The Project Gutenberg eBook of Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Author: W. Eekhoff

Release date: July 24, 2011 [eBook #36839]

Language: Dutch

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN ***

 

E-text prepared by Harry Lamé, André Engels,
and the Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)

 


 

 

 

Zie onderaan deze tekst voor uitgebreide opmerkingen van de bewerker.

BEKNOPTE
GESCHIEDENIS
VAN
FRIESLAND
IN HOOFDTREKKEN.


„Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat de Nederlanders zich zoo vaak op de Batavieren beroepen, als op hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn, daar zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste en meest beroemde bewoners van een voornaam gedeelte des lands, maar onze eigenlijke voorvaderen waren zij niet.—De Batavieren verdwenen uit de Geschiedenis.—Zoodanig was het niet met de Friezen. Boven vele andere Europesche volken hebben zij dit vooruit, dat zij niet zijn ondergegaan bij die geweldige omkeering der volken. Immer behielden zij den reeds lang ingenomen grond, toen bijna alle landen van Europa van bewoners verwisselden. Hier woonde de stam, welke zich staande hield, te midden dier groote Europesche beroering, en hare plaatsen aan geene andere inruilde. Zij echter breidde zich verder uit, van het Vlie tot aan de Schelde; en altijd hier stand houdende, is uit haar het nageslacht voortgesproten, dat immer deze landen bewoonde. Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij, Nederlanders, daarom de Friezen eigenlijk onze vaderen; dat heldhaftige geslacht, hetwelk voor de teregt vereerde Batavieren niet onderdeed; over wier naam wel is waar geen zoo poëtische gloed ligt, als over de Batavieren, maar meer historische waarheid; die daar staan te midden der volksberoeringen en overstroomingen, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt. Hen ontmoeten wij reeds vóór onze Christelijke tijdrekening, en hun nakroost, zich telkens verder over ons Vaderland uitbreidende, heeft zich later weder binnen enger grenzen voortgeplant, tot op onze dagen. En waarlijk, indien een Friso hun Stamvader is geweest, dan hebben de dichterlijke tafereelen meer historische waarheid geboekt, dien als onzen stamvader vermeldende, dan een’ Bato, wiens nakroost verdween.”

Prof. H. J. Royaards.


BEKNOPTE
GESCHIEDENIS
VAN
FRIESLAND
IN HOOFDTREKKEN;

bevattende een Overzigt van de lotgevallen der Friezen
en van de voornaamste gebeurtenissen, gedurende
bijna tweeduizend jaren in dit land voorgevallen.

Versiering

UIT VELE VROEGERE EN LATERE BRONNEN BEWERKT,
DOOR

W. EEKHOFF

Archivarius der stad Leeuwarden, Voorzitter van de Tweede Afdeeling der werkende Leden van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, Lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden en van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.


Met eene Schetskaart van den waarschijnlijken toestand van het land der Friezen en hunne naburen, omstreeks den aanvang onzer tijdrekening.

Historische zin, of eerbied voor de gedenkteekenen, de geschiedenis en de groote mannen des vaderlands, is het sieraad van een volk, dat in der vaderen glorie zijne eer en in de liefde voor zijn land zijn roem stelt.

Versiering

te LEEUWARDEN, bij
W. EEKHOFF.
1851.

De Schrijver en Uitgever van dit werk stelt zijn regt van kopij, tegen nadruk, verkorting, verkleining, vertaling of verandering van vorm, onder bescherming der Wet, van den 25 Jan. 1817, aan wier eischen hij heeft voldaan.

[v]

VOORREDE.

Bij dezen neem ik de vrijheid mijne landgenooten aan te bieden eene Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken. Verscheidene redenen hebben mij bewogen, dit onderwerp te behandelen en deze bewerking in het licht te geven. De belangrijkheid van die geschiedenis op zich zelve en in verband met die des vaderlands,—het gemis van een bevattelijk geschreven handboek over dit onderwerp,—de wensch van velen om zulk een werk, ingerigt naar de behoeften van dezen tijd, te bezitten,—de zucht om nuttig te zijn, en bovenal mijne aangeborene neiging voor de beoefening van die geschiedenis en liefde voor alle kennis en kunst, welke tot Friesland in betrekking staan,—ziet daar de drangredenen, welke eindelijk mijn schroom en wantrouwen van eigene krachten hebben overwonnen. Immers sedert die neiging op mijn tiende levensjaar bij mij werd opgewekt, en ik niet lang daarna het plan vormde eene korte Geschiedenis van Friesland te bewerken, heb ik gedurende dertig jaren over dit onderwerp zoo vele geschriften gelezen en aanteekeningen gemaakt, zoo vele stukken verzameld en onderzoekingen gedaan, dat de begeerte, om eenmaal de vrucht daarvan te leveren, meer opgewekt dan onderdrukt werd door al de menigvuldige bezwaren en moeiten hieraan verbonden. In weerwil ik dit onderwerp bij herhaling op verschillende wijzen bewerkt en geene inspanning geschroomd heb, bleef ik nogtans met de uitgave aarzelen, en de hoop voeden, dat een onzer geleerden of leden van het Friesch Genootschap die taak zou volbrengen. Telken jare echter werd ik daarin teleurgesteld.

Intusschen vernam ik, dat velen aan de bewerking van eene volledige en naauwkeurige Friesche Geschiedenis bezwaren en beletselen verbonden achtten, gewigtig genoeg, om ijverige beoefenaars van dit onderwerp af te schrikken het in zijn geheel te behandelen. Behalve dat men eerst de uitgave van nog meerdere bronnen en bouwstoffen verlangde, vorderde eene kritische behandeling van de uitgegevene kronijken groote moeite. En waar deze met winsemius in 1622 eindigen, zag men eene groote menigte Resolutieboeken van de Staten en Gedeputeerde Staten van Friesland, benevens[vi] eene massa onuitgegevene stukken in de Rijks-, Provinciale en Plaatselijke Archiven voor zich; om niet te spreken van de menigte bouwstoffen, in een aantal gedrukte werken der laatste tweehonderd jaren verspreid. Inderdaad, er wordt meer dan een menschenleeftijd toe vereischt, om daaruit al de bijzonderheden op te zamelen en tot één geheel te brengen, dat aan het ideaal van eene geschiedenis onzer provincie zou kunnen beantwoorden.

Het gewigt dier bezwaren en beletselen erkennende, zou dit alles meer in staat zijn, onze liefde voor de geschiedenis uit te dooven dan op te wekken. Het volbrengen van die taak en het bereiken van die nog denkbeeldige volmaaktheid blijve dus een volgend geslacht aanbevolen. Dat ik het, in weerwil van dat alles, toch gewaagd heb, het onderwerp te behandelen, moge echter niet tot mijne beschuldiging strekken. Want, daar al de nog te volbrengen nasporingen welligt meest bijzonderheden of specialiteiten betreffen, zoo heb ik, naar het licht, dat ons tijdvak beschijnt en naar de mate mijner krachten, mij zoeken te bepalen tot de Hoofdtrekken onzer geschiedenis, of tot die voornaamste gebeurtenissen, welke van het meeste belang en den grootsten invloed zijn geweest op de lotgevallen en de ontwikkeling van het volk. Aangezien ik mijne behandeling tevens tot één boekdeel wenschte te beperken, zoo waren deze hoofdpunten, waaromtrent wij meerdere zekerheid bezitten, voorshands ook voldoende tot het geven van een algemeen overzigt van deze geschiedenis; terwijl ook eene korte en eenvoudige voorstelling, bij wijze van tafereelen, het meest geschikt scheen, om de belangstelling voor dit onderwerp op te wekken.

Hartelijk wensch ik, dat anderen later die opgewekte belangstelling door volkomener en uitvoeriger bewerking mogen bevredigen, en dat deze arbeid bij voorraad moge voorzien in eene behoefte, welke mij dikwijls werd te kennen gegeven door personen uit verschillende standen, die gaarne met hunne volksgeschiedenis meer bekend wilden zijn. Niet minder natuurlijk is de wensch, dat dit werk moge bijdragen, om ook in andere provinciën van ons vaderland (vroeger deelen van het Friesche rijk) het belang en de waarde te doen erkennen van de geschiedenis der Friezen, als de stamvaders der Nederlanders, met betrekking tot de geschiedenis van Nederland. Bekend is het toch, dat de meeste vaderlandsche geschiedenissen, welke wij bezitten, zich als bij uitsluiting[vii] bepalen tot de historie van de aanzienlijkste provincie Holland. Die naam komt evenwel voor het eerst omstreeks het jaar 1000 voor. Het gansche vroegere tijdperk, en dus meer dan de helft der tijdruimte, bevat alzoo de geschiedenis van Friesland, aangezien de Batavieren reeds vroeg en spoorloos verdwenen. Het is dus grootelijks te verwonderen, dat de historieschrijvers van ons vaderland niet enkel de latere, maar ook de vroegere Friesche geschiedenis zoo lang verwaarloosd en soms zoo verminkt voorgesteld hebben, dewijl deze toch de hoofdbron of het grondstuk is, waarop de geschiedenis van Holland of wel van geheel Nederland moet rusten. Reeds is dit erkend in de geschriften van de Utrechtsche geleerden wijlen Jhr. Mr. van asch van wijck en den Hoogl. royaards, wiens bestrijding van een verkeerd volksbegrip ik gemeend heb tegenover den titel te moeten mededeelen.

Vermits ik al de boven vermelde bezwaren en beletselen bij de bewerking heb ondervonden, heb ik mij met veel moeite beijverd, ze voor mijn doel te overwinnen, door in het bijzonder de hoofdzaken meer te doen uitkomen dan punten van ondergeschikt of betwist belang. Het is daarbij mijn hoogste streven geweest, om de beste bronnen te raadplegen, om de waarheid zonder partijdigheid na te sporen, en, bovenal, om eene heldere en duidelijke voorstelling te geven van datgene, wat ons duurzaam belang kan inboezemen. Den tekst heb ik, op de wijze van mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, zoo bevattelijk mogelijk geschreven, opdat ook dit werk als een nuttig en aangenaam Geschiedkundig Huisboek algemeene belangstelling mogt verdienen. Omtrent de belangrijkste zaken en betwiste of twijfelachtige punten heb ik voor beoefenaars van de geschiedenis en onderzoekende lezers in de Aanteekeningen meerdere bijzonderheden en bronnen medegedeeld; terwijl ik door de bijvoeging van historische tafels of overzigten en registers de bruikbaarheid van het geheel heb trachten te bevorderen. Daar de geschiedenis het beste onderwijs is voor alle standen der maatschappij, en zij ons de bijzondere pligten jegens ons vaderland doet kennen, zoo hoop ik eerlang ook eene verkorte uitgave, ten behoeve der scholen, in het licht te geven.

Bij de beoordeeling van dit werk gelieve men op te merken, dat ik minder nieuwe zaken medegedeeld, dan wel de verspreide[viii] berigten en vruchten der onderzoekingen van anderen tot een geheel gebragt heb. De waarheid of stellige zekerheid der feiten moge één en onveranderlijk zijn, de wijze van voorstelling, inkleeding en toepassing kan echter aanleiding geven tot zeer uiteenloopende meeningen en begrippen; vooral in een werk, bij welks behandeling, op een ongebaand pad, de meeste waarschijnlijkheid en persoonlijke beschouwingen het gebrek aan berigten soms moesten vervangen. Mogt ik echter in mijne, ter goeder trouw medegedeelde, opvattingen en inzigten gedwaald hebben, dan verzoek ik van bevoegde personen eene bescheidene beoordeeling en heusche teregtwijzing te ontvangen. In een ander opzigt hoop ik, dat wij Friezen te veel eerbied voor onze geschiedenis, voor ons zelve en voor onze christelijke verpligtingen jegens elkander zullen hebben, dan dat verschil van meening over sommige historische punten ons zou verlagen tot een hatelijk twistgeschrijf en openbare beleedigingen, waarin nijd en wraakzucht soms eene afschuwelijke rol spelen.

Overtuigd van mijne goede bedoelingen, doch evenzeer van mijne feilbaarheid, heb ik de naauwkeurigheid der bewerking zoo veel mogelijk trachten te verzekeren, door haar vóór de uitgave te laten lezen aan mijne veelgeachte vrienden de Heeren Mr. a. van halmael Jr. (wiens dood wij nu reeds betreuren), j. van leeuwen, Dr. j. g. ottema, Jhr. Mr. h. b. van sminia en anderen, die ik hier openlijk mijnen dank toebreng voor de medegedeelde opmerkingen en teregtwijzingen. Mogt ik door de uitgave nog te veel gewaagd hebben, dan beken ik gaarne, daartoe vooral den moed te hebben bekomen door de volgende verklaring van laatstgenoemden deskundige: „Ik moet u betuigen, dat ik het werk met bijzonder veel genoegen gelezen heb, er bijna geheel mijne goedkeuring aan hecht en het op hoogen prijs stel. Alleen betreur ik het, dat het niet uitvoeriger en uitgebreider is behandeld. Doch dit lag voor het tegenwoordige niet in uw plan, en moeten wij dus voorshands tevreden zijn met hetgeen ons zoo goed gegeven is; in de hoop, dat gij later uwe krachten nog eens zult aanwenden, om ons eene grootere en volledige Geschiedenis van Friesland te leveren.”

En hiermede beveel ik dezen arbeid op nieuw der belangstelling mijner landgenooten aan.

Mei 1851.W. EEKHOFF.


[ix]

EERSTE NAAMLIJST
VAN
INTEEKENAREN.

Versiering

ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING. g. p.

ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DEN PRINS VAN ORANJE. g. p.

ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN. g. p.


Versiering

[xxi]

TWEEDE NAAMLIJST
VAN
INTEEKENAREN.

Versiering

HARE MAJESTEIT DE KONINGIN-MOEDER. g. p.


Versiering

Schetsmap Friesland rond het jaar 0

Volgens het ontwerp van Dr J. G. Ottema. Uitgegeven door W. Eekhoff, 1851. Steendr der Wed. C. Brantsma.


[xxviii]

VERDEELING EN ORDE VAN BEHANDELING.

Versiering

Eerste Tijdvak. Het Oude Friesland. Van de vroegste tijden of de komst der Romeinen in Friesland tot op het einde van den strijd der Friezen en Franken onder Keizer karel den groote. Van 11 jaren vóór christus tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening.

Tweede Tijdvak. Het Vrije Friesland. Van karel den groote of de invoering van de Christelijke godsdienst tot op het einde der partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers en het verlies der onafhankelijkheid onder Hertog albert van Saksen. Van omstreeks het jaar 800 tot 1498.

Derde Tijdvak. Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten. Van de aanneming van Hertog albert van Saksen tot Erfpotestaat van Friesland tot de Hervorming in Kerk en Staat of de afwerping van het Spaansche juk. Van 1498 tot 1580.

Vierde Tijdvak. Friesland onder de Staten en de Stadhouders uit het Huis van Nassau. Van de invoering der Hervorming tot de ontbinding der Nederlandsche republiek of de Staats-omwenteling. Van 1580 tot 1795.

Vijfde Tijdvak. Friesland tijdens de Fransche overheersching. Van de Staats-omwenteling en de opheffing van het Stadhouderschap tot de herstelling van Nederland en het vertrek der Franschen. Van 1795 tot 1813.

Zesde Tijdvak. Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering. Van 1813 tot 1850.

Titelpagina


[1]

BEKNOPTE
GESCHIEDENIS
VAN
FRIESLAND,
IN HOOFDTREKKEN.

Versiering

Inleiding.

Ons allen is zóó groot een lust tot kennis en wetenschap aangeboren, dat niemand kan twijfelen of de menschelijk natuur wordt, zonder uitzigt op eenig voordeel, van zelf daar heen getrokken. Algemeen is in het bijzonder bij alle volken de neiging, om te willen weten wat de oorsprong is van hun vaderland, welke merkwaardige gebeurtenissen daarin zijn voorgevallen, en hoe het in den loop der eeuwen tot zijnen tegenwoordigen toestand is gekomen.

Deze loffelijke neiging en die vaderlandsliefde worden zeer versterkt, als de geschiedenis van dat volk eene eervolle afkomst kan aanwijzen; als zij voorstelt uit welke geringe beginselen vaak groote gevolgen zijn voortgekomen; maar vooral, wanneer zij aantoont, welke nooden en gevaren de voorvaderen al hebben doorgestaan,[2] om dit erf te behouden en te verbeteren, en als zij uit den strijd tegen de vijanden des vaderlands edele bedrijven en heldendaden kan vermelden, waarin het nageslacht zijne eer en zijnen roem stelt.

Dat alles is echter nog niet genoeg: want hoogere waarde voor verstand en hart heeft de geschiedenis, als wij daarin nasporen, welke de opkomst en ontwikkeling was van het volk en zijne belangen;—als zij ons aanwijst, door welke oorzaken, krachten en vermogens de vrijheid, de welvaart en andere maatschappelijke voorregten der ingezetenen zijn verkregen en vermeerderd, en onder welke omstandigheden zij in kennis en verlichting zijn toegenomen; maar bovenal, hoe zij door de Goddelijke Voorzienigheid zijn geleid, beschermd en gezegend, om gevormd te worden tot een beschaafden burgerstaat, waarvan de leden eene verhevener bestemming hebben dan het gedierte des velds.

Weinige volken van Europa kunnen op hoogere oudheid, eervoller afkomst en roemrijker geschiedenis bogen dan de Friezen. Zeldzaam en merkwaardig toch is het voorbeeld van een volk, dat gedurende achttien eeuwen zijn naam onveranderd bleef dragen, zijn eigen land bleef behouden, en dat zijne vrijheid, volksbestaan, taal, karakter en zeden zoo lang mogt bewaard zien. Vele naburige volken zijn gedurende dien tijd ontstaan en verdwenen of van naam veranderd—de Friezen handhaven hun bestaan, van vóór onze jaartelling af, onafgebroken. Dikwijls zijn zij door vreemde legers aangevallen; veelmalen werd hunne onafhankelijkheid belaagd en scheen hun ondergang nabij, en immer bestookt door den oceaan, welke hen aan bijna alle zijden omringt,—moesten zij zich bestendig verdedigen tegen deze magtige vijanden, op wie zij, na vele verliezen, fier de overwinning mogten behalen. Op lage en moerassige[3] landen en dorre heiden gevestigd, mogt het bovendien hunner noeste vlijt gelukken, dit land door dijk- en waterwerken te herscheppen in dát vruchtbaar en bloeijend oord, met talrijke steden, dorpen en gehuchten als bezaaid, hetwelk thans een der sieraden is van Nederland.

Hoe pligtmatig is het dus niet voor ons, die, nog den ouden volksnaam dragende, de vruchten van dien strijd, inspanning en zorg genieten, en de voorregten en genoegens eener geregelde burgermaatschappij hier thans mogen smaken, om belang te stellen in de geschiedenis van dit land en dat volk. Daardoor toch zullen wij het voorgeslacht vereeren, waaraan wij zoo groote verpligting hebben, en kunnen opmerken hoeveel dank wij Gode verschuldigd zijn voor de hulp en bescherming, waarmede hij ons voorgeslacht boven vele andere volken begunstigde. Die belangstelling zal der Friezen nationaliteit en vaderlandsliefde, waardoor zij zich steeds blijven onderscheiden, waardig zijn. Zelfs zullen deze nieuw voedsel ontvangen door de vermelding van den roem huns lands en de eer huns volks. Nimmer echter moge dit in ijdelen volkstrots ontaarden, die tot beleediging of minachting van naburen strekt. Neen, de beoefening van die geschiedenis worde veeleer een middel tot beschaving, tot eene billijke opprijsstelling van de waarde der dingen, tot regtschapenheid en grootmoedigheid. Door haar verstandig te lezen en door acht te geven zoowel op de oorzaken en omstandigheden als op de gevolgen der daden en gebeurtenissen, zal deze bode der verloopene eeuwen de leermeesteres worden van onzen leeftijd, en licht verspreiden over onzen toestand. Zij zal vooral de eeuwige waarheid luide verkondigen, dat de hoogste Wijsheid in edele daden zelve hare belooning, gelijk in slechte daden de onvermijdelijke straf der boosheid zelve gelegd heeft. Zij zal ons met bemoedigende[4] gevoelens vervullen voor de hoop der toekomst, daar zij aanwijst hoe met elk geslacht de toestand, de zeden en de beschaving des volks zijn verbeterd. Want waarheid bevat het kort en eenvoudig gezegde des dichters:

In ’t verleden ligt het heden,
In het nu wat worden zal.

Op die wijze beoefend, zal de geschiedenis voor ons een tafereel zijn van Gods leiding met het voorgeslacht; dan zal zij geen bloot geheugenwerk, maar een waardig voorwerp van nasporing zijn, omdat zij leert uit hetgeen geschied is, en omdat zij den oorsprong verklaart van den maatschappelijken toestand, waarin wij ons thans bevinden.

Hoe gaarne zouden wij eene uitvoerig bewerkte Geschiedenis van Friesland bezitten, waarin dat alles in bijzonderheden ontwikkeld ware! Tot bewerking daarvan schijnt echter de tijd nog niet gekomen te zijn, en moeten er vooraf nog vele bijzondere bronnen opgespoord en uitgegeven worden. Wij willen echter eene schrede doen op dit uitgestrekte veld, door de hoofdtrekken dier geschiedenis of de voornaamste gebeurtenissen kort en eenvoudig te verhalen. Daardoor moge voorloopig worden voorzien in eene behoefte, welke velen onzer landgenooten gaarne bevredigd zagen; velen, ook in andere provinciën des vaderlands, welke vroeger deelen waren van het uitgestrekte Friesche rijk, en wier geschiedenis dus zamenvloeit met die, welke wij in de hoofdzaak tot de tegenwoordige provincie of het eigenlijk Friesland moesten bepalen. Hartelijk wenschen wij, dat onze bewerking, die, wegens gebrek aan bescheiden, niet in alles volledig kan zijn, eene heldere voorstelling moge geven van de hoofdgebeurtenissen, die den schakel der geschiedenis vormen.

[6]

EERSTE TIJDVAK.

HET OUDE FRIESLAND.

VAN DE VROEGSTE TIJDEN TOT KEIZER KAREL DEN GROOTE.

Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Christus.

Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder vertelt zult vinden.

Cornelis van Grebber, van Egmond.
(1198)[1]

Versiering

1. De Afkomst der Friezen.

De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt zóó diep in den nacht der eeuwen en gaat het historische tijdperk, of de met zekerheid bekende geschiedenis van ons vaderland, zóó lang vooraf, dat niemand daaromtrent bepaalde berigten kan mededeelen. Het ontbreekt echter niet aan gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege. Dat zij uit het noorden, uit Scandinavië of Zweden en Noorwegen afstammen, wordt evenzeer beweerd, als dat zij uit Azië of het oosten afkomstig en[7] dóór Germanië getrokken zouden zijn, vóór zij zich hier op deze kustlanden vestigden. Anderen houden hen voor een stam der Kimbren; doch volgens de jongste onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van de Celten of Kelten, wier voorgangers (door hen Vóór-Kelten of Vóór-Germanen genoemd) in een gedeelte van Friesland, het hooggelegene Drenthe, de stichters waren van de reusachtige Hunebedden of opeengestapelde steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen voorwerpen van bewondering zijn geweest[2]. Ook in Gaasterland is in 1849 een dergelijk Hunebed, steengraf of kelder beneden den hoogen boschgrond ontdekt, bestaande uit eene massa zware steenbrokken, waar tusschen vuursteenen wiggen, urnscherven, houtskool enz. werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid uit den vóór-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het gebruik van de metalen nog niet kenden[3].

Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat friso, eens Konings zoon uit Indië, na den dood van alexander den groote uit zijn vaderland verdreven, zich met zijne broeders saxo en bruno en vele anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met eene vloot in Friesland zou aangeland zijn.[8] Hij wordt gehouden voor den stichter van Stavoren, voor den bevolker van dit land en alzoo voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden ontvangen hebben.

Het valt zeer moeijelijk te beslissen, in hoe ver dit aloude volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks veertien eeuwen later in de landskronyken werd opgenomen, werd het blijkbaar in den vorm en naar de denkwijze van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid, en daaraan eene gansche rij van Vorsten verbonden, die Prins friso in het bestuur van Friesland zouden opgevolgd zijn[4]. Bestendig is dit verhaal het voorwerp geweest van geschil tusschen vele geleerden, die het bestreden en verdedigd hebben. De dichter willem van haren heeft het zelfs tot onderwerp gekozen van een voortreffelijk heldendicht[5].

Er bestaan nog meerdere verhalen en meeningen omtrent den oorsprong der Friezen, doch allen zijn even twijfelachtig, als de verklaringen van den naams-oorsprong[6]. Waarom zouden wij niet liever bekennen,[9] dat de hooge oudheid ons verhindert deswege eenige zekerheid te bekomen, en dat er weinige trekken bekend zijn uit de eerste kindschheid der levensgeschiedenis onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij een der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte Duitschland of Germanië. Doch volkomen zeker is het, dat zij hier reeds gevestigd waren, deze lage landen zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en zich over eene groote landstreek uitgebreid hadden, toen de Romeinen, 11 jaren vóór onze tijdrekening, voor het eerst in deze landen kwamen. De geschiedschrijvers van dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste bronnen der geschiedenis van Nederland, maken melding van hen. Hoe lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is onzeker, en, wegens gebrek aan kennis van de tijdrekenkunde en schrijfkunst bij dit volk, ook nimmer na te sporen.


[1] Vermeld in de Aantt. op hofdijk’s Jonker van Brederode, Amst. 1849, bl. 208.

[2] Uitvoerig handelt daarover Dr. g. acker stratingh in zijne Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderl. Gron. 1849, II 44, 88, 108. Zie verder over de afkomst der Friezen de Voorrede van het 1e dl. van het Vriesch Charterboek; ypeij, Geschiedenis van de Ned. Taal, Gron. 1812, I 126, 150, II 106; foeke sjoerds, Beschrijving van Friesl., Leeuw. 1765, I 277; Oudheden en Gestichten, I 1, 38, II 337; Dr. l. j. f. janssen, Drenthsche Oudheden, 17, 167.

[3] Na een naauwkeurig onderzoek heeft de geleerde oudheidkenner Dr. l. j. f. janssen daarvan een uitvoerig verslag aan het Friesch Genootschap medegedeeld, hetwelk geplaatst is in de Vrije Fries, 1850, V 338.

[4] Zie het Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten, Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz., en de daar vóór geplaatste inleiding, achter de Aanteekeningen als Tweede Bijlage medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging, duur van regering en voornaamste feiten dezer personen.

[5] Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten, Amst. 1741, 8o. De tweede omgewerkte druk verscheen in 1758 in 4o. De mindere waarde van dezen laatsten druk heeft Dr. j. h. halbertsma uitvoerig aangetoond in zijne Fragmenten over het geslacht der van Harens, bl. 100, 137.

[6] Zie de opsomming daarvan in van leeuwen’s Aantt. op It aade Friesche terp, Leeuw. 1834, 291; van rijn’s Aantt. en Nabericht op de Oudheden en Gestichten van Vriesland, Leiden 1723, I 88, II 357; ypeij, Gesch. v. d. Ned. taal, I 150; de Voorrede van het Stamboek van den Frieschen Adel, Leeuw. 1846, bl. II; acker stratingh, II 108 en bij vele anderen.


2. De omvang en toestand van het Oude Friesland.

Het gansche noordelijk gedeelte van Nederland, hetwelk thans de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe, benevens een deel van Overijssel, Noord-Holland en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den aanvang van onze tijdrekening, het land der Friezen. De rivier de Eems aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij Alkmaar), aan de zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land[7]. Daar tusschen bevond[10] zich het groote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere rivieren, welke uit de hoogere oostelijke en zuidelijke streken door dit lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stroomen, die alle, meest in noordelijke rigting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen. De rij dezer door de natuur tegen de woede des oceaans opgeworpene zeeweringen was daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen [11]en vloeden, die hier groote stukken gronds wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen, elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.

De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van Friesland levert bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woesten water-arbeid en door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen, waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen, kolken en meren. Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders hooge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne rigting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in Friesland binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond, doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen en uitstroomingen kwam de stand van het binnen- met het buiten-water meer in evenwigt; een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam boven en werd bewoonbaar. Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee, waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds breede stroomen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen, èn als woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen eerlang de bewoonbaarheid vermeerderden van een land,[12] dat eeuwen later voor het eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven[8].


[7] Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde Schets en Aanteekening 1. Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de Richara, de Reker of Kinhem, waarvan Kennemerland zijn naam draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die zich langs Alkmaar bij Petten in de Noordzee stortte, was destijds van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt. Schotanus, Beschrijv. end Chronijck, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt haar: „de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt dies tijdts scheydde.” Zie daarover vooral huydecoper op melis stoke, I 515; van den bergh, de Nederl. Wateren, in nijhoff’s Bijdragen, VII 208; acker stratingh, I 197 en ottema, in de Vrije Fries, IV 110; w. j. hofdijk noemt in zijn Kennemerland, 1850, 33: „het Reeker-wed, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die zich van beneden Koedijk tot aan de Syper golf uitstrekte: alzoo eene natuurlijke grens vormende tusschen West-Friesland en ’t noordelijkst einde van Kennemerland.” Zie ook het Jaarboekje: Holland, 1851, bl. 175.

[8] Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik gemaakt van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der omstreken van Sneek, door den Heer j. f. bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek, onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling van het Friesch Genootschap.


3. De Oude Friezen.

Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door de Friezen, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan de Groote Friezen ten oosten en de Kleine Friezen ten westen van den Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten zuiden, tot naburen[9]. De gezinnen, familiën en horden, welke dezen Germaanschen volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds lang een zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen, dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land eene woeste natuur, eene onvruchtbare oppervlakte. Lang bleven de noordelijke, in de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzoo verpligt in het najaar de hooger gelegene, min vruchtbare, doch veiliger zandstreken en wouden van Gaasterland, Opsterland, de[13] Stellingwerven en Drenthe op te zoeken, ten einde daar te overwinteren.

Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van de zee werden de noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan groote gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de hooge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hooge plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of terpen op, welke nog in Friesland, Groningen en elders onze bewondering verdienen. Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen hunner afgestorvenen begroeven[10], sloegen zij hunne woningen op. Nog waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem zamengesteld. Hunne kleeding bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne forsch gebouwde leden heensloegen. Als in een natuurstaat leefden zij hoogst eenvoudig. Eerst waren het vischvangst en jagt, vervolgens veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de vereering van de[14] heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner dankbaarheid toebragten.

Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot eene geschikte woonplaats wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens, van de ongenade der natuur wenschelijker vruchten trekken dan van hare liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang gewoond, en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke gebeurtenis eene groote verandering in hunnen toestand te weeg bragt. Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk.


[9] Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de vermelde Schetskaart.

[10] Zie Oude Friesche Wetten in de Aantt. van p. wierdsma, 95, en verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, waar meerdere bijzonderheden en bronnen zijn vermeld, welke ik hier zeker niet behoef te herhalen.


4. Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen. (11 jaren voor- en 28 na Christus.)

Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten overwonnen- en ook Gallië (Frankrijk), België, de Batavieren en andere Germaansche stammen aan zich onderworpen te hebben. Met onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben, ook de rustige volken van het noordelijk Germanië ten onder brengen. Het was hun veldheer drusus, die (11 jaren voor den aanvang onzer tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinsche gezag, dat hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden, jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.

[15]Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden, verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren, waarover hunne vlooten daarna vele malen door Friesland stevenden. Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wreede landvoogd, olennius, met de invordering van die schatting belast was, eischte hij eene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk eene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch, toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen, vrouwen en kinderen meester maakte,—toen stonden de Friezen tegen de Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten strijd. Met al de woede van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen de Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de sterkte Flevum, gevlugt was. Te vergeefs werd dit kasteel door de moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen. Weldra kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, apronius, met eene talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk trok ook deze nieuwe vijanden te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg, dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen werden; terwijl op éénen dag bij een gewijd bosch, Baduhenna geheeten, 900 en op eene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde Friezen den dood vonden.

Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer tiberius ontzette, hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de schande zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver,[16] die deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: Sinds dien tijd werd de Friesche naam vermaard onder de Germanen. (Zie Aant. 2.)

Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden zij geene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam twintig jaren daarna hun veldheer corbulo hier op nieuw, om eene bezetting in Friesland te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer claudius bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te trekken.

Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en nooit eene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinsche overheersching deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk van heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen rang bezorgde in de geschiedenis der volken. Indien alle voorvallen uit de vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindsche jaren van een groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het schoone gezegde van onzen Frieschen dichter willem van haren:

O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon
Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon.—
Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden,
Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan
Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan![11]

[11] Even als de volgende dichtregelen, uit het vermelde heldendicht Friso.


[17]

5. De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen.

Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een volk, zijne onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door eene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst dikwijls in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God middelen zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving. In bestendigen vrede rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden toestand, zonder ongemeene inspanning van krachten, welke alleen vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken, die reeds lang hooger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls eene leerschool tot verbetering van den maatschappelijken toestand. Daarom is het zoo belangrijk de gevolgen na te gaan van elke groote gebeurtenis en ook van deze.

Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne behoeften gering en hunne kleeding, woningen en levenswijze zeer eenvoudig. De Romeinen, die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het oosten de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen, hadden veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden bevredigd zien. Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel ontstond, mede met naburige volksstammen. Want ook het aanleggen van wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de Romeinen, wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land[18] trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste behoeften behoorden.

Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij groote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw, en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit Brittannië werd gehaald. Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk. Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger, toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond. De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt, zoodat de opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot eenige meerdere kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het verkeer met de Romeinen. (Aanteekening 3.)

De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid scheen te treffen, werd hun alzoo tot zegen, en tot eene oorzaak van verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot ontwikkeling[19] van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters:

Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt,
Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld,
En, spottend met den weg van zwakke stervelingen,
Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen.

6. Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)

Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks het voorgevallene, goede Bondgenooten van de Romeinen waren gebleven.

Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de Romeinsche soldaten ten gebruike afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De bevelhebber van Neder-Germanië beval hun echter deze oorden te verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zóó veel belang, dat de Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden, door de Romeinen verritus en malorix genoemd, ten jare 59, tot hen te zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer nero voor te dragen. Zij reisden naar Rome; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen, bragt men hen in den schouwburg van pompejus. De eenvoudige Friezen begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche Raadsheeren waren gezeten. Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid,[20] trouw en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze eer werd bewezen. »Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in dapperheid en trouw,” antwoordden verritus en malorix, en, hunne plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde gezanten neder. Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots, zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op; zelfs de wreede Keizer nero duidde hun deze handelwijze niet ten kwade: want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche burgerregt, als een uitnemend eerbewijs[12].


[12] Tacitus, Jaarboeken, 13, 310. Dat hunne namen in het Friesch gerrit en murk waren, zoo als ypeij, I 161, wil, is waarschijnlijker dan de meening van winsemius, 24, dat ze van het geslacht hermana en cammingha zouden geweest zijn. Familienamen en Wapens schijnen hier toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten in de 11e eeuw te zijn aangenomen.


7. Uitbreiding van Friesland. (240-455)

Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergrooten. Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Eene groote verandering in den toestand veler volken van Europa gaf eerlang aanleiding, om die zucht voedsel te geven en te bevredigen. Want de Romeinen, nadat zij eenmaal ten top van grootheid[21] en magt waren gestegen, verzwakten onder hunne laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen in den haat der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intusschen magtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om Rome tegenstand te bieden. Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare 70 hulp aan hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinsche juk. Meer andere stammen trachtten zich allengs van Rome los te scheuren; bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene algemeene volksverhuizing ten gevolge.

Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van een aantal volken, tusschen den Rijn, de Noordzee, de Elbe en de Main woonachtig. Onder den naam van Franken of Vrijen was hun doel het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun gebied, vooral in het meer vruchtbare Gallië. Dit doel gelukte hun na langen strijd, en de naam van het tegenwoordige Frankrijk, dat zij veroverden, draagt daarvan nog getuigenis.

Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een twijfelachtigen strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. »Het vuur der vrijheidsmin ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken. Door deze hun aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door andere volken werden aangevallen, met[22] weergâloozen moed, een onverzettelijken tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de meening van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben. Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot eene groote uitgestrektheid heeft uitgezet”[13]. Zuidwaarts breidden zij zich alzoo over den Rijn en de Maas tot aan het Zwin of het Sincfal, een zeeboezem in West-Vlaanderen, uit[14], en oostwaarts over de Eems tot den Wezer of zelfs verder, welke laatste streken door de Cauchen en andere stammen waren verlaten[15]. Evenzoo deden de Saksers, welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren 240 en 455 bekwam het Friesche rijk alzoo eene groote uitgestrektheid langs de kust der Noordzee, bevattende[23] alstoen een gedeelte van het tegenwoordige Vlaanderen, Zeeland, Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland, Groningen, Drenthe, Oost-Friesland, Oldenburg enz., met de landen, later door de Zuiderzee ingenomen. Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van Europa drie magtige vrije volken gevestigd: de Franken, de Friezen en de Saksers. (Aanteek. 4.)


[13] Ypeij, Geschiedenis der Nederl. Taal, I 150.

[14] Het Zwin, oudtijds het Sincfal en later het Hazegat geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de toenmalige grens van Friesland voor. Het is de eertijds breedere inham en haven der stad Sluis benoorden Brugge, welke nog de grensscheiding tusschen Nederland en België, of tusschen het vaste land van Zeeland en West-Vlaanderen uitmaakt. Blommaert in zijne Aloude Geschiedenis der Belgen, Gent 1849, 20, en van den bergh in nijhoff’s Bijdragen, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom, die zich tot Damme uitstrekte, en in de 13e eeuw eene der voornaamste havens niet slechts dezer landen, maar van gansch Midden-Europa was. Zie ook acker stratingh, I 114 en de kaart; dresselhuis, de Provincie Zeeland, 76 enz.

[15] Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: „tot over de Elve en dus tot op de grenzen van Denemarken.” Zie joh. a leidis Chronicon, lib. II cap. 15; van loon, Aloude Regeeringwijs van Holland, I 106, enz.


8. Der Friezen togt naar Brittannië. (449)

Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke bewoners van Brittannië of het tegenwoordige Engeland, zeer ontrust door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit genomen hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand, hadden zij van hen reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen, die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer verwachten. Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de Neder-Saksers, die toen de Vlaamsche en een gedeelte der Fransche kust bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de Anglen en Warners, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal gevestigd hadden en de Friezen, die het verdere kustland bezaten. Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen verbonden; terwijl de Friezen, als de magtigste dezer stammen, zich daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden.

Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust en tuk op roem en buit, gaarne[24] de gelegenheid waar, om een zwakken nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast staken zij dan op achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee kloeke krijgshelden, hengist en hors geheeten, en boden der Britten Koning vortigern hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden op, en mogt het hen in een roemrijken veldslag gelukken, de Pikten en Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.

Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het eiland voort. Eindelijk ontstond er tusschen hen en de Britten een hevigen strijd, waarin zij de zege mogten behalen. Nu werd de Koning gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen namen de vlugt, en hengist, weldra bezitter van geheel Kent, werd tot Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en uitbreidden. De oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de gebergten van Wallis, deels in het tegenwoordige Brétagne in Frankrijk, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friesche taal, zeden en gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in Engeland ingevoerd. Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming[25] met de taal, de zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt in het midden der vijfde eeuw. (Zie Aanteekening 5.)

9. De strijd der Friezen tegen de Franken.

Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang van het Westersche keizerrijk waren de in Gallië gevestigde Franken magtig geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne heerschzucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning klovis de Christelijke godsdienst had aangenomen (496): want de zucht, om deze leer te verspreiden en onder de heidensche volken voort te planten, werd nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstogten ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen.

Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele vrijheidszucht somtijds de handen in-een, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk eene dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls[26] geduchte legers wederstonden—dit blijkt uit de langdurigheid van dien krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de overmagt bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog grooten roem bij andere volken verwierven.

»Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen Franken en Friezen, tusschen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des Christendoms en de kracht van karel den groote, maar niet tot oneer der overwonnenen,—die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven.”[16]


[16] De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door Jhr. Mr. b. j. l. de geer, Utrecht 1850, bl. 6.


De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen wij mededeelen bij de vermelding van

10. De pogingen der Franken ter invoering van de Christelijke Godsdienst in Friesland. (630-800)

In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in den zegen des Christendoms te doen deelen. Schijnbaar zouden zij die leer des evangelies, welke liefde en vrede[27] verkondigt en de beschaving aller volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was opgedrongen door trotsche vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk wilden berooven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde, welke nog algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet, dat het toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaansch beginsel van liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde overheersching, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne zelfstandigheid te bewaren.

Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde en Wezer in de 6e eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer verbonden met hunne naburen,—totdat de aanvallen der Franken hen opriepen ter verdediging van den vaderlandschen grond. De minst bevolkte en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmagt op den duur niet weêrstaan. Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning dagobert I, die ten jare 630 te Wiltenburg of Utrecht eene eerste Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche legerplaats, aan Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het middelpunt, zoowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe leer.

De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van Europa door de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den ijverigen prediker eligius herwaarts, om onder de heidensche Friezen het evangelie[28] te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den vreedzamen Koning der Friezen adgild I, die zelfs den bisschop wilfried, op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankischen vorst ebroin, en hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem bleek het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van het Christendom dan van de Franken.

Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger radboud I. Den Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van dagobert gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en Utrecht weder te bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld (680).

Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter pepyn van Herstal met een magtig Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en, na hardnekkigen tegenstand, radboud eene nederlaag toebragt bij Dorestad, het latere Wijk bij Duurstede, toenmaals de stapelplaats van den Frieschen handel (692). Hij dwong radboud, zich te onderwerpen en de vrije prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger willebrord, in Engeland geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne taal bekend[17]. Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer voort te planten. Daarom werd hij in 696 te Rome tot Aartsbisschop der Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand[29] van radboud andermaal door pepyn was overwonnen (697), gelukte het willebrord, te Utrecht op nieuw eene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd. IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van Vlaardingen af tot Heilo toe, het Christelijk geloof uit te breiden. Zij bleven echter meest tot den omtrek van Utrecht bepaald, dewijl de ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van Friesland de algemeene verbreiding moeijelijker maakte.


Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zoolang de onverzettelijke radboud het Christendom zoo vijandig bleef. Naauwelijks was pepyn in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug (716). Hij trekt voort tot Utrecht en verjaagt daar willebrord en zijne geestelijken, die de vlugt nemen naar Trier. Ook Dorestad valt in zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het zelfs met zijn leger langs dien stroom naar Keulen op te varen, waar plectrude, pepyn’s weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het Frankische leger onder karel martel eene volkomene overwinning, verwoest de omliggende streken en keert met grooten buit beladen naar zijn rijk terug.

»Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke tooneelen, waarin de opkomende geslachten telkens eene oefenschool vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den Frieschen landaard zoo bijzonder eigen,[30] bevestigd en versterkt werd? Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid?”[18] En zulks te meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden, waartegen zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden.

Reeds in het volgende jaar (717) kwam karel herwaarts, om over de geledene nederlaag eene geduchte wraak te nemen. In een hevigen strijd, aan den Rijn bij Utrecht, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning te behalen op radboud, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen. Doch toen de Bisschop wulfram hem daartoe te Medemblik, zijn zetel, den doop plegtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidensche voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als ongeloovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug, verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan met den geringen hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard. Met groote standvastigheid en ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken. Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en onafhankelijkheid.

Zijn opvolger adgild II was even vredelievend als de eerste vorst van dien naam. Terwijl willebrord de Utrechtsche kerk in luister herstelde en zijne zendelingen[31] overal uitzond, om de leer des kruises te verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet verhinderen, dat in het noorden of het hart van Friesland, waar het heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, eene nieuwe poging werd gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen. Daarom kwam karel martel in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger minder bezochte gedeelte van het Friesche rijk; in het laatstgenoemde jaar zelfs met eene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden hij een bloedigen slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer poppo sneuvelde, terwijl Koning adgild van hartzeer daarover stierf. Door het vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bosschen zocht men nu in Oostergoo en Westergoo het heidendom te verdelgen, en door prediking de nieuwe leer te planten. Doch te vergeefs: want zulke geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor eene leer, waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hooge waarde en heiligheid het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen radboud II, een even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken als zijn voorzaat van dien naam. Of deze radboud een Fries was, dan wel een Deensch vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop bonifacius, die reeds zoo lang in Friesland en Duitschland het evangelie had verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door[32] zijn vromen zin en geholpen door vijftig togtgenooten, onderwijst en predikt hij alom, rigt verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide Christenen. Bij Dokkum gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken, toen hij onverhoeds door eene bende heidensche Friezen wordt aangevallen en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot.


Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De eigenlijke Friezen, de kern van den ouden volksstam, woonden in het midden, tusschen de rivieren de Reker of Kinhem en de Eems. Alle landstreken bezuiden de Reker (den vroeger vermelden Rijnmond bij Petten, benoorden Alkmaar), welke de Friezen van tijd tot tijd veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt reeds ten gevolge der veroveringen van pepyn van Herstal in 692 en 697, of van karel martel in 715.

De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier de Eems (Oost-Friesland, Oldenburg enz.), weêrstonden het langst de magt der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van dezen deelden.

De oorspronkelijke Friezen, tusschen de Reker en de Eems (een gedeelte van Noord-Holland, Friesland, Groningen, Drenthe enz. bewonende), waarover radboud II regeerde, stonden dus op zich zelve tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het Christendom van lieverlede[33] gemaakt had, vooral tijdens de prediking van den vromen Bisschop bonifacius, zagen velen hunner in, dat alle tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn. Doch hun Koning bleef zich met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van bonifacius, zoo men wil op aanstoken van radboud geschied, bragt echter weldra eene groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde, Friezen vereenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En toen radboud, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van witikind, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen hier gruwelijk vervolgden,—toen werden de Friezen zóó afkeerig van hunnen Koning, dat zij de bescherming inriepen van den Koning der Franken, op wiens komst radboud naar Denemarken vlugtte en de Saksers naar hun land terugtrokken (775).

Die Koning der Franken was karel, eerlang de groote bijgenaamd, wegens zijne voortreffelijke eigenschappen, grootsche ontwerpen en stoute daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader pepyn de korte (768) en van zijn broeder karloman (771) was hij meester geworden van geheel Frankrijk, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden, een gedeelte van Spanje, Beijeren enz. vergrootte. Gaarne verleende hij zijne bescherming aan een volk, dat zijne achting had verworven wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo láng had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als Beschermheer van dit volk aangenomen, tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam en het geheel anders behandelde dan volken, welke hij[34] overwon of veroverde, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den hevigsten tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp[19]. (Zie ook bl. 47.)

De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was alzoo de invoering van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, eene weldadige verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te weeg gebragt. Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen heerschen,—toch vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.


[17] De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit Engeland, waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was, om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook Aanteekening 5.

[18] J. bosscha, Neêrl. Heldendaden te land, Leeuw. 1834, I 22.

[19] De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken van scharlensis, 1597, winsemius, 1622 en schotanus, 1658, alsmede foeke sjoerds, Friesche Jaarboeken, 1768, I; Tegenw. Staat van Friesland, 1785, I; wagenaar, Vad. Historie, 1749, I; cerisier, Gesch. der Ned., 1781, I, 24, 29, 82-136; gaillard, Geschied. van karel den grooten, 1785, I 225, II 32 enz.; westendorp, Jaarboek, Gron. 1829, 1-97; van leeuwen’s Kronyk der vrije Friezen, 1834, 1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men Aanteekening 6.


[35]

TWEEDE TIJDVAK.

HET VRIJE FRIESLAND.

VAN KEIZER KAREL DEN GROOTE TOT HERTOG ALBERT VAN SAKSEN.

Van omstreeks het jaar 800 tot 1498.

11. De Friezen tijdens Karel den groote.

Na het eindigen van den strijd met de Franken en de vervanging van het Heidendom door het Christendom, was er een nieuw tijdperk van volksleven en ontwikkeling voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening tusschen beide volken was daarvan het eerste gevolg. De langdurigheid van dien strijd levert reeds een bewijs op, dat de Friezen destijds talrijk, strijdbaar en vermogend waren. Er zijn vele blijken over, dat er toen onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van landbouw, veeteelt en visscherij, wier voortbrengselen door handel en scheepvaart onder de naburen verspreid werden. Utrecht, Duurstede, Tiel, Stavoren, Dokkum en andere plaatsen, aan den uitloop van onderscheidene rivieren op deze noordwestkust van Europa gunstig gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld, Reeds vroeg waren de Friezen als stoute zeevaarders vermaard. Ook langs den Rijn dreven zij handel met Keulen, en hadden zich mede te Ments gevestigd, Zelfs waren er handwerken of fabrijken, die hier bloeiden,[36] zoo als de lakenweverijen, welke eene zware wollen stof of duffel vervaardigden, nog Fries genoemd, waarvan gekleurde en fraai bewerkte mantels werden gemaakt, die groote vermaardheid hadden en naar onderscheidene landen verzonden werden. Door Keizer karel werden op hooge feesten zulke Friesche Mantels als kostbare geschenken uitgedeeld. (Aanteekening 7.)


Van de drie hoofdstammen des Frieschen volks mogten alzoo de eigenlijke Friezen, wonende tusschen de Reker en de Eems, het voorregt smaken, hunne vrijheid en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder eigene wetten en opperhoofden, hunne eigendommen gerust te bezitten. Dit voorregt, waardoor zij zich Vrije Friezen noemden, genoten zij boven hunne vroegere stamgenooten en naburen bij uitnemendheid. Want deze laatste waren door karel overwonnen, en stonden, naar het regt des oorlogs dier dagen, onder de vrije beschikking des Keizers, die onderscheidene gedeelten van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne Leenmannen, welke van de diep onderworpene inwoners cijns, schot, lot en heeren-diensten naar goedvinden vorderden. Zij behandelden deze als lijfeigenen en slaven, aan den grond verbonden. De invoering van de instellingen der Leenregering volgde toch overal, waar de Franken zich vestigden. Zwaar heeft dat Leenstelsel gedurende vele eeuwen op de meeste volken van Europa gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart en kennis verhinderd. Dit lot hebben deze Friezen niet ondergaan; zij zijn in het bezit hunner eigendommen, vrijheden en voorregten gebleven; en deze hadden voor hen hoogere waarde, omdat hunne naburen daarvan verstoken waren. Zij eerbiedigden den Keizer van het Duitsche Rijk wel als Beschermheer, doch zij gehoorzaamden[37] hem niet als gebieder, die het regt had over hun land, personen en eigendommen te beschikken; terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne eene geringe schatting aan het Rijk opbragten. Die Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun oorspronkelijk volksregt, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd. Met regt kon dus helmers hen noemen:

De Friezen, waardig ’t bloed, waaruit zij zijn gesproten,
Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten.

Karel de groote verdeelde het Friesche rijk nu in een aantal landschappen, waarover hij Graven en Schouten aanstelde; de andere bestuurders, opperhoofden en regters werden door het volk gekozen. In het tegenwoordige Friesland ontstonden alzoo de Gouen of Graafschappen Oostergoo, Westergoo, Stavoren en een deel van Islegoo. Ook hier voerde hij de rijkswetten of capitularia in, doch met behoud van de Friesche wetten, volksregten en gewoonten, welke hij in schrift liet brengen en naar de behoeften des volks en in verband met de rijkswetten wijzigde. Ten aanzien der vrijheid, (in tegenoverstelling der hofhoorigheid of leenroerigheid der andere volken) waren de voornaamste bepalingen dier wetten: dat de vrije Fries persoonlijk vrij en aan geen heer onderworpen was, zoodat hij kon gaan, werwaarts hij verkoos; dat hij ter verdediging van zijn land wel tot de volkswapening verpligt was, doch niet kon gedwongen worden, om buiten de grenzen zijns lands ten strijde te trekken; dat hij zijne bezittingen en ouderlijk erf vrij en onbelast bezat, en geene schatting behoefde te betalen, waarin hij zelf niet had toegestemd; dat hij onder de oude voorvaderlijke wetten en gebruiken leefde, waarvan de uitvoering was opgedragen aan overheden, regters en ambtlieden, door de vrije keus des volks benoemd enz.[38] De volks-overleveringen voegen hier bij, dat de Keizer hun bij deze nog meerdere voorregten schonk, uithoofde de Friesche krijgsbenden hem vrijwillig bijstand verleenden op zijne krijgstogten in Spanje (778), tegen de Wilten aan de Oostzee (789), tegen de Avaren aan den Donau (791), en vooral op den togt ter verovering van Rome (809), tot herstel van Paus leo in zijn gezag, bij welke gelegenheid de Friezen hun vaandel op Romes hoogsten burg zouden geplant hebben. (Aanteek. 8.)

Bij zoovele blijken van achting en onderscheiding jegens de Friezen voegde Keizer karel ter goeder ure de invoering, vestiging en bescherming van de Christelijke Godsdienst, als eene weldaad van hooge waarde. Onderscheidene predikers en zendelingen kwamen in Friesland het evangelie verkondigen. Al de inrigtingen van het heidendom werden zoo veel mogelijk verwijderd of vervangen, en op den grond der heidensche tempels en offerplaatsen christen-kerken en scholen gebouwd. De kerk van Utrecht werd bij hare bezittingen bevestigd, en in gezag, rijkdom en aanzien uitgebreid. Geen vreemdeling, maar theodard, een Fries, werd daar als Bisschop aan het hoofd der Friesche geestelijkheid gesteld; gelijk aan wijho, ludger en hildegrim, uit Frieschen stam, ter belooning van hunne ijverige evangelie-prediking, door karel bisdommen in Saksen werden opgedragen.

12. Invloed der Franken en der vestiging van het Christendom.

Groot waren gewis de gevolgen van de algemeene aanneming der evangelieleer. De redelijke geest der landzaten, zoo lang gedrukt door de duisternis des heidendoms, werd door een nieuw en weldadig licht beschenen, waardoor het leven eene hoogere beteekenis[39] verkreeg. Niet slechts kennis en bekwaamheid, maar vooral menschelijkheid werd door het Christendom bevorderd, al bleven de uiterlijke vormen van den krachtigen mensch nog lang de blijken der vroegere woestheid en ruwheid dragen. Wel was dat Christendom toen reeds verbasterd en werd de eeredienst naar heidensche gewoonten geschoeid,—toch was het de eerste schrede ter bevordering van kennis, verlichting en beschaving, welke vooral later op de denkbeelden en zeden een weldadigen invloed verkregen.

Bovendien werkte het Christendom gunstig op de vestiging en verbetering van den burgerlijken toestand des volks. Want waar, op geschikt gelegene plaatsen, kerken en leerscholen gebouwd werden, daar verzamelden de inwoners zich meer tot buurten en dorpen, waaruit eerlang de steden ontstonden. Gezellige verkeering, onderling dienstbetoon, bijstand in gevaar, zorg voor armen en ongelukkigen, hulp ter voorziening in elkanders behoeften, handwerken en handel,—dat alles droeg bij ter vorming van eene geregelde burgermaatschappij. Hun verkeer met Frankische geestelijken, ambtenaren en krijgslieden, afkomstig uit een land, waarin de meerdere beschaving van het zuidelijk Europa reeds was doorgedrongen, moest op hunne kennis, zeden, levenswijze en huishoudelijke behoeften van grooten invloed zijn. Deze leerden den Friezen verschillende bedrijven en handwerken kennen; hunne huizen, dijken en gereedschappen verbeteren, en sluizen en bruggen aanleggen; alles tot meerdere beveiliging en onderlinge gemeenschap. De verpligtingen, welke hieruit voortvloeiden jegens het algemeen, haalden den maatschappelijken band naauwer toe, en werden er in de wetten zelfs bepalingen deswege opgenomen. De verlichte en edele karel de groote toch begreep zijne roeping, en, afkeerig om de door hem[40] overwonnene volken met despotischen trots te onderdrukken, waren al zijne pogingen dáár henen gerigt, om door wijze maatregelen de stoffelijke, verstandelijke en godsdienstige belangen dier volken te bevorderen. Groot en edel was deze bedoeling in eene eeuw, waarin de onkunde nog zóó algemeen was, dat het voornaamste hulpmiddel tot beschaving, de lees- en schrijfkunst, bij de meeste volken nog onbekend en alleen in het bezit van weinige geestelijken was. Maar ook in deze behoefte voorzag eerlang het Christendom, hetwelk de zorg voor de opvoeding der jeugd aan de beoefening van kunsten en wetenschappen paarde. Met regt vereerden daarom ook de Friezen karel steeds als een weldoener, als een zegenrijk middel in Gods hand tot verbetering van hunnen toestand. Nog eeuwen lang na zijnen dood, die in 814 voorviel, erkenden zij, van hem de bevestiging van hunne vrijheid, de bescherming van hunne onafhankelijke instellingen en wetten ontvangen te hebben[20]. Daarom bleef hij in hun volksgezang en herinneringen leven. Zeker hadden zij de van hem ontvangene gunstbewijzen van weinige veroveringszuchtige vorsten kunnen verwachten: want gewigtig was het voorregt, »dat Friesland onder der Franken heerschappij zijne zelfstandigheid behield, zijne nationaliteit bewaarde, en dat het einde van dien langen strijd wel eene nieuwe inrigting aan Friesland gaf en de zegepraal aan het Christendom verzekerde, maar met behoud der vrijheid, der eigenaardigheid des volks.”

»En die bleef ook later behouden en vertoonde zich steeds krachtig en scherp tegenover alles, wat van Frankischen oorsprong of Frankischen zin was. Vandaar dien strijd tegen de graven van Holland, zoo hardnekkig[41] gevoerd; die afgunstige bewaring hunner regten tegenover den Bisschop van Utrecht. Maar ook vandaar dien afkeer tegen de Friezen bij de Frankisch gezinde Hollandsche Kronykschrijvers, die eenen melis stoke b. v. in zijn klooster te Egmond bezielde; vandaar die eigenaardige ontwikkeling des Frieschen regts, des Frieschen volks in de volgende tijden, tegenover de overige gedeelten onzes vaderlands.”

»Wij zien het, niet waren het de Franken, die Friesland overwonnen, maar het Christendom baande er den weg aan karel den groote, en aan hem onderworpen, werden de Friezen zelfstandig en vrij opgenomen in het westersch Christelijk keizerrijk, waarvan hij het hoofd was. Zoo kon het Friesche volkslied van karel zingen, dat hij geliefd en goed was, en trouw en waarheid stichtte en der Koningen wet en aller lieden keur en landregt en aller landen regten zette. Zoo eindigde die strijd, maar niet tot oneer der overwonnenen”[21].


Nog een blik op de gevolgen van deze hoogst belangrijke gebeurtenis, het keerpunt in het volksbestaan der Friezen. Zij hadden daardoor twee gewigtige betrekkingen aangeknoopt, welke, vereenigd, ongeveer acht eeuwen onder bijna gelijke vormen zouden stand houden: zij waren Christenen en, in zekeren zin, deelgenooten van het Duitsche Rijk geworden. Door de eerste werden zij leden van een groot en schoon verbond, dat reeds zoo vele volken van wijd uiteenloopenden aanleg[42] en belangen omvatte, doch die allen door gevoelens van algemeene welwillendheid en onderlinge toegenegenheid het bestaan van een band van broederschap erkenden, en door gelijke beginselen van zedelijkheid en volkenregt zich verbonden gevoelden. De onderlinge gemeenschap dier volken werd hierdoor bevorderd. Men had regt op elkander; men leerde en onderrigtte elkander; men nam de vruchten der kennis en ondervinding, ook in handel, bedrijven en kunsten, van elkander over; en de wijsten of meest geoefende leeraren konden meer algemeen de schatten van kennis, godsdienstleer en zedelijkheid verkondigen, als vruchten van den weldadigen boom door Christus ten behoeve der menschen geplant. Zelfs de geestelijke oppermagt, welke zich in de middeleeuwen over het westelijk Europa uitbreidde, bragt meer goeds dan kwaads te weeg, en was vaak een tegenwigt van heilzame strekking tegen de al te vaak misbruikte magt der wereldlijke regering.

Ook de betrekking tot het Duitsche Rijk was voor het staatkundig bestaan der Friezen eene zaak van groot belang. Dat zij daartoe niet als overwonnenen en dienstpligtigen behoorden, was een voorregt, waarin geen ander volk met hen deelde, en waarom zij den naam van Vrije Friezen bij uitnemendheid droegen. Maar hunne wetten werden naar de bepalingen van het algemeene regt des rijks gewijzigd. De gelijkheid in de vormen van regtspleging en bestuur werd een band te meer met volken, van wie zij te lang waren afgescheiden geweest, behoudens de eigenaardigheid van hun stam en krachten. Door verkeer, omgang en betrekkingen met deze moest ook hier toeneming in beschaving worden bevorderd. Belangrijk was die betrekking inzonderheid voor de Friezen, omdat zij hen een waarborg was voor hunne vrijheid; een voormuur tegen de aanranding van[43] geweldenaren, wier overmagt zij zeker niet waren ontkomen, zonder deze bescherming des rijks. Maar bovenal, omdat zij hen vrijwaarde van den last des Leenstelsels, dat onder heerschzuchtige heeren en magtige veroveraars met looden zwaarte op de diep vernederde volken van Europa drukte. Ja, deze betrekking bleek later daadwerkelijk eene beschutting te zijn tegen de hebzucht van anderen en tegen de partijzucht van den adel, bij het twisten over de onderlinge belangen.

Beide betrekkingen waren in de hand des Allerhoogsten middelen ter verheffing van het volk, uit de duisternis tot het licht—door strijd en lijden tot volmaking. Bij al de beroeringen en woelingen onder de volken van het westelijk Europa, waarin de Friezen noodwendig moesten deelen en waaruit zij zich onmogelijk konden houden, viel hun in de gevolgen het beste deel te beurt. En mogt de strijd tegen vreemde vijanden hun moed en vaderlandsliefde sterken—het verbond en het verkeer met die vreemden bragt hen in aanraking, in gemeenschap, in stoffelijke en geestelijke verbroedering met de bewoners van andere oorden, die weder van hunne gemeenschap voordeel trokken.

Zoo wil het God, wiens wijze leiding wij, ook te midden der heerschzuchtige woelingen zijner menschen-kinderen, ter bevordering van zijne heilige bedoelingen kunnen herkennen.


[20] Zie dit in Aanteekening 9 nog in een stuk van 1430 vermeld.

[21] Prof. de geer, de strijd der Friezen en Franken, Utrecht 1850, 43. Deze laatste denkbeelden en schoone voorstelling van den jongsten schrijver over dit onderwerp heb ik zeer gaarne hier overgenomen, mede als bewijs, hoe gunstig ook zij, die geene Friezen zijn, thans na rijp onderzoek over den oorsprong der veel betwiste Friesche vrijheid denken.


13. De invallen der Denen en Noormannen.
(Van omstreeks 520-1010.)

Dat de Friezen hun onafhankelijk volksbestaan bleven behouden, verdient inderdaad onze verwondering in nog hoogere mate, als wij bedenken, dat zij in de zelfde eeuwen, waarin zij aan de zuid- of landzijde door de[44] legers der magtige Franken werden aangevallen, en nog lang daarna, ook aan de noord- of zeezijde te kampen hadden met niet minder geduchte vijanden, die op den duur nog moeijelijker waren te weêrstaan. In die onveilige tijden, toen de verschillende volksstammen van het noordwestelijk Europa zeldzaam eene vaste woonplaats hadden, zich gemakkelijk van de eene naar andere en betere landstreken verplaatsten, en nog geen volkenregt kenden of eerbiedigden, was de zucht om elkander te berooven en buit te maken veelal het hoofdbeginsel van den oorlog.

Geen volk was als zoodanig meer gevreesd dan de Noormannen, dan die woeste benden van Deensche, Zweedsche en Noorweegsche zeeschuimers, wier schepen bij menigte den oceaan vervulden en onveilig maakten. Als stoute zeeroovers van vervaarlijke kracht en onverbiddelijke wreedheid, waren zij steeds de schrik der bewoners van de kusten der Noordzee en het Kanaal. Want niet alleen Friesland, maar ook Frankrijk en Engeland verontrustten zij door hunne strooptogten. Onverhoeds landden zij, en overvielen de ongewapende landbewoners, welke zij uit huis en erf verdreven, om zich intusschen van derzelver goederen en vee meester te maken en dit met hunne schepen weg te voeren. Die aanvallen waren soms zóó stout, dat zij gansche streken overweldigden, het land aan hun gezag onderwierpen, en er door overmagt een tijdlang eene dwinglandij uitoefenden, welke voor den landzaat onduldbaar was. Vooral heeft de Deensche Koning heriold met zijne broeders roruk en hemming het zuidelijk deel van Friesland jaren lang in bezit gehouden, waarbij ze hun zetel veelal in de aanzienlijke handelplaats Dorestad gevestigd hadden. Zelfs wordt de laatste Friesche Koning radboud II gehouden voor een Deensch vorst, die zich van dit land met geweld had meester gemaakt.

[45]De oude geschiedverhalen gewagen daarom telkens van hunne invallen en strooptogten, die omstreeks den jare 520 begonnen en eerst in de elfde eeuw opgehouden moeten zijn. Met het woeste en nog weinig bebouwde land hunner geboorte niet tevreden, zochten deze schrikbarende geweldenaars vooral die kustplaatsen op, waar handel en nijverheid reeds welvaart hadden verspreid, en waar zij dus de beste gelegenheid vonden, om buit te behalen. Waar ze kwamen, voerden ze plundering, moord en brand in hun gevolg, of legden de overrompelde bewoners zware schattingen op. Vandaar, dat het noemen van hun naam alom reeds siddering verwekte.

Niet zelden echter ondervonden zij van de dapperheid der Friezen een tegenstand, welke hen met groot verlies naar hunne schepen deed terugkeeren. Immer moesten deze op hunne aanvallen bedacht en daar tegen gewapend zijn. Vreeselijke gevechten zijn er tegen hen gevoerd, waarbij de Friezen en hunne legerhoofden of Potestaten met eere streden, en hen afschrikten deze oorden vooreerst weder te bezoeken. Ja, »de Friezen zijn in de historie gekenmerkt als de moedigste bestrijders van de mannen uit het noorden”[22]. Uit zucht naar wraak trokken ook zij zelfs meermalen te scheep naar de Oostzee, om den Noorman de geledene verliezen in zijn eigen land betaald te zetten.

Er bestond echter, buiten de plunderzucht der Noormannen, nog eene reden, waarom zij Friesland aan de Franken zoo lang en zoo hevig betwistten. Zij hadden het Christendom een gloeijenden haat gezworen. En indien[46] de Franken voorgaven, de Friezen tegen hun geweld te willen beschermen, waren zij de eersten nog te meer vijandig, omdat deze de laatsten te gelijk aan het Heidendom zochten te onttrekken. Dat Heidendom toch vuurde hen aan tot den strijd en deed hen den heldendood met verrukking te gemoet zien, omdat deze hen zou overvoeren in een hemel, waar zij zich, bij al de genietingen van den wellust, dronken zouden drinken aan lekker bier uit de bloedige bekkeneelen hunner vijanden. Vreeselijk was daarom hunne verbittering tegen de Christen-Franken, die ze vervolgens ook in hun eigen land bestookten, en wier magt zelfs niet kon verhinderen, dat de Noormannen zich op hunne kust vestigden (Normandië).

Somtijds werden zij evenwel met kracht wederstaan en geslagen. Toen in 885 gansche drommen van dezen schrik der wateren Engeland, Frankrijk, Vlaanderen en de Nederlanden overstroomden, en aan de oevers van Theems en Seine, Schelde, Rijn en Maas de bloedige sporen hunner verwoestingen achterlieten, tastte eene vloot dezer zeeroovers ook de Oude of Neder-Saksers aan. Deze, toen aan de Vlaamsche kust gevestigd, konden bijstand bekomen van de Friezen, met wier hulp het hun gelukte, in één jaar tweemaal de overwinning op hen te behalen. Doch, hoe dikwijls ook verslagen, telkens groeide hun getal aan. Ongeloofelijk schijnt het bijna, dat er in 889 eene vloot met 100,000 Noormannen voor de Maas verscheen, waarvan het grootste gedeelte aan land kwam en de toegesnelde verdedigers dezer gewesten versloeg; maar ook, dat Keizer arnold, in het volgende jaar 890, (zoo men meent ter plaatse, waar nu Leuven ligt) met een groot leger hen tegentrekkende, hun eene allerbloedigste en beslissende nederlaag toebragt, »waarbij het vooral de Friezen waren, die zich het meest onderscheidden.”

[47]Met de Franken als bondgenooten vereenigd, weêrstonden alzoo de Friezen de Noordsche heirmagten, waartegen beide volken steun vonden in elkander, en waarbij Friesland aan Frankrijk ten voormuur verstrekte. Ook hierdoor laat zich verklaren, welk belang de Franken hadden bij het bezit van Friesland, en evenzeer welk belang onze vaderen hadden bij de bescherming der Franken; wáárom zij karel den groote als Beschermheer aannamen, en om welke reden deze hen meer als bondgenooten dan als overwonnenen behandelde. De vereenigde magt van Franken en Friezen beschermde, na 775, de gansche noordwestkust van Europa, van de Elve tot de Pyreneën, tegen het geweld der Noormannen. Meer algemeene en krachtdadige tegenstand verzwakte eerlang echter de krachten van dezen; en toen eindelijk, in de elfde eeuw, de weldadige stralen des Christendoms ook doordrongen tot die Noordsche rijken, er de ruwheid van zeden verzachtten en er volkenregt deden eerbiedigen,—toen verminderden van lieverlede die togten, welke eindelijk geheel ophielden.

De Friesche geschiedboeken verhalen evenwel, dat nog in 1306 een hoop Noormannen de Lauwerszee inviel en hier verwoestingen aanrigtte; doch ook, dat zij door de Friezen dapper aangevallen- en, met achterlating van 900 dooden en grooten buit, naar hunne schepen gedreven werden, terwijl deze het verlies van 400 man, en daaronder hun wakkeren aanvoerder, den Potestaat reinder cammingha, te betreuren hadden[23].

[48]Wij besluiten het algemeen overzigt van deze togten der Noormannen met de volgende lofspraak op de dapperheid der Friezen in dien strijd, van den dichter Mr. j. van lennep[24]:

Nooren, Finnen, fiere Deenen,
Die hun overmacht vereenen,
Landen op de Friesche kust.
Meer nog dan de woeste dieren,
Dan de wolven, raven, gieren,
Die hun krijgsstandaarden cieren,
Zijn ze op roof en buit belust.

Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,
Maar geen plonderzieke scharen,
Zullen immer sidd’ring baren
In der Friezen fier gemoed.
De ijz’ren knods blinkt in hun handen:
Wie hen driftig aan durft randen,
Heeft zijn stoutheid ras geboet.

Alle volkren op deze aard
Zien wij eens hun naam verliezen;
Maar de grootsche naam van Friezen
Blijft in eeuwigheid vermaard.

[22] Zie van leeuwen’s schets dezer togten voor de Herinnering aan het geslacht Sirtema van Grovestins, in de Vrije Fries, V 232, en vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer invallen.

[23] De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het belangrijke werk van Dr. j. h. van bolhuis, de Noormannen in Nederland, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve onze Kronyken op vele plaatsen, molhuijsen, in nijhoff’s Bijdragen, VII 182; bosscha, Neêrlands Heldendaden, I 22; foeke sjoerds, Jaarboeken, III 224 enz.

[24] De Roem van twintig eeuwen, 1831.


[49]

14. Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden.

De opvolgers van karel den groote en van zijn zoon lodewijk den vrome, die van 814 tot 840 regeerde, waren meestal zwakke Vorsten, die zich weinig met het bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdeelingen en beroeringen van allerlei aard verzwakten bovendien hun gezag. Zelfs bleven de Graven of gezanten, welke in de eerste tijden jaarlijks of om de drie jaren in Friesland kwamen, om in buitengewone zaken regt te spreken en de schatting te innen, eerlang geheel weg. Van deze nalatigheid maakten alzoo de vrijheidminnende bewoners dezer landen gretig gebruik, om zich nader aan elkander te verbinden en eene onafhankelijke volksregering te vestigen, vooral tot onderling hulpbetoon: aan de eene zijde tegen de invallen van de Noormannen en aan de andere zijde tegen de magtig gewordene Graven en Leenmannen.

Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik ter vergrooting van hunne magt en tot verdrukking van het volk. Dit was bijzonder het geval in dat eerst veroverde westelijk gedeelte van het Friesche rijk, tusschen het Sincfal en de Reker, dat eerlang door de Graven van Holland en Zeeland, de Bisschoppen van Utrecht en andere Heeren als eene eigene en erfelijke bezitting werd beschouwd. Het tweede gedeelte of het eigenlijk Friesland, tusschen de Reker en de Eems, genoot eene gewenschte onafhankelijkheid, doch had veel te lijden van de woeste strooptogten der Denen. Het derde gedeelte, Oost-Friesland, tusschen de Eems en den Wezer, dat ten gevolge van zijne gemeenschap met de Saksers later veroverd was, had reeds van karel’s [50] zoon, lodewijk den vrome, het regt op het vaderlijk erfgoed, bij de verovering hun onthouden, terug bekomen. Het stond nu bloot aan de overheersching der Saksische Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde zeer in het genot te deelen van gelijke regten en vrijheden, als de Friezen bewesten de Eems bezaten. Met deze oude stamgenooten sloot het dus een verbond tot onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen, onder gelijke omstandigheden verkeerende, en wonende tusschen den Wezer en de Elbe, en van daar tot den Eider (de Noord- of Strand-Friezen), sloten zich een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan afgetrokken.

Hierdoor ontstond de staat der Zeven Vrije Friesche Zeelanden of aan zee gelegene landstreken, welke door zoo vele stroomen of rivieren van elkander waren afgescheiden. Het eerste Zeeland lag tusschen de Reker en het Flie en was het latere West-Friesland of een groot deel van Noord-Holland.

Het tweede Zeeland, tusschen het Flie en de Middelzee of het Boorndiep, bevatte Westergoo, Stavoren, Gaasterland en Doniawerstal, of ongeveer de westelijke helft van het tegenwoordig Friesland.

Het derde Zeeland, tusschen de Middelzee en de Lauwers, maakte een groot deel der oostelijke helft dezer provincie, of het landschap Oostergoo met Opsterland, Utingeradeel, Haskerland en Ængwirden uit.

De zuidoostelijke streken van dit gewest, als Schoterland, Lemsterland en de Stellingwerven, vormden met het noordelijk gedeelte van Overijssel en geheel Drenthe, die te zamen vermoedelijk het Graafschap Islegoo uitmaakten, het vierde Zeeland.

De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincie Groningen is zamengesteld, als: het Gooregt, Hunsego,[51] Fivelgo, het Oldampt, Westerwolde en het Wester-kwartier, benevens Reiderland, tusschen de Lauwers en de Eems, maakten het vijfde Zeeland uit.

Het zesde en zevende Zeeland bevatte de landstreken, waaruit Oost-Friesland enz. bestaat, en strekte zich van de Eems tot den Wezer uit, terwijl de Jade de grens tusschen deze beide deelen was.

Het doel dezer vereeniging van stamgenooten was eigenlijk een verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer landschappen onafhankelijk op zich zelf stond en zijne eigene overheden, regters en wetten had, hield dit verbond allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld. Jaarlijks hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een algemeenen Landsdag, om, in het belang van het geheele vrije land, de bestaande geschillen te beslechten, den vrede en eendragt te bevorderen, de wederspannigen tot gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen van vreemde Vorsten of de aanmatigingen van Leenheeren met eendragtigen moed te verbinden, en om nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande te verbeteren. De plaats, waar men tot dit einde bijeenkwam, noemde men den Opstalsboom, een beplante heuvel in de nabijheid der stad Aurik in Oost-Friesland, welke nog in wezen is. Daar vergaderden op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest ieder jaar de geestelijken, edelen en vrijgeboren mannen, welke ieder der Zeelanden ter behartiging der algemeene belangen had afgezonden. In het midden zaten de voor elk jaar benoemde regters, die de voorstellen deden; daar om heen waren de plaatsen der afgevaardigden, terwijl het volk zich daar rondom schaarde. Indien een voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen tot een teeken van aanneming; doch een luid gemor verhief zich, zoodra het niet welgevallig was of nader[52] moest worden besproken. Alles geschiedde overeenkomstig de zeden der oude Germanen, die hier het langst bewaard bleven[25].

In elkander vonden deze Friesche landstreken alzoo een steun tot vorming van een vasten grondslag voor hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het vermogen om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen hunner eigene veiligheid, rekenden zij het onnoodig van zwakke bondgenooten af te hangen. Alleen door het schild des Keizers achtten zij zich genoeg beschermd tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het hen, dat deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten van die bescherming, door sommige deelen van hun land nu aan dezen dan aan genen, als ware het leengoed, weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk te willen bestaan, zonder hulp van buiten, een kenmerk van der Friezen aard.

In die duistere en nog weinig beschaafde middeleeuwen, toen de lagere standen des volks in meest alle overheerde landen van Europa met lijdzaamheid de onderdrukking en willekeur van het geweld der magtigen moesten verduren, was dit verbond eene even merkwaardige uitzondering als deze vrije toestand der ingezetenen eene groote zeldzaamheid. Eeuwen lang, zelfs tot in de 15e eeuw[26], heeft dat verbond bestaan, en eene vrijheid en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken het voorbeeld is. Dit feit is tevens een bewijs voor de[53] geldigheid van den oorsprong van der Friezen volksvoorregten, door velen meermalen betwijfeld. Deze zijn echter door den Roomsch-Koning Graaf willem II in 1248 en door Keizer rudolf in 1276 erkend, bevestigd en vermeerderd, zoodat zij een wettig gezag bezaten[27]. Zuivere vrijheidsmin en hechte volkstrouw hielden onze Friesche vaderen verbonden. Met zelfgevoel en liefde waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht. »Dáárdoor wisten zij zich staande te houden te midden der groote Europesche beroeringen, en ruilden zij hunne plaatsen voor geene andere in. Ja, te midden dier volksbewegingen en overstroomingen stonden zij daar, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt”[28].

De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden, hadden in den beginne eene volkomene volksregering. Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen zich boven anderen in aanzien en magt begonnen te verheffen; toen het eene Zeeland zich regten en vrijheden boven het andere aanmatigde; toen de eerbied voor de wetten verminderde en de vrijheidszucht ontaarde in bandeloosheid:—toen werd het eigenbelang boven het algemeen belang voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten. In 1323 werd bij de Willekeuren van den Opstalsboom het verbond bekrachtigd, het regt der Overheden hernieuwd, de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede bevestigd. Van latere vergaderingen is echter geen spoor. In 1361 werden er pogingen gedaan tot vernieuwing van het verbond, waarbij de vergaderingen van den Opstalsboom werden verlegd naar het in magt sterk toenemende[54] Groningen. Doch te vergeefs. Het had zijne verbindende kracht voor allen verloren. Binnenlandsche oorlogen en persoonlijke veeten, zucht naar gezag en heerschappij verteerden de krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke Heeren maakten daarvan gebruik ter uitbreiding van hun gebied. Zóó ging het eene Zeeland voor en het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte Friesche vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland, West-Friesland, bezweek, na zich langer dan drie eeuwen moedig verdedigd te hebben, voor de overmagt der Graven van Holland. Oost-Friesland werd een buit van trotsche Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de oppermagt betwistten, en aan de Bisschoppen van Bremen en Munster nog sommige gedeelten van dat land moesten afstaan. In Overijssel (het Over-sticht) en Drenthe vestigde de magtig gewordene Utrechtsche Bisschop zijn wereldlijk gezag, gelijk hij reeds lang deed in de stad Groningen en het Gooregt, welke hij door Stedevoogden liet besturen[29]. Alléén het tegenwoordige Friesland, de kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij, dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde Heeren mogt verdedigen. Dankbaar bleef het dit voorregt erkennen, zoo als ook blijkt uit een oud-friesch geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15e eeuw, waarin omtrent dit gedeelte gezegd wordt: »Deze twee Zeelanden, als het tweede en derde (Oostergoo en Westergoo), zijn tot nog toe vrij en anders geen Heer onderworpen, behalve den Keizer des Roomschen Rijks. Maar ontzettende schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze landen geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welke[55] hen geschonken is van den grooten Koning karel, waartoe zij vele zware strijden hebben geslagen tegen de Graven van Holland, om hunne landen te beschermen. Ook Stellingwerf en Schoterland zijn nog vrij, doch hebben zware aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen van Utrecht, die het overig gedeelte van dit vierde Zeeland (Kuinder, Giethoorn, Vollenhove, Steenwijk en Drenthe) hebben bedwongen”[30].

Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid hebben behouden, indien zijne burgers zich des waardig hadden gedragen. Maar ook zij leverden het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer menschelijke zwakheden en ondeugden een overwigt in den staat bekomen. Eer- en heerschzucht begonnen den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd vervangen door bandelooze partijzucht en familie-veeten. Een opperhoofd of Potestaat uit hun eigen midden had geen gezag meer; zoodat eindelijk de Keizer het bestuur van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan Hertog albert van Saksen, die hen tot eendragt en rust, tot orde en regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf, doch ten koste van een groot deel der onafhankelijkheid.


[25] Naar aanleiding van wiarda’s werkje over de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, gaf de Heer Mr. a. telting daarvan in de Leeuw. Cour. 1831, No. 79 eene Herinnering, welke voor een groot gedeelte is overgenomen in van leeuwen’s Aantt. op it aade Friesche terp, bl. 399. Zie ook schotanus, 170 en tabl. 16.

[26] Het verbond van 1430, in het Vriesch Charterboek, I 494, schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. Zie Aant. 9.

[27] Zie Vriesch Charterb. I 94; foeke sjoerds, Jaarb. III 120.

[28] Zie royaards, Geschiedenis der invoering en vestiging van het Christend. 41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel aangehaald.

[29] Ypeij en feith, Oudheden van het Gooregt en Groningen, 1836, I, 37 env.; diest lorgion, Geschiedkundige Beschrijving van Groningen, 1849, 18 env.; driessen, Monum. Gron. 857.

[30] Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden in schotanus, Kronyk, tablinum, 19, en, met de vertaling, in foeke sjoerds, Beschrijving, I 55. Vergelijk verder Aanteekening 9.


[56]

15. Veranderingen in den toestand des bodems van Friesland.
Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz.

Een niet minder gevaarlijken vijand dan de Noormannen hadden de Friezen op hunne kust bestendig te bestrijden in de Noordzee. Wel had de natuur hun laag gelegen land tegen haar geweld zoeken te beschermen door het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht tot zelfbeveiliging hen op hooge plaatsen menigvuldige terpen doen opwerpen, om tot woon- en schuilplaats voor personen en vee te strekken bij het opkomen der vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden; zelfs waren ze, zoo men wil in de 7e eeuw, reeds begonnen, langs den oever zeedijken en waterkeeringen aan te leggen:—in gewone gevallen bood dit alles genoegzame bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van het land te verzekeren. Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend waren die zwakke beveiligingsmiddelen, zoo dikwijls hevige stormen de hoog gestegen vloeden met woedend geweld voortzweepten, en deze, met verachting van allen wederstand, het land overstroomden, vele de gewrochten van menschelijke vlijt en arbeid verwoestten en nood en dood alom verspreidden. Ontzettende ellende en verbazende schade hebben de bewoners dezer landen gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo dikwijls herhaalde watervloeden te lijden gehad.

Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,
En randde de kusten des Vaderlands aan,
Wat waarde had dan nog het leven?
Dan dekte het zeezout het zuchtende land,
Verwijderde staag het bedwingende strand,
Deed honderden, duizenden sneven.
[57]En huizen, en hoven, en menschen, en vee
Verzwolg ze, die woeste, verslindende zee,
En naakt en berooid moest hij vlugten
De landman;—’t verlies van zijn have getroost,
Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,
Wier dood er zoo velen deed zuchten.
En groende zijn weide als de lente verscheen?
Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!
Die zee, ach die zee wou niet wijken!
En schoon ook de landwind verdroogde die plas,
De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,
Geen scheutje, geen aar kon er prijken[31].

Bij al die verliezen aan menschen, vee en bezittingen; bij al de schade, welke de algemeene welvaart telkens leed, onderging bovendien het land zelf ten gevolge dier veelvuldige overstroomingen een zeer groot verlies, doordien de zee eene groote uitgestrektheid gronds verzwolg. Elders werd daarentegen weêr land aangewonnen. Land werd in zee—zee werd in land herschapen.—Deze merkwaardige vervorming van een gedeelte des vaderlandschen bodems had op den toestand van het geheel en op de ligging van de bijzondere deelen en plaatsen een grooten invloed. Ten aanzien van het tegenwoordige Friesland willen wij de voornaamste bijzonderheden daarvan mededeelen.

De laaggelegene noordwesthoek van Nederland stond natuurlijk het meest bloot aan de woede van den oceaan. Bovendien vloeiden hier verscheidene grootere en kleinere rivieren en stroomen zeewaarts, ter ontlasting van het[58] boezemwater des lands. De IJssel, door het Marsdiep uitstroomende, was van meer belang geworden sedert hij met een deel der wateren van den Rijn werd belast. Het Flie, dat door de Vecht, het Zwarte water, de Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breeder en dieper geworden, sinds het bezwaard was met den afvoer der wateren uit het zuidelijk Friesland, waar langs het vroeger een deel zijner krachten had afgezet naar de Middelzee of het Boorndiep. De aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de zuidzijde gaf toch een geheel anderen loop aan vele stroomen, en was van evenveel belang als de nieuwe mond of uitstrooming, welke de Middelzee, reeds vóór de 7e eeuw, tusschen Terschelling en Ameland had bekomen, waardoor zij de Boorn en vele wateren van Oostergoo en Westergoo gemakkelijker afvoerde. Verder was het de Lauwers, welke, vereenigd met de Ee, de Hunse en de Aa, zich tusschen Ameland en Schiermonnikoog met een breeden mond in de Noordzee stortte. De eertijds geheel met duinen bezette kust was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen met meer geweld op deze landen in te breken, waarbij vele duinen weggeslagen en de zeegaten verbreed en verdiept werden. Terwijl aldus de toegang der zee ruimer en de afvoer van IJssel en Flie hooger en krachtiger was geworden, zoo bragten deze en andere omstandigheden te zamen genomen te weeg, dat de lage landen langs die zeegaten en stroomen van lieverlede afgeschuurd, verbroken en verzwolgen werden; dat de duinenrij slechts eene smalle strook lands kon beschermen, welke als zoovele eilanden bewaard bleven, en dat de gansche uitgestrektheid lands tusschen Friesland en Noord-Holland weggeslagen en met het oude meer[59] Flevo vereenigd werd, waardoor de Zuiderzee is ontstaan[32].

Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstroomingen, wier geheugenis in de geschiedboeken is bewaard. Na lange voorbereiding werd het eerst in 1170 bij den vreeselijken Allerheiligen-vloed, die overal schrikbarende verwoestingen aanrigtte, het land tusschen Medemblik en Flieland weggescheurd, alsmede het meer Flevo aan de oostzijde vergroot. Na latere overstroomingen van het begin der volgende eeuw, bekwam die kom bezuiden Flieland, omstreeks 1237, nog grootere uitbreiding. Met geweld bruischte de zee nu vervolgens door de verwijde zeegaten op de lage landen in, zoodat, ten gevolge der watervloeden, welke Friesland drie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige landen bewesten de Friesche kust, van Harlingen tot voorbij Hindeloopen, weggerukt en in eene onafzienbare watervlakte herschapen werden. Omstreeks dien zelfden tijd werd er bezuiden de Lemmer nog grooter veld weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer Flevo verdubbeld.

Nadat in 1277 beoosten Groningen eene groote uitgestrektheid aan den mond der Eems was weggerukt en in den Dollard herschapen, was de watervloed van 1287 hier zóó geducht, dat elders het gerucht werd verspreid, dat geheel Friesland verzwolgen was. Het getal der daarbij omgekomene personen in dit gewest werd op 30,000 begroot. Hierbij had de Westerzee weder eene uitbreiding verkregen door het wegslaan van de landstreek tusschen Harlingen en Terschelling;[60] terwijl de overige landen bezuiden dit eiland en Ameland, een groot gedeelte der tegenwoordige Wadden, eerlang voor de woede der golven bezweken. Na herhaalde watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw ook de landstreek tusschen Medemblik, Enkhuizen en Stavoren verzwolgen, waardoor de Westerzee met het vergroote meer Flevo vereenigd werd en de Zuiderzee nagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen verkreeg[33]. (Zie Aanteekening 10.)


Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners, in vee en eigendommen te hebben geleden, zou menigeen welligt dit gevaarvolle land verlaten en een veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzoo onze vaderen, wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te strijden ter bedwinging van het woeste element. Met ijver trok men aan het werk, om langs de gespaarde kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te beschermen tegen meerdere verliezen.

Natuur! van wie de stervelingen
Een eigen Vaderland ontfingen,
Wat heeft ons met uw haat belaân,
Dat wij alleen van alle volken
[61]Voor ’t brijzelend geweld der diepe waterkolken
Aan alle kant ten doelwit staan?
Doch dat we ons niet van haar beklagen!
In weervergelding dezer plagen
Schonk ze ons een onverschrokken moed,
Om stout ten golven uit te stijgen,
Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,
Ten prijz’ van eigen zweet en bloed[34].

Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs de westkust van Oostergoo en den oostoever van Westergoo opgeworpen ter breideling van den breeden zeeboezem de Middelzee of het Boorndiep. Ook had men Binnendijken of waterkeeringen in het land aangelegd, tot bescherming van sommige gedeelten, om de verspreiding van het vloedwater tegen te gaan. Aangenaam was echter bij al die verliezen het verschijnsel, dat, gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke landen, de Middelzee van tijd tot tijd smaller en ondieper werd, en in de 13e en 14e eeuw geheel in hoog en vruchtbaar land werd herschapen. In de vroegste tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte van de Oudeschouw voorbij Sneek en Ylst tot Bolsward, en was de Hem- en Groendijk daarvan de waterkeering aan de zuidzijde. Een gedeelte van den tegenwoordigen Slagtedijk, van Bolsward, over Bozum, Weidum en Berlikum naar Dijkshoek, omzoomde haar aan de noord- en westzijde; terwijl de dijken, waarop thans meest straatwegen zijn aangelegd, van de Oudeschouw over Leeuwarden en verder voorbij Stiens tot onder Hallum, haar ter oostzijde bedwongen.

Toen nu, ten gevolge der verwijding van den Fliestroom,[62] de toevoer van water uit het zuiden naar de Middelzee verminderde, bewaarde deze stilstaande kom gereedelijk de slibstoffen, welke noordweste stormen elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde die ter zuidzijde aangeslibde gronden te bewaren en voor den landbouw met meerdere veiligheid te gebruiken, werd er een dijk gelegd, van Rauwerd in zuidwestelijke rigting langs Scharnegoutum, Tirns en Folsgare tot nabij Bolsward. Doch het daardoor overgebleven meer verlandde ten gevolge van voortdurende aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond reeds in 1277 de kerk van het dorp Nieuwland gesticht werd. De uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de gronden der Wadden bevorderde vervolgens de landwinning zoo snel, dat de Middelzee in de 13e en 14e eeuw van lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland herschapen werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte van het Bildt vinden vermeld. Vanhier, dat deze groote uitgestrektheid Nieuwland, welke in 1505 door de bedijking van het Bildt werd afgesloten, eene belangrijke vergoeding geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten de Friesche kust.

Ten gevolge van dat alles had het land eene gansch andere gedaante verkregen. Leeuwarden, Sneek, Ylst en Bolsward, welke als Zeeplaatsen in het opkomen waren, werden van toen af Landsteden en daardoor geheel andere belangen toegedaan. Harlingen, Workum en Hindeloopen daarentegen begonnen als zeeplaatsen te bloeijen; Stavoren echter, die oude en aanzienlijke stad, welke aan eene gunstige ligging ter wederzijden van den Fliestroom hare scheepvaart en handel, welvaart en uitbreiding had te danken, zoodat zij onder de steden van het Hanseverbond als de derde in rang werd opgenomen,—Stavoren had, ten gevolge van al die zeeveroveringen[63] en de verbreeding van het Flie, een groot verlies te lijden. Wel bleef de ligging van het overgebleven gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee zeer gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven, die van 1292 tot 1414 daar hun gezag trachtten staande te houden, groote voorregten, en zag zij hare handelsprivilegiën op de Oostzee nog in 1363 en 1368 door verbonden met de Koningen van Denemarken en Zweden bevestigd en uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val. De overlevering wil, dat hare welvaart verminderde ten gevolge van verregaande weelde en euvelmoed, waarvoor de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de in 1132 gestichte kerk en het oude St. Odulphus-klooster had weggeslagen, was een noodlottige brand, die ongeveer 500 huizen zou verteerd hebben, in 1420 de oorzaak van meerdere afneming en verval, welke later aanmerkelijk zijn toegenomen[35].


Ofschoon later nog een aantal watervloeden Friesland overstroomden en vele schade veroorzaakten, mogt het den Friezen toch gelukken, sedert dien tijd hun land te behouden en tegen meerdere verliezen te beschermen. Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en opoffering, om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkschen[64] vloed der zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken te omringen, om zoo vele kostbare zeesluizen aan te leggen, om zoo vele binnendijken en waterkeeringen met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele lage landen met kunstmiddelen vruchtgevend te maken en te houden. Gewis, indien moed en standvastige fierheid tot het overwinnen van moeiten en gevaren geene kenmerken van het karakter der Friezen waren geweest;—indien het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren, hen niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen om het te behouden zorg en inspanning kostten,—zij zouden geene zoo grootsche overwinning behaald hebben in den strijd tegen een vijand, als de woedende Noordzee.

Vrij moge men dan elders in trotsche gewrochten der bouwkunst of in reusachtige Hunebedden de krachten van het voorgeslacht bewonderen—hier, in dit gedeelte van het oude Friesland, zijn de talrijke terpen en zware zeeweringen eervolle blijken van volhardenden moed en liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een onzer volksdichters na:

Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen,
Oeralde ljeawe Friesce groun!
Waerd noait dy taie bôan foarbritsen,
Dy Friesen oen hjar lôan forboen.
Trochloftich folk fen disse alde namme!
Weas jimmer op dy alders great.
Bljou iwich fen dy grise hege stamme
Ien grien, ien kreftich doerjend leat[36].

[31] Mr. a. van halmael jr., Lied, Kaspar Robles door den Frieschen Landman toegezongen, geplaatst in de Aantt. op de Hulde aan H. J. Groen, door Mr. robidé van der aa, Leeuw. 1825, 18.

[32] Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr. ottema’s Kaart van de Zuiderzee, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, in de Vrije Fries, IV 183, in Aanteekening 10 nader vermeld.

[33] Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land gemaakt worden.

[34] Bilderdijk, de ware Liefde tot het Vaderland.

[35] Zie Charterboek I 72, 124, 227, 232 enz. Westerman, Beschrijving van Stavoren, van 1613, achter zijne Zeepostille. Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders van Stavoren de eerste geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de Koning van Denemarken hun het voorregt verleende van bij het doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden; ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.

[36] Dr. e. halbertsma in de Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 226.


[65]

16. Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het Heilige land. 1096-1270.

In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen van het westen en ook de Friezen opgeroepen tot deelneming in een strijd, welke geheel Europa in beweging bragt. Palestina of het Heilige land, waar de stichter van het Christendom geleefd en geleden had, waaraan godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen verbond, bevond zich in de magt der Saracenen of Turken. De kwellingen, welke deze de Christenen aandeden, wekten in Europa den godsdienstijver van vorsten en volken op tot het doen van een kruistogt, om Palestina weder in de magt der Christenen te brengen.

De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen. Uit verschillende landen werd een verbazend groot leger bijeengebragt. Met vele bezwaren en rampen had het op den langen togt naar het oosten te strijden. Het gelukte echter deze kruisvaarders de steden Nicéa, Antiochië, Cesaréa en Jeruzalem te veroveren, en het koningrijk Jeruzalem te stichten, waarvan godfried van bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen, tot Koning werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam, maar zich vergenoegde met dien van Beschermer van het Heilige graf.

’t Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie als de Friezen ijverig deel nam in dezen togt en aandeel had in deze overwinningen. Ook na karel den groote hadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig bijstand geboden, en bekend is het, dat de burmania’s, cammingha’s, roorda’s en anderen in de 11e eeuw met roem overladen terugkeerden uit het leger van Keizer hendrik III, dien zij op zijne oorlogstogten in Boheme, Hongarije en[66] elders gevolgd waren[37]. In bijna al de kruisvaarten betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters voor het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid overtroffen, maar die onafhankelijk, onder eigene bevelhebbers staande, geen ander gezag eerbiedigden dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen zelfs de namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in den eersten kruistogt uittrokken, als de leden der geslachten: liauckama, botnia, hermana, galama, forteman en anderen. Bijzonder onderscheidden zich door dapperheid eelko liauckama en feiko botnia, waarom zij tot bevelhebbers over 3000 man ruiters benoemd werden. Na in onderscheidene gevechten zware wonden bekomen te hebben, werden zij, na de verovering van Jeruzalem, ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot Ridders geslagen. Bij de belegering van Nicéa sneuvelde de laatste afstammeling der fortemans met sicko liauckama en epo hartman op het bed van eer (1097).

Onderscheidene andere edelen, als homme homminga, goffe roorda, sicko cammingha en tjalling ockinga voerden eerlang nieuwe benden Friezen aan. In vele gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof van dapperheid, waarom boudewijn, de tweede Koning van Jeruzalem, en andere hoofden des legers hen bijzondere achting toedroegen. Naar het vaderland terug verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naar Jaffa, vanwaar zij zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren te hebben doorgestaan, in Friesland terugkwamen, waar zij met blijdschap in plegtigen optogt werden ontvangen (1106).


[67]Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die van de jaren 1119, 1147 en 1189, namen vervolgens vele Friezen deel, en hielden zij den eens verworven roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der laatste, in 1217 ondernomen. De Priester olivier van Keulen was naar Friesland gezonden, om daar het kruis te prediken. Het gelukte hem, de menigte met zulk eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens zijn eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen en zich te Dokkum en elders op meer dan 80 schepen ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze vloot zich met die van Graaf willem I van Holland. Na zich lang in Portugal te hebben opgehouden, overwinterden zij in de haven der Italiaansche stad Corneto, waar zij van Paus honorius III vele gunstbewijzen ontvingen.

In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar de sterke Egyptische stad Damiate, aan een der monden van den Nijl en de Middellandsche zee gelegen. Reeds dadelijk bij de landing bewonderde het leger den moed van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich naar het strand begaven, om de landing te beletten, schoot deze onversaagde krijgsman de eene pijl na de andere op hen af, zoodat velen getroffen ter aarde zonken. Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand, en het was door deze koenheid, dat de Christenen hunne legerplaatsen ongehinderd konden opslaan.

Vóór dat men de rivier kon opzeilen, om bij Damiate te komen, moest er een sterke toren, op een eiland, veroverd worden, terwijl er eene ketting over de rivier was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen echter den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men riep hen van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed den sterken toren belegeren. Dappere tegenweer[68] deed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom bouwden de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om hiermede den toren te bestormen. Op twee hunner schepen, koggen genaamd, legden zij zware balken, zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt, om tegen de pijlen en het grieksch vuur der belegerden beschut te zijn. Een lange ladder en valbrug waren er aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen. Onder de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand der Turken, werd met dit gevaarte de sterkte aangevallen. Van weerszijden werd woedend gestreden. Een jong ridder uit Luik beklom het eerst den toren. Hem volgde een zeer jonge Fries, haijo, van Wolvega, die, met een dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die hem tegenstonden, en ook het vaandel van den Sultan veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de overwinning, onder het gejuich der Christenen, den standaard des kruises op den toren geplant. Later gelukte het de Friezen en Duitschers met bewonderenswaardige dapperheid de schipbrug over den Nijl te vernielen en de vrije vaart op deze rivier te openen. Geene mindere hulp boden zij bij de belegering van Damiate, dat in het laatst van 1219 overging. De Patriarch van Jeruzalem en olivier gaven de Friezen bij hunnen aftogt loffelijke getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid en braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners van Dokkum, in welke zeeplaats vele schepen werden uitgerust, groot aandeel hadden aan dezen togt, en dat het koggeschip, dat lang tot windwijzer van hun toren diende, alsmede de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later in het stadswapen voerden, afkomstig zijn »ter gedachtenisse van de overwinningen, in de heilige oorlogen op de Saracenen behaald.”

[69]De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen, werden zelfs door het opperhoofd der kerk, Paus honorius III, dankbaar erkend, bij gelegenheid dat hij in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen afzonderlijken brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat: »Voorwaer, also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce geteyckent, ons te scheepe in den Over-lande getrouwelyck gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u loff ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet worden, hebben wy noodich ende raetsaem gevonden, u specialycken, als vermaerde Camp-Vechters Christi, tot zynen dienste te roepen ende te verschryven; vast vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende cracht andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke couragie ’t Heylige oorloge sult aanveerden, opdat wy, strydende voor ’t aertsche Jerusalem, het eeuwige sullen bekomen.”[38]


Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een kloekmoedig bedrijf bewaard. Het gebeurde eens, dat de beide legers der Christenen en Saracenen tegenover elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het Saraceensche leger uit, en daagt, vol verwaanden trots, een der dapperste ridders der Christenen uit, om met hem een kampstrijd te wagen. Een moedig Friesch edelman uit het geslacht van roorda, van Genum, kon niet dulden, dat zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met verlof van zijn hoofdman en in vertrouwen op de hulp van den God der Christenen, treedt hij den gespierden moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen.[70] Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en denkt met éénen slag hem den schedel te klooven. Doch hij bedriegt zich. Ridderlijk valt roorda hem aan, en, al zijne krachten inspannende, brengt hij, dapperlijk vechtende, zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja overweldigt, hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt en woede brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde valt. Gejuich vervult het leger der Christenen. Des Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als prijs der overwinning op de punt van zijn zwaard in het leger der kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere wordt ontvangen. Om deze kloeke daad werd hij tot Ridder geslagen, en hem toegestaan, een moriaanshoofd in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog eeuwen lang na hem hebben gedaan.


Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook verscheidene oorden van Europa van der Friezen krijgsroem gewagen. Bij den grooten kruistogt van 1147 in Portugal geland, was het mede door hunne hulp, dat de magtige stad Lissabon, na een lang en hevig beleg, aan de magt der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt men gemeld, dat bij die gelegenheid 200 man Friezen, onder aanvoering van een vromen held, poptatus, 30,000 Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven zal zijn[39]. Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij, met 25 schepen, de Portugesche stad Santa Maria op de Saracenen veroveren. In 1147 deelden zij, met de Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt tegen de Wenden, of de Heidensche Slavoniërs aan de Oostzee. Ook daar gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een[71] (bijna ongeloofelijk) bewijs daarvan vermeld wordt, dat 100 Friezen, die zich te Suse gevestigd hadden, aangemoedigd en voorgegaan door een edelen en onverschrokken priester, gerlacus, zich tegen een heir van 3,000 Wenden verzetten en dit na een langdurig en hevig gevecht op de vlugt sloegen[40].

Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen in de legers der voornaamste vorsten van Europa. Twee martena’s stonden bij Keizer frederik barbarossa (Roodbaard) om hunne kloekmoedigheid in hooge gunst. De een sneuvelde in Italië; de andere was ’s Keizers lotgenoot in den dood op zijnen togt naar Palestina (1199). In den noodlottigen kruistogt van lodewijk IX, tegen Tunis, waren het de Friezen, die althans nog eenig voordeel behaalden. Keizer rudolf bewees de Friesche edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde zich watse joulsma als een manhaftig krijgsman. Een andere Fries, die door zijne krijgsbedrijven zich buitenlands beroemd heeft gemaakt, was juw dekama, die Koning eduard I, bij de verovering van Schotland belangrijke diensten bewees (1298). Een afstammeling van het zelfde geslacht vond, met een der beyma’s, den dood in Italië, waar zij te Pisa begraven werden op last van Keizer hendrik VII, wien zij met hunne landgenooten aylva, hettinga en anderen hunnen dapperen arm geleend hadden (1312). Meerdere voorbeelden van Friesche krijgshelden uit dat tijdvak zouden wij kunnen opnoemen; doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te doen wedervaren[41].


[72]Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens hun beleid, bij de belegering van de stad Aken, in 1248. De Hollandsche Graaf willem II, door den invloed van den Paus tot Keizer van Duitschland verkozen, moest dáár tot Roomsch-Koning gekroond worden; doch de vroeger verkoren Koning koenraad hield de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban gedanen Keizer frederik II, en weigerde haar over te geven. Juist hadden verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt, om een nieuwen kruistogt naar Palestina te doen. De Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte, indien zij zich naar Aken wilden begeven, om deze stad voor Koning willem in te nemen. Niet minder dan 200,000(?) krijgers trokken nu derwaarts. Te vergeefs benaauwden deze, bijna een halfjaar lang, de kloek verdedigde stad, die nog altijd langs eene vlakte aan de noordzijde gelegenheid had, nieuwen toevoer te bekomen.

Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings, eene nieuwe bende Friezen, aangevoerd door een moedig edelman, tjaard dotinga, in het leger aan. Deze begonnen met het bezetten van de vlakte benoorden de stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene stedelingen hen van daar te verdrijven; doch de onverzettelijke Friezen weken geen voetbreed terug, maar verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten. Doch dit was niet genoeg: want hoe fel de honger en ellende in de stad ook drongen, zij was tot geene overgave te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat, door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen zij in hun land met dijken en dammen hadden te strijden. Zij legden namelijk ten oosten der stad een zwaren en hoogen dijk over het lage land en dóór de beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijke[73] bronnen der omgelegene bergen ontsprong. De door de herfstregens opgezwollen beken konden zich nu niet ontlasten, en zetten een groot deel der in een dal gelegene stad onder water. Nu klom de nood zóó hoog, dat de stad zich eindelijk overgaf, en Koning willem zijne luisterrijke intrede in Aken deed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond.

Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte gemaakt, maar onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene taak voor afgedaan. Zij keerden echter niet huiswaarts, dan na het ontvangen van vele betuigingen van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene diensten. Want de eerste verordening, welke Koning willem, na zijne krooning, als aanstaand opperhoofd van het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een Giftbrief, waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegiën, welke de Friezen bezaten, als door Keizer karel den groote hun gegund, bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, »om te strekken tot een eeuwig monument, opdat de geheele natie der Friezen en hare nakomelingen mogten weten, in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en het keizerrijk geholpen en hunne sterkte en deugden getoond hadden in de belegering van Aken[42]. Dit gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen steeds op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche volk en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun ijver kon vergelden. Grooten roem verwierf hun gedrag bovendien bij naburige volken, in een ridderlijken tijd, toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd inzonderheid als hoofddeugden werden vereerd.

[74]Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor aan de laatste oproeping tot een kruistogt naar het Heilige land. Dit toch was toen op nieuw door de Saracenen ingenomen, en de hoog gestegen nood der Christenen aldaar bewoog den Franschen Koning lodewijk IX en den Engelschen Prins eduard, nog eene poging te doen om het te herwinnen, waartoe ook de Paus in de Nederlanden het kruis deed prediken. In alle deelen van Friesland betoonden vele personen zich tot hulp bereid, en weldra had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich in 1269 inscheepten. Na eenigen tijd in Vlaanderen vertoefd te hebben, vertrokken zij naar Marseille, waar het kruisleger zich zou verzamelen. De Koning was echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche kust, om Tunis te belegeren; zij volgden hem derwaarts en hielpen met veel onverschrokkenheid den Graaf van Vlaanderen eene overwinning op de Saracenen behalen. Vervolgens stevenden zij wel naar Ptolemaïs en Tyrus, doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel, zij vonden het Christen-leger verdeeld; stormen hadden hunne schepen ontredderd; ziekten dunden hunne rijen; zoodat zij in 1270, in veel verminderd getal, den terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige land in het bezit der Saracenen moesten laten. (Zie Aanteekening 11.)

Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden gewis een gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke zaken is ook het willen grootsch, het streven edel, en het bezwijken geene schande.


[37] Dit vermeldt bosscha, Neêrlands Heldendaden, I 34.

[38] Zie Vriesch Charterboek, I 93; van mieris, Charterb. 1 200; winsemius, 161.

[39] Mr. simon van der aa heeft dezen togt naar Lissabon in dichtmaat voorgesteld in den Friesche Volks-Almanak voor 1845, 140.

[40] Zie bij schotanus, Kronyk, 92, het uitvoerig verhaal daarvan.

[41] Dus spreekt de Hoogleeraar bosscha, Heldendaden, I 34, 35, die deze en andere krijgsbedrijven der Friezen met hoogen lof vermeldt.

[42] Zie dezen Giftbrief in het Charterboek, I 94; winsemius, 168; schotanus, Kronyk, 130, tabl. 10; foeke sjoerds, Jaarboeken, III 27; dirks, de Friezen voor Aken, in de Vrije Fries, V 53.


[75]

17. Veranderingen in den toestand des volks en de vestiging van Gemeenten en Steden, gedurende en na de Kruistogten.

De Kruistogten naar Palestina zijn op zich zelve een merkwaardig verschijnsel in de geschiedenis. Maar hoogst belangrijk werden zij door hunne gevolgen, dewijl deze geweldige beroering eene omkeering in den toestand der meeste staten van dit werelddeel te weeg bragt. Ook op den toestand der Friezen oefenden zij in verschillende betrekkingen en in verband met gelijktijdige gebeurtenissen een invloed uit, welken wij in eenige hoofdtrekken willen schetsen.

Bij den immer voortdurenden krijg tegen de Noormannen waren, in de drie eerste eeuwen na de invoering van het Christendom, de omstandigheden niet zeer gunstig geweest, om den toestand des volks zóódanig te verbeteren en om dien vooruitgang te bevorderen, welken men van zoo heilrijk eene gebeurtenis had mogen verwachten. De geest van karel den groote, die zoo vaderlijk voor zijne landzaten had gezorgd, was uit het staatsbestuur geweken, en zijne laffe opvolgers waren geenszins gezind, als hij, om pogingen aan te wenden tot verbetering van de maatschappelijke betrekkingen des volks. Veeleer werd dit onderdrukt en der ellende prijs gegeven door magtige grooten, die veelal de Keizers de wet stelden en allerlei gunsten van hen konden bekomen. Der geestelijkheid scheen het genoeg te zijn, dat de volken Christenen waren geworden in naam en de eeredienst en plegtigheden der kerk bijwoonden, doch zij deden geene of geringe pogingen, om door onderwijs en leer het verstand te verlichten en de ruwheid van zeden te verzachten. Onkunde en bijgeloof heerschten alom en hielden de meeste volken in een staat van[76] bekrompenheid en domheid, welke de hoofden der kerk hadden moeten verdrijven, zoo zij hunne Christelijke roeping eenigzins hadden begrepen. Doch zucht naar geld en gezag beheerschte toen vooral zoowel de geestelijkheid als den opkomenden adelstand, en het scheen alsof men de lagere standen met opzet in vernedering hield; terwijl het deze aan vermogen en gelegenheid ontbrak, om zich van die banden te ontslaan, en de steun te worden van den staat.

De kruistogten gaven echter een schok, welke tot alle standen en betrekkingen doordrong, waardoor ze, in het bijzonder voor ons vaderland, van onberekenbare gevolgen zijn geweest. Even als van elke groote gebeurtenis, waren die gevolgen zoowel na- als voordeelig. Doch de nadeelen waren tijdelijk, golden meest bijzondere belangen en zijn alzoo geleden en vergeten. Maar de voordeelen, voor zooverre ze de algemeene belangen betroffen, zijn gebleven, en hebben hun invloed ook tot volgende geslachten uitgestrekt.

Immers, die togten naar zoovele vreemde landen, en dat verkeer met allerlei volken waren voor velen onzer landgenooten eene leerschool, welke den kring der denkbeelden en behoeften uitbreidde. Het bezoeken van groote steden, het zien van schoone gebouwen en kunstwerken, en de kennis van zeevaart, wapenhandel, levenswijze, handwerken en gereedschappen van andere volken,—dit alles schonk aan de terugkeerende kruisvaarders bekwaamheden en hulpmiddelen tot vooruitgang, wier goede aanwending weldra allerwege welvaart verspreidde. De havens werden vervuld met schepen, die na volbragten kruistogt naar Engeland, de Oostzee en elders werden gerigt. Vele voortbrengselen van het Oosten werden naar deze Westersche streken overgebragt en door den handel allerwege verspreid. Slaven, die deelnamen aan deze[77] togten, bekwamen daardoor hunne vrijheid. Vele vrije lieden werden nu gebezigd tot het verrigten van diensten, welke voormaals tot den allerlaagsten staat behoord hadden. Deze diensten vereischten nu een billijk loon, en, in geval van verschil, uitspraak van goede wetten. Dus kreeg het werkzaamste deel des volks schooner kans, om zich te beveiligen tegen de armoede, en om door handel en landbouw of oefening van bedrijven en kunsten tot het bezit van vaste goederen en welvaart te geraken. Heeft dit alles niet veel uitgewerkt, om de burgerlijke vrijheid in ons land te bevorderen?[43] Voorzeker, want algemeen waren de behoeften des volks vermeerderd, doch te gelijk had het ook krachten en gelegenheden bekomen, om daarin te voorzien. Zoo vele nieuwe kundigheden openden nieuwe uitzigten en ondernemingen. Leven en werkzaamheid baarden voorspoed, en vandaar, dat, naar aanleiding van dit alles, de middelstand in vermogen en geestkracht dermate toenam, dat hierdoor de stand der Burgers ontstond, en dat de door hen bewoonde dorpen tot Steden werden verheven.


In Friesland was die overgang echter niet zoo groot als in andere landstreken: want nevens de geestelijkheid en den in aanzien stijgenden Adel, of de groote grondbezitters, had de algemeene volksvrijheid hier een stand van vrije mannen gevestigd, die als huurders het land bebouwden of handel dreven en handwerken uitoefenden, en wier dienstbaren zelfs geene slaven of lijfeigenen waren, zoo als elders[44]. Hier kende men geen Leenstelsel[78] en ook geene Graven of Heeren, die elders, door het schenken van vrijheden en voorregten of privilegiën, de aan hen onderworpene of lijfeigene ingezetenen vrij verklaarden en daardoor de verheffing van de Steden bevorderden. De voordeelen van deze verheffing en de zucht naar onafhankelijkheid wekten bij de Friezen den geest van navolging op. Hier schijnen de bewoners van de aanzienlijkste dorpen of handelplaatsen, waarin de koop- en handwerkslieden zich al vroeg tot Gilden verbonden, zich onderling vereenigd te hebben ter bekoming van het regt, om zich zelve, door een eigen Bestuur, te doen regeren. Zij matigden zich het regt aan, om, met uitsluiting van de overige omliggende dorpen, handel te drijven, markten te houden, maten en gewigten vast te stellen en handwerken en bedrijven uit te oefenen, waaraan zij plaatselijke voorregten verbonden. Omstreeks het midden der 13e eeuw en dus in den zelfden tijd, dat Oostergoo en Westergoo, tot dusverre verdeeld in landstreken, waarschijnlijk Marken, Ferden en Hemrikken geheeten[45], eene nieuwe gemeente-regeling en verdeeling in Grietenijen bekwam, onttrokken zich alzoo die voornaamste handelplaatsen, vooral de hoofddorpen der Hemrikken, aan het Bestuur en de Regtsmagt van de Landgemeente of der Grietenij, ten einde zich zelve naar eigene,[79] en voor hare bijzondere behoeften meer geschikte, wettelijke bepalingen te besturen; waarbij ze veelal een der vermogendste edelen, die daar stinzen gebouwd hadden, ter hunner bescherming aan het hoofd der regering stelden[46].

Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit velerlei omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid mogen voorstellen, dat er op zulk eene wijze in de 12e en 13e eeuw in Friesland, tusschen het Flie en de Lauwers, elf Steden zijn ontstaan. Reeds vroeger (bl. 63) hebben wij gesproken over de oudste dier steden, over Stavoren, en evenzeer gewaagd van hare gunstige ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart en handel zich reeds vroeg ontwikkelden, als van de oorzaken, waardoor zij in verval is geraakt. Dokkum, aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid der Lauwerszee voor scheepvaart en handel niet minder voordeelig gelegen en reeds vroeg door den marteldood van bonifacius algemeen bekend, wordt naar den ouderdom voor de tweede in rang dezer steden gehouden. Aan de westzijde der Ee, waar zij met andere stroomen in de Middelzee viel, was Leeuwarden aan een landhoek op twee breede terpen of werden ontstaan; eene ligging, aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige uitbreiding dezer zeeplaats bevorderde. Zoolang zij een dorp was, droeg ze den naam van Nijehove, in[80] tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne leerschool beroemde dorp Oldehove, waarmede zij aan de westzijde, gelijk met het dorp Hoek aan de oostzijde in 1435 tot ééne grootere stad verbonden en uitgebreid werd, nadat zij, door het opslijken of verlanden van de Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was herschapen. Dit zelfde was het geval met Bolsward, Sneek en Ylst, oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen, doch wier zeehandel en scheepvaart zich nu, na het gelijktijdig ontstaan van de Zuiderzee, verplaatsten naar Harlingen, Workum en Hindeloopen, die zich eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge van het verval van Stavoren. De opkomst en uitbreiding van Franeker, waar reeds vroeg de Grafelijke regtstoel en der Vijf deelen regtspleging werd gehouden, werd vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen van Westergoo zich daar vestigde, en te midden der woningen van de nijvere burgers sterke huizen liet bouwen. Gelijktijdig vervielen de zeeplaatsen Ezonstad aan de Lauwerszee, Uitgong aan den mond der Middelzee, waaruit het latere aanzienlijke dorp Berlikum ontsproot, en Grind, thans eene zandplaat N. W. van Harlingen. Het is echter zeer twijfelachtig of deze plaatsen, gelijk ook het, in eene lage veenachtige streek, afgelegene Wartena, eertijds stedelijke regten hebben bezeten: want dat wallen en poorten toen nog geene kenmerken waren van eene stad, hebben al de elf Friesche steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst in de 14e en 15e eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche oorlogen, zijn versterkt geworden; terwijl Ylst, Workum en Hindeloopen zelfs geene wallen en poorten hebben bekomen en onbevestigd zijn gebleven.

In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de Steden in ons vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte[81] der toenmalige bevolking zich den kinderlijken leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar meerdere ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het later mede eene der oorzaken werd van die bloedige partijschappen en burgeroorlogen, welke in ons vaderland zoo lang vooruitgang en beschaving hebben tegengehouden.


Groot waren alzoo de veranderingen, welke Friesland, vooral gedurende de 13e eeuw, onderging, ten gevolge van een zamenloop van omstandigheden, die echter niet alle regtstreeksche gevolgen waren der kruistogten. De toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en bekwaamheden werden ontwikkeld, zoodat er voor de algemeene beschaving des volks werkelijk eene betere toekomst scheen aan te breken. Naar wijze wetten en verordeningen, welke nog voorhanden zijn[47], werden, bij jaarlijksche beurtwisseling, de Steden bestuurd door een Olderman, Burgemeesters en Schepenen, gelijk de Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters of Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het regt, zoowel in burgerlijke als in strafzaken, opgedragen, welke vroeger door den Graaf, den Schout of Schelte, den Asega of Aesga en den Frana met de door het volk verkozene regters geschiedde[48]. Toen werden de regtdagen of weerstallen en warven onder den open hemel,[82] veelal op kerkhoven, later in of aan de kerken, gehouden, waarvan de Wonser-, Midlumer- en Donia-weerstallen of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even als de Warkeamers nog aan sommige kerken worden gevonden[49]. De straffen voor de misdaden bestonden destijds in vee of in geld, als boete aan den beleedigde en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad en Gooregters, die de algemeene belangen behandelden en hoofdmisdaden beregtten. In Oostergoo hielden deze, althans in de 15e eeuw, de landsdagen op de stins Barrahuis onder Wirdum, in Westergoo te Hartwerd en later te Franeker, en in de Zevenwouden (eerst in het begin der 15e eeuw tot een geheel verbonden) te Rottum[50].

Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken, met de hoofden der steden en grietenijen Gaarleggers of bijeenkomsten op verschillende plaatsen, om, onafhankelijk van den Landraad, de algemeene of bijzondere belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis dikwijls Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders, opperbevelhebbers of aanvoerders, in de plaats van de vroegere Hertogen of Goograven. Welligt werden zij enkel in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een bepaalden tijd uit te oefenen. Omtrent deze personen heerscht er echter veel duisters in onze geschiedenis[51]. Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe zeer men de aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van[83] vreemden als van sommige edelen[52]. »De Friesche natie leverde te dezen aanzien een treffend contrast op, met den staat van andere natiën vergeleken. In alle andere landen berustte toen de oppermagt óf in handen van eenen volstrekten Meester, óf zij was tusschen den Vorst en een klein getal wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld. Deze laatsten, welverre van de vrijheid der volken te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden, die haar uitdelgden. De inwoners van Friesland, niet tevreden dat zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad slechts in naam bestond, aan het Duitsche rijk verbonden waren, en óf door zich zelven óf door hunne vertegenwoordigers invloed op de volksvergaderingen hadden, namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden zich staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare verrigtingen. Schoon de algemeene landsdag-vergaderingen voornamelijk uit de afgezondenen der onderscheidene regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook ziet men, tot in de 16e eeuw toe, openbare acten uitgegeven in den naam niet alleen van de Overheden, maar ook van de Gemeente en het gansche ligchaam des Volks”[53].

Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat en eene niet minder gevreesde regtbank, die der Geestelijkheid, wier invloed destijds van veel belang was, als naauw met het wereldlijk gezag verbonden. Wij achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt te geven.


[43] Stijl, Opkomst en bloei der Nederlanden, 1778, 28.

[44] Dat er ook slaven en lijfeigenen in Friesland zouden geweest zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten door sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen voor de wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het regt van verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na karel den groote, van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en zich door eene bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten, is hier kwalijk aan slavernij te denken, ten zij gevangen genomen Noormannen daarin vielen. Zoo denkt ook halbertsma in zijne Letterkundige Naoogst, 1840, I 135, 138.

[45] Zie Oude Friesche Wetten en de Aantt. van p. wierdsma, bl. 23, 42, 70, 294, 304.

[46] Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp, en aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik de vrijheid te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld in mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, I 8, 33, 274, 298 enz. en de daarbij aangehaalde schrijvers.

[47] Oude Friesche Wetten, afgedrukt in schotanus, Beschrijvinge van Frieslandt, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met belangrijke aanteekeningen uitgegeven door p. wierdsma, Kampen en Leeuwarden, 1782; richthofen, Friesische Rechtsquellen, enz.

[48] Zie over die wijze van regtspleging, behalve de O. F. W., ook het voortreffelijke werk van halsema, bl. 56, 76, 91 en vervolgens, in Aanteekening 9 breeder vermeld.

[49] Aanteekeningen op de Oude Friesche Wetten, 40, 106, 179, 197.

[50] Zie worp van thabor, Kronyk, IV 2.

[51] Aanteekening op de Oude Friesche Wetten, 118.

[52] Zie over het vermelde van loon, Aloude Regeringswijs van Holland, IV 175; foeke sjoerds, Beschrijv. I 423; Tegenw. Staat, I 128; van halmael, in het Friesch Jierboeckjen foar 1834, VII.

[53] Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen, Amsterdam 1784, I 80, met aanhaling van het Charterboek, I 124, 131, en van idsinga, Staats-recht der Nederlanden, 363.


[84]

18. De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in de middeleeuwen.

In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt, dat zij tegen vreemde personen en nieuwe zaken vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij die niet kennen, doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders worden, als zij vroeger tegenstanders waren. Het gezond verstand en de billijkheid (waardoor de Friezen zich steeds hebben onderscheiden) behalen dan de overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op de gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade bij eene verandering, welke de voorzigtigheid nog niet als eene verbetering heeft leeren kennen.

Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan ten aanzien van het Christendom. Eeuwen lang streden de Friezen daar tegen, ook om staatkundige redenen, en bleven zij afkeerig van de aanneming der Christelijke leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd waren, werden zij daarvan eerlang even groote voorstanders als weleer tegenstanders. Spoedig echter ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde redenen (zie bl. 75), uit de drie eerste eeuwen na de aanneming van die leer geringe sporen van dien ijver bekend. Maar de geschiedenis getuigt en de blijken zijn er nog van over, dat er weinige landen van gelijke uitgestrektheid in Europa bestaan, waarin de vrome zin der ingezetenen uit eigene middelen zoo vele Kerken en Kloosters heeft gesticht en rijkelijk begiftigd, als in deze provincie. Ja, het is geene overdrijving als wij zeggen, dat er in Friesland nagenoeg zoo vele Steden gesticht werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken- en[85] zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn. Indien dan vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs zoeken naar zulke grootsche en prachtige gewrochten der bouwkunst, als in andere landen door vereenigde krachten werden tot stand gebragt, dan kan nog het aanzienlijk getal torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat de vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft achtergelaten van hunnen ijver voor Christendom en Kerk.

Vermits karel de groote bepaald had, dat de ingezetenen van ieder kerspel voor eene kerk en woning van den Pastoor moesten zorgen, zoo werden er in dit gedeelte van Friesland bij de invoering van de Christelijke leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met riet gedekt. Doch in de 11e, 12e en 13e eeuw, toen het bouwen met steen werd ingevoerd, vermeerderde dit getal in groote mate[54]. Daarvoor waren verscheidene redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke toestand der gemeenten meer en meer geregeld, bij de toeneming van welvaart en vermogen. De zucht om verdienstelijke werken te doen, waarvoor de Kerk vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven, en voor anderen een prikkel, om door hunne middelen den opbouw van Kerken en Kloosters te bevorderen. Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver; daar eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners[86] te bouwen dan anderen reeds hadden gedaan, en elders zucht naar onafhankelijkheid, gepaard met nijd en onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander den voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke het getal kerken en parochiën deden vermeerderen[55].

Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten gelijktijdig mede, om de stichting en opbouw te bevorderen van een aantal Kloosters; van die gestichten in en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld af te zonderen en zich geheel over te geven aan godsdienstige bespiegelingen, gebeden en werken van liefdadigheid. Naarmate de onrust der tijden vermeerderde, ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen, namen deze kloosters in aantal en vermogen toe, dewijl weerlooze vrouwen en rustige ingezetenen daarin veiligheid en bescherming vonden, en tevens gelegenheid, om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen. Het St. Bonifaas-klooster te Dokkum en dat van St. Odulphus te Stavoren worden hier voor de oudste gehouden. In Oostergoo waren verder de voornaamste:[87] de Abtdijen van Mariëngaard en Klaarkamp onder Hallum en Rinsumageest, in 1163 en 1165 gesticht; benevens het Smallen-eester-, Gerkes- en Foswerder-klooster; terwijl er alleen in en bij de stad Leeuwarden vier zulke gestichten verrezen, waaronder het Dominikaner-Klooster der Predikheeren (1245) (waarvan de nog bestaande Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste van dit gewest gerekend werd. In Westergoo bekwamen de Abtdijen van Lidlum bij Tjummarum (1182), Oldeklooster bij Hartwerd (1191), Ludingakerk onder Achlum (1157), benevens de kloosters Thabor onder Tirns (1406) en Groendijk bij Sneek, Monnikebaaijum onder Winsum (1188) en meer andere groot aanzien en vermogen; terwijl van de kloosters der Zevenwouden de Aalsumer-, Nesser-, Hasker- en Schoter-konventen het meest vermaard waren[56].


Gedurende de drie à vier eeuwen, dat de meeste dezer kloosters in Friesland bestonden, zijn ze van groot nut, gezag en invloed geweest. Want, vermits kloosters als Lidlum in 1293, zoo men wil, 600 en Mariëngaard 400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame Abten of Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend waren, aan het hoofd hadden, en meest allen door erfenissen en giften aanzienlijke goederen bezaten, zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt in den Staat geworden. Heilzaam werkte die magt, ook buiten het geestelijke, ten behoeve van verschillende maatschappelijke belangen van dien tijd, waaraan zij[88] tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen der ingezetenen waren destijds zeer naauw vereenigd en stonden minder op zich zelve als later. Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne aanzienlijke grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen van zeedijken, het graven van vaarten, het verbeteren van wegen, het leggen van sluizen enz.;—zaken, tot wier daarstelling de afzonderlijke krachten der ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren. Vele dorpen ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken; en, terwijl zij hier de verbetering van landerijen, daar de landwinning en elders de afgraving van de hooge veenen bevorderden, zien wij hen voor het algemeen belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op de wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze vreedzame oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de kloosterlingen ook veel invloed op de ontwikkeling van de nijverheid, door verbetering van de bouwkunst, van vele handwerken, van den landbouw en van het boter- en kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het volk, later zoo belangrijk werden.

Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd eerlang ook van veel staatkundig belang in de regering des lands. De kloosters werden daarin vertegenwoordigd door bekwame Prelaten, die de belangen van de geestelijkheid en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden gelden tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden de pen, stelden de besluiten en verdragen, en werden dikwijls als afgezanten naar vreemde vorsten gezonden. Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen krijg door het ondersteunen van hunne partij of vrienden.

[89]Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche kloosters door-een op zestig personen schatten, en bedenken, dat de parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen een of meer Hoofdpriesters en vele ook een Vicaris hadden (om van de Prebende-priesters, die bijzondere altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een gering denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige Friesche geestelijkheid. Wanneer wij bovendien opmerken, dat die kerken en kloosters in het bezit waren van een groot deel der vaste goederen in dit gewest of dat zij renten daarvan trokken[57]; alsmede, dat de meeste dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en bekwaamheid onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk, dat zij in een tijdvak, waarin het volk meerendeels nog onwetend en onmondig was, groot gezag en invloed konden en moesten uitoefenen. De gansche strekking van het Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg mede veel bij, om het volk aan de oppermagt der kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam zijn: want zij moest van zelf ontbonden worden, toen eerlang het volk, zijne kindschheid ontwassen, naar meerder licht streefde, en toen misbruiken het ligchaam[90] der geestelijkheid zelve bevlekt hadden. In weerwil van al de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden, welke aan het kloosterleven eigen mogen geweest zijn, verdienen echter de geestelijke instellingen dier dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling. Onbillijk is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf en naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste inrigtingen aankleven, te beoordeelen. Wie toch zou het evangelie willen verwerpen, om de vervolgingen, waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de geschiedenis zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid, onkunde en gebrek aan godsdienst bij een groot deel der bevolking, ’t welk enkel voor de zinnen leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en misbruik, ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel vele stille vromen, die God en den Heer van ganscher harte liefhadden en dienden; die reinheid van gemoed en veredeling van den onsterfelijken geest hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning. Deze vonden, onder de bestendige stormen van den krijg, in de kloosters een toevlugt en bescherming; zij waren een scherp tegenbeeld van de zinnelijk-dierlijke denkwijze der wereldlingen; zij toonden hen, die slechts naar roof en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog iets beters te vinden was dan het vergankelijke. Door zulk een verhevener zin werkten zij weldadig op de wereld, die echter eerlang, uit partijzucht, de deugden en verdiensten der geestelijken vergat, om enkel de ondeugden van sommigen hunner, uitzonderingen op den algemeenen regel, voor de vergetelheid te bewaren. Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe weinig verheffend de plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij de weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden zij het volk, om geheel tot woestheid en onwetendheid te[91] vervallen. »Ja, hadden de middeleeuwen naast de hutten der landbewoners en de kasteelen van den meestal krijgvoerenden adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou de maatschappij in Europa slechts uit last- en roofdieren hebben bestaan”[58].


Reeds bij de invoering van het Christendom was Friesland tusschen het Flie en de Lauwers onder het geestelijk gebied van den Bisschop van Utrecht gesteld, met uitzondering van de grietenij Achtkarspelen, welke, met Groningen en verdere oostelijke landstreken, onder den Bisschop van Munster kwam[59]. Het land was in de 13e eeuw verdeeld in Dekenschappen, aan wier hoofd Dekens of Landdekens stonden, welke aangesteld werden door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche kerk, welke Aarts Diakens in Friesland waren. De Dekens met hunne Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak over de geestelijken en leeken der parochiën, volgens het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt of Syndriucht geheeten[60]. Alle drie of vier jaren kwam er een Koor-Bisschop, als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om Zeend of Synode te houden en de hoogste geestelijke magt uit te oefenen. Later waren er ook in ieder Goo[92] Geestelijke Commissarissen, die het opzigt hadden over het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige, die den rang van Abtdijen hadden, door Abten en andere door Priors bestuurd. Zij stonden geheel op zich zelve, en waren alleen den Paus onderworpen[61].

Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen ook over de volken van Europa uitoefende, de geschiedenis heeft ook deze opmerkelijke bijzonderheid bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid, welke zij in het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het geestelijke vasthielden en zich niet lieten ontwringen. »Zij toonden, wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind, hoe hoog ook, wetten te willen ontvangen, zich storende noch aan Bisschop noch aan Paus. In den boezem des volks bleef het regt en de magt berusten, om hunne eigene pastoren aan te stellen, kerkelijke bedieningen te begeven en de kerkegoederen te beheeren, waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden aan de geestelijkheid hebben zij zich evenmin laten opleggen, als zij leenen wilden erkennen. Geene pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij hunne geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard[93] worden, dat de godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder, dan wel in andere landen voorgedragen en beleden werd. Zóó was het gesteld in de kerk van geheel Friesland[62].


[54] Ook halsema getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige kerken in Friesland door de landzaten of karspellieden, waaronder eenige weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en vorsten zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop hun regt gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen van leeraren en het beheer van die goederen. Zie mede wiersma’s Aanteekeningen op de Oude Friesche Wetten, 257, en scharlensis, 33o.

[55] De Heer eyck tot zuylichem te Utrecht heeft in de Vrije Fries, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige oude Kerken in Friesland gegeven, waarin hij de gewone, nog onveranderde bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt, als behoorende tot den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant, met ronde koorsluiting, van niet later dan de 11e of 12e eeuw. Opmerkelijk is het, dat de gewone bouworde onzer Kerktorens, met gewoon huisdak tusschen twee brandgevels, hier even algemeen is als in Denemarken, en slechts zeldzaam in zuidelijker provinciën wordt gevonden. Vele dier torens hebben den vorm en de zwaarte onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen mede gebouwd te zijn met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te worden als plaats van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en gevaar.

[56] Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al de Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit die gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer van leeuwen in de Aantt. op it aade Friesche terp, bl. 440.

[57] De Beneficiaal-boeken van Friesl. (Leeuw. 1850) bevatten eene lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle Parochiën, zoo als die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het gezamenlijk bedrag van de goederen der Kloosters zal wel niet minder geweest zijn. Bekend is het, dat Graaf willem III reeds in 1328 allen Kloosteren en Geestelijken in Holland, Zeeland en Friesland verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen, Charterb. I 183. Wij betwijfelen het echter, dat zij in Friesland ooit, en veelminder destijds reeds, tweederden der landerijen zouden hebben bezeten, zoo als cerisier, Tafereel der Nederl. Geschiedenis, Utrecht 1781, I 411 en Tegenwoordige Staat, I 477 melden.

[58] Zoo oordeelt macaulay, in zijne voortreffelijke Geschiedenis van Engeland, ’s Hage 1850, I 9.

[59] Deze opmerkelijke uitzondering schrijft schotanus, Beschrijv. end Chronyck, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker ludger van Wierum, later Bisschop van Munster, het Christelijk geloof in Achtkarspelen had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen.

[60] Behalve bij schotanus, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van wierdsma, afgedrukt in het 2e st. der Oude Friesche Wetten, 201, 207.

[61] Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger berigten vinden in: schotanus, Beschrijvinge end Chron. 298; Oudheden en Gestichten, I 24 en verv.; foeke sjoerds, Beschrijving, I 64, 635; Tegenwoordige Staat, I 32, 251, 434; van halmael, in het Friesch Jierboeckjen foar 1834, XV, en de Lijst der Kloosters achter het Stamboek van den Frieschen Adel; van leeuwen, Aantt. op it aade Friesche terp, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het, dat de geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk onderzocht en behandeld mag worden.

[62] ypeij en dermout, Geschied. der Ned. Herv. Kerk, Breda 1819, I 410, Aantt. 185; ypeij, Geschied. der Syst. Godgeleerdh., Haarlem 1793, I 180; buma, Het regt der Friesche Floreenpligtigen, Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege in het belangrijke werk van v. idsinga, Staats-recht der Nederl. Leeuw. 1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder halsema, 475, en niet minder wierdsma in de O. F. W. 257.


19. De Partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers. (Van omstreeks 1300-1498.)

Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren:
De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond,
Verkleefd aan d’ eigen haard en d’ ouderlijken grond,
Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwigheên bewogen,
Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen,
De vrijheid voor zich-zelve en ’t oord door hen bewoond.
God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond,
Ziedaar alleen ’t gezag, de Heeren die ze erkennen,
En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen;
Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel;
Geen keten waar’ zoo licht, die hem verdraaglijk viel.
Geen vreemde inzonderheid beproeve ’t hem te dwingen,
Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen,
Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt,
En op zijn wettig erf hen noô vertoeven ziet.—
Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven;
Dien inborst kunt ge niet hervormen of weêrstreven[63].

[94]Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen geweest zijn, wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten, bij het genot van vrijheid, orde en welvaart, in vrede en eensgezindheid had mogen smaken! Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor nog evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij wien de volkstrek van eerzucht en ligtgeraaktheid zich het meest vertoonde. In die zelfde gunstige omstandigheden lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de vrijheid is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend wordt, en als ieder burger van zijn persoonlijk belang iets wil afstaan, om het algemeen belang te bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang zij niet misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen magt, hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden. In volksregeringen zijn er bovendien altijd aanzienlijken, die zich de meeste magt aanmatigen, welke ligt tot heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig volk ooit misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd de vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen. In vroegere tijden, toen de oude eenvoudigheid nog zoo weinig behoeften kende, was het onderscheid in vermogen niet zoo groot en het verschil in standen minder merkbaar. Maar hoe zeer was alles veranderd! De kruistogten[95] hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den adel, een hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke bij een strijdbaar volk, dat gaarne gelegenheid zocht om zijn moed te koelen, gevaarlijk waren voor de inwendige rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke godsdienst ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en kloosters stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op verstand en gemoed, vooral ter beteugeling van één hartstogt, welke immer en overal zulke schrikkelijke verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij eene deugd, gevierd en geëerd werd. Het was de onchristelijke wraakzucht, de onverzoenlijke haat, de erfelijke veeten, welke voedsel vonden in den woesten, onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht, die, onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige edelen en het volk, en vooral tusschen de adellijke geslachten onderling, eene verbittering deden ontstaan, welke in het laatst der 12e eeuw uitbrak in de grootste aller rampen, in den—Burgeroorlog.

Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,
Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,
Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,
En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;
Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,
En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.
Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,
Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,
Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.
Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,
En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,
Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.
Verblinden![64]

[96]Ja, Vetkoopers en Schieringers waren de namen en leuzen der partijen, die, even als gelijktijdig de Heeckerens en Bronckhorsten in Gelderland en de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een nutteloozen strijd—niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen zich zelve,—niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten. Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had: verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel het graauw genoemd, welk woord met schier verwant is en aan de grijze kleur der kleeding schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het vette der aarde genoten. ’t Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde: onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten. De daardoor opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel gehad—het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot een krachtvollen middelstand hadden verheven. De burgerijen der toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt[97] geworden. Doch welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest kiezen.


Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in Friesland, aan wiens bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden, dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier, dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en onderling strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de voornaamste steden de geslachten: cammingha, unia en auckama te Leeuwarden, jongama te Bolsward, sjaerdama te Franeker, heemstra en riemersma te Dokkum, gerbranda en gratinga te Harlingen, harinxma te Sneek en Slooten enz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden. Met aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van[98] door de kracht des evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt, vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen: want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof, moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten gevolge hadden—dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het ongelukkige volk. (Zie Aanteek. 12.)

Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voor Friesland, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken. Vooral geschiedde dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid door veroveraars belaagd werd[65]. En hoe dikwijls[99] was dit niet het geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en een volk om de vrijheid te zien kampen.


[63] Van halmael, Ats Bonninga, Treurspel, Leeuw. 1830, 2. Ten aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen, wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden. Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik, behalve scharlensis, winsemius en schotanus, voor algemeen gebruik bijzonder aanbeveel: It aade Friesche Terp of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en Aanteekeningen van j. van leeuwen, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans voor slechts ƒ1,30 algemeen te bekomen.

[64] Van halmael, Ats Bonninga, 4. Zie verder scharlensis, 33; winsemius, 183; schotanus, 164; sjoerds, Jaarboeken, III 129 enz.

[65] „Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden teghen stonden,” zegt worp van thabor, Kronyk, IV 5.


20. Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid tegen de aanvallen van de Bisschoppen van Utrecht en de Graven van Holland.

In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden de Kinhem of Reker in Noord-Holland) hadden de Duitsche keizers een groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop van Utrecht en de Graven van Holland en Zeeland. De eersten, die het geestelijk gezag over het bijna geheel Friesland uitoefenden, trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden (de stad Groningen met Drenthe en het noorden van Overijssel) van het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de Bisschop otto II in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in de Stellingwerven te vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar staande te houden. Te vergeefs liet Bisschop guy van Henegouwen er daarom in 1309 eene sterkte bouwen—eer deze voltooid was, wierpen de Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot Vollenhove, dat zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke[100] slot belegerden. Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies deed wijken. Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een verdrag met hen te sluiten (1313)[66].—Ook later deden de Bisschoppen herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te brengen. Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand als frederik van blankenheim, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok hij naar de Stellingwerven, verbrandde Peperga, Blesdijk en andere dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar zond hij zijn Maarschalk adolf van swieten met volk naar Lemsterland, waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet[67].

De Hollandsche Graven hadden van de slappe regering van Keizer karel den kale en zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te breiden, en om[101] de voor hun persoon ontvangene groote Leenen stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt. Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt worden.

Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden: want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage en toen nog zoo waterrijke Noord-Holland tegenover de in den krijg geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt te zullen moeten bezwijken,—toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en wederspannigen

Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen
Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang.[68]

In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet te genaken dan in zeer drooge[102] zomers, of wanneer een strenge winter de wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar. Dit ondervond reeds in 1004 Graaf arnoud in den bloedigen slag bij het dorp Winkel, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf floris III met eene menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf willem II meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand gebragt- en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden. En toen die zelfde Graaf willem II, op het punt om Keizer van Duitschland te worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij Hoogwoud door het ijs zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den dood boeten (1256).

Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne oostelijke stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene bezwaren, ondervond Graaf floris V, brandende van verlangen, om den dood zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne vrijheid te berooven.[103] Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij der Friezen krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht genoeg den dwang te weêrstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch dit was hunne laatste worsteling. Want Graaf jan van Avennes bragt met vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche Zeelanden, en West-Friesland, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993 tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem verstrekte dan de overwinnaars[69].


Doch ook tot het bezit van Friesland tusschen het Flie en de Lauwers strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of aanspraak te hebben ook op dit land, op[104] grond van Giftbrieven der Duitsche Keizers[70]. Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En evenwel schonken zij Oostergoo, Westergoo of Stavoren nu aan de Bisschoppen van Utrecht, dan aan de Graven van Holland of aan die van Gelder en later weder aan den Markgraaf van Brunswijk en anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot kwijting van schuld of wel om andere redenen[71]. De Friezen lieten hun regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich aan hen wilde[105] opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden, zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden.

Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,
In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;
De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,
Ontzag zich geen van hen haar d’ ouderen te ontschaken[72].

Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde Graaf floris V ook Friesland te bemagtigen. In 1288 schijnt hij daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén te vestigen in de koopstad Stavoren, welke zich daartoe zonder tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1 April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte van Friesland te bemagtigen[73].

Ofschoon Stavoren in 1299 Graaf jan II op gelijke wijze huldigde en de bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn. Immers, naauwelijks was Graaf willem III, die eerlang den bijnaam van de goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met 1500 man een togt naar Friesland, en landde in Gaasterland, met oogmerk om Stavoren van de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen boden, onder hunnen Potestaat hessel martena, hem zoo dapperen[106] tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op. Daarom deden velen hunner een togt naar Noord-Holland, en bragten de ingezetenen van Enkhuizen en omstreken met rooven en branden groote schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters in Friesland, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weêrwraak stak men van hier nogmaals naar Enkhuizen over, verbrandde wel vijf-en-twintig huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster te Stavoren bij nacht uit te plunderen en in brand te steken[74].—Met zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten elkander in die dagen! En tot welk doel?

Graaf willem had de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken. In 1310 sloeg hij eene verzoening met Stavoren voor, welke werd aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid zelfs Westergoo bewoog, hem, bij een verdrag, nabij Alkmaar gesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde[107] tegenover het magtiger Oostergoo, dat zich tegen de aanneming van den Graaf bestendig bleef verzetten. Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door den Roomsch Koning lodewijk, die zelfs Oostergoo en Westergoo beide beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen verschillen met Harderwijk en Kampen zeer in hun belang regelde, en door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten die van Stavoren in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen. Hiertegen wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen in Gaasterland, doch ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in West-Friesland wederkeerig te plunderen.

Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde werd gemaakt door een zoen, welke te Haarlem door den Graaf met Stavoren en Westergoo werd gemaakt, schijnt hij in Friesland weinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door Oostergoo erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in Friesland geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende Stavoren zijn zoon en opvolger Graaf willem IV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; doch Westergoo volgde dit voorbeeld evenmin als Oostergoo[75].

Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden te Stavoren voorgevallen, waarbij de[108] zoon van een grafelijk ambtenaar het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen en onbesuisden Graaf willem IV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan te wenden, om gansch Friesland aan zich te onderwerpen. Hij bragt eene groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de Zuiderzee en landde in de nabijheid van Stavoren. Een krachtige nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was een muur. Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevende Utrecht had aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgende Strijdlied in hunnen mond voegde:

Wierne de alde Friesen fry,
Friesce soannen binne wy.
De alde moed is net forroen:
O, wy stjerre foar ues groun!
Stoarm in wetter haww’ wy hôan
Oer ues ljeawe Friesce lôan;
’t Folk, dat foar nin weagen swicht,
Fait it oarlochsswird eak licht.
Jane wy den eak nin keap
Foar ien wylde stropers heap!
Frydom, koft troch eigen moed,
Is ues meer as goed in bloed.
’t Gleaune scerpe krigersswird
Loeke wy foar hoes in hird,
In wy binne eang of bang,
As foar frjemde keunings twang.
Broes’ nou ’t alde Friesce bloed!
Kom wer, frye Friesce moed!
Frydom, frydom is ues noft
As de foegels yn de loft.
De alde Friesen wierne fry,
Foar de frydom fjochte wy;
In ien echte frye Fries
Het fen frjemde twang ien grys[76].

[109]De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig, zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door jan van Henegouwen aangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten van Holland, Zeeland en Henegouwen, wier getal op 240, gelijk het gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.

»Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage,” zegt een Hollandsch geschiedschrijver[77]. Wie billijkt niet die smart? en niet minder die »der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots?” Maar wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: »dat zij daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne goederen in Holland allen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het klooster Mariënhof op het eiland Marken, door de Hallumer Abtdij Mariëngaarde met Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten oorlog en in koelen bloede, ’t gebouw in brand stak en de ongelukkige monniken in de Zuiderzee smeet”[78].

[110]Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen?

Maar nog geen wraak genoeg. Graaf willem V trachtte den dood zijns voorgangers te wreken door de Friezen—niet met eerlijke wapenen in openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te berooven (1347). Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en Ingezetenen van Holland, Zeeland en West-Friesland;—een verdrag, waarbij de voorwaarden geheel in het belang van Oostergoo en Westergoo gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne onderzaten de grenzen van Friesland niet zouden overschrijden, dan in geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter enkel tot de drie marktplaatsen Harich, Kornwerd en Holwerd moesten bepalen[79]. Later gaf de Graaf ook den Friezen[111] volle vrijheid, om in Noord-Holland handel te drijven en de markt te Haarlem te bezoeken[80].

Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen, die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen. Ofschoon Stavoren kort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche koopsteden begunstigd waren;—ofschoon Keizer karel IV Oostergoo en Westergoo beval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen (1362)[81],—werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig onderling in partijschappen hevig verdeeld waren[82]. Herhaaldelijk gaf echter de opvolgende Graaf van Holland, Hertog albrecht van Beijeren, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit van Friesland geenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge waarvan zijn oudste zoon, Graaf willem van Oostervant, naar Frankrijk gevlugt was. Dáár werd deze echter aan[112] ’s Konings tafel smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag van zijn oudoom Graaf willem IV, die in ’s vijands land verslagen en nog onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had gewroken[83].

Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen en dezen te bewegen, om Friesland, het kostte wat het wilde, te veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertog albrecht, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke graven en ridders kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd, welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden. Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten ’s land te varen, geprest tot den togt naar Friesland. Eene verbazende magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000 man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en Henegouwers,[113] ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op 3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte.—En zulk eene vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang, doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, dat Friesland met eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde.

Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest? Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen. Om met deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door hen op een landsdag verkozen Potestaat juw juwinga of jongama van Bolsward, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld, maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken. Doch met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: »Wij sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te onderwerpen!” den[114] vijand tegen, ten einde »vrij en friesch, met lijf en goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren eendragtelijk tegen te staan.”

Hertog albrecht van Beijeren, die in het opperbevel door drie zijner zonen ondersteund werd, had zijne legermagt te Enkhuizen verzameld, stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschen de Lemmer en de Kuinder. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen groot veld, het Oostzingerland of Oosterzee-ingerland geheeten, bij Schoterzijl, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede van dit gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat, die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen[84].

Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner[115] zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden. Vijf weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan leeftogt en betaling noodzaakten albrecht het overschot van zijn leger nog vóór den winter terug te voeren naar Enkhuizen, waar het ontbonden werd. In Stavoren, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen, en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij 1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze te Hindeloopen meenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat zij met groot verlies naar hunne schepen en naar Holland terugkeerden. Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan. Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd dezer kaperschepen[85].


De verpletterende ramp, welke Friesland bedreigd en als ten ondergang bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit den strijd het hoofd weder opgebeurd. ’t Was echter, alsof het Hertog albrecht krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van zijne benden met vernedering en bespotting vergold. Nogmaals[116] wilde hij dat weerbarstige Friesland veroveren, bedwingen en aan zijn gebied onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen. In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt naar Friesland. Evenzoo de steden van Holland, en Zeeland, waarvan enkel Dordrecht moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden, 10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden. Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte wegen gemakkelijk te maken[86]; terwijl de getallen dier handwerkslieden blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het bouwen van kasteelen, gelijk vroeger in Noord-Holland was geschied, waartoe hij eene groote hoeveelheid »calck, yser ende hout dede copen totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op onse vyanden die Oistvriesen.” Bovendien moesten de elf voornaamste Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht hij de stad Zierikzee, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in Engeland had aangeworven, te halen en naar Vlissingen te brengen. Van elders leende hij nog 300 schepen, ontbood hulp uit Zeeland, Utrecht, Zalland, het land van Altena enz.; terwijl de Heer van Hensberg hem met 200 bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk Haarlem met 4 schepen en 5000 oude Schilden, bijstand deed. Zelfs verzocht hij ondersteuning van den Koning van Frankrijk en andere vreemde Vorsten, en besloten de[117] Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met de talrijke vloot te Enkhuizen verzameld, alsof het de verovering van het Heilige land zou gelden[87].

Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel van Graaf willem van Oostervant, over de Zuiderzee, en landde tusschen de Lemmer en Takozijl. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind[118] dan toen. Sedert dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat het in den vorigen jare 1397 bij Dronrijp tot een veldslag was gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde van Holland over en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat juwinga, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te versterken[88]. Het leger trok alzoo onverhinderd door Gaasterland, doch vond niet ver van Hindeloopen vele Friezen verzameld, die eene poging wilden doen om Stavoren te beschermen. Zij werden echter na een hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar Stavoren, waarin zich eene groote menigte volks had verzameld. Langer dan drie weken werd deze stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de aanzienlijkste edelen van Oostergoo en Westergoo met willem van Oostervant in het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten ’s lands zouden verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.[89]

[119]Eerlang werd nu Hertog albrecht van Beijeren door geheel Friesland als Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen- en huldebrieven. Op verscheidene plaatsen liet hij kasteelen bouwen tot bedwang van het land; naar Hollandsche wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen aan, begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en deed hij ook daardoor werkelijk pogingen, om hier het Leenstelsel in te voeren. Hierin en in meerdere bepalingen van zijnen zoenbrief week hij af van het eerste verdrag van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond gelegd van een tegenstand en verzet van het volk, welke zich reeds in het begin des volgenden jaars openbaarden[90]. Die schending van het verdrag was den vrijheidminnenden Friezen even onduldbaar als al de blijken van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle kasteelen door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd en de bezettingen, behalve uit Stavoren, verdreven. Te vergeefs zond de Hertog nieuwe benden uit de Hollandsche steden naar Stavoren, dat door de Friezen krachtig, doch zonder vrucht, werd aangevallen. Te vergeefs trachtte hij bij een naderen zoenbrief door gunstiger bepalingen, omtrent het vrij en onbezwaard bezit der eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren der Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land tegen het Hollandsche gezag ingenomen en gewapend. Voor de derdemaal schreef hij in Julij 1400 eene algemeene heirvaart tegen de Friezen uit, en werden al zijne ridderen en leenmannen, steden en dorpen in Holland en Zeeland, ja zelfs in Utrecht, aangeschreven, hem ten spoedigste met 550 galeijen en een bepaald getal manschappen te hulp te komen. Dordrecht was daarbij weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40 arbeiders,[120] »of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere luden met breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander gherieschap, om te woesten ende te vellen alle Sloten, Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze meynedighe luden van Oistvrieslant jeghens ons houden.” De overige steden en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid[91].

Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het leger, onder aanvoering van Graaf willem van Oostervant te Stavoren geland, wel de zeekust langs trok, met de Friezen schermutselingen hield en Dokkum innam; doch te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen, waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen, om ’s Graven gezag ook in Groningen te vestigen, mede verijdeld waren.

In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke opofferingen, was de oude Hertog den strijd nog niet moede. In Junij des volgenden jaars 1401 schreef hij in Holland en Zeeland eene dubbele en driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen met gewapende mannen en sterke gravers met schup en spade en piek of boog, ten einde daarmede een togt te doen naar Stavoren, om de twee kasteelen te voltooijen, welke hij begonnen was, daar tot versterking van deze stad te doen bouwen[92]. Doch dit was ook zijne laatste poging ter bedwinging van een land, dat getoond had, zich niet te willen onderwerpen. De uitputting zijner geldmiddelen en de mindere gewilligheid der Hollandsche edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen. Den 1 October 1401 werd die te Bolsward[121] voor zes jaren gesloten, bij een verdrag, waarbij de Friezen tusschen den Wezer en de Lemmer voor zich gunstige bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog alleen het gebied over Stavoren lieten behouden[93].

De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene kracht-inspanning waren voor Hertog albrecht zeer bedroevend: want die verbazende krijgstoerustingen en de daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo zeer verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood in 1404, zijn boedel door zijne weduwe met den voet werd gestooten. De Friezen herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjagen van de vijandelijke bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar was onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden voegde, verpligt was te gehoorzamen[94]. Zijne veroveringszucht gedijdde hem alzoo evenzeer tot schade en schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij daardoor gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed ter handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding van overmagtige legers, die hun volksbestaan met den ondergang bedreigden. (Zie Aanteekening 13.)


Al de latere Graven van Holland in de 15e eeuw hebben echter bestendig hunne vermeende aanspraak op Friesland doen gelden, door bijna jaarlijks het geslotene vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder deden zij dit door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze van onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer of Graaf erkend te zien, hoewel deze, wanneer de drang hun te sterk voorkwam, zich telkens tijdig genoeg[122] verzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat hun bescherming verleende, geenen heer onderdanig te zijn, werd bevestigd[95]. Geen dier Graven deed echter zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner voorzaten bleef hen deswege eene heilzame waarschuwing. Onnatuurlijk was echter die klove tusschen zoo nabij elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders niet immer getoond hadden, den meester te willen spelen over de Friezen, die echter niet gezind waren het hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar die stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid of vrees voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens aanvallen zij zoo dikwijls gedrongen waren, op eene bloedige wijze betaald te zetten. Veel moest er nog gebeuren, geheel andere tijden en omstandigheden moesten er komen, vóór die verwijdering kon ophouden, om vervangen te worden door eene toenadering, vereeniging en zamenwerking, welke beider belangen en het heil des geheelen vaderlands in één staatkundigen band zou omvatten en bevorderen. Terwijl wij het dus bij deze togten betreuren, dat zoo vele Vorsten uit veroveringszucht zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen hebben verspild, heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken, door liefde tot de vrijheid bezield en aangedreven, met onverschrokken moed magtige overheerschers kunnen wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste hulpmiddelen uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering van tijdgenoot en nageslacht verdienen.

[123]Zóó is de Fries. Wanneer gevaren
Der Vrijheid zweven, om zijn kust,
Dan weet zijn moed van geen bedaren,
Noch zijne Leeuw van logge rust.
Wee hem! die dezen Leeuw verschrikken
Of wil betemmen of verblikken,
Hij schuimbekt, raast en kent geen reên![96]

[66] Zie wagenaar, Vaderlandsche Historie, III 194; sjoerds, Jaarboeken, III 236; van kampen, Geschiedenis der Nederlanden, I 126; Charterboek I 138, 151.

[67] Charterboek, 379; schotanus, Beschrijv. end Chron. 175; worp van thabor, Kron. IV 10, 21; Tegenwoordige Staat, I 590.

[68] Mr. j. van lennep, Verontschuldiging, 1850, 22. Zie ook eikelenberg, West Friesland, 24, 44, aangeh. in hofdijk, Jonker van Brederode, 1849, Aanteekening 198.

[69] Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij wagenaar, Vaderlandsche Historie, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.; Tegenwoordige Staat, I 429; sjoerds, Jaarboeken, II 169 env.; bosscha, Heldendaden, I 23 enz.

[70] Ofschoon Graaf arnoud in de geslachtlijst der Graven van Gent, bij van loon, Aloude Hollandsche Histori, 1734, II 236, reeds Heer over geheel Friesland genoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens der eerste Graven, bij schriverius, hiervan gewagen, zoo heeft reeds ubbo emmius, Hist. Fris. lib. V, te kennen gegeven: „datter van de Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest: dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten.” Zie schriverius, Levens der Graven, ’s Hage 1667, 34.

[71] Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de Hollandsche en Friesche Charterboeken. Schotanus heeft in zijne Beschrijv. end Chron. 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: Vande verschenckingen deses Landts. Zie ook halsema, Verh. 306, en Mr. j. dirks, Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland, in de Vrije Fries, III 28, 37 enz.

[72] Van halmael, de Schieringers en de Vetkoopers, 142.

[73] Zie Charterb. I 124, 126, 131 env.; schotanus, tabl. 13; winsemius, 179; wagenaar, III 46; sjoerds, III 142, 149, 181.

[74] Winsemius, 187; schotanus, 165; wagenaar, III 225; Tegenwoordige Staat, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten plaats.

[75] Zie over het medegedeelde omtrent Graaf willem den goede, Charterb. 149-199; schotanus, 168; winsemius, 190 env.; wagenaar, III 224; sjoerds, Jaarboeken, III 228; Teg. Staat, I 454.

[76] Dr. e. halbertsma in de Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 259.

[77] Wagenaar, III 261. Zie verder schotanus, 180; winsemius, 202; foeke sjoerds, III 384; Tegenwoordige Staat, I 492.

[78] Wagenaar, III 261. Indien willem’s weduwe, johanna, dit wreed bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster, margareet, gemalin van Keizer lodewijk van Beijeren (zoo als schotanus en winsemius willen), dan is het nog schandelijker, dewijl het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit droefheid of in drift geschiedde.

[79] Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het Charterboek, I 208, is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. j. c. de jonge, achter zijne Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten. Jhr. w. van swinderen gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in ’t Mengelwerk der Leeuwarder Courant van 1832, No. 61. De eerste deelde de Heer van leeuwen ook mede in zijne Aanteekeningen op it aade Friesche terp, 418.

[80] Charterboek; I 208; Tegenwoordige Staat, I 501.

[81] Charterboek, 208, 209, 210, 226, 227.

[82] Charterboek, 233-255.

[83] Tien dagen na den slag tusschen Stavoren en Warns in 1345 was ’s Graven lijk gevonden geworden door marten, kommandeur der St. Jansheeren te Haarlem, die het liet begraven in het Klooster Bloemkamp bij Bolsward, van waar het later door albrecht naar Valenciennes is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen vorstelijk graf bijgezet.

[84] In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het uitzigt op een wissen dood.

[85] Zie deze Brieven in het Vriesch Charterboek, I 260-269.

[86] Dit is waarschijnlijker dan idsinga’s meening van planken, tot bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.

[87] Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt. Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 „Malvezie, craemcruyt ende cokenkruyt besorgers,” 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast „te coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout.” Voorts „Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te waecken ende die tenten helpen op te breken.”—„Item, sal men hebben vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel ovens stellen, om daer brood voor ’t gemeen volck te backen, drie bruyn ende ’t vierde witt.” Doch wij zouden te uitvoerig worden, als wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter nog geen spoor vermeld.

[88] Zie dit omtrent Leeuwarden in de Geschiedk. Beschrijv. I 55, 372.

[89] Zie dit Verdrag in het Charterb. 281; sjoerds, Jaarb. IV 127.

[90] Dit blijkt uit de stukken Charterb. 289, 290, 298.

[91] Zie al die oproepingen in het Charterb. 309-314.

[92] Zie deze stukken in het Charterb. 321-325, ook 298. Het kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest.

[93] Zie dit Verdrag in het Charterb. 327 en sjoerds, Jaarb. IV 225.

[94] Stijl, Opkomst en bloei der Nederlanden, 2e dr. 59.

[95] Zie worp van thabor, IV 38, 97; Charterb. 399, 593.

[96] O. z. van haren, de Geuzen, 15e zang.


21. Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid.

Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig verschijnsel in onze geschiedenis, dat hetzelfde volk, hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig wist te verdedigen tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te veroorloven, welke zoodanig streden tegen de maatschappelijke orde, dat deze haren ondergang noodwendig moesten veroorzaken. Zoodra toch hadden de Friezen geene aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren op nieuw hevig onder elkander in krijg. Eensgezind jegens vreemden, was Friesland sterk; verdeeld en verzwakt door partijwoede, bereidde het zelf zijnen val. In algemeene trekken hebben wij hier vóór (bl. 93) over het ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers en Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste tijdperk en de vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden.

Na het sluiten van den vrede met Hertog albrecht van Beijeren, staken de oude verdeeldheden met geweld het hoofd weder op, en de bloedige tooneelen van den burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke geslachten,[124] kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was zoowel in Friesland, als in Groningen en Oost-Friesland het geval, en deze gedienstige naburen hadden heimelijke redenen, om hier het vuur der tweespalt bestendig aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die hunne volksvoorregten in de 15e eeuw tweemalen bevestigden, waren de Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze in overmoed en bandeloosheid ontaardde. Handhaving van orde en rust, en gehoorzaamheid aan de wetten des lands zijn toch de eerste pligten van den burger, zullen de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en blijven bestaan; doch waar deze worden geschonden, waar ieder zijne persoonlijke vrijheid en willekeur met geweld wil doen gelden, en waar alle middelen geoorloofd geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,—daar moet de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens in den loop der onrustige 15e eeuw in Friesland.

Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen de Zeven Vrije Friesche Zeelanden ontbonden. Wel trachtten eenige leden daarvan in 1430 nog de oude betrekking te vernieuwen, door de belofte van elkander en de onderlinge voorregten te zullen beschermen; maar als zij deze bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan dikwijls zulk een misbruik, dat het eene Zeeland over het andere begon te heerschen, en dat die hulp alzoo duur te staan kwam. Dit deed althans de stad Groningen, die in magt en gezag vooral was toegenomen, sedert de Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts verlegd waren. Terwijl de Schieringers, die meest in Westergoo woonden, soms hulp in Holland zochten, riepen de Vetkoopers van Oostergoo daarentegen de ondersteuning van Groningen in. Gereedelijk voldeed dit aan dat verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor vergoeding ontving. Ja, deze stad wist het met[125] allerlei middelen zóó verre te brengen, dat zij, gebruik makende van de beroeringen, met een aantal edelen en geestelijken van Friesland een verbond van bescherming aanging, waarbij haar een groot deel der oppermagt zou worden opgedragen. Dan de Keizer, wiens toestemming daartoe zij eerst listig had verkregen, zond eerst in 1485 en daarna weder in 1494 gezanten in Friesland tot herstel van de rust. Zijn afgezant otto van langen, Domheer van Ments, verklaarde dat verbond voor nietig, en verbood den Groningers, namens den Keizer, zich hier eenig regt of gezag aan te matigen[97]. Vruchteloos wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen. Op een landsdag te Sneek gehouden en meest door de Schieringers bijgewoond, wist hij te bewerken, dat juw dekama, van Baard, een wijs en vredelievend man, tot Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden dezen te erkennen, zoodat het vuur der verdeeldheid, hetwelk hij getracht had te blusschen, nog meer ontvlamde. Al deze maatregelen, om den adel tot rust en eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering dier onbuigzame gemoederen. Met felle woede en vreemde hulp vochten de partijen om de zegepraal.—Terwijl dus de Friezen blijken gaven, dat zij zich zelve niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of orde acht te geven,—toen behaagde het Keizer maximiliaan hieraan een einde te maken, door Friesland op te dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te verpanden, aan den moedigen albert, Hertog van Saksen, dien hij, onder den titel van Erfpotestaat, het bestuur over dit gewest toevertrouwde[98].

[126]Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor een groot gedeelte verloren, en was het volk genoodzaakt een vreemden bestuurder als Heer te erkennen. Die vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en zelfstandigheid zoo hoog geschat, was eene klank, was een denkbeeldig, ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat ze was verbasterd in eene vrijheid om elkander schaamteloos te plunderen en te vermoorden. Het gezag der wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold toen de regel der losbandigheid:

Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard.
Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning,
Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning[99].

Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den Staat knaagde, eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud van het gansche ligchaam noodwendig moest worden uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog grootere rampen, dan reeds zijn geleden, vóórgekomen. Want wij hebben ze niet kunnen vermelden al de bijzondere ellenden en gruwelen van roof, moord en brandstichting, welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg regeringlooze Friesland de inwoners nood en dood en schade berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde familie-geschillen, waaruit de Donia-oorlog en de twist om Bolsward ontstonden[100]. Wij hebben niet kunnen verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende steden Leeuwarden, Bolsward, Sneek, Franeker, Slooten en andere in hare rustelooze twisten met de woeligste edelen jelkama, camstra, juckema, groustins, jongama,[127] harinxma, sjaerdama en anderen belegerd, verbrand en geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de stinzen en dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig beoorloogden; of welk een rol de Raad van Groningen onder dat alles gespeeld heeft.

Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die de rust poogden te herstellen, en het sluiten van die talrijke verbonden van vrede bevorderden, welke er in deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen, grietenijen, steden en gooën werden gesloten, als zoo vele getuigen van de goede voornemens en de behoefte aan eendragt en rust. Doch hoe spoedig werden ze weer verbroken door het geweld, dat sterker was dan de kracht der bezegelde zoenbrieven[101]. Het krijgvoeren was heviger geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid en het gebruik van kanonnen en geweren (destijds bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd geworden. Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij soms tot hulp liet overkomen, brandden en roofden op het onveilige land, waar niemand het zijne meer rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja zelfs de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden veelal verwaarloosd, zoodat alleen in deze 15e eeuw dertien overstroomingen de algemeene ellende verzwaarden.

De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog vele vromen zich te begeven in de Kloosters, wier getal te gelijk met hunne bezittingen toenamen; terwijl anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid of tot den opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke er in deze eeuw, vooral in de steden, verscheidene vernieuwd[128] en vergroot werden. Hoe zouden kennis en wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend volk, dat integendeel door ruwheid en woestheid van zeden moest ontaarden. En de heilige godsdienst der Christenen, bestemd om door geloof, liefde en hoop het leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst te vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten voor het maatschappelijk welzijn.

Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam zijn. Alwat kwaad is verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht, zedelijkheid en pligtsbetrachting kunnen heilrijke en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen en zijne krachten ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden wasdom en beschaving. Daartoe werd eene gansche verandering van den maatschappelijken toestand vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden Vorst werd hiertoe het middel in de hand van Hem, die zelfs de dwalingen zijner kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne vaderlijke bedoelingen tot hun heil.

Zóó dekt de Almagtige zijn wegen;
Zóó is met wijsheid kracht vereend,
En ’t allergrootste nut gelegen
In ’t geen de mensch verwarring meent.
Maar onverwacht zal ’t licht verschijnen,
Dat alle nevlen doet verdwijnen
En wijst der Godheid ware reên.
Leer, stervling! leer altijd te hopen,
Totdat de tijd uwe oogen open’
En toon’, wáárom gij hebt geleên[102].

[97] Charterboek, 754, 758, 760.

[98] Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 der Geschiedk. Beschrijv. I.

[99] Van halmael, Ats Bonninga.

[100] In de Narede van hier vóór genoemde treurspel en in de Friesche Volks-Almanakken van 1841 en 1845 komen omtrent beide deze onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege nader wenscht ingelicht te worden.

[101] Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming bevat het Charterboek en het Stedelijk Archief van Leeuwarden.

[102] O. z. van haren, in den aanhef van de Geuzen. Zie ook Aanteekening 14.


[129]

DERDE TIJDVAK.

FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.

VAN DE AANNEMING VAN HERTOG ALBERT VAN SAKSEN, TOT ERFPOTESTAAT VAN FRIESLAND, TOT DE HERVORMING IN KERK EN STAAT.

Van het jaar 1498 tot 1580.

Versiering

22. Friesland onder het bestuur der Hertogen van Saksen. (1498-1515.)

Albert of albrecht, Hertog van Saksen-Meissen, een der grootste veldheeren van zijn tijd, zonder wien een tijdlang geen krijg in Duitschland, Hongarije, Italië en Nederland werd gevoerd; de man, die de regterhand des Keizers genoemd werd en wegens zijne onversaagde krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de minderjarigheid van filips II, door het bedwingen van de oproerige Vlamingen en door het dempen van den opstand van het Kaas- en Broodsvolk in Holland, dezen Graaf groote diensten bewezen. Het bleek alras, dat albert niet gezind was met ledige handen te vertrekken, dewijl ook een hevige brand, welke de stad Dresden in 1491 voor een groot gedeelte verteerde, zijne middelen had uitgeput. 300,000 Rijnsche guldens was de schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij aan zijne krijgsknechten, inbragt. Des Graven vader,[130] Keizer maximiliaan, dien het immer aan geld, doch zelden aan beraad ontbrak, wist geen beter middel om zich uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog, tegen teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som verpand, met het Erfstadhouderschap over Friesland te beleenen, indien hij slechts kans zag, van dat gewest meester te worden. Reeds had hij dit zes jaren lang beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk ondersteunen van de zwakkere partij der Schieringers, toen deze eindelijk, in 1498, openlijk zijne hulp inriepen tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun hadden. Zóó hoog waren toen de partijschappen gestegen, dat men tot zulk een wanhopig middel overging, en (even als driehonderd jaren later) om zijne partij te doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede, eendragt en rust na te jagen!

Albert zond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graaf willebrord van schaumburg, als stedehouder, met een leger van 2 à 3000 man naar Friesland. Weinig moeite kostte het dezen, de steden en grietenijen van Westergoo te bemagtigen, en zijn Vorst dáár te doen erkennen. Doch het meer Vetkoopersgezinde Oostergoo en vooral het afgelegene Zevenwouden moesten met kracht van wapenen daartoe gedrongen worden. Zelfs werd Leeuwarden tweemalen door hem belegerd, vóór het zich overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking van deze aanzienlijkste der toenmalige steden liet hij daar een groot kasteel, blokhuis of legerplaats bouwen, ter vestiging en bescherming van het opgedrongen gezag.

In Junij van het volgende jaar, 1499, kwam albert zelf met zijn zoon hendrik in Friesland, om het bestuur des lands te regelen. Hiertoe stelde hij een Provincialen[131] Raad van elf edelen in, met zijn kanselier sigmundt phlug aan het hoofd. Aan dezen Raad, te Franeker op Sjaerdama-huis gezeteld, was zoowel het bestuur van het land als de uitoefening van het regt opgedragen. Nadat hij in de kerk van Oldehove te Leeuwarden met veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok hij naar Groningen, dewijl hij ook dat gewest, hem mede door den Keizer geschonken, had te bemagtigen.

Hij had hier zijn zoon hendrik ter uitoefening van het bewind achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven en heerschzuchtig. Hij handelde voor ’t minst zeer onvoorzigtig en verkeerd, toen hij de Friezen met strengheid wilde besturen, en de uitschrijving van belastingen met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan. Hierdoor bedierf hij de zaak zijns vaders in eens zóódanig, dat hij zich gehaat maakte bij vele Friezen, die ook toen weder hun volksaard toonden, door afkeerigheid van dwang en harde middelen, waardoor zij immer veel minder werden gewonnen als door redelijke overtuiging en zachte behandeling. Reeds in den volgenden jare, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de gevorderde belasting te voldoen, schoolden bijeen en bragten weldra eene groote magt onder de wapenen, waarmede zij den Hertog in Franeker (van half Mei tot half Julij) belegerden, met oogmerk, om zich spoedig van dezen nieuwen Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden wel op 16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde en bestuur onder, dat zij het zwakke stadje niet eens konden bemagtigen, en zich eerlang verstrooiden, toen ALBERT zelf met eene legermagt van 5 à 6000 man tot ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn gezag wreede strafoefening gehouden te hebben, vertrok hij weder naar het beleg van Groningen, doch overleed kort daarna te Emden (12 Sept. 1500).

[132]Vervolgens werd Friesland gedurende drie jaren op naam van Hertog hendrik en zijnen broeder georg van Saksen door den Stadhouder hugo van Leijsenach bestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam Hertog georg zelf in Friesland en alléén aan de regering. Eerst toen werd het landsbestuur met kracht aangevat, en werden er nuttige maatregelen tot stand gebragt. Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften des lands, en met een krachtigen wil beraamde hij dadelijk de middelen, om daarin te voorzien, ten einde, door het invoeren van verbeteringen, orde en regel in het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der ingezetenen te bevorderen. Zoo vaardigde hij in 1504 de bekende Ordonnantie van Saksen uit, welke uitvoerige bepalingen ter uitoefening van het regterlijk en burgerlijk bestuur, zoowel door het Hof als in de grietenijen en dorpen en in de steden, bevatte. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan een opperste Geregtshof, waarvoor te Leeuwarden naast het Blokhuis eene Kanselarij werd gebouwd. Ook werd er eene Munt opgerigt in deze zelfde stad, welke dáárdoor het aanzien van Hoofdstad van Friesland bekwam. Vervolgens voerde hij strenge bepalingen in tot herstel van de zoo deerlijk verwaarloosde zeedijken. De belangrijke aanslijking van het Bildt, welke zijn vader reeds in bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te worden. Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen, als de Ee tusschen Leeuwarden en Dokkum en andere, welke mede gedurende de onlusten zoo lang waren verwaarloosd, werden uitgediept. Tusschen Leeuwarden en Franeker, Sneek en Bolsward, werden onder zijn bestuur breede vaarten deels gegraven, deels verbeterd, waardoor zoowel de gemeenschap te water tusschen de voornaamste steden als de afstrooming zeer[133] werden bevorderd. Hij drong aan op het eenparig gebruik van maten en gewigten, en, terwijl de Friezen stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen ter invoering van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op de vastigheden door de invoering van de Floreenrente, welke nog eeuwen lang daarna de grondslag der heffingen bleef en zulks ten deele nog is[103].

Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen mogt Hertog georg met regt een weldoener van Friesland genoemd worden. Bovendien trof het hoogst gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid door- en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder, als hendrik, Graaf van Stolberg, die reeds in 1501 herwaarts kwam en van 1505 tot 1508 ’s Hertogen plaatsbekleeder was. Een man, wiens naam wij met liefde en hoogachting noemen; van wien wel geene roemruchte heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner tijdgenooten verdiende, dat hij alles deed wat de rust des lands, de welvaart der ingezetenen en de eer van zijnen Vorst kon bevorderen. Als »een goed, regtvaardig en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die God boven alle menschen ontzag en zijnen pligt en het[134] land lief had,” werd hij door de Friezen bemind en vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 te Keulen overleed, in de Groote Kerk te Leeuwarden met groote plegtigheid begraven werd, was de algemeene droefheid over zijnen dood eene waardige hulde aan zijne deugden en verdiensten.

Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het verlies van hunne onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden vorst te zegenen! Zij waren billijk genoeg, dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem na zoo langdurige vermoeijenissen van den krijg. Zij dankten God, zegt een tijdgenoot, onder zulk eene rustige regering te mogen leven, daar zij vergaten wat er vroeger al droevigs gebeurd was[104]. Want toen eerst werden er in Friesland rust en maatschappelijke orde, regt en veiligheid, zoo groote voorregten eens burgers! verkregen. Landbouw en handel konden zich ongestoord ontwikkelen; godsdienst en zedelijkheid werden aangekweekt, en de welvaart der ingezetenen nam toe onder begunstiging van vrede en van een regtvaardig en zorgvol landsbestuur, dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette. Hoe jammer, dat die gelukkige toestand slechts weinige jaren duurde, en dat de menschelijke driften, uit verschil van meeningen en belangen ontstaan en door heillooze partijschappen gevoed, weldra op nieuw al de ellenden van den oorlog deden gevoelen.

Everwijn, Graaf van Benthem, in 1509 de opvolgende Stadhouder, was niet zoo rustig en verstandig als zijn voorganger, en mogt de genegenheid der Friezen niet verwerven. Integendeel, door het uitschrijven van drukkende schattingen, ook ten behoeve van den vruchteloozen oorlog ter bemagtiging van Groningen, en door[135] andere maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde hen evenzeer, dat hij twee voorname edelen, gerbrand mockema en jemme herjuwsma, van heimelijke verstandhouding met den Graaf van Oost-Friesland beschuldigd en overtuigd, in 1512 te Leeuwarden liet onthoofden. Het zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook de harten des volks en sneed de genegenheid af, welke men den Saksischen Vorst tot dusver had toegedragen. Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp te zullen bekomen van den Hertog van Gelder, die ze gereedelijk beloofde, en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam te willen zijn in het terugbekomen hunner onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden vond Hertog georg van Saksen het geraden, zich veilig terug te trekken, en zijn regt op het bewind over Friesland in 1515 voor 100,000 Goudgld. over te dragen aan karel van Oostenrijk, Graaf van Holland[105].


[103] Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting tot dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over geheel Friesland Cohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers. Op ieder dezer Floreenen werd toen eene „Jaartax” of schatting van 3 stuivers gelegd, welke later, naar de behoeften des lands, verhoogd werd, en in de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons (ƒ6,30) bereikte. Naar dezen maatstaf werden bovendien vele omslagen ten behoeve van het onderhoud van zeedijken en andere openbare werken geheven. Zie Charterb. II 13; schotanus, Kronyk, 497; foeke sjoerds, Beschrijving, I 881; Tegenw. Staat, IV 338; gratama, Gelukkige toestand van Friesland, Harl. 1795, 32.

[104] Martena, Landboek, Chart. II 67; douwama, Geschriften, 135.

[105] Zie over albert en zijne zonen meer bijzondere berigten in von langenn, Herzog Albrecht der Beherzte, Leipzig 1838, 232 env. en böttiger, Geschichte des Kurstaates und Königreiches Sachsen, Hamburg 1830, I 468-480. Verder Aanteekening 15.


23. De Gelderschen in Friesland. (1514-1523.)

Te vergeefs hadden de Hertogen van Saksen lang getracht, ook het naburige Groningen en de Ommelanden te bemagtigen. Graaf edzard van Oost-Friesland ondersteunde daartoe de Groningers, omdat hij vreesde, dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn land mogten eischen. Tevens begeerde hij zelf het gebied over Groningen te bekomen, en, toen zijne krachten te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den listigen karel van Egmond, Hertog van Gelder. Doch tegen dezen heerschzuchtigen en geslepen Vorst was hij niet[136] opgewassen. Zij kwamen heimelijk overeen, het wankelende Saksische gezag omver te stooten, door Geldersche benden in Groningen en Friesland te zenden, waarover edzard het bevel zou voeren in naam van karel, die, des verkiezende, zijn gezag weder als leenman aan den Koning van Frankrijk zou kunnen opdragen. Doch, zoodra karel van Egmond een gedeelte der voor zijne hulp bedongene som had ontvangen, gebruikte hij juist dit, om zoowel den Saks als edzard van het gezag te ontzetten en zich zelven in beider plaats te vestigen. Met list gelukte het hem, den trouwelooze, de Groningers in verlegenheid te brengen, en zich door hen als Opperheer te doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aan edzard, die over deze misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al zijne krachten naar Friesland, om ook dáár het zelfde doel te bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van eenige aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de Saksers.

Ten jare 1514 trok dan een groot getal Geldersche soldaten herwaarts. Met weinig moeite namen zij de steden en grietenijen van het zuidelijk gedeelte van Friesland voor den Hertog van Gelder in. Dit viel hun te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de herstelling van der Friezen vrijheid en ontheffing van de hooggestegene schattingen der Saksers aan te brengen. En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat de Saks Friesland verraden- en aan den Hollandschen Graaf, den erfvijand, zoowel van de Friezen als van den Hertog, verkocht had, toen bleven er in het noordelijk gedeelte van dit gewest slechts drie steden en acht grietenijen over, die zich vóór karel van Oostenrijk en niet vóór den Gelderschen Hertog verklaarden. Sneek werd toen[137] de zetel van het Geldersche gezag, dat daar zijn luister ten toon spreidde, en van daar talrijke benden uitzond ter bemagtiging van de overige deelen des lands.

Op nieuw begon toen het vuur van partijschap en burgeroorlog te branden. De Bourgondische partij, die den Saks had vervangen, stond nu tegen de Geldersche over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om elkander te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid en onveiligheid heerschten alom, daar de partijen elkander met woede bestreden, vele dorpen uitplunderden, kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen beroofden. Behalve de Geldersche en de Bourgondische knechten, deed dit bovendien inzonderheid eene talrijke bende, de Zwarte hoop geheeten, op 5000 man begroot, die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die dáárom zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in andere provinciën bedreef zij schrikkelijken moedwil. Talrijke dorpen werden plat gebrand en de landzaten met onmenschelijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden de Gelderschen het in 1516 de stad Leeuwarden met eene groote magt aan te vallen en haar acht weken lang belegerd te houden. Zij braken echter eerlang op, toen Prins karel een aanzienlijk leger van 4000 knechten en 300 ruiters uit Holland herwaarts zond, dat te Harlingen landde en Leeuwarden, den zetel van zijn gezag, ontzette. Deze Bourgondische benden deden nu herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de Gelderschen, die hulp uit Groningen en zelfs uit Frankrijk hadden ontvangen. Jaren lang bleef Friesland alzoo een twistappel tusschen twee magtige vorsten, van wier woeste benden de lijdelijke ingezetenen alles kwaads hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen, om zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare 1522 verkeerde de kans. De Hertog van Gelder, hoe[138] moedig ook, en gewoon zich met geringe middelen tegen den magtigsten te meten en voor geene gevaren terug te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit gewest varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet te kunnen staande houden tegen den magtigen Graaf van Holland, die intusschen ook Koning van Spanje en Keizer van Duitschland was geworden, en die als karel de vijfde spoedig door wapenfeiten schitterde en door aanzien en vermogen algemeen ontzien en geëerd was.

24. Krijgsbedrijven van Groote Pier. (1515-1520.)

Bij al het plunderen en brandschatten van het platte land was ook de kerk en de buurt van het dorp Kimswerd bij Harlingen in 1515 door de uit Holland overgekomene Bourgondische benden in asch gelegd. Daar woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies en geleden hoon op eene geduchte wijze wilde wreken. Wegens zijne lange gestalte, sterkte en forsch voorkomen was hij onder den naam van lange of groote pier bekend, hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het geslacht van heemstra[106]. Hij wordt beschreven als een rijzig zwart man, met groote oogen, breede schouders en langen baard, gruwelijk van aanzien, bijzonder als hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, even als hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht gloeiden, spande hij zaâm, en bragt weldra een legertje van omstreeks 600 man bijeen, dat eerlang, wegens koene bedrijven, den naam van de Arumer Zwarte[139] hoop verkreeg. Met zulk een wakker man als pier en zijn niet minder kloeken neef groote wierd (jelckama) aan het hoofd, maakten zij er hun eerste werk van, de Saksische benden na te zetten en uit Friesland te verdrijven. Vervolgens bestreden zij vol moed de door den Graaf van Holland herwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden. Het was hun eenigste begeerte en ernstig streven, om alle vreemde vorsten en magten te doen wijken en de vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te vestigen.

Gereedelijk vereenigden zij zich dus met de magt van den Hertog van Gelder, wiens vriendelijke woorden en beloften, dat hij de Friesche vrijheid in eere herstellen zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij niets vuriger wenschten. Doch die Hertog van Gelder vereenigde zich ook gaarne met hen, zoowel tot versterking van zijne krachten, als omdat hij deze onverschrokken Friezen zou hebben te vreezen, indien slechts het vermoeden bij hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenschte, dan om ook Heer van Friesland te worden, gelijk hij reeds van Groningen was. Dáár had sluwheid zijner heerschzucht de hand geboden, om een mededinger als Graaf edzard den voet te ligten. Hier kon pier hem even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en daarom scherpte hij zijn vernuft om nu ook dezen uit den weg te zetten, ten einde hem onschadelijk te maken, doch tevens aan zich verbonden te houden tot bereiking van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den geslepen Gelderschman boven verwachting.

Drie middelen had hij daartoe in zijne magt. Het eerste was: den haat, welken de Friezen, even als hij, de Hollanders toedroegen, zoowel van ouds als wegens de verwoestingen, welke de uit Holland overgezonden benden nu allerwege hadden aangerigt. Het tweede was:[140] hunne vrees, dat zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog, verraderlijke wijze Friesland, voor geld! had verkocht aan Prins karel van Oostenrijk, Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem betwisten zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren. Het derde middel was: eene vrij aanzienlijke vloot, welke hij op de Zuiderzee had toegerust en bemand, met oogmerk, om dát Holland te tuchtigen en afbreuk te doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan, zoowel te land als te water, met eene woede, die alom vrees en verbazing wekte. Sedert 1492 hadden karel’s grootvader en vader hem het regt op Gelder en Zutphen betwist, hoewel hij zich daarin door kracht van wapenen wist staande te houden. Immer vonden zij in hem een onverschrokken en listig vijand te bestrijden, die zelfs Fransche hulpbenden in dienst had, en die Holland voor der Gelderschen invallen bestendig »in de uiterste bekommering” hield. Sinds hij in 1504 te Harderwijk eene vloot uitrustte, had hij het vooral op de rijkgeladene koopvaardijschepen der Hollanders gemunt[107]. Mogt zijn eerste scheepstogt, in laatstgenoemd jaar, voor Monnikendam, mislukken, hij stelde zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde strooptogten en plunderingen. Zoowel op de Zuiderzee[141] als op den Rijn, zoowel in Overijssel als in Utrecht streefde de onvermoeide krijger naar buit of gezag, en waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512 Amsterdam aan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22 koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan[108]. Dat zulk een man, die lang de gave bezat, zich bij het volk bemind te maken; die te Groningen zich als Opperheer en in Utrecht als Beschermheer erkend zag; die zijne Staten uitbreidde en het magtige Holland vijftig jaren lang trotseerde en groote schade berokkende,—dat zulk een man Friesland in dien toestand niet dadelijk bemagtigd heeft, en het zelfs nimmer geheel heeft kunnen magtig worden, is altijd hoogst bevreemdend.

In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds weder eene gelukkige greep, dat hij pier wist over te halen, om zich met zijne manschap te begeven op de Geldersche vloot, en om, onder den grootschen titel van Admiraal der Zuiderzee, het opperbevel daarvan te aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende landzaten niet enkel van de hand, ten einde hier des te beter zijne bedoelingen na te jagen; maar zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische huis, dat hij een erfhaat had gezworen, te vernederen, om Holland te beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften en levensmiddelen, welke van daar naar[142] Harlingen werd gezonden, tot ondersteuning van karel’s benden in Friesland, te onderscheppen en tot eigen voordeel aan te wenden. Deze laatste oogmerken waren genoeg, om pier en de zijnen te bewegen, den voorslag aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets meer te verliezen hebbende, kenden zij ook geene eervoller taak dan het vernederen van de vijanden huns vaderlands, welks vrijheid toch in eere hersteld zou worden door den Hertog van Gelder, die dit zoo dikwijls beloofd had, en wiens vleijende woorden en toezeggingen zij niet durfden wantrouwen.

En inderdaad pier kweet zich zoo stout van zijn last; hij zette de taak der Gelderschen zoo krachtig voort, en roofde met zoo vele onversaagdheid alles, wat niet tot zijne partij behoorde, dat hij in 1517 zijne vloot door al de genomene schepen tot 150 kielen, bemand met 1200 man, zag aangegroeid, en als de geesel der Zuiderzee gevreesd werd. Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij al de bekende bijzonderheden van zijne togten en scheepsstrijden hier wilden mededeelen. Zijne daden bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht en volkshaat kunnen stijgen, en hoe vele onmenschelijkheden krijgers zich durven veroorloven onder de leus van voor het vaderland te strijden.

Met zulk eene magt waagde hij het stoute plannen te volbrengen. Te vergeefs wapende Holland zich tegen der Gelderschen euvelmoed door in de West-Friesche zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten. Het eerste elftal, dat pier niet ver van Hoorn ontmoette, nam hij prijs. Eene tweede vloot, van 28 zeilen onder hieronimus snees, met betaling voor het krijgsvolk in Friesland in zee gestoken, werd met 18 schepen door hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemagtigd en met 400 gevangenen in triumf te Workum opgebragt.[143] Uit Enkhuizen werd eene vloot baarsen en 34 rijnschepen afgezonden, om hem te bestrijden, doch ook deze werden genomen en deels vernield. Verstoord over de trouweloosheid van sommige kooplieden van Medemblik, verzamelt hij zijne magt bij de Kuinder, valt die stad aan, plundert en verbrandt haar ten deele, en keert met buit beladen terug. Ook Hindeloopen, dat door een hopman tengnagel met 300 Bourgondische soldaten was bezet, viel hij heftig aan, drong er binnen, en, zonder de inwoners leed te doen, bemagtigde hij den vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de overigen vlugtten of gevangen genomen werden. In 1519 geraakte hij niet ver van Hoorn met overmagtige vijanden slaags. Reeds ziet hij een zijner schepen nemen; den bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en strijdlust geene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een hevige aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne magt. Vijfhonderd Hollanders laat hij over boord werpen; zeilt naar Hoorn, dat ingenomen en geplunderd wordt; trekt Enkhuizen na het nemen van een schip voorbij; begeeft zich weder naar Medemblik, waar hij een viertal huizen in brand laat steken, en keert daarop naar Friesland terug. Men wil, dat hij ook andere Hollandsche plaatsen, als Alkmaar, Beverwijk enz., zou bemagtigd hebben, en dat mede de eilanden Texel, Flieland en Wieringen veel van zijn volk te lijden hadden. Alwat tusschen Holland en Friesland voer, hulken, karveelen en boeijers, ja ook Hamburger en andere koopvaardijschepen, nam hij prijs of stelde ze op rantsoen. Zelfs overwon hij »een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt, dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee was.” De buit (dien hij onder zijn volk verdeelde) was groot, maar het ontzag, dat hij baarde, was nog grooter[109].

[144]Dat hij de manschap der overwonnene schepen over boord wierp en liet verdrinken, is hem zeer euvel geduid. Doch zijne vijanden, die zijn vriend offingahuis mishandelden, die zijn neef groote wierd te Leeuwarden op een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner beste kapteins voor zijne oogen in zee wierpen, gaven hem daarvan het voorbeeld, en vreeselijk verbitterd volgde hij dat na. Het was ook het krijgsregt dier ruwe, immer naar wraak hijgende dagen, waarvan de geschiedenis van Neêrlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige voorbeelden heeft[110]. Doch eerlijk was zulk een dood, in vergelijking van de schand- en moordtooneelen, welke de Hollandsche benden te gelijker tijd in Friesland, in koelen bloede, aanrigtten, zoo als onder anderen te Irnsum, waar der bezetting van Douma-huis lijfsgenade beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze, tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord[111].

Nadat pier in 1517 de Gelderschen tot verdediging van het belegerde Sneek ondersteund- en in het laatst van 1519 den Hertog van Gelder op een togt naar Emmerik vergezeld had, zien wij hem op eens dat woelig krijgstooneel verlaten en zich als stil burger te Sneek nederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520, overleed. Hij had geen ander doel gehad dan door de vernedering van zijne vijanden de vrijheid zijns vaderlands te herstellen. Maar toen hij eindelijk de listige handelwijze van Hertog karel bemerkte en diens bedoeling, om zelf Heer van Friesland te worden, doorgrondde,—toen trok hij in teleurgestelde verwachting zich terug, om den uitslag van den strijd der partijen af te wachten.[145] Ruwe moed en wreede dapperheid moge men hem te laste leggen, zonder op de wijze van oorlogvoeren in die dagen, ook bij zijne vijanden, acht te geven; de haat der door hem zoo fel bestredene Hollanders moge invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die hem als een onmenschelijk geweldenaar en verachtelijk zeeschuimer voorstellen,—gansch anders is het oordeel over hem van land- en tijdgenooten, die met zijn persoon, gedrag en omstandigheden bijzonder bekend waren. De kloosterbroeder peter van thabor[112] noemt hem een man: »forsch van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor dapper en fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk van inborst en redelijk van hart als een Christen: want hij had eene goede meening, om vrij en friesch te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden. Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had. Maar dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen, en zijn huis, dorp en kerk verbrand had, dát wilde hij wreken zoo veel hij kon en mogt.” Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook dáárin, dat, toen zijn volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen had, waarin zich de vrouwen en dochters bevonden van zijne vijanden, de vrienden der Saksers, hessel martena en juw botnia, benevens eenige burgers van Franeker, hij de stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk naar Sneek liet voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook viel, omdat zij zijn land bevochten, nogtans kon hij niet dulden, dat hun in Friesland door de Gelderschen leed werd gedaan gedurende het bestand. Zoo kloekmoedig hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet hij de Gelderschen, dat zij de Friezen misleidden, en dat zij niet volbragten, wat ze beloofd hadden.[146] Dáárom vreesden zij hem, die, als een onverbasterde zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten Fries vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid en vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam eene eervolle nagedachtenis, en zeggen wij gaarne den dichter van halmael na:

Die ’t Vaderland in nood beschermt,
Voor recht en vrijheid strijdt,
Zich over weeûw en wees ontfermt,
Geweld noch onrecht lijdt;
Dien, zij hij boer, of edelman,
Of burger, of soldaat,
Dien prijs, wat prijzen mag en kan
Als steunsel van den Staat.
Dien reik m’ alom, in ieder oord,
Dat knielt voor God-alleen,
Den laauwer, die den held behoort,
En d’ eikenkrans metéén!
Held Pier, de groote Pier genoemd,—
Niet, slechts om lichaamskracht,—
Op wiens geboorte ons Kimswert roemt,
Zij zóó door ons herdacht.
Hij leed van Saksens dwinglandij,
En Hollands overmoed,
En vocht zich koen van beiden vrij,
Ten prijs van goed en bloed.
Hij zag zijn heerlijk Vaderland
Gefolterd, overheerd,
En ’t slagzwaard blonk in ’s landmans hand.
Hier blijf’ zijn naam vereerd![113].

[106] Dit vermoeden van schotanus, op de kaart van Wonseradeel, is bevestigd door de berigten in het Stamboek van den Frieschen Adel, II, Nalez. 12.

[107] Zie wagenaar, Vaderlandsche Historie, IV 306, 322, 324, die ook vermeldt, dat filips in 1504, tot bescherming van de Zuiderzee tegen de Gelderschen, te Hoorn, Enkhuizen en Edam eenige oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan een, bij onze schrijvers onbekend gebleven, zeeman pieter van leeuwarden. Gewis een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche Graaf destijds een Fries tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde.

[108] Wagenaar, Vaderlandsche Historie, IV 375; dez. Amsterdam, I 210-214; van kampen, Geschied. der Nederlanden, I 215-238; bosscha, Heldendaden, I 120; nijhoff, Bijdragen, VIII 66. Ik heb dit alles inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de hierna vermelde bedrijven van pier tegen Holland niets anders waren dan eene voortzetting van hetgeen karel van Gelder reeds langer dan tien jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar de Gelderschen oorlog voerden tegen de Hollanders, waarin de Friezen slechts als hulpbenden deelnamen.

[109] Dus spreekt martena, Landboek, Charterb. II 92, 100.

[110] de jonge, Geschied. v. h. Ned. Zeewezen, I 156, 189, 328, 351.

[111] Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul „dat arbeit verdroet,” bij peter van thabor, Archief, II 201; schotanus, Kron. 587; jacoby, Kort en Beknopt Chron. Leeuw. 1755, 121.

[112] Archief, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem kenschetsen, worden gevonden.

[113] Friesche Volks-Almanak, 1837, 98. Verder Aanteekening 16.


[147]

25. Frieslands voorspoed onder de regering der Stadhouders van Keizer Karel den vijfde. (1515-1555.)

Keizer karel V is een der belangrijkste personen in de geschiedenis. In een gewigtig tijdvak, waarin de meeste volken van Europa, na langdurige verdrukking van wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere vrijheid en verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking van Amerika en van de uitvinding der Boekdrukkunst gunstig begonnen te werken op handel, welvaart en kennis, was hij als Keizer van Duitschland, Koning van Spanje, Napels, Sicilië, Mexico en Peru, Hertog van Bourgondië, Graaf van Holland enz. een magtig gebieder over vele volken. Als een man van groote bekwaamheden, zoowel in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij deze landen, door zijne stadhouders of plaatsbekleeders, met wijsheid te doen besturen en met kracht tegen zijne vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in 1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke Heeren bezeten) onder één Hoofd te brengen, waardoor er meer eenheid in het bestuur des lands kwam. Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders eerst door zijne moei margaretha van Oostenrijk, als Gouvernante, en sedert 1530 door zijne zuster maria van Hongarije als Landvoogdes bestuurd.


Toen karel in 1515 Heer van Friesland was geworden, zond hij Graaf floris van Egmond als zijn Stadhouder herwaarts, om bezit van dit land te nemen. Doch de Gelderschen hadden zich intusschen van zulk een groot gedeelte meester gemaakt, dat alleen de steden Leeuwarden, Harlingen en Franeker, benevens slechts acht der noordelijkste grietenijen de zijde van karel kozen[148] en hem huldigden. Er kwam alzoo eene groote krijgsmagt uit Holland over, zoowel om zijn gezag in deze streken te beschermen als om het in andere uit te breiden, en de Gelderschen te bestrijden en te verdrijven. Dit ging evenwel zeer moeijelijk: want de Gelderschen hadden zich zóó vast genesteld, en wisten de ingezetenen door allerlei schoone beloften zóódanig tegen het gezag van den Hollandschen Graaf in te nemen, dat Friesland gedurende de eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een binnenlandschen oorlog, van plundering, brand en moord had te verduren. Watervloeden en hongersnood verzwaarden nog de rampen, die de Friezen moesten lijden, omdat twee magtige Vorsten streden om het regt, wie hunner hen zou besturen. Dat regt moest hunne heerschzucht echter koopen voor het goed en bloed van duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden, wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts een gematigd bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag ten gunste van den verstandigsten Vorst was.

Want eerst nadat de opvolgende Stadhouder willem van Roggendorf (1517) in 1521 vervangen was door georg schenck, Vrijheer van Toutenburg, werden er krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de Gelderschen. De stad Sneek, welke zoo lang hun zetel was geweest, werd in 1522 door hen verlaten; Dokkum en Bolsward gingen in het volgende jaar over, en in 1524 kwam geheel Friesland onder het gezag van Keizer karel, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen land, vrijheden en regten te beschermen, en als Erfheer hen te doen besturen, tegen het genot van geene hoogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische regering waren toegestaan[114].

[149]Met den jare 1524 werd dus de vrede in Friesland hersteld en het bestuur des lands op een eenparigen voet geregeld. Terwijl andere provinciën van ons vaderland, als Groningen, Utrecht, Overijssel en Gelderland, nog bijna twintig jaren lang de twistappels der strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk, toen reeds het genot te bekomen van de grootste der maatschappelijke voorregten: van vrede en veiligheid en van orde in bestuur en regtspleging, die welvaart en vooruitgang ten gevolge hadden. De gunst van den nieuwen landsheer was der getrouw geblevene steden Leeuwarden, Harlingen en Franeker al spoedig gebleken, door het ontvangen van belangrijke giften en voorregten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor zij mede in staat gesteld werden hare vestingwerken te versterken. Ook andere steden werden vervolgens met zulke privilegiën begiftigd. Klemmende bepalingen werden er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen en vaarten. Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande verbeterd, vooral om den toegang naar de Hoofdstad gemakkelijker te maken. Eene nieuwe Munt en Leerschool werden dáár opgerigt. Nuttige verordeningen ten aanzien van zeevaart en handel bevorderden den uitvoer van boter, kaas, granen, vleesch, visch en andere voortbrengselen des lands naar Bremen, de Oostzee en elders, zoodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde ontstond, welke in alle rangen en standen van gunstigen invloed waren. Zoowel op het land als in de steden werd er een aantal aanzienlijke gebouwen, gestichten, kerken en torens gebouwd of vernieuwd, welke blijken droegen van moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt werd kunsten en wetenschappen te beoefenen. Rustig en gelukkig waren dus de jaren, waarin de genoemde Stadhouder schenck dit gewest vervolgens bestuurde.[150] Ook zijne opvolgers, maximiliaan van egmond, Graaf van Buren (1540) en johan van ligne, Graaf van Aremberg (1548), wisten zoowel de belangen van hunnen Heer als die der ingezetenen met ijver te bevorderen. Want in dit tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de Nederlandsche gewesten, eindelijk onder één Heer vereenigd, één, elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden velerlei burgerlijke betrekkingen geregeld, de bronnen van bestaan ontwikkeld, kennis en beschaving gekweekt en onderling verkeer en vriendschappelijke toenadering bevorderd. De moed tot groote ondernemingen werd opgewekt. Zoo werden ook vele dorre hooge veengronden in het zuidoosten van Friesland in dezen tijd in vruchtgevende akkers herschapen, door ze af te graven, den turf te vervoeren, groote vaarten aan te leggen en de afgegravene landen te ontginnen. Deze verveeningen, reeds vroeger begonnen, doch daar eerst toen op eene groote schaal voortgezet door den Raadsheer pieter van dekama en andere Heeren, hebben den oorsprong gegeven aan het vlek Heerenveen, de vruchtbaarheid van dat oord bevorderd, en daar leven en werkzaamheid bij groote voordeelen aangebragt.—Aldus werden de krachten en de geest der ingezetenen ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar te zijn voor het genot van nog grootere voorregten, als burgers en als christenen.


Het midden der 16e eeuw biedt alzoo een geschikt tijdpunt aan, om een overzigt te geven van den toenmaligen toestand des lands en de zeden der inwoners. Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers, maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen. Daar die schrijver, worp van thabor, in 1538 overleed, zal deze schets welligt op omstreeks 1530 moeten worden toegepast. Des te meer zullen wij ons moeten verwonderen[151] over de sporen van rijkdom en levensgenot, welke hij vermeldt. Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig een klein, doch nijver volk zich weet te herstellen van de rampen, welke de verwoestingen des oorlogs zoo vele jaren lang hadden te weeg gebragt. Opmerkelijk is het tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de Saksische en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigendommelijkheid verhief zich steeds krachtig boven allen vreemden invloed, hoezeer de uiterlijke vormen van lieverlede verzacht en de zeden iets meer beschaafd werden. Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den volksaard en de voorvaderlijke instellingen zóó vast te bewaren en te beschermen tegen alle staatkundige overheersching, dat de pogingen der Stadhouders, om hunne vrijheden in te krimpen en de magt des Keizers te vergrooten, bij hen immer schipbreuk leden.


[114] Zie Charterb. II 143, 436-478; winsemius 463; schot. 613.


26. Schets van den Toestand van Friesland, omstreeks den jare 1530.

»Friesland (schrijft worp van thabor) is een vlak land, zonder bergen, maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke groote en vette ossen opleveren, die door inheemsche en vreemde kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte van Friesland overvloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele streken van Nederland voorziet. Het zuidelijk gedeelte des lands heeft een meer zandigen grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor veeteelt. Ook[152] heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen) uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met gedroogden koemest. Overigens telt Friesland slechts weinige steden, maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna door het gansche land, zoodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de eene van de andere naauwelijks onderscheiden kan. In sommige deelen vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van visch opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren en vleesch een even voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets ontbreekt, om hunnen smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en andere soorten van vogels niet te spreken, die in Friesland ontelbaar zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier eene zóó groote hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier spijs zij meer bijzonder behooren, maar zelfs de geringere klassen en de boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. Friesland brengt derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is in den ruimsten overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd.”

27. Schets van de Zeden der Friezen, omstreeks den jare 1530.

»Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen wensch (dus vervolgt worp van thabor), verdient te worden opgemerkt, dat de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitsche[153] volken verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zoodat een Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon gekend worden. De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren, dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar het uitwendige, meer aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in kapsels, aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen.

De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle andere Germaansche gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op feestdagen zoodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeijelijk zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die niet met een zuiver zilveren of vergulden gordel van groot gewigt is versierd. Hierbij voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die soms Friesland bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert.

Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste en onmeêdoogende geaardheid toe te kennen, openbaren[154] zij die echter, zoo men juist wil spreken, alleen ten opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen, onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk onthaald. Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen, waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten eene soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang, met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij gewoon elkander de regterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.

Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste mannen geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal mij vergenoegen hier aan te halen wat bartholomeus de Engelschman en na hem aeneas sylvius (die, later (1458) tot Paus verheven, den naam van pius II heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. »Het Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend, van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en, ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert te heerschen. Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden, en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlogs, zich boven zijne medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters,[155] die zij jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemeenebest naar billijkheid besturen. Op kuischheid stellen zij hoogen prijs, en het gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. »Zij hebben in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van beide seksen zich, in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht, aan de dienst van God hebben toegewijd.” (Zie Aanteekening 17.)

Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van hooge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven vele andere landen groote voorregten mogt genieten. Vandaar ook die geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrigten van schitterende daden, waar het de behartiging van de algemeene belangen gold.

28. Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw.

Waar het de behartiging van de algemeene belangen des vaderlands gold, daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijken, krachtigen en vermogenden Frieschen Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens den langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat daaruit reeds eenige personen voortkwamen, die zich[156] door bekwaamheden onderscheidden en tot waardigheden verheven werden[115]. Een aantal der op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken. Sedert de oprigting van het Hof van Friesland vielen vele edelen bijzonder op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde zich te bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter verkrijging van kundigheden veelal groote reizen door Duitschland, Frankrijk en zelfs Italië, waar zij de hoogescholen bezochten en veel kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na hunne terugkomst sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of regtsgeleerden in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden. Wittemberg en Pavia, doch vooral Keulen, Leuven en Rostok, worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uit Friesland zich ter studie begaven[116]. Opmerkelijk is het althans, dat er, omstreeks het midden der 16e eeuw, toen de geleerdheid in ons vaderland nog op een lagen trap stond, uit[157] Friesland zoo vele uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en eer-ambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk vermelden.

Als Regtsgeleerden en Staatsmannen hebben bijzonder uitgeblonken: viglius van aytta van zwichem (geb. 1507 nabij Wirdum), die, wegens uitstekende bekwaamheden, door Keizer karel en zijn zoon filips tot hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad te Brussel, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland groote diensten bewees, even als zijn vriend joachim hoppers (geb. 1522 te Sneek), die mogt opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van den Koning van Spanje, te Madrid. Agge albada, van Goënga, was eerst Raadsheer in het Friesche Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergerigt te Spiers en bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden. In dat zelfde Kamergerigt te Spiers had ook zitting ciprianus stapert, van Wommels, die door den Keurvorst van Ments tot Hoogleeraar aldaar werd aangesteld. Evenzoo werden boëtius epo (bote ypes, van Roordahuizum) te Douai, wybrandus van aytta te Dôle, julius van beyma (geb. 1539 te Dokkum) te Wittemberg, regnerus sixtinus (geb. 1543 te Leeuwarden) te Marburg, joannes van dockum te Keulen en suffridus petrus (geb. 1527 te Leeuwarden) te Erfurt, Leuven en Keulen, tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene buitenlandsche Akademiën droegen alzoo blijken van de geleerdheid der Friezen. Bovendien waren in Friesland kempo van martena, hector van hoxwier, upco van burmania, sicke en pieter van dekama, syds tjaerda, haijo hermannus, wilco van holdinga en anderen om hunne geleerdheid en bekwaamheid destijds in hoog aanzien.

[158]Als beoefenaren van de Letterkunde der Grieken en Romeinen waren toen en later, behalve genoemde suffridus petrus, zeer geacht: georg rataller (geb. 1528 te Leeuwarden), die Raadsheer werd te Artois, Mechelen en Utrecht, Gezant naar Denemarken enz.; stephanus sylvius, Pastoor te Leeuwarden, te Heidelberg tot Doctor in de Godgeleerdheid bevorderd, en willem canter (geb. 1542 te Leeuwarden), die, even als vitus winsemius en de vier geleerde broeders popma van Ylst, onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken hebben uitgegeven.

In de Wis-, Natuur- en Geneeskundige Wetenschappen vinden wij destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als: gemma frisius (1508 geb. te Dokkum) en zijn zoon cornelius gemma, beide Hoogleeraren te Leuven, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven. Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaalde jan vredeman de vries (geb. 1527 te Leeuwarden) in Antwerpen en elders grooten roem. Joannes acronius (van Akkrum) was Hoogleeraar in de Genees- en Wiskunde te Bazel, in welke stad, op de grenzen van Zwitserland, ook laurentius de fries in 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf. Andreas mirica (geb. te Lemmer) doorreisde bijna geheel Europa en was daarna te Leeuwarden als Geneeskundige beroemd; sixtus hemmema, Doctor in de Wis- en Geneeskunde te Leuven, bestreed de Astrologen dier dagen; terwijl petrus tiara (in 1514 geb. te Workum), wegens zijne geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleeraar werd te Leuven, Douai, Leiden en Franeker.

Ook de Geschiedenis van Friesland vond in het eerste gedeelte dezer eeuw ijverige beoefenaars in jancko douwama van Oldeboorn, in kempo van martena, in de[159] kloosterbroeders peter en worp van thabor, en later in cornelius kempius (van Dokkum) en genoemden suffridus petrus, in wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven. (Aanteekening 18.)

Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór 1570 in Friesland geene boekdrukkerij heeft bestaan;—en als wij bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet gevallen zijn, soms ook wegens het woeden van den oorlog, naar buitenlandsche hoogescholen te reizen, om kennis en wetenschap te vergâren:—dan mogen wij ons met regt verwonderen over het groot getal geleerden, welke Friesland omstreeks het midden der 16e eeuw heeft opgeleverd. Dat velen hunner in naburige landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk, dewijl er vóór 1576 in Noord-Nederland nog geene hoogescholen of algemeene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite te keer ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst wilde gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevigen strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de zuilen van iederen burgerstaat.


[115] Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de Saksische regering opgemaakt, komt voor bij winsemius, 402 en Oudh. en Gest. II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf of Leenheer afhankelijk; doch ook dáárom bezat deze adel hier geene heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders.

[116] Zie jancko douwama’s Geschriften, 508 en Inleid. 45. Hij raadt zijne vrouw, hunne zonen liever naar Parijs of Orleans ter studie te zenden, omdat het „aldaer niet also costumelijck is to drincken, alst in dese Nederlanden wal is!”


[160]

29. De Regering van Koning Filips van Spanje. (1555-1580.)

Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stad Brussel den 25 October 1555 opleverde. Keizer karel V, die bijna veertig jaren lang Duitschland, Spanje, Nederland en zijne overige Staten met roem had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige vergadering van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden van al de Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen ten behoeve van zijn zoon filips. Hij deed dit met eene roerende aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen verwerven. Hierna beloofde filips onder eede, dat hij de regten der landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van trouw en hulde.

Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid voor, welke weder een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens eene gewoonte der vorsten van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon, dat de eed geknield werd afgelegd. Alle gezanten der zestien Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de acht afgevaardigden van Friesland zagen hierin een vernederend huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende. Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene schare alleen staan blijven, verontschuldigen zij zich bij monde van een hunner, gemme van burmania, door te zeggen:

Wij Friezen knielen alléén voor God.

[161]Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam van de Stand-Fries, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder zijner landgenooten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van karakter of van een krachtigen wil.

De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van landsheer tevreden te zijn. De trotsche geaardheid van filips, die hier, gelijk in Spanje, als Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen als wingewesten der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei verandering in de oude en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen, namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang onrust, daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven. Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders niet dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen, weêrstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch naauw vereenigden staat. Zóó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te weigeren en af te zweren. Zóó werd dit alles de oorzaak van de herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid van Nederland in godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid waardig.

[162]

30. Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; de Doopsgezinden. (1520-1560.)

De geschiedenis der volken staat dáárin gelijk met de geschiedenis van ieder persoon, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking. Naarmate de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven, en meer naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren kennen en vereeren. Hij, de groote opvoeder van het menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de lotgevallen van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mensch is geschapen. Doch de dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere oogmerken meer voorstonden dan de algemeene belangen, poogde dikwijls die heilige bedoelingen te verijdelen. Waar toeneming in kennis en verlichting haar belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige tooneelen oplevert.

De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd, was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere toekomst, welke hare stralen schiet tusschen de nevelen van het heden. Spoedig echter werd die[163] goddelijke leer door menschelijke dwalingen verbasterd. Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een middel om zich te verheffen. En om haar bij heidensche volken te beter ingang te doen vinden, werd hare eeredienst met prachtige versierselen en plegtigheden overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst te zien.

Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk? In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt: onwetendheid en dwaling. Zij verbood der wetenschap en het vernuft verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles, wat den voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling van het verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten kwam tegen haar in opstand, en vroeg: wat wilt gij?

Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hoogere afkomst getuigt; een boek, dat den geheelen schat van menschelijke kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de geheele goddelijke wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig was het door de leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen waren geweest,[164] vóór dat welligt een hunner de Heilige Schrift had gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk, omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke zelfs het licht der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken—de Inquisitie.—Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken!

Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler handen. Nu gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten. maarten luther had, in 1517, in Duitschland den moed, zich tegen den Paus en de gebreken der kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keeren tot een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke eeredienst.

De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de godsdienst werd in alle streken van Europa en ook hier met blijdschap vernomen en vond grooten bijval. Het staatkundig belang van Keizer karel bragt echter mede, dat hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weêrstond hij, ook met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 in Friesland strenge plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leeringen van luther veroordeeld-, zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf bedreigd werden[117]. Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maar[165] niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heerschen. Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling van den Bijbel hier in veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tusschen die leer en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin den grond van vele leerstellingen en plegtigheden der Kerk. Doch het gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van ziekten, van overstroomingen en hongersnood, welke Friesland omstreeks dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk aanbood. Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat de harten doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het uitzigt op eene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van groote waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te verdedigen en te behouden, tegen al de wreede vervolgingen der wereldlijke magt, die de Roomsche kerkleer met geweld trachtte te beschermen.


Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de kerk te hervormen, worden met eere genoemd gellius faber de bouma van Jelsum en menno simons van Witmarsum. Dan, de eerste moest in 1536 en de andere later vlugten, daar de strengheid der vervolging zeer was toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging der Munstersche Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche kerk af te vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht, met die Wederdoopers overeen[166] te stemmen; het allermeest de Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille afzondering wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering geene middelen om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen.

Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad eener kerk, welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen zulke onmenschelijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog slechts een begin. Want nog dringender werden de bedreigingen der plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het geloofs-onderzoek in Nederland openlijk in te voeren. Van toen af, en vooral na 1557, wanneer willem lindanus als Kettermeester herwaarts werd gezonden, stonden allen, die van de Roomsche kerkleer afweken, en zelfs zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wreede vervolgingen bloot. En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des lands verzetten zich zelfs tegen lindanus, en beschermden der ingezetenen vrijheid tegen zulk eene onduldbare heerschappij over hun geloof. De algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en bedreiging veel meer verbitterde dan terugbragt. (Zie Aanteek. 19.)


[167]Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt meer bijzonder stil te staan bij de kerkgemeenschap der Doopsgezinden, welke zich te midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij verdient hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels, omdat zij zich hier zóó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming van 1580 een vierde gedeelte der bevolking van Friesland dezer gezindte toegedaan was[118], en, in ’t algemeen, omdat zij, door de geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden, welke zij vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige plaats onder de afdeelingen der Christenheid bekleedt.

Reeds hebben wij menno simons genoemd. Hij was echter niet de stichter dezer gezindte, gelijk velen ten onregte gemeend hebben, daartoe verleid door den naam van Mennoniten of Mennisten, welken eene partij onder hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over ’t algemeen gaven. Zij bestonden reeds lang vóór menno, ja hadden in Friesland reeds hunne martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van het aanwezen eener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel van Europa, verspreid, als stillen in den lande het[168] apostolisch Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid; totdat zij, door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing des Christendoms. Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot gedeelte van Europa zag men eene menigte gelijkgezinde menschen optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden verkregen. Door geestelijke en wereldlijke magten vervolgd, trokken velen hunner uit Frankrijk, Zwitserland en Duitschland naar het noorden, ook naar Friesland, waar de regering minder streng was in de uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde Christenen, wier gemoed behoefte had aan eene betere godsdienst dan de verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen ging menno over; onder dezen werkte hij.

Te Witmarsum in 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid, werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver van Harlingen gelegene Pingjum. Na verloop van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet voor 1531 vestigde de dood van sicke snijder, als de eerste der Doopsgezinde martelaren te Leeuwarden onthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies, maar des pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne geboorteplaats tot Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de eischen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en toeloop onder het volk als evangelisch prediker.

[169]Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te doopen. Hunne weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenooten eene partij van Wederdoopers gevormd, welke het koningrijk Gods met geweld zocht op te rigten. In Munster belegerd, zond zij ook naar Friesland hare zendelingen, die de eenvoudigen hier opruiden. menno stelde zich met alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der Munstersche partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen baatten niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paaschmaandag van 1535 waren er te Tjum ongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten met verlies deden wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd, veroverden zij het Oldeklooster bij Bolsward, lieten de monniken onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier werden ze door de krijgsmagt van den Stadhouder schenck van Toutenburg belegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt bezweken, boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder van menno, hunne dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist, sommigen werden te Leeuwarden onthoofd, anderen in het Hempenzermeer verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid losgelaten.

Deze oproerige beweging der Munsterschen was, even als later de beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed en de zaak der hervorming tot groote schade. Bij menno echter bragt zij eene groote verandering te weeg. Dat vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem met diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeeren.[170] Hij toch predikte wel de evangelische leer, doch deed niet alles wat hij predikte en geloofde. Tegen zijne overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn geweten kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte had, zijn geloof uit zijne werken te toonen. Na een moeijelijken strijd van negen maanden, verkreeg hij eindelijk op zijne gebeden de noodige kracht tot verzaking en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne pastorie met al de daaraan verbondene voordeelen, en voegde zich, in het uitzigt op armoede en verdrukking, bij de overige, rustig geblevene, doch toen strenger vervolgde Doopsgezinden. Van nu af aan predikte hij alléén het evangelie, van alle menschelijke instellingen ontdaan, tot ware boete op den smallen weg, dien hij zelf vrijwillig gekozen had. Bijna een jaar lang vertoefde hij in eene kleine woning in de nabijheid van Witmarsum, waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande[119]. Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden bij hem met het verzoek, om algemeen Leeraar of Opziener onder hen te willen zijn. Na lang aarzelen, aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in grooteren kring, te gelijk met zijn vriend dirk philips, van Leeuwarden, en later ook met leenert bouwens, met gunstig gevolg aan de uitbreiding van het evangelisch geloof. Zóó bekwam de gemeenschap der Doopsgezinden, vooral door menno’s geleerdheid voorgelicht en verdedigd, door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan.

[171]De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen zijner volgelingen den dood kostte, noodzaakten hem eerlang zijn vaderland te verlaten. Emden, »de herberg van Gods verdrukte gemeente” genoemd, nam hem op, doch weldra van daar verdreven, trok hij naar Keulen en na verloop van twee jaren naar Lubek, en bleef, ondanks vele moeiten en gevaren, dáár en op andere plaatsen in Nederland en het noordelijk Duitschland, met heiligen ijver een eenvoudig apostolisch Christendom prediken. Op eene plaats Woesteveld, tusschen Hamburg en Lubek, mogt hij in de laatste jaren zijns levens eene veilige woonplaats bekomen, en door het drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften een bestaan-, en als Oudste en Leeraar der gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn voor de belangen des evangelies. Dankbaar mogt hij zich verheugen, in verschillende landen meer dan 50 gemeenten gesticht- en velen voor het rijk zijns Heeren gewonnen te hebben. In Friesland waren zijne medearbeiders intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mogt alleen leenert bouwens sedert 1551 op 74 plaatsen een getal van 6500 personen, die aan hun christelijk geloof een zuiver leven wenschten te verbinden, den doop toedienen. Ook na menno’s overlijden (1561) nam deze gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders sterk toe, en zetten mede vele uit Braband en Vlaanderen gevlugte Doopsgezinden zich in dit gewest neder.

Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit met elkander gemeen, dat zij door onderzoek van de Heilige Schrift tot geloofsovertuiging kwamen, ijverden tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten werden gewijzigd door de omstandigheden en naar ieders opvatting van het evangelie. Vandaar zooveel verschil[172] bij zooveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo streed luther vooral tegen de werkheiligheid der Roomsche kerk, en kwam hij door tegenstelling: tot de regtvaardigmaking uit het geloof, zonder de werken, welke hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte naliet. Zoo bestreden zwingli en calvijn het verheffen van het schepsel boven den Schepper, en werd alzoo een der grondtrekken van de Hervormde kerk gerigt tot vernedering van het eerste, tot ’s menschen ellendigheid, om den laatsten te verhoogen. In beide kerkgenootschappen stond alzoo de leer op den voorgrond. Geheel anders was dit evenwel bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers geleerden, die in de Kerk bleven, om haar in zich zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd voeren tegen leerstellingen, in eene vroegere ontwikkeling des Christendoms ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;—de Doopsgezinden echter verlieten die Kerk, voerden geen strijd tegen haar en bepaalden hun onderzoek enkel en in alle eenvoudigheid tot den Bijbel. Verkreeg de leer der Hervormers een wetenschappelijken vorm en hadden zij met gezag bekleede geloofsbelijdenissen noodig;—de Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie, waarin zij het oorspronkelijk Christendom vonden met zijne verheffende leer, heiligen wandel en slechts twee instellingen: doop en avondmaal. In de poging om dat Christendom te herstellen, gingen zij dus eene schrede verder dan de Hervormers, die de bestaande Kerk zochten te verbeteren, te hervormen; die wel veel daarvan verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den doop der Roomsche kerk behielden met de kerkgebouwen en de daaraan verbondene bezittingen en inkomsten. Doch de Doopsgezinden behielden dien doop niet, en daardoor verviel mede hunne betrekking tot de oude Kerk, welke zij verlieten met opoffering van alle aanspraken op[173] gebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers zich bijzonder tot de leer,—de Doopsgezinden stelden zich het leven ten hoofddoel. Den christelijken doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de eene zijde, om de wereldsche begeerlijkheden te verzaken en aan de andere zijde, om een geestelijk leven, een vromen wandel te leiden.

Hieruit ontstonden als van zelf die kenmerkende bijzonderheden, waardoor zij zich lang van de overige protestanten hebben onderscheiden: hunne afgescheidenheid van de wereld en verzaking van hare genietingen, opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken wandel gestoord zouden worden;—hun weigeren om het Overheidsambt te bekleeden en Wapenen te dragen tot het voeren van oorlog, als in strijd met het geestelijk leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden hadden;—hun weigeren van den Eed, dien zij voor den Christen ongeoorloofd beschouwden bij hunne groote waarheidsliefde en trouw;—hunne afkeerigheid van alle wereldsche praal en weelde bij hunne zucht naar eenvoudigheid in kleeding, levenswijze en zelfs in hunne bedehuizen, Vermaningen geheeten, en godsdienst-oefeningen. Zij hadden dus geene behoefte aan bezoldigde leeraars, dewijl ze minder prijs stelden op wetenschap en welsprekendheid dan op verlichte bijbelkennis en vroomheid des gemoeds, zoodat zij in hun midden altijd genoeg broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord uit liefde konden en wilden stichten[120]. De gemeente[174] zuiver en heilig te bewaren en naar het evangelie op te bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en hun geloof uit de werken te toonen hun eerste pligt.—Zóó waren en bleven de Doopsgezinden, zoolang zij zich buiten de wereld hielden. Hierna zullen wij gelegenheid vinden hunne latere lotgevallen en veranderingen, door het verkeer met en in de wereld, te vermelden[121].


[117] Charterb. II 107, 415; wins. 458; schot. 621 env.

[118] Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot, den geachten geschiedschrijver everhard van reyd, die, toen hij in 1602 stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten Frieschen Stadhouder, Graaf willem lodewijk van nassau. Zie zijne Historie der Nederlantscher Oorlogen, Leeuwarden 1650, 70.

[119] Menne Siemmens oud preechuis noemt schotanus dit huis op zijne kaart van Wonseradeel. Bekend is het, dat dit bedehuis der daar nog bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een schoon afbeeldsel van menno, door van der kooi geschilderd, versierd is; terwijl gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding van dit Menno Simons-Kerkje is uitgegeven.

[120] Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente der Oude Friezen te Balk in Gaasterland, waarin nagenoeg al het bovenvermelde nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden (waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen, wegens hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en reine zeden. Eene beschrijving van deze gemeente komt voor achter blaupot ten cate, Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, Leeuwarden 1839, 370, naar welk belangrijk werk wij, ook ten aanzien van dit gansche onderwerp, verder verwijzen. Ook op Ameland bestaat nog eene dergelijke gemeente.

[121] Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift: Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden, door d. s. gorter, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd ben met nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor bij deze mijnen dank toebreng.


31. De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder onderdrukt. (1566.)

Veertig jarenlang hadden de Friezen bewijzen gegeven, dat zij eene verandering of hervorming van de oude en in zoo vele opzigten verbasterde kerkleer verlangden. Zij deden dit op grond der Heilige Schrift, die geene missen, boetedoeningen, biechten of aflaten, maar geloof, liefde en hoop, blijkbaar in een heilig leven, vorderde. Noch de Paus, noch de Keizer, noch de Koning wilde echter van eenige verandering in leer of godsdienst-oefening iets weten. Integendeel, sedert filips van Spanje Heer dezer gewesten was geworden, wilde zijne blinde dweepzucht, dat allen, die hun christelijk geloof niet meer naar de voorschriften der Roomsche[175] kerk beleden, nog strenger dan vroeger vervolgd, gepijnigd en op den brandstapel gebragt zouden worden. Alles werd gedaan om het geestelijk en wereldlijk gezag der Kerk staande te houden.

Daartoe diende ook in 1559 de oprigting van vier Aarts-Bisdommen en 13 nieuwe Bisdommen in Nederland. De stad Leeuwarden werd daarbij tot het hoofd eens Bisdoms en eener provincie verheven, waarop later de aanwijzing van het regtsgebied, het gezag en de inkomsten des Bisschops volgde. Maar tegen de invoering van deze opgedrongene weldaad des Konings verzetten de Staten en zelfs ook de Geestelijkheid van Friesland zich zóó krachtig, dat de benoemde Bisschop niet overkwam, maar hem een ander Bisdom aangewezen werd.

Die tegenstand had dus gebaat, en gaf moed tot meerder verzet tegen de eischen van Spanje. De meerderheid der ingezetenen toch, waaronder de adel en de aanzienlijksten des lands, gaven blijken, de zaak der hervorming toegedaan te zijn. Zoodra het gerucht der algemeene Beeldenstorm (den 14 Augustus 1566 in West-Vlaanderen begonnen) zich door Nederland verspreidde, beraamde de Regering van Leeuwarden middelen, om, zonder woest geweld, doch met bedaarde zorg, hier het zelfde doel—de afschaffing van de Roomsche en de invoering van de Hervormde eeredienst—te bereiken. Bij afwezigheid van den Stadhouder werd de beveiliging der Stads poorten aan de burgers opgedragen, en den 6 September 1566 in eene groote vergadering van de Regering en de Bevelhebbers der schutterij, op voorstel van den wakkeren Burgemeester tjerk walles, besloten, om nu openlijk en met daden te toonen, wat men reeds zoo lang heimelijk gewenscht had. Eendragtig werd goedgevonden, het voorbeeld van vele Nederlandsche steden te volgen;—niet, om de kerken met baldadige[176] woestheid te schenden, en beelden en sieraden aan de woede van het volk prijs te geven; maar door bedaarde standvastigheid en voorzigtig overleg het voorgestelde doel te bereiken: om de oude eeredienst af te schaffen en daarvoor dadelijk de Hervormde »preke” in de plaats te stellen. Nog dien zelfden avond ontvingen de Geestelijkheid en de Gilden bevel, om hunne eigendommen en sieraden onmiddelijk uit de drie parochie-kerken weg te nemen. Gedurende den nacht hield vervolgens een aantal burgers en werklieden zich bezig, om de kerken van de beelden, schilderijen en altaren te ontledigen, en deze gebouwen in te rigten naar de behoeften van de eeredienst der Hervormden. Reeds den volgenden dag, waarop verboden werd eenig godshuis of klooster te schenden, werden de predikanten door de Stads regering en de schutters in de kerk van Oldehove gebragt, en werd daar de eerste leerrede naar de wijze der Hervormden gehouden, gelijk vervolgens dagelijks ook in de andere kerken geschiedde. De uitoefening van de Roomsche eeredienst werd verboden. Vele priesters traden uit eigene beweging tot de Hervorming toe[122].

Met loffelijken ijver en stoutmoedigheid had de regering alzoo de groote zaak der reformatie doorgezet. Met bedaardheid en kalme bezinning werd hier door de overheid het zelfde doel bereikt, hetwelk elders met zooveel woestheid en godsdiensthaat op eene onwaardige wijze werd verkregen. Het is waar, in tijden van opgewonden geestdrift is het volk niet altijd binnen de palen der redelijkheid te houden, vooral na zoo lang geleden en zich ingehouden te hebben. Slechts korten tijd genoot men echter de vrucht van deze moedige[177] poging. Want spoedig kwamen er bevelen van den Stadhouder en de Landvoogdes, om de oude kerkdienst te herstellen en de Hervormde predikanten te doen vertrekken. Mannelijk weigerde de eendragtige Regering en burgerij te gehoorzamen, en twintig weken lang hielden zij vol, om, in weerwil van scherpe bedreigingen, hun geloof naar hunne overtuiging te belijden. Ook Sneek en Franeker volgden dit goede voorbeeld.

Doch de tijd was nog niet rijp voor eene volkomene overwinning. Nog hooger moest de nood stijgen, maar ook nog krachtiger tegenstand ontwikkelen, ten einde eene grootere zegepraal en meer algemeene en duurzame bereiking van het goede doel te bevorderen. Op een bijzonder bevel des Konings kwam de Stadhouder aremberg in Januarij 1567 met eene aanzienlijke krijgsmagt te Leeuwarden, en eischte het verdrijven van de leeraren en de herstelling van de kerken. De Regering, tegen de overmagt van het geweld niet bestand, deed wel ernstige pogingen, om zijne toestemming te verwerven tot het voortdurend bestaan van de Hervormde godsdienst-oefeningen, doch te vergeefs: zij moest bukken en gehoorzamen. Uit vrees voor de volvoering van de bedreigde straffen, ontweken vele edelen en burgers nu een vaderland, dat zoo schandelijk verdrukt werd. Een zeventigtal vroegere priesters volgde hen, meest naar het herbergzame Oost-Friesland, waar de hervorming reeds vroeg was gevestigd, en waar men, onder bescherming der regering, lang veilig was voor de vervolgingen. De kerken werden ten behoeve der Roomsche eeredienst op den ouden voet hersteld. Hoe gematigd aremberg zijn last ook uitvoerde, zonder dat er bloedstorting plaats had, verwekte deze onderwerping groote smart en wrok jegens den Koning, tegen wien men zich eerst nu begon te verzetten en den tachtigjarigen strijd een aanvang deed nemen.


[122] Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 der Geschiedk. Beschrijving van Leeuwarden I en bij de daar aangehaalde schrijvers.


[178]

32. Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der Nederlandsche Edelen. (1565.)

De bovenvermelde mislukte poging, ter bekoming van godsdienst-vrijheid naar de behoeften des volks, was voorafgegaan door eene belangrijke gebeurtenis, welke vervolgens van grooten invloed was;—eene gebeurtenis, zóó merkwaardig, dat zij in de rij onzer vaderlandsche herinneringen en roemdagen eene eervolle plaats bekleedt.

De talrijke en meestal zeer vermogende Nederlandsche Adel trok zich de belangen der ingezetenen aan. Hij zag het, hoe alom de geest des volks zich tegen de willekeurige handelingen des Konings omtrent den veranderden vorm van godsdienst-oefening aankantte, zoodat algemeene tegenstand, zoo geen opstand, eerlang onvermijdelijk scheen. De Edelen voedden dus de hoop, dat de poging van een aanzienlijk ligchaam des lands den Koning tot zachtere maatregelen zou bewegen, opdat daardoor de rust hersteld wierde. Want nog was men toen vreemd van het denkbeeld, om Spanje tegenstand te bieden, den Koning af te zweren en dit land tot een onafhankelijken Staat te verheffen. Eerst later werd men daartoe gedrongen. Toen wilde men nog het bestaande gezag handhaven en beschermen, met getrouwheid aan den Koning en zijne gezagvoerders. Twintig Edelen, te Brussel bijeengekomen, ontwierpen in 1565 een Verbond, aan hetwelk spoedig nog 400 edelen uit alle Nederlandsche provinciën toetraden, met het doel, om ’s lands vrijheid te verdedigen en de inquisitie te keer te gaan. Tot dat einde boden zij den 5 April 1566 der Landvoogdes, op eene plegtige wijze, een smeekschrift aan, waarbij zij haar eerbiedig en ernstig verzochten, den Koning tot verzachting van de plakkaten tegen de godsdienst en tot opheffing van de geloofs-vervolging te bewegen, dewijl deze blijkbaar dienden, om onrust en oproer te verwekken[179] en ellende over het land te brengen. Wel beloofde de Landvoogdes aan dit verzoek te zullen voldoen en moderatie of matiging van de uitvoering der plakkaten te zullen verzoeken; doch de wijze, waarop dit geschiedde, en de voortduring van de vervolgingen, welke aan die zoogenaamde moderatie den bijnaam van moorderatie gaf, overtuigden de edelen, hoe halsstarrig de Koning weigerde aan de billijke wenschen zijner onderzaten te voldoen. Zelfs werd hunne ernstige en welgemeende poging om ’s Konings eigen belang te bevorderen in dier voege opgevat, als ware het eene beleedigende aanmatiging; ja bij het aanbieden van hun verzoek werden zij door den Raadsheer van barlaymont, een der voornaamste raadsmannen der Landvoogdes, schimpender wijze eene troep bedelaars of geuzen genoemd, welken schimpnaam zij echter tot een eernaam en onderscheidingsleus aannamen. Vandaar, dat, na de mislukking van hunne edele vaderlandsche poging, welke zij miskend zagen, de meeste dezer adellijke personen eerlang openlijk de hoofden werden van den strijd voor vrijheid en regt, tegen den Koning en zijn misbruikt gezag (1568).


Lang hadden de Friezen gezwegen en het slaafsche juk der overheersching gedragen. Welkom was hun dus de gelegenheid, om blijken te geven van hunne zucht, om het belang des vaderlands krachtig te bevorderen. Toen drie afgevaardigden dier Edelen te Leeuwarden kwamen, om den Frieschen Adel tot deelneming op te wekken, vonden zij, onder bescherming der Staten, hier zóó veel bijval, dat 108 Edelen, waaronder vele leden der regeringen van de steden en grietenijen, het Verbond teekenden en zich bereid verklaarden, de willekeur des Konings te helpen tegenstaan. Een getal, hetwelk, in vergelijking der 420 leden van het verbond uit al de 17[180] Nederlandsche provinciën te zamen, zeker zeer aanzienlijk was, en blijk gaf, welk eene vrijheidszucht en moed de Friezen bezielde. Vruchteloos waren echter hunne eerste pogingen ter bekoming van verzachtende maatregelen. Evenzeer mislukte de poging, om vrijheid van godsdienst te bekomen: want nadat de hervorming te Leeuwarden weder onderdrukt was, drong de Stadhouder aremberg bij de Staten aan, dat zij het Verbond der edelen zouden ontbinden, en dat deze zelfs den Koning om vergiffenis moesten smeken, dewijl zij anders het ergste hadden te vreezen. Doch de Staten waren evenzeer als de edelen voor geene bedreigingen meer vervaard. Dit blijkt uit het fiere en krachtige antwoord, hetwelk zij den Stadhouder deden toekomen in deze, voor die dagen, hoogst opmerkelijke woorden: »dat zij, voor zich en de bondgenooten, alles goedkeurden, wat gedaan of gezegd was, en dat zij, noch uit gunstbejag, noch uit vrees, van hunne regten afstand zouden doen, maar liever een opmerkelijk voorbeeld van standvastigheid in het handhaven van ’s lands vrijheden wilden geven, al moesten zij het ook met den dood bekoopen.

Zulk eene taal van de vertegenwoordigers des volks tegen den uitvoerder der bevelen eens dwingelands getuigde van een verheven moed en heldengeest, welke de aanzienlijksten des lands en velen dier verbondene edelen doordrong. Want al moest ook een aantal hunner met vele geestelijken en burgers in 1567, na het terugkeeren van aremberg en de komst van den wreeden Hertog van alva, vlugten, om de vervolgingen te ontgaan,—met den volgenden jare 1568 zien wij hen den strijd aanvangen tegen het misbruikte oppergezag en roemrijke daden verrigten. Toen toonden zij weder der Friezen oude moed en trouw, en hunne voorvaderlijke zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid. Toen dachten zij vol moed en hoop:

[181]Geen bloed kan glorierijker vloeijen,
Dan ’t geen het Vaderland bevrijd.

En hiervoor hadden ze alles over, in de heilige overtuiging:

Want, waar de Vrijheid is verloren,
Is ’t Vaderland een ijdle naam[123].

Al de personen te noemen, die deelnamen in dezen strijd, die goed en bloed waagden, om de vrijheid des vaderlands te herstellen, is hier niet mogelijk. Maar wij mogen de namen niet verzwijgen van hén, die door ijver en bekwaamheid de goede zaak het meest bevorderden, of die in de gelegenheid waren door grootsche bedrijven uit te munten. wybrand van aylva, Olderman van Sneek, en hessel van aysma, Raadsheer in het Hof, wisten, in vereeniging met julius en syds van botnia en gemma en upco van burmania, door raad en daad met onwrikbare trouw de verdrukking tegen te staan. Aan jan bonga, jelle eelsma en wybe van grovestins gelukte het, zoowel te land als ter zee, den vijand afbreuk te doen. homme van hettinga verkocht zijne eigene bezittingen, om krijgsvolk aan te nemen, waarmede hij de Spaanschen bestreed, waarna hij den Briel hielp innemen, en van zijne vrijheidsliefde even groote bewijzen gaf als zijn broeder, tiete, die, toen hij uit Friesland moest wijken, in 1575 met 200 zijner landgenooten bij Wormer in Noord-Holland ruim 1300 Spanjaarden en Duitschers bestreed en overwon. Even als zij, trachtten haring en hartman van harinxma, aan het hoofd van vele ingezetenen van Wymbritseradeel, in 1572 de Friesche steden voor Prins willem van Oranje te verzekeren. Reeds hadden zij Slooten ingenomen, toen zij in gevecht geraakten met de talrijker oude benden van robles, waarbij[182] hartman de regterarm aan stukken werd geschoten, hoewel hij moeds genoeg had, om, zonder eenig blijk van pijn te geven, het vaandel met de linkerhand aan te vatten en de zijnen kloekmoedig tot den strijd te blijven aanvoeren[124]. Vier broeders uit het geslacht van eysinga muntten door liefde voor vrijheid en godsdienst uit, en getroostten zich daarvoor groote opofferingen en ballingschap. sjoerd van beyma en hartman galama stelden zich door kloeke bedrijven aan eene vervolging bloot, welke hen, op de Zuiderzee met hulp van verraad gevangen genomen, te Brussel op een schavot het leven deed verliezen. haring van glins, wilco van holdinga, douwe van hottinga en zoo vele anderen trotseerden moedig velerlei gevaren en worden als bevorderaars der vrijheid met eere genoemd.

Doch niemand dezer overtrof in grootmoedigheid en bekwaamheid hun aller hoofd en sieraad, den edelen duco martena, die, zonder vrees voor gevaar, de regten des volks bleef handhaven; die, als staatsman en held, in raadzaal en strijd, zoowel te land als ter zee, te midden der hevigste vervolging, met raad en daad zijn vaderland diende, en al zijne bezittingen, ja zelfs die van twee zijner broederen, door hem geërfd, voor de zaak der vrijheid opofferde. Als lid van Gedeputeerde Staten handhaafde hij het uitsluitend regt der inboorlingen tot de regering, stuitte de geweldige[183] maatregelen van alva, en poogde door voorspraak de gevangene bondgenooten te doen loslaten. Hoe hoog de nood ook klom, hij bezweek niet, maar werd voor Friesland, wat Prins willem van Oranje voor het fel bestredene Holland en andere provinciën was: de kracht, de steun, de hulp van den onder alva zoo diep gezonken staat. Die Prins werd zijn vriend en beschermer, welke hem, toen hij eindelijk Friesland moest verlaten, als Admiraal het opperbevel over eene vloot op de Zuiderzee toevertrouwde. Blakende van liefde voor het land en de goede zaak, evenaarden zijn beleid en dapperheid de trouw en voorzigtigheid, waarmede hij ook later, in zijn vaderland teruggekeerd, den jeugdigen staat hielp opbouwen, zoodat aan zijne daden en deugden de verlossing des vaderlands voor een groot deel werd toegeschreven. (Aant. 20.)

Nooit mogen wij Friezen onze verpligting aan den edelen martena en zijne medeverbondene edelen vergeten! Met eere mogen de namen van deze helden der vrijheid steeds genoemd worden: want onbegrijpelijk veel hebben zij doorgestaan, verrigt en opgeofferd, toen de willekeur der Spaansche overheersching zich de wreedste vervolging van personen en huisgezinnen, de verbeurt-verklaring van goederen en allerlei kwellingen veroorloofde: omdat, zij de vrijheid verlangden, om den zelfden God en Heer op eene andere wijze te vereeren dan de Koning van Spanje wilde toestaan. Doch gelukkig, dat, na het doorstaan van al die rampen, eindelijk de overwinning volgde, welke ook de Friezen weder deed deelen in het voorregt van het bezit der vrijheid en onafhankelijkheid, welke men op hoogeren prijs had leeren schatten, naarmate de verkrijging moeite en opofferingen had gekost. Vooraf echter moest er nog veel geleden en gestreden worden.


[123] onno zwier van haren, de Geuzen. Zie daarover Aant. 20.

[124] Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheer carolus, de rebus Casparis â Robles in Frisia gestis, Leov. 1731, 56. „Hoe zou iets van dien aard (zegt van kampen, Vaderl. Karakterkunde, I 345) de wereld doorklinken, wanneer het door een’ Spartaan was verrigt! Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder, gelijk te Sparta, door de opoffering van alle menschelijk gevoel, beschaving en handelverkeering met andere volken te worden gekocht.”


[184]

33. Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder Caspar de Robles. (1574.)

Te midden der verschrikkingen van den oorlog trof Friesland bovendien eene ramp, welke groote nood en schade veroorzaakte. Zij had evenwel heilzame gevolgen voor de toekomst, en het is dáárom, dat wij ons verpligt achten, hierbij in het bijzonder stil te staan.

Een hevige storm en daarop gevolgde watervloed, zoo ontzettend als ooit eenige deze landen trof, teisterde, op den 1 November 1570, alle aan de Noordzee gelegene landstreken. Met geweld op de Friesche dijken inbrekende, rees het water 10 à 12 voeten hoog op de landen, zoodat bijna het gansche gewest eene woeste zee gelijk scheen. Duizenden menschen verloren het leven: alléén in Oost- en West-Dongeradeel kwamen er 2600 personen om. Een schat van vee, granen en andere levensmiddelen werd met een aantal gebouwen eene prooi van den vloed, die de zeedijken zoodanig had vernield, dat zij op sommige plaatsen geheel weggeslagen waren. Het land stond dus open voor de zee, die dan ook in de eerstvolgende jaren bij de minste verheffing van wind en vloed op nieuw de velden overstroomde. Dit alles, gevoegd bij verarming, duurte, hongersnood en oorlog, voerde de ellende der ingezetenen ten top, en schenen de krachten te falen, om die verliezen te boven te komen, en inzonderheid, om de zeedijken te herstellen, ten einde dit land duurzaam voor dergelijke rampen te beveiligen[125].

Geen gedeelte had meer geleden dan de Vijfdeelendijk, van Dijkshoek langs Harlingen naar Makkum, en wel[185] mede om deze reden, dat het onderhoud daarvan sedert lang het meest verwaarloosd was geworden, ten gevolge van langdurige en hevige geschillen, voornamelijk tusschen de ingezetenen, die buiten en binnen den Slagtedijk woonden over het aandeel, dat ieder hunner in het onderhoud zou hoeden. De eersten, de aan zee gelegene Grietenijën, verlangden daartoe meerdere hulp van de laatsten, ja zelfs ondersteuning ook van andere deelen van Friesland, voor welke de zeedijken van even groot belang waren. Reeds in 1533 hadden de Stadhouder en het Hof in dit geschil eene beslissing gegeven, door bij Arbitrament te bepalen, door wie en op welke wijze de zeedijken zouden worden onderhouden[126]. In weerwil daarvan bleek het echter, dat de Binnendijksters niet waren te bewegen, om den Buitendijksters de meerder verlangde hulp te verleenen, en zoo bleef eene algemeene herstelling onuitgevoerd en het land steeds in groot gevaar verkeeren.

De herstelling of wel bijna geheele vernieuwing van dezen dijk was echter nu een dringend vereischte. De Buitendijksters, die de kosten daarvan op 300,000 Gld. begroot hadden, klaagden hunnen nood aan den Koning. Namens dezen bepaalde de Landvoogd alva in Augustus 1571, dat, tot vinding van die som, 40,000 Gld. zou worden omgeslagen over die deelen van dit gewest, welke weinig of geene dijken hadden te onderhouden, en dat de overige kosten door de Buiten- en Binnendijksters gelijkelijk zouden worden gedragen. Daar de laatste hierover vooraf niet waren gehoord, namen zij in deze beslissing geen genoegen, terwijl ook Oostergoo zich tegen dien omslag verzette. alva vond dus goed, den 27 October en 8 November 1571 deze uitspraak te schorsen, en, na[186] een nader onderzoek, de beslissing op te dragen aan den Stadhouder, Graaf van Megen, met eenige Raden van Overijssel. Dan deze, reeds kort daarna, den 7 Januarij 1572, overlijdende, werd den 15 Maart dit onderzoek en die beslissing opgedragen aan caspar de robles, Heer van Billy, aan het hoofd eener commissie van Raadsheeren en Dijkgraven uit andere provinciën.

Robles was destijds Kolonel van een regiment Waalsche knechten te Groningen. Portugees van geboorte, aan het Hof van karel V opgevoed, vereerd met het vertrouwen der Landvoogdes, die hem zelfs naar Madrid zond, om verzachting van de plakkaten te bewerken, was hij in 1569 te Groningen gekomen, en had hij zoowel blijken gegeven van gestrengheid en ijver voor de zaak des konings, als van menschlievendheid ter redding en verzorging van allen, die door den Allerheiligenvloed ongelukkig waren geworden. Zoo men wil, bragt hij zelfs te Brussel te weeg, dat de soldij zijner krijgsknechten van daar werd overgemaakt, en dat Friesland en Groningen een jaar lang van schatting ontheven werden, omdat hunne krachten naauwelijks toereikende waren om de geledene schade aan hunne zeeweringen te herstellen. Veler achting viel hem daardoor ten deel, bij al de strenge maatregelen, welke hij op bevel van alva moest nemen, om het Spaansche gezag te schragen. Kort na zijne overkomst in Friesland (in April 1572) zag hij zich als Luitenant des nieuwen Stadhouders gillis van barlaymont, Heer van Hierges, benoemd, en in het laatst des volgenden jaars (1573) in diens plaats tot Stadhouder en Kapitein-Generaal aangesteld. Hierdoor kwam hij nog beter in de gelegenheid, om zich van zijnen belangrijken last te kwijten[127].

[187]Nadat hij zich naar Harlingen begeven en zich overtuigd had van den deerlijken toestand der meest weggeslagen dijken, was zijn besluit genomen, om krachtdadige middelen tot herstel aan te wenden, om allen tegenstand moedig het hoofd te bieden, en de onwilligen zelfs met geweld tot de uitvoering te dwingen. Na lang oponthoud, mede ten gevolge zijner geweldige maatregelen om ’s konings gezag te handhaven tegen de pogingen der edelen, om Friesland onder het gezag van Prins willem te brengen, was de zaak zoo veel vooruitgegaan, dat in December 1572 de Binnen- en Buitendijksters beide al hunne geschillen en processen opdroegen aan robles en eene andere commissie van Raadsheeren, belovende zich aan de uitspraak van deze arbiters te zullen onderwerpen. Hierop werd de goedkeuring van alva ontvangen en die uitspraak den 7 Augustus 1573 gegeven. Daarbij werd, met afwijking van het arbitrament van 1533, vastgesteld, dat de zeedijk van het Bildt tot Makkum voor de helft, tot omstreeks Harlingen, door de Binnendijksters, en voor de wederhelft door de Buitendijksters zou worden gemaakt en onderhouden. Deze uitspraak werd in naam des Konings den 4 September door alva goedgekeurd, en daarna afgekondigd, om spoedig ten uitvoer gelegd te worden[128]. In het volgende voorjaar trok men met ijver aan het werk, nadat robles en zijne Raden den 25 Maart 1574 bij eene uitvoerige ordonnantie had bepaald hoedanig het werk ingerigt, verdeeld en bestuurd zou worden. De dijk van vijf uren gaans lengte moest eene hoogte bekomen van 12 voet, met een beloop van 5 roede aan de zeezijde en 3 roede aan de landzijde, en eene kruin van 6 voet breedte. Het geheele werk werd verdeeld in[188] elf perceelen. Aan ieder perceel werkte 300 man, welke onder het opzigt stonden van een kapitein, een schrijver of opzigter en 12 rotmeesters. De werkuren waren gesteld van ’s morgens 5 tot ’s avonds 6 uur; de drie schofturen daar tusschen werden door het uitsteken van een vaandel uit den toren van Harlingen aangewezen. Een half uur bezuiden die stad werd een geheel nieuwe inlegger gemaakt, welke nog de Kornels-dijk genoemd wordt. Ter bevordering van orde en gezag onder zoo groote menigte werklieden, waren daarbij strenge bepalingen gemaakt. Zelfs wil men, dat er eene galg op den dijk geplaatst was. robles zelf hield naauwlettend toezigt en allen in bedwang door de vrees voor zijn ongenoegen en de bedreigde straffen.

Schoon het werk voorspoedig voortging, kon het echter dat jaar niet worden voltooid. Na het nemen van de noodige voorzorgen tegen den winter, werd het in het volgende voorjaar hervat en in den zomer van 1575 geheel volbragt, waarna er nog een aantal hoofden, kisten en kribben van paalwerk werden aangebragt tot bescherming van den dijk en het breken van den golfslag. In den volgenden jare werd ter gedachtenis dezer zoo wél volbragte onderneming en ter eere van den wakkeren Stadhouder, als grenspaal tusschen de beide perken van onderhoud, op den dijk nabij Harlingen een gedenkteeken opgerigt, waarvan de vier opschriften den tijd der stichting en de namen der stichters vermeldden[129].

[189]Daar gelijktijdig ook de noordelijke zeeweringen dezer provincie werden hersteld, zoodat er in 1574 enkel aan die van West-Dongeradeel van 12 tot 1500 man werkten; daar er ook omtrent de zuidelijke zeedijken schikkingen tot verbeterd onderhoud werden gemaakt, en vermits de naam van het Caspar-Robles-diep nog aanwijst, dat dit kanaal, tusschen het Bergumermeer en de Lauwers, ter bevordering eener betere gemeenschap met Groningen, door hem mede is tot stand gebragt,—zoo zien wij in dit alles met genoegen de blijken van hetgeen de standvastigheid en welberaden moed van robles binnen zoo weinige jaren in Friesland tot duurzaam heil des lands mogt tot stand brengen. In het zelfde jaar, dat het gedenkteeken werd opgerigt, verkeerde echter de kans, werd hij door zijn krijgsvolk gevangen genomen, te Leeuwarden op het Blokhuis een tijdlang in bewaring gehouden, waarna hij in 1585 voor Antwerpen omkwam. Zijn naam en gedachtenis zijn echter bij elken Fries in gezegend aandenken gebleven, en gaarne zeggen wij den dichter na[130]:

Daar staan zij, de reuzen, aan ’t bogtige strand,
En houden de zee in den toom en aan band,
Bespotten, trotseren haar woede.
Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht,
Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht;
Wij slapen gerust op hun hoede.
[190]Die reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht?
Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt,
Zoo als zij ons Friesland omgeven;
Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans;
Maar eere zij hem, en de naam dezes mans
Blijv’ hier, in ons harte, steeds leven.

[125] Zie het officieele verhaal in het Charterb. III 847, 865; winsemius, 550; outhofs, Watervloeden, Embden 1720, 508, 535; van leeuwen, Watervloed, Inl. XXXV.

[126] Zie deze stukken in het Charterboek, II 627, 628 env.

[127] Zie al de stukken in het Charterb. III, 869, 876, 884, 891, 894, 902 env.; carolus, 235; kok, Vaderl. Woordenb. 24e dl. 309.

[128] Charterb. III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979.

[129] Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezen Terminus of zoogenaamden Steenenman bij winsemius, 588 en op de Friesche kaarten van schenk en halma; foeke sjoerds, Beschrijv. I 112, Tegenw. Staat, III 594, IV 309; kok, Vad. Woordenb. 24e dl. 314. Dit gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776 op kosten van den Dijkgraaf, karel georg Grave van wassenaer twickel, in vorigen vorm hersteld. Later zijn de beide oude koppen teruggevonden, en door Jhr. i. æbinga van humalda bewaard op een gemetseld voetstuk in den tuin van Burmaniahuis te Leeuwarden. De steen met het latijnsche hoofdopschrift der westzijde is in Mei 1851 teruggevonden, onder in een muur gemetseld, bij gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven van Harlingen.

[130] van halmael, Lied. Zie bladz. 57 hier vóór.


34. Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming. (1568-1580.)

Onder afwisseling van voor- en tegenspoed, hadden de Friezen nog een hevigen strijd door te staan, vóór ze van hun verzet tegen Spanje eenige gewenschte vrucht zagen. In plaats van de verlangde verzachting van de maatregelen tegen de verandering in de godsdienst, zond de Koning den Hertog van alva in 1567 naar Nederland, om het volk met geweld tot het oude kerkgezag terug te brengen. Daartoe strekte ook de benoeming van cunerus petri tot Bisschop van Leeuwarden, die den 1 Februarij 1570 zijne plegtige intrede deed, de kerk van Oldehove tot Bisschoppelijke kerk wijdde, en hier en door de gansche provincie het pausdom en kerkelijk gezag in vollen luister verhief. Deze dwangmiddelen waren de Friezen zeer tegen de borst, en toen in dat zelfde jaar 1570 de hier vóór gemelde verschrikkelijke watervloed alom nood en dood verspreidde, de welvaart kwijnde, de vrees voor ’s konings wraak toenam en de toekomst niets dan ellende spelde, beheerschte in Friesland eene diepe verslagenheid aller gemoederen.

Want nadat in 1568 de strijd was begonnen en de Stadhouder aremberg in den eersten slag tegen lodewijk van Nassau, bij Heiligerlee in Groningerland, was gesneuveld, werd deze laatste daarna door alva bij Jemmingen, nabij de Eems, geheel verslagen. Een aantal[191] der voornaamste Friezen verkeerde in ballingschap. Veler bezittingen werden verbeurd verklaard. Van niemand had men hulp te wachten. Er scheen dus weinig hoop te zijn op het welslagen van den strijd. Doch onze vaderen verflaauwden niet, en vertrouwden op de hulp van God, dien zij in stilte vereerden en om redding smeekten. Zijn zegen toch kon niet rusten op de wreede dwangmiddelen der Spaanschen, die de heiligste regten des volks en de voorschriften van godsdienst en menschlijkheid schonden, ja met voeten traden. Eindelijk kwam er dan ook van de zijde der zee eenige uitkomst opdagen. Reeds lang hadden jan bonga, Grietman van West-Dongeradeel en anderen met een aantal schepen invallen op de Friesche kust gedaan, om enkele plaatsen op de Spanjaarden te veroveren, toen het gerucht der inneming van den Briel (1 April 1572) aller hoop versterkte, dat de dag der verlossing spoedig zou aanbreken. Nadat onderscheidene steden van Holland Prins willem van Oranje waren toegevallen, deed deze ook pogingen, om de voornaamste Friesche steden te winnen, en op zijne zijde te brengen. duco martena en andere edelen spanden daartoe kloekmoedig hunne krachten in, en werkelijk gelukte het hun, Slooten, Sneek, Bolsward, Franeker en Dokkum te bemagtigen. De Prins haastte zich daarom, Graaf joost van Schouwenburg als zijn Stadhouder herwaarts te zenden; doch deze keus was niet gelukkig, en weldra bleek het, dat al deze pogingen nog ontijdig-, en als de vreugde over dezen voorspoed van korten duur waren. Want sedert aremberg’s dood was het Stadhouderschap over dit gewest opgedragen aan karel van brimeu, Graaf van Megen[131], en daarna aan gillis van barlaymont, Heer van Hierges, die[192] te gelijk ook over de andere noordelijke provinciën waren gesteld. Gedurende hunne afwezigheid werd het gezag hier waargenomen door segher, Heer van Groesbeeck en caspar de robles, als hunne plaatsvervangers, te gelijk met het te Leeuwarden gevestigde Hof van Friesland, dat sterk Spaanschgezind was. Nog vóór laatstgenoemde werkelijk Stadhouder werd, gelukte het hem, al de reeds ingenomene plaatsen te herwinnen en andere te versterken, zoodat de bondgenooten op nieuw eene teleurstelling moesten ondervinden in de herstelling van het Spaansche gezag.

Eerlang echter neigde dat gezag ten ondergang: want met den jare 1576 verkeerde de kans, ten gevolge van een zamenloop van verscheidene omstandigheden. Toen het misnoegen der ingezetenen ten top was gestegen, en de Prins van Oranje zelfs de zaken des lands als wanhopig voorstelde, stierf alva’s opvolger, Don louis de requesens, sloegen de Spaansche soldaten aan het muiten, werd de Stadhouder robles door zijn eigen krijgsvolk te Groningen gevangen genomen, en verbonden verscheidene provinciën zich tot een verdrag, om gezamenlijk de staatkundige en godsdienstige vrijheid te verdedigen, de Spaansche benden te verdrijven en de vervolgingen te doen ophouden.

Dit verdrag, de Bevrediging of Pacificatie van Gent genaamd, had groote gevolgen. De eendragtige wil der landzaten versterkte de magt en den moed, om Spanje te weêrstaan. Al de vroeger gevlugte ballingen kwamen terug. De uitoefening van de Hervormde godsdienst[193] werd niet meer gestraft of gehinderd. De Raad van State, te ’s Gravenhage gevestigd, zette de goede zaak door, en zond georg van lalaing, later Graaf van Rennenberg genaamd, als Stadhouder naar Friesland. De Bisschop van Leeuwarden werd door hem gevangen genomen en verwijderd. Na de Unie van Brussel (1577) werd in 1578 door den Landvoogd, Aartshertog matthias, de zoogenaamde Godsdienst- of Religions-vrede afgekondigd, waarbij vrijheid van godsdienst voor Hervormden en Roomschen beide werd toegestaan, zoodat de eersten hier op vele plaatsen kerken bekwamen en openlijke godsdienst-oefeningen hielden.

Doch dit alles was niet genoeg; men wilde meer. Men had zoo lang en zoo veel van de heerschzucht der Spanjaarden en Geestelijken geleden, dat men, toen het meerendeel der ingezetenen blijken gaf der hervorming toegedaan te zijn, verlangde van de Spaanschen en Roomschen geheel ontslagen te worden. Onmogelijk was dit, zoo lang de blokhuizen of kasteelen der steden Leeuwarden, Harlingen en Stavoren nog met Spaansche benden bezet bleven, dewijl, bij het minste blijk van opstand, het geschut dezer sterkten die steden groote schade kon aanbrengen. Deze moesten dus veroverd worden, en hiertoe kreeg men meer moed na het sluiten der Unie van Utrecht (1579), waarbij ook Friesland zich met de overige zes noordelijke provinciën had verbonden, om Spanje te wederstaan, de godsdienstvrijheid te beschermen en onderling een vereenigden Staat uit te maken.

De burgerij van Leeuwarden, aangevoerd door den wakkeren tachtigjarigen Burgemeester adje lammerts, durfde het bestaan, op bevel van Gedeputeerde Staten, het Blokhuis harer stad aan te tasten en kloekmoedig te veroveren, waarna, door het slechten van de wallen[194] en het dempen van de grachten aan de stadzijde, deze sterkte ontmanteld werd. Deze heugelijke gebeurtenis, welke voorviel op den 1 Februarij 1580, bragt den Friezen verlossing aan uit de wreede tirannij van Spanje en van het pausdom, en was dus zeer rijk in gewigtige gevolgen. Dadelijk haalde men te Leeuwarden de monniken en verdere geestelijke personen uit de kloosters, en geleidde hen, onder vreugde-bedrijf, met trompetten en trommelen de stad uit. De kasteelen van Harlingen en Stavoren gingen insgelijks over. Men was nu de Spanjaarden meester, en had weldra aan den Prins van Oranje de gunstige beschikking te danken, om 100,000 Gld. uit ’s Konings domeinen te heffen, vooral tot versterking van de steden Leeuwarden, Harlingen, Sneek en Slooten, ten einde tegen de aanvallen des vijands bestand te zijn. Bloedige tooneelen, welke omwentelingen doorgaans vergezellen, had men echter niet te betreuren, daar alles vrij bezadigd toeging. De vreugde was grooter dan de wraaklust[132].

Reeds den 31 Maart 1580 namen de Staten van Friesland, een besluit, waarbij de Roomsche eeredienst afgeschaft en verboden werd, en waarbij bepaald werd, dat de renten van de Geestelijke goederen der kerken voortaan moesten aangewend worden ten behoeve der Hervormde eeredienst, tot onderhoud van predikanten, onderwijzers, armen en weldadige instellingen. Vele priesters en kloosterlingen gingen uit eigene beweging tot de Hervormde kerk over. De gebouwen der vijftig in Friesland bestaande kloosters werden meest alle verkocht[195] en gesloopt. Een nieuw leven bezielde de vrije burgers van den nieuwen Staat, die nu, van den band der dwingelandij ontslagen, God naar hun licht en overtuiging mogten vereeren, vol van dankbaarheid voor zoo zegenrijke verlossing.

Wel had men nog vele jaren te strijden tegen de Spaansche benden, daar het naburige Groningen nog gedurende veertien jaren den Koning onderworpen bleef,—moedig sloeg men echter de handen in-een tot opbouw van een vrijen burgerstaat, die alleen het welzijn der ingezetenen bedoelde. Vroeger dan eenige der andere provinciën, genoot Friesland dus dit voorregt; terwijl het zijne groote verpligting erkende aan den edelen Prins willem van Oranje, door ook hem tot Stadhouder aan te stellen, en ook hem blijken van vereering te geven, toen hij in het volgende jaar 1581 zelf naar Friesland overkwam tot regeling van vele zaken des bestuurs. Daardoor vond men zich mede gesterkt, tot het nemen van het gewigtige besluit, om den Koning van Spanje vervallen te verklaren van zijn regt op deze landen. Deze afzwering van den Koning had in Julij 1581 op eene plegtige wijze plaats, en werd het gezag en het bestuur des lands toevertrouwd aan de Staten van iedere provincie en van hare afgevaardigden: de Algemeene Staten van Nederland, als de wettige overheden der vrije landzaten.


Na veel lijden en strijden werd aldus de onafhankelijkheid des lands hersteld, hoewel deze niet erkend werd door den Koning, die tot 1648, en alzoo nog bijna 70 jaren lang, moeite deed, om dit land te herwinnen. Deze omwenteling in den Staat en die hervorming van de Kerk, met zoo veel moeite verkregen, vestigde hier een vrijen protestantschen Staat, wier instellingen[196] van gunstigen invloed waren op de belangen der ingezetenen, zoodat zij daardoor eene groote schrede voorwaarts deden op den weg der volmaking, zoowel ten aanzien van hunne burgerlijke betrekkingen als van hunne zedelijke, verstandelijke en godsdienstige beschaving. Dáárom dankten de vaderen God voor zijne hulp en bescherming; dáárom is deze verandering, als een keerpunt in de geschiedenis van ons vaderland, van zoo uitstekend gewigt, en dáárom vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis als eene der voornaamste middelen tot verheffing van ons geslacht, ter vorming van goede burgers en vrome Christenen. Maar, als dankbare nakomelingen, vereeren wij tevens der vaderen moed en edele vrijheidszucht, en stemmen wij tot hun lof gaarne in met het antwoord van onzen dichter willem van haren[133] op de vraag:

—Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren,
Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren,
En zonder krijgsvolk, zonder geld,
Niet afgemaakt door ’t Spaansch geweld?
Omdat hun edle ziel, langs ’t pad der Eer gedreven,
De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven,
En, door hun deugd, des Hoogsten hand
Deed gunstig zijn voor ’t Vaderland.
Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven!
Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven!
De aloude Dapperheid en Deugd
Geprent in ’t hart van onze jeugd!

[131] Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in zijne betrekking als Stadhouder van Gelderland, in nijhoff’s Bijdragen, VII 262. Zie over robles het Tijdr. Overzigt der Vorsten hier achter, en in het bijzonder van meteren, Hist. der Ned. Amst. 1647, 112o; reinico fresinga, van Franeker, Memoriën, in dumbar, Analecta, Dav. 1722, III 10; Charterb. V 1062; Register op de Staats-resolutiën, 186.

[132] Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld, in de Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, I 227 env. en de daarbij vermelde bronnen en schrijvers.

[133] Tweede Lierzang, Harderwijk 1742, 14.


[197]

VIERDE TIJDVAK.

FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER STATEN EN DER STADHOUDERS UIT HET HUIS VAN NASSAU.

VAN DE HERVORMING IN KERK EN STAAT, OF DE VESTIGING VAN DE REPUBLIEK DER VEREENIGDE NEDERLANDEN, TOT AAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE KOMST DER FRANSCHEN.

Van het jaar 1580 tot 1795.

Versiering

35. De vestiging van den nieuwen Staat. (1580-1648.)

De omwenteling van 1580 is een hoogst belangrijk keerpunt in de geschiedenis van Friesland. De staatkundige en godsdienstige toestand der ingezetenen onderging daardoor toch eene verbazende verandering, welke van uitgestrekte gevolgen was voor de toekomst. Ligt kunnen we ons voorstellen, hoe groot de blijdschap was onzer vaderen over die verlossing van de knellende dwinglandij der Spanjaarden, en hoe zeer deze gepaard ging met dankbaarheid aan God voor zijne wonderbare redding en hulp ter bekoming der vrijheid van godsdienst en geweten, welke men op te hooger prijs stelde, naarmate men ze lang gezocht en ontbeerd had.

Doch die vreugde werd spoedig getemperd: want verbazend groot waren de bezwaren, welke zich spoedig opdeden, om het verkregene te behouden en te verdedigen tegen een vijand, van wiens wraaklust en bloeddorst[198] Haarlem, Naarden, Zutphen en andere steden reeds vroeger zulke moorddadige tooneelen hadden opgeleverd. Immers, alexander farnese, Hertog van Parma, een veldheer, die alva in krijgskunde evenaarde en in staatkundig beleid en buigzaamheid verre overtrof, was met nieuwe en talrijke Spaansche benden in Nederland aangekomen. François verdugo, Heer van Schengen, die zijn aanzien enkel aan dapperheid had te danken, was als Stadhouder des Konings met tien vaandels knechten gezonden naar Groningen, ter vervanging van den afvalligen rennenberg, die de schande zijner trouwloosheid niet lang overleefde. Uit die krachtig versterkte stad werd het oostelijk gedeelte van Friesland bestendig bestookt; terwijl het zuidelijk gedeelte van dit gewest bloot stond aan de uitvallen der bezetting van Steenwijk, sedert deze stad weder in handen der vijanden was gevallen. Zulk een uitval deden de Spanjaarden reeds in November 1580. Met eene verbazende snelheid trokken zij langs de zeekust, namen de schans van de Lemmer in, overrompelden Slooten (waarbij de edele duco martena in hunne handen viel), herwonnen het kasteel van Stavoren, overmeesterden de schans bij Makkum en roofden, onder schrikkelijken moedwil, tot aan de poorten van Harlingen. Algemeen was de verslagenheid in den lande en groot het gebrek aan krijgsvolk, aan geld en leeftogt, tot voortzetting van een strijd, die men bijna wanhoopte te zullen kunnen volhouden. Met veel moeite gelukte het de Friesche benden in den volgenden jare, die verloren plaatsen te herwinnen[134].

[199]Intusschen had de edele Prins willem van Oranje, op ernstig aanhouden der Staten van Friesland, besloten, ook deze provincie als Gouverneur en Stadhouder in zijne bescherming te nemen. Uithoofde der afgelegenheid en veelvuldige andere zorgen, benoemde hij bernard van merode, Heer van Rummen, hier tot zijn Luitenant of Plaatsbekleeder, doch kwam in April 1581 zelf met zijne gemalin, charlotte van bourbon, in Friesland, om orde te stellen op vele zaken der regering. Te Harlingen aan wal gekomen, werd hij, algemeen als Vader des vaderlands vereerd, te Leeuwarden op eene luisterrijke wijze ingehaald. Op een buitengewonen landsdag handelde hij met de Staten over vele zaken, en schreef, bij eene uitvoerige Ordonnantie, die wijze van regering, justitie, politie en beleid van het krijgswezen voor, welke hem op dat oogenblik de beste voorkwam[135]. Te kort echter was zijn verblijf, dan dat zijn invloed duurzaam heilzame gevolgen mogt hebben: want hoog waren toen reeds de verschillen gerezen tusschen de leden der regering over de mate en de grenzen van het gezag.

Bij de Staten des lands of de Volmagten der grietenijën en steden toch berustte nu de oppermagt of de souvereiniteit. Deze hadden acht personen (twee uit ieder Goo en uit de Steden) benoemd tot hunne Gedeputeerden, aan wie met den Gouverneur of Stadhouder de uitvoerende magt en het dagelijksch bestuur van zaken was toevertrouwd: »bezonderlinge om voortaen te procederen tot grondelycke Evangelische Reformatie, soo wel in den saeken van den waren Religie, als de vervallene Politye over het gantsche Lant”[136]. Doch deze magt was, te gelijk met het beleid van de justitie, vroeger uitgeoefend[200] door het Hof van Friesland, dat nu nog, bij voortduring, hetzelfde gezag wilde uitoefenen, ook ten aanzien van het burgerlijk bestuur. Deze Provinciale Raden, welke zoo lang even Spaanschgezind als de Gedeputeerden Staatsgezind waren geweest, werden in hunne vorderingen ondersteund, door de afgevaardigden der Steden, die nu, bij de verandering van regeringsvorm, even als de drie Gooën, bij het stemmen op de landsdagen een afzonderlijk kwartier wilden uitmaken. Zij eischten zelfs meer: want, daar eertijds de vertegenwoordiging had bestaan uit de Prelaten of de Roomsche Geestelijkheid en de Edelen en Eigenerfden, zoowel van het platteland als uit de steden, zoo verlangden zij nu, na het vervallen van het eerste staatslid (de Geestelijkheid), dat de steden evenveel afgevaardigden ten landsdage zouden zenden als het platteland. Het Hof ondersteunde die eischen, werkte met de steden de Gedeputeerden tegen, die door de Staten beschermd werden, en zoo was er bestendige twist en verdeeldheid onder al de leden der landsregering, met eene hevigheid, welke het algemeen belang met groote schade bedreigde[137]. Zoo verspilde men tijd en krachten, welke men zoo hoog noodig had tot regeling van de algemeene belangen en het bestrijden van een vijand, die nog bestendig een gewest bedreigde, waarbij hij, voor het behoud van geheel het noordelijk Nederland, zoo veel belang had. Vele staatsleden ijverden voor hunne meening uit zucht voor het algemeene welzijn, welke zich in de zelfde mate ontwikkelde, als zij zich boven de verdrukking had weten[201] te verheffen; bij anderen was gehechtheid aan het oude in strijd met de nieuwe vormen en eischen van het oogenblik; doch er waren ook, die, uit eer- en heerschzucht, minder het algemeen dan hun eigen belang voorstonden; ja zelfs, die, wanhopende op den goeden uitslag, nog met Spanje heulden. Zoo wilden ook de in welvaart en magt toegenomene steden gebruik maken van de gelegenheid ter bekoming van meer gezag in den Staat, en liet Leeuwarden zich vooral krachtig gelden en veel voorstaan op de eer, dat het, als de grootste en sterkste stad des lands, de eerste geweest was, die de reformatie in kerk en staat had ten uitvoer gelegd. De onderlinge verbittering steeg zelfs zóó hoog, dat de Gedeputeerden Leeuwarden verlieten en in 1584 en 1585 hunne vergaderingen en de landsdagen te Franeker hielden[138].

Zoodanig was de toestand van Friesland ten aanzien der regering, toen de vijand in 1583 op nieuw een inval in Westergoo deed, roovende en brandende door Oostergoo trok en zelfs de omstreken verontrustte van Leeuwarden, dat nog bezig was, zijne vestingwerken te versterken en uit te breiden. Gruwelijke mishandelingen en moorden kenmerkten zijne schreden. In allerijl werden de onverhoeds overvallene en verslagene ingezetenen opgeroepen, om die benden tegen te staan en ten lande uit te drijven[139].

In deze »benaude gestaltenisse” des lands trachtte men vooral de grenzen zoo veel mogelijk te beveiligen, door het versterken van de oude en het opwerpen van nieuwe Schansen op een aantal plaatsen. Van tijd tot tijd werd dit getal vermeerderd, zoodat Friesland, buiten de versterkte steden, eerlang met eene zoom van kleine[202] vestingen was omgeven. Aan de oostzijde werden daartoe Oostmahorn, Munnekezijl en Kollum versterkt en de Friesche palen, Zwartedijk en Bredenberg aangelegd. Tot verdediging van de zuidelijke grenzen werden de schansen Bekhof, Slijkenburg en de Blesse opgeworpen en die van de Lemmer, te Hindeloopen en te Sotterum bij Makkum sterker gemaakt. Ook binnen in het land, te Oldeboorn, Joure, Rottum, Terband en Oudeschoot, werden schansen gelegd, om den vijand den doortogt te verhinderen of die plaatsen te beschermen[140].


Bij dit alles was het duidelijk gebleken, dat het Friesland aan een geschikt en krachtvol hoofd ontbrak, hetwelk zoowel de twistende regeringsleden als den nog onverslagen vijand wist te bedwingen, en dat tevens schrander genoeg was, om partij te trekken van den gelukkigen toestand, waarin de Friezen zich, in de hoofdzaak, bevonden. De Stadhouder merode toch was daartoe te oud en te zwak, en had te weinig invloed, om zich te doen gelden. Er werd een jonger en moediger man vereischt, om in het krijgswezen op alle punten te voorzien, en om de fiere en onbuigzame gemoederen te leiden van die staatsleden, welke, prat op de herkrijging van de zoo lang ontbeerde vrijheid, nu geen stroobreed wilden afstaan van hun regt of van hunne bijzondere meening omtrent de bevordering van het algemeen belang. Intusschen had men zoo weinig vertrouwen op eigene krachten en scheen de toestand des lands zoo hopeloos, om zonder vreemde hulp Spanje het hoofd te bieden, dat de Nederlanders eerst de hulp van Frankrijk inriepen en den[203] Hertog van Anjou en Alençon als beschermer der Nederlandsche vrijheid aannamen, en daarna bij herhaling en dringend zich der Koningin van Engeland aanboden[141].

Gelukkig dus voor Friesland, dat merode zijn ontslag verzocht en bekwam; doch nog gelukkiger, dat de Prins van Oranje, op verzoek der Friesche steden, in diens plaats stelde zijns broeders zoon, den vier-en-twintigjarigen Graaf willem lodewijk van Nassau, die in Maart 1584 de regering aanvaardde. Reeds drie jaren te voren, toen verdugo, met 10 vendelen Walen herwaarts gekomen, zijn eersten aanval, bij Kollum, op Friesland deed, had zijn doorluchtige oom hem, pas van de Akademie van Heidelberg teruggekeerd, met 600 man den Friezen te hulp gezonden. Naast den Engelschen Overste john norrits, die den 18 Julij 1581 bij Munnekezijl een aanzienlijk voordeel op de Spaansche benden, sterk 6000 man, mogt behalen, werd hij, hoe jong ook nog, een krachtig tegenstander van verdugo. Dezen bestreed hij bij Noordhorn, aan het hoofd der ruiterij, met zulk eene uitstekende onverschrokkenheid, dat in hem zijn roemruchte oom lodewijk scheen te herleven, daar hij, hoe ook beschoten, met het grootste gevaar, bij herhaling zich door de vijandelijke slagorde heen sloeg. Ook Koevorden hielp hij op hem winnen, hoewel hij daar al dadelijk door een zesponds kogel aan het linkerbeen dermate gewond werd, dat hij aan de gevolgen van dat schot al zijn leven kreupel ging. Elf jaren later werd hij voor die zelfde vesting nogmaals gekwetst. Onvertsaagd waagde hij zich op de gevaarlijkste togten, doch bleef verder ongedeerd[142].

[204]Hij, die zich der Friezen zaak zoo ijverig had aangetrokken, verdiende en verwierf zich ook hun vertrouwen, hetwelk hij zich bij voortduring waardig maakte. Nadat Prins willem van Oranje door een noodlottigen dood den Nederlanden ontvallen was, werd hij nog in het zelfde jaar 1584 door de Staten tot »absoluit Stadholder ende Gouuerneur ouer deezen Landschappe” verkozen. Hij aanvaardde die hoogst moeijelijke taak, in weerwil der menigvuldige bezwaren en gevaren, waarin het land verkeerde, doch die hij als Nassauer het hoofd wilde bieden, naar het voorbeeld van zijnen doorluchtigen voorganger. Want terwijl de vijand van buiten het land bedreigde, was van binnen de verdeeldheid onder de regeringsleden tot eene ontzettende hoogte geklommen. Met bedaarde zorg en voorzigtige maatregelen zocht hij den onderlingen vrede te bevorderen, en leverde in den volgenden jare bij de Staten eene Memorie in, bevattende zijne voorslagen van hetgeen tot bescherming en verdediging tegen den gemeenen vijand moest gedaan worden. Door een wijs en gematigd bestuur in de zaken der regering, ook met betrekking tot de twistende staatsleden, en door beleid en dapperheid jegens de vijanden, verwierf hij aller achting, zoodat hij eerlang algemeen als Vader vereerd werd[143].

De zorg voor de bevestiging van de verkregene vrijheid ging bij de Staten tevens gepaard met de zucht, om de ingevoerde Hervormde leer te beschermen en uit te breiden, en om te zorgen, dat alle steden en dorpen van goede Predikanten en Onderwijzers werden voorzien. Hiertoe waren vooral de inkomsten der plaatselijke geestelijke goederen aangewezen. Doch gebrek aan leeraren[205] en de overtuiging van het belang der beoefening van de wetenschappen voor de verstandelijke ontwikkeling der ingezetenen bewogen de Staten, op voorstel der Friesche Geestelijkheid, de bezittingen der vervallene kloosters mede te bezigen tot oprigting van een Seminarium of Akademie, inzonderheid tot opleiding van Predikanten. De stad Franeker werd daartoe bij voorkeur bestemd, en de voor negen jaren te Leiden gestichte Hoogeschool tot voorbeeld genomen. Reeds den 29 Julij 1585 werd deze Akademie plegtig ingewijd, en alzoo de grond gelegd van dien beroemden zetel der geleerdheid, welke later voor wetenschappen en beschaving in dit gewest, ja voor geheel Nederland en een deel van Europa, van weldadigen invloed is geweest[144].


Inmiddels waren de bezettingen der steden en schansen, benevens het krijgswezen door de ijverige zorgen van Graaf willem lodewijk op een beteren voet gebragt, en waande men zich verzekerd tegen den magtigen vijand, die Groningen en Steenwijk nog immer bezet hield. Doch die vijand bespiedde zorgvuldig elke gelegenheid, om Friesland afbreuk te doen of te overvallen. Hij deed dit vooral in Januarij 1586, toen de Stadhouder zich tot regeling van zaken naar ’s Gravenhage begeven had en een strenge vorst een inval scheen te begunstigen. Een deel der bezetting van Steenwijk, sterk 3000 man en 700 ruiters, trok, onder aanvoering der Oversten van den berg en taxis, onverhoeds door Gaasterland naar Hindeloopen en Workum; van daar voorbij Bolsward door Witmarsum en Tjum naar Spannum en Winsum, overal door moorden en branden de sporen zijner wraakzuchtige woede achterlatende. Zoo verre waren zij reeds gevorderd,[206] toen de Friesche krijgsoverste steyn maltissen hen met ruim 1400 man tegentrok en te Boxum met hen slaags geraakte. Vóór dat hij zich in slagorde kon stellen, werd hij door de Spanjaarden overvallen. Van beide zijden werd woedend gestreden; doch de onzen, voor de overmagt bukkende, werden deels verslagen, deels naar Leeuwarden verdreven of gevangen genomen. Schrik en vrees ontzette algemeen de gemoederen, alsof de vijand zich nu weder in het hart des lands zou nestelen. Doch deze verkeerden spoedig in blijdschap en dankbaarheid »voor Godes sonderlinghe versieninge en genade,” dewijl men ’s lands behoudenis dááraan had te danken, dat het, op het zelfde uur, dat de slag gewonnen werd, begon te dooijen en te regenen, waardoor de Spaansche benden, met een haast, alsof zij vlugtten, naar Steenwijk terugtrokken[145].

Sedert deze ramp waren de Staten meer dan ooit geneigd, om, door het werven van meerder krijgsvolk, de bedoelingen des Stadhouders, ter verdrijving van den vijand, te ondersteunen. Zijn moed rees met het gevaar: want op het zelfde tijdstip, dat men, wegens de mislukte zending van den Engelschen landvoogd leicester, meer den toorn dan de hulp van Koningin elisabeth had te wachten, en terwijl de Spaansche armade, of de zoogenaamde onoverwinnelijke vloot, Nederland met den ondergang bedreigde, vormde Graaf willem lodewijk, in overleg met Prins maurits, het plan, om den oorlog niet langer verdedigender-wijze (defensif), maar voortaan aanvallender-wijze (offensif) te voeren, dewijl hij achtte, dat daarmede de helft zou gewonnen zijn[146].

[207]De moedige poging, om Groningen aan den vijand te ontrukken, in 1587 bij herhaling ondernomen, was daarvan een eerste gevolg. Zij mislukte, doch al de schermutselingen met den vijand, al het nemen en hernemen van de talrijke verschansingen op de noordoostelijke grenzen des lands, waren voor den jeugdigen held eene leerschool en strekten tot verzwakking van den vijand. Bij dat alles was hij met zijne 2 à 3000 Friezen, zonder andere hulp, in een gedurigen en dikwijls moeitevollen strijd met verdugo’s benden, sterk 4 à 5000 man. Eerst in 1591 woog het belang der Unie, om de Spaanschen uit deze streken te verdrijven, zwaar genoeg, dat de Generale Staten en Prins maurits hem daartoe krachtige hulp boden. De vermeestering van de omliggende sterkten Delfzijl, Enumatil, Lettelberd enz. was het eerste werk. In 1592 werd, na veel tegenspoed en een merkwaardig beleg van vijf weken, het sterke Steenwijk gewonnen. Dit versterkte den moed tot verdere veroveringen, welke Holland echter afried en wilde tegenhouden, waarop de voortvarende maurits ronduit antwoordde: dat, zoo Holland deszelfs troepen terugtrok, hij, al ware het alléén met de Friezen en de ruiterij, het behaalde voordeel wilde vervolgen. Zijn voornemen zegevierde, en met ongemeene inspanning werd het door verdugo zeer versterkte Koevorden aangevallen en na een hevig beleg gewonnen. Hierbij werd echter Graaf willem lodewijk andermaal door een kogel getroffen. Na zijne herstelling veroverde hij in den volgenden jare Wedde, Winschoten, Midwolde enz., schoon verdugo van deze afwezigheid gebruik maakte, om een strooptogt in het oostelijk gedeelte van Friesland te doen, waarbij verscheidene dorpen verbrand en geplunderd werden[147].

[208]Nadat men zich verder van de overige omliggende schansen verzekerd had, werd in Mei 1594 het beleg voor Groningen geslagen, en, in weerwil van den krachtigen tegenstand der bezetting, met zoo veel moed, overleg en ijver doorgezet, dat deze stad zich den 23 Julij overgaf en Prins maurits en Graaf willem lodewijk den volgenden dag hun plegtigen intogt in de stad hielden[148]. Hierdoor werd Groningen en met haar de Ommelanden als lid der Unie aangenomen en Graaf willem lodewijk daarover tot Stadhouder aangesteld. Ofschoon de aftrekkende benden van verdugo voor het laatst nog hunne woede koelden, door in de Zevenwouden te plunderen en te branden, was het winnen van deze stad met de omgelegene sterkten en het verdrijven van de Spaanschen uit deze noordelijke streken voor de veiligheid en het behoud van Friesland eene zaak van het hoogste belang. Algemeen was dus hier, even als in het gansche vaderland, de blijdschap over deze merkwaardige belegering en roemrijke overwinning op de Spanjaarden[149].


[209]Ook op de verdere veldtogten van maurits stond onze Stadhouder hem waardig ter zijde. Bij de belegering van Rijnberk was het »willem lodewijk met zijne Friezen, die eene halve maan voor de Rijnpoort stormenderhand innamen,” waardoor deze sleutel van den Rijn zich moest overgeven. Toen maurits vervolgens in drie maanden tijds negen versterkte steden en vijf kasteelen veroverde, in weerwil zijn vijand Aartshertog albert 60,000 man tot zijne dienst had,—waren het weder »willem lodewijk met zijne Friezen, die zich altijd op den voorgrond vertoonden.” En ofschoon hij maurits in den slag bij Nieuwpoort niet vergezelde, waren het dáár de door hem gevormde Friesche soldaten, welke zich eervol onderscheidden. Zeventien vaandelen of bijna 3000 Friezen waren onder den Overste-Luitenant taco van hettinga derwaarts getrokken, en mogten, in de voorhoede, Prins maurits eene zegepraal helpen behalen, welke een der roemvolste bedrijven is in onze geschiedenis. Nadat 150 Friesche piekeniers de Spanjaarden van de duinen hadden afgedrongen, gaf hun voorbarige, maar in dezen oogenblik weldadige kreet van: victorie! een schok tot eene algemeene voorwaartsche beweging van het Nederlandsche leger, welke van gunstig gevolg was. Dit schonk den Friezen tevens de gelegenheid, om den opperbevelhebber van het Spaansche leger, Don francisco de mendoza, Admirant van Arragon, gevangen te nemen, waardoor een der grootste voordeelen van den slag werd behaald[150].

[210]Met wijs beleid wist Graaf willem lodewijk vervolgens deze gewesten te besturen, en de eindelooze en vaak hevige twisten, zoo tusschen de stad Groningen en de Ommelanden, als tusschen de Friesche staatsleden zoo veel mogelijk te bevredigen. Van de laatste mogt hij aangename blijken van dankbaarheid en vereering ontvangen. In weerwil der bezwaren, waaronder de provincie gebukt ging, vereerden zij hem in 1598 eene som van 36,000 Gld., en toen hij in 1607 eene reis naar Duitschland wilde doen, deden zij hun verlof daartoe met een geschenk van 5000 Gld. vergezeld gaan. Bij het sluiten van het twaalfjarig bestand, in 1609, aan het hoofd der gemagtigden geplaatst, bleek vooral zijn »diepsinnich verstand” in de vereffening der strijdige belangen, en bepaalden de Friesche Staten, »tot erkentenis, belooning en vergoeding voor de groote diensten, door het Huis van Nassau aan dezen Staat bewezen,” dat zijn politiek traktement verdubbeld- en zijn militair traktement tot 36,000 Gld. ’s jaars verhoogd zou worden[151]. Hij beminde de letteren, moedigde het beoefenen van de wetenschappen aan, zorgde dat ieder tevreden kon zijn[211] over de regering, en was, ook door gematigdheid in de toenmalige twisten over geloofszaken, voor allen een voorbeeld ter navolging: want ofschoon de zelfde partij als Prins maurits toegedaan, had hij toch den moed, diens sterke maatregelen af te keuren, hem tot zachtheid en gematigdheid te raden en hem te waarschuwen voor de schromelijke gevolgen, welke de gansche wereld hem alléén zou wijten. Zijne verdiensten als staatsman werden geëvenaard door die als krijgsman, en men vindt zelfs tot zijn lof verhaald, dat hij de nieuwe krijgskunde het eerst in gebruik heeft gebragt, welke maurits vervolgens op zijn voorbeeld tot grootere volmaaktheid verhief[152]. Groot was dus de rouw in gansch Friesland en de omgelegen gewesten, toen die edele Stadhouder in 1620 hun in 60jarigen ouderdom ontviel, nadat hij deze provincie 36 jaren lang met zoo veel wijsheid had bestuurd. Door het bezorgen van eene prachtige uitvaart of lijkstatie en het stichten van eene kostbare marmeren Graftombe in het koor der Groote Kerk te Leeuwarden, trachtten de Friesche Staten de nagedachtenis te huldigen van den voortreffelijken vorst, aan wien men zich ten hoogste verpligt gevoelde[153].


Zijn jongere broeder, Graaf ernst casimir van Nassau, volgde hem op. Deze, op reizen door Duitschland,[212] Frankrijk en Zwitserland in letteren en kunsten geoefend, had reeds 25 jaren lang onder hem en maurits dezen staat gediend, en mogt, vooral door zijn beleid en moed vóór den slag bij Nieuwpoort, grooten lof behalen. Hij was nu tot Veldmaarschalk van der Staten leger en Luit.-Gouverneur van Gelderland en Utrecht opgeklommen, hoewel het geluk hem doorgaans minder begunstigde dan zijn moed het verdiende. Den 3 Augustus 1620 werd hij door de Staten van Friesland tot Stadhouder en Kapitein-Generaal aangesteld, hoewel Groningen en Drenthe Prins maurits kozen en eerst na den dood van dezen, in 1625, hem deze waardigheid opdroegen. In alles betoonde hij zich een broeder waardig, die hem deze landen in vrede en voorspoed had achtergelaten, en hij spaarde geene zorg om hunne belangen te bevorderen. In het staatkundige genoot hij groot vertrouwen, zoodat de Algemeene Staten hem meermalen aanzienlijke gezantschappen en zendingen opdroegen. In den krijg stond hij maurits en frederik hendrik verder als steun en raadsman ter zijde, en werden hem belangrijke togten ter verdrijving van den vijand toevertrouwd. Even als zoo vele leden van zijn geslacht, stierf ook hij op het bed van eer, in de dienst van het vaderland ter verkrijging der onafhankelijkheid. Bij het bezigtigen van Roermonds loopgraven, voor welke vesting hij in 1632 het beleg had geslagen, ontving hij een schot; en sneuvelde »Frieslands uitmuntende Stadhouder, de dappere en minzame ernst casimir, uitstekend geacht om zijne dapperheid en gedrag, tot groote droeffenisse van alle goede Patriotten ende mercklycke verachteringhe van de gemeene sake; hetwelcke een beclaeghelycke doodt voor de Geunieerde Landen ende den Prince was, also hy de oudste ende meest ervarendste overste was, die alle syne dinghen met een groot beleydt ende couragie,[213] tot welstandt van de landen uytgevoert hadde”[154].

Ook hij mogt van de Staten van Friesland vele bewijzen van vertrouwen en vereering ontvangen, waarvan in 1627 een geschenk van 1500 en in 1630 van 50,000 Gld. getuigden; terwijl hem kort voor zijn dood de erfopvolging van zijn zoon toegezegd was en zijner weduwe een pensioen van 4,000 Gld. werd toegelegd. Bij uitstek talrijk en prachtig was de lijkstoet, welke zijn stoffelijk deel ten grave geleide[155].


Ver van het tooneel des oorlogs verwijderd en bestendig het genot van den voorspoed smakende, verkeerde deze provincie in een bloeijenden toestand, toen de jeugdige hendrik casimir I in December 1632 zijn voortreffelijken vader in de regering opvolgde. Rustig was zijne regering niet, wegens het duurzaam blaken der verschillen tusschen de staatsleden, welke zelfs aanleiding gaven tot oproerige bewegingen onder het volk. Om deze te bedwingen, zonden de Algemeene Staten bij herhaling gezanten en krijgsvolk herwaarts; doch de voorzigtige Stadhouder wist zijn invloed met veel beleid aan te wenden, om het inrukken van die troepen binnen Leeuwarden, als strijdig met de regten en de hoogheid van dit gewest, te beletten, en niet minder, om de verstoorde rust te herstellen en de twistende partijen vooreerst te[214] bevredigen. Groote diensten heeft hij daarin dit gewest bewezen. Doch ook als krijgsman had hij zich der belangen van het vaderland gewijd, en vond Prins frederik hendrik in hem een dapperen steun, aan wien hij belangrijke togten toevertrouwde. In 1637 en volgende jaren behaalde hij, aan het hoofd van het zoogenaamde vliegende leger, op de frontieren van Rijn, Maas en Waal vele voordeelen op de Spanjaarden, waarbij hij zich »met sonderlinge sorghvuldicheyt en vigilantie kweet,” en om zijne goede zorg en orde, evenzeer als om zijne bescherming van de weerlooze ingezetenen tegen den vijand geprezen werd. Doch ook hij bragt zijn leven dat vaderland ten offer, als de negende der Nassausche helden, die in dezen krijg voor de goede zaak het leven lieten. Op den togt in Vlaanderen, niet ver van Hulst eene schans aanvallende, waarbij de zijnen, uit »een sonderlinghe ghenegentheydt, die sij hem toedroegen, als Leeuwen vochten,” werd hij in den rug geschoten, waaraan hij den 2 Julij 1640 stierf, »tot hertelijcke droefheydt van ’t gantsche Leger, van den Prince, die grote hope op hem hadde, en oock van de vyandt, by wien hy in aensien ende grote estime waer.” Zelfs zou een vijandelijk hoofd-officier dien dag hebben gezegd: »de braveste Cavalier van Nederlandt is gebleven.” Uitbundig is de lof, welken tijdgenooten dezen jeugdigen held, die slechts 29 jaren mogt bereiken, toezwaaijen. De Friezen, die zijne godsdienstige braafheid en voortreffelijke eigenschappen hoogelijk vereerden, betreurden algemeen zijnen dood, en vergezelden vol rouw zijne plegtige uitvaart, waartoe de Staten eene som van niet minder dan 12,000 Gld. bestemden[156].


[215]’t Was inderdaad een groot voorregt van Friesland, dat het zijn belang aldus had verbonden aan een Vorstelijk Huis, hetwelk bij opvolging waardige leden telde, in staat, om, bij het immer voortduren van den oorlog, te voldoen aan de eischen der Staten, die aan het hoofd der uitvoerende magt een man wilden bezitten, in wien zich de hoedanigheden vereenigden van »eenen aensienlycken, gequalificeerden ende vertrouden Persone, van cloeckheyt, dapperheyt ende goede ervarentheyt in materie van State ende Crychshandel”[157]. Die zeldzaam bestendig vereenigde gaven waren het deel der leden van dezen tak uit het beroemde stamhuis van Nassau, die ook hun belang aan dat van Friesland hadden verbonden, en zich bij die verbindtenis even gelukkig gevoelden als de Friezen, die immer met dankbaar vaderlandsch gevoel hebben erkend, dat al hunne de Stadhouders uit dit doorluchtig geslacht, als staatsmannen en helden het vaderland tot nut en roem, en als menschen en christenen, door vereeniging van bekwaamheid met braafheid, den landzaat ten voorbeelde en der menschheid tot eere gestrekt hebben. Dit zegt veel, doch de geschiedenis zou dit in meerdere bijzonderheden kunnen vermelden, dan ons vergund is hier mede te deelen. Wie toch overtuigd is van den invloed, welke de zin, de zeden en geestrigting van regenten op een volk uitoefenen, die schat het voorregt hoog en acht dien invloed weldadig voor de zedelijke ontwikkeling van alle standen, wanneer die regenten om hunne bekwaamheden evenzeer geacht, als om hun karakter en gezindheden alom geëerd en bemind worden. En al mogen deze niet altijd, gelijk wapenfeiten, schitteren,—zij verspreiden een weldadigen gloed van liefde en[216] verknochtheid, welke die geslachten overleeft in eene eervolle en zegenende nagedachtenis. Zóó herdenken wij, Friezen, de Stadhouders uit het Huis van Nassau, de stamvaders van het thans regerende Koninklijk geslacht. Op allen passen wij den wensch toe, dien de dichter da costa omtrent willem lodewijk uitte:

Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte,
O Neêrland! in de dienst, tot uw behoud verricht!
Gij, Friesland, ’t allereerst, met Groningen, met Drenthe,
Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verpligt.
Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven,
Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed!
Gy, uit zyn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven,
o Koning, op wiens keus meer dan Europa let![158]

Ook nu, in 1640, na het smartelijk verlies van Graaf hendrik casimir, kon dat Huis die breuke heelen. In zijn broeder, Graaf willem frederik van Nassau, die, van gelijken aard en inborst, eene gelijke opleiding had genoten, vond het een Stadhouder, die dadelijk de afgebrokene taak kon opvatten. Wel vielen Groningen en Drenthe hem af, door zich Prins frederik hendrik te kiezen, doch de Friesche Staten aarzelden niet, hem den 23 Julij 1640 eenparig tot hun Stadhouder en Kapitein-Generaal aan te stellen, welke betrekkingen hem eerst tien jaren later mede door de twee genoemde naburige provinciën werden opgedragen[159]. En dat ook[217] hij door zijn beminnelijk karakter, krijgsdeugden en staatkundige bekwaamheden zich de hoogachting en erkentenis der Staten wist te verwerven, bleek mede daaruit dat zij hem in 1650 en op nieuw in 1661 een geschenk van 50,000 Gld. vereerden, en in 1651 hunne ingenomenheid met zijn huwelijk met Prinses albertine agnes van Oranje, de dochter van frederik hendrik, aan den dag legden, door haar, tot Kind of Dochter van Staat aangenomen, den Stadhouder tot Gemalin over te dragen en een geschenk van eene tonne gouds aan te bieden[160].


Intusschen was, met Gods hulpe, de tachtigjarige oorlog geëindigd door den Vrede, te Munster in 1648 gesloten; een vrede, waarbij eindelijk door Spanje de onafhankelijkheid der Nederlandsche gewesten erkend- en een perk gesteld werd aan de bloedige oorlogen en verbazende geldelijke opofferingen, welke Nederland uit zich zelf niet had kunnen bestrijden, als de Almagtige het niet gesteund- en als het zelf geen gebruik gemaakt had van zijne gunstige ligging voor koophandel en zeevaart, door zich in Oost- en West-Indië buitengewone[218] bronnen van nijverheid en voorspoed te openen. Die vrede en vrijheid, welke zoo groote opofferingen vergold en het bezit dier bronnen van welvaart bekrachtigde, had eene onbedenkelijke waarde voor het volksbestaan der Nederlanders. In Friesland, dat bij dit verbond was vertegenwoordigd door frans van donia, wonende op Hinnema-state te Jelsum, was de vreugde over deze bevestiging van den Staat groot en algemeen. Daarom wilden ook ’s lands Staten, dat zij op eene plegtige en luisterrijke wijze werd afgekondigd. Tot dat einde werd er tegen de Stads-Waag te Leeuwarden een rijk versierde Triumfboog opgerigt, vóór welke op den 26 Mei 1648 de afkondiging plaats had[161]. Bovendien werd er een Monument van deze gebeurtenis tegen den gevel van het Landshuis opgerigt[162].

Bij den terugblik op het behandelde gedeelte van dit tijdvak, moeten wij erkennen, uit de laatste tijden weinige bijzonderheden van het volksleven der Friezen te hebben medegedeeld. Dit is zeer natuurlijk. Friesland genoot sedert de overgave van Groningen in 1594 het voorregt, om, van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich rustig aan zijne eigene en in de onveilige oorlogstijden veel verwaarloosde belangen te kunnen toewijden. Met wakkerheid legde het volk zich op de verbetering van landbouw en veeteelt, op de uitbreiding van handel, fabrijken en handwerken toe. De steden rezen in bloei en vermogen, werden verfraaid en vergroot en met aanzienlijke gebouwen en nuttige inrigtingen verrijkt[163].[219] Op het land verspreidde de ontwikkeling der bronnen van volksbestaan eene welvaart, welke de vergrooting der buurten van vele dorpen ten gevolge had; terwijl edelen en eigenerfden daarbij op hunne bezittingen zoo vele staten en landhuizen, ja soms kostbare kasteelen bouwden of herbouwden, dat het groote getal van derzelver namen op de kaarten der grietenijen nog onze verwondering verdient[164]. Met den Staat werd tevens de burgerlijke toestand der ingezetenen gevestigd, en eene maatschappelijke inrigting geregeld, welke zeer lang onveranderd bleef bestaan.

Die voorspoed, welke zich in alle standen verspreidde, had echter ook zijne schaduwzijde: want, zegt een geschiedschrijver dier dagen, »neffens dese verbeteringhe van het Landt, nam oock die hovaerdye ende pracht in Klederen, Huysraet, Bancquetten en alle kostelheyt ergerlijcke overhant, ’t welck al te langhe waere in ’t kleyne te verhalen”[165]. Uitsluitende zorg voor enkel stoffelijke belangen, welke alléén geld en voordeel najaagde, stond de ontwikkeling van den geest steeds in den weg; en terwijl de geleerden, vooral op ’s lands Hoogeschool te Franeker, met groote schreden vorderden op den weg der wetenschappen, hield de zedelijke, godsdienstige en letterkundige vooruitgang des volks geen gelijken tred met den stoffelijken voorspoed. Bovendien, sedert de Dordsche Synode in 1618 eenmaal had bepaald, wat de Hervormde Kerk voor christelijke waarheid te houden had, scheen men bevrediging te vinden in koude leerstellingen, die den warmen gloed van de godsdienst der liefde verdrongen hadden. Bij al den voorspoed betoonde men ook weinig[220] behoefte aan godsdienst, terwijl men zijne staatkundige regten met des te meer ijver deed gelden. Vandaar, dat er nog eene andere oorzaak was, die nadeelig werkte op de zedelijke zoowel als de burgerlijke belangen.

Vermits het regt tot stemming van bestuurders en staatsleden alléén gegrond was op het bezit van vaste goederen, was de zucht om meer bezittingen te verwerven, ten einde meer magt en invloed op het staatsbestuur te bekomen, evenzeer toegenomen als de zucht naar hoogheid en eere, en om zelf tot ambten en waardigheden te geraken.

Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan,
Om naar ’t voordeeligst Ambt te streven en te staan:
En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven,
Doolt verre van den weg om met vermaak te leven.
Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat,
Om Friesland nut te zijn, én door beleid én raad.
Die magtig is in geld, in goedren overvloedig,
Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!
Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak.
Maar in een Vrij Gewest is ware Vreê te erkennen,
Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennen
Aan ’t denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleen
Geboren is, maar ook ten nutte van ’t Gemeen;
Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen,
Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen.
Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed,
Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed.
De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralen
Dáár van den hoogen trans, van haren hemel dalen[166].

[221]Voorzeker was het niet vreemd, dat zulk eene rigting, welke alle lessen der godsdienst tot vrede en zachtmoedigheid versmaadde, aanleiding gaf tot oneindige kuiperijen en partijschappen, welke de rust van den Staat bestendig in gevaar stelden en de uitvoering van gewigtige verbeteringen beletten. Een tijdgenoot (de Raadsheer van den sande, 208) getuigt deswege: »van die twist, oneenicheydt ende factien is de eenighste oorsake geweest, de overgroote ende ongheregelde ampt ende regieringhsucht, waerdoor voorgaende goede wetten, Lands-ordinantien ende resolutien zijn ontbonden, veracht ende met voeten ghetreeden, waerom goede Patriotten vreesden, dat uyt dusdanige ongebondenheyt eyndelijck eene nieuwe combustie, oock wel eene totale ruyne hares Vaderlandts ontstaen mochte.” Ja, schotanus noemt »de vervloeckte staet-sucht een oude plage,” gelijk ubbo emmius »een grasseerende pest van dit Landt”; terwijl het tafereel, dat de eerste van den zedelijken toestand des volks, in het midden der 17e eeuw, ophangt[167], ons met bedroeving vervult, en weder een bewijs levert, dat de voorspoed (die proefsteen onzer zedelijke waarde), schoon een zegen des Allerhoogsten, door misbruik veelal meer verderfelijk is voor de waarachtige belangen eens volks, dan tegenspoed en lijden, welke veelal verkeerdelijk voor rampen, kastijdingen en plagen Gods worden gehouden.

Evenmin als van de vroegere partijschappen der Schieringers en Vetkoopers, zullen wij nu een uitvoerig verhaal geven van deze Staatstwisten, welke vaak met gelijke hevigheid, doch onder andere omstandigheden en in[222] eenigzins meer beschaafde vormen gevoerd werden als die vroegere. Omtrent al de twisten van karel roorda tegen Graaf willem lodewijk, de verschillen over de opbrengst van Frieslands aandeel (quota) in de algemeene lasten en het inwilligen van de impositiën en generale middelen, allen reeds in 1593 aangevangen, later voortgezet en tot 1640 met hevigheid gevoerd, zoodat de Algemeene Staten bij herhaling afgezanten en krijgsvolk naar Friesland moesten afzenden tot herstel van de rust en het innen van de schattingen,—omtrent dit alles kunnen wij hier in geene bijzonderheden treden[168]. Van meer duurzaam belang hebben wij het geacht, hierop te laten volgen een overzigt van den Regeringsvorm of het Staatsbestuur van Friesland in dit tijdperk, dewijl deze met die gebeurtenissen in naauw verband stond en sommige onzer tegenwoordige instellingen daarvan nog uitvloeisels zijn. Tevens kan dit strekken tot verklaring van vele punten, welke bij de behandeling van de Geschiedenis vermeld worden.


[134] winsemius, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk in 1579 had men in Friesland voor 3000 voetknechten, 200 ruiters, 200 pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in de maand noodig. Charterb. IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen te wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid!

[135] Winsemius, 689, 697; Charterboek IV, 241.

[136] Charterboek, IV 235; stellingwerff, Politycq Discours, 32.

[137] Zie het uitvoerig verhaal deswege in van reyd, Nederl. Oorlogen, 61, en winsemius, 689, 714 env., benevens de verdere ontwikkeling hiervan in de eerste Aanteekening achter het 2e deel mijner Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, 407 en de daar aangehaalde schrijvers.

[138] Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie te Franeker, en niet te Leeuwarden, opgerigt.

[139] Winsemius, 713; schotanus, 915.

[140] Winsemius, 705, 765, 833, 836; van reyd, 64, 152, 206. Bovendien werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 à 40 soldaten uit het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland. In andere kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten.

[141] Winsemius, 743 env.; v. reyd, 54; Charterb. IV 301, 530.

[142] Van reyd, 30, 61; winsemius, 703; Charterboek, IV 425; bosscha, Heldendaden, I 262, 267.

[143] Winsemius, 752, 757; van reyd, 64; Charterb. IV 512. Bekend is het, dat de Friezen hem veelal uws heit noemden.

[144] Winsemius, 710, 747, 752, 758; schotanus, Beschrijv. 140.

[145] Winsemius 772; van vervou, Gedenckw. Geschiedenissen, 32; van reyd, 68; van den sande, 16; van leeuwen, Kronyk, 199.

[146] Van reyd, 135; van den sande, 18.

[147] Winsemius, 805, 810, 814; van reyd, 176-198; van leeuwen, Kronyk, 202; bosscha, Heldendaden, I 303, 309.

[148] Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis, berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder; „nochtans uyt beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde hij Prins maurits die eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe liefde ende eenicheydt tusschen dese twee gheweest is,” zegt van reyd, 234.

[149] Zie winsemius, 816-822; Charterboek, IV 883; van reyd, 231-241, 253; v. d. sande, 22; bosscha, Heldendaden, I 319; wagenaar, VIII 368; wichers, Tractaat van de Reductie der Stadt Groningen, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel is vervat in de Geschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van Groningen, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt, gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw te Groningen in Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische waarde zal bezitten.

[150] Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel van edzart van grovestins, die voorkomt in het Stamboek, I 133, II 83 en in het Leven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van Nassau, Amst. 1651, 196; terwijl hij bedoeld zal zijn met de woorden: Hy krigge de Amerant mey finzen, in gysbert’s vers: Egge, Wynering in Goadsfrjuen, bl. 69. De reden, waarom aan dit feit en dezen aanzienlijken gevangene, later voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd, immer zoo hooge waarde is gehecht, verklaart de dichter h. a. meijer in eene Aant. op zijn Heemskerk, 208 aldus: „Het gevangennemen van den Admirant van Arragon, Francisco de Mendoça en andere aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van Nieuwpoort, had eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge, waardoor vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de Spaansche kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden.” Zie ook bosscha, Heldendaden, I 334, 336, 355, 391. Onder de Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in deze en de volgende strijden het leven lieten, worden met eere vermeld: douwe en frederik van grovestins, julius van eijsinga, quiryn de blau, hans van oostheim, hans de vries, michiel haghe, willem willemsz. enz.

[151] van reyd, 329; Regist. Staats-res. 511; Chart. V 134, 159.

[152] Wagenaar, V. H. X 408; bosscha, Heldend. I 274 env.

[153] Van den sande, 20, 87; wins. 902; schot. 861, 891; Tegenw. Staat, IV 39, 74; foeke sjoerds, Beschrijv. II 137, 184; scheltema, Staatk. Ned. II 482; v. kampen, Gesch. I 489; Karakterk. I 491; Levens v. ber. Ned. II 1; van heusde, Diatr. in Guil. Lud. vit. etc.; baudartius, Nass. Oorl. 459; Schuit- en Jagtpraatjes, II 35, 37, 87; aitzema, Saken van Staet en Oorlogh, 4o. I 3, 16; kluit, Hist. der Holl. Staatreg. III 499; Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden, II 2, 49, 95, 296, 427.

[154] de la pise, 893; v. d. sande, 87, 163; wins. 884, 902, 909; Charterb. V 259. Zie verder over hem ook de meeste der hier vóór aangehaalde schrijvers. vondel vereerde hem met eene Lijckklacht, Poëzij, 456; g. corvinus hield in 1637 te Herborn op hem eene Lijkrede.

[155] Zie Regist. op de Staats-resol. 512. Het eenig bekende, rijk uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr. h. b. van sminia te Bergum.

[156] Chart. V 341, 355; v. d. sande, 173, 199, 212, 215 en vooral 217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers en van leeuwen’s Aantt. op it aade Friesche Terp, 453 env.

[157] Charterboek, V 259.

[158] Zangen uit verscheidenen leeftijd, 1847, 110. Vele berigten omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in de Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env. Ruime stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen.

[159] Charterboek, V 458; wagenaar, Vad. Hist. XII 131.

[160] Register op de Staats-resol. 343, 513, 587. Vandaar (dat wij dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo vele bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap, zoowel op de vermaarde Groote Vergadering van 1651, als in 1654 bij het stemmen over de acte van uitsluiting in de Staten-Generaal. Tegen de heerschzuchtige bedoelingen van Holland en andere gewesten, die het Stadhouderschap geheel schenen te willen vernietigen, protesteerden de Friesche Afgevaardigden ten sterkste, als eene schending van de Unie, als een maatregel tegen het belang des lands, en vooral als eene beleedigende ondankbaarheid jegens het Huis van Oranje, hetwelk zoo veel goeds verrigt had voor het vaderland. Zie aitzema, fo. III 542, 815, 826; kok, Vaderl. Woordenboek, 16e dl. 603 en het Register b. v. 587.

[161] Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde, afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst der Twaalf Gezigten op en in Leeuwarden, 1850, bl. 15.

[162] Zie Tegenw. Staat, II 70 en Geschiedk. Beschrijv. II 16.

[163] Ten aanzien van Leeuwarden zie men daarvan veelvuldige bewijzen in de Geschiedkundige Beschrijving, II 4-77.

[164] Van honderden dier gebouwen heb ik in mijn Frisia Illustrata, of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld.

[165] Van reyd, 351; de koning, Voorvad. Levenswijze, 200.

[166] Willem van haren, Lof der Vrede, ’s Hage 1742, 53, 59, 61.

[167] Aan het slot der Voorrede van zijne Beschrijv. end Chronijck van 1655. Zie ook halbertsma, Letterk. Naoogst, I 147, 150; starter’s en fonteyne’s Politycke Kuiper, 1621, 1647; baardt, Deugden Spoor, 1645, gysbert en meerdere geschriften van dien tijd.

[168] Wij hebben daarvan in Aanteek. 21 de bronnen medegedeeld voor ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder belang mogt stellen.


36. De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de Republiek.

De Staten.

De Souvereiniteit of de Oppermagt des lands werd sedert 1580 in Friesland uitgeoefend door de Staten, als gevolmagtigden, bij vrije keuze, van de bezitters van zoodanige vaste goederen, waaraan van ouds het stemregt was verknocht[169].

[223]In Januarij van elk jaar werden door deze laatste in iedere Grietenij twee personen, waarvan de eene een Edelman en de andere een Eigenerfde of bezitter van eene stemhebbende plaats of zathe moest zijn, gestemd en als Volmagten ten Landsdage afgevaardigd; terwijl de Regeringen der Steden, uit Magistraat en Vroedschap bestaande, uit ieder dezer leden een Gecommitteerde benoemden.

Het getal leden, dat den grooten Landsdag uitmaakte, bestond alzoo uit 82, waarvan ieder kwartier in eene afzonderlijke Kamer zitting nam, hebbende Oostergoo 22, Westergoo 18, Zevenwouden 20 en de Steden 22 leden. Die zittingen werden gehouden in het Landshuis, naast de Canselarij, te Leeuwarden. De gewone of groote Landsdag, die niet langer dan zes weken mogt duren, werd altijd geopend op den eersten Donderdag in Februarij, welke dag den naam droeg van den Propositiedag: want, nadat dan alle Volmagten der vier kwartieren in de Kamer van Oostergoo bijeengekomen waren, begaf de Stadhouder (zoo hij zich in Leeuwarden bevond) zich aan het hoofd van Gedeputeerde Staten, met groote plegtigheid, van het Collegie naar het Landshuis, in de vergadering. Deze werd dan door den Secretaris van Gedeputeerden geopend met eene aanspraak, bevattende een overzigt van de omstandigheden des tijds en van de voornaamste punten, welke aan de beraadslaging der Staten zouden worden onderworpen, waarna hij de balans van de provinciale kas overleidde. Vervolgens deed een der Leeuwarder Predikanten (die daartoe beurtelings verkozen werden en hiervoor een geschenk ontvingen van 50 Gld., gelijk genoemde Secretaris van 500 Gld.) met opene deuren een gebed, tot afsmeeking van Gods zegen over de verrigtingen van den Landsdag, welke laatste plegtigheid altijd door eene talrijke menigte werd bijgewoond.

[224]Er was nog een vijfde Kamer aan deze vergadering verbonden, het Mindergetal genaamd, bestaande uit 8 personen, twee uit ieder kwartier, met den Stadhouder als Voorzitter. Ten einde de beraadslagingen van het groot getal Staten te vereenvoudigen, werden alle zaken, welke de Landsdag moest behandelen, vooraf in deze Kamer gebragt en onderzocht. Daarna gingen de twee leden van ieder kwartier, met het advies van het Mindergetal, naar hunne vergaderde Kamer, wier beslissing zij terugbragten in het Mindergetal, dat den uitslag der stemming, bij kwartieren, en daarnaar de Resolutiën der Staten opmaakte. Bij staking had de Stadhouder het voorregt der beslissing. Aan deze gewigtige vaste commissie was een Secretaris van Staat toegevoegd, tot welk hoogst belangrijk ambt steeds de bekwaamste personen werden gekozen.

Aan deze Staten was, als de hoogste Overheid van den lande, de besturende en wetgevende magt toevertrouwd, en werden de belangen der provincie op zich zelve en in betrekking tot de Generaliteit, of het verbond met de overige provinciën, door hen behartigd en al de regten der oppermagt uitgeoefend, behoudens de fondamenteele beginselen van regering (zoo als men het noemde), welke ook zij verpligt waren te eerbiedigen. Op ingekomen zaken van gewigt of die geen uitstel leden, werd er somtijds een Buitengewone Landsdag uitgeschreven, waarop echter geene andere zaken mogten behandeld worden dan die waren opgegeven door

De Gedeputeerde Staten.

Aan dit aanzienlijk Collegie, uit en door de Staten voor drie jaren benoemd, was de uitvoering van de Staatsbesluiten, het dagelijksch bestuur van de provincie, de zorg voor ’s lands veiligheid, het toezigt over den waterstaat en veelvuldige bijzondere bemoeijingen betrekkelijk[225] de policie, het krijgswezen, de geldmiddelen, de godsdienst, het onderwijs enz. opgedragen. Het bestond uit 9 leden, waarvan ieder der Gooën 2 en de Steden 3 verkozen, benevens een Secretaris.—Een Advokaat en Fiscaal, belast met de verdediging der provinciale belangen, was daaraan toegevoegd. Wekelijks hield het zijne vergaderingen op het Statenhuis of Collegie, thans het Gouvernements-gebouw, te Leeuwarden[170].

De Stadhouder.

Het doorluchtig hoofd van den Staat, dat de luister der Oppermagt van de Staten bestendig vertoonde en waarnam, was de Stadhouder. Dit ambt en dezen naam, eigenlijk Stedehouder (Lieutenant) of Plaatsbekleeder van een afwezigen Vorst of Heer, had men gewijzigd overgenomen van de Spaansche Regering. Want hoewel de volksregering een uitvloeisel was der verkregene vrijheid, deed de veelheid der hoofden en zinnen en nog meer het belang van het krijgswezen de behoefte gevoelen aan een luisterrijk hoofd, dat, door den Souverein bekleed met magt en met de zorg voor de algemeene belangen belast, als het ware in het midden stond tusschen dien Souverein en het Volk. Van velen nam men dus raad in, omdat één mensch niet ligt alles ziet, doch de uitvoering werd overgelaten aan één persoon: want in eenheid is kracht. Zelf achtten de Staten het noodzakelijk, »dat eene veelhoofdige regering getemperd werd door een schijn of schaduw van Monarchie”[171].

[226]De Stadhouder deelde deze magt met Gedeputeerde Staten, aan wier hoofd hij als Voorzitter was geplaatst; terwijl hem tevens het oppergebied over het krijgsvolk en het beleid van den oorlog te land en te water was opgedragen, in de waardigheid van Kapitein- en Admiraal-Generaal, welke aan het Stadhouderschap was verbonden. Met betrekking tot de Generaliteit had hij zitting in den Raad van State te ’s Gravenhage. Voorts kon hij zitting nemen in het Hof van Justitie en in de Rekenkamer. Hem was de jaarlijksche aanstelling van de Magistraats-personen in de steden en de beslissing van hunne geschillen opgedragen, terwijl het kwartier der steden hem mede de begeving van de omgaande Provinciale ambten had toevertrouwd[172]. Bovendien waren er, in verschillende tijden, meerdere regten en waardigheden aan dit hoog aanzienlijk ambt verbonden. In de hoofdzaak kwam het ambt des Stadhouders hierop neder: in het beschermen van de provincie tegen binnen- en buitenlandsch geweld; in het toezigt op het krijgswezen en in de zorg voor een goed en vaardig bestuur van de provinciale zaken met Gedeputeerde Staten.

Friesland had het geluk, dat deze betrekking sedert 1584 op eene waardige wijze werd vervuld door acht elkander opvolgende Vorsten uit het Huis van Nassau, aan wier geslacht het gansche vaderland, sedert den vrijheids-oorlog, zoo veel verpligting had, en waaruit de tegenwoordige Koninklijke familie in eene regte lijn afstamt. De deugden en bekwaamheden van hen en hunne[227] gemalinnen, die soms, bij minderjarigheid des opvolgers, de teugels van het bewind opvatten, leven nog voort in eene eervolle nagedachtenis. Hun zetel, het Stadhouderlijk Hof, thans het Koninklijk Paleis, te Leeuwarden, dat nog hunne afbeeldsels (gelijk de Groote Kerk hun stoffelijk overschot) bewaart, moge, even als de door hen aangelegde Prinsentuin aldaar, die herinnering duurzaam levendig houden[173].

Het Hof Provinciaal.

De Hertogen van Saksen hadden in 1499 een Provincialen Raad te Franeker en in 1504 een Geregtshof te Leeuwarden ingesteld en de Saksische Ordonnantie uitgevaardigd, waarbij de Keizerlijke regten met behoud van sommige lands gewoonten in Friesland ingevoerd-, en bepalingen ter handhaving van het burgerlijk en regterlijk bestuur vastgesteld werden. In 1571 had dit Hof een grootsch gebouw, de Canselarij, tot zetel betrokken; doch bij de omwenteling van 1580 werd aan dat Hof alle bewind in de zaken der burgerlijke regering of het bestuur des lands onttrokken. Sedert dien tijd was alleen het beleid der civile en criminele Justitie, of de hoogste regtsmagt en uitspraak in burgerlijke geschillen en omtrent strafbare daden, aan dit Hof opgedragen. De eerste, ook wanneer men zich van de Nedergeregten bij appèl beriep op de uitspraak van het Hof, waarvan[228] geen beroep op eenig hooger geregtshof kon geschieden. In 1602 werd door de Staten van Friesland de Lands Ordonnantie uitgevaardigd, welke, herzien en aangevuld in 1723, nevens het Romeinsche regt, als Hoofdwetboek het rigtsnoer bleef van eene Regtbank, die, door krachtbetoon en strikte regtvaardigheid, den meesten eerbied en het hoogste ontzag mogt verwerven. Groot was dit voorregt, dat Friesland genoot boven andere provinciën, wier regtsmagt lang en vaak zeer willekeurig door Jonkers, Heeren, Drosten enz. op grond van oude kostumen en landregten werd uitgeoefend.

Dit Hof van Justitie dan bestond uit 12 Raadsheeren, welke de Stadhouder uit eene nominatie van ieder der vier kwartieren koos, benevens een Procureur-Generaal en Griffier, ieder met een Substituut of hulp; alsmede een Rollarius, een Ontvanger der Canselarij-geregtigheden, een Sportelmaander, zes Deurwaarders, acht Boden enz. Dagelijks hield het Hof twee zittingen in de Canselarij, waar boven het eene Bibliotheek bezat, waarin de beste werken over de regtsgeleerdheid en aanverwante vakken waren opgenomen. Het Blokhuis werd als huis van arrest voor nog niet veroordeelde gevangenen—het Landschaps Tucht- of Werkhuis, na 1661 als strafgevangenis gebezigd. Het Hof ontleende zijn aanzien voor een groot deel van de voortreffelijke geleerden uit den aanzienlijksten stand, welke gedurende drie eeuwen daarin als Raadsheeren zitting hadden[174].

[229]

De Rekenkamer

bestond uit vier Rekenmeesters, uit ieder kwartier een, die gelijktijdig met Gedeputeerden op het Collegie vergaderden. Aan hen was het toezigt over ’s lands penningen, het nagaan van de rekeningen der ontvangers, de zorg voor de zaken der (in 1765 opgehevene) Munt enz. opgedragen. Dit collegie had een Secretaris, een Pensionaris, benevens eene Kamer van Financiën met een Commies-Generaal enz. In het bijzonder had zij het toezigt op

de Lands Kantoren.

Deze en de Provinciale Ontvangers waren vier in getal, naar de wijze van invordering der belastingen; als:

Het Kantoor der Floreenen, of van de opbrengst der Floreenrente uit de vaste goederen (de Landtax), benevens het middel der vijf speciën: het hoofd- en schoorsteengeld, de bezaaide landen, het horengeld en paarden.

Het Kantoor der Consumptiën ontving de gewone middelen of de belastingen op zout, wijn, bier, koffij, thee, zoete waren, laken, klein zegel, havenregten enz.

Het Kantoor der Losse Renten had de ontvang en uitbetaling der geldleeningen en renten, en der opbrengst van de belastingen op het gemaal, beestiaal, turf, brandhout, brandewijn, waagregt, passagie-geld, de equivalenten der ambtenaren, de collaterale successie, de registratie op den verkoop der vaste goederen enz.

Het Kantoor der Lijfrenten was belast met het beheer over, onder dezen naam, door den lande opgenomen gelden, en ontving de reële en personeele heffingen op de huren der vastigheden en aangeteekende kapitalen.

[230]Vroeger was er nog een Kantoor der Domeinen, of van de opbrengst van het Bildt en der kloostergoederen, veenen en landen, der provincie toebehoorende enz. Na het verkoopen van deze vastigheden is dit kantoor in 1766 opgeheven en vereenigd met dat der consumptiën[175].

De Generaliteit.

Uithoofde van Frieslands betrekking tot de Unie of het verbond met de overige zes gewesten, die te zamen den Staat der Zeven Vereenigde Nederlandsche Provinciën uitmaakten, waren er nog verscheidene aanzienlijke betrekkingen, welke daaruit voortvloeiden.

In de Staten-Generaal of de Algemeene Staten der Nederlanden,—die aanzienlijke vergadering van gevolmagtigde afgevaardigden uit iedere Provincie, tot waarneming en handhaving van het gemeen belang der bondgenooten, te ’s Gravenhage gezeteld,—werd Friesland vertegenwoordigd door vier Afgevaardigden, een uit ieder kwartier en somtijds nog een buitengewonen Raad uit dat der Steden. Gewone zaken werden in deze vergadering bij meerderheid van stemmen behandeld; doch tot buitengewone zaken, als: oorlogs-verklaring, werving, geldleening, verbonden met andere mogendheden enz. werd eenparigheid van stemmen en uitdrukkelijke toestemming der Staten van iedere provincie vereischt. Die gevolmagtigden hadden echter geen vrije stem, of magt om naar hun inzigt te handelen, maar moesten zich, vooral in gewigtige zaken, gedragen naar de resolutie, welke[231] de Souvereine Staten hunner provinciën deswege hadden genomen, en telkens met dezen ruggespraak houden, wanneer er iets voorkwam, waartoe zij niet of niet genoeg gelast waren. Zeker was dit zeer voorzigtig gehandeld, doch in belangrijke en spoed vereischende zaken, veroorzaakte deze omslagtige wijze van beraadslaging zoodanige vertraging, dat daaruit dikwijls groote nadeelen en onaangenaamheden ontstonden.

Het aandeel van ieder der provinciën in het dragen van de Generaliteits-lasten was verdeeld in dezer voege. Van de 100 Gulden betaalde:

Gelderland 5  Gld.  12  Stuiv.  13   Penn.
Holland 58 » 6 » 4 14 »
Zeeland 9 » 3 » 8   »
Utrecht 5 » 16 » 7 12 »
Friesland 11 » 13 » 2 34 »
Overijssel 3 » 11 » 5   »
Groningen en Ommelanden  5 » 16 » 7 12 »
  100 » : » : »

Drenthe betaalde 1 boven de 100 Gld. Dat Friesland, in vergelijking van andere landprovinciën, bij deze zoogenaamde Quota verbazend hoog was aangeslagen, valt gereedelijk in het oog, en heeft dan ook aanleiding gegeven, dat deze, buitendien voor eigene behoeften reeds zoo zwaar belaste, provincie zich daar tegen bijna twee eeuwen lang, doch vruchteloos, verzet- en eene billijker verdeeling van de algemeene lasten betoogd en verzocht heeft[176].

[232]In den Raad van State of de duurzame vergadering, welke voor de uitvoering en handhaving van de besluiten, wetten en bevelen der Algemeene Staten zorg droeg, doch later meer bepaald met de zorg voor het krijgswezen en de geldmiddelen der republiek was belast, had Friesland twee van de twaalf leden, en mede twee afgevaardigden in de Generaliteits-Rekenkamer, welke met eene Kamer van Financiën en Muntkamer aan dezen Raad verbonden was.

Het bestuur van de Lands Zeezaken of de Marine was opgedragen aan de Admiraliteit der Vereenigde Nederlanden, in 1586 opgerigt en in 1597 voor vast geregeld. Zij bestond uit vijf Collegiën, waarvan Friesland er een bezat; terwijl deze provincie een afgevaardigde uit Oostergoo zond in het Collegie op de Maas te Rotterdam, een uit Westergoo naar dat van het Noorder-kwartier te Enkhuizen en een uit de Zevenwouden naar dat te Amsterdam gevestigd. Bovendien werd dit gewest in de Oost- zoowel als in de West-Indische Compagnie door een lid vertegenwoordigd.

Keeren wij nu weder terug tot de enkel Provinciale Regerings-collegiën.

Het Collegie ter Admiraliteit

van Friesland, waartoe Groningen mede behoorde, was in 1596 gevestigd te Dokkum, doch in 1645 verplaatst naar het gunstiger gelegene Harlingen. Het bestond uit tien leden, waarvan vier uit Friesland en zes uit de overige provinciën, met den Stadhouder aan het hoofd, en ondersteund door een Raad en Advocaat-Fiscaal, een[233] Secretaris, Ontvanger-Generaal, Equipagemeester, Vendumeester en verscheidene andere ambtenaren. De belangen van het Zeewezen van deze provincie, in verband met die des lands, werden verzorgd door dit aanzienlijk Collegie, hetwelk te Harlingen, behalve een Vergaderhuis, ruime Magazijnen en eene Scheepstimmerwerf bezat. De twee eersten werden in 1771 door een fellen brand in asch gelegd, waarbij ook de Secretarie met al hare archiven, benevens een groote voorraad scheepsbehoeften verloren ging. De laatste, de werf, ontving in 1781 en 1782 eene aanzienlijke vergrooting, zoodat daarop sedert verscheidene oorlogs-fregatten en andere groote schepen, van 24 tot 74 stukken gebouwd werden[177].

De Monster-Commissarissen

waren vier in getal, uit elk kwartier een, en belast met de monstering der compagniën van den Staat, het toezigt op deszelfs vestingen en versterkte plaatsen, zoo in als buiten Nederland, het onderzoek van de krijgsbehoeften enz.[178]

Curatoren van ’s Lands Hoogeschool te Franeker.

Aan vier, uit ieder der kwartieren gekozene, aanzienlijke personen, was de zorg voor het hooger onderwijs en het bestuur van de Akademie opgedragen, overeenkomstig de Resolutiën, door de Staten deswege genomen. Sedert 1653 stond de Stadhouder als eerelid aan het hoofd[234] van dit collegie, dat door een Secretaris werd ondersteund. Door het verordenen van gepaste maatregelen, goede inrigtingen en eene voorzigtige keuze van personen tot Hoogleeraren, hebben deze Curatoren gedurende ruim twee eeuwen veel bijgedragen tot den bloei en roem der Akademie te Franeker, »de kweekschool van groote mannen voor Nederland[179].

Het Jagtgeregt.

Sedert 1591 was een aanzienlijk edelman als Houtvester en Pluimgraaf door de Staten bekleed met de regtsmagt over alle zaken, welke de Jagt, de Visscherij, het wildschieten, het rapen van eijeren enz. betroffen, voor zooverre daarbij lands plakkaten werden overtreden. In 1748 werd echter de Prins Stadhouder aangesteld tot Opper-Houtvester, met magt tot aanstelling van een Luitenant-Houtvester en vier Meester-Knapen, die, met een Secretaris en ’s Lands Fiscaal, een Geregt uitmaakten, waaraan sedert de hoogste regtsmagt ten aanzien van dit onderwerp was opgedragen, volgens het Reglement van den jare 1750.

Het Krijgsgeregt

dezer provincie bestond uit een Geregts-Scholtus met twee Assessoren, een Secretaris, een Advocaat, een Kapitein-Gewaldige met zijn Luitenant en een Gerigts-Weibel of bode en trawanten. Alle misdrijven van het krijgsvolk, zoowel civiel als crimineel, werden door deze regtbank behandeld en ook aan lijf en leven gestraft;[235] de laatste evenwel met overroeping van de bevelhebbers der troepen in deze provincie en met voorkennis des Stadhouders, die, bij doodstraffen, ook het regt van pardon had. De regtdagen of het kamergeregt werden gehouden te Leeuwarden in de Lands Provoost of Gewaldige, achter de Galileër Kerk. Op voorstel van den Prins Stadhouder werd echter, bij Staats-resolutie van 24 Februarij 1775 dit »Provintiaal Krygsgerechte der Friessche en Nassauwsche Regimenten” opgeheven, en vervangen door een Krijgsraad met een Auditeur-Militair, op den voet der andere provinciën. De beroemde geleerde, petrus wierdsma, was de eerste, aan wien laatstgenoemd ambt, gedurende twintig jaren door hem bekleed, werd opgedragen[180].

De Nedergeregten.

Ieder der dertig Grietenijen van Friesland werd bestuurd door een Grietman met twee, drie of meer Bijzitters en een Secretaris. Gedeputeerde Staten (en sedert 1748 de Stadhouder) verkozen den Grietman en deze koos de Bijzitters, beide uit een drietal personen. Voor den eersten werd eene nominatie gemaakt door de meerderheid der dorpen, welke de meeste stemmen hadden van de stemgeregtigde ingezetenen, die voor de laatsten eene nominatie zamenstelden, en verder op gelijke wijze ontvangers, predikanten en onderwijzers stemden. Aan de politieke magt, welke dit Grietenij-bestuur uitoefende, ten aanzien van het belang en de veiligheid der ingezetenen, de uitvoering van de Staatsbesluiten, de zorg voor dijken, wegen, armen enz., was echter toenmaals een juridieke magt, eene mindere of lagere Regtbank, een Nedergeregt[236] verbonden, in vele opzigten overeenkomende met de latere Vrede- of Kantongeregten. Als zoodanig was het, behalve met de bestendige zorg omtrent de nalatenschappen, de minderjarigen, boedelscheidingen, verkoopingen enz., in het bijzonder belast met de regeling van burgerlijke regtszaken en de vervolging van policie-misdrijven. Men kon zich echter van deze uitspraken beroepen op het Hof Provinciaal, hetwelk ten aanzien van strafbare daden of het crimineele alleen de hulp ter opsporing en inlichting genoot van de Nedergeregten, die slechts geringe policie-straffen, als geldboeten, aan de kaak stellen, korte gevangenis enz. konden opleggen. Tot dit einde werd er in elke grietenij wekelijks een regtdag gehouden op de regt- of weerkamer in de hoofdplaats. Een gewigtige steun en hulp tot dat alles vond het gezag toenmaals in de Dorpregters, over één groot of twee kleine dorpen, waartoe meestal de geschiktste ingezetenen, met name de onderwijzers werden gekozen, en aan wie vele kleine zorgen ter bevordering van het beheer, vrede, veiligheid en regt waren opgedragen. Tot deze geregten behoorden verder een Fiscaal, Executeur, Adsistenten enz.[181]

Minder eenparig of gelijkmatig was de regeringsvorm der elf Friesche Steden, welke in 1615, 1637, 1657 en 1786 nieuwe Reglementen van Raadsbestelling ontvingen, waarbij er soms eenige veranderingen in de namen of vormen kwamen; terwijl de verkiezing (door electeurs, uit de burgerij of de breede gemeente en de regeringsleden gekozen en bij herhaling uitgeloot) zeer zamengesteld was, om de onpartijdigheid van de keuze te[237] verzekeren. Zoo bestond te Leeuwarden de regering uit een (jaarlijks ten deele aftredende) Magistraat van 12 en een Vroedschap van 40 leden, welke laatste in 1637 de Gezworene Gemeente had vervangen. De Vroedschappen werden voor hun leven gekozen en daaruit de nominatie van Magistraats-leden opgemaakt. De Magistraat of het regerend ligchaam, dat de Vroedschap in belangrijke zaken tot Raad had, was zamengesteld uit: 4 Burgemeesters, 6 Schepenen en 2 Bouwmeesters of Raadslieden, met een Secretaris, 4 Pensionarissen, 4 Rentmeesters en 20 Bevelhebberen of de Hopman en Vaandrik der Schutterij uit ieder der 10 espels, waarin de stad verdeeld was, en die in sommige gevallen stem hadden in regeringszaken. In andere steden bestond de Magistraat enkel uit 6 of 8 Burgemeesters of met bijvoeging van 2 of 4 Raadslieden, en was het getal Vroedschappen geëvenredigd naar hare grootte. Bij de jaarlijksche aftreding van de Magistraatsleden werd er eene nominatie gemaakt, waaruit de Stadhouder eene keuze deed, evenwel volgens vrijwillige opdragt, eerst van 9 en daarna van alle 11 steden[182]. Behalve het burgerlijk bestuur van de steden was aan deze Magistraten of Burgemeesters ook de uitoefening van de regtsmagt der Nedergeregten opgedragen,[238] op nagenoeg gelijke wijze als dit ten platten lande geschiedde, met geringe wijzigingen naar plaatselijke omstandigheden.

De Dijksgeregten.

In eene provincie, welke lager ligt dan de gewone vloeden der zee, die haar voor het grootste gedeelte en aan alle zijden omringt en bestookt, was voorzeker geene zorg van meer belang dan die voor de zeedijken en sluizen. Veiligheid van personen en rustig bezit van goederen was toch geheel afhankelijk van de deugdzaamheid der middelen tot landverdediging. Met groote moeite en opofferingen hadden de vaderen die bolwerken rondom de kust opgeworpen; doch het kostbaar onderhoud ging steeds met groote bezwaren vergezeld, en tallooze watervloeden, die verschrikkelijke verwoestingen en belangrijke verliezen ten gevolge hadden, deden de Friezen eeuwen lang gevoelen, dat er krachtiger middelen van tegenstand vereischt werden, om meester te blijven van dit fel bestreden erf. Moeijelijk waren deze tot stand te brengen, zoolang ieder dorp der naast aan zee gelegene grietenijen, van ouds met het onderhoud belast, een zeker perk of deel van den algemeenen dijk had te herstellen, uit welke verpligting dikwijls hevige twisten en langdurige verschillen voortvloeiden. Eerst nadat de Kersvloed van 1717 hier op nieuw groote schade en verliezen had te weeg gebragt, kwam daarin verbetering. Want de Staten gelastten niet alleen de beschadigde werken te herstellen, maar ook alle dijken te verzwaren en te verhoogen, op een geregelden en vasten voet, en bovendien, dat in iedere zeedijks-contributie het onderhoud gemeen-gemaakt en aan de onmiddelijke zorg der dijksbesturen overgelaten zou worden. In weerwil van sterken tegenstand, werd bij Staats-resolutiën van 1718 en 1719 bepaald, dat[239] in meestal de dijkspligtige grietenijen of dorpen en steden, waar zulks niet reeds het geval was, de vastigheden voortaan werden bezwaard met een omslag, in verhouding van de hoeveelheid der roeden dijkwerk, die zij vroeger in hun afzonderlijk perk hadden onderhouden. Dat deze krachtige maatregel van gelukkig gevolg was, bleek ook daaruit, dat Friesland tot den jare 1775 van overstroomingen bevrijd bleef.

Bij die gelegenheid werden er ook nadere bepalingen, onder den naam van Dijks-instructiën, gemaakt ten behoeve van sommige contributiën. De voornaamste dezer waren: 1. Kollumerland en Nieuw Kruisland, met Gerkesklooster en Visvliet; 2. Oost-Dongeradeel en der daaraan gelegen polders; 3. West-Dongeradeel en die der Ternaarder- en Holwerder-polders; 4. Ferwerderadeel; 5. het Oud en Nieuw Bildt en die der latere bedijkingen; 6 en 7. de Vijfdeelen, van Dijkshoek tot Makkum, waartoe de grietenijen Franekeradeel, Menaldumadeel, Hennaarderadeel, Baarderadeel en Barradeel met de steden Harlingen en Franeker, benevens zeven noordelijke dorpen van Wonseradeel, behoorden. Deze contributie was in twee deelen gescheiden: in binnen- en buitendijks, waarvan de scheiding was de zoogenaamde Steenenman bij Harlingen; 8. Wonseradeels-Zuiderzeedijken; 9. Hemelumer-Oldephaert c. an.; 10. Wijmbritseradeel met Sneek en Ylst, eene uitgestrektheid dijks in de laatstvorige grietenij uitmakende; 11. Workum; 12. het Workumer-Nieuwland; 13. Hindeloopen; 14. in de Zevenwouden, de Zeven Grietenijen (als: Doniawarstal, Haskerland, Lemsterland, Schoterland, Gaasterland, Ængwirden en Schoterland, benevens Opsterland) met de stad Slooten; 15. de Lindedijken enz.

De Dijksbesturen of geregten, hoewel niet overal gelijk, bestonden veelal uit een Dijkgraaf (op het Bildt[240] Heemraad genaamd), uit twee of meer Dijks-Gedeputeerden en een Secretaris en Ontvanger, benevens Volmagten of Gecommitteerden uit de grietenijen of dorpen en steden, die het bestuur kozen, het oppertoezigt hadden en verantwoording van ontvangsten en uitgaven ontvingen, volgens naauwgezette bepalingen, welke omtrent dit belangrijk onderwerp door de Staten waren voorgeschreven[183].

Het Kerkbestuur.

Sedert de Hervormde leer in Friesland, tot godsdienst van Staat was aangenomen, werden de belangen der Kerk, onder toezigt van den Staat, in elke plaats waargenomen door de Kerkeraden, bestaande uit Predikant, Ouderlingen en Diakenen, en door Kerkvoogden, die met het bestuur van de Kerke- en Pastorie goederen belast waren. De gemeenten, welke, in het laatst der 18e eeuw, 192 in getal waren, bediend door 208 leeraars, waren verdeeld in 6 Klassen, genoemd naar de plaatsen, waar de Klassikale vergaderingen werden gehouden, als: Leeuwarden, Dokkum, Franeker, Sneek, Bolsward en Zevenwouden of Heerenveen. In die vergaderingen hadden zitting al de predikanten, ieder met een ouderling, doch uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de Kerkelijke Wetten van Friesland opgedragen[184]. Ieder klasse vaardigde jaarlijks twee predikanten en twee ouderlingen af ter zamenstelling van de Provinciale Synode,[241] die in elke Pinksterweek plegtig en in het openbaar vergaderde, bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk ook te Harlingen. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen werden de belangen der Friesche Kerk behandeld onder toezigt van twee leden van Gedeputeerde Staten, die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om het evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren. Daarin hadden mede zitting Correspondenten van de andere Provinciale Synoden, naar ieder van welke ook een lid uit deze provincie werd afgevaardigd. De uitvoering van de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van 12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde.

In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten alleen uit de pastorie-goederen genoten en zoo vele dorpen bijeengevoegd of gecombineerd, als noodig was, om hun een genoegzaam onderhoud te verzekeren. Die opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van 300 Gld. aangevuld, als suppletie uit ’s lands kas of uit de opbrengst van de kloostergoederen. Van lieverlede werd die som verhoogd, totdat zij in 1699 tot 450 Gld. gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten gevolge der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van 1744, dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen aan den lande konden overdragen, om genoemde som in haar geheel te kunnen ontvangen. Vervolgens werd bij Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de pastoriegoederen der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar tegen de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks 500 Gld. en de Emeriti 300 Gld. uit te keeren[185].

De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde door den Magistraat uit een drietal, door den[242] Kerkeraad opgemaakt[186]. Ten platten lande hadden de Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste goederen het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer van de kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her, behouden[187].

Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag legde voor het kerkelijke en voor de belangen der Akademie, zoowel ter vorming van waardige predikanten als ter bevordering van de studie der hoogere wetenschappen in het algemeen, vooral ten behoeve van de meest vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige verwaarloozing van het lager onderwijs. Wel waren er in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen gevestigd, welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden, ook uit den burgerstand; wel poogden de Staten in 1774 te Leeuwarden eene Fransche Kostschool op te rigten,—doch het onderwijs op de bijzondere scholen was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder op het land, zeer beklagenswaardig. Een der meest[243] verdienstelijke onderwijzers uit de vorige eeuw, foeke sjoerds te Ooster-Nijkerk, die zich door onderscheidene historische werken beroemd maakte, heeft in een zijner geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat »uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en hun armoedigen staat aan eene algemene veragting was bloot gestelt,” een tafereel opgehangen, hetwelk ons met bedroeving vervult[188]. In weerwil de Staten in 1580 reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden aangewend, was de bezoldiging zoo gering, dat er nog in 1768 weinige dorpen waren, waarin de onderwijzers, boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan 100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus niet toe op de verkrijging van bekwaamheden voor eene betrekking, welke geen genoegzaam onderhoud verschafte, hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de beschaving der maatschappij.—Het voorregt dat onze eeuw door de invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet, leeren wij alzoo door deze vergelijking hoogelijk waarderen.


Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze van Friesland, tusschen de jaren 1580 en 1795. Het geheel was eene staatsinrigting, waarmede de Friezen zelve altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men gaarne veranderd zag, en waarvan vele reeds in 1627, 1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen verwarde men de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur. Groot was en bleef steeds de invloed van den adel[244] en de aanzienlijke geslachten en werd de volksregering of democratie getemperd door de aristocratie en omgekeerd. Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer natuurlijk, hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke personen, die wegens hunne bezittingen de meeste belastingen betaalden en het grootste belang bij eene goede regering hadden, dit gewest meer voordeelig dan schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen om te regeren, òf door zich zelven òf door anderen, bleef in Friesland toch, als van eeuwen her, berusten bij het volk, voor zoo verre het vaste goederen bezat, en daardoor deel kon hebben in de keuze van de Overheden. De Staten, door hen, althans op het land, regtstreeks gekozen, waren de vertegenwoordigers en uitvoerders dier Souvereine magt[189]. Vandaar, dat een bekwaam schrijver uit het laatst der vorige eeuw omtrent de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: »Te vergeefs veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne Zeden, hunne Wetten en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel vertoonen nog hun oude karakter; zy behouden nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog hunne oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en men zou zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige schuilplaats of een hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers gevonden hebben. De Friezen hebben hunne oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand, om te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest.”[190]


[169] Zie over dit onderwerp de belangrijke Verhandeling over het Stemrecht, door p. wierdsma, Leeuw. 1792, en de Dissert. de Jure Suffragandi, van e. de wendt van sytzama, Utr. 1841.

[170] Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegiën vindt men in foeke sjoerds, Beschrijv. II 88; van burmania, de Jure Comitiorum, Fran. 1751, en Tegenw. Staat, IV 1. De Dissert. van Mr. s. w. h. a. van beijma thoe kingma, Hist. Ord. Fris. Leiden 1835, behoort tot een vroeger tijdperk, van 1515-1581.

[171] Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bij aitzema, fo. III 542.

[172] Hiervan zijn de zoogenaamde Landsdag-penningen afkomstig, die, aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de andere zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf steden, vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten landsdage werden uitgereikt. Van loon, Historiepenn. IV 169, heeft die bestemming alzoo verkeerd opgegeven.

[173] Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen te Leeuwarden in de Geschiedk. Beschrijv. II 295 env. en eene Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst hier achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders, welke ik in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief des Konings, volgens mijn berigt in de Vrije Fries, II 18.

[174] Jhr. e. m. van burmania gaf in 1742 eene Naamrol van deze Raden van het Hof met korte levensschetsen in ’t licht. Een vervolg daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de Domeinen, Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste Deurwaarders, verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt voor in het Charterb. II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138, V I, 99. Zie over de Canselarij en genoemde gevangenissen de Geschiedk. Beschrijv. I 112, 260; II 319, 333 env. Voorts foeke sjoerds, Beschrijv. II 291; Tegenw. Staat, IV 139. De Dissertatie van Mr. j. m. van beijma, Leiden 1835, bevat de geschiedenis van het Hof van zijn oorsprong tot het einde der 16e eeuw.

[175] Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware belastingen, welke in de vorige eeuw in Friesland geheven werden, vindt men in den Tegenw. Staat, IV 337. Zie daarover ook het belangrijke boekje van Mr. d. Over de belastingen der Republiek, Amst. 1837, bl. 127, 167.

[176] Zie opm.
bij deze
voetnoot.
Zie deswege Prof. n. ypey, Verhandeling over de Quotae, Harl. 1784, en vooral de krachtige Deductie der Friesche Staten van 1786, in groot en breed 4o gedrukt, waarin tevens de ware toestand van ’s lands financiën is bloot gelegd. Prof. ypey berekende, dat de Quota van Friesland, in verhouding tot de overige provinciën, moest zijn: 9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren der republiek, omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota dezer provincie op ruim 9 Gld. gesteld.

[177] Zie Charterboek, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, en Tegenw. Staat, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit Collegie voorkomt.

[178] Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de Staatsbesluiten in het belangrijk Alph. Register der Resolutiën van de Staaten van Friesl. 1570-1780, van j. a. de chalmot, Kampen 1784.

[179] In vriemoet, Athenæ Frisiacæ, Leov. 1758, komt eene Lijst voor van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in het vervolg nader worden gesproken.

[180] Omtrent de laatste onderwerpen zie men foeke sjoerds, Beschrijv. II 342 en de Staats-resolutiën; de wal, Oratio de claris Frisiæ Jureconsultis, Leov. 1825, 415.

[181] Zie over de Grietenij-besturen de hier vóór aangehaalde werken, benevens c. l. â beijma, Tractatus de Grietmannis, Fran. 1780; h. b. van sminia, Nieuwe Naamlijst van Grietmannen, Leeuw. 1837; de Grietmannen in Friesland, aldaar 1848.

[182] Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral Prins willem V zijne vrienden als Premier aan het hoofd der Magistraten stelde, heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof tot misnoegen gegeven. Zie daarover in ’t bijzonder (allart) de Vrijheid, 4e dr. Amst. 1783, bl. 241, env. Ook dáárom trokken sommige steden in 1782 deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden zij vervolgens zelve hare Magistraat. Vele Raadsbestellingen der steden zijn opgenomen in de drie laatste deelen van den Tegenw. Staat; in het 4e dl. daarvan is eene uitvoerige beschrijving van de geheele Regering. Zie ook foeke sjoerds, Beschrijv. II 378.

[183] Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp uitvoerig behandeld in het vierde deel van den Teg. Staat, bl. 273. Zie ook foeke sjoerds, I 265, II 452; Regist. der Staats-res. op Dijken, enz.

[184] Het Compendium der Kerkelijke Wetten is eerst uitgegeven door Do. g. nauta, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd een Wetboek en Kerken-orde voor Vriesland, door de Synode van 1804 vastgesteld.

[185] Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegevene Billetten van Verkoping, Leeuw. 1762 en 1763, 4o. 2 dln.

[186] Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikanten laurman, columba en dreas, greydanus, reinalda, grevenstein en engelsma, Naamlijsten van de Hervormde Predikanten, welke sedert de reformatie in de zes klassen van Friesland het evangelie hebben verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan sommige van veel historisch belang zijn.

[187] Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide werkjes van den Heer Mr. w. w. buma, het regt der Hervormde Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van Kerkegoederen, Leeuw. 1849, en de Onbevoegdheid der Alg. Herv. Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen, Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heer j. h. reddingius gz. over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden zijn daarin opgenomen.

[188] Zie zijne Algemene Beschrijvinge van Friesland, II 542.

[189] Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen, een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de regeling van hunne gemeentelijke belangen. Zie Aanteekening 22.

[190] Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen, Amst. 1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm van Friesland in het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.


[245]

37. Strijd tegen Buitenlandsche Gevaren bij Binnenlandsche Welvaart, tusschen den Munsterschen en den Utrechtschen vrede. 1648-1713.

De vrede van Munster had in den staatkundigen toestand van Nederland eene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen kort daarna de jeugdige Stadhouder Prins willem II overleed (1650). Daar Groningen en Drenthe nu den Frieschen Stadhouder, Graaf willem frederik, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten dikwijls aanleiding tot hevige botsingen. Friesland en zijn Stadhouder hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het overmagtige en overmoedige Holland, dat, sterk door zijne ligging, welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig had als bolwerken tegen Spanje, zijn belang en staatkunde voortaan alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen gelden. Dát Holland ijverde vooral vóór de Souvereiniteit der provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste vond het steeds een krachtigen bestrijder in Friesland.

Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te ’s Hage was bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (unie, religie en militie). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen daar bijeen. Friesland zond er zestien van zijne bekwaamste staatkundigen met den Lands Secretaris,[246] en had de eer, als voorzittende provincie, de vergadering door Dr. pibo van doma, Ontvanger en Dijkgraaf van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde Raadpensionaris jacob cats de voorstellen mededeelde en Hollands gezindheden ontvouwde[191]. Wel zegevierde de staatkunde dier provincie, al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in 1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van Prins willem II zoo ver ging, dat zij, bij eene acte van seclusie, diens eenigen zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de Staten van Friesland zich krachtig daartegen. In hevige bewoordingen betoonden zij zich verontwaardigd »over de ongehoorde ondanckbaerheyt tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert, met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden”[192].

De afgevaardigden van Holland, stelden alle moeite in het werk, om Friesland dit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden, hautbois en van wyckel, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig[247] deden de Friezen het regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag van Holland, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen. Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heer van brederode was opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegen Amsterdam ook bij Holland in ongenade gevallen.—Zóó ijverden de verbroederde gewesten tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen lands bedreigde.

De Engelsche oorlogen.

Hevige burgertwisten in Engeland hadden in 1649 ten gevolge, dat Koning karel I, de schoonvader van Prins willem II, onthoofd- en dit rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap van olivier cromwell. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen Nederland, dat den verdreven koningszoon karel II had opgenomen, en welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap over de zee voor zich alléén begeerden. Hoe gevaarlijk het ook was, zich met die zeemagt te meten—voor ons land was een oorlog onvermijdelijk; vooral, nadat cromwell onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt door de acte van navigatie (Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd verboden, hunne waren binnen Engeland te voeren, ten zij met Engelsche schepen. Vanhier, dat[248] de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen zouden uitrusten. Van de eerste, of de directieschepen, zou Holland 38, Zeeland 9 en Friesland met Groningen 3 leveren; van de laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van de Maas, van Zeeland en het Noorder-kwartier (Noord-Holland) ieder 1612, Friesland met Groningen 1712 en Amsterdam de overige 33 schepen bekostigen[193].

Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen had Friesland, in vereeniging met Groningen, in 1596 een eigen Collegie ter Admiraliteit verkregen, hetwelk te Dokkum was gevestigd. Dan de minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen. Ook later, toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645 volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar Harlingen, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en pakhuizen van het Collegie te bekostigen[194]. Van de gunstige ligging, ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad, welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen, verwachtte[249] men voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en handel van Harlingen zelf scheen deze verplaatsing van zulk aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn. En toch bleef het Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting, waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden[195]. Het Collegie was alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2 millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie. De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken, bemand met 500 matrozen, toebrengen[196]. Bij herhaling deden de Staten hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in 1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000[250] Gld. toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdat Friesland het zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands.

Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen, die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden. Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde michiel adriaansz. de ruyter zich in 1652 eindelijk liet bewegen, in ’s lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30 schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de Engelschen,—op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf, de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit. Deze was douwe aukes, bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten oorlog waren toegerust, de Struisvogel of Vogelstruis geheeten, gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip van de ruyter zelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26 Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraal george ayscue, die 40 schepen onder zich had, bij Plymouth pas begonnen, toen bovengenoemd schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf, die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten. De matrozen, ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten, wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de andere hand, »trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels[251] roepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik in de hand hebbe.” Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post. »En den valjanten douwe, die een Stuck op den Overloop hadde staen, waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken; douwe trefte die als de eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen (dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;” waarna onze dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit den drang te geraken en zich bij ’s lands vloot te voegen[197]. In den avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, en de ruyter, verwonderd over den uitslag van[252] dezen strijd tegen zoo groote overmagt, betuigde: »Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan verkrijgt men de overwinning”[198].

Nadat johan de witt in 1653 Raadpensionaris van Holland was geworden, deed hij moeite dezen oorlog te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654 gelukte. Bij voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid te vestigen. Hierin slaagde men boven verwachting, en mogten onze voortreffelijke zeevoogden de ruyter, corn. tromp, de with, van wassenaar en anderen grooten roem behalen bij de bescherming van onzen handel in de Oostzee en de verdediging van Denemarken tegen Zweden (1655, 1659), door het straffen van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661), door het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656), in den oorlog met Portugal (1657), en bij de bescherming van onzen handel, scheepvaart en buitenlandsche bezittingen. karel II, die in Holland zoo vele blijken van gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze Vorst deed Nederland, welks bloeijende handel ook zijn nijd en wrevel had opgewekt, den oorlog aan (1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger op eene verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen van eenige onzer schepen en bezittingen. De verontwaardiging over zulk eene handelwijze spande de veerkracht onzer landgenooten, om alles aan te wenden, wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand kon strekken. De Staten van Friesland waren thans[253] meer dan ooit gezind, het hunne tot versterking der vloot bij te dragen. »Nu ontwikkelde ook de Vriesche Admiraliteit eene tot dusverre ongekende magt. Met geenen minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist zij thans niet alleen het getal harer schepen aanmerkelijk te vermeerderen, maar dezelve ook zoodanig te doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende en uitmuntendst bemande van ’s Lands vloot gerekend werden[199]; waardoor de Vriesche zeelieden in de gelegenheid gesteld werden, om onder bijzondere opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen van dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem mannelijk te handhaven en zelfs te vermeerderen. Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde die Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal van hare groote schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij in staat was, een aanzienlijk en voortreffelijk smaldeel te leveren, hetwelk met die der overige collegien niet slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige overtrof. Nu meenden de Staten van Vriesland, daartoe aangespoord door hetgeen omtrent de verheffing van zoo vele hoofdbevelhebbers in Holland en Zeeland gebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en geregtigd te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen Luitenant- en Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht aan te stellen; tot welke waardigheden zij, in Lentemaand 1665, verhieven de Kapiteinen auke stellingwerf, rudolf coenders en hendrik bruynsvelt[200].

[254]Deze, aan het hoofd geplaatst van het 5e eskader, dat uit 14 Friesche en Groninger oorlogsschepen bestond, vereenigden zich met ’s lands vloot, welke door de zorg der Admiraliteiten en van de witt tot eene ongemeene sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte van 103 schepen van oorlog, 7 jagten, 11 branders en 12 galjoten, gewapend met 4869 stukken geschuts en voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten. Deze magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met de Engelsche zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665 onder het opperbevel van den Luitenant-Admiraal jacob van wassenaar obdam in zee. Doch tegen alle verwachting was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele vlootvoogden wonderen van dapperheid bedreven, liet de, voor deze taak niet volkomen berekende, opperbevelhebber de gunstigste gelegenheid om op de Engelschen voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf met zijn schip in de lucht vloog,—de wakkere Admiraal kortenaer gevallen en ook onze Admiraal stellingwerff gesneuveld en diens schip, de Zevenwouden, door de Engelschen genomen was, de gansche vloot met groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar beschadigd in de vaderlandsche havens terugkeerde. Vele kapiteins werden wegens pligtverzuim strengelijk gestraft, doch ook andere, die zich dapper hadden gedragen, geprezen en bevorderd. Onder deze laatste was tjerk hiddes de vries van Sexbierum, die, als Kapitein van het schip: de Steden, zich op dezen togt door ongemeene manhaftigheid en schrander doorzigt onderscheiden hebbende[201], dadelijk in stellingwerff’s plaats tot Luitenant-Admiraal van Friesland werd aangesteld.[255] Met weergalooze kracht-inspanning werd de ontredderde vloot hersteld, en reeds in Augustus des zelfden jaars weder naar zee gezonden, en nu wel onder het opperbevel van den algemeen geachten Luit.-Admiraal de ruyter, die, pas uit Amerika in het vaderland teruggekeerd, onzen de vries het bevel over een der vier smaldeelen van de vloot toevertrouwde. Hoe krachtig en moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar geene gelegenheid, om met de Engelschen slaags te geraken. Men bleef zich dus versterken, in de hoop van in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze te vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen gemaakt, en stonden de Friesche Staten dit jaar eene som van ruim 900,000 Gld. der Admiraliteit ten behoeve der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe buitengewone heffingen en geldleeningen te doen[202].

Werkelijk stak de ruyter den 5 Junij 1666 met eene verbazende vloot in zee, waarvan het tweede smaldeel, groot 28 schepen, geplaatst werd onder het bevel van tjerk hiddes, die nu het schip Groot Frisia voerde. Hevig was de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin laatstgenoemde zeeheld, nadat evertsen gesneuveld was, veelvuldige blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij herhaling moedig op den vijand in te breken, zoodat zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij »een der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien een groot deel der overwinning toekwam”[203]. Mede[256] onderscheidde zich zijn Schout-bij-nacht hendrik brunsveldt, van wien gemeld wordt, dat hij »sich wonder mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij in het midden was leggende, soo heeft hy, in plaats van sich (gelyk de Engelsche Admiraal george ascue ghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen, syn Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert, dat se ter weder-zyden souden overspringen en Enteren, gelyk ook aanstonts soo gheseght soo gedaen wierdt, nemende de valjante brunsveldt, eer hy eenige assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh, en maakte hun beyde tot syn ghevangens.” Niet genoeg bezet en daarna bevrijd, werden deze schepen van 40 en 58 stukken echter door Kapitein paauw ten tweeden male vermeesterd[204].

Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende overwinning, welke op dezen togt werd behaald. Men wilde echter het behaalde voordeel vervolgen en den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met den meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade hersteld, zoodat reeds in Julij weder eene zeemagt het vaderland verliet, welke uit niet minder dan 118 zeilen, voorzien met ruim 22,000 man, bestond. Op den 4 Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder min[257] gunstige omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch en Friesch smaldeel, onder de Luit.-Admiralen jan evertsen en tjerk hiddes de vries, had de voorhoede, viel het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en leed daarbij geweldig, doch verdedigde zich gedurende eenige uren mannelijk. Weldra echter werden beide Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraal coenders, in het heetste van het gevecht, doodelijk gewond. »Hierdoor van hunne voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de anderzins dappere Zeeuwen en Vriezen hunne gewone kloekmoedigheid.” Terwijl nu de voorhoede wijkt, verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit eskader, en valt de vijand met des te meer geweld op den middeltogt van de ruyter aan, die, eindelijk, strijdende wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene vaderland terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte hij echter door zijn stouten togt naar Chattam de smet dezer nederlaag uit, en werden de Engelschen gedwongen tot vrede, die nog in dat jaar te Breda werd gesloten[205].

Voor Friesland vooral was het sneuvelen van den voortreffelijken tjerk hiddes de vries een groot en onherstelbaar verlies. De Zeeuwsche Admiraliteit getuigde van hem[206], »dat hij begaafd was met vele uitmuntende hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de uitvoering daarvan menigvuldige bewijzen gegeven heeft, niet alleen van soldaat- en zeemanschap, maar ook van goede orde en conduite, mitsgaders van prompte[258] expeditie.” De ruyter schatte hem zóó hoog, dat hij niemand waardiger achtte hem in het opperbevel op te volgen dan de vries, van wiens kunde en trouw hij volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij »als een der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk” geroemd. Ook ’s lands Staten gaven blijken van hunne erkentenis bij zijnen dood, door het bezorgen van eene plegtige uitvaart bij zijne begrafenis te Harlingen, en door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen[207].

Tot opvolger van de vries werd niet de vroeger zoo loffelijk vermelde douwe aukes gekozen, maar een edelman, hans willem Baron van aylva, die toen Kolonel was bij het krijgsvolk te land; een man, die wel in 1667 den togt naar Chattam mede maakte, doch een land- en geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij tevens tot Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd, zich niet bij de vloot voegde, maar, beter op zijne plaats, tot bescherming van Friesland aan land bleef[208].

Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverde Friesland slechts een fregat en een advisjacht, en in 1673 voegden zich slechts drie Friesche oorlogsschepen, benevens een brander en twee kleine vaartuigen, bij ’s lands vloot. Ook werd er in aylva’s plaats geen nieuwe Luit.-Admiraal aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen den vijand te land te verdedigen, geldgebrek, verschillen met Groningen en tusschen de Staatsleden, en bewegingen onder het volk, gevoegd bij toenemende onverschilligheid[259] omtrent Frieslands belang bij eene zoo talrijke vloot—ziedaar zoo vele redenen, »waardoor de Vriesche zeemagt, welke in den voorgaanden oorlog zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed had, van hare kortstondige grootheid verviel”[209].

In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was gedaald, bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de Zeeuwen onder banckers vereenigd, bij herhaling blijken van dapperheid betoonen, door den vijand de meest mogelijke afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die vroegere togten mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen zich door roemrijke daden te onderscheiden. Onder deze verdient eene eerste plaats de uitmuntende Kapitein jacob binckes of benckes, van Koudum, die, nadat hij de Algerijnsche zeeroovers had helpen tuchtigen, tweemalen als kommandeur met een smaldeel naar de West-Indien gezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673 met evertsen in Virginië grooten buit op de Engelschen behaalde, New-York of wel geheel Nieuw-Nederland op de Britten veroverde, en eindelijk »het eiland Tabago tot het schouwtooneel maakte eener dapperheid, die eerst de Franschen met schande deed wijken en daarna op den hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf”[210].


Terwijl het vaderland aldus van buiten bedreigd werd door een geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke overspanning van krachten dwong, welke het op den duur niet kon volhouden, was het van binnen[260] verre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche geest der ingezetenen, die scherp acht gaf op de handelingen der regering, meende destijds niet zoo spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig misnoegen, en deed de pogingen tot verbetering dikwijls vergezeld gaan van onrustige bewegingen, oploopen en soms wel van gewelddadigheden. Hierdoor werden de beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de driften opgewekt der lagere volksklassen, van wier ruwe en ongebonden zeden in dit tijdvak wij vele voorbeelden zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins tot eere strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk niet behoeven terug te wenschen[211].

[261]Zoo werden de steden Leeuwarden en Franeker in 1657 grootelijks verontrust door burgergeschillen en klagten over de regeringsleden, die hevige verbittering hadden opgewekt, wegens het schenden van de reglementen en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier belang eenige weinige staat- en baatzuchtige personen zich van het gezag hadden meester gemaakt. Met veel moeite en door het verleenen van nieuwe Reglementen van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder en de Staten bevredigd[212]. Een ander misbruik dier dagen was het verkoopen van de lands ambten en betrekkingen, zoo burgerlijke als militaire, welke de regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze beurtelings begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen, niet altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan hen, die de hoogste som daarvoor aanboden, opdroegen. Het misnoegen hierover, in 1662 op nieuw ontstaan, gaf zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen, daartegen strenge verbodsbepalingen uitvaardigden,[262] en eene boete van 100 gouden Rijders op de overtreding daarvan vaststelden[213].

Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken, welk eene vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid den Stadhouder, Prins willem frederik van Nassau, bezielde. Groot was dus het verlies, toen deze brave Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een droevig ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het losbranden van zijn eigen pistool, dat eerst weigerde af te gaan en daarna, toen hij naar de oorzaak daarvan wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en nevens het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven van brieven aan de Staten en den Prins van Oranje en het maken van schikkingen omtrent zijn huis, zeven dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf. De Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns zoons hadden verzekerd, overtuigd van zijne »loffelycke, meriten, treffelycke daden en singuliere groote diensten in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van Lyf en Leven, voor het Vaderlandt gedaen,” huldigden zijne nagedachtenis mede door eene prachtige uitvaart bij zijne begrafenis op den 15 December, waartoe zij de onkosten met eene som van 16,000 Gld bestreden[214]. Bovendien benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen zoon tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om deze[263] waardigheden op zijn 20e jaar te aanvaarden, hoewel hij nu reeds in het genot gesteld werd van het traktement. Zijne opvoeding droegen zij zijner moeder en voogdes, de voortreffelijke Prinses albertine agnes, op, en deze kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de jonge Vorst eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad opgedragene betrekkingen en zijne aanzienlijke afkomst allezins waardig te zijn[215].


Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van tegenspoeden, die het vaderland in het uiterste gevaar bragten, die den landzaat groote schade berokkenden, en die de regering en het volk tot eene krachtige inspanning en aanwending van alle vermogens opwekten. Een geweldige storm en springvloed veroorzaakten in December 1665 talrijke dijkbreuken en eenen watervloed, zoo als Friesland sedert 1570 niet had ondervonden[216]. Eene schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de steden, en rukte duizenden weg (1665, 1666)[217]. De oorlog met Engeland (waarvan wij reeds hier vóór gewaagden) dreigde heviger dan ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen, wervingen en geldheffingen, onder bestendige wisseling van nederlagen en zegepralen. Doch niet enkel ter zee, ook te land werd Nederland gelijktijdig aangevallen en wel aan zijne minst versterkte oostzijde. De oorlogszuchtige christof bernhard van galen, Bisschop van Munster, achtte zich door onzen Staat beleedigd,[264] viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde de Dijlerschans, waaruit hij echter door onzen Stadhouder willem frederik werd verdreven (Mei 1664). Uit wrok hierover bemagtigde hij een gedeelte van Gelderland en Overijssel, en, na het winnen der schans van Rooveen, stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde grenzen van Friesland (1665). Groot en algemeen was daarover hier de ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners van het land met hunne goederen van waarde naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de Veldmaarschalk joan maurits van Nassau weldra over zee herwaarts, stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en wederstond den vijand, die door Drenthe in Groningerland was getrokken, met zóó gunstig gevolg, dat hij eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666 de vrede met den Bisschop werd gesloten[218].

De Oorlogen met Frankrijk.

Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en, had hij eerst geheuld met Engeland tot vernedering van onzen Staat, wier grootheid en aanzien den nijd van alle naburen scheen opgewekt te hebben,—geene drie jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop vond daartoe een bondgenoot in den hooghartigen en oorlogszuchtigen lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, die het evenzeer te doen was om de Spaansche Nederlanden (België), welke hij in 1667 aan het hoofd van een leger van 47,000 man binnentrok. Wel scheen het drievoudig verbond tusschen Nederland, Engeland en Zweden, gelijk ook de vrede van Aken (1668)[265] aan den voortgang der Fransche wapenen een perk te stellen, en vleide men zich in ons land, dat de rust nu spoedig hersteld zou worden en dat men de zoo lang reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,—men bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde van de witt ook vele gevaren wist af te wenden, het grootste gevaar had hij niet voorzien, gelijk ook niemand vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen »oyt couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten in ’t velt te durven komen.” De uitslag was echter geheel anders.

De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen Konings, die zoo vele grieven jegens Nederland meende te hebben; de krijgshaftigheid zijns volks; het aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te beschikken had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten—en daar tegenover onze zwakke landmagt en vervallene vestingen bij de afgunst der vijandiggezinde naburen—dit alles begunstigde zijn toeleg, om Nederland, het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe wist lodewijk eerst het drievoudig verbond te ontbinden, Engeland en Zweden aan Frankrijks belang te onderwerpen, en zich van de hulp te verzekeren van den Keurvorst van Keulen, van de Bisschoppen van Munster en Osnabrug en van den Hertog van Brunswijk-Lunenburg. Deze vereenigde magten hadden den ondergang besloten van Nederland, dat alzoo van alle uitzigt op hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de uitslag van dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning, zoo vele vijanden met hoop op gunstigen uitslag te wederstaan? Hoe gering die hoop ook ware en hoe zeker de ondergang des lands ook scheen—onze vaderen vertsaagden niet, wapenden zich moedig en vertrouwden[266] den uitslag aan God, dien zij in dezen hoogen nood vurig om hulp en verlossing smeekten.


Nadat Frankrijk en Engeland op den 7 April 1672 aan Nederland den oorlog hadden verklaard, trok lodewijk XIV in persoon aan het hoofd van een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met oogmerk om Holland in eens binnen te dringen en de republiek in den hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend was dat leger, door veldoversten als condé, turenne en de chamilly aangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk den twee-en-twintigjarigen Prins willem III het opperbevel over het krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepen Overijssel binnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond lodewijk op onze grenzen om den Rijn over te trekken. Bij dezen overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had gekozen bij het Tolhuis, niet ver van Lobith en de Kleefsche grenzen, had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de smadelijke vernedering des vaderlands.

Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de Betuwe, de montbas, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had verlaten, werd de Veldmaarschalk wirtz door den Prins van Oranje naar den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier regimenten ruiterij van kingma, haersolte, la lecq en joseph, en ontmoette hier het regiment voetvolk van aylva. de montbas had dit laatste doen aftrekken[267] naar Nijmegen. De bevelhebber dezer vesting, overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen echter terug, en, nadat ze op nieuw naar Nijmegen waren gezonden, wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat[219] aankwamen op het oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij van wirtz trachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren. Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval, doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment van aylva, dat wirtz krachtig had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te vragen. Condé staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch, wat zien zij? Daar vliegt de Hertog de longueville, wien nog geene gelegenheid tot eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren (waarschijnlijk afgezonden om te[268] vernemen, of men zich aan ’t woord des Generaals houden mag) door de longueville met eene pistool treffen, en nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te vatten.

In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten, die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook waren, zij treffen zeker. De longueville, de aanvoerder, de volle neef van condé, stort terneder. Aan zijne zijde valt guitri, Grootmeester der koninklijke garderobe; de Graven du plessis, de theobon, de Heeren boury, d’aubusson, de la force, de la salle—allen vinden hier hunnen dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde.

Condé, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende, vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad te stuiten. Een onzer officieren, ossenbroek of hasebroek, trekt de pistool, mikt op condé, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond, die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd. »De Fransche Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken furie als desperate menschen op dese Vriesen[269] aan, die vigoureuse Resistentie bieden.” Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun leven duur verkoopen. Lodewijk ziet het verschrikkelijke lot der zijnen, en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik, waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan menige veldslag.

Van het schoone regiment van aylva bleef ten laatste, na langdurige worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins andries van velsen en duco van hemmema; vijf Luitenants: douwe van eppema, hajo twingbergen, barent hekman, bavius rommeda en joh. bechius; drie Vaandrigs: frederik van ockinga, tarquinius beintema en jan duden, met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar Emmerik gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans vergeten akker. Indien zulke mannen door den verraderlijken de montbas niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen—gewis zij zouden als leonidas met zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.

Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland van groot[270] gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering van Nederland als een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld. Het tweede voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, dat condé hier de eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen, waardoor hij langer dan twee maanden te Emmerik aan zijne legerstede geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met 20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard, regelregt op Amsterdam aan te rukken, en deze stad, van waar alle verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen, om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek[220]. Dat zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en bescherming,—ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren! (Zie verder Aanteekening 24.)

[271]Bij het voortrukken van de Franschen had Prins willem III Overijssel verlaten en zich naar Holland begeven, ten einde de oostelijke grenzen dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te gelijk den Luitenant-Generaal hans willem Baron van aylva met zijne overige benden naar Friesland gezonden, ten einde zich geheel te wijden aan de bescherming van dit gewest. Doch naauwelijks was deze te Leeuwarden aangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de Munstersche en Keulsche benden zich door Drenthe naar Koevorden en Groningen hadden gewend en op de grenzen stonden van Friesland. Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos; het geheele land was vol verwarring en vrees. Men noemde de regering radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.—In plaats van vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat, door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken, den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en verwachtte ieder oogenblik den vijand.

In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten de Raden van den Hove, om hen met raad en daad bij te staan, waarop beide aanzienlijke collegiën in den nacht van den 13e en 14e Junij 1672 in stilte bijeenkwamen, om over den gevaarlijken toestand der provincie te raadplegen. Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten: of men zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen den vijand zou verdedigen, dan of men door eene[272] provinciale capitulatie, op gunstige voorwaarden, zich uit deze onheilen zoude redden. Die keus was voor Friezen niet lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle bezwaren, nam men »een animeuse en cordate resolutie, om tot behout van Religie en Vryheyt, voor haardsteden en altaren met gesamentlijke hand het uyterste te wagen, en goet en bloet tot den laatsten effort te spendeeren”[221]. Men zond dadelijk afgevaardigden uit, om in Holland en Groningen hulp te erlangen, welke echter door niemand werd verleend. Men was dus geheel aan eigene krachten overgelaten. De onmiddellijk bijeengeroepen Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen uitgeschreven en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend hadden, benoemden nu eene commissie, die met het nemen van maatregelen tot verdediging dezer provincie werd belast. Zij kon echter over geene grootere magt beschikken, dan over 22 compagniën voetvolk en 15 à 16 compagniën ruiterij, waarmede het gansche gewest op alle punten bezet en de aanvallen des vijands afgewend moesten worden. Hoe geringe magt bij zoo moeijelijke taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De Bevelhebbers van Leeuwarden, die in den nacht dadelijk met den Magistraat, Vroedschap en Predikanten maatregelen hadden beraamd, boden zich aan, om met de geheele burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal bepaald op 250 man, die in 3 compagniën, benevens eene compagnie vrijwilligers, reeds den volgenden dag »met ongemeene couragie en vreugde uyt marcheerden naar Heerenveen.” Zulk een voorbeeld der Hoofdstad verdreef alle verslagenheid: want door »dit manmoedig Exempel der Stede Leeuwarden raakten alle andere Steden in Vriesland[273] te gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede in de wapenen te komen, dapper gaande. Geheele Grietenyen boden sich gewillig aan.” Allen voegden zich bij het krijgsvolk van aylva, ten einde »een Legertjen te formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten, en te betoonen, dat sy noch van ’t rechte bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in stantvastigheyt alle Natiën overtroffen”[222]. Dit leger werd door aylva met veel voorzigtigheid gebruikt en op de grenzen bestendig in beweging gehouden, zoodat zelfs geen officier kennis droeg van de sterkte dezer magt, welke den vijand groot ontzag inboezemde.

In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificatiën der provincie, of de schansen Munnekezijl, Friesche palen, Zwartedijk, Bredenberg, Bekhof of Bekaf, bij de Schoterbrug enz. hersteld en met krijgsbehoeften en manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij de Blessebrug, aan de Wetering tegenover de Oudeschouw, te Gorredijk en twee aan den Zwarteweg op een uur afstands van Leeuwarden, welke laatste de namen ontvingen van Albertine Agnes en Hendrik Casimir[223]. Een dergelijk retranchement werd ook aangelegd te Heerenveen, waar de Generaal aylva, die met genoemde commissie alles bestuurde, een hoofdkwartier vestigde. Een ander hoofdkwartier legde hij te Bergum, van waar hij zijne voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder heide, waar deze zich verschansingen opwierpen. Met veel grond had men toch van de talrijke belegeraars[274] van Groningen een uitval in deze provincie te wachten, daar de Bisschop besloten had, eerst Groningen te bemagtigen en intusschen Friesland met 3 à 4,000 man bestendig in alarm te houden. Werkelijk had zulk een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in het Wester-kwartier van Groningen hunne plunder- en roofzucht betoond te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke ruiters over Duurswoude naar Dragten, aan welks zuidzijde zich eene brandwacht bevond, die, op het zien van de groote magt des vijands, naar de voorposten op de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand kloekmoedig tegen, waarna de vooruitrukkende ruiters, nabij Nijega, spoedig met de Bisschoppelijken slaags geraken. Deze, veinzende terug te trekken, lokken de Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in het koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het Friesche voetvolk de ruiterij met zooveel dapperheid, dat zij, na een hevig gevecht, de benden des Bisschops met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij zij slechts 25 man verloren[224].

De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met den vijand versterkte den moed der ingezetenen en van het gansche verdedigings-leger in geene geringe mate. Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om, hoezeer zij aan zich zelve waren overgelaten, in den hoogsten nood het fel benarde Groningen nog bijstand te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond buskruid en 2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij,[275] waarmede de Generaal aylva zelf die stad den 14 Augustus bezocht[225]. Men vreesde toen echter, dat de vijand ook aan de zuidzijde, van uit Steenwijk, een aanval op Friesland zou wagen. En inderdaad had deze plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naar Heerenveen hadden gezonden tot verkenning, en deze door de onzen waren gevangen genomen, vielen zij in den nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van dit hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen, herhalen zij nog twee malen den storm, doch worden door onze dappere verdedigers op nieuw wederstaan, zoodat zij met schade den terugtogt moesten aannemen[226].

Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en teruggeslagen te hebben, had men zelfs den moed, hem in het veroverde Overijssel aan te vallen en verliezen toe te brengen. Ofschoon eene poging van aylva, om met 1200 man de Kuinder te veroveren, door het spoedig naderen van ontzet uit Kampen en Zwolle mislukte, liet men zich daardoor niet afschrikken. Ook om ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine, doch met zes bolwerken versterkte Blokzyl gekozen. Na geheime onderhandelingen met ingezetenen dier plaats, die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden, zich door een eed aan den Bisschop van Munster te verbinden, waarom hij grootere bezetting had ingenomen, werden den 23 Augustus 450 van de moedigste Friesche soldaten en schutters, onder geleide van dirk van baerdt, Grietman[276] van West-Stellingwerf en Lid van Gedeputeerden, en onder het bevel van den Kapitein albert christoffel van hania, over de Zuiderzee derwaarts gevoerd. Te Blankenham, op een uur afstands van Blokzijl, treden zij aan land, en weldra trekt de Munstersche bevelhebber hen met 300 man en twee veldstukken te gemoet. De Friezen vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt het hun, hem met zoo veel overhaasting terug te slaan naar de schans, dat hij naauwelijks den tijd heeft de poort te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen binnen te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen den bevelhebber, om met hem de aanvallers te weêrstaan, maar ze dwingen hem zelfs de sterkte over te geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding te wagen, jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort open, terwijl intusschen de moedige Friezen de schans hevig aanvallen en door gracht en poort binnendringen. De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit, maar laat, fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de vlugt dacht te redden, door een Fries wordt doorschoten.

»Alsoo is de Fortresse Blokzijl door de wonderlijke bestieringe des Almogenden Gods, en de overgroote couragie der Vriesche Officieren ende Soldaten, als mede door de voorsichtige hulpe en bystand van de Burgeren, op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in haar oude Vryheyt gestelt. Vollenhoven is ook daar op van de Vyanden verlaten.” De vroeger tweemalen te vergeefs aangevallene sterke Kuinder-schans werd daardoor mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven.

Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder vermeld, omdat, nog vóór de verlossing van Groningen, »het kleine Blokzijl zich de eer verwierf, van het eerst van alle Nederlandsche steden, het juk der vreemde[277] overheersching, door eigene dapperheid en de hulp der Friezen, te hebben afgeworpen”[227]. De moed, om den vijand met goed gevolg te wederstaan en deze provincie verder te beveiligen, werd hierdoor zeer verlevendigd, en nog meer door de bevrijding van Groningen. Zelfs wil men, dat dit feit en de magt, welke aylva verder ontwikkelde, mede hebben bijgedragen, om den vijand het beleg van Groningen (28 Aug.) te doen opbreken.

Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter in Friesland eene algemeene volkswapening plaats gehad, en was er eene belangrijke gebeurtenis voorgevallen, welke groote gevolgen had. Wij willen den loop dier omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd, zoo kort mogelijk verhalen.


Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak van ’s lands ongeval door vele burgers werd geweten aan de Regenten. De handelingen van velen hunner hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt, dat zij het vertrouwen verloren hadden, en bedreigd werden met de blijken eener verbittering, welke reeds den 21 Junij het onstuimig gemeen van en omtrent Sneek het huis van den Grietman van Wymbritseradeel te Ysbrechtum deed plunderen. Niet genoeg, dat overmagtige vijanden dit gewest van buiten met ondergang bedreigden—nog grootere ramp scheen den lande te gelijker tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegen[278] des volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van de Staatsleden onderling, welke eerlang tot eene ontzettende hoogte stegen.

Naauwelijks was op den 6 Julij te Leeuwarden het berigt ontvangen, dat ook de sterke, ja bijna onwinbaar geachte, vesting Koevorden zich zonder tegenstand aan den Bisschop had overgegeven, of de ontsteltenis en wrevel der burgers bedreigde de algemeene rust. Men school bijeen en maakte elkander het hoofd warm door het opsommen van allerlei grieven en bezwaren zoowel tegen de stads- als landsregering. Op aansporing van eenige predikanten en van den Hervormden Kerkeraad kwamen ruim 60 burgers op den Stads Schutters-Doelen bijeen, die een Voorzitter en Schrijver benoemden en eenige punten ten papiere bragten, welke zij oordeelden, dat tot herstel van de vervallene zaken noodwendig in acht genomen moesten worden. Zij vaardigden daarmede eenigen hunner af naar Prinses albertine, de Staten en den Magistraat, en verwierven eenig gehoor, zoodat het besluit werd genomen, om in den uitersten nood de gansche provincie onder water te zetten. Ook de Prinses diende bij de Staten eene memorie in, bevattende voorslagen tot beveiliging van het bedreigde vaderland[228]. Intusschen groeide het getal misnoegden, dat op den Doelen vergaderde, tot 2 à 300 personen aan, die zeven punten aan de Stedelijke Regering voorstelden tot afwering van het klimmende gevaar. Deze stelde de gemeente gerust door zoo veel mogelijk in te willigen, met bepaling, dat ook de andere Steden daarover moesten verstaan worden, weshalve afgevaardigden daarvan op den 11 Julij te Leeuwarden werden bijeengeroepen. Elf punten stelden deze vast, welke door Gecommitteerden[279] aan de Staten werden overgebragt. Gelijktijdig vergaderden ook de Predikanten der Klassis van Leeuwarden, die op den 12 Julij alle Predikanten van Friesland in de hoofdstad ontboden, om zich de zaken des lands aan te trekken, en om, in overeenstemming met de stedelijke besturen, voorstellen tot verbetering en redding te doen. Een getal van niet minder dan 150 leeraren verscheen er, en begaf zich in statigen optogt naar het Landshuis, waar zij, bij monde van den moedigen, later zoo beroemden, balthasar bekker, destijds Predikant te Franeker, aan de Staten te kennen gaven, »hoe groot de misbruiken waren, in Kerk en Staat ingeslopen; dat het verval van den Staat voornamelijk was veroorzaakt door het goddeloos ambtverkoopen, waardoor de gemeente bijna werd uitgeput en de rijkdommen gebragt onder eenige weinige personen, die aan het roer der regering zaten, zoodat er Grietmannen waren, die drie of vier van de aanzienlijkste ambten bedienden; dat men alzoo de betrekkingen niet gaf aan de bekwaamsten, maar aan hen, die daarvoor het meeste geld boden, ja zelfs aan kinderen, die den lande geen dienst konden doen; dat kunsten en wetenschappen niet werden gevoed, maar uitgebluscht, en dat men alzoo aan middelen van reformatie diende te denken tot afwering van den nakenden ondergang van den Staat, en bijzonder tot aanstelling van een generaal hoofd” enz. Verder leverden zij eene uitvoerige Deductie in, over wier inhoud zij ook des anderen daags, van ’s morgens tot ’s avonds, met de Staten beraadslaagden[229].

[280]Het behaagde den Staten aan den laatst geuiten wensch, ook door de Vergadering op den Doelen voorgesteld, dadelijk te voldoen, en op den 13 Julij Zijne Vorstelijke Doorluchtigheid Prins hendrik casimir van Nassau te ontheffen van het afwachten zijns ouderdoms van twintig jaren, en »te stellen in de dadelycke functie ende poscessie van het Stadthouderschap ende Capiteinschap Generaal dezer Provincie” enz.[230] De jeugdige Vorst, die naauwelijks den ouderdom van 15 en een half jaar bereikt had, doch reeds den 8 Junij te vergeefs aan de Staten verzocht had, om in zijn rang als Kolonel tegen de Franschen te velde te mogen trekken, werd daarop dadelijk van het Hof gehaald, legde den eed af en werd nog dien zelfden dag in het Collegie van Gedeputeerde Staten en in het Hof Provinciaal ingeleid, en met gelukwenschen begroet, in de hoop, dat men van deze bevordering »alles goeds voor den dienst ende welstandt van den Lande onder Godes genadigen zeegen mogt verwachten.”

Deze gebeurtenis gaf algemeen genoegen, en had vooreerst dit gelukkig gevolg, dat de overige nog onverhoorde klagten der ingezetenen zoo lang tot zwijgen gebragt werden, dat de middelen tot landverdediging met gepaste zorg konden worden aangewend. Want reeds op den volgenden dag werd, op aandrang der Steden, het ligten van den derden man bevolen en dadelijk uitgevoerd. Op eens werden er alzoo nog 3000 man in de wapenen geroepen, om voor eene maand tot versterking van het leger of van de schansen te strekken en daarna afgelost te worden. Den 22 Julij trokken vier compagniën burgers[281] van Leeuwarden uit; twee compagniën (mede ieder van ruim 100 man) volgden later; den 20 Augustus werden allen door op nieuw uitgelote burgers vervangen, die zich naar de Oudeschouw en tusschen Garijp en Tietjerk begaven. Eerst thans werden ook de wallen der hoofdstad, die reeds in den vorigen jare in staat van beleg was gesteld, en tot wier versterking de Staten reeds in Mei 24,000 Gld. hadden toegezegd, met kracht van arbeid verhoogd en verbeterd[231]. Nu was er ontzag voor de regering en ijver in de uitvoering; de verslagenheid en vrees, welke de krachten weder hadden verlamd, maakten plaats voor moed en inspanning, en in het overige der maanden Julij en Augustus betoonde het volk zich rustig van binnen en krachtig naar buiten. De jeugdige Stadhouder, in staatszaken door zijne verstandige moeder gesteund en in krijgszaken onderwezen en voorgelicht door een man als aylva, mogt een zeer gunstigen invloed uitoefenen; en met welk een gelukkig gevolg de door vreemde benden overal omringde Friezen den vijand nu wederstand boden, ja zelfs aanvielen en verdreven—daarvan hebben wij hier vóór reeds uitstekende bewijzen medegedeeld. Aylva bevond zich met het hoofdleger meest te Heerenveen, en zag zijne magt door de genomene maatregelen zoodanig versterkt, dat deze, tegen het einde van Augustus, op omstreeks 8,000 man aan troepen, behalve nog 5,000 gewapende landlieden werd geschat. Hij, die met den bijnaam van »de ontzaggelijke Generaal” was vereerd, nam alle mogelijke maatregelen, om Friesland voor een inval des vijands te vrijwaren: sluizen werden opengezet, polders en bedijkte landen geïnundeerd, en veldverschansingen[282] opgeworpen, die de zoogenaamde Friesche linie uitmaakten. Deze linie begon van de Kuinder aan de Zuiderzee, volgde de Linde tot de Blessebrug, ging van daar noordwaarts naar de Tjonger en de verschanste Schoterbrug, wendde zich vervolgens over Heerenveen en Terbandsterschans naar Gorredijk, en van daar over de schansen Bredenberg, Zwartedijk en Friesche palen naar de grenzen. Echter is »Friesland in 1672 minder behouden gebleven door zijne onderwaterzettingen en linie van verschansingen, welke nooit ernstig is aangevallen, als wel door de bekwaamheid van aylva en door de geestkracht der bevolking, die, vaardig de wapenen opvattende, spoedig eene magt uitmaakte, welke den vijand ontzag inboezemde en van elken aanval op Friesland deed afzien”[232]. Hoe algemeen de nood en hoe dreigend het gevaar in den beginne ook ware—Friesland bleef, God lof! vrij en ongedeerd, en met Zeeland de eenige provincie des vaderlands, waar de overmagtige vijanden, die den ondergang van Nederland besloten hadden, geene veroveringen behaalden.


Doch naar gelang het gevaar van buiten verminderde, vermeerderde de onrust van binnen. Daar moest nog een hevige strijd gestreden worden, vóór de vijanden van de regten en vrijheden des volks van het misbruikte gezag ontzet en door meer vrijzinnige mannen vervangen waren. Gelijk de smetstoffen in den dampkring zich allengs ophoopen, totdat ze eindelijk in een vervaarlijk onweder losbarsten, zich zelve verwoesten en een gezuiverden luchtstroom aanvoeren,—zoo leert ook de geschiedenis der volken, dat de meeste staatkundige en kerkelijke instellingen,[283] in den loop der tijden zoodanig ontaarden, dat er soms eene geruchtmakende omwenteling noodig is, om het verbroken evenwigt te herstellen, en om verbeteringen in te voeren, welke vroeger, uit gehechtheid aan het oude, niet konden tot stand komen. Zóó was het geweest voor de reformatie—die hevige ontbranding en algeheele omkeering van zaken!—zóó was het gebleven in de naauwelijks gevestigde republiek. Toen er ten jare 1626 verontrustende volksbewegingen waren ontstaan, en een aantal ingezetenen »Doleancen over de Abusen, in den Staet van Regieringhe in-gesloopen,” inleverde, waren de Staten verpligt geweest, ter bevrediging van de misnoegde burgers »reformatie, resolutie ende approbatie” van al die 35 punten toe te staan. Doch aan de uitvoering daarvan werd kwalijk de hand gehouden. Vanhier zoo vele latere klagten, vooral tegen het verkoopen van de ambten, dat wel in 1662 verboden werd, maar toch bleef voortduren. Vanhier, dat de Staten bij het opkomen van het onweder in 1672, zoo het schijnt uit eigene beweging, den 2 Maart eene commissie benoemden, »om met elkanderen te concerteeren over de beste middelen en expedienten tot een generaele reforme ende verbeeteringe, so in ’t stuk van Militie, of Politie ende Finantien dienende”[233]. Die commissie bleef echter werkeloos, en schenen de regenten er belang bij te hebben, in de bestaande orde of wanorde geene veranderingen te brengen. De Staten hadden daardoor evenwel eene schuldbekentenis gedaan en de noodzakelijkheid van eene reformatie erkend. Dit bleef bij het volk niet onopgemerkt. Het kon echter geene krachtdadige middelen tot herstel verwachten van die zelfde regenten, die bij zoo velen het vertrouwen hadden verloren. Van lieverlede[284] werd dus de strijd voorbereid tusschen de aanhangers van het behoud en van vooruitgang, die, toen de wenschen des volks onverhoord bleven, weldra met geweld zou losbarsten.

Groningen was bevrijd en de kracht des vijands geknakt;—Blokzyl was gewonnen door onze legermagt, wier sterkte nu ontzag baarde. De nood scheen dus geweken, de overwinning nabij te zijn. Zoo brak de maand September 1672 aan, en keerden de uitgetrokkene burgers terug. Weêr vingen de vergaderingen op den Doelen te Leeuwarden aan. Deze »Doelisten” verzochten den Magistraat, om op nieuw de afgevaardigden uit alle Steden van Friesland bijeen te roepen. Dit geschiedde, en op den 9 September werden de vergaderingen van deze op het Raadhuis weder geopend. Zij ontwierpen 53 punten van reformatie, voor het meerendeel de zelfde doleanciën van 1626, doch nu meer uitgewerkt en toegepast op de tegenwoordige behoeften[234]. De hoofdzaken waren gebleven: dat niemand meer dan één ambt zou mogen bedienen; dat geene Grietmannen of ambtenaren leden der Staten mogten zijn, en dat niemand voortaan eenig ambt zou mogen verkoopen of voor geld overdragen.

Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37 harer Gecommitteerden, die zich den 12 September in plegtigen optogt naar het Landshuis begaven, den Staten aangeboden. Bij monde van hieronimus de blau, Burgemeester van Leeuwarden, verzochten zij de goedkeuring en aanneming van deze punten, »die tot groot nut[285] en eenigste behoud van het land strekten: opdat alzoo eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de staat des lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig misnoegen der gemeente weggenomen- en hare gemoederen gerustgesteld mogten worden.”

Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks door de Regenten der Steden was overgenomen en voorgestaan, verwekte ontzag. De Staten, die zich niet in toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat niemand der aanwezige leden Leeuwarden zou mogen verlaten, en dat de overige leden op den 16 September ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte van 500 gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld). Nu werden de poorten gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels, om het vertrekken van personen te keer te gaan, en anderdeels, om te verhoeden, dat de Staten meerdere krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie in de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot was de spanning der gemoederen.

De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd, en hielden zich met het onderzoek van het voorgestelde bezig. Tevens kwamen de afgevaardigden der Steden weder bijeen, en begaven zich naar den Landsdag, om op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook het volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar verzamelde zich op den 20 en 21 in grooten getale voor het Landshuis, met dreigend verzoek tot afdoening. Het werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden en eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den stand der zaken. Doch, toen er op den 27 September nog geen besluit gevallen was, werd de opgewondene gemeente zóó ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats bezettende, dreigde niet van daar te zullen gaan, vóór de[286] resolutie genomen was; weshalve de Magistraat twee compagniën burgers derwaarts zond, om gevreesde onheilen te voorkomen. Op den laten avond werd echter het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten alle punten hadden aangenomen[235].

Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en bleef het gemeen zich nu en vervolgens onthouden van uitspattingen en gewelddadigheden, die zoo dikwijls met de invoering van groote veranderingen gepaard gaan. Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering van dit Staatsbesluit. Tegen den 14 October werd er een nieuwe Landsdag uitgeschreven, waartoe nu vooraf vrije personen, die geene ambten of betrekkingen hadden, moesten worden gestemd. Dit geschiedde, en op den bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op het Landshuis vergaderd, door den Stadhouder en Gedeputeerde Staten plegtig en wettig »geintroduceerd”, als ’s lands hoogste en souvereine magt. Dan, al dadelijk rees er verschil, wie de geloofsbrieven der nieuwe leden moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, in weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als eene fundamenteele wet aangenomen was, dat het visiteren der procuratiën van de Volmagten zou geschieden door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot, waar tegen het kwartier der Steden zich toen en nu weder verzette.

Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke verschillen hier in het breede te vermelden. Het zij genoeg, hier mede te deelen, dat de nieuwe[287] Staten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten, dat zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij zich vestigden als ’s lands hoogste magt, in weerwil het kwartier der Steden zich aan de vergadering onthield.

Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand van die oude regeringsleden, welke noode van het gezag afstand hadden gedaan, en nu zich hevig beklaagden, dat zij binnen ’s tijds wederregtelijk uit de regering gezet waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige magt wilden erkennen. Integendeel, voor een vol jaar tot Volmagt gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven uitoefenen. Daartoe schreven acht hunner, meest Grietmannen, die zich »de olde en wettelycke Regeringe deser Provintie” noemden, een Landsdag van al de vroegere Staten te Sneek uit, gaven eene uitvoerige Deductie van hun regt, alsmede hunne punten van reformatie in het licht, en bevolen Gedeputeerde Staten zich naar Sneek te begeven, nadat de regering van Leeuwarden geweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen.

Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan het branden, dat, terwijl de vijand de grenzen des lands nog steeds bedreigde, hoogst gevaarlijk was voor de veiligheid en het gezag van den Staat. Immers, indien de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der nieuwe Staten te Leeuwarden hadden gekozen, was er een overwigt geweest; maar beide, het meest belang hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich nog altijd aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en riepen de hulp in van het Hof, om de twistende Staatsleden te bevredigen. Dit was echter niet mogelijk, dewijl de nieuwe Staten den Landsdag te Sneek niet erkenden, zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden, en geene pogingen onbeproefd lieten, om de Steden te[288] bewegen ter vergadering te verschijnen, en den Stadhouder, om zitting te nemen aan het hoofd der Gedeputeerden, welk collegie echter nog niet ter helft voltallig was. Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen, bleken ijdel te zijn: want ieder stond op zijn vermeend regt, zonder daarvan iets ten behoeve van den vrede te willen opofferen. De reeds zegevierende partij van vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had, behalve de volksgunst, enkel tot steun de Regering van Leeuwarden, terwijl de partij van het behoud, of de oude Staten te Sneek, gesteund werd door den Stadhouder en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens de overige Steden. De kans stond dus hagchelijk, of de reformatie in het belang des volks duurzaam zou zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich rustig hield, terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde. Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten tot feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het Hof noodzakelijk was. In zulk een toestand van verwarring eindigde het merkwaardige jaar 1672.


Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden hunne tusschenkomst aangeboden tot herstel van de rust. De oude Staten hadden die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige vergadering dan de hunne kon bestaan; terwijl zij, even als Gedeputeerde Staten, van al het voorgevallene een uitvoerig verslag naar ’s Gravenhage opzonden, waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van de gemeene rust aanklaagden[236]. Daarom wilden zij[289] veeleer de bemiddeling van het Hof inroepen; doch daar dit hiertoe moeijelijk te bewegen was, en twee Landsdagen te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden de Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie hunner leden herwaarts te zenden. Het waren de Heeren r. van molenschot, Pensionaris van Dordrecht, wegens Holland, m. van crommon, wegens Zeeland, en johs. eeck, wegens Groningen, die in last hadden, »om de ontstane onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te leggen” niet alleen, maar ook, »om de Staten serieuselyck te versoeken ende aen te maenen tot betalinge van de quota voor de militie, de legerlasten ende subsidien, aen de geallieerden van den Staet belooft, waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden onder de Regenten, defectueus was gebleven”; terwijl zij vast besloten waren, niet te vertrekken vóór de geschillen nedergelegd waren.

Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den Stadhouder en daarna met eenige leden van het Hof, geene moeite onbeproefd gelaten, om dit doel te bereiken, waartoe zij onderscheidene voorstellen, reglementen en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit rezen nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met veel moeite werden bedwongen. Nadat den 17 Februarij een nieuwe landsdag te Leeuwarden was beschreven, waarbij die voorstellen met allen ernst werden aangedrongen, had men goede hope op een gunstig besluit van dezen. Doch alles te vergeefs: »alsoo dat de Heeren Gecommitteerden van Haer Hoog Mog., na met beleefde woorden soo wel als harde dreigementen sterck te hebben aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en onverrichter saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt van de welmeenende Ingesetenen des Landts”[237].

[290]Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, en Friesland op nieuw eene prooi der partijwoede te zullen worden. Doch neen! zij was in waarheid der genezing nabij: want alleen de vreemde inmenging der Staten-Generaal, door de onderliggende partij van Sneek slechts begeerd, doch door die van Leeuwarden steeds afgekeerd en vermeden, had de toenadering verhinderd. Die fiere Friezen wilden de herstelling van het gezag niet aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl de Landsdag te Sneek bereids in zich zelven was te niet gegaan. Reeds den 7 Maart werd bij Staats-resolutie de beslissing van de verschilpunten aan den Stadhouder en negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden deze een Reglement en 97 »Poincten Reformatoir” in, bevattende uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken en tot omschrijving van de grenzen des gezags in het bestuur dezer provincie. Daarbij werd tevens de uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld, »op dat de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde onlusten, dissentien ende murmuratien tusschen de Regenten te eenemael mogen worden weggenomen ende uytgewischt.”

Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673 bij Staats-resolutie werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd, waarbij voor den vervolge een beteren voet van regering werd vastgesteld, en waarmede deze onzalige staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van al de welmeenende ingezetenen des lands[238].


[291]Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der partij van den vooruitgang was niet enkel ter bevordering van de staatkundige regten des volks en ter afschaffing van vele misbruiken-, maar ook om eene andere reden eene zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden; met welk gunstig gevolg de dappere willem III de Franschen op de Hollandsche grenzen wederstand had geboden, terwijl de ruyter ter zee de Engelschen met roem bestreed—de toestand des lands was en bleef nog hoogst gevaarlijk. Gegrond was hier de vrees, dat de Bisschop van Munster met versche benden herwaarts zou optrekken, om het verlorene Koevorden te herwinnen, en deze noordelijke streken op nieuw met kracht aan te vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht verspreid, dat turenne met eene groote magt naar Friesland zou oprukken. Daarom trachtten de Staten het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen. Reeds den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle manschappen van 18 tot 60 jaren zich moesten voorzien van geweer en dagelijks wapenoefeningen houden, en dat elk huisgezin één man moest leveren, om op het eerste bevel uit te trekken. Den 18 Maart werd het bevel herhaald, dat alle weerbare ingezetenen zich gereed moesten houden, om in geval van nood dadelijk op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk Prins joan maurits van Nassau herwaarts, gevolgd van eenige regimenten ruiterij en voetvolk, die tot versterking van Heerenveen en Joure gebruikt werden. Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in aantogt was, om een aanslag op Koevorden te wagen, waarop hij zich dadelijk naar Groningen begaf, om orde te stellen op het voorzien van genoemde vesting en de beveiliging van die provincie. Vervolgens gelastte[292] hij hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van de lage streken; terwijl er een dam gelegd werd in de Linde, en de wegen op de grenzen onbruikbaar gemaakt werden. Hij riep de landlieden op, om aan het versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij bepaalden de Staten, dat het uittrekken van den derden man binnen 14 dagen zou plaats hebben, waarna het getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd vastgesteld, welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost worden. Dit uittrekken werd toen echter vertraagd door verschillen over het onderhouden van die manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden en grietenijen hadden gebragt[239].

Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op het hoogst was, en dat men een hevigen aanval van de Bisschoppelijke troepen had te wachten. Tusschen deze en de onzen hadden er wel gedurig schermutselingen plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was gestreden; ook had Prins maurits den 2 Julij vier regimenten voetvolk en een regiment dragonders der Munsterschen in hun kwartier te Staphorst aangetast, waarna aylva te vergeefs een aanval op Zwartsluis waagde:—doch dit alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende enkel, om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten, of te ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te denken[240].

De Bisschop, na in de omliggende provinciën zoo veel tegenspoed en schade geleden te hebben, wilde echter de verovering van Friesland beproeven, en in deze uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing van den ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselsche[293] steden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche en Munstersche troepen te Steenwijk eene magt bijeen, welke op 6 à 7,000 man (door anderen op 8,000 voetknechten en 100 ruiters) begroot werd. Op den 15 Augustus rukt hij daarmede langs verschillende wegen op Friesland aan. Op het eerste berigt daarvan, trekken de onzen, onder gedurige schermutselingen met den vijand, van Wolvega terug tot Heerenveen, welk hoofdkwartier Prins maurits, Prins hendrik casimir en aylva tot het uiterste wilden verdedigen, waartoe ook dadelijk de derde man opgeroepen werd en de burgers van Leeuwarden, Sneek, Franeker enz. reeds den volgenden nacht naar Heerenveen vertrokken. Na de schansen van de Blessebrug en Bekaf genomen te hebben, trok de vijand de Stellingwerven in tot Oudeschoot. Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij herhaaldelijk werd geslagen. Zijne pogingen, om Heerenveen te overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn moedwil te koelen door de ingezetenen op contributie te stellen, door de dorpen te berooven, te plunderen en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld te worden, te rooven of te verwoesten. Vooral Wolvega, Oudeberkoop en Makkinga hebben daarbij veel geleden. Ondanks het bekomen van versterking uit Steenwijk, vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de groote magt, welke hem tegengesteld werd door het spoedig toesnellen van de gewapende burgers, en in het door een hevigen noordwestewind opgestuwde water zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte, en dat de bisschoppelijke troepen na verloop van vijf à zes dagen met groot verlies naar Zwolle, Zutphen en Arnhem terugtrokken. Eerst nadat de Friezen nog eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het door[294] den Bisschop zoo lang en fel benarde Koevorden te ontzetten, hetgeen in het begin van October, meest ten gevolge van een sterken oostewind, gelukte, werd het den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette posten te verlaten en naar hunne woningen terug te keeren[241]. (Zie Aanteekening 25.)

Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding van Friesland, hetwelk, terwijl het grootste gedeelte der Nederlandsche provinciën zoo lang door de vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen geworden, volkomen vrij was gebleven. Der Friezen oude moed en trouw had, met Gods bijstand, dit gewest in het bijzonder weder beveiligd. De vast- en bededagen, welke men zoo dikwijls had gehouden, werden nu vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing van het gansche vaderland van de overmagtige vijanden, die door hooger magt waren gestuit in hunne geweldige pogingen, om het te overmeesteren en onder hunne heerschappij te brengen.

»Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftige Friesland, van alle eeuwen vermaard als de moeder en te gelijk het kind van de Vrijheid; van de Romeinen gevreesd, door de Britten gehoorzaamd en door de Franken geëerd, als de voedster van ontembare helden, op nieuw met handen en tanden verdedigd. Zoo werd den Munsterschen Bisschop afgeleerd, de grenzen in te breken van een land, dat, door natuurlijke kracht en schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweld[295] ongenaakbaar bleek te zijn, zoo lang het beschermd werd door fiere nazaten, niet ontaard van de heldendeugd der roemrijke voorvaderen”[242].


Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland behoefte aan rust en vrede. Er werden daartoe met Munster, Keulen, Engeland, ja zelfs eerlang ook met Frankrijk, en wel bij herhaling, verdragen gesloten, doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigen lodewijk XIV hield ons land nog langer dan twintig jaren in de wapenen, daar eerst met den vrede van Rijswijk (1697) de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe gelukkig, dat Nederland gedurende al die jaren in den, eerst lang vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, Prins willem III een staatsman en held bezat, die den Franschen monarch, na hem dit land eerst hevig betwist te hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en die nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem mogt behalen.

Ook Friesland, dat, ver van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich sedert 1673 weder rustig aan zijne eigene belangen kon wijden en de welvaart zijner ingezetenen bestendig zag toenemen,—ook dit gewest bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die den Prins van Oranje krachtdadig ondersteunden in het beveiligen van het vaderland en het bevorderen van zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen. De ruyter vond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid der, onder banckers vereenigde, Zeeuwen en Friezen, die de Franschen en Engelschen »met hunne gewone kloekmoedigheid aantastten”; een krachtigen[296] steun[243]. De dappere jacob binckes, geroemd als »een voorsichtig soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw Commandeur en een goedertieren Christen, wiens voorige Heldendaden bewijs gaven van grooter verwachtingen,” mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag in de West-Indien roemrijk handhaven, en in 1677 nog eene overwinning op de Franschen behalen, na »een der hardnekkigste gevechten, waarvan de Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt”[244]. De belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen van de uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, als willem van haren, allart pieter van jongestal, hans van wyckel, pibo van doma, matthijs, assuerus en gysbert van vierssen, isaac de schepper en anderen[245], waarvan de eerste alleen in twaalf gezantschappen naar vreemde mogendheden en als vredehandelaar het hoog gezag des lands deed gelden en de belangen van oorlog en vrede regelde. Nog grooter roem behaalden hans willem Baron van aylva (hier vóór reeds zoo dikwijls vermeld), menno Baron van coehoorn en de Stadhouder hendrik casimir II in den strijd voor het vaderland.

Aylva, die van de bescherming zijner provincie zoo veel eer mogt verwerven, wist in den slag van Senef (1674) »door uitstekende dapperheid zijn reeds verkregen[297] »roem loffelijk te handhaven,” en dien bij de belegering van Keizersweerd en Bonn en inzonderheid vóór en in den slag van Fleurus (1690) te vergrooten. Als een der voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in het laatst zijns levens het opperbevel over de Staatsche troepen in Braband opgedragen[246]. Coehoorn, die zich in 1673 bij de belegering van Maastricht als Kapitein voor het eerst door dapperheid onderscheidde, en vóór Grave[247] en in den slag van Senef aan zijn heldenmoed de bevordering tot Kolonel had te danken, muntte vervolgens evenzeer als legerhoofd en als uitstekend vestingbouwkundige uit, daar hij in de versterkingskunst voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden Franschen Ingenieur vauban. In den slag van Fleurus, waar hij »boven andere Nederlanders uitmuntte”; bij de roemrijke verdediging en daarna herneming van de sterke vesting Namen (1692, 1695); door de versterking van Groningen, Koevorden, Nijmegen en Bergen op Zoom; door de verovering van Luik (1702), van Bonn (1703) en andere schitterende wapenfeiten verdiende hij, tot de hoogste waardigheden opgeklommen en de groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, een[298] eervollen rang onder de groote mannen des vaderlands[248].

Prins hendrik casimir II, bij den dood zijns vaders slechts zeven jaren oud, ontving eene verstandige opvoeding van zijne voortreffelijke moeder, Prinses albertine agnes, die, ook nadat hij in 1672, ruim 15 jaren oud, tot werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als voogdes ter zijde stond[249], gelijk hij in aylva een uitstekend leermeester en voorganger vond in den krijg. Reeds op zeventienjarigen ouderdom woonde hij den slag van Senef bij, en was, »ook in het dreigendst levensgevaar, onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen Opperbevelhebber willem III, waardoor hij zich waardig toonde de spruit te zijn, in wie de edelaardigheid der telgen van oranje op den Frieschen stam was overgeplant.” Als Stadhouder, mede over Groningen en Drenthe, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steeds[299] edelmoedig jegens Prins willem III, toen deze in 1677, al te heerschzuchtig over de afdanking van Friesch krijgsvolk beschikkende, daardoor, en mede bij de door hem voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een krachtigen tegenstand uitlokte van Frieslands Staten, die onverzettelijk bleven in de uitoefening van hun regt, om zelve patenten of marschorders aan de troepen af te geven. Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten hem zelfs eene gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden had in de schrandere Prinses amalia van Anhalt-Dessau, werd haar niet enkel een geschenk van 100,000 Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den luisterrijken intogt te Leeuwarden, op den 19 Augustus 1684, een onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst was ten deel gevallen, en waarbij men al de blijken van den rijkdom en de weelde dier bloeijende dagen ten toon spreidde[250]. In 1690 aangesteld tot tweeden Veldmaarschalk, gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid in de veldslagen van Fleurus, waarbij zijne lijfgarde twee vaandelen veroverde op de bloem des Franschen legers, van Steenkerke en Neerwinden. Nadat zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was geknakt, overleed hij den 15 Maart 1696 te Leeuwarden, algemeen om zijne deugden en verdiensten diep betreurd. Zijne edele moeder, Prinses albertine agnes, overleefde hem slechts twee maanden, daar zij den 14 Mei 1696 op het door haar gestichte lusthuis Oranjewoud overleed[251].

[300]Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon na, jan willem friso, die naauwelijks den ouderdom van acht jaren had bereikt. Al de waardigheden des vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne moeder en voogdes werd waargenomen. Van deze bekwame en schrandere vrouw ontving hij eene voortreffelijke opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13e jaar de Hoogeschool te Franeker kon bezoeken. In het volgende jaar verwisselde hij deze met die van Utrecht, en wel op verzoek van Prins willem III, die, zelf geene kinderen hebbende, den naam van Oranje en de voortduring van zijn Huis in de Nederlanden op dezen jongeling vestigen wilde, en hem daarom ook genoegzaam als zoon aannam en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De spoedig hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702) was alzoo voor de verdere opleiding van den jongen Vorst een even groot nadeel, als de erfenis van titel en bezittingen hem voordeel scheen te beloven. De naijver van Holland en de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze, provinciën jegens Friesland en zijne Stadhouders, reeds vroeger zoo dikwijls gebleken, was nu weder de oorzaak, dat men niet alleen aan de begeerte des Konings, om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen opvolgen, geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag, dat Pruissen zich van een gedeelte der erfenis van Oranje meester maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten,[301] als uitvoerders van Koning willem’s uitersten wil, daarvoor hadden behooren te zorgen. Te vergeefs ijverden de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal (1703), waarbij zij bestendig van de andere provinciën tegenwerking ondervonden[252]. Doch hij wilde dien rang niet als gunst ontvangen, maar door dappere daden verdienen.

Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden, toen hij in 1703, eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met zijn leidsman van heemstra den eersten veldtogt bijwoonde. Immers, de zelfde oorlogszuchtige en trouwelooze Koning lodewijk XIV, die ons vaderland nu reeds langer dan 30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden, had nu, ten gevolge van een staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging, den oorlogsfakkel in de Spaansche Nederlanden (België) geworpen, waar zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige tegenstanders ontmoette in Prins eugenius van Savoije, die de troepen des Duitschen Keizers, en in den Hertog van marlborough, die de verbondene Engelsche en Nederlandsche benden aanvoerde. Wegens het belang der zaak, waaraan men »de vrijheid van gantsch Europa” gelegen achtte, waren de Staten der Vereenigde gewesten, en wel bijzonder Friesland, eenstemmig gezind, tegenover den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen. Zij hielden woord, en bragten gedurende dezen bloedigen oorlog van 1702 tot 1712 een leger te velde, dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man bedroeg[253].[302] Ook Friesland getroostte zich tot dat einde verbazende opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid zijner krijgsoversten en soldaten met eere erkend. Reeds omtrent de vier eerste jaren van dien krijg vermeldt een schrijver van dien tijd zulks in de volgende woorden: »Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haare Vriesen zo te voet als te paard, wel een groot gewicht in des Lands overwinningen inbrengen; en dat zy, streng en hardnekkig vechtende, de uitgepikte magt van ’s Konings huis by Ramillies gebrooken en vertreeden hebben, en in de Beleegeringen standvastig en schrander zyn, zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de alderuitgeleezenste sterke Vestingen, voor ’t vuur van Koehoorn, de Vriesschen Archimedes, plooyen; voortgaande met zegevierende schreeden na Europa’as Vryheid, door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigen Franschen Dwingeland”[254].

’t Mogt den jeugdigen Prins friso, hoezeer brandend verlangende naar den strijd, niet gebeuren, in de eerste jaren, dat hij den Successie-oorlog aan de zijde van ouwerkerk bijwoonde, bijzondere blijken te geven van zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die togten voor hem eene belangrijke leerschool; en miskenning was hem een prikkel, om zich zelven met waardigheid te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de gelegenheid gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller oogen op zich te vestigen. Doch toen ook was hij niet enkel bevorderd tot Generaal van het voetvolk, maar ook tot de waardigheden zijns vaders. Nadat hij, den ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18 November 1707 met groote plegtigheid te Leeuwarden was[303] ingehaald, werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland gehuldigd; terwijl zijne moeder als Voogdes den dank der Staten en eene gift en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister van zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheid Ameland (voor ƒ175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap van Groningen en Drenthe verhoogd, werd in het volgende jaar bekroond door een gelukkig huwelijk met de schoone en brave Prinses maria louisa van Hessen-Kassel, waarover groote vreugde werd bedreven[255].

Inmiddels had de Prins in den slag bij Oudenaarden (Mei 1708) zich de baan des roems ontsloten en getoond, wat het vaderland van hem verwachten kon. Met heldenmoed rukte hij aan het hoofd zijner bataljons op de bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te wijken: eerst viel hij het »door een meesterlijken togt en zwenking in de flank, en daarna door een stouten marsch in den rug”, zoodat hij veel toebragt tot deze roemrijke overwinning. »De beslissende dapperheid, door Frieslands jeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op de tong van elken Vaderlandlievenden Nederlander[256]. In het beleg van Rijssel, in 117 dagen met verbazende opofferingen gewonnen, was hij de tweede in het opperbevel, doch de eerste bij elk gevecht en iederen aanval. Ook St. Amand, Doornik en Gent hielp hij veroveren. Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen gevaar te groot en voor zijn moed geen tegenstand te sterk was. In den hoogst belangrijken slag bij Malplaquet (1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen bataljons,[304] die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen, rukt hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk kanon- en geweervuur in. »Voort, voort!” klinkt in een hevig kruisvuur zijne stem, en, als sleepte hij zijne troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing bereikende, zwaait de jonge held met den hoed in de hoogte, en stuiven al zijne benden in de gracht, bestijgen en veroveren met leeuwenmoed de borstwering, en verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden ziet hij om zich henen vallen en zelfs bijna al zijne officieren; met het klimmende gevaar voelt hij echter zijn heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen aanvoeren, al zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten. Een vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede alléén op de vijandelijke werken in, en, roepende: »volgt mij, mijne vrienden! hier is uw post!” plant hij het op de borstwering, die op nieuw wordt veroverd. Juist deze »voorbeeldelooze stoutmoedigheid,” die persoonlijke, alle gevaar trotserende, moed van Oranje, welke aan roekeloosheid grensden, hadden de overwinning mede mogelijk gemaakt, ofschoon zij in hem misduid werden, daar hij altijd moest bedenken, dat hij de eenige Vorst was uit de huizen van Nassau en Oranje, waarop de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid spaarde hem echter als door een wonder.

Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield zijn echt hem geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in het laatst van October met Prins eugenius Bergen in Henegouwen had ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hij Douai en St. Venant, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711 ging[305] hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij naar ’s Gravenhage geroepen tot vereffening van de geschillen met den Koning van Pruissen over de erfenis van Koning willem, werd hij door een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de kogelregen en het moorddadigste vuur bij Malplaquet hadden gespaard—vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw op het Hollandsche diep bij den Moerdijk. Het geheele land betreurde dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en verdiensten door uitbundige lofspraken. »Men had hem nooit genoeg geacht bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van een achilles, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een noodzakelijk kwaad beschouwde;—eigenschappen, die aan jan willem friso de bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten hebben waardig gemaakt! Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen. Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den invloed van die tooverkracht, waarmede de naam van Oranje het altijd wist te bezielen”[257].

[306]Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen—zij betoonde zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder. Den 1 September 1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd willem carel hendrik friso te Leeuwarden geboren. De Staten van Friesland die zoo veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, »met aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad,” deelden nu evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder eene mannelijke spruit bezat uit de huizen van Oranje en Nassau, waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige liefde en belang was verknocht geweest.


[307]Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij ’s Prinsen dood ten einde. De trotsche lodewijk XIV, die jaar op jaar zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen, den 11 April 1713 te Utrecht werd gesloten. Die vrede, welke het vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte algemeene vreugde, die men ook in Friesland aan den dag legde door het afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats te Leeuwarden. Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de voortreffelijke staatsman sicco van goslinga, die tevens in den Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst was geweest[258]. In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors frederik vegilin van claerbergen, joachim van ammama en frederik van grovestins. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door »met ongehoorde stoutheid” in Frankrijk een inval te doen, welke lodewijk, dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen troon deed sidderen. Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en huzaren, mede onder bevel van den Brigadier van glinstra, trok hij door Champagne en de Bisdommen Metz, Toul en Verdun, legde in 48 dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch Lotharingen[308] beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven[259].

Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar gansch Europa helden kon toonen, die den krijgsroem van Nederland met nieuwen luister deden schitteren.—Dat Friesland in de rij der Nederlandsche gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene wijze, zijnen alouden roem waardig—dit vermeldden wij voor de eer onzer provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.

De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.


[191] Aitzema, Saken van Staet en Oorlogh, 4o. VII 205 env. Wagenaar, Vaderl. Historie, XII 153.

[192] Charterboek, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien in aitzema, VIII 102 env., vooral tegen de witt, van beverningh en nieupoort gerigt. Kok, Vad. Woordenb. XVI 603.

[193] De jonge, Geschiedenis van het Ned. Zeewezen, II a 30 env.; wagenaar, Vaderl. Historie, XII 232 env.

[194] Charterboek, IV 896, V 330, 477, 485, 486; Reg. op de Staats-resol. 10, 205, 313; Tegenw. Staat, III 13.

[195] Charterboek V 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering van Harlingen reeds in 1644 bij acte had aangenomen, „omme de Heeren Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en packhuysen.”

[196] Reg. Staats-resol. 13; de jonge, Zeewezen, I 280, 281; II a 346, II b 31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden.

[197] Van dezen douwe aukes zijn geene andere bedrijven of levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste Engelschen oorlog de zee en werd koopman te Amsterdam, waar hij bij den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot ’s lands vloot als Zeeraad te dienen. Zie brandt, de Ruiter, 398. De Holl. Mercurius, 1666, 169 noemt hem, die verder niet bij brandt voorkomt, „een van de beste Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als ervarentheyt,” en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot Luit.-Admiraal, in plaats van tjerk hiddes.

[198] Ik ben het verhaal gevolgd in den Hollantsche Mercurius van 1652, III 82, nagenoeg overeenkomende met brandt, Leven van de Ruiter, Amst. 1701, 27 en de jonge, Zeewezen, II a 53.

[199] „Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionaris j. de witt, in een’ zijner brieven aan de Algemeene Staten.”

[200] De jonge, Zeewezen, II b 32, 105. Waar het mogelijk is, wil ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van dezen bevoegden beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste gezag verdient.

[201] Zie een belangrijken brief van hem bij aitzema, XI b 919; wagenaar, XIII 147 env.; de jonge, II b 180, 247, 281 env.

[202] Resol. van Gedeputeerden; Reg. Staats-res. 13, 206; Chartb. V 747, 749, 750; vitringa, Memoriale Annotatien, I 412 env.

[203] Memorien van den Grave de Guiche, bl. 262 en 277 van het orig. en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman, die zich met andere aanzienlijke personen op de vloot bevond, schreef den naam van tjerk hiddes naar zijne Fransche uitspraak kierkides, welke spelling ook de schrandere vertaler behouden heeft.

[204] Ik vond dit verhaal (bij de jonge, II b 282 en in het officiëel verslag in den Holl. Mercurius, 90 slechts kort vermeld) in een oorspronkelijk Zee-Journael van dien togt, zoo als die destijds, bij gemis van Couranten, te Amsterdam en elders werden gedrukt en onder den naam van Nieuwe Tijdingen verspreid.—In 1663 hadden Gedeputeerde Staten hier een vasten Post opgerigt, tweemalen ter week van Leeuwarden op Zwolle en verdere plaatsen. Het Huis Benthem was hier het eerste Postkantoor en jetse stiensma de eerste Postmeester. Charterboek, V 693, 707.

[205] De jonge, II b 336, 344 env.; wagenaar, XIII 210; Holl. Mercurius, 115; aitzema, XII 97; brandt, 515.

[206] De jonge, II b 353; III a 417. Zijne beste levensbeschrijv. is die in de Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen, Amst. en Harl. 1776, III 1; kok, XXX, 36; brandt, de Ruiter, 401, 407, 419, 423, 424 env. Zie verder Aanteekening 23.

[207] Deze zoon, tjerk de vries, ook in ’s lands zeedienst opgeleid, stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op ’s lands oorlogsschip: de Brack op een terugtogt van Engeland.

[208] Zie over aylva als Luit.-Admiraal: brandt, 558, 573, 585, 589, 590, 594, 598, 599, 644, 646; de jonge, II b 421; III a 51, 124.

[209] Zie deze redenen breeder ontwikkeld bij de jonge, III a 204.

[210] Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen is de jonge zóó uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien hij vele, tot dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld. Zie III a Inl. XII, 30, 345-366, 415, III b 49, 275-363.

[211] Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving dier dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden, meenen wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het zelfde jaar 1661, dat de Staten ten gevolge der toenemende publieke onveiligheid, veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden en landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en Werkhuis op te rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel tegen „dát schadelyck geboefte,” als tegen het drukken van schandelijke en ergerlijke boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk zuipen en slempen op de lijkmaaltijden. Zie die stukken in het Charterb. V 651, 653, 661, 662. Den hoofdinhoud van het laatste willen wij hier mededeelen met de woorden van horatius vitringa in zijne MS. Memoriale Annotatien, I 262:

„De Staten van Frieslant, insiende het schandelyck en godtloos misbruick van ’t suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels by de begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande soorten van menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich droncken bout in het sterffhuis konde vertoeven tot 9 à 10 uyren in den avont, en haer alsdan als beesten laten nae huis leyden, nemende menichmael kannen en glasen onder de mantel en hoyck mede om in het drincken niet vergeten te worden; in voegen, dat een gemeen Burger tot een begraffenisse van nooden hadde ten minste een aem wyns en sommige vrij wat meer,—hebben, daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een gravamen van ’t Classis van Leuwaerden, in desen jare op het Synode alhier vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden, dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen wyn, bier off stercken dranck te doen schencken by poene van 50 Ggld., ’t appliceren 13 part voor den aenbrenger, 13 part voor den Officier en 13 part voor de armen: waer mede het drincken oock een eynde heeft genomen.” Dit laatste wordt door de herhaling van dit plakkaat in 1683 tegengesproken. Zie Charterb. V 1213.

[212] Vitringa, Mem. Annotatien, I 93; Charterb. V 592, 595, 604, 606, 608, 609; Tegenw. Staat, II 169, 468.

[213] Vitringa, I 271; Charterb. V 666, 667, 679, en aitzema, X 524, die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis!

[214] Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prins joan maurits van Nassau het ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug in Franeker, in het water en onder zijn paard te vallen. Gelukkig gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne herstelling. Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen en geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug, die daarvan den naam van de Mauritsbrug ontving. Aitzema, 823.

[215] Vitringa, Memorien, I 388; Charterboek, V 616, 738, en vooral uitvoerige berigten in aitzema, XI a 75-131; sylvius, Vervolg, II 43; n. arnoldus, Vorstelijke Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden, Leeuw. 1664, 19; wagenaar, XIII 97; Reg. Staats-res. 513.

[216] Vitringa, Memorien, I 432; aitzema, XI b 1039.

[217] Ook onzen dichter gysbert jacobsz. met vrouw en zoon. Zie halbertsma, Hulde, II 299.

[218] Vitringa, I 430; bosscha, II 18; aitzema, XI b 1034 env. Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog voor Friesland in 1666 ƒ263,000 per maand of ƒ2,178,000 in het jaar.

[219] De Hollandse Mercurius, 72, zegt zelfs, dat het „schoone Regiment van alua van ’t geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt de Spaensse Nederlanden na ’t Leger, van daer na Nimwegen, van Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder van daer na de Rijnkant.”

[220] Valkenier, 458, zegt duidelijk: „Door dese quetsure van condé bleef de groote Resolutie, om op Amsterdam te gaan, geheel achter, en wierden de concepten geheel verandert.” Ook Kapitein w. j. knoop, in zijn belangrijk stuk: de Verdediging van Nederland, in de Gids, 1851, 317, houdt het voor „zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland verloren.”

[221] Valkenier, 597; Charterboek, V 812 en verv.

[222] Zie valkenier, ’t Verwerd Europa, Amst. 1675, 597 en vooral het uitvoerig verhaal bij sylvius, Vervolg op aitzema, I 561.

[223] Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bij sylvius, I 298 en in d’ Ontroerde Leeuw, 70.

[224] Alleen d’ Ontroerde Leeuw, 41 en Holl. Mercurius van 1672, 112 maken melding van dit feit, later door sylvius in zijn Vervolg op aitzema en in it aade Friesche Terp medegedeeld. Zie ook van d. h. van der meer in den Friesche Volks Almanak, 1841, 44 meer uitvoerige berigten deswege.

[225] Dit vermeldt eldercampius in zijn Journael van ’t beleg, Gron. 1672, en de Holl. Mercurius, 127, 129.

[226] Valkenier, 807, die in dezen meer te vertrouwen is dan it aade Friesche Terp, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9 September stelt.

[227] Zie het uitvoerig verhaal bij sylvius, I 427; valkenier, ’t Verwerd Europa, 803; d’ Ontroerde Leeuw, 46; siegenbeek, Geschiedenis der Burgerwapening, 130; bosscha, Heldend. II 126. Ter belooning van „dese heroïque actie der Burgeren” werden, nog in dat zelfde jaar, aan Blokzyl stedelijke regten toegekend, volgens octrooi van Prins willem III.

[228] Dit stuk is medegedeeld in de Leeuw. Cour. van 1836, No. 36.

[229] Vitringa, Mem. Annotatien, I 639. Ik heb den inhoud dezer aanspraak hier vooral medegedeeld, omdat al de verdere klagten en bezwaren, welke tot de latere gebeurtenissen aanleiding gaven, in de hoofdzaak hierop nederkwamen.

[230] Charterb. V 831. Deze Resolutie is echter maar door 45 van de 82 leden der Staten onderteekend. Zóó vele personen schijnen er afwezig geweest te zijn?

[231] Vitringa, 643; Charterb. V 834, 1074, 1075; Geschiedk. Beschrijving, II 135; valkenier, 653 vermeldt, dat Leeuwarden alléén 1000 weerbare burgers leverde. (Zie Aanteek. 25.)

[232] Dus oordeelt Kapitein w. j. knoop in de Verdediging van Nederland in 1672, in de Gids, 1851, 330.

[233] Charterboek, V 299, 301, 313, 316, 666, 815.

[234] De beroemde ulrik huber gaf in een naamloos geschrift, getit. Spiegel van Doleancie en Reformatie, eene beoordeeling van deze punten, met eene, in die dagen van opgewondenheid zoo nuttige waarschuwing, „dat soo heerlijcken werck niet werde bezoedelt met de vlecke van onrecht en onvoorsichtigheydt.” Het ambtverkoopen noemt hij daarin: „de schandvlecke ende de kancker van de Vriesche Regeringe.”

[235] Zie Charterboek V 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. van vitringa, wiens verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uit sylvius, I 567 env.

[236] Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in het Charterboek, V 888, 892, 931 env.

[237] Vitringa, Memoriale Annotatien, I 706.

[238] Zie deze stukken in het Charterb. V 957, 959 env. Ook zijn ze afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in het Recueil van Reglementen enz. gedrukt te ’s Gravenhage in 1678, toen er over de nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden.

[239] Zie Charterb. V 946, 973, 977, 983, 985, 988.

[240] Sylvius, Historien, I 635, 636.

[241] Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene vindt men in de belangrijke werken van dien tijd: Holl. Mercurius, 152, en d’Ontwaekte Leeuw, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74, 122, 130; II 15, 46, 47 env.; sylvius, I 653; zie ook van leeuwen, Kronyk, 254.

[242] Romyn de hooghe, Spiegel van Staat, Amsterdam 1706, I, 7e tafereel, 1, 7.

[243] Zie de voorbeelden daarvan bij de jonge, Zeewezen, III a 130, 150, 269, 292.

[244] Behalve het vroeger aangehaalde uit de jonge, op bl. 259, blijkt dit uit veelvuldige plaatsen in het 3e dl. 1e en 2e st. van zijn voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene meerdere bijzonderheden kan mededeelen. Ook sylvius, I, 14e bk. 341, 348, 15e bk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden van binckes.

[245] Zie over dezen scheltema, Staatkundig Nederland, het Wapenboek, het Stamboek, het Charterboek enz.

[246] Sylvius, Vervolg op aitzema, dat aan hem werd opgedragen, I 287, 562 env. III, 1691, 51; bosscha, Heldendaden, II 166, 232, 240, Bijlage 9 env.; Friesche Volks Almanak, 1841, 62.

[247] Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche Luitenant laurentius de blau, bij een aanval doodelijk getroffen, door zijne achttienjarige jongevrouw, antje tjebbes tjebbinga, met veel onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats gebragt en naar Leeuwarden vervoerd, om hem bij zijne vaderen te doen rusten. Zie ferwerda, Wapenboek, I in de Blau. Ook bosscha, II 193 vermeldt dit en Mr. van halmael bezong dit blijk van huwelijkstrouw in den Alm. v. ’t schoone en goede, 1837.

[248] Bosscha, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319 env.; Friesche Volks Almanak, 1840, 104; n. ypeij, Gedenkschrift van Coehoorn, Fran. 1781; chalmot, Biogr. Woordenb. VII 129; kok, Vaderl. Woordenb. X 366; Levensbes. van Nederl. Mannen, VII 169; merkes, Memorie over Coehoorn, ’s Hage 1825; van kampen, Geschied. II 138; Karakterkunde, II 415; van loon, Historiepenn. IV 342; van leeuwen in het Friesch Jierboeckje, 1829, 1.

[249] Toen de Prinses in 1679 naar Duitschland vertrok en haar zoon het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij eene Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare „groote liefde, affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende Provincie;” waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer van hunne erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld ging van een geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie bij sylvius, II 42. De regering van Leeuwarden ontving bovendien een brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog sterker uitdrukte. Zie Geschiedk. Beschrijv. II 298. Later keerde zij echter in Friesland terug, en woonde meest op het Oranjewoud.

[250] Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene uitvoerige beschrijving van deze „Princelyke Inhalinge” bij sylvius, II, 1684, 125.

[251] Zie over deze Vorst en Vorstin: Charterb. V 914, 1103, 1216, 1242; sylvius, I 552, 653, b 97, 178; Regist. Staats res. 46, 513, 587; kok, Vaderl. Woordenb. II 507, XVI 606, XX 547; foeke sjoerds, Beschrijv. II 188; Tegenw. Staat, II 147; van kampen, Karakterk. II 337, 405, 414; bosscha, Heldendaden, II 103, 168, 239, 240, 258; steenbergen, Lijkrede op Prinses Albertine Agnes; van leeuwen, Kronyk, 456; van halmael in den Friesche Volks-Almanak, 1844, 182.

[252] Zie die geschillen vermeld bij kok, XVI 607; Reg. Staats-resol. 517.—„Holland was voor Frieschen invloed bevreesd”, zegt groen van prinsterer, Handboek der Vaderl. Geschiedenis, 589.

[253] Bosscha, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig over de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek werd door dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen! Groen, 588.

[254] Romyn de hooghe, Spiegel van Staat, Amst. 1706, I, 7e tafereel, 28.

[255] Zie Reg. Staats-resol. 343, 517; lamigue, Leven van J. W. Friso, II 9, 30, 109, 117; kok, XVI 682; Tegenw. Staat, II 376. Ook deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne gouds als huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld.

[256] Van kampen, Karaktk. II b 530: bosscha, Neerl. Held. II 420.

[257] lamigue, Leven, II 237, 266; van effen, de Misanthrope, II 21; van kampen, Karakterk. II 534; bosscha, Heldendaden, II 403-519; Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen, VI 154, 284, VIII 260; ferwerda, Wapenboek, II. Acht dagen na ’s Prinsen dood (den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, te Dordrecht gebalsemd en naar Leeuwarden vervoerd, waar het eerst den 25 Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld. toestonden.

[258] Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heer j. van leeuwen in de vrije Fries, 1844, III 277. Ook bosscha, II 469 env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het dorp Dongjum versiert, met hoogen lof.

[259] Zie over de genoemde personen: van leeuwen, in de vrije Fries, V 245; bosscha, II 325, 370, 458, 473, 536, 543; wagenaar, Vaderl. Historie, XVII 426, 466; van haren, de Geuzen, 10e Zang en Aant.; Frisia Nobilis, 114, 331, 335; Stamboek, I 144, II 84; van sminia, Grietmannen, 53.


[309]

38. Aanwas en Verbeteringen in den Toestand van Frieslands bodem. Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz. 1580-1795.

De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang van het oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of met andere vergelijken. De inwoners van een land zijn zelve niet altijd de beste beoordeelaars van zijne waarde, vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen daarin werpen, bekoort ons soms door nieuwheid en belangrijkheid van inzigten, welke de waarde van dit land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en ons volk gehecht gevoelen.

Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde door ons vaderland, nog vol van jeugdigen lust en kracht, om het edele, groote en schoone, waar hij het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan een gunstig getuigenis gaf[260]. Aan bergachtige natuurtooneelen gewoon, trof hem hier, »in deze klassieke vlakte, die afwisseling en tegenstelling van land en water, van oude en nieuwere steden, de middelpunten van het verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en waterwegen, van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen, prachtige wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich de woeste zandgronden schier verliezen, en vooral die grootsche duinen en daarachter in de verte de graauwe zee, die ontzettende!”

[310]»Ook dit land”, dacht hij, »heeft God geschapen en tot eene goede woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt, als zij Zijne heilige bedoelingen in de natuur regt verstaan en volgen. Juist dit, dat in dit land overal de regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de zedelijke degelijkheid, nijverheid, koenheid en netheid van het volk kan opmerken, daar het met edelen trots het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te bebouwen, en water met land, vlakte met heuvels met kunstenaarshand, vaak op verrassende wijze, tot de liefelijkste landschappen, als tot lusthoven, verbindt,—juist dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid. De natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar schoon; maar volle bevrediging vindt de geest toch eerst dán, wanneer Natuur en Geschiedenis elkander doordringen. Ja, ’t is een soort van godsdienstig genot, een land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo geheel doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod des Scheppers, dat de mensch zich de geheele natuur moet onderwerpen, met zoo veel ernst en gelukkig gevolg volbragt wordt.”

Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag, waarvan het zich nooit kan losrukken. Hem kwam het voor, dat ons volk meer dan andere de bezielende herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard- en zijn historischen grond, even als zijn land tegen de zee, bewaakt en verdedigd heeft. »Bewaart dien edelen historischen zin!” roept hij onzen landgenooten ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis der geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering van den vaderlandschen bodem, eene kracht ligt, om onze vaderlandsliefde te bevestigen en den moed te[311] verhoogen, ten einde bij voortduring aan deszelfs volmaking met ijver mede te werken.

Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen van toepassing,—zij is dit in het bijzonder op Friesland, waar de natuur zoo weinig, de hand des nijveren volks zoo veel ter bescherming en verbetering van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van buitenlandsche hulpbronnen, waaraan Holland vooral zijn aanzien en grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen wij op de belangstelling onzer lezers inzonderheid, bij de beschouwing van de voornaamste oorzaken en middelen, waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering van den Frieschen bodem is bevorderd.

Aanwas. Bedijkingen.

Verlies van grond had Friesland niet meer te betreuren sedert de groote veranderingen, welke in de 13e en 14e eeuw de Zuiderzee deden ontstaan. (Zie bl. 56-64 hier vóór.) Integendeel, er was op verscheidene plaatsen langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij grootere breedte en vlakte, de bescherming hadden kunnen ontberen van de paalwerken, welker regtstandige afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het strand uitgekolkt werd.

De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee bevorderd hadden, bleven, ook nadat het Bildt van 1505-1508 door een zwaren zeedijk was afgesloten, voortgaan, den hoek tusschen Dijkshoek en Wierum, welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt, te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt. De eerste inpoldering daarvan geschiedde in 1580 en 1590[312] door het bedijken van den Holwerder Wester- en Oosterpolder en den Ternaarder-polder, gezamenlijk ook Nieuw-Dongeradeel genaamd. Hierop volgde in 1600 het bedijken van het Nieuwe Bildt, niet minder dan 1756 morgen bedragende met bovendien 260 pondematen Nieuw Munneke-Bildt onder Ferwerderadeel. De daarbij aangelegde Nieuwe Bildtzijl werd echter reeds in 1655 gedamd, ten gevolge der voortdurende aanslijking, welke het mogelijk maakte, om in 1715 de Westelijke Bildt-pollen, groot 444 morgen, en in 1754 de Oostelijke Bildt-pollen, groot 126 morgen, benevens het gansche Noorderleeg, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te brengen. Sedert deze laatste bedijking bleef de gelegenheid tot landwinning benoorden het Bildt en Ferwerderadeel zóó gunstig, dat er tot heden, van St. Jacobi-Parochie tot voorbij Blija, weder eenige honderden bunders vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de namen dragen van de Bildt-pollen-Aanwas, het Noorderleegs-Buitenveld, de Keegen en de Bokke- en Boere-pollen[261].

Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in 1592 eene groote uitgestrektheid lands aangewonnen, doordien de Anjumer- en Lioessenser-polder bedijkt en vereenigd werd met het vroegere eilandje de Band. Doch Oost-Dongeradeel, ten opzigte der aanslijking zoo gunstig gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang en meer gewigtig gevolg voor gansch Oostergoo. Bezuiden deze grietenij stroomde het Dokkumerdiep als een breede tak van de Lauwerszee tot aan de stad Dokkum, waar het zeewater eerst gekeerd werd door eene[313] sluis, in 1583 aldaar van Oudzijl, bewesten die stad, overgebragt. Tusschen de dijken van dezen tak verzamelden de slibstoffen zich van lieverlede dermate, dat het vernaauwde diep den zeehandel van Dokkum niet enkel belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld op de dijken aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt dit groote schade te weeg. Daarom nam men toen op nieuw in overweging het reeds in 1584 door de naastgelegene grietenijen geopperde denkbeeld (Chb. IV 456, V 445), om het gansche diep op de grenzen der provincie af te sluiten, door bij Engwierum in den wijden mond tusschen Kollumerland en Oost-Dongeradeel een dijk met eene zeesluis te leggen. Het voorstel daartoe vond bij de Staten dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering werd besloten. Dit werk, onder het bestuur van den bekwamen willem loré in 1725 op eene grootsche schaal ondernomen, werd in 1729 voltooid en had, terwijl de kosten bijna 3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke gevolgen. Want door dezen nieuwen Statendijk van een half uur gaans lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven van het onderhoud van 6,000 roeden zeedijks ter wederzijden langs het diep tot Dokkum; de nieuwe zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder- en Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep uitstroomden; de aangeslibde en binnengebragte gronden, die 661 bunders bedroegen, werden nu in vruchtbare bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met drie kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was eene hoofdwaterlossing van Oostergoo- en, na het uitgraven van het diep, ook voor de scheepvaart van Dokkum, eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl een weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering) en brug over de sluis eene verbinding daarstelden tusschen twee, vroeger ver van elkander gescheidene,[314] grietenijen[262]. Buiten de sluis, sedert de Dokkumer Nieuwe Zijlen genaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren, en werd in 1752 aan de noordzijde het Engwierumer-Nieuwland met een zeedijk omsloten. Evenzoo bleef de landwinning voortduren aan de zuidzijde van de buitenkil ter vergrooting van Kollumerland, hetwelk reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met de uitgestrekte waardgronden van Nieuw-Kruisland, ten oosten waarvan in 1689 reeds weder een aanwas met een kadijk was omgeven, welke zich tot de Buiten-Lauwers of de grenzen van Groningen uitstrekte.

Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid tot landwinning, dewijl deze al te zeer bloot stond aan den geweldigen en nimmer rustenden golfslag der Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands nevens Dijkshoek[263], kunnen wij daar enkel gewagen van het Workumer-Nieuwland, vroeger een inham tusschen de steden Workum en Hindeloopen. Reeds had Koning filips II in 1557 willem jansz., Burgemeester van Enkhuizen, toegestaan, om dezen »Inbochte van den Strande, het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt Kolderzijl, groot 300 mergen,” te bedijken, toen de Staten van Friesland in 1605 en bij herhaling in 1610 daartoe octrooi verleenden aan Workum, dat de vergunning[315] aan willem jansz. bij overdragt had bekomen. Werkelijk scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking te zullen overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare krachten welligt te boven gingen, verbond zij zich met zes aanzienlijke Friesche edelen, die daartoe met haar eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd het werk ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid, waarbij de buitenhaven van Workum, het Zool genoemd, eene aanmerkelijke verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke kosten, die hiertoe vereischt werden, had men toen en later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl deze polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten gevolge van doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd geweest. Bij de dijkbreuk van 1776 werden er zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de geledene schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten waren geslagen, te herstellen[264].

Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabij Mirns, bedijkt, welke den naam van de Wielpolder verkreeg (Chb. V 1205). Verder oostwaarts werden daar ter beveiliging des lands buitengewone maatregelen genomen. Ten gevolge van den slechten toestand der dijken van de Kuinder en den watervloed van 1701, die in de zuidelijke grietenijen groote schade veroorzaakte, trachtte men in 1702 deze meer te beveiligen door het leggen van een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheid[316] der aansluiting met den zeedijk van Overijssel, werd deze dijk niet langs de kust, maar op eenigen afstand daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van de zoogenaamde Boedsteden tot Slijkenburg, en alzoo langs de plaats, waar eertijds de Schoterzijl lag, welke reeds jaren te voren meer benedenwaarts naar Slijkenburg aan de Linde was verlegd geworden. Bij deze gelegenheid werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt van de Schoterzijl, gelijk de nieuwe zeewering dien van de Statendijk. Door dit belangrijk werk zagen de lage zuidelijke kwartieren hunne veiligheid zeer bevorderd; terwijl Friesland daardoor onafhankelijk werd van Overijssels waterkeeringen. De landen ten zuiden van den nieuwen dijk en ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding werden nu enkel door een kadijk afgesloten[265].

Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die vooral de dijken van Zevenwouden hevig teisterden, vorderden krachtige voorziening en deden de Staten zelfs bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen verhoogen en te verzwaren. Groote beletselen deden zich daartegen op. Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op nieuw door dijkbreuken en overstroomingen veel te lijden had, werden er krachtiger maatregelen tot verzwaring van het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de zeeweringen genomen. (Zie daarover bl. 238 hier vóór.)

Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland met een gevaar, waarbij alle menschelijke kracht en schranderheid schenen te kort te schieten, doch waartegen ’s lands Staten maatregelen van voorzorg in het werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaar[317] waren. Een kleine worm, van een teêr en slijmachtig zamenstel, doch met een harden kop gewapend, doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke den voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men daarvan de grootste gevaren duchtte. De gansche westkust van Friesland, van Dijkshoek tot Stavoren, werd daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in Julij 1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook de deuren van sommige sluizen werden er door verteerd. De algemeene bekommering was zóó groot, dat er zelfs een Bededag werd gehouden, om de verlossing van dit kwaad van den Hemel af te smeeken.

Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos scheen, dewijl ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast, trachtte men den dijksvoet te beschermen door zware keisteenen, welke uit Noorwegen aangevoerd- en voor de paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter den uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel, dat eerst hevig bestreden-, doch later van groote dienst bevonden werd. Men achtte het noodzakelijk, om intusschen mede door het opwerpen van Slaperdijken binnen de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste punten door afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden Mathematicus loré werd in 1732 de eerste dijk gelegd: van den binnendijk van het Workumer-Nieuwland tot aan den heuvel, waarop Koudum is gelegen, en van daar over Galama-dammen tot aan den hoogen grond van Hemelumer-Nijeburen. Wegens den stijgenden nood riep men tot dit werk de hulp in van het Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen, welke met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man uitmaakten, werden in weinig meer dan drie maanden tijds eene binnenlandsche waterkeering, sedert de Koudumer-Slaperdijk[318] genoemd, van 180 voeten breedte en 1500 roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot stand gebragt, waarvan de kosten met die der aangekochte, deels vergravene, landen op ruim 125,000 Gld. te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is later (1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan het Workumer-Nieuwland, nog eene sluis gebouwd.

In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk gelegd langs het dorp Surig, bezuiden Harlingen, met het doel, om het gevaar, waarin de vooruitspringende landhoek, het Suriger-oord, verkeerde, en de gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon te weeg brengen, voor het overig gedeelte der provincie schadeloos te maken. Ook deze dijk van eene onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte, 278 voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de kosten van aanleg 70,000 Gld. bedroegen, werd naar het plan en onder opzigt van loré aangelegd, die daarin weder een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van landverdediging tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk wij zouden wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken mogten kunnen worden hervormd[266].

Een niet minder gevaarlijk punt was destijds de Lemsterhoek, bewesten de Lemmer, dewijl men van eene doorbraak daarvan de schadelijkste gevolgen voor de Zevenwouden had te duchten. Daarom werd er in het volgende jaar, 1734, daar achter mede een Slaperdijk, hoewel tot eene mindere breedte en hoogte, opgeworpen,[319] en door deze afsnijding de veiligheid der zuidelijke streken niet weinig bevorderd[267]. Het plan, in dat jaar ontworpen, om meer binnenwaarts een algemeenen slaperdijk te leggen, dóór de lagere streken, van Hemelumer-Nijeburen tot aan het hoogere gedeelte van Schoterland, is echter wegens het afnemen van de verschrikkelijke wormplaag niet ten uitvoer gebragt.

Na dit overzigt van de voornaamste middelen tot landwinning en verdediging tegen de wateren, welke Friesland immer van buiten bedreigen, willen wij nu het oog slaan op de veroveringen, welke de nijvere landzaat van binnen op dit woeste element trachtte te behalen.

Bedijkingen van Meren.

Waarschijnlijk wekte het voorbeeld van Noord-Holland, waarin men in den aanvang der 17e eeuw zoo vele groote meren bedijkte en droogmaakte, ook in Friesland den lust tot dergelijke ondernemingen op. In 1613 gaven de Staten daartoe het eerste octrooi aan Stavoren ten aanzien van den grooten plas, beoosten die stad gelegen, en wiens ondiepte hare scheepvaart niet weinig belemmerde. Dan, naauwelijks was daartoe octrooi verleend, of er deden zich bezwaren en geschillen op, welke Stavoren trachtte te ontgaan, door de verkregene vergunning aan vier Raadsheeren en eenige andere personen over te[320] dragen (1620). Deze beloofden het meer in twee gedeelten te zullen bedijken en droogmaken, met daar tusschen een kanaal naar Stavoren en vaarten naar Warns en Molkwerum. Met groote moeite werd dit werk volbragt, en het Stavorsche Noorder- en Zuidermeer, ieder ongeveer 200 morgen groot, in vruchtgevend land herschapen. Niet minder moeite was er aan verbonden, om dit land droog te houden, hetgeen in het eerste meer met één en in het laatste met twee molens naauwelijks kon geschieden. Toen nu de molens van het Zuidermeer vernieuwd moesten worden, en Dr. bernardus schotanus à sterringa, die in 1690 deze grietenij in kaart bragt, eene nieuwe soort van watermolen had uitgevonden, waarmede hij zoo veel water als met tien andere meende te kunnen uitmalen, behaagde het den eigenaren, hun regt aan hem over te dragen, en de Staten, om hem gunstige toezegging van ondersteuning te doen, ten einde het Zuidermeer droog te houden (1697). Nadat schotanus zich daartoe verbonden had met ernst mockema van harinxma thoe slooten, Grietman van Baarderadeel, werd dit doel wel bereikt, echter niet zonder latere (tot heden voortdurende) subsidie der Staten, die ook hulp verleenden, toen beide meren bij den stormvloed van 1776 overstroomd werden[268].

In 1633 bepaalden de Staten, dat het den bedijkers van meren zou vrijstaan, om tot het maken van dijken en ringslooten de omgelegene landen, tegen vergoeding, te gebruiken en bruggen en vaarten te verleggen. Dit strekte tot geene geringe aanmoediging en niet minder tot wering van geschillen. In 1633 werd alzoo het Cherne- of Sensmeer met het daaraan verbondene Atsebuurstermeer,[321] bewesten Westhem, bedijkt. Ook de droogmaking van het groote Warregastermeer en van het kleine Jornahuistermeer, nabij Warrega, werd in dit jaar aangevangen. Meerdere octrooijen tot bedijking, waaraan veelal vijftig jaren vrijstelling van lands lasten was verbonden, werden er verleend, hoewel niet van alle is gebruik gemaakt. De laatste en voornaamste betroffen het Wanswerdermeer, groot 100 pondematen, in 1753; het Hempenzermeer in 1779; het Sillaardermeer onder Kornwerd in 1778, om niet te spreken van kleinere meren, onder Hallum, Ferwoude, tusschen Gaast en Piaam, bij Surig enz.[269].

Polders.

Meer algemeen en voor de uitbreiding en ontwikkeling van den provincialen landbouw van nog grooter belang was het aanleggen van Polders. Landen, die ten gevolge van hunne lage ligging weinig vrucht gaven, of die bij de minste rijzing van het boezemwater spoedig blank stonden, werden, door ze met polderdijken te omsluiten, te bemesten en met een watermolen droog te houden, veel verbeterd en tot duurzaam gebruik geschikt gemaakt; terwijl andere, enkel door eene zomerkade omgeven, alleen ’s winters aan de overstrooming van het buitenwater bleven bloot gesteld. Onmogelijk kunnen wij hier in bijzonderheden treden waar en wanneer die bepolderingen in verschillende oorden hebben plaats gehad. Nogtans mogen wij, als de voornaamste, niet onvermeld laten: de Tjaard van Aylva’s-polder bij Burgwerd, in 1680 door de zorg van dezen Grietman van Wonseradeel, gelijk de Greonterper-polder, in 1714 onder zijn zoon en opvolger tot stand gebragt. De lust daartoe wakkerde[322] aan na het uitvinden eener verbeterde zamenstelling van watermolen (1643, 1660, 1690), en nadat de aandacht der Staten op het hooge belang der zaak was gevestigd (1718). Veel hadden de toen nog weinig ontwikkelde grietenijen Haskerland en Doniawarstal aan die bepolderingen te danken; vooral, omdat zij op eene groote schaal met onbekrompene zorg werden verordend door de uitstekende staatsmannen Jhr. philip frederik en Jhr. johan vegilin van claerbergen, waarvan de eerste van 1707 tot 1738 Grietman van Haskerland en de laatste van 1722 tot 1772 Grietman van Doniawarstal was. Behalve twee hoofdwegen, legde de eerste in 1716 beoosten Joure een polder aan, welke nagenoeg een derde van de oppervlakte dier grietenij omvatte; terwijl de laatste in 1731 den Vegilins-polder onder Langweer en in 1735 den Boornzwaagster-polder, te zamen groot 720 pondematen, mogt tot stand brengen, en bevorderde, dat in 1741 de Tryegaster-polder, bevattende 1000 pondematen onder de drie dorpen Ouwsterhaule, Ouwster-Nijega en Oldouwer, werd aangelegd. Doordien bij dit laatste werk aan den Nieuwe Rijn eene kortere rigting werd gegeven, en de meeste polderdijken met boomen beplant werden, was de herschepping van dit oord van zóó veel belang en bleken de voordeelen dezer ondernemingen zoo groot te zijn, dat ook andere voorname eigenaars werden aangespoord, dit loffelijk voorbeeld te volgen, waardoor daar en elders meerdere polders werden aangelegd, welke de aangewende moeite en kosten, door eene verhoogde vruchtbaarheid, weldra rijkelijk vergoedden. Dit alles te zamen genomen en gevoegd bij vele verbeteringen van bijzondere en openbare werken, had een gunstigen invloed op de ontwikkeling van landbouw, veeteelt en welvaart. En mogt jancko douwama in 1514 van Friesland getuigen, dat het in den winter »quaet was to Lewerden to[323] comen, met dat het landt al vnder het water lach,”—ook ten aanzien van den waterstaat was er eene belangrijke schrede voorwaarts gedaan, om latere verbeteringen voor te bereiden[270].

Groote Veenkanalen, Ontginningen enz.

Verbetering en vooruitgang, ja, bestonden er; doch ten aanzien van het bedijken van meren en het bepolderen van landen was dit meer bijzonder het geval in de lager gelegene westelijke helft dezer provincie. Het veelal hooger liggende oostelijk gedeelte had daarin echter in een ander opzigt aandeel. De meeste grietenijen van Zevenwouden, grootendeels bestaande uit zandgronden en hooge en lage veenen, hadden behoefte aan afgraving en ontginning; en de wakkere geest onzer vaderen heeft zich daar, na het overwinnen van groote bezwaren, werkzaam getoond op eene wijze, waarover wij met regt verwonderd staan, als wij de schoone plaatsen Heerenveen, Dragten, Beetsterzwaag, Gorredijk, Oudeberkoop, Balk enz. met hare lommerrijke omstreken als de vruchten eener verstandige volks-nijverheid beschouwen. ’t Zou een belangrijk tafereel opleveren, de trapswijze ontwikkeling van die plaatsen en oorden in bijzonderheden na te sporen. Hier kan ik slechts de hoofdtrekken daarvan vermelden, in verband met den aanleg van zoo vele vaarten, welke ik echter met de nieuwe wegen aan het einde van dit hoofdstuk wilde behandelen.

Naarmate de vroeger (bl. 150) vermelde afgraving van de hooge veenen in Schoterland toenam, werd de eerst[324] van nabij Akkrum naar Heerenveen en vervolgens verder oostwaarts gegravene Compagnonsvaart verlengd en wegens den rijzenden grond met vier schutsluizen voorzien. Aan de boorden daarvan nam Heerenveen in omvang en bloei toe, en breidde Nieuw-Brongerga of de Beneden- en Boven-Knijpe zich uit. Welige weiden hadden de plaats vervangen van het dorre hoogveen, dat nu den turfhandel en scheepvaart ruim vertier verschafte. In 1732 ontvingen deze Compagnons der Dekama-, Cuick-en-Foits-veenen op nieuw octrooi van de Staten, »om hun Veenvaart, dwars door de ruwe en sterile veenen, ook anderen toebehoorende, verder te mogen graven,” zoodat zij vervolgens tot nevens Hornsterzwaag werd opgelegd. Gelijke herschepping tot bouwland en bosschen ondergingen ook de omstreken van Brongerga en Oudeschoot, sedert Prinses albertine agnes op dien zandgrond, kort na 1664, het vorstelijk lustslot Oranjewoud liet bouwen en den omtrek beplanten, hetwelk ook anderen tot ontginningen aanmoedigde, waardoor dit oord eerlang een bekoorlijk aanzien verkreeg[271].

Eene dergelijke groote verandering, ten gevolge van het graven van eene Veenvaart ten behoeve van het afsteken van het hoogveen, onderging ook het oostelijk gedeelte der grietenijen Smallingerland en Opsterland; en de eerst onbeduidende dorpjes Noorder-en-Zuider-Dragten hadden daaraan hunne opkomst en uitbreiding tot een aanzienlijk vlek te danken. De hoofdaanleiding daartoe was, dat zij in 1641 eene overeenkomst sloten met zekeren passchier hendrik bolleman van ’s Gravenhage, die, in gemeenschap met eenige anderen, aannam, eene hoofdvaart of grifte van ongeveer 30 voet breedte, benevens eene dwarsvaart te graven en met bruggen en[325] sluizen te voorzien, met oogmerk, om bij de veenen te kunnen komen, die te vergraven en den turf langs die vaarten af te voeren. Dit doel werd niet enkel bereikt en de vaart en dwarsvaart met vele wijken in de eerstvolgende jaren tot op de grenzen dier grietenijen volbragt, maar vruchtbare bouw- en weilanden namen weldra de plaats in der veenen, wier afgraving en vervoer leven en werkzaamheid, handel en voorspoed verspreidden, zoodat in die zelfde jaren de weinige huizen van Dragten tot eene groote en welgeregelde buurt aangroeiden, waarbij spoedig molens en fabrijken, kerken, scholen en andere gebouwen gesticht werden. Deze uitbreiding en welvaart had men alzoo alléén te danken aan het graven van de vaart, die, naarmate de verveening zich uitbreidde, ten gevolge van eene nadere overeenkomst van 1649, drie uren verderop werd gegraven langs Ureterp en de Friesche palen naar Bakkeveen (1664). Van daar is zij later (1756) voortgezet tot voorbij het dorp Haule, waar eene dwarsvaart aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de uitgestrekte veenkolonie Haulerwijk[272].

In het westelijk gedeelte dier zelfde grietenij Opsterland waren juw dekama en anderen reeds vóór 1580 begonnen onder Korte- en Langezwaag te verveenen, waartoe de Jonkerssloot en de Nieuwesloot werden gegraven, toen in 1645 de Heeren crack, oenema, fockens en teijens eene belangrijke overeenkomst slooten tot het graven van vaarten en het ontginnen van de veenen in dat oord. Een gevolg hiervan was, dat er van genoemde slooten een beter afvoerkanaal gegraven werd noordwestwaarts over de Wijde-Wispel[326] en het Nieuwe diep tot in de Boorn. Als het begin eener groote onderneming was dit kanaal van veel gewigt. Spoedig werd het ook zuidoostwaarts voortgezet naar het Gorreveen. Hierbij ontstond er op de plaats, waar die nieuwe vaart den rijdweg sneed, langs beide eene kruisbuurt, Gorredijk, welke ten gevolge van verveening, ontginning en handel zoo sterk werd aangebouwd, dat zij, na in 1672 versterkt te zijn, in 1685 eene eigene kerk bekwam en een welbebouwd en aanzienlijk vlek is geworden. Reeds lag het in het plan van genoemde heeren, deze vaart ook verder oostwaarts op te leggen, zelfs tot naar Bakkeveen. Toen nu in 1704 augustinus lycklama à nijeholt, sedert 1693 Grietman van Opsterland, de voornaamste eigenaar was der veenvaarten van Gorredijk, Terwispel, Kortezwaag en Lippenhuizen, verzocht en verkreeg hij met zijne compagnons van de Staten verlof, om de vaart van Lippenhuizen verder oostwaarts dwars door de hooge veenen te mogen graven en opleggen. Dit geschiedde, en na verloop van ruim 50 jaren was de breede vaart reeds voorbij Hemrik en Wijnjeterp gevorderd, het veen vergraven en als turf vervoerd, en de ondergrond deels tot vruchtbaar land gemaakt. Zijn zoon daniel de blocq lycklama à nijeholt, van 1731 tot 1773 Grietman van Oost-Stellingwerf en vervolgens tot 1781 van Opsterland, wilde deze onderneming vervolgen, en gaf daartoe in 1778 den Staten te kennen, hoe gunstig de aangevangen arbeid tot dusverre geslaagd was; dat de behoefte der fabrijken vorderde, dat er meerdere veenen werden aangestoken, en dat de uitgestrekte veenvelden van Appelscha en Fochteloo hem daartoe het meest geschikt voorkwamen; weshalve hij octrooi verzocht, om de vaart te verlengen en nu in zuidoostelijke rigting te graven over Donkerbroek, Oosterwolde en Appelscha tot aan de grenzen van Drenthe, tot welke hoogst nuttige onderneming[327] hij, als voornaamste eigenaar, reeds toestemming van de overige eigenaars en ingezetenen had verkregen. De Staten, vreezende, dat deze provincie daardoor met het invloeijende water uit Drenthe zou bezwaard worden, wezen dit verzoek eerst af; doch de zaak was van zoo groot gewigt en zoo uitgestrekt gevolg, dat zij later een naauwkeurig onderzoek van het terrein bevolen, en eerst daarna, den 2 Mei 1781, hunne toestemming verleenden, onder voorwaarden, dat de vaart niet verder dan tot op 20 koningsroeden afstands van de grensscheiding mogt worden gegraven, en dat er »een val of schuttelbank” (duiker) in de Kuinder of Tjonger gelegd zou worden, waar de vaart dit riviertje zoude snijden, volgens eene overeenkomst, met de grietenijen Schoterland en West-Stellingwerf deswege te sluiten[273].

Werkelijk ving hij met de zijnen kort na het ontvangen van het octrooi den arbeid aan, en werd de vaart met een scherpen hoek zuidoostwaarts voortgezet over Donkerbroek tot nabij de Tjonger, waaraan een kapitaal van ongeveer 80,000 Gld. werd te koste gelegd. Dan nu deed er zich omtrent de voortzetting een belangrijk bezwaar op. Kort vóór het ontvangen van het octrooi had hij deswege eene overeenkomst aangegaan met de provincie Drenthe, welke had op zich genomen, de vaart te vervolgen van de Tjonger tot aan de grenzen of in de Wittewijk. Sedert de groote Smildervaart in 1612 onder Diever was aangevangen, had het landschap daarvan in 1767 den eigendom bekomen; doch om de menigvuldige bezwaren van Overijssel ten aanzien der uitvaart van Meppel naar Zwartsluis te ontgaan, trachtte Drenthe[328] nu langs deze vaart een afvoer door Friesland te bekomen. Dit mislukte ten gevolge der bepaling van het octrooi, dat de vaart niet door de grenslinie gegraven mogt worden. Na lang uitstellen, begon Drenthe omstreeks 1790 wel eene geul of vaart te graven van de Tjonger naar Appelscha, doch ten gevolge der omwenteling bleef dit werk steken. Hoe ijverig ook de erven lycklama bij de verschillende opvolgende besturen op de uitvoering aandrongen, eerst in 1810 vernietigde Koning lodewijk hunne overeenkomst met Drenthe, hen vrij latende, de onderneming op eigen kosten voort te zetten. Niet voor 1813 konden de Compagnons daaraan gevolg geven. In 1816 en 1817 werd nu de vaart met rijdweg daarnevens voortgezet tot onder Oosterwolde, en was zij in 1819 tot nevens Appelscha genaderd, waarna zij tot op 20 roeden van de grens is voltooid en later met zijtakken uitgebreid. Tot bestrijding der kosten van deze kapitale vaart met daartoe behoorende werken, waartoe wegens het bestendig rijzen van den grond, acht verlaten, benevens een duiker in de Tjonger en onderscheidene groote bruggen behooren, is van 1816 tot 1841 eene som van 120,000 Gld. genegotieerd, terwijl men intusschen in 1827 begonnen is met het verkoopen van het hoogveen[274]. Sedert zijn er door het afsteken van het veen en het vervoer daarvan met duizenden turfschepen, door ontginning van de ondergronden en door het bouwen van huizen en schepen, tonnen schats in omloop gebragt, de welvaart der ingezetenen bevorderd, de dorpen Donkerbroek, Oosterwolde en[329] Appelscha uitgebreid en in bloei toegenomen, en de herschepping en ontwikkeling voorbereid van een oord, dat eeuwen lang, als »een leedig capitaal en dood corpus,” veelal woest had gelegen, vóór dat de nijvere menschelijke hand het ten dienste van duizenden de schatting afdwong tot vermeerdering van de welvaart en het nationaal vermogen. Lof en eere komt daarvoor aan de wakkere ondernemers toe, doch vooral aan den eersten ontwerper, wiens naam men te regt in gedachtenis heeft willen houden door het in 1848 nieuw gebouwde Compagnonshuis te Appelscha te noemen: Augustinus-state.

Veel wordt er thans in ons land gesproken over kanalisatie. Doch weinig bekend is het, hoe krachtig Friesland te dezen aanzien vele andere provinciën is vóórgegaan, dewijl alléén de laatst vermelde drie groote veenvaarten te zamen eene lengte van ruim twintig uren gaans uitmaken, welke, ten gevolge der ondernemingszucht van partikulieren, door menschenhanden zijn uitgegraven en met zoo talrijke sluizen, bruggen, wegen en andere werken voorzien. Eene vergelijking der kaarten van den Nieuwe Atlas van Friesland met die van schotanus, van 1664 en 1718, levert overtuigende bewijzen op, hoe véél er in dit opzigt alleen in de laatste 150 jaren in deze provincie is verrigt, en hoe zeer zij daardoor in waarde, in geldelijk en voortbrengend vermogen, in bewoonbaarheid en geschiktheid tot voortdurende ontwikkeling is toegenomen.

Doch ten aanzien van dit onderwerp is dit nog niet alles. De grietenij West-Stellingwerf onderging mede groote verandering. Nadat de Staten vergunning hadden verleend tot het graven van drie vaarten: uit de Tjonger naar Wolvega (1645) en uit de Linde naar Finkega en naar Noordwolde (1642), werd ook de groote uitgestrektheid heide en hoogveen, tegen de zuid-zuidoostelijke grenzen, aangestoken, afgegraven, met breede dwarsvaarten en wijken.[330] doorsneden en ten behoeve van den landbouw ontgonnen. Nog in 1782, toen tjeerd en marcus van heloma eigenaren van deze veen-compagnie waren, ontvingen zij op nieuw octrooi, om uit de Compagnons-Vierdepartendwarsvaart, dóór de grens, tot in het Vleddersche veen te mogen opwijken.—Ook het zuidelijk gedeelte der grietenij Achtkarspelen, waar de monniken van Gerkesklooster reeds vroeg turf groeven, welken zij langs de Oude Veenstervaart en door Munnekezijl uitvoerden, werden de ondergronden in den omtrek van Surhuisterveen omstreeks 1600 door een aantal Doopsgezinden meer ontgonnen en bebouwd, en werd er in 1648 eene vaart gegraven van daar naar het Kolonelsdiep, waaraan een dwarsvaart en ontelbare wijken werden verbonden. Evenzoo ontstond het dorp Rottevalle ten gevolge van verveeningen, welke ook in de daarbij gelegene Folgera-veenen bestendig werden voortgezet (1742). Met regt kon alzoo Jhr. vegilin in 1766 zeggen: »dat door dit alles werd te weege gebragt, dat de geheele oostersche zoom van onze Provintie, die voor 150 jaar of daar omtrent nog t’ eenemaal onvrugtbaar en met hooge Veenen bezet was, een cierlyke, vrugtbare, en wel bevolkte Landsdouw is geworden”[275].

Vergraving van de lage Veenen.

Verleenden de Staten gaarne aanmoediging tot afgraving van de hooge veenen, omdat beide, het voortbrengsel en de ondergrond, strekten om het nationaal vermogen te vermeerderen,—met meer zorg sloegen zij steeds de vergraving van de lage veenen of klynlanden gade, omdat het voortbrengsel alléén en voor ééns voordeel gaf, doch[331] een groot deel lands in een waterplas verkeerde en aan den landbouw en de bewoning onttrok. Reeds in 1600 en 1610 rezen er klagten over de nadeelen, welke dit landverderven voor de naastlegers en ’s lands kas te weeg bragt. Evenwel enkel om de schade wegens verlies van grondbelasting te verhoeden, werd toen deswege vastgesteld, dat niemand zulk eene veengraverij mogt beginnen, vóór dat hij in het zelfde dorp een ander stuk lands had aangewezen, waarop de floreen tot hoeding van de lands schattingen en andere lasten, op de te vergraven landen liggende, wierd overgebragt. Later moest er eene som van 100 Rijksdaalders en daarna van 500 Gld. voor elken floreen op obligatie in ’s lands kas gestort worden, tot verzekering van de floreenschatting der provincie. Na 1718 liet men alleen op deze en soortgelijke voorwaarden de verdere vergraving toe, welke, na onder Oostermeer en Boornbergum en in Haskerland te zijn begonnen, inzonderheid na 1680 in Tietjerksteradeel, Ængwirden, West-Stellingwerf, Opsterland en elders sterk was toegenomen[276].

Tot dusverre waren de nadeelen dezer verveening voor de provincie niet zoo groot, dewijl men den turf gemeenlijk uit lange petten groef, waar tusschen men eene smalle strook gronds liet liggen, zoodat deze veenen na lang verloop van tijd weder digt groeiden en tot beweidbaar land gemaakt werden. Maar in den jare 1751 kwam een aantal veenbazen en werklieden uit Giethoorn herwaarts, die eene andere wijze van verveenen invoerden, welke aan enkele personen wel grootere voordeelen aanbragt, doch armoede naliet, dewijl daarbij het gansche stuk lands werd vergraven. Vooral in de omstreken van St. Jansga en Oudehaske, gelijk ook bezuiden Oostermeer[332] (de Leijen), in West-Stellingwerf en elders zijn daardoor verbazende kommen waters ontstaan. De verzending van de daaruit gegravene baggelaar en sponturf naar Holland, en elders bragt evenwel aanzienlijke winsten op, welke vele eigenaars destijds in koophandel en scheepvaart besteedden en daarvan alzoo nieuwe voordeelen trokken. Te vergeefs wezen deskundigen op de gevolgen van dit landverdervend kwaad. Ook de Staten namen in overweging, om het gevaar, dat hieruit, bij toeneming, voor deze provincie was te duchten, te keer te gaan. Doch zij deinsden terug voor de bezwaren, en bij hun besluit van 2 Maart 1767 werd alles weder op den ouden voet gelaten[277].

Nieuwe Vaarten en Wegen.

Het plan der Magistraten van Harlingen en Leeuwarden, om langs de vaart tusschen beide steden een bepuind trekpad aan te leggen, in 1640 ontworpen en in 1646 volbragt, was niet enkel ter bevordering van eene geregelde gemeenschap en ten behoeve van handel en scheepvaart van veel belang, maar de goede uitslag daarvan wekte allerwege een geest van navolging op, welke voor de gansche provincie gunstige gevolgen had. In het volgende jaar 1647 wist Dokkum alléén een dergelijken trek weg langs de Ee naar de hoofdstad tot stand te brengen, en het betoonde een ongemeenen moed en ijver, door maatregelen aan te wenden tot het doen graven[333] van een geheel nieuw kanaal met rijdweg, van daar langs Kollum tot Stroobos. Vermits de uitvoering van deze groote onderneming afhing van het besluit der provincie Groningen nopens het vervolgen van deze vaart, van Stroobos tot de stad Groningen, vorderde de zaak niet spoedig. Onder begunstiging des Stadhouders werd zij echter van 1654 tot 1656 volbragt en voortgezet, waardoor de gemeenschap met het naburige Groningen veel verbeterd- en het verkeer met Dokkum, mede als plaats van doortogt, zeer bevorderd werd.

Ook de steden Bolsward (1652) en Sneek (1662) sloten zich bij den trekweg van Leeuwarden op Harlingen aan. Van Bolsward werd de trekweg verlengd tot Workum; ja zelfs zijn er octrooijen verleend tot het graven van eene vaart met trekweg van Sneek en Workum naar Stavoren, welke beide laatste plannen echter niet tot stand zijn gekomen. Aanzienlijke dorpen, als Hallum, Rinsumageest, Kollum (1648) en daarna ook Weidum (1688) trachtten zich tevens in het genot te stellen van zulk een verbeterd middel van vervoer en gemeenschap, door het aanleggen van zijtakken van hunne buurten naar de hoofdtrekvaarten. Voegt men hierbij, dat er te gelijk octrooijen werden verleend tot het leggen van eenen weg van Dokkum naar Damwoude (1649), en van eene vaart met weg van Damwoude naar Dokkum (1664), van eene vaart naar Twijzel (1680) en naar Driezum (1688), en van wegen door Schoterland (1661), naar Grouw (1671), van Koudum over Galama-dammen naar Hemelum (1688) en vele andere meer[278],—dan zien wij in de laatste helft der 17e eeuw dit onderwerp met[334] buitengewonen ijver behartigd, zoodat eene veel verbeterde gemeenschap met de hoofdstad en tusschen vele steden, dorpen en oorden daarvan het gevolg was.

Was de oostelijke hoofdweg der provincie door het aanleggen van den Zwarteweg, reeds in 1531, veel verbeterd—de zuidelijke, van Leeuwarden naar Steenwijk, had daaraan evenzeer behoefte. Tot Roordahuizum den ouden zeedijk volgende, was hij in 1546 eerst langs Friens, later door Rauwerd gelegd, om over Irnsum en de Oude Schouw naar Akkrum te leiden. Nog grooter omweg moest men maken van daar tot nabij Oldeboorn en dan naar Terbandsterschans, langs een kronkelenden weg, wiens vorm weinig van dien eener zaag verschilde. ’t Was dus bij voorraad eene wezenlijke verbetering, toen Jhr. philip frederik vegilin van claerbergen naast het grootste en slechtste gedeelte dezer beruchte Haskerdijken een nieuwen en nagenoeg regten weg liet leggen. Hij deed dit in het zelfde jaar 1716, dat hij den hier vóór vermelden grooten polder in Haskerland aanleidde, en bekroonde dit werk tot heil zijner grietenij in 1723, door van genoemden weg over het Deel (de Nieuwe Schouw) een geheel nieuwen weg te leggen naar het aanzienlijke vlek Joure, dat hem en zijn nageslacht zoo veel is verpligt.

Deze weg was van te meer belang, omdat een ander verdienstelijk Grietman, regnerus van andringa, van Lemsterland, welingerigte veerschepen had doen aanleggen van de Lemmer op Amsterdam, Zwolle en Kampen (1703), alsmede een postwagen van de Lemmer op Groningen en daarna ook op Leeuwarden (1740), waardoor hij mede het belang van eerstgenoemde zeeplaats, zoo veel aan hem verschuldigd, gelijk ook van Joure, als plaats van doortogt, bevorderde[279]. Behalve de vroeger genoemde, vinden[335] wij overigens in de 18e eeuw niet verder gewag gemaakt, dan van het aanleggen van een rijdweg over de Ried door de Trynwouden (van Ryperkerk naar Oudkerk) in 1725, en van Sondel naar Takozyl in het zelfde jaar; alsmede van de Helomavaart onder Oudetryne in 1748[280].

Landbouw, Handel, Scheepvaart en Nijverheid.

Al deze onderwerpen staan zeker in zeer naauw verband met de verbeteringen, welke den stoffelijken toestand van Friesland in dit tijdvak mogt te beurt vallen, en waarvan wij de voornaamste hebben opgenoemd. De ontwikkeling van de trapsgewijze vorderingen dezer vakken, onder den invloed van verschillende omstandigheden, zou een belangrijk tafereel opleveren, doch meer bronnen en ruimte vorderen, dan waarover wij kunnen beschikken. Men vergunne ons dus hier enkel aan te stippen, dat de Staten,—die in 1634 reeds een octrooi gaven op »de inventie om Bosch, Heide en andere sterile Landen te verbeteren,” en die overigens wel gezind waren, om de bedijking van lage en buitendijksche landen, en het ontginnen van heidevelden aan te moedigen—het belang van den landbouw trachtten te bevorderen, door sedert 1634 bij herhaling op zware straf te verbieden, dat de mest, asch, vuil en aarde buiten deze provincie gevoerd wierden. Tot behoud en uitbreiding van de houtkultuur strekte tevens hunne bepaling, dat niemand twee eikenboomen zou mogen vellen, of hij moest er drie voor in de plaats planten (1673)[281].

In de eerste helft der 18e eeuw hadden landbouw en veeteelt in dit gewest met zware rampen te worstelen. De gevolgen der overstroomingen in 1701 en 1702, en daarna weder in 1717, hielden de lage streken jaren lang[336] in kwijnenden toestand, bij hooge schattingen en lage prijzen van het vee. De veepest, welke eerst in 1713 woedde en in 1744 en 45 weder met zulk een geweld uitbrak, dat er alleen van November tot Julij 123,000 runderen stierven, bragt groote schade aan en had gewigtige gevolgen. Sedert men omstreeks 1720 meer algemeen invoerde, de graslanden te greppelen, te bemesten en het gras vroeger te maaijen[282], was de hooioogst aanzienlijker geworden, en gaf ook de uitvoer daarvan naar andere provinciën groote voordeelen; hoewel de Staten, door dien uitvoer somtijds te verbieden, pogingen deden, om het verbruik van het hooi in dit gewest zelf, door het aanfokken van meer vee, te bevorderen, ten einde daarvan voor eigene welvaart nog grooter en duurzamer voordeelen te verwerven.

Doch tegenspoeden hebben dikwijls heilzame uitwerkselen voor de toekomst, wanneer de nood het oordeel scherpt, de krachten spant en middelen zoekt aan te wenden, welke de voorspoed onopgemerkt had gelaten. Na het verlies van zoo vele runderen gaf de toenemende schaapsteelt, bij de hooge prijzen van de wol, daarvoor eenige vergoeding, en werden vele oude weilanden gebroken en tot bouwland aangelegd, waarbij men ook het klaverzaaijen tot nieuwland invoerde. De sedert 1750[337] meer algemeen gewordene aardappelteelt en de toegenomen cichorei- en vlasbouw begunstigden mede de pogingen der landbouwers tot verbetering en vooruitgang, zoodat onze boerenstand zich door bekwaamheid, ijver en welstand voordeelig bij die van andere provinciën onderscheidde. De bepoldering nam allerwege toe, gelijk ook het getal bouwhoeven, dewijl men vroeger te veel land bij ééne boereplaats gebruikte. Blijken van meerderen voorspoed openbaarden zich vooral na 1765, zoodat, toen in 1769 en volgende jaren de veepest op nieuw woedde, die schade het algemeen belang minder krenkte.

Doch de landbouw had tevens veel te danken aan de uitbreiding van den Handel en de Scheepvaart, die van 1760 tot 1780 en ook nog later ongemeen bloeiden en groote winsten aanbragten. Nog in 1789 werd het getal Friesche schepen, dat vooral tot de buitenlandsche vrachtvaart gebezigd werd, op 2,000 begroot, gelijk alléén in 1780 meer dan 40 nieuwe schepen de verschillende havens dezer provincie verlieten. Frieslands gunstige ligging en rijkdom van voortbrengselen, die bij gereeden aftrek van lieverlede in prijs stegen, wekten de ondernemingszucht op. Bepaalden handel en buitenvaart eerst zich meest op de Oostzee, Hamburg, Bremen, Noorwegen en de Fransche en Spaansche kusten, men beproefde ook regtstreekschen handel op Engeland; en van welke gunstige gevolgen dit voor het belang dezer provincie is geworden, vooral ten aanzien van onze boter, kaas, paling, vee enz., is algemeen bekend. Te voren had men deze en andere voorwerpen steeds te Amsterdam ter markt gebragt, om van daar verder verzonden te worden. De binnenlandsche vaart op de overige provinciën, tot uit- en invoer van verschillende voortbrengselen en benoodigdheden, ondersteunde dien handel, welke tevens van gunstigen invloed was op onderscheidene[338] fabrijken en trafijken, die er in den loop der 18e eeuw zoo vele werden opgerigt[283], waarvan de steen- en pannebakkerijen, de zoutkeeten en kalkbranderijen een ruim deel in de winsten hadden. Het fabrikaat der Friesche bonten, dat in 1748 in Harlingen nog een duizendtal wevers werk verschafte en overal, ook naar de West-Indiën, verzonden werd, bezweek echter, even als de eertijds zoo bloeijende saaijet-fabrijken, waarvan Franeker alleen er 21 telde, voor de buitenlandsche mededinging. Doch ook handel en scheepvaart vervielen na het einde van dit tijdvak, ten gevolge van den Engelschen oorlog en andere rampen. Nogtans kon een bevoegd beoordeelaar zijne beschouwingen omtrent den gelukkigen toestand van Friesland in 1795 besluiten in de overtuiging: »dat ons land een gezegend land is; dat wy een vruchtbaaren grond hebben, eene groote verscheidenheid van Voortbrengzelen, en een by uitstek bloeienden Landbouw; een gezond Klimaat, en sterkte van lichaam en geest by de inwoonders. Voorts een goeden Koophandel, eene aanzienelyke Vragtvaart, en een tamelyk getal goede Fabrieken.—Het gevolg van dit alles vereenigd, moet zyn Blyde Welvaart en Volks-geluk[284].


[260] Ik bedoel den Göttinger Hoogleeraar f. lücke, die met Prof. ullmann in 1847 Nederland bezocht en zijne opmerkingen later mededeelde. In de Tijdspiegel en vóór de vertaling van lücke’s Vredeleus, Leeuw. 1850, zijn daarvan overzettingen gegeven.

[261] Zie meer uitvoerige berigten deswege in de Nasporingen betrekkelijk de Middelzee, 83, 97; Charterboek, III 1045; V 487, 489, 541, 1201; VI 163.

[262] De gansche geschiedenis van dit groote werk heb ik, bij gelegenheid der droogmaking van de sluis in 1834, uit de Staats-resolutiën opgemaakt en met Prof. de crane uitgegeven in het werkje: willem loré en zijne Dijken en Sluizen, Fran. 1835, bl. 39.

[263] Ten gevolge van aanslibbing werd de Lunde- (of Lidlumer) zijl bij Koehool, N. W. van Tjumarum, verstopt, en onder overeenkomst tusschen Gedeputeerden en de Regering van Harlingen, van 1584, naar deze stad overgebragt (Charterb. IV 504). Hierdoor ontstond het Lands-zijltje aan de Zoutsloot, thans nog een niet onbelangrijk middel tot uitstrooming in die stad.

[264] Zie de hiertoe betrekkelijke stukken in het Charterb. V 112, 172, 262, 263, 264, 268, 435, 585, 1204; Reg. Staats-res. 538, 859; schotanus, Beschrijv. 266; foeke sjoerds, Beschrijv. I 258; Teg. Staat, III 396; van leeuwen, Watervloed, Inl. 52. Het octrooi van 1557 en daarop gevolgde stukken vindt men in het Prov. Archief, Lands Dijkagieboek, kopij 131-150. Het gezegde van winsemius, aan het slot zijner Chronique, dat Keizer karel reeds vroeger octrooi zou hebben gegeven, schijnt ongegrond.

[265] Charterb. VI 250-423; Reg. Staats-res. 187, 390, 733; foeke sjoerds, Beschrijv. I 265; Teg. Staat, III 542, IV 328.

[266] Meer uitvoerig heb ik de geschiedenis van het tot stand brengen der beide laatstgemelde werken beschreven in het reeds genoemde werkje: willem loré en zijne Dijken en Sluizen, bl. 59 env. waar achter ook de gronden voor den laatst geuiten wensch zijn medegedeeld.

[267] Tegenw. Staat, IV 328. Daar ik vele bijzonderheden van al de vermelde en andere speciale werken hier achterwege moet laten, zoo houde men mij deze kortheid ten goede, uithoofde van het plan en bestek van dit werk. Voor dit tijdvak heb ik slechts de hoofdpunten willen aanwijzen van eene Geschiedkundige Beschrijving van Friesland, welke ik gaarne uitvoerig en volledig zou willen behandelen, als het mij niet aan tijd en krachten faalde. Hartelijk wensch ik dus, dat een ander dit belangrijke onderwerp eens opzettelijk mogt bewerken.

[268] Winsemius, Chronique, aan het slot; Tegenw. Staat, III 292; Charterb. V 634, 1204; Reg. Staats-res. 367, 473, 543, 546, 764; van leeuwen, Watervloed, Inl. 53.

[269] Charterb. V 356, 634, 1204; Reg. Staats-res. 321, 539, 540, 548, 553, 556, 632, 717.

[270] Zie j. douwama’s Geschriften, 201, en omtrent het verder vermelde Reg. Staats-res. 3, 539, 546, 632; Tegenw. Staat, III 490, 492, 494, 501, 505, IV 491; v. sminia, Grietmannen, 350, 358; scheltema, Staatk. Nederl. II 388, Wapenboek en Stamboek in Vegilin.

[271] Zie Tegenw. Staat, III 518, 528; Reg. Staats-res. 552.

[272] Naauwkeurige bijzonderheden omtrent het eerste bevat het fraaije werkje van mijn vriend j. g. van blom, de opkomst van het vlek Dragten, Leeuw. 1840. Zie over Bakkeveen d. h. van der meer in den Friesche Volks-Almanak, 1839, 29 env.

[273] Opgemaakt uit de Staats-resolutiën, benevens oorspronkelijke stukken uit het Provinciaal Archief. Zie ook Tegenw. Staat, III 568; van sminia, Grietmannen, 387, 388.

[274] Toen was er nog geene spade gestoken in het veen, en thans werken er des zomers veelal meer dan duizend personen in, en varen er jaarlijks ongeveer 8 à 9,000 turfschepen door Oldeboorn en Gorredijk derwaarts. Van Gorredijk tot Appelscha of het 8e verlaat is het verschil van den waterstand bijna elf Ned. ellen. Zóó veel hooger ligt de zuidoosthoek dezer provincie dan het binnenland.

[275] Jr. j. vegilin van claerbergen, Vertoog over de Veengraveryen, Leeuw. 1766, 24, 29, 179; Reg. Staats-res. 320, 539, 540; Charterb. V 503; Teg. Staat, III 593 env.; blaupot ten cate, Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, 165.

[276] Charterb. V 171, VI 256; Reg. Staats-res. 382, 429, 448, 459, 530, 531, 535, 818, 823; Teg. Staat, III 525, IV 573.

[277] Om de Staten bij hunne beraadslagingen over dit onderwerp voor te lichten, schreef Jhr. vegilin het genoemde belangrijke werkje over de Veengraverijen, waarin hij de vermelde nadeelen en de middelen daar tegen uitvoerig aanwijst. Zijne denkbeelden vonden echter verscheidene bestrijders in gerlsma, oneïdes en anderen, die daar tegen geschriften in het licht gaven. Zie ook Reg. Staats-res. 818.

[278] Zie breedere berigten deswege in de Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 67, 423 en de daar aangehaalde stukken; alsmede op de genoemde jaren onder de Octrooien in het Register op de Staats-resolutiën en vele daarvan in het Charterboek.

[279] Charterb. VI 394; Reg. Staats-res. 547, 550, 842; van sminia, Grietmannen, 358, 373; te water, Verbond der Edelen, II 157.

[280] Reg. op de Staats-res. 550, 553.

[281] Chartb. V 651, 973.

[282] Men maaide eertijds niet vóór St. Jan (24 Junij), als het zaad begon te vallen, wanneer men met een stok tegen het gras sloeg. De reden, waarom het vroegere maaijen zoo veel verkieslijker is, is aangewezen in den Almanak voor Landbouwers, 1852, 14. Het meer verdeelen van de zeer groote stukken veldland door slooten, had bij het greppelen mede gunstige gevolgen. Het toenemen van de turfgraverij heeft ook het verbranden van den met ried vermengden mest, waarvan men dompen maakte, doen ophouden; terwijl de uitbreiding van den graanbouw mede de waarde van den mest deed stijgen.

[283] Van de daartoe verleende octrooijen noemen wij hier enkel, nieuw geinventeerde Molens, om hout-, pot- en weedasch te malen: 1700; eene Azijn fabrijk, 1720; eene Suiker-rafinaderij te Harlingen, 1724; eene Stijfselmakerij te Franeker, 1731; een Snuif- en Verwmolen te Leeuwarden, 1760; een Papiermolen te Makkum, 1767; eene Glasblazerij aldaar, 1768; eene Meekrapstoof te Leeuwarden, 1751, enz.

[284] De latere Groninger Hoogleeraar s. gratama in zijne Gelukkige Toestand van Friesland, 25, in Aanteek. 22 vermeld met meerdere schrijvers over dit onderwerp; als: ypeij, Verhandeling over den uitvoer van Hooi; Teg. Staat, IV 570, 596 env.; vegilin, over de Veengraverijen, 25, 57 enz. Zie mede over het aangevoerde het onschatbare Charterb. IV 620, 726, V 106, 471, 658, 755; Reg. Staats-res. 337, 363, 495, 517, 528 enz. Gaarne zouden wij zien, dat ook dit belangrijk onderwerp eens uitvoeriger wierde behandeld.


[339]

39. De Kerkelijke Belangen van Friesland.

De Hervormde Kerk.

Lang hadden de Hervormden in Friesland de verdrukking van het Spaansche gezag verdragen en te vergeefs vrijheid van godsdienst, naast of nevens de bestaande Katholijke Kerk, begeerd, toen eindelijk de Pacificatie van Gent (1576), de Religions-vrede (1578) en de Unie van Utrecht (1579) de vervolgingen om het geloof deden staken, en de wensch, dat zij hunne godsdienst-oefeningen onverhinderd mogten houden, vervuld werd. Roomschen en Onroomschen bezaten nu alzoo gelijke vrijheid. Mogten de eersten zich hierdoor verzwakt gevoelen,—de laatsten, die spoedig bleken verreweg de groote meerderheid der ingezetenen uit te maken, hadden eene kracht ontvangen, welke alras zich liet gelden. Zij hadden zoo schrikkelijk veel van de Spaansche tirannij geleden, en de verbastering van de Roomsche Kerk had reeds zoo lang ergernis gegeven, dat zij deze niet naast of nevens zich konden dulden. Men moet zich verplaatsen in die dagen van opgewondenheid en verbittering, toen men het woord verdraagzaamheid naauwelijks kende, om te beseffen, dat het doel van den strijd geen ander kon zijn, dan de zegepraal van de sterkste en de ondergang van de zwakkere partij. En hoe zeer begunstigden de omstandigheden des tijds niet de overwinning van de zaak der Hervormden!

Immers, nadat de moed der burgers van Leeuwarden het Blokhuis dier stad veroverd had, en ook de kasteelen van Harlingen en Stavoren gewonnen waren, verwekte de verraderlijke afval van den Stadhouder rennenberg te Groningen (3 Maart 1580) hier zóó algemeene verontwaardiging, dat de Roomsche eeredienst nog in die zelfde maand door de Friesche Staten werd afgeschaft.[340] De kloosters werden nu ontbonden en de gebouwen verkocht of aan de uitroeijing van het algemeen prijs gegeven, en werd de Hervormde leer ingevoerd en gevestigd door de bepaling, dat alle gemeenten van bekwame predikanten en onderwijzers zouden worden voorzien. Bovendien werd in de ordonnantie van den Stadhouder Prins willem I van den volgenden jare vastgesteld, dat er in Friesland geene andere godsdienst dan de Hervormde zou mogen worden uitgeoefend[285].

Deze vestiging van de Kerk door het Staatsgezag, dat haar als eene voedsterling beschermde en als voogd bestuurde, was vooral in den beginne voor haar eene zaak van groot gewigt; eensdeels, omdat haar toestand nog zoo onzeker was, zoolang Groningen in de magt was der Spanjaarden, die zóó herhaaldelijk invallen in Friesland deden, dat de zaak der vrijheid nog veertien jaren lang in het grootste gevaar verkeerde; anderdeels, uit hoofde van het gebrek aan bekwame predikanten, wier getal lang ontoereikende was, om al de gemeenten van een leeraar te voorzien. Ook dààrom stichtte de Staat eene Lands Akademie te Franeker (1585), welke van lieverlede in dien nood voorzag en der Kerk vervolgens gewigtige diensten bewees. Deze was dus tot den Staat in eene omgekeerde verhouding gekomen, als waarin vroeger de Roomsche Kerk stond. Rijk, onafhankelijk en gewapend met kerkelijk gezag, had die hare geestelijke belangen steeds zelve geregeld, buiten de wereldlijke overheid, in wier bestuur zij zelfs een belangrijk aandeel had door hare afgevaardigden op de landsdagen. Wel deden de[341] Hervormde predikanten spoedig pogingen, om zich aan die voogdijschap van het Staatsgezag te onttrekken; doch, in weerwil der botsingen, welke hieruit nu en dan ontstonden, bleven de Staten hun regt en pligt handhaven, om, nevens de bescherming, welke zij der Kerk verleenden, daarop te gelijk toezigt te houden en daarover gezag uit te oefenen. Zelfs bepaalden de Staten, dat geen Synodaal besluit van eenige kracht zou zijn, vóór dat het door de Staatsmagt goedgekeurd ware. En deze steun kwam der Kerk meermalen ter bevordering van hare belangen te stade: zoowel bij de vele en vaak bittere twisten, welke de predikanten onderling en tegen de Synode voerden, als niet het minst tegenover andere Kerkgenootschappen, dewijl er in het bijzonder in deze provincie een zoo groot getal Doopsgezinden bestond, en het aantal Roomschgezinden en Lutherschen van lieverlede aanmerkelijk toenam. Lang werden de godsdienst-oefeningen van dezen door strenge plakkaten verboden, hoewel ze niet altijd streng werden uitgevoerd, zoodat de Hervormde Synoden veel malen gelegenheid vonden, zich over de miskenning van haar uitsluitend voorregt, de slapheid der besturen en de »ongelimiteerde licentie der dissenters” te beklagen. Ook ten aanzien der zeden en de wering van misbruiken en ongeregeldheden riep de Kerk dikwijls de hulp van het Staatsgezag in[286].


Maar welke was de geest, de rigting, de kenmerkende leer dezer Kerk? In de eerste eeuw of het omwentelingstijdvak waren deze zeer verschillende, doch zij ondergingen groote verandering, meest ten gevolge van vreemden invloed, en van het streven naar eenheid van geloofsbegrip, dewijl de heerschzucht der sterkere partij steeds[342] over de zwakkere trachtte te zegevieren. De oorsprong der geloofsverandering lag in de verbastering van de Roomsche Kerk. Om deze te bestrijden en te verbeteren bezat men geen ander wapen en middel dan het heilige Evangelie, dat tevens al de behoeften vervulde dergenen, die in reine godsvereering vrijheid van geloof aan zuiveren wandel wilden paren. Vandaar, dat in de allereerste geloofsbelijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, van omstreeks 1550, drie beginselen op den voorgrond stonden, welke toen voor kenmerkenden regel en rigtsnoer waren aangenomen; namelijk: 1o. het Evangelische beginsel, of de aanneming van de Heilige Schrift als Gods Woord, waarvan Christus de hoofdinhoud uitmaakt, met verwerping van alle menschelijk gezag, hetwelk in de Roomsche Kerk heerschende was; 2o. het beginsel van vrij onderzoek en vrije belijdenis van de Evangelische waarheid, mede tegenover Rome’s kerkleer, welke slaafsche gehoorzaamheid en vervolgzieke onverdraagzaamheid van andersdenkenden predikte, en 3o. het beginsel van voortdurende Hervorming, van toeneming in kennis en ontwikkeling van het Christendom, als de grondslag, waarop de Kerk, heilig in leer en leven, moest worden voortgebouwd en voltooid, tot vorming van vrome burgers van den Staat en van waardige leden der gemeente Gods in het leven der toekomst[287].

Hoe gelukkig zou ons vaderland geweest zijn, wanneer het aan deze oorspronkelijke beginselen en eigene opvatting van het evangelie, als eene kracht Gods tot zaligheid, ware getrouw gebleven! Hoe weldadig zou de algemeene[343] aanneming en beleving van zulk eene eenvoudig schoone leer duurzaam gewerkt hebben op het algemeene welzijn! Hoe vele twisten, rampen en ellenden waren daardoor niet vermeden geworden! Doch de zelfstandigheid der Nederlanders, in andere opzigten zoo krachtig aan den dag gelegd, bezweek in dezen voor buitenlandschen invloed. Vreemde geleerden, die zich de geloofsleer tot hoofddoel des Christendoms stelden, vormden ingewikkelde stelsels en vervormden de evangelie-leer tot eene leerstellige godgeleerdheid. Deze vond allerwege aanhangers, waaruit spoedig partijen ontstonden, die, hevig onder elkander twistende, de nog niet eens gevestigde Kerk jammerlijk verwarden en verscheurden terwijl de staatkunde der Spaansche regering dat vuur van verdeeldheid voedsel gaf en aanblies. Ofschoon luther’s denkbeelden en gevoelens reeds vroegtijdig in Friesland bekend waren, en de Augsburgsche belijdenis van 1530, zoo als die door melanchton veranderd was, ook hier bijval vond, was het verkeer van vele Friezen in Oost-Friesland, waar men voornamelijk de gevoelens van zwingli had aangenomen, de oorzaak, dat de hervorming hier eerst eene Zwingliaansche rigting aannam, alsof het noodzakelijk ware, de partij van een dier Hervormers te kiezen. Laatstgenoemde rigting werd echter spoedig verdrongen door het Kalvinisme, dat in 1567 in Brabant boven alle andere rigtingen ingang vond en zich streng wist te handhaven[288]. Nadat het ook door Prins willem I en daarna door Graaf willem lodewijk was aangenomen, bragt menso alting, een der weinige Oost-Friesche predikanten, die de gevoelens van kalvijn waren toegedaan, met de hulp van Dr. otto swalue[344] veel toe, om die rigting bij de Friesche predikanten te doen aannemen, waartoe de invoering van den Heidelbergschen Catechismus tevens een gereed hulpmiddel aanbood.

Uit de kerkordening der Dordsche Synode van 1578 en uit de merkwaardige twistreden, in 1596 te Leeuwarden door den Hervormden predikant ruardus acronius en den Doopsgezinden leeraar peter van ceulen in 156 zittingen gehouden, blijkt echter, dat er in de toenmalige leerstukken der Hervormden nog sporen der vroeger genoemde Nederlandsche beginselen waren overgebleven. Doch ook deze moesten verdrongen worden. Daartoe werd vooral de eerste Hoogeschool des lands dienstbaar gemaakt: want van de achttien hoogleeraren in de godgeleerdheid, welke aan de Leidsche Akademie van 1576 tot 1618 beroepen werden, waren veertien vreemdelingen, die de leer van kalvijn omtrent de Drieëenheid, Vóórverordinering, Gods vrijmagtige genade, Voldoening, Erfzonde en andere verborgenheden of met het evangelie strijdige leerstukken met ijver voorstonden en »de dorre stelselzucht en spitsvindige haarkloverij hare hoogte deden bereiken.” In twee der vier overige Hoogleeraren, in arminius en episcopius, vonden zij bestrijders: deze waren de laatste verdedigers van de oorspronkelijke Nederlandsche beginselen, welke men trachtte te verdringen. Tot welk een hevigen strijd dit aanleiding gaf; met welk eene bitterheid Remonstranten en Contra-Remonstranten elkander jaren lang bestreden, en hoe de Dordsche Synode van 1618 en 19, door het Staatsgezag ondersteund, daaraan een einde maakte, door de eersten als gedaagden te veroordeelen en het vaderland uit te drijven, om de zegepraal van de laatste partij te bevorderen—wien is dit bedroevende blad onzer geschiedenis onbekend? En wie heeft het niet betreurd, dat de hoogste en heiligste belangen des volks, vrijheid van godsdienst en geweten,[345] waarvoor men zoo lang tegen Rome en Spanje had gestreden, nu werden aangerand door eene Synode, welke, met een gezag als van vroegere Conciliën en Pausen, besliste en bepaalde, welke leerbegrippen voortaan bij uitsluiting in Nederland geduld zouden worden. Zóó trad men te gelijk het zevende artikel van de Nederlandsche geloofsbelijdenis met voeten. De godgeleerdheid leidde der godsvrucht onverbreekbare banden aan, wrong de menschelijke rede een breidel in den mond en verloochende het beginsel der liefde, dat de hoofdinhoud des evangelies is. Doch reeds de Heer zelf zeide: »Te vergeefs eeren zij mij, leerende leeringen, dat geboden van menschen zijn.”

Van de Friezen, die anders voor »eene koene, zelfstandige en voor zich zelve denkende natie” werden gehouden, had men mogen verwachten, dat zij dit juk van kerkelijke heerschappij zich even fier van de schouders geweerd zouden hebben ten aanzien der leer, als zij zich krachtig verzetten tegen de kerkenorde, bij post-acta door de Synode vastgesteld. Hoewel de steden deze aannamen, werd ze door de Staten der landkwartieren strengelijk verboden en de oude wijze van kerkbestuur en beroeping van predikanten gehandhaafd[289].

Doch er was een man in Friesland en wel predikant te Leeuwarden, johannes bogerman, een Oostfries van geboorte, die zich reeds sedert jaren had onderscheiden door geleerdheid en ijver voor de leerstellingen van[346] kalvijn, en die nu vooral zijn invloed deed gelden. Met nog twee predikanten en drie ouderlingen, benevens twee door de Staten verkozene commissarissen namens Friesland ter Synode afgevaardigd, werd hij spoedig tot Voorzitter gekozen. Hoe bekwaam hij ook ware, zijn gedrag in die betrekking, zijne onverdraagzaamheid en hevigheid, zijne heerschzucht en bitterheid, vooral bij de wegzending van de miskende Remonstranten, zijn algemeen, ook door de leden der Synode, afgekeurd. Wel had Friesland, ook door zucht naar vaste beginselen gedreven, de Synode gewenscht en bevorderd; doch men was hier te weinig met de Remonstranten in aanraking geweest en had tot dusverre mildere beginselen jegens andersdenkenden betoond, dan dat men zulk eene harde behandeling kon goedkeuren. Vermits men oordeelde, dat bogerman zijn last en gezag blijkbaar was te buiten gegaan, waren de Staten en de Synode hier geweldig tegen hem ingenomen en zóó verontwaardigd over zijn gedrag, dat men hem in staat van beschuldiging gesteld- en zelfs gebannen wilde hebben[290].

Niettemin werden de leerstellingen of canones der Dordsche Synode in Friesland algemeen ingevoerd, en een formulier van aanneming door de predikanten onderteekend. Slechts twee predikanten van Dokkum, haio lamberti en petrus hermanni, leverden daartegen enkel bezwaren in, en werden dáárom afgezet. Doch de onbillijke behandeling hen aangedaan, bij het gunstig getuigenis van den Magistraat en Kerkeraad van Dokkum omtrent hunne leer en wandel, bezorgde hen verscheidene aanhangers, die zich van de Gereformeerde Kerk[347] afscheidden en in die stad eene Remonstrantsche Gemeente vestigden. Hoe zeer ook gesmaad, verstoord, verdreven en vervolgd, en bij een scherp plakkaat verboden, mogten die Remonstranten zich daar lang staande houden, en ook den edelen balling dirk rafels kamphuyzen eene schuilplaats aanbieden na zoo lange vervolging, welke hem hier, niet dan op voorspraak, een kort verblijf gunde, daar hij weldra, na het voltooijen van zijne schoone Stichtelijke Rijmen en Uitbreiding van de Psalmen, overleed (1626)[291].

»Dat de Hervormde Kerk, zoo pas in het leven getreden, het beginsel, waaraan zij haar ontstaan te danken had, dadelijk weêr zou verlaten, en zelve de gruwelen zou navolgen, die zij in Rome’s dwangmiddelen verfoeide;—dat zij voor het Evangelische het Dogmatische beginsel verwisselen, en voor het vrije onderzoek en de vrije belijdenis der waarheid gehoorzaamheid aan de leer der Kerke opleggen zou, en dat zij het beginsel van voortdurende hervorming zou laten varen voor het gevoelen, dat de Hervormde Kerk in leerstellingen en eeredienst volmaakt, en dus de alleen ware Kerk was, buiten welke geene zaligheid was te vinden,”—wie had dit kunnen verwachten van eene Nederlandsche Kerk, in haren oorsprong op zulke echt Christelijke beginselen gebouwd? »Het moge vreemd schijnen; het is toch niet anders, zoo als uit de geschiedenis blijkt.

»Het gevolg daarvan was, dat leerstellingen de plaats van het Evangelie innamen; dat het Dogmatismus (de stelselzucht) in de Kerk en in de Godgeleerdheid weêr begon te heerschen; dat het Scholasticisme der Middeneeuwen weêr in het leven geroepen werd en zich[348] van de scholen der Godgeleerden meester maakte, en dat jagt op ketterij, helaas! ook in de Hervormde Kerk begon gedreven te worden. Zoo openbaarden zich de overblijfsels van den alouden Roomschen zuurdeesem in hunne volle gisting en kracht! Van de Kerkleer af te wijken, was gevaarlijker en werd strenger gestraft, dan afwijking van het Evangelie van christus. Deze Kerkleer naauwkeurig te ontwikkelen, haar-fijn uit te pluizen, scherpzinnig tegen andersdenkenden te verdedigen en met bewijzen, voetstoots en vaak op den klank der woorden af, uit den Bijbel ontleend, te staven, ziedaar, wat de Godgeleerdheid en hare studie uitmaakte. Men streed en kampte voor begrippen, alsof de zaligheid er in gelegen ware. Vooral het leerstuk der Voorverordinering, niet zonder reden het dogma tremendum genoemd, het leerstuk waarvoor men beeft, heeft eene troebele en onuitputtelijke bron geopend van twist en tweedragt, van onrust en wanhoop; want het zette de vrijheid en dus ook de verantwoordelijkheid des menschen ter zijde, en berustte op eene onwaarachtige, zelfs vreeselijke voorstelling van God, en tastte alzoo de deugd, de zedelijkheid en het waarachtig Christelijk leven in het hart aan”[292].

Ziedaar eene schildering van den veranderden toestand der Kerk ten gevolge der Dordsche Synode, die een bedroevenden teruggang in het kerkelijk en geestelijk leven veroorzaakte, dewijl zij bij den een een blind formulier-geloof en bij den ander de zaden van dweepzucht en verbittering jegens andersdenkenden aankweekte. Eenheid van geloofsbegrip mogt wenschelijk zijn, als men[349] elkanders opvattingen van het Evangelie in de zelfde Kerk niet broederlijk kon verdragen—wreede uitsluiting en verbanning uit den lande bij verschil van gevoelen over het inzigt van de waarheid was onchristelijk; terwijl men, ook bij het bezit van die eenheid, voortging met twisten en haarkloven, en zich verre van vrede- en liefdegezind betoonde. Hoe vele honderden twistschriften uit de beide vorige eeuwen bewijzen dit niet! En in hoe weinige stichtelijke boeken van dien tijd, die door het volk zoo véél werden gelezen, is gezond verstand en goeden smaak, zelfs in de titels en opschriften, te vinden[293]! Waarlijk, wij kunnen ons niet genoeg over dien teruggang in de godsdienst verbazen, als wij daarbij den gelijktijdigen grooten vooruitgang van wetenschappen en kunsten, in het bloeijendste tijdperk der Nederlandsche letterkunde, vergelijken. Doch ’t was toen een even vreemd verschijnsel als hetgeen wij thans, in het midden der 19e eeuw, moeten beleven, dat deze zelfde leerstellige denkbeelden, welke men meende dat reeds lang voor het licht van godsdienstige en letterkundige beschaving geweken waren, op nieuw bij velen bijval vinden en verkondigd en verspreid worden. Doch de geschiedenis heeft reeds geoordeeld, en aangetoond, hoe, onder de leiding Gods, de dwaasheden der menschen en alle pogingen tot terugwerking moeten dienen, om het rijk van waarheid, verlichting en deugd eens des te grootere zege te doen behalen tot Zijne eer.

[350]Die nieuwe rigting der Kerk was te meer bedroevend, omdat zij der godsdienst hare kracht en invloed benam op de zeden en op de zedelijke vorming en verstandelijke beschaving des volks. Het denkbeeld, dat God een Vader is, die al zijne kinderen in Christus door liefde tot gehoorzaamheid aan Zijn wil, en door reinheid van gemoed en wandel tot Zich wil trekken, ging toch verloren in de voorstelling van een trotschen Monarch, die zijne afgevallene onderdanen naar loutere willekeur verstoot of bevoorregt; eene leer, die den mensch evenzeer van God en zijn pligt moet verwijderen, als de eerste hem bestendig tot toenadering en vereeniging met den Vader noopt. Want onze gelijkvormigheid aan God en verhevenheid boven de gansche dierlijke schepping, een der sterkste beweeggronden, om uit Christelijke beginselen goddelijk te handelen met de gaven door den Heer ons verleend, werd miskend en als een dwaalleer ten toon gesteld en verbannen.

Is het dus vreemd, dat wij in zoo vele godgeleerde schriften van dien tijd de ijsselijkste schilderingen aantreffen van het zedebederf, ja van den zedeloozen toestand der natie?[294] Dat buitengewone rampen immer werden gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheden des volks? Dat ook anderen vele klagten aanhieven over de maatschappelijke gebreken en heerschende ondeugden? Leveren de plakkaatboeken van ’s lands regering niet de bewijzen, hoe treurig het toenmaals gesteld was met de openbare veiligheid, en van de verregaande kwaadwilligheid, boosheid en ruwheid van zeden, welke men te vergeefs door ordonnantiën en verbodsbepalingen trachtte te bedwingen of te doen afnemen?[295]. En de meeste dezer plakkaten werden uitgevaardigd[351] op klagten van de Synode of van de predikanten, die wel konden klagen en aanwijzen, doch die zóó weinig deden voor de godsdienstige opleiding en vorming van hunne gemeente-leden, dat zij op de dorpen slechts eenmaal op den dag des Heeren predikten en geheel geene catechisatiën hielden, zoodat het kerkelijk godsdienstig onderwijs van de jeugd, waarin de kracht, het heil en de hoop der gemeenten is gelegen, jammerlijk verwaarloosd werd[296]. Vandaar ook die vijandschap, haat en vervolging, waarmede velen den beroemden balthasar bekker bejegenden, toen deze, als predikant te Oosterlittens, omstreeks 1662 begon, des Zondags ook ’s namiddags te prediken en cathechisatiën te houden, waartoe hij weldra onderscheidene leerboekjes trachtte uit te geven. De smaad en veelvuldige onaangenaamheden dezen verlichten en edelen man daarover en over zijne wijsgeerige denkbeelden in Friesland aangedaan, waren evenzeer een bewijs van den bekrompenen en onverdraagzamen geest zijner tijdgenooten, als het besluit der Staten van 1682, om het »inkruipen van schadelijke nieuwigheden, libertinisterij en ketterij” te weren en de verdeeldheden onder de godgeleerden te bedwingen door het verbod, om in eenerlei opzigt af te wijken van de formulieren van eenigheid en den Heidelbergschen Catechismus[297]. Zóó betoonde men zich steeds afkeerig van eenige verandering, uitbreiding of verheldering van de geloofsbegrippen, welke zich immer in den zelfden beperkten kring moesten blijven bewegen. Doch bekker, hoe zéér den vrede beminnende, bleef voor de waarheid, naar zijne opvatting, ijveren. In 1679 te Amsterdam beroepen, mogt hij van zijne wakkere poging, om het volksgeloof omtrent de kometen, als voorboden van rampen en oordeelen, te bestrijden (1683),[352] evenveel eer en eene roemrijke overwinning op de heerschende dwaalbegrippen behalen, als toen hij in 1691 door zijn beroemd boek, de Betoverde Weereld (in bijna alle talen van Europa overgebragt), het gezag van den vorst der duisternis aanviel, het mensch-onteerend bijgeloof aan duivelarij en tooverij in den hartader aantastte, en veler oogen voor het licht der waarheid opende, in weerwil der hevige vervolgingen en beroeringen door een aantal predikanten tegen hem verwekt. Nooit echter zal het nageslacht ophouden, hem, tegenover zijne eeuw, als een held te vereeren en wegens zijne deugden en verdiensten als een weldoener te zegenen[298].


Dan het was »de mode van dien tijt, dat de een den ander om het minste verschil in gedachten, al was ’t van saacken, die self de Godgeleertheyt niet en raackten, voor een ketter afmaalde, en om de rolle ten vollen uyt te spelen, aanklaagde aan Classen, Synoden, en Politijke vergaderingen, daarse meenden, dat haare autoriteyt iets soude konnen gelden”[299]. Vandaar, dat de geestelijkheid bestendig veel beweging maakte door haren onverdraagzamen ijver tegen de bij oogluiking gedulde vergaderingen van de Doopsgezinden, Lutherschen en Roomschen, ja zelfs tegen de vestiging eener Waalsche Gemeente te Leeuwarden (1657), en daarna niet minder tegen de dweepende sekte der Labadisten, die zich in 1675, na den dood van jean de labadie, met den leeraar yvon aan het hoofd, op Thetinga-state te Wieuwerd[353] vestigde en hare gemeenschap dáár ongeveer vijftig jaren lang wist staande te houden. Op hare vroegere omzwervingen zoowel als hier sloten verschillende aanzienlijke en geleerde personen, waaronder de beroemde anna maria van schurman, de Jonkvrouwen van sommelsdijk, de verloskundige hendrik van deventer enz. zich bij deze sekte aan, ten einde, afgescheiden van de bedorvene wereld, te voldoen aan hunne behoefte, om bij de leer een christelijk leven te voegen[300]. Hare denkbeelden hadden zelfs invloed op vele hervormden, waaronder vooral wilhelmus à brakel, die, in zijne zoo veel gelezene Redelijke Godsdienst, aandrong op meer gemoedelijke godsvrucht; ofschoon dat opgewekt godsdienstig leven, verkeerd gerigt, bij velen leidde tot dweeperij, welke hier steeds een vruchtbaren akker vond.

Nog meer werd de Kerk verontrust, toen de resultaten van de ijverig beoefende wetenschap van lieverlede in het leven traden en sommige leerstukken aan het wankelen schenen te brengen. De stellingen der wijsbegeerte van des cartes en de nieuwe denkbeelden van den geleerden coccejus, eerst hoogleeraar te Franeker en daarna te Leiden, vonden bijval en werden aan Frieslands Hoogeschool door mannen als joannes van der waeyen, campegius vitringa en herm. alex. roëll beschermd en verdedigd. Dewijl deze hunne leer niet wilden onderwerpen aan het oordeel of de veroordeeling der kerkelijken, die zich daartegen hevig verzetten, waren bittere twisten daarvan het gevolg. De meer verlichte denkbeelden van david flud van giffen, predikant te Nieuw-Brongerga, vonden nogtans bij het Stadhouderlijk gezin op het Oranjewoud bescherming; terwijl Gedeputeerde Staten dikwijls[354] hun gezag gebruikten, om de vervolgingen te staken en der Synode het zwijgen op te leggen. De aanhangers van voetius en andere voorvechters van de oude waarheid hielden echter vol, het regt der kerk te doen gelden, zoodat eerlang eene scheuring in twee partijen, Coccejanen en Voetianen genoemd, onvermijdelijk was. Ondanks dien tegenstand was er vooruitgang, en bragten die twisten veel toe, om de bestredene godgeleerde stellingen naauwkeuriger te onderzoeken, en de grondslagen te leggen tot meer evangelische kennis en verlichte denkbeelden. Doch lang zou het duren, eer men zich aan het eens opgelegde juk zou kunnen ontworstelen.


Ja, nog langer dan honderd jaren zou het duren, eer de stralen van een beter licht konden doorbreken. Zóó vast en sterk waren eens de kluisters van den vrijen geest gesmeed, dat wij in bijna de gansche 18e eeuw de Hervormde Kerk in den zelfden gebonden toestand zien verkeeren van slaafsche onderwerping aan de Dordsche leer en gehechtheid aan de formulieren van eenigheid, wier gezag in 1729, na hevige oneenigheden, nog meer verbindend werd gemaakt. Zulke oneenigheden en onbeduidende twisten over allerlei nietigheden maakten in de hoofdzaak de geschiedenis uit der Kerk in deze eeuw; met deze uitzondering: dat zij zich ook vergreep aan de geloofsbegrippen van eene andere, door de Staatsmagt toegelatene, kerkgemeenschap. Sedert de Doopsgezinden in 1672 vrijheid van godsdienstoefening hadden bekomen, werden zij als stille burgers ongemoeid gelaten. Doch in 1722 werd hunne vrijheid van geloofsbegrippen door de Hervormde Synode, uit vrees dat zij Sociniaansche stellingen zouden voorstaan, aangerand, door hunne 150 leeraars te dwingen tot onderteekening van eene verklaring omtrent de Drieëenheid, een leerstuk, niet door den[355] Heer verkondigd, maar door Godgeleerden ontworpen. Gelukkig, dat hunne verdediging door Gedeputeerde Staten aangenomen- en de inquisitie der Synode toen tegengegaan werd. Zulk eene poging, om heerschappij te voeren over het geloof van anderen, werd in 1738 herhaald, en had de afzetting van twee Doopsgezinde leeraren van de Knijpe en Heerenveen ten gevolge. Nog meer gerucht maakte kort daarop de klagt der kerkelijken, dat in de leerredenen van joannes stinstra, Doopsgezind leeraar te Harlingen, over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk, Sociniaansche gevoelens zouden verkondigd zijn. Alle Hervormde classen in Friesland en alle theologische faculteiten in Nederland werden door Gedeputeerde Staten uitgenoodigd dit boek te beoordeelen. Natuurlijk was aller oordeel in den geest der beschuldiging. Slechts één man had den moed zich tegen de meening van die allen te verzetten, en aan te toonen, dat die beschuldiging ongegrond was. Het was de groote herman venema, hoogleeraar in de godgeleerdheid te Franeker, die, op het voetspoor der verlichte vitringa’s, vader en zoon, eene verbeterde predikwijze had voorgesteld; die vrije en heldere begrippen omtrent de godsdienst verkondigde, en die gedurende de vier-en-zestig jaren, dat hij een sieraad was van Frieslands Hoogeschool, bovendien door zijne geleerdheid, christelijke braafheid en verdraagzaamheid zóó hoog geacht was, dat zelfs zijne tegenstanders hem niet durfden aanranden. Hoe gematigd en verstandig dat advies van venema ook ware, hij alléén was niet tegen de bevooroordeelde en twistzieke geestelijkheid bestand:—stinstra werd van het leeraarambt ontzet en eerst 15 jaren later hersteld. Doch de smet door dit gedrag op de Hervormde Kerk geworpen, ook door vele tijdgenooten veroordeeld, werd alleen opgewogen door de moedige en edele poging van venema, die, door den[356] tijd tevens geregtvaardigd, gelukkig tegen dreigende vervolgingen bescherming en steun vond in den voortreffelijken Prins willem IV en diens verlichten vriend epo sjuck van burmania. Deze edelman, lang lid van Gedeputeerde Staten, had later zelfs den moed venema openlijk te prijzen, doch tevens te voorspellen, dat zijne verlichte gevoelens weinig ingang zouden vinden bij zijne tijdgenooten: »want,” zeide hij, »de tijd is ’er niet na geschikt, om de Menschen de oude wijfs grollen uit het hoofd te praaten. Gij hoopt doch vrucht’loos, dat de Rede eens zal verwinnen.”[301]

Niettegenstaande de heerschappij en de verdeeldheden der godgeleerden nog lang bleven voortduren en de gehechtheid aan de kerkelijke leerstellingen onveranderlijk scheen te zijn, zou de tijd toch eenmaal aanbreken, dat die leerbegrippen verdrongen zouden worden en vervangen door christelijke denkbeelden en evangelische gezindheden. Het heerschzuchtig gedrag van den Leeuwarder predikant blom jegens den Magistraat dier stad in 1763 en de hooggaande twisten daaruit, gelijk twee[357] jaren later uit het houden van eene leerrede over de Christelijke Liefde door g. t. de cock verwekt, welke door het staatsgezag werden geëindigd, terwijl gelijktijdig voltaire’s verhandeling over de Verdraagzaamheid, te Leeuwarden vertaald en gedrukt, werd verboden,—ziedaar de laatste sporen van den geest van heerschzucht en tegenwerking, die de Kerk zoo lang hadden beroerd. Ook daaruit bleek het, dat er een nieuw licht aan het dagen was, hetwelk vele gemeente-leden welgevallig tegenblonk. De geest der lessen van den, zoo ongemeen lang gespaarden, venema, die, boven vooroordeelen verheven, meer heldere begrippen verspreidde en zijne leerlingen bovenal tot liefde, vrede en verdraagzaamheid aanspoorde, begon van lieverlede de Kerk te vervullen en voor de toekomst betere vruchten te beloven.

Terwijl de zucht naar vooruitgang dus merkbaar was, had zij bij velen een nadeelig gevolg. Men was afkeerig geworden van eene leer, in vormen en wetten gekluisterd, die den geest met een last van grondstellingen had bezwaard; en terwijl men dus de kerkelijke leerbegrippen verzaakte, verwierpen velen met-een de grondslagen der heilige leer van Christus. Vandaar, dat »in het eind der vorige eeuw onder de beschaafde klassen der maatschappij de verachting van de godsdienst heerschend was geworden. De geest, geheel met de belangen des tijds vervuld, vroeg niet meer naar het eeuwige. Slechts bij weinigen, wien het vergankelijke niet kon voldoen, bleef de zucht naar iets hoogers bestaan”[302]. Ondanks de regtzinnigheid al hare krachten inspande, om het oude te behouden; in weerwil eene dweepzieke menigte zich tegen elke verandering aankantte, waren er van zulk eene geestrigting ook in Friesland vele sporen, nadat[358] de langdurige vrede en welvaart een buitengewonen voorspoed gekweekt en een geest van overmoed, vrijheid en onafhankelijkheid ontwikkeld hadden, welke sedert 1780 in staatkundige beroeringen aan den dag gelegd werden. Ook de predikanten trokken partij, namen deel aan den wapenhandel en ondersteunden vooral de partij, welke tegen den Stadhouder was gezind, waarom verscheidene hunner in 1787, bij het herstel van het Stadhouderlijk gezag, werden afgezet. Eene groote verandering, in den loop der tijden voorbereid, was echter noodzakelijk geworden.

En deze volgde weldra op de staats-omwenteling van 1795. Bij de bestaande begrippen van vrijheid, gelijkheid en broederschap was het natuurlijk, dat de staatsmagt nu »een iegelijk onbelemmerde Vrijheid van geweten, en de ongestoorde uitoefening van zijne Godsdienst plegtig verzekerde”[303]. De Hervormde Kerk verloor daarbij het voorregt, dat zij meer dan twee eeuwen had bezeten, om de heerschende Kerk of de Kerk van den Staat te zijn, en daarmede viel ook de laatste steun der scholastieke godgeleerdheid en der kerkelijke regtzinnigheid. Inzonderheid werd dat voorregt geheel opgeheven bij de scheiding van Kerk en Staat, welke in 1796 hierop volgde. Eerst bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798 werden daaromtrent bepalingen voorgeschreven; terwijl bij besluit van de Synodale vergadering te Heerenveen, in 1804 gehouden, een nieuw Wetboek en Kerkenorde voor Friesland werd ingevoerd. Ofschoon men de leerstellingen der Dordsche Synode daarbij als grondslag van de leer der Kerk, althans in naam, bleef behouden, was daarin, gelijk sedert in de gansche rigting der Kerk, een gezegende vooruitgang tot betere denkbeelden en gezindheden te erkennen, en[359] was men vrij algemeen tot meer heldere inzigten, tot meer liefderijke gevoelens, tot meer christelijk leven gekomen. Een blijk daarvan was mede de invoering van de Evangelische Gezangen in 1805, welke, even als de in 1773 ingevoerde verbeterde Psalmberijming, zoo veel bijdroegen, om de stichting bij de godsdienst-oefeningen te verhoogen en godsdienstige gevoelens aan te kweeken.

Intusschen waren er elders Genootschappen opgerigt, die belijders van verschillende gezindten tot één christelijk doel vereenigden, en welke ook hier een weldadigen invloed uitoefenden. Er waren in de Kerk mannen opgestaan, als: hinlopen, kist, clarisse, stuart, van der roest, egeling en anderen elders, gelijk liefsting, brink, brouwer, nieuwold, bruining enz. in Friesland, die door prediking en schriften een evangelischen geest onder het volk bragten; terwijl in de scholen der Godgeleerdheid van voorst, tinga, greve en regenbogen te Franeker, gelijk elders van hamelsveld, muntinghe, van der palm, an. ypeij, heringa, suringar en borger, waarvan de vier laatste Friezen waren, door hun onderwijs en schriften alle geloofs- en zedeleer tot het evangelie terugbragten, de leerstellingen aan Gods woord leerden toetsen, nuttelooze twisten vermeden, eene gezonde uitlegkunde deden veldwinnen en uit wijsbegeerte en geschiedenis licht aanbragten voor het Christendom. In dit gewest heeft vooral de Christelijke Godgeleerdheid van den Franeker Hoogleeraar j. h. regenbogen (1810) veler oogen geopend voor het licht der waarheid, in verband met het gezag der rede. Zóó werd de Hervormde Kerk, terwijl het vaderland gelouterd werd door staatkundige verdrukking, op nieuw tot een Evangelisch-Hervormde Kerk hervormd; en, nadat in 1816 de band der formulieren van eenigheid voorzigtig was losgemaakt, mogt men in 1817 ook in Friesland het Derde Eeuwfeest der Kerkhervorming[360] bij alle Protestantsche Gemeenten onderling en met eene broederlijke liefde en eensgezindheid vieren, welke de kroon zette op de overwinning, welke de tijdgeest, of liever Gods vaderlijke besturing, op de bekrompenheid van het voorgeslacht had behaald, in terugkeering tot de genoemde drie oorspronkelijke beginselen van de Nederlandsche Hervormde Kerk. Zóó mogten rede, gezond verstand en godsdienstzin zegevieren op het kerkelijk leerbegrip.

Hoe verblijdend dit verschijnsel, hoe weldadig het licht zij, dat thans bijna algemeen ten aanzien der christelijke waarheid en geloofsleer is ontstoken—voor allen is er eene hooge roeping aan verbonden, om, voorgelicht door de verhevenste zedeleer, thans als kinderen des lichts te wandelen, en om door toeneming in gemoedelijke godsvrucht en christelijke deugd en door beleving van het geloof te toonen, dat de beschaving, ontwikkeling en veredeling van het menschelijk geslacht de vrucht en het doel is der gezegende godsdienst van Christus.

De Doopsgezinden.

Vóór de omwenteling van 1580 hadden de Hervormden en Doopsgezinden gemeenschappelijk geijverd tegen de onderdrukking van Spanje en vóór vrijheid van geloof en geweten. Na die omwenteling en de zegepraal der hervorming hadden beide gezindten zeker gelijke aanspraak op het genot van deze vrijheid en de bescherming van het Staatsgezag; te meer, daar de Doopsgezinden toen ongeveer een vierde gedeelte der bevolking van Friesland uitmaakten, en, zonder aanspraak te maken op de kerken en derzelver bezittingen, toelieten, dat de Hervormden daarvan bezit namen. En evenwel, hoe gunstig Prins willem van Oranje ook jegens de Doopsgezinden in het algemeen gezind was, werd[361] bij zijne provisioneele Ordonnantie op het stuk van justitie, politie, kerk en krijgshandeling, in 1581 te Harlingen uitgevaardigd, bepaald, dat geene andere dan de Gereformeerde religie in deze provincie zou mogen worden uitgeoefend[304].

Het moge waar zijn, dat eenheid van belijdenis of de erkenning van slechts ééne Kerk als de Kerk van Staat in die dagen noodzakelijk kan geweest zijn,—wij moeten het tevens met lof en eere vermelden, dat de Friesche Hervormde Kerk, in de eerste achttien jaren harer vestiging, van dit haar uitsluitend regt een verstandig gebruik en geen misbruik heeft gemaakt; vermoedelijk, omdat zij toen nog meer doordrongen was van de oorspronkelijke beginselen, waarop de Nederlandsche Hervormde Kerk was gebouwd, en welke wij vroeger (bl. 342) hebben vermeld. In weerwil der genoemde, later tot wet gewordene, bepaling, is er geen spoor, dat de Doopsgezinden in dit gewest, die afgescheiden van de wereld wenschten te leven, gedurende die jaren door het Staats- of Kerkgezag zijn gehinderd geworden in de vrije uitoefening van hunne, in stilte gehoudene, godsdienst-oefeningen, welke bij oogluiking werden geduld. Staat en Kerk hebben hier toen het voorbeeld gegeven van eene edele verdraagzaamheid, welke men later meende, dat geene eigenschap van dien tijd of van eene heerschende Kerk kon zijn. Ja, Staat en Kerk gaven nog een merkwaardig blijk van naijver, gelijkstelling en onpartijdigheid, door in 1596 toe te staan, dat er in de Galileërkerk te Leeuwarden een twistgesprek over de verschilpunten der leer tusschen den Hervormden predikant ruardus acronius en den Doopsgezinden leeraar peter van ceulen[362] werd gehouden, waartoe van den 16 Augustus tot den 17 November niet minder dan 156 zittingen gebezigd werden, zonder tot eenig ander doel te leiden dan tot de openbaarmaking van beider denkbeelden en begrippen[305]. Bij die gelegenheid werd door peter van ceulen dankbaar erkend, »dat de loffelijke Overheid hen tot nog toe vrijheid van religie in alle goedigheid en beleefdheid vergund had, gelijk zij gaarne der Overheid wilden gehoorzamen in hetgeen zij verstonden niet strijdig te zijn tegen Gods heilig woord, hopende dat God haar in dat zelfde voornemen zou laten.”

Dan, wij hebben het vroeger reeds opgemerkt, dat de afwijking van de oorspronkelijke beginselen der Hervormde Kerk de oorzaak geweest is van hare latere verbastering en van vele rampen. Zij was mede de oorzaak, dat die goede geest van broederlijke verdraagzaamheid, welke haar tot dusverre had gekenmerkt, werd verdrongen door een geest van heerschzucht en bittere vervolgzucht. Sedert 1598 werden er bij de Synode en de Besturen pogingen gedaan, om de Doopsgezinden het vergaderen te beletten en het prediken te verbieden. Geldorp en bogerman, predikanten te Sneek, gesterkt door de Overheid dier stad, verstoorden in 1600 werkelijk hunne bijeenkomsten, en gaven in den volgenden jare eene vertaling in het licht van beza’s boekje over het Ketterstraffen, waarbij zij verklaarden, dat men slechts ééne godsdienst in den Staat moest dulden, en dat het verschoonen van ketters vredehouden met den Satan was. Zulke onchristelijke,[363] ja onmenschelijke denkbeelden, welke men vroeger onder de Spaansche inquisitie met zoo veel regt onduldbaar had geoordeeld, werden aldus met de streng Kalvinistische gevoelens uit den vreemde ingehaald en geënt op den jeugdigen, reeds zoo welig bloeijenden, boom der Nederlandsche vrijheid. En welke vruchten zulks droeg, dit bleek, helaas! eerlang op de Synode van Dordrecht, waar die zelfde bogerman, als Voorzitter, die zelfde beginselen in het groot in toepassing bragt ten aanzien der Remonstranten. (Zie bl. 344 hier vóór.)

Gelukkig, dat bogerman, die in 1608, als predikant te Leeuwarden, zoo zeer geijverd had tegen de Doopsgezinden, die beginselen ook niet op hen toepaste; en nog gelukkiger, dat juist de strijd tegen de Remonstranten de oorzaak werd, dat de Doopsgezinden sedert 1611 eenige verademing genoten en geene verstoring of vervolging hadden te lijden. De verdeeldheid in de Hervormde Kerk zelve had de aandacht afgeleid van hen, die bovendien zich hoe langer hoe meer in de toegenegenheid van regenten en medeburgers vestigden door hun ingetogen leven en de bevordering van handel en fabrijken, waardoor zij in welvaart en vermogen toenamen, en als goede burgers van den Staat lasten en schattingen gewillig droegen. Zij maakten van die rust en goede gezindheid gebruik, door op vele plaatsen nieuwe en grootere vermaningen of kerken te bouwen. Wel ondervonden zij daarbij nu en dan tegenstand van de plaatselijke besturen, doch niet vóór 1644 en bijzonder na 1651 wekte dit den naijver op van de Hervormde predikanten. Zij klaagden daarover op de Synode, en deze beklaagde zich bij de Staten over de »ongelimiteerde Mennonitische groote licentie,” welke zij ingebonden wilde hebben. De Staten, die in 1659 toegestaan hadden, dat de Doopsgezinden met de verklaring van ja en[364] neen, in plaats van een eed, zouden kunnen volstaan, bevolen daarop wel de Gedeputeerden in 1661, om de plakkaten omtrent de Wederdoopers (waarmede men nog altijd de rustige Doopsgezinden wilde verwarren) te vernieuwen; doch er is geen blijk, dat deze aan dit bevel hebben voldaan[306]. Hoe zeer ook gezind om de regtzinnige leer der Kerk te handhaven, dachten zij gunstiger over zoovele vreedzame burgers, die men bij voortduring wel oogluikend moest dulden, ook omdat men ze niet verdrijven kon zonder groote schade voor het algemeen belang; te meer, dewijl zij zulk een aanzienlijk gedeelte der bevolking dezer provincie uitmaakten, daar hun aantal in 1666 op ongeveer 20,000 zielen geschat werd, welke op 72 plaatsen gemeentelijke vereenigingen hadden.

Integendeel, Gedeputeerde Staten ontzagen zulk een aanzienlijk ligchaam, welks goede zeden, vlijt en eerlijkheid in den handel hunne achting had verworven, en welks verzamelden rijkdom spoedig bleek den Staat van groot nut te kunnen zijn. Immers, toen bij het uitbreken van den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, de provincie tot uitrusting van oorlogsschepen en andere lasten groote sommen noodig had, en eene geldleening van 5 tonnen gouds te vergeefs beproefd werd, zochten zij de Doopsgezinden aan, die leening in twee termijnen tegen 5 ten honderd te voldoen, met aanbod, dat zij voor hun zelven bevrijd zouden blijven van het dragen van wapenen. Bereidwillig voldeden zij destijds aan dit verlangen, en op nieuw in 1672, toen de nood des vaderlands nog hooger was gestegen. Op verzoek der Staten schoten zij der provincie toen nog 400,000 Gld. tegen eene rente van 4 ten honderd voor, buiten de aanzienlijke[365] bijdragen, welke zij persoonlijk tot de verdediging des lands veil hadden.

Zulke groote opofferingen bleven van de zijde der Staten niet onvergolden. Deze besloten den 28 Februarij 1672, den Doopsgezinden voortaan vrijheid van religie toe te staan, terwijl zij voor hunne personen van de algemeene volkswapening vrijgesteld bleven. Dit voorregt, van uitstekend belang, werd dankbaar door hen ontvangen, en was voor den vervolge van grooten invloed op hun rustig bestaan en verdere ontwikkeling. Ook later, in 1677, gaven zij nogmaals gehoor aan het verzoek der Staten tot het sluiten eener leening van 132,943 Gld., zoodat zij alsnu in twaalf jaren tijds de provincie met een kapitaal van 1,032,943 Gld. bijstand hadden geboden[307].


Mogten de Doopsgezinden zóó door den Staat beschermd worden, de Hervormde Kerk had tegen hen eene blijvende grieve, eensdeels, wegens hunne afwijking van de gevoelens, welke zij als de eenige ware meende te moeten handhaven, en anderdeels, wegens hunne veelvuldige onderlinge verdeeldheden. Daarin vond zij eene beschuldiging en een grond tevens, om de noodzakelijkheid van hare eigene eenheid des geloofs te verdedigen. Schoon de Doopsgezinden geene kenmerkende leerstellingen hadden aangenomen, maar, zich enkel aan de Heilige Schrift vasthoudende, aan ieder hunner leden vrijheid van denkwijze lieten, en zich bijzonder door hun ijver voor het christelijk leven onderscheidden, bleef de eenheid van leer beter onder hen bewaard. De Hervormden, met wien zij in de eerste tijden, ook blijkens de eerste Geloofsbelijdenis van omstreeks 1550, meer overeenstemden, weken van[366] lieverlede meer af; en door het aannemen der gevoelens van kalvijn en van de leerstellingen der Dordsche Synode werd het verschil en de breuk tusschen beide kerkgenootschappen nog grooter. Legden de Hervormden er zich op toe, om bij de beschouwing van den weg der zaligheid alles alléén aan God toe te schrijven, terwijl de mensch in zijne geheele bedorvenheid daartoe niets kon bijbrengen, en bij de genoegzaamheid der plaatsvervangende gehoorzaamheid van Christus ook niet behoefde;—de Doopsgezinden moesten afkeerig zijn van zulk eene voorstelling, in welke zij geene drangredenen tot eenen christelijken wandel konden vinden en die eigene werkzaamheid en spanning van zedelijke krachten onnoodig maakte. Vandaar, dat bij de eersten de beginselen van een lijdelijk Christendom en bij de laatsten van eene werkdadige Godsdienst meer werden ontwikkeld, tot een onderscheidend kenmerk van elke gezindte.

Maar juist der Doopsgezinden ijver voor het christelijk leven bragt hen op den weg van onderlinge verdeeldheid en scheuring. Dat de Gemeente in haren wandel heilig en onberispelijk moest zijn; dat de ban of uitsluiting onontbeerlijk was, om alle vlekken en rimpels uit haar te verwijderen, en dat men de gebannenen ook in het dagelijksch verkeer moest mijden,—daarin kwamen allen overeen. Doch hoe ver men den ban en de mijding moest uitstrekken, daarover ontstonden verdeeldheden. Hunne Oudsten, leenert bouwens en dirk philips, met heiligen ernst bezield, ijverden voor strengheid; de zachte geest van menno simons vermaande gedurig tot gematigdheid, totdat hij, eindelijk overreed en zelf met den ban bedreigd, uit vrees voor scheuring zich bij hen voegde. Toen nu de strenge partij door het gezag van menno de overhand had bekomen, scheidden de gematigden zich omstreeks 1555 af en vormden afzonderlijke gemeenten.[367] In Oost-Friesland, werden deze eerst Schedemakers en in deze provincie Franekers geheeten, doch later algemeen Waterlanders genoemd, welken naam zij ook eerst alleen in Holland hadden gedragen, toen de anderen met dien van Mennoniten werden onderscheiden. De Waterlanders leefden verder rustig en muntten uit door zuiverheid van zeden en onderlinge liefde. Onder de strenge banners ontstonden evenwel spoedig nieuwe oneenigheden: eerst naar aanleiding van vreemde zeden, door vlugtelingen, vooral uit Vlaanderen, aangebragt, welke in 1568 eene scheuring veroorzaakten, ten gevolge eener mislukte poging tot hereeniging in de vermaning te Harlingen. Daar de partij der Friezen, welligt uit zucht tot vrede, daarbij eene dubbelzinnige rol speelde, gaf dit aanleiding, dat de meeste gemeenten in dit gewest de tegenpartij in het gelijk stelden, en zich met haar vereenigden. Later ontstonden er nog vele kleine scheuringen, doch bleven er in Friesland vooral drie hoofdpartijen bestaan: de Waterlanders, de Friezen en de Vlamingen.

Allengs echter bedaarde de opgewonden ijver. Verbittering maakte plaats voor vriendschap, en op den tijd van scheuring volgde in den loop der 17e eeuw een tijd van vereeniging, welke de meeste gescheidene gemeenten eerlang weder tot één bragt. De vroegere strengheid, bij welke de zorg voor zuivere zeden dikwijls de broederlijke liefde uitdreef, week voor een milderen geest. Door handel en bedrijf kwamen de Doopsgezinden allengs meer in maatschappelijk verkeer met andere burgers en in aanraking met de wereld. Een meer wetenschappelijk onderzoek van de Heilige Schrift deed hen aan bijzaken mindere waarde hechten. Zoo kwam er meerdere toenadering onderling en met andersdenkenden. Talrijke vergaderingen van hunne Oudsten getuigden van hunne zucht naar vereeniging. Belijdenissen werden in die vergaderingen[368] opgemaakt, welke tot grondslag van vereeniging strekten en hunne gevoelens te gelijk aan anderen meer bekend maakten. Hoe zeer moest die goede geest niet toenemen, sedert zij in 1672 van de Staatsmagt de erkenning van hun bestaan en de lang begeerde vrijheid tot uitoefening van hunne godsdienst hadden verkregen?

Eene eerste en weldadige vrucht daarvan was de oprigting van de Friesche Doopsgezinde Societeit in 1695. Deze bestond in eene verbindtenis van meest alle Doopsgezinde gemeenten, met het doel, om »liefde, vrede en eenigheid onder elkander te bewaren, en om te zorgen, dat de noodlijdende gemeenten, benevens de Broeders, die daarin de predikdienst waarnamen, door onderlinge bijdragen naar vermogen mogten worden ondersteund.” Deze vereeniging was van zeer gunstig gevolg voor den welstand van de gemeenten en van de gansche broederschap, en bevorderde een geest van onderlinge goedwilligheid en verbroedering, welke eerlang in den loop der 18e eeuw ten gevolge had, dat in die plaatsen, waar Friesche, Vlaamsche, Waterlandsche of andere gemeenten bestonden, vereenigingen tot stand kwamen, welke eindelijk, alle partij- en sektengeest verbannende, één krachtig en zelfstandig kerkgenootschap in het leven riep, dat getrouw was gebleven aan het eenige fondament, dat gelegd kan worden, al waren zijne leden ook van lieverlede uit hunne afzondering in de wereld overgegaan.

Vóór dit echter geschiedde, hadden zij nog eenige moeijelijke aanvallen door te staan. Als wij ons herinneren, welk een geest van onverdraagzamen ijver de Hervormde predikanten onderling bezielde jegens hunne eigene broederen, als: bekker, van giffen en de Franeker Hoogleeraren, toen deze den moed hadden eenige meerdere vrijzinnigheid aan den dag te leggen, dan verwondert het ons geenszins, dat zij weinig genoegen namen in der[369] Staten goedgunstigheid jegens de Doopsgezinden, waardoor alle vroegere klagten der Synode in eens gesmoord waren. Daarenboven was het duidelijk, dat er tusschen hen en de verketterde Remonstranten, Collegianten, Labadisten en Hernhutters eene vriendschappelijke aanraking bestond: sekten toch, die men verdacht hield van besmet te zijn met Sociniaansche gevoelens, welke de Kerk met den meesten afschuw verfoeide, waarom Socinianen, Kwakers en Dompelaars sedert 1662 bij plakkaat aan strenge vervolging waren blootgesteld; terwijl bij de vernieuwing van dit plakkaat in 1687 openlijk gezegd werd, dat die dwaalgeesten zich met de Doopsgezinden vermengden. Dien ten gevolge werd in 1687 een hunner leeraren op eene aanklagt gebannen en 1719 op nieuw. De bezorgdheid der Synode was zóó groot, dat zij in 1722 zelfs Gedeputeerde Staten wist over te halen, dat van alle Doopsgezinde leeraren de onderteekening zou geëischt worden van een formulier tot erkentenis van het leerstuk der Drieëenheid, op straf van ontzetting en eene boete van 100 gouden Friesche rijders, als zij het leeraarambt bleven waarnemen. Stootend was het dezen voorzeker, dat een ander kerkgenootschap de vrijheid nam, hen voor te schrijven, wat zij hadden te gelooven omtrent een godgeleerd begrip, waarvoor zij onder de hen voorgelegde bewoordingen geen grond vonden in het evangelie. Allen (op slechts één na) weigerden de onderteekening, en zoo bleven dan nu hunne vergaderplaatsen gesloten. Zij leverden echter hunne bezwaren daar tegen bij de Staten in, die verstandig genoeg waren[370] de gegrondheid daarvan te erkennen en de resolutie op te schorten, waardoor dit dreigende onheil werd afgewend.[308]

De beschuldiging van Sociniaansche gevoelens toegedaan te zijn, trof in 1738 drie leeraren van Heerenveen en de Knype, waarvan twee van hunne bediening ontzet werden. De Doopsgezinde Societeit beklaagde zich hierover wel bij de Staten, doch zonder gevolg, dewijl men onvoorzigtig genoeg was geweest die handeling inquisitie te noemen. Doch de geleerde joannes stinstra, leeraar te Harlingen, die in deze zaak den meesten ijver had betoond tot verdediging van het aangerande regt der Doopsgezinden tot vrijheid van geloof, viel kort daarop onder gelijke beschuldiging, dewijl men voorgaf, dat zijne uitgegevene predikatiën over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk met Sociniaansche denkbeelden besmet waren. Op de klagt der Synode aan Gedeputeerde Staten vonden deze goed, dat alle synodale klassen van Friesland en alle theologische faculteiten in Nederland het boek van stinstra zouden onderzoeken en hunne bevinding mededeelen. Deze was natuurlijk overeenkomstig de beschuldiging: want wie zou zich tegen het oordeel der Synode durven verzetten? Slechts één man had dien moed, die onpartijdigheid van onderzoek, die verachting van menschenvrees, waar het de belangen van waarheid en regt gold. De hoogleeraar venema, reeds vroeger loffelijk door ons vermeld (bl. 355), die in verstand, geleerdheid en liefde boven zijne eeuw verre verheven was, verklaarde, niet één stellig bewijs van socinianerij in het boek te kunnen aanwijzen. In weerwil van dit gunstig oordeel, dat de verbolgenheid van velen tegen venema opwekte, werd stinstra afgezet, en, ondanks de dringende verzoeken zijner gemeente en der Friesche Societeit, gedurende vijftien jaren (1742-1757) van zijnen kansel geweerd; hoewel hij intusschen, op verzoek van verlichte edelen en[371] staatsleden, tijdens den landsdag, dikwijls te Leeuwarden kwam prediken, bij welke gelegenheid de voornaamste Friesche grooten in de eenvoudige vermaning onder zijn gehoor verschenen. Wel ergerde dit de Hervormde predikanten, doch deze bescherming van de aanzienlijksten des lands schrikte hen af, verder iets tegen de Doopsgezinden te ondernemen[309]. Wij vermelden dit minder ter eere van stinstra, als wel om te bewijzen, dat er in het midden der 18e eeuw bij vele aanzienlijke Friezen niet alleen godsdienstzin bestond, maar ook eene zucht naar meer vrijzinnige en evangelische begrippen, en tot verbreking van de banden, met welke de Kerk, nog altijd gesteund door het Staatsgezag, de leer immer binnen de zelfde enge grenzen wilde beperkt hebben. Het gezond verstand van hen, die men den bijnaam van Toleranten had gegeven, begon zich te verzetten tegen de Dordsche leerstukken; en hoe krachtiger de predikanten deze wilden handhaven, hoe sterker de tegenstand werd der voorstanders van den vooruitgang jegens de aanhangers van het behoud.

De Doopsgezinden, die sedert de oprigting van hunne Kweekschool te Amsterdam in 1735 meer wetenschappelijk gevormde leeraars ontvingen, die eene betere predikwijze en meer beschaafden spreek- en schrijftrant invoerden, en ook door andere geschriften, alsmede door vertalingen der werken van richardson, tillotson, blair enz. zich jegens de vaderlandsche letterkunde verdienstelijk maakten,[372] waren steeds vrienden van gematigden vooruitgang en bondgenooten van hen, die wilden, dat ook de Hervormde Kerk zou deelen in de stralen der blijkbaar toenemende verlichting. En terwijl zij van lieverlede afstand deden van hunne begrippen omtrent het overheidsambt en het wapendragen, gaven zij aan- en ontvingen zij van de Hervormden menigvuldige blijken van verdraagzaamheid, toenadering en verbroedering. Hadden de twee Doopsgezinde instellingen: Teijler’s Godgeleerd en Tweede Genootschap (1779) en de Maatschappij: tot nut van ’t Algemeen (1785), de bevordering van de waarheid der christelijke godsdienst, de uitbreiding van de wetenschap en de verstandelijke ontwikkeling van het volk ten doel—met gemeenschappelijke krachten en verwijdering van alle geloofsverschil hebben zoowel Hervormden als Doopsgezinden geijverd om dat doel te bereiken, en daardoor de eer en bloei van beide instellingen bevorderd tot duurzaam heil des vaderlands[310]. Ook de Friesche Doopsgezinden hebben tot dat alles het hunne toegebragt, en zullen de geschriften van stinstra, nieuwenhuis, de vries, oosterbaan, stijl, koopmans, hanekuik, hoekstra, brouwer, wieling en anderen bestendig getuigen van hun ijver, zoowel voor Christendom en Kerk, als voor wetenschap en volksgeluk. De verzachting van begrippen en toenadering van de Protestanten onderling mogt den lang bestaanden scheidsmuur doen vallen, die toenadering moest echter ten gevolge hebben eene verminderde getal-sterkte hunner Kerkgemeenschap.

[373]Het werd mede eene aanleiding, dat vele Doopsgezinden, op verren afstand van eene gemeente wonende, geene zwarigheid maakten tot de Hervormde Kerk over te gaan.[311] Zeker hadden de staatkundige omstandigheden en de offers, welke de omwenteling van 1795 eischte, daarop een merkbaren invloed: want verlies van fondsen en daardoor van de gelegenheid om wetenschappelijk gevormde leeraars te kunnen bekomen, hebben vele kleine gemeenten op het land doen vervloeijen. Ten gevolge van dat alles daalde het getal gemeenten toen tot 42 en dat der zielen tot ruim 12,000, hoewel het laatste getal in 1851 weder tot ruim 15,000 was toegenomen. Die omwenteling schonk evenwel ook hun volkomene gelijkstelling met andere gezindten en onbeperkte vrijheid van godsdienstige begrippen. Sedert dien tijd hebben geene schokken hun kerkelijk bestaan verontrust, maar als rustige burgers van den staat, vasthoudende aan de grondslagen hunner evangelische belijdenis, zijn zij toegenomen in innerlijke kracht en in uitwendig aanzien, deelende in de zelfde voorregten, welke de met haar verbroederde Hervormden in de negentiende eeuw mogen genieten, bij gelijkheid van streven naar meerdere ontwikkeling en volmaking van christelijke beginselen, tot vorming van waardige burgers voor den Staat en bovenal voor het Koningrijk Gods in het leven der toekomst.

[374]

De Lutherschen[312].

Sedert luther in 1517 openlijk den kamp waagde tegen Rome en de misbruiken der Kerk, vonden zijn moed en gevoelens in ons vaderland spoedig weerklank. Bijzonder was dit het geval in Friesland, volgens de berigten van zijn tijdgenoot peter van thabor op het jaar 1524[313]. »Door zijne schriften (meldt deze) en door zijne beschuldigingen tegen den Paus en de regenten der Kerk, alsmede tegen de Kloosters en velerlei menschelijke inzettingen en misbruiken, had hij het gansche Christenrijk beroerd, en waren er te Amsterdam vooral groote ongeregeldheden voorgevallen. Hoewel er in Friesland daarover toen nog niet zulke twisten bestonden, waren er nogtans vele priesters en geleerde lieden, die luther bijvielen, en zelfs twee priesters van het klooster Aanjum naar hem toegeloopen.” Reeds vroeger, onder de Saksische regering, hadden verscheidene Friezen de Saksische Hoogeschool te Wittenberg bezocht, en van 1522 tot 1559 nam dit getal aanmerkelijk toe, volgens eene daarvan bestaande breede lijst[314]. Vermits luther eerst in 1546 overleed, zoo is het duidelijk, dat zijne leerlingen in Friesland denkbeelden en gevoelens terugbragten, welke den voortgang en de uitbreiding van de zaak der hervorming gunstig waren. Vandaar dan ook, dat in al de eerste plakkaten, sedert 1521 namens den Keizer tegen[375] de ketters en verzakers van het geloof der Kerk hier afgekondigd, luther en zijne dolingen wel het meest worden veroordeeld en de verspreiding van zijne schriften en gevoelens verboden[315].

En evenwel, hoe groot die invloed van luther in Friesland ook geweest is, om eene verandering van geloof, gemoed en leven te weeg te brengen, is er volstrekt geen blijk, dat er in de 16e eeuw hier eene, naar hem genoemde, sekte of gemeentelijke vereeniging, welke bepaaldelijk de Augsburgsche belijdenis volgde, is gevestigd geweest. Later toch waren de plakkaten meer gerigt tegen menno simons en de hervormings-gezinden in het algemeen. De sterke toeneming van de Doopsgezinden en de aanneming van de bijzondere begrippen van zwingli en daarna van kalvijn bij de Hervormden schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat de Lutherschen zich hier niet tot eene afzonderlijke gezindte gevestigd hebben. Sommigen hunner begaven zich naar Oost-Friesland, anderen vereenigden zich bij hunne uitsluiting in 1581 met de Hervormden, zoodat het getal dergenen, die de leerstellingen van luther bleven aankleven, gering zal geweest zijn.

In de volgende eeuw vermeerderde dat getal van lieverlede. Onderscheidene personen uit den vreemde zetten zich hier neder, of kwamen in het gevolg der Friesche Stadhouders of met Duitsche benden herwaarts over. Ook aan de Akademie te Franeker bevonden zich veelal verscheidene Luthersche studenten. Toen in 1650 het getal dezer laatste, uit Duitschland, Zweden, Denemarken enz. 31 bedroeg, deden zij eene eerste poging, om in Friesland eene Luthersche Kerk op te rigten.[376] Eerst deden zij een aanzoek daartoe aan den Akademischen Senaat, en, toen zij bij dezen geen gehoor vonden, aan Gedeputeerde Staten. Dan, de Hoogleeraren bragten daartegen zoo vele bezwaren in; zij vreesden van eene toegeeflijkheid in dezen zóó ernstige gevolgen voor de Kerk en de rust der Hoogeschool, dat de Staten meenden, genoemd verzoek van de hand te moeten wijzen[316]. Evenmin slaagde zeker zwervend predikant, johannes duræus, in 1656, om de Gedeputeerden in gunstiger stemming te brengen jegens zijne geloofsgenooten.

Intusschen hielden de Lutherschen toenmaals reeds in stilte vergaderingen zoowel te Leeuwarden als te Harlingen, welke oogluikend werden toegelaten. De ijverzucht der Hervormde predikanten werd daardoor echter opgewekt, en de Synode van 1663 beval een onderzoek deswege, waarna zij in 1668 hare klagten daarover bij Gedeputeerde Staten inbragt. Zij werd daartoe inzonderheid bewogen, omdat de Lutherschen, na in dat jaar van de Staten te vergeefs verlof gevraagd te hebben, om te Leeuwarden eene kerk te bouwen, een predikant uit Amsterdam hadden ontvangen, die zoowel hier als te Harlingen al te openbaar predikte. Gedeputeerden, gelijk ook de Magistraat, waren eerst wel genegen tot toegevendheid; doch toen de Lutherschen in het houden van hunne bijeenkomsten in eene vaste vergaderplaats hoe langer hoe vrijer werden, drongen de klagten en beschuldigingen van den Hervormden Kerkeraad zóó sterk, dat de Overheid zich in 1671 verpligt zag het bevel te geven, dat de predikant binnen drie dagen moest vertrekken en dat de vergaderingen belet of verstrooid zouden worden.

[377]Ofschoon de regering rekkelijk genoeg was, de uitvoering van dit besluit nog langer dan drie maanden uit te stellen, was men verpligt te gehoorzamen en zich te onderwerpen. Doch reeds in het volgende jaar 1672 kwam er een ander predikant over, en toen in dit jaar de Staten aan de Doopsgezinden vrijheid van godsdienst-oefening toestonden, werd de hoop der Lutherschen verlevendigd, dat dit voorregt weldra ook hun mogt ten deel vallen. Zij bleven in stilte vergaderen in een achteraf staand huis in de Nieuwe Oosterstraat. Dit was echter zeer bouwvallig, en toen nu een rijk lid der gemeente, Jhr. andreas möller, aanbood, om op die plaats voor zijne kosten een nieuw kerkgebouw te doen optrekken, waagde men het in Junij 1680 met den opbouw daarvan te beginnen. Doch met deze stoute daad was men te ver gegaan: want spoedig volgde het bevel van den Magistraat, om den arbeid te staken en het gebouwde af te breken, hetgeen, in weerwil van herhaalde en dringende verzoeken, geschiedde.

Die tegenstand noopte de verdrukte gemeente om het uiterste te wagen en van de Staten vrijheid van godsdienst-oefening te verzoeken. Door medewerking van mannen van invloed werd deze den 22 Julij 1681 gelukkig verleend, evenwel op voorwaarde van te zullen vergaderen in een gewoon huis en in stilheid, zonder gebruik te maken van eene klok[317]. Onmiddelijk hierna ving men aan met den opbouw van de kerk, waartoe de gemeente, die toen ongeveer 3 à 400 zielen telde, gaarne de overige kosten droeg. In 1692 werd daar naast eene kosterswoning en in 1697 eene pastorie in de nabijheid aangekocht. Dat kerkgebouw is in 1773[378] vernieuwd en vergroot, vooral ten gevolge van den ijver en invloed des welsprekenden leeraars augustus sterk, onder wien de gemeente tot 6 à 700 zielen was aangegroeid. In 1843 is daarnevens eene nieuwe pastorie gebouwd.


Weinige zijn de bijzonderheden, welke omtrent de overige Luthersche gemeenten in Friesland bekend zijn. De gemeente te Harlingen, te gelijker tijd met die van Leeuwarden ontstaan, had in den beginne gemeenschappelijk met dezen den zelfden predikant. In 1669, toen zij een eigen huis tot eene kerk aankocht, was het getal harer leden reeds ongeveer 150. Even als in andere handelsteden nam dit getal van lieverlede in de 18e eeuw toe. Doch de geweldige twisten, welke ook dit kerkgenootschap en onderscheidene gemeenten daarvan beroerd hebben, gaven aanleiding tot scheuring, waardoor er te Harlingen twee gemeenten ontstonden, waarvan de eerste den naam van de Evangelisch Luthersche bleef dragen, terwijl de tweede, die zich, in navolging van de splitsing der Amsterdamsche gemeente, afscheidde, den naam van Herstelde daar vóór voegde.

Ook te Balk is eene kleine gemeente geweest, gelijk mede op Ameland, welke tot 1817 als filiaal- of bijgemeente twee of driemalen ’s jaars bezocht werd door den predikant van Leeuwarden, die dan in de Hervormde kerk te Ballum doop en avondmaal bediende. Evenzoo werd Workum een filiaal-gemeente van Harlingen. Te Sneek, Franeker, Dokkum, Makkum, Dragten, Joure, het Bildt en elders bevonden zich later nog een grooter of kleiner getal Lutherschen. De geest van broederlijke eensgezindheid tusschen de Protestantsche kerkgenootschappen in deze provincie heeft thans gelukkig eene onderlinge toenadering bevorderd, welke de aanleiding tot vroegere afzondering grootendeels heeft doen[379] verdwijnen. Het getal Evangelisch Lutherschen in Friesland is thans, in 1851, echter niet grooter dan 700, en dat der Herstelde van 126.

De Roomsch Katholijken.

De aanneming van de zaak der hervorming in Friesland was bij de omwenteling van 1580 zóó algemeen, dat er slechts weinige ingezetenen waren, die uit gehechtheid of overtuiging de oude Katholijke eeredienst bleven toegedaan, terwijl andere, uit vrees voor vervolging, deze provincie verlieten en later daarin terugkeerden. Tot den jare 1593 verkeerde die voormalige Kerk hier alzoo »in eenen geheel verlatenen toestand; naauwelijks bevond zich hier een Priester, en die er waren, hielden zich uit vrees schuil.” Dit verklaart althans Pater willebrordus van der heijden, die een verhaal heeft geschreven van de pogingen, welke de zendelingen der Jezuiten van 1593 tot 1638 in Friesland hebben aangewend, om de Roomsche eeredienst, welke bij de staatsomwenteling was te niet gegaan, zoo veel mogelijk weder op te beuren en te herstellen, waartoe hij zelf gedurende elf jaren ijverig medewerkte[318]. Wij noemen dit eene opmerkelijke verklaring, omdat zij van die zijde dit bekende feit bevestigt, en het bewijs levert, dat de latere Katholijken in dit gewest niet de Katholijken waren van vóór 1580, maar of vreemden of latere afvalligen van de eens aangenomene hervorming.

De sedert 1593 bestendig in grooter getal overgekomene zendelingen der Jezuiten lieten geene pogingen onbeproefd, om sommige edelen, eenvoudige landlieden[380] en zwakke burgers òf op nieuw in het oude geloof der Kerk te bevestigen, òf voor hunne zaak te winnen. Vermits niet alle Hervormde gemeenten in den eersten tijd met geschikte predikanten konden voorzien worden, en de overdrijving van de Kalvinistische stellingen velen onder de Hervormden tegenstond, slaagden zij aanvankelijk zeer gunstig. Reeds in 1606 vestigde zich te Leeuwarden een wereldlijk priester, lambertus engelberts lambringa, die in 1609 door sasbout vosmaer, zich noemende opvolger van den Utrechtschen Aartsbisschop, tot Deken en Aartsdiaken van Leeuwarden werd aangesteld. De meeste zorg, veel vernuft en groote welsprekendheid wendden zij aan, om het Katholijk geloof voort te planten. Een hunner, carbonelli, had wel 600 zielen voor hunne zaak gewonnen. In 1636, toen van der heijden wel acht priesters tot medehelpers had, aan wie verschillende grietenijen tot werkkring waren aangewezen, had hij alleen 523 personen gedoopt en 600 paren in den echt verbonden; terwijl in het volgende jaar 480 personen te Leeuwarden van hem absolutie ontvingen. Ja, zij rekenden er op, dat elk jaar hun ongeveer 800 zielen aanbragt.

Met ongemeenen moed weêrstonden of ontweken zij dikwijls het gevaar, dat hen bestendig bedreigde en herhaalde malen trof, van verstrooid, verjaagd, gevangen genomen en geboet te worden. Want zoowel de Algemeene als de Provinciale Staten hadden in en na den jare 1580 strenge plakkaten doen uitgaan tegen de priesters en de pauselijke ceremoniën, bijeenkomsten enz. Na 1593 werden die verbodsbepalingen, welke nagenoeg elk jaar op nieuw werden uitgevaardigd, dreigender, de bevelen aan de plaatselijke besturen scherper en de boeten op de overtreding hooger gesteld. Zelfs had hij, aan wiens huis zulk eene verbodene godsdienst-oefening plaats had, 100 Friesche gouden Rijders verbeurd. Nadat,[381] volgens besluit der Hollandsche zending der Jezuiten, Leeuwarden aan willem warighem, Zwolle, Groningen en Sneek aan arnold cathuis en Harlingen aan gerardus carbonelli waren ten deel gevallen, breidden zij vooral over deze steden en omstreken hunne zorgen uit. Toen er in 1616 een gerucht ging, dat uit het huis van een »papist” te Harlingen tot onder de Hervormde kerk mijnen waren gegraven, om deze laatste met buskruid te vernielen, lieten Gedeputeerde Staten, op aanklagt der classis van Franeker, dat huis onverwachts door 35 soldaten overvallen en plunderen, waarbij in eene kast een aantal brieven en andere stukken van den priester warighem werd gevonden. De Staten achtten deze stukken belangrijk genoeg, om ze door den druk gemeen te maken, hetgeen in het latijn en in het nederduitsch geschiedde, opdat men zou kunnen zien »met wat practijken ende hoe groote neersticheyt de Jesuyten hare negotiatie (so sij ’t noemen) dryven, en hoe sy de Paeusselijcke Religie met de Jesuijtsche heerschappye tot onderganck van de gereformeerde Kercke ende Republijcke soecken voort te planten”[319].

In weerwil der hier na toegenomene vervolging en ondanks het staatsbesluit van 1638, waarbij aan alle priesters bevolen werd, binnen zes dagen uit deze provincie te vertrekken, bleven zij voortgaan, »om met groote cloeckheyt alle perijckelen te weerstaen en nae vermoghen zielen te winnen met Godts gratie.” En inderdaad,[382] als wij lezen hoe dikwijls zij zich daarbij aan levensgevaar bloot stelden; welk een moed zij voor hunne zaak aan den dag legden, en hoe onvermoeid zij werkzaam waren, om hun doel te bereiken en aanhangers te verwerven,—en als wij daarmede vergelijken de beschuldigingen tegen de Hervormde predikanten destijds ingebragt, zoodat de klassis van Franeker het in 1662 noodig vond hen te bevelen, »tot verhoedinge van luijheijd en traagheijd in den H. dienst tot tweemaal te prediken en catechisatiën te houden, en dat het prediken niet in bloten sleur, en door alweder en weder dat selfde ten voorschijn te brengen en alsoo alleen om de uur te krijgen, werde verrigt”[320]—dan is het duidelijk, dat de onverpoosde ijver der Jezuiten en de laauwheid der Hervormden de oorzaken waren, dat de Katholijken van lieverlede in getal en krachten toenamen. Hoezeer het de Synode ook ergerde en hoe dikwijls zij ook klaagde over de »paepsche stoutigheden, het plegen van pausselyke ceremonien en het houden van conventiculen,” waartegen de Staten tot aan 1686 bestendig de plakkaten vernieuwden,—zij moest toezien, dat de Katholijken hoe langer hoe onbeschroomder hunne godsdienst-oefeningen hielden en in de meeste steden en in en buiten vele dorpen in bekende bedehuizen bijeenkwamen. Die openbaarheid hinderde 1680 den Hervormden Kerkeraad van Leeuwarden zoodanig, dat op zijn verzoek, »om de paepsche afgoderij te weeren”, de Magistraat al de altaar-sieraden uit het huis van Dr. van campen liet wegnemen en het zilverwerk in de Munt versmelten; terwijl de eigenaar van dat huis eene boete van 300 Gld. opgelegd werd, omdat hij bleef voortgaan met het houden van zamenkomsten. Groote wrok verwekten in deze stad de berigten van de vervolgingen,[383] welke de Fransche Hervormden, ten gevolge der herroeping van het edikt van Nantes, hadden te verduren: zoodat op den 26 Julij 1687 de vergaderplaatsen der Roomschen door het gemeen werden aangevallen, verstoord en geplunderd, waarbij altaren, schilderijen, beelden en versiersels op de straat geworpen en openlijk verbrand werden[321].

Sedert 1693 vinden wij echter van geene vervolgingen of verhinderingen meer gewag gemaakt. Alleen de Jezuiten bleven strengelijk geweerd, en werden de plakkaten tegen deze nog in 1708 vernieuwd[322]. Het groot getal vreemdelingen, dat zich hier van tijd tot tijd nederzette en de Katholijke leer beleed, gevoegd bij de toenemende verdraagzaamheid van het Landsbestuur schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat men de godsdienstige bijeenkomsten van deze rustige burgers voortaan bij oogluiking toeliet. Ten aanzien van het stemregt en het vervullen van openbare bedieningen bleven zij echter buitengesloten. »Zij werden,” gelijk de geleerde huber zegt, »meest door de wetten ingetoomt, omdat sy, vóór desen Meesters geweest zijnde en ziende hare partije de machtigste in Europa, ook door een zeer nauwe verbintenisse gehecht aen den Paus en daer op stout, voor gevaarlijk aen den Staet worden gehouden”[323].

Eerst nadat de edele Paus clemens XIV (ganganelli) de orde der Jezuiten had afgeschaft, betoonden de Friesche Staten zich rekkelijker jegens de Katholijken. Bij plakkaat van den 16 Maart 1776 stelden zij vast, dat het[384] der R. K. gemeenten in deze provincie vergund zou zijn, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur, alléén wereldlijke Priesters en Kapelanen aan te stellen, die beloven moesten, geene stellingen te zullen leeren, welke het regt van- en de gehoorzaamheid aan de oppermagt der hooge Overheid konden krenken; alsmede, dat zij geregtigd zouden zijn, op naam en ten behoeve van kerken, geestelijken en armen, vaste goederen te bezitten, te erven en aan te nemen. Bovendien werd bepaald, dat de armbezorgers van al de toenmalige bezittingen van iedere gemeente naauwkeurige lijsten zouden opmaken en bij de plaatselijke besturen inleveren, om het verduisteren van die goederen te voorkomen[324].

Sedert dien tijd kreeg dit kerkgenootschap een meer gevestigd bestaan en nam het getal van deszelfs statiën toe, zoodat dit eerlang tot ruim dertig steeg, waaronder eene Janseniste gemeente of de Bisschoppelijke Cleregie te Leeuwarden, welke echter in 1805 is te niet gegaan wegens verminderd getal leden. Eerst bij de omwenteling van 1795 verkregen de Katholijken volkomene gelijkheid van regten met andere gezindten, dewijl de provisioneele Representanten van het volk van Friesland, bij besluit van 22 Februarij 1795, verklaarden, de onbelemmerde vrijheid van geweten en de ongestoorde uitoefening van ieders godsdienst te zullen handhaven[325]; een besluit, dat den 5 Augustus 1796 door de Nationale Vergadering werd bekrachtigd. Toen later, ten gevolge der scheiding van Kerk en Staat, bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798, omtrent den eigendom van de kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals heerschende Kerk schikkingen tusschen de verschillende kerkgenootschappen waren voorgeschreven, bleek het in deze provincie, en bijzonder[385] in de talrijkste gemeente Leeuwarden, welk een geest van onderlinge welwillendheid en hulpbetoon de onderscheidene gezindten bezielde, en hoe deze, met eerbiediging van ieders regten, belangrijke bezwaren kon opheffen[326]. Mogt die geest, ook in andere tijden en omstandigheden, duurzaam blijven bestaan, en mogten de uiteenloopende kerkgenootschappen allen wedijveren in liefde tot God en de naasten! Dan zeker zal het rijk van deugd, beschaving en volksgeluk hier meer en meer bloeijen en waardige burgers kweeken voor dit en het toekomstige vaderland.

De Joden.

’t Is inderdaad een zonderling contrast in de geschiedenis, dat in het zelfde jaar 1619, waarin de Remonstranten, die in ondergeschikte punten van geloof van de heerschende Kerk verschilden, uit den lande gebannen werden,—de allengs van elders overgekomen Joden of Israëliten, wier geloof lijnregt tegen dat der heerschende Kerk over stond, van de Staten van Holland vrijheid van godsdienst-oefening verkregen. Zóó verdragen twistende bloedverwanten beter vreemden dan elkander.

Lang hadden er in ons vaderland Joden verkeerd, toen een aantal uit Portugal overgekomene Israëliten zich omstreeks 1595 te Amsterdam vestigde[327]. De[386] Hoogduitsche Joden hebben echter eerst in 1636 daar eene gemeente opgerigt. Van uit die destijds zoo zeer bloeijende handelstad verspreidden deze zich eerlang in andere provinciën, en zetten in 1645 eenige gezinnen zich te Leeuwarden neder. Zij werden door de Overheid stilzwijgend geduld, en later, 1670, met eene plek gronds tot eene begraafplaats begunstigd. Bij de toeneming van hun getal, gingen sommigen ook naar andere steden dezer provincie, waar de gelegenheid tot het drijven van kleinhandel hun het gunstigst voorkwam. Alleen de vreemde Joden, die hier kwamen bedelen en bedriegelijken handel dreven, wekten het misnoegen op van de Regering, zoodat ze bestendig verdreven en in 1770 zelfs bij lands plakkaat geweerd- en met vagabonden gelijk gesteld werden. In 1772 schreven de Staten ook het formulier voor, waarnaar »de Gerechten en Predikanten (?) verplicht waren, de Jooden in den Huwelyken Staat te bevestigen”[328]. Nadat hun getal, dat in 1754 te Leeuwarden 140 zielen bedroeg, in 1798 tot 433 zielen was toegenomen, lieten zij daar in 1805 eene nieuwe en groote Synagoge bouwen. Vervolgens nam ook deze gezindte in dit gewest zoodanig toe, dat de Nederlandsche Israëliten in Friesland thans een Synagogaal Ressort uitmaken, met eene Hoofdsynagoge te Leeuwarden, door een Opper-Rabbijn bediend, benevens vijf Ring-synagogen, als: te Gorredijk, Harlingen, Bolsward, Lemmer en Sneek, met twee bijkerken te Noordwolde en Hindeloopen; terwijl hun getal op den 1 Januarij 1851 ruim 2,000 zielen bedroeg.


[285] Winsemius, 595-710; schotanus, 790-884; Charterb. IV 119, 144, 148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.; foeke sjoerds, Beschrijv. II 727 env.; lorgion, Geschied. der Kerkhervorming in Friesl. 110 env. en de Ned. Herv. Kerk in Friesl. 1 env.

[286] Lorgion, de Herv. Kerk, 3 env. Zie over de Synode bl. 240 hier vóór.

[287] Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van Prof. muurling, over de echt Christelijke Beginselen der oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk, Gron. 1849. Mijne voorstelling, ook van het vervolg, is op het gezag van dezen voortreffelijken geleerde gegrond.

[288] Zie dit breeder bij ypeij en dermout, Geschied. der Ned. Herv. Kerk, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env.

[289] Zie de stukken betrekkelijk de Synode in het Charterb. V 219, 229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270; Reg. Staats-res. 378, 785; winsemius, 900; foeke sjoerds, Beschrijv. II 738; lorgion, de Herv. Kerk, 63 env.; ypeij en dermout, I 414, II 241, Aant. bl. 165, en vooral brandt, Hist. der Reformatie, II 552, IV 17-22, 285, 288, 766. De Friesche Staten beschouwden die kerkenorde als voor deze provincie „niet prakticabel, en tegen ’s lands resolutien strijdig in vele punten.”

[290] Zie de bijzonderheden daaromtrent bij brandt, II 3, 12, 243, 430, III 141, IV 17 env. ook erkend door ypeij en dermout, II 213, 219, 230, Aant. bl. 165; lorgion, de Herv. Kerk, 65; van kampen, Vad. Geschied. I 476; Karakterkunde, II 19.

[291] Charterb. V 282, 320; lorgion, de Herv. Kerk, 67-77, 83, 314, 330. Over kamphuijzen’s verblijf en graf te Dokkum zie men de berigten van Prof. de crane, in zijne Letter- en Geschiedkundige Verzameling, Leeuw. 1841, 37.

[292] Woorden van Prof. muurling, t. a. pl. 27, 45, 49, 51, met verwijzing naar de verhandd. van Prof. kist, over de beginselen en het onvoltooide der Kerkhervorming en Prof. hofstede de groot, over den gang der Godgeleerdh. in Nederl. beide in het Ned. Archief, I en II.

[293] Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit dit tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren, zou eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel kunnen opleveren. Slechts één titel voeg ik hierbij als proeve: Samsons Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maecken enz. In XLIII leer en troost-rijcke Prædicatiën. door theod. couperum, Præd. te Warga. Leeuw. bij Hero Nauta, 1671.

[294] Zie bewijzen daarvan in Aanteekening 26, en bl. 260 hier vóór.

[295] Zie bewijzen daarvan in Aanteekening 26, en bl. 260 hier vóór.

[296] Zie mede Aanteek. 26.

[297] Charterboek, V 972, 1203.

[298] Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog door mij vereerden bekker. Ik wil daarvan enkel vermelden die van Do. diest lorgion, B. Bekker in Franeker en in Amsterdam, Gron. 1848 en 51, 3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd.

[299] Dus oordeelde de beroemde campegius vitringa in de voorrede van zijn boek over den Tempel van Ezechiel, Fran. 1687.

[300] Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend Do. h. van berkum, de Labadie en de Labadisten, Sneek 1851, 2 dln.

[301] Zie blaupot ten cate, Doopsgez. in Friesland, 208, 351; lorgion, de Herv. Kerk, 240; ypeij en dermout, III 455. Het stuk van burmania aan venema, een Latijnsch en Nederd. vers, getiteld: Gelofte aan Vulcaan, is ook in andere opzigten belangrijk, als blijk, hoe er reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die zich aan de verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom den bijnaam van Toleranten hadden ontvangen. Zoo zegt hij in ’t begin:
Zo vloek ik ’t laffe werk, de kwaad’ aantekeningen
Van ’t gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringen
Van een Systema, daar hun Weetenschap op rust,
Beperken, wars van moeite en noeste letterlust.
Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.—
Gij waart het, schrand’re man, die ’t eerst U onderwond
Om van het oude pad, dog met beschroomde schreeden,
In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz.

[302] Opzoomer, het Wezen der Deugd, 1, 20.

[303] Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk van Friesland, van 21 Febr. 1795, Verzaameling van Placaaten, I 24.

[304] Charterboek, IV 241; winsemius, 700; blaupot ten cate, Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, 124. Zie ook hier voor bl. 167-174, 199.

[305] Het merkwaardig Protocol, dat is, de gantsche handelinge des ghesprecx, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en der regering van Leeuwarden tegenwoordig waren, in den volgenden jare gedrukt, in 4o. ruim 500 bl. in twee kolommen groot, berust in de Stedelijke Bibliotheek van Leeuwarden. Zie een uitvoerig verslag daarvan bij blaupot ten cate, bl. 131-137.

[306] Charterboek, V 577, 621, 654 en de Resolutiën der Staten, der Gedeputeerde Staten en der Regering van Leeuwarden.

[307] Zie Charterboek, V 747, 749, 814, 1122; Register op Staats-resolutiën, 179; ten cate, 176.

[308] Charterb. V 670, VI 130; ten cate, 148, 312, 313. De gevoelens van de Poolsche Godgeleerden lelius en faustus socinus, in 1638 verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken, waren bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drieëenheid en der Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren.

[309] Dit verhalen ypeij en dermout, III 531 op grond van het Historisch Verhaal omtrent Ds. de Cock, 58, waar zelfs gezegd wordt, dat hij „het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens) onder zijn gehoor had.” Zie ook lorgion, de Herv. Kerk, 241 en ten cate, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd worden, welke betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als in Friesland, veel geruchtmakende zaak zijn uitgegeven.

[310] Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof. siegenbeek, over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in de laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis, handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze, in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt, geplaatst in het 6e dl. van kist en royaards, Archief, Leiden 1835, 203.

[311] Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft Do. blaupot ten cate een afzonderlijk werkje geschreven, getiteld: Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden, Amst. 1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke werk van Do. j. h. halbertsma, de Doopsgezinden en hunne herkomst, Dev. 1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er in Friesland wel 27 gemeenten te niet gegaan.

[312] Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van de Eerw. Heeren schultz jacobi en schutte, in Aant. 19 breeder vermeld. Zie ook bl. 164 hier vóór, en meerdere bijzonderheden in mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 118.

[313] Kronijk, in het Archief van visser en amersfoordt, II 427.

[314] Bij schultz jacobi, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt uit het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts tot 1560 is gedrukt.

[315] Zie deze plakkaten in het Charterboek, II 107, 194, 415, 514, 563, 594, 626, 633 env.

[316] Uit de Akademische akten medegedeeld door Do. lorgion, de Hervormde Kerk, 118.

[317] Zie dit besluit in het Charterb. V 1194 en bij schutte, 189; alsmede Reg. Staats-res. 447; ypeij en dermout, I Aant. bl. 153.

[318] Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Friesland is de titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door de Heeren amersfoordt en evertsz is uitgegeven, met vele belangrijke aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt.

[319] Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatio is de latijnsche, en Der Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl. de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke Bibliotheek van Leeuwarden bewaarde geschrift, dat den Heeren amersfoordt en evertsz zelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl. 49 en 250 melding maken naar eene schets, welke scheltema daarvan gaf in kist en royaards, Archief, III 399.

[320] Lorgion, Bijlagen tot de Ned. Herv. Kerk, 340.

[321] Zie sylvius, Vervolg op aitzema, 1687, III 95.

[322] Zie al de Staatsbesluiten vermeld op het Register, bl. 352, 605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt in het Charterboek; alsmede meerdere bijzonderheden in mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 171, 197.

[323] Heedendaegse Rechts-geleertheyt, Leeuw. 1699, I 25.

[324] Zie Verzameling van Placaten, IV 367, 372.

[325] Aldaar, I 24.

[326] Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap van Friesland thans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31 statiën en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, te Sneek wonende, aan het hoofd.

[327] Wagenaar, Amsterdam, II 220. Sedert is dit onderwerp herhaaldelijk en uitvoerig behandeld in van wijn, Huiszittend Leeven, Amst. 1801; van hamelsveld, Geschiedenis der Joden, ald. 1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch Genootschap bekroonde verhandeling van den Heer h. j. koenen, 1843, wezenlijk een sieraad onzer letterkunde.

[328] Zie Reg. Staats-res. 370, 598, 344, waar het plakkaat en formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in de Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 198.


[387]

40. Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen.

Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en tevens zoo bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de Letterkunde. Hoe gaarne zou ik dus, indien het mij niet aan tijd en krachten faalde, onder bovenstaanden titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de vruchten van hunnen geest en ijver dienstbaar te maken tot uitbreiding van het rijk van waarheid, kennis en deugd en tot aankweeking van goeden smaak en kunstzin? Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van het streven naar meerdere volmaking, het wezen en het doel eener burgermaatschappij moeten uitmaken. De mensch, half dier, half engel, heeft toch hoogere behoeften en eene edeler bestemming dan brood en vleesch kunnen bevredigen of vervullen. Gelukkig zij dus, die bij het leven des ligchaams ook het leven van den geest trachten te voeden: want de wetenschappen en kunsten zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden als onmisbare hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk in deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld. Zonder vorming voor die wereld is er hier toch geene vatbaarheid voor geluk, geene kracht om te lijden en te strijden, geen moed om te sterven.

Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde in Friesland zou zeker tevens de blijken leveren, dat deze provincie, naar gelang harer bevolking en krachten, zich wel met andere provinciën des vaderlands heeft kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering van het ware, goede en schoone; zelfs met Holland, welks roem in kunsten en wetenschappen ook door den Baron collot d’escury zoo eervol is gehandhaafd.[388] Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers, de voortreffelijke van kampen, mede erkend: »Het is inderdaad hoogstmerkwaardig, dat Friesland, een zoo middelmatig Gewest van het kleine Nederland, in allerlei takken van menschelijke kennis, zoo vele uitstekende mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen, dat dit Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen, in zijnen schoot voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk eenig Land van gelijke uitgebreidheid in Europa[329].

Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit onderwerp ook zij, het volbrengen daarvan moet ik echter aan een ander beoefenaar van wetenschap en kunst in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken slechts datgene aanstippen, wat ik wensch, dat een ander, met gelijken lust, doch meer bekwaamheid, uitvoeriger en vollediger in het licht moge stellen, in verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk.

In de eerste plaats verdient dan onze aandacht:

Frieslands Hoogeschool te Franeker.

In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen stonden des lands, dat zij herhaaldelijk door hunne invallen verontrustten;—ondanks gebrek aan krijgsvolk en middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten verzekeren;—niettegenstaande hevige twisten tusschen de leden der regering over de mate en de grenzen des gezags—waren de Staten van Friesland zeer spoedig bedacht, om, als eene eerste vrucht van de zegepraal der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen te stichten; vooral, om de kerk van geschikte[389] predikanten te voorzien. Zij meenden tevens aan de goederen der voormalige kloosters, aan den lande vervallen, geene betere bestemming te kunnen geven, dan om ze dienstbaar te maken tot het vrome doel, om de jeugd door onderwijs te vormen voor de dienst van Kerk en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool, tot dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden landsdag van 1584, waarop zij den eed tot afzwering van Koning filips herhaalden en Graaf willem lodewijk van Nassau tot hunnen Stadhouder verkozen, besloten zij tot oprigting van een »Seminarium ofte Collegium tot welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment”[330].

Het voormalige Kruisebroeders-klooster te Franeker werd daartoe aangewezen, en de voor acht jaren te Leiden gestichte Akademie tot voorbeeld gekozen. In verschillende vakken werden geleerde mannen tot Hoogleeraren benoemd; ja zelfs twee, tiara en drusius, van Leiden herwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den 29 Julij 1585 plaats had. Door de hoogleeraren geheel en de studenten ten deele van alle belastingen vrij te stellen; door het oprigten van een Akademische Bibliotheek; door het aannemen van een groot getal Alumni, die op lands kosten studeerden, waarvan het getal in 1598 tot 124 bepaald werd; door het instellen van eene Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene tafel, ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door wijze wetten en verordeningen trachtte het landsbestuur alles te bevorderen, wat tot bloei en uitbreiding van de Akademie kon strekken. De gewenschte vrucht daarvan bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatoren[390] namens de Staten meer bepaald met de zorg voor de belangen der Hoogeschool belast waren, nam het aantal studenten ongemeen toe, en werd ook het getal hoogleeraren vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid en onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde, het kleine, doch voor de beoefening van de wetenschappen zoo geschikte Franeker te bezoeken. De akademische inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd[331]. Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni lands voedsterlingen in 1664 tot op 41 verminderd was, het bij de plegtige viering van het eerste eeuwfeest der Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende de eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder dan 10,643 had bedragen[332].

Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun onderwijs en schriften de inboorlingen tot bekwame mannen vormden en zoo vele vreemdelingen, ook uit ver verwijderde landen, tot zich trokken? In de Godgeleerdheid waren het lydius, van der linden en lubbertus, en op hun voetspoor twee schotanussen, cloppenburg en arnoldus, die den roem der Hoogeschool vestigden, gelijk witsius, van marck, twee vitringa’s, twee van der waeyens, roëll, conradi, venema en van voorst, die hem handhaafden en uitbreidden. In de Regtsgeleerdheid werd te Franeker eene school gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder de[391] hoogleeraren van beijma, twee schotanussen, van den sande, faber en bouricius, die later nog overtroffen werden door wissenbach, twee hubers, noodt, schulting, westenberg en heineccius, die Europeschen roem verwierven, alsmede door twee voorda’s, wieling, trotz, cannegieter enz. De Genees-, Wis- en Natuurkundige Wetenschappen vonden ijverige beoefenaars in auletius, clingbijl, metius, m. winsemius, van der linden en holwarda, doch vooral in twee matthæussen, twee fulleniussen, muys, loré, ouwens, twee ypeijs, twee brugmansen, camper, van swinden enz. Inzonderheid bloeide hier de beoefening van de Oude Talen, Letteren en Geschiedenis onder mannen als: tiara, drusius en amama, die de grondslagen legden, waarop rhala, pasor, p. winsemius, moll en terentius voortbouwden, om onder bos, schultens, wesseling en vriemoet zich uit te breiden en door hemsterhuis, burman, d’arnaud, valckenaer en schrader eene schitterende hoogte te bereiken, waarvan onder van lennep, van kooten en wassenbergh nog de stralen blonken[333].

Inderdaad, eene rij van geëerbiedigde namen, meest Friezen van geboorte, door de wijsheid van Frieslands staatsleden aan deze Hoogeschool verbonden, om het licht van geleerdheid en wetenschap te verspreiden; mannen, die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer van Franeker hebben verbonden. ’t Was dáárom, dat de geschiedschrijver van Neêrlands letterkunde deze stad bij herhaling hulde bragt, als eene bron van kennis voor ons vaderland, daar hij »Franeker eens de eerste en voornaamste[392] Hoogeschool van Nederland en de kweekhof van groote mannen voor Leyden” noemde[334].

»Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent, met vermaerde Mannen, die tot alle tyden hier geweest zijn, en die, naest vele vryheden ende groote privilegien, de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van de Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie beminden en voorstonden als de croon en cieraedt der Provincie”[335]. De eenmaal ingestelde heilzame verordeningen moesten echter bij herhaling vernieuwd, uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende natiën herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding gaven tot klagten over drinkgelagen en baldadigheden, waartegen soms strenge maatregelen werden genomen. Van den aanvang af werd toch als het doel der studiën voorgesteld, om zoowel uit te munten »in geleertheyt als seden ende eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt wordt tot Predick ende Richtstoelen, den roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met haer brengen”[336].

Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale financiën konden de Staten, die tot dusverre de belangen[393] der Akademie zoo onbekrompen hadden bevorderd, goedvinden, in 1774 eenige »poincten van menage” in te voeren. Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens het verminderen van het getal vreemde studenten, haar bloei blijkbaar gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest der Hoogeschool schijnbaar met luister werd gevierd.

Doch toen ook kwijnden de studiën mede onder het geklank der opgevatte wapenen bij den opgewekten vrijheidszin onder de staatkundige verdeeldheden en beroerten, waarvan Franeker vooral de zetel was, en ten gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal studenten deze stad verlieten. Te vergeefs trachtte men voor en na 1795 de hieruit voortgevloeide nadeelen te herstellen. Hoewel het getal studenten vervolgens weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der overheersching een kwijnend bestaan voort; totdat het Keizer napoléon behaagde, haar in 1812 op te heffen, en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had verstrekt, te vernietigen[337].

Godgeleerden.

Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren te Franeker heeft Friesland een groot getal Godgeleerden voortgebragt of gekweekt, die òf als Hoogleeraren[394] op de andere vaderlandsche leerscholen, òf als Predikanten, door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te verspreiden en de leer der Kerk te handhaven. gellius snecanus, sibrandus wommelius, festus hommius en gellius de bouma waren in de eerste tijden even werkzaam om de Kerk te vestigen, als later franciscus elgersma, domicus goltzius, arnoldus landreben, theodorus scheltinga, henricus siccama en hero sibersma, om haar op te bouwen en te stichten. De schriften van theodorus en wilhelmus à brakel waren vooral lang algemeen geacht; zelfs werd de Redelijke Godsdienst des laatsten van 1700 tot 1767 17 malen herdrukt. david flud van giffen en balthazar bekker poogden echter meer heldere begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten droegen. Joh. wesselius, theodorus van thuynen, nicolaas schiere, ibertus fennema, martinus swartte en johannes plantinus waren in de 18e eeuw door leer en schriften zeer in achting. aggæus haitsma, gavius nauta, joannes stinstra, benjamin frieswijk, johannes habbema en hero oosterbaan muntten te gelijk door geleerdheid uit. Toen eindelijk de voortgang der verlichting vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische denkbeelden voor te dragen en een beter licht voor de Kerk te ontsteken, waren het de Friesche predikanten fokko liefsting, jacobus engelsma mebius, petrus en jan brouwer, petrus en gerbrand bruining en johannes henricus nieuwold, die, even als vervolgens de hoogleeraren jodocus heringa ez., eelke tinga, annæus ypeij, lucas suringar en elias annes borger, ijverig hebben medegewerkt, om in ons vaderland de kluisters der verouderde kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom in eere te herstellen.

Regtsgeleerden.

[395]Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit tijdvak in de Regtsgeleerdheid grooten naam mogt verwerven[338]. Hebben wij die, welke aan de Franeker Akademie uitblonken, genoemd, ook andere Hoogescholen des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: te Leiden jucke van beijma, bernardus schotanus, gerlach scheltinga, bavius voorda en jan valckenaer; te Utrecht, behalve de zelfde schotanus en valckenaer, cyprianus regnerus van oosterga en jacobus en johannes henricus voorda; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen mannen als meinardus van aitzema te Rochelle, franciscus meinardus te Poitiers en dominicus van arum te Jena de leerstoelen van het regt met roem hebben bekleed.

Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat ook niet de Naamrol der Raden van het Hof van Friesland, welker roem van bekwaamheid en strenge regtvaardigheid den luister van deze geëerbiedigde regtbank verhoogde; personen, meest uit de eerste standen, die voortdurend bewezen, hoe zeer de beoefening van dégelijke studiën bij den adel en de aanzienlijken van Friesland in achting stond[339]. Nog talrijker is de Naamrol der Advokaten voor dit Hof, waarvan vele in deze en andere betrekkingen sieraden geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgeblonken[340].[396] Velen hunner mogten toch als leden van de Staten of van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in andere lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven. Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen te noemen van hen, die zich het meest onderscheidden. Evenwel zullen de geschiedboeken des vaderlands altijd met eere vermelden de verrigtingen van mannen als: rombertus ulenburg, eco ysbrandi, keimpe en frans van donia, de Ambassadeur willem van haren, allard pieter van jongestal, sicco van goslinga, ulbe aylva van burmania, tjaard en hessel douwe ernst van aylva; gelijk mede van willem en onno zwier van haren, wybrand van itsma, nicolaas arnoldi, epo sjuck van burmania, philip frederik en johan vegilin van claerbergen, georg frederik Baron thoe schwartzenberg enz.; terwijl de geslachten saeckma, grovestins, van sminia, van aylva, van eijsinga, lycklama, van wyckel, bouricius, beucker, rengers, van scheltinga, huber, van vierssen, aitzema, andringa, de blau enz. onderscheidene leden telden, die bij opvolging als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgemunt[341].

Buitendien waren er nog vele personen, die de vruchten hunner wetenschappelijke beoefening van de Regtsgeleerdheid door de uitgave van werken hebben bekend gemaakt. Van deze mogen wij de namen niet verzwijgen van sibrandus siccama, jacobus bouricius, tjalling van eijsinga, thomas herbajus, hero à schingen, johan van den sande, antonius kann, dominicus hamerster, gajus nauta, simon binckes, saco harmen van idsinga,[397] petrus wierdsma, petrus brandsma, ennius harmen bergsma en anderen. Doch reeds meer dan genoeg, om slechts aan te wijzen, dat Friesland ook in dit tijdvak rijk is geweest aan mannen, die als regtsgeleerden en staatkundigen het belang en de eer des vaderlands op eene waardige wijze hebben bevorderd.

Genees-, Heel- en Verloskundigen.

Ook in deze vakken kunnen wij mannen van naam vermelden. Henricus van bra, s. eugalenus, isbrand hieronymus frank, siboldus en johannes hemsterhuis, g. follin en hendrik van deventer mogten in de 17e eeuw door hunne uitgegevene geschriften de kennis en den vooruitgang van die vakken evenzeer bevorderen, als in de 18e eeuw roelof roukema, bernardus idema, murk van phelsum, tiberius lambergen, simon stinstra, jan de reus en folkert snip; gelijk vervolgens wynoldus munniks, georgius en gadso coopmans, johannes de vries, johannes mulder, adolphus ypeij, sebald justinus brugmans en anderen. Grooter was echter het getal

Wis- en Natuurkundigen.

Reeds voor lang toch is opgemerkt, dat in der Friezen aard en karakter zich steeds een bijzonderen aanleg en neiging heeft geopenbaard voor de beoefening van de Mathematische wetenschappen in het algemeen en voor die der Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in het bijzonder[342]. Hebben wij vroeger reeds de namen van onderscheidene beoefenaars dier vakken in de 16e eeuw genoemd (bl. 158), ook de 17e eeuw gaf daarvan bewijzen in johan sems,[398] jan hendrik jarichs van der leij, sibrand hansen kardinaal, lieuwe willems graaf, theodorus hoen, hippolytus beyem van aerssen, riemer sijbes, christoffel middagten, bernardus schotanus à steringa en anderen, die meest allen door geschriften bewijzen gaven van hunne bekwaamheden. Nog rijker was de 18e eeuw in het voortbrengen van dergelijke vernuften, die veelal uit den eenvoudigen burgerstand of uit landbouwers voortkwamen, en grootendeels zonder onderwijs van anderen door eigen aanleg en inspanning zich vormden en soms eene verbazende hoogte mogten bereiken. Zoo waren te Leeuwarden johann hermann knoop, haijke haanstra, wijtse foppes dongjuma, luitjen f. wiersma en tjeerd ringneerij ijverig werkzaam, om door onderwijs en schriften den bloei te bevorderen van vakken, waarin ook rienk jelgerhuis, lucas oling; mattheus siderius en jan willem karsten bewijzen gaven van groote bekwaamheden. Te Harlingen onderscheidden matthijs adolf van isdinga en abe jans hingst zich evenzeer in de zeevaartkunde, als de uurwerkmaker tjeerd radsma in de werktuigkunde.

Doch vooral te Franeker en omstreken bloeiden deze vakken. Waren david en christoffel meese als kruidkundigen hoog geacht—jan pieters van der bildt en zijn kleinzoon bauke eisma van der bildt mogten roem behalen door hunne teleskopen en andere optische werktuigen. Nevens verscheidene stille beoefenaren van wis- en sterrekunde onderscheidden zich daar verder wouter martens van der werf, hendrik anjema en pibo steenstra; terwijl de scheikundige boudewijn tieboel en de beroemde wijsgeer frans hemsterhuis ook uit deze stad voortkwamen. In den omtrek van Franeker waren het de broeders rients en klaas piers salverda te Salwerd, klaas gerrits wieringa te Achlum en obbe sikkes bangma te Arum, doch vooral jelte eisinga met zijne beide zonen,[399] eise en stephanus, te Dronrijp, die ongemeene vorderingen maakten in de wis-, sterre- en werktuigkunde. Eise eisinga mogt het door eigene oefening zelfs zóó verre brengen, dat hij van 1773 tot 1780 te Franeker dát voortreffelijk Planetarium of beweegbaar hemelstelsel vervaardigde, hetwelk, na door Prof. van swinden te zijn beschreven, een voorwerp geworden is der bewondering van duizenden, die het kwamen beschouwen, gelijk het nog een sieraad is dier stad[343].

Wij zouden meerdere namen kunnen noemen, als: van nikolaas epkema, henricus æneae, de gebroeders roelofs en anderen; doch het aangevoerde zal wel genoeg zijn, om te bewijzen, dat Friesland steeds vruchtbaar is geweest in het voortbrengen ook van mathematische vernuften.

Der Friezen aanleg voor de beoefening van dégelijke studiën, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen en niet minder volharding vereischt worden, gaf mede aanleiding, dat velen hunner voedsel voor den geest zochten in het nasporen van de geschiedenis.—Vandaar het groot getal der door deze provincie gekweekte

Geschiedschrijvers.

Terwijl reinico fresinga en frederik van vervou van Franeker, everhard van reyd te Leeuwarden en vooral lieuwe van aitzema van Dokkum de belangrijke voorvallen van hunnen leeftijd voor het nageslacht te boek stelden, waren andreas cornelius, martinus hamconius,[400] bernardus furmerius, pierius winsemius en daarna christianus schotanus en simon abbes gabbema ijverig werkzaam, om de oudste geschiedenissen der Friezen op te delven uit de verspreide bronnen, welke het voorgeslacht hen had achtergelaten. Ook in de volgende eeuw ontbrak het niet aan vlijtige beoefenaars van de historie, waarvan de groote werken getuigen van jaques george de chaufepié, françois halma, sigebertus haverkamp, saco harmen van idsinga en foeke sjoerds, die echter zijne Beschrijving en Geschiedenis van Friesland naauwelijks ter helft mogt voltooijen. En terwijl simon stijl eene schitterende proeve gaf eener wijsgeerige beschouwing van de vaderlandsche geschiedenis, mogten eduard marius en ulbo van burmania, wybrand van itsma, abraham ferwerda en anderen gewigtige bronnen en bijdragen in het licht geven; doch mogt het vooral den edelen georg frederik Baron thoe schwartzenberg gebeuren, met hulp van Dr. nicolaas tholen en johan frederik maurits herbell, door de gunst van ’s lands Staten, Friesland een Groot Plakkaat- en Charterboek te bezorgen, van uitstekende waarde en duurzaam belang.

Letterkundigen.

Door de beoefening van de oude talen, bijzonder der Grieken en Romeinen, met oogmerk, om de voortreffelijke werken hunner klassieke schrijvers en dichters uit te leggen, op te helderen en tot veredeling van den smaak en verhooging van den kunstzin te kennen, heeft ons vaderland in de beide vorige eeuwen grooten roem verworven. Talrijke vreemdelingen kwamen soms herwaarts, alléén om de uitstekende mannen te hooren, welke in dit vak onze hoogescholen luister bijzetten. In hoe verre Franeker daartoe heeft bijgedragen, hebben wij reeds vermeld. Bovendien waren er hier nog andere[401] letterkundigen, die òf in de scholen òf door uitgegevene geschriften het hunne hebben bijgebragt, om dezen grondslag der toenmalige geleerdheid te vestigen en dien roem te schragen. Dit deden joh. fungerus, e. e. l. mellema, edo neuhusius en zijne zonen reinier en hendrik, alsmede tobias, wernerus en henricus gutberleth, joh. hilarides en anderen in de 17e eeuw; terwijl de 18e eeuw, waarin de scholen van valckenaer en schrader bloeiden, mannen kweekte, als: sigebertus haverkamp, thomas wopkens, olpherdus belida, petrus en gerhardus horreus, joh. balck, joh. pierson, gijsbert koen, h. van der sloot en ernst willem higt; gelijk later richeus van ommeren, joh. adam nodell, theodorus van kooten, adrianus heringa, frans hemsterhuis en joannes verweij; alsmede joh. ruardi, jacobus terpstra, joh. daniel van lennep, herman bosscha, henr. waardenburg, everwinus wassenbergh, h. frieseman, valentinus slothouwer, ecco epkema en anderen, die tot op onzen leeftijd de kweekscholen van geleerdheid versierden en de vruchten van kennis en smaak aan velen hebben medegedeeld.

Onderscheidene dezer en vroeger genoemde personen beoefenden tevens de Latijnsche poëzij, waarvan zij vele proeven hebben nagelaten, even als hero en frederik van inthiema, joannes bouricius, ernestus baders, paulus van ghemmenich, christiaan brink, vop. hor. acker en onderscheidene Friesche edelen, die er steeds een roem in stelden, smaak voor de oude letteren aan de beoefening van de wetenschappen te paren.

Dichters.

’t Zou echter geenszins vreemd zijn, wanneer de vermelde karaktertrek der Friezen en hunne meer bepaalde neiging voor de studie van dégelijke wetenschappen aanleiding hadden gegeven tot mindere geschiktheid voor de[402] beoefening van de Dichtkunst, welke, zwevende in het rijk der idealen, meer het denkbeeldige en bespiegelende dan de wezenlijkheid tot voorwerp heeft. Het is zoo; wanneer wij het groot getal verzenmakers, als: wijbrand michiels, petrus baardt, t. sonnema, hendrik rintjes, vitus ringers, hero galama, foppe foppeszoon junior, gabbema enz. uit de 17e eeuw, gelijk françois halma, roelof roukema, wijbrandus de geest, magdalena pollius, jetske reinou van der malen, eelke meinderts, clara feijoena van sijtzama, joan sande, jan aukes bakker, SYMEN en jan althuysen enz. uit de 18e eeuw, wier verzen om de onderwerpen of hunne zedelijke of godsdienstige strekking den bijval verwierven van hunne tijdgenooten, niet gelijk willen stellen met hen, wier verheffing, smaak en gevoel hun aanspraak geeft op den naam van Dichter, in den hoogeren zin van dat woord,—dan bepaalt dit getal zich tot weinige personen. Doch die weinige kunnen dan ook tegen eene groote menigte opwegen. Of zouden wij dien eernaam niet mogen toekennen aan jan janszoon starter, die in 1614 op twintigjarigen leeftijd te Leeuwarden kwam en deze stad in 1620 weder verliet, doch gedurende die zes voorspoedige jaren van het bestand hier, èn door de oprigting van eene Rederijkerskamer: Och, mogt het rijzen! welke 80 aanzienlijke personen tot leden telde, èn door het opvoeren van treur- en blijspelen, èn door zijne onuitputtelijke en geestige dichtader, hier een lust en liefde voor de nieuwe Nederduitsche poëzij opwekte, welke verwonderlijk was[344]. Hij liet aan zijne talrijke vereerders de[403] Friesche Lusthof, vol aardige minneliederen en trouwdichten, na, welke dien bijval vond, dat dezelve in dertien jaren 6 of 7 malen gedrukt werd. Hoe groot de invloed ook was, dien starter tijdelijk uitoefende, deze was echter niet van duur of van dat gunstig gevolg, hetwelk men zich daarvan voor de toekomst had mogen beloven.

Bovendien was hij de eerste, die verzen in de Landfriesche taal uitgaf. Eerlang vond hij daarin een navolger in gysbert jacobsz., schooldienaar te Bolsward, die, na eerst in het Nederduitsch zwakke proeven, nog in den trant van spieghel, te hebben gegeven, zich in het Friesch tot eene hoogte verhief, welke hem tot een voorwerp der bewondering zijner nakomelingen heeft gemaakt. In hem toch zien wij scheppend vernuft en kieschen smaak vereenigd met eene groote mate van gezond verstand, dat zijne dichterlijke verrukking leidde en ten teugel diende. In elk zijner meesterstukken schittert zijn talent en verlicht oordeel, als hij met bevallige losheid tafereelen uit het Friesche volksleven schildert, en, altoos wisselende naar den eisch des onderwerps, tusschen allerlei onderwerpen heerlijke lessen van levenswijsheid strooit; terwijl hij in alles een meesterschap over de taal betoont, zoo als nog niemand hare kracht en schoonheid had aan den dag gebragt. Dáárom vereeren de Friezen hunnen gysbert, als hun dichter bij uitnemendheid[345].

Meer algemeen was de roem, welken de broeders willem en onno zwier van haren, niet enkel in hooge staatsbetrekkingen, maar inzonderheid als Dichters mogten verwerven. Terwijl in het midden der 18e eeuw[404] de dichtkunst in ons vaderland ontaard was in de kunst om nette, rollende verzen te maken, zonder oorspronkelijkheid, dichterlijke vlugt of gevoel, toonden zij het vaderland door hunne mingepolijste poëzij, dat die vereischten der ware kunst nog niet geheel verloren waren. willem mogt door zijn grootsch heldendicht: Gevallen van Friso en zijne stoute Lierzangen even grooten roem behalen als ONNO later door zijne Geuzen, Treurspelen, Lierzangen enz. In vaderlandsch gevoel, in stoute beelden en vergelijkingen, in treffende grepen, in dichterlijke uitdrukking, in rijkdom van vinding en belangrijkheid van zaken dongen beide om den prijs. Die meesterstukken van waarachtige poëzij doordringen toch, waar men ze opsla, ieders hart met warm gevoel voor vaderland, vrijheid, menschenwaarde, godsvrucht en deugd. Vandaar, dat zij, die de hooge roeping des dichters vervulden, de dankbare bewondering van het nageslacht en de lofspraak van een bilderdijk verdienden:

Van Harens, Broedrental dat zelden weêrga vond,
O Waarom zweeft uw naam geen wareldgordels rond![346]

In dit zelfde tijdvak mogten mede ernst willem higt, boelardus augustinus van boelens, cynthia lenige en simon stijl door voortreffelijke dichtvruchten eer en onderscheiding verwerven.[405]

Schilders, Teekenaars en Graveurs.

Dat smaak en gevoel voor beeldende Kunst, ook om boven vermelde reden, in Friesland minder algemeen geheerscht zouden hebben, en dat dit afgelegene gewest (in vergelijking van het rijke en voor de gemeenschap met andere landen zoo gunstig gelegene Holland) weinige kunstbeoefenaren zou hebben voortgebragt,—ook dit zou zeer natuurlijk geweest zijn. En toch noemt de geschiedenis onzer vaderlandsche Schilder-, Teeken- en Graveerkunst een aantal Friezen, die het hunne hebben toegebragt om den Nederlandschen kunstroem te vestigen.

Als Schilders hebben toch pieter de valk, jacob bakker, frans carré, jelle reiniers, jakob potma, wijbrand de geest, simon en dirk de vries, gerard edema, matthijs haarings en wigerus vitringa zich in de 17e eeuw verdienstelijk gemaakt. En zouden wij daarbij ook niet mogen noemen meindert hobbema, wiens meesterstukken thans bijna tegen goud worden opgewogen?[347] Ook in de volgende eeuw waren tako hajo jelgersma, bernardus en matthijs accama, hermanus busch, rienk jelgerhuis en gerard wigmana, even als j. de wilde, taco scheltema, hermanus wouter beekkerk, dirk ploegsma, allert van der poort, nicolaas baur, willem bartel van der kooi enz. in verschillende vakken zeer geacht.

Als Teekenaars mogten margaretha de heer, j. stellingwerf, pieter idserds portier, petrus camper, joh. jelgerhuis rz. en anderen zich mede onderscheiden.

[406]Hoewel het niet bekend is, dat er in Friesland ooit eene Plaatdrukkerij heeft bestaan, hebben toch als Graveurs uitgemunt: boethius of bote en schelte van bolswerd, petrus feddes van harlingen, jan jaapix, j. van munnickhuizen, jan de vos, jacobus en anna folkema, pieter tanjé, michiel elgersma en kleis lanting, waarvan sommigen uitstekende kunstwerken hebben voortgebragt[348].

Ziedaar enkel de namen genoemd van de voornaamste personen, welke, in verschillende vakken van kennis en kunst, uit Friesland zijn voortgekomen en die hebben bijgedragen, om in ons vaderland vooruitgang in wetenschap, smaak en beschaving te bevorderen[349]. Gewis, dit gewest heeft naar vermogen zijne offers aan het rijk van het goede en schoone toegebragt, en roemvol is de rij van verdienstelijke personen, die onze vaderlandsliefde zich herinnert, en aan welke wij de hulde onzer vereering toebrengen als dankbare nakomelingen, die tevens een prikkel tot navolging vinden in de overtuiging:

Der Vadren glorie strekt het Nageslacht tot eer.

[329] Zie zijne Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden, Delft 1826, III 254, 258.

[330] Winsemius 747, 752, 758; schotanus, Beschrijv. 139; vriemoet, Athenæ Frisiacæ, IV.

[331] Zie de Staatsstukken betrekkelijk deze Hoogeschool in het Charterb. IV 657, 820, 943, 1075; V 108, 246, 297, 317, 328, 518, 522, 546, 551, 628, 730, 758, 999; Reg. Staats-res. 5, 35, 110, 473, 557, 647, 774; benevens de MS. Res. van Gedeputeerden.

[332] Volgens het nog aanwezige Album. De Feestrede van Prof. n. blancardus, bij die gelegenheid gehouden, komt met vertaling voor in sylvius, Vervolg op aitzema, II 23e bk. 91.

[333] Levensbeschrijvingen van de meest al de genoemde Hoogleeraren bevat het werk van vriemoet, hier vóór op bl. 234 aangehaald.

[334] Van kampen, t. a. p. II 248, 259, 261, 311, 313, 364, 520, 609. Op al deze plaatsen staaft die schrijver het hooge aanzien der Franeker Akademie met bewijzen; terwijl het laatste gezegde bevestiging vindt in een getal van dertig Hoogleeraren, van Franeker naar Leiden beroepen. Hij voegt er bij: „De Friesche Hoogeschool telde in dit tijdperk, 1713-80, vijf der meestberoemde Letterkundigen van Europa onder hare Hoogleeraren, schultens, hemsterhuys, valckenaer, wesseling en burman, en was dus een waar Athenæum (niet in den zin van minderheid beneden eene Akademie).”

[335] Prof. schotanus, Beschrijv. 140.

[336] Aldaar, 145, 177.

[337] Behalve de bronnen, hier vóór vermeld, bevat de Teg. Staat, II 512, het uitvoerigste overzigt van de geschiedenis der Hoogeschool, welke echter tot dusverre nog zeer onvolkomen bekend is. Ook dáárom wensch ik zeer, dat er uit de groote menigte stukken, welke er betrekkelijk deze Akademie nog te Franeker en in mijne eigene verzameling aanwezig zijn, eenmaal eene volledige geschiedenis worde opgemaakt, welke zeker voor onze letterkunde eene belangrijke bijdrage zou zijn.

[338] Zie deze alle genoemd in Prof g. de wal’s Oratio de claris Frisiæ Jureconsultis, in 1818 te Franeker gehouden en in 1825, vermeerderd met de levens dier personen, te Leeuwarden uitgegeven.

[339] Zie over het Hof bl. 227 en de noot op bl. 228 hier vóór.

[340] Zie van sminia, Nieuwe Naamlijst van Grietmannen, en bl. 235 hier vóór.

[341] Van vele dezer personen heeft onze landgenoot Mr. jac. scheltema levensschetsen gegeven in zijn belangrijk werk: Staatkundig Nederland, Amsterdam 1805, 2 deelen. Zie ook van sminia, Grietmannen, het Wapenboek, het Stamboek enz.

[342] Zie dit vooral betoogd in Professor c. ekama’s Oratio de Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili, te Franeker in 1809 gehouden.

[343] Uitvoeriger berigten over eisinga en de uit dit tijdvak vermelde personen zie men in het Leven van Eisinga en Geschiedenis van zijn Planetarium, geplaatst voor den derden druk van van swinden’s Beschrijving van het Planetarium, voor eenige maanden door mij uitgegeven.

[344] Voor eenige jaren heb ik over Starter en zijne Gedichten, in betrekking tot den toestand der Letterkunde in Friesland in het eerste gedeelte der 17e eeuw eene uitvoerige verhandeling zamengesteld, die ik welligt eerlang eens zal uitgeven, ook omdat er zoo weinig van en omtrent dezen dichter en dit tijdvak bekend is.

[345] Over gysbert sprekende, mag men zeker halbertsma’s voortreffelijke Hulde niet verzwijgen en evenmin het leedgevoel onderdrukken, dat deze dan nu, na 25 jaren wachtens, onvoltooid zal blijven. Zijn Letterkundige Naoogst heeft ons daarvoor echter eenige vergoeding geschonken.

[346] Ook omtrent de van haren’s heeft Dr. j. h. halbertma zich door de uitgave zijne Fragmenten verdienstelijk gemaakt; even als de Heeren de vries en kemper door hunne verhandelingen, voor de nieuwe uitgave der Werken van de van haren’s geplaatst. Reeds in 1747 schatte Do. hofstede de verdiensten dezer broeders zoo hoog, dat hij in eene leerrede op de verheffing van Prins willem IV, 104, verklaarde, dat zij „een Standbeeld, naar de wyze der Ouden, in deezen Burgerstaat verdiend hebben.” De Geuzen volgden echter eerst 22 jaren later. Zie ook Aanteekening 20.

[347] Ook rembrandt had eenige betrekking op Friesland, doordien hij hier (en niet te Ransdorp of Rarup in Noord-Holland) eene vrouw zocht en vond in saskia, de dochter van den Leeuwarder Raadsheer Dr. rombertus ulenburg, met wie hij den 22 Junij 1634 te St. Anna Parochie in den echt werd verbonden, zoo als ik onlangs ontdekt en met bewijzen heb kunnen staven.

[348] Bijna al de genoemde kunstenaars komen met korte levensschetsen voor in het bekende werk van immerzeel, de Levens en Werken der Holl. en Vlaamsche Kunstschilders enz. Amst. 1842, 3 dln. Van onderscheidene der laatste heb ik kunstwerken verzameld.

[349] Het zou mij zeker niet moeijelijk gevallen zijn, om van al de vermelde personen hierbij korte levensschetsen te voegen uit mijne sedert 1826 verzamelde Aanteekeningen betrekkelijk beroemde Friezen. Doch dan ware dit onderwerp voor deze Beknopte Geschiedenis veel te uitvoerig behandeld geworden, in verhouding tot het overig gedeelte. En toch is het een zoo hoogst belangrijk onderwerp, dat ik hartelijk wensch, dat het voornemen, door Jhr. Mr. h. b. van sminia en mij opgevat, om een Beroemd Friesland te bewerken en over eenige jaren uit te geven, door ons zal mogen worden volbragt.


[407]

41. Vrede en Voorspoed verheffen—Zorgeloosheid en Partijschappen ontbinden den Staat.

Van den Utrechtschen vrede tot de Staatsomwenteling.

1713-1795[350].

Niets is meer algemeen onder de menschen, dan dat zij, dagelijks door hoop en vrees geslingerd, aan vrede en voorspoed het denkbeeld van geluk—en aan nood en tegenspoed, dat van ongeluk verbinden. En echter leert de geschiedenis, ook van ons vaderland, dat—terwijl nood en tegenspoed de levenskrachten der natie opwekken en moed en inspanning ten algemeenen nutte ontwikkelen—ons geslacht veelal zwak genoeg was, om vrede en voorspoed meer te doen strekken tot gemak en genot, die verslapping nalaten, dan tot herstelling, verbetering en vooruitgang in velerlei betrekkingen van den staat en der maatschappij. Zóó misleiden de volken zich zelve, door van de beste der gaven geen verstandig gebruik te maken! Dán hoopen de smetstoffen in den staatkundigen dampkring zich op, totdat er eene geruchtmakende uitbarsting komt, welke allen uit den slaap opwekt en naar hulp en redding doet uitzien. Bij het licht des geloofs, dat God de natiën bestemd heeft, om steeds te vorderen in volmaking en beschaving, zien wij echter te midden van dit alles: dat alle pogingen om het ware en goede te bevorderen duurzaam tot heil strekken; dat de raadslagen der boozen verijdeld worden, en dat de dwalingen en verkeerdheden der menschen, onder Zijne liefdevolle leiding, middelen worden tot hunne leering en verheffing voor de toekomst.

[408]De loop der gebeurtenissen in ons vaderland gedurende de 18e eeuw heeft dit alles bewezen.—In de oorzaken, middelen en gevolgen daarvan had Friesland rijkelijk zijn aandeel. Wij willen den afgebroken draad hervatten, en ook het voorgevallene in het laatste gedeelte van dit tijdvak in hoofdtrekken mededeelen.

Had ons land ná den Munsterschen vrede van 1648 langer dan eene halve eeuw moeten oorlogvoeren met andere mogendheden,—op den vrede, in 1713 te Utrecht gesloten, volgde inderdaad eene veeljarige rust. Zelfs deden de Algemeene Staten al het mogelijke om den vrede te bewaren en den oorlog te schuwen, hetgeen ook na de aanzienlijke vermindering van de landmagt en de verwaarloozing van het zeewezen wel noodzakelijk was, ofschoon zij de eer en waardigheid des lands daarbij dikwijls in de waagschaal stelden. Onder het genot van die rust, bij welke de vroegere wakkerheid vervangen werd door zucht naar gemak en weelde, bleven koophandel en nijverheid bloeijen, ook in weerwil der rampen, welke nu en dan aanzienlijke offers eischten. Immers, nog was de veepest, in 1712 begonnen, aan het woeden, toen Friesland eerst in 1715, doch vooral bij den Kersvloed van 1717, verschrikkelijk werd geteisterd door dijkbreuken en overstroomingen, die groote schade te weeg bragten. Naauwelijks waren de hierop gevolgde herstellingen en verbeteringen van onze zeeweringen voltooid, en pas had eene heerschende ziekte en ongemeene sterfte in 1728 opgehouden, toen eene nieuwe volksramp, de paalworm, in 1730 en volgende jaren het land met een groot gevaar bedreigde en aanzienlijke sommen eischte tot beveiliging onzer havens en kusten; terwijl weinige jaren later, in 1744 en vervolgens, de veepest nog grootere verliezen veroorzaakte[351].

[409]Intusschen had Prins willem carel hendrik friso, door eene voortreffelijke moeder opgevoed, door de beste leermeesters gevormd en van nature met de edelste vermogens van verstand en hart begaafd, in 1731 den twintigjarigen ouderdom bereikt en het Erfstadhouderschap over Friesland aanvaard. Bij die gelegenheid had Prinses maria louisa het bewind nedergelegd, en nevens den dank der Staten voor de uitnemende diensten, welke hare wijsheid den Staat en deze Provincie had bewezen, eene gift van 5,000 Gld. en een lijfpensioen tot een gelijk bedrag, uit achting voor haar persoon en verdiensten, ontvangen. Reeds in 1718 was de Prins door Groningen en in 1722 door Drenthe en Gelderland tot Stadhouder benoemd, welke waardigheden hij in 1729 had aanvaard, in weerwil der tegenkantingen van Holland en andere provinciën, die deze uitbreiding van ’s Prinsen magt met leede oogen aanzagen. In spijt der tegenbedenkingen van Holland steeg het aanzien van den Prins nog meer door zijne echtverbindtenis met anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, oudste dochter van Koning george II, welke den 25 Maart 1734 werd voltrokken. Luisterrijk was het onthaal, dat het vorstelijk paar, te Harlingen aangekomen, den 11 Mei op zijn togt naar en in Leeuwarden mogt ondervinden, waarbij de regering en de ingezetenen hunne hooge ingenomenheid met dit huwelijk aan den dag legden; terwijl ’s lands Staten der Prinses eene tonne gouds tot eene huwelijksgift aanboden[352]. In de liefde zijner Friezen vond de Prins dan ook bestendig de meeste voldoening, bij al de geestkracht, welke hij[410] bezat, om zich boven de bestendige vernedering, uitsluiting en tegenwerking der Staten van Holland en andere gewesten fier te verheffen.


Hoe duurzaam het genot van vrede en voorspoed ook schenen te zijn, ten jare 1740 ontbrandde op eens de Oostenrijksche successie-oorlog, waaraan de meeste staten van Europa deel namen. karel VI, Keizer van Oostenrijk, stierf, en liet den troon na aan zijne jeugdige dochter maria theresia, Koningin van Hongarije en Bohemen. Zes mogendheden, Beijeren, Pruissen, Polen, Spanje, Sardinië en Frankrijk zochten deze troonsopvolging te verhinderen, en zonden schielijk ontzaggelijke legers in Duitschland. In ons vaderland weifelden de staatkundige partijen in de keus, of men, uit kracht der pragmatieke Sanctie of het Weener verdrag van 1732, der Koningin hulp zou bieden, dan of men zich onzijdig en buiten den oorlog zou houden. De Algemeene Staten, alleen bedacht op zelfverdediging, versterkten hunne landmagt in 1741 wel, eerst met 21,000 en daarna met nog 20,000 man; doch in plaats van hulpbenden aan maria theresia te zenden, besloten zij, haar een onderstand van 8 tonnen gouds aan te bieden. Toen er echter in het volgende jaar eene nieuwe aanvraag en wel om troepen kwam, waren de gevoelens zeer verdeeld. Sommigen, die den vrede tot elken prijs wilden bewaren, of die Frankrijk vreesden, besloten tot onzijdigheid; maar anderen meenden, dat de goede trouw den Staat verpligtte, aan de traktaten gevolg te geven en hulptroepen te zenden. De wakkere willem van haren koos met jeugdig vuur de zijde der laatsten, en nadat hij, als afgevaardigde van Friesland, in de vergadering der Algemeene Staten zijne welsprekendheid had uitgeput, om de vertegenwoordigers der provinciën tot zijne beginselen[411] over te halen, nam hij zijn dichterlijk talent te baat, om ook het volk zelf met die beginselen van regtvaardigheid en goede trouw te bezielen. Hij gaf de Leonidas en drie Lierzangen in het licht, en—behaalde met deze gloeijende verzen eene staatkundige zegepraal op de harten des volks, die der dichtkunst wel bij de Grieken, maar nog nooit in ons land was te beurt gevallen. Men wil, dat er binnen drie dagen honderdduizend afdrukken van deze gedichten verkocht zijn. Het regende lofverzen op van haren. De opgewonden geest des volks werkte op dien der Staten, die daarom in 1743 besloten, de Koningin met 20,000 man hulptroepen bij te slaan, welk getal in den volgenden jare werd verdubbeld. »Eere zij onzen Vaderen, die door eerlijkheid vergoed hebben, wat hun aan veerkracht ontbrak. Eere vooral den Staatsman en Dichter, die, in zijnen Leonidas, door het voorbeeld van den held van Sparta, de natie uit hare slaapziekte pogende op te wekken, hun, die niet schroomden het trouwblijven aan verbonden eene koppigheid te noemen, met verontwaardiging toevoerde, hoe zij thans zelven door eed- en bond-breuk zich tot de diepte verlaagden der Barbaren, die hunnen val beoogden”[353].

Hoewel de Nederlanders in de vijf hierop gevolgde veldtogten van lodewijk XV in de Oostenrijksche Nederlanden weinig eere mogten behalen, hebben toch onder de Friesche krijgsbevelhebbers zich onderscheiden:[412] de Luitenant-Generaal johan sicco Baron thoe schwartzenberg, de Brigadier gemme onuphrius van burmania, de Luitenant-Kolonel laas ulbe van burmania, benevens nog vier andere leden van dit geslacht; alsmede de Majoor daniel de blocq van bouricius, Kommandant van het Regiment Oranje-Friesland; doch bovenal de dappere Luitenant-Generaal hobbe esaïas van aylva, Gouverneur van Maastricht, die van zijne uitstekende verdediging van deze sterke, doch hevig aangevallene vesting in 1748 zoo veel eere mogt behalen, dat zijn aanvaller, de Maarschalk van Saksen, als blijk van achting voor zijn moed en bekwaamheid, hem, nadat de vesting bij vredesverdrag was overgegaan, toestond, bij zijn eervollen uittogt vier kanonnen en twee mortieren uit de vesting mede te voeren. Nadat Frankrijk verpligt werd, Maastricht weder aan ons af te staan, werd dit geschut, op voorstel des Stadhouders, hem door den Raad van State vereerd, na voorzien te zijn van het opschrift: donum virtutis aylvæ, of Eeregift voor Aylva’s dapperheid[354].


Vóór echter deze oorlog door den vrede van Aken (1748) geëindigd werd, hadden er in ons vaderland zelf merkwaardige gebeurtenissen plaats. Reeds lang hadden de bekwaamste staatslieden, zelfs Hollands voortreffelijke Raadpensionaris simon van slingelandt, erkend: »dat het missen van eenen Stadhouder de gebreken in de[413] Constitutie thans meer bespeuren, en nadeeliger uitwerkselen deed hebben, dan voordezen”[355]. Doch de heerschzucht der bewindslieden, de trots der aristokratische aanmatiging en de willekeur der stedelijke regenten, door wie op vele plaatsen eene familie-regering was ingevoerd, hadden zich van het gezag meester gemaakt ter onderdrukking van het volk. En zoolang Hollands Staten halsstarrig weigerden, ook »uit vrees voor Frieschen invloed,” de noodzakelijkheid van het Stadhouderschap te erkennen, bleven alle pogingen der vrienden van den Prins van Oranje, om zijn gezag uit te breiden, vruchteloos. Sedert het uitbreken van den oorlog werd het gemis van een éénhoofdig bestuur, het gebrek van een middelpunt van gezag, waardoor de kracht des bewinds verslapt was, meer gevoeld, en stegen de klagten over veelvuldige misbruiken in den staat, bijzonder over de knevelarijen der pachters van de gemeene lands middelen, met den dag. Had het tooneel des oorlogs zich tot dusverre tot België bepaald en was Vlaanderen reeds voor twee jaren door lodewijk XV veroverd—daar verbreidt zich op ééns het gerucht door het vaderland, dat de Franschen ook in Staats-Vlaanderen zijn gevallen, zoodat Zeeland in het grootste gevaar verkeert. Van waar nu hulp, van waar redding in dien nood? Even als in 1672, stak het volk de handen uit naar den nu, even als toen, door de staatsleden zoo lang verdrukten en miskenden Prins van Oranje. Op den 25 April 1747, op den zelfden dag, dat de Prins uit Leeuwarden een brief afzond, waarbij hij den Staten van Zeeland zijne hulp en dienst aanbood, ging weder uit het kleine Vere het eerst de kreet op, die, ijlings verspreid, dadelijk weerklank vond[414] in geheel Zeeland, Holland en de overige gewesten, zoodat binnen weinig tijds de volksstem Prins willem carel hendrik friso, als willem den vierde, als door een wonder, tot Erfstadhouder en Kapitein-Generaal en Admiraal over al de Vereenigde Nederlandsche gewesten verhief, en met zoo vele eerambten en waardigheden overlaadde, als nog geen zijner voorgangers had bezeten.

De beminnelijke Vorst, die kon betuigen: »de hoogste eerzucht, die het hart eens stervelings kan streelen, is, zich als het voorwerp der liefde en hoogachting van een vrij volk te mogen beschouwen,” aanvaardde met ware grootheid van ziel de hem aangebodene waardigheden, waarop zijn naam, afkomst en hoedanigheden hem regt gaven. Ja, hoe benard de toestand des lands ook ware, hij verheugde zich in de gelegenheid gesteld te worden, om met Gods hulp al zijne krachten aan te wenden ter bevordering van het welzijn des volks. Den 9 Mei vertrok de Prins van Leeuwarden over Harlingen met een jagt naar Amsterdam. Eene opgetogene menigte verbeidde hem, »den Verlosser van Nederland,” daar, zoowel als bij zijn luisterrijken intogt in ’s Gravenhage, als op aller handen gelijk in aller harten gedragen. De blijdschap des volks kende geene palen, en had het moed bekomen in het dreigende gevaar en hoop voor de toekomst. »Nooit moge de nakomelingschap die dagen van geestdrift vergeten!”[356]

[415]Door die geestdrift en eenswillendheid bezield, mogt de natie zware offers brengen, om, tot afwering van den vijand, het leger te versterken en het land van binnen door gewapende magt te beschermen, waartoe overal eene liberale gift met blijdschap werd opgebragt[357]. Dan, nu ook begon het volk, dat zich tegenover de regenten versterkt gevoelde door het gezag van den Prins, overal zijne regten te doen gelden, en verbetering te eischen van de veelvuldige, zoo ware als vermeende, misbruiken en ongeregeldheden in het staatsbestuur. Tot herstelling daarvan scheen nu eene gunstige gelegenheid te zijn geboren. Geweldige opschuddingen en hevige beroerten, die het gemeen gelegenheid gaven om uit te spatten, hadden bijna overal plaats. In Mei 1748 begonnen deze in Groningen en daarna in Friesland. Die onlusten openbaarden zich het eerst door het gewelddadig vernielen van de opzigtershuisjes der pachters van het gemaal bij al de korenmolens in deze provincie. De gemeene landsmiddelen werden destijds bij wijze van verpachting geheven; doch de knevelarijen dier pachters, waaraan de ingezetenen bloot stonden, de zwaarte der belastingen op de noodwendigste levensbehoeften, de hinderlijke last van de havenpachten en het passagie-geld en daarbij de zware schuldenlast der provincie bij te vele zwaar-bezoldigde ambtenaren—ziedaar eenige der voornaamste grieven, waarvan velen onder Frieslands ingezetenen herstelling en verbetering wenschten.

Om dit doel, zoo mogelijk, te bereiken, verschenen den 1 Junij 1748 negen-en-vijftig der voornaamste[416] burgers van Harlingen, als Gecommitteerden uit de ingezetenen dier stad, te Leeuwarden, die van Gedeputeerde Staten de opheffing van deze bezwaren verzochten. Tevens verlangden zij, dat het Erfstadhouderschap zoowel in de vrouwelijke als mannelijke lijn erfelijk verklaard mogt worden. De Staten, die de verpachting van de belastingen dadelijk hadden opgeheven, stonden dit laatste verzoek gereedelijk toe, en noodigden zelfs alle ingezetenen uit, om hunne bezwaren tegen den 5 Junij in te brengen. Tot dit einde werden er in alle steden en dorpen Gecommitteerden benoemd en naar Leeuwarden afgevaardigd, om bezwaren in te leveren. De Magistraat dier stad had tot ontvangst van zoo vele personen, wier getal ruim 200 beliep, de Groote of Jakobijner-kerk ingerigt, waar dit staatkundig Congres, onder sterke spanning des volks, werd gehouden. Veertien punten van redres onderling opgemaakt, werden aan de vergaderde Staten ingezonden en nog dien zelfden dag aangenomen en goedgekeurd.

Op deze wijze werd de onrustige gemeente, die zich somtijds zeer dreigend en oproerig gedroeg, bevredigd. De Gecommitteerden achtten hunne taak echter nog niet afgedaan; maar, om de uitvoering van de toegezegde verbeteringen te bevorderen, benoemden zij twee personen uit iedere stad en elke grietenij, waarvan 24 vereenigd bleven, om voortaan op den Stads-Schutters-Doelen hunne werkzaamheden in het belang des volks voort te zetten, en met de Staten verder te onderhandelen. Na onderscheidene voorstellen, droegen zij den 5 Julij 73 Punten-reformatoir voor, welke hoofdzakelijk met de vroegere bezwaren van 1627 en 1672 overeenkwamen, waarbij zij den 25 dier maand nog 47 Punten voegden, welke, als de wenschen des volks, alle door de Staten werden aangenomen en uitgevaardigd. De Prins, verhinderd om[417] door eene spoedige overkomst aan aller verlangen te voldoen, zond intusschen eenig krijgsvolk tot herstel van de rust in Friesland, benevens eene Commissie, om de zaken des lands te onderzoeken, en te handelen met de Gecommitteerden des volks en de Staten, die den Prins volkomene magt hadden verleend, »om de Constitutie des lands op vaste gronden te stellen, de ingeslopen abuizen in de regering, financiën als anderzins te redresseren, de provincie in rust en bloei te brengen enz.” Welk een gebruik de brave Vorst van deze, nooit te voren dus afgestane, Oppermagt maakte, bleek eerlang, toen de Stadhouder den 18 December 1748 tot aller vreugde te Leeuwarden kwam, en zijne voorstellen tot verbetering aan de plegtig vergaderde Staten mededeelde. Den 23 December werd alzoo zijn »Reglement, om te dienen tot eene fundamenteele en onverbreekelyke wet, waar naa alle Saaken, zoo van Politie als Justitie, daar in vervat, voortaan zullen werden beleid en behandelt,” uitmakende 61 artikelen, uitgevaardigd. Hiermede, gelijk door het uitschrijven van eene algemeene Amnestie en van een nieuw stelsel van belastingen (dat echter spoedig onuitvoerbaar werd bevonden), werden alzoo de rust hersteld, vele aanleidingen tot misnoegen weggenomen en onderscheidene takken van beheer en gezag op een beteren voet geregeld[358].

Nooit bleek voorzeker aan Friesland het gewigt en nut van het Stadhouderschap duidelijker, dan in dit merkwaardige jaar 1748. De Prins betreurde het echter met alle welgezinden, dat het opgewondene gemeen de goede zaak door oproerige bedreigingen, plunderingen en verwoestingen (te Wier, St. Anna-Parochie, Hallum en[418] elders) bezoedelde. Zeker bragten de persoonlijke hoedanigheden en gedragingen van den Prins, die de grootheid van zijn Huis enkel zocht in de grootheid van den Staat, veel toe, om hem dien invloed en die magt te bezorgen en aller harten aan zich verbonden te houden. Veel is er vervolgens door hem verrigt, om orde, regt, geldmiddelen en krijgstucht te herstellen en om koophandel en zeevaart te doen bloeijen. Wat mogt men nu verder niet voor het welzijn des lands verwachten van een Vorst, met zooveel magt bekleed, met zoo vele gaven versierd, en als een toonbeeld van christelijke deugden vereerd? Terwijl men zich over zulk eene gelukkige toekomst verheugde, behaagde het God, ’s Prinsen levensdraad onverwachts af te snijden. Hij stierf reeds den 22 October 1751, diep betreurd door het gansche vaderland, dat zijne bewonderenswaardige grootmoedigheid had leeren kennen, en dat zijn ijver voor het belang des lands en liefde voor zijn volk met wederliefde en trouw had vergolden. Hoe kort de regering van Prins willem den vierde ook ware, zij was lang en eervol genoeg, om hem eene roemrijke plaats te bezorgen onder de edele Vorsten des vaderlands[359].

Inzonderheid was Friesland wegens het voorgevallene in 1748 aan dien Stadhouder verpligt, vooral in vergelijking met andere provinciën, waar, even als in de zaken der Generaliteit, zoo vele misbruiken en verkeerdheden nog onverbeterd waren gebleven. Prinses anna, die na[419] zijn dood, als Gouvernante van den minderjarigen Prins willem V, het bewind had aanvaard, vermogt te weinig en bezat ook niet genoeg vertrouwen na het uitbreken van den oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, om veel goeds tot stand te kunnen brengen. Omdat de Staten de vermeerdering van de krijgsmagt niet wilden toestaan, wist zij tegen te gaan, dat onze zwakke zeemagt versterkt werd. En toch was dit laatste zoo noodzakelijk, dewijl de handel en scheepvaart, waarin ook Friesland toen een belangrijk aandeel had, groote schade leden van de Engelschen, die zoo vele onzer koopvaardijschepen prijsverklaarden of hinder toebragten[360]. De dood van Prinses anna, op den 12 Januarij 1759, maakte een einde aan dien staat van spanning, en bevorderde dadelijk de versterking van onze zeemagt, tot beveiliging onzer vlooten tegen de roofzucht van de Engelsche zoowel als Fransche kapers.

Terwijl Holland en de vijf andere provinciën nu gedurende de minderjarigheid van Prins willem V hoofdzakelijk bestuurd werden door zijn voogd en ook lateren leidsman lodewijk ernst, Hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, Veldmaarschalk van den staat, hadden de Staten van Friesland zoo veel eerbied voor ’s Prinsen grootmoeder, Prinses maria louisa, dat zij haar, hoewel reeds 70 jaren oud, als Gouvernante op nieuw het bewind toevertrouwden. Met die waardigheid en kracht, welke de edele Prinses, sterk door haar christelijk geloof, immer had betoond onder zoo vele smartelijke verliezen, welke haar troffen, volbragt zij gedurende zes jaren deze taak. Zij deed dit zóódanig tot genoegen der Staten, dat deze bij haren algemeen betreurden dood, op den 9 April 1765,[420] konden betuigen: »dat zij een allergezegendst middel in Gods hand was geweest, om de welvaart dezer provincie met den uitersten ijver te bevorderen op eene zoo vreedzame en vriendelijke wijze, dat zij de liefde en hoogachting van Regenten en ingezetenen van allerlei staat voor lange jaren verkregen en tot den einde toe volkomen behouden had”[361].


Een gelukkig tijdperk van rust en ongemeene welvaart was er voor het vaderland aangebroken, toen Prins willem V in 1766 in alle provinciën als Erfstadhouder werd gehuldigd. Die voorspoed, welke ook Friesland bestraalde, werd in de eerstvolgende veertien jaren alleen door de veepest van 1769 en den watervloed van 1776 afgebroken. Wel trachtten de staatsleden de deerlijk vervallen geldmiddelen dezer provincie te verbeteren, doch er kwam veel minder goeds gedurende dit bloeijende en rustige tijdvak tot stand dan men had mogen verwachten. De vroegere wakkerheid was in vele opzigten door laauwheid en zorgeloosheid vervangen; terwijl zoo vele kleine twisten blijken gaven van de kregelheid, eerzucht en twistgierigheid, welke vele republikeinen dier dagen bezielden. Lang bleef ook de goede, doch dikwijls zwakke Prins in de volksgunst deelen, en ontving hij daarvan streelende bewijzen, toen hij Friesland in 1773 en 1777 bij herhaling bezocht, omgeven van den glans der weelde, welke de voorspoed der ingezetenen overal ten toon spreidde.

[421]Doch hoe zeer veranderde die stemming des volks en de toestand des lands met den jare 1780!

De vrijheids-oorlog der Noord-Amerikaansche volkplantingen tegen Engeland verwekte allereerst eene ongemeene belangstelling en geestdrift. Bijzonder was dit het geval bij de vrijheidlievende Friezen, wier Staten zoo veel lof verwierven, doordien zij in 1782 de eerste van al de provinciën waren, die vóór de vrijverklaring van Amerika stemden[362].

Vermits de Hollandsche kooplieden de Amerikanen, in weerwil van Engelands verbod, bleven ondersteunen, moest dit natuurlijk een oorlog van ons land met Engeland ten gevolge hebben. Bij de zwakheid van onze zeemagt bragt die vredebreuk onzen handel aanzienlijke schade toe. Groot verschil van staatkundige inzigten en daarbij een toenemend misnoegen over het gedrag van den Prins en meer nog over de handelingen van zijnen raadsman, den Hertog van brunswijk-wolfenbuttel, dien men, nadat hij in den haat des volks was gevallen, verwijderd wilde hebben,—dit alles verwekte meer en meer verwijdering, verbittering, scheuring en partijschap.

Het volk, dat de staatsleden beschuldigde van afgeweken te zijn van het Regerings-reglement van 1748, en zich beklaagde over de aanmatigingen der rijken, de voorregten der aristocratie en de misbruiken der familie-regering, verlangde meerdere regten uit te oefenen, en eischte grondwettige herstelling van het, in zoovele[422] opzigten verbasterde, staatsbestuur. Het woord vrijheid, hetwelk in de zaak der Amerikanen zulk eene heilige beteekenis had, kwam hier in de mode, en werd, vermengd met de zonderlingste denkbeelden van Fransche wijsgeeren over godsdienst en volkenregt, getroeteld en in politieke klubs of fraterniteiten aangekweekt, tot ondermijning van het gezag der regenten. Zelfs benamen de Friesche Steden den Prins in 1782 het aan zijn vader en hem afgestane regt van Raadsbestelling en het begeven van de in haar kwartier rondgaande ambten. Noch het vertrek van den Hertog van brunswijk-wolfenbuttel, noch de vrede met Engeland (1784), noch een verdedigend verbond met Frankrijk (1785), konden de opgewondene gemoederen tot rust brengen. Integendeel, nadat eene bedreiging van oorlog met Keizer jozef II het volk algemeen de wapenen in handen had gegeven, versterkten de alom opgerigte Vrij-korpsen of Exercitie-genootschappen de krijgshaftige houding der natie, waarvan een deel weldra met die zelfde wapenen hare overheden bedreigde en zich tegen het gezag verzette. De brave Prins, te zwak om in tijden van beweging het roer van staat met vaste hand te sturen, sloot zich nu bij de aristocratie aan, in plaats van eene poging te doen, om de verlorene vriendschap der patriotten te herwinnen, door hunne voornaamste wenschen in te willigen.

In dien onrustigen stand van zaken waagden de Staten van Friesland het, den publieken geest, welke zich dagelijks krachtiger openbaarde en op de verbetering van talrijke misbruiken aandrong, te trotseren, door op den 25 September 1786 twee merkwaardige plakkaten uit te vaardigen. Bij het eerste werd het op strenge straf verboden, beleedigende geschriften uit te geven, of requesten en adressen over zaken der regering te teekenen. Bij het tweede werden de nu gevaarlijk geachte Exercitie-genootschappen opgeheven en verboden, en de burgers[423] bevolen hunne wapenen af te leggen[363]. Dan, de stroom vloeide reeds te lang en te sterk, om, door zulke middelen gestuit, niet buiten zijne oevers te treden. De tegenstand des volks werd meer algemeen, de breuke tusschen de Prins-gezinden en Patriotten grooter, de verbittering sterker. De stad Franeker werd in Mei 1787 het middelpunt, waar de gewapende misnoegden en tegenstanders van het Stadhouderlijk gezag zich vereenigden; waar een Defensiewezen zich tegen gevreesde aanvallen versterkte, door de stad met schansen en elf batterijen te omgeven en krijgsvoorraad bijeen te brengen, en waar in Augustus tien leden der Staten zich van die van Leeuwarden afscheidden en, even als in 1672 te Sneek, eene tegenregering vormden, die, met versmading van de wettige meerderheid, hare bevelen, als de eenige en hoogste magt des lands, overal wilde doen eerbiedigen.

Zulk een verwarde toestand des lands, welke voor de rust, de veiligheid en welvaart der ingezetenen hoogst verderfelijk was, kon niet duurzaam zijn bij al de blijken, welke het volk gaf van nog niet rijp te zijn voor het genot van eene vrijheid, waarvan alléén de klank veler hoofden had bedwelmd; terwijl de band van ontzag, eerbied en liefde tusschen overheid, vorst en volk was verbroken. Welk persoon, wat stout bedrijf of welke merkwaardige gebeurtenis zou den veegen Staat redden? Helaas! den benarden Stadhouder, dien men in Holland zoo veel leed had aangedaan, dat hij naar Nijmegen was geweken, scheen geen ander middel tot zelfbehoud over te schieten, dan de hulp in te roepen van zijnen schoonbroeder, den Koning van Pruissen, die in September 1787 een leger van[424] 20,000 man naar Holland zond, om den Prins in zijn gezag te herstellen. Achtten velen deze inroeping van vreemde hulp eene grievende beleediging,—zij had voor het oogenblik dit gunstig gevolg, dat alom, na hevige uitspattingen, de volksberoeringen ophielden, en dat de Staten van Holland, met intrekking van al hunne besluiten, tegen den Prins genomen, den Stadhouder verzochten weder in ’s Gravenhage te komen. Zegepralende op zijne vijanden, die het vaderland ontvloden, hernam hij zijne waardigheden, en werd alom de bestaande regeringsvorm met kracht gehandhaafd.

Maar welk gebruik maakten de Staten van Friesland van deze overwinning van het gezag? Verdienden zij door edele grootmoedigheid en vergevensgezindheid den eerbied, waarop zij op nieuw aanspraak maakten? Neen, strenge vervolgingen bragten hen in verdenking, dat niet het welzijn des volks, maar het zegevieren hunner partij en zucht om het beleedigde gezag te wreken het roersel hunner daden was. Nadat allen, die zich verdedigers der grondwettige regten en vrijheden des volks noemden, met de talrijke te Franeker zamengevloeide gewapende burgers die stad hadden verlaten, werd zij op den 24 September door de Staten bezet, en daarna gestraft met het uitligten van de deuren der poorten, welke in de kerk werden vastgelegd. Honderden Friesche patriotten vlugtten, waarvan de meesten te St. Omer in Frankrijk eene schuilplaats vonden. Vele leden van het defensiewezen en andere deelgenooten van den opstand tegen den bestaanden regeringsvorm werden gevat en door het Hof gevonnisd met gevangenzetting, geldboeten, verbeurdverklaring van goederen en andere straffen. Eene algemeene ontwapening des volks werd bevolen; de Fraterniteiten en andere dergelijke staatkundige bijeenkomsten werden streng verboden. Wel lieten de Staten[425] den 16 October eene Amnestie afkondigen; doch deze bevatte, na eene opsomming van al het misdrevene zóó vele uitzonderingen, dat de meeste deelgenooten daar buitengesloten bleven, en zich liever den last der ballingschap buiten hun vaderland getroostten. Hard viel deze straf vooral vele rustige en brave burgers, die, met de beste bedoelingen, door den tijdgeest onwillekeurig waren medegevoerd geworden. Nog harder viel die vervolging, toen de Staten, ook nadat er reeds eenige jaren verloopen waren, doof bleven voor alle verzoeken tot matiging, zoodat zelfs nog in 1792 de zedige en verdienstelijke eise eisinga, die zich, na jaren omzwervens, te Visvliet nedergezet had en daar gevat was, na een proces van een vol jaar, voor vijf jaren uit deze provincie gebannen werd, enkel omdat hij in 1787 lid was geweest van het defensiewezen te Franeker.

Te onverklaarbaarder was dit streng volhouden der Staten, omdat zij, bekend met de wenschen des volks, waardoor de onlusten waren ontstaan, sedert 1787 bijna niets deden ter verbetering van het door zoovelen aangevallene staatsbestuur en tot wegneming van de algemeen erkende misbruiken;—doch vooral, omdat de staats-omwenteling van 1789 in Frankrijk hun tot ontzetting deed zien, welk eene magt het volk tegenover den troon, den adel en de geestelijkheid kon ontwikkelen; welke de eischen waren van den onwederstaanbaren geest des tijds, en welke gevolgen het onverstandig vasthouden aan verouderde vormen en begrippen na zich moest slepen. Bekend was het bovendien, hoe zeer de Nederlandsche vlugtelingen blaakten van wraakzucht, om hunne overheden het inroepen der Pruissische hulp betaald te zetten; hoe zij zich met de Franschen verbroederden, en, door briefwisseling met hunne vrienden, in ons land de hoop levendig hielden op eene door hen voorbereide verlossing, ter bekoming[426] van eene gelijke vrijheid en volkssouvereiniteit, als de Fransche republiek reeds had verworven. In weerwil de onmenschelijke tooneelen van het schrikbewind, na den val van Koning lodewijk xvi, alle mogendheden deden sidderen voor de woede van een bandeloos volk—bleven de Staten van Friesland zorgeloos en gerust op het oude pad voortgaan. Ja, nog den 28 Januarij 1795, toen het water reeds tot aan de lippen was gestegen, ontveinsden zij het klimmende gevaar, daar zij, bij openlijk plakkaat, zich durfden »vleien, dat de Unie zal blyven bewaard, in het vertrouwen op het vooruitzigt van den gelukkigen en wenschelyken voortgang der aangevangene Vreedes Negotiatien; uit welken hoofde ’er zig gegronde hoope opdoet tot het zien eindigen van deezen bloedigen Oorlog.”[364]

Zóó blind, zóó onverzettelijk bleven ’s lands Regenten, die echter reeds den volgenden dag al onthutst waren over »de verandering der gedaante van zaaken door de rampen des Oorlogs,” waarom ze den predikanten bevolen te bidden, »dat God den bloedigen Oorlog mogt doen eindigen.” Doch die oorlog was toen eerst aangevangen en zou nog twintig jaren lang, geweldiger dan ooit te voren, woeden, ten einde, onder Gods wijze en liefdevolle leiding, het middel te worden, om de natiën, die in vrede en voorspoed doof waren geweest voor de stem van godsdienst en rede, en blind voor hun duurzaam belang, door lijden en strijd te louteren, en, eerst na verloop van vele jaren van rampspoed, te verheffen tot eene betere maatschappelijke orde en meerdere vatbaarheid voor volksgeluk.


[350] Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak strekt ten vervolge van het tweede gedeelte, dat op bl. 308 eindigt.

[351] Zie over deze hier slechts aangestipte punten ook bl. 238, 316, 336 hier vóór.

[352] Onder den titel van: het Juichend Friesland is er destijds een verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden, eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven. Zie ook Reg. op de Staats-resol. 343, 519.

[353] Deze Gedichten, te ’s Hage bij beauregard in 4o. uitgegeven, zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uit polybius in proza, benevens eene menigte lofverzen op van haren, in 8o. gedrukt te Harderwijk. Ze zijn ook opgenomen in van haren’s Werken bij westerman. Zie mede halbertsma, Fragmenten over de van Harens, 120 en scheltema, Mengelwerk, I 132; bosscha, Heldendaden, II 555.

[354] In 1758 heeft de Generaal aylva deze zes stukken geschuts gelegateerd aan de Staten van Friesland, op wier last ze, na zijn overlijden in 1772, geplaatst werden vóór de Hoofdwacht te Leeuwarden, volgens Reg. Staats-res. 41, 61; Teg. Staat, II 109; te water, Verbond der Edelen, II 167; kok, Vaderlandsch Woordenb. II 403; bosscha, Heldend. II 657; wagenaar, Vad. Hist. XX 180, 190; van leeuwen, in de Vrije Fries, V 367, 382.

[355] Slingelandt, Staatk. Geschriften, I 212, 223; van kampen, Verkorte Geschiedenis der Nederl. II 232.

[356] Deze woorden van den Prins, gerigt tot onno zwier van haren, die veel tot ’s Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen later aanleiding gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht: de Geuzen, hier vóór en in Aant. 20 nader vermeld: „opdat die onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk met behoorlijke kleuren mogt worden beschreven.” Zie het begin der Ophelderingen van de Geuzen, en verder wagenaar, Vad. Hist. XX 78 env.; haverkamp, Leven van Prins Willem IV, 18, 45 env.

[357] De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt in Februarij 1748 alleen in de stad Leeuwarden aan goud- en zilverwerk en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheel Friesland 345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in mijne verzameling.

[358] De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn bijeengebragt in het werkje: het Verward Frieslandt (door j. dotingh), Leeuw. 1749. Zie mede wagenaar, XX 196; Nederl. Jaerboeken, II 524.

[359] Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder, die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb bijeengebragt in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt op hem mag beroemen. Behalve naar wagenaar en de Jaerboeken verwijs ik enkel naar haverkamp, ’s Lands verijdelde hoope, Amst. 1753; o. z. van haren, Lijkreeden, Leeuw. 1766; hofstede, Bloemen op het graf, Rott. 1752; Levensb. van ber. Mannen, VI 284; scheltema, Staatk. Ned. II 487; v. kampen, II 251, Karakterk. II 565.

[360] Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapitein jan binkes in die dagen is vermeld achter Aanteekening 23.

[361] Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan haren kleinzoon. Zie stuart, vervolg op wagenaar, II 249; de chalmot, Leven der Prinses, Leeuw. 1765; j. van den bosch, de Heeren Stadhouderen van Vriesland, Leeuw. 1770, 35, 86; Levensbeschrijving van Nederl. Mannen enz. VI 154; van kampen, Karakterkunde, II 562 enz.

[362] Zie loosjes, Gedenkzuil der Vrij-verklaaring, 31, 58, 64, 131, 133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit te Leeuwarden: Door Vrijheid en IJver aan Gedeputeerden, met aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op dit besluit had laten vervaardigen. De studenten te Franeker huldigden hetzelve door het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor werd de vrijheidsgeest overal aangewakkerd.

[363] Zie de Verzameling van Placaten, 339, 343; Apologie van c. l. van beijma, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd.

[364] Verzameling van Placaaten, 436, 437.


[427]

VIJFDE TIJDVAK.

FRIESLAND TIJDENS DE VOLKSREGERING EN DE FRANSCHE OVERHEERSCHING.

VAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE OPHEFFING VAN HET STADHOUDERSCHAP TOT DE HERSTELLING VAN NEDERLAND EN HET VERTREK DER FRANSCHEN.

Van het jaar 1795 tot 1813.

Versiering

42. De Staats-omwenteling en hare gevolgen.

Te laat namen de Staten van Friesland, den 7 Februarij 1795, het besluit tot opheffing van de vervolgingen en verbodsbepalingen, waarmede men sedert 1787 vele opgewondene ingezetenen in toom had gehouden. Na in België lang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden de wapenen der Franschen, die nu door den vorst zich reeds in December 1794 den weg gebaand zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen tot eene natuurlijke beschutting verstrekten. De vroeger gevlugte patriotten, die in Frankrijk de bloedige tooneelen van de revolutie-koorts hadden bijgewoond, snelden hen vooruit, en nog vóór de Franschen onzen Staat, op den 1 Februarij 1795, den oorlog verklaarden, ontvlugtte Prins willem V met zijn gezin en vele zijner aanhangers het vaderland, dat ruim twee eeuwen veilig was geweest onder de hoede van oranje. De in 1787 alleen door de[428] kracht der wapenen herstelde republiek was haren val nabij, en bezweek voor den revolutiegeest des volks, dat geheel andere beginselen dan vroeger huldigde en zich sterk waande door buitenlandschen invloed.

Ook in Friesland vestigde zich een Committé Revolutionair, hetwelk, na de omwenteling geheel voorbereiden den vrijheidsboom te Leeuwarden geplant te hebben, den 10 Februarij 1795 de Regenten der steden en grietenijen ontsloeg en andere personen aanstelde, onder luidruchtige vreugdebedrijven van het volk. Evenzoo verklaarde het den 19 Februarij met eene plegtige aanspraak de Staten van Friesland, gelijk den Erfstadhouder, vervallen van hunne waardigheden, met belofte van veiligheid voor hunne personen en verbod om te vlugten. Hierna werden er 60 Provisioneele Representanten van het volk van Friesland in hunne plaats aangesteld, en voorzien van eene instructie, welke de beginselen bevatte, waarnaar de nieuwe republiek voorloopig zou worden bestuurd. Het Committé legde toen tevens zijne taak neder, en »wenschte het volk plegtig geluk met de volbragte onvermijdelijke revolutie, en met de tot dusverre gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat de bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk eene verbazende omkeering van zaken overal bewaard, der Friesche natie voor het oog der geheele wereld tot onsterfelijken roem verstrekten.”

In de volgende dagen vaardigden de Provisioneele Representanten bij verschillende plakkaten hunne staatkundige geloofsbelijdenis uit, om ieder te doen zien, dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familie-regering, de miskende regten des volks te handhaven, en veiligheid van personen en bezittingen, vrijheid van godsdienst en drukpers en gelijkheid van allen voor de wet te verzekeren,[429] onder vermaning, van de verkregene voorregten door geene rustverstoring te bezoedelen.[365]

En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk eene omwenteling en vernietiging van het eeuwenheugende gezag hier, door het volk zelf, zoo rustig en zonder schending van personen of bezittingen werd tot stand gebragt. Want eerst den 4 Maart deed de Fransche Generaal gaspard thierry met een aantal huzaren zijne plegtige intrede in Leeuwarden, onder de uitbundigste vreugdebetooningen van het uit alle oorden te zamengevloeide volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan hand met den luchthartigen Franschman dansende om den vrijheidsboom, zich zelf vergat, en zich niet bewust scheen te zijn, dat het eene inhaling was als van het Grieksche paard in Troje. Doch de Franschen hadden beloofd, als vrienden en bondgenooten te zullen overkomen, en als verlossers van de overheersching en beschermers van de nieuwe republiek, die ze zeker weldra weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en bij de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het tegendeel, nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde en halfnaakte, krijgslieden over het gansche land waren verspreid, waarvan Friesland zijn aandeel rijkelijk bekwam!

Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April 1795 eischten de Franschen reeds, behalve den afstand van een aanzienlijk grondgebied, 100 millioen gulden voor het bezorgen van de zoogenaamde vrijheid, onder verpligting van onzen Staat, om 25,000 man Franschen in dienst te houden en te bezoldigen. Doch de partij der patriotten had de overwinning behaald en zich gewroken[430] op den Prins en de staatsleden, die hen in 1787 hadden doen vlugten, maar—ten koste der onafhankelijkheid des lands. Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, spiegelde zich nu, bij de zegepraal der beginselen van de regten van den mensch en burger, de schoonste toekomst van eene veel verbeterde staatsinrigting voor; hoewel het, bij de schaarschheid en duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige bronnen van bestaan, al dadelijk verpligt werd, om in herhaalde geldleeningen, heffingen en drukkende lasten aan de vermeende vrijheid zware offers te brengen[366].

Intusschen geschiedde er in Mei eene algemeene oproeping van het volk van Friesland tot stemming van 68 Representanten, die nu het roer der regering aanvaardden en aan negen hunner het waarnemen der zaken van het vroegere Collegie of de uitvoerende magt toevertrouwden. Nog scheen dit bestuur uit gematigde patriotten te bestaan, hoewel het de meeste leden van het Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest deed vervangen (15 Julij), en toeliet, dat de Stadhouderlijke Tombes in de Groote Kerk te Leeuwarden schandelijk vernield en de Grafkelders geschonden werden (1 Aug.).[431] Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot bijeenroeping van eene Nationale Conventie, met kracht van redenen de souvereiniteit en de onafhankelijkheid der provinciën vasthouden en verdedigen, omdat zij haar zelfbestaan niet konde, niet wilde vernietigen, en omdat zij zich van eene vereeniging met de andere gewesten voor Friesland groot gevaar en vele nadeelen voorstelde. Doch Holland, met een grooten schuldenlast bezwaard, trachtte de ineensmelting van de provinciën en de provinciale schulden door te drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde het geene middelen, »geen vleijen en kuipen, geen dringen en dreigen.” Het werd daarin ondersteund door een aantal hevige Friesche patriotten, die zich van de een- en ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden, en als heethoofdige ijveraars meer doortastende veranderingen begeerden. Zóó vormden zich onder de patriotten zelve partijen, die elkander uit verschil van inzigt wantrouwden en vervolgden met een haat en tweedragt, nog sterker dan vóór de omwenteling. In Januarij 1796 vestigden zich eenigen dier ijveraars zelfs tot een Committé van herstel, hoewel ze spoedig door de Representanten, die hen eene oproerige bende van baatzuchtige fortuinzoekers en intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers met geweld uiteengejaagd en sommigen zelfs in hechtenis genomen werden. Met hulp der gewapende magt herstelde het gezag zich echter weder, doch kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige partij, die alzoo, door Fransche en Hollandsche hulp gesteund, zegevierde[367]. Wel kwam er intusschen[432] den 1 Maart eene Nationale Vergadering te ’s Gravenhage bijeen, waarop Friesland