles herkende hem op het eerste gezicht, het was de zoogenaamde drukker.

De man scheen zich volstrekt niet bijzonder te verbazen over de komst van de twee indringers, en keek ternauwernood op van het plan, in welks beschouwing hij geheel verdiept was.

De kleine kelder was zeer helder verlicht door een booglamp, die aan den zolder hing.

„Hier zijn de mannen, chef!” zeide een der drie kerels, die zich van de twee vrienden hadden meester gemaakt.

Nu wendde de man met de glanzende oogen zich met een ruk op zijn stoel om, en keek Raffles en Charly beurtelings onderzoekend aan.

„Zoo, dus mijn kleine val heeft goed gewerkt, en hedennacht is er, geloof ik, kostbaar wild ingeloopen! Ik heb zeker het genoegen, met de eigenaars van de tunnel te spreken, die rechtstandig op de mijne loopt, ongeveer ter hoogte van de Baker-Street?”

„Het genoegen is geheel aan onze zijde, mijnheer de drukker!” kwam Raffles minzaam. „Gij ziet, dat ik u herken, al hebt gij, daar het hier tamelijk warm is, afstand gedaan van de fraaie pruik, welke u tooide, toen ik voor de eerste maal tot u het woord mocht richten. Maar nu ik u wat nader beschouw, meen ik u van vroegere gelegenheid te herkennen! Indien mijn geheugen mij niet bedriegt, zijt gij lid van de Bende der Wolven, en draagt gij den goed [22]gekozen bijnaam „de Lynx” waarschijnlijk wegens uw fonkelenden blik!”

De Lynx was langzaam opgestaan, en plaatste zich nu met de handen in de zijde voor Raffles.

Zijn wenkbrauwen waren dreigend zamengetrokken.

„Die man uit de provincie, dat waart gij dus? Nu, laat ik tot mijn eigen lof zeggen, dat ik u dadelijk gewantrouwd heb, al erken ik, dat gij voortreffelijk waart in uw rol! Lieden als wij moeten steeds wantrouwend zijn, begrijpt gij?”

„Volkomen!” antwoordde Raffles rustig. „Als men een aanslag wil plegen op een instelling als de Midland-Bank, dan is men allicht geneigd in iederen vreemdeling een afgezant van de gevreesde politie te zien!”

„Gij zijt bijzonder goed op de hoogte,” bromde de Lynx tusschen de tanden, en er verscheen een gevaarlijk licht in zijn gitzwarte oogen. „Maar misschien zal u blijken, dat ook wij niet tot de domooren behooren! Ik begin nu in te zien, hoe de zaak zich heeft toegedragen. Gij hebt in uw eigen tunnel, welke gij zoo goed hebt weten te verdedigen, het gerucht van ons graafwerk gehoord, en nieuwsgierig als gij zijt uitgevallen, wellicht ook een weinig uit vrees, dat ons werk uw tunnel wel eens in gevaar zou kunnen brengen, hebt gij onderzoek gedaan naar het beginpunt van den nieuwen gang. Onze zoogenaamde drukkerij boezemde uw belang in en gij hebt, als een schrander man, uw gevolgtrekkingen gemaakt uit zekere zonderlinge zaken in die drukkerij! Gij ziet, dat ik er niet aan denk, er doekjes om te winden! Het zal u spoedig genoeg blijken, waarom ik zoo openhartig met u spreek.”

„Ik begrijp het nu al, met lieden, die in onze macht zijn, behoeven wij geen schuilevinkje te spelen, denkt gij!” kwam Raffles bedaard.

„Gij geeft werkelijk blijk van een helder doorzicht! riep de Lynx sarcastisch uit. „Inderdaad zijt gij niet ver bezijden de waarheid! Ik wil u wel zeggen, dat wij voor hedennacht uw onwelkom bezoek wachtende waren. Toen wij het gat in uw tunnelwand geslagen hadden, en gij dat gat afsloot met duivelsch harde staalplaten, toen begrepen wij, dat gij er het grootste belang bij had, het geheim van uw eigen gang te bewaren. Wij hebben door het gat eenige dingen gezien, die ons zeer verbaasden, ik behoef zeker niet nader te verklaren, wat dat geweest is. Gij moest er rekening mede houden, dat binnen niet al te langen tijd uw stalen borstwering toch zou bezwijken, en daarom, zoo redeneerden wij, kondet gij wel eens beproeven, hier een inval te doen! Gij zult moeten toegeven, dat die redeneering niet zoo dom was!”

„Ik verklaar zelfs, dat zij uit een helderen kop afkomstig is!” kwam Raffles hoffelijk.

De Lynx maakte een gebaar van ironische dankbetuiging, en vervolgde:

„Wie gij zijt weet ik niet, ofschoon ik wel zekere vermoedens koester, welke ik echter voorloopig voor mij wensch te houden. Maar het doet er ook weinig toe, wie gij zijt. Voor mij is het gewichtigste uw tunnel.”

Hij zweeg even, en wierp een loerenden blik op het gelaat van Raffles, die onbewegelijk tegenover hem stond.

„Het moet wel een zeer bijzonder soort van tunnel zijn, daar gij haar zoo hardnekkig verdedigt!” ging de Lynx voort. „En een man, die zoo maar over een stel van de allerbeste staalplaten beschikt, die is zeker niet de eerste de beste! De man laat mij koud, tenminste voor het oogenblik, maar het geheim van de tunnel moet ik tot iederen prijs doorgronden! Het kan mij en mijn vereeniging van het grootste nut zijn.…”

Hij keek Raffles onderzoekend aan, maar deze bleef zwijgen, en hij ging voort:

„Wel, wat hebt gij hier op te antwoorden?”

„Wat zou ik er op moeten antwoorden?” vroeg Raffles koeltjes. „Natuurlijk denk ik er geen seconde aan, u het geheim van een tunnel mede te deelen, welke ik juist met zooveel inspanning tegen uw onbescheiden blikken heb beschermd!”

„Ah, gij weigert?” ging de Lynx voort, met een valsch lichten in zijn zwarte oogen. „Nu wij zullen wel zien.… Zeg mij eerst eens, waarom gij niet dadelijk de politie gewaarschuwd hebt, toen gij moest vreezen, dat wij dwars door uw tunnel zouden heengaan?”

„O, gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik dat dadelijk gedaan zou hebben, als ik maar eerder geweten had, in welk huis ik moest zoeken om het begin van uw tunnel te vinden!”

„Maar toen wij het gat door den wand hadden geboord, toen belette toch niets u, de politie te gaan halen, haar in uw eigen tunnel te brengen, haar het [23]gat te laten verwijden, en langs dien kant onze gang te laten binnendringen?”

„Ik had mijn bijzondere redenen, om dat juist niet te doen,” kwam Raffles, steeds even rustig.

„Ah, daar heb ik u!” riep de Lynx triomfantelijk uit. „De politie moest er tot iederen prijs buiten gehouden worden, niet waar? Ik had het dus bij het goede eind, dat gij.…. John Raffles waart!”

„Noem mij, zooals gij verkiest!” kwam Raffles schouderophalend.

„O, gij behoeft het niet te loochenen!” riep de Lynx toornig uit. „Er is maar één man in geheel Londen in staat tot zulk een werk! Wij kennen u, wij weten, wat gij waard zijt! Gij zijt wel is waar onze doodsvijand, zoo goed als van de Bende der Raven, en van het geheele Genootschap van den Gouden Sleutel, maar niemand onzer denkt er aan, uw ongeloofelijke schranderheid en uw stoutmoedigheid te ontkennen. Wel, hoe is het, wilt gij bekennen, dat gij Raffles zijt?”

„Ik zeg u nogmaals, mijnheer de Lynx, dat het mij volkomen onverschillig is, welken naam gij mij verkiest te geven!” kwam Raffles ongeduldig. „Kom terzake, wat ik u verzoeken mag! Ik denk, dat gij binnenkort in de bank wilt inbreken, en mij zoolang wilt vasthouden totdat het ontdekken van uw tunnel er niet meer op aankomt, niet waar?”

„Welzoo, denkt gij er werkelijk zoo gemakkelijk af te komen?” riep de Lynx op woesten toon. „Neen, mijnheer Raffles. Dan hebt gij het mis! Gij deelt ons dadelijk alles mede wat wij van uw tunnel willen weten, en anders ondergaat gij de straf van alle, die een belangrijk geheim van de Bende hebben doorgrond! Ik behoef zeker niet duidelijker te zijn!”

„O neen, die moeite kunt gij u sparen,” zeide Raffles bedaard. „Ik ken uwe methodes! Welnu, ik blijf bij mijn weigering!”

„Luister dan goed naar mij, John Raffles!” zeide de Lynx, en hij kwam vlak voor Raffles staan, die geen stap terug week. „Ik geef u volle zes uren om u te bedenken, wanneer die tijd verstreken is, en gij hebt mij het geheim van uw tunnel niet medegedeeld, dan sterft gij!” [24]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Bange uren.

Raffles knipte zelfs niet met de oogen, toen hij deze vreeselijke woorden hoorde.

Hij had immers niet anders verwacht.…

Zijn stem klonk volkomen helder en onbewogen, toen hij hernam:

„Ik weiger! Maar, gij zult toch zeker niet zoo beestachtig wreed zijn, mijn vriend voor mijn weigering te laten boeten?”

„Uw vriend zal uw lot deelen!” schreeuwde de Lynx, met een giftigen blik in zijn koolzwarte oogen.

Doe dan wat gij wilt, en ik hoop dat het u niet zal berouwen!” zeide Raffles op ernstigen toon.

„Die verantwoording neem ik op mij!” zeide de Lynx hooghartig. „Het is nu twee uur, wanneer gij om acht uur morgenochtend niet tot andere gedachten zijt gekomen, dan wacht u de dood, en ik verzeker u dat wij onverbiddelijk zullen zijn! Als gij werkelijk John Raffles zijt, en daaraan twijfel ik geen oogenblik, dan zou de tegenwoordige chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel het mij zelfs zeer kwalijk hebben kunnen nemen, dat ik u niet onmiddellijk een kogel door het hoofd heb geschoten! Maar ik wil u een kans geven, omdat ik begrijp, dat de kennis van het geheim van die tunnel voor ons van het grootste gewicht is. Die gang zal wel naar een of andere huis loopen, waar gij gewoonlijk verblijf houdt, en het zou voor ons van veel belang zijn, als wij wisten, onder welken naam John Raffles de Londensche politie zoo fijn om den tuin leidt.”

„Dat kan ik mij zeer goed voorstellen, maar daar ik van mijn kant zeer bepaald er op sta, om het geheim van die tunnel voor mij zelf te behouden, wie ik dan ook zijn moge, daarom zult gij het uit mijn mond niet vernemen! Gij hebt gelijk als gij zegt dat het van gewicht is, ik kon evengoed dadelijk een einde aan mijn leven maken, of mij gevangen gaan geven op Scotland-Yard. Gij moet dus inzien dat uw wachten vruchteloos is.”

„Wij zullen zien!” hernam de Lynx kortaf.

Hij wendde zich daarop tot de gemaskerde mannen, die zwijgend en met de revolver in de hand op dezelfde plek waren blijven staan en zeide:

„Breng hem weder naar den grooten kelder, bindt hem goed, en laat een uwer hem bewaken.”

„Neem mij niet kwalijk, chef,” zei een van de mannen, „ik zou er maar twee van maken als ik u was.”

„En het werk in de tunnel dan?” vroeg de Lynx.

Niemand antwoordde.

De chef dacht nog even na en hernam toen:

„Misschien heb je ook wel gelijk, als hij Raffles is, dan hebben wij met een gevaarlijken tegenstander te doen. Twee blijven dus hier om op hem te passen en de anderen gaan weder naar de tunnel, naar het andere einde, en stellen daar alles in het werk, om die stalen platen op te ruimen. Is dat geschied voordat de zes uren om zijn, misschien kan dat dezen man dan het leven redden, maar in het tegenovergestelde geval.….”

De Lynx voltooide den zin niet, maar de dreigende blik in zijn oogen sprak een duidelijke taal, die niet misverstaan kon worden.

Alles werd nu in gereedheid gebracht, om de beide gevangenen goed te kunnen bewaken.

Er werden twee zware stoelen ergens uit het huis gehaald en daarop werden de beide gevangenen vastgebonden, hun beenen tegen de sporten, hun armen achter de leuning, en bovendien werden hun polsen nog te samen gebonden, met het stevigste touw.

En daarop werden de stoelen midden in het vertrek [25]gezet, zoodat de twee bewakers voortdurend om de gevangenen heen konden loopen, teneinde zich te overtuigen of de touwen nog stevig vast waren.

De Lynx had reeds al te veel gehoord van de buitengewone bekwaamheid van John Raffles om zich van de sterkste boeien te bevrijden.

De chef kwam zich zelf overtuigen, dat de touwen stevig waren geknoopt, en zeide toen, zich tot Raffles wendende:

„Zes uren, denk er om! Gij hebt het leven thans in uw eigen hand! In uw eigen belang zou ik u raden, niet al te veel op onze goedhartigheid te vertrouwen! In dergelijke zaken kennen wij geen medelijden, en ook al waart gij niet de man voor wien ik u aanzie, dan zoudt gij toch sterven als gij ons verlangen niet inwilligt!”

„Ik zeg u nog eens dat ik mijn geheim niet verraad, en als gij mij beter kende, dan zoudt gij weten dat ik nimmer op een eenmaal genomen besluit terug kom!”

De Lynx haalde de schouders op, en riep uit:

„Wij zullen eens zien of gij om acht uur even bout spreekt! Bedenk ook wel dat gij niet alleen u zelf maar ook uw vriend en helper het leven beneemt als gij weigert.”

Er kwam een sombere smartelijke uitdrukking op het gelaat van den Grooten Onbekende, maar dadelijk liet de stem van Charly zich hooren, die vastberaden uitriep:

„Bekommer je niet om mij, Edward! Ook ik denk er niet aan om ons geheim te verraden en als jij sterft, welk doel zou mijn leven dan nog hebben?”

„Zeer aandoenlijk!” zeide de Lynx op spottenden toon. „Wij zullen wel eens zien of die broederlijke genegenheid stand houdt in het gezicht van den dood.”

Hij stak beide handen in de zakken, riep den man die nog altijd met de revolver in de hand boven aan de trap stond en wenkte een van de drie kerels die Raffles en Charly overweldigd hadden.

Zij begaven zich naar den kleinen kelder waar de dynamo stond, en de zware met ijzer beslagen deur viel dicht.

De beide gevangenen bleven alleen met hunne bewakers.

Een hunner had, voor de Lynx en de beide anderen zich verwijderden, een schakelaar omgedraaid, zoodat de kelder nu in een helder electrisch licht baadde, en vervolgens een hefboom overgehaald waardoor het boveneinde van de trap langzaam weder in zijn oorspronkelijken toestand kwam, waarin zij werd gehouden door een zware ijzeren bout, die er bij wijze van deurgrendel voorgeschoven werd.

Raffles had het gevoel alsof hij nog nimmer zoo helder van hoofd was geweest als op dit oogenblik in dezen kelder en in het aangezicht van den dood, die hem toegrijnsde, als hij weigerde het kostbare geheim prijs te geven, dat als het ware met zijn leven zelf was samengeweven.

Inderdaad, de tunnel zelve was zeker van minder belang, en haar verlies bijvoorbeeld door een groote instorting, zou wel ernstig, maar volstrekt niet onoverkomelijk zijn, maar zij leidde aan den eenen kant naar het huis van Lord William Aberdeen en het zou zeker niet lang duren of de bandieten zouden den geheimen toegang naar het tuinhuis gevonden hebben.

Het leven van Lord Aberdeen zou bekend worden, al was het dan voorloopig maar aan de bendeleden, en dit zou zulk een noodlottigen invloed uitoefenen op al zijn ondernemingen, dat hij evengoed regelrecht naar den hoofdcommissaris van politie zou kunnen loopen.

Als ooit werd uitgemaakt dat Lord Aberdeen en John Raffles een en dezelfde persoon waren, dan zou het geheele bouwwerk van zijn dubbelleven ineen storten en hij zou weder een geheel nieuw plan moeten opstellen, hetgeen zeker met de grootste moeilijkheden gepaard zou gaan.

Maar over dit alles dacht hij slechts kort.

Het stond voor hem vast dat hij het geheim niet zou verraden, en daarover behoefde hij dus in het geheel niet na te denken.

Neen, zijn gedachten waren uitsluitend gericht op de kansen welke hij had om zich te bevrijden alvorens de zes uren verstreken waren.

Hij begreep maar al te goed, dat deze kansen al bijzonder gering waren, de kelder was daghelder verlicht, de stoelen stonden in het midden van het vertrek, de touwen waren stevig en goed geknoopt, al had hij kans gezien door tijdens het binden zijn spieren zooveel mogelijk te spannen, zich een weinig speelruimte te verschaffen, de oppassers waren krachtige kerels, klaar wakker en goed gewapend, en geen enkele beweging hunner gevangenen zou hun ontgaan. [26]

Maar Raffles was er de man niet naar, om iedere hoop te laten varen.

Integendeel, al waren de bezwaren reusachtig groot, toch was al zijn denken nu gericht op de mogelijkheid hier te ontsnappen.

Charly scheen op zijn gelaat te lezen wat er in hem omging maar de stemming van den jongen man was veel minder opgewekt als men het zoo noemen mag, hij zag de toekomst zeer duister in, en hij vreesde dat deze kelder wel hun laatste verblijf zou zijn.

Raffles liet met opzet een half uur voorbijgaan voor hij ook maar de geringste beweging maakte.

Toen rekte hij zich eens uit, voor zoover dit mogelijk was, zoodat de touwen kraakten, maar dadelijk kwam een der wakers voor hem staan, die zich nu beiden van hun masker ontdaan hadden en zeide dreigend terwijl hij zijn revolver ophief:

„Laat die grappen maar, het zou je kunnen berouwen!”

„Gij staat het mij dus niet toe dat ik mij uitrek en zoodoende den slaap in mijn ledenmaten tegen ga?” vroeg Raffles op onderdanigen toon.

„Dat zal ik niet dulden, ik heb van je gehoord, man, ik ken je duivelskunsten, je bent al ontelbare malen gesnapt.”

Hij liep om den stoel heen, betastte de touwen, als vreesde hij waarlijk dat Raffles ze al had laten afknappen, en ging toen weder naar zijn makker, die op dezelfde plek was blijven staan.

Nu bracht het beroep van Raffles mede dat hij een voortreffelijk gelaatskenner was en op het gezicht van dezen tweeden man zoo duidelijk als in een boek las, dat hij zooals men dat noemt, „liever lui dan moe” was, en bovendien vast overtuigd, dat er aan de ontvluchting der beide gevangenen niet te denken viel.

Hij en zijn makker immers waren gewapend, de beide gevangenen niet, en bij de eerste poging om op te staan, zouden zij reeds een kogel in het hoofd hebben.

Raffles glimlachte flauwtjes voor zich heen, en zeide in zich zelf:

„Zelfvertrouwen is goed, mijn vriend, maar men moet het toch nooit te ver doordrijven!”

De Groote Onbekende wierp Charly een blik toe, een zeer snellen blik, maar die den jongen man alles onthulde wat er op dit oogenblik in het hoofd van zijn vriend omging. Raffles begon nu met het vertrek zeer zorgvuldig te bestudeeren.

Wij zeiden reeds dat er een houten trap naar beneden leidde, die ongeveer in het midden beweegbaar was.

Zij telde dertig tot twee en dertig treden en liep langs den gladden zijwand van den kelder.

De deur bovenaan kwam dadelijk op de trap uit zonder portaal.

De hefboom, zooeven door een der bandieten overgehaald, bevond zich niet ver van den voet van de trap, en de schakelaar van het electrische licht was naast de stevige deur, geheel van ijzer vervaardigd, en in de grijze kleur van de steenen geschilderd, waardoor Raffles en Charly haar, toen zij op de trap stonden, niet aanstonds hadden kunnen zien.

De kelder was ongeveer vijf meter breed en bijna zeven meter lang, en zooals gezegd, de beide stoelen stonden in het midden, ruim een meter van elkander.

De bewakers liepen voortdurend heen en weder oogenschijnlijk om te voorkomen dat zij in slaap zouden vallen.

Weer verliep een half uur en Raffles had reeds een paar keeren gegaapt.

„Neem mij niet kwalijk, mijne heeren,” zeide hij, „maar het is toch zeker niet verboden om te rooken in dit vertrek? Er is niets zoo goed als een voortreffelijk sigaret om zich den tijd een weinig te korten en wakker te blijven.”

De twee bewakers schenen elkander met een blik te raadplegen en toen antwoordde een hunner brommend:

„Als gij kans ziet om te rooken, gij kunt uw gang gaan, maar ik heb geen sigaretten!”

„Het is ook de vraag of ik uw sigaretten wel zou lusten!” riep Raffles spottend uit. „Wees zoo goed en haal mijn koker eens te voorschijn, hij zit in mijn binnenzak, en het is vreemd, maar ik kan er zelf niet bij!”

De bewaker, dien Raffles in gedachten „De onverschillige” had genoemd trad op hem toe, knoopte zijn jas open, stak de hand in den binnenzak, en haalde er een fraaien, gouden sigarettenkoker uit.

Hij liet een zacht fluitend geluid van bewondering hooren, wierp het kostbare voorwerp een paar malen omhoog, en zeide grinnikend: [27]

„Ik geloof dat ik dat mooie dingetje maar confisceer! Het is zeker een erfenis, niet waar?”

„Gij kunt doen wat gij verkiest, als gij mij maar eerst een sigaret geeft!” antwoordde Raffles schouderophalend.

De bandiet opende het étui en wilde er een sigaret uitnemen, maar Raffles zeide haastig:

„Blijf er liever af met je vingers, vriend! Ik wil volstrekt niets afdingen op je zindelijkheid, maar de aroma van deze fijne sigaretten heeft er onder te lijden als zij te veel worden aangevat! Houdt mij het étui maar voor, ik zal er met de lippen wel een uitnemen!”

De bandiet, een weinig verbluft, gehoorzaamde, en hield Raffles het étui zoo dicht mogelijk bij den mond, dat deze er met de lippen een sigaret uit kon nemen.

„Nu een beetje vuur, als ik je verzoeken mag!” zeide hij.

De bandiet haalde een lucifersdoosje uit zijn zak, streek een lucifer af, en hield die aan de sigaret.

Vol welbehagen deed Raffles een paar trekjes, en de bandiet, opgetogen over de heerlijke lucht, riep uit:

„Bij mijn ziel, dat is eerst een sigaret! Kom, wij zullen er ook eens den brand in steken!”

Hij nam een sigaret uit den koker en had haar het volgende ooogenblik aangestoken.

Hij kwam nu met het étui naar zijn makker toe en hield het hem voor, maar deze, die het geheele tooneeltje een weinig argwanend had gadegeslagen riep uit:

„Ik rook de sigaretten van dien man niet!”

„Kom, kom, hij heeft er toch zelf ook een aangestoken!” riep „de onverschillige”.

„Wel mogelijk, maar ik vertrouw hem niet! En als ik jou een raad mag geven, Jim, dan gooi je dat ding dadelijk weer weg! Vooruit, doe wat ik zeg! Ik heb het niet voorzien op sigaretten van iemand die John Raffles heet, of kan zijn!”

De aangesprokene die naar den naam Jim luisterde scheen de autoriteit van den ander te erkennen, want hij bromde binnensmonds een vloek, deed nog snel een paar lange halen aan de sigaret, verdraaide zijn oogen van genot, en wierp toen het rolletje tabak in den hoek, maar niet zonder dat hij een verliefden blik op de smeulende sigaret liet rusten.

Daarop stak hij den gouden koker in zijn zak, en zeide tevreden:

„Die zijn dan in ieder geval goed voor een volgende gelegenheid!”

„Als ze je maar niet opbreken,” mompelde de tweede bandiet. „Ik zeg je nog eens, sigaretten van John Raffles, daar pas ik voor!” [28]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Wie het onderst uit de kan wil hebben.….

Jim begon te lachen, een luide, rollende lach, maar die eensklaps werd afgebroken, afgesneden als met een mes als het ware.

Hij bleef eensklaps als uit steen gehouwen en met starende oogen in zijn lach steken, bracht toen met een vaag gebaar een trillende hand aan het hoofd, rochelde eenige keeren alsof hij iets in de keel had dat hij niet kon wegslikken, deed een paar wankelende stappen.… en zakte toen in elkaar.

Een rilling doorliep zijn lichaam en toen lag hij onbewegelijk.

Zijn makker slaakte een waar gebrul en schreeuwde:

„Ik heb het je wel gezegd! Die verdoemde sigaretten!”

Hij vergat zelfs een oogenblik zijn gevangenen, knielde naast Jim neder, schudde hem heen en weder, wierp een blik op het gelaat, waarin de trekken eensklaps verstijfd schenen en op de glazige oogen, en sprong toen met een woesten vloek weder overeind.

Een bijna bijgeloovige vrees had zich van hem meester gemaakt en hij staarde Raffles, die hem glimlachend aankeek, met uitpuilende oogen aan.

Toen barstte hij uit:

„Ik weet niet wat mij weerhoudt om er maar dadelijk een eind aan te maken! Nu is het wel zeker dat je John Raffles bent! Het had maar een haar gescheeld of ik had ook van je duivelsche sigaretten gerookt.”

„Wel, dat was de bedoeling!” zeide Raffles langs zijn neus.

De bandiet hief de vuist op, als om Raffles te treffen, en slechts met moeite wist hij zich zelf te beheerschen.

Hij dacht een oogenblik na, bromde toen voor zich heen:

„Ik moet telefoneeren, zij moeten mij een ander zenden! Ik durf niet alleen blijven met dien duivelskunstenaar!”

Hij vloog naar de trap, en begon haar zoo vlug hij kon te beklimmen.

Waarschijnlijk bevond de telefoon zich in een of ander vertrek van de drukkerij, of in de schuur.

Raffles volgde hem met de oogen, en juist toen de bandiet de helft van de trap bereikt had, strekte hij zijn beenen zoo ver mogelijk, tot zijn teenen den grond raakten, en wierp zich met een enkelen sprong als die van een kangoeroe met zijn volle gewicht vooruit, en tegen den hefboom aan den voet van de trap.…..

Een kort gekraak liet zich hooren, het boveneinde van de trap zwaaide terug en de bandiet, zoo plotseling van het evenwicht beroofd, stortte van een hoogte van drie meter voorover op den steenen vloer van den kelder.

De hoogte was niet groot genoeg om hem te dooden, maar hij moest toch iets gebroken hebben want hij bleef half verdoofd liggen.

Zijn revolver was hem tijdens den val uit de hand gevlogen en lag ver buiten zijn bereik.

Raffles verloor geen tijd maar beukte uit alle macht den stoel tegen den muur, zoodat het niet lang duurde of de rug en de pooten waren gebroken.

De dikke touwen hadden nu geen houvast meer, en vielen slap langs armen en beenen neer.

In een oogwenk had Raffles zich bevrijd, en snelde nu op Charly toe, die meende te droomen, en als versuft dit tooneeltje had gadegeslagen dat zich met ongelooflijke snelheid had afgespeeld.

En het merkwaardige was dat de sigaret nog altijd tusschen de lippen van den Grooten Onbekende zat geklemd en hij nog even rustig rookte, alsof hij zich in [29]de conversatiezaal van de Windsor-Club had bevonden.

Stotterend van verbazing vroeg Charly, toen hij armen en beenen weer bewegen kon:

„Ik kan nog niet begrijpen dat het al werkelijk gebeurd is, heb je zelf in het geheel geen last van die sigaret?”

„Het was de eenige goede die er bij was, mijn jongen!” antwoordde Raffles glimlachend. „Het gouden mondstukje is een weinig korter dan dat van de andere sigaretten en daaraan herken ik het terstond. Maar daarom wilde ik ook volstrekt de sigaret zelf nemen. Maar laten wij nu geen tijd verbeuzelen met babbelen, er valt ander werk te doen. Wij zullen eerst onzen vriend eens verbinden maar zoo dat hij zich niet bevrijden kan!”

Hij bukte zich over den man heen, die juist uit zijn verdooving ontwaakte en zeide:

„Ik geloof niet dat hij iets gebroken heeft!”

„Vindt je wel dat het er veel toe doet?” vroeg Charly ironisch.

Raffles antwoordde niet, maar greep het touw waarmede hij zelf was gebonden geweest en een oogenblik later was de bandiet zoodanig gekneveld dat hij in den letterlijken zin van het woord geen lid kon verroeren.

Hij werd naar een hoek van het vertrek gedragen en daar neergelegd.

De man was weder volkomen bij kennis en keek Raffles aan met twee oogen die van haat en machteloos woede gloeiden.

„Ja vriend!” zeide Raffles op wijsgeerigen toon, „dat men den morgen nooit moet prijzen voor den nacht, om een bekend spreekwoord naar omstandigheden te wijzigen. Over je metgezel behoef je je niet ongerust te maken, hij is springlevend en alleen maar bewusteloos en dat zal hij de eerste twaalf uren wel blijven. Mijn sigaretten zijn zeer krachtig. En nu zal ik je gedurende eenigen tijd tot mijn spijt moeten verlaten want dringende bezigheden roepen mij elders!”

Hij ging de revolver opzoeken, onderzocht het wapen nauwkeurig en kwam tot de ontdekking dat het gelukkig door den val niet geleden had.

Charly wapende zich met het automatische repeteerpistool van den bewusteloozen bandiet, en keek Raffles vol afwachting aan.

„Nu maken wij zeker dadelijk dat wij wegkomen?”

„Ja, mijn jongen, wij gaan naar huis.”

Gelukkig riep Charly uit: „Ik had, eerlijk gezegd, gedacht, dat je het avontuur nog verder had willen voortzetten.”

„Wel, ik ben ook niet anders van plan,” hernam Raffles droogjes. „Want ik wil wel naar huis, maar langs een anderen weg dan dien wij gekomen zijn.”

„Hoe dan wel?”

„Door de tunnel, welke de bandieten gegraven hebben.”

„Maar dat staat gelijk met zelfmoord!” riep Charly verschrikt uit. „Wie weet hoeveel van die kerels wij daar wel vinden!”

„Het kunnen er zooveel niet zijn, want in een onderaardschen gang, zoo als zij er een graven, kunnen onmogelijk meer dan vier man tegelijk vertoeven, en waarschijnlijk vinden wij er niet meer dan drie. Maar al waren het er zes, wij hebben het voordeel van de verrassing. Kom spoedig mede!”

Raffles trad op de ijzeren deur toe, en het duurde niet lang, of hij had de wijze ontdekt, waarop zij geopend moest worden.

Hij knikte nog eens naar den gebonden bandiet die onbeweeglijk en met giftigen blik naar hem keek, en daarop traden de beide vrienden den tweeden, kleinen kelder binnen, na zich eerst te hebben overtuigd dat hun lantaarns nog goed werkten.

Een eenvoudige houten deur, van goede planken vervaardigd, bleek het begin van de tunnel af te sluiten.

De gang had een ovalen vorm, en de grootste doorsnede was omstreeks één meter tachtig, de kleinste één meter vijftig.

Op geregelde afstanden was de tunnel geschoord en op den eersten blik zag Raffles dat hier een zeer kundig ingenieur aan het werk was geweest.

De tunnel was volkomen recht, overal even hoog en breed en op zwakke plaatsen met metselsteenen versterkt.

De schoren bestonden uit dikke palen van eikenhout, zoo dik als een heipaal, en schuin gesteld, zoodat zij het gewicht van het verwulf konden dragen.

En nauwelijks waren de twee vrienden een twintigtal meter in de tunnel door gedrongen of zij zagen heel in de verte een flauw schijnsel.

Dadelijk doofden zij het licht van hun eigen lantaarns en gingen op den tast verder. [30]

Aan weerszijden van de tunnel liepen de electrische draden van de boormachine, welke zich aan de uiteinden van de onderaardsche gang moest bevinden, en waarmede de tunnelgravers den harden bodem hadden aangetast, om dien vervolgens met schop en houweel verder te verwijderen.

Waar de uitgegraven aarde gebleven was, begreep Raffles niet. Maar, waarschijnlijk had men die in een andere schuur opgehoopt.

Bij iederen stap werd het schijnsel helderder, en na ongeveer vijftig meter te zijn voortgegaan konden de beide mannen de vage gedaanten zien van eenige lieden, die druk bezig waren aan het andere einde van de tunnel.

Maar de boormachine zweeg, wier gonzend geluid hun het eerst op het spoor van de tunnelgravers had gebracht.

Wel klonken de regelmatige slagen van twee of drie houweelen op den harden grond.

Blijkbaar waren de bandieten bezig het gat te vergrooten in den tusschenwand, teneinde des te gemakkelijker de stalen platen voor de opening op zijde te kunnen schuiven.

Raffles en Charly hadden zich plat voorover geworpen en kropen voort, de revolvers in de vuisten geklemd.

Charly trok het touw achter zich aan, waarmede hij gebonden was geweest en dat men misschien aanstonds noodig zou kunnen hebben.

Nog een twintig meter, en toen konden Raffles en Charly reeds duidelijk onderscheiden wat er daarginds geschiedde.

Er waren daar drie mannen, hoogstwaarschijnlijk de Lynx met de twee bandieten, die hem vergezeld hadden.

Twee hunner waren bezig met houweelen uit alle macht de rotsharde aarde aan te tasten, terwijl de derde het werk leidde, en een zeer groote electrische lantaarn in de hand hield, waarmede hij de beide arbeiders belichtte.

Zoo sterk was het licht, dat Raffles duidelijk kon zien, dat de opening in den wand sedert dien morgen zeer veel grooter was geworden.

Zij was bijna vier decimeter hoog en zeven decimeter breed, en daar achter was zeer duidelijk het zwakke geglim van het schild van nikkelstaal te zien.

Links stond de boormachine, die thans buiten gebruik was gesteld, daar zij de stalen schilden toch niet zou kunnen bewerken.

Het zou zeker geen uur meer duren, of de geheele opening zou vrij gemaakt, en dan zou het zeker heel wat gemakkelijker vallen, de stalen platen omver te werpen, of ter zijde te schuiven.

En als ook dit mislukte, zouden de bandieten wel eens kunnen pogen, de staalschilden met behulp van een zuurstofvlam te vernielen, en zoo in de tunnel door te dringen, die zoo zeer hun nieuwsgierigheid had gaande gemaakt.

Maar voor het oogenblik was daar geen vrees voor.

Het werk vorderde langzaam en telkens vlogen er kleine stukjes van den rotsharden grond.

Nu en dan liet de Lynx het werk ophouden, en beschouwde de opening en de staalplaat daar achter.

En toen, voor Raffles en Charly er goed en wel op verdacht waren, spoot er als het ware een verblindend witte straal tegen de staalplaat.

De bankroovers hadden hun zuurstofapparaat reeds in werking gebracht.

Zij droegen alle drie brillen met zwart gemaakte glazen, waardoor zij ongestraft in het vreeselijke wit van de vlam konden kijken.

Maar Raffles en Charly hadden ongewapende oogen en konden zelfs op dien afstand den helschen gloed ternauwernood verdragen.

Er viel ook niet aan te denken, behoorlijk te mikken tegen dit verblindend licht in.

Zij kropen zoo snel zij konden weder een twintig meters achteruit, en van deze plek konden zij nog zeer goed zien, wat er daarginds vooraan in de tunnel voorviel, zonder gevaar te loopen, hun oogen onherroepelijk te bederven.

Van de drie bandieten was nu niets meer te zien.

Zij hadden zich waarschijnlijk plat op den buik geworpen, om zoo weinig mogelijk last te hebben van het schelwitte licht, van een witheid, door niets te overtreffen, en waarbij zelfs de schittering van een sterke electrische booglamp in het niet zonk.

Er verliepen bijna twee uren.

Het gat was nu zeker bijna zoo diep, dat alle drie de platen waren doorgesmolten.

En toen geschiedde er iets, waarop de twee mannen ook al niet gerekend hadden.

De Lynx zond een van zijn mannen terug, zeker om eens te gaan zien, of de gevangenen zich nog niet bedacht hadden! [31]

Als zij bleven waar zij waren, dan zouden zij zeker gezien worden, want de tunnel bood hier volstrekt geen schuilplaats, en de man, die terugkeerde was voorzien van een kleinen zaklantaarn.

Maar hier viel niet te aarzelen, zij moesten beginnen met te retireeren, tot zij althans buiten het gehoor van de twee achtergebleven bandieten waren.

Raffles en Charly kropen dus als bij onderlinge afspraak, zonder dat het noodig was geweest, een enkel woord te wisselen, achteruit, op handen en voeten, en nu en dan omziende om zich te overtuigen, dat zij buiten het lichtschijnsel van de lantaarn bleven.

Zij waren den man minstens vijftig meter vooruit, en hij kon hen onmogelijk zien.

En toen ontfermde het lot zich over hen, zij vonden een plek, waar de tunnel eensklaps een weinig breeder werd, misschien had hier een aardinstorting plaats gehad, of was deze soort nis met opzet gemaakt, teneinde er gereedschappen of machineonderdeelen te kunnen bewaren.

Deze kleine uitholling was echter nauwelijks groot genoeg, om een enkel persoon te kunnen bevatten.

Raffles boog zich naar Charly over en fluisterde hem in:

„Ga jij nog een tiental meters verder, ik blijf hier, en zal den kerel ten val brengen, dan keer je dadelijk weer terug, en helpt hem onschadelijk maken!”

Charly knikte en ging verder, terwijl Raffles zich zoo klein mogelijk maakte, en zich tegen den achterwand van de nis drukte.

Vijf minuten later kwam de bankroover voorbij, of liever, hij wilde voorbij gaan, want zoover kwam het niet.

Raffles had zich bliksemsnel gebukt en den kerel bij het onderbeen gevat.

De man struikelde en had zelfs niet den tijd voor een vloek.

Want dadelijk wierp Raffles zich op hem, en toen ook Charly op het gerucht van den val terug kwam ijlen, was zijn lot spoedig beslist.

Hij werd nu stevig gebonden, zoodat hij zich niet verroeren kon, en ook geen geluid kon maken.

Dat was dus een derde van de vijandelijke legermacht verslagen.

De rest zou kinderspel zijn!

Juist op dat oogenblik hoorden de beide mannen een dof gekraak aan het uiteinde van de tunnel.

Zij snelden terug zoo vlug zij konden en de gesteldheid van de tunnel het hun veroorloofde.

Het verblindend witte licht was nu verdwenen.

Alleen de twee lantaarns verspreidden hun licht.

Blijkbaar was zooeven de arbeid met de steekvlam geëindigd.

Er was nog meer gebeurd.

Door de opening in de drie stalen schilden, ongeveer zuiver rond, en bijna twee decimeter in doorsnede, hadden de twee bandieten de stukken van de spoorstaaf met behulp van een ijzeren haak kunnen wegduwen.

En daarna hadden zij, uit alle macht zich inspannend, de stalen schilden één voor één omver kunnen werpen.

De opening was nu vrij!

Een der bandieten stak er een arm gewapend met een lantaarn door, zeker om de tunnel, die nu open voor hen lag, te belichten.

Dat was zijn ongeluk.…

Want Raffles en Charly zagen op hetzelfde oogenblik iets eigenaardigs gebeuren.

De man met de lantaarn verdween onder het slaken van een luiden vloek, en zoo vlug, of hij door toovenaarshanden werd weggesleurd!

„Dat moet Henderson zijn!” kwam Raffles glimlachend, terwijl Charly moeite had een schaterlach te onderdrukken, zoo snel en zonder omslag was de bankroover uit het oog verdwenen.

„Kom vlug, Charly, voor mijnheer de Lynx zijn makker ter hulp kan snellen!”

De twee vrienden ijlden naar de opening, en onder het loopen gaf Raffles het waarschuwingssein, voor Henderson bestemd, die zooeven zoo handig zijn tegenstander door de opening had getrokken, met niet meer omslag dan men gebruikt om een sardiene uit het blikje te nemen.

Op het hooren van het sein keerde de Lynx zich om, en slaakte een gebrul van woede, toen hij zijn gevangenen herkende.

Hij bracht de hand naar zijn zak, maar hij was wat te langzaam.… reeds was Raffles bij hem en sloeg hem door een op de goede plek aangebrachten vuistslag neer.

In een handomdraaien was de schurk gebonden en machteloos gemaakt. [32]

Hij kwam juist weer bij, toen dit geschied was.

„Ja, vriend Lynx, zoo gaat het nu eenmaal in de wereld,” zeide Raffles glimlachend, „heden ik, morgen gij! Maar vandaag zijt gij het in ieder geval, naar ik geloof!”

Henderson stak op dit oogenblik zijn groot hoofd door de opening, en zeide leukweg:

„Alles all right, mijnheer! Bij u ook, hoop ik?”

„Alles in de beste orde, James!” antwoordde Charly lachend. „Steek dien kerel maar weer door het gat, waar je hem zoo handig gevangen hebt!”

Even later kwam er een soort mummie door de opening, aangereikt door den reus.

De man was zoo stijf gebonden, dat hij letterlijk geen vingerlid kon verroeren.

„Zoo, daar hebben wij de verzameling compleet!” kwam Raffles tevreden. „Nu nog het vrachtje naar het huis in de Baker-Street vervoerd, en tijdelijk in den kelder neergelegd, in afwachting van de komst der politie, maar voor dien tijd staat ons een zware arbeid te wachten, vrienden!”

„Wat wil je doen?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Vraag je dat nog? Natuurlijk wil ik de tunnel van die lieden voor de grootste helft vernielen, en doen instorten! Want om zich te wreken zullen zij natuurlijk verraden wat zij gevonden en gezien hebben en dan was alle moeite toch vruchteloos geweest! En daarom zullen wij eerst hun tunnel voor een deel vernielen, vervolgens zullen wij een laag beton hier op deze plek aanbrengen, een vijftal meter dik, en tenslotte zullen wij onze eigen tunnel een andere richting geven, op deze plek! En al dien tijd zullen de heeren onze gasten zijn, wel bewaakt, natuurlijk! De bankroof zullen zij mijnentwege later nog eens kunnen beproeven, maar dan niet ten koste van John Raffles!”

[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 346) bevat.

DE VERZONKEN STAD.

Inhoudsopgave

I. Het gerucht onder den grond. 1
II. Het geluid komt nader. 5
III. Een gevaarlijke verwikkeling. 9
IV. De overval. 15
V. In de handen der bankroovers. 20
VI. Bange uren. 24
VII. Wie het onderst uit de kan wil hebben.…. 28

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 45 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
1, 25 [Niet in bron] , 1
1 Regentstreet Regent-Street 2
2, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 17 Grossvenor-Street Grosvenor-Street 1
3 Naastd eze Naast deze 2
4, 6, 8 , . 1
4 hetzelde hetzelfde 1
4 eenigzins eenigszins 1
6 asfalt asphalt 2
6 En Een 1
10, 12 kelner kellner 1
11 engros en gros 1
11 [Niet in bron] 1
11 Midland Bank Midland-Bank 1
13 knipoogde knipoogden 1
13 verspinteren versplinteren 1
13 reed s reeds 1
13 ontdekte ontdekten 1
15 dem den 1
16 pantser platen pantserplaten 1
16 [Niet in bron] . 1
16 aange-getast aangetast 3
17 Middland-Bank Midland-Bank 1
19 zichbaar zichtbaar 1
22 Middland Bank Midland-Bank 2
22 1
24 [Niet in bron] 1
24 onmiddelijk onmiddellijk 1
27, 27, 27, 27 etui étui 1 / 0
28 kangeroe kangoeroe 1
31 veroorloofden veroorloofde 1