Title: Lord Lister No. 0044: Het briljanten halssnoer van Flora Palmerston
Author: Kurt Matull
Theo von Blankensee
Release date: April 4, 2026 [eBook #78357]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78357
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜
UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.

„Of er geldelijk voordeel aan verbonden is of niet, Charly, de advertentie was zoo interessant dat ik er dadelijk werk van heb gemaakt. Hier lees ze nog eens met alle aandacht, dan zul je moeten toestemmen, dat zij juist voor mij iets bijzonder aantrekkelijks moest hebben!”
John Raffles, de Groote Onbekende, dien men overal zocht en nergens vond, reikte het uitknipsel uit de krant, dat hij uit zijn portefeuille had genomen, glimlachend over aan Charly Brand, met wien hij in een voornaam Clubgebouw in Londen een kopje koffie gebruikte.
„Inderdaad, die advertentie is ongewoon en verleidelijk,” antwoordde Charly. „Ik kan mij niet herinneren, iets dergelijks ooit gepubliceerd te hebben gezien.”
Hij nam het stukje papier nog eens op en las met halfluide stem, zoodat niemand in de omgeving hem kon verstaan, langzaam en met den klemtoon op ieder woord:
„Wensch onmiddellijk in relatie te treden met energiek, handig persoon, die genegen is om zoo spoedig mogelijk de behandeling op zich te nemen van een moeilijke taak, waaraan waarschijnlijk gevaren verbonden zullen zijn.
Telegrafische aanbiedingen onder motto: Confidence Londen”.
Charly Brand vouwde het uitknipsel weer samen en gaf het Raffles terug.
„Fine, very fine, Edward!” glimlachte hij. „Als voor jou geknipt. Energie, handigheid—een moeilijke taak en gevaren …
„Allright, het kon niet mooier! Maar ik moet je er nogmaals op attent maken, dat er in de advertentie geen enkel woord gesproken wordt van den Mammon, die de handige, energieke persoon zal verkrijgen, wanneer hij koen en onversaagd zijn leven op het spel zet voor deze zaak.”
„O, Charly, Charly!” zuchtte Raffles. „Je schijnt allen zin voor het ideale verloren te hebben! Al je gedachten houden zich op het oogenblik bezig met het materieele!”
„En met recht, Edward! Als er geen geld meer in voorraad is, word ik gewoonlijk zeer prozaïsch.
„Ik ben verplicht, je er nogmaals op attent te maken, dat wij bijna niets meer bezitten. Wij hebben nauwelijks nog twintig pond op de Bank staan.”
„Ah zoo, oude jongen, dat is wat anders!” lachte Raffles en hij opende zijn étui om Charly een nieuwe sigaret aan te bieden. „Neem mij niet kwalijk, oudje [2]en stel je gerust. Wij zullen den man, die deze vreemdsoortige advertentie in de „Evening News” heeft laten zetten, het vel over de ooren halen!
„Laat mij maar begaan. De paar shilling, die ik heb uitgegeven voor het beantwoorden der offerte, zullen hopelijk een flinke rente opleveren.”
Charly keek zijn vriend vol verbazing aan.
„Heb je je inderdaad hiervoor aangeboden?” vroeg hij snel.
„Natuurlijk, maar je begrijpt zeker wel, dat ik het niet onder mijn waren naam deed.”
„En kreeg je al antwoord?”
„Zeker Charly, waarom zou ik niet? Daar de persoon, die hulp inriep, veel haast scheen te hebben, telegrafeerde ik onmiddellijk, toen ik de advertentie onder mijn oogen kreeg en ik heb het antwoord al in ontvangst genomen op het telegraafkantoor, waar wij zooeven voorbijkwamen en waarin je mij voor eenige minuten zaagt verdwijnen.
„Het antwoord was, zooals ik het had gevraagd, poste restante daarheen gezonden en ik behoef mij nu slechts naar het mij aangeduide rendez-vous te begeven om voldoende te worden ingelicht wat betreft den persoon in kwestie en dat, wat hij van plan is.
„Laten wij ons op weg begeven, mijn jongen, het is bijna zes uur en op dat uur moet ik mij in Kings Road bevinden, waar ik zeker met ongeduld word verwacht.”
Beide heeren stonden op en verlieten het lokaal, om op straat een toevallig voorbijkomend huurrijtuig te nemen en weg te rijden in de richting naar Kings Road.
Op den hoek van Sloanestreet lieten zij halt houden.
Daar bevond zich een Amerikaansche bar, waar Charly op de terugkomst van den Grooten Onbekende zou wachten, die voorloopig alleen het terrein wilde verkennen.
Het kleine huis, dat op een villa geleek, en waarheen Raffles zijn schreden richtte, lag in het midden van Kings Road.
Het was het eigendom van een zekeren Lord Orvis, een bejaarde boemelaar, die geen al te besten naam had en die stamde uit een adellijke familie, welke in vroeger jaren tamelijk nauw verwant was geweest met de Listers.
Raffles wist, dat Lord Orvis een egoïst en een woesteling van de ergste soort was en dat hij eenmaal een arme, beeldschoone nicht, die hem oprecht liefhad, trouw had beloofd om haar daarna op laaghartige wijze geluk en eer te ontnemen.
Het arme meisje werd door haar familie verstooten en sleet sinds dien tijd haar ongelukkig leven als gouvernante in een hoog adellijke Londensche familie.
Aan dit alles dacht Raffles, toen hij voor het vergulde hek stond, dat de villa van Lord Orvis scheidde van de lange, smalle straat, waarin het op dat oogenblik slechts matig druk was.
De gedachte, dat het misschien Lord Orvis zou zijn, met wien hij te doen kreeg, was hem daarom niet aangenaam.
Raffles, die steeds zijn geestesgaven en de geldbronnen, welke hij altijd weer opnieuw wist te doen vloeien, aanwendde voor het welzijn van zijn minder bedeelde medemenschen en die daardoor veel zorg en verdriet lenigde, was een verklaarde vijand van alle voorname nietsdoeners, welke de geërfde en dikwijls niet eerlijk verkregen rijkdommen hunner voorouders verbrasten en slechts aanwendden ter bevrediging hunner eigen lusten en begeerten.
Maar misschien was het niet eens de Lord, die „de moeilijke taak, waaraan waarschijnlijk gevaren verbonden zouden zijn,” wilde laten uitvoeren!
Uit het telegram, dat hij terug ontvangen had, viel dienaangaande niets met zekerheid te zeggen!
Het kon evengoed ieder ander dan Lord Orvis zijn, die hem had uitgenoodigd tot de samenkomst onder vier oogen in de villa.
In gespannen verwachting drukte Raffles op het knopje der electrische bel, om zijn bezoek aan te kondigen.
Dit was hem duidelijk: het een of ander ongeoorloofde moest achter deze zaak steken. Misschien wilde het toeval, dat hij nu een blik zou kunnen slaan op de zeker niet al te reine particuliere aangelegenheden van den Lord en dat hij een bedrogen, ongelukkig meisje zou kunnen wreken.
„Mr. Mackenzie?” vroeg de oude bediende in rijke livrei, die het hek opende.
„Dat is mijn naam,” antwoordde Raffles.
„Wees dan zoo goed mij te volgen!”
De huisknecht ging den bezoeker voor door het kleine tuintje tusschen het hek en de villa en geleidde hem door een donkere vestibule, langs een breede trap met zware loopers naar de bovenverdieping.
Een rijk gebeeldhouwde leuning, geheel in den stijl der zestiende eeuw, begrensde de trap aan de eene zijde, terwijl aan den anderen kant het oog werd bekoord door wandschilderingen, afgebroken door nissen met beelden. [3]
Het inwendige der villa was grooter dan het smalle voorfront deed vermoeden.
Een zeer groote vleugel was naar achteren uitgebouwd, bijna tot aan Trafalgar Square en daarvan slechts gescheiden door een heerlijk, niet al te groot park.
„Is Lord Orvis thuis?” vroeg Raffles, terwijl hij naast den bediende een reeks weelderig ingerichte vertrekken doorliep.
„No Sir,” antwoordde de oude man. „Zijn Lordschap is nog op reis naar Parijs.”
„Hij is het dus niet, die mij wenscht te spreken?”
„Wel neen, Lady Flora verwacht u.”
„Vermoedelijk de echtgenoote van den Lord?”
De bediende glimlachte.
Hij bleef het antwoord schuldig.
Zij hadden juist het einddoel van hun wandeling bereikt.
Met een buiging voor Raffles een deur openend, verzocht de bediende hem binnen te treden en plaats te nemen, waarop hij zelf door een andere deur verdween.
Onmiddellijk daarna werd deze weer geopend en een niet meer piepjonge, maar nog altijd bekoorlijke en schoone brunette ruischte de kamer binnen.
De welriekende japon scheen er voor gemaakt om haar al te weelderige vormen meer te doen vermoeden dan ze te verbergen.
„Heb dank voor uw komst, Mr. Mackenzie!” sprak zij met een lachje tot den elegant gekleeden heer, die van zijn stoel opstond en niet al te eerbiedig voor haar boog.
Met een onderzoekenden blik en zichtbaar welgevallen nam zij hem van het hoofd tot de voeten op.
„Het verheugt mij bijzonder, dat een heer, die blijkbaar tot de beste kringen behoort en niet een detective van beroep, zich te mijner beschikking wil stellen.”
„Wees geheel onbezorgd, mevrouw, ik ben een zeer ongevaarlijk particulier persoon,” antwoordde Raffles en het voorbeeld van Lady Flora volgend, die in een fauteuil plaats nam, ging ook hij weer zitten.
„Ik heb niets, absoluut niets met de politie te maken. Het is niets dan een soort van sport, een eigenaardige liefhebberij om zoo te zeggen, dat ik mij aanbied om de een of andere taak op mij te nemen, die, naar ik vermoed, betrekking heeft op een misdaad?”
„Zeer juist, mijnheer, het handelt hier om een diefstal, om de ontvreemding van een kostbaar sieraad, dat ik liefst zoo spoedig mogelijk weer in mijn bezit zou willen krijgen door de hulp van een energiek persoon.”
„Gij hebt gelijk, Lady Orvis, en juist voor een dergelijke zaak ben ik bijzonder geschikt. Wilt u mij een beetje nauwkeuriger inlichten, opdat ik zoo snel mogelijk een punt van uitgang heb?”
„Zeer gaarne, Sir, maar—” de dame wierp Raffles bij deze woorden een betooverenden blik toe—„wilt gij mij, als ’t u blieft, niet met Lady aanspreken? Ik ben niet, zooals gij schijnt te vermoeden, de echtgenoote van zijn Lordschap, maar reeds jarenlang diens hartsvriendin.
„Maar daarom ben ik niet minder bezorgd, om hem elke ergernis en elke opwinding te sparen.”
„Dus de mededeeling van dezen diefstal zou zijn Lordschap vermoedelijk veel ergernis geven?”
„Ongetwijfeld, Mr. Mackenzie,” verzekerde de dame, naar het scheen zeer angstig.
„Het kleinood, dat men mij ontstolen heeft, is een overoud erfstuk der familie Orvis en ik ben er van overtuigd, dat de Lord ontroostbaar zou zijn, als hij vernam, dat het niet meer in mijn bezit is.
„Flora,” sprak hij tot mij, toen hij eenige dagen geleden afscheid van mij nam, om met een vriend van hem een plezierreis te ondernemen. „Flora, een ding moet ik je nog op het hart drukken, zorg vooral goed voor het brillanten collier! Bewaak het als je oogappel! Je weet, hoeveel waarde ik er aan hecht.
„Afgezien nog van het feit, dat ik nooit weer in staat zal zijn, je een dergelijk kostbaar sieraad ten geschenke te geven, is het ook als oud familiestuk niet door iets anders te vervangen en bovendien door de prachtige, bijzonder groote diamanten van onberekenbare waarde.
„Stel u dus mijn schrik voor, toen ik hedenmorgen tot de ontdekking kwam, dat het uit mijn juweelkistje verdwenen was!”
„Verdenkt gij misschien den een of anderen persoon met den diefstal van dit collier te maken te hebben?” vroeg Raffles met de grootste kalmte, terwijl hij met scherpen blik het gelaat van Flora bekeek, dat hem merkwaardig bekend voorkwam.
„O ja, Sir,” antwoordde deze. „Sinds gisternacht verdenk ik iemand en wel een heer, die mij gedurende de afwezigheid van den Lord voortdurend lastig viel onder voorwendsel een oud vriend van den Lord te zijn en die mij zelfs hier in mijn woning meermalen bezocht.
„En verder,” vervolgde de maîtresse van den Lord [4]plotseling op levendigen toon, toen zij bij haar laatste woorden een spottend lachje op het gelaat van Raffles waarnam, „zou ik u deze bekentenis niet doen, als gij mij niet zooeven, toen ik u zag binnenkomen, bekend hadt geschenen.”
„Hoe bedoelt gij dat?” riep Raffles verbaasd uit.
„Inderdaad,” vervolgde Flora, „ik ben het toeval dankbaar, dat mij juist u als bondgenoot toezendt. Ontken het niet, Sir, ik had reeds jaren geleden het voorrecht u te leeren kennen op een buitenpartij bij Lord Hastings te Epping!
„Gij hebt u heden aan mij voorgesteld onder een valschen naam.
„Ik kan mij helaas uw waren naam op het oogenblik niet herinneren, maar ik weet, dat hij tot de edelste en voornaamste van den oud-Engelschen adel behoorde en dat ik tegenover een gentleman sta, die discreet is!”
Raffles boog toestemmend.
„Laat mijn naam er buiten,” verzocht hij glimlachend. „Laat het u voldoende zijn, dat Mr. Mackenzie zich bereid verklaarde om u te helpen.
„Gij hebt gelijk, Miss Flora, ik ben een edelman en zal dus nimmer de geheimen van dames, die mij haar vertrouwen schonken, verraden.
„Maar gij vergist u zeer beslist, wanneer gij meent, mij reeds eerder gezien te hebben. Lord Hastings is niet eens een goede kennis of vriend van mij.
„Ik verzoek u, Miss,” vervolgde hij op dringenden toon, toen hij merkte, dat Flora zich niet liet overtuigen en bij haar meening bleef, „laat ons bij de zaak blijven, vertel mij verder van den heer, die zich voorstelde als een vriend uit de jeugd van Lord Orvis, vertel mij waarom gij sinds gisternacht juist hem verdenkt.”
„Ik hoop, dat gij mij gelijk zult geven, als gij zoo vriendelijk zijt geweest om mij te volgen naar de vertrekken, die speciaal zijn ingericht voor mij en mijn kamenier Miss Price, die op het oogenblik niet thuis is,” antwoordde de geliefde van den Lord.
Daarop opende zij de deur, waardoor zij zooeven de kamer was binnengekomen. [5]
Zij kwamen in een gang.
Ongeveer in het midden daarvan bleef Miss Flora voor een deur aan haar rechterhand staan.
„Wij staan hier voor den ingang naar de drie vertrekken, welke mij en Miss Price tot slaap- en kleedkamer dienen; in een hiervan is gisternacht een diefstal gepleegd,” sprak zij tot Raffles.
„Laat ons binnengaan en de kamers eens in oogenschouw nemen.
„Gij zult dan merken, hoe ik aan mijn achterdocht kom en zelf een oordeel kunnen vormen.
„Om voor elke verrassing veilig te zijn, zal ik dadelijk weer achter ons sluiten.”
Bij die woorden draaide zij den sleutel, die van binnen in het slot stak, om en trad nu met Raffles de kamer binnen, die zij vol trots haar „Oostersche kamer” noemde.
Van hieruit kon men naar links en rechts in twee andere vertrekken komen.
Een daarvan, en wel dat aan den rechterkant, was het boudoir en slaapvertrek van Miss Flora, het andere dat van haar kamenier.
Flora liet Raffles zich het eerst oriënteeren in de middenkamer.
„Ziet gij, Mr. Mackenzie,” sprak zij tot hem, „de gangdeur in deze tusschenkamer wordt des nachts door mij altijd van binnen gesloten, de schuifdeur naar het boudoir daarentegen blijft gewoonlijk wijd openstaan.
„Ook in den afgeloopen nacht was dit het geval.
„Daar mijn bed, zooals gij ziet, vlak tegenover die deur staat, kan ik bij het ontwaken in de Oostersche kamer en naar de deur kijken, welke toegang geeft tot het slaapvertrek van Miss Price.”
„Zeer juist,” antwoordde Raffles, die slechts half luisterde, daar hij, terwijl Flora sprak, bijzonder aandachtig keek naar den muur, waarin zich de gangdeur bevond, en waar een door draperieën bedekte nis onmiddellijk zijn attentie had getrokken.
„Gij sliept dus gisternacht in uw boudoir?”
„Ja, en zooals altijd, was het daar ook toen volmaakt donker. Daarentegen brandde, zooals dat de gewoonte is, in de tusschenkamer, die, zooals gij ziet, mijn boudoir van de kamer van de kamenier scheidt, een lamp.
„De lamp stond op zij, hier op deze tafel.”
Flora wees naar het elegante, sierlijk bewerkte meubelstuk, dat niet ver van de boudoirdeur tegen den muur der tusschenkamer stond.
„Ik kon dus vanuit mijn bed wel het verlichte vertrek, maar niet de lamp zelf zien.”
„Dat spreekt vanzelf,” sprak Raffles, die nu beter luisterde.
„Vertel verder, Miss, ik ben zeer nieuwsgierig.”
„Het zal ongeveer middernacht zijn geweest,” begon Flora opnieuw, „toen ik plotseling uit een benauwden droom ontwaakte.
„Onwillekeurig richtte ik mij in mijn bed op en wendde mijn blik naar den parketvloer van de Oostersche kamer, die helder verlicht werd door de lamp.
„Daar plotseling,”—Miss Flora, die in steeds grootere opgewondenheid sprak, greep in haar enthousiasme de hand van Raffles en drukte die krampachtig tusschen haar kleine vingers—„daar schrok ik plotseling geweldig.
„Ik wilde schreeuwen, ik wilde naar de bel boven mijn kussen grijpen om Miss Price te roepen, maar ik was als verlamd door ontzetting. [6]
„Verbeeld u, Mr. Mackenzie, er was iemand in de Oostersche kamer!
„Ik kon den man zelf niet zien. Maar zijn schaduw, de scherp afgeteekende omtrekken van een wijden mantel, zooals graaf Melrose er gewoonlijk een droeg, zag ik onbewegelijk, maar scherp en duidelijk voor mij.
„Het angstzweet stond mij op het voorhoofd.
„Mijn hart klopte snel en hoorbaar.
„Half opgericht, staarde ik naar het donkere, dreigende en onbewegelijke schaduwbeeld.
„Zoo zat ik geruimen tijd met bevende ledematen, totdat alles om mij heen begon te draaien en ik bewusteloos achterover zonk.
„Toen ik ontwaakte, was de schaduw verdwenen.
„Ik belde en Miss Price verscheen.
„„Heb je niets gehoord?” vroeg ik gejaagd. „Er was iemand in de Oostersche kamer.”
„Verschrikt snelde het meisje, dat nog slaapdronken was, naar de aangrenzende kamer.
„„Onmogelijk,” antwoordde zij, „de sleutel steekt aan den binnenkant in het slot.”
„Aangegrepen door een angstig voorgevoel, sprong ik mijn bed uit en snelde naar het kastje aan den muur, dat ik altijd gesloten houd en wie beschrijft mijn ontzetting, toen ik zag dat uit het juweelenkistje dat daarin stond, het kostbare diamanten collier gestolen was!”
De geliefde van den Lord had, terwijl zij sprak, Raffles met zich naar het boudoir getrokken en nu stonden zij beiden voor het kastje naast het bed.
Raffles onderzocht het nauwkeurig.
„Uw schatkamertje is, zooals ik zie, weer gesloten,” sprak hij. „Als ik een politie-beambte of detective was, zou ik u daarvoor ernstig moeten berispen.
„Men moet voorwerpen, waaraan misdadigers zich hebben vergrepen, zooveel mogelijk in denzelfden toestand laten, waarin men ze vond, om een onderzoek gemakkelijker te maken!”
„Dat is best mogelijk, maar in mijn angst sloot ik het kastje dadelijk weer en legde, zooals gij ziet, zelfs deze ijzeren stang ervoor, opdat mij tenminste het andere sieraad dat naast het brillanten halssnoer in het juweelenkistje lag, niet ontstolen kon worden.”
„Hoe?” riep Raffles vol verbazing uit, „dit tweede sieraad heeft de nachtelijke inbreker, in wien ook ik den graaf vermoed, onaangeroerd gelaten?”
„Ja, zoo is het,” antwoordde Miss Flora, terwijl tranen in haar oogen kwamen.
„Het was hem waarschijnlijk niet de moeite waard, een nagemaakt stuk te rooven.”
„Namaak?” vroeg Raffles vol bevreemding, „wilt gij u wat duidelijker uitdrukken?”
„Het is een nabootsing van het gestolen sieraad,” verklaarde de miss opgewonden. „De schurkachtige graaf vond het, hoewel het een kunstwerk op zichzelf is, blijkbaar beneden zijn waardigheid om het mee te nemen.
„De echte paarlen en brillanten van het halssnoer zijn hem zeker voldoende. Deze vertegenwoordigen, volgens opgaaf van den Lord, een waarde van minstens 500 pond sterling.”
„Drommels, dat is een aardig stuivertje!” riep Raffles uit. „Ik ben zeer nieuwsgierig, het nagebootste halssnoer te zien.
„Werkelijk, Miss Flora, wanneer ik u het collier ter waarde van 500 pond terug zal bezorgen, moet ik eerst weten, hoe het er heeft uitgezien.”
„Zeker, Mr. Mackenzie en daarom zal ik gaarne uw verzoek inwilligen.”
Zij opende bij die woorden het slot der ijzeren stang en dat van het kastje, waarna zij met bevende handen naar het juweelkistje greep, dat op de onderste der beide planken stond.
Toen zij dit er uit had genomen en op de tafel gezet, die helder werd verlicht door de middagzon, zag Raffles bij den eersten blik, dat alleen een geslepen knaap, die het handwerk verstond, dit zaakje in handen gehad kon hebben.
Het juweelenkistje, dat van voren nog gesloten was, was namelijk door den dief geopend door op geslepen manier de stift uit de scharnieren te schuiven.
Hoe interessant deze waarneming ook voor Raffles was, op dit oogenblik stelde hij nog meer belang in het similie-collier in het kistje.
Hij tilde dus haastig het deksel op en, toen het bijzonder kunstig nagebootste halssnoer op het donkerblauw zijden kussen voor hem lag, uitte hij bijna een kreet van verrassing.
Onmiddellijk had hij gezien, dat de dief zich in zijn haast had vergist, dat dit collier echt was en dat Miss Flora zich zonder twijfel schromelijk vergiste, wanneer zij dit voor imitatie hield!
En nog van iets anders was hij bliksemsnel overtuigd geworden, en die overtuiging riep hem plotseling zijn jeugd weer voor den geest:
Dit halssnoer, dat daar voor hem lag, behoorde niet, zoo als Lord Orvis zijn geliefde had verteld, tot de [7]familiestukken zijner voorvaderen, maar tot die der familie Lister!
Ja, ongetwijfeld! Dit was het heiligdom, dat eeuwenlang door de Listers was bewaard als dierbaar aandenken aan een edele, reeds lang gestorven stammoeder van vorstelijke bloede!
Het had hun toebehoord tot aan den noodlottigen dag, waarop de schurkachtige Londensche beursspeculant, die de ouders van Lord Edward Lister hun geheele fortuin afhandig maakte, zich ook dit heerlijke brillanten halssnoer toeëigende!
Van dezen bedrieger had ongetwijfeld een lid van de familie Orvis, die waarschijnlijk tot de intieme vrienden van den Londenschen beursschurk behoorde, het op de een of andere manier verkregen.
Niet eenmaal, maar bij verschillende feestelijke gelegenheden had de moeder van Lord Edward het kleinood van onschatbare waarde gedragen; de sprookjesachtige glans der kostbare paarlen en diamanten had in dien tijd een onuitwischbaren indruk gemaakt op den knaap.
En nu lag het daar voor hem in zijn volle, schitterende pracht—het dierbare souvenir aan zijn gelukkige kinderjaren, aan zijn teerbeminde moeder!
Weemoed en ontroering vulden het hart van Lord Lister en hij had al zijn bovennatuurlijke, door jarenlange oefening verkregen zelfbeheersching noodig om de gevoelens niet te verraden, die hem bestormden.
Het gelukte hem inderdaad, aan zijn gelaat slechts een uitdrukking van verbazing en bewondering te geven.
Geen enkele trek op zijn fijnbesneden gelaat deed vermoeden, wat er in hem omging en dat hij de vergissing van Miss Flora onmiddellijk had opgemerkt.
„Inderdaad, een prachtige nabootsing,” sprak hij, terwijl hij het halssnoer uit het kistje nam en de steenen, die met bijzondere kunst waren geslepen, nauwkeurig bekeek.
„Hoe mooi moet het echte collier zijn! Indeed, een zwaar verlies, wat gij en de Lord hierdoor hebt geleden, Miss Flora!
„Die graaf Melrose moet een zeer geslepen schurk zijn!
„Anders zou hij zich niet hebben vergrepen aan een voorwerp, waarvan het spoor zoo gemakkelijk te volgen is. Ik begin mij ernstig ongerust te maken omtrent het verdere lot van het gestolen halssnoer!”
„En waarom, Mr. Mackenzie?” vroeg Flora angstig.
„Omdat ik honderd tegen een zou durven wedden, dat Melrose alles in het werk zal stellen, om de paarlen en diamanten van het collier weer van de hand te doen.
„Gij zult het collier misschien nooit in zijn eigen vorm terugzien!
„Hier moet zoo snel mogelijk gehandeld worden om den brutalen schurk te pakken te krijgen en hem te beletten de steenen los te breken en te verkoopen.
„Ik moet onmiddellijk zijn spoor volgen.
„Opdat ik dit echter met eenige kans op succes kan doen, is het niet alleen noodig, dat ik dit onechte sieraad voorloopig in mijn bezit neem, maar moet ik ook omtrent de persoonlijkheid en de betrekkingen van den zoogenaamden graaf Melrose iets meer van u vernemen dan hetgeen gij mij tot dusverre hebt meegedeeld.”
Zonder te letten op het ontstelde gelaat van Miss Flora, die zeer verschrikt scheen, toen hij het étui met het collier er in in den borstzak van zijn smoking wegborg, alsof dit van zelf sprak, verliet Raffles het boudoir, nam plaats op den divan in de Oostersche kamer en verzocht de beminde van den Lord eveneens plaats te nemen.
„Zoo,” sprak hij, „hier kunnen wij eens praten. Vertel mij nu openhartig en onbeschroomd alles wat gij omtrent Melrose weet en ook, hoe gij aan de wonderschoone nabootsing van het collier zijt gekomen.
„Dit laatste wilde ik vooral gaarne eerst weten!
„Maar voor alles: wonen de juweliers, die de imitatie hebben vervaardigd, hier in Londen?”
„Ja, zeker!”
„En hun naam?”
„Peperling en Glanmore, Leadenhallstreet.”
Een ironisch lachje gleed over het gelaat van Raffles.
Snel vroeg hij verder:
„En om welke reden, mijn waarde Miss, werd er een duplicaat gemaakt van het prachtige kleinood?”
„Dat is in weinig woorden gezegd,” antwoordde Flora. „Mijn vriend, Lord Orvis, had mij een beetje krap gehouden in den laatsten tijd—ik had dringend geld noodig, veel geld voor mijn nieuwe toiletten,—en daar hij op reis was, moest ik mij zelf helpen.
„Daarom beleende ik—op aanraden van den graaf, die onmiddellijk na het vertrek van den Lord zijn eerste visite bij mij maakte—het echte sieraad om daarop een zekere som,—driehonderd pond—te leenen.
„Tegelijkertijd liet ik mij bij de firma Peperling en Glanmore een getrouw namaaksel vervaardigen van het collier.
„Het was immers altijd mogelijk, dat Orvis eerder terugkwam dan ik dacht. [8]
„Met het similie-sieraad kon ik hem zoolang bedriegen, totdat ik in staat zou zijn, het echte halssieraad terug te halen.”
„Ik begrijp u”, glimlachte Raffles. „Het was misschien wel een beetje onvoorzichtig van u, Miss Flora, om Melrose het halssnoer te laten zien.”
„Hij kwam mij geheel onverwacht bezoeken, toen ik er mij reeds mee had getooid om naar de opera te gaan”, antwoordde Flora. „Hij was er natuurlijk dadelijk verrukt over en prees zijn ouden vriend Orvis vol geestdrift, omdat deze als een echt gentleman zijn uitverkorene zulk een kostbaar geschenk had gegeven.”
„Ried Melrose u, het halssnoer juist bij Peperling en Glanmore te beleenen en om ook bij die firma de imitatie te bestellen?”
„Wel, Mr. Mackenzie, hij beval mij deze firma aan als een van de soliedste en betrouwbaarste van geheel Londen. „Daar ik u helaas op het oogenblik zelf niet uit de verlegenheid kan helpen,” sprak hij, „wil ik u ten minste een juweliersfirma aan de hand doen, die solide is en die in elk geval discreet zal blijven.” En ik werd niet teleurgesteld, want de firma bediende mij correct en snel.”
Raffles glimlachte.
„Onder deze omstandigheden hebt gij u dus zeer verplicht gevoeld tegenover Mr. Melrose?” vroeg hij eenigszins spottend.
„Ik kan het niet ontkennen”, antwoordde Flora blozend. „Niet alleen om zijn goeden raad. Ik was hem ook dankbaar, dat hij mij gedurende eenige weken hielp de gruwelijke verveling te verdrijven, die ik natuurlijk moest ondervinden in de afwezigheid van den Lord.”
„Zeer begrijpelijk. En later verloor mijnheer de graaf uw sympathie.”
„Ja, Mr. Mackenzie. Ik begon hem langzamerhand te wantrouwen en had vooral in den laatsten tijd het gevoel, dat hij mij, misschien op verzoek van den Lord, die zeer jaloersch en wantrouwend is, in stilte gadesloeg en tot dat doel zelfs des nachts om ons huis zwierf.
„Maar ik was zeer ontsteld, toen hij verleden Donderdag op hetzelfde oogenblik, waarop ik, nadat ik een groote som geld van den Lord had ontvangen, het diamanten halssnoer had ingelost, tegelijkertijd met mij voor den winkel van Peperling en Glanmore stond, welke ontmoeting, naar hij zeide, geheel toevallig was.”
„Toen ging hij natuurlijk met u meer naar huis?”
„Ja, hij ging mee. Hij liet zich niet afschepen.
„Onder voorwendsel, dat hij bij zijn laatste bezoek in mijn woning een kostbaren stok had vergeten, volgde hij mij, zonder eerst een uitnoodiging af te wachten en noodigde zichzelf uit om te blijven.”
Raffles lachte luidkeels.
„Dat is werkelijk kostelijk”, sprak hij op vroolijken toon, „mijnheer de graaf was er nu natuurlijk ook getuige van, toen gij het halssnoer in het muurkastje wegsloot en bij het nagemaakte legdet?”
„Ook dit kan ik helaas niet ontkennen”, antwoordde Miss Flora verlegen. „Ik hield hem immers toen nog niet voor een dief en inbreker. Bovendien verklaarde hij dienzelfden avond, Londen misschien voor jaren te moeten verlaten en terug te moeten keeren naar Amerika, zijn vaderland.
„Hij nam dan ook reeds korten tijd daarna afscheid van mij, de hartelijkste groeten achterlatende voor zijn ouden vriend Orvis.”
„En gij geloofdet werkelijk, dat deze man, tegen wien gij reeds een zeker wantrouwen koesterdet, zijn woord zou houden en werkelijk op reis gaan?” vroeg Raffles spottend.
„Zoo is het, Mr. Mackenzie. Ik was ervan overtuigd.”
„Hm, dan verbaast het mij inderdaad zeer, dat gij gisternacht onmiddellijk aan hem dacht, toen gij plotseling de spookachtige schaduw op den parketvloer van deze Oostersche kamer zaagt vallen.”
„Ik weet zelf niet, hoe ik daartoe kwam, Mr. Mackenzie”, antwoordde Flora op zachten toon. „De omtrek van den mantel was het in elk geval niet alleen, wat mij dadelijk aan Melrose deed denken.
„Het was eigenlijk meer een instinctief gevoel, dat in mij opkwam en dat mij de gedachte ingaf: Deze graaf Melrose is geen vroegere vriend van den Lord en evenmin een detective, wien de Lord heeft verzocht, je te bespionneeren. Hij is echter een gemeene gauwdief en misdadiger!”
„Zeer juist! Dergelijke vermoedens bedriegen ons zelden”, antwoordde Raffles met een glimlachje. „Maar nietwaar, Mylady, nu wilt gij mij wel zoo’n beetje de geheele persoonlijkheid schilderen van den graaf, die des nachts in de huizen zijner oude vrienden rondsluipt om hen op zoo gemeene en sluwe wijze te bestelen?
„Hoe ziet de kerel er eigenlijk uit?
„Is hij, wanneer hij overdag als een levend wezen van vleesch en bloed te midden zijner medemenschen [9]rondwandelt, groot of klein? Bruin of blond? Of heeft hij misschien rood haar?
„En dan, waar woonde hij hier in Londen?”
Raffles kreeg echter geen antwoord op al deze vragen.
Hij had nauwelijks uitgesproken of Miss Flora greep hem in de grootste opgewondenheid bij den arm en fluisterde bevend:
„Om Godswil, zwijg, Sir? Als ik mij niet vergis, hoorde ik daar juist de stem van Melrose in den corridor!”
Raffles stond bliksemsnel op.
„Werkelijk?” en hij wreef zich vergenoegd in de handen. „Hm, dat kan niet beter treffen! Nu zal ik dien heer dus zoo meteen persoonlijk leeren kennen! Maar neen, neen!” sprak hij nadenkend. „Voorloopig zal en mag hij nog niets van mij weten!
„Good bye voorloopig, Mylady! Ik verdwijn! Ik zal mij snel verbergen achter die prachtige gordijnen bij de deur naar de gang.
„Daar zal ik gemakkelijk kunnen hooren, wat mijnheer de graaf u te zeggen heeft.
„Niet bang zijn, Miss Flora! zoo vriendelijk en onbevangen mogelijk!”
Reeds in het volgende oogenblik, voordat er aan de deur werd geklopt, had Raffles zich behendig in de nis verborgen, die reeds eerder zijn aandacht had getrokken, omdat daarin een meesterlijk uitgevoerd beeld van de Venus Anadyomene was aangebracht, welke nieuwsgierig tusschen de draperieën, die voor de nis hingen, doorkeek. [10]
Eenige oogenblikken daarna overschreed een opvallend magere heer, die fatterig was gekleed en wiens gelaatstrekken een hatelijke, loerende uitdrukking hadden, den drempel van de Oostersche kamer.
De groote onbekende, die onmiddellijk de draperieën der nis dicht had geschoven, zoodat hij geheel daarachter verborgen was, had zich bijna verraden door een kreet van verbazing bij het zien van den bezoeker.
Als hij zich niet heel erg vergiste, was deze niemand anders dan een van die misdadigers, die door de politie der groote steden worden gebruikt om tegen een karige belooning spionnendiensten te verrichten onder hun vroegere collega’s en die daarom er altijd op uit zijn, hun inkomsten te vermeerderen door hun vroeger beroep uit te oefenen.
Hij herinnerde zich onmiddellijk, den „graaf” meermalen te hebben gezien in gezelschap van de Vloo, den alom gevreesden detective en particuliere secretaris van Mr. Baxter.
Zijn vermoeden, dat alleen hij de dief kon zijn geweest, werd nog sterker bij het zien van den persoon.
„Als die kerel niet een gemeene handlanger van de politie en een werktuig is van mijn vriend Baxter van Scotland Yard”, dacht hij bij zichzelf, „laat ik mij ophangen! Deze schurk, in wien men met een enkelen oogopslag den vroegeren misdadiger herkent, speelt een zeer gevaarlijke dubbele rol.
„Ik zou er een eed op durven doen, dat hij in dienst is van den politie-inspecteur Baxter, en de opdracht heeft, de helersfirma Peperling en Glanmore in het oog te houden, terwijl hij tevens door diezelfde firma is aangenomen of er zich misschien zelf voor heeft aangeboden, om het kostbare diamanten halssnoer, dat, God zij dank, tijdig in mijn bezit kwam, tegen een zekere belooning van de schoone Flora te stelen en weer in handen te brengen van deze juweliersfirma.
„Ik ben werkelijk zeer benieuwd, wat deze stommeling, die ondanks zijn handigheid als inbreker geen brillanten van glas kan onderscheiden, zal doen om Flora het echte collier afhandig te maken, dat hij per abuis gisternacht in het muurkastje heeft laten liggen.”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Intusschen had de schoone minnares van den Lord den graaf uitgenoodigd, naast haar op den divan plaats te nemen.
„Gij verstaat de kunst om iemand te verrassen, waarde vriend,” sprak zij tot hem met haar liefsten glimlach.
„Voor een paar dagen naamt gij plechtig afscheid voor jaren en nu reeds weer uw aangenaam bezoek!
„Hebt gij misschien op uw overvaart naar Amerika schipbreuk geleden? Of was uw verlangen naar Kings Road zoo sterk?”
„Het spijt mij inderdaad zeer, niet eveneens op schertsenden toon te kunnen antwoorden,” antwoordde de graaf met een doodbiddersgezicht.
„De reden, waarom gij mij hier ziet, is helaas een andere dan gij vermoedt.”
„Gij doet mij schrikken, graaf!” antwoordde Miss Flora, terwijl zij haar blik vol verwachting op den bezoeker richtte, „dat klinkt, alsof gij mij een slechte tijding bracht!”
„Dat is inderdaad het geval! Ik was het Kanaal nog niet gepasseerd, toen ik tot mijn niet geringe verbazing gistermiddag op zee door een marconigram onmiddellijk naar Londen werd teruggeroepen.
„Ik gaf dadelijk gehoor aan dezen oproep en liet mij ter hoogte van Brighton aan land zetten, om zoo snel mogelijk hierheen te reizen.
„De naam van den afzender van het telegram had mij namelijk het vermoeden doen opvatten, dat mijn terugkomst misschien in verband stond met u, Mylady!” [11]
„Met mij?” riep het meisje met onverholen verbazing uit.
„Ja,” vervolgde de graaf, een doordringenden blik werpend op zijn schoone buurvrouw, „de afzender van het telegram was de heer Dan Peperling, de vertegenwoordiger van de firma Peperling en Glanmore in de Leadenhall Street.”
„Wat heb ik nog met die firma te maken!” riep Flora vol verbazing uit, terwijl zij haar blik niet neersloeg voor dien van den graaf.
„Nadat ik Donderdag het mij beleende bedrag met woekerrente heb terugbetaald aan Peperling en Glanmore, heb ik niets meer te maken met die firma.”
„Dit zoudt gij met het volste recht kunnen beweren, mylady, als uw terugbetaling geheel correct was geweest.”
De graaf haalde de schouders op en vervolgde:
„Maar dit was, helaas, het geval niet!”
„Wat wilt gij met die voor mij raadselachtige woorden zeggen?” riep Flora toornig uit. „Beteekent dat misschien, dat ik de van mij terugverlangde som niet in haar geheel heb betaald?”
„O neen, mylady,” glimlachte de graaf geheimzinnig, terwijl hij van den divan opstond, „gij hebt het bedrag wel terugbetaald, maar het papiergeld, waarmee gij het verschuldigde hebt voldaan, was, volgens herhaalde verklaring van den heer Peperling, valsch!”
„Wat? Zou ik met valsch geld hebben betaald?” riep Flora woedend tot den mageren Mephisto, wiens gelaat weer tot een duivelschen grijns was verwrongen.
„Weet gij wel, dat gij daar een zware beleediging uitspreekt tegen mij en tegen Lord Orvis, die volgens uw herhaalde verzekeringen immers de beste vriend uit uw jeugd is.
„De banknoten waren van hem afkomstig. Hij heeft ze mij per aangeteekenden brief Woensdag uit Biarritz toegezonden.
„Maak u toch niet belachelijk, graaf! Hoe kunt gij u dergelijke nonsens door Mr. Peperling laten wijsmaken en er ook slechts een oogenblik aan gelooven?
„En bovendien, waarom treedt juist gij op als advocaat voor dien heer?”
„Hebt gij dan vergeten, Mylady, dat ik het was, die u met hem in kennis bracht en de beleening voor u in orde bracht?” antwoordde de graaf boosaardig.
„Ik moet u eerlijk bekennen, Flora, dat deze geschiedenis met de banknoten mij zeer, zeer onaangenaam is.
„Ik ben in zekeren zin bij de firma Peperling en Glanmore borg gebleven voor u en nu betaalt gij op deze manier!
„Weet gij, wat Peperling beweert?
„Hij zweert bij hoog en laag, dat de bankbiljetten, die gij hem hebt gegeven, niet meer of minder zijn dan—gestolen bankbiljetten, waarvan de nummers bekend zijn.
„Orvis heeft ze misschien tegen een tiende van de werkelijke waarde van den een of anderen schurk gekregen.
„Het is ook mogelijk, dat hij er zelf in geloopen is, maar in geen geval heeft Peperling lust die witte en grijze stukjes papier als waardevol te erkennen en aan te nemen.”
„En alleen om mij dit mee te deelen, zijt gij teruggekomen?” vroeg Flora verontwaardigd.
„Neen, niet alleen daarom. Men heeft mij ook opgedragen, u een schikking voor te stellen met de firma Peperling en Glanmore. Luister:
„De heer Peperling verlangt van u de onmiddellijke uitbetaling van het u geleende bedrag met de rente in echt bankpapier, of—indien gij hiertoe niet in staat mocht zijn, teruggave van het echte brillanten halssnoer, dat de firma zoolang onder haar berusting wil houden, totdat de uitbetaling, waarop zij het volste recht heeft, door u is geschied.”
De achter het gordijn verborgen groote onbekende had bij deze woorden van den zoogenaamden graaf bijna zijn zelfbeheersching verloren.
De afzetterij van dezen kerel, die nu duidelijk verried, dat hij met de juweliersfirma onder een hoed speelde, amuseerde hem eigenlijk meer, dan dat zij hem vertoornde.
Het liefst had hij hardop gelachen.
Snel sloeg hij de beide gordijnen, waarachter hij verborgen was, uit elkaar en stak er zijn hoofd voor een kort oogenblik door om de attentie te trekken van Miss Flora, die zoo door den schurk in het nauw werd gebracht.
Hij had de voldoening, dat het schoone meisje hem dadelijk zag.
Zij glimlachte, zonder dat de graaf er iets van merkte, hem heimelijk toe en begreep ook de bedoeling van haar geheimen bondgenoot, die haar beduidde, zich in geen geval door den afperser te laten dwingen, maar hem rustig verder te laten spreken en den schijn aan te nemen, alsof zij volkomen geloof sloeg aan zijn bedriegerijen.
Zij deed daarom, alsof zij zeer verschrikt was. [12]
„En als ik nu niet inga op de condities, die Peperling mij stelt?” vroeg zij angstig en bevend.
„Dan zal Peperling dadelijk u en Lord Orvis gerechtelijk laten vervolgen!” antwoordde de graaf met nadruk.
„Om ’s Hemels wil!” riep het meisje uit, „zoover mag het tot geen enkelen prijs komen! Ik zou sterven, als Peperling zijn bedreiging uitvoerde. Wij moeten aan geld zien te komen!”
„Zeer juist, Mylady. Maar zijt gij werkelijk niet in het bezit van het benoodigde bedrag?”
Flora wrong wanhopig de handen.
„Ik heb alleen nog het pakket banknoten, waarvan ik Donderdag betaalde”, sprak zij mismoedig, „maar daar zij, volgens beweren van den juwelier, valsch zijn, zal ik er niets aan hebben”.
„Nu, wij zouden ze in elk geval nauwkeurig kunnen onderzoeken”, stelde de graaf voor. „Misschien is de rest van het geld, dat gij zeker ook in het muurkastje van uw boudoir hebt geborgen, goed”.
„Dat geve de Hemel!” zuchtte Flora.
„Het zou ontzettend zijn, als ik gedwongen was, het brillanten halssnoer nogmaals bij Peperling en Glanmore te deponeeren. Dit brillanten halssnoer—”
Een plotselinge wenk van Raffles, die zijn hand waarschuwend door de portière stak, deed haar zwijgen.
„Kom”, vervolgde zij, „wij zullen naar het boudoir gaan en de banknoten onderzoeken. Ik houd ze zelfs nu nog niet voor valsch!
„Orvis is in geldzaken veel te serieus, om zich door den een of anderen oplichter valsch of gestolen bankpapier in handen te laten stoppen.
„En dat de vriend uit uw jeugd zelf een vervalscher van papiergeld of iets dergelijks zou zijn, zult gij, heer graaf, zeker allerminst vermoeden?”
„Maar ik bid u, Mylady, wat een vraag!” riep de graaf verontwaardigd uit, terwijl hij Flora in haar slaapvertrek volgde.
„Wie weet, door welk ongelukkig toeval de vervloekte papieren, waarmee gij Peperling hebt betaald, in het bezit van mijn vriend zijn gekomen. Hij heeft er waarschijnlijk niets van gemerkt!”
Met nauwelijks bedwongen ongeduld zag Melrose nu, hoe Flora het muurkastje opende en er een pakje papiergeld, dat in het bovenste vak lag, uitnam.
Met bevende handen greep hij ernaar en nam haar bijna met geweld de banknoten af, welke Flora hem met tegenzin overliet.
Het waren alle biljetten van duizend pond.
Zij vertegenwoordigden een niet onbeduidende som.
Snel ging hij naar het venster en begon ze daar een voor een te bekijken, in de eerste plaats om te zien, hoe hoog hun gezamenlijke waarde was, waarna hij de biljetten stuk voor stuk aan een nauwkeurig onderzoek onderwierp.
Hij was hiermede zoo druk bezig, dat het aan zijn aandacht ontsnapte, dat Raffles, om hem niet uit het oog te verliezen, met zachte, onhoorbare schreden uit zijn schuilhoek te voorschijn was gekomen en vlak naast de deur van het boudoir bleef staan.
Vandaar kon hij elke beweging van den schurk en van miss Flora volgen, zonder zelf gevaar te loopen door hen te worden gezien.
De graaf was nu klaar met het onderzoek der bankbiljetten.
Hij haalde de schouders op.
„Een noodlottige geschiedenis!” sprak: hij op deelnemenden toon tot Flora. „Hoe moeilijk het mij ook valt, toch moet ik u mededeelen, dat deze bankbiljetten vervalscht, meesterlijk vervalscht zijn!”
„Onmogelijk!” riep Flora op ongeloovigen toon en wilde de bankbiljetten uit de hand van den graaf trekken.
„Ik zal deze biljetten nog door iemand anders laten onderzoeken, dan zal wel blijken, dat gij ongelijk hebt!”
„Onder geen enkele voorwaarde zal ik, als uw oprechte vriend, dit toelaten,” antwoordde de graaf, snel het pakket bankpapier in zijn borstzak stekende.
„Gij zoudt niet alleen den lord, maar ook uzelf in het verderf storten. Gij zoudt ongetwijfeld beiden verdacht worden, tot een bende valsche munters te behooren, vooral wanneer Peperling zijn bedreiging uitvoerde, om u gerechtelijk te laten vervolgen.”
„Graaf!” riep Flora, nu werkelijk ongerust uit. „Gij wilt toch het geld, dat op het oogenblik mijn geheele vermogen uitmaakt, niet onder uw berusting houden?”
„De hemel beware mij!” riep de schurk uit, „zoodra ik buiten op een stil plekje ben gekomen, verscheur ik deze bankbiljetten in duizend kleine stukjes en geef ze prijs aan den wind. Misschien ook gooi ik ze in de Theems of ik verbrand ze, opdat de corpora delicti zoo snel mogelijk worden vernietigd en van de wereld verdwijnen!”
Flora vroeg met een snellen blik raad aan Mr. Mackenzie, dien zij bij de boudoirdeur vermoedde, en was een beetje verwonderd, toen Raffles haar door een handbeweging te kennen gaf, dat zij zich in de maatregelen, [13]welke de graaf wenschte te nemen, moest schikken.
Maar haar stem trilde van zenuwachtigheid, toen zij antwoordde:
„Inderdaad, sir, gij oefent voogdij over mij uit op een manier, die ik mij niet langer kan laten welgevallen.
„Als gij u nu eens vergistet, wat betreft de bankbiljetten?”
„Dat is ten eenenmale onmogelijk, mijn waarde!” beweerde Melrose. „Bedenk eens, hoeveel papiergeld reeds door mijn handen is gegaan; geloof mij, mylady, dat ik slechts uw belang wensch!”
„Maar wat moet ik nu beginnen?” riep Flora angstig uit. „Ik heb het geld noodig, ik zei u immers reeds dat dit geld mijn geheele vermogen uitmaakt?”
„Den moed niet verliezen, mylady! Wij zullen wel raad schaffen! Het brillanten halssnoer, ik bedoel natuurlijk het echte en niet het similiestuk, is immers zoo waardevol, dat Peperling er u ongetwijfeld weer een zeer aanzienlijk bedrag op zal voorschieten, als gij het hem nu door mij toezendt.
„Ja, lieve vriendin, gij moet door den zuren appel heenbijten en nogmaals voor den dag komen met het prachtige sieraad!”
Hij was bij die woorden het muurkastje genaderd en keek er met onrustig zoekende blikken in.
Nu had hij het juweelkistje ontdekt en ging een stap achteruit van schrik.
Zelfs een zeer naïef toeschouwer moest merken, dat het aanstellerij en comedie van hem was.
„Om ’s hemels wil!” riep hij, „wat moet ik zien! Hebt gij, Mylady, reeds bemerkt, wat er met het kistje is gebeurd?
„Het maakt geheel en al den indruk, alsof hier pas een inbreker aan het werk is geweest. Kijk eens hier, dierbare vriendin, de scharnieren aan de achterzijde zijn losgemaakt, neen, zij hangen alleen nog maar los aan het hout!
„De asjes zijn eruit geschoven! Ik vermoed iets vreeselijks!”
Met sidderende handen tilde hij het kistje eruit en opende het deksel.
En nu veranderde de comedie, die hij tot nu toe had gespeeld, in werkelijkheid, hij schrok inderdaad geweldig, toen hij in het kistje keek en niets, letterlijk niets vond!
„Mylady!” riep hij bijna gillend uit en hij greep Flora’s pols zoo stevig vast, dat zij nauwelijks een kreet van pijn kon onderdrukken. „Waar zijn de beide colliers? Waar is het heerlijke, echte brillanten halssnoer?”
Een hoonend antwoord lag het schoone meisje reeds op de tong.
Maar zij wist zich te beheerschen.
„Ik weet het niet”, antwoordde zij op onverschilligen toon, den graaf met doordringende blikken aanziende. „Het is gisternacht gestolen!”
„En het andere? Het similie-collier? Is dat ook weg?” vroeg Melrose nog dringender, want hij wist wel, dat het collier, dat hij als onecht had laten liggen, het echte was geweest.
„Het similie-collier?” antwoordde Flora plotseling met nadruk, „dat bevindt zich in de handen van een man die naar ik stellig hoop, den dief van het echte collier zal vinden en mij het kleinood weldra weer terug zal bezorgen.”
De graaf verbleekte.
„Wie is die man?” riep hij, zoo vol aandacht aan Flora’s lippen hangend, dat hij het eigenaardige, zacht snorrende geluid niet vernam, dat in de Oostersche kamer hoorbaar was en dat aan Flora’s aandacht niet ontsnapte.
„Ik ken hem niet nauwkeurig”, antwoordde zij, de schouders ophalend.
„Hoe! Kent gij den man niet eens, dien gij een dergelijk stuk van vrij groote waarde toevertrouwt en dien gij belast met een dergelijke kiesche aangelegenheid? Heeft hij zich dan niet op voldoende wijze aan u bekend gemaakt?”
„Neen, graaf, waarom zou hij? Ik vertrouw hem op zijn eerlijk gelaat; het was mij voldoende, dat hij zich eenvoudig aan mij voorstelde als Mr. Mackenzie.”
„O, Mylady, ik vrees, dat gij in handen zijt gevallen van een bedrieger!” kermde de graaf.
Daarop lachte hij plotseling nerveus.
„Ach!” riep hij uit, zich met de hand tegen het voorhoofd slaande, „nu gaat mij een licht op! Niet waar? Gij zijt het geweest, die de vreemde advertentie in de „Evening News” heeft geplaatst?
„Gij zijt het, Mylady, die onmiddellijk in relatie wenschtet te treden met een energiek, handig persoon, die de behandeling op zich zou willen nemen van een moeilijke taak, waaraan misschien zelfs gevaar verbonden zou zijn?”
„Ik kan het niet ontkennen”, antwoordde Flora droogweg. [14]
„Wanneer is die energieke, handige persoon hier geweest?”
„Dat kan ik niet nauwkeurig zeggen.”
„Welnu, dan kan ik uw geheugen misschien te hulp komen!” riep de graaf hoonend, maar door onmiskenbaren angst aangegrepen, terwijl zijn grijze oogen een vreemde uitdrukking aannamen.
„Hij is zoo juist hier geweest!
„Ja, ja, Mylady,—kort voordat ik de kamer binnenkwam, meende ik, hier iemand te hooren spreken.
„Ik wil, ik moet dien man leeren kennen! Ik moet u uit de handen van een bedrieger redden!”
Miss Flora beefde en was niet in staat, te antwoorden.
Welke tooneelen zouden zich afspelen tusschen de beide mannen?
Groote hemel! Misschien kwam het zelfs tot een bloedig gevecht!
En zij, een zwakke, hulpelooze vrouw, alleen met hen!
Vooral was zij angstig voor den graaf, wiens geheele wezen zoo opeens was veranderd!
Ja, nu wist zij het, dat hij inderdaad een misdadiger, een brutale, gemeene kerel was!
Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Niemand anders dan de graaf kon den vorigen nacht in de Oostersche kamer zijn geweest!
Hij en geen ander had den diefstal gepleegd! Zijn schaduw was het geweest, welke zij had gezien!
En nu haalde hij een revolver uit zijn zak te voorschijn.
In haar verbeelding hoorde zij reeds de schoten, die er moesten vallen!
Daar—wat was dat?
Nu sprong hij op de nis toe, waarin Mr. Mackenzie zich had verborgen!
Flora bedekte haar gelaat met beide handen.
Een seconde later moest hij haar vreemden bondgenoot ontmoeten!— —
Maar wat beteekende die woedende uitroep van verbazing van den graaf?—
Zij liet de handen zinken.
Zij meende, haar oogen niet te mogen gelooven.
Daar in de nis, die leeg was, waarin niets was te zien van Mr. Mackenzie, stond de graaf met lijkbleek gelaat.
Hij staarde als wezenloos naar een visitekaartje, dat hij een oogenblik geleden uit de hand van het marmeren beeld had genomen, waarin het was vastgeklemd!
„Hij, hij is hier geweest?” riep hij, eindelijk weer tot zichzelf komend, vol woede uit. „O, nu is mij alles duidelijk! Nu weet ik, Mylady, wie uw collier heeft gestolen!
„Ik moet weg, ik moet dadelijk weg! Good bye, Flora, ik volg hem en ik kom niet terug, voordat het mij is gelukt, hem te pakken te krijgen!”
In het volgende oogenblik had hij het visitekaartje op den grond geworpen, zich tot Flora’s uiterste verbazing over het marmeren beeld heengebogen en op een knopje in het voetstuk gedrukt.
Onmiddellijk daarop was hij, terwijl opnieuw het eigenaardige geluid werd vernomen, dat Flora zooeven reeds had gehoord, achter het beeld, dat plotseling begon te draaien, door een smalle opening in den muur, die een oogenblik zichtbaar werd en zich daarna weer sloot, aan haar blikken onttrokken.
Het raadsel was opgelost!
Zij wist nu, hoe de misdadiger, wiens schaduw haar den vorigen nacht zooveel angst had bezorgd, de Oostersche kamer, die van binnen gesloten was, was binnengedrongen!
Nu wist zij, dat ook haar bondgenoot, Mr. Mackenzie, die zooeven nog in de nis had gestaan, eveneens langs dezen geheimzinnigen weg was gevlucht!
Maar waarom had hij dit gedaan?
Waarom had hij zich niet onmiddellijk op den schurk geworpen, hem overweldigd en tot teruggave van het gestolene gedwongen?
Hier stond zij voor een nieuw raadsel.
Zou het visitekaartje, dat de misdadiger zooeven in handen had gehad en dat nu naast het marmeren beeld op den grond lag, haar opheldering geven?
Bevend raapte zij het op en slaakte een kreet van grenzenlooze verbazing.
Op het kaartje, dat met een gouden randje was afgezet, had zij den naam gelezen: John C. Raffles!
John C. Raffles! De geniale meester-dief, die overal werd gezocht door de politie en die nimmer werd gevonden, de groote onbekende, over wien geheel Londen sprak, die steeds opnieuw de wereldstad aan de Theems in rep en roer bracht,— —hij was dus Mr. Mackenzie geweest, die zich naar aanleiding van haar advertentie in de „Evening News” te harer beschikking had gesteld en die haar had beloofd, den dief van het kostbare halssnoer te zullen vinden! [15]
Had hij zijn visitekaartje voor zijn plotselinge vinder achtergelaten om haar te hoonen?
Was hij nu de dief geworden van het collier, dat nog in het muurkastje was achtergebleven; was hij, zooals de graaf beweerde, slechts hier gekomen om haar te bestelen?
Was zij dus het slachtoffer geworden van twee dieven, van wie de een nog geslepener was dan de ander?
Maar neen, dat was onmogelijk!
Hield niet iedereen in Londen Raffles voor een gentleman?
Vertelde niet iedereen van hem, dat zijn diefstallen en avonturen slechts sport voor hem waren en dat hij ze alleen daarom bedreef, om rijke schurken en misdadigers te straffen en de schatten, die op oneerlijke wijze in hun bezit waren gekomen, terug te geven aan de door hen bedrogen en uitgeplunderde menschen?
Ook tegenover haar zou hij vasthouden aan zijn edele principes, die hem steeds tot richtsnoer zijner handelingen dienden!
Een Raffles kon niet gevlucht zijn, zonder haar, al was het ook een korte opheldering te geven van zijn vreemde handelingen!
Op het kaartje, dat zij nog steeds vasthield, zou hij haar de oplossing van het raadsel hebben gegeven, dat haar nu angstig maakte en haar aan de eerlijkheid en betrouwbaarheid van alle menschen deed twijfelen.
Vol verwachting draaide zij het visitekaartje van Raffles om en zij beefde van vreugde, toen zij op de rugzijde met sierlijke, kleine letters het volgende las:
„Wees onbezorgd, Miss Flora, ik zal mijn woord houden. Ik zal niet alleen den handlanger der politie, die u heeft bestolen, maar ook zijn medeplichtige vangen en hun het gestolene afnemen. Ik zal ervoor zorgen dat gij geen onaangenaamheden krijgt met uw vriend, den Lord.
Een der beide colliers zal beslist nog heden in uw bezit zijn en daar de twee zoo verbazend veel op elkaar gelijken, zult gij in elk geval met een ervan geholpen zijn.
Maar gij moet zelf meehelpen.
Spoed u zoo snel mogelijk naar Scotland Yard en vraag onmiddellijk inspecteur Baxter te spreken. Vertel hem den diefstal van gisternacht en eisch spoedige hulp van hem!
Zeg hem, dat Raffles hem laat groeten en dat hij dadelijk de Vloo, zijn particulieren secretaris en detective, die een speciaal vriend van mij is—al is het helaas ook alleen op een afstand—naar Peperling en Glanmore in de Leadenhallstreet zendt.
Daar zal hij er zich van kunnen overtuigen, wat voor een groote ezel hij is, om handlangers te gebruiken van de soort van dezen nobelen „graaf Melrose”, ten einde deze beruchte oplichters- en helersfirma te bespionneeren!
Het beste zal zijn, dat gij hem, Baxter, dit kaartje laat zien!
Het zal hem zeker enorm veel genoegen doen en mijn vriend Marholm zal zich den buik vasthouden van lachen.
Met de meeste hoogachting,
J. C. R.”
Zonder een oogenblik te aarzelen, maakte Miss Flora zich onmiddellijk gereed om uit te gaan.
Zij was vast besloten, den raad en wensch van dezen genialen meester-dief op te volgen en het ontstemde haar niet weinig, dat toevallig haar kamenier, Miss Price, van een wandeling thuis kwam en haar geheel onnoodig eenigen tijd ophield met haar gebabbel over zeer onbeduidende zaken. [16]
Toen Raffles door een toevallige, eenigszins onzachte aanraking met het voetstuk der marmeren figuur in de nis de verrassende ontdekking had gedaan, dat de muur achter hem plotseling open ging, besloot hij dadelijk dezen geheimen uitgang te gebruiken om uit de Oostersche kamer te ontvluchten.
Het gesprek tusschen den graaf en Flora had hem de overtuiging geschonken, dat de graaf inderdaad de dief van het halssnoer was en de bondgenoot van Peperling en Glanmore.
Hij moest in elk geval trachten den schurk voor te zijn en den chef der firma nog eerder te spreken te krijgen dan Melrose zelf.
Ook wilde hij nog heden Baxter, den inspecteur van Scotland Yard, ergeren.
Daarom schreef hij snel de in het vorige hoofdstuk vermelde opdracht aan Flora op zijn visitekaartje, zonder er aan te denken, dat dit kaartje ook den graaf onder oogen kon komen.
Hij meende gerust te mogen aannemen, dat deze niet zoo dwaas zou zijn, zich ook langs den geheimen weg te verwijderen, daar hij zich zoodoende tegenover Flora zou compromitteeren en haar op het idee moest brengen, dat hij den vorigen nacht deze nis ook had gebruikt om het boudoir binnen te sluipen en het collier te stelen.
Hoewel hij dus aannam, dat de graaf er niet het minste vermoeden van had beluisterd te worden, stelde hij toch alles in het werk om zoo snel mogelijk de villa van Lord Orvis te verlaten.
Dit gelukte hem dan ook buiten verwachting goed.
Niemand zag hem, toen hij de trappen afholde om door een achterdeur en het park de straat te bereiken.
Onmiddellijk snelde hij naar den hoek van Kings Road en Sloanestreet, om zich zoo spoedig mogelijk in verbinding te stellen met Charly Brand, die hem reeds vol ongeduld verwachtte, ten einde den graaf en Mr. Dan Peperling, den chef der firma Peperling en Glanmore, zoo spoedig mogelijk te overrompelen.
Hij was ervan overtuigd, dat de handlanger der politie met zijn adellijken naam alles in het werk zou stellen om zich onmiddellijk met den schurkachtigen juwelier in relatie te stellen, want het tweetal zou moeten beraadslagen, welke stappen er nu gedaan moesten worden, nu hun ongetwijfeld gevaar dreigde.
Toen Raffles de bar binnentrad, was hij zeer aangenaam verrast, daar behalve Charly, die met zijn rug naar de deur zat en hem niet dadelijk opmerkte, een heer te zien, die, zooals hij bij intuïtie begreep, niemand anders kon zijn dan Mr. Dan Peperling.
Het scherp geteekende, hoekige gelaat van den ongeveer vijftig-jarigen man met de kleine, listige oogjes was naar hem toegewend en Raffles begreep, dat Peperling zijn handlanger, dien hij naar Miss Flora had gezonden, in de onmiddellijke nabijheid van Kings Road verwachtte.
Peperling wilde natuurlijk zoo gauw mogelijk weten, wat de graaf bij Flora had gedaan, en hoe het met het echte collier stond, dat de domkop des nachts met het nagemaakte had verwisseld.
Raffles naderde reeds het tafeltje van den juwelier, toen plotseling de deur achter hem haastig werd opengetrokken.
Snel draaide hij zich om en schrok, toen geheel buiten adem en met hoogrood gelaat de graaf over den drempel trad.
Op hetzelfde oogenblik sprong de bejaarde heer met het sluwe gelaat op en riep:
„Voor den duivel, Flinsch, waar ben je zoo lang geweest?”
Bij die woorden liep hij naar den binnenkomende toe.
Deze had nauwelijks Raffles gezien of hij keerde zich als door een wesp gestoken om, snelde de straat [17]weer op en sprong in een huur-auto, die juist voor de bar stond.
Op het volgende oogenblik vloog hij in de auto weg.
Peperling—want er bleef nu geen twijfel meer over, of deze was het—trok dadelijk de deur open, om den vluchteling achterna te snellen, maar bleef met wijd opengesperden mond op den drempel staan, toen hij dezen in razende vaart zag verdwijnen.
Hij wist blijkbaar niet of hijzelf dan wel Flinsch plotseling krankzinnig was geworden.
Zijn gelaat had inderdaad zulk een idiote uitdrukking, dat Raffles en Charly, die eerst nu zijn vriend Edward had ontdekt, luidkeels lachten.
Eerst toen Raffles plotseling naar hem toetrad, hem vriendschappelijk op den schouder sloeg en zacht tot hem zei:
„Stel u gerust, Mr. Peperling, laat dien stommeling loopen! Ik kan u veel interessanter dingen vertellen, dan gij van hem zoudt kunnen vernemen,” kreeg het gelaat van den juwelier een uitdrukking van grenzenlooze verwondering.
„Wie zijt gij, mijnheer?” stamelde hij en hij nam Raffles, die Charly een wenk had gegeven om hem met den ouden schurk alleen te laten, met wantrouwende blikken van het hoofd tot de voeten op.
„Een man van het vak, die gaarne een klant van u zou willen worden,” antwoordde Raffles fluisterend. „Ga mee, Mr. Peperling, naar de kleine zijkamer, daar zullen wij een glas half om half drinken; ik heb u een uiterst gewichtige mededeeling te doen.”
Raffles bestelde twee glazen van bovengenoemde likeur en had de voldoening, dat de juwelier hem, al was het dan ook aarzelend, volgde.
Nog steeds wantrouwend, nam de koopman plaats.
„Ik kan me niet herinneren, dat ik ooit het genoegen heb gehad, u te hebben ontmoet,” sprak hij, terwijl hij den grooten onbekende door zijn half toegeknepen oogleden fixeerde.
„Nu, dan zult gij dat genoegen nu hebben, mijnheer Peperling,” antwoordde de ander met een allerbeminnelijkst lachje.
„Prosit, oude heer, ik hoop dat gij er pleizier van zult beleven, met John Raffles kennis te hebben gemaakt!”
Peperling, die juist zijn likeurglas in de hand had genomen, liet het van schrik bijna vallen.
„Wat?” sprak hij, „zoudt gij Raffles zijn? Vertel toch geen nonsens! Dat kan iedereen zeggen!”
„En als ik het u bewijs?”
„Bewijzen? Gij kunt mij niet voor den gek houden, jonge man; houd uw praatjes maar voor u!”
„No, no, mister Dan! Het is mij met mijn woorden maar al te groote ernst! Omdat ik weet, dat gij graag met menschen werkt, die zich niet met kleinigheden ophouden en omdat ik heb gehoord, dat gij goed betaalt, ben ik naar u gekomen om u iets aan te bieden, waarop gij, naar ik zeer beslist weet, bijzonder gesteld zijt!”
„Nu, laat eens hooren, wat het is! Voor mooie, goede waar betaal ik altijd de hoogste prijzen en beleen ze, als gij wenscht, ook zeer goed!”
„Straks, mijnheer Peperling, maar eerst moet ik u in uw eigen belang en ook in het mijne dringend waarschuwen voor een handlanger, met wien gij u, zoo dom mogelijk, reeds al te zeer hebt ingelaten.”
„Ik begrijp niet, wat gij wilt zeggen, mijnheer—”
„Niet Raffles, als ’t u belieft! Noem mij liever Smith of bij een dergelijken mooien naam—en houd u dan verder niet zoo dom en onschuldig.
„Gij en dom, dat is al te belachelijk, sluwe vos!
„Natuurlijk bedoel ik den kerel, op wien gij hier zit te wachten en die een visite maakte bij miss Flora Palmerston, de geliefde van Lord Orvis!”
Peperling werd bij deze woorden van Raffles lijkbleek.
Vol ontzetting staarde hij den jongen, eleganten man aan.
„Ja, ja, ouwe heer”, vervolgde Raffles lachend. „Er dreigt groot gevaar voor u, als gij den kerel, die zooeven zoo laf wegvluchtte, niet onmiddellijk onschadelijk maakt.
„Die man zal u, hoofdzakelijk door zijn ongeëvenaarde domheid, in de val brengen!”
„Domheid? Wat weet gij van zijn domheid? En wat interesseert u dit alles? Mij kan het zelfs niets schelen! Ik heb met dien vent niets te maken, ik weet ook van geen Miss Palmerston of hoe gij die vrouw zooeven noemdet!
„Werkelijk, dat alles gaat mij niets aan. Laat mij dus liever met rust, Mister—hoe zeidet gij ook weer? O ja, Mister Smith, met uw handlanger en met uw Miss Flora Palmerston.
„Ik heb Goddank nog nooit iets te maken gehad met handlangers of met beruchte vrouwen!”
„Des te meer deze echter met u!” lachte Raffles. „Het zal er toch mee eindigen, dat een van die kerels u ten val brengt. En die eene heet Flinsch of noem [18]hem mijnentwege, wat u misschien aangenamer is, graaf Melrose!”
„Gerechte hemel! Meent gij dat werkelijk, Mr. Smith?” riep Peperling uit, terwijl hij Raffles’ arm beetpakte.
„Ik zal u toch niet voor den gek durven houden? Ik zeg u alleen: neem u in acht voor Flinsch! Hij behandelt u valsch. En bovendien—waar het een man betreft, die zoo dom is dat hij u glasscherven brengt, namaak, waar hem is opgedragen, een echt brillanten halssnoer voor u te stelen, kunt gij op alles voorbereid zijn!”
„Barmhartige goedheid!” jammerde Peperling. „Ik ben een verloren man, gij weet alles, gij zult mij in het ongeluk storten!”
„Integendeel, ik zal u dadelijk het brillanten halssnoer, dat gij wenscht te hebben, bezorgen.
„Ik zal mij met weinig tevreden stellen, met hoogstens een paar duizend pond, want meer geeft gij, oude gauwdief, toch niet. Laat ons dus dadelijk naar uw vossenhol gaan; mijn jonge vriend, die daarginds zit, gaat ook mee.”
„Tot welk doel? Kunnen wij de zaak hier niet behandelen? Hebt gij het sieraad hier?”
„Wilt gij het zien? Best, maar ik geef het niet uit handen.”
Raffles haalde bij deze woorden het étui uit zijn borstzak, opende het en liet den juwelier er een snellen blik in werpen.
Deze uitte een kreet van verbazing.
Begeerig greep hij met beide handen naar het kostbare kleinood, terwijl de hebzucht in zijn oogen te lezen stond.
„Goed, mijnheer, goed!” riep hij opgewonden en stond haastig op, toen Raffles het kleinood weer in zijn zak borg. „Wij zullen onmiddellijk met ons drieën naar huis rijden, ik zal met Flinsch doen wat gij verkiest en u zooveel betalen, dat gij meer dan tevreden zult zijn.”
„Afgesproken, Peperling!” sprak Raffles, „ik zou niet zooveel haast maken, als ik niet begreep, dat Flinsch reeds op u wacht!”
„Daarvan kunt u zeker zijn”, antwoordde de juwelier op vasten toon; „ik heb nog verschillende dringende zaken met hem te verhandelen die allen afgedaan moeten worden.
„Bovendien heeft de kerel altijd geld noodig.
„Zeg mij nog één ding, Mr. Smith: heeft hij u bij de dame op Kings Road gezien?”
„No, zelfs het puntje van mijn neus niet. Daarentegen heb ik hem echter des te beter waargenomen en mij ervan kunnen overtuigen, dat de man volkomen onbruikbaar en gevaarlijk voor u is.
„Terwijl ik bij de Miss op mijn gemak het echte collier stal, was hij niet eens zoo handig om de verdenking van zich af te wentelen, welke de dame reeds tegen hem had opgevat.
„Hij praatte zooveel nonsens, dat zij al heel dom moet zijn, als zij niet heeft gemerkt, dat gij, Peperling, met Flinsch onder één hoedje speelt!”
„Wel vervloekt! Als die kerel zoo stom is,” mompelde de juwelier met vonkelende oogen, „dan is het meer dan tijd, dat wij korte metten met hem maken. Kom, Sir, ik hoop, dat het ons zal gelukken, hem binnen een uur voor eeuwig den mond te stoppen!”
Een oogenblik later hadden Raffles en Peperling, te zamen met Charly Brand, die zich op een wenk van zijn vriend bij hen had gevoegd, de bar verlaten om evenals de graaf in een auto den tocht te ondernemen naar Leadenhallstreet. [19]
De reden, waarom graaf Melrose, of liever Flinsch, zooals Peperling hem met zijn waren naam had geroepen, zoo snel uit de bar vluchtte, was een zeer begrijpelijke geweest.
Daar hij Raffles bijna op de hielen was gevolgd en dezen met groote snelheid naar net hoekhuis van Kings Road en Sloanestreet zag loopen, had hij wel onmiddellijk vermoed, dat Raffles daar de bar zou binnengaan, maar geen oogenblik had hij gedacht, dat ook Mr. Peperling in dat lokaal aanwezig zou zijn, want deze had beloofd, hem in zijn woning af te wachten.
Toen hij nu, om zich ervan te overtuigen, dat Raffles in de bar was, de deur daarvan opende en in het lokaal ook den juwelier ontdekte, was een plotseling vermoeden in hem opgekomen.
In zijn opgewondenheid vermoedde hij namelijk niet, dat Mr. Peperling—zooals inderdaad het geval was—alleen uit ongeduld hem tot aan de bar was tegemoet gekomen, maar hij verbeeldde zich, dat Peperling hem ontrouw was geworden.
Verbitterd daarover, dat hij van zijn nachtelijken rooftocht naar de villa slechts een nietswaardig collier had meegebracht, zou Peperling zich nu met John C. Raffles, den beroemden meesterdief, in verbinding hebben gesteld en met dezen een samenkomst hebben in de bar.
Vervuld met onuitsprekelijke woede over deze handelwijze van zijn langjarigen bondgenoot, kwam nu onmiddellijk het plan in hem op, Peperling en Raffles in het verderf te storten.
Nu, terwijl hij in het bezit was van het pakje bankbiljetten, die een vrij groot bedrag uitmaakten, had hij den juwelier niet meer noodig.
Het geld was voldoende om daarmede de reis over den Oceaan te maken om aan de overzijde van het Groote Water een ander en beter leven te beginnen.
Hij had er genoeg van, voor handlanger der politie te spelen en nog steeds zijn vroeger beroep van dief uit te oefenen.
Nu zoo snel mogelijk uit Londen weg!
Alleen zijn wraak op Peperling en Raffles, welke laatste hem had beetgenomen en het kostbare halssnoer voor den neus had weggepikt, die wraak alleen kon hem nog voor eenige dagen in Londen doen blijven.
Misschien gelukte het reeds heden, hen beiden in handen der politie te leveren. Men kon gerust aannemen, dat Raffles den juwelier naar diens woning zou vergezellen. Daar zouden beiden door de politie-beambten overvallen worden.
Hij zou daarvoor een hooge geldpremie krijgen.
Hij liet de auto, waarin hij had plaats genomen, zoo snel mogelijk naar Scotland Yard rijden.
Hij beloofde den chauffeur een groote fooi, als deze hem daar zoo gauw mogelijk bracht en zoo vloog de motorwagen bliksemsnel door de straten van Londen, zoodat de voorbijgangers met verschrikte gezichten bleven staan om hen na te kijken.
Binnen weinige minuten was Flinsch op het bureau aangekomen en liet zich dadelijk aandienen bij inspecteur Baxter, dien hij echter, tot zijn niet geringe ergernis, eerst een half uur later kon spreken.
„Zoo, Flinsch”, begroette Baxter hem, die bij uitzondering in een goed humeur was, omdat hij juist zijn secretaris Marholm een vervelend werkje had opgedragen, „wat voert je hierheen?”
„Een prachtig zaakje!” antwoordde Flinsch op gewichtigen toon.
„Staat het in verband met Peperling en Glanmore?”
„Wel, inspecteur, ik hoop, dat gij over mij tevreden zult zijn”.
„Kom, vertel dan maar eens gauw!”
Baxter beduidde door een handbeweging, dat Flinsch mocht gaan zitten en beval, dat men hem niet mocht [20]storen, daar hij met Mr. Flinsch moest confereeren.
Hij begon vol zenuwachtig ongeduld met zijn vingers op de schrijftafel te trommelen, wachtende op hetgeen de spitsboef te vertellen zou hebben.
„Ik moet u allereerst meedeelen, dat Peperling zijn zaken in den laatsten tijd eenigszins heeft uitgebreid”, begon Flinsch.
„Druk u als ’t u belieft duidelijker uit”, bromde de inspecteur, „spaar mij uw lange inleiding”.
„Nu, Mr. Baxter, gij weet immers, dat Peperling behalve zijn gewoon bedrijf, de in- en verkoop van gestolen sieraden en andere voorwerpen van waarde, behalve zijn winkelzaak, waarin juweelen van allerlei soort worden verkocht, ook zaken van waarde beleent?”
„Zeer zeker!”
„Nu is hij echter nog iets anders begonnen,” vervolgde Flinsch. „Hij laat ook waardevolle voorwerpen, die bij hem ter beleening worden gebracht en daarna weer worden ingelost, uit de woningen der eigenaren stelen, wanneer die voorwerpen zijn hebzucht hebben opgewekt en hij er een flink bedrag voor denkt te kunnen maken.
„Zoo kwam onlangs een fijne dame, de minnares van Lord Orvis, van Kings Road, die in geldverlegenheid was geraakt, bij hem met een prachtvol brillanten halssnoer, dat onder kenners minstens 500 pond waard was, om zich daarop een bedrag te laten voorschieten.
„Toevallig was ik juist bij hem.
„„Weet je, Flinsch,” sprak hij tot mij, toen de dame met haar paar pond weg was, „dit collier moet ik in elk geval hebben. Wil jij het voor mij zien te krijgen, als de dame het weer heeft ingelost en mee naar huis heeft genomen? Je zult er een flinke duit aan verdienen.”
„Nu, ik zei niet neen—hij merkte echter wel, dat ik het niet graag deed.
„Wat doet de schurk nu?
„Hij bestelt dadelijk bij een collega, volgens monster van het prachtige halssnoer, een ander collier van similie, dat wonderbaarlijk op het echte gelijkt, met de bedoeling, dit prul, dat gij nog bij Peperling kunt vinden, aan de dame ter hand te stellen in plaats van het echte stuk, wanneer zij dit zou komen inlossen.
„Nu, daar kwam niets van, want het nagemaakte collier kwam eerst klaar, nadat de dame haar eigendom weer had teruggehaald.
„Maar ondanks alles gaf de oude schurk zijn plan niet op.
„Nogmaals wendde hij zich tot mij met verzoek, het zaakje klaar te spelen in de villa der dame.
„„Zie je, mijn jongen,” sprak hij, „het is geen gevaarlijk werk en voor iemand als jij kinderwerk.
„„Deze miss Flora Palmerston, van wie het collier is, is de minnares van Lord Orvis, die haar dikwijls maandenlang alleen laat, om andere vrouwen het hof te maken. Je kunt het werk dus gemakkelijk ten uitvoer brengen. Je bent immers géén nieuweling in het vak en het gaat hier om een stuk van waarde!”
„Nu, ik zei weer niet neen, maar beloofde, dat ik er over nadenken zou.
„En nu, Mr. Baxter, komt het voornaamste, dat, wat u het meeste zal interesseeren!
„Omdat ik nog steeds aarzelde en ja noch neen zeide, verloor Dan Peperling plotseling het geduld en—wat denkt gij, wien hij in mijn plaats heeft aangenomen om het werk voor hem ten uitvoer te brengen?”
„Zeg het maar, Flinsch!”
„Gij zult het werkelijk niet gelooven—ik hield het eerst ook voor onmogelijk—niemand anders dan—Raffles!”
De inspecteur van politie floot lang en gerekt, pakte zijn langen neus tusschen duim en wijsvinger beet en keek met starenden blik naar het plafond, wat steeds een teeken was, dat hem iets op buitengewone manier interesseerde en bezighield.
„Ik geloof, Flinsch, dat je mij leelijk voor den gek wilt houden,” klonk het eindelijk van zijn lippen, terwijl hij opsprong en den spitsboef dreigend aankeek.
„Raffles—Raffles, zeg je? Raffles een handlanger van den gemeenen ouden Dan Peperling?”
„Ik bezweer het u, inspecteur, en Raffles heeft inderdaad zijn slag reeds geslagen, is in het bezit van het prachtige collier en waarschijnlijk op dit oogenblik in het vossenhol van den ouden juwelier om zijn belooning in ontvangst te nemen.”
„Hoe weet gij dit, Flinsch? Kerel, ik wurg je, als je mij wat op de mouw wilt spelden!” schreeuwde Baxter, terwijl hij den spitsboef bij de schouders greep.
„Omdat ik zelf reeds wekenlang onder het masker van een zekeren graaf Melrose, een vroegeren vriend van Lord Orvis, die zich in het buitenland bevindt, in diens huis in- en uitloop, op goeden voet sta met zijn minnares en daarom op alle tijden van den dag en den nacht in haar woning den verspieder kan spelen.
„Zoo heb ik met mijn eigen oogen gezien, hoe Raffles werkt.
„Ik verzeker u, heer inspecteur, het is verbazend!
„Een kwartier geleden pas had hij een ontmoeting met Peperling in de bar op den hoek van Kings Road [21]en Sloanestreet en daar had hij het collier bij zich.
„Nu zullen zij alle twee, zooals ik u reeds zei, in de woning van Peperling zijn.
„Het zou dus nu de beste gelegenheid zijn om den vogel, dien gij reeds zoo langs tevergeefs achtervolgt, te vangen!”
„Flinsch, als dat waar is, zult gij vorstelijk door mij beloond worden!” juichte Baxter, terwijl hij den bedrieger bijna van vreugde omhelsde.
„Wij zullen ons dadelijk naar Leadenhallstreet begeven. Ik ga zelf mee om met onze handigste en sterkste beambten onder uw leiding—gij weet daar immers het best den weg—de schuilplaats van uw ouden vriend binnen te dringen om hem, maar vooral Raffles, voor eeuwig onschadelijk te maken.
„Nu ziet gij het, Marholm”, het aangrenzende kantoorlokaal binnensnellende, waar „de vloo”, schijnbaar met veel ijver, maar met een zuurzoet gelaat, in eenige lijvige politieboeken bladerde en studeerde, „heb ik niet altijd gezegd, dat wij Raffles wel zullen krijgen?
„Vertel eens in korte woorden, Flinsch, uw fameuze ontdekking van dien aartsschurk.
„Maar neen, gij kletst te veel—wij mogen geen oogenblik verliezen—dus, let op, Marholm:
„Raffles is op dit oogenblik compagnon en handlanger van Peperling en werkt voor hem!
„Hij bevindt zich hoogstwaarschijnlijk in diens woning in de Leadenhallstreet—telefoneer onmiddellijk naar het politiebureau daar: het huis moet onbemerkt van buiten af bewaakt worden, tot dat ik met onze jongens ben aangekomen en wij de brutale gasten hebben gevangen genomen!”
„Veel geluk, inspecteur!” bromde Marholm, in zichzelf lachend, „als gij maar niet de huid van den beer verkoopt, voor dat gij het beest gevangen hebt!”
Daarop begaf hij zich naar het telephoontoestel. [22]
In niet minder snelle vaart dan Flinsch reden Raffles en Charly Brand met Dan Peperling in hun auto naar de woning van dezen in de Leadenhallstreet.
De weg erheen was veel langer dan naar Scotland Yard, doch in weerwil hiervan bereikten zij slechts even na de aankomst van Flinsch het doel van hun tocht.
Snelheid was voor Raffles thans de hoofdvoorwaarde, wanneer hij de aan Miss Flora gegeven belofte wilde volbrengen en het stoutmoedig plan, dat hij ter bestraffing van Peperling en den graaf had ontworpen, werkelijk ten uitvoer wilde brengen.
De groote onbekende liet de auto al op grooten afstand van het ouderwetsche, door den rook aangetaste huis van de firma Peperling en Glanmore stil houden, daar hij bang was, dat Flinsch misschien argwaan had gekregen tegen hem en Peperling en hem per slot van rekening met behulp der heeren uit Scotland Yard voor het huis der firma een minder aangename ontvangst zou kunnen bereiden.
Hij had er Flinsch dadelijk van verdacht, dat deze onmiddellijk inspecteur Baxter zou gaan opzoeken, toen hij hem zoo haastig naar de auto zag gaan en in deze wegrijden.
In zijn gesprek met Peperling had hij gedaan alsof hij dacht, dat Flinsch direct naar het huis van den juwelier was gereden.
Een voorgevoel zei hem, dat Flinsch, die mogelijk op de kaart, die eigenlijk alleen voor Flora bestemd was, zijn naam had gelezen en hem toen in de bar in gezelschap van Peperling had gezien, alles in het werk zou stellen om de hooge premie te verdienen, die uitgeloofd was voor de aanhouding van den grooten meesterdief.
„Laten we bij voorkeur niet door den gewonen ingang uw vossenhol binnengaan, Mr. Peperling”, sprak hij tot den laatste. „Ge zult zonder twijfel nog wel ergens een geheimen gang hebben, waardoor wij in uw heiligdom, het inwendige van uw privé-kantoor binnen komen.
„Voorzichtigheid is de moeder der porseleinkast. En wie weet, of Flinsch niet— —”
„De hemel beware mij, voor hem behoeven wij niet bang te wezen. Die doet mij niets en laat mij en mijne gasten thuis ongemoeid”, grijnsde Peperling.
„Kom maar gerust mee, mijne heeren, wij zullen voor alle zekerheid een kleinen, veiligen en alleen aan mij bekenden omweg maken en door het zijstraatje hier en een paar binnenpleinen doorloopen spoedig daar zijn, waar wij volkomen bewaard zijn en rustig en op ons gemak onze aangelegenheid kunnen bespreken en afdoen.”
Hij bracht de beide begeleiders daarop in korten tijd door een waar labyrinth van donkere, onwelriekende gangetjes en pleinen naar den achter-ingang van zijn huis, in welks bovenste verdieping Peperling een kamertje dicht onder het dak tot privé-kantoor had ingericht, omdat van daar uit zoo noodig gemakkelijk een vlucht over de daken der naburige huizen zou zijn te ondernemen.
Een voorzichtig man, zooals Dan Peperling was, hield altijd rekening met mogelijke gebeurtenissen.
Het uitzicht uit het raam van dit luchtig kantoor was zoo verrassend, dat Raffles en Charly, die natuurlijk dadelijk na hun aankomst boven de geheele omgeving opnamen, een kreet van verbazing slaakten.
Men zag een onafgebroken dakenrij en tallooze tuintjes, d.w.z. kasten met bloemen en boompjes, die de bewoners der bovenste verdiepingen hier en daar op het platvorm der daken hadden aangebracht.
Deze konden weliswaar niet vergeleken worden met de hangende tuinen van Semiramis, doch boden tusschen de rookzuiltjes, die overal uit de schoorsteenen der huurkazernes omhoog stegen, en het intiemste [23]waschgoed, dat overal op de daken aan lijnen te drogen hing, een bijzonder schilderachtigen aanblik.
„Nu aan het werk, mijne heeren,” aldus riep Peperling reeds na een paar minuten zijne gasten tot de werkelijkheid terug.
„Laat mij het collier eens zien, Mr. Raffles. Juist hier, waar het zonlicht zoo mooi naar binnen valt, wil ik me gaarne nog eens overtuigen, of het nog in denzelfden goeden staat is als voor een paar dagen, toen ik het nog in mijn vingers had.”
Raffles haalde het étui uit den zak en maakte het open.
Peperling nam het collier er uit en bekeek iederen brillant en iedere parel zoo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk.
„Wat wilt ge hebben voor het ding?” vroeg hij daarna, den halsketting weer in het étui leggend.
„Maak het billijk, Sir. Ik ben een arme man en kan niet veel betalen.”
„Allright, oude jongen, dat heb ik dadelijk al gedacht, ofschoon gij even te voren in de Bar zeidet, dat gij voor goede waar altijd den hoogsten prijs betaalt,” lachte Raffles.
„Stel u gerust, oude vriend, ik wil er geen gereed geld voor hebben. Ik was van plan het te ruilen tegen andere sieraden, waarvan ge zeker een grooten voorraad hebt.”
De oogen van Peperling klaarden op.
„Goed, Raffles, dat zullen we doen,” antwoordde hij bereidwillig.
„Dat doe ik ook liever. Een zakenman geeft niet graag in dezen moeilijken tijd, nu het geld zoo duur is, de blanke stukken uit handen.
„De heeren moeten me dan echter volgen een paar trapjes af naar mijn andere kantoor, waar ik in een brandkast eenige zeer mooie dingen heb liggen, die u zeker zullen bevallen.”
„Goed, laat ons dan gaan,” zei Raffles. „Gauw maar en niet lang ophouden. Het zal bovendien noodig zijn, Charly, dat je spoedig op wacht gaat staan, opdat we veilig zijn tegen iederen overval. Ik vertrouw Flinsch niet.”
Peperling begon te lachen. „Hij zal wel oppassen, mij te verklappen,” zei hij zorgeloos. „Wie in zoo’n glazen huisje zit als hij, gooit niet met steenen.
„De kerel eet uit mijn hand, dat verzeker ik u. Hij weet, dat hij bij mij steeds een veilig onderkomen vindt en staat al te lang met mij in handelsrelatie, dan dat ik bang voor hem zou zijn.
„Wanneer hij komt, komt hij alleen, en dan weten we immers wat er met hem zal gebeuren!”
Tijdens dit gesprek waren zij in het kantoor en pandjeshuis, beneden aangekomen, beide op de 2e étage gelegen.
Peperling liep direct naar de ijzeren brandkast, die in den donkersten hoek van het kantoor stond, opende haar met een sleutel, dien hij in zijn zak droeg, en trok daarop een paar breede, niet al te hooge houten doozen uit een der vakken.
Zij bevatten beide de gestolen, hem door beroepsdieven gebrachte sieraden.
In den voor ieder toegankelijken winkel in de parterre, waar zijn vrouw de klanten bediende, werd slechts onberispelijke waar verhandeld.
„Kijk maar eens hier,” riep Peperling tot Raffles, terwijl hij de doozen op de tafel zette, die onder een klein gasvlammetje stond, „geef mij uw wensch te kennen, bepaal maar gauw uw keuze.
„Ik wil met geen enkel woord hierop influenceeren, doch zal alleen ten slotte zeggen, of ik met de ruiling accoord ga.”
Dit zeggend draaide hij de gasvlam wat hooger op en sloeg de deksels der doozen open, zoodat Raffles en Charly Brands oogen werden verblind door een schat van kostbaarheden.
In de eene doos werden hoofdzakelijk ringen, dasspelden, horloges, prachtige manchetknoopen, kortom uitsluitend heerenartikelen, bewaard; in de andere sieraden voor dames.
Raffles ging tegenover Peperling bij de tafel zitten, waarop tusschen hen in de doozen stonden.
Charly Brand stond achter den stoel van zijn vriend.
„Dat is een moeilijke keus,” sprak Raffles, de schitterende steenen vol aandacht bekijkende, „ik zal wel niet dadelijk kunnen beslissen.
„Ik geloof, dat wij bij het bekijken van al dit moois best op ons gemak een sigaret kunnen gaan rooken. Zooals ik zie, zijn alle kostbaarheden van nummers voorzien, zeker om de opmerkingen omtrent de verkoopers en vroegere eigenaren dadelijk in de boeken te kunnen opslaan, nietwaar Mr. Peperling?”
„Allright, Mr. Raffles,” antwoordde de juwelier. „Het is goed dat men alle bijzonderheden kent van deze artikelen.”
„Ik begrijp u,” sprak Raffles, terwijl hij een sigaret uit het elegante étui nam, aanstak en den geurigen rook er van met opzet in het gelaat blies van den tegenover hem zittenden juwelier. [24]
„Drommels, Sir,” riep deze uit, „gij rookt een fijn merk! Dat is een ware godendamp!”
„Niet waar. Het zijn echte Duke of York, Carbaty, guaranteed hand made,” antwoordde Lord Lister, terwijl hij den juwelier op verleidelijke wijze het geopende étui zoo voorhield, dat de eene helft, die met een dozijn goudsigaretten was gevuld, geheel onder zijn bereik kwam.
„Wilt gij opsteken, Mr. Peperling?”
„Als ik zoo vrij mag zijn,” sprak deze en nam er een der sigaretten met gouden mondstuk uit, terwijl Charly op een wenk van Raffles een brandend lucifertje gereed hield om Peperling het aansteken van de sigaret zoo gemakkelijk mogelijk te maken.
„Inderdaad, een genot!”
Peperling klapte met de tong, toen de sigaret brandde en hij een paar trekjes had gedaan.
„Zooiets krijgt men niet elken dag te rooken.”
Vol welbehagen leunde Peperling achterover in den leunstoel en zoog nogmaals den rook der sigaret diep naar binnen, om dien daarop door den neus weer uit te blazen.
Raffles en Charly wierpen elkaar een veelbeteekenenden blik toe, om daarop vol aandacht te kijken, hoe de juwelier zich verder zou gedragen.
Zij wisten beiden zeer goed, welke gevolgen het gebruik der opium-sigaret reeds binnen eenige minuten voor den rooker had.
Een paar trekjes van een dezer geprepareerde sigaretten was voldoende om zelfs den sterksten rooker volkomen te bedwelmen en gedurende eenigen tijd in een zwaren slaap te doen verzinken.
De verwachte werking van het verdoovingsmiddel trad met de gewone stiptheid in.
In twee minuten begonnen de oogleden van Peperling zwaar te worden en dicht te vallen, daarop vielen zij toe en de juwelier zonk, terwijl hij de sigaret uit zijn geopenden mond liet vallen, in zijn stoel achterover.
Een oogenblik later verkondigde een diepe, regelmatige ademhaling dat een loodzware slaap zich van hem had meester gemaakt.
„Zoo,” sprak Raffles, haastig van zijn stoel opspringend, „nu is het tijd om te handelen.
„De brandkast is open, de sleutel steekt in het slot! Wij kunnen onzen oogst binnenhalen!
„Help mij gauw, de bovenste vakken door te zoeken, Charly, dan kun je het verdere werk aan mij overlaten.
„Je moet dan door die deur wegsluipen, waardoor men, naar ik geloof, in een lange, donkere gang en daarna op een trap komt, welke naar de benedenvertrekken van het huis voert.
„Je zult daar den weg wel vinden en hopelijk ongestoord bij den uitgang komen.
„In de buurt daarvan moet je je zoodanig verbergen, dat je de straat kunt overzien en mij dadelijk kunt waarschuwen, als er gevaar nadert.”
Haastig gingen beiden aan het werk en begonnen alles, wat zij in de brandkast vonden, uit te pakken.
Het eerste, wat Raffles in handen kreeg, was het similiestuk van Miss Flora, dat hij onmiddellijk met het étui bij zich stak.
Daarop ontdekten zij een aantal grootboeken en een kladboek, waarin Peperling een groote lijst had aangelegd van alle dieven en misdadigers, die voor hem hadden gewerkt en van wie hij gestolen goederen had gekocht.
In dit boek vonden zij ook de genummerde kleinere of meer uitgebreide aanteekeningen omtrent de gestolen voorwerpen van waarde, welke overeenkwamen met de nummers, welke aan de bijouterieën waren bevestigd, die op tafel lagen.
Ook het similiestuk van miss Flora was reeds geboekt en bij de aanteekeningen stond, door Peperling zelf geschreven, duidelijk te lezen, dat Bob Flinsch het op Donderdagnacht der vorige week uit de woning van miss Flora Palmerston in Kings Road no. 10 had gestolen.
„Neem dit kladboek, Charly, en leg het naast de geopende kistjes op tafel,” sprak Raffles tot zijn vriend, „sla de bladzijde op, waar de aanteekening betreffende Flinsch staat en onderstreep ze met rood potlood, dat daar op de schrijftafel ligt.
„Dan kunnen Flinsch en de wakkere kerels van Scotland Yard het dadelijk lezen, als zij hier mochten komen.
„Ik schrijf misschien zelf nog een groet aan Baxter, als ik er tijd voor vind.
„Eerst wil ik dit pakje bankpapier in mijn zak steken; wat mij betreft, kun jij er ook wel wat nemen—we zijn dan weer voor langen tijd rijkelijk van geld voorzien.
„Heb ik je niet gezegd, dat de fameuze advertentie in de „Evening News” ons wel voordeel zou opleveren!
„Ziezoo, mijn jongen, nu ben jij klaar. Trek nu je [25]schoenen maar uit en sluip op je kousen naar de observatiepost.”
Zoo snel mogelijk verwijderde Charly zich en was in het volgende oogenblik reeds door de deur verdwenen.
Raffles begon dadelijk daarna ook den lessenaar van Peperling open te breken, waarin eveneens een menigte kostbare juweelen verborgen waren en een dikke stapel papiergeld lag.
Terwijl hij de brillanten onaangeroerd liet, legde hij de banknoten met een glimlach bij de andere, waarmee hij reeds al zijn jaszakken had gevuld.
Toen sloeg hij het deksel van den lessenaar weer dicht en begon op een velletje handelspapier van Peperling vlug een paar bladzijden te schrijven, aan het slot met den naam „Raffles” onderteekend.
Zeer opvallend had hij zijn brief juist naast het kladboek op tafel gelegd, toen Charly plotseling op den drempel verscheen en met een zacht „psst” de aandacht van zijn vriend op zich vestigde.
„Flinsch komt!” fluisterde hij.
„Alleen?” vroeg Raffles even zacht terug.
„Wel—hij wil zich blijkbaar overtuigen, of er geen onweer aan de lucht is.”
„Nu en of! Je reinste aether!” glimlachte Raffles.
Reeds het volgende oogenblik was hij naar de deur gesprongen, daar hij juist een zacht kraken van de trap had gehoord.
„Ga jij gauw achter die ouderwetsche kast daar in de gang; achter de andere, die daar juist tegenover staat, ga ik staan!
„Zoodra hij tusschen ons in is, mijnheer de graaf Melrose, springen we op hem toe.”
Als twee schaduwen snelden beiden naar hun schuilhoek en hadden zich nauwelijks achter de groote meubelstukken verscholen, of reeds aan het eind van de gang dook de magere gestalte op van den handlanger der politie.
Een oogenblik bleef hij bewegingloos staan.
Hij luisterde—
Niets verroerde of bewoog zich—
Geen geluid in den omtrek—
Maar toch—een gesnurk, een zwaar en diep gesnurk, dat uit de hem welbekende kamer van Dan Peperling tot hem doordrong.
Hoe nu? Sliep deze?
Was Raffles niet bij hem—was de rijke kerel alleen?
Ha! Misschien was er nog gauw wat te stelen, voordat Baxter en de andere politiemannen kwamen.
Nog een oogenblik bleef Flinsch op dezelfde plek staan, daarna snelde hij zoo geruischloos als een kat de gang door naar de kamerdeur.
Vlak daarbij stonden de beide antieke kasten, die een smallen doortocht vormden, welken hij beslist moest passeeren.
Wantrouwend vertraagde hij, voordat hij deze had bereikt, zijn schreden.
Hij luisterde nog eens—doch neen, behalve het gesnurk was er geen geluid te hooren, dat hem verdacht voorkwam.
Verder dus! Hij riskeerde niets.
Toen, op hetzelfde oogenblik, dat hij tusschen de kasten doorsloop, sprongen geluidloos met de behendigheid en snelheid van twee panters, Raffles en Charly op hem toe. (Zie titelblad.)
Flinsch was zoo doodelijk geschrokken, dat de kreet, dien hij wilde uitstooten, op zijn lippen bestierf.
Wezenloos keek hij naar de beide mannen, vooral naar Raffles.
Zijn knieën knikten en bewusteloos viel hij neer.
Hij had den persoon herkend, dien hij wilde vernietigen!
Dadelijk sleepten Raffles en Charly den bewustelooze naar de kamer, namen hem zijn met de banknoten van Flora gevulde portefeuille uit den zak en zetten hem daarna tegenover den nog steeds slapenden Peperling in een leuningstoel.
„Ziezoo”, zei Raffles lachend, „nu vormen ze een mooie groep! Inderdaad, nobile par fratrum!”
Hij had het laatste woord nauwelijks uitgesproken, of hij schrikte op, daar buiten, op de gang, schreden hoorbaar werden.
Snel wenkte hij Charly en op het volgende oogenblik sloop hij met zijn vriend door de geheime deur, die uitkwam op de smalle trap, welke naar het kantoor van Peperling in de bovenste étage leidde.
Eenige seconden later hoorden zij, hoe een aantal menschen door de geopende gangdeur de kamer binnenstormden. [26]
Detective Marholm, bijgenaamd de Vloo, zat alleen in zijn kantoor.
Zijn chef Baxter had hem reeds eenigen tijd geleden verlaten, om in gezelschap van een half dozijn manschappen zich op weg te bewegen naar de Leadenhallstreet.
Hij glimlachte vergenoegd.
„Die zal wat goeds uitrichten, mijn goede Baxter”, mompelde hij in zichzelf. „Wanneer die Raffles vangt, mag ik mijnentwege dadelijk van „Vloo” in „Luis” veranderen.
„Dat gespot begint mij toch reeds lang te vervelen, al hoor ik er zelf ook niets van en is men zoo verstandig, het alleen achter mijn rug te doen.
„Ach Baxter, Baxter, jij ouwe zottekop, ik wensch je van ganscher harte vandaag toe, dat je eens een flinke douche zult krijgen en je eindelijk eens van je Raffles-manie zult genezen.
„Wat een dwaasheid om zich zoo in te laten met zoo’n nietswaardig sujet als Flinsch is!
„Hij zweert bij den schurk! Haha! Het liefst zou hij hem tot vast gesalarieerd detective maken, om hem met Marholm te laten concurreeren.
„Wel ja, prosit! Dat ontbrak er nog maar aan—”
Marholm brak plotseling zijn monoloog af.
Een politie-agent kondigde hem het bezoek aan van een dame, die den heer inspecteur van politie Baxter of diens plaatsvervanger zeer beslist dadelijk wenschte te spreken over een gewichtige aangelegenheid.
„Laat dat meisje maar binnenkomen!” antwoordde de Vloo op vroolijken toon. „Het zal wel niets te beteekenen hebben; de vrouwen loopen dadelijk, bij iedere kleinigheid, naar de politie.”
Deze slechte meening van den heer detective omtrent het vrouwelijk geslacht veranderde echter dadelijk, toen eenige oogenblikken later een niet meer jeugdige schoonheid in zeer elegant toilet over den drempel schreed, zich aan hem voorstelde als Miss Flora Palmerston en hem daarna, zonder met een woord haar komst te verklaren eenvoudig een visitekaartje ter hand stelde.
Verbaasd nam Marholm dit in ontvangst, maar hij moest dadelijk lachen, toen hij op de voorzijde den naam Raffles las.
Opeens sprong hij op uit zijn stoel, om aan zijn steeds grooter wordende vroolijkheid lucht te geven door een herhaald, nog luider lachen.
„Hoe en waar kwam u in het bezit van deze kaart?” vroeg hij haastig.
Zonder eenigen omhaal van woorden kwam Miss Flora aan zijn wensch tegemoet om iets naders te vernemen. Binnen vijf minuten had zij Marholm alles verteld.
Vergenoegd wreef hij zijn handen.
„Ik dank u, Mylady, ik dank u van ganscher harte”, sprak hij met een beleefde buiging. „Gij hebt de politie door de overlegging van deze kaart een grooten dienst bewezen.
„Ik zal dadelijk aan het verzoek, dat Mr. Raffles, mijn vriend op een afstand, tot mij heeft gericht, met het grootste genoegen voldoen en mij zoodra mogelijk op weg begeven naar de Leadenhallstreet.
„Er zijn trouwens al eenige heeren van dit bureau daarheen gegaan, maar zij worden hoogstwaarschijnlijk door dien fameuzen graaf Melrose op schandelijke wijze gedupeerd en op een dwaalspoor geleid.
„Naar ik hoop, zal de stand van zaken nu met één slag veranderen. Ik verwacht bepaald, dat Raffles licht zal hebben ontstoken in de zeer zeker kritieke situatie en dat gij, Mylady, dientengevolge weldra weer in het bezit zult zijn van uw collier.”
Hij nam daarop zoo snel mogelijk afscheid van Miss Flora en beloofde haar naar Kings Road bericht [27]te zullen zenden, welk gevolg de inval in de Leadenhallstreet had gehad.
Hij verliet het bureau, nadat hij aan een collega het toezicht had overgedragen.
Met inwendig leedvermaak snelde hij zoo spoedig mogelijk naar het huis van den schurkachtigen juwelier.
Hij kwam daar juist aan op het oogenblik, dat Baxter en zijn mannen door de gangdeur de kamer van Peperling betraden en bij den aanblik van de beide slapende booswichten en de met juweelen bedekte tafel een luid „hallo!” begonnen te roepen.
Ook Marholm haastte zich naar binnen en overhandigde Baxter het visitekaartje van Raffles.
De inspecteur van politie werd bleek van woede, toen hij dat gelezen had, zoo zelfs, dat alle beambten hem vol verbazing aankeken, daar zij dachten, dat hij het volgende oogenblik door een beroerte zou worden getroffen.
„Wat een gemeene streek! Wat een grenzenlooze laagheid!” schreeuwde Baxter. „Haha, Marholm, hier hebben we waarschijnlijk met een nieuwen truc van dien aartsschurk te doen!”
Met half dichtgeknepen oogen van het lachen overhandigde de Vloo zijn chef het vel papier, dat Raffles voor zijn vertrek op tafel had gelegd.
„Neen, maar, dat gaat toch alle perken te buiten!” riep Baxter, „wat schrijft die kerel? Hij bedankt mij, dat ik overeenkomstig zijn wensch de Vloo hierheen heb gezonden en dat ook ik zelf gekomen ben.
„Die brutaliteit gaat toch waarachtig te ver!
„Luister maar eens, wat Raffles—Raffles, die satanskerel—verder schrijft:
„Uit erkentelijkheid voor uw welwillendheid—gij moet immers toch altijd naar mijn pijpen dansen—heb ik u ontlast van alle moeite met de beide schurken, voor wie gij hierheen zijt gekomen om hen gevangen te nemen.
Daar zitten zij aan de tafel! Een nobel tweetal!
Bovendien heb ik u de handelsboeken van den gewieksten Peperling en zijn zeer interessante, zakelijke aanteekeningen, welke gij in het kladboek zult vinden, te zamen met de gestolen sieraden op tafel neergelegd.
Volgens aanwijzing van de boeken kunt gij de laatste weer ter hand stellen aan hun rechtmatige eigenaren, en ook het geheele troepje dieven, dat voor Peperling werkte, leeren kennen.
De voornaamste hiervan is graaf Melrose of wel Flinsch, uw steunpilaar, Mr. Baxter.
Behoud dezen parel der menschheid en moge de hemel u nog lang, tot groote vreugde van alle spitsboeven en schurken, in het leven en in uw betrekking bewaren!
Met vriendelijken groet aan u en mijn vriend Marholm,
Uw u zeer toegenegen
JOHN C. RAFFLES.”
Een onbedaarlijk gelach klonk uit de keien van alle beambten. Het scheelde niet veel of de heeren hadden „hoera!” geroepen en een donderend „lang zal hij leven!” geschreeuwd voor den Grooten, genialen Onbekende.
Daarna begon men naar Raffles te zoeken. Het geheele huis van Peperling werd van den kelder tot de bovenste verdieping ondersteboven gekeerd, iedere hoek, ieder kamertje werd doorzocht—Raffles echter was nergens te vinden.
Den volgenden dag deelde miss Flora Palmerston den politie-inspecteur Baxter in beleefde woorden mede, dat zij zoo juist, door bemiddeling van Mr. John C. Raffles, in het bezit was gesteld van het haar ontstolen halssnoer en bankpapier.
De Groote Onbekende, die met Charly uit de woning van Peperling over de daken der naburige huizen ontkomen was, had woord gehouden—miss Flora durfde er een eed op doen, dat zij het echte brillanten halssnoer weer haar eigendom kon noemen.
Ook de Lord, die eenige dagen later in Londen terugkwam, kon het nagemaakte stuk niet van het echte onderscheiden.
Het echte collier echter kwam korten tijd daarna in handen van de nicht van den Grooten Onbekende, aan wie het rechtmatig toekwam.
Zij ontving het onder bijvoeging van een pakje bankpapier en een allerbeminnelijksten brief.
De anonieme afzender verzocht daarin de hoogst gelukkige geadresseerde het collier en de banknoten ten geschenke aan te nemen van een man, die het zich tot levenstaak had gesteld om met zijn rijkdom arme menschen, [28]wien men hun geluk ontstolen had, voor zooverre in zijn macht lag, af en toe een kleine vreugde te bereiden!
Peperling en Flinsch werden in veilige bewaring gebracht en werden al spoedig veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraf, terwijl alle schatten, die in het vossenhol van den juwelier werden gevonden, benevens diens handelsboeken en papieren door de politie in beslag werden genomen.
De oude rentenier August Poppelman was reeds jaren lang lid van den gemeenteraad, een bewijs, dat zijn medeburgers veel verwachting van hem hadden.
Of hij echter bijzonder nuttig was in die functie, daarover bestond wel eenige twijfel en vooral bij de regeering, die een decoratie, waarmede zij anders vrij kwistig was, tot groot leedwezen van Poppelman van jaar tot jaar uitstelde.
Alle andere burgervaders hadden een lintje in hun knoopsgat en dit feit hinderde den eergierigen man meer dan hij kon zeggen.
Tevergeefs pijnigde hij zich de hersens met de vraag, hoe hij het klaar zou kunnen spelen om in het bezit te geraken van een zichtbare onderscheiding.
Ten slotte werd hij zwaarmoedig en hij besloot, niet meer over de zaak na te denken, daar hij vreesde dat zijn geestvermogens er onder zouden gaan lijden.
Poppelman was ongetrouwd en ongeveer vijf en vijftig jaar.
Hij had als huishoudster een vrouw, die ongeveer tien jaar jonger was dan hijzelf en die in deze betrekking haar zilveren jubileum reeds had gevierd.
De regeering had haar voor deze jarenlange trouwe plichtsbetrachting een zilveren medaille verleend, die als zichtbaar bewijs van hooge onderscheiding aan een lint van de nationale kleuren om den hals gedragen moest worden.
Deze medaille wekte van af het eerste oogenblik de jaloezie op van haar heer en daardoor was hij niet zelden in een slecht humeur.
„Het zou eigenlijk het beste zijn, als ik Caroline liet heengaan,” bromde de ontevredene bij zichzelf, „maar dat gaat ook weer niet, want welk een plaatsvervangster zou ik krijgen voor die uitstekende keukenmeid! Neen, ik moet iets anders uitvinden, om uit deze moeilijkheden te geraken!”
En hij vond inderdaad een anderen uitweg—hij deed Caroline een huwelijksvoorstel, wat natuurlijk werd aangenomen en weldra mocht hij haar zijn echtgenoote noemen.
Al kwam hij op die manier ook nog niet zelf in het bezit van een decoratie, toch gaf het hem een zekere voldoening, te kunnen zeggen, dat een lid van zijn familie zich in een dergelijke onderscheiding mocht verheugen.
Daar hij verder met zijn „jonge vrouw” in gemeenschap van goederen leefde, maakte hij langzamerhand zichzelf wijs, dat hij mede-eigenaar was van de zilveren medaille.
Het gevolg hiervan was, dat hij weldra zijn vrouw verzocht, op de even dagen van de maand de medaille onder zijn kamerjapon thuis te mogen dragen, hetgeen zijn echtgenoote onmiddellijk goed vond.
Zijn dankbaarheid voor dezen dienst trachtte hij te bewijzen door Caroline een nieuwe zwaar zijden japon te koopen, waardoor zijn vrouw zoo geroerd was, dat zij hem uit eigen beweging het eereteeken ook op de oneven dagen in bruikleen gaf.
Zoo liep Poppelman dag aan dag vol trots met de medaille om den hals in zijn woning en in den tuin rond; kwam er iemand, dan wist hij haar dadelijk heel handig te verbergen. [30]
Op den duur beviel hem die geheimzinnigheid met het kleinood in het geheel niet en hij overlegde bij zichzelf, of hij niet eens zou probeeren, zich er ook in het openbaar mee te vertoonen.
Deze gedachte schoot al meer en meer wortel in zijn brein en hij besloot om bij de eerstvolgende gelegenheid het plan uit te voeren.
Ter gelegenheid van den verjaardag van den vorst was er, zooals vanzelf sprak, een diner ten stadhuize, waaraan de voornaamste ambtenaren en de aanzienlijkste personen der stad deelnamen.
„Dat is een dag,” vond Poppelman, „waarop bij het gewoel der gasten, die meer of minder voorname decoraties zullen dragen, niet bijzonder wordt gelet op leege of versierde knoopsgaten en daarom zal ik het dan maar eens probeeren, om op het diner te verschijnen met de „familiemedaille.””
Op het gewichtige uur trok het gemeenteraadslid den rok aan, in welks middelste knoopsgat het lintje op kunstige wijze was bevestigd, zette zijn hoogen hoed op en begaf zich naar de feestzaal.
Was hij in den beginne niet erg op zijn gemak, langzamerhand kalmeerde dat onbehagelijke gevoel, toen hij in de volle, groote zaal van het raadhuis binnenkwam, waar iedereen bezig was, de voor hem bestemde plaats aan de gereedstaande tafels uit te zoeken.
Het feest verliep prachtig en Poppelman had er verbazend veel pleizier in, dat hij zoo’n goed idee had gehad, want met een knoopsgat zonder lintje zou hij zonder twijfel tusschen al die deelnemers met sterren en ridderorders opzien gebaard hebben.
Eindelijk kwam de toast op den hoogen jarige en Poppelman, die al in een bijzonder vroolijke stemming geraakte, gevoelde zich gedrongen, evenals de meeste aanwezigen deden, met den burgemeester, die het feest leidde, te klinken.
De burgemeester, een bekende kenner van ordeteekens, trok een verwonderd gezicht, toen Poppelman „met het kruis” bij hem kwam, maar hij zei niets, en schreef eenige woorden in zijn notitieboekje, waarbij hij onwillekeurig eventjes glimlachte.
In allergenoeglijkste stemming keerde Poppelman na afloop van het feest naar huis terug, vastbesloten, omdat nu toch alles goed van stapel geloopen was, zich in het vervolg meer met die versierselen op straat te vertoonen.
Toen hij den volgenden morgen opstond en hij zich een beetje katterig voelde, kleedde hij zich aan en liep naar den tuin, omdat de frissche lucht hem goed zou doen.
Nauwelijks had hij een half uurtje rondgeboemeld, toen de postbode kwam en hem een groote enveloppe overhandigde.
Nieuwsgierig keek de ontvanger er naar en opende het daarna.
Er kwam een gedrukt formulier uit, dat de oproeping bevatte om zich ’s middags om 5 uur op het raadhuis te vervoegen voor decoratie-aangelegenheden.
„Ha! Het kan slechts zijn om mij een ridderorde te verleenen!” riep Poppelman vroolijk uit. „Dat moet ik dadelijk aan Carolientje vertellen. Ja, ja, wat in het vat is, verzuurt niet. Waarschijnlijk wordt het meteen een Leeuwtje!”
Bij die woorden snelde hij in huis om zijn vrouw, die stond te koken, zijn geluk het eerste te melden.
„August,” weerklonk de waarschuwende stem der kookkunstenaresse, „ik heb zoo’n flauw vermoeden, dat je iets onaangenaams te wachten staat.”
„Jij zult mijn heele pleizier nog bederven,” bromde August op verdrietigen toon.
Als een verheugd kind begaf hij zich naar de burgemeesterskamer.
Wat zouden al de menschen wel zeggen, als hij met een schitterende ridderorde op zijn borst voortaan door de stad zou paradeeren.
Lang voor den vastgestelden tijd landde hij reeds aan op het stadhuis.
Daar werd hem gezegd, dat de burgemeester hem reeds wachtte.
De bode bracht hem naar de kamer, waar hij moest wezen en daar zat zijn edelachtbare achter een groot bureau te pennen. Toen Poppelman binnenkwam stond de burgemeester op en sprak:
„Het spijt mij, dat ik u bij mij heb moeten laten ontbieden, maar ik heb gisteren bij het feestdiner opgemerkt, dat ge een ordeteeken draagt, dat slechts wordt uitgereikt aan dienstboden, die al vele jaren trouwe diensten hebben verricht in een en dezelfde huishouding. En daar het hier om een strafbaar feit gaat, zou ik gaarne eenige opheldering wenschen.”
Den armen Poppelman rezen de haren ten berge, maar hij vermande zich en begon:
„Waarde burgemeester, ieder mensch heeft zoo zijn eigenaardig zwak en daarvan ben ik niet vrij gebleven. Het bezit van de een of andere ridderorde is steeds mijn stokpaardje geweest. Ge kunt u voorstellen, hoeveel verdriet het mij heeft veroorzaakt, dat mijn [31]knoopsgat steeds leeg is gebleven. Toen kwam ik op het denkbeeld, om de medaille van mijn vrouw te dragen. Ik deed dat in het begin eerst heimelijk in huis of in den tuin, maar toon de feestdag van gisteren kwam, werd het verlangen mij te machtig en bevestigde ik de medaille in mijn knoopsgat. Ik vond het zoo’n akelig denkbeeld, om onder al de gedecoreerde gasten de eenige te zijn, die zonder lintje prijkte. Als eenige verontschuldiging zou ik dan verder nog willen aanvoeren, dat man en vrouw één zijn en dat wij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Ik beken hier volkomen, dat ik heb gezondigd en ik beloof u om in de toekomst dit eigendom van mijn vrouw niet meer als het mijne te beschouwen. Ik weet, dat er gestraft moet worden, en ben dan ook terstond bereid om een flinke som in de armenkas te storten.”
De burgemeester had met aandacht geluisterd. Daarna verklaarde hij op vriendschappelijken toon, dat het wel niet zoo’n vaart zou loopen.
Poppelman begaf zich daarna naar de secretarie om de vastgestelde som in de Armenkas te storten, innerlijk tevreden, dat de zaak deze wending had genomen.
De burgemeester moest intusschen wel zeer veel goeds van Poppelman gesproken hebben, want 2 maanden later kreeg hij bericht dat er op het stadhuis een ridderorde voor hem gereed lag.
Terstond snelde hij naar de burgemeesterskamer, waar zijn Edelachtbare hem eigenhandig de ridderorde op de borst spelde en er tevens op schalkschen toon bijvoegde, dat deze onderscheiding niet voor Mevrouw Poppelman bestemd was.
Een Berlijnsche kellnerin had zich te verantwoorden wegens de eigenaardige manier, waarop zij haar verplichtingen nakwam en wegens verzet tegen de overheid.
Het gerecht was zeer mild in zijn uitspraak en veroordeelde de beklaagde tot een gevangenisstraf van één dag.
Beklaagde had in een afbetalingszaak een kostbaar dameshorloge gekocht op geregelde afbetaling.
Nadat zij gedurende eenigen tijd haar verplichtingen was nagekomen, bleef zij plotseling in gebreke daarvan. Het gevolg hiervan was, dat de firma van haar eischte om te betalen of het gekochte horloge terug te geven.
Toen zij desondanks noch het een, noch het ander deed, stelde de firma een vervolging tegen haar in.
Op zekeren morgen werd toen „de mooie Marie”, zooals haar collega’s haar noemden, door den gerechtsdienaar uit haar bed gehaald.
De beambte vond aanvankelijk, ondanks aanhoudend zoeken, het horloge niet. Toen hij echter het handtaschje der jonge dame aan een onderzoek wilde onderwerpen, sprong zij plotseling op hem toe en ontrukte hem het taschje.
En nu gebeurde er iets, dat de gerechtsdienaar niet had verwacht.
De beklaagde nam het horloge uit het taschje en stak het met een haastige beweging in den mond.
Na eenige benauwde slikbewegingen was het spoorloos verdwenen.
Nu was goede raad duur.
Nadat de beambte van zijn verbazing was bekomen, riep hij onmiddellijk de hulp in van een dokter. Dezen gelukte het, de beklaagde duidelijk te maken, dat zij zich zelf door haar dwaze handelwijze in levensgevaar had gebracht, daar zich waarschijnlijk belangrijke storingen in haar spijsvertering zouden voordoen.
Nu begon de kellnerin angstig te worden.
Zij at, op aanraden van den dokter, een heelen berg gekookte aardappelen om het „vreemde lichaam” daarin te hullen. Hierna werden haar eenige sterk werkende „afvoermiddelen” toegediend, die reeds na een half uur werkten. [32]
Het kostbare voorwerp zag dan ook na korten tijd, al was het met eenigszins gewijzigd uiterlijk, het daglicht terug.
Het horloge werd daarna, behoorlijk gereinigd en keurig ingepakt, weder in het bezit gesteld van de firma, die het had verkocht.
Eenigen tijd geleden stonden drie jongens in den leeftijd van 12 tot 14 jaar bij den hoek van een straat en zagen door een keldervenster een groot vat, waarin, naar zij vermoedden, wijn zou zijn.
Dat bracht hen op een idee.
Zij zouden zoo graag eens van het druivensap willen proeven, maar zij durfden niet!
Toen kwam een van hen op een krijgslist. Hij trok zijn beiden vriendjes de pet van het hoofd en wierp die hoofddeksels in den kelder.
Nu klommen zij samen door het venster naar binnen om hun petten terug te halen en daar zij nu toch eenmaal beneden waren, besloten zij, een leege flesch, die zij van een plank in den kelder namen, met wijn te vullen.
Zij draaiden de kraan van het vat open en wilden heel voorzichtig eerst eens probeeren, hoe de wijn er uit zou loopen.
Op hetzelfde oogenblik echter vloeide een stroom frambozensap uit het vat en de kraan wou niet meer draaien.
Roerloos van schrik stonden de jeugdige zondaars te kijken. Plotseling echter liepen zij weg, want zij zagen den portier aankomen.
Zij vertelden den portier wel, dat er niets was gebeurd, maar deze vertrouwde hen niet, daalde in den kelder, om te zien, wat de jongens hadden uitgevoerd en vond daar een fraaien toestand!
De kelder dreef van het frambozennat. Voor ongeveer 500 Mark van de lekkere vloeistof was weggestroomd.
De kleine boosdoeners ontliepen hun rechtvaardige straf niet en het onplezierigste voor den portier was, dat een van het drietal zijn eigen zoon was. [33]
Belooning: 1000 pond sterling.
| Wie kent hem? |
![]() |
Wie heeft hem gezien? |
| Dat vraagt men in Scotland Yard! | Dat vraagt heel Londen! |
Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven
brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.
Man van eer in alle opzichten
spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:
Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.
Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!
|
WARRANT OF ARREST. |
Vertaling: Bevel tot aanhouding. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under: |
Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt: |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
DESCRIPTION:
|
Beschrijving:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown. |
Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Charged with robbery. A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man. |
Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Headquarters—Scotland Yard. London, 1st October 1908. Police Inspector, |
Het Hoofdbureau van Politie Scotland Yard. Londen, 1. October 1908. Inspecteur van Politie |
Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler
Singel 236—Amsterdam.
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 199 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| 1 | ”. | .” | 2 |
| Passim. | [Niet in bron] | „ | 1 |
| 1 | hij | Raffles | 7 |
| 1 | Neen | Neem | 1 |
| 2, 24 | hopenlijk | hopelijk | 1 |
| 2 | Sloanesstraat | Sloanestreet | 3 |
| 2 | ontnem | ontnemen. | 3 |
| 2, 3 | ” | [Verwijderd] | 1 |
| 5 | orienteeren | oriënteeren | 1 / 0 |
| 6 | politiebeambte | politie-beambte | 1 |
| 7 | onmiddelijk | onmiddellijk | 1 |
| 7, 24 | etui | étui | 1 / 0 |
| 10, 30 | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 10 | miss | Miss | 1 |
| 10 | mylady | Mylady | 1 |
| 12, 12, 12 | billetten | biljetten | 1 |
| 12, 12, 12, 13 | bankbilletten | bankbiljetten | 1 |
| 12, 17, 17, 20, 20, 23, 24, 27, 27 | mr. | Mr. | 1 |
| 13 | naief | naïef | 1 / 0 |
| 13 | gsechoven | geschoven | 2 |
| 16 | Sloanesstreet | Sloanestreet | 1 |
| 18 | King | Kings | 1 |
| 18 | wetten | metten | 1 |
| 19, 21 | Sloanstreet | Sloanestreet | 1 |
| 20 | [Niet in bron] | „„ | 2 |
| 22 | Bar | bar | 1 |
| 22 | privékantoor | privé-kantoor | 1 |
| 23 | bizonder | bijzonder | 1 |
| 26 | Kingsroad | Kings Road | 2 |
| 31, 31 | medalje | medaille | 2 |
| 31 | [Niet in bron] | later | 6 |
| 31 | le | de | 1 |
| 33 | Sinclair | Raffles | 7 |
| 33 | [Niet in bron] | . | 1 |
| 33 | Scotland-Yard | Scotland Yard | 1 |
| 33 | Oktober | October | 1 |
| 33 | Inspekteur | Inspecteur | 1 |