The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0041: Een weddenschap zonder winner

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0041: Een weddenschap zonder winner

Author: Kurt Matull

Theo von Blankensee

Release date: January 25, 2026 [eBook #77779]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0041: EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.

[Inhoud]
EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER.

EEN WEDDENSCHAP ZONDER WINNER.

EERSTE HOOFDSTUK.

Het verloren omslagdoekje.

In het graafschap Brecknock, in Zuid-Wales, bevindt zich een gebergte, de Black Mountains, dat veel bezocht wordt door toeristen.

Ten noorden daarvan ligt het stadje Brecknock.

Dit is voornamelijk een uitgangspunt voor niet al te groote tochten door het gebergte, welke veelvuldig worden ondernomen door Londenaars, die een uitstapje willen maken.

Zij kunnen uitstekend onderdak bekomen in een goed ingericht hotel, dat gedurende de zomermaanden druk wordt bezocht en zelfs aan de hoogste eischen voldoet.

In dat hotel houdt gedurende het reisseizoen dikwijls een deftig publiek zijn verblijf, dat, na den 887 meter hoogen Beacon te hebben beklommen, hier van zijn rust geniet, plannen maakt voor verdere uitstapjes, flirt en geniet van de uitstekende maaltijden in het hotel.— —

Het was laat in den namiddag van een warmen dag in Juni, toen een dame van opvallende schoonheid in elegant reiscostuum de conversatiezaal van het hotel binnentrad.

Drie heeren volgden haar.

Het vertrek was leeg, maar in de aangrenzende rookzaal, die door een ondoorzichtige glazen deur van de conversatiezaal was gescheiden, bevond zich een heer, die, een sigaret rookend, op zijn gemak en oogenschijnlijk in gedachten verdiept, in het ruime vertrek heen en weer liep.

Toen hij de binnentredenden bemerkte, deed hij de wijdopenstaande verbindingsdeur een weinig verder dicht. Hij wilde voorkomen, dat de rook zijner sigaret de dame zou hinderen.

Deze lette echter net op de beleefdheid van den vreemdeling, noch op de heeren, die vol ijver naderkwamen om de dame van mantel en parasol te ontlasten; zij nam in een fauteuil plaats, gejaagd haar handschoenen uittrekkend.

De dame scheen zeer ontstemd te zijn.

Haar kleine mond was dichtgeknepen en toonde de neergebogen lijn, welke men op het gezichtje van kleine kinderen zoo dikwijls ziet, als hun iets wordt geweigerd.

Tusschen de wenkbrauwen vertoonde zich een rimpel van toorn, de donkere gloedvolle oogen vonkelden strijdlustig.

Men kon het aan de dame zien, dat zij slechts op een gelegenheid wachtte om haar toorn te kunnen koelen aan het een of andere slachtoffer.

De drie heeren hadden intusschen aan een kellner hun toeristenuitrusting afgegeven en keken met heimelijke [2]blikken naar de dame, die nog steeds met haar handschoenen bezig was.

„Nu, liefste, mag ik je een of andere verversching laten brengen?” vroeg de oudste der heeren op kalmen, bezadigden toon.

„Dankje! Ik heb niets noodig!” was het korte, kattige antwoord.

Op mismoedigen toon sprak de aldus afgesnauwde heer:

„Ik begrijp niet, dat men door het verlies van iets, wat men zich weer terug kan koopen, zoo ontstemd kan zijn!”

Snel wendde de dame zich tot den heer en sprak op heftigen toon:

„Mijnheer mijn echtgenoot vergeet geheel en al, dat mijn Indische shawl niet terug te krijgen is.

Ik kreeg hem van dien Indischen onderkoning persoonlijk ten geschenke voor mijn medewerking aan het hof. De kostbare kanten doek hangt nu aan dien verwenschten den op het mooiste punt van den Beacon.

En dit verlies zou weer te herstellen zijn?”

„Als mevrouw niet zoo hevig had gezwaaid met den sluier, dan— —” de persoon, die het waagde, deze schertsende woorden te uiten, zweeg verlegen, toen de vonkelende oogen hem aankeken.

„De groet, dien ik naar het dal zond, gold mijn liefste vrienden, die, zooals gij, baron, hebt gezien, zich aan den voet van den berg bevonden. Ik ben niet in staat om de innigheid mijner gevoelens bij het groeten af te meten.”

„Maar daarbij mag de vermolmde houten leuning niet zoodanig gaan wankelen, dat wij allen angst krijgen, dat het met u in de diepte zal storten.

Als mijnheer uw echtgenoot daarom u, mevrouw, eenigszins onzacht terugtrok, waardoor gij den kostbaren doek liet vallen, dan is toch alleen zijn bezorgdheid voor u de oorzaak daarvan.

Wees dus niet langer boos, mevrouw. Verander het booze Junogelaat in het liefelijk lachende van Aphrodite!”

De aldus sprekende nam de hand der schoone vrouw en bracht die galant aan zijn lippen.

De dame glimlachte hem toe, en sprak zuchtend:

„Uw alom bekende, oude galanterie, Lord Westerbull, brengt mij mijn shawl niet terug!”

Vol ijver antwoordde de Lord:

„Mevrouw, ik wed om honderd pond, dat gij uw shawl morgen terug zult hebben. Ik breng hem u terug!”

„Pardon, Lord, ik breng hem terug. Neen, neen, gij moogt mij niet terugwijzen. Ik verwed er ook honderd pond om, dat ik hem terug breng!”

De jonge man, die eerst had gezwegen voor de toornige oogen der Lady, uitte nu deze woorden tegen den galanten Lord Westerbull, welke een bekend Don Juan was.

„Ik deponeer de som onmiddellijk. Als ik verlies, dan zal het geld vervallen aan de Londensche armen.

Als ik win, dan zal Lord Westerbull het genoegen hebben om te betalen.

Neemt gij de weddenschap aan, Lord?”

„Natuurlijk, baron. Hier met uw honderd pond.”

Beide heeren haalden hun portefeuilles te voorschijn, en namen er ieder een banknoot uit, die zij op tafel legden.

De Lord richtte zich nu tot den echtgenoot der schoone dame met het verzoek, de banknoten te bewaren als onpartijdig getuige, totdat de weddenschap zou zijn beslist.

De Lord willigde hun verzoek in en sprak:

„Ik leg het bedrag in deze kleine portefeuille. Zij bevat alleen de twee banknoten en zal pas als de weddenschap is beslist, worden geopend.”

Bij deze woorden haalde hij een kleine portefeuille van krokodillenleer, voorzien van een slot, te voorschijn, legde de banknoten erin, sloot de portefeuille en overhandigde den sierlijken kleinen sleutel aan de dame, die hem aan haar horlogeketting bevestigde.

Glimlachend sprak hij:

„Gij ziet, mijne heeren, dat het bedrag goed bewaard is. Dubbele sluiting!”

Het tooneeltje had de schoone dame blijkbaar geamuseerd. Met een neerbuigend hoofdknikje nam zij den sleutel in ontvangst, wierp den Lord een geheimen blik van verstandhouding toe en sprak:

„Ik zal blij zijn, heeren, als ik weer in het bezit zou geraken van mijn eigendom. Weest echter voorzichtig! Ik zou ontroostbaar zijn, als u een ongeluk overkwam!”

Beide heeren bogen gevleid en verzekerden, dat hun voornemen om den omslagdoek van den dennenboom, boven op de bergen, te halen, vlak bij het uitzichtspunt, geen gevaren meebracht.

„Ik stel voor,” viel Lord Morvill in de rede, „dat de heeren eerst krachten verzamelen voor het aanstaande avontuur en voor de doorgestane vermoeienissen van het uitstapje. Gij zult uwe krachten noodig hebben. Tracht die te verzamelen aan de goede tafel in de eetzaal!” [3]

Dit voorstel vond algemeenen bijval en het gezelschap begaf zich naar de eetzaal.

Toen men het salon had verlaten, kwam de vreemdeling uit den rooksalon te voorschijn.

Hij had het geheele gesprek mede aangehoord.

Een ironisch glimlachje speelde om zijn lippen, zijn blik volgde de vier zich verwijderende personen.

Hij belde den kellner en bestelde een flesch wijn. Toen de kellner deze voor hem neerzette, vroeg de vreemdeling op onverschilligen toon:

„Kunt gij mij misschien vertellen wie de personen waren, die zooeven de conversatiezaal verlieten?”

„O zeker, mijnheer! Het was de rijke Lord Morvill met zijn jonge, mooie vrouw, Lord Westerbull en baron Coxwell.”

„Vertoeft Lord Morvill reeds langen tijd hier?”

„De Lord bezoekt Brecknock zeer dikwijls. Hij heeft bezittingen hier in den omtrek, welke hij onlangs heeft verpacht. Zeer lang logeert hij reeds in ons hotel. Bij zijn eventueel verblijf hier worden voor hem altijd dezelfde kamers op de eerste verdieping gereserveerd.”

„Zoo, zoo, welke kamers zijn dat?”

„Slechts drie, want de Lord is hier altijd zonder bedienden. Een salon en twee slaapkamers, nrs. 1–3.”

„Zeg eens, kellner, heb ik u vroeger niet in Londen gezien? Uw gezicht komt mij zoo bekend voor.”

„Best mogelijk! Ik was daar langen tijd in betrekking in Hotel Imperial. Gij kent dat zeker wel. De heeren, die ik zoo even noemde, ken ik reeds uit die dagen. Vooral Lord Westerbull, van wien allerlei pikante avonturen de ronde doen.”

„Ik weet het, ik weet het!”

Met deze woorden sneed de vreemdeling den woordenvloed van den kellner af, die, naar het scheen, gaarne iets van deze „pikante avonturen” ten beste zou hebben gegeven en niet kon nalaten nog te zeggen:

„Het zou mij niet verbazen, als de mooie Lady een magneet was voor den Lord. Maar ik durf het natuurlijk niet met zekerheid zeggen.”

De vreemdeling keek den kellner met scherpen blik aan en sprak op gemoedelijken toon:

„Mooi is de Lady, bijzonder mooi.”

Op listigen toon antwoordde de kellner:

„Zeker, zeer schoon en daarbij een engel, die gaarne uit den hemel neerdaalt om ons arme stervelingen gelukkig te maken.”

„Hoe bedoelt gij dat?”

„Nu, nu,” en, alsof hij verlegen was, kuchte de man, „ik bedoel er eigenlijk alleen mee, dat de Lady goedhartig is. Men huwde haar op jeugdigen leeftijd uit aan den veel ouderen Lord, die, wat geen geheim is in Londen, een bijzondere beruchtheid had als zwiertol.

Zou het dus te verwonderen zijn, als de Lady zich wreekte? Booze tongen beweren dat.”

„Gij schijnt goed op de hoogte te zijn van de schandaaltjes uit onze hoofdstad, mijn waarde.”

„Och, als men in Hotel Imperial in betrekking is geweest, hoort men veel.”

„Dat is waar. Maar wees toch een beetje voorzichtig met uw woorden, gij zoudt anders wel eens in onaangenaamheden kunnen geraken.”

De vreemdeling stond op en gaf den kellner een geldstuk. Zonder het bedrag, dat hij terug moest ontvangen, aan te nemen, begaf hij zich daarop langzaam naar buiten.

Hier bedacht hij zich een oogenblik, ging naar zijn kamer, stak een paar voorwerpen in zijn zak en verliet daarop het hotel.

Hij sloeg den weg in naar den top van den Beacon.

De straatweg liep langs het uitzichtspunt, waar de shawl der Lady naar beneden was gevallen.

Na ongeveer drie kwartier had de vreemdeling het uitstekende punt bereikt en hij zag, geleund tegen de wankelende houten leuning, den shawl hangen op den grooten denneboom.

Door den wind was hij van den top afgewaaid en nu hing hij geheel beneden aan een tak.

De vreemdeling glimlachte en mompelde:

„Lady, het geluk dient u! Ik zal den doek voor u gaan halen. John Raffles behoeft immers niet altijd bij zijn bezoeken iets te halen, hij kan ook wel eens iets brengen. Gij verdient het evenwel niet, want gij zijt bezig den jongen Wilkens te verleiden. Ik wil u echter aan mij verplichten.”

Vastberaden monsterde hij de rotsen, die onder het uitzichtspunt steil naar beneden gingen en weldra ontdekte hij een geschikte kloof, die het hem mogelijk maakte om naar beneden te klimmen.

Ieder onzer zou door een duizeling zijn aangegrepen.

Nu eens boven een afgrond hangend, dan weer zich aan een struik vasthoudend, glijdend, voorzichtig zijn voeten neerzettende, kwam hij steeds dichter bij het uitstekende rotspunt, waarop de hooge den zijn takken uitstrekte.

Nu moest hij nog een sprong wagen om van een der rotsblokken den grond te bereiken.

Slechts zeer geoefende turners konden dezen sprong wagen, want de wortels van den dennenboom groeiden [4]boven den grond en maakten het neerspringen zeer moeilijk.

Raffles echter sprong naar beneden, alsof hij een acrobaat was, voor wien dergelijke dingen kleinigheden waren en weldra stond hij aan den voet van den boom.

„Nu naar boven,” mompelde hij verheugd. „De harsige stam bevalt mij echter niet, mijn luchtreis mag mijn kleeren niet bederven.”

Hij haalde onder zijn jas een netjes opgerold touw te voorschijn, dat op regelmatige afstanden van knoopen was voorzien.

Aan het eene uiteinde bevond zich een haak, aan het andere een ijzeren ring. Handig slingerde hij het eene uiteinde, waaraan de haak was bevestigd, over den tamelijk hoogen eersten tak. Ten gevolge van zijn zwaarte viel het touw weer naar beneden.

De groote onbekende verbond nu het eind van het touw met den ring en nu kon hij zich tamelijk gemakkelijk optrekken.

Op den eersten tak staande, maakte hij het touw los en herhaalde deze manoeuvre met een anderen tak.

Steeds hooger klom de vermetele.

Eindelijk was het hem onmogelijk nog hooger te klimmen. De takken dreigden te breken.

De shawl hing echter aan het uiterste dunne puntje van een twijgje, dat men onmogelijk met de hand kon bereiken.

Alle moeite scheen vergeefs te zijn geweest.

Nu haalde John Raffles een instrument te voorschijn, dat soms in Italië wordt gebruikt gedurende den carnavalstijd. Een soort schaar, die gevormd wordt uit kruiselings over elkaar liggende houtjes en die bij het openen, naar gelang van het aantal houtjes, soms eenige meters lang wordt.

Daar zat de vermetele nu hoog op een onveiligen boomtak, terwijl de steeds sterker wordende wind om hem heen blies. Hij zat daar zoo behaaglijk, alsof de tak een gemakkelijke schommelstoel was en met de geopende schaar trachtte hij het doekje te grijpen.

De schaar bleek echter een klein beetje te kort te zijn.

Maar de wind kwam hem te hulp, want door een sterkere windvlaag werden de takken in schommelende beweging gebracht. Zij kwamen dichter bij elkaar—en met een handige beweging werd de vluchteling gegrepen.

De groote onbekende kon hem naar beneden trekken en veilig onder zijn vest bergen.

Het neerdalen ging sneller in zijn werk. Ongedeerd bereikte hij den voet van den denneboom en nu zocht de koene klimmer een gemakkelijken weg om weer boven op de rotsen te komen dan dien, langs welken hij was afgedaald.

Het gezelschap had zich intusschen in de eetzaal te goed gedaan. Lord Westerbull vatte het plan op om zijn mededinger voor te zijn en liet den niet zeer geestigen baron het terrein bij de schoone Lady vrij.

Deze laatste had er altijd pret in om den bekrompen, mallen en ijdelen baron een beetje voor den gek te houden en hem haar geestelijke meerderheid te laten gevoelen.

In zijn groote ingenomenheid met zichzelf en zijn aangeboren goedigheid vatte hij het dikwijls bittere sarcasme der schoone vrouw in het geheel niet op als een beleediging.

Het verheugde hem zelfs, wanneer de dame hem tot mikpunt harer spotternijen verkoos.

Hij meende haar hatelijkheden te mogen opvatten als een teeken van haar levendige belangstelling voor zijn persoon.

De Lord had reeds lang zonder opzien te verwekken de tafel verlaten, in allerijl een paar flinke bedienden van het hotel aangenomen en was reeds met deze onderweg om den verloren shawl van den denneboom terug te halen, toen baron Coxwell nog altijd schuddend van lachen naar de spottende opmerkingen der schoone Lady zat te luisteren.

Hij scheen zijn weddenschap totaal vergeten te hebben.

Eindelijk echter viel het hem op, dat de Lord was verdwenen.

Langzaam ging hem een licht op, hij begon te begrijpen, dat de ander hem voor was en op geërgerden toon riep hij uit:

„Ach, de Lord schijnt van plan te zijn, de weddenschap van mij te winnen; dit zal hem echter niet gelukken!”

Daarna stond hij op en nam afscheid van de Lady na herhaaldelijk te hebben verzekerd, dat hij de weddenschap zou winnen.

Van het hotelpersoneel vernam hij, dat zijn mededinger met een paar mannen, die zich voorzien hadden van ladders, stokken en touwen, reeds eenigen tijd geleden naar het uitzichtspunt was gegaan.

Snel volgde hij dit voorbeeld, deed moeite om lieden te krijgen, beloofde dezen een groote belooning en haastte zich nu ook met zijn helpers naar den berg.

Zoowel Lord Westerbull als later de baron ontmoetten onderweg den hun onbekenden gast van het hotel, die uit de gereedschappen, welke de heeren bij [5]zich hadden, dadelijk begreep, wat deze van plan waren.

Met spottende blikken, maar schijnbaar bezorgd, vroeg hij den heeren, of er misschien iemand was verongelukt, wien hulp gebracht moest worden.

Lord Westerbull gaf hem alleen een ontkennend antwoord, de baron echter vertelde den vreemdeling onmiddellijk de geheele geschiedenis, welke deze zeer goed kende, waar naar hij echter vol belangstelling luisterde.

Hij wenschte den baron veel succes met zijn onderneming en slenterde doodkalm naar het hotel terug.

Op de hoogte aangekomen, wachtte Lord Westerbull een groote verrassing.

De Indische shawl hing natuurlijk niet meer aan den dennenboom en was ook in den omtrek nergens te zien.

De baron had dezelfde verrassing.

Toen deze aankwam, waren de lieden van den Lord ijverig bezig, de rotsen af te zoeken en de menschen, die de baron had meegenomen gingen hetzelfde doen.

Terwijl de beide heeren vanaf een veilig plekje mistroostig naar het gevaarlijke werk der lieden keken, begon de avond te vallen.

De invallende duisternis maakte verder zoeken onmogelijk, zoodat dit gestaakt moest worden, en beide partijen onverrichter zake huiswaarts moesten keeren.

Zwijgend en beschaamd kwamen de heeren terug, toen het reeds volslagen donker was.

Zij vernamen in het hotel met vreugde, dat de Lady zich reeds naar haar kamer had begeven en zij namen zich voor, hun nasporingen den volgenden dag voort te zetten …

Het was nacht.

De bewoners van het hotel lagen in diepe rust, geen enkel geluid stoorde hen.

De toeristen hadden zich reeds, vermoeid van hun uitstapjes, vroeg ter ruste begeven; nieuwe gasten werden niet verwacht, daar geen treinen in den laten avond te Brecknock aankomen.

In de gang van het hotel brandde alleen een matte gasvlam.

Daar werd voorzichtig de deur van kamer no. 5 geopend.

Een spookachtige, pikzwarte gestalte trad te voorschijn, keek naar de gasvlam en draaide die uit, sloop daarop naar kamer no. 3 en luisterde. Een langgerekt gesnurk van Lord Morvill was hoorbaar.

Tevreden glimlachte het zwarte spook en begon voorzichtig aan het slot van kamer no. 2 te werken; dit bood eerst weerstand, daarop klonk een zwak krakend geluid en de deur was geopend.

Weer luisterde de zwarte, doch geen geluid werd vernomen.

Wel klonk verwijderd hondengeblaf in zijn ooren, maar dit was onschadelijk en stoorde niet den slaap van het echtpaar Morvill, in wier vertrekker de indringer nu binnentrad.

Hij bevond zich in het salon, dat beide slaapkamers scheidde!

De Lady sliep in kamer no. 1.

Onhoorbaar zweefde het spook, niemand anders dan John Raffles, naar het bed der Lady, dat slechts zwak werd beschenen door een nachtlicht.

Op het nachtkastje lag het horloge met den ketting, waaraan het sleuteltje van de portefeuille van den Lord was bevestigd. Zacht nam hij dat sleuteltje eraf en verdween er mee in het duister.

Hij begaf zich nu naar de slaapkamer van den Lord, waar het volkomen donker was.

Hier zag hij zich genoodzaakt om zijn electrische zaklantaarn, die speciaal voor dergelijke doeleinden was ingericht, te laten schijnen.

De gloeipeer was omgeven door een halven boog, welke slechts een uiterst smalle, maar buitengewoon helderen, sterken lichtstraal liet doordringen, waardoor nimmer de omgeving, doch alleen het bedoelde voorwerp werd verlicht.

De kleeren van den Lord lagen op een stoel.

De leeren portefeuille bevond zich er niet in.

Raffles naderde nu het bed, belichtte de hoofdkussens, waarbij hij er wel voor zorgde, het gelaat van den slapende niet door een lichtstraal te treffen.

Hij bemerkte, dat de Lord de gezochte portefeuille onder zijn hoofdkussen verborgen had met nog eenige andere voorwerpen.

„Dezen keer stel ik alleen belang in het geld,” mompelde Raffles en begon voorzichtig de portefeuille te voorschijn te halen.

Het was een geduldwerk, want de Lord lag op zijn rug en maakte het werk uiterst moeilijk.

Ten slotte gelukte het echter.

De groote onbekende opende de portefeuille, nam er het geld uit en borg er in plaats daarvan een briefje in, dat hij van te voren reeds had geschreven.

Daarop sloot hij de portefeuille en wilde die weer onder het hoofdkussen schuiven.

Plotseling eindigde het gesnurk en de Lord bewoog zich. [6]

Raffles doofde zijn lamp uit en bleef onbeweeglijk staan.

Onverstaanbare geluiden mompelend, wierp de slapende zich op zijn zijde; hij was half wakker, maar viel weldra weer in een diepen slaap.

Nu viel het Raffles gemakkelijk om de portefeuille tusschen de kussens te schuiven.

Hij keerde terug naar het slaapvertrek der Lady. Terwijl hij den sleutel weer bevestigde, kon hij het engelachtig schoone gelaat der slapende vrouw bewonderen.

Hij kon den blik niet van haar gelaat afwenden, met snelle schreden trad hij nader en voorzichtig knipte hij eene kleine, donkere lok af van het prachtige haar.

Daarop haalde hij uit zijn zwarte kleeren den Indischen doek te voorschijn, benevens een klein bouquet rozen en legde beide met een briefje op het nachtkastje.

Onhoorbaar verdween hij nu weer.

Plotseling ontwaakte de Lady, alsof zij de nabijheid van den vreemdeling had waargenomen. Het kwam haar voor, alsof een schaduw door de kamer zweefde.

Luisterend hield zij haar adem in, zonder zich te bewegen. Rondom haar heerschte volkomen stilte. Gerustgesteld sloot zij langzaam de oogen en sliep weer in.

Terwijl de zachte geur haar omzweefde en de God der droomen haar naar de zonnige rozenakkers van Perzië voerde, verliet Raffles onopgemerkt de kamers en verdween in zijn eigen vertrek.

Toen de weddende heeren den volgenden morgen opnieuw aan het zoeken wilden gaan, ontvingen zij beide een anoniem briefje van den volgenden inhoud:

„Doe geen moeite meer, de shawl is gevonden en reeds in het bezit gesteld van de eigenares.”

Met zeer gemengde gewaarwordingen lazen zij dit bericht, dat volgens hun meening van den Lord kwam en wachtten in de conversatiezaal van het hotel op de komst van het echtpaar.

Zij lieten niet lang op zich wachten.

De Lady vertelde den heeren, dat zij wel innig verheugd was geweest, toen zij bij het ontwaken het verloren voorwerp en de heerlijkste rozen had gevonden, maar dat zij absoluut niet kon begrijpen, hoe deze dingen in haar slaapkamer waren gekomen.

Toen zij den brief had geopend, had diens inhoud haar zeer doen ontstellen, want de brief luidde:

„Mylady!

Daar het mij bekend is, dat het verlies van den kostbaren doek u zeer ter harte zou gaan, verheugt het mij bijzonder, u hierbij uw eigendom terug te bezorgen.

Op deze wijze hebben de baron en Lord Westerbull beiden de weddenschap verloren. Ik zal mijn best doen om de verloren inzetsom aan de armen van Londen te doen toekomen.

Met hoogachting,

JOHN C. RAFFLES.”

„Hoe?” riep de baron uit, „Raffles, die gauwdief, die schurk, is ons voor geweest? Ongelooflijk? Ongehoord!”

„Hoe komt die kerel op de hoogte van onze weddenschap?” vroeg Lord Westerbull, ten zeerste verbaasd.

„Ja, maar het mooiste is, dat hij onze inzetsom zoodra mogelijk aan de Londensche armen wil doen toekomen. Dat is onmogelijk, dat bedrag is veilig opgeborgen in mijn portefeuille en de Lady heeft tot op dit oogenblik het sleuteltje ervan veilig bewaard. Overtuigt u zelf, mijne heeren!—Liefste, geef mij het sleuteltje eens!”

De Lady overhandigde hem het gewenschte en deze opende de portefeuille.

Als door een wesp gestoken, stoof hij echter overeind, onderzocht haastig alle afdeelingen en haalde uit de geheel ledige portefeuille slechts een briefje te voorschijn, dat het volgende behelsde:

Quitantie.

Hiermede geef ik u in dank quitantie wegens 200 pond sterling ten behoeve van de Londensche armen.

JOHN C. RAFFLES.

Terwijl de heeren elkaar stom van verbazing aankeken, barstte de Lady uit in een schaterend gelach. Zij lachte tranen en de heeren wisten niet beter te doen dan gedwongen mee te lachen. [7]

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

De nagemaakte sleutels

In haar rijk en deftig ingericht boudoir lag de schoone Lady Morvill in achtelooze houding op haar divan. Naast haar zat op een laag stoeltje de elegante Lord Westerbull en keek de schoone vrouw diep in de prachtvolle oogen.

Hij had op hartstochtelijken toon tot haar gesproken, haar kleine hand gevat en drukte nu een kus daarop.

De Lady liet hem begaan en sprak op schertsenden toon:

„Dus gij bemint mij, Lord, en hoopt op mijn wederliefde? Beken mij eerst eens, hoeveel vrouwen hebt gij voor mij op dezelfde wijze toegesproken?

Neen, neen, geen uitvluchten! Ik ken de mannen precies. Vandaag dweept gij met de eene, morgen met de andere. Het liefst echter met degenen, die reeds een ander toebehooren.”

„Mylady, gij spot. Geloof mij, nog nimmer heeft een zoo diep gevoel in mijn hart gezeteld als—”

„Als op het oogenblik, waarop gij mij hebt gezien en nimmer zal deze onuitwischbare indruk uit uw hart verdwijnen.

Deze uitdrukkingen zijn mij bekend, Lord, zooals gij hoort. Het zou mij werkelijk aangenaam zijn eens iets anders, iets origineelers, van een aanbidder te hooren dan altijd dezelfde woorden.

Dat gij mij bemint of denkt lief te hebben, noem ik gaarne aan als iets, dat vanzelf spreekt.

Ik ken uw licht ontvlambaar hart, uw lichtzinnigheid.

Maar als gij meent, dat een vrouw van mijn soort zoo gemakkelijk te veroveren is als een jong, onervaren meisje, vergist gij u. Mij kan een flinke, energieke man veroveren, iemand, die iets voor mij waagt!”

De Lord sprong op.

„Zeg mij, wat ik voor u zal wagen. Ik ben geen lafaard en als het erop aankomt, sta ik mijn man. Spreek! Zeg mij, wat ik zal doen en het zal geschieden!”

Vol twijfel het mooie hoofd schuddend, keek de Lady hem van terzijde aan en sprak:

„Deze groote geestdrift zou spoedig voor iets anders plaats maken, als ik een ernstig bewijs verlangde!”

„Neen, nooit! nooit! Ik bezweer u, stel mij op de proef!”

„Nu goed dan, Lord. Ik zal zien of gij woord houdt. Misschien komt de tijd, waarin ik uw diensten noodig heb, dan zullen wij er verder over spreken. Stil, daar komt iemand!”

De kamenier der Lady trad binnen en bracht op een zilveren blad een visitekaartje. De dame las het en sprak tot den Lord:

„Baron Coxwell.”

Daarop zei ze tot de kamenier:

„Verzoek mijnheer binnen te komen.”

Met een reusachtigen bouquet in de hand trad de baron binnen, groette den Lord met een korte buiging, snelde daarop naar de dame, wier hand hij vol eerbied aan zijn lippen bracht en sprak, terwijl hij haar zijn reuzenbloemruiker aanbood, met nasaal geluid:

„Staat gij mij toe, dat ik, ten teeken mijner oprechte vereering en terwijl ik innig verheugd ben, u zoo opgewekt te zien, u deze Flora’s kinderen aanbied?

Ik hoop, dat haar geuren u genot zullen verschaffen. Evengoed als deze bloemen gedoemd zijn om te sterven zou ook ik met genoegen mijn leven voor u opofferen, Mylady!”

„Inderdaad, baron? Maar hoe zou het zijn, als die gelegenheid zich inderdaad eens voordeed?”

Eenigszins bedremmeld stamelde de baron:

„Gelegenheid? Waartoe?”

„Wel, om u op te offeren! Evenals deze bloemen, die voor mij moeten sterven!”

De dame nam den bouquet uit de handen van den baron en snoof den geur der bloemen op.

„Sterven? Mylady schertst! Men sterft toch zoo maar niet! En dan—ik zou u de vraag willen stellen: waarom sterven en met welk doel?

Vindt gij ook niet, Lord Westerbull?”

De aangesprokene knikte bevestigend met het hoofd en keek in gespannen aandacht naar de dame, die, dit begreep hij, het een of andere plan had. [8]

Lady Morvill keek met een glimlach naar haar aanbidders en sprak:

„Nu, heeren, gij zult beiden zekerheid hebben omtrent mijn wenschen. Gij beweert alle twee, uw leven voor mij te willen opofferen. Stel u gerust, ik eisch uw leven niet, doch ik wensch, dat gij mij in kennis brengt met den beroemden—Raffles.”

Beide heeren staarden de Lady aan, alsof zij een spook zagen.

Na een pauze vond de baron het eerst woorden, terwijl de Lord nerveus aan zijn snor plukte.

„Mevrouw! Gij, een dame van den hoogsten rang en stand, wilt Raffles leeren kennen, dien schurk, dief en aartsschelm—en wij—maar dat is immers ten eenenmale onmogelijk!

Lord Westerbull, wat zegt gij hiervan?”

„Ik denk, dat Lady Morvill met ons schertst en er niet in ernst aan denkt, dat wij in staat zijn om haar wensch te bevredigen!”

„Zeer juist, Lord, zeer juist. Wij kunnen ons toch onmogelijk met een misdadiger bezighouden en dat nog wel met een, die ons reeds te pakken heeft gehad!”

„Betreurt gij die honderd pond zoo zeer, baron? Ik dacht, dat de grap die som wel waard was geweest.”

„Wel, mevrouw, het is niet om het geld, doch bedenk eens, hoe wij door dit geval geblameerd zijn.

Mijnheer uw echtgenoot heeft het geheele geval in de club verteld en nu lacht geheel Londen ons uit. Het is verschrikkelijk!”

„De Londensche armen zullen waarschijnlijk niet veel van het geld hebben gekregen. Geen penny hebben zij ervan gezien!”

Lord Westerbull riep deze woorden uit en liep opgewonden heen en weer.

„Gij vergist u,” antwoordde de Lady op kalmen toon, „zij hebben precies 200 pond gekregen!”

De dame nam een pakje van een klein tafeltje.

„Hier ziet gij een aantal brieven. In deze brieven bedanken arme gezinnen mij voor giften van 5 tot 10 pond, welke zij uit mijn naam hebben ontvangen en welke ik niet heb afgezonden.

Ik wist niet, wat dit alles beteekende, totdat ik heden dit briefje ontving. Het luidt:

Mylady!

„De 200 pond zijn uit uw naam verdeeld tusschen arme gezinnen, welke ik ken. Wanneer zich weer een gunstige gelegenheid mocht voordoen ondersteuning te krijgen voor mijn beschermelingen, dan zal ik niet in gebreke blijven die aan te grijpen.

Hoogachtend
JOHN C. RAFFLES.”

„De duivel moge hem halen!” riep de Lord uit, „de kerel heeft karakter!”

„Ik ben het geheel met u eens, Lord,” sprak de Lady op scherpen toon, „daarom wil ik John Raffles leeren kennen en gij, mijne heeren, moet mij daarbij helpen. Wilt gij of niet?”

„Ja—als—als—men maar wist hoe. Ik kan—dien Raffles toch niet—in alle misdadigersholen gaan zoeken!” stamelde de baron.

„Daar zou men hem ook niet vinden,” meende de Lord spottend. „Iemand als Raffles, dien niemand kent, wiens uiterlijk niemand nauwkeurig kan omschrijven, die steeds zonder handlangers werkt, er vandaag zoo en morgen weer geheel anders uitziet, is geen bewoner van „White-Chapel!”

„Zoekt hem dan, heeren. Hij moet toch ergens te vinden zijn!” sprak de dame spottend. „Of zijt gij misschien bang voor uw portefeuille?”

„Lady, uw spot is onverdraaglijk. Goed dan, ik zal Raffles zoeken en hem ook vinden. De gevolgen komen echter voor uw rekening!”

Lord Westerbull boog voor de Lady en sprak:

„Ik zal over eenige dagen komen om u bericht te brengen.”

Met deze woorden wilde hij gaan.

De baron hield hem tegen.

„Neem mij mede, Lord. Wij zullen samen overleggen, hoe wij den wensch der Lady ten uitvoer kunnen brengen, want het spreekt van zelf, Mylady, dat ook ik mij naar uw wenschen voeg.”

De baron kuste nogmaals de vingertoppen der dame en nam met diepe buigingen afscheid.

Toen Lady Morvill alleen was, wierp zij den ruiker achteloos op tafel en ging een oogenblik voor een grooten spiegel staan, welke haar heerlijke gestalte en het bekoorlijke, rijkgelokte kopje weerspiegelde.

Met sierlijke bewegingen ordende zij een paar weerspannige krulletjes.

Daarop gleed een glimlachje van voldoening over haar gelaat. Zij wist, dat zij schoon was en zij wilde het zijn. Juist nu wilde zij het.

Met lichten tred schreed zij een reeks vertrekken door en bleef toen luisterend voor een deur staan.

Deze deur gaf toegang tot een bureau, waarin op dit [9]oogenblik een knappe, jonge man van 22 jaar zat.

Toen Lady Morvill de deur opende, zag zij een bejaarden heer, die tegenover den beambte zat. De kleeding van den vreemdeling verried den dorpeling. Een blauwe bril met opvallend groote glazen bedekte het bovenste gedeelte van het gelaat, terwijl een volle baard het onderste deel daarvan omgaf.

De Lady wilde zich snel terugtrekken, toen zij den vreemdeling zag.

De jonge particuliere secretaris van den Lord, Johnny Wilkens, sprong echter snel op en volgde de dame in het aangrenzende vertrek.

„Wie is die man?” vroeg de Lady haastig.

„Een vriend van mijn moeder, die haar heeft ondersteund. Hij is eenigszins doof en woont te Liverpool. Hij wilde naar mijn welstand informeeren en kwam daarvoor hier.”

„Gauw, Johnny, zeg mij of je hebt gedaan, wat ik je opdroeg!”

Yes Mylady,” sprak Wilkens op fluisterenden toon, „ik kreeg de sleutels, welke ik liet maken, vandaag.”

„Goed, dan blijft het bij de afspraak. Vergeet niet, dat de geldswaardige papieren in het bovenste vak van de brandkast liggen. Nog heden wil ik vrij zijn aan je zijde.

Ik verwacht je om 11 uur in het tuinhuis!”

Snel boog zij zich naar hem toe en kuste hem hartstochtelijk, daarop keerde zij naar haar boudoir terug.

Als betooverd staarde de jonge man de wegijlende na. Hij had eenige oogenblikken noodig om tot zich zelf te komen en weer naar den vriend zijner moeder terug te gaan.

Als Wilkens zich haastig naar de deur had begeven, had hij kunnen opmerken, dat de eenvoudige, doove man, van daar wegsloop en zacht mompelde:

„Drommel! Zoo ver is het dus al gekomen! Ik ben juist nog op tijd hier!”

Wilkens keerde naar het bureau terug.

De bezoeker stond op van den stoel, welken hij schijnbaar niet had verlaten en sprak op goedigen toon:

„Nu, Johnny, het wordt mijn tijd. Ik heb je moeder en jou gezien. Gij zijt gezond, jou gaat het hier goed, dus wat wil men nog meer. Ik moet mij haasten, anders mis ik den trein naar Liverpool!”

„Leef wel, Mr. Jenkins, leef wel!” sprak de secretaris, drukte de handen van den man en vergezelde hem naar de deur.

Naar het venster gaande, zag hij Mr. Jenkins de villa verlaten.

Daarop haalde hij langzaam drie kleine sleutels te voorschijn, luisterde en ging de studeerkamer van den Lord, welke aan het bureau grensde, binnen.

Haastig liep hij naar de groote brandkast, die in een hoek der kamer stond en probeerde een der sleutels.

Deze paste.

Tevreden glimlachend ging hij hierop weer terug.

Een rijtuig hield voor de villa stil, Wilkens wierp een schuwen blik uit het venster en mompelde:

„De Lord!”

Snel nam hij eenige acten ter hand, zoodat ieder, die hem zag zitten, moest gelooven, dat de jonge man in zijn werk verdiept was.

Intusschen was de Lord het huis binnengegaan; hij begaf zich onmiddellijk naar zijn weelderig ingerichte studeerkamer en van daar door de met zware gordijnen behangen verbindingsdeur naar het bureau, waar zijn geheim-secretaris, de jonge Wilkens, zat te werken.

De Lord overhandigde hem eenige papieren met het bevel, de noodige aanteekeningen in de contoboeken aan te brengen en begaf zich daarna, zonder de verwarring van den jongen man opgemerkt te hebben, naar het boudoir der jonge Lady.

Wilkens wierp een blik op de papieren en mompelde:

„Alweer die oneerlijke wijze van zaken doen op de Beurs en het misbruik maken van zijn voorname relaties. Wee den Lord, als men in zekere kringen te weten komt, op welke wijze hij zich verrijkt!”

Daarop ging Wilkens aan het hem opgedragen werk.

De Lord ging het boudoir zijner echtgenoote binnen. Zij lag, uitgestrekt op den divan, te lezen. Zij deed alsof zij zeer verrast was en het onaangenaam vond, in haar interessante lectuur gestoord te worden.

Kortaf en op eenigszins onvriendelijken toon sprak de Lord, een stoel nemend:

„Neem mij niet kwalijk, als ik je stoor. Ik moet je echter spreken!”

„Ga je gang!” antwoordde de Lady even kort.

„Ik ontmoette zooeven Lord Westerbull en baron Coxwell. De laatste, die, zooals je weet, altijd moet praten, vertelde mij van je vreemden wensch betreffende Raffles.

„Ik moet nog opmerken, dat een dergelijke opdracht als die, welke jij dien heeren hebt gedaan, een Lady Morvill onwaardig is.”

„Omtrent dat, wat mijner al of niet waardig is, mag Lord Morvill allerminst critiek uitoefenen,” antwoordde de Lady op scherpen toon, „ik wensch daaromtrent geen instructies te krijgen!”

Geërgerd riep de Lord uit:

„Ik moet toch vriendelijk verzoeken, een anderen [10]toon aan te slaan en niet te vergeten, wien je voor hebt!”

De Lady lachte gedwongen:

„Juist omdat ik dat laatste niet vergeet, richt ik mijn toon daarnaar in. Overigens is het zeer goed, als bij deze gelegenheid eens opheldering tusschen ons komt en onze wederzijdsche positie wordt bepaald!”

„Dat is ook mijn wensch,” viel de Lord haar haastig in de rede, „ik zal in een paar woorden die zaak tot klaarheid brengen.

Als mijn echtgenoote heeft Lady Morvill voor alles haar plichten jegens mij te vervullen en zich geen vrijheden te veroorloven, die in strijd zijn met de maatschappelijke zeden en gewoonten.

Ik duld het niet langer, dat Lady Morvill overal wegens haar excentrieke ideeën over de tong gaat en er een heirleger aanbidders op nahoudt, hierdoor de wereld aanleiding gevend, allerlei geruchten in omloop te brengen, die ook mijn naam schaden.”

De Lady lachte luidkeels.

„Ik ben werkelijk nieuwsgierig om te hooren, wat er nog te bederven was aan de reputatie van Lord Morvill, die bekend staat als de grootste Don Juan en boemelaar der geheele wereld.

Neen, mijnheer mijn echtgenoot, ik ben uw ijverige leerlinge geweest, gij hebt van het onschuldige jonge meisje een ervaren vrouw van de wereld gemaakt.

Draag er nu de gevolgen van!

Wij zijn niet meer in de middeleeuwen. Toentertijd was het nog de gewoonte om weerspannige vrouwen te verbannen naar het een of andere kasteel en daar achter dikke muren opgesloten te houden.

In den tegenwoordigen tijd heeft de vrouw dezelfde rechten, wil zij evengoed genieten als de man, die alle rechten voor zichzelf wil hebben en ons het liefst de plichten op zou willen dragen.

Gij, Lord Morvill, weet te leven. Ja, meer dan dat, gij geniet het leven als een woesteling en mij zoudt gij aan de wereld willen vertoonen als een opgesierde pop, waarmee gij pronkt en om wier bezit gij bewonderd en benijd wilt worden.

Waag het eens, mij aan banden te leggen! Waag het eens!

Ik weet allang, dat de heeren der schepping dit allen wenschen te doen, maar ik verzeker u op mijn woord, dat ik alle banden, zonder onderscheid, zou verbreken! Vrijheid wensch ik, onbeperkte vrijheid!”

De schoone vrouw was opgesprongen en met vonkelende oogen, als een godin der wraak, stond zij hoog opgericht en dreigend voor den Lord, die niet kon nalaten haar schoonheid te bewonderen.

De Lord begreep, dat hij den boog te sterk had gespannen, hij bond daarom in en sprak op kalmen toon.

„Waarom dadelijk zoo driftig, lieve? Ik wensch alleen, elk schandaal te vermijden, lastertongen geen voedsel te geven. Begrijp toch, dat ik in jouw belang spreek. Je five o’clock tea heeft in den laatsten tijd aanleiding gegeven tot allerlei babbelpraatjes. Het zou zeer gewenscht zijn, als je ook eens dames ontvingt, die in je salons tot de zeldzaamheden behooren!”

„Ik zal ook voortaan mijn bezoekers volgens mijn eigen smaak kiezen. Bemoei u alstublieft even weinig met mijn avonden als ik dat doe met die, welke gij op de alleraangenaamste wijze doorbrengt in de kleine villa Victoria.”

De Lord schrikte.

Wat wist zijn vrouw van deze villa, de getuige zijner heimelijke liefdesavonturen?

Hij voelde zich overwonnen en krabbelde daarom haastig terug.

„Ik begrijp uw woorden niet! Ik ken geen villa Victoria!”

„Werkelijk niet? Uw verlegenheid bewijst het tegendeel. Gij weet nu, dat ik de villa en haar geheimen ken! Ik hoop, dat dit u voldoende is.”

De Lady nam haar boek weer op, dat zij in haar drift had laten vallen, strekte zich uit op den divan en sprak op onverschilligen toon:

„Ik geloof, dat ons onderhoud is afgeloopen. Laat mij verder lezen!”

Zij verdiepte zich schijnbaar weer in haar lectuur.

De Lord stond op en wierp een blik vol bewondering en woede tegelijkertijd op de schoone vrouw.

Hij had gemeend, dit bekoorlijke wezen tot een speelbal zijner luimen te kunnen maken en nu moest hij inzien, dat hij alleen een demon in haar had opgewekt, die hem nog wel eens zeer gevaarlijk zou kunnen worden.

Met een korten groet verliet hij het boudoir.

Toen hij was heengegaan, slingerde de Lady het boek op den grond.

Diep ademhalend fluisterde zij:

„Onverdraaglijk is het! Ik wil vrijheid! Vrijheid! Wie zal mij die verschaffen?” [11]

[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

De vriend der armen.

In het vrij uitgestrekte park, dat de villa, welke Lord Morvill bewoonde, omgaf, bevond zich een tuinhuis in het achterste gedeelte.

Het was een Japansche koepel, die met gezellige hoekjes, zachte zetels en divans tot dolce far niente uitnoodigde.

Tegen de donkere kruinen der boomen, die er omheen stonden, stak het dak in heldere, sprekende kleuren volgens Japanschen smaak gekozen, zeer af.

De maansikkel wierp haar zilveren stralen over het park, spookachtige schaduwen der reuzenboomen over de kiezelpaden werpend.

De koepel werd weinig gebruikt door de bewoners der villa. Zelfs de bekoorlijke eigenares bezocht slechts zelden dit heerlijke plekje.

Des te meer moest het opvallen, dat nu, in het late avonduur, een donkere gestalte haastig den koepel trachtte te bereiken. Af en toe voorzichtig omkijkend, zocht zij zich in de schaduw der boomen verborgen te houden.

Toen zij de deur, die toegang gaf tot den koepel, had bereikt, zette zij een zwaar voorwerp op den grond en draaide haastig den sleutel der deur om.

Snel nam zij het donkere voorwerp op, dat zij op het grint had neergezet.

Een straal maanlicht verried, dat het een groote en, naar het scheen, zware reistasch was.

De donkere gedaante verdween in het tuinhuis.

Toen zij de deur achter zich had gesloten, kwam een zucht van verlichting van haar lippen.

Uitgeput van het snelle loopen en van angst, gezien te worden, viel zij op een rustbed neer en sloeg haar sluier terug.

De maan, die onbescheiden door de vensters keek, verlichtte het gelaat van de bekoorlijke Lady Morvill.

Van een kerktoren op eenigen afstand klonk de slag van een half uur.

Lady Morvill luisterde en haalde haar klein, met paarlen en brillanten versierd horloge te voorschijn. Met een enkelen blik zag zij, dat het half elf was. In haar haast en ongeduld was zij ongeveer een half uur te vroeg gekomen.

Toen zij tot deze ontdekking kwam, vertoonde zich een ontevreden uitdrukking op haar gelaat.

Zij plukte zenuwachtig aan het kleine kanten zakdoekje, dat zij in de hand hield en haar sierlijk voetje stampte vol ongeduld op een tijgervel.

Daarna stond Lady Morvill op en liep het vertrek vol ongeduld door.

Eindelijk leunde zij tegen de vensterruiten van het tuinhuis en staarde met vast opeen geklemde lippen naar buiten in het park.

Het maanlicht bescheen het fijnbesneden gelaat, het een uitdrukking gevend van ijzige koude, hoewel in haar binnenste een storm woedde van tegenstrijdige gewaarwordingen.

„Nog een half uur!” fluisterde zij.

Als de torenklok elf slagen verkondigde, zou haar gevangenis zich voor haar openen. Zij zou de vrijheid, waarnaar zij reeds zoo lang verlangde, terug krijgen.

Reeds lang was het plan in haar gerijpt om den Lord dien zij dagelijks meer haatte, te verlaten. Zij hoopte, in den vreemde een geluk te zullen deelachtig worden, dat zij tot dusverre niet had gekend.

Tot dusverre hadden haar echter de middelen ontbroken om te kunnen vluchten. Haar bruidsschat, omgezet in solide effecten, werd door den Lord in zijn brandkast bewaard, waar van alleen hij de sleutels bezat.

Daar zij nimmer had geleerd, zich in iets te bezuinigen, kon zij van het speldegeld, dat de Lord haar op ruime wijze deed toekomen, niets overhouden.

Plotseling kwam na den dood van den vroegeren geheimsecretaris van den Lord de jonge Wilkens in zijn plaats in huis. Het knappe uiterlijk en de groote onervarenheid van den jongen man bevielen de Lady, die tot dusverre in haar omgeving slechts Don Juans van de ergste soort en fatten had ontmoet. [12]

Zij bemerkte met haar vrouwelijk instinct dadelijk, dat de jonge man vanaf het eerste oogenblik bekoord was door haar schoonheid.

Zij omstrikte hem meer en meer in haar netten, aanvankelijk alleen omdat de naïeve bewondering van den jongen man haar beviel.

Weldra echter bouwde zij een afschuwelijk plan op haar macht, welke zij over den jongen Wilkens had. Hij moest haar de behulpzame hand bieden om de langgewenschte vrijheid te herwinnen.

Bij een kort onderhoud, dat zij in den tuin met hem had, wist zij, door hem al de ellende af te schilderen, die zij aan de zijde van haar echtgenoot te verduren had, en door een koketterie, waarin zij meesteres was, den jongen man tot een belofte te bewegen, dat hij haar zou helpen om haar bruidsschat terug te krijgen.

Zij wierp zich den onervaren jongen man, om zoo te zeggen, in de armen, vertelde hem van haar gloeiende liefde en bezwoer hem, met haar te vluchten.

Geheel verward en bijna gek van geluk, gaf de knappe jonge man haar zijn woord, alles te zullen doen, wat deze sirene van hem verlangde.

Zij eischte nu al spoedig, dat hij wasafdrukken zou nemen van de sleutels der brandkast en valsche sleutels zou laten vervaardigen. Dan moest hij, als de gelegenheid zich voordeed, haar bruidsschat wegnemen en met haar vluchten.

Daar Wilkens haar had medegedeeld, dat hij in het bezit was van de sleutels, had zij dezen nacht voor de vlucht bestemd.

De tijd was gunstig gekozen, want Lord Morvill placht op den dag, waarvan sprake was, eerst laat of in het geheel niet thuis te komen.

In het centrum der stad had hij een woonhuis voor den winter en daar overnachtte hij, als hij de geheimzinnige villa Victoria verliet.

Toen Tom, de oude kamerdienaar van den Lord, Johnny Wilkens dien avond vroeg, waar hij dacht te soupeeren, had deze slechts een kop thee op kantoor besteld en daarop den ouden, getrouwen Tom weggestuurd met de opmerking, dat hij nog veel te werken had.

Hoe meer het oogenblik naderde, waarop John zou ophouden, een fatsoenlijk mensch te zijn, des te heviger bonsde zijn hart.

Hij schrok terug voor de daad, welke hij ten uitvoer zou brengen.

Met het hoofd in de hand verzonk hij in gedachten. Het verdriet zijner oude moeder kwam hem voor den geest. Hij zag haar weenen om den verloren zoon.

Het was hem, alsof zij de handen smeekend naar hem uitstrekte:

Johnny, mijn kind, mijn lieveling, doe het niet! Bezoedel je handen niet aan eens anders goed. Respecteer het eigendom van je medemenschen!”

Langzaam vervloog het beeld van zijn moeder in een nevel en aan de andere zijde verscheen de zinbekorende sirene. Zij glimlachte den jongen man verleidelijk toe, haar volle blanke armen legden zich om zijn hals en hij meende, haar gloeiende kussen te voelen.

Daar sloeg het van den torenklok kwart voor elf.

John schrikte en, nog onder den indruk van het visioen, stond hij vastberaden op.

Ja, het moest en zou gebeuren.

Hij wilde deze schoone vrouw winnen en mocht haar niet laten wachten.

Er was nog slechts een kwartier over.

Hij snelde naar de brandkast en opende die met den valschen sleutel.

Het waardevolle pakket lag in het bovenvak.

Reeds strekte hij zijn hand uit om het te grijpen, toen die hand van achteren werd vastgehouden. Op hetzelfde oogenblik werd hij achteruit getrokken en voordat een enkel geluid over zijn lippen kon komen, voelde hij een prop tusschen de tanden.

Van schrik verloor hij het bewustzijn.

Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij op de sofa in de studeerkamer, weliswaar gemakkelijk, maar het was hem onmogelijk zich te bewegen. Voor hem stond een gemaskerde man, den hoed over het voorhoofd getrokken, gehuld in een donkeren mantel.

Toen de gemaskerde zag, dat Wilkens weer tot zichzelf was gekomen, sprak hij op gemoedelijken toon:

„Je bent nog niet handig genoeg als collega van mij, mijn jongen. Wees dus blij, dat ik je help, de politie zou je gauw te pakken hebben en dan zou je suikerzoete Lady je leelijk in de modder laten zitten.

Nu ben je gered en met een eerlijk geweten kun je verklaren, dat niet jij, maar Raffles de brandkast heeft leeggeroofd.

Opdat je deze verklaring ook echter kunt bewijzen, leg ik een kwitantie in de brandkast.”

Raffles had het pakket met geldswaardige papieren onder zijn mantel geborgen, een kwitantie voor het gestolen bedrag geschreven en die in de brandkast gelegd, waarvan hij de deur aan liet staan.

Wilkens keek naar elke beweging van den gemaskerde, zoover zijn boeien hem dat veroorloofden.

Vol ontzetting geloofde hij in hem den man te herkennen, die zich Mr. Jenkins had genoemd, die hem [13]dien middag nog had bezocht om hem de groeten van zijn moeder over te brengen.

Voordat de gemaskerde heenging kwam hij nogmaals naar Johnny toe en sprak op dreigenden toon:

„Mijn jongen, als je niet afziet van die slang, de schoone Lady, ben je verloren. Niet telkens kan, zooals dezen keer, John Raffles je voor een misdaad behoeden.”

Met deze woorden wendde de groote onbekende zich naar de deur en verliet de kamer.— —

Nadat Lady Morvill voor den honderdsten keer het vertrek had doorgeloopen, bleef zij vol ongeduld weer bij het kleine venster staan.

Zou er dan geen eind komen aan dat wachten?

Haar boezem ging van opgewondenheid haastig op en neer.

De kleine witte tanden groeven zich diep in de roode, zwellende lippen.

Weer keek zij op haar horloge.

Nog een minuut voor elf uur. De seconden leken haar uren. Haar slapen bonsden, het hart klopte haar in de keel.

Wat zou de volgende minuut haar brengen? Allerlei fantastische beelden vlogen door haar brein.

Van den kerktoren weergalmden elf metalen slagen. Langgerekt klonken de tonen door den zwijgenden nacht.

Nauwelijks was de laatste slag gevallen, of het aandachtig luisterende oor der Lady vernam schreden, welke snel het tuinhek naderden.

Haar hart klopte, alsof het zou barsten.

„Eindelijk!” fluisterde zij en snelde naar de deur, welke zij opende.

Doch met een kreet van schrik wankelde zij achteruit.

In de deuropening stond de donkere gestalte van een rijzigen man, wiens gelaat met een halfmasker was bedekt.

Onbeweeglijk bleef de zwarte gedaante op den drempel staan.

Een paar schitterende oogen, die uit het masker haar aankeken, boorden zich in het angstige, bleeke gelaat der Lady.

„Wie zijt gij?”

„Een vriend der armen en bedrukten,” klonk het op diepen, vollen toon halfluid terug.

„Wat wilt ge?” vroeg de Lady bevend.

„Een misdaad voorkomen, waartoe gij, Lady, aanleiding geeft.”

Na een korte pauze, waarin Lady Morvill nauwelijks durfde ademhalen, vervolgde de zwarte gedaante:

„Gij verwacht den jongen Wilkens hier. Gij wacht tevergeefs!”

„Komt hij niet?” ontsnapte het aan de lippen der dame.

„Neen! Ik heb het hem belet!”

„Mijn hemel! Wie zijt gij dan?”

„Dat komt er voorloopig niets op aan. Gij hebt John Wilkens overgehaald tot een misdaad, welke ik nu voor hem heb gepleegd. Gij wildet met den onervaren jongeling vluchten en wachttet op hem. Dat is tevergeefs, zooals ik u reeds zeide.

Keer daarom naar huis terug en zorg er voor, dat geen verdenking op Johnny valt. Dat is het allerminste wat gij voor hem kunt doen.

Neem u in acht, om voortaan weer dergelijke pogingen te wagen!

Ik ken uw plannen en bedoelingen. Ik weet, dat gij tot elken prijs van uw echtgenoot weg wilt.

Alleen deze gedachte reeds is een misdaad. Doe echter wat gij wilt, doch laat den jongen Wilkens er buiten. Hij is er te goed voor, dan dat gij zijn leven en dat zijner moeder zoudt mogen vernietigen.

Ik ken den Lord en ik ken u, Mylady. Gij zijt elkaar waard en het zou eeuwig jammer zijn als zoo’n prachtig paar gescheiden werd.

Daarom zorg ik er heden voor, dat dit u onmogelijk is. Bedenk, dat ik uw bedoelingen ken en dat ik u zou kunnen vernietigen, als ik den Lord de bewijzen bracht van uw handelingen.

Opdat gij echter weet, wie zijn hand beschermend over John Wilkens uitstrekt, wil ik u zeggen wie ik ben.”

De onbekende nam het masker van zijn gelaat, trad naar de Lady toe en sprak:

„De wereld kent mij als John Raffles, onthoud dit gelaat, Lady. Gij zult het terugzien en zwijgen.”

Met een hypnotiseerende uitdrukking rustten de glinsterende zwarte oogen op het gelaat der Lady.

Een oogenblik stond zij als versteend, daarop echter gleed een uitdrukking van triomf over haar gelaat.

„Raffles! Gij zijt Raffles?” klonk het van haar lippen. „Hoezeer heb ik u, uw moed en vastberadenheid altijd bewonderd! Gij hebt mij den shawl gebracht?”

„Zeker Mylady, hier is het bewijs!”

Raffles nam uit zijn portefeuille een haarlok, welke hij bij zijn nachtelijk bezoek van het hoofd der slapende had geroofd.

Lady Morvill greep de hand, die de haarlok vasthield en fluisterde op ontroerden toon: [14]

„Hoezeer heb ik ernaar gesmacht, een man als u te leeren kennen.”

Op scherpen toon viel de groote onbekende haar in de rede:

„Mylady! John Wilkens wacht op uw hulp! Bij mij hebben uw kunsten geen succes. Ga heen!”

Met fier opgerichte gestalte stond hij daar, als een God der Wrake en met zijn rechterhand wees hij naar de deur.

De Lady bukte zich, als had zij een zweepslag gekregen.

Langzaam verliet zij het tuinhuis en vloog naar huis.

Lang volgde Lord Lister haar met de oogen, daarop verliet ook hij den koepel en was weldra in het donker park verdwenen.

[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

Een verhoor en zijn gevolgen.

Angstig was de Lady de zijtrap opgesneld, die dicht bij haar vertrekken op den corridor der eerste verdieping uitkwam. Reeds wilde zij haar boudoir binnensluipen, toen de deur van het studeervertrek van den Lord werd geopend en Tom, de oude kamerdienaar, snel naar buiten trad.

Toen hij de Lady bemerkte, snelde hij naar haar toe en sprak haastig:

„Mylady, er is op onbeschaamde wijze bij ons ingebroken. Zooeven heb ik den heer secretaris in de studeerkamer van Zijn Lordschap gevonden.

Ik heb Zijn Lordschap onmiddellijk telephonisch bericht naar de Club gezonden en de politie gewaarschuwd.

Beide zullen dadelijk hier zijn. Ik hol nu naar beneden om den portier alles te vertellen.”

Met deze woorden stormde hij opgewonden de trap af.

De Lady, die onaangenaam verrast was door deze ontmoeting, en het meer dan onpleizierig vond dat men haar in reistoilet had gezien, ging haar boudoir binnen en verwisselde snel van kleeren.

Daarop ging zij de studeerkamer van den Lord binnen, waar zij Wilkens, ontdaan van zijn boeien, op de sofa zag liggen, terwijl de bediende George hem van tijd tot tijd iets liet drinken.

De bediende stond vol eerbied op bij het binnentreden der Lady.

Ook Wilkens wilde spreken, de Lady gaf hem echter een wenk om te zwijgen, wel begrijpend, dat in tegenwoordigheid van den bediende een onvoorzichtig woord gevaarlijk kon worden.

„Houd u rustig, lieve Mr. Wilkens, en herinner u het gebeurde goed, opdat gij straks den Lord en de politie de gewenschte inlichtingen omtrent het gebeurde kunt verstrekken. De zaak moet opgehelderd worden!”

Zij sprak deze laatste woorden met bijzonderen nadruk en liet ze vergezeld gaan van een waarschuwenden blik.

Wilkens had haar begrepen en sprak op zachten toon:

„Mylady kan onbezorgd zijn, ik herinner mij alles.”

De Lady verwijderde zich om geen achterdocht te wekken en wachtte op de komst van haar echtgenoot en van de politie.

Beide lieten niet lang op zich wachten. Zij kwamen bijna op hetzelfde oogenblik.

Terwijl de Lord nog in de vestibule stond en daar naar het verhaal van den kamerdienaar luisterde, arriveerden politie-inspecteur Baxter, detective Marholm en twee agenten.

Vol eerbied groette Baxter den voornamen heer, hoorde van hem nogmaals, wat er gebeurd was en liet zich door Tom vertellen, hoe hij den secretaris had gevonden.

Deze berichtte:

„Ik wilde mij eigenlijk met George ter ruste begeven en was op weg naar mijn kamer. Zooals het mijn gewoonte is, ging ik echter nog eens de gang [15]door om mij ervan te overtuigen of de vensters goed gesloten waren.

Toen ik voorbij de deur der studeerkamer ging, hoorde ik een zacht gekerm.

Ik luisterde en toen dit zich herhaalde, ging ik de kamer door de gangdeur binnen. Op de sofa lag, aan handen en voeten gebonden en met een prop in den mond, mijnheer de secretaris.

George en ik bevrijdden hem vlug van zijn boeien en sinds dat oogenblik ligt hij nog geheel uitgeput boven in de kamer van zijn Lordschap.”

„Goed, laat ons naar boven gaan en hooren, wat Wilkens ons te vertellen heeft,” sprak de Lord koel en ging vooruit.

Inspecteur Baxter en detective Marholm volgden.

Wilkens had zich intusschen hersteld en zijn plan gemaakt.

Toen de Lord binnentrad, stond hij op, maar deed zich zwakker voor dan hij inderdaad was.

„Wat ter wereld is er hier gebeurd, Wilkens?” vroeg de Lord. „Vlug, vertel, opdat deze heeren, die van de politie zijn, de noodige maatregelen kunnen nemen.”

„Uw Lordschap,” antwoordde Wilkens met zwakke stem, „ik kan eigenlijk maar weinig vertellen. Ik werkte in mijn bureau en wilde eenig achterstallig werk afmaken, om met alles bij te zijn. Daarom bleef ik langer dan gewoonlijk hier.

Plotseling kreeg ik een hevigen slag op het hoofd, die mij bewusteloos maakte. Toen ik weer bijkwam, lag ik geboeid op de sofa in uw studeerkamer met een knevel in den mond. Alle moeite om mij te bevrijden, was vergeefsch. Eindelijk, na een tijd, die mij een eeuw toescheen, kwam Tom en hielp mij.

Meer weet ik niet mede te deelen.”

Inspecteur van politie Baxter had intusschen een tafel in het midden van de kamer laten zetten, daarop een bundel acten neergelegd en zijn vulpen in gereedheid gebracht.

Met een gewichtige houding nam hij aan de tafel plaats en begon het verhoor.

Nadat John Wilkens de noodige opgaven omtrent zichzelf had verstrekt, vroeg Baxter hem:

„Om hoe laat had de overrompeling plaats?”

„Het kan ongeveer 10 uur zijn geweest,” antwoordde John Wilkens na een korte aarzeling.

„Precies weet ik het niet, want ik was verdiept in mijn werk.”

Lord Morvill was intusschen het bureau van zijn geheimsecretaris binnengegaan en merkte dadelijk op, dat de brandkast niet gesloten was.

Na eenige oogenblikken snelde hij terug naar de kamer, waarin het verhoor plaats vond. Hij was zoo bleek als een lijk en had een briefje in de hand, dat hij zwijgend voor Baxter neerlegde.

Deze nam het op en las:

„Mylord!

Eenige dagen geleden heb ik mijn leven gewaagd om mevrouw uw echtgenoote een dienst te bewijzen en haar verloren eigendom terug te bezorgen. Heden heb ik daarvoor mijn belooning gehaald.

JOHN C. RAFFLES.”

Inspecteur Baxter sloeg met de gebalde vuist op tafel.

„Alweer een Rafflesstreek! Wij moeten dien ellendeling toch eindelijk onschadelijk maken!”

„Het wordt zeer zeker tijd,” kon Lord Morvill niet nalaten te antwoorden, „dat onze politie eindelijk eens succes heeft!”

Baxter scheen deze woorden niet te hooren en wendde zich tot Lord Morvill met de beleefde vraag:

„Zou het uw Lordschap mogelijk zijn, te bepalen wat den schurk in handen is gevallen?”

„Zeker, ik heb er mij reeds van overtuigd. Ik heb nooit groote bedragen in huis en zoodoende bevatte de brandkast niet meer dan een paar honderd pond. Deze heeft de misdadiger echter onaangeroerd gelaten.

Daarentegen bevond zich echter een pakket met geldswaardige papieren in de kast. Het bevatte den geheelen bruidsschat mijner vrouw en dit pakket is verdwenen.”

„Heeft uw Lordschap de Lady dit verlies reeds medegedeeld?” vroeg de inspecteur.

„Neen Sir, maar dit kan onmiddellijk geschieden.”

„Mag ik u dan misschien verzoeken om de Lady te willen vragen, hier te komen?”

„Als gij er op gesteld zijt, zeker.”

Lord Morvill gaf George een bevel.

De bediende boog en verdween in de gang, waarop het boudoir der Lady uitkwam.

Baxter ondervroeg nu Tom omtrent de bijzonderheden, hoe deze John Wilkens had gevonden.

De deur werd geopend en Lady Morvill trad binnen.

Eerbiedig stonden de heeren op. Lady Morvill [16]dankte met een gracieuze hoofdbeweging en nam op een stoel plaats.

Baxter keek vol spanning den Lord aan, die echter niet geneigd scheen, zijn vrouw toe te spreken.

Lady Morvill leunde in achtelooze houding in haar stoel, af en toe een klein reukfleschje naar haar neus brengend.

Eindelijk stond Baxter op en sprak, zich met een sierlijke buiging tot de Lady wendend:

„Zou Mylady zoo goed willen zijn, ons de toedracht der zaak mede te deelen, voor zoover zij die kent?”

„Ik kan u eigenlijk in ’t geheel niets mededeelen, heer inspecteur. Tom vertelde mij, dat men den geheimsecretaris had overvallen; ik ging het bureau binnen en vond den heer Wilkens daar, geheel onder den indruk van het voorgevallene. Dat is alles.”

Met een onverschillige uitdrukking op het gelaat stond Lady Morvill op, ging naar een tafeltje in een hoek der kamer en nam uit een bonbonnière welke daar stond, eenige snoeperijen.

Inspecteur Baxter was blijkbaar verlegen.

Na een korte pauze sprak hij:

„Pardon, Mylady, maar ik moet u nog met een paar vragen lastig vallen.”

Ongeduldig haalde Lady Morvill de schouders op en keek Baxter vragend aan.

Deze vervolgde:

„Dus Tom kwam bij Mylady in het boudoir om te melden—”

De bediende viel den inspecteur in de rede:

„Neen, ik wilde mij juist naar de kamers van Mylady begeven, toen haar Ladyship de kleine trap opkwam.”

Lord Morvill keerde zich om en keek zijn echtgenoote met vragenden blik aan.

„Nu ja—ik had in het park gewandeld.”

„Was het tegen 11 uur in den avond?” vroeg inspecteur Baxter zacht.

„Zeker,” antwoordde de Lady kortaf. „Ik had een beetje hoofdpijn.”

De Lord wierp een scherpen blik vol achterdocht op zijn echtgenoote en sprak langzaam:

„Dat is in strijd met je gewoonte. Je gaat anders altijd vroeg naar bed.”

Als twee dolken kruisten elkaar de blikken der beide echtgenooten, toen Lady Morvill antwoordde:

„Dezen keer beliefde het mij, in het park te wandelen.”

Nadat zij haar echtgenoot een minachtenden blik had toegeworpen, wendde zij zich tot Baxter en vroeg:

„Wenscht gij nog meer inlichtingen, mijnheer de inspecteur?”

„Neen, Mylady. Ik dank u zeer beleefd. Mij rest alleen nog de treurige plicht, uwe Ladyship mede te deelen, dat uw geheele bruidsschat in handen van den inbreker is gevallen.”

„Zoo?” antwoordde de Lady en verliet met een hoofdknikje tegen Baxter het vertrek.

Verbaasd keek Lord Morvill zijn echtgenoote na en verzonk daarna in gedachten.

Nadat de inspecteur eenige aanteekeningen had gemaakt, stond hij op en keek den Lord aan.

Deze stond nog steeds met over elkander geslagen armen naar den grond te kijken.

Baxter kuchte zacht en sprak:

„Wij willen uw Lordschap niet langer lastig vallen; voor vandaag weten wij genoeg.”

„Goeden nacht, Sir!”

Met een hoofdbeweging gaf de Lord den beambten te verstaan, dat zij wel konden heengaan. Deze vertrokken en Lord Morvill zuchtte diep.

„Tom, gij kunt wel gaan slapen. George moet nog opblijven, voor het geval, dat ik hem noodig mocht hebben.

Nu wensch ik alleen te zijn.”

Beide bedienden trokken zich terug.

Toen de deur achter hen was gesloten, nam Lord Morvill in een gemakkelijken armstoel plaats en leunde met het hoofd in de rechterhand.

„Wat beteekent dit?” mompelde hij, „om half elf des nachts in het park.… het bericht, dat haar bruidsschat verloren is, ontroert haar zoo weinig; dat men zou veronderstellen, dat zij ervan weet.…

Wat beteekent dit? Ik moet het geheim op het spoor komen.”

Vastberaden stond hij op en ging naar de gang, die naar de kamers der Lady voerde.

Gebruik makend van de kleine zijtrap, bevond hij zich al spoedig buiten.

Toen Lord Morvill in het park was gekomen, bleef hij een oogenblik staan en keek met scherpen blik langs de door het maanlicht beschenen paden.

Niets bijzonders vertoonde zich.

Werktuigelijk sloeg hij een zijweg in, toen een licht voorwerp zijn aandacht trok. Hij bukte en vond het kanten zakdoekje der Lady dat zij bij haar snellen loop naar huis had verloren.

„Dus hier is zij geweest,” mompelde Morvill. Opkijkend, [17]viel zijn blik op den Japanschen koepel en een inwendige stem riep hem toe:

„Ga daarheen!”

De Lord snelde voorwaarts en had spoedig het huisje bereikt.

De deur stond op een kier, hij opende haar en trad binnen. De maan, die op de ruiten viel, verlichtte helder den vloer.

Wat was dat?

Daar in dien hoek stond een reistasch.

De Lord ging er naar toe, nam haar op en zette ze op een stoel. Daar het sleuteltje er aan een bandje aanhing, was het een kleinigheid voor hem om de tasch te openen.

Behalve de voor een dame benoodigde toiletartikelen voor een reis vond hij alle juweelen der Lady erin.

Een onderdrukte kreet van woede kwam van de lippen van den Lord. Nu begreep hij alles.

Zijn vrouw had willen vluchten, doch was verrast en had de reistasch vergeten.

Hoe kon dit alles echter met elkaar in verband staan? De toebereidselen tot de vlucht der Lady, de inbraak door Raffles?

Wie was deze Raffles?

Stond de Lady in eenige betrekking tot hem?

Maar dat kon toch niet mogelijk zijn, want die groote onbekende was verdwenen met den bruidsschat, terwijl de Lady nog hier in het tuinhuis was.

Duizend gedachten en veronderstellingen doorkruisten het brein van den Lord.

Plotseling viel zijn blik op iets donkers, dat op tafel lag. Hij nam het op en zag, dat het de haarlok was, die Raffles daar had neergelegd ten bewijze, dat hij de geheimzinnige nachtelijke brenger van het kanten doekje was geweest.

Het gelaat van den Lord was verwrongen van jaloezie en woede.

Met een beweging vol afschuw wierp hij de haarlok in de reistasch, sloot die en ging terug naar de villa, de tasch meenemend.

Toen Lord Morvill het Japansche tuinhuis verliet bemerkte hij niet, dat een donkere gedaante snel achter een boomstam schoof.

Peinzend vervolgde Lord Morvill zijn weg en was weldra langs de kleine zijtrap in de villa verdwenen.

Toen kwam de donkere gedaante uit de schaduw van den boom te voorschijn en werd zichtbaar in het glanzende maanlicht.

Het was Lady Morvill.

Toen zij eenigszins was bekomen van de ontsteltenis, doorleefde zij in gedachten nogmaals het geheele verhoor en plotseling voelde zij een hevigen schrik. Zij bedacht, dat zij haar reistasch, het bewijs harer schuld, in het tuinhuis had achtergelaten.

Ontzetting maakte zich van haar meester.

Als Raffles de tasch had gevonden en ook haar juweelen geroofd, dan was zij verloren, want zonder geldmiddelen kon zij er niet aan denken, de zoozeer verlangde vrijheid te verkrijgen.

Toen dit tot haar bewustzijn was doorgedrongen, sloop zij de zijtrap af, die naar het park leidde, en spoedde zich naar den koepel, in de hoop, de tasch daar nog te vinden.

Juist toen zij in den koepel wilde sluipen, kwam Lord Morvill daar echter uit te voorschijn en nam de tasch mede naar huis.

Het gelaat der Lady was doodsbleek, toen zij nu uit de schaduw van den boomstam te voorschijn kwam. Met trillende lippen drukte zij de handen op het wild kloppende hart.

Daar ging haar echtgenoot met de tasch, die door haar rijken inhoud de eenige mogelijkheid bood om vrij te worden.

Zij begreep, dat zij voortaan onherroepelijk in de macht was van den gehaten, ruwen man.

Woede, haat en angst misvormden het gelaat der schoone vrouw. Dreigend hief zij den vollen, blanken arm op, die in het zilveren maanlicht als uit marmer gehouwen scheen.

„Als je mij de vrijheid niet teruggeeft, moet je sterven,” klonk het sissend van haar lippen.— —

Toen Lord Morvill zijn werkkamer was binnengegaan, nam hij de kostbaarheden uit de reistasch der Lady en sloot die weg in de brandkast. Den verderen inhoud liet hij onaangeroerd, hij zette zwijgend de reistasch voor de deur, die toegang gaf tot de vertrekken der Lady en keerde naar zijn werkkamer terug.

Hij drukte op de electrische bel en gaf, toen George was verschenen, dezen bevel om de auto onmiddellijk gereed te maken voor een tocht naar villa Victoria.

De Lord had een besluit genomen.

Hij meende nu zeker te mogen gelooven, dat hij den verleider van zijn vrouw kende.

Het kon geen ander zijn dan Lord Westerbull. Het viel hem op, dat deze heden, in strijd met zijn gewoonte, niet op de club was geweest. De heeren plachten des Donderdags de Club vroeger dan anders te verlaten en gezamenlijk naar villa Victoria te rijden.

Lord Morvill had heden niet meer kunnen gaan, daar hij door Tom van de Club naar huis was geroepen. Nu [18]wilde hij zich er van overtuigen, of Lord Westerbull in villa Victoria was.

Hij twijfelde er aan, maar hoopte door zijn kennissen op het spoor te worden gebracht.

Zijn bloed kookte van opgewondenheid. Als hij den vent kon overrompelen, zou deze moeten sterven.

Lord Morvill nam een Browning-pistool uit zijn schrijftafel en stak die in zijn zak.

Op dit oogenblik kwam George berichten, dat de auto gereed stond.

Door het binnenkomen van den bediende, die op de geheime tochten van den Lord de plaats van chauffeur innam, was de Lord zoo verrast, dat hij vergat, den sleutel uit de schrijftafel te nemen.

Hij verliet zijn studeerkamer. George draaide het electrische licht uit en volgde zijn heer.— — —

Lady Morvill had, langzaam het park doorloopend, de kleine zijtrap bereikt. Zij beklom deze en wilde zich in haar kamers terugtrekken, toen haar voet tegen een voorwerp stiet.

Het was haar reistasch. Haastig nam zij die op en was er mee achter de deur verdwenen. Zij draaide het electrische licht op en opende de tasch.

Een kreet ontsnapte aan haar lippen.

De juweelen, haar laatste redmiddel, waren verdwenen.

Wat zij had gevreesd, was bewaarheid en door het feit, dat haar echtgenoot de tasch voor haar deur had gezet, kreeg zij de onomstootelijke zekerheid, dat niet Raffles, maar Lord Morvill, in het bezit van de juweelen was.

Zij moest ze terughebben, tot elken prijs. Er mocht gebeuren, wat er wilde. Nog eenmaal wilde zij den Lord smeeken:

„Geef mij mijn vrijheid terug!” Als dat niet hielp, moest zij haar kleinodiën terug hebben, om daardoor haar vrijheid te kunnen terugkrijgen.

Onmiddellijk wilde zij een poging wagen.

Vastberaden verliet zij haar boudoir, om haar echtgenoot in diens werkkamer op te zoeken.

Toen op haar kloppen geen antwoord volgde, opende zij de deur en trad de pikdonkere studeerkamer binnen.

Een oogenblik aarzelde de jonge vrouw, toen draaide zij het electrische licht op.

Met snellen blik overzag zij het vertrek doch niets bijzonders vertoonde zich.

Plotseling bleef zij naar de schrijftafel staren; de sleutel was in het slot blijven steken!

De Lady snelde naar het meubel en opende de lade. Het eerste, waarop haar blik viel, was een brief aan het adres van den Lord.

Zij ging in den bureaustoel zitten en nam den brief uit het couvert.

Met het hoofd in de hand verdiepte zij zich geheel in het lezen er van.

Duidelijk drukte haar gelaat de gewaarwordingen uit, door het lezen bij haar opgewekt. Verbazing, smart, woede en afschuw waren daarop duidelijk zichtbaar.

De inhoud van den brief luidde als volgt:

„Waarde Lord!

Het is mij nu toch gelukt, de kleine Manon, die tot dusverre steeds bleef weigeren, over te halen tot een bezoek aan de villa. Zij zal hedenavond en wel met een vriendin, Lucie, die ik ook heb leeren kennen, in ons gezelschap zijn.

Ik kan u, mijn waarde Lord, de verzekering geven, dat Lucie nog meer aan mijn smaak beantwoordt dan uw jongste ideaal Manon.

Zij is buitengewoon goed ontwikkeld voor haar vijftien jaar. Een kleine, blonde duivelin, die mij verrukte door haar allergrappigste invallen.

Enfin, gij zult zelf zien.

Daar ook onze oude vriendinnen, die nog niet zijn afgedankt, van avond zullen komen, zullen wij een prachtig gezelschap bijeen hebben.

Verzuim den tijd niet, elke minuut zal „kostbaar” zijn!— —

Tot ziens dus, hedenavond in villa Victoria.

Uw trouwe

Harro.”

Toen Lady Morvill den brief had gelezen, zonk haar arm machteloos neer.

Haar hand hield het papier vast omklemd, terwijl haar oogen vonken schoten. Met een ruk stond zij op en siste tusschen de opeengesloten tanden:

„Weer een bewijs! En aan dit monster moet ik geketend blijven! Hij durft mij verwijten, dat ik met anderen flirt. Ik verdraag dit leven niet langer. Als hij mij niet vrij laat, moet hij sterven!”

Zij streek den brief weer met haar hand glad en deed hem opnieuw in het couvert.

Terwijl zij hem weer in de lade borg, viel haar blik op een fleschje, dat een groenachtig poeder bevatte. Zij nam het op en keek er aandachtig naar. Het fleschje bevatte een sneldoodend vergift, dat de Lord van zijn Afrika-reis had meegebracht. In gezelschappen had hij er dikwijls van verteld. [19]

Lady Morvill herinnerde zich nog precies, hoe de Lord op zekeren dag aan een zijner vrienden had getoond, hoe de uitwerking van het gift was.

Een weinig van het gevaarlijke poeder werd in het drinkwater van een hond gestrooid en het arme dier daarna tot drinken gedwongen. Bijna oogenblikkelijk was de werking ingetreden.

De Lady was toen zeer bedroefd geweest, daar zij veel van den hond had gehouden en de ruwheid, die uit deze daad van haar echtgenoot sprak, haar afschuw jegens hem nog vergrootte.

Nu hield zij het fleschje met het vergift in haar hand. Doodelijke bleekheid bedekte haar gelaat.

Een vreeselijk plan kwam in haar brein tot rijpheid.

Dit alleen kon haar de vrijheid brengen!

Bijna liefkoozend drukte zij het fleschje aan het hart en verborg daarop den kostbaren schat in haar japon.

Snel de lade der schrijftafel sluitend, wierp zij een schuwen blik om zich heen, draaide haastig het electrische licht uit en verdween in de gang, die naar haar kamers leidde.

[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

De geheimzinnige villa.

Buiten de stad in Roehampton, naar den kant van het Richmond-park, lag villa Victoria.

Het was een allerliefst, bekoorlijk nestje, dat Lord Morvill en zijn vrienden zich daar hadden laten inrichten.

Omringd door een tamelijk groot park met breede kiezelwegen, standbeelden en waterwerken, maakte het den indruk van een klein Versailles.

Grotten en heestergroepen noodigden uit tot vertrouwelijke samenkomsten.

Het inwendige van de villa was volkomen met dit alles in overeenstemming.

De groote zaal, waarop waaiervormig verscheiden andere vertrekken uitkwamen, was geheel in Moorschen stijl gehouden. Groote kroonlichten, die van het plafond afhingen, verspreidden een rijkdom van licht, dat door hooge spiegels, die van het plafond tot op den vloer reikten, werd weerkaatst.

Voor de kunstig gebeeldhouwde zuilen, die gekroond waren met vergulde drakenkoppen, verhieven zich smaakvolle standaards, welke bloeiende uitheemsche planten droegen.

Overal zag men hangers met frisch groen en welriekende bloemen.

Een gezelschap van vijf heeren en zeven dames bewoonde het huis. De mannelijke leden van het gezelschap waren deels in rok, deels in smoking verschenen.

Elk kennersoog moest verrukt zijn door het zien van deze dames.

Een rij uitgelezen schoonheden, ieder van een ander type.

Twee gegalloneerde bedienden hadden zooeven de resten van het souper afgeruimd en de gasten stonden in afzonderlijke groepjes bij elkaar.

De heeren offreerden de dames sigaretten en weldra stegen blauwe rookwolkjes op, wier lucht zich vermengde met de geuren der bloemen en parfums.

Op een ottomane lag, lang uitgestrekt, een gevulde blondine. Haar rossig haar omlijstte een fijngesneden pikant gezichtje en hulde het als in een gouden stralenkrans. Zij had den linkerarm onder het hoofd gevouwen, terwijl de rechterhand gracieus de sigaret vasthield.

Eenige kringen in de lucht blazend, sprak zij tot een jong meisje, dat juist op een kussen naast haar ging zitten:

„Nu, lieve Manon, is het niet verrukkelijk in ons kleine Paradijs?”

De toegesprokene wendde haar groote donkere oogen naar de spreekster en antwoordde: [20]

„Ja, het is werkelijk zalig. Ik wou Harro eigenlijk niet gelooven, toen hij mij alles zoo bekoorlijk voorschilderde, en zou ook niet gekomen zijn, als Lucie mij niet zoo had verveeld.”

Een rijzige jonge man kwam bij de praatster, pakte een der kleine, rozige oorlelletjes, kuste dat en vroeg vroolijk:

„Daar juist hoorde ik mijn naam noemen. Wat zou de arme Harro weer misdaan hebben?”

„Deze keer bij uitzondering geen domme streken!” klonk het lachend terug, en Manon bevrijdde haar oorlapje uit de aangename gevangenschap.

Daarna sprong ze licht als een veertje overeind en zweefde met een der andere heeren, die zich op dat oogenblik bij het groepje had aangesloten, weg, gracieus ronddraaiend op de maat van een wals.

Een der heeren was intusschen aan den vleugel gaan zitten en liet een aanlokkelijk wijsje weerklinken.

Lord Westerbull, die tegen een der zuilen aan leunde, zei tot een der voor hem staande heeren:

„Graaf Armani, ik geloof toch, dat ik uw smaak geraden heb, toen ik u uitnoodigde, met mij naar dit goddelijkst hoekje der wereld te gaan.”

De aldus toegesprokene streek met zijn welverzorgde hand, waaraan een gouden ring schitterde, door zijn donkeren puntbaard en antwoordde glimlachend:

„Ik ben u zeer verplicht, Lord. Alleen betreur ik het, dat ik niet de eer zal hebben, aan den bezitter van al deze kostbaarheden te worden voorgesteld, om hem mijne excuses aan te bieden voor mijn vrijpostigheid.”

De spreker was een lange man van bij de veertig. Een donkere puntbaard omlijstte de scherpe, edele trekken van zijn gelaat.

„Ik ben ervan overtuigd, beste Graaf,” zei Lord Westerbull, „dat Lord Morvill binnen korten tijd hier zal zijn. Een heel bijzondere magneet trekt hem namelijk vandaag hierheen.”

Hij wees hierbij met een alleszeggend knipoogje naar Manon, die daar juist met haar vriendin Lucie als een dolleman voorbij de beide heeren danste.

Graaf Armani volgde den blik van Lord Westerbull, en een gedwongen glimlachje kwam op zijn gelaat.

Op dit oogenblik ging de deur open en Lord Morvill trad de zaal binnen.

De bekoorlijke blondine liet zich gauw van de rustbank glijden en vloog naar Lord Morvill toe. Terwijl zij haar mollige, blanke armen om zijn hals sloeg, vertrok zij haar roode mondje tot een bekoorlijk pruillipje en vroeg:

„Waar ben je toch zoo lang geweest, my dear? Je kleine Nelly heeft zoo erg naar je verlangd?”

Lord Morvill weerde de liefkozingen af en duwde zonder een woord te antwoorden de schoone vraagster op zij. Zijne oogen vlogen door het vertrek en bleven op Lord Westerbull rusten. Haat en woede stonden op zijn gelaat te lezen.

Lord Westerbull scheen dit niet te bemerken, hij knikte Morvill vriendschappelijk toe en trad hem tegemoet om hem de hand te drukken. Deze echter keek Westerbull met een doordringenden blik aan en zei op scherpen toon:

„Lord Westerbull, ik moet u om een onmiddellijk onderhoud onder vier oogen verzoeken.”

Toestemmend boog de Lord en antwoordde:

„Ik ben dadelijk tot uw dienst. Sta mij toe, mijn waarde, graaf Armani aan u voor te stellen. Ik had het genoegen, met hem kennis te maken, toen ik twee jaar geleden uit Brazilië terugkeerde. Vanmiddag ontmoetten wij elkaar toevallig in een café.

Daar ik de voorliefde van den graaf voor schoone vrouwen kende, vertelde ik hem van dit kleine paradijs, dat uw goedheid en uw fijne smaak voor ons heeft geschapen.”

„Natuurlijk was ik verrukt,” begon graaf Armani, „en verzocht Lord Westerbull, of hij mij niet in dezen kring zou kunnen introduceeren. Zijn Lordschap was zoo vriendelijk, mij borg te staan voor uwe welwillende toestemming, Lord Morvill, en nu ben ik dan hier, om u vergiffenis te vragen voor mijn vrijpostigheid en uw verlof voor een langer verblijf.”

„Wees hartelijk welkom, graaf, maak het u zoo behaaglijk mogelijk in dezen kring van vreugde en genot,” zei Lord Morvill vriendelijk en reikte hem de hand.

Armani dankte met eene ceremonieele buiging en trad bescheiden achteruit.

„Ik dank u, beste Lord,” zei Westerbull, „dat gij mijn woord gestand hebt gedaan en ben gaarne tot uw dienst.”

Lord Morvill noodigde Westerbull met een kort gebaar uit en trad een der zijvertrekken binnen, Westerbull volgde hem.

Morvill had de deur dicht gedaan en liep met groote stappen opgewonden door de kamer.

Westerbull keek hem verbaasd na, en stak, tegen den schoorsteenmantel geleund, een sigaret aan.

Nog steeds zette Morvill zijn wandeling voort, af en toe Westerbull met onderzoekenden blik aankijkende.

Eindelijk vroeg deze lachend: [21]

„Ha, beste Lord, hebt gij mij naar dit vertrek gelokt, om mij een kleinen wedloop te laten zien?”

De Lord bleef dicht voor Westerbull staan en vroeg kortaf:

„Waar waart gij vanavond?”

Verbaasd keek Lord Westerbull zijn overbuur aan en antwoordde kalm:

„Sta mij toe, Lord, dat ik uw vraag met een wedervraag beantwoord. Wat gaat het u aan, waar ik mijn tijd doorbreng?”

Lord Morvill werd vuurrood in zijn gelaat.

„Maak maar geen uitvluchten en beantwoord mijn vraag. Waar waart ge vanavond?”

„Mijn beste Lord,” antwoordde Westerbull volkomen kalm, „ik bemerk, dat gij zeer opgewonden zijt. Al is mij ook de oorzaak hiervan onbekend, toch is mij dit voldoende, om de beleedigende toon en manier, waarop gij thans tegenover mij staat, vergeeflijk te doen schijnen. Wij zijn te oude en goede vrienden, dan dat een misverstand ons van elkaar moge verwijderen. Ik zal dus uw vraag beantwoorden.”

Morvill had zich afgewend en begon weer zijn zenuwachtige wandeling door de kamer.

Westerbull vervolgde:

„Zooals gij reeds gehoord hebt, ontmoete ik vandaag toevallig graaf Armani. Ik had hem de toezegging gedaan, hem hier te introduceeren. Eerst wilden we echter naar de Club. Ik had verwacht u daar te ontmoeten en door mijn tusschenkomst de heeren met elkaar in kennis te brengen.”

„Gij waart echter niet in de Club,” viel Morvill zijn overbuur in de rede.

„Dat is zoo, Lord. Armani had mij beloofd, om negen uur in café Royal te zijn. Ik wachtte echter tot 12 uur tevergeefs op hem. Toen hij eindelijk kwam, leek het mij beter direct hierheen te rijden.”

„Schurk, je liegt!” schreeuwde Morvill, trok zijn Browning-pistool uit zijn zak en mikte op Westerbull.

Op het oogenblik, dat hij wilde aftrekken, voelde hij een krachtigen slag tegen zijn benedenarm. De kogel, van zijn doel afgericht, drong met een slag in het plafond.

Het was graaf Armani, die op het beslissend oogenblik de kamer was binnengestormd en den slag op Lord Morvills arm had toegebracht.

Op het oogenblik dat het schot weerklonk, hoorde men in de Moorsche zaal luide kreten van schrik.

De muziek hield plotseling op en alles verdrong zich vóór het vertrek, waarin zich de heeren bevonden.

Graaf Armani ontving de indringers bij de deuropening.

Met een gemaakt lachje zei hij:

„Dames en heeren, ik verzoek u niet te schrikken, het is niets. Lord Morvill had daar juist de goedheid ons eene nieuwe beveiliging aan zijn pistool te laten zien. Het schijnt echter, dat deze niet geheel in orde was, want plotseling knalde een schot. Gelukkig is er geen onheil geschied. We zullen over een paar minuten bij u zijn. Voor ’t oogenblik verzoek ik, om een beetje rust voor Lord Morvill, die door het gebeurde wat geschrokken is.”

Het gezelschap liet zich spoedig geruststellen, en weldra drongen weer vroolijke klanken door tot de eenzaamheid van het kabinet.

Nadat graaf Armani de deur had gesloten, keerde hij in de kamer terug en zei op vriendelijken toon:

„Ik acht mij gelukkig, mijne heeren, dat ik op den eersten avond van mijn verblijf u beiden een dienst heb kunnen bewijzen. Ik hoop echter nog meer te kunnen doen, daar ik wellicht iets kan bijdragen tot opheldering van het misverstand, dat hier blijkbaar plaats heeft.”

Lord Morvill was met het nog rookende pistool in zijn hand in een stoel neergezakt. Zijn gelaat was krijtwit.

Lord Westerbull stond nog steeds tegen den schoorsteenmantel geleund. Met gefronste wenkbrauwen keek hij zijn aanvaller aan.

Opnieuw nam graaf Armani het woord:

„Mijne heeren, ik was getuige van de scène tusschen u beiden en hoorde uwe beschuldiging, Lord Morvill. Ik kan u mijn eerewoord geven, dat de beweringen van Lord Westerbull volkomen met de feiten in overeenstemming zijn.

Ik was verhinderd en kon beslist niet om negen uur in Café Royal zijn. Lord Westerbull had de overdreven goedheid daar tot 12 uur op mij te wachten en toen reden wij hierheen.”

Lord Morvill stond op van zijn stoel.

Hij voerde een zwaren inwendigen strijd. Opeens trad hij op Westerbull toe en sprak:

„Lord Westerbull, ik zie in, dat ik een onrecht tegen u heb begaan. Ik heb mij door mijn groote opgewondenheid, waarvoor ik u ook een verklaring zal geven, tot een onwaardige handelwijze laten voeren. Ik verzoek u om vergiffenis!”

Morvill had Westerbull de hand reeds toegestoken. Deze echter wierp een vernietigenden blik op zijn tegenstander en zei op snijdenden toon: [22]

„Lord Morvill schijnt niet veel eergevoel te hebben, als hij meent, met een paar woorden eene zware beleediging, ja de poging tot een sluipmoord, goed te kunnen praten.”

Zoo wit als de dood week Morvill een schrede achteruit en zei met een korte buiging:

„Ik ben tot uw dienst.”

Graaf Armani had dit optreden met belangstelling gevolgd en sprak, zich tot Lord Westerbull wendend:

„Maar, beste Lord, laat het niet tot het uiterste komen. Zijn Lordschap heeft zijn ongelijk al bekend en daarmede moet onder oude vrienden.…..”

„Het spijt mij zeer,” viel Westerbull hem in de rede, „dat ook gij op dit standpunt staat. Ik ben in elk geval gewend smaad met bloed uit te wisschen. Ge zult van me hooren!”

Met een korte buiging verliet Westerbull het kabinet.

Morvill wendde zich direct tot Armani en zei:

„Graaf, gij waart getuige van het gebeurde. Gij hebt mijn zonderlinge gedraging gezien. Gij zaagt de onzalige daad waartoe ik mij liet voeren en aan uwe tusschenkomst heb ik het te danken, dat ik thans geen moordenaar ben. Gij hebt daardoor recht op mijn oneindige dankbaarheid verworven.

Ik ben u ook een volledige verklaring verschuldigd, opdat gij mijn optreden zult kunnen begrijpen.

Wanneer gij alles weet, zal ik u verzoeken, bij het aanstaande duel mijn getuige te zijn, en gij zult mij dezen vriendschapsdienst niet weigeren.”

Lord Morvill had den graaf uitgenoodigd te gaan zitten en vertelde hem daarna nauwkeurig en zonder omwegen alles wat hij had doorleefd. Hij sprak van den roof van den bruidsschat zijner vrouw door Raffles, van zijn ontdekking in het tuinhuisje en van zijn jaloezie op Westerbull.

Nadat Morvill zijn verhaal had geëindigd, vroeg hij graaf Armani of hij genegen was, hem te secondeeren.

Armani verklaarde zich hiertoe bereid, waarop Morvill zei:

„Ik zal dus de eer hebben, u reeds in den loop van den voormiddag bij mij te zien?”

Graaf Armani knikte toestemmend. Tegelijkertijd kwam er een glimlach op zijn gelaat en hij mompelde:

„Dus, schoone Lady, spoedig zullen we elkaar terugzien.”

Op dit oogenblik traden twee heeren van het gezelschap de kamer binnen, stelden zich aan Lord Morvill voor als de secondanten van Westerbull en brachten formeel diens eisch over.

Lord Morvill noemde daarna graaf Armani als zijn getuige, en de heeren bespraken in ’t kort, waar ze elkaar over een paar uur zouden ontmoeten om de nadere voorwaarden voor het duel te bepalen.

Daarna verlieten Lord Morvill en graaf Armani de villa langs een zijtrap.

[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

De trouwe dienaar van zijn meester.

Lady Morvill had den nacht rusteloos in haar kamer doorgebracht.

Toen het bleeke licht van den aanbrekenden dag door de ruiten scheen verlichtte het het gelaat van de Lady, dat vaalbleek was.

Krampachtig hield haar hand het fleschje met het vergift omklemd. Duizenderlei gedachten, beelden en gewaarwordingen woelden thans in haar hoofd rond.

Hoe zou zij de zware daad volbrengen? Zij zelf voelde niet de kracht daartoe in zich. Zou zij aan John Wilkens vragen, of die haar wilde uitvoeren? Eens was hij al, ter wille van haar, inbreker geworden; zou hij ook moordenaar …?

Zij rilde al, alleen bij de gedachte, aan dat woord. [23]Zij wilde den giftbeker wegslingeren, doch hield hem daarna weer krampachtig vast. Zij zag hierin de eenige redding uit de ketenen van een rampzalig huwelijk.

Lady Morvill was gewoon zich eerst tegen 11 uur uit Morpheus’ armen te bevrijden. Vandaag zag de morgenschemering haar reeds buiten haar legerstede.

Zij had geen lust om zooals gewoonlijk het kamermeisje te bellen. Zij had zelf een lichte morgenjapon aangedaan en zat nu voor haar elegante schrijftafeltje in het boudoir. Zij wilde schrijven, doch wist niet wat en aan wien. Mismoedig sprong zij overeind en liep rusteloos rond.

Op welke wijze toch zou zij de ketenen kunnen afwerpen? Eindelijk scheen zij een besluit te hebben genomen. Zij drukte op den knop der electrische schel.

Het geduld der schoone Lady werd heden op een zware proef gesteld. Eerst nadat zij voor de derde maal belde, verscheen het kamermeisje, geheel ontdaan, haar meesteres zoo vroegtijdig reeds wakker te vinden.

Zij informeerde, zeer geschrokken, of de Lady lijdende was.

Lady Morvill maakte een afwerend gebaar en vroeg kortaf:

„Is de Lord al thuis gekomen?”

Het kamermeisje meldde:

„Zijn Lordschap is ongeveer een half uur geleden thuis gekomen en trok zich dadelijk in zijn vertrekken terug.”

„Het is goed, breng mij chocolade.”

Het kamermeisje wilde zich met een buiging terugtrekken, toen de Lady haar nog toeriep:

„Meld mij even, zoodra mijnheer Wilkens op kantoor komt!”

Nogmaals buigend verliet het kamermeisje het boudoir.

Lord Morvill had zich niet, zooals het kamermeisje vertelde, ter ruste begeven. Van villa Victoria terugkomend ging hij dadelijk naar zijn studeerkamer.

Nadat hij eenige brieven had behandeld begon hij zijn uitersten wil neer te schrijven. Toen hij dat schriftuur had verzegeld sloot hij het op in het middelste vakje van zijn schrijftafel en belde zijn kamerdienaar.

Tom trad binnen. De Lord beval hem, de brieven dadelijk ter post te bezorgen, belet te vragen bij den zaakwaarnemer van den Lord en dezen te verzoeken zoo spoedig mogelijk bij hem te komen.

Daar hij meende nu voor alles te hebben gezorgd, stak hij een sigaret aan en ging op zijn rustbed liggen.

De slaap wilde echter niet komen. Lord Morvill liet zijn geheele vervloden leven aan zijn geestesoog voorbijgaan. Zijne echtgenoote, door wie hij zich zwaar beleedigd voelde, wilde hij niet terugzien, voordat hij zich met zijn tegenstander had gemeten.

Nog vóór zijn vertrek van villa Victoria had Lord Westerbull zijn secondanten benoemd en Morvill wist, dat deze nu reeds met graaf Armani en een bevriend heer uit de club de nadere regeling bespraken.

Weldra moesten de heeren komen om hem de voorwaarden van het duel mee te deelen.

De Lord volgde peinzend de rookwolken, die uit zijn sigaret kwamen.

Opeens trad Tom de kamer binnen en berichtte, dat John Wilkens juist zijn bureau was binnengegaan.

„Wil je Mr. Wilkens verzoeken, direct bij mij te komen.”

Tom verliet het vertrek om het bevel op te volgen, en een oogenblik later trad de geheim-secretaris de kamer van den Lord binnen.

Deze wees naar een stoel en zei:

„Kom bij mij zitten, beste Wilkens, ik heb het een en ander met u te bespreken.”

De secretaris had een stoel dicht bij het rustbed, waarop Lord Morvill lag uitgestrekt, gezet en plaats genomen.

Lord Morvill vervolgde:

„Ik zal waarschijnlijk over een paar uur op reis gaan en weet nog niet hoe lang ik van huis zal blijven. Behandel alle zaken zooals gewoonlijk; opdat ge niet in verlegenheid zult zitten, overhandig ik u hier een cheque van 500 pond. Mochten zich complicaties voordoen, stel u dan in verbinding met mijn zaakwaarnemer. Ik verwacht dezen ieder oogenblik en zal alles met hem bespreken.”

De Lord had den cheque ingevuld en reikte hem over aan Wilkens. Daarop trok hij een ring van zijn vinger. Het was een zoogenaamde Rance-Topaas, die door kleine brillanten was omgeven.

Lord Morvill overhandigde dezen ring aan Wilkens met de woorden:

„Beste Wilkens, ik was altijd zeer tevreden over u. Opdat ge niet zal denken, dat ik u medeplichtig acht aan den diefstal van gisteren, of u van onachtzaamheid of plichtsverzaking verdenk, verzoek ik u dezen ring aan te nemen en als aandenken aan mij te dragen.”

De secretaris, die zich zijn zware schuld zeer wel bewust was, kleurde hevig. Deze goedheid van zijn weldoener en meester ontroerde hem meer, dan wanneer [24]Lord Morvill hem aan het gerecht had overgeleverd. Hij wist niet, welke houding hij zou aannemen, stamelde eenige woorden en wilde den ring teruggeven.

Opeens kwam Tom de kamer binnen en meldde, dat graaf Armani, Lord Colter en de notaris gekomen waren.

Lord Morvill ging voort:

„Draag den ring. Ik wil het! En laat mij nu alleen, ik moet met de heeren werken.”

Met een diepe buiging trok de jonge man zich terug.

Hij was geheel van streek; de ring brandde hem in de handen.

Toen hij de kamer had verlaten, beduidde de Lord zijn kamerdienaar, dat hij de heeren zou binnenlaten.

Lord Morvill stond op en ging de binnenkomenden tegemoet.

Nadat de begroeting had plaats gehad, vroeg Lord Morvill:

„Welnu, zijn de voorwaarden vastgesteld?”

„Zeker,” antwoordde graaf Armani, „vanmorgen om 11 uur in het boschje tusschen de vijvers. Tien pas afstand. Vuren bij het avanceeren.”

De Lord gaf een goedkeurend knikje.

Daarna wendde hij zich tot den notaris, om hem zijn testament ter hand te stellen en hem eenige belangrijke vragen ter beantwoording voor te leggen.

Toen alles was afgesproken verliet de notaris den Lord met de beste zegewenschen, waarna Lord Morvill bevel gaf het rijtuig in te spannen, dat de heeren naar het terrein van den strijd zou brengen.

Nadat Tom de mededeeling had gebracht, dat ook dit bevel was uitgevoerd, verlieten de heeren tezamen de villa en reden weg in den lachenden zonneschijn van den heerlijken morgen.


Lady Morvill had door middel van haar kamermeisje de mededeeling ontvangen, dat Wilkens weliswaar op zijn bureau was gekomen, doch dadelijk bij den Lord was ontboden.

Ongeduldig wachtte zij af of Wilkens zou terugkomen.

Op hem was haar hoop gevestigd. Hij moest en zou haar helpen bevrijden.

Zij zelf deinsde er voor terug, haren echtgenoot den giftbeker, waarin zij nog alleen hulp en redding zag, over te reiken; daarom hoopte zij door vleierijen en haar volmaakte koketterie Wilkens over te halen tot deze afschuwelijke misdaad.

Toen men haar bericht had, dat de jonge man op zijn bureau was teruggekeerd, wachtte ze er geen oogenblik mee, hem daar te bezoeken; temeer, daar zij gehoord had, dat de Lord met nog twee heeren de villa had verlaten en uit rijden was gegaan.

De schoone sirene maakte van alle verleidings-kunstgrepen gebruik.

Haar blanke armen om den hals van den jongen man slaande, schilderde zij in geuren en kleuren haar wanhoop.

Hij kon zich aan hare bekoring niet ontworstelen.

Toen de Lady zag, dat zij den secretaris geheel in haar macht had, waagde zij het een kleine toespeling te maken op hetgeen zij van Wilkens verwachtte.

De mooie vrouw was voor hem op de knieën gevallen en had alles zoo ingericht, dat zij bij haar voetval gemakkelijk de speld kon verwijderen, die haar zijden haardos bijeenhield.

Het haar was nu losgeraakt en als in een golvenden mantel gehuld, knielde zij in een verleidelijk ochtendgewaad voor den jongen man neer.

Wilkens hoorde stom en willoos de beweringen der Lady aan. Het bezit van deze heerlijke vrouw scheen hem het grootste geluk toe.

Plotseling echter doemde voor zijn oog de beeltenis van zijn oude moeder op. Hij zag haar de handen wringen en hem badend in tranen, verwijtend aankijken.

Als ontwakend uit een gevarendroom sprong hij plotseling overeind.

Met gesmoorde stem kwam het van zijn lippen:

„Ga heen, Lady! Voor deze daad vindt gij in mij geen bondgenoot.”

De Lady keek als ontnuchterd naar den jongen man.

Dat had zij niet verwacht.

Was er een man, die haar weerstond?

Haar ijdelheid was diep gekrenkt, en dat smartte haar meer dan het mislukken van haar plan.

Een blik vol haat werpend op den jongen man, verliet zij zonder een woord te spreken het vertrek.

Wilkens slaakte een diepe zucht. Hij ging naar het raam en keek naar de voorbijschuivende wolken. [25]

[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Het duel.

De Woudzee baadde in het heldere zonnelicht. Het beekje, dat door de vlakte stroomde, geleek op een zilveren band, dat door een overmoedig kind in de haren is gevlochten.

Het vroolijke gezang der vogels weerklonk. Alles ademde vreugde en levenslust.

De Woudzee lag daar zoo rustig en stil, alsof zij nimmer eenig menschelijk leed had aanschouwd en toch was zij reeds herhaaldelijk getuige geweest van bloedige twisten.

De bodem was reeds meermalen gedrenkt met het bloed van jonge menschenharten, welke waren gekomen om zich op te offeren aan waanbegrippen.

Bij een open plek tusschen de boomen stonden twee rijtuigen. Uit het eene was Lord Westerbull met twee heeren gestapt, terwijl het andere rijtuig den dokter en Lord Exter had gebracht.

De heeren drukten elkaar ter begroeting de hand. De dokter bekeek het terrein aandachtig; spoedig had hij gevonden, wat hij zocht.

Hij liep naar een boomstam, opende daar het meegebrachte kistje met verbandartikelen en maakte alles in gereedheid.

Van den nabijzijnden straatweg hoorde men het rollen van een rijtuig en Lord Morvill verscheen met zijn beide getuigen.

De heeren wisselden een beleefden groet. Daarop gingen de secondanten naar elkaar toe, beraadslaagden eenige oogenblikken om daarna, zich tot de tegenstanders wendend, nog een laatste poging tot verzoening te doen.

Daar deze poging zonder resultaat bleef, begaven zij zich naar het kistje, waarin de pistolen lagen en laadden de wapens.

De onpartijdige getuige duidde de standplaats aan voor Lord Westerbull. Hierop telde hij vijf schreden af en liet daar zijn zakdoek vallen om de plek aan te wijzen, waarop de tegenstanders rug aan rug moesten gaan staan.

In rechte lijn vijf schreden verder loopend, wees hij daarop ook Morvill diens plaats aan.

Toen alles was voorbereid begonnen de beide duellisten zich naar de plek, door den zakdoek aangewezen. Zij begroetten elkaar door de hoeden af te nemen en gingen daarop rug aan rug staan.

De secondanten namen de hoeden der beide tegenstanders aan en de heeren kregen daarvoor in de plaats de geladen pistolen.

„Zijn de heeren gereed?” vroeg de onpartijdige op luiden toon.

„Klaar!” klonk het uit den mond der beide tegenstanders.

Op het commando „vooruit!” zetten beiden zich in tegenovergestelde richting in beweging.

De onpartijdige getuige telde de schreden en commandeerde bij de vijfde: „Vuur!”

Bliksemsnel keerden de beide duellisten zich op hun plaats om en vuurden tegelijkertijd.

Een dubbele knal—een korte schreeuw—en Lord Westerbull zonk op het gras neer.

Onmiddellijk snelde de dokter toe en ontblootte de borst van den gewonde.

Ernstig schudde hij daarna het hoofd. De kogel had den top van de linkerlong geraakt.

De secondanten hadden Lord Morvill van den aard der verwonding op de hoogte gebracht.

Deze naderde nu den gewonde.

Lord Westerbull richtte zich, geholpen door den dokter, op en reikte Lord Morvill de hand ten teeken, dat hij had vergeven en dat de beleediging, hem aangedaan, door het vloeien van zijn bloed was uitgewischt.

Lord Morvill nam de hem toegestoken hand en drukte die zwijgend. [26]

Een beleefde buiging tot afscheid volgde en Lord Morvill verliet, gevolgd door graaf Armani en Lord Exter, de kampplaats.

De heeren namen in het rijtuig plaats en dit begaf zich weer in de richting van de villa van den Lord.

De heeren, die waren achtergebleven, hielden zich met den gewonde bezig. Toen deze verbonden was, werd hij voorzichtig in een rijtuig gelegd en langzaam aanvaardde de droevige stoet den terugtocht naar de stad. [27]

[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

De giftbeker.

De studeerkamer van Lord Morvill was naar oud Duitschen stijl ingericht.

Zware, massieve meubelen gaven een kostbaren indruk aan het geheel.

Een groot Smyrnatapijt bedekte den geheelen vloer. De wanden waren met olieschilderijen en kostbare bronsreliefs behangen. Vreemde wapens en jachttropheeën van verschillende soort, op artistieke wijze overal aangebracht, vormden voor het oog van den bezoeker een aangename afwisseling.

Zware, donkere overgordijnen lieten het licht eenigszins gedempt naar binnen dringen.

Een breede schoorsteen besloeg een der wanden van het vertrek. Op den rand hiervan stond een kleine, antieke klok tusschen twee kostbare vazen.

Naast de groote schrijftafel van den Lord stond een klein tafeltje van houtsnijwerk, waarop een zilveren blad met een waterkaraf en twee glazen van kostbaar kristal een plaats hadden.

De Lord had dit zoo geplaatst om steeds drinkwater bij de hand te hebben.

Lord Morvill had aanleg om corpulent te worden. Hij vond, dat dit aan zijn jeugdig uiterlijk afbreuk deed en dit wilde hij voorkomen.

Zijn huisdokter had hem geraden om, zooveel mogelijk, elke twee uur eenige slokken water te drinken. En om dit voorschrift, dat hem bij zijn levenswijze verre van aangenaam was, te kunnen opvolgen, had hij het tafeltje met het waterstel naast zich staan.

Hoewel hij dezen raad van den dokter reeds eenige maanden volgde, was er nog niet veel resultaat zichtbaar.

Hij ondervroeg den dokter en deze verklaarde, dat het mislukken zijn oorzaak vond in het feit, dat de Lord het zoo eenvoudige middel te onregelmatig toepaste.

De Lord zag de waarheid hiervan in, maar hij wist niet, hoe hij het voorschrift stipt zou kunnen opvolgen.

Bij zijn ongeregeld leven, dat hem zelfs des nachts dikwijls buitenshuis hield, was dat moeilijk. En daarom moest de voortdurende nabijheid van de waterkaraf hem, als hij aan zijn schrijftafel zat, aan zijn plicht herinneren.

De studeerkamer van den Lord was leeg. De middagzon scheen helder door de ruiten en haar stralen wierpen, in het kristal der waterkaraf brekend, bonte kleuren op het tapijt.

De kleine klok op den schoorsteenrand liet met zilveren klank twaalf heldere slagen hooren.

Daar werd onhoorbaar de deur, die op de gang uitkwam, geopend.

In een elegante, zwarte japon van kantstof gekleed, trad de Lady het vertrek binnen.

Als een donkere wolk omhulde de japon de buigzame, slanke gestalte, alleen de schitterend witte hals, nek en armen vrijlatend.

Het anders blozende gelaat der Lady was vaalbleek. De schoone oogen, overschaduwd door lange wimpers, glansden onheilspellend.

Toen de Lady onhoorbaar de deur had geopend, bleef zij een oogenblik op den drempel staan en keek het vertrek door. Als aangetrokken door een magneet, bleven haar groote glanzende oogen op de waterkaraf rusten.

Geruischloos sloot zij de deur achter zich en draaide snel den sleutel om.

Haar blik bleef onafwendbaar aan de karaf hangen. Haar nek kromde zich en, met de rechterhand stijf op de borst geklemd, stond zij roerloos stil met voorovergebogen bovenlijf. De geheele verschijning had iets roofdierachtigs.

Slechts eenige oogenblikken bleef zij in deze loerende houding. Haastig liep zij daarop naar het kleine tafeltje, dat naast het schrijfbureau stond.

Haar rechterhand had het fleschje met vergift uit haar boezem te voorschijn gehaald en hield dat krampachtig [28]vast. Met een snellen ruk haalde zij de kurk van het fleschje af en nu schudde zij ongeveer de helft van den inhoud in het water.

De giftmengster wierp nog een schuwen blik om zich heen, nam toen de waterkaraf op, schudde ze en hield ze tegen het licht.

Het water was niet in het minst van kleur veranderd, het zag er kristalhelder uit.

Tevreden knikte Lady Morvill met het hoofd.

Een duivelsche glimlach vloog over haar door haat verwrongen trekken.

Nadat zij de karaf weer op haar plaats had gezet, zoodat geen verandering te zien was, verliet zij met snelle schreden onhoorbaar de kamer langs denzelfden weg, dien zij gekomen was. [29]

[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

Vergelding.

Na den ongelukkigen afloop van het duel keerde Lord Morvill niet onmiddellijk, zooals eerst het plan was geweest, naar zijn woning terug.

Onderweg verliet hij het rijtuig en gaf den koetsier bevel, naar huis te rijden. Hij zelf wilde nog een wandeling maken door de lanen van Hydepark.

Hij had er behoefte aan om alleen te zijn met zijn gedachten en gewaarwordingen. Een reeks plannen doorkruiste zijn brein, allen te voorschijn geroepen door de vraag: hoe zou voortaan de verhouding zijn tusschen hem en zijn vrouw?

Hoewel zij door haar opvallende koketterie meermalen zijn misnoegen had opgewekt, was in zijn hart toch altijd een warm gevoel blijven bestaan voor de schoone sirene.

Al bestond er ook geen enkele geestelijke band tusschen deze beide oppervlakkige naturen, was toch altijd de betooverende schoonheid der Lady een magneet geweest, die den Lord onweerstaanbaar had aangetrokken.

Daar het hem nu echter duidelijk was geworden, dat de Lady hem niet alleen haatte, maar ook verachtte en het haar eenig doel was, tot elken prijs van hem bevrijd te zijn, was elk zachter gevoel voor zijn vrouw in hem gestorven.

Hij zou bereid zijn geweest, dadelijk van haar te scheiden, als hij niet het schandaal had gevreesd en tevens de hoop voedde, dat hij met behulp der politie weer in het bezit zou geraken van den bruidsschat zijner vrouw.

Zijn hebzucht was te groot dan dat hij zich met de gedachte zou kunnen verzoenen, dat Lady Morvill niet meer de rijke partij was van vroeger.

Neen, hij zou haar de vrijheid niet teruggeven! Al kwam ook de gestolen bruidsschat, die zeer aanzienlijk was geweest, niet meer terecht, toch kon de Lady later aanspraak maken op een groote erfenis.

Waarom dus een scheiding? Welke voordeden zou hij kunnen hebben van een scheiding? Zijn persoonlijke vrijheid? Maar die bezat hij immers volkomen. Hij dacht onwillekeurig aan villa Victoria.

En als de Lady hem hier al te lastig mocht worden, dan bestonden er immers wel middelen en manieren om de weerspannige te temmen!

Hij dacht aan zijn kasteel in Schotland. Een zijner voorvaderen had daar gedurende meer dan 15 lange jaren een weerspannige Lady gevangen gehouden. Voor de wereld heette zij dood. Inderdaad voerde zij echter een ellendig leven achter kerkermuren dat in krankzinnigheid eindigde.

Wat zou hem beletten, om te handelen evenals dat familielid?

De „toren der bleeke vrouw”, zooals men in den volksmond in die streek de gevangenis der martelares noemde, was leeg en wachtte sinds ongeveer honderd jaar op een nieuwe bewoonster.

Evenals in die dagen, zou men ook nu wel het een en ander omtrent de nieuwe bewoonster mompelen en fluisteren, maar niemand zou iets met zekerheid weten.

Zoo zou het zijn.

Toen Lord Morvill dit plan had opgevat, voelde hij zich bijzonder kalm. Hij zag nu uitkomst.

Natuurlijk zou hij niet vertellen, dat zijn echtgenoote gestorven was.

Men zou echter een sprookje kunnen verbreiden van een zware ziekte en hij zou wel middelen vinden om ongewenschte spionnen tegen te gaan.

De Lord had zulk een gevoel van welbehagen, dat hij een afgezaagde melodie, welke hem door het hoofd speelde, begon te fluiten.

Plotseling viel het hem in, dat hij graaf Armani had verzocht, hem in zijn villa te bezoeken. Hij keek op zijn horloge en zag, dat hij zich moest haasten om nog tijdig thuis te zijn.

Hij wenkte den koetsier van een voorbijkomend [30]leeg huurrijtuig en gaf hem zijn adres op. In snelle vaart naderde hij nu zijn woning.

Wederom moest hij aan zijn vrouw denken. Hij zou haar in de eerstvolgende uren ontmoeten; hoe zou hij zich dan jegens haar gedragen?

In elk geval wilde hij zekerheid en hij was van plan, haar voor oogen te houden, dat zij volkomen afhankelijk van hem was.

Een soort van wreede wellust kwam in hem op, toen hij tot dit besluit was gekomen. Ja, zij zou gevoelen, dat zij volkomen in zijn macht was.

Intusschen had Lord Morvill zijn villa bereikt. George verscheen om zijn heer bij het uitstappen behulpzaam te zijn.

De Lord vroeg, of in zijn afwezigheid iets was voorgevallen.

George ontkende en meldde, dat de Lady in dien tusschentijd reeds drie keer had geïnformeerd, of de Lord thuis was.

„Het is goed!”

Met deze woorden beklom de Lord de trap, die naar de villa leidde en begaf zich naar zijn vertrekken.

Nadat hij zich van zijn hoed en jas had ontdaan, ging hij zijn studeerkamer binnen.

Blijkbaar wenschte dus ook de Lady een onderhoud. Dat kwam volkomen overeen met de wenschen van den Lord.

„Hoe eerder je begrijpt, waar je aan toe bent, hoe beter voor mij,” mompelde Lord Morvill, op den knop eener electrische bel drukkend.

Tom trad binnen. Hij bleef bij de deur staan om op het bevel van zijn heer te wachten.

„Zeg de Lady, dat ik haar hier verwacht.”

De bediende boog zwijgend en verdween in de gang, die naar de kamers van de Lady voerde.

Lord Morvill stak een sigaret aan en zette zich op zijn gemak aan zijn schrijftafel.

Eenige oogenblikken later kwam Lady Morvill de studeerkamer van haar echtgenoot binnen.

Zij droeg nog dezelfde zwarte japon, die zij des middags had aangetrokken.

De Lord nam de binnentredende op met een spottenden blik, daarop noodigde hij haar met een handbeweging uit om plaats te nemen.

Lady Morvill was in de deur blijven staan.

Een blik vol haat en verachting viel op den Lord, die aan zijn schrijftafel zat.

Na een korte pauze begon deze, terwijl hij met een pennemes speelde, op korten, halfluiden toon:

„Lady, gij hebt mij dringend willen spreken. Ik ben tot uw dienst.”

De Lady stond nog steeds onbeweeglijk.

Zoo mogelijk was zij nog bleeker geworden. Haar oogen glinsterden bovennatuurlijk, haar keel was van ontroering als dichtgeknepen en op bijna klankloozen toon kwam het van haar lippen:

„Je hebt al mijn juweelen in bezit genomen. Ik weet het!”

„Welnu, als gij dat weet, Lady, dan zult gij zeker ook wel weten, waar ik ze heb gevonden.”

De tanden der schoone vrouw groeven zich zoo diep in haar onderlip, dat een paar bloeddroppels langs haar kin vloeiden.

Daar de Lord niet doorging, vroeg de Lady opnieuw, alsof zij het antwoord van haar echtgenoot niet had verstaan:

„Zal ik mijn kostbaarheden terugkrijgen?”

„Neen!” klonk het op korten toon van zijn lippen.

Lady Morvill scheen haar bewustzijn bijna te verliezen. Haar gansche lichaam beefde, doch na eenige oogenblikken had zij zich met bovenmenschelijke wilskracht hersteld.

Zij ging vlak voor den Lord staan en vroeg met vonkelende oogen en gekruiste armen:

„Waarom wil je mij mijn eigendom onthouden?”

„Omdat ik niet wensch, dat gij de middelen in handen zult hebben voor een tweede ontvluchting.

Omdat ik geen lust heb, door uw optreden prijs te worden gegeven aan de publieke zucht naar schandaal en laster.

Daarom blijven uw kostbaarheden onder mijn berusting. Al kan ik u ook niet beletten, overal om u heen te koketteeren op schandelijke wijze, dan wil ik u toch de middelen ontnemen om mij openbaar aan de kaak te stellen.”

De Lady was doodsbleek geworden. Zij balde de vuisten in machtelooze woede en week onwillekeurig een schrede achteruit.

De Lord was opgestaan en had zich naar het kleine tafeltje begeven. Hij nam de waterkaraf en vulde een glas tot op de helft met de dood brengende vloeistof.

Lady Morvill staarde als geestesafwezig naar haar echtgenoot.

Haar blik bleef als gebonden aan zijn hand, toen hij het glas vulde.

Haar wijdgeopende oogen puilden naar voren en haar gelaat was spookachtig bleek.

Een seconde nog en zij zou vrij zijn! [31]

Lord Morvill nam het glas op, toen een onderdrukte gil aan de lippen der Lady ontsnapte.

Morvill had half met den rug naar zijn echtgenoote gestaan, nu keerde hij zich om en zag haar lijkkleurig gelaat.

Een wreede, zegevierende glimlach verwrong zijn trekken en, terwijl hij het glas weer op het tafeltje neerzette, sprak hij hoonend:

„Ik vrees uw haat niet, Lady. Alleen zou ik er u op willen wijzen, dat ik nog middelen bezit om mij zelf te beschermen. Als gij mij al te lastig wordt …

Gij kent mijn kasteel Moar Castle in Schotland, nietwaar?

Gij kent de geschiedenis mijner voorvaderen. Neem u in acht, dat het lot van Lady Henriette ook niet u treft!”

Met van ontzetting wijd geopende oogen staarde Lady Morvill haar echtgenoot aan. Zij hield de handen, alsof zij een onheil wilde afwenden, voor zich uitgestrekt. Haar boezem hijgde en op halfluiden toon sprak zij met moeite:

„Je wilt mij in de armen van den waanzin voeren, ellendeling! Ik veracht je uit den grond van mijn hart!”

Morvill was bloedrood geworden van verontwaardiging. Zijn hand greep een leeren zweep, die boven zijn schrijftafel hing, hij snelde naar zijn vrouw toe en wilde haar met zweepslagen straffen voor haar woorden.

De Lady stiet een rauwen gil uit.

Op dit oogenblik werd de deur geopend, die naar het bureau van John Wilkens leidde, en deze stormde de kamer binnen.

Hij had de laatste woorden van den strijd der beide echtgenooten gehoord en den angstkreet der Lady vernomen.

Een inwendige, onweerstaanbare macht dwong hem, de schoone vrouw, die hij nog steeds liefhad, ter hulp te snellen.

Toen Wilkens de kamer binnensnelde en zag, dat de Lord met opgeheven zweep tegenover zijn vrouw stond, verloor hij zijn kalmte en bezinning.

Hij greep den Lord bij de keel. Een korte worsteling volgde en de Lord, die niet voorbereid was op dezen aanval, struikelde en viel.

Een doffe kreet en het bloed van Lord Morvill stroomde over het tapijt.

De Lord was met zijn hoofd tegen den scherpen kant van den schoorsteenmantel terechtgekomen en had zich den schedel verpletterd.

John Wilkens staarde als wezenloos naar den Lord, die met den dood worstelde.

Daar werd plotseling de deur naar de gang geopend en graaf Armani snelde binnen.

Toen de Lady hem zag binnenkomen, riep zij half gillend uit: „Raffles!” en viel bewusteloos op een stoel neer.

De binnenkomende was inderdaad de groote onbekende, die zich, aan den Lord had laten voorstellen als graaf Armani.

Met een enkelen blik had hij den toestand overzien en met weemoedigen blik keek hij naar Wilkens, toen hij sprak:

„John, ik had je gewaarschuwd. Je bent niet uit de nabijheid van deze vrouw gebleven en het noodlot straft je. Help haar nu. Ik zal mij met den Lord bezighouden.”

Raffles knielde naast Lord Morvill neer en stelde vast, dat het leven reeds was geweken.

Intusschen was de Lady weer eenigszins tot zichzelf gekomen.

Nog geheel verward staarde Wilkens om zich heen. Zijn blik viel op het half gevulde waterglas, dat Lord Morvill zooeven weer op het tafeltje had neergezet. Hij nam het op en, naar de Lady gaande, goot hij de bewustelooze een paar slokken in de keel.

De Lady voelde plotseling een heeten gloed door haar lichaam stroomen. Met onduldbare pijnen richtte zij zich op en opende de oogen.

Zij zag het haar maar al te zeer bekende glas in Wilkens’ hand en de vreeselijkste ontzetting stond op haar gelaat te lezen.

Haar treken verwrongen zich, het schuim kwam op haar lippen te voorschijn en met een luiden gil zonk zij neer.

„Gift! Gift!” riep zij uit. „Ik had het voor hem gemengd en jij hebt het mij gegeven!”

Nog voordat John Wilkens wist, wat zij bedoelde, had Raffles haar woorden begrepen.

Hij naderde John, die bij de met den dood worstelende Lady neerknielde, richtte hem op en sprak:

„De moordenares van haar echtgenoot heeft zichzelf in het verderf gestort! Jij moest haar den giftbeker reiken, dien zij voor haar echtgenoot had gereed gemaakt. Zoo wilde het noodlot het.

Nu heeft zij haar vrijheid terug, al is het op een andere manier dan zij bedoelde.”

Nu begon de secretaris alles te begrijpen. Hij sloeg de handen voor het gelaat en snikte. [32]

John Raffles legde hem de hand op den schouder en sprak:

„Al kon ik dezen keer niet over je waken, een hoogere macht heeft je behoed. Dank den hemel, dat je handen rein zijn gebleven. Hier, neem dit geld!”

Bij deze woorden nam Raffles een gevulde portefeuille uit den zak en gaf die aan Wilkens!

„Deze portefeuille bevat de middelen voor een reis naar het buitenland en zal genoeg zijn voor jou, totdat je een nieuwen werkkring zult hebben gevonden.

Ga nu heen, begin een nieuw leven en maak door ernstigen arbeid weer goed, wat je hier, al is het ook slechts in gedachten, hebt misdaan.”

De secretaris drukte de hem toegestoken hand van den onbaatzuchtigen beschermer en bevochtigde die slanke, fijngevormde hand met zijn heete tranen.

[Inhoud]

Titel van het volgende deel (nummer 42):

„Ongewenschte wraak”. [33]

[Inhoud]

Belooning: 1000 pond sterling.

Wie kent hem?
Portret van Lord Lister.
Wie heeft hem gezien?
Dat vraagt men in Scotland Yard! Dat vraagt heel Londen!

Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven

brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.

Man van eer in alle opzichten

spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:

Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.

Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!

[Inhoud]

WARRANT OF ARREST.

Vertaling:

Bevel tot aanhouding.

Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under:

Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt:

DESCRIPTION:

Name: Lord Edward Lister, alias John C. Raffles.
Age: 32 to 35 years.
Height: 5 feet nine inches.
Weight: 176 pounds.
Figure: Tall.
Complexion: Dark.
Hair: Black.
Beard: A slight moustache.
Eyes: Black.
Language: English, French, German, Russian, etc.

Beschrijving:

Naam: Lord Edward Lister, genaamd John C. Raffles.
Leeftijd: 32–35 jaar.
Lengte: ongeveer 1,76 meter.
Gewicht: 80 kilo.
Gestalte: slank.
Gelaatskleur: donker.
Haar: zwart.
Baardgroei: kleine snor.
Oogen: zwart.
Spreekt Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.

Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown.

Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend.

Charged with robbery.

A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man.

Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling.

Headquarters—Scotland Yard.

Police Inspector,
Horny.

Het Hoofdbureau van Politie Scotland Yard.

Inspecteur van Politie
(get.) Horny.

[Inhoud]

Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler

Singel 236—Amsterdam.

Inhoudsopgave

I. Het verloren omslagdoekje. 1
II. De nagemaakte sleutels 7
III. De vriend der armen. 11
IV. Een verhoor en zijn gevolgen. 14
V. De geheimzinnige villa. 19
VI. De trouwe dienaar van zijn meester. 22
VII. Het duel. 25
VIII. De giftbeker. 27
IX. Vergelding. 29

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 115 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
1 Zuid-Engeland Zuid-Wales 7
1, 20 cigaret sigaret 1
1 touristenuitrusting toeristenuitrusting 1
Passim. [Niet in bron] 1
2 haalen haalden 1
5 touristen toeristen 1
5 hondgeblaf hondengeblaf 2
8 White-Cheapel White-Chapel 1
9, 9, 9, 12, 12, 13, 13 Jonny Johnny 1
9, 9 Yenkins Jenkins 1
10 Morville Morvill 1
10 exentrieke excentrieke 1
10, 18 lady Lady 1
10 ”. .” 2
11 farniente far niente 1
11, 12, 12, 15, 16, 16, 17, 22, 29, 29 bruidschat bruidsschat 1
11, 31, 33 [Niet in bron] . 1
12 naieve naïeve 1 / 0
13 te vergeefs tevergeefs 1
13 net het 1
16, 16 Lordschap Ladyship 5
18 bizonders bijzonders 1
19 Kochampton Roehampton 2
19 lord Lord 1
20 s oeg sloeg 1
20 stellenè stellen. 1
21 scene scène 1 / 0
22 Lij bij 1
22 ij Zij 1
23 d de 1
23 mr. Mr. 1
24 Sirene sirene 1
29 hand band 1
31 Wilken’s Wilkens’ 2
33 Sinclair Raffles 7
33 Scotland-Yard Scotland Yard 1
33 Oktober October 1
33 Inspekteur Inspecteur 1