The Project Gutenberg eBook of Napoleon

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Napoleon

Author: Herman Théodore Chappuis

Editor: August Hendrik Pieter Blaauw

Release date: January 25, 2009 [eBook #27883]
Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NAPOLEON ***



[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

Napoleon.

Napoleon.

Oorspronkelijke titelpagina.

Napoleon

Met 32 groote platen.
Alkmaar—Gebr. Kluitman.
1911.

[Inhoud]

Gebr. Kluitman’s Boek- en Kunstdrukkerij, Alkmaar.

[Inhoud]
Ornament

Voorbericht

van den tweeden omgewerkten druk.

In de meening, dat niet alleen in Frankrijk, maar ook in ons land een streven merkbaar was tot het verkrijgen van meerdere kennis van het Napoleontische tijdperk, stelde de Luitenant-Kolonel H. Th. Chappuis een schets van den “grooten Corsicaan” samen. Die verwachting werd niet teleurgesteld, want spoedig bleek, dat na eenige jaren een tweede druk zou noodig zijn. Reeds had de schrijver met de nieuwe bewerking een begin gemaakt, toen hij te midden van dien arbeid overleed.

Het verzoek van de Uitgevers het werk voort te zetten, werd door mij gaarne aanvaard, al ontveinsde ik mij de moeilijkheid niet een eenmaal begonnen arbeid te voltooien. Van de opmerkingen bij den eersten druk heb ik een dankbaar gebruik gemaakt.

Moge ook deze tweede druk, thans uitsluitend van groote platen naar de meest bekende schilderijen voorzien, een even gunstig onthaal vinden als de eerste uitgave.

Alkmaar, Februari 1911. A. H. P. Blaauw.

[Inhoud]
Ornament

Eenige geraadpleegde Bronnen.

M. Thiers. Histoire de la Révolution Française.

M. Thiers. Histoire du Consulat et de l’Empire.

York von Wartenburg. Napoleon als Feldherr.

Désiré Lacroix. Histoire de Napoléon.

De Bourrienne. Mémoires sur Napoléon I.

De Ségur. Napoléon et la Grande Armée en Russie.

Le général Gourgaud. Examen critique de l’ouvrage de Mr. de Ségur. Mémoires.

Le général de Marbot. Mémoires.

Le duc de Rovigo. Mémoires.

F. A. Mignet. Histoire de la Révolution Française.

A. Dayot. Napoléon raconté par l’image.

G. Bertin. La campagne de 1812, de 1813, de 1814.

Georges Barral. L’épopée de Waterloo.

W. A. E. Wüppermann. De vorming van het Nederl. Leger en de veldtocht van 1815, enz.

Le Mémorial de Saint-Hélène.

Madame de Rémusat. Mémoires.

Constant. Mémoires.

Le baron Larrey. Madame Mère.

Mémoires du prince de Talleyrand.

Langfrey, P. Histoire de Napoléon I.

Le Maréchal Marmont. Mémoires.

Chaptal. Mes souvenirs sur Napoléon.

A. Vandal. Napoléon et Alexandre I.

E. Guillon. Nos écrivains militaires.

Napoléon.—Oeuvres.

Lord Rosebery. Napoleon. The last phase.

Jomini. Précis politique et militaire, etc.

Jomini. Traité des grandes opérations militaires, etc.

Le baron Fain. Manuscrit de 1812, etc.

Le prince de Metternich. Mémoires.

Le vicomte lord Wolseley. Le déclin et la chute de Napoléon.

Lavisse et Rambaud. Histoire Générale. Deel VIII, IX en X.

Jean Jaurès. Geschiedenis Fransche Revolutie.

A. Levy. Napoléon intime.

A. Levy. Napoléon et la paix.

Oscar Klein Hattingen. Napoleon der Erste. 2 d.

Frédéric Masson. Napoléon inconnu.

Frédéric Masson. Napoléon et sa famille, Deel I–IX.

Frédéric Masson. L’Impératrice Maria Louise 1809–1815.

Frédéric Masson. Napoléon et les femmes.

Frédéric Masson. Napoléon chez lui etc.

Frédéric Masson. Napoléon et son fils.

Frédéric Masson. Autour de Sainte-Hélène.

Frédéric Masson. Jadis.

Frédéric Masson. Jadis et Aujourd’hui.

Frédéric Masson. Le Sacre et le Couronnement de Napoléon.

Henry Houssaye. 1814.

Henry Houssaye. 1815. La première Restauration. Le retour de l’ile d’Elbe. Les cents jours.

Henry Houssaye. 1815. Waterloo.

Henry Houssaye. 1815. La seconde Abdication. La Terreur blanche.

C. L. Schneider List. Herinneringen van den Luitenant-Generaal Frans Carel List.

G. Clément. Campagne de 1813.

A. Grouard. La critique de la Campagne de 1815.

B. R. F. van Vlijmen. Vers la Bérésina.

Paul Gruyer. Napoléon Roi de l’ile d’Elbe.

J. Silvestre. De Waterloo à Sainte-Hélène.

Viscount Wolseley. The Decline and Fall of Napoleon.

Henri Welschinger. Le Pape et L’empereur 1804–1815.

Alex L. Kielland. Ringsum Napoleon. 2 d.

Armand Bourgeois. Le général Bonaparte et la Presse de son époque.

Paul Frémeaux. Les derniers jours de l’Empereur.

[Inhoud]

Inhoud.

  1. Hoofdstuk Bladz.
  2. I. Afkomst.—Geboorte.—Jeugd 1
  3. II. Een blik op de Fransche Omwenteling 18
  4. III. Bij Toulon en te Parijs 46
  5. IV. 13 Vendémiaire.—Joséphine 55
  6. V. De veldtocht in Italië.—1796 62
  7. VI. Bij Rivoli, op Mombello. De vrede 76
  8. VII. Naar Egypte 92
  9. VIII. Bonaparte wordt Eerste Consul 110
  10. IX. Vredesvoorstellen.—Marengo 125
  11. X. Vrede met Oostenrijk 139
  12. XI. Engeland en de vrede van Amiens 152
  13. XII. Consul voor het leven 167
  14. XIII. Oorlog met Engeland. Een nieuwe samenzwering 177
  15. XIV. De Keizerskroon 191
  16. XV. Oorlog in Duitschland 204
  17. XVI. Austerlitz.—Vrede van Presburg 219
  18. XVII. Jena.—Berlijn.—Eylau 235
  19. XVIII. Friedland.—Tilsit.—Fontainebleau 255
  20. XIX. Het drama in Spanje 267
  21. XX. Naar Weenen.—Essling.—Wagram 276
  22. XXI. Echtscheiding.—Tweede huwelijk 295
  23. XXII. De Veldtocht tegen Rusland 316
  24. XXIII. Bij Borodino.—In Moskou 332
  25. XXIV. De Berezina 349
  26. XXV. Lutzen.—Bautzen.—Leipzig 360
  27. XXVI. Parijs valt.—De Keizer abdiceert 379
  28. XXVII. Op Elba.—In Frankrijk terug 399
  29. XXVIII. Waterloo 412
  30. XXIX. De Keizer verbannen 429
  31. XXX. St. Helena 438
[Inhoud]

Volgorde der Illustratiën.

  1. 1. Napoleon.
  2. 2. Bonaparte op de Militaire school te Brienne.
  3. 3. De eed in de Kaatsbaan. 20 Juni 1789.
  4. 4. Vertrek der Vrijwilligers. 1792.
  5. 5. Bonaparte voor Toulon.
  6. 6. Strijd om de brug bij Arcola. November 1796.
  7. 7. Slag bij Rivoli. Januari 1797.
  8. 8. De onderhandelingen over den vrede te Campo Formio. 1797.
  9. 9. Bonaparte in den Raad van Vijfhonderd. 1799.
  10. 10. Bonaparte als Consul.
  11. 11. Tocht over den St. Bernhard. Mei 1800.
  12. 12. Fontainebleau.
  13. 13. Malmaison.
  14. 14. Eerste uitreiking van het Legioen van Eer.
  15. 15. Napoleon I. Keizer der Franschen.
  16. 16. De avond vóór den slag van Austerlitz. 2 December 1805.
  17. 17. Jena.
  18. 18. Slag bij Eylau.
  19. 19. De avond van Friedland.
  20. 20. Louise van Pruisen brengt een bezoek aan Napoleon.
  21. 21. Een vroolijke episode uit den oorlog in Spanje.
  22. 22. De slag bij Wagram.
  23. 23. Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810.
  24. 24. Napoleon en de Paus.
  25. 25. Napoleon en zijn zoon.
  26. 26. Moskou. 1812.
  27. 27. De overtocht van de Berezina.
  28. 28. Napoleon te Fontainebleau. 31 Maart 1814.
  29. 29. Afscheid van de Garde vóór het vertrek naar Elba.
  30. 30. De prins van Oranje bij Waterloo gewond.
  31. 31. Napoleon op de Bellerophon.
  32. 32. Napoleon op St. Helena.
[1]
[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk I.

Afkomst.—Geboorte.—Jeugd.

In de Middellandsche Zee, door de straat van Bonifacio van Sardinië gescheiden, bevindt zich een groot bergachtig eiland Corsica met slechts enkele kleine kustplaatsen als Ajaccio en Bastia. Het was bedekt met onafzienbare strooken bijna ondoordringbaar struikgewas, maquis geheeten en bewoond door eene bevolking van Italiaansche en Grieksche afkomst, die in hare zeden, gewoonten en begrippen nog heden ten dage weinig verschilt van hetgeen ze eeuwen geleden reeds was, waartoe de geïsoleerde ligging van het eiland in niet geringe mate heeft meegewerkt.

Nog sterker dan op Sardinië is men daar van meening, dat de belangen van de familie, van het geslacht, de clan, op maatschappelijk en financieel gebied moeten gaan voor die van ieder ander en de tijd heeft dat beginsel nog dieper doen wortel schieten. Daar heeft de vader nog de beschikking over het leven van zijn zonen; het oppergezag berust nog bij het hoofd van den stam, den vader, of na diens dood den oudsten zoon; ieder lid van een familie is hoofdelijk verantwoordelijk voor het welzijn en den voorspoed van al de anderen; elk begrip van recht, van algemeen belang is nog ondergeschikt aan dat van de belangen van den clan.

De volksklasse, grootendeels bestaande uit visschers en geitenhoeders, sluit zich aan bij die familie, welke de rijkste is, den meesten invloed bezit, of haar het beste beschermt en zij blijft deze ook trouw, zoolang de eenmaal aangegane verbintenissen behoorlijk worden nageleefd.

Kapitaal in klinkende munt wordt er weinig aangetroffen. Belasting, pacht, landhuur, alles wordt in natura betaald en daarvoor dienen de kastanjes [2]van de bergen, de geiten uit de maquis, het vee uit de gemeenschappelijke weide, benevens graan, olijfolie, wijn en visch. Van geitenhaar wordt in de bergen laken geweven. Zijn er dus levensbehoeften in overvloed, toch kent het volk geen weelde en gemak, want daarvoor ontbreekt het noodige geld en wie dit wil verdienen, moet het eiland verlaten en naar Italië of Frankrijk gaan.

In 1746 had Corsica zich vrij verklaard van de heerschappij der Genueezen; een opstand was hiervan het gevolg geweest. In 1755 had Pascal Paoli, een vrijheidlievend en schrander staatsman, zich aan het hoofd van de beweging gesteld, daarin krachtig gesteund door de aanzienlijke geslachten, waardoor de onafhankelijkheid van het eiland tien jaar lang was gehandhaafd. Toen was in dezen toestand verandering gekomen, daar Engeland Paoli zijn hulp had aangeboden, maar door het aannemen van dezen steun ontstond onder Paoli’s partij verdeeldheid, daar velen de geheime bedoelingen van Engeland begrepen. Ook Frankrijks minister de Choiseul doorzag die, en zond troepen naar het eiland, zoogenaamd om de souvereiniteitsrechten van Genua te helpen handhaven, maar inderdaad om een landing der Engelschen met kracht van wapenen te beletten. Tevens deed Choiseul Genua ernstige bedreigingen hooren, omdat deze republiek vele Jezuïeten, die uit Frankrijk waren verbannen, op Corsica gastvrijheid had verleend. Zich niet krachtig genoeg gevoelende om weerstand te bieden, opende Genua onderhandelingen en stond in 1768 zijn rechten op Corsica aan Frankrijk af, behoudens de vrijheid van latere terugname tegen vergoeding der gemaakte onkosten.

Door deze oplossing van het vraagstuk verrast, wendde Paoli zich thans tegen den nieuwen vijand, doch leed in Mei 1769 bij Ponte Novo een zoo geduchte nederlaag, dat hij met ruim driehonderd volgelingen, die hem niet wilden verlaten, op een paar Engelsche schepen zijn toevlucht zocht en zich naar Engeland liet overbrengen.

Tijdens zijn verzet tegen Genua was de in 1746 te Ajaccio geboren advocaat Carlo Maria Buonaparte of Bonaparte een zijner getrouwste aanhangers geweest. Uit Italië afkomstig en van adellijken bloede, was hij reeds op achttienjarigen leeftijd gehuwd met de toen veertienjarige Laetitia Ramolino, eveneens van adellijke afkomst, verwant aan het grafelijke geslacht des Col’ Alto’s en reeds op dien jeugdigen leeftijd een vermaarde schoonheid. Toen Paoli de wapenen begon te keeren tegen Frankrijk, had Bonaparte aan dit verzet geen deel willen nemen; hij had het eiland verlaten en was eerst naar Ajaccio teruggekeerd, toen het Fransche gezag hier voor goed was gevestigd. (1769).

Evenals het meerendeel zijner bloedverwanten, zooals de Benielli’s en de Paravicini’s, was Carlo niet met aardsche goederen gezegend, maar hij was schrander, sluw en op ’t kantje af van brutaal; hij had in één woord zelfvertrouwen en durf. Zoodra Corsica Fransch was geworden, had hij [3]begrepen van hoeveel nut en voordeel zijn wetenschappelijke ontwikkeling doch vooral zijn kennis van de Fransche taal hem kon zijn, aangezien zoo goed als niemand op het eiland die taal machtig was. Het nieuwe gouvernement zou hem dus noodig hebben.

Zoodra hij de kans schoon zag, was hij begonnen dit nieuwe arbeidsveld te exploiteeren. Telkens kon men hem nu te Parijs vinden in het voorvertrek van dezen of genen minister, beleefd en onderdanig, waar dit pas gaf, doortastend en taai, zelfs brutaal, als ’t noodig was, maar altijd gewapend met een request en den strijd niet opgevende, voordat hij de verlangde handteekening had verkregen.

Op die manier wist hij o. a. te bewerken, dat het gouvernement hem concessie verleende voor den aanleg van moerbeziënperken en kweekerijen, voor het droogleggen van de zouthoudende moerassen, enz. Hij was hierdoor veel op reis, altijd vervuld met nieuwe plannen tot vermeerdering van den invloed en den welvaart van zijn familie, wier zaakwaarnemer en pleitbezorger hij was. Veel tijd om zich met zijn gezin, dat steeds in sterkte toenam, te bemoeien, had hij niet, maar het huishouden was bij Laetitia in goede handen. Toen hij in 1785 overleed waren er van de twaalf kinderen nog acht in leven.

Den 15en Augustus 1769 werd hem een zoon geboren, die den naam ontving van Napoleon, terwijl een jaar te voren Jozef het levenslicht had aanschouwd. Hoewel gezond, had Napoleon een delicaat gestel, niet te verwonderen, als men weet, dat zijn moeder, tijdens haar zwangerschap, door den opstand van Paoli hiertoe gedwongen, weken lang ver van haar woning in de bergen had rondgezworven en dus menigen bangen, slapeloozen nacht had doorgebracht.

De eerste paar jaren rustig en stil, werd de kleine wereldburger met zijn groot hoofd weldra een ondeugend, lastig en opvliegend baasje, koppig als een ezel en daarbij zoo vechtlustig, dat ieder het met hem te kwaad kreeg en vooral Jozef het vaak bij hem moest ontgelden. Wel wachtte hem dan thuis de roede, want Laetitia spaarde deze niet, doch om een pak slag meer of minder bekreunde hij zich bitter weinig. Onder de strafoefening gaf hij geen kik en na afloop liep hij weer weg alsof er niets was gebeurd. Aan al die ondeugende streken paarde hij echter een zekere ridderlijkheid, want eens werd hij gestraft met een pak slaag en vier dagen huisarrest op water en brood, omdat hij druiven zou gekaapt hebben, ’t geen een vriendinnetje had gedaan, maar hij verried haar niet en zijn onschuld bleek pas, toen dit meisje zich zelf kwam aangeven.

Hoorde hij, zooals zijn moeder later heeft gezegd, tot “le plus diable” van hare kinderen, over zijn lust tot leeren had men echter geen reden tot klagen. Van “de nonnen” had hij een weinig lezen en tellen geleerd en op zijn achtste jaar op een jezuïetenschool geplaatst, maakte hij daar spoedig zulke vorderingen, dat zijn vader voor hem in den tuin een hokje liet maken, [4]waar hij rustig kon werken, zonder dat hij door het spelen der kleintjes—Lucien was in 1775, Elisa (Marianne) in 1777 geboren—werd gestoord.

Altijd vervuld met plannen voor de toekomst, handig gebruik makende van een koninklijk besluit van 1770, waarbij alleen die Corsicanen in den Franschen adelstand zouden worden opgenomen, wier adelbrieven van twee eeuwen vroeger dagteekenden, steunende bovendien op zijne positie als assessor, lid van den Raad der Twaalf Edelen en afgevaardigde van den Corsicaanschen adel aan het hof van Versailles, wist Carlo steeds meer gunsten te verwerven. Door zijn vriendschap met graaf de Marbeuf, gouverneur van het eiland, werd hij o. a. geholpen aan twee studiebeurzen, een voor Jozef en een voor Napoleon; voor rijks rekening zouden ze in Frankrijk worden opgeleid, Jozef tot geestelijke en Napoleon tot militair. De jongen was in de wolken van geluk; zijn liefste wensch zou worden verwezenlijkt. Had hij reeds vroeger elk stuk papier, elke plank en schutting volgeteekend met soldaten, nu zou hij zelf soldaat worden, een heusche, een echte.

Op het einde van 1778 vertrok Carlo met zijn twee zoons naar Frankrijk om te Autun, waar de Marbeufs broeder bisschop was, eerst wat beter Fransch te leeren spreken, want ze kenden nog weinig meer dan gebroken Italiaansch en Corsicaansch patois. Het verdriet voor de eerste maal moeder te verlaten was niet erg groot, bovendien had Napoleon zijn broer bij zich en nog wel Jozef, aan wien hij zich nauw verbonden gevoelde. In April werden ze reeds gescheiden, en ging Napoleon naar de Koninklijke Militaire School te Brienne, een instelling, waar strenge tucht heerschte, de leiding van het onderwijs zoo goed als geheel in handen was van een aantal, voor het meerendeel onbeschaafde, weinig ontwikkelde geestelijken en waarop alleen kinderen van adellijke afkomst werden toegelaten.

Jozef schreide bitter bij het afscheid van zijn broertje—och, de dreumesen waren samen nauwelijks twintig jaar oud—doch de kleine Napoleon vergoot geen traan; zijn gezichtje bleef strak en elke uiting van droefheid onderdrukte hij. Toch was hij, de latere jaren hebben dit bewezen, Jozef toen reeds meer genegen dan deze hem.

Te Brienne, waar hij ruim vijf jaar gebleven is, begon voor den leergierigen jongen in den volsten zin des woords een nieuw leven. In het begin werd hij gefolterd door heimwee naar zijn geboorteland, waarover hij met niemand kon spreken, en hij voelde zich in een kring van jongens, die hem allen vreemd en dus vijandig waren en wier taal hij ternauwernood verstond, zeer eenzaam en ongelukkig. Hij bleef dan ook het liefst alleen en kreeg daardoor den naam trotsch en eenzelvig te zijn; alleen aan Bourrienne legde hij zijn hart wel eens open, dezelfde dien hij als consul tot eerste secretaris heeft genomen en dien hij pas heeft ontslagen, toen hij de onloochenbare bewijzen van [5]’s mans brutale schraapzucht en oneerlijke practijken tegenover de leveranciers voor het leger in handen had.1

Weldra bleek met welk een reusachtigen werklust, met welk een taaie werkkracht die magere, kleine knaap met zijn grijze, zonderling lichtende oogen, was bezield. Niet alle studievakken waren hem intusschen even lief; geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde waren zijn beste vakken en daarin maakte hij groote vorderingen, maar in de talen bleef hij een kruk en zijn schrift was bijna onleesbaar.

In de verhouding tot zijn kameraden kwam langzamerhand ook eenige verbetering; in den winter van 1783, terwijl de sneeuw zeer hoog lag, werd hij door hen zelfs tot aanvoerder gekozen bij den aanval en de verdediging van uit sneeuw gebouwde wallen en het is zijn eerste roem, als bewoners uit Brienne naar zijn sneeuwvesting komen zien. Zijn vrije uren bracht hij het liefst in de bibliotheek door, waar hij zich in de studie van Plutarchus of in de lectuur van een wijsgeerig of letterkundig werk verdiepte; vooral de daden van de Grieksche en Romeinsche helden boeiden hem, ze prikkelden zijn eerzucht, terwijl hij bovenal voor Leonidas en zijn volk groote bewondering had, zoodat zijn kameraden hem de Spartaan noemden.

Door de geringe mate van ontwikkeling en kennis der leeraren en door de slechte verdeeling der leerstof bleef zijn wetenschappelijke opvoeding niettemin gebrekkig, die hij dan ook in zijn luitenantstijd van meet af weer onder handen heeft moeten nemen, doch leesbaar schrijven zonder taalfouten heeft hij zich nooit meer kunnen eigen maken. Van het Duitsch verstond hij later slechts enkele woorden, zelfs Italiaansch sprak hij gebrekkig en voor het Spaansch had hij steeds een tolk noodig, terwijl hij de Grieksche en Latijnsche klassieken alleen door eenige meestal slechte vertalingen heeft leeren kennen. Lucien en Jozef, die een meer academische opleiding hadden genoten, al legden ze nooit een examen af, taxeerden hem als wetenschappelijk man dan ook volstrekt niet hoog. In hun oog was hij en is hij gebleven een soldaat, die succes heeft gehad zonder meer.

Ongeletterd was hij dus, maar wat hij bezat van nature, wat geen leeraar ter wereld bij machte was geweest hem aan te brengen en hetgeen zijn neuswijze broers misten, was zijn stijl de imperatoria brevitas, zooals Frédéric Masson dezen schrijftrant noemt; met zijn korte, krachtige glasheldere volzinnen, die als met de etsnaald het beeld teekenden, dat hij het leger wilde inscherpen. Dien stijl dankte hij aan zijn genie en hierin heeft hij zelfs Caesar overtroffen.

Toen de Keralio, inspecteur-generaal van het militair onderwijs in 1784 [6]zag welke reusachtige vorderingen Napoleon vooral in het laatste jaar had gemaakt, was hij hierover zoo bijzonder tevreden, dat hij over het bezwaar van zijn te jeugdigen leeftijd heenstapte en hem voordroeg voor de Militaire School te Parijs. “Die knaap van vijftien jaar met zijn onderdanig karakter en zeer geregeld gedrag, die zich door zijn kennis van de wiskunde zoo gunstig onderscheidde, zou een uitmuntend zeeman worden,” schreef hij in zijn rapport.

Zoodoende vertrok Napoleon in October 1784 met vier andere jongens onder geleide van een pater naar Parijs. Van een plaatsing bij de marine kwam evenwel niets; het toch reeds zeer beperkte aantal plaatsen was reeds door eenige hoog-adellijke jongelui met protectie ingenomen. Napoleon zou derhalve den cursus volgen voor de artillerie.

Korten tijd te voren had Jozef aan zijn vader te kennen gegeven liever niet tot geestelijke, maar evenals zijn broer tot artillerieofficier te worden opgeleid. Treffend is de brief, welke Napoleon naar aanleiding daarvan aan zijn vader schreef. “Laat hij maar hier komen te Brienne Pater; Patrault, dien u kent, heeft mij beloofd hem wiskunde te leeren. Wat zal ik blij zijn, als ik hem in October hier zie. Dan is dat ook weer een zorg minder voor u en Jozef zal wat in zijn schik wezen.”

Hoewel hij zijn moeder in al die jaren in ’t geheel niet, zijn vader slechts een paar maal had gezien en er wegens de zeer hooge portkosten slechts weinig brieven werden gewisseld, was de knaap met zijn gedachten dus nog steeds bij huis en bij de zorgen, waaronder zijn ouders gebukt gingen, want zij waren arm en het gezin was in de laatste jaren nog toegenomen; in 1778 werd Louis, in 1780 Pauline, in 1782 Caroline en in 1784 Jérome geboren.

Zijn wensch betreffende Jozef zou evenwel niet worden vervuld; in Februari 1785 stierf zijn vader, ver van huis, te Montpellier aan maagkanker en Jozef, die toen alleen bij hem was, had beloofd naar Ajaccio terug te keeren om daar zijn moeder tot steun te wezen. De brieven door Napoleon in die kommervolle dagen aan zijn moeder gericht, getuigen van zijn kinderlijke liefde en hartelijke belangstelling in al wat er ginds geschiedde. Aan zijn oud-oom Lucien, aartsdiaken van Ajaccio, schrijft hij o. a. “Het zal onnoodig zijn U te zeggen, hoe ik getroffen ben geweest door het ongeluk, dat over ons is gekomen. Wij hebben in hem een vader verloren en God weet welk een vader hij in zijn medegevoel en gehechtheid voor ons was... Gods wil is onveranderlijk en Hij alleen kan ons troosten...”

Intusschen werkte hij aan de Militaire School te Parijs even hard als te Brienne. Uitgezonderd Bauer, zijn onderwijzer in ’t Duitsch, die hem een domoor vond, waren al zijn andere leeraren zeer over hem tevreden. Vooral Laplace, de beroemde wiskunstenaar, was met hem ingenomen; zijn leeraar in de fraaie letteren noemde hem “een stuk graniet, in een vulkaan verhit,” [7]en de heer de l’Esquille, die hem les gaf in de geschiedenis, schreef in zijn rapport over hem: “Corsicaan van geboorte en karakter, zal hij het ver brengen, als de omstandigheden hem gunstig zijn.”

Den 10en October 1785, dus nauwelijks zestien jaar oud, werd hij als de 42e op een ranglijst van 58 cadetten bevorderd tot tweede-luitenant,—zijn brevet dagteekende echter van den 1en September—ingedeeld bij het artillerie regiment la Fère en aangewezen om garnizoen te houden te Valence, een stadje aan de Rhône in het zuiden van Frankrijk. Binnen een jaar had hij met succes een examen afgelegd, waarvoor een ander meestal drie- of viermaal zooveel tijd noodig had.

Reeds aan de Militaire school had hij een bewijs geleverd van zijn scherpen blik op militaire aangelegenheden. Deze school was een koninklijke instelling, telde jongelieden van den hoogsten adel onder haar leerlingen, waarvoor jaarlijks twee duizend francs kostgeld werd betaald, zoodat er groote weelde heerschte. In een hervormingsontwerp, dat hij aan den directeur, markies de Timbrune, ter beoordeeling gaf, schreef hij o. a.: “Zou het niet beter zijn, als de cadetten zich zelf leerden bedienen en munitiebrood tot ontbijt kregen? Zou het geen aanbeveling verdienen, als zij hun kleeding en schoeisel zelf leerden schoonmaken? De meesten zijn arm; de dienst wacht hen. Aan een matigen leefregel onderworpen, zouden zij hierdoor krachtiger worden, de weersveranderingen beter kunnen verdragen, de vermoeienissen van den oorlog moedig doorstaan en aan hun soldaten eerbied en blinde trouw inboezemen.”

Zelf heer en meester geworden, deed hij deze beginselen terstond in practijk brengen. Aan de school te St. Cyr bewoonden de aanstaande officieren der infanterie b.v. gezamelijk één kamer en aten uit de militaire keuken. De cadetten aan de cavalerieschool te St. Germain poetsten zelf hun paard en leerden het zelf pakken, zadelen en beslaan.—“Voordat men over soldaten bevel voert, moet men zelf eerst soldaat worden, en al de technische onderdeelen van het vak nauwkeurig kennen; dan wordt hierdoor het onschatbare voordeel verkregen, dat men zijn ondergeschikten in al hun diensten nagaan en tot gehoorzaamheid kan dwingen.”

Op denzelfden grondslag van eenvoud en degelijkheid vestigde hij later ook de meisjesscholen te St. Dénis, Ecouen en elders, bestemd om dochters van leden van het Legioen van Eer, een orde in 1802 door hem ingesteld, een behoorlijke opvoeding te geven. Al de op die scholen benoodigde kleedingstukken moesten door de leerlingen zelven worden vervaardigd. Stemmig, geheel in den trant der geestelijke zusterscholen, was het costuum. Van het bezoeken van schouwburgen of andere publieke vermakelijkheden was geen sprake. Hij verlangde, dat de meisjes “eerbare vrouwen en goede huishoudsters zouden worden.” [8]

Niet weinig trotsch op zijn luitenantsrang bij het wapen, spoedde hij zich in zijn nieuwe uniform naar de familie Permon, die hij reeds te Ajaccio had leeren kennen en die nu te Parijs woonde, maar de ontvangst viel niet mee, want Cécile, de jongste dochter des huizes, zei lachend, dat hij met zijn spillebeenen in die geweldig groote modellaarzen wel wat geleek op de Gelaarsde Kat en Laure, de oudste, die later met Junot huwde en door Napoleon tot hertogin van Abrantès werd verheven, stemde met haar in. Toch werd hij niet boos, want een dag of wat later zond hij haar als speelgoed een koets met een gelaarsde kat er voor en het sprookje van Perroult ten geschenke.

Met zijn kameraad en vriend, den eveneens nieuw benoemden luitenant des Mazis, kwam hij begin November 1785 te Valence, huurde bij juffrouw Bou, een oude vrijster, in ’t Café du Cercle naast de biljardzaal voor acht francs per maand een kamer, zoo armoedig gemeubeld dat “zelfs een blind paard er geen schade kon aanrichten” en hij begon hier het leven van den onbemiddelden officier in een klein garnizoen. Door den abt de Saint-Ruff, een kennis van de Marbeufs, werd hem echter den toegang geopend tot de voornaamste salons en vooral mevrouw de Colombier was zeer vriendelijk voor hem, terwijl, naar men zegt, Napoleon korten tijd een oogje had op haar dochter Caroline. In weerwil van zijn armoede, want van een tractement van ongeveer elfhonderd francs, vielen niet veel kromme sprongen te maken, genoot hij in dien eersten tijd volop van hetgeen zijn nieuwe positie hem aanbood. Hij at met zijn kameraden aan één tafel, leerde dansen, ging veel uit, werd overal vriendelijk ontvangen, was voorkomend en beleefd, babbelde mee over alles en nog wat en liet een jaar later bij zijn vertrek met verlof naar Ajaccio niets dan aangename herinneringen achter; alleen had men hem zeer beschroomd en nu en dan zwaarmoedig gevonden.

Hoe goed hij zich later, toen hij tot grootheid en macht was gekomen, de personen herinnerde, die zich tegenover hem welwillend hadden betoond; hoe erkentelijk hij zelfs nog was voor ieder blijk van genegenheid, hem in zijn jeugd geschonken, valt op te maken uit de lange lijst van personen uit dien tijd, aan welke hij een stoffelijk, tastbaar bewijs hiervan gaf. Noch zijn leermeesters uit Brienne, noch die van de Militaire School te Parijs, heeft hij vergeten; aan allen heeft hij een positie geschonken, die een aanmerkelijke verbetering bracht in hun lot!

Bonaparte op de Militaire School te Brienne.

Bonaparte op de Militaire School te Brienne.

De weduwe van zijn weldoener de Marbeuf verleende hij een jaargeld van 15000 francs; haar zoon benoemde hij tot baron van het Keizerrijk en kolonel van een regiment lichte cavalerie; Caroline de Colombier schonk hij de functie van hofdame bij zijn moeder, den heer Bressieux, met wien zij in 1792 huwde, die van administrateur bij het boschwezen. Camilla Hari, zijn min, de vrouw van een Corsicaanschen schipper, gaf hij rijke geschenken en [9]deed haar tegenwoordig zijn bij zijn kroning en zelfs op zijn sterfbed beval hij haar nog aan bij de uitvoerders van zijn laatsten wil, opdat zij en haar kinderen toch nimmer gebrek zouden lijden.


Aanvankelijk door ziekte verplicht tot tweemaal toe verlenging van verlof aan te vragen, bleef hij van half September 1786 tot Juni 1788 op Corsica en keerde toen eerst naar zijn inmiddels naar Auxonne verlegd regiment terug; alleen van October tot December 1787 was hij tijdelijk naar Frankrijk opgeroepen met het oog op de vrees van oorlog met Pruisen ten behoeve van Nederland.

Toen hij na een afwezigheid van zeven jaar in zijn ouderlijk huis terugkeerde, had hij zich eensklaps omringd gezien door een troepje broertjes en zusjes, die hij vroeger slechts kort of in ’t geheel niet had gekend. Alleen Marianne-Elisa was afwezig, door haar plaatsing als leerlinge op de Koninklijke meisjesschool te St. Cyr; Lucien was dertien, Louis tien, Pauline acht, Caroline zes en Jérome vier jaar. Met dat clubje speelde en ravotte hij als een schooljongen, die met vacantie is; vooral Paulette, zooals Pauline door hem altijd genoemd werd, was zijn lieveling en deze kon met haar guitig, mooi gezichtje, haar aangeboren bevalligheid en looze streken geen kwaad bij hem doen.

Terwijl hij te Ajaccio dus eenige vergoeding vond voor de volslagen vreugdelooze jaren zijner jeugd, met volle teugen kon genieten van het zoolang ontbeerde familieleven, terwijl hij zelf weder half Corsicaan werd, ontdekte hij tevens, dat kommer en zorg zijn moeder met den dag meer terneer drukten en dat de armoede haar aangrijnsde. Met den dood van zijn vader was de steun, die de familie zoo lang van de Fransche gouverneurs en ambtenaren had genoten, langzamerhand verdwenen; verleende voorrechten waren ingetrokken, contracten niet meer nagekomen; bovendien zagen de oude, Paoli trouw gebleven aanhangers in de Bonapartes en hun aanhang thans geen echte patriotten meer, doch slechts francisés, zooals ze werden genoemd. Hulp was voor hen, ook van die zijde dus niet te verwachten.

Na Carlo’s dood had oom Lucien, de aartsdiaken, het beheer der geldzaken op zich genomen, maar sinds eenige maanden leed hij aan heftige jichtaanvallen, zoodat hij het bed niet meer kon verlaten. Zuinig, bij het gierige af, toonde hij zijn belangstelling in het lot zijner nicht thans nog alleen door het bijeenschrapen en in zijn matras verstoppen van elken franc, dien hij kon machtig worden. Wel zou Jozef de aangewezen persoon zijn geweest, om als oudste zoon de leiding der zaken thans in handen te nemen, maar Jozef studeerde te Pisa in de rechten en Napoleon bleef dus alleen over.

Met dezelfde ijver en toewijding, welke hij tot nu toe had aan den dag gelegd bij al wat hij op zich nam, toog hij dus aan den arbeid, schreef brieven en verzoekschriften, diende zijn moeder als secretaris en was haar [10]tolk bij al haar onderhandelingen met de Fransche regeering. In het najaar van 1787 in Frankrijk tijdelijk terug, trok hij naar Parijs om hier met dezelfde onverzettelijke driestheid en taaiheid, welke zijn vader hadden gekenmerkt, voor haar te solliciteeren en toen in Juni 1788 zijn verlof om was, verliet hij zijn moeder slechts noode om zich te Auxonne weder aan zijn beroep te wijden. Van den jeugdigen, overmoedigen luitenant, die de pretjes najoeg en op iedere danspartij werd gezien, was intusschen weinig meer overgebleven. ’t Geen hij in zijn ouderlijk huis had gezien, vervulde hem met zorg; zooveel schulden, zooveel mondjes te vullen, wat moest daarvan het einde wezen! Reeds vroeg had hij den ernst van het leven leeren kennen; thans had hij begrepen, dat hij, de oudste zoon bijna, de eenige, die een bezoldigde betrekking bekleedde, al zijn krachten moest inspannen om zijn moeder te steunen. Werken, studeeren, kennis verzamelen waren hiertoe de middelen en wel wetende, dat aan zijn wetenschappelijke opvoeding nog zoo goed als alles ontbrak, begon hij van meet af aan te studeeren.

Eerst wilde hij zijn vak volkomen onder de knie hebben, want aan de school te Parijs was hem hiervan weinig meer onderwezen dan het infanteriereglement en de grondbeginselen van den dienst in vestingen, zelfs het gebruik en de bediening van een kanon kende hij niet eens. Met grooten ijver begon hij dus aan zijn verdere ontwikkeling en uit dien tijd is de stapel geschriften afkomstig, die hem toen reeds stempelden tot een man van studie en ernstig nadenken. De 38 cahiers met aanteekeningen en opmerkingen van zijn land, zijn geschiedenis van Corsica, zijn studiën over de Sorbonne, over de bul Unigenitas, zijn Memorie over het opstellen van kanonnen tot het verkrijgen van worpvuur, zijn kort begrip der geschiedenis van Engeland, zijn uittreksels uit Herodotus, Buffon, Plato en anderen, zijn aanteekeningen op Neckers economische en wetgevende theorieën en over Rousseau’s leerstellingen zijn bewijzen te over voor zijn leer- en werklust. Geen meteoor, geen plotseling te voorschijn getreden wondermensch is hij geweest, geen man, wien de mantel van het genie was om de schouders geworpen zonder meer. Van ’t geen hij later als krijgs- en als staatsman, als administrateur en als bewindvoerder, in één woord op elk gebied heeft gewrocht, heeft hij zelf in die eerste jaren als officier den grondslag gelegd; zijn aangeboren schranderheid, zijn genie hielpen hem verder.

Te Auxonne trok hij weldra de aandacht van generaal du Teil, directeur der artillerieschool en hieraan had hij te danken, dat hij, hoewel piepjong officier door dezen werd aangenomen als lid eener commissie van proefneming, een onderscheiding, die hem zoo verheugde, dat hij zijn oom Fesch, een halfbroeder van zijn moeder, hierover een brief schreef (Augustus 1788), maar hetgeen de jaloezie zijner kapiteins tegelijkertijd niet weinig opwekte. [11]

Intusschen leefde hij zoo armoedig en voedde hij zich zoo slecht, dat de regimentsdokter zich over hem ongerust begon te maken. Om zijn moeder te doen gelooven, dat hij volmaakt gezond was, schreef hij deze intusschen: “Werken en nogmaals werken is al wat ik hier tot ontspanning kan doen. Slechts eenmaal in de acht dagen kleed ik mij om uit te gaan. ’t Is ongeloofelijk zoo weinig ik sinds mijn ziekte slaap. Om tien uur naar kooi, ben ik om vier weder op. Eens per dag eet ik, om drie uur. Hierbij bevind ik mij zeer wel.”

Zijn gezondheidstoestand en zijn brandend verlangen naar huis deden hem in 1789 opnieuw zes maanden verlof vragen; de slechte verbindingswegen, de groote afstanden en de zeereis in aanmerking genomen, was een zoo lang verlof in die dagen niets vreemds. In September te Ajaccio gekomen, vond hij al zijn broertjes en zusjes, Elisa, die zich nog te St. Cyr bevond, uitgezonderd, bijeen en de bevolking in gisting door al hetgeen inmiddels te Parijs was gebeurd en door de gedachte, dat een omwenteling, in naam der vrijheid ondernomen, ook haar van de vreemde overheersching zou bevrijden.

Van jongsaf volbloed-republikein, door ’t geen hij aan de School te Parijs had verduurd nog in die begrippen versterkt, trouw aanhanger der stellingen van Rousseau, wierp hij zich te Ajaccio terstond midden in den strijd, sprak luid en levendig in de revolutionnaire clubs, en wist te bewerken, dat er alom nationale gardes werden opgeroepen en dat de witte cocarde werd vervangen door de driekleurige. Dit succes eenmaal verkregen, miste hij echter het noodige kapitaal om stemmen te werven en zijn invloed te bevestigen; de afgunst kwam in ’t spel. Men werd bevreesd, dat hij en zijn bloedverwanten de families, die op het kussen zaten, zouden verdringen. Zijn vroegere relaties met de Marbeuf en zijn jarenlang verblijf in Frankrijk werden hem thans tot een verwijt gemaakt; de Bonapartes heetten geen echte Corsicanen, geen patriotten meer en van al de materieele voordeelen, welke de nieuwe toestanden meebrachten, kwam het leeuwenaandeel aan de vrienden van Paoli. Zoo kreeg Jozef slechts een ondergeschikt baantje van 900 francs bij het directoire van het district Ajaccio en werd oom Fesch slechts groot-vicaris; Lucien en hij zelf kregen niets.

Toch gaf hij de hoop niet op zijn familie vooruit te helpen. Na een ballingschap van twintig jaar teruggekeerd, was Paoli overal met geestdrift ontvangen en letterlijk oppermachtig geworden. Napoleon zond hem zijn te Valence geschreven “Geschiedenis van Corsica” waarvan Mirabeau o. a. had gezegd, dat die kleine historie een genie van den eersten rang scheen aan te kondigen en tevens zijn “Open brief aan Matteo Buttafuoca” een gloeiend smaadschrift op dezen adellijken landgenoot “die Paoli kort te voren in de Nationale Vergadering had gebrandmerkt als een man, die aristocraat, [12]democraat, noch royalist, in staatszaken slecht was te vertrouwen en in alles arglistig te werk ging.”

Zijn verloftijd was inmiddels half October verstreken, doch hierom bekreunde hij zich niet, want de aanbevelingsbrieven, welke hij van het districtsbestuur van Ajaccio had weten te verkrijgen en o. a. inhielden, dat hij tot tweemaal getracht had naar Frankrijk terug te gaan, doch dat tegenwind dit telkens had belet, waren zoo vleiend, dat zijn kolonel bij zijn terugkeer (Januari 1791) hiermede volkomen tevreden was en hem aan den minister zelfs voordroeg voor de uitbetaling van zijn traktement tot den dag van terugkomst.

In Auxonne was hij thans niet meer alleen, want Louis, toen even dertien jaar, had hij meegebracht. “Dan had zijn moeder een zorg minder,” had hij gezegd en hij zou hem wiskunde en latijn leeren en later ook een artillerieofficier van hem trachten te maken.2

Een hokje van een kamertje met een slecht bed zonder gordijnen, een tafel, een koffer, een kast en twee stoelen vormden in de kazerne te Auxonne het verblijf van den toekomstigen Keizer, daarnaast in een nog schameler gemeubeld vertrekje sliep de latere koning van Holland. Zelf kookte Napoleon zijn potje, droog brood was zijn ontbijt, maar hij had geen centime schuld; zelf overhoorde hij Louis zijn vragen voor de Heilige Communie; trouw vergezelde hij hem naar de mis. Overigens vertoonde hij zich slechts zelden in het openbaar. Zijn dienst, Louis’ lessen en zijn eigen studiën namen te veel tijd in beslag om veel uit te gaan, maar wanneer hij zich een enkele maal ten huize van kapitein de Gassendi of van de familie Chabert vertoonde, kon hij zeker zijn van een hartelijke ontvangst, waartoe zijn gedrag tegenover Louis in niet geringe mate bijdroeg. Wie zijn brieven uit dien tijd over zijn broertje leest wordt getroffen door hun liefderijken, bijna vaderlijken toon; hij prijst hem over zijn ijver, zijn werklust, zijn goede vormen in gezelschap, waarin hij zich zoo gemakkelijk beweegt, hetgeen juist Napoleon zelf niet bezat, ja, hij voorspelt wonderen van hem en schreef aan Jozef. “Hij zal de beste worden van ons vieren.”

In diezelfde dagen stelde hij zijn Dialogue sur l’amour op schrift met den voor een jong officier vrij zonderlingen uitval, dat de liefde meer kwaad doet dan goed en schadelijk is voor de gemeenschap en het persoonlijk belang der menschen; zelf zal hij daar later wel eens anders over denken dan als luitenant van de artillerie.

Een kleine verbetering in zijn omstandigheden kwam door zijn benoeming tot eerste-luitenant (Mei 1791); tevens werd hij naar Valence teruggeplaatst. [13]Hier betrok hij terstond zijn vroeger kwartier bij juffrouw Bou weder; hij werd een ijverig bezoeker van de club der vrienden van de Constitutie en zette zich aan de beantwoording eener prijsvraag, uitgeschreven door de Academie te Lyon en tot onderwerp hebbende: “Het bepalen der waarheden en gevoelens, den mensch in te prenten, ter bevordering van zijn eigen geluk.”

Zijn arbeid werd niet bekroond; een der beoordeelaars noemde dien een in krasse bewoordingen uitgedrukt droombeeld; een ander vond het geheel te slecht gesteld en geschreven, om de aandacht te verdienen. Toch bevatte het geschrift een reeks oorspronkelijke denkbeelden en verheven gevoelens, en teekende het den vurigen aanhanger der republikeinsche beginselen.

Door bemiddeling van generaal du Teil, die zijn beschermer was gebleven in weerwil van Napoleons sterk geavanceerde begrippen, kreeg hij in October 1791 weder eenige maanden verlof. De verkiezingen waren op handen en hij wilde zijn broeder Jozef met alle macht ter zijde staan om een goed bezoldigde staatsbetrekking—het doelwit van elken rechtgeaarden Corsicaan—te veroveren. Door den dood van oom Lucien, 16 October, was het kleine kapitaal, dat de man door jarenlange spaarzaamheid had bijeengeschraapt, aan de kinderen gekomen; er was dus geld om stemmen te koopen en helpers te werven; in de woning van moeder Laetitia stroomde de wijn, de gansche familie der Bonapartes kwam in ’t geweer en door een daad van geweld, die in een goed geordenden staat als volkomen onwettig zou zijn beschouwd, doch die op Corsica gold voor een wonder van handigheid en durf, wist Bonaparte zich te doen verkiezen tot luitenant-kolonel van een der nieuw opgerichte bataljons vrijwillige nationale garde, op een tractement gelijkstaande aan dat van kapitein bij zijn wapen, honderd twee en zestig francs in de maand.

Wat een overwinning op de tegenpartij, die Pozzo di Borgo gekozen had willen zien, wat een blijdschap in de woning der weduwe! Dat Bonaparte die betrekking aanvaardde, was geheel in overeenstemming met den inhoud eener wet, waarbij de officieren van het staande leger hiertoe werden gemachtigd.

Nu begon Paoli weder met de Bonapartes te rekenen. Wel had hij over Napoleons open brief aan Matteo Buttofuoco zijn afkeuring te kennen gegeven en hem bronnen geweigerd voor zijn geschiedenis van Corsica, maar in dien toestand was verandering gekomen, want Paoli begreep voor zijn plannen de Bonapartes noodig te hebben. Na jarenlang verblijf in Engeland met zijn parlementaire staatsinrichting had Paoli een afkeer gekregen van de in Frankrijk heerschende toestanden en, hoewel hij zijn plannen nog verborgen hield, streefde hij naar Corsica’s onafhankelijkheid, hetgeen Napoleon reeds had begrepen. [14]

Onder deze omstandigheden was het verklaarbaar, dat Napoleon niet veel lust had naar zijn standplaats terug te keeren, toen zijn verlof ten einde liep en onder voorwendsel van zijn benoeming tot luitenant-kolonel, bleef hij te Ajaccio. Toch begreep Napoleon, die wel wist, dat zijn onmiddellijke chef, zijn kolonel, hem volstrekt niet genegen was, dat hij gevaarlijk spel speelde en daarom zond hij een langen brief aan zijn vriend, den Commissaris van Oorlog te Valence en zette hem den stand van zaken uiteen. “Heiliger en dierbaarder plichten dan die van den dienst strekken tot mijn rechtvaardiging en maken, dat ik geen zelfverwijt gevoel,” schreef hij o. a. en later nog weder: “Onder zulke bedenkelijke omstandigheden behoort een goed Corsicaan zich op zijn eerepost, dus in zijn land te bevinden.”

Men leefde onder abnormale omstandigheden. De regeering te Parijs zag dat stoutmoedig optreden van den Corsicaanschen artillerieofficier, die zijn opleiding geheel aan Frankrijk had te danken, Fransch sprak en op zijn eiland voor haar dus van groot nut kon wezen, waarschijnlijk niet ongaarne, doch zijn kolonel dacht er anders over en deed hem schrappen van de lijst der actief dienende officieren; Napoleon had zijn betrekking verloren.

Bovendien was in April te Ajaccio een oproer uitgebroken, waarbij niet alleen bloed had gevloeid, doch waarbij Napoleon een zeer vreemdsoortige rol had vervuld en dit verergerde zijn toestand nog; hij werd daarom naar Parijs geroepen om zich te verantwoorden.

Inmiddels was hij tot kapitein benoemd en in dien rang bleef hij gehandhaafd, terwijl het hem niet zooveel moeite kostte zijn houding bij het oproer te rechtvaardigen; ook voor het eigendunkelijk wegblijven van zijn regiment werd een oog dichtgeknepen. Al was hij in zijn rang gehandhaafd toch gelukte het hem niet in de eerstvolgende maanden een plaats bij de artillerie te herkrijgen en zien we hem van Mei tot September 1792 doelloos en arm te Parijs. Wel woonde hier de familie Permon nog; wel vond hij zijn vriend de Bourrienne, die intusschen gehuwd was, terug, maar zijn trots en zijn neiging tot alleen zijn, beletten hem veel gebruik te maken van de gastvrijheid, welke beiden hem aanboden. Eenige malen ging hij Elisa bezoeken te St. Cyr; voorts leefde hij veel op straat, vervuld met de vraag wat hij, op Corsica teruggekeerd, doen zou, een aanhanger worden van Paoli en dan met de Engelschen heulen, of Frankrijk getrouw blijven. Dat ijdelheid, eerzucht en gouddorst bij de meeste menschen ook te Parijs de drijfveeren hunner daden waren, was hem niet lang verborgen gebleven; doch te Parijs was het strijdperk ruimer; de kans van slagen dus grooter. Bovendien bezat Frankrijk een leger, hier zou hij dus echte soldaten te commandeeren krijgen, terwijl op Corsica hoogstens eenige vrijwilligers onder zijne bevelen zouden staan.

In de Juni- en Augustusdagen van 1792 woonde hij te Parijs tooneelen bij, die hij nimmer zou vergeten en hem een grooten afschuw van de anarchie [15]deden krijgen; op de journée van den 20 Juni volgde hij de menigte en verbaasde zich er over, dat men het volk de Tuilerieën had laten binnengaan; hoe gaarne zou hij toen artillerie tot zijne beschikking hebben gehad. Op gevaar af van zelf te worden gevangen genomen sprong hij den 8en Augustus bij den heer Permon zelfs ridderlijk in de bres, toen een troep kerels, onder leiding van een lid van het comité der sectie, waarin de woning van dezen heer lag, zonder lastgeving een huiszoeking wilden doen.

Hoe hij over den toestand dacht, toonde hij in een brief aan Jozef. “Een ieder zoekt zijn voordeel; laaghartiger dan ooit wordt er geïntrigeerd en lasteren is een der middelen om op het kussen te komen. Die hier aan ’t hoofd staan zijn povere kerels; wie dat gedoe van nabij bekijkt, moet bekennen, dat de volkeren slechts half de moeite waard zijn, om hun gunst te verwerven. De geschiedenis van Ajaccio ken je; die van Parijs is precies dezelfde; alleen zijn de menschen hier misschien nog kleinzieliger en boosaardiger en zijn ze nog grootere bedillers en vitters dan daar..”

Voorts schreef hij aan Lucien, die ook in de politiek was getreden en op zijn zeventiende jaar reeds in de volksvergadering te Ajaccio stond te wauwelen en een proclamatie tot de Corsicanen had gericht, “dat zijn stuk een prul was met woorden te veel en ideeën te weinig en dat men met hoogdravenden bombast bij het volk niet moest aankomen.”

Maar nadat hij den 10en Augustus heeft bijgewoond, die bergen lijken in de straten, die stapels doode Zwitsers voor de Tuilerieën heeft gezien, als trouwe soldaten gevallen bij de verdediging van het paleis van hun Koning; nadat hij tot de ontdekking is gekomen hoe geweldig de dierlijkste hartstochten bij het volk der hoofdstad zijn ontketend, bevangt hem bange bezorgdheid voor het leven zijner familie, want ook op Corsica is het oproer.

Een paar dagen later komt het decreet, dat de school te St Cyr wordt gesloten, dat de leerlingen zijn ontslagen en onder het genot van reiskosten—20 sou per uur—naar haar woonplaats kunnen terugkeeren. Geen bruidschat dus van drieduizend francs, geen uitzet heeft Elisa meer te wachten en zij is al vijftien jaar.

In de eerste dagen van September grijpen te Parijs moordtooneelen plaats, die in afschuwelijkheid al het tot nu toe gebeurde overtreffen; en nog altoos heeft Napoleon zijn aanstelling niet en laat het departement van oorlog bedolven onder stapels gewichtiger werk, hem wachten. Waar moet hij met het meisje heen! Bij zich houden kan hij haar niet.

Eindelijk wordt het lang verwachte brevet hem uitgereikt; nu vraagt hij verlof zijn zuster naar Ajaccio terug te geleiden. Dit wordt hem toegestaan; ook ontvangt hij de machtiging het bevel over zijn bataljon nationale vrijwilligers weder op zich te nemen.

’t Werd een reis met hindernissen; van Lyon moest ze per schip, de [16]Rhône af, worden voortgezet. Te Marseille was geen scheepsgelegenheid en wachten dus de boodschap; maar eindelijk (October) werd Ajaccio toch bereikt, en voor de eerste maal in dertien jaar zag Laetitia al haar kinderen bijeen. Wel heerschte er vreugde, doch de toekomst was donker. Jozef was niet verkozen tot afgevaardigde naar Parijs. Liever lui dan moe, prat op zijn rechten als hoofd der familie, aangenaam geprikkeld als de broertjes hem “graaf” noemden, daarbij tamelijk onwetend, was hij blijkbaar niet in den smaak der kiezers gevallen.

Wederom had Napoleon over Paoli’s ontvangst niet te klagen, doch hij zelf was koel en geretireerd; reeds had hij een keuze gedaan. In hem zou de oude demagoog geen partijgenoot vinden. In dit besluit werd hij nog versterkt na terugkomst van een expeditie naar het eiland Sardinië, welks vorst, de Koning van Savoije, met de Fransche Republiek in oorlog was (28 Februari 1793).

Overtuigender dan ooit was hem op dezen totaal mislukten tocht, waarbij hij de artillerie gecommandeerd had, gebleken, dat Paoli heulde met de Engelschen en verraad pleegde.

Toch had deze bijna ongelooflijke toestand, waaraan Frankrijk alleen door het zenden eener troepenmacht een einde had kunnen maken, nog lang kunnen voortduren, wanneer Lucien door een dollen zet de bom niet had doen barsten.

Vol eigenwaan, oordeelende over menschen en zaken, alsof hij een ervaren man was, het hoofd vol stopwoorden en holle phrasen, die hij met veel aplomb debiteerde en die zijn onwetende omgeving en vooral zijn vrouwelijke familieleden in hem een ster van de eerste grootte, een genie, deden zien, had deze mislukte leerling van Brienne en van het gymnasium te Aix op zijn vijftiende jaar de studie er aan gegeven, omdat er voor hem geen beurs meer beschikbaar was.

Hij was toen thuisgekomen en begonnen met het volkladden van stapels papier en de politiek was alles voor hem, waarin hij dan ook spoedig een heel heer meende te wezen. Bij Paoli was het hem mislukt diens secretaris te worden, maar omdat hij vloeiend Italiaansch en Fransch sprak, goed zijn woordje kon doen en een gunstigen indruk maakte, was hij door den Franschen gezant de Sémonville bij diens komst te Ajaccio als tolk gekozen en met dezen was hij later naar Toulon gereisd.

Nauwelijks hier, was hij naar zijn politieke club geloopen en had daar een krachtige speech afgestoken tegen Paoli, hem beticht van landverraad en tevens een adres opgesteld aan de Nationale Conventie. Deze ontving dat juist in de dagen, toen het verraad van Dumouriez ook bekend werd. (April)

“Ik heb onze vijanden een beslissenden stoot toegebracht. Daarop hadt jelui niet gerekend” schreef hij aan zijn broers. Maar op hetgeen thans volgde had hij zeker niet gerekend.

De eed in de Kaatsbaan. 20 Juni 1789.

De eed in de Kaatsbaan. 20 Juni 1789.

[17]

Opgeroepen voor de rechtbank te verschijnen op last der Nationale Conventie, wierp Paoli het masker af, beval de inhechtenisneming der gansche familie Bonaparte en legde beslag op haar eigendommen. Terwijl Lucien kalmpjes te Toulon zat, zag zijn moeder haar huis dus plunderen en in vlammen opgaan, konden Jozef en Napoleon ternauwernood het leven er afbrengen en achtten zich allen gelukkig, toen ze na dagen lang omzwerven onder de hoede van eenige hun trouw gebleven herders en bergbewoners aan boord konden komen van een Fransch schip, dat voor de bezetting van Calvi te Toulon munitie zou gaan halen.

Geld, papieren, brieven, eigendomsbewijzen, alles was met één slag verloren. Laetitia was straatarm geworden en ’t was wel zeer hard voor haar na vier en twintig jaar in vrede geleefd te hebben nu alles verstrooid en verwoest te weten, maar als echte Corsicaansche toonde ze haar rouw aan de buitenwereld niet, bleef kalm en bedaard en schonk haar achttienjarigen zoon, die haar dit alles berokkend had, volkomen vergiffenis.

Eerst te Toulon, later als het ook hier niet meer veilig is, in een aangrenzend gehucht, zocht ze een onderdak en leefde in de eerstvolgende drie maanden met haar kroost uitsluitend van rations levensmiddelen, die haar als vluchtelinge door de Nationale Conventie werden verstrekt en van hetgeen Napoleon, die terstond naar Nizza was vertrokken, van zijn traktement als kapitein der artillerie kon missen. Meer dan de helft stond de zoon haar af.

Napoleon was het meegeloopen, want door generaal du Teil, die te Nizza commandeerde, was hij terstond belast geworden met de bewapening der kustbatterijen aldaar, later met het transport van munitie daarheen. Zijn achterstallig tractement, ongeveer drie duizend francs, zou hem worden uitbetaald, terwijl hij door een vriend te Ajaccio weder in het bezit kwam van eenig nog te vorderen geld en van een deel van zijn goed.

Bij dit alles was hij een heftig republikein gebleven, hetgeen o.a. bleek uit zijn Souper de Beaucaire, een later voor rijks rekening in druk verschenen vlugschrift, waarin hij o.a. de onmacht van den federalistischen opstand aantoont en de Marseillanen aanraadt weder één te worden met de Conventie.

Ook Jozef had intusschen niet stilgezeten; terstond was hij naar Parijs vertrokken en had hier van de Conventie gedaan gekregen, dat een bedrag van 600.000 francs ter beschikking werd gesteld van de uitgeweken Corsicaansche families. Door den afgevaardigde Saliceti, uit Bastia afkomstig en een vriend van den huize, waarschijnlijk hierin gesteund, had hij tevens kunnen zorgen, dat het aandeel der Bonapartes hierin niet het kleinste was. [18]


1 Keizer geworden heeft hij de handen toch niet geheel van hem afgetrokken; hij gaf hem te Hamburg een goed bezoldigde betrekking. In zijn gedenkschriften heeft Bourrienne zijn vriend en weldoener echter niet gespaard.

2 Wij gelooven niet, dat er in deze dagen veel luitenants van een-en-twintig jaar bereid zouden zijn bij een inkomen van drie francs en vijf centimes per dag nog een broertje voor hun rekening te nemen.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk II.

Een blik op de Fransche omwenteling.

Reeds een paar maal spraken we van opstanden te Parijs, waarbij de Tuilerieën door het volk werden bestormd; mogelijk bewijzen wij den lezers een dienst met in ’t kort na te gaan, wat er in de jaren 1789–1795 in Frankrijk voorviel.

De oorzaken van de Fransche Omwenteling voeren ons terug naar den tijd van Lodewijk XIV (1643–1715), onder wien Frankrijk tot een der machtigste staten van Europa werd gemaakt. Getrouw aan zijn eenmaal gesproken woorden “l’Etat, c’est moi1 regeerde hij volkomen absoluut en had den adel, die in den Frondeoorlog reeds veel geleden had, tot uitsluitend hofadel teruggebracht. Colbert zorgde voor de uitbreiding van de handelsvloot, een krachtige oorlogsmarine en het stichten van groote havens als Duinkerken, Brest, Toulon enz.; Louvois, zijn minister van oorlog, wist het leger tot een groote kracht te maken, waarmede ongeveer een kwart eeuw de strijd werd aangebonden met de staten van Europa.

Wel waren uitbreiding van het land naar ’t Noorden en Oosten, het stichten van koloniën in de verschillende werelddeelen hiervan o.a. het gevolg, maar die voordeelen werden gekocht voor groote opofferingen, welke het land uitputten, terwijl de wreede vervolgingen der protestanten Frankrijk nog beroofden van 400.000 harer beste onderdanen, meenemende een schat op het gebied van kapitaal en industrie, hetgeen aan Pruisen, Nederland en [19]Engeland, waar de emigranten zich vestigden, ten goede kwam. De zonnekoning deed Europa verbaasd staan door zijn overwinningen in de oorlogen, door de luxe aan zijn hof, door de prachtige werken, die in ’t land werden aangelegd, maar Frankrijk droeg er de lasten van en Lodewijk XV aanvaardde de regeering met een schuld van bijna een milliard. En deze vorst?

Toen hij nog jong was, opende zijn gouverneur eens de vensters van het paleis en zei, het kind op de menigte wijzende, die zich voor het paleis had verzameld: “Al dat volk is voor U.” Opgevoed in een omgeving, waar men doordrongen was van het beginsel, eens door zijn voorganger uitgesproken, kon men wèl hopen, niet veel verwachten.

De toestand werd er niet beter op; de financieele operaties van John Law vernietigden het crediet van den staat en ruïneerden tal van kleine renteniers; de zevenjarige oorlog kostte Frankrijk behalve veel menschenlevens en geld, nog haar beste koloniën in Amerika en Azië; de zedeloosheid van het hof werd het schandaal van dien tijd en het volk, dat den vorst eens den naam van “Louis le Bien aimé” had gegeven, werd met haat en afkeer vervuld van den koning, die niet minder tiranniek als zijn voorganger regeerde.

Groot was de blijdschap, toen zijn dood in Frankrijk bekend werd en de teugels van het bewind in handen kwamen van zijn kleinzoon Lodewijk XVI (1774–1792), van wien men in het begin nog al goede verwachtingen had.

Zou hij veranderingen aanbrengen? Wat viel er niet te verbeteren! De macht van den vorst was onbeperkt, uitvoerende en wetgevende macht berustten bij den koning; het volk had geen invloed op de regeering, kende evenmin staatkundige rechten; de rechterlijke macht was niet onafhankelijk en meermalen werd in de rechtspraak door den vorst ingegrepen, terwijl de beruchte “lettres de cachet” zonder eenigen vorm van proces iemand in de gevangenis brachten; ze werden wel in blanco verstrekt, zoodat men ze dan zelf kon invullen! De belastingen waren drukkend, ongelijk verdeeld en werden geïnd door middel van een pachtstelsel; soms moesten ze twee keer in een jaar worden opgebracht, terwijl het grootste gedeelte van de opbrengst niet in de schatkist vloeide, maar door hof en adel werd opgemaakt.

Het volk was verdeeld in standen met verschillende rechten en plichten; allereerst kwamen adel en geestelijkheid, die, hoewel zij minstens twee derden van het land bezaten, niet alleen geen belastingen opbrachten, maar nog tal van privileges bezaten en tevens heerlijke rechtspraak uitoefenden; zij waren eigenaars van de molens, de ovens en de wijnpers; ze mochten tollen, marktrechten, belastingen in natura en corveeën eischen. Kortom zij genoten wel al de voordeelen, maar het dragen van de lasten der maatschappij kenden ze niet. Kenmerkten ze zich door uiterlijke vormen en beschaving, ook door zedelijk bederf; weelde, genotzucht en eerzucht waren hun hoofdeigenschappen en aan hun roeping, voorgangers en leiders van het volk te zijn, voldeden [20]ze niet meer. Alleen de lage geestelijkheid maakte hierop een uitzondering, maar deze was te arm en te weinig ontwikkeld om grooten invloed uit te oefenen. Behalve deze bevoorrechten had men nog den 3en stand, waartoe zoowel ambtenaren, groothandelaren en industrieelen, als handwerkers, vrije boeren en loonarbeiders behoorden. Wel kon men onder deze 25 millioen twee elementen onderscheiden, n.l. de bourgeoisie en het lagere volk, maar zij waren bij het begin der omwenteling onverdeeld, gingen samen strijden tegen de privileges en misbruiken van hof, adel en geestelijkheid, bewust als zij zich waren van hun gemeenschappelijken vijand.

De toestand onder het ancien régime was wel ellendig en werd vooral aan het licht gebracht door den invloed van groote denkers en schrijvers als Voltaire, Rousseau, Montesquieu en de Encyclopedisten Diderot en d’Alembert, mannen, meest allen overleden, voordat de omwenteling begon, maar die in hun geschriften de bestaande toestanden aanvielen en middelen gaven ter verbetering.

Het was zoo waar, wat Lord Chesterfield reeds in 1754 zei:

“Kortom alle verschijnselen, die ik ooit in de geschiedenis als voorboden van groote staatsveranderingen en omwentelingen aangetroffen heb, worden thans in Frankrijk gevonden en nemen nog dagelijks toe.”

Was Lodewijk XVI nu een verlichte, krachtige figuur geweest, die den toestand juist inzag, zich wist te omringen door kundige, doortastende raadslieden, die de nooden des volks begrepen, hierin verbetering wilden brengen en hierbij door hem werden gerugsteund, dan was de omwenteling waarschijnlijk niet door stroomen bloeds onteerd. Aan deze voorwaarden voldeed de koning echter niet.

Goedhartig en zwak, wel vervuld met de gedachte aan zijn verplichtingen, doch onbeduidend en wankelmoedig, zullen we hem nooit flink zien doortasten, wanneer dit noodig is. Hij, die wel een steuntje noodig had, werd ook niet door zijn omgeving geholpen. Zijn vrouw Marie Antoinette, een dochter van Maria Theresia, als Oostenrijksche reeds weinig bemind, was veel te onnadenkend en te hooghartig om hem in zijn moeilijke taak bij te staan; zijn jongste broer de Graaf van Artois, een levenslustig edelman, vormde steeds het hoofd der oppositie tegen alle hervormingen en ook de Graaf van Provence, hoewel veel gematigder van karakter, werkte den koninklijken broeder tegen.

Afstammelingen van Lodewijk XV.

[21]

Lodewijk XVI begon met de ministers van zijn voorganger te ontslaan, benoemde wel tot controleur-generaal van de financiën Turgot, een rechtschapen, eerlijk man, die zich reeds tevoren door zijn geschriften had bekend gemaakt, doch droeg de leiding der buitenlandsche zaken op aan Maurepas, “de Papegaai van het Regentschap,” een volbloed hoveling, uit welke benoeming al dadelijk de besluiteloosheid van den koning bleek.

Een reeks van hervormingen volgde spoedig op elkaar, maar hoe kon Turgot heerendiensten afschaffen, tolrechten opheffen enz., wanneer niet de bevoorrechte standen inzagen, dat zij ten bate van het algemeen van vele hunner privileges afstand moesten doen. Zij dachten er niet over en ofschoon de koning eens had gezegd:

“Er zijn maar twee menschen, die het goed meenen met Frankrijk, dat zijn Turgot en ik,” kreeg deze in 1776 zijn ontslag en werd vervangen door Necker, een bankier uit Genève. Deze had met dezelfde bezwaren als zijn voorganger te kampen, maar het gelukte hem eenige millioenen te leenen, die in den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog verdwenen, en toen hij in zijn Compte Rendu au Roi den slechten financieelen toestand van Frankrijk openbaar maakte, was het met zijn rijk uit en viel ook hij door het verzet der hoogere standen. Inmiddels duurde de oorlog in Amerika voort en zagen vele Franschen als Lafayette e.a., hoe de nieuwe ideeën daar hun toepassing vonden bij de stichting van de Republiek der Vereenigde Staten, doch Frankrijks regeering trok er geen les uit.

Calonne, die Necker was opgevolgd, wist nog honderd millioen te leenen, waarvan nauwelijks een vierde in de schatkist terecht kwam. “Wanneer ik iedereen de hand zie ophouden om wat te krijgen, houd ik mijn hoed bij,” zei de Graaf van Provence; in zijn hoed kwamen vijf en twintig, in dien van den Graaf van Artois zes en vijftig millioen!

Een vergadering der notabelen, in ’t begin van 1787 bijeengeroepen om over den toestand te beraadslagen, bracht geen verbetering. Samengesteld uit de bevoorrechte klassen, was zij tot het brengen van offers aan de schatkist niet te vinden. Zelfs vergrootte zij het gevaar, want door haar werd thans wereldkundig, dat de staatsschuld meer dan anderhalf milliard bedroeg en dat er op de begrooting een jaarlijksch tekort was van honderdveertig millioen.

Het eenige middel om Frankrijk voor een staatsbankroet te vrijwaren scheen nu te zijn de bijeenroeping der Etats-Généraux, waarop reeds meermalen was aangedrongen. De koning had den adel verzocht te bezuinigen, de parlementen belastingen in te schrijven, de kapitalisten leeningen te sluiten; ten slotte had hij zich tot de notabelen gewend, om een deel der staatslasten te dragen; allen hadden geweigerd. Nu was hij wel gedwongen zich tot geheel Frankrijk te richten en riep daarom de Etats-Généraux tegen den 5en Mei te Versailles bijeen, terwijl de koning na lang aarzelen, op voorstel van [22]Necker, die inmiddels was teruggeroepen, had bepaald, dat de derde stand evenveel leden zou afvaardigen als de adel en de geestelijkheid te zamen.

Uit de vaststelling van dit aantal moest nu ook, wilde de verdubbeling van den 3en stand eenige waarde hebben, de stemming per hoofd volgen, maar deze quaestie was echter nog niet door Necker opgelost. Het gevaarlijke van deze besluiteloosheid zag men pas later in.

Door deze regeling stond de omwenteling voor de deur.

De verkiezingen, waarop van regeeringswege geen invloed werd uitgeoefend, hadden plaats ongeveer op de wijze, zooals dat in 1614 was geschied; directe keuze van adel en geestelijkheid, trapsgewijze voor den 3en stand.

De afgevaardigden kregen lastbrieven, z.g. cahiers mee, waarin de wenschen der kiezers waren uitgedrukt; in die van den 3en stand vroeg men stemming per hoofd, waarborgen voor beter financieel beheer, opheffing of verplichte afkoop der feodale rechten, gelijkheid op ’t gebied der belastingen, afschaffing van de pijnbank en de doodstraf; in enkele van hun cahiers eischte men de erkenning, dat de 3e stand het volk, de natie is, een idee uitgedrukt in de bekende brochure van Siéyès. “Wat is de 3e stand? Niets. Wat moet hij zijn? Alles.

Opmerkelijk, alle cahiers erkenden, dat de koninklijke macht, erfelijk in mannelijke lijn, moest worden behouden. De 3e stand was dus in 1789 volkomen royalistisch.

De cahiers van adel en geestelijkheid droegen sporen van verdeeldheid; wel waren er, die ook belasting voor de hoogere standen inhielden, maar stemming per stand, niet hoofdelijk stond op hun programma. De groote dag brak aan. Een ontzettende menigte stroomde den 5en Mei naar Versailles, om van het schouwspel getuige te zijn; alle tribunes in de vergaderzaal waren stampvol. Daar traden ze binnen, de afgevaardigden, samen bijna 1200 in getal. Reeds deed het verschil in costuum tusschen de drie standen pijnlijk aan; de geestelijkheid in plechtgewaad, de adel in ’t zwart met goudlaken vest en mouwopslagen en witte pluimen op den hoed; de derde stand eenvoudig in ’t zwart zonder eenig versiersel. De koning had dit bevolen. Gevolgd door het geheele hof en bij zijn komst geestdriftig toegejuicht, opende de koning de vergadering met eenige nietszeggende woorden, hield evenals Necker een redevoering, waarin over groote hervormingen niet werd gesproken, de stemming per stand of per hoofd wel werd aangeroerd, doch niet opgelost; tegen “gevaarlijke nieuwigheden” moest worden gewaakt; alleen bleek, dat de Etats-Généraux vooral waren opgeroepen om in den bestaanden geldnood te voorzien.

Welk een teleurstelling! Waren ze daarvoor naar Versailles gekomen? Of zou Mirabeau’s woord: “Het tekort is de schat der natie” in vervulling gaan en de geldnood benuttigd worden om een Constitutie te krijgen?

Reeds den volgenden morgen begon de strijd over het onderzoek der [23]geloofsbrieven. De derde stand verlangde, dat dit zou plaats hebben in de volle vergadering, dus samen met adel en geestelijkheid. Deze, in een afzonderlijk lokaal vergaderd, verzette zich hiertegen. Pogingen om tot een vergelijk te komen mislukten; intusschen wachtte de derde stand, op aanraden van Mirabeau, geduldig maar vastberaden en dicht aaneengesloten op een beslissing.

Vastbesloten zich te verklaren tot een vergadering, die het geheele volk vertegenwoordigde, bezwoer de derde stand in de ochtendzitting van den 28en Mei de geestelijkheid, in naam van den God des vredes en van het algemeen belang, mede te werken.

Het hof bevreesd geworden, dat de geestelijkheid aan dezen oproep zou voldoen, deed weder onderhandelingen beginnen. Zoo verliepen eenige weken. ’t Werd 10 Juni.

Op dezen datum begon de lawine der omwenteling haar val.

Begrijpende, dat de tijd tot handelen was gekomen, nam de derde stand toen van den abt Siéyès, een zijner vertegenwoordigers, een motie aan, die aan de zaak een einde maakte. Adel en geestelijkheid werden n.l. uitgenoodigd in de zittingzaal te verschijnen, om tegenwoordig te zijn bij het onderzoek der geloofsbrieven, “welk onderzoek in elk geval, mèt of zònder hun bijzijn, thans zou plaats hebben.”

Dit stoute optreden werd den 17en Juni weder op voorstel van Siéyès, door een krachtiger besluit gevolgd. De derde stand constitueerde zich tot een Nationale Vergadering; geen statenvergadering was er meer, voor het gansche volk trad hij op.

Weg waren de drie standen, verdwenen uit het staatsbestuur! Zoolang het onderzoek der geloofsbrieven niet had plaats gehad in den door hen verlangden vorm, erkende de derde stand de beide andere niet meer.

Het eerste besluit, dat de Vergadering nam, was een daad van souvereiniteit, want ze stelde de ondeelbaarheid vast van het wetgevende lichaam en maakte de twee bevoorrechte standen hiermede van haar afhankelijk.

Hoe het hof voorloopig in bedwang moest worden gehouden, was nu de vraag. De Vergadering verklaarde de uitgeschreven belastingen daarom voor onwettig, maar—beval die te blijven innen, zoolang zij zitting hield. Tevens garandeerde zij de nationale schuld en stelde de kapitalisten daardoor gerust, eindelijk voorzag ze in den nood der volksklasse door het benoemen van een comité voor levensbehoeften.

Nam de bevolking vol geestdrift kennis van dit bedachtzame, doch krachtige optreden, het hof en de hoogere standen voelden zich voor de keuze gesteld: onderwerpen of toevlucht nemen tot geweld en ze raadden den koning tot dit laatste; wat dacht men nu wel, een koning bij de gratie Gods de wet te kunnen stellen?

Na lang beraad besloot de vorst nogmaals een koninklijke zitting te houden en vreezende, dat de meeste geestelijken, in den tijd, noodig om de [24]zalen in orde te brengen, gemeene zaak zouden maken met den derden stand, liet de koning de vergaderzaal zoolang sluiten.

Den 20en Juni vond de derde stand de deuren gesloten, de gewapende macht ervoor!

Niet hier, dan ergens anders, was terstond het wachtwoord. Met den president Bailly voorop, toegejuicht door het volk, zelfs begeleid door enkele soldaten, toog de derde stand reeds versterkt door tal van geestelijken, naar een nabijgelegen kaatsbaan. Hier zwoeren alle afgevaardigden, het hart vol van de heiligheid hunner zending, met opgeheven hand, “niet uiteen te gaan, voordat ze aan Frankrijk een Grondwet hadden geschonken.”

Den volgenden morgen was ook de kaatsbaan gesloten; de prinsen hadden die afgehuurd. Thans richtte de stoet zich naar de kerk van St. Louis. Voor het hof was de bom verkeerd gesprongen.

Den 23en was ’t weer koninklijke zitting. Troepen omringden de vergaderzaal! De gepriviligeerde standen traden het eerst binnen, daarna de derde stand, na een uur in den regen gestaan te hebben; de tribunes waren onbezet, de toegang was verboden. De geestelijkheid zat links, de adel rechts, de derde stand in het midden der zaal, alles als op 5 Mei, maar toch welk een verschil! Thans was de derde stand zich bewust van zijn roeping, de vertegenwoordiging te wezen van geheel de natie. Met allen luister van het ancien régime komt de koning de vergaderzaal binnen; een doodsche stilte ontvangt den vorst. Op hoogen toon uit hij zijn ontevredenheid over de ontstane breuk; verklaart alle op 17 Juni genomen besluiten nietig, gelast standsgewijze te vergaderen, dreigt met ontbinding en in geval van tegenstand, met ernstige maatregelen, beveelt ten slotte de afgevaardigden uiteen te gaan.

De koning vertrekt met zijn gevolg; adel en geestelijkheid volgen zijn voorbeeld; de derde stand blijft zwijgend, roerloos zitten.

De groot-ceremoniemeester de Brézé, bemerkende, dat niet door alle leden aan den last van zijn vorst werd voldaan, kwam terug en zei aan den president: “Mijnheer gij hebt het bevel van den koning gehoord?

Toen stond Mirabeau, de afstammeling van een der oudste adellijke geslachten van Frankrijk, maar een volbloed aanhanger der volkspartij, op, en zei aan de Brézé, dat hij geen plaats in deze vergadering had, noch recht van spreken en verder: “Ga aan uw meester zeggen, dat wij hier zijn door den wil van de natie en dat wij alleen van hier gaan door de kracht der bajonetten.

Wij zijn heden, wat we gisteren waren, laten wij voortgaan met beraadslagen,” liet Siéyès hierop volgen.

Kalm en vastberaden toog men aan den arbeid; alle genomen besluiten bleven gehandhaafd, terwijl op voorstel van Mirabeau de onschendbaarheid van de leden der Vergadering werd afgekondigd. [25]

En de koning? Toen de Brézé hem overbracht, wat Mirabeau had gezegd, gaf hij ten antwoord: “Als ze niet willen heengaan, moeten ze er maar blijven.” Den 23en Juni 1789 ging het koninklijke gezag in Frankrijk verloren.

Dit krasse verzet had de koning niet verwacht, hij gaf toe; Necker, eerst ontslagen—aan de zitting had hij geen deel willen nemen—werd nogmaals teruggeroepen en de bevoorrechte standen ontvingen het verzoek, thans het verzet te staken en zich met den derden stand te vereenigen.

Zoo had alles nog terecht kunnen komen. Met voorzichtigheid en eerlijkheid had de goede verstandhouding tusschen de kroon en de Vergadering hersteld kunnen worden, doch van den eersten schrik bekomen, ried het hof den zwakken vorst thans met geweld te beproeven, wat met een vertoon van gezag niet was gelukt.

Wederom gaf Lodewijk aan dezen slechten raad gehoor. Troepen werden rondom Parijs samengetrokken. Al die vreemde regimenten, wier trouw aan den koning spreekwoordelijk was geworden, begonnen in de hoofdstad echter onrust en wantrouwen te wekken. De Vergadering gaf den koning dus in eerbiedige, doch manmoedige taal in overweging, die troepen naar hun garnizoenen te doen terugkeeren. Een weigering was hierop het antwoord.

In den tuin van het Palais Royal, door den Hertog van Orleans voor het publiek opengesteld, hoorde men reeds heftige redevoeringen en waarschuwde Camille Desmoulins in opruiende taal het volk voor de door het hof genomen maatregelen. Den 12en Juli verspreidde zich te Parijs het gerucht, ’t geen waarheid bleek te bevatten, dat Necker nogmaals was ontslagen en in een nieuw ministerie o.a. was benoemd, de bij het volk zoo beruchte Foulon.

Op een verzoek van het volk om brood, had hij eens geantwoord: “Als ze honger hebben, moeten ze maar gras eten!

Nu volgden daden van geweld te Parijs.

Daar eischte men reeds een burgerwacht en de kiezersvergadering, die sinds eenigen tijd op het stadhuis zitting hield, bracht dit verzoek, aan de Vergadering over, die toegaf.

Parijs wapende zich; de smeden werkten dag en nacht; het Huis der Invaliden werd geplunderd en de geweren, daar gevonden, verdeeld; de klokken van het stadhuis en van de kerken riepen de bevolking te wapen. Standjes tusschen de gardes françaises en de vreemde troepen hadden plaats.

In den morgen van den 14en Juli trokken gewapende benden uit de voorstad St. Antoine onder den kreet “Naar de Bastille” in de richting van de staatsgevangenis, die achter haar zware, sombere muren in vroeger tijden zooveel ongerechtigheden had zien gebeuren, waar zooveel onschuldigen door een “lettre de cachet” waren geherbergd geweest en van waaruit de kanonnen op de stad gericht heetten. [26]

Verzocht, de sterkte over te geven, weigerde de gouverneur De Launay hieraan te voldoen. Toen werd storm geloopen, de bezetting voor een deel over de kling gejaagd, De Launay onthoofd. Binnen enkele weken was de Bastille met den grond gelijk gemaakt. Merkwaardige gebeurtenis! Het materieele symbool van het ancien régime was gevallen, welk feit niet naliet grooten indruk op de tijdgenooten te maken en daaraan vooral dankt het zijn historische beteekenis.

Nog altijd is 14 Juli Frankrijks feestdag; dan wappert de in die dagen ontstane tricolore, het rood en blauw, de kleuren van de stad Parijs met het wit, die der Bourbons.

Van het gebeurde onderricht, ontstelde de koning geducht. Hij begaf zich naar de zittingzaal der Vergadering, beloofde de troepen te doen vertrekken, Necker terug te roepen en zelf van Versailles naar Parijs te gaan om hier rust te brengen en de genegenheid der bevolking te herwinnen. Den 17en Juli volvoerde hij dit plan. Voorafgegaan door een honderdtal leden van de Vergadering, omgeven door gewapende nationale gardes, de pas opgerichte burgerwacht, reed hij zonder escorte naar het stadhuis. Al de gezichten stonden somber en strak.

Maar wat is het Parijsche volk? Hoe weinig is er vaak noodig, het van stemming te doen veranderen! Toen het zag, dat hij de nieuwgekozen cocarde uit de handen van den pas benoemden burgemeester Bailly aannam en op den hoed zette; toen het zag, dat hij zonder garde tot zijn bescherming, tusschen de menigte door, de trappen van het stadhuis besteeg, barstte het uit in vreugdekreten en daverde het: “Leve de koning!” weder als een zegekreet door de lucht. De verzoening scheen volkomen.

Nadat hij de benoeming van Bailly tot burgemeester (maire) van Parijs en van den generaal Lafayette, uit den Amerikaanschen vrijheidsoorlog welbekend, tot commandant der nationale garde, goedgekeurd en op deze keuze des volks zijn stempel gedrukt had, keerde hij naar Versailles en zijn in doodelijke onrust verkeerende familie terug.

Het gebeurde te Parijs bleef niet zonder uitwerking op de overige steden van Frankrijk. Overal werden bataljons nationale gardes opgericht, gemeentebesturen, uit de kiezers-comité’s gekozen, ingesteld; op het platte land werd het een ware stormloop tegen de kasteelen van den adel, die hier uitgeplunderd, elders in vlammen opgingen, een uiting van den haat der boeren tegen de feodale rechten, de drukkende corveeën enz. Behalve in de Vendée, waar het landvolk zijn heeren getrouw bleef, was het een ware anarchie, waartegen, dit zag de Vergadering wel in, krachtige maatregelen noodig waren.

Ten einde verbetering te brengen op het platte land werd in den gedenkwaardigen nacht van 4 op 5 Augustus door alle voorrechten van adel en geestelijkheid een streep gehaald. De burggraaf de Noailles en de hertog [27]d’ Aiguillon gaven het voorbeeld en stelden de afschaffing voor van alle heerendiensten en den afkoop van alle feodale rechten. Anderen volgden; binnen enkele uren waren alle misbruiken verdwenen. Geen tienden, geen pensioenen meer zonder geldige aanspraken, geen handel in vette baantjes enz. Ook de provincies en steden deden afstand van hun privileges en keuren. Het oude Frankrijk werd gesloopt.

In weinige weken had de omwenteling een reusachtige schrede voorwaarts gedaan. De 17e Juni had de drie standen zien verdwijnen; toen waren de Etats Généraux overgegaan in een Nationale Vergadering; de 23e Juni was de sterfdag geweest van den zedelijken invloed der kroon, de 14e Juli die van haar stoffelijke macht. De eerste berustte thans bij de Vergadering, de laatste bij het volk. De besluiten van den 4en op den 5en Augustus hadden de kroon gezet op het werk.

Dat deze en later gevolgde, in het staatkundige en administratieve raderwerk van den staat zoo diep ingrijpende besluiten lang niet altijd met groote meerderheid van stemmen werden aangenomen, behoeft echter geen betoog. De meerderheid van den adel en de hooge geestelijkheid, die bij den nieuwen gang van zaken slechts kon verliezen, die in den waan verkeerde, dat weldra alles tot den vorigen toestand zou zijn wedergekeerd, werkte tegen, wat zij kon, woonde de zittingen niet bij of trachtte deze te storen. Men werkte juist hierdoor het hardste mede tot den val van het koningschap en tot hun eigen ondergang, want zij deden de verbittering der volksklasse tegen hen ten top stijgen en gaven door hun wegblijven de republikeinsgezinden in de vergadering de gelegenheid, besluiten te nemen, die vaak wijdere strekking hadden dan de voorstemmers bedoelden.

Wat het hof betreft, de prinsen van Condé en Conti hadden het voorbeeld van ’s konings broer, den Graaf van Artois, reeds gevolgd en waren het land uitgeweken; de koning vernam met onverholen spijt de besluiten door de Vergadering genomen en aarzelde zijn goedkeuring te hechten aan de Verklaring van rechten van den mensch en den burger, waarin naar het voorbeeld van de Amerikanen, verschillende politieke denkbeelden werden ontwikkeld, die de grondslag van de constitutie moesten vormen.

Het scheen wel, dat allerlei omstandigheden moesten samenwerken om den stand van zaken nog hachelijker te maken; misgewas, hagelslag, de slecht geregelde aanvoer van graan waren oorzaak, dat er onder de lagere volksklasse te Parijs bittere nood ontstond, er werd honger geleden. Tevens werd bekend, dat den 1en October in het kasteel te Versailles door de officieren van de lijfwacht aan die van het nieuw in garnizoen gekomen regiment Vlaanderen een luisterrijk feestmaal was aangeboden. De koning en de koningin waren in de zaal verschenen en met geestdrift ontvangen; bij die gelegenheid zou de driekleurige cocarde afgerukt, vertrapt en door de witte, die der Bourbons [28]vervangen zijn. Geruchten hadden reeds de ronde gedaan, dat het hof voornemens was den koning naar Metz te voeren en dat het nieuw gekomen regiment alleen diende om, als de kans gunstig was, de Vergadering uiteen te jagen.

Was den 4en October de gisting reeds sterk, den 5en nam ze nog in hevigheid toe. De bakkers hadden geen brood meer; groote troepen hongerige vrouwen stroomden naar het stadhuis om hierover bij den gemeenteraad te klagen, doch hier geen uitkomst vindende, zette de menigte zich onder leiding van Maillard, een der hoofdpersonen van den 14en Juli, in beweging in de richting van Versailles. Steeds geweldiger werd de volkshoop, die, van allerlei wapens voorzien, zich op weg begaf naar de Vergadering en de verblijfplaats van den vorst; zelfs kanonnen werden op karren meegesleept.

Te Versailles gekomen en, door een hoop vrouwen vergezeld, in de Vergadering toegelaten, diende Maillard hier zijn beklag in over den hongersnood in de hoofdstad. De koning ontving een deputatie uit de vrouwen, die de belofte kreeg, dat in den nood zou worden voorzien. Op aandrang van Mounier, president van de Vergadering, besloot de koning na lang aarzelen de besluiten goed te keuren. Men hoopte hiermede de gemoederen te bedaren. Doch tevergeefs. In den morgen van den 6en October waren er schoten gewisseld en enkele gardes gedood, reeds had men een aanval op het kasteel gedaan, waarbij zelfs de koningin een oogenblik in levensgevaar verkeerde. De komst van Lafayette met de Nationale Garde bracht uitkomst voor de koninklijke familie; de koning en zijn door het volk zoo gehate gemalin moesten zich op het balkon vertoonen en het slot van het drama was, dat aan den volkswil werd voldaan en de koninklijke familie, begeleid door honderd afgevaardigden zich op weg naar de hoofdstad begaf om daar, door Lafayette bewaakt en beschermd, haar intrek in het paleis der Tuilerieën te nemen.

Men was komen vragen om brood en had ten slotte den koning (bakker) meegenomen.

De Constituante, zooals de Vergadering in die dagen werd geheeten, verlegde haar zetel nu ook derwaarts, en begon weldra haar zittingen te houden in de Manége van het paleis, een groot houten gebouw, dat voor een vergadering zoo goed als alle eigenschappen miste.

Had men tot nu toe in Versailles het politieke centrum der revolutie gehad, terwijl zich te Parijs de hoofdhaard der omwenteling bevond, thans was alles in de hoofdstad geconcentreerd, hetgeen van grooten invloed is geweest op het verdere verloop der omwenteling.

De emigratie nam na den 6en October reusachtige verhoudingen aan; duizenden edelen vluchtten naar Turijn, waar de graaf van Artois zich ophield; een nog grooter getal verzamelde zich te Coblentz en begon van hier uit [29]het buitenland tegen Frankrijk op te zetten; ook de hertog van Orleans, een neef des konings, die aan het hof niet gezien was en zelfs verdacht werd met het volk te heulen, verliet, door Lafayette overgehaald, het land.

Onafgebroken zette de Constituante inmiddels haar arbeid voort. Zoo decreteerde zij o.a. gelijkheid voor de wet voor alle staatsburgers zonder onderscheid van rang of stand en de verplichting van allen tot het betalen van belasting; de verbeurdverklaring van al de geestelijke goederen (zij kwamen ter beschikking van den staat), de afschaffing van alle kloosters en geestelijke orden en de afschaffing der parlementen. Dan werd voor alle Franschen eenzelfde rechtspleging ingesteld, eindelijk het rijk gesplitst in 83 departementen, verdeeld in districten en gemeenten.

Den 4en Februari 1790 verscheen de koning vrijwel onverwacht, doch luide toegejuicht in de zittingzaal. Hij verklaarde de nieuwgetroffen regeling met alle macht te steunen, zijn zoon nu reeds tijdig op den nieuwen stand van zaken voor te bereiden en hem tevens te gewennen zijn geluk in dat van zijn volk te zoeken.

Parijs juichte over die woorden en was dien avond geïllumineerd; de goede verhouding tusschen vorst en volk scheen wederom hersteld.

De tijd leerde anders. Tusschen het hof en de geestelijkheid, die in hun verzet volhardden en de koningin, die naar de vertoogen van den rechtschapen Lafayette niet wilde luisteren, stond de koning. Deze was veel te zwak om zijn gezond verstand, dat hem ried met den toch niet te keeren stroom mede te gaan, te laten heerschen over zijn hart, dat hem dreef naar de emigrés en over zijn geloof, dat hem voerde naar de geestelijkheid. Juist de besluiten over de geestelijke goederen, die aan den staat waren gekomen en waardoor een volkomen verandering in de verhouding van staat en kerk ontstond, hadden den koning pijnlijk getroffen.2

In Juni vaardigde de Constituante een decreet uit tot afschaffing van alle adellijke titels, waardoor de woede van den adel ten top steeg. Den 14en Juli, op den verjaardag dus van den val der Bastille, was het Champ de Mars getuige van een indrukwekkende plechtigheid. Toen legden de koning benevens de deputaties uit alle departementen, in tegenwoordigheid van wel een half millioen juichende toeschouwers, met wapperende banieren om een reusachtig altaar geschaard, na een door Talleyrand, bisschop van Autun bediende mis, den eed op de nieuwe grondwet af. Aan Maria Antoinette werd een geestdriftige ovatie gebracht; ze hief den dauphin in de hoogte en riep: “Ook ik en mijn zoon deelen in de gevoelens van de natie.

De verbroedering scheen dus algemeen; vreedzaam en rustig bewoog een reusachtige volksmenigte zich op den avond van dit federatiefeest bij ’t [30]licht van een illuminatie in de Champs Elysées, maar die kalmte en die rust waren slechts schijnbaar.

Den volgenden morgen begon de strijd opnieuw; terwijl er reeds uit de Constituante een voorstel werd ingediend om ook de geestelijkheid een afzonderlijken eed op de constitutie te doen afleggen, werden tevens maatregelen genomen ter verbetering van het leger, de laatste steunpilaar van het koninklijk gezag. Ook hierin, vooral bij de infanterie heerschte sterke gisting. De officieren met hun chef, generaal Bouillé aan de spits, waren koningsgezind en met reden, want zij genoten al de gunstbewijzen; verdienste telde niet mee, protectie deed alles; de minderen, in de hoop op meer soldij en betere behandeling, hingen de volkspartij aan. Te Metz en daarna te Nancy brak een oproer uit, dat door Bouillé slechts met moeite werd onderdrukt. (31 Augustus.)

Necker zag, dat hij in den berooiden staat der schatkist geen verbetering kon brengen; de roekelooze financieele politiek der Constituante, die met de uitgifte van assignaten was voortgegaan, was tegen zijn zin; hij nam dus ontslag. Het ministerie werd heengezonden, omdat het ’t vertrouwen van de Vergadering had verloren. Duportails, de nieuwe minister van oorlog, ontnam Bouillé een groot deel van zijn gezag.

Van vluchten naar het leger of naar het buitenland had de koning tot nog toe niet willen hooren, al deed zijn omgeving hiertoe het voorstel; terwijl hij dien zomer verblijf hield te St. Cloud, was er wel gelegenheid, doch de vrees voor den burgeroorlog, als gevolg hiervan, had hem weerhouden.

Thans ziende, dat de Constituante schier dagelijks machtiger werd en vreezende, dat hem zelf weldra geen schaduw van gezag meer zou overblijven, begon hij over zulk een vlucht te denken. Hij polste dus Bouillé.

Intusschen werd in December een wet afgekondigd, waarbij alle geestelijken verplicht werden een specialen eed op de grondwet af te leggen. De paus, door Lodewijk XVI hiervan terstond onderricht, stelde het geven van een antwoord, op de vraag of hij met deze regeling genoegen nam, onder allerlei voorwendsels uit; om deze reden onthield de koning zijn sanctie voorloopig aan de wet, doch ten laatste zwichtte hij voor den op hem uitgeoefenden drang.

Groot waren de gevolgen van deze wet. Er ontstond een scheuring onder de katholieke bevolking; de band tusschen Rome en de Fransche geestelijkheid was verbroken, deze voortaan gesplitst in beëedigde en onbeëedigde priesters, welke laatsten in niet geringe mate meewerkten om de contra-revolutie in ’t land aan te wakkeren.

Ook ’s konings houding tegenover de revolutie was thans beslist vijandig; van een eerlijk aanvaarden geen sprake meer. Wel ontving het hof sinds eenige maanden raad van Mirabeau, maar, evenmin als de vergadering [31]dit deed, vertrouwde het hof den grooten staatsman, die een der krachtigste medewerkers was geweest bij de omverwerping van het ancien régime, maar die ook, doch ’t hof zag dit niet in, aan het koninklijk gezag zijn grootsten steun had verleend. Zijn ideaal “de verzoening van het koninklijk gezag met de volkssouvereiniteit” zag hij niet verwezenlijkt.

Den 2en April 1791 overleed de geniale man. Den dag na zijn dood schreef Camille Desmoulins: “Met hoe groote ontroering heb ik naar dien almachtigen kop staan kijken, dat prachtige magazijn van ideeën, thans door den dood ontruimd.” Deputaties uit alle oorden des lands omstuwden de baar, gansch Frankrijk droeg rouw. Een zijner grootste figuren was heengegaan. Zijn lijk werd naast dat van Descartes in de tot een Pantheon herschapen kerk van Genoveva bijgezet.3

In den nacht van 20 op 21 Juni kwam het plan van den koning om te vluchten tot uitvoering; generaal Bouillé zou hem behulpzaam zijn, terwijl ook de keizer Leopold van Oostenrijk steun had toegezegd. In alle stilte vertrok de koninklijke familie uit het paleis, in de richting van Montmédy. Waarschijnlijk zou het zijn geslaagd, als niet ’s konings eigen onvoorzichtigheid alles had bedorven. Telkens stak hij het hoofd buiten het met zes paarden bespannen en dus toch reeds zeer in het oog vallende rijtuig.

De gevolgen bleven niet uit. Te St. Menehould werd hij door den zoon van den postmeester Drouet, een volbloed republikein, herkend en te Varennes aangehouden. Als gevangene, onder bewaking van drie commissarissen van de Constituante, begeleid door duizenden gewapende burgers, werd hij naar Parijs teruggebracht, waar een dreigende bevolking hem den 25en Juni ontving.

Eigenaardig, niet een kreet van verontwaardiging, doch van vrees uitte men in Frankrijk, toen de vlucht bekend werd; men voelde zich verlaten, zoodat de terugkeer met groote vreugde werd begroet, wel een bewijs hoe royalistisch de Franschen nog waren. Was dit de stemming buiten Parijs, ze was het niet van de hoofdstad. Daar veroorzaakte de vlucht de eerste beweging ten gunste van de Republiek, waartoe de club der Cordeliers het initiatief had genomen.

Vooral in deze dagen kwamen de clubs en politieke vereenigingen meer op den voorgrond en deden hun invloed gelden. De invloedrijkste was de Bretonsche Club, aanvankelijk te Versailles gevestigd, doch in October 1789 verplaatst naar Parijs en herdoopt in “Genootschap van de vrienden der constitutie;” ze hield haar zittingen in het voormalige Jacobijnenklooster, waardoor de naam “Jacobijnen” ontstond, die de aristocraten als spotnaam aan hare leden gaf. IJveraars voor de constitutioneele monarchie, behoorden [32]ze volstrekt niet in de eerste jaren tot de uiterste linkerzijde; pas na den val van het koningschap veranderde het karakter van de club en nam zij den naam aan van “Genootschap der Jacobijnen, vrienden van de vrijheid en gelijkheid.

Veel democratischer was de Club der Cordeliers, geleid door mannen als Marat, Danton en Camille Desmoulins; waren zij meer republikeinsch gezind, hun invloed beperkte zich alleen tot Parijs.

Onmiddellijk na het bekend worden van de vlucht had de Constituante den koning in de uitoefening van zijn macht geschorst en deze onder haar toezicht aan de ministers opgedragen, dit bleef ook na terugkeer gehandhaafd, zoodat feitelijk een voorloopige republiek was ingesteld tot den 14en September, den dag waarop door den koning een eed op de constitutie werd afgelegd.

De Club der Cordeliers trachtte afschaffing van het koningschap te verkrijgen, hiermede in de hand gewerkt door enkele Jacobijnen, die alleen Lodewijk XVI wilden doen vervallen verklaren van den troon. De Nationale Vergadering wist met kracht deze plannen te verijdelen, door het gepeupel op het Champ de Mars met behulp van de troepen onder Lafayette uiteen te jagen.

Was deze poging om de republiek te vestigen mislukt, zij was oorzaak tot scheuring van de Jacobijnenclub en de oprichting van de Club der Feuillants onder leiding van Bailly en Lafayette.

De Constituante had haar reuzentaak voltooid. Ze werd ontbonden en vervangen door een Wetgevende Vergadering, waarin op voorstel van Robespierre geen leden van de Constituante mochten zitting hebben. Deze wel onbaatzuchtige, doch onpractische bepaling was, jammer genoeg, oorzaak, dat Frankrijks beste krachten op het gebied van wetgeving en staatsbestuur ongebruikt bleven.

De koning en de koningin hadden zich moeten schikken in den toestand, door de grondwet geschapen. Met den titel van Koning der Franschen, het opperbevel over het leger, het recht van veto en een civiele lijst van vijf en twintig millioen francs, liet de toekomst zich nog zoo slecht niet aanzien.

De geestelijkheid was van haar reusachtige bezittingen beroofd, de adel had opgehouden een afzonderlijke orde te wezen.


In het Wetgevende Lichaam hadden mannen van groote bekwaamheid als Vergniaud, Guadet, Brissot en anderen zitting gekregen. Zij en hun geestverwanten, eerst Brissotins genoemd, kregen na 1792 den naam van Girondijnen, omdat de meesten uit het Zuiden afkomstig waren. In de vergadering vormden zij aanvankelijk de meerderheid, sloten zich eerst aan bij de Feuillants, voorstanders van de constitutie van 1791, doch werden later meer democratisch gezind; ze wanhoopten aan het voortbestaan van het koningschap; denkers, plannenmakers en redenaars dachten zij zich een republiek met al haar [33]deugden, met gestrenge zeden en gelijke rechten voor allen; mannen van de daad waren ze niet.

Vertrek der Vrijwilligers. 1792.

Vertrek der Vrijwilligers. 1792.

Stuurden de Jacobijnen meer aan op de republiek en algemeen kiesrecht, daarbij vooral steunende op de lagere volksklassen, de Girondijnen wilden van dien steun niet weten; niet de hoofdstad, doch geheel Frankrijk moest de revolutie besturen, meenden zij.

Reeds dadelijk deed de nieuwe vergadering van zich spreken. Achtereenvolgens vaardigde zij een decreet uit tegen de emigrés, die niet binnen zekeren tijd in het land zouden zijn teruggekeerd en een tegen de priesters, die den van hen gevorderden eed nog niet hadden afgelegd.4 Dan eischte zij van het Duitsche Rijk de ontwapening der aan de grenzen opeengehoopte emigrés, bij wie een massa officieren zich inmiddels hadden aangesloten; stelde ’s konings broeder, den graaf van Provence, die tegelijk met de koninklijke familie Parijs had verlaten en een menigte andere edelen den 1en Januari 1792 in staat van beschuldiging, wegens het eigendunkelijk nederleggen hunner functiën en verklaarde ten slotte den 20en April den oorlog aan Oostenrijk, waar Keizer Leopold overleden en door Frans II opgevolgd was. Lafayette, afgetreden als commandant der Nationale Garde, was benoemd tot commandant van het leger in ’t centrum; de generaal Dumouriez “een talentvol officier,” maar een intrigant tevens, werd met het opperbevel belast.

Thans beweerden de Girondijnen, die sterk tot den oorlog hadden aangezet, zou de koning kleur moeten bekennen, het bewijs moeten leveren, dat hij volkomen ter goeder trouw was, toen hij de grondwet had bezworen. Ook zou hij zijn vrienden, de emigrés, en zijn raadslieden, de geestelijken, thans openlijk afvallig moeten worden. Wel had de koning zijn goedkeuring gehecht aan de oorlogsverklaring, doch tegelijkertijd stond hij met de buitenlandsche mogendheden in verbinding en leverde Marie Antoinette zelfs kort voor de oorlogsverklaring het plan de campagne der Fransche generaals aan de Oostenrijkers in handen! Zijn telkens gebleken onwil om de andere decreten goed te keuren, had de verbittering tegen hem en zijn omgeving bij het Parijsche volk niet weinig doen toenemen.

Alles scheen samen te moeten werken om deze ten top te voeren. Een troepenmacht, de Oostenrijksche Nederlanden in ’t laatst van April binnengerukt, doch slecht geoefend en door gebrek aan bekwame officieren slecht aangevoerd, werd bij Bergen aangegrepen door een paniek, riep: Verraad! en sloeg op de vlucht; een andere afdeeling onder generaal Dillon trof bij Lille hetzelfde lot. Dillon werd zelfs door zijn eigen soldaten vermoord. Dat woord verraad vond luiden weerklank te Parijs. Daar ontstond onder de volksklasse een geprikkelde stemming, nog verhoogd door de verbittering [34]over de ellende en de opruiende taal van tal van volksleiders.

Een reeks nieuwe figuren was op den voorgrond getreden, afkomstig uit de reeds genoemde clubs, zooals Marat, een voormalig arts, gevaarlijk door den reusachtigen invloed, welke hij door zijn blad l’Ami du peuple over het volk wist te verkrijgen; Danton vol wilde hartstochten, met een herculische gestalte en een stem als een bazuin, die, hoewel niet bloeddorstig van aard, in oogenblikken van hartstochtelijke opgewondenheid niet bevreesd was uit te voeren, hetgeen Marat in zijn moordzucht had bedacht.

De derde was Maximilaan Robespierre, een uit Arras afkomstig advocaat, die in de Nationale Vergadering door de zwaarwichtigheid zijner betoogen en zijn onbeholpen redenaarstrant zich nog al eens belachelijk had gemaakt. Langzamerhand meer meester geworden over het woord en den vorm, was hij met zijn schelle hooge stem begonnen op de tribune bij de Jacobijnen leerstellingen te verkondigen, die, hoofdzakelijk uit Rousseau geput, wel niet uitmuntten door oorspronkelijkheid, maar door zijn meestal ongeletterde toehoorders gaarne werden gehoord. De roep, die van hem uitging, dat hij, hoewel zeer arm, toch volstrekt onomkoopbaar was en een hoogst zedelijk leven leidde, in die dagen van partijstrijd reeds een aanbeveling bij de massa en de slimheid, waarmede hij bij zijn betoogen in de club zijn eigen persoon steeds aan het welzijn der natie wist te verbinden, hadden tengevolge, dat zijn aanhang en invloed dagelijks aangroeiden. Camille Desmoulins vond hem “een Aristides,” Marat echter “een manneke,” Condorcet “een wezen zonder een enkele gedachte in ’t brein, zonder eenig gevoel in ’t hart.” Napoleon heeft hem den zondebok der revolutie genoemd.

De demagogen, krachtig door het volk gesteund, kregen aanhoudend meer invloed op de gemoederen. Het tijdperk, waarin de sansculottes Frankrijk het ontzettende juk hunner tirannie zouden opleggen, naderde snel.

Den 20en Juni begon het voorspel. Toen trok een bende van meer dan acht duizend gewapende mannen en vrouwen onder leiding van Santerre, een rijken bierbrouwer uit den faubourg St. Anthoine, eerst naar de Wetgevende Vergadering en vervolgens naar de Tuilerieën, drong daar tot de vertrekken des konings door, riep hem toe: “Bekrachtig de besluiten,” “Jaag de priesters weg,” “Kies tusschen Coblentz en Parijs,” bespotte den vorst op allerlei wijze en was na eenige uren pas tot heengaan te bewegen op dringend verzoek van Pétion, den nieuw gekozen maire. Al dien tijd had de koning onmiskenbare bewijzen gegeven van kalmte en zedelijken moed.

In de volgende dagen namen de oproerige bewegingen in de voorsteden, waar voortdurend groot gebrek bleef heerschen, een aanhoudend gevaarlijker karakter aan. Lafayette, verontwaardigd over de gebeurtenissen van den 20en, rekenende op zijn groote populariteit onder de bevolking en de nationale garde, kwam naar Parijs om in de Wetgevende Vergadering tegen de grievende [35]behandeling van den koning te protesteeren, doch zonder succes. Ook het hof en in ’t bijzonder Marie Antoinette was van de door Lafayette aangeboden hulp niet gediend, zoodat hij onverrichter zake naar het leger terugkeerde. Geruchten, dat veertigduizend Pruisen en evenveel Oostenrijkers, onder het opperbevel van den hertog van Brunswijk, de grenzen naderden, dat de koningin met deze vijanden heulde en dat het hof in stilte de maatregelen van de vergadering tot verdediging, tegenwerkte, deden de ronde in de clubs. Het volk, dat de tribunes vulde, schreeuwde en wilde maatregelen en toen het ministerie den 11en Juli een overzicht gaf van Frankrijks hachelijke verhouding tegenover het buitenland, besloot de president die mededeeling met een even plechtig, als indrukwekkend: “Burgers, het vaderland is in gevaar! Dienzelfden dag reeds deden vijftien duizend vrijwilligers zich inschrijven als soldaat.

In die dagen ontstond de Marseillaise, het lied der revolutie, gedicht en op muziek gezet door Rouget de l’Isle, een jong genieofficier, vooral populair geworden door de 500 fédérés, die van Marseille naar de hoofdstad trokken, het lied, dat later met de legers door Europa zou gaan en dat thans nog het Fransche volkslied is.

Te midden van de groote geestdrift, die zich van allen had meester gemaakt, werd het even hooghartige als laatdunkende manifest van den hertog van Brunswijk in de hoofdstad bekend. Parijs werd daarin met verwoesting bedreigd, wanneer de koninklijke familie nog eens zou worden beleedigd; nationale gardes, met de wapens in de hand gevat, zouden als “oproerlingen tegen hun koning” worden gestraft. ’t Was olie in het vuur! Den 3en Augustus eischten de sectiën, waarin de hoofdstad was verdeeld, de vervallen verklaring des konings; in den nacht van 9 op 10 Augustus installeerde zich op het stadhuis een ultra-republikeinsche commune, alleen uit Jacobijnen samengesteld en den 10en Augustus werden de Tuilerieën, die slechts enkele honderden Zwitsers en nationale garden als verdedigers hadden, door het grauw bestormd.

Bij de verdediging ontbrak alle leiding en eenheid, want Mandat, de tijdelijke commandant der nationale garde, was reeds te voren afgemaakt op de trappen van het raadhuis.

Beducht voor het leven van vrouw en kroost, zocht de koning, zonder bevelen achter te laten, zijn toevlucht in de vergadering, vond achter den president, in de benauwde loge van den verslaggever der Feuillants, een plaatsje en zond van hier aan de Zwitsers bevel, het kasteel niet te verdedigen. Deze order kwam te laat. Reeds was het bloedbad op de pleinen, in den tuin en in de kamers begonnen. Bij honderden vielen de brave Zwitsers op hun post. Bonaparte, die na den storm de Tuilerieën bezocht, verklaarde later zelf, dat hij in niet een zijner veldslagen, in zoo een kleine ruimte zooveel lijken had gezien als daar op het voorplein bijeen lagen. [36]

Onder den indruk van het gebeurde en onder drang der commune nam de vergadering het besluit tot schorsing van het koningschap en tot de bijeenroeping van een Nationale Conventie door algemeen kiesrecht gekozen, terwijl een nieuw ministerie zou optreden, waarin Danton minister van Justitie werd. Den 13en Augustus werd de geheele koninklijke familie overgebracht naar het groote torengebouw van het voormalige klooster le Temple en hier streng bewaakt. Alleen achter sterke muren beweerde de steeds in macht en driestheid toenemende commune, kon zij instaan voor de veiligheid der aan haar hoede toevertrouwde personen.

Het drama van de koninklijke familie begon haar ontknooping te naderen; geen Franschen verdedigden den 10en Augustus de woning meer, maar Zwitsers en de trouw van deze dapperen is te Lüzern, naar een ontwerp van Thorwaldsen, vereeuwigd door een in de rotsen uitgehouwen leeuw, met een speer doorboord, rustende op een veld van leliën.

Te Parijs waren thans slechts twee officieele machthebbende lichamen overgebleven, de Wetgevende vergadering en de Commune, bij welke laatste Robespierre reeds eenigen tijd te voren benoemd was tot openbaar aanklager. De eerste zorg van dezen raad met haar ultra-revolutionnaire neigingen was, thans meester te worden over de politie. Het Comité van Algemeene veiligheid werd daarvoor ingesteld en te Parijs een Comité van toezicht opgericht, met Marat als voorzitter, dat onmiddellijk aan het werk toog door de arrestatie van honderden aristocraten, zoogenaamde “verdachten.” De groote gemeenten volgden dit voorbeeld.

Tevens werd door den drang der Jacobijnen een revolutionnaire rechtbank opgericht. Van haar vonnissen was geen appèl.

Op voorstel van Danton begon einde Augustus de arrestatie van alle slechte burgers, die zich sinds den 10en Augustus verscholen hielden.

Daar kwam den 2en September het bericht, dat Verdun was ingesloten; Longwy “de ijzeren poort van Frankrijk” was reeds gevallen en mocht dat met Verdun het geval worden, dan lag de weg naar Parijs voor den vijand open.

Toen kwam de afschuwelijke raad van Marat, die voor geen wreedheid terugdeinsde, dat het eenige middel om het vaderland te redden, zou wezen, de ter doodbrenging van alle gevangenen!

Een der vreeselijkste tooneelen van de omwenteling speelde zich te Parijs af. Van 2–6 September had in de gevangenissen de Abdy, la Force enz. een ware slachting plaats onder “alle vijanden des vaderlands” hoofdzakelijk edelen en geestelijken. Rede en menschelijkheid waren verdwenen; het lijk van Prinses de Lamballe, een vriendin van Marie Antoinette, werd geschonden en met haar hoofd op een piek liep men voor de Temple op en neer!

De Vergadering was met ontzetting geslagen, maar deed niets om aan [37]het bloedbad een einde te maken; ook Danton was lijdelijk toeschouwer. Alleen Roland, minister van binnenlandsche zaken, had den moed alle autoriteiten verantwoordelijk te stellen voor het gebeurde. Ten slotte beval de Vergadering een onderzoek naar de raddraaiers, hetgeen tot niets leidde. Eenige enragés droegen de schuld. Zij hadden gemeend “verraders” voor zich te hebben!

Deze bloedige Septemberdagen brachten de revolutie meer in discrediet, dan men toen vermoedde.

Den 21en September verdween de Wetgevende Vergadering. Een Nationale Conventie, reeds dadelijk 749 leden tellende, trad in haar plaats, schafte den volgenden dag de koninklijke waardigheid af en verklaarde bij monde van haar president Pétion, Frankrijk tot een Republiek.


Het succes van den hertog van Brunswijk in het noorden was niet van langen duur. In Dumouriez, den voormaligen minister van oorlog, die Lafayette had vervangen, vond hij een even talentvolle als dappere tegenpartij, die hem, door het bezetten der passen van het Argonnerwoud, den toegang afsloot tot het hart van het land. Den 20en September bij Valmy, liet de dappere Kellerman aan den hertog zien, met welk een heldenmoed en doodsverachting dat leger van schoen- en kleermakersjongens, zooals de emigrés de soldaten der Republiek met minachting betiteld hadden, onder een daverend: Allons enfants, de la patrie met gevelde bajonet op zijn oude beproefde krijgers instormden en ze terugsloegen.

Van deze plaats en van dit uur dateert een nieuw tijdvak in de wereldgeschiedenis,” zei de bij het Pruisische leger aanwezige Goethe op den avond van Valmy tot de aanwezigen bij het wachtvuur. Hij begreep de beteekenis van dien dag; “het revolutionnaire Frankrijk kon en wilde Europa weerstaan.”

Gebrek, groote ontberingen, ziekte en slecht weer waren ten slotte oorzaak, dat de hertog terugtrok.

Van deze omstandigheid trok Dumouriez partij. Flink versterkt in aantal, maar slecht gevoed, geschoeid en gekleed, rukte zijn leger in November d.a.v. de Zuidelijke Nederlanden binnen, behaalde niettemin den 6en bij Jemappes een glansrijke overwinning en bezette het gansche land tot aan de boorden van de Maas.


Had de Nationale Conventie met algemeene stemmen de Republiek ingesteld, van eensgezindheid onder de leden was geen sprake. De Jacobijnen, naar de hoogere banken, welke ze in de Vergadering innamen, ook wel montagnards genoemd, sloten zich nauw aan bij de revolutionnaire Commune; de Girondijnen duchtten dien grooten invloed, wilden de leiding aan de hoofdstad [38]ontnemen, vreesden voor het optreden van een tiranniek triumfiraat Robespiere, Danton en Marat en werden in hun strijd tegen de Jacobijnen gesteund door de middenpartij in de vergadering, de “plaine” of “marais” genoemd.

Thans kwam de vraag, wat men met den koning doen zou, dezen strijd nog geduchter maken. In December stelden Robespierre, Couthon en St. Just dezen namens de Jacobijnen in staat van beschuldiging. Het vinden van een ijzeren kistje in de Tuilerieën met brieven uit het buitenland, die verrieden, dat de koning met Pruisen en de emigrés in ’t geheim betrekking had aangehouden—een feit, dat door hem onverstandig genoeg werd ontkend—verergerde zijn toestand.

Met bijna algemeene stemmen werd hij den 15en Januari 1793 schuldig verklaard aan samenzwering tegen de vrijheid en de veiligheid van den Staat. Een poging der Girondijnen, het uit te spreken vonnis aan het oordeel van het volk te onderwerpen, waarin zij een middel zagen om den invloed van Parijs te fnuiken, mislukte. Wel stelden de grijze Malesherbes en Desèze alles in het werk om hem te verdedigen, wel trachtten Brissot en enkele Girondijnen uit vrees voor een buitenlandschen oorlog het vonnis uit te stellen, doch het een noch het ander had succes. Louis Capet, zooals hij thans naar een zijner voorouders genoemd werd, onderging op den 21en Januari 1793 zijn vonnis; hij werd geguillotineerd, hetgeen hij waardig en gelaten onderging.

De laatste schakel met het ancien régime was verbroken!

De Jacobijnen hadden gezegevierd, de macht der Girondijnen volkomen te breken, werd thans hun doelwit. Al de vorsten van Europa wierpen ze den handschoen voor de voeten; zij zouden de vrijheid brengen aan de gansche wereld. Alle dwingelanden wilden zij van den troon stooten; vrijheid, gelijkheid en broederschap voor de tirannie van eeuwen in de plaats doen treden.

Een macht van 300.000 werd onder de wapenen geroepen om de eer der Republiek te handhaven zoowel in het buitenland, als in het binnenland; in dit laatste met name in de Vendée en Bretagne was n.l. een opstand onder de boeren uitgebroken, die weldra schrikwekkende afmetingen aannam.

Bij het leger onder Dumouriez, die door de Jacobijnen niet ten onrechte sterk verdacht werd van allesbehalve ultra-republikeinsche beginselen, gingen de zaken inmiddels niet naar wensch. Een aanval op de Vereenigde Nederlanden, in overleg met het ministerie van Oorlog door Dumouriez beproefd, mislukte. De Oostenrijkers en de Pruisen rukten België weder binnen en de slag bij Neerwinden (18 Maart 1793) was voor de Republiek noodlottig.

Dumouriez, die in stilte het plan had gevormd den oudsten zoon van Philippe Egalité, die als generaal onder hem diende, bij welslagen, door zijn leger tot koning te doen uitroepen, dan naar Parijs te rukken, en aan den druk der Jacobijnen met één slag een einde te maken, wachtte het oogenblik [39]niet af, waarop hij door de Conventie ter verantwoording zou worden geroepen. Hij knoopte vredesonderhandelingen aan met den Oostenrijkschen Kolonel Mack en toen hem bleek, dat zijn soldaten de Republiek getrouw bleven, liep hij naar de Oostenrijkers over. De laatste dertig jaren zijns levens heeft deze talentvolle, maar steeds intrigeerende man in ballingschap doorgebracht, hij is in Engeland overleden.

Het verraad van Dumouriez, de ongunstige toestand der legers en de gevaren, waaraan het land was blootgesteld, drongen de Conventie weldra tot een nieuwen maatregel. Den 6en April 1793 werd het Comité de Salut Public ingesteld. Het zou bestaan uit twaalf leden, die in ’t geheim moesten beraadslagen, ook zouden zij op de handelingen van het uitvoerend bewind toezicht houden en achter de zaken spoed zetten. Aanvankelijk gevormd door de neutrale leden van de Conventie, geraakte het spoedig geheel in handen van de Bergpartij, met Robespierre, St. Just, Couthon, Collot d’ Herbois en Billaud-Varennes als leiders. De werkzaamheden werden door verschillende onder-comité’s verdeeld, terwijl het zich in de provincie door afgevaardigden deed vertegenwoordigen. Aan dit lichaam ondergeschikt, was het Comité van Algemeene Veiligheid, eveneens van twaalf leden, belast met het opsporen en arresteeren van allen, die verdacht werden van contra-revolutionnaire neigingen, terwijl ten slotte de Revolutionnaire Rechtbank, met den beruchten Foucquier Tinville als openbaar aanklager, zich onledig hield met het vonnissen der gevangenen.

De Conventie met haar tal van kleurlooze leden werd in de handen van het Comité de Salut Public een willoos werktuig. Door de afgevaardigden van het Comité waren de legers aan dit laatste onderworpen; door de wet der verdachten beschikte dit over de bijzondere personen; door de genoemde rechtbank over het leven van allen. In de volksmassa, die in de clubs beraadslaagde, vond het zijn steun.

Het antwoord van Europa op Frankrijks uitdaging had niet lang op zich laten wachten. Over dien koningsmoord, “de verfoeilijkste daad, die in de historie was opgeteekend,” zooals Pitt in het parlement zei, diep verontwaardigd, beducht voor de ver strekkende gevolgen, welke de omwentelingen ook voor hun onderdanen kon brengen, bang voor hun eigen troon, verklaarden tal van vorsten met Oostenrijk en Pruisen aan de spits, den oorlog aan de Republiek.

Van deze coalitie was Engeland onder den alvermogenden minister Pitt de ziel. Het had geweigerd de vervallenverklaring van den koning te erkennen en zich hierom reeds den 1en Februari 1793 door de Conventie den oorlog zien verklaren. Ditzelfde lot was ook aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden te beurt gevallen. Binnen zes maanden had Pitt zeven verbonden gesloten en zes tractaten tot het verleenen van geldelijken steun. Ook Spanje [40]met zijn nieuwen minister Godoy, bijgenaamd de Vredevorst, had zich op zijn raad, evenals het geheele Duitsche Rijk bij de coalitie gevoegd.

Door het grauw gesteund, meester over den gemeenteraad, heerschten de Jacobijnen met hun 800 clubs in de departementen, van nu af zoo goed als onbeperkt. Wel werd Marat als president der club door de Conventie voor de rechtbank gedaagd wegens opruiïng tegen de gematigden in dit staatslichaam, maar hij werd vrijgesproken en in zegepraal rondgedragen (24 April).

Van dit oogenblik trad het grauw zelf vermeteler op, overstroomde de publieke tribune in de zittingzaal en sprak mede in het debat. Een poging, door de Girondijnen beproefd om de daden van den gemeenteraad door een commissie te doen nagaan, waardoor heel wat gruwelen aan het licht zouden zijn gebracht, werd door het grauw verijdeld, de commissie ontbonden.

De verbittering tegen de gematigden, thans beschuldigd van het heulen met den vijand en de emigrés en van het aansporen tot een contra-revolutie, werd door de Jacobijnen aanhoudend meer opgezweept. Telkens deed de Commune zich in de Conventie gelden. Henriot, de commandant der nationale garde, geheel op de hand der Jacobijnen, deed ten slotte zelfs vuurmonden in batterij komen voor de Tuilerieën om de zittingzaal in elkander te schieten, als aan den wil des volks niet werd voldaan! Den 31en Mei viel de partij der Girondijnen; hun aanvoerders werden gevangen genomen; anderen namen de vlucht (2 Juni).

Van nu af had de Conventie haar vrijheid van beraadslagen totaal verloren. Robespierre met zijn aanhang nam de teugels in handen. Het schrikbewind begon!

Na den val der Girondijnen kwam het geheele zuiden met Lyon, Marseille en Toulon aan de spits in verzet; zelfs vormden zich hier gewapende benden om naar Parijs te marcheeren. Tegenover hen stonden de aanhangers der Conventie. In het westen, aan de Loire, in de Vendée en in Bretagne was de gansche bevolking als één man tegenover de afgevaardigden uit de Conventie opgetreden. Hier stonden, door de emigrés en Engelsch goud gesteund, Stofflet en Charette aan het hoofd der royalisten tegenover de regeeringstroepen.

Ook bijzondere personen gaven bewijzen van hun afschuw over hetgeen in Parijs gebeurde. Zoo toog Charlotte Corday, een vijf en twintig jarig mooi meisje uit Caën, een volbloed aanhangster der omwenteling op deugdzamen grondslag, naar de hoofdstad, zocht Marat op, die in de departementen den meesten schrik had verspreid, en stootte hem een mes door het hart, om, zooals zij voor de rechtbank verklaarde, “haar land vrede te schenken.” Onwrikbaar kalm hoorde zij haar doodvonnis aan; even kalm betrad zij het schavot. (15 Juli). Half Parijs volgde de begrafenis van Marats hart in den [41]tuin van de club der Cordeliers. Toen zijn inboedel werd ontzegeld, vond men slechts een assignaat van vijf francs, zijn gansche bezitting.

De Conventie was dus van alle zijden door gevaren omringd; zoowel in het binnen- als in het buitenland stond de vijand. Daarbij dreigde hongersnood, door het blokkeeren van alle havens door Engeland.

Het Comité de Salut Public trok alle macht aan zich en heerschte onbeperkt.

Door de levée en masse riep het Comité het gansche volk onder de wapenen tegenover den buitenlandschen vijand; alle mannen tusschen 18 en 40 jaar werden opgeroepen en voor het einde van het jaar beschikte men reeds over een leger van 650.000 man; Carnot, lid van het Comité leidde de operaties. Het gebrek aan geoefendheid moest vergoed worden door het aantal en de geestdrift der troepen, terwijl steeds aanvallend moest worden opgetreden; een hevig kanonvuur en dan onder het zingen van de Marseillaise, of het “Ça ira” er met de bajonet op in. Commissarissen bij het leger zorgden voor strenge tucht, zonden generaals, die nederlagen leden, op naar Parijs, waar ze werden geguillotineerd (de Beauharnais en Custine o. a.) Er moest overwonnen worden en er werd overwonnen, al was het ten koste van vele slachtoffers.

Einde 1793 was Frankrijk bijna geheel van vijanden gezuiverd. Voor een inval behoefde de Republiek niet meer te vreezen.

Tegenover den vijand in het binnenland trad de beruchte wet der suspects met volle kracht in werking. De gevangenissen vulden zich met leden uit de gegoede burgerij en den handelsstand; alle vreemdelingen, alle aanhangers van een constitutioneel koningschap, of van een gematigde republiek, werden—voorloopig heette het—in hechtenis genomen.

Over het geheele land werden afgevaardigden van het Centrale Comité verspreid met uitgebreide macht. Over de steden in opstand werd de banvloek uitgesproken, te Lyon de bevolking door de afgevaardigden Collot d’Herbois en Couthon voor een gedeelte over de kling gejaagd; te Toulon gebeurde ongeveer hetzelfde onder Fréron en Barras, “den roofvogel der revolutie;” in Nantes maakte zich Carrier berucht.

In Parijs stond op de Place de la Concorde de guillotine bijna niet stil. Den 16en October viel het hoofd van Maria Antoinette, nadat haar reeds geruimen tijd te voren haar kinderen waren ontnomen en na een verhoor, dat in bijzonderheden afschuwwekkend is. Den 31en d. a. v. zag men een en twintig der in Juni gevangen genomen Girondijnen, onder het zingen der Marseillaise, het schavot beklimmen; den 6en December deelde hetzelfde lot de hertog van Orleans, een beginselloos man, veracht door de koningin, door den koning verdacht te streven naar het oppergezag, door het volk niet vertrouwd, al had hij ook zijn naam verwisseld voor dien van Philippe Egalité. [42]

In de jaartelling en in den godsdienst werd nu ook een volslagen omkeer gebracht.

De gregoriaansche tijdrekening werd door de republikeinsche vervangen; deze dagteekende van het jaar I der vrijheid. Het jaar begon dus op 22 September 1792 toen het koningschap was gevallen; iedere maand telde nu dertig dagen verdeeld in drie decades; den laatsten van iedere decade was ’t rustdag. De maanden werden genoemd naar het jaargetijde, waarin zij vielen, zooals October nu Vendémiaire heette, daarop volgde Brumaire, Frimaire enz. De vijf of zes overschietende dagen, jours complémentaires genoemd, dienden voor feestelijkheden, gewijd aan het genie, den arbeid, de schoone daden, de belooning, de meening en de omwenteling.

Een nieuwe godsdienst, die der Rede, werd afgekondigd en de hoofdkerk de Nôtre Dame, op voorstel van Chaumette, lid der Commune herdoopt in een republikeinsch gebouw, den Tempel der Rede. Ook buiten Parijs volgde men dit voorbeeld, werden kerken “onchristelijkt” en feesten gegeven, waarbij jonge vrouwen als godinnen der rede fungeerden. Welk een toestand!

Intusschen bleef de valbijl haar werk verrichten; den 11en November viel het hoofd van den edelen Bailly; den 15en ontving de Conventie van Fouché en Collot d’Herbois uit Lyon een brief, waarin zij pochten op de door hen gehouden strafoefeningen en een uit Rouen, meldende, dat de oud-minister Roland zelfmoord had gepleegd. Enkele dagen tevoren was diens jonge vrouw te Parijs onthoofd, welk lot weldra ook prinses Elisabeth, zuster des konings, onderging.

Al die onschuldig gevallen hoofden, die gruwelijke dwingelandij waren ten slotte oorzaak, dat in den boezem der Conventie en zelfs onder de leiders ontevredenheid ontstond. Had Robespierre zich al verzet tegen de anarchistische neigingen van Hébert, die vooral in zijn blad “Le Père Duchesne” door Camille Desmoulins “een der riolen van Parijs” genoemd, hun uiting vonden, hij werd hierin gesteund door Danton en Camille Desmoulins, die steeds op meer gematigdheid aandrongen en aan het schrikbewind een einde wilden zien. Van dit laatste was Robespierre volstrekt niet gediend en nadat eerst Hébert ten val was gebracht, boetten weldra Danton en Camille Desmoulins onder de valbijl voor hun “onzuivere beginselen als republikein en hun gematigdheid.”

Thans stond Robespierre alleen, gesteund door zijn trawanten als St. Just en Couthon. Doodsangst heerschte alom. Niemand zag uitkomst.

Toch was deze niet meer zoover af.

Robespierre had den eeredienst vervangen door dien van het Hoogste Wezen; in Juni (20en Prairial) zou deze in geheel Frankrijk worden ingewijd. Plechtige feesten moesten hiermede gepaard gaan en de volksmenner had zich door de Conventie doen aanwijzen om daarbij als hoogepriester op te treden. Op weg naar het feestterrein stapte de dictator met een glans van [43]trots en bevredigde ijdelheid op zijn gezicht een pas of vijftien voor zijn medeleden uit. Dit wekte reeds den toorn op. Het woord “Tiran!” moest hij hooren.—“Tiran, er zijn nog Brutussen!” beet Bourdon hem toe. Hij zon op wraak.—Een paar dagen later diende hij in de Conventie een wet in, waarbij de Revolutionnaire Rechtbank het recht verkreeg alleen op overtuiging van de schuld vonnis te vellen, terwijl tegenover samenzweerders de wet geen verdedigers toeliet. Wel kwam men tegen deze schandelijke wet in verzet, doch het baatte niet; ze werd aangenomen.

Foucquier Tinville greep deze nieuwe wet terstond aan als een middel om in de propvolle gevangenissen ruimte te krijgen. Van verhoor was bijna geen sprake; als het begon, stonden de schavotkarretjes buiten reeds te wachten op hun vracht, la fournee.

Hier heb je de winners in de loterij van Sinte Guillotine!” schreeuwden de kleine nieuwsventers onder de vensters der gevangenen. Het Avondblad noemden de bewaarders de lijst der gevangenen, die den volgenden dag zouden worden voorgebracht.

Het aantal doodvonnissen nam op schrikbarende wijze toe, bedroeg in twee maanden meer dan anders in een jaar. Veilig voelde zich niemand meer.

Het voortbestaan van het schrikbewind werd door velen overbodig geacht; niet alleen was er geen vijand meer op de grenzen, maar Jourdan had bij Fleurus in de Zuidelijke Nederlanden overwonnen; de opgestane steden waren ten onder gebracht, het vaderland dus niet meer in gevaar. Waarvoor dan dat bloedige werk van de Revolutionnaire Rechtbank?

De ellende duurde voort alleen ten genoegen van den machtigen dictator en zijn aanhang; tot die overtuiging kwam men algemeen, toch duurde het lang voor de moed er was hem aan te vallen en neer te werpen.

In het comité van algemeene veiligheid beraamde men het plan tot zijn val; Billaud-Varennes en Collot d’ Herbois, leden van het Comité de Salut Public namen er aan deel. Den 7en Thermidor (25 Juli) werd in de Nationale Conventie een lang rapport voorgelezen, waarin men te velde trok tegen hen, die in weerwil van de overwinningen, nieuwe plannen tot vervolging beraamden. Het was de eerste openlijke pijl op Robespierre gericht. Deze verscheen den volgenden dag in de Conventie, verdedigde de genomen maatregelen, beschuldigde zijn tegenpartij, maar ’t succes was niet groot. In zijn club, waar hij ’s avonds zijn redevoering herhaalde, werd hij enthousiast toegejuicht, Billaud-Varennes en Collot d’ Herbois werden echter uitgejouwd en zelfs buiten de vergadering gezet.

Den 9en Thermidor was de beslissende dag. Als Robespierre de zaal der Conventie binnentreedt en St.-Just het woord neemt om zijn verdachtmakingen tegen zijn tegenpartij te beginnen, wordt hij dadelijk in de rede gevallen. Billaud-Varennes neemt het woord, waarschuwt de Conventie voor [44]het dreigende gevaar, klaagt Robespierre aan, noemt zijn medeplichtigen in de Commune en brandmerkt zijn gedrag en zijn streven naar het oppergezag met bittere vlijmende taal.

Als hij zwijgt zijn alle oogen op Robespierre gericht. Deze vliegt naar de tribune, maar een dreunend: “Weg met de tiran!” weerklinkt. Aan het woord laat men hem niet komen. “Het bloed van Danton verstikt je” bijt men hem toe. Met algemeene stemmen wordt tot gevangenneming van hem, Couthon en St.-Just besloten. Onder gejuich voeren de gendarmes hen weg.

Thans werpt de commune het masker af. De gevangenen worden bevrijd en naar het stadhuis gevoerd, terwijl Henriot het grauw opruit en zelfs kanonnen tegen de Tuilerieën in batterij doet komen, maar de kanonniers weigeren vuur te geven.

De Conventie stelt Henriot, Robespierre en de commune buiten de wet, benoemt Barras tot commandant der nationale garde ter verdediging van het gouvernement. Het verzet is gebroken en den 10en Thermidor worden Robespierre, Couthon, St.-Just en een twintigtal aanhangers geguillotineerd, eenige dagen later door een zeventigtal leden der commune en twaalf van de de Revolutionnaire Rechtbank gevolgd.

Frankrijk herademde, nu het zich bevrijd voelde van den man, die vriend en vijand had opgeofferd om zich tot dictator te doen verheffen; men verpersoonlijkte in hem al het buitensporige van het schrikbewind en geloofde de Republiek gered, tot rust gebracht door zijn val.

Al was dit overdreven, toch kregen de gematigden onder de Thermidoristen de leiding in handen. Zij beperkten de groote macht van het Comité de Salut Public, schaften de beruchte wet van Juni 1794 omtrent het vonnissen af; de commune moest haar gezag aan de conventie afstaan; de club der Jacobijnen met haar 800 afdeelingen in de departementen werd gesloten.

Carrier, Fouquier Tinville lieten het leven onder de valbijl, anderen werden naar Cayenne verbannen. Een laatste poging in Mei 1795 om het door honger gekwelde gepeupel in oproer te brengen, werd met kracht onderdrukt.

De voorstad Saint-Anthoine, de bakermat van zooveel ongerechtigheden, werd toen tevens ontwapend.


Inmiddels hadden de legers der Republiek schitterende bewijzen gegeven van hetgeen zij onder vaderlandsliefde verstonden. Slecht gekleed en gevoed, vaak slecht bewapend, hadden ze in de Vendée onder Westerman en Kléber den opstand in ’t begin van 1794 zoo goed als geheel onderdrukt, Pichegru had na Jourdans overwinning bij Fleurus de Engelschen naar Holland gedreven en den 20en Januari zelfs Amsterdam bezet. Ook in ’t zuiden aan de Pyreneën en in Italië hadden die jonge, maar energieke krijgers zich tegenover de Spanjaarden en Piëmonteezen ais helden gedragen. [45]

Met Pruisen en met Spanje werd eindelijk vrede gesloten (5 April en 22 Juli 1795). Ten slotte schafte de Conventie de democratische grondwet van 1793 af—tot uitvoering was zij nog niet gekomen—en droeg het uitvoerend bewind op aan een Directoire van vijf leden, de wetgevende macht aan twee raden, dien der Vijfhonderd, welke de wetten zou voordragen en dien der Ouden, welke ze moest onderzoeken en er over beslissen. Ter voorkoming van een royalistische meerderheid had de Conventie bepaald, dat twee derden van haar leden in de nieuwe vertegenwoordiging zou overgaan. De in groote getale teruggekeerde royalisten zagen hierdoor hun macht gefnuikt en begonnen een opstand in de straten van Parijs.

Het was op den voor Bonaparte zoo gedenkwaardigen 13en Vendémiaire. [46]


1 Het wordt wel ontkend, dat Lodewijk dit zou gezegd hebben, maar de woorden teekenen zuiver het standpunt, dat de koning toen innam.

2 Op deze goederen werden assignaten afgegeven, welke als betaalmiddel dienst deden.

3 Later werd hij er op last der Nationale Conventie uit verwijderd en door ... Marat vervangen.

4 Woelingen in de Vendée en in Bretagne waren hiervan het eerste gevolg.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk III.

Bij Toulon en te Parijs.

Door zijn onbesuisden streek te Toulon wel geducht gecompromitteerd, doch niet ontmoedigd, richtte Lucien tal van adressen rechtstreeks aan de Conventie en kreeg daardoor eindelijk een baantje van twaalf honderd francs als magazijnbewaarder te Saint-Maximin; hij begon hier de bevolking terstond recht te zetten en werd er door de volksvergadering tot president van het revolutionnaire comité gekozen in welke hoedanigheid hij een twintigtal eerwaardige burgers zonder proces liet gevangen zetten. Ook nam hij den naam aan van Brutus en herdoopte, door Barras hierin geholpen, Saint-Maximin in Marathon, terwijl hij in Mei 1794 op al dit ultra-republikeinsche gedoe de kroon zette door een huwelijk met Catharine Boyer, de zuster van den herbergier, bij wien hij inwoonde, een meisje twee jaar ouder dan hij, dat lezen kon noch schrijven, doch dat haar negentienjarigen man met haar fluweelzachte zwarte oogen en haar ongemeen schrander kopje tot aan haar dood heeft weten te boeien.

Niemand van de familie was bij het huwelijk van Brutus Bonaparte tegenwoordig en vanaf dit oogenblik zien we Lucien meer op zich zelf staan.

Louis had Paul en Virginie van Bernardin de Saint Pierre inmiddels onder handen genomen en dezen beroemden natuurkundige daarop stoutweg de vraag gesteld, wat er in dit boek waarheid, wat verdichtsel was. Wat driestheid aangaat waren de broeders dus aan elkaar gewaagd.

Jozef liep het geluk mee. Aanvankelijk aangewezen om in het gevolg van Saliceti mee te werken bij een krijgstocht tegen Corsica, die van Toulon zou scheep gaan, doch door een opstand in deze stad hierin verhinderd, was [47]Jozef in de eerste dagen van September door de representanten der Conventie dus door Saliceti benoemd tot commissaris van Oorlog 1e klasse op een tractement van zesduizend francs benevens rations, vrij logies en bureaukosten.

Toen Laetitia in September besloot met haar jongste kinderen voor alle zekerheid in Marseille, dat in handen der republikeinen was, een veiliger verblijf te zoeken, waren de toestanden voor haar dus reeds aanmerkelijk verbeterd. Haar drie oudste zoons hadden een betrekking en zij zelve werd door de Conventie van het noodige voorzien.

Opnieuw was het Saliceti, de landgenoot en vriend, die op het lot der familie invloed uitoefende. Dommartin, de commandant der artillerie van generaal Carteaux, die van Marseille oprukte tegen het sterke Toulon was bij Ollioules gekwetst en Saliceti wees Napoleon aan als zijn plaatsvervanger. Op Corsica had hij zijn talenten reeds leeren kennen als inspecteur van de artillerie; het vlugschrift Le Souper de Beaucaire had voldoende bewezen, dat Napoleon een republikein was in merg en been en een ander knap artillerieofficier was niet dadelijk bij de hand.

Den 12en September kwam Napoleon voor het door Engelschen, Spanjaarden, Napolitanen en Piëmonteezen verdedigde Toulon. Hier viel nog zoo goed als alles te doen. Terwijl de belegerden de batterijen, welke de binnenreede moesten beschermen en het fort de l’ Eguilette, gelegen op een kaap aan den ingang dezer reede, zoo geducht hadden versterkt, dat het geheel Klein-Gibraltar werd geheeten, had Carteaux, een onbekwaam man, letterlijk nog geen schop in den grond laten steken. Toen de representant Gasparin hem vroeg naar zijn aanvalsplan, antwoordde hij: de artilleriecommandant schiet de stad drie dagen lang plat; dan kom ik met drie colonnes en neem haar met storm. Dit plan was echter meer grappig dan uitvoerbaar en gelukkig werd hij weldra vervangen door Generaal Dugommier, die tot opperbevelhebber werd benoemd, terwijl op verzoek van Bonaparte tevens een artilleriechef werd aangewezen n.l. generaal du Teil, waardoor de zeer onwetende officieren van den staf werden gedwongen hun aanmatigenden toon tegenover Napoleon wat te temperen.

Toen du Teil kwam, was het voornaamste werk, dat der voorbereiding reeds verricht en Bonaparte inmiddels op den 29en September voorloopig tot Bataljonschef bij de Artillerie benoemd, in welken rang hij den 19en October werd bevestigd. Thans redelijk gesteund, toog hij met verdubbelde kracht aan het werk; nu reeds bleek hoe het voeren van het bevel hem letterlijk was aangeboren en hoe hij de kunst verstond zijn minderen door woord en daad voor zich in te nemen. Hoewel hij den afgevaardigde Gasparin steeds heeft voorgesteld als de man, die hem zijn loopbaan als artillerist geopend en hem met zijn gezag gesteund heeft, bewees hij toen reeds welk een volbloed soldaat er in hem stak. Steeds in het vuur, slapende bij zijn kanonnen, bij elk [48]gevecht vooraan, paarde hij aan het gezag zijner meerdere kennis de in den krijg alles overweldigende macht van het voorbeeld.

Als op zekeren dag in een onder heftig vuur liggende batterij een artillerist naast zijn stuk wordt doodgeschoten, grijpt hij zelf den aanzetter uit de hand van den doode en helpt den vuurmond bedienen, tot hij wordt afgelost; als de Engelsche generaal O’Hara, gouverneur van Toulon, een uitval beproeft is hij het, die onopgemerkt aan de spits van een bataljon door de loopgraven nadert en die uitval zoo krachtig helpt afweren. O’Hara zelf wordt letterlijk tusschen zijn eigen soldaten gevangen genomen. Den naam van de Batterij der Mannen zonder Vrees geeft hij aan een stelling, die onder zwaar vuur ligt en haar verliezen dagelijks ziet stijgen, maar die nooit artilleristen te kort komt, want daar willen al de artilleristen dienen, omdat hij zelf het vuur leidt. Enkele paarden werden voor Toulon onder zijn lijf doodgeschoten en voor de eerste maal werd hij gewond door een bajonet van een Engelschman.

Hier had Napoleon de gelegenheid de kalmte en onverschrokkenheid van Junot, toen sergeant bij een bataljon van de Côte d’Or op te merken bij het springen van een granaat, waardoor het vel papier, dat Junot voor zich had, met zand werd overdekt, maar hetgeen hem in het minst niet deed opschrikken. Later werd Junot tot luitenant bevorderd en nam Napoleon hem tot zijn adjudant.

Had Dugommier in zijn bulletin van den 1en December onder meer ook Bonaparte genoemd, die hem vooral bij den uitval van O’Hara krachtig had terzijde gestaan, meer lof oogstte hij in van den generaal du Teil, zijn onmiddellijken chef; deze schreef aan den Minister van Oorlog: “Ik kan geen woorden genoeg vinden om U de verdiensten van Bonaparte te schetsen. Evenveel zakenkennis als schranderheid bezit hij, doch hij is te vermetel. Ziedaar een flauw beeld van dezen zeldzamen officier. Aan U, Minister, de taak hem te verbinden aan den dienst der Republiek.

Klein-Gibraltar eindelijk genomen en de verdere verdediging van Toulon zoodoende onmogelijk geworden (18 December) stak de commandant der Engelsche troepen de Fransche oorlogsvloot (ruim 50 vaartuigen) en het arsenaal in brand, ging aan boord van zijn eigen schepen, zeilde weg en liet de bevolking verder aan haar lot over. Toen de stad was genomen, maakte de afgevaardigde Barras kort recht en werden vele verdedigers dood geschoten; zoo wilde het de Conventie, want alle verraders moesten worden uitgeroeid. Wel had de Republiek een zware slag getroffen, daar bijna de geheele vloot in vlammen was opgegaan, maar toch was de vreugde groot, want Toulon verlatende, hadden de Engelschen hun steunpunt in het Zuiden des lands verloren.

Bonaparte voor Toulon.

Bonaparte voor Toulon.

Reeds door de vertegenwoordigers voorloopig tot generaal brigadecommandant benoemd, zag Napoleon zich in de eerste dagen van Januari 1794 [49]door het Comité de Salut Public in zijn nieuwen rang bevestigd en werd hij tevens belast met het bevel over de artillerie bij het leger van Italië en met de bewapening van de kust. Twaalf duizend francs tractement met vivres, vrij logies en emolumenten was een schat van belang. Hij zelf dacht niet eens aan dat geld, Laetitia zooveel te meer, doch ook zij bleef ondanks dezen onverwachten voorspoed uiterst zuinig en spoelde b.v. zelve haar waschgoed in de beek voor haar huis nabij Antibes, waarheen haar zoon in ’t voorjaar zijn hoofdkwartier verlegde en waar zij hem met de kleintjes gevolgd was.

De zorg voor Louis had hij terstond weder op zich genomen, toen de knaap uit angst voor ’t geen hij te Lyon gezien had niet had durven doorreizen naar Châlons-sur-Saône om hier de lessen aan de artillerieschool te volgen; zelfs had hij hem benoemd tot zijn adjudant en hem den luitenantsrang geschonken bij een afdeeling vrijwillige artillerie, waarover hij had te bevelen.

In die dagen maakte hij ook nader kennis met de jongste Robespierre, die met Ricord als vertegenwoordiger der Conventie bij het leger van Italië was geplaatst, Napoleon voor Toulon reeds aan het werk had gezien en thans een door Bonaparte uitgewerkt en door den krijgsraad goedgekeurd veldtochtsplan tegen de Oostenrijkers deed uitvoeren. Het succes was groot, maar Bonaparte zelf had er niet veel eer van; in het rapport dienaangaande kwam zijn naam zelfs niet voor. Was hij op Robespierre’s voorstel ingegaan, dan had hij toen in de plaats van Henriot het commando kunnen krijgen over de nationale garde te Parijs, doch het vooruitzicht chef te worden over een bende halfgewapende, slecht gedisciplineerde burgers, trok hem, den volbloed soldaat, niet aan; hij bedankte dus voor de eer, bleef in het Zuiden en keerde tegen den zomer naar Nizza terug.

Jozef had inmiddels weder een bewijs gegeven van zijn “handigheid in zaken” en had te Marseille kennis gemaakt met de oudste dochter van den in Januari 1794 overleden koopman Clary. Mooi was ze niet, die Marie-Julie, jong evenmin, maar vroom en milddadig, in den intiemen kring gevat, geestig en—zeer rijk, want 150.000 francs, haar bruidschat, belegd in nationale goederen, was bij den lagen koers der assignaten in die dagen een groot fortuin. Op haar beurt zag de familie Clary een verbintenis met een heer van adellijke afkomst, met goede manieren en een gunstig uiterlijk niet ongaarne; bovendien was Jozefs broer een generaal, die bij de Conventie hoog stond aangeschreven en dit was vooral in dien tijd een niet gering te schatten voordeel, want vele rijke kooplieden in Marseille waren reeds gevallen, de gevangenissen met “verdachten” overvol en nog dagelijks hadden arrestaties plaats, terwijl de opgelegde boetes vaak tienduizenden francs beliepen.

Moeder Laetitia en haar dochters waren met het nieuwe familielid, dat [50]zoo rijk was en zoo bescheiden zeer ingenomen en den 1en Augustus 1794 werd het huwelijk dus voltrokken en voelde Jozef zich nog meer dan vroeger als oudste het hoofd der familie; wel gaven Louis en Pauline altijd aan Napoleon de voorkeur, maar het was toch steeds Jozef, die ten slotte besliste, terwijl Lucien en Marianne alleen van hem raad aannamen.

Niet zoo geheel ten onrechte vond de familie Bonaparte de generaalsbetrekking van Napoleon in die dagen nog al precair en al stond hij thans in hoog aanzien, de eigenaardige toestand in Frankrijk gaf niet zooveel waarborgen, dat men van zijn hooge functie steeds zeker was.


Zonder dat hiervan in het zuiden toen nog iets bekend was, hadden te Parijs inmiddels groote gebeurtenissen plaats gegrepen, die we vroeger beschreven. Het Schrikbewind was den 9en Termidor gevallen, aan het rijk van Robespierre was een einde gekomen. Nauwelijks was hiervan de tijding doorgedrongen tot de representanten Albitte en Laporte, die zoowel over het Alpenleger als over dat van Italië het toezicht uitoefenden en Bonaparte toch reeds een kwaad hart toedroegen, of deze werd beschuldigd van landverraad en op hun last gevangen genomen. Hij had op intiemen voet verkeerd met de jonge Robespierre en Ricord; door hen was hij belast geworden met een geheime zending naar Genua en hier zou hem door den vijand een millioen francs zijn beloofd, bij elkander genomen, misdaden genoeg om een generaal in die dagen naar het schavot te helpen. Laetitia had gelijk gehad toen zij de positie van Jozef met het fortuin zijner vrouw achter zich, heel wat meer soliede noemde dan die van haar tweeden zoon, al had deze nog zooveel roem en eer behaald. Nu was hij gekerkerd.

Het krachtige protest, waarmede Bonaparte tegen deze behandeling opkwam, baatte hem niets. Hij had in zijn veldtochtsplannen met de waardigheid der representanten niet de minste rekening gehouden; hij had hun bevoegdheid tot oordeelen over militaire aangelegenheden niet erkend, geen acht geslagen op hun persoonlijke belangen, bij veel van die volstrekt niet onbaatzuchtige representanten een zaak van groot gewicht en hij was dus in zekeren zin hun persoonlijke vijand geworden. Toen een ernstig onderzoek zijner papieren tot niets leidde en hij zich omtrent die bevolen reis naar Genua volkomen had kunnen verantwoorden, waren de representanten wel verplicht den man voorloopig weder los te laten, “dien zij na de terechtstelling van den samenzweerder Robespierre als maatregel van algemeene veiligheid hadden doen gevangen nemen, maar die, zijn locale en militaire kennis in aanmerking genomen, voor de Republiek van nut kon wezen.”

Na dit bijna veertiendaagsch verblijf in den kerker had Bonaparte blijkbaar spoedig het vertrouwen herwonnen, want half September reeds werd hij door Saliceti, die bij zijn gevangenneming een vreemde rol had gespeeld, [51]belast met de voorbereiding eener nieuwe expeditie naar Corsica, dat nog altijd in Engelsche handen was. Van deze gelegenheid maakte hij terstond gebruik om Jozef te belasten met de goed betaalde functie van inspecteur over de hospitalen te Toulon.

De expeditie zelve mislukte echter geheel, want tegen de Engelsche marine waren de onervaren Fransche zeeofficieren met hun dappere, doch tuchtelooze schepelingen niet opgewassen. Half Maart 1795 kwam het bevel de landingstroepen weder te ontschepen en Napoleon had dus een half jaar tevergeefs rusteloos gearbeid. Na een kortstondig verblijf te Marseille bij zijn moeder, vertrok hij naar Parijs. Door een wijziging in de indeeling der legers, die o.a. aan twintig divisie- en acht en vijftig brigade-generaals de nonactiviteit had gebracht, was ook hij van zijn commando ontheven en “zijn verdienste en zijn deugdelijke kennis in aanmerking genomen,” als brigadegeneraal ingedeeld bij het leger in de Vendée, een regeling, waartegen de toen zes en twintig jarige opperofficier in redelijkheid niets kon aanvoeren, want hij bleef als chef gehandhaafd en werd niet gesteld onder de bevelen van een ander.

Veel haast om zijn bestemming te bereiken maakte hij intusschen niet; hij nam Junot benevens den kapitein der artillerie Marmont als adjudanten mede, bleef zelfs eenige dagen te Châtillon bij den vader van Marmont logeeren, gaf Louis, dien hij weder tot zich had genomen, tegelijkertijd nog dagelijks les in wiskunde met het plan hem op de militaire school van Châlons te plaatsen, als hij geen brevet van luitenant der artillerie voor hem machtig kon worden. Eindelijk te Parijs gekomen, vond hij de toestanden hier geheel gewijzigd.

Enkele dagen te voren was een opstand uitgebroken in de hoofdstad onder de uiterste Jacobijnen, de zittingzaal der Conventie was men binnengestormd, bloed had gevloeid en een nieuwe periode van ellende en doodsangst had gedreigd, maar ten slotte hadden de gematigden en het goedgezinde deel der burgerij de zege behaald en de rust was hersteld. Het gevolg hiervan was geweest, dat eene heftige vervolging was begonnen tegen al wat met Robespierre en de Jacobijnen in betrekking had gestaan; generaal Menou was benoemd tot commandant der gewapende macht te Parijs, terwijl het beheer over de legerzaken o.a. aan een oud-girondijn, den kapitein der artillerie Aubry was opgedragen; bovendien waren de invloedrijke kennissen van Bonaparte als Saliceti, Barras, Ricord en Fréron òf verbannen òf onder toezicht gesteld. Weldra zou hij nogmaals ondervinden hoe gevaarlijk zijn vroegere vertrouwelijkheid met de Jacobijnsche partijhoofden was geweest; reeds enkele dagen later ontving hij bericht, dat hij bij het leger in de Vendée was ingedeeld, niet als generaal der artillerie, doch als commandant eener brigade infanterie. [52]

Wat was dat! Hij de volbloed-artillerist, met zijn vooroordeel tegen de officieren van andere wapens, geplaatst bij de infanterie, gedegradeerd dus! Dit was te veel! Hij liep naar Aubry, vorderde zijn vroeger commando terug, doch ontving een weigerend antwoord. “Hij was nog veel te jong voor zulk een positie,” zei Aubry, jaloersch op het succes van zijn wapenbroeder. “Op het slagveld gaat die jeugd snel voorbij en van het slagveld kom ik, gaf Bonaparte den ander, die nog nooit kruitdamp had geroken, ten antwoord; zijn protest hielp hem niet, het besluit bleef gehandhaafd. Om den schijn te redden zond Bonaparte zijn paarden en bagage vooruit naar Nantes, maar meldde zich tevens ziek en bleef te Parijs. Ziek was hij werkelijk in den zomer van 1795, zielsziek, al was daarvan in zijn brieven aan Jozef “zijn eenigen vriend,” zooals hij hem toen steeds betitelde, niet zooveel te bespeuren. Met een ouden, diep in de oogen gedrukten hoed op, gedoken in de later zoo vermaard geworden grijze jas, met scheef geloopen vuile laarzen aan, met bloote slecht verzorgde handen en het lange haar in twee tressen oreilles de chien langs de ooren afhangende, een echt beeld van armoede en verwaarloozing, sloop hij langs de straten.

Zijn moedeloosheid vooral betreffende zijn toekomst als officier bleek duidelijk uit een brief aan Jozef, aan wien hij schreef: “Aan het leven hecht ik zeer weinig; zonder bezorgdheid sla ik het gade; ik verkeer voortdurend in den zielstoestand van den soldaat aan den vooravond van een veldslag. Innig overtuigd, dat wanneer de dood om ons heen waart om aan alles eensklaps een einde te maken, bekommerd zijn een dwaasheid is, doet alles mij het noodlot trotseeren. Houdt die toestand aan, dan zal het slot wezen, dat ik voor een naderend rijtuig niet eens meer uit den weg ga.

Een enkele maal vertoonde hij zich bij de familie Permon en bij zijn ouden schoolmakker de Bourrienne, maar in zijn droefgeestigen toestand bracht zulk een bezoek geen verbetering. In die dagen rees weder de gedachte bij hem op, om dienst te gaan nemen in Turkije bij de artillerie van den Grooten Heer, die zijn leger wilde organiseeren en om officieren had verzocht; dan zou hij niet bij de toen nog zoo geminachte infanterie1 behoeven te dienen, want hij zou er als generaal van de artillerie heengaan en wilde Jozef tevens meenemen, die, geschrapt van de lijst voor oorlogscommissaris, naar Marseille en daarop met vrouw en schoonzuster naar Genua was gegaan.

Ook liep hij met huwelijksplannen rond; als hij eens in het huwelijk trad met Désirée Clary, de schoonzuster van Jozef, “dien gelukkigen schelm,” [53]zooals hij zijn broer had genoemd, toen hij van diens verbintenis met Julie had vernomen.

Jozef en Julie hadden zulk een huwelijk niet ongaarne gezien, doch, hoewel Désirée Napoleon wel genegen was, schreef zij hem naar zijn zin te weinig en langzamerhand verflauwden zijn attenties voor haar.

Niettegenstaande deze voor Napoleon zoo treurigen toestand verloor hij zijn familie niet uit het oog en bleef niet minder werkzaam voor hen, wanneer dit noodig was. Lucien had niet alleen zijn baantje weder verloren, maar was door zijn vijanden uit wraakzucht, voor ’t geen hij indertijd te Saint-Maximin had uitgericht, te Aix gevangen gezet en liep als zooveel anderen, dus groot gevaar voor zijn leven.

Nauwelijks had Bonaparte hiervan bericht ontvangen, of hij rustte niet voordat hij van het Comité van algemeene veiligheid een bevel tot zijn invrijheidstelling had gekregen; hij zond hem zelfs geld, zocht een baantje voor hem en liet hem ten slotte bij zich te Parijs komen. Ook voor Jozef was hij werkzaam, en toen de kans op oorlogscommissaris was verkeken, poogde Napoleon voor hem een consulaat te krijgen in een der havens van Italië, maar broerlief was bijster kieskeurig. Van zulk een post op Chio b. v. was hij niet gediend. Consul op een eiland! Wat was dat nu voor hem, zoo’n knap, zoo’n groot man, die op Corsica reeds zooveel hooge betrekkingen had bekleed. Iets beters moest Napoleon voor hem, het hoofd van het geslacht, dus zien machtig te worden en nogmaals toog Bonaparte aan den arbeid.

Voor Louis, zijn troetelkind had hij op de militaire school inmiddels een plaats gekregen en met schier vaderlijken trots volgde hij zijn vorderingen en geraakte over, “dien besten, braven, vlijtigen, goedhartigen” jongen in zijn brieven niet uitgepraat.

Dan was Jérôme er nog. Die knaap was nu bijna elf jaar en had door den loop der omstandigheden maar zeer weinig onderwijs genoten, doch hij verlangde naar Parijs! Broer “Napolione” moest daar een kostschool voor hem zoeken, maar voorloopig kon hiervan echter niets komen, want de kostscholen waren gesloten. Aldus aanhoudend vervuld met de zorg voor zijn familie, doolde de zwaarmoedige jonge man in die zomerdagen door Parijs, tot Aubry half Augustus werd vervangen door Doulcet de Pontécoulant.

Door het lid der Conventie Boissy d’ Anglas op Bonaparte gewezen als op “een generaal die van het leger van Italië kwam en blijkbaar met kennis van zaken daarover sprak,” verzocht Pontécoulant “dien jonkman met zijn doodsbleek, vervallen gelaat, gebogen rug en ziekelijk uiterlijk” bij hem te komen op het bureau van Oorlog en plaatste hem bij de afdeeling, belast met het ontwerpen der veldtochtsplannen en met het toezicht op de operaties te land en ter zee. Deze gelegenheid om weder aan het werk te komen, greep Bonaparte gretig aan; in de volgende weken ontwierp hij het plan van aanval [54]op de Oostenrijkers, dat hij weinige maanden later geroepen zou worden zelf uit te voeren en waardoor zijn naam in een goudglans zou schitteren voor de oogen van gansch Europa, tevens verzocht hij de Pontécoulant hem weder te plaatsen in het actieve leger bij de artillerie.

De officieren aan de bureaux van oorlog, jaloersch op hun jongen krijgsmakker, die het reeds zoover had gebracht, staken echter een spaak in ’t wiel. Letourneur, de Pontécoulants opvolger, te voren chef van het personeel bij oorlog, 45 jaar oud en eerst kapitein, was Bonaparte, die een domoor en betweter zoo vinnig en ongezouten op zijn plaats kon zetten, volstrekt niet genegen en weigerde aan zijn verzoek te voldoen. Daarop nam Bonaparte zijn ontslag van het bureau en begon nogmaals werk te maken van een detacheering bij het leger van den Sultan. Ook het Comité de Salut Public had daar wel ooren naar; daarin zaten mannen, die zijn verdiensten erkenden o. a. Jean Debry. “Eerst behoort het Comité dien opperofficier te beloonen voor de door hem bewezen diensten en hem dus te bevorderen; dan kan er later beslist worden als hij bij zijn verzoek mocht blijven,” zei hij o. a. bij de beraadslaging over dit punt.2

Gesteund door Barras en Fréron begonnen Bonaparte’s kansen dus zeer mooi te staan. Het geld voor de expeditie was reeds gevonden. Zelf schreef hij aan Jozef “dat het besluit reeds zou zijn geteekend en de datum van het vertrek vastgesteld als er te Parijs bij de partij der reactie niet zooveel gisting heerschte.” Binnen enkele dagen zou echter alles wel zijn afgeloopen schreef hij verder. Dat die partij de zege zou wegdragen duchtte hij niet. “De genius der vrijheid verlaat haar verdedigers niet,” schreef hij.

Onbezorgd begon hij de toekomst weder in te zien; zijn gansche wijsbegeerte, waaruit het fatalisme blijkt, dat hij zich toen tot levensleer en levensregel had gekozen was vervat in zijn: “In ’t verschiet zie ik alleen liefelijke beelden; zelfs al ware zulks het geval niet, is het toch zaak te leven bij den dag. Een man van moed rekent niet met de toekomst.”

Tien dagen later, op 5 October 1795, 13 Vendémiaire zou in die toekomst, in zijn gansche bestaan, zijn denken en zijn handelen een volslagen omkeer worden gebracht. [55]


1 Later zou hij tot andere gedachten komen. Slechts één opperofficier der artillerie is door hem tot maarschalk benoemd (Marmont) en dit geschiedde dan nog alleen uit oude relatie.

2 Hoewel Bonaparte’s positie bij het leger den 13en Fructidor volkomen in den vorm was geregeld, nam het Comité zestien dagen later, op dienzelfden datum dus, dat zijn verzoek om detacheering daar in behandeling kwam, een besluit, waarbij hij van de lijst der actief dienende generaals werd geschrapt. Wat een janboel dus!

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk IV.

13 Vendémiaire. Joséphine.

Nadat de constitutie van het jaar III met een Directoire van vijf leden als uitvoerende macht den 22en Augustus 1795 was aangenomen, moesten de leden van het wetgevend lichaam worden gekozen. Reeds vleiden zich de royalisten en de emigrés, die in de laatste maanden bij duizenden in het land teruggekeerd of uit hun schuilhoeken te voorschijn gekomen waren, dat zij bij die verkiezingen verreweg de meerderheid zouden hebben, waardoor hun kansen bij een tegenomwenteling dus aanmerkelijk moesten vermeerderen, toen een decreet der Conventie besliste, dat de Raad van Vijfhonderd voor twee derden zou bestaan uit haar vroegere leden. Waren dit dezelfde mannen, die den 10en Augustus 1792 tot den val van het koningschap hun steun hadden verleend en later over Lodewijk XVI het doodvonnis hadden uitgesproken? Zeker het waren deze volbloed republikeinen, maar tevens de mannen, die drie jaar lang tegenover gansch Europa pal hadden gestaan en door bijna ongeloofelijke bewijzen van volharding en energie Frankrijk van de vreemde overheersching hadden gered.

De royalisten, de emigrés en de rijke burgerij te Parijs zagen in dit decreet een terugkeer naar den tijd van la Terreur en de heerschappij der guillotine. In de meeste verkiezingssectiën te Parijs werd het dus verworpen, in de departementen echter met overgroote meerderheid aangenomen. Niettemin besloten de royalisten, van ouds wetende, dat hetgeen in de hoofdstad geschiedde, in de departementen meestal navolging vond, een poging te doen om weder op het kussen te komen. Te Parijs lag slechts een bezetting van enkele duizenden soldaten, zij hadden de sectiën en wel 40.000 aanhangers achter zich; de kansen stonden dus mooi. In de sectiën Lepelletier, [56]Luxembourg, le Temple enz., waar de rijken de meerderheid vormden, werd den 12en Vendémiaire (4 October) openlijk verzet tegen de Conventie afgekondigd; wapens werden rondgedeeld en onder de burgerij het gerucht verspreid, dat de regeering terug wilde naar de dagen van het schrikbewind.

In dezen uitersten nood was voor de Conventie krachtig ingrijpen een eerste vereischte; generaal Menou, commandant van de troepenmacht in Parijs, die de opstand niet vermocht te dempen, ja het verzet der royalisten door zijn slap optreden nog had versterkt, werd gevangen genomen; Barras kwam in zijn plaats, maar als leider van soldaten volkomen ongeschikt, nam hij o.a. op raad van Carnot, Bonaparte als tweede bevelhebber. “De degen eenmaal getrokken, zou niet meer worden opgestoken voor de orde was hersteld,” had Napoleon aan Barras gezegd, toen hij het commando aannam. En hij hield woord.

Toen in den laten namiddag van den 13en Vendémiaire de opstandelingen van verschillende zijden oprukten, werden ze zoo krachtig door de troepen van de Conventie ontvangen, dat het verzet werd gebroken; aan het beleid van Bonaparte dankte de Conventie haar behoud, want hij, niet Barras, was de ziel der verdediging geweest.

De Conventie toonde zich niet ondankbaar, tien dagen later benoemde ze hem tot divisiegeneraal bij de artillerie, nog tien dagen later tot opperbevelhebber van het leger in het binnenland. Barras was lid geworden van het Directoire.

Uit was het ineens met de plannen om naar Turkije te gaan. In drie weken tijd had Bonaparte een standpunt bereikt, zoo hoog, dat de invloed der bureaux van Oorlog hem niet meer kon schaden; weder “kon hij dienen en nuttig zijn.” Een zee van werk wachtte hem, want alleen de reorganisatie der nationale garde—honderd en vier bataljons—was een reuzentaak; hier tegen zag hij niet op. De legermacht te Parijs bracht hij samen in één kamp. De oud-militairen, die hem den 13en Vendémiaire vrijwillig hun hulp hadden aangeboden vereenigde hij tot een korps; voor het Directoire en de beide Raden schiep hij een lijfwacht en bracht aldus binnen enkele maanden in en om de hoofdstad een macht bijeen, groot genoeg om het gepeupel in bedwang te houden, dat honger leed, de waarde van het papieren geld met den dag zag verminderen en dus weinig aanmoediging noodig had om tot oproer over te slaan. Die militaire macht diende tevens om de Jacobijnen ontzag in te boezemen, die zich hadden vereenigd onder den naam van de Club van ’t Panthéon en opnieuw den kop begonnen op te steken.

Ook op zijn moreele leven deed deze reusachtige omkeer in zijn lot terstond zijn invloed gevoelen. Hij leefde letterlijk geheel op; het armoedige vertrekje in een klein logement, dat hem zoolang tot woning had gediend, verwisselde hij met een ruim hotel op den boulevard, hij schafte zich paard en rijtuig aan, huurde een loge in de comedie en liet zich een nieuwe uniform [57]maken, stellig geen weelde, want de tegenwoordige was tot op den draad versleten. Tevens begon hij voor zijn moeder te zorgen, zond haar eenige duizenden baar geld en assignaten en herhaalde die zendingen geregeld iedere maand. “Mama is van alles overvloedig voorzien; ik heb haar zestig duizend francs doen toekomen” kon hij in Januari 1796 aan Jozef melden. Ondanks al zijn werk bleef hij ook voortdurend vervuld met het lot en de belangen van zijn broers. Louis heeft hij terstond een luitenantsbrevet doen geven en hem opgenomen in zijn staf. Lucien, die armoede geleden en gevangen gezeten had, bezorgde hij een betrekking als Commissaris van Oorlog bij het leger van het Noorden.

Veel eer legde hij hiermee echter niet in, want Lucien vond het leven te Parijs, waar hij nu op kosten van broer Napoleon mocht rondscharrelen, zoo heerlijk, dat hij eerst in Februari 1796 afreisde naar Gorinchem. Reeds in die dagen bleek, dat de man voor geregelden, gezetten arbeid alle lust en geschiktheid ontbrak; op de tribune disputeeren met de Jacobijnen en royalisten ging hem beter af, maar tucht en plichtsgevoel waren hem onbekend.

Eindelijk werd de toekomst van Jozef, zijn boezemvriend, den broeder “wiens afwezigheid hij dagelijks sterker gevoelde” een voorwerp van zijn zorg. Jozef verveelde zich te Genua en wilde consul worden; ook wilde hij deelnemen aan de uitrusting van twee kaperschepen. “Kom naar Parijs; hier staan tafel en bed, paard en rijtuig tot je beschikking. Ik mis je bijzijn in zoo hoog mate” schreef Napoleon hem. Ook Jérôme vergat hij niet, maar plaatste hem te Parijs voor zijn rekening op een kostschool. Naar waarheid mocht hij dus aan Jozef schrijven, dat hij niet meer kon doen, dan hij voor allen deed, want na zijn naaste familie kwamen de neefjes en verdere bloedverwanten als oom Fesch, Ramolino en anderen aan de beurt.

Of de op deze wijze door hem bevoordeelden hem erkentelijk waren? Wel neen! Volgens de Corsicaansche begrippen deed hij hiermede slechts zijn plicht tegenover den clan. Het geluk had hem gediend; nu had hij ook te zorgen, dat zijn gansche geslacht hierin deelde. Of de leden hiervan eenige geschiktheid bezaten voor de betrekkingen, waartoe ze door dit begrip van nepotisme werden geroepen, werd niet gevraagd. Had Bonaparte, keizer geworden, aan het verlangen van den clan en in de eerste plaats van zijn moeder voldaan, dan had hij niet alleen Corsica maar gansch Frankrijk aan zijn bloedverwanten ten prooi gegeven om het naar hartelust te exploiteeren en voor eigen voordeel te gebruiken, doch aan dezen drang heeft hij echter niet toegegeven; hij heeft Frankrijk tegen dezen inval behoed en hierdoor alleen reeds den dank der natie verdiend, maar de Corsicanen hebben hem deze tekortkoming tegenover hen nooit vergeven.

Dit vooropgesteld, zal men zich eenig begrip kunnen vormen van de toornige verbazing in den ganschen clan, toen de tijding kwam, dat Napoleon den [58]9en Maart 1796, zonder eenig lid der familie hierin te kennen, was gehuwd met een dame uit de Parijsche groote wereld, met de weduwe van den in 1794 onthoofden burggraaf de Beauharnais, een vrouw, die reeds twee groote kinderen had, die, al werd het tegendeel beweerd, geen fortuin bezat en op wier zedelijk gedrag heel wat viel af te dingen. Moeder Laetitia was verontwaardigd, dat haar toestemming niet was gevraagd; de zusters werden terstond in hooge mate afgunstig op een schoonzuster, die burggravin was, die heel andere manieren had dan zij en die haar met haar mooie, rijke toiletten stellig zou overschaduwen; en de broers, doch vooral Lucien, die haar te Parijs een paar maal had gezien en haar een “oude vrouw” noemde, begonnen terstond tegenover haar voet te geven aan een vijandige gezindheid, welke haar oorsprong vond in minachting en jaloezie, die slechts zelden uitkwam door een daad, doch die Joséphine niettemin bijna tot aan haar dood heeft vervolgd. Door het huwelijk met hun broer, had zij hen volgens Corsicaansche begrippen, in hun rechten op diens fortuin te kort gedaan; dit kon haar niet worden vergeven.

Hoe Bonaparte tot zulk een vrijwel onberaden echtverbintenis was gekomen?

Als zooveel andere mannen van zijn leeftijd had hij vroeger reeds trouwplannen gekoesterd; we zagen, hoe hij Désirée Clary het hof had gemaakt, maar tot een huwelijk was het niet gekomen. Zijn verblijf te Parijs na Mei 1795 had in zijn denken en doen een geduchte verandering gebracht. Een brief van 7 Juli van dat jaar aan Jozef, voor wien hij geen geheimen had, getuigt van den diepen indruk door die oplevende, genotzoekende groote stad teweeggebracht op hem, den grasgroenen provinciaal, die tot nog toe meer bij een bivakvuur dan naast een salonhaard gezeten had en armoedig en gestreng republikeinsch was opgevoed.

“Weelde, genotzucht en kunst herleven verbazend snel,” schreef hij. “Een Louis d’or geldt hier 750 francs in papier. Gisteren werd Phèdre opgevoerd ten bate eener voormalige actrice; driedubbele prijzen werden gevraagd, toch was de zaal stampvol. Equipages, mooie toiletten bij de vleet, alsof ze nooit waren weg geweest. Al wat afleiding en genot kan verschaffen is hier bijeen. In de comedie, op de wandelingen, in de bibliotheken, overal ziet men vrouwen. Dit is de eenige plaats ter wereld, waar deze verdienen het roer in handen te hebben. De mannen zijn dan ook op haar verzot, denken alleen aan haar, leven alleen voor en door haar. Zes maanden hier en een vrouw weet precies wat men haar verschuldigd, hoe groot haar macht is.”

In September had hij de kleine, bescheiden Désirée nog niet vergeten en verzocht hij Jozef zelfs, hem een beslissend antwoord te zenden op zijn vraag of zij hem genegen was. Dit antwoord liet zich wachten. De 13en Vendémiaire bracht den halfvergeten veroveraar van Toulon met één ruk op [59]den voorgrond. Al de salons stonden eensklaps wagenwijd voor hem open en bij de beeldschoone mevrouw Tallien, de zeer intieme vriendin van Barras, maakte hij voor de eerste maal wat nader kennis met Joséphine de Beauharnais. Tot nu toe had hij haar slechts uit de verte gezien. Verblindend, overweldigend was de indruk, door haar, de dame uit de groote wereld, op zijn hart en zijn zinnen gemaakt en het duurde niet lang of hij verzocht haar een bezoek te mogen brengen. De omvang zijner dagelijksche bezigheden schijnt hem echter belet te hebben die bezoeken dikwijls te herhalen, want den 28en October schreef zij hem:

Gij komt niet meer bij een vriendin, die u zeer genegen is; hebt gij haar vergeten? Dit is niet lief van u, want zij bemint u.—Kom morgen bij mij dejeuneeren; ik moet eens met u praten over uw belangen. Bonsoir mijn vriend. Ik omhels u.

Weduwe Beauharnais.

Bonaparte kwam; weldra bestond tusschen beiden een intieme verhouding, in die dagen volstrekt niets vreemds in die kringen. Joséphine had toen reeds een veel bewogen leven achter zich. Geboren op Martinique, creoolsche van afkomst, was mejuffrouw Tascher de la Pagerie op zestienjarigen leeftijd gehuwd met de Beauharnais.

In 1779 had deze haar meegenomen naar Parijs, haar bedrogen en verlaten, al bestond daarvoor geen enkele reden en zich eerst in de dagen der revolutie met haar verzoend. Aan het hof was zij nooit toegelaten. Een korte poos, toen de generaal voorzitter was van de Constituante en daarna opperbevelhebber van het Rijnleger, was zij te Parijs gelukkig geweest, had ze een salon gehad en gasten ontvangen.

Het schrikbewind had aan al dit fraais met één slag een einde gemaakt; de Beauharnais was gevangen genomen en onthoofd; zij zelve in den kerker geworpen. Hier had zij kennis gemaakt met Thérèse de Fontenay, een dame, die den afgevaardigde Tallien in haar netten had gevangen, die dezen gewetenloozen republikein haar hand had beloofd, als hij haar de vrijheid wist terug te bezorgen. Zij had Joséphine’s bevrijding eveneens bewerkt.

Dus als door een wonder ontkomen aan den dood op het schavot, zoo goed als geruïneerd, zonder vooruitzichten, was Joséphine met haar twee kinderen, gesteund door enkele vriendinnen en door enkele heeren, met wie zij in de gevangenis had kennis gemaakt, een leven begonnen, dat haar goeden naam schade deed. Door geld te leenen en rechts en links schulden te maken, vond zij de middelen om tijdelijk een eigen staat te voeren, rijtuig te houden en in de rue Chantereine, aan ’t einde der stad, een klein hotel te huren, dat weinig meer dan een drietal bruikbare kamers en een stal bevatte. Met zijn sofa’s [60]en in alle hoeken verspreide mahonie- en citroenhouten tafeltjes met marmeren bladen en verguld koperen versiersels, maakte ’t geheel voor een leek toch eenige vertooning. Een paar groote glazen kasten met verzilverd eetservies,—van echt zilver waren slechts een dozijn lepels en vorken voorhanden—werkten hiertoe mede.

Ook in Joséphine’s linnenkast heerschte geen weelde. Wel zestien japonnen benevens eenige shawls, doch bijster weinig ondergoed—b.v. slechts zes rokken—was er in te vinden. Aan het uiterlijk was blijkbaar alles opgeofferd.

Van die vergulde armoede had Bonaparte, op dit gebied zelf volstrekt niet verwend, bij zijn eerste bezoek echter niets bespeurd; hij had slechts oogen gehad voor de dame, die hem ontving, die een stem had als muziek, de mooiste kleine handjes en voetjes, welke hij nog ooit had gezien en wier fluweelzachte oogen met lange, gebogen wimpers, guitig uitdagend wipneusje en glimlachend lief mondje met een licht gepoederde blonde pruik,—de mode dier dagen—een allervriendelijkst geheel vormden.

Dat haar tanden toen reeds veel hadden geleden, dat poeder en blanketsel reeds te hulp waren geroepen om de eerste sporen van verval te verbergen, zag hij niet; dat Hortense, het veertienjarige dochtertje, bij madame Campan op kostschool, haar “engelachtig moedertje” de hoogst enkele maal, dat deze haar kwam bezoeken, om die reden alleen onder de kin een zoentje mocht geven, wist hij niet; hij zag slechts háár. Désirée Clary was vergeten; aan mevrouw Permon, die weduwe geworden en daarop zonder succes door hem ten huwelijk was gevraagd, dacht hij niet meer; dat Joséphine zes jaar ouder was dan hij, wilde hij niet weten; dat Ségur, de Caulaincourt en andere heeren van “het oude hof” bijzonder vertrouwelijk met haar omgingen, doch zich nooit met hun vrouw bij haar vertoonden, zag hij niet en evenmin deerde het den verliefden man, dat zij Tallien en Barras onder haar allerintiemste kennissen telde. De liefde, die zoo dikwijls spot met vormen en zedelijkheid, ja met alles, had zijn jong zuidelijk bloed aan ’t gisten gebracht. Van nu af zou ondanks alles, jaren lang slechts één vrouw ter wereld voor hem bestaan, zijn Joséphine.

“Ze waren “doodelijk” van elkander,” schreef een tijdgenoot, die het weten kòn. Doch wist hij het wel?—Op Bonaparte was dat “doodelijk” in den ruimsten zin des woords toepasselijk; alleen in haar nabijheid voelde hij zich gelukkig. Bij haar was het effect, door zijn onstuimigen blinden hartstocht op haar creoolsche natuur aanvankelijk teweeggebracht, weldra sterk verminderd en door verzadiging gevolgd. Toen hij haar in ’t begin van 1796 ten huwelijk vroeg, was zijn persoon haar zelfs tamelijk onverschillig geworden. Toch nam zij zijn aanzoek aan, zoogenaamd omdat zij haar kinderen, om wie zij zich echter nooit veel had bekreund, hierdoor een tweeden vader [61]schonk, maar feitelijk omdat haar geldmiddelen zoo goed als uitgeput waren, haar jeugd haar verliet, de kans op beter dus zeer gering voor haar werd en mevrouw Tallien en Barras haar verzekerden, dat hij weldra in Italië opperbevelhebber zou worden en zij, mocht hij komen te vallen, in elk geval pensioen kreeg, en eindelijk omdat zij, evenals bijna al de vrouwen uit dien tijd, bijgeloovig was en haar indertijd op Martinique door een oude negerin was voorspeld, dat zij nog eenmaal een kroon dragen zou. Beviel het huwelijk haar niet, dan was echtscheiding bovendien altijd een eenvoudig middel om een band te verbreken, waaraan de geestelijke wijding toch ontbrak. Zij nam dus zijn aanzoek aan. Den 8en Maart 1796 werd een contract geteekend, waarbij o.a. alle gemeenschap van goederen tusschen beiden was uitgesloten; Joséphine bleef voogdes over haar kinderen en Bonaparte bracht, zooals de notaris Raguideau terecht opmerkte, niets mede ten huwelijk dan “mantel en degen.”

Met Barras, Tallien, Lemarrois, een adjudant van Bonaparte en Calmelet, Joséphine’s zaakwaarnemer als eenige getuigen, werd de echtverbintenis den 9en zonder eenig uiterlijk vertoon gesloten. Twee dagen later reeds was Bonaparte als opperbevelhebber op weg naar het leger van Italië. Barras had goed gezien; het Directoire had den jeugdigen generaal het veldtochtsplan ter uitvoering gegeven, dat deze het jaar te voren bij het departement van Oorlog zelf had ontworpen en dat Scherer als het werk van een gek had verklaard en als te dolzinnig en te vermetel niet had aangedurfd. Joséphine bleef achter in het hotel van de rue Chantereine, deed voorloopig geen afstand van haar vroegeren naam en bleef dus “de weduwe Beauharnais” bracht ook in haar levenswijze, haar pretjes en haar gewoonten geen verandering en gunde zich vaak niet eens den tijd om de van liefde en hartstocht gloeiende epistels te lezen, die haar man, al had hij ’t nog zoo druk, bijna dagelijks met iederen koerier toezond. Eén uit velen vinde hier een plaats:

“Als ik op ’t punt sta mijn bestaan te verwenschen, breng ik de hand naar mijn hart; daar rust je portret. Ik bekijk het en de liefde is voor mij het volmaakte geluk; alles lacht mij toe behalve de tijd, dien ik doorbreng buiten het bijzijn van mijn hartsvriendin.”

Met die beeltenis voor zich deed hij iederen avond zijn gebed; toen het glas er van brak, was hij de wanhoop nabij. [62]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk V.

De Veldtocht in Italië. 1796.

Niet zonder grond hadden de hem vijandig gezinde Parijsche blaadjes bij zijn vertrek den draak gestoken met zijn nieuw commando, want het leger van nog geen veertig duizend man, dat hij te Nizza gekomen, met het front naar het Noorden tusschen de Var en de Apennijnen vond staan, geleek meer op een bende in lompen gehulde uitgehongerde landslieden met stukken boomschors tot schoeisel, dan op een geregelden soldatentroep. De paarden waren tot geraamten afgevallen; soldij was in maanden niet uitbetaald; vivres waren in even zooveel tijd niet verstrekt. Van roof en plundering werd geleefd. Kort na zijn komst schreef hij dus terecht aan het Directoire: “De soldaat zonder voedsel komt tot uitbarstingen van woede, die iemand doen blozen mensch te heeten. De inname van Ceva en Mondovi kan in de behoefte voorzien en ik zal vreeswekkende voorbeelden stellen. Tot orde en krijgstucht zal ik die struikroovers dwingen, of ik leg het bevel er over neder.”

Een leger van vijftigduizend man had hij gevraagd; geen enkelen soldaat had men hem toegezonden; zoo schraal was zijn krijgskas voorzien, dat hij de generaals bij zijn komst ieder slechts tachtig francs in goud kon ter hand stellen in mindering op hun achterstallig tractement. Hij zelf door de grenadiers vóór zijn komst spottend “Generaal Vendémiaire” genoemd, genoot niet het minste vertrouwen; bijna niemand kende hem. Toch aarzelde hij geen seconde.

Nog geen uur was hij in zijn hoofdkwartier of hij had de sterktestaten ter hand genomen, den kolonel Berthier, een werkkracht bij uitnemendheid, [63]tot zijn chef van den staf benoemd en zich op de hoogte gesteld van den toestand.

Als divisie-generaals had hij Massena, een Italiaan, ongeletterd maar schrander, vindingrijk in ’t gevaar en ongelooflijk taai en volhardend, den reusachtigen Augereau, een Parijzenaar uit de voorsteden, vroeger onderofficier-schermmeester, dapper als staal en zeer gezien bij den troep, voorts Laharpe, een Zwitser van den goeden stempel en Serurier, een voormalig majoor van het koninklijke leger, Steingel een Elzasser van geboorte en volgens Napoleon een uitmuntende voorhoede-generaal. Het vertrouwen te winnen zijner onderbevelhebbers en de liefde zijner krijgers was voor hem thans een eerste vereischte; hij wist dat hem hiertoe slechts één middel ten dienste stond, den vijand aan te grijpen en te verslaan. Terstond gaf hij hiertoe bevelen. Te Albenga sprak hij de officieren toe, deed een beroep op hun moed en plichtsgevoel en wees hun op het land aan de overzijde van de Apennijnen, waar ze ruimschoots zouden beloond worden voor hetgeen ze tot nu toe hadden ontbeerd.

Reeds kort na aankomst te Nizza had hij zijn soldaten gezegd; “Gij hebt reeds genoeg ellende doorstaan; ik zal er een einde aan maken,” en wijzende in de richting Piëmont, “daar zullen we brood, magazijnen, kleederen, artillerie, paarden en geld voor belooning ontvangen. Weg met alle hindernissen tusschen ons en den vijand; met de bajonet moet ge hem altijd op ’t lijf vallen.

Door deze kernachtige woorden won hij het vertrouwen zijner soldaten en had hij bij hen het pleit reeds gewonnen. De uitbetaling van een deel der achterstallige soldij deed de rest.

Reeds den 5en April stond hij bij Albenga, tachtig kilometer ten oosten van Nizza; in dien zelfden tijd hadden de Sardiniërs, ongeveer vijf en twintig duizend man sterk, onder Colli bij Ceva in ’t gebergte, een sterkte ingenomen op den rechter vleugel van Beaulieu. Deze was met een circa tweemaal zoo sterke macht door Lombardije gemarcheerd naar Genua om hier gemeenschap te zoeken met de Engelsche vloot en op te treden tegen de Franschen aan de Var. Een deel zijner macht stond bij Dego, ten noorden van de Alpen, zijn centrum onder d’Argenteau hield bij Montenotte de hoogste toppen bezet; zijn linkervleugel, evenals de andere afdeelingen front makende naar het westen, was Genua gepasseerd en tusschen de bergen en de zee opgesteld. Viel Bonaparte, die oprukte in de richting van deze stad, hem nu aan, dan kon d’Argenteau, rekende hij, uit het gebergte komende, de Franschen bij Savona in de linkerflank vallen en in zee werpen.

Den 11en April stiet Beaulieu inderdaad op Laharpe, die de Fransche voorhoede commandeerde, en wierp hem terug, doch in den daarop volgenden nacht gaf Bonaparte, door het onverzettelijk standhouden van den kolonel [64]Rampon bij Montenotte hierin ridderlijk gesteund, uitvoering aan het plan, dat hij had ontworpen. Terwijl hij zijn voorposten tegenover Beaulieu liet staan, zond hij de divisie Laharpe, door Augereau als reserve gevolgd, naar Montenotte, Massena langs een omweg door ’t gebergte in d’Argenteau’s rug, greep hem aan, sloeg hem met zwaar verlies terug naar Dego, en bereikte het dal van de Bormida nog denzelfden dag; hier stond hij nu midden tusschen de bondgenooten in, links van hem de Sardiniërs, die de bergpassen van Millesimo bezet hielden en Turijn dekten, rechts slechts enkele in het gebergte verspreide, zwakke Oostenrijksche afdeelingen, en vóór hem Dego. Zijn vermetel plan was met succes bekroond en het centrum zijner tegenpartij doorgebroken.

De drie volgende dagen vochten Bonaparte’s bandieten als helden. “De zege of de dood!” hebben zij in hun vanen geschreven; den 15en April volgt de beslissing. Half vernietigd vlucht het Oostenrijksche leger naar Milaan; de Sardiniërs hebben de passen van Millesimo verloren en gaan op Ceva en Mondovi terug. Italië staat voor Bonaparte open. Zijn soldaten hebben het volste vertrouwen in hem gekregen; één blik uit zijn adelaarsoog is voldoende om hem blindelings te doen gehoorzamen; zijn generaals hebben hem leeren kennen, vol aandacht en bewondering luisteren zij reeds naar zijn korte, zaakkundige bevelen.

Eén rustdag slechts, eerlijk verdiend, dan vangt de marsch aan naar Ceva, de Sardiniërs achterna. Als de toppen van de Monte Zemoto zijn bereikt kunnen de krijgers de heerlijke vlakten van Piëmont en Lombardije aanschouwen; de Tanaro, de Stura en de Po, hun wateren stuwende naar de Adriatische Zee, liggen aan hun voet; de met sneeuw en ijs gepantserde Alpenreuzen vormen den achtergrond.

De grens van “Het beloofde land,” zooals hun chef het had geheeten, is bereikt!

“Hannibal trok vóór eeuwen de Alpen over; wij trekken er om heen,” riep hij zelf bewogen uit. Acht dagen later is Cherasco bereikt. Victor Amadeus, den koning van Sardinië, sloeg de schrik om ’t hart; ondanks de vertoogen van den Oostenrijkschen en den Britschen gezant sloot hij den 28en April een wapenstilstand. Bonaparte kreeg hierdoor de beschikking over de rijke magazijnen van Ceva, werd meester over de wegen door Piëmont, zag den afstand tusschen Parijs en de oevers van de Po aanmerkelijk verkort en kreeg de zekerheid, dat hij geen vijand in zijn rug achterliet. Als een handig staatsman had hij hiertoe bij den koning de kans laten doorschemeren op vergrooting van grondgebied in Lombardije, zoodra Oostenrijk zou zijn bedwongen.

Reeds voelde hij zich zeer sterk. Aan het Directoire, dat een wapenstilstand moest bekrachtigen, schreef hij: “In het stellen der vredesvoorwaarden zijt gij geheel vrij; de voornaamste vestingen zijn in mijn handen.” [65]

Ook aan Joséphine schreef hij weder. Junot, die een deel der veroverde zegeteekenen naar Parijs brengen zou, had den brief bij zich. “Kom spoedig. Talm je, dan vindt ge mij ziek. Al die vermoeienissen en je afwezigheid zijn te veel op eens.”—’t Was waar; de koorts verteerde hem; een hardnekkige hoest kwelde hem dag en nacht.—“Maar je komt, niet waar? Je zult hier bij mij wezen, in mijn armen, aan mijn hart. Kom, o, kom!”

Maar Joséphine kwam niet. Zij vond het veel te prettig om aan den arm van Junot gevierd te worden als de echtgenoote van den beroemden burger-generaal en zoowel met dien knappen huzarenofficier als met den kolonel Joachim Murat, die op last van Bonaparte eveneens tropeeën was komen dragen naar het Directoire, te coquetteeren. Napoleons hartstochtelijke brieven lieten haar koud; slechts nu en dan beantwoordde zij die met een kattebelletje. Zelfs de beleefde vertoogen van Jozef, door Bonaparte met vertrouwelijke dépêches uit Genua naar Parijs gezonden, baatten niet; eerst wendde mevrouw ziekte voor, daarna een begin van zwangerschap.

“Wat een grappige vent toch, die Bonaparte,” mompelde zij bij de ontvangst van zijn hierop gevolgd schrijven met liefdevolle verontschuldigingen over zijn grenzenloos verlangen naar haar.

Inmiddels zette de generaal, in stilte zielsongelukkig zijn zegetocht door Lombardije voort, trok bij Piacenza in plaats van bij Valence, zooals de vijand verwacht had, de Po over, dwong den hertog van Parma den 9en Mei tot een wapenstilstand en het betalen van een paar millioen francs oorlogsschatting en greep Beaulieu, die naar de Adda was geweken, den daarop volgenden dag bij Lodi aan. Hier bestormde hij aan de spits zijner grenadiers de eenige hierover de Adda voerende brug, verwierf zich door dit bijna ongeëvenaarde heldenfeit bij zijn krijgers den eerenaam van le petit Caporal en trok vijf dagen later door de juichende, opgewonden bevolking omgeven, het te zijner eere versierde Milaan binnen. In zeventien dagen tijd had hij Lombardije veroverd. Hij was letterlijk de afgod zijner soldaten geworden en zelfs die enkele oudere generaals als Serurier en Kilmaine, die in stilte tegen hem oppositie voerden, hadden eerbied gekregen voor de overweldigende kracht der feiten, voor de macht van zijn wil. In weerwil van dit succes had het weinig gescheeld, of het ministerie van oorlog had door een onhandigen zet alles weer bedorven.

Den 14en Mei had Bonaparte te Lodi bericht ontvangen, dat, zoodra het Alpenleger Italië was binnengerukt, hij het commando met Kellerman zou moeten deelen. Deze zou dan ten noorden van de Po, hij zelf tegenover Rome en Napels optreden.

“Dan leg ik het opperbevel neder,” antwoordde hij terstond. “Ik heb den veldtocht gevoerd zonder iemand raad te vragen. Had ik mij naar de inzichten van een ander moeten voegen, dan was er niets van terecht gekomen... Ieder heeft zijn eigen wijze van oorlog voeren. Generaal Kellerman heeft [66]meer ervaring dan ik, en zal het beter doen dan ik. Samen brengen wij niets goeds voor den dag. Trouwens acht ik één slechten generaal beter dan twee goede. Evenals regeeren is oorlog voeren een quaestie van tact. In afwachting van nadere bevelen ruk ik naar de Mincio.”

Carnot liet zich dit gezegd zijn en trok de order in. Hierop had Bonaparte inmiddels niet eens gewacht, want, zooals hij in zijn proclamatie van den 20en aan de troepen had gezegd: “Veel was er wel reeds gedaan doch nog lang niet genoeg. Van Lombardije mocht geen Capua worden gemaakt. Geforceerde marschen moesten nog afgelegd, nieuwe lauweren geplukt en Rome gestraft worden, omdat het Fransche gezanten lafhartig had laten vermoorden.”

De bevolking kon echter gerust zijn, had hij hierop doen volgen. Tegen haar voerde de Republiek geen oorlog; integendeel. Maar het Romeinsche volk, dat zooveel eeuwen lang in slavenketenen had gezucht, moest wakker geschud.—Reeds den 19en waren de bevelen tot den afmarsch naar de Mincio dus gegeven, achter welke rivier Beaulieu zijn macht tusschen Peschiera en Mantua in verschillende detachementen had opgesteld. Eerst werd nog te Milaan, daarna te Pavia een opstand onderdrukt, door het landvolk onder leiding van eenige fanatieke geestelijken begonnen,—om een voorbeeld te stellen gaf Bonaparte laatstgenoemde stad drie uur lang ter plundering over aan zijn soldaten,—en den 30en Mei stonden de twee partijen bij Borghetto weder tegenover elkander en hieuwen de nieuwgevormde Fransche escadrons, door Murat zelf aangevoerd, zoo krachtig in op de Oostenrijksche cavalerie, dat deze moest wijken.

Om de veiligheid van zijn eigen persoon had Bonaparte zich tot heden weinig bekreund; dit veranderde echter, nu hij, bij het einde van dit gevecht in een gehucht afgestegen, den vijand bijna in handen was gevallen en zich alleen door een snelle vlucht had kunnen redden. Onder toezicht van zijn vriend de Bessières, een even bedaard als onverschrokken cavalerie-officier, werd een escadron Guides gevormd, de kern van de later opgerichte Escadrons van Dienst. Van dezen uitgelezen ruitertroep, dien Napoleon slechts zelden uit de hand gaf, telde iedere man minstens tien jaar dienst.

Beaulieu’s zwakke positie achter de Mincio bij Borghetto door midden brekende, wendde Bonaparte zich daarop naar Peschiera, dat op Venetiaansch grondgebied aan het Gardameer was gelegen, om hier met Beaulieu’s achterhoede op haar terugtocht naar Tyrol af te rekenen en hem zelf het ontkomen in die richting te beletten. De grijze, reeds ruim zeventigjarige generaal wachtte hem echter niet af, doch liet bezetting achter in de sterke vesting Mantua, gelegen op een eiland in de Mincio, en zocht door een nachtmarsch achter de Etsch een goed heenkomen. Den 1en Juni kon Bonaparte dus uit zijn hoofdkwartier Peschiera schrijven “dat de vijand geheel uit Boven-Italië was [67]verdreven, en dat zijn eigen voorposten stonden op de bergen van Duitschland.” Dank zij de marschvaardigheid zijner infanterie, die enkele malen acht en veertig kilometers afstand achtereen had afgelegd, had hij dit succes binnen acht dagen na zijn vertrek van de Adda behaald.

Versterkt door detachementen van het leger der Alpen gaf hij zijn macht thans een andere indeeling; Massena kreeg met 18000 man last de noordelijke toegangen aan weerszijden van het Gardameer af te sluiten met drie reserves, een in een kamp tusschen dit meer en de Etsch, een bij Verona en een bij Peschiera. Dan konden de Oostenrijkers gerust nogmaals komen opdagen. Serurier zou met 5000 man Mantua insluiten; een korps van ruim het dubbele dezer sterkte, waaronder de divisie Augereau behield Bonaparte zelf bij zich bij Roverbello, terwijl circa 9000 man in Lombardije’s vestingen garnizoen hielden, o. a. te Milaan, welks citadel nog in ’s vijands handen was.

Den 3en Juni had Massena Verona, dat aan Venetië behoorde, bezet en had Bonaparte zijn hoofddoel, het bezetten van de Etschlinie bereikt. Achter deze ondoorwaadbare rivier met haar veelal steile oevers en met Verona en Legnano er voor, kon hij de loop der dingen afwachten; hier was hij meester over Boven-Italië, kon over Venetië, dat een zeer dubbelzinnige rol begon te spelen, een wakend oog houden en nu ook het zielsverlangen van het Directoire bevredigen en Rome dus een les geven, die het zou heugen.

De koning van Napels, ook het dreigende gevaar inziende, haastte zich een wapenstilstand te sluiten, die Bonaparte zeer van pas kwam, want het Oostenrijksche leger werd hierdoor terstond met bijna 3000 Napolitaansche ruiters verzwakt. De marsch van de divisie Augereau naar de legatiën werd dus niet gestoord; den 19en Juni werd Bologna bezet. Ferrara door den kardinaal-legaat verdedigd, werd door Bonaparte zelf genomen, en reeds den 23en Juni was alle verzet gebroken, en was paus Pius VI verheugd, dat hij een wapenstilstand mocht sluiten, mits hij een gezant naar Parijs zond om te onderhandelen over een definitieven vrede. De voorwaarden, hem gesteld, waren echter niet malsch.—Hij zou nu ondervinden, dat men over de Fransche Republiek niet straffeloos den banvloek uitsprak, den kruistocht tegen haar predikte en haar gezanten binnen Rome’s muren liet vermoorden. De legatiën Bologna en Ferrara bleven in Fransche handen; Ancona kreeg Fransch garnizoen; een en twintig millioen oorlogskosten moesten betaald, eindelijk moest, evenals in Parma was geschied, een schat van kunstwerken en kostbare schilderijen aan het museum van Parijs worden afgestaan.

Weinig had het gescheeld of te Livorno, waar de Engelschen zoo goed als heer en meester waren en van hier hun leger op Corsica voordurend van alles voorzagen, waren een groot aantal rijk beladen Engelsche koopvaarders bijna tegelijkertijd in Bonaparte’s handen gevallen. Ook hier legde hij garnizoen en zijn landgenoot Gentili, bijgestaan door duizenden Corsicanen, [68]verdreef in October d.a.v. al de roodrokken van het eiland. Te Florence bij den groothertog van Toscane, die hem verzocht zijn gast te wezen, ontving hij bericht, dat de citadel van Milaan zich op 29 Juni had overgegeven. Het hier buitgemaakte belegeringsgeschut kon hem nu tegenover Mantua goede diensten bewijzen.

Ondanks al zijn overwinningen, ondanks al de hulde hem gebracht, was Bonaparte in die dagen als mensch diep ongelukkig. Hij miste zijn vrouw. Wel had hij Jozef naar Parijs gezonden om haar afreis naar Milaan te bespoedigen, maar Jozef had ook zijn eigen belangen en die van Corsica in het oog te houden; voorts kende hij den toestand, was Joséphine niet genegen en gevoelde weinig lust, ook al uit vrees voor oneenigheid, als tusschenpersoon dienst te doen. De brieven van zijn broer liet hij dus grootendeels onbeantwoord en vond het raadzamer op Joséphine onderhands invloed te laten uitoefenen door het Directoire. In de brieven aan leden van dit college had Bonaparte kortaf te kennen gegeven, dat hij ziek was en dat, wanneer men hem zijn vrouw niet zond, hij zijn ontslag nam en terugkeerde naar Parijs.

In gezelschap van Jozef, Junot, haar schoothondje, en zekeren luitenant Charles, een zéér intiemen kennis van haar, begon Joséphine, tranen met tuiten schreiende en zoo diep bedroefd, alsof zij van de wereld moest scheiden, ten slotte de lange reis naar Milaan, waar het prachtige hotel Serbelloni den 9en Juli zijn gastvrije deuren voor haar opende. Haar man vond ze hier echter niet, hij was te Verona druk bezig met het nemen van maatregelen tegenover een nieuw leger van ongeveer 70.000 man, dat onder den ouden doch energieken en vermetelen veldmaarschalk Würmser in Tyrol werd samengetrokken.

Tevergeefs smeekte hij haar te Verona bij hem te komen.—“Ik heb je noodig; ik ben dood af en voel me ziek,” schreef hij, doch zij bleef waar zij was. Toen liet hij alles in den steek, rende naar Milaan, bleef hier twee dagen met haar alleen, overstelpte haar met liefkoozingen, had haar koelheid tegenover hem volslagen vergeten en vertrok weder even snel als hij was gekomen.—Zwaar werk wachtte hem. Mantua was nog niet genomen, een coup de main er tegen was mislukt.—“Zulke ondernemingen hangen louter af van ’t toeval, van ’t blaffen van een hond, van ’t snateren van een gans,” schreef hij den 12en Juli aan het Directoire.

Zes dagen later werden de loopgraven onder zijn persoonlijke leiding geopend. Naar Verona teruggekeerd, hield hij Würmsers bewegingen scherp in het oog. “Wee hem, die thans slecht rekent,” had hij gezegd.

Den 29en begon Würmsers plan van aanval zich te teekenen. Terwijl de generaal Quosdanovich naderde langs den westelijken oever van het Gardameer en Brescia bezette, terwijl een detachement van slechts 5000 man ter misleiding van Bonaparte door het dal van de Brenta zich naar het zuiden [69]bewoog, greep Würmser Massena’s voorhoede bij la Corona omvattend aan en sloeg haar onder zware verliezen terug.

Bonaparte zag den toestand zeer donker in en was ongerust en zenuwachtig; aan Augereau schreef hij, dat de gemeenschap met Milaan en Verona nu was afgesneden en dat hij dus maatregelen moest nemen voor den terugtocht; aan Serurier gaf hij order het beleg van Mantua op te breken, de affuiten te verbranden, het buskruit in ’t water te werpen, alle staatseigendommen ijlings naar Milaan te zenden en dan zijn rug te komen dekken; tevens deed hij, wat hij tot heden nog nooit had gedaan, hij raadpleegde zijn onderbevelhebbers. Allen stemden voorzichtigheidshalve voor den terugtocht; Augereau alleen niet. “Hij had nog een troep puike grenadiers; zonder gevecht gingen die niet aan den haal,” zei de Parijzenaar, die alleen te rade ging met zijn moed. Met die woorden was bij Bonaparte het oogenblik van onzekerheid en aarzeling reeds weder voorbij. Augereau had gelijk, hij zou niet teruggaan. In de eerste dagen van Augustus volgden nu een reeks van bloedige gevechten bij Salo, Lonato enz. aan de zuidzijde van het Gardameer. Würmser is intusschen Mantua gaan ontzetten, vindt daar de sporen van Seruriers overhaasten aftocht, rukt daarna naar het noorden om zijn bij Lonato geslagen divisiën te hulp te komen en grijpt den 5en Augustus Bonaparte bij Castiglione aan. Nu doen Augereau’s grenadiers de woorden van hun chef eer aan en krijgt Würmser van Augereau en Massena, die voor zijn front staan en van Serurier, die hem in zijn rug aantast een zoo geduchte klap, dat hij ijlings naar Tyrol aftrekt. Bonaparte kon zijn vroegere stellingen weder innemen.

Dit was het slot van den zoogenaamden vijfdaagschen veldtocht; dank zij de taaiheid en het volhardingsvermogen van zijn infanterie en het genie van zijn chef had het kleine Fransche leger gezegepraald over een macht van bijna de dubbele sterkte. Terstond werd Mantua weder ingesloten. Te Milaan en in de legatiën Bologna en Ferrara ging over dit ongeloofelijke succes een juichtoon op.

Te Venetië, te Rome en te Napels, waar men intusschen den verrader gespeeld en Oostenrijk gesteund had, zat men daarentegen in zak en asch. Bonaparte was voor dit maal echter nog genadig en nam op de verraders geen wraak. Ernstiger zaken dan deze vorderden zijn aandacht. Zoodra de generaal Moreau in Duitschland den Donau zou hebben overschreden, wilde hij Würmser achterna. Dat deze nog bijna 40 000 man had overgehouden, bevredigde hem niet; eerst wanneer hij voor goed met hem had afgerekend, zou hij de handen vrij hebben tegenover Venetië en Rome.

September was ’t echter reeds geworden, voordat Moreau zijn tegenpartij, aartshertog Karel, ver genoeg had teruggedrongen, den Donau overgegaan en naar München op marsch was. Intusschen ontwierp Bonaparte [70]een nieuw veldtochtsplan, schonk zijn soldaten rust en mocht zich eenige dagen verheugen in ’t bijzijn van zijn vrouw.

Eindelijk, eindelijk was Joséphine gezwicht voor den hartstochtelijken toon zijner brieven, waarin hij aandrong op haar komst in zijn hoofdkwartier, en had zij het hotel Serbelloni, waar zij zich het leven zeer aangenaam maakte, verlaten. Feitelijk verveelden haar de forsche bewijzen van liefde, die hij haar telkens en telkens weder schonk, de jonge luitenants te Milaan en vooral den reeds genoemden adjudant Charles vond zij veel aardiger dan haar bleeken, broodmageren door koortsen gekwelden echtvriend, die haar in zijn brieven vol ijverzucht nu eens met monster, tiran en wreedaard betitelde en dan weder op de knieën vergiffenis vroeg, omdat hij een paar voor haar bestemde epistels had geopend. “Nimmer, nimmer zou dit weder gebeuren,” beloofde hij.

Dat bezoek was echter een korte vreugde, want vooral de Oostenrijksche cavalerie begon weder zeer roerig te worden; Bonaparte zond zijn vrouw dus terug naar Milaan, een reis die onder deze omstandigheden volstrekt niet van gevaar was ontbloot, terwijl de hierbij doorgestane angst en ellende voor haar slechts ten deele werden vergoed, door den schat van cadeaux in geld, cameeën, parelen en andere kostbaarheden, haar op dezen tocht door generaals, de gemeentebesturen en—niet te vergeten—de leveranciers van het leger geschonken. Volbloed creoolsche, even bar verkwistend als onnadenkend, begreep zij niet, dat zij door het aannemen van zulke rijke voorwerpen en van geld vooral, den goeden naam van Bonaparte schade deed. Hebzuchtig was zij volstrekt niet; het geld wierp zij weg met volle handen; door al haar winkeliers, in de eerste plaats door de modewinkels, werd zij schandelijk afgezet, ja, bestolen. Voortdurend zat zij diep in schulden, en in de volgende jaren werd het niet beter, maar ze bezat graag mooie dingen; wat men haar gaf nam zij dus aan, en toen Bonaparte hierachter kwam en haar dwong eenige dier geschenken terug te geven, zorgde zij wel, dat hij later nooit meer een stuk te zien kreeg of het heette gekocht; en personen, die haar hierbij hielpen liegen, telde zij in haar omgeving genoeg.

Terwijl zij dus terugkeerde naar het hotel Serbelloni en in gezelschap van “dien aartsgrappigen clown,” dien luitenant Charles, de handige tusschenpersoon bij alle transacties met schuldeischers en leveranciers, de verveling trachtte te verdrijven, was Bonaparte Italiaansch Tyrol binnengedrongen om Würmser op te zoeken en te vernietigen, doch had, rekening houdende met de mogelijkheid, dat deze middelerwijl een poging zou doen om de Etsch van de oostzijde te naderen en Mantua te ontzetten, Peschiera, Verona en Legnano bezet gehouden. In de eerste dagen van September kwam het nu in de nauwe bergpassen en op de kale rotsen van Roveredo tot een verwoed [72]gevecht, dat met den aftocht der zwaar gehavende Oostenrijkers eindigde.

Boven Italië.

Boven Italië.

Den 5en te Trente, de hoofdstad van Tyrol gekomen, vernam Bonaparte, dat hij Würmser zelf niet tegenover zich had gehad, doch dat deze, meer oostelijk uithalende, door het dal van de Brenta naar ’t zuiden was gemarcheerd, met de Etsch of Mantua tot doel. Feitelijk stond Bonaparte nu in den rug zijner tegenpartij en op diens hoofdverbindingslijn met Tyrol.

Würmser volgen, afsnijden en aangrijpen is terstond zijn plan! Den 8en haalt hij hem in bij Bassano en geeft hem een klap zoo geducht, dat Würmser nog slechts zijn heil kan zoeken binnen dezelfde veste, die hij zou gaan ontzetten. Hij mocht nog van geluk spreken, want was de positie aan de Etsch bij Legnano en de brug aldaar door de Franschen bezet gebleven,1 dan was hij door Massena en Augereau tegen deze rivier gedrongen en verplicht geweest in het open veld te capituleeren. Wederom was het de bijna ongeloofelijke marschsnelheid zijner infanterie geweest, die Bonaparte dit geweldige resultaat had doen verwerven. In 1805 zeiden zijn soldaten, dat hij een nieuwe manier van oorlogvoeren had uitgevonden, niet meer met de bajonet doch met de beenen. Vooral op dit deel van den veldtocht in Italië was dit geheel van toepassing.

Van zijn prachtige, talrijke cavalerie had Würmser bijna geen nut gehad; thans kon hij de paarden er van doen slachten en inzouten om zijn soldaten aan den kost te helpen.

Bonaparte keerde terug naar Milaan.—“Nooit nog hadden wij zulk een aanhoudend en groot succes; Italië, Frioul en Tyrol zijn geheel voor de Republiek gewonnen.—Binnen enkele dagen zien wij elkander weder. Voor al mijn werk en al mijn zwoegen zal dit de liefelijkste belooning zijn. Duizend vurige en dol verliefde zoentjes,”2 had hij Joséphine te voren geschreven; doch zij antwoordde niet; in zijn brief van den 17en met zijn teekenend: “Je bent even leelijk als lichtzinnig; dat je je armen man, die je liefheeft, bedriegt, is laag van je,” verried duidelijk genoeg, dat hij aan haar trouw begon te twijfelen. De maand November zou hem in dit opzicht nòg smartelijker indrukken brengen.


Weder was het Directoire uitbundig in zijn lof. “Tegenover het vaderland had het leger zich opnieuw verdienstelijk gemaakt!” schreef het; maar lof is gemakkelijk geschonken, woorden zijn geen daden. Juist deze eischte Bonaparte; hij had soldaten noodig, nogmaals soldaten; sinds Maart had hij 10,000 man versterking gekregen, maar het vuur des vijands en de moeraskoortsen in Lombardije’s lage landen hadden er ook duizenden weggerukt; de hospitalen [73]lagen vol zieken; geen 30,000 man kon hij meer onder de wapenen brengen en zulks nog wel terwijl er in Tyrol een nieuw onweder broeide. Pius VI, hierdoor stoutmoedig geworden, was reeds begonnen geen schatting meer te betalen, Napels stak weder het hoofd op en zelfs Genua deed van zich hooren. “Zoolang uw generaal niet de spil is, waarom alles draait, marcheeren de zaken hier slecht. Van eerzuchtige plannen kan men mij licht beschuldigen, maar ik ben beu van al die eer. Ik ben ziek; nauwelijks kan ik mij in den zadel houden; moed alleen bezit ik nog; voor den post, dien ik bekleed, is dit niet genoeg. Reeds telt men het aantal hoofden bij ons. Ons prestige verdwijnt. Soldaten eisch ik dus, of Italië is verloren,” schreef hij aan Carnot. Ook beklaagde hij zich, dat men de onderhandelingen met Rome niet had opgedragen aan hem. Geen geld, geen vrede, zou dan het parool zijn geweest. Thans kon hij opnieuw beginnen. Ook met Napels, dat Rome steunde en met Genua moest worden afgerekend. Had Frankrijk geen soldaten, dan moest met Sardinië een of- en defensief verbond gesloten en hulp gevraagd worden van daar. Ontving hij verlof Lombardije en Modena onafhankelijk te verklaren, dan had hij terstond aanhangers genoeg en behoefde hij niet meer te zorgen voor zijn rug.

Strijd om de brug bij Arcola. November 1796.

Strijd om de brug bij Arcola. November 1796.

Met deze wenken hield men te Parijs toch rekening. Hij kreeg de handen vrij tegenover den paus, maar soldaten waren er nu eenmaal niet.

Toen de veldmaarschalk Alvinzi in de eerste dagen van November, een zijner onderbevelhebbers oostelijk om het Gardameer zendende en zelf langs de Piave marcheerende, als een onweerswolk uit Frioul en Tyrol kwam opzetten, had Bonaparte dus slechts een geringe macht tot zijn beschikking, voor een deel nog wel bestaande uit koortslijders, die hoe krachteloos en anemisch ook, hun ontslag uit het hospitaal hadden gevraagd, zoodra ze wisten, dat het er weder spannen zou.

Tot overmaat van ramp verlieten twee regimenten der divisie Vaubois, die de passen naar Tyrol moesten bewaken, na een scherp gevecht hun post, zoodat hij zich verplicht zag een voorbeeld te stellen. Het door hem zelf geleide gevecht bij Caldiero (12 November) bleef onbeslist, uit het oosten zag hij Alvinzi steeds meer op Verona aandringen. Zijn toestand werd hachelijk.

Zelfs zijn krijgers begonnen dit in te zien. Zou Verona, zou de positie aan de Etsch dus verlaten moeten worden? De bezetting meende, dat dit het geval was, toen ze na een dag van volslagen werkeloosheid in den laten avond van den 14en bevel ontving zich marschvaardig te maken, terwijl slechts 3000 man onder Kilmaine zouden achter blijven. Eerst gaat het aan op Verona zelf; hier de brug over. Dus terug? Naar Bergamo, naar Milaan zelfs? Neen, niet terug! Reeds heeft het genie van den veldheer een nieuw plan ontworpen. Alvinzi slag leveren in de vlakte kan hij niet; hiervoor is zijn leger te zwak, maar hem aangrijpen in zijn linkerflank langs twee dijken, [74]die geen frontuitbreiding gedoogen op een terrein dus, waar alleen heldenmoed en doodsverachting de zege kunnen brengen, ja, dat kan hij wèl. Stroomafwaarts marcheert hij dus naar Ronco, passeert hier een in stilte geslagen pontonbrug en als de morgen van den 15en November aanbreekt, staat hij in den driehoek tusschen de Etsch en haar linkerzijriviertje de Alpon. Drie dijken voeren naar het noordoosten, verder is alles moeras.

Eensklaps begrijpen de grenadiers hun chef; hier is nog kans op de zege. Langs den linkerdijk begint Massena voort te rukken; waagt Alvinzi het Verona nog dichter te naderen dan wordt hij door hem in de flank gevallen. Den middelsten dijk volgt Augereau.

Maar bij Arcola moet hij de door Croaten bezette brug over de Alpon passeeren; een Oostenrijksche divisie, die op weg is naar de Etsch en de brug reeds achter den rug heeft, grijpt hij aan en drijft hij ten deele in het moeras; maar aan een gelijktijdige vermeestering van den overgang valt niet te denken; daarvoor is het vuur van den anderen oever te hevig. De generaals Lannes en Verdier worden gekwetst. Met een vaandel in de vuist rent Augereau zelf de brug op en plant het dundoek in ’t dek, maar ook deze heldendaad baat niet. In die hel waagt zich niemand meer. Het gevecht bij de brug staat.

Uit de verte,—hij bevindt zich bij Ronco—ziet Bonaparte, dat zijn plan zal mislukken; reeds begint Alvinzi, om niet te worden afgesneden, in de richting van de Brenta terug te gaan. Zal hij hem tot staan brengen, dan moet die brug genomen. Het lot van Italië staat op ’t spel.

Hij galoppeert naar ’t hoofd der stormcolonne, springt uit den zadel en grijpt een vaandel—“Ben jelui nog de overwinnaars van Lodi? Volgt je generaal!”—Dan rent hij naar de brug. Allen hem na. Lannes ontvangt zijn derde wonde dien dag. Muiron, Bonaparte’s adjudant, zijn chef met zijn lichaam willende dekken, valt dood voor zijn voeten. Gansche rijen grenadiers kleuren het brugdek met hun bloed. Bijna is de overzijde bereikt, doch een nieuw salvo des vijands kraakt. De stormcolonne wankelt en snelt terug.

Door zijn mannen medegesleurd, bereikt Bonaparte het uitgangspunt weder; door een nastormende vijandelijke afdeeling wordt hij van den dijk af, ’t moeras ingedrongen, slechts met moeite gered en op een paard gezet. Zoo bereikt hij Ronco weder.

Maar zijn voorbeeld heeft aanstekelijk gewerkt en drie dagen lang wordt nu bij Arcola en op de aangrenzende terreinen van weerszijden met voorbeeldelooze hardnekkigheid gestreden, tot Alvinzi’s soldaten het moede worden, den kamp opgeven en door een krijgslist van Bonaparte, die zijn gardes onder luid trompetgeschal op hen afzendt, ten slotte in verwarring op de vlucht slaan. Ook Alvinzi’s toeleg om Mantua te ontzetten is dus mislukt. [75]

Toch gaf hij den moed niet op. Denzelfden dag (17 November) dat hij de stelling bij Arcola had losgelaten, had zijn onderbevelhebber Davidovich de Franschen onder Vaubois bij Rivoli teruggeworpen; hierdoor aangemoedigd, besloot hij nogmaals op Verona los te gaan, maar Davidovichs traagheid van beweging en onvoldoende krijgsmanskunst verhinderden een goede samenwerking; een uitval, door Würmser uit Mantua ondernomen, mislukte, en den 24en November besloot Alvinzi voor goed tot den aftocht naar het oosten.

Terstond nam Bonaparte zijn vroegere stellingen weder in. Serurier kwam weder voor Mantua; Rivoli, Verona, Legnano en Brescia kregen weder Fransche bezetting. Er trad een rustpauze in. Het Directoire bepaalde, dat de door Bonaparte en Augereau veroverde vaandels als belooning aan hen ten geschenke zouden worden gegeven. [76]


1 Door een misslag was die stelling te vroeg losgelaten.

2 Brief van 10 September 1796.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk VI.

Bij Rivoli, op Mombello. De Vrede.

“Ik hoop weldra in je armen te wezen. Ik heb je razend lief. Alles gaat goed. Würmser is onder Mantua verslagen. Aan ’t geluk van je echtgenoot ontbreekt alleen Joséphine’s liefde,” had Bonaparte den 24en November uit Verona aan zijn vrouw geschreven. Drie dagen later te Milaan gekomen vond hij het paleis... verlaten. Mevrouw was in stilte even naar Genua overgewipt. Zijn brief aan haar van dienzelfden datum verried zijn harteleed.

“Als ik naar huis kom, ga jij heen; je Napoleon is je onverschillig geworden. Aan het gevaar gewoon, ken ik het middel tegen het verdriet en de rampen des levens. Mijn droefheid is nameloos groot. Tot den 29en blijf ik hier. Derangeer je niet; maak maar volop pret; je man is diep ongelukkig.”

Van niet minder grievend zieleleed getuigde zijn volgend schrijven, toen de koerier uit Genua taal noch teeken van haar medegebracht had.

“Jou alleen beminnen, je gelukkig maken, alles laten wat je hinderen kan, is mijn lot, mijn levensdoel. Dat de natuur mij de middelen onthield om je te boeien, is mijn schuld; maar van Joséphine’s zijde verdien ik toch eenige achting, eenige egards, want ik heb je lief als een dwaas. Zoodra vaststaat, dat zij mij niet meer beminnen kan, sluit ik mijn bitter leed op in mijzelf; dan zal ik mij tevreden stellen met haar nuttig te wezen.”

Zijn geschrijf baatte niet. Mevrouw had het in die dagen veel te druk [77]met luitenant Charles, “die aardige jongen.” De gansche armee wist, dat zij met dien snuiter zeer was ingenomen en dat, in het hotel Serbelloni dit kereltje als heer en meester optrad, zoodra de ander dit had verlaten. Alleen Bonaparte wist dit niet. Eenmaal hieromtrent ingelicht, zond hij dien “vrijer” weg uit het leger; hij zou geknoeid hebben met leveranciers, heette het. Joséphine zorgde voor zijn toekomst. Volkomen bewust van haar macht, kostte het haar bij terugkeer te Milaan weinig moeite haar echtgenoot van haar onschuld te overtuigen en de echtgenoot, voor wien gansch Italië in ’t stof lag, geloofde al wat zij hem op de mouw spelde, nam haar in zijn grenzelooze liefde weder op in zijn hart en droeg zwijgend zijn leed.


Nog voordat hij door de gevechten bij Arcola een beslissing had verkregen, was een zekere partij te Parijs er in geslaagd, hem bij het Directoire verdacht te maken. Die jeugdige generaal had wel groote overwinningen behaald, scheepsladingen vol kostbare zaken naar de musea te Parijs gezonden, millioenen en nogmaals millioenen francs in de schatkist gestort, zich in één woord zeer verdienstelijk gemaakt tegenover het vaderland, maar welk doel beoogde hij hierbij voor zich zelf? Was hij niet eerzuchtig, streefde hij niet naar hooger? Was hij met zijn absoluut energiek karakter niet een gevaar voor den staat?—Toen men hem een veldtochtsplan had voorgelegd, dat niet door hem zelf was ontworpen, had hij zijn ontslag verzocht; onder den naam van een wapenstilstand had hij aan regeerende vorsten als oppermachtig gebieder de keus gelaten tusschen oorlog en vrede; toen de onderhandelingen met den paus niet waren overgelaten aan hem, had hij zich hierover gekrenkt getoond; zonder voorkennis of machtiging van het Directoire had hij aan Moreau in Duitschland een millioen francs gezonden, zoogenaamd, omdat die generaal hem de Oostenrijkers in Tyrol dan zooveel te krachtiger van het lijf zou kunnen houden; hij was om kort te gaan, een man gebleken, die liefst zelf deed, wat hij meende zelf tot een goed einde te kunnen brengen. Was hij wel te vertrouwen? Zou hij misschien hertog van Milaan willen worden? Dit moest onderzocht. Generaal Clarke van het departement van oorlog kreeg dus last om toegerust met een voorstel tot het sluiten van een voor Oostenrijk zeer gunstigen wapenstilstand naar Weenen te gaan, doch de reis te nemen over Italië, Bonaparte omtrent dit plan te hooren en—op diens houding en gedragingen nauwkeurig acht te geven en hierover te rapporteeren aan het Directoire. Toen Clarke Bonaparte ontmoette, was het drama van Arcola reeds afgespeeld; van een verdrag met Oostenrijk wilde de veldheer niets weten. Ook in het geheime gedeelte zijner opdracht slaagde Clarke niet, want door ’t geen hij dagelijks zag en hoorde, was hij weldra zoo totaal ingepakt, dat hij letterlijk een volbloed Bonapartist werd en het Directoire over Bonaparte’s optreden van hem niets dan lof te lezen kreeg. [78]

Kenschetsend is Clarke’s oordeel over hem: “Hier is niemand, die in hem niet ziet een man van genie.—Groot is zijn macht over de figuren, die het republikeinsche leger vormen.—Zijn blik is zeker; zijn besluiten zet hij door met volle kracht. Zijn koelbloedigheid in de heftigste gevechten is even opvallend als de buitengewone snelheid, waarmede hij zijn plannen verandert, wanneer onvoorziene omstandigheden dit gebieden.”—Wel zag hij, dat Bonaparte zijn mannen weinig spaarde en hard, ongeduldig, heerschzuchtig was; doch houding, blik en wijze van spreken verrieden in hem tevens den man, tot bevelen geboren; een ieder voelde dit; een ieder onderwierp zich. Zijn krijgsmakkers uit die dagen roemden zijn luchtigen, levendigen toon, waar het geen dienstzaken betrof, zijn scherts en zijn goedmoedigheid, in één woord de eigenaardige toovermacht, welke van hem uitging.

Inmiddels was de winter ingetreden; wegen en bergpassen lagen diep onder de sneeuw; voor een korte poos was aan de vijandelijkheden dus een einde gekomen. Van dit tijdperk van verademing maakte Bonaparte gebruik om een flinke opruiming te houden onder “de dieven,” zooals hij in ’t algemeen het personeel betitelde, dat met de zorg voor het onderhoud des legers was belast. Door zijn onverpoosde zorgen was dit laatste thans goed gevoed, goed gekleed en gewapend. ’t Was weer een lust soldaat te zijn; zeiden de manschappen. De officieren deelden in die tijdelijke weelde; enkelen begonnen reeds een spaarpot te maken; maar tusschen die mannen van het zwaard, die den overvloed van het heden meestal met hun bloed hadden betaald, bewogen zich tal van niet-strijders, de administrateurs en leveranciers, door elkander genomen, een zoodje schelmen, die zich verrijkten ten koste van den troep, brutaal hun rijkdom toonden en met het gestolen goed de gunsten kochten der Italiaansche actrices. Tegenover dat gespuis trad hij zonder genade op. Zelf leefde hij dood eenvoudig in zijn hoofdkwartier, dat Joséphine om den schijn te bewaren, weder tijdelijk met hem was komen deelen. Als bij intuïtie wetende, dat hem weinig tijd zou worden gelaten en dat Alvinzi weldra weder aanvallend zou optreden, zorgde hij inmiddels dat de goede verstandhouding met Sardinië en Parma niet werd verbroken; met Toskane sloot hij een verdrag, waarbij hij tegen vergoeding van een paar millioen francs het garnizoen uit Florence terugnam; hij legde troepen in Bergamo, quasi om die stad met haar Venetiaansch garnizoen te beschermen tegen een coup de main der Oostenrijkers en maakte toebereidselen om het verlangen der republikeinen te bevredigen en den paus te tuchtigen voor zijn trouweloosheid en zijn heulen met den vijand.

Reeds had hij hieraan een begin van uitvoering gegeven en bevond hij zich hiertoe te Bologna, toen de tijding, dat Alvinzi zijn voorposten allerwegen had aangegrepen (10 Januari 1797), hem spoorslags deed terugkeeren naar Verona, waarom ook Joséphine weder naar Milaan vertrok. [79]

Voor den aanval met zijn leger van circa 45.000 man had Alvinzi een nieuw plan bedacht. Terwijl de generaal Provera, Legnano en Verona van uit het oosten door een afzonderlijk detachement aangreep, wilde hij zelf met de rest (28.000 man), in zes colonnes verdeeld, de stelling van Rivoli omvatten en het Fransche leger vernietigen. Het ontzet van Mantua moest dan van zelf volgen.

De even schrandere als vastberaden generaal Joubert, die de stelling van la Corona tot nog toe had bezet gehouden, doorzag dit plan, week terug naar Rivoli en had reeds bevelen gegeven om voor den steeds wassenden stroom van vijanden zelfs dit hechte punt te ontruimen (13 Januari), toen hij tegenbevel ontving. Door rapporten en verkenningen was Napoleon tot de slotsom gekomen, dat zijn tegenpartij zoomin bij Verona als bij Legnano de overmacht had. Toen hij in den nacht van den 14en staande op ’t plateau van Rivoli, den reusachtigen boog van vijandelijke wachtvuren zag, die zijn eigen leger half omspande, begreep hij, dat hier de hoofdaanval zou geschieden. Alvinzi wilde hem blijkbaar omvatten.

Doch hij zou hem voor zijn; hij zou Alvinzi’s centrum doorbreken en dan afrekenen met de vleugels, die in het zware bergterrein te ver vaneen waren om elkander te kunnen steunen. Voor zijn eigen flanken koesterde hij geen vrees, want Massena was reeds naar Jouberts linkervleugel op weg, Reij eveneens; al wat in de nevenstellingen gemist kon worden, was reeds opgeroepen naar het rotsplateau, waar de beslissing zou vallen.

Nog is de dag niet aangebroken, als Joubert de voortroepen van het Oostenrijksch centrum aangrijpt en terugwerpt; maar dan naderen de diepe colonnes der hoofdmacht; van de terrasvormige hoogten komen de Croaten in dichte drommen naar beneden; weldra wordt het gevecht algemeen. Tegen het middaguur beginnen de kansen voor de Franschen zelfs hachelijk te staan. Jouberts linkervleugel wordt dan een korte poos bedreigd met omvatting, doch Massena’s komst wendt dit gevaar af.

Op het kleine bergvlak, midden in het slaggewoel blijft Bonaparte volkomen kalm; zelfs als een deel zijner strijders door angst voor een omtrekking wordt aangegrepen, vertrekt geen spier op zijn doodsbleek, mager gelaat. “Die daar,” wijzende op de omtrekkende colonne, “krijgen we straks,” zegt hij. Dit woord vol fier zelfvertrouwen bezielt allen weder met nieuwen moed; en als de spits van Alvinzi’s vijfde colonne, zijn reserve, het plateau begint te betreden, storten Lasalle’s cavalerie en Jouberts infanterie zich ais een lawine op dezen nieuwen vijand, smakken hem terug, het steile, kronkelende bergpad af, zoodat menschen, paarden en vuurmonden in den afgrond tuimelen, en weldra verkondigt een daverend hoera, dat de zege is behaald.

Alvinzi’s troepen gaan terug. Dan wordt ook met bovengenoemde omtrekkende colonne afgerekend, en deze zoo goed als geheel gevangen genomen. [80]Hoewel de avond valt, wil Bonaparte de overwinning voltooien en ’s vijands reserve totaal vernietigen, als hij bericht krijgt, dat Provera den 13en ’s nachts de Etsch is gepasseerd en, door Augereau en Lannes scherp nagezet, naar Mantua is gerukt om deze vesting te ontzetten. Slaagt Provera hierin, komt Würmser met zijn leger dus vrij, dan zijn de gevolgen hiervan niet te overzien, want Alvinzi is wel geslagen, doch (zooals den volgenden dag reeds blijken zou) niet geheel; dan kan de toestand voor het Fransche leger aan de Etsch zeer bedenkelijk worden.

Bonaparte bedenkt zich niet lang. Joubert beveelt hij den bij Rivoli geslagen vijand te vervolgen; dan gaat hij na een korte rust zelf met de divisie Massena, waarbij zich te Villafranca Victor aansluit, op weg naar Mantua, den braven Serurier te hulp; dan toonen Massena’s grenadiers nogmaals, wat zij door marcheeren verstaan. Den 13en zijn zij bij Verona in het vuur geweest, den nacht daarop naar het plateau van Rivoli gerukt, de kameraden te hulp; nu ijlen zij bijna zes en dertig uur aan één stuk voort. Honger dorst, vermoeienis, alles vergeten zij, één parool slechts kennen ze: Naar Mantua! want ’t zal spannen voor Italië’s bolwerk. Acht maanden is de vesting ingesloten; polenta en gezouten paardenvleesch vormen het dagelijksch menu der bezetting en nu Würmser weet, dat Provera hem de hand komt reiken, zal hij stellig het schier onmogelijke doen om vrij te komen.

Den 16en valt hij vol woede aan op Serurier, maar tornt op tegen diens sterke positie bij La Favorite; niet beter gaat het met Provera. Door Victors 57e halve brigade, sinds dien dag la Terrible genoemd, wordt hij zoo geducht gehavend, dat hij 6000 gevangenen moet achterlaten; het slot is, dat Würmser binnen de vesting wordt teruggedrongen. Hiermede is het pleit beslist. Würmser begint te onderhandelen en Bonaparte, vol eerbied voor zijn hoogen leeftijd1 en zijn gehouden gedrag, schenkt voorwaarden, zoo gunstig, als hij bijna niet had durven verwachten, want hem wordt vrije aftocht verleend met zijn geheelen staf, twee honderd ruiters, zes vuurmonden en vijfhonderd personen naar zijn keuze. Door deze laatste bepaling kreeg Würmser de gelegenheid eenige Fransche émigrés te redden, die binnen de stad een toevluchtsoord hadden gezocht.

Slag bij Rivoli. Januari 1797.

Slag bij Rivoli. Januari 1797.

Nu Mantua gevallen was, kon men Italië als veroverd en dezen veldtocht als geëindigd beschouwen. In den tijd van tien maanden had Bonaparte met een leger, dat zelfs op zijn grootste sterkte nooit meer dan ruim vijftig duizend man had geteld, twaalf veldslagen en meer dan zestig gevechten geleverd en het hoofd geboden aan een macht, die de zijne meer dan viermaal in aantal overtrof. Frankrijk kon trotsch wezen op haar zonen, die de [81]beginselen der vrijheid hadden gebracht in een land, waar de adel en de priesters eeuwen achtereen onbeperkt hadden geheerscht; het was thans meester van de Noordzee tot aan de Alpen, van de Pyreneën tot aan den Rijn. Hoche en Moreau bewaakten deze grensrivier, Bonaparte had Oostenrijk doen zwichten voor zijn ongeëvenaard veldheersgenie; thans was de vrede in ’t verschiet. Eerst echter moest nog met den paus afgerekend worden. Gevolg gevende aan den raad van eenige zijner kardinaals, had deze het tractaat van Frankrijk geschonden, eerst in ’t geheim, later openlijk de partij van Oostenrijk gekozen, zijn troepen zelfs gesteld onder bevel van een Oostenrijksch generaal en eindelijk, op de tijding, dat Bonaparte Rome naderde, den godsdienstoorlog doen prediken onder het landvolk. Groot was het gevaar, dat het Fransche leger door dezen laatsten maatregel dreigde, snel en doortastend optreden het eenige middel er tegen.

Reeds den 4en Februari stonden èn Lannes èn Victor met hun grenadiers aan de Senio tegenover een bende door priesters en monniken opgezweepte boeren. Kardinaal Bucca commandeerde die zelf en deed de Franschen weten, dat, als zij het waagden hen aan te vallen, hij op hen zou doen schieten. Wat werd hij om die bedreiging hartelijk uitgelachen! In die dagen maalden de soldaten der Republiek wat om den paus en de priesters. In den nacht doorwaadde de voorhoede onder Lannes de Senio, sneed den kardinaal zoodoende af van zijn terugtochtsweg naar Faenza, sloeg het pauselijk legertje uiteen, schoot de poorten open van het stadje en bestormde dit. Had Bonaparte niet vooraf iederen soldaat, die het waagde te plunderen, met den kogel bedreigd, dan zou er van het plaatsje en zijn fanatieke bevolking niet veel zijn overgebleven.

Nu deze laatste niet, zooals ze geducht had, over de kling gejaagd, doch met verschooning behandeld werd, veranderde haar houding in een ommezien en toen Bonaparte daarna aan een groot aantal krijgsgevangen officieren de verzekering gaf, dat hij niet was gekomen om schade te doen aan den katholieken godsdienst of om den Heiligen Stoel omver te werpen, doch alleen om aan Italië de vrijheid te brengen en een einde te maken aan de grove misbruiken der geestelijken, was hiervan het gevolg, dat verscheidene steden de poorten vrijwillig voor hem openden, dat Ancona, door Colli ontruimd en door Victor zonder slag of stoot bezet werd, dat Nôtre Dame de Lorette reeds den 10en overging en dat de hoogten van Tolentino in de onmiddellijke nabijheid van Rome, zes dagen later waren bereikt. Die Franschen marcheeren niet, ze vliegen, zeide een der romeinsche prelaten, vol angst voor ’t geen er nu zou volgen. Ernstig werd te Rome de vraag overwogen, of ’t voor den paus en het Heilige College geen zaak was ijlings te verhuizen naar Napels.

Tot dit uiterste liet Bonaparte het niet komen. Hoewel hij volkomen [82]het recht had over het aan hem gepleegde verraad geduchte wraak te nemen, pleegde hij geen geweld. Het was hem voldoende, als de paus afstand deed van zijn wereldlijk gezag. Bij het verdrag van Tolentino werd dus beslist, dat Pius VI afzag van zijn rechten op Avignon en le comtat Venaissin in Frankrijk en de legatiën Bologna, Ferrara en de Romagna, terwijl hij Ancona met de citadel aan Frankrijk moest overdragen. Voorts moesten alle staatsgevangenen in vrijheid gesteld en dertig millioen francs betaald worden. Eindelijk vorderde Bonaparte, dat hulp verleend werd aan de duizenden Fransche geestelijken, die uit hun vaderland verbannen, aan diepe ellende ten prooi, in Italië een toevluchtsoord gezocht en de meeste deuren voor zich gesloten gevonden hadden.

Dat hij den paus zoo welwillend bejegende en dat zijn brieven aan dezen getuigden van eerbied en hoogachting, werd door zijn generaals en het gros zijner soldaten afgekeurd, doch hieraan stoorde hij zich niet. Zijn geloofsbegrippen en zijn persoonlijk gevoelen waren met de door hem gevolgde staatkunde in overeenstemming. De Republiek mocht een godsdienst van het Hoogste Wezen ingesteld, de roomsche geestelijken verbannen, de kerkelijke goederen verbeurd verklaard hebben en hij zelf een kind dier omwenteling wezen, in zijn hart was hij een geloovige zoon der kerk gebleven. Hiervoor stroomde te veel Italiaansch bloed door zijn aderen; een godloochenaar is hij nooit geweest. Dat: “N’est pas athée qui veut,” in later jaren door hem uitgesproken, is hiervoor het afdoende bewijs. De kuiperijen en intriges der geestelijken waren hem echter een gruwel en het bezit van stoffelijke goederen achtte hij voor den paus en zijn prelaten bij hun geheel geestelijken arbeid volslagen overbodig.

In hooge mate politiek was zijn bezadigd optreden tegenover den kerkvorst, want reeds pakte een nieuw onweder zich in het noorden samen; nogmaals zou hij verplicht zijn tegenover Oostenrijk front te maken en dan kon een fanatieke, door geweld, roof en moord tot het uiterste gebrachte bevolking, die hij tijdelijk den rug moest toe keeren, een gevaar worden, geduchter nog dan het eerstgenoemde.

Geen Würmser, geen Alvinzi zou ditmaal zijn tegenpartij zijn; een prins van den bloede zelf, aartshertog Karel, een jong bezadigd krijgsoverste, die tegenover Moreau aan den Rijn, zijn sporen had verdiend.

Nog had deze zijn strijdkrachten op verre na niet bijeen, in de bergpassen van Frioul en Tyrol stonden ze verspreid; nog miste hij zes volslagen divisiën, die uit Duitschland zouden komen, toen Bonaparte, versterkt door circa 25000 man van het Rijnleger onder Bernadotte, in Maart zijn tweeden tocht begon naar de toppen der Alpen, den vermetelsten waarvan de krijgsgeschiedenis tot heden gewaagde. Eenmaal die onder sneeuw en ijs bedolven bergen door en de rivier de Drave gepasseerd, zou hij zich bevinden in het dal van [83]den Donau en op Weenen kunnen aanrukken. Voor den afmarsch had hij pogingen aangewend om met Venetië een bondgenootschap te sluiten, doch slechts ontwijkende antwoorden ontvangen. Vastgeroest in eeuwenoude begrippen, valsch en trouweloos als altijd, wars van al wat nieuw of Fransch was, wachtte de republiek slechts op een nederlaag van Bonaparte om haar slag te kunnen slaan. Dat de fortuin dezen generaal onveranderlijk getrouw zou blijven, achtte ze niet denkbaar.

De feiten leerden haar anders. Den 12en Maart de Piave overgetrokken, sloeg Bonaparte den aartshertog vier dagen later bij de Tagliamento, vereenigde zich kort daarop met Joubert, bleef op alle punten in ’t voordeel, bereikte den laatsten Maart Klagenfurt, stelde hier den aartshertog voor, onderhandelingen te openen, ontving door Engelschen invloed een onvoldoend antwoord, greep dus opnieuw aan en bracht de tegenpartij in de vier volgende dagen in de bergpassen van Neumarkt en Unzmarkt zulke zware verliezen toe, dat er te Weenen een paniek ontstond en dat aartshertog Karel, die van den aanvang af tot onderhandelen was bereid geweest, maar wiens handen door het kabinet te Weenen waren gebonden, thans ijlings om vrede verzocht. Bernadotte had Triëst en de rijke mijnen van Istrië inmiddels bezet.

Te Leoben werden onderhandelingen geopend, die den 18en April tot een voorloopig verdrag leidden; doch Massena had met de voorhoede de toppen van den Semmering in dien tusschentijd bereikt, hij stond nog maar twee dagmarschen van Weenen verwijderd en kon de torens dezer stad in de verte zien.

Ernstige overwegingen waren het, welke Bonaparte tot het doen van voorstellen aan den aartshertog hadden geleid. In Italië, te Bergamo, Brescia en Salo was oproer uitgebroken; Franschgezinde burgers waren vermoord; Fransche soldaten waren er nog wel niet gevallen,—zij hadden strenge bevelen zich niet met de door de geestelijken opgezweepte bevolking te bemoeien,—doch de toestand was niettemin bedenkelijk. Dan droeg Bonaparte kennis van de kuiperijen der koningsgezinden te Parijs tegen het Directoire; eindelijk achtte hij de grens van zijn strategisch kunnen mogelijk nu ook bereikt. Oostenrijk zou de Zuidelijke Nederlanden afstaan in ruil voor Venetië, Illyrië en Istrië, met uitzondering van de eilanden en zou dus meer ontvangen dan het ooit had durven hopen. Had Bonaparte geweten, dat Hoche aan het hoofd van het Sambre- en Maasleger in diezelfde dagen (half April) in Westfalen in drie veldslagen en vijf gevechten o. a. bij Neuwied, de overwinning behaald, en dat Desaix in ’t Schwarzwald even groot succes verworven had, dan had hij waarschijnlijk van onderhandelen even weinig willen hooren als van de aanspraken, die de Oostenrijksche gezanten bij hem in den aanvang gemaakt hadden op den voorrang bij de zittingen. “Ik wil van voorrang niets weten,” zeide hij. “Wil Oostenrijk de Fransche Republiek niet erkennen, dan [84]is mij dit om ’t even. Die Republiek staat in Europa als de zon boven den gezichtseinder. Wee de blinden, die haar niet kunnen zien of van haar glans geen partij weten te trekken. Zie ik,”—doelende op een stoel, die den zetel van den Duitschen keizer moest voorstellen;—“zie ik ergens een stoel, die hooger staat dan de andere, dan bekruipt mij terstond de lust daarop te gaan zitten.”

Terwijl hij te Leoben nog onderhandelde, had men in Venetië het gerucht verspreid, dat hij door aartshertog Karel was geslagen en met zwaar verlies teruggeworpen. Dit was koren op den molen der monniken en reactionnairen; fel tegen alle nieuwerwetsche begrippen gekant, wisten deze het zoover te brengen, dat op den tweeden Paaschdag (17 April) te Verona, een der brandpunten van het fanatisme, een geweldig oproer uitbarstte, waarbij verscheidene ongewapende Fransche soldaten op straat werden vermoord, (de Veroneesche Paschen.) Bijna tegelijkertijd was een Fransche logger, die vluchtende voor een paar Oostenrijksche oorlogschepen, de haven van Lido was binnen gezeild, eerst door de landbatterijen beschoten en toen door een bende Slovenen afgeloopen. Dat de Groote Raad van Venetië in dit alles de hand had gehad, is niet bewezen, doch de feiten bleven dezelfde; op het platte land in Bonaparte’s rug had men mogelijk een Italiaansch Vendée willen maken. De geestelijken dreven alles. De straf voor deze daden, welke inderdaad Bonaparte met het oog op zijn plannen niet onwelkom waren, liet zich niet lang wachten. Geen enkel voorstel tot een vergelijk verkoos Bonaparte aan te hooren. “Al wilden jelui het strand met goud bevloeren, neen, zeg ik. Zelfs de schatten van Peru wegen niet op tegen het bloed van maar één mijner soldaten.”

Den 26en Mei trok een Fransch leger, door de bevolking met geestdrift begroet, Venetië binnen, bezette de forten en vaste punten en plantte de Fransche driekleur op het plein van San Marco. Het aristocratisch bestuur viel; het Gouden boek, inhoudende al de voorrechten van adel en geestelijkheid werd verbrand; een democratisch bewind trad op. De beroemde Leeuw van San-Marco, het zinnebeeld van Venetië’s oppermacht, werd overal omvergeworpen; de vloot, opnieuw uitgerust, stevende naar Toulon. Vrijwel zonder bloed vergieten had deze omwenteling plaats gegrepen; over het lot der Republiek was intusschen te Leoben reeds beslist.

De Senaat van Genua, die een even verraderlijke rol had gespeeld als Venetië, onderging hetzelfde lot; de Ligurische republiek werd hier afgekondigd. Eindelijk had de reeks van overwinningen in Italië en in Duitschland door Frankrijk bevochten tengevolge, dat Pitt beangst werd en zelf aanbood onderhandelingen aan te knoopen; te Rijssel zou worden beraadslaagd.


Terwijl Hoche, Moreau en Bonaparte de eer en de onafhankelijkheid [85]der Republiek glansrijk handhaafden tegenover het buitenland en gansch Europa vervulden met eerbied en ontzag, vormde de toestand in het binnenland hier tegenover een schril contrast. De landmandaten, die het vorige jaar de assignaten hadden vervangen, waren even sterk als deze, in waarde gedaald. Door de ambtenaren werd op de koersverschillen schandelijk gespeculeerd, zelfs werd het gansche Directoire van zulke praktijken beticht, hoewel alleen de steeds in overdaad levende Barras zich hieraan schuldig maakte. Inwendig zwak, levende te midden eener bevolking, die de herinnering aan de dagen van la Terreur in een zee van vermaken en zingenot scheen te willen verdrinken, hiertoe elk middel aangreep en liefst van niets anders wilde hooren dan van pret, gevoelde het Directoire zijn zetel onder zich wankelen. Op het platte land wemelde het van rooverbenden, in het zuiden moordden de Compagnons de Jésus, in het westen de Voetschroeiers op een afgrijselijke manier en het gouvernement was te zwak om dat gespuis uit te roeien. Van dezen jammerlijken toestand, die bijna met anarchie gelijk stond, hoopten de koningsgezinden te kunnen partij trekken en het Directoire omver te werpen. In den Raad van Vijfhonderd won hun partij voortdurend in kracht. Bij duizenden begonnen de émigrés en de priesters terug te keeren en de eigenaars van nationale goederen te verontrusten. Aaneengesloten tot één reusachtigen bond, de club van Clichy, in ’t geheim gesteund door Pichegru, die voor zijn hulp vorstelijk zou worden beloond, stuurde die partij rechtstreeks aan op een tegenomwenteling. De graaf van Provence, oudste broer van wijlen Lodewijk XVI begon zelfs reeds van zich te doen hooren en achtte het oogenblik niet meer veraf, waarop hij als Lodewijk XVIII2 den troon zijner vaderen zou bestijgen. Dit alles voorspelde weinig goeds voor de toekomst; de vreedzame burgers zagen die donker genoeg in.


Na het sluiten van de vredespreliminairen te Leoben was Bonaparte teruggekeerd naar Milaan, had het vorstelijk kasteel Mombello tot verblijf gekozen en hier behalve Joséphine en oom Fesch, Paulette aangetroffen. De zestienjarige ging nog gebukt onder een liefdeshistorie door haar met den ruim veertigjarigen Fréron te Marseille aangeknoopt, doch door broer Napolione afgebroken. Voor zijn mooi guitig zusje, dat zoo prettig ondeugend zijn kon, had deze een waardiger echtvriend op het oog dan dien leelijken ex-afgevaardigde der Conventie te Marseille met zijn bloedig verleden. Paulette schijnt zijn keuze ten slotte blijkbaar nog niet zoo slecht te hebben gevonden, want reeds half Juni schonk zij hart en hand aan den vier en twintigjarigen brigade-generaal Victor Leclerc, een even ridderlijk als bekwaam officier, die [86]haar reeds drie jaar in stilte beminde, met haar broer bij Toulon had gediend en zijn snelle bevordering uitsluitend aan zijn verdiensten dankte.

Dienzelfden dag (14 Juni) deed Bonaparte ook het kerkelijk huwelijk inzegenen tusschen de twintigjarige Elisa en den kapitein Felix Bacciochi, een Corsicaan van afkomst maar familie van Pozzi de Borgo. Buiten zijn weten of goedvinden waren de jongelui reeds een week of zes te voren te Marseille burgerlijk in den echt verbonden en zoodra moeder Laetitia wist, dat haar zoon zich weder te Milaan bevond, had zij zich met de kleintjes ook derwaarts begeven. Mama begreep wel, dat Napoleon over dit vrijwel onberaden huwelijk van zijn oudste zuster met haar zooveel ouderen oliedommen commensaal volstrekt niet gesticht zou wezen, maar van hem moesten de bruidschat en een betere positie voor Felix komen. “Om alle praatjes vóór te zijn” was zij dus op reis gegaan over Genua, hier begroet door den adjudant Lavallette en den 1en Juni behouden te Milaan gearriveerd. Te Genua gistte het nog wel, maar Lavallette had zij hoog en trots te verstaan gegeven “dat zij niets had te duchten, want dat haar zoon, de generaal opperbevelhebber, de notabelen der stad als gijzelaars had medegevoerd.”

“Napolione,” dus geplaatst voor een voldongen feit, had hierin berust en Bacciochi, als majoor het bevel opgedragen over de citadel van Ajaccio, bovendien was de bruidschat in overleg met Louis en Jozef vastgesteld op 40.000 francs.

Jozef, in die dagen ook op Mombello en door het Directoire wegens zijn groote bekwaamheden (?) benoemd tot gezant bij den Paus, zou Caroline onder zijn hoede nemen en te Rome bij zich houden, terwijl de andere familieleden in Juli naar Corsica terugkeerden.

Ook Louis, nog altijd Napoleons liefste broer, vertoefde een korte poos in den familiekring; de levenslustige, onversaagde adjudant van voorheen was echter verdwenen. In ’t begin van het jaar ziek geworden,—mogelijk had hij van zijn lichaam in elk opzicht te veel gevorderd—werd hij spoedig een zwaarmoedig, alleen over zijn ingebeelde of werkelijk bestaande kwalen mijmerende man, die weldra zijn heil zou zoeken bij allerlei wonderdokters en kwakzalvers en zich zelf en velen met hem tot een last worden.

Op Mombello met zijn prachtige tuinen en zijn heerlijk natuurschoon had de clan, uitgezonderd Lucien, die zich als intendant nog te Bastia bevond, wat nader kunnen kennis maken met Joséphine, die in stilte zoo gehate, zoo verfoeide, zoo benijde schoondochter en schoonzuster, die met onnavolgbare gratie en tact tegenover de generaals, diplomaten, gezanten en vorstelijke personen de rol van gastvrouw vervulde en hierdoor alleen reeds het hart van haar met werk overstelpten man volkomen zou hebben teruggewonnen, als de zinsbekoring, welke zij nog steeds op hem uitoefende, niet tevens had medegesproken. “Moeder Laetitia” had haar ijskouden toon tegenover [87]haar echter geen seconde laten varen en was nog altoos vol minachting over de vrouw, wier echt met haar zoon tot heden kinderloos bleef. Joséphine had zich gedragen, alsof zij niet bemerkte, dat de clan haar op een afstand hield en daarmee haar man genoegen gedaan.

Van haar eigen kinderen was alleen Eugène de adjudant tegenwoordig; Hortense, die haar stiefvader volstrekt niet genegen was en hem zelfs vreesde, was op kostschool bij madame Campan. Terwijl de Corsicanen en hun aanhang om Napoleon heengonsden als wespen om een vat suiker en vroegen, vleiden en kropen om een vetten brok, vroeg Joséphine voor háár bloedverwanten niets; zij was gelukkig. Wel echter waren haar de oogen opengegaan, bij het zien van den eerbied en het diepe ontzag, waarmede tal van hooge personages haar man naderden, voor den reusachtigen prijs door haar getrokken, toen zij dien doodsbleeken, kleinen generaal, die niets mede bracht dan “mantel en degen” tot haar echtgenoot nam. Zij kende hem nog niet; nimmer zelfs zou zij hem leeren kennen; wat hij worden, hoever hij ’t brengen zou in de wereld, wist zij niet, maar dat hij bestemd was tot iets groots, begreep zij uit al wat ze om zich heen zag gebeuren, uit dien stoet van hooggeplaatste personen, die dagelijks zijn gunst kwamen vragen, dien drom van generaals, die reeks van koeriers, renboden en adjudanten, die bij dag en bij nacht aankwamen en met nieuwe bevelen weder vertrokken.

Niet zonder reden is Bonaparte’s omgeving het hof van Mombello genoemd, want daar werden in de zomerdagen van 1797 groote staatsbelangen behandeld. Daar werd beslist over het lot van Sardinië, van Genua, Venetië en Zwitserland, daar werd met Oostenrijk verder onderhandeld; daar werd de grondslag gelegd voor een nieuwe republiek, die de Cis-alpijnsche zou heeten en bestaan uit een samenvoeging van Lombardije, Modena, een deel der Legatiën, Brescia en Mantua. Deze nieuwe staat moest voorzien worden van een bestuur, een administratie, een rechtspleging, een financie-wezen, kortom van tal van inrichtingen, zonder welke een goed geordend beheer niet denkbaar is; en de bewijzen van helder en scherp doorzicht, welke Bonaparte bij dit alles gaf, deden zijn omgeving en de vreemde diplomaten verbazen. Bezwaren kende hij niet; verouderde begrippen vonden bij hem geen genade; alle tegenkanting bezweek voor de macht van zijn wil.

Wel werd zijn eigenmachtig optreden tegenover Venetië en Genua door de club van Clichy gestreng afgekeurd en riep de royalist-afgevaardigde Dumoland den 23en Juni in den Raad van Vijfhonderd, zonder dat hij zijn naam ook maar een enkelen keer uitsprak, Bonaparte in scherpe taal ter verantwoording over het gebeurde met Venetië en Genua, maar schijnbaar nam de veldheer hiervan geen notitie. Door Lavallette, dien hij naar Parijs had gezonden, werd hij op de hoogte gehouden van ’t geen daar onder de royalisten broeide; door een gevangen genomen agent van den prins van Condé werd hij ingelicht [88]omtrent Pichegru’s verraad en het komplot, tegen het Directoire gesmeed. Overtuigd van den republikeinschen geest, die, veel krachtiger dan bij Moreau’s troepen in Duitschland, heerschte onder het leger van Italië, instinctmatig begrijpende, dat zijn eigen toekomst lag in het voortbestaan der Republiek en dat hij na 13 Vendémiaire van het herstel van het koningschap niets had te verwachten, volgde hij te Milaan den verderen loop der gebeurtenissen, doch bracht het Directoire op de hoogte van hetgeen hij omtrent het komplot te weten was gekomen.

Den 14en Juli daarop, den verjaardag van den val der Bastille, deed hij een stouten zet; hij deelde zijn soldaten mede, wat er te Parijs broeide, wekte hun haat tegen de royalisten en kuiperijen der pamfletschrijvers en hun liefde voor de republikeinsche beginselen op in een proclamatie, deed adressen van trouw aan de grondwet van het jaar III door hen teekenen en zond Augereau hiermede naar het Directoire.

Dewijl het leger aan de verkiezingen, die weder op handen waren, geen deel nam, zaten de directeuren, die het onderling reeds lang oneens waren en elkander, doch vooral den cynieken weerhaan Barras volstrekt niet vertrouwden, met dien stapel adressen vrijwel verlegen; doch tevens vonden zij hierin het bewijs, dat Bonaparte hen steunde in de kracht om zoo noodig te handelen. Augereau, “dat prachtstuk van een bandiet,” zooals een hunner hem betitelde, werd benoemd tot commandant van Parijs, troepen onder Hoche werden onder een valsch voorgeven tot op twee dagmarschen van hier bijeengetrokken en den 18en Fructidor (4 September) ging de meerderheid van het Directoire over tot een staatsgreep. Verdacht van medeplichtigheid aan ’t komplot werden Carnot en Barthélemy verbannen. Pichegru, vijftig leden van de beide lichamen en tal van journalisten en letterkundigen, die met hun heftig geschrijf tot verzet hadden opgehitst, veroordeeld tot deportatie naar Cayenne, twee en veertig dagbladen verboden en de gehouden verkiezingen in 48 departementen ongeldig verklaard en onder meer de aanvankelijk in onbruik geraakte gestrenge wetten tegen den adel en de geestelijkheid weder in volle werking gebracht, de nationale garde als onbetrouwbaar ontbonden, François en Merlin gekozen als nieuwe leden van het Directoire.3

Bloed werd niet vergoten; het volk was de valbijl moede, maar de “droge” guillotine, zooals Cayenne werd genoemd, verrichtte beulenwerk, al vorderde de executie meer tijd. Van de bannelingen hebben slechts enkelen zooals Pichegru Europa wedergezien.

Toen Augereau naar Parijs gezonden was, had Bonaparte weinig meer van zich laten hooren; de eerlijke oprechte Lavalette had hem doen inzien, dat hij zijn roem zou doen tanen, als hij maatregelen van geweld steunde, die door de [89]positie van het gouvernement niet gewettigd werden, terwijl het bewijs ontbrak, dat de te verbannen partij een terugkeer wenschte der Bourbons. Aan ’t geen daar geschiedde, bleef hij wel zijn volle aandacht schenken. Zijn vraag aan Milo de Melito “of deze dacht, dat hij alleen ter wille van de grootheid van die advocaten uit het Directoire, van een Carnot en een Barras, in Italië zoo vaak had gezegevierd” was welsprekend genoeg. Inmiddels had hij den paus onderhands zijn medewerking verzocht bij een poging tot verzoening tusschen de geestelijkheid en het Fransche gouvernement. “Dit laatste zou hierdoor versterkt, de meerderheid der natie tot het ware geloof teruggevoerd worden,” betoogde hij (Augustus.) Voorts had hij het Directoire met nadruk gewezen op het vermolmde Turkije en op het groote belang van het bezit van Corfu, Zante, Cerigo en Céphalonia verbonden. “Ons die vier eilanden, dan kan Oostenrijk desverkiezende Italië terug krijgen,” schreef hij in diezelfde maand. “Daar eenmaal goed gevestigd, schrijven wij den Grooten Heer zoo noodig de wet voor en pakken over dat rijk heen Engeland aan. Binnenkort zullen wij wel gevoelen, dat, willen we Engeland inderdaad vernietigen, het bezit van Egypte hiertoe voor ons een eerste voorwaarde is.”

Zoover reikten de gedachten van den zeven en twintigjarigen veldheer toen dus reeds. Na Lodi had hij begrepen, dat hij geroepen was om in Frankrijk, waar een hoop “wauwelaars” en middelmatigheden den boventoon voerden, een groote rol te spelen; dat overleg, sluwheid en geduld hiertoe factoren waren en gemoedsbezwaren moesten worden op zijde gezet. Was Hoche, de hoop der republikeinen, de jeugdige generaal, die de Vendée bedwongen, de Oostenrijkers bij herhaling geslagen, een expeditie naar Ierland gecommandeerd had en na Moreau’s ontslag4 met het commando over het vereenigde Maas- en Rijnleger was belast geworden, niet half September, waarschijnlijk door vergif, in zijn kamp te Wetzlar overleden, dan zou hij in dezen eerlijken, oprechten lieveling der natie, stellig een geduchte tegenpartij hebben getroffen. Thans vond hij in dien geheimzinnigen dood een reden te meer tot achterdocht tegenover al wat royalist of Engelsch heette. In de laatste dagen van Augustus had hij zijn hoofdkwartier verplaatst naar Passeriano in Frioul om beter het oog te hebben op de krijgstoerustingen, welke hij, ondanks den wapenstilstand, deed voortzetten, want Oostenrijk, bekend met de plannen der royalisten te Parijs, maakte met de vredesonderhandelingen bijna geen voortgang. Zegevierde die partij, dan zouden zeker nòg gunstiger voorwaarden te bedingen zijn geweest dan nu waren aangeboden.

In zijn eigen kring gaf hij onomwonden zijn afkeuring te kennen over de daad van 18 Fructidor, alleen de nieuwbenoemde leden wenschte hij geluk, [90]dit lichaam zelf niet, wel schreef hij aan Talleyrand, dat zoodra de door Engelsch goud gesteunde dagbladpers, die de natie bedierf, tot zwijgen gebracht, het Wetgevende Lichaam gezuiverd en de partij der Bourbons uit alle staatsbetrekkingen gezet was, de Republiek kon vrede sluiten wanneer en zooals zij verkoos. Aan het leger gaf hij de proclamatie van het Directoire te lezen (22 September) betoonde zich in zijn eigen dagorder en in een schrijven aan Augereau, wiens bezadigd gedrag op 4 September hij goedkeurde, weder een volbloed Jacobijn, deed flink uitkomen, dat zijn taal niet in overeenstemming was met zijn gemoed en wekte door zijn geheele houding de achterdocht en de ontevredenheid van het Directoire op.

Dit strafte hem met het terugroepen van Clarke, die met hart en ziel aan hem was gehecht; zijn antwoord was een hernieuwd verzoek om ontslag. “Het gouvernement was bar ondankbaar. Hij was ziek naar lichaam en geest; had naar plicht en geweten voor het vaderland gedaan wat hij kon. De rust was in het binnenland teruggekeerd, hij kon thans best worden gemist.” (25 September.)

’t Was een meesterlijke zet; dat hij niet “gemist worden kon,” wist hij even goed als het Directoire zelf. Dit boog deemoedig het hoofd, smeekte hem te blijven, zinspeelde op den achterdocht en de walging, welke Hoche’s plotselinge dood zeker bij hem had opgewekt, schonk hem op al zijn verdere klachten voldoening maar—hoopte in stilte op een voortzetting van den oorlog, want den man, die zijn wil zoo krachtig wist door te zetten, zag het Directoire vooreerst liever niet naar Parijs terugkeeren.

Bonaparte had zijn verdere gedragslijn reeds vastgesteld. Augereau, die te Parijs was komen vertellen, dat al de overwinningen in Italië hoofdzakelijk waren behaald door hèm, was benoemd tot commandant van het Rijnleger en met dezen snoever verkoos hij zijn roem niet te deelen; Bernadotte had hem geschreven, dat Parijs hunkerde naar vrede, terwijl hem de portefeuille van Oorlog was beloofd en Bernadotte was geen vriend van hem. Toen hij de bergen in Frioul den 13en October met sneeuw zag overdekt, gaf hij zijn secretaris, de Bourrienne, dus kortaf te kennen, dat hij de advocaten te Parijs liet praten en vrede sloot. Venetië zou het gelag betalen, doch gaf zijn korpsen tevens het bevel de hun reeds vroeger aangewezen punten in te nemen, alsof hij voornemens was den oorlog met kracht voort te zetten. Von Cobentzl, de Oostenrijksche diplomaat, aangewezen om met hem te onderhandelen, een sluw heerschap, meende, dat dit alles slechts een schijnbeweging was, bleef onverzettelijk Venetië eischen tot aan de Adda en maakte hem hierdoor zoo toornig, dat hij een aan dezen toebehoorend stuk porcelein greep en aan scherven wierp.—“Zoo zal ik binnen een maand een monarchie hebben vernietigd! De oorlog wordt voortgezet,” riep hij en liep de deur uit om hiertoe bevelen te geven. [91]

Toen kroop Cobentzl, die niets meer duchtte dan een nieuwen krijg, in zijn schulp; den volgenden dag (17 October) werd te Campo Formio, een dorpje tusschen de legers in, vrede gesloten—juist bijtijds, want geen halven dag later kwam te Passeriano een koerier uit Parijs met het uitdrukkelijk verbod de lijn van de Etsch aan Oostenrijk af te staan. “Bonaparte zelf zou eerstdaags van de onderhandelingen worden ontheven.”

Waarschijnlijk had hij dezen zet verwacht en daarom zooveel spoed gemaakt.

Het Directoire was verwoed, maar durfde aan het tractaat, dat Berthier overbracht, zijn goedkeuring toch niet te onthouden, nu de gansche natie juichte van blijdschap en Bonaparte’s lof luide verkondigde. Oostenrijk stond België af aan Frankrijk, Lombardije aan de Cisalpijnsche Republiek en ontving Istrië, Dalmatië en Venetië met al het grondgebied tot aan de Etsch. Corfu en de Ionische eilanden bleven in Fransche handen. Bij geheim tractaat verbond de keizer zich Frankrijks eisch te ondersteunen. Te Rastadt zou op een congres over den vrede met Duitschland worden beraadslaagd.

Die afstand van Venetië aan Oostenrijk is Bonaparte vaak tot een bitter verwijt gemaakt, en zijn behandeling van deze oude republiek is wel met de Poolsche deelingen vergeleken. De belangen van Frankrijk echter en van hem zelf wogen bij hem zwaarder dan die van een volk, “zoo laf, en zoo bijgeloovig als de Italianen.” “Slechts vijftienhonderd van de straat opgeraapte schelmen, die plunderden en stalen, waar zij konden, geen enkelen Italiaan, heb ik onder de wapenen kunnen krijgen,” schreef hij aan den minister van Buitenlandsche zaken, Talleyrand. “Een oorlog met Engeland om aan deze natie de vrijheid te brengen zou wèl zoo schoon en grootsch wezen, dan de voortzetting van den krijg ter wille van een volk, dat niets voor de vrijheid gevoelt.” [92]


1 Bonaparte zond den betrekkelijk ouden generaal Serurier om de capitulatie in ontvangst te nemen, teneinde de oude Würmser te besparen, zijn degen aan den 27-jarigen Bonaparte over te geven.

2 Lodewijk XVII is de zoon van Louis Capet. Sommigen beweren, dat hij uit de gevangenis le Temple ontvlucht en naar Duitschland geweken is en later onder den naam van Naundorff te Delft overleed.

3 Een misrekening voor den schreeuwer Augereau, die op een zetel had gehoopt.

4 Hij wist van Pichegru’s verraad en had dit voor het Directoire verborgen gehouden tot na 4 September.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk VII.

Naar Egypte.

Tegenover Bonaparte’s invloed had het Directoire het dus nogmaals afgelegd; het schreef toen een brief vol lof en dank, betitelde hem met “generaal-burger,” onthief hem van zijn commando in Italië, benoemde hem tot opperbevelhebber over een nieuw te vormen krijgsmacht, het Leger tegen Engeland, verzocht hem met de afwikkeling zijner zaken in Italië spoed te maken en zich daarna als gevolmachtigde der Republiek te begeven naar het congres te Rastadt. Hier zouden de vredestractaten dan tevens worden uitgewisseld.

De kunst van tusschen de regels door te lezen kende Bonaparte reeds lang. Al die lof was bombast; het Directoire was bang voor hem en voor zijn reusachtige populariteit, wilde hem liefst zoo lang mogelijk van Parijs verwijderd houden en dacht mogelijk tevens, dat op een congres, waar zoo groote en zoo veel belangen in behandeling zouden komen, allicht iets kon voorvallen, waardoor zijn komst te Parijs voorloopig totaal onmogelijk werd gemaakt. Hij antwoordde dus, dat er aan de organisatie der Cisalpijnsche republiek en aan het beheer van Italië en van het leger nog zooveel was te doen, dat hij niet voor midden November naar Rastadt kon vertrekken, dat hij den brigade-generaal Murat dus had vooruitgezonden en tegen het einde dier maand zijn bestemming hoopte te hebben bereikt; dat de vijf door Venetië afgestane schepen ook nog zeilklaar moesten worden gemaakt, en dat hij een zijner ambtenaren naar Malta had gezonden om met het oog op zijn verdere plannen hier poolshoogte te nemen.

In echte, nobele soldatentaal nam hij daarop afscheid van zijn helden, [93]noemde hen de steunpilaren van de vrijheid en van Frankrijks glorie en vertrok 17 November naar Rastadt. Die reis geleek een zegetocht, te Lausanne wachtte hem een deputatie uit het kanton Wallis, dat slechts een aanleiding zocht om het juk van Berns tiranniek beheer af te schudden en allerwege verrieden vlaggentooi, bloemen en luid gejuich de sympathie, die de bevolking voor hem koesterde.

Slechts zes dagen bleef hij te Rastadt, schonk de heeren Treilhard en Bonnier, zijn mede-afgevaardigden, die te midden van dien drom vreemde diplomaten en kleine Duitsche vorsten tot nog toe een pover figuur hadden gemaakt, terstond de plaats, welke hun als vertegenwoordigers eener groote natie toekwam, weigerde den Zweedschen gezant von Fersen te ontvangen, omdat deze voorheen tot de Bourbons in te nauwe betrekking had gestaan, ruimde zonder veel omslag of gepraat1 alle bezwaren op, welke bij de regeling der overgave van Venetië en van Maintz nog werden gemaakt en was den 7en December terug in zijn klein hotel van de rue Chantereine, weldra door den gemeenteraad herdoopt in rue de la Victoire.

Joséphine had hem niet vergezeld en dus niet gedeeld in de hem op zijn doorreis in Frankrijk overal gebrachte hulde. Volgens haar brieven verlangde zij wel hartelijk naar haar dochter en vond zij het in Italië doodelijk vervelend. Toch kwam zij eerst in ’t begin van Januari 1798 thuis. Een uitstapje naar Rome had tijd gevorderd; te Turijn had zij gedineerd bij den Franschen gezant en hier groote bezorgdheid aan den dag gelegd voor een zware cassette vol cameeën, medailles en andere kostbaarheden, daarna was zij met bar weer over den Mont-Cenis naar Lyon gereisd en was hier met pracht en praal ontvangen. Al dien tijd had haar man zich te Parijs niet meer in ’t openbaar vertoond dan noodig was. Drie dagen na zijn terugkeer was hij door het Directoire op het groote plein voor het Luxemburg in tegenwoordigheid van tienduizenden juichende toeschouwers gehuldigd; Talleyrand en Barras hadden de loftrompet over hem gestoken, zijn eenvoud, bescheidenheid, groote burgerdeugden en lust voor de studie als om strijd geprezen. Als een orkaan had de juichkreet “Leve de Republiek! Leve Bonaparte” te Parijs weerklonken bij het zien van dien doodeenvoudig gekleeden generaal met zijn bleekgeel zuidelijk gelaat en zonderling lichtende oogen, van dien half beschroomden man met zijn vreemd klinkenden naam, die plotseling van den achtergrond naar voren getreden na een reeks van glansrijke overwinningen, thans den vrede was komen brengen. Vrede na een jarenlangen bloedigen kamp op leven en dood met het buitenland. Beter nog dan de stedeling begreep de [94]plattelandsbewoner, wat dat woord beteekende. Van dien dag af was Bonaparte voor dezen geworden l’Homme, de incarnatie van rustige kracht, die welvaart zou brengen en voorspoed, en het ongestoorde bezit van het eenmaal rechtmatig verkregen eigendom; jarenlang is hij dit gebleven.

Door Carnots verbanning was er in het Instituut een zetel opengekomen. Deze werd hem thans aangeboden voor de afdeeling werktuigkunde en erkentelijk door hem aanvaard. Vaak vertoonde hij zich na dien in het daarbij behoorende costuum. Verder scheen hij zich bij voorkeur aan alle openbaar huldebetoon te onttrekken; slechts een enkele maal vertoonde hij zich in de comedie en dan nog in een loge grillée, was gansche dagen thuis en lag dan met passer en potlood in de hand uren achtereen gebogen over zijn reusachtige, op den grond uitgespreide kaarten van Engeland en Egypte.

Na Joséphine’s terugkomst, op een luisterrijke partij, door Talleyrand ter harer eer gegeven, gaf hij de daar aanwezige gasten, eenige honderden, weder gelegenheid hem wat meer van nabij te zien. “Mama, ’t is een man!” riep een jonge dame, toen hij in burgerkleeding, met Joséphine, in Grieksch gewaad en gekapt met cameeën, naast zich, de zalen van het hotel Gallifet binnentrad. Hier ontmoette hij ook voor het eerst mevrouw de Stael-Holstein, de echtgenoote van den Zweedschen gezant, een dochter van Necker. Reeds herhaalde malen had zij hem schriftelijk haar sympathie betoond en hem zelfs te verstaan gegeven, dat een vrouw zoo talentvol als zij, beter naast hem had gevoegd dan die weinig ontwikkelde creoolsche; thans liet zij zich door Arnault aan hem voorstellen. Veel genoegen beleefde zij hiervan niet, want Bonaparte had een afkeer van intrigeerende dames en bas-bleus, was van meening, dat een echte vrouw thuis behoort en niet op de publieke tribune en was hard en bits tegenover haar, beantwoordde haar vraag “welke vrouw in zijn oogen de eerste was” met een koel: “Zij die de meeste kinderen heeft gehad” en keerde haar den rug toe.

Dat was de eerste schermutseling geweest tusschen de rijkbegaafde dame uit de groote wereld, die uit haar salon wel over Frankrijk had willen heerschen en van de rol eener Madame de Maintenon wellicht niet afkeerig zou zijn geweest, en een man uit het volk, die in de politiek geen vrouwelijken invloed duldde, die dit beginsel heeft volgehouden tot het einde toe en die later, toen hij haar intrigeeren met de royalisten moede werd, haar onverbiddelijk uit Parijs verbande.

Evenals mevrouw de Rémusat, heeft deze dame, die zelve bals en partijen gaf en haar man half armoede liet lijden, door haar geschrijf heel wat toegebracht om Napoleon in een slecht daglicht te stellen2 en hem in de publieke opinie te schaden. Hoe hij over die “helleveeg” dacht, blijkt o. a. [95]duidelijk uit den brief van 1807 uit Osterode aan Cambacérès.—“Die vrouw zet haar vak van intrigante voort en is ondanks mijn bevelen Parijs weder genaderd. Dat is een ware pest. Spreek er over met den minister van Politie, want ze zal nog maken, dat ik haar door de gendarmerie laat oppakken.”

Telkens vervolgde zij hem met haar brieven,—somtijds zelfs van zes zijdjes,—hij vond die vol pretensies maar zinledig en hol en verkoos haar niet te Parijs toe te laten, waar zij het centrum vormde van allerlei intriges en waar de Conventie reeds last van haar had gehad.

Dat hij, te Parijs teruggekeerd, zoo stil en afgezonderd leefde, slechts enkele generaals, als Kléber en Desaix en eenige geleerden, letterkundigen, enz. als Legouvé, Monge, David, Mehul en Bernardin de Saint-Pierre ontving en zich bij niet één politieke partij aansloot, wekte niet minder verbazing dan dat hij zich uitsluitend met zijn vrouw scheen te bemoeien; dit laatste werd in de kringen van het Directoire zelfs bijna onbehoorlijk gevonden. “Zeer verliefd en zeer jaloersch” heette hij al spoedig.

Joséphine vond deze stille afgezonderde levenswijze alles behalve aangenaam, maar schikte zich in de omstandigheden, richtte zich met al het uit Italië medegebrachte moois zeer kostbaar in, hield in stilte de relatie aan met al de “schuine” vriendinnen en de vrienden van voorheen, doch bracht ze zoo weinig mogelijk in aanraking met haar man, want deze had de gewoonte die beursmannen, woekeraars, legerleveranciers, gescheiden vrouwen en andere dames van verdachte zeden aan te kijken op een wijze, die op een alleronpleizierigste manier zijn grenzenlooze verachting voor hen verried. Zoo lang hij te Parijs vertoefde, vertoonde dat volkje zich dus niet, doch nauwelijks was hij voor een dag of wat op reis of de bende kwam weder opzetten.

Zelfs met Barras werden de banden van voorheen weder vaster gesnoerd en zeker geeft een briefje uit die dagen aan Bottot, Barras secretaris gericht, veel te denken. “Bonaparte is van nacht thuisgekomen.3 Betuig Barras derhalve mijn leedwezen, dat ik niet bij hem kan dineeren. Verzoek hem mij niet te vergeten. Beter dan iemand anders kent gij mijn positie. Adieu, oprechte vriendschap.

La Pagerie-Bonaparte.

Dan onderhandelde zij over den aankoop van een landgoed ter waarde van drie- of viermaal honderd duizend francs, waar zij met equipage en bedienden haar kennissen zou kunnen ontvangen, wel een aanwijzing, dat Bonaparte al was hij niet rijk, uit Italië meer geld had medegebracht, dan de drie honderd duizend francs, die hij later noemde op St. Helena, want van zijn traktement van veertig duizend francs ’s jaars als legercommandant kon dit alles niet worden bekostigd. [96]

Ook te Parijs, al leefde hij nog zoo afgezonderd, gunden de zaken hem geen oogenblik rust. Telkens riep het Directoire zijn hulp in, vroeg hem om raad of gaf hem opdrachten, o. a. toen in de laatste dagen van December ’97 te Rome voor de Fransche ambassade een opstootje had plaats gegrepen, waarbij o. a. de generaal Duphot was gedood, en waardoor Jozef zich genoopt had gezien zijn standplaats onmiddellijk te verlaten en terug te keeren naar Parijs. In dit voorval waartoe het in stilte misschien wel de hand had geleend,—het overlaadde Jozef immers met tevredenheidsbetuigingen—zag het Directoire thans een welkome aanleiding om zijn reeds lang beraamde plannen ten opzichte van Rome ten uitvoer te leggen, te breken met den paus, diens staten te bezetten en deze half Februari d. a. v. te verklaren tot de Romeinsche republiek.

Deze nieuwe daad van geweld, keurde Bonaparte in stilte af. Door zijn houding bij Tolentino, waar hij in strijd met de bevelen van het Directoire, met den paus had vrede gesloten, door zijn eigenhandig geschreven brieven aan dezen, door het kerkelijk huwelijk van Elisa en Pauline en door het onderhouden van betrekkingen met verschillende Italiaansche prelaten had hij meer dan voldoende bewezen, niet alleen dat hij een aanhanger was der katholieke kerk, maar dat hij groote waarde hechtte aan haar invloed en haar zedelijke kracht. Tevens kende hij de Fransche natie reeds genoeg om te weten, dat hij, die ook maar den schijn aannam van den Heiligen Stoel te beschermen, daarbij terstond een aanhang moest vinden van millioenen katholieken, die thans nog door een kleine partij, die der atheïsten en philosofen werden onderdrukt.

Hoewel hij Berthier te Mantua dus bevelen zond om Rome te bezetten, gelastte hij hem tevens “alle buitensporigheden te onderdrukken en iederen Franschman of Italiaan, die onder het mom van vaderlandsliefde tot oproer mocht willen aanzetten, zonder genade in de doos te stoppen.”

Had hij de handelingen van het Directoire tegenover den Paus afgekeurd, ook tegen de hulp, door de Republiek aan de patriotten in Zwitserland tegenover Bern verleend, was hij gekant, al werden de hiertoe noodige bevelen door hemzelf aan generaal Brune gegeven. Dat het gouvernement door al deze daden van geweld in de publieke opinie zijn eigen graf dolf, begreep hij even goed als dat het zich zonder zijn hulp tegenover het buitenland niet lang op zijn hoog standpunt zou kunnen handhaven, maar dan moest die hulp zich tegenover de natie teekenen door daden, die de verbeeldingskracht prikkelden, en die hem voortdurend op den voorgrond deden blijven. “Blijf ik hier lang werkeloos dan ben ik weg; als ik mij driemaal in de comedie heb vertoond, kijkt niemand meer naar mij om,” zeide hij zelf tegen zijn intieme kennissen.

De onderhandelingen over den vrede te Campo Formio. 1797.

De onderhandelingen over den vrede te Campo Formio. 1797.

Na die inspectiereis langs het Kanaal begon hij bij het gouvernement derhalve krachtiger aan te dringen op een tocht naar het Oosten, naar Egypte. Onuitvoerbaar was deze volstrekt niet, onder het koningschap was het [97]vraagstuk eener koloniseering van dat land bij herhaling ter sprake gebracht; Leibnitz had die zelfs aan Lodewijk XIV aanbevolen en een paar jaar te voren had de Fransche consul te Alexandrië hierover nog een omvangrijke memorie ingediend. Goed geleid en met bezadigdheid ondernomen, was de kans op welslagen vrij groot. Bonaparte bezat al de gegevens over dit onderwerp maar koesterde in stilte veel grootscher plannen. Egypte veroverd, de Turken uit Europa verdreven, al de Grieken en de christenvolken in Klein-Azië in opstand gebracht, wilde hij Engeland ten slotte aangrijpen in zijn hartader, de koloniën.

Geruimen tijd had het Directoire weinig ooren voor dit plan, dat Frankrijk tijdelijk van een deel zijner beste strijdkrachten zou berooven, terwijl de vrede in Europa nog veraf was, maar toen het benoodigde kapitaal te Bern en te Rome in de schatkist was gevonden en de geldelijke bezwaren dus waren opgeheven, aarzelde het gouvernement niet langer doch teekende den 12en April 1798 een besluit, dat strikt geheim bleef en een expeditie naar Egypte betrof. Bonaparte werd daarbij zoo goed als geheel de vrije hand gelaten; hij mocht zooveel troepen medevoeren als hij noodig achtte, over de te Genua, Civita Vecchia en op Corfu garnizoen houdende divisiën beschikken, Malta en Egypte bezetten, de landengte van Suez doen doorgraven en de Engelschen verjagen uit al hun koloniën; het Directoire was in stilte verheugd een man te zien heengaan, die door menigeen reeds als de toekomstige heerscher over de Republiek werd aangewezen en die door zijn reusachtige populariteit een dagelijks dreigend gevaar was voor hun eigen bestaan.

Van de verleende vrijheid maakte Bonaparte ruimschoots gebruik. Een reeks van geleerden, kunstenaars, letterkundigen en geneesheeren, als Monge Berthollet, Larrey, Desgenettes zouden hem vergezellen. De kundigste generaals als Desaix, Kléber, Davoust en Caffarelli voegde hij zich toe, terwijl Junot, Lannes, Marmont, Berthier, Murat en andere krijgsmakkers uit Italië, allen jonge, energieke, vermetele soldaten, niet werden vergeten.

Te Toulon zou het leger worden samengetrokken. Om Engeland zand in de oogen te strooien, werd alom het praatje verspreid, dat al die krijgstoerustingen waren bestemd voor den linkervleugel van het leger tegen Engeland. Dit was uitgerust in de Middellandsche Zee en zou samenwerken met de troepenmacht, in de havens aan den Oceaan en in ’t Kanaal bijeen te brengen.

Wederom ging Bonaparte ijverig aan den arbeid. Alles regelde hij zelf; met ongelooflijke snelheid zorgde hij voor alle toebereidselen. Te Toulon, Genua, Ajaccio en Civita-Vecchia zouden de troepen scheep gaan. Hij vormde een keurkorps van vijf en twintig honderd ruiters met zadel en tuig, maar onbereden.—“De paarden zouden de Arabieren moeten leveren.”—Ook nam hij een talrijke artillerie mede, doch in ’t geheel slechts 300 paarden om ginds terstond enkele ruiters en vuurmonden tot zijn beschikking te hebben. [98]Caffarelli zou de genie commandeeren. Berthier werd weder chef van den staf; en den 19en Mei 1798 ging het eskader van Toulon onder zeil.

Tegelijkertijd zou Talleyrand naar Constantinopel vertrekken om den sultan van den tocht naar Egypte kennis te geven en te vernemen, wat hij hiervan dacht.

Intusschen was de bestemming der vloot voor Europa nog een raadsel. Waar togen al die generaals, al die geleerden, al die soldaten toch heen? Naar de Zwarte Zee, om de Krim terug te geven aan de Porte? Naar Indië om Tippoo-Sahib te steunen tegen de Engelschen? Naar de landengte van Suez?—De snuggerste bollen vertelden zelfs, dat alles slechts een krijgslist was. Die scheepsmacht zou de straat van Gibraltar forceeren, het Engelsche eskader aanvallen, dat Cadix reeds zoolang blokkeerde, de hier liggende Fransche schepen zoodoende verlossen en met deze en de oceaan-eskaders, koers zetten naar Engeland.

Te Londen heerschte groote ongerustheid. Een ieder dacht, dat een landing het slot zou wezen. Op alle gebeurlijkheden voorbereid, deed minister Pitt ijlings een nieuw eskader uitrusten, versterkte dat vóór Cadix met tien groote schepen en zond Nelson met drie er van af om de bewegingen der Fransche vloot te volgen.

Toen deze admiraal den 20en Juni voor Malta verscheen, kon hij echter alleen te weten komen, dat dit verblijf der Maltezer ridders door den grootmeester dezer orde reeds acht dagen te voren zonder slag of stoot aan Bonaparte overgegeven en thans door Fransche troepen onder Vaubois bezet was.—Heel wat oorlogsvaartuigen, 1200 vuurmonden, 40000 geweren, eenige duizenden kilo’s buskruit en drie millioen francs, de Schat van den Heiligen Johannes, waren hierbij buitgemaakt! Honderden Turksche en Arabische slaven waren van hun boeien bevrijd; de dienstbaarheid was afgeschaft, gelijkheid voor allen afgekondigd, overal de Fransche vlag geheschen. Daarop was de vloot gestevend naar Egypte en had Bonaparte, Lid van het Instituut, opperbevelhebber van het Leger in het Oosten, zooals hij zich nu betitelde, door een proclamatie, geheel berekend om hun haat tegen Engeland bij zijn soldaten nog feller te maken, dit geheim zelf geopenbaard.

“De mamelukken-beys, die in Egypte de baas waren en uitsluitend den handel der Engelschen begunstigden, die de ongelukkige bewoners van de Nijlstreek mishandelden en de Fransche kooplieden knevelden en bestalen, moesten van den aardbodem verdelgd worden, de mahomedaansche eeredienst en de ceremoniën, welke de Koran voorschreef, moesten geëerbiedigd. Vrouwenschennis en plundering, onteerend voor een ieder, die ze bedreef, zouden hun gerechte straf vinden; met deze volken, die voor de soldaten vreemd waren, moest toegevend en welwillend worden omgegaan.”

Den 1en Juli met zonsopgang, dus na 41 dagen varen, kwam de vloot voor Alexandrië. [99]

Hoewel de woelige zee de ontscheping zeer belemmerde, en hierbij zelfs manschappen verdronken, stond het grootste gedeelte van het leger, doch zonder paarden of geschut, reeds den volgenden nacht om drie uur bij helder maanlicht in drie colonnes op het strand geschaard. Om acht uur vielen deze de stad van drie zijden tegelijk aan en maakten zich na een kortstondig gevecht op de omwalling en in de straten er van meester.

Slechts enkele dagen bleef Bonaparte te Alexandrië. In dien tijd vestigde hij er het gezag van Frankrijk, gaf aan zijn onderbevelhebbers een dagorder met den uitdrukkelijken last personen en eigendommen te ontzien en den mahomedaanschen godsdienst te eerbiedigen, regelde den verderen opmarsch van het leger en verzocht admiraal Brueys voorloopig ten anker te gaan op de reede van Aboukir.

In die dagen was Egypte zoo goed als geheel onderworpen aan de tirannie van een reusachtige ruiterschaar, de mamelukken. Door sultan Selim indertijd gevormd om zijn gezag in Egypte staande te houden tegenover de pacha’s, die zich van hem onafhankelijk mochten willen maken, had die cavalerie met haar vier en twintig bey’s zich ten slotte van den sultan vrij verklaard. Ze was samengesteld uit slaven, die in hun prille jeugd in Circassië waren aangekocht, zich door schoonheid onderscheidden en die, onbekend met hun afkomst, naar Egypte overgebracht, fier waren op den hoogen prijs, welke voor hen was betaald. Uitsluitend geoefend in den wapenhandel, waren uit die jongelingen de dapperste en behendigste paardenmannen gegroeid, die men kon bedenken. Iedere bey bezat 600 van die knapen, die ieder weder twee fellahs als bedienden hadden. Van deze bey’s, die elkander herhaaldelijk beoorloogden, was tijdens de landing Mourad-Bey, een even vurig als dapper en onversaagd krijgsman, een der voornaamste.

Caïro, de Heilige Stad, was thans het groote doel der armee.

Dus op marsch door de woestijn! Reeds op den vierdaagschen tocht naar El-Rahmanyeh, waar zij den Nijl eerst wederzagen, deden de ongelukkige soldaten de bittere ondervinding op van wat het zeggen wil in een zware uniform, onder een gloeienden Afrikaanschen hemel door mul woestijnzand te marcheeren, zonder een enkele teug drinkwater, want het brakke vocht uit de bronnen langs den weg mocht dezen naam niet dragen. Daarbij waren zij voortdurend omstuwd door zwermen woestijnroovers, die elken achterblijver zonder genade vermoordden en naakt uitschudden. Niet te verwonderen was ’t dus, dat de mannen, het water van den Nijl eindelijk weder voor zich vindende, een jubelkreet deden hooren, en dat zich honderden zonder onderscheid van rang met kleêren, wapens en al in den stroom wierpen om zich eens naar hartelust te verfrisschen en—te drinken.

Daar aan den Nijl maakten de mamelukken, die gillend en krijschend in dichte zwermen kwamen opzetten, voor de eerste maal kennis met een [100]infanterie, die, in een carré geschaard, met ijzeren koelbloedigheid eerst geweersalvo’s afgaf en dan elken aanvaller, die te dichtbij dorst komen, opving op de punt der bajonet.

Verwoed over deze nederlaag zijner onderbevelhebbers, besloot Mourad-Bey “die ongeloovige honden” nu zelf aan te grijpen,—doch ook hij kwam van een slechte reis thuis. Die infanterie was sterker dan hij had gedacht.—“Die Fransche sultan is een toovenaar,” zeide hij, “die al zijn soldaten vasthoudt aan één dik, wit koord en ze door een ruk hieraan, allen tegelijk heen en weer beweegt. Hij is de “Vader van het Kruis.”

Caïro lag inmiddels nog ver af. De soldaten begonnen te mopperen. Door gebrek aan molens en ovens,—graan was er in overvloed,—kregen zij geen enkelen dag brood; en linzen, duiven en nu en dan een watermeloen waren wel smakelijk, doch voor een gezonde maag een te schrale kost. En waar bleef Caïro nu, waarvan hun zooveel was verteld?—Wel zeker! ’t Bestond niet. Die geleerde lui, die de generaal bij zich had, hadden dezen maar wat wijs gemaakt, en die generaal met zijn houten been (Cafferelli) mocht niet meepraten; die stond nog altoos met zijn ééne been in Frankrijk.

Eindelijk, den 21en Juli, ontwaarde de voorhoede links voor zich uit, aan gene zijde van den Nijl de hooge minarets van de hoofdstad en aan haar rechterhand de piramiden.

Die reusachtige gedenkteekenen ziende, hielden de mannen vol nieuwsgierigheid en bewondering halt. Met een gelaat, dat gloeide van geestdrift, reed Bonaparte in galop vóór langs hun front en strekte den arm uit naar deze geweldige begraafplaatsen der oude Egyptische koningen.—“Bedenkt, dat van den top dier piramiden veertig eeuwen op u neêrzien!” riep hij.

Snel ging het daarop weder den vijand tegemoet; want ginds vooruit, tusschen de piramiden en het dorp Embabeh aan den Nijl, wachtte Mourad-Bey met tienduizend ruiters in de vlakte en met duizenden gewapende fellahs in den dorpsrand. Vuurmonden zonder bespanning, dekten de toegangen.

Bonaparte gaf bevel tot den aanval.

Iedere divisie,—hij had er vijf,—vormde één carré van zes gelederen diepte, met de bagage en de generaals er binnen in, de grenadiers in pelotonscolonne tegen een der flanken, om de aangevallen punten te versterken; de vuurmonden op de hoeken. Van plaats veranderende marcheerden de zijafdeelingen ervan uit de flank. Aangevallen, maakten die levende bastions terstond naar vier zijden front. Moest een positie worden aangegrepen, dan vormden de drie buitenste gelederen in een oogwenk aanvalscolonnes, elke colonne op drie gelederen. De rest, nog altoos in een carré geschaard, hield halt om die colonnes weder op te nemen. Gestrenge bevelen werden gegeven om vooral niet overijld te vuren, den vijand bedaard te laten naderen en hem het salvo eerst toe te slingeren, als hij vlak bij was, voor zulke vurige, [101]strijdlustige soldaten als de Italiaansche cohorten een zware proef.

Na een verkenning met den veldkijker besloot Bonaparte, buiten het bereik van het kanon van Embabeh te blijven, de mamelukken van dit versterkte dorp af te dringen, ze in den Nijl te drijven en het dorp eerst daarna aan te vallen.

Mourad-Bey had dit plan evenwel terstond doorzien. Met acht duizend ruiters wierp hij zich met bijna ongeloofelijke onstuimigheid op de voorste divisie, (Desaix) die, tusschen de palmboomen marcheerende, haar formatie in carré nog niet had volbracht, maar den aanval toch kalm afwachtte en eerst op ’t laatste oogenblik vuur gaf.

Dus afgeslagen, joeg de ruiterdrom thans als een oceaan van steigerende brieschende centauren om de zijden van ’t carré; enkele mannen wierpen zich zelfs als bezetenen op de bajonetten, rukten hun paarden om, vielen er mede tusschen de gelederen, en vormden op die wijze een bres, maar vonden dan de grenadiers, die hen afmaakten. Ook de divisie Reynier, welke Desaix volgde, werd op deze wijze aangegrepen.

De heldenmoed en de doodsverachting der ruiters zwichtten intusschen voor koelbloedigheid, die de soldaten met salvovuur en bajonet er tegenover stelden.—In Embabeh ontstond een paniek. Een laatste poging van Mourad-Bey om de colonnes, die op dit dorp aanrukten, te omsingelen en te vernietigen, mislukte door de snelheid, waarmede de infanterie wéér de carréformatie aannam; thans ontstond een algemeene vlucht. Met het overschot zijner ruiters zocht de Bey een goed heenkomen naar Opper-Egypte; honderden fellahs verdronken in den Nijl bij hun pogingen om Caïro te bereiken. Embabeh werd stormenderhand genomen. Een schat van goud en kostbaarheden viel den soldaten in handen, want de mamelukken hadden de gewoonte al wat zij bezaten in het gevecht mede te voeren.—Ten slotte verschafte een overvloed van levensmiddelen van allerlei aard den krijgslieden gelegenheid zich voor de doorgestane ontberingen eens terdege schadeloos te stellen.

Zoo eindigde de slag bij de Piramiden. Caïro met zijn driehonderd duizend inwoners lag voor Bonaparte open.

Nauwelijks hier gezeteld begon deze ook weder de staatkundige gedragslijn te volgen, welke hem te Alexandrië reeds zooveel succes had bezorgd en waardoor de bevolking zich aan hem begon te hechten. Hij bracht een bezoek aan de voornaamste sheiks, wist door zijn vleiende taal bij hen de hoop op herstel van het gezag der Arabieren in de plaats van dat des sultans te doen herleven, beloofde hun gebruiken en hun godsdienst te eerbiedigen en slaagde er ten slotte in door de sheiks der hoofdmoskee een verklaring te doen afgeven ten gunste der Franschen.

Toen was het pleit gewonnen. Een divan of gemeenteraad, samengesteld uit de voornaamste sheiks en ingezetenen, zou hem inlichten betreffende al [102]de onderdeelen van het bestuur. De kadi’s zouden het recht blijven bedeelen. Hij zelf nam van tijd tot tijd de oostersche kleederdracht aan, woonde in de groote moskee zelfs enkele mahomedaansche godsdienstfeesten vol eerbied bij, en deed hierdoor bij enkelen de meening geboren worden, dat hij tot den Islam wilde overgaan, een daad, die hem bij zijn overheerschend fatalistische denkbeelden waarschijnlijk niet eens moeilijk zou zijn gevallen, als hij zijn staatkunde hiermede had kunnen dienen.

Zijn soldaten vergat hij hierbij niet. Hij deed ovens voor hen bouwen, gaf hun de voormalige woningen der mamelukken in gebruik en rustte zijn cavaleristen uit met hun prachtige paarden.

Wel beval hij hun ten strengste eerbied aan voor de vrouwen, maar overigens liet hij hen genieten van dit nieuwe, vreemdsoortige land met zijn overvloed van voedsel en zijn gezond, zuiver klimaat. Ook aan zijn geleerden dacht hij o. a. door de instelling van het zoo beroemd geworden Egyptische Instituut. Dit kreeg onder meer de opdracht een nauwkeurige beschrijving van het land samen te stellen en een kaart te maken, die afdaalde tot in de kleinste bijzonderheden; voorts moest het onderzoek doen naar de bouwvallen, om voor de geschiedenis nieuwe gezichtspunten en gegevens bijeen te brengen.

Zelf gaf hij de vraagstukken op, welke het Instituut moest uitwerken, zooals het bedenken der beste constructies voor water- en voor windmolens, het zoeken naar middelen om het Nijlwater te zuiveren en tot drinkwater geschikt te maken, het opsporen van terreinen, waar met kans van slagen hop kon verbouwd worden, en dergelijke meer.—“Mocht de fortuin ons ongunstig worden en ons dit heerlijke land weder ontnemen, dan moeten de overwinningen, hier door de wetenschap te behalen, ten minste van blijvenden aard wezen,” was hierbij zijn grondgedachte.

Had de onderwerping van Beneden- en Midden-Egypte weinig moeite gekost, ook die van Opper-Egypte werd na het hardnekkige gevecht bij Salheyeh, waar Mourad-Bey nogmaals werd verslagen, een voldongen feit. Op het kwetsbaarste punt, n.l. aan de zee, de operatiebasis, had de fortuin de Fransche wapenen echter verlaten. Den 2en Augustus was de vloot, die vóór Aboukir ten anker lag, door Nelson aangegrepen en zoo goed als vernietigd. Admiraal Brueys was gedood; slechts een paar schepen waren aan de algemeene vernietiging ontkomen en naar Malta gevlucht.

Met stoïcynsche bedaardheid ontving Bonaparte dit bericht. Geen spier op zijn gelaat vertrok; strak en bleek bleef het als marmer.—“Welaan, dan moeten wij hier ons einde afwachten of van hier terugkeeren, zoo groot als de mannen der oudheid,” zeide hij toen.—“Hierdoor zullen wij verplicht zijn nog grooter daden te verrichten dan in ons voornemen lag,” schreef hij aan den edelen Kléber; deze gaf hem in denzelfden geest antwoord.

De slag was zwaar, doch de moed van die twee groote mannen [103]schraagde het leger en herstelde zijn zedelijke kracht. Zonder hulp van de zeezijde, zonder gemeenschap met Frankrijk, zou het van nu af alleen op zich zelf moeten rekenen en—op zijn generaal.—Aanvulling had het dringend noodig. Welnu, een buitengewoon besluit schonk de mamelukken en de Arabieren het recht onder de Fransche vanen te dienen. De ledige plaatsen werden dus weder bezet; de inboorlingen begonnen zich te schikken naar hun Fransche krijgsmakkers. Zelf voegde Bonaparte zich een escadron mamelukken toe als lijfwacht.—Ingedeeld bij de later gevormde Escadrons van Dienst is dit korps hem tot Waterloo trouw gebleven. Toen is het uiteengesprongen; de ruiters zijn verstrooid. De weinigen, die het leven eraf hadden gebracht, en trachtten over Marseille Egypte weder te bereiken, zijn onderweg door de verwoede bevolking vermoord.

Thans toog Bonaparte aan den arbeid om, eenmaal tot blijven gedwongen, aan de nieuw te stichten volkplanting kracht en leven te schenken. De beginselen der vrijheid en der Europeesche rechtsbegrippen moesten hiertoe aan de bevolking worden ingeprent; dus deed hij de zeer onvoldoende verzekerde eigendommen der fellahs inschrijven als hun persoonlijk bezit, vestigde te Caïro, te Alexandrië en te Damiëtte een rechtbank van koophandel, moedigde den bouw aan van fabrieken, molens en werkplaatsen en wees de gemeenteraden op de weldaden van een goed, gestreng toezicht op de oorzaken van ongezonde toestanden.

Ook naar buiten was hij voortdurend werkzaam ter bevestiging van zijn gezag. Zoo sloot hij een verbond met den bey van Tripoli, met den cherif van Mekka, den pacha van Damascus en dien van Aleppo. Zelfs belastte hij een paar gezanten met brieven voor Tippoo-Sahib, den sultan van Mysore, om hem in zijn verzet tegen de Engelschen te schragen.

Toch waren die buitengewone krachtsontwikkeling en die reusachtige werkzaamheid niet bij machte in den loop der dingen verandering te brengen. Wel had de zeeslag bij Aboukir den lichtglans niet kunnen dooven, welke den tocht naar Egypte nog altijd omgaf, doch de hoop der vijanden van Frankrijk was er door verlevendigd. Talleyrand was niet naar Constantinopel gereisd, waarschijnlijk omdat er met het sluiten van verdragen enz. te Parijs meer te verdienen viel dan met onderhandelingen te Stamboul.

Engelands agenten hadden hier dus vrij spel bij den sultan en deze had de mamelukken niet ongaarne zien verslaan doch wilde Egypte daarom nog niet verliezen. De Fransche vloot vernietigd, dreigde er voor hem van deze zijde geen gevaar meer; een tocht van Bonaparte naar de Dardanellen was niet langer te duchten; het Engelsche goud met volle handen uitgestrooid deed het overige. De sultan verklaarde Frankrijk, zijn ouden bondgenoot, den oorlog.

Agenten van de Porte deden tevens allerwege in Egypte onder het volk een geduchte gisting ontstaan. Den 21en September brak te Caïro een [104]oproer uit, dat aan 300 soldaten het leven kostte; en hoewel Bonaparte voor dezen moord bloedig wraak nam, en vliegende colonnes het land doorkruisten om elk begin van verzet te smoren, kon dit alles niet beletten, dat de rust slechts in schijn werd hersteld. Tegelijkertijd riep een firman des sultans alle geloovigen onder de wapenen. In Syrië werden krijgstoerustingen gemaakt; een expeditie van uit Turkije naar Egypte werd voorbereid; alles wees er in één woord op, dat Bonaparte met zijn leger van nog geen dertig duizend man, aan zijn lot overgelaten, zonder hulpbronnen, een zeer moeilijken tijd te gemoet ging.


Ook als echtgenoot had hij een slag ontvangen, die voor een zoo hartstochtelijk verliefd man als hij, niet zonder duldelooze zielepijn kon worden gedragen. Reeds op zee waren de zinspelingen van Jozef op het zedelijk gedrag van Joséphine in Italië hem weder voor den geest gekomen; achterdocht had zich van hem meester gemaakt; hij had navraag gedaan bij zijn vroegere intieme kameraden, die onbescheiden waren geweest en vooral Junot had den laatsten twijfel bij hem weggenomen. Joséphine had hem bedrogen. Toen hij haar huwde, had hij naar haar verleden niet gevraagd; dit ging hem niet aan, redeneerde hij, doch sinds zij door een eed aan hem was verbonden, behoorde zij hem, hem alleen met lichaam en ziel. Nu zij aan dezen eed ontrouw was geworden, wilde hij ook niet langer met haar verbonden blijven; hij zou zich van haar laten scheiden.

In dezen zin schreef hij 25 Juli aan Jozef. “De laatste sluiers zijn verscheurd; ik heb veel huiselijk leed. Binnen een paar maanden kan ik te Parijs zijn. Bezorg mij daar in den omtrek of in Bourgondië een buiten. Daarin denk ik mij op te sluiten. Ik heb behoefte aan alleen zijn. De grootheid verveelt mij. Op mijn negen en twintigste jaar ben ik hard op weg een egoïst te worden. Jij alleen blijft mij over; verlies ik ook jou vriendschap, verraad jij me ook, dan word ik een menschenhater,” enz...

Wel heeft Jozef dit schrijven nooit ontvangen—de Engelschen onderschepten het—doch het teekende genoegzaam zijn gemoedstoestand in die dagen.

Later begon hij dit alles kalmer in te zien, vooral na de kennismaking met de zeventienjarige mevrouw Fourès, echtgenoote van een jong luitenant der jagers te paard, een voormalige modiste uit Carcassone. Toen Napoleon haar man met brieven naar Frankrijk gezonden had (December) was zij spoedig op zeer intiemen voet met Bonaparte, die zich overal met haar te paard en in een open rijtuig vertoonde. Was de dame, die zich van haar man had laten scheiden, in dien tijd zwanger geworden, dan had Bonaparte Joséphine stellig verstooten en haar gehuwd, want reeds in die jaren was zijn behoefte aan een huisgezin met kinderen groot; ook in dit opzicht was hij een echte zoon van Corsica. [105]

Uiterst kritiek was Bonaparte’s toestand dus in het begin van 1799, doch van versagen was bij hem geen sprake. Voor een Turksche expeditie naar Egypte was het jaargetijde te ongunstig; daar zou de vijand dus zoo spoedig niet opdagen. Dan zou hij naar Syrië trekken, de krijgsmacht aanvallen, welke zich daar vormde en den sultan toonen over welke geduchte krachten hij nog beschikte.

Met 13000 man, in vier divisiën, aangevoerd door Kléber, Reynier, Bon en Lannes, de cavalerie onder Murat, de guides onder Bessières, begon hij den zwaren tocht door de woestijn, nam onderweg het fort El Arych en de stad Gaza, sloeg het beleg voor Jaffa en hield hier den 7en Maart 1799 zijn intocht. Wel scheen het ongeluk hem ook hier te vervolgen, want thans brak onder zijn soldaten de pest uit. De mannen stierven als muizen. Dokter Larrey, de chef van den geneeskundigen dienst, begon zich ongerust te maken, want heel wat lijders bezweken binnen een etmaal, nadat de ziekte hen had aangetast. In het klooster der paters van het Heilige Land alleen telde men er zeven honderd. De soldaten sloeg de angst om ’t hart.

Onverschrokken begaf Bonaparte zich midden tusschen de zieken, sprak hun moed in, raakte verscheidene hunner aan ten bewijze, dat de ziekte niet zoo besmettelijk was, als zij dachten, bleef ruim anderhalf uur in een gebouw, waar de lijders lagen opeengepakt, en de lucht dus was bedorven, en was toen eerst door de artsen te bewegen heen te gaan.—“Het was mijn plicht. Ik ben opperbevelhebber,” gaf hij, buiten gekomen, koeltjes ten antwoord aan de officieren van zijn staf, die hem van de begane onvoorzichtigheid een ernstig verwijt maakten. Ook de doktoren moesten van deze heel wat hooren over hun zwakheid, dat zij hem toegang hadden verleend.—“Net alsof het zoo gemakkelijk gaat hem af te brengen van iets, dat hij zich heeft voorgenomen, of hem af te schrikken door vrees voor gevaar,” was het antwoord, dat zij gaven.

Vrees voor gevaar kende hij niet; die heeft hij ook nooit gekend. Juist deze voor duizenden zoo onverklaarbare, geheimzinnige eigenschap, maakte hem zoo sterk bij al wat hij deed. Verbleeken, sidderen zag men hem nooit. Dat hij in zijn kabinet bij het plotseling vernemen van een zware ramp een kruis sloeg, was uitsluitend een bewijs, dat hij die uit zijn kinderjaren afkomstige gewoonte niet had afgeleerd. Dragomirof, de beroemde Russische veldoverste, heeft Bonaparte zeer juist geschetst als hij zegt, dat deze “niet alleen niet bang was voor zijn eigen dierbare “knoken,” doch zelfs geheel moest hebben vergeten, dat de menschelijke natuur aan zulk een zwakheid kon mank gaan.”—“Die sterksprekende trek van het volkomen ten offer brengen van zijn eigen ik,” gaat Dragomirof voort, “geeft aan de ziel een scherpte van blik, welke haar veroorlooft de uitvoering te wagen van zekere besluiten, waarvan de gedachte alleen reeds voldoende is om de slaap van een gewoon [106]mensch totaal te verstoren, en die gelijkertijd op de massa een onwederstaanbare tooverkracht uitoefent. Die karaktertrek, en die alleen sleept de menigte mede achter elken geestdrijver aan; want wil men de menigte ten verderve leiden, dan moet men vóór alles zelf niet beducht zijn te gronde te gaan.”

Die maakte tevens, dat zijn gemoed gestaald werd en dat hij bij Arcola Louis van een uiterst gevaarlijke zending ongedeerd ziende terugkeeren, hem alleen met een kort verheugd lachje en een “Ik dacht dat je gevallen waart” verwelkomde. Toch had hij Louis bijna zoo lief als een zoon.

Zulk een man, zegt Masson, heeft de hoogste sport beklommen voor een mensch met intellect en gevoel bereikbaar en zoo iemand staat boven de goden der verbeelding.

Begrijpende, dat een langer verblijf te Jaffa zijn mannen noodlottig kon worden, en dat afleiding voor hen het beste geneesmiddel was tegen ziek worden, voerde hij hen door de woestijn naar het sterk bezette Acca of Saint-Jean-d’Acre en vernietigde binnen acht dagen de legermacht, welke de sultan deze vesting te hulp had gezonden. Haar nemen vermocht hij niet, want Sidney Smith, de opvolger van Nelson in de Levant, had hem in volle zee van zijn schepen met belegeringsartillerie beroofd; en met veldgeschut was tegen de zware steenen wallen niets te beginnen.—“Die man heeft mij mijn fortuin doen missen,” heeft Bonaparte, op dezen admiraal doelende, gezegd. “Was Saint-Jean-d’Acre gevallen, dan had ik Damascus en Aleppo genomen; in een oogwenk had ik aan den Euphraat gestaan. De christenen van Syrië van Armenië, de Drusen hadden zich bij mij aangesloten. Ik zou Constantinopel veroverd, Indië vermeesterd hebben en nu keizer zijn van geheel het Oosten.”

Thans werd er van al die visioenen niet één verwezenlijkt. Na een beleg van twee maanden, na een laatste vierdaagsch bombardement, tendeele onderhouden met de volkogels, die Sidney Smith van uit zee naar de Fransche liniën had geschoten en door de soldaten waren opgezocht, hief Bonaparte het beleg op. Zieken, gewonden, alles moest terug naar Jaffa; den 21en Mei was er geen enkele Fransche soldaat meer voor Acre te vinden. Met 500 dooden, waaronder verscheiden officieren van naam, den divisiegeneraal Bon en den generaal der genie Caffarelli, was dat gedenkwaardige beleg betaald. Bonaparte zelf was licht gewond geworden; een paard was onder hem doodgeschoten. Eens, in de loopgraven was hij bijna in stukken gereten door een bom, die vlak naast hem sprong en hem benevens twee soldaten met aarde overdekte.

Ook Jaffa werd verlaten. Al de zieken werden medegevoerd. Niet één bleef in Syrië achter, al heeft de Engelsche kolonel Wilson later beweerd, dat op Bonaparte’s bevel bijna zeshonderd onvervoerbare pestlijders met opium zouden zijn omgebracht. De brave Larrey en Desgenettes, hoofden van den [107]geneeskundigen dienst, wier zelfopoffering nooit genoeg kan worden gewaardeerd, waren er nog al de mannen naar, om, gesteld zelfs, dat het bevel hiertoe gegeven was, dit ten uitvoer te brengen.—“Juist aan generaal Bonaparte hebben die slachtoffers in hoofdzaak hun behoud te danken gehad,” heeft de eerstgenoemde in later jaren in zijn gedenkschriften geschreven.—Om de figuur van Napoleon heeft het spook van den afschuwelijksten laster steeds onverpoosd rondgewaard.

Groote vreugde heerschte er te Caïro, toen de Sultan Kebir den 14en Juni na een marsch van twintig dagen door het gloeiende woestijnzand hier wederkeerde. Zelfs de inlandsche bevolking scheen een wijle haar houding van zwijgende deftigheid te hebben afgelegd, om hem met juichkreten te ontvangen.—Alles scheen er op te wijzen, dat thans een tijdperk van rust was ingetreden, want in Mei reeds was het aan Desaix gelukt Opper-Egypte geheel te bezetten en Mourad-Bey bij herhaling de nederlaag toe te brengen.

De rust zou niet volgen.

Den 15en Juli toch ontving Bonaparte de tijding, dat een groot Turksch eskader met landingstroepen aan boord, drie dagen te voren het anker had laten vallen op de reede van Aboukir en reeds bezig was met ontschepen. De tijding kwam van generaal Marmont, die te Alexandrië commandeerde; aan de juistheid er van viel niet te twijfelen.—De Turksche macht telde ongeveer 18000 man infanterie, ditmaal geen uitgehongerde fellahs maar dappere janitsaren, gewapend met een geweer zonder bajonet, waaruit ze eerst een schot losten om daarna met pistool en sabel op den vijand in te gaan. Engelsche officieren voerden hen aan. Paarden hadden ze bijna niet, slechts driehonderd. De rest zou Mourad-Bey leveren, als hij, met twee- of drie duizend mamelukken uit Boven-Egypte langs den zoom der woestijn trekkende zich te Aboukir met hen had vereenigd.

Nauwelijks waren Bonaparte deze bijzonderheden bekend en wist hij dat de bezetting van Aboukir over de kling was gejaagd, terwijl Marmont zich zonder slag te leveren in Alexandrië had opgesloten, of hij begon met drie divisiën een geforceerden marsch naar de kust. Tevens gaf hij Kléber en Reynier, die in de Nijl delta stonden, last om onverwijld op Aboukir aan te rukken. Zelf stond hij binnen enkele dagen tusschen deze plaats en Alexandrië, gaf Marmont een geduchte schrobbeering, omdat hij de landing niet had belet, en greep den 25en Juli den vijand aan. Deze had zich verschanst op het schiereiland, waarop Aboukir ligt.

’t Was een heet gevecht, een van de merkwaardigste misschien, die er in de krijgsgeschiedenis is opgeteekend, want het gansche Turksche leger, aan drie zijden door de zee, aan de vierde door Bonaparte ingesloten, werd volslagen vernietigd. Wat niet viel door zwaard of kogel, vond den dood in de golven. Mustapha-pacha, de commandeerende generaal, werd na [108]een tweegevecht met Murat gewond en door dezen gevangen genomen; en op den avond van dien dag dreven 12000 Turksche lijken voor Aboukir in zee. De nederlaag van het vorige jaar was glansrijk gewroken. Kléber, die te laat was gekomen om nog aan den strijd te kunnen deelnemen, omarmde zijn genialen veldheer en zei: “Generaal, groot zijt gij als de wereld!”

Een nieuwe aanval van Turksche zijde was nu vooreerst niet weder te duchten. Het Fransche leger telde nog bijna 25000 man; zijn toestand was bevredigend te noemen; in een jaar tijd had het in het veroverde land groote dingen verricht. Met voldoening kon de opperbevelhebber op zijn werk terugzien. Slechts één factor ontbrak hem. Sinds 25 Maart 1799, dus sinds het beleg van Saint-Jean-d’Acre, was hij verstoken van elk bericht uit Frankrijk; Louis in ’t laatste kwartaal van 1798 half ziek naar Europa teruggegaan, was niet weder in Egypte verschenen; geen enkelen brief had hij ontvangen, zelfs niet van zijn familie; de Engelsche kruisers hadden alles aangehouden. Reeds maanden verkeerde hij in onzekerheid, hetgeen er voorviel ginds.

Eindelijk vernam hij de waarheid door Sidney-Smith zelf. Deze had een Franschen parlementair opgepikt, die met den Turkschen vlootvoogd quasi zou onderhandelen, maar die feitelijk voor Bonaparte berichten moest inwinnen omtrent den stand van zaken in Europa. Van dezen officier vernomen hebbende, dat Bonaparte hier omtrent geheel onkundig was, zond hij hem uit ijdelheid een pakje couranten, een relaas behelzende van de rampen, die de Republiek den laatsten tijd hadden getroffen.

Met al dat nieuws bleef Bonaparte een ganschen nacht in zijn kamer alleen. Hij las.—Oostenrijk had aan Frankrijk opnieuw den oorlog verklaard. In Duitschland was Jourdan, in Italië Scherer geslagen; te Rastadt waren de Fransche gevolmachtigden vermoord; alle partijen hadden samengespannen tegen het Directoire; vier nieuwe leden, Siéyès, Roger Ducos, Gohier en de generaal Moulins hadden hierin zitting genomen; alleen Barras was gebleven; al de klassen der dienstplichtigen waren opgeroepen; een gedwongen leening van 30 millioen was uitgeschreven; nieuwe troebelen tusschen de republikeinen en de royalisten waren ontstaan.

Tengevolge van de geldafpersingen der Fransche generaals hadden de Napolitanen naar de wapenen gegrepen; uit verscheidene steden, zelfs uit Rome was de bezetting verdreven. Om kort te gaan, terwijl de oorlog buiten de grenzen tot nog toe ongelukkig was gevoerd, heerschte er in ’t land zelf een jammerlijke verdeeldheid, die de Republiek aan den rand van den afgrond kon voeren. Door de meerderheid der rustige burgers werd reikhalzend uitgezien naar een man, die in dezen Augiasstal den Herculesbezem zwaaien en aan Frankrijk zijn grootheid teruggeven zou.

In dien éénen nacht kwam Bonaparte dit alles en veel meer nog te weten; als altijd nam hij terstond een besluit. Het Directoire had hem bij [109]zijn vertrek de vrijheid gegeven terug te keeren, als hij dit noodig en nuttig oordeelde. Latere bevelen had hij niet ontvangen. De tijd van terugkeeren achtte hij gekomen; terugkeeren zou hij, al doorploegden Engelsche kruisers de Middellandsche Zee in alle richtingen, al ging dat plan dus met groote gevaren gepaard en al liet hij zoodoende een leger in den steek, dat hem overal trouw was gevolgd en alleen door zijn tegenwoordigheid, zijn voorbeeld nog de veerkracht behouden had, noodig voor het verrichten van grootsche daden.

Van een militair standpunt is Bonaparte’s heengaan niet goed te praten, doch het belang van Frankrijk, dat ten ondergang dreigde, heeft bij hem stellig zwaarder gewogen dan dat van een leger, dat door het Directoire reeds ten doode was opgeschreven en voor welks redding alleen Louis ridderlijk een lans had gebroken.

Met Berthier, Lannes, Duroc, Bessières, Eugène, Marmont, Monge, Denou en anderen benevens 400 guides scheepte hij zich den 22en Augustus op een afgelegen punt van de kust in op twee fregatten, kwam, na een kort oponthoud door tegenwind in de haven van Ajaccio, den 9en October onopgemerkt voor de Fransche kust, stapte te Fréjus aan wal, liet zich persoonlijk niet ophouden door de quarantaine-maatregelen, hier genomen wegens de pest in Egypte, doch reisde, overal doch te Lyon in de eerste plaats met klokgelui en schier uitbundige geestdrift verwelkomd, in eens door naar Parijs. Hier kwam hij geheel onverwacht aan in zijn woning.—Twee uur later begaf hij zich naar de Tuilerieën.—“Leve Bonaparte!” riep de wacht, die hem terstond herkende.

Den volgenden morgen gaf hij in de volle vergadering een kort overzicht van zijn verrichtingen ginds. Hij had Kléber met het opperbevel belast en was zelf teruggekeerd om de Republiek, die hij verloren achtte, te hulp te komen. Te Parijs had hij vernomen, dat zijn wapenbroeders deze intusschen reeds hadden gered, en dat o. a. Massena bij Zürich roemrijk had gezegepraald op de Russen. Hierover was hij zeer verheugd.

Het Directoire was niet verheugd. Het had niet verwacht hem ooit levend terug te zien. Reeds herhaalde malen was het gerucht van zijn dood te Parijs verspreid; alleen het kort te voren van hem ontvangen bulletin der overwinning bij Aboukir had bewezen, dat al die berichten leugenachtig waren geweest. [110]


1 Te Passeriano en te Udine had hij ruimschoots van al het geleuter en de spitsvondige breedsprakigheid der Oostenrijksche diplomaten volop zijn bekomst gekregen. Hij hield van “afdoen.”

2 Dix années d’exil.

3 Van een inspectiereis langs de kust aan ’t Kanaal van Duinkerken tot Hâvre.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk VIII.

Bonaparte wordt Eerste Consul.

Zijn oudste broeders en Joséphine hadden eveneens geruimen tijd in de meening verkeerd, dat hij in Egypte zijn graf had gevonden. Jozef had aansluiting gezocht bij Bernadotte en dezen zijn schoonzuster Désirée ten huwelijk gegeven, mogelijk wel in de hoop, te eeniger tijd met dezen tot minister benoemden generaal zijn slag te kunnen slaan en het vermolmde gouvernement omver te werpen, want Bernadotte was bij het leger zeer gezien en een intrigant van het eerste soort.

Na zijn verkiezing in den Raad van Vijfhonderd, al miste hij hiertoe den wettelijk vastgestelden leeftijd, had Lucien zich op de tribune geducht geweerd, was benoemd tot secretaris en had redevoeringen gehouden, die herinnerden aan de schoonste dagen der Jacobijnsche redenaars. Deze werden echter door hem bestreden, want hij was nu reactionnair, had telkens herhaald, dat een ieder, die de veiligheid der Volksvertegenwoordiging dorst aanranden buiten de wet moest worden gesteld; Lucien was zoodoende voor de Jacobijnen in den Raad van Vijfhonderd en daarbuiten als hun heftigste tegenstander een nachtmerrie geworden.

Steeds partij kiezende tegen het Directoire, had hij onder die bedrijven met Siéyès in stilte betrekkingen aangeknoopt om de grondwet van het jaar III door een geheel nieuwe te vervangen. Jong, onervaren, zoo goed als alle rechtskennis missende, maar grenzenloos brutaal en vermetel, zich zelf een even groot genie op politiek terrein achtende als zijn broer het was in krijgszaken, had hij zich, door de omstandigheden gediend, in nog geen twee jaar een positie veroverd, welke hem voeren kon naar het hoogste gezag. [111]

Of er in de beide Raden dan geen mannen meer zetelden, die tegen hem waren opgewassen? In wetenschap, kennis van zaken en ervaring zeker nog wel, maar tijdens de omwenteling had Frankrijk zijn schranderste redenaars, zijn knapste koppen zien vallen en de overgeblevenen, door een langdurigen worstelstrijd afgemat, misten thans den lust en de energie, veelal ook het talent, om in een helder, zakelijk betoog het bewijs te leveren, dat Lucien een wauwelaar was, die heden afbrak, wat hij gisteren verdedigde en die grondige zakenkennis miste.

Aan “Napolione” van wien in maanden geen tijding was ontvangen en die feitelijk toch de grondlegger was geweest van hun tegenwoordig fortuin, dacht Jozef evenmin als Lucien; beiden werkten uitsluitend aan hun eigen toekomst; alleen Louis was met zijn geest daarginds en eischte tevergeefs, dat Lucien in den Raad een voorstel zou doen om de expeditie hulp te brengen.

Ook Joséphine, die aanvankelijk van plan was geweest haar echtgenoot te volgen naar Caïro, scheen niet langer aan hem te denken; zij was het leventje van voorheen met den zoo “aardigen” Charles en de verdachte kennissen incluis, weder begonnen; alleen had ze Barras, wiens invloed sterk begon te verminderen, losgelaten en steun gezocht bij Gohier. Onder het schrikbewind was Gohier minister van Justitie geweest, had later zijn zetel in het Directoire te danken gehad aan de Jacobijnen, die hem afschilderden als een republikein van de echte soort, vol burgerdeugden en gestrenge zedelijke beginselen. Met haar zwagers had zij gebroken. Vooral met Jozef, die bij het vertrek van haar man door dezen belast was met het beheer van zijn vermogen, die haar zeer kort hield en van haar bij herhaling had moeten hooren, dat hij mooi weer speelde met het geld van zijn broer, stond zij op gespannen voet. Reeds dacht zij aan een scheiding om dan met Charles te kunnen trouwen en was er sprake van een huwelijk tusschen haar dochter en den zoon van Gohier, toen het bericht van Bonaparte’s landing bij Fréjus haar aan een diner bij Gohier trof als een bliksemstraal.

Een korte poos zat zij als verpletterd, toen was zij zich zelve weder meester en begreep, dat alleen een vermetele zet haar kon redden. Bonaparte kwam naar Parijs; ontmoette hij zijn familie voor zij hem gesproken had, werd hij dus ingelicht omtrent haar leven in de laatste anderhalf jaar, dan was zij reddeloos verloren, dan wachtte haar een echtscheiding. Die familie moest zij dus vóór zijn.

“Vrees niet, dat Bonaparte met voor de vrijheid noodlottige bedoelingen naar hier komt; maar wij moeten de handen ineenslaan om te beletten, dat een troep ellendelingen zich van hem meester maakt,” voegde zij Gohier toe en Joséphine was geen uur later zonder kamenier, bagage of geleide met postpaarden op weg naar Lyon, haar man tegemoet.

Maar van Fontainebleau voeren twee wegen naar het zuiden; zij sloeg [112]den verkeerden in, kwam eerst te Lyon tot deze ontdekking, keerde spoorslags naar Parijs, doch vond in haar hotel de kamerdeur op slot. De familie had den tijd gehad den jammerlijk door haar bedrogen echtgenoot in te lichten omtrent haar gedrag.

De wanhoop nabij, gebogen onder een schuldenlast, die liep in de millioenen en onder het bewustzijn, dat de ouderdom snel naderde en dat armoede en gebrek haar wachtten, als hij haar verstiet, viel zij voor die deur op de knieën en smeekte en bad onder tranen om vergiffenis, doch de deur bleef dicht. Uren verliepen. Hortense en Eugène kwamen haar helpen. Eindelijk, eindelijk werd een sleutel omgedraaid in ’t slot, de deur geopend. Met een gelaat, dat doodsbleek en verwrongen nog getuigde van zijn zielestrijd, stond de echtgenoot op den drempel en breidde de armen uit; de herinneringen aan ’t verleden, de tranen van Hortense en Joséphine, zijn liefde voor haar, hadden gezegevierd. Hij had vergiffenis geschonken, niet ten deele doch volkomen, onvoorwaardelijk; naar de medeplichtigen vroeg hij niet. Als een voor altijd gesloten boek schoof hij ’t gebeurde achter zich; hij zelf, redeneerde hij, was de schuld van alles, want hij had zijn vrouw slecht bewaakt. Voortaan zou hij beter oppassen. Toen Lucien hem den volgenden morgen kwam opzoeken, werd hij ontvangen in Joséphine’s slaapkamer; Napoleon lag nog te bed. In de twee volgende dagen betaalde hij al haar schulden, meer dan twee millioen, waaronder 600.000 francs voor toiletartikelen en 225.000 francs voor de buitenplaats Malmaison. De Parijsche groote wereld, die in de laatste tien jaar van nog heel wat sterker stukken was getuige geweest, vond deze verzoening volstrekt niet belachelijk, ze juichte die zelfs toe; in haar oog werd Bonaparte opnieuw de goedhartige man, die hield van huiselijk, gezellig leven, weinig of geen eerzucht kende en, terwijl geheel Parijs van hem was vervuld, ’s avonds met zijn vrouw zat te triktakken, een spel waarin Joséphine uitmuntte.

En deze had een les ontvangen, die zij nimmer zou vergeten. Een licht was haar opgegaan over het gewicht van haar positie naast een echtgenoot, die terstond al haar schulden betaald, haar naast zich een plaats gegeven had en wiens toekomst haar reusachtig toescheen, al begreep zij nog volstrekt niet, waarheen die kon leiden. Slim als een echte vrouw, koos zij een nieuwe gedragslijn, verzoende zich voor het oog met haar zwagers, bleef op goeden voet met het echtpaar Gohier en werd voor haar man die meegaande, zorgzame, lieftallige gade, die steeds op een wenk van hem gereed stond om hem te dienen, hem op te beuren, met hem op reis te gaan, desnoods in ’t holst van den nacht en hem in één woord te omringen met al die kleine attenties, welke men een liefhebbende moeder kan zien schenken aan een nukkig, bedorven kind. Met die onnavolgbare gratie, welke enkele vrouwen is aangeboren en die meer boeit dan schoonheid, ontving zij in haar salon zoowel de mannen der Conventie als Cambacérès, Réal en Monge als de [113]Ségur, de Caulaincourt en andere haar trouw gebleven vertegenwoordigers van den ouden adel; zij bereidde aldus die fusie van standen voor, welke Bonaparte op het oog had; vol tact nam zij bijna dagelijks de honneurs waar van een tafel met meer dan twintig gasten en verving haar man, als deze moede en nurksch, of met andere dingen vervuld, geen lust had in praten, opstond van tafel en heenging. Nooit scheen haar iets te veel; steeds vond Bonaparte haar in een frisch, smaakvol toilet, met een vriendelijk lachje op de lippen, gereed voor al wat hij in zijn nukkige, vaak driftige buien geliefde te bevelen.

Bonaparte in den Raad van Vijfhonderd.

Bonaparte in den Raad van Vijfhonderd.

Haar thans dertigjarigen man, die nooit anders dan op kamers in een logement had gewoond en die als een volbloed Corsicaan een huiselijken haard toch zulk een kostelijk bezit achtte, schonk zij zoodoende een intérieur, waarin hij zich behaaglijk gevoelde, waarin werd gedineerd als hij gereed was met zijn werk, al werd het ook tien uur, waarin alles werd geschikt naar hem en waarin hij steeds een vrouw vond met wie hij vertrouwelijk kon praten over de onderwerpen, die zijn geest vervulden of over de verhoudingen en de toestanden in een wereld, die hij, de man van bijna burgerlijke afkomst, nooit, zij, in zijn oog zooveel hooger staande vrouw van adel, zooveel te beter had gekend en in welker toon, gebruiken en levenswijze hij steeds een opmerkelijke belangstelling verried.


Vollediger en beter nog dan uit de couranten van Sidney Smith kon Bonaparte thans zelf te Parijs nagaan in welk een toestand Frankrijk ondanks de overwinningen van Massena en Brune verkeerde. Wel had het Directoire de Manége club doen sluiten en hadden de Jacobijnen, die al zijn handelingen in heftige taal bestreden, hun verzamelplaats dus verloren, wel had het Directoire Bernadotte vervangen als minister van oorlog en was het dus tegen deze fractie even ruw opgetreden als te voren tegenover de club van Clichy, maar den toestand had het hiermee niet verbeterd. De anarchie was blijven bestaan. Van het oude stelsel, het koningschap, had de natie haar bekomst; 1793 lag haar nog zoo versch in ’t geheugen, dat ze hierom alleen reeds de Jacobijnen terugstiet, doch republikeinsch verlangde ze te blijven, terwille van de vrijheid en de gelijkheid, welke daarmede samenhingen. Dat slappe, vijfhoofdige gouvernement, dat Directoire heette, doch niet dirigeerde, nooit eensgezind was en telkens door kleine veten verried, hoe bedroefd weinig zijn leden als bestuursmannen hadden te beteekenen en hoe grof eigenbelang ook bij hen vaak ging boven dat van het land, moest dus verdwijnen. Geredeneerd was er veel te veel, gehandeld veel te weinig; haar veroveringen op sociaal gebied wenschte de natie te behouden; orde was hiertoe een eerste vereischte; de vrijheid mocht dan later volgen, eerst moest er orde heerschen en de eenige die deze brengen kon, was de man van Arcola, van Rivoli, de man die een [114]tijdlang alleen had gestaan tegenover half Europa, die plotseling uit Egypte was teruggekeerd en op wien gansch Frankrijk thans de oogen gevestigd had.

Bonaparte wist, voelde dit. Hoewel hij dagelijks tal van personen ontving, die hem hulde kwamen bewijzen, over verschillende zaken zijn meening wilden weten of zijn hulp noodig hadden, hoewel zelfs de minister van Oorlog hem kwam verzoeken om raad en inlichtingen, bewaarde hij het zwijgen over zijn eigen zienswijze en voornemens. Alleen luisterde hij scherp naar ’t geen om hem heen voorviel, vernam van Fouché, den minister van politie, wat Parijs zeide en deed, doch begon met te bedanken voor een nieuw legercommando, dat het Directoire hem terstond wilde opdragen.—“Hij was nauwelijks terug, gevoelde zich ziek en wilde eerst uitrusten en op zijn verhaal komen.”

Bij niet ééne partij sloot hij zich aan; dat de royalisten niet op hem behoefden te rekenen, had hij hen op den 18en Fructidor reeds getoond, de ultra’s der voormalige Conventie werden door hem geschuwd evenals de zoogenaamde pourris, een partij van wel bekwame maar totaal in den grond verdorven mannen, zooals Barras, die alleen op het kussen trachtten te komen om hun eerzucht en hun gouddorst te bevredigen. Uit de keuze der mannen, die hij om inlichtingen vroeg, als Cambacérès, Roederer, Réal en anderen, bleek echter weldra, dat hij partij had gekozen voor de gematigden. Hij polste Gohier en Moulins over zijn opname in het Directoire in de plaats van Siéyès, die zich bij velen had verdacht gemaakt, steeds zwanger heette te gaan van omwentelingsplannen en door hem kortaf werd genegeerd, doch vond bij deze Directeurs geen gehoor. Volgens de grondwet van het jaar III was hij te jong en in strijd met deze verkozen zij niet te handelen.

Deze poging om aan ’t bewind te komen mislukte, en nu wendde hij zich tot Barras. Aan dezen had hij groote verplichtingen, door hem was hij reeds te Toulon onderscheiden, op 13 Vendémiaire was hij door hem te paard geholpen en al had Barras kort te voren in een zitting van het Directoire gezegd, dat “de kleine korporaal in Italië aardig zaakjes had gemaakt,” al was dit Bonaparte ter oore gekomen en de toch al niet te beste verstandhouding hierdoor nog meer verkoeld, met Barras, die nog altijd een zekere populariteit genoot en hoofd was van de politie dacht Bonaparte, zou nog wel iets zijn te beginnen. Doch ook hier slaagde hij niet. Barras onderhield reeds in ’t geheim betrekkingen met den pretendent, had van dezen prachtige aanbiedingen ontvangen en stuurde Bonaparte met een kluitje in ’t riet. “Ik ben oud en versleten; u moet terug naar het leger, generaal Hédonville (een braaf en kundig maar weinig bekend officier, zijn beschermeling) moet president worden van de Republiek, anders gaat deze te gronde,” beweerde hij.

Toen wendde Bonaparte zich naar Siéyès, zijn bête noire, zooals [115]Joséphine het uitdrukte en gaf hem kort en bondig te verstaan, dat hij op hem kon rekenen. Reeds in de eerste dagen der omwenteling op den voorgrond getreden, zelfs door Mirabeau gevleid, in het Directoire gebracht, omdat hij als gezant te Berlijn tot de handhaving der neutraliteit van dit kabinet tegenover de Republiek zeer veel zou hebben toegebracht, gematigd republikein, door zijn kennis van menschen en zaken een hoofdlengte uitstekend boven zijn mededirecteurs, was hij nog altijd verstoord, omdat in de grondwet van het jaar III het door hem zelf ontworpen schema van zulk een wet niet was opgenomen.

Niet alleen Roger Ducos maar de meerderheid in den Raad der Ouden, ook veel leden van den Raad van Vijfhonderd, en verder al wat in Frankrijk reikhalzend uitzag naar het herstel van orde en rust telde hij onder zijn aanhang. Benjamin Constant, Talleyrand, die voorzichtigheidshalve reeds zijn ontslag had genomen, zelfs Daunou, de hoofdontwerper der grondwet, steunden hem. Ik heb noodig een man van de daad, een man van het zwaard, dien ik leiden kan, had hij reeds vroeger gezegd; hij had het oog laten vallen op den jeugdigen, talentvollen generaal Joubert, doch deze was bij Novi gesneuveld. Toen had hij Moreau trachten te winnen, maar was afgestuit op diens aangeboren rechtschapenheid en—besluiteloosheid.

Thans zag hij Bonaparte tot hem komen. Te voren hadden Jozef en Cabanis tot een onderhoud den weg gebaand en hoewel hij een voorgevoel had, dat de ander zijn medewerking slechts kwam vragen voor een zekeren tijd en hem dan zou loslaten, gaf hij toe. In den avond van 30 October had het onderhoud plaats. Acht of tien dagen later, werd afgesproken, zou de staatsgreep worden uitgevoerd.

In de nu volgende dagen scheen Bonaparte zeer beducht voor zijn leven en scheen de vrees voor een einde, als Hoche had gevonden, hem te kwellen. Vooral Barras, die, door Réal en Fouché gewaarschuwd voor ’t geen er broeide, nog een poging tot samengaan had gedaan doch was afgewezen, scheen door hem te worden verdacht. Op een banket, hem den 6en November door de Raden aangeboden, gebruikte hij b. v. niets dan een broodje en een halve flesch wijn, die hij door Duroc, zijn adjudant, voor zich had laten halen en verliet daarop met Berthier de feestzaal, om met Siéyès de laatste afspraak te maken. Het leger te Parijs had hij geheel op zijn hand; de generaals eveneens; alleen Jourdan en Augereau aarzelden nog. Bernadotte, de zwager van Jozef was door Désirée, zijn vrouw, tevergeefs aangezocht om met Bonaparte gemeene zaak te maken. Hij haatte Siéyès, was ten opzichte van Bonaparte met hartstochtelijke afgunst vervuld, kon en wilde niet gelooven dat het Directoire zich zonder slag of stoot zou overgeven, meende in geval van weerstand van deze zijde, zelf een groote rol te kunnen spelen en hield zich dus als sluwe Gascogner, die hij was, buiten het spel, [116]om zijn diensten al naar de zaken liepen, zoo duur mogelijk te verkoopen.

Terwijl Berthier, Leclerc, Murat, Duroc, Lavalette, Marmont en Eugène, ieder in zijn eigen kring en bij zijn eigen wapen druk in de weer waren om steeds nog meer aanhangers te werven, had Lucien, sinds 22 October president van den Raad van Vijfhonderd op zich genomen deze heeren tot medewerking over te halen, en was hierin zoo goed geslaagd, dat de groote meerderheid zich vóór den staatsgreep had verklaard.

Den 18en Brumaire (9 November) decreteerde de Raad der Ouden, dat de beide Raden naar St. Cloud zouden worden verplaatst, droeg de uitvoering van dit besluit op aan Bonaparte, en handelde in strijd met zijn bevoegdheid door hem tegelijkertijd het bevel te geven over al de troepen en deed hem, omringd door een schitterenden staf van generaals en hoofdofficieren, als zoodanig den eed afleggen. Tegelijkertijd namen Siéyès en Roger hun ontslag als directeurs en werden hierin op aandrang van Talleyrand door Barras gevolgd. Gohier en Moulins, hiertoe ongenegen bevonden, werden bewaakt door Moreau, opgesloten in hun vertrekken. Groote troepenmassa’s rukten Parijs binnen. Tot zoover ging alles goed; de eerste zet was zonder strijd gewonnen.

Aan het hoofd der garde van de beide Raden rukte Bonaparte den volgenden morgen naar St. Cloud, trad hier den Raad der Ouden binnen om van dezen een decreet te verkrijgen, tot wijziging in den regeeringsvorm nu de meerderheid van het Directoire zijn ontslag had ingediend, leverde een weinig samenhangend betoog, waarbij hij telkens werd in de rede gevallen, maakte, niet gewoon te spreken in dergelijke vergaderingen, hier een alles behalve schitterend figuur, bereikte dan ook zijn doel niet en ging daarop vergezeld van een paar grenadiers, die hij bij de deur achterliet naar de vergaderzaal der Vijfhonderd.

Hier had Lucien het laatste half uur tevergeefs alle krachten ingespannen om de gemoederen bedaard te doen blijven. Er heerschte gisting. Het niet op tijd gereed zijn der zittingzalen had ten gevolge gehad, dat er twee uur lang tusschen de leden der beide Raden druk was gepraat, dat achterdocht omtrent Bonaparte’s plannen de gemoederen had aangegrepen. Dat hij in een nieuw te vormen Directoire zou worden opgenomen, achtten de meesten reeds meer dan voldoende, maar ’t geen den dag te voren was geschied en nu weder dat groote troepenvertoon, scheen te wijzen op verdere plannen, mogelijk op een greep naar de dictatuur, de onbeperkte heerschappij, en van deze wilden de meesten niets weten.

Toen hij met zijn grenadiers aan den ingang verscheen, klonk hem al dadelijk een verwoed: “Weg met den dictator! Weg met de bajonetten!” tegen. Dreigend en tierend drong men op hem aan tot zijn grenadiers hem ten slotte tusschen de menigte uit haalden en naar buiten voerden. Een [117]oogenblik trachtte Lucien het gedrag van zijn broeder te rechtvaardigen, maar vond geen gehoor, want allen brulden en gilden: “Buiten de wet! Stemmen, president! Buiten de wet de generaal!”—Toen gaf hij generaal Frégeville een der invloedrijkste leden en een bondgenoot tevens, een wenk, fluisterde hem iets in, zag hem de zaal verlaten, en begaf zich naar de tribune, rukte zich toga en sjerp van ’t lijf en wierp ze naast zich neder.—“De vrijheid is van hier verdwenen. Verstaanbaar maken kan ik mij niet meer. Als bewijs van rouw legt de president de teekenen af der volksmagistratuur!” dreunde het boven het rumoer uit van zijn lippen.

Langzaam daalde hij de trap af, ging, door zijn vrienden omringd, naar de deur, ontwaarde het piket soldaten, dat Frégeville had ontboden, sprong op een paard en deed den ban slaan.—“Soldaten, de Raad van Vijfhonderd is ontbonden. Zijn president zegt u dit. Een bende moordenaars heeft de zaal overrompeld en tegenover de meerderheid geweld gepleegd. Jaagt die uiteen!

Overdreven, hartstochtelijk klonk die sommatie, maar dat gillende: Buiten de wet! had Robespierre den kop gekost. Lucien had gevoeld, dat het leven van zijn broeder en der Bonaparte’s op het spel stond.

Een kort bevel van Bonaparte volgde; met Murat en Leclerc aan de spits rukte een bataljon grenadiers naar de zaal der Oranjerie, een lange roffel overstemde het gebrul der afgevaardigden. In een ommezien was de zaal ontruimd.

Dienzelfden avond was de meerderheid der Vijfhonderd onder voorzitterschap van Lucien hier weder bijeen, zij verklaarde dat Bonaparte en zijn soldaten zich tegenover het vaderland verdienstelijk hadden gemaakt, dat het Directoire had opgehouden te bestaan, en een en zestig personen ophielden lid te wezen van de volksvertegenwoordiging, schiep een voorloopige consulaire commissie, samengesteld uit Siéyès, Roger-Ducos en Bonaparte, en droeg aan twee commissies ieder van vijf en twintig leden op, de in de grondwet van het jaar III noodig geworden veranderingen voor te bereiden.

De Raad der Ouden, die niet was ontbonden en bij den loop dien de zaken hadden genomen, thans danig in de verlegenheid zat, had Luciens verklaring van zijn gedrag nolens volens aangenomen, en keurde de genomen besluiten goed. De nieuwe Consuls werden beëedigd, de noodige tijdelijke commissies gekozen en de omwenteling van 18 Brumaire was een voldongen feit. De rol door Bonaparte dezen dag gespeeld was vreemd, een ander deed wat hij niet deed, niet kon en wist te doen; Lucien redde ten slotte alles en toonde revolutionnair te zijn gebleven, want toen hij den afgrond voor hem en de zijnen geopend zag, nam hij zijn toevlucht tot geweld.

Parijs, neen gansch Frankrijk juichte. Uit was het met dat “gouvernement van babbelaars en advocaten.” De zorg voor de eer, de grootheid, en de onschendbaarheid van het vaderland was toevertrouwd aan den eenigen [118]man, die getoond had, waartoe hij bij machte was; slechts één naam, die van generaal Bonaparte had van nu af in Frankrijk klank. Door hem zouden rust en orde terugkeeren. Dat hij een soldaat was vol eerzucht, dat hij onverbiddelijke gehoorzaamheid zou eischen, verminderde niets aan het bijna grenzenlooze vertrouwen in hem gesteld. Tien jaar lang had het land gezucht onder de anarchie; op den rand van den ondergang was het geweest, nog stond de buitenlandsche vijand nabij de grenzen. Hij, Bonaparte, zou het terugvoeren naar zijn oude plaats in de eerste rij der groote mogendheden.—

Over deze omwenteling liepen de meeningen tamelijk ver uiteen. Enkele tegenstanders er van noemden ze een brutalen aanslag, die de Republiek in haar vlucht naar de vrijheid vleugellam maakte; anderen achtten ze een even stoute als noodzakelijke daad, die een einde maakte aan onhoudbare toestanden. Wij zien er slechts een der phasen in, welke Frankrijk moest doorloopen, voordat het in de juiste beteekenis van het woord vrij worden kòn, d. w. z. voordat het tot het rechte begrip was gekomen van ’t geen een natie in de moderne samenleving aan zich zelf en aan de haar gestelde wetten is verplicht. Juist die wetten werden den 18en Brumaire door Bonaparte met voeten getreden. Dat er aan deze veel haperde, staat vast; dat de bestaande toestanden onhoudbaar waren geworden, eveneens; doch elke daad van geweld, tegen den hoeksteen van een goed geordenden staat is afkeuringswaardig; en ondanks al het goede, later door hem gewrocht, heeft Napoleon toen aan het nageslacht een verderfelijk voorbeeld gegeven.

Veel is er echter ook tot zijn verontschuldiging te zeggen. In naam der vrijheid had Frankrijk den strijd aangebonden tegen al wat onderdrukking was of dwingelandij, dus tegen toestanden, die in het overige Europa sinds eeuwen heerschten, die ten nauwste waren verbonden met de souvereine rechten der vorsten en door deze dus met de wapenen in de vuist tot het uiterste werden verdedigd. Een bestuur zoo onverbiddelijk gestreng als het Comité de Salut Public, had het tegen die vorsten en tegen de partijen in het binnenland een tijdlang kunnen volhouden, een vijfhoofdig uitvoerend bewind, zoo onsamenhangend, zoo slap en zoo onpractisch als het Directoire niet. In zulke bange dagen, als Frankrijk toen doorleefde, was dit bestuur een onding. Het móést vervangen door dat van één man, geen babbelaar of geleerde met abstracte begrippen, in de studeercel prachtig, in de practijk onbruikbaar, maar een man van de daad, toegerust met een ijzeren wil, een stalen werkkracht en een scherpen blik, een soldaat kortom, die aan grooten persoonlijken moed een organiseerend talent van den eersten rang paarde en van dit alles reeds de bewijzen had geleverd.

Zulk een man wàs Bonaparte. Niet alleen hij, ook Frankrijk wist dit; de volgende vijftien jaren, zou het zich gedwee en gehoorzaam buigen onder den ijzeren man, die slechts één wil kende, den zijnen, die alle gezag in zijn persoon [119]samenbracht, die Frankrijk weder één wilde maken met één bevolking, Franschen en die hiertoe zou vrede sluiten met den paus, de verbannen geestelijken en de émigrés de vrijheid verleenen terug te keeren, die aan den opstand in de Vendée een vreedzaam einde zou maken en dien in Bretagne met de wapenen bedwingen.

L’Homme noemde hem de plattelandsbevolking, wier rechten op hun door wettigen aankoop verkregen nationale goederen, hij handhaafde tot het einde toe; l’Homme zal hij blijven door de eeuwen heen, voor alle Franschen, wier blik niet door partijzucht of kleinzielige nevengedachten is beneveld en die in hem ondanks al zijn gebreken als mensch den genialen heerscher en wetgever willen erkennen. Veel geschiedschrijvers rekenen zijn opperheerschappij begonnen van af den dag zijner benoeming tot eersten Consul; bescheiden sluiten wij ons bij hen aan.

De eerste maal, dat de Consuls vergaderden, moest een president worden gekozen, doch Roger-Ducos voorkwam die keuze. Hij wees Bonaparte den fauteuil aan. “Die komt van rechtswege toe aan u” zei hij, Siéyès keek op zijn neus; hij had verwacht, dat hij dien zou bezetten, dat de regeling der civiele zaken aan hem, die der militaire aan den generaal zou worden overgelaten. Nog meer versteld stond hij, toen die generaal bij de verdere bespreking bleek toegerust “met een logica, even klemmend als scherp,” en dat hij over allerlei staatkundige vraagstukken, geldmiddelen en justitie, ja zelfs over de rechtspraak een gevestigde overtuiging bezat, dat hij een even vaardig administrateur als talentvol veldheer was.

Onder elkander hadden de voormalige directeurs een potje gemaakt om hieruit een douceur te kunnen geven aan de leden, die, niet met fortuin gezegend, hun post mochten neder leggen. Gevraagd wat er met dat geld, eenige honderdduizenden francs, nu gedaan moest worden, antwoordde Bonaparte: “Dat moeten de heeren weten. Heden draag ik van het bestaan van dit fonds officieel nog geen kennis, morgen wel. Dan gaat het in de schatkist.”

Siéyès, in zijn ziel een duitendief, liet zich dit gezegd zijn en hield ijlings met Ducos een verdeeling in verhouding van drie tot één. Dien avond teruggekeerd in zijn salon te midden van een gezelschap afgevaardigden en ministers kon hij den indruk door Bonaparte op hem gemaakt, niet langer verbergen.—“Heeren, gij hebt een meester gekregen. Bonaparte wil, kent en kan alles.”

Vooral dit laatste was waar. Tot dit kunnen werd hij in staat gesteld door het grenzenlooze vertrouwen, dat de natie hem schonk en waaraan het uiting gaf door de schier onbeperkte macht, waarmede ze hem weldra door de grondwet van het jaar VIII zou bekleeden.—Deze macht had hij dringend noodig, wilde hij Frankrijk waarlijk opbeuren uit zijn staat van diep verval, waarvan hieronder enkele staaltjes.

Den 19en Brumaire was er in de schatkist niet eens voldoende geld [120]aanwezig om een koerier te betalen (een paar duizend francs). Een nauwkeurig bijgehouden sterktestaat van de legers bestond niet. Zóóveel veranderingen kwamen er dagelijks voor, dat zoo ’n staat niet bij te houden was, heette het. Soldijstaten waren er evenmin; de soldij werd niet uitbetaald. Bij het leger van Italië hadden enkele korpsen in tien maanden tijd geen sou gezien. Ook de staten van levensmiddelen ontbraken. Gevoed werden de troepen niet; hoe ze aan den kost kwamen, moesten ze maar zelf zien. Waar de soldaat nog wèl vivres ontving, verdween vaak 40% van het verantwoorde bedrag in de zakken der generaals en der korpsstaven. In de andere afdeelingen van bestuur was de toestand niet beter. Gestolen en geroofd werd er overal. ’t Was schelm om schurk in alle rangen. In lompen gehuld, met stukken boomschors vaak tot schoeisel liepen de soldaten te bedelen langs de straat.


Hoewel het begrip, dat Bonaparte voor goed met de leiding der zaken zou belast blijven, bij de natie reeds ontstond, was het toch de bedoeling, dat de commissie van drie consuls slechts tijdelijk zou werkzaam zijn, tot zij een grondwet had samengesteld. Siéyès heette zulk een staatsstuk kant en klaar in portefeuille te hebben en hij had Lucien er allerlei moois van verteld, doch bij slot van rekening bleek nog geen regel er van op papier te staan. Ook was de samenstelling veel te omslachtig; slechts gedeelten er van werden dus gebezigd; met loven en bieden verliepen bijna zes weken en eerst den 15en December was de nieuwe wet gereed, en werd negen dagen later in werking gesteld.

De mode van romeinsche namen en vormen was behouden gebleven; er werd gesproken van consuls, senatoren, tribunen en prefecten. Drie consuls zouden er wezen, gekozen voor tien jaar en terstond herkiesbaar, doch alleen de eerste zou al het gezag in zich vereenigen, de beide anderen slechts een raadgevende stem hebben; die consuls waren Bonaparte, de rechtschapen, kundige minister van Justitie de Cambacérès en Lebrun.

Siéyès had voor een benoeming tot tweeden consul bedankt. Het luie, zwaar bezoldigde baantje1 van opperkeurvorst, uit zijn eigen ontwerp van wet was hem ontgaan; Bonaparte had de pen er door gehaald; nu stelde hij zich tevreden met een hoog jaargeld, het landgoed Crosne en een zetel als senator, een aardige retraite voor dezen vadsigen, doch diepzinnigen denker, die in de dagen van Brumaire nog wel had leeren paardrijden, zeker om naast Bonaparte wat meer figuur te maken.

Was het uitvoerend bewind in de vroegere constituties ondergeschikt geweest aan het wetgevende, in die van het jaar VIII, was het omgekeerde bepaald. Een raad van State, verdeeld in vijf secties, waarvan de leden door de consuls [121]werden benoemd en ontslagen2 stelde de wetsontwerpen samen, een Tribunaat van 100 leden, de schim van een volksvertegenwoordiging, beoordeelde ze; aan een Wetgevend Lichaam van 300 leden was het recht gegeven ze daarna aan te nemen of te verwerpen. Het gouvernement had de vrijheid op de bezwaren of opmerkingen van het Tribunaat al dan niet acht te slaan. Kwam een wetsontwerp na onderzoek der tribunen in het Wetgevend Lichaam, dan werd het hier namens het gouvernement door drie staatsraden verdedigd en kwamen evenveel redenaars uit het Tribunaat het ondersteunen of bestrijden. Geen enkel lid van het Wetgevend Lichaam mocht zich mengen in dit debat. Als één groote nationale jury bepaalde het zich uitsluitend tot stemmen.

Een Senaat van 80 leden, voor hun leven door de Consuls te benoemen, met recht een “College van behoud” genoemd, waakte over de instandhouding der grondwet, oordeelde over alle daden, die met deze in strijd waren, en koos uit de nationale lijsten de leden van het Tribunaat en van het Wetgevend Lichaam.

Kiezers waren alle Franschen, die den leeftijd van een en twintig jaar hadden bereikt en wier namen op de openbare registers stonden ingeschreven. Oogenschijnlijk fraai, was er in het geheele samenstel der volksvertegenwoordiging feitelijk weinig meer dan een schaduw van vrijheid overgebleven; toch werd de nieuwe grondwet met ruim drie millioen stemmen tegen 1567 aangenomen.

Reusachtig was de macht, door haar aan Bonaparte verleend. Hij alleen benoemde de leden der algemeene administratie, de leden der departementale en gemeenteraden, de staatsraden, de gezanten, de rechters voor civiele en voor strafzaken, benevens de officieren van land en zeemacht. Hij voerde het bewind over leger en vloot, teekende, het Wetgevend Lichaam gehoord, de tractaten en de wetten. Letterlijk deed hij dus alles alleen.

Trad hij af, dan was hij verplicht zitting te nemen in den Senaat. Voor de twee andere consuls bestond deze verplichting niet. Zijn traktement bedroeg 500.000, dat van de anderen 250.000 francs per jaar. Een som van 100.000 francs werd besteed om de Tuilerieën, het hun aangewezen verblijf, weder bewoonbaar te maken en te meubelen. Lebrun en Cambacérès zochten echter ieder een woning in de nabijheid.—“Die andere zou ginds toch weldra heer en meester zijn,” dachten ze.

Toen Bonaparte met de Bourrienne voor het eerst na zijn verheffing de ledige zalen van het paleis doorliep, zeide hij: “In de Tuilerieën zijn we. Nu opgepast, dat we er blijven.

“Geen Jacobijnen, geen gematigden, geen royalisten, slechts Franschen zullen er, hoop ik, van nu af zijn,” waren na den staatsgreep zijn woorden geweest en de allereerste daden van het voorloopig bewind reeds hadden [122]getuigd van dezen niet hoog genoeg te schatten geest van verzoening. Nog voordat het jaar 1800 was aangebroken waren de bannelingen van Fructidor zooals Carnot en Portalis, Barrère, Vadier en tal van anderen teruggeroepen, was de wet op de gijzelaars, welke de rampzalige bewoners der Vendée verantwoordelijk stelde voor hun bloedverwanten, die de wapenen hadden opgevat, evenals de gedwongen progressieve belasting en de requisities in natura, ingetrokken. Dan had Bonaparte zelf de deuren der gevangenis ontsloten voor de honderden geestelijken, die geweigerd hadden den eed af te leggen en voor de duizenden particuliere personen, die zich wegens quasi politieke redenen in hechtenis bevonden, de lijst der émigrés was gesloten, ook de adel van voorheen kon voor openbare betrekkingen worden aangewezen, maar hun vaste goederen, die staatseigendom waren geworden, bleven in het bezit van de personen, die ze hadden gekocht.

In naam van de vrijheid van godsdienst waren de kerken heropend en was last gegeven het lijk van paus Pius VI, sinds zes maanden te Valence, hulde te bewijzen.

Reeds heel wat was hieraan vooraf gegaan. Terstond met ongeëvenaarde werkkracht ingrijpende in al de takken van bestuur, deed hij het vertrouwen binnen enkele dagen dermate wederkeeren, dat de 5% nationale schuld, welke den 8en Brumaire nog 11¼ stond, den 30en reeds was gestegen tot 22 en dat de Parijsche bankiers geen bezwaar maakten het voorloopig bewind voor de eerste behoeften een som te leenen van twaalf millioen. De oprichting van de Fransche Bank zou het crediet en het vertrouwen weldra nog krachtiger komen steunen. Thans kon hij de legers in hun ellende eenigermate hulp bieden. Aan oproerige bewegingen in het zuiden maakte hij een einde. Het westen, waar de royalisten, meenende, dat hij in stilte werkzaam was voor den pretendent, de vaan van het oproer weder hadden ontplooid, bracht hij door krachtige maatregelen tot rust. Een paar hoofden boden hun onderwerping aan (17 Januari 1800), doch zonder genade trad hij op tegen graaf de Frotté, die in Normandië nog altijd de vaan der Bourbons hoog hield en getracht had hem in ’t publiek belachelijk te maken en hem aan te tasten in zijn eer; hij deed hem fusileeren. George Cadoudal week uit naar Engeland.—Ook de rooverbenden op de groote wegen leerden de zwaarte kennen van zijn vuist; ze werden letterlijk uitgeroeid met wortel en tak.

Aangezien er tal van organieke wetten noodig waren om het werk der constitutie te voleindigen, deed Bonaparte die aan het Tribunaat en aan het Wetgevend Lichaam voorleggen. Een der belangrijkste was die, waarbij in elk departement, dat geschoeid werd op de leest der Republiek, onder den naam van prefect, een bestuurder aan het hoofd kreeg, die zijn bevelen rechtstreeks ontving van den minister van Binnenlandsche Zaken en twee raadslichamen naast zich kreeg. Op dezelfde wijze had elk arrondissement een [123]onderprefect, iedere gemeente een maire; terwijl het uitvoerend gezag dus ook hier weder berustte bij één persoon, werden de beraadslagingen gevoerd door meer dan één. Dat al de draden van het bestuur samenkwamen in de hand van den Eersten Consul en deze hierdoor dus een bijna dictatoriaal gezag uitoefende, werd door de republikeinen van 1793 sterk afgekeurd doch mocht na zooveel jaren van anarchie een noodzakelijkheid worden genoemd. Toen het Tribunaat het hem later wat lastig begon te maken en tegen enkele wetten ernstige bedenkingen aanvoerde, vaak met reden, want de persoonlijke vrijheid leed onder deze regeling, zond hij de heeren kortweg naar huis. “Van dit oogenblik af bestaat er geen grondwet meer,” zei hij tegen Chaptal, zijn toenmaligen minister van Binnenlandsche Zaken.

Ieder arrondissement kreeg een rechtbank voor civiele zaken en voor de financiën een afzonderlijken ontvanger. Zeven en twintig rechtbanken voor zaken in appèl waren verdeeld over het geheele gebied, terwijl ieder departement een crimineele rechtbank telde en een ontvanger-generaal. Een hof van Cassatie zorgde voor de handhaving der gelijkvormigheid in de rechtspraak. Dat deze regeling, ondanks al de later gevolgde omwentelingen, met enkele wijzigingen tegenwoordig nog bestaat, is o. i. wel het beste bewijs voor de bekwaamheid der mannen, die ze samenstelden. Dat haar hoofdbeginselen veel oorspronkelijks bevatten, zal niemand beweren, en kan ook niet gezegd worden van het later gevolgde complex van wetten, meer algemeen bekend onder den naam van Code Napoleon, maar de eer van ze te hebben samengebracht, geordend en voor de nieuwe toestanden bruikbaar gemaakt, komt onverdeeld toe aan Bonaparte en de schrandere, geleerde mannen, die hij in zijn Raad van State had gekozen3 en met wie hij als Consul schier dagelijks uren achtereen werkte, wier meening hij vroeg, met wie hij in discussie trad en die hij vaak deed verbaasd staan door den genialen blik, dien hij, de ongeletterde soldaat, telkens verried op een gebied, dat hem zoo goed als volkomen vreemd was en waarop hij alle wetenschappelijke opleiding geheel miste.

Den 1en Januari 1800 zouden de Wetgevende Lichamen voor de eerste maal zitting nemen, de Senaat in het Luxembourg, het Wetgevend lichaam in het Palais Bourbon, het Tribunaat in het Palais Royal.

Een groot aantal hooge, goed bezoldigde betrekkingen, door de nieuwe grondwet geschapen, had de Eerste Consul te vergeven en zoo ergelijk en ontmoedigend waren het gebedel en het gevlei om voor een van deze in aanmerking te worden gebracht, dat de “Moniteur,” een van de dertien groote dagbladen, die Bonaparte om hun inhoud en strekking niet terstond had opgeheven en die weldra de officieele courant zou worden (28 December) deze laagheden brandmerkte: [124]

“Wat een menschen in de weer sinds de grondwet tal van rijk bezoldigde betrekkingen schiep! Wat een troep weinig bekende gezichten, die in allerijl naar voren dringen! Wat een reeks van lang vergeten namen, die zich onder het stof der omwenteling opnieuw beginnen te roeren. Wat een bende fiere republikeinen van het jaar VII, die zich ook zoo klein maken om te kunnen doordringen tot den man, die de macht in handen heeft.—Wat een bedelende Brutussen! Wat een armzalige talentjes omhoog gestoken! Wat een bloedvlekken bemanteld. En dat alles in een ommezien!—We hopen, dat de held der vrijheid, de man, die zijn weg door de omwenteling tot heden slechts teekende door weldaden, op al deze intriges zal nederblikken met de walging, welke ze iederen verheven geest moeten inboezemen; dat hij niet dulden zal, dat een reeks onbekende of geschandvlekte namen door den glans van zijn glorie wordt bestraald.”

Gelukkig voor Frankrijks grootheid was dit beeld niet toepasselijk op allen. Heel wat mannen van rijke ervaring en groot talent als Volney, Monge er Carnot wachtten waardig en kalm af, of het nieuwe gouvernement op hen een beroep zou doen. [125]


1 Zes millioen francs.

2 Men had ze wel ministerieele bureaux kunnen noemen.

3 Chaptal, Brune, Roederer, Boulay, Réal en anderen.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk IX.

Vredesvoorstellen, Marengo.

Terwijl deze groote veranderingen in Frankrijk plaats grepen en de natie opleefde en herademde, in het bewustzijn, dat de orde, de rust, de vrede mogelijk zelfs in ’t verschiet lagen, bevonden zich bijna alle leden van de familie Bonaparte te Parijs. Sinds 1793, het jaar waarin ze berooid en doodarm Corsica waren ontvlucht en naar Toulon geweken, was er in hun levensomstandigheden een groote verbetering ontstaan; ze bezaten thans hotels te Parijs, kasteelen in de omstreken; Jozef en Lucien stonden met het gouvernement op vertrouwelijken voet, gaven diners aan ministers en letterkundigen, heetten beschermers der schoone kunsten, deden aan belletrie en leidden een lui, lekker leventje.

De gedachte, dat zij dit alles enkel en alleen hadden te danken aan den door hen vrijwel geminachten soldaat, hun broeder, kwam niet bij hen op. Hun eigen verdienste, meenden zij, had hen zoo ver vooruitgebracht. Elisa zat met haar oliedommen Bacciochi nog te Ajaccio, Paulette was na haar huwelijk met Leclerc en de geboorte van een zoon, een tijdlang op kostschool geweest (1798) bij mevrouw Campan, want haar echtgenoot had ontdekt, dat zij niet eens lezen en schrijven kende. Louis was in Juli 1799 escadronscommandant geworden; Caroline genoot eveneens van de lessen van mevrouw Campan en moeder Laetitia, nog altoos even zuinig en spaarzaam als voorheen, op het gierige af, had haar koetjes reeds vrijwel op ’t droog en logeerde in ’t laatst van 1799 bij Jozef, die het jaar te voren voor het bagatel van ruim 250.000 francs het uitgestrekte, prachtige landgoed Mortefontaine tot zijn eigendom had weten te maken.

De rol, den 18en Brumaire door Jozef gespeeld, was natuurlijk zeer [126]onbeduidend geweest. Door den Senaat gekozen tot lid van het Wetgevend Lichaam werd hij door Napoleon, die nog altijd een man van talent in hem zag, in Maart 1800 met Roederer en Fleurieu aangewezen om met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika te onderhandelen over den vrede.

Lucien, die den staatsgreep door zijn koelbloedig, vermetel optreden had doen slagen, hierbij de hoofdrol vervuld en een bijna verloren zaak gered had, was door den Senaat gekozen in het Tribunaat maar op dienzelfden datum (24 December) benoemd tot minister van Binnenlandsche Zaken, wel een bewijs dat zijn broer hem ondanks zijn opposant karakter hartelijk dankbaar was voor ’t geen hij als president van den Raad van Vijfhonderd voor hem had verricht, al vond broerlief, dat hem minstens een plaats als consul toekwam. In ’t begin van Januari ontving Louis een brevet als brigadegeneraal. Geen jaar later werd Jérôme luitenant ter zee. Dat Napoleon, bekleed met het hoogste gezag, toen reeds maatregelen trof om aan het hoofd van de vier groote dienstvakken, buitenlandsche zaken, binnenlandsche zaken, leger en vloot, een zijner naaste bloedverwanten te stellen om onder zijn onmiddellijke leiding en bevelen werkzaam te wezen, blijkt o.i. hieruit duidelijk.

Zijn zwagers deelden niet in die gunsten. Bacciochi bleef wat hij was; zelfs Leclerc, die zijn zwager door zijn vele relaties in het leger bij den staatsgreep onschatbare diensten had bewezen, werd als divisiegeneraal ingedeeld bij het Rijnleger, waarschijnlijk om een wakend oog te houden op Moreau, die tot belooning voor zijn houding op 18 Brumaire eerlang met het commando over deze voortreffelijke legermacht van circa 100.000 man zou worden belast en aan wien de Eerste Consul gaarne de hand zijner zuster Caroline had geschonken.

Deze jonge dame met haar glinsterende oogen, prachtig teint, buigzame gestalte en schitterende tanden had echter reeds zelve een keuze gedaan. Terwijl zij met Hortense de Beauharnais nog bij mevrouw Campan op kostschool was, had zij de op Mombello begonnen kennismaking vernieuwd met den generaal Joachim Murat. Zoon van een welgestelden herbergier uit de omstreken van Cahors, in 1767 geboren en aanvankelijk bestemd voor den geestelijken stand, had deze knappe jonkman met zijn koolzwarte oogen en ijzeren gestel op zijn twintigste jaar dienst genomen bij de jagers te paard, daarop een zeer avontuurlijk en lang niet vlekkeloos leven geleid en zich zelfs een korte poos Marat laten noemen (1793) om vooral een bovenste, beste republikein te schijnen; tevens had hij met de gevangenis kennis gemaakt. Weder op vrije voeten en tot ritmeester opgeklommen, had hij in den nacht van 12 op 13 Vendémiaire Barras in ’t bezit gesteld van de noodige vuurmonden, ter verdediging der Tuilerieën en was in Mei 1796 bevorderd tot brigadegeneraal.

Bonaparte was hem niet genegen; hij vond hem een eigenwijze, koppige [127]ophakker, die vroeger met Barras op veel te intiemen voet had gestaan, die tegenover zijn kameraden oneerlijk was en hen verried en die bij een zending uit Italië naar Parijs, Joséphine erg het hof gemaakt en, volgens zijn beweren succes had gehad. Tevergeefs had hij later in Italië, daarop in Egypte bij Salahieh, eindelijk bij Aboukir getracht, de gunst en het vertrouwen van Bonaparte te winnen. Deze erkende zijn verdiensten als uitstekend cavalerie-generaal, maar die onopgehelderde historie met Joséphine was de kwade factor gebleven. Eerst toen deze zelve voor hem de hand vroeg van Caroline om zoodoende met één slag aan alle verdere praatjes den kop in te drukken, liet Bonaparte zich na eenige aarzeling bewegen, tot dit huwelijk zijn toestemming te geven. Den 18en Januari 1800 werd het contract geteekend; den 1en April werd Murat, sinds Brumaire divisie-generaal, benoemd tot luitenant van den opperbevelhebber van het Reserveleger en commandant van deze macht. Joséphine was met dit nieuwe huwelijk oogenschijnlijk zoo ingenomen, dat zij “haar lief broertje” Murat schriftelijk een compliment maakte over zijn keuze van “een zoo uitermate aardig vrouwtje, dat zich zoo uitstekend wist voor te doen.”—

Slimme, sluwe Joséphine! Hoe juist en handig bestuurde zij haar levensbootje bij den aanvang van de nieuwe eeuw. Haar invloed op Bonaparte had zij voor een groot deel althans weten te herwinnen; in den strijd tegen zijn familie had zij gezegevierd; door Caroline en Murat had zij zelfs bondgenooten gekregen in ’t vijandelijk kamp en den toorn der familie Gohier, die zij den 18en Brumaire leelijk had misleid, had zij reeds ten deele doen bedaren. Reeds begon zij zelfs haar salons geleidelijk te zuiveren van eenige verdachte en gecompromitteerde dames, die er te voren dagelijks verschenen; den toegang tot den intiemen kring van Malmaison had zij voor deze gesloten; voor de officieele partijen zond zij haar geen invitatiekaarten meer, nadat Bonaparte eenmaal op een receptie zijn afkeer van die “halfnaakte dames” luid en duidelijk had te kennen gegeven. Met grooten tact hield zij zich bij alle officieele plechtigheden op den achtergrond. Gezeten voor een raam of op een balkon woonden zij en haar dochter die slechts bij uit de verte. Door niets verried zij, dat zij invloed wenschte uit te oefenen op de daden en de politiek van haar man; dien invloed zou deze trouwens niet hebben geduld, dan zou de goede onderlinge verstandhouding met één slag zijn verbroken. “Mij alleen het gezag” was zijn devies. Met zichtbare voldoening liet hij haar echter begaan, toen zij, die eenmaal op intiemen voet had verkeerd met Robespierre’s zuster, die zich een onvervalschte sans-culotte had genoemd, en onder de bloeddorstigste leden der Conventie had verkeerd, niet alleen royalistische neigingen begon te toonen, doch aan haar omgeving zelfs influisterde, dat de herinnering aan den koning en zijn hof haar telkens deed ontroeren en dat zij vurig hoopte, dat haar man de Bourbons weder op den [128]troon brengen zou.—Bonaparte zou dan minstens hertog en pair, en maarschalk of connétable van Frankrijk worden met een hooge positie aan het hof en zij hertogin en schatrijk. Dan kon er van een echtscheiding voor haar nooit meer sprake zijn, meende zij.

Bonaparte liet haar voorloopig in den waan, dat hij de Bourbons nog wel eens een kans zou geven. Zijn belang en zijn staatkunde brachten dit mede; hij moest de onvervalschte royalisten in de Vendée en Bretagne ontzien; hij wist, dat de émigrés, verarmd en vaak broodeloos, vol heimwee uitzagen naar den dag, waarop Frankrijks grenzen voor hen zouden worden opengesteld; thans trof hij in Joséphine een uitnemende bemiddelaarster tusschen die edelen en de leden der Commissie voor de Uitgewekenen; zij pleitte voor de eersten als een advocaat voor zijn cliënt, zij schreef dagelijks smeekbrieven bij tientallen en gevoelde zich overgelukkig als zij tot loon voor ai haar bemoeiingen eindelijk weder een kattebelletje kon verzenden o.a. van den volgenden inhoud: “Mevrouw Bonaparte heeft de eer de heeren Villeneuve met vele groeten te doen weten, dat zij zijn geschrapt.”1

Van heinde en ver, uit alle hoeken van Europa kwamen ze opdagen de Matignons, de Clermont-Tonnerres, de Montmorencys. De hotels der leden van het oude hof werden weder geopend; het quartier Saint-Germain herleefde en Joséphine, de weldoenster, “die haar gunsten met zooveel tact en gratie verleende,” zag haar salons langzamerhand gevuld met de dragers van namen, die Trianon voorheen niet zouden hebben ontsierd; zij vond het een genot met haar dochter te verschijnen op tal van bals, die in de kringen der royalisten werden gegeven.—’t Was het begin der fusie, waarop Bonaparte aanstuurde en die weldra vruchten zou dragen.

Luciens houding en gedragingen als minister van Binnenlandsche zaken maakten Joséphine’s positie in die dagen nog krachtiger. Dat hij ontevreden over den gang van zaken, waardoor niet hij zelf, doch Napoleon op het kussen was gekomen, een samenzwering op touw zette tegen zijn broeder, is niet bewezen; dat hij in ’t begin van 1800 heulde met Bernadotte, diens vijand, echter wel; en Fouché’s dreigend: “Als ik vernam, dat de Minister van Binnenlandsche zaken samenzweerde, liet ik hem in hechtenis nemen,” uitgesproken in tegenwoordigheid van Napoleon en Lucien (April 1800) geeft te denken. Ook Jozef, door wiens invloed zijn zwager Bernadotte kort te voren tot staatsraad was benoemd, onderhield relaties met zijn broeder vijandig gezinde personen, als Benjamin Constant en mevrouw de Stael. Was dit kwade trouw of onnoozelheid? Wie zal ’t zeggen? Aanvankelijk deed hij het voorkomen, alsof hij zich om een openbare betrekking weinig bekreunde en liefst niet in intriges werd betrokken; hij sprak dus weinig, schreef nog minder en scheen [129]de bescheidenheid zelve. Al spoedig kwam de aap uit de mouw. Hij verlangde van zijn broer, dat deze hem aanwees tot zijn opvolger. De macht hiertoe bezat de Eerste Consul echter niet, want deze was slechts voor tien jaar benoemd, doch herkiesbaar. In een brief van 24 Mei begon Jozef dit verlangen reeds om te zetten in een eisch. Zijn eer was er mede gemoeid, schreef hij. Geen andere keuze mocht worden gedaan. Hoe kon het volgens Corsicaansche begrippen anders? Hij was immers het hoofd van de clan!

Bonaparte als Consul.

Bonaparte als Consul.

Jozef bracht het vraagstuk der erfopvolging dus het eerst ter sprake, deed door zijn vriend, den staatsraad Miot de Melito hieromtrent eenige tribunen en senatoren polsen en was zoodoende oorzaak, dat ook anderen zich hiermede begonnen bezig te houden. Door deze werd nu ernstig overwogen, wat er gebeuren moest als Bonaparte, kort te voren naar het leger vertrokken (Mei 1800), op het slagveld of door de hand van een sluipmoordenaar viel; het slot was, dat door hen voor zulk een geval niet Jozef doch de kort te voren uit de ballingschap teruggekeerde Carnot in stilte werd aangewezen. Zoo hadden Fouché en Talleyrand, overigens geslagen vijanden van elkander, in stilte reeds uitgemaakt, dat Bonaparte gevallen, zij met den senator Clément de Ris een driemanschap zouden vormen en de teugels van ’t bewind in handen nemen (Mei 1800).

Terwijl de Eerste Consul dus al dadelijk na den staatsgreep was omringd door een netwerk van intriges, waaraan zelfs zijn broers niet vreemd waren, was hij zelf letterlijk dag en nacht in de weer om Frankrijk een soort van voorloopige organisatie te schenken, het binnenlandsch bestuur een weinig te ordenen, het vertrouwen en de veiligheid bij de natie te doen herleven en eenig geld in de schatkist te brengen.

Voorloopig waren de omstandigheden hem alles behalve gunstig, want wilde hij bij de reusachtige taak, die hij zich zelf op de schouders had gelegd, slagen en de pacificatie en organisatie van het binnenland tot een goed einde brengen, dan was vrede met het buitenland hiertoe de eerste voorwaarde. Reeds in de laatste dagen van December 1799, had hij, brekende met de gebruiken der diplomaten, daarom eigenhandig geschreven aan den koning van Engeland en aan den keizer van het Duitsche Rijk met het dringende verzoek om aan den oorlog een einde te maken; te voren reeds had hij zijn adjudant Duroc, een beschaafd, innemend, schrander officier en een zijner tochtgenooten in Egypte, afgevaardigd naar het hof van Berlijn om koning Frederik Wilhelm te doen begrijpen, dat hij bij een mogelijken vrede als tusschenpersoon zeer welkom zou wezen.

Duroc was zeer hoffelijk ontvangen; de koning een wankelmoedig, doch vredelievend man, die zoo goed als geheel onder den invloed stond van zijn jeugdige, bekoorlijke gemalin, was niet ongenegen bevonden de rol van bemiddelaar te vervullen. Te Berlijn was dus oogenschijnlijk succes [130]verkregen. Bij het Engelsche en het Oostenrijksche kabinet was dit niet het geval geweest. Dit laatste had Italië weder in zijn macht, wenschte het te behouden en wilde dus geen vrede; Engeland verkoos Malta en Egypte onder geen enkel beding aan Frankrijk te laten.

De nieuwe Incometax (een belasting op het inkomen) had de schatkist gevuld met bijna vijfhonderd millioen gulden; de vloot verkeerde in goeden staat. Van een vrede wilde de eerste minister William Pitt, Frankrijks doodsvijand, dus niet alleen niets hooren, doch Engelsch onbeschaamd was zelfs zijn antwoord op Bonaparte’s voorstellen. “De eenige wijziging in Frankrijk, welke Europa zou kunnen geruststellen, was de terugroeping der Bourbons,” schreef hij.

Opnieuw zou de oorlog dus ontbranden. Een nieuwe coalitie ontstond. Door Pruisens invloed bleven Zweden en Denemarken onzijdig. Rusland ging nog verder. Nadat Bonaparte hem negen duizend krijgsgevangenen, voor rekening der Republiek geheel in nieuwe uniformen gestoken, zonder losgeld had teruggezonden, riep keizer Paul I zijn troepen terug uit Duitschland en werd een warm vereerder van zijn voormaligen vijand. Toch was de macht der coalitie nog ontzagwekkend.

Engeland, Oostenrijk, Beieren, de meeste Duitsche vorsten en Turkije bleven over. Aan den Boven-Rijn, met den linkervleugel bij Schaffhausen stonden onder van Kray 120.000 Oostenrijkers. Met 80.000 man was de veldmaarschalk von Melas dwars door Boven-Italië en Piëmont op weg naar de Var, Engeland blokkeerde Malta, trok op Minorca een krijgsmacht samen om Toulon te hernemen, maakte de Middellandsche Zee met zijn schepen onveilig en hield de golf van Genua bezet.

Tegenover Duitschland had Moreau in den Elzas en in Zwitserland circa 120.000 man. In Italië stond de van zijn commando in Zwitserland ontheven generaal Massena met 30.000 krijgers in de lijn Genua—Savona—Col di Tenda, een slecht gevoede en gekleede troep, het jammerlijke overschot van het eenmaal zoo trotsche leger van Italië. De garnizoenstroepen in Toscane, de Romagna en elders niet medegerekend, was dit alles wat Frankrijk in ’t begin van 1800 in eerste linie kon brengen. Wel stonden er in Holland, de Vendée en de vestingen nog enkele afdeelingen doch alleen een geniaal man op ’t gebied van organisatie en legerbeheer zou bij machte zijn uit die ver uiteenliggende elementen een derde bruikbare krijgsmacht te vormen.

Die man was Bonaparte. Toornig over Engelands antwoord op zijn vredesvoorstel, vol vertrouwen op zijn nieuwe staatshoofd, leverde Frankrijk hem binnen enkele weken 100.000 jonge soldaten (conscrits) 40.000 paarden en een talrijke artillerie. Bij honderden keerden de oudgedienden, officieren en manschappen, in de gelederen terug. Weldra zou de Republiek ruim 200.000 goed geoefende krijgers aan haar oostelijke grenzen bijeen hebben. [131]

Reeds den 25en Januari had Berthier, de minister van Oorlog, bevel ontvangen, in de lijn Lyon-Dijon-Châlons s. Marne in alle stilte een derde, een reserve-leger van 60.000 man samen te brengen en het te vereenigen met het leger van Moreau. Gedekt door den Rijn wilde Bonaparte zijn krijgsmacht snel in den omtrek van Schaffhausen bijeentrekken, de rivier hier onverhoeds overgaan, zoodoende reeds dadelijk bij het openen van den veldtocht in von Kray’s rug en linkerflank verschijnen, dien generaal afsnijden van zijn operatielijnen en depôts, hem tegen den Rijn dringen en vernietigen.

Om Europa zand in de oogen te strooien en het doel te verbergen deed Bonaparte in ’t begin van Maart officieel bevel geven tot de samenstelling eener reserve-armee bij Dijon. Werkelijk togen eenige oude officieren, veteranen en recruten derwaarts; ook begon men hier oefeningen te houden, maar alles op zoo onbeduidende schaal en met zoo weinig personeel, dat de Engelsche pers en haar caricatuurteekenaars, die eens waren gaan kijken, zich over Boney (Bonaparte’s scheldnaam) en zijn reserve-armee begonnen vroolijk te maken. “Wou hij met zoo’n zoodje trekbeenen en melkmuilen te velde gaan. ’t Was te belachelijk.” Over de nieuwe Fransche macht maakte Europa zich weldra dan ook volstrekt niet meer bezorgd.

Hiermede had Bonaparte zijn doel bereikt; de tegenpartij was misleid. Intusschen togen uit alle garnizoenen van Frankrijk onafgebroken groote en kleine afdeelingen oude beproefde soldaten onopgemerkt met kleine dagmarschen steeds verder naar ’t zuidoosten, naar Zwitserland, want daar in de bergen, niet bij Dijon doch bij Zürich zou zich de macht verzamelen, bestemd om von Melas te verpletteren. Reeds den 18en Maart zette Bonaparte voor haar een marschweg uit over den Splügen naar Bergamo dus naar Melas’ rug, in ’t begin van April gaf hij Massena den raad uitsluitend defensief op te treden, tot de uit Zwitserland over den St. Gotthard of den Simplon naderende armee in Italië was verschenen; dan moest hij zich over Turijn met deze in verbinding stellen. Melas’ offensief optreden stuurde dit plan echter in de war; hij dreef Massena terug en in weerwil van diens even talentvol als stoutmoedig gedrag was deze half April verplicht zich in Genua op te sluiten. Von Melas begon het beleg. Suchet, Massena’s onderbevelhebber, was op Nizza en de Var teruggeworpen.

Den 24en April wist Bonaparte van dezen toestand weinig meer dan “dat het leger met de Oostenrijkers handgemeen was,” zooals hij schreef aan Carnot en “dat het reserveleger dus geen uur meer te verliezen had, wilde het Massena hulp bieden. Berthier ontving dus bevel zijn macht van Zürich te verplaatsen naar Genève en van hier over den Simplon of over den grooten St. Bernard Italië binnen te vallen, dan zou von Melas tegen hem moeten front maken. Zoolang Moreau von Kray niet krachtig had aangegrepen en teruggeworpen, viel aan een tocht over de Alpen echter niet te denken; hij [132]ontving dus nogmaals en nu uitdrukkelijk bevel op te rukken. “Door zijn aarzelen bracht hij de veiligheid der Republiek in gevaar. Massena moest geholpen.”

Moreau zag dit eveneens in. Ondanks zijn belangrijk tekort aan paarden en materieel opende hij den 25en April den veldtocht, trok, zijn eigen plan volgende, bij Straatsburg, Oud-Breisach en Bazel den Rijn over, misleidde zoodoende von Kray omtrent zijn werkelijk aanvalspunt, deed generaal Lecourbe, die met zijn macht reeds bij Schaffhausen stond, hier nu eveneens de rivier passeeren, wierp hem op Stokach met zijn rijke magazijnen, greep von Kray zelf aan bij Engen, dwong hem ten slotte na een reeks van groote en kleine gevechten den 10en Mei tot den aftocht naar Ulm, doch kon dit groote succes niet vervolgen, omdat Bonaparte hem uitdrukkelijk bevolen had deze vesting niet te passeeren. Een decreet der Consuls van 5 Mei, hem door Carnot zelf gebracht, beval hem tevens nogmaals circa een vierde zijner sterkte af te geven aan Bonaparte. Onder de bevelen van Moncey ging die afdeeling over den St. Gotthard op weg naar Italië.


“Slaat duchtig los op den eersten den besten, die uit het gareel springt,” schreef Bonaparte, die begin Mei Parijs had verlaten, drie dagen later uit Genève aan de consuls en verried door die woorden alleen reeds hoe goed hij van den toestand te Parijs op de hoogte was en hoe weinig betrouwbaar hij dien toen nog achtte. De voorafgaande weken had hij aan de samenstelling en uitrusting van het reserve-leger schier dag en nacht gewerkt. Thans vond hij de toebereidselen tot den overtocht over de Alpen bijna voltooid; een reusachtige voorraad levensmiddelen en krijgsbehoeften was van uit Genève langs den marschweg bij Villeneuve, St. Moritz, Martigny en St. Peter bijeengebracht; de artilleriemunitie zou door muilezels worden vervoerd. De affuiten waren uit elkander genomen; de vuurmonden geladen op sleden, die later in de passen op last van Marmont, den commandant der artillerie, vervangen werden door in de lengte doorgezaagde en uitgeholde boomstammen. Door generaal Marescot was de bergweg verkend en eenigermate begaanbaar bevonden en in den nacht van den 14en op den 15en Mei begon de tocht; de infanterie zwaar bepakt met mond- en krijgsvoorraad, de cavalerie en de artillerie met de paarden aan de hand, Lannes met de voorhoede aan de spits. Om het gevaar van lawines onderweg te verminderen, werd hoofdzakelijk ’s nachts gemarcheerd. Toen het klooster nabij den top van den pas bereikt was, vonden de soldaten hier brood en wijn, door Bonaparte’s zorg daarheen gebracht en een ware lafenis na een marsch van ruim acht uur bergopwaarts. In twee uur tijds werd daarna het dorp St. Remy bereikt en de gebaande weg weder betreden. [133]

In de vijf volgende dagen en nachten waren de bergpassen van den St. Bernhard onafgebroken vol soldaten en materieel. Den 20en volgde Bonaparte de beweging aan den staart der achterhoede. Tot zoolang was hij te Martigny blijven toezien, dat geen stuk van ’t materieel werd achtergelaten. Van Suchet aan de Var had hij bericht, dat von Melas zijn stellingen bij Nizza nog niet had ontruimd. In zes dagen kon de maarschalk Ivrea, dat Lannes reeds naderde, onmogelijk hebben bereikt. Gevaar voor een aanval van die zijde dreigde voorloopig dus nog niet.—In een grijzen overjas gehuld, gezeten op een muildier en alleen vergezeld door de Bourrienne en Duroc, begon hij den overtocht. Aan het klooster hield hij even halt, schonk den prior een vorstelijke gift voor zijn hulp, beloonde zijn gids Dorsaz, een jongen man uit Wallis, die zijn muildier geleid en hem tegen een leelijken val behoed had, eveneens zoo rijkelijk, dat de man voor zijn verder leven was geborgen. Dienzelfden avond nog bereikte hij Etroubles, daarna Aosta in het dal van dien naam en stond aan den zuidelijken voet der Alpen. Ongevallen waren bijna niet voorgekomen; het was mooi weder gebleven; geen enkele maal had een sneeuwval den marsch der troepen bemoeilijkt. In vijf dagen tijds was de tocht volbracht.

“Een wonderdaad, grooter dan die van Hannibal,” heeft Thiers deze genoemd. Met dien lof stemmen wij niet geheel in. Geniaal was het plan, dat den grondslag er van vormde, doch de te overwinnen materieele bezwaren waren niet zóó groot, als men het heeft doen voorkomen. In de Middeleeuwen en in de XVIe en XVIIe eeuw tijdens de oorlogen in Italië zijn Fransche legermassa’s de Alpen bij herhaling onder veel ongunstiger omstandigheden overgetrokken. Iets nieuws was het dus niet; ieder ander energiek generaal, die over voldoende middelen beschikte, had hetzelfde kunnen doen. En nu de tocht van Hannibal, den held van Carthago? Vijfhonderd uren gaans van zijn land, zonder operatiebasis, zonder de minste kans op hulp, zonder veel meer dan enkele vage gegevens omtrent den geografischen toestand van het bergterrein, dwars door een woeste onbekende streek, ondernam hij het vermetele waagstuk aan de spits eener cavalerie, die wel aan het heete woestijnzand, niet aan de sneeuw in een hooggebergte gewoon was, met een reeks olifanten, die met hun logge lichaam in de breedte heel wat meer ruimte eischten dan een paard of een muilezel en langs een pad, dat voet voor voet met de hand moest worden verbreed om het te kunnen passeeren. Met dezen tocht kan die van Mei 1800 dus niet worden vergeleken, doch al ’t geen Bonaparte in die dagen verrichtte moest tegenover de tijdgenooten ongemeen wonderbaarlijk heeten. De tijden en de toestanden leidden er toe.

Om deze reden zeker achtte het Tribunaat het dus ook geen bezwaar, dat Bonaparte zich aan het hoofd stelde van het reserveleger hoewel de [134]“grondbeginselen der Constitutie van het jaar VIII den Eersten Consul niet veroorloofden het bevel hierover op zich te nemen.” In naam bleef Berthier commandant. Wanneer de Eerste Consul slechts als overwinnaar en vredebode terugkeerde waren de tribunen tevreden.

Reeds te Martigny had hij bericht ontvangen, dat de voorhoede bij het dorpje Bard was gestooten op een sterkte, die door de Oostenrijkers was bezet, de hoofdstraat van genoemd dorpje met haar vuur in de lengte bestreek en zich niet verkoos over te geven. Langs een smal geitenpad waren de infanterie en de cavalerie der voorhoede om de sterkte heen getrokken, maar de artillerie had niet kunnen volgen.

Te Etroubles gekomen, was Bonaparte wel zeer ontstemd, dat deze hem aanvankelijk als zoo onbeduidend geschetste sterkte nog niet was genomen, doch in zijn voornemens bracht die verhindering geen verandering. Marmont deed de dorpstraat met mest bedekken, de raderen der voertuigen en hun rammelende deelen met stroo omwinden en in enkele nachten sleepten de soldaten zelve al de vuurmonden met toebehooren zonder verliezen van beteekenis voorbij het kasteel, terwijl de troepen het geitenpad volgden.

Den 24en nam Lannes Ivrea met storm. Zijn artillerie deed hierbij flink haar plicht. Ook het kasteel van Bard viel weldra (1 Juni.) “Wie had kunnen vermoeden, dat de Franschen den St. Bernhard met vuurmonden passeeren en deze tegen een kasteel richten zouden, dat eigenlijk alleen tegen geweervuur bestand was,” schreven de Oostenrijkers.

Door het kabinet van Weenen en zijn eigen agenten en spionnen omtrent dat schijnleger bij Dijon gerustgesteld, had Melas zijn troepen nog altijd voor Genua, aan de Var in verschillende garnizoenen verspreid staan met Turijn als centraalpunt. Dat Bonaparte de Alpen was gepasseerd en snel op hem aanrukte, wilde hij in ’t eerst niet gelooven. Toen meende hij uit diens bewegingen te moeten afleiden, dat hij naar Turijn wilde, generaal Turreau bij den Mont Cenis te hulp. Eerst toen hij bericht ontving, dat Bonaparte hem had misleid en den 2en Juni, onder luide geestdriftsbetuigingen der bevolking, Milaan was binnengerukt, dat zijn eigen afdeelingen overal waren teruggeslagen, dat Pavia met zijn schat van levensmiddelen, wapens en pontonmaterieel den 3en door Lannes was bezet, begon hij het gevaarvolle van zijn positie in te zien en besloot hij de linie van de Adda los te laten, zijn troepen in allerijl bij Alessandria te verzamelen en door de vlakte van Marengo en over Piacenza naar de Mincio en Mantua af te marcheeren, voordat Bonaparte hem dit beletten kon. Voor dit alles was tijd noodig; hoewel het uitgehongerde Genua zich den 4en Juni aan hem had moeten overgeven na een verdediging, die in de krijgsgeschiedenis altijd een schitterende bladzijde zal blijven vullen; hoewel de insluitingsarmee onder generaal Ott hierdoor terstond in beweging kon worden gezet, kwam deze toch reeds te laat. Den 9en vond [135]Ott bij Montebello den even onverschrokken als talentvollen Lannes tegenover zich en ontving van hem een zoo geducht pak, dat hij met verlies van bijna de helft zijner sterkte ijlings op Alessandria moest teruggaan. Toen von Melas, na een stormachtige zitting van den krijgsraad, in den vroegen morgen van den 14en Juni zelf ten aanval oprukte, het riviertje de Bormida passeerde en zich met volle kracht wierp op de divisiën van Victor en Lannes, die zich met de cavalerie van Murat, front naar het westen, in de uitgestrekte vlakte van Marengo hadden ontwikkeld, waren de wapenen hem aanvankelijk gunstig; reeds meende hij zich van de overwinning verzekerd, toen om vier uur in den namiddag de kans eensklaps keerde.

De generaal Desaix, enkele dagen te voren uit Egypte teruggekeerd, door Bonaparte terstond met een divisie-commando belast, doch tengevolge eener bijzondere opdracht in den voormiddag nog niet aanwezig, was kort te voren, ver voor zijn troepen uit, op het slagveld gekomen. De Franschen, overal teruggeworpen, waren in vollen aftocht; in de verte vormde generaal von Zach, von Melas’ chef van den staf, zijn zegevierende krijgers reeds voor den afmarsch tot een dichte massa. De ruim zeventigjarige opperbevelhebber was naar Alessandria teruggereden om uit te rusten en aan de kabinetten van Europa bulletins te zenden van zijn overwinning.

Op Bonaparte’s vraag hoe Desaix den toestand beoordeelde, haalde deze zijn horloge uit. “Deze slag is verloren, maar ’t is eerst drie uur; dus is er nog tijd genoeg om een tweeden te winnen.

Dit woord is Bonaparte als uit het hart gegrepen. Terstond geeft hij bevelen. Adjudanten rennen over het slagveld. De teruggaande afdeelingen staken haar beweging, beginnen weder front te maken, in haar verband terug te komen en vormen weldra een dunne lijn tusschen Castel-Ceriolo, den rechtervleugel en San Giuliano, het midden. Hier, door een terreinplooi aan het oog onttrokken, ontwikkelt Desaix intusschen zijn 6000 man, die reeds tien uur hebben gemarcheerd, tot het gevecht; Kellermans cavaleristen komen schuin achter hen; twaalf vuurmonden onder Marmont, al wat er aan artillerie is overgebleven, rijden op vóór het front.

Bonaparte rijdt vlug door de gelederen en electriseert zijn soldaten door zijn taal.—Als het hoofd van von Zachs breede, logge colonne Desaix dicht genoeg is genaderd, dreunt en dondert het eensklaps uit al die kanonnen tegelijk; een dichte hagelbui van schroot giert en huilt over het veld en slaat in de dichte drommen.

Nog zijn de schrik en de verwarring, door dit zware onverwachte vuur teweeggebracht, niet half geweken, als Desaix aan de spits van de 9e halve-brigade verschijnt op den rug van de terreinplooi, die hem en zijn mannen tot nu toe voor den vijand verborgen hield. Een salvo op den kortsten afstand kraakt uit honderden geweren; dan gaat het er op in met ’t blanke [136]staal in de vuist, en wat niet valt of vlucht voor dezen aanval der “Incomparable,” zooals de 9e van dien dag af heeten zal, bezwijkt onder de geduchte sabelhouwen der dragonders van Kellerman, die chargeeren als razenden. In een oogwenk zijn 2000 gevangenen gemaakt. Zelfs von Zach moet zijn degen overgeven.

Thans roffelen de trommen langs het Fransche front. Voorwaarts gaat het, op die dichte massa’s Oostenrijkers in, die, op elkander gedrongen, door eigen dragonders half onder den voet gereden, het hoofd verliezen en niet meer luisteren naar hun officieren. Kaim en Haddick trachten nog, hen in Marengo te doen stand houden. Hun cavalerie tracht te chargeeren, maar moet wijken voor de garde grenadiers te paard onder Bessières en Eugène de Beauharnais. Bij de ruiterij van Ott ontstaat een paniek.—“Naar de bruggen! Naar de bruggen!” gilt alles. De storm naar deze zwakke overgangen begint. Infanteristen, cavaleristen, artilleristen, één kluwen vlucht en stormt er heen, de Franschen hen na, dronken van vreugde en geestdrift, de wapperende vanen hoog in den wind!

Bij de bruggen neemt de verwarring schrikbarend toe. Velen trachten de Bormida te doorwaden; vuurmonden geraken vast in het slijk van den bodem. De paniek wordt algemeen. Menschen, paarden, kanonnen, bagage, alles valt in handen der Franschen. Half wanhopig moet von Melas, die naar het slagveld is teruggekeerd, dit tooneel aanschouwen.

Die dag kostte hem meer dan 10.000 man aan dooden, gekwetsten en gevangenen. De staven zijner korpsen waren zwaar gehavend, een massa officieren gevallen. Bij het appèl ontbraken ook bij het Fransche leger ruim 4300 officieren en soldaten; ook hier waren de staven zeer gedund. Het zwaarste verlies was echter de dood van Desaix; een der eerste vijandelijke kogels had hem getroffen. Zijn adjudant Savary had zijn lijk gevonden en het naar het hoofdkwartier overgebracht.

De Bourrienne kwam zijn chef gelukwenschen: “Wat een prachtige dag!”—“Prachtig zou die geweest zijn, als ik Desaix hedenavond op het slagveld had kunnen omhelzen,” zeide Bonaparte.

Reeds den volgenden morgen kwam de prins van Lichtenstein onderhandelen; weldra werden de voorwaarden eener conventie te Alessandria geteekend.

Twee rivieren, de Chiesa en de Mincio, gaven hierbij de grenzen aan voor een strook onzijdig terrein tusschen de legers. Genua, al de sterkten in Piëmont, Lombardije en de Legatiën gingen in Fransche handen over. Aan von Melas met zijn troepen werd vrije aftocht verleend naar Mantua. Italië was heroverd.

Tocht over den St. Bernhard. Mei 1800.

Tocht over den St. Bernhard. Mei 1800.

Den 17en was Bonaparte, toegejuicht als een vorst, te Milaan terug. De Cisalpijnsche republiek werd hersteld, de Ligurische gereorganiseerd en weder [137]onafhankelijk verklaard. Piëmont, waarvan de koning naar het eiland Sardinië was geweken, ontving een voorloopig bewind. Generaal Jourdan, de vurige republikein, werd als commissaris der Republiek belast met de leiding der zaken en aan Massena, den heldenfiguur van Genua, werd het oppercommando over het leger in Italië opgedragen.

Nog onder den indruk, dien Marengo’s met bloed bedekte vlakte op hem had gemaakt, vurig naar vrede verlangende en begrijpende, dat, al had hij op zijn eerste schrijven niet rechtstreeks antwoord ontvangen, zijn standpunt als overwinnaar hem thans nòg meer recht van spreken gaf, had de Eerste Consul terstond opnieuw aan den keizer van Oostenrijk geschreven:

Op het slagveld, te midden eener massa gekwetsten, omringd door duizenden lijken, smeek ik Uwe Majesteit gehoor te geven aan de stem der menschelijkheid en niet te dulden, dat twee dappere natiën elkander om hals brengen voor belangen, welke hun vreemd zijn. Omdat ik dichter bij het oorlogstooneel sta dan U, rust op mij de plicht bij Uwe Majesteit hierop aan te dringen. Uw hart kan niet zoo diep zijn getroffen als het mijne, enz.

’t Was een lange brief; tegelijk met het verdrag van Alessandria werd hij verzonden. Bij later nadenken gevoelde Bonaparte spijt, dat hij zich daarin te veel mensch, te weinig staatsman getoond had.

Te Milaan sprak hij kardinaal Martiniana, een vriend van den nieuwen paus Pius VII2 en verklaarde hem, dat hij met den Heiligen Stoel in vrede leven en dezen zelfs tegen zijn vijanden in bescherming nemen wilde, als de kerkvorst zich voor redeneering vatbaar betoonde en den tegenwoordigen toestand van Frankrijk en dien van de wereld begreep. Den volgenden dag woonde hij een plechtig Te Deum bij in Milaans oude hoofdkerk.—“Wat de godloochenaars te Parijs hiervan zeggen, laat mij koud; ik ga die plechtigheid in volle staatsie bijwonen,” schreef hij aan zijn mede-consuls. Zijn officieren en soldaten, volbloed republikeinen, die van geen kerk of geestelijkheid meer wilden hooren, gaven hun ongenoegen over deze daad wel te kennen, doch hieraan stoorde hij zich niet.

Te Milaan regelde hij ook het feest van den 14en Juli, den verjaardag der omwenteling te Parijs.—“Geen naäpen van vroegere feesten wil ik, ook geen wagenrennen. Deze waren op hun plaats bij de oude Grieken, want zij streden op wagens; voor ons, Franschen, hebben ze geen beteekenis; ook geen zegebogen verlang ik. Mijn zegeboog zie ik in de tevreden gezichten van de bevolking,” schreef hij. [138]

In het laatst van Juni was hij onderweg naar Parijs en passeerde hij den Mont Cenis met het voornemen op dezen bergweg, een der kortste verbindingen tusschen de hoofdstad en Italië, een klooster te doen bouwen in den trant van dat op den St. Bernhard. Dat hij reeds in die dagen verteerd werd door dorst naar grootheid en roem, verried hij aan zijn reisgenooten Duroc en Bessières. “Binnen twee jaar heb ik Caïro, Milaan en Parijs veroverd. Kwam ik morgen te vallen, dan zou mijn naam in een boek over de wereldgeschiedenis nog geen halve pagina vullen,” zei hij onder anderen.

Juichte gansch Frankrijk over een zegepraal, die vrede kon brengen, te Parijs bij Talleyrand en Fouché, bij Carnot en Lafayette, bij Lucien, Jozef en Bernadotte, bij de mannen dus, die over de huid reeds aan ’t onderhandelen waren geweest, voor dat de beer was geschoten, was de vreugde matig. Reeds had het gerucht geloopen, dat Bonaparte den slag en het leven verloren had en er was geïntrigeerd van belang. Bonaparte wist dit echter. Door de tijdige komst van Desaix had de fortuin hem bij Marengo zoo wonderbaarlijk gediend, dat het geloof aan een groote rol op het wereldtooneel, die de Voorzienigheid voor hem had weggelegd, had post gevat in zijn ziel, een ziel die door zijn afstamming en door een langdurig verblijf in Egypte toch reeds eenigermate tot fatalisme overhelde. Zijn uur kon dus nog niet zijn gekomen, dacht hij. Hij wilde dus vergiffenis schenken en vergeten, alleen deed hij Carnot het loodje leggen, ontnam hem de portefeuille van Oorlog en schonk ze aan Clarke.

Door krijgskundigen is hem verweten, dat hij bij den opmarsch tegen von Melas’ verbindingen met de Mincio zijn troepen te veel had versnipperd, dat hij hierdoor bij Marengo verreweg in de minderheid was en dat alleen de tijdige komst van Desaix hem ten slotte de zege had doen behalen. Al is het waar, dat hij aan Desaix op dien dag de overwinning heeft te danken, toch is het verwijt slechts ten deele gegrond, want aangenomen zelfs, dat hij bij Marengo was verslagen, kon de terugtocht over de Po bij Piacenza hem niet worden belet. Binnen vier en twintig uur had hij daar een voldoende macht versche troepen kunnen bijeenbrengen om von Melas met alle kans op succes opnieuw aan te grijpen.

Hulde aan een infanterie, voor ’t meerendeel conscrits, die door haar taaiheid, haar marschvaardigheid en haar volkomen vertrouwen op haar chef dezen in staat stelde, zijn op de kaart ontworpen plannen om te zetten in energieke, snel uitgevoerde daden; alleen deze brengen de beslissing. [139]


1 Van de lijst der bannelingen.

2 Pius VI was kort te voren te Valence gestorven.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk X.

Vrede met Oostenrijk.

In ’t costuum van lid van het Instituut had hij Parijs verlaten, in de uniform van opperbevelhebber keerde hij er terug (3 Juli) en sprak deze verandering in zijn gewaad mogelijk nog niet duidelijk genoeg voor den omkeer, die door Marengo in zijn geest was ontstaan, zijn houding en zijn daden bewezen weldra, dat hij, door gansch Frankrijk thans half vergood, zich van zijn macht was bewust geworden.

Uit was het op eens met de mogelijke plannen der Bourbons. Kort na elkaar had hij van den pretendent twee brieven ontvangen, waarin hem duidelijk was te verstaan gegeven, dat, wanneer hij dezen op den troon van Frankrijk bracht, hij zelf maar moest aangeven, welke hooge positie hij verlangde voor zich zelf en zijn vrienden.

Joséphine kende het bestaan dier brieven, trachtte hem te overtuigen, dat het costuum van connétable hem veel beter zou kleeden dan de rok van consul, doch klopte aan doovenmansdeur. “In ’t buitenland acht men mij dan lichtzinnig en inconsequent, dat men mij verdenkt van geheime plannen ten voordeele van een Bourbon? Dat ik in de beloften en verbintenissen niet het minste vertrouwen stel, weet men dus niet. Werd die man baas, dan zou het stellig niet lang duren of ik werd behandeld als een rebel,” gaf hij haar zoo luide en zoo kortaf ten antwoord, dat Europa het kon hooren. Tegen Bourrienne zei hij: “Jij kent dat volkje niet. Gaf ik het den troon, dan zou het dien volgens hen niet aan mij, doch aan Gods gratie hebben te danken. De émigrés zouden dadelijk den baas spelen en al het nieuwe omver werpen. Wat zou er worden van de belangen sinds 1789 geboren? Wat van de menschen, die nationale goederen kochten, van de generaals, kortom van allen, [140]die tijdens de omwenteling hun leven en hun toekomst op ’t spel hebben gezet?”

In ’t begin van September schreef hij zijn antwoord:

Ik heb een brief ontvangen, mijnheer; ik zeg u dank voor uw beleefde woorden. Uw terugkeer in Frankrijk moogt u niet wenschen. Gij zoudt uw weg moeten nemen over vijfhonderd duizend lijken. Offer uw eigen belangen op aan de rust en het geluk van Frankrijk; de historie zal er u naar beoordeelen. Voor de rampen uwer familie ben ik niet ongevoelig; gaarne zal ik bijdragen tot de rust en den vrede van uw bestaan.

Met wien hij te doen had, hoeveel staat hij kon maken op de mooie beloften van den pretendent, blijkt uit later gevonden brieven. Den 4en Juni 1800 verzocht de pretendent hem den troon zijner voorvaderen terug, twee dagen later wenschte hij den struikroover George Cadoudal per brief hartelijk geluk, “dat hij eindelijk aan de handen van den tiran was ontsnapt.” “Thans zijt ge vrij; ge zijt bij mijn broeder; al mijn hoop herleeft. Een echt Franschman zooals gij behoef ik niets meer te zeggen,” volgde er aan ’t slot en na den aanslag van 24 December 1800 betuigden de bedrijvers er van dienzelfden “braven” Cadoudal schriftelijk hun leedwezen, dat Bonaparte was ontkomen.

“Met innig genoegen erkennen wij, dat het vaderland aan U zijn redding, de Republiek aan U haar bevestiging heeft te danken en de natie een welvaart, die gij in één dag tijd hebt doen volgen op tien jaar eener meer dan stormachtige omwenteling,” had de president van den Senaat bij de eerste officieele begroeting tegen hem gezegd en de denkwijze van zoo goed als geheel Frankrijk met deze woorden weergegeven. Vol oprechte geestdrift waren al de groote staatslichamen, de burger- en de militaire autoriteiten, de directeur der Fransche Bank en tal van hooggeplaatste personen hem gaan begroeten.—

Hoe kon het anders? Enkele maanden pas voerde hij het bewind en veiligheid, vertrouwen en rust waren getreden in de plaats van een toestand van grenzenlooze verwarring, van angst en onzekerheid. Een groote overwinning had Frankrijk weder gevoerd aan de spits der volken. De vrede was in ’t verschiet; de angst voor een Europeeschen oorlog verdwenen. Allerwege zag men weder teekenen van welvaart. Dank zij de instelling der Fransche Bank, waardoor vertrouwen en crediet weder waren teruggekeerd, kregen de renteniers hun coupon weder uitbetaald in klinkende munt. De publieke fondsen waren van 12 tot 40 gestegen en toonden neiging tot rijzen naar 50. Gansch Frankrijk was bezig een gedaanteverwisseling ten goede te ondergaan, en dit alles niet door een mirakel of een bovennatuurlijke kracht, welke volgens de “kleine luyden” Bonaparte zou [141]bezitten, maar alleen door een man, toegerust met een groote mate van gezond verstand, gerugsteund door een ijzeren wil en een stalen werkkracht, een man, die wist wat hij wilde, die daarbij over alle détails heenzag als ver beneden hem, en die alleen het einddoel scherp in het oog hield. Geen stap op ’t oorlogsveld, geen zet op ’t wereldschaakbord deed hij in die jaren zonder een voorafgaand nauwgezet wikken en wegen van ’t geen hiervan het gevolg kon zijn. Aan het toeval liet hij zoo weinig mogelijk over. Eerst als ’t vertrouwen op zijn geluk hem roekeloos deed worden, en zijn dorst naar nòg meer roem hem verblindde, was het hiermede gedaan. Die hoop naar vrede zou echter niet zoo spoedig worden vervuld, want Marengo had wel een wapenstilstand, geen beslissing gebracht. Rijkelijk door Engelsch goud gesteund onder voorwaarde, dat het niet afzonderlijk zou vrede sluiten, schoof het kabinet van Weenen de onderhandelingen op de lange baan, een tactiek die Bonaparte met zijn voortvarenden geest en zijn afkeer voor al dat diplomatieke getalm en gekonkel toornig maakte en verschillende kleine staten van den Duitschen Bond, door Frans II aan hun lot overgelaten, tot een afzonderlijk verdrag met Frankrijk bracht, voordat een congres, dat te Lunéville zou bijeenkomen en waarheen ook Engeland een vertegenwoordiger zou zenden, een beslissing had gebracht.

De herfst verliep, de winter trad in. Tot tweemaal toe was de wapenstilstand verlengd; het congres te Lunéville vorderde niet, en de kans op een spoedigen vrede scheen nog in de verre toekomst te liggen. Het wachten moede, beval Bonaparte terstond na het einde van den tweeden wapenstilstand weder aanvallend op te treden.

Den 25en November begon Moreau zijn operaties en leidde deze zoo goed en gelukkig, dat hij in weerwil van zijn geringere getalsterkte aartshertog Johan, die von Kray in het opperbevel had vervangen, den 3en December in de met sneeuw bedekte passen en boschwegen van Hohenlinden met zwaar verlies terugsloeg. Van deze overwinning ijlings partij trekkende, bezette hij daarop Salzburg, dreef de Oostenrijkers door een reeks van roemrijke gevechten terug tot achter de Traun, maakte zich meester van Linz, stond hier slechts tien uur van Weenen en was den 23en December voor het sluiten van een wapenstilstand alleen te vinden onder het uitdrukkelijk beding, dat Oostenrijk zijn belangen scheidde van die van Engeland.

Geducht in ’t nauw gedreven, bewilligde keizer Frans hierin. ’t Was hoog tijd, want, terwijl Moreau de eer der Fransche wapenen zoo hoog hield aan den Donau, was Augereau met een gallo-bataafsche divisie in Bohemen niet minder gelukkig, toog Macdonald door Wallis en over de gletschers en de passen van den Splügen naar de Mincio om daar de hand te reiken aan Brune, die Massena in Italië was opgevolgd. Ook hier aan de Etsch, de Brenta en de Piave leden de Oostenrijkers de nederlaag; Macdonald naderde Trente; [142]Murat was met een divisie op marsch naar de Po; Brune rukte Treviso binnen.

Toen kwamen de Oostenrijksche gevolmachtigden ook hier onderhandelen. De afstand van Mantua, Peschiera, Ferrara en Ancona was de prijs van een wapenstilstand, die den 29en Januari 1801 te Lunéville werd gesloten.

Alleen Napels stond thans nog vijandig tegenover Frankrijk; Murat zou koningin Caroline echter weldra tot vrede dwingen.

In Duitschland en Italië verslagen, door zijn vroegere bondgenooten losgelaten, want Rusland en de paus hadden openlijk voor Frankrijk partij gekozen en Engeland was niet in staat hem te steunen, zag Frans II in, dat een vrede alleen hem kon redden. Den 9en Februari 1801 werd deze te Lunéville geteekend, maar de voorwaarden waren niet malsch. De basis er van vormde het tractaat van Campo Formio, waarbij de linker Rijnoever aan Frankrijk was gekomen en Oostenrijk zich de Etsch als grensrivier had zien aanwijzen. De keizer erkende de Bataafsche, de Helvetische, de Ligurische en de Cisalpijnsche republiek en keurde goed, dat deze laatste het gansche dal van de Po, de Sesia en de Tenaro tot de Adriatische Zee zou omvatten; het aan zijn stamhuis ontnomen Toscane, waar zijn broeder groothertog was, werd onder den naam van koninkrijk Etrurië toegewezen aan den hertog van Parma, schoonzoon van Karel IV van Spanje.

De Engelschen zagen de haven van Livorno, een hunner voornaamste stapelplaatsen aan de Middellandsche Zee, voor zich gesloten; Otranto, Tarente en Brindisi kregen Fransch garnizoen. Geheel Italië was weder in Fransche handen; Spanje beloofde Portugal gewapenderhand te dwingen, Engeland afvallig te worden. In vijftien maanden tijd was het Frankrijk dus gelukt de tweede coalitie uiteen te breken en aan Europa’s vastland den vrede voor te schrijven. Bonaparte had een bewonderaar gekregen in czaar Paul I, die wel half gek van trots, doch tevens ingenomen was met den man, die aan de omwenteling een einde gemaakt en den 18en Brumaire gebracht had, die hem de negen duizend krijgsgevangen Russen had teruggezonden, hem het zwaard van Lisle Adam, den grootmeester der Maltezer ridders had geschonken en hem het reeds twee jaar door de Engelschen belegerde Malta wilde afstaan.

Jammer dat de in Italië nieuwgevormde staten de innerlijke kracht misten, voor hun zelfstandig voortbestaan zoo gebiedend noodig; dat Frankrijk ze voortdurend met geld en troepen moest ondersteunen en dat de Eerste Consul, tuk op eigen grootheid en macht, niet verkoos Italië die eenheid en kracht te schenken, die het zou gehad hebben, wanneer het gansche land onder het huis van Savoye was gebracht.

Engeland alleen met William Pitt zijn oppermachtigen eersten minister aan de spits, volhardde nog in zijn haat tegen de Republiek doch had zijn bondgenooten verloren. Het einde van den strijd tegen de coalitie had Bonaparte [143]niet afgewacht om een aanvang te maken met de radicale verbetering van Frankrijks inwendigen toestand. Op de gevolgen der nieuwe regeling van de geldmiddelen wezen wij reeds. Thans kwamen handel en industrie dus in de eerste plaats de gemeenschapsmiddelen, de groote wegen, de kanalen en de bruggen aan de beurt. De laatste tien jaren was hieraan zoo goed als niets gedaan. Het servituut van kosteloozen arbeid aan de wegen was onder de Republiek afgeschaft, geld tot onderhoud was bijna niet toegestaan; de gevolgen waren niet uitgebleven. Goed begaanbare wegen bezat het land bijna niet meer; die er nog waren, werden door de chouans in Bretagne, door talrijke rooverbenden in ’t zuiden en in de Vendée onveilig gemaakt.

Op de begrooting voor 1801 bracht de Eerste Consul dus terstond twaalf millioen francs uitsluitend voor het herstel der hoofdwegen; die naar de grenzen zooals naar Lille, Straatsburg, Marseille, Bordeaux en Brest waren het eerst aan de beurt. De weg over den Simplon, de korste verbinding met Italië, werd onder handen genomen en tot een prachtigen weg gemaakt. Op den Mont Cenis kwam een klooster in denzelfden geest als dat op den St. Bernhard. Dan werd het werk aan het kanaal van Saint-Quentin, de verbinding tusschen de Somme en de Oise, waaraan in langen tijd niets was gedaan, evenals aan dat van de Ourcq met kracht hervat en Frankrijk dus door een waterweg met België verbonden. Voorts ontving Chaptal last een ontwerp samen te stellen tot hervorming van het openbare onderwijs met een grondslag van zes duizend studiebeurzen tot vorming van onderwijzers en werd bij decreet van 4 Maart 1801 de opening eener tentoonstelling van voortbrengselen der nationale nijverheid bepaald.

Een niet minder gewichtige arbeid, het ontwerp van het Burgerlijk Wetboek, samengesteld door een schaar rechtsgeleerden als Tronchet, Portalis en anderen werd in diezelfde dagen getoetst aan het oordeel der rechtbanken van appèl en van het hof van cassatie. Dat Bonaparte zelf aan dit ontwerp heeft medegewerkt, dat hij de schrijver er van is, zooals zijn vleiers vaak hebben beweerd, is onwaar; het geheel was een resumé van het werk der Constituante en der Conventie, dat beoordeeld en gewijzigd door Frankrijks schranderste juristen eerst daarna in den Raad van State werd gebracht om hier den eindvorm te krijgen; wel komt hem ten volle de eer toe, dat hij niet alleen dit wetboek, later naar hem Code Napoleon genoemd, maar nog tal van andere hoofdwetten op het gebied van koophandel, publiek recht enz. aan de natie geschonken en hierdoor aan de sinds eeuwen heerschende wetteloosheid en willekeur voor goed een einde gemaakt heeft.

Een niet minder groote weldaad bewees hij aan het land door de afschaffing van de wet op de émigrés, dat jammerlijke product van woede en vertwijfeling uit de donkerste dagen der omwenteling, dat meer onschuldigen dan schuldigen had getroffen, de afwezigen had gelijkgesteld met iemand, die [144]de wapenen had opgevat tegen de Conventie en door het Directoire gehandhaafd en vaak genoeg gebezigd was tegen zijn persoonlijke vijanden. Van de later gevolgde amnestie bleven alleen uitgesloten de personen, die tegen Frankrijk de wapenen hadden gedragen, bij de uitgeweken prinsen een betrekking bekleed of titels en graden van vreemde mogendheden aangenomen hadden zonder machtiging van het gouvernement.

De tegenwoordige eigenaars van gronden, indertijd door den staat als nationaal goed aan hen verkocht, werden tevens opnieuw in hun bezit bevestigd; de kleine landbouwer, die voor zijn zuurverdiende spaarpenningen voorheen een lapje grond had gekocht, behoefde dus niet langer vrees te koesteren, dat dit hem bij de terugkomst zijner vroegere meesters kon worden ontnomen. De gevolgen van dezen maatregel voor Bonaparte zelf waren bijna onberekenbaar; niet de sympathie, de liefde van één enkele partij, die van de gansche bevolking ten platten lande veroverde hij hierdoor stormenderhand; voor al die eenvoudige lieden, bij wie het bezit van hof en haard vaak gaat boven dat van vrouw en kind was hij, de soldaat, eensklaps geworden de man uit het volk, l’Homme, de strijder voor het recht, voor hun eigendom. Terecht kon hij, die nooit tot eenige partij had behoord in die dagen zeggen, dat zijn partij thans was de gansche natie. Nog krachtiger openbaarde zich de sympathie, toen hij stappen deed om de geestelijken de vrije uitoefening hunner kerkplichten terug te bezorgen en den eenvoudigen, doch zeer menschkundigen abt Bernier, die reeds in de Vendée zooveel had bijgedragen tot de demping van het oproer aldaar, opdroeg met kardinaal Spina, den afgezant van den Heiligen Stoel te Parijs, te beraadslagen over de middelen, die tot een verzoening met den Paus konden leiden. Uitgaande van het beginsel, dat een ieder vrij moest zijn om “zondag” te houden, wanneer hij dit verkoos, verbood hij de plaatselijke autoriteiten hiertegen op te treden; alleen voor rijksambtenaren bleef de bepaling, dat de decade de officieele rustdag was voorloopig nog van kracht.

Bij de schending der koninklijke graven te Saint-Denis door het grauw, was het stoffelijk overschot van Turenne teruggevonden en tijdelijk overgebracht naar een vertrek in den Plantentuin. Thans deed Bonaparte het met indrukwekkende plechtigheid bijzetten in de koepelkerk van het hôtel der Invaliden; den dag daarop legde hij den eersten steen voor een gedenkteeken, gewijd aan de nagedachtenis van zijn krijgsmakkers Desaix en Kléber, beiden op één dag gevallen, de eerste bij Marengo, de laatste in Egypte onder den dolk van een sluipmoordenaar. Reeds vroeger had hij aan Washington, den bevrijder van Noord-Amerika, openbare hulde doen brengen.

Fontainebleau.

Fontainebleau.

Hoewel Bonaparte’s tegenstanders in dit alles slechts een middel zagen, door hem tot eigen grootheid aangewend, oefenden deze plechtigheden op de Parijsche bevolking in ’t algemeen een weldadigen invloed uit. Een bewijs uit [145]vele. Den avond der Turenne-vereering werd er in de schouwburg een gratis-voorstelling gegeven, waarbij hij tegenwoordig was. De zaal was eivol, toch liep alles in de beste orde af; slechts nu en dan werd de stilte door een daverend: “Leve de Republiek! Leve generaal Bonaparte” verbroken.

Bijna onbegrijpelijk is ’t, dat, terwijl hij dus alle middelen aanwendde om Frankrijk de zoo lang en vurig verbeide rust, welvaart en vrede terug te geven, terwijl hij niets onbeproefd liet om handel en nijverheid, landbouw en veeteelt aan te moedigen, terwijl hij kunsten en wetenschappen beschermde, tot verbetering van het onderwijs ingrijpende maatregelen nam, aan het geloofsleven van negen tiende der natie tegemoet kwam en eindelijk door een uitgebreide amnestie voor misdrijven tegen den staat Frankrijk om zoo te zeggen aan de uitgewekenen had teruggegeven, er toch telkens weder personen werden gevonden, laaghartig genoeg om hem naar het leven te staan.

De samenzwering van Arena, Ceracchi en eenige andere republikeinsche heethoofden in October 1800 kunnen wij stilzwijgend voorbijgaan; ze kwam niet tot uitvoering; anders was het met die van 24 December d. a. v.

In den schouwburg zou “die Schöpfung” van Haydn voor de eerste maal met groot koor ten gehoore worden gebracht; hoewel hij door Fouché was gewaarschuwd, dat er geruchten liepen van een nieuwen aanslag op zijn leven, had Bonaparte zich door Hortense, die dweepte met muziek, laten overhalen deze uitvoering bij te wonen.

Begeleid door zijn gewoon piket garde te paard reed hij met Bessières en zijn adjudant van dienst, in één rijtuig dus, om acht uur naar de opera, toen het rijtuig aan den ingang van de nauwe, bochtige rue St. Nicaise een oud, met een hit bespannen karretje ontmoette, dat den weg half versperde; een tevens uit de rue de Malte komende fiacre zou dezen weldra geheel hebben verstopt. Een der grenadiers te paard, die vijf en twintig pas vooruit was, zag dit, dreigde den koetsier van de fiacre als hij niet in galop doorreed, gooide een man, die voor den hit stond tegen den muur, gaf den hit zelf een klap, dat hij op zijde sprong en maakte dus in een oogwenk ruim baan, zoodat Bonaparte’s koetsier, die de zweep over de paarden legde, in volle vaart kon doorrijden. Deze snelheid redde Bonaparte het leven. Nog geen twintig pas was het rijtuig in de rue de la Loi (thans rue Richelieu), toen een ontzettende knal de lucht deed daveren. Een op genoemd karretje geladen helsche machine was ontploft. Ruim honderd dooden en gekwetsten lagen in de rue St. Nicaise onder het puin van eenige ingestorte huizen begraven; Bonaparte en zijn escorte waren ongedeerd gebleven. Ook de dames, die thuis door het zoeken naar een sjaal eenige minuten opgehouden en met Rapp een anderen weg gevolgd waren, hadden geen letsel bekomen.

“Die schelmen hebben mij in de lucht willen doen vliegen” zei Bonaparte koeltjes, doch Joséphine, in de loge gekomen, was te diep ontroerd om [146]haar tranen te kunnen verbergen; ondanks het stormachtig huldebetoon, dat op de bekendmaking van den aanslag volgde, was zij niet tot blijven te bewegen. Bonaparte keerde met haar naar huis terug. Hier brak zijn toorn los.—“Dit was niet het werk van de chouans, de priesters of de émigrés! In dit schelmstuk hadden de Jacobijnen, de moordenaars van 1792, de Septembriseurs de hand gehad. Die alleen waren tot zoo iets in staat” bulderde hij.

Wel trachtte Fouché hem tot andere gedachten te brengen, doch hij kon niet gelooven, dat de royalisten, dezelfde personen dus, die hij kort te voren met gunsten overladen had, hem thans naar het leven hadden gestaan; Fouché kon het bewijs niet leveren; dus—moesten de daders worden gezocht bij de koningsmoorders, de Jacobijnen, die hij, Fouché, beweerde Bonaparte, uit vroegere relatie had ontzien en gespaard.

Een gevolg van deze redeneering was, dat honderd en dertig personen, die zich onder het schrikbewind door hun heftige taal en gedragingen hadden doen kennen, zonder dat er van hun medeplichtigheid aan den aanslag iets was gebleken, bijna zonder vorm van proces werden verbannen, “als gevaarlijk voor de veiligheid van den staat,” dat het proces tegen Arena en Ceracchi c. s. krachtig werd doorgezet om voor de vier hoofdschuldigen te eindigen met een doodvonnis (31 Januari 1801) en dat Bonaparte zijn vertrouwen op Fouché begon te verminderen. Dat de man talent bezat, vooral in politiezaken zijn weerga zocht, hem den 18en Brumaire en daarna tot demping van het oproer groote diensten had bewezen, erkende hij, maar dat hij van den laatsten aanslag onkundig was gebleven kon hij niet vergeten; hij dacht erover hem zijn ontslag te geven; dat Joséphine en de Bourrienne partij voor hem trokken, wekte zijn wrevel zelfs in zoo hooge mate op, dat hij in bijzijn van de eerste op zekeren avond tegen Laplace en Girardin zei: “Een rijk waar de vrouwen de staatszaken regelen is verloren. Frankrijk viel door de koningin. Let op Spanje; ook daar regeert de koningin. Als mijn vrouw iets mocht willen, zou dit voor mij voldoende zijn om juist het tegenovergestelde te doen.” Joséphine was dus gewaarschuwd.

Had Jozef zich in die dagen te Parijs bevonden, dan was Fouché terstond gevallen, want niet alleen Jozef, doch Elisa, Lucien en de gansche aanhang van die drie, met Roederer en Fontanes aan het hoofd, waren zijn vijanden. Zoo fel waren die op hem gebeten, dat het brieven en beschuldigingen regende en dat Roederer aan Joséphine zelfs dorst toevoegen, dat zoolang zij haar minister van Politie behield, niemand zijn leven meer zeker was en dat allen gevaar liepen binnen een paar maanden te worden vermoord. Wel diende Joséphine, onvoorzichtig genoeg, hem ter dege van repliek, doch het woord was gesproken. De oorzaak van dien haat lag niet zoozeer in Fouché’s verleden als in de houding na Brumaire door hem aangenomen tegenover Lucien. Deze jonge minister, die, wars van elken gezetten arbeid, [147]de behandeling der zaken van zijn ministerie zoo goed als geheel overliet aan zijn ondergeschikten en belangrijke stukken vaak niet eens zelf onderteekende, maar evenals Jozef steeds uit was op het verkrijgen van herediteitsrechten, was na den dood zijner lieftallige gade (14 Mei 1800) in deze richting nog verder gegaan; hij had zich, door zijn omgeving slecht geraden, opgeworpen tot leider van de publieke opinie en was begonnen rechtstreeks aan te sturen op een groote anti-revolutionnaire, katholieke, monarchale reactie; in September had hij als lofredenaar van Turenne zelfs de nadering van “een Grootsche Eeuw” aangekondigd en besloten met de woorden, dat het republikeinsche Frankrijk zijn grootsche bestemming eerlang vervuld zou zien.

Had hij het hierbij gelaten, dan was, zijn jeugdigen leeftijd in aanmerking genomen, dit gebazel hem nog wel te vergeven geweest, doch geen maand later had hij aan alle prefecten en verdere onderhoorige ambtenaren onder persoonlijk couvert, een vlugschrift van zijn hand doen toekomen, getiteld: Parallel tusschen Cesar, Cromwell en Bonaparte. Het vraagstuk der herediteit had hij daarin sterker dan ooit op den voorgrond gebracht, terwijl het slot een scherpe insinuatie inhield aan het adres der Fransche legerbevelhebbers.

Met deze brochure had Fouché, als republikein o. a. een vijand van alle herediteit bij den regeerder, als zijnde monarchaal, zich naar Bonaparte begeven, hem gewezen op den slechten indruk, dien ze op het publiek zou maken, zoo kort na den aanslag van Arena, welke toch al voor een politieke manoeuvre van het gouvernement werd gehouden en hem overtuigd, dat hij door een dergelijk geschrift wel verdacht gemaakt, niet gediend kon worden.

Lucien, zich moetende verantwoorden, had het geducht aan den stok gekregen met Fouché, hem overladen met verwijten over zijn vroeger gedrag als lid der Conventie en daarop allerlei liefelijkheden moeten slikken over eigen braspartijen met actrices, zijn knevelarijen en zijn liederlijk gedrag.

Doodbedaard had Bonaparte de heeren die zaak laten uitvechten en toen erkend, dat de brochure wel zijn eigen denkbeelden weergaf, maar dat het slot ervan gekkenwerk was; toch zou hij zijn broeder ten slotte nog hebben gehandhaafd, indien Moreau zich niet ernstig was komen beklagen over de beleediging het leger door Lucien aangedaan en wanneer niet reeds lang tal van feiten hadden bewezen, dat Lucien zijn vriendjes den baas liet spelen op zijn ministerie om te stelen en te rooven naar hartelust. Ook Joséphine had een handje helpen duwen; doodsbenauwd voor dat herediteitsbeginsel, zoo zwanger van monarchale ideeën, terwijl ondanks alle badkuren en kunstmiddelen van dokter Corvisart van een zwangerschap voor haar geen sprake meer was en een echtscheiding haar dus stond te wachten, had zij zich bij Bonaparte op schoot gezet en had hem haar en wangen gestreeld. [148]“Toe Bonaparte, maak je niet tot koning; die gemeene Lucien drijft je er toe, doch laat hem praten.”

Na een zeer heftig en pijnlijk tooneel tusschen de twee broeders, had Lucien daarop als minister zijn ontslag gekregen, was op een kolossaal tractement, met de kans op een aantal millioenen in de toekomst, benoemd tot gezant te Madrid. (7 November 1800.)

Fouché was Lucien dus vijandig. Het vraagstuk van een opvolger had Bonaparte daarop zelf wat meer van nabij bezien. Dat hij het recht moest hebben zijn opvolger te benoemen, stond dadelijk bij hem vast; hij schoof Jozef als te achteloos en voor zaken ongeschikt op zijde, Lucien den opposant en antimilitarist eveneens en vestigde de oogen op Louis. “Deze bezat niet één der gebreken van zijn broers, doch wel al hun goede hoedanigheden,” meende hij. Die zou hem dus opvolgen.

Eerlijk, oprecht en vol plichtsgevoel was Louis zeker, maar overigens had Bonaparte bezwaarlijk een slechter keuze kunnen doen, want diezelfde steeds zwijgende, droefgeestige jonkman met zijn onbeduidend gezicht, fletse oogen en sterke neiging tot afzondering, was niet alleen ziek, maar verborg onder dit ziekelijke uiterlijk een groote mate van jaloersche eigenliefde en een onstandvastigheid, die hem ongeschikt maakten voor eenige regelmaat in zijn bestaan, terwijl lichte aanvallen van vervolgingswaanzin hem nu en dan voerden tot daden, die verrassend valsch en dubbelzinnig ook in de oogen van anderen, door hem zelf in vollen ernst onberispelijk werden geacht.

Van dezen geestestoestand kende Bonaparte niets; meenende dat Louis’ melancholie en sentimenteele begrippen (een gevolg van zijn ziekte) voortsproten uit invloeden van buiten, dat hij dus een tijdlang in een andere omgeving verkeeren, reizen moest, in één woord “ontbolsterd” worden; hij zond hem dus naar Duitschland.

Joséphine, die Louis evenmin begreep, wist nauwelijks wat haar man voornemens was, of haar plan, dat Louis met haar dochter zou trouwen, stond onherroepelijk bij haar vast. Dan kon er van echtscheiding geen sprake meer zijn.

Hortense was ruim zestien en niet mooi maar zeer bevallig; zij danste uitmuntend, teekende, zong, speelde piano en harp, deed aan belletrie en was, zoolang ze niet ruw of norsch werd bejegend, zachtaardig en meegaande; daarbij was zij nog altoos even doodelijk van haar moeder van wie ze niet één harer gebreken zag. Om deze reden hield ze niet van haar stiefvader. Iedereen zei, dat hij een groot veldheer was en een even talentvol administrateur als geniaal bewindvoerder, dus moest zij dit wel gelooven; misschien bewonderde zij hem hierin ook wel, doch in den dagelijkschen omgang was hij vaak grof, somtijds ongemanierd en altijd despotisch; hij bracht haar moeder aan ’t schreien, moest altijd op zijn wenken worden bediend en liet [149]iemand zelfs in zijn slaapkamer niet met rust; zoodoende gevoelde zij voor hem niet de minste sympathie en was ze zelfs bang voor haar stiefvader.

Door haar huwelijk met hem had haar moeder in haar oog een mésalliance begaan; voor haar, de dochter van een der aanzienlijkste edellieden van Frankrijk, die het leven had gelaten voor zijn vorst, was slechts een wettige regeering denkbaar, die der Bourbons; ook al door de bij madame Campan ontvangen opvoeding gevoelde zij zich het beste thuis in de salons van den ouden adel.

Een paar aanzoeken om haar hand had zij reeds afgewezen; een poging van Duroc had evenmin succes gehad. Van ’t geen Joséphine over haar had besloten, vernam zij voorloopig niets.

Terwijl Bonaparte de eerste dagen van 1801 o. a. bezigde met het zoeken naar een plaatsvervanger voor Fouché, Joséphine haar plannen met Louis begon uit te werken, Elisa, Jozef en Lucien met hun aanhang niets onbeproefd lieten om Fouché ten val te brengen, was deze zelf onafgebroken bezig met het zoeken naar het bewijs, dat niet de Jacobijnen, maar de royalisten den aanslag van de rue St. Nicaise hadden gepleegd. Was eenmaal dit bewijs geleverd, dan zou al het geïntrigeer van de familie en de royalisten in den Raad van State tegen hem met één slag den nek zijn gebroken. Hij vond het. Den laatsten Januari bracht hij het zelf naar Malmaison; niet alleen Carbon en Saint-Rejan de hoofdschuldigen, had hij in handen, zelfs den brief, waarin deze laatste aan Cadoudal zijn diep leedwezen betuigde, dat de aanslag was mislukt.

Hij zegepraalde; zijn aanvallers zwegen. Door Bonaparte werd hij als minister van Politie gehandhaafd. Wel ging hier en daar een stem op, dat hij honderd dertig zijner makkers van voorheen, zonder verzet had laten verbannen, doch de eigenaar van die stem vergat, dat Frankrijk in die dagen nog een Augiasstal was, waarin een ferme zwaai met den bezem geen weelde was. Juist dit zuiveringsproces heeft ten gevolge gehad, dat Bonaparte zich twee jaar achtereen ongestoord heeft kunnen wijden aan zijn taak, Frankrijk weder te maken tot een mogendheid van den eersten rang. Een nieuwe stap in deze richting was het sluiten eener overeenkomst met den paus tot herstel van de roomsch-katholieke kerk in Frankrijk. Het overleg tusschen Bernier en kardinaal Spina had vruchten gedragen. Na langdurig gehaspel was ’s pausen raadsman, de even sluwe als hebzuchtige, doch oogenschijnlijk zeer eenvoudige kardinaal Consalvi naar Parijs gekomen om met Bonaparte persoonlijk te onderhandelen en kreeg van dezen kort en bondig te verstaan, dat hij slechts enkele dagen tijd had om tot een besluit te komen en dat, deze periode verstreken, de betrekkingen met Rome onherroepelijk zouden worden afgebroken.

Dit hielp. Den 15en Juli 1801 kwam het verdrag tot stand, dat onder den naam van Concordaat de verhouding regelde tusschen Kerk en Staat. [150]De Republiek werd hierbij verdeeld in tien aartsbisdommen en vijftig bisdommen; een bezoldiging van staatswege trad in de plaats van het voormalige grondbezit der geestelijkheid. Het gouvernement oefende toezicht uit over den eeredienst en benoemde de aartsbisschoppen en bisschoppen; uitsluitend van den paus ontvingen die dan de wijding.

Een staatskerk werd de roomsch-katholieke niet; hiermede zou aan de aanspraken der andere eerediensten zijn te kort gedaan; dit zou in strijd geweest zijn met de republikeinsche beginselen van gelijke rechten voor allen. Ook van een schifting tusschen beëedigde of constitutioneele, niet beëedigde of aan Rome trouw gebleven en gehuwde geestelijken had de Eerste Consul niet willen hooren, hij had de vorming geëischt van een volslagen nieuwe geestelijke instelling, die aan alle scheuring en verdeeldheid een einde maakte en die de wijze en eerbiedwaardige priesters van alle partijen zonder onderscheid samenbracht in één lichaam. Persoonlijk had hij zich met zijn collega’s bereid verklaard de mis bij te wonen; verder had hij zich tot niets willen verbinden.

Voor den inwendigen toestand van het land was de vrede van Lunéville een zegen geweest; een deel der troepen kon nu gebezigd worden tot verdelging der talrijke rooverbenden, die bijna alle wegen onveilig maakten en het vrije verkeer en hiermede den binnenlandschen handel ernstig bedreigden; fondsen waren vrij gevallen, die thans in werken des vredes o. a. voor het afdoende herstel der wegen—alleen in 1802 acht en twintig millioen francs—een bestemming vonden. Thans kon ook gezorgd worden voor het blijvend voortbestaan van de prachtige bosschen, die de laatste tien jaren verwaarloosd en slecht beheerd, van de bijl der houtdieven alom de sporen droegen. Bij duizenden keerden de ontslagen soldaten naar hun haardsteden terug; de landbouw herleefde hierdoor geheel, vooral nu het wild, als herten en wilde zwijnen grootendeels was uitgeroeid. In het zuiden begon het aantal zijdeweverijen, tijdens de omwenteling tot twee duizend ingekrompen, reeds te klimmen naar de zeven duizend. In één jaar steeg het cijfer van invoer van 325 op 417 millioen francs. Ongekend, reusachtig was het door den Eersten Consul thans reeds bereikte resultaat; toch rustte hij niet. Wanneer rustte die man ooit! Frankrijk had zoo goed als al zijn koloniën verloren; wilde het ook als koloniale mogendheid zijn vroegere plaats hernemen, dan moest ook in die richting met alle kracht gewerkt worden.

Reeds was de koning van Spanje bereid gevonden de provincie Louisiana, eenmaal een Fransche kolonie, aan de golf van Mexico, aan de Republiek af te staan; dan werden toebereidselen gemaakt om het zoo kostbare eiland Sint Domingo terug te winnen, dat zich tijdens de Constituante onder den neger generaal Toussaint-Louverture onafhankelijk verklaard had; voorts stelde Bonaparte alles in het werk om het nu reeds zooveel maanden lang aan zich zelf overgelaten leger in Egypte te hulp te komen. In de haven van Brest [151]werd hiertoe een eskader uitgerust; in Italië een legerkorps van 17000 man bijeengebracht om te Otranto scheep te gaan, maar terwijl de groote man op ieder ander gebied de zege weg droeg, op dat zijner koloniale politiek zag hij de fortuin voortdurend tegen zich gekeerd.

Verschillende factoren werkten hiertoe samen. In de eerste plaats stond hij, de heerscher over millioenen menschen volslagen machteloos tegenover de elementen, n.l. den wind en de zee; dan verkeerde zijn marine nog in een tijdperk van wording, had hij zijn vlagofficieren, eenmaal in volle zee, niet meer onder zijn rechtstreeksche bevelen en waren verscheidene van die heeren, hoe dapper overigens ook, niet berekend voor de taak, die hij hun opdroeg; eindelijk voerde Engeland met zijn geweldige vloot bijna onbeperkt heerschappij op den oceaan.

In de nu volgende twintig jaren heeft dit eilandenrijk op Napoleons leven, denken en handelen zulk een reusachtigen invloed uitgeoefend, dat hierbij eenige oogenblikken langer dient te worden stilgestaan. [152]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XI.

Engeland en de vrede van Amiens.

Onder leiding van den alvermogenden Pitt, voerde dit land reeds acht jaar lang oorlog tegen Frankrijk op een eigenaardige manier; soldaten bezigde het hiertoe niet, alleen geld, krijgsvoorraad en mooie beloften; het subsidieerde half Europa met Oostenrijk aan de spits om de Republiek zoo mogelijk te verdelgen, haar in elk geval te verlagen tot een mogendheid van den tweeden rang. Niet tegen de Republiek alleen trad hij vijandig op, tegenover iedere mogendheid, welke een handelsvloot en koloniën bezat. Den ganschen wereldhandel tot zich te trekken was hierbij zijn doel. Het wilde beletten, dat Spanje de opbrengst zijner kostbare mijnen in Mexico naar de Spaansche havens vervoerde met eigen schepen, dat Frankrijk op dezelfde wijze zijn koloniale waren als koffie en suiker ontving, dat Rusland, Zweden en Denemarken den voorraad hout en ijzer, voor hun marine benoodigd, zelf aanvoerden. Het wilde als in 1793, een jaar van misgewas, een geheel land kunnen uithongeren en zonder rechtstreeksche blokkade een rijk kunnen houden buiten de gemeenschap met de zee; het wilde om kort te gaan, den handel van geheel Europa te gronde richten ten bate van zijn eigen kooplieden. Om met Albert Sorel te spreken “eischte het voor zijn eigen koloniën het monopolie, doch den vrijen handel op die der andere rijken, trachtte hier den sluikhandel, dien het op zijn eigen grondgebied met alle macht te keer ging, door allerlei middelen te organiseeren, onderdrukte minachtend de zwakkeren en voerde een heftigen strijd met de sterkeren.”

“Het duldde niet, dat Frankrijk deelde in de heerschappij ter zee, koloniën bezat en in den wereldhandel deelde, vandaar zijn onverbiddelijk [153]verzet tegen iedere combinatie, die Frankrijks kustgebied vergrootte en het dus nieuwe wegen opende naar den oceaan; het duldde dus ook de bezetting van Antwerpen door Frankrijk niet, want het verlangde den transitohandel naar Duitschland voor zich alleen. Reeds in 1777 had een agent uit Londen geschreven, dat de Engelschen liever hun hemd van ’t lijf zouden verkoopen, dan dat zij de Franschen de baas lieten worden in de Nederlanden.”

“Sinds 1714 had Engeland door koning George I in Europa zelf vasten voet gekregen. George was keurvorst van Hannover; hoewel een zuiver persoonlijk bezit, waarbij Engeland niet was betrokken, was dit keurvorstendom toch een belemmering in de staatkunde geworden, want ingeval van oorlog kon Frankrijk de hand er op leggen. Pruisen bovendien haakte naar het bezit er van. Reeds in 1745 had de Fransche minister d’Argenson aan Lodewijk XV geschreven, dat er alleen door middel van Hannover iets van Engeland zou zijn te verkrijgen.”

“Bij het begin der Fransche Omwenteling had Engeland de Nederlanden beschermd en er invloed op uitgeoefend. Hun vloten waren elkanders mededingers; in hun handelsbelangen gingen zij niet, tegenover Europa wèl samen. Ook Holland verkoos niet, dat de Schelde een Fransche of ook zelfs maar een voor de schepen van alle natiën vrije rivier werd. Portugal was weinig meer dan een Spanje bedreigende Engelsche kolonie in Europa. Italië telde slechts mede als een zwakke broeder, wien men naar willekeur bepalingen op handelsgebied kon voorschrijven. In de Middellandsche zee betwistte Engeland den handel op de Levant aan Frankrijk; hier was zijn macht even groot als die der Republiek en in de Oostzee trachtte het deze den handel op Zweden en Denemarken te ontrukken. Met Rusland was zijn vriendschap sinds den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog zeer verkoeld; de Czaar breidde zijn gebied uit aan de Zwarte Zee, begon Turkije te bedreigen en zich een weg te banen naar de Middellandsche zee. Engeland begon zijn invloed te doen gevoelen in Azië en hier koloniën te verwerven; eerlang zou het dus daar optreden als Ruslands concurrent.”

“Ieder verbond, dat de Engelschen sloten, had dus twee doeleinden: hun eigen heerschappij ter zee uit te breiden, die van Frankrijk te beperken, zoo te mogelijk vernietigen.”

Zooals licht is te begrijpen, kwam de oorlogstoestand hun hierbij uitnemend te stade. Dan onderzochten hun oorlogschepen elk vaartuig, dat zij onder vreemde vlag ontmoetten en boorden het bij weigering in den grond; dan werd het door alle onzijdige natiën gehuldigde beginsel, dat behalve voor oorlogscontrabande de vlag de lading dekte, voor hen een doode letter, dan heerschten zij bijna onbeperkt op den oceaan.

Reeds langen tijd had hun optreden bij de neutrale mogendheden kwaad bloed gezet. Zelfs Noord-Amerika was verbolgen, want de Engelschen ontzagen [154]zich niet de bemanning van Amerikaansche schepen krijgsgevangen te maken onder voorwendsel, dat zij Engelsch onderdaan waren. In December 1800 was een Ligue der Onzijdigen, gevormd door Rusland, Zweden, Denemarken en Pruisen, begonnen, zich tegen dergelijke onbeschaamdheden te wapenen. De havens van de Zwarte, de Middellandsche en de Oostzee waren dientengevolge reeds voor de Engelschen gesloten; toen Napels eveneens met de Republiek had vrede gesloten (Maart 1801) werden ze alleen nog toegelaten in die van het machtelooze Turkije en van Portugal.

Handig had de Eerste Consul van deze stemming partij getrokken. Pruisen had hij gevleid en halve beloften gedaan om aldus in dit rijk een tegenwicht te krijgen tegenover het openlijk door Engeland gesubsidieerde Oostenrijk. Door de belofte van diens schoonzoon, den hertog van Parma, bij den vrede van Lunéville te verheffen tot koning van Etrurië (Toscane) had hij Spanje’s zwakken koning Karel IV overgehaald Portugals koning, zijn zwager, desnoods door wapengeweld te dwingen zijn havens eveneens voor de Engelschen te sluiten; door een reeks van beleefdheden en geschenken had hij eindelijk den half waanzinnigen Paul I van Rusland van een vijand der Republiek in een bewonderaar van zijn eigen persoon als staatsman en veldheer weten te veranderen en zelfs de eerste grondslagen weten te leggen tot een Fransch-Russisch verbond.

Om dit doel te bereiken had Napoleon zelfs den brief van Rostopchin, den Russischen minister van buitenlandsche zaken zeer hoffelijk beantwoord en er in toegestemd, tot herstel der goede verstandhouding, de integriteit van het grondgebied van Napels, Beieren en Wurtemburg te waarborgen en den koning van Sardinië op den troon te herstellen. Dat de brief meer op een ukase dan op een dankbetuiging voor de teruggezonden krijgsgevangenen geleek, was hij met stilzwijgen voorbijgegaan; Fouché had hij zelfs bevolen beslag te leggen op een brochure van een Pool, getiteld: “Geen hechte duurzame vrede zonder Polens herstel.” Niets had hij onbeproefd gelaten om Engeland te isoleeren.—“Eerst wanneer wij ook met Albion hebben afgerekend, zal Frankrijk al de weldaden des vredes genieten,” had hij gezegd tegen een deputatie uit het Wetgevend Lichaam, die hem met den vrede van Lunéville kwam gelukwenschen. “Maar het gouvernement daar is dol geworden en weet niet meer wat heilig is. Al de mogendheden van het vaste land gezamenlijk zullen het tot rede moeten brengen.”

Dezen weg ging het reeds op; de Ligue der Onzijdigen en de geduchte maritieme maatregelen door Napoleon zelf te Brest, te Rochefort, in Spanje en in Holland genomen, schijnbaar Ierland, Indië en Brazilië geldende, doch feitelijk alleen ten doel hebbende het leger in Egypte te hulp te komen, deden in Engeland ernstige ongerustheid ontstaan. Misgewas was daar in diezelfde dagen oorzaak van een gruwelijken hongersnood; dan had Pitt in ’t begin [155]van Februari zijn ontslag genomen, omdat de nu en dan half waanzinnige George III halsstarrig had geweigerd aan diens grootsche plannen met Ierland1 mede te werken.

De bevolking in Engeland snakte dus naar vrede; ze leed honger, en alleen een vrede kon tengevolge hebben, dat de schepen met graan uit het buitenland de Engelsche havens weder inliepen. De oorlogspartij in het parlement versaagde echter niet en nam den haar door het Noorden toegeworpen handschoen zelfs blijmoedig op. Nelson voer naar de Oostzee, liet zijn chef, den ouden admiraal Parker, die “op de donkere nachten en de ijsvelden” daar volstrekt niet was gesteld, praten, verscheen den 2en April met een eskader van twaalf schepen voor Kopenhagen, vernielde de Deensche vloot, bevocht daar, onder zware verliezen, in vier uur tijd een volkomen overwinning en bewerkte een wapenstilstand van veertien weken.

Gaarne had hij zich daarna tegen de Russische vloot gekeerd, die in de haven van Reval ingevroren had gelegen; doch hiervan kwam niets. In den nacht van den 24en Maart was de dolleman Paul I door graaf Pahlen, generaal Bennigsen en eenige anderen in zijn paleis vermoord, volgens Talleyrand “de in Rusland meest gebruikelijke manier van onttroonen.” Zijn zoon Alexander was hem opgevolgd en had op aandrang van den koopmansstand en van zijn omgeving en uit haat tegen Bonaparte en de Fransche Republiek met Engeland onderhandelingen geopend, en toen Duroc, met een vertrouwelijke zending naar St. Petersburg vertrokken, hier aankwam, werd juist tusschen de beide rijken vrede gesloten.

Toen Talleyrand met het bericht van Pauls gewelddadigen dood op Malmaison verscheen, werd Bonaparte woedend. “Den 3en Nivôse hebben de Engelschen mij te Parijs gemist, maar te St. Petersburg thans niet.” riep hij; brutaalweg schreef hij daarop in den Moniteur: “Paul is vermoord in den nacht van 24 Maart, het Engelsche eskader is den 31en de Sont gepasseerd. De geschiedenis zal leeren welk verband er tusschen deze twee gebeurtenissen bestaan kan.” Kort te voren had hij zijn gezant te St. Petersburg doen kennen, dat hij uit vriendschap voor Rusland niet ongenegen was iets te doen voor den koning van Sardinië, thans annexeerde hij Piëmont oogenblikkelijk, doch antidateerde het hierop betrekking hebbende decreet met tien dagen en gaf aan het nieuw verworven grondgebied, zoogenaamd voorloopig, de administratie van een Fransch departement.

Met den dood van Paul I en het bombardement van Kopenhagen was de Ligue der Onzijdigen zoo goed als uiteengevallen. Als een bewijs, dat Engeland toenadering zocht, liet het al de in zijn haven opgesloten neutrale [156]schepen vrij. Aangezien de wensch naar vrede bij de bevolking dagelijks sterker werd, waren er door het ministerie Addington zelfs tegenover den heer Otto, Frankrijks zaakgelastigde te Londen, reeds eenige voorbereidende stappen gedaan,—de overwinning bij Hohenlinden en de vrede van Lunéville hadden hierbij zeker een rol gespeeld;—maar van beide partijen waren de eischen nog te hoog; terwijl te Londen werd gepraat over den vrede, werd de krijg dus onverpoosd voortgezet. Zoo trok b.v. Leclerc in Mei met een leger van 30.000 man over Spaansch grondgebied naar Portugal. Godoy, bijgenaamd de vredevorst, een voormalig soldaat van de garde, thans de amant van Spanje’s koningin en Spanje’s schier oppermachtig gebieder, zou zich met 40.000 man bij hem aansluiten; plannen tot verdeeling van Portugal tusschen Frankrijk, Spanje en Godoy waren reeds gemaakt, toen de koning van Portugal aan al dit gekonkel en geknoei van Godoy een einde maakte en te Badajoz vrede verzocht nog voordat Leclerc handelend had kunnen optreden.

Portugals havens werden voor de Engelschen gesloten; Frankrijk kreeg vermeerdering van grondgebied in Guyana. Intusschen speelde Lucien, de gezant te Madrid, bij dit alles de beste kaart. Het fortuin aan geschenken, schilderijen en ruwe diamanten door hem verdiend, werd geschat op meer dan dertig millioen francs. Veel degelijk werk leverde hij wel niet, maar de positie van gezant en broeder van den Eersten Consul was van een financieel standpunt bekeken in die dagen lang niet te versmaden. Wel was hij een tijdlang quasi uit zijn humeur, omdat zijn broeder te Parijs zoo weinig naar hem luisterde en het verdrag van Badajoz niet verkoos te teekenen, wel dreigde hij zelfs met ontslagname en onverwijld vertrek uit Madrid, als “zijn” tractaat niet werd aangenomen, doch bij dreigen bleef het tot het November werd; toen keerde hij naar Parijs terug. Hij verlangde naar rust. In Januari had hij met Spanje een bondgenootschap gesloten tegenover Portugal, in Februari een conventie betreffende den opmarsch der troepen, bestemd om Engeland en zijn koloniën aan te vallen; in Maart had hij het reeds vijf maanden te voren door Alquier afgewerkte tractaat betreffende Parma, Toscane en Louisiana nogmaals geteekend; eindelijk had hij in Juni “het in diplomatieken zin vorm noch stijl bezittende” vredesverdrag vol “onbegrijpelijke artikelen” te Badajoz met Portugal aangegaan, doch het eerst na een reeks van wijzigingen in ’t laatst van September door Napoleon bekrachtigd kunnen krijgen; ’t was heel wat! Dat hij na zulk een harden arbeid te Parijs het prachtige hôtel de Brienne, eenmaal het eigendom der Marbeufs, de beschermers zijner familie, uitkoos, het geheel liet restaureeren en hier zijn gemak nam, was dus begrijpelijk! Dat hij op zijn nieuw buitengoed le Plessis, groote wijzigingen liet aanbrengen eveneens. Hij had er nu immers het geld voor!

Op le Plessis vond hij zijn zuster Elisa terug. Een maagkwaal, die [157]eenige jaren later evenals bij haar vader zou ontaarden in kanker, was oorzaak, dat zij zeer stil moest leven. Fontanes, die wel wist wat hij deed, hield haar “als vriend” trouw gezelschap, las en politiseerde met haar, verwierf zich hiermede een aardig fortuin en hielp tevens zijn vriendjes in den zadel.


Terwijl Lucien dus in Spanje zijn eigen beurs spekte, doch geen voet verzette om het ongelukkige leger in Egypte van Cadix uit van krijgs- en mondvoorraad te voorzien, was het brein van zijn broer met het lot van dat leger bijna onafgebroken vervuld. De verovering van Egypte was zijn werk. Het blijvend bezit van dit land vormde den grondslag van zijn verdere plannen tegen Engeland in het Oosten; voor het sluiten van den vrede was het vraagstuk, wie het zou bezitten, het grootste struikelblok. Door een laatste geweldige krachtsinspanning wilde hij Albion dus stellen voor een voldongen feit.

De omstandigheden waren hem echter niet gunstig. Reeds in Maart was een Engelsch leger bij Aboukir geland; generaal Menou, na Klébers dood opperbevelhebber geworden, doch voor zijn taak niet berekend en door zijn onderbevelhebbers telkens bevit en tegengewerkt, had verkeerde maatregelen genomen en was bij Heliopolis geslagen; in Mei waren Rosette en Ramanieh verloren gegaan; ten slotte bleven alleen Caïro en Alexandrië in Fransche handen. Toen de admiraal Ganteaume, die reeds tweemaal een echec had geleden, bevel ontving in de haven van Derne op de kust van Afrika een landingsleger aan wal te zetten en terwijl de admiraals Bruyx, Dumanoir en Linois zich te Cadix vereenigden en eveneens koers naar Egypte zouden zetten, was, rekening houdende met de machtige Engelsche vloot in de Middellandsche Zee, het resultaat van dit stoute ondernemen, reeds te voorzien.

Behalve bij Algesiras tegenover Cadix, waar Linois eenig succes behaalde, was de fortuin de Fransche zeemacht ongunstig; Ganteaume kon bij Derne slechts een paar honderd man aan wal zetten en moest toen wijken voor een vijandelijk eskader. Ook deze expeditie mislukte dus.

Toen greep de Eerste Consul het oude plan van het Directoire om Engeland met een groot landingsleger rechtstreeks aan te vallen, weder op. Al de havenplaatsen langs het Kanaal werden met Boulogne als middelpunt een tooneel van ongekende bedrijvigheid. Dag en nacht werd gewerkt aan den bouw van honderden schepen, licht en toch voldoende zeewaardig om met troepen en zwaar geschut aan boord het Kanaal te kunnen oversteken. Van Duinkerken naar Brest werd de geheele kuststrook één reusachtig legerkamp, waarin binnen enkele weken een krijgsmacht van bijna 100.000 krijgers werd samengebracht, om hier ook in zeilen, roeien en ander zeemanswerk te worden geoefend. Wel noemde Nelson het gansche plan dollemanswerk, maar beproefde niettemin tot tweemaal toe een landing om die oorlogsbodems te vernielen. [158]Tot tweemaal toe leed hij een echec en moest zich verder bepalen tot een onverpoosde waarneming der Fransche kust.

De onrust, door al die dreigende krijgstoerustingen onder de bevolking in Engeland verwekt, de bij deze aanhoudend sterker wordende drang naar het einde van een oorlog, die nu reeds tien jaar duurde en Engeland hoe langer hoe meer van het vasteland isoleerde, de begeerte naar vrede, die in weerwil van zijn snoevend en hooghartig optreden in die dagen toch werkelijk bij Bonaparte aanwezig was, gevoegd bij tal van drijfveeren van moreelen aard bij beide partijen, waren ten slotte oorzaak, dat er tusschen de twee kabinetten meer overeenstemming ontstond en dat den 1en October 1801 tot groote vreugde van beide natiën de vredespreliminairen te Londen werden geteekend.

Hoogst belangrijk waren de voorwaarden. Met uitzondering van Trinidad en de voorheen Hollandsche bezittingen op Ceylon gaf Engeland o. a. aan de Fransche Republiek en haar bondgenooten al de in den loop des oorlogs veroverde koloniën terug. Egypte zou weder aan Turkije, Malta aan de Maltezer Ridders komen. Portugals grondgebied zou onschendbaar zijn, dat van Rome en Napels door de Franschen, terwijl de eilanden en havens aan de Middellandsche en Adriatische zee door de Engelschen ontruimd zouden worden.

Over de rechten der Onzijdigen, over Piëmont, Genua en Toscane alsmede over de moeilijkheden op handelsgebied, vraagstukken, die eenmaal onder handen genomen, ieder voor zich reeds tot een nieuwen oorlog konden leiden, werd wijselijk niet gerept. Men wilde vrede.

Bonaparte had Frankrijk tegenover het buitenland dus gevoerd naar een standpunt, tot heden ongekend. Reusachtig, overweldigend waren zijn invloed en zijn macht geworden. België en Savoye hadden zich bijna vrijwillig aan hem onderworpen; de Rijnprovinciën, te voren reeds tamelijk los van Duitschland, hadden tegen hun inlijving weinig bezwaar gemaakt; de Alpen en de Rijn vormden thans Frankrijks natuurlijke grenzen.

Alleen in ’t binnenland liet de toestand nog veel te wenschen over, doch Bonaparte twijfelde niet of ook hier zou hij weldra zijn wat hij van half Europa reeds was, de oppermachtige gebieder, die geen ander gezag naast zich duldde. Hij sprak deze gedachte niet uit en liet zelfs zijn naaste omgeving betreffende zijn bedoelingen in ’t onzekere, maar zijn tijdens de vredesonderhandelingen bij herhaling gebezigde uitdrukking, als Engeland een nieuwe coalitie begon: een tweede geschiedenis te zullen leveren van Rome’s grootheid, verried wat er in hem omging. Lafayette had hem doorzien. Toen hij hem voor zijn bevrijding uit de gevangenis te Olmütz kwam bedanken, had hij o. a. gezegd: “Uw gansche streven is alleen het fleschje met heilige olie (de zalving) boven uw kruin te laten breken.”


Men had mogen verwachten, dat Bonaparte na het reusachtige succes [159]in de twee laatste jaren verkregen, thans eenige rust nemen en van het vredestijdperk gebruik maken zou om al de werken, die den welvaart van het land moesten bevorderen doch nog in hun kindsheid waren, gelegenheid te geven tot ontwikkeling te komen en dus de vruchten van zijn werk te zien rijpen; van rust nemen was bij dien ijzeren man geen sprake.

Reeds was zijn brein vervuld met nieuwe plannen. Holland, Zwitserland, Genua en de Cisalpijnsche republiek hadden de beginselen der omwenteling omhelsd en in de hoop op hun toekomstige vrijheid de zwaarste lasten geduldig gedragen; bij den vrede van Lunéville was hun onafhankelijkheid benevens de vrijheid om den regeeringsvorm te kiezen, die hun de meest gewenschte scheen, door beide partijen gewaarborgd, niettemin was hij reeds begonnen zijn invloed op die keuze krachtig te doen gelden. Op Fransche leest moesten die weerlooze staatjes worden geschoeid. Fransch moesten ze worden. Of Oostenrijk, of Europa hiermede genoegen zou nemen, of hieruit niet een nieuwe oorlog kon voortkomen, vroeg hij niet. De omwentelingsgezinde partij, de partij der vrijheid werd in die staatjes onderdrukt, beweerde hij niet geheel ten onrechte. Voor zijn persoonlijke inmenging vond hij dit ruim voldoende.

Dan moest Frankrijk weder een koloniale mogendheid van den eersten rang worden. Egypte was verloren gegaan. Sint Domingo zou dit verlies goed maken. Sinds den vrede van Rijswijk (1697) een Fransche kolonie, de parel der Antillen, had dit eiland met zijn achthonderd suiker- en katoen-, drie duizend indigo- en koffieplantages tot in het begin der omwenteling jaarlijks gemiddeld 280 millioen francs naar Frankrijk doen stroomen. Aan een opstand onder de zwarten, die hoofdzakelijk door wanbeheer en mishandeling was ontstaan en aan een massa blanken het leven had gekost, had de neger Toussaint-Louverture een einde gemaakt en als generaal de teugels van het bewind in handen genomen en het eiland vrij verklaard onder protectoraat van Frankrijk. Thans zou een expeditie onder Leclerc het eiland weder onder Fransch gezag terugbrengen. Dat Joséphine en haar creoolsche vrienden, de planters, die te Parijs hulp waren gaan vragen tegen de zwarten en steen en been klaagden over het verlies hunner eigendommen, op dit besluit invloed hadden uitgeoefend, is even aannemelijk als dat Bonaparte in de herovering van het eiland een prachtige gelegenheid heeft gezien om zijn zwager en zijn zuster Pauline een kolossaal fortuin en een schitterende positie te bezorgen. Van de gunsten, waarmede de fortuin voor de andere familieleden zoo kwistig was geweest, hadden die twee tot nog toe zeer weinig genoten.

Met graagte aanvaardde Pauline het voorstel om haar man te vergezellen. Ook bij het leger was met den vrede werkeloosheid in het verschiet en daarom de zucht om aan de expeditie deel te nemen en ginds fortuin te maken buitengewoon groot. Den 14en December stak de admiraal Villaret met een landingsleger van ruim 20.000 man en tal van particuliere belanghebbenden uit [160]Brest in zee. Engeland opperde niet alleen geen bezwaren van beteekenis, maar achtte dien tocht zelfs in zijn eigen belang, omdat het daarin een krachtig middel zag tegen de uitbreiding van de emancipatie der negers2 in zijn eigen koloniën.

Voor het slagen dezer expeditie hadden de maritieme toebereidselen echter te veel tijd gevorderd. Toussaint-Louverture was gewaarschuwd, dus op zijn hoede en geen licht, zelfs zeer zwaar werk wachtte Leclerc. Wel werden de zwarten op verschillende plaatsen verslagen en werd de negergeneraal ten slotte verplicht den vrede te vragen en zich naar Frankrijk te laten vervoeren, maar toch mislukte de tocht. De gele koorts brak uit onder de troepen en raapte duizenden soldaten weg en behalve Leclerc zelf ook bijna alle generaals. Opnieuw kwamen de negers in opstand. Ten slotte keerde het overschot der expeditie, 3000 van de 34000 naar Frankrijk terug (Januari 1803). Met deze Pauline en haar zoontje.

Het lange haar ten teeken van rouw kort afgesneden en tengevolge van haar bevalling nog altoos lijdende aan een ziekte, welke in die dagen ongeneeslijk werd geacht, die haar het gaan en reizen tot een foltering maakte en haar weldra dwingen zou bijna altijd te liggen, voerde de diepbedroefde, twee en twintigjarige weduwe het gebalsemde lijk van haar echtgenoot mede naar Toulon om het op het landgoed Montgobert te doen bijzetten. Op St. Domingo fortuin gemaakt, had zij stellig niet. Zonder Napoleons jaarlijksche toelage van 60.000 francs zou zij door al ’t geen er nu te betalen viel, moeite hebben gehad rond te komen en al was zij zuinig op gierig af, rekenen had zij nooit geleerd. Al haar illusiën van grootheid en rijkdom waren in rook verdwenen.

Het echec in de Antillen geleden, mocht zwaar wezen, bijna zonk het in ’t niet naast het reusachtige succes, dat Bonaparte intusschen op staatkundig gebied behaalde, niet met horten en stooten doch zeer geleidelijk om Europa geen aanstoot te geven of bezorgd te maken, voordat de vrede met Engeland definitief was geteekend. Aan de Bataafsche republiek schonk hij een grondwet. In Zwitserland trad hij op als bemiddelaar. In Januari 1802 werd hij door vierhonderd en vijftig afgevaardigden der Cisalpijnsche republiek, die hiertoe opzettelijk te Lyon waren bijeengekomen, plechtig uitgenoodigd het presidentschap van deze te aanvaarden en haar te herdoopen in de Italiaansche. De invloedrijke Italiaan Melzi verkoos hij tot vice-president. Daar te Lyon, halverwege Parijs en Milaan hield hij ook een revue over de uit Egypte teruggekeerde krijgers en werd met geestdrift door hen begroet.

Malmaison.

Malmaison.

Daar hij aan Jozef, die de vredesonderhandelingen met Engeland te [161]Amiens zou leiden, uitdrukkelijk had doen te kennen geven, dat daarbij zoo min over den koning van Sardinië als over den stadhouder in Holland en de vier reeds genoemde republieken mocht worden gerept en de stelselmatige uitsluiting dezer netelige punten bij Engeland instemming had gevonden, was de lijst der geschilpunten aanmerkelijk ingekrompen. Eindelijk den 25en Maart 1802 werd te Amiens de vrede geteekend, die aan een oorlog van tien jaar een einde maakte en een der gewichtigste gebeurtenissen is uit het begin der negentiende eeuw. De preliminairen van Londen vormden den grondslag er van. Onder de garantie van den czaar zou de Maltezer ridderschap op Malta hersteld en de Engelsche bezetting teruggezonden worden. Ook uit Egypte zou Engeland zijn troepen terugroepen.

Werd de vredebode in Frankrijk met gejuich begroet, in Engeland voerde die de bevolking letterlijk tot een soort van razernij. Een daverend Bonaparte for ever klonk in Londens straten uit boven de nationale liederen. Peace with France prijkte met groote letters op alle voertuigen en toen de kolonel Lauriston, adjudant van Bonaparte, de tractaten kwam uitwisselen, spande het volk zijn paarden uit en trok zijn galakoets zelf verder naar zijn hotel, want ’t was vrede. Nu werden de havens weder geopend, kon er graan worden aangevoerd. De handel en het verkeer zouden herleven; de vrees voor hongersnood was verdwenen. Duizenden Engelschen staken het Kanaal over om een bezoek te brengen aan “dat land van barbaren en koningsmoordenaars” doch in de eerste plaats om dien generaal, dien Bonaparte te zien, dien ze ginds nog slechts kenden door spotprenten en schotschriften en—door den geweldigen roep, die van hem uitging.

Niet om den hartstochtelijken wensch van de meerderheid der natie, wel om hun eigen eerzucht en een kliek kooplui te bevredigen, die uitsluitend hun handelsbelangen op ’t oog hadden en voordeel trokken uit den oorlogstoestand, zullen de britsche ministers dien vrede reeds het volgende jaar verbreken, Frankrijk opnieuw den oorlog aandoen en dezen niet eindigen, voordat Napoleon is verpletterd.

Ook de staatsman Fox, het beroemde hoofd der oppositie in het Lagerhuis, de mededinger van Pitt, kwam naar Parijs om met Bonaparte kennis te maken en bouwstoffen te verzamelen voor een werk over de laatste twee Stuarts. Bonaparte schoof alle etiquette voor hem ter zijde, ontving hem herhaalde malen als een vriend in zijn huiselijken kring, gaf bevel al de staatsarchieven voor hem open te leggen en deed hem, den bijna zestigjarigen staatsman, die nog zooveel edele droombeelden koesterde, vaak versteld staan over de stoutheid zijner plannen voor de toekomst, die hij zeer weinig bemantelde. Gansch Parijs liet hij hem zien, ook een juist in die dagen weder geopende tentoonstelling van nijverheid, de tweede na de omwenteling; vaak gevoelde hij zich gestreeld door de onverholen teekenen van [162]verbazing door zijn gast gegeven, over zooveel vooruitgang in dat bedrijf.

De mannen scheidden in vriendschap als twee groote figuren, die elkander hadden leeren hoogachten.

Waren de natiën dus verheugd over den vrede, Bonaparte zeker niet minder. Met dagelijks klimmende onrust had hij den loop der onderhandelingen gevolgd; bij herhaling had hij Jozef doen weten, dat hij toe moest geven op alle ondergeschikte punten, die vertraging konden doen ontstaan; aan de koeriers tusschen Parijs en Amiens had hij zelfs premiën beloofd, als zij spoed maakten. Zoo handelde geen man, die zooals vaak nog heden wordt beweerd den oorlog zocht tot elken prijs. Neen, niet naar oorlog, naar vrede, naar een langdurigen algemeenen vrede verlangde hij in die dagen; dat hij dit doel niet heeft bereikt, dat de vredestoestand reeds in 1803 weder werd verbroken, mag niet aan hem worden geweten, maar Engeland is, herhalen wij, in hoofdzaak de schuld er van, zooals de door geheel Europa overgenomen legende van Napoleons ziekelijke behoefte aan oorlogsdaden met al haar afgrijselijke gevolgen haar ontstaan heeft te danken gehad aan Talleyrand.

Jaren lang (tot ver in 1807) had deze man, die Napoleon in stilte fel haatte, zoo goed als diens geheele staatkunde geleid, hem zelf, zooals zijn brieven getuigen, voortdurend gewaarschuwd tegen de zoogenaamde moordplannen der vorsten van Europa en der Pruisische generaals en aan diezelfde vorsten na iedere nederlaag de voor hun eigenliefde meest vernederende brieven geschreven.

Hoe had deze man—en zooveel anderen met hem—zich na dit alles in 1815 met opgeheven hoofd op ’t congres van Weenen durven vertoonen, indien hij zich hier niet had voorgedaan als de zwakke, weerlooze, gebrekkige man, die gedwongen was geweest de bevelen op te volgen van een bloeddorstig monster?

Doch hierover later. Dezen even talentvollen als sluwen en steeds naar goud dorstenden staatsman zullen wij vaak genoeg aan ’t werk zien.

Dat Bonaparte geleidelijk aanstuurde op het herstel van het éénhoofdige gezag was in Frankrijk dus voor niemand een geheim meer en de natie en bloc had geen bezwaar haar held, die haar orde, rust en vrede had gebracht, hierin de vrije hand te geven. Wel echter de oppositie. Deze werd hoofdzakelijk gevonden bij de groote staatslichamen bij het leger en dan bij het Instituut met zijn plannenmakers en godloochenaars uit de dagen van het Directoire, de zoogenaamde “denkende hoofden.”

Reeds had het Tribunaat onder meer verworpen de zoo noodzakelijke wet op de Openbare Schuld en de staatsdomeinen, op de speciale rechtbanken, een uitvloeisel van den moordaanslag in de rue Saint Nicaise, zich in schampere taal geuit en zich gestooten aan het woord “onderdaan,” voorkomende in het tractaat met Rusland. Bonaparte was driftig geworden, had de [163]opposanten in den Raad van State uitgemaakt voor “ongedierte,” hieraan toegevoegd, dat hij zich niet als Lodewijk XVI zou laten aanvallen, terwijl hij van zijn gemoedsstemming in officieuse dagbladen liet blijken. Toen het Wetgevend Lichaam met zijn overgroote meerderheid van wijsgeeren en oud-priesters denzelfden weg begon te bewandelen als de Tribunen, toen ook de Senaat bij de stemming over candidaten voor drie in dit college vrijgekomen zetels, duidelijk blijk had gegeven van onwil en Bonaparte’s candidaten, drie oude, verdienstelijke generaals, waren gevallen, had hij den 2en Januari al de reeds ter behandeling gereed liggende wetsontwerpen, die de natie met zoo vurige belangstelling verbeidde, teruggenomen. Het tijdstip was blijkbaar nog niet aangebroken, waarop deze belangrijke zaken met de noodige kalmte en eensgezindheid konden worden behandeld. Hierdoor had Napoleon het Tribunaat en het Wetgevend Lichaam tot volslagen werkeloosheid gedoemd en de natie doen zien aan wie de schuld lag, dat niet meer arbeid werd verricht.

Intusschen had hij langdurig beraadslaagd met Cambacérès, doch vooral met Lucien, met wien hij zich had verzoend; daarna had hij den Senaat gewezen op artikel 38 der grondwet, welke voor het loopende jaar (X) de vervanging gebood van het eerste één vijfde der twee andere staatslichamen, de verdere regeling overgelaten aan zijn ambtgenoot en was naar Milaan vertrokken om zich hier te laten uitroepen tot president der Italiaansche republiek.

Toen hij den laatsten Januari terugkwam, was over de hoofden der oppositie in Tribunaat en Wetgevend Lichaam het vonnis reeds geveld. Twintig leden van het eerste, zestig van het tweede waren niet bij loting doch bij keuze zooals men het noemde “geëlimineerd,” ze zouden worden vervangen door even zooveel anderen, die meer den geest van het gouvernement waren toegedaan. Carnot en Lucien kregen zoodoende in Maart een zetel in het Tribunaat; terstond wierp de laatste zich weder op tot leidsman der openbare meening.

“Ik ben een soldaat, een zoon der revolutie en zal me niet als een koning laten beleedigen” had de Eerste Consul reeds een tijdlang te voren in den Raad van State gezegd, thans had hij de oppositie zijn klauw laten voelen.

Waardiger, grooter zou hij zich getoond hebben, als hij die minderheid die òf hem persoonlijk haatte òf hem alleen bestreed uit zucht tot oppositie desnoods met een minachtend schouderophalen was voorbijgegaan, maar hij was driftig en lichtgeraakt, duldde bijna geen tegenspraak en had voor Frankrijks eer en grootheid alleen reeds meer gedaan, dan al “die babbelaars en idéologen,” zooals hij ze noemde, te zamen. Eindelijk kende hij zijn tegenstanders in het Tribunaat mogelijk te goed om niet te zien, dat, was zijn houding een lijdzame en geduldige, deze hen stoutmoediger zou maken en dat ze voor hem en de natie bepaald gevaarlijk konden worden als de meerderheid in Senaat en Wetgevend Lichaam, wat niet volslagen onmogelijk was, [164]met hen één lijn begon te trekken en als ook een deel van het leger zich in den strijd mengde.

Want ook hierbij en vooral onder de generaals, die met Moreau in Duitschland hadden gediend, telde hij heel wat vijanden. Lannes en Augereau waren reeds zoo brutaal geworden, dat de eerste van zijn commando ontheven en als gezant naar Portugal gezonden was; Massena was verwoed, dat hem het commando over het leger in Italië ontnomen en aan Brune opgedragen was; over een huis had hij bovendien standjes met Joséphine gehad. Gouvion St. Cyr en Macdonald waren wel beiden niet in Parijs, doch staken hun vijandige gezindheid tegenover hem niet onder stoelen of banken.

Moreau, een dapper soldaat, doch een karakterloos man, had zelfs reeds openlijk tegen hem partij gekozen en werd in zijn haat gesterkt door zijn vrouw, die jaloersch was op Joséphine en door zijn schoonmoeder, mevrouw Hulot, evenals deze een creoolsche en reeds jaren met haar op voet van oorlog.—Voor de oppositie was deze volbloed republikein, die zoo belangeloos heette maar niettemin een rijk en prachtig hotel te Parijs zijn eigendom noemde, de aangewezen man om Bonaparte op te volgen, “als deze toevallig een ongeluk mocht overkomen.”

Al die generaals misten echter een groot troepencommando; zij waren dus niet zoo gevaarlijk als Bernadotte, die er wel een bezat, namelijk dat van Rennes over de korpsen van ’t Westen. Door Jozefs invloed lid geworden van den Raad van State (1800) had hij toen reeds sterk geïntrigeerd om òf in Italië òf in de Bataafsche republiek òf te Parijs een groot commando machtig te worden. Daarop had hij zich door zijn heftige taal tegen Leclerc, toen deze op marsch naar Brest eenige uren te Rennes bij hem was, bij Bonaparte zoo verdacht gemaakt, dat deze hem zijn commando ontnomen en naar Parijs geroepen had. Weder in genade aangenomen, had hij (Januari 1802) bedankt voor het kapitein-generaalschap over Guadeloupe en toen voor dat over Louisana zooveel voorwaarden gesteld, dat Bonaparte hem had laten gaan en generaal Victor hiervoor had aangewezen. Thans zat hij weder te Rennes bij een grootendeels van het Rijnleger afkomstigen troep, die in geen drie jaar soldij had gezien, waarbij telkens gevallen van grof verzet plaats vonden en de desertie sterk toenam, bij een troep dus, die weinig meer noodig had om, door mooie beloften en goud verlokt, zoodra Bonaparte was gevallen, over te gaan tot een pronunciamento.

Prachtig voor het oog, was diens positie volstrekt niet.

Wie zal het bevreemden, dat hij zich wapende, zijn garde vergrootte en toen hij den eersten Paaschdag ter eere der sluiting van het Concordaat in de Nôtre Dame de hoogmis ging bijwonen, ook vier bataljons dier garde met de bajonet op in de kerk deed opstellen. Had men hem het lot van Romulus niet toegedacht? Bestond er geen komplot om hem onder de mis te [165]vermoorden?—Dat Bernadotte hiervan wist, staat vast. Jozef ook? Zou zijn zwager hem niet hebben gewaarschuwd? In elk geval bedankte de man, die bij de gesloten verdragen als onderhandelaar was opgetreden, voor de eer, om in de kerk te gaan naast zijn broeder; hij bleef liever bij zijn collega’s van den Raad van State.

De vier bataljons garde in de kerk maakten effect. Er gebeurde niets.

Te Rennes gebeurde echter wèl iets. In afwachting van den loop der zaken te Parijs, had generaal Simon, Bernadotte’s chef van den staf, in stilte twee oproerige proclamaties doen drukken en had die per post verzonden (26 Mei). De politie kwam de samenzwering op ’t spoor en Simon en eenige subalterne officieren werden opgepakt, doch Bernadotte ontsprong den dans. Hij was even te voren met zijn vrouw naar Plombières vertrokken en wist, zoo heette het, van den prins geen kwaad. Maar Bonaparte wist wèl. “Praat me niet van dien schoft, die had den kogel verdiend,” zei hij tegen Rapp, toen deze Bernadotte’s naam noemde.

Toch deed hij hem niet vervolgen; de ander was immers een zwager van Jozef en de echtgenoot van Désirée Clary, de eertijds door hem versmade geliefde en Bonaparte was nu eenmaal Corsicaan met een aangeboren sterk familiezwak en met een onfeilbaar geheugen voor personen, die door hem vroeger te kort waren gedaan en onder deze bekleedde de kleine Désirée volgens hem een eerste plaats. Schonk hij haar later (1808) niet een van de drie kostbare pelzen, welke keizer Alexander hem te Erfurt had aangeboden; regelde hij niet zelf al de bijzonderheden van haar vertrek, toen haar man als kroonprins naar Zweden was geroepen?

Juist die bij hem zoo sterk sprekende karaktertrek, zijn vaak onverklaarbare verblindheid en zwakheid voor zijn naaste familieleden, zijn jarenlang onverzettelijk vasthouden aan het geloof, dat zijn broeders even geniaal en even bekwaam, ja zelfs genialer en bekwamer waren dan hij zelf, dat Lucien, doch vooral Jozef een superieur man was en dat vooral die twee hem bij zijn grootsche plannen met al hun krachten zouden terzijde staan, dat waar zij te kort schoten geen onwil of kwade trouw doch alleen hun jeugd en hun onervarenheid hiervan de schuld droegen, heeft hem geleid tot daden, waarvoor ieder ander in zijn plaats zich zou hebben gewacht; eerst in 1810 had hij ingezien, dat zijn stelsel van familieregeering verderfelijk was geweest.


In deze dagen was er nog in de familie Bonaparte een belangrijke verandering voorgevallen, want het was Joséphine ten slotte gelukt, het reeds vermelde huwelijk tot stand te brengen van Bonaparte’s broer Louis en haar dochter Hortense. Al is het onjuist, zooals Louis zelf later heeft beweerd, dat hij tot deze verbintenis was gedwongen, erg enthousiast waren de jongelui in [166]het eerst volstrekt niet over hun huwelijksplannen. Louis had er aanvankelijk wel geen ooren naar gehad, met Hortense in het huwelijksbootje te stappen, maar na zijn Duitsche reis had de melancolieke man, die met de personen van zijn stand weinig omging en er alleen enkele obscure vrienden op na hield, in het huwelijk toegestemd. Ook was zijn verhouding tot Hortense wel wat veranderd, ja Masson zegt zelfs, dat Louis verliefd op haar was en zich dan ook volstrekt niet stoorde aan het verzet, dat hij ondervond van de zijde van Lucien en Jozef, die het huwelijk volstrekt niet goed konden keuren. En Hortense? Zij had gedwee de zachte drang van haar moeder, die zij vereerde, gevolgd en had ook haar toestemming gegeven, al kan men niet zeggen, dat daardoor een van haar hartewenschen werd vervuld. In de laatste maanden van 1801 was tot deze verbintenis besloten en in het begin van Januari 1802 werd het huwelijk voltrokken in tegenwoordigheid van tal van familieleden en van deze plechtigheid maakten Murat en Caroline gebruik om ook hun huwelijk nog kerkelijk te doen sluiten.

Een groote wensch van Joséphine was hiermede vervuld, want zij achtte deze verbintenis voor haar eigen plaats in de familie van groot belang, zoowel nu als later. En dan had ze hiermede nog wel Louis gewonnen; iemand die een zoo groote plaats in Bonaparte’s hart innam en die zelfs in zijn gedachten in aanmerking kwam voor zijn opvolger. Joséphine had de kerkelijke wijding van haar eigen huwelijk tegelijk met die van Louis en Murat niet durven vragen, maar dit verdriet verduisterde geenszins den triomf, welken ze had behaald. Later, hoopte zij, zou ook dat nog wel gelukken en van de geestelijkheid verwachtte ze daarbij steun. De tijd zou leeren, dat ze gelijk had. [167]


1 Hij wilde het Iersche parlement vereenigen met dat van Engeland en Schotland, ook de katholieke Ieren toelaten tot de hooge staatsbetrekkingen en het ongelukkige eiland dus opheffen uit zijn staat van halve slavernij.

2 In de Fransche koloniën in West-Indië werd de slavernij, tijdens de omwenteling afgeschaft, weldra door Bonaparte hersteld.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XII.

Consul voor het Leven.

Van de “zuivering” in het Tribunaat en in het Wetgevend Lichaam, door allen een staatsgreep genoemd, welke die van den 18en Brumaire in stoutheid overtrof, maakte Bonaparte terstond gebruik om eenige reeds lang gereedliggende ontwerpen van wet, op welker aanneming hij bijzonder was gesteld, in behandeling te doen nemen. ’t Waren die op het reeds zeven maanden te voren geteekende Concordaat, op de amnestie der émigrés, op de reorganisatie van het openbaar onderwijs, eindelijk op het vredestractaat van Amiens en op de instelling van het Legioen van Eer.

Den 5en April werd de nieuwe zitting geopend; een regeling, door Lucien voorgesteld, had het Tribunaat zoo goed als machteloos gemaakt; het Wetgevend Lichaam was bevreesd geworden, en de vooral bij het leger zeer onwelkome wet op het Concordaat, werd in twee dagen afgehandeld. Die op de émigrés, welke laatsten al de goederen terug ontvingen, die nog niet publiek verkocht en dus nog staatseigendommen waren, werd bij senaatsbesluit aangenomen, maar de bosschen, waarover Bonaparte de vrije beschikking aan zich behield, bleven uitgezonderd.

De wet op het onderwijs vond bestrijders genoeg. Roederer zeide o. a. dat ze niet alleen een zedelijke doch ook een politieke strekking had, dat men de ouders door de kinderen aan het gouvernement trachtte te verbinden, dat er niets in bepaald was voor de meisjes en dat er van zorg voor het allereerste onderwijs geheel niet werd gerept. “Voor dit laatste was de moeder ruimschoots voldoende; daarmede had de staat zich niet te bemoeien,” beweerde echter Challan, een der voorstanders van de wet. Eenige stemmen gingen [168]zelfs op om ’t volk kosteloos lager onderwijs te geven, doch al deze voorstellen werden ter zijde geschoven. Het onderwijs werd een voorwerp van staatszorg, den reusachtigen invloed der geestelijkheid op de opleiding der jeugd werd hiermede tegelijkertijd een stevige breidel aangelegd.

Als een bekroning op zijn wetgevenden arbeid deed de Eerste Consul eindelijk in Mei zijn ontwerp van wet indienen tot instelling van een Legioen van Eer. Tijdens de omwenteling was aan militairen, die zich in den krijg hadden onderscheiden, van rijkswege een eeregeweer of een eeresabel uitgereikt; de instelling van het Legioen van Eer had een veel ruimere strekking; in de eerste plaats zou het voor het leger bovengenoemde eereteekenen vervangen door een decoratie met het devies: Honneur et Patrie; dan zou hierdoor een uit burgers en militairen samengesteld lichaam ontstaan, dat den Eersten Consul tot hoofd had en door een eed, een jaargeld en een reeks bijzondere verplichtingen aan hem was verbonden, tenslotte zou hierdoor zooveel doenlijk die hiërarchie van notabelen vervangen worden, welke haar ontstaan had te danken aan de grondwet van het jaar VIII. “Die notabelen zou hij, het hoofd van den staat, voortaan zelf wel aan de natie aanwijzen en ze stempelen met zijn eigen zegel.”

Feitelijk schiep Bonaparte hiermede een zuiver persoonlijken adelstand, waarin men enkel en alleen kon worden opgenomen door verdiensten en die ook slechts verleend werd aan landskinderen, want wie niet kon bewijzen, dat hij in zijn woonplaats had gediend bij de nationale garde, werd er niet in opgenomen, al had hij overigens nog zoo groote verdienste. Niet de Eerste Consul benoemde, doch een Groote Raad van zeven leden, bestaande uit de drie consuls en één afgevaardigde uit ieder groot staatslichaam, terwijl het geheele Legioen zou tellen vijftien cohorten, ieder van zeven groot-officieren, eenige commandeurs en officieren en 350 ridders, te zamen zes duizend hoofden.

Wel weerde de oppositie, vooral de republikeinsche partij zich heftig tegen een instelling, die naar de dagen der monarchie terugvoerde, doch Bonaparte gaf niet toe. “Alles heeft men vernietigd, ’t is zaak weder op te bouwen,” zei hij o. a.; de wet werd aangenomen en het Legioen van Eer bestaat nog.

Vooral Lucien had als tribuun voor de wet in heftige, bevelende taal tot zijn collega’s gesproken. Van den Jacobijn van 1793 was niets meer overgebleven. Van nu af was bij de republikeinen het verzet zoo goed als gebroken; zelfs de wet op het beheer der koloniën, welke de slavernij weder in ’t leven riep, vond slechts weinig tegenstand.

Dat de omvangrijke arbeid, besteed aan de samenstelling van al die nieuwe wetten, niet ten doel had Bonaparte als Eerste Consul slechts een beperkt aantal bestuursjaren te schenken, maar veeleer om zijn gezag ten slotte onbeperkt te maken, was voor niemand meer een geheim. Een ieder [169]sprak er over, alleen hij zelf zweeg. Dat een Consulaat van tien jaar hem niet langer bevredigde hield hij zelfs geheim voor zijn broeders. Onbevangen sprak hij met Cambacérès, die in hooge mate zijn vertrouwen bezat en met Talleyrand en Fouché, wier invloed hij zelf gestadig deed aangroeien over alle publieke belangen; zijn eigen persoon bracht hij echter nooit in ’t debat. Zooveel te meer spraken zijn broeders en hun aanhang, de zoogenaamde monarchalen over en met hem. Vooral Lucien, nog steeds vervuld met erfelijkheidsbedoelingen, drong krachtig bij hem aan om de souvereine macht te grondvesten op de puinhoopen der Republiek en met de hem eigen autoriteit verkondigde Talleyrand telkens weder, dat er met Europa beter viel te onderhandelen uit naam eener monarchie, dan uit naam eener republiek.

Doch Bonaparte zweeg. Toen Joséphine zich met de quaeste wilde bemoeien en hem waarschuwde voor Lucien, die alleen zijn eigen belang op ’t oog had, niet was te vertrouwen en steeds klaagde, dat hij niets kon worden, zoolang Napoleon slechts consul voor tien jaar was, snauwde hij haar een bits: “Blijf jij bij je spinnewiel” toe. Wel verlangde hij naar het oppergezag, doch voor een monarchie vond hij zoo kort na de omwenteling den tijd nog niet gekomen; voor zich zelf iets vragen wilde hij niet; wat hij wenschte moest hem worden aangeboden. Het oogenblik, waarop dit zou geschieden, verbeidde hij te Malmaison.

Den 6en Mei gaf hij in dezen een wenk. Bij monde van Cambacérès deed hij het Tribunaat weten, dat het vredestractaat met Engeland op het bureau zou worden nedergelegd om tot wet te worden verheven en dat het tijdstip gunstig was “om een wensch te uiten, die den Eersten Consul aangenaam kon zijn.” Terstond werd nu de Senaat uitgenoodigd den Eersten Consul een schitterend bewijs te geven van de voldoening der natie.

Hiermede in kennis gesteld, sprak hij zich nog niet uit over de wijze, waarop dit kon geschieden; de man, die zijn meening anders altijd in zoo heldere, duidelijke taal wist te kennen te geven, antwoordde slechts met een paar ontwijkende woorden. “Anderen roem, dan dien, dat hij de hem opgedragen taak ten einde gebracht had, verlangde hij niet” en dergelijke. Hij speelde de Sfinx. Dit was gevaarlijk, want Fouché had hem doorzien en Fouché, die bij Joséphine steeds steun had gevonden, doch al zijn pogingen om bij den ouden adel en de aristocratie eenigermate in de gratie te komen, enkele contant betaalde edelen uitgezonderd, had zien mislukken, die de vijand was van Lucien en Talleyrand, Bonaparte’s stuwkrachten naar het Consulaat voor het leven, besloot terstond een spaak in ’t wiel te steken. Hij bewerkte ijlings den Senaat, betoogde, dat Bonaparte zelf geen hooge wenschen koesterde en wist zoodoende te bewerken, dat het senaatsbesluit van den 8en Mei alleen sprak van een verlenging van tien jaar.

Dit vernemende, werd Bonaparte geweldig boos, beraadslaagde met zijn [170]broers en Cambacérès en deed den Senaat toen weten dat: “De natie hem had bekleed met het oppergezag en hij zich van haar vertrouwen niet zeker zou achten, als zij thans ook niet haar stempel drukte op de acte, waarbij men hem dat gezag voor langer tijd wilde verleenen” enz. De wenk was duidelijk genoeg en den 11en Mei bevatte de Moniteur het Senaatsbesluit, dat de natie zou worden geraadpleegd over de vraag: “Of Napoleon Bonaparte Consul zou worden voor het leven.

Van erfelijkheid of van het recht van aanwijzen eens opvolgers werd niet gesproken. Denkende ook den Eersten Consul hiermede een dienst te bewijzen, had Roederer een van Jozefs vrienden de woorden “en of hij de bevoegdheid zal hebben zelf zijn opvolger aan te wijzen” wel bij het oorspronkelijke ontwerp ingelascht, doch Bonaparte had ze geschrapt. Geen Jozef, geen Lucien zou hem de baas zijn of dwang op hem uitoefenen. Aan zijn hoofd behoefde Frankrijk geen babbelaar doch een soldaat en soldaat waren die twee niet; nog in andere opzichten schoten zij in zijn oog te kort; in geld en goed en vette baantjes was hij bereid hun een vergoeding te geven, verder verkoos hij niet te gaan. Bovendien had hij aan zijn intiemen reeds vaak genoeg ruiterlijk te verstaan gegeven, dat hij nog jong was, nog niet het minste plan had op te stappen en dat al die speculaties op zijn dood hem hartelijk begonnen te vervelen. Jozef verried zijn teleurstelling alleen aan zijn vertrouwelingen ; zijn broer, beweerde hij, was op zijn gezag zoo ijverzuchtig, dat hij het met niemand wilde deelen; dat zijn bestaan voor Frankrijk onmisbaar was, moest de natie diep beseffen; daarom wilde hij geen opvolger zien benoemd.

Dat de aard der dingen, de omstandigheden waarin Bonaparte verkeerde, de nieuwe wetten, welke in voorbereiding waren en die Jozef reeds kende, de zijdelingsche invloed der émigrés en der geestelijkheid ten slotte toch in de richting der erfelijkheid zouden wezen, was echter nu reeds te voorzien.


Nog voordat de uitslag van de stemming bekend was, die op Frankrijks lot van zoo onberekenbaren invloed zou worden, werd de instelling van het Legioen van Eer tot wet verheven, werden Jozef en Lucien, de eerste door den Raad van State, de tweede door het Tribunaat verkozen in den Grooten Raad en de Constitutie van het jaar VIII naar den nieuw te scheppen toestand omgewerkt en aangevuld. In den vorm van een organiek Senaatsbesluit tot wet verheven, bestemd “de vrijheid en de gelijkheid te beschutten tegen de grillen van het toeval en de onzekerheid van de toekomst,” was deze grondwet toch voor velen, in de eerste plaats voor Joséphine een verrassing, zooals bleek, toen de Eerste Consul, die in alle staatsstukken voortaan Napoleon Bonaparte zou worden geheeten, den 2en Augustus met ruim drie en een half millioen stemmen tegen iets meer dan negen duizend, waaronder die van Massena, [171]tot Consul voor het leven was uitgeroepen. Van de grondwet van het jaar VIII was weinig of niets overgebleven. Het Tribunaat werd teruggebracht tot vijftig leden; zelfs voor de behandeling der wet op de middelen behoefde het Wetgevend Lichaam geen verplichte zittingen meer te houden en de Raad van State zag zijn invloed op de staatszaken overgebracht naar een geheimen Raad, waarvan de samenstelling telkens naar behoefte kon worden gewijzigd.

Alleen de Senaat had nòg meer macht gekregen dan hij reeds bezat, o. a. het recht de grondwet aan te vullen en den tekst er van te verklaren, de vonnissen der rechtbanken te vernietigen, het Tribunaat en het Wetgevend Lichaam te ontbinden enz. Zijn voorzitters waren de Consuls, die alle drie voor het leven werden benoemd. De Eerste verkreeg bovendien het recht het ledental van den Senaat te brengen op 120 (dus 54 nieuwe leden te kiezen en de meerderheid naar willekeur te verplaatsen.) Ongeacht hun leeftijd—dit sloeg op Jozef en Lucien, die nog te jong waren—werden de leden van den Grooten Raad van rechtswege senatoren. Gratie verleenen, beslissen over oorlog en vrede zou voortaan eveneens tot Bonaparte’s attributen behooren, eindelijk zou hij zelf zijn opvolger reeds bij zijn leven of bij testament kunnen aanwijzen.

Het recht, dat hij kort te voren had verworpen, had hij thans dus toch aanvaard. Waarom? Natuurlijk dacht ieder, dat hij voor zijn opvolger een zijner broeders op het oog had. Volstrekt niet; die twee had hij met zijn sluw berekenend brein zelf senator gemaakt, hen dus opgenomen in een groot lichaam, waarover hij zich meester achtte en hen met al hun geheime plannen hierdoor tot machteloosheid gedoemd en in zijn diepste diep waarschijnlijk toen reeds besloten, het kind dat Hortense, sinds 3 Januari de vrouw van Louis, reeds enkele maanden onder het hart droeg, mocht het een zoon wezen, tot zijn erfgenaam te bestemmen. Tegenover een zoo jeugdig wezen was alle achterdocht van zelf uitgesloten; op hem invloed uitoefenen kon het niet, hem weerstand bieden evenmin en tegen deze keuze konden zijn broeders, die zelf nog geen mannelijke nakomelingen bezaten, niet in opstand komen.

In Bonaparte’s positie was dus opnieuw een groote wijziging gekomen, het oppergezag in den ruimsten zin des woords bezat hij reeds; van het republikeinsche beginsel was nog maar een schaduw overgebleven; nog niet in naam, wel feitelijk was hij reeds alleenheerscher. De eenige, die bij deze wijziging schade leed was Fouché. Bonaparte zag in hem alleen nog den man, die in den Senaat tegen hem had geïntrigeerd en hield geen rekening met de groote diensten, hem door Fouché den 18en Brumaire en later bewezen. Hij ontnam hem dus de portefeuille van Justitie, maar schonk hem tevens een zetel in den Senaat. Algemeen liep het praatje, dat hij aldus handelende, was gezwicht voor den invloed van Jozef en Lucien, met wie hij in de laatste weken (Augustus) druk had beraadslaagd, dat hij het gouvernement tusschen [172]hen beiden en Talleyrand wilde verdeelen en Duroc in ’t paleisbeheer vervangen zou worden door Louis; in één woord dat hij zijn broeders baas laten wilde.

Van kommer en angst voor de toekomst wist Joséphine niet, waar zij ’t zoeken zou, tot Bonaparte haar met een enkel woord geruststelde: “Dien zotteklap kan ik niet smoren, maar ik ben niet gek genoeg mij afhankelijk te maken van mijn vijanden. Over Lucien krijg ik dagelijks klachten, onlangs nog weer uit Madrid,” zei hij.—De nieuwe functionarissen, allen vrienden van haar, als Regnier, die als opperrechter de portefeuille van Justitie in naam overnam, doch deze terstond toevertrouwde aan den staatsraad Real, ook een intimis; Chaptal, die minister van Binnenlandsche Zaken bleef, en Fouvevoy, die den ook tot senator benoemden intrigant Roederer verving als directeur-generaal van het openbaar onderwijs, verrieden haar, dat zij bij deze omwenteling veeleer gewonnen dan verloren had. Bovendien bleek duidelijk, dat Bonaparte geen plan had het oppergezag met wien ook te deelen, dat hij zich van zijn broers had bediend om zich zelf te dekken en dat hij door Fouché te ontslaan zoowel hen als de monarchale partij slechts in schijn een offer had gebracht, want de nieuwgekozenen behoorden evenals Fouché tot de republikeinsche fractie; alleen waren zij minder berucht, minder verdacht en heel wat eerlijker dan de man, dien Bonaparte tijdelijk had op zijde geschoven om hem terug te roepen, zoodra hij hem weder noodig had.

Bij de nieuwe grondwet was het tractement van den Eersten Consul voor representatie- en reiskosten en voor het onderhoud van de Tuilerieën en van het paleis te St. Cloud1 vastgesteld op zes millioen francs, doch door verschillende baten van allerlei aard was dit cijfer in het jaar X reeds gestegen tot bijna dertien millioen; in ’t jaar XI klom het tot zestien millioen; de kosten der huishouding waren echter eveneens geweldig vermeerderd. Dat Bonaparte gehecht was aan uiterlijke pracht en praal, had hij reeds bewezen, toen hij in October 1801 den minister van Binnenlandsche Zaken de opdracht had gegeven voor hem een kort zwaard te doen vervaardigen om te dragen bij plechtige gelegenheden en dit wapen o. a. te doen versieren met den Regent en andere kostbare diamanten uit de schatkist. Voltooid vertegenwoordigde dit wapen alleen aan edelgesteenten een waarde van veertien millioen francs.

Op Paaschdag 18 April bij gelegenheid van het herstel van den eeredienst, was hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig in een rood fluweelen rok met gouden palmen, het hoofd gedekt door een gepluimden hoed naar de Nôtre Dame gereden. De leden van den Raad van State, de gezanten, de ministers en de twee andere consuls in koetsen met vier en met zes paarden gingen voorop, omstuwd door een drom van lakeien in kostbare livrei. [173]Zestig kanonschoten hadden het vertrek van dien meer dan vorstelijken stoet, te Parijs de eerste na de omwenteling, aangekondigd; met zes door mamelukken aan de hand geleide paarden voor zijn rijtuig uit, en de te Parijs bevelvoerende garde- en divisiegeneraals hier om hem, was hij het Te Deum gaan hooren; het publiek had dien praal en vooral dien drom van lakeien prachtig gevonden.

Nog vóór zijn benoeming tot Consul voor het leven had ook zijn omgeving een groote wijziging ondergaan. Had hij aanvankelijk slechts een militair huis gehad, gevormd door zijn adjudanten en had een voormalig minister de functie van kamerheer en ceremoniemeester vervuld, de gezanten binnengeleid en meer van die diensten van ceremonieel bewezen, zonder dat er op het punt van etiquette en vormen eenige regels waren vastgesteld, zelfs zonder dat er voor den Eersten Consul een officieele titulatuur bestond, dit alles veranderde thans geheel. Een civiel huis met kamerheeren, paleisprefecten en dergelijk personeel trad in functie; voor het costuum, het ceremonieel en de recepties kwam een uitgebreid voorschrift; een gestrenge etiquette, die o.a. zelfs het ten paleize gaan zitten en gedekt blijven verbood, werd ingesteld en de garde uitgebreid. Dat men den monarchalen regeeringsvorm snel tegemoet ging was voor niemand meer een geheim en wie dit nog mocht hebben betwijfeld, zou wel tot andere gedachten zijn gekomen bij het aanschouwen van den luister, waarmede de geboortedag van den Eersten Consul den 15en Augustus in de geheele Republiek voor de eerste maal werd gevierd.

Eenige dagen later aanvaardde Bonaparte het voorzitterschap van den Senaat. Begeleid door de consulaire garde te paard, omstuwd door een schitterenden staf, reed hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig, gevolgd door de andere consuls, de ministers en verdere grootwaardigheidsbekleeders naar het paleis van het Luxemburg en zette zich op een soort van troon. Hier nam hij de nieuwgekozen senatoren Jozef en Lucien den eed af, deed zich de senaatsbesluiten voorleggen, waarbij o. a. het ceremonieel voor de hoogste staatsdienaren, de wijze van vernieuwing en ontbinding van het Wetgevend Lichaam en het Tribunaat werden vastgesteld en het eiland Elba met Frankrijk werd vereenigd en deed daarop door Talleyrand lezing geven van een hoogst belangrijk rapport over de schikkingen, onder zijn leiding in Duitschland in voorbereiding, om de vorsten langs den linker Rijnoever uit de kerkelijke goederen schadeloos te stellen voor het door hen bij de vredes van Campo Formio en Lunéville geleden verlies.

Een enkel woord moge dienen om den toestand duidelijk te maken.

Bij die verdragen was bepaald, dat Frankrijks oostelijke grens onder anderen zou worden gevormd door den Rijn, van Bazel tot een punt tusschen Emmerik en Nijmegen.

Zoodoende had Beieren het hertogdom Zwei-Brücken, Rijn-Beieren en [174]het hertogdom Gülick, zoo hadden Wurtemberg en Baden het prinsdom Montbehard en andere domeinen moeten afstaan. De geestelijke keurvorsten van Maintz, Trier en Keulen hadden zoo goed als niets overgehouden. Ook Hessen, de bisschop van Luik en die van Bazel waren aan den dijk gezet. Pruisen had het hertogdom Gelre, een deel van dat van Kleef en het prinsdom Meurs moeten afgeven. In Italië hadden twee aartshertogen uit het Oostenrijksche huis respectievelijk Toscane en Modena verspeeld en in Holland was het huis van Oranje-Nassau, de bondgenoot van Pruisen, eveneens uit een aantal persoonlijke eigendommen ontzet.

Al deze vorsten nu, die van Nassau, van Toscane en Modena hieronder begrepen, zouden uit de verbeurd verklaarde kerkelijke bezittingen in Duitschland, gezamenlijk ongeveer één zesde van het geheele grondgebied, worden schadeloos gesteld. Vrij van alle lasten, zooals kosten van belasting heffen, van privileges en andere te betalen toelagen en tractementen, bedroeg de opbrengst van die goederen te zamen wel vijftig millioen gulden.

Te Parijs hoorde Bonaparte nu de verschillende partijen. Bij Engelands onbetrouwbare politiek was het voorkomen eener nieuwe coalitie voor hem van ’t meeste belang en een hecht bondgenootschap op het vasteland met Pruisen bijvoorbeeld, hiertoe van onberekenbaar nut, al mocht deze staat hierom toch ook weder niet zoo machtig gemaakt worden, dat hij Oostenrijk overheerschte, anders kon die op zijn beurt van een nuttigen bondgenoot een gevaarlijke mogendheid worden.

In het door hem ontworpen plan zouden Oostenrijk, Pruisen en Frankrijk drie groote staten vormen met ver van elkander verwijderde grenzen. Midden tusschen deze drie gelegen, zou de Duitsche Bond, tot één groot lichaam vereenigd, dan de even eervolle als belangrijke rol vervullen van scheidsmuur en van stootkussen tevens.

Het slot der onderhandelingen, door dit van grondige zaakkennis getuigende plan noodzakelijk geworden, was, dat met Pruisen en met Beieren, na Oostenrijk Duitschlands hoofdstaten, een overeenkomst werd getroffen, waarbij ook de belangen van het huis van Oranje-Nassau niet waren vergeten.

Het hoofd van dit huis zou de republiek erkennen; Pruisen zou ditzelfde doen ten opzichte van de Italiaansche republiek en het koninkrijk Etrurië en onvoorwaardelijk goedkeuren, dat Piëmont met Frankrijk werd vereenigd.

Wel kwam Oostenrijk een oogenblik tegen de uitvoering van het plan in verzet, dreigde er weder een oorlog, en stonden de Beiersche troepen bij ’t bezetten der hun toegewezen landstreken, bij Passau een korte poos tegenover de Oostenrijksche, maar de energieke houding van Frankrijk, Pruisen en Beieren had tengevolge, dat feitelijke vijandelijkheden uitbleven, en dat de vrede in Duitschland niet werd verstoord. Den 25en Februari 1803 werd een [175]beslissing verkregen. Beurtelings Pruisens eerzucht en Ruslands trots als middel bezigende om Oostenrijk te weerstaan, de macht van dezen staat verkleinende, zonder hem tot wanhoop te drijven, had Bonaparte voor Duitschlands welzijn en voor Europa’s rust zijn wil in midden-Europa doen zegevieren.


Laten wij thans in ’t kort nagaan, wat sinds 18 Brumaire door Bonaparte was verricht. Het Directoire eenmaal omver geworpen, had hij de teugels van het bewind met forsche vuist aangegrepen, de door Siéyès ontworpen grondwet ten deele gewijzigd, het staatsbeheer in allerijl geordend, het staatscrediet opgebeurd, voor de geregelde heffing en storting der belastingen maatregelen getroffen, de legers de eerste hulp doen toekomen, de Vendée onverhoeds met troepen overstroomd en den opstand hier ten deele bedwongen, uit diezelfde troepen daarna in stilte een reserveleger bijeengebracht; dit, toen Europa nog van geen vrede wilde hooren zelf over de Alpen naar Italië gevoerd, Oostenrijk hier bij Marengo verslagen en het verbijsterde Europa een wapenstilstand van een half jaar afgedwongen.

Deze tijdruimte had hij gebezigd om in de politiek van het vaste land een volkomen omkeer te brengen; de Ligue der Onzijdigen in ’t leven te roepen, Pruisen tot vriend te krijgen, al de havens van Europa van Texel tot Otrante voor Engeland te doen sluiten en reusachtige toerustingen te maken tot hulp van Egypte. In ’t binnenland had hij tegelijkertijd het financiewezen en het staatscrediet hersteld, de Fransche Bank in ’t leven geroepen, de wegen vernieuwd, de rooverbenden uitgeroeid, over de bergen prachtige verbindingen met Italië aangelegd, allerwege aan kanalen en bruggen een ontstaan gegeven en de grondslagen gelegd voor een nieuw stelsel van wetten. Dan had hij Oostenrijk, dat nog altijd aarzelde met vrede sluiten, door Moreau’s schitterende overwinning bij Hohenlinden gedwongen de door hem gestelde voorwaarden aan te nemen en het tractaat van Lunéville te onderteekenen. Eindelijk hadden zijn onverzettelijke wilskracht en de geduchte slagen, door zijn ijzeren vuist aan Engelands handel en industrie toegebracht, ook dit rijk genoopt in zijn vijandige houding tijdelijk verandering te brengen en had hij door het sluiten van den vrede van Amiens de kroon gezet op zijn werk tegenover het buitenland. Een Concordaat, waardoor Rome zich had verzoend met de Republiek, een amnestie voor de bannelingen, een reeks heilzame staatswetten, een krachtig stelsel voor openbaar onderwijs, een Legioen van Eer ter belooning van iederen Franschen burger, die zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, hadden hem in drie jaar tijd in het hart der natie een plaats doen veroveren, zoo hoog, zoo verheven als vóór hem zelfs een vorst nog nooit had ingenomen. Voor Frankrijk was hij geworden l’Homme. Schooner eeretitel kon hem niet worden gegeven. Dat anderen dan hij, vrienden van hem als Tronchet en Cambacérès, zijn buitengewone werk- en wilskracht, [176]zijn ver strekkende fantasie en grootsche bedoelingen opmerkende, beducht waren voor de toekomst; dat de eerste, hem vergelijkende met Cesar, de vrees uitsprak, dat hij ook als die Romeinsche Imperator eenmaal zou eindigen, deed niets af aan de glorie, welke zijn naam thans omgaf. Dat hij van de Republiek weinig meer dan een naam had overgelaten, zag ieder; dat hij Frankrijk de vrijheid niet had gebracht, eveneens. Maar de Republiek had Frankrijk aan den rand van den afgrond gevoerd, en de vrijheid waarvoor het tien jaar lang goed en bloed had veil gehad, was een droombeeld gebleken. Waarom den man, die rust, vrede en welvaart had doen wederkeeren, de oppermacht niet geschonken, waarnaar hij de hand uitstrekte? Niemand had die nog ooit zoo ten volle verdiend.

Zoo dacht de natie.

Eerste uitreiking van het Legioen van Eer.

Eerste uitreiking van het Legioen van Eer.

[177]


1 Uitsluitend de restauratie en meubileering van dit vorstelijk verblijf had zes millioen gekost.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XIII.

Oorlog met Engeland. Een nieuwe Samenzwering.

“Steeds heb ik, door alle met de waardigheid der Fransche natie vereenigbare middelen, gestreefd naar vrede met Engeland,” heeft Napoleon op St. Helena gezegd. “Ik voedde haat noch naijver tegen dat land. Wat raakte het mij of het toenam in rijkdom en voorspoed, mits dit ook het geval was met Frankrijk. De heerschappij over den oceaan betwistte ik het niet, alleen verlangde ik, dat het de vlag van Frankrijk eerbiedigde op zee, zooals de keizer van Rusland en die van Oostenrijk dit deden te land.”

Maar Engeland verkoos Frankrijks vlag niet te eerbiedigen. Het tegendeel was waar. Frankrijk moest, zoo beweerde o. a. lord Aukland, vernederd, klein gemaakt, zijn politieke invloed vernietigd worden om de Engelschen gelegenheid te geven hun zeemacht, hun handel en hun industrie zonder concurrentie uit te breiden. Alleen onder deze voorwaarde wilde Albion hooren van een wereldvrede.

Met al den hartstocht van zijn vurig temperament heeft Napoleon dit stelsel bestreden. Een jarenlange oorlog is hiervan het gevolg geweest, maar de verantwoordelijkheid voor dezen strijd draagt Engeland, want dit heeft al de coalities tegen Frankrijk in ’t leven geroepen en ze met millioenen gesteund. Dat de vrede van Amiens zoo spoedig is verbroken, is in hoofdzaak alleen te wijten aan Engeland en zelfs een van Napoleons heftigste bestrijders1 der laatste jaren, heeft dit in zijn biografie van Napoleon I erkend. “De Engelschen,” schreef hij, “hadden gehoopt van den vrede te kunnen profiteeren om hun [178]handel op te heffen uit zijn verval, doch zagen zich reeds enkele maanden later in hun plannen bedrogen. Napoleon had niet alleen niet bewilligd in een vernieuwing van het handelstractaat van 1786, dat den invoer van Engelsche koopwaren in Frankrijk begunstigde ten koste der Fransche nijverheid, maar zelfs een nieuwe overeenkomst gevorderd, die de ontwikkeling van Frankrijks handel onbelemmerd liet. De onderhandelingen werden slepende gehouden of leverden niets op; intusschen vaardigde Napoleon een decreet uit, waarbij de Engelsche koopwaren door hooge invoerrechten werden getroffen. Van stonde aan eischten fabrikanten en kooplieden toen den oorlog; voor hun belangen was deze nog minder nadeelig dan een vredestoestand, die hen ruïneerde.”

Engeland wilde Frankrijk verarmd, onderworpen, Napoleon wilde het groot, machtig en geëerd zien. Van een botsing tusschen deze twee beginselen was een oorlog op leven en dood het noodzakelijke gevolg. Reeds in September 1802 achtte Bonaparte het raadzaam Pruisen, waarmede hij den 5en dier maand een militaire conventie had gesloten, te waarschuwen voor “de Engelsche kuiperijen.” Redenen hiertoe waren voor ’t grijpen. De voornaamste bepalingen van het tractaat o. a., het binnen drie maanden ontruimd hebben van Malta en Egypte waren door de Engelschen nòg niet nagekomen; de pretendent, de graaf van Artois, de Condé’s werden nog geregeld uit de Engelsche schatkist ondersteund, droegen nog de vervallen Fransche decoraties en vertoonden zich hiermede zelfs bij wapenschouwingen, genoten vorstelijke eerbewijzen en spanden openlijk samen tegen de bij den vrede officieel erkende Republiek. Dan stond George Cadoudal, Napoleons belager, te Londen in hoog aanzien, leefde er op staatskosten als een grand seigneur; eindelijk ging er geen dag voorbij, waarin de Engelsche pers en die der émigrés geen variatie leverden op het grondthema, dat tirannenmoord geen misdaad was en regende het pamfletten, waarin Bonaparte en zijn familieleden op de gemeenste manier in woord en beeld werden gehoond en belasterd.

Had Napoleon die aanvallen op zijn persoon met hooghartig zwijgen beantwoord, dan zou hij hierdoor niet alleen Europa achting hebben afgedwongen, maar zijn aanvallers tevens geen voldoening hebben geschonken. Voor het volgen van zulk een gedragslijn was hij echter veel te opvliegend en te lichtgeraakt. Dat in Engeland vrijheid van drukpers bestond en zelfs de persoon des konings daar in schotschriften vaak belachelijk werd gemaakt en over den hekel gehaald, telde hij niet, maar greep zelf naar de pen, gaf in verschillende dagbladen lucht aan zijn verbolgenheid, stelde het Engelsche gouvernement verantwoordelijk voor ’t geen tegen hem werd geschreven en vorderde op hoogen toon een verbod, dat aan dien schimp een einde kwam.

Onder allerlei voorwendsels begon Engeland in November, dus in vollen vrede, zich weder te wapenen. Dat Frankrijk Louisiana, waarop het zelf was belust geweest, in ruil voor klinkende munt wilde afstaan aan Noord-Amerika; [179]dat het Piëmont in 1801 bij zijn grondgebied had ingelijfd; dat de Eerste Consul in Zwitserland als bemiddelaar was opgetreden; dat de kolonel Sebastiani, belast geweest met een zending naar het Oosten, over den toestand van Egypte een omstandig rapport had uitgebracht, dat echter volstrekt niet geheim gehouden doch in extenso in den Moniteur opgenomen was, waren feiten, zoo beweerde de minister Hawkesbury, die ieder op zich zelf wel geen casus belli vormden, maar te zamen genomen blijk gaven van vijandige bedoelingen bij Frankrijk. Het bezit van Malta was des Pudels Kern; dat Engeland dit eiland onder geen beding meer wilde loslaten, nu Napels en Tarente door de Fransche troepen waren ontruimd en het den sleutel der Middellandsche Zee hiermede had in handen gekregen, zei de minister niet, maar was voor niemand een geheim. Wel bleef geheim, dat het Engelsche gouvernement om een schikking mogelijk te maken, Bonaparte door bemiddeling van Jozef verschillende persoonlijke voordeelen als zijn erkenning tot consulaire Majesteit met de erfelijkheid van dezen titel in zijn familie, deed aanbieden, mits hij niet langer aandrong op Malta’s ontruiming.—

Wat kenden de Engelsche diplomaten nog weinig van dien eenvoudigen soldaat, die op alle politiek gedraai antwoordde met heldere, onverbiddelijke logica, die nooit doekjes wond om zijn voornemens, hen met hun diplomatiek gebazel deed versteld staan en o. a. den gezant Whitworth de uitdrukking ontlokte, “dat hij bij zijn onderhoud met hem (1803) veeleer gedacht had een Franschen ritmeester tegenover zich te hebben dan het hoofd van een der machtigste staten van Europa.” Oorlog met Engeland wilde hij bepaald niet. Toen de ontruiming van Malta nog altoos niet volgde, verzocht hij de bijeenroeping van een Europeesch congres om de uitvoering van het tractaat van Amiens te waarborgen, noodigde keizer Alexander, in de quaestie van Malta scheidsrechter te wezen, verpandde bij voorbaat zijn eerewoord, dat hij zich aan diens beslissing zou onderwerpen, zelfs al zou Malta ten eeuwigen dage aan Engeland toebehooren, maar dat zijn eer en plicht hem verboden het af te staan uit vrije beweging en dwong door deze fiere en ridderlijke taal den Russischen gezant Markoff eerbied af.2

Van een congres, zooals hij dit voorstelde, wilde Europa niets weten; dan had het hierdoor niet alleen het door Frankrijk gekozen gouvernement erkend en bevestigd, maar ook de verheffing gesanctionneerd van dien soldaat van onbekende afkomst, die de roem en de grootheid der schoonste dagen van Lodewijk XIV aan Frankrijks horizon deed gloren. Dit wilde Europa juist niet. Frankrijk moest liever klein en zwak dan groot en machtig gemaakt worden.

En keizer Alexander? Deze stond te zeer onder den invloed van Engeland, [180]waaraan hij waarschijnlijk in hoofdzaak zijn vroegtijdige troonsbeklimming had te danken, om in dezen scheidsrechter te willen wezen. Ook Pruisens houding was niet bijster vriendschappelijk.

“Mijn hof wil zeker van zijn oogenblikkelijk zoo gunstige positie gebruik maken om Frankrijk zeer gevoelige slagen toe te brengen zonder dat het zelf er iets van heeft te duchten,” mocht Whitworth wel schrijven aan zijn Russischen collega te Parijs en Bonaparte was zoo overtuigd van zijn onmacht ter zee en wist daarbij zoo goed hoe de zaken loopen zouden, dat hij den minister van financiën Marbois vroeg “of de Fransche reeders niet te bewegen zouden zijn hun ladingen te verzekeren bij Engelsche maatschappijen.”

In Maart 1803 werd het duidelijker dan ooit, dat Engeland den oorlog wilde. In dezelfde maand had Bonaparte op een receptie den Engelschen gezant in heftige bewoordingen te verstaan gegeven, wat hij van Engelands houding dacht.—“Gijlieden zijt tot den oorlog besloten; gijlieden verlangt oorlog. Reeds vijftien jaar hebben wij dien gevoerd; een tijdperk van nog vijftien wilt gij er aan toevoegen en gij dwingt mij er toe!” had hij Lord Withworth letterlijk toegesnauwd, zoodat al de aanwezigen over dien uitval versteld stonden. Geen twee maanden later was het zwaard reeds weder uit de scheede gerukt. Engeland dacht er niet aan Malta los te laten en voor Bonaparte was de Middellandsche Zee dan gesloten; hij bleef dus bij zijn eisch volharden het tractaat van Amiens na te komen en Malta te ontruimen. Ja, Engeland ging nog verder en eischte zelfs Lampedouze tusschen Malta en Tunis gelegen, hoewel dit in het tractaat van 1802 niet eens genoemd was. Deze laatste eisch kon als een soort ultimatum worden opgevat en nog voor het midden van Mei vertrok de Engelsche gezant.

Wederom oorlog dus en met den erfvijand! Weg waren de gedachten aan welvaart en voorspoed, aan dagen van vrede. Al zijn droomen van voorheen, de visioenen van grootheid, van een reusachtig rijk in het Westen van Europa’s vastland rezen weder bij Bonaparte op.—Engeland moest overwonnen, vernederd, verlaagd en als het kon vernietigd worden, dit werd van af dit oogenblik de hartstocht van zijn leven en in de eerstvolgende twee jaren zien wij hem met al den ijver, met al het vuur van vroeger bezig om van Den Helder tot Brest een transportvloot en een leger bijeen te brengen, zoo geducht, zoo geweldig, dat geheel Europa er van versteld stond en Albion de schrik om ’t hart sloeg.

Nog voor de gezant het Fransche territoir had verlaten, waren de vijandelijkheden van Engelsche zijde reeds begonnen met het in bezit nemen van tal van handelsschepen. Bij een decreet van den 22en Mei, den dag waarop Frankrijk haar oorlogsverklaring deed, werd bepaald, dat al de Engelschen, die zich op Fransch grondgebied bevonden, in hechtenis moesten worden genomen.

Bovendien kreeg Mortier last van uit Nijmegen met een leger naar [181]Hannover te gaan en dit keurvorstendom, dat aan den koning van Engeland behoorde, binnen te rukken en te bezetten. De pas 35jarige generaal kweet zich goed van zijn taak, want reeds negen dagen na ontvangst van het bevel tot den inval, had het Hannovraansche leger van bijna 40 000 man zich overgegeven, een succes, dat Napoleons bewondering opwekte. Tevens begon de generaal Saint-Cyr dwars door den Kerkelijken Staat naar de haven van Otranto te marcheeren om deze te wapenen. Moest Mortier zorgen het Pruisisch territoir ongeschonden te laten, Saint-Cyr kreeg in opdracht de grootste gematigdheid tegenover de Italiaansche bevolking aan den dag te leggen; bovendien moesten alle leveringen contant worden betaald, terwijl alle oproerige bewegingen terstond onderdrukt dienden te worden.

Vergezeld van Joséphine begon Bonaparte zelf in Juni een militaire en politieke inspectiereis door het noorden der Republiek en België langs Antwerpen en Vlissingen. Hier bezocht hij alle scheepstimmerwerven, tuighuizen en magazijnen en vond te midden van alle feestelijkheden, welke hem overal doch voornamelijk te Brussel wachtten en waarvan zijn vrouw volop genoot, nog tijd om aanteekeningen te maken betreffende ’t geen hij had gezien en verkeerd bevonden.

Ternauwernood te Parijs terug van dezen vermoeienden tocht door dat bij uitstek roomsche land, waarheen hij uit staatkunde ook den stokouden, pauselijken legaat Caprara had meegenomen, begon hij naar aanleiding van die opmerkingen een reeks van bevelen te geven.—Hier had de schatkist verzuimd, tijdig genoeg fondsen te zenden voor de aannemers; daar had het departement van marine nagelaten de benoodigdheden voor de vloot te bezorgen; verderop was de directie over de bosschen te laat met den aankoop en de levering van hout; nog verder was ’t de artillerie geweest, die vergeten had vuurmonden of munitie af te geven en zoo meer.

Voor dit alles zorgde hij thans zelf. Voor hem bestonden geen bezwaren. Ten slotte begaf hij zich naar Boulogne, het middelpunt van de beweging tegen Engeland, de plaats, waar de hoofdtoebereidselen nu werden gemaakt om 120 000 soldaten, 15 000 paarden en circa 400 bespannen vuurmonden met hun voertuigen in te schepen en over het Kanaal, dat daar ongeveer tien zeemijlen breed was, naar de Engelsche kust te voeren. Het plan was, dat ook van Brest en van Texel tegelijkertijd een groot eskader, elk met 15 000 man aan boord, zou uitzeilen. De oorlogs- en de transportvloot, voor het geheel benoodigd, zou ongeveer 2300 vaartuigen omvatten. Het was inderdaad een reusachtige onderneming. Daar deze geweldige massa schepen van allerlei soort en grootte niet in drie havens gebouwd en bijeengebracht kon worden, werd in alle kustplaatsen van Bayonne tot Texel met onverdroten ijver dag en nacht gearbeid.

Van dit reuzenwerk was Bonaparte de ziel. Omgeven door een staf van [182]ingenieurs en marineofficieren, de bekwaamsten van hun wapen, zag hij persoonlijk alles. IJverig en trouw stonden de minister Decrès en de admiraal Bruyes hem hierbij ter zijde.

Het is te begrijpen, dat het kabinet van St.-James ongerust werd, toen ze die geweldige toebereidselen tot een verpletterenden aanval op zijn grondgebied dagelijks zag toenemen. De oud-minister Pitt nam weder zitting in het Lagerhuis; een reserveleger werd bijeengebracht en een oproeping gedaan tot het vormen van vrijwilligerskorpsen. Tegelijkertijd begon Albion Pitts tactiek van vroeger weder te volgen door samenzweringen der émigrés opnieuw te steunen. Te Londen werd alles voorbereid tot een aanslag; daar vertoonde zich zelfs een Bourbon in een vergadering der chouans, die gezworen hadden den Eersten Consul, hoe dan ook, uit den weg te ruimen. Deze Bourbon, de Graaf van Artois, gaf dus openlijk zijn instemming met het laaghartige plan en compromitteerde zich daardoor voor zijn geheele leven.

Een hertog de Polignac, een markies de Rivière waren erbij betrokken. George Cadoudal, de ons reeds bekende aanvoerder der chouans, stond ditmaal aan het hoofd van de onderneming, die niets minder beoogde dan Bonaparte op den weg tusschen Malmaison en Parijs met honderd gewapenden aan te grijpen, zijn klein escorte van gewoonlijk twaalf guides over de kling te jagen en hem zelf?—Och hem zelf in het hierbij ontstane gevecht overhoop te steken. Dan was hij immers niet gevallen door de handen van een troep moordenaars, maar in een eerlijk gevecht! Dan kon het niet heeten dat de koningsgezinden hun tegenstander door een moord uit den weg hadden geruimd, dan was de eer tegenover Europa gered!

Ook generaal Pichegru, de dappere veroveraar van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, eenmaal Bonaparte’s leermeester te Brienne, later wegens verraad naar Cayenne verbannen, doch ontsnapt en nu te Parijs verscholen, had zich laten vinden bij deze nieuwe poging om de Bourbons weder op den troon te brengen. Zelfs Moreau, die zich op het oorlogstooneel steeds dapper toonde, maar in het burgerlijke leven zwakheid verried en zich geheel door zijn vrouw liet beheerschen, was niet onkundig aan de kwade bedoelingen van Pichegru. Als altijd jaloersch op Bonaparte zou Moreau niet ongenegen geweest zijn bij den val van den Eersten Consul een staatkundige rol te spelen.

Het nieuwe complot omvatte dus personen van verschillende richting, agenten van de Bourbons, voormalige aanvoerders der chouans, ontevredenen als Moreau; maar de ziel, de kern er van vormden de émigrés, de royalisten, dezelfde mannen dus die Bonaparte uit de verdrukking geholpen en met behulp van den grooten ijver van Joséphine uit de ballingschap teruggeroepen had. Niet alleen hadden zij de hoedanigheid van Franschman en staatsburger teruggekregen maar zooveel mogelijk waren hun, de tijdens de omwenteling verloren [183]bezittingen, teruggeschonken. Tot dank voor dit alles hadden ze in 1800 getracht hem door middel van een vat buskruit in de lucht te laten vliegen; thans wilden ze hem op den openbaren weg door een bende struikroovers—want een andere benaming verdienen Cadoudal en zijn aanhangers toch zeker niet—laten vermoorden. Dat zij zelven hierbij geen werkdadige rol speelden, doet ter beoordeeling van hun moreele schuld weinig af, want zij die de moordenaars van goud en wapens voorzien, achten we even misdadig als den moordenaar zelf. Zij zijn bovendien nog lafaards.

Reeds maanden lang wist Bonaparte, dat er in de Vendée iets tegen hem broeide; enkele chouans waren reeds in hechtenis genomen en zijn voormalige adjudant Savary, kolonel der gendarmerie geworden, had daar zelfs duidelijk de sporen ontdekt van een geheime beweging; ook had hij eenige verspreide benden deserteurs en kwaadwilligen uiteengedreven, die, zooals later bleek, handelden op aanstoken van Cadoudal. Voorzien van een massa Engelsch goud, hield deze zich met eenige makkers sinds maanden te Parijs verborgen en stond in rechtstreeksche gemeenschap met Pichegru en Moreau.

Van het bestaan van een complot tegen Bonaparte’s leven was echter nog niets gebleken, toen achtereenvolgens door een samenloop van omstandigheden, waarin Fouché en zijn agenten zeer waarschijnlijk een rol hebben gespeeld, in ’t begin van Februari 1804 eerst Picot, een bediende van Cadoudal, en daarop Bouvet de Lozier, diens voornaamste onderbevelhebber, te Parijs met de wapens in de hand en beiden met een zeer aanzienlijk bedrag aan goud op zak werden gearresteerd. De eerste bekende, dat hij zich reeds sinds Augustus met Cadoudal in de hoofdstad bevond. Bouvet zweeg doch poogde zich in zijn cel op te hangen.

Nog juist bijtijds door den cipier gered, deed Bouvet den minister Real daarop een omstandig verhaal van al ’t geen hij wist, n.l., dat Pichegru zich te Parijs bevond en tegelijk met Cadoudal en diens bende aan de klip van Biville bij Saint Leu in Bretagne was geland; dat een prins van den bloede van het komplot wist en naar Frankrijk zou komen, zoodra hier alles voor den aanslag was voorbereid; dat Pichegru, Cadoudal en Moreau op de boulevard de la Madeleine een nachtelijke bijeenkomst hadden gehad, en dat alleen Moreau’s besluiteloosheid de oorzaak was geweest, dat nog niet tot handelen was overgegaan.

Uit al de hierna volgende verhooren bleek hoe langer hoe duidelijker, dat het geheele komplot uitsluitend door de koningsgezinden en de émigrés in Engeland was op touw gezet, terwijl de groote hoeveelheden Engelsch goud, in ’t bezit der gearresteerden gevonden, genoegzaam aanwezen welk een aandeel Engeland zelf er aan had. De émigrés waren arm; zij hadden door de omwenteling alles verloren.

Was het te verwonderen, dat Bonaparte, die terwille van diezelfde [184]uitgewekenen zijn populariteit en, wat in die dagen van heel wat meer beteekenis was, het vertrouwen van alle oprechte en eerlijke aanhangers der omwenteling had op ’t spel gezet, ziende, wie hier achter de schermen zaten, woedend werd, zoo woedend zelfs, dat hij dagen achtereen zijn plannen te Boulogne, Brest en Texel vergat?

Een voorbeeld zou gesteld worden en den Bourbons moest worden duidelijk gemaakt, dat men niet ongestraft zich in verbinding stelde met lieden als Cadoudal en anderen. Bovendien, die voortdurende onrust nagejaagd te worden en elk oogenblik misschien door een sluipmoordenaar zijn leven te verliezen, daaraan diende voor goed een einde te komen; in drie jaar tijd waren er reeds zeven samenzweringen geweest. Uitgebreide maatregelen werden genomen en Savary lag weken achtereen, met een sterke brigade gendarmes op de loer bij de klip van Briville, nabij Dieppe aan ’t Kanaal, een bij de smokkelaars in die dagen welbekende landingsplaats. Volgens getuigenis van Picot en van Bouvet de Lozier was daar de plek, waar een der prinsen zou landen, zoodra te Parijs alles voor den aanslag gereed was. Op diezelfde plaats waren maanden te voren Pichegru en Cadoudal ook op Fransch grondgebied gekomen en vandaar waren ze langs boschwegen en afgelegen paden naar Parijs gegaan, waar zij zich hadden verscholen.—

Ofschoon uit de verhalen van eenige der gevangen genomen chouans vernomen werd, dat Moreau aan de samenzwering niet wilde meedoen, werd hij den 15en Februari toch gevangen genomen. Niet lang daarna vielen ook Pichegru en tal van bij het komplot betrokken edelen en chouans in handen der politie. Den 9en Maart werd ook Cadoudal na een woedend verzet op straat gevangen genomen.—

Terwijl het proces tegen deze samenzweerders in vollen gang was en men nog niet wist in hoever Fouché en zijn gewetenlooze agenten in deze zaak een rol hadden gespeeld, werd Bonaparte, zoowel misleid door verkeerde voorstellingen en door de inblazingen van zijn vleiers en enkele verdorven of blindelings gehoorzamende personen uit zijn omgeving, tot een daad gebracht, die ten eeuwige dage als een bloedvlek op zijn naam zal blijven kleven.

Wij bedoelen de terechtstelling van den jeugdigen hertog van Enghien, den kleinzoon van den prins van Condé.

In het Badensche plaatsje Ettenheim ten N. W. van Freiburg, niet ver van de Fransche grenzen woonde deze Bourbon reeds sinds het voorjaar van 1801. Had hij vroeger in de gelederen der émigrés als kolonel van een Oostenrijksch regiment tegen Frankrijk gestreden, na den vrede van Lunéville had hij zich in Ettenheim gevestigd uit genegenheid voor de aldaar vertoevende prinses Charlotte de Rohan-Rochefort; tevens om in het Zwarte Woud van de jacht te kunnen genieten. Nog steeds stond hij met Engeland in betrekking en ontving zelfs van dit land een maandelijksche toelage van 150 pond sterling. [185]In zijn omgeving bevonden zich o. a. de markies de Thumery en eenige andere uitgewekenen van minder beteekenis.

In tegenwoordigheid van Talleyrand werd Napoleon door Fouché ingelicht betreffende de aanwezigheid van dezen Bourbon zoo dicht bij de Fransche grenzen.

Bonaparte liet daarop in stilte door een sluwen wachtmeester der gendarmerie, die Enghien van vroeger kende, een onderzoek ter plaatse instellen en daardoor kwam hij onder meer te weten, dat de hertog, hoewel zijn vader hem tegen dergelijke onvoorzichtigheden van uit Engeland ernstig gewaarschuwd had, zich wel eens te Straatsburg vertoonde. Tevens werd meegedeeld, dat ook de generaal Dumouriez (een naamsverandering met Thumery) zich vaak te Ettenheim bevond.

Dit rapport van den gendarme, waarin de naam van den gedeserteerden generaal Dumouriez voorkwam naast dien van Enghien, bracht Bonaparte in verband met de verklaring van Cadoudal voor den rechter, dat een prins van den bloede, wiens naam nog niet zeker bekend was, met Cadoudal te Parijs zou samenwerken tot het volvoeren van den aanslag.—

Hij verweet den minister Real, het nieuwe hoofd der politie op heftigen toon zijn onbekendheid met het feit, dat een Bourbon zich zóó dicht bij de grenzen ophield en belegde daarop terstond tegen den 10en Maart een buitengewone vergadering, waarin de twee andere consuls, de ministers en ook Fouché tegenwoordig waren.

De minister van Justitie deed verslag van ’t geen het verhoor van Cadoudal en diens medeplichtigen had aan ’t licht gebracht. Talleyrand volgde met een lang rapport over de vertakkingen van het komplot, onder anderen in Baden en besloot met het voorstel den hertog van Enghien op te lichten en aan de zaak een einde te maken.

Cambacérès was de eenige, die zich ernstig tegen dit plan verzette, daar hij ook vreesde, dat deze schending van Badens grondgebied op de kabinetten van Europa een ongunstigen indruk zou maken. Maar Napoleon riep hem toe: “Denkt gij dan mijnheer, dat ik mij zal laten vermoorden als een hond? Dat ik niet anderen de verschrikkingen zal laten ondervinden, waarmee zij mij mijn leven willen omringen? Neen, neen, ik zal een slag toebrengen, die hen allen zal doen sidderen.”

Het voorstel van Talleyrand werd met algemeene stemmen, op die van Cambacérès na, aangenomen.

Onmiddellijk werden maatregelen genomen; aan den Badenschen minister werd door Talleyrand bericht gezonden van den voorgenomen aanslag en uit het decreet van den keurvorst van Baden, waarbij aan alle émigrés het verdere verblijf in de staten werd ontzegd, uitgevaardigd een dag na de arrestatie van den hertog, blijkt voldoende, dat er bij den keurvorst niet over werd [186]gedacht te protesteeren wegens de schending van grondgebied. Dat de keurvorst zijn waardigheid aan Napoleon dankte en tevens dat zijn grondgebied onder de kanonnen van Straatsburg lag, werkten zeker mede tot deze zachte stemming.

In den morgen van 15en Maart werd Enghien te Ettenheim door den majoor der gendarmerie Charlot zonder verzet gevangen genomen. Zijn papieren werden in beslag genomen en hij zelf onder bewaking van Charlot eerst naar Straatsburg, vervolgens naar Verdun gevoerd.

De bevelen werden stipt uitgevoerd en het bevelschrift van Charlot was even kort als duidelijk:

Op last van den Eersten Consul. 14 Maart 1804.

Begeef u terstond bij nacht naar Ettenheim, neem den hertog van Enghien gevangen en leg beslag op al zijn papieren. Met uw hoofd staat gij voor hem in.

Moncey, generaal der gendarmerie.”

Van Verdun bracht men hem naar Parijs en hier kwam het bevel, dat de hertog naar Vincennes moest worden overgebracht, waar hij den 20en Maart aankwam. Alles ging met de grootste geheimzinnigheid, want aan niemand mocht iets omtrent den gevangene worden meegedeeld en in Vincennes, waar men niets wist van zijn komst, moest in allerijl een kamer voor hem in gereedheid worden gebracht. Het bevel tot opsluiting was inmiddels verschenen.

Dienzelfden nacht nog, want alles moest, volgens Bonaparte’s last aan Savary, voor het aanbreken van den dag zijn afgeloopen, kwam onder voorzitterschap van generaal Hulin op het kasteel een krijgsraad bijeen. Murat, gouverneur van Parijs, had dezen krijgsraad op de gebruikelijke wijze samengesteld; over den beklaagde moest onverwijld een vonnis worden geveld naar aanleiding van de punten van beschuldiging, welke in een bijgevoegd besluit van het gouvernement waren vervat. Dit besluit luidde:

Vrijheid.—Gelijkheid.

Parijs, 29 Ventôse, jaar XII der Één en ondeelbare Republiek.

“Het gouvernement der Republiek besluit als volgt:

“Artikel I.—De voormalige hertog van Enghien, verdacht van het dragen van de wapenen tegen de Republiek, van ook nu nog in Engelsche soldij te staan, van deel uit te maken van de komplotten, door deze mogendheid gesmeed tegen de binnen- en de buitenlandsche [187]veiligheid der Republiek, zal worden gebracht voor een krijgsraad, samengesteld uit zeven leden, te benoemen door den generaal-gouverneur van Parijs en zitting nemende te Vincennes.

“Artikel II.—De groot-rechter, de minister van oorlog en de generaal-gouverneur van Parijs zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

De Eerste Consul
Bonaparte.

Voor dezen krijgsraad erkende Enghien ruiterlijk, dat hij de wapenen tegen de Republiek had gedragen, het laatst als bevelhebber der voorhoede van het leger van zijn grootvader Condé; ook deelde hij mede maandelijks van Engeland geld te ontvangen, maar nooit had hij in eenige betrekking gestaan tot Pichegru of Dumouriez en gaf zelfs zijn afkeer te kennen van de verachtelijke middelen, waarvan de eerste zich, naar hij gehoord had, wilde bedienen. Dat hij bereid was wederom de wapens op te nemen ontkende hij niet, integendeel, hij deelde zelfs mede, dat hij bij het uitbreken van den oorlog aan Engeland had gevraagd dienst te mogen nemen in het Engelsche leger; de Engelsche regeering had hem echter geantwoord hem daartoe niet de gelegenheid te kunnen geven, maar dat hij aan den Rijn moest blijven, waar hij een rol te vervullen zou hebben.

Ten slotte vroeg hij om een onderhoud met den Eersten Consul, “mijn naam, mijn rang, mijn wijze van denken en het gruwelijke van mijn toestand doen mij hopen, dat hij mijn verzoek niet zal afwijzen,” voegde hij erbij.—

De nachtelijke beraadslaging had een paar uur geduurd en daarna ging de krijgsraad tot beraadslaging over met het gevolg dat de krijgsraad hem met algemeene stemmen schuldig verklaarde en hem ter dood veroordeelde. De wetten op het dragen van wapenen tegen de Republiek waren zeer streng en dat de jonge hertog er prijs op stelde de eerste te zijn, die de degen zou trekken in den oorlog van Engeland tegen Frankrijk, dit laatste had vooral op de leden van den krijgsraad, allen oude soldaten, o. a. de kolonels van de Parijsche regimenten, een zeer ongunstigen indruk gemaakt.

Onmiddellijk moesten de maatregelen worden genomen om het vonnis te voltrekken, want de last was zeer duidelijk geweest, dat alles voor het aanbreken van den dag moest zijn afgeloopen. Wel had Enghien verzocht om een onderhoud met den Eersten Consul te hebben, doch de krijgsraad had zich niet gerechtigd geacht eigenmachtig op te treden en de executie van het vonnis uit te stellen.

Nog voor het daglicht aanbrak, was de laatste telg der Condé’s in een der grachten van het kasteel door Fransche soldaten gefusilleerd! Het drama was afgespeeld en tegen zes uur had Savary van af de borstwering van het slot zich overtuigd, dat aan het bevel van zijn meester was voldaan. [188]

Nog denzelfden morgen deed Savary rapport over hetgeen was voorgevallen aan Bonaparte, die zich echter ontstemd toonde over de groote haast, die gemaakt was en over de mislukking van de opdracht aan Real gegeven om Enghien te hooren omtrent punten, die in verband stonden met het proces tegen Cadoudal en Pichegru.

Met betraande oogen kwam Joséphine daarna zijn kabinet binnen.—“Och, och, wat heb je gedaan! Wat heb je gedaan!”

“Die ongelukkige kerels hebben te veel haast gemaakt,” gaf hij driftig ten antwoord.—


Bij het bekend worden van het vonnis ging er in Europa een kreet van verontwaardiging op.

De Chateaubriand, de schrijver van Atala en van Génie du Christianisme was door Bonaparte benoemd tot gevolmachtigd minister in Wallis (Zwitserland). Toen hij kennis kreeg van hetgeen er in Vincennes had plaats gehad, vroeg hij zijn ontslag alsof hij hiermee zeggen wilde: “Gij hebt een misdaad gepleegd. Een gouvernement, dat zich bevlekt met het bloed van een Bourbon, verkies ik, oud-uitgewekene, niet langer te dienen.”

“In Frankrijk,” zegt Talleyrand “verhief zich geen enkele stem tegen deze daad van snood geweld. Dit is bedroevend doch waar; het kan alleen worden verklaard door de angst van de natie voor het schokken van een gouvernement, dat Frankrijk aan de anarchie had ontworsteld.” De moordaanslag in de Rue Nicaise was blijkbaar nog niet vergeten.

Aan de hoven was men bewogen met het lot van den jongen hertog en vertoornd op Bonaparte, maar van een krachtig protest was geen sprake. Zagen we dat Baden een decreet uitvaardigde, waarbij aan de émigrés het verder verblijf in het land werd ontzegd, ook Beieren en Hessen volgden dit voorbeeld. Was men in de omgeving van de Pruisische koningin hevig verontwaardigd op de gewelddaad van den Eersten Consul, de koning liet door zijn minister aan de Fransche regeering zeggen, dat hij hoopte dat het Bonaparte zou gelukken de samenzweringen tegen zijn persoon en het gouvernement voor goed te vernietigen!

Rusland, juist met Engeland in onderhandeling over een verdrag om geldelijke steun, verzette zich meer officieel. Een uitnoodiging aan Oostenrijk om zich bij het protest aan te sluiten werd beantwoord met een veelbeteekenend: “Nous sommes à la bouche du canon,” zoodat Rusland alleen te Parijs om opheldering vroeg. Het kwam van een koude kermis thuis, want Bonaparte gaf een vlijmend scherp antwoord terug, daarbij doelende op den geheimzinnigen dood van Paul I. Terecht, want Rusland, met zijn historie zoo vol van gewelddaden, had zeker het minste recht een protest te doen hooren.

Aan Zweden verschafte de zaak een mooie gelegenheid om zijn haat [189]eens flink te luchten en sinds dien werd er altijd gesproken van “Mijnheer Napoleon Bonaparte.”

Meer dan een eeuw ligt er tusschen het heden en den dag waarop de hertog van Enghien het leven liet. Veel van hetgeen toen nog in het duister lag, is thans bekend. Intusschen hebben wij ook het tweede keizerrijk leeren kennen met zijn heirleger van mouchards en agents provocateurs, een bende uit de geheime middelen betaalde, gewetenlooze ellendelingen, die menigmaal een onschuldig gezegde tot een misdaad tegen den staat wisten op te blazen. Hoe dieper men doordringt in de bijzonderheden dier laatste dagen van het Consulaat, hoe meer zich de overtuiging vestigt, dat de agent provocateur en de betaalde spion onder de opperste leiding van den gewetenloozen oud-Jacobijn, den gehaten en gevreesden minister van politie Fouché, ook in het drama van Cadoudal en in de verdachtmaking van Moreau en den hertog van Enghien een rol hebben gespeeld. Niets ontzag Fouché om zijn persoonlijk belang te bevorderen en bij Bonaparte in het gevlei te komen om weder tot minister van politie te worden benoemd, hetgeen hem inderdaad ook gelukt is.

En niet alleen Fouché, maar ook Talleyrand heeft in deze zaak een belangrijke rol vervuld en meegewerkt tot de afwikkeling van het drama. Hij heeft er zich zelfs op beroemd, Napoleon tot een krachtig optreden te hebben aangespoord. Was deze dan misleid? Naar onze meening, wat betreft Enghiens aandeel in het komplot, wel, wat zouden anders zijne woorden: “Mijn God, wat hebben de ellendelingen mij laten doen!” voor zin hebben, toen hij later vernam, dat de hertog in die dagen nooit te Parijs was geweest en dat hij ook nooit met Dumouriez in eenige relatie had gestaan.

Maar dit alles neemt niet weg, dat ook Bonaparte schuld treft, want de schending van het neutrale grondgebied vindt geen verdediging met een beroep op het meer voorkomen in de geschiedenis van dergelijke gevallen. Deze schending was in hooge mate af te keuren.

Toch nam Bonaparte de verantwoordelijkheid ook van het vonnis geheel op zich en dat standpunt heeft hij ook nog op St. Helena ingenomen, want in zijn testament lezen wij: “Ik heb den hertog van Enghien doen gevangen nemen en vonnissen, omdat dit voor de veiligheid, het belang en de eer van het Fransche volk noodzakelijk was, nadat was gebleken, dat de graaf van Artois zestig moordenaars op mij had afgezonden. In een soortgelijk geval zou ik wederom zoo handelen.

Het echt Corsicaansche begrip van de vendetta kwam ook bij deze terdoodbrenging terstond aan het licht, de Bourbons tegen de Bonaparte’s; het leven van Bonaparte was op het spel gezet, men schoot op hem, welnu hij eveneens op hen. De samenzweringen moesten eindigen, men hoort er de eerste jaren ook niet meer van; het voorbeeld had geholpen; “het is misschien een misdaad,” zegt Masson, “het is niet een fout.” [190]

Al is het overtuigend gebleken, dat de hertog van Enghien, noch met Dumouriez, noch met Pichegru in verbinding stond, al wist hij van het komplot niets dan toen het iedereen bekend was, dit alles wist Bonaparte niet, hij was door al wat hij had gehoord overtuigd, dat Enghien wel degelijk daarbij was betrokken.

Dat Cadoudal en zijn chouans het op Napoleons leven hadden toegelegd staat vast; dat Engeland dezen struikroover met goud steunde, valt niet te loochenen en dat Drake, de Engelsche gezant aan het hof van Beieren, een diplomaat van hoogen rang dus nog wel, eveneens tegen Bonaparte samenspande is bewezen.

Persoonlijk heeft hij meegewerkt om dezen schavuit in een geborduurden rok te ontmaskeren.

Vernemende, dat ook nog anderen den Eersten Consul naar het leven stonden, had Drake o. a. durven zeggen, “dat het onverschillig was door wien het beest werd neergeveld, als allen slechts terstond gereed waren om aan de jacht deel te nemen.”

Bemerkende, welken indruk de moord van Enghien alom in het buitenland teweegbracht, zond Bonaparte aan al de hoven van Europa een afschrift van de correspondentie, tusschen dezen Drake en diens agenten gevoerd, om hierdoor het bewijs te leveren, welke ellendige rol Engeland tegenover hem speelde. [191]


1 Dr. A. Fournier, professor aan de universiteit te Praag.

2 Russische staatsarchieven.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XIV.

De Keizerskroon.

Het is zeker, dat Bonaparte nooit zoo’n hoog standpunt heeft ingenomen in de oogen van de natie dan na den vrede van Amiens. Zoowel de boer op het land als de bezitter van goederen, zoowel de niet-beroepssoldaat als de middenklasse in stad en provincie, ja allen, alleen enkele onverzadelijken en ontevredenen uitgezonderd, wenschten den vrede. Bonaparte had hem gebracht en hij verscheen daardoor in de oogen van de natie als de overwinnaar en de vredestichter! Geschikter oogenblik was er dus niet om zijn gezag voor goed te vestigen en Bonaparte was er de man niet naar, dit juiste moment te laten voorbijgaan. Het Consulaat voor het leven werd gevestigd en aan de inrichting van het staatsbestuur, maar ook aan tal van andere maatregelen, als de instelling van het Legioen van Eer en den terugkeer van vele emigranten, was het duidelijk zichtbaar, dat dit alles slechts een overgang was tot nog hoogere macht en titel. De instelling van een hof werd aangekondigd en al wat er geschiedde, duidde op de uitwerking van het monarchale idee.

Dat echter het aanbieden van de keizerlijke waardigheid aan den Eersten Consul een uiting is geweest van de dankbaarheid van het Fransche volk tegenover den man, die na den val van het Schrikbewind en het Directoire welvaart, voorspoed en rust had gebracht, kan niet worden gezegd. Alles werkte er toe mede en reeds maanden waren de gemoederen in Frankrijk op een verandering van den staatsvorm voorbereid.

De ontdekking van de samenzwering van Cadoudal veroorzaakte een bijzonder gunstige stemming van de natie ten opzichte van Bonaparte en hiervan werd door hem gebruik gemaakt om thans de vervulling van een zijner liefste [192]wenschen te verkrijgen. Fouché, de man, dien hij verachtte, doch dien hij noodig had, al wilde hij dit niet erkennen, dreef hem uit eigenbelang letterlijk de trappen van den troon op, zijn omgeving zag er een middel in tot vermeerdering van haar inkomsten en aan de meeste familieleden was het niet onwelkom in de grootheid en de eer van Bonaparte te deelen.

Het voorstel van het Tribunaat om hem als hoofd van de Republiek de keizerskroon te schenken, deze erfelijk te verklaren en het goedkeurend adres in denzelfden zin van het Wetgevend Lichaam, werden gevolgd door de opdracht van den Senaat. (Mei 1804.)

Dat de natie, die eenige jaren te voren het hoofd van haar koning had geëischt, thans eenstemmig dacht met den Senaat, bewees de uitslag van het plebisciet van 1 December 1804. De vraag op Napoleons uitdrukkelijk verlangen daarbij aan haar voorgelegd, was: “of ze de erfelijkheid der keizerlijke waardigheid verlangde in de rechte, natuurlijke, wettige en adoptieve lijn van Napoleon Bonaparte en van Louis Bonaparte, zooals die was geregeld bij besluit van den Senaat van 29 Floréal van het jaar XI.”

Van de ruim drie en een half millioen thans uitgebrachte stemmen waren er nog geen 2600 “tegen.”

Nauwelijks had Napoleon zijn nieuwe waardigheid aanvaard (18 Mei) of hij begon met zijn gewone voortvarendheid te werken aan de inrichting van het bestuur en aan het vaststellen der met deze verbonden waardigheden.

Het eerst dacht hij aan zijn vroegere ambtgenooten. Cambacérès werd aartskanselier, Lebrun aartsthesaurier. Zijn broeder Jozef benoemde hij tot groot-keurvorst, Louis tot connétable. Achttien zijner oude krijgsmakkers, zooals Augereau, Lannes, Massena, Davoust, Murat, Berthier, Bernadotte, Soult, Ney en Bessières werden maarschalk en ontvingen voor ’t meerendeel tevens den titel van prins, hertog of graaf naar de plaatsen, waar zij hadden gezegevierd.

Tot groot-officieren der kroon werden voorts benoemd: tot groot-aalmoezenier zijn oom, de kardinaal Fesch, tot opperkamerheer Talleyrand, tot hofmaarschalk Duroc, tot opperjagermeester Berthier, enz. De titels van Hoogheid, Excellentie, Majesteit en Keizerlijke Hoogheid kwamen weder in gebruik. Het geheele arsenaal van betrekkingen, vormen en ceremoniën van den vroegeren tijd werd tegelijkertijd met den geborduurden rok, den staatsiedegen en den gegalonneerden steek weder te voorschijn gehaald. Het is te begrijpen, dat al die nieuwe baantjes tevens goed werden betaald, zelfs kreeg Talleyrand later jaarlijks 495.000 francs, ja de dotaties gedurende het keizerrijk gegeven aan chefs van korpsen en ministers overtroffen voor enkelen zelfs het bedrag van 1.000.000 francs!

Napoleon I. Keizer der Franschen.

Napoleon I. Keizer der Franschen.

De eenige, die protest indiende tegen den nieuwen toestand, was de broeder van den onthoofden koning, Lodewijk XVI, maar Napoleon nam van [193]dit protest geen notitie en duchtte het zoo weinig, dat hij het in zijn geheel in den Moniteur liet opnemen.

Den 10en Juni 1804 wees het crimineele gerechtshof van de Seine vonnis in de zaak van George Cadoudal. Het veroordeelde hem en negentien van zijn medeplichtigen ter dood; de overigen tot gevangenisstraf, Moreau tot twee jaar detentie. Pichegru had zijn vonnis niet afgewacht maar, heette het, zelfmoord gepleegd en zich in het begin van April in zijn cel opgehangen, hetgeen niet best te verklaren is, want het was hem bekend, dat Bonaparte plannen met hem had in Guyana en hij kon dus begrijpen, dat er voor hem geen doodvonnis was te wachten. Napoleon, zooals hij van nu af aan zou heeten, begon zijn regeering als zoodanig met een daad van grootmoedigheid en genade. Acht van de twintig ter dood veroordeelden, waaronder Lozier, generaal Lajolais, de markies de Rivière en Armand de Polignac kregen gratie. De hechtenis van Moreau werd veranderd in verbanning naar Noord-Amerika. Zijn goederen werden verbeurd verklaard.

Met elf man van zijn bende liet Cadoudal het leven op het schavot. Zijn familie werd na den val van Napoleon door Lodewijk XVIII in den adelstand verheven!!


Wel mag de laatste helft van het jaar 1804 een tijdperk heeten van groote plechtigheden en schitterende feesten. Den 14en Juli, den gedenkdag van Frankrijks vrijmaking, werd de instelling van het Legioen van Eer in de kerk van het hotel der Invaliden plechtig ingewijd. Vier dagen later vertrok de Keizer, vergezeld van een reusachtigen stoet grootwaardigheidsbekleeders en groot-officieren der kroon, waaronder Jozef en Louis, naar het kamp van Boulogne, om de versierselen der Orde daar zelf aan het leger uit te reiken. Meer dan een maand bleef hij aan den oever der zee, voortdurend te midden van zijn soldaten, vervuld met trots over de snelheid, waarmede de toebereidselen tot een overtocht naar Engeland vorderden, terwijl hij door zijn tegenwoordigheid allen tot nog meer inspannning opwekte, en niet schroomde zich als de geringste matroos bloot te stellen aan al de gevaren, die de vaak woelige zee en de nabijheid der Engelsche oorlogsschepen opleverden.

Eenmaal nam hij zelfs deel aan een aanval, door een flottille van kanonneerbooten gewaagd op eenige vijandelijke fregatten, die de Fransche kust te dicht waren genaderd en thans de ondervinding konden opdoen, dat die kleine, vlugge schepen hun reusachtigen romp heel wat schade konden toebrengen, doch zelf door hun laag boord zoo goed als ongedeerd bleven.

Tevens werden toebereidselen gemaakt voor de plechtigheid der ordeverleening zelve, die den 15en Augustus, den verjaardag des Keizers, zou plaats grijpen.—Met den rug naar de zee, op een heuvel, die het omliggende terrein geheel beheerschte, werd een ijzeren zetel geplaatst, die afkomstig [194]heette van koning Dagobert. Achter dezen zetel verhief zich een reusachtige tropee van wapenen en op den vijand veroverde vaandels. Een geweldige kroon van gouden lauwerbladeren, waarboven paardenstaarten en veldteekens der mamelukken golfden, bedekte het geheel. Op het schild en in een helm van Bayard en Duguesclin, de helden uit Frankrijks roemrijk verleden, gedragen door adjudanten-generaal, lagen de uit te reiken eereteekenen.

Voor dezen troon schaarden zich in een halven cirkel al de regimenten, te zamen meer dan tachtigduizend man, die onder maarschalk Soult in het kamp van Boulogne en in dat van Montreuil waren bijeengebracht; de nieuwbenoemde ridders, in pelotons geformeerd, stonden het dichtste bij den Keizer.

Om den indruk te verhoogen was als verzamelpunt gekozen de plek, waar eeuwen te voren Cesars legioenen het strand zouden hebben bereikt, en waar de bouwvallen van een toren, naar hem genoemd, nog zichtbaar waren. Die omgeving, die praal, die pracht, dat grootsche militaire vertoon werkten electriseerend op het licht ontvlambare gemoed der soldaten. De verschijning eener vloot van zeven en veertig oorlogsschepen, die, van Havre komende, bij hooge zee, onder het dreunen van ’t kanon naar de haven van Boulogne zeilde, werkte mede om de plechtigheid nog aangrijpender te maken. Toen de Keizer, na het afnemen van den eed aan de gedecoreerden, zich tot de troepen wendde en met luide, boven alles uit klinkende stem vroeg: “En gij, soldaten, zweert gij de eer van Frankrijks naam, uw vaderland, uw Keizer zelfs met gevaar van uw leven te zullen verdedigen?” klonk uit tachtigduizend kelen een allesoverweldigend: “Dit zweren wij!” boven het loeien van de verbolgen zee uit, terstond gevolgd door een even indrukwekkend: “Leve de Keizer!”

Dit oogenblik moet ook voor den imperator te midden van zijn trouwe krijgers, waarvan velen reeds jaren onder hem dienden, even onvergetelijk zijn geweest als voor allen, die er van getuige waren. Zijn gelaat glansde van voldoening. Zijn oog straalde van trots.

Nog enkele dagen bleef hij in het kamp, inspecteerde de batterijen langs de kust, opgeworpen om de transportvaartuigen te beveiligen tegen een coup de main der vijandelijke vloot, bracht toen een bezoek aan België en de nieuwe departementen langs den linker Rijnoever, vond te Maintz de keizerin, die zich baadde in het genot van schitterende feestelijkheden en openbare huldebetuigingen, bereidde hier de vorming voor van een Duitschen Statenbond en de ontbinding van het eeuwenoude Roomsche Keizerrijk en keerde in het midden van October naar de hoofdstad terug.

Ondanks het vele werk, dat dit alles hem gaf, had hij toch nog tijd gevonden aan Frankrijks wetenschappelijke instellingen te denken en de organisatie van de Polytechnische school, die der school voor burger-ingenieurs en die voor de Studie van het Recht ter hand te nemen en te voltooien. [195]

Nog wachtte den pas benoemden keizer een zeer belangrijke gebeurtenis welke de bevestiging van het keizerrijk moest zijn: de kroning.

Ten einde het indrukwekkende van de plechtigheid te verhoogen en wel wetende dat dergelijke ceremoniën de verbeelding van de natie treffen, wilde Napoleon den paus doen tegenwoordig zijn bij die groote gebeurtenis.

De correspondentie met den paus was begonnen door eene briefwisseling van Joséphine met hem; de onderhandelingen, welke hierop volgden met den Heiligen Stoel, werden gevoerd door den reeds genoemden kardinaal Fesch. Deze “oom Fesch,” evenals meer andere leden zijner naaste familie, in het geheim geen groot vriend van zijn neef Bonaparte, was een ijdel en bekrompen, maar stoutmoedig man. Hij had een eigenaardig leven achter den rug. Tijdens de Republiek had hij den priesterrok uitgetrokken en was zelfs onder la Terreur commissaris van oorlog in Italië geworden. Zijn gedragingen in dien tijd deden niet erg aan den oud-priester denken, want groote rijkdommen wist hij zich toen te verwerven door aankoop van meesterstukken uit de oude Italiaansche school, door de Fransche generaals uit de musea gestolen en vaak voor een appel en een ei aan den sluwen Corsicaan, die een goed kunstkenner was, overgedaan. Na den 18en van Brumaire was hij, die door zijn afzondering en vrome houding vergiffenis van zonden had verworven, weder geestelijke geworden en op voorspraak van zijn neef door den paus tot kardinaal benoemd.—

Met zijn plaatsing in Rome, nog wel ter vervanging van den gematigden en zeer voorzichtigen Cacault was de paus wel niet bijzonder ingenomen, maar, hoewel op diplomatiek gebied een volslagen leek, kon Fesch in handen van Napoleon een zeer bruikbaar werktuig worden voor de taak, welke Napoleon in Rome voor hem bestemd had. De Chateaubriand, die in alles ver boven hem stond, werd hem daar als secretaris toegevoegd.

Na de onderhandelingen had Napoleon in September van uit Keulen schriftelijk den wensch te kennen gegeven van de overkomst. “Die daad zou den zegen des Heeren, die in zijn raadsbesluiten over het lot der volkeren en der huisgezinnen beschikt, op hem en op zijn volk doen nederdalen.”

Met eenige verbazing had men in Rome eerst dit verzoek ontvangen en al was Pius VII een der eersten, die Napoleon met zijn keizerskroon had gelukgewenscht, hij had er wel wat op tegen voor een dergelijk menschelijk motief Rome zoo lang te verlaten. Ook bij het Heilige College vond Napoleons uitnoodiging ernstige tegenkanting. Daar was men de hoofdartikelen van het Concordaat en die inmenging van het wereldlijk gezag in “zoogenaamd” geestelijke belangen nog volstrekt niet vergeten en was de achterdocht tegen den nieuwen monarch zeer levendig.

Zelfs de gezant Cacault, die zooals we zagen te Rome voor Fesch had moeten plaats maken, schudde over al die grootsche plannen het hoofd.—[196]“Zie nu eens aan!” zei hij, “de Keizer acht zich zelf een Karel de Groote. Een zoon van hem zou zoo’n figuur kunnen worden, ja, doch hij zelf zal ten allen tijde een Pepijn de Korte blijven. Met Albion zoo dicht bij de poorten van Parijs is geen Karel de Groote denkbaar. Caprara (de kardinaal) heeft hem het hoofd op hol gebracht. Wat hebben ze mij mijn generaal en mijn Eersten Consul bedorven! Hij luistert niet meer naar mij. Hij heeft mij senator gemaakt—mij dus met stomheid geslagen.”

Toch zwichtte de paus ten slotte voor de bijna brutale betooggronden van Fesch en voor de wel niet eerbiedige, doch tevens bevelende brieven van den Keizer, die zich in een der laatste dezer o, zoo sluw en voorzichtig gestelde epistels “zijn vrome zoon” had genoemd. Noch de lange reis, noch het protest van Lodewijk XVIII of van de te Londen aanwezige, uit Frankrijk gevluchte bisschoppen, weerhield den paus om aan het verzoek te voldoen. Wat den paus er toe bewoog? Zeker niet eigen belang maar alleen het belang van de kerk en de vrees, bij weigering haar bloot te stellen aan onherstelbare slagen. Ook de angst voor bezetting van Rome door Fransche troepen had hem zeker tot toegeven genoopt. In een college van kardinalen werd onder zekere voorwaarden bij groote meerderheid van stemmen het plan goedgekeurd, maar we kunnen ons voorstellen, dat velen onbewimpeld hun afkeuring er over te kennen gaven.

Vooral de vermaarde pamfletschrijver de Maistre viel ’s pausen zwakheid heftig aan en stelde deze nog beneden de misdaden van een Alexander Borgia. Zelfs hoopte hij dat “die goedzak” het onderweg zou afleggen en zijn “afschuwelijke geloofsverzaking” met den dood zou bekoopen.

Doch aan het besluit viel niets meer te veranderen. Alle bijkomende bezwaren waren door Napoleon uit den weg geruimd.

De kosten van de reis zouden door Frankrijk worden gedragen; aan al de eischen van etiquette, voor den Heiligen Stoel altijd een zaak van het allerhoogste gewicht, zou worden voldaan. Ook was door Napoleon uitdrukkelijk bedongen, dat de kroning door hem zelf verricht zou worden.

Vol angst voor allerlei denkbeeldige gevaren, die hem in dat “goddelooze” Frankrijk wachtten, maar tevens innig overtuigd, dat hij dit offer moest brengen ter verhooging van de glorie der kerk, aanvaardde Pius VII, vergezeld van een aantal kardinalen, in de eerste dagen van November 1804 den langen tocht over de bergen. Een massa paternosters voor de dames der hofhouding, een paar antieke vazen voor Joséphine en voor Napoleon twee antieke cameeën, eenig van bewerking en teekening, voorstellende Achilles en Scipio’s zelfbeheersching, bracht hij als geschenken mede. Was zijn angst op de reis over Piacenza, Parma en Turijn reeds eenigermate begonnen te wijken bij het zien van den eerbied, waarmede hij overal werd begroet, te Lyon verdween die volkomen om plaats te maken voor een nameloos gevoel van [197]verrukking.—Zijn oude raadsman Caprara had dus de waarheid gesproken, toen hij beweerde, dat deze reis de kerk tot heil strekken en hem zelf overgroote voldoening schenken zou!—

Te Lyon was de gansche bevolking van Provence, van Dauphiné en Bourgogne samengestroomd om hem, den kerkvorst te zien, te eeren en geknield zijn zegen te ontvangen.

Was dàt nu het volk, dat steeds in opstand heette tegen God en zijn gebod, dat tronen omvergeworpen en een vorigen paus gevangen gezet had!

Den 25en November had in het bosch van Fontainebleau de eerste ontmoeting met Napoleon plaats en hier werd de paus door de keizerin en de leden der keizerlijke familie enz. opgewacht. Drie dagen later zegende de kerkvorst van het balkon der Tuilerieën in ’t bijzijn van Napoleon de buiten geknielde menigte. Welk een schouwspel in de Tuilerieën, waar twaalf jaar geleden de meest gruwelijke tooneelen hadden plaats gehad. Dat alles voor den paus was ingericht op de wijze als in het Vaticaan, een attentie van Napoleon, trof den kerkvorst bijzonder. Welk een ontvangst te Parijs! Het scheen half een droom voor den vromen man, die zelfs te midden van de groote weelde, waarmede Napoleon hem deed omringen, in levenswijze en voeding aan allen, die hem zagen, tot voorbeeld had kunnen strekken. Een paar schoteltjes met in olie toebereide groenten vormden o. a. zijn middagmaal.

Het is te begrijpen, dat de a. s. plechtigheid van de kroning voor tal van familieleden, die daarbij zouden tegenwoordig zijn, reeds weken lang een onderwerp van bespreking vormde en het vooral een zeer gewichtige zaak was, welke rol ieder daarbij zou moeten vervullen. Bij het verdeelen van die rollen tusschen de schoonbroeders en de zusters was in de eerste plaats de vraag besproken, of Joséphine ook zou worden gekroond. Napoleon had met zijn antwoord geaarzeld. De hartstochtelijke drift harer schoonzusters vooral van Murats vrouw Caroline, om bij de plechtigheid een hoofdrol te vervullen, had de jaloezie van Joséphine in zoo hooge mate opgewekt, dat zij, zich niet langer meester, op deze schoonzuster een toespeling maakte, in haar wezen gelijkstaande met de afschuwelijke verdachtmakingen waarvan niet de koningsgezinden alleen zich in dien tijd tegenover Napoleon bezondigden, en die ook later door allerlei letterkundig gespuis zijn gebezigd om den Keizer in de oogen der nakomelingschap te verlagen tot een monster, voor wie zelfs de banden des bloeds niet heilig waren. Lodewijk XVIII vond een beetje cronique-scandaleuse, waarvan zijn gevallen vijand het onderwerp was, zelfs wàt aardig.

Verwoed was Napoleon opgestoven; zijn drift had over zijn liefde gezegevierd; dreigend had hij haar het woord “echtscheiding” toegeslingerd. Hortense en Eugène hadden ridderlijk de partij hunner moeder gekozen, doch de Bonapartes hadden gejuicht over deze nederlaag der gehate Creoolsche, [198]“die haar man geen nakomelingen schonk.” Hierdoor was Napoleon tot bezinning gekomen; hij had de kracht gemist de gezellin zijner jeugdige jaren en haar twee kinderen, die hij zoo bijzonder genegen was, in ballingschap te zenden; een omhelzing was gevolgd en daarbij de belofte, dat Joséphine tegelijk met hem zou gekroond worden.

Schier kinderlijk blij was zij nu terstond voor haar toilet gaan zorgen.


IJdel en wuft, spilziek en lichtzinnig, een echt kind der tropen, doch medelijdend en zielsgoedhartig tevens, werd zij volkomen terecht door de Parijzenaars “de goede keizerin” geheeten en door hen letterlijk op de handen gedragen. Vaak bedrogen, vaak misleid, bleef ze niettemin in haar goeddoen volharden. Zij kon geen tranen zien en vergoot er zelve zooveel! Ook haar hebben de jaloezie en de haat aan al wat met het huis Bonaparte verwant was, niet gespaard. Niet geheel ten onrechte is haar verweten, dat zij als de weduwe de Beauharnais onvoorzichtig is geweest en met den verwaanden cynieken Barras op al te intiemen voet verkeerd heeft, niet ten onrechte ook, dat haar gedrag in de eerste maanden van haar huwelijk tegenover Bonaparte verkeerd was. De tijd echter, waarin die behaagzieke jonge vrouw, de vriendin van mevrouw Tallien, later bijgenaamd Nôtre Dame de Thermidor, leefde, was een tijd van algemeene verdorvenheid van zeden en zeker waar is het, dat uit diezelfde vrouw door haar innige liefde voor Napoleon, een levensgezellin is geboren even vlekkeloos van levenswandel als eenmaal de vrouw van Cesar Augustus. Zelfs de boosaardige steken door Barras in zijn gedenkschriften op haar gericht, zijn niet bij machte geweest dit feit te ontzenuwen. Voor den Keizer is zij een brave, trouwe echtgenoote geweest, die hem aanhing met hart en ziel, die hem daarbij dermate vereerde, dat zij hem nooit anders dan met “U” en “Sire” toesprak.

Dat zij later om staatkundige redenen is verstooten, zij, die zooveel leed gelenigd, zooveel smart verzacht had, hebben velen Napoleon nooit kunnen vergeven.

Men houde ons deze kleine uitweiding ten goede, zij was hier, dachten wij, niet misplaatst.


Joséphine had dus gezegevierd, ze zou worden gekroond, maar voor dit geschiedde, behaalde ze een tweede overwinning. We zagen vroeger, hoe ze bij het huwelijk van Louis en Hortense het verzoek achterwege liet om evenals Murat en Caroline de kerkelijke wijding van haar huwelijk te ontvangen. Thans echter wist ze het zoover te brengen. Nog altijd vreezende voor een scheiding, bang voor de intriges aan het hof en die van Napoleons broers, ook om godsdienstige redenen, vroeg zij een dag voor de kroning een audientie bij den paus. Dezen vertelde ze, dat ze nooit voor een priester [199]gehuwd was en de paus gaf haar daarop ten antwoord, hetgeen zij wel had voorzien, dat hij dan noch den Keizer, noch haar kon zalven overeenkomstig de wetten en hoewel vertoornd op zijn vrouw, was Napoleon wel genoodzaakt toe te geven. Zoo werd het huwelijk den 1en December in het diepste geheim en zonder getuigen door “oom” Fesch nog kerkelijk gewijd. Joséphine zorgde er wel voor van Fesch een certificaat te ontvangen en eenmaal kerkelijk ingezegend, duchtte ze geen echtscheiding meer, want een kerkelijk gesloten huwelijk kon immers niet meer worden ontbonden! We weten, hoe de tijd haar anders leerde.—


2 December 1804 was de groote dag!

Onder klokkengelui stroomde het volk door de met vlaggen getooide stad naar de plaats der plechtigheid, de Nôtre-Dame. Voorafgegaan door den paus kwam Napoleon, gevolgd door de keizerin, de prinsen en prinsessen de kerk binnen, daarop volgden de maarschalken, dragende de kroon, de schepter, degen enz. Met plechtige toespraken werden de verschillende initialen door den paus aan den Keizer overhandigd, daarna zette hij zich zelf de kroon op het hoofd en ontving daarop den pauselijken zegen.

Vervolgens nam Napoleon de kroon en plaatste deze op het hoofd van Joséphine, die met tranen in de vriendelijke oogen voor het altaar geknield lag; het was het meest aangrijpende oogenblik, alleen verstoord door den perfiden glimlach van Talleyrand. Wat moet dit moment voor haar wel geweest zijn, maar ook welk een gebeurtenis in het leven van den Corsicaan, die zoo echt eenvoudig maar begrijpelijk tijdens de ceremonie zijn broer Jozef aanstootende, zeide: “Jozef, als vader ons nu eens zag.

De mooie rede van den kerkvorst, zijn waardige verschijning, verhoogde nog de plechtigheid en toen Napoleon ten slotte den eed had afgelegd, daverde een “Leve de Keizer” door de kathedraal.

De kroning maakte zoowel in als buiten Frankrijk grooten indruk en in zoover had Napoleon dus volkomen zijn doel bereikt.

Pius VII vertrok niet direct na de kroning, maar bleef nog enkele maanden in Frankrijks hoofdstad, het scheen den kerkvorst goed te bevallen en ten onrechte heeft men wel beweerd, dat er niet de noodige egards voor hem werden in acht genomen. Na in April van ’t volgende jaar nog het kind van Louis en Hortense te hebben gedoopt, vertrok hij weder naar Rome, waar hij in Mei aankwam, zoo al niet verheugd over den afloop der onderhandelingen met Napoleon dan toch uiterst voldaan over de hartelijke ontvangst hem allerwege bereid en de groote piëteit, die de Franschen voor hem als hoofd der kerk hadden aan den dag gelegd.

Het kind, dat de paus had gedoopt en welke plechtigheid met groot ceremonieel was gevierd en waarvan aan alle hoven bericht was gezonden, [200]bracht, evenals het eerste kind, in het droevige huwelijksleven van Hortense en Louis een lichtstraaltje; reeds van het begin af was de verhouding slecht geweest. Louis, in den regel afwezig, had reeds in de eerste dagen van hun huwelijk de weinige kieschheid gehad, Hortense in te lichten over het vroegere leven van haar moeder en men zal erkennen, dat deze volstrekt onnoodige mededeelingen niet bevorderlijk waren voor een goede verhouding. Zijn hard en dikwijls onbillijk optreden tegen Hortense hadden bovendien de uitwerking, dat zij in stilte leed en in de afwezigheid van haar man, zonder haar hart uit te storten, in de omgeving van Napoleon en Joséphine eenige vergoeding trachtte te vinden, voor ’t geen ze met Louis samenwonende, volkomen miste. Wel scheen de komst van het eerste kind eenige verandering ten goede te brengen, maar het was van korten duur en de melancolieke man van vroeger, die het nergens kon vinden, telkens voor ziekte naar het Zuiden moest en zich ook op politiek gebied niet bewoog, zooals zijn broers, maakte het leven van Hortense inderdaad ongelukkig. Wel nam hij ten slotte zijn betrekking van divisiegeneraal en lid van den Staatsraad aan, maar noch het een, noch het ander had zijn belangstelling.

Geheel anders Jozef! We weten, hoe deze altijd in oppositie was tegen zijn jongeren broer; wat had het Napoleon een hoofdbreken gekost bij de regeling van het erfrecht, Jozef te voldoen. Nauwelijks was het hem bekend, dat Napoleon het kind van Louis als zijn opvolger wilde aanwijzen of Jozef ging direct aan het werk om voor zijn rechten op te komen en hierin vond hij zoowel bij Lucien als Louis steun, zoodat deze zelfs door hem werd overgehaald de aanwijzing van zijn kind als opvolger te weigeren. Napoleon was geëindigd met Jozef naar Boulogne te zenden, waardoor hij niet in Parijs kon komen en Napoleon de gelegenheid kreeg het erfrecht te regelen op de wijze, zooals hij dat wilde, zonder dat Jozef hem hierin kon weerstreven en tevens aanhangers kon winnen om zich tegen de plannen van zijn broer te verzetten.

Ten slotte was Jozef gezwicht. ’t Was dan ook al te verleidelijk; de waardigheid van Prins met een tractement van één millioen, die van Groot-Keurvorst met 333.333 francs en dan nog als woning een paleis, wie zou er niet wat voor laten loopen, vooral als men dan nog binnen 6 weken twee gratificaties ontvangt uit de “grande-cassette” van 300 en 50.000 francs! ’t Was de moeite waard, doch ’t verzet van Jozef tegen zijn broer eindigde er toch niet mee. Dat zat nu eenmaal in ’t bloed.

Dat Jozef zoo intiem was met Bernadotte, die ook al door zijn toedoen o.a. maarschalk was geworden, hinderde den Keizer geweldig; dat hij zijn huis inrichtte op zoodanige wijze dat daaraan lieden werden verbonden, die Napoleon niet gezind waren, eveneens en toen Napoleon in October 1804 o.a. met Jozef overleg pleegde over de regeling der kroning, kwam het tot een [201]hevige uitbarsting tusschen de broers. Napoleon wist wel waar hem de schoen wrong. Jaloezie tegenover Eugenius de Beauharnais en Hortense speelde een hoofdrol en in het bijzijn van anderen kwam het soms tot heftige scènes, waaruit Napoleons groote genegenheid voor zijn stiefkinderen ten duidelijkste bleek. Ten slotte stelde Napoleon zijn broer voor de keuze òf zich geheel uit het publieke leven terug te trekken, òf te blijven voortgaan hem tegen te werken, òf zich openlijk met hem te verbinden. Napoleon zegt hem openhartig, dat hij het laatste hoopt, maar geeft hem ook duidelijk te verstaan, dat hij het tweede niet zal dulden en dat hij hem dan ook openlijk als vijand zal beschouwen. Jozef onderwerpt zich en kiest het laatste; we zullen zien, dat het meer schijn dan werkelijkheid was.

Van de zijde van Jozef dus verzet, met Lucien was de band reeds geheel verbroken! Zagen we vroeger hoe deze broer in Portugal goede zaken had gemaakt en van het aldaar verkregen geld goede sier maakte in Parijs en zich grandioos inrichtte, een tweede huwelijk van Lucien met Madame Jouberthon was de oorzaak van de verwijdering tusschen hem en Napoleon. Juist in den tijd, dat Napoleon het plan had hem te doen huwen met een Spaansche Infante, weduwe van den vorst van Etrurië, kwam Napoleon tot de ontdekking, dat hij in alle stilte gehuwd was met Mme Jouberthon, een toch al niet te gunstig bekend staande dame en dat niet alleen, maar zelfs was er voor de sluiting van het huwelijk reeds een kind geboren. Het is te begrijpen, dat de huwelijksvoorstellen van Napoleon bij Lucien weinig ingang vonden, maar eveneens, dat zijn broer, alles van het tweede huwelijk hoorende, in woede ontstak. Aanvankelijk van plan ernstige maatregelen te nemen, begreep Napoleon, dat deze toch weinig zouden uitwerken en het wijzer was niets meer te doen, daar noch hij, noch ook zijn moeder eenigen invloed op Lucien zou hebben. Eenmaal voor dit fait-accompli geplaatst, eischte hij echter, dat Luciens vrouw niet den naam van Bonaparte zou dragen. De jongere broer dacht er niet over naar den anderen te luisteren, eischte wel degelijk dien naam voor zijn vrouw op en dat niet alleen, hij wilde ook voor haar een plaats in de familie.

Het slot was, dat Napoleon hem gaf te verstaan, dat dit zoo niet kon gaan en Lucien zich had te onderwerpen. Deze wilde dit niet en op het einde van December 1803 vertrok hij uit Parijs naar Italië, zooals hij aan Jozef schreef “met haat in het hart.” Wel kwam hij het volgend jaar in Parijs terug, wel gaf hij te kennen geen afstand te doen van zijn aanspraken wat het erfrecht betreft, wel deed Napoleon een uiterste concessie door hem te beloven in het erfrecht ook hem een plaats te geven, onder beding dat zijn kinderen uit het tweede huwelijk voor altijd bleven uitgesloten, het baatte alles niets; Lucien eischte opname in de familie en in het erfrecht, Napoleon weigerde beslist. Met Lucien werd gebroken; deze vestigde zich te Rome [202]en de poging van mama om Lucien weder in Napoleons gunst te doen opnemen, nog eenige weken voor de kroning aangewend, had geen resultaat.


Was Lucien dus niet bij de plechtigheid op 2 December tegenwoordig, ook Napoleons jongste broer Jérome ontbrak. Met het oog op het groote verschil in leeftijd, Napoleon was 15 jaar ouder, kunnen we ons begrijpen, dat Napoleon de zorg voor zijn opvoeding geheel op zich moest nemen en tijdens het Consulaat zien we Jérome dan ook in de omgeving van Napoleon en Joséphine; deze vond hem blijkbaar een aardigen jongen, maar verwende hem in den grond en Jérome maakte daar flink gebruik van en leidde een gemakkelijk en lui leventje. Uitgaan en pret maken waren zijn hoofdbezigheden, terwijl het koopen van een reisnecessaire voor de som van 15000(!) francs wel voldoende bewees, dat hem de waarde van het geld niet erg bekend was.

Reeds waren er klachten van de broers ingekomen bij Napoleon over de verkeerde wijze, waarop hij door Joséphine werd opgevoed en zoo werd besloten hem eene opleiding voor zeeofficier te geven. Hij werd naar de vloot gezonden om onder leiding van den admiraal Gautheaume, die zeer strenge instructies van Napoleon kreeg, aan orde en tucht te gewennen. Misschien, dacht Napoleon, zou hij een groote rol ter zee kunnen vervullen evenals zijn broers in het leger en in de politiek! Aanvankelijk ging het goed en kon Gautheaume gunstige rapporten over zijn discipel aan Napoleon zenden. Jérome viel het niet moeilijk aan de nieuwe omgeving te wennen en voelde zich ook ter zee geheel op zijn plaats. Dat hij de ernst van het leven nog niet goed begreep, was met het oog op zijn jeugdigen leeftijd te verklaren en dat hij na zijn aanstelling tot luitenant ter zee, in Parijs teruggekeerd, deze bevordering duchtig vierde, eveneens. Toch schijnt hij het wat al te bont te hebben gemaakt, want Napoleon zond hem spoedig weer naar Nantes met bevel op een der schepen, de Epervier, te embarkeeren. Wel duurde het nog eenigen tijd, voor hij aan den last voldeed en zette hij in Nantes de festijnen van Parijs voort, maar eindelijk zien we hem weer zee kiezen.

Zoo treffen we Jérome op zijn brik de Epervier in het begin van 1803 in de West-Indische wateren aan; zelfs werd hij bij ontstentenis van zijn kapitein door den vlootvoogd tijdelijk met het commando over een der schepen belast, voorwaar voor Jérome, die het schip meer als een plezierjacht, dan als een oorlogsschip beschouwde en op zijn schip nu en dan als huzarenkapitein gekleed ging, een te verantwoordelijke betrekking. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Niettegenstaande de admiraal Villaret hem beval, ook met het oog op den uitgebroken oorlog met Engeland, te vertrekken, haastte Jérome zich niet, bleef lang op Martinique, zond ten slotte de Epervier naar Frankrijk terug, maar ging zelf met enkele vrienden naar... de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zoodat we hem in Juli van het jaar [203]1803 in Washington aantreffen. Dit uitstapje kostte geld, maar Jérome wist raad. Hij nam den vertegenwoordiger van Frankrijk aldaar, zekeren Pichon, in den arm en deze moest hem geld geven, wat ook geschiedde. Zoo leefde hij er te Washington en Baltimore lustig op los en dacht niet aan vertrekken, ook niet toen een Fransch schip zich in de haven bevond en de gelegenheid voor vertrek hem dus werd geboden.

In Baltimore had hij kennis gemaakt met de nog jeugdige en mooie Miss Elisabeth Patterson. De jongen, hij was pas negentien jaar, was spoedig doodelijk verliefd en wilde huwen met de schoone Amerikaansche. De consul trachtte hem er van af te brengen en waarschuwde Jérome, dat hij de toestemming van zijn moeder moest hebben en dat dit huwelijk volgens de Fransche wetten ongeldig zou wezen, maar het gelukte noch Pichon, noch anderen hem te bewegen van het huwelijk af te zien. En Miss Patterson zelf? Geen raadgevingen baatten, ook haar tot andere gedachten te brengen. “’t Was beter één uur de vrouw van Jérome Bonaparte te zijn, dan van een ander gedurende het geheele leven,” gaf ze als bescheid. Zoo werd de verbintenis gesloten en zorgde vader Patterson wel, dat het huwelijkscontract de duidelijke bepaling inhield, dat bij scheiding, hetzij door Jérome, hetzij veroorzaakt door de verwanten, de dochter het recht had op het eigendom en het volle genot van een derde der goederen van Jérome en tevens, dat bij afwezigheid van Elisabeth dit aan de erfgenamen kwam!

Napoleon, dit alles vernemende, was ten hoogste ontstemd en wilde natuurlijk het huwelijk niet erkennen. Ook eischte hij onmiddellijken terugkeer naar Frankrijk, doch wel schrijft Jérome een zeer onderworpen brief aan Talleyrand met belofte van terug te komen, maar in een brief aan zijn moeder, waarin hij haar het huwelijk mededeelde, vermeldt hij niets over den terugtocht, noch roert hij daarin het ernstige feit aan, dat hij vrijwel desertie heeft gepleegd. Jérome neemt nu eenmaal alles nog al licht op; hij blijft, viert feest, maakt pret en... schuld.

We kunnen dus niet zeggen, dat de verhouding tusschen Napoleon en zijn broers tijdens de kroningsdagen zoo bijster goed was, aan de eene zijde stil verzet met schijnbare onderwerping, aan den anderen kant volkomen opstand en verwijdering.


Drie dagen later vierde Parijs wederom een luisterrijk feest, doch thans een van zuiver militairen aard. Aan al de regimenten in de hoofdstad in garnizoen en aan al de korpsen daar buiten, door den kolonel en een keurbende zijner soldaten vertegenwoordigd, reikte Napoleon de nieuwe adelaars uit, die kostbare veldteekens, zwaar van zijde, borduursels en goud, de zinnebeelden van eer en trouw, welke binnen weinige jaren zegevierend door Europa zouden gaan om ten slotte in den reuzenslag van Waterloo weg te zinken in een zee van bloed. [204]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XV.

Oorlog in Duitschland.

Napoleons geduchte krijgstoerustingen aan ’t Kanaal hadden de onrust in Engeland sterk doen toenemen, doch Pitt was weder in het kabinet getreden. De partij van den vrede had het onderspit gedolven.

Den 5en October had een Engelsch eskader weder het bewijs geleverd, dat zeeroof nog altoos een zijner geliefkoosde middelen was tot vermeerdering van zijn gezag op den oceaan. Vier Spaansche fregatten met een lading van circa zeven millioen gulden aan boord waren zonder oorlogsverklaring buit gemaakt en prijs verklaard, omdat Spanje geweigerd had aan de Fransche schepen den toegang tot zijn havens te verbieden. Uit niets was dus af te leiden, dat Engeland naar vrede verlangde.

Voor de grondvesting zijner dynastie dezen vrede vóór alles wenschende, deed Napoleon in de eerste dagen van Januari 1805 toch nog een poging om tot dezen te geraken. Voor de tweede maal schreef hij een brief aan Engelands koning en bezwoer hem hierin “zelf aan de wereld vrede te schenken en deze zoete voldoening niet over te laten aan een volgend geslacht.” Bovendien wees Napoleon op het hooge punt van welvaart en voorspoed, waarop Engeland stond; een oorlog was zonder nut en “de wereld is toch groot genoeg, dat onze beide volken er kunnen leven.” Het antwoord was koel en ontwijkend. Verschillende teekenen wezen zelfs er op, dat het Pitt was gelukt den Frankrijk vijandigen geest op Europa’s vastland weder tot oorlogswoede te prikkelen. Inmiddels verliep de gunstige periode voor een landing; alles werkte tegen en machteloos tegenover de elementen, die hij niet voor zijn wil kon doen bukken, moest Napoleon toezien, dat het leger aan ’t Kanaal wederom een [205]tijd tot werkeloosheid was gedoemd. Een oogenblik rees in zijn machtig brein het plan op, een legermacht van dertigduizend man om de Kaap de Goede Hoop heen naar Britsch-Indië te voeren, met de Mahratten tot bondgenoot dit land te veroveren en Albion op die wijze te treffen, doch de hierbij te overwinnen bezwaren waren te groot. Ten slotte bedacht hij een middel, dat wel uitvoerbaar was en waar hij terstond een begin mee deed maken.

Bij zijn plan voor een landing op de Engelsche kust hing alles af van tweemaal vier en twintig uur goed weer en van de aanwezigheid eener Fransche vloot in ’t Kanaal, sterk genoeg om het daar onafgebroken kruisende Engelsche eskader van vijftien schepen in toom te houden. Dus ontving de admiraal de Villeneuve, opperbevelhebber over de circa zestig Fransche en andere schepen, in de havens van Brest, van Rochefort, van Le Ferrol en van Cadix verspreid, den last met die vloot in zee te steken en den steven te wenden naar Martinique in West Indië.

Natuurlijk zouden de Engelsche eskaders in den Atlantischen Oceaan hem dan derwaarts volgen.—Hun komst aldaar moest hij echter niet afwachten doch, Martinique verlatende, naar Europa terugkeeren, noordwaarts om Schotland heen naar het Nauw van Calais stevenen en het Kanaal-eskader vernietigen. Dan kon de landing geschieden. Voordat de Engelsche vloot, van Martinique terugkeerende, zijn spoor had gevonden, zou het pleit zijn beslist.—

Aanvankelijk liep alles naar wensch. Alleen had Villeneuve slechts ruim dertig schepen kunnen bijeen brengen; de Spaansche waren niet gereed. Martinique werd bereikt, ook vroegtijdig genoeg weder verlaten, maar nu richtte de admiraal den steven niet naar ’t noorden, naar Schotland, doch naar ’t zuiden, naar Cadix, om hier de bij de uitreis nog niet slagvaardige bodems af te halen. Een kort gevecht voor Ferrol volgde. De vloot leed schade en nu bleef de admiraal te Cadix liggen “timmeren,” zoodat de vijand al den tijd had om eveneens naar Europa terug te keeren. Toen kwam het slechte weder, dat uitzeilen belette en ten slotte werd de vloot in de haven van Cadix geblokkeerd.

Voorloopig zag Napoleon van verdere landingsplannen af.


Opnieuw wijdde hij zijn aandacht aan de stoffelijke en zedelijke belangen van zijn volk. Het Burgerlijk Wetboek kwam gereed, terwijl ook voor het onderwijs maatregelen werden genomen om dit te verbeteren. In zijn jeugd had hij de ondervinding opgedaan van hoe luttele waarde het onderwijs van pastoors en geestelijken op de scholen was; ook had hij de onverdraagzaamheid dier mannen tegenover andersdenkenden leeren kennen. Hierin moest een radicale verandering komen en de eerste schreden hiertoe had hij al gedaan. Het Concordaat had de positie geregeld van de Fransche geestelijken tegenover den staat; zij waren door het land bezoldigde, doch door den paus in hun geestelijk ambt bevestigde dienaren geworden. Staatskerk was die van [206]Rome niet geworden. Aan Pius gaf hij onomwonden te kennen, dat hij van de Roomsch-Katholieke kerk als staatskerk niet wilde weten; ieder geestelijke zou bij schending van de wetten van den staat evenals ieder Fransch burger aan de bestaande rechtbank worden overgegeven; bovendien deelde hij den paus mede, dat er in de rijksscholen wel geestelijken zouden worden toegelaten tot het geven van godsdienstonderricht, maar dat alleen de staat op de scholen gezag moest uitoefenen, terwijl het onderwijs alleen door mannen van het vak mocht gegeven worden. Als een balsem op deze wond beloofde hij den kerkvorst op diens vraag of hij niets zou terugkrijgen van ’t geen hij in grondgebied, o.a. de legatiën en inkomsten had verloren, dat hij in den materieelen toestand van den Heiligen Stoel langzamerhand verbetering zou brengen; ook wilde Napoleon zelfs terstond geldelijke steun verleenen, maar hij gaf daarbij te kennen, dat hij geen verraad kon plegen tegenover een staat, die hem gekozen had tot hoofd.

Dit laatste doelde op het nieuwe koninkrijk, dat uit de Italiaansche republiek was voortgekomen en waarvan hem de kroon in het midden van Maart 1805 was aangeboden. Napoleon had pogingen aangewend om deze kroon aan Jozef te geven, dit zou dan een soort compensatie zijn geweest voor zijn afstand van het erfrecht in Frankrijk, waarvan Napoleon dan hoopte een bepaalde afstandsacte in handen te krijgen; na eerst zoo goed als aangenomen te hebben, had Jozef ten slotte toch bedankt tot groote ontstemming van zijn broeder, die daarna nog een vergeefsche poging had aangewend om de Italiaansche kroon voor een kind van Louis te bestemmen, terwijl het regentschap gedurende de minderjarigheid aan Napoleons beslissing zou zijn gebleven.

Dat de geheele intrige van de aanbieding van dit koningschap over Italië door Napoleon en Talleyrand was op touw gezet en uitgewerkt, vordert zeker geen nader betoog. Europa had deze gedaantewisseling van Noord-Italië verwacht; daar was men hem met plannen maken zelfs reeds voor. Zoo heette het in die dagen reeds, dat hij aan Louis in Holland, aan Jozef in Napels een kroon wilde geven, dat hij zijn oom Fesch tot Paus zou verheffen en Zwitserland en Genua met Frankrijk wilde vereenigen; Spanje heette al bestemd voor een derden broer. Zoo werd de publieke opinie vaak reeds voor hem bewerkt, zonder dat hij hiertoe aanleiding gaf.

Toen alle toebereidselen gemaakt waren en de ijzeren kroon der Lombardische koningen uit de schatkamer van Monza te voorschijn was gebracht, ging Napoleon, vergezeld van Joséphine en een groot deel der hofhouding, den laatsten April op reis naar Italië en gaf ook nu weder een bewijs van zijn belangstelling in al wat de bevolking zelve of het algemeen belang ten goede kon komen. Zoo liet hij o.a. te Lyon den last achter een bewaarplaats te bouwen voor niet verboden handelsartikelen van vreemden oorsprong, een [207]brug over de Saône te hernieuwen, een graanhal te stichten benevens een teekenschool. Acht dagen later hield hij zijn plechtigen intocht in Milaan.

God geeft ze mij. Wee hem die ze aanraakt!” werd het devies der orde van de IJzeren Kroon. ’t Waren de woorden, door hem met luider stem gesproken, terwijl hij zich in de hoofdkerk te Milaan de kroon der Longobarden op de slapen drukte en zich tooide met den koninklijken ring, den mantel en het zwaard. (26 Mei 1805.) Italië werd geschoeid op de leest van het keizerrijk. Beslist was echter nog niet, wat met Italië zou geschieden, wie n.l. Napoleon aldaar zou vervangen.

Terwijl hij zich te Milaan bevond werd er een geregelde correspondentie met Pesaro gevoerd, waar Lucien vertoefde. Reeds vroeger had deze broer een soort poging gewaagd met Napoleon op beteren voet te komen en de gansche familie was in de weer om Lucien weder in genade te doen aannemen, maar Napoleon bleef bij zijn vroegeren eisch, dat Mme Jouberthon niet den naam van Bonaparte mocht dragen, terwijl Lucien wel wilde beloven, dat zijn vrouw niet aan ’t hof zou komen en het ook goedkeurde, dat zij geen titel zou ontvangen, maar de twee dochters uit het eerste huwelijk moesten deel uitmaken van de keizerlijke familie. Hierover loopt in die dagen de briefwisseling van de broers, welke echter het gewenschte resultaat niet heeft.

Vlijmend scherp is Napoleons antwoord aan de familieleden, waarin hij in krasse bewoordingen Luciens gedrag afkeurt en hem verwijt de eer van zijn naam en van zijn familie op te offeren aan een “oneervolle” vrouw. Toch valt de beslissing over Italië nog niet. Nog hoopt hij op onderwerping en dan, zoo had Napoleon beloofd, wachten hem schitterende vooruitzichten. Lucien volhardt en den 7en Juni valt de beslissing over Italië, waar Eugenius de Beauharnais tot onderkoning wordt aangewezen. Ofschoon pas vier en twintig jaar oud, in administratief werk niet thuis en van de politiek nog niet op de hoogte, benoemt Napoleon zijn stiefzoon tot dit belangrijk ambt, maar waar broers renonceeren blijft hem niet veel anders over en Eugenius, die het volkomen vertrouwen van zijn stiefvader genoot en bekend stond als een ridderlijk, trouw soldaat, een der nobelste figuren uit die dagen van intrige en onbetrouwbaarheid, zou onder leiding van Napoleon spoedig de bewijzen geven, dat de keuze van zijn stiefvader niet zoo verkeerd was geweest.

De republiek Genua verzocht nog vóór Napoleons vertrek uit Milaan bij het koninkrijk Italië te worden gevoegd.

De regeling der Italiaansche zaken had tusschen Napoleon en Jozef een groote verkoeling doen ontstaan, terwijl de breuk met Lucien nu volkomen was geworden. Tevergeefs had Jozef bij zijn plannen op zijn zuster Caroline gerekend, deze had zich geheel van de broers afgescheiden, daar er met hen niets was te verkrijgen en zij beter alleen, gesteund door haar man, Murat, die als gouverneur van Parijs in de nabijheid van Napoleon vertoefde, [208]van de goede gelegenheid kon gebruik maken om van broerlief een en ander gedaan te krijgen. Het gevolg was dan ook, dat aan Murat steeds meer waardigheden werden opgedragen en hij o. a. tot prins van het keizerrijk benoemd werd. Ook Caroline ondervond in stoffelijke dingen de groote voordeelen met Napoleon op goeden voet te wezen, zooals bleek uit de groote toelagen, die haar en Murat ten deel vielen en het kostbare geschenk van bijna een millioen francs na de geboorte van een kind aan Caroline bij haar eersten kerkgang gegeven.

Had Elisa reeds vroeger Piombino, in Toskane, van Napoleon gekregen, thans werd haar de kleine republiek Lucca als een prinsdom nog toegewezen, terwijl haar gemaal Bacciochi den titel van prins van Lucca en Piombino ontving. Dat Napoleon zijn zuster, die zich ook aan de politiek begon te geven daardoor uit Parijs verwijderde was zeker ook een hoofdmotief van deze benoeming. Elisa kon nu in haar gebied met de 130.000 inwoners naar hartelust aan de politiek doen en ze liet zich ook niet onbetuigd, terwijl ze wel zorgde, dat haar onbeduidende man tevreden bleef met den titel te voeren, zonder ook maar iets in het bestuur te zeggen te hebben.

Dat de verhouding van Napoleon weer hersteld was en aan Borghese het Fransch burgerrecht was verleend, had Pauline in hoofdzaak te danken aan haar moeder, die nooit ophield in de bres te springen voor die kinderen, welke in ongenade waren gevallen of die naar haar meening door Napoleon niet werden behandeld zooals dat behoorde.

In de eerste maanden na de kroning vinden we de moeder in Parijs, eigenlijk in afwachting van hetgeen Napoleon aan haar zou geven, want zij had noch een titel, noch een of andere bezitting ontvangen en hierover had ze meermalen haar ongenoegen te kennen gegeven en oom Fesch had er vroeger reeds met Napoleon over gecorrespondeerd. Niet alleen kostte het dezen nog al hoofdbreken welken titel aan haar te geven, maar het wekte Napoleons ontstemming ook op, dat zij voor Lucien telkens opnieuw opkwam in plaats van er voor te zorgen, dat Lucien zich onderwierp en het huwelijk verbrak. Ook tegenover Jérome moest zij voor Napoleon partij kiezen. Aan haar wensch werd echter voldaan en behalve den titel van Madame-Mère werd haar een groot jaargeld toegewezen, terwijl ze een mooi kasteel aan de Seine ter bewoning ontving, en haar zoon nog een aardige som voor de meubileering verstrekte. Toch was het er verre van af dat mama zich bijzonder dankbaar toonde; haar wenschen en begeeren reikten veel verder. Ze was te veel Corsicaansche om niet te pogen, dat de Corsicanen in Frankrijk in betrekkingen werden geplaatst, maar zooals we vroeger reeds zeiden, Napoleon dacht er niet over Frankrijk aan de clan over te leveren; zorgvuldig waakte hij ervoor dat de verspreiding der Corsicanen over Frankrijk werd voorkomen en bij de inrichting van de hofhouding van het huis zijner moeder werden [209]wel tal van personen van het oude en nieuwe regime daaraan verbonden, maar aan de enkele Corsicanen in de omgeving van zijn moeder, werden zelfs geen officieele functies gegeven. Het was, vond Napoleon, al mooi genoeg, dat hij zijn broers en zusters zoo bedacht; nog verder te gaan, daar dacht hij niet over en de tijd zou hem leeren, dat hij zelfs met dit te doen, al veel te ver was gegaan en het woord van Stendhal: “Het was gelukkiger voor Napoleon geweest geen familie te hebben gehad” waarheid zou bevatten.

Intusschen meende Oostenrijk, dat zich bij den vrede van Lunéville zooveel van zijn invloed op het lot van Europa had zien ontnemen, in Frankrijks krijgstoerustingen tegen Engeland een geschikte gelegenheid te vinden om weder de tanden te laten zien.

Reeds in Januari was de verhouding tusschen Napoleon en Frans II een korte poos zeer gespannen geweest. Nu de eerste voor het kroningsfeest te Milaan Fransche afdeelingen hierheen had samengetrokken, achtte de laatste dit een aanleiding om zijn leger in Carinthië en Venetië op 40.000 man te brengen. In Juli d. a. v. sloot Frans met Alexander van Rusland een bondgenootschap. Deze zou twee legers, samen 100.000 man, vormen; het eene zou den 20en October bij Braunau aan de Inn staan het andere naar Bohemen marcheeren. Voorts zouden twee sterke landingskorpsen worden gevormd, bestemd zoowel voor Napels als voor Pommeren om hier samen te werken met de Zweden. Ook Engeland en Rusland waren vroeger reeds tot een overeenkomst gekomen om Frankrijk tot zijn oude grenzen terug te brengen. Napoleon was van dit alles wel op de hoogte en schreef o.a. aan Cambacérès in Augustus, dat als Oostenrijk met de ontwapening geen begin maakte Napoleon haar met 200.000 man een duchtig bezoek zou brengen, dat haar lang zou heugen; door Talleyrands bemiddeling werden aan den Oostenrijkschen gezant alle brieven ter inzage gegeven over de geheime bewapening en Napoleon gaf duidelijk te verstaan alles terug te brengen tot op den voet van drie maanden te voren, anders binnen een maand oorlog. “Indien uw meester den oorlog wil, mij best, maar zeg hem dat hij Kerstmis niet te Weenen zal vieren,” zei Napoleon aan den Oostenrijkschen gezant.

Door Engelands millioenen gesteund, stonden in het najaar van 1805 met uitzondering van Turkije weer dezelfde mogendheden tegenover Napoleon als vroeger; hun doel was aan de steeds toenemende veroveringszucht van den Franschen Keizer, getuige Italië en Genua, paal en perk te stellen. Dit verbond, de 3e coalitie genoemd, was de kroon op het werk van Engelands regeering, die niets onbeproefd had gelaten de mogendheden voor het verbond te winnen. Alleen Pruisen, waar de koning binnen twee dagen na mededeeling omtrent het instellen van het keizerrijk reeds antwoord had gezonden aan zijn, “bon frère et ami” bleef voorloopig nog onzijdig. Geheel alleen stond Frankrijk ditmaal niet; in Beieren, Wurtemberg en Baden vond het steun. [210]

Het plan van aartshertog Karel, den opperbevelhebber der Oostenrijkers, was eenvoudig. Terwijl een leger van circa 60.000 man in naam onder aartshertog Ferdinand, feitelijk onder den veldmaarschalk Mack, in Duitschland de komst der Russen afwachtte, wilde hij met een macht van de dubbele sterkte in Tyrol, doch hoofdzakelijk in Italië, aanvallend te werk gaan en hier een beslissende overwinning trachten te behalen.

Napoleon bevond zich sedert den 3en Augustus weder in het kamp van Boulogne, toen hij de tijding ontving, dat de Oostenrijkers, de Inn, de grens van Beieren, den 16en waren overgetrokken. Een korte poos hoopte hij nog, dat het eskader van Villeneuve het Kanaal zou binnenstevenen, de Engelsche vloot vernietigen en hem zoodoende gelegenheid geven zou zijn grootsche landingsplannen toch nog te verwezenlijken.—In de voornemens der bondgenooten zou dit dan natuurlijk een geduchte verandering hebben teweeg gebracht.—Eenmaal echter de zekerheid verkregen hebbende, dat de Villeneuve niet naar ’t noorden maar naar Cadix was gezeild om te “repareeren,” was zijn besluit genomen.

“Ik hef mijn kamp op, laat mijn veldbataljons door mijn derde bataljons vervangen, houd aldus bij Boulogne nog een sterke macht over, sta den 23en September met 200.000 man in Duitschland, met 25000 in Napels, marcheer naar Weenen en steek het zwaard niet op, voordat ik Napels en Venetië in mijn macht en Beierens grondgebied zoodanig vergroot heb, dat er van Oostenrijk niets meer is te vreezen,” zeide hij.

Murat, Bertrand en Savary kregen in opdracht een verkenningsreis te maken langs den Neckar en den linkeroever van den Donau, de dwarswegen tusschen de rivieren onderling en den Rijn hieronder begrepen. In enkele uren dicteerde Napoleon aan Daru het gansche marschbevel van de geweldige macht, die onder den naam van het “Groote Leger” nog verspreid stond langs de kust over een frontlijn van tweehonderd uren gaans en welke den 23en September moest staan in het vak Mannheim—Straatsburg.

De verschillende korpsen wel eens “de zeven stroomen” genoemd, onder bekwame aanvoerders als Davoust, Soult, Lannes, Ney e. a. begaven zich op marsch om het tot in onderdeelen vastgestelde plan van den Keizer na te komen met als einddoel Weenen, waar men den Oostenrijkschen keizer het beloofde bezoek zou brengen.

Zoolang Napoleon niet zelf het commando op zich had genomen zou Murat hem vervangen.

Ten einde de aandacht van het buitenland uitsluitend op Boulogne gevestigd te houden, bleef hij hier nog vertoeven en veranderde oogenschijnlijk niets aan den toestand, doch verbood de dagbladen langs den linker Rijnoever over de troepenbewegingen aldaar te spreken.

Het geheele leger met inbegrip van de hulpkorpsen der bondgenooten [211](te zamen nog geen 30.000 man) telde ongeveer 219.000 krijgers. “Zeker bestaat er in gansch Europa geen mooiere armee dan die, welke ik thans bezit,” zei Napoleon en hij had gelijk. Een keur van oudgediende soldaten vormde de minderheid ervan; het meerendeel behoorde tot de conscriptie van 1804. Anderhalf jaar lang waren die mannen dus reeds onder de wapenen, uitstekend geoefend, goed georganiseerd en nog niet door de ontberingen, de gevaren en de uitputtende diensten van den oorlog verzwakt.

Jonge uitmuntende generaals voerden hen aan. Van de zeven korpscommandanten waren alleen Augereau en Bernadotte de veertig gepasseerd.

Drie er van, Lannes, Soult en Ney waren zoo oud als de Keizer zelf. Davoust was nog één, Marmont zelfs nog vijf jaar jonger. Van de divisiegeneraals had de helft den veertigjarigen leeftijd nog niet bereikt. Al die mannen, in de volle kracht van het leven, zagen een toekomst vol grootheid en roem tegemoet, waren vol energie en krijgsvuur, kenden den oorlog en Napoleons wijze van aanvoering en waren gewoon zijn bevelen onvoorwaardelijk te gehoorzamen.

Een enkel woord over het ontstaan dezer bevelen, ontleend aan Jomini, den grooten strateeg, die langen tijd Ney’s chef van den staf was, vinde hier zijn plaats.—De eigenlijke chef van zijn generalen staf was Napoleon zelf. Gebogen of liggende over een kaart, waarop de standplaatsen zijner korpsen en de vermoedelijke stellingen der tegenpartij door spelden met koppen van verschillende kleur,—rood en zwart—waren aangegeven, gewapend met een passer, die steeds openstond voor een afstand van zeven of acht uur gaans in rechte lijn, dus, rekening houdende met de krommingen der wegen, voor een marschdag van negen of tien uur, beoordeelde hij in een oogwenk het aantal dagen, voor ieder korps vereischt om op een bepaald tijdstip een zeker punt te bereiken. Terwijl hij spelden in die nieuwe punten stak en de voor elke colonne gevorderde snelheid in verband bracht met het hiervoor zoo mogelijk te stellen uur van afmarsch, dicteerde hij zijn “aanwijzingen.”

Een algemeen legerbevel vaardigde hij zelden uit, want het kon den vijand in handen vallen.—Zijn onderbevelhebbers lichtte hij betreffende zijn operatieplannen meestal niet in, uit vrees, dat het geheim er van in het leger niet zou bewaard blijven.—“Den vijand verrassen in ruimte en tijd” was zijn stelregel.—Iedere korpscommandant kreeg dus meestal alleen kennis van ’t geen hij zelf in verband met den algemeenen toestand had te verrichten en van ’t geen zijn nevenkorpsen zouden doen.

Ongeëvenaard zijn de kracht en de oorspronkelijkheid, door hem hierbij in zijn woorden gelegd. Men voelt als ’t ware de onmogelijkheid om aan zulk een bevel niet te gehoorzamen.—“Niet naar bed, voordat u mij al die détails hebt gemeld,” schrijft hij aan Bernadotte.—“Ik wensch u geluk met uw succes. Maar geen rust nemen nu; den vijand achterna met het staal in de [212]ribben en hem van al zijn verbindingen afgesneden,” krijgt Murat van hem in last.—“Is de vijand niet te Memmingen, dan als de bl... terug tot op onze hoogte,” kan Soult in zijn order lezen, daarna in een tweede: “Ik geef u in overweging uw adjudanten en ordonnansen hun paarden desnoods te laten doodrijden. Verdeel ze in relaisposten langs den weg naar Weissenhorn, maar bericht moet ik zoo snel mogelijk van u krijgen.”

De uitwerking van de bevelen, het regelen van de bijzonderheden en de zorg, dat de orders aan de armee werden bekend gemaakt, dit alles was het werk van den Chef van den Generalen Staf Berthier. Gedurende tal van jaren heeft deze werkzame man onschatbare diensten in deze functie aan Napoleon verleend, daarbij altijd zorgende nooit in de plaats van zijn meester te treden, maar stipt zijn bevelen uit te voeren. Niets was den Chef van den Generalen Staf ooit te veel, geen werk was hem te zwaar en toen Napoleon eens tegen Daru zei, dat hij een werkezel was, gaf deze ten antwoord, dat hij in negen dagen en nachten niet had geslapen, maar dat Berthier hem ver overtrof, want deze had in dertien dagen en nachten geen oog dicht gedaan.


Den 21en September vernam de Senaat door Talleyrand in tegenwoordigheid des Keizers de grieven, welke deze tegen het Kabinet van Weenen had. De Senaat beantwoordde deze mededeeling met het beschikbaar stellen van 30.000 conscrits der lichting van 1806 en met een plan tot reorganisatie der nationale garde. Zoolang het leger zich op vreemd grondgebied bevond, zou deze zorgen voor de handhaving der orde en voor de verdediging van de grenzen en de versterkte plaatsen.

Vergezeld van Joséphine, die hem tot Straatsburg uitgeleide zou doen, vertrok Napoleon den volgenden dag naar den Rijn, terwijl Jozef, die ook naar het leger moest vertrekken, ten slotte, geheel naar zijn zin in Parijs bleef, om tijdens Napoleons afwezigheid in zijn plaats te treden, meer echter in naam, dan in werkelijkheid.

In den loop van September had Mack de rivier de Iller en de positie van Ulm verkend en besloten de komst der Russen niet af te wachten, doch achter die rivier en bij Ulm een verdedigende stelling in te nemen, terwijl hij zijn onderbevelhebbers order had gegeven in die lijn bij hem aan te sluiten.

Deze order zou nimmer tot uitvoering komen. Den 5en October stond zijn leger nog verspreid langs de Iller in Vorarlberg, in Tyrol en bij het meer van Constanz. Van het plan zijner tegenpartij had hij nog geen flauw begrip.

Uit het bevel tot samentrekken tusschen Mannheim en Straatsburg viel reeds af te leiden, wat het plan des Keizers was. Terwijl zijn cavalerie Mack in den waan bracht, dat hij, den Rijn gepasseerd, door de passen van [213]het Schwarzwald vooruitrukte, moest de hoofdmacht de passen van dat zware bergterrein rechts laten liggen, in oostelijke richting marcheeren en daar een rechtsche zwenking verrichten, front naar den Boven-Donau. Bleef Mack dan achter de Iller staan, trok hij niet terug naar Tyrol dan moest die hoofdmacht hem insluiten en tot capitulatie dwingen.

“Wee den Oostenrijkers, als ze mij eenige dagmarschen op hen laten winnen! Dan kom ik met mijn geheele leger tusschen de Lech en de Isar,” zei de Keizer een der laatste dagen van September, toen zijn cavalerie reeds lang op marsch was. En de volgens Napoleon, “zeer middelmatige” Mack liet zijn tegenpartij, onbewust van het dreigende gevaar, dien voorsprong krijgen; steeds nauwer werd de kring, waarin Ney, Lannes en Soult hem sloten; den 15en October vermeesterde Ney de Michelberg ten noorden van Ulm en vijf dagen later capituleerde Mack met het overschot van zijn leger. Zoo had Napoleon in vijftien dagen met een verlies van nog geen 2000 man een leger van bijna 100,000 strijders uiteengeslagen of gevangen genomen.

Onmenschelijk zwaar was de taak van de infanterie geweest. Van den 8en af had het onophoudelijk zoo geweldig geregend, dat de wegen grondeloos waren geworden, de paarden stervende neervielen voor de voertuigen en alleen maraude op groote schaal en een gestadige jacht op het in die streken zeer talrijke wild de soldaten in ’t leven deden blijven.

Napoleon had zich door dit hondenweer niet laten weerhouden en was zelf overal in het dichtste gedrang geweest. Den 15en bij de brug van Elchingen een zwaar gewonden artillerist ziende, die hem niettemin nog salueerde, schonk hij hem zijn eigen kruis van het Legioen van Eer. Een grenadier uit Egypte, die met doorschoten lichaam en naar boven gewend gelaat in den slagregen lag en toch nog: En avant! riep, dekte hij toe met zijn eigen overjas: “Breng mij die terug en het kruis en pensioen zijn je deel,” voegde hij er bij. Een kleine gewonde tamboer, die half bewusteloos in een boerenwoning naast den brandenden kachel lag en begon te mopperen, toen men hem wilde wegjagen, omdat men daar voor den Keizer een onderkomen had gemaakt moest op zijn last met rust worden gelaten. Dus sliepen Napoleon en een tamboer bij één vuur, terwijl een drom van generaals over dien slaap waakten.

Zoo leefde de veldheer met zijn krijgers. Wie zou hem niet hebben gevolgd, overal waar hij voorging?

Dat de Keizer voldaan was over dit begin van den veldtocht laat zich begrijpen. Aan Joséphine schrijft hij den 19en: “Ik heb mijn doel bereikt, ik heb het Oostenrijksche leger vernietigd eenvoudig door marschen. Ik heb 60,000 gevangenen gemaakt, waaronder 30 generaals, 120 kanonnen genomen, terwijl 90 vaandels in onze handen zijn gevallen. Ik ga mij nu op de Russen werpen, ze zijn verloren. Ik ben tevreden over mijn leger...” Dat mocht hij zijn en wat zijn infanterie vermocht zou weldra nog krachtiger blijken, [214]want de veldtocht was niet ten einde; deze begon nu eerst.—“De Russische armee, die door Engelsch goud van de uiterste grenzen der wereld herwaarts is gevoerd, moet hetzelfde lot ondergaan,” had Napoleon in zijn proclamatie aan de troepen gezegd. Een gedeelte van die armee onder Kutusof stond reeds bij Braunau aan de Inn.

Terwijl Massena met zijn kleine macht in Italië den strijd aanbindt met aartshertog Karel, dezen, nu Mack geslagen is, op zijn terugtocht over de Etsch, de Brenta en de Tagliamento nazet en hem eindelijk bij Castel Franco het zwaarste verlies toebrengt, terwijl Marmont eerlang door het bezitten van Leoben het leger van den aartshertog belet iets van belang tegen Napoleons rechterflank te ondernemen, breekt deze van Ulm op. Van de Lech wordt een tijdelijke nieuwe operatiebasis gemaakt en nu begint hij in een zoo breed mogelijk front,—om aan den kost te komen, want magazijnen had hij niet—den zwaren tocht naar het Oosten, dwars door Beieren en Oostenrijk heen, niet langs goede, harde wegen, maar langs zandwegen, mul en slecht, of, zooals de rechtervleugel onder Ney en Marmont langs bergpaden, steil en ongelijk. Het doel is Weenen.


Ging de veldtocht voor de Franschen zeer voorspoedig, ter zee was op den dag na de capitulatie van Ulm een nederlaag geleden zóó groot, dat daarmee voorloopig over de heerschappij ter zee ten voordeele van de Engelschen was beslist. Den 21en October was het admiraal Nelson gelukt de vereenigde Fransche en Spaansche vloot onder de Villeneuve bij Kaap Trafalgar, niet ver van de haven van Cadix, een nederlaag toe te brengen, zoo geducht, dat Frankrijk de gevolgen ervan in jaren niet zou te boven komen. Een zware storm had het overschot der ontredderde schepen ten slotte overvallen. De Villeneuve had zich moeten gevangen geven. Alleen de wetenschap, dat Engelands grootste vlootvoogd te midden van de zegepraal was gesneuveld, kon den Keizer eenigen troost schenken. Aan zijn grootsche plannen tegen Engeland was nu met één slag een einde gemaakt; zijn reusachtige toebereidselen te Boulogne en langs de kust waren vergeefsch geweest.

Zuid-Duitschland.

Zuid-Duitschland.

Dat de Keizer ontstemd was over den geleden nederlaag laat zich begrijpen, maar hij ging in zijn verbittering over dit verlies veel te ver. Aan de couranten liet hij verbieden over Trafalgar te schrijven. Niet aan het beleid van Nelson, aan den storm na den slag was de ondergang van zooveel schepen te wijten, beweerde hij. Tegen de scheepskapiteins, die het gevecht ontweken of door hun verkeerde manoeuvres tot de ramp hadden bijgedragen, deed hij geen vervolging instellen, maar ook weigerde hij halsstarrig eenige belooning toe te kennen aan die honderden andere officieren en schepelingen, die zich als helden hadden gedragen, die de eer der vlag hoog gehouden en hun totaal ontredderde schepen ten slotte nog in een der Spaansche havens [216]gebracht hadden. Een pijnlijk contrast maakte hij zoodoende met de manier, waarop de koning van Spanje aan zijn zeemacht niettemin bewijzen van achting en erkentelijkheid schonk.


Den 13en November wordt Oostenrijks hoofdstad bereikt. Nergens heeft Kutusofs achterhoede ernstigen wederstand geboden; zelfs Braunau met zijn magazijnen vol buskruit en schietvoorraad is zonder slag of stoot door hem ontruimd; alleen zijn de bruggen overal vernield. “De menschen hier hebben geen aanvoerders meer. Een panische schrik heeft zich van hen meester gemaakt,” zei Napoleon terecht. De Russische generaal was in vollen aftocht naar het noorden de Donaubrug bij Krems over, naar Brünn en Olmütz, naar het tweede Russische leger in Moravië.

Den 1en November hadden Lannes en Soult de boorden van de Inn verlaten; in dertien dagen had hun infanterie 32 Duitsche mijlen, in rechte lijn gemeten, afgelegd en Davoust in zestien dagen, dwars door het gebergte, 40 mijlen.

Slechts één verlies was onderweg geleden. Door een minder juist inzicht in den toestand had Napoleon aan Mortier bevel gegeven van af Passau den linker Donauoever te volgen. Den 11en door Kutusof bij Dürrenstein aangegrepen, had dat korps, dat van den rechteroever niet kon worden ondersteund, zwaar geleden; een der divisiën was zoo goed als vernietigd.

Maar Weenen was bereikt!

Dit succes was Napoleon echter niet voldoende. Het Russische leger moest worden verslagen!—Hiertoe moesten de bruggen ten oosten van Weenen over den Donau, die door de Oostenrijkers bezet en wel tot vernieling voorbereid doch niet vernield waren, in zijn bezit komen. Aan Murat, die de voorhoede commandeerde, en aan Lannes had hij hiertoe bevel gegeven. Een zooal niet bloedig, in elk geval langdurig gevecht om ’t bezit er van was dus te verwachten, toen een krijgslist van deze maarschalken—een ongeoorloofde zet—hun dien overgang zonder slag of stoot in handen speelde.

Een paar dagen te voren had keizer Frans, die het overschot van zijn leger onder Kienmayer aan Kutusof had toegevoegd, een adjudant naar Napoleon gezonden om te onderhandelen. Wel was er van deze onderhandelingen niets gekomen, doch het praatje van een wapenstilstand had bij beide partijen toch reeds de ronde gedaan.

Van dit losse gerucht maken Murat en Lannes thans gebruik.

Door slechts enkele Duitsch sprekende officieren vergezeld, hun infanterie een weinig achter zich latende, wandelen zij de voorste Donaubrug op. Wel vallen er enkele schoten, maar op hun roepen, dat er wapenstilstand is, wordt dit vuur gestaakt. Bedaard blijven zij voortgaan, praten met [217]den sergeant, die tijdelijk aan ’t begin van de langste brug het bevel voert en niet durft handelen, bereiken de overzijde, rukken een onderofficier, die de zaak toch niet vertrouwt en de brug in brand wil steken, de lont uit de handen, gaan op een der vuurmonden zitten, welke den overgang in de lengte bestrijken, en maken ten slotte generaal Auersperg, die daar commandeert en in allerijl is gewaarschuwd, zelfs wijs, dat de bruggen aan hen moeten worden overgegeven.

Intusschen zijn Oudinots grenadiers vooruitgegaan; zij beginnen de kanonnen in te sluiten; en als Auersperg ten slotte aan al die mooie praatjes van Murat geloof slaat, zijn troepen verzamelt en afmarcheert, is Napoleon meester van ’t terrein.

Cassatie met eerloosverklaring, gevolgd door sleuren op een horde naar ’t schavot om hier te worden onthoofd, was de straf die de krijgsraad over Auersperg uitsprak. Keizer Frans veranderde ze in levenslange gevangenisstraf.

Een paar dagen later liet Murat zich op zijn beurt door den sluwen Kutusof verschalken. Deze zond n. l. prins Bagration als parlementair naar Hollabrünn deed Murat hier de stellige verzekering geven, dat er te Weenen tusschen de twee keizers een wapenstilstand was gesloten, en deed hem voorstellen het zwaard voorloopig nu ook in de scheede te steken.

Murat stemde toe en onder achterlating eener sterke achterhoede tegenover Hollabrünn trok Kutusof, van ’t terrein gebruik makende, nu met zijn uitgeputte mannen zoover weg in de richting van Znaim, dat van inhalen geen sprake meer was, en hij zich vereenigen kon met het tweede Russische leger, dat hem was te gemoet getrokken en Olmütz reeds naderde.

Toen Napoleon hoorde hoe leelijk zijn zwager zich had laten beetnemen, werd hij boos.—“Hij doet mij de vruchten van den ganschen veldtocht verliezen,” zeide hij. Oogenblikkelijk moest Kutusof met alle kracht worden nagezet.

Thans begon die bij Hollabrünn staan gebleven Russische achterhoede echter een woord mede te spreken. Verwoed werd daar den ganschen dag gevochten; in het geheele stadje bleef geen enkel huis overeind; alles verbrandde, ook honderden zwaar gekwetsten, die dezen helschen oven niet hadden kunnen ontvlieden.

Eenmaal Brünn met geforceerde marschen bereikt, altoos Kutusof achterna, deed Napoleon zijn uitgeputte soldaten halt houden. Door die onafgebroken zware marschen was het aantal achterblijvers en maraudeurs bij de verschillende korpsen reusachtig toegenomen. Van het regiment gardejagers te paard alleen mankeerden niet minder dan vierhonderd ruiters, ruim een derde van de sterkte. Wel sloten die achterblijvers zich in de eerstvolgende dagen grootendeels weder bij hun regimenten aan, doch in de sterktestaten, welke Napoleon ontving, was het cijfer “present onder de wapens” [218]veel te hoog, dus onbetrouwbaar. De regimentscommandanten wisten dit; alleen de omstandigheden, waarin zij verkeerden, vergoelijkten dit misbruik eenigermate. Door de snelle marschen zonder magazijnen of voertuigen kon lang niet altijd in het onderhoud van man en paard worden voorzien; dan moest vaak ver van den marschweg gefourageerd worden op een manier, die vrijwel met stroopen gelijk stond. Oogluikend werd zelfs toegelaten, dat geheele detachementen, in strijd met ’s Keizers bevelen, in den omtrek gingen maraudeeren.—De menschen en paarden moesten toch eten, werd gezegd; maar de krijgstucht leed er onder.—Dit euvel heeft Napoleon nooit kunnen meester worden. Zijn wijze van oorlogvoeren zonder magazijnen of nasleep had les défauts de ses qualités. [219]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XVI.

Austerlitz. Vrede van Presburg.

Elf dagen verliepen, voordat de wapenen opnieuw beslisten, een betrekkelijk lange tijd, welken Napoleon gebruikte om alle korpsen bij zich aan te trekken, die niet ten zuiden van den Donau noodig waren om aartshertog Karel in het oog te houden en voor de veiligheid der verbinding met Weenen te zorgen.

Toen hij zijn hoofdkwartier te Brünn vestigde, stond zijn leger, front naar het noordoosten, over een breedte van circa 50 Duitsche mijlen verspreid. In vier dagen kon hij echter ongeveer 85.000 man bij Brünn bijeenbrengen. Ongeveer dezelfde sterkte had het Oostenrijksch-Russisch leger onder keizer Alexander bij Olmütz.

Den 28en zond hij Savary met een onbeduidend schrijven naar dezen om te weten te komen, wat er ginds voorviel. Ditzelfde wilde de Russische keizer op zijn beurt ook doen; terwijl Savary werd ontvangen in ’t midden van het leger, dus een indruk ontving van ’t geheel en zien kon, dat de opmarsch in de richting van Brünn was begonnen, ging Napoleon den adjudant zijner tegenpartij tegemoet tot aan de uiterste lijn der voorposten en trachtte hem zelfs een ongunstigen indruk te doen krijgen van de tenue, de uitrusting en de houding zijner soldaten.

De bondgenooten rukten dus voorwaarts. Zij wilden blijkbaar aanvallen op hèm en niet—wat in hun geval veel verstandiger zou zijn geweest—in hun sterke stelling bij Olmütz afwachten, tot hij afkwam op hèn.

Onder die omstandigheden besloot Napoleon om niet een “gewonen” veldslag te leveren maar een, die, bracht hij de overwinning, voor de tegenpartij met vernietiging zou gelijk staan. De prachtige stelling, die de hoogten van [220]Pratzen ten westen van het dorp Austerlitz hem aanboden, bezette hij dus niet, wel het meer westelijk en lager gelegen terrein hiervan achter de Goldbach, een beek, die van het noorden naar het zuiden tusschen tamelijk steile oevers doorloopt, in het meer van Menitz valt en o.a. bij Sokolnitz en bij Telnitz nabij dit meer verscheiden overgangen heeft. Het terrein was daar wel zeer moerassig, het meer van Satschan, dicht bij dat van Menitz gelegen, vrij diep, maar ’t was winter; de laatste dagen had het hard gevroren, en het ijs was sterk genoeg om menschen en paarden, zelfs voertuigen te dragen.

Napoleons rechtervleugel bij Telnitz en Sokolnitz nu vertoonde den vijand slechts de divisie Legrand, maar kreeg het korps van Davoust, opgesteld achter heuvels en houtgewas, op grooten afstand rechts achter zich. Soult, Oudinot, Murat en de garde zouden ’t centrum recht tegenover de hoogten van Pratzen vormen. Suchet zou op den linkervleugel komen en ten noorden van den straatweg Brünn—Olmütz een hoogte bezetten, die de soldaten, denkende aan een dergelijke positie, indertijd in Egypte door hen ingenomen, met den naam van Santon betitelden. Hier was het steunpunt van den linkervleugel.

Had Napoleon bij den marsch naar Brünn front gemaakt naar het noorden, thans was dit gericht naar het oosten. Zijn rechtervleugel had hij ver achteruitgebracht en schijnbaar zwak bezet met slechts één divisie; dit hadden de Russen kunnen waarnemen.

In den krijgsraad der verbondenen, waar eenige jonge, onervaren generaals den boventoon voerden tegenover Kutusof en allerlei onzinnige praatjes verkochten over het Fransche leger, zijn gebrek aan voedsel, kleeding en discipline, was dagen tevoren besloten het hooge terrein van Pratzen te bezetten, den Franschen rechtervleugel van daar uit met overmacht aan te grijpen, en Napoleon aldus van Weenen af te snijden.

Slecht was dit plan in geenen deele, maar het moest worden uitgevoerd en Napoleon, de tegenpartij, was geen gewoon veldheer.—Hij had eveneens een plan, grootsch en vermetel als hij zelf, alleen door hem uitvoerbaar. Het luidde: “Terwijl de Rus naar Telnitz marcheert en mij daar tracht te omvatten biedt hij mij zijn rechterflank; op dezen val ik.”

Met onuitsprekelijke vreugde ziet hij dus, dat zijn tegenpartij in den loop van den 1en December in bovenbedoelden zin zijn maatregelen treft. Zóó innig overtuigd is hij nu reeds van het succes, dat hij zijn soldaten de “manoeuvre” voor den volgenden dag vooraf mededeelt en hen allen zoodoende bezielt met hetzelfde vertrouwen, dat hem vervult. Den dag besteedt hij aan de zorg voor de te verwachten gekwetsten. Ambulances, verbandmiddelen, alles ziet hij zelf na, vult aan, verbetert nog wat te verbeteren is en toont ook nu weder hoe hij als altijd met zijn troepen medeleeft.

’t Wordt avond, een donkere, koude avond zonder maan of sneeuw. [221]

Aan tafel in een kleine boerenwoning met Murat, Caulaincourt, Rapp, Junot, de Ségur en nog eenige andere officieren, op houten banken gezeten om zich heen, begon hij met Junot een gesprek over dramatische poëzie en over Egypte; daarna sliep hij een paar uur en begaf zich door een adjudant gewekt, in ’t holst van den nacht op weg naar de hoogten van Pratzen, omdat hij uit de richting van Telnitz heftig hoorde vuren.

Weinig had het gescheeld of hij was door een kozakkenpost, waarop hij in ’t donker stiet, gevangen genomen of gedood. IJlings langs de wachtvuren terug loopende naar zijn eigen bivak, struikelde hij over een boomwortel, waarop een grenadier een bos stroo greep, die ineendraaide en er een fakkel van maakte om hem voor te lichten.

’t Is 2 December, de verjaardag zijner kroning.

“Lang leve de Keizer!” roept eensklaps een stem, terstond door tienduizenden kelen herhaald. De regimentsmuziek begint te spelen. Duizenden fakkels van het ligstroo gemaakt, verlichten plotseling den omtrek. De grenadiers zijner garde dringen om hun afgod heen. “U zelf behoeft morgen niets te doen, Majesteit,” roepen zij hem toe. “De vaandels en de gevangenen zullen wij u wel hier komen brengen.”

Wat moeten de Russen, die juichtoonen hoorende, toen hebben gedacht?

Nog is het den volgenden morgen half duister; nog onttrekt een dichte nevel de troepen in de laagte aan de Goldbach aan het oog, als Napoleon reeds te paard zit op een heuvel achter ’t midden der slaglinie, Oudinots grenadiers vóór, de garde achter hem. De aanval op Telnitz en Sokolnitz in den nacht begonnen, wordt doorgezet. Voortdurend schuift Kutusof zijn macht verder naar links, naar de overgangen bij de meren en ontbloot hij de hoogten van Pratzen van troepen. Alleen de Russische afdeelingen van den rechtervleugel met haar talrijke cavalerie blijven voorloopig nog bij den straatweg naar Brünn om, eenmaal de overwinning op den linkervleugel behaald, daar eveneens in ’t gevecht te treden, de Franschen bij en op den Santon te omvatten en de zegepraal te voltooien.

Napoleon zag Kutusofs bewegingen. ’t Was alles volkomen naar zijn zin; de vijand wil de overgangen van Telnitz en Sokolnitz vermeesteren en dan de Franschen overvleugelen, terwijl Napoleon juist zooals hij wenscht dan de hoogten van Pratzen, het centrum van de gecombineerde legers, wil nemen. “Zij loopen in de val!” roept hij van vreugde uit.

’t Was half acht, in de dalen hangt nog een nevel.

“Hoeveel tijd heb je noodig om met je divisiën de hoogten van Pratzen te bereiken?” vraagt hij aan Soult.

“Geen twintig minuten,” antwoordt hij.

“Dan wachten we nog een kwartier.” [222]

Omstreeks acht uur hebben de Russen Telnitz en Sokolnitz vermeesterd. De Franschen onder Legrand zijn teruggeworpen. Maar thans nadert Davoust met zijn divisiën, deze hebben den vorigen dag een geforceerden marsch van achttien uur afgelegd en tellen dus nog veel achterblijvers, die echter langzamerhand aansluiten als zij ’t kanon in de verte hooren dreunen.

Van de zijde der Russen dringen de afdeelingen voortdurend verder de laagte in, naar de defilé’s tusschen de meren en Telnitz. Om 9 uur staat hier het halve leger der bondgenooten in dichte drommen in ’t gevecht, maar Davoust wijkt niet.

Om 8 uur is Soult den marsch naar de hoogten begonnen. Ook aan den straatweg is beweging gekomen. Daar grijpt Lannes reeds aan. Als een levende muur beweegt zich zijn macht: gedeploieerde bataljons voorop, in de intervallen er achter gesloten massa’s. Op het golvende terrein ten zuiden er van stooten de ruiterdrommen van Murat op die van Lichtenstein.—Thans breekt de zon door de wolken, de zon van Austerlitz! Kutusof, bij zijn centrum gebleven, ziet het gevaar, dat hem bedreigt, indien het Soult gelukt de hoogten van Pratzen te nemen. Daar komen ze al met hun lichten, vluggen pas, de Fransche tirailleurs!—IJlings werpt hij twee bataljons infanterie in Pratzen zelf, maar reeds is het te laat. De bajonet drijft ze uiteen. Ook de Russische garde, die in ’t centrum bij Austerlitz in reserve stond en nu oprukt, kan den onwederstaanbaren aanval der grenadiers niet afweren. Tegen het middaguur is hier het lot der Russen beslist. Hun centrum is doorgebroken; ook de afdeelingen onder Bagration en Lichtenstein hebben het reeds afgelegd tegen Lannes en Murat; hier vlucht reeds alles in wanorde naar het oosten. De beide keizers worden medegesleurd. De troepen in de laagten bij Telnitz en Sokolnitz zien zich afgesneden van hun terugtochtsweg, want op de hoogten van Pratzen staat thans Napoleon en grijpt hen in den rug!

Om twee uur is de slag gevallen, ook in de lage terreinen, die door de zonnestralen van een ijsvloer is veranderd in een dikke, taaie pap, waarin man en paard blijven steken. Zich bijna omsingeld ziende, trachten de Russen zich in massa te redden over de meren, over het ijs. Dit kan dezen zwaren last niet torsen; het breekt. De volkogels der Fransche garde vernielen het; geheele colonnes met paarden, voertuigen en bagage zinken onder een hartverscheurend gegil in de diepte weg. Slechts enkelen ontkomen.

Keizer Frans verzoekt een wapenstilstand, maar Napoleon wil er niet van hooren.—Over twee dagen zal hij den vorst ontvangen aan de voorposten; tot zoolang zal hij den vijand met het staal in de ribben doen vervolgen. Niet hij heeft den oorlog gezocht; hij is er toe gedwongen.—Aan Soult schrijft hij van het kasteel Austerlitz, zijn hoofdkwartier: “Zooals de zaken thans staan, heb ik slechts één algemeene order: Breng den vijand zooveel mogelijk nadeel toe en trek partij van de zege.”—Hij zelf wijdt het overige [223]deel van den dag aan de gewonden; hij zoekt ze op, spreekt ze toe, beurt ze op en doet ze naar de ambulances vervoeren. Reeds dienzelfden nacht zijn allen verbonden.

Inmiddels zocht de cavalerie de richting, waarin de hoofdmacht der bondgenooten was teruggegaan en die door Murat met zijn gewone onbesuisdheid aanvankelijk verkeerd—naar Olmütz was aangegeven. Ten slotte bleek, dat men den weg naar Hongarije was ingeslagen.

Den 4en had bij de voorposten de ontmoeting plaats tusschen Napoleon en Frans II.

“Ik hoop dat u dezen stap van mij om den vrede te bespoedigen zult op prijs stellen,” zei deze en vervolgde toen met een gedwongen lachje: “U heeft toch, hoop ik, geen plan mij van mijn staten te berooven?”

Het onderhoud duurde een uur en werd staande gevoerd. Alleen de prins van Lichtenstein was er bij tegenwoordig.

“Dus heb ik uw woord, dat u den oorlog niet opnieuw begint?” vroeg Napoleon ten slotte. “Dit zweer ik en mijn woord zal ik houden.”

Toen omarmden de monarchen elkaar en scheidden. Bij zijn staf teruggekeerd zei Napoleon: “De vrede is gesloten. We zullen Parijs weerzien.” In een kernachtige proclamatie had hij zijn leger dank gezegd voor ’t geen het had gedaan: “Soldaten! ik ben tevreden over U!” luidde de aanhef en aan het slot: “Mijn volk zal U met vreugde terugzien en wanneer een van u zal zeggen: “Ik ben bij Austerlitz geweest,” zal hij direct ten antwoord krijgen: “Dat is een dappere kerel.”

Met den slag bij Austerlitz kwam aan den veldtocht een einde. Een wapenstilstand werd gesloten, waarbij Napoleons eerste voorwaarde was, dat de Russen naar hun land zouden terugkeeren. Hieraan voldeed Alexander terstond; voorloopig had hij genoeg van den oorlog. Binnen weinige dagen volgde de vrede van Presburg. Het tractaat behelsde o. a. dat Oostenrijk veertig millioen oorlogskosten zou betalen, Venetië afstaan aan Italië, Tyrol aan Beieren en een groote strook grondgebied aan Baden en Wurtemburg, voorts zou aan den voormaligen keurvorst van dit laatste land en aan dien van Beieren de koningstitel worden verleend. Baden werd een groothertogdom. Guastalla kwam aan Pauline Borghèse; Kleef en Berg aan Murat; Berthier werd prins van Neufchâtel. Van een poging om ten gunste van het trouwelooze Napels iets van Napoleon gedaan te krijgen, hadden de Oostenrijksche onderhandelaars moeten afzien. Over het lot van dit land had hij reeds beslist.

Voor de vierde maal had de koningin daar verraad gepleegd; voortdurend had zij met den vijand geheuld; een Engelsch-Russisch leger was er geland en volkomen welkom geheeten, ofschoon men zich bij verdrag verbonden had neutraal te blijven en de havens voor Engeland te sluiten. Het [224]huis der Bourbons hield in Napels op te regeeren, zoo luidde het decreet, reeds den dag na den vrede door Napoleon geteekend. Was Jozef daartoe genegen, dan zou hij daar gaan regeeren en einde Maart 1806 zien we Jozef Napels binnenrukken.

Terwijl Napoleon zich nog op Schönbrunn buiten Weenen bevond, het prachtige kasteel, waar hij na Austerlitz zijn hoofdkwartier gevestigd had en zijn leger zich in de omstreken verzamelde, kwam Napoleon ook tot een verklaring met Pruisen.

Dat Frederik Willem III in den laatsten tijd een zeer dubbelzinnige rol had gespeeld was hem niet onbekend; dat de koning en keizer Alexander in tegenwoordigheid der koningin bij de graftombe van Frederik den Groote een eed van trouw en vriendschap hadden gezworen, evenmin; ook wist Napoleon wel, dat Pruisen zich in het geheim bij de coalitie had aangesloten en het leger gemobiliseerd was, maar dat het land een maand tijd had gevraagd om te beslissen of het aan den oorlog zou deelnemen of niet. Vier dagen voor den slag bij Austerlitz was de Pruisische minister graaf von Haugwitz in het hoofdkwartier te Brünn aangekomen tot groote verbazing van Napoleon. Deze had hem ijskoud ontvangen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, dat deze aanbieding tot bemiddeling van de zijde van een land, dat nog wel een tractaat had geteekend tot levering van 80.000 man, al zeer vreemd was. Von Haugwitz vertrok naar Weenen, liep hier met het groote lint van ’t Legioen van Eer rond, totdat het oogenblik zou zijn gekomen om het masker af te werpen.

Toen kwam 2 December, “de dag der drie keizers” maar die men, zegt Levy, wel “de dag der vier souvereinen” kon noemen, want ook Pruisen was door Austerlitz verslagen en Haugwitz, die Napoleon zijn gelukwenschen kwam aanbieden, kreeg het bijtende antwoord: “Dat is een compliment, waarvan de fortuin het adres heeft veranderd.” Napoleon wist nu van het gunstige oogenblik gebruik te maken en stelde von Haugwitz eenvoudig de keuze: oorlog en dan terstond of—vrede en een verbond met Frankrijk. In het laatste geval zou het keurvorstendom Hannover aan Pruisen worden afgestaan in ruil voor het hertogdom Kleef.

Wel wist de gezant, dat Pruisen Hannover altijd had geweigerd tegen een verbond met Frankrijk, maar hij had den tijd gehad Napoleon met zijn leger aan het werk te zien, hij had kunnen opmerken hoe gedrukt de stemming te Weenen was, zoodat het resultaat was, dat hij den vrede verkoos boven den oorlog, een politiek, die hij zijn koning tot nog toe telkens had aanbevolen; het gevaarlijke geschenk werd aanvaard voorloopig en von Haugwitz keerde naar Berlijn terug, zijn vorst nog de keus latende tusschen de bekrachtiging van het verdrag of den oorlog.

De avond vóór den slag van Austerlitz. (2 Dec. 1805).

De avond vóór den slag van Austerlitz. (2 Dec. 1805).

Steeds bedacht op middelen om zijn relatiën met de Duitsche hoven [225]een vasteren vorm te geven, had Napoleon tegelijk met den vrede de toestemming verkregen tot een huwelijk tusschen zijn stiefzoon Eugène en een dochter van den nieuwen koning van Beieren.

Reeds vóór Austerlitz had hij zijn verlangen naar deze echtvereeniging te kennen gegeven; toen had men te München weinig ooren hier naar gehad, ook omdat prinses Augusta reeds was verloofd met den zoon van den keurvorst van Baden. Thans werden er geen bezwaren gemaakt en kreeg Beauharnais een gemalin, die hij alleen kende van een portret op een porseleinen theekopje! maar Napoleon wilde en dat was genoeg, terwijl Augusta op de smeekbede van haar vader toestemming verleende mits de vrede was gesloten en Eugène koning van Italië zou worden. Het onderhoud van den Keizer met de aanstaande bruid had tot uitwerking, dat Napoleon aan zijn stiefzoon kon melden, dat alles in orde was.

Den 14en Januari 1806 op zijn doorreis naar Parijs woonde de Keizer de huwelijksplechtigheid te München bij en kon hij zich verheugen, dat hij door dit huwelijk zich verbonden had met een der oudste geslachten uit Europa. Deze verbintenis met de bevallige, schrandere Augusta-Emilie is voor Eugène een geluk geweest; toen geheel Europa in woede was ontstoken tegen al wat Bonaparte heette of met het geslacht was verwant, heeft hij aan het hof van zijn schoonvader een ontvangst gevonden, zijn edele hoedanigheden als mensch en echtgenoot waardig.

Den 26en Januari was Napoleon in Parijs terug. Drie dagen te voren was zijn doodsvijand William Pitt, slechts zeven en veertig jaar oud, op zijn landgoed bij Londen overleden. Een familiekwaal, verergerd door de miskenning en de verguizing, in de laatste jaren zijns levens van de zijde der Engelsche natie bij herhaling ondervonden, had zijn gestel ondermijnd. Een tijdlang was hij, schoon niet in naam, feitelijk koning van Engeland geweest. Fox, de leider der vredespartij in Engeland, volgde hem op.

De hoofdstad huldigde haar Keizer ook nu weder op de glansrijkste wijze. Het Groote Leger, dat met kleine dagmarschen naar het vaderland op weg was en inmiddels leefde op kosten van de landstreken, die het passeerde, een voor Frankrijk zeer goedkoope manier van voeden, stond de veroverde vuurmonden af—eenige honderden—om daarvan op de place Vendôme een zuil te doen verrijzen met in brons gegoten voorstellingen uit de laatste oorlogen versierd en met het standbeeld van den Keizer op den top.


Waren de gevolgen van den vrede van Presburg vooral voor Oostenrijk van belang, Napoleon meende nu ook het oogenblik gekomen om zich te omringen met een gordel van rijken met zijn naaste familieleden, zijn broers op den troon en achter hen een heele reeks van prinsen, hertogen, graven, allen voortgekomen uit zijn leger of uit de diplomatie. Bovendien wilde de [226]Keizer in de staatkundige verhoudingen van het Duitsche Rijk groote verandering brengen en het groote aantal kleine staten tot een geringer getal terug brengen. Zijn plannen gingen ver, hij droomde van de vorming van één groot rijk in het Westen met Frankrijk als middelpunt, een rijk waarover eens een Karel de Groote en een Karel V hun schepter hadden gevoerd. Zoo ooit, dan deed zich thans het geschikte oogenblik voor tot het vestigen van een dergelijk gebied, maar de tijd zou leeren, dat ook dit groote plan zou mislukken en het duidelijk zou blijken, dat de Galliër en de Germaan te veel in karakter zouden verschillen om samen te gaan. Zeker, de omstandigheden waren den man, die alles meende te kunnen, gunstig en dit blijkt reeds uit een opsomming van de voornaamste gekroonde hoofden, zijn tijdgenooten, wier tegenstand hij had te overwinnen. In Zweden was Gustaaf IV Adolf reeds jarenlang door zinsverbijstering niet bij machte zelf te regeeren; Christiaan VII van Denemarken was “zwak van geest”; de koning van Pruisen Frederik Willem III besluiteloos en toegevend. In Napels regeerde Ferdinand IV, die geheel onder de heerschappij van zijn vrouw stond; zijn neef Karel IV van Spanje maakte het nog erger; slaaf van de luimen zijner gemalin duldde hij zelfs Godoy, haar amant, een voormalig soldaat van de garde, als eersten minister. Eindelijk was Maria van Portugal niet toerekenbaar.

De eenige, die op al deze erfelijk of niet erfelijk belasten een gunstige uitzondering maakte was de Duitsche keizer Frans II, maar de laatste veldtocht had hem dermate verzwakt, dat verzet van zijn kant voorloopig althans niet was te duchten. Bijna overal zag Napoleon dus zwakheid, halfheid of volslagen onbekwaamheid bij de hoofden, overal verdrukking, knevelarij en misbruik van gezag aan de zijde der ambtenaren. Hier verkocht een Hessisch vorst zijn onderdanen voor klinkende munt aan de Engelschen, daar ontzag zich een ander gekroond hoofd niet de vette baantjes aan den meestbiedende te verpachten; ginds in Pruisen speelden de ronselaar en de werfsergeant op de dorpen de afschuwelijkste comedies en maakten honderden gezinnen ongelukkig.

Voor een man als Napoleon, zoo wars van al wat geleek op knevelarij, dus een reusachtig arbeidsveld; wat had hij een afkeer van elke poging om zich door ongeoorloofde middelen te verrijken; nog altijd was hij bedacht op het welzijn van zijn onderdanen, nog werd hij niet geheel beheerscht door dien machtigen drang, dien toomeloozen hartstocht naar veroveringen, die ten slotte zijn ongeluk werd en die zijn naaste omgeving, zijn trouwste aanhangers half wanhopig deed uitroepen, dat hij niet alleen zich zelf maar ook hen en met hen geheel Frankrijk in ’t verderf zou storten.

Toen hij aan eenige zijner oude krijgsmakkers den titel schonk van prins of hertog was zijn doel hierbij niet alleen hen te beloonen voor hun aandeel aan zijn verheffing, maar ook om hen de handen te doen houden uit de zakken der overwonnenen. Van de gestrenge, eerlijke gedragslijn van [227]de eerste generaals der republiek als Pichegru, Hoche, Dumouriez en anderen was bij hun opvolgers als o.a. Massena, Augereau en Solignac, die in Italië overwinningen hadden behaald, niets te bespeuren geweest. Die hadden hun hebzucht den vrijen teugel gevierd en vaak “genomen,” wat niet terstond goedschiks werd “gegeven.” Vooral in Venetië was gruwelijk door hen gestolen. Met ongeloofelijke wakkerheid had Napoleon het geheim dier knevelarijen nagegaan en ontdekt en te beginnen met den opperbevelhebber de onverwijlde teruggave van al de geroofde millioenen geëischt.

Thans onder Eugène en Jozef, bevonden veel van die heeren zich daar wederom bij het leger.

Zegt hun, dat ik hun allen veel meer zal geven dan zij ooit zouden kunnen nemen,” schreef hij aan die beiden; “voegt er bij, dat ’t geen zij “nemen” hun tot schande, dat ’t geen ik hun “geef” hun tot eer strekt en de onsterfelijke getuigenis van hun roem zal wezen. Steken zij zelven de handen uit, dan treft Frankrijk de vloek der overwonnenen; geef ik hun rijkdommen en vermeerder ik die zelfs, dan knevel ik niemand.

Geen titels alleen toch waren ’t, die hij schonk; ook de daaraan verbonden rijke inkomsten, niet echter het grondgebied. Zoo werd Soult hertog van Dalmatië, Bessières van Istrië, Duroc van Frioul, Victor van Belluno, Moncey van Colegniano, de Caulaincourt van Vicensa, Savary van Rovigo, alle onderdeelen van het grondgebied van Venetië. Het prachtige prinsdom Benevento, vroeger een deel van den Kerkelijken Staat, kwam aan Talleyrand, die nog altoos gevoelig was, omdat zijn heer hem geen plaats onder de grootwaardigheidsbekleeders had gegeven. Eindelijk zag zich verheven tot prins van Ponte-Corvo de generaal Bernadotte. Hoe was ’t mogelijk! Bernadotte, die den 18en Brumaire geweigerd had zich aan zijn zijde te scharen, die als opperbevelhebber van het leger in het Westen een complot tegen hem had gesmeed en die letterlijk voortdurend zijn vijand was geweest. Maar die man was de zwager van Jozef en gehuwd met dezelfde Désirée Clary, naar wier hand Napoleon indertijd had gedongen, die kort daarna te Parijs door hem was losgelaten, die hem bij zijn huwelijk met Joséphine een brief had geschreven, waaruit haar blijvende genegenheid voor hem duidelijk bleek. Désirée was voor hem een vrouw om nimmer te vergeten en telkens werd zij door Napoleon met gunstbewijzen overladen.

Aan het hof kwam zij bijna nooit, want ze had een afschuw van de Beauharnais, maar de Keizer schreef haar en zond haar allerlei kostbare geschenken o.a. een van de drie kostbare pelzen, die keizer Alexander hem na Erfurt ten geschenke gaf en toen zij kroonprinses van Zweden werd regelde hij zelf in bijzonderheden haar voorstelling aan ’t hof, schonk Bernadotte een millioen uit zijn eigen kas, kocht hem zijn prinsdom af, terwijl Napoleon hem reeds vroeger een hotel ter waarde van 400.000 francs had gegeven. [228]

De middelen voor het doen van al deze schenkingen, die in de volgende jaren ook aan de laagste rangen zijner legers werden verleend, vond hij o.a. in Venetië uit de inkomsten van 30 millioen waarde aan nationaal domein, in Parma en Piacensa eveneens, benevens 1.2 millioen francs rente van een inschrijving op ’t grootboek van Italië enz. gezamenlijk makende een bedrag van 34 millioen rente van rijksdomeinen, 2.4 millioen rente van kapitalen en eindelijk de opbrengst van de krijgskas, die na de eerste oorlogsschatting reeds 70 millioen francs groot was en voortdurend grooter werd.

De persoonlijke schatkist van den Keizer de z.g. groote cassette, die op enkele tijdstippen meer dan 250 millioen, voor ’t grootste gedeelte in goud bevatte, vormde bovendien een kapitaal, door hem zelf in den loop der jaren samengebracht, hoofdzakelijk door bezuinigingen op zijn civiele lijst van 40 à 50 millioen francs. Reusachtig is het cijfer der millioenen door hem in die jaren besteed aan werken van openbaar nut. Hij vond dit uit de oorlogsbelastingen aan de veroverde landen opgelegd. Nooit werd voor zijn oorlogen een leening door hem uitgeschreven.

Bij dit alles was hij in zijn eigen huishouden een zuinig, bijna krenterig huisvader, die zelf van alles boek hield, die geen verkwisting kon dulden, die op zijn jaarlijksch budget zelf het postje bracht van 1200 francs, zijn tractement als lid van ’t Instituut.

Als in zooveel andere zaken was hij hierin volslagen een burgerman. Verkwisting in welken vorm ook kon hij niet uitstaan; die eigenschap was hem als ’t ware ingeschapen evenals gevoelloosheid voor alle uiterlijk vertoon. Evenals rangen en titels behoorde dit laatste volgens hem bij het stelsel zooals Sire en Majesteit. Geen vorst heeft de holheid en de leegte dezer vormen zoo diep gevoeld als hij en dat nog wel, terwijl beroemde mannen als Monge, Chaptal, La Place, Séguier om van tientallen anderen als Fontanes en aanzienlijke prelaten niet eens te spreken, zijn lof op allerlei wijzen hebben bezongen.

“Ik ben geen operaheld. De toejuichingen der Parijzenaars heb ik nooit gezocht,” heeft hij (1814) gerust mogen schrijven. “Ik heb een leven als een galeislaaf. Liever tien veldtochten dan mijn bestaan in de laatste vier weken,” kreeg de Caulaincourt tijdens zijn reis door België en Holland in 1811 van hem te lezen. Als men hem in 1807 de teekening van de nieuwe munt voor Italië met het devies “Napoleon bescherme Italië” laat zien, schrijft hij er zelf naast: “Dit devies in plaats van het vroegere “God bescherme” is onbetamelijk.”

“Keizer der Franschen” is mijn titel, geen bijvoeging van Augustus, Germanicus of zelfs van Cesar verkies ik,” geeft hij het Instituut te verstaan, als de inschriften voor den triomfboog aan de orde zijn (1809).

Doch genoeg om aan te toonen, dat, al tooide hij het “stelsel” tegenover de wereld en het buitenland met luister en pracht, hij ook in deze zaken [229]een eenvoudig en burgerman bleef, die het liefste was op Malmaison of later te Compiègne om daar vrij van alle banden zichzelf te wezen en als een schooljongen met stuivertje verwisselen, blindemannetje en dergelijke spelen pret te hebben als een groot kind.

Zijn intieme leven had ook volstrekt niets van dat eens keizers. Etiquette, ho maar! Geen hoofsch leven met hovelingen, kamerdienaars en statige deftigheid. Niets van dit alles. Tegen zeven uur kwam Constant, zijn kamerdienaar, jaren achtereen als een oppasser bij zijn luitenant op de slaapkamer, raapte kleeren bijeen, die de Keizer zich den vorigen avond van ’t lijf getrokken en links en rechts van zich afgegooid had, hier zijn grootkruis, daar een schoen, verder op een das of een zijden kous. Terwijl zijn heer dan een warm bad nam, moest Constant hem de laatste nieuwtjes uit de stad vertellen, waar hij zelf den vorigen dag had gegeten enz.

Kwam Corvisart, de eerste lijfarts dan binnen, dan kreeg deze vaak een lachend: “Zoo aartskwakzalver, ben je daar? Heb je er vandaag al veel doodgemaakt?”

Dan schoor de Keizer zich zelf, een bijzonderheid voor die dagen, besprenkelde zich flink met eau de cologne, kleedde zich aan, nam zijn snuifdoos, ging naar zijn kabinet, waar de secretarissen reeds wachtten en zette zich aan den reusachtigen stapel werk, die hem bijna dagelijks wachtte.

Zagen we zooeven, dat hij al zijn helpers en groote mannen bedacht en ze door allerlei middelen aan zijn persoon trachtte te binden, op de lange lijst van beloonden zoeken we tevergeefs den naam van de Cambacérès. Zelf had de oud-consul voor elke onderscheiding van dien aard bedankt.

Hij was aartskanselier, bleef in deze positie gehandhaafd en verlangde niet meer. Bij het aanvaarden van de keizerskroon had Napoleon tegen hem gezegd, dat hij nu nog meer dan ooit door intriges en valsche of baatzuchtige raadgevers zou worden omgeven, dus had hij hem nog dichter in zijn omgeving gebracht, dewijl hij, Cambacérès, het doorzicht en de oprechtheid bezat om hem de waarheid te doen hooren en tevens zijn volle vertrouwen genoot.

Aangenaam kon diens ambt echter niet worden genoemd; bij afwezigheid des Keizers was hij de raads- en leidsman van Joséphine en tevens degene, die de overige leden der keizerlijke familie dan “binnen de perken der betamelijkheid” houden moest, een taak welke niet altijd even gemakkelijk was te vervullen.

Bijna ongeloofelijk waren de eischen van Napoleons naaste bloedverwanten, maar ook valt het moeilijk te begrijpen, dat de Keizer hen telkens weer tevreden stelt en aan hun eischen tegemoet komt.

Jozef is naar Napels gezonden in Januari 1806 en voor het einde van de volgende maand is hij te Rome en kan hij zijn broer melden, dat zijn bevelen vervuld zijn en de Bourbons naar Sicilië de wijk hebben genomen. [230]In Napels wordt hij goed ontvangen, maar hij handelt geheel in strijd met Napoleons inzichten, die niet kan dulden, dat het leger op kosten van Frankrijk wordt gevoed, evenmin, dat Jozef zich omringt door Napolitanen, uit hen een leger wil vormen en zich door allerlei middelen van Frankrijk los wil maken en een eigen dynastie wil vestigen. Toch geeft Napoleon toe en wordt aan Jozef bij decreet van Maart het koninkrijk Napels door recht van verovering gegeven. Wel wordt daarbij bepaald, dat deze kroon niet met die van Frankrijk kan worden verbonden, maar Jozef doet geen afstand van het recht van opvolging in Frankrijk, een voorwaarde, waarop vroeger de Italiaansche zaak had schipbreuk geleden. Jozef treedt zeer vreemd op in zijn nieuwe koninkrijk, neemt voor zijn leger Bourbonsche officieren, neemt leegloopers in soldij en stelt de in 1799 gevangen genomen bendehoofden in vrijheid. Hij is slechts met één gedachte bezield n.l. dat het volk het een geluk zal vinden door hem te worden bestuurd! Aan zijn broer zendt hij de meest overdreven berichten en aan de waarschuwingen van den Keizer stoort hij zich volstrekt niet, maar als in ’t midden van 1806 de Engelschen in Calabrië landen en een algemeene opstand ontstaat, ja dan ziet Jozef zijn fouten in en.... broerlief moet helpen met een leger van 50.000 man en subsidie van 3 millioen per maand.

Is Jozef veeleischend, zijn zuster Caroline houdt nooit op met vragen, zelfs wanneer aan Murat in Maart 1806 de hertogdommen Kleef en Berg worden gegeven met een zuiver inkomen van vier ton ’s jaars is Caroline nog niet tevreden. Had dan Eugène de Beauharnais niet het onderkoningschap van Italië en deze was niet eens van de familie. Dat Murat niet naar Napoleons wensch optreedt in de nieuwe hertogdommen, dat hij Wezel niet van proviand en wapens voorziet, zooals de Keizer hem beveelt, dat hij onhandig optreedt in een geschil met de Pruisen over de bezetting van grondgebied, het hindert Murat niet en met steun van Talleyrand zien we Murat straks bij de vorming van de Rijnconfederatie zijn zin krijgen.

Niet alleen ontvangt hij den titel van Groot-Hertog, onmiddellijk in rang volgende op den Groot-Hertog van Baden, maar uitbreiding van grondgebied is ook zijn deel, terwijl nog tal van kleine voorrechten en gunsten door Napoleon worden verleend. Maar trots dit alles geen verbetering ook met Murat. Dezelfde quaestie over Wezel komt weer op den voorgrond; eigenaardig treedt Murat ook nu op, heeft twist met tal van hertogen, graven en prinsen, die niet aan zijn hof willen komen. Zijn gedrag is allervreemdst en Napoleon slaakt in een brief aan zijn broer Louis de verzuchting, dat Murat niets dan dwaasheden doet. Napoleon laat hem maar begaan, want als cavalerieaanvoerder heeft hij hem spoedig noodig.

Louis blijft trots alle rangen en titels ontevreden; hoeveel geld Napoleon hem ook geeft er is niets met hem te beginnen. Dat vindt ook Hortense, die [231]veel in de Tuilerieën verschijnt, feestjes organiseert en zich verder onledig houdt met teekenen, schilderen en muziek. De kinderen blijven de eenige band tusschen de echtgenooten; verbetering in hun verhouding blijkt niet mogelijk, het ligt in Louis’ natuur; hij is ziek, althans zoo gelooft hij nu eenmaal.

Nu kwam de quaestie van Holland op den voorgrond. De Bataafsche republiek had van haar nadere kennismaking met de Fransche begrippen niet veel genoegen beleefd. Frankrijk was een zeer dure vriendin gebleken. Engeland had een geweldigen hap uit de koloniën gebeten; de handel had geduchte schade geleden en tengevolge van dit alles was het ijveren van de patriotten voor Frankrijk aanmerkelijk bekoeld.

Tevergeefs had graaf Schimmelpenninck, die het jaar te voren op uitdrukkelijk verlangen van den Keizer als Raadpensionaris de teugels van het bewind in handen had genomen, getracht, in den toestand verbetering te brengen. Thans moest ook deze verdienstelijke man heengaan; hij begon zwak van gezicht te worden, werd beweerd. Hoewel admiraal Verhuell, die bij den Keizer zeer in de gratie stond, ter elfder ure nog had beproefd, dezen tot andere gedachten te brengen, had het niet mogen baten. Het pleit was toen reeds beslist. De republiek werd een koninkrijk Holland en kreeg.... Louis Napoleon als hoofd. Alsof de vernedering nog niet voldoende was, werd de natie gedwongen den Keizer die benoeming van zijn broeder, als een hooge gunst, door een commissie te Parijs te gaan vragen. Willem Six was een der leden van genoemde commissie, zoodat spotters beweerden, dat Willem VI er zelf om gevraagd had.

Was deze schande verdiend?—Stellig! Zoodra het volk ontrouw wordt aan zijn traditiën, moedwillig de banden verscheurt, welke het eeuwenlang, in voor- en tegenspoed innig hebben samengehouden met een vorstenhuis, waaraan het eenmaal zijn opkomst, zijn grootheid, zijn macht had te danken gehad, een vorstenhuis, dat nooit had geaarzeld het bloed van zijn edelste telgen er voor ten offer te brengen; zoodra, om kort te gaan, een volk ontrouw wordt aan de groote beginselen, die het vroeger huldigde, en lamlendigheid, kleinzieligheid en eigenbelang hiervoor in de plaats treden, geeft het zijn recht van bestaan als zelfstandige natie prijs.

Louis had er niet veel zin in en wilde liever gebied in Italië, maar hij begreep, dat hij zich niet kon verzetten; dat Hortense zich weinig verheugde, haar omgeving te Parijs vaarwel te zeggen en alleen met haar man naar Holland te vertrekken laat zich gemakkelijk begrijpen.

Met een geheele hofhouding waaronder zes doctoren en drie chirurgen begeeft Louis zich naar het nieuwe koninkrijk en daar aangekomen doet hij direct voorkomen of hij zijn kroon aan Holland heeft te danken en door de Hollanders tot koning is gekozen. Hij is er juist 8 dagen of hij meldt zijn broeder, dat hij voor zijn gezondheid naar Wiesbaden vertrekt; of Pruisen [232]zich tot den oorlog gereed maakt, Rusland troepen verzamelt en de hoop op vrede met Engeland verdwijnt, wat maalt Louis erom; hij voelt zich niet lekker en reist af. Ook deze broer zal niet anders doen dan de oudste en Napoleon weerstreven, al zal Holland niet in opstand komen zooals Napels doet en al zullen de Hollanders van dezen weerstand tegen den Keizer tegelijk de voordeelen genieten.

Terwijl de Keizer zijn familieleden en getrouwen dus zoo goed bedacht en aan Holland en Napels koningen schonk uit zijn eigen geslacht, ging hij in Duitschland nog een stap verder. Hier bracht hij het Rijnverbond tot stand en benoemde zichzelf tot beschermheer er van. Dit verbond omvatte al het grondgebied tusschen de Sieg, de Lahn, de Main, den Neckar, den Boven-Donau, de Isar en de Inn, dus Nassau, Baden, Frankenland, Zwaben, en Boven-Paltz en Beieren. Elke vorst, wiens naam niet in de acte van oprichting voorkwam, had opgehouden regeerend vorst te wezen en werd zoogenaamd “gemediatiseerd.”—Ook de prinses van Thurn en Taxis, de zuster der koningin van Pruisen, behoorde onder deze. Den 12en Juli werd het bestaan van dit verbond plechtig afgekondigd.

Alleen de vorsten van Baden, Wurtemburg en Beieren waren bij de samenstelling geraadpleegd. Het verbond was of- en defensief met Frankrijk één, leverde bij een mogelijken oorlog 63.000 man hulptroepen, besliste over alle zaken op den Rijksdag, die te Frankfort zou vergaderen, en verklaarde zich voor altoos gescheiden van den Duitschen Bond.—Terstond gaf Napoleon hiervan kennis aan den Rijksdag te Regensburg.

Keizer Frans II, die zag, dat het Duitsche keizerrijk hierdoor werd uiteengescheurd, legde de kroon hiervan neder en deed zich voortaan alleen Frans I van Oostenrijk noemen.

Door de stichting van dit Rijnverbond was Napoleons invloed natuurlijk sterk toegenomen en door een eed van trouw, welke alle onderdanen moesten afleggen, werd de afhankelijkheid van Frankrijks Keizer bevestigd. Natuurlijk waren de bloedverwanten door hun keizerlijke waardigheden ook aan hem verbonden, maar om ze allen goed onder zich te houden, al zou dat blijken slechts schijn te zijn, waren zij verplicht zich te onderwerpen aan het Bonapartistische familiestatuut.

Napoleon werd hierin als het hoofd van de familie aangewezen, terwijl nauwkeurig was omschreven, wie tot het keizerlijk huis behoorde. Ze mochten geen huwelijk zonder zijn toestemming sluiten, terwijl de kinderen gedurende hun minderjarigheid, wat hun opvoeding betreft, aan den Keizer werden toevertrouwd. Niemand mocht zonder zijn toestemming buiten ’t land of de residentie vertoeven, terwijl Napoleon zelfs het recht had, hen hoogstens één jaar te verbannen en ze met advies der familie zelfs twee jaar in een staatsgevangenis kon doen opsluiten. Trots alle vroegere twisten meende de Keizer nog [233]altijd, dat geen politiek verbond hecht was, wanneer het niet gesteund werd door het familieverbond.

Te midden van al den arbeid, dien zijn betrekkingen tot het buitenland medebrachten, verloor Napoleon de belangen van het binnenland niet uit het oog. In de kerk van St. Denis, tijdens de omwenteling door het grauw geschonden, deed hij de graven herstellen en er vier nieuwe grafkapellen bij bouwen, één bestemd voor de vorsten van zijn eigen dynastie. Met den bouw van den triomfboog aan het einde der Champs-Elysées deed hij een begin maken, het aantal openbare fonteinen, die voortaan ook des nachts water zouden geven, aanzienlijk uitbreiden en een nieuwe brug over de Seine bouwen. Het kanaal van de Rhône en van de Schelde naar den Rijn kreeg een begin van uitvoering; de arbeid aan dat van l’Ourcq, van St. Quentin en van Bourgogne werd voortgezet, terwijl met den weg van Roanne naar Lyon en met dien langs la Corniche, tusschen Nizza en Genua werd begonnen. Eindelijk kregen Antwerpens tuighuizen een nieuwe uitbreiding en naderden de werkzaamheden aan de wegen langs de boorden van den Rijn, over den Simplon en over den Mont-Cenis hun voltooiing.

Onder leiding van de Cambacérès kwam een nieuw deel van het wetboek, dat van de Burgerlijke Rechtspleging gereed. Aan den Raad van State werd met het oog op den toenemenden administratieven arbeid een langgewenschte uitbreiding gegeven en dus een kern van bekwame administrateurs in ’t leven geroepen. Een bijzondere rechtspraak werd ingesteld voor de rijks-leveranciers en voor de aannemers van openbare werken, doch de kroon op zijn werk zette de Keizer door de stichting van de universiteit.

Reeds vroeger had hij 29 rijks middelbare scholen, lycea of gymnasia, al naar men ze noemen wil, opgericht, waar de jongelieden van rijkswege werden gevoed en gehuisvest en in de wiskunde en in de letteren werden onderwezen. Dit aantal werd op honderd gebracht en bij deze inrichtingen sloten 310 middelbare gemeente- en evenveel dergelijke particuliere scholen aan.

Tegen dezen nieuwen vorm van onderwijs, voerde de geestelijkheid, aan wie de leiding vrijwel uit handen werd genomen, heel wat oppositie. Zoo beweerde zij, dat thans alleen onderwijs werd gegeven in wiskunde, omdat men van de leerlingen uitsluitend soldaten wilde vormen, dat de zeden op de nieuwe scholen werden bedorven, en de godsdienst verwaarloosd.—Niets was minder waar en het meer ontwikkelde gedeelte der natie, dat bij ondervinding wist wat povere onderwijzers de paters in den regel waren, aanvaardde dit nieuwe geschenk van den Keizer met groote dankbaarheid.

Doch waar nu de noodige leeraren te vinden, zonder dat men bij de geestelijkheid ter markt behoefde te komen?—De Keizer begreep, dat hij hiertoe voornamelijk moest zoeken in de breede schaar van jongelieden zonder fortuin, die den mannelijken leeftijd intraden, lust hadden in studie en, [234]zonder zich te willen schikken naar de gestrenge regelen eener kloosterorde, toch niet ongenegen waren in ordelijke samenleving met anderen, onder een wet met vrijzinnige bepalingen gezamenlijk tot onderwijzer te worden opgeleid.

In stilte deed de geestelijkheid alles om dit grootsche plan te doen mislukken. Doch het vertrouwen, door de natie in hem gesteld, sterkte den Keizer en ondanks dit verzet verwezenlijkte hij zijn plan en schonk Frankrijk zijn Keizerlijke Universiteit, een instelling, die als een glansrijke ster van de eerste grootte door alle tijden heen zal stralen boven zijn naam als heerscher over een groot volk. [235]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XVII.

Jena. Berlijn. Eylau.

Zooals we vroeger zagen, zou Haugwitz, de Pruisische gezant aan zijn koning de keuze laten tusschen de bekrachtiging van het met Napoleon gesloten verdrag of oorlog, maar de gezant werd naar Parijs gezonden om nogmaals de onderhandelingen met Napoleon te openen, ten einde gunstiger bepalingen te bedingen. Dit gelukte en op het einde van Februari 1806 werd een tractaat gesloten, waarbij werkelijk minder drukkende voorwaarden werden gesteld, hoewel het hof te Berlijn, in ’t bijzonder de omgeving van de koningin, het volstrekt niet met dezen “bepleisterden vrede,” zooals het tractaat door de diplomaten werd genoemd, eens was.

Dat Napoleon milder was gestemd, vond vooral zijn oorzaak in de hoop, die hij koesterde om een algemeenen vrede te verkrijgen, vooral na het optreden van den nieuwen minister van Buitenlandsche Zaken in Engeland n.l. Fox. Dat deze Napoleon had gewaarschuwd voor den aanslag van een sluipmoordenaar, die zich bij den minister had vervoegd, maar door hem direct was gevangen gezet, maakte natuurlijk op den Keizer een bijzonder goeden indruk. De onderhandelingen waren door den Keizer geopend en niets liet hij onbeproefd om tot den vrede te geraken, al gaf Engeland te kennen, zonder Rusland niets te willen doen. “Ik bied Engeland Hannover aan voor de eer van de kroon, Malta voor de eer der marine en de Kaap de Goede Hoop voor de eer van den handel” liet Napoleon zelfs door Talleyrand aan Engeland zeggen.

Met Rusland was de vrede reeds voorloopig gesloten; alleen de handteekening van Alexander moest nog onder het verdrag worden geplaatst. [236]Alles scheen dus op vrede te wijzen en Napoleon had reeds bevelen gegeven om het Groote Leger terug te voeren naar een reusachtig kamp, dat bij Meudon in gereedheid werd gebracht, toen in begin September de politieke horizon in Europa eensklaps weer werd verduisterd.

Fox, reeds weken ziek, was door de geneesheeren opgegeven; de oorlogspartij in Engeland, onderricht van Ruslands vredesplannen, had dit rijk nadrukkelijk in herinnering gebracht, dat, indien er sprake was van vrede met Frankrijk, deze volgens de bestaande verdragen door de beide mogendheden tegelijk moest worden gesloten; Engeland had bij de loopende onderhandelingen met Napoleon ditzelfde beginsel vastgehouden en dit verlangde zij nu ook van zijn bondgenoot.

Het voorloopige tractaat met Rusland kwam dus ongeteekend terug. Engeland begon de onderhandelingen op de lange baan te schuiven; allerlei geruchten van groote krijgstoerustingen in Pruisen deden tegelijkertijd de ronde; een bevel tot mobilisatie werd gegeven en alles was reeds in volle werking om zich tot den oorlog voor te bereiden. Toch reeds achterdochtig van aard, begon Napoleon aan verraad te denken, gaf dus contra-order en liet zijn leger blijven, waar het was.

Aan den Pruisischen gezant gaf hij op diens vragen onomwonden te kennen, dat er van al de praatjes, die de dagbladen betreffende zijn plannen uitstrooiden, slechts één waar was. Hannover had hij terwille van den vrede inderdaad aan Engeland aangeboden met het plan Pruisen voor dit verlies schadeloos te stellen. Ook was hij bereid zijn leger over den Rijn te doen teruggaan, mits ook Pruisen zich ontwapende, niet vroeger.

Pruisen dacht er niet over. Reeds ontstemd over de tot standbrenging van het Rijnverbond, waarbij Napoleon nooit de meening van Pruisen had gevraagd en over het mislukken van een Noord-Duitsch Verbond, waarvan de Keizer niet veel meer wilde weten, nadat de Rijnconfederatie was gevormd, wilde dit land nu eenmaal den oorlog. Schotschriften bij duizenden werden verspreid, in de dagbladen in Pruisen werd de haat tegen de Franschen aangewakkerd, in ’t bijzonder door de artikelen van von Gentz. Het was een ware oorlogskoorts, zelfs de kazernes waren politieke clubs, waar de officieren zich met groote heftigheid uitlieten over Napoleon, “die niet waardig was korporaal te wezen in ’t Pruisische leger!” Inmiddels was Fox den 13en September overleden. “Was hij blijven leven, de vrede zou tot stand zijn gekomen,” zei Napoleon; thans waren alle kansen daarop verdwenen en de oorlog was aanstaande. De verantwoordelijkheid van het uitbreken van dezen oorlog droeg de keizer van Frankrijk niet; nog was hij niet ontrouw aan hetgeen hij na den vrede van Presburg Europa had toegeroepen: “De militaire glorie heb ik uitgeput.” Europa kon nu eenmaal Frankrijks grootheid en Napoleons invloed niet dulden en het vasteland had den vrede leeren beschouwen als [237]een tijdelijk bestand, waarvan Albion den duur regelde. Thans was het Pruisen, dat den strijd begon en welk land dan ook volgens de meeste historieschrijvers, ook de Duitsche, de verantwoordelijkheid droeg.

Dagelijks trokken nieuwe regimenten onder het zingen van vrijheidsliederen door Berlijn naar de grenzen. Enkele officieren van de garde gingen in hun overmoed zoo ver, dat zij hun sabel scherpten op de trappen van het gezantschapshotel. De koningin kon men telkens in de uniform van haar lijfregiment te paard bij de troepen zien; prins Ludwig zette openlijk tot den oorlog aan. Geheel Berlijn blaakte ten slotte van krijgsvuur en vaderlandsliefde en eischte met het leger samen met luider stem den oorlog.

Wel had de koning getracht den naderenden storm te bezweren en zijn omgeving tot kalmte te stemmen, maar ten slotte was hij bezweken voor den drang van alle zijden op hem uitgeoefend.

Den 18en September vertrokken de koning en de koningin uit Berlijn, zooveel personen met zich meevoerende, dat een ooggetuige het “een ware diplomatieke colonne noemde.” Behalve de troepen waren ongeveer 2000 personen aan het hoofdkwartier verbonden; het was alsof men een “galamanoeuvre” ging bijwonen. Overal werden feesten gegeven en men brandde van verlangen de tegenpartij te vernietigen. Dat de koningin met groot gevolg ook mee ging was natuurlijk tot schade voor de bewegingen, maar het had niet geholpen, haar daarvan te weerhouden.

Weldra volgde Napoleon het voorbeeld van den koning van Pruisen en vertrok, door Joséphine, Jérome en Talleyrand vergezeld, den 25en September uit Parijs naar Maintz, waar hij van zijn vrouw afscheid nam en naar het tooneel van den oorlog vertrok. Alleen de keizerlijke prinsessen met de Cambacérès bleven achter, terwijl aan Junot het bevel over de krijgsmacht in Parijs was opgedragen.


Jérome had toch eindelijk ingezien, dat er met Napoleon niet viel te spelen en het noodzakelijk was, wilde hij niet geheel uit de gratie komen, naar Frankrijk terug te gaan. Het was hem reeds ter oore gekomen, dat hij van het erfrecht was uitgesloten en hierover had hij zich bij Talleyrand beklaagd. Mocht hij nog zonder Miss Patterson in Frankrijk terugkomen, had Napoleon laten weten, dan zou alles vergeven en vergeten zijn. Jérome kwam bovendien in een moeilijke positie, want in alle couranten was het publiek gemaakt, dat het huwelijk niet werd erkend en waardeloos was. Door onverwachte overkomst hoopte Jérome nog, dat Napoleon eenmaal voor ’t feit geplaatst, wel zijn goedkeuring zou verleenen, maar daar was geen sprake van, want alle maatregelen waren genomen om te beletten, dat zijn vrouw in Frankrijk kwam. Zoo zien we Jérome in Parijs terug, terwijl zijn vrouw zich [238]nabij Londen vestigt, waar zij Juli 1805 het leven schenkt aan Jérome Napoleon Bonaparte. Terwijl de Keizer zijn broer weer in genade aanneemt en hem royaal uit de “grande cassette” bedenkt, gaat zijn vrouw naar Amerika terug, onder het genot van een jaargeld, dat de Keizer haar schenkt en dat ook tot 1814 aan haar is uitbetaald.

Hopende, dat Jérome zijn Amerikaansche Miss maar spoedig zal vergeten, zendt Napoleon zijn broer weder naar zee, met de bestemming in de toekomst vloten te dirigeeren. Jérome is echter nog niet veel verbeterd en hangt de groote heer uit, gebruik makende van zijn naam en van de wetenschap, dat hij bij Napoleon goed staat aangeschreven. Eerst belast met het afhalen van vrijgemaakte slaven uit Algiers, zien we hem daarna ingedeeld bij een eskader onder bevel van den vice-admiraal Willaumez, dat gedurende eenige maanden zee moet kiezen om den handel van den vijand afbreuk te doen. Jérome heeft eerst niet veel zin en leidt in Parijs en daarna te Brest een leventje van den vroolijken Frans, totdat Napoleon hem eindelijk dreigt voor schulden te laten gevangen zetten als zijn toelage niet toereikend is, waarop hij als kapitein van een der schepen met het eskader zee kiest. (December 1805). Wel zijn de orders voor de behandeling van Jérome zeer streng, maar Willaumez kan het ook niet best met hem vinden en ondervindt al spoedig, dat Jérome toch niet naar hem luistert.

Reeds in Augustus keert Jérome naar Frankrijk terug en wordt door Napoleon, die het al erg prachtig van hem vindt, dat hij eenige schepen van een Engelsch convooi heeft genomen, uitstekend ontvangen. Intusschen is Napoleon druk bezig geweest om zijn huwelijk met Miss Patterson door den paus nietig te doen verklaren, maar deze vindt tot groote ontstemming van den Keizer, geen termen aan het verlangen van hem te voldoen. Toch moet het geschieden, want een huwelijk met de dochter van den koning van Wurtemburg is in voorbereiding en in afwachting van de nietigverklaring, hetgeen den 6en October 1806 door een doctor in het canonieke recht geschiedt, vergezelt Jérome zijn broer naar Maintz en maakt hij een gedeelte van den a. s. veldtocht mede als commandant van een der legerkorpsen.


Bewonderenswaardig zijn de maatregelen thans in enkele weken door Napoleon getroffen, om zelfs voor een oorlog tegen een nieuwe coalitie gereed te wezen.—De garde infanterie transporteert hij in zes dagen van Parijs naar den Rijn op duizenden karretjes, die ieder tien man kunnen vervoeren. Ieder man is voorzien van drie paar schoenen. De meegevoerde bagage is gering. Twee voertuigen per bataljon, één per escadron transporteeren brood, voldoende voor verscheidene dagen. De voorraad wordt telkens aangevuld.—Overigens leven man en paard van ’t geen het land oplevert, zoogenaamd “van den waard.” Massa’s graan, bergen beschuit werden langs [239]den Rijn bijeengebracht, naar Maintz en van hier, de Main op, naar Würtzburg verscheept en in magazijnen opgeslagen.

Aan Eugène schreef Napoleon uitvoerig wat hij had te doen, als Oostenrijk hem mocht aanvallen. Louis moest tegenover een inval der Engelschen bij Utrecht een leger van ± 20.000 man, Hollanders en Franschen, bijeenbrengen, dan te Wezel een divisie van 10.000 man bijeenbrengen en met deze en de Hollanders te zamen een aanval op Westphalen voorwenden. Eindelijk zou Mortier bij Maintz met Louis bij Wezel verbinding onderhouden en door zijn tegenwoordigheid aldaar de vorsten van het Rijnverbond geruststellen.

Ook de verdediging der kust werd niet vergeten. Hiertoe dienden o. a. Brune met 18000 man bij Boulogne en een afdeeling van circa 6000 nationale gardes bij St. Omer.

Ten slotte hield de Keizer nog de beschikking over bijna 200.000 soldaten, die uit de lijn Bamberg-Bayreuth door de passen van het Thüringerwoud Saksen zouden binnenrukken.—De keurvorst, een verstandig, eerlijk man, was door het hof van Berlijn vrijwel gedwongen geworden voor Pruisen partij te kiezen.

Te Würtzburg hield Napoleon inspectie over zijn korpsen. Nog nooit had hij tegenover de Pruisen in ’t veld gestaan; hun leger had een goeden naam, vooral de ruiterij moest uitstekend wezen, veel beter dan de Fransche; de officieren heetten dapper en volkomen berekend voor hun taak. Deze zwetsten er op los, dat het kraakte.—“Gevormd in de school van den grooten Frits zouden zij aan die Fransche benden, die tot nog toe alleen Oostenrijkers en Russen, dus ongeoefende, laffe soldaten tegenover zich gevonden en daarom bij Ulm en Austerlitz overwonnen hadden, nu eens laten kijken wat de Pruisen waren!”

Napoleon geloofde wel iets van al die geruchten, en niet wetende of hij tegen Pruisen alleen of tegen dit land, vereenigd met Oostenrijk en Rusland zou moeten strijden, maakte hij zijn macht dus zoo sterk mogelijk en marcheerde in een driehoek met de top gericht op den onzekeren vijand, Oostenrijk en met de basis naar den zekeren tegenstander Pruisen. Op deze wijze kon hij in zeer korten tijd het eene onderdeel steun laten verleenen aan het andere, al naarmate dit noodig zou blijken.

Telkens als hij zijn eigen troepen zag, wekte hij ze met enkele hartelijke woorden op om ook hen te wijzen op den gewichtigen strijd, die aanstaande was.

“Ha, mijn oud 44e!” klonk het o.a. tegen dit brave regiment van Augereau. “In jelui gelederen zie ik de meeste chevrons (voor dienstjaren en veldtochten). Jelui drie bataljons tellen bij mij dan ook voor zes.”

“Dit zullen we u voor den vijand bewijzen!” was het antwoord. Tegen het 7e, bijna alle mannen uit Languedoc en de Pyreneën zei hij: “Dit [240]zijn nu de beste loopers van mijn armee; achterblijvers hebben ze nooit, vooral niet als ’t op den vijand in gaat. Maar grooter schreeuwers en brutaler stroopers dan jelui ken ik óók niet!”—“Dat is waar! Dat is waar!” riepen de soldaten in koor, want allen hadden een kip, een gans of een eend op den ransel, gestroopt bij de boeren onderweg.—’t Was een ernstig misbruik, doch magazijnen voerde de Keizer op zijn snelle tochten niet mede, en de soldaat moest toch eten!

Die massa krijgers samen te trekken op één punt, den aanvoer van levensmiddelen, fourage, paarden enz. te regelen vorderde veel arbeid. Een blik op de machine, die dezen verrichtte, op Napoleons generalen staf, mag hier dus een plaats vinden.

Duroc, de hofmaarschalk, was chef van het personeel van het hoofdkwartier en vergezelde evenals de opperstalmeester de Caulaincourt, die voorzien was van de kaarten van het terrein, den Keizer overal. In het rijtuig van dezen kon men liggen. Berthier of Murat zat meestal bij hem; naast het portier reed de Caulaincourt. In lederen tasschen voerden twee garde-jagers te paard kaarten en papieren mede. Een piket jagers vormde de bedekking; daarachter kwamen de stalmeesters met de rijknechts en de bedienden. Voor zijn persoonlijken dienst had de Keizer meestal 9 paarden bij zich. Maakte hij een langen tocht in den zadel, dan stonden om de twee uur afstand versche paarden gereed.

De eigenlijke generale staf stond onder Berthier. Deze had 13 adjudanten en voorts, onder drie afdeelingchefs met vijf adjuncten, 31 officieren van den staf en 30 ingenieurs-geographen. De chef der artillerie, der genie en der intendance hadden eveneens een aantal beambten tot hun dienst. Door zulk een talrijk personeel was Napoleon bij machte officieren met bijzondere opdrachten te belasten en het verband met de onderdeelen zijner armee geheel te verzekeren.

Eenmaal ter plaatse, waar nachtkwartier zou worden gehouden, was de inrichting van het arbeidslokaal de eerste zorg. In ’t midden kwam een tafel met de beste terreinkaart, die er te krijgen was geweest, georiënteerd, de stand der korpsen met de gekleurde spelden er op aangegeven. In de hoeken kwamen de tafels voor de vier secretarissen, de eigenlijke organen voor de bevelgeving. Uit ’t geen de Keizer, heen- en weergaande, hun zeer snel in de pen gaf, moest Berthier de legerbevelen samenstellen.—Dan kwam het slaapvertrek aan de beurt; de mameluk Rustan sliep hier altoos voor de deur; vervolgens de kamer voor de officieren van dienst. De rest van het gevolg moest maar zien, hoe het onder dak kwam. Alleen voor Berthier moest steeds in dezelfde woning als de Keizer een slaapgelegenheid en een bureau gevonden worden. Werd er gebivakkeerd, dan werden vijf tenten opgeslagen, een werk- en een woontent voor den chef, één voor Berthier, twee voor het gevolg.

Jena.

Jena.

[241]

Ging de Keizer in vredestijd zelden na elf uur ter ruste om tegen zeven uur op te staan, te velde veranderde hij dezen regel. Na het middagmaal, dat nooit langer duurde dan een kwartier, want hij at weinig doch schielijk en was zeer matig, ging hij liggen, stond tegen één uur op en begon dan zijn bevelen te geven. Op dit uur waren de rapporten zijner generaals ingekomen; hij kon den toestand van het geheel dus overzien; den volgenden morgen kwamen de nieuwe bevelen dan meestal zoo tijdig bij de bivakkeerende troepen, dat deze terstond in beweging konden worden gezet.

Terwijl de vijand beraadslaagt, marcheert de Fransche armee,” schreef de Keizer den 13en October, den dag, voordat bij Jena èn bij Auerstadt tegelijk de voor Pruisen noodlottige beslissing zou vallen. Te Erfurt, waar zich de koning bevond met zijn hof en zijn leger, in totaal ongeveer even sterk als het Fransche onder bevel van den hertog van Brunswijk, een ouden man, werd in de eerste dagen van October weinig anders gedaan dan beraadslaagd. Zou men door de passen van het Thüringerwoud oprukken tegen den vijand of een positie innemen op den linkeroever van de Saale, tusschen Jena en het defilé van Kösen bij Naumburg, om den vijand daar af te wachten, als hij over Weimar naar Dresden mocht willen marcheeren? Of zou men,—en dit was de vraag des konings, die het bloedvergieten tot het laatste oogenblik wilde voorkomen;—of zou men Napoleon, die scheen te aarzelen en niet aanviel, een voorstel doen om tot een overeenkomst te geraken?

De koningin en prins Ludwig, die met een ongeveer zelfstandig gebleven afdeeling bij Saalfeld stond, pleitten met de geheele oorlogspartij, veelal jonge edelen, voor den aanval; de wil des konings werd ten slotte toch gevolgd. Den 4en October verneemt Napoleon, dat Pruisen niet gesteund wordt en nu richt hij zijn legers alleen tegen Pruisen, terwijl hij zijn hoofdkwartier naar Bamberg verlegt. Hier ontvangt hij den 7en een nota, waarin hem als ultimatum verzocht wordt “tot Duitschlands geruststelling met zijn armee terug te gaan tot achter den Rijn en deze beweging den 8en te doen aanvangen.”—De Keizer werd boos.—“Prins, men daagt ons uit. We zullen zorgen bijtijds present te zijn. Den 8en gaan we niet naar Frankrijk maar naar Saksen,” zeide hij tegen Berthier.

Bevelen tot den opmarsch werden gegeven.

Nu het Pruisisch-Saksische leger zich in de lijn Jena—Weimar—Erfurt—Gotha scheen te bevinden, front naar het Thüringerwoud, besloot hij, met Murat en zijn escadrons aan de spits der middelste colonne, tot een aanval in den rug en op de flanken der tegenpartij.—“Daar lagen de aanvoerlijnen, dus de spieren des legers; deze eenmaal doorgesneden, was dit leger verlamd.”

Hij rukte met zijn hoofdmacht naar Gera, om den vijandelijken linkervleugel heen. Wel stond bij Maagdenburg een Pruisisch reserve-leger [242]van 18000 man, doch hulp verleenen kon dit niet; daarvoor stond het te ver af. Bleef het waar het stond, dan liep het gevaar afzonderlijk te worden verslagen, wat den 17en October bij Halle dan ook is geschied.

Tegenstand ontmoette men voorloopig bijna nergens. Den 9en viel Hof met zijn groote magazijnen zonder slag of stoot in Fransche handen. Den 10en stiet Lannes met de linkervleugelcolonne bij Saalfeld op prins Ludwig en wierp hem uit zijn slecht gekozen stelling krachtig terug. Voor een gewonen generaal aangezien en tevergeefs gesommeerd zich over te geven, werd de prins, wien het aan persoonlijken moed niet ontbrak, zelf hierbij doodgestoken.

Den 13en bereikte Lannes het kort te voren door de Pruisen verlaten Jena, vernam hier, dat de linkeroever van de Saale en de smalle bergpas naar Weimar sterk waren bezet en rapporteerde dit ijlings aan Napoleon. Deze had reeds bevelen gegeven, dat zijn geheele macht den 14en de Saale zou passeeren en aanrukken op Erfurt.—Davoust had Naumburg bereikt.

“Eindelijk is de sluier weggescheurd. De vijand gaat terug op Maagdenburg!” zeide de Keizer bij de ontvangst van Lannes’ eerste, zoo belangrijke rapport.—Naar alle richtingen jagen thans zijn ordonnansofficieren,—“al rijden zij hun paarden dood,” zegt hij;—met het bevel onverwijld op te rukken naar Jena. Davoust en Bernadotte, die reeds naar het noorden zijn doorgemarcheerd, ontvangen order, als zij den 13en kanonvuur hooren, eveneens de Saale te overschrijden, want Lannes meldt thans in een tweede rapport, dat hij ieder oogenblik kan worden aangegrepen, en dat hij wel 50.000 man tegenover zich heeft.—Dan galoppeert Napoleon zelf naar Jena.—De vijand heeft het gewicht dezer plaats zeker ingezien, wil ze heroveren en hem dienzelfden dag dus nog aanvallen, denkt hij.

Prins van Hohenlohe, die den Pruisischen linkervleugel aan de Saale commandeert, heeft dit gewicht echter niet ingezien en is met zijn armee, die de laatste dagen weinig te eten doch voor een vredesleger veel te marcheeren heeft gehad, zelfs teruggegaan in de richting van Weimar. Alleen detachementen voortroepen houden den westelijken uitgang bezet van den langen, nauwen pas langs den voet van den steilen Landgrafenberg, welke den eenigen toegang vormt van Jena naar Weimar.

Moet Lannes den volgenden morgen door deze engte aanvallen, dan zal dit veel bloed vorderen. Maar het geluk dient den Keizer.—Verbitterd dat Pruisen zijn vaderland in dezen oorlog heeft betrokken en dat Jena dientengevolge half in brand staat, nadert hem een Saksisch priester; die wil hem een pad wijzen, steil en zwaar doch beklimbaar en die naar den top van den ontoegankelijk geheeten Landgrafenberg voert.

Terstond wordt verkend en om vier uur staan de Keizer, Lannes en de priester op den top.

Een leger, wel 50.000 man, zooals Lannes heeft geschat, ligt, slechts [243]door een terreinplooi van hen gescheiden, in de vlakte gebivakkeerd. De Keizer meent, dat dit de vijandelijke hoofdmacht is en geeft bevelen. Terstond wordt het steile bergpad bij fakkellicht onder zijn persoonlijk toezicht met bijl en houweel zoover verbreed en verbeterd, dat zelfs de paarden en voertuigen er langs kunnen, en lang vóór het aanbreken van den volgenden dag staan op een klein plateau, dat afdaalt naar de vlakte, de korpsen van Lannes en Soult, de infanterie der garde en de voorste divisie van Augereau, zoo dicht opeen, dat de ransels elkander bijna raken, zoo beperkt is de ruimte. De veldheer zelf bivakkeert midden in een carré zijner garde.

Nog heden wordt dit plateau Napoleonsberg genoemd. Een hoop rotsblokken wijst de plaats aan, waar de Keizer sliep.

Nog lag een dichte nevel over alles, toen zijn leger zich begon te ontwikkelen, om voor de eerstvolgende divisie ruimte te maken; weldra brak de zon door en kon Hohenlohe zien, dat de Keizer, dien hij alleen door den bergpas van ’t Mühlthal had verwacht, met een dichte zwerm tirailleurs voorop, een vechtwijze, bij de Pruisen toen zoo goed als onbekend, snel op hem aanrukte.

Weldra was het gevecht algemeen. In weerwil van het voorbeeld hunner officieren vocht de Pruisische infanterie slecht; de cavalerie maakte het niet veel beter. Bij herhaling bracht een chargeerend regiment, onder luid geschreeuw aangezet, het niet verder dan tot op vijftig pas van de Fransche carré’s. Dan hield het halt. Die Fransche infanterie, onwrikbaar als een levende muur den storm afwachtend, oefende een overweldigenden indruk op de ruiters; ze maakten “keert.” Dit oogenblik verbeidden de carré’s—Aan! Vuur!—Het doodende salvo kraakte, een hoonend gelach volgde en de escadrons spatten uiteen.

De Saksers maakten het heel wat beter; doch toen Ney naderde, toen Murat met zijn cavalerie ten slotte eveneens in het gevecht trad, en de reserves oprukten, was het pleit ook hier weldra beslist. Een wilde aftocht naar Weimar begon. Wel trachtte de dappere generaal Ruchel met zijn korps de krijgskans nog te keeren, maar een kogel velde hem neder.

Om vier was alles afgeloopen. In onbeschrijfelijke wanorde vloden de Pruisen. Geheele batterijen gaven zich over. De weg naar Weimar, het nieuwe Athene met zijn bevolking van geleerden en kunstenaars, was bedekt met vluchtelingen van alle wapens; daar tusschen in Murats kurassiers, met den zwaren pallas alles neerstekende wat hun in den weg kwam.—Het leger van Hohenlohe was vernietigd. Honderden officieren waren, strijdende als helden, aan het hoofd hunner mannen gevallen.—Van het Fransche leger, op het gevechtsveld aanwezig, had weinig meer dan de helft aan den strijd deelgenomen; de garde in ’t geheel niet.

Te Jena ontving Napoleon de tijding van een tweede nog luisterrijker overwinning, dienzelfden dag door Davoust bevochten.—Niet de Pruisische [244]hoofdmacht had hij verslagen, slechts een sterke achterhoede, bij Jena achtergelaten om den aftocht te dekken van het gros. Dit was den 13en van Weimar naar Freiburg op marsch getogen en had dien avond pas Auerstadt bereikt.

Het défilé van Kösen in de rechterflank aan de Saale zou men den volgenden dag wel nemen, dacht men; dit was door de Franschen slechts zwak bezet.

Maar bij Naumburg stond Davoust; ook Bernadotte naderde hier eveneens met zijn korps.—Wel ontving Davoust dienzelfden nacht nog een order uit het bivak bij Jena om naar Apolda te rukken en, bevond Bernadotte zich bij hem, met dezen gezamenlijk, maar aan deze order stoorde de prins van Ponte-Corvo zich niet. Zijn order luidde: naar Naumburg, en als een bekrompen soldaat, niet als een denkend maarschalk van Frankrijk, ging hij derwaarts op weg en liet zijn krijgsmakker den volgenden morgen alleen staan tegenover de overmacht.

In dichten nevel gehuld, begint Davoust den 14en om zes uur door het defilé van Kösen naar Apolda te marcheeren, stuit bij Hassenhausen op de cavalerie van Blücher, die ongeveer op hetzelfde uur is opgebroken en nu ontspint zich daar een gevecht, zoo verwoed en zoo verliesrijk, als nog bijna niet is voorgekomen. Ook hier leggen de logge Pruisische liniën en diepe colonnes het af tegen de zooveel beweeglijker Fransche infanterie, tegen de zwermen vlugge tirailleurs, welke deze legerdrommen met hun vuur van alle zijden verliezen toebrengen. Zij bieden zelf een zeer weinig kwetsbaar doel aan en terwijl zij overal dekking vinden, verdedigen zij Hassenhausen urenlang als helden. Ook hier rennen de Pruisische ruiters, al tellen ze duizenden, al voert Blücher, een tweede Murat, ze zelf aan, zich te pletter tegen die als uit graniet gehouwen carré’s, die de charge bedaard en zwijgend afwachten, hun doodende salvo’s dan op den kortsten afstand afgeven, zich zoodoende vaak door een dam van doode mannen en paarden omsluiten, maar die niet zijn neer te sabelen, omdat ze niet uiteengaan, en die eerst ineenzinken, als het kanon ze te pletter schiet.

In weerwil van Blüchers voorstel om met zijn gansche cavalerie nog één beslissenden aanval te doen en de, door het ongelijke, urenlange gevecht, zwaar geschokte tegenpartij, onder den voet te rijden, geeft de koning, die zich met zijn hof in de nabijheid ophoudt, bevel tot den aftocht naar Weimar, onbewust dat Murat op datzelfde uur alles neersabelt wat de Pruisische uniform draagt en dus zelfs de Hessen niet spaart, die toch strijden aan Frankrijks zijde, maar in kleeding niet van de Pruisen verschillen.—

Als de overblijfselen der twee bij Jena en bij Auerstadt geslagen legers op den weg naar Erfurt op elkander stuiten, ontaardt de terugtocht in een teugelooze vlucht. Moed, gehoorzaamheid, discipline, alles verdwijnt; het komt tot tooneelen, waarvan de later zoo beroemd geworden Pruisische generaal [246]von Gneisenau zeide: “Liever duizendmaal sterven dan nog één zoo’n nacht doorleven.”

Saksen.

Saksen.

De Pruisische generaals, kort te voren nog zoo prat op hun eigen onoverwinnelijkheid schenen eensklaps alle vertrouwen, alle weerstandsvermogen te hebben verloren. Binnen een maand tijd vielen al de groote vestingen van Pruisen tot aan de Oder bijna zonder slag of stoot in de handen der Franschen. Den 7en werd de vrije stad Lübeck, waarheen Blücher geweken was, door Bernadotte met storm genomen en geplunderd, den 8en gaf Maagdenburg zich over. ’t Kwam in één woord tot een reeks van die smadelijke capitulaties, welke den Keizer terecht deden zeggen: “Belegeringsartillerie hebben wij niet noodig; huzaren veroveren hier de vestingen.”

Alle historieschrijvers zijn het erover eens, dat verraad, lafhartigheid en gebrek aan plichtsgevoel de oorzaken waren van de overgave van steden en legerkorpsen.

Tevergeefs vroeg de koning om vrede. Diep terneergeslagen zocht hij met zijn half wanhopig geworden gemalin eindelijk een toevlucht binnen de citadel van Graudentz aan de Weichsel.

Den 25en kwam Napoleon te Potsdam, bezocht het grafgewelf, waar in een eenvoudigen, houten kist zonder eenig versiersel het stoffelijk overschot van den Grooten Frederik rustte, en legde beslag op den koppel met degen, door dien vorst in den Zevenjarigen Oorlog gedragen, alsmede op het groote lint zijner decoraties, op de kist aanwezig.—“Die voorwerpen geef ik aan ’t Hôtel der Invaliden,” zeide hij. “Ik heb ze liever dan twintig millioen francs; en de oude soldaten uit den oorlog in Hannover zullen met vromen eerbied de eereteekenen aanvaarden, die toebehoord hebben aan een der eerste veldheeren, van wie de geschiedenis de herinnering zal bewaren.”

Door Davoust als voorhoedecommandant voorafgegaan, gevolgd door zijn maarschalken in hun rijk met goud bestikten rok, hij zelf in de eenvoudige uniform van kolonel der jagers te paard, trok hij twee dagen later Berlijn binnen. De adel was gevlucht; maar het volk stond van af de Charlottenburgerpoort tot aan het koninklijk paleis in breede rijen, de vensters der huizen waren dicht bezet met dames en heeren uit den rijken burgerstand, begeerig den man te zien, die de vorsten van Europa deed sidderen op hun troon, en zijn soldaten, zijn grenadiers der garde, de reusachtige kurassiers van Hautpoul vooral, die, tot aan den gordel in ’t staal, op hun forsche paarden aan riddergestalten uit de oudheid deden denken.

Geen vleiend gejuich maar ook geen enkele kreet van haat ging op uit dien menschendrom bij ’t zien van al die vreemde soldaten met hun gebronsde gezichten, en kloeken, fieren stap, de half aan flarden geschoten vanen boven hen wapperende in den wind. Doch toen de gevangenen voorbijtrokken, de adellijke garde des konings, enkele dagen te voren nog zoo vol trots en [247]overmoed, te paard de sabel zwaaiende en zwetsende tegen de Franschen, thans met neergeslagen oogen, te voet en ontwapend den overwinnaar volgende op zijn zegetocht, schoten menigeen de tranen in de oogen. Hoe grenzenloos diep was ’t vaderland vernederd!—Doch één gebleven was de natie, één met zijn vorst! Dit schonk nog hoop op een betere toekomst.

Napoleon was edelmoedig te Berlijn. Onverbiddelijk gestreng moest Davoust optreden tegenover iederen aanslag op het eigendom der burgerij. Weldra waren de winkels dus weder geopend en hernam alles ongeveer zijn gewonen loop. Maar de adel moest boeten.—“Deze alleen is de schuld van Duitschlands rampen, die heeft het gewaagd mij uit te dagen tot den strijd en zal ik tuchtigen, tot hij zijn brood moet bedelen in Engeland,” zeide hij.—“U ziet nu eens wat de oorlog beteekent, mevrouw,” had de groot-hertogin van Saksen reeds te Weimar van hem moeten hooren, toen zij, verdacht van aanzetten tot den krijg, haar onderdanen in zijn genade aanbeval. Even ijskoud was zijn antwoord geweest aan den gezant van den bij Auerstadt zwaargekwetsten hertog van Brunswijk, die iets dergelijks kwam verzoeken.—“Zeg uw heer, dat ik hem zal behandelen met al de onderscheiding, waarop hij als een terecht beroemd doch door het ongeluk getroffen legerbevelhebber kan aanspraak maken, maar in een Pruisisch generaal zie ik geen regeerend vorst.”

Weldra ontbood hij Talleyrand bij zich; weder trad de staatsman voor den veldheer in de plaats.—Terwijl een deel van het leger na een korte rust opbrak maar Silezië, een ander naar Posen om front te maken tegen Bennigsen, die met zijn Russen op Warschau aanrukte, vaardigde hij den 21en November te Berlijn een decreet uit tot blokkade van Engeland, het zoogenaamde Continentale Stelsel. Alle briefwisseling, alle gemeenschap, alle handel met dit rijk werd hierbij in zijn staten verboden; iedere Engelschman, aangetroffen in een door Fransche soldaten bezette streek, werd krijgsgevangen gemaakt, alle koloniale waren van Engelschen oorsprong werden verbeurd verklaard.

Deze maatregel, die geheel Europa deed ontstellen en aan den handel voor millioenen schade toebracht, was zijn antwoord op Albions voortdurend streven om, al miste het hiertoe de noodige schepen, de andere mogendheden den handel op Frankrijks havens en de vrije vaart ter zee te beletten.—Op alle gebeurlijkheden voorbereid, vroeg hij Oostenrijk, dat zich in Bohemen op verdachte wijze begon te wapenen, tevens hiervan rekenschap, beduidde het, dat een strijd tusschen hem en Rusland, Oostenrijks belangen niet kon schaden, zette sultan Selim aan tot een oorlog met Rusland, schiep hierdoor tevens een bedreiging voor Oostenrijks belangen in het Oosten, gaf Eugène order het leger in Italië te mobiliseeren en riep een nieuwe lichting,—die van 1807—onder de wapenen. ’t Was een half jaar te vroeg, doch “dan leerden [248]de jongens al vast iets.”—Daarop begon hij Rusland onder handen te nemen.

Reeds was een groot deel zijner armee op weg naar de Weichsel. Versterkingen aan troepen en reusachtige voorraden schoeisel, kapotjassen en ondergoed volgden denzelfden weg.

Eindelijk vertrok hij zelf naar Posen, hier hoopte hij den Rus slag te leveren.

Te Berlijn liet Napoleon een goeden indruk achter. De prins von Hatzfeld, hoofd van ’t civiele bestuur aldaar en door hem in zijn functie gehandhaafd, had den eed van trouw aan hem verbroken, verraad gepleegd en den prins van Hohenlohe per brief ingelicht omtrent de opstelling der Franschen in den omtrek der stad.

Hij had dezen brief in handen gekregen en Berthier bevolen den prins te laten arresteeren en te doen vonnissen, “als een les voor andere adellijke burgemeesters,” die zijn voorbeeld mochten willen volgen. Voor Berthiers vergoelijkende woorden was hij volkomen doof geworden.

Toen hadden Rapp, Caulaincourt en Savary een middel bedacht den prins, met wiens vrouw zij medelijden hadden, te redden. Reeds was de krijgsraad bijeengeroepen en wachtte die nog alleen op den bewusten brief om te handelen, toen mevrouw Hatzfeld, onderricht van het gevaar, dat haar man dreigde, door Duroc geleid, in de vestibule van het paleis voor Napoleon verscheen, op een oogenblik, dat deze terugkeerde van een rit om de stad. Verrast en thans gedwongen haar te ontvangen, verleende hij haar gehoor in zijn kabinet.

Hier bezwoer de prinses hem, dat haar man onschuldig was. Napoleon kreeg medelijden met haar en gaf haar den geduchten brief.—“Onschuldig, mevrouw? Herkent u het schrift van uw man?” Toen de arme alleen met tranen wist te antwoorden vervolgde hij: “Werp dat stuk in ’t vuur, dan heeft de krijgsraad geen bewijzen meer.”

Berlijn had dit vernomen; het was den als zoo bloeddorstig en zoo wreed geschetsten man erkentelijk.

Tegenover den keurvorst van Hessen-Kassel, dien vorstelijken, maar verradelijken handelaar in soldaten, was hij niet zoo genadig geweest.

“Dit keurvorstendom heeft opgehouden te bestaan!” was al wat de generaal Mortier bij ’t binnenrukken van Kassel op zijn last aan den prins had te verstaan mogen geven; Mortier had Kassel bezet en het leger ontbonden. “Dit was een verrader minder in zijn rug” zei Napoleon.


Thans zou het dus gaan tegen de Russen, een winterveldtocht weder.

De indruk, dien de soldaten van Pruisisch-Polen ontvingen, was alles behalve gunstig. Ten oosten van de Oder vonden ze geen straatwegen meer, voortdurend moest door los, mul zand gemarcheerd worden of, als het weder [249]omsloeg door taaien modder. Een groot deel van het land lag braak; reusachtige wouden wisselden af met lage, moerassige terreinen, waarin man en paard vaak reddeloos wegzonken. De weinige bewoners, die zij er aantroffen, waren zoo in-morsig en in-smerig, dat er bijna geen woorden voor waren te vinden. Midden November werd het weer, aanvankelijk zeer mooi, plotseling afschuwelijk; het regende of sneeuwde voortdurend. Bij enkele korpsen begonnen de levensmiddelen schaars te worden. Van een slok wijn was reeds lang geen sprake meer; het bier was ondrinkbaar; de kwartieren waren nauwelijks goed genoeg voor een varken; daarbij werd er geen brood meer verstrekt, en het drinkwater was half slijk. Toch verloren de soldaten hun opgewektheid, hun humor nog niet.—“Wat blief? Noemen de Polen dit een vaderland? Je moet maar durven!” zeiden ze lachend.

Slag bij Eylau.

Slag bij Eylau.

Na het gevecht bij Golymin (26 December) en bij Pultusk veranderde de stemming echter. Geen scherts was het toen meer, als Napoleon onder het voorbijrijden hoorde zeggen: “Dat ’t in zijn bovenkamers zeker niet pluis was, om hen zonder brood langs zulke wegen te laten marcheeren.”—Aardappelen en sneeuwwater waren reeds het gewone voedsel; het gansche land was letterlijk één reusachtig, ondoorwaadbaar moeras geworden. Wel werd er gevochten doch tot een beslissing kwam het niet; de schier grondelooze wegen beletten elke beweging. Tijdens het gevecht bij Golymin had Napoleon zelf ondervonden wat “dat Poolsche slijk” beteekende; met zijn garde was hij over een afstand van nog geen twee uur gaans in rechte lijn toen een ganschen nacht onderweg geweest. De vuurmonden waren bijna niet meer te bewegen; de troepen hadden bijna niet meer te eten; ook aan schoeisel was groot gebrek en de mannen waren uitgeput van vermoeienis en ellende.—Dit kon zoo niet langer. Van de poorten van Warschau tot bij Dantzig, waar de oude, onversaagde veldmaarschalk von Kalkreuth de vaan van zijn ongelukkigen koning nog altijd hoog hield, werden dus kantonnementen betrokken. Napoleon keerde terug naar Warschau, waar hij vroeger reeds een tijdlang zijn hoofdkwartier had gevestigd.

In zijn verwachtingen was hij teleurgesteld; hij had gemeend, dat zijn komst in Polen de bevolking tot geestdrift opwekken en een reusachtigen opstand tegen Pruisen en Rusland ten gevolge hebben zou. Zelfs had hij den ouden patriot, Kosciusco schriftelijk verzocht zich aan het hoofd der beweging te komen stellen; en nu was er van een opstand zelfs geen sprake geweest! Alleen was een talrijke commissie uit den adel hem te Posen komen smeeken hen te verlossen van het juk der Pruisen en het land zijn onafhankelijkheid terug te geven, hierbij was het gebleven.

Met het voornemen den troon van Sobieski te herstellen en Polen zijn plaats in de rij der staten van Europa terug te geven, had hij Berlijn verlaten; doch in stilte had hij hieraan de voorwaarde verbonden, dat de [250]bevolking eerst zelve het gehate juk zou afschudden. Nu hiervan niets was geschied, nu Kosciusco, die zijn wufte, ijdele en onstandvastige landgenooten van ouds kende, niet aan zijn uitnoodiging had voldaan, beloofde hij zelf ook niets, doch gaf alleen den wensch te kennen, dat Polen weder uit zijn asch mocht verrijzen.—Voor die terughoudendheid had hij gegronde reden. Hij diende rekening te houden met Oostenrijk, dat bij de 3e verdeeling van Polen ook een fermen brok had mede gekregen, en nu het hem in zijn plannen tegen Rusland geen belemmeringen in den weg legde, mocht dit land niet opzettelijk tot openlijke vijandschap worden geprikkeld.

Met zijn prachtige figuur en bonte uniform had Murat, de Franconi der ruiterij, zooals hij wel eens genoemd werd, te Warschau grooten indruk gemaakt. Zelfs was hij hier reeds genoemd als de aanstaande koning van Polen. Wat zou Caroline dan hebben gejuicht, als dit visioen was verwezenlijkt! Zoo ver kwam het dus nog niet. Toch had Napoleon door zijn woorden alle hoop op een dergelijke oplossing echter niet den bodem ingeslagen. Nu nog niet, dan later, werd geredeneerd en in afwachting van dien gulden tijd stroomden nu reeds dichte drommen jonge mannen naar Napoleon om bij hem dienst te nemen tegen den vijand. Generaal Dombrowski, die reeds jaren lang onder zijn vanen streed, vormde ze tot die prachtige onverschrokken Poolsche ruiterregimenten, welke later in Spanje en in Rusland de belangrijkste diensten bewezen hebben en die den Keizer tot zelfs na den slag bij Leipzig getrouw zijn gebleven.

Nog in een anderen zin vond Napoleon zich teleurgesteld. Zijn voorwaarden tot een wapenstilstand had de koning van Pruisen als te bezwarend afgeslagen, dus moest ook in Silezië de strijd worden voortgezet; eindelijk bleef Dantzig met zijn rijken voorraad wijn en graan, evenals verscheidene andere steden langs de Oostzee, voorloopig voor hem een niet bereikbare prooi.

Eenige vergoeding vond hij in het tractaat, dat hij den 11en December sloot met den keurvorst van Saksen. Hij kreeg hierdoor een vijand minder in den rug. Vrede, een koningskroon, een plaats onder de vorsten van het Rijnverbond en een unie met Frankrijk, waren het loon voor den keurvorst, die de huzaren van Murat reeds als overwinnaars in zijn hoofdstad had gezien. Ook de hertog van Saksen-Weimar verzocht thans vrede.

Napoleon deed de troepen de kantonnementen betrekken.


Opmerkelijk is ’t dat, terwijl de Egyptenaren en de Italianen zooals de opperofficieren veelal werden genoemd, die met hem aan de oorlogen in het zuiden hadden deel genomen, en vele anderen ginds allen ziek werden, hij zelf in die dagen (Januari 1807) een uitstekende gezondheid genoot. Zijn ijzeren gestel werd in dezen zwaren veldtocht letterlijk gestaald. Vaak genoeg [251]legde hij te paard in de sneeuw op een dag dertig uur afstand af. Moest Murat met zware koortsen te bed blijven, werd Augereau door rheumatiek gekweld en was Lannes zelfs verplicht tijdelijk het commando over zijn korps over te geven, Napoleon kon Jozef schrijven, “dat zijn gezondheid nog nooit zoo goed was geweest, dat hij zich krachtiger gevoelde dan ooit, voorts dat hij dikker was geworden en ook galanter dan vroeger.” Dat hij de liefde eener vrouw slechts zelden had versmaad, was reeds bekend in Egypte, toen hij daar het hof maakte aan de vrouw van den luitenant Fourès. “Wat wilt ge? Zij was zeventien jaar, ik opperbevelhebber,” zei hij later op St. Helena, toen die minnarij ter sprake kwam. Thans te Warschau had hij door Talleyrands bemiddeling kennis gemaakt met de Poolsche gravin Walewska.

Welken indruk de Poolsche blondine met haar blauwe oogen en melancolieke trekken op den Keizer had gemaakt, blijkt wel uit zijn verzoek aan haar, bij hem te komen. “U alleen heb ik gezien, U alleen bewonderd, U alleen begeer ik” meldt hij o.a. Doen deze woorden ons niet denken aan de brieven uit Italië aan Joséphine geschreven? De rollen waren thans omgekeerd, nu is de jaloezie aan de zijde van haar, die telkens aandringt om de goedkeuring voor haar reis naar Polen; ze wil naar Napoleon gaan, bij hem zijn, ze vertrouwt de zaak niet goed; de gedachten aan een mogelijke scheiding worden weer levendig. Maar Napoleon vindt de afstanden zoo groot, het jaargetijde zoo slecht, de wegen zoo onbegaanbaar en hij weet haar ten slotte te overreden in Parijs te blijven!

Volgens vele schrijvers ondervond Napoleon van Mme Walewska die echte gedeelde liefde, die werkelijke gehechtheid, die hij noch bij Joséphine noch later bij Maria Louise heeft gevonden.

We vinden haar met Napoleon op het slot Finckenstein, altijd in ’t wit, zwart of grijs gekleed. “Zoodra mijn land herboren is zal ik immer rose dragen” geeft zij te kennen en hoewel die hartewensch van haar en haar landgenooten niet wordt vervuld, blijft ze Napoleon trouw; later gaat ze niet mee naar Parijs, al vinden we er haar in ’t begin van 1808. Nooit zal ze den Keizer lastig vallen, ook niet als haar later in 1810 een zoon wordt geboren, waarvan Napoleon de vader is. Als allen den Keizer verlaten, op Elba, zullen we Mme Walewska nogmaals ontmoeten.


Tijdens deze idylle met de mooie Polin te Warschau, vergat hij zijn door slijk en sneeuw ingesloten armee echter niet, al liepen er in Parijs allerlei geruchten over de ellende, welke de soldaten leden. Vooral door het natte weer waren de eerste dagen voor allen natuurlijk zeer taai geweest. Tegen flinke vorst zou het brandhout uit de bosschen op de bivaks als een probaat middel hebben gediend; maar koud was ’t juist niet. ’t Regende bijna [252]alle dagen en juist die nattigheid, die den bodem doorweekte, de wegen grondeloos maakte, het transport belemmerde, in één woord op alles storend werkte, was de oorzaak van ziekten, vooral van dysenterie. Tijdelijk gebrek aan brood en het eten van te veel varkensvleesch werkten ook hiertoe mede. Juist door de zorg voor zijn zieke soldaten heeft de Keizer in dien langen winterveldtocht uitgemunt. Te Warschau, te Thorn en te Posen alleen reeds deed hij zes duizend bedden in gereedheid brengen; in de plaatsen tusschen de Weichsel en de Oder eveneens. Matrassen leverde Berlijn uit wol van ’t kroondomein en het door zijn broeder Jérome bezette Silezië gaf ruimschoots linnen voor hemden. Daru werd chef over de ziekenverpleging en werd hierin bijgestaan door een drom van geneesheeren, ziekenvaders en speciaal voor dit doel bezoldigde roomsche geestelijken. Te Warschau kwam een bakkerij voor 100.000 rations beschuit per dag, te Thorn en andere plaatsen eveneens; en levend vee was er genoeg te vinden. Langs de Oder, de Warthe, de Netze, ja, zelfs langs de Weichsel deed de Keizer wijn aanvoeren, een artikel, zoo noodig om bij de mannen den geest er in te houden en—de gezondheid. Dat de troepen langs de niet toegevroren rivieren het beter hadden dan b.v. die van Davoust en Soult, die meer in ’t binnenland stonden, is te begrijpen; doch honger werd nergens geleden.

De troepen van den onvermoeiden Ney leefden zelfs in een soort van overvloed. Vlak bij het rijke Duitsche land gekantonneerd, gingen die op sleden “den boer op” tot Koningsbergen toe; ’t was liefhebberij te zien hoe goed een echte Duitsche pompernikkel (grof brood) van een pond of wat met een gebraden ganzebout er bij aan zoo’n hongerige Fransche maag bekwam.

Bij een dier tochten in de laatste dagen van Januari 1807 stiet Ney op Bennigsen. Deze had beweerd bij Pultusk overwinnaar te zijn gebleven en had in ’t begin dezer maand het plan gevormd, met zijn macht langs de Oostzeekust marcheerende, den linkervleugel van het Fransche kantonnement, waar Bernadotte stond, aan te vallen, dien vleugel op te rollen en het leger zoodoende van Thorn en van Posen af te dringen.—’t Plan was werkelijk goed, maar ’t moest worden uitgevoerd, en—Bennigsen was nu eenmaal geen groot veldheer.

Door Ney uitvoerig ingelicht, heeft Napoleon het plan weldra doorzien. Den 27en geeft hij Bernadotte dus last, “als hij ’t niet langer kan houden, terug te gaan op Thorn” en zich hieraan vast te bijten. Aan Savary geeft hij het commando van Lannes, die nog altoos ziek is. In de voeding voor enkele dagen wordt voorzien; en den 1en Februari worden de kantonnementen overal verlaten. Bij helder vriezend weder rukt Napoleon naar het noorden, in de richting der Oostzee, “om ’s vijands centrum te doorbreken en de afdeelingen, die niet snel genoeg teruggaan, naar links en naar rechts uiteen te slaan.”—Bennigsen heeft het geluk een Franschen ordonnans-officier met orders in [253]handen te krijgen, ziet hierdoor het dreigende gevaar en maakt rechtsomkeert. Napoleon zet hem na. Kleine achterhoedegevechten zijn hiervan het gevolg, tot Bennigsen bij Eylau ingehaald en den 8en Februari gedwongen wordt front te maken.

Wel heeft Napoleon in den avond voor den slag nauwelijks 49.000 man met 200 vuurmonden te stellen tegenover een groote overmacht, die over 500 kanonnen beschikt, doch in geoefendheid zijn de artilleristen de tegenpartij verreweg de baas; alle kans bestaat tevens, dat Ney en Davoust het slagveld vroegtijdig genoeg bereiken, om de kansen minder ongelijk te maken.

Nauwelijks is de schemering voorbij, of reeds dreunt het kanon. Om 9 uur doet Bennigsen den Franschen rechtervleugel aangrijpen; deze gaat langzaam terug op Eylau. Tegelijkertijd ongeveer begint Augereau zijn beweging; maar de heftige sneeuwstorm, die zijn krijgers in ’t gezicht slaat en hen bijna blind maakt, is oorzaak, dat hij uit de juiste richting geraakt en niet op den linkervleugel maar op ’t centrum der Russen stoot. Half vernietigd door ’t vuur, worden zijn bataljons daarop door de Russische cavalerie vervolgd juist in de richting van ’s Keizers standplaats.

Hier begint onrust te heerschen. Berthier laat de paarden reeds voorbrengen. Bessières, nog meer ontsteld, schreeuwt: “Redt den Keizer!” en roept het escorte garde-jagers naar voren. Alleen Napoleon zelf blijft bedaard. Wrevelig wenkt hij al die toebereidselen terug en laat alleen een bataljon van zijn garde vooruitgaan.—“Wat een moed! Wat een moed!” zegt hij met een blik op de naar zijn standplaats stormende escadrons. Dat zij hem zullen bereiken, ducht hij niet; zijn nooit falende blik heeft hem reeds gezegd, dat de paarden den adem en de geslotenheid zullen missen, noodig om nog tegen den heuvel op te rennen.

Door de langdurige vervolging vermoeid, houden de ruiters bij ’t zien van de infanterie der garde werkelijk hun dieren in en rijden terug.

Eerst de duisternis maakte aan de worsteling te midden van sneeuw en ijs een einde. Bennigsen trok terug; zijn verliezen waren ontzettend. Ook het Fransche leger had zwaar geleden en was zoo uitgeput, dat Murat eerst den 10en tot de vervolging kon overgaan. Het bivakkeerde, waar de duisternis het vond, op het reusachtige lijkenveld, zonder voedsel, zonder dekking, met gesmolten sneeuw tot drank. Toch waren de moed en de opgewektheid bij de mannen nog niet verdwenen.

Ook Napoleon bleef op ’t slagveld. Geheel zonder zorg was hij niet.—“Gisteren is er bij Pruisisch Eylau zeer bloedig gevochten,” schreef hij den volgenden dag aan Duroc. “Wij hebben het veld behouden; aan beide zijden is het verlies aanzienlijk. De groote afstand, die mij van Frankrijk scheidt, maakt dit voor ons toch gevoeliger.—Om gedekt te zijn tegen de [254]kozakken en de Russische lichte troepen en om rustiger winterkwartieren te krijgen, is ’t dus mogelijk, dat ik overga naar den linkeroever van de Weichsel.”

Van dit voornemen kwam hij terug. De armee betrok kantonnementen achter de Passarge, een riviertje, dat uitloopt in ’t Friesche Haff.

In een brief aan Jozef, gaf Napoleon den toestand op het einde van Februari weder.

Veertien dagen lang ben ik niet uit de laarzen geweest. Mijn stafofficieren hebben in geen twee maanden van kleeren kunnen verwisselen. Wij zitten midden in de sneeuw en het slijk, zonder wijn, zonder brandewijn, zonder brood. Vleesch en aardappelen vormen ons maal; dagelijks marcheeren wij; dagelijks zijn wij in ’t vuur en bezitten niets om ons te verkwikken. De gekwetsten moeten vijftig uur ver in open sleden worden vervoerd (na Eylau). Klaag jij dus maar niet, want dit komt niet te pas. In Italië heb je brood en wijn, zelfs beddelakens. Wij voeren den oorlog met alle kracht doch ook met al zijn verschrikkingen en vechten zelfs tegen kalmukken en kozakken, gewapend met pijl en boog.

Vooral de officieren leden veel; zij hadden het slechter dan de soldaten. Hun eenige troost was, dat het bij de tegenpartij nòg veel ellendiger was gesteld, want voor de Russische soldaten zorgde niemand; zij stierven letterlijk van honger. Menige rampzalige kozak kwam, aan wanhoop ten prooi, bij de Fransche voorposten een stuk brood bedelen. Welnu, aardappelen hadden de Fransche schildwachten genoeg; vaak deelden zij hun portie met den vijand.

In die dagen nam het maraudeeren reusachtige afmetingen aan. Onder voorgeven van ziekte verdwenen tijdelijk duizenden soldaten uit de gelederen, staken de Weichsel over, leefden daar in de nabijheid der groote wegen op kosten van “den boer” en keerden onder de wapenen terug, als ’t weder er op los zou gaan. Enkele van die benden fricateurs hadden zich hier en daar in de dorpen zelfs verschanst en waren de schrik van de bevolking. Met de gendarmerie zijner garde zelfs kon Napoleon dien kanker in zijn leger niet de baas worden. De groote afstanden, het klimaat, het jaargetijde, de vele gevechten, kortom alles werkte mede om het kwaad te bevorderen. [255]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XVIII.

Friedland. Tilsit. Fontainebleau.

Had de Keizer voldaan aan den wensch van Berthier, dan had hij de Weichsel tusschen zich en den vijand gebracht. Zijn positie tegenover Europa had hem echter eerst Osterode, later (in Mei) het houten kasteel Finckenstein tot hoofdkwartier doen kiezen. Hier dekte hij tegelijkertijd het beleg van Dantzig, dat de maarschalk Lefebvre sinds half Maart had ingesloten en zich eerst in het laatst van Mei overgaf en Lefebvre den titel van hertog van Dantzig deed verwerven.

Het land was toen overal droog en begaanbaar geworden; reeds had de Keizer besloten den 10en Juni opnieuw aanvallend op te treden, toen Bennigsen hem hierin voorkwam. Den 5en Juni begon hij Ney, die ver vooruitgeschoven bij Gutstadt een barakkenkamp had betrokken, te overvleugelen en te dwingen op de bruggenhoofden der Passarge terug te gaan. Tot de ontdekking komende, dat hij hier zoo goed als het geheele Fransche leger tegenover zich had en dat hij dit lang niet in getalsterkte nabijkwam, besloot hij in de richting van Wehlau aan de Pregel te retireeren en hiertoe den loop van de Alle stroomafwaarts te volgen. Terstond scherp nagezet, bereikte hij den 10en Juni een bij Heilsberg aan de Alle in gereedheid gebrachte stelling, sloeg Soult en Murat, die hem het dichtste op de hielen waren, met zwaar verlies terug, doch begon in den nacht van den 12en den afmarsch opnieuw, omdat zijn rechtervleugel daar omgetrokken en zijn positie dus onhoudbaar werd.

In de meening, dat Bennigsen op weg was naar Koningsbergen, bezield met het voornemen hem in een grooten slag te wikkelen, om aldus aan dezen langdurigen veldtocht met één slag een einde te maken, gaf de Keizer nieuwe [256]bevelen, hoofdzakelijk ten doel hebbende zijn hoofdmacht bij Pruisisch-Eylau bijeen te brengen. Tegelijkertijd begon Murat den Pruisischen generaal Lestocq, die aanvankelijk op Bennigsens rechtervleugel had gestaan en dezen ook reeds in Februari bij Eylau had ondersteund, terug te dringen naar bovengenoemde stad en bleef Lannes met zijn schier onvermoeide grenadiers, de divisie Oudinot voorop, Bennigsen dicht op de hielen. Reeds den 13en ’s avonds kon hij zijn Keizer melden, dat de tegenpartij bij Friedland scheen stand te houden.

Omtrent diens bedoelingen verkeerde Napoleon echter nog in onzekerheid; dat die met zijn hoofdmacht stond bij Friedland, geloofde hij dus niet dadelijk; hij zond Lannes daarom aanvankelijk alleen de cavalerie-divisie van Grouchy tot steun, en beval hem Friedland te bezetten.

In den vroegen morgen van den 14en Juni verscheen de spits van Oudinots grenadiers dus bij den Molenvliet, een beekje, dat ten westen van de stad uitloopt in de Alle. Deze maakt op die plaats een scherpe bocht naar het oosten, wendt zich dan weder naar het noorden en doet aldus een driehoek ontstaan, met de stad ongeveer in den top. Op deze ruimte werd Bennigsen thans zelf de oorzaak van zijn ongeluk.

Niet kunnende aannemen, dat de Fransche infanterie in slechts twaalf uur tijd een afstand had afgelegd, die van zijn mannen een etmaal had gevorderd; niet wetende, dat de Keizer met zijn hoofdmacht hem reeds zóó dicht was genaderd, meende hij, dat het korps van Lannes alleen stond. Greep hij dezen aan dan dacht hij, hier een klein succes te kunnen behalen.

Hij begon zijn leger dus over de rivier en door Friedlands straten heen naar de basis van den bovengenoemden driehoek te brengen. Reeds dadelijk stieten zijn voortroepen echter op die van Lannes en op die van Mortier, die intusschen eveneens was genaderd. Zij gingen dus terug.—Uren liet hij onder een staand vuurgevecht nu voorbijgaan, zonder iets van belang te ondernemen.

Tegen den middag bereikte de Keizer het slagveld; om drie uur had hij zijn korpsen verzameld en gaf hij weder een gevechtsbevel uit, duidelijk, zakelijk en als altoos kort, de uitvoering geheel overlatende aan zijn korpscommandanten, in één woord een model van die soort van bevelen.—Om vijf uur zou een salvo uit al zijn vuurmonden het teeken geven voor den aanval.

Reeds heeft Bennigsen, die zijn gevaarlijken toestand inziet, bevel gegeven tot den terugtocht over de Alle, en is met dezen een aanvang gemaakt, als Ney, dicht langs den linkeroever van de Alle marcheerende, op Friedland afkomt en hem dwingt weer front te maken. Wel brengt het kanonvuur, van de overzijde van het water op Ney’s troepen afgegeven, deze in massa tot wijken, doch de artillerie van Victor dooft dit vuur weldra. Diens voorste divisie (Dupont) breekt zich midden door Ney’s wijkende afdeeling baan en werpt [257]de Russen door het brandende Friedland terug op de bruggen. Deze geraken ten deele in brand.

De avond van Friedland.

De avond van Friedland.

Bij den rechtervleugel der Russen, die dit ontwaren, ontstaat een paniek; en als ’t dien avond half elf slaat, is Bennigsen, ziek naar lichaam en ziel, met het overschot van zijn leger in vollen aftocht naar den Niemen. Tachtig vuurmonden heeft hij verloren; meer dan twintig duizend zijner soldaten zijn gekwetst, gesneuveld of in de Alle verdronken.

Had de Keizer al zijn cavalerie bij de hand gehad, dan zou er van het leger weinig zijn terecht gekomen; doch Murat stond bij Koningsbergen; en van de escadrons, die aan den slag hadden deelgenomen, was dat zware werk niet meer te eischen. Na een langen nachtmarsch om Friedland te bereiken, waren ze circa zestien uur in gevecht geweest. Een krachtige vervolging bleef dus achterwege. Bennigsen kreeg hierdoor een voorsprong van ruim twaalf uur, die niet meer was in te halen.

De tijding der nederlaag bij Friedland was oorzaak, dat Koningsbergen met zijn ontzaglijken voorraad graan en wijn, met 100.000 even te voren uit Engeland ontvangen geweren en honderden zieken en gewonden, afkomstig uit den slag bij Eylau, zich overgaf.

Het Pruisische hof was reeds vroeger naar Memel gevlucht. De koning had zijn gemalin hier achtergelaten en was alleen doorgereisd naar zijn bondgenoot, die, misleid door Bennigsens beloften, zijn leger naar den Niemen was tegemoet gegaan, in de stellige verwachting het als overwinnaar te begroeten. Thans kon Alexander het den 18en Juni de grensrivier zien overschrijden, verslagen, ontmoedigd, luidkeels om vrede roepende en vragende “waarom het moest vechten voor de Engelschen, die altoos hulp beloofden maar deze niet zonden en die alleen dachten aan ’t inpalmen van koloniën.”

Hij was diep terneergeslagen; en Frederik Wilhelm, die in stilte op zijn hulp had gehoopt om te overwinnen en die daarom Napoleons voorstellen had afgewezen, begreep thans, dat hij het gelag zou moeten betalen. Beide vorsten zagen tevens in, dat breken met Engeland en vrede sluiten met den Keizer voor hen een gebiedende eisch was geworden. Van een en ander was het gevolg dat Napoleon, die Tilsit aan den Niemen den 19en had bereikt, hier reeds zeer spoedig van hen een voorstel ontving tot het sluiten van een wapenstilstand, die weldra door een vrede zou worden gevolgd.

Met groote ingenomenheid, doch voor ’t oog zeer koel, begroette Napoleon dit voorstel. De afgezanten ontving hij zeer hoffelijk; vooral veldmaarschalk von Kalkreuth viel een bijzondere onderscheiding ten deel. Zooals de Keizer het uitdrukte, was hij de eenige vijandelijke officier, die de Fransche gevangenen goed had bejegend. De voorwaarden van de wapenstilstand werden geteekend.

Dit belette niet, dat Napoleon, immer waakzaam, zijn troepen aan den Niemen samentrok, alsof hij den oorlog weldra zou moeten voortzetten; dat [258]hij de reeds naar de Weichsel op marsch zijnde reserve-afdeelingen niet terugzond en aan al zijn korpsen ruimschoots levensmiddelen en krijgsvoorraad deed uitdeelen. Alleen gaf hij order, dat de reeds opgeroepen tweede helft der lichting van 1808 naar heur haardsteden kon terugkeeren.—Dit bevel zou Frankrijk verheugen, meende hij. Eindelijk verzocht hij Talleyrand te Tilsit bij hem te komen.

Deze diplomaat, die in Polen de slijkcampagne had medegemaakt, en bij deze gelegenheid door het omslaan van zijn rijtuig, een boerenkar zonder veeren, met dit slijk eenmaal zelfs in de nauwste aanraking was geweest, en die als een echt edelman van den ouden stempel dergelijke koopjes “ontzettend” vond, was te Dantzig tijdelijk meer veiligheid en rust gaan zoeken.

Het verheugde Napoleon zeer, dat het einde van den veldtocht was genaderd; hij verlangde terug naar Parijs; bijna een jaar was hij nu afwezig. In al dien tijd was het Wetgevend Lichaam niet bijeengekomen. Dagelijks gevoelde hij meer, dat hij te ver weg was van ’t centrum van zijn gezag. In Holland gingen de zaken volstrekt niet naar wensch; Louis dacht meer aan de belangen van zijn eigen land dan aan die van hem; ook over Jozef en den toestand in Napels was hij maar half tevreden. Vol ongeduld verbeidde hij dus den dag, waarop zijn eerste ontmoeting met Alexander zou plaats hebben. Hij wilde een vorst leeren kennen, wiens geest, vormen en begaafdheden hij herhaaldelijk had hooren prijzen en—door wiens hulp het hem misschien doenlijk zou wezen de Engelschen te vernietigen. Bij het begin van dezen veldtocht had hij zich tot taak gesteld hen te beoorlogen op het vaste land. De helft dezer taak had hij thans volbracht, want hij had het vaste land ontwapend en Rusland teruggedrongen tot achter den Niemen. Wilde Alexander nu zijn bondgenoot worden, dan zou hij de Engelschen verslaan door het vasteland, dat dan geheel onder zijn banieren zou geschaard wezen. Eenmaal zoover had hij de wereldheerschappij voor ’t grijpen, dacht hij. Die eerste ontmoeting met zijn jeugdigen tegenstander zou dus beslissend kunnen zijn.

Verlangde Napoleon dus naar de kennismaking, Alexander eveneens; voor het militaire genie van zijn tegenpartij had hij een onbegrensde hoogachting leeren krijgen.

Midden op de grensrivier, den Niemen, op een opzettelijk voor deze gelegenheid vervaardigd en vorstelijk gedecoreerd vlot, in het bijzijn van duizenden belangstellenden had de ontmoeting plaats; ze was van weerszijden allerhartelijkst. Alexanders: “Ik haat de Engelschen even innig als u zelf,” had het ijs terstond gebroken. “Dan is de vrede ook gesloten,” was Napoleons antwoord op deze ruiterlijke verklaring geweest.

In de volgende dagen waren de keizers urenlang samen alleen. Napoleon was steeds gastheer; hij overstelpte Alexander letterlijk met beleefdheden, hield hem geregeld bij zich aan tafel, maakte verre tochten te paard met hem, was [259]in één woord de voorkomendheid en hoffelijkheid zelf. Bij die lange gesprekken onder vier oogen opende hij den eerzuchtigen opvolger van Peter den Eersten vooral ten opzichte van diens verhouding tot Turkije een verschiet, zoo glansrijk, dat deze er schier van duizelde, en dat hij zich in zijn sterk geprikkelde fantasie mogelijk nog meer illusies schiep, dan Napoleon onder de gunstigste omstandigheden ooit plan heeft gehad te verwezenlijken, aangenomen, dat hij hiertoe is bereid geweest. De grootheid van anderen bevorderde hij immers dan alleen, als zijn eigen bedoelingen hierdoor werden gebaat.

Niet licht zal men een grooter contrast tusschen twee alleenheerschers vinden dan tusschen Alexander en Napoleon. De eerste, toen acht en twintig jaar, lang en slank, was met zijn open vriendelijk gelaat en uiterst beschaafde, hoffelijke vormen het type van den edelman uit het einde der achttiende eeuw, een thans verdwenen menschensoort. Aan een groote mate van natuurlijkheid paarde hij de achtelooze bevalligheid en de schier vrouwelijke vormen van het slavische ras. De ander, tien jaar ouder en zwaar gebouwd, bijna 1.7 M. lang, met een gelaat dat telkens veranderde van uitdrukking, was het type van een weergaloos soldaat-veldheer, bruusk en driftig en dit telkens door een woord of gebaar verradende, een man, die nooit verborg welk een minachting hij koesterde voor het menschdom in ’t algemeen.

Lanfrey zegt o.i. volkomen terecht van hem: “Uit het tijdperk vol verfijnd beschaafde vormen en verwarde wijsgeerige begrippen, dat hij had doorgeworsteld, had hij de denkbeelden, de vormen en de taal met verbazingwekkend gemak zich eigen gemaakt, maar de oorspronkelijke mensch had bij hem weinig verandering ondergaan. Goedhartig kon hij wezen, katachtig lief in zijn manieren zelfs, maar de onoverwinnelijke achterdocht van den eilander, die tegenover zijn vijanden onafgebroken op zijn hoede is, lag daarachter verscholen. Kenmerkend voor zijn afkomst, was hij op enkele punten evenals zijn landgenooten nog bijgeloovig; vaak kon zijn naaste omgeving hem bij ’t vernemen van een ernstige tijding of van een groote ramp werktuigelijk een kruis zien slaan.”

Bang was hij inmiddels voor niets en voor niemand; wat de wereld zou denken van ’t geen hij verrichtte, liet hem koud, alleen de militaire of staatkundige eischen van het oogenblik gaven bij hem den doorslag.


Eerlijk en bescheiden doch in zichzelf gekeerd, linksch en vaak onhandig, speelde Frederik Wilhelm, die den tweeden ontmoetingsdag reeds door Alexander aan Napoleon voorgesteld en door dezen beleefd doch koel ontvangen was, bij al die gelegenheden een vrijwel treurige rol. Dit werd er niet beter op, toen Napoleon op zijn bewering, dat hij zich te zijnen opzichte niets te verwijten had, hem antwoordde, dat al het gebeurde zijn eigen schuld was, want dat hij hem vaak genoeg vriendschappelijk voor Engelands kuiperijen had gewaarschuwd. [260]

Bij de vredesonderhandelingen bleef de koning beweren, dat Napoleon door het schenden van Anspachs grondgebied van dezen oorlog de schuld droeg en hierdoor was de Keizer nog minder bereid aan zijn wenschen, waarbij het bezit van Maagdenburg voorop stond, tegemoet te komen. Op raad van zijn neef en bondgenoot besloot hij dus eindelijk zijn gemalin te ontbieden, in de hoop, dat haar bevalligheid en haar geest het succes zouden verkrijgen, dat hij met zijn stijfhoofdigheid tevergeefs had gezocht.

Hartstochtelijk verlangend haar doel te bereiken, streefde de koningin met haar krachtig karakter dit echter voorbij. Bij het eerste bezoek, dat Napoleon na haar komst te Tilsit haar bracht, verried zij zich zelve in haar lof over hem, en in haar betuigingen van leedwezen, dat zij hem had miskend, was zij te overdreven, te gekunsteld, in één woord te weinig vrouw om hem te treffen; haar woorden maakten hem zelfs half verlegen met zijn figuur.

Dit deed hem nog meer op zijn hoede zijn dan gewoonlijk. In elk opzicht beleefd en hoffelijk, zorgde hij dus zich geen woord te laten ontvallen, dat hem later tegenover haar binden kon. Hij verzocht haar bij zich aan tafel, ging haar bij haar komst tot aan de deur zijner tijdelijke woning tegemoet, betoonde zich in elk opzicht een hoffelijk gastheer maar ontweek ook aan tafel elk gesprek over de voorwaarden des vredes. Zelfs toen zij, verbitterd over deze houding, hem na een complimentje over een roos, die zij in de ceintuur droeg, deze stoutweg aanbood in ruil voor Maagdenburg, prees hij wel de hand, die hem de roos voorhield, doch liet het hierbij blijven.

Met betraande oogen keerde de vorstin terug naar haar tijdelijke woning.

Den 7en Juli sloot Napoleon vrede met Rusland, den 9en met Pruisen. Dit rijk zou, uit beleefdheid voor den keizer van Rusland, heette het, Oud-Pruisen, Pommeren, Brandenburg en Opper- en Beneden-Silezië blijven omvatten. Posen en Warschau, tot een groothertogdom vereenigd, kwamen aan den koning van Saksen; al de Pruisische provinciën ten westen van de Elbe werden met Hessen-Kassel herschapen in een koninkrijk Westphalen, waarover Jérome zou regeeren. Jozef, Louis en Jérome werden in hun vorstelijke waardigheid door Pruisen en Rusland erkend. Mecklenburg en Oldenburg, aan hun vorsten teruggeschonken, zouden Fransche bezetting houden tot uitvoering van het Continentale Stelsel; eindelijk zou Rusland zijn invloed aanwenden om Frankrijk met Engeland te verzoenen.

Een geheim verdrag behelsde voorts, dat Alexander en Napoleon met elkaar in alles gemeene zaak maken en tegen Engeland de wapens opvatten zouden, als het de bovenstaande voorwaarden niet aannam. Voorts zouden beide monarchen Zweden, Denemarken, Portugal en Oostenrijk gezamenlijk aanmanen om hun havens voor Engeland te sluiten en dit rijk den oorlog te [261]verklaren.—Alexander kreeg het uitzicht op het bezit van Finland, dat aan het Frankrijk vijandige Zweden behoorde, en op een deel der Donau-vorstendommen van Turkije. Frederik Wilhelm betaalde het gelag.

Alleen door zijn hartstocht had Napoleon zich laten leiden, toen hij den Pruisischen staat in stukken scheurde en de helft er van schonk aan zijn genotzuchtigen, zinnelijken broeder, die niet eens de taal verstond van het land, dat hij ging regeeren. Geen staatsmanswijsheid, alleen zijn onbuigzame, koppige wil had zijn hand bestuurd, toen hij met één pennestreek een vorst met onvergankelijke tradities als hoofd eener groote, gezaghebbende mogendheid, van zijn zetel wierp en hem verlaagde tot een vorst van den tweeden rang.

De Pruisische natie had deze verdeeling van grondgebied, deze scheiding van haar vorst niet verlangd. Niet zooals in Italië en in Holland had zij gevraagd om bevrijding van een gehaat slavenjuk, al was de toestand in Pruisen geenszins rooskleurig. Eén gebleven was ze met haar vorst, één met haar schoone vorstin, die tevergeefs getracht had den overwinnaar te vermurwen. Als staatsman beging Napoleon een misslag, toen hij den eenigen vorst, dien hij in gansch Duitschland in geographischen, staatkundigen en militairen zin tot zijn waarachtigen bondgenoot had kunnen maken, vernederde en moreel mishandelde.

Bloedig heeft die misslag zich gewroken. Terstond is die haat der bevolking tegen hem geboren, welke den hertog van Brunswijk Oels zijn huzaren deed kleeden in ’t zwart met den doodskop voor den kolbak, die het aanzijn schonk aan het geduchte geheime genootschap van den Tugendbund, die een krijgsman als Yorck in 1812 voerde tot verraad en die na den veldtocht in Rusland de gansche natie als één man deed opspringen, het geweer grijpen en tot binnen de muren van Parijs vergelding en wraak zoeken voor den hoon, te Tilsit haar aangedaan.

Welk een grootschen, overweldigenden indruk had Napoleon op gansch Europa moeten maken, als hij na Friedland niet Alexander alleen maar ook Frederik Wilhelm grootmoedig de hand toegestoken, dezen niet van de helft van zijn koninkrijk beroofd maar ook zijn vriendschap gezocht had! Mogelijk zouden dan geen Regensburg, geen Aspern, geen Wagram hun bloedige vore door de geschiedbladen dier dagen hebben getrokken.

Hij was reeds bevangen door dien onleschbaren dorst naar veroveringen, naar nòg meer grootheid, nòg meer macht, die de Cambacérès terstond bij hem opmerkte, toen hij den 27en Juli te St. Cloud was teruggekeerd.—“De Keizer is zoo tevreden en gelukkig, dat hij wel erg zal brommen,” had Joséphine vóór zijn komst tegen haar omgeving gezegd;—tot “brommen” op die omgeving had hij trouwens reeds vaak genoeg reden gehad.—Doch de Cambacérès vond méér in hem; die vond hem veranderd, minder openhartig, [262]minder vertrouwelijk met hem dan voorheen. ’t Was alsof hij iets voor hem had te verbergen.

Nauwelijks te Parijs terug, wijdde hij zich weder met onvermoeiden ijver aan het inwendige beheer van zijn rijk. Hij begon met de afschaffing van het Tribunaat, vereenigde het met het Wetgevend Lichaam en bracht hierdoor een ernstige wijziging in de consulaire grondwet van het jaar VIII. Tevens betoonde hij zich hierdoor vrijwel ondankbaar, want aan het Tribunaat toch had hij zijn benoeming tot consul voor het leven te danken gehad. De republikeinen ontvingen de kennisgeving er van volstrekt niet met ingenomenheid, vooral omdat de definitieve instelling van een erfelijken adel slechts enkele dagen aan deze wijziging was voorafgegaan, en zij met het Tribunaat het gansche republikeinsche beginsel zagen wegvallen, om plaats te maken voor het monarchale met al zijn dure en noodelooze eerebaantjes.

Hartelijke toejuiching bij de geheele natie vond daarentegen de onbekrompen wijze, waarop hij de toekomst van zijn oude, trouwe soldaten verzekerde. Millioenen en nog eens millioenen francs schonk hij hun in jaarlijksche toelagen of in giften in eens. Hij bezigde hiervoor een deel van den schat, dien hij uit de oorlogskosten en verbeurdverklaringen van geestelijke en andere goederen in de doode hand in den loop der jaren had samengebracht.

Het Wetboek van Koophandel en dat van de Crimineele Rechtspleging werden afgekondigd, een Rekenkamer ingesteld, en zoowel in Frankrijk zelf als in Italië, Napels, enz. een krachtigen stoot gegeven aan de voortzetting van werken tot openbaar nut. Ook de inrichting van de musea en van het Louvre werd met nieuwen ijver ter hand genomen. De porceleinfabrieken van Sèvres, onder het Directoire haar ondergang nabij, herleefden door zijn toedoen geheel. Den heer Oberkampf, directeur der prachtige fabriek van gedrukt linnen te Jouy, ging hij persoonlijk decoreeren met het ridderkruis van het Legioen van Eer. Het paleis van Versailles werd gerestaureerd. Millioenen besteedde hij aan de leniging van de ellende, door den oorlog in de Vendée ontstaan, millioenen aan den bouw van weeshuizen en toevluchtsoorden voor behoeftigen. Door krachtige, ingrijpende maatregelen trad hij op tegen de bedelarij, in die dagen letterlijk een kanker in geheel Frankrijk. Er was in één woord geen enkel onderdeel van bestuur te noemen, waaraan hij niet in meerdere of mindere mate zijn aandacht wijdde, en het beste bewijs hoezeer het vertrouwen van het publiek in Juli 1807 was toegenomen, was de noteering van de Fransche rente aan de beurs. Deze steeg tot 94%, een voorheen ongekende prijs.

In dat jaar van grootheid en voorspoed, eigenlijk het schoonste van zijn geheele regeering als Keizer, bevond hij zich vaak op het kasteel van Fontainebleau; ook hier deed hij al het vorstelijke bedrijf van vroeger eeuwen met jachtpartijen in costuum, groote feesten en statige recepties herleven. Des [263]avonds kwamen de voornaamste tooneelspelers van Parijs voorstellingen geven; dan waren Corneille, Racine en Molière aan ’t woord. Het laatste republikeinsche tintje was uit zijn omgeving verdwenen.

In den aanvang klein, nam het getal oude, adellijke namen aan het hof weldra sterk toe. Joséphine gevoelde zich gelukkig in dien kring van menschen, die eenmaal de salons van Lodewijk XVI hadden gevuld en over wier houding, gedragingen en manieren een waas van voornaamheid lag, dat veel republikeinen zich trachtten eigen te maken, Napoleon zelf heeft zich hieraan nooit bezondigd. Die bleef wat hij altoos geweest was, vandaag ruw, grof, lomp tot beleedigens toe en niet vragende wie hem hoorde bulderen, morgen zoo beschaafd, beleefd en hoffelijk, dat een ieder hunkerde naar een vriendelijk woord van hem.

“Wat jammer, dat een zoo groot man een zoo slechte opvoeding heeft gekregen,” zei Talleyrand dan ook van hem; doch die had goed praten! Waar had Napoleon, die het ouderlijk huis reeds op zijn negende jaar had verlaten en daarna voor ’t meerendeel slechts lompe, onwetende geestelijken als leidslieden gekregen had, die fijnbeschaafde vormen moeten leeren?

Reeds enkele weken na ’t sluiten van den vrede had Talleyrand zijn ontslag verzocht als minister van Buitenlandsche zaken. Hij hield van zijn gemak; hij was niet zoo heel jong meer en liep mank; al deze factoren, vereenigd met de souvenirs aan logeeren op stroo in een boerenwoning, een slechte tafel en tochten door slijk en sneeuw met de kozakken in de buurt, hadden hem tot dit besluit gebracht.

Aanvankelijk boos, had Napoleon, toen hij volhield, zijn verzoek ingewilligd, hem tot belooning voor zijn diensten benoemd tot vice-grootkeurvorst; tevens had hij den heer de Champigny met zijn portefeuille belast.

Talleyrand stelde zijn ambtenaren aan dezen aldus voor: “U zult over de heeren tevreden zijn. Zij zijn trouw, handig, attent, maar evenals ik zelf niet bijzonder ijverig. Uitgezonderd een paar expéditeurs, die de brieven wel eens wat te vlug sluiten, blijven ze altoos kalm en haasten zich nooit. Zoodra u een tijdlang met den Keizer gewerkt hebt, zal het u duidelijk zijn geworden, dat het vlug sluiten en verzenden der brieven in verband met de groote belangen van Europa niet gewenscht is.”

Tegelijkertijd ontving Berthier zijn benoeming tot vice-connétable; hij legde de portefeuille van Oorlog thans neder; Clarke nam ze over.

In ’t laatst van Augustus eindelijk werd te Parijs het huwelijk ingezegend tusschen Jérome en de dochter van den koning van Wurtemberg, een even bevallig als schrander persoontje, dat aanvankelijk wel eenigszins had opgezien tegen haar eerste reis naar een hof, “waar het nogal ruw scheen toe te gaan” en werwaarts niet één van haar vrienden of familieleden haar vergezelde, doch waar zij door Napoleon terstond zoo allerhartelijkst was ontvangen, dat alle [264]schroom weldra bij haar verdween.—Jérome, die, zooals we zagen, in Napoleon van jongsaf altoos veel meer een vader dan een broer had gezien, heeft reden gehad hem voor die keuze erkentelijk te wezen. Catharine heeft hem later in zijn ongeluk een schitterend bewijs van trouw en aanhankelijkheid gegeven.

De pogingen, door keizer Alexander in het werk gesteld om Engeland met Frankrijk te verzoenen, bleken weldra volslagen nutteloos. Het Continentale Stelsel had de Engelsche natie, die hierdoor groot nadeel leed in haar handel, tot woede geprikkeld. Voor de volvoering zijner krijgszuchtige plannen ontving het nieuwe ministerie Canning dus groote credieten; de zeemacht werd versterkt om al de havens van het vasteland te kunnen blokkeeren; en als eerste nieuwe daad van openbare vijandschap stevende een eskader in ’t begin van September naar de Sont, bombardeerde Kopenhagen drie volle dagen lang en beging hiermede een schanddaad, welke onder geen vorm was te verdedigen en indruischte tegen het volkenrecht, want Denemarken, hoewel een trouw bondgenoot van Frankrijk, was een neutrale mogendheid en had zich tot dusverre buiten alle politieke verwikkelingen weten te houden.

Tegenover het parlement verantwoordde Canning zich met de verzekering, dat er tusschen Denemarken en Frankrijk kort te voren een geheim verdrag was gesloten waarbij de Deensche vloot tot Napoleons beschikking werd gesteld. Uit de allerhoogste kringen te St. Petersburg zou hiervan mededeeling zijn gedaan.

Denemarken, Pruisen en Rusland braken terstond alle betrekkingen met Engeland af en sloten hun havens voor zijn schepen.


Thans was Portugal het eenige rijk, dat nog openlijk met Albion handel dreef. Kon het anders? In den loop der jaren was het zoo goed als een Engelsche kolonie geworden; het leefde schier alleen van ’t geen van die zijde werd ingevoerd. Koningin Marie was nog altoos krankzinnig, de prins-regent, een man, die, laks en vadsig van aard, in zijn verhouding tot Napoleon uit Londen werd geïnspireerd en die het gemakkelijk vond, als men de staatszaken voor hem daar in ’t geheim behandelde.

Door het krachtige optreden van het Noorden tegenover Londen gerugsteund, besloot Napoleon Portugal de tanden te laten zien. Terwijl hij Jozef het vasthouden en approviandeeren der Jonische eilanden, hem bij geheim tractaat te Tilsit afgestaan, en het hernemen van Reggio, waar de Engelschen nog altoos vasten voet hadden, in bijna hartstochtelijke woorden aanbeval, terwijl hij dringende bevelen gaf om in al de havenplaatsen van zijn gebied met kracht te doen doorwerken aan ’t uitrusten van schepen, stelde hij den prins-regent van Portugal kortweg voor het ultimatum: Oorlog met hem of de toepassing van het Continentale Stelsel op al zijn havens.

Louise van Pruisen brengt een bezoek aan Napoleon.

Louise van Pruisen brengt een bezoek aan Napoleon.

[265]

De prins-regent zocht uitvluchten, raadpleegde ter sluiks Londen weder, beweerde, dat hij liefst zijn onzijdigheid wilde handhaven, en zocht in één woord tijd te winnen.—Toen hij ten slotte weigerde aan het gestelde ultimatum te voldoen ging den 17en October een leger van ruim twintig duizend man, dat reeds weken te voren bij Bayonne onder bevel van Junot was samengetrokken, op marsch naar Lissabon. Tusschen Napoleon en Godoy, den Vredevorst, was het overschrijden van het Spaansche grondgebied vooraf geregeld. In ’t laatst van October sloten ze zelfs een geheime overeenkomst, waarbij Portugal tusschen Spanje, Frankrijk en Godoy zou worden verdeeld.

Dit tractaat met den in zijn vaderland zoo gehaten en verachten Godoy, die vóór Jena eveneens tegen Napoleon had willen partij kiezen, is voor dezen de bron geweest eener reeks van groote en kleine rampen, die stellig tot zijn val hebben bijgedragen. Zijn keuze van Junot tot opperbevelhebber was tevens ongelukkig. Hij was wel een dapper soldaat maar bekrompen van geest; en dat Junot te Lissabon een tijdlang gezant was geweest, is als een oorzaak te beschouwen van deze minder gewenschte benoeming.

Junot voerde zijn bijna geheel uit jonge conscrits bestaande korpsen onder gestadige verliezen tengevolge van gebrek, ziekte en vermoeienis en van den dolk der Spanjaarden, wier eigendom zij roofden, naar de grenzen van Portugal, kwam hier tot de ontdekking, dat Godoy, die hulp aan troepen en levensmiddelen in overvloed beloofd had, hem jammerlijk bedroog en den verrader speelde, bereikte met nog geen vierde zijner macht niettemin Lissabon en nam deze stad in zijn bezit. Even te voren was de prins-regent met zijn familie en zijn schatten benevens duizenden rijke Portugeezen scheep gegaan naar Brazilië. In November 1807 verklaarde Napoleon het huis van Braganza kortaf vervallen van den troon en legde Portugal daarna een belasting op van honderd millioen francs.

Altoos bezig, zich nooit meer rust gunnende dan hij strikt noodig had, een voorwerp van de verbazing zijner omgeving, die hem aan den arbeid zag, zich nooit verdiepende in détails, die door anderen konden worden uitgewerkt, het hoofd vol duistere plannen, welke hij nog aan niemand mededeelde, maar waarin Londen en de Spaansche troon de hoofdrol speelden, begaf de Keizer zich half November weder op reis. Thans waren Italië en de militaire werken bij Allessandria, Mantua en Venetië het doel.

Bij deze gelegenheid nam hij Eugène met zekere plechtigheid aan tot zijn zoon en opvolger in Italië, schonk hem den titel van prins van Venetië en had te Mantua voor het eerst na jaren weder een ontmoeting met Lucien. Gaarne had hij gezien, dat deze zich met hem verzoend had, want hoewel Lucien zich te Rome onverzoenlijk had getoond, kon hij dezen broeder, die hem feitelijk den 18en Brumaire door zijn manmoedig optreden den weg naar het oppergezag had gebaand, niet vergeten. [266]

Hij vorderde echter te veel. In ruil voor de kroon van Portugal zou Lucien zijn tweede vrouw Alexandrina de Bleschamps, weduwe Jouberthon, moeten verstooten en hij wilde zijn huiselijk geluk niet opofferen aan het bezit eener kroon onder de heerschappij van zijn broer.

Met bitterheid in ’t hart scheidden de twee broers.

Wel werden er daarna nog pogingen aangewend tot verzoening, wel zou de breuk tusschen hen nog ernstiger worden, maar ze zouden elkaar niet weerzien, voordat de oudste neergeveld door het noodlot bijna door allen verlaten was en de ander hem zijn hulp kwam aanbieden. [267]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XIX.

Het drama in Spanje.

“Een opstand van monniken” heeft de Keizer in zijn verholen gramschap het verzet op het Iberische schiereiland in den beginne smalend genoemd; toch is deze uitdrukking onjuist. Aanvankelijk was de geestelijkheid hem zelfs niet ongenegen, omdat ze in hem een bestrijder meende te zien van den zoo gehaten Godoy. Eerst later, toen zij zijn ware bedoelingen, de onderwerping van Spanje, had leeren kennen is ze van houding veranderd en heeft ze door het opzweepen van den geloofshaat der bevolking den strijd tegen de Fransche overheersching ontzettende vormen doen aannemen.

Napoleon leefde nu eenmaal in de waan, dat het godsbestuur hem op deze wereld een grootsche taak had te vervullen gegeven en reeds lang liep hij met plannen rond ook Spanje in zijn systeem op te nemen; dat hij een groote fout beging zich in de familieaangelegenheden der Spaansche Bourbons te mengen is even waar als zijn met Tilsit begane fout, Pruisen zoo diep te vernederen. Wel was het waar, dat Napoleon reeds tijdens den veldtocht in Pruisen voldoende bewijzen van verraad van zijn ouden bondgenoot had ontvangen; de nachtelijke bijeenkomsten van Godoy met de Pruisische en Russische gezanten waren den Keizer niet onbekend gebleven, maar dit verontschuldigt evenmin zijn inmenging in de familiequaesties der Spaansche Bourbons als het verzoek zoowel van Karel IV en diens zoon Ferdinand, den Prins van Asturië, om zich met hun particuliere aangelegenheden te bemoeien en hun scheidsrechter te zijn.

Ferdinand ging hierin zelfs nog verder; die riep zijn bescherming in “tegen een bende doodvijanden” en verzocht zijn aangenomen zoon te mogen [268]worden door een huwelijk met een prinses uit zijn huis.—Deze had dan een dochter van Lucien kunnen wezen.

Dat Talleyrand, wel niet meer in naam doch steeds nog in de daad Napoleons rechterhand in diens aangelegenheden met het buitenland, dezen uit aangeboren zucht tot intrige aanhoudend prikkelde om in Spanje krachtig op te treden, mag hierbij evenmin worden vergeten.

Wetende dat Godoy in stilte tegen hem samenspande en Junots troepen bij hun opmarsch in den steek had gelaten, voor hun verpleging en voeding niet de minste zorg gedragen had, gaf Napoleon aan twee korpsen bevel de Spaansche grenzen te overschrijden, het land ten noorden van de Ebro te bezetten en in Barcelona, Sint-Sebastiaan en Pampeluna garnizoen te leggen. Een derde korps dirigeerde hij naar Cadix en eischte toen (Februari 1808) afstand van het bezette grondgebied in ruil voor Portugal.—Karel IV durfde dezen eisch, toch een aanslag op zijn gebied, niet met klem van de hand te wijzen.

Verontwaardigd over het ellendige bestuur van Godoy, gerugsteund door de bevolking, beducht voor de gevolgen, als Spanje nog verder door Fransche troepen werd bezet, wisten eenige aanzienlijken Ferdinand, ook al een zwak en besluiteloos wezen, te bewegen bij zijn vader aan te dringen op Godoy’s ontslag. Karel weigerde aan dit verzoek te voldoen. Toen een nieuw Fransch leger onder Murat de grenzen overtrok en langzaam Madrid begon te naderen; toen het bericht kwam dat de koning wilde vluchten naar Cadix en dus Aranjuez verlaten had, geraakte de bevolking te Madrid in opstand. Het paleis van Godoy werd bestormd. Terwijl diens rampzalige gemalin, een prinses van Bourbon nog wel, door het grauw werd geëerbiedigd, werd hij zelf, nadat hij zes en dertig uur onder eenige rollen stroomatten op een zolder verscholen had gezeten doch door honger en dorst verplicht was geworden te voorschijn te komen, gepakt en had hij aan een paar gardes te danken dat hij, met wonden overdekt, eindelijk in een kazerne terecht kwam.

Om zijn “dierbaren vriend en gunsteling” het leven te redden, deed Karel IV den 19en Maart afstand van den troon ten behoeve van zijn zoon. Murat stond toen nog maar één dagmarsch van Madrid.

De tijding van dezen troonsafstand was hem maar half aangenaam, want hij had zelf wel koning van Spanje willen worden. Hierover dacht Napoleon echter niet en had reeds lang Louis, Jérome en Jozef gepolst. Had de eerste met het oog op zijn gezondheid altijd aangedrongen om in meer zuidelijke streken geplaatst te worden, nu het er op aankwam bedankte hij voor de eer. Ook Jérome meende niet te moeten aannemen, daar zijn huwelijk met Catherine van Wurtemburg, een protestante, een beletsel zou zijn en hij haar niet wilde opofferen. Dan Jozef! Deze was reeds vóór de andere broers gepolst, maar had bedankt, want slechts een gedeelte van Spanje was aangeboden; nu [269]herhaalde de Keizer het verzoek doch Spanje in haar geheel en Jozef aanvaardde thans de kroon, die eens een Karel V had bezeten!

Den 23en trok Murat de hoofdstad binnen en werd hier door Ferdinand, dien hij niet als koning erkende en dien hij prins van Asturië bleef noemen, zoowel als door de bevolking, die in de Franschen thans de bevrijders zag van Godoy’s tirannie, voorkomend ontvangen. Godoy, die reeds met ketenen beladen per kar van Aranjuez op weg was naar een gevangenis te Madrid, zond hij naar Bayonne.

Intusschen had Karel IV zijn daad herroepen en Napoleon verzocht scheidsrechter tusschen hem en zijn zoon te zijn. Ferdinand verliet Madrid, begaf zich naar Bayonne, waar Napoleon zich reeds bevond, en vond hier zijn ouders, die hem reeds den 20en April hierheen waren voorafgegaan, waar ze door Napoleon met vorstelijken praal werden ontvangen.

Te Madrid waren de broeder van Karel IV, zijn dochter de ex-koningin van Etrurië en zijn jongste zoon Francisco de Paolo, een kind van dertien jaar, achtergebleven.—Misschien hadden de gebeurtenissen een bevredigenden loop genomen, als Murat niet den last had ontvangen ook deze leden der koninklijke familie naar Bayonne te doen geleiden en als de kleine Francisco het paleis had willen verlaten. Den 9en Mei brak er nogmaals een ontzettend oproer uit. Uit alle huizen vielen schoten. Een dragonder van Murats garde, wiens paard door een kogel was neergeveld, zou zelfs voor de oogen zijner kameraden zijn vermoord, als deze niet met de blanke sabel op de menigte waren ingestormd en hem hadden ontzet.

Murat deed geducht wraak nemen. Vooral het escadron Mamelukken der garde hield met kromsabel en donderbus een gruwelijke opruiming.

Toen Karel IV van Napoleon vernam wat er in zijn hoofdstad was geschied, werd hij woedend, ontzag zich niet in ’t bijzijn van Joséphine en de geheele keizerlijke hofhouding zijn zoon toe te roepen: “Ellendeling, je kunt tevreden zijn. Jouw misdadig verzet tegen je vader is oorzaak geweest, dat Madrid thans baadt in bloed. Dit bloed kome over jou hoofd!”—De koningin hief zelfs de hand tegen haar zoon op en overlaadde hem met scheldwoorden.

Denzelfden avond nog,—6 Mei—stond Ferdinand, die op dit alles geen syllabe antwoord had gegeven, de kroon weder af aan zijn vader; nog twee dagen later deed deze met al zijn mannelijke nakomelingen ten gunste van Napoleon afstand van den troon, “om daarover in het belang van Spanje naar goedvinden te beschikken,” en begaf zich met zijn vrouw, zijn dochter en den “vriend” naar Rome. Aan Ferdinand en zijn broertjes werd het kasteel van Valencay, een bezitting van Talleyrand, als verblijf aangewezen.

In ’t midden van Mei riep Napoleon nu een Junta van 150 Spaansche afgevaardigden bijeen om een nieuwe grondwet samen te stellen en den 9en Juli verliet Jozef Bayonne op weg naar Madrid. In ’t begin ging het goed, [270]maar al spoedig hield het enthousiasme van de bevolking op, ja werd hem zelfs de weg versperd door een leger van 40.000 man, meest geregelde troepen, onder den generaal Guesta. Wel werden de troepen teruggedreven en deed Jozef den 20en Juli zijn intocht in Madrid, maar ’t was er alles behalve veilig voor den nieuwen koning, die dan ook elf dagen later voorzichtigheidshalve de stad weder verliet en te Vittoria achter de Ebro een veiliger verblijf zocht.

Was Murat misschien wat teleurgesteld Spanje niet te krijgen, Napoleon wilde toch zijn zwager beloonen voor de uitstekende diensten op militair gebied aan hem verleend en daarom had de Keizer hem de keuze gelaten tusschen Portugal en Napels; Murat koos het laatste en in September zien wij hem zijn intrede in Napels doen, waar hij de schatkist leeg vond en het leger vertrokken.

Jozef had er duchtig huis gehouden en deze, die altijd geld en troepen noodig had in zijn eerste koninkrijk zou nu nog veel erger dingen ondervinden.

Geheel Spanje was in vollen opstand. In de nog niet door de Fransche troepen bezette provinciën als Asturië en Arragon, te Sevilla en te Badajoz had de bevolking naar de wapenen gegrepen; overal hadden zich junta’s gevormd. De reden was, dat den 19en Juli generaal Dupont verplicht geweest was bij Baylen in Andalusië tusschen de Sierra Morena en de Guadalquivir te capituleeren. Al de Spaansche grandes hadden Jozef daarop zelfs zonder afscheid verlaten; Mexico en het geheele vasteland van Zuid-Amerika van Peru tot aan de monden van de Rio de la Plata, de koloniën dus, waarop Napoleon zoo tuk was geweest, hadden hun havens voor Engeland geopend en zich bij de partij van het gevallen koningshuis aangesloten.

Hoe Jozef zelf over zijn toestand dacht, kan blijken uit een fragment van zijn brief van 9 Augustus aan zijn broeder:

De gansche wereld zonder uitzondering heb ik hier tegen mij. Zelfs de hoogere standen zijn na eenige aarzeling de beweging der volksklasse gevolgd.—Als generaal zou mijn taak draaglijk, zelfs gemakkelijk zijn, want met een korps van uw oude soldaten zou ik de Spanjaarden overwinnen; als koning is mijn rol echter niet vol te houden. Om over mijn onderdanen de baas te worden, zou ik een deel er van moeten verdelgen. Ik verkies dus niet langer te heerschen over een natie, die niet van mij is gediend. Als overwonneling heengaan, wensch ik echter ook niet. Zend mij dus een van uw legers: aan de spits er van keer ik dan terug naar Madrid, en onderhandel hier met de bevolking.—Wenscht gij dit, dan schenk ik haar in uw naam Ferdinand VII als koning; maar ik zelf wensch terug naar Napels, naar een volk, dat door mijn zorgen [271]gelukkig wil wezen. Ik ben uw broeder, uw eigen bloed; en Murat heeft van zijn nieuw rijk nog geen bezit genomen.

De nederlaag bij Baylen was niet de eenige slag, die de Fransche wapenen in diezelfde dagen trof. Aan de Mondego was een Engelsch leger van 16.000 man onder generaal Arthur Wellesley de Portugeezen te hulp gekomen en door Junot tevergeefs aangevallen. In het daarop gevolgde gevecht bij Vimeira waren de Engelschen overwinnaar gebleven. Van het bij Baylen gebeurde onderricht, beducht voor zijn leger, dat op de positie van Torres Vedras ten noorden van Lissabon was teruggegaan, trof Junot den 30en Augustus bij Cintra met Wellesley een overeenkomst, waarbij werd bepaald, dat zijn troepen met Engelsche schepen naar een Fransche haven zouden worden overgebracht.

De tijding van Duponts nederlaag ontving de Keizer, die Bayonne had verlaten, op den terugweg naar Parijs. Terstond begreep hij dat de terugtocht van zijn macht tot achter de Ebro hiervan het gevolg zou moeten wezen; dat het leger aan gene zijde van de Pyreneën thans te zwak was geworden voor het beoogde doel, de vermeestering van het land, en dat zijn tegenwoordigheid ginds op het gevechtsveld dringend werd vereischt, want het zou gaan om de eer van het groote keizerrijk. Een gedeelte van zijn troepen uit Duitschland zou hij naar Spanje moeten verplaatsen en aan Ruslands wensch ten opzichte van Pruisen, n.l. om de aan deze mogendheid opgelegde oorlogsschatting te verminderen en een deel zijner in Duitschland staande regimenten terug te nemen, leende hij dus thans een meer gewillig oor dan vroeger. Den 8en October sloot hij met Frederik Wilhelm een tractaat o.a. behelzende, dat deze de eerstvolgende tien jaar niet meer dan ruim veertigduizend man onder de wapenen zou houden en geen onderhandelingen met Engeland openen, voordat hij zelf met dit rijk had vrede gesloten. Door dit tractaat kreeg hij (8 October) de vrije beschikking over ruim 150.000 geoefende soldaten, die dwars door Duitschland naar den Rijn zouden terugkeeren. Alleen in Silezië zou hij drie vestingen bezet houden tot de oorlogskosten geheel waren afbetaald.

Met dien dreigenden toestand in Spanje voor oogen trok hij naar Erfurt om keizer Alexander op diens verzoek nogmaals te ontmoeten. De vorsten van het Rijnverbond en een drom andere gekroonde hoofden, vooral uit Duitschland, zouden hier tevens bijeenkomen.

Niet voor zijn genoegen ging de Keizer derwaarts, al omgaven luister en pracht zijn komst, en al schonk het hem voldoening, toen hij, bij een galavoorstelling in den schouwburg met zijn keizerlijken vriend de hofloge binnentredende, al die groote en kleine potentaten van hun zetels zag rijzen en staan blijven, tot hij was gezeten. Geen feestelijkheden en vermaken, de groote politieke vraagstukken van het oogenblik waren het, welke hem naar ’t stille [272]stadje hadden geroepen. Met Alexander wilde hij nogmaals overleggen en—dezen tot geduld aanmanen, nu de Donau-vorstendommen Wallachije en Moldavië hem niet zoo gemakkelijk in den schoot waren gevallen, als zijn weelderige fantasie hem dit te Tilsit had voorgetooverd, en nu ook de zaken in Finland nog niet naar wensch vlotten.

Dagen achtereen beraadslaagden die twee onder vier oogen; het slot er van was, dat, terwijl Alexander zijn vriend de vrije hand liet in het westen van Europa hij zelf naar willekeur in Finland en op het Scandinavische schiereiland zou kunnen handelen. Op het vasteland zou geen mogendheid zonder hun beider toestemming zich mogen wapenen; als bemiddelaars in alle zaken zouden zij zich gezamenlijk tegenover Engeland voordoen, en in geval van oorlog elkander steunen. Den 12en October werd een door beiden onderteekend schrijven gericht aan George III om mede te werken tot herstel van de rust in Europa.

Binnen acht dagen kwam het antwoord. Engelands gedragslijn stond onherroepelijk vast. In geen geval kon het de partij van den koning van Napels, Ferdinand IV, die Sicilië nog altoos bezet hield, of die van het huis van Braganza loslaten.—Deze verklaring maakte iederen verderen stap tot verzoening overbodig.

Den 13en October nam Alexander afscheid van zijn bondgenoot en keerde Napoleon terug naar Parijs.—Het Congres van Erfurt behoorde tot het verledene. Niet alleen was er met Alexander over de politiek gesproken, want in deze dagen leed Napoleon een groot échec met het oog op zijn persoonlijke plannen omtrent een tweede huwelijk, waarop we later terugkomen.

Te St. Cloud terug, ontving hij de bevestiging van het gerucht, dat aartshertog Karel op uitgebreide schaal krijgstoerustingen deed maken. Duizenden artillerie- en treinpaarden werden daar aangekocht, groote militaire magazijnen aangelegd en groote troepenbewegingen verricht.

Om dit alles bekreunde Napoleon zich voorloopig echter niet. Aan de overzijde van den Rijn had Napoleon nog altijd een machtig leger staan, dat telkens versterking ontving, op kosten van de bewoners der bezette streken leefde, en snel was bijeen te trekken. Al zijn aandacht was gevestigd op Spanje. Den 5en November reeds bevond hij zich te Vittoria, nam hier het bevel op zich over een korps, dat rechtstreeks naar Madrid zou marcheeren en den 6en November klonk het Voorwaarts! voor de geheele armee, die, ingedeeld in acht groote korpsen, de Ebro in waaiervorm begon te passeeren.

Enkele dagen later waren de onder Castanos en Palafox verzamelde afdeelingen uiteengeslagen en verstrooid, en was de stad Burgos genomen. Den 30en November werd de nauwe pas van de Somo Sierra onder de oogen des Keizers bestormd en genomen. Den 3en December, dus nog geen [273]maand nadat hij Vittoria had verlaten, was het paleis van Buen-Retiro te Madrid onder zware verliezen vermeesterd en de hoofdstad weder in Fransche handen; Jozef werd in zijn waardigheid hersteld.

Een vroolijke episode uit den oorlog in Spanje.

Een vroolijke episode uit den oorlog in Spanje.

Plechtig deed deze zijn intocht in Madrid en hield daarbij in een der kerken een rede waarin hij deed uitkomen, dat hij de kroon uit handen van de Cortes te Bayonne had ontvangen. Nu zou alles wel goed gaan als Napoleon hem nu maar de vrije hand liet, zoo dacht de nog altijd eigenzinnige oudste, die zich nu eenmaal boven zijn keizerlijken broeder stelde.

Een beslissing was nochtans nergens verkregen. Waar de troepen in de provinciën binnentrokken, legde de bevolking het hoofd in den schoot; daarbuiten was alles in vollen opstand. Deze was plaatselijk geworden en ontaard in een partijgangers-, een guerillakrijg met al zijn sombere, bloedige gevolgen. Koeriers, alleen reizende militairen, achterblijvers, gekwetsten werden onderweg overvallen en op afschuwelijke wijze afgemaakt; bronnen werden vergiftigd, in één woord al de gruwelen gepleegd, waartoe fanatisme en priesterdwang een domme, onbeschaafde doch hartstochtelijk aan zijn vorstenhuis en zijn land gehechte natie kunnen opzweepen.

De cathechismus, welke aan iederen oprechten Spanjaard in die dagen onderwezen werd, teekent den toestand.

Wat zijt ge, mijn kind?—Spanjaard bij de genade Gods.—Wie is de vijand van ons geluk?—De keizer der Franschen.—Hoeveel naturen zijn er?—Twee; de menschelijke en de duivelsche.—Hoeveel keizers der Franschen zijn er?—Één echte in drie gedaanten.—Hoe heeten deze?—Napoleon, Murat en Godoy.—Wie is de slechtste?—Ze zijn alle drie even slecht.—Van wie stamt Napoleon af?—Van de zonde.—Murat?—Van Napoleon.—En Godoy?—Van beiden.—Wat is het karakter van den eerste?—Hoogmoed en heerschzucht.—Van den tweede?—Roofzucht en wreedheid.—En van den derde?—Hebzucht, verraad en onwetendheid.—Wat zijn de Franschen?—Voormalige christenen, ketters geworden.—Is het dooden van een Franschman zonde?—Neen, padre; als men één dier honden doodt, verwerft men den hemel.—Welke straf verdient een Spanjaard, die te kort schiet in zijn plicht?—Den dood en de eerloosheid des verraders.—Wie zal ons bevrijden van onze vijanden?—Ons onderling vertrouwen en de wapenen.

Terwijl zijn onderbevelhebbers streden op zijn flanken, en Saragossa werd ingesloten, wendde Napoleon zich naar het westen, naar Valladolid om het Engelsche leger, dat uit Portugal, onder generaal Moore namelijk, naar Madrid op marsch was, aan te grijpen.

De Sierra de Guaderama moest hierbij gepasseerd; het vroor, dat het kraakte; de wegen waren spiegelglad; vooral de cavalerie kon bijna niet [274]vooruitkomen. In ’t gebergte werden de troepen bovendien overvallen door een sneeuwstorm, die menschen en paarden half blind maakte. Maar de Engelschen, bevreesd te worden afgesneden, waren thans in vollen aftocht naar de haven van La Corunna; hen wilde Napoleon volstrekt inhalen. Hoewel het reeds liep tegen Januari, de dagen kort, en de wegen zeer slecht waren, maakten de soldaten dagelijks nog marschen van tien uren en meer, waarbij de infanterie, want alle bruggen waren door de Engelschen afgebroken, zich vaak vier of vijf keer per dag naakt moest uitkleeden, om met de uniform en de wapens boven het hoofd door het ijskoude water der gezwollen beken te waden.

Op die wijze werd op oudejaarsavond van het jaar 1808 Astorga, in Leon, bereikt, maar in welk een toestand! Alleen de spits der regimenten en een paar honderd ruiters hadden Napoleon tot zoover kunnen volgen. De rest lag langs den weg, uitgeput, doodaf. Drie grenadiers der garde hadden onderweg zelfmoord gepleegd, omdat zij niet verder kònden en niet in ’s vijands handen wilden vallen.

Te Astorga nam de Keizer eensklaps afscheid van zijn getrouwen; onrustbarende berichten over Oostenrijks voortgezette wapening maakten zijn tegenwoordigheid te Parijs noodig; doch eerst verrichtte hij nog een daad van barmhartigheid tegenover ruim duizend Engelsche vrouwen en kinderen, die generaal Moore bij zijn overhaasten aftocht in een schuur buiten de stad met niets dan droge gerst tot voedsel, had achtergelaten. Hij liet ze in de stad onder dak brengen en van voedsel voorzien en deed Moore door een parlementair verwittigen, dat deze huisgezinnen zijner soldaten hem, zoodra het weder dit toeliet, zouden worden teruggegeven. Tevens gaf hij Soult last de vervolging voort te zetten en keerde met zijn garde terug naar Valladolid.

In de bergen van Leon haalde Soult de Engelschen in, dwong hun achterhoede tot wijken en bracht Moore, die door zwaar stormweder belet werd zich in te schepen, bij La Corunna ten slotte een geduchte nederlaag toe, waarbij deze generaal zelf het leven liet.

Terwijl de Engelschen aan de noordwestkust van het schiereiland dus een les ontvingen, die hun lang zou heugen, voldeed Lannes aan den last, hem te Astorga gegeven, om het bevel over de troepen vóór Saragossa op zich te nemen.—Versterkt door het overschot der troepen van Castanos, die bij Tudela de nederlaag hadden geleden, had de geheele krijgszuchtige bevolking van Arragon, in ’t geheel circa 80.000 man, zich binnen de muren dezer goed versterkte stad opgesloten met het vaste voornemen zich te verdedigen tot het uiterste.—Vooral de boeren waren verwoed. Met hun vrouwen, hun kinderen en hun vee stadwaarts getogen, hadden zij in een der stadswijken een huis of onderkomen gekregen onder voorwaarde zich in geen geval over te geven. Hier leefde dat volk in een poel van drek en vuil met [275]het vee samen als beesten in één hok. In deze wijken brak weldra een epidemie uit, waarbij de lijken der gestorvenen onbegraven in de straten en stegen bleven liggen.

Een stad met een bevolking, die in haar fatalisme nog veel van de Arabieren had overgehouden, was met storm niet te nemen. Zoodra de buitenste versterkingen gevallen waren, moesten de huizen dus voet voor voet door mijnen en buskruit worden opgeruimd. Toch verlieten de bewoners ze niet. Terwijl de bijlslagen der sappeurs buiten weergalmden, kon men hen binnen litaniën hooren zingen. Vloog ten slotte een huis in de lucht, dan schaarden de niet gevallen bewoners zich op de puinhoopen om die weder te verdedigen en uit hun met allerlei ontuig geladen donderbussen op de aanvallers te vuren.

Middelerwijl gierden dagelijks honderden granaten over de hoofden der verdedigers.

Vooral de kloosters met hun geweldig dikke muren leverden een ernstig beletsel op; die waren niet te ondermijnen. Men paste dit middel dus alleen toe op een deel van den buitenmuur en maakte hierin een bres; dan moest een gereedstaande stormcolonne de rest doen.

Toch hield de bevolking vol. Geen honger, geen ziekte, geen ijzer of vuur was bij machte die door de monniken met het kruisbeeld in de vuist aangevuurde mannen en vrouwen te bewegen tot de overgave. De edelmoedigheid van Lannes behaalde ten slotte de zege.—Den 20en Maart werd een nonnenklooster genomen; in de kerk werden niet alleen de “zusters” maar meer dan driehonderd vrouwen van allerlei rang en stand gevonden. Half verhongerd, door uitputting den dood nabij, reeds dagen lang van alle zijden ingesloten, hadden zij geen voedsel kunnen machtig worden.

Voor Lannes geleid, zorgde deze terstond, dat de marketentsters haar voor zijn rekening van al het noodige voorzagen; ten slotte liet hij haar zelfs naar de stad terugbrengen. Van de daken, van de torens had de bevolking dit alles met gloeiende blikken gevolgd. Allen stormden thans de vrouwen tegemoet om te vernemen wat er met haar was geschied; en deze—hadden slechts lof voor dien Franschen maarschalk en zijn soldaten. Opgewondenheid en fanatisme verdwenen als met een tooverslag. Dienzelfden avond nog capituleerde Saragossa.

Lannes vertrok toen naar Parijs, waar de Keizer hem had ontboden, vond hem hier niet meer en reisde door naar Augsburg. Soult was intusschen met zijn sterk gedund korps Portugal binnengerukt. Met onverminderde heftigheid duurde de oorlog op het schiereiland voort. [276]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XX.

Naar Weenen.—Essling.—Wagram.

Gewichtige tijdingen waren ’t geweest die den Keizer te Valladolid hadden doen besluiten, alleen door een postillon vergezeld, spoorslags naar Parijs terug te keeren en hier letterlijk als een bom uit de lucht te komen vallen.—In de hoofdstad, in de hofkringen, zelfs onder zijn voornaamste dienaren was een geest van onrust, van onzekerheid en twijfel, bijna van onwil ontstaan. Te Valladolid was Napoleon dit te weten gekomen; het had hem met wrevel en verbittering vervuld. Vooral de heer de Fiévée, een van zijn geheime agenten, had hem in drieste taal van den stand van zaken te Parijs een beeld gegeven, dat een groot fond van waarheid bevatte.

Zijn herhaalde te vroegtijdige oproepingen van conscrits, zijn aanval op de Spaansche Bourbons, dan de geweldige verplaatsingen van troepen uit Duitschland, waar ze nog steeds noodig waren, naar een land als Spanje, waar ze bij wat minder zucht naar veroveringen van zijn zijde onnoodig zouden zijn geweest, in één woord al die maatregelen, welke de kans op vrede steeds kleiner deden worden, hadden tijdens zijn afwezigheid het onderwerp uitgemaakt van veler gesprekken. De geestelijkheid, toch reeds ontevreden over de ruwe manier, waarop hij met den paus had omgesprongen en over zijn maatregelen in zake het onderwijs, was zelfs reeds verder gegaan en had hier en daar van den kansel stellingen verkondigd, die deden denken aan de vroegere dagen van felle geloofsverdrukking. De fondsen, de thermometer van de openbare meening, waren teruggeloopen tot beneden 80.

Zelfs in het Wetgevend Lichaam was ’t niet rustig; de Cambacérès had [277]het dus raadzaam geacht den Keizer voor te stellen de behandeling van het Wetboek van Strafrecht te verschuiven tot een volgend jaar. Deze had hiernaar geen ooren gehad; de toen gevolgde discussiën over het ontwerp van wet hadden meer strijd gewekt dan ooit te voren. Eindelijk hadden Fouché en Talleyrand, elkander na een vijandschap van tien jaar tot verbazing van ’t publiek openlijk de hand van verzoening gereikt en samen nagegaan wat hun te doen stond, wat er van hen worden zou, als de dolk van een Spanjaard of de kogel van een Oostenrijker eensklaps den levensdraad doorsneed van den man, die geen nakomelingen had.—De buitenwereld had dit onderhoud reeds uitgesponnen tot een volledigen roman en zelfs reeds uitgemaakt, dat Murat dan den troon zou bestijgen.

Denkende Napoleon hiermede genoegen te doen, had Fouché zelfs de onbeschaamdheid gehad Joséphine een echtscheiding aan te raden, nu de kans op moeder worden voor haar was verdwenen. En Talleyrand was begonnen alle deelgenootschap aan dien staatsgreep in Spanje van zich af te schuiven en alle medewerking aan den dood van Enghien te ontkennen.

Dit en waarschijnlijk nog veel meer, uit de brieven zijner geheime agenten te Valladolid aan Napoleon bekend geworden, had dezen geprikkeld tot woede. Bij de revue, die hij vóór zijn vertrek over de garde hield, was het zelfs tot een uitbarsting gekomen.

Dat de garde mopperde, omdat hij ze niet terstond medenam naar Frankrijk, had hij gehoord. Te voet een dier mopperaars passeerende, die met gepresenteerd geweer voor hem in ’t gelid stonden, rukte hij den man het wapen uit de handen en trok hem zelf naar zich toe.—“Ongelukkige, ik moest je laten doodschieten! Wat let me of ’t gebeurt nog!”—Toen stiet hij hem weder terug naar zijn plaats.—“En jelui! Ik weet het wel. Jelui wilt terug naar Parijs, naar de pret en de meiden! Maar past op, of ik houd je onder de wapens tot je tachtigste jaar toe.”—Van generaal Legendre, die de capitulatie van Baylen mede had onderteekend, greep hij de hand vast: “Die hand, generaal, die hand! Waarom is ze niet verdord, toen ze dat stuk onderteekende!

Vraagt dus niet hoe het donderde en weerlichtte bij zijn terugkomst te St. Cloud! Tevergeefs trachtte Cambacérès hem tot bedaren te brengen. Fouché ontving schriftelijk een gestrenge berisping, en Talleyrand kreeg het volle gewicht van zijn toorn op ’t lijf in den ministerraad, in het bijzijn van verscheiden grootwaardigheidsbekleeders, toen juist te Parijs aanwezig.—“En die meneer Talleyrand durft beweren, dat hij vreemd is aan den dood van Enghien!—En dat hij vreemd is aan den oorlog in Spanje!—Vreemd aan den dood van Enghien? Ben je dan vergeten, man, dat je mij die zelf schriftelijk hebt aangeraden? Vreemd aan dezen oorlog? Ben je dan vergeten, dat je mij zelf schriftelijk in [278]overweging hebt gegeven de politiek weder te volgen van Lodewijk XIV?” Een regen van hatelijkheden besloot deze begroeting.

Thuis gekomen, was Talleyrand, die onder dezen aanval roerloos tegen een schoorsteenmantel was blijven leunen, zóó geducht ontdaan, dat hij een flauwte kreeg. Dat hij in ongenade was gevallen, bleek hem den volgenden dag nog duidelijker, toen Napoleon hem zijn sleutel van opperkamerheer deed terugvragen en dezen schonk aan den heer de Montesquiou. Toch begaf hij zich een paar dagen later in een schitterend costuum naar een groot hoffeest op de Tuilerieën, maakte voor zijn heer een zeer lange, diepe buiging en werd bijna weder in genade aangenomen.

Zoo waren de fouten, door den Keizer zelf begaan, thans reeds oorzaak van een begin van omkeer in de publieke opinie. Dit werkte nadeelig naar buiten. De vreemdeling maakte hieruit de gevolgtrekking, dat zijn gezag was verzwakt; dat de natie van zijn staatkunde afkeerig was geworden, en dat voor Oostenrijk het oogenblik was aangebroken om hem den oorlog te verklaren.—Engeland zorgde wel, dat deze indruk vooral in Duitschland niet verdween.

Niet Oostenrijks krijgstoerustingen alleen waren dus de onmiddellijke aanleiding geweest tot zijn plotseling vertrek naar de hoofdstad; veel te goed wist hij, dat die nog lang niet voltooid konden wezen; ook was het jaargetijde voor een oorlog nog veel te ongunstig. ’t Zou, rekende hij, wel April worden, voordat de vijandelijkheden begonnen.

Niet tegen den Oostenrijkschen gezant von Metternich,—dezen had hij in Augustus reeds tevergeefs gewaarschuwd; hem behandelde hij zeer beleefd doch koel;—maar tegen de overige diplomaten sprak hij nu zijn meening over den toestand ruiterlijk uit.—“’t Schijnt, dat men te Weenen de lessen der ervaring heeft vergeten,” zeide hij onder anderen. “Ik verlang geen oorlog; ik heb er geen belang bij; geheel Europa kan zien, dat mijn geheele aandacht op Spanje is gevestigd, op het nieuwe slagveld, dat Engeland thans heeft gekozen. Oostenrijk heeft dit land gered, toen ik in 1805 het Kanaal wilde oversteken; thans heeft het Moore gered, dien ik achtervolgde naar la Corunna. Hiervoor zal het boeten. Het ontwapene zich oogenblikkelijk, of het gaat een verdelgingsoorlog tegemoet.”

Romanzoff, de Russische gezant, moest eveneens een opmerking hooren.—“Had uw keizer mijn te Erfurt gegeven raad opgevolgd, dan was het zoover niet gekomen. In plaats van vermaningen hadden wij ernstige bedreigingen moeten doen hooren; dan zou Oostenrijk zich wel hebben ontwapend; maar ginds is veel gepraat en weinig gedaan. Als uw keizer nu een flink leger aan de Boven-Weichsel bijeentrekt om Oostenrijk te doen zien, dat wij het ernstig meenen, komt alles terecht. En ik breng aan den Donau en aan de Po 300.000 Franschen en 100.000 Duitschers bijeen; dan zullen wij zien of die machtsontwikkeling voldoende is.” [279]

Dat zijn optreden in Spanje van dit alles de oorzaak was, vond iedereen, maar ook dat Oostenrijk een groote onvoorzichtigheid beging.

Tot behoud van den vrede ging de Keizer nòg verder. Ook namens Rusland deed hij Oostenrijk den waarborg geven, dat zijn tegenwoordig grondgebied ongeschonden zou blijven. Na het voorgevallene te Bayonne beweerde men daar voor het tegendeel beducht te zijn.

Doch in Oostenrijk, die gestreng katholieke staat, waren door Napoleons optreden tegenover den paus, door het doen bezetten van Rome, het voegen van de Romeinsche provinciën Ancona, Macerata en Fermo bij het koninkrijk Italië en het in één woord ontnemen van alle wereldlijk gezag aan den paus, de gemoederen reeds te zeer tegen hem ingenomen. De vrees, dat weldra ook Oostenrijk aan zijn veroveringszucht ten prooi zou vallen, had het geheele hof, zelfs den anders zoo bezadigden aartshertog Karel aangegrepen. In Tyrol heerschte reeds levendig verzet tegen de Beieren, de nieuwe heeren. De afmarsch der Franschen uit Pruisen, een natuurlijk gevolg van het tractaat van den 8en October 1808, werd te Weenen uitgelegd als een gevolg van de “ontzettende” nederlagen, in Spanje geleden.—Op hun doormarsch naar Maagdenburg waren die troepen zelfs hier en daar met slijk gesmeten.—In geheel Duitschland, zelfs in de Bondsstaten, waar de zoo gehate conscriptie was ingevoerd, was in één woord een geest van onwil en wrevel tegenover Napoleon merkbaar. Al die factoren te zamen, te Weenen door een reusachtig vergrootglas bekeken, hadden hier de overtuiging doen ontstaan, dat het oogenblik der verlossing nabij was; dat Napoleon in Duitschland geen leger meer had, groot genoeg om weerstand te bieden; dat al zijn bondgenooten hem op ’t eerste teeken zouden verlaten en dat Pruisen, waarvan de koning, na ’t verlies van de helft zijner staten, te Koningsbergen troonde, als één man zou opstaan.

Daar werd dus de oorlog voorbereid.—Alleen aartshertog Karel bood nog tegenstand. Hij zou het opperbevel voeren, en hij had Napoleon op het slagveld leeren kennen. Zelf een veldheer, wiens persoonlijke dapperheid boven alle verdenking was verheven, begreep hij, dat ’t lot van zijn vaderland op ’t spel stond; over de smalende schreeuwers, die thuis bleven, haalde hij dus minachtend de schouders op.

In de laatste dagen van Maart 1809 kwamen in Bohemen vijf, in Boven-Oostenrijk en in Carinthië ieder twee legerkorpsen gereed; in Galicië was een korps op marsch om prins Poniatowsky, die aan ’t hoofd zijner Polen Napoleon had trouw gezworen, bij Warschau aan te grijpen. Zelfs keizer Alexanders rondborstige verklaring aan den Oostenrijkschen gezant prins von Schwartzenberg, dat zijn belangen samengingen met die van Frankrijk, was niet meer bij machte den drang naar oorlog te weerstaan.

Zooals dit bij den Oostenrijkschen generalen staf reeds meer was [280]vertoond, ontstond ook nu weder verschil over het veldtochtsplan, en aartshertog Karel miste de energie om hierin te beslissen.—Eindelijk werd het eerste plan n.l. om uit Bohemen over Bayreuth en Würtzburg rechtstreeks naar Maintz te rukken, als te stout en te gevaarlijk opgegeven. Zes korpsen zouden nu over de grensrivier de Inn, Beieren binnen vallen. Geweldige troepenverplaatsingen werden door deze wijziging noodzakelijk.

Den 10en April werd de Inn overschreden, zonder rechtstreeksche oorlogsverklaring. Waar de Franschen stonden, wist men nog niet precies; hun troepen waren gezien bij Ulm, bij Augsburg en vooral bij Regensburg. Hier zou Davoust staan.—Die zwakke, zoo ver van elkander verwijderde afdeelingen te verslaan en dan door Zwaben te rukken naar Wurtemberg, dat zou de eerste zet wezen op het militaire schaakbord.—Maar, al boden de Beieren aan de grenzen bijna geen weerstand, toch ging het slechts langzaam voorwaarts. De wegen waren slecht; de medegevoerde treinen reusachtig; en de Oostenrijksche soldaten, toegerust met een goede maag, die graag was gevuld, waren nu eenmaal geen soldaten van Napoleon, die, al waren ze jong, met een marsch van twaalf uur door ’t slijk en een maag, zoo hol als een ledig vat, nog vochten als duivels een ganschen dag lang.—Zoo snel als voor het doel noodig was geweest, werd de Isar dus niet bereikt. Eerst den 16en kwam aartshertog Karel bij Landshut.—Nu moest hij op den Donau aan, naar Regensburg, midden door een chaos van bosschen, riviertjes, moerassen en heuvels. In twee hoofdgroepen ging hij op weg. Van den vijand, vooral van diens linkervleugel, was nog altoos weinig bekend. De aartshertog wist alleen, dat een groot korps stond bij Augsburg en een ander bij Regensburg; doch waar de hoofdmacht bleef en wat ze deed was een geheim.

Den 17en kwam Napoleon te Landshut, overzag den toestand, herstelde een grove fout van Berthier, die tijdelijk het commando had gevoerd en de legers niet samengetrokken had en werd toen van verdediger, aanvaller. Hij sloeg aartshertog Ludwig, die den Oostenrijkschen linkervleugel aanvoerde, drie dagen later bij Abensberg met zware verliezen terug naar de Inn, ijlde daarop Davoust te hulp, die het reeds even zooveel dagen bij Tengen zwaar had te verantwoorden gehad. Den 22en viel hij aartshertog Karel bij Eckmühl op ’t lijf, drong hem bij Regensburg tegen den Donau aan en werd alleen door uitputting zijner cavalerie belet zijn tegenpartij te vervolgen.

Toen Napoleon den 23en tot vervolging wilde overgaan vond hij Regensburg bezet en kon Lannes na een langdurig en bloedig gevecht, waarbij deze als een gewoon grenadier aan de bestorming deelnam, zich pas van de stad en de brug meester maken.

Bij deze gelegenheid kreeg Napoleon zelf aan den rechterenkel een schampschot.—“Ik heb ’t beet,” zeide hij doodbedaard, gunde zich ternauwernood [281]den tijd om zich te laten verbinden, maar zat terstond weder te paard om zich aan zijn juichende troepen te vertoonen. Dienzelfden avond trok hij het zwaar gehavende Regensburg binnen.

Het eerste bedrijf van den veldtocht was afgespeeld. In vijf dagen was het gros van het Oostenrijksche leger uit elkander geslagen, en aartshertog Karel naar Bohemen teruggeworpen. Ook op aartshertog Ludwig was de overwinning behaald; de weg naar Weenen stond open.

Reusachtig was de werkkracht van den Keizer geweest; zich nauwelijks den tijd gunnende iets te eten of een paar uur te slapen op een stoel, steeds tegenwoordig op de gewichtigste punten, geen oogenblik uit de kleeren, had hij wederom het bewijs geleverd hoe een ijzeren wil de stof kan beheerschen. “De arbeid is mijn element; voor den arbeid ben ik geschapen,” zeide hij van zich zelf. “De grenzen van mijn beenen en van mijn oogen heb ik leeren kennen, die van mijn werkkracht nooit.”—“De Keizer is welvarend en verdraagt als naar gewoonte den geestesarbeid en de lichamelijke vermoeienissen,” schreef Berthier aan Eugène.

“Had ik vervolgd, zooals de Pruisen mij dit deden na Waterloo, dan zou de vijandelijke armee, tegen den Donau gedrongen, in de grootste verlegenheid zijn geraakt,” zei hij later.

Nu hij dit had nagelaten, zou hij aartshertog Karel weldra opnieuw tegenover zich vinden.

Bij Regensburg regende het letterlijk belooningen aan hoog en aan laag. Gewone grenadiers ontvingen het Legioen van Eer met een dotatie van duizend francs en meer; de dappere Davoust, in 1807 reeds benoemd tot hertog van Auerstadt, werd prins van Eckmühl.

Met de snelle, geen bezwaren kennende marschwijze der Fransche infanterie uit die dagen, gaat Napoleon nu over Landshut rechtstreeks op Weenen aan.

Den 13en Mei, juist een maand, nadat Napoleon den veldtocht heeft geopend, capituleerde Weenen na een heftige beschieting van zes en dertig uur. Pogingen om te onderhandelen waren mislukt.

Door den majoor Marbot, die het gewaagd had met een lichte sloep bij nacht de breede, daar zeer gevaarlijke rivier over te steken om gevangenen te maken, had de Keizer reeds in ’t klooster van Mölk bericht ontvangen, dat Hiller boven Weenen op den linkeroever stond en dat aartshertog Karel uit Bohemen in opmarsch was. Hoe kon hij dien linkeroever zoo spoedig doenlijk eveneens bereiken was nu de vraag, want de tijd drong. Dagelijks ontving het Oostenrijksche leger versterking van militie uit Bohemen en Hongarije. In Tyrol was de bevolking, trouw aan het huis van Habsburg, in vollen opstand; onder de aanvoering van den herbergier Andreas Hofer, een energieke heldenfiguur, had ze het gehate Beieren den oorlog aangedaan. Te Berlijn had [282]de Pruisische majoor Schill aan het hoofd van al zijn cavalerie op klaarlichten dag de gehoorzaamheid aan den koning opgezegd en een partijgangerskorps gevormd. Om den dood zijns vaders en het verlies van zijn land te wreken, was ook de hertog van Brunswijk-Oels door een klein Oostenrijksch hulpkorps gesteund, in Saksen bezig den opstand te prediken. Alleen de schrik, dien Napoleons naam nog inboezemde, was oorzaak, dat de bevolking hem nog niet ondersteunde.

Dit alles teekende gevaar; en de weg van Parijs naar Weenen was lang. Wel deed Napoleon bij Passau, bij Lintz en op de verdere voorname overgangen over den Donau evenals langs de Enns, de Traun en de Inn, dus overal in zijn rug en flanken kleine en groote versterkingswerken aanleggen, hospitalen en depotplaatsen vestigen voor ’t geval de oorlogskans keerde, maar zijn toestand bleef ernstig.

Eén lichtpunt was er. De zegepraal bij Regensburg had in Italië, waar Eugène commandeerde, een grooten ommekeer in den toestand daar ten gevolge gehad. Aanvankelijk door aartshertog Johann teruggeslagen, had de onderkoning de kans zien keeren, zoodra generaal Macdonald, die door zijn vroegere verhouding tot Moreau een tijdlang was achteruitgesteld, als onderbevelhebber naast hem was geplaatst, en toen aartshertog Johann, door Napoleons oprukken naar Weenen, gedwongen was zijn positie achter de Piave los te laten.

Macdonalds oorlogservaring en krijgsmansgeest hadden aan Eugène het vertrouwen teruggegeven; bij diens ontmoedigde troepen was het bewustzijn wedergekeerd, dat zij, mits goed geleid en aangevoerd, nog altoos iedere legermacht in Europa konden weerstaan.

In een reeks van gevechten, waarvan dat op den 8en Mei aan de Piave beslissend was, drongen Eugène en Macdonald steeds verder naar Carinthië en Stiermarken. Het gevecht bij Raab in Hongarije, den 14en Juni, bekroonde dezen veldtocht. Eugène vereenigde zijn leger met dat van zijn stiefvader.

In al die weken van spanning en gevaar had deze hem steeds vriendelijk en bemoedigend als een vader raad gegeven en voorgelicht.—Die ijzeren man met zijn hard, gestreng en strak gelaat, was innig aan hem gehecht; al zijn daden en zijn brieven bewijzen dit. Als de troepen van Napoleon en Eugène elkaar ontmoeten zegt de Keizer: “’t Is niet alleen Eugène’s moed, die hem hierheen voert, ook zijn hart.”

Eugène had dus succes gehad, doch ginds voor Napoleon lag nog altijd de Donau. Op den noordelijken oever verzamelden zich de Oostenrijkers aan den Bisamberg, een uur boven Weenen; om hen te bereiken moesten overgangen gemaakt, doch het benoodigde voor bruggenbouw als ankers, kettingen en vaartuigen ontbrak. Toch moest de rivier gepasseerd worden.

Gebruik makende van drie eilanden, die circa twee uur beneden de stad [283]den vloed in vieren splitsten en van welke Lobau het grootste was, gelukte het eindelijk tegenover Ebersdorf drie pontonbruggen te doen slaan; kisten met kogels en oude vuurmonden deden hierbij dienst als ankers. In den nacht van den 20/21 Mei werd de overtocht begonnen, den 21en onverpoosd voortgezet, en het dorp Essling evenals Groot-Aspern terstond versterkt.

Al dien tijd had de vijand zich rustig gehouden, en zich zelfs niet vertoond. In den krijgsraad was namelijk besloten eerst een deel van het Fransche leger ongehinderd op den linkeroever te laten overgaan, de zwakke bruggen, die door den sterken stroom en het snel wassende water toch reeds veel hadden te lijden, dan door drijvende boomstammen en andere zware voorwerpen te vernielen en de aldus van hun terugtochtsweg afgesneden korpsen ten slotte te vernietigen.

Den 21en komt aartshertog Karel tegen vier uur in den middag werkelijk uit het noordwesten opdagen; maar slaagt er niet in Massena uit Aspern of Lannes uit Essling te verdrijven. De nacht maakt een einde aan den strijd. De troepen bivakkeeren in hun stellingen.—In den loop van den nacht komen de oude garde en een divisie kurassiers de macht van Massena versterken.

Nu keert Napoleon de rollen om en grijpt zelf aan. Reeds overschrijdt Davoust de zuidelijke brug en heeft de Keizer bevel gegeven tot het aangrijpen van ’s vijands centrum, reeds wordt hieraan voldaan en doet heftig artillerievuur dit centrum wijken als aan die zegepralende beweging eensklaps een einde komt. Een groote drijvende molen is door een troep jagers in brand gestoken en door den fellen stroom medegesleurd met volle kracht tegen de hoofdbrug geslingerd en heeft deze middendoor gebroken.

Uit is het in eens met den aanvoer van munitie en van reserves van den rechteroever! Bij Essling wordt Napoleons toestand allergevaarlijkst. De munitie raakt uitgeput. Terstond geeft hij bevelen de vervolging te staken; het vuur verflauwt. Nu komen de Oostenrijkers weer opzetten. Lannes wordt doodelijk gewond; de Keizer zelf begeeft zich in ’t heetste van het gevecht; zijn paard wordt onder hem doodgeschoten. Doch Massena, die Aspern niet loslaat en alle aanvallen hierop afslaat, redt de eer van den dag, want aan hem is het te danken, dat de garde, de cavalerie en de overige troepen, door de invallende duisternis beschermd, de brug weder kunnen passeeren, die den linkeroever van den Donau met het eiland Lobau verbindt.

Dan gaat ook Massena terug en de brug wordt vernield, maar niet voordat al de gekwetsten, de vuurmonden, in één woord elk bruikbaar wapen van het slagveld is weggevoerd.

Doch de zege is verloren gegaan. De elementen hebben gezegevierd over het beleid van den veldheer.

De eerste uren van den nacht is deze met een deel van zijn leger, [284]zonder vivres, bijna zonder geneeskundige hulp op het hier en daar zeer lage moerassige Lobau opgesloten.

Maar dan is Davoust van den rechteroever ook reeds met hulp bij de hand. Sloepen, schuiten, aken, alles heeft hij bijeengebracht tot transport. Op Lobau blijft alleen Massena achter met zijn korps van circa 30.000 man. De rest der armee komt weder op den rechter-Donauoever.

Veel had Napoleon dien dag te danken gehad aan den buitengewonen moed en het beleid van generaal Mouton. Hij benoemde hem tot graaf van Lobau.

Bijna vijf en veertig dagen verloopen nu, voordat hij alle maatregelen heeft getroffen, om aartshertog Karel den slag te kunnen toebrengen, die Oostenrijk aan zijn genade zal overleveren.—Een zware, breede paalbrug, bovenstrooms door een staketsel gedekt, wordt over den hoofdarm der rivier geslagen; dwars door Lobau worden naar de overgangen wegen aangelegd; in de verschillende zijkanalen wordt een massa materieel bijeengebracht om binnen enkele uren zes, zeven bruggen tegelijk te kunnen slaan over den nauwsten arm tusschen het eiland en den linkeroever; alle troepen uit den omtrek ook die van Eugène en van Marmont, die uit Dalmatië is gekomen, worden bij Ebersdorf bijeengetrokken, terwijl langs den noordelijken rand van Lobau batterijen worden opgeworpen, met zwaar geschut uit Weenens goedgevulde arsenalen bewapend.—Zoo nadert de 4e Juli.

Na een schijnaanval ergens tusschen Aspern en Essling, ondernomen om zeker te zijn, dat de tegenpartij zich niet naar Presburg verplaatst doch zijn stellingen op het Marchfeld nog altoos bezet had, deed Napoleon in den nacht van den 5en Juli onder een heftig kanonvuur en onder een ontzettend onweder met regen en wind langs verscheiden bruggen tegelijk, tegenover Mühlleiten den overtocht beginnen.

Al die weken had het Oostenrijksche leger, den linkeroever der rivier met zijn voorposten in een grooten boog omspannende, in een huttenkamp tusschen Wagram en Neusiedel, met de modderige Rüssbach voor zich, hoofdzakelijk met exerceeren doorgebracht. Hoewel het in die streken wemelde van paarden was de cavalerie niet aangevuld; bij de Rüssbach waren geen veldwerken opgeworpen, zelfs voor de levensbehoeften der troepen was onvoldoende gezorgd; drinkwater alsmede fourage voor de paarden ontbraken meer dan eens. Geen enkel korps, dat steun had kunnen verleenen, was uit Bohemen of van den Donauoever naar Wagram in beweging gesteld; alleen ontving aartshertog Johann den 5en te Presburg last den linkervleugel der stelling bij Wagram te komen versterken.—Hij kwam echter te laat en bereikte den 6en het slagveld eerst, toen hier alles reeds was afgeloopen. Een slecht gegeven order was nòg slechter uitgevoerd.

Toen aartshertog Karel met den keizer naast zich Napoleon, die bij den rivierovergang weinig tegenstand had ondervonden, in den morgen van [285]den 5en Juli bezig zag zijn macht tusschen Enzendorf en Glinzendorf te ontwikkelen, kwam hij tot de ontdekking, dat hij door Napoleon was misleid. Niet tusschen Aspern en Essling, waar hij hem verwacht had, was Napoleon den Donau gepasseerd; het gevolg hiervan was dat de aartshertog geen 200.000 doch slechts 150.000 man tot zijn beschikking had; hij was dus ongeveer even sterk als zijn tegenpartij.

Zijn korpsen opgesteld in een haakvorm, met Wagram als centrum, den linkervleugel bij Neusiedel, den rechter- zich in de vlakte uitbreidende over Gerardsdorf naar Stamersdorf, met Aspern en Essling zwak bezet, nam de aartshertog een zeer gunstige positie in, n.l. op het hooge terrein en de heuvels. Van hier kon hij de ontwikkeling van Napoleons leger in de vlakte op het met hoog, rijp graan bedekte Marchfeld vrij goed overzien. Zijn beide vleugels had hij sterk, zijn centrum zwak bezit, dit werd hoofdzakelijk gevormd door cavalerie.

Tegenover deze haakvormige frontlijn rukte de Fransche armee nu op, de richting nemende naar Wagram, de rechtervleugel onder Davoust en Oudinot op Neusiedel aan, de linker- onder Massena over Essling, Aspern en Breitenlee met Süssenbrunn als eerste doel. Het centrum dat over Raschdorf naar Aderklaa werd gedirigeerd, bestond uit de troepen van Marmont, het leger van Italië onder Eugène, Bernadotte met de Saksers, de Beieren, de garde en de zware cavalerie en was dus zéér sterk.

Door zijn stafofficieren onvoldoende ingelicht, op die reusachtige vlakte niet in staat zulk een geweldige troepenmacht persoonlijk te leiden, alleen wetende, dat van aartshertog Johann nog geen spoor was te ontdekken, meende de Keizer het centrum der tegenpartij reeds dien dag door een krachtigen aanval op Wagram te kunnen doorbreken, om de beide vleugels daarna afzonderlijk te verslaan. Dan mocht Johann komen!

Om 7 uur in den avond waren hiertoe de bevelen gegeven, doch de aanval van Bernadotte op Wagram was slap; een paar colonnes van Eugène kwamen terecht in het Oostenrijksche huttenkamp op de hoogten van Baumersdorf en kregen hier, door een vergissing, ontstaan door de overeenkomst in uniform met die van den vijand, in ’t schemerdonker vuur in den rug van Macdonalds infanterie. Twee Saksische bataljons gaven zich over; er ontstond een paniek; slechts met moeite gelukte het aan de lichte cavalerie de vluchtende drommen tot staan te brengen.

Hoewel Davoust de Rüssbach reeds was gepasseerd en Neusiedel had genomen, deed de Keizer het gevecht dus afbreken en het bivak opslaan.—Een zeer koud bivak was ’t zonder hout, met een stuk beschuit en een slok brandewijn tot voeding. Zelfs voor Napoleon was geen andere brandstof aanwezig dan eenige bossen stroo.

Nog in den nacht verzamelde hij zijn korpscommandanten. Aan Davoust [286]en aan Massena, die op Lobau een val had gedaan, niet te paard kon zitten, en dus in een licht, open rijtuig zijn troepen commandeerde, gaf hij last om meer aan te sluiten bij het centrum. Daarop sliep hij een paar uur, en steeg toen weder in den zadel.

’t Is vijf uur in den morgen van den 6en Juli. Reeds zijn de Oostenrijksche vleugelkorpsen op marsch.—Bij Glinzendorf eerst wordt Davoust teruggeworpen, doch weldra kan hij weder over de Rüssbach vooruit en dringt hij zijn tegenpartij steeds verder naar Neusiedel terug; terwijl op den rechtervleugel de cavalerie de stelling des vijands reeds begint te omvatten, wordt Massena op zijn marsch naar het centrum bij Aderklaa door drie korpsen tegelijk in front en linkerflank aangegrepen. Om 10 uur is deze vleugel in weerwil van Bernadotte’s ondersteuning omvat, half vernietigd en in vollen aftocht. Over de geheele linie, van Aspern tot Wagram zegevieren de Oostenrijkers.

Daar verschijnt Napoleon! Hij komt van Eugène; ook hem heeft hij Wagram aangewezen als den sleutel der stelling. Hij ziet dat Bessières met de garde-cavalerie en Nansouty tevergeefs trachten den aanval der Oostenrijkers te stuiten, dat Massena terug moet naar Aspern en de bruggen!

Maar dan dreunt de grond en davert de lucht opeens onder den galop-slag van honderden paarden en het rollen van honderden voertuigen. ’t Is de gansche garde-artillerie, zestig vuurmonden sterk, door nog veertig andere gevolgd. Vóór die linie uit galoppeert Drouot, de commandant. Ginds blijft hij staan en wenkt met den degen. Daar is de vuurlijn.—“In batterij!” schettert de trompet.—Keert! vliegen de stukken. De artilleristen van ’t paard. Even gericht.—Vuur!—Een hagel van granaten en kartetsen slaat in de dichte drommen der aanvallers; deze beginnen te wankelen. Nu infanterie vóór! Hier moet de bajonet de beslissing geven.—Nog in zijn uniform van generaal der republiek, zijn korps geschaard in linie, een sterke gesloten colonne op iederen vleugel, de 24 escadrons van Nansouty op de achterflank van dit reuzencarré, gaat Macdonald er op in.—Drommen kurassiers vallen hem aan; geweervuur wijst ze af. Zoo gaat het in één adem door naar Süssenbrunn. Garde-bataljons er achter tot steun.

Tegen zulk een geweldigen voor niets wijkenden aanval zijn de Oostenrijkers niet bestand; ze deinzen af. Dan zingen de zware batterijen van ’t eiland Lobau eensklaps de baspartij bij het daverend Vive l’Empereur! waarmede Macdonalds Italiaansche regimenten stormloopen.

Vol belangstelling volgt Napoleon diens aanval met de oogen.

Wat een dappere kerel!” hoort zijn omgeving hem zeggen. Opeens ziet hij den rook der vuurmonden van Davoust nu ook opstijgen ten westen van Neusiedels hoogen, plompen toren. Davoust, zijn trouwe Davoust, heeft ’t pleit dus ook daar beslist en gaat op Wagram af! Dan is de slag gewonnen.

Aspern Wagram.

Aspern Wagram.

[288]

Naar alle richtingen rennen de adjudanten.—Voorwaarts! Er op in met al wat nog adem en beenen heeft, is het parool over de gansche slaglinie. Zelfs Massena’s weder verzamelde bataljons dringen mede naar voren. Om vier uur is het leger van den aartshertog geslagen en in vollen aftocht naar Bohemen en Moravië, doch niet vernietigd, niet geheel opgelost. Zelfs had het nog voldoenden samenhang om de volgende dagen bij Hollabrunn en bij Znaim weerstand te bieden.

Hier kwam den 11en de prins van Lichtenstein Napoleon, namens keizer Frans, niettemin een wapenstilstand verzoeken.

Napoleon nam dezen aan.—“Er is genoeg bloed vergoten. Wij sluiten vrede,” zeide hij en keerde terug naar Schönbrunn, vestigde hier met de oude garde om zich heen weder zijn hoofdkwartier, tot de vrede zou zijn gesloten, maar verzuimde intusschen niets om zijn positie letterlijk onneembaar te maken, voor ’t geval de oorlog toch mocht worden voortgezet.

Weder vielen een reeks van belooningen zijn getrouwen ten deel. Berthier werd prins van Wagram, Massena prins van Essling. Oudinot, Marmont en Macdonald werden bevorderd tot maarschalk; de laatste weldra bovendien tot hertog van Tarente. Spotters zeiden, dat Napoleon “zijn goudstuk,” den edelen Lannes, die aan zijn wonden was overleden, had ingewisseld voor “klein geld.” Zeker is ’t, dat de laatstbenoemden in kennis en talent bij dien schranderen, bekwamen opperofficier ver achter stonden en hierdoor later niet weinig tot ’s Keizers val hebben bijgedragen.

De dood van Lannes was een groote slag voor Napoleon, die op zeer vriendschappelijken voet met hem omging. Als hij hoort, dat Lannes gewond is, bezoekt hij met Berthier zijn maarschalk trots alle bezigheden èn ’s morgens èn ’s avonds; zoodra hij zijn dood verneemt vertoeft hij meer dan een uur bij het lijk van zijn krijgsmakker, zich niet storende aan de ondragelijke lucht, die er heerscht. “Quelle perte pour la France et pour moi,” hoort men hem zeggen en van uit Ebersdorf had hij den 31en Mei aan Joséphine geschreven: ... “La perte du duc de Montebello qui est mort frappé ce matin, m’ a fort affligé. Ainsi tout finit!.... si tu peux contribuer à consoler la pauvre maréchale, fais le.

Nog op ’t slagveld had Napoleon aan Bernadotte het commando over de Saksers ontnomen. Hij had diens houding bij Auerstadt, later ook bij Eylau niet vergeten. In weerwil van zijn grooten persoonlijken moed, had de maarschalk het wederom slecht gemaakt en zelfs ’s Keizers bevelen voor den rivierovergang openlijk durven laken; ook had hij tot groote woede van den Keizer in een proclamatie de eer van Wagram aan hem en zijn Saksers toegeschreven!

De slag bij Wagram.

De slag bij Wagram.

Behalve Lannes had Napoleon ook den onverschrokken cavalerie-generaal Lasalle verloren. Een prachtstuk van een officier die evenals Junot, Duroc en Rapp, een van de weinigen was, die Napoleon ongestraft iets mochten [289]zeggen. Een bewijs uit vele.—Hij zou gaan trouwen; de Keizer schonk hem 200.000 francs en vroeg een week of wat later, wanneer er bruiloft zou wezen. Bruiloft, Sire? Zoodra ik geld genoeg heb om een uitzet en meubels te koopen.—En die 200.000 francs dan?—Met de eene helft heb ik mijn schulden betaald; de andere heb ik verdobbeld.—De Keizer begon te glimlachen, trok hem eens flink aan zijn lange knevels en gaf Duroc last hem datzelfde bedrag nogmaals ter hand te stellen.

Ook na Wagram had hij den vijand niet terstond tot het uiterste doen vervolgen om hem totaal te vernietigen.—Er was reden voor. Zijn troepen waren na den tweedaagschen strijd doodaf; de verliezen waren groot, de hitte ontzettend; aartshertog Johann kon ieder oogenblik opdagen, en het leger van Wagram was niet meer dat van Jena.—De paniek in den avond van den 5en en een tweede in den namiddag van den 6en, toen de slag reeds was gewonnen, hadden dit bewezen. Toen was bij Neusiedel alles eensklaps aan den haal gegaan op het losse gerucht, dat aartshertog Johann uit het noorden naderde. Met zulke troepen, bovendien van verschillenden landaard, voor ’t meerendeel conscrits en zeer jonge mannen, moest men voorzichtig zijn. De beestachtige dronkemans tooneelen na ’t gevecht in de veroverde dorpen, waar wijn was in overvloed, zullen den veldheer, al zweeg hij, tevens wel tot nadenken hebben gestemd.

Terwijl op Lobau alles nog voor den rivierovergang werd voorbereid, had Napoleon den 1en Juni den paus volgens het decreet van 17 Mei t. v. de rest van zijn wereldlijk gezag ontnomen. “Die comedie daar moet nu maar uit zijn,” had hij gezegd, en generaal Miollis, militair gouverneur van Rome, had deze order stipt uitgevoerd.—Van den man van het Concordaat was deze handelwijze bevreemdend; onverwacht kwam ze echter niet. Voor een groot deel had Pius VII ze aan zichzelf te wijten of, liever gezegd, aan de drieste kuiperijen van zijn omgeving, met name van zijn secretaris, kardinaal Pacca.

Al jaren was de verhouding met den paus minder goed geweest; reeds de weigering van den Heiligen Stoel om het huwelijk van Jérome met Miss Patterson ongeldig te verklaren had de goede verhouding tusschen paus en Keizer verstoord; erger werd het nog toen Napoleon tijdens den oorlog in 1805 Ancona bezette onder voorwendsel van voorzichtigheid, daar deze plaats in de nabijheid van Corfoe lag, dat door de Engelschen bezet was. Vertoogen van de zijde van den paus baatten niet veel en de gevoerde correspondentie tusschen hen toonde duidelijk de bitterheid van Napoleon over het verzet van den kerkvorst, die er niet over dacht, zooals Napoleon wenschte, den Kerkelijken Staat te sluiten voor de vijanden van Frankrijk.

“Uw heiligheid is souverein van Rome, maar ik ben er Keizer van” schrijft Napoleon aan den paus in 1806 en deze antwoordt in een zijner [290]brieven: “Gij zijt ontzaggelijk groot, maar gij zijt gekozen, gezalfd, gekroond tot Keizer der Franschen en niet van Rome. Er bestaat geen Keizer van Rome... Wel is er een Romeinsch Keizer, maar dit is een titel alleen, door geheel Europa en door Uwe Majesteit zelf erkend in den Keizer van Duitschland. Aan twee souvereinen kan deze titel niet behooren en bovendien doet deze eeretitel in niets te kort aan de werkelijke onafhankelijkheid van den Heiligen Stoel.”

Men zal erkennen, dat dergelijke brieven niet geschikt waren om de verhouding te verbeteren, integendeel de gedachten van Napoleon werden er niet door veranderd, de weerstand van den paus werd niet minder.

Ook in de volgende jaren wordt de strijd steeds heftiger en het resultaat daarvan is ten slotte, dat Napoleon tijdens den oorlog in 1809 bovengenoemd decreet uitgeeft.

Voor het beheer der goederen werd een raad benoemd; de inquisitie, de kloosters en de geestelijke rechtspraak over burgerlijke zaken werden afgeschaft; in één woord werd aan het geheele priesterlijke gezag in publiek-rechterlijke aangelegenheden met één pennestreek een einde gemaakt; al de grondbeginselen van 1789 werden op den Kerkelijken Staat toegepast.

De paus behield zijn paleis te Rome, kreeg een civiele lijst van twee millioen francs en bleef het geestelijke opperhoofd der roomsche kerk. Voor deze geestelijke zending had hij geen wereldlijk gezag noodig, beweerde Napoleon. Hij liet den kerkvorst als geestelijk hoofd dus met zijn kerk, zijn vormen, dogma’s enz. in zijn volle waarde, maar als opvolger van Karel den Groote ontnam hij hem het wereldlijke goed, dat deze indertijd aan den Heiligen Stoel had geschonken.

De paus dacht er niet over zich te onderwerpen aan deze regeling en op de excommunicatie van den Keizer, aangeplakt op de muren van Rome, werd geantwoord met het in bezit nemen van het Quirinaal en de gevangenneming van den paus. Kolonel Radet was er mede belast en op denzelfden dag, dat de Keizer te Wagram overwon, voerde Radet het bevel uit en bracht den paus naar Florence. Elisa Borghèse in haar rustig Toscane volstrekt niet gesteld op de aanwezigheid des pausen aldaar, wist echter bij haar broer te bewerken, dat Savona voorloopig als verblijf aan het kerkhoofd werd aangewezen.

De hardhandige manier, waarop door Napoleon met den ouden man werd omgesprongen, werd niet door de geestelijkheid alleen, doch ook door de roomsche bevolking van Frankrijk scherp afgekeurd. Zelfs ontstond hierdoor tegen hem een geest van wrevel en zwijgenden haat, die koren op den molen der geestelijkheid was en die door deze in stilte werd aangemoedigd.

Op het kasteel van Schönbrunn, waar gravin Walewska hem was komen opzoeken, bracht de Keizer intusschen niet veel zorgelooze dagen door. Na [291]den slag bij Essling, die in Duitschland algemeen als een glansrijke overwinning was voorgesteld, was Andreas Hofer in Tyrol krachtiger dan ooit opgetreden; eerst zijn gevangenneming en zijn executie te Mantua (1810) zouden aan zijn verzet een einde maken.

Wat de Keizer van Spanje hoorde, was ook al niet erg naar zijn zin en de berichten, die hij over de gevechten ontving, vertrouwde hij niet bijzonder, want elke overwinning was nu eenmaal voor Jozef een Austerlitz of een Marengo. Deze waande zich een eerste legeraanvoerder en meende de operaties te kunnen leiden, maar zijn broer liet dat niet aan hem over en belastte Jourdan met de leiding. Door het groot aantal troepen, niet altijd van de beste soort, dat de Keizer verplicht was tot steun van zijn broeder te zenden, kwam de handhaving van Jozef op den troon in Madrid hem op groote offers te staan. Meer dan 300.000 man waren er voor noodig en nog had dit niet het gewenschte resultaat.

En toen Jourdan, die in ongenade bij den Keizer was gevallen, door Soult werd vervangen ging het niet veel beter. Jozef wist wel waaraan de schuld lag, aan den Keizer, die hem niet totaal de vrije hand liet. Mocht hij maar eens alles alleen doen zonder bevelen van den Keizer te ontvangen, dan zou het wel gaan, want Spanje had nog nooit zoo’n uitstekend koning gehad en alle Spanjaarden zouden zich om hem scharen, wanneer zijn broer hem de handen niet bond. Zoo dacht Jozef! en hij ging zelfs zoover, Napoleon te dreigen naar Frankrijk terug te keeren. Aan zijn vrouw, die liever in Frankrijk bleef, schreef hij bittere brieven vol klachten over den toestand.

Het was in één woord een ware anarchie, terwijl het leger in desolaten toestand verkeerde. Napoleon was van plan na terugkeer uit Oostenrijk zelf het commando in Spanje op zich te nemen en Berthier werd belast voorloopig alles in gereedheid te brengen.

En het rijk van den benjamin uit het geslacht Bonaparte?

Voor een uitstekende constitutie voor het nieuwe koninkrijk te Westfalen heeft Napoleon gezorgd, alleen uitgezocht personeel zou den nieuwen vorst omringen en de Keizer had de hoop gekoesterd, dat daar in het midden van Duitschland een staat zou gesticht worden, die door haar uitstekende inrichting een voorbeeld aan de volken zou geven en waardoor de beginselen der revolutie zouden gepropagandeerd worden. Welk een illusie! Jérome, door spotters wel “Koning pret” genoemd, vormt een huis met zeer middelmatige personen, waarvan hem later niet één trouw blijft en zijn hofhouding wordt zoo weelderig ingericht, dat Napoleon hem al spoedig ernstig moet onderhouden over de vele schulden, die gemaakt worden. Wel worden vorstelijke sommen besteed om zijn vrienden te ondersteunen, wel wordt aan broeder Lucien 200.000 francs en aan Miss Patterson een jaarlijksch inkomen van dezelfde som aangeboden, maar schuld aan Napoleon en Frankrijk afdoen, daar denkt hij niet [292]over. Bij het uitbreken van den oorlog met Oostenrijk heeft Napoleon hem belast met het commando over de reserve, dat zal bestaan uit het Westfaalsche contingent troepen uit Maagdenburg en de Hollanders, die zich in Hamburg bevinden, maar niet alleen ontvangt de Keizer niet de minste steun van Jérome, maar ook in en om Westfalen doen zich de gevolgen reeds gevoelen van het slechte bestuur. Een plan van den Kolonel Dörnberg om in den nacht, geholpen door de garde, het paleis binnen te dringen en Jérome op te lichten, heeft wel geen gevolg, maar ’t is teekenend voor den toestand en Catharine vlucht voor alle veiligheid naar Frankfort. En als de majoor Schill met zijn vrijkorps door Noord-Duitschland trekt en zelfs het Westfaalsche koninkrijk betreedt, wordt er door Jérome niets tegen hem ondernomen. Majoor Schill, die Stralsund bij verrassing had genomen vindt daar later den dood onder de sabel van een Hollandschen huzaar van koning Louis.

Toen de hertog van Brunswijk-Oels met zijn benden Westfalen binnen trok, smeekte Jérome Napoleon om hulp, maar zelf deed hij niets.

Hoe begrijpelijk, dat de Keizer te Schönbrunn aan zijn broer het actieve commando ontnam over de troepen, al laat hij voor den vorm het bevel aan Jérome. En deze doet nog of hij er verdriet van heeft!

Alzoo raakt Napoleon vrijwel op voet van oorlog met Jérome, die door zijn wijze van regeeren de schuld is, dat daar in Duitschland een centrum van opstand tegen het keizerrijk wordt gevormd.

In Frankrijk zelf waren de gemoederen door de overdreven voorstellingen eener verovering van Dresden en Bayreuth door Brunswijk-Oels, zoo terneergeslagen, dat de Keizer het noodig vond zoowel Fouché als Clarke, den minister van Oorlog, een “hartelijk” woordje te doen toekomen. “Als een paar onbeduidende strooptochten de heeren nu reeds zoo geducht van streek brengen, hoe zullen ze ’t dan maken, als ’t werkelijk ernst wordt? Dat mannen in mijn dienst zoo weinig karakter toonen en voor zoo belachelijke uitingen van vrees zelf het sein geven, bevalt mij volstrekt niet. Alleen daar, waar ik handelend optreed, kunnen ernstige gebeurtenissen plaats grijpen; en daar ben ik zelf om alles te beheerschen.

Over de aangelegenheden te Rome schreef hij half Juli aan Fouché, dat die gevangenneming van den paus een groote dwaasheid was geweest, maar dat gedane zaken geen keer namen; dat er een oog moest worden gehouden op de brieven van den ouden man, en dat kardinaal Pacca gevangen gezet diende te worden met de kennisgeving, dat de eerste Franschman, die door zijn opruiïngen vermoord werd, hem zelf den kop zou kosten.

Intusschen werkten de diplomaten, die de vredesvoorwaarden zouden vaststellen, zoo langzaam voort en kibbelden zoo kinderachtig met elkander over allerlei kleinigheden, dat de wapenstilstand, die aanvankelijk slechts voor een maand was gesloten, moest worden verlengd.—Een landing, op 29 Juli [293]door de Engelschen met een sterk leger tegen Walcheren ondernomen en hoofdzakelijk ten doel hebbende de havenwerken van Vlissingen, die van Antwerpen zoomede de Fransche vloot op de Schelde te vernielen, was hiervan bij de Oostenrijksche heeren de geheime reden. Men kon nooit weten hoe een stuivertje rolde, dachten zij zeker.

In het rijk van Louis dus een inval! Wel had deze bij den aanvang van den oorlog met Oostenrijk er zijn broer met nadruk op gewezen, dat Holland te veel van troepen ontbloot was, ook had hij te kennen gegeven noch Den Helder, noch Vlissingen tegen een mogelijken aanslag te kunnen bewaken, maar Napoleon geeft van deze landing alleen aan Louis de schuld. De regeering van zijn broer heeft den Keizer al lang geprikkeld en al spoedig na zijn troonsbestijging had de Keizer er spijt van gehad, Holland aan Louis te hebben gegeven. Wat Louis ook tot verdediging aanvoert, het helpt niets, hij blijft van alles de schuld dragen en de Keizer hoopt, dat zijn broer maar spoedig afstand van den troon zal doen. In afwachting daarvan, want hem afzetten wil Napoleon niet, komen de Fransche troepen in ons land en worden hier Fransche bevelhebbers aangewezen. Door de Engelsche expeditie is zijn troon vernietigd, beweert Napoleon en deze gaat niet in op het voorstel van zijn broer om afstand te doen ten behoeve van zijn zoon. Holland dient ingelijfd te worden en de Keizer is misschien wel blij geweest nu een gunstig oogenblik daarvoor te hebben.

Toen die landing half September echter totaal was mislukt, het Engelsche leger door zware koortsen en door het bombardement van Vlissingen ruim 10.000 man aan dooden en gekwetsten had verloren, de expeditie ontmoedigd naar Engeland terugstevende, en de onderhandelingen nu nog niet vorderden, begon hij er zich persoonlijk mede te bemoeien. Zijn leger was weder op sterkte en de macht, in Vlaanderen onder Bernadotte samengebracht, reeds zoo groot, dat hij weder als oppermachtige kon spreken. De ambassadeurs von Bubna en prins von Lichtenstein, die hij zeer beleefd ontving, kregen dus kort en bondig te verstaan, dat hij vrede verlangde. Keizer Jozef kon kiezen: Op redelijke voorwaarden aan de zaak een einde maken of—opnieuw oorlog.—Toen was ’t uit met talmen, en kwam er tusschen Champigny en Bubna meer overeenstemming. Den 14en October teekende hij het voorloopig verdrag. Kanonschoten verkondigden het heuglijke feit aan de bevolking van Weenen; den volgenden dag reeds was hij op weg naar Parijs. Zijn tegenstander had hij zoodoende voor een voldongen feit gesteld; deze zou nu het tractaat wel ratificeeren.

Twee dagen voor zijn vertrek uit Schönbrunn, ter gelegenheid van een schitterende wapenschouwing was Napoleon, juist toen hij uit het paleis wilde komen, bijna het slachtoffer van sluipmoord geworden. Dicht in zijn nabijheid drong zich een jongmensch naar voren, die hem een smeekschrift wilde [294]aanbieden. Hij zag er bleek en tenger uit en wekte den argwaan op van Berthier, die hem liet gevangen nemen. Hij bleek gewapend te zijn met een lang slagersmes, en heette Staps, de zoon van een predikant uit een Thüringsch stadje. Napoleon deed hem voor zich verschijnen.

“Wat wildet ge met dat mes?” vroeg Napoleon hem.

“U dooden,” antwoordde Staps.

“Gij zijt een dwaas of een illuminaat!” sprak de Keizer.

“Neen ik ben geen dwaas en wat een illuminaat is, weet ik niet.”

“Maar dan zijt gij ziek.”

“Neen ik ben volkomen gezond.”

“Waarom wilt gij mij dooden?”

“Omdat gij de vloek zijt van mijn vaderland.”

“Gij zijt een fanaticus; ik wil u vergiffenis schenken en uw leven sparen.”

“Ik wensch geen vergiffenis te ontvangen.”

“Zoudt gij mij dankbaar zijn, als ik u genade schonk?”

“Dan zou ik nogmaals trachten u te dooden.”

Natuurlijk werd Staps toen weggeleid en deed Napoleon hem door een krijgsraad terechtstellen; deze veroordeelde den geestdrijver, die volmaakt gezond van hersenen was bevonden, tot den dood met den kogel.

Dat deze wonderlijke geschiedenis een ongemeenen indruk op Napoleon maakte, vooral na de gebeurtenissen in Duitschland, welke we zooeven meedeelden, laat zich licht begrijpen. Het werd hem duidelijk, dat hij deze wonderlijke Duitschers wel overwinnen, niet overtuigen kon. Zeer waarschijnlijk heeft het bewustzijn, dat het niet meer zoozeer de Fransche omwenteling was, die het volk in Duitschland haatte, als wel thans zijn eigen persoon, den Keizer op zijn terugreis vervuld. In elk geval verbood hij van den aanslag van Staps in de Fransche couranten melding te maken. [295]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XXI.

Echtscheiding. Tweede huwelijk.1

Alleen de Cambacérès wist van zijn komst, toen hij den 26en October eensklaps te Fontainebleau verscheen. Met nadruk verlangde hij thans van dezen te vernemen hoe de toestand in Frankrijk was.

Half aarzelend, want “de toon des Keizers was anders dan vóór zijn vertrek, gestrenger en meer uit de hoogte,” voldeed de ander aan dit bevel. Ja, in de publieke opinie was wijziging ontstaan; voor den paus werd gebeden; de geestelijkheid roerde zich druk; zijn daden werden aan een lang niet welwillende critiek onderworpen. Een talrijke groep ontevredenen was begonnen zich om Fouché, Bernadotte en Talleyrand te scharen, en—hoewel men medelijden had met Joséphine, werd door velen reeds openlijk den wensch uitgesproken, dat de Keizer een ander huwelijk mocht sluiten, waardoor de kans ontstond op nakomelingschap.

Hier had Napoleon zijn raadsman juist, waar hij hem hebben wilde. Uit Schönbrunn teruggekeerd, kon hij zeker voldaan zijn over den gelukkigen afloop van dezen veldtocht, die aan Oostenrijk zulke diep vernederende vredesbepalingen had opgelegd, toch was er bij al het geluk, dat de roem kan geven een gedachte in Napoleons hart, die hem met onvoldaanheid vervulde. Hij had geen kinderen, geen zoon, en hij had het kwellende gevoel, dat men reden had zijn oppermacht voor iets tijdelijks aan te zien, voor iets dat met zijn persoon was opgebloeid, maar dan ook met hem weer vergaan zou. Het oogenblik kon onverwachts komen, dat hij er niet meer wezen zou. Dwazen als die dweper te Schönbrunn zouden kunnen slagen in hun opzet om hem te dooden en dan zou hij geen wettigen erfgenaam nalaten voor den keizerstroon! Reeds lang had hem deze gedachte vervuld; in den veldtocht van 1807, [296]toen hij bericht ontving van den dood van Napoleon Charles, door hem tot opvolger bestemd, een sterfgeval dat hem zoo diep trof en toen hij tevens de zekerheid had, dat het kinderloos blijven van zijn echt niet aan hem kon geweten worden, had hij reeds beslist zich van Joséphine te laten scheiden. Thans, meende hij, moest hij aan die plannen uitvoering geven. Nog was het niet te laat. Den 15en Augustus was hij 40 jaar geworden en indien hem in een nieuw huwelijk een zoon werd geschonken, kon deze naar menschelijke berekening nog meerderjarig zijn vóór hij een oude man wezen zou. In korte woorden deelde de Keizer aan de Cambacérès nu zijn plannen mede. Deze ontstelde, hij hield zeer veel van Joséphine; reeds den overgang van het consulaat naar het keizerschap had hij afgekeurd en nu deze stap, die Napoleon nog verder van de republikeinsche beginselen zou wegvoeren! Bedeesd waagde hij een opmerking, maar ze baatte niet. Het besluit was genomen.

Eerst dien middag verscheen Joséphine te Fontainebleau, ontroerd, gegriefd, dat zij niet de eerste was geweest om hem te verwelkomen. Napoleon was vriendelijk tegen haar, doch koel, zij voelde wel, dat hij iets voor haar verborg en werd bedroefd. Tevergeefs trachtte Hortense haar te troosten.

De groote moeilijkheid voor Napoleon was natuurlijk om een geschikte gelegenheid te vinden, teneinde Joséphine deze voor haar zoo pijnlijke beslissing mede te deelen. Reeds eenmaal na zijn terugkeer uit Egypte had Napoleon het plan gehad zich van haar te laten scheiden, maar zooals we zagen, was Joséphine, op voorspraak van haar kinderen, weder in genade aangenomen. Joséphine’s gedrag tegenover haar echtgenoot was sedert dien tijd veel veranderd en verbeterd. Toch was het altijd een groote droefheid voor haar geweest, dat ze Napoleon geen kinderen schonk, iets wat haar gemaal “de ramp des levens” noemde. Naarmate hij zich hooger verhief en ouder werd, liep zij meer gevaar uitgeschakeld te worden. Was het niet in 1804 kort voor de kroning, dat hij in zijn heftigheid haar het gevreesde woord “scheiding” voor de voeten had geworpen? Toen had ze nog macht over hem en de tranen, welke Napoleon bijna altijd vermurwden, hadden toen ook het hunne gedaan. Zou het zoo blijven? Ze vreesde van niet, en was bedacht op voorzorgsmaatregelen. We zagen hoe de slimme vrouw den avond voor de kroning van den paus wist te verkrijgen, dat het huwelijk nog kerkelijk werd gesloten vóór de kroning plaats had en van deze plechtigheid wist ze een door den Keizer geteekende acte in bezit te krijgen. Al deze voorzorgsmaatregelen hadden de geruchten over scheiding echter niet doen verstommen en ook Fouché had in zijn overdreven ijver mededeelingen van dien aard gedaan.

Wat bleef haar over, indien Napoleon het zou willen doorzetten? Art. 277 van den Code civil verbood wel een scheiding, wanneer de vrouw den leeftijd van 45 jaar reeds overschreden had, maar dat zou haar niet helpen. [297]Waarom was ze ook zoo dom geweest op den trouwdag met Napoleon haar leeftijd vier jaar jonger op te geven. De huwelijksacte van 1804, door Fesch geteekend, zou haar eenige hulpmiddel zijn het te voorkomen, maar dat was thans al vijf jaar geleden en in dien tijd was er al zooveel voorgevallen.

Napoleon zwijgt, hij heeft nog niet den moed het haar te zeggen; doch ’t zijn moeilijke dagen voor beiden, want de verhouding is niet zooals die vroeger was. Einde November valt het harde woord.

Napoleons galante houding tegenover een paar hofdames was ten slotte oorzaak, dat Joséphine, die hem hierover in een vlaag van bittere jaloezie verwijten deed, eensklaps hooren moest, wat zij reeds lang in stilte gedacht had. Hij wilde scheiden! Zij werd door een zenuwtoeval getroffen. Geholpen door den heer de Bausset, prefect van ’t paleis, droeg Napoleon haar zelf langs een achtertrap naar haar vertrekken en ontbood Hortense om haar te troosten.

Eugène kwam in ’t begin van December te Parijs op verzoek van Napoleon. Van zijn zuster vernam hij wat was voorgevallen. Een langdurig onderhoud had hij met zijn stiefvader en toen begaf hij zich met dezen en Hortense naar zijn moeder.

“Mama moet van hier weg; wij beiden gaan mede; gezamenlijk zullen wij in de eenzaamheid boete doen voor een snel voorbijgaand tijdperk van grootheid, dat in ons bestaan meer stoornis dan vreugde heeft gebracht,” zei hij beslist doch vol weemoed. Hij was met zooveel illusiën naar Parijs gekomen en nu op eens dit!

Een droevig tooneel volgde op die woorden, want de Keizer wilde noch van Eugène noch van Hortense scheiden. Napoleon smeekt hen niet van hem weg te gaan, maar met hem mee te werken om hun moeder te troosten in het lot, dat haar opgelegd is. Hij blijft van haar houden en zal haar grootste vriendin zijn; hoogere belangen eischen de scheiding, en er zal voor hun moeder gezorgd worden, zoo goed als maar eenigszins kan. Eindelijk kwam er wat meer kalmte in de gemoederen, maar welken diepen indruk dit alles op den grooten man had gemaakt, konden zij getuigen, die hem doodsbleek en diep ontroerd met de sporen van tranen in de oogen het vertrek zagen verlaten, waar het kleine drama was afgespeeld.

Nu het eenmaal beslist is, wil Napoleon de familie raadplegen; hij beschouwt dit als een soort toewijding voor Joséphine en tevens om Hortense en Eugène in de achting van de natie te doen stijgen en hun rechten te bevestigen.

Terwijl de verschillende leden van de familie in Parijs komen, volgen voor Joséphine zeer smartelijke dagen, want ter eere van eenige naar Fontainebleau gekomen vorsten van het Rijnverbond hebben er tal van prachtige feesten en jachtpartijen plaats en Joséphine is verplicht daarbij, alsof er niets was voorgevallen, haar rol als gastvrouw te vervullen. [298]

Zoo verschenen einde November en begin December tal van familieleden in Parijs, en den 15en December had de bekende familieraad plaats, waar de scheiding officieel werd uitgesproken. Had indertijd Eugène een fier woord gesproken, edelmoedig was zijn verstooten moeder in de verklaring, die ze thans trachtte af te leggen, doch die de tranen haar beletten te voleindigen: “Aan den toestand mijns harten verandert de ontbinding van het huwelijk niets. De Keizer zal in mij steeds zijn beste vriendin vinden.” ’t Was een flauwe afschaduwing slechts van het ontzaggelijke offer, dat de vrouw aan Frankrijks grootheid en daarmede aan die van haar echtgenoot bracht.

Reeds den volgenden dag verklaarde een Senaatsbesluit het huwelijk van den Keizer en de Keizerin “met wederzijdsch goedvinden” voor ontbonden.

Joséphine behield den titel van Keizerin, ontving een jaarlijksch inkomen van drie millioen francs, een schat van juweelen en kostbaarheden en een kasteel in Navarre. Ook Malmaison, waar zij zich vestigde, werd in vollen eigendom aan haar afgestaan.

Onmiddellijk begonnen de onderhandelingen voor een nieuwe keizerin, voor een prinses, van wie een erfgenaam verwacht kon worden en die het Napoleontische huis tot de gelijke zou maken der voorname Europeesche vorstenfamiliën.

Het eerst richtte de Keizer zijn blikken naar Rusland, want reeds te Erfurt hadden Napoleon en keizer Alexander over nog nadere dan vriendschapsbanden gesproken, al hadden “de vrienden” zich in niets gebonden. Maar nu was de Keizer van Frankrijk weer een vrij man en kon het anders worden.

Reeds was de Fransche gezant Caulincourt te St. Petersburg aangekomen teneinde den Tsaar om de hand zijner jongere zuster te vragen en te verklaren, dat het verschil in godsdienst der bruid voor Napoleon geen bezwaar opleverde. Wel was er haast bij de zaak. “Wij tellen hier de minuten” heet het in de depêche en binnen twee dagen wenschte de Keizer een antwoord. Maar Alexander was in verlegenheid door dien spoed. Zijn moeder Maria Feodorowna, die den Franschen indringer haatte, had dadelijk, toen ze van nieuwe huwelijksplannen hoorde, haar oudste dochter Catharina aan den Hertog van Oldenburg verloofd en wilde ook haar jongere dochter Anna aan geen Bonaparte afstaan. Daarom stelde Alexander zijn antwoord aan Caulincourt telkens uit. Toen het eindelijk den 4en Februari 1810 gegeven werd, luidde het, dat de teere leeftijd van de prinses, een kind van nog maar vijftien jaar, vooralsnog een onoverkomelijk bezwaar opleverde.

Het valt te betwijfelen of dit ontwijkende antwoord Napoleon zoo bijzonder onwelkom was, want nog voor het hem bereikte, had hij reeds door meer dan één tusschenpersoon voeling gezocht met het Oostenrijksche hof om tot een huwelijk met de aartshertogin Maria Louise te geraken. [299]

Reeds in November 1809 is er groote toenadering merkbaar, als de Fransche minister van Buitenlandsche Zaken belangstellend naar Maria Louise’s gezondheid laat vragen. En ter gelegenheid der Nieuwjaarsplichtplegingen kwamen de Beauharnais, moeder en dochter, bij gravin Metternich op bezoek en waren zeer gul in haar mededeelingen. Hortense zei, dat haar broer Eugène zijn stiefvader had aangeraden Maria Louise te huwen en Joséphine voegde erbij, dat Napoleon nog geen keuze had gedaan maar zeker tot het Oostenrijksche hof zou komen, indien hij mocht vertrouwen er welkom te zijn. Gravin Metternich van haar zijde was even toeschietelijk als haar bezoeksters. Zij zal wel geweten hebben, dat de nieuw aangekomen gezant, prins Schwarzenburg, in opdracht had, een huwelijksaanvraag van Napoleon, zoo die mocht gedaan worden, welwillend te ontvangen en een huwelijk met Maria Louise in uitzicht te stellen. Het is n.l. een feit, dat men in Oostenrijk de mogelijke echtverbintenis van de prinses even gaarne zag als in Frankrijk. En wat Napoleon betreft, die had de heele onderhandeling in Rusland in den laatsten tijd alleen maar gebruikt om het Oostenrijksche Hof in spanning te houden. Wie het eerste woord heeft gesproken valt niet met zekerheid te zeggen, maar het stond spoedig vast, dat het huwelijk zou gesloten worden.

Nog diende vast te staan, dat Napoleons huwelijk met Joséphine geen beletsel vormde om den tweeden echt te sluiten. Voor Oostenrijks keizer was naar Roomsche opvatting de ontbinding van een wettig huwelijk onmogelijk en het door den Senaat uitgesproken scheidingsbesluit had voor den Oostenrijkschen keizer geen waarde. Het huwelijk moest onwettig verklaard worden en Napoleons advocaat wist voor de geestelijke diocesane rechtbank te Parijs aannemelijk te maken, dat het huwelijk werkelijk onwettig was, want Napoleon had alleen toegegeven aan den dwang van Joséphine om zijn echt kerkelijk te wijden en ’t was dus niet met zijn vrijen wil geschied. Bovendien waren de getuigen afwezig geweest, waarvoor Napoleon, zooals we zagen, zorgvuldig had gezorgd. De keizer van Oostenrijk was met de uitspraak van de geestelijke rechtbank tevreden en in dat opzicht waren de bezwaren dus overwonnen. Juist in deze dagen, 6 Febr. 1810 kwam ook Caulincourts antwoord uit Rusland in. “Uitstel is afstel,” zei Napoleon toen “en bovendien wil ik in mijn paleis geen vreemden priester tusschen mij en mijn vrouw hebben.”

Dienovereenkomstig ging er een boodschap naar keizer Alexander en alzoo was van een Russisch huwelijk geen sprake meer.

Twee dagen daarna ging Eugène de Beauharnais naar prins Schwarzenberg met de opdracht van Napoleon om dezen het huwelijkscontract tusschen den Keizer en aartshertogin Maria Louise ter dadelijke onderteekening voor te leggen. En nu reisde Berthier als buitengewoon gezant van den Keizer naar Weenen om in alle plechtigheid om de hand van aartshertogin Maria Louise te verzoeken en het huwelijk te bespoedigen. [300]

Hoe de aanstaande bruid over het huwelijk dacht laat zich het best verklaren uit hetgeen zij den 23 Januari 1810 zelf uit Ofen schreef: “Sedert de scheiding van Napoleon van zijn gemalin sla ik de Frankfurter Zeitung altijd op in de gedachte den naam zijner nieuwe echtgenoote te zullen vinden en ik erken, dat de vertraging der zaak mij onrustig maakt.”

“Ik stel mijn lot in handen der Voorzienigheid, want die alleen weet, wat het beste voor ons is. Indien echter het ongeluk ’t zoo zou willen dan ben ik bereid mijn persoonlijk belang aan den Staat ten offer te brengen, overtuigd, dat men ’t ware geluk slechts in de vervulling zijner plichten vindt” en voegt ze er aan toe: “Bid voor mij, dat het niet gebeure.”

Dat Maria Louise er zoo over dacht is begrijpelijk, wanneer we bedenken, dat zij een kind was uit een Huis, dat in de laatste jaren zoo door Napoleon was vernederd en verslagen, dat Napoleon een Corsicaan, suspect van geboorte en onzeker van adel, toch eigenlijk de vijand van Oostenrijk was. Metternich, die er het eerst met haar over sprak, wees Maria Louise op het belang van een dergelijke verbintenis voor het welzijn van het land van haar Vader en de groote liefde voor dezen was voor de dochter voldoende om het offer te brengen. Hoewel opgevoed in haat tegen Napoleon, dien men in den hofkring te Weenen wel den “antichrist” schold, stemde ze toe in het huwelijk en het beroep van keizer Frans op haar kinderlijke gehoorzaamheid was niet vergeefsch. “Nos princesses sont peu habitueés à choisir leurs epoux d’après les affections du coeur” zei Metternich, en dienovereenkomstig ging het Maria Louise.

Reeds den 8en Maart had de plechtige ontvangst van Berthier ten hove plaats en werd de dag met een schitterend bal gesloten.—“De Aartshertogin,” schreef graaf Laborde, Napoleons vertrouwde, “was dezen avond bekoorlijk. Haar overvloedig mooi blond haar was omhoog gekapt en liet haar hals en haar schouders onbedekt. Haar ongemeene frischheid, haar lach, de uitdrukking van het gelaat, de bijzondere gratie en bescheidenheid in haar optreden, dit alles doet ons vertrouwen, dat ze een der bekoorlijkste dames in den hofkring zijn zal. Behalve, dat ze schoon is, is ze de gezondheid zelve; en ik ben overtuigd, dat haar kinderen het ook zullen zijn.”

Drie dagen later, 11 Maart 1810, te half zes in den middag, geschiedde de plechtige huwelijksvoltrekking in de Augustijner Kerk waarbij niemand minder dan aartshertog Karel zijn geduchten tegenstander als bruidegom vertegenwoordigde. De gansche stad was in feestvreugde; heel Weenen illumineerde.

Nu naderde ook het afscheid voor Maria Louise. Was het voor haar stiefmoeder een moeilijk uur, daar ze zielsveel van haar aangehuwde dochter hield, ook haar vader toonde uit een brief van hem aan Napoleon om dezen geluk te wenschen, zijn ingehouden droefheid. [301]

Dadelijk als ze vertrokken is, reizen de keizer en de keizerin haar na om haar nogmaals te omhelzen. Te St. Pölten heeft de ontmoeting plaats en dan begeleidt keizer Frans haar nog tot Enns om daar voor goed afscheid te nemen. Den 16en Maart is Maria Louise te Braunau. Hier wordt ze met kanonschoten begroet en in het daarvoor bestemde paviljoen heeft de plechtige ontvangst plaats van de jonge Keizerin door den vertegenwoordiger van Frankrijk den Prins van Neuchatel, terwijl Caroline, de vrouw van Murat, de hooge eer te beurt valt, waarvoor ze bijzonder gevoelig is, om Maria Louise vandaar te vergezellen.

Nooit werd een koninklijke echtgenoote zoo met ongeduld verwacht als Maria Louise door Napoleon; zijn verlangen naar de aankomst van haar kon hij ternauwernood bedwingen. Hij had alles gedaan om een goeden indruk op haar te maken; reeds Berthier had een schat van kostbaarheden voor Maria Louise mee naar Weenen genomen; verder had Napoleon zich laten onderrichten omtrent haar liefhebberijen en vernemende, dat ze veel van mooie vogels en honden hield, droeg hij zorg, dat ze die te Parijs zou vinden. Zelfs had hij zich de Weensche dansen laten leeren en aan zijn uiterlijk groote zorg besteed om zijn Maria Louise te behagen. En nu reisde de Keizer, door zwager Murat vergezeld, naar Compiègne; de ontmoeting was tot in kleinigheden geregeld, maar van al het ceremonieel kwam niets, want de ongeduldige man ging onder stortbuien, alleen door Murat vergezeld, haar van Compiègne uit naar Courcelles tegemoet; hier wachtte hij onder een poort de stoet op en toen deze stilhield om van paarden te verwisselen, werd het rijtuig van de keizerin geopend: “L’ empereur” klonk het en Napoleon wipte naar binnen, zeker tot niet geringe verbazing van zijn jonge vrouw. Spotters hebben dit: “la surprise de Courcelles” genoemd.

In Compiègne werd kennis gemaakt met de familie; hier bleef hij drie dagen, stuurde zoodoende een reeks van deftige ontvangsten en begroetingen in de war en den 1en April werd het burgerlijk huwelijk te St. Cloud gesloten; den volgenden dag had in de kapel van het Louvre een kerkelijke plechtigheid plaats, waarbij het ceremonieel volkomen hetzelfde was als dat ter bruiloft van Lodewijk XVI en Marie Antoinette.

Van de twee en dertig gereed gezette zetels voor de kardinalen waren er bij de kerkelijke plechtigheid slechts elf bezet; dit wekte in hooge mate de ontstemming van den Keizer op en toen hij nu ook nog vernam dat ze nog het praatje hadden rondgestrooid, dat zijn tweede huwelijk voor de kerk ongeldig was en dat een kind uit dit huwelijk een bastaard zou wezen, gaf de Keizer den minister van politie last de kardinalen te arresteeren. Tevens werden ze van hun purperen opperkleed beroofd en over de verschillende provinciën verspreid, terwijl op hun inkomen als prelaat en op hun particulier inkomen beslag werd gelegd.


[302]

Oom Fesch wilde zich met de zaak bemoeien; hij begon den martelaar te spelen en beweerde, dat hij zulk een tirannie niet zou dulden.

De pogingen tot verzoening met den paus waren mislukt. Pius wilde niet naar Napoleon luisteren en bleef zich te Savona als een gevangene beschouwen, hij was zelfs in zijn boosheid zoo ver gegaan, dat hij geestelijken, zoogenaamd in buitengewone missie, door Frankrijk zond om voor de geloovigen te prediken. Toen nu Napoleon die missies verbood, had ook al Fesch tusschenbeiden willen komen, maar van den Keizer moeten hooren, dat hij in de eerste plaats had te gehoorzamen.

Nu Fesch zich wederom wilde verzetten zou hem dit slecht bekomen.

Kort te voren was hij, hoewel reeds aartsbisschop van Lyon, door den Keizer ook te Parijs met deze functie belast en had daardoor dubbel tractement genoten, in weerwil zijner vroomheid ook voor hem een zaak van niet geringe beteekenis. Hieraan kwam nu eensklaps een einde en toen hij zijn theologische kennis tegenover zijn neef begon uit te kramen, werd deze boos, vroeg of hij die geleerdheid had opgedaan, “terwijl hij nog speculeerde in leveranties van brood voor het leger” en liet hem tenslotte de keus tusschen Parijs en Lyon. Toen “oom” aan Lyon de voorkeur gaf, omdat hij hier ook door den paus was bevestigd, wees “neef” voor den zetel te Parijs den kundigen, dapperen en eerlijken kardinaal Maury aan en deed “oom” zoodoende koken van jaloezie.

De paus erkende Maury echter niet. Zoodoende werd de kloof tusschen den kerkvorst en den imperator steeds grooter. Bij senaatsbesluit voegde deze nu ook de provincie Rome bij zijn rijk en bepaalde, dat deze stad voortaan de tweede van Frankrijk zou wezen; dat zijn troonopvolger—want de illusie gold bij hem toen reeds voor het feit zelf—den titel voeren zou van koning van Rome en ook in den St. Pieter zou worden gezalfd. De paus moest beurtelings ginds verblijven en te Parijs. In Parma, Piacensa en Toscane werden alle geestelijke orden afgeschaft, alle kloosters op enkele na gesloten, en alle geestelijke goederen,—te Rome alleen geschat op een waarde van tweehonderd vijftig millioen;—vervallen verklaard aan den staat. Tevens werd aan generaal Miollis een versterking van circa 10.000 man toegezonden voor ’t geval “de monniken de bevolking te veel mochten ophitsen.”—“En dan gaat u maar te werk als in Spanje,” luidde ’s Keizers bevel.

De aanstokers van het vuurtje, dat tusschen den Heiligen Stoel en Fontainebleau zoo geducht begon te branden, met name de koningsgezinden en de ontevredenen, juichten in stilte over de drift, die de Keizer hierbij verried; en de lagere geestelijkheid bleef niet in gebreke zijn aanzien in de publieke opinie te verzwakken.

Mogelijk zag de wereld nog niet in, dat al ’t geen hij tegenover den paus ondernam, alleen diende om zijn gezag als Keizer van het Westen te [303]grondvesten. De paus eenmaal te Parijs bij hem en onder zijn machtigen invloed, de hooge geestelijkheid gevleid en begunstigd en dus op zijn hand, kon het tijdstip der verwezenlijking van dit droombeeld zijns levens, dacht hij, niet meer veraf wezen.


Reeds in de eerste weken van het huwelijk was het Maria Louise duidelijk geworden, dat al de verhalen over “dien afschuwelijken Keizer Napoleon” sterk overdreven waren geweest. Wat was dat een andere man, dan zij zich had voorgesteld; ja het werd zelfs zoo, dat haar vrees voor dien geweldigen “antichrist” in aanbidding verkeerde. Napoleon was vol zorg en attenties voor zijn jonge vrouw en reeds einde Maart kon Metternich schrijven: “De Keizer is onafgebroken met haar bezig en doet alles om de keizerin plezier te doen” en Napoleon verheelde ook voor niemand, dat hij gelukkig met haar was. Wel was de verhouding van de familieleden van den Keizer niet zoo intiem met Maria Louise, maar Napoleon begeerde dat zelf ook niet. Reeds Carolina had door haar eigenaardig optreden geen prettigen indruk op de keizerin gemaakt en toen de Keizer besloot met zijn vrouw een reis te maken door de Noordelijke departementen werd ook niet deze zuster, maar Catharina, de vrouw van Jérome aangewezen om Maria Louise te vergezellen. ’t Was een ware triomftocht en de keizerin voelde zich overal gelukkig, zooals blijkt uit een brief aan haar vader:

“Ik kan u niet genoeg herhalen, hoe gelukkig en tevreden ik ben en altijd zal wezen, als ik maar bij hem ben. Hij is zoo goed en beminnelijk in zijn familie en hij heeft zoo’n edel hart, dat gij hem ook beminnen zult.”

Al kan men moeilijk uit deze brieven een juiste gevolgtrekking maken, waar Maria Louise veel van den buitenkant zag, toch geeft de toon, welke er in doorstraalt duidelijk te kennen, hoe uitstekend de verhouding van keizer en keizerin was en met welk een zorg Napoleon Maria Louise omringde.

Op die reis naar het Noorden, wel wat al te vermoeiend voor Napoleons vrouw, werden achtereenvolgens Saint-Quentin, Kamerijk en Antwerpen bezocht; hier woonde de Keizer het van stapel loopen van een groot fregat bij en gaf hij bevelen voor den aanleg van nieuwe versterkingswerken. Te Breda maakte hij den apostolischen vicaris en de roomsche geestelijken, die, in tegenstelling met de protestantsche predikanten, niet in plechtgewaad doch in gewoon costuum voor hem waren verschenen, hierover in ’t openbaar een geducht standje, en bedreigde die heeren zelfs met verbanning, als zij in die houding van verzet volhardden en zich niet onderwierpen aan de bepalingen van het concordaat.—Zijn daarop gevolgd bezoek aan Zeeland, waar hij [304]Vlissingens vernielde werken ging zien, noopte hem, met het oog op de heerschende koortsen, de militaire bezetting daar aanzienlijk te verminderen en hiervoor alleen veteranen en koloniale troepen, als zooveel ouder en dus minder vatbaar, te bestemmen. Brussel, Ostende, het kamp van Boulogne en Rijssel zagen hem daarna. Den 1en Juni 1810 vond men hem weer te St. Cloud.

Den volgenden dag reeds hield hij ministerraad. ’t Lichtte en bliksemde er weder geducht, want onderweg had hij bij toeval ontdekt, dat Fouché zich in den laatsten tijd door de tusschenkomst van den bankier Ouvrard en van den heer Labouchère te Amsterdam achter zijn rug had beziggehouden met onderhandelingen met Engeland, waaraan ook Louis niet geheel vreemd was gebleven. Uit de papieren van dezen Ouvrard, die door Savary, sinds korten tijd hertog van Rovigo, was gevangen genomen, was de toeleg geheel gebleken.

Op staanden voet ontsloeg hij Fouché en benoemde Savary tot zijn opvolger. Om de straf echter niet te zwaar te maken, bevorderde hij den in ongenade gevallen hertog van Otranto,—want deze verheffing had de oud-republikein zich indertijd toch laten welgevallen—tot gouverneur der Romeinsche staten. Toen hem weldra bleek, dat Fouché nog meer op zijn kerfstok had, ontnam hij hem echter ook deze betrekking.

Uit al deze kuiperijen was ’t Napoleon opnieuw gebleken, dat Engeland niet voor vredesvoorstellen was te vinden, zoolang Spanje niet door hem was ontruimd. Aangezien hij hiertoe echter niet was te bewegen en ook zijn plan om zelf naar Spanje te gaan had opgegeven, bleef er voor hem slechts één middel over om Albion op den langen duur tot toegeven te dwingen n. l. door het verscherpen der blokkade. Dat Engeland hieronder reeds geduchte schade leed, stond vast. De waarde van een pond sterling, anders 25 francs, was reeds gedaald tot 17.

Op zijn laatste reis had hij tevens waargenomen, dat de bepalingen van het Continentale Stelsel op veel plaatsen zeer slapjes werden gehandhaafd. De geheime en openbare depots van koloniale waren langs de kust der Noordzee waren legio. De Amerikanen hadden zelfs een tegenstelsel uitgevonden. Op hun schepen, onder hun vlag, kwamen tegenwoordig voor millioenen guldens Engelsche koopmansgoederen de havens van het vasteland ongemoeid binnen. Hier en daar lieten de Fransche soldaten, met de bewaking dier havens belast, zich zelfs de handen vullen om één oog dicht te knijpen.

Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810.

Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810.

Het toezicht op de geheele kust diende dus verscherpt. Rapp trok als gouverneur naar Dantzig. De zeeplaatsen tusschen de Oder en de Weichsel werden bewaakt door Davoust en zijn soldaten. Hamburg, Bremen en Emden kregen Fransche bezetting en de geheele streek van Brest tot Vlissingen zag weder tallooze Fransche uniformen; om de kroon op het werk te zetten teekende Napoleon den 9en Juli een besluit, waarbij Louis van den troon [305]vervallen verklaard, Holland bij Frankrijk ingelijfd, en de oud-consul Lebrun als luitenant-generaal met het bestuur aldaar belast werd. Wel had de admiraal Verhuell, gezant te Parijs, zijn best gedaan om dezen slag te voorkomen, doch Napoleon was voor geen redeneeringen vatbaar geweest.

Deze vernedering had Louis grootendeels aan zich zelf te wijten. Hij was een creatie van zijn broeder, aan wien hij letterlijk alles had te danken. “Zorg, dat je een vloot en een goed gevulde schatkist krijgt; houd de Engelsche kooplui uit je land en vergeet nooit, dat Frankrijk gaat vóór alles,” waren in korte woorden de voorwaarden geweest, waarop Napoleon hem de regeering had doen aanvaarden. In weerwil van diens herhaalde vertoogen had Louis te Texel echter geen vloot, was zijn schatkist niet gevuld, doch gaf hij aan paleizen en dergelijk fraais schatten uit. Dan voerden zijn onderdanen een brutalen sluikhandel met de Engelschen, en hadden de kooplieden hun pakhuizen tot den nok toe vol zitten met artikelen van Engelschen oorsprong. “La Hollande est entièrement une colonie anglaise et plus ennemie de la France que l’ Angleterre elle même...” had de Keizer hem reeds bij zijn bezoek te Parijs toegevoegd en daarop had hij toen reeds laten volgen: “Je veux manger la Hollande.” Louis stoorde zich echter niet aan den Keizer, dacht niet over Napoleons aanbod vrijwillig te abdiceeren en bij zijn terugkeer uit Parijs bleef hij trouw aan zijn devies: alles voor Holland in plaats van alles voor Frankrijk, zooals Napoleon wilde.

Op zichzelf beschouwd, verdiende deze handelwijze van hem als vorst tegenover zijn onderdanen allen lof; ook had hij zich hiermede onder de kooplui heel wat vrienden gemaakt, maar deze wijze van regeeren strookte nu eenmaal volstrekt niet met de bedoelingen van zijn broeder.

Deze had, rekening houdende met Louis’ somberen, wantrouwenden aard, waardoor hij het leven van Hortense tot een hel maakte, geruimen tijd geduld met hem gehad en hem telkens weer zijn verkeerdheden onder de oogen gebracht. Het had niet gebaat.

Bij de komst van generaal Molitor, die op de gestrenge toepassing van het Continentale Stelsel in Holland met zijn soldaten moest toezien, had Louis tegen de verschijning dier troepen op zijn grondgebied openlijk verzet gepredikt en te Haarlem de poorten doen sluiten. Toen nu de koning zelfs, geheel buiten weten van Napoleon, ten behoeve van zijn zoon afstand had gedaan van den troon, had de Keizer kort en bondig ook aan “die comedie” een einde gemaakt. Toch griefde het Napoleon diep, dat zijn broer op deze wijze zijn koninkrijk verliet en gedurende een veertien dagen den Keizer en zijn verwanten in onrust liet, waarheen hij vertrokken was. Wat een indruk moest dit op de mogendheden maken! In officieele stukken liet de Keizer dan ook voorkomen alsof alles tengevolge van de ziekte van Louis was.

Nog verergerde deze den toestand, toen hij tegen zijn afzetting [306]protesteerde, zijn broer in heftige bewoordingen aanviel en zijn protest aan den keizer van Rusland en dien van Oostenrijk wilde zenden om als rechters uitspraak te doen en zijn broer daardoor dus tot beschuldigde verlaagde.

Onder den naam van graaf van Saint-Leu vertrok hij naar Töplitz in Bohemen. In 1814 heeft zijn handelwijze heel wat egoisten, die Napoleon afvallig werden, tot dekmantel en verontschuldiging gediend.

De Keizer nam de zorg over Hortense en de kinderen ter hand, en stond, wat hij bij ’t bezoek van Louis te Parijs nog geweigerd had, de scheiding tusschen hen beiden toe. Al was Hortense nooit lang bij haar echtgenoot, ze had de laatste maanden in Holland nog ellendige dagen met hem doorgebracht en voor haar zal de scheiding een ware uitkomst zijn geweest.

Juist in de dagen, dat Louis den Keizer in onrust liet over de plaats waar hij heen was gegaan, maakte ook een andere broer aanstalten om te vertrekken. Het was Lucien. Men zou gedacht hebben, dat met het onderhoud te Mantua alle betrekkingen tusschen Napoleon en dezen broer voor goed waren afgebroken, maar de broers en zusters, gesteund door hun moeder, hadden de onderhandelingen voortgezet in de hoop, dat Lucien nog in het systeem zou worden opgenomen. De onderhandelingen vorderden echter langzaam, want Napoleon week niet van zijn eenmaal ingenomen standpunt, dat Lucien van zijn vrouw behoorde te scheiden en de Keizer dan pas de kinderen zou erkennen. Tevergeefs liet Napoleon door Campi, Luciens vertegenwoordiger, er zijn broer op wijzen, dat hij zelf om de politiek een ander huwelijk had gesloten, tevergeefs wees hij op Jérome, voor wiens eerste vrouw toch ook door Napoleon was gezorgd. Dit baatte al evenmin als de pogingen van de moeder om Lucien en vrouw te bewegen voor Napoleons wil te buigen. Maar erger nog geschiedde.

Lucien met familie vertrok uit Italië en vestigde zich in... Engeland. Een broer van den Franschen Keizer, die zijn toevlucht zocht op het grondgebied van zijn grootsten tegenstander! De Engelsche bladen waren natuurlijk vol over de wreedheden van Napoleon tegenover zijn familie, in het bijzonder tegenover Lucien.

Het echec, dat Lucien zijn broer door deze vlucht bezorgde, was terecht onherstelbaar, maar als Napoleon in zijn eerste opwelling besluit bij decreet bekend te maken, dat Lucien geschrapt is van de lijst van senatoren en hij, noch zijn familie ooit weer op Fransch grondgebied mag verschijnen, dan komt de Keizer er al spoedig op terug, dit zoo openlijk te doen. Luciens gedrag ergert hem in hooge mate, maar evenmin kan hij vergeten, wat hij vroeger aan dezen broer te danken heeft gehad!

Terwijl Louis in stilte verdwijnt en Lucien zelfs gastvrijheid in Engeland komt vragen, is Napoleon ook over Murat in die dagen niet te spreken, want het komt hem ter oore, dat hij er zich toe geleend heeft om Lucien het vertrek [307]naar Engeland gemakkelijk te maken. Ook Napels wordt niet geregeerd, zooals Napoleon dat wenscht. Voor alles wil Murat zorgen voor een flink leger om hem, indien het noodig mocht blijken, te steunen. Dat strenge toezicht van den Keizer wil ook zijn zwager niet en de maatregelen, die Napoleon neemt om Engelands handel nog meer te treffen, onderwerpt Murat aan strenge critiek. In Europa werd algemeen gedacht, dat de annexatie van Napels spoedig zou volgen en ook Murat verkeerde in die meening. Toch is Napoleon niet van plan dit te doen, want al kan hij Murat als bestuurder van Napels niet voldoende vertrouwen, hij apprecieert hem te erg als cavalerie-aanvoerder en heeft hem vooral na den dood van Lasalle te hard noodig voor zijn oorlogen. De veldtocht naar Oostenrijk had het nog pas bewezen. Het werd den Keizer maar al te duidelijk, welk een fout hij begaan had toen hij zijn rijk omringd had met landen, waar hij zijn verwanten op den troon had geplaatst, want ook Jérome kostte schatten gelds aan het leger, dat hij noodig had, waardoor de schuld onrustbarend toenam en met Jozef, zullen we zien, ging het in Spanje ook niet goed.

In plaats van steun, verzet; hier openlijk, daar meer in stilte, maar overal een weerstreven van Napoleons plannen en bedoelingen. Het bleek in 1810 reeds duidelijk, dat het familiesysteem had uitgediend; toch zou het nog erger worden; verraad en kwade trouw, nu nog niet zichtbaar bijna, zullen straks openlijk blijken.


Holland was dus ingelijfd en hierdoor zag Engeland nu nog alleen de havens van Portugal voor zich open, want ook Zweden had zich reeds eenige maanden te voren bij het Continentale Stelsel aangesloten en tot belooning Pommeren ontvangen. Mecklenburg had zich reeds vroeger naar ’s Keizers wenschen gevoegd.


Van al de staatkundige moeilijkheden, welke het midden van 1810 voor Napoleon opleverde, bespeurde de jeugdige gemalin zoo goed als niets. Het Hof had bij de komst van Maria Louise groote veranderingen ondergaan. De meeste personen uit den tijd der revolutie waren verwijderd en vervangen door vertegenwoordigers van oude adellijke geslachten. Velen uit de vroegere omgeving van Joséphine, die zoo meesterlijk de kunst had verstaan het oude en nieuwe te vereenigen, zag men niet meer. Van eenige vertrouwelijkheid aan het Hof was geen sprake, de strengste etiquette werd in acht genomen en de afstand van de keizerin was grooter dan ooit te voren. Ook op haar reizen had Maria Louise den indruk op de bevolking gemaakt, dat, mocht de Keizer een goede ruil hebben gedaan, de natie erbij had verloren.

Het volk kende haar niet en zag alleen de Oostenrijksche in haar, [308]terwijl de door Napoleon zelf begeerde strengheid in haar omgeving ook niet bevorderlijk was om de nieuwe keizerin populair te doen worden. Ook was de keuze van de hertogin de Montebello, die als dame d’ honneur aan Maria Louise werd toegevoegd, niet bijzonder gelukkig. Behalve dat deze het met niemand aan het Hof kon vinden werd de keizerin op recepties en andere plechtige gelegenheden slecht door haar gediend. Maria Louisa kende de menschen niet, vroeg verkeerd en hoewel de hertogin de Montebello daarvan de schuld droeg, werd het natuurlijk verweten aan de keizerin. Op het punt van weldadigheid had Joséphine zich een eerenaam verworven; Maria Louise daarentegen was volstrekt niet op de hoogte, miste er ook de noodige hulp voor en het volk won ze daardoor volstrekt niet.

De eerste maanden kon Maria Louise genieten van de vele feesten, die te harer eere werden gegeven, eerst door Parijs—een nachtfeest—daarna door de Garde op het Champ de Mars en in de Militaire School.

De ontzettende ramp, van welke het hotel van den Oostenrijkschen gezant, prins von Schwartzenberg, den 1en Juli het tooneel was, kwam echter over haar stemming een donkere schaduw werpen. Bij het nachtfeest, door dezen diplomaat eveneens ter eere van het keizerlijke paar gegeven, geraakte een van de raamgordijnen der balzaal in brand. Met schrikwekkende snelheid verbreidde zich het vuur. Onder de honderden gasten ontstond een paniek. Napoleon redde zelf zijn gemalin, droeg haar naar een rijtuig, bracht haar naar de Tuilerieën en spoedde zich toen terug om bevelen te geven tot redding. Doch reeds was het gansche hotel één vuurzee en telde men de gekwetsten bij tientallen. De echtgenoote van den gezant, die in de meening verkeerde, dat een harer dochters zich nog in gevaar bevond en daarom heldhaftig weder naar binnen snelde, kwam hierbij zelf om het leven.

Velen vonden deze ramp een slecht voorteeken; ze dachten aan een dergelijk ongeval, bij het huwelijk van Lodewijk XVI voorgekomen. Vooral het volk, dat Joséphine, “de goede Keizerin,” nog altoos niet kon vergeten en van den dwang, die de staatkunde somtijds uitoefent, geen begrip had, zeide, dat ook deze Autrichienne voor Frankrijk een ongeluk zou blijken te zijn.


Bijna onafgebroken zoekende naar een middel om Albion eindelijk toch eens afdoende te treffen en het een doodelijke wonde toe te brengen, vaardigde Napoleon in ’t begin van Augustus een decreet uit, dat tevens zijn schatkist vulde. In hoofdzaak behelsde het, dat van nu af koloniale waren door niet-Engelsche schepen konden worden ingevoerd tegen betaling van een recht van 50 %. Door deze maatregel bleven de Engelsche kooplui op al deze artikelen hetzelfde bedrag verliezen, als tot nog toe het geval was geweest, [309]want die 50 % ongeveer hadden ze geregeld moeten betalen aan de smokkelaars. Thans waren de gouden dagen van hen uit, want door dien sluwen zet kwamen die bedragen nu in de Fransche schatkist. Voorts zou een even hoog recht in natura, in wissels of in geld geheven worden van alle reeds in entrepôt of magazijn opgeslagen waren; de waren in natura, ter betaling afgestaan, zouden daarna voor rijksrekening in ’t openbaar worden verkocht. Alle later gevonden en niet door een belasting-quitantie gedekte goederen zouden tevens worden verbeurd verklaard.

Napoleon ging zelfs nog een stap verder; hij deed voor ’t meerendeel door militairen beslag leggen op al de koloniale waren, die gevonden werden binnen vier dagreizen van de Fransche grenzen. “Die suiker en die koffie, enz., waren,” zeide hij, “daar toch bijeengebracht om ze Frankrijk binnen te smokkelen en het land dus te benadeelen; dit eischte straf.”

Wat een verslagen gezichten onder de kooplui, die met de smokkelaars al zoo aardig wisten samen te werken! Maar ook wat een haat en een wraakzucht opgehoopt in de harten der zoo zwaar getroffenen!

Slechts één vorst teekende tegen dit decreet verzet aan, keizer Alexander. “De toestanden in zijn rijk veroorloofden hem niet de bepalingen er van na te leven,” gaf hij koeltjes aan den Franschen gezant te St. Petersburg te verstaan.

Na de samenkomst te Erfurt was de goede verstandhouding tusschen de twee potentaten begonnen te verzwakken. Alexander had in de Donau-vorstendommen weinig succes gehad. Finland, ja, was hem toegevallen, maar voorloopig was dit alles. Nu kwam dit decreet.

Eindelijk vernam hij in ’t laatst van Augustus, dat Karel XIII, de oude koning van Zweden, Bernadotte tot zijn opvolger had bestemd en dat Napoleon met deze keuze had genoegen genomen.—Door Frankrijk gesteund zou Zweden nu wel een aanleiding weten te vinden om Finland te heroveren, meende Alexander.

Natuurlijk zorgde Engeland, dat Alexander in onrust en onzekerheid bleef verkeeren en in de plannen met Bernadotte de hand van Napoleon zag.

Alexanders ontstemming steeg ten top, toen Napoleon, het hertogdom Oldenburg, waar Alexanders zwager regeerde, evenals de tot nog toe vrij gebleven Hanzesteden, zoogenaamd ter wille van het Continentale Stelsel, met één pennestreek met Frankrijk vereenigde.

Doch ook Napoleon had een grief.

Tijdens den laatsten oorlog had het Russische leger in Polen als bondgenoot weinig uitgevoerd en zelfs herhaaldelijk getoond liever gemeene zaak te willen maken met de Oostenrijkers onder aartshertog Ferdinand dan met de gehate Polen onder Poniatowski. Alexanders weigering om aan het decreet [310]van 5 Augustus uitvoering te geven, diende niet om Napoleons stemming te verbeteren.

Aan Bernadotte’s verkiezing tot kroonprins van Zweden was hij geheel vreemd gebleven; alleen aan het toeval en aan zijn tact had de maarschalk deze te danken gehad. Na den slag bij Friedland, te Hamburg belast met het bevel over de troepen aldaar, had hij een aantal gevangen Zweedsche officieren zeer hupsch en voorkomend bejegend, hun geld en kleeding verschaft en ook aan eenige Zweedsche kooplieden gewichtige diensten bewezen. Hierdoor was zijn naam te Stockholm gunstig bekend geworden en in zijn verkiezing hadden de Zweedsche generale staten dus nu een machtigen waarborg gezien tegenover Ruslands plannen.

Bernadotte had den Keizer verlof gevraagd deze keuze te mogen aannemen, en deze had dit verlof niet eens met blijdschap, veeleer met eenigen spijt verleend, omdat hij het karakter van den ander kende en van ouds wist, dat hij in stilte een vijand aan hem had.

Toch had hij hem, den echtgenoot van Désirée, een millioen francs als reisgeld geschonken, doch hem tevens verzocht nooit te vergeten, dat hij Franschman was en dat hij de kroon van Zweden had te danken aan den roem der Fransche legerkorpsen, die hij had aangevoerd. Bernadotte had dit beloofd.—“Niets zou hij vergeten. Steeds zou hij er trotsch op wezen een zoon van Frankrijk te zijn.”


Hoe langer hoe meer begon bij Napoleon in die dagen het denkbeeld vasten vorm te krijgen, dat de Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier op aarde had doen verschijnen; dat niets hem meer onmogelijk was en dat hij slechts zijn wil behoefde te kennen te geven om dezen terstond uitgevoerd te zien. Van dien tijd af begon deze gedachte hem in zoo hooge mate te vervullen, dat hij zich bij het ontwerpen van zijn geweldige plannen nog meer dan ooit te voren bepaalde tot het geven van algemeene bevelen, en dat hij de zorg voor de uitvoering en voor de vaak groote kunde en schranderheid eischende détails zoo goed als geheel overliet aan personen, die voor de hun opgedragen taak vaak òf niet òf slechts ten deele geschikt waren. Het gevolg hiervan was, dat het bij veel zaken van ingrijpenden aard thans meermalen bij de uitvaardiging dier bevelen bleef, en er heel wat niet werd uitgevoerd, dat toch uitdrukkelijk door hem was bevolen. Kwam hij dan later tot de ontdekking, dat aan zijn last geen gevolg was gegeven, dan lichtte het wel een korte poos in zijn donkere oogen, en viel er ook wel eens een ernstige vermaning, doch gewoonlijk bleef het tegenwoordig hierbij en liep het voor den schuldige vrij goed af. [311]

Tegelijkertijd maakten enkele personen uit zijn naaste omgeving de opmerking, dat hij nòg ongenaakbaarder, nòg stroever in zijn toon, nòg geslotener in zijn woorden en uitlatingen werd, nòg minder vatbaar voor goeden raad dan voorheen ooit het geval was geweest.

Het is zeker, dat zijn brein in de laatste maanden van 1810 vervuld was van allerlei groote plannen, want sinds de zwangerschap zijner gemalin opende zich voor den man een geheel nieuwe toekomst. Een eigen dynastie stond op het punt van gesticht te worden. Reeds sedert zijn huwelijk was er in de levenswijze van den Keizer groote verandering ontstaan.

Hij leeft geheel voor zijn Maria Louise, ontbijt lang met haar, gaat met zijn vrouw wandelen, leert haar zelfs paardrijden, stoeit en speelt met haar, alsof hij een schooljongen is. Niets is hem te veel, maar sinds hem de heugelijke gebeurtenis bekend is geworden, kan men hem zijn paleis haast niet meer uit krijgen. De havenwerken in Cherbourg moesten ingewijd worden, Cherbourg zal wachten, de Keizerin is zwanger; het is steeds hetzelfde parool. Hij wil niet weg en is nu alleen vervuld van die eene gedachte, die hem meer nog dan vroeger aan zijn echtgenoote bindt. De verhouding tusschen den Keizer en zijn vrouw is zoo, dat Corvisart vond dat hij te veel op haar was gesteld!

Van dien tijd dagteekent ook de reorganisatie van de “Société Maternel,” welke vereeniging zich ten doel stelde steun bij bevallingen te verleenen en zich met de zorg van de kinderen te belasten. Voor de opvoeding van weezen van hen, die in dienst van den staat zijn gestorven, wordt een regeling getroffen, een gesticht voor de “Enfants-Trouvés” komt tot stand en begin November heeft de plechtigheid plaats van de benoeming van een aantal kinderen door Napoleon, waarbij elke moeder vereerd wordt met een medaillon, voorzien van de portretten van Keizer en Keizerin. ’t Zijn alle bewijzen voor de gevoelens van Napoleon, toen hij zelf hoopte een kind te krijgen.

In Maart had de geboorte plaats. Maria Louise, over het geheel gezond en wel, had een moeilijke ure. Napoleon bleef bij haar, zoolang hij het zelf kon uithouden maar dezen keer werden de zenuwen hem de baas en hij moest in een aangrenzend vertrek gaan. Dokter Dubois, de medicus, kwam tot hem om te zeggen, dat er levensgevaar was voor moeder en kind.

“Wat zoudt gij doen, als gij in ons geval waart bij een vrouw uit de burgerklasse?” vroeg Napoleon.

“Dan zou ik van mijne instrumenten gebruik maken,” antwoordde dokter Dubois.

“Welnu,” hernam de Keizer, handel alsof gij in ’t huis geroepen waart van een straatventer van Saint-Denis; draag zorg voor moeder en kind en als gij ze niet beiden redden kunt behoud me dan de moeder.”

Toen hield Napoleon nogmaals zijne Maria Louise bij de hand vast; [312]maar haar lijden werd hem te machtig; hij werd lijkbleek en moest weer weggaan....

Den 20en Maart 1811 des morgens om tien uur telden de Parijzenaars de kanonschoten, want den Keizer was een kind geboren. Twee en twintig schoten, wèl geteld: het was een zoon... “de koning van Rome” was geboren. Napoleon had geschreid van blijdschap; zijne dynastie zou blijvend zijn en de wereld overheerschen.

Maria Louise herstelde spoedig en was wonder gelukkig met haar kind. Napoleon Frans Jozef Karel werd hij gedoopt. “De geboorte van mijn zoon,” schreef ze, “vermeerdert zoo mogelijk nog de gelukzaligheid, waarin ik mij sedert mijne vereeniging met den Keizer verheug. Ik koester den wensch, dat hij eenmaal zijn vader mag gelijken en als deze het geluk worden van allen, die hem omgeven!”

Napoleon ook vergoodde zijn zoon. Iederen ochtend na ’t ontbijt moest de gouvernante, mevrouw de Montesquiou, hem in de kamer des Keizers brengen, en het was een genot hem met den kleine te zien stoeien.

“Ik ben overtuigd,” schreef de keizerin aan haar vader, “dat gij u er zeer in verheugen zult, ooggetuige van ons huiselijk geluk te zijn!”

Bij al de feesten ter eere van de geboorte gegeven, bij de groote bevordering in ’t Legioen van Eer ter gelegenheid van de doopplechtigheid was echter merkbaar, dat er zich zooals Masson zegt, een muur optrok tusschen Napoleon en het volk. Men hield rekening met het hof, met de bourgeoisie in ’t geheel niet en niemand, die niet tot de officieele personen behoorde, was op de feesten vertegenwoordigd. De emigrés vulden het hof en de Keizer was in den waan ze te vereenigen.

“Thans na den doop van het kind acht hij zijn fortuin voltooid. Het is het oogenblik, waarop hij van de toekomst bezit neemt, waarop zijn macht geen hindernis meer kent, waarop ontdaan van eens zoo nauwe familiebanden, die hij op ’t punt staat te breken, hij alleen op zich zelf rekent en ’t continent te klein voor zijn glorie vindt. En ’t is het oogenblik, waarop de ontzaglijke uitbreiding van het Keizerrijk het onbestuurbaar maakt, waar de argwanende alleenheerschappij van Napoleon het initiatief en de goede wil onderdrukt en overal de passieve gehoorzaamheid de eerste en eenige deugd van zijn dienaren veroorzaakt. De zoo uitgebreide krachten zullen zich breken en hem overwinnen ten slotte. De verspreide familie kan geen steun meer zijn. Gedurende tien jaar heeft Napoleon op dit systeem gesteund, een systeem dat hij trots het gecoaliseerd Europa door zijn overwinningen heeft georganiseerd, en waarop hij tot heden zijn vertrouwen heeft gesteld. Op de eenige punten, waar hij het nog laat bestaan moet men desasters verwachten.”

Zoo is daarvan al direct Spanje een bewijs.

Napoleon en de Paus.

Napoleon en de Paus.

[313]

Vol fanatisme en bloeddorst duurde het verzet tegen zijn legerdrommen daar nog onafgebroken voort. Reeds kort na zijn huwelijk was de generaal Foy hem van het oorlogstooneel zeer onrustbarende mededeelingen komen doen. Onder zijn generaals bestond niet de minste overeenstemming. Ieder voerde in de hem aangewezen provincie den krijg op eigen hand. Aan Jozefs bevelen werd niet gehoorzaamd; de troepen leden gebrek; alles verried, dat ginds een krachtige leiding ontbrak.

Dat zijn plaats was dáár, niet op Saint-Cloud, had hij toen zeer goed begrepen; maar, eerst kort te voren hertrouwd, wilde hij zijn jonge vrouw, die zeer in zijn smaak viel, niet dadelijk weder alleen laten. Ook oefende het weelderige paleisleven met al zijn kleine en groote genietingen van allerlei aard mogelijk toen reeds meer invloed op hem uit dan hij aan zich zelf wilde bekennen. Het een met het ander was oorzaak, dat hij het commando in Spanje niet zelf ging nemen, doch te Parijs bleef en orders begon te geven van uit zijn kabinet.

Men behoeft geen militair te wezen om te begrijpen, dat, waar de lastgever circa 500 uur gaans van het terrein der behandeling is verwijderd, terwijl de wegen in Spanje in die dagen zoo slecht en gevaarlijk waren, als met mogelijkheid was te bedenken, zijn bevelen vaak in ’t geheel niet, in elk geval altoos te laat hun bestemming bereikten om doel te treffen. Van de nederlagen daarginds heeft de Keizer zelf grootendeels de schuld gedragen.

Een der gevaarlijkste factoren in Spanje was de wanverhouding tusschen de generaals en de maarschalken onderling. Massena, in 1810 belast met het bevel over een sterk leger, dat in Portugal tegenover generaal Wellesley, thans hertog van Wellington, en Beresford met de Portugeezen zou optreden, had als voorwaarde gesteld, dat zijn maîtres hem hierbij zou vergezellen.—Napoleon had dit toegestaan. Maar toen de maarschalk, die op zijn ouden dag verstandiger had moeten zijn, nu van Ney, Montbrun en anderen verlangde, dat zij die dame aan tafel geleiden en haar honneurs bewijzen zouden, bedankten die voor dit koopje, en ontstond ook hierdoor een breuk, die op den goeden gang van zaken allerverderfelijkst werkte, en die eindelijk ten gevolge had, dat Ney Massena formeel de gehoorzaamheid weigerde. Wel ontsloeg deze hem uit zijn commando, maar Ney nam dit ontslag niet aan.

Napoleon maakte ten slotte aan deze ellendige verhouding een einde, riep Massena terug en droeg het bevel over de troepen in Portugal op aan den maarschalk Marmont.

Wat koning Jozef betreft, deze was veel te zachtaardig en veel te weinig soldaat voor de functie van luitenant van Napoleon. De maarschalken namen een loopje met hem en beschouwden zijn tegenwoordigheid bij ’t leger als een last.

In zijn optreden geleek hij op zijn broeder Louis. Tegen zijn onderdanen [314]vechten vond hij afschuwelijk. De krijgsgevangenen, die hij maakte, zond hij niet, zooals Napoleon verlangd had, naar Frankrijk op maar gaf hij gelegenheid over te gaan in zijn eigen dienst. Dan stak hij ze van onder tot boven in een nieuwe uniform, voedde ze goed en betaalde ze nog beter, tot de krijgskans keerde, en dit leventje die zoogenaamde Josephinos begon te vervelen. Dan kon men ze bij honderden tegelijk in hun nieuw pak zien drossen naar hun vrienden in ’t gebergte.

Was ’t te verwonderen, dat Jozef door de vijandelijke aanvoerders, zooals Mina, Marquesito en den beruchten Empecinado spottend werd betiteld met den bijnaam van groot-kapitein van kleeding?

Stippen wij nu nog aan, dat Napoleon, die zijn leger van Fransche soldaten in Duitschland niet wilde verzwakken, voortdurend meer Italianen, Saksers, Hessen en Beieren als aanvullingstroepen naar Spanje zond en het militaire gehalte van zijn macht aldaar door dezen maatregel sterk deed dalen; dat de desertie er onrustbarend toenam, eindelijk, dat Wellington onder zijn bevelen een infanterie had, die in ’t schieten haar gelijke niet vond, dan achten wij den toestand ginds hiermede voldoende geschetst. In Spanje bleef ’t gevaar dreigend en Suchets overwinningen waren te plaatselijk om groote gevolgen te hebben.

Een tweede oorzaak van ergernis voor Napoleon was de hardnekkigheid, waarmede de paus zich tegen zijn wenschen bleef verzetten. Zelfs de pogingen van een viertal aartsbisschoppen, die hiervoor opzettelijk een reis deden naar Savona, leden schipbreuk. Oom Fesch had zich aan zijn zijde geschaard.

Om aan dezen toestand een einde te maken, riep Napoleon in den zomer van 1811 te Parijs een Concilie bijeen, waarop ook een groot aantal Italiaansche prelaten verscheen.

Hier werden velen niet ongenegen bevonden de belangen van de wereldsche zaken der Kerk te scheiden van die der geestelijke, maar de paus, al noemde hij zich te Savona een verlaten gevangene, had naar buiten blijkbaar nog invloed genoeg om de weegschaal naar zijn kant te doen overslaan. Ingrijpende besluiten werden dus niet genomen.—Toen Napoleon ten overvloede te weten kwam, dat er door enkele leden van het Concilie in ’t geheim zelfs instructies werden gezonden naar buiten, deed hij een viertal hunner te Vincennes gevangen zetten en sloot hij de zitting nadat hij van iederen prelaat de schriftelijke verklaring had geëischt, dat de voorstellen en wijzigingen, door het Concilie vastgesteld, overeenkomstig de wetten der gallische kerk waren.

Een deputatie van prelaten bracht het eindbesluit van dit Concilie naar Savona, om het Pius ter goedkeuring voor te leggen. Gevleid door dit bewijs, dat hij in zijn waardigheid dus toch werd erkend, bekrachtigde deze het met zijn handteekening. Binnen zes maanden zou hij de door Napoleon benoemde 17 bisschoppen de canonieke wijding dus moeten geven.—De quaestie van [315]het bezit van Rome en van den toekomstigen staat van het pausdom zou, verzekerde men hem, later worden geregeld.

Toen de tijding van deze overwinning Napoleon bereikte, bevond hij zich in Holland. Hij kon tevreden zijn, doch de brève, die de paus bij zijn goedkeuring had gevoegd, een stuk, waarin hij de redenen dezer goedkeuring uiteenzette, beviel hem volstrekt niet. Van de daarin vervatte ultramontaansche begrippen was hij in ’t minst niet gediend, als zijnde die strijdig met de leer van Bossuet. In dat pauselijke voorbehoud zag hij, de roomsche curie kennende, een gevaar. Voordat hij den veldtocht tegen Rusland begon, deed hij Pius dus voor alle voorzichtigheid overbrengen naar Fontainebleau. Hier beter dan te Savona kon Savary op zijn omgeving en zijn daden dan het oog houden. Een coup de main der Engelschen op eerstgenoemde stad of een opstand der Italianen rekende Napoleon volstrekt niet tot de onmogelijkheden. [316]


1 Enkele gedeelten zijn genomen met toestemming van den schrijver, den Heer A. W. Stellwagen, uit de Historische Feuilletons in de N. Rott. Cour.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XXII.

De veldtocht tegen Rusland.

Reeds maakten wij melding van een verkoeling, die de laatste jaren tusschen Napoleon en Alexander van Rusland was ontstaan, en van haar oorzaken, die dreigden tot een oorlog te leiden. Dat de eerste het tooneel van de toekomstige worsteling toen reeds zorgvuldig bestudeerde, had zijn brief van 4 Augustus 1810 aan den koning van Saksen genoegzaam aangeduid. Den 10en December was zijn beruchte boodschap aan den Senaat gevolgd, waarbij hij Frankrijks grenzen met één pennestreek tot Lübeck had uitgezet. Een brief van 28 Februari 1811 aan keizer Alexander had bij dezen ten slotte allen twijfel opgeheven betreffende de plannen, die men tegenover hem koesterde.

In verband met deze plannen en met de hem nooit verlatende gedachte Engeland toch eenmaal den nekslag toe te brengen, begon hij in het laatst van September, ondanks het ongunstige jaargetijde, een reis langs de kust van de Noordzee. Hij bezocht Antwerpen en de werken langs de Schelde aldaar, toog naar Vlissingen, nam hier maatregelen om de uit verschillende natiën samengebrachte bemanning der oorlogschepen in bedwang te houden, vaardigde orders uit om de werven over Hamburg voortdurend van timmerhout te voorzien, sloot den uitvoer van graan,—een doodsteek voor den handel doch een buitenkansje voor den landbouw; de prijzen liepen op tot 35 gulden per hectoliter—deed op de scheepstimmerwerven tot Texel toe den arbeid verdubbelen, verschafte hierdoor aan duizenden menschen brood en begaf zich ten slotte met “zijn vrouw,” die de reis over Utrecht had gemaakt, naar Amsterdam.

Dat men in Holland weinig sympathie voor hem gevoelde, is te begrijpen. [317]Wel had hij Amsterdam verheven tot de derde hoofdstad van Frankrijk, maar het leger en de garde waren bij zijn korpsen ingelijfd. De heeren de Celles en de Stassart, zijn prefecten, respectievelijk te Amsterdam en te ’s Hage, hadden een harde hand;—de andere prefectsplaatsen waren bezet door volbloed-Hollanders, die voor deze hooge, goedbezoldigde betrekking zonder eenige moeite te vinden waren geweest;—de jaarlijksche rentelast was gestegen van dertig tot veertig millioen; de nationale schuld was om deze reden getiërceerd, waardoor heel wat renteniertjes tot armoede vervallen en veel liefdadige instellingen in haar inkomsten benadeeld waren. In 1808 en 1809, onder Louis, was het nog erger; op de schuldbrieven werd toen in ’t geheel niets betaald. Thans zouden de schuldeischers van den Staat, waarvan velen die effecten ver beneden pari hadden gekocht, in elk geval eenige rente ontvangen. De Fransche taal moest op alle scholen worden onderwezen; in October 1810 was de zoo gehate conscriptie ingevoerd. De Code Napoleon moest worden gevolgd; de haringvisscherij was met het oog op het smokkelen verboden. Java was verloren gegaan. Op een begrooting van 155 millioen kwamen jaarlijks 45 millioen te kort; eindelijk had Holland zijn zelfstandig bestaan verloren.

Reden tot juichen en feestvieren bestond er voor de menschen dus niet. Toch werd er bij zijn komst te Utrecht en te Amsterdam gejuicht, dat de vensterruiten er van schudden; toch werd daar feest gevierd, toch verdrong de bevolking zich overal om hem te zien, te begroeten en hem zelfs de hand te kussen. Amsterdam sloofde zich letterlijk uit om hem hulde te betuigen en oogstte hierbij zelfs lang niet altoos dank in, want van tijd tot tijd was hij tegenover “die goede, brave” Hollanders, zooals hij ze noemde, ruw en grof genoeg.

Toch waren deze hoera’s, deze spontane uitingen der volksmenigte, te begrijpen, want die kleine, vrij zware man met zijn bleek en strak gelaat in zijn eenvoudige uniform met dien nu eens gestrengen dan weder zachten blik, was Napoleon, de imperator op het toppunt van zijn macht, wiens rijk zich uitstrekte van de Elbe tot aan de Pyreneën; en dergelijke grootsche figuren zullen door alle eeuwen heen uitbarstingen van hulde en vereering op hun weg ontmoeten, omdat de mensch nu eenmaal niet laten kàn zich diep te buigen voor grootheid en faam.

Onmenschkundig, kleinzielig zou het dus wezen de bevolking in Holland van die huldebetuigingen een verwijt te maken of onloochenbare feiten te willen verbloemen, alsof ze een schande waren. Toch is dit ten opzichte van Napoleons bezoek zelfs door schrijvers van naam in Nederland vaak genoeg geschied.

Na Texel en de havenwerken aan den Helder te hebben bezocht, overal bevelen gevende, alles zelf willende zien, door zijn juisten blik en zijn afdoend [318]ingrijpen, waar hij fouten ontdekte als altoos en overal weder een raadsel voor allen, die hem vergezelden, ging hij ook Zaandam en het huisje van Czaar Peter bezichtigen.

“Die man had wel wat beters kunnen doen dan hier zijn handen te komen vuil maken met timmeren,” vond hij. Zaandams zindelijk voorkomen trok hem meer aan dan die bouwvallige keet.—Over Wezel, dat hij tot een tweede Straatsburg wilde maken, en Keulen keerde hij naar Frankrijk terug.

In de gewesten, waar Fransche troepen stonden, doch vooral langs de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel, zoomede te Dantzig, heerschte inmiddels reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid. Derwaarts togen te voet en per scheepsgelegenheid duizenden jonge mannen van verschillende natiën, die vroeger gedeserteerd of aan de conscriptie ontloopen waren, om onder Davousts gestrenge vuist gekleed, gewapend en gedrild te worden. Derwaarts werden honderdduizenden hectoliters graan, reusachtige voorraden wijn, kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden, voldoende om een macht van circa 500.000 krijgers voor geruimen tijd van al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand gansche korpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk, uit Spanje, uit Italië en Duitschland, met kleine dagmarschen, om eerst langs de Oder en later langs oevers van de Weichsel te worden opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte voertuigen aangemaakt, pontontreinen samengesteld, in één woord al de voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo groot als zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren, over een breed front, van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk naar Ruslands grenzen te voeren.

Het plan om Rusland te beoorlogen stond reeds lang bij Napoleon vast. In Augustus 1811, op zijn geboortedag, was dit uit een gesprek met den Russischen gezant te Parijs voor een ieder, die hem kende en die bij dat gesprek tegenwoordig was geweest, duidelijk gebleken. Alleen was de tijd voor de uitvoering nog niet gekomen, omdat het jaar 1811 misgewas had gebracht. Deze omstandigheid, de voeding en verpleging van duizenden menschen en paarden op een betrekkelijk kleine ruimte en de hiertoe vereischte maatregelen maakten het dus een gebiedenden eisch, den veldtocht niet te openen vóór den zomer van 1812, dus als het koren op het veld stond en de moerassige terreinen, ten oosten van de Weichsel in Polen en Volhynië opgedroogd en begaanbaar geworden waren. Tot zoolang moest de tegenpartij dus misleid en aan de praat gehouden worden.

Aan ernstige pogingen om den Keizer op zijn voornemen te doen terugkeeren ontbrak het in die dagen volstrekt niet. Zijn halsstarrig vasthouden aan het idee, dat eenmaal Rusland gedwongen het continentaal stelsel krachtig [319]ten uitvoer te leggen, hij hiermede Engeland den doodsteek zou hebben toegebracht en gepaard aan zijn hartstochtelijke begeerte Alexander te doen bukken voor zijn wil was oorzaak, dat al deze pogingen schipbreuk leden.

Doof bleef hij voor de vertoogen van de Cambacérès en voor die van Talleyrand, al was deze geen minister meer, doof voor de woorden van de Caulaincourt, dien hij reeds in Mei 1811 uit Petersburg had teruggeroepen en vervangen door den eerlijken generaal Lauriston. Tevergeefs schreef deze hem, dat keizer Alexander geen oorlog wilde en zich alleen wapende, omdat zijn eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en Pruisen hem hiertoe dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven, daarbij beheerscht door een soort van grootheidswaanzin, bleef hij onverzettelijk. In 1805 en in 1807 had hij Rusland geslagen doch niet onderworpen; thans zou hij het genade doen vragen.

Van al de ellende en de tranen, die het jaar 1812 brengen zou, droeg het verderfelijke, alle welvaart, allen voorspoed doodende Continentale Stelsel dus ten slotte grootendeels de schuld. Napoleon verkoos dit stelsel te doen zegevieren. Alexander verkoos niet voor hem te bukken. Oorlog moest hiervan het gevolg zijn.

Napoleon had zijn militaire maatregelen voor den veldtocht genomen; om zijn topografisch bureau de gegevens voor een goede kaart van het oorlogsterrein te bezorgen, had hij zelfs de koperen platen weten machtig te worden, waarop die voor de Russische staven waren gegraveerd; wel een bewijs hoe in Rusland ook toen reeds letterlijk alles voor geld te koop was.

Eindelijk had hij zich reeds in het begin van 1812 door een verbond met Oostenrijk en met Pruisen zoo sterk mogelijk gemaakt. Bevreemding mag het wekken, dat hij niet tegelijkertijd een of- en defensief verbond sloot met Turkije. Reeds geruimen tijd was de Groote Heer met Rusland in oorlog en eerst kort te voren had een wapenstilstand aan het bloedvergieten tijdelijk een einde gemaakt; doch mogelijk achtte hij zich reeds sterk genoeg. Een poging door hem nog in Mei gedaan om met de Porte tot een verbond te geraken bleef zonder resultaat.

Voor de groote bezwaren, aan een veldtocht tegen Rusland verbonden, was de Keizer inmiddels volstrekt niet blind; voortdurend trachtte hij zijn kennis betreffende dit land, zijn ligging, hulpbronnen, grondgesteldheid en bewoners te vermeerderen. Vooral hechtte hij groote waarde aan de inlichtingen, hem verstrekt door den luitenant-kolonel de Pouthon, een even bekwaam als bescheiden man, die na den vrede van Tilsit op uitnoodiging van keizer Alexander zelf eenige jaren bij het Russische leger had gediend.

Onomwonden wees deze hoofdofficier hem op de gevaren, welke een leger ginds dreigden door de daar heerschende schaarste aan levensmiddelen en fourage, de onafzienbare, zoo goed als onbewoonde landstreken, die moesten gepasseerd, den staat van doffe onverschilligheid waarin de bevolking [320]van Litthauen onder het juk der Russen was verzonken, het gloeiende fanatisme der Moskovieten zelven en op de volslagen onmogelijkheid om zoodra de winter inviel, met een leger het veld te houden. Zooveel ernstige moeilijkheden, zooveel te overwinnen hinderpalen!—Verscheiden dagen lang bleef de Keizer in gepeins verzonken. Enkelen uit zijn omgeving meenden reeds, dat de Caulincourt het pleit had gewonnen; dat de veldtocht in elk geval zou worden uitgesteld. IJdele hoop!

De vleitaal van mannen als Maret behaalde ten slotte de zege over de stem van het gezonde verstand.

Den 9en Mei vertrok de Keizer met zijn gemalin en kwam den 17en te Dresden. Hier had hij al de vorsten van het Rijnverbond en ook den keizer van Oostenrijk, die zijn dochter sinds haar huwelijk niet wedergezien had, tot een bijeenkomst samengeroepen. Zelfs Frederik Wilhelm had voor deze uitnoodiging niet durven bedanken.

Napoleon had daar zijn Salon van Koningen, misschien wel met de geheime gedachte, dat de berichten over zulk een reusachtig bondgenootschap Alexander ten slotte tot nadenken en toegeven zouden stemmen.

Hiervan was echter geen sprake. Alexander was herhaaldelijk diep gegriefd en—Rus van geboorte.

Wanneer wij hierbij voegen, dat de Russische adel toch reeds in hooge mate ontstemd was door zijn vroegere vriendschappelijke houding tegenover Napoleon en door zijn aanvankelijk medegaan met de beginselen van het Continentale stelsel, waardoor hun de gelegenheid werd afgesneden de producten hunner landgoederen af te zetten in den vreemde; wanneer wij tevens in aanmerking nemen, dat hij hierdoor kans liep te eeniger tijd het lot van zijn vader Paul I te deelen, eindelijk, dat de invloed van Engeland zich te St. Petersburg weder deed gelden, dan is zijn houding zeer goed begrijpelijk.

“Den oorlog wensch ik niet; word ik niettemin er toe gedwongen, dan zal ik hem voeren tot het uiterste,” had hij vroeger reeds bij herhaling eerst aan de Caulaincourt, daarop aan Lauriston te verstaan gegeven. Zijn ukase van 15 Januari 1811 betreffende den invoer van Fransche en Duitsche goederen en de toelating van schepen onder Amerikaansche vlag in zijn havens, had reeds bewezen, dat óók hij een wil had.—Tegenover Frankrijks krijgstoerustingen had hij evenmin stilgezeten.

Dat hij het van Napoleon winnen en den Niemen overtrekken zou, voordat de eerste met zijn krijgstoerustingen gereed was, behoefde echter niemand te vreezen. Hoewel enkele personen uit zijn omgeving hem hiertoe trachtten te bewegen, bleef hij onverzettelijk bij zijn eenmaal uitgesproken voornemen om zelf geen enkele vijandelijke daad te plegen maar achter de grensrivier, den Niemen, te blijven en hier af te wachten wat zijn tegenpartij zou doen.

Napoleon en zijn zoon.

Napoleon en zijn zoon.

[321]

Omtrent de voornemens van Napoleon maakte Alexander zich, reeds sinds de maand Maart was ingetreden, weinig of geen illusies meer. Toen had deze namelijk den kolonel van Czernicheff, een Russisch edelman, die reeds herhaalde malen met kiesche zendingen tusschen Parijs en St. Petersburg was belast geweest, bij zich zien verschijnen met een brief van Napoleon zelf.

Dit schrijven was vredelievend genoeg gesteld, maar ’t geen de kolonel in Frankrijk zelf en op zijn reis door Duitschland met eigen oogen had gezien, n.l. die reusachtige troepenverplaatsingen naar het oosten, was met den inhoud van den brief in tegenspraak. Bovendien had Czernicheff zich voor grof geld uit de Fransche bureaux van oorlog de sterktestaten der reeds op marsch zijnde troepenafdeelingen weten te verschaffen; deze hieven allen twijfel op.

Nu het niet langer een geheim voor hem was, wat er ten westen van den Niemen broeide, had Alexander in ’t begin van April onderhandelingen met Engeland over een of- en defensief verbond geopend. Met Bernadotte eveneens. Aan Turkije had hij voorstellen gedaan om vrede te sluiten, en den 21en April was hij ten slotte naar zijn leger vertrokken, dat onder Barclay de Tolly om en bij Wilna was samengetrokken, alleen om den wensch van het volk te bevredigen en te voorkomen dat zijn onderbevelhebbers overgingen tot daden, die het uitbreken der vijandelijkheden terstond tengevolge zouden hebben gehad. Nog altoos hoopte hij op een bevredigende oplossing.

Lauriston had hij naar Wilna niet medegenomen, doch hem te St. Petersburg achtergelaten. Aan den heer de Narbonne, die in 1809 gouverneur was geweest van Raab, en die hem in de laatste dagen van April door Napoleon was toegezonden om hem betreffende zijn plannen te polsen, gaf hij in zijn hoofdkwartier te Wilna te verstaan, dat hij vrede wilde, doch dat Napoleon Pruisen dan moest ontruimen en niet langer aandringen op de gestrenge handhaving van het Continentale Stelsel.—In elk geval zouden de vijandelijkheden niet door hem worden begonnen.

Juist om deze laatste verzekering was het Napoleon voornamelijk te doen geweest. Hij had tijd gewonnen, rustig kon hij nu met zijn toebereidselen voortgaan en zijn macht langzaam verder naar den Niemen vooruitschuiven, tot de 22e Juni was bereikt.

Den 29en Mei begaf hij zich eveneens naar zijn leger en nam zijn reis daarbij over Mariënburg, Thorn en Dantzig, niet over Warschau, zooals de Polen hadden gehoopt.

Maria Louise bleef haar vader, die met haar stiefmoeder naar de baden te Töplitz zou gaan, nog eenige dagen gezelschap houden, schonk aan beiden de overtuiging, dat zij zich in haar nieuwen toestand gelukkig gevoelde, dat zij veel van haar man hield en dat deze zeer lief voor haar was, en keerde over Praag terug naar Parijs. [322]

Te Mariënburg vond Napoleon Davoust. Onderweg had hij kunnen zien hoe geducht vooral de Wurtemburgers en de Pruisen in de door hen gepasseerde landstreken hadden huis gehouden en geroofd.—Hij had Davoust in de laatste twee jaar niet ontmoet en had tevreden kunnen zijn over de wijze, waarop deze zijn reusachtige taak had volbracht. De weinig spraakzame, doch eerlijke en zeer gestrenge maarschalk toch had niet alleen zijn eigen legerkorps, het 1e uitmuntend uitgerust;—ieder man droeg b.v. drie paar schoenen en levensmiddelen voor tien dagen bij zich—maar ook de geweldige massa materieel bijeengebracht, noodig voor een leger van 500.000 man, benevens 1800 vuurmonden met hun geheele uitrusting voor twee veldtochten, zes veldbruggentreinen, twee artilleriebelegeringsparken en een groot geniepark. Dan had hij te Dantzig, te Elbing en te Braunsberg kolossale magazijnen doen aanleggen en alle maatregelen getroffen om een deel van den benoodigden voorraad, als meel en buskruit, per scheepsgelegenheid over de Pregel en den Niemen naar Rusland te vervoeren.

Toch was Napoleon niet tevreden; hij was zelfs koel en onvriendelijk. In de breede strook grondgebied van Hamburg tot aan de Weichsel, waarover de maarschalk maanden lang het beheer had gevoerd, had hij diens lof op verschillende plaatsen hooren verkondigen. Daarbij liep het gerucht, dat de Polen bij een mogelijk herstel hunner onafhankelijkheid aan hem hadden gedacht als aan hun aanstaanden koning. Dit hinderde den Keizer en Berthier, jaloersch op de groote krijgskundige bekwaamheden en het organiseerende talent van zijn krijgsmakker, die niet vergeten was, wat er in 1809 bij Regensburg tusschen hen was voorgevallen en welken flater hij toen zelf had gemaakt, wees daarbij op de eigenmachtige manier, waarop Davoust enkele wijzigingen had gebracht in bevelen, die niet strookten met den toestand ter plaatse.

Napoleon was dus ontstemd.—Wat dachten die maarschalken dat ze allemaal koning konden worden? In Portugal had de bevolking aan Soult een kroon willen geven. In Zweden was Bernadotte reeds kroonprins. Deze had het gewaagd hem zijn bemiddeling in de quaeste met Rusland aan te bieden, en hem zelfs bij geheime nota aan Bassano voor te slaan zijn bondgenoot te worden, als hij 20 millioen kronen en Noorwegen kreeg. Noorwegen nog wel, dat toebehoorde aan Denemarken, Frankrijks getrouwsten bondgenoot!

Een eerlijk verdiende tevredenheidsbetuiging ontving Davoust dus niet; maar geen vleier of salonheld, daarbij Napoleons lichtgeraaktheid van oudsher kennende, trok hij zich dit zeer weinig aan. Hij ging op marsch naar Koningsbergen naar zijn korps, het sterkste en stellig het best gedisciplineerde van de geheele armee, circa 73.000 man.

Te Dantzig vond Napoleon zijn zwager Murat, dien hij uit Napels had [323]ontboden om de cavalerie te commandeeren. Murat was boos, omdat hij het lot van Jérome gedeeld en evenals deze bevel ontvangen had niet te Dresden te verschijnen.

In gezelschap van de Caulaincourt, Berthier, Duroc en Rapp bleef de Keizer eenige dagen te Dantzig. Hier moest hij van Rapp onbewimpeld hooren, dat zeer velen den aanstaanden veldtocht in hooge mate afkeurden; doch hij stoorde er zich niet aan en antwoordde, “dat de heeren oud begonnen te worden en dat zij tegenwoordig te veel op hun gemak waren gesteld.” Een dag of wat later verklaarde hij Rusland onder een gezocht voorwendsel van vormen en etiquette den oorlog en stond den 23en Juni met 325.000 soldaten, in 10 korpsen verdeeld, in eerste linie, en 200.000 op afstanden daarachter tusschen Tilsit en Warschau, op den linkeroever van den Niemen. De macht onder zijn bevelen om en bij Kowno bedroeg circa 200.000 man. Zelf verkende hij met generaal Haxo de plaats, die deze laatste voor den bouw van drie bruggen het geschiktste had geoordeeld en liet daarna met dezen arbeid aanvangen.

Dienzelfden avond nog bij heerlijk zomerweder begon o.a. bij Poniémon de overtocht, het korps van Davoust aan het hoofd. Weerstand werd nergens geboden; slechts enkele kozakken werden gezien. Drie dagen vorderde deze rivierovergang. Toen stonden ruim 400.000 krijgers op Russisch grondgebied.

Welke terreinen zouden deze nu hebben te doorschrijden?

De onafzienbare vlakten tusschen de Oost- en de Zwarte Zee worden ten oosten van de Weichsel doorsneden door de Pregel, den Niemen en de Duna of Dwina, die naar het westen, en door den Dniester en den Dnieper, die naar het oosten stroomen. Hoe meer men de bronnen der eerstgenoemde rivieren nadert, hoe schraler en zandiger de bodem wordt. De bewoners zijn er dun gezaaid en arm, wonen in meestal ver uiteengelegen dorpen, zijn ruw en onbeschaafd, en worden door de talrijke daar verblijf houdende joden totaal uitgezogen. Moerassige terreinen en dichte, zware bosschen wisselen elkander af. Men bevindt zich daar in ’t hartje van het oude Polen en van Litthauen. Lange reeksen breede zeer primitieve bruggen voeren door de moerassen en over de rivieren. De wegen zijn gemaakt van fascines en knuppelhout, ruw en ongelijk, hier smal, daar breed, al naar gelang de bodem het toelaat, doch voor groote troepenmassa’s vooral bij slecht weder moeilijk begaanbaar.

Tusschen de bronnen van de Duna en die van den Dnieper, een afstand van circa 20 uur gaans tusschen Witebsk en Smolensk dus, heeft de natuur een toegang, een soort van reusachtig defilé gevormd, dat men de Poort van het Oosten zou kunnen noemen. Daar ligt de grens tusschen Oud-Polen en Rusland. Daar kan het water ook beter afvloeien dan in de meer westelijk gelegen slechts hier en daar flauw glooiende terreinen. De bosschen verdwijnen [324]De reusachtige, droge vlakten van Oud-Rusland met Moskou, de Heilige Stad er middenin, nemen hier een aanvang.

Dat hij tusschen de bronnen van de Duna en van den Dnieper door moest had Napoleon terstond ingezien. Van de vier wegen naar het oosten koos hij voor zijn hoofdmacht een der twee middelste n. l. die, welke van Kowno over Wilna naar Witebsk en verder over Wiasma en Borodino naar Moskou leidde. De andere middenweg, die over Grodno, Minsk, Borissow en Smolensk, was veel korter doch liep voor een groot deel vlak langs het reusachtige moeras van Pinsk. Daarbij voerde de eerste recht op het Russische hoofdkwartier, op Wilna aan.

Hij had zijn doel bereikt; hij stond thans aan de westelijke grens van een vlak laag land, dat weinig drinkbaar water bevatte en slechts hier en daar, o.a. ten Westen van Wilna en ten oosten van Smolensk aan de Wob, heuvelachtig was; en Alexander was hem niet vóór geweest.—Behalve het leger, dat bij Kowno was overgegaan met Eugène’s macht bij Rastenburg hierachter, had hij Macdonald met zijn Duitsche en Poolsche regimenten, benevens een Pruisisch hulpkorps onder Yorck bij Tilsit verzameld, gereed om op Riga en Koerland los te gaan. Bij Warschau had zijn broeder Jérome drie korpsen, onder Poniatowski, Reynier, en van Damme, benevens een cavaleriekorps onder zijn commando; nog verder zuidelijk en komende van Lemberg rukte het Oostenrijksche hulpleger van Schwartzenberg, circa 33.000 man sterk, op in de richting van Lublin.

Van de tegenpartij was bekend, dat deze een macht van circa 130.000 man onder Barclay de Tolly, met Wittgenstein als commandant van den rechtervleugel, in een lange lijn in de omstreken van Wilna had bijeengetrokken; dat generaal Bagration met circa 50.000 man zich ten zuiden van Grodno, ongeveer bij Mir, bevond. Dat deze met Barclay’s linkervleugel reeds voeling had gekregen, wist Napoleon echter evenmin, als dat een reserve-leger van 43.000 man onder Tormassof Bagration daar in de laatste dagen had vervangen, en dat deze reeds naar het noordoosten op marsch was om zich met Barclay te vereenigen.—Napoleon zocht dezen nog tusschen Brzesc of Brest Litewsky (ten oosten van Warschau) en Grodno en meende, dat hij naar Wilna wilde rukken om hier bij de hoofdmacht aan te sluiten.

Deze dunne lange linie wilde hij in ’t midden doorbreken. Met Davoust, Oudinot, Ney en de garde, benevens twee cavaleriekorpsen onder Murat als voorhoede, zou hij tegen Wilna oprukken. Eugène mocht met twee korpsen en de cavalerie van Grouchy rechts achterwaarts van hem als tweede linie volgen. Nog meer rechts achterwaarts zou Jérome van Warschau uit op Grodno aanrukken. Zooals de Keizer het uitdrukte, “maakte hij dus een beweging met den linkervleugel voor, terwijl hij zijn rechter voortdurend terughield.”

Rukte Bagration op tegen Warschau, dan moest Jérome daar en achter [325]de Narew blijven staan en de Russen bezighouden, tot Eugène deze in de flank en hij zelf uit Wilna hen in den rug kon grijpen, om hen totaal van den terugtochtsweg af te snijden.

Bagrations leger vernietigen was dus zijn eerste doel.

Een “prachtig plan” is het door deskundigen genoemd. De uitvoering is echter zoo goed als achterwege gebleven. Barclay, veel te zwak om aan die overmacht weerstand te bieden, liet Wilna los en ging zonder vechten terug in de richting van de Duna en van een versterkt kamp aan die rivier bij Drissa.—Bagration ontving order zich ongeveer in diezelfde richting te bewegen.

Na een vierdaagschen marsch werd door de Franschen Wilna bereikt Wat de tegenpartij uitvoerde was hun nog lang niet duidelijk geworden.

Terwijl Oudinot, die reeds van Kowno uit den weg naar het noordoosten, naar Dunaburg was ingeslagen, nu onder kleine gevechten met Wittgenstein verder naar de Duna trachtte door te dringen, ging Davoust van Wilna op marsch in de richting van Smorgoni, en Murat eveneens in de richting van Dunaburg en van Grubokoje om te verkennen.

Nu merkte Davoust, dat de troepen, die men aanvankelijk had aangezien voor afdeelingen van Bagration, slechts linkervleugeltroepen waren van den teruggaanden Barclay.—Stellig rekenende, dat Jérome, die door Napoleon met geforceerde marschen naar Grodno was gezonden, Bagration achterna, aan deze order had voldaan en de Russen dicht op de hielen zat, hield Davoust den 3en Juli dus halt bij Ochmiana ten westen van Smorgoni, om Bagration, als deze naderde, in de linkerflank te vallen. Maar in weerwil van de booze brieven van zijn keizerlijken broeder, had Jérome Bagration niet achterna gezet en was te Grodno gebleven. De Hessen en de troepen van Westfalen, niet gewoon in een schier tropische hitte langs zware, schaduwlooze zandwegen bijna zonder drinken dagen achtereen snel te marcheeren, konden voorloopig niet verder. Jérome’s macht telde reeds eenige duizenden achterblijvers; van de paarden lagen er honderden uitgeput, van dorst gestorven langs den weg.

Wel rukte Davoust, versterkt door een divisie der garde, nu naar Minsk in de hoop Bagration, die blijkbaar zuidwaarts uitweek, nog voor te komen aan den Dnieper; wel ging Jérome na een paar dagen rust weder op marsch, doch reeds was Bagration niet meer te vangen. Den 14en Juli marcheerde deze naar Bobruisk aan de Berezina, in de hoop van hier Smolensk te bereiken en de hoofdmacht aan de Dwina langs dezen omweg te naderen.

Davoust doorzag dit plan geheel en trachtte het door een geforceerden marsch naar Mohilew te doen mislukken. Werkelijk stiet Bagration den 23en hier op hem, doch aangezien Davoust aanvankelijk slechts één divisie ter plaatse had, kon hij den Rus niet beletten na een kort doch scherp gevecht [326]nogmaals uit te wijken naar het oosten, zich aan een vervolging te onttrekken en ten slotte Smolensk toch te bereiken. Jérome had van Napoleon terecht moeten hooren, dat hij door zijn werkloos staan blijven te Grodno den vijand had gered, hij had het legerbevel moeten overdragen aan Davoust, en was hierover zoo ontstemd, dat hij ook zijn eigen commando neerlegde. Napoleon deed hem het leger verlaten en naar Kassel terugkeeren.—Voor Jérome kwam Junot als korpscommandant in de plaats, geen gelukkige ruil.—Aan den ongunstigen loop, dien de zaken bij zijn rechtervleugel hadden genomen, had de Keizer o. i. echter zelf de meeste schuld.—Hij had zijn jongen onervaren broeder op het oorlogsveld doen gaan vóór een beproefden generaal als Davoust, en een dergelijke onhandige zet straft zich bijna altoos zelf. Terwijl hij de zaken bij Jérome zag misloopen, was hij zelf te Wilna gebleven, had den eenen boozen brief na den anderen geschreven, maar had bij Grodno niet zelf de opperste leiding in handen genomen, terwijl zijn tegenwoordigheid in die dagen te Wilna—hij bleef er tot den 16en—niet dringend noodig was.—Thans was het eerste doel van den veldtocht volkomen gemist. Bagration kon zijn troepen over den Dnieper brengen. Tegelijkertijd kwam een nieuw gevaar opzetten n.l. Tormassof met zijn reserveleger. Uit het zuiden rukte hij voorwaarts om den terugtochtsweg van het Fransche leger te bedreigen, zoodat aan Reynier moest worden opgedragen, (11 Juli), met Schwartzenberg tegen dezen nieuwen vijand front te maken.

Reeds in 1812 was Napoleon niet meer de broodmagere generaal Bonaparte van 1796 of de Keizer van 1805, de man, die altoos overal zelf kwam, waar het spande. Hij begon dik en pafferig te worden; daarbij kwamen lichte blaasaandoeningen, die hem hinderden bij ’t rijden; voorts leed ook hij te Wilna geducht van de ontzettende hitte, die menschen en paarden amechtig deed neervallen, en die evenals vroeger in Egypte verscheiden soldaten tot zelfmoord bracht.

Ook was hij te Wilna niet gelukkig in de keuze der personen, die hij hier met het beheer der zaken belast had. Maret, de hertog van Bassano, tevens minister van Buitenlandsche Zaken, voor de civiele zaken bestemd, was een vleier en een hoveling doch geen man van groote bekwaamheid en werkkracht; generaal van Hogendorp, aan wien de leiding der militaire aangelegenheden was opgedragen, miste voldoende talen- en militaire kennis voor zijn zware taak, en—in de hoofdplaats van Litthauen viel reusachtig veel te doen. Magazijnen moesten aangelegd, broodbakkerijen en ovens gebouwd, logies voor de doortrekkende aanvullingstroepen gezocht worden; daar moest in één woord voorzien worden in tal van zaken, noodig voor de aanvulling van het leger en zijn verplegingsmiddelen. Een man als Davoust zou daar op zijn plaats zijn geweest. Een werkkring voor den Keizer, die alleen hoofdzaken regelde, was daar niet. [327]

Dan vond Napoleon weinig steun meer bij den Poolschen adel. Deze had gewild, dat hij bij zijn komst gansch Polenland officieel vrij verklaard en weder tot een koninkrijk verheven had; dan zouden al de provinciën in opstand zijn gekomen, en zou een leger van 300.000 man terstond tot zijn beschikking geweest zijn. Een oorlog met Pruisen en met Oostenrijk, die deelen van Polen in bezit hadden, zou hiervan het gevolg zijn geweest; hij had die driftige heeren dus een ontwijkend antwoord gegeven.

Wel hadden eenige heethoofden nu weten te bewerken, dat er te Warschau een zoogenaamde Nationale Rijksdag bijeenkwam, die het herstel der onafhankelijkheid van het voormalige koninkrijk Polen afkondigde; doch zelfs deze zeer ondoordachte handeling bracht in zijn inzichten geen verandering.

Terstond daarop verminderde de geestdrift voor hem. Onder den adel te Wilna waren nauwelijks twintig jongelieden te vinden om als gardes d’honneur bij hem dienst te doen; aan de Fransche troepen op hun doortocht werden nu vaak zelfs de eenvoudigste levensbehoeften geweigerd.—Niema panie (er is niets) werd zelfs een stopwoord bij de soldaten.

Reeds in de eerste dagen deed Napoleon de ervaring op van ’t geen zijn krijgers op dit oorlogstooneel te wachten stond. In het begin van Juli kon Ney, naar de Duna op marsch, zijn artillerie niet meer vooruitkrijgen; de paarden vielen dood voor de stukken. Men begon ossen voor de caissons te spannen.—Vooral de cavalerie leed ontzettend. Een paar dagen slecht weder, een paar bivaknachten op den doorweekten bodem, gepaard aan slecht drinkwater, onvoldoend en meestal groen voeder zonder haver, deed het verlies aan paarden weldra stijgen tot duizenden stuks. Voegt daarbij, dat Murat zijn cavalerie op onverantwoordelijke wijze misbruikte; dat gansche escadrons vaak een vol etmaal opgezadeld en opgestangd bleven staan; dat de meeste dieren jong waren en reeds geduchte marschen door half Europa achter den rug hadden, dan zal het niemand verbazen, dat het verlies van paarden weldra steeg tot een angstwekkende hoogte, vooral toen de wegen door het gebruik weldra zoo slecht werden, dat zelfs lichte voertuigen met fourage niet meer konden volgen. Bij de troepen onder Jérome, die bij Grodno reeds dagelijks horden kozakken van Platof voor zich hadden en overal afschuwelijke wegen vonden, slonken de bespanningen toen reeds letterlijk zienderoogen weg. En de soldaten zelf?—Vooral bij de Duitsche, de Hollandsche en de Italiaansche regimenten was het aantal achterblijvers en maraudeurs weldra zeer groot. De verzengende hitte, de overgroote vermoeienis, het onvoldoende voedsel en het ellendige drinkwater waren de oorzaak. Alleen bij de Fransche regimenten zag men minder achterblijvers; bij de garde aanvankelijk in ’t geheel niet; maar deze volgde de hoofdwegen; in haar onderhoud werd steeds in de eerste plaats voorzien. Zoodoende hoorde Napoleon weinig of geen klachten. [328]

De omsingeling van Bagration mislukt, besloot hij Barclay, die den 11en Juli de Duna had bereikt, te lijf te gaan. Terwijl Oudinot en Murat hem in front bezighielden, zou Eugène met zijn korpsen hem uit de richting van Witebsk in de flank grijpen, naar ’t noorden dringen en den weg naar Moskou zoodoende vrijmaken.—Barclay wachtte den stoot niet af. Hij wist, dat Bagration naar Smolensk rukte. In denzelfden nacht, dat de Keizer bij Witebsk zich gereed maakte hem aan te grijpen,—doch dit niet deed, omdat hij nog niet al zijn korpsen bij zich had aangetrokken—verliet hij zijn stellingen en toog over Poritsche naar Smolensk (27 Juli). Zelfs zijn spoor was niet weder te vinden.—“De fortuin is een vrouw; mist ge heden een ontmoeting met haar, morgen is zij verdwenen,” had Napoleon vroeger vaak tegen anderen gezegd. Deze waarheid scheen hij thans vergeten; bij Witebsk had hij de zoo lang en zoo vurig gewenschte kans om eindelijk eens een grooten, beslissenden slag te leveren laten voorbijgaan.—Alleen aan de Duna werd nu gevochten.

Zoo werd Polotzk den 18en Augustus door generaal Saint-Cyr, die Oudinot na zijn verwonding in ’t commando was opgevolgd, glansrijk genomen. De Keizer schonk dezen zeer kundigen doch zonderlingen en onhandelbaren man, die overal een viool met zich medevoerde, hiervoor den maarschalkstaf, doch grooten invloed op den loop van den veldtocht had die overwinning niet.—Ook Wittgenstein trok ten slotte terug, dieper Rusland in.

Te Witebsk gaf de Keizer zijn afgematte troepen een week rust. Reeds was zijn macht in eerste linie geslonken tot 129.000 man, verspreid over een lijn van 27 Duitsche mijlen, n.l. van Polotzk over Witebsk naar Mohilew. Bij de Beieren onder Wrede, ingedeeld bij het korps van Saint-Cyr, begon de geestkracht reeds te verdwijnen. Weldra zag men velen, door heimwee aangegrepen, naar de hospitalen te Polotzk wankelen om daar te vragen naar de sterfkamer. Hier strekten ze zich dan uit op het stroo om niet meer op te staan. Op die wijze smolten gansche bataljons weg, zoodat Wrede verplicht was de vaandels er van in zijn bagagewagen te bergen. Saint-Cyr in kwartier in het Jezuïetenklooster met een overdaad van wijn, bier, olie en meel in de kelders, speelde intusschen viool, duldde geen enkelen gekwetsten of zieken soldaat in het reusachtige gebouw,—hij wilde alleen zijn—deed niets om het moreel zijner mannen op te heffen en was ternauwernood te bewegen een paar flesschen wijn af te staan voor een gekwetsten hoofdofficier. Om zijn soldaten bekreunde hij zich nooit.

In de laatste dagen van Juli stond de hoofdmacht in de lijn Mohilew-Orscha-Witebsk-Polotzk.—Davoust was naar Orscha op marsch, waar Junot reeds was. Tormassof in Volhynië, ten noordoosten van de lijn Brest-Kobryn, werd nog door Schwartzenberg en Reynier in bedwang gehouden; voorloopig kon hij met zijn door Napoleon veel te gering geschatte macht niet [329]noordwaarts dringen. Eenig succes van beteekenis was nog nergens door de Franschen verkregen.

Dat de Keizer een korten tijd zwanger zou hebben gegaan van het plan om in bovengenoemden lijn te blijven staan, hier de winterkwartieren te betrekken en den veldtocht in het volgende jaar voort te zetten, is door enkelen beweerd doch door niets bewezen; ook is het niet aannemelijk, dat de gedachte aan zulk een maatregel, hem meer dan enkele oogenblikken kan hebben beziggehouden. Door zulk een weifelend optreden zou hij aan zijn prestige tegenover Europa een geduchten knauw hebben gegeven.

Inmiddels werd door Schwartzenberg en Reynier in de omstreken van Gorodetschna en Kobrin met Tormassofs troepen herhaaldelijk geschermutseld, zonder dat ook hier een beslissing viel; Macdonald toog naar Dunaburg, dat nu door de Russen werd verlaten, terwijl York Riga berende.

Reeds had de Keizer alle toebereidselen doen maken om den 13en Augustus den marsch naar Smolensk te hervatten—dat Bagration zich hier met Barclay vereenigd had, was hem nu bekend—toen het rapport betreffende een scherp gevecht bij Inkowo, in de omstreken van Poritschje, waarbij Montbruns cavalerie was teruggeworpen, hem het bewijs kwam leveren, dat de tegenpartij tot het offensief was overgegaan.

Wat was het geval?—In de meening, dat het hem weinig moeite kosten zou de oogenschijnlijk dunne lijn van vijanden op een of ander punt te doorbreken, dus een succes te behalen en hierdoor de bevrediging te geven aan de oud-Russische partij, die hem, den buitenlander, zijn aanhoudend retireeren verweet en zijn vervanging reeds luide eischte, had Barclay de Tolly den 7en uit Smolensk een offensieve beweging ingeleid in noordwestelijke richting.

Terstond besloot de Keizer weder tot een van die gedurfde strategische zetten, welke wij bij Ulm, bij Jena, later nog bij Regensburg van hem zagen. Davoust ontving bevel bij Rassasna vier bruggen over den Dnieper te doen slaan; en terwijl Barclay letterlijk een luchtstoot deed en zoo goed als geen vijand tegenover zich vond, trok de Keizer, gedekt door het woud van Bieski met zijn gansche hoofdmacht over den Dnieper, om Barclay’s linkervleugel heen naar Smolensk en stond hier een vol etmaal, voordat de Russische hoofdmacht deze door slechts één divisie van Bagration verdedigde, half in puin liggende plaats, had kunnen bereiken.

Den 17en wordt Smolensk, de Heilige Stad, met haar eeuwenoude, meters dikke muren met alle kracht aangegrepen. Geweldig is de worsteling; de Russen, verreweg de minderheid en eerst later door een deel van Bagrations overige divisiën versterkt, vechten als leeuwen om het behoud hunner stad.—Dat ’s Keizers plan Barclay af te snijden van zijn terugtochtsweg en hem naar het noorden terug te werpen niet is gelukt; dat er om Smolensk [330]bijna vier en twintig uur onafgebroken is gekampt; dat Barclay ten slotte in den nacht ongedeerd in de richting van Moskou is kunnen aftrekken, is alleen het gevolg geweest van de weergalooze taaiheid, waarmede Bagrations soldaten, door rijkelijke uitdeelingen van brandewijn nog meer aangevuurd, de verdediging hebben gevoerd o.a. van een circa zes meter dikken baksteenen muur, met een droge gracht en een bedekten weg er voor, die dwars door voorsteden heen de oude stad omsloot.

Eerst in den nacht van den 18en Augustus verliet de Russische achterhoede haar stellingen, nadat ze de voorsteden in brand gestoken en de eenige brug over den Dnieper vernield had. Ney, die onder gestadig vechten met de wijkende troepen vooruitdrong, vond niets dan een gloeienden puinhoop, benevens zeven duizend licht- en zwaargekwetsten, van welke laatsten honderden in die vuurzee den dood vonden.

Het woedende achterhoedegevecht bij Valoutina, dat op den val van Smolensk volgde en o. a. aan generaal Gudin het leven kostte, bewees opnieuw de verbittering der Russen. Was dit gevecht merkwaardig door de houding van Junot, die met zijn korps werkeloos bleef en, hoewel door Ney gewaarschuwd, geen voet verzette om zijn ernstig bedreigde wapenbroeders te ondersteunen, niet minder was dit door de omstandigheid, dat de noodige verbandmiddelen ontbraken en dat stroo, alsmede papier uit Smolensks archieven hiervoor moesten dienst doen.

Weder was het dus niet gekomen tot een slag, zoo beslissend als b. v. die van Friedland; weder was de vijand teruggegaan, gehavend, ja, doch niet overwonnen; weder had de fortuin zich van de Fransche wapenen afgekeerd. De Keizer was thans letterlijk wel gedwongen nog dieper het land binnen te dringen, naar Moskou, in de hoop hier eindelijk een beslissing te doen vallen.

Zwaar was de weg daarheen, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de verpleging in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten. Ontzettend was de ellende, geleden door mensch en dier. Soldaten zag men drinken uit het karspoor, waarin even te voren een paard had “gestald.” En dan de steden, die werden gepasseerd! Dorogobusch, Wiasma, Ghiat, ze waren allen grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen verkeerd.

Toch werd de marsch in breed front onafgebroken voortgezet, de vuurmonden en voertuigen in verscheiden gelederen naast elkaar op den breeden, met vier rijen boomen omzoomden weg; daarnaast in de vlakte de infanterie in divisiecolonne, drie gelederen diep, de cavalerie met escadrons in colonne op de vleugels er naast. Om den trein wat minder reusachtig te maken, beval de Keizer alle particuliere rij- en voertuigen te verbranden, maar dit bevel werd òf niet òf slecht opgevolgd.—Onder zulke omstandigheden naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht tegen den 5en September het dorp Borodino, aan den grooten weg naar Moskou. [331]

De voorhoede had hier reeds een rij vooruitgeschoven veldwerken in de nabijheid van het dorp Schiwardino moeten nemen. Alles wees er op, dat het eindelijk zou komen tot een grooten slag.

Ongeveer in de lijn dezer werken begon de Fransche hoofdmacht zich in den morgen van den 7en in slagorde te scharen tegenover de dichte drommen des vijands, die achter de Kologha, een zijriviertje van de Moskowa, hadden stelling genomen, blijkbaar met het voornemen die tot het uiterste te verdedigen. Het legercommando was overgegaan in handen van den ouden, half-blinden maar nog altoos sluwen en vaderlandslievenden volbloed Rus Kutusof, ons van Austerlitz reeds bekend. Barclay de Tolly had moeten zwichten voor den drang der natie, die hem zijn aanhoudend retireeren doch vooral zijn loslaten van Smolensk, de Heilige Stad, niet kon vergeven en die hem bovendien zijn afkomst,—hij was een Koerlander—tot een verwijt maakte, zoo luidde het verhaal; en Kutusof had gezworen, dat Napoleon Moskou’s poorten alleen zou naderen over zijn lijk. Hiervoor was hij door Alexander vorstelijk beloond.

Een reeks van open veldwerken, van welke die van Gorki met tal van kanonnen bewapend de geweldigste was, bekroonde de rij heuvels, waarop hij stelling had genomen. Weldra zou blijken, dat hij hier zoo goed als alleen in front kon worden aangegrepen. [332]

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XXIII.

Bij Borodino. In Moskou.

In weerwil van een zware verkoudheid, welke hem het spreken bijna belette, zat Napoleon nog vóór half drie in den zadel om de vijandelijke stelling te verkennen. Den vorigen dag had hij het portret van zijn zoon ontvangen en dit, om ook zijn soldaten in de vreugde over dit geschenk van zijn vrouw te doen deelen, tegen den buitenwand zijner tent doen ophangen zoodat allen het konden komen bezichtigen. De geestdrift zijner mannen was hierdoor sterk toegenomen, het vooruitzicht eindelijk eens te kunnen afrekenen met dien gehaten, naar wodka riekenden vijand, die ze nog nooit hadden kunnen vastkrijgen en alleen door roof en brandstichting van zijn tegenwoordigheid had doen blijken, deed het overige!

Een salvo uit wel honderd stukken geschut zou het sein wezen tot den aanval. Tegelijkertijd zou Poniatowski tegen den linkervleugel oprukken en een deel van het korps Davoust tegen het centrum.

’t Is bijna zes uur. De dichte, natte nevel, die over het terrein ligt, begint op te trekken. De zon breekt door. Zal ’t die van Austerlitz wezen?

Napoleon gaat zitten op het buitentalud van een der veroverde schansen, eerst om drie uur in den namiddag zal hij die plaats verlaten.

Achter hem, gedekt door een veldwerk en een terreinplooi, staat de garde, zooals altoos op dagen van gevecht, in groot tenue. Die grognards, die reeds grijzende veteranen wachten uren lang, scherp lettende op al ’t geen op de heuvels vóór hen plaats grijpt. Wanneer zal ’t hun beurt worden? Daar dreunt het eerste salvo uit het kanon, doch voor hen geldt dit sein van den aanval nog niet.—Op dezen bloedigen dag zal de garde de beslissing [333]niet brengen. Het commando “Voorwaarts!” zal voor haar niet weerklinken om met een “Vive l’ Empereur” te worden beantwoord. Meer nog dan vroeger zal zij daar, bij Borodino weder den naam verdienen van de “Onsterfelijke,” door de kameraden van de linieregimenten haar wel eens gekscherend gegeven, omdat zij zelden meer in ’t vuur werd gebracht, en de Keizer haar alleen bezigde in uiterste gevallen.—Trillende van krijgsvuur, het gelaat van enkelen door zenuwachtig ongeduld hoogrood gekleurd, moeten die mannen werkeloos toezien, terwijl de divisiën van Davoust en van Ney gindsche schansen vóór hen eerst nemen, dan door een tegenstoot onder gruwelijke verliezen worden teruggeworpen; zij moeten zien, dat ook de krijgers van Eugène tevergeefs stormloopen op het reuzenbolwerk van Gorki, dat geduchte telkens in vuur gehulde centrum des vijands. Een dreunend “Hoera!” ontsnapt aan hun stijf opeengeperste lippen, als Montbruns ruiters eindelijk, in razenden galop gansche afdeelingen infanterie onder den voet rijdende, het ongehoord stoute stuk bedrijven, langs de keel die schans binnenjagen en, eenmaal daar, onder een ontzettend handgemeen de artilleristen op hun eigen stukken beginnen neer te houwen.

Wel sneuvelt hierbij Montbrun zelf; wel slaat een drom van Russische escadrons zijn koene cavalerie onder zware verliezen de schans weder uit, maar de soldaten van Eugène hebben van de hun geschonken kans dapper partij getrokken en de groote schans omsingeld. Om drie uur valt ze in hun handen. Een groot lijkenveld is ze; de dooden en stervenden liggen hier en daar tot een halve manshoogte opgestapeld; daartusschen gewonde paarden, in hun doodstrijd hun eigen meesters de hersenen uit het hoofd slaande.

Op den linkervleugel blijft het pleit lang onbeslist. Toch treedt de garde niet op.—“Waarmede zou ik moeten kampen, als ik morgen werd aangevallen,” moet Napoleon geantwoord hebben op een verzoek, om de beslissing door de garde te doen geven. ’t Is bijna niet te gelooven.

Om vier uur steeg de Keizer te paard, reed naar het terrein, waarop Ney en Murat nog altoos streden, en keerde eerst tegen zeven uur terug.—“Anders dan gewoonlijk, was zijn gelaat hoogrood gekleurd, zijn haar in wanorde, hij zelf blijkbaar vermoeid,” schreef de Bausset, die het portret uit Parijs had overgebracht.

Na drieën waren beide partijen zoo uitgeput, dat het tot groote aanvallen niet meer kwam; de slag verliep in een gruwelijke, doellooze kanonnade, die wel gansche rijen krijgers, op een beperkte ruimte opeengehoopt, met één schot neervelde, en een der oorzaken is geweest van den ondergang der Fransche cavalerie op dien dag,—noodeloos bleef ze, urenlang aan het vijandelijke vuur blootgesteld;—en die eerst met het invallen van het duister een einde nam, doch geen beslissing bracht. Meer dan 28.000 doode en gekwetste Franschen, meer dan 40.000 Russische gevallenen bedekten toen het slagveld. [334]

Evenals bij Smolensk had de Keizer ook hier bijna alleen in front aangevallen. Had hij ginds verzuimd een deel zijner macht den Dnieper te doen doorwaden om Bagration af te snijden van Moskou, hier had hij voor Poniatowski’s omvattende beweging een te zwakke macht gebezigd; een defensieve flank van enkele Russische regimenten had aan deze beweging van den Poolschen prins weldra paal en perk gesteld.

De strijd bleef dus onbeslist. Kutusof bivakkeerde op het slagveld en ging den volgenden morgen, gedekt door een sterke achterhoede, terug op Moshaisk. Murat volgde hem met het overschot der cavalerie.—De Keizer bleef dien dag nog bij Schiwardino.—“Hij scheen doodaf van vermoeienis. Van tijd tot tijd klemde hij de handen krampachtig om de knieën en hoorde ik hem steunend: “Moskou! Moskou!” zeggen, verhaalt zijn kamerdienaar Constant.

Langzaam bleef Kutusof teruggaan, trok den 14en ’s morgens door Moskou en sloeg den weg in naar Kolomna. De hoofdstad zou niet verdedigd, maar den vijand prijsgegeven worden!

Dit besluit had ten gevolge, dat duizenden inwoners haar in allerijl verlieten. In de voorsteden begonnen reeds rookzuilen op te stijgen.

Langzaam volgde Napoleon zijn vijand, gaf Berthier bevel om al de nog ver achterstaande infanterie en cavalerie naar Smolensk te dirigeeren o. a. ook maarschalk Victor, die aanvankelijk te Berlijn was achtergebleven, doch reeds den 4en September den Niemen eveneens gepasseerd was. Te Smolensk zou hij de kern eener legerreserve vormen en zoo naar Moskou rukken.

Inmiddels had Rusland reeds weken te voren met Turkije vrede gesloten; de hierdoor vrij gekomen troepen onder den admiraal Tschitchagow waren in de richting van Brest op marsch; den 20en September stonden hier 64.000 man. Voor het Fransche hoofdleger begon dus ernstig gevaar te dreigen in zijn rug. Of Schwartzenburg en Reynier sterk genoeg zouden zijn hieraan het hoofd te bieden?

In den avond van den 14en September verlieten de laatste Russische afdeelingen Moskou. Om een doelloos gevecht te vermijden was haar commandant met Sebastiani, die de Fransche voorhoede tijdelijk aanvoerde, overeengekomen, dat de ontruiming ongestoord zou plaats hebben en dat de Franschen eerst twee uur hierna van de stad bezit zouden nemen.

Vreugde en zelfvoldoening stonden op Napoleons gelaat te lezen, toen hij, staande op een heuveltop, de reuzenstad aan zijn voeten zag liggen. Terwijl zijn korpscommandanten in de omstreken een kantonnement of bivak betrokken, Poniatowski b.v. ten zuiden, Davoust en Ney ten westen er van,—Junot was te Moshaisk achtergebleven—zocht de garde haar weg naar het Kremlin, het eeuwenoude paleis der Czaren, een vesting op zichzelve; de Keizer koos zijn nachtkwartier in een der uiterste huizen van de voorstad Dorogomilow. [335]

Op verschillende plaatsen in de stad brandde het toen reeds. Den volgenden morgen vroeg reed de Keizer naar het Kremlin. Geen plaatselijke autoriteiten heetten hem welkom of kwamen hem in ootmoedige houding de sleutels der stad aanbieden. De stad scheen uitgestorven; maar het aantal branden door bandieten en dergelijk gespuis aangestoken, nam gestadig toe, en de meerendeels houten huizen schonken het vuur rijkelijk voedsel. De in stilte op verschillende punten, in magazijnen en winkels opgestapelde lichtbrandbare stoffen en vaten met sterken drank deden het vuur weldra een ontzettenden omvang krijgen, zelfs het Kremlin begon gevaar te loopen. Reeds den 16en lag negen tiende der stad in asch. Napoleon was verplicht zijn verblijf te verlaten en buiten de stad op ’t kasteel Petrowski een nieuw onderkomen te zoeken.

Eerst den 18en, toen het vuur grootendeels door gebrek aan voedsel was uitgedoofd, honderden kerels en ontvluchte gevangenen, verdacht van brandstichting, waren opgeknoopt of doodgeschoten en hier en daar vaak nog slechts één enkel gespaard gebleven huis de richting aangaf, waarin eenmaal een lange straat had geloopen, keerde hij naar ’t Kremlin terug.

Dat de brand opzettelijk was aangestoken, leed geen twijfel. Beter dan Kutusof had graaf Rostopchin, Moskou’s gouverneur, zijn eed gehouden. Geen Moskou, een vlammenzee zouden de Franschen vinden, had hij gezworen; zelf had hij een fakkel geworpen in het slaapvertrek van ’t paleis, dat hij met zijn huisgezin jaren lang had bewoond en ontslagen gevangenen had hij tot zijn handlangers gemaakt. Zoover had zijn haat tegen Frankrijk den oud-Russischen edelman vervoerd!—Voor deze gewelddaad heeft de natie zich echter niet dankbaar betoond, integendeel. Door den Keizer verbannen, door zijn landgenooten veracht en verfoeid, is hij jaren later te Parijs in vergetelheid gestorven, nadat hij zijn goed recht tot die daad tevergeefs had trachten te bewijzen.

In en om Moskou begon de Fransche hoofdmacht, die na den slag bij Borodino,—door Napoleon slag aan de Moskowa geheeten—tot 95.000 krijgers in ’t gelid was weggesmolten, thans een weinig op haar verhaal te komen. In bijna alle paleizen en groote huizen, die aan het vuur weerstand hadden geboden, werden vaak zeer kunstig verborgen, voorraden meel, wijn, en specerijen gevonden. Goed beheerd, waren de levensmiddelen zeker meer dan voldoende geweest om zelfs een leger zoo groot als het Fransche voor een half jaar en langer van alles te voorzien;—zoo rekenden Daru, de kwartiermeester-generaal, en Larrey, de chef van den geneeskundigen dienst ten minste. Doch de roekeloosheid, waarmede met alles werd omgesprongen, was oorzaak, dat er voor millioenen waarde verloren ging. Stelselmatig werden de huizen uitgeplunderd; enkele soldaten maakten zelfs gemeene zaak met het gespuis, dat den brand had helpen verspreiden. Gedost in prachtige pelzen [336]zelfs in damesmantels van dons en hermelijn kon men de mannen de eerste dagen langs de straten zien dolen. Een wacht van grenadiers der garde aan ’t Kremlin vond men in ’t bezit van een reusachtige vaas met confituren en van een stapel flesschen wijn. De commandant, een oude snorbaard, stond met een potlepel naast die vaas en noodigde ieder, die zijn post passeerde, uit van zijn confituren te proeven en een flesch te ledigen op het behaalde succes; zelfs officieren werden door de opgewonden, door langdurige ellende half verstompte mannen niet verschoond.

Hoe groot het bedrag is in die dagen aan goud, juweelen en kostbaarheden te Moskou geroofd, is niet te bepalen, maar reusachtig. Toch is geen duizendste deel ervan over de grenzen gekomen; bijna alles is in Rusland gebleven, onder de sneeuw en het ijs der wegen, verzwolgen door de diepe rivieren, die op den terugmarsch moesten worden gepasseerd, geroofd door de kozakken, die op hun ruige paardjes voortdurend als een vlucht hongerige gieren om de troepen zwierven en meedoogenloos iederen soldaat afmaakten, die het waagde zijn troep te verlaten of door uitputting neerviel.

Aan dien staat van bandeloosheid en tuchteloosheid te Moskou werd echter weldra een einde gemaakt. Orde en discipline keerden terug. Reusachtige voorraden wijn en levensmiddelen van allerlei aard, meel en pekelvleesch werden door de zorg der administratie en de korpscommandanten in ’t Kremlin of in magazijnen bijeengebracht; ook in het onderhoud der troepen werd ruimschoots voorzien. Om Europa den indruk te geven, dat in Rusland alles naar wensch ging, schonk Napoleon aan een te Moskou achtergebleven troep Fransche comedianten zelfs verlof voorstellingen te geven. De troep maakte goede zaken; de comedie werd door de soldaten druk bezocht.

De Keizer zelf kwam er geen enkele maal. In zijn hoofdkwartier, het Kremlin opgesloten, was zijn geest vervuld met andere dingen dan met gedachten aan vermaak of ontspanning. Zelfs bij Eylau en bij Essling had zijn vertrouwen op zijn gelukster hem niet begeven. Thans begon hij in te zien, dat deze veldtocht mogelijk zou eindigen in een ramp.

Reeds wist hij, dat hij de kracht van zijn strategisch kunnen had uitgeput; dat hij evenals in 1797 in de Alpen bij Leoben tegenover aartshertog Karel, en in 1805 vóór Austerlitz een grens had bereikt, die niet kon worden overschreden zonder gevaar voor vernietiging; dat hij niet bij machte was verder in Rusland door te dringen of tegen St. Petersburg op te rukken, omdat zijn leger hiertoe te veel had geleden. Toch ontwierp hij een plan in dien zin, want hij was aanvankelijk nog te koppig om met zijn onderbevelhebbers te beraadslagen, doch het werd door deze kort en bondig afgekeurd.—Vrede sluiten, in elk geval teruggaan naar Smolensk, liefst naar Wilna of Minsk, was in hun oog het eenige middel van behoud, want uit St. Petersburg kwam taal nog teeken, dat wees op eenig streven naar toenadering.

Moskou. 1812.

Moskou. 1812.

[337]

Dat de Keizer dus met beide handen een gelegenheid aangreep, om met den Czaar, al was ’t maar zijdelings, in betrekking te komen is verklaarbaar. Generaal Toutelmine, een eerwaardig grijsaard, gouverneur van het onder bescherming der keizerin staande vondelingshuis bood zich hiertoe aan. Verontwaardigd over Rostopchins schanddaad, erkentelijk voor de wijze, waarop men hem en zijn pleegkinderen had bejegend, verzocht hij den Keizer aan zijn beschermvrouw kennis te mogen geven van den toestand, waarin het gesticht verkeerde, en in zijn schrijven te mogen mededeelen hoe innig ook Napoleon die daad verfoeide en hoe gaarne hij een oplossing wenschte voor den tegenwoordigen toestand. Een zekere von Jakowleff, een volbloed-Rus, die den brand van Moskou had bijgewoond en van de ellende, door zijn landgenooten daar geleden, was getuige geweest, belastte zich met een eigenhandig schrijven van Napoleon aan Alexander. Hoffelijk doch hooghartig gesteld, was dit echter weinig geschikt om den diep gekrenkten Czaar, die weder geheel onder den invloed der oud-Russische partij was geraakt, welwillend te stemmen.

Inmiddels verdubbelde Napoleon de zorg voor zijn troepen, en deed ze, zooveel doenlijk in Moskou zelf onder dak brengen. Zelfs over de duizenden rampzaligen, Russen en vreemdelingen, die tijdens den brand in de stad waren gebleven en letterlijk aan alles gebrek leden, ontfermde hij zich en verschafte hun levensmiddelen en een verblijf, tot door Rusland in hun onderhoud zou worden voorzien. Voorts deed hij uit de omstreken tegen contante betaling, zooveel mogelijk slachtvee aanvoeren, en fourage voor de paarden, een hoofdvoorwaarde voor de instandhouding der artillerie en haar bespanningen; nog bezat hij 600 vuurmonden.

Sluw als altoos, wist Kutusof den commandant der voorhoede inmiddels te misleiden, want hij boog af met zijn macht naar ’t zuiden in de richting van Kaluga en het rijke achterland aldaar, had den 18en September Podolsk bereikt; door vrijwilligers en recruten vermeerderde zijn macht dagelijks. (In ’t begin van October had hij weder ruim 110.000 man onder zijn bevelen.)

Lang bleef dit voor Napoleon niet verborgen. Reeds den 26en September stonden Murat en Bessières, bij wie Poniatowski zich had aangesloten, weder tegenover den vijand, om diens bewegingen waar te nemen en den weg van Podolsk naar Moskou te dekken.

Dat een langer verblijf te Moskou onverbiddelijk moest leiden naar den ondergang werd met den dag duidelijker.

Was de daar opgestapelde voorraad verbruikt, dan kon ze niet worden vernieuwd. Over het leger legde zich een sluier van zorg en vrees voor de toekomst. Alexander liet niets van zich hooren; Caulaincourt had kortaf bedankt voor de eer hem persoonlijk te gaan opzoeken. Sinds Tilsit waren de toestanden te veel veranderd; het stond te bezien of de Czaar hem nu nog zoo [338]voorkomend zou ontvangen als voorheen. Ten einde raad en hiermede een geducht offer brengende aan zijn eigenliefde, besloot Napoleon den 4en October Lauriston naar Kutusofs hoofdkwartier te zenden en langs dezen weg toenadering te zoeken, doch Kutusof bevreesd om evenals Barclay de Tolly van verraad te worden beschuldigd,—reeds gingen er stemmen tegen hem op, omdat hij niet aanviel—wilde hem aanvankelijk niet zelf ontvangen doch zond hem zijn adjudant. Hierover gebelgd, keerde Lauriston naar Murats hoofdkwartier terug.

Deze handelwijze van Kutusof deed bij een deel van zijn omgeving echter de vrees ontstaan, dat de kans op vrede hierdoor voor goed was weggenomen. Een ander deel, de oorlogspartij, begreep, dat het in haar belang was de Franschen aan de praat te houden, omdat de toestand van hen hierdoor met elken dag nog ongunstiger werd. Tusschen generaal Bennigsen, een even sluwen als vermetelen Rus en Murat, kwam het nu tot een onderhoud. IJdel en onvoorzichtig als altijd, praatte Murat hierbij zijn neus voorbij en schonk den ander een veel dieperen blik op den feitelijken toestand der Fransche armee dan voor deze gewenscht was. Dit gaf Kutusof aanleiding Lauriston ten slotte toch te ontvangen en te hooren wat hij te zeggen had.

Veel baatte dit niet. Kutusof gaf onomwonden te kennen, dat hij den brand van Moskou uitsluitend toeschreef aan de vaderlandsliefde der Moskovieten, die hun stad liever in vlammen zagen opgaan, dan dat zij ze overgaven aan den vijand. Of er kans op vrede bestond kon hij niet zeggen. Zelfs voor het sluiten van een wapenstilstand miste hij de macht; alleen de Keizer had hierover te beslissen. Hij bood Lauriston dus aan, prins Wolkonski met de voorstellen van Napoleon naar St. Petersburg te zenden en het schermutselen tusschen de voorposten te doen staken, tot er antwoord was gevolgd. Binnen een dag of tien, twaalf kon dit worden te gemoet gezien.—De kozakken zouden in hun bewegingen inmiddels vrij blijven; bij de Franschen konden de fourageeringen worden voortgezet.

Hoewel Napoleon reeds wist, dat de pogingen tot tusschenkomst van generaal Toutelmine en van den heer von Jakowleff zonder resultaat waren gebleven; hoewel hij wist met welk een gillenden wraakkreet het zien van den brand van Moskou door Kutusofs soldaten was beantwoord; hoewel hij zich ook van den stap van Wolkonski bij Alexander weinig succes voorstelde, meende hij dit voorstel niet van de hand te mogen wijzen. Over tien dagen was het eerst half October; volgens de verzekering van verscheiden volkomen betrouwbare personen begon het nooit vóór half of voor einde November te vriezen. Reeds lang vóór dien tijd kon hij dus op Smolensk zijn teruggegaan.

van Kowno naar Moskou.

van Kowno naar Moskou.

Na lang beraad had hij afgezien van een plan om, vereenigd met Victor, die Smolensk had bereikt, en met Saint-Cyr, die nog bij Polotzk aan de Duna [340]stond, over Bjeloi en Welish naar St. Petersburg te rukken en Alexander hier den vrede voor te schrijven. Zelf had hij gevoeld, dat deze vermetele zet niet meer uitvoerbaar was. Zijn leger had te veel geleden.

De macht, waarover hij in ’t begin van October nog kon beschikken, was in hoofdzaak opgesteld in een driehoek met Moskou, Riga en Brest Litewsky als hoekpunten. Van Moskou naar den Niemen bedroeg de afstand 115 mijlen1. In deze ruimte stonden: bij Moskou 95.000, bij Moshaisk 5000, bij Smolensk 37.000, op den linkervleugel in de lijn Dunaburg-Riga 25.000, bij Polotzk 17.000, op den rechtervleugel bij Brest 34.000, te zamen dus 213.000 man.

Met een leger, dat de helft van zijn sterkte en een groot deel van zijn gevechtswaarde had verloren;—Borodino had meer dan vijftig opper- en hoofdofficieren gekost—met een leger, waarin reeds ontmoediging, droefgeestigheid en angst voor de toekomst heerschten, dat bijna geen gelegenheid had gehad door voedsel en rust weder eenigermate op krachten te komen; en, dat om en bij Moskou nog maar vier duizend ruiters in ’t gelid telde, zou, werd er geen vrede gesloten, de terugtocht dus aanvaard moeten worden. Het zou moeten marcheeren langs grootendeels vernielde wegen door een landstreek, die reeds was kaal gegeten, door totaal verwoeste dorpen en met een vijand naast en voor en achter zich, die over een massa lichte cavalerie beschikte, dorstte naar wraak en in het klimaat weldra een bondgenoot zou krijgen, even mededoogenloos als geducht.

Wederom dringt de Keizer ons ontzag af, want ondanks het folterende bewustzijn, dat hij alleen, tegen den raad van alle weldenkenden in, zijn krijgers in dezen toestand heeft gebracht, dat hij alleen van al ’t gebeurde en van al ’t geen er nog volgen kon de oorzaak is, verraadt zijn wasbleek gelaat geen spoor van de aandoeningen, die zijn ziel bestormen. Aan niemand vraagt hij raad; aan niet een zijner getrouwen gunt hij een blik in zijn binnenste; tegenover niet één hunner stort hij zijn gemoed uit of geeft hij lucht aan zijn trotsch hart. Ook thans weder blijft hij in dit opzicht zich zelf.

Maar ook versaagt hij geen seconde. Alsof zijn hoofd en zijn lichaam geen vermoeienis kennen, zet hij zich weder aan den arbeid om alles te regelen en voor te bereiden voor den afmarsch en om den vijand tegelijkertijd te misleiden omtrent zijn voornemens. Den 9en October deelt hij den hertog van Bassano te Wilna de mogelijkheid mede, “dat hij tegen November winterkwartieren betrekt tusschen den Dnieper en de Duna, om zoodoende dichter bij zijn reserves te zijn, het leger rust te gunnen en zich gemakkelijker met andere aangelegenheden te kunnen bezig houden.”—De zaken des rijks [341]handelt hij nog geregeld af. De koeriersdienst tusschen Moskou en Parijs stelt nog dagelijks honderden personen en paarden in ’t werk.

Murat ontving nu order Kutusofs kamp bij Tarutino nauwlettend te bewaken, zijn troepen rust te gunnen en ze zoo goed mogelijk te voeden. Uit de kelders van Moskou werden hiertoe levensmiddelen en wijn afgezonden. De vorming van een korps van 15.000 man te Smolensk werd bevolen hem in zuid-oostelijke richting te gemoet te gaan, als hij den weg naar Kaluga, naar de welvarende, rijke provinciën van ’t zuiden mocht inslaan, en dit zou dus voor zijn rechtervleugel waken. Victor moest zich gereed houden tot uitrukken. Naar Moskou moesten voorts al de van hun korps afgedwaalde soldaten worden opgezonden, die zich te Wilna, Minsk, Witebsk of Smolensk hadden aangemeld. Uit den wapenvoorraad van het Kremlin zouden die dan van geweren worden voorzien en onder beveiliging van detachementen van minstens 1500 goedgewapende infanteristen worden overgebracht. Des nachts moest altoos in een carré worden gebivakkeerd, want Platofs kozakken stroopten reeds tot onder de muren van Smolensk.

Dan bestemde hij Junot om voor het vervoer der gekwetsten te zorgen; van den trein werden een paar honderd wagens en voertuigen,—te Moskou waren er nog circa 1200—hiertoe tot diens beschikking gesteld. Voor ’t geval hij besluiten mocht hier te overwinteren, want zelfs hierover dacht hij, deed hij ten slotte het Kremlin in staat van verdediging brengen, de wallen met vuurmonden bewapenen, patronen en kardoezen aanmaken, aan ieder korps voor zes maanden vivres in de gedaante van meel, brood, zout en pekelvleesch uitreiken en op uitgebreide schaal tot op grooten afstand van de stad fourageeringen verrichten.—Toch gebeurde het nog vaak genoeg, dat een paard dagen achtereen weinig meer tusschen de kiezen kreeg dan het stroo van het dak eener boerenwoning.

Nog verder ging hij, want, om de boeren met hun groenten en hun vee naar de stad te lokken, trachtte hij de geestelijkheid op zijn hand te krijgen; hij noodigde deze uit de te Moskou gespaard gebleven kerkgebouwen weder in gebruik te nemen en hier zelfs voor keizer Alexander gebeden ten hemel te zenden.

Terwijl hij overdag dus alles deed om voor zijn leger een minder ongunstigen toestand te scheppen en de achtergebleven inwoners der stad te helpen, bezigde hij een deel van den nacht voor de administratieve zaken, doch werd hierbij meermalen gestoord door een fellen lichtgloed en door zware rookwolken, die telkens nog uit de smeulende puinhoopen opstegen en opnieuw schrik en ontsteltenis onder de bevolking teweeg brachten.

In dienzelfden tijd ongeveer wierp hij ook eenige denkbeelden op ’t papier betreffende ’t geen zou moeten geschieden, wanneer er uit St. Petersburg geen voldoend antwoord kwam. Een tocht naar ’t zuiden, in de richting van Kaluga [342]en Tula, dus naar een nog niet door den oorlog geteisterd gewest, lachte hem het meeste toe. De zorg voor levensmiddelen en fourage zou hierdoor heel wat verminderen. Later kon de weg naar Smolensk dan niettemin ingeslagen en de tegenpartij misleid worden.

Nog voordat hij het omtrent dit punt met zich zelf eens was geworden, dwong Kutusof hem reeds tot handelen. Den 18en greep deze Murats linkervleugel onverhoeds met overmacht aan en wierp hem met zwaar verlies in noordelijke richting. Juist was Napoleon bezig inspectie te houden over het korps van Ney, dat hij eveneens naar de stad had doen komen, toen die mare hem bereikte. Terstond nam hij een besluit. Het gansche leger ontving bevel zich den volgenden morgen buiten Moskou aan den weg naar Kaluga te verzamelen.

In den vroegen morgen van den 19en stonden Eugène, Ney, de garde en Davoust tot den afmarsch gereed. Napoleon verliet Moskou; met een divisie der jonge garde bleef Mortier in het Kremlin.

Een allerzonderlingste karavaan van duizenden militaire voertuigen, karretjes, droschkis, kalessen en andere middelen van transport, volgepakt met gestolen of buitgemaakt goed, voor het meerendeel bespannen met kleine Russische paardjes, volgde het leger. Nog grilliger en bonter was de schaar van duizenden menschen, mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard en herkomst, die werktuigelijk hadden gehoorzaamd aan den dwang der noodzakelijkheid en eveneens besloten hadden Moskou te verlaten. Duizenden Franschen, ja, zelfs de Duitschers, die zich vóór de komst der troepen daar bevonden, hadden uit vrees voor erger nog, als de Russen terugkeerden, hun boeltje gepakt en togen nu mede met vrouw en kind.

Den 23en bereikte Napoleon het geheel verlaten stadje Borowsk. Vijf en dertig dagen had hij te Moskou doorgebracht. Den 24en geraakte Eugène bij Malo-Jaroslawetz slaags met een deel van Kutusofs armee en behaalde op zijn halfverraste tegenpartij een bloedige overwinning, die Kutusof deed besluiten in de richting van Kaluga te retireeren.

Met welk een vijand hij van nu af rekening zou moeten houden, bleek Napoleon, toen hij, met Caulaincourt, Rapp en Berthier het slagveld wilde gaan bezoeken, en zich eensklaps omsingeld zag door een horde kozakken, die hij in de verte aanvankelijk voor Fransche cavalerie had gehouden; zijn escadron van dienst werd uiteengeslagen en een artilleriepark tijdelijk genomen. Eerst aan Bessières met de garde-grenadiers te paard gelukte het dien onverhoedschen aanval, die den Keizer de vrijheid, ja, zelfs het leven had kunnen kosten, het droombeeld van Platof, af te slaan.—Tegelijkertijd had hij het gevaar kunnen zien van een langen marsch met een leger, dat door zulk een reusachtigen sleep voertuigen en ongewapende vluchtelingen werd gevolgd. Het vraagstuk: Waarheen? Wat nu? kwam weder op het tapijt. [343]

Ditmaal hoorde hij zijn omgeving en enkele korpscommandanten. Na een ganschen dag beraad—den 25en—werd besloten alle verdere plannen tot vervolging des vijands naar het zuiden op te geven. De hoofdmacht zou over Moshaisk en Wiasma naar Smolensk marcheeren.

Heeft het eenparige advies van zijn staf Napoleon tot dit besluit gebracht? Stond dit reeds in beginsel bij hem vast? Wie zal ’t zeggen?—Mogelijk heeft dat advies hem slechts in zijn besluit gesterkt.

In den nacht van 22 en 23 September had ook Mortier het Kremlin verlaten. Zijn pogingen om dit in de lucht te doen vliegen, waren mislukt. Zelfs de grootste vereerders van den Keizer zullen deze op zijn last verrichte daad van geweld nimmer kunnen goedpraten.

Terug! Terug naar Smolensk! was van nu af het wachtwoord.—Het weder werkte aanvankelijk mede; nog was het overdag meestal zonnig en zacht; alleen ’s nachts was het merkbaar, dat het koude jaargetijde naderde. Al ’t geen er over het vroegtijdig invallen van den winter in dat rampjaar als oorzaak van den ondergang van het Groote Leger is geschreven, behoort dan ook thuis op ’t gebied der fantasie. Terwijl het te Moskou vaak reeds sneeuwde tegen het einde van October, bleef het weder nu helder en mooi, en vroor het eerst den 27en October. Den 1en November daalde de thermometer echter tot 3° onder het vriespunt; den 4en viel de eerste sneeuw. Tot dezen datum bleef het weder ook meestal helder en was het niet bijzonder koud.—“Tot den 6en November is het weder uitmuntend geweest,” heeft Napoleon zelf gezegd in zijn beruchte 29e bulletin.

Ook Kutusof was weder op marsch gegaan, doch niet naar Kaluga.

In den loop van den 27en vernam Napoleon van een gevangen genomen Russisch officier, dat zijn tegenstander Smolensk tot doel had; hij besloot dus met de garde spoed te maken en Kutusof ginds vóór te zijn. De gekwetsten uit den slag bij Borodino, die in het uitgestrekte klooster van Kolozkoje onder dak gebracht waren, moesten op voertuigen geladen en medegenomen worden; hij zelf kwam dien avond nog te Gshask. Per rijtuig of te voet maakte hij nu verder den terugtocht mede. Gewapend met een stok, gehuld in een pels, met een bonten muts op het hoofd, stapte hij, zonder een enkele maal om te zien, dagelijks uren lang voort aan het hoofd zijner garde. Te paard kwam hij niet meer. Langs het slagveld van Borodino voerde zijn weg. Een huivering ging allen door de leden.

Te Wiasma (1 November) ontving Napoleon berichten over den stand van zaken op de vleugels zijner armee. Gunstig waren die niet.—Saint-Cyr had Polotzk moeten verlaten, omdat Wittgenstein hem had aangegrepen. Uit Smolensk was Victor hem te hulp gesneld. Schwartzenberg had moeten wijken voor het opdringen van Tschitchagow; deze had Brest thans bezet.

Dewijl Napoleon vond, dat Davoust, die de achterhoede aanvoerde, niet [344]snel genoeg vooruitkwam, te veel schermutselde met de kozakken en hierdoor ook de andere korpsen ophield, werd Ney met dat commando belast; hij zou te Wiasma blijven, tot al de andere korpsen hem waren voorbijgemarcheerd. Met het oog op de herhaalde aanvallen van de kozakkenhorden, die nacht en dag om de troepen zwierven en van elke gelegenheid gebruik maakten om hun slag te slaan, beval Napoleon, dat in gesloten carré’s zou worden gemarcheerd met de bagage in het midden, de troep op zooveel gelederen, als de breedte van den weg toeliet. Een half bataljon vormde de achterflank; gansche bataljons in gesloten gelederen vormden flanken, zoodat er bij ’t halthouden terstond naar alle zijden vuur kon worden gegeven,—want o! die kozakken met hun schor hoera, waren zulke geduchte vijanden, niet tegenover een gesloten troep, voor deze weken ze spoedig genoeg uit, maar voor de alleen of in groepen gaande mannen. Tegenover die bezigden zij de lans; de lijken werden daarna geplunderd.

Met de garde en het korps van Junot, spoedde Napoleon zich op 2 en 3 November voort in de richting van Smolensk en kreeg zoodoende op Kutusof een zoo grooten voorsprong, dat van afgesneden worden van die stad, zelfs geen sprake meer kon wezen. Over de korpsen van Eugène, Ney en Davoust maakte hij zich niet bezorgd; “als die maar doormarcheerden, niet telkens met kozakken vochten, en zoodoende het mooie weder lieten voorbijgaan zou alles wel goed gaan,” zeide hij.

Hoe verkeerd hij den toestand had ingezien en welk een misslag hij had begaan met zijn leger in tweeën te scheiden, bleek weldra bij Wiasma. Terwijl een zwerm kozakken de andere korpsen onverpoosd kwelde en afmatte, viel Kutusofs voorhoede Ney in den namiddag van den 3en hier met zijn cavalerie onverhoeds op ’t lijf, zoodat Eugène en Davoust front moesten maken om hun krijgsmakker te ondersteunen. Generaal Miroladovitch, die Kutusofs voorhoede aanvoerde en uit het zuiden, uit de richting van Jucknow kwam opdagen, deed de lucht daarbij weldra trillen onder het donderen van ruim honderd vuurmonden.

Tot laat in den avond duurde dit hardnekkige gevecht, dat op het verlies van bijna 2000 oude, brave soldaten te staan kwam.—Door het juiste schot der Fransche artillerie waren de verliezen der Russen veel aanzienlijker, maar hun gekwetsten hadden kans op hulp, de Franschen moesten volslagen onverzorgd worden achtergelaten. De ellende begon.

Te Wiasma werd gebivakkeerd, doch te eten was er niets. De uit Moskou medegevoerde voorraad was verteerd; de levensmiddelen, in de stad aanwezig geweest, waren door de garde verslonden. Zelfs vond men geen onderdak, want bij den afmarsch had de garde, niet denkende aan de duizenden achter hen volgende kameraden, de huizen in brand gestoken. In een nabijgelegen bosch sloegen Eugène en Davoust het bivak dus op, deden [345]groote vuren aanleggen en paardenvleesch uitreiken. Hier konden de brave, ijzeren mannen van Davoust voor het eerst in drie etmalen met de voeten naar de verkwikkende warmte van het wachtvuur gekeerd, eenige uren slapen. Vijftien dagen achtereen hadden zij de achterhoede uitgemaakt.

Niet voor den volgenden dag ontving Napoleon de eerste berichten over dit gevecht bij Wiasma. Toen hij kort daarna Davoust ontmoette, viel hij heftig tegen dezen uit. Zijn korps zou, heette het, in een bandeloozen troep zijn ontaard en zich hebben misdragen.—Hooghartig bitter beantwoordde de prins van Eckmühl die onverdiende beschuldiging. Waar een drietal divisiegeneraals als Gérard, Morand en Compans, hoewel gewond, nog altoos te paard aan de spits hunner bataljons waren te vinden, kòn van bandeloosheid geen sprake zijn, zeide hij. Zich zelf verdedigde hij niet; hiertoe was hij te trotsch.—Uit wrevel en inwendige woede vervreemdde de Keizer hier een zijner beste, kundigste onderbevelhebbers van zich. Aan het laakbare van zijn eigen gedrag als opperbevelhebber scheen hij niet te denken. Met den half versuften Murat en den half verbijsterden Berthier naast zich schreed hij voort. Vaak sprak hij uren achtereen geen woord.

En thans naderde de winter snel! Het begon te sneeuwen; de wegen werden spiegelglad; bij tientallen vielen de paarden der bespanningen, die niet van winterbeslag waren voorzien, bij de minste stijging in den weg. Alleen de garde telde nog eenige escadrons; van de andere cavalerieregimenten gingen de mannen reeds bijna allen te voet. De warmste kleedingstukken waren bij de opening van den veldtocht te Dantzig achtergelaten;—wie had in die snikheete Junidagen aan een winterveldtocht gedacht?—Slechts enkelen hadden uit Moskou een pels of een bonte jas medegenomen. Het voedsel bestond reeds uit weinig meer dan uit een soort van dunne meelpap zonder zout doch met een paar patronen zilt gemaakt, en een lap paardenvleesch, bij het bivakvuur geroosterd. Op den blooten grond zonder tent of afdak werd de nacht meestal doorgebracht.

Was het te verwonderen, dat zich reeds den 5en November bedenkelijke teekenen van ontbinding en oplossing begonnen te vertoonen?—“Alleen de Koninklijke Italiaansche garde,” schrijft de Fézensac in zijn Souvenirs militaires, “marcheerde nog in goede orde; de rest scheen ontmoedigd, door uitputting overmand. Een ontzettende massa van hun korps afgedwaalde, ongewapende menschen, meer dan vier duizend man van alle wapens, bedekten de wegen en waren niet te overreden bijeen te blijven.”

Bij Dorogobusch, drie dagmarschen van Smolensk, was die massa met inbegrip der vluchtelingen en der voerlieden reeds tot bijna 50.000 geklommen. Tien duizend soldaten lagen dood op en naast de wegen. Geen vijftigduizend man waren nog onder de wapenen.

Maar ginds vooruit, in de verte lag Smolensk! Daar waren levensmiddelen, [346]kleederen en woningen! Daar wachtten versterkingen! Daar zouden die vervloekte kozakken de vervolging wel staken!

Nog voordat hij deze stad bereikte, ontving de Keizer onrustbarende berichten uit Parijs en van Victor.

Te Parijs had de voormalige generaal Malet, een vurig republikein en heftig tegenstander van Napoleon, een man, die wegens geesteszwakte reeds jarenlang verblijf hield in een gesticht, een poging gewaagd om de republiek te herstellen. Geholpen door een priester, even fanatiek als hij, was hij op den inval gekomen valsche bescheiden en bevelen samen te stellen en in de stad het bericht te verspreiden, dat Napoleon dood was en dat de Senaat tot het herstel der republiek was besloten. Met die valsche stukken was hij naar een der kazernes gegaan, had met eenige soldaten verschillende zich in hechtenis bevindende officieren, als de generaal Lahorie en den generaal Guidal in vrijheid gesteld en zich uitgevende voor generaal Lamotte, den hertog van Rovigo zelfs doen gevangen nemen. Weldra herkend en ontmaskerd, had hij hier het einde van zijn komplot gezien. Hij zelf en de voornaamste schuldigen waren doodgeschoten; hiermede was een einde gemaakt aan een aanslag op de dynastie, die zoo weinig uitwerking naar buiten had gehad, dat alles reeds was afgeloopen en de dooden reeds waren begraven, toen Parijs meer in bijzonderheden kennis er van kreeg.

“Heeft dan niemand gedacht aan mijn zoon, aan Napoleon II?” riep de Keizer onder het lezen van dit bericht bij herhaling uit.—Neen, niemand! Mogelijk hadden velen te Parijs zelfs dat “Oef!” van verluchting geslaakt, waarmede de tijding van zijn dood volgens zijn eigen zeggen te eeniger tijd zou worden begroet. Met hem stond en viel het gansche Napoleontische wereldrijk; dit was een kolossus met leemen voeten; het miste den hechten grondslag eener oude dynastie. Het vermetele komplot van een half krankzinnigen man was voldoende geweest het te doen wankelen.

Wie weet of de gedachte, dat zijn tegenwoordigheid te Parijs thans noodiger was dan ooit, niet van dezen dag af in zijn brein heeft post gevat? Aan de redding van zijn leger viel niet meer te denken; het was ten doode opgeschreven, zelfs al verliet hij het geen seconde. Dit wist hij. Zijn ganschen toestand wel beschouwd, moest zijn verlaten van dit leger hem voortdurend meer gerechtvaardigd voorkomen.

Ook de tijdingen van Victor waren angstwekkend. Het korps van Saint-Cyr (6e) en dat van Oudinot (2e), beide geen 1800 man meer sterk, waren voor den krachtigen drang van Wittgenstein gezwicht. Dus had Victor, die ze uit Smolensk zou te hulp komen, halt gehouden achter een riviertje, bij Ssjenno, geen zes Duitsche mijlen van ’s Keizers terugtochtsweg, ten zuidwesten van Witebsk. Hier kon hij zich ten minste verdedigen, schreef hij.

Den 7en antwoordde Napoleon: [347]

Z. M. beveelt u den vijand met uw zes vereenigde divisiën onverwijld aan te grijpen, hem over de Duna terug te werpen en Polotzk te heroveren. Deze beweging is van het hoogste belang. Binnen enkele dagen kunnen uw verbindingswegen naar achter door de kozakken worden overstroomd. De Keizer en de armee komen morgen te Smolensk; door een onafgebroken marsch van 120 uur gaans is alles zwaar vermoeid. Treedt weder aanvallend op. Het heil der armee hangt hiervan af; iedere dag vertraging is een ramp. De cavalerie is geheel gedemonteerd; de koude heeft al de paarden gedood. Voorwaarts dus!—Dit beveelt de Keizer; dit beveelt de noodzakelijkheid.

Dezen noodkreet buiten rekening gelaten, verried Napoleon door geen enkel woord wat in zijn ziel omging. Tegen niemand uit zijn omgeving sprak hij uit wat hij voelde. In tijden van voorspoed een prater van belang, tot onvoorzichtig wordens toe, dan aan zijn fantasie den vrijen teugel vierende, sloot hij zich thans geheel op in zich zelf.—“Hij was bleek, doch zijn gelaat was kalm,” schrijft Constant. “Door niets in zijn wezen verried hij hoe zwaar hij inwendig leed.”

Thans beging hij een grooten militairen misslag. Hij maakte Schwartzenberg en den flinken Macdonald, terwijl het hiertoe nog tijd was, niet bekend met den ernst van zijn toestand. Tot een meer geconcentreerd samenwerken met hem kwamen zij dus niet.

De verdere terugtocht naar Smolensk onder de dagelijks sterker wordende winterkoude en het toenemende gebrek aan voedsel, gepaard aan de onafgebroken vervolging der Russen, leidde weldra tot een nòg grooter oplossing. De wegen waren overdekt met soldaten, die hun wapens hadden weggeworpen en alleen of in kleine troepen voortsloften. Elk bivak vorderde een aantal menschen, die door koude en gebrek waren bezweken. Zwijgend togen de anderen die plaatsen voorbij. Ieder paard dat viel, werd terstond aan stukken gesneden. Veel soldaten begonnen teekenen te geven van zinneloosheid.

Te Smolensk reeds was het leger zijn volslagen ondergang nabij. Evenals zijn staf te voet, trok de Keizer den 9en die stad binnen. Eugène, die met zijn korps den grooten weg had verlaten, kwam dienzelfden dag voor de halfbevroren Wop, een rechterzijrivier van den Dnieper, doch slaagde er niet in over dat water een brug te slaan, die bestand was tegen de ijsschotsen; en de kozakken drongen op!—Met het water tot aan de schouders trachtten velen naar de overzijde te waden, doch honderden kwamen hierbij om tusschen het ijs. De vuurmonden en bagagewagens moesten achtergelaten worden, evenals die der marketentsters, die op deze plek al hun zuur verdiende bezittingen in den steek moesten laten en den hemel mochten danken, dat zij ten minste hun kinderen behouden aan de overzijde konden brengen. [348]

De overtocht over de Wop kostte zes duizend man benevens zestig vuurmonden.

Door de zorg van den hertog van Bassano was te Smolensk, te Minsk, te Borrissow aan de Beresina en te Orscha, kortom in de hoofddepotplaatsen des legers, wel een aanzienlijke voorraad levensmiddelen bijeengebracht, doch niet voor langer dan tien dagen en ook niet voor al de duizenden, die het leger van uit Moskou waren gevolgd. Voorts deden de talrijke troepen tot alle wapens behoorende, doch van hun korps afgedwaalde soldaten en de maraudeurs, op de magazijnen die alleen voor de geregelde troepen werden geopend, een aanval, welke niet terstond met kracht werd afgewezen.

Vonden de garde en het korps van Junot dus nog levensmiddelen en kleeding, voor de hen volgende afdeelingen, die de stad tusschen 9 en 15 November naderden, was letterlijk niets meer over, zelfs geen dak, want op last van hooger hand waren de nog staan gebleven huizen in brand gestoken.

Ook de militaire toestand werd voortdurend gevaarlijker, want Kutusof had zijn voorhoede doen afbuigen van den grooten weg en dezen nog alleen doen volgen door ongeregelde cavalerie. Hij zelf marcheerde reeds dagen lang op de linkerflank van Napoleon, circa vier Duitsche mijlen van hem verwijderd, met zijn voorhoede in de tusschenruimte en telkens aangrijpende, wanneer de gelegenheid hiertoe gunstig was. Groot gevaar bestond er dus, dat hij vastberaden optredende, Krasnoi, Orscha of eenig ander gewichtig punt van den terugtochtsweg bereikte vóór de Fransche armee en dat Kutusof deze dan in flank en rug greep.

In weerwil van de vertoogen zijner omgeving en vooral van de aan zijn staf toegevoegde Engelsche attaché’s, ging Kutusof tot zulk een stap echter niet over. Nog altoos was de garde een geduchte, goed gewapende troep, met Napoleon aan haar spits; tot welke vermetele zetten deze in staat was, had hij indertijd bij Austerlitz ondervonden. Hij vreesde den gewonden leeuw nog altijd en achtte het dus raadzamer niet meer menschenlevens op te offeren dan noodig was, en geen grooten slag te wagen, maar het moreel van zijn tegenpartij door onafgebroken alarmeeren te schokken en uit te putten. De sneeuw, de vorst en de honger zouden dan wel het overige doen. Alle teekenen van ontbinding waren reeds aanwezig. Zijn eigen soldaten hadden bovendien reeds veel geleden. Bij hem ook vielen er eveneens duizenden, niet zoozeer van de kozakkenhorden als wel van de geregelde troepen. De zorg van hun onderhoud liet ook vaak alles te wenschen over; en de gevolgen van dat aanhoudend bivakkeeren in de open lucht te midden van sneeuw en ijs waren ook duidelijk zichtbaar. Waarom zou hij dus door een tegenover Napoleon altijd gewaagden zet voor één gewelddaad aan alles een einde trachten te maken? [349]


1 Een Duitsche mijl heeft een lengte van bijna 7407.5 meter of bijna 7.5 kilometer, dus circa 863 kilometer.

[Inhoud]
Ornament

Hoofdstuk XXIV.

De Berezina.

Nadat de Keizer Victor nogmaals dringend had bevolen Wittgenstein aan te grijpen, zonder den ernst van den toestand