The Project Gutenberg eBook of Dokter Helmond en zijn vrouw

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Dokter Helmond en zijn vrouw

Author: Jacobus Jan Cremer

Commentator: Jan ten Brink

Release date: April 22, 2008 [eBook #25138]
Most recently updated: January 3, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW ***



Dokter Helmond en zijn vrouw

Achtste Druk
A. W. Sijthoff’s Uitgeversmij—Leiden.

[1]

Jacob Jan Cremer.

1 September 1827–5 Juni 1880.

Toen Cremer nog leefde, was er soms in de gehoorzalen van onze groote en kleine steden een treffend tooneel te bespieden.

Dames en heeren uit de voornamere kringen, anders zeldzaam bij Nederlandsche voordrachten, thans te laat gekomen, daar al de plaatsen reeds een uur te voren bezet waren, stonden zeer verlegen, maar volkomen waardig, uit te zien naar de eene of andere open plek. Een stoel op de verhevenheid naast den spreker, was alles wat overbleef. Eenvoudig, maar toch bewust van zijne kracht, trad Cremer voorzichtig door de dichte rijen zijner hoorders. Zoodra hij begon, ving zijne overwinning aan. Hij greep onmiddellijk in de gemoederen, sloeg terstond den juisten toon aan. Zijne klankvolle, met meesterlijke berekening ingehouden stem drong overal door. Zijn geheel eenig talent van nabootsen sleepte zelfs den stugsten hoorder mee.

Welk een gloed in de voordracht, als hij den opgeblazen domtrotschen boer uit het “Pauweveerke” in zijn sjees doet voorthollen over den weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van Kruuzemuntje, als zij grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; welk eene schalkheid, als hij eene Overbetuwsche Romeo en Julia doet vrijen in den kersenboomgaard; welk eene kracht als hij den veerman Dorus Giesels met zijne boot over de rivier laat [2]roeien bij opkomenden storm—dit alles maakte Cremer tot den grootsten dramatischen kunstenaar van ons vaderland in den verhevensten zin van het woord.

I.

Cremer, in de schoone Geldersche dreven geboren (te Arnhem den 1sten September 1827), meestal vertoevende op den Oldenhoff, het buitengoed zijns vaders, bij Driel, kwam van zijn jeugd af in aanraking met de Geldersche boerenwereld, die hij weldra—hij schreef zijne eerste dorpsvertelling op den Oldenhoff in 1850—met zooveel meesterschap zou voorstellen. Het is algemeen bekend, dat hij begon met het schilderen van Geldersche bosschen, maar spoedig boeide hem de Betuwsche menschenwereld oneindig meer dan de frissche Geldersche natuur. De rijkdom zijner waarnemingen deed zich beter, deed zich krachtiger gelden op het papier dan op het doek, en zoo is Cremer de algemeen beminde novellist en romanschrijver geworden, die aan het bloeiend tijdperk onzer Romantiek zooveel luister wist bij te zetten.

Ik zal het genot door de lezing of door zijne voordracht der “Betuwsche Novellen” mij herhaaldelijk geschonken, niet licht vergeten. Hoe dikwijls vergezelde ik hem, als hij zijne beide rijke Betuwsche boeren, Meeuwsen en diens zoon Gijs, van hun dorp naar Amsterdam doet reizen om de Kermis te zien. Aardig vooral is de schildering der rampen van de twee gegoede dorpers, die met allerlei slag van beleefde afzetters in aanraking komen. Het klagen van Meeuwsen, wanneer hij met eene plaatskaart der eerste klasse in den tochtigen derde-klasse-waggon zijne verzuchtingen begint met: “Slechte woar veur ’t geld!”—de openhartigheid van Gijs, als hij in den omnibus op de vraag van den conducteur: “Waarheen?”—grinnekend antwoordt:—“Ik? Noar de Karmis, is ’t niet, voader?”—zijne kinderlijke dankbaarheid, als een knecht uit den Doelen hem zijn reiszak afneemt en hij beweert, dat het [3]“veul te vrindelijk” is—de kluchtige naïeveteit van beiden, vader en zoon—als ze, in twee verschillende vertrekken opgesloten, elkander toeroepen door het houten beschot: “Jong! woar zit ie? Wat zuwwe nou doen? Kom toch is hier?” en Gijs antwoordt: “Mag dat voader?”—de verlegenheid van denzelfden Gijs, die, als hij eten bestellen moet, een reiziger aanspreekt, welke hem het zelfstandignaamwoord “Ezel!” toesnauwt—al deze en honderd andere kleine trekken zijn van eene verrassende comische kracht en getuigen tevens van zooveel fijne studie en trouwe schildering der werkelijkheid, dat ze aan Cremers arbeid eene schitterende toekomst waarborgen.

De “Betuwsche novellen” leggen nog altijd het zwaarst gewicht in de weegschaal van des schrijvers roem. “Deine Meu” “Oan ’t kleine revierke”, “’t Pauweveerke”, “’t Kriekende Kriekske”, “Kruuzemuntje”—vooral dit laatste verhaal, zoo voortreffelijk gespeeld bij de voordracht—blijven de immer groenende twijgen aan Cremers lauwerkrans. Er was eenmaal gedurende eene vergadering der redactie van “de(n) Nederlandsche(n) Spectator” een geleerde strijd over het nut en de wenschelijkheid van dialecten in novelle en roman. Bakhuizen van den Brink, die in CremersOan ’t kleine revierke” bladerde en las, legde het boekske weg met de ernstige verklaring, dat hij er een paar dagen uit zijn leven voor geven wilde, mocht hij auteur worden van bladzijden als deze1.

Allerliefst is de vertelling van “Kruuzemuntje.” Dit aardig boerenkind wordt door Bol, den veldwachter—den slimmerik, die een beetje te veel “klaart en rooje-jenevert” zegt de Burgemeester—beschuldigd, van appels te hebben gestolen. Zeldzaam is een eenvoudig gegeven zoo geestig uitgewerkt. De aartsdomme Burgemeester, de handige Secretaris, de plompe veldwachter, het onschuldige kind, vormen een aantrekkelijk tafereel, waarvan de indruk nog verhoogd wordt, als men Grootmoeder en Arie, Kruuzemuntjes vader, heeft leeren kennen. [4]

Naast Cremers dorpsvertellingen staan zijne novellen en romans uit het Nederlandsche stadsleven met eene eigenaardige strekking. Cremer heeft evenals Charles Dickens door zijne pen maatschappelijke hervormingen willen invoeren. Dickens tuchtigde in “Nickleby” den ellendigen staat der kostscholen in Yorkshire, in “Nelly” (“Old Curiosity Shop”) en “Hard Times” het verschrikkelijke lot van fabrieksvrouwen en fabriekskinderen; in “Chuzzlewit” de slavernij en de kwade praktijken der Yankees; in “Dombey” den geldtrots; in “Copperfield” de juridische knoeierijen van Doctors Commons; in “Bleak House” de nog grooter misbruiken van het kanselarijhof en de evangelisatie-dolheid van sommige domme Engelsche vrouwen; eindelijk in “Little Dorrit” den tragen gang van het Engelsch staatsbestuur.

Zoo strafte Cremer in zijne “Betuwsche novellen” de zeven hoofdzonden telkens in het type van den eenen of anderen boer; zoo schrijft hij een pleidooi voor Frederiksoord en de Maatschappij van Weldadigheid in zijn “Wouter Linge”. Cremer heeft Frederiksoord bezocht, hij heeft gezien hoe dringend daar behoefte is aan stoffelijke ondersteuning. De teekening der geduldige liefde van Anna Linge en Willem is eene idylle met de strekking, om de aandacht te vestigen op eene instelling, wier voortreffelijkheid door onze landgenooten niet altijd op den juisten prijs wordt geschat. Een vermogend en edelmoedig Nederlander te Batavia, las CremersWouter Linge” en zond, onder omslag, een paar flinke bankpapiertjes naar Frederiksoord. Het feit is welsprekend en behoeft geene toelichting.

In “Fabriekskinderen” onderneemt hij een veldtocht tegen een groot onrecht in Nederland—de exploitatie van het kind door de ouders in de fabrieksteden; “van ouwers”—als Juffrouw Baks zegt—“die zuipen en luieren en d’r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen.” Met dit voortreffelijk kunstwerk had Cremer veel geluk. De wet Van Houten zal ter zijner eer blijven getuigen, hoe een dichter, ondanks duizenden ongunstige omstandigheden van eigenaardig Nederlandsche kleur, invloed oefende ten goede op de achtbare Nederlandsche wetgevende Macht.

In de grootere romans, die hij sedert 1867 begon te schrijven, [5]streeft hij naar een dergelijk doel. “Anna Rooze” is een warm pleidooi tegen praeventieve inhechtenisneming, “Hanna de Freule” behandelt werkstakingen en de sociale quaestie, “Tooneelspelers” hekelen de vooroordeelen, in Nederland zeer ten onrechte tegen den stand en de personen van tooneelkunstenaars gekoesterd.

II.

Het verdienstelijke, het ongemeene in Cremer is, dat hij de goedheid van zijn hart op treffende wijze in zijn kunstwerk openbaart. Cremer heeft zijne natuurgenooten lief en gevoelt een diep medelijden voor ieder verdrukt, of onrechtvaardig ter zijde gesteld schepsel. Zijn warm hart voor al wat edel is en rechtvaardig, doet hem ijveren tegen elk onrecht, dat hij meent te ontdekken. In de teekening van booze naturen is hij niet zoo gelukkig, als in de schildering van edele menschen; hij verstaat de kunst om nobele karakters voor den schijn van eentonigheid te bewaren.

Het best zal men hem waardeeren, wanneer men een paar uitgelezen plaatsen uit zijne werken bijeenbrengt.

Onder de beste reken ik het volgende.

In de eerste plaats geef ik den aanhef van “Wiege-Mie”, een der oudste en aantrekkelijkste der Overbetuwsche novellen:

“Hei je ’t neis uut ’t darp al geheurd?” vroeg de daglooner Peter Janssen aan zijne vrouw, die bezig was om voor haar vermoeiden echtgenoot de avondpap op te zetten. “Hei je ’t al geheurd, Net, hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen hoar man is noagestapt?”

“Wàt zei je!” riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden schotel met pap op tafel zette. “Is manke Heintje dood? Wel jong, jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas is van de leinte gesturven en Heintje,—da’s nou krek zes moanden loater! Jong, jong, ’t is veur Wiege-Mie ’en heel ding, woar mot ze noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da’s alles, en ik geleuf niet, dat ze ’t nog al te best duut.—Nou, [6]stil, bloagen!” vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende, die hunkerend de roggemeelpap zagen dampen; “Moeder kan niet alles tegeliek! Hè’k nou ooit van m’n lêven! ze zal zoo um de vieftig zin gewêst en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in ’t darp. Loawwe erst bidden, Peter, de kienders drammen en sjenken, da’k m’n iegen woorden niet heuren kan!”

Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk, om de oogen dicht te doen.

Men bad.—Peter bad ernstig met een dankbaar hart. Willem, zijn buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en kinderen. Zijn gebed was reeds geëindigd, maar, toen hij over den rand van zijne pet de wangen van zijne goede vrouw en de kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht en zei nog eens: “Ik dank u, goede en groote God, amen!”

Behaagt hier de eenvoud in de kleine landelijke woning, scherper wordt de toon van den dichter, als hij in “Fabriekskinderen” den rijken, edelmoedigen student tegenover het tienjarig straatjongetje zet, in den winternacht slapende op eene stoep gevonden. De student redde het kind van doodvriezen, nam het in zijne armen naar zijne kamer en legde het in zijn ledikant. Met de uiterste oplettendheid waakte de student voor zijn pleegzoon. Hij liet hem uitslapen, trok hem eene oude overjas aan en sloeg de mouwen tot vrijmaking van de handjes, halverwege om. Daarna zet hij hem op de sofa van zijne studeerkamer en overlaadt hij hem met krentenbroodjes en waterchocolade. De arme duivel van een fabrieksjongen zet groote oogen op:

—“Ben jij ’en prins?” klinkt het zachtkens van Sanders lippen, en het jongske, wiens vrees na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.—“Ik? wel nee!” lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende, “maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?”—“Jawel” zegt Sander.—“Waarom?”—“Om ditte!”—zegt de jongen en likt nog langs den rand van den grooten chocoladekop. “Hadtje dit nooit geproefd?”—Het ventje grinnikt, alsof hij wil zeggen: “Dat [7]kun je begrijpen.”—”’k Dacht eerst, dat het mosterd was,” zegt hij iets later.—“Mosterd?”—“Ja, die haalt moeder in een potje, en ’s middags, als we van ’t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ’t water.”—“Niets anders?”—“Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten spek, maar da’s gallig voor de kinders, zeit moeder.”—“Beesten!” roept Willem.—Neen, Sander, schrik maar zoo niet, dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:—“En hoe heet je vader?”—“Dat weet ik niet,” is het antwoord.—“Maar, jij, hoe heet jij?”—”Sander Zwarte.”—“En wat doet je vader?”—“Hè, hè,” grinnikt de jongen: “moeder zeit zuipen.”—“Maar wat is hij dan van zijn ambacht?”—“Ambacht?” grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.—“Waar verdient hij zijn centen mee?”—“Dat doen wellui.”—“En hoe oud benje al, ventje; benje al zeven?”—“Ikke,” zegt het jongske, “ikke ben tien.”

In de geheele letterkundige werkzaamheid van Cremer is geen knapper, geen meesterlijker bladzijde te vinden, misschien wel naïever, teederder, roerender.

Zoo bijvoorbeeld, in “Anna Rooze”, als hij de geschiedenis der Veluwsche boerendeerne, Hanneke Schoffels, verhaalt. Hanneke wordt onschuldig van kindermoord beticht. De schijn is tegen haar. Evenwel is zij zich van een anderen misstap bewust, zoodat ze, na een slapeloozen nacht, in den vroegen winter-uchtend voor haar stoel neerknielt en bidt:

“O Lieve Heere Jezus! wa’k oe verzuuken mag, loat ’t niet uutkommen, nee! Voader zal mi’en vluuken en Joost.... O, God! ik zal wel tweemoalen Zundags noar de kerke goan; en van ’t loon uutlegge veur den arme, vier duite wêks, of ook wel ’n stuuver. O Lieve Heere Jezus, ik was een kiende en....”

En ze was verleid door een Veluwschen schelm.

Zij wordt weggejaagd uit de pastorie, waar zij dient. Zij vlucht luid schreiend “noar moeders huus toe.” Daar valt een aandoenlijk tafereel voor. De vader vreest het ergste, en stuift op. De moeder denkt alleen als een moeder kan denken. Zij verloochent de innige liefde voor haar kind niet. [8]

Hanneke staat te klappertanden en vader ziet haar aan en herhaalt met krachtige stem zijne vraag: wat er dan was, dat haar op dat late uur van ’t domineeshuis naar moeder joeg.—“Zie je dan niet Berend”—zegt de moeder—“dat ze hoast niet sprêken kan, zoo kolde ze is—kom hier Hanneke; hier op de vuurploate. ’k Zeg, loat ze erst bekommen, eer ze proaten zal. God, kiend! oe hande zin as’ steen.... Hier, goat er zitten; hier op mien stoel.”—Berend stelt zich in den weg. Hevig: “Ik vroag wàt, wàt, wàt er is?”—“Man, wês toch wiezer, altied den driftkop! Oe kiend is dood van de kolde, da’s nommer een....”

Kan het moederhart treffelijker getuigen, dan met dit eenvoudige woord:—”Oe kiend is dood van de kolde, da’s nommer een.”—Het is mogelijk, dat elders de zielkundige studie van meer ontwikkelde, en rijker aangelegde karakters een hooger kunsteffect zal kunnen bereiken, maar mij boeit deze eenvoudige teekening, mij sleept dit kleine drama in eene Veluwsche boerenwoning mee; ik ben er den edelen dichter dankbaar voor, en hoop, dat zulke bladzijden den letterkundigen naam van Cremer in de toekomst zullen handhaven.

Dus voortgaande zou men eene vrij uitvoerige bloemlezing uit Cremers novellen en romans kunnen verzamelen. De lezer zijner thans opnieuw uitgegeven werken zal deze poging gemakkelijk zelf kunnen voortzetten. Ik wijs nog op enkele voortreffelijke bladzijden in “Anna Rooze”—de heldin met haar vader, den zeeofficier, bij het graf der jong overleden moeder; de beschrijving van den storm, die uit het Overmaassche zich verheft en Rotterdam teistert—alles voortreffelijk werk, evenals de teekening van de fabriek in “Hanna de freule”, als Hein Pronk, de stoker, nieuwe kolen in den vuurgloed werpt en het dreunend gerucht der werktuigen elk ander geluid onhoorbaar maakt.

III.

Stelt men de vraag, waardoor de arbeid van Cremer zich onderscheidt, wat zijn naam zal doen leven voor het nageslacht, dan [9]behoort men te wijzen op zijne onmiskenbare verdienste als Nederlandsche dorpsnovellist.

Cremer was niet de eerste, die de hand legde op de in onze eeuw zoo hartelijk geliefde stof—de dorpsvertelling. In 1844 had onze Van Koetsveld met zijne “Schetsen uit de Pastory te Mastland” het eerst de aandacht voor het Zuid-Hollandsche dorpsleven gewonnen. En zelfs Van Koetsveld was niet de allereerste, zijn boek verscheen eenige jaren na de “Camera Obscura”, waarin reeds “’s Winters buiten”, “Gerrit Witse” met het dorp Van Claartje Donze, en de “Nederlandsche Karakterschetsen met “Teun, de(n) jager” voorkomen. En reeds vroeger, 1821 en 1822, las men in de “Vaderlandsche Letteroefeningen”: “Leven en wandelingen van Meester Maarten Vroeg”, in 1826 te Haarlem in twee deelen uitgegeven. De Nederlandsche nieuwere dorpsvertelling begint dus met Jacob Vosmaer en Van Koetsveld. Want er is ook eene oudere, die in de 17de eeuw onder den titel van “Arcadia’s” zeer veel werd gelezen. De moderne dorpsnovelle, zooals Cremer die schreef, stamt eensdeels van J. H. Voss (“Luize”, 1784) en van Goethe (“Hermann und Dorothea”, 1796), anderdeels van Sir Walter Scott, die tafereelen teekende uit het leven der Hooglanden en der Orkney-eilanden. Omstreeks 1830 begint men in verschillende landen de aandacht op kleine landstreken en dorpen te vestigen. De schildering van het onbekende, kleine, maar frissche dorpsleven gaf afwisseling, na de reusachtige doeken der historische romanschrijvers, na de bonte tafereelen uit het high-life der groote hoofdsteden van Europa.

Naast Walter Scott komt aan Duitschland de eer toe de moderne dorpsvertelling het eerst te hebben voortgebracht. De bekende Zwitsersche paedagoog Pestalozzi begon met eene schildering van het boerenleven in zijn “Lienhard und Gertrud” (1781), een boek, bestemd het volk te leeren en te verheffen, evenals ZschokkesOswald, oder das Goldmacherdorf” (1817), dat evenwel lager staat omdat het droger, gekunstelder is van toon. Eerst in 1836 gaf Albert Bitzius zijn “Bauernspiegel oder Lebensgeschichte des Jeremias Gotthelf” die alom grooten [10]opgang maakte en den schrijver zelfs als “den Shakspere van het dorpsleven” deed prijzen. Eenige jaren later kwam Gotthelf met zijn “Uli der Knecht”—Bitzius had zich den naam van zijn eersten held tot pseudoniem gekozen—welk boek aan een Nederlandschen dorpspredikant Van Schaik, de gelegenheid gaf (1852), om er eene quasi-oorspronkelijke Drentsche geschiedenis “Geert” uit saam te stellen.

Na Gotthelf oogste Berthold Auerbach de schoonste lauweren met zijne dorpsschetsen uit het Zwabische leven, Immermann met zijne Westfaalsche tafereelen, eindelijk gunden beiden den schepter aan Fritz Reuter, den schepper der Voor-Pommersche en Mecklenburgsche dorpsgeschiedenissen. Deze specialiseering der stof kwam steeds meer in zwang, zoodat Klaas Groth de dichter van het Ditmarsche volksleven, Moritz Jókai de gevierde novellist van de Magyaarsche boeren, Sacher-Masoch de geschiedschrijver der Karpatische bergbevolking werd. Russische boeren werden door Tourguénief en Tolstoi behandeld, voor Elzas-Lotharingen traden Erckmann-Chatrian, voor de Vlaamsche dorpen Hendrik Conscience, Sleeckx en de gezusters Loveling op.

Niet het minst vloeide uit het jonge Amerika stof voor deze afdeeling der romantische litteratuur. Daar was het frissche natuurleven, de nog onbeschreven schoonheid van tropische planten en bosschenweelde te waardeeren, daar vormde zich eene rij van novellendichters, die weldra blijvenden roem in de oude wereld zouden winnen. ’t Eerst kwam Friedrich Gerstäcker, om weldra overtroffen te worden door zijn geheimzinnigen landsman, Charles Sealsfield, die eigenlijk Karl Postl heette, en sedert 1834 met zijne “Trans-Atlantische Reise-Skizzen” een grooten naam maakte. Gerstäcker gaf den indruk van oppervlakkige stofferij, Sealsfield schilderde de wording van een nieuwen staat, Texas, met onmiskenbare juistheid van waarneming en verblindend coloriet. Beiden stonden in nauwe betrekking tot Fennimore Cooper, die het eerst al de aantrekkelijke poëtische frischheid van de nieuwe wereld in zijne beroemde romans had geopenbaard. Ook Fransche dichters betraden het Amerikaansch terrein. Gabriel Ferry schilderde met opmerkelijk talent de Mexikaansche wildernissen, een [11]gebied ook betreden door den Ierschen Kapitein Mayne Reid, die zich berucht maakte door de vermetelheid zijner “onjuistheden.” Gustave Aimard werd de lieveling der nieuwsgierige jongelingschap, Xavier Marmier schonk eenige Egyptische en Noordsche natuurtafereelen, terwijl Jules Verne een ongehoorden bijval verwierf door de geheele stof der natuurwetenschap op meesterlijke wijze in romantischen vorm te gieten.

De Amerikanen gingen op den ingeslagen weg voort. Wat Sealsfield voor Texas gedaan had, deed Bret Harte voor Californië en Mark Twain voor Nevada. Beide jongere schrijvers trokken terstond de algemeene aandacht, omdat zij geheel onbekende typen van menschen, geheel onbekende zeden ten tooneele brachten. Juist dit verlangen onzer eeuw naar het nieuwe, naar zedenschilderingen, en teekeningen van verborgen of weinig bezochte plekjes uit de oude of nieuwe wereld, heeft den naam van de meeste der genoemde kunstenaars beroemd gemaakt. De Nederlandsche dominee Van Schaik—reeds genoemd als kopiïst van Gotthelf—poogde later een West-Indischen roman te schrijven.

Het onbetwistbaar meesterschap van Multatuli in zijn éénigen kolonialen roman, de onderhoudende Oost-Indische verhalen van Ritter, Van Hoëvell, Van Rees, Groneman, Perelaer, mevrouw Frank en Annie Foore stelden Van Schaik in de schaduw. Maar meer nog werd hij overtroffen, toen Cremer zijne Over-Betuwsche en Veluwsche schetsen begon te schrijven. Cremer maakte een school van schrijvers, die hem allen met meer of minder talent navolgden: Van Duinen (Thineus), met Groningsche, Lesturgeon met Drentsche, Beunke met Zeeuwsche, Heeren met Overijselsche, Hollidee met Noord-Brabantsche en Seipgens met Limburgsche zedenschilderingen.

Cremer werd voor Nederland in betrekking tot de Betuwe, wat Fritz Reuter voor Duitschland in betrekking tot Mecklenburg en Voor-Pommeren geworden is. Cremer neemt in de geschiedenis onzer letteren de plaats in dier talentvolle kunstenaars, welke elders eene bijzondere zijde van het volksleven het eerst hebben beschreven. Moritz Jókai deed voor het Magyaarsche landleven, Auerbach voor de Schwartzwälder boeren, Gotthelf voor de [12]Zwitsersche, wat Cremer voor onze goedhartige naïeve Betuwers deed. En daarom bekleedt Cremer een geheel eigenaardigen rang als Geldersch dorpsverteller, hooger dan als romanschrijver, dan als dramatisch auteur. Mocht men willen aanmerken, dat Cremer zich bijzonder op het vak van miniatuurschildering heeft toegelegd in afwijking van de breede epische manier door Reuter en Auerbach gevolgd, dan stem ik dit gaarne toe, onder voorwaarde, dat men tevens erkenne, hoe beider wijze van opvatting en schildering hare eigenaardige, talentvolle aantrekkelijkheid bezit, hoe Cremer daarom aanspraak heeft op de dankbaarheid van het geheele Nederlandsche volk.

Dr. JAN TEN BRINK.


1 Het eerst medegedeeld door A.L.H. Ising, in “de(n) Nederlandsche(n) Spectator” van 1880, n°. 24.

[1]

DOKTER HELMOND EN ZIJN VROUW.

EERSTE HOOFDSTUK.

Aan het eind van een kleinen stadstuin, nabij een ouderwetsch poortje in den tuinmuur, staat een prachtig bloeiende roode meidoorn.

En zie, terwijl hij met een stroom van geuren den hof vervult, staat daar in zijn vriendelijk lommer een minnend paar, dat, dicht aaneengesloten, zeer zachtjes fluistert.

Wat ze spreken zou slechts de meidoorn kunnen verstaan,—maar immers een meidoorn heeft geen ooren.

“Ja liefste Eva, morgen zal het zijn! Morgen! en dan voor altijd aan elkaar verbonden!”

“Mijn August, ik kan het haast niet gelooven. Soms moet ik mij geweld doen om te begrijpen dat ik werkelijk al morgen mevrouw Helmond zal heeten, en dat jij dan in allen ernst, en niet meer alleen uit een aardigheid, mij je wijfje zult noemen.—Mijn beste August!”

Een roodborstje in den meidoorn tjilpt met zoet geluid, en als hij van het eene takje op het andere springt, dan vallen de kleine roode bloempjes, die al loszitten, op de hoofden en schouders van een gelukkig bruidspaar.

“Wij zullen gelukkig zijn mijn Eva.”

“Ja August, altijd!”

“Omdat we elkander oprecht liefhebben, en niets dan de innigste liefde ons tot elkander bracht.”

“O August, hoe verachtelijk zijn ze, die een huwelijk sluiten met het oog op fortuin of stand.”

“Verachtelijk?—Niet altijd. ’t Is dikwijls noodig dat het verstand de liefde beheerscht. De man, wiens middelen niet voldoende zijn om een gezin te onderhouden, doet wèl zich een vrouw te kiezen, die mede eenig vermogen bezit.”

Eva, terwijl zij haar hoofd aan zijn schouder vlijt:

“Mijn lieve dokter heeft zich zulk een vrouw niet gekozen.” [2]

“Bezit zijn wijfje dan niet alles wat hem gelukkig kan maken?”

“En hier heeft de man genoeg om in het noodige te voorzien.”

“Het vrouwtje zal met hem deelen ’tgeen hij bezit, en méér zal ze niet verlangen.”

“Nee zeker niet.”—Hem schalks in de oogen ziende: “Maar we zullen het toch zoo kwaad niet hebben, is ’t wel mijn beste?”

“Zeker niet: een kalm en eenvoudig, maar ook een extra genoeglijk leventje. We zullen huiselijk en tevreden zijn.”

“Toch beginnen we met Parijs! O August, wanneer ik zoo denk dat we overmorgen om dezen tijd al samen in die heerlijke stad zullen zitten, als mijnheer en mevrouw Helmond Van Romphuizen—ja, waarom niet Van Romphuizen—daar komen we immers vandaan?—o, als ik dááraan denk dan krijg ik zoo iets alsof ik zal vliegen. Parijs, ’t was altijd mijn illusie: ’t is m’n idole!—Och, je bent toch een beste man. Ja zeker, om zoo van je Hartz af te stappen en me Parijs te gunnen. ’t Is overheerlijk!”

“Goed kind, wat zou ik niet voor je overhebben! Van ’t reizen zal toch later zoo gauw niet meer komen, en zou ik dan nu mijn zin hebben gevolgd!”

“We zullen er eens braaf pret maken niewaar? Want juist, als we hier in de deftigheid terugkomen, dan moeten we er heel lang op teren.—Maar zeker, als jij nu veel liever naar dien Hartz waart gegaan dan had ik het óók goedgevonden, heusch....”

“Wij zullen altijd hetzelfde willen, niewaar mijn wijfje?”

“Ja zeker August.”

“En bij verschil van meening....?”

“Och, die zal er niet zijn.—Nee zeker niet!”

“Hij was er toch al een paar maal in ons engagement; ja zelfs in de heerlijke bruidsdagen.”

“Verschil van meening, nu ja, in kleinigheden; toch nooit als het iets belangrijks gold.”—Met een blosje: “We waren het immers wel eens dat we onzen gelukkigsten dag niet nog een halfjaar zouden uitstellen, volgens den raad van den generaal. En dan, over het koopen van het groote huis op de markt, daar heb ik toch in ’t geheel niet meer over gesproken, is ’t wel lieve? Maar à propos, ben je ’t niet met me eens dat we in de kerk het Deventers tapijt en niet het rooje karpet moeten hebben? Pa heeft het karpet besteld, maar....”

“Laat het dan zoo blijven, beste kind; wat doet het er toe.”

“Nee lieveling, het doet er zeker niet toe, maar me dunkt, je zult toch ook bekennen dat het oude rooje karpet, waar letterlijk Jan en alleman op trouwt, geen kleed is voor dokter Helmond; een eigen neef van den generaal! Mij zelve laat ik er buiten, maar het karpet waar bijvoorbeeld pas acht dagen geleden Elsje Van Buren de naaister met haar Piet den turfboer op stond, je moet me niet kwalijk nemen, dat is toch wat al te min.—Zeg, zul jij in ’t voorbijgaan dus even aan koster Bik zeggen dat ie het Deventer tapijt moet nemen? ’t Kost drie gulden meer, maar ’t is toch wat erg kleingeestig om bij zulk een eenige gelegenheid op een driegulden te zien.” [3]

“Och ja, wat dàt betreft; ’t is mij om ’t even.—Je pa zal het toch niet kwalijk nemen?”

“Wel nee August, als wij het betalen; guns nee.—Och, je bent toch de liefste man die er leeft; alles heb je voor me over, alles zou je voor me inschikken.”

“’t Is immers de afspraak mijn dierbaar vrouwtje—vrouwtje op morgen hé?—dat we alles voor elkaar zullen overhebben en inschikken; en, als er verschil van meening mocht komen, dat dàn het gezond verstand steeds in kalmte zal uitspraak doen?”

“Och, dat spreekt immers vanzelf mijn August.—Maar waarlijk je bent me haast te ernstig vandaag.”

“Een weinig ernst kan geen kwaad in oogenblikken dat we elkander voor ’t laatst zien en omhelzen als bruid en bruigom.”

“Ja, ’t is wel inschikkelijk van me dat ik mijn lieven man den laatsten middag en avond van onzen bruidstijd zoo geheel wil afstaan. De generaal is goed en best, en je houdt misschien niet zonder reden veel van hem, maar zijn uitnoodiging is toch heel vreemd.—Zoo’n laatste middag en avond!”

“Best wijfje, beknor mijn ouden pleegvader niet. Hij kan natuurlijk niet meer gevoelen zooals minnende harten het doen; maar zijn stelregel: ’t bruin geeft het licht aan de schilderij, past hij waarschijnlijk ook toe op het heerlijke feest dat we morgen zullen vieren. De kleine scheiding dezen dag, en ons weerzien op het uur dat ons voor altijd verbinden zal”—hij klemt haar vaster aan zijn borst—“die scheiding zal ons dat welkome uur misschien nog in verrukter stemming doen genieten, en den indruk er van nog sterker maken.—Lieve Eva!”

“Mijn August!”

“Goed kind, dus vaarwel voor ’t laatst, voor ’t laatst als het voorwerp mijner wenschen.... voor ’t laatst als Eva Armelo.”—Terwijl hij haar met gevoel in de schoone oogen ziet: “Eva, hier onder den meidoorn heb ik je ’t eerst gezien. Weet je ’t nog? je zat aan den anderen kant op de groene tuinbank. Je waart bleek en lijdend. En nu....”

“Mijn lieve dokter!”

“Genezen ja, Goddank, geheel en al. Maar Eva, op dit plekje, dat mij altijd heilig zal blijven, laten we hier voor ’t oog eener scheppende Majesteit, bij de pracht Zijner werken, in schooner tempel dan waarin we het morgen zullen doen, onzen eed van trouw en liefde herhalen. Eva, wij zullen elkander altijd liefhebben, niewaar? wij zullen één zijn totdat de dood....”

“O, spreek van die sombere toekomst niet. Hoe! moet ik dan nóg eens herhalen wat ik al honderden malen uit de volheid van mijn hart heb gezegd: Ja mijn August, met en voor je te leven dat zal mijn eenig geluk zijn. God weet het hoe ik je liefhad schier van dat eerste oogenblik afaan.”—Eva’s schoone oogen blijven met zulk een innige teederheid op den vriend gericht, dat de reinste verrukking zijn borst doorstroomt. Een teedere omhelzing volgt er op hare woorden. Toen was het oogenblik van scheiden daar. [4]

August heeft, alvorens hij het verdere gedeelte van den laatsten bruidsdag bij zijn pleegvader gaat doorbrengen, nog eenige patiënten te bezoeken, en later nog velerlei te doen en te regelen, ’t geen niet vreemd is voor een dokter die, ofschoon nog jong, reeds een goede praktijk heeft en ze voor een groote veertien dagen aan een collega moet overlaten.

“Eva, mijn wijfje, tot morgen!”

“Tot morgen August, mijn beste man! Wacht,”—en terwijl zij met haar fijne vingers een bloeiend takje van den meidoorn knakt en afbreekt, steekt ze het den bruidegom in het knoopsgat: “Hier August, neem nog een bloem van den meidoorn mee. Hij heeft ons zoo dikwijls te zamen gezien, ja, misschien wel beluisterd.”

“Als dat laatste waar was liefste, dan zou hij daareven wel heel veel goeds hebben gehoord.—Nu, zie eens hoe je mij hebt opgeschikt. Als we ooit een herinneringsfeest van onzen bruidstijd of trouwdag vieren, dan moet een roode meidoorn de hoofdbloem zijn in het feestbouquet. Tot morgen mijn lieve vrouwtje, tot morgen!”

“Tot morgen elf uur August; vaarwel!”

Een laatste zoen wordt er gegeven. August opent de deur van het tuinpoortje, maar voelt zich teruggehouden:

“August, ’t is waar ook: Pa heeft gezegd dat het orgel morgen bij ’t inkomen in de kerk niet noodig was; maar vinje dat niet ijselijk schriel? Ik wed, als Donerie het wist dat ie ’t graag voor niemendal zou doen—zoo’n goeje jongen! Als ik hem in de laatste dagen gezien had, dan zou ik ’t hem zeker gezegd hebben. Toe, zorg jij nu dat we ’t orgel erbij krijgen. ’t Is zonder orgel niemendal plechtig en zoo ijselijk commun. Zulje, beste August?”

“Dus het karpet en ’t orgel?”

“Nee lieve; guns nee, niet het karpet maar ’t Deventer tapijt, en dan aan Donerie vragen of ie ons—voor de staatsie—beorgelen wil. Bonjour!”

Terwijl dokter Helmond langs de achterzij van den tuinmuur door een der stilste straatjes van Romphuizen zijn weg kiest naar een drukker gedeelte der stad, ziet hij nog eenige malen naar Eva om en beantwoordt haar zakdoekwuiven met handgroet en knikken.—Nu verdwijnt hij om den hoek—en Eva trekt de tuindeur achter zich toe.


“Baas Krul, is menheer Donerie thuis?”

De timmermansbaas laat de schaaf een oogenblik rusten en ziet den dokter bedenkelijk aan:

“Dat zou ’k je voor de vaste waarheid niet durven verassereeren dokter. Als ik ’em hoor op z’n porteviano, dan weet ik wel dat ie thuis-is, maar anders.....”

Tot een jongen die aan ’t zagen was en nu den dokter staat aan te gapen:

“Gijs, is mijnheer Donerie boven?”

“Jawel baas; maar de juffrouw zei dat ie niet frisch was.”

“Nee, dat geloof ik ook niet; als ie frisch was dan zou je hem [5]wel hooren. ’t Is mooi als ie d’r op slaat, dokter, en ’t verameseert een mensch nog eens die ook al zijn zorg heeft in de wereld.”

“’k Zal maar eens oploopen baas Krul.”

“Als menheer zoo vrijpostig wil wezen.”

Uit de werkplaats komt men met een zijdeur in de smalle gang van het huis. In ’t midden ervan bevindt zich een trap. Helmond beklimt die, en op een donker portaaltje gekomen, klopt hij op de deur der voorkamer, die boven de werkplaats van Krul is. Uit de tegenovergestelde richting van die, waaruit Helmond een antwoord verwacht, klinkt het: binnen! ofschoon dof en uit de verte. De deur der achterkamer wordt nu door den bezoeker geopend, en Helmond treedt het slaapvertrek van Donerie binnen.

“Bent u ziek menheer Donerie?” zegt Helmond met belangstelling: “Ik had er niets van gehoord.”

“Sedert een paar dagen was ik een weinig van streek dokter;” antwoordt de aangesprokene die zich in zijn ledikant heeft opgericht en met de eene hand de gordijn terzijde houdt, terwijl hij met de andere zich langs het bleeke gelaat en vervolgens langs de glanzig zwarte krulharen strijkt.

“Hebt u dokter Biermans al gehad menheer Donerie?”

“Nee dokter, pardon; ’t heeft niet zooveel te beteekenen. Als u me spreken wilt, wees dan zoo goed en ga naar de voorkamer; in een paar minuten zal ik bij u zijn.”

“Toch niet, blijf rustig; ik had u maar heel even iets te vragen. ’t Zal u door uw ongesteldheid wel niet mogelijk zijn aan mijn verzoek te voldoen; maar toch wil ik u de reden zeggen van mijn komst.—Nee nee, blijf rustig.—Zie, ik zit hier al.—U weet waarschijnlijk menheer Donerie, dat ik morgen, als alles wèl gaat, in Hymens bootje zal stappen.”

Mijnheer Donerie wist het.

“Naar ik vernam, wordt de plechtigheid van een kerkelijke inzegening naar verkiezing àl of niet door orgelspel opgeluisterd. Mijn aanstaande schoonvader scheen de zaak maar eenvoudig te willen behandelen, doch de meer belanghebbenden waren van een ander oordeel, en dewijl mijn bruidje, evenals ik, het uitmuntend orgelspel van menheer Donerie zoo hoog waardeert, zoo had ik op mij genomen om u te verzoeken ons morgen met uw schoon talent te willen van dienst zijn.”

Helmond heeft eerlijk zijn meening gezegd. Toch vreest hij dat zijn lof den schijn van vleierij heeft gehad: althans hij zag dat een vluchtig rood het gelaat van den jonkman kleurde, en herneemt:

“De kunstenaar ondervindt doorgaans zooveel teleurstelling menheer Donerie, dat zijn ware vereerders inderdaad niet te angstig met hun lof behoeven te zijn.”

Een pijnlijke glimlach speelde er om de lippen van den musicus.

—Teleurstelling! ja!....

Helmond vervolgt:

“Meen echter niet dat ik u iets vriendelijks heb gezegd om u, inweerwil van uw ongesteldheid, tot het voldoen aan ons verzoek [6]te bewegen. Nee menheer Donerie, ofschoon ik uw dokter niet ben, zoo moet ik u toch, in dit bijzonder geval, ten zeerste aanraden om voor uw gezondheid te zorgen en niet uit te gaan voordat u collega Biermans hebt geraadpleegd—tenzij ge u al eerder beter gevoelt.”

“Mijnheer Helmond, ik zou gaarne....”

“Ik ben er van overtuigd mijn beste menheer. Aan ’t verzoek van een oud-élève zou je zeker gaarne voldaan hebben; maar de gezondheid is nommer één. Je bent zenuwachtig; dus kalm—kalm—Wij zullen ons ’t genot der orgelbegeleiding nu maar ontzeggen, in de hoop dezen zomer gedurig een uwer schoone Woensdag-concerten te kunnen genieten. Van harte beterschap menheer Donerie, adieu!”

“Zou mijnheer Helmond meester Daal niet willen vragen om morgen in mijn plaats te spelen?”

“Nee, dankje hartelijk menheer Donerie, daar zullen we nu niet aan denken: mijn bruidje stelde er wel hoogen prijs op dat u het orgel bespelen zoudt, maar de zwevingen van den braven meester Daal zouden ons zeker wat al te veel aandoen!”

“Hoe gaarne ook, dokter.... u gevoelt zelf.... dat ik....”

“Geen woord meer mijnheer Donerie; van uw welwillendheid zijn we geheel overtuigd. Nogmaals beterschap. Tot weerziens!”

Helmond heeft den jonkman bij ’t opstaan even de hand gedrukt, en—denkend aan hetgeen hij verder te doen heeft, verlaat hij de kamer.

Nadat de onverwachte bezoeker vertrokken is, blijft de jonge muziekmeester nog een geruimen tijd in de richting van de deur staren. Droeve gedachten doorwoelen zijn kloppend hoofd. Een paar dikke tranen wellen er op in zijn schoone—nu eenigszins fletsstaande oogen. Hij drukt er de handen voor; maar dan, na een kleine wijle, springt hij van zijn leger op; kleed zich vluchtig; dompelt zijn hoofd eenige malen in het frissche water, en gaat eindelijk met haastigen tred het portaaltje over naar de voorkamer.—In weinige oogenblikken heeft Herman Donerie nu een secretaire en een binnenkastje ervan geopend. Alsof hij vreesde dat men hem bespieden zou, zoo ziet hij om zich heen: en ofschoon wel wetend dat zulks bijna onmogelijk is, en dat men niet onaangemeld zal binnentreden, toch wordt de kamerdeur van binnen door hem op slot gedraaid, toch werpt hij een blik door het venster op de woning aan de overzij der straat en laat hij de valgordijn naar beneden.—En nu—nu is hij dan zeker dat niemand hem bespieden of overvallen zal.

Voor de secretaire gezeten, met de rechterhand zijn gloeiend hoofd ondersteunend, houdt hij in de linker- het photographie-portretje van een veertien- a vijftienjarig meisje, en beschouwd het met strakken en diepweemoedigen blik.

—Lief vroolijk gezichtje! peinst Herman: Je zult het niet vermoeden dat je me ook nú nog met die heerlijke kijkers zoo schalks in de oogen ziet. O Eva, Eva! waar zijn ze, die zonnige dagen, die [7]uren vol zaligheid!—Je zat toen naast me—jij op het ronde stoeltje midden voor de piano; ik aan je rechterzij met het gouden potlood in de hand. Welk meisje van je leeftijd was er die het al spoedig zoover als jij had gebracht, en onder mijne leiding!—Een dweper of droomer was ik nooit, maar als dan Mendelssohn’s “Lieder ohne Worte” door je lieve blanke vingers aan het instrument werden ontlokt, dan is het toch gebeurd lief kind, dat mij iets in de ziel drong als een heimwee, als een zucht naar een onuitsprekelijk zalige toekomst; en—blijde was ik dan, Eva, dat je mij niet kondt aanzien, omdat ik mij schaamde. Ja, want het gebeurde dan ook wel dat die beroering mijn oogen had vochtig gemaakt. Maar een dweper of een droomer was ik toch niet!—Die prachtige zwarte lokken, wiegend om den kleinen blanken hals en afdalend op den witten boezelaar! Ha! als ik mij soms vooroverboog om op het muziekblad iets aan te wijzen of duidelijk te maken, dan, lief meisje, dan doortintelde somwijlen een ongekende verrukking mijn borst, want, onwillekeurig had dan mijn wang de trilling van die zwarte lokken gevoeld. Eens, ja ééns heb ik met voordacht en zonder noodzaak op een point d’orgue gewezen, alleen om nogmaals.... O, toen ben ik van mij zelven geschrikt, en toch dat oogenblik vergeet ik niet.—Maar stil, waarom pijnig ik mij opnieuw? Bonst mijn hoofd niet reeds genoeg?—Ben ik niet waarlijk ziek en daardoor week en gevoelig? Of zou die ongesteldheid haar oorzaak vinden in de zekerheid dat dat engelachtige wezen....?

Weer zit Herman Donerie met de beide handen voor de oogen gedrukt. Hoe meer het tijdstip nadert, waarin de vervulling van zijn zielewensch een onmogelijkheid voor hem zal worden, hoe meer het oogenblik nabij komt, waarin Eva Armelo haar leven aan dat van een ander zal verbinden—hoe zwarter ook zijn eigen toekomst hem voor den geest treedt, hoe zwakker de anders zoo kloeke zes en twintigjarige jonkman zich gevoelt, en in oogenblikken als deze zich verwijt dat zijn wijsheid een dwaasheid geweest is.

Ja, Eva Armelo was omtrent vijftien jaar oud, toen zij haar ouderlijke woning en Romphuizen ging verlaten om haar intrek bij een tante in den Haag te nemen, teneinde er op de Koninklijke Muziekschool haar heerlijke stem en muzikaal talent verder te oefenen en ontwikkelen. Twee of drie, misschien wel vier jaren zou Eva in den Haag blijven, zoo het althans niet wenschelijk werd geacht om haar later nog eenigen tijd naar een Conservatoire te zenden.

Toen Eva haar geboorteplaats verliet, toen heeft ze van allen die ze liefhad heel hartelijk afscheid genomen. Ook haar Do-majeur—zoo noemde ze haar talentvollen muziekmeester Donerie wel eens—ze heeft hem met dank voor zijn geduldig en uitstekend onderricht een handdruk gegeven, en bovendien een der photographie-portretjes die in Romphuizen de herinnering aan de vroolijke Eva tot haar terugkomst moesten bewaren. Maar ook zonder dat heerlijke aandenken—waarop ze aan de achterzij haar naam had geschreven, zou Herman zijn liefste élève niet vergeten hebben. Voor dringende zaken is hij gedurende haar afwezigheid eenige malen naar Neerlands [8]residentie gereisd, en heeft dan telkens bij Eva’s tante een bezoek gebracht teneinde “het nichtje eens ’t een en ander van haar familie en vrienden te vertellen, en zich met de groeten voor allen te kunnen belasten.”

Dien laatsten keer, o wat hevigen strijd heeft hij toen moeten strijden om getrouw te blijven aan het vast genomen besluit en zijn Eva van geen liefde te spreken aleer zij in Romphuizen zou zijn teruggekeerd. Eerst dan, wanneer zij door het geven van zanglessen in haar geboorteplaats zou toonen dat ze zich gelukkig in zijn stand zou kunnen gevoelen, eerst dan mocht Donerie het wagen zijn Eva te smeeken om het weinige, ’t welk hij haar met een hart vol reine liefde kon aanbieden, voor dit leven met hem te deelen.

Ja, ’t heeft hem vooral dien laatsten keer een zwaren strijd gekost.

In den vollen bloei van haar jonkvrouwelijke schoonheid heeft hij haar weergezien. Ze was gekleed voor een avondpartij. Een paar freules Lasure, die haar op de avonden van Toonkunst leerden kennen, en haar—vooral om haar lieve stem zeer en amitié namen, hadden haar nu op een muziekpartij genoodigd, met beleefd verzoek: wat muziek te willen meebrengen.

Eva was als altijd zeer vriendelijk tegen haar voormaligen muziekmeester, maar sprak nu toch het meest over de partij, waarvoor men haar met het rijtuig van den baron zou komen afhalen, en over jonker Eduard die een prachtige barytonstem had, en—zij moest het eerlijk zeggen—allerinnemendst en niemendal trotsch was.

Nadat men weinige oogenblikken later een rijtuig voor tante’s woning had hooren stilhouden en de huisschel vernomen, trad de bedoelde jonker de kamer binnen. Zonder de oude tante of Donerie zijn bijzondere aandacht waardig te keuren, noodigde hij juffrouw “Van Armelo” beleefdelijk uit om de goedheid te willen hebben hem te volgen: Hij had zich op verzoek zijner zusters zeer gaarne de eer gegeven om juffrouw “Van Armelo” in persoon te komen afhalen.

En Eva, neen, haar ouden stadgenoot had ze niet verloochend, maar ze heeft hem aan den jonker voorgesteld: als een jong vriend van haar papa, als een groot muziekliefhebber met wien ze vroeger wel eens duo’s heeft gezongen en quatre-mains gespeeld.

Toen Eva met den jonker is weggereden, neen, toen heeft Donerie bij de oude tante geen rust meer gehad. Een angstig vermoeden is er opgerezen in zijne ziel. Indien men Eva misleidde.... die jonker, dat rijtuig!

Gode zij dank! hij had zich bedrogen. Aan de woning van den baron Lasure gekomen, heeft hij juffrouw Armelo nog even te spreken gevraagd.—Goddank, zij was er! Met vragenden blik is ze hem in het spreekkamertje genaderd. O, ’t was wel zeer vriendelijk van mijnheer Donerie, dat hij daarvoor nog eens aankwam; maar waarlijk, zij had niets bijzonders aan familie of bekenden te zeggen. Hoe gaarne zou zij gezien hebben dat mijnheer Donerie hier ook van de partij had kunnen zijn; maar.... altemaal haute volée.—Men was enorm lief voor haar. De gastheer heeft haar bij ’t binnenkomen [9]een mooi bouquet gegeven, en jonker Eduard was de voorkomendheid zelf; zijne stem—o magnifique! Straks zouden ze nog een duo samen zingen.—Mijnheer Donerie moest niet kwalijk nemen, maar men zou haar wachten.... Adieu, adieu!—Zóó wilde ze heengaan. En toen.... Maar neen—neen! nu minder dan ooit mocht hij spreken. En Eva, de heerlijke Eva is naar het gezelschap teruggesneld, en hij, die haar zoo teeder beminde, hij is den volgenden morgen in zeer droeve stemming opnieuw naar zijn werkkring en Eva’s geboorteplaats vertrokken.

Twee maanden later—’t was in de eerste stormdagen van Maart, toen is Eva Armelo ziek en zwak in haar ouderlijke woning teruggekeerd.

Drie weken te voren was het engagement van jonker Eduard Lasure met eene freule Leeuwenhuis publiek geworden. Eva was zeer ziek; men vreesde dat het op een tering zou uitloopen. De middelen van dokter Biermans hebben haar niets gebaat. Sommige vrienden drongen erop aan, dat men den jongen dokter zou consulteeren; dokter Helmond was volgens velen zoo bijzonder knap; men zei van hem dat hij voor professor in de wieg was gelegd.—Dokter Biermans vond het zeer goed dat men den jongen collega wilde raadplegen, indien men hem dan maar niet kwalijk nam dat hij geen voet meer over den drempel zoude zetten.

’t Was zeer natuurlijk dat dokter Biermans er zoo over dacht; en Eva, die medelijden met den ouden man kreeg, zei, dat ze genoeg vertrouwen in de kennis van dokter Biermans stelde, en dat mijnheer Helmond niet behoefde te komen. ’t Was haar inderdaad onverschillig of zij beter werd of niet. Alles en iedereen was haar onverschillig geworden.... na dien slag, na dat ontwaken uit den zoetsten droom.

Toch waren de menschen heel lief voor haar. Die Donerie, wat was hij goedaardig: wat deed hij alle moeite om haar genoegen te doen. Soms vond zij hem lastig van vriendelijkheid. Wat ter wereld had ze aan die oude jaargangen van de Illustrirte Zeitung, of die “dood-oude schetsen” van A. V. H.—Alle pracht werken van Doré en zoo vele anderen had ze ruimschoots genoten in den Haag bij de familie.... Die naam wilde haar echter niet van de lippen, en van den Haag sprak ze zelden of nooit.

Toen de ruwe Maart zijne grillige jongere zuster met een frisschen voorraad lentegroen zag naderen, toen meende men dat Eva wat beter werd. Haar lustelooze onverschilligheid was niet zoo sterk meer als in den beginne. Op zekeren avond dat Donerie weer een bezoek aan “haar ouders” bracht, sprak zij zelfs met eenige belangstelling over den naderenden zomer, over den muzikalen toestand van Romphuizen, over Donerie’s lessen, over zijn eigen studie, en nam het aanbod gretig aan om hem een stuk van eigen compositie te hooren spelen, een cavatine, die hij op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had.

In den nacht na dien avond lag Eva in een hevige koorts, en weinige dagen daarna besloot kapitein Armelo om dokter Helmond [10]inweerwil van Biermans’ bedreiging, bij zijn kind te ontbieden. Haar behoud ging hem boven de vriendschap van den ouden plattelandsheelmeester.

En Helmond is gekomen.

En Eva is beter geworden; al spoedig, zeer spoedig.

En morgen!....

—En morgen!? herhaalt Donerie bijna overluid: morgen om dezen tijd dan is de bijl gevallen, die mijn leven voor altijd van het hare scheidt. Dwaas die ik was! Waarom zweeg ik dan terwijl mijn hart gloeide van liefde, terwijl die liefde sterk genoeg zou geweest zijn om haar geluk te verzekeren? Dwaas die ik was! Ik heb haar den tijd gelaten om zich te ontwikkelen in een richting, die ik vreesde dat de zwakste zijde van haar anders zoo beminnelijk karakter worden kon. O, had ik haar reeds vroeg, zeer vroeg een blik gegund in mijn hart! Had ik haar doen gevoelen dat zij haar waarachtig geluk zou hebben gevonden in den nederigen stillen kring, waar ze zich aan mijn zij zou bewegen! Had ik haar gesproken van dien glans en grootheid der wereld die zoo velen aanlokt, maar bij ’t nader aanschouwen of ’t grijpen ervan geen blijvende voldoening schenkt; had ik haar daarvan gesproken in tegenstelling van den waren rijkdom, dien wij te zamen in onze heerlijke Kunst, in onze Liefde zouden bezeten hebben! Had ik.... Zwijg dan dwaas! uw verstand moest immers de overwinning behalen; zóo hadt ge in uw wijsheid besloten! Een meisje als Eva kon met u niet gelukkig zijn.... of althans op den duur niet gelukkig wezen; gij wist het vooruit.... welnu!....

Onbestemde, maar meestal zeer droeve denkbeelden blijven het kloppende hoofd van den jongen muziekmeester vervullen. ’t Is eindelijk alsof het rustiger wordt in zijn fel bewogen gemoed.

—Je hebt het zoo gewild Herman, denkt hij voort terwijl hij nogmaals het portretje beziet: Mor dan niet langer. Zij heeft je dat bittere leed niet berokkend, dat lieve kind! Neen;—Hoe zou ze mij nog straks dat verzoek hebben gedaan wanneer zij er iets van begrepen had. Neen Eva, kleine lieve Eva—mijn Eva van vijftien jaren—zóó hard en gevoelloos zou je niet geweest zijn.—Goddank! ik ben ziek; dat zul je nu weten door je vriend, en begrijpen zul je dus ook dat ik het schoonste oogenblik van je leven niet wijden kan door mijn kunst. Begrijpen, ha!

—Moedig Herman! peinst hij nog voort na een oogenblik van pijnlijk hoofdschudden, terwijl zijn oog strakker op het aanvallige meisjeskopje staart: moedig nu, dat gezichtje mag zóó niet langer door je beschouwd worden; dat schoone kind, het meisje dat je altijd toelacht, het mag je zóó niet meer aanzien. Iets anders wekt die aanblik bij je op dan hij verwekken mag. Dat kind is nu de bruid, ja haast de vrouw van een ander.—Moedig dan! verscheur dit blaadje karton opdat de aanblik ervan je hart niet meer beroere, en schuldig doe staan voor ’t oog van God en je zedelijk gevoel. Weg met de beeltenis van dat schoone kind!—-Maar, zij was immers toch je élève! zij zelve gaf je dat blaadje.—Zie, haar naam staat [11]daar—en onder den uwe.—O God! ben ik dan schuldig als ik de beeltenis van het vijftienjarige meisje een enkele maal bezie met een kalmen blik, met de bee voor haar heil in het hart? Neen, ik kan het niet verscheuren, ik kan het niet wegdoen. Mijn God, wat bonst weer dat hoofd. O Eva, Eva! als je wist wat ik lijd!....

TWEEDE HOOFDSTUK.

Dokter Helmond heeft intusschen nog een drietal patiënten bezocht, en aan koster Bik inplaats van het oude roode karpet, het nieuwe Deventer tapijt voor de trouwplechtigheid besteld. Zijn laatste doctorale visite zal hij bij “den majoor” brengen, want de majoor, ofschoon aan de beterhand, is toch de eenige patiënt van wiens ziekte hij nog voor weinige dagen vreesde dat zij een leelijke hinderpaal voor het beraamde reisplan kon worden.

De zieke majoor zit op een weelderig gemeubileerde, zeer warm gestookte kamer, met een rooden Turkschen sjaal over een dicht gesloten chamber-cloak, en een fraaie reisdeken over de beenen, in een voltaire bij het venster.

“Phu majoor, wat een hitte!” zegt Helmond bij ’t binnenkomen, en blijft op den drempel staan.

“Er in of er uit dokter, als je blieft!” roept de man met den sjaal: “je zet me op een tocht wie de drommel!”

“Ja, om u de waarheid te zeggen majoor, liever bleef ik er buiten als het u om ’t even is.”

“Ben je razend dokter, zoo is het niet bedoeld. Maar je zet me op een vreeselijken tocht. Je hebt me aanbevolen om me vooral te ontzien en warm binnenskamers te houden, en moet jij me nu zelf op apegapen zetten! Kom dokter, maak geen gekheid.—Herein als je blieft?”

Helmond komt binnen; doet de deur achter zich dicht; gaat naar het venster ’t welk niet door den majoor werd ingenomen; schuift het zoo hoog mogelijk op, en opent daarna de haarddeur terwijl hij de schuif een weinig verzet. Na een kernachtige rede van den patiënt wordt deze eindelijk door zijn dokter overtuigd dat het zóó beter is. Het weer was immers buitengewoon zacht, en de lucht op de kamer—ook ten gevolge van den walm der steenkolen—zeer onaangenaam en ongezond.

—Het consult is afgeloopen.—Met weinige woorden herinnert Helmond nu zijn patiënt dat hij morgen de gelukkige echtgenoot van Eva Armelo hoopt te worden.

“Te henker ja, daar heb ik met m’n zieke karkas niet aan gedacht. Ei ei, gaat morgen de kogel door de kerk, ha ha! ’s-Lands wijs, ’s-lands eer! Wel ja, waarom niet! Mooie vrouw! charmant mooie vrouw, waarachtig!” [12]

“Ik moest u dit alleen herinneren majoor, omdat ik nu een groote veertien dagen vanhuis denk te gaan.”

“Wat blief je, vanhuis? Op reis? Jij als dokter op reis? En wou je mij dan in den steek laten? Is mijn corpus je zóóveel waard menheer de dokter? Weet je wel dat ik d...... hard ziek ben geweest?”

“Jawel, u is zeer, zeer....”

“Zeg maar dat ik het voor den dood heb weggehaald.”

“Tenminste....”

“Tenminste dat malle schaap van een juffrouw hieronder kwam me dien Zondag-avond heel christelijk overbrieven, dat je bij ’t heengaan zeer bedenkelijk de schouders hadt opgehaald.”

“Er was reden tot bezorgdheid, maar u is nu zóóveel beter majoor, dat ik gerust....”

“Gerust! jawel, welzeker: jij kunt gerust met je jonge vrouw aan den zwier gaan, dààr is geen gevaar bij; maar als ik hier mocht instorten door kou vatten, door open ramen—ik zou dat raam nu maar dichtdoen, jawel, jawel; we zijn hier in ’t kikkerland en niet in Oost-Indië... als je blieft....!”

“Het dient open te blijven totdat de atmosfeer hier wat zuiverder zal zijn. Wat uw vrees voor instorten betreft, daar is niet veel grond voor, tenzij u excesses mocht doen die....”

“Ik ben geen kind menheer Helmond; maar je weet zoo goed als ik, dat een ongeluk in een klein hoekje zit. Dezen nacht voelde ik hier.... zieje hier zoo’n pijn, zoo’n bijzondere drukking, en ik kan je zeggen dat me ’t klamme zweet uitbrak, niet omdat ik bang ben voor pijn, maar omdat... in verband zie je... en...”

“Die pijnlijke aandoening staat in geen het minste verband met de ziekte die gelukkig aan ’t wijken is; en ik ben er vrij gerust op dat u bij mijn terugkomst weer geheel in orde zult zijn. Met de middelen, die ik u voorschreef, stilletjes voortgaan; matig versterken, en.....”

“Ja, dat is nu allemaal tot je dienst; maar waarvoor heb ik een dokter als ie voor zijn plezier reisjes mag maken, en mijn karkas in den steek laat? Nee, ik ben in ’t geheel niet beter. Van nacht bijvoorbeeld overviel me een benauwdheid, die zoo iets te beteekenen had: ’t nachtlicht was uitgegaan; ’t was zoo donker als in de hel, en ’k dacht een oogenblik dat ik levend in de kist lag...”

“Zeker een soort van nachtmerrie majoor. U hebt toen ’t licht weer aangestoken?”

“Natuurlijk!”

“En ’t ging toen beter nietwaar?”

“Dat is te zeggen toen kreeg ik die pijn. Wàt je me nu ook vertellen moogt, ik heb m’n gevoel; en als ik zoo iets wèèr kreeg dan zou ik m’n dokter willen hebben, zelfs midden in den nacht, want de angst zou iemand...”

“U bent toch niet bang majoor?”

“Ik! te donder, wie zegt dat! Maar als je alleen ligt, je maakt je dan van die zwartgallige voorstellingen, zieje, in één woord....”

“Hoor eens majoor! met ’t oog op morgen moet ik mijn bezoek [13]wat bekorten. U weet het: ’t is in dezen tijd een bijna algemeene gewoonte dat jonggetrouwden op reis gaan.”

“Juist, maar een dokter...”

“Een dokter die geen patiënten heeft wier toestand zijn bijzondere zorgen vereischt; die bovendien zijn praktijk—en voor korten tijd—aan een collega kan overdoen, die dokter maakt van een recht gebruik, dat niemand hem zal betwisten, en het allerminst de patiënt, die van een vrij ernstige ziekte herstellende is.”

“Zoodat ik dokter Helmond nog op den koop toe zou moeten bedanken voor de beleefdheid dat hij mijn korpus aan een ouden kwakzalver endosseert. Ik zeg je dat ik me beroerd gevoel, heel beroerd; en als me in dien tusschentijd wat overkwam, jij zoudt het op je geweten hebben; ja waarachtig!” Hij slaat met de vuist op de tafel.

“Er zal u niets overkomen majoor; tenminste als u je niet driftig maakt. U hebt me dikwijls gezegd—misschien zonder er veel bij te denken—dat u “aan een beroerte zoudt heengaan.” Maar zóóveel is zeker, dat ik u—behalve een matig leven enzoovoorts enzoovoorts, ten zeerste kalmte moet aanbevelen, of anders....”

“Wat! denkt jij òòk dat ik aanleg voor een be.... be.... roerte heb?—Ik!? Je hebt er altijd om gelachen....”

“In de sociëteit majoor.”

“Ja juist in de sociëteit.”

“Ik begreep dat het u te doen was om op dat punt een geruststellend advies van een uwer vrienden, misschien wel van uw dokter uit te lokken. Mijnheer Kippelaan bleef dan ook zelden in gebreke met zijn: Kom majoor, ù een beroerte! je wordt honderd jaar oud.”

“Maar zou je dan waarachtig denken dat ik....”

“Ik denk majoor, dat u méér vertrouwen in me stelt dan je me straks woudt toonen. Toen u er slecht aan toe waart, toen hebt u gezegd: jij kunt me beter maken dokter; doe alles wat in je vermogen is, dan zal ik.... enfin, die belofte doet niets ter zake. En nu—nù moet ik weer met zekerheid bepalen dat u aan een beroerte....”

“Neen, ben je gek, dat moet je niet met zekerheid bepalen, ik wilde....”

“Mijn besluit is eenvoudig: dat ik mij in het vertrouwen van den majoor mag verheugen; ongetwijfeld zal hij mij dus gaarne een goede reis wenschen, indien ik hem verzeker, dat ik er geen het minste bezwaar in zie om hem voor een veertien dagen te verlaten, vast overtuigd dat hij tegen dien tijd weer geheel en al beter zal zijn.”

“Zoo.... is er dan waarachtig geen kwaad bij? En die drukking hè? Kan die niet van invloed wezen op die ber....—Nee, in allen ernst dokter, is daar met zekerheid iets van te zeggen? Zie, een beroerte vind ik nu juist het beroerdste wat er is. Je moet niet denken dat ik bang voor nommer één ben, God beware! maar....”

“Hoor eens majoor, zeer zeker dragen we voor ’t meerendeel onzen laatsten vijand van kind afaan met ons. Voordat hij zich echter vertoont, zou het een schermen in ’t blinde zijn om hem te willen [14]bevechten, en kon men juist wel eens groot gevaar loopen hem door ontijdig wapengerammel wakker te maken. Weet u majoor, wat de verstandige mensch alleen ten opzichte van dien vijand verplicht is? Mijns inziens moet hij zich oefenen om in den tijd van nood de wapenen te kunnen hanteeren, hij moet geduld leeren oefenen en zelfbeheersching; terwijl hij alle vrees voor den dood—een ding, waar hij ten slotte toch niets van gevoelen zal—met kracht als lafhartig moet zoeken te bestrijden. Tot weerziens majoor. Vooreerst nog trouw innemen, en binnen een paar dagen eens de lucht in. Vaarwel!”

Helmond heeft al sprekend het raam weer dichtgeschoven en gaat nu heen.

De majoor hem naziende zegt, met een vuistslag op de tafel en een vloek als tusschenwerpsel:

“Wát! denk jij dat ik een wezel en bang voor den dood ben?”

Helmond omziende:

“De majoor heeft naar mijn opgedane ondervinding nog te veel levenslust om nu al naar den dood te verlangen. Ik herhaal dat onthouding en kalmte hem ’t meest geraden zijn.”

“Ah! tourneer je het zoo. Nou, dat was je geraden. Je moet voor den d.... niet denken....”

Maar dokter Helmond is al vertrokken.

De majoor Kartenglimp blijft een oogenblik met zijn donkerbruine oogen naar de deur staren, en roept dan zoo luid hij kan den vertrekkenden dokter terug. Dewijl Helmond niet verschijnt, grijpt hij de zilveren tafelschel, die voor hem staat, en doet haar geweldig klinken.

Helmond komt niet terug.

Kartenglimp schelt nog eens, en sterker, en zeer langdurig. Eindelijk verschijnt juffrouw Ketel, zijn hospita.

“Zeg, loop jij wie den drommel den dokter na, en zeg hem dat ie hier komt.”

“Wel wel majoor, wat een leven en haast! De dokter is....”

“Roep ’em zeg ik je; ik moet ’em nog spreken.”

Juffrouw Ketel gehoorzaamt; althans zonder tegenspraak gaat ze naar beneden. Tien minuten later zegt ze aan haar dienstmeid—een heldere deern van vijf en twintig à dertig jaren:

Ga jij maar naar boven, en zeg dat je den dokter nageloopen maar nergens gezien hebt; en, dat ie ook niet thuis was.”

Mietje maakt een knipoogje en brengt de boodschap aan den majoor.

Na weinige seconden stond Kartenglimps gelaat in een geheel andere plooi dan toen de dokter vertrok. Mietje heeft hem vrij knaphandig uit een aangewezen fleschje een goede dosis barnsteendroppels toegediend; straks heeft ze gezegd, dat ze “verachtig naar beneden moest, want dat anders de juffer ’t in de mot zou krijgen;” en toen met een bijzondere vrijmoedigheid, terwijl zij zich aan zijn arm onttrekt: “Ei, ik zie wel dat je aan de beterhand bent, maar nou mot ik naar beneden. Atjuus!”

Toen dokter Helmond haastig den weg naar zijn woning vervolgde [15]om er, alvorens naar den generaal te gaan, nog ’t een en ander—ook voor zijn patiënten—te bezorgen, toen kwam hem bij ’t omslaan van den hoek der Groote Kerk, een “jongmensch” van omstreeks veertig jaren met zeer magere beenen en grooten neus te gemoet, die, met de beide handen naar hem uitgestrekt, al spoedig Helmonds hand omklemde en gedurende zijn gansche, tamelijk radvloeiende en schelluidende toespraak, op ’t innigst er mee aan ’t karnen bleef.

“Fameus veel plezier dokter, je nog te ontmoeten. ’t Doet me almachtig veel genoegen dat je ’t zoo treft. Ja niewaar, je treft het bijzonder. Alles wèl niewaar? Je meisje—je bruidje wil ik zeggen, en de familie, en de generaal, en dat heerlijke weer niewaar? Be sure dokter, ik ben jaloersch op je; je hebt een engel van een meisje, van een bruidje wil ik zeggen; reëel ’t is een engel! Morgen, enfin, hé? Ik benij je. Ja waarachtig, als jij het niet was dan zou ik je benijen. Ook in de kerk hé? ’t Zal zeker vol zijn. Algemeene belangstelling; je hoort van niets anders.—’s-Middags op reis niewaar? Zeker naar Zwitserland? Ja ja, je zult het niet aan de groote klok hangen. Nou, van harte—van harte hoorje, als je, soms iets hebt, in je absentie.... van harte hoorje, van harte!”

“Dankje Kippelaan, ’k ben van je belangstelling en hulpvaardigheid ten volle overtuigd;” zegt Helmond terwijl hij zijn hand uit de dansende klem zoekt los te werken: “Je neemt me niet kwalijk, maar ik heb nog zaken, en dus....” Wuivend met de bevrijde hand: “Tot weerziens, adieu!”

“Och-kom, is die haast zoo groot?” herneemt Kippelaan terwijl hij met een snelle beweging Helmond in den weg treedt: “Vijf minuutjes? toe, vijf minuutjes, daar kun je niet tegen hebben? Je bent hier vlak bij m’n huis. Eventjes inwippen hé? Staandvoets een klein beetje parfait d’amour. Parfait d’amour hé? Watblief? Dat kun je niet weigeren?”

“Nee Kippelaan; waarlijk....”

“Allemaal gekheid, dát kun je niet weigeren: Parfait d’amour!? Op de liefste!? Op morgen?” Hij vat Helmond onder den arm en noodzaakt hem een paar schreden met hem voort te gaan.

“Stellig Kippelaan, ik heb geen tijd; ik hou je parfait d’amour te-goed. Je weet bovendien dat ik nooit....”

C’est vrai! c’est juste! Maar in m’n keldertje heb ik ook delicieuze pomerans. De majoor zegt dat je ze nergens zoo drinkt. A propos ’t gaat beter hé? Ik kreeg tweemaal niet thuis. Een beroerte? Half verlamd hé? Zeg, ga je morgen naar Rotterdam, of zul je over Arnhem langs den Rijn....? Naar Rotterdam hé....?—Jawel, já wel je moet nu even mee binnen.”

“Maar ik herhaal je nóg eens dat ik geen tijd heb. Oom wacht me tegen halfzes op De Zonsberg met ’t eten. Je zult dus begrijpen....”

“Allemaal gekheid, ik hou je geen twee tellens op. Eventjes, eventjes maar. Je kunt dan, en passant, m’n nieuwe causeuse eens zien. ’k Geef je te raaien. Je zult ze prachtig vinden. Tachtig gulden; massief parole d’h....” [16]

Helmond brengt zijn hand, die opnieuw werd gekerkerd, niet zonder eenig geweld in vrijheid; maakt een afwerende beweging, en zegt haastig: “Die kom ik later eens kijken;” en gaat dan zoo snel mogelijk naar den kant zijner woning.

Nog geen twee schreden ver, daar voelt hij zich bij het pand van zijn jas grijpen, en terzelfder tijd een looden druk op zijn schouder. Weer is hij tot stilstaan gedwongen. Kippelaan mocht hem zóó niet laten vertrekken. Als Helmond dan volstrekt niet binnen wil komen en in geen geval iets gebruiken, dan moest Kippelaan hem toch nog even de hand drukken, en—daar hadt je het lieve leven weer gaande: Helmonds hand dubde nogmaals en sterker dan straks tusschen hemel en aarde:

—”....en Gods allerbesten zegen, hoorje.... en dat je die prachtige engel in alle opzichten.... en gelukkige reis hoor! Maar als je morgen te Rotterdam logeert, ga dan niet in De Keizer van Marokko, dat is afzetterij.—St.-Lucas!—Ik zie je er al met je beien; delicieuze tafel.—’k Neem ’t je niets kwalijk dat je me niet op de partij van eergisteren hebt gevraagd; heusch niet, niemendal, hoor! Je kondt al je vrienden niet vragen. En morgen in De Gouden Arend, dat begrijp ik ook best. Maar je ziet me in de kerk.... ’k Zal je een oogknipje geven.—Zeg, tóch een klein dropje....? Eén heel klein droppeltje pomerans?”

Vijf minuten later treedt dokter Helmond, die door een snelle beweging aan vriend Kippelaan is ontkomen, zijn eigen woning binnen.

Het doktershuis is een kleine en lage, maar vriendelijke woning, gelegen aan den buitenkant van het stadje, welke buitenkant door velen de wal of het walletje, door sommigen de singel genoemd wordt.

Het woonhuis met vier ramen in den gevel, een deur in ’t midden en een hoog zoldervenster boven die deur, moet ongetwijfeld in de laatste dagen belangrijk zijn opgeknapt. Het witte pleister is zoo blank als verschgevallen sneeuw, terwijl de palissanderhoutkleurige verf der voordeur en de lichtgele of witte tinten van kozijnen en lijstwerk, glimmen dat het een lust is. ’t Ligt daar heel aardig dat kleine huis. Een zeer smal tuintje—of liever een paar smalle bloemperken met een klinkerpaadje in ’t midden, scheidt het van den wal, die de geliefkoosde wandeling is der Romphuizers, en door fiksche ijpe en lindeboomen wordt overschaduwd. Het eenige dat men jammer kan noemen is, dat men om in de woning van dokter Helmond te komen, drie trapjes in den wal naar beneden moet. ’t Huis ligt van den wal gezien wel een weinig in de diepte, en mist ook daardoor voor een goed deel het fraaie uitzicht op De Zonsberg en de bosschen van Hoenderveld, ’tgeen men ten volle zou hebben indien het huis een voet of drie hooger lag.

Nochtans voor dokter is de ligging van zijn huis juist een zeer gewenschte. Zijn woning is de laatste van een—althans voor het stadje—vrij drukke straat die op den wal uitkomt, en ofschoon nu de voorgevel iets te laag is om het fraaie uitzicht te genieten, zoo geeft de rechter-zijmuur het voorrecht dat men door een tweede [17]buitendeur zeer gemakkelijk en zonder den wal op te gaan erbinnen kan komen, terwijl bovendien de ramen in dien zijmuur het gezicht op de straatpassage vergunnen. Wat inzonderheid die zijdeur bijna onmisbaar maakt, is de omstandigheid dat Helmond, zooals dat in dorpen en kleine steden nog altijd gebruik is—zijn eigen apotheek houdt. Nevens die zijdeur dan, en alzoo in het achterhuis, bevindt zich Helmonds apotheek. Wie dokter spreken of uit de apotheek iets hebben moet, komt in de Hoenderveldstraat en niet aan de voordeur op den wal. ’t Is aan de klompen, die dikwijls in de straat voor het drempeltje staan, zeer duidelijk te zien dat het doktershuis de zijdeur wel noodig had.

Helmond is van de straatzijde in zijn woning gekomen, en treedt aanstonds rechts de kleine apotheekkamer binnen.

“Is er niets geweest Thomas?” zegt Helmond tot een jonkman met blonde haren, die achter de toonbank aan ’t vouwen van poeders is.

“Nee dokter, niemendal;” zegt de jongen terwijl hij merkbaar Helmonds blik zoekt te ontwijken.

“Niemand voor de apotheek Thomas?”

“Nee dokter, geen mensch....”

“’t Ruikt hier zoo sterk naar spiritus nitri....”

“Hé.... o ja, jawel dokter,” aarzelt Thomas en bukt zich om iets op te rapen dat er niet ligt: “ja ziet u, ik heb bij vergissing....”

“Kun jij je vergissen Thomas?”

Thomas heft het blauwe oog tot hem op en zegt:

“Och dokter, moe was zoo.... Dokter zal wel begrijpen.”

“Zij is toch niet ongesteld?”

“Nee dokter, Goddank nee! Moe is heel wel, en den heelen morgen was zij bezig, maar.... wat zal ik u zeggen: Moe is dezer dagen een beetje van haar stuk.—Ja, eigenlijk van haar stuk,” herhaalt de jongen terwijl hij de recepten inziet, die Helmond uit zijn portefeuille genomen en hem stilzwijgend heeft toegereikt: “Och ja dokter, ’t kan moe zoo ineens overvallen dat ze.... geen woord meer....” Thomas draait zich plotseling om; kijkt naar de medicijnflesschen, en potten omhoog; pakt er een, zet hem met een zijdelingsche beweging op de toonbank en ziet weer naar de flesschen en potten, doch schijnbaar zonder te kunnen vinden wat hij hebben moet.

Helmond vraagt niet verder. Een oogenblik later zegt hij:

“Thomas, ik reken er nu vast op dat je in mijn afwezigheid alles nauwkeurig volgens afspraak zult behandelen. Zoo dikwijls collega Biermans hier mocht komen, zul je zeker beleefd en vriendelijk tegen hem zijn.”

“Alles wat ú verlangt dokter, dat doe ik met liefde; beleefd wil ik tegen dokter Biermans zijn, maar vriendelijk.....”

“Nu, je weet wat ik bedoel. Mocht er voor ’t overige soms ’t een of ander wezen waardoor mijn spoedige thuiskomst noodzakelijk werd—ik bedoel een zeer ernstig ziektegeval met een bepaald verlangen naar mijn persoon, telegrafeer me dan, zooals gezegd is [18]terstond aan een der opgegeven adressen. Ik vertrouw echter Thomas, dat je dit niet dan in werkelijk hoogen nood zult doen.”

“Dat spreekt immers vanzelf dokter. Alles zal zeker goed gaan. Ik.... ke....”

“Was er nog iets?”

“Nee dokter, nee; maar....”

“Beter vooruit gevraagd dan naderhand verlegen te zitten Thomas!”

“Nee dokter, toch niet, ’t was alleen....”

Helmond krijgt nogmaals het achterhoofd met de blonde haren van zijn provisor te zien.

Thomas tuurt opnieuw naar de etiquetten der potten en flesschen.

“En wát was er dan Thom?”

Na een oogenblik van stilte komt de provisor, niet zonder eenige zelfoverwinning den jongen patroon nabij, en zegt terwijl hij hem met zijn blauwe oogen vriendelijk en trouwhartig ofschoon vluchtig aanziet:

“Dokter, moe en ik, we zouden zoo graag.... we dachten... we...”

“Je goede moeder heeft toch geen oogenblik gedacht dat ik zou heengaan zonder nog eens bij haar te komen! Maar mijn beste jongen, ik kom immers van avond weer thuis en ga morgen niet vóór elven de deur uit. Wel zeer zeker moet ik je moeder nog eens spreken.—Kom, ik wil haar maar aanstonds opzoeken.”

Uit de apotheek in de achter- of dwarsgang der woning teruggetreden, gaat Helmond links zijn spreekkamertje voorbij, en klopt dan aan het eind van die korte gang op een deur.

Thomas is den patroon gevolgd, nadat hij even de binnenknip op de straatdeur heeft gedaan.

Nu Thomas in de woonkamer van zijn moeder komt, ziet hij hoe de goede vrouw den jongen dokter met een ongewone trilling van het hoofd te gemoet gaat.

Zij geeft hem de hand; zegt eenige bijna onverstaanbare woorden, en barst dan eensklaps in een zenuwachtig snikken los.

“Stil moeder, stil! Foei, dat is nu weer kinderachtig. Wat moet dokter daar nu van maken! Als dokter niet wist dat je erg zenuwachtig waart dan zou hij wel kunnen denken dat we ons niet verheugden in zijn geluk. Stil moedertje, stil!”

“Laat moeder maar eerst eens uithuilen Thom. De zenuwen willen zoomin gecommandeerd als beklaagd worden. Ik weet immers te goed hoe je brave moeder zich in mijn geluk verheugt.”

Mevrouw Van Hake drukt Helmonds hand, en dan zich vermannend, zegt ze op bewogen toon:

“Daaraan heeft mijn weldoener nooit getwijfeld, dat weet ik zeker; maar.... er zijn oogenblikken....”

“Geef je moeder een glas water Thomas.—Ziezoo, drink maar eens ferm mevrouw. Flink zoo. En nu ook verder geen lange aanspraken niewaar? ’t Is alles uitmuntend goedgemeend, daarvan heb ik de doorslaandste bewijzen. Werd mijn slaap- en zitkamer gedurende de bruidsdagen niet telkens als met frissche bloemen bezaaid, en wat meer zegt, heeft mijn lieve bruidje niet zelf er over geroepen [19]zoo keurig als alles door mevrouw werd in orde gebracht? Zij verbeeldde zich dat ze verrukt zou zijn als we bij onze terugkomst, de overgordijnen voor de glazen en alles geheel in orde zouden vinden.”

Mevrouw Van Hake heeft zich hersteld. Zij wischt zich de tranen uit de oogen, en zegt zacht op bewogen toon:

“Wat u aan de arme doktersweduwe en haar kind hebt gedaan, beste mijnheer Helmond, dat kan ik u nooit vergelden, maar....”

“Och lieve mevrouw, daar moet u niet van spreken; wat ik deed geschiedde werkelijk het allermeest uit een welbegrepen eigenbelang.”

“Het schoonste eigenbelang! Het was om de voldoening te smaken bedroefden te hebben getroost en welgedaan.”

“Mevrouw Van Hake, als twee menschen zich tegenover elkander gelijkelijk verplicht gevoelen, dan doen zij ’t best elkaar stilzwijgend de hand te drukken, en die handdruk zegt dan mede genoeg voor de toekomst.”

“O u bent zoo goed mijnheer Helmond, maar juist de toekomst is het die mij met droeve gedachten vervult. Toen Van Hake na al onze rampen en zijn langdurig ziekbed gestorven was, en u in zijn plaats als dokter te Romphuizen kwaamt, toen was het uw liefde die.....”

“Beste mevrouw, waarvoor toch dat alles? Wij weten immers wel.....”

“Maar dokter, laat moeder nu toch alsjeblieft uitspreken. Moe wordt altijd zenuwachtig als men haar in de rede valt. Ga jij je gang maar moedertjelief: je woudt zeggen dat dokter ons toen hier in huis heeft laten blijven, niewaar?”

“Ja kind, en ik zou van alles willen ophalen, en vooral hoe dokter je zelf zooveel heeft geleerd dat je zoo’n goed examen als apotheker kondt doen; en van alles en alles wat hij meer deed om ons onze smart te verlichten, terwijl anderen....”

“Zoo’n pruik als Biermans bijvoorbeeld!” valt Thomas uit: “zoo’n schrok, die....”

“Hoor eens Thomas, het is me niet aangenaam om mij ten koste van een oud en achtenswaardig man te hooren verheffen. Biermans heeft een zwaar huishouden en wilde zijn tweeden zoon immers zelf graag apotheker zien worden. En nu, ronduit gezegd beste vrienden, het zou me plezier doen indien we het zonder meer woorden bij een handdruk konden laten. Mocht er echter iets zijn dat mijn moederlijke vriendin voor de toekomst met zorg vervult, dan luister ik heel graag en met belangstelling; doch, raakt het punten van huishoudelijken aard, zijn het woon- of—vergun mij het woord—zijn het telkens weer keukenbezwaren, laat dan mijn verzekering mede uit naam van mijn lieve Eva, u voldoende zijn, dat het tot ons wezenlijk geluk zal bijdragen indien alles tusschen ons blijft op den ouden voet—uitgezonderd die kleine menage-verandering, zooals ze u is voorgesteld.”

“Och, dat u mij toch begrijpen woudt lieve dokter,” herneemt [20]mevrouw Van Hake: “juist wat u met zooveel goedheid mijn woon- en keukenbezwaren noemt, ze zijn van zeer overwegenden aard. Toen u als vrijgezel onze woning kocht, toen was het behoud der drie kamers in het achterhuis niet van zoo heel veel belang voor u—daargelaten het geldelijk voordeel, dat er door u van zou zijn te trekken geweest.”

Vriendelijk maar toch eenigszins verstoord zegt Helmond:

“Voor die kamers had ik dan toch al uwe zorgen, al uw huishoudelijke bemoeiingen, niewaar?”

“Juist, mijn lieve mijnheer Helmond; maar gesteld eens dat die laatste opwogen tegen alles, alles wat u voor mij en mijn Thomas hebt gedaan, is dan de toekomst voor mij geen pijnlijke toekomst terwijl ik weet dat het eenige wat ik u in ruil voor uwe weldaden kon geven, nu geheel moet ophouden? Met uw huwelijk dokter, neemt uw vrouwtje natuurlijk het huishoudelijk beheer in handen. Zal zij in den aanvang misschien nog een enkele maal zoo vriendelijk wezen om de oudere in jaren over ’t een of ander te raadplegen, allengs zal zij, geheel berekend voor hare taak, mij niet meer behoeven, en ik in uw dienst geen nuttige hulp, maar steeds meer en meer een groote lastpost zijn.”

“Mevrouw Van Hake is nimmer in mijn dienst geweest!” zegt Helmond half verdrietig: “en, als dat ooit door iemand als zoodanig is beschouwd, dan wordt het hoog tijd dat daar een eind aan komt. Vergeef me lieve mevrouw, dat ik een oogenblik wat knorrig werd, maar ik acht u te hoog dan dat ik u zóó over u zelve kan hooren spreken. Wilt u dat ik je even klaar en zuiver onze verhouding voor oogen stel, luister dan: Toen ik indertijd aan oom Van Barneveld mijn wensch te kennen gaf, dat ik u en Thomas de achterkamers wilde doen behouden, toen vond hij dat denkbeeld zoo aardig dat hij ’t huis voor mij kocht. De beleefdheid komt dus van oom, en uw blijven in die kamers is alzoo een conditie voor mijn eigendomsrecht. U hebt recht. Zie, dat is nommer één!”

Mevrouw Van Hake, terwijl ze een traan uit het oog wischt, schudt half glimlachend het hoofd.

“Nommer twee is: dat ik u veertig gulden in de maand betaal.”

Mevrouw Van Hake knikt als wil zij zeggen dat dit nu de hoofdquaestie wordt.

“Prompt,” vervolgt Helmond: “wat ik daarvoor al genoot aan zorge en vriendschap, daarvan spreek ik niet meer; ik vraag nu eens heel zakelijk wat ik daarvoor genieten zal: Ten eerste mevrouw, de geheele hulp van Thomas, ’t geen hoe langer hoe meer van beteekenis wordt, zoodat ik al gedacht heb of hij het daarvoor wel lang meer zal volhouden.”

“Dokter,” valt Thomas in: “er is misschien in ’t heele land geen provisor die zóó betaald wordt; maar moeder staat er bij, en God hoort het me zeggen: al moest ik dag en nacht om niemendal voor u werken, ziedaar, ik zou....”

“Hoor eens mijn beste Thomas, al meen je het nog zoo goed, nu spreek je in allen geval voor je beurt,” zegt Helmond en klopt [21]Thom op den schouder: “ik was aan mijn berekening: Ten eerste heb ik dan voor mijn veertig gulden de geheele hulp van Thomas, en ten andere de volkomen overtuiging dat er onder mijn dak twee zielen wonen, op wier geheele liefde ik rekenen kan en aan wie mijn gansche bezitting beter dan aan mij zelven is toevertrouwd. Voor die ellendige veertig gulden—indien ik dáár nog van spreken moet—heb ik dan bovendien, bij mijn veelvuldige afwezigheid, voor mijn vrouwtje een lief en moederlijk gezelschap, en voor mij zelven de zekerheid dat zij, wanneer ik vanhuis ben, ten allen tijde raad en hulp zal vinden en, wat er ook gebeure, nooit verlaten is. Ik heb.... Maar genoeg, méér dan genoeg! Al wat ik daar ’t laatst in rekening durfde brengen is een “naar ons toe rekenen” geweest. Alzoo resumeer ik, en, neem nu mijn woord als dat van een man die het eerlijk meent; wanneer u hier blijft op den voet zooals ik ’t u heb voorgesteld, dan maakt u gebruik van uw recht, en handelt geheel naar den wensch van mijn braven oom, die mij met dat doel dit huis heeft gegeven. Maar bovenal, u toont erdoor aan mijne—ja ik mag het zeggen, ook aan Eva’s liefde, te gelooven, en tevens dat het u mede niet onverschillig is om den band onzer vriendschap door een gestadigen omgang zoo mogelijk nog te versterken.”

“Och beste mijnheer Helmond, zooals u het voorstelt, ja.... maar.... Ach, men kan niet alles zoo uitspreken.”

“Geen maren meer goede mevrouw; ’t zal misschien noodig zijn dat ik u later mijn woorden eens duidelijker op schrift geef. Wat geschreven staat, heeft dikwijls meer waarde ter overtuiging.”

Moeder en zoon hebben onder Helmonds laatste woorden teekenen van ja en neen gewisseld.

“Jawel moelief, jawel!—Niet....? Dan zal ik het zeggen.”

“Nee Thomas, nee!”

“Jawel, jawel moe; dokter moet het weten. Ziet u dokter, moe tobt er maar over dat ú wel in alles en alles—ziet u.... maar....”

“Och Thom, hoe kun je nu.... Dokter zal denken....”

“Nee moe, dokter zal het niet verkeerd opvatten. Ik.... wilde zeggen....”

“Komaan Thomas, wind er geen doekjes om. Misschien raad ik al aanstonds wat het wezen moet. Er is vrees misschien dat dokters vrouwtje de zienswijze en gevoelens van haar man niet geheel zal deelen, en dat de tusschen ons bepaalde overeenkomst door haar minder wenschelijk wordt gekeurd.”

Thomas staart met groote oogen naar den grond terwijl hij verscheidene malen ter bevestiging met het hoofd knikt. Mevrouw Van Hake heeft het gelaat van den spreker afgewend en fluistert:

“Och Thom, dat was het toch niet;.... tenminste....”

“’t Is goed dat men de zaken maar bij haar naam noemt mevrouw, want als dit werkelijk een punt van vrees bij u uitmaakt, dan ben ik in staat om u volkomen gerust te stellen en van het tegendeel uwer vrees te overtuigen. In de eerste plaats heeft Eva nadat zij u leerde kennen, mij gezegd dat ze u zoo heel lief vond—ja het [22]moet er nu uit—en dat ze hoopte recht veel van u te leeren. Bovendien waren het haar eigen woorden: ’t Is zoo’n gezellig idee dat mevrouw Van Hake en haar zoon bij ons inwonen; wij zullen ze dikwijls zien, en als je mij zooveel alleen moet laten dan zal de goede vrouw nog last van me krijgen.”—Is er nu meer noodig om u gerust te stellen en te doen gelooven dat de nabijheid uwer moederlijke zorg en liefde ons geluk moet verhoogen, terwijl uw inwoning—ik herhaal het alweer—toch steeds als een recht door u moet beschouwd worden?”

Ofschoon aangenaam door Helmonds woorden getroffen, zoo is de doktersweduwe nog geenszins overtuigd dat haar vrees voor de toekomst zoo geheel zonder grond is. Nochtans, indien zij na de verklaring van haar weldoener daarvan blijk gaf, het zou al zeer weinig kieschheid verraden, aangezien door haar vasthouden aan den twijfel, zoo al niet de oprechtheid van Eva’s karakter, dan toch haar goed doorzicht in verdenking werd gebracht, ’tgeen den man die haar uit de volheid van zijn hart beminde, ja schier aanbad, zeerzeker moest grieven.

Thomas echter heeft zich voorgesteld om de zaak geheel in ’t reine te brengen. Wat moeder verzwijgen wil, kan hij niet verkroppen.

“Ja dokter,” valt hij uit: “’t is waar, juffrouw Armelo was ook heel vriendelijk en niemendal grootsch; maar....”

“Dacht je dat ze grootsch was Thomas?”

“Foei Thom, hoe kun je zoo raar spreken.”

“Nee ziet u dokter, dat dacht ik niet, want ik zeg immers dat zij het niemendal is;” herneemt Thomas een weinig verlegen: “Maar weet u waar moeder niet overheen kan.... Jawel moeder, laat me nou spreken, je tobt er over. Jawel! Zie dokter....”

Mevrouw Van Hake bevreesd dat Thomas door een onbedachtzaam woord haar edelen vriend nogmaals zal kwetsen, valt haar zoon in de rede en vervolgt:

“Wat Thomas u zeggen wil komt eenvoudig hierop neer, menheer Helmond, dat ik vóór uw verklaring van daareven, een weinig grond meende te hebben om te onderstellen dat uw lief bruidje ons inwonen op den duur minder aangenaam zou zijn. Toen zij den laatsten keer met u hier was, toen zei ze—zonder er waarschijnlijk zelve zoo heel veel bij te denken: dat er van onze beide achterkamers links, en uw beide voorkamers aan dezelfde zij van het huis, een prachtige suite zou kunnen gemaakt worden als men de muren doorsloeg. Zie, beste menheer Helmond, nu Thomas mij tot spreken dwingt, nu moet ik eerlijk zeggen dat ik bij mij zelve dacht: als de jonge mevrouw Helmond met zulk een verbouwingsdenkbeeld haar nieuwe woning betrekt, dan zou ik èn haar èn haar braven man toch werkelijk tot grooten overlast wezen, en, met al mijn “recht”, hen niet weinig in den weg staan. Dokter weet genoeg hoe menschen en plannen doorgaans geprikkeld worden, indien er zich bezwaren opdoen die echter niet onoverkomelijk zijn.”

“Is dat nu alles, lieve mevrouw?” [23]

“Och ja dokter, het was kinderachtig misschien.”

“Is er niemendal méér Thomas?”

“Nee—niewaar moe?—Moe was eigenlijk bang dat we u toch te veel zouden zijn.”

Helmond vat de hand van zijn oude vriendin:

“Mevrouw, in herhalingen treed ik niet. Wat ik u zeide was alles waar en van harte gemeend. Maar luister nu: wanneer een jong meisje haar aanstaande woning beziet, dan is het niet vreemd dat ze—in een tijd dat men schier geheel illusie is—zich nog meer illusies schept. Toen mijn lieve Eva die opmerking maakte, toen moest ik in stilte om mijn aardig bouwmeestertje lachen. ’t Zou een mooie pijpenla worden die prachtige suite! Maar ik liet haar ’t genot van haar bouwkundige opinie, geheel overtuigd dat zij aan zoo iets evenmin ernstig dacht als aan haar schertsend woord om in onzen voortuin een goudvisch-vijver te doen graven. Eva heeft het zonder eenig nadenken of misschien zelfs—zooals dat laatste—gekscherend gezegd. Zij was het volkomen met mij eens dat we aan onze flinke drie benedenkamers en één ruime bovenkamer met haar heerlijk uitzicht, ruimschoots genoeg hebben; dat méér overdaad zou zijn, en ik houd mij dus overtuigd dat u in alle opzichten zonder verdere schrikbeelden het jonggetrouwde paar in uwe of onze gezamenlijke woning zult kunnen ontvangen.”

Liefdetranen besproeien Helmonds hand. Thomas valt zijn moeder om den hals en fluistert:

“Zie moedertjelief, ik wist het wel!” En dan zachter, op geheimzinnigen toon: “Nu maar doen hê?”

Mevrouw Van Hake geeft haar jongen een toestemmenden wenk, en terwijl nu Thomas naar een hoektafeltje gaat en een zwartzijden foulaard van een hoogopstaand voorwerp neemt, vermant zich de weduwe, en zegt met een aanduiding van het genoemde voorwerp:

“Lieve dokter, niemand weet beter dan u hoever het vermogen van Van Hake’s weduwe reikt. Wat anderen u konden schenken, daartoe was ik niet in staat; maar u aan te bieden wat ik nog behouden mocht en voor mij een hooge waarde heeft, dat is mij en mijn jongen een wezenlijk genot en een behoefte van het hart. Neem den inktkoker met het zilveren Minerva-beeldje als een blijk onzer warme liefde, beste dokter, en zoo dikwijls als gij de woorden op het voetstuk: “Aan Dr. J. Van Hake, den schranderen Aesculaap,” zult lezen, lees er dan bij ’tgeen Thomas zelf er onder graveerde: “Van zijn weduwe en zoon aan Dr. A. Helmond, den edelen menschenvriend.”

“Maar mevrouw! die prachtige inktkoker! die herinnering aan uw waardigen echtgenoot! het stuk dat ge vol weemoed wel eens uw afgodsbeeld hebt genoemd; zou ik....?”

“Beken maar dokter, dat het heel goed is, wanneer men zich van zijn afgodsbeelden ontdoet. Och weerstreef ons niet. Iets anders konden wij u niet schenken zonder dat het uw rechtmatig misnoegen zou hebben opgewekt.—Zie, het is ons nu zoo aangenaam te weten, dat het stuk, waar Van Hake zoo innig gelukkig mee was, en waar [24]hij in die vier laatste jaren vol rampspoed en ellende, ondanks onzen hoogen nood, niet van scheiden kon, dat het nu aan den man behoort waarop hij, naast God, voor vrouw en kind zijn hoop had gebouwd, den mensch—zooals hij op zijn sterfbed zeide—die ongetwijfeld als een trooster zou komen in onze droefenis.”

“Mevrouw Van Hake, ik dank je; ik dank je met een vol en bewogen gemoed! Over de waarde van uw geschenk spreek ik niet meer. Dat u ’t mij geven woudt, het treft me diep.... zeer diep. Hoe zou ik het kunnen weigeren terwijl Thomas zelf onze namen erop vereenigd heeft. Ja, welzeker, de Van Hakes en Helmonds zijn door onverbreekbare banden van vriendschap aan elkaar verbonden. Nogmaals dank mevrouw.... hartelijk dank! Hier Thomas, verwerk jij dien handdruk nu eens tot een zoen voor je beste moeder.... Of nee, nee Thomas, nog een handdruk voor jou, maar den zoen dien mag ik haar zelf wel geven.”

En het was dokter Helmond alsof hij een eigen moeder omhelsde, en het was die weduwe alsof een oudste teerbeminde zoon haar den zoen had gegeven.

DERDE HOOFDSTUK.

Nadat Helmond nog ’t een en ander met het oog op morgen en de aanstaande reis heeft in orde gebracht, verlaat hij omstreeks vijf uren zijn woning, teneinde vooral niet te laat bij den generaal op De Zonsberg te komen.

Nauwelijks is hij den wal ten einde- en links de kleine stadsbrug overgegaan—welke brug nog altijd den naam van Hoenderveldsche poort draagt, ofschoon de poort sinds jaren verdween—ternauwernood betreedt hij den golvenden straatweg, die hem tot aan het landgoed van den generaal wel heerlijke vergezichten maar weinig lommer zal bieden, of hij ziet bij de eerste kromming van den weg een rijtuig van achter het frischgroene akkermaalshout te voorschijn komen, en bemerkt terstond dat het de tilbury van De Zonsberg is.

In weinige seconden was het rijtuig hem nabij gekomen. De grijze koetsier houdt den schimmel in, en terwijl hij Helmond zeer militairement met de zweep salueert, zegt hij:

“Ik zal maar eventjes keeren menheer;” door welk wenden Helmond nu beter kan opmerken hoe, zoowel Willems zweep als het hoofdstel van den schimmel, met kleine maar allerliefste bouquetjes versierd is.

Een oogenblik later zit Helmond naast den koetsier, en terwijl de schimmel in gestrekten draf den terugtocht naar de De Zonsberg aanvaardt, zegt Willem: [25]

“Ik had orders van den generaal om precies tien minuten over vijven op den wal bij dokter vóór te zijn.”

“’t Maakt niet uit Willem. Ik wist niet dat oom mij zou laten halen, en ben maar opgestapt toen ik klaar was. Jongens, wat heb je Zampa mooi opgesierd.”

“Dat is op order van juffrouw Coba menheer; de bouquetjes heeft zij gemaakt, en den baas gelast ze er aan te binden.”

“’t Is een lief en hartelijk meisje.”

“Ja menheer, dat zeggen we dikwijls; maar jammer dat ze zoo uit den aard slaat.”

“Hoe meen je?”

“Ik meen vanwegens d’r.... postuur zal ik maar zeggen.—Als je de juffrouw bij den generaal ziet dan zou je niet veronderstellen dat ze een militairekind was. D’r zit zoo geen kommiesbrood in de juffrouw.”

“Als ik me goed herinner dan had tante ook een bleek en ziekelijk voorkomen; ’t staat me zoo flauw voor den geest.”

“Jawel precies dokter. Mevrouw’s portret dat boven ’t schrijfbureau van den generaal hangt is nog veel te rond en te mooi. ’t Was een braaf en zachtzinnig mensch, maar ziekelijk en bleek. Toen de kolonel haar op zijn acht en veertigste jaar tot vrouw nam, toen dacht ik al dadelijk dat ze niet lang onder z’n kommando zou dienen. ’t Was jammer, een groot jaar nadat ik haar met witte handschoenen had gereden, reed ik haar met zwarte. Nee, dan denk ik dat dokter d’r langer plezier van zal hebben.”

“Tenminste mijn aanstaande is heel gezond Willem.”

“God geve dat menheer tot in lengte van dagen met haar gelukkig zal zijn.” Na een oogenblik stilte terwijl hij met de zweep een paardenvlieg van schimmels hals heeft weggetikt:

“Als ik alles zoo bedenk dan zou ik u—met verlof—kunnen benijen dokter.”

“Ei zoo Willem?”

“Ja menheer, ik heb op mijn jaren bij den braven generaal alles wat m’n hart kan begeeren, en ik dank er God voor; maar toch—toch wou ik dat ik van morgen afaan, voor een dag of wat in menheer z’n plaats was.”

De ernst, die er op het gelaat van den ouden krijgsman is te lezen en die zich mede in den toon van zijn stem heeft geopenbaard, deed al spoedig den glimlach verdwijnen, die voor een oogenblik den gelukkigen bruidegom om de lippen speelde.

“En waarom benij je me Willem?”

“Naar ik in de keuken vernam zal menheer morgen met de jonge mevrouw naar Parijs gaan;” zegt de grijze snorrebaard terwijl hij vluchtig van terzijde een vragenden blik op den dokter werpt.

“Als men het in de keuken zegt dan zal het wel waar zijn.”

“Menheer weet wel dat ik niet nieuwsgierig ben; maar ik spreek ervan omdat menheer als hij werkelijk naar Parijs gaat, een gezicht zal zien, waar ik om zoo te spreken m’n laatste eindje leven voor zou overhebben.” [26]

“Je bedoelt....?”

“Wat ik bedoel menheer? Wel, wat zou ik er anders willen zien dan de plaats waar de groote Keizer rust. Ja dokter, dat u met de jonge mevrouw die plek met je eigen oogen zult bezichtigen, dat kan ik je benijen. Zie, ik was nog maar een jongen van veertien jaar toen ik als pijper in dienst kwam, maar tweemaal heb ik hem toch gezien; op zijn paard, ons toewuivend met den steek; en, zie dokter, dát vergeet je je leven niet!—Komaan Zampa, het hek in.”

“Als oom er nog eens naar toe ging Willem.”

“’t Zal niet gebeuren menheer.—Ho Zampa!—Voorzichtig dokter.—Hoe laat verkiest u dat ik weer vóór kom?”

“Heeft oom gezegd dat je me ook zoudt terugrijden?”

“De generaal heeft me gelast u te halen en te brengen.”

“Dan om negen uur Willem.”

De grijze koetsier buigt, en salueert met de zweep.

’t Is een klein maar heerlijk gelegen landgoed, dat door den gepensioneerden generaal Van Barneveld als eigenaar wordt bewoond. Van den straatweg ziet men langs den oprit—die om het breede middelgazon naar de woning voert, ter linker- en rechterzijde prachtige boomen en sierlijke heestergroepen.

De woning op zichzelve is er een van die solide gebouwde, zeer deftige en nochtans vriendelijke soort, waarin de tijdgeest echter niet veel behagen heeft.

Een deftig stadshuis zou men zeggen. Behalve de onderwoning, is het twee verdiepingen hoog; acht ramen heeft het in den voorgevel, uitgenomen nog de beide, even hooge, maar zeer smalle ramen der vestibule waartoe een fiksche deur met sierlijk lofwerk den toegang verleent, nadat men eerst een vrij hooge en breede hardsteenen stoep heeft moeten beklimmen.

Den goeden naam, dien het landgoed met betrekking tot zijn ligging geniet, dankt het bovenal aan ’tgeen van de straatwegzijde verborgen blijft. De achtergevel van het gebouw—naar het zuiden gekeerd—staat op de helling van den berg die aan het buitenverblijf zijn naam schonk. Is men onder de zware takken van eiken en beuken ter weerszijden van het landhuis doorgegaan, dan ziet men—behalve de bloemen aan zijn voet—het groen van heesters en boomtoppen die oprijzen uit de diepte. En tusschen die openingen door, geniet men weder het prachtigst uitzicht over een heerlijk Geldersch landschap: ’twelk zich verliest in een dommelig verschiet, en waardoor de grijze Rijn—nu eens blinkend in den glans van een doorvallend zonlicht en dan weder grauw gedekt door een voortjagende wolkschaduw, zich voorspoedt naar het verre welbekende duin.

Vooral bij een stoombootvaart op den Rijn, levert het wit gepleisterde huis met zijn fraai uitgebouwde serre aan de zuidzijde—zooals het daar in de hoogte telkens achter het geboomte wegschuilt—een recht vriendelijk pittoresken aanblik op. Men zou dan aan wal willen stappen om te dolen in het bosch aan den voet van den berg, waar de klare beek over blanke kiezels murmelt [27]men zou de meestal steile paden van den fiks begroeiden Zonsberg willen beklimmen, om eindelijk in dat hooggelegen landhuis—als het zoo wezen mocht—een weinig te kunnen uitrusten, met het oog over den schoonen voorgrond in het heerlijke verschiet.

Voor het hoogopgeschoven raam van een ruim vertrek zit de generaal Van Barneveld in een gewonen leunstoel. De generaal is een man van bijna zeventig jaren. Zijn zilverwitte haren en forsche grijze knevels verhoogen het mannelijk schoon van zijn edel gelaat. Het hooge voorhoofd en de helderbruine oogen spreken van verstand en doorzicht, terwijl de eenigszins gebogen neus en fijnbesneden mond, kloekheid van inborst verraden en reinen zin.

Opziende uit het boek waarin hij heeft gelezen, tuurt de generaal een wijle naar het schoone vergezicht, om echter al spoedig een blik op de groote pendule te werpen, die zoo even halfzes heeft geslagen. Van Barneveld haalt zijn horloge te voorschijn en ziet “dat de pendule niet in de war is”. De generaal is een man van de klok. Kleine zielen hebben dikwijls dezelfde accuraatheids-manie, en ofschoon die accuratesse alzoo op zich zelve niet veel beteekent, zoo mag men er nu toch uit opmaken dat Van Barneveld gedurende zijn militaire loopbaan zoomin in de lage als hoogere rangen, ooit naar zich wachten liet maar steeds op zijn post was.

De generaal verlaat zijn zitplaats; loopt een paar malen de kamer op en neer; ziet nogmaals naar de pendule, en gaat dan de kamer uit.

De breede gang, waarin hij gekomen is, vormt met de straks genoemde vestibule één geheel, en loopt tot aan den achtermuur van het huis waar voorheen, aan den binnenkant, een gipsen Ceres de nis versierde. Sedert de generaal eigenaar van De Zonsberg is geworden, werd de nis uitgebroken, en kwam er in haar plaats een glazen deur, die nu toegang geeft tot de reeds genoemde zeer smaakvol uitgebouwde serre.

Wanneer men het landhuis binnentreedt ziet men alzoo aan ’t eind van de breede gang, door de glazen deur, in Van Barnevelds zoogenaamden wintertuin, die met recht zijn lievelingsverblijf mag heeten.

Op hetzelfde oogenblik dat de generaal er nog even denkt binnen te gaan, omdat hij, in weerwil van het wachten, geen oogenblik zijn goede stemming verliezen wil, komt August Helmond, gevolgd door Van Barnevelds dochter Jacoba, uit de groote zaal in de gang, en drukt de eerste al spoedig den verrast opzienden oom de hand.

“Ahzoo, menheer de bruigom! Ik wist niet dat je al hier waart, en was bang dat Willem wat getreuzeld had. De knaap wordt oud.—Hij heeft je immers gehaald?”

“Jawel, prompt zooals u besteld hadt oom. Ik dank u. De tilbury kwam mij even buiten Romphuizen tegen.”

“Hadt je niet begrepen dat ik je zou laten halen?”

“Nee oom.”

“Dat spijt me.”

“Omdat u zelden....” [28]

“Ik zend geen rijtuig wanneer men van mijn beleefdheid gebruik maakt, maar wel wanneer men mij een beleefdheid bewijst. Ik waardeer het dat je van middag woudt komen August. Is juffrouw Armelo en de familie welvarend?”

“Dank u oom. Ik moet u vriendelijk van haar en mijn aanstaande schoonouders groeten.”

De generaal maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij de beleefdheidsformule heeft gehoord.

“Wat dee jelui in de zaal Coba?”

“Pa, ik heb....”

“Coba heeft er mij een nieuw bewijs van haar liefde gegeven oom. Ze vertelde mij dat u ingevolge haar verzoek, wilt terugkomen op uw besluit, en morgen na de trouwplechtigheid het déjeuner zult bijwonen, waarop de familie Armelo u had genoodigd. Coba wilde mij dit goede nieuws mededeelen alvorens aan tafel te gaan.”

“Ei zoo ondeugende babbelaarster; moest het daarom over den tijd loopen!”

“Mijnheer, er is gediend;” zegt de huisknecht die uit de eetkamer in de gang komt en front maakt bij de deur.

“Goed Hendrik!”—In het Fransch vervolgt Van Barneveld tot den neef die hem een dankbaren blik had toegeworpen: “Toen Coba mij deed gevoelen dat de familie Armelo mijn weigering aan een dwazen trots zou toeschrijven, toen heb ik fiat gezegd. Als men mij maar vergunnen wil om niets anders dan het zeer gewone te gebruiken, en niet later dan om zes uur naar huis te gaan.—Convenieert dat de familie?”

“U bedoelt oom?”

“Zoo’n déjeuner in De Gouden Arend?” antwoordt de generaal terwijl hij den jongelieden een wenk geeft om plaats te nemen.

Helmond kleurt vluchtig; aarzelt, en zegt dan:

“Ik heb die zaak met den ouden heer Armelo besproken en geschikt oom.”

“Ah.... zoo” zegt de generaal, en geeft te gelijk een teeken om te bidden.

Ofschoon Hendrik gedurende deze ceremonie in een zeer eerbiedige houding, met het oog op een der landschapvakken die de eetkamer versieren, achter de tafel staat, zoo kan hij toch niet nalaten om eventjes onder de oogwimpers door, een blik op “zijn biddende gasten” te werpen.

—’t Is om er akelig van te worden zooals die lieve juffrouw Coba er uitziet. Ja, als zij de mooie vriendelijke oogen, zooals nu heeft gesloten, dan zou men haast zeggen dat daar een doode in biddende houding zat. De werkmeid heeft gezegd dat het geen wonder is.—En, zou het werkelijk geen wonder wezen? Zou ze waarlijk hoe langer hoe bleeker worden omdat dokter Helmond morgen met dat juffertje van den oud-kapitein Von Habenichts gaat trouwen?—Ja, die neef van den generaal is een knap mensch. Wat een verschil van kleur met juffrouw Coba!—En juffrouw Coba’s postuurtje, och lieve hemel, denkt Hendrik terwijl hij nu weer in de straks verlaten [29]richting tuurt—schuinsrechts op het landschapvak met een herder en herderin onder een boom,—och lieve hemel, heel wat anders dan die juffrouw daar met den saamgepersten boezem in het gele keurslijf. Zoo’n wurm!

De gewone diners op De Zonsberg duren niet lang; in een half uur is gewoonlijk alles—van de soep tot den podding, afgeloopen. En, wanneer Hendrik het eenvoudige dessert heeft opgebracht en voorgoed de kamer verlaat, dan wordt het gesprek, ’t welk gedurende het eten doorgaans in ’t Fransch werd gevoerd, in ’t Nederlandsch voortgezet.

“Dus zul je veertien dagen uitblijven?”

“Ja oom, ’t kan nu zeer goed geschikt worden; en voor Parijs is veertien dagen niet te veel.”

“Ah, dus moest het tóch Parijs wezen.”

“We zijn daar nu zeer op gesteld oom.”

“Ik meende August, dat jij er minder op gesteld waart;” herneemt de generaal, en meer dan gewoonlijk is er in zijn stem iets van den oud-militair te herkennen.

“Ik geloof pa, dat August’s bruidje er nog al heel veel zin in had. Ja, en dat kan ik mij best begrijpen, wanneer men er nooit is geweest en zich zoo gezond en sterk gevoelt als juffrouw Eva; niewaar Helmond?”

August ziet zijn pleegzusje vriendelijk aan, en zegt tot den generaal:

“Toen ik bemerkte oom, dat Eva er zoo bijzonder op gesteld was, werd het ook mijn wensch. Ik geloof dat u de eerste zult zijn om te erkennen, dat het tot de zeer verschoonbare inconsequenties behoort om eigen lusten voor die van onze geliefden op te offeren.”

“Welzeker August.... Wil je nog wijn?”

“Dank u oom.”

Eenige minuten later wordt er gedankt.

Jacoba verlaat de eetkamer nadat ze een zoen op Van Barnevelds voorhoofd heeft gedrukt.—Hendrik die inmiddels is teruggekomen, presenteert den generaal en diens neef de sigaren. Nadat de heeren hebben opgestoken en Van Barneveld den knecht heeft gelast om het raam te openen, waardoor men evenals in de woonkamer het heerlijke vergezicht over den Rijn geniet, geeft de generaal aan zijn huisknecht een wenk. Deze verwijdert zich en doet de deur zorgvuldig achter zich toe.

“’t Was mijn wensch August, om je op den avond vóór je huwelijk over je belangen te spreken,” vangt de generaal aan: “we zullen daartoe na de thee, op mijn kamer gelegenheid hebben. Nu echter moet ik eens even over Coba met je praten.” Naar buiten ziende en dan met merkbare zelfoverwinning:

“Ze zag in de laatste dagen naar ’t me voorkwam wat bleek.”

“Coba is niet sterk oom;” zegt Helmond en ziet den pleegvader belangstellend doch met verwondering aan.

“Omdat ik niet aan den medicijnwinkel hecht August, daarom bevreemdt het je dat ik je over Coba’s gezondheid spreek. Wat ik [30]voor me zelf niet zou doen, dat doe ik voor m’n kind; en met het oog op je aanstaande reis vond ik het beter om je ’t nu maar eens te vragen.... ’t Kon dacht me geen kwaad.—Ze heeft voor een paar dagen iets gehad dat me....” de generaal wendt weer zijn hoofd van Helmond af en naar de zij van het raam: “dat me.... wel niet bezorgd maakt, maar.... toch ook niet beviel.—-Zie je die sleepboot wel? Kijk, vier Keulenaars er achter, nee vijf, de verste zat nog achter den eiketop.”

“En wat was er dat Coba.... oom?”

“O ja, ’t had nu juist niet zoo heel veel te beteekenen, maar.... Eergisteren tegen den avond gaan we samen den berg af; zitten in ’t bosch op den beekheuvel; praten over je huwelijk; ze maalt me dat ik om jelui plezier te doen dat déjeuner zal bijwonen, etcetera, etcetera.”

“Zij heeft zoo’n lief karakter de goede Coba.”

“Het evenbeeld van haar moeder. Om kort te gaan, vroolijk en wél hervatten we onze wandeling; we praten over je toekomst, over je praktijk, ik weet niet wat. Naar huis terugkeerende, onder ’t beklimmen van den berg, bespeur ik dat ze sterker dan gewoonlijk begint te hijgen. ’k Zeg nog: wil je hier even op den kant in ’t gras gaan zitten—terwijl ik in stilte besloot om op een paar punten een tuinbank te doen plaatsen. O nee pa, zegt ze, en, om me te toonen dat ze heel wél is, begint ze met haar hijgend stemmetje een van haar favoriet-stukjes te zingen.—’k Zeg: Coba ben je mal, dat zingen onder ’t klimmen deugt volstrekt niet; maar of ze ’t niet hoorde, luider ging zij voort. Achter haar aankomende verbied ik het haar sterker. ’t Was juist toen we van den zigzag den laatsten hoek omsloegen, dat ze met zeer veel inspanning de slotwoorden van dat air herhaalde: adieu, adieu of iets van dien aard. Geen twee seconden later zag ze om, zoo wit als een doode. Och pa, papa! riep ze met zwakke stem; en August, als ik haar niet aanstonds in mijn armen had opgevangen dan zou ze zeker achterover zijn gevallen, want, plotseling zakte ze ineen, bijna als iemand die verlamd is, en trok ze zoo raar met de oogen, dat ik niets dan het wit ervan te zien kreeg.

“Was zij buiten kennis oom?”

“Nee in ’t geheel niet. Tenminste, ze verstond me best. Bijna dragend heb ik haar toen in huis en op de canapé gekregen. Het hijgen, dat gedurende die.... vapeur een weinig bedaard was, kwam nu sterker terug; later werd ze koud, en haalde den sjaal, waarmee ik haar voeten had bedekt, eenigszins rillend over zich heen;—ze was wel wat luchtig gekleed, zieje, en ’t is doorgaans nog geen weer voor die zomertoiletjes.—Enfin, ik stop haar wat toe; ze zal moe zijn dacht ik, en een fiksche toer slapen zal haar goeddoen. Maar jawel, een half uur later, toen ik wat in den Militairen Spectator zat te snuffelen, daar staat me ’t ondeugende kind naast m’n stoel; zoent me, en zegt dat ze heelemaal weer beter is.—’t Heeft niets te beteekenen, niewaar? ’t Was een natuurlijk gevolg van dat fatale zingen onder ’t klimmen; maar ik meende toch dat ik verplicht [31]was je ’t eens te zeggen.—Omdat ze niet sterk is moet ze alle zotte efforts vermijden, dat is mijn opinie....?”

“Klaagt Coba nooit over pijn op de borst oom?”

“Nee, ze heeft een delicaat gestel, maar klagen doet ze nooit!”—Weer naar buiten turend: “Je ziet er geen kwaad in, niewaar? Een vapeurtje ten gevolge van die klim- en zingpartij?”

“Zooals ik Coba nog van middag heb gezien, kan ik in die bezwijming juist geen reden tot bezorgdheid vinden; maar....”

Helmonds antwoord heeft den ouden generaal van een grooter zorg bevrijd dan hij zou willen bekennen; ja grooter misschien dan hij zichzelf is bewust geweest. Voor des dokters laatste maar had hij nu geen ooren. Immers die dokter, een deskundige, heeft erkend dat in het genoemde verschijnsel op zichzelf geen reden tot bezorgdheid te vinden was. Zulk een verschijnsel is dus niet een erkend uitvloeisel, of een vast bewijs van het aanwezig zijn eener doodelijke kwaal. Dit te weten is hem genoeg. In de geliefkoosde overtuiging dat Jacoba, ofschoon zij niet tot de sterksten behoort, “gezond van harte” is, werd de vader opnieuw en krachtig versterkt. ’t Komt uit zooals hij vermoed—of in stilte gehoopt heeft: de overspanning van het oogenblik heeft zijn dochter die “onpasselijkheid” bezorgd, en, zullen die malle kuurtjes zich niet herhalen en alzoo het delicate gestel op den duur niet verzwakken, dan dienen alle sterke inspanningen vermeden te worden, en moet Coba vooral niet meer zingen. In den laatsten tijd was ze altijd minder goed wanneer ze gezongen had.

“Je bent het volmaakt met me eens Helmond. Ik wist vooruit dat er geen kwaad bij was, maar, zonder je eens te hebben gepolst, rekende ik mij vis-à-vis Coba niet geheel verantwoord.—Komaan, ze zal ons met de thee wachten; maar—doe jij me nu één plezier en secondeer me als ik haar goeden raad geef. Dat zingen en gillen, waarachtig dat deugt niet—niemendal!”

Helmond kent zijn pleegvader. Hij vindt het onnoodig om hem, en zonder dat hij als dokter iets met zekerheid bepalen kan, de zoo gemakkelijk herwonnen gerustheid opnieuw te benemen. Hij besluit in stilte, om Jacoba aan de theetafel ongemerkt eens wat nauwkeuriger waar te nemen; haar zoo noodig goeden raad te geven, en wanneer er méér reden tot bezorgdheid mocht zijn dan hij nu vermoedt, om haar dan—al moest het ook in stilte wezen—met zorg te behandelen zoodra hij van zijn reisje zal zijn teruggekeerd.

Ternauwernood is de generaal met zijn neef in de huiskamer gekomen, waar Coba voor het tweede venster aan de theetafel zit, of hij zegt terwijl hij even bij haar stilstaat:

“Zie je wel klein ding, August is het heelemaal met me eens. Nietmeer van die kunsten hoor!”

Terwijl Jacoba’s bleek gezichtje met een blos wordt gekleurd vraagt ze: “Wat bedoelt u papa?”

“Wel, met dat onbesuisde zingen. Helmond geeft me volmaakt gelijk dat jou persoontje niet voor al die krachtsbetooningen en hooge noten in de wieg is gelegd.” [32]

“Maar pa, dat zingen....”

“Ja lieve kind, dat doet je wél kwaad; de heele muziekboel doet je kwaad. Als je zoo’n uur op de piano hebt zitten tamboereeren, en vooral na de les, dan kan ik ’t je aanzien dat je moe bent. Laatst nog beefde je hand toen je me ’t kopje gaf.”

“Dat was na den Erlkönig pa, en dat stuk....!”

“Ja dat is onverstandig kras, ik zeg bepaald onverstandig! Hoor eens lieve nachtegaal, August geeft me volmaakt gelijk dat je je versterken en je gestel niet door overmatige inspanning ondermijnen moet. Niewaar August?”

“Zeker Coba, oom heeft me gezegd dat je eergisteren....”

“Ja, ik heb August je kippenkuurtje van Dinsdag eens verteld. ’t Kwam zoo ter sprake. ’t Was niets niemendal. Maar, een tienponder kan geen kogels van een dertigponder verwerken. De mensch moet leven naar de mate der kracht die hem geschonken is! Zelfs nu nog, als ik den Zonsberg met m’n zeventig jaren beklim, dan behoef ik niet te rusten, maar jij met je constitutie, je moet het driemaal doen. Zie, zoo moet je het in ’t generaal aanleggen, indien je komen wilt waar God je voor geschapen heeft, dat wil zeggen tot je ouden dag; en als je dat niet doet, en je nog gaat overschreeuwen erbij, dan, waarachtig, dan ben je je eigen revolver. August denkt er precies zoo over. Niewaar?”

“Ik ben het zeer met oom eens Coba, dat je niet te veel van je krachten moet vergen.”

“Maar pa, u hebt zoo dikwijls gezegd dat bijvoorbeeld een soldaat door oefening....”

“Beste kind, in disputeeren heb ik geen lust. Van soldaten spreken we niet. Als je me met je lief gezichtje zoo wijsgeerig aan mijn militair herinnert, dan zou ik ’t allereerst op commando en discipline komen, en je weet wel dat ik japonnetjes nooit als soldaten behandel. Ik hoop dat je uit overtuiging en uit liefde voor me doen zult, ’tgeen August volmaakt met me eens is dat je doen moet, en als deskundige van je verlangt. Donerie zal vooreerst niet meer komen. Piano en zang dienen een tijd lang te rusten. Voordat August op reis gaat, moest je hem en mij dat beloven. Zul je? Als we dan verder goed versterken; veel de lucht genieten—liefst op de vlakte—dan twijfel ik niet of hij zal bij zijn terugkomst moeten zeggen dat je er beter uitziet. Want ja, een beetje bleek zie je toch wel.”

Jacoba is bij de laatste woorden van haar vader beurtelings rood en doodsbleek geworden. Meesttijds weet ze zich zonderling goed te beheerschen. Men zal niet licht bespeuren wat er omgaat in hare ziel indien zij het noodig oordeelt, het voor haar dierbaren te verbergen. Nu echter was het haar een oogenblik te machtig.

“Muziek en zang zijn mijn liefste uitspanningen. Waarom moet ik u en August.... beloven....?” zegt ze op bewogen toon terwijl er tranen blinken in haar zachtblauwe oogen.

Van Barneveld heeft niet geantwoord.

Die kijkers staarden hem aan als van een aangeschoten ree. Dat was den generaal te machtig. [33]

“Coba, oom wil je volstrekt je genoegen niet ontnemen; hij vreest alleen dat het je nadeelig zal zijn.

“Als het beter is dat ik niet zing en speel August, en vooral als ik er pa genoegen mee doe, dan kan ik het laten;” zegt Jacoba terwijl ze door een zekere bedrijvigheid bij het inschenken van de thee, den strijd tracht te bedekken dien het bedaard gegeven antwoord haar kost.

“Fiks gesproken Coba!” zegt de generaal.

Weinige oogenblikken daarna verlaat hij de kamer om in de serre een kijkje te nemen, of.... met de heimelijke hoop misschien dat August gedurende zijn afwezigheid, Jacoba nog eens ondervragen en verder goeden raad, ja, zoo het noodig mocht wezen, een “mengsel uit den medicijnwinkel” zal geven. Coba zag toch erg erg bleek, en die kippenkuren konden terugkomen.

Helmond kent zijn pleegvader. Hij ziet hem de kamer verlaten en—straks is de deur weer gesloten.

“Heb je nooit pijn op de borst Coba?”

“Nee August.”

“Kun je goed ademhalen. Zóó—diep, diep ophalen? Probeer het eens flink!”

Jacoba voldoet aan Helmonds verlangen, doch met een afgewend gelaat.

“Ja ’t is wel vreemd dat ik nu juist op mijn laatsten bruigomsdag hier bijna aan ’t praktizeeren zou raken. Tot nu toe was ik zoowat de drop-en-kamille-dokter van ’t huis. Maar je zult het ondervinden dat ik heel gemakkelijk voor mijn patiënten ben; en, als ik ze liefheb zooals mijn beste zusje, dan moeten ze in een heel klein poosje weer van zessen klaar zijn. Aan jou Coba, is echter voor ’t oogenblik gelukkig niet veel eer te behalen. Oom maakte zich om dat kippenkuurtje eerst wel wat ongerust, en ofschoon er naar ’t me voorkomt volstrekt geen kwaad bij is, zoo noem ik het heel verstandig dat je—ook om zijnentwil—een veertien dagen zijn raad wilt volgen.... Mag ik je pols eens eventjes...... Wat de muziek en ’t zingen betreft lieve kind, daar zal op den duur volstrekt geen bezwaar tegen zijn.” Helmond drukt den pols wat sterker, en vervolgt: “Nu Donerie wat ongesteld is komt het juist goed om je naar papa’s wensch te voegen en wat vacantie te nemen.”—Hij ziet Coba die zich heeft afgewend, nauwlettend van terzijde aan; laat den pols varen; vat hare hand, en zegt na een oogenblik stilte:

“Vertel me eens heel oprecht beste zusje, is er iets dat je hindert?—Heb je misschien ’t een of ander dat je droefgeestig stemt? of....”

“Ik August?—Wel nee!”

“’t Kon wezen Coba. De booien zijn soms onaardig. Weegt het bestier van de huishouding je ook wat zwaar?”

“Nee August, volstrekt niet.”

“Toch komt het me voor....”

Jacoba trekt haar hand uit die van Helmond, en zegt op sterker toon dan ze gewoonlijk spreekt: [34]

“Ik heb niets, volstrekt niets dat me hindert August. Alleen maakt het me zenuwachtig als men zooveel notitie van mij neemt. Ik heb laatst wat hard gezongen onder ’t klimmen. Als men verdriet heeft dan zingt men zoo niet.—Nu, toen ben ik van overspanning wat raar geworden. Als mijnheer Donerie ziek is dan kan ik vanzelf geen les nemen en is dit, zooals je wél zegt, een geschikte vacantietijd. Is....—Je wilt nog thee?—Is.... se—wat ik wou zeggen, ah—is mijnheer Donerie ernstig ongesteld? ’t Zou me niemendal verwonderen als die man eens erg ziek werd. ’s-Winters kleedt hij zich onverstandig dun; bijna nooit een overjas aan. Zeker een zwaar gevatte kou....?”

“Ik geloof niet dat het veel te beteekenen had. Hoofdpijn. Wel mogelijk gevatte kou;” antwoordt Helmond zonder er veel bij te denken, want hij meende zeer goed te bespeuren dat Coba naar Donerie’s ongesteldheid informeerde terwijl geheel iets anders haar vervult.

“Ik begrijp niet waar pa blijft;” zegt Coba terwijl ze opstaat en met afgewend gelaat zich voortspoedt naar de deur.

“Coba! Jacoba!”

“Is er iets August?”

Hij staat vóór haar; ziet haar fiks in de oogen, en haar fijne vingertjes vattend zegt hij kalm:

“Zusje, als daarbinnen verdriet of hartzeer woelt, dan zijn wij dokters met onze medicijnen niet in staat de kwaal te genezen. Dat verdriet of hartzeer moet worden weggenomen. En wat dunkt je zou ik nu—zelf ten toppunt van geluk—mijn lieve pleegzusje met een vroolijk hart kunnen verlaten terwijl ik vermoed dat zij iets heeft ’t welk haar niet gelukkig maakt, of dat haar hindert althans; dat er werkelijk iets anders is ’tgeen haar gestel zou kunnen ondermijnen dan muziek en zang zelfs bij ’t bergen klimmen? Coba ik heb je goed bekeken. Men ziet het maar zelden wanneer je iets wat je grieft of smart, verbergen wilt. Maar ik zeg je nu, dat je ’t een of ander te onderdrukken zoekt; misschien al sedert lang, en ten koste van je gezondheid. Als de oorzaak van dat verdriet wordt weggenomen Coba, dan zul je waarlijk weer veel flinker zijn. In één woord, zeg me wat je hebt. Straks spreek ik met oom.—In de stemming waarin hij nu is zal hij alles toegeven; ja, al moest hij den ouden Willem of Betje wegjagen indien ze je hier in ’t een of ander den voet dwars durven zetten, hij zou het doen. Oom ging naar de stad wonen als ik hem zei dat de stilte je hier onaangenaam werd en kwaaddeed. Dus, beste kind....”

“Ik dank je vriendelijk voor je belangstelling August, maar je hebt het mis. Niemand ter wereld heeft mij eenig verdriet gedaan, en De Zonsberg is het liefste plekje dat ik ken. Zul je pa eens inschenken? Ik moet even naar boven.”

“Niet te haastig, niet te haastig die trappen op!” roept de generaal zijn dochter na, en dan binnentredend tot Helmond, alsof hij overluid een straks afgebroken gedachtenloop vervolgt: “Wat me óók zeer waarschijnlijk voorkomt August, het is dat Coba meer dan ze toonen [35]wil gevoel van je huwelijk heeft.—’t Ligt in den aard der zaak dat je niet meer zoo dikwijls zult hier komen en dat ze je dikwijls zal missen. Coba houdt veel van je, August. Bij al wat we nu te observeeren hebben, zal het haar mede goeddoen dat die zaak nu morgen maar afloopt. Ze wil voor geen werelds-geld thuis blijven. ’t Zou misschien beter zijn....”

“Dat geloof ik niet oom; afleiding is goed, en ik zal morgen bijtijds een klein fleschje zenden waarvan ze een paar keeren vóórdat u uitrijdt, gebruiken moet.”

Hendrik de huisknecht annonceert op dit oogenblik met een ternauwernood onderdrukten glimlach: “Mijnheer Kippelaan!”

“Er is belet Hendrik. Zeg zeer beleefd aan menheer Kippelaan dat ik iemand bij me heb met wien ik moet spreken.... iemand die.... uit de stad moet, die.... Ik kan den man niet ontvangen.”

Weinige oogenblikken later komt Hendrik terug, en zegt dat mijnheer Kippelaan juist het allermeest is gekomen om den persoon dien de generaal bij zich heeft: “Hij wilde dokter Helmond zoo bijzonder graag eens eventjes spreken.”

“Ben je zijn dokter August?”

“Ik zou bijna zeggen: helaas ja!”

“Laat menheer binnen Hendrik.”

Mijnheer Kippelaan struikelt de kamer in; ziet naar den dorpel om, en dan met een buiging:

Serviteur je excellentie. Nee ik derangeer u niet; nee waarlijk niet; ’t was maar om eventjes.... Ah! comment va Helmond; altijd wél geweest sedert ik ’t plezier had je van morgen....?”

“Neem even plaats menheer Kippelaan;” zegt Van Barneveld met een aanwijzende beweging der hand, waardoor hij die hand voor een verovering van den bezoeker zoekt te vrijwaren. Doch, Kippelaan heeft zijn prooi reeds bemachtigd en dubt er mee op en neer.

“Pardon, pardon excellentie, ik kan bij deze gelegenheid niet nalaten u nogmaals van harte, van harte....”

“Ik dank je menheer;” zegt Van Barneveld terwijl hij tamelijk militairement zijn hand uit den kerker bevrijdt.

“Kwalijk genomen?” herneemt Kippelaan met vergoelijkenden lach: “Jawel jawel, u hebt het me kwalijk genomen dat ik u na onze laatste ontmoeting op de receptie niet bezocht. Ja ja, ’t is slecht van me, heel slecht. Ik maak het grof met iedereen. Mijn neef de professor in Leiën heeft laatst ook al geklaagd dat ik hem heelemaal negligeerde. Och ziet u, zóó ben ik; maar ik informeer nu allereerst naar juffrouw Van Barneveld. Welvarend niewaar? Ochkom, dat doet me plezier. ’t Zou ook jammer zijn voor het feest van morgen. Perfect idee in De Gouden Arend. Uitmuntende visch! Zeker half-twee aan tafel? Déjeuner niewaar? Geen muziek zou ik denken? Begrepen! stuitend voor de conversatie, en....”

“Menheer Kippelaan, we zullen maar eens open met elkander praten....”

“Welzeker je excellentie, daar hou ik van. Op een kleine plaats moest men over ’t algemeen minder gesloten, en meer joviaal en [36]open zijn. Ziet u, ik zeg wat ik denk; geef me zooals ik ben. Rond, weet u....” Vluchtig opstaande, buigend, en weer plaatsnemend: “Militairement!”

“’t Schijnt dat u de militaire usanties....”

“O zeker, men heeft mij dikwijls gevraagd of ik geen officier was—in politiek weet u; en maçon; ik was op-en-top maçon, want de maçonnerie is alleen jovialiteit: Och dat is het geheele geheim, niets anders. Dikwijls aangezocht om lid te worden; maar excellentie, ik was het zonder dat ik het was. Ziet u, ik hou van open, rond!”

“Wij beiden hebben onzen dokter te spreken menheer. Wilt u zoo goed zijn mij vóór te gaan.—Wanneer het geheim is August, ga dan in de zaal.”

“Duizendmaal excuus! Volstrekt niet. Geheimen in geen geval; en wat vóórgaan betreft je excellentie, indien u haast hebt dan zou ik dokter als we samen terugwandelden niewaar, zeer goed kunnen zeggen ’tgeen ik te zeggen heb niewaar? Ik dank uw excellentie anders wel voor de groote beleefdheid om mij....”

“’t Is geen beleefdheid menheer. Ik maak wat haast omdat we onzen tijd noodig hebben. ’t Zijn familiezaken die we moeten afdoen. Wilt u dus zoo goed zijn mijn neef te volgen?”

“Familiezaken! O welzeker je excellentie. Maar wat ik aan mijn vriend Helmond te zeggen heb is wel bepaald in vertrouwen, maar toch—nee nee pardon generaal, pardon, voor u is ’t in ’t geheel geen geheim. Pardon!—Je moet dan weten Helmond, dat ik van morgen nadat ik ’t plezier had je te zien, nog even bij den goeden majoor Kartenglimp ben geweest. Perfect mensch! Onder heeren! Open! O!—Was ijselijk amicaal met me; Kippelaan voor en na. Maar hij gevoelde zich toch zeer ziek. Was fameus met je ingenomen—droppels of poeders daar wil ik afwezen. Enfin, was bang voor een beroerte—dit was het geheim; ziet u excellentie, maar onder ons niewaar? Ook niet plezierig een beroerte. Mijn neef de professor....”

“Heeft de majoor je een commissie voor me opgedragen Kippelaan?”

“Met je verlof, met je verlof dokter; commissies opdragen, zieje, dát is wat kras, maar....”

“Neem me niet kwalijk; heeft hij je verzocht om mij....?”

“Dat juist niet; ik heb de gaaf om—ja hoe mag ik het noemen; te voelen. Ziet u excellentie, dat is een voorrecht. Ik weet wat de Lieder ohne Worte zeggen. Dat voel ik! Ik begrijp, en dat doen de minste menschen. Als ik muziek lees dan lees ik een boek. Ja een vers van.... enfin vind ik niet zoo mooi als een blad muziek; een quatre-mains lees ik liever dan een roman.”

“Heeft de majoor u verzocht....?”

“Pardon, ik heb begrepen dat hij boos op je was. Ik ben rond dokter. Ja hij was boos op je, heel boos, dat mag ik zeggen; en nu dacht ik: ten bewijze dat ik Helmonds vriend ben, wil ik ’t hem zeggen. Nu zei de majoor—’t was à propos van je reis: als ik [37]hem in tijd van nood maar telegrafeeren kon. Dat was juist gezien, niewaar excellentie? Mooie uitvinding: Wil ik iets weten, ik weet iets!—Rondeman gezegd, nu had ik een raad te geven. Schrijf me je adressen op, hê? watblief? Van dag tot dag? Goed idee niewaar? Niemand heeft er mee noodig waar je heengaat: maar als de majoor....”

“Voor ’t geval Kippelaan, dat mijn thuiskomst volstrekt noodzakelijk mocht zijn, heb ik maatregels genomen. Van Hake zal in overleg met Biermans schrijven of telegrafeeren.”

“Och-kom, Van Hake! zal die....!—Ah, hoe vaart u juffrouw Van Barneveld?” vervolgt Kippelaan tot Jacoba die juist binnenkomt: “Altijd wel geweest? Braaf feestgevierd dezer dagen? Ik ben verrukt over ’t mooie uitzicht hier. Magnifique niewaar? Die Rijn!.... die landen kust en scheurt de dijken! ’t Heelal verdeelt in ko....”

“Menheer Kippelaan, je zult me vergunnen dat ik me nu met mijn neef absenteer. Als je nog een oogenblik wilt rusten, mijn dochter zal je gaarne een kop thee schenken. Vaarwel.”

Toen Kippelaan een groot uur later vertrok, toen was hij bij uitstek voldaan.—O, de ontvangst op De Zonsberg was charmant geweest. Al heeft hij dan tot heden geen rechtstreeksche uitnoodigingen voor familiare diners of soirees gekregen, de ontvangst bewees genoeg dat het een onwillekeurig verzuim, ja misschien wel een groot bewijs van delicatesse geweest is. ’t Was hem in den aanvang moeielijk om die delicatesse geheel in overeenstemming te brengen met de handeling van den generaal, toen hij zich met Helmond ging verwijderen, en hem, “ten sterkste animeerde” om alleen met juffrouw Coba te blijven. Maar later, ja, grooter blijk van sympathie en waardeering heeft de generaal niet kunnen geven. Alleen met personen met wie men op een familiaren voet wil zijn, handelt men zooals de generaal heeft gedaan; heelemaal in den geest van hun gesprek.... sans gêne, rond, joviaal!

En juffrouw Jacoba! heeft zij hem een grooter bewijs van.... enfin, kunnen schenken dan juist door die koele, geretireerde houding? ’t Mocht dan bij den “burgerlijken stand” en zelfs aan den generaal bekend zijn, dat hij den elfden April zijn vier en veertigste jaar is ingetreden, juffrouw Coba’s terughoudendheid heeft hem wel degelijk gezegd, dat ze hem—zooals iedereen—op ’t allermeest voor een zes en twintiger hield. O, welk een overheerlijk uur heeft hij gesleten! Zeer timide heeft ze veel naar buiten gezien, enfin in das Blaue hinein! en ze heeft zeer weinig gesproken; natuurlijk pour la première fois! Maar, zoo ’t een en ander heeft hij toch uit haar allerliefste korte antwoorden kunnen opmaken; bijvoorbeeld dat zij zich nooit verveelde als zij alleen was; en dat het haar pa zeker bijzonder veel plezier zou doen als hij eens terugkwam wanneer papa geen zaken had. O, o, die invitatie!—Voor het overige is Kippelaan zeer tevreden over zich zelf. Hij heeft de overtuiging dat alleen de “toonnuanceering zijner stem”—waarover men hem dikwijls vol enthousiasme gesproken heeft—ook nu [38]haar uitwerking heeft gehad. Toen hij van ’t geluk sprak ’twelk dokter Helmond met zijn geliefde “te gemoet ijlde”, in vergelijking van een lijdend herstellen zooals van den majoor Kartenglimp of een doodelijk ziekbed, waaraan—zooals hij vernam—de muziekmeester Donerie gekluisterd was; toen hij die weelde des echtelijken geluks, in tegenstelling van zooveel lijden op dit “werelddeel” had geteekend, toen heeft hij haar zien verbleeken en ontroeren.—O Coba mijn!—Ja, zoo dacht Kippelaan toen hij bij ’t heengaan—geheel in gedachten—Hendrik die hem uitliet de hand schudde. Ja, nadat ik een drietal moest bedroeven en teleurstellen, zal deze dan de vervulling der planeet zijn: “De zon zal het zilver beschijnen en hetzelve aan u doen kleven.” Zij was “bleekblank als het zilver”, en de Zonsberg bescheen haar!

“Atjuus menheer Kippelaan!” zegt Hendrik, en Kippelaan eensklaps uit zijn droomen ontwakend, verbeeldt zich dat hij op De Zonsberg heeft gedineerd; haalt zijn portemonnaie te voorschijn, zoekt en frommelt en tuurt erin, en.... is verplicht Hendrik een gulden te geven, want “de twee kwartjes” hij vond ze niet.

Enfin, Kippelaan heeft het er ruimschoots voor over; en wat dien gulden betrof, als eenmaal het interessante bleeke kind—eenmaal, jawel, generaals zijn ook sterfelijk—dan zouden immers de guldens voor Kippelaan zijn “wat nu het zand was aan den oever der zee; tenminste....”

Kippelaan die in ’t schemerdonker vertrok, heeft nog eens even, terzij van het huis een “blikslag” erop geworpen, want hij “kent gaarne iets aan alle kanten”.

Schuin in de hoogte ontdekt hij licht. De glimp uit het raam schijnt op het gebladert van den meest vooruitkomenden eiketak. Juist onder dien eik stond Kippelaan, en hij hoorde spreken.

’t Was “letterlijk niet te verstaan.”—Nu werd het luider. Stil, dat is de stem van den generaal. Hoor:

“Getrouwd.... met Chassé.—Citadel.... twee kinders.”

Kippelaan vond het indiscreet; maar hier onder den donkeren eik, wie zag hem! ’t Was aller-interessantst! aller.... aller.... interessantst! en hij luisterde, en ving gedurende een groot half uur, misschien een honderdste deel van de woorden op, die er binnen de kamer van den generaal werden gesproken; woorden, waarop men den klemtoon te pas of te onpas gelegd had. Binnen die kamer zelve vervolgt de generaal tot zijn pleegzoon:

“Ja, toen je brave vader doodelijk getroffen in mijn arm den geest gaf, toen beloofde ik hem, zoo ik gespaard bleef, dat ik je beiden zou grootbrengen als mijn eigen kinderen. En heb ik dat niet gedaan August? heb ik dien andere minder liefgehad? ’t Is wreed mij aan dien knaap te herinneren, wreeder dan je denkt misschien. Had ik hem dan laten studeeren om aanstonds, toegevend aan een dwaze rederijkersmanie, zich te verslingeren aan een tooneelnimf van het laagste ressort! Had ik hem dáárvoor mijn liefde betoond, om mij.... mij....”

“Beste oom, spreek hierover niet meer;” zegt Helmond dewijl hij [39]ziet hoe de herinnering aan ’tgeen zijn broeder deed, den ouden pleegvader beroert.

“Waarom zijn naam dan genoemd August? Je wist immers dat ik ten strengste verboden had om, in mijn bijzijn, over hem te spreken.”

“Oom, Philip is mijn broer, en waarlijk hij had u lief. Slechts in een oogenblik van opgewondenheid....”

“Opgewondenheid! Zwijg August. Dat hij mij zóó iets zeggen kon! Wanneer ik me die woorden herinner; van hem die woorden: “Man, als je één greintje eergevoel in de borst hadt....!” God in den hemel, hij tot mij! Zwijg, zwijg zeg ik je; spreek me van den aterling niet meer.”

“Ja oom, ’t was zeker schrikkelijk slecht om u, den weldoener....”

“Slecht! er is geen woord voor te vinden!”

“De hartstocht voor dat meisje had hem verblind. Ik wil hem niet voorspreken oom, maar uw woord is mij te zwaar; hem af te snijden als een “rot lid;” hem nooit wat er ook zijn mocht, te mogen bijstaan of helpen; hem te beschouwen als de adder die.... Oom, in godsdienstige begrippen verschillen wij veel, maar als u vasthoudt aan wat geschreven staat, dan moet u Philip niet vervloeken maar vergeven, evenals God....”

Van Barneveld, de altijd waardige man, is nu aan de uiterste grens van zijn geduld. Zich sterk beheerschend, schenkt hij zich met bevende hand een glas water in, en, na een teug te hebben gedronken, herneemt hij—aanvankelijk kalmer:

“Over onze godsdienstige denkbeelden spreken we niet August. Ik wil je alleen herinneren, dat ik aan een heilig, maar niet aan een weekhartig God geloof. Daar is een verdoemenis! De bokken zullen van de schapen worden gescheiden. Wie God veracht, gaat verloren; voor eeuwig! Geen Genade!—In Gods geest handelt de krijgsoverste als hij een verrader den kogel geeft; als hij opstand—insubordinatie—straft met den dood.—Het ongedierte vertrap ik vrij met den voet. En, als ik nu den ellendige vervloek dien ik liefhad en wéldeed; de adder die me zeggen durfde: “man, als je één greintje eergevoel....” God in den Hemel!.... zoo iets moest men niet opwekken, zoo iets....”

Bij Van Barnevelds laatste woorden heeft hij de tafel door een hevigen vuistslag doen dreunen. Toen zijn stem bleef stokken, is hij opgestaan, en, zichtbaar fel bewogen, loopt hij een paar malen de kamer op en neer, ofschoon zijn haastig tasten naar de waterkaraf, en het nogmaals drinken—nadat Helmond hem snel heeft ingeschonken—zeer duidelijk verraadt dat hij den storm in zijn borst tot bedaren wil brengen.

“Oom, uw toorn is rechtmatig, ik weet het!”

“Ha zoo, als men dat maar bedenkt.”

“Ik vraag u niets voor.... hem. Ik wilde u alleen herinneren, dat hij mijn broer is, en mijn broeder kan ik niet haten oom.”

“Ik wil niet over hem spreken. Hem te haten gelast je niemand. Zijn naam wordt in dat stuk niet genoemd.” [40]

“Maar de bedoeling ervan....?”

“Is duidelijk genoeg: Nooit meer zal hij iets genieten van ’tgeen mij heeft toebehoord. Ik dacht August, dat je stilzwijgend mijn bedoeling zoudt verstaan en gebillijkt hebben.”

August Helmond staart op het schrift, ’twelk de oom hem straks ter onderteekening had aangeboden. Ofschoon men den jongen dokter wel eens andere verwachtingen had voorgespiegeld, wanneer hij zijn keus zou hebben gevestigd en in ’t huwelijk ging treden; ofschoon men wel eens heeft gefluisterd dat de generaal aan zijn pleegzoon een ton of minstens een halve ton zou meegeven, zoo moest August erkennen dat de oom het wél had gemaakt; wanneer men namelijk bedacht dat zijn huwelijk met Eva Armelo geenszins Van Barnevelds geheele goedkeuring wegdroeg, en hij zich in den beginne er zelfs met kracht tegen verzet had. ’t Was mooi genoeg dat Helmond—die alles wat hij was en bezat aan zijn pleegvader is verschuldigd; die reeds een eigen huis bewoont en van De Zonsberg bij voortduring een stroom van weldaden in het huishouden mag verwachten, dat hij zich van den dag van ’t huwelijk afaan, jaarlijks een som van driehonderd gulden zag toegekend—het dubbele van ’t geen hij, sedert hij dokter werd, ontving—terwijl den echtgenooten telkens bij de geboorte van een kind, een bedrag van honderd gulden was verzekerd.

Mocht de pleegzoon bij de inzage der gemaakte beschikking ook in den aanvang eenige teleurstelling hebben gevoeld, die teleurstelling heeft bij het verder lezen spoedig voor andere gewaarwordingen moeten plaats maken. Immers, ofschoon de generaal wel meermalen heeft laten doorschemeren dat August mede zijn erfgenaam zou zijn, nooit was daarop zoo rechtstreeks gedoeld als bij de woorden, dat August Helmond aan den vroegeren huisgenoot nimmer iets zou schenken van ’tgeen den pleegvader had toebehoord.—Was hem die meerdere zekerheid voor de toekomst een hoogst aangename, het kon niet missen of de zeer gestrenge bepaling ten opzichte van zijn broeder moest hem pijnlijk treffen.

Nog staarde Helmond eenige oogenblikken op het veelbeteekenend geschrift. Toen zag hij eensklaps zijn pleegvader aan en zei:

“Oom, wij hebben onze moeder niet gekend. Zij was een zachte edele vrouw.”

“Is het je plan August, een nieuwe batterij te openen, laat dan dat voornemen varen. Je moeder heb ik—zooals je weet—zeer weinig gekend. Zij stierf twee maanden na den dood van mijn vriend. Zeker moet ze lief en goed zijn geweest, want zij was de oogappel van je vader. Maar August, al stond daar je moeder met “dien ander” voor me, en al kwam zelfs je vader, mijn onvergetelijke Herman, met hem aan de hand om een verzoening tusschen ons te beproeven, ik zou zeggen: Gaat heen, want je weet niet wat je vraagt. Slechts verachting op de wereld, kan misschien nog zijn vrijspraak bewerken voor den troon des Almachtigen.”

“Oom! voor u die anders altijd zoo goed voor hem waart, is dat woord.... te hard, te....” [41]

“Spaar mij August; wij menschen zullen eenmaal onze daden moeten verantwoorden. Ik vrees niet dat ik de oogen zal behoeven neer te slaan indien men “den ander” tegen mij over stelt. Nu genoeg hiervan.—Ik wensch je naam onder dat schrift.—Zeer lang heb ik er tegen opgezien om de zaak geheel en al af te doen. Dit moest vóór je huwelijk geschieden. Ik wilde dat je je huwelijksleven zoudt beginnen met eenige zekerheid omtrent mijn plannen. Weiger je deze verbintenis te teekenen, welnu August, dan deed ik wat ik kon en ’tgeen ik verplicht was, maar dan zijn wij elkander voortaan vreemd.... Heb ik me ook in mijn oudsten pleegzoon bedrogen, August?”

“Oom!”

“Ik dacht niet dat je een oogenblik zoudt aarzelen. Je afkeer....”

“Ja oom, hij heeft zich schandelijk aan u vergrepen; maar, om mijn woord te geven dat ik het kind mijner vroeg gestorven ouders, zoo hij hulpbehoevend tot mij kwam, allen bijstand zou moeten weigeren, omdat hij eens, door hartstocht en drift vervoerd, vergeten kon wat onze weldoener voor hem deed: Nee, dát kan ik niet!”

De generaal, die den spreker met vorschend oog van onder de grijze wimpers heeft aangestaard, valt nu eensklaps half toornig—half met zekere verruiming uit:

“Maar wie eischt dit!? Wie verbiedt of kan je verbieden, om anderen, onverschillig wie ze zijn, bij te staan met het uwe! Wie zou het recht hebben je te binden om met hetgeen je zelf zult verdienen, naar verkiezing te handelen? Ik verzet er mij tegen dat “de ander” ooit iets zal genieten van ’t geen ik thans het mijne noem. Zou je dan wenschen dat hij nog dieper zonk, en willen meewerken om zijn zedelijk bewustzijn geheel te vernietigen door vurige kolen te hoopen op zijn hoofd! Ik had niet gedacht August dat jij zelf er een oogenblik aan denken zoudt.”

“Maar alles wat ik zelfs nú bezit heb ik aan u te danken....”

“Niet je leven; niet je aanleg; niet je intellectueele kracht, die je tot een zelfstandig man heeft gemaakt. Heb je nu de bedoeling van dit geschrift begrepen?”

“Ja, oom.... en ik vergeet het niet.”

“Je woord is er mij borg voor. Ja zelfs, ik ontsla je van de onderteekening van een stuk waaruit je toch de rechte zin van mijn wil niet duidelijk gebleken was.”

Terwijl Van Barneveld het papier nu in kleine stukken scheurt alvorens het in de scheurmand te werpen, gaat hij naar zijn secretaire; neemt er een portefeuille uit, en telt dan honderdveertig gulden aan klein bankpapier voor Helmond neer.

“Wil je eens nazien August? Hiermede sluit onze rekening.—Wat de partij in De Gouden Arend betreft; nu daartoe besloten werd—misschien omdat men meent wederkeerig tot iets dergelijks verplicht te zijn—nu wil ik niet dat ze daardoor in moeielijkheden zullen komen, en vooral niet dewijl ik er zelf tegenwoordig zal wezen. Jij hebt de zaak met den kapitein al bepraat, niewaar? Zorg nu verder dat ze met dit—geheel in orde komt, en zonder dat [42]iemand anders daarvan wete.” Dit zeggende heeft de generaal een muntbiljet van vijftig gulden voor Helmond op de tafel gelegd.

“Oom, ik nam het voor mijne rekening, omdat mijn lieve Eva op dat déjeuner gesteld was, en zou dus gaarne, ofschoon incognito, morgen uw gastheer blijven.”

“Heel mooi gezegd: maar onze verhouding is van dien aard, niewaar, dat je zonder bedenking aanneemt wat ik je presenteer? Tegenover het publiek staat mijnheer Helmond als zeer verstandig, knap en zelfstandig dokter; tegenover den generaal Van Barneveld als.... zijn volwassen zoon! Is die titel je iets waard, dan neem je dit aan.—En dan,” vervolgt Van Barneveld, terwijl hij een paar regels op een couvert schrijft waarin hij terzijde, al pratend, iets uit de portefeuille heeft gestoken: “En dan, ik weet dat een eerste consult niet goedkoop en Parijs nog al duur is. Ziedaar!”

Helmond, die de hem zooeven geschonken vijftig gulden bij de honderdveertig heeft geborgen, leest nu op het couvert: “Tweehonderd gulden voor het eerste consult aan Dr. Helmond.”

“Oom, uw goedheid....!”

“Ja dokter, zoo honoreer ik maar ééns, dat begrijp je. Nu, geen dank meer. ’t Is wél zoo, heel wel! Je weet dat ik je liefhad als mijn eigen kind. En daarom ook August, vergun het den ouden man dat hij, in naam van je besten vader, je nog eens op dezen avond aan een vroeger gesprek herinnert:

“Ik begrijp u oom....”

“August, ik geloof niet dat het déjeuner in De Arend zou worden gegeven als je mij geheel en al begrepen had...!”

“Wanneer wij maar eens getrouwd zijn beste oom! Uw spreuk bewaar ik als goud: Wijsheid zal ik mengen in mijn liefde. Maar waarlijk, mijn Eva is zoo goed; en ijdel, nee, wat men ijdel noemt dát is ze niet.”

“Heb haar lief met wijsheid August!—Zij zag er gisteren prachtig uit.”

“Zult u mijn wijfje ook liefhebben oom? Ja, ik weet het. U zult het, evenals Coba; waarlijk, mijn engel verdient het!”

“Wie mijn zoon gelukkig maakt die heb ik lief als een kind.—Komaan, onze zitting heeft al te lang geduurd.” Hij drukt hem met warmte de hand.

VIERDE HOOFDSTUK.

Den volgenden dag was het “regen en wind.” De tuinman van De Zonsberg heeft het voorspeld. Toen hij gisterenavond langs de aspergebedden ging en hier en daar een pijpekop op een gebarsten [43]plekje zette, toen profeteerde hij, met het oog op een donkere bank aan den zuidelijken horizon, dat er “donder aan de lucht was. De lucht kon nog weinig warmte verdragen; en de twee laatste, Meidagen waren krek balsemiek geweest.”

’sNachts heeft het inderdaad een weinig geonweerd; en nu, in plaats van warm, is het guur buiten.

’t Is acht uren in den morgen.

Willem de oude koetsier staat op vijf passen van zijn meester in militaire houding diens orders af te wachten.”

“Om kwart over tienen vóór Willem.”

“Zeer wel generaal. Met de koets?”

“Nee, met de vigilante.”

“....Zeer wel generaal.—Toch ’t koperen tuig?”

“’t Zwarte regentuig Willem.”

“....Alzoo kwart over tienen vóór, generaal.—Nog iets van je orders generaal?”

“Je brengt me eerst met de juffrouw naar ’t stadhuis. Van daar rij je naar den wal om dokter Helmond te halen, en brengt hem bij de familie Armelo.”

“Zeer wel generaal.”

“Je rijdt dan bruid en bruidegom naar ’t stadhuis, en wacht daar om later, hen en ons, naar de kerk te brengen. Na afloop van de inzegening rij je ons, in twee toeren, naar De Gouden Arend, en dan, stapvoets naar huis.”

“Volgens je orders generaal. Nog iets te belasten generaal?”

“Natuurlijk witte handschoenen.”

“Natuurlijk generaal.—Met verlof generaal, als het weer nog wat opknapt, neem ik dan de koets en het koperen tuig?”

“De controleur gaat naar veel regen en wind.”

“Niets meer van je orders generaal?”

“Zorg tegen twee uur weer met de vigilante aan het logement te zijn, maar met de imperialen er op. Je brengt de jonge menheer en mevrouw dan naar Briesborg aan ’t station. Van daar kom je aan De Arend terug, en rijden we weer mee naar De Zonsberg.”

“Volgens je orders generaal.—Dus in geen geval de koets of.... Opperbest generaal!” Bij de laatste woorden heeft Willem de hand met militair saluut aan het voorhoofd gebracht, en verlaat op den wenk van zijn meester het vertrek.

—De knaap wordt oud, denkt Van Barneveld, terwijl hij den koetsier met zijn zilveren haren en eenigszins krom-stijve beenen de kamer ziet verlaten: dat koperen tuig en die koets, ze hadden hem bijna uit het zaal gelicht.


De regen valt met stroomen uit de grauwe lucht, die slechts hier en daar een zeer klein plekje blauw vertoont. De takken van het akkermaalshout bezijden den straatweg zwaaien, door den sterken wind bewogen, soms als dolzinnigen heen en weer, en vangen het slik op, ’t welk het voorbijjagend rijtuig van De Zonsberg doet opspatten. [44]

“August treft het slecht Coba.”

“Droevig weer pa.”

“’t Was óók zulk een weer toen ik met je lieve moeder naar ’t stadhuis reed. Dat is nu drie en twintig jaar geleden...... Bertha hechtte aan goed weer op den trouwdag.”

“’t Stemt vroolijker papa.”

“Ik hecht er niets aan; maar later heb ik mij toch dikwijls herinnerd dat het op dien Woensdag slecht weer was.”

De wind stond op het raampje aan Coba’s zijde. Ze kon niet naar buiten zien want de regen biggelde in allerlei slootjes en slangetjes langs het glas naar beneden. ’t Was haar alsof ze tranen zag.

“Je hebt immers nog eens ingenomen voordat we uitreden?”

“Ingenomen?” zegt Coba verstrooid: “Ik geloof.... Nee ik heb het vergeten pa.”

“Je bent tegenwoordig waarlijk nog al vergeetachtig Coba. Straks moest ik je nog roepen toen Willem al vóór stond; ’t was twee minuten over den tijd. ’t Is goed dat jij de bruid niet bent, je zoudt misschien zelfs je bruidegom vergeten.—Je gevoelt je toch goed in orde niewaar?”

In ’t eerst kwam er geen antwoord. Toen zag ze eensklaps op, en zei:

“O heel wel!” en daarna, wijzend door het venster waarvoor haar vader zat: “Zie, de lucht is daar nog erg donker. ’t Is zóó wel treurig vandaag.”

Zeven minuten later reed de vigilante van De Zonsberg,—na den generaal en zijne dochter aan ’t Raadhuis te hebben gebracht, naar het doktershuis op den wal. Maar dokter was al naar de woning zijner aanstaande schoonouders vertrokken.


“Daar hoor ik het rijtuig mijn vrouwtje!” zegt August Helmond, en onwillekeurig beeft zijn hand waarmee hij Eva’s sluier in wat sierlijker plooien om haar heerlijke taille schikt.

“’t Is een vigilante lieve!” zegt de bruid, die zich in haar ruischend wit satijnen kleed, naar het venster heeft gekeerd: “’t zal voor papa en mama zijn.”

“Nee beste kind, ’t is heusch van De Zonsberg; zie maar, Willem zit op den bok, en Hendrik staat aan de deur.”

“Wat! met een vigilante! Guns Helmond-lief, dat vind ik allerbespottelijkst. Heeft je oom de koets dan niet meer? Kijk, en een begrafenis-tuig.—Nee maar dat vind ik bepaald ridicule.”

“’t Is zeker omdat ’t zoo regent;” meent Helmond tamelijk naïef, en is door Eva’s opmerking in deze oogenblikken van agitatie, zeer tegen zijn gewoonte, een weinig van zijn stuk gebracht.

“Ja maar daar bedanken we voor. Ik vind het heel lief dat oom een rijtuig zendt, maar de gewone vigilante! terwijl hier zelfs iedereen “met de koets” trouwt. Nee, je moet me niet kwalijk nemen, maar dat is wat erg militairement.”—Roepend aan de openstaande gangdeur: “Pa! Pa-lief! Pa!”

Kapitein Armelo komt in militair costuum de gang uit en gaat [45]naar binnen.—Eva had het zoo gewild, maar het spijt hem dat hij heeft toegegeven. De uniform zit hem inweerwil van al de veranderingen die Helm de kleermaker er aan gemaakt heeft “als een gek.” Die nieuwerwetsche mouwen behooren niet aan den militairen rok van tien jaren herwaarts. Hij voelt zich in dat ding als een recruut in de kapotjas; ’t is hem veel te wijd, veel te slobs geworden, bah!

“Zeg eens Eva, ik kan in dien rok waarachtig niet voor ’t front komen; als je er niet tegen hebt dan doe ik eenvoudig mijn jasje aan.”

Eva vond het ijselijk onplezierig dat men haar in oogenblikken als deze—nu ze natuurlijk zenuwachtig en geagiteerd was—op allerlei manieren toonde hoeveel men de plechtigheid telde waarvan zij de heldin zou zijn. Ze hoopte niet dat pa de dwaasheid zou hebben om het gewone jasje aan te doen. Pa had den militairen rok laten vermaken omdat een gewone zwarte hem—entre nous gezegd—te kras was; maar in ieder geval stelde zij er dan ook prijs op dat hij zóó bleef. De generaal was natuurlijk ook in uniform. Op het jasje kon pa de “groote tiendaagsche ruzie” en den “vijf en twintigjarigen dienst” toch niet hangen; en de Romphuizers mochten wel eens zien dat pa evengoed officier was geweest als mijnheer Van Barneveld.

Op Helmonds bevestiging dat de uniform inderdaad zoo heel slecht niet stond—waarbij hij den oud-soldaat een wenk gaf, waaruit deze moest opmaken dat men een bruid, die binnen weinige oogenblikken den gewichtigsten stap van haar leven zou doen, niet agiteeren maar wel iets mocht toegeven—was de oud-kapitein wel verplicht te zwijgen en zich gewillig te toonen. Van hare zijde moest Eva nu echter ook maar tevreden zijn. Waarlijk ze zou nog beter in de vigilante van De Zonsberg dan haar pa in den uniformrok zitten. Wat deed het er ook toe, of het een koets of vigilante was.

In zwartzijden staatsiegewaad, waarover een kanten sjaal hing die, ofschoon wel eenigszins rosachtig geworden, haar indertijd toch als zeer fraai door haar man was geschonken; een hoed met vuurroode linten op het tamelijk breede hoofd, kwam mevrouw Armelo uit het achterhuis naar voren. De kleine dienstmeid heeft juist opengedaan want er was alweder gescheld.

“O, zijn de rijtuigen daar?” zegt mevrouw Armelo tot Hendrik, die even in de gang komt om te berichten dat men vóór was: “Zeer goed, je zult wel wachten;” en dan tot de kleine dienstmeid een weinig zachter: “Nee, zeg aan Herman dat mijnheer vandaag niet kan overdoen. Foei, hoe indiscreet zijn de menschen!” Terwijl zij de voorkamer wil ingaan, komt de genoemde Herman, een knecht uit De Gouden Arend, haar op zij, en zegt:

“Menheer Siebold wilde een kistje van de vier, en drie pakjes manilla’s voor de partij hebben. De duiten present.”

“Wel man, hoe kun je zoo wezen! Op een oogenblik als dit! De kapitein is al te goed. Waarom ga je niet naar den winkel van Bol?”

“Wat is er Marie?—Watblief Herman?” vraagt Armelo in de deur. [46]

“Asjeblieft een kistje van de vier, en drie pakjes manilla’s, Kapitein?”

“O wacht, met alle....”

“God Armelo, ben je gek! Wou je nu nog iemand sigaren overdoen? in je militaire costuum!—Nee vrindschap, de kapitein kan je niet helpen.”

“Ik heb hier anders den sleutel;” zegt Armelo met het wapen vooruit.

“Wacht pa, ik zal wel even.... Geef u maar hier. Wil je maar meekomen Herman? Van de vier niewaar? zwaar of licht....?”

’t Is Eva’s jongere zuster Louise, die, mede voor de trouwplechtigheid gekleed, naar voren is gekomen, zich spoedig van den sleutel heeft meester gemaakt en met de lichtheid van een veder, naar een klein vertrekje in het achterhuis snelt.

“Wat is daar....?” vraagt Eva.

“Niets, volstrekt niets lieve engel;” zegt mevrouw Armelo op den drempel.

“Ik zag daar Herman uit De Arend ma. Is er iets.... van ’t déjeuner.... of....?”

“Och ja, er was iets te kort, en men komt dan maar aanzetten. ’t Zou niet vreemd zijn als ze ook nog om ’t zilver kwamen. Men durft maar alles!”

“Ik zal het vandaag wel ’t bontst van allen maken, en wat ik u ontneem, ik breng het u niet terug;” zegt Helmond.

Terwijl de gelukkige aanstaande echtgenoot dit zegt, drukt hij Eva een zoen op de wang, doch, hij doet het met égards voor haar keurig toilet, en, met een zekere aarzeling bovendien. Immers, sedert hij Eva in haar trouwgewaad mocht ontmoeten, verkeert Helmond onder een machtigen indruk. Hij zag zijn Eva zooals hij haar nooit te voren aanschouwde; en het was hem bijna alsof een zekere schroom hem vermeesterde, wanneer zijn oog een enkele maal als bij verrassing durfde rusten op den fier golvenden boezem zijner bruid, ofschoon zediglijk verborgen onder kant en wit satijn.

“Ja Helmond, je ontrooft ons wel een kleinood!” zegt mevrouw met een zucht: “maar och, we krijgen toch ook terug waarnaar ons ouderhart altijd tevergeefs heeft gesmacht: een zoon, Helmond, een zoon die ons liefheeft, niewaar?”

Zij legt haar hand, met wit glacé omsloten, vol moederlijk gevoel in het glacé van den aanstaanden schoonzoon, en herneemt met nog meer gevoel: “Wij vertrouwen u ons kind August!”—En dan: “Ha, daar is ook onze equipage!” Straks roepend in de gang: “Louise! mijn engel! ik bid je, kom!”

De tocht naar het stadhuis zou echter op uitdrukkelijk verlangen der bruid nog eenige minuten worden vertraagd.


Binnen de trouwkamer van het stadhuis bevonden zich—en nu reeds omstreeks een half uur—de generaal en zijn dochter, benevens de heeren baron Debecke van De Poel; dokter Wolf uit Wieringerwaard, en mijnheer Lieder, docent in de Nederlandsche taal enz. enz. te Amsterdam.

De baron Debecke is een oud vriend van Van Barneveld, maar [47]zou toch zeker niet bij deze gelegenheid binnen de trouwkamer en vooral met in qualiteit van getuige tegenwoordig zijn geweest, indien hij niet dat mooie futuurtje van dokter Helmond op De Zonsberg had ontmoet, en zich, terwijl hij haar een beetje courtiseerde—ja, ja, aanstaande bruidjes willen dat wel—had laten ontvallen, getuige bij haar huwelijk te zullen zijn. Mijnheer Debecke had het heele grapje vergeten, maar, een allerliefst briefje, dat Helmond hem namens zijn aanstaande had gebracht, was een zoo verplichtende herinnering aan zijn “belofte” geweest, dat hij geen vrijheid heeft gevonden om zich onder eenig voorwendsel terug te trekken.

Dokter Wolf is een klein maar forsch persoon van omtrent vijftig jaren; zijn voorkomen heeft niets deftigs, maar een veeljarige praktijk in Wieringerwaard en omstreken, zou ook zeker den fatterigsten medicus in een man als dokter Wolf herscheppen. Van zijn kleeding scheen hij zeer weinig werk te maken. Zijn rok was van een buitengewoon antiek model, en tamelijk kaal en glimmend, terwijl er zich op de rechterpijp van zijn pantalon—die mede geenszins nieuw was—juist tegen het scheenbeen een bijzonder groote vlak bevond, waarin zich reeds sedert lang veel stof moest verzameld hebben. Dokter Wolf scheen in den regel geen boordjes te dragen, althans uit den scheeven toestand, waarin het halsomwindsel met toebehooren zich bevond, zou men zulks hebben opgemaakt. Het licht- of blinkpunt van dokters toilet bestond in de prachtig glimmend verlakte laarsjes, waarin zijn voeten geperst zaten. Straks waren ze—evenals zijn broekspijpen van achteren—nog geheel en al beklonterd; maar, eer hij de trouwkamer binnenstapte heeft hij zijn rooden zakdoek er aan gewaagd, en daarom blinkt nu zijn schoeisel dat het een lust is.

Dokter Wolf die, als eigen broer van mevrouw Armelo, beloofd had het huwelijksfeest te zullen bijwonen en de getuige van zijn nichtje te wezen, heeft wel eenige woorden met de “voorname heeren” gewisseld, maar voelt zich toch meer aangetrokken tot den neef van zwager Armelo, den docent; en fluisterend—natuurlijk in zoo’n trouwkamer—zegt hij:

“Zeker pas gekomen? met de spoor?”

“Om u te dienen mijnheer. Zeven minuten over zessen verlaat de spoortrein Amsterdam, en alzoo was ik gereedelijk ter bestemder ure alhier. Het is een schoone uitvinding die stoom, en wel gebezigd als beweegkracht....”

“Ken je den oudste van die beide heeren?”

“Bedoelt u den grootste der beide grijsaards, of den kleinere met het eenigszins roodere gelaat?”

“Ik meen dien met het hooge voorhoofd. Hij sprak me aan. Een van beiden is de generaal Van Barneveld, maar ik weet niet wie. Ze hebben allebei grijze knevels.”

“Dus u bedoelt den rechtsche, wiens stok een gouden knop heeft, en die zich nu naar de zijde dier jonge dame wendt, welke trouwens in stilte blijft voor zich zien?” [48]

“Juist!”

“Tot mijn leedwezen kan ik u niet inlichten; ik heb de eer niet de families van onzen aanstaanden neef Helmond van aangezicht te kennen.”

“Dat hadt je me wel eer kunnen zeggen.”

Op een der stoelen die tot aan de langwerpige tafel, waarover een groen kleed hangt, in een cirkel zijn gerangschikt, zit Jacoba.

“Ik hoor van je papa dat je in de vorige week een weinig ongesteld bent geweest juffrouw Van Barneveld. Weer heelemaal in orde?”

“Dank u mijnheer Debecke, heelemaal. Mevrouw is ongesteld niewaar?”

“De zenuwen, altijd hetzelfde! Nu vooral in de war omdat we onzen zoon uit Indië al spoedig thuis wachten.—Fameus pleizierig; ’t zal haar goeddoen.”—Naar de deur ziende: “’t Jonge paar laat zich wachten dunkt me.”

“Ik begrijp niet wat er aan hapert;” zegt Van Barneveld vrij luid: “’t Is wat erg, al zeventien minuten over den tijd!”

“Misschien iets met de paarden;” meent dokter Wolf: “De keien liggen hier in Romphuizen zóó schandalig, dat paard en mensch z’n eigen den poot moet verzwikken.”

Wolf sloeg een blik op zijn feestvierende voeten.

“Als ik de geëerde familie daarmee van dienst kan zijn of gerieven, dan wil ik volgaarne eens gaan onderzoeken uit welke oorzaak....”

De aanbieding van den Amsterdamschen docent werd echter overbodig.

De bode van ’t stadhuis opende op datzelfde oogenblik de dubbele deur der trouwkamer, en het jonge paar, gevolgd door de familie Armelo, met nog een paar juffrouwen en heeren, trad de deftig ouderwetsche stadhuis-kamer binnen.

Aller oogen hadden zich aanstonds op het bruidspaar gevestigd. En—’t was een kloek, aristocratisch schoon paar.

De groeten die er werden gewisseld, hadden iets plechtig-geheimzinnigs.

Van Barneveld begreep dat het nu het geschikte oogenblik niet was om te onderzoeken waardoor het zoo laat was geworden. Zeker had de bruid wat al te veel tijd aan haar toilet besteed—een toilet welks élégance en frischheid het eenigszins verouderd-burgerlijk feestgewaad van mama Armelo, en het dood-eenvoudige van zuster Louises zijden mantilletje over een wit neteldoekje, te sterker deed uitkomen.

Van Barneveld moest de opmerking van zijn vriend den baron volkomen beamen, dat de bruid er prachtig uitzag; doch zijn blik rustte nochtans met minder welgevallen op haar schoone gestalte dan die van den ouden edelman. De laatste gevoelde zich altijd jong, en vooral bij het zien van zoo iets.... enfin. Ja ja, dat was gracieus, dat, enfin—dat herinnerde aan vervlogen jaren; en, zeer zachtjes neemt hij de vrijheid om de schoone bruid—die zich juist in een der breede fauteuils heeft neergezet, en links en rechts haar satijnen [49]kleed een weinig in orde schikt—een galant woordje toe te spreken, ’twelk door Eva met een allerliefst glimlachje wordt beantwoord.

“Daar heb je ’t al!” fluistert de kapitein Armelo tot zijn echtgenoote: “de generaal is in politiek. Jelui met je gezanik! Zie menheer Debecke lacht er om; ’t is geen smaak meer.”

“Welzeker is het ton;” fluistert mevrouw met een melancholiek ernstige gelaatsuitdrukking, meer in harmonie met hetgeen er bij zulk een gelegenheid in een moederhart moet omgaan, dan wel met het antwoord aan haar echtgenoot gegeven.

“Hij heeft niet eens zijn decoraties aan; alleen de lintjes, en bijna onzichtbaar;” zegt Armelo.

“Dat is ook méér dan schandalig!” herneemt mevrouw nog zachter en met droevig neergeslagen oogen: “wij moeten steeds gevoelen dat die sinjeur generaal en ver boven ons verheven is. Welzeker! Allemaal trots om zich zoo alledaagsch te vertoonen. Wat verbeeldt ie zich wel! Als jij promotie hadt gemaakt dan was je generaal geweest zoo goed als hij.”

Er werd eene zijdeur naast de groene tafel geopend.

De burgemeester van Romphuizen, gevolgd door den gemeente-secretaris, treedt de trouwkamer binnen.

Een zeer diepe buiging voor de hooge personages ter rechterzijde—welke buiging langzaam in een deftig-ernstigen groet voor het bruidspaar en hun verder gezelschap overgaat—die buiging is een nommer op het programma, ’twelk burgemeester bij de “formeele staats-koppelarij”—zooals hij het burgerlijk huwelijk noemt—gewoon is te volgen.

Jut de veldwachter die achter bij de groote deur staat, weet wat er komen moet, en, de deur aan de buitenzij zachtjes dichtdoende, gaat hij naar ’t bordes en zegt—nadat hij eenige Romphuizer straatbengels, die zich graag nat laten regenen, van de stoep heeft weggejaagd—tot den koetsier van Siebold uit De Gouden Arend:

“Hoe liep het zoo laat Jozef?”

“Klikke over halfelf kreeg ik eerst last om de trouwkoets in te spannen, en als je dan op slag van elven vóór bent, dan zeg ik dat je moeder je mores hêt geleerd.”

“Niet eerder besteld?”

“Waarachtig niet! Ze wouwen niet in de vigelant van De Zonsberg. Ze zeien dat de tree zoo smerig was. Afin, ouwe Willem zal je dat alles wel beter vertellen.”

Oude Willem stond met de vigilante nummer drie van de vier rijtuigen, en ’t was zeker niet naar ’t behoorde, dat hij en Hendrik—zooals ze nu onder de groote parapluie op den bok zaten—bouguetten op de borst hadden, terwijl Jozef uit De Arend—die ook in de haast geen witte handschoenen heeft kunnen vinden—zelfs geen enkele bloem in het knoopsgat heeft.

“Op zij jongens!” zegt Jut, en dan tot Willem: “Was de koets te orde?”

“Jawel.”

“Waarom nam je dan de.... vieselant....?” [50]

“Ingevolge m’n orders!” zegt de oude snorrebaard.

Jut berekent dat het tijd wordt om weer naar binnen te gaan. Burgemeester zal wel haast aan ’t eind zijn. Op ’t laatst begint burgemeester gewoonlijk zóó hard, dat men ’t in de gang wel hooren kan en men dus altijd weet wanneer hij gedaan heeft. Jawel daar heb je ’t al:

“Het huwelijk is eene, dikwijls verbasterde staatsinstelling. Ik zeg dikwijls verbasterd, omdat lieden van beiderlei kunne zich vereenigend, verbintenissen aangaan, die zij niet bij machte zijn na te komen of te handhaven. Slechts daar waar ik de middelen toereikend of overvloedig aanwezend zie, daar juich ik een staatsinstelling toe, die het geluk van personen verzekert, en den staat voor de toekomst nieuwe burgers belooft, dewelke de middelen zullen bezitten om mede al die lasten op te brengen waar de Staat zich een rechtmatige aanspraak op verschaffen mag.”


’t Is zeer vol in de kerk voor zulk een gelegenheid, en niettegenstaande het slechte weer.

Koster Bik had alles prompt in orde. Een voorname trouwerij was altijd voordeelig. De Armelo’s waren wel kaal, maar in alle geval zouden er een stuk of vier van de grootheid wezen. ’t Zou hem niet verwonderen als hij, behalve onder de kussens van bruigom en bruid, nóg onder twee of drie andere kussens een paar rijksdaalders vond. De ouwe generaal was rijk, woest rijk, woest!

—“Nee juffrouw Sillemond, d’r zal vandaag geen orgel zijn; menheer Donerie is ziek. Als ie nog had kunnen komen dan was ie d’r al lang geweest, want ’t is al tien minuten over den tijd. En boek juffrouw Sillemond? Asjeblieft!—Jawel menheer Kippelaan, ga daar maar zitten. Zeker, veel menschen, maar toch ruimte genoeg.—Woudt u liever in de regeeringsbank....? Ja, dat is wel mogelijk, maar dat gaat niet; burgemeester komt zeker; burgemeester is zelfs op de partij gevraagd naar ik hoor.... U begrijpt dus....”

“Ja maar, zieje—ik, ik ben gisteren nog den heelen dag op De Zonsberg geweest, en heb bruigom vast moeten beloven hém en zijn bruidje bij ’t binnenkomen toe te knikken; en, weetje, als ik hier blijf zitten dan.... dan zie ik ze op den rug.”

“Maar m’n goeje menheer, je zit hier juist aan den doorgang; ze moeten bij ’t inkomen hier vlak voorbij; als je je wat omdraait dan....”

“O ja, o ja, dank je wel! merci, precies! Wacht....!” hij haalt zijn portemonnaie te voorschijn, en geeft vol verrukking den koster een fooi: “Zeg eens Bik, na afloop dan laat je me even in de kamer hoor. Ik moet de familie mijn compliment maken. Ze zou het kwalijk nemen.—Volstrekt! Zeg eens, heb jij gehoord om hoe laat....?”

Maar Bik moet ginder zijn. Een acht jaren lang geëngageerd paar zoekt plaats om de trouwplechtigheid te kunnen bijwonen.

Aan de groepjes, die hier en daar in de kerk verspreid zitten, is het te zien dat men ongeduldig wordt. Het fluisterend spreken wordt omtijds luider, dikwijls verstaanbaar op een afstand; en telkens [51]richten zich de oogen naar de zij van den grooten pilaar, niet ver van den hoofdingang der kerk, waar de feeststoet moet te voorschijn komen.

—Hoor, daar rollen de koetsen.

—Nu zullen ze komen!

—Zie, koster Bik verdwijnt achter den grooten pilaar.

Men hoort de rijtuigen één voor één ophouden.

De kerkgangers die het dichtst hij den genoemden pilaar zitten, vernemen het neerslaan der vijf treden eener koets, en voelen een sterken luchtstroom, want de groote kerkdeur is nu geheel geopend.

—Daar komen ze! Zie, zie.... daar komen ze langs den pilaar te voorschijn.

’t Is een heerlijk paar. Beiden zien ze wat bleek.—Maar ’t is geen wonder; in zulk een plechtig oogenblik!—Iedereen weet dat Eva Armelo een zeer schoon meisje is; maar zóó—zóó is ze prachtig, ja prachtig inderdaad!

Langzaam, naast elkander, treden ze voorwaarts. Achter hen aan, komen—mede twee aan twee—de familie en getuigen zooals ze reeds te zamen op het stadhuis zijn geweest. Men ziet en zwijgt. ’t Is een indrukwekkende stilte, slechts afgebroken door het geruisch van Eva’s wit satijnen kleed, want de voetstappen der feestgenooten zijn nauwelijks hoorbaar op den looper, die tot aan het groote tapijt bij den preekstoel in het middelpad der kerk werd gelegd.

Die stilte in het tamelijk ruime Godshuis, in harmonie met den aanblik van een zoo schoon en nog slechts voor luttele minuten aan elkaar verbonden echtpaar, heeft iets eigenaardig-imposants.

Toch is het alsof het ruischen van dat satijnen kleed een ongepaste toon is die de stilte verbreekt.

Het pad is lang.—Ter helfte gekomen ziet Helmond aan zijn linkerzij eensklaps een figuur verrijzen; en in den maalstroom zijner gewaarwordingen bemerkt hij ternauwernood dat het Kippelaan is die zijn hand heeft gegrepen en, hem onwillekeurig tot stilstaan dwingend, de woorden toefluistert: “Van harte.... van ganscher, hoor!—Menheer en mevrouw Helmond hoor! Afgewonnen!—Van harte, van harte!”

Doch aan het eind der kerk achter den preekstoel waarboven zich het orgel bevindt, daar heeft, slechts weinige oogenblikken geleden, een ander belangstellende gestaan. Geen vijf seconden vóórdat Helmond en zijn jonge vrouw den hoek van dien pilaar waren omgetreden, kwam hij, bijna ademloos, het achter- of orgelpoortje der kerk in. Hij zag bleek, doodelijk bleek, maar niemand was er die het zien kon, want het zoogenaamde koor, achter den preekstoel en ten deele onder het orgel, was door een hekwerk—waarvan de stijlen op bronskleurige lansen en dolken geleken—van het schip der kerk gescheiden.

Ja toch, één was er die hem zag. Geen kwartier geleden heeft Janssen de orgeltrapper een boodschap van den organist gekregen, dat bij dadelijk, dadelijk naar ’t orgel moest. Janssen was bijna vlak achter menheer Donerie aangekomen. [52]

“Ben je niet frisch menheer? Je ziet er slecht uit.”

“Zoo, Janssen.... Wil jij maar....” Donerie heeft den man een wenk gegeven om naar boven te gaan.

En Donerie stond daar beneden nog een oogenblik achter die lansen en dolken verscholen. Door de openingen heen kon hij in het ruim zien.

—Zwijg dan bonzend hart! Zoo aanstonds zal ze dien hoek omkomen. Zoo aanstonds....

—Is het een duizeling die hem overvalt? Neen, hij heeft daar van verre een feeën-gestalte gezien. Blank als een lelie; rank als een hinde; fier als een koningin. Is dat Eva.... zijn Eva.... de vijftienjarige....? Zwijg! Zwijg dan bonzend hart en hoofd. Toon nu Herman Donerie, dat je waarlijk sterk, en geen kleinmoedig minnenijdig dweper bent. Voort, voort! de trappen op! ’t Wordt tijd, hoog tijd. Voort!

En met de hand aan het kranke hoofd, vliegt Donerie de trappen op en het orgelkamertje binnen. Daar zit hij voor het instrument; de registers schuift hij open en dicht. Nog even drukt zijn hand het hoofd dat dreigt te bersten, en dan, dan spreidt hij zijn ranke vingers, en een vol accoord, de aanhef eener indrukwekkende hymne, ruischt en jubelt door het kerkgebouw. Het onverwachte van dien toon maakt den indruk in het ruim te sterker.

Terwijl de jonge echtgenooten langzaam voorwaarts treden, kan men ’t hun aanzien dat ze getroffen zijn.

Slechts voor Helmond verstaanbaar, fluistert Eva den naam van den organist.—Helmond heeft haar gezegd dat hij ziek was; maar, ’t was nu lief van hem, heel lief....! En terwijl de grijze heeren een blik van goedkeuring wisselden over de muzikale verrassing, en Armelo zoowel als zijn vrouw en dochter een verhoogde feeststemming ontvingen, terwijl dokter Wolf naar zijn laarsjes zag, en mijnheer Lieder met een zielvollen blik naar het orgel, bespeurde Kippelaan dat juffrouw Coba Van Barneveld juist toen ze hem voorgijging, de oogen neersloeg, en, het gelaat afwendend een snel gerezen blos zocht te verbergen. O almacht der muziek! gij spreekt en doet spreken: Lieder ohne Worte!

En de hymne ruischte voort, en—het ruischen van Eva’s wit satijnen kleed kon men niet meer hooren.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbonden [53]kostershuis begeven, om er, voor ’t eerst zonder vreemde oogen, begroet te worden als man en vrouw.

Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zijn Eva in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde wezen, van zijne vrouw. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat het zeggen wil voor het fijngevoelige maagdenhart, om den draad te zien afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd, ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst, gesloten was.

Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva, juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn, indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.

Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen, die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.

“Nee lieve August, volstrekt niet;” zegt Eva in antwoord op een half angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen den blik naar boven, waar, zooals ’t haar toescheen, de orgeltonen elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden; en—ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat hij die op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had....

“Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;” fluistert Helmond.

“Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is ’t heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!”

’t Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft toegesproken. Die koets uit De Gouden Arend moest er schuld aan zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig.—Kleingeestig was het reeds dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hij haar, bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenblikken als deze, wanneer de neef—het pleegkind van wien men zegt zooveel te houden—den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne mag noemen, dat in zulke oogenblikken de “liefhebbende pleegvader” geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar trouwkleed niet graag ineens bederven [54]wil, en daarom een schrikkelijk beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.

“Oom heeft ons al op ’t stadhuis gefeliciteerd Eva;” fluistert hij terug op een aanmerking daarover van hare zijde.

“’t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen;” herneemt Eva: “Nee, ’t is wat erg.... zie, nu moet hij dien onuitstaanbaren neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomen lomp! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen maken.”

Kippelaan die—dank zij zijn straks gegeven fooi—in de kosterskamer is binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd, hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling nogmaals op alle manieren te betoonen:

“Tot in lengte van dagen hoorje!—Mevrouw Helmond, mijn enorm compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel, jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt ’t me kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel, en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen. Parole! A-propos amice! bekend dat ze in De Arend gemeene champagneglazen hebben. Wil je d’r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn nog van mama’s kant, de Parladotti’s. M’n neef de professor had er nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?”

“Dankje Kippelaan, dankje bepaald.”

“Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal ’em gaan vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen.—Eerste niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien.—Nee, nee, geen complimenten; met alle plezier.—Met den trein van drieën, of....?”

Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg, die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken—nu van toga en bef ontdaan—de kamer ingetreden.

Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge paar—van dien pleegzoon in ’t bijzonder—ligt hem na aan het hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblikken hen pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd, zeer ontstemd. ’t Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden, maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante van De Zonsberg niet voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva’s moeder verijdeld, want, onwillekeurig eenigszins in ’t nauw gebracht, doordien hij van mijnheer Wolf “den veearts” heeft gesproken, “wiens zwager ongetwijfeld die fraaie verlakte [55]laarzen had gemaakt”, is hij mede tot de gemoedelijke ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam ondermeester op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet toe wat die menschen waren; Eva was de dochter van een man die het tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is; als men dan—en zelfs op dezen hoogstgewichtigen dag—dien toeleg bij de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva’s toilet nauwkeurig beschouwt, een toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zelven wat kalmer gestemd, maar ’tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders—anders zou hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven, zoals hij er een aan het “ander ik” van zijn geliefden pleegzoon verschuldigd is.

Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem, ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt, toch een zekere beroering verraadt:

“Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je tot hen gesproken hebt.—’t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw misschien, dat het huwelijksgeluk —ja alle geluk—in waardeering bestaat. Zeer juist. De mensch mag—ik zou zelfs zeggen hij moet met kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het doe met geheele waardeering van ’tgeen hij goeds bezit en niet slechts van het betere ’twelk hij elders ziet of meent te zien en nooit zeker is te zullen verkrijgen.

“Jonge echtgenooten!” vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe: “’t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten Stichter onzer religie—onzen Heiland— gesproken: “De liefde zij ongeveinsd!”—Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreek hier, als ’t ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten; hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in de hand.—dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede, maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon bestaan dan zou ik zeggen volkomen gelukkig! Laat dat zoo blijven, langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders dan tevredenheid. ’t Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den ransel, die door den al te begeerigen soldaat met een vermeesterden buit was overladen. [56]Onder ’t marcheeren barstte de ransel, en, niet slechts gingen de goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan hij zoo dringend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik zeker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voor zich te behouden.... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.

“August, al zal ook je dagelijksch brood, geëvenredigd naar den stand waarin God je plaatste—het allermeest de vrucht van je eigen werk en studie—zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat jij met de vrouw van je keuze, ook bij een sober deel, rijker zoudt wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waarde krijgen in haar oog.—August, als een kind grijpt naar de vlam eener kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en—heb haar lief.”

“Oom, ik bid u,” fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunnen! want, met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva doodelijk bleek is geworden.

Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na aan ’t hart!—Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den grijzen soldaat in deze ure een indruk zou kunnen maken, beslissend misschien voor het geheele leven?—Maar juist: hij is oud; hij is geen redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had niet moeten spreken. Neen, althans niet nú: Hij ziet den geliefden pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel verschuldigd, dát verdraag ik niet.—En Eva’s wit—witter dan haar satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem evenmin; en—of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen, dat hem nogmaals van ’t hart dreigt te scheuren wat hem lief is: een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij Eva’s hand, en, zonder dat er voor den min-aandachtigen toehoorder een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:

“God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid, je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom, geen tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, ik zeg.... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat je [57]hem gelukkig zult maken.... Fi fi, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar een zoen....? Jawel—ziezoo....” En—de generaal omhelsde de jonge vrouw van zijn geliefden pleegzoon.

Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts zeer zeer zelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansch anderen toon dan daar straks een: “Dank u oom,” heeft toegebracht, toen wendde hij zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerberg een woord opvangen, dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan hij uiterlijk schijnen wilde.

Zwijgend—als om den storm te doen bedaren—drukte Hoogerberg den grijzen pleegvader de hand, en zacht klinkt het antwoord;

“Nee nee dominee, ’t was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare preek houden; maar ja, ’t zou me knagen aan ’t hart als ik den jongen niet gelukkig zag.”

De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk een hartelijke omhelzing was besloten, voor ’t meerendeel hoorende niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van de “gelijkheid der partijen” overtuigd was—“allemaal militair”—toch heeft ze, toen de rijke heer van De Zonsberg haar eigen Eva zoende, mevrouw Van Hake die naast haar stond, in ’t oor gefluisterd:

“O ’t is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?”

Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat de generaal, in zijn bewogen stemming, ook háár, als de moeder van zijn nieuwe nicht en “schoon-pleegdochter” ten aanschouwe van zoo velen omhelzen zou. Och ja, waarom niet!

Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.

Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is hij verplicht hier ook iets te zeggen: “Ja ja Marie, ik weet wel! Maar ’t is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!” Na een korte aarzeling en drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.

“Mijnheer Helmond!”—Omziende: “Watblief?—Kinderen meen ik.... Eva, enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens: God sprak, het was met goed dat de mensch alleen stond in de armee....”

“Guns Armelo!—Hij meent de wereld;” fluistert mevrouw.

“Dat het niet goed was in de wereld;” verbetert de kapitein: [58]“En daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn schoonzoon dat je ons wederkeerig zult respecteeren, en dat je met je nakroost.... enfin we weten d’r alles van niewaar.... in liefde en vrede, en....”

Armelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, “ongewoon aan die groote dingen op de borst”, iets in ’t oog heeft zien schemeren, en, meenende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde—een spin of zoo’n ding—heeft hij zonder nadenken er naar geslagen, en was het haakje losgegaan, zoodat de “groote tiendaagsche ruzie” voor het jonge paar op den grond is gevallen.

Maar ’t was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.


Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes; de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor ’t grootste deel verlaten omdat het—zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig hebben aangemerkt—toch niemendal gaf dan een kletsnat pak.”

Behalve eenige straatjongens en meisjes—de laatsten met haar rokken over ’t hoofd—stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in de trouwkoets verbeidden. ’t Was een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op “een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken was”.—Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.

“Piet, als je eens iets uitvondt;” zuchtte het meisje heel zacht.

“Ja, Marietje,” zuchtte Piet weerom: “als ik eens iets uitvond; maar wat!?” en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt van zijn parapluie naar omlaag stroomde.


De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een looverkier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neergeklapt, toen heeft hij strakker getuurd; maar—een rouwfloers heeft hem het uitzicht benomen. ’t Zal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen was het een rouwfloers, en slechts op ’t laatst, bij ’t verdwijnen in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken. [59]’t Was haar kleed...—De lijkkoets?—Nu ja de trouwkoets! hij dacht aan rouwfloers, en men vergist zich dan licht.

Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O dat bonzen, dat bonzen!

Op zijn kamer teruggekomen waar zijn “twaalf uur” als naar gewoonte gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde—na zulk een concert!—Nu is ’t alles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!

Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen.—Eten? hoe zou het hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie, nu is het alsof de kamer met hem ronddraait.—Als hij opstaat dan zal dat beter worden.—Ja, zoo is het.—Wacht, hij moet den sleutel van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten; dat zal toch beter zijn.—Nu is de secretaire geopend.

—Neen,-ja,-bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien; neen,-ja.—Het binnendeurtje was al open.

—Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van een ander....? Hahaha!—Wie lachte daar, wie?—Goede God, hij zelf heeft zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken.—Wat deed hij ook met dat portretje in handen! Weg, weg er mee! Waar is dan de kracht; waar het verstand!—Wáár ze zijn....? Hier, dáár, hier! Hier zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie’s brandende vingers, ze scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind, in kleine,—ja zie maar, in zeer kleine stukken.

Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der bruisende luchtzee. En zie—als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op; en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.

ZESDE HOOFDSTUK.

Ofschoon het déjeuner in De Gouden Arend in vele opzichten der beschrijving overwaardig mocht heeten, vooral dewijl het verschil [60]van maatschappelijke positie der gasten overvloedige stof tot karakterstudie bood;—een kwalijk verbloemde onrust van het bruidspaar, en het gedurig heimelijk op zijn horloge zien van den generaal, werken—misschien wel gelukkig—aanstekelijk, en, wie er van de gasten of misschien van de bedienden lust in heeft, hij moge van het déjeuner vertellen, een déjeuner, zóó rijk en zóó netjes als er in De Gouden Arend nooit te voren een gegeven was, doch wij—we zwijgen ervan. Misschien droeg de voortreffelijkheid van het déjeuner er toe bij om de onrustige neergedrukte stemming van den generaal te verhoogen; hij mocht zich althans overtuigd houden dat hij gisterenavond met de vijftig gulden zijn berekening als gastheer slecht gemaakt had.


De reiskoffers der jonggehuwden zijn reeds vroeger in twee afzonderlijke vertrekjes van het logement gebracht. In die vertrekjes zullen ze zich nog haastig verkleeden, om er mede aan ouders of betrekkingen die, evenals zij, tersluiks den feestdisch zullen verlaten, een zoen of handdruk ten afscheid te geven. Van Debeckes laatste vleiende, een weinig ondeugende woorden aan den feestdisch, heeft Eva volstrekt niets gehoord. August had haar zooeven zeer zachtjes toegefluisterd:

’t Is over halftwee; we zullen nu maar ineens, zoo ongemerkt....”

“Dan moet jij maar ’t eerst....” heeft Eva teruggefluisterd.

Eva glimlachte naar Debeckes zij, zonder echter te weten waarover hij sprak, en ving tegelijk van zuster Louise een hartelijk knikje op, ’twelk ze beantwoordde, maar zonder juist veel aan ’t zusje te denken dat ze wel liefheeft maar, dat toch altijd zoo iets.... zoo iets heel anders heeft gehad.

“Jawel, daar broeit iets Louise;” zegt Thomas Van Hake, die naast Louise Armelo zit.

“Nee guns, nóg niet. Zie maar, Helmond eet nog chipolata.”

“Ja maar, ’t is halftwee, en.... Wil je een stukje van de taart Louise?”

“Een heel klein stukje. Nee nee, foei! een beetje kleiner.” En dan eensklaps met het oog naar het midden der tafel: “Guns, zie, ze zijn al gevlogen; hun stoelen staan leeg!”


Toen de Romphuizer groote torenklok het klikke over tweeën deed hooren, waren de koffers der jonggehuwden reeds op de vigilante van De Zonsberg geladen, en voor den fellen regen door een lederen kleed bedekt. Willem en Hendrik hadden nu, op bevel van den generaal, hun regenjassen aan. De oude koetsier—die “vrij wat meer parade op den bok dan op de been maakt”—zat, recht als een kaars, regen en storm te tarten, even kordaat als “de groote keizer” weleer de rampen braveerde van een bloedigen krijg. Een knecht uit De Arend heeft, met de hand aan het portier bij de vigilante postgevat. Hendrik, die de parapluie moet droog houden, staat in de voordeur, en werpt nogmaals een blik in de breede hotelgang.—Boven moeten er ramen of deuren zijn geopend, want [61]eensklaps zuigt een geweldige tocht, zoodat een openstaande zijdeur in het voorhuis met kracht wordt dichtgeworpen, en de ganglantaarn schudt, en de pui-glazen rinkelen van den slag.

Er klinken voetstappen op de trap en in het achterhuis.

In het halflicht van de vrij donkere gang beweegt zich nu van verre een kleine groep. In ’t midden ervan bevinden zich twee personen, die niet rechtstreeks onderscheiden wie het zijn die hen nog om strijd de hand drukken. De groep nadert, en schijnt eensklaps vaneen te scheuren. Uit haar midden komen ze snel naar voren, de beide personen die men zooeven ten afscheid de hand gaf.

Ternauwernood heeft Hendrik den tijd om zijn parapluie op te steken. In een oogwenk was een schoone jonge vrouw hem terzij en voorbijgesneld. Ofschoon hij geen oogenblik draalde, zoo zal het bruinzijden dak haar echter niet beschutten; een nijdige windvlaag slaat onder het scherm, en, als Eva, ofschoon op den voet door haar echtvriend gevolgd, nochtans zonder zijn steun, in de vigilante vliegt, dan spant Hendrik al zijne krachten in teneinde het omgeslagen en weerbarstig klapperende stuk in zijn voegen terug te brengen.

“Helmond! Hel....mond!” roept een vrouwenstem op den natten dorpel van De Gouden Arend. De geroepene ziet om. ’t Is mevrouw Armelo die met den zakdoek boven haar feestmuts, nogmaals, inweerwil van regen, storm en toeschouwers, haar roepen herhaalt.

Helmond die zich niet zonder moeite staande houdt, en met een licht overjasje aan, in een oogenblik dreigt nat te worden, wendt zich schielijk om, en de oogen voor den snijdenden regen half dichtgeknepen, gaat hij de stoeptreden weer op, nadert de wenkende dame, en dan:

“Hadt u nog iets mevr.... mama?”

En mevrouw Armelo had nog iets. Och ja! Haar oogen vestigden zich smeekend op den beminden schoonzoon. En dan, aarzelend, bijna onhoorbaar:

“Och August, zul je bedenken dat ze mijn mijn kind is! O zul je, zeg!?”

August gaf de begeerde verzekering met een zeer plechtigen oogwenk, ofschoon hij volstrekt niet begreep wat zijn bedenken dat Eva bepaald een kind van mevrouw Armelo was, bijzonders tot haar geluk zou bijdragen. Bovendien in oprechtheid gesproken, of zij een dochter van háár of van een andere was, hoewel er op dit punt geen de minste twijfel bestond—’t is hem in deze oogenblikken volmaakt onverschillig.

Goddank! die fooi aan den natten logementsbediende dat was het laatste. Het portier werd dichtgesmeten; het raampje ijlings door hem opgehaald; Coco en Victor schoten voorwaarts; en, nogmaals Goddank! nu was hij alleen—alleen met zijn wijfje!


—Hoe! ze heeft haar heerlijk hoofdje afgewend?

“Eva! mijn engelachtig vrouwtje!”

Zij antwoordt niet. [62]

Stil, ze schreit. ’t Zal beter zijn dat hij haar een oogenblik geheel aan haar zelve overlaat.—Hoe zal een jonge man gepaste woorden vinden op het oogenblik dat de vrouw zijner keuze haar ouders en magen ja allen verlaat, om hém te behooren geheel en al, hém dien ze slechts kent uit gulden dagen.

Neen, Helmond zal een oogenblik zwijgen; haar zenuwen zijn geschokt, en hoe licht kon een onbedachtzaam woord bederven wat hij juist goeds er mee te bewerken dacht.

Dat besluit wordt spoedig gewijzigd. Een frissche koelte, meent hij, zal haar wel goeddoen.

“Zullen we het raampje wat neerlaten lieve; een klein beetje aan de zij waar geen wind is?”

Bijna onhoorbaar en snikkend klinkt het:

“Och.... ’t is.... mij....”

“Zeker goed niewaar?” vult Helmond aan: “Ja ’t zal beter zijn.... Wacht!”

Maar, er kwam zooveel regen naar binnen dat Eva ijlings onder ’t schreien door, haar keurig reiskleed van grijs alpaka terugtrok, en August aanstonds het raampje weer dichtdeed.

Dokter Helmond is een vijand van spiritus en andere opwekkende middelen. Hij heeft ze niet bij zich. Nu het frissche luchtbad niet kon aangewend worden, nu keert hij tot zijn eerste besluit terug; legt zijn hand vertrouwelijk op de hare, en zwijgt.

En Eva houdt haar lief gelaat nog altijd afgewend, en haar schreiend snikken wordt sterker.

In een groot half uur zal men het eerstvolgende spoorstation te Briesborg bereikt hebben. Indien Eva zoo doorschreit dan zou men het haar straks terdeeg kunnen aanzien; ’t publiek maakt zoo spoedig zijn gevolgtrekkingen, en.... Helmond slaat den arm om haar middel; haalt haar nader tot zich, en dan;

“Mijn wijfje is nu toch gelukkig niewaar?”

Zij vlijt haar hoofd op zijn schouder, en ’t klinkt met een nokkenden zucht:

“Och.... August!”

“’t Zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken in ons leven,—mijn eigen aangebeden vrouwtje!”

Zij ziet hem met haar beschreide oogen onweerstaanbaar liefdevol aan, en barst dan opnieuw in een luider snikken uit.

Eva Armelo is nooit geweest wat men zenuwachtig of overgevoelig noemt. Er zijn er zelfs die haar wel eens van hardheid en ongevoeligheid hebben beschuldigd. Vraag nu aan Eva Helmond niet waarom ze schreit. Ze zou het niet geheel onder woorden kunnen brengen. August heeft het naar waarheid gezegd: “’t zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken.” En ofschoon Eva zichzelve dan ook geweld doet om dien “dwazen tranenstroom” te bedwingen—misschien dewijl ze vreest dat haar August den oorsprong ervan onjuist verklaren zal, misschien ook omdat ze aan glurende passagiers in station en spoorwagen denkt—telkens overmeestert haar weer dat “onverklaarbare” ’t welk haar gemoed vervult, en snikkend zegt ze: [63]

“Waarlijk, ik kan het niet helpen August; ik weet niet hoe het.... komt.... en toch....” Eva kon niet eindigen. “En toch, ik ben zoo gelukkig;” heeft ze willen zeggen.

Maar dat geluk was immers de oorsprong dier tranen niet. Velerlei gewaarwordingen werkten voorzeker te zamen om een fiksche natuur als de hare een oogenblik van streek te brengen.—De zekerheid dat ze heden afscheid van haar blonde jeugd heeft genomen, mocht haar een traan in het oog gebracht, en de voorstelling eener wel lachend afgebeelde maar toch geheimzinnige toekomst, kan haar voor een wijl den blos van het aangezicht verjaagd en met ernst hebben vervuld, doch, voor dat zenuwachtig en langdurig snikken moest er een andere oorzaak zijn; althans bij een jonge vrouw als Eva Helmond-Armelo.

Niet straffeloos speelt men met de natuur, niet zonder wraak laat zij zich geweld aandoen.—Den ganschen dag heeft Eva zich beheerscht om te schijnen wat ze niet was.—In het oog van allen die haar zagen moest ze de heldin van den dag wezen, en ondanks den blik van welgevallen, waarmee ze zichzelve des morgens in haar feestgewaad beschouwde, heeft ze al spoedig, en tot het einde toe, een gevoel gehad alsof men haar de vreugd van dezen dag misgunde, en voor ’t meerendeel de hulde onthield, waarop ze met het volste recht mocht aanspraak maken. Ja zij weet het zeker: ’t is de houding van den generaal Van Barneveld geweest, die zoo doodelijk op de feestgenooten gewerkt, en haar als met looden hand heeft neergedrukt. Zoo ooit dan kreeg ze op haar trouwdag de zekerheid, dat die man met zijn streng—misschien aristocratisch voorkomen, een schriel, onwellevend mensch, en bepaald haar vijand was. Wat heeft hij op dezen dag voor zijn pleegzoon gedaan? Hij heeft hem vernederd in het liefste wat hij bezat, in zijne bruid, in zijn jonge echtgenoote. ’t Is slechts de baron Debecke geweest die haar een paar malen iets vleiends over haar uiterlijk en trouwtoilet heeft gezegd. Niet, dat haar “de laffe vleierij van zulk een oud man”—in ’t geringste aangenaam was; neen, maar ’t heeft den blik van den generaal te sterker doen spreken, den blik die niet op haar rusten kon, zonder dat men de vraag er op las: Wat zou in ’shemelsnaam zulk een toilet wel gekost hebben!

Neen, niets ter wereld heeft die man gedaan om het trouwfeest van zijn pleegzoon eenigen luister bij te zetten. Niets! Zijn rijtuigen, zijn kleeding, de totale absentie van andere leden zijner familie dan de houterige ofschoon goedaardige Jacoba—terwijl juist twee dagen later een zuster van den generaal zou komen logeeren—dat alles, maar inzonderheid zijn indigne uitdrukkingen in die kosterskamer, ze hebben haar immers ten volle overtuigd, dat ze recht heeft om dien zoogenaamden hoogstverstandigen en degelijken man, een bekrompen despoot en haar vijand te noemen. Niemand, niemand weet het wat het haar gekost heeft om zich goed te houden; schijnbaar vroolijk, lachend en tevreden te zijn, ter wille van dien braven August—die nochtans voor de lompheden van zijn oom gesloten oogen en een bijna aan zwakheid grenzend geduld heeft gehad. [64]

Deze overspanning nu was de hoofdbron van Eva’s overvloedige tranen.

Of er misschien in haar binnenste nog iets anders roerde dan het gevoel van miskenning, waardoor haar het zoet van den schoonsten feestdag was vergald....? Zooveel is zeker, toen Eva straks haar prachtig trouwkleed voor haar net eenvoudig reisgewaad had verwisseld, toen voelde ze zich als van een drukkenden last ontheven.


Tegen den avond van dienzelfden dag, terwijl de trein het laatste station vóór Amsterdam verliet, was het noodweer bedaard. De maan “had het opgetrokken”, en de natuur was tot haar vroegere kalmte teruggekeerd.

Binnen een compartiment van de eerste klasse zaten twee personen zeer dicht naast elkaar, met de handen vast ineengesloten, slechts bespied door het vriendelijk-stralende aangezicht ’twelk zooveel onstuimigs had naar boven gehaald.

“Ja August, oom Van Barneveld wil ik achten en liefhebben. Ja, ik ben een dwaas kind geweest. Was ik ijdel misschien? Maar op zulk een dag! Och August, als ik slecht of niet lief ben, zeg het mij gerust; over oom zal ik anders spreken, dat beloof ik je mijn beste man!”

Nu dokter Helmond zonder eenig geweld zulk een schitterende overwinning heeft behaald, nu wil hij zijn triumf op die aangebedene niet vieren, en in deze oogenblikken het allerminst. Vaster klemt hij haar aan het hart, en dan, in schier overspannen verrukking:

“Ja Eva, oom zal je kennen en waardeeren. Waarachtig hij zal mij nog jaloersch maken met zijn liefde voor mijn engel!”

“Die arme oom!”

“Hij moet erkennen dat mijn liefste, de nederigheid zelve is, waar ze bij haar vollen rijkdom van schoonheid en talenten nog wil aanzien en goedvinden wat buiten haar ligt: als ze zelfs één éénig wezen wil zijn met den eenvoudigen kleinsteedschen medicus.”

“Hoe dan.... als jij nu dwepen gaat!” fluistert Eva na een lange omhelzing: “Heb ik niet juist mijn dokter genomen omdat hij uitblonk, omdat ik met hem schitteren zou. Mijn lieve professor!”

Toen Eva zich bij deze woorden alweder de liefdetolken op het gelaat voelde drukken, en, naar buiten ziende, de bleeke maan achter een voorbijschuivend wolkje verdwijnen zag, toen—ze wist niet hoe het kwam—toen dacht ze vluchtig aan Donerie; en ze hoorde hem zeggen—dat hij haar liefhad; maar.... ze weet niet wat ze geantwoord heeft.

De vigilante, die Helmond en zijn jonge vrouw in de groote Amstelstad, sluis op- sluis af, naar hun hotel bracht, had er geen weet van welk een bijzondere vracht ze reed. De eerste schenker in Het Keizershof had er al spoedig het zijne van. Oogknipjes aan confraters, en bijzondere beleefdheid voor mevrouw, zeiden genoeg. Maar, de beleefdheid zou niet van langen duur zijn. Toen hij had boven gebracht ’tgeen Helmond heeft besteld, toen verlangde men niets meer, niets niemendal, en hoorde de schenker na ’t verlaten [65]der kamer nog maar alleen—dat de deur van binnen ofschoon tamelijk zachtjes, op het slot werd gedaan.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Ook te Romphuizen had de maan haar welwillende taak volbracht, en ’s anderendaags was het evenals eergisteren een prachtige Meidag.

Op de bovenvoorkamer van den majoor Kartenglimp is heden geen vuur aangelegd, en het raam staat er open.

Zooals de majoor daar in zijn voltaire aan de ontbijttafel zit, is hij bijna niet te herkennen. Toen zijn dokter hem de laatste maal bezocht, toen scheen hij, met zijn rooden sjaal op den chambercloak, en zijn reisdeken over de beenen, met de wanordelijk gekamde haren en den ongeschoren baard, een man van ruim vijftig jaren voor ’t minst; thans echter zal men hem niet meer dan hoogstens veertig geven. Ja, nu de majoor wat meer werk van zijn toilet heeft gemaakt, nu moet men erkennen—hoewel ’t hem is aan te zien dat hij ziek is geweest—dat hij in vele opzichten een gunstig voorkomen heeft.—Kartenglimp, ofschoon drie en veertig jaren oud, gaat dan ook nog gaarne voor een “dikken dertiger” door; en, mogen er sommigen zijn die hem juist taxeeren, er zijn er ook die hem inderdaad voor eenige jaren jonger houden dan hij is, en het wel een bewijs achten van zijn militaire verdiensten, dat hij op zulk een leeftijd reeds als gepensioneerd Oostindisch hoofdofficier in ’t Moederland op zijn lauweren rust.

Voor het overige weet men in Romphuizen zeer weinig met zekerheid aangaande Kartenglimps afkomst en familie te vertellen. In ’t laatste najaar is hij uit den Haag naar Romphuizen gekomen, omdat hij, zooals hij gezegd heeft: van een amicale sociëteit hield, en de “Haagsche witte” zoo stijf als een hark was. Dat dit echter de ware reden zou zijn waarom een nog betrekkelijk jong, bemiddeld en gepensioneerd hoofdofficier, een provinciestad als Romphuizen boven de residentie verkoos, liet zich niet zoo spoedig verklaren, doch de meeste Romphuizers gevoelden zich door die gulhartig gegeven verzekering gestreeld, en waren nu over ’t algemeen met hem ingenomen, te meer dewijl men hem in den afgeloopen winter als een getrouw en uitmuntend quadrilleur, commerceur en domineur had leeren kennen.

’t Was mede wel wat zonderling, meenden sommige Romphuizers, dat Kartenglimp—een man in de kracht van ’t leven—zich geen vrouw uit hun midden koos. Ze hadden toch lieve dochters niewaar; en er waren ook jonge weeuwtjes die haar tijd behoorlijk hadden uitgerouwd en steeds de oogen moesten neerslaan als de majoor [66]haar met zijn donkerbruine kijkers had aangezien. Maar, de jongelingschap die altijd een uurtje later in de “Socie” bleef, ze begreep al spoedig dat de majoor “te bescheiden was om zich aan zooveel schoons of bevalligs—en voor haar geheele leven—te willen opdringen!” Kartenglimp kon zoo “onder ons, nog al aardig doorslaan.” Als de papa’s er niet bij waren, dan had hij vooral van die avontuurtjes uit de Oost—enfin.... ’t Was soms fameus pikant. En—zoo redeneerde reeds een groot deel der Romphuizer jongelingschap: au fond had de majoor met zijn principes gelijk: Het huwelijk was een allerliefst en alleraardigst ding, vooral hier in het bloedlooze Holland; maar als men vertellen wilde dat het een instelling Gods was; bah! de heele natuur leerde integendeel dat slechts menschelijke kortzichtigheid zulk een zotte overeenkomst tusschen één man en één vrouw kon hebben in ’t leven geroepen. Ja waarlijk, als je den majoor er over hoorde, dan moest je zeggen dat hij volmaakt gelijk had. Indien het huwelijk een normale toestand voor de beide echtgenooten moet zijn, vanwaar komt het dan dat slechts het geluk der zes eerste weken spreekwoordelijk bekend is? De bekendheid van dat eerste geluk, maakt dat der volgende huwelijksjaren zeer verdacht, en—is het dan ook geen feit dat er van de honderd huwelijken nauwelijks tien middelmatig en misschien maar één volmaakt gelukkig mag heeten?—Waarachtig, de majoor had altemaal zeer gewone bewijzen, maar des te treffender waren ze: Wat een ontrouw zag men overal; maar die ontrouw—door zulk een onzinnig huwelijksverbond den armen geketende als schande toegerekend—wat is die inderdaad anders dan de roepstem der natuur en der liefde? Nota bene, welk wijs wetgever zal zijn landgenooten, indien ze reizen willen, verplichten om nooit verder te gaan dan tot de naaste stad; ten eerste: om de families wat meer bijeen te houden; ten tweede: om te waken dat men de zijnen niet in den steek laat, en ten derde: opdat men zich niet te zeer vermoeie of te veel geld vertere.—’t Was alleraardigst zooals de majoor er over redeneerde, en, nóg eens, de kerel had gelijk: al die stijve idees van den vroegeren tijd hadden uitgediend. Een leventje zooals de majoor scheen geleid te hebben, daar zou een jonge Romphuizer wel van watertanden, en de man zag er kapitaal uit, kapitaal!

De majoor zit smakelijk te ontbijten. De geruststellende verzekeringen van dokter Helmond hebben hem meer goedgedaan dan hij zou willen bekennen. Hij gevoelt zich inderdaad geheel en al hersteld, en sedert Helmonds laatste bezoek, letterlijk een ander mensch. In den aanvang ja, toen had het hem wel pijnlijk getroffen dat Helmond stilzwijgend heeft toegestemd dat hij aanleg voor een beroerte had; maar—redeneerde Kartenglimp—als men die zaak toch goed bezag, dan moest men al spoedig bekennen dat het nog beter was aanleg voor een beroerte, dan bijvoorbeeld voor pokken of cholera of typhus te hebben. Bij de minste epidemie zat je dan in ’t nauw en terwijl het in de eerste plaats nog niet bewezen is dat iemand die aanleg voor beroertes heeft er een zal krijgen, zoo kan [67]men bovendien tegen dien vijand een beetje op zijn hoede zijn, al moge een voorloopige bestrijding dan onvoorzichtig wezen.

“Matig versterken,” heeft Helmond gezegd. Alzoo zal nu een tweede kievitseitje geen kwaad doen; maar, den port zal hij in ’t vervolg menageeren; dat goed is te zwaar, waarachtig! En dan kalm houden. Welzeker!—Nu ja, de oogenblikken kunnen er naar wezen. Maar aan ’t partijtje is hij altijd de kalmte in eigen persoon; dat kunnen die grasgroene Romphuizers getuigen!

Ofschoon er zich over Kartenglimps gelaat een vreemde—men zou schier zeggen een satanische lach verspreidt, zoo schijnt hem toch schier tegelijk een onaangename herinnering te treffen, want boven zijn koolzwarte wenkbrauwen vertoonen zich breede rimpels. Werktuiglijk schenkt hij zich een glas port in, en eerst wanneer hij het in één teug heeft geledigd, komt hij tot de bezinning dat dat goed “de pest” is, en hij Mietje zal zeggen die karaf—althans ’s morgens—nooit meer op tafel te zetten.

Helmonds patiënt had buiten zijn ziekte en krachten gerekend. In zijn gevoel van geheele beterschap, is hij dezen morgen meer dan een uur op de been geweest om zich te kleeden en te “adoniseeren”. Daarmee gereed, heeft hij tamelijk overvloedig ontbeten en een vol glas portwijn gedronken. Nu hij opstaat om een sigaar te rooken, nu.... wat er nu aan hapert dat weet hij waarachtig niet. Hij is zoo lam in de beenen alsof hij drie dagen en nachten aan den rol is geweest, en terwijl zijn hoofd begint te gloeien is het hem alsof een vuurgloed door zijn aderen stroomt.... alsof de raamkozijnen en behangselstrepen slangen worden, en het plafond golft en hem tusschen het insgelijks golvend tapijt te smoren dreigt.

Kartenglimp moet zich aan de tafel vasthouden. Wat duivel, wat is dat!? Van één glas port kan een mensch zoo beroerd toch niet worden. Als hij zes grogjes had gedronken, dan, nee dan zou hij nóg niet gevoelen wat hij nu gevoelt.—Het klamme zweet breekt den majoor de leden uit. Een vreeselijke vloek rolt van zijn lippen. Dat moet de voorbode van een naderende beroerte zijn, indien het niet werkelijk.... Nee nee, een beroerte.... nee....!


Een paar uren later stond Thomas Van Hake reeds voor de tweede maal aan ’t bed van den majoor Kartenglimp. Kartenglimp heeft de boete voor zijn onverstandig doorgebrachten morgen betaald; slaap en koud water hebben hem in een gewenschten toestand teruggebracht.

“....En u zult dus zelf moeten bekennen majoor, dat er volstrekt geen reden bestaat om dokter Helmond te telegrafeeren.”

“Dat beken ik je in ’t geheel niet mannetje. Jij met al je wijsheid, je kunt net zooveel weten wat me gescheeld heeft als die beddekwast. Ik weet dat ik heel wel was, heel wél, en dan zou dat ontbijt met één glaasje port....”

“Na uw ziekte majoor!”

“Ziekte of geen ziekte, ik zeg je dat ik niet naar Romphuizen ben gekomen om me voor m’n tijd te laten kapot maken. Die ouwe [68]Bierton met z’n wauwelarij daar pas ik voor; ik zou ’em m’n kat niet toevertrouwen; en voor jou pillenkennis heb ik zooveel respect als voor m’n ouwe laars. Ik zeg je dat je zult telegrafeeren, terstond, en zoo uitvoerig als ’t maar kan, met bepaald verzoek dat de dokter thuis komt.... Zwijg, want je maakt me nog gek.”

“Maar waarachtig majoor, er is niets geen kwaad bij. U bent nu wat overspannen omdat....”

Met een vreeselijken vloek valt de majoor den provisor in de rede. Van Hake moest niet denken dat hij een kind voor zich had. Kartenglimp heeft—zooals hij zegt—duizendmaal den dood onder de oogen gezien, maar hij verkiest niet door de brutale onverschilligheid van een pil, en plezierreisjes van een dokter, die zijn plicht moest kennen, vóór zijn tijd in de kist te liggen.—Bij deze woorden brak den reconvalescent, die zich heden te veel heeft gewaagd en nu nog driftig erbij is geworden, opnieuw het klamme zweet de leden uit. Zijn tanden klapperden en een doodelijk wit had zijn gelaat overdekt.

Van Hake, hoezeer hij er tegen geijverd heeft, hij gevoelde zich ten slotte niet gerechtigd om geen gevolg te geven aan het verlangen van den majoor. Ofschoon overtuigd dat onnoodige vrees den man zoo onhandelbaar maakte, en met innig leedgevoel dat hij zijn geliefden weldoener nu reeds in den vollen glans van zijn geluk moest komen storen, beloofde hij aan Kartenglimps wensch te zullen voldoen. Nochtans Van Hake nam zich voor om de zaak geheel naar waarheid en zeer duidelijk—natuurlijk op kosten van den majoor—over te seinen, en het telegram zóó in te richten dat Helmond—ofschoon de provisor zich niet verantwoordelijk mocht stellen—overvloedige vrijheid zou vinden om zijn reis te vervolgen, wanneer hij—dit moest Helmond tusschen de regels lezen—slechts ter bevrediging van den geagiteerden majoor een eenvoudig calmeerend receptje er bij zond.


’t Was halfdrie in den middag toen mijnheer en mevrouw Helmond zich op hun kamer in het Amsterdamsche hotel gereed maakten om uit te gaan, want de vigilante stond voor de deur. Op het oogenblik, dat zij de kamer zullen verlaten, wordt Helmond door een schenker het telegram van Van Hake overhandigd.

Eva verneemt dat het telegram niets verontrustends behelst, ’t Is over zaken. August moest even antwoorden. Als het vrouwtje een oogenblik wachten wil? hij is aanstonds gereed.

Eva nam de Haarlemsche Courant nog eens op, waarin haar huwelijk reeds vermeld stond, en sloeg bij ’t doelloos inzien ervan, telkens een zijdelingschen blik in den grooten spiegel om zich te overtuigen of het wit neteldoeksch kleed met groene bloempjes haar wel waarlijk kleurde, en goed stond bij haar fijn kanten hoedje met lila brides.

De hotelbediende, die op het telegram wachtte, zag die mooie mevrouw op den rug, en mocht, zoo in stilte, haar élégance bewonderen, toen hij eensklaps ontstelde, want, die “levendige pas getrouwde oogen” hadden onwillekeurig de zijne in den spiegel ontmoet. [69]

—Wat kijkt hij mal die jongen, denkt Eva, maar zonder te weten waardoor, werd ze nu eensklaps geheel overtuigd dat dit toilet haar goed stond.—Nu gaat ze naar het venster en ziet uit de hoogte in de drukke straat.

En Helmond schreef zijn telegram:

“T. Van Hake, Romphuizen,

Majoor kan gerust zijn. Gevolg van te veel inspanning en gebruik. Nù terugkeeren onmogelijk en geheel onnoodig.

Het telegram werd ingevolge van Hakes wensch met een recept besloten, en, straks in een omslag, aan den schenker ter verdere bezorging gegeven.

Weinige seconden later reden Helmond en Eva naar een der eerste gedeelten van de Prinsengracht. De naam van den advocaat Mr. E. Woudberg stond op de deur, en de koetsier behoefde niet te zoeken.

Nu de jonggehuwden om bijzondere redenen hun reisje over Amsterdam hadden genomen, en er nagenoeg een dag stil waren, nu zou het onvergeeflijk zijn geweest indien August zijn jonge vrouw niet aan dien goeden Everard en zijn Emma gepresenteerd had. Met Everard had hij te Leiden gestudeerd, en ze waren er vrienden van den echten stempel geweest om het voor altijd te blijven, terwijl Emma bovendien een kostschoolvriendin van Helmonds pleegzusje Coba geweest is.

Eva, met de vrienden Woudberg onbekend, gevoelde er zich, op dezen eersten dag na haar huwelijk, niet recht prettig. Mevrouwtje Woudberg, een vroolijk klein ding, met drie spruitjes, waarvan de jongste in een berceau binnen de kamer sliep, mevrouw Woudberg vond die nieuw aangekomene in Hymens tempel prachtig mooi maar, wel wat stijf—misschien een weinig gegeneerd—en trachtte haar door velerlei verhalen van guitenstreekjes der kleinen een weinig “op haar gemak te zetten.”

Wat Eva betrof, die guitenstreekjes waren haar even onverschillig als de geheele familie Woudberg. Hier te zitten terwijl August met dien ouden vriend—nota bene—over de wet op het geneeskundig staatstoezicht sprak, terwijl die mevrouw van de lieve jeugd verhaalde, en haar ventje van drie jaren versjes liet brabbelen! Hier te zitten in een saai, tamelijk donker Amsterdamsch zaaltje, met het uitzicht op een slecht begroeid tuintje met leelijke hooge huizen er achter, neen, dat was op den eersten dag van ’t reisje inderdaad niet verkwikkelijk, en, op net oogenblik dat mevrouw Woudberg even de schreiende kleinste uit de berceau nam, en mijnheer Woudberg een boek ging halen waarin men iets zou nazien—’tgeen August hem echter mede graag geschonken had—in dat oogenblik gaf Eva haar August fluisterend en met een wenk te kennen, dat ze hier niet langer wilde blijven, en vooral niet alleen terwijl hij, zooals afgesproken was, dat andere bezoek ging brengen.

Woudberg en zijn vrouw waren bij het afscheid recht dankbaar en gevoelig voor de allerliefste visite: [70]

“We mogen er heusch wel trotsch op zijn,” besloot mevrouw: “want om je de waarheid te zeggen, in de eerste dagen na ons trouwen—niewaar Es—toen bedankten we voor familie en vrienden.”

Terwijl de vrienden Woudberg er bij stonden, heeft August aan den koetsier gelast om naar ’t hotel terug te rijden; maar nu nabij den hoek eener zijgracht, tikt hij op het voorglas, en beveelt: “Tuinstraat No. Twaalf.”

“Ik dacht een oogenblik dat je besloten hadt er méé heen te gaan Eva.”

“Maar August, hoe kon je dat denken?”

“Nee ’t is ook waar. Ofschoon.... ’k zeg alleen, dat ik het een oogenblik dacht.”

“’t Was dunkt me al wel, lief mannetje, dat ik mee naar je vriend ging. Je hebt zelf gehoord hoe andere menschen over dat bezoeken van vrienden en familie op hun huwelijksreisje denken.”

“Ja zeker, ’t was al heel lief van je om aanstonds toe te geven. Maar ik dacht nu.... een eigen broer!”

“’t Spijt me lieve, dat je er nog over gedacht hebt; ik meende dat we vast....”

“Zeker mijn wijfje, we hebben dat vast afgesproken.”

“’t Zou hen toch ook geneeren August.”

“Juist kind; ’t kwam me nog een oogenblik voor dat ze ’t hartelijk zouden vinden; een bewijs van belangstelling, maar....”

“Och nee August, wie vroeger in weelde was, wordt niet graag in zijn armoede bezocht, en ’t minst door nieuw aangetrouwde familie.”

“Ja, ’t zal beter zijn dat ik alleen ga. Je bent ook wel wat heel chic gekleed. Nee nee, heel goed en lief gekleed beste kind, uitmuntend voor de Woudbergs en voor mij; maar, voor dáár.—Dus blijf je dan zoolang in het rijtuig?”

“Niet te lang beste man.—Ha! ik kan me, in dien tijd zoo’n reistaschje koopen.”

’t Zag er sjofel uit in die Tuinstraat. De hooge smalle huizen waren meestal zeer verveloos. In de kelders hoorde men ijzer smeden, ton-kuipen, hanen kakelen en kinders schreeuwen. Hier zag men groenten uitgestald; daar rood en ander lijnwaad te drogen gehangen over de grauwe leuning van een smalle hooge stoep. Ginder bij een pothuis stonden eenige vrouwen rondom een kruiwagen met doode bot. Een terugkeerende armenlijkwagen laveerde tusschen turfkarren en turfmanden door, en een der heeren bidders die met afhangende beenen erop zat, liefkoosde in ’t voorbijrijden met de versleten punt van zijn gegespten schoen, eene jonge Tuinstraatsche, wie deze vreemdsoortige liefkoozing echter gansch niet beviel, en haar met een weinig vleienden grauw beantwoordde.

Helmond is uitgestapt, en heeft den koetsier gelast om mevrouw naar een voorname galanteriewinkel te brengen; over een groot half uur moest hij hier terug zijn.

No. 12 was een van de fatsoenlijkste huizen in de Tuinstraat. In het kelderhuis woonde een schoenlapper; op de eerste verdieping [71]een oud heer met een goudsche pijp, een nicht, twee katten en een papegaai, en een verdieping hooger.....

“Jawel meheer, gaat uwé maar gerust naar boven,” zegt de nicht, die een rist uien in de hand, en een kat aan haar boezem heeft: “meheer Hellemond is voor een half uurtje thuis gekomen. Voorzichtig, de trap is een beetje gesleten. Oom zou ’em opknappen, ziet uwé, maar oom is een oud mensch, en....”

Helmond is reeds naar boven gegaan.

’t Zag er zeer armoedig maar toch ordentelijk uit in het kleine vertrek ’t welk August is binnengestapt. Op het oogenblik dat hij in die kamer kwam, heeft een jonge zeer slanke vrouw met prachtig zwartgolvend haar, door de deur die naar een achterkamer leidde, dat vertrek verlaten.

De bezoeker heeft de jonge vrouw nog even van terzij kunnen zien. Hij zou haar zeker gegroet hebben; maar zij, ze heeft gedaan alsof ze hem niet zag. August meende dat ze vreeselijk wit was geworden.

“Hoe gaat het Philip?” zegt de oudere broeder terwijl hij den jongere de hand reikt.

“’t Zou valsch van me wezen August, indien ik je welkom heette en je de hand gaf.—Als je me wat te zeggen hebt, en wilt zitten, daar staat een stoel—als ie je niet te gemeen is.”

“Op dien toon had ik het niet verwacht Philip.”

“Dat spijt me. ’t Is me een bewijs dat je met al je menschenkennis en geleerdheid, op dit oogenblik niet verder ziet dan je neus lang is.”

“Ik kom je opzoeken als broer; mij dunkt dat ik niets beters kan doen om je te toonen dat ik je altijd als mijn goeden Philip het beste hart heb toegedragen. Philip, kom, geef me de hand?”

“Zeg eens, je noemt me goed August; maar weet je wel dat ik me zelf vervloekt laag zou vinden als ik je aanstonds die hand gaf?”

“Nog eens Philip, zulk een ontvangst had ik niet verwacht;—wanneer ik die had kunnen voorzien....”

“Dan zou je niet hier zijn gekomen, ’t Ware misschien beter geweest.”

“Philip, goeje kerel! wat heb ik gedaan dat je mij....”

“Wat je gedaan hebt August? Niets! waarachtig, je hebt niets niemendal gedaan!”

“Je bedoelt....?”

“Ik bedoel alles wat je zeer goed begrijpt.”

“Zeg niet Philip, dat ik niets gedaan heb. Ben ik niet je krachtige voorspraak bij oom geweest? Ik zou er van gezwegen hebben indien je me niet het tegendeel verweten hadt. Is het mijn schuld dat oom....”

“Wie spreekt van je schuld! Je bent zoo onschuldig als een lam. Je broederlijke raadgevingen bewaar ik als goud. Daar ginds in de la van dat meubel—gemeen hê zoo’n houten kast—daar ligt nog die prachtige brief. De slotregels waren heel mooi; ik ken ze [72]van buiten. Hoor: “Keer berouwvol tot onzen besten oom en weldoener terug. Zeg hem dat je in onbezonnen drift die woorden hebt gesproken. Zet beste Philip, die liaison uit je hoofd; waarlijk ze zal je ongelukkig maken. Een student! en zonder eenig fortuin! Wees verstandig; later zul je zelf inzien dat het doorzetten van dat huwelijk je ongeluk zou geweest zijn. Mijn beste broeder had, zoover ik weet, nooit een zin voor het gemeene....”—Genoeg! Wat je met dat laatste woord bedoelde, daar wil ik mij nu zelf geen oogenblik in verdiepen. Als ik het deed dan ging mij ’t bloed aan ’t koken, dan.... dan.... Wat jij gemeen durfde noemen August, het is de vrouw die ik liever heb dan mijn leven, en jij—je hebt oom helpen opzetten tegen die vrouw!”

“Bij al wat heilig is Philip, dat is onwaar!”

“Zweer niet; ik heb je immers den slotregel van je mooien brief herhaald.”

“Philip, nu het een feit is geworden wat ik voor onverstandig hield, en nóg houd—je ziet het, ik ben oprecht evenals jij—nu zou je broederlijk handelen met dien brief voor een deel ongeschreven te beschouwen. Ja ik noemde het onverstandig een meisje te trouwen dat....”

“De man die meineed en ontrouw voor verstand wil laten doorgaan, dien veracht ik. Als jij het doet, ga dan naar dien edelen generaal die je zulke principes leerde, en folter mij niet meer.”

“Philip, waarachtig, je oordeelt onrechtvaardig; en wanneer ik je minder liefhad, dan zou ik zelfs je harde woorden niet verdragen. Er is verschil in de opvatting van trouw aan zijn woord. Dat verschil verklaart veel, zoo niet alles.—Oom wierp je tegen: “Wie zijn woord houdt in een kwade zaak, is een verrader van zich zelf.” Maar genoeg. Wat oom betreft, hij vergeeft je de woorden niet, die hem wel vreeselijk moesten grieven en waardoor zijn verzet te krachtiger is geworden. Zeer stellig heeft hij nog onlangs verklaard daar nooit op terug te komen, en bovendien bleef hij onverzettelijk bij zijn besluit om je nooit meer, noch bij zijn leven noch na zijn dood, iets van het zijne te doen genieten, maar....”

“Wie heeft hem dat gevraagd? Wie? Wat meent hij wel de....”

“Zacht Philip! bedenk dat ik hem liefheb, en dat hij van der jeugd afaan onze weldoener is geweest.”

“Had hij zich onzer niet aangetrokken, ik zou misschien een ambacht geleerd hebben, en gelukkiger zijn.”

“Je bent dus niet gelukkig Philip?”

“Wie zegt dat!”

“Niet ik. Maar je omgeving; je.... in één woord, alles doet mij vermoeden dat je met moeielijkheden te kampen hebt.—Laat mij even uitspreken Philip, en je bittere grieven trachten weg te nemen. Geloof mij, terwijl ik sedert lang, maar tevergeefs, op ’t spoor van je verblijf zocht te komen, was het steeds mijn voornemen je te bezoeken en je te zeggen, dat ik zooveel ik mag en kan, wil bijdragen om je geluk te helpen bevorderen. Nee, luister nu een oogenblik! Al keur ik niet alles goed wat je deedt, en al heb ik getracht [73]je van die liaison af te brengen, in mijn ziel heb ik je altijd om je trouw aan dat meisje geëerd en liefgehad. Zoo je meent dat ik oom—dewijl ik meer met hem dan met mijn opgewonden broeder instemde—tegen dien eenigen broeder of zelf tegen dat meisje heb opgezet, dan dwaal je Philip.”

“Genoeg August, genoeg! Ik denk er het mijne van.”

“Je gelooft me niet? Waarvoor zie je mij dan aan? Zou ik hier komen om je als broeder de hand te reiken wanneer er bedrog was in mijn hart? Philip, misken mij dan niet. Ik ben kalm, maar je weet toch dat ik evenals jij het bloed der Helmonds in de aders heb. Kom Philip, geef mij de hand; roep je vrouw; zeg haar dat August haar graag een broederlijken zoen wil geven. Laat er geen kloof zijn tusschen ons, al loopen onze wegen wat uiteen. Mij gaat het goed in mijn praktijk; jij hebt het niet breed. Weiger mij niet Philip, om je van tijd tot tijd metterdaad te toonen dat ik je broer ben. Neem vast dit bagatel. Kom Flip, pak aan, eer je je vrouwtje roept. Je waart immers altijd mijn goede opbruisende maar eerlijke kameraad. Neem aan Philip!”

Slechts een oogenblik heeft er in de donkere oogen van den jongsten broeder iets geflikkerd, ’twelk strijd verried bij het zien van dat bankbriefje van veertig gulden. ’t Is echter een schier ondeelbaar oogenblik geweest.—Terwijl August, die geen plaats had genomen, voor de tafel is blijven staan, stond Philip nog aan de andere zijde ervan naast het venster:

“Dus, zakelijk gesproken, zou je waarlijk zijn hier gekomen August, om ons te toonen dat je de vrouw die mij dierbaar is, als je zuster wilt erkennen en liefhebben? Je weet het, zij is de dochter van een gering acteur. Haar misdaad was,—stil, ik wil ervan spreken—haar misdaad was dat ze mij op mijn eerewoord geloofde.—Toen ik haar trouw had beloofd, toen was ze voor ’t oog van God mijn vrouw, als moest de wet ons verbond nog bekrachtigen. Dat alles is geschied. Zonder middelen om mijn studies ten einde te brengen, moest ik uitzien naar een middel van bestaan. Beiden gevoelden we roeping voor het tooneel. Met het oog echter op de kleingeestige wereld, bedenkend dat mijn naam ook de naam van mijn broeder was, maar ’t meest—ik erken het—om mijn Virginie niet bloot te stellen aan de vele ellenden van zulk een leven in ons vaderland, besloten we daarvan af te zien. Op dit oogenblik August, is je schoonzuster de vrouw van een tweeden klerk op het bureau van een begrafenisfonds. Na al wat er tusschen ons voorviel—stil, laat mij nu óók uitspreken—na de bedreiging in den straks genoemden brief, dat ik er niet op behoefde te rekenen ooit eenigen steun van je te zullen ontvangen....”

“Maar Philip, ik heb immers gezegd dat je een brief uit die dagen van spanning niet meer in rekening brengen moet.”

“Ik weet het, maar je begrijpt toch dat ik me zelf verachten zou indien ik nu aalmoezen van je aannam. Van dat geld kan geen sprake zijn; berg het gerust in je portefeuille. We spreken er nu slechts over, of ik geen laagheid bega met mijn broeder de hand [74]te geven, en mijn vrouw niet compromitteer met haar aan dien broeder voor te stellen.”

“Maar Philip!”

De jongste Helmond schijnt reeds lang te hebben geaarzeld. Hij was in tweestrijd of hij rechtstreeks op zijn doel zou afgaan. Een oogenblik heeft hij naar buiten gezien; nu kijkt hij den broeder fiks in de oogen en herneemt:

“Je bent getrouwd; gisteren. Ik las het van morgen in de Haarlemsche krant die mijn huisbaas me leent.”

“Ik kon je geen kennisgeving zenden omdat ik eerst dezen morgen je adres heb uitgevonden.”

“Genoeg, ik wist het, August. Door dezelfde omstandigheid die je, eerder dan ik verwachtte, mijn adres deed vinden, vernam ik dat je in de stad waart. Ofschoon ik het in ’t geheel niet wenschte, zoo voorzag ik de mogelijkheid dat je mij bezoeken zoudt, en nam zooveel ik kon maatregelen dat je mijn vrouw niet alleen zoudt vinden. Mijn voorgevoel heeft me niet bedrogen; en gave God dat ik nu zeggen kon, je verkeerd te hebben beoordeeld.”

Minder gevoelig dan hij de laatste woorden sprak, vraagt nu de Jonge Helmond snel:

“Dus August, je schaamt je de vrouw van je broer niet, en wilt haar de eer geven die haar toekomt....?”

“Ja Philip, twijfel niet meer. Komaan, roep je vrouwtje!”

Philip zwijgt een oogenblik, en dan eensklaps met een stem die van dien inwendigen strijd getuigt, zegt hij bijna snerpend:

“Roep jij eerst de jouwe!”

“Wat! wát meen je?” zegt de oudere broeder, en Philip ziet hem bleek worden; “Haar roepen! hoe zou ik haar roepen! Zij is....”

“In het hotel misschien?”

“Ja, ik denk het.—Tenminste....”

“Hoe! is die, dáár.... is dát dan je vrouw niet?” herneemt Philip met fonkelende oogen terwijl hij naar beneden in de straat wijst: “Is de mooie dame die zoo op- en rondkijkt uit die vigilante, niet dezelfde die je straks de hand hebt gegeven toen je er uitstapte, zeg....?”

“Nu ja, zij is het; maar kon ik haar wagen aan een ontvangst als deze.... aan....?”

“Ha! alsof ik mijn wereld niet kende! Was zij aanstonds meegekomen, ik geloof dat hier de ontvangst een heel andere zou geweest zijn!—Nee, je roept haar niet. Natuurlijk! ik begrijp dat je haar met roepen kunt.”

“Men kan toch van een jonge vrouw niet vergen Philip, dat zij op den eersten dag van haar huwelijk bezoeken aflegt.”

“Maar wel bezoeken bij vrienden op de Prinsengracht! Ha! nu kunje toch liegen niewaar? Toen ik van ’t kantoor kwam heb ik dienzelfden voerman bij den ouden academievriend voor de deur zien staan. Zie je wel, dat ik vervloekt laag zou hebben gedaan met je de hand te geven. Zie je wel!—In een achterafhoek van Amsterdam, op een stille bovenkamer, daar zul je, door niemand [75]gezien, aan die vrouw—ha! die gemeene vrouw! een hand willen geven! ’t Kon soms het reisgenot vergallen als je bedacht, dat daar in de Amsterdamsche achterbuurt een broeder gebrek leed omdat hij, zonder die hulde, geen aalmoes had aangenomen. Maar Goddank, je aalmoes behoeven we evenmin als je schijn vertooning van hartelijkheid. Zie, ik zou je kunnen verachten indien ik niet wist dat je van nature goed waart.—Maar pijnig me nu niet langer. Doe me ’t genoegen deze kamer te verlaten. Die plaats dáár, dat is de plaats van mijn vrouw. Niemand zal haar verhinderen hier te zijn zoo ze dat verkiest. Boven alles ter wereld staat zij; ze is me als een deel van m’n lichaam.—August, ga heen!”

De oudere Helmond heeft zich vast voorgenomen om kalm te blijven. De valsche positie waarin hij zich tegenover dien trouwen maar dikwijls onbesuisden broeder bevindt; zijn eigen sluimerend vermoeden dat Eva—al mocht ze tot een bezoek te overreden zijn—toch niet veel goeds zal bewerken; de wensch van zijn edel hart, dat Philip en hij als broeders mochten scheiden, dit alles werkt samen om hem toegevend te stemmen.

Hij heeft wel ingezien dat een karakter als Philip door dit bezoek—terwijl August’s jonge vrouw daar wacht in dat rijtuig—zich eer beleedigd dan aangenaam getroffen moest gevoelen. Eensklaps tot een besluit gekomen zegt hij nu zacht met liefde:

“Philip, om je vriendschap te herwinnen zou mij in dit oogenblik bijna geen opoffering te groot zijn. Geloof mij nu. Maar ook, gebruik nog eens je kloek verstand: Doe ik niet alles wat je met reden van mij verlangen kunt, wanneer ik hier kom om je vrouw als mijn zuster te omhelzen? Maar ook, kan ik een jonge vrouw, die gisteren nog mijn bruid was, reeds heden dwingen....”

“Nu is ’t waarlijk genoeg August. Je kalmte zou me haast razend maken; maar ik beheersch me ter wille van de vrouw die dáár is, dáár in die kamer, en die ons waarschijnlijk woord voor woord zal verstaan. Weet nu kort en goed, dat ik ten opzichte van de moeder van mijn kind geen halfheid versta. Wil je mijn broederhart, waarachtig! kom dan met je jonge vrouw, mij en mijn eenige met open armen en zonder woorden te gemoet. Wij zijn broeders, zij zusters. Mij liefhebben en haar miskennen dat is mij beleedigen, ja, erger: trappen! Versta je August: is je die vriendschap ernst, dan ben je hier onze gasten; dan gaan de beide Helmonds met hunne vrouwen dezen avond te zamen naar park of opera. Nog eens, die mijn vriendschap verlangt, die respecteere allereerst de vrouw die mij lief is boven alles!”

“Maar broeder Philip, zou er dan volgens je meening niets, volstrekt niets bestaan, waardoor mijn jonge vrouw er tegen op kon zien om aanstonds.... Nee, ’t zijn geen verwijten; maar, in oprechtheid, is Virginie dan altijd, altijd zoo te respecteeren geweest als je verlangt dat ze nu.... gerespecteerd zal worden?”

August Helmond moest wel in een zonderling bewogen toestand verkeeren om in deze oogenblikken en op die wijze, zulk een teedere snaar te durven aanroeren. [76]

Philips oogen schoten vonken vuur. De leuning van den stoel, dien hij in de hand houdt, kraakt in zijn vuist.—Moest hij dát komen verwijten; hier, in haar eigen woning, ja, in haar eigen oor!—Is dan het kind te beschuldigen wanneer een dolle stoeier het een breekbaar voorwerp uit de hand slaat; wanneer een zoete vleier het overreedt om hem een kostbaar kleinood ter bewaring te geven!

“Drijf en terg mij niet tot een uiterste!” snerpt Philip zijn ouderen broeder toe, terwijl hij hem doodsbleek met bevende lippen blijft aanstaren: “Ga heen, ga heen zeg ik je! Bezoedel met je vormelijk slijk ons rein geluk niet. Vertrek! dit is een gemeene woning; maar zij is de onze! Die er een vinger naar mijn schat durft uitsteken, dien kon ik den kop verpletteren, al was hij duizendmaal mijn broeder.... Ga heen zeg ik je!”

“Philip bij God, ik wil vrede en liefde!”’

“Zwijg!” dondert de broeder: “zwijg of anders!”

Op hetzelfde oogenblik, dat hij den stoel nogmaals doet kraken, gaat de deur open, waardoor de slanke vrouw straks is verdwenen. Zichtbaar ontroerd treedt ze nu de kamer weer binnen. Haar ontroering verwinnend ziet ze vluchtig naar Philip, op wiens gelaat zich verbazing in den toorn heeft gemengd, en terwijl zij den bezoeker noch een schrede naderbijkomt, zegt ze zacht doch met klem:

“Mijn man verzoekt u te vertrekken mijnheer.... Ons kindje slaapt!”

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen, en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te kunnen vervolgen.

Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd “verblazen.”

Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo’n pijn had, die goede dóór en dóór edele August. Eva kon het niet laten om hem een paar malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij, zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van die reis te willen opofferen, alleen—ja, want daarom is het toch inderdaad geweest—alleen om in een Amsterdamsche achterbuurt, [77]een bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonds overgroote vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich zelven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de hand ter verzoening—ja wat méér zegt, zijn hulp en financieele ondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er niet toe besluiten kon om toch even binnen te gaan, en die menschen als broer en zuster te begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht.—Zij is niet trotsch of hoogmoedig—of het moest op haar besten dokter wezen, want haar “beetje schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,”—maar een vrouw, en vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn.—Die woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in ’t oog te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een doldriftigen lichtmis, zou zij er een vrouw vinden die—voortgekomen uit een der laagste en “meest zedelooze” standen der maatschappij,—niet heeft geaarzeld om met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman te bewerken.—Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen, die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken.

Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die, met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en—zij meende het zeker—een dreigende vuist hield opgeheven.


’s Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.

—Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien eersten dag na het huwelijksfeest.—Indien Eva had kunnen besluiten er binnen te gaan, dan... Maar neen, ’t zou niet verstandig en zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.

—Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem—bijna ten afreize gereed—met een zoen de kleine reistasch om den schouder hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:

“Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje.” “Hadt je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;” antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt. [78]

Maar hij:

“Toch is het zoo beter lief kind.”

En Eva—of zij hem niet begreep:

“Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is.”

Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.


Reeds twee volle dagen bevinden zich de echtgenooten te Parijs, en ofschoon Eva vast aan haar ouders beloofde om al spoedig te zullen schrijven, zoo is haar zulks tot nu toe onmogelijk geweest,—althans zij beweert het—omdat ze bij haar aankomst in die groote stad terstond bemerkte dat ze allereerst wat meer werk moest maken van een voegzamer toilet, want met haar achterhoekschen hoed, haar ouderwetsch kapsel, en laarsjes zonder hooge hakken moest ze er voor een Francaise wel uitzien pour se pamer de rire.

Nu, na het ontbijt, terwijl August een paar regels aan Van Hake, en een langen brief aan den generaal schrijft, zal Eva zich eindelijk van haar kinderplicht kwijten. Haar pen vliegt over het papier:

“Hotel du Helder, Mai 18....

“Mes très-chers parents!

“Haast zou ik in ’t Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus, enfin!—Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal—die niet veel meer is dan een langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn—nl. in Parijs—dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hier dol. O, als men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen. ’t Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom—iets wits, blinkends: altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet anders uit te drukken.—Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. ’t Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit een zoo chic heb gezien als de garçons in ons hotel—en van den morgen tot den avond,—zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber, en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen, waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in den volsten zin van ’t woord geniet. Maar van dat alles vertel ik u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen, kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijouteriën in de winkels en vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen, heb ik gezien.... nee maar heusch, u [79]hebt er geen idee van. Voor een aardigheid gingen we er eens in: Deux mille trois cent francs! ’t Viel me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat, al zou hij zoo iets een oogenblik in ’t hoofd hebben gekregen, ik ’t hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met zulk een garnituur in Romphuizen doen:

“De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist dáárom zoek ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar hij het liefst heengaat. De Keizerlijke Bibliotheek en de Morgue daar heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote Parijsche kerkhof is. Eerst had ik er tegen; want ik dacht fi! een kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar ’t is niemendal akelig; ’t viel me tenminste vreeselijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven, dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van het nare denkbeeld “begraven worden”. Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met koude kip, oeufs à la coque, croissants—delicieuze broodjes—hors d’oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig door ’t Bois de Boulogne, en daarna ’t zien van een steeple-chase enz. in ’t Hippodrôme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen diepzinnige bespiegelingen maak.

“Wat ik u nog vertellen wil, ’t is hoe wij het overheerlijk hebben getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters—of sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige plaatsen in het groote Thèâtre de la Gaieté—fauteuils de balcon avant-scène—vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van groene zij—weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder van ’t voetlicht te hebben.—We zaten daar, bijvoorbeeld als in den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoo [80]gedegageerd als ik den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en—alsof ik het dagelijks gewoon was, naarmate het voetlicht al dan niet hinderde, dien écran op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien, want hij maakte bij ’t binnenkomen, in de afdeeling naast ons, een enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!

“Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice, die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om haar kind—spelevarend met een bootje, in den vijver—heimelijk te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk—ik heb het goed geteld—acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd is, en bovendien, ’t was een beeldschoone vrouw; en die heerlijke toiletten! en die stem toen ze zoo zei: “Mon Edgard, sans toi le ciel me serait un enfer!” o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque heeft toen ook geapplaudisseerd à l’infini. Waar ik echter het meest naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal; en dan—Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk prettige sans-gêne ’twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader, of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu ’t was maar een grapje, dat begrijpt u wel.

“Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze in ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn koffer. De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht, een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere—in vele opzichten misschien goede, maar toch erg [81]schriele menschen, die altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.

“Leeft wel! Vele groeten van mijn August!

Uw liefhebbende:
Eva Helmond-Armelo.”

Terwijl Eva den brief aan haar ouders sluit, herleest Helmond vluchtig het slot van ’tgeen hij aan oom Van Barneveld heeft geschreven.


“....Wat mijn lief wijfje betreft, zij is den ganschen dag in verrukking. ’t Spreekt vanzelf dat de smaak eener jonge vrouw van nauwelijks twintig lentes nog al uiteenloopt met dien van een dertiger, wiens lust het zou wezen om behalve in de Keizerlijke Bibliotheek eens een paar dagen in het Anatomisch Museum te snuffelen, of wel eenige hospitalen te bezoeken en de klinieken van Raspail of Nélaton te gaan bijwonen. Nooit in mijn leven heb ik er echter zooveel genoegen in gevonden om mijn eigen wenschen voor die van een ander te vergeten als nu. Maar ook, wat mij vroeger onbeduidend toescheen, ik leer het aan Eva’s zij als voortbrengsels van smaak en industrie, ja soms als kunst waardeeren.—Zeker geloof ik, lieve oom, dat de omgang met een vrouw die een open oog heeft voor het schoone—zelfs voor het schoone dat wij beuzelachtig noemen—zeer weldadig moet werken op een man die zich zooals ik, gewoonlijk slechts in den poel der menschelijke kwalen en ellenden, van het boekenstof kan ontdoen.

“Er is iets onverklaarbaar liefs in die ingenomenheid van mijn goed vrouwtje met al het fraais en kostbaars ’twelk ze ziet, zonder het echter voor zich zelve te begeeren.

“Hoe langer hoe meer kom ik tot de overtuiging, dat, zoo Eva haar zwakke zijde heeft, die zwakheid haar grond vindt in den adel harer ziel: de zucht naar hooger en beter, de zucht naar volkomenheid. ’t Is dan immers alleszins verklaarbaar dat de jonge vrouw bij haar edel streven—nochtans gebonden aan een stoffelijke wereld—ook te eerder een oogenblik zal stilstaan bij ’tgeen haar in dat stof als edel en volkomener toeblinkt. Hoe diep-gevoelig en lief zij is, het bleek mij nog gisteren toen zij op den Boulevard des Italiens, zeer nabij ons hotel, een schreiend meisje aansprak, en, vernemende dat het een frank had verloren, haar met zich naar het hôtel nam; haar op chocolade tracteerde, en met een vijffrankstuk weer vertrekken liet. In stilte vreesde ik wel dat de bruinoog op een anderen Boulevard, straks nóg eens over ’t verlies van een geldstuk zou gaan schreien, maar de daad van mijn engel was er mij niet te minder om, en met mijn vermoeden kwelde ik haar niet. Ik bid u dan, beste oom, blijf mijn grootsten schat liefhebben zooals zij ’t verdient.—De ondervinding heeft ons immers met mijn armen broeder geleerd, dat een geringschatting van de eischen aan zijn stand verschuldigd, niet tot zegen leidt.—Eva heeft u [82]lief als een dochter. Met beminnelijke eenvoudigheid heeft zij mij daarvan op den avond van ons huwelijk de verzekering gegeven. Zóó moet het zijn en blijven. En terwijl Eva mijn goeden oom en weldoener hoe langer hoe meer zal hoogachten en liefhebben, zal ook oom van zijn zijde al de innerlijke schoonheden van mijn kostelijke bloem leeren ontdekken en waardeeren. Dat het Parijsche leven, hoeveel schoons en aanlokkends het door zijn nieuwheid moge hebben, mijn Eva op den duur zou bevallen, betwijfel ik zeer. Reeds gisteren bij het verlaten van het Théâtre de la Gaieté, waar een prachtig gemonteerd maar overigens horrible stuk was opgevoerd, zag ik haar onder een indruk van kwalijk verborgen misnoegen; en ofschoon haar lief karakter gaarne de verschoonende zij wil opmerken, zoo deelde zij toch geheel mijn oordeel: dat zooveel rijkdom van mise-en-scène en toiletten aan iets beters had behooren besteed te zijn.”

Het besluit van den brief zou August maar niet nalezen. Men had geen tijd te verliezen, en al spoedig zaten de gelieven in de gemakkelijke open voiture de remise, en rolden en wielden ze langs de vroolijke boulevards, te midden van de honderden op- en neerjagende rijtuigen, karren, vrachtwagens en omnibussen, de laatste inzonderheid met de ronde forsch gebouwde schimmels.

Eerst na middernacht keerden de jonge echtgenooten, die den avond in de Fransche opera hadden doorgebracht, in hun logement terug. Bij hun binnentreden werd Helmond, met den sleutel van n°. 59, door den portier een telegram overhandigd, dat reeds op de trap—doch niet zonder weerzin—door hem geopend werd.

“Alweer zaken lieve?” vroeg Eva, terwijl ze, vermoeid van den heerlijken dag en het beklimmen van de veertig hoteltrappen tot besluit, op een sofa is neergegleden.

“Ja.... kh’m.... ’t is niets.... maar....”

“God August.... toch geen kwaad? Je doet me schrikken. Is pa of ma....?”

“Nee nee nee! niemendal! Foei, een doktersvrouw moet niet zoo schrikachtig zijn, beste kind. ’t Heeft niets te beteekenen. Tenminste....”

“Tenminste....?”

“Nu ja, tenminste.... ’t Is over zaken, en de zaken behoeven ’t vrouwtje niet te verontrusten.”

“Als ze dan ’t genot van mijn besten man ook maar niet vergallen.—Zeker weer die nare majoor?”

“Nee Eva.”

“O gelukkig! Nu, ik ben verder niets nieuwsgierig. Mijn knappe August zal er wel komen zonder ’t hoogwijs advies van zijn wijfje.—Ben ik je lieve wijfje August?”

“Beste kind!” zegt August en hij streelt haar de wang.

—Maar August is toch erg onder den indruk van die zaken. Hij is zoo verstrooid en ziet zoo.... nee boos is het niet, maar zoo ernstig. Zij trekt hem zachtjes naast zich, en, met den arm om zijn hals, zegt ze: [83]

“Wat heb ik weer genoten vandaag, en van avond vooral. Wat zongen Faust en Mephisto overheerlijk. En Siebel’s lied.” Zij zingt:

“Faites lui mes aveux,

“Portes mez voeux.”

“Ja, ’t was alles heel mooi; en ne.... mooi weer was het ook.”

“’t Is hier dunkt me altijd mooi weer.—Zonder gekheid, ik begrijp me haast niet hoe het er hier met slecht weer moet uitzien. Hê August, als jij hier eens dokter waart! hê!—Ja, als ik geen familie in Holland had dan zei ik dadelijk va! ’t Is toch ongelijk verdeeld in de wereld: hier zoo veel, en daar zoo niets! Weet je wat ik iederen avond, inweerwil van al ’t genot, zoo’n nare gedachte vind....? Niet?—Nou, zeg dan eens behoorlijk nee, lieve ventje.”

“Nee Eva, nee—wat dan?”

“Dat die dag alweer om is.—Van morgen schreef ik tien, en nu zijn ’t nog maar negen dagen.—Dit is het laatste nachtje in onze rue du Helder niewaar? Heerlijk, morgen Grand Hotel. Gaan we bijtijds, of....? Mij dunkt we moesten nog vóór het dejeuner vertrekken.”

“Ja.... welzeker, maar....”

“Je kijkt naar de koffers. O, in een kwartier is mijn boeltje er in. Zoo’n hooge koffer met bakken pakt gemakkelijk, en ’t hoeft nu zoo mooi niet voor dat verhuizen. Aardig, wij verhuizen in Parijs! Aardig niewaar?”

“Heel aardig. Maar.... dat Grand Hotel.... Ik weet niet, dat Grand Hotel, ’t is....”

“Nee August, je moet me niet plagen. Beloofd is beloofd! Hoor eens, of we nu hier zijn of daar, dat scheelt je tout au plus veertig franken; we hebben het immers als ouwe luidjes berekend.”

“Ja kindlief, dat weet ik wel; maar toch....”

August Helmond blijft nogmaals steken. Hoe kon hij die engel nu zoo eensklaps als wegstooten uit den hemel van haar kinderlijk geluk. Zulk een teleurstelling zal haar te kras zijn. Neen, hij kan en mag haar dezen avond niet bedroeven met het bericht dat men inplaats van naar het Grand Hotel te verhuizen, waarschijnlijk reeds morgen de terugreis naar Nederland zal aannemen. Het telegram was weder van Van Hake, en luidde, in ’t Nederlandsch vertaald, woordelijk aldus:

“Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde in geen geval schrijven; een ander raadplegen veel minder; vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets verzwijgen. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.

Van Hake.”

Neen, Helmond mocht niet dralen.—Oom Van Barneveld maakte zich zeer bezorgd over Coba. Waarschijnlijk had zij opnieuw een [84]flauwte gehad zooals weinige dagen voor hun vertrek. Zijn plicht, zijn dankbaarheid, zijn liefde voor oom en Coba roepen hem, ja, al ware het zelfs dat oom zich zonder gegronde reden ongerust maakte, Helmonds besluit is genomen: morgen keert hij met Eva zoo spoedig mogelijk naar Romphuizen terug. Maar.... dat engelachtige vrouwtje; dat heerlijke schepsel met haar hemelsch donkerblauwe kijkers, met die glanzig zwarte lokken; dat lieve kind, zoo levenslustig keuvelend aan zijn zij, en zich verheugend op het genoegen, dat haar nog verder in de wereldstad wacht.... kan hij haar nú reeds zeggen....?

—En toch, het zal zoo moeten zijn. Wanneer men morgen met den eersten trein naar Brussel zal vertrekken, dan dienen de koffers dezen avond zooveel mogelijk in orde gebracht, en de afreize aan het dienstdoend hôtelpersoneel te worden bekend gemaakt.

“Eva, als we nu, op ’t toppunt van ons geluk, eens door een onvoorziene omstandigheid van elkander werden gescheiden....?”

Eva schrikt inderdaad; maar toch, met een ongeloovig lachje zegt ze:

“August, wat meen je?”

“Heb je goed gevoeld best wijfje, wat dat wezen zou, zoo’n scheiding!?”

“August, spreek zoo niet; ik zou er duizelig van worden.”

“Je begrijpt wel lieve dat ik het zóó niet zou gezegd hebben als er eenige quaestie van wezen kon.”

“O Goddank!” zegt Eva, en Helmond ziet een paar groote tranen schitteren in haar oogen: “Foei, je rekent wat veel op de sterkte van mijn zenuwen. Wij scheiden!—Wij? Nee dát nooit. Dan liever sterven August!”

“Dus als ik morgen eens ter wille van een patiënt naar Romphuizen terug moest, dan ging je mee niewaar, liever dan alleen hier te blijven?”

Er zijn naturen die bij het zien van een groot gevaar—na een eerste en verklaarbare ontsteltenis—zich krachtig gevoelen; die op den brullenden leeuw zouden inhouwen, doch—angstig wijken, wanneer diezelfde leeuw zich eensklaps in een muis veranderen kon.

Helmond ziet Eva wit worden.

Na zijn laatste woorden had zij aanstonds het ontvangen telegram in verband met het gesprokene gebracht. Ze doorziet nu zijn bedoeling om haar, door een voorstelling van het ergste, voor te bereiden op geringer leed of teleurstelling; en, in den waan dat August haar omtrent Kartenglimp de waarheid verzweeg, zegt ze eensklaps, met het hoofd een weinig naar achter:

“Zou ’t mogelijk wezen dat tóch die majoor....!”

“Nee lieve vrouwtje, dat niet; ik heb het immers gezegd. Maar ja, hoe allerverdrietigst en ongelukkig het moge treffen, toch moeten we morgen....”

“Moeten! August, je spot er mee. Naar Romphuizen moeten! nú, morgen al! Nee, dat is niet waar! Nee nee, dat is gekheid; ik zie het wel aan je gezicht, je wilt me weer in ’t nauw jagen. Je speelt de Fransche acteurs al prachtig na.” Luide lachend: “Morgen eerst [85]naar ’t Grand Hotel en dan naar Versailles niewaar? dat is wat anders, mijn ondeugd!”

“’t Zou me waarlijk niets helpen lieve kind, wanneer ik je nog een poosje in die meening liet. ’t Kost me meer dan ik zeggen kan mijn besluit te moeten volgen.”

“Maar dat zou een dol, een akelig besluit zijn! Hoor eens, dat kan niet; nee nee nee, dat kan en dat mag niet!” Bijna schreiend: “Voor iemand die misschien wat kou heeft gevat.... om daarvoor.... Nee, we zullen niet gaan niewaar? Zeg, zou je me zoo’n schrikkelijk verdriet doen, zeg?”

“Wijfjelief! hou je wezenlijk van me? Herinner je je alles wat je me plechtig beloofd hebt?”

“Ach ja August, ja! maar we gaan toch morgen nog niet!” En of de bron die slechts zelden vliette nu gemakkelijker vloeide, dewijl zich straks, na die eerste stoute aanspraak, een paar groote tranen op den dorpel der schoone oogen hebben vertoond, zeker is het dat ze thans overvloedig stroomen, doch het zijn nu kleine, zeer kleine tranen.

’t Was een harde beproeving voor den jongen man; maar Eva’s schreien, haar vleiend vragen, ja bijna haar smeeken, baatte niet. Boven alles gevoelde hij zijn plicht. Ware misschien een zijner gewone patiënten ongesteld geworden, en had men er zelfs “om zeer bijzondere redenen” op aangedrongen dat hij zijn reis zou bekorten, hij zou, evenals met den majoor, volkomen vrijheid hebben gevonden om niet aanstonds toe te geven aan een verlangen, vaak kranker dan het lichaam zelf.

Doch, waar het een zieke gold als Jacoba, de eenige dochter van zijn weldoener, waar hij dien weldoener ondanks zijn gewone minachting voor de geneeskunst en warsheid van medicijnen, nu zelf, maar zeker in ’t geheim, zag sluipen naar de apotheek om er een geringe afleiding te vinden voor de onrust die hem vervulde; nu Helmond weet dat de man aan wien hij alles is verschuldigd, misschien de uren en minuten telt die er nog moeten verloopen eer hij den neef “weer zoo eens terloops” zal kunnen consulteeren; nu is er geen macht instaat om hem terug te houden, en zelfs hebben die kleine tranen geen vat op hem.

Halt! dat is zoo niet. Ze kwellen, ja ze folteren hem, al zullen ze het vast genomen besluit niet meer doen wankelen. Wat hem hindert bovenal, ’t is de koelheid waarmede dat anders zoo aanminnige vrouwtje hem nu bejegent.

Maar Eva heeft toch reden ook. Hij laadt, bij de verdenking eener ongemotiveerde tirannie, nog het verwijt van achterhoudendheid op zich, door volstandig te weigeren haar het telegram te laten lezen, ja zelfs door haar niet te zeggen wie de patiënt is, die zijn hulp verwacht.

Neen, haar ouders zijn het niet, noch haar zuster Louise; maar voor ’t overige moet zij niet vragen.—Helmond beseft terecht, dat het noemen van Jacoba en den generaal, de grief tegen den laatste plotseling zal doen herleven, en misschien een weerzin tegen hem verwekken, die niet meer zoo gemakkelijk te, overwinnen zal zijn. [86]Later, als hij haar door ’t een en ander met deze teleurstelling zal verzoend hebben, dan zal hij haar volkomen doen begrijpen dat het niet anders wezen kon, terwijl zij, indien ze nú het telegram had gelezen, ongetwijfeld Helmonds spoedig vertrek een dwaasheid zou noemen. Immers, met dat bericht in handen kon men Van Hake gemakkelijk van overdreven ijver beschuldigen.

Hoe ’t zij, Helmond weet wat hem te doen staat, en zijn besluit is onwrikbaar vast genomen.

De bougies, die in het Hotel du Helder niet dagelijks werden vernieuwd, teerden op haar laatste kracht en hadden Helmond reeds genoopt om het was-nachtlicht te ontsteken.

Terwijl ze zich ontkleedde, heeft Eva niet meer gesproken of geschreid, maar August kon zeer goed bemerken dat zijn vrouwtje het onherroepelijke van zijn besluit had ingezien, dewijl ze, ofschoon met weerzin, meer zorg aan het inpakken van haar koffer besteedde dan ze zich had voorgenomen.

Terwijl ze nog in den koffer bezig is, en over den tweeden hoog opgevulden bak een witten doek spreidt, is Helmond haar van achteren genaderd, en den arm om haar middel slaande fluistert hij een paar zoete woorden.

“Stil, laat me nu pakken Helmond; ik moet op bevel van mijnheer immers morgen klaar zijn. Och wees nu niet zoo lief en aanhalig; ik vind dat ronduit gezegd in deze oogenblikken laf en ongepast.”

“Maar Eva, je gelooft toch....”

“Ik geloof Helmond, dat alle menschen hun gebreken hebben, maar dat jij in ’t bijzonder er één hebt dat onuitstaanbaar is voor een vrouw: despotisme! geweld! ruwe kracht! onuitstaanbaar!”

“Ik geloof dat je gelijk hebt Eva, tenminste dat het er allen schijn van heeft.”

“Nee—haal me niet aan.—Zeg, gaan we morgen of blijven we hier?”

“We gaan Eva, zeker!—Maar luister dan toch. Als het nu werkelijk mijn plicht is....”

“Je plicht! jawel, plicht, basta!”

“Zou het niet jou plicht zijn Eva—nee, je bepaalde wil om aanstonds te vertrekken, als een van je ouders stervende was?”

“Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het je zeggen. Voor mij is ’t echter genoeg dat Mijnheer beveelt te gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over ’t geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden dag van ’t huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan....”

“Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik ’t allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn—och je weet dat ook wel beter—zie dan hier; mij dunkt de drie [87]laatste woorden van Van Hake’s telegram zullen je doen gevoelen dat er reden genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens tot later uit te stellen.”

Terwijl Eva het tot later uitstellen met een ongeloovig schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen telegram.

Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen te herwinnen!

“Dankje Helmond; dankje wel. ’t Is me nu totaal onverschillig.”

“Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit laatste niet reeds genoeg is.”

Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:

“Donerie dangereusement malade!”

Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek door Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan—ofschoon ze het weten kon—dat Donerie een ander tot dokter had.

In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan haar zij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen—neen, want slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis, de verrassing heeft haar dat rood op de wangen gelegd. En, nu vlijt ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart sluit dan fluistert hij:

“Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben....”

“Stil August, stil, niets meer! Mijn lieve man kent zijn plicht en ik nu den mijne!”


’s Anderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de koffers van Nº. 59 erop, het Hotel du Helder.

De eerste garçon die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot een recommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat het vertrek der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het hôtel een onherstelbaar verlies zou wezen, de garçon herinnert den commissionair die, bij het wegrollen der fiacre zich er aan vast klemt en op den bok springt, nog haastig: “Rue Lafayette vingtsix, Bassot bijoutier-joaillier;” waarna hij in het hôtel terugkeerend, den half duttenden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het hoofd naar buiten:

Ça vaut la peine Gérard! Belle hollandaise!” en, rammelend met een paar vijffrankstukken in den zak: “Coquin de mari! C’est monsieur Bassot qui rira le dernier, hein![88]

NEGENDE HOOFDSTUK.

Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.

Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.

Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar ze heeft zich vergist.

—’t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden vertrokken is.

Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij ’t venster, waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den zilveren Rijn; doch—geen seconde later is ze bij haar schrijftafel terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.

Aan ’t eind van den breeden corridor kan ze door het venster op ’t hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.

“Ben je daar Coba?” vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden, die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt, en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein van De Zonsberg te doen.

“Ja tante. Hé, ik had u niet gezien.”

“Wacht je iemand?”

“Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg.”

“Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo heel veel niet noodig?”

“Een paar velletjes tante.”

“Velletjes?”

“O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante.”

“Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?”

“Mij tante!?”

“Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de logeerkamer. Jawel, eens eventjes.” [89]

“Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me nog kleeden ook.”

“Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?”

“Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink.”

“Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind.”

“Vindt u tante; ik ben altijd bleek, dat is mijn natuurlijke kleur.”

“Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen je van morgen beneden kwaamt.”

“Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten waarom.”

“Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou hebben om te schreien, maar....”

“’t Zou bespottelijk zijn tante.”

Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat weer haastig naar de deur.

“Jacoba hoor eens.”

“Riept u?”

“Ja beste kind, kom nog eens even hier.—Zou je me een groot genoegen willen doen?”

“Als ik kan, zeker!”

Mevrouw Mansburg vat Jacoba’s fijne hand, en haar vriendelijk aanziende zegt ze zeer overredend:

“Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader zooals je beste pa.—Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid, veel meer dan hij weten wil.”

“Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb, moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd, want ook hij heeft me in ’t verhoor genomen.”

“Heb je waarlijk waarlijk zoo heerlijk geslapen Coba?”

“Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke personen zóó een ziekte op ’t lijf heeft gepraat.—Ik vind u waarlijk heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch niet altijd zoo vragen, en—zooals u gisteren en van morgen telkens deedt—mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen.” [90]

Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in ’t belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:

“Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?”

Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat teekent geen de minste ontroering.

“Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand dien ik zóó liefheb als mijn besten vader.—Ha daar komt Hendrik het hek in! Tot straks tante; bonjour!”

Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld op De Zonsberg logeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba—nadat men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge vrouw had gesproken—een soort van flauwte heeft gekregen met een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrekt niets te beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht moest tellen, want—mevrouw sprak wel eens in beelden—dat er nooit een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed het een tocht of rukwind misschien.

’t Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt gesproken dan hem lief is geweest. ’t Was zeer verklaarbaar dat hij mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen invloed op Coba’s zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen geweest. August hield bijzonder veel van zijn “klein bleekneusje;” en later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis—en ’t was een groot mooi huis in Den Haag—naar boven, de breede trappen op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af, totdat hij er doodmoe bij neerviel.

Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna op De Zonsberg kwam wonen, ging Helmond—vooral in den beginne, toen de praktijk niet zoo druk liep—er [91]heel veel heen. Natuurlijk is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een paar malen ’s weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan “zijn partijtje” moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde de generaal graag een ombertje en famille.

Ja, Coba hield veel van broeder August.—En, in de laatste twee jaren is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.

Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba’s voorspraak toen wel wat ruw heeft afgewezen. ’t Is den eenigen keer geweest dat hij zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen, dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind, bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest is verschuldigd.

Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan hij heeft willen berusten in het harde vonnis, ’twelk haar vader over Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid, die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn zienswijze hechtte.

En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest, wanneer de vader haar—en misschien wat al te veel—met zijn grieven over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren—voor zooverre die weigering beteekenis had,—en Jacoba zal er onder hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva’s ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den rang van mijnheer, tot den “fatsoenlijken stand” behoorden; ze heeft de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is gepensioneerd,—redenen die Van Barneveld kende—weten te vergoelijken, door er op te wijzen hoe men nu—en zelfs in Romphuizen—er toch nooit meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar, en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig en wat zong ze overheerlijk! [92]

Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt, en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva’s karakter gewezen, maar—men weet het—ten laatste heeft hij toch “zooveel mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewaren”.

Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van Jacoba te ondermijnen. En wanneer men nu Coba’s zusterlijk gevoel voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat Helmond veel minder dan vroeger op De Zonsberg zal kunnen zijn, en althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen komen—ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met de leuze: “eenvoud en zuinigheid”—het veelvuldig samenzijn, vooral ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.

Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbeteekenend ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een “Ja maar!” beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn goede Van Barneveld, al ben je misschien een man die alleen door de juistheid van je blik de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan, het vrouwenhart doorzie je niet!

Ja maar! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba’s boezem! En, ’tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van Barneveld toch aanstonds moeten raden;

—Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!?

En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling, en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid gekregen, ofschoon ze er “des ondanks” nog zekerder van is dan den vorigen dag.

“Welke boodschap heb je?” roept Jacoba den knecht toe die naar boven komt.

Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:

“Compliment, nog hetzelfde juffrouw.”

“Ik meen van de naaister?”

“O, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw.”

“En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?”

“O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn.”

“Heb je de taf?”

“Jawel juffrouw.—Alsjeblief.”

“Best Hendrik!”—In het teruggaan zich even omwendend: “Niets beter met mijnheer Donerie?”

Hendrik, in ’t naar beneden gaan stilstaande en omziende: “Nee juffrouw; ’tzelfde; eer minder, was de boodschap.”

“Zoo!” [93]

Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen op het slot.

Van haar waschtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie, vier keeren haar hoofd.

Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste van Mendelssohn—in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst met hem.... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan, en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft met bevende hand:

“Beste August!

“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen; waarom je verbergen wat mij verteert....”

—Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven regels heeft herlezen:

—Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet. Het papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een ander blaadje schrijft ze:

“August!

“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust maak....”

—Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten, niet vermoeden zelfs....

Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Mendelssohns buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.

—Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dát heeft haar wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is het helder geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:

“Lieve August!

“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten doen mij [94]vreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen, ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij—al ware het op een paar uren afstand—een goeden dokter hadden. Biermans, die onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij, er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was, die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden; maar ook, lieve broeder, laat in ’shemelsnaam niet blijken dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor ’t oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was, die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden, en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt, of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken, die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie’s ziekte komt in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.

“August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft zich.....

Uwe
Jacoba.”

Of Jacoba inderdaad koorts heeft, of, dat haar stemming iets koortsachtigs had, zooveel is zeker dat een ongewoon blosje haar wangen kleurde toen zij den brief vouwde en, na het couvert te hebben dichtgeplakt, nog een tamelijk breed lak er op deed, om eindelijk het eenvoudige adres te schrijven: “Aan August.”

Nu gaat ze naar haars vaders “bureau”.

“Hier is mijn epistel voor onzen zwierbol, pa.” [95]

“Ah zoo Coba,” zegt Van Barneveld die aan ’t schrijven was: “ik dacht al, ’t is kwartier voor twaalven; ’t werd tijd. Om twaalf uur moet Hendrik er mee weg.”

“Hendrik komt pas uit de stad terug pa. Ik wou ’m zelf even brengen. De uwe is immers klaar?”

Van Barneveld ziet haar verwonderd aan:

“Ja, hier is mijn brief, maar wou jij dien naar de stad brengen? Eer Willem de paarden klaar heeft, zal...”

“Nee ik wou te voet gaan.”

“Te voet! Nú te voet.... jij! Heeft tante je daartoe bepraat?”

“Nee pa, maar August heeft wandelen zeer aangeraden.—Ik moet bij de naaister zijn. Hendrik heeft iets vergeten.”

“Je schijnt vandaag bijzonder wèl te wezen, beste meid.”

“O, ik ben weer heel flink!” Zij zoent den vader op zijn hooge voorhoofd: “Toe, sluit u nu mijn epistel in; ’t wordt immers tijd beste pa?”

“Maar wat een vreeselijk lak Coba. Dat couvert dient er af.... Wil ik maar even?”

Jacoba ontneemt hem onverhoeds haar brief:

“O nee, wacht.... dat mag ik niet vergen, wacht!”.... En met den brief snelt ze voort.

“Niet vergen! ha ha ha, niet vergen!” lacht Van Barneveld haar achterna: “dat noem ik discretie....!”

Maar eensklaps betrekt zijn gelaat. Jacoba’s goed uiterlijk en haar vroolijke stemming hebben hem voor een oogenblik doen vergeten, ’tgeen hem toch sedert het gesprek met zijn schoonzuster gedurig als een akelig spooksel voor den geest heeft gestaan.

Zoo dat schrijven aan August op zich zelf niets beduiden mocht, dat zonderlinge wantrouwige wegrukken van den brief toen hij het couvert er af wilde doen, dat zegt iets meer.... ja! dat zegt veel veel meer:

“Ah zoo Coba, is er nu een ander couvert om?”

“Ja zonder lak.—Ik had het heele couvert kunnen weglaten omdat u hem insluit; maar, nu het er weer om is, nu kan het zoo blijven niewaar?”

“’t Couvert verzwaart een heelen boel; als het je ’tzelfde is dan liet ik het er toch liever af; mij dunkt....”

“Nee nee!” zegt Coba haastig, en als Van Barneveld—alsof hij die zekere vrees niet verklaren kan—haar vragend aanziet, dan herneemt ze heel luchtig, met een glimlach:

“Als men bestellingen in Parijs doet dan kan men redenen hebben waarom zelfs.... un très-cher général”—zij strijkt hem zachtjes met het magere vingertje langs den neus—“heel discreet moet wezen. Kom pa’tje-lief, nu wat spoedig, want u hebt zelf gezegd: beter drie kwartier te vroeg bezorgd dan één seconde te laat. Bovendien ik ben niet van plan om mij te overloopen, maar denk het doodbedaard te doen.”

Terwijl Van Barneveld Coba’s brief in den zijne sluit, en, nog eens naar haar opziende, weder dat lachje om haar lippen bemerkt; nu [96]hij plotseling een geheim in dien brief vermoedt, ’t welk op een verrassing voor hem zal uitloopen, nu kan hij toch niet anders dan in stilte erkennen, dat er sedert gisteren—wie weet, na dat getrouwer innemen en dat heerlijke slapen—iets in die bleeke kleur is gekomen wat men leven mag noemen.

Ja, die vroolijke trek om hare lippen doet eensklaps het vreeselijke denkbeeld verdwijnen ’t welk hem in de laatste uren zoozeer beangst, en, zijn zorg voor de gezondheid der dierbare is schier geheel naar den achtergrond gedrongen. ’t Was hem plotseling alsof er in ’t geheel geen reden tot vreeze meer bestond, en terwijl nu de hoop zijn liefde voor dat kind te sterker doet opvlammen, legt hij, straks opgestaan, zijn beide handen op Coba’s teedere schouders, en zegt met de innigste verrukking, ofschoon uiterlijk kalm:

“Ik geloof waarlijk dat je een heelen boel beter bent Coba. Nu dat dacht ik ook wel.—Ja komaan, waarom zou je niet wandelen als je er lust in hebt; een kwartiertje heen en een kwartiertje terug.—Ei, wat zou je ervan zeggen als papa eens meeging, hé?—Maar kindlief, hoe beef je zoo?”

“Uw handen drukken wat zwaar pa.”

“O popje, popje! Hij zoent haar op de wang: “Kom kruidje-roer-me-niet, dan gauw maar den hoed opgezet. Hier heb ik den mijne. Tante zullen we natuurlijk vragen om van de partij te wezen.”

“Hoor eens pa-lief. ’t Zou mij waarlijk geneeren als u en tante meegingt. Ik heb allerlei met Elsje te bepraten. Laten we van middag te zamen naar den boschwachter rijden, en dáár wandelen; maar nu, naar de stad om mijn commissies te doen, waarlijk, nú ga ik liever alleen!”

TIENDE HOOFDSTUK.

’t Sloeg op den Romphuizer toren juist halféén toen Jacoba Van Barneveld den brief aan ’t adres van “Monsieur le docteur A Helmond, Hotel du Helder, rue du Helder, Paris,” zorgvuldig in de brievenbus liet glijden. Om van het postkantoor naar de woning van Elsje de naaister te komen, moest zij de eerste straat rechts nemen. Maar Jacoba kiest haar weg ter linkerzij. De groote kerk langs gaande, vermindert zij een oogenblik haar tred, terwijl ze het oog slaat op een der hooge kruisramen, en straks op het kleine poortje dat—zooals dikwijls voor bijzondere catechisaties in de consistoriekamer—ook nu openstaat. Toch vervolgt ze haar weg. Aan ’t eind der Korte Kerkstraat gekomen, loopt ze den timmerwinkel van baas Krul voorbij. Zes huizen verder staat ze stil. Wie haar gadesloeg zou op haar gelaat een uitdrukking bespeurd hebben [97]alsof zij zich iets herinnerde ’t geen ze bijna vergeten had.—Een oogenblik later staat ze in de werkplaats van Baas Krul, en verzoekt hem op De Zonsberg te komen teneinde er iets aan een van haar meubels te veranderen:

“Dat kun je immers wel, baas?”

“Kunnen, ja juffrouw, wat dat betreft, zoo goed als de beste; maar omdat ik nooit voor menheer den ginderaal heb gewerkt, zoo ben ik een beetje schrompiljeus om Kraals het brood uit den mond te stooten.”

“O werk jij nooit voor pa; ik dacht het. Nee, dan.... dan.... Ik wist dat niet. Maar in alle geval kun je voor mij wel iets maken, bijvoorbeeld, een kistje niewaar? Zieje, voor mij. Jawel, zoo’n vierkant kistje.”

“Meent uwe zoo’n soort van naaidoosje zal ik maar zeggen?”

“Precies, zooals je d’r wel meer hebt gemaakt.”

“Wel meer? wel meer? O ja, uwe meent misschien iets zooals voor Mietje Ten Hoed?”

“Ja baas, zoo iets bedoel ik juist, maar dan heel netjes.”

“Nou, dat mot de juffrouw maar aan me overlaten. Als de juffrouw de astrantigheid wil hebben is eventjes mee achter te komen, dan kan ze eigens is zien wat baas Krul met den fijnen beitel al knutselen kan. Kom maar mee asjeblief.—Ga binnen juffrouw.—Dat is de freule van De Zonsberg, moeder; die wou ik eens eventjes m’n kleine poppe-lindekastje laten zien.—Wacht, zet jij die wieg is opzij.... Nou watbliefje? Al dat kleine snijwerk dat gaat uit de hand, niewaar moeder? Ja juffrouw, wat de stakker die boven leit me d’r over vercomplimenteerd hêt dat zal ik niet navertellen; maar die was d’r gek na, en weet je wat ik en de vrouw al gezeid hebben: als ie weer beter wordt dan....”

“Wien meen je?” vraagt Jacoba.

“Wien ik meen? Weet de juffrouw dan niet dat de muziekmeester Donerie hier bij mijn woont? Och hemel, welzeker! ik dacht dat je dat wist omdat de knecht nog strakjes....”

“O ja, nu je ’t zegt, ja, nu weet ik ook wel dat de muziekmeester hier boven woont; bij een timmerman—jawel!”

“Al zeven jaren answiet m’n lieve mensch! Maar wat ik zeggen wou: als ie door Gods goedheid weer beter mocht worden, dan ware ik en de vrouw overeenkomstig geworden om menheer Donerie dat kastje voor zooveel als een muziekkastje op z’n kamer te zetten. Och ’t is zoo’n gemoedsvol man.”

“Ja zeker dat is ie,” zucht de vrouw: “en nou leit ie daar als ’en geraamte.—Zoek ie ’t een of ander juffrouw....? Och ja, ik begrijp wel, ’t zal je zeker aandoen, want de juffrouw is immers ook van menheers eeleeves, en de heele grootheid van Romphuizen laat naar ’m vragen.”

Dat doet de ginderaal net zoowel vrouw.”

“Ik strij ’et niet tegen Krul, daarvan niet; maar ik zeg alleen dat ie veul vriendschap uit de stad ondervindt; al die vruchten en zeleitjes; maar och heere, wat zon ie gebruiken!” [98]

“Is het zoo.... erg met menheer Donerie?”

“Lieve juffrouw, als je d’r mijn naar vraagt, dan zeg ik....” De vrouw zegt niets, maar haalt de schouders op en zet een zeer bedenkelijk gezicht.

“Maar wat scheelt hem eigenlijk?”

“Ja, dat is de affaire juffrouw. Dokter Biermans zei dit, maar menheer Van Hake die gisteren hier was, heeft—zoo van achteren op—laten blijken dat ie den drank liever niet nemen moest, omdat....”

“Hei hola vrouw! nou ga je buiten je boekje; menheer Van Hake zei nadrukkelijk dat ie dat heel onder de roos zei, want anders ging ie z’n kompetensie te buiten.”

“Nou Krul, we benne immers onder de roos, want de juffrouw zal d’r niet van spreken niewaar?”

“En gebruikt menheer Donerie nu in ’t geheel geen medicijnen?” vraagt Jacoba.

Man en vrouw Krul zien elkander veelbeteekenend aan:

“Wel nee juffrouw. Nee zekerlijk niet!” zegt vrouw Krul.

“Hoor is Antje, laten we nou voor God en ons geweten niet liegen. Als de juffrouw d’r niet van gesproken had dan zouwen we gezwegen hebben, maar in stilte—jawel vrouw, waarheid bovenal—ziet u, in stilte heeft menheer Van Hake....”

Vrouw Krul, die op Jacoba’s gelaat iets zag voorbijgaan ’twelk ze voor een teeken van bijzondere goedkeuring hield, valt haar man in de rede.

“Jawel, toen heeft menheer Van Hake ’s avonds ’t een of ander uit de aptheek gebrocht, en we hebben van nacht met bloedzuigers getobd, och Heere! en ofschoon ’t niet beter is, menheer Van Hake zei strakjes nog,—altijd onder de roos—dat ie zonder dat alles den dag niet gehaald had.”

“’t Zou heel jammer zijn geweest;” zegt Jacoba terwijl ze zich omwendt en naar de deur gaat: “Ik hoop er het beste van!”

Juffrouw Krul maakte bij zich zelve de opmerking dat het gevoel der grootheid toch gauw bekoelde. Hoe koud was dat antwoord.

Krul heeft iets dergelijks gevoeld; ’tgeen hem te meer trof omdat de juffrouw niemendal van zijn poppe-lindekastje heeft gezegd, geen boe of ba:

“Jammer! ja, als je d’r jammer van zeggen kunt, dan zeg ik dat het krek jammer zou zijn; en dan het adee dat zoo’n mensch—onder ons gezeid en gezwegen—verknoeid is.”

Jacoba blijft bij de deur staan, en omziende zegt ze als viel haar wat in:

“Als dokter Helmond hem behandeld had dan zou het zoo erg misschien niet geworden zijn?”

“Net wat we samen gezeid hebben juffrouw,” herneemt Krul: “en ’t ergste is dat hij nu juist op reis moest wezen, en zoo wijd van hier; want om je de waarheid te zeggen, dat ie menheer Helmond uwes broer of neef, niewaar, beter vertrouwde dan den ouwen Biermans, dat kon je al lang merken; niewaar Antje?” [99]

“Ja. Ojee! als ie ielde dan was het schering en inslag: Helmond, Helmond, en allerlei; maar van Biermans hoorde je nooit.”

“Als menheer Donerie er zoo op aandrong dan is het toch vreemd dat jelui dokter Helmond niet hebt laten telegrafeeren.”

Krul ziet zijn vrouw met beteekenis aan:

“Nou Antje, wat heb ik gezeid?”

“Jij, nee wat heb ik gezeid! Ik! En daarom heb ik menheer Van Hake ook eigenlijk gesproken; maar die wou d’r niet aan; die durfde voor een patiënt van Biermans geen telegraaf sturen; dat kon en mocht hij niet doen. Zieje juffrouw, dat het aan ons niet lee....!”

“Maar mij dunkt, jelui zult er toch de naasten toe wezen. Ik heb er mij niet mee te bemoeien, maar de verantwoording zou me wat zwaar zijn.”

“Ja waarachtig Antje, de juffrouw heeft gelijk. Ziet u, als we wisten, niewaar, dat dokter zou komen; en waar ie ergens bezeild was, dan....”

“Ja Krul—maar zoo’n telegraaf.... en....”

“Eigenlijk heb ik geen tijd,” zegt Coba, meer naderbij komend: “maar als jelui d’r zoo op gesteld bent, dan wil ik wel even zoo’n telegram opschrijven; om je plezier te doen natuurlijk, en omdat menheer boven er zoo op aandringt.”

“Aandringen; nu ja, aandringen is de rechte benaming wel niet, maar....”

“Jawel Krul, dat roepen: Helmond, Helmond, dat noem ik aandringen.”

“In één woord, als jelui er bij mij op aandringt, geeft dan maar een stukje papier....”

Krul en de vrouw zien rond alsof ze het gevraagde op den vloer zouden vinden, maar eindelijk zegt Antje:

“Je zakboek Krul!”

“Ah ja Juist!—Wacht.”—Hij scheurt er een blad uit en biedt het met zijn timmermanspotlood Jacoba aan.

“Heb je geen inkt?”

Weer zien de echtgenooten hun kamertje rond.—Nee, in dat glazen fleschje, waaruit een vuil stompje ganzepen steekt, is niets dan een weinig verdroogd zwart te ontdekken.

“Zie dat is nou spijtig, maar inkt hebben we niet in huis;” zegt Krul.

Jacoba met het oog op een “Onze Vader” in sierlijk schrift aan den muur, vraagt, blijkbaar afgetrokken maar toch met een bijzonderen nadruk op het voorlaatste woord:

“Hé! geen inkt in het heele huis!”

“Wel Krul, nou zou je niet eens aan boven denken;” zegt de vrouw: “Op de voorkamer van meneer is een heele toestel.”

“Accoord, dat wou ik net zeggen!” herneemt de man: “loop jij maar eventjes naar boven en haal het hier.”

“Maar dan moet je den zieke storen;” zegt Coba met eenige trilling in de stem, terwijl ze steeds het “Onze Vader” ziet.

“Nee, excuus juffrouw, menheer leit achter.” [100]

“Ah—zoo—heeft ie een vóór- en achterkamertje?”’

“Kamertje!!” vallen Krul en de vrouw schier gelijktijdig uit, en de laatste vervolgt: “Nou ’t benne in ’t geheel geen kamertjes, maar zuivere kamers hoor! en heelemaal op z’n grootelui’s gemeubieljeerd. Nee, als de juffrouw ze zien wil, kom dan maar is mee—asjeblief?”

Jacoba met den rug naar de echtgenooten Krul, wijdt haar bijzondere aandacht aan een paar zwarte knipsels naar reeds overleden Romphuizer dominee’s.

“En als de juffrouw van schilderijen houdt, zooals ik zie dat ze doet,” zegt Krul: “dan kan ze daar nog m’n eigen vrouws vader en moeder in miliatuur zien hangen, dat was ook grootheid, niewaar moeder?”

Vrouw Krul blijft niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen. De herinnering aan die—altijd eenigszins betrekkelijke grootheid, verlevendigt haar wensch dat de juffrouw van De Zonsberg eens zien zal, hoe haar eigen huis er boven uitziet, en niet langer zal denken dat het zoo min is.

In ’t einde zal ze echter dien wensch moeten opgeven. Juffrouw Van Barneveld schijnt niets nieuwsgierig te zijn.

“Nou Antje,” zegt Krul gemoedelijk: “we moeten de juffrouw niet forceeren. Ik zal maar eventjes dat inktpotje halen; de trap is ook nog al stik voor de juffrouw.”

“Och nee, wat dat betreft,” zegt Coba: “als je erop gesteld bent, och dan wil ik waarlijk wel eventjes meegaan.”

’t Was goed dat vrouw Krul op de trap achteraan kwam—een oogenblik werd Coba zoo raar, doch ’t duurde één oogenblik slechts, en zonder dat de timmermansvrouw er iets van behoefde te merken, kwam Coba boven.

“Hier juffrouw asjeblieft: hier heb je nou de voorkamer. Dáár, die deur, dat is de slaapkamer. Ik spreek wat zachtjes omdat de stakker daar leit, weet u, en als ie me hoort dan wil ie me graag hebben ook.”

“Ligt ie dan alleen, heel alleen?” zegt Jacoba zeer snel.

“Dat is te zeggen, nee, m’n oudste dochtertje, zoo’n aankomeling, die zit bij ’em, en past ’em op, als ik of m’n man d’r niet bij benne. Wacht, gaat uwe nou hier maar in. Hé, dat hadt je zoo niet verwacht! Riant niewaar? Prebeer die stoelen maar eens, ekfetief paardenhaar! Onderwijl zal ik toch is eventjes kijken of ie nog slaapt. Och als ’et maar rust was!”

Na deze woorden verlaat vrouw Krul het zooeven binnengetreden vertrek; ontdoet zich op het portaal van haar pantoffels, en gaat op de kousen het slaapkamertje van Donerie in.

Jacoba is alleen.

—Zou het mogelijk zijn dat iemand het kloppen hoorde van mijn hart, denkt ze, terwijl ze de eene hand erop houdt gedrukt en die vluchtig aan het voorhoofd brengt: Wat heb ik gedaan! Hier te komen, hier!—Zie, dat moet zijn piano wezen.—Dat vrouwenkopje er boven....?—Zou dat misschien het portret zijn van eene.... die....? [101]

Met een snellen blik heeft Jacoba zich overtuigd dat het bedoelde portret een gravure is. Maar, ’t is de zeer fraaie gravure van een beeldschoon meisje.—Een huivering overvalt Van Barnevelds dochter. Toevallig heeft ze haar eigen bleek en mager gezichtje in den spiegel gezien.

—Stil, daar komt de vrouw terug:

“Goddank!” zegt ze: “ofschoon hij niet slaapt, hij ligt toch rustig. Och lieve God, de stakker! Maartje zei dat ie straks nog driemaal in ’t ielen Helmond riep: en dan van den kapitein Armelo en z’n familie ielt ie ook. Maar omdat ie den dokter noemt, blijf ik er bij dat we dokter met de telegraaf moeten hier halen. Wacht, hier is inkt in overvloed, als je nou schrijven wilt...?—Je bent d’r toch óók ontdaan van juffrouw; ik zie ’et aan je bevende hand.”

Jacoba verklaarde wel bewogen te zijn en wel medelijden met den zieke te hebben, maar dat beven kwam toch van iets anders ... de trap was tamelijk steil; en zie, terwijl ze schreef lag haar pols op den scherpen rand der tafel.... Doch, nu beeft ze niet meer....

—Ja tóch, nu wel, Maar o God, wie zou er ook niet gebeefd hebben van dien droeven kreet.

Met een ontsteld gezicht vertoont zich Maartje op den drempel en wenkt hare moeder.

Nogmaals blijft Jacoba alleen.—Zij luistert.... Bitter pijnlijke kreten doen zich telkens hooren. Aan een onduldbaar lijden moet die arme kranke ten prooi zijn. Terwijl de moeder met haar kind de deur der ziekenkamer opent en er binnengaat, snijdt een schrikkelijke wanhoopskreet de luisterende Jacoba door de ziel.—Nu klinken die kreten weer doffer. Men had de deur gesloten. Nochtans de woorden, die hij somwijlen met verheffing uitgalmt, zijn wel verstaanbaar te midden van een klankenvloed zonder samenhang—treffend gelijk plotselinge ratelslagen bij het doffer dondergerommel van verre.

Jacoba’s hart bonst met pijnlijk geweld. Op den drempel der voorkamer, starend in de richting der deur van Donerie’s slaapvertrek, staat ze met het hoofd voorovergebogen en zich vastklemmend aan den deurpost.

O God! zóó erg heeft ze niet gedacht dat het wezen zou. Daar moet aanstonds, aanstonds hulp komen: een professor uit Utrecht! O, dat is een vreeselijke ijlkoorts. Hoor:

“Laat mij!!—Laat los!!” zoo klinkt het: “Ik wil haar grijpen! Zij vliegt over de daken. Zie maar, verscheurd door een tijger...! Laat los! ik ben een tijger!... Heisa! Laat los! ik moet haar vangen! In de secretaire. Ho! ho! pakt hem! pakt hem! Helmond! O, o! Helmond!”

In hetzelfde oogenblik stormt het kind van den timmerman angstig geworden ter ziekenkamer uit.

“Vader! vader! help!” roept het gillend aan de trap.

Jacoba weet niet meer waar ze zich bevindt; het donkere portaal is haar als een graf; maar altijd hoort ze toch die kreten; ja, ondanks haar verdooving nu zelfs sterker dan te voren. O, wat klaaglijk [102]gesteun. Wat vreeselijke smart in dien toon.—Ha, nu weet ze weer waar ze zich bevindt. Ginder ligt de jonkman wiens dierbaar beeld haar geheele ziel vervult. Daar ginder ijlt en lijdt hij; en ruwe handen verzwaren zijn lijden misschien! En zij, wat moet, wat mag ze doen? Zal ze haar zachte handen drukken op dat schoone, nu kranke voorhoofd? Hem zoete woorden toefluisteren, om zoo mogelijk kalmte te brengen in dat verhitte brein? Met koud water die blanke slapen bevochtigen; immer koelend totdat een zachte slaap zijn oogleden sluit; en dan waken aan zijn sponde, en den doodsengel verjagen door de innigste gebeden? Hem met haar adem bijstaan als de zijne te ontvlieden dreigt; hem liefkoozen ... zoenen op die bleeke lippen...!?

Neen! neen!! O groote God, neen! dat heeft Jacoba niet gezegd; zelfs niet gedacht in dezen stond.—Al rijten die vreeselijke kreten haar ook den boezem vaneen, geen schrede mag zij verder. Daar is een krachtige stem in haar binnenste die ’t haar verbiedt; en immers, voor haar verbeelding staat daar een dreigende vader, die vertwijfelen zou indien hij vermoeden kon wat er omgaat in het hart van zijn teergeliefde eenige dochter.

Van hier dan Jacoba! Spoed! Verzend dat telegram, of, doe nóg sneller hulp opdagen, de beste die te bekomen is. Maar voort, van hier!—En toch, moet zij de stem van dien arme dan hooren, zoo angstig, zoo radeloos bijwijlen, en zonder hem te zien? O God, al is hij dan niet meer gelijk voorheen, zooals hij dikwijls naast haar zat, met de glimmend zwarte krulharen en den fijnen knevel scherp geteekend tegen het mannelijk blank van zijn edel welgevormd gelaat; al zijn die donkerbruine oogen, nú de oogen vol geestdrift niet wanneer hij met den fijnbesneden mond aan zijn gretig luisterende leerlinge van den kunstroem der klassieken sprak; al moet de schoone kloeke jonkman, nu ten prooi aan de vreeselijkste ijlkoortsen, slechts de schaduw zijn van ’t geen hij zoo kort geleden nog was, ach, kan zij dan vanhier gaan zonder een enkelen blik te werpen in dat vertrek; zonder den juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens, o God! misschien voor ’t laatst te hebben aanschouwd?

Zie, de deur der ziekenkamer staat op een kier. Met bonzend hart en op de toonen zachtkens voorwaarts komend, doet ze een schrede in de richting dier kamer ... een tweede ... een.... Neen, eensklaps deinst ze terug:

“Laat los! Hoor je niet, los!” roept Donerie weder; en akelig klinkt zijn hijgende stem: “Zij is de mijne!—Ha! Op de voorkamer is ze. Laat los! of ze vliegt het raam uit; over de daken. Ha: heisa! los!”

Een dreun, een slag heeft Jacoba nog gehoord. Toen is het nacht voor haar geworden, heelemaal nacht. [103]

ELFDE HOOFDSTUK.

’t Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romphuizen, dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet noodig haar droef “memento mori” te doen klinken, want reeds voordat ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder, er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.

Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het groote kerkhofhek reeds geopend staat.

De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.

Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen vooral, die natuurlijk niet zien kunnen—dat er een zon aan den hemel, en het heelal met ontelbare werelden doorzaaid is.

Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.

Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant grafgesteente met een urn er boven op.

En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende menigte, een zilverwit voorwerp—juist blinkend in een zonnestraal. ’t Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek- en zangvereeniging “Koning David”. Het rood satijn der banier met zijn zilveren letters is door een zwart floers omgeven, maar nochtans komt die kleur—evenals die blinkende harpknop erboven—steeds zeer duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam wegschuivenden wagen.

En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen gewone begrafenis plaats heeft. Immers, ’t zijn niet enkel mannen en jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene, die haar zoo lief was, nog een laatste hulde te brengen, en straks bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de slotzang luidt: [104]

Slaap zacht!

Op den krans dien we u vlochten,

Slaap zacht!

Tot den morgen die u wacht.

Goeden nacht! Goeden nacht!

Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.

Met bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens plaatst.

’t Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks, na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:

“Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met hun blijdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn verheven speeltuig. En,—dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het orgel deden juichen: “Loof, loof den Heer mijne ziel!”

“Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental jaren ons en onze kinderen voorging waar het de verhevenste der kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor onze oogen.—Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: ’t is ons niet genoeg te hopen, noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal licht zijn aan gene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of van haar die stierf: Onze broeder of zuster leeft nog op aarde!

“En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden.—Ziet onze banier: Koning David!—Neen, de groote koning is niet gestorven ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de menschen is voortgekomen? Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld. [105]

“In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning behouden op aarde: In onze harten, in onze dankbare herinnering zal hij gehuisvest zijn.

“Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Almachtigen welbehagen, ook hier zal zijn geest wonen, ook hier zal hij met ons leven. Amen! Amen!!”

En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in, en zingen Donerie’s vrienden:

VROUWEN.

Nog was zijn lente niet gevloden,

Toen hem des maaiers sikkel trof.

MANNEN EN VROUWEN.

Nu bergen wij zijn dierbaar stof

Vol weemoed in den stillen hof,

Te midden onzer lieve dooden.

MANNEN.

Zijn kunstnaars-ziel vol reine klanken

Ontvonkte in ons den zin voor ’t schoon.

SOLO sopraan.

Welluidender werd steeds de toon

In onzen kring.

TRIO sopraan, tenor, bas.

Helaas! tot loon

Ontvangt hij nu, in ’t somber graf

Waaraan de dood hem overgaf,

Ons diep weemoedig danken.

SOLO tenor.

Luister: “Treurt niet over mij,”

Zoo ruischt zijn stem in ’t suizend koeltje ons toe:

“De toonkunst, ’t rijk der melodij

“Was reeds van eeuwigheid. Ze is de adem Gods!

SOLO sopraan.

Ja, blij te moe

“Zal zelfs het vogeltje in ’t woud bij ’t uchtendpralen,

“U dat zoet schallende verhalen.

SOLO tenor.

“Waartoe dan rouwe nu! Wie heeft er mij te danken!

“In ’t Heiligdom der klanken

“Zijn vele Priesters. Op dan! Op! Weent bij hun assche niet;

“Onsterflijk is de harp, onsterflijk is het lied!”

[106]

MANNEN EN VROUWEN.

Een priester vol reinheid, hém geldt onze rouw:

Een priester rechtschapen, in ’t minste getrouw.

Den kunstnaar zoo needrig en klein bij zijn kracht,

Dien priester, dien mensch geldt ons weenend: slaap zacht!

VROUWEN.

Slaap zacht,

Op den krans dien we u vlochten!

Slaapt zacht

Tot den morgen die u wacht!

MANNEN EN VROUWEN.

Goeden nacht! Goeden nacht!

In welluidenden toon klonk nog drie malen, telkens stiller, dat aandoenlijk: Goeden nacht! en de laatste droeve klank stierf langzaam weg op den doodenakker, terwijl het stoffelijk overschot van Herman Donerie in de groeve werd neergelaten.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

’t Is de derde dag na dien, waarop de beschreven plechtigheid had plaats gehad, en de achtste na de overhaaste terugkomst der jonge echtgenooten.

In de kleine achterkamer van het doktershuis aan de straatzijde, onmiddellijk grenzend aan de apotheek, zit Eva in een keurig morgentoilet, bij de overblijfsels van het ontbijt, dat ze reeds meer dan een uur geleden met haar August gebruikte.

Zooals ze daar zit, gracieus en toch ongekunsteld achteroverliggend in haar stoel, de donkere lokken van onder het guitige morgenmutsje dartel wégvluchtend naar de ronde schouders; met een nieuwsblad van ongewonen vorm in de blanke handen, vertoont er zich op Eva’s schoon gelaat zulk een glans van innige verrukking, dat August, indien hij haar zóó had mogen bespieden, geen oogenblik getoefd, maar haar aanstonds met kussen van blijdschap zou hebben overladen.

Wát—wát ter wereld wilde hij ook liever dan zijn aangebeden vrouwtje, zijn eenige Eva, gelukkig zien; gelukkig, zooals hij het is met haar.

Maar August ziet haar nu niet met dien trek van welbehagen [107]op het gelaat. Straks toen hij heenging, stonden die mooie oogen strak, zeer strak. Ja, zij heeft hem wel een zoen gegeven, maar ’t is geen zoen geweest die.... haar geliefden man iets zeggen moest; niets—of het moest iets geweest zijn dat maar beter gezwegen was.

Eva heeft teleurstellingen gehad; ’t is waar. Inplaats van een groote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar dagen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester, teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kranken Donerie zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest hij hem helaas, reeds stervende vinden.

Ja, Helmond gevoelde wel dat Eva in deze dagen niet zijn kon zooals hij het zich, met een vroolijk oog in de toekomst, had voorgesteld.—Moe van het reizen, zoo heeft hij gedacht, verzadigd van het zien en bewonderen, zal zij, bij ’t allereerst bezitten van een eigen huis—al mag die woning haar dan ook niet in alle opzichten voldoen—er toch spoedig een zekerder genot vinden dan die wereldstad haar schenken kon. O, in zijn verbeelding zag hij Eva al schikken en verplaatsen en beredderen, en de teugels opnemen van het huishoudelijk bestier, met al den ijver, waarmee een jonge vrouw gewoonlijk de teugels van haar bewind aanvaardt.

—Maar nu, onvoldaan en geenszins van het zien verzadigd, is Eva teruggekeerd. In haar nieuwe woning, waar men op die onverwachte komst niet was voorbereid, ontbraken bijna al de kleine geriefelijkheden, waaraan zeker op den eerstbepaalden dag van terugkomst, door de goede zorg van mevrouw Van Hake, niets zou ontbroken hebben. Om slechts iets te noemen: niet vroeger dan morgen konden de ledikant- en meubelgordijnen bezorgd en opgehangen worden, zoodat men zich nu reeds acht dagen zonder die gordijnen heeft moeten behelpen. De dood van Donerie, die toch een goed vriend van Eva is geweest, en van wien ze altijd met zooveel achting als haar leermeester sprak—heeft ook niet meegewerkt om haar over de teleurstelling heen te zetten en vroolijk te stemmen. Zeer veel verdriet heeft ze bovendien van de “hulde” gehad, welke men hem aan zijn graf heeft gebracht. Ja, ’t moest haar wel zenuwachtig maken, zooals men haar gedwongen heeft mee te zingen. Helmond is krachtig tusschenbeiden gekomen. ’t Was niet kiesch dat men een jonggehuwde vrouw kwam geweld doen om zich aan een graf te doen hooren. En dan—zij had gelijk—men moest ook begrijpen dat Eva Helmond, niet meer Eva Armelo was. In één woord, die geschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer aangedaan dan ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft getroost om op dringend verzoek van ’t gezelschap “Koning David”, een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen, zoodat de kleine Cantate door die hulp dan ook zeer goed voldaan heeft. [108]

Eva had zich daaraan niet willen en kunnen onttrekken, maar, dit alles moet haar stemming verklaren, een stemming die door het zonderlinge verzoek van oom Van Barneveld, om vooreerst haar visite op De Zonsberg nog wat uit te stellen, er zeker niet op verbeterd was.

—’t Is natuurlijk, denkt Helmond onder ’t wandelen voort: het kind heeft reden om niet zoo vroolijk en opgeruimd te wezen als ik het wenschen zou; ik zie het nu duidelijk in.—De een zet zich gemakkelijker over ’t leed en de teleurstellingen der wereld heen dan de ander.—Immers, ook hij zelf heeft zijn teleurstellingen gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan Donerie’s sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer vermocht; en—nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.

Zonder den schijnbaar kalmen pleegvader te doen bemerken dat diens onrust over Jacoba de oorzaak van hun overhaaste terugkomst is geweest; voorgevend dat Donerie’s hoogstgevaarlijke toestand hem er toe besluiten deed, heeft August getracht den geliefden oom al aanstonds zooveel mogelijk gerust te stellen, door, bij het terugzien en ondervragen van Jacoba, een zoo luchtigen toon aan te slaan als de omstandigheden het gedoogden.

En gelukkig, met de meeste gerustheid heeft Helmond zijn vroeger gegeven woord kunnen herhalen: dat Jacoba’s toestand, volgens zijn vaste overtuiging, voor ’t oogenblik geen de minste reden tot bezorgdheid gaf. Haar zenuwgestel was wel uiterst zwak, zoodat schrikken als in de woning van Krul haar allernadeeligst waren, maar indien men zijn voorschriften nu eens getrouw wilde volgen, dan twijfelde hij niet of zijn lieve zusje zou nog dezen zomer weer veel flinker en krachtiger zijn.

En Van Barneveld heeft na die verklaring, zoodra hij zich met den neef alleen bevond, met zekere ongewone koelheid gezegd, dat de verhaaste terugkomst ter wille van den reeds stervenden muziekmeester, hem mede genoegen deed, omdat zuster Hermine zich over Coba wat bezorgd had gemaakt, en met de herhaling van zulke vapeurtjes inderdaad wel eens weten wilde of men er notitie van diende te nemen ja of neen. Doch.... Helmond moest die ongesteldheid heel en passant behandelen. Ware die laatste schrik er niet bijgekomen, dan zou Coba nu zeker reeds geheel beter zijn, want tante Hermine kon getuigen, hoe ze op den morgen, toen ze zoo ongelukkig bij den timmerman verzeild geraakte, bijzonder wel en zelfs zeer opgewekt was geweest.—Welzeker, Helmonds voorschriften, en vooral van de koudwaterbaden, zouden zoo nauwkeurig mogelijk worden opgevolgd, maar hij zelf moest nu vooreerst wat op den achtergrond blijven. Hoe minder Coba aan haar ongesteldheid werd herinnerd, en ook aan de personen die ze in den laatsten tijd had ontmoet, zooveel te beter scheen ze zich te gevoelen. Bezoeken waren haar alles behalve dienstig, en dáárom ook zou Eva—ofschoon men haar natuurlijk gaarne ontving—beter doen om haar bezoek op De Zonsberg nog een acht dagen uit te stellen. [109]

Zoo heeft oom bij het eerste bezoek gesproken. En August.... wat heeft hij kunnen antwoorden! Ofschoon hij in Coba’s toestand inderdaad geen reden tot oogenblikkelijke bezorgdheid vond, zoo geloofde hij toch dat men den vijand met kracht moest bestrijden. Hij heeft zich voorgesteld dagelijks zijn geliefde pleegzuster te zullen bezoeken en met de meeste opmerkzaamheid gade te slaan, teneinde den oorsprong van haar kwaal te ontdekken, en alzoo te spoediger tot haar herstelling te geraken. Dat een geheim verdriet haar kwelde had August reeds vermoed, en krachtig werd hij in die meening versterkt nu hij Coba heeft weergezien. En wat moest hij dan antwoorden? Zou hij ooms onrust niet onnoodig prikkelen indien hij na zijn verklaring—die ter geruststelling, helaas, wat al te rooskleurig geweest is—tóch op een geregelde behandeling bleef aandringen? Hij kent den oom, en wil tot geen prijs—ook in Coba’s belang—zijn vertrouwen verliezen. Maar zie, dewijl hij den vader niet noodeloos heeft willen bezorgd maken, wordt nu zijn persoonlijke hulp, zijn geregeld praktizeeren over het goede pleegzusje, als geheel onnoodig versmaad. Was hij dan niet alleen uit belangstellende liefde voor Coba zoo haastig teruggekeerd! En instede van blijdschap daarover, heeft hij een zonderlinge koelheid bespeurd, terwijl ooms bepaald verzoek: dat Eva vooreerst niet op De Zonsberg zou komen, de maat heeft volgemeten. Ja, met reden mocht ook August over teleurstelling klagen. Die overhaaste terugreis, wat heeft zij goeds gesticht....? Niets! Een enkel recept, een enkelen raad heeft hij aan Coba mogen geven, dat was alles! En Donerie is gestorven; en Eva was ontevreden, en.... Maar komaan, heeft Helmond in ’t einde gezegd, men moet zijn verstand gebruiken: ooms aangeboren weerzin tegen den “medicijnwinkel” en een “praktizeerend dokter over den vloer”, hebben hem zóó doen besluiten. Den dokter moet hij weren zoolang het hem mogelijk is. Doch, ofschoon voor het oogenblik gerustgesteld, oom zal het koudwatermiddel—’t welk blijkbaar zijn goedkeuring heeft weggedragen—zeker geregeld doen aanwenden; August kan nu de werking daarvan afwachten, en, mocht Coba’s toestand onverhoopt den armen oom in nieuwe spanning brengen en hem toch weder tot den dokter zijn toevlucht doen nemen, dan—dán zal die dokter wat geslotener en ook wat voorzichtiger zijn. En nu, Helmond zal zich over die wereldsche teleurstellingen heenzetten. ’t Is jammer dat Eva daar niet even gemakkelijk toe besluiten zal. Maar geduld, met den tijd zal dat beter worden. Eva is nog zoo jong; pas even twintig jaren!—Zeker, het zou de grootste dwaasheid zijn geweest, indien hij had toegestemd om nu, nú aanstonds reeds, die reis te hervatten: maar Eva zal het zelve spoedig inzien, en als ze dan van dat denkbeeld is teruggekomen, dan zal ze weer lief en vroolijk zijn. Ja! en als dan de mooie ovale spiegel komt waar ze zoo’n zin in had, dan zal ze wel blij verrast en tevreden lachen. Alle leed is dan vergeten, en we maken weer plannen voor de toekomst, en reizen al vast eens achter den haard, om later, later misschien.... Och, ’t is zoo’n goed en lief en prachtig vrouwtje. Indien [110]zij dat andere, die zekere zucht naar grootheid maar wat onderdrukken kon, dan....................

—Ho ho, dokter Helmond, dat is immers “het kenmerk van den adeldom der ziel”.—Nu ja, zoo is het, en hij zal ook met zijn lachende Eva gelukkig wezen. Zeker, van morgen—van overmorgen afaan, geheel en al, en juist “door wijsheid te mengen in zijn vurige liefde”.

Zoo dacht August bij tusschenpoozen terwijl hij zijn patiënten bezocht, en telkens bij die bezoeken, waar het pas gaf, roemde in zijn geluk, en roemde over de lieve vrouw, die “ook zoo gelukkig en zoo hoogsttevreden in haar nieuwe woning was”.

En inderdaad, indien August zijn vrouw in de straks beschreven houding had kunnen gadeslaan, dan zou hij immers geheel overtuigd zijn geworden—of althans een oogenblik geloofd hebben, dat hij waarheid sprak.

’t Werd reeds gezegd dat het nieuwsblad, waarin Eva leest, een bijzonderen vorm heeft, ’t Is Le Grand Hotel, Gazette des Etrangers. Heden, juist negen dagen geleden, heeft August dat blad op den Boulevard des Italiens gekocht. Men had wel reeds vernomen dat er dien avond in de groote opera Gounods Faust zou gegeven worden, doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond had er aanstonds werk van gemaakt om zijn “lieve nachtegaal” het genot van dien avond te verzekeren.

Welk een heerlijke avond is dat geweest! Met haar eigen zangkennis en talent, was er zeker niemand in de zaal, die meer dan Eva genoot; en ofschoon zij zeker het allermeest door de voortreffelijke uitvoering van Gounods meesterstuk was opgetogen, zoo hebben de gouden schalen, waarop men haar de vrucht had aangeboden, en het altijd wederkeerende bewustzijn zich in den Parijschen lusthof te bevinden, er toch krachtig toe meegewerkt, om haar dien avond te doen zijn als een, doorgebracht in een tooverwereld, in een hemel, in iets.... onuitsprekelijks!

—August was gul—ja men kon er niet over klagen—maar, in kleinigheden was hij soms.... enfin, misschien had hij gelijk! Hoe ’t zij, toen men: “Le Programme, Le Programme détaillé!” en “l’Entr’acte!’” riep, en zij, in de Stalles d’orchestre gezeten, hem verzocht heeft een dier bladen te koopen, toen haalde hij de ’s morgens gekochte Gazette te voorschijn, en beweerde dat dit blad evengoed was, en zeker nog meer nieuws dan de tooneelbladen bevatte.

En Eva heeft dan op dien avond in datzelfde blad gelezen, of er althans, zoo nu en dan, gedurende de pauzen eens in gesnuffeld. Zie maar, op de plaats waar met stellige zekerheid het gerucht werd bevestigd, dat “Mlle. Patti ferait sa rentrée mardi prochain dans La Somnambule,” daar is nog de kleine scheur te zien, die ze in het papier maakte toen ze August dat goede nieuws wilde wijzen en met haar pink wat sterk erop drukte. Die kleine scheur heeft ze toen gemaakt, toen op den avond, die haar nóg als een zalige droom voor den geest staat. En onwillekeurig bevond [111]Eva zich nogmaals, terwijl ze weder dezelfde reclames en bulletins en programmas doorliep, in den toovercirkel van grootheid en glans, welke haar zoo geweldig had aangetrokken. Het Grand Hotel, ’t welk ze op het blad zag afgebeeld, werd haar als iets dat naar een hemel zweefde: een ruimte met onafzienbare zalen, waar alles van wit was met goud!” Ja, bij ’t gedurig al lezend ontmoeten der namen van boulevards en straten, die ze aan Helmonds zij, in een rijtuig was langs- en doorgevlogen, of ook die ze betreden had met het oog op een wereld vol rijkdom en pracht, telkens klonken die namen haar nu als de welluidendste tonen in de ooren.

En daarom, ’t was niet vreemd dat er op Eva’s schoon gelaat een glans van innige verrukking stond te lezen, terwijl ze zich met dat blad in handen nogmaals baden mocht in de schitterendste herinneringen.

Doch die glans van genot bij ’t lezen van de oude Gazette, zal sneller vergaan dan hij gekomen is. Door het geraas van een hondenkar gewekt, ziet Eva op, en terwijl de Gazette des Etrangers nu eensklaps ritselend neerglijdt langs haar schoot, is het een schampere lach die haar schoonen mond komt ontsieren.

—Hondenkar! zegt ze bijna overluid: ’t Is allerliefst, welzeker; hier schrikt men op van een hondenkar! Zouden er ooit dommer creaturen zijn geweest dan zij, die op den inval kwamen om steden als Romphuizen te bouwen, met huizen en kamers als deze! Zie, uit dit doodsch vertrek,—hemel ja, precies een doodkist: langwerpig, smal, donker, vochtig, bah! uit deze kamer, met een eeuwigdurende ziekenlucht van die nare apotheek, hier heb je ’t uitzicht op een touwwinkeltje en een blinden muur aan den overkant, met de passage van zes kippen en wat zieke lui die om een drank komen.—Nee, in deze dompige la is ’t op den duur niet uit te houden. Vóór—hoe ellendig men er ook in een kuil zit—vóór zie je tenminste nog een bloem en een enkel fatsoenlijk mensch in de hoogte voorbijgaan; maar hier is ’t om te verkniezen!

—Pruttelen! zegt August: pruttelen! Nu ja, maar als ik bedenk dat ik hier reeds acht dagen gevangen zit,—ja zeker gevangen, want al ware dit huis zoo somber en akelig niet, dan zou het nu toch een gevangenis voor me wezen, terwijl ik op ditzelfde oogenblik nog in Parijs moest zijn, zooals mij vast was beloofd.... ’t Is waar, dat droeve bericht van Herman kwam er tusschen. Zeker, als ik den armen jongen met mijn thuiskomst en hier-zijn ’t leven had kunnen redden, ja, dán.... Ik heb het getoond.—’t Heeft me erg getroffen; telkens ben ik er nog zenuwachtig van, want gedurig staat hij zoo voor me, zoo.... Maar nee, nee! ik had hem nooit iets te kennen gegeven, nooit!—Als August vermoeden kon hoe me die gedachte soms een oogenblik kan beklemmen, dan.... Maar juist daarom ook zou het ter afleiding veel beter zijn, om nu—nu alles toch is afgeloopen—nog eens van huis te gaan. Ja, al was ’t maar naar Brussel, ’t Is hier zoo aller-aller-akeligst en doodsch, he in vergelijking van daar, in dat brillante Parijs.—Als ik er nu was in dat Grand Hotel—en ik moest er wezen—[112]nú zou ik bijvoorbeeld, liggend in zoo’n heerlijke cauzeuse, den garçon dien naren ontbijt-trommel dáár laten wegnemen.—Zelfs thuis stak ik geen hand naar die dingen uit. Ma of Louise deden het gaarne.—Hoe! is ’t al elf uur! En om twaalf komt August voor de koffie terug.

Haastig opstaande schelt Eva.—Eenige oogenblikken later treedt een boersch dienstmeisje van vijftien a zestien jaren de kamer in.

“Gerritje, je moest dat ontbijt eens aan kant maken.”

“Van kant moaken juffer?

“Afwasschen bedoel ik.”

“De kummekes wisschen juffer?”

“Ja, alles; en dan voor de koffie weer klaarzetten.”

“Da’ kan’k niet juffer.”

“Kun je dát niet? Goeje hemel!—Roep mevrouw Van Hake.”

“Mevrouw Van Oake roepen? Best juffer.”

“Hier! Hoor eens Gerritje.”

“Juffer?”

“Weet je wel tegen wie je spreekt?”

“Joawel, tegen oe juffer.”’

“Dan zou ik in ’t vervolg behoorlijk mevrouw zeggen hoorje; de mevrouw hier in huis is de vrouw van dokter Helmond.—Versta je me?”

“Joawel, doof bin ik niet juffer, iens geheel niet.—Alsdat ik mevrouw Van Oake zou roepen, niewoar juffer?”

“En, en.... en.... dat je tegen mij niet meer juffer zult zeggen, maar mevrouw!”

“Bestig ma-juf-vrouw.”


“Goeje morgen lieve Eva, heb je me geroepen? Is er ’t een of ander waarmee ik je helpen kan?” vraagt mevrouw Van Hake, die vriendelijk groetend binnentreedt.

“Morgen mevrouw. Och ja, wilt u alsjeblieft hier eens omwasschen? ’t Is laat geworden; ik wou me kleeden voor de koffie. Helmond komt om twaalf uur weer thuis.”

“Omwasschen?” herhaalt mevrouw Van Hake, en moet zich geweld doen om een zekere ontroering te verbergen.

“Ja,” zegt Eva: “dat kleine boerenperceel kan noch het een noch het ander. Dát is toch geen meid voor mij zou ik denken.”

“Misschien niet heelemaal Eva; maar met geduld....”

“Ja maar, neem me niet kwalijk, om nu idioten op te voeden dat laat ik aan de liefhebbers over. Misschien is het extra dom van me, maar tusschen een boer of boerin en idioten zie ik geen onderscheid.”

“Wou je graag dat ik dit van morgen eens voor je omwaschte, Eva?”

“Och ja; wil je?”

“... Eva... ik ben... ik had gehoopt...”

“Och mijn beste mevrouw, ik weet niet wat je bedoelt, maar als er iemand is die op dingen heeft gehoopt die niet gebeurd zijn, dan, geloof me, ben ik het.—Hebt u een reis gemaakt na uw trouwen?” [113]

“Ja Eva, Van Hake was óók dokter.”

“Dat weet ik. Hoe lang bent u uit geweest?”

“We waren veertien dagen uit en thuis. Och ja, eerst gingen we....”

“Veertien dagen! Zieje!—Zoudt u, als je man gezegd had “we moeten om zaken met den vierden dag naar huis,” niet de scha hebben willen inhalen zoodra die zaak was afgedaan?”

“Ik weet waar je op doelt Eva. Maar luister eens: als je brave verstandige Helmond het nu minder goedkeurt om in de gegeven omstandigheden aanstonds weer op reis te gaan, zou het dan van zijn vrouwtje niet verstandiger wezen om....”

“Mevrouw Van Hake,” zegt Eva zich verheffend: “van uw lessen, hoe goed ook gemeend, zou ik nu liefst verschoond blijven. Ik ben de jonge juffrouw Eva van vroeger niet meer. Sedert was ik lang in Den Haag, en nú ben ik Mevrouw Helmond. Men dient hier in huis toch te weten wie het hoofd is,—zoo dunkt me!”

Na deze woorden verlaat Eva haastig de kamer. De weduwe, die reeds het haar opgedragen werk had aanvaard, weerhoudt de tranen niet die haar opwellen in de oogen, terwijl ze hoofdschuddend, de jonge vrouw ziet verdwijnen. Ofschoon zelve een paar malen gevoelig door Eva’s woorden gekrenkt, vervult haar nu toch een andere smart. O, wat ze in stilte wel eens heeft vermoed, dat werd voor haar in de weinige dagen dat Helmonds echtgenoote onder het altijd zoo vreedzame dak verkeerde, reeds zekerheid: de goede dokter zou met die vrouw niet gelukkig wezen; en de dagen, die de bedroefde weduwe nog in de woning van den weldoener zal doorbrengen, zijn zeker geteld.

Terwijl de doktersweduwe het werk verricht dat dienstbodenwerk moet heeten wanneer het zóó wordt opgedragen; terwijl ze afwascht, en weder gereedzet, en de tranen gedurig langs de wangen rollen, is Eva in haar onrustige stemming naar haar slaapkamer gegaan. Daar gekomen blijft ze eensklaps staan. Met één oogopslag ziet zij welk een verandering er heeft plaats gehad, sedert ze een paar uur geleden die kamers verliet. Een keurig frisch-groen behangsel met nette kwasten is er om den hemel van haar echtkoets gehangen.

In weinige seconden was Eva beneden, en bevond ze zich in de voorkamer der suite, die het uitzicht op den wal heeft. Zie, ’t was er donkerder geworden, maar waarlijk ja, daar hingen ze ook, de nette overgordijnen, met zorg geplooid en ongebonden.—Dat stond goed, ja dat stond heel goed; dat gaf waarlijk iets salonachtigs; iets niet-communs.—Wat is er ook burgerlijkers te bedenken dan ramen zonder meubelgordijnen.—Jawel, ze zijn zóó heel heel ordentelijk, besluit Eva, terwijl ze de nieuwe gordijnen nog eens op een afstand en dan van nabij beschouwt.—’t Is aardig; dat moet mevrouw Van Hake van morgen gedaan hebben na ’t ontbijt.—’t Is eigenlijk toch een goed mensch. Een beetje saai. Maar, och lieve hemel, wie zou er ook in Romphuizen niet saai worden. Ja waarlijk, ze heeft erg veel liefs.... Zie, daar staat dat mooie zilveren beeldje onder ’t stolpje ook nog. ’t Was eigenlijk een mal cadeau; je kondt er een voltaire of zoo iets voor gehad hebben, maar, ’t bewijst toch dat ze een goed [114]hart heeft. Ik geloof dat ze me die kleine terechtwijzing een klein beetje kwalijk nam; misschien omdat ze juist was bezig geweest met me een verrassing te bezorgen. Nu ja, maar men moet toch begrijpen wie hier in huis nummer één is. Zedenpreeken aan te hooren van menschen, die men letterlijk en zonder eenige verwantschap ’t genadebrood geeft; nee nee, daar bedanken we voor; en.... Maar ze staan heel netjes die gordijnen. Och hemel, ik liet de goeje sloof nog omwasschen ook; misschien was ze daar ook wel wat knak over. ’t Zou me toch spijten indien ik haar leed had gedaan....

Een geruimen tijd stond Eva nog in de voorkamer, straks met de hand nog op haar boezem. Er was strijd daarbinnen: Nee ja, nee ja.... nee.... ja! En—nu is ze voort; bij de deur der ontbijtkamer aarzelt ze nog, maar, tóch gaat ze erbinnen.

Een laatste overwinning heeft er plaats; en dan, dan vat ze eensklaps de oude dame, die Eva met blijde verbazing beschouwt, vertrouwelijk bij de hand, en zegt:

“Als ik een hard woord heb gesproken, lieve mevrouw, och wil het mij dan vergeven; u waart zoo goed en hebt alweer zooveel moeite gedaan. Och, ik was ondankbaar....”

“Spreek zoo niet.... mevrouw Helmond. Ik gevoel....”

“Zeg dan Eva, Eva! Immers straks nog was ik onverstandig als een kind? Vergeef mij dan als ik u leed heb gedaan! Uw tranen maken mij beschaamd.”

Juist op het oogenblik dat Eva de oude dame een zoen op de wang drukt, treedt Helmond de kamer in:

“Ei ei, zóó mag ik het zien,” zegt hij met blijde verrassing: “dat is nu een zoen, die mij niet jaloersch zal maken.—Maar hoe, ik zie tranen? Is er iets dat u bedroefd heeft mevrouw...?”

“Men kan immers ook schreien beste dokter,” antwoordt de weduwe met innige ontroering, “als het hart weldadig wordt aangedaan.”

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan ’t wit van haar muts en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, ’tgeen aan het rusteloos naaldengetiktak te hooren is.

Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is nu—natuurlijk—zoo zwart als de nacht.

“We willen er dan maar ’t beste van hopen moedertje, en ik beloof je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem me [115]niet kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haar meid aanziet....”

“Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik....”

“Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een of andere wijze weer durft krenken, dan ... ja, dán moet het maar uit zijn!”

“Lieve Thom, ’t is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet....”

“Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig zijn vrouw sloeg, maar anders au fond een heel goed hart had.”

“Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt; dat de generaal het mooie huis op de markt voor z’n neef zou koopen, dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis—vooral sedert haar terugkomst uit Den Haag—door haar familie als een halve godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was, toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben.”

“Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter op te sporen; maar....”

“We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen hebben.”

“Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ú afblijven! bij God! of anders....”

“Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch om jou gelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen, het oog gericht op een betere toekomst.”

De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als men scherp keek, dan zag men nog een grauwe vlak—die mevrouw Van Hakes muts moest wezen—zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam, het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.

Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in ’t eind verstaanbare klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:

“Jawel Thom, jawel!”

“Nee moeder; nee....!” [116]

“Er moet wel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo vroolijk als anders. ’t Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen in het vroege morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst.... ja, ik weet het wel; maar, is er dan niets, niets anders, dat....?”

Alsof Thom nog vreesde dat men in ’t donker, wit van rood kon onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals, en terwijl hij—op den arm van haar leunstoel gezeten—haar middel omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig:

“Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? ’t Is heel kort: D’r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van ’t paard was gevallen en de boer haar naar ’t paleis had gereden, toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw.”

“En....?”

“Nou is ’t uit moeder.”

“Hoe meen je? Ik begrijp niet....?”

“Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen een gek was.”

Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.

In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.

“Hoe vaarje; hoe vaarje?” Klinkt een stem den komenden provisor tegen: “Altijd wél geweest? ’t Is hier drommels donker. Ik heb immers ’t plezier dokter Helmond te zien?”

Je plezier van zien kan zoo groot niet wezen, menheer Kippelaan; maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in de aptheek zijn?”

—O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te zien.... of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend en ’t jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd een charme van me geweest. Entre-nous gezegd, bepaald vues op gehad; maar zwak, niet gezond. Tenminste.... die ziekte waar ze mee uit den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus....”

“Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?”

“Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik hier achter inkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel, maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en dáárom.... A propos, je hebt witte drop, wit? Klaar hé?”

“Jawel.—Verkouden menheer Kippelaan?”

“Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is vóór witte drop; bepaald!”

Van Hake ondanks zich zelven lachend: [117]

“Een pond....!?”

“Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een prachtdoos; iets énorms—zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Och entre-nous menheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik ’t zeggen zou, maar ’t staat alles in ’t nauwste verband. De reden waarom ik eigenlijk hier kom is een gezondheidsinformatie. Is.... isse dokter vandaag op De Zonsberg geweest?”

“Dokter is er op ’t oogenblik met zijn vrouw.”

“Op ’t oogenblik, och-kom, dus niet thuis? Ojee!....” Eensklaps komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: “Ik vertrouw je menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendien ik dank je, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je, groote verplichting; parole!”

“voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want mijn jas....”

Niemendal m’n vriend, niemendal;” zegt Kippelaan, ofschoon hij Van Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank verschanst.

“Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan,” herneemt Kippelaan: “We zijn hier veilig niewaar?” Hij ziet naar de openstaande gangdeur, doch zonder eenige beweging te maken om haar dicht te doen: “Enfin, op den dag toen mijn geliefde vriend Donerie ’s-avonds gestorven is, toen ben je ’s morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen heb je iemand, een zeker iemand, compris, met een vigilante naar een zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal heeft het die domme timmermansfamilie zeer zeer kwalijkgenomen dat ze haar als ’t ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld aan een tooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?”

“U spreekt van.... juffrouw Van Barneveld?”

“Chut! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik ben òvergelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge.... enfin door je uitmuntende zorgen haar in ’t leven behouden. Merci, waarachtig Van Hake, van harte merci!”

Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor den dag kwamen. Weer omziende: “Nu is het alleen maar de vraag of het.... toevallen zijn of niet....? Men zegt dat ze toevallen heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen—je weet wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor....”

“Zijn ze razend! roept Thomas: “daar is niets niets van waar,” en hij voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den intiemen Van Hake te noemen. [118]

“Merci, merci hoor!” valt Kippelaan uit: “Ik was er zeker van; ’t was de schrik, de agitatie. Débiel gestel niewaar? Niet vrij van een weinigje aamborstigheid. Goed geobserveerd; jawel! Ik kom er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren háár echter niet gezien. Débiel gestel. Na die scène zou ’t haar te veel schokken.... ’t Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je, vooralsnog!”

“Aha, dus bestaan er plannen?” zegt Thomas nu tamelijk laconiek, ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig lachen en “afranselen”!

“Chut, chuuuut! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest, te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin, ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik wilde.... e.... e.... e.—Geen aanleg voor.... tering?”

“Watblief?”

“Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen weten. Maar—zou je denken? aanleg?”

Van Hake heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om “dat heer de tanden uit den mond te slaan”.—Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:

“Om dát heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den professor eens laten komen.”

“Maar.... maar m’n beste vriend, hoe zou die....? Ja! wat zijn capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen zenden om haar borst te kunnen onderzoeken.—Doch niewaar, als er iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie ’t was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal.”

“Welzeker,” bevestigt Thomas: “zooals men bijvoorbeeld veeldenkende en alles onderzoekende menschen wel eens naar ’t krankzinnigenhuis ziet marcheeren.”

“Och-kom!” zegt Kippelaan, terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake zou toch moeten toestemmen dat men op zijn leeftijd—om en bij de dertig—eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen gezegd was er toch bovendien ’t een en ander, dat.... enfin—Van Hake zou er wel alles van weten.

Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.

“Niet!” zegt Kippelaan: “weet je niets van die verstandhouding tusschen den generaal en.... jawel onzen vriend, je uitmuntenden patroon?”

“Verstandhouding?” zegt Thomas opziende. [119]

“Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet je van niets? Ik zou ’t aan niemand vertellen, maar aan u, die me drievoud verplichtte....” En Kippelaan vertelde nu in ’t diepst geheim—Van Hake was reeds de zesde vertrouweling—’tgeen hij volgens zijn verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft afgeluisterd. ’t Was buiten twijfel, verzekerde Kippelaan—die slechts de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen—dat de generaal in ’t geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering bracht.

Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte informaties naar Jacoba’s gezondheid, dan dat hem deze laatste mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds voor een “Kippelaans-praatje” en, ofschoon hij ook nu nog met zijn vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn verstand moest bewaren, en ’t allerminst in de apotheek van zijn goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.

Hoe ’t zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter die toonbank te zijn weggekomen. In ’t eind toch was hij Van Hakes verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd, waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder karnde, verzocht hij “rondement” aan zijn besten vriend, om—met het oog op iets zeer “kortafs” van den generaal, hem een enormen dienst te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde, en—nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba van baas Krul naar De Zonsberg bracht, is hij immers een paar malen zeer welwillend door den generaal ontvangen.

Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst, dan mocht hij wel van geluk spreken—althans betrekkelijk—zoo heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware vijzelstamper, die hem eensklaps—voorzeker onwillekeurig door den provisor losgelaten—op den voet is gevallen, die stamper had hem slechts weinig geraakt, tenminste ’t had niets te beteekenen; o niets! nee—heusch.... tenminste.... Bonsoir! [120]

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Zooals reeds gemeld werd, bevinden Dokter Helmond en zijn vrouw zich dienzelfden avond op De Zonsberg. Des morgens aan de koffietafel, heeft er inderdaad—en bijna voor ’t eerst—een helder zonnetje in de huiskamer van het jonge echtpaar geschenen. Eva, door het voorgevallene met mevrouw Van Hake, en wel door de overwinning, die zij op zich zelve behaalde in een mildere stemming gebracht, heeft haar echtvriend met een zachten handdruk nog eens de stellige verzekering gegeven, dat ze niet meer zou denken over ’tgeen voorbij was, terwijl zich dan alles voortaan wel schikken zou.—Ja, zij wilde wel gaarne haar best doen om met alles zóó tevreden te zijn als ze het van den beginne afaan met haar geliefden man is geweest; maar, August kon toch niet verlangen dat zij speelde op een piano, die geheel en al dof en ontstemd van de vocht was, en dat zij haar stem bedierf door te zingen in kamers als deze, waar men den zolder op den neus had, terwijl het klonk als katoen....?

—Nee natuurlijk.

—Hij kon toch niet verlangen dat zij veinsde en mooi en goed vond wat haar hinderde....?

—Nee, dat sprak vanzelf.

Nu ja, voor ’t oogenblik was Eva dan ook heel tevreden. En, weinige oogenblikken later, toen die heerlijke verrassing haar was geworden, toen een waarlijk kostbare ovale spiegel in huis gebracht en in de salonkamer was opgehangen, toen stond het vrouwtje weldra met haar August in de teederste omhelzing ervoor, en vertrouwden die beiden volkomen het fraaie Fransche glas ’twelk hun toeblonk en zei: dat ze niet slechts waren een knap, maar ook een hoogstgelukkig paar.

—Maar dat geluk, neen, het kon immers niet zoo innig, niet zoo blijvend wezen, indien daar in de naaste omgeving iets was, ’t welk Eva telkens opnieuw moest hinderen wanneer zij eraan dacht.

En Helmond heeft ook nu weer zijn vrouw gelijk moeten geven. Ja, ’t was een onaangename verhouding tusschen hen en De Zonsberg. De korte vrij stijve visite, die oom met tante Hermine aan de jongelieden heeft gebracht, kon niets goedmaken en heeft volstrekt geen licht gegeven waarom men Eva van De Zonsberg zocht verwijderd te houden, terwijl Jacoba zich toch altijd, wanneer het te druk werd, op hare kamer terugtrekken kon.

’t Een of ’t ander is waar, heeft Eva beweerd, óf oom Van Barneveld en tante Hermine hebben een overdreven zorg voor Coba—misschien een zorg die eer nadeelig dan goed voor haar is, óf—en Eva heeft hier sterk op gedrukt—of oom Van Barneveld toonde maar al te zeer, dat hij was ’tgeen zij reeds vroeger gevreesd heeft: haar tegenstander, haar vijand, hoewel ter wille van den geliefden neef, een vijand met het zwaard in de scheede. [121]

—Neen, dit laatste was onwaar, heeft August gezegd. Het verzoek van oom is—hij moet het bekennen—zeer vreemd geweest; maar indien Eva oom Van Barneveld kende zooals hij, dan zou ze begrijpen hoe hij tot zoo iets gekomen is. Oom mag soms zijn opinies hebben en iets zonderlings, maar Eva’s vijand—August weet het beter, zijn woord is er haar borg voor—haar vijand is hij niet.

Indien dit dan waar was—en Eva wilde haar lieven man gelooven—dan zou men nog dezen namiddag naar De Zonsberg gaan om zekerheid te bekomen. In geen geval handelde men tegen ooms verlangen indien men er heden heenging, want, juist vandaag is het een week geleden dat oom zoo beleefd was te verzoeken: of Eva haar bezoek nog een acht dagen wilde uitstellen.

En, August heeft toegestemd.

’t Was ruim zeven uren toen dokter Helmond en zijn vrouw het groote ijzeren hek van De Zonsberg binnenstapten en het breede gazon omgaande, de hooge stoep van het deftige landhuis, ofschoon langzaam, naderden. Nog nooit had Helmond een zoo beklemd gevoel als in deze oogenblikken. Hij, de anders zoo kloeke, handelende man, hij gevoelde zich temoede als een schoolknaap, die den meester onder de oogen zal treden van wien hij een welverdiende berisping verwacht. Neen, ’t was nog een ander gevoel.... Hij kon er geen naam aan geven. ’t Was hem schier alsof dat welbekende huis, ’twelk hij aan de zij van een teerbemind vrouwtje zal binnengaan, een vreemd en vijandig terrein voor hem geworden was; een vesting die hij bij verrassing verschalken moet. En, de kracht van den bevelhebber dier vesting is hem bekend.

Of het geknoerp en gekraak van hun schreden in het zware kiezelzand Helmond een geregeld denken belet, althans in dezen stond heeft hij geen helder bewustzijn van zijn verhouding tegenover den.... geliefden pleegvader, en een oogenblik zelfs beschuldigt hij zich van zwakheid en al te groote onderdanigheid, omdat hij zijn vrouwtje gaat wagen aan een mogelijke koelheid van den man die—Eva heeft waarlijk gelijk—haar niet volkomen genegen is; die van den beginne afaan een trotsche houding tegenover de familie Armelo had aangenomen, en de kleine zoo verschoonbare ijdelheden van een prachtig en talentvol meisje steeds in het ongunstigst daglicht heeft geplaatst. Ware het niet beter geweest indien hij die kinderlijke onderdanigheid en terughouding, terstond na de tehuiskomst van Parijs, had laten varen, en met gepaste vrijmoedigheid zoowel ten opzichte van Jacoba als van Eva, zijn meening blootgelegd en opheldering gevraagd had? Ook tegenover den oom had hij behooren te zijn ’tgeen hij elders is: kordaat en onafhankelijk. Het gold Jacoba’s gezondheid in de eerste, het gold zijn huiselijk geluk in de tweede plaats.

—Oom, indien gij Jacoba spoedig wilt zien herstellen dan moet ik haar geheel als mijn patiënt behandelen, anders sta ik u voor de gevolgen niet in. [122]

—Oom, indien gij tegen mijn Eva zijt ingenomen, en niet van plan om haar de vriendschap en hartelijkheid te betoonen, zooals ik die steeds van u ontvangen mocht, dan is het beter dat wij elkander niet meer zien, want, ofschoon ik u eeren zal en lief hebben zoolang ik leef,—man en vrouw zijn één.—Zie, zóó had hij behooren te spreken; of althans in dien geest. En nu, is het niet onvoorzichtig dat hij zijn Eva met hare grieven, laat komen voor den man, die wel eens een zeer hoogen toon kon voeren, die niet gewoon is zijn minder gunstig oordeel te verzwijgen, en vooral niet wanneer men zich op een hoogte tegenover hem stelt, of—zij het op zachte wijze—hem ter verantwoording zou willen roepen?

—En is August dan zeker dat Eva geen woord zal spreken ’t welk den oom.....?

“Nee, nóg niet,” zegt August snel, terwijl Eva’s voet reeds de onderste stoeptrede drukt: “Wacht, laten we liever nog eens hier om het huis naar den achterkant gaan. ’t Is daar zoo’n heerlijk plekje, en.... mij dunkt, nú vooral....”

Eva ziet hem vragend aan. Zij bemerkte terstond dat het August geen ernst met dat “heerlijke plekje” is; dat hij iets anders in ’t schild voert; dat hij aarzelt die stoep op te gaan.

“Is er zwarigheid August? Ik dacht dat oom mij zoo liefhad; ik meende dat je woord mij daar borg voor was. Hoe nu....?”

“Welzeker Eva, zeker! Maar ooms zorg voor Coba! Oom is goed, uitermate, maar....”

“Maar.... hij heeft aan mij den oorlog verklaard. Jawel, en daarom aarzel je nu.”

“Nee Eva.”

“Enfin, we zullen zien.”

En de huisschel klonk luid in de breede marmeren gang.

Ofschoon Hendrik op uitdrukkelijk verlangen van mijnheer en mevrouw Helmond, hen eerst had aangemeld, zoo was er toch bij hun binnentreden op Van Barnevelds gelaat, terwijl hij langzaam opstaande het naderende echtpaar een paar schreden tegemoet ging, een uitdrukking te bespeuren als van iemand die niet recht weet wie hij de eer heeft.... te zien, of aan welke omstandigheid hij een onverwacht, maar daarom nog juist geen aangenaam bezoek is verschuldigd.

“Eva had een groot verlangen om eens hierheen te wandelen oom, en als ’t ware haar entrée op De Zonsberg te maken;”, zegt August terwijl hij den generaal de hand reikt, en vervolgt: “Nu toch de staat van beleg hier is opgeheven, konden wij er gerust aan voldoen. ’t Was er heerlijk weer voor. Hoe gaat het oom?”

Er was iets gekunstelds in den toon van dokter Helmond.

“Dankje August.—Aha nicht, hoe vaarje?” zegt Van Barneveld en drukt Eva’s hand die in keurig licht glacé is gesloten: “Ga zitten.—Tante Hermine is juist met Coba naar boven gegaan. Kh’m! Wat meende je met “staat van beleg”?”

“Och.... u hadt immers te kennen gegeven dat het beter was indien Eva nog een acht dagen wachtte met hier te komen; en, daar die acht dagen nu juist om zijn....” [123]

“Ei zóó! heb ik acht dagen gezegd? Zoo!”

“’t Was misschien uw bedoeling mijnheer Van Barneveld, dat ik....”

August, vreezend dat Eva reeds terstond in vuur zal geraken, valt haastig in:

“’t Was uw bedoeling dat we om Coba’s ongesteldheid, vooreerst niet al te druk zouden komen. Maar, nu alles zoo bijzonder naar wensch gaat, nu meende ik dat het zelfs goed voor haar zou wezen wanneer we ons eens tezamen vertoonden. Wat mij betreft, ik verlang naar Coba, want de beide keeren dat ik in de verloopen week hier was, mocht ik wel heel aangenaam met u de plaats doorwandelen, maar mijn zusje zag ik niet, om redenen....”

“Om zeer natuurlijke redenen August.”

“Ik moest ze billijken oom, tenminste als.... broer; maar, als dokter niet.”

“We hebben datzelfde punt eergisteren op die wandeling met een enkel woord behandeld. Voor ’t oogenblik acht ik het minder gepast. ’t Is niet noodig je te zeggen dat ik je graag zie hierkomen; maar, indien het naar mijn overtuiging beter is dat Coba vooreerst in haar zeer dagelijksche omgeving blijft—terwijl ik er bijvoeg dat ze voor ’t overige zeer zeer wel is, dan, dunkt me, moest men niet aandringen op.... op ontmoetingen....”

“Maar wie, wie dringt er....?” zegt Eva snel; doch August valt in:

“Een misverstand oom; wij dringen daar volstrekt niet op aan, al zouden we ’t gaarne wenschen. Is het uw bepaalde wil dat Coba vooreerst—vergun me de opmerking: tegen ’t advies van haar dokter—in ’t geheel geen menschen zien zal, dan moet dat gebeuren! dan blijven zelfs wij op den achtergrond, maar niewaar, als we ’t vooraf doen weten, dan zijn we toch immers bij ú altijd van harte welkom?”

“Dit is een vraag August, waarop geen antwoord behoeft. Zooeven heb ik nog gezegd dat ik je gaarne zie komen; maar....”

Maar.... menheer Van Barneveld,” zegt Eva met kwalijk bedekte spijt: “wanneer de vrouw van den geliefden neef blieft thuis te blijven, niewaar?”

“Beste Eva!” zegt August merkbaar ontsteld. En dan: “Ja ziet u oom....”

Maar Van Barneveld begrijpt dat hij alles zeer goed heeft doorzien en nog doorziet.

Immers, bij alles wat hem vroeger tegen ’t huwelijk van August met Eva Armelo heeft gestemd, kwam nu nog het pijnlijke, schier tot zekerheid geklommen vermoeden der laatste dagen, dat diezelfde schoone vrouw de oorzaak is van het zielelijden zijner eenige teergeliefde dochter.—Op lossen grond meent hij niet te oordeelen. Zuster Hermine heeft hem getoond dat zij als vrouw, scherper blik bezat om een meisjeshart te doorgronden, dan zelfs de vader die zijn kind van der jeugd afaan als zijn oogappel heeft bewaakt. Had hem ook reeds een heimelijke vrees vervuld, vooral op den morgen toen Coba zooveel bezorgdheid toonde dat de brief, dien zij aan August had geschreven, door hem—haar eigen vader—zou geopend worden; [124]ach, toen zuster Hermine, nadat Coba stadwaarts was gegaan, hem een doormidden gescheurd papier ’twelk zij op Coba’s schrijftafel vond, had doen lezen, toen.... toen heeft hij wel moeten gelooven dat een steeds met kracht verborgen en nu hopelooze liefde voor August, zijn Coba lijden, en, zoo God het niet verhoedde, verkwijnen deed. Immers in haar gejaagden toestand heeft zij, waarschijnlijk ter juistere uitdrukking harer gevoelens een eerst begonnen brief terzij gelegd, en verzuimd de regels te vernietigen, die hem nu gedurig voor den geest staan:

“Beste August!

“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken op dien avond toen je mij zoo deelnemend ondervroeg....

Och, waarom moest ik huichelen; waarom verbergen wat mij verteert....”

Ja, de oude generaal—ofschoon hij ten deele op een dwaalspoor is geraakt—hij gelooft nu alles zeer duidelijk te doorzien. Welzeker: Hermine heeft gelijk. En al wil dan ook Coba zelve, de jonggehuwden, maar vooral August bij zich ontvangen, dat mag en kan vooreerst niet gebeuren. De zaak is van te teederen aard om er zelfs met Helmond anders dan zeer zeer vanverre over te spreken; en, zal Jacoba leven en behouden worden, dan moet men gelijktijdig met het versterken van haar zenuwgestel, alles vermijden, wat nieuw voedsel aan dien droeven hartstocht zou kunnen geven.

Na Eva’s laatsten uitval heeft Van Barneveld niet zonder groote zelfbeheersching zijn kalmte bewaard. Zulk een toon verdraagt hij niet, van niemand! Slechts de herinnering aan het gebeurde met den jongsten pleegzoon, maar tevens een snel herdenken van ’tgeen hij sprak op den trouwdag; het besef bovendien dat Eva wel inderdaad eenige reden had om zijn ingenomenheid met haar te mistrouwen, en zich nu gekrenkt te gevoelen; dit alles, gevoegd bij een aangeboren hoffelijkheid tegenover de schoone sekse—en Eva was immers zeer schoon—deed den generaal nu zich zelf met kracht beheerschen. Schijnbaar kalm, doch niet zonder klem zegt hij:

“Wanneer ik verzeker dat er voor de vrouw, die mijn neef gelukkig wil maken, een ruime plaats in mijn hart is, dan herhaal ik slechts wat ik vroeger sprak, en zou wel gaarne op mijn woord geloofd worden. De welgemeende zoen aan de vrouw van mijn pleegzoon op den dag van haar huwelijk gegeven, moest haar het bewijs zijn geweest van mijn.... welwillendheid.”

“Waarlijk oom, Eva is geheel van uw liefde overtuigd. Alleen de hooge prijs, dien zij op uw toegenegenheid stelt, deed haar zoo spreken, en daarom....”

“En daarom wil ik haar dan ook alleen maar vragen August: of het voortaan tusschen ons “mijnheer Van Barneveld en mevrouw Helmond” of “oom en nicht” zal wezen?” [125]

Voor Eva’s muzikaal gehoor heeft de toon waarop de oude generaal daar sprak, niets welluidends gehad noch iets dat haar roeren kon. De laatste terechtwijzende vraag heeft haar zelfs tamelijk schril in de ooren geklonken; nochtans voor dien uitdagenden blik, door de grauwe en zwaar vooruitkomende wenkbrauwen verdonkerd, slaat zij de oogen neer, en zegt:

“De ongewoonte.... oom; men kan zich vergissen.”

“Ik begreep het Eva, en geloof dat we elkaar op den duur hoe langer hoe beter begrijpen zullen.” Eensklaps zich tot August wendend: “Sedert gisteren heb ik besloten met Coba voor een paar maanden naar De Godesberg te gaan. Dat besluit zul je wel goedkeuren niewaar?”

“De koudwaterkuur heb ik zelf aanbevolen oom; maar....” August beziet schijnbaar zeer aandachtig de toppen zijner vingeren: “maar, zult u haar dáár zoo geheel kunnen isoleeren.... op een badplaats?”

Van Barneveld, die op raad van zuster Hermine dit besluit had genomen, heeft niet berekend dat men hem aanstonds op deze inconsequentie betrappen zou. Zich gevangen te gevoelen en door eigen schuld, het maakt den ouden generaal korzelig—narrig! zooals hij het zelf zou noemen:

“Ik meen dat men dáár zoowel als overal stil kan leven,” zegt hij tamelijk kortaf, en dan tot Eva wier donkere kijkers hem in deze oogenblikken bepaald hinderen: “Wil je zoo goed zijn nichtje, de honneurs van het theeblad op je te nemen? mijn zuster schijnt nog wat boven te blijven.”

“Zou mevrouw niet terugkomen.... oom?”

“Ik weet het niet; maar ’t is acht uur geslagen.”

Of deze opdracht Eva aangenaam is valt moeielijk te bepalen. Vluchtig denkt ze nochtans aan den morgen en het gebeurde met mevrouw Van Hake. De parelgrijze handschoenen trekt ze schielijk uit, en voldoet aan ooms.... bevel.

“En denkt u al spoedig te vertrekken?” vraagt August.

“Dat zal van het antwoord afhangen. Dezen morgen heb ik erheen geschreven.” Tot Eva, wier bewegingen hij onwillekeurig heeft gevolgd: “Ik geloof dat je de verkeerde bus hebt nichtje; in die grootere is de gewone thee, van de fijne doet Coba er tenminste gewoonlijk maar zeer weinig bij. We zijn onder ons.”

Deze oogenschijnlijk onbeduidende aanmerking klonk inderdaad wat vreemd uit den mond van den grijzen ex-generaal. August bracht haar echter onmiddellijk in verband met ooms vroegere opvatting omtrent Eva; en, heeft hij reeds gevoeld dat hun—of althans dat háár bezoek den oom geen welkom bezoek was, hij meent nu in die aanmerking een uit tegenzin geboren toeleg te zien om zijn Eva al dadelijk wat huishouden en zuinigheid te leeren. ’t Was ongepast; ’t was.... Maar neen, met de jaren kon zelfs een ex-generaal wel eens huishoudelijk worden. Oom meent het toch goed, al is hij door het onverwachte en niet gewenschte bezoek, al is hij om redenen, die August niet vermoeden kon, in een minder goede luim. Die aanmerking, zoowel als dat verzoek om thee te [126]schenken, getuigt dat hij Eva als “eigen”, als een lid zijner familie wil beschouwen.—Zijn vrouwtje vriendelijk toelonkend, zegt hij nu met eenige zelfoverwinning:

“Je woudt oom zeker eens een heel lekker kopje schenken, niewaar Eva?”

“Ik heb daar niet aan gedacht;” antwoordt Eva, over wier wang een snelle blos is gevlogen, en wat ze er zachter bijvoegt, gaat—gelukkig misschien—voor den oom verloren, want, Hendrik die mede licht binnenbrengt, heeft luide het bezoek aangekondigd van den majoor Kartenglimp.

Van Barneveld fronst even de wenkbrauwen.

Nog slechts weinige dagen geleden is hij heel toevallig met dien majoor Kartenglimp in aanraking gekomen. Bij een wandeling in het Hoenderveldsche bosch, op een afgelegen pad, heeft hij hem voor ’t eerst ontmoet, en het vallen van een dooden tak, die, volgens den majoor, door het gevecht van een kraai en een lijster was afgebroken, en juist tusschen de beide wandelaars is neergekomen, heeft hen eenige woorden doen wisselen. Met de meeste belangstelling had de majoor toen aanstonds naar juffrouw Van Barneveld geïnformeerd, terwijl hij schier in één adem de bijzondere capaciteiten van Dokter Helmond heeft geroemd, dewijl hij hem—Kartenglimp—van een ernstige ongesteldheid zoo spoedig en radicaal genezen had.

Van Barneveld heeft bij die ontmoeting in stilte een zeker leedwezen gevoeld dat een opvatting, een mindere sympathie voor ’t uiterlijk van dien man, hem lomp heeft doen zijn, dewijl hij hem—volgens stadsgebruik—bij zijn komst in Romphuizen een visite had behooren te brengen, ’tgeen hij niet heeft gedaan.

Dat Kartenglimp hem, zonder eenige gevoeligheid daarover te toonen, in dat bosch zoo beleefd en respectueus heeft toegesproken, ’t moest den generaal wel aangenaam treffen. Immers hij werd toch te oud om zich door vooroordeelen te laten regeeren, of naar praatjes te luisteren, die waarschijnlijk in de kleinsteedsche sociëteit met de el waren uitgemeten. Inderdaad, die majoor was heel vriendelijk, en dewijl hij gezegd heeft dat hij bij zijn komst in de stad, als zooveel jonger in jaren en lager in rang, zeerzeker den generaal het eerst had behooren te complimenteeren, waaraan hij, beter laat dan nooit, nog gevolg hoopte te geven—zoo heeft Van Barneveld wel niet anders dan hoffelijk kunnen buigen, met de verzekering dat zijn bezoek hem zeer aangenaam zou zijn.

Maar, nu kwam hij toch bijzonder ongelegen.... of neen, misschien had die komst juist nú haar nuttige zijde. De majoor scheen spraakzaam, en met Dokter Helmond is hij bijzonder ingenomen.

Van dit laatste was August in ’t geheel niet overtuigd. Twee malen na zijn terugkomst van de reis, heeft hij getracht den majoor te bezoeken, maar telkens was de patiënt niet thuis, en ’tgeen Van Hake hem heeft gezegd, en wat men later van Kartenglimps waardeering verhaald had, ’t is niet geschikt geweest om hem van ’s mans ingenomenheid met zijn persoon een hoog denkbeeld te geven. [127]

—Doch zie, ’t bleek alweer dat men de woorden van een patiënt die wat bang voor vriend Hein is, niet al te letterlijk moest opvatten, en, dat de later uitgestrooide praatjes eenvoudig Kippelaanspraatjes zijn geweest. Althans nadat Kartenglimp mevrouw Helmond en den generaal begroet en naar de gezondheid van juffrouw Van Barneveld heeft gevraagd, drukt hij zijn dokter met warmte de hand. Met een klein excuus over “dat telegrafeeren”, ’tgeen hij zegt volkomen juist door dokter te zijn opgevat en beantwoord—buigt hij nogmaals voor Eva, en terwijl hij haar, na een sierlijke geste, met de zeer belangrijke lotsverwisseling van harte gelukwenscht—iets, waarin hij vroeger door zijn ziekte is verhinderd geworden, en waarmee hij nu gemeend heeft te moeten wachten totdat de familie geheel op orde zou zijn—neemt hij toch alvast met veel genoegen deze bijzondere gelegenheid te baat, om zich ook in mevrouw Helmonds vriendschap ten zeerste aan te bevelen.

Dat klonk heel anders dan Helmond verwacht heeft. Niet, dat al de mooie woorden van den majoor bij hem als bewijzen van hartelijke belangstelling golden, terwijl Kartenglimps persoonlijkheid hem nooit bijzonder heeft aangetrokken, zoo kon het hem toch niet anders dan aangenaam zijn te mogen bemerken dat Kartenglimp niets tegen hem had, en, wat men van zijn grieven verhaalde, slechts uitstrooisels zijn geweest.

Nu de majoor zijn excusen heeft gemaakt dat dit eerste bezoek een avondbezoek is, waarvoor hij echter verschoonende redenen bijbrengt, wordt de ontmoeting in het Hoenderveldsche bosch als de aanleiding er toe herdacht. De majoor beweert dat het waarlijk origineel is dat het vallen van een dooden tak moest meewerken om hem een lang verzuimden plicht te doen herstellen—althans voor zooveel dit mogelijk was—want ja, “ja waarlijk generaal,” zoo besloot hij: “’t was mijn plicht als oud-militair om het eerst bij u mijn opwachting te maken.

Van Barneveld beantwoordde deze herhaling van Kartenglimps beleefdheid met een welwillende geste, en wilde juist vragen of de majoor inderdaad goed had gezien dat een kraai, telkens het nest van den lijster voorbijscherend, een sterken vleugelslag aan den wakkeren verdediger gaf, waardoor in ’t eind het doode stuk tak moest zijn afgebroken; toen Eva, zich over het theeblad vooroverbuigend, zacht maar toch goed verstaanbaar de vraag tot hem richtte: of oom verlangde dat ze ook nu—met het bezoek van.... mijnheer!—maar alleen van de goedkoope thee zou gebruiken?

Van Barneveld schijnt haar niet te verstaan, althans zonder te antwoorden wendt hij zich met zijn vraag—welke hem echter eensklaps geheel onverschillig is geworden—tot den majoor. Deze heeft met een oogopslag een zeer verschillende uitdrukking op de drie aangezichten gelezen, en tevens bemerkt dat Helmond, die zeer nabij zijn vrouw was gezeten, haar snel maar zacht met de knie heeft aangestooten.

“Jawel je excellentie, ik heb dat zeer goed gezien. Door het breken van den tak—zooals wij zagen juist een paar vingerbreed [128]vóór het nest—is de kraai zeer verschrikt weggevlogen, en niet teruggekomen, tenminste zoolang wij er waren.”

“Ahzoo, ja juist; ’t deed me plezier dat het nest niet mee naar omlaag kwam;” zegt de generaal, en kan zich niet weerhouden om tegelijkertijd een zijdelingschen blik op Eva te werpen.

“Zeker generaal, recht gelukkig!” zegt Kartenglimp, en dan, zich tot Eva wendend, terwijl hij zijn donkere oogen slechts bij tusschenpoozen op haar bekoorlijke trekken gevestigd houdt:

“De eerste maal dat ik u vluchtig mocht ontmoeten, waart u zeer ongesteld mevrouw. Zeker had de Haagsche lucht u geen goed gedaan. Er is, als ik ’t zeggen mag, bepaald eenige sympathie tusschen ons: die kille temperatuur in den Haag was mij—vooral omdat ik uit Indië kwam—mede zeer onaangenaam, en, dat wij beiden onze spoedige herstelling aan denzelfden vriend te danken hebben, nietwaar....?”

“Dan toch altijd naast God,” zegt Van Barneveld, die in geen stemming verkeert om “menschenvergoding” te dulden, en nog twee malen als tersluiks een blik langs de groote moderateurlamp op Eva geworpen heeft.

“Natuurlijk, natuurlijk je excellentie, we erkennen dat stilzwijgend.—En wat ziet mevrouw er geheel anders uit dan toen. Dat was in Maart als ik me niet bedrieg. Men scheen destijds eenigszins bevreesd te zijn..... nietwaar? Tenminste onze goede vriend Donerie sprak er, indien ik mij wel herinner, met de meeste belangstelling over. Ja waarlijk, ik moet zeggen, dokter heeft er alle eer van.... althans naast God.”

De laatste woorden klonken den generaal, uit dien mond, zeer zonderling gemaakt in de ooren.

Helmond zegt dat Eva inderdaad tegenwoordig gezonder is dan ooit, en te hopen dat het doktersvrouwtje een uithangbord voor de affaire zal blijven.

De majoor merkt met bescheidenheid aan dat dit beeld van den dokter, voor zijn jonge vrouw niet al te flatteus is; maar hij gelooft niet dat dokter Helmond inderdaad een zoo schitterend uithangbord zal behoeven; men beweert immers met recht dat het den neef van den generaal Van Barneveld niet zoo bijzonder ernst met een al te uitgebreide praktijk kan wezen; zijn jonge vrouw en de geëerde familie van De Zonsberg zouden daar zeker nog al op tegen hebben.

“In ’t geheel niet!” zegt Van Barneveld snel en met klem: “Het kan de vrouw en de familie van mijn neef niet anders dan aangenaam wezen wanneer de zieken die er zijn en geneeskundige hulp verlangen, hem, zooveel mogelijk, hun vertrouwen schenken. De schoorsteen zal ervan moeten rooken.”

De majoor Kartenglimp lacht bescheiden met ongeloovig ophalen der wenkbrauwen; en, heeft hij al straks bemerkt dat de jonge vrouw den blik van haar oom zocht te ontwijken, nu zag hij bij diens laatste woorden een donkere blos haar gelaat overtrekken.

Helmond weet met tact het gesprek een andere wending te [129]geven. Zelfs Eva, door de spraakzaamheid van den galanten majoor daartoe uitgelokt, mengt er zich een enkele maal in, en was op het punt haar bittere grieven te vergeten—want de “hatelijke woorden” van Helmonds pleegvader en “de verregaande schrielheid van dien nabob in zijn somber paleis” hebben haar als een doorn in het hart gestoken—toen Kartenglimp de eenvoudige vraag tot haar richtte: of zij zich in haar nieuwe woning reeds wat thuis gevoelde.

Eva aarzelde een oogenblik, maar toen, bemerkend dat Helmond het antwoord wilde geven, zegt ze snel met kwalijk verborgen wrevel:

“Ik zou onoprecht zijn majoor, wanneer ik zei dat het huis mij bevalt. ’t Is er somber en gedrukt. Aan de voorzij zit men achter een dijk, en aan de.....”

“Ja, aan de straatzijde valt zeker niet veel te zien;” zegt Kartenglimp hoofdknikkend.

“Maar we zien er elkaar, niewaar wijfjelief?” valt Helmond in: “en dat is ons ’t voornaamste. Aan een huis moet men wennen evenals aan een nieuw kleedingstuk.”

“Als het kleed niet past August, dan zendt men het terug.”

Kartenglimp geeft hoofdknikkend het teeken dat hij de opmerking der jonge mevrouw zeer ad-rem vindt.

“Men had al gezegd dat u de woning aan den wal zoudt verlaten om het leegstaande huis op de markt ervoor in plaats te nemen. Ik geloof generaal, dat de jonge mevrouw in het zoogenaamde oud-burgemeestershuis meer haar aisances zou gevonden hebben.—Nog altijd te koop je excellentie.”

Op Eva’s gelaat was—voor wie in haar ziel had gelezen—een oogenblik van triumf te bespeuren.

Van Barneveld die bij het hooren van den majoor, telkens sterker den tegenzin voelde herleven, welke vroeger door dat brutale donkere oog en de vreemde plooi om dien mond bij hem was opgewekt, meende, ondanks den strijd, dien hij inwendig moest voeren, dat het zijn plicht was om vis-à-vis dien man door geen enkel woord meer te verraden dat de harmonie tusschen hem en de jonge echtgenooten nog iets te wenschen overliet.

“Ja juist majoor, dat huis is nog te koop, maar ik geloof niet dat mijn neef er plan op heeft. Is ’t wel August?”

Nadat Helmond ontkend, en Kartonglimp Eva’s vraag betreffende zijn verkiezing van suiker en melk in de thee met een bijzondere hoffelijkheid heeft beantwoord—waarbij hij haar voor ’t eerst rechtstreeks in de schoone oogen zag; na een snellen blik dien de generaal zijn neef heeft toegeworpen en waarmee hij dien bezoeker als geenszins van zijn gading, zocht te teekenen, zegt Eva tamelijk zacht maar toch met nadruk:

“U gebruikt zeker geen suiker in de thee.... oom?”

Kartenglimps oogen waren naar het fraai gestukadoorde plafond gekeerd, maar toch heeft hij op het hooge voorhoofd van den oom een trilling gezien als die van den effen vloed, wanneer een geworpen [130]steen hem beroert, terwijl hem evenmin de half angstige half verwijtende blik van den jongen man is ontgaan, de blik waarmee hij als ’t ware zijn Eva smeekte om toch niet roekeloos vonken naar buskruit te werpen.


“Maar ik begrijp volstrekt niet tante, waarom ik niet naar beneden zou gaan; we weten nu immers dat het August en Eva zijn die zich lieten aandienen,” zegt Jacoba terwijl ze mevrouw Mansburg met haar zachte oogen vriendelijk aanziet: “Wat zou mij nu meer goed kunnen doen dan eens met mijn besten August te praten, al moet ik hem ook beknorren dat hij de geheele week nog niet naar mij omzag.”

“Papa vindt het beter dat je alle mogelijke drukte vermijdt Coba, je weet het, en daarom....”

“Als papa geweten had wie het waren, die door Hendrik werden binnengelaten, dan had hij mij zeker niet verzocht naar boven te gaan.”

“Ik geloof het wel Coba; maar we zitten hier immers ook heel prettig en gezellig op je lieve kamer. Tante zal heel graag bij je blijven.”

—O die vermoeiende goedheid! zucht Coba bij zich zelve. Ja, tante Hermine is inderdaad een voorbeeld van deelnemende liefde; maar deelneming kan ook zoo bitter drukkend worden, en inzonderheid wanneer men telkens middelen ter genezing komt aanwenden, terwijl de wonde niet meer te heelen is.

—Neen, de wonde aan het hart is niet meer te heelen; maar Gode zij dank, indien men haar nu rustig liet, en niet zoo telkens pijnigde door haar aan zich zelve te herinneren, en af te houden van hen, die haar nog lief zijn op de wereld, ja, dan gevoelt ze wel dat het zwakke lichaam langzamerhand zijn vroegere veerkracht zal hernemen, en dat ze weer zal kunnen leven, geheel en al, voor den beminden vader. O voorzeker, nu God zelf met den dood is tusschenbeiden getreden, nu moest ze het wel verstaan dat ze een dwaas, misschien een zondig kind is geweest. Het voegt immers een meisje niet om in stilte lief te hebben; om in stilte te wenschen—te bidden aan God misschien—dat de edele jongeling haar zal kiezen tot de gezellin van zijn leven....? Maar immers nooit, neen nooit, door woord noch blik, heeft zij verraden wat daar woelde en soms zoo pijnlijk brandde in de borst. God is haar getuige hoe zij fel heeft gestreden, en reeds den strijd had gewonnen; hoe ze Herman Donerie in ’t eind heeft beschouwd als een vriend, en de tijd reeds gekomen was dat ze hem naderen zag en gaan, niet slechts met een kalmen blik, maar ook met een rustig hart.

—Toen is de dreigende wolk komen opzetten.

—Herman Donerie—zoo luidde het—was ongesteld. Ja toch, hij kwam nog les geven; maar hij zag zeer bleek; en toen, toen is hij niet teruggekomen; en, nú eens heeft men gezegd dat hij zeer ziek, en dan weer dat hij geheel beter was. En zij is in een vreemde [131]spanning en tweestrijd geraakt. Somwijlen was het alsof de borst haar te eng werd, alsof hoofd en hart werden saamgenepen.

—Maar Goddank! op dien morgen van regen en storm, toen heeft ze in de kerk toch gehoord dat Donerie’s kracht niet was gebroken. Heerlijke dag van Helmonds trouwverbond: Hermans volle orgeltonen zijn als koele droppelen gevallen op den dorstenden bodem van haar hart. Ja, die dag was haar een dag van zegen: ze kon haar vrienden een blij gelaat toonen.

—Maar ach! kort daarna is het zeer duister geworden.—En toen; neen ’t is haar niet mogelijk geweest om haar goeden vader, hoe innig lief ze hem had, een blik in haar hart te laten slaan, zelfs niet nu de dood voor altijd een scheiding heeft gemaakt tusschen dien jongen “muziekmeester” en Jacoba Van Barneveld. Immers het geringste woord van verwijt of zelfs een enkele uitdrukking in tegenspraak met de stille vereering, die zij den geliefden doode bleef toewijden, zou haar een wreede dolksteek zijn geweest, en had een scheidsmuur kunnen opwerpen tusschen haar en den lieven, haar zoo innig dierbaren vader.

En, als ze dan zelfs aan dien beminden grijsaard de oorzaak van haar zenuwlijden niet openbaren kan, hoe zal ze dan tot iemand anders—bijvoorbeeld tot een tante Hermine—daarover spreken! Maar dit laatste is haar ook geen oogenblik met ernst in de gedachte gekomen. Wat ze gewenscht en gedroomd heeft met een schuldeloos hart, zij zal het met zich nemen in het zwijgende graf. Neen, zelfs August, voor wien ze in die dagen van hevige spanning, bijna haar hart had uitgestort, of die, zoo Herman nog langer met den dood had moeten worstelen, de waarheid wel in haar oog zou hebben gelezen, ook hij zal nimmer vernemen wat haar heeft beroerd. Maar tóch, ze zou hem nu zoo graag eens spreken, haar lieven broeder!

“Ben ie nu weer verdrietig goede Coba, omdat ik je tot je bestwil raad, geheel in overeenstemming met je pa? Jawel, ik zie het aan je oogen, je bent er verdrietig om.”

“Wel mogelijk tante, maar ofschoon ik herhaal dat ik ’t veel beter voor mij zou vinden, indien ik nu bijvoorbeeld beneden kon wezen, zoo moet ik mij onderwerpen. ’t Is vreemd dat pa het zoo geheel met u eens is.”

“Nee, niet vreemd Coba, in ’t geheel niet....”

“En waarom dan toch tante?”

“Waarom....? Wel lieve kind, weet je dan niet dat je na dien schrik—nee nee, ik spreek er niet van, ik wil alleen maar zeggen dat menheer Van Hake toen al dadelijk rust en vermijding van alle drukte heeft aanbevolen. Helmonds vrouw is bijzonder levendig, en je zoudt zeker een slechten nacht hebben indien je zoo van allerlei moest hooren, en over alles zoudt meespreken misschien.”

Jacoba antwoord niet meer.

Tante Hermine is er blij om. Op uitdrukkelijk verlangen van broeder Alexander, mag zij zelfs in de verste verte niet laten doorschemeren dat men de allerdroevigste oorzaak van Coba’s toestand heeft ontdekt. ’t Zou voor het arme kind, dat zich tot zelfs op den [132]dag van Helmonds huwelijk zoo boven alle beschrijving krachtig heeft gehouden, misschien de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De zwaarste strijd was nu zonder twijfel gestreden. ’t Zal haar triumf wezen dat ze geheel alleen haar smart heeft gedragen, en, moest men dus alles in ’t werk stellen om te voorkomen dat de wond, die vermoedelijk reeds aan ’t heelen was, telkens weer door een vertrouwelijken omgang met den vriend werd opengereten; in geen geval moest men die wonde nog geweldiger aandoen door Coba te toonen, dat het bitter geheim van haar schuldeloos hart geen geheim was gebleven.

Met zulke overleggingen uit een valsch vermoeden ontstaan, moest Coba’s zwijgen der goede dame wel genoegen doen.

—Het lieve kind gevoelt in stilte dat we haar ten beste raden, denkt ze, terwijl ze Coba vriendelijk toeknikt, om vervolgens alvorens de honderd en elfde rozet van haar sprei-deken te haken, een streng katoen, die erg in de war zat, te gaan afhaspelen.... Heel “prettig en gezellig” voor Coba.

Jacoba zweeg; de herinnering aan dien “schrik” heeft haar feller getroffen dan zij ’t zich zelve bekennen wil. Ja, dat was het laatste geweest; een schrikkelijk einde. Nóg ziet ze hem daar van verre; de zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden gilde: “Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!”

—De zijne....?

Jacoba voelt een inwendig beven.—Dat is niet goed; dat mag niet! Zij moet en wil immers krachtig zijn. Maar, hoe is dat mogelijk op den duur, wanneer men haar uit kwalijk begrepen voorzorg, niet als vroeger haar natuurlijken vrijen gang laat gaan; indien men haar hier van iedereen, zelfs van den lieven broeder terughoudt om nochtans—o zonderlinge tegenstrijdigheid—haar straks voor te spiegelen dat het leven aan een woelige badplaats haar weldadig zal zijn!

Inweerwil van tantes beweren dat papa het alles zoo goedvindt ja nadrukkelijk verkiest, gelooft Coba dat het inderdaad tante Hermine is die, ofschoon met de beste bedoelingen, haar physiek en moreel te kerkeren zoekt.

In dit oogenblik heeft Coba een onweerstaanbare behoefte om uit dien kerker bevrijd te worden.

En, de goede papa zal er niet tegen zijn.

“De lust om August eens weer te zien tante, bekruipt me zóó sterk dat ik ze beneden nu toch maar eens even verrassen wilde;” zegt Jacoba terwijl ze eensklaps opstaat.

“Jacoba-lief, dat kan niet; heusch dat zou onverstandig wezen;” antwoord mevrouw Mansburg ontsteld.

“Ieder mensch heeft wel eens zijn onverstandige buien tante. Nee, weerhoud mij niet. Mocht het minder goed voor me zijn, welnu dan moet ik er zelve de gevolgen van ondervinden. Maar, geen nood lieve tante.” [133]

De belangstellende dame, die haar nichtje op hartelijken toon tot andere gedachte zoekt te brengen, terwijl ze haar zachtkens met papa’s misnoegen dreigt, vreest reeds dat ze op die wijze niets winnen zal, toen het klinken der huisschel haar eensklaps een krachtiger wapen in handen gaf.

—Nietwaar, dat bezoek van een vreemde zou Jacoba nu wel van besluit doen veranderen?

“Dat is te zeggen tante; als het dan waarlijk beter zal zijn dat ik niet naar binnen ga, dan wilde ik August laten vragen of hij bij mij wil komen. Ik verlang zoo naar August.”

—Arm kind! zucht de oude dame bij zich zelve. Maar nú vooral moet tante zich kranig toonen, en het klinkt schier bevelend:

“Jacoba, je doodelijke bleekheid en je opgewonden stemming ontraden je bepaald om iemand te zien van avond.”

“Maar als ik nu gevoel dat juist een gesprek met August mij weldadig zal wezen, omdat hij mij goeden raad zal geven lieve tante, zoudt u mij dan nog ontraden of verhinderen een consult met mijn dokter te nemen?”

Haar dokter! dat arme kind!

“Maar Coba, Alexander..... je pa.... hij zal....”

“U voelt toch wel tante, dat niets ter wereld mijn gestel zoo nadeelig moet zijn als het gemis van mijn vrijheid. Ik heb nu een gevoel alsof ik een onschuldig-gevangene ben.... en dat ú....”

“En dat ik....”

“Nee tante, zoo bedoel ik het niet. U bij een gevangenbewaarder te vergelijken dat zou toch wat al te dwaas en onvriendelijk zijn. Ik weet wel dat u alleen uit belangstellende liefde handelt”—Op zoeten toon: “Maar beste tante, ik wilde August zoo heel heel graag eens even spreken; iets vragen....?”

—Arm, arm kind! denkt de dame. Wat bitter zielelijden moet dat toch wezen! Niet slechts den geliefde gelukkig te weten aan de zij eener andere; maar, nu zoo nabij hem in dezelfde woning te zijn, en hem niet te kunnen zien of spreken; weerhouden te worden door een tante die.... Maar neen, zij is geen gevangenbewaarster, dat is een ondraaglijk denkbeeld! Heeft zij dan geen medelijden met zulk een lief en teeder, maar ongelukkig kind....?

Ofschoon mevrouw Mansburg zelve aan haar broeder den goeden raad—en zonder eenig voorbehoud—heeft gegeven, dat men Coba toch alle gelegenheid zou benemen om August, en vooral afzonderlijk, te ontmoeten, zoo hebben Coba’s laatste woorden een zonderlinge gevoeligheid bij haar opgewekt. Zij, zij wordt beschouwd als een gevangenbewaarster, als iemand met een sleutelbos en handboeien, en dat, ter bewaking—niet van een schuldig wezen, maar van een lieve arme lijderes, wier eenige misdaad het is geweest dat ze heeft bemind zonder wederbemind te worden. Een gevangenbewaarster! nog eens, dat denkbeeld is mevrouw Mansburg onverdraaglijk!

Juist op het oogenblik dat Eva van haar echtgenoot den half angstigen half verwijtenden blik ontving—nadat zij, toegevend [134]aan haar kwade luim, den generaal nogmaals op zoo weinig bedekte wijze deed gevoelen, dat ze hem van schrielheid verdacht, trad mevrouw Mansburg de kamer binnen.—Haar komst geeft een weldadige afleiding. Terwijl Kartenglimp en de jongelieden opstaan om haar te groeten, en Van Barneveld vluchtig den majoor aan zijn zuster voorstelt, vergeet hij—althans voor eenige oogenblikken—de “zonderling kwetsende maar toch waarschijnlijk verkeerd begrepen woorden van dat mooie duiveltje”—zooals hij Eva reeds bij zich zelven heeft genoemd—om aanstonds Hermines komst met Coba’s welstand in verband te brengen, en met inwendige onrust doch schijnbaar kalm te zeggen:

“Toch wél boven, Hermine?”

Mevrouw Mansburg geeft een zeer bevredigend antwoord. Zij heeft neef Helmond iets te vragen.

De vraag werd zacht gedaan.

Om niet onbescheiden te zijn, knoopt Kartenglimp een gesprek met Eva aan, over Parijs en muziek en zang.

Van Barneveld begrijpt niet welk een bijzondere vraag zijn zuster aan Helmond heeft te doen, en terwijl hij zijdelings het oog op haar mond houdt gevestigd, als wilde hij zien wat ze sprak, zegt hij nog eens:

“Is er misschien iets.... dat....?”

“Volstrekt niet Alexander. ’t Geldt mij zelve.” Zij wijst op haar hoofd.

—Hermine zal weer last van hoofdpijn hebben, en geen rust aleer ze met neef de heele apotheek is doorgewandeld, denkt de generaal: à la bonne heure!—Ei zie, daar schijnen nog meer confidenties te moeten plaats hebben.—Helmond zegt dat men hem even zal excuseeren.—Mevrouw Hermine groet het gezelschap—wel wat vreemd, enpassant, meent Van Barneveld—en beiden verlaten de kamer.

De herinnering aan Parijs heeft Eva’s kwade luim in een soort van overmoed doen ontaarden. Nu August de kamer verlaten had, nu was het alsof zij het geschikte oogenblik gekomen zag om den oom—al moest het in presentie van dien vreemde wezen—eens nadrukkelijk te doen gevoelen dat zij als Helmonds vrouw, ja zelfs als de nicht van den generaal Van Barneveld, zich op den duur niet ongestraft zal laten beleedigen.

Bij het luide roemen der genietingen in “die heerlijke stad”, moest het telkens uitkomen dat men dáár zooveel breeder en gezonder opvatting van het leven had dan hier in het “achterlijke Nederland”. ’t Was daar aan alles te zien dat men er het dwaze stelsel niet huldigde: om door ontbering of gemis te leeren waardeeren. Neen, men genoot er wat betamelijk was. Potters en schrapers vond men dan ook in Parijs, ja zelfs in geheel Frankrijk niet.—Monsieur De Musard had het zelf gezegd: Men leefde er, en liet er leven! De minste werkman dronk er zijn flesch wijn en niemand bespaarde er een vijffrankstuk tot na zijn dood, indien hij er de levenden mee vroolijk kon maken. [135]

Kartenglimp lachte gedurig zeer hoffelijk om de dikwijls niet onaardig klinkende phrasen van het jonge mooie vrouwtje, doch was tevens zoo vrij—met het oog op dien zwijgenden, meestal ernstig voor zich heen zienden generaal—om een paar malen beminnelijk met den vinger te dreigen, en iets van “Hollandsche degelijkheid” of “rijperen leeftijd” in ’t midden te brengen, terwijl hij zelfs ten slotte den generaal met een: “nietwaar je excellentie?” tot de bevestiging zijner meer degelijke gevoelens te bewegen zocht.

“O ja majoor! men kan dat alles uit een zeer verschillend oogpunt beschouwen;” heeft de generaal geantwoord, en de toon, waarop hij dat antwoord gaf, verried niets, of althans zeer weinig van hetgeen er omging in zijne borst. De man met een open rondborstig karakter heeft zeker den zwaarsten strijd om zijn toorn te bedwingen. En nochtans beheerschte Van Barneveld zich op waardige wijze.

Neen, die majoor, wiens gemaakte manieren, wiens vreemde hoffelijkheid en dikwijls zonderling vleiende toon hem hoe langer hoe meer tegenstonden, de man wiens bezoeken op De Zonsberg niet zullen herhaald worden,—hij zou geen getuige zijn van een scène de famille!

De oude generaal zal de waardigheid van zijn rang tegenover dien inférieur niet te grabbelen gooien, en zelfs in zijn tegenwoordigheid dat dartele kind een vernederende terechtwijzing besparen, hoewel ze die zeer noodzakelijk verdient.

Of Van Barnevelds opstaan, zijn vluchtig rechts en links zien alsof hij iets zocht, en daarop een tamelijk snel verlaten van de kamer, zonder hierover eenige verontschuldiging te hebben gemaakt, alleen op rekening van den inwendigen strijd moesten gesteld worden, of ook dat het lange wegblijven van August nogmaals zijn heimelijke onrust over Jacoba had opgewekt, zeker was het dat Eva, in het heengaan van dien oom, alweder geenszins het bewijs vond dat haar persoon en gezelschap hem zoo bijzonder lief waren, maar wel—en met heimelijk genoegen—dat zij het “inhalige van zijn karakter juist heeft beoordeeld, en dat haar zijdelings afgeschoten pijlen raak zijn geweest”.

Kartenglimp, die in een ondeelbaar oogenblik een flikkering van triumf in dat schoone oog heeft gezien, werpt nog een blik naar de nu weder gesloten deur, en maakt dan op bijzonder hoffelijken toon een half beschuldigende half verschoonende opmerking over het heengaan “der heeren”, maar zegt ten slotte, dat hij zich niet te beklagen heeft zoolang het lief gezelschap van mevrouw Helmond hem voor dat gemis blijft schadeloos stellen.

Eva had er nog niet aan gedacht, dat zij als ’t ware alleen is gelaten om dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze ziet hem na zijne vleiende woorden vluchtig doch met zekeren weerzin aan.

Straks heeft ze dien man een enkele maal gebruikt als.... den telegraafdraad, waarlangs men zijn gedachten aan het bedoelde adres zendt, als den biljartband, om van terzij een carambole te kunnen maken. Maar nu, nú heeft hij uitgediend! Zijn hoffelijkheid op dien [136]gemaakt fatsoenlijken toon, stuit haar tegen de borst. Ofschoon zij het heengaan van den oom—ook met het oog op dien vreemde—lomp en hatelijk vindt, het komt echter niet te pas dat die man er zoo op zinspelen durft; ’t voegt hem niet dat hij August, een der heeren noemt die het aan háár overlaten, om hem—dien man—“met haar lief gezelschap voor dat gemis schadeloos te stellen”.—Wat verbeeldt zich die oude dwaas! En mijnheer Van Barneveld? Denkt hij misschien dat Helmonds vrouw, omdat ze aanstonds toegaf en zich gewillig voor het theeblad plaatste, dat ze hier juffrouw van gezelschap of huishoudster is geworden?

Indien de heele familie, uit welke oorzaak dan ook, er geen bezwaar in ziet om de kamer te verlaten, en mijnheer Van Barneveld het zelfs niet noodzakelijk acht in ’t gezelschap van menschen te blijven, die hem bezoeken, dan voelt Eva zich wel ’t allerminst geroepen om de honneurs van zijn huis waar te nemen, en zal die majoor haar althans geen beletsel zijn om mede heen te gaan wanneer zij zulks verkiest.

“Oom begrijpt zeker niet waar Helmond blijft,” zegt ze snel, en dan, opstaande: “Ik vrees dat mijn nichtje weer minder is geworden.—U zult mij permitteeren....?”

Niet zonder verbazing en een vreemde plooi om den mond, ziet nu Kartenglimp die jonge schoone vrouw insgelijks en met haastigen tred de kamer verlaten. Ternauwernood smoort hij een verwensching terwijl hij haar naoogt; doch, niet zoodra is de deur achter haar gesloten en bevindt hij zich in die groote kamer geheel alleen, of hij weerhoudt den vloek niet, die hem op de lippen brandt, en balt hij zijn vuist, en verwenscht bij zich zelven een familie die zich niet ontziet om hem—den majoor Kartenglimp—als een kwajongen te behandelen....als een niets, als een nul!

Eensklaps—alsof een pijnlijke herinnering hem treft, fronst Kartenglimp de zwartgeverfde wenkbrauwen.—Ja.... indien men had vernomen....? Maar dat is onmogelijk.—Bij die toevallige ontmoeting in ’t bosch is het hem duidelijk gebleken dat ook de generaal met die zaak geheel onbekend was. En, hoe kon ’t hem, of iemand anders ook ter oore zijn gekomen! Hebben de vier officieren, die te Soerabaya in de zaak waren betrokken niet hun woord gegeven dat ze zwijgen zouden, en, althans zooveel mogelijk, de zaak geheim te houden of te smoren, indien hij terstond zijn ontslag uit den dienst wilde nemen, naar ’t moederland vertrekken en er zich nimmer in eenige garnizoensplaats vestigen zou? Neen, ’t is niet mogelijk dat die oud-kameraden hun woord hebben gebroken.—Dat zij hem steeds met hun dwazen haat vervolgen, en zelfs nog over den wijden oceaan het oog op hem gevestigd houden, ’t is hem gebleken toen hij te ’sGravenhage vóór zijn vertrek naar Romphuizen, dien scherpen brief ontving, met bevel om zich onmiddellijk uit de residentie te verwijderen, indien hij wenschte dat het voorgevallene onbekend bleef. Maar juist deze bedreiging is hem weder het bewijs geweest dat men, zonder aanleiding van zijn kant, het gegeven woord niet zou breken, en, dewijl hij nu het kleine Romphuizen—waar volstrekt [137]geen garnizoen was—tot zijn vaste woonplaats had gekozen, zoo is er immers van die zijde geen de minste reden tot vrees. Neen, zelfs hier heeft hij uit alle voorzichtigheid de conversatie met den oud-kapitein Armelo maar weinig gezocht, en er tot heden geen werk van gemaakt om den generaal te ontmoeten, ofschoon een verkeer met oud-officieren buiten een garnizoensplaats hem geenszins verboden was.—Verboden! ha! Zal hij zich dan nooit kunnen wreken op dat viertal, op dat ellendig eedgespan? Neen, elke poging ertoe zou slechts uitloopen op zijn eigen vernedering. ’t Ware het zekere middel om hem bekend te doen worden voor de geheele wereld, en zich gebannen te zien uit elken kring waar hij nu zijn genoegen vindt.

En toch, soms kookt en bruist het met geweld in zijn borst, en schept zijn wrekende verbeelding zich een schitterende zegepraal. Dan, dan ziet hij ze ginder.... dáár in een kleine ontredderde boot, meegesleurd door den woest opgezweepten oceaan, kampen met de schuimende golven.

En met den storm van zijn haat stuwt hij het zwakke vaartuig voort, door de felle branding naar gindsche klip, en ha! het stoot er in splinters vaneen, en—vier verminkte lijken, gebeukt tegen de naakte rots, ze worden door ’t schuim bedolven.

Of ook:

Zie, daar ginder snellen ze voort, met opgeblazen moed; ze zullen een vijandelijke benting bestormen. Maar stil, stil! een hinderlaag, kunstig met bamboes en palm en aarde bedekt, ze schuilt daar weg op hun pad als een adder onder ’t gras. En zie, daar stormen ze heen; ze bereiken de plek. Ha! met dreunenden doffen klank storten er vier neder op de spiesen en palissaden, en, gillende kreten stijgen er op uit de diepten waar ’t bloed spat in ’t ronde.

—Doch, wat baat hem zulk een gewaande wraak? Staat hij niet machteloos tegenover hun geweld?

—Maar hier, waar men Kartenglimp slechts kent als den gepensioneerden majoor; waar men hem de eer aan zijn rang is verschuldigd, hier kan en zal hij zich wreken zoo men beleedigen durft!

—Opgestaan, met de linkerhand op den stoelknop gedrukt, balt de majoor nu nogmaals de vuist, en vlamt zijn oog de kamer in ’t rond. Zie, een bijna levensgroot portret van den generaal treft eensklaps zijn blik, en uit den halfdonkeren toon aan den wand ziet het hem met wijd geopende oogen gestreng en onbeweeglijk aan.

Dat oog, zoo doordringend op hem gericht, hij weerstaat het niet. Wanneer zulk een blik hem in de werkelijkheid trof, het zou hem zijn alsof men hem had doorgrond, alsof men hem kende als den man, “onwaardig den degen te dragen, onwaardig zelfs den naam uit te spreken van een fatsoenlijke vrouw”.

—Maar dat is gelogen! Indien er werkelijk vrouwen zijn die zulk een schoonen naam verdienen, die eerzamen, ze hebben zich nooit over hem te beklagen gehad. En wat het eerste betreft, heeft hij dan in den Bandjermassinschen krijg den dood niet onder de oogen gezien? ’t is waar, steeds goed gedekt, met de rumflesch terzij en [138]de zweetdroppels op het aangezicht, maar “’t gaat er immers duizenden zóó”!—Wie wil sterven!? Niemand! De krankzinnige alleen, omdat hij.... krankzinnig is; of de grijsaard misschien omdat zijn levenslust vervloog en hij niet meer genieten kan.

—Maar hij—Kartenglimp—hij wil leven en genieten zoolang het hem mogelijk is. En daarom ook, ofschoon dokter Helmond zijn wrok heeft gewekt, hij zal hem nu te vriend houden. Immers dat niet terugkomen na het ontvangen van het telegram, ’t heeft juist bij de uitkomst bewezen hoe goed hij zijn gestel reeds kende, en dat hij een uitmuntend dokter is.—Ja hij, wil leven en genieten!—De ontdekking dat er door zijn verre vijanden geen scheidsmuur was geworpen tusschen hém en dien vermogenden luitenant-generaal; de zekerheid dat hij nu welwillend op De Zonsberg zou worden ontvangen; de hoop in ’t eind dat men hem in dien kring zou waardeeren en trekken; dat hij er dikwijls de schoone doktersvrouw ontmoeten, en met de jonge teedere erfgename op een goeden voet zal komen, dat alles heeft hem met zonderlingen glans in ’t oog geblonken. Ha, nu zou hij voortaan den rechten toon wel treffen. Ofschoon nog jong van hart en van kracht, men werd toch wat kalmer met de jaren. Welzeker, die Zonsberg zou voor hem een bron worden van genot, en de vriendschap van den generaal wel mogelijk meteen het bolwerk tegen “valsche geruchten”.

Schuin terzij ziende, ontmoet Kartenglimp nu nogmaals dien strengen blik aan den wand.

—En moet die blik nu de bevestiging zijn dat hij heeft misgerekend; de bevestiging van ’tgeen hij inderdaad inweerwil van zijn gekoesterde verwachting, sedert het eerste oogenblik zijner komst in dit sombere vertrek, als onwillekeurig gevoelde, namelijk: dat zijn bezoek een onwelkom bezoek, en zijn hoop op de vriendschap in dit huis een illusie was?

—’t Zij zoo; de tijd moet het leeren; men kan zich bedriegen; maar, indien dát waar is, dan—en een zware vervloeking knoerpt er tusschen zijn blank gebit—dan, ja, dan heeft de duivel reeds zelf voor brandstof gezorgd.—De wauwelaar van het stadje had ditmaal toch waarheid gesproken. Kartenglimp heeft het nu zelf gezien: het vuur ligt te smeulen; soms spat het al vonken, en—langs de palm van zijn hand behoeft hij onbespied slechts zachtkens te blazen om den breeden vuurstroom te doen opgaan. Ha, dat zou een lust zijn om te aanschouwen; en in ’t eind zal hij van verre zich zelf nog kunnen koesteren aan den fellen gloed! Ha!

Kartenglimp schrikt.—Eensklaps werd de deur geopend en de vrouw aan wie hij daar juist heeft gedacht, trad onverzeld de kamer weer binnen.

Straks in de marmeren gang gekomen, heeft Eva—die zich in de woning van haar nieuwen oom nog op vreemd terrein bevond—inderdaad niet geweten waarheen ze zich begeven zou. Ze heeft rechts en links gezien, even aan de trap geluisterd, in de hoop dat August komen mocht, en, terwijl ze nog luisterend op het koele marmer staarde, is het haar eensklaps geworden alsof een looden [139]druk, een pijnlijk vuur haar van den boezem werd weggenomen. Ook nu heeft het betere in haar gesproken, ofschoon met zachte zoet-vleiende stem.—Zij is te ver gegaan!—Ja, maar veinzen dát kon ze ook niet, en dáárom heeft ze den oom moeten toonen wie hij aan Eva hebben zou en hoe ze hem beoordeelt. Doch wanneer zijn plotseling heengaan, en zonder dat hij een enkel woord heeft gesproken, dan eens het bewijs mocht zijn dat ze haar doel had getroffen; wanneer de rijke oom nu inderdaad gevoeld heeft wat hij aan den geliefden neef is verschuldigd, en hoe de aangenomen houding tegenover Helmonds jonge vrouw hun aller leven niet anders dan verbitteren kon; indien het dan waar is dat hij door haar “overtuigende redenen” reeds zoo spoedig tot een mildere zienswijze geraakte, dan moest zij bij kalmer beschouwing wel leed gevoelen dat ze zich zoo weinig beheerschte. In tegenwoordigheid van een vreemde, vierde ze immers haar onwil den vrijen teugel; in het bijzijn van hem, die met zijn vorschend oog ongetwijfeld geheel haar toeleg doorzag, heeft ze Helmonds oom moedwillig vernederd.

Een vuurrood bedekte Eva’s gelaat.—Zij is te ver gegaan, veel te ver! Wát er mag wezen, de generaal Van Barneveld is ook haar oom.—En zal nu die vreemde—gekrenkt, dewijl men hem geheel alleen heeft gelaten—met den ontvangen indruk van hier gaan, om naar goedvinden te verhalen van ’tgeen hij ter kwader ure heeft opgevangen? Neen, dat kan en mag niet wezen; de gemaakte indruk moet worden uitgewischt; ze is het verplicht; en bovendien, de eer der familie is ook háár eer. Terug dan Eva, terug naar dien vreemde!

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Slechts met haar doel voor oogen bemerkte Eva bij haar binnentreden de plotselinge verwarring niet, die er op Kartenglimps gelaat was te lezen.

Alsof ze zich straks inderdaad met het voornemen had verwijderd om aanstonds terug te keeren, begeeft ze zich nu, met den snellen tred die zulks bewijzen moet, naar hare plaats, en ofschoon het haar de grootste moeite kost, vraagt ze tevens beleefd om verschooning dat ze mijnheer een oogenblik heeft alleen gelaten.

De overgang zijner zwarte of roodvlammende visioenen tot de onverwachte werkelijkheid van Eva’s verschijning, had Kartenglimp zoodanig verrast dat hij niet aanstonds een antwoord gereed heeft, maar nochtans in hetzelfde oogenblik een zeer sterk sprekenden trek van hoffelijkheid op zijn gelaat kan te voorschijn roepen.

En Eva zal nu trachten goed te maken wat ze met het oog op dien vreemde misdeed. [140]

Ze zegt te hopen dat mijnheer Kartenglimp de afwezigheid der heeren toch zal ten goede houden.—Neen, er is volstrekt geen gevaar; maar de lichte ongesteldheid van nicht Jacoba maakt oom Van Barneveld dikwijls zeer onrustig. Zeker zou hij echter zoo aanstonds terugkomen. Oom Van Barneveld en zijn dochter—zoo luidde het verder—ze waren met de innigste liefde aan elkander gehecht, en geen wonder, Jacoba was een goed zachtaardig meisje, terwijl oom—men behoefde er Helmond slechts naar te vragen—een door en door rechtschapen en edel mensch was, dien men zeerzeker liefkreeg op den duur.

Kartenglimp meende, met een goedwillig lachje, dat het altijd aangenaam was wanneer die duur niet te lang duurde. Er waren ook menschen, die men lief en beminnelijk vond van het eerste oogenblik dat men ze kennen leerde.

Juist omdat Eva de bedoeling zijner woorden giste, klonken ze haar in dezen stond zeer onaangenaam. Haar verheffing ten koste van den oom in diens afwezigheid, tooverde haar zijn beeld in waardiger trekken voor den geest dan het er tot nu toe gestaan had. Zonder haar overtuiging geweld aan te doen, voelde zij zich eensklaps gedrongen om den heer van De Zonsberg in het schoonste daglicht te plaatsen, en, met den lof van vrienden en vereerders op de lippen, haar geliefden August als ’t ware sprekend in te voeren, terwijl ze met de weinig doordachte verklaring besloot, dat haar schermutselingen met den oom op rekening moesten gesteld worden van haar ondeugende zucht om oude heeren te plagen, waarbij ze dan altijd de slechte gewoonte had om de zaken zoo sterk te kleuren als haar mogelijk was.

En mijnheer Kartenglimp begreep dat alles zeer goed, en was uitermate beleefd.


’t Is nog luttele minuten geleden dat Eva in de kamer terugkwam, maar ze duurden haar reeds verbazend lang. Nu ze haar schuld had geboet, nu kost het haar groote moeite om het gesprek met dien majoor te vervolgen. Toch zal ze volhouden, al dreigt ook de wrevel haar weer te overweldigen, dewijl de man wiens eer ze nu ophoudt, nog steeds op zich wachten laat.

Kartenglimp zoekt naar den juisten toon. Hij wenscht een goeden indruk bij het zonderlinge vrouwtje achter te laten, en, gevoelig voor zijn kleine hoffelijkheden is ze niet, ook dán niet wanneer hij haar buitengewone muziek- en zanggaven roemt, waarvan hij “zoo dikwijls met bewondering hoorde spreken”.—En—naar zijn lof over dokter Helmond hoort ze met zichtbaar welgevallen. Maar zie, een blosje kleurt haar gelaat, nu hij eensklaps, half vragend zegt: dat mijnheer haar vader immers nog een afstammeling is van het oud Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo? Hij had tot nog toe verzuimd den kapitein er eens naar te vragen.

Ofschoon Eva van die grafelijke familie niets anders wist dan dat ze moest bestaan hebben, zoo was het toch alsof een schok, maar vol zoete bedwelming haar getroffen had. Merkbaar in verwarring, [141]geeft ze ten antwoord dat ze.... ja.... gelooft, maar toch niet zeker durft zeggen;—en ze gevoelt terzelfdertijd den blos steeds hooger stijgen, en ’t wordt alsof vonken vuurs haar uit de oogen spatten. Dewijl verlegenheid bij Eva inderdaad een zeldzaam verschijnsel is, kwelt en drukt ze haar nu te sterker. Ze zou zich onzichtbaar willen maken in dezen stond. Ofschoon ze heimelijk hoopt dat men ’t minder aan haar zal kunnen bespeuren dan zij ’t zelve gevoelt, zoo zoekt ze nochtans naar een middel om zich voor een verdere bespieding te vrijwaren, en, ijlings opstaande wendt ze zich naar een pianino, die op eenigen afstand schuin achter haar staat.

Straks, terloops over muziek sprekend, had Kartenglimp gevraagd, of dat stuk een Erard was, waarop Eva het antwoord is schuldig gebleven. Nu, in haar verwarring, kwam het haar niet te gezocht voor om fluks het instrument te openen, en, met een blik op het étiquet den naam van den fabrikant te noemen; maar ook, ze gevoelt zich daarna nog te weinig hersteld om nu reeds voor ’t oog van dien man in ’t volle licht terug te keeren, zoodat ze haar toevlucht neemt tot het aanslaan van eenige zeer krachtige accoorden, de introductie van een lied, waaraan ze vluchtig was herinnerd door het vignet van een muziekstuk dat op de piano lag.

Fiks! het aanslaan van die accoorden doet reeds goed.

Zoo aanstonds zal hij niets meer aan haar bemerken.—Hier begint het lied.—Dat lied te zingen.... voor dien vreemde! Ze zal wel wijzer wezen. Toch kan ze nog even voortspelen; de melodie met de rechterhand.—Forto:

“Ach lieber Gott, mein krankes Herz

Wird brechen bald vom Liebesschmerz.”

—Maar straks, ja dan moet zij van dien vreemde méér vernemen.... De graven Van Armeloo.... Van Armeloo! In stilte heeft zij wel eens aan zoo iets gedacht.... Ha! een verarmde tak der graven Van.... Diminuendo:

Und bricht es in der tiefen Noth;

Schau’ denn mein’ Augen weinens roth,

Und tausch’ mich in dein Armen, Tod!

“Nicht Eva, wil je alsjeblieft niet meer piano spelen? Je weet dat Coba ongesteld is;” zegt Van Barneveld, die bij het klinken der laatste accoorden in de kamer trad.

Ondanks den kalmen toon, waarop de generaal zijn verzoek heeft gedaan, was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemerken, en spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet wil sparen, dan moest men althans zijn lijdend kind ontzien.

De majoor, die Eva reeds tot op zeer korten afstand was genaderd, heeft bij het binnenkomen van den generaal, onwillekeurig een schrede zijwaarts teruggedaan. Zich spoedig van zekeren schok herstellend, [142]maakt hij nu een beweging met de hand die moet uitdrukken, dat men—hij en zij—daaraan had moeten denken, maar....!

“’t Is mijn gewoonte niet mijnheer,” vervolgt Van Barneveld terwijl hij zich tot den majoor wendt, “om menschen die de beleefdheid hebben mij te bezoeken alleen te laten, de ongesteldheid mijner dochter was er nu de oorzaak van. Om u de waarheid te zeggen, liever had ik dezen avond niet ontvangen. U zult me deze openhartigheid ten goede houden.”

“O generaal, indien ik had geweten.....”

“U kondt dat niet weten majoor. Maar.....” en uit den nadruk, dien Van Barneveld op dit laatste woord heeft gelegd, valt gemakkelijk te besluiten dat hij er zou willen bijvoegen; maar—’t zal mij nú aangenaam zijn indien gij vertrekt.

Weinige seconden later heeft Kartenglimp het landhuis verlaten. Na een ongezellige wandeling, waarbij hem gedurig zeer zwarte beelden voor den geest zijn gekomen, terwijl niet zelden een geritsel in ’t akkermaalshout of eenig ander geluid hem tot grooteren spoed heeft aangezet; na dien gejaagden tocht is de majoor eindelijk met zekere verruiming het oude stadje binnengestapt, om al spoedig zijn woning te bereiken waar hij zich op zijn kamer met wat grog zal kalmeeren, en eens geregelder zal kunnen nadenken over......

Een “Ha!” op vreemden toon, rolt hem straks van de lippen terwijl hij, geheel in zich zelven gekeerd, juffrouw Ketels ronde dienstbode, kokend water in zijn glas ziet schenken, ’t welk ten halve met rum is gevuld. Een gemeenzame lofrede op den klaargemaakten drank, die de deerne, na dat “ha!” meende verschuldigd te zijn, wordt echter door den majoor met een voor haar zeer ongewone ruwheid beantwoord, want, ofschoon door walmen en roode vlammen heen, ziet Kartenglimp nu slechts de slanke en fiere gestalte der beeldschoone doktersvrouw.


En in diezelfde oogenblikken staat Eva Helmond, gereed tot vertrekken, vol ongeduld op haar August te wachten.

’t Is haar bekend geworden dat Helmond bij Jacoba is geweest, en dat Coba—wier zenuwgestel immers zoo buitengewoon zwak was—op het hooren van het gespeelde lied, waarvan de tonen, ofschoon door het plafond gedempt, toch duidelijk tot haar kamer zijn doorgedrongen, eensklaps klappertandend en straks ook snakkend naar den adem, in Helmonds armen is neergezegen.

Meer weet Eva niet. Doch zij heeft genoeg vernomen. ’t Verwijt heeft haar getroffen dat ze door haar onnadenkendheid—jawel, niets meer en niets minder—het zwakke kind, zoo al niet in levensgevaar gebracht, haar dan toch zeker een gevoeligen schok had gegeven. Oom Van Barneveld meende dat Eva nu wel begrijpen zou, wáárom het ontvangen van menschen hem minder raadzaam voorkwam, terwijl hij haar uitdrukkelijk heeft verzocht, om haar bezoeken liefst niet te herhalen voordat Coba geheel en al hersteld zou zijn. [143]

De oude generaal, die straks te laat was gekomen om nog een onderhoud van Coba met August—waarvoor hij gevreesd heeft—te kunnen verhinderen, had zuster Hermines redenen, ofschoon met droevig hoofdschudden, moeten aanhooren, terwijl men reeds zoo spoedig de treurige gevolgen van haar onvoorzichtigheid aanschouwen zou. Maar, nú ook bestond er geen schijn van twijfel meer dat Jacoba inderdaad een andere liefde dan zusterliefde voor haar pleegbroeder koesterde, en dat zijn huwelijk met Eva Armelo haar een diepe wond had geslagen. En Van Barneveld aarzelt niet langer, maar voelt zich krachtig gedrongen om in ’t einde rondborstig met zijn pleegzoon te spreken. Helmond, met de oorzaak van Coba’s zielelijden bekend, zal hem raden en steunen in ’t belang van zijn geliefd kind. Ja, wat zou hij, de oude krijgsman, bij zulk een toestand ook langer alleen staan en schijnbaar zorgeloos zijn, zonder den raad en de medewerking in te roepen van hem, die in deze teedere zaak zoo nauw betrokken is!

En terwijl Eva vol ongeduld wacht, staan Van Barneveld en August tegenover elkander op de kamer van den generaal.

De laatste woelt met de hand in de witte haren, en herhaalt:

“Heeft ze niets.... niets anders gezegd?”

“Nee oom! Coba heeft me alleen over dat reisplan gesproken, waarbij ze mij dringend verzocht om u daarvan af te brengen, en ik moest haar toestemmen oom, dat ze evengoed op De Zonsberg als op De Godesberg herstellen kan; tenminste....”

“Ten minste....? Nu spreek dan Helmond.”

“Wanneer oom zoo goed wil zijn te begrijpen, dat tante Hermine het veld voor Jacoba’s dokter moet ruimen.”

“Er zijn kwalen Helmond, die een vrouw van jaren misschien eerder en juister zal inzien dan een jong dokter, hoe knap hij ook wezen mag.”

Van Barneveld neemt een boek van de tafel, en terwijl hij schijnbaar aandachtig den titel beziet, vervolgt hij: “Coba’s zenuwkwaal moet een geheime oorzaak hebben.”

“Dat heb ik sedert lang begrepen oom.”

Van Barneveld opziende:

“Jij, begrepen? Sedert lang? Sedert wanneer August?”

“Het eerst op den avond vóór mijn trouwen oom, toen ik na ons gesprek over Coba haar eens nauwkeurig heb ondervraagd.”

—Vóór zijn trouwen! August heeft het dan geweten nog eer hij zich en voor immer aan dat ijdele kind verbond! Hij heeft den oorsprong van Coba’s zielelijden gekend, en is geen stap teruggetreden in ’t belang van háár, die hij altijd zijn lieve zusje heeft genoemd. Eigen zin en hartstocht heeft hij gevolgd zonder te bedenken dat hij zijn weldoener met dien moord aan zijn kind een vreeselijken slag ging toebrengen, vreeselijker nog dan die, waarmee Helmonds jongere broeder hem vroeger getroffen had!

De oude generaal heeft weder door het opnemen van het boek een afleiding voor zijn ontroering gezocht. Nu is ’t voorbij.—Ben ik dan kindsch geworden of wel een blind egoist, zoo peinst hij [144]voort gedurende de luttele seconden, waarin het na Helmonds verklaring stil bleef. Kon ik dan verlangen dat August zijn liefde, zijn hart zou dwingen uit dankbaarheid; ter genezing....!? Wie zou de krankzinnigheid hebben om zoo iets te eischen? Maar zeker, altijd heeft August Jacoba liefgehad; zijn bewijzen van teederheid hebben wortels geschoten in haar schuldeloos hart; en toen, toen is een Delila met haar Sirenenzang gekomen, en ze heeft hem bedwelmd, zoodat hij blind voor Coba’s liefde en voortreffelijkheden geworden is. Die vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog den grijzen pleegvader, en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar..... vervloekt pianospel!

Een oogenblik was Van Barneveld zich zelven geen meester; het boek wierp hij met kracht op de tafel, en een paar woorden, ofschoon bij het uiten gesmoord, ze mengden een verbolgenheid in die anders zoo waardige trekken, waaruit schier haat was te lezen.

“Oom, wat deert u?”

“Niets August.”—Na een oogenblik van krachtige zelfbeheersching herneemt Van Barneveld, uiterlijk kalm: “Zoo, je hebt dus al vóór je trouwen geweten dat Coba.... méér voor je gevoelde dan....”

Een vuurrood vliegt over Helmonds gelaat. Hij moet zich aan de tafel vasthouden, want die schok kwam te onverwacht.—Groote God! is dat de oorzaak van Coba’s lijden! zou het teedere zwakke kind....? Maar neen, door woord noch blik heeft ze hem ooit iets meer gezegd dan ’tgeen ze nog dezen avond, met blijdschap over zijn komst herhaalde: hij was haar lieve broeder—dát, maar ook niets meer.

“Oom, ik begrijp niet....? U bedoelt....?”

“Ik bedoel August, hetgeen je uit mijn woorden hebt begrepen.—

De zaak is van teederen aard. Had ik je niet van jongs af aan mijn zoon genoemd, we stonden zeker niet met zulk een verklaring tegenover elkander. Maar nu, ’t is mij om ’t welzijn, om ’t leven van mijn kind te doen. Ik oude man kan niet langer een rol spelen; mij kwellen met verzinsels en vrouwen-intriges om Coba te vrijwaren voor schokken die haar nadeelig zijn; immers Hermine zelve heeft getoond dat de omstandigheden haar te machtig kunnen worden.—August, mijn openhartig spreken is je een vernieuwd bewijs van mijn achting en vertrouwen.—Je hebt de goede Coba lief..... als een broeder. Zeg me wat wij te doen hebben in haar belang?—August! August!!..... Hoor je me niet?”

“Ik hoor u oom.—Maar nee, nee! dát kan niet waar zijn!”

“Heb je geen brief ontvangen die, waarschijnlijk na je vertrek in Parijs gekomen, van daar is teruggezonden?”’

“Nee oom! van wie?”

—Zal mij dan niets gespaard worden, zegt Van Barneveld onhoorbaar. En dan overluid, terwijl hij August het papier toont, ’twelk door midden gescheurd op Coba’s schrijftafel werd gevonden:

“Lees!—Ik weet dat mijn pleegzoon ons lief heeft, en zwijgen kan.” [145]

En Helmond leest de regels door Jacoba op dien bewogen morgen in vreeselijken angst geschreven.—Met strakken blik blijft hij op het onvoltooide epistel staren. Zou het mogelijk zijn?—Maar, geen enkel woord in dat schrift bevestigt zulk een vermoeden. Wat zegt het anders dan ’tgeen Helmond reeds zelf had doorzien: dat Coba namelijk hem deelgenoot wilde maken van een bitter hartzeer, van een zieleleed ’twelk haar lichaam te sloopen dreigde.


Eva Helmond loopt in het groote benedenvertrek vol ongeduld op en neer. Met een smadenden blik beschouwt ze vluchtig het sprekend portret van den generaal, ’twelk met dat doordringende oog op haar neerziet. Eensklaps treedt ze op het schelkoord toe en trekt er met kracht aan.

Eenige oogenblikken later verschijnt Hendrik.

Eva in een voltaire neergegleden, heeft een achtelooze houding aangenomen en zegt:

“Wil je mijnheer roepen. Zeg dat ik klaar ben.”

“Mevrouw..... belieft.....?”

“Je zoudt dokter zeggen dat ik hem wacht.”

Hendrik aarzelt.

“Mevrouw zal niet kwalijk nemen, maar dokter is op menheers bureau, en toen ik zooeven met de brieven boven kwam, toen zei mevrouw Mansburg, die juist op den overloop was, dat ik niet zou aankloppen maar de brieven hier brengen. Een is er voor dokter bij. Menheer Van Hake had gezegd dat de besteller hem maar mee zou nemen omdat dokter hier was.”

Hendrik legt een paar brieven bij Van Barnevelds plaats op de tafel.

“Geef hier!” zegt Eva met een wenk naar de brieven; en dan, als Hendrik aan het bevel heeft voldaan: “Je hebt gehoord wat ik zei niewaar? Je zoudt dokter waarschuwen dat ik klaar ben.”

“Tóch naar boven gaan mevrouw?”

“’t Komt me voor dat ik het vrij duidelijk heb gezegd Hendrik!”

Hendrik meesmuilt in zich zelven, dat die jonge mevrouw van de kale kapiteinsfamilie, nog meer komplementen op ’r lijf hèt dan al de leden der generaalsfamilie te zamen. Zoo’n kommando heeft ie van juffrouw Coba—die zachte engel!—nog nooit gehad. Maar afijn, als ie tegen de orders van den generaal handelt dan zal hij weten wie ’t hem gelastte.

Eva beziet de brieven. De ééne—voor den luitenant-generaal Van Barneveld—interesseert haar volstrekt niet; de andere is aan ’t adres van “monsieur le docteur A. Helmond, hotel du Helder, rue du Helder, Paris.” Hé, dat is aardig! Een stempel van het hotel er op, en dáár afgeschreven: “Ronduyse près de la Haye, Hollande!” Kluchtig! Ronduyse près de la Haye!—Nu ja, wat wist men in die wereldstad ook van een nest als Romphuizen aan ’t eind der aarde; ’t was al mooi dat ze er een stedeke kenden ’twelk men hier de residentie noemt.—Wat al poststempels! Tweemaal Paris—’s Gravenhage—en Romphuizen—’t Is niet de [146]inhoud van den brief, die haar belangstelling wekt, maar de brief, zooals zij hem daar in handen houdt, heeft voor haar zulk een bijzondere aantrekkelijkheid, omdat hij diezelfde heerlijke reis heeft gemaakt, en hun uit die prachtige stad en uit datzelfde hotel, nog als een groet van verre werd nagezonden. Men had hen dáár niet vergeten. Hém niet: le beau docteur, en zeker ook háár niet: la belle Hollandaise—ha! zoo men het geweten had: née comtesse d’Armeloo!

Het beschouwen van den brief met de vele postmerken op de voor- en achterzijde, heeft Eva’s gedachten een weinig afgeleid. Zal ze hem openen?—Man en vrouw zijn immers één.—Bah! nieuwsgierigheid past niet in het kader van een fier en edel karakter.—Ze zou dien brief kunnen lezen, maar ze wil het niet.—Toch zal ze zoo vrij zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.


Weinige minuten, nadat dokter Helmond de hem straks getoonde letteren heeft gelezen, zegt Van Barneveld terwijl hij Helmond met zijn doordringendsten blik beschouwt: “Maar ik herhaal je, dat zulk een vermoeden mij en mijn kind beleedigt.”

“En ik behoef u niet te herhalen oom, dat dit vermoeden zeker nooit in mij zou zijn opgekomen wanneer er voor u of Coba—naar mijn innige overtuiging—iets beleedigends in te vinden ware, want....”

“August, ga niet voort. ’t Is volstrekt onnoodig dat mijn pleegzoon zich in deze teedere zaak verontschuldigt. Ik weet te goed wat hij voor Coba geweest is. Maar wáárom zich dan ook te verschuilen achter een vermoeden—bah! alsof Coba zich zóó zou hebben vergeten; alsof ze affecties zou hebben gevoeld voor haar.... muziekmeester! Zwijg, dat is beleedigend, zeer!”

“Als u mij niet vergunt te spreken dan zal ik zwijgen; maar, u hebt ongelijk.”

Van Barneveld loopt met afgewend gelaat de kamer op en neer.

Helmond herneemt:

“Zelfs met uwe begrippen oom, kan mijn vermoeden noch voor u, noch voor de goede Coba beleedigend wezen. Immers door woord noch blik heeft ze ooit doen gissen wat er omging in haar hart.”

“Maar ik zeg je dat er in Coba’s hart niets, niets ter wereld omging voor dien man.... een muziekmeester, die....”

“Die een uitnemend mensch was, en—die nú rust in het graf oom.”

“Wat beteekent die toon! Dat laatste klinkt als een verwijt. Mij dunkt dat er niemand is die de rust van den doode verstoort dan dokter Helmond alleen. Ik heb dat jonge mensch geacht; hij was bescheiden, had talent; maar, zulk een verhaal—wat kon het anders dan mijn weerzin verwekken!”

“Oom ik geloof....”

“Je gelooft het ongerijmde. Stil! Ik had je raad gevraagd, maar behoef hem niet meer. ’t Kwam mij niet geheel onnatuurlijk voor [147]dat een gevoelig kind zich wat al te zeer aan den zoon van mijn vroeg gestorven krijgsmakker had gehecht; maar, dat die broeder—na misschien wat al te veel haar teederheid te hebben opgewekt, haar nu, en tegenover haar vader, durft verdenken; haar durft betichten van een.... gemeene liaison; dát, zie dat is....”

“Maar, bij God....!”

“Nog ééns, genoeg August! Ik wil mijn kalmte niet verliezen. Stel je gerust: Jacoba zal genezen ook zonder je meewerking.”

“Hoe! zou ik dan niet willen meewerken om Coba....”

“Wij zullen in geen herhaling treden Helmond. Ons gesprek heeft me meer gekost dan je vermoedt. Ik wilde....”

Er wordt vrij luide op de deur geklopt.

“Wie daar?” roept Van Barneveld.

Hendrik opent de deur en zegt op den drempel:

“Menheer, mevrouw Helmond vraagt of dokter beneden wil komen? Mevrouw was klaar om te vertrekken en kon niet langer wachten.”

“Zeg aan mijn vrouw of zij nog even....”

“Heeft mevrouw Mansburg je niet gezegd dat ik ongestoord wilde blijven?”

“Jawel generaal.”

“En tóch durf je hierkomen!”

“Mevrouw Helmond gelastte me generaal.”

“En heb je niet gezegd dat mijn orders....”

“Jawel generaal, dat heb ik duidelijk gezegd, maar de jonge mevrouw zei dat dát er niet op aankwam, en dat ik tóch gaan moest.”

Een donkerrood bedekt eensklaps het gelaat van den ouden krijgsman.

“Zeg aan mevrouw dat ik zal komen zoodra ik kan;” klinkt Helmonds bevel, en hij geeft een gebiedenden wenk aan Hendrik, die daarop aanstonds vertrekt.

“De onbeschaamde feeks!” murmelt Van Barneveld, terwijl hij zijn gelaat naar een andere zij heeft gekeerd en de vuisten krampachtig gesloten houdt.

Helmond heeft dat laatste gehoord. Het greep hem in ’t hart. Snel werpt hij een blik naar de deur om zich te overtuigen dat hij zich met den pleegvader alleen bevindt, en dan:

“U spreekt van mijn vrouw oom!”

“Ja Helmond, ja!”

“Maar gevoelt u niet oom....”

“Gevoelen! Ha, dat zal waar zijn, meer dan ik zeggen kan. Bleef ik daarom te midden van ’s-vijands lood in duizend gevaren ongedeerd, om mij ’t leven door een paar wijven te doen vergiftigen!”

Helmond, doodsbleek geworden, staart met saamgeperste lippen op den grijsaard, die eveneens strak voor zich heen ziet. Bijna fluisterend met een trillende stem, zegt de eerste terwijl hij met de hand op de tafel geleund zich eenigszins naar de zij van zijn pleegvader vooroverbuigt:

“U bedoelt.... toch.... niet.... dat mijn Eva....?”

Van Barneveld grijpt den rug van een armstoel vast; blijft strak voor zich heen zien, en geeft geen antwoord. [148]

“Het kan u geen ernst wezen oom, dat mijn vrouw waarlijk een hinderpaal zou willen zijn voor uw geluk....?”

Van Barneveld blijft zwijgen. Met Gods hulp zal hij verder heerschen “over den boozen geest die hem te vervoeren zoekt”.—Helmond vervolgt:

“Al moest het waar zijn wat u ten opzichte van Coba hebt vermoed, is het dan Eva’s schuld dat ik haar tot vrouw koos, terwijl ik de goede Coba toch nooit met zulk een liefde zou hebben bemind? Maar bovendien, de tijd zal het leeren dat mijn huwelijk met Eva Armelo uw kind geen hartzeer heeft berokkend oom. En dan, wat heeft Eva gedaan dat zij door u een onbeschaamde.... een—o het woord is te bitter—een wijf wordt genoemd, dat.... u het leven.... te.... vergiftigen zoekt.—Oom, mijn achting, mijn eerbied voor u, ze eischen toch niet dat ik de vrouw mijner liefde onverdiend zal hooren smaden en beleedigen....?”

Van Barneveld wendt zijn gelaat langzaam naar Helmonds zijde, en ’t klinkt schijnbaar kalm op diepen toon:

“Zal ik mijn pleegzoon verschooning moeten vragen voor de woorden die hem griefden?—Welaan, het zij zoo, op mijn ouden dag wil ik den oorlog niet.—August, ga nu heen, we hebben niets meer te praten;—neen, niets meer, niets!—Groet je vrouw August. Zeg haar dat het beter zal zijn indien we elkaar niet meer—of wil je—slechts zelden ontmoeten. Ik eisch tenminste rust en vrede wanneer ik dan niet oogsten mag waarop mijn hoop was gebouwd: de liefde van hen die ik.... als eigen zoons heb opgevoed.—Ga nu August.... je vrouw wacht je.”

Dokter Helmond staat een oogenblik besluiteloos. Op dien toon heeft hij den pleegvader nog nooit gehoord. Er was een weemoed in zijn stem die geweldiger trof dan ooit zijn toorn het gedaan had. August ziet den ouden man in een leunstoel neerzakken. Met den arm op de tafel ondersteunt hij het sneeuwwitte hoofd. Hoe! blinkt daar een traan in het starende oog,—een traan in het oog, ’t welk men voorheen wel eens “des vijands vlucht” of “Neerlands krachtigst wapen” heeft genoemd?

Van Barneveld wendt zijn gelaat van Helmond af; maar de pleegzoon heeft den traan gezien. Met bliksemsnelheid vliegt een blonde jeugd en gelukkige jongelingstijd zijn geest voorbij; al wat hij goeds genoot van dien edelen maar gestrengen pleegvader, het staat daar weer levendig voor zijn herinnering. Zijn waardige lessen of kernspreuken, hoezeer ook somwijlen in tegenspraak met een vrijere, mildere—misschien een jongere—wereldbeschouwing, doch altijd getuigend voor zijn edelen aard en onkreukbare trouw, hij hoort ze opnieuw: “Vrees God! Eer den Koning!”—“Heb je vijanden lief, maar verdelg ze die komen om ’t vaderland te belagen, of hém te bestoken die door God tot opperheer werd gezalfd.”—“Zelfs de rijke werke in zijn jeugd opdat hij met zijn rijkdom niet arm zij in den ouderdom.”—“God heeft standen en rangen verordineerd: wie huwt beneden zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods.”—“Wees gestreng maar rechtvaardig; mild voor wie geen handen heeft of op [149]krukken gaat.”—“Zwijg als uw meerdere spreekt.”—“Buig het hoofd indien de Heer gebiedt.”—“Kruipen doet het laag gedierte.”—”Knielen zult ge voor God alleen.”

En dan, moest in dit oogenblik het woord niet met gloeiende letters voor Augusts oog geschreven staan: “Vergeet de hand niet die u de veldflesch reikte toen ge snaktet naar water”?

“Oom!” barst Helmond uit, terwijl hij de hand van den grijsaard vat: “ik bid u, spreek zoo niet. Heb ik u niet lief als een dankbare zoon?”

“’t Is wel August, maar ga nu. Waartoe nog meer! Je vrouw wacht beneden.”

“Zou een vrouw mij verhinderen om u te zeggen dat ik u als een eigen vader liefheb?”

“Men zal de vrouw boven den vader stellen. Ga nu heen August!”

“Maar wij beiden zullen u liefhebben oom; zij zal wijs worden; maar wees niet te gestreng tegen haar!?”

Van Barneveld ziet hem eensklaps aan alsof hij wil vragen: was ik gestreng tegen háár? Gij die mij kent, hébt gij van dezen avond mijn zelfbeheersching niet gezien?—Maar, zonder spreken ziet hij weer voor zich neer, en dan:

“Ik wenschte nu dat je heengingt August; nóg eens, je vrouw staat te wachten.”

“Maar Eva zal wachten oom! Zonder de zekerheid dat ik nog altijd uw liefde en achting bezit, kan ik niet heengaan. Waardoor heb ik die liefde verbeurd? Waarin heb ik moedwillig uw hoop bedrogen? Als man van eer verzeker ik u dat ik nooit met Coba’s hart heb gespeeld, en zelfs, tot het oogenblik, waarin u mij uw vermoeden meedeeldet, is het denkbeeld aan de mogelijkheid niet eens in mij opgekomen. U gelooft mij oom....? U gelooft me, niewaar?”

Van Barneveld antwoordt niet; maar juist in dat zwijgen vindt Helmond zijn vrijbrief. Hij vervolgt:

“En, moest het nu al waarheid wezen dat ik geheel ondanks mij zelven aan uw dierbaar kind een dieper gevoel heb ingeboezemd dan we vermoedden, wat ik u bidden mag, laat mijn Eva dan toch buiten die teedere zaak. Immers, toen ik reeds haar jawoord ontvangen had, toen wist ze ternauwernood dat de lieve Coba bestond. En bovendien, haar aard is te edel om gelukkig te kunnen zijn ten koste van een andere. Is zij dan wat veeleischend misschien, bedenk ook dat Eva geen hart zou hebben aangenomen ’t welk haar niet in den uitgestreksten zin alleen toebehoorde. Verdenk dus mijn Eva niet. Maar ook, om mijnentwil vergeef mijn jonge vrouw, die niet in uw goede leerschool werd grootgebracht, wanneer ze eens vergeet....”

Eva gekleed met hoed en sjaal heeft de deur van Van Barnevelds kamer geopend, en den drempel overschrijdend, zegt ze nu tamelijk luid:

“Ik geloof August, dat alleen de jonge vrouw iets te vergeven heeft, wanneer men haar gedurende een paar uren geheel en al vergeet.” [150]

“Eva....!”

Van Barneveld heeft eensklaps met vlammenden blik naar Eva omgezien; doch, nu zegt hij bedaard:

“August.... je hebt het gehoord.”

“Maar ik had met oom te spreken Eva.”

“Leert mijnheer Van Barneveld misschien dat men ter wille van zulk een gesprek, eerst zijn jonge vrouw met een vreemde, en later in holle kamers bij nachtlicht geheel alleen zal laten?”

“Eva, ik verzoek je....”

“....Te begrijpen August, dat men zulk een les niet opvolgt, en althans niet wanneer de zeer wellevende leermeester, die vrouw de deur heeft gewezen.”

Van Barneveld steeds in zijn armstoel gezeten, grijpt een pen, stoot die eenige malen met kracht op de tafel, en dan, als hij haar gansch gespleten wegwerpt zegt hij zacht doch met klem:

“August, je kent me: Ga nu heen.”

“Oom, ik kan....”

Van Barneveld reikt hem van terzij, met afgewend gelaat, de hand, en ’t klinkt weer zacht:

“Laat dit eindigen; om Godswil, ga heen!”

Eva komt den generaal een schrede nader, en met een stem die bits kon heeten indien ze niet door een natuurlijke welluidendheid werd getemperd, zegt ze:

“Ik heb begrepen mijnheer Van Barneveld, dat het eindigen zou nog vóórdat het begonnen was. Dezen avond wilde ik zekerheid hebben, en....”

“Eva, kom, wij gaan.... Bedenk tegen wien....”

“Ik bedenk dat zeer goed, en wil dien ouden heer ook volstrekt geen kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te hebben zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover dien vreemde trachten op te houden; nú tegenover hem zelf, en bij ons laatste samenzijn, nu wil ik spreken: Ik heb altijd vermoed mijnheer de generaal, dat het zoo eindigen moest, en wel.... omdat mijn karakter nooit sterker in opstand kwam dan wanneer het trots, gepaard met schrielheid, ontmoette. Mijn ondervinding....”

“Eva zwijg!” roept Helmond hevig: “bij God, dat gaat te ver....”

De oude generaal heeft nogmaals en krachtig gestreden, maar ook nogmaals—tegenover een vrouw, zich zelf overwonnen. Nu opgestaan, zich zijwaarts tot Eva keerend, zonder haar echter aan te zien, zegt hij met een zeer merkbaar gekunstelde bedaardheid:

“Wil me uw ervaringen sparen mevrouw. Met mijn leeftijd zou ik driemaal uw vader kunnen zijn. Mijn trots en schrielheid....”

“Oom ik bid u, zij bedoelde....”

“Zij bedoelde mijn trots en schrielheid August, en daarom.... dáárom....” Doch de grijsaard kon niet verder spreken. Zijn lippen trilden; de stem stokte hem in de keel. Helmond greep zijn hand, maar als hij met de andere ijlings een glas water wil inschenken, dan vermant zich de oude krijgsman voor ’t laatst, en zegt op zacht [151]gebiedenden toon, terwijl August Goddank, nog zijn handdruk gevoelen mag:

“Laat me.... nu alleen.... of.... of ik vergeet....—Voort Helmond, voort!”

En August, wankelend tusschen den verguisden pleegvader en zijn gekrenkte maar onberaden echtgenoote, werpt een gestrengen blik op Eva, en ze vlucht voor dien blik terug naar de deur. En de grijsaard, neervallend in zijn zetel, bedekt met beide handen het gloeiend gelaat, en murmelt met tranen in zijn heesche stem:

“O God, dit alles op mijn ouden dag! Heb ik dat aan hen verdiend! Groote God, moest ik dit nog beleven!”

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

’t Was den jongen dokter bij ’t naar huis keeren alsof de starren hem treurig toeriepen dat de zon voor altijd was ondergegaan.—Ach! is dan de vrouw, die daar aan zijn zijde treedt, de schoone zoetgeurende bloem, die hij op zijn pad gedacht heeft te vinden? Is zij de teedere zachte; de stille bescheidene; de tevredene eenswillende de plooiende nederige levensgezellin, die hij voor ’t eerst met een kwijnende plooi om den fijnbesneden mond onder den meidoorn heeft begroet? Hoe! is dan de vrouw, die daar zonder spreken als een donkere massa nevens hem voortgaat, en van wie het hem goeddeed dat zij straks den noode aangeboden arm versmaadde, is zij dezelfde, wier eerste kus hem voor luttele maanden de grootste zaligheid schonk, wier hemelsche oogen hem spraken van een eeuwigdurende liefde; wier mondje hem zoo dikwijls de zoetste woordjes had toegefluisterd en zoo plechtig verzekerd: dat het eenig geluk zou wezen, met en voor hem te leven!

—Heeft hij zich dan zóó bedrogen!?

—Welk een aard stak er dan in die schoon gevormde vrouw? Ongevoelig en vermetel, ja onbeschaamd heeft ze den edelen pleegvader grofheden gezegd die.... O God, ’t is ongelooflijk dat zóó iets geschieden kon.—Is het wel waarlijk gebeurd? Heeft geen droom hem begoocheld? Neen, het is geen droom.—Daar gaat ze; nu bijna geheel aan de overzij van den straatweg.—Spreekt ze? Neen, ’t Is het fladderen der zijden linten van haar hoed in den avondwind.—Toch meent hij te hooren....?—Neen, spreken doet ze niet. Is het klappertanden....?

“Eva!”

Geen antwoord.

Hij treedt naar den overkant van den weg haar terzij, en dan, na een oogenblik zwijgens:

“Wil je me vasthouden Eva?” [152]

Nog geen antwoord; maar duidelijk hoort Helmond nu het gerikkel en het geklepper van haar tanden.

“Geef me den arm Eva!”

“Ik dank je August;” zegt Eva, bijna onhoorbaar, terwijl ze zich geweld doet om het tandengeklapper te bedwingen.

“’t Zou toch gemakkelijker voor je zijn; ’t is nog een heele wandeling.”

Eva antwoordt niet, maar denkt: En bij den dierbaren pleegvader staan drie paarden op stal, en zit een koetsier te luieren in de keuken!—Die goede pleegzoon! hij wil mij gaarne den arm geven, bevreesd misschien dat mij hier op den weg iets overkomen zal. Geen nood, zoo erg is het niet. Zou het mij bij zijn aanraking niet zijn alsof ik nogmaals den dolksteek zijner oogen gevoelde? Zulk een blik! Op mij.... zijn “liefste”, zijn “eenige”, zijn “geluk voor altoos”. O! mag dankbaarheid dan zóó verblinden? Zou een man die waarachtig zijn grootsten schat vindt in de liefde zijner jonge vrouw, zou hij zich aanstonds zóó kunnen stellen tegenover haar, en aan de zij van een bekrompen autocraat!

“Of ik koud ben August? Ja, koud, verschrikkelijk!”

“Ik begrijp het Eva, je hebt....”

“Ik heb je ijskoude oogen gezien August. Nee, laat me, ik wil alleen gaan.”

“Eva, we hebben onlangs van een kind gelezen, dat bij het naderen van een trein op de rails speelde. De vader schoot toe en greep het kind met ijzeren vuist. Het kind schreide want de vader had het zeergedaan.... Maar zeg, die ijzeren vuist getuigde zij voor de liefde van dien vader.... of....?”

Eva antwoordde niet.

Had dokter Helmond dan vergeten dat hij zijn patiënten gedurende een heete koorts geen versterkende middelen toedient, en heeft hij niet doordacht dat zijn overtuigend woord in deze oogenblikken zou zijn als olie geworpen in het vuur?

—Dat gaat te ver, prevelt Eva binnensmonds. Ei! ik ben dus het domme onwijze kind dat zelfs niet weet waar het speelt, ik! terwijl inderdaad de hoogwijze echtgenoot, die zoo beschermend de hand naar de onnoozele uitstrekt, met blindheid is geslagen en ten koste zijner jonge vrouw de partij trekt van een schrielen laatdunkenden voogd!

Toen dokter Helmond en zijn vrouw waren thuis gekomen, en mevrouw Van Hake nog eens even naar den welstand van juffrouw Van Barneveld kwam vragen, om meteen zoo ongemerkt te zien of ze Eva ook in ’t een of ander behulpzaam kon wezen, toen bespeurde zij al spoedig dat het bezoek op De Zonsberg de jonge echtgenooten niet vroolijk gestemd had.

Zij achtte het echter verstandig daarvan niet te doen blijken; maar, nadat Helmond nog even in de apotheek was gegaan, zocht ze Eva een weinig te verstrooien door haar op vriendelijken toon over een huishoudelijke aangelegenheid te raadplegen, terwijl ze later, alvorens te vertrekken, een schoteltje aardbeien uit een buffetkastje [153]te voorschijn haalde, met verzoek om dokter met deze eerstelingen eens bij ’t souper te verrassen. Mevrouw Van Hake had ze zelve van een tuinman gekregen aan wiens dochtertje zij ’t naaien leerde. Maar Eva mocht daar niets van zeggen.

En het betere, het edele in Eva fonkelde nu weder in haar oog, terwijl ze daar peinst:

—De arme ziel! Zij die zoo weinig, neen die niets bezit in de wereld, zij kon wel aanstonds wegschenken ’tgeen men haar uit dankbaarheid heeft aangeboden. En, niet uit haar naam moet ik ze geven, maar zij wil dat ik ze August zal voorzetten alsof ik zelve bedacht had hem er mee te verrassen.—O! zeker, ’t is een lief en goed mensch die arme vrouw.—Welk een onderscheid met dien nabob van De Zonsberg! Uit haar attentie—hoe gering op zich zelve—spreekt liefde voor ons, en hartelijke gulheid.

En, bijna overluid zegt Eva, met de oogen in de richting der deur door welke mevrouw Van Hake zooeven de kamer verliet: Goed schepsel, arme sukkel, je had met je ananas-aardbeien op geen beter moment voor den dag kunnen komen. We zijn vriendinnen hoor, vriendinnen voor altijd! En dan, met een blik op de mooie vruchten: Maar mijnheer Helmond zal van avond geen aardbeien eten. Immers, er was reeds verkoeling genoeg!

En Eva borg de heerlijke donkerroode vruchten weer in de kleine buffetkast.

Weinige oogenblikken later ziet ze luisterend op. Een rijtuig—in den aanvang nog zeer van verre—komt al nader en nader, en doen de huizen der stille Hoenderveldstraat beven en trillen; verschrikt misschien over zulk een onverwacht bezoek in den laten avond.

Hoor, het rijtuig houdt voor de achterdeur stil.

Eenige minuten later komt Helmond uit de apotheek terug en zegt:

“Mijnheer Debecque laat me op De Poel halen Eva. Zijn zoon, die voor een paar dagen was thuisgekomen, is ziek geworden. De Poel is drie kwartier rijdens; ’t zal dus laat worden eer ik terug ben. Jij moet maar naar bed gaan Eva.”

“O, als je dat liever hebt.....”

“Laat opblijven is niet gezond.”

“Och, die gezondheid zal wel zoo schrikkelijk zwaar niet meer wegen.”

Helmond ziet haar een oogenblik stilzwijgend aan. Nu gaat hij in de gang; maar komt ook spoedig, met zijn overjas aan en tot vertrekken gereed, in de huiskamer terug:

“Slaap wel Eva.”

—Neen, die koude duldt ze niet langer. Nu ze den geliefde daar gereed ziet om haar voor ’t eerst op zulk een vergevorderd uur, hoewel slechts voor korten tijd te verlaten, nu komt een zekere avond-weekheid—en vooral na een overspanning als die der laatste uren—zich huwen aan haar liefde voor den echtvriend; en dan, ofschoon met groote zelfoverwinning—want dien ijskouden [154]blik kan ze niet vergeten—zegt ze, terwijl ze op het gereedstaande avondbrood wijst:

“Ik zou toch eerst iets eten Helmond.”

“Nee..... dankje. Ik heb geen trek Eva.—Ik zeg..... wacht me niet; ’t kan wel één uur worden eer ik terug ben.”

“Dan zou ik toch zeker eerst nog iets eten.”—Zij gaat naar het buffetkastje; opent het, en..... neen, ze doet het weer dicht. Maar zie, als Helmond haar straks is genaderd, en haar een zoen ten afscheid zal geven, omdat.... omdat hij het nu voor ’t allereerst toch niet laten wil, zie, dan heeft ze den kleinen schotel met aardbeien reeds in de hand, en zegt ze met bijzonder welluidende stem:

“Als je er van deze wat bijnaamt August, hé? Een klein stukje brood?”

“Eva.... hadt je die voor mij.... die prachtige aardbeien?”

“Nee August, niet ik....”

“O, dan heeft oom ze gezonden.—Al gisteren had Coba gezegd....”

Eva legt haar vinger op den mond:

“Stil, niet te voorbarig August. Mijnheer Van Barneveld is er waarlijk onschuldig aan.—Nee, ze zijn van een arme weduwe, die ze uit haar eigen mond voor je spaarde, en, die zelfs wenschte dat ik haar naam niet zou noemen.”


’t Was een prachtige lente-avond of lentenacht; prachtig inzonderheid voor wie, zooals dokter Helmond, zeer gemakkelijk in het grijs damast eener overheerlijke coupee—gevrijwaard voor de kou, die dit jaar zeer lang bleef aanhouden—zachtkens geschommeld, het schoon daarbuiten genieten mocht.

De koetspaarden van mijnheer Debecque vlogen over den straatweg; en, door het portierglas heen zag Helmond, hoe de straks gerezen volle maan hen najoeg als op donzen wiek door het grauw azuur, terwijl ze velden en heuvels en bosschen, al dommelend of slapend in breede schaduwen, hier en ginds met haar phantastisch zilverlicht, deed droomen van den klaarlichten dag.

En zie, nu Helmond reeds lang heeft getuurd naar die zacht glanzende maan, meest in volle klaarheid voortjagend aan den wolkeloozen hemel, maar gedurig ook wegschuilend achter takken en blaadjes, waardoor zij zoo tooverachtig heenblonk alsof ze oude sprookjes vertellen wilde.... zie, nu giet zij eensklaps haar bleeken glans over den zijmuur van een deftig landhuis, terwijl zij het hooge ijzeren hek aan den straatweg met matte blinklichtjes flikkeren doet.

Dat is De Zonsberg.

’t Is niet vreemd dat Helmond eensklaps in levendige trekken het beeld van den grijzen pleegvader voor oogen heeft.

En weer,—maar sterker dan te voren, komt de vraag hem bestoken: Bezit die waardige grijsaard dan inderdaad de gebreken waarvan Eva hem zoo overmoedig durft betichten? Is hij dan werkelijk trotsch....?

—Neen neen, dat kan niet waar zijn.—En toch, sprak hij niet [155]meermalen dat woord; Er zijn standen en rangen door God verordineerd. Wie huwt buiten zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods!—En wanneer men dan daarmee zijn houding tegenover den armen Philip in verband brengt! ’t Was toch zijn wil geweest dat de vurige knaap, het meisje aan wie hij reeds zijn woord van trouw, en helaas ook het recht op zijn naam had gegeven, dat hij haar dien naam zou onthouden; dat hij haar verstooten zou omdat— omdat er standen zijn.... ha! rangen, hooger en lager, bepaald naar de geboorte der menschen.—O, den man dien men van kind afaan schier als het middelpunt der wereld, als den edelste der menschen, als den weldoener, den steun van zijn leven leerde beschouwen, zulk een ziet men zoo moeielijk anders dan bij den glans der aureole, waarmee wij hem zelf vol geestdrift tooiden. Maar toch, peinst Helmond voort, reeds zoo dikwijls heeft het mij strijd gekost om het denkbeeld te verjagen, dat er inderdaad op den bodem van dat hart een trots zetelt, die slechts op de gelegenheid wacht om zich naar waarheid te toonen.—Zou dan die vrees voor Eva’s zucht naar grootheid, zouden zijn bedenkingen tegen mijn keuze, inderdaad de uitvloeisels van dien trots zijn geweest, ofschoon hij het steeds te verbergen zoekt? Oom is goed voor iedereen, maar zijn toon klinkt meestal gestreng; tegenspraak duldt hij niet, en gemeenzaam met zijn minderen is hij nooit.—En dat andere....? Maar neen, mijn gansche leven, alles wat ik ben, ’t is immers het klinkendst protest tegen zulk een beschuldiging.—Hij, de weldoener, de grootmoedige, die zelfs twee arme knaapjes tot zich nam, hij zou de kiem in het hart dragen van dien wortel van alle kwaad?

Helmond weet niet meer waaraan hij later een geruimen tijd heeft gedacht. Onder ’t voortrijden zag hij wel, dat kleine zwarte wolkjes nu en dan de maan hebben befloerst, maar wánneer dat begonnen is.... hij weet het niet. ’t Is aanstonds een heele boel donkerder wanneer zoo’n wolkje de glanzende nachtvorstin in den weg treedt; doch zie, doorschijnender vluchten de laatste vlokjes reeds heen, en voorzeker, wanneer het dan weer helder en licht is—neen, dan komen weer andere veel grootere vlokken en wolken, en, de maan zal ’t verliezen in den kamp, want..... de lucht gaat betrekken.

Straks in de lanen van het landgoed De Poel was het,—ofschoon geen donkere nacht, toch in geen geval helder.

—Mijn Eva ziet scherp en met onbevangen blik, peinst Helmond, terwijl hij in het dommelig zwart voor zich heen staart: Onverstandig, berispelijk zelfs was haar overmoed; maar ongelijk, inderdaad ongelijk heeft ze niet.

Aan een kleinen zwaai van het rijtuig en aan het knoerpen der wielen en paardenhoeven in ’t kiezel zand, bespeurt Helmond dat men den oprit van De Poel heeft bereikt. Eenige oogenblikken later stapt hij de coupee uit, en treedt de vestibule van het fraaie landhuis binnen.

De oude baron Debecque ontvangt den dokter in de vestibule. Men heeft zijn komst met verlangen tegemoet gezien. Eergisteren is Archibald—de voorzoon van mevrouw Debecque, een charmante [156]jongen, die voor zes jaren geheel vrijwillig, maar zeer tegen den zin zijner familie naar de Oost was gegaan,—met overplaatsing bij het leger in Nederland, uit Indië in de ouderlijke woning teruggekomen.

“Vandaag,” zoo geeft Debecque eenigszins gejaagd de verdere inlichting: “vandaag, vooral van avond, zag hij vreeselijk bleek; fameuze pijn in de zij; belemmerde ademhaling; koortsig; mama zeer ongerust, natuurlijk!—Vooral niets laten blijken indien er gevaar mocht wezen.—Jawel op die kamer; ga binnen dokter.”

Archibald Hardenborg, omtrent zes en twintig jaren oud, had een bijzonder gunstig voorkomen; men kon hem gerust een type van mannelijke schoonheid noemen. Nú, zooals hij daar met de donkerblonde krulharen om het eenigszins bleek gelaat in het kussen neerligt, nu zal men het eerste wel aanstonds toestemmen, doch waarschijnlijk het tweede niet zoo gereedelijk beamen.

Helmond groet mevrouw Debecque, die zwijgend een welkomstteeken heeft gegeven, en gaat dan aanstonds naar het ledikant.

“Ah zoo, ben je daar menheer Helmond;” zegt de zieke tamelijk snel, ofschoon het te hooren is dat hij moeite heeft om zoo rad te spreken: “Mama’s troetelgodin, de lieve Hollandsche lente, heeft me leelijk in m’n wiek geschoten.—’t Spijt me dat ik je.... derangeeren moet.—Links in de zij, jawel.—Een pols als een gangklok.... Volstrekt geen kwaad bij.... Hoor je wel mama.... ’t is niemendal!”

“Wees zoo goed luitenant! u niet te veel met spreken in te spannen, ’t Valt u moeielijk niewaar?”

“Als je me nu vroeg om bijvoorbeeld een “Grace” uit de Robert of zoo iets te zingen, dan ja.... ai!.... Nee nee, ’t is zoo erg niet.”

“Heb je weer meer pijn?” vraagt de oude baron, en ziet beurtelings zijn zoon en dokter Helmond aan.

“Om u de waarheid te zeggen papa, daar hou ik zoo precies geen boek van. ’t Is in alle geval een allemachtig mooie bestiering, dat een patiënt z’n rantsoen pijn niet voor de heele expeditie opeens.... te.... dragen krijgt.”

Bij de laatste woorden, half lachend gesproken, bemerkte Helmond opnieuw dat dit schertsend spreken—waarschijnlijk het gevolg van een doorgaans vroolijken aard, en ter geruststelling zijner moeder—den patiënt meer moeite kost dan hij weten wilde. Archibald wendde het gelaat naar de binnenzij van het ledikant, en Helmond vernam voor niemand dan hém verstaanbaar de woorden:

“Een pleuris hé? Zeg aan mama dat het niets te beduiden heeft.”

Mevrouw Debecque was een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch van ruim vijftig jaren.

Als de echtgenoot van den steeds galanten en doorgaans opgeruimden ouden baron, die zelf een goed gevormd gelaat had, waarover iets blank-zilverachtigs verspreid lag; als de echtgenoot van zulk een man, moest mevrouw Debecque, op wie haar voor ’t eerst ontmoette, wel een zonderlingen indruk maken.

Ofschoon van patricische, maar niet van adellijke afkomst, had [157]mevrouw Debecque een zeer burgerlijk voorkomen. Wat echter de minder schoone weduwe van den kapitein Hardenborg, vooral in de oogen van den baron Debecque tot een zeer wenschelijke partij heeft gemaakt, was de omstandigheid dat mevrouw Hardenborg, geboren Rebecca Fontayn, een zeer groot vermogen bezat; en, dewijl de baron na den dood zijner eerste vrouw—die hem een paar huwbare dochters had nagelaten—zich in groote financieele moeielijkheden bevond, zoo was hij verstandig genoeg geweest om te zorgen “dat hij baron kon blijven” ten einde ook aan zijne dochters, namens de tweede mama, een huwelijksgift te kunnen aanbieden, eenigszins geëvenredigd aan haar stand.

Nochtans, hoewel Debecque “baron en vader was in de eerste plaats”, en ofschoon hij nog geenszins ongevoelig mocht heeten voor vrouwelijk schoon, hij was te zeer edelman, om zijn woord van trouw aan de weduwe Hardenborg te schenden, of voor haar toenmaals tienjarig zoontje Archibald, liefde te huichelen, indien hij niet werkelijk dat aardige kind als zijn eigen had liefgekregen.

Debecque heeft aan zijn tweede vrouw nooit gezegd dat hij haar “vurig beminde” of dat hij haar “schoon vond”, maar somwijlen slechts dat “die beste lieve Archibald, waarlijk wel wat op zijn moeder geleek”.

En immers, zoo iets te hooren, het was voor die moeder reeds meer dan zij wenschen kon.

Toen Archibald op twintigjarigen leeftijd officier is geworden, toen heeft mevrouw Debecque de zwaarste slag van haar leven getroffen. Met zijn vurigen aard, had haar jongen rust noch duur gekend eer hij den steeds gekoesterden maar lang verzwegen wensch zag vervuld, om als officier naar Oost-Indië te vertrekken, waar, zooals hij zeide, de nikker-populatie tenminste van tijd tot tijd nog zorgde dat een Nederlandsch officier zich leerde herinneren waarvoor hij den degen droeg. Met de vaste belofte “dat hij juffrouw Insulinde ’t vaarwel zou toeroepen als ze hem soms wat al te chaude werd, of wanneer ze een van z’n ledematen als liefdepand zou hebben geëischt; met ernstige beloften, ook van “schrijven” en “niet vergeten” en “niet roekeloos wagen” en “altijd maar denken” enz., is Archibald vertrokken, zonder dat ook de invloed van papa Debecque hem heeft kunnen bewegen om af te zien van den altijd gekoesterden wensch.

Met Archibalds vertrek was voor de goede vrouw de zon uit het landschap verdwenen.—Zij is aan ’t sukkelen geraakt, en terwijl haar schoonheid daardoor in geen geval had mogen winnen, ging bovendien het schichtige van haar blik zich steeds sterker in haar handelingen openbaren, zoodat zij zeer menschenschuw en dikwijls uiterst zwaarmoedig en zwaartillend geworden is.

Doch, sedert een half jaar, toen men het bericht uit de Oost ontving dat Archibald zou terugkomen, is mevrouw Debecque oneindig veel beter geworden; zij sliep veel geruster en was, voor den gewonen beschouwer, dan ook niets anders dan.... een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch. [158]

En nu, twee dagen na Archibalds blijde tehuiskomst, werd hij eensklaps ziek; o goede God, en erger ziek dan men bekennen wilde, ja, dat zag de moeder zeer duidelijk.

Dokter Helmond heeft zijn recept geschreven, en geeft verder den noodigen raad. Opstaande zegt hij nu:

“Tot morgen jonker. Zoodra de middelen er zijn, trouw innemen, hoor!”

Door den baron vooruitgegaan en op het portaal gekomen, voelt Helmond zich eensklaps aan ’t pand van zijn jas trekken.

“Dokter, zeg, verberg mij niets: is hij vergiftigd misschien? Door een wraakzuchtige in Indië.....? O God, dat zou verschrikkelijk wezen! Een langzaam werkend vergif?”

Vergiftigd?” zegt Helmond zonder verbazing, want hij weet wel dat mevrouw Debecque zeer sombere oogenblikken heeft: “Nee waarlijk, daar is geen quaestie van mevrouw.”

“Och waarlijk niet dokter! Maar mijn kind is toch ziek, ernstig ziek. Zal hij beter worden, zeker?”

“We zullen ons best doen om den luitenant weer heel gauw op de been te helpen. Maar, als u je ongerust maakt, en de luitenant het bemerkt, dát doet kwaad, natuurlijk.”

“Och, ongerust ben ik niet....” Zeer zachtjes: “Maar hij is heel rijk; en ik ben er zeker van dat er zijn die loeren op zijn geld; jawel!—U zult de drankjes zelf en alleen klaarmaken?—Nu ik zal niet angstig zijn; maar hij is mijn eenig kind, en mijn voornaamste erfgenaam—Een klein beetje loeren ze wel dokter,—jawel, jawel!”


Terwijl de coupee weer voorkomt, wil mijnheer Debecque volstrekt dat Helmond even in de huiskamer een glas wijn zal drinken.

Helmond herhaalt op Debecque’s vragen zijn verzekering: dat het met den luitenant, naar hij vast vertrouwt, wel spoedig zal terecht komen; bovendien hij heeft een krachtig gestel en een vroolijke natuur, maar.... men kan een ziekte niet vooruitloopen.

“Doe toch wat je kunt dokter,” dringt de baron: “je weet niet hoe blij ik was toen ik Archibald weer behouden thuis zag. Mijn vrouw scheen letterlijk een geheel ander mensch geworden; over niets niemendal hebben we eenige tobberij gehad. Je begrijpt me.—Zie, voor ’t geluk van mijn vrouw moet ik zorgen zooveel ik kan; maar bovendien, ik houd van Archibald, waarachtig! Allercharmantste jongen! In één woord, doe wat je kunt. ’t Rijtuig blijft om zoo te zeggen voor je ingespannen. Zijn twee visites daags niet te veel van je tijd gevergd, maak er drie. Zijn consulten noodig.... beslis en handel.—Nee nee, ’t is maar omdat ik die arme vrouw dat kind zoo duizendmaal gun; en.... zelf, ja zelf heb ik veel liefs van hem ondervonden. Onder ons gezegd amice, ’t was al mijn plan om ’t mooi gelegen Hoeverszathe voor hem te koopen; ’t ligt vijf minuten van hier en vlak aan den straatweg. Niewaar, als hij zich dan een lief mooi vrouwtje koos, zooals bijvoorbeeld een mevrouwtje Helmond;—ja ja dokter, dat is charmant, charmant! eere hebbe [159]je smaak. Ik zeg, als Archibald zoo nabij ons kwam wonen; natuurlijk den dienst quitteerde, en al vast over een tien duizend jaarlijks te beschikken kreeg, niewaar, dat zou voor z’n moeder en ook voor mij een waar genot, een.... Ah, daar hoor ik het rijtuig.—Nu, zooals gezegd is; we stellen het onbepaaldst vertrouwen in je. Doe voor den vroolijken snaak wat je kunt; spaar niets, en wat het rijtuig betreft, je bestelt maar zelf en disponeert er over,—als ’t noodig is hoe meer hoe liever. Adieu! Wel thuis! Respect aan je mooie vrouwtje met haar schrander oog.—Jan, zeg aan Karel dat hij rijdt als de drommel!”


Toen Helmond een klein half uur later, terwijl de maan geheel achter donkere wolken verborgen bleef, het groote hek van het nu gansch weggedommelde landhuis De Zonsberg voorbijreed, toen dacht hij niet meer aan den nieuwen patiënt, wiens toestand hem ook inderdaad geen reden tot bezorgdheid gaf, maar, voor zijn geest stond daar opnieuw en altijd weder het beeld van den pleegvader.

—Neen, er is geen twijfel meer: ofschoon Eva in eerbied is te kort geschoten, en niet zacht, niet vrouwelijk, in één woord niet goed heeft gehandeld, zij heeft toch den generaal bij zijn ware namen genoemd, niet verblind, zooals hij, door het altijd hoog opzien tegen dien krachtigen krijgsman met zijn vaste principes, of verweekt misschien door het voeden van een wat al te kinderlijke onderwerping en dankbaarheid. Ja, niet slechts is hij hoogmoedig en trotsch, maar schriel daarenboven. Helaas! het is niet anders.

—Hoe! als men twee kinderen aanneemt, twee arme weezen, zal men dan het recht hebben om één dier kinderen—alleen omdat hij zich tegen onzen wil verzet, of ons een ongepast, een beleedigend woord naar het hoofd werpt, terug te stooten in den poel van armoede en gebrek?—Neen, dat is waarachtig wreed! dat is.... —Maar zacht, heeft oom Van Barneveld dan toch niet dikwijls getoond....?

—Helaas! dat bezoek bij de familie Debecque zou zelfs niet noodig zijn geweest om Helmond te overtuigen dat Eva scherper heeft gezien dan hij. Immers, een paar uren geleden hebben Eva en Helmond—het eigen pleegkind met zijn jonge vrouw—dezen zelfden weg te voet afgelegd—het eind van De Zonsberg tot aan Romphuizen! En ginds: In het belang van een stiefzoon, wiens dood den baron Debecque tot universeelen erfgenaam van het kolossaal fortuin zijner vrouw zou maken, daar zal het rijtuig van mijnheer de baron om zoo te zeggen steeds ingespannen voor den dokter gereed blijven. Niets, niets moet er ontzien worden. En dan, welk een vertrouwen op Helmonds kunde! ’t Is daar geen geringschatting der geneeskunst—ofschoon helaas, de resultaten der wetenschap nog altijd te luttel en onbevredigend zijn.—Zie, men stelt er een onbepaald vertrouwen in hem als dokter, wanneer hij handelen zal in ’t belang van den patiënt. ’t Is daar geen uithooren slechts, om straks eigendunkelijk voort te leven met hypothesen zonder voorafgegane studie en degelijk onderzoek.—Welk een onderscheid! [160]Inderdaad, wanneer de wereld het wist, men zou zich moeten schamen: Een man als Debecque, die toch twee eigen dochters heeft, hij bedoelt het welzijn van zijn stiefzoon alsof het zijn eigen leven gold; hij wenscht hem gelukkig te zien en steeds nauwer aan zich te verbinden. Een heerlijk en kostbaar landgoed wil hij hem koopen; een lief mooi vrouwtje wenscht hij hem toe, zonder zich door de gedachte aan een zeer mogelijke vermeerdering der familie te doen weerhouden. En dan, een jaarlijksche toelage van tien duizend gulden zal hij hem gaarne bij zijn huwelijk verzekeren.—Tien duizend gulden! O Eva, Eva! ’t is hard maar ’t woord moet er uit: Je hebt gelijk, oom is schriel, verfoeielijk schriel! De zeer vermogende generaal geeft aan den bevoorrechten pleegzoon een jaarlijksche toelage van driedui... ho, van driehonderd, zegge: drie-honderd gulden. En dan, goeje hemel! de vreugde over de geboorte van een kind; de blijdschap over ’t huwelijksheil van zijn beminden pleegzoon, zal door den schatrijken oud-generaal worden gevierd met een geschenk van honderd gulden! Honderd gulden! Waarlijk, zulk een vreugd is al te uitbundig!—Ja, Eva had toch gelijk toen ze bij ’t vernemen van die “schitterende toezegging”, half blozend half glimlachend fluisterde, dat Helmond tegen dien tijd wel zorgen mocht een fiksche brandkast in huis te hebben.

—En dan, tweehonderd gulden voor een huwelijksreis, die veertien dagen zou duren, terwijl dat geld hem nog bovendien als honorarium voor zijn eerste consult was aangerekend! Tweehonderd gulden, terwijl Eva—niet meegeteld de diamanten, die hij haar op dien laatsten morgen heeft gekocht—bijna zóóveel besteden moest om in de geboorteplaats der mode, een weinig comme il faut voor den dag te komen.

’t Zijn droeve oogenblikken in ’t leven wanneer een illusie der kindsheid ons ontvalt, wanneer de vereering voor ouders of opvoeders moet plaats maken voor den onbevangen blik van het rijper verstand, en die edelen—die heiligen misschien—weggerukt van hun verheven voetstuk, daar staan als zeer gewone menschen met hun dwaasheden en gebreken.

Toen Helmond thuisgekomen, aan Thomas zijn recepten had gegeven om ze aanstonds klaar te maken, toen zag hij al spoedig Eva’s rijkgelokt hoofdje om den hoek der apotheekdeur verschijnen terwijl haar schoone oogen—en zonder eenige terughouding—hem vriendelijk toelonkten. O welke heerlijke schrandere oogen! Ja schrandere oogen; die oude baron heeft het goed gezegd.

En wat moest dokter Helmond dan gevoelen nu hij na een avond als deze, in ’t holle van den nacht van een zieke teruggekeerd, niet zooals voorheen een kil en zwijgend tehuis, maar, in dat huis een prachtige jonge vrouw mag vinden, die.... gedurende een paar lange uren heeft gewaakt en gewacht, alleen om hem te toonen hoe oprecht en teer ze hem bemint; die hem straks zachtjes toefluistert dat ze er waarlijk berouw van heeft dien ouden man wat al te openhartig te hebben toegesproken, omdat.... haar lieve August hem immers zooveel dank is verschuldigd! [161]

O! en nu hij haar zijden lokken voelt wiegen langs zijn wang, en haar zoetste kus hem weer verrukt, ja, nu beseft hij dat er inderdaad op de gansche wereld toch geen is, die hem meer ter harte gaat dan zijn Eva; dat hij slechts leven moet vóór en mét haar; dat hij desnoods ieders liefde zal kunnen missen indien hij slechts zooals nu, het moede hoofd mag vleien aan hare borst, wanneer hij maar rusten mag in haren arm. En terwijl nu die schoone oogen, ofschoon ze slechts van liefde spreken, hem herinneren aan den stond toen hij voor God en de menschen betuigde dat hij zijn vrouw zou liefhebben als zijn eigen lichaam, met verstand; dat hij niet bitter tegen haar zou wezen, maar haar de eere geven als het zwakkere deel; nu zegt hij al spoedig in den zaligen roes der min, na zoo vele uren van zieleleed:

“En zul je mij dien naren zwarten blik dan ook vergeven, en vast hem vergeten mijn beste wijfje?”

En Eva zoent haar echtvriend weder, terwijl haar zachte hand hem een haarlok van het voorhoofd strijkt.

En hij: “O, ik wist het Eva, en geloof mij dan ook, voortaan zullen we EEN zijn zooals het behoort. Immers wij zijn elkaar het allernaaste. Nee Eva, zeker, ik trek geen partij meer voor wie mijn liefste zou durven beleedigen. Ik zie den schoonen kant van haar fiksch karakter, en stel dien in ’t licht alsof het mij zelven gold. Zie, en wij onderwijzen dan elkander; ik leer van mijn vrouwtje om zaken en personen, ofschoon in een liefderijken geest, te beschouwen zooals ze werkelijk zijn, en zij....”

Op dit oogenblik was het Eva echter niet mogelijk naar een reeds bekend sermoen te luisteren. De bekentenis van haar August was dan ook al te verrassend. Met een schalksch lachje valt ze nu in, terwijl ze zijn baard om haar blanken vinger doet krullen:

“Ei! als het je dan heusch ernst is om zaken en personen te beschouwen zooals ze zijn, komaan mijn lief Augustje, beken jij dan eens volmondig, dat deze zeer geroemde huiskamer zóó ongelukkig laag van verdieping en zóó akelig doodsch is, dat de vrouw die er haar lieven man, dag aan dag en soms ’s-avonds laat vol ongeduld zal wachten, zich er suf in kniezen of wel een tering op den hals halen moet!”

—Een tering!—Dat woord treft Helmond pijnlijk. Wat heeft hij gevreesd toen hij Eva voor ’t eerst onder den meidoorn ontmoette? Een tering! En—Eva ziet wat bleek. Van ’t late opzitten misschien?

“Komaan August, beschouw de kamer dan eens zooals zij waarlijk is, en spreek.”

“Nu ja, ik wil niet zeggen Eva....”

“Nee nee, volmondig!”

“Vroolijk is anders Eva, welzeker.”—Haar teer omhelzend: “’t Wordt nu tijd tenminste dat we een andere kamer gaan opzoeken: ’t sloeg daarbuiten al twee.”

En terwijl ze samen naar boven gaan—zoo heel vertrouwelijk, hand in hand—zegt Eva zachtjes langs zijn schouder heen: [162]

“Ik las van avond toevallig in ’t Romphuizer blaadje, dat het oud-burgemeestershuis over drie weken geveild, en acht dagen later publiek zal worden verkocht. Heusch, bij Siebold in de Gouden Arend.”

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Den volgenden morgen nadat Eva zich voor ’t koffiedrinken gekleed had, ontstelde ze een weinig toen ze, beneden gekomen, in den zak van haar japon nog den brief vond, dien ze den vorigen avond voor August van De Zonsberg had meegenomen. Maar immers haar lieve man zou wel begrijpen dat zij, door ’tgeen er is voorgevallen, dien brief vergeten moest.

En August heeft het begrepen. Doch, niet zoodra had hij het adres van den veel gestempelden brief bezien, en in het schrift de hand van Jacoba Van Barneveld herkend, of hij stak hem snel in zijn jaszak, om echter losweg te zeggen:

“O van..... ne dinges, dat was niets; al gesproken.”

“Dinges, een patiënt?”

“Ja, ’t heeft niets te beduiden.”

“Wil je eens weten August, wat ik dacht toen ik dien brief voor je kreeg?”’

“Welnu?”

“Ei, dacht ik, is mijn lieve man zoo met dames aan ’t correspondeeren. Ja, ’t kan niet missen, ’t adres is van een vrouwenhand, en....”

“Is dat zoo duidelijk? Waaraan zou dat te zien zijn? Ik ken dames genoeg die een fiksche heerenhand schrijven, en heeren in legio die krabbelen als een keukenmeid. Ik verzeker je.....”

“Hé August, hoe vat je daar ineens zoo verschrikkelijk vuur op? Zóó zou je iemand waarlijk op gedachten brengen die....”

“Die....? Wat meen je Eva?”

Er werd aan de deur geklopt.

Een oogenblik later overhandigde Thomas Van Hake aan de doktersvrouw een brief waarvan het adres luidde:

Madame E. Helmond.

née Van Armeloo,

en ville.”

Eva bloosde niet, maar, het adres beziende, ging ze toch naar [163]het venster om een kleine ontroering te verbergen. ’t Was dwaas, bespottelijk; maar ’t kon ook niet zotter treffen: juist op het oogenblik dat de brief, dien August zoo haastig had geborgen, haar inderdaad begon te intrigeeren en—zij moest het zich zelve bekennen—terwijl Helmonds vreemde houding haar onaangenaam heeft getroffen, bracht men haar een brief van een.... onbekende mannenhand.

Eva zal echter van haar brief geen geheim maken. Dat behoort en dat behoeft ook volstrekt niet.

Helmond ziet haar zwijgend aan. Eva opent den brief en leest voor zich zelve:

“Mevrouw!

Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echtgenoote van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om—voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden—na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn.....”

“Wat scheelt je Eva? Je wordt bleek. Van wien is die brief?”

Eva heeft zich spoedig hersteld; ze weet nu waarover die brief handelt. Een paar seconden ziet ze August zwijgend aan, en dan zegt ze met nadruk, ofschoon vriendelijk zacht:

“Ik denk op dit oogenblik, in verband met een brief die straks zoo spoedig in een jaszak werd geborgen, aan een laatsten avond in ’t Hotel du Helder. Als dokter Helmond telkens redenen heeft om wat men hem schrijft voor zijn vrouw te verbergen, zou dat niet een zeer slecht voorbeeld kunnen zijn.....? Maar nee, nee August, zoo wil ik het niet. Ziehier, wij zullen samen lezen.”

“Zou je denken Eva, dat een zweem van.... jaloezie..... of.....?”

“Ssst ssst beste man, wie zou aan zóó iets denken! Kom lees nu mee; ’t betreft.....”

“Is het je wensch; is het noodig? goed! maar zoo niet.... als men mijn lieve kind slechts den eerbied betoont, dien men haar als vrouw is verschuldigd, dan ben ik tevreden.”

“O wat dát betreft; zie maar, de laatste regels ze vloeien over van eerbied.”

Een oogenblik later lezen Eva en Helmond te zamen:

“.... thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn, dat n. l. mijnheer uw vader inderdaad een afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo.”

“Wat, duivel, is die Kartenglimp gek!”

“Hé, vinje?”

Men leest verder: [164]

“Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik inderdaad de overeenkomst treffend bevinden.”

Hier volgde een beschrijving van het bedoelde wapen.

“Mijne vroegere relaties”—zoo luidde het verder in den brief—“brachten mij in kennis met een onzer eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe niet zelden—tijdens de Hervorming vooral—zonen uit de aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen, met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Birchheim in Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenen uitgeweken, zijn Hollandschen graventitel heeft prijsgegeven om te zijn een dienaar in den wijngaard des Heeren.—Wanneer zijn nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven....”

“Welzeker!” lacht Helmond: “alleraardigst!” En hardop lezend:

“Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij—naar zijn bescheiden meening—niet aan haar nakomelingen mag onthouden, en waarvoor zij zich slechts een geringe financieele opoffering zal te getroosten hebben.

“Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo, heb ik de eer te zijn,

Mevrouw!

Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.

Kartenglimp.”

Het hinderde Eva wel dat Helmond alweder lachte en haar met de woorden: “Wel wel, gravin Van Armeloo!” op eenigen afstand met zekere kluchtige reverentie beschouwde; doch zij zou hem niet toonen dat de ontvangen meedeeling haar borst met zulk een ongekende verrukking had vervuld.

“Wel kind, wat of er van den armen dokter zou geworden zijn, als men eerder had geweten ’tgeen die zeer vindingrijke majoor nu zoo eensklaps heeft uitgevonden!”

“Is dat het loon voor mijn openhartigheid? Meen je August, dat [165]ik niet reeds lang heb vermoed en geweten ’tgeen die man daar schreef?”

“Waarlijk, al lang?”

“Maar heb ik er ooit van gesproken of er zelfs ooit op gedoeld?”

“Nu, laten we er dan ook maar te zamen om lachen mijn wijfje. Weet je wat ik geloof?—Ronduit gezegd, ik geloof hoe langer hoe meer dat die majoor de rechte broeder niet is. Hij wil zich aangenaam maken; en daarom dien gekunstelden brief.”

“Genoeg van dien man August; zijn persoon staat mij tegen; maar hem om het schrijven van dien brief te beschuldigen, dat is onheusch. Gesteld eens dat hij waarheid had geschreven, dan zou hij voor ’t allerminst op onze erkentelijkheid aanspraak hebben. ’t Is zeker dwaas zich te verheffen bij de gedachte dat men zulk een adellijken titel zou kunnen bezitten, maar, er om te lachen.... nee! Indien het inplaats van de familie Armelo de familie Helmond gold, ik weet niet August of je dan....”

“Ah ja, daar zeg je een goed woord, als het de familie Helmond gold! Ja dan....”

“Welnu....?”

“Dan zou het voor die onderschrapte “nakomelingschap” tenminste nog van eenige waarde kunnen worden; maar kindlief, vader Armelo heeft twee dochters; de eene is het vrouwtje van je onderdanigen dienaar Helmond, pur sang plebejer, en de andere, al trouwde ze met een prins, de gravenkroon der Van Armeloo’s zou toch nooit door haar edele telgjes kunnen gedragen worden!” En weder lachend: “’t Is alleraardigst!”

“Helmond, extra verstandig vind ik dat lachen niet. Ik zeg je nóg eens, als het zulk een titel voor de Helmonds gold.....”

“En ik herhaal Eva, dat dit, met het oog op het onderschrapte in dien brief”—hij geeft haar een zoen—“ook heel iets anders zou wezen. Maar over mijn adelbrieven behoeven we ons ’t leven niet moeielijk te maken. En nu, al is mijn lachen dan misschien niet heelemaal verstandig, geloof me kind, waartoe zou men zich iets in ’t hoofd, en vele moeiten en kosten op den hals halen, om—gesteld dat alles dan waar was—een titel te verkrijgen waar men, zonder fortuin, eigenlijk mee verlegen, en geen enkel naneefje mee gebaat zou zijn?”

Eva zweeg en zag naar den grond. ’t Was wel te merken, zoo dacht ze, dat Helmond plebejisch bloed in de aderen had. In háár is altijd iets geweest ’twelk haar zeide dat ze eigenlijk niet thuis behoorde in “’t knechtelijk gareel”—met welk beeld een groot dichter de lagere en middelstanden eens zoo juist had geteekend. Nochtans ze gevoelde het ook: Mocht het al schoon zijn en weldadig voor ’t hart, indien men zeker wist uit zulk edel bloed te zijn gesproten; ’t zou verkeerd wezen om er voor de toekomst een te groote waarde aan te hechten, dewijl papa geen zoons en geen fortuin bezat.... Maar.... ha! welk een licht gaat daar plotseling voor haar op! Zie, uit eigenliefde, uit trots heeft August zich zoo weinig ingenomen betoond met hetgeen hij vernomen heeft. ’t Moest [166]voor een man ook stuitend wezen om zich eensklaps ver beneden zijn vrouw te zien gesteld, vernederend om als eenvoudig burger te staan naast een geboren.... gravin!

“Nee August, wacht nog even, ik wou je zeggen....!”

“Ja maar vrouwtje, ik moet noodzakelijk weg. ’t Is al één geslagen; je weet men wacht me in de stad, en om halfdrie komt het rijtuig van Debecque. Circa vier uur hoop ik weer thuis te zijn, en we kunnen dan ’t chapitre vervolgen; nu, bonjour kind!”

Haastig heeft Helmond haar omhelsd, en gaat dan snel naar de deur.

—Maar neen, zóó kan Eva hem niet zien vertrekken. Zij moet hem aleer hij haar voor drie volle uren verlaat, dat nieuws doen zien bij ’t licht dat er voor haar is opgegaan.

“Even Helmond, luister even.”

Helmond blijft met de hand aan den deurknop staan.

Zij komt hem zeer nabij:

“Maar August, als mijn familienaam dan uitsterft, en we toch weten dat mannen dikwijls om zulk een reden den naam hunner vrouw er bij aannemen; ik meen als alles nu waar is, en dat het zoo uitkwam, natuurlijk, dan zou jij—juist met het oog op ’tgeen de tijd ons kan schenken....”—zij sloeg de oogen weer neer—“dan zou jij immers best....”

“Pots selderementen Eva! wou je een graaf van me maken!? Nee maar nou geloof ik waarachtig dat je eens zien wilt, of er hier bij me boven, iets los of stuk is. Kom wijfje, maak geen gekheid, en kus me maar, en noem me nóg eens zooals gisteravond je “trouwe”; die titel is me wat meer waard dan andere, die bovendien wel wat heel hoog in de lucht hangen. Bonjour!”


Een kwartier later was Eva gekleed om uit te gaan. Neen, ze ging niet, zooals August altijd deed, die apotheek door en de achterdeur uit; zij nam de voordeur aan den wal.

Binnen weinige minuten bevindt ze zich in de ouderlijke woning. Ze moet papa en mama afzonderlijk spreken.

Mama Armelo was druk met dochter Louise aan ’t rekken en vouwen van de wasch, doch mama heeft voor dochter Helmond in allerijl een mooie muts opgezet, en komt nu in de voorkamer waar Eva wachtte, en verontschuldigt zich—tegen haar kind—over haar toilet. Niewaar, Eva wist wel hoe het soms laat werd, en, zij had zich juist even met een schoteltje bemoeid, een lekker schoteltje voor papa. Eva zou het begrijpen.

Eva met haar Parijschen hoed en mantille, maakte in de voorkamer van den zeer eenvoudigen oud-kapitein, en tegenover die mama in een vieze zwarte jas, en de sterk met rood gemonteerde muts—een contrast, waarmee ze zelve bijna verlegen werd.

Papa was op ’t oogenblik dat hij geroepen werd juist in zijn achterschuurtje aan ’t blokjes zagen. Hij deed gewoonlijk zoo iets; en vooral om anderen eens wat te kunnen “overdoen”.

“Je zegt mevrouw Helmond?” heeft hij aan ’t dienstmeisje gevraagd [167]die hem roepen kwam: “wou die mij alleen hebben? Dadelijk hoor!—Gauw ’en bakje.”

De kapitein behoefde geen nadere toelichting te geven. Als er voorname lui waren om hem te spreken, dan moest het meisje—wanneer hij althans aan eenige bezigheid was—terstond waschwater brengen.

Terwijl Armelo de zeep deed schuimen dat het een lust was, kan hij zich maar geen denkbeeld maken van ’tgeen Eva hem in ’t geheim—alleen aan hem en mama—zou te zeggen hebben. Hoelang was ze getrouwd? Nee nee, dát zou ze ook niet aan hém.... Nee, wát of het wezen mag!

Zeer verlangend naar de oplossing van ’t raadsel, trad Armelo de kamer in, juist op ’t oogenblik dat mama Armelo reeds den voorsmaak van ’t allerbelangrijkst geheim had genoten.

“Wat zeg je Eva, je pa een graaf Van Armeloo?” heeft mevrouw geaarzeld: “WIJ zouden.... WIJ....?” En dan naar de deur ziende: “Goeje God, Armelo! ben je gek; met je sloofje voor!”

Inderdaad de “graaf Van Armeloo” stond daar op den drempel der deur, en zag, half verrast half verlegen, op het bekleedsel neer, waarvan hij zich inderhaast vergat te ontdoen, geheel vervuld met de gedachte aan het nieuws ’twelk hij hooren zou.

De oud-kapitein schaamde zich inderdaad een weinig voor zijn dochter; maar, nadat het sloofje buiten de deur was geworpen, ging dat toch spoedig voorbij. Eva wist wel dat hij niet leeg kon zitten; en, hij heette haar hartelijk welkom, want waarlijk, hij zag haar niet al te druk, en spoedig keek hij haar vragend aan, immers ’t was wel iets buitengewoons dat hij tegelijk met mama in de confidentie zou wezen.

Toen men zich reeds eenige oogenblikken in de grafelijke sferen bewogen had, beweerde mevrouw Armelo met klem dat Armelo “zich zelf altijd in den weg stond”. Jawel, hij had geen oog voor de toekomst.

Maar Armelo bleef beweren dat het ook waarlijk te gek was. Hij heette eenvoudig Armelo, en het Van dat er vóór moest, dááraan haperde het immers.

“Maar dat hebben je voorouders laten vallen;” verzekerde mevrouw: “Begrijp je dat niet?”

“En als ik me niet bedrieg dan schreven de graven Van Armeloo zich met twee oo’s.”

“Maar die ó heeft je overgrootvader dan zeker óók laten vallen.”

“Ja, zoo kun je alles laten vallen, Marie; maar ik zeg je dat m’n vader en grootvader eenvoudige boeren in Hanover waren, en dat ze.....”

“Nee maar man, zóó dwars als jij bent, daar staat m’n verstand voor stil.”

“Hoor eens pa,” zegt Eva: “ik wist wel vooruit dat mijn nieuws met bezwaren door u zou ontvangen worden; maar, ik bid u, waarom wilt u je tegen zóó iets verzetten!”

“Mijn hemel, dat vraag ik je!” valt mevrouw Armelo in: “Maar [168]ik herhaal het man, ’t is je nooit recht ernst met de eer van je familie geweest; zeker, men zou je nooit zoo vroeg gepensioneerd hebben als je je niet.....”

“Vrouw! moet je mij in presentie van mijn kind aan iets herinneren, dat ik met Gods hulp bestreden en geheel overwonnen heb?”

“Ja, toen het te laat was Armelo. Ik blijf er bij, je hebt je zelf altijd in den weg gestaan; je hadt generaal kunnen zijn als je dien drank....”

“Nee ma,” valt Eva in, nu ze den man strak voor zich heen zag staren, en eensklaps berouw kreeg dat ze misschien eenige aanleiding tot dat verwijt heeft gegeven: “nee ma, daar moet u niet van spreken.” En dan, terwijl ze haastig opgestaan haars vaders hand neemt, en hem op het voorhoofd zoent: “Ma meende het niet kwaad pa’tje-lief; zij wilde maar zeggen.....”

“Nu, ’t is niemendal kind, ik weet wel hoe jij het meent; ’t is niemendal!”

“Zeker, ’t was de kolonel Dadel die u niet zetten kon; en die leelijke Minister van Oorlog! Maar als anderen u dan hebben teruggestooten, terwijl er zoovelen vooruitkomen, die ’t vrij wat minder verdienen, zoudt u dan—wanneer we toch werkelijk van zoo hoogen adel zijn, niet alles doen om u, door het herwinnen van dien rang, boven dien Dadel en dergelijken te verheffen?”

“Maar waarachtig kind, het is niet mogelijk; ik weet immers zeker....”

“Zeker!” valt mevrouw uit: “je weet niets niemendal! Die majoor Kartenglimp zal toch niet gek wezen. Wat hij schrijft, is zoo klaar als de dag; we hebben Goddank ons verstand nog; en als ik dien brief niet driemaal had gelezen, dan zou ik twijfelen kunnen; maar driemaal heb ik hem gelezen; en met Eva ben ik het volkomen eens dat er gehandeld dient te worden in ons aller belang.”

“Maar mijn hemel Marie, we komen met de grootste moeite rond, en hoe wil je dan dat we ons nog opofferingen zouden getroosten om—gesteld dan.... gesteld dan.... dien titel te krijgen; maar vooral om als graaf en gravin.....” schielijk opstaande: “Nee nee, ’t is onzinnig, we zijn gek! We droomen! Ik, ik een graaf.... jij een gravin!” Zenuwachtig lachend: “’t Is om te lachen! Waar heb je den brief, geef nog eens hier; maar ’t is om te lachen!”

Eva begrijpt nu dat lachen zeer goed. ’t Was bij papa een repetitie van ’tgeen ze van Helmond hoorde, maar toen niet begreep. Zenuwachtigheid; jawel, anders niet. Dames vallen flauw zoodra ze bloed zien; maar de zenuwen van heeren worden ’t eerst geprikkeld, wanneer hun iets van eer of rang in de oogen blinkt. Wie ’t hardst heeft gelachen om een ridderlint, draagt het zelf als ridder op overjas en chambercloak. Dat ongeloovig lachen, ja zeker ’t is de dekmantel voor een inwendige blijdschap die zich anders te ras zou verraden. Wie zoekt, of althans wie wil er geen eer! Ja! zelfs de domsten en zotsten, die nooit eenige eer kunnen behalen, ze dringen vooruit als er eerewijn wordt aangeboden. [169]

—Ja zie maar: bij ’t nogmaals doorloopen van Kartenglimps brief, gaat dat lachen van papa al over in een glimlachje, waaruit iets anders te lezen is.

Armelo las: “Wanneer zijn nakroost echter, zooals mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven.”

“Nu pa, dat is toch zoo heel onverstandig niet;” zegt Eva, terwijl ze met haar vinger in parelgrijs glacé, op den genoemden volzin wijst.

“Nee te donder, wat dat betreft; na Hasselt zei de kolonel Bik, in presentie van de sergeants Leeuwendaal en Wagenaar en een heele boel anderen tegen me: “Luitenant, je hebt je als een braaf officier gehouden.” Zieje, dat vergeet ik niet; maar verdord dat hebben ze aan Oorlog vergeten, zoo’n Dadel! zoo’n Minister, die...”

“Och Armelo, als je nu hier bent gekomen om je ouwe litanie te zingen, dan zou ik liever....”

“Nee ma, ’t is begrijpelijk dat pa zoo iets nu juist moet hinderen; als je dan bijna zeker weet dat je zoo heel veel hooger dan die nare menschen staat.”

“O ja, juist Eva, wat dat betreft.—Voel je dat Armelo? Nee, ik geloof je voelt dat nog niet; jij voelt zoowat niemendal.”

“Marie, nóg eens: ’t is niet gepast dat je zoo in tegenwoordigheid van onze dochter spreekt. Als er iemand gevoel heeft dan ben ik het. Heb ik jou armen neef den schoolmeester niet laatst nog m’n ouwe polonaise en vijf en twintig stuivers gegeven, den armen drommel!”

“Och, laat nu in ’s-hemelsnaam mijn familie en je ouwe polonaise rusten bij zaken als deze. Wat anders de Lieders betreft, die konden best—zei neef eens—van ’t oude Lydië in Klein-Azië afkomstig en van vorstelijken oorsprong zijn; maar van zulk een oudheid is dat niet eens meer na te sporen. Ik zeg Armelo, we zijn voor God en onze kinderen verplicht de handen aan ’t werk te slaan.”

Armelo krijgt eensklaps een “akelig prozaïsch gevoel”. Hij kon het niet helpen; maar.... ’t spijt hem dat hij niet stilletjes buiten de confidentie is gebleven. Hij was straks juist zoo plezierig aan ’t blokjes zagen; en ’t bruine pijpje smaakte zoo lekker, en.... Och goeje God! hij was toch niet voor een graaf in de wieg gelegd.

—Wel hemel, waarom niet! Geen fortuin! wat doet het er toe. Luister, mevrouw zal ’t hem herinneren: Graven met graafschappen zijn er geen drie meer in de heele wereld. De graaf Van Tiel is stationschef ergens op een klein tusschenstation. Baron Hars is gemeente-ontvanger te Limmen. De twee freules Van Winteren maken in stilte hoedjes voor de lui; en de drie magere freules Blankenberge met haar groote oogen, eten te zamen vijf ons vleesch in de week; hebben één fluweelen mantel met ’er drieën, en niet anders dan ’en loopmeisje van ’s-morgens acht tot licht en donker!

“Maar dat is dan ook erbarmelijk;” zegt Armelo.

“Maar.... ze zijn van adel!” antwoordt mevrouw op tooneeltoon: “en, dat doet haar de wereld gemakkelijk trotseeren. De adel geeft [170]een verhooging, een glans. Je kunt het dadelijk zien dat iemand van adel is, zelfs de freules Blankenberge....”

“Och omdat je ’t weet Marie! maar anders, waarachtig....”

“Weten! weten!! Nee, ook zonder dát zou men ’t zien. Maar als ze het dan van óns zullen hooren, dan moeten ze ’t immers toch ook zien niewaar?”

Eva was stil geworden: ze wist niet wat haar eigenlijk méér hinderde, de burgerlijke toon, waarop mama den goeden papa gedurig beknorde, of de burgerlijkheid waarmee papa—een oud-officier—zich telkens de eer die hem toekwam van den hals zocht te schuiven. Inderdaad moet Eva voor zich zelve bekennen dat de graaf en gravin Van Armeloo-Lieder een tamelijk mal figuur in de wereld—ja zelfs in de Romphuizer wereld—zouden maken. Mama had meer dan papa dat gepaste gevoel van eigenwaarde, dat zekere, om zich te willen verheffen boven het mindere, het gemeene; doch, hoe goed zij mocht wezen, mama miste door haar opvoeding in den hoogsteenvoudigen stand, ten eenenmale dien fijneren toon en goeden smaak waaraan de aristocratie zoo gemakkelijk te herkennen is. Honderden malen bijvoorbeeld is Eva tegen de bonte kleuren die mama gewoonlijk droeg te veld getrokken, doch zonder een blijvende verbetering van smaak te kunnen bewerken. Neen, ware het slechts om dien titel voor haar ouders te doen, Eva zelve zou het bij nader inzien verstandiger oordeelen om de goede menschen verder maar stilletjes ongemoeid te laten. ’t Zal toch inderdaad ook nog al werk hebben om dit huishouden, waar alles oud en versleten is—de weinige smakelooze meubels in deze pronkkamer getuigen ervan—slechts eenigszins in harmonie met dien nieuwen stand te brengen. Neen, had Eva geen andere plannen gehad—en zij twijfelt niet of ze zullen gemakkelijk te verwezenlijken zijn—dan zou ze zeker met haar vader hebben ingestemd, dat het waarlijk te dwaas is. Nu echter, nu moet er gehandeld worden! En, onder het diepst geheim, ontvouwde Eva nu de reden waarom zij, voor zich zelve, er hoogen prijs op stelde dat papa gevolg wilde geven aan de zaak, en zoo spoedig mogelijk den majoor Kartenglimp zou gaan spreken.

De oud-kapitein, ofschoon weinig bekend met de rechten van heraldiek of genealogie, betwijfelde het echter zeer of het wel mogelijk zou wezen dat Helmond—gesteld dan.... gesteld dan—met den naam zijner vrouw bij den zijnen te nemen, ook den titel van haar geslacht zou bekomen; doch, moeder en dochter vonden dat “zóó doodeenvoudig natuurlijk”, dat hij zichzelf al voor heel onnoozel en dom had moeten houden, indien hij het zou gewaagd hebben daartegen nog bedenkingen in ’t midden te brengen. Ten slotte beloofde de kapitein dan ook aan zijn dochter—ofschoon juist niet zoo geheel van harte—dat hij werk van de zaak zou maken, en, ja zeker, nog heden den majoor te zullen opzoeken om van hem te vernemen op welke wijze men dan zou moeten handelen.

Alvorens Eva naar huis zal terugkeeren, heeft ze nóg een vertrouwelijke meedeeling.—Nee, papa moest niet weggaan, ’t gold hém in de eerste plaats. [171]

Eva geeft een kort verslag van het gebeurde op De Zonsberg, en van de “infame houding die de generaal tegenover haar heeft aangenomen.”—“Ter wille van Helmond,” zoo vervolgt Eva, “zal ik mijn best doen om den man, die uit trots en schrielheid de jonge vrouw van zijn pleegzoon met onheuschheden overlaadt, niet al te zeer te.... verachten. Ik ben van plan zijn hostile houding met de grootstmogelijke onverschilligheid te beantwoorden. Het kan me soms hinderen dat we zijn zoogenaamde weldaden nog moeten aannemen, en ik zag die prachtige bewijzen van zijn schrielheid liever aan een arme gegeven. Maar ik moet ze dulden. August is voor de helft zijn erfgenaam; en hoewel ik voor mijzelve in staat zou zijn om die heele erfenis er aan te wagen, en mij stoutweg met hem te brouilleeren, indien hij ’t nog eens te bont maakte, ik mag de toekomst van August, die nu werkt en draaft als een paard, niet roekeloos op ’t spel zetten. Ik zal me om zijnentwil beheerschen. Maar papa, wat ik dulden moet als Helmonds vrouw, dat moogt u als de kapitein Van Armeloo—ik zeg Van Armeloo....”

“Hoor je wel Armelo; ze zegt Van Armeloo....”

“En wát mag ik niet dulden?” valt Armelo in: “de generaal heeft me niets niemendal gedaan; integendeel, hij was compleet frère en compagnon; kameraad, alles wat je wilt. Verduiveld, hij heeft immers nog zelfs het heele diner van je trouwen in De Arend betaald.—Schriel! Nee Eva, neem me niet kwalijk, dat is.....”

“Maar goeje hemel papa, dát, dat is het juist! Me dunkt uw militair.... uw.... uw.... ja uw gevoel van rang enfin, alles in u moet daartegen opkomen. Toen ik er straks over nadacht, toen brandde mij de gedachte letterlijk als vuur op de borst, dat die mijnheer Van Barneveld mee het diner heeft betaald, ’t welk de kapitein Van Armeloo ter eere van ’t huwelijk zijner dochter gaf. Bah! ’t is vernederend! ’t is....”

“Maar kind, Helmond heeft me gezegd dat dat heelemaal onder ons zou blijven.”

“Ja dat kan wel waar zijn papa, maar waar blijft het ook, dat de generaal vijftig gulden heeft gegeven voor uw diner.”

“Vijftig gulden!” roept mevrouw: “voor een diner van twintig personen à vier gulden buiten den wijn! Goeje hemel, wat een schriele kompeer! Heeft Helmond dan de rest betaald?”

“Zeker! en ik wou dat hij ’t heelemaal betaald had; maar nu, die vijftig gulden ze compromitteeren u en mij; onze heele familie; verschrikkelijk! Vandaar die trotsche minachting. Welzeker, ik ben de dochter van een officier, die zich het bruidsmaal voor zijn kind laat betalen!”

“Maar wat duivel, als een ander het niet betaald had dan zou het ding niet gegeven zijn! Je weet wel Eva dat wij geen geld voor zulke foeven hebben.”

“’t Spijt me papa, dat u niet aanstonds gevoelt dat die schuld aan mijnheer Van Barneveld moet worden afgedaan. ’t Komt me zoo heel natuurlijk voor.” [172]

“Ja maar....” aarzelt mevrouw: “ik moet toch ook bekennen Eva, dat.... vijftig gulden.... in onze omstandigheden....”

“Ik zou op m’n woord niet weten waar ik ze vandaan moest halen,” herneemt Armelo: “en mij dunkt kind, dat diner is nu gepasseerd en, bij m’n ziel, de generaal heeft als oud-kameraad gehandeld; ik zou hetzelfde gedaan hebben wanneer ik in zijn schoenen stond.—Waar ga je heen Marie?”

Mevrouw gaf geen antwoord. Ze was reeds de kamer uit. Een overheerlijk denkbeeld was haar ingevallen.

Louise—Eva’s jongere zuster—stond nog in de kleine tuinkamer aan het vouwen van de wasch, toen mevrouw Armelo haar om raad is komen vragen. Louise kent hare moeder. De goede vrouw heeft in alle opzichten een bijzondere liefde voor kleuren. Honderdduizendmaal geldt bij haar voor eens of hoogstens tweemaal. De rest laat zich gemakkelijk begrijpen. Moeder Armelo zou verder met wat opleiding een uitmuntende tooneelspeelster zijn geweest. Zie maar, ook nu is er in haar blik een soort van vertwijfeling te lezen terwijl ze, het gesprek vervolgende, zegt:

“Maar mijn hemel kind, denk je dan niet dat je arme vader er in stilte onder lijdt?”

“Ik heb er niets van gemerkt ma.”

“Daarom zeg ik in stilte.—En wanneer nu de heele stad hem bespot en belacht, moet dan het hart van een oud-officier die—ik zeg het je—van den oudsten Nederlandschen adel is—ja, ik zeg het je—moet dan dat hart onder zijn ridderkruisen niet breken!”

“Maar weet dan de heele stad dat papa vijftig gulden van....”

“De heele stad Louise? Ja helaas! Wij kregen een brief van den majoor Kartenglimp. Papa is den titel van officier niet meer waardig.....”

“Schreef dat die leelijke oud-majoor?”

“Nu ja, ten naastenbij.—Men zal hem van de sociëteit weren; men zal.....”

“Wat! zal men papa van de sociëteit....?”

Mevrouw haalt schouders en wenkbrauwen op; werpt een blik naar den groen geverfden zolder, en zegt:

“Ik hoop mijn kind, dat ons zoo iets zal gespaard worden.”

Louise ziet eenige oogenblikken strak voor zich heen.—Ruim éénhonderd en tachtig gulden heeft ze sedert vijf jaren bespaard; want evenals die straks genoemde adellijke dames, had ze met de naald in de behoeften van haar toilet zoeken te voorzien, en haar overgroote bedrevenheid in ’t maken van handwerken is oorzaak dat zij nog bovendien zulk een som heeft kunnen overhouden. Louise is er altijd zeer geheim mee geweest, en waarschijnlijk had ze er gegronde redenen voor. Maar nu, na een ontmoeten van den heer Kippelaan, in wiens bijzijn men haar, onvoorzichtig genoeg, een gekleede muts heeft besteld, sedert die ontmoeting, waarbij zoo schrikkelijk veel gesproken was, wisten papa en mama Armelo ook al spoedig dat hun jongste dochter “fortuin” had; en, ofschoon [173]eerst een weinig gevoelig over Louises achterhoudendheid, hebben ze hun dochter toch bewonderd en geprezen, ’t geen mama anders volstrekt niet gewoon was.

En ’t is heden nu reeds de derde maal dat mevrouw Armelo aan haar dochter een plekje van de gloeiende plaat wijst, waarop Louise een deel van haar zuur verworven spaargeld kan zien verdwijnen.

—Haars vaders eer!!

Louise zal er met papa over spreken.

Maar mevrouw Armelo zegt plechtig met de hand op den boezem:

“Met papa!—Louise! in Godsnaam, met hém geen woord!”

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Op De Poel werd dokter Helmond met blijde aangezichten ontvangen. Archibald was veel beter. De ongesteldheid is niet van zooveel beteekenis geweest als het zich in den beginne liet aanzien. ’t Viel ook Helmond mee dat hij den luitenant reeds buiten ’t bed en bijna zonder pijn vond.

“Mijn waarde dokter, je bent al te menschlievend;” riep Archibald hem bij ’t binnenkomen toe: “’t Is immers geen gebruik om zijn patiënten met één visite weer beter te maken. ’k Geloof waarachtig dat er geen treurspel meer zou mogelijk zijn, als ze er ú in de laatste akte maar even bijriepen. Mama wil me van pure blijdschap een glas advocatenborrel maken, maar....”

“Guns Archibald, hoe kom je er aan?”

“Ja hóe ik er áánkom dat vraag ik ook; tenminste als ik u zulk een bedenkelijk gezicht zie zetten. Enfin, dokter Helmond zal misschien liever een glas port drinken.”

Terwijl Debecque om den port schelt, zegt mevrouw met iets angstigs: “Ja maar, jij lieve Archibald, jij moogt daar niet aan denken.”

“’t Zou ook wat erg zijn luitenant, als u mijn wonderlikeur nu al voor iets anders liet staan.”

“Dat is een waar woord! Komaan dan mama’tje, versez à tasse pleine!” Maar als de vroolijke patiënt reeds de medicijnflesch vat, dan treedt de moeder haastig toe om hem die te ontnemen, want: “Voorzichtig, voorzichtig! Om de twee uren een lepel staat er op het briefje, en ’t is nu nog drie minuten te vroeg.”

De vernieuwde kennismaking met den zoon der Debecque’s heeft Helmond een aangename afleiding bezorgd:

“’t Is een zeer opgeruimd, recht prettig mensch;” zegt hij tot den ouden baron, die hem straks uitgeleide doet: “’t Gezelschap van den jonker zal zeker voor mevrouw zeer heilzaam wezen.” [174]

“Ja zeker, Archibald weet best met haar om te springen.”

“De jonker is de eenige zoon uit mevrouws eerste huwelijk nie-waar?”

“Juist! maar daarom nog geen jonker dokter. ’t Maakt niet uit, natuurlijk; maar hij is niet van adel.—Ja waarachtig, ik heb wel eens gedacht: als ik den snaak mijn naam liet aannemen dan konden we hem misschien mettertijd nog baron maken ook. Je ziet me verwonderd aan. Ja Helmond, ik weet wel dat een knappe burgerkrullebol met fortuin, evengoed het mooiste meisje van ’t land aan z’n hart zal kunnen drukken als een baron; maar, wat zal ik je zeggen: we zijn nu eenmaal wat bekrompen op dat punt; en lach dan binnenskamers om titels en eerelinten zooveel je wilt, ’t publiek ziet er iets in, dat je niet weg kunt praten: Je hebt een pré.—Au fond sta jij, met je wetenschap, hooger—jawel, sans compliments, oneindig veel hooger. En Archibald—knappe jongen! een der eersten te Breda—hij beteekent duizendmaal meer dan een massa adellijke non-valeurs. Maar toch, au bout du compte, je blijft als baron altijd aan ’t langste eind.”

“Maar mijnheer Debecque,” valt Helmond in, terwijl hij in de breede vestibule stilstaande, met eenigszins saamgetrokken wenkbrauwen het fijnbesneden gelaat van den kleinen ouden baron nauwkeurig schijnt op te nemen: “u zegt, als ik wel versta, dat de luitenant uw naam zou kunnen aannemen, en dat hij dan.......”

“Welzeker!... Maar kom binnen. Hier.... hier asjeblieft.—Zieje, ik heb geen eigen zoons; en de naam Hardenborg-Debecque van De Poel en Hoeversathe, klinkt niet onaardig.”

“En zal hij dan uw adellijken titel daarbij kunnen krijgen? Ik dacht dat zoo iets onmogelijk was.”

“Onmogelijk! Parbleu, wàt is onmogelijk! Sedert het koningschap m’n vrind, doe je met geld en goede woorden een heelen boel in ons land. Vanwaar anders je nieuwe adel?”

“’t Is waar;” zegt Helmond.

“Nu ja, hij beteekent niet veel; maar het “juger les choses”, en dus ook “les titres d’aprés leurs dates”, is nog geen algemeen gebruik. En wat Archibald betreft, hij zou als een Debecque aanstonds tot den goeden adel behooren.—Maar parbleu, hoe komen we op dit chapitre? Mijn beste dokter moet wel denken dat de oude man aan ’t verkindschen raakt, daar hij zich zoo vermeidt in den glans van ’t wereldsche klatergoud.”

“Nee, ik begrijp me zeer goed dat het niet onverschillig is of men zijn naam....”

“Niewaar, dat is de zaak! Je wilt dat je naam zal in stand blijven. Mijn beide vrouwen hebben het hare er niet toe gedaan. Archibald houdt van me alsof ik z’n eigen vader was. Enfin, enfin, ’t zijn van die opwellingen, van die passe-temps. Pardon, dat ik je zoo lang er mee lastig viel. Wat jou betreft Helmond, jij moet een boek schrijven, waarachtig! over pokken of mazelen, ’t doet er niet toe. ’k Bezorg je “de Leeuw!” ’k Heb connecties in overvloed, en, met capaciteiten als de uwe is er geen quaestie van! A propos, ik hoop [175]dat je toch nog eens naar m’n woelwater zult komen zien? ’t Spijt me dat we daardoor je charmant lief vrouwtje wat veel van je gezelschap berooven, maar, als we haar onze opwachting gemaakt hebben, dan breng je haar later eens mee niewaar? Hoe meer hoe liever.”


Nog vóórdat Helmond zijn bezoek op De Poel bracht, heeft hij gelegenheid gevonden om Jacoba’s brief te lezen, die hem na langen tijd zwervens, dezen morgen door Eva geworden is.

De inhoud van dien brief heeft hem krachtig in zijn vermoeden versterkt. Jacoba’s dringende bede aan haar geliefden pleegbroeder, om toch zoo spoedig mogelijk uit Parijs terug te komen, moest een anderen grond gehad hebben dan vrees voor eigen gezondheid. De altijd zich zelf beheerschende, zich zelf verloochenende Coba, hoe! zou ze alleen uit angst voor eigen welzijn, een gelukkig echtpaar, reeds bij hun eerste schreden op het huwelijkspad, den voet hebben dwarsgezet? ’t Was onmogelijk!—Maar ook, de dwaze onderstelling van tante Hermine, als zou Jacoba’s zenuwlijden het gevolg zijn van een, door hém teleurgestelde liefde....? August meent juist in dezen brief het bewijs van de ongerijmdheid dier onderstelling te vinden. Immers, gesteld eens dat Coba zulk een liefde had bestreden en geheel onderdrukt, zou dan het meisje, dat nooit door woord of blik haar hartsgeheim verried; dat zelfs den vriend als bruidegom haar bloemruikers heeft gemaakt, en hem aan de zij van zijn jonge vrouw een hartelijken heilwensch heeft toegebracht,—zou datzelfde meisje zich dermate kunnen vergeten dat zij hem reeds een paar dagen later, onder ’t voorwendsel eener ernstige ongesteldheid, tot een terugkeeren in haar nabijheid te bewegen zocht? Neen, dat is volstrekt onmogelijk en geheel onbestaanbaar met Coba’s karakter. August verstaat dien brief. De luchtige toon waarop zij over “den armen sukkel” Donerie schrijft; ’t verzoek, dat Helmond als reden van zijn vervroegde terugkomst de ziekte van “den waarlijk niet ontalentvollen muziekmeester” zal opgeven, “den stumper die in de kerk nog zoo zijn best deed;” dat alles in verband gebracht met het gebeurde in de woning van den timmerman Krul, maar ook vooral met Coba’s hevige zenuwaandoening toen ze gisterenavond zoo geheel onverwacht de melodie hoorde spelen, welke Herman Donerie bij de woorden van een Duitsch lied componeerde, dit alles versterkt hem in de overtuiging, dat Coba dien brief had geschreven en zich daarin zoo ernstig ziek heeft gemeld, teneinde hem tot een onverwijlde terugkomst te noodzaken, opdat hij den jongeling dien ze in stilte beminde, zoo mogelijk nog in ’t leven behouden mocht.

En Herman Donerie is gestorven, en Coba treurt en lijdt in stilte. Maar Gode zij dank! nu is er nog genezing voor haar mogelijk: nu immers zal de tijd haar wonde—ofschoon dan langzaam misschien—toch heelen in ’t eind.

—En ook, de tijd moet de verbroken harmonie tusschen het doktershuis en De Zonsberg herstellen! Ja voorzeker, wanneer [176]de oom zal erkend hebben dat de pleegzoon, Jacoba nooit van iets onedels betichtte; maar nog veel minder dat hij haar ooit reden heeft gegeven om iets meer van hem te verwachten dan trouwe broederliefde. En wanneer die oom dan bovendien in ’t eind zal bemerken dat August met zijn Eva gelukkig is; dat zij inderdaad zoo oneindig veel goeds heeft, en begint in te zien dat hij ten opzichte van zijn beminden pleegzoon niet zoo royaal en niet zoo heusch is geweest als passend zou wezen voor iemand van zijn stand en fortuin, dan....

Eensklaps tikt Helmond vrij hard tegen het voorglas der coupee, waarmede men hem naar de stad terugrijdt. De koetsier ziet om. Een oogenblik later staat het rijtuig stil, en de dokter springt er uit. Zooeven was men twee dames voorbijgereden. Helmond had ze herkend, en terwijl nu de coupee naar De Poel terugkeert, wandelt August met tante Hermine en Jacoba Van Barneveld naar den kant van het stadje.

Aan mevrouw Mansburg is het blosje niet ontgaan, ’twelk bij Helmonds onverwachte verschijning vluchtig de bleeke wang van Jacoba heeft gekleurd, en tante vindt er alweder de bevestiging in van haar “diep treurig” vermoeden.—Helmond echter heeft in het blosje van een zenuwachtig meisje, en vooral na ’tgeen er gisteren gebeurde, niets vreemds gevonden. Hij wenschte van Coba te hooren of ze zich beter gevoelde, en hoe oom het maakte. Straks was hij in tweestrijd met zich zelf geweest of hij even enpassant De Zonsberg zou aandoen, maar, had ervan afgezien.

Op zachten toon is mevrouw Mansburg toen met de opmerking ingevallen, dat Helmond maar goed heeft gedaan met nog niet zoo spoedig te komen. Alexander was een beetje ontstemd. Men kon niet alles zeggen zonder spreken; maar Helmond zou wel begrijpen waarom.

Welzeker, Helmond begreep het; en hij begrijpt ook dat tante al spoedig den voorslag aan nicht Coba doet, om nu maar terug te keeren: ’t was wel wat warm op den weg, en Coba moest zich ontzien.

Maar tante kreeg haar zin niet. Jacoba heeft haar pleegbroeder te lief, dan dat ze hem geen deelgenoot zou maken van ’tgeen ze weet dat hem om harentwil zal verheugen. Maar ook, terwijl de vrees haar heeft gekweld, of Helmond, na ’t gebeurde gisterenavond op De Zonsberg, misschien iets van haar hartsgeheim geraden had, zoo acht ze nu deze ontmoeting te schoon dan dat ze er geen partij van zou trekken teneinde hem dat vermoeden geheel te benemen.

“Nee tante, ik wil veel liever nog een eindje meewandelen;” zegt ze zoo levendig als haar mogelijk is: “August moet het goede nieuws hooren.”

“Ei, goed nieuws Coba?”

“Zeker. Toen ik van morgen wakker werd en de zon zoo vriendelijk zag schijnen, toen voelde ik mij eensklaps zoo verruimd en gesterkt, alsof mij in den laatsten tijd volstrekt niets gedeerd had. Niewaar tante?” [177]

“Ja, je hebt het tenminste dadelijk gezegd Coba.”

“Nog vóór het ontbijt was ik al beneden, en vroeg aan pa of hij dat plan van De Godesberg niet zou willen opgeven, wanneer hij werkelijk zag dat ik beter werd. En—papa heeft het dadelijk toegestaan!”

“Ja lieve Coba,” valt de tante in: “dat was een beetje heel zwak van papa. Wanneer Alexander niet zoo slecht geslapen en zich zoo moe had gevoeld, dan zou hij ook zeker niet zoo spoedig hebben toegegeven. ’t Was onverstandig.”

“Onverstandig? Ik betwijfel dat tante;” zegt Helmond.

Mevrouw Mansburg prevelt weer onhoorbaar dat men helaas zonder spreken niet alles zeggen kan.

“Om papa maar dadelijk te toonen dat ik mij zoo veel sterker gevoelde,” herneemt Coba: “ging ik terstond naar de piano en zong het stuk van.... Donerie—je weet wel dat erg sentimenteele—als een lijster. Niewaar tante?”

“Ja bespottelijk, terwijl ze gisterenavond alleen bij ’t hooren van eenige piano-accoorden uit de verte, reeds geheel van streek raakte.”

“Nee tante, dat is volstrekt niet vreemd,” zegt August die, toen Coba den naam van Donerie noemde, een vluchtig zenuwtrekje op haar gelaat heeft bemerkt: “Een zenuwaandoening laat zich niet zoo gemakkelijk verklaren. De kleinste schrik, ja zelfs iets lachverwekends zou Coba gisteravond evengoed van streek hebben gebracht als nu het hooren van die piano-accoorden.”

“Ziet u wel tante!” roept Coba levendig; en Helmond bespeurt met stille blijdschap een door tante niet begrepen verrukking op haar bleek gelaat: “ziet u wel, als men mij maar vrij laat dan zal ik beter worden. U hoort het nu zelve: mijn ongesteldheid kwam niet van die muziek, maar dáárdoor dat u....”

“Welzeker kindlief, tante is er vast weer de oorzaak van geweest. Och ja, en als je nu straks misschien wéér niet wel wordt, dan zal het óók weer tante zijn die er de schuld van heeft, ofschoon ze—al wie weet hoe dikwijls heeft aangeraden om niet verder te gaan.”

“Nú moet ik tante gelijk geven Coba. Zie, we hebben daar de Romphuizer brug al; kijk, over den wal heen zie je ’t hotel Helmond tusschen ’t lindengroen. Komaan, rechtsomkeert! Een klein eindje ga ik mee terug. Ik geneer u niet tante?”

“O nee, wat dat betreft, maar ’t is al laat, en je vrouw....”

“Eva is heel wel; dank u.”

“Zij wacht je misschien met ’t eten.”

“Een doktersvrouw eet zoodra haar man thuiskomt tante.”

“Zeer onderdanig!”

“Ik hoop Eva eens gauw te komen bezoeken, want ik moet je toch spreken;” zegt Jacoba.

“Ja maar Coba, vooreerst....”

“Hé tante, en uw eigen plan; uw eigen idee....”

Mijn plan? mijn idee? Wat meen je Coba-lief?”

Tante Hermine voelde zich gestreeld; ze wist wel wat Coba bedoelde. ’t Was haar zoo losweg uit den mond gevallen; maar waarlijk, [178]het denkbeeld is toch van háár. Niemand heeft er te voren aan gedacht. Toen Jacoba van morgen zoo dolzinnig aan ’t zingen is gegaan, en haar gevraagd heeft of ze die compositie, als het werk van een eenvoudig muziekmeestertje, niet heel mooi vond, toen heeft ze—eigenlijk boos, omdat Coba zoo overmoedig zoo.... luidruchtig was, en zonder dat het haar kwaad scheen te doen—toen heeft ze gezegd: “O prachtig, ’t is jammer dat ze die menheer Donerie geen monument op zijn graf maken.”

Neen zeker, tante heeft het zóó niet bedoeld; maar, toen Coba dat denkbeeld niet geheel verwerpelijk had gevonden, toen heeft tante het recht van uitvinding met kracht gehandhaafd. De muziekmeester scheen nog al een enfant chéri van de Romphuizers te zijn geweest. Ze hadden tenminste bij zijn begrafenis gezongen. Wie weet welk een opgang het denkbeeld van een monument, of iets van dien aard, zou maken, en, wanneer dan “zoo iets” verrees, dan was mevrouw de wed. Mansburg, geboren Van Barneveld, de operatrice ervan; misschien kwam haar naam dan nog wel op het voetstuk. Maar.... nee dát was wat al te gek. Hoewel....

“O, je meent van een gedenkteeken op het graf van.... ne.... dien talentvollen muziekmeester?” valt tante zich zelve in de rede.

“Ja, wat zal ik zeggen, ’t is me onverklaarbaar dat niemand vóór mij daaraan gedacht heeft. Zelfs jij Coba, die toch les van hem kreegt en bekennen moest dat hij knap was, je zou nooit op zoo’n idee zijn gekomen. ’t Goede wordt spoedig vergeten in de wereld!”

Helmond vernam nu, dat “het denkbeeld van tante Mansburg” door Coba niet geheel verwerpelijk was geacht, ofschoon Coba toch bedenkingen had gemaakt—welke tante echter volstrekt niet gedeeld heeft. Jacoba had ten slotte gezegd, dat zij “tantes denkbeeld” aan Helmonds oordeel zou onderwerpen; zijn Eva behoorde tot de muzikale wereld, en van zulk een kant diende een dergelijk voorstel uit te gaan.

Toen de dokter straks de dames heeft vaarwel gezegd, en zijn woning naderde, toen bestond er bij hem geen twijfel meer: Jacoba heeft dien jongeling liefgehad, en zijn nagedachtenis zal haar heilig blijven; maar ook, nu ze haar geliefden vader, na het voorgevallene van den vorigen avond, zoo bitter ontstemd heeft gezien zonder de rechte oorzaak ervan te weten, nu heeft ze—mede dorstend naar vrijheid voor zich zelve—zich krachtig aangegord om haar zwakheid te bestrijden. Leven moet ze en gezond zijn om den geliefden vader het voorhoofd effen te doen houden, en, was de eerste proeve reeds wel geslaagd, August houdt zich overtuigd dat Coba ook voor zich zelve het beste geneesmiddel gevonden heeft. Neen, zij zal niet langer staren op het nevelachtig beeld van een geliefde, die haar door den dood werd ontrukt. Ze zal nu slechts het oog hebben op een werkelijkheid. Een monument zal er voor hem verrijzen, en zij zal zorgen dat het tot stand komt, ofschoon men niet mag bemerken wie het roer in handen heeft.

Goed zoo Jacoba! broeder Helmond zal u terzijde staan. [179]

Eva ontvangt haar August met een opgeruimden blik, ofschoon hij bijna een half uur te laat komt. Alleen wil ze graag weten met welke dames hij zoo doodbedaard den straatweg op en neer heeft gewandeld?

Of het kwam omdat August heden liefst geen namen van De Zonsberg noemde, en de dwaze onderstelling van tante Hermine hem voor den geest sprong, of vreezend misschien dat Eva weer over den brief zal beginnen die van morgen vergeten werd, zeker is het dat hij een oogenblik aarzelt aleer hij eenvoudig de waarheid zegt.

Eva’s gelaat betrok. Zou het mogelijk zijn dat Helmond en Coba...? Neen, ’t was te dwaas.... Maar toch, indien ze alles goed in verband beschouwt....

“Ik zou haast zeggen August, dat je in de laatste vier en twintig uren meer het gezelschap van Coba dan het bijzijn van je “lieve vrouw” hebt gezocht. Men heeft mij vroeger wel eens gezegd August, dat Coba.... veel van je hield.—Hé, à propos.... we zijn nog niet quitte.”

“Wat meen je....?”

“Den brief van Kartenglimp heb ik je terstond laten meelezen: maar die andere.....? Zit hij nog in dien jaszak August?”

“Welke? O! je bedoelt den brief die me uit Parijs is nagezonden? Eva-lief, je moest je nu eens voornemen om niet nieuwsgierig te zijn, wanneer ik je in de zaken van mijn praktijk niet altijd geheel op de hoogte houd. Wat een biechtvader is voor de ziel, dat is de dokter voor het lichaam, en de biecht ligt onder ’t zegel der geheimhouding, dat weet je wel.”

“Nieuwsgierig!” zegt Eva fier; en dan met klem: “Mij dunkt August, dat er van zóó iets geen sprake kan zijn, wanneer ik je zeg te gelooven..... dat die brief van Jacoba was.”

Helmond zwijgt. Bedriegen wil hij haar niet; en ofschoon ze den brief niet lezen mag, toch zal hij haar dien zotten argwaan benemen.

“En zoo hij dan werkelijk van Jacoba was, Eva, is zij mijn patiënt dan niet?”

Een vuurrood overdekt Eva’s gelaat.

“Dus de brief was van Jacoba!?”

“Ja.”

Een oogenblik blijft het stil. Dan zegt Eva snel als tot zich zelve:

“Dus bestaat er een inclinatie!”

“Maar lieve hemel Eva, hoe kun je nu zulk een gevolgtrekking maken. Ik zeg.....”

“Vandáár dan een avond zooals gisteren op De Zonsberg,” valt Eva in, met den blik strak voor zich heen: “Vandáár al die onwil, die liefdeloosheid, die vernederingen..... O ’t is genoeg, nu weet ik alles. Dat bleeke kind kwijnt en treurt om den geliefde, en hij, hij hinkt op twee gedachten. O God! welk een ontwaken uit den korten dommel van geluk!”

“Eva, wees verstandig. Je bedriegt je waarachtig!”

Zij ziet hem fier in de oogen. [180]

Waarachtig Helmond!?—Laat mij den brief dan lezen?”

“Ik heb.... hem verscheurd.”

“Dat is onwaar; geef hem, als ik mij dan waarachtig bedrieg. Niet!!?”—Zij stampt met den voet: “Goed zoo!.... goed! dan houd ik je voor ’tgeen ik nooit heb kunnen denken; ja, voor een.....”

“Nu niet verder Eva, de scène behoeft niet tragisch te worden. Van morgen heb ik om Kartenglimps brief gelachen; maar, geloof me in vollen ernst, meer reden tot lachen is er nú om je ijverzucht, dan toen om je plannen voor onze verheffing in den gravenstand.”

“Bewijs het me Helmond! Ik zeg bewijs het me! O God, ben ik dáárvoor geboren, ben ik dáárvoor getrouwd om nu reeds vernederd en verwaarloosd te worden ter wille van..... O!”

“Zie me eens aan Eva.—Nee goed! flink, heelemaal, zooals straks, maar nu als een zachte vrouw, die haar man vertrouwt en leed gevoelt dat ze hém, die haar geheel behoort en alles voor haar zijn wil, zonder grond en onrechtvaardig van ontrouw en misleiding verdenkt.—Geloof je me niet Eva?”

“Waarom mag ik dan dien brief niet lezen? Je hebt hem niet verscheurd, dat kon ik aan je antwoord hooren.”

“En al ware dat zoo, je zult hem niet lezen. De brief is van een patiënt in vertrouwen geschreven.”

“Je zult hem niet lezen!” herhaalt Eva: “je ZULT NIET! en zóó wordt de tirannie in de eerste huwelijksweken dan reeds grooter van dag tot dag. Is er geen reden dat de vrouw begint te twijfelen aan de volle liefde van haar man, wanneer hij instaat is haar argwaan te benemen, maar dat weigert onder een nietig voorwendsel, met een: je zult hem niet lezen!”

“Eva, geloof me....!”

“Ik geloof nu August, dat je ter wille van Jacoba, wie niets mankeerde, zoo spoedig naar Romphuizen bent teruggekeerd, zonder je om ’t genot van je vrouw te bekreunen; ik geloof nu dat al die vernederingen van mijnheer den generaal, haar oorsprong namen in de misrekening op je onverdeelde liefde voor zijn kind, die zich in den beginne heeft goedgehouden, maar zich nu niet langer beheerschen kan; ik geloof....”

“En ik zeg je Eva, dat je je bedriegt. Wat geeft je dan toch het recht om aan het woord van een man, aan mijn woord te twijfelen?”

Eva aarzelt:

“Je achterhoudendheid!”

“Maar wanneer ik dan herhaal dat mijn plicht mij gebiedt om het vertrouwelijk schrijven van patiënten geheim te houden, zelfs voor mijn vrouw? Wanneer ik.... Nee Eva, keer je niet weer van mij af. God weet dat ik niemand liever heb dan mijn eigen, mijn eenige vrouw!—Kind, zie mij dan aan.... Moest ik dit, in zoo’n luttel tal huwelijksdagen, reeds zoo dikwijls herhalen? Eva, weet en geloof je dan niet dat ik alles alles voor je overheb; dat ik—wanneer [181]het maar niet in strijd met mijn plicht is—aan je kleinste, ja zelfs aan je grootste wenschen met liefde zou voldoen?—Eva....!”

Terwijl Helmond de laatste woorden sprak heeft Eva hem aangezien, en ’t was alsof plotseling de zon weer door de nevelen brak. Zij weet niet dat August haar weigert den brief te lezen, omdat het haar, óf in hare dwaze opvatting versterken, óf zoo hij haar den waren zin van dat schrijven verklaarde, Jacoba’s zielsgeheim verraden zou: neen, maar de zachte toon waarop hij daareven sprak heeft haar getroffen. Heeft ze dan werkelijk recht om aan de waarheid van zijn mannenwoord te twijfelen? ’t Was immers mogelijk dat een dokter de confidenties omtrent ziekteverschijnselen van een jong meisje, zelfs voor zijn vrouw moest verbergen. Maar ook.... nog andere woorden had Eva gehoord; hij heeft haar gezegd: dat God het wist hoe hij niemand meer dan haar beminde, en.... dat hij aan haar kleinste, ja zelfs aan haar grootste wenschen met liefde zou voldoen, indien het niet in strijd was met zijn plicht.

En zie, slechts weinige seconden later slaat ze haar beide armen om Helmonds hals, en zoent ze den man harer liefde met innigheid verscheidene malen op den blij glimlachenden mond. Ja, ze zegt, nu te gevoelen dat ze slecht deed haar edelen vriend zoo liefdeloos te hebben bejegend. En dan, wanneer de eerste reine uiting van het berouwhebbend gemoed voorbijgegaan, en vurige kussen van den echtgenoot het verbond van trouw hebben vernieuwd en bezegeld, dan.... helaas! dan komt de vijand die vanbinnen woelt zich weer met het zoetste lachje aan den gelukkigen echtvriend vertoonen. Nietwaar....? Als Eva haar besten man dan altijd op zijn woord wil gelooven, dan zal hij zeker ook het woord gestand doen ’twelk hij daareven sprak.

“Kom nu August, het eten zal wel koud zijn geworden, kom....!” En fluisterend met zoete stem: “Een mijner kleinste wenschen is, beste August, dat je niet meer lachen zult om het verkrijgen van dien titel voor papa, maar dat jij zelf zooveel je kunt daartoe zult meewerken: en, wat de grootere wenschen betreft, o ik weet het, mijn lieve man zal nu die eenig eenige gelegenheid niet laten voorbijgaan om me, door ’t koopen van het oud-burgemeestershuis, te verlossen uit den vreeselijken druk dezer lage zolders en benauwende muren; maar ook, hij zal getrouw blijven aan zijn woord, en nooit meer den handschoen oprapen voor wie zijn wijfje—zijn ander ik, niewaar August?—onridderlijk minachten en beleedigen durft?”

En Helmond, nu hij zijne schoone Eva weer vast in de armen sluit, nu gedenkt hij wel vluchtig het woord der wijsheid van den grijzen pleegvader, en gevoelt hij wel—bij de blijde overtuiging Eva’s argwaan voorgoed te hebben overwonnen—dat hij zijn triumf wat te duur heeft gekocht; maar nochtans, bij het smaken der zoete liefdeteugen kan hij, na zulk een overwinning, de stem niet meer hooren die waarschuwend klinkt: [182]

—Voorzichtig, met bedwelming is de beker gevuld, en een doodelijk venijn ligt op den bodem!

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

’t Is een prachtige maar tevens een echt autocratische zomerdag. Zelfs de machtigen der aarde houden met slappe hand de teugels van ’t bewind, en buigen het hoofd, want heden is het de zon, die haar macht doet gevoelen en het aardrijk regeert met verblindende majesteit.

Alles zwijgt in het gloeiend middaguur.

De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken knieën achterover op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit den ruigen bek.

Alles zwijgt. Geen vogel doet er zijn lied schallen of tjilpt op bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt, snort suizend langs ’t oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich hooren, wanneer een loome hoef of klauw den verschgevallen buit in ’t weiland beroeren komt, en ’t klein en azend gedierte daardoor al gonzend uiteenschuift.

Het landgoed De Zonsberg ligt daar almede zwijgend en dorstend in de gloeiende stralen der Juni-zon.

Nochtans voor den mensch, die zich heden aan een wandeling op den Romphuizer straatweg durft wagen, schijnt dat landgoed een oase te zijn. Ja zie maar, achter die fonkelend roode en witte stamrozen aan de linkerzij van het huis onder het lommer van het zwaar geboomte, daar moet het wel overheerlijk koel en verkwikkelijk wezen.

Mijnheer Kippelaan, nog slechts weinige schreden van het groote ijzeren hek van De Zonsberg verwijderd, voelt nogmaals naar zijn beide boordjes, die van de overmatige warmte in onmacht liggen; doet een hopelooze poging om ze weer tot den “kelk te vormen waarin zijn edelst lichaamsdeel—het hoofd—is gevat”, en vraagt zich zelven dan zeer ernstig af: of hij in zulk een toestand wel inderdaad zijn plan kan volvoeren? ’t Loopt hem—met permissie—onder den hoed uit, en langs het aangezicht met straaltjes den hals in. Kon hij ’t zelf zien dan zou hij bespeuren: eenigszins bruinachtig gekleurd door de pomade, waarmee hij straks aan zijn kapsel zulk een verhoogden glans en zomergeur heeft gegeven.

Mijnheer Kippelaan begrijpt echter bij nader overwegen, dat juist [183]deze positie—en jus, en nage—moet meewerken in zijn belang. Men trotseert! men braveert! men waagt een coup de soleil, een hersenontsteking!

’t Is verbeelding, maar Kippelaan verbeeldt zich dat hij het ijzeren hek hoort sissen nu hij het met zijn eenigszins vochtige vingers aanraakt. ’t IJzer was letterlijk gloeiend. Enfin, zijn hart! Enfin, alles was heden daarmee in harmonie!

En terwijl mijnheer Kippelaan nu zijn paille glacé handschoenen gaat aantrekken, maar den laatste, bij een geweldige inspanning om hem over de vochtige “muis” te krijgen, van onder tot boven ziet openbersten, stapt hij—door het ongeluk zoo mogelijk nog meer en nage geraakt—het gazon om, en op de groote stoep toe, doch ziet dan eensklaps terzij van het landhuis achter die prachtig fonkelende rozen en onder het zwaar geboomte, iets.... wits; iets.... En....

Daar staat hij dan nu.... in hare nabijheid!—Zoo pas uit de felle zon in het dichte lommer gekomen, heeft hij niet dadelijk bemerkt dat zij ter afwering van muggen en ander “onwellevend gevogelt” een witzijden doek over ’t hoofd heeft gehangen, en, door de drukkende hitte overweldigd, in slaap is gevallen. Hoezeer ook en nage, met de sierlijkste buigingen is hij haar genaderd. Doch, nu buigt hij niet meer.

“’t Hem, kehem!” kucht hij eenige malen steeds luider en krachtiger, ofschoon gedempt. Doch helaas, het baat hem niet!

—Zij slaapt! O zij slaapt!!—Edele spruit! droomt zij wellicht, en ziet ze met haar zielvol geestesoog den man die haar.... enfin.... aanbidt, die háár, en al wat het hare is, liefheeft als zich zelf? Droomt ze van hém, en vermoedt ze onbewust dat hij in haar nabijheid ademt? Zal hij haar nog een wijle bespieden, ofschoon hij door dien vasten sluier, waarachter ze zich verborg, niets anders kan waarnemen dan de plek, waar zich het topje van haar neus bevindt? O die teedere! O dat uitstekende topje! hij zou het willen aanraken, hij zou haar willen ontsluieren en dan op dat topje een zoen drukken, en haar zeggen: Hier is hij die over u waakt als gij slaapt! Hier is hij van wien gij “droomend waakt en wakend droomt”; die u “wil omstrengelen met de teerheid van zijn hart”. Maar—helaas! paf! daar barst ook de tweede paille handschoen. Schrikt ze wakker? Nee! zie maar.—Bah! ’t is te warm voor handschoenen.

—Hij zal ze allebei uitdoen en los in de hand houden, dan ziet men niet dat ze kapot zijn.

“Juffrouw! juffrouw Jacoba!”

De neustop klimt. De sluier valt:

“Goeje hemel!—phu!—wat? Wie....? phu! Pardon menheer.... wie heb ik ’t plezier....?”

“Hé, ik dacht....” zegt Kippelaan, in den beginne eenigszins uit het veld geslagen: “Ik meende dat u.... Maar enfin, ik heb de eer mevrouw Mansburg te zien? Ontzaglijk veel genoegen! Altijd wèl geweest mevrouw? En mijnheer de luitenant-generaal....?—[184]Charmant mooi weer. Ik dacht.... enfin.... la belle dormeuse au bois, enfin!....”

“O ik vraag wel om verschooning. Mijnheer.... re Kippelaan nietwaar....?”

“Jules Janin, om u te dienen. Van mama’s kant—de Parladotti’s—Italiaansche origine!—Recht aangenaam u hier te ontmoeten. Fameuse warmte, maar als het hart niewaar....? Een dame, eene vrouw gevoelt zoo spoedig wat men zeggen wil. Geen zonnehitte is instaat om....”

Mevrouw Mansburg, die vreeselijk benauwd onder den zijden doek had gedroomd, weet waarlijk niet of ze nog wel heel wakker is.

—Wat wil die man?!

“Waarschijnlijk zal uw bezoek mijn broeder gelden,” valt ze haastig in: “wanneer u zoo goed wilt zijn maar even te schellen dan zal de knecht u aandienen.”

“Pardon, o pardon mevrouw; het voorrecht u hier ’t eerst te spreken! ’t Was ontzettend warm op den weg, en dáárom, indien ik mijn hart het eerst voor u mocht ontlasten; indien....”

“Mijnheer, ik verzoek u niet verder te gaan.—Op mijne jaren....” En dan terwijl een vuurrood haar aangezicht bedekt, staat mevrouw Mansburg van de tuinbank op, en Kippelaan den rug toekeerend om zich naar de achterzij van het huis te begeven, voegt ze er bij: “Zooals ik u zeide, men laat zich aanmelden. Ginds is de voordeur.”


De generaal Van Barneveld verkeerde ’t allerminst in een stemming om menschen als Kippelaan te ontvangen. Nochtans het strookte niet met zijn karakter om onder eenig voorwendsel belet te geven; en, om iemand, die in deze hitte een kwartier ver kwam loopen, eenvoudig met de boodschap: mijnheer ontvangt niet, naar huis te zenden, dat kon er in ’t geheel niet door.

De merkbaar gedrukte stemming, waarin de generaal verkeert, werkt eenigszins kalmeerend op den gloeienden Kippelaan, en doet hem voor een goed deel zijn “joviale vrijmoedigheid” verliezen.

“En welke zaak is het menheer, waarover u mij zoo noodzakelijk spreken moest?”

“De zaak uw excellentie, de.... eigenlijke zaak.... Enfin, mijn naam is u bekend: Kippelaan, patricische familie; mama een geboren Parladotti.—Allebei overleden; papa en mama, aan de mazelen op een reisje, in den bloei van ’t leven. Enfin! de eenige spruit, Julus Janin, naar een Fransch bisschop uit de veertiende of vijftiende eeuw—daar wil ik afwezen. Al vroeg....”

“De hoofdzaak, menheer Kippelaan?”

Kippelaan wischt zich nogmaals eenige bruinachtige zweetdroppels van ’t gelaat. De donkergrijze oogen van den ouden generaal zien hem zoo “dolks en sabels” aan.

“De zaak uw excellentie, de zaak, enfin....” Eensklaps opstaande terwijl hij een snelle buiging maakt: “Mijn bijzonder compliment generaal. ’t Prouveert voor zijn kunde, voor zijn praktijk. ’t Zal uw gloriole zijn; ik wensch u van harte....” Kippelaan is er bijna toe [185]gekomen om weder een aanval op Van Barnevelds hand te wagen, doch dat scherpziende oog dringt hem terug.

“Wàt meen je menheer?”

De generaal wendt straks het hoofd naar de raamzijde. ’t Heeft hem de grootste moeite gekost om zijn verbazing voor dien babbelaar te verbergen, toen hij hem met een zonderling gekozen woordenvloed hoorde verhalen, dat dokter Helmond onderhands het oud-burgemeestershuis op de markt gekocht had.

Mijnheer Kippelaan gevoelde zich meer op zijn gemak toen hij mocht bespeuren de eerste boodschapper van dat goede nieuws te zijn geweest. De zaak, ohee, was anders in Romphuizen reeds “publiek domein”. Op een avondpartij bij den notaris in ’t laatst van de vorige week—waar o. a. ook getruffeerde kapoen uit Utrecht was geweest—daar moet die zaak tusschen thee en wijn reeds haar beslag hebben gekregen. Piet de aanspreker, die er ’s-avonds met witte handschoenen heeft gediend, maar volgens de waschvrouw z’n duim in de chocolade-vla had gehouden, Piet heeft hem ’s-anderendaags bij ’t scheren, stellig verzekerd dat de zaak haar beslag had. Er waren onder de gasten heel wat glaasjes op den nieuwen koop en de aanstaande bewoners gedronken. De kleinste freule Blankenberge met den wipneus, had zachtjes tegen den majoor Kartenglimp gezegd: “Voor achttienduizend! Spotprijs!” en de majoor heeft toen geheimzinnig met de oogen geknipt alsof hij er alles van wist.

Dokter Helmond en zijn vrouw hadden de hoogste plaatsen aan tafel moeten innemen. Piet kon dat precies weten met de tafelpooten en de fauteuils—hij lette op alles, en de notaris had een “toost geslagen” zei Piet, over “de schoonere toekomst van de goede stad Romphuizen, wanneer degelijke kundige mannen zooals dokter Helmond, blijk gaven dat zij zich hoe langer hoe meer aan de spits stelden der burgerij; wanneer vrouwen, zoo schoon en beminnelijk als zijn gade, wilden post vatten op het hoogste, zeerzeker het moeielijkste standpunt, om van daar beschermend en zegenend de handen over de plaats harer inwoning uit te strekken.” De majoor Kartenglimp had toen ook een “toost geslagen”, en gezegd: dat de man die in het stadje Romphuizen zoo hoog werd gewaardeerd, die tot zulk een bevoorrechten stand behoorde, en wellicht eenmaal niet slechts onder de meestvermogenden in deze gemeente, maar tevens—hij mocht met eenige zekerheid spreken—dank zij het bezit van eene zoo uitstekend schoone en talentvolle gade, den schitterendsten titel zou kunnen verwerven, dat zulk een man dan ook voorzeker zijn edelste krachten zou blijven wijden aan het heil van het lieve stedeke waarvan hij, gave het God!—de majoor had toen den blik naar boven geslagen—eenmaal de vader, en zij, die teedere gade, de beschermvrouw, neen, de moeder zou worden genoemd.

Piet de aanspreker had dit alles zoo duidelijk gehoord dat mijnheer Kippelaan zich recht gelukkig gevoelde om nu de détails even precies te kunnen teruggeven. ’t Was zeker voor den ouden generaal, [186]die er nog niets van wist, aller.... aller.... interessantst!

“Welzeker, om u te dienen je excellentie; welzeker, tenminste gisterenavond hoorde ik nog dat uw lieve familie reeds met Augustus ’t nieuwe huis zou betrekken.... en....”

“Genoeg menheer....!”

“Ben ik onbescheiden geweest? O pardon! Ja ik was onbescheiden. Misschien moest het een surprise, een.... pardon, pardon! Ik heb niets gezegd, niemendal. Wat weet ik ook anders dan wat iedereen weet. Meubels uit Utrecht; enfin, apotheek afgeschaft; ’t huis aan den wal cadeau aan mevrouw Van Hake. Genereus, allerliefst....!”

De generaal, die een paar malen terwijl hij weer naar buiten zag, op ’t punt is geweest om dien wauwelaar den mond te snoeren, zegt bedaard:

“Heeft men u verzocht mij die boodschap te brengen? Was dát de zaak waarover....”

“Waarover ik u spreken kwam? O pardon, pardon excellentie. Ik...., ik ben...., que voulez-vous; ik.... Charmant lief weertje vandaag, charmant! Maar de warmte.... ziet-u, de hitte.” Opstaande: “Phu! enfin....”

“Je zult het een oud soldaat ten goede houden menheer, dat hij je den raad geeft om te denken voordat je spreekt; en, neem me verder niet kwalijk dat ik je niet langer te woord sta; ik heb hoofdpijn vandaag.”

“Hoofdpijn? Tic? tic douloureux? Ah! een martelaar van! Een....”

Van Barneveld staat op:

“Wanneer u beneden een glas wijn met water of wat vruchten wilt gebruiken, menheer Kippelaan, ’t zal me aangenaam zijn, maar wil me ten goede houden....”

“En toch, ik...., ik bid uw excellentie: als de zon dan mijn hart en mijn hart dan de zon is, verterend....! O! pardon, ik spreek te luid, enfin, indien dan een ander, een winkelbediende, zich verstout een blikslag te werpen op wat mijn ziel bekoort. Generaal, de liefde.... O, de liefde drijft mij en zal mij drijven. Ik ben, ik heb.... Mama was een Parladotti; ik ben in den bloei van ’t leven; niet onwelgemaakt!—De teedere ziel onder uw dak generaal, heeft mij als aan mijzelven ontvoerd, en, dat een pharmaceut, een pillendraaier—pardon, een kruidenier mijn zaligste hoop en verwachting zou doen vervloeien tot nietig slijk, dit alles....”

Misschien zou er zich op Van Barnevelds gelaat een glimlach hebben vertoond, indien niet zooveel grievends zijn borst had vervuld, en die babbelaar hem geen zaken meegedeeld en vermoedens bij hem had opgewekt, waardoor hij nog meer in een bittere stemming geraakte.

Sedert den fatalen avond, toen dat “ijdele overmoedige ding” zulk een diepe kloof tusschen hem en zijn meestgeliefden pleegzoon heeft gedolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden. Ja zelfs, hoezeer het hem verheugde een merkbare beterschap bij Jacoba waar te nemen, zijn bijzonder gedrukte stemming—ofschoon hij haar zooveel mogelijk bestreed en voor Coba te verbergen zocht—[187]was er niet door verminderd. Toen August zich veertien dagen later deed aanmelden, toen heeft Hendrik de boodschap aan dokter gebracht, dat de generaal niemand ontving; en zoo heeft Helmond, zonder nadere verklaring, kunnen begrijpen waaraan hij zich te houden had.

Uit een vertrouwelijk gesprek met Jacoba, waartoe de vader na rijp beraad besloten heeft, was het hem tot zijn groote blijdschap duidelijk gebleken, dat tante Hermines onderstelling, alsof een geheime liefde voor August haar zenuwgestel zou ondermijnd hebben, ten eenenmale ongegrond is geweest; en evenzeer had de luchtige wijze waarop Jacoba, bij dat gesprek, over Donerie’s dood is heengegleden, hem wel het bewijs gegeven dat Helmonds vermoeden, waarmee hij zijn vaderhart zoozeer heeft gekwetst, niet minder ongerijmd mocht heeten; maar, of de vrees voor Jacoba’s welzijn—nu hij haar werkelijk wat opgeruimder zag worden, ja zelfs nu hij haar weer telkens hoorde zingen zonder dat het haar kwaad scheen te doen—ach, of die vrees, die onrust over zijn kind, hem dan door Gods goedheid voor ’t oogenblik is benomen, er was een diepe, een steeds dieper grijpende smart die niet zou voorbijgaan.

—Ja, t zal zeker wijs en goed zijn dat hij nog leeft, voor zijn eenig kind, maar anders....! Wanneer hij bedenkt wat het had kunnen zijn!—O God, die lieve jongens, die stoeiende knapen! Moest hij ze dan grootbrengen om ze beiden te verliezen, en zonder dat ze gestorven waren! Daar zijn oogenblikken die hij niet vergeet: Op elke knie zat er een. August rechts; de ander links. Wat staarden die tintelende oogjes hem aan wanneer hij hun van Waterloo, en Hasselt en Leuven, of van Neerlands helden en groote mannen vertelde, van De Ruyter vooral, den godvruchtigen zeeheld.—Ha, hij ziet die zielvolle kijkers nog glinsteren wanneer hij zoo verhaalt. En dan, ’t was winter; druipnat werden ze thuis gebracht; de doodskleur lag op beider gelaat.—“Gerust maar,” had de ander tot den oudsten broeder gezegd: “het ijs is sterk genoeg; als je er doorzakt dan zal ik er je uithalen, op m’n woord van eer.”—En August was er doorgezakt, en de ander, trouw aan zijn woord, is hem nagesprongen; maar, als vreemden hen niet gered hadden dan zouden ze beiden verdronken zijn. De arme jongens! En wat schreide kleine Coba toen ze hen daar zoo koud en zoo bleek zag; en hij—de pleegvader—hij voelt nog dat inwendig beven, ’twelk hij nooit te voren gevoelde; en ’t is hem nog als biggelt de traan langs zijn wang terwijl hij bad: “O God, laat het rood terugkomen op die kaken en de ziel weer in die oogen blinken; ik heb die jongens zoo lief!”—Ja, dat zijn oogenblikken die men nooit vergeet. Maar weg, weg met deze herinneringen! Zwakheid is laagheid! Toegeeflijkheid is spelen met de zonde! Een adder, die de borst waaraan hij werd gekoesterd vergiftigt, wordt in het vuur geworpen. En ook, de man die een ijdel schepsel terzij staat terwijl ze een grijzen weldoener lastert en smaadt; die, zonder haar te gebieden dat ze zich aan zijn voeten zal verootmoedigen, ja zelfs, die zonder genade voor haar te vragen, heengaat en eerst veertien volle dagen [188]later terugkomt, om, ijskoud bij de geringste tegenkanting, zich voorgoed verwijderd te houden, zulk een man is...... Ha! en de maat was nog niet volgemeten. ’t Moest August bekend zijn hoe de dwaze familie zijner vrouw—zonder twijfel door haar gedreven—den ouden luitenant-generaal heeft durven krenken! Het libel ligt daar nog in den lessenaar om tegen dat vermetele volk te getuigen:

“Hiernevens zendt de familie Van Armeloo aan den Hoogedelgestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden terug, die ZEd.—haars ondanks’ en onbewust—voor het diner had geschonken, ’t welk zij ter eere van het huwelijk harer dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter A. Helmond heeft gegeven.

Met de aan ZEd. verschuldigde achting de familie

Van Armeloo.”

—Rechtvaardige hemel! De letters van dat libel staan hem telkens weer als vurige slangen voor den geest. En ja, na alles wat hij daar van dien wauwelaar hoorde, kon het niet anders of ook August moest schuld aan die verregaande beleediging hebben. Een andere Eva heeft, maar al te ras, den vroeger zoo kloeken en verstandigen man tot het proeven van den schoon-glanzenden appel verlokt, zoodat ook hij, helaas, nu reeds is verdreven uit dat paradijs van dankbare, maar tevens werkzaam vooruitstrevende tevredenheid.

Na een oogenblik van stilte, weet Van Barneveld eigenlijk niet meer wat die zotte man met zijn schellevisch-tronie daar ’t laatst heeft geroffeld.—Had die dwaze veertiger inderdaad om de hand van Coba gevraagd? Was er een apotheker die haar het hof maakte? Zou het mogelijk wezen dat Van Hake die, na den morgen van Coba’s ongeval bij Krul, een paar malen zoo deelnemend naar haar gezondheid kwam vernemen..... dat hij....?

Op het oogenblik dat Van Barneveld met een kort maar kernachtig woord den heer Kippelaan tot een snelle escampade wil noodzaken, en Kippelaan zelf, met een blik op het gelaat van den generaal, en al kloppend met zijn kapotte paille handschoenen tegen het been, reeds een weinig retireerde, werd er een zacht tikken op de kamerdeur vernomen.

Mevrouw Mansburg verzoekt verschooning dat zij de heeren stoort.

“Watblief?—Nee Alexander, ’t spijt me wel, maar ik moet me excuseeren. Mijnheer zal me ten goede houden, ik kan en mag...... ’t Was maar even om je te zeggen....” en mevrouw Mansburg fluistert den generaal wat in ’t oor.

“Helmond!? Is hij? Wou hij? Weet ie niet meer dat mijn geduld, dat mijn bloed....” Eensklaps opstaande tot Kippelaan:

“Menheer, permitteer me je te herinneren dat je bezoek me vandaag niet zeer gelegen komt. Hou me ten goede; ik ben een oud man, en.... Nee, ’t spijt me.... maar.... Wat het hoofddoel van je komst betreft....”

Kippelaan strijkt eensklaps nader: strekt de beide handen met [189]de tien paille handschoenvingers naar Van Barnevelds hand uit, en zegt:

“O generaal, het is....”

“Voor heden genoeg menheer. Ik begreep je niet recht; men kan die zaken schriftelijk behandelen.”

“Maar excellentie, de liefde, O.... indien mevrouw?”

Mevrouw Mansburg maakt een zeer zonderling afwijzende beweging. Aan zoo iets heeft ze immers niet kunnen denken, op hare jaren: acht en vijftig! Na reeds twaalf jaren weduwe te zijn geweest! Nee o nee! Een man zooals hij in de kracht van ’t leven! Maar toch, als onmogelijk heeft ze het niet beschouwd.

“Mijnheer Kippelaan,” zegt de weduwe met eenige terughouding zeer deftig: “mijn broeder de generaal lijdt waarlijk aan hoofdpijn. U zult hem excuseeren. Wat mij betreft, wanneer ik u, in zijn plaats, kan....ne te woord staan, wil over mij beschikken.”

—Och neen, Hermine weet en gevoelt wel dat het een dwaasheid, een dolzinnigheid zou wezen, op haren leeftijd; maar men wil zoo iets toch hooren; men wil.... En terwijl mijnheer Kippelaan—verrast over zooveel heuschheid—na de hartelijkste respectsverzekeringen aan zijn excellentie, met de oude dame het“bureau” van den generaal zal verlaten, herhaalt Van Barneveld op gestrengen toon het reeds gegeven antwoord aan zijn zuster:

“Nee Hermine, zeg aan dokter Helmond, of laat hem zeggen, dat ik hem niet kan spreken.—Nee: niet, ’t is immers duidelijk genoeg!”

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen den avond van denzelfden dag stond Thomas Van Hake in de vestibule van het huis De Zonsberg, en gaf aan Hendrik een brief van dokter voor den generaal.

Hendrik zegt: niet te gelooven dat mijnheer op ’t bureau of in huis is; tenminste vóór een half uurtje omtrent is hij de plaats ingewandeld, en Hendrik zag hem niet terugkomen.

Welzeker, Van Hake zal dan maar zoolang in de achterkamer gaan en meteen wat rusten; hij moet den generaal toch zelf even spreken en het antwoord op den brief ontvangen.

“A propos: is de juffrouw thuis Hendrik?”

“Jawel menheer, de juffrouw is binnen. Juist toen u schelde hield zij op met piano-spelen; dat doet ze maar ’t liefst als zij alleen is.”

Bij ’t hooren van deze woorden wordt Van Hake eensklaps door een zonderlinge beklemdheid overvallen. Neen, zie, dáárop had hij niet gerekend. De beide vorige keeren, toen hij naar Jacoba’s welstand [190]is komen vragen, toen is hij óók in die kamer gelaten, en weinige minuten later kwam toen de generaal en heeft zeer welwillend een kwartiertje met hem gepraat. Maar, juffrouw Jacoba had hij niet te zien gekregen, neen, ofschoon men toch eenige verplichting aan hem had en het belangstellend bezoek zeker háár gold in de eerste plaats.—Hoe ’t zij, ’t heeft hem eigenlijk niet verwonderd dat het zoo gegaan was, en vooral niet omdat Juffrouw Jacoba nog altijd ongesteld heette. Maar nu, nu hij door dokter met den brief—een speciale zending—is belast, en zijn bezoek alzoo geen uitsluitend belangstellend karakter had, nu heeft hij zich in ’t geheel niet durven voorstellen dat hij háár.... háár, dat zachte teedere schepseltje, zoo aanstonds en alleen zou vinden.

“Nee Hendrik, wacht... ik weet niet.... ik heb.... Is.... isse de juffrouw weer heelemaal beter....? Zou het wel goed zijn dat ik.... als de generaal....? Watblief?”

“Wou je liever niet binnengaan menheer Van Hake? Ja, als u in de zaal wilt, of in de eetkamer, dan....”

“Nee Hendrik, ik meende alleen....”

Diep ademhalend en na een snelle beweging met de hand door de blonde krulharen, herneemt hij: “Ga jij je gang maar Hendrik; dien me maar aan alsjeblief. kHem hém!”

Over Jacoba’s bleek gelaat verspreidt zich een licht blosje nu zij den jongen provisor ziet binnenkomen. Nochtans, zij heeft zich spoedig hersteld, want, terwijl haar physiek door het geregeld gebruik van versterkende middelen inderdaad wat verbeterd is, zoo schijnt het verbond met haar wil gesloten, den wil om zich los te scheuren van droombeelden en ijdele wenschen, haar een nieuwe veerkracht te hebben geschonken.—Dien blos, nu ja, zij heeft hem niet in haar macht gehad, en bij het zien van dien blonden knaap moest dat vreeselijk uur in de woning van baas Krul zich immers wel krachtig opdringen aan haar geest.

Nu is ’t voorbij.

“Ga zitten menheer Van Hake.—Ik hoop dat vader gauw komen zal.—Ik heb nog altijd een oude schuld met u af te doen, en u hartelijk dank te zeggen voor uw goedheid. Papa is u ook zeer erkentelijk. Op dien morgen.... ’t was....”

“O, ik bid u, spreek daar niet van juffrouw Van Barneveld; ’t maakte me waarlijk gelukkig dat ik u zoo spoedig behulpzaam kon zijn.—Ja! dat was daar wel een schrikkelijke toestand. Die arme Donerie zoo in den bloei van ’t leven! en zoo knap niewaar!? U kunt er over oordeelen juffrouw; en dan vooral: hij was zoo’n edel best mensch! Och ja, we hadden in ’t laatst nog een soort van orgelkrans.”

“Ei zoo!” zegt Coba met eenigszins afgewend gelaat.

“Jawel, eigenlijk waren we maar met ons drieën, ’s Zondags avonds, en een paar malen ’s morgens vroeg, kwamen we op ’t orgel bijeen, en dan gaf hij ons les; altijd even fiks en degelijk, en toch zoo heel amikaal. ’t Mocht niet eens den naam van les hebben, en hij nam er dan ook niemendal voor; we noemden het orgelkrans [191]of orgelclub; jammer dat het maar zoo heel kort mocht duren.”

“Zoo.... kort?”

“Ja, na de zevende les is hij aan ’t sukkelen geraakt. Ik kan u niet zeggen hoe vreemd of ’t me nog altijd is wanneer ik mij nu op dat orgelkamertje ’s morgens heel vroeg wat aan ’t oefenen ben. ’t Is me dan alsof ik hem nog zóó moet zien binnenkomen.”

Er volgde een pauze.

Van Hake begreep eensklaps dat het misschien niet goed was om zoo over Donerie te spreken; dat lieve meisje heeft immers zenuwaandoeningen, en de herinnering aan dien akeligen morgen bij Krul kon haar nadeelig zijn.—Die blanke engel!

“’t Is hier toch een prachtig uitzicht juffrouw Van Barneveld! Wat geeft de ondergaande zon een heerlijken gloed over ’t land, en wat blinkt de Rijn daar helder in ’t verschiet; het donkere hout op den voorgrond maakt het uitzicht hier waarlijk tot een schilderij.”

“Ja.... ’t is wel een heerlijk gezicht;” zegt Coba, mede naar buiten ziende; en dan: “Is dat een mooi... instrument.... zoo’n orgel? Ik bedoel er achter, waar men speelt? Ik heb nooit... Ja, op een plaat misschien; maar anders heb ik nooit....”

“O, als u ’t orgel zien wilt juffrouw; wel, als ik dan de eer mocht hebben?” zegt Thomas snel, en er is een verheffing in zijn stem, alsof hij een vraag doet waarvan de toestemming hem voor zijn gansche leven gelukkig zal maken.

“Zien, ja wat dát betreft, maar ’t is tegenwoordig zoo warm op den dag.”

“Nee maar in de vroegte juffrouw! Van morgen bijvoorbeeld was ik al om halfzes op ’t orgel. Zie, als ik weten mocht wanneer, dan zou ik zorgen....”

“Wel vriendelijk, maar ’t zal toch niet gaan, zoo vroeg; ik moet mij nog wat ontzien, en geloof dat papa....”

“Nee, als mijnheer de generaal ’t liever niet had.... dán.... Maar anders, ik zou er mij een feest van maken om u alles eens goed uit te leggen. De brave Donerie kon met zulk een warmte over zijn orgel spreken. Wat speelde hij nog prachtig op den dag van dokters trouwen, niewaar? Wie had kunnen denken dat het zijn laatste toon zou wezen! Maar neem mij niet kwalijk juffrouw, dat ik alweer over mijn vriend spreek, ’t geeft u een sombere herinnering.”

“Hebt ú ook gehoord van een plan.... van een monument of zoo iets op het graf, menheer Van Hake?”

“Welzeker juffrouw; dokter heeft er al van gesproken; maar ik meen dat u—tenminste de familie er niet vóór waart.”

“Wij.... dat is te zeggen: papa heeft geweigerd te teekenen omdat hij in ’t algemeen tegen zulke zaken is; maar wat mij betreft, ik, nee, ik ben er niet tegen.” Even naar buiten ziende en dan snel en bepaald: “Ik moet u ronduit zeggen dat naar mijne meening de stad Romphuizen zoo iets wel verplicht is aan de nagedachtenis van mijnheer....” [192]

“Donerie,” helpt Thomas. En dan, terwijl er een bijzondere glans in zijn mooi blauw oog te bespeuren is: “Zou het waarlijk ook ú genoegen doen dat het tot stand kwam, juffrouw Van Barneveld?”

“Ik geloof dat het de wensch zal zijn van allen die zijn onderricht ontvingen of die zijn talent op prijs stelden. De wijze waarop hij les gaf was eenig.”

“Nu juffrouw, als ú het wilt, dan zal, zoo waar als ik Thomas Van Hake heet, dat monument er komen ook! Dokter wou dat ik er mij eens flink zou voorspannen; maar.... ik was wat bang, en ’t ging niet zoo vlot als ik wenschte, doch nû, ja, nu ik weet dat u.... jawel juffrouw, jawel! dat geeft me courage, dat steekt me, als ik weer werven ga, een riem onder ’t hart. Sapperloot juffrouw, ik kan u niet zeggen met welk een ijver....”

Jacoba moet de hand op ’t hart drukken om het hevig kloppen ervan te weerstaan, terwijl ze Van Hake snel in de rede valt, en hem dringend verzoekt om de zaak niet op die wijs te behandelen. Haar naam mag niet genoemd worden.

“Nee natuurlijk niet juffrouw,” stemt Thomas eenigszins verrast maar haastig toe: “dat begrijp ik best. Als mijnheer de generaal er niet voor is.... nee natuurlijk, natuurlijk!”

“Niewaar, natuurlijk!” herhaalt Coba, en dan zachtjes met een blos: “Een onbekende heeft bij u ingeschreven voor een bedrag dat.... later kan worden ingevuld, u verstaat me; en ik teeken—een weinig onderaan slechts voor tien gulden.” Rondziende snel: “Maar de onbekende blijft onbekend voor iedereen.... natuurlijk!”

“Welzeker, natuurlijk juffrouw!”—Och hemel, zoo’n engel!

De deur werd geopend. De generaal trad binnen.

De kloeke vormen van den ouden krijgsman komen in zijn lichtgrijs zomer-tenue nog sterker uit; nochtans nu hij den grooten ronden stroohoed afneemt, nu ziet men dat de uitdrukking van zijn gelaat geenszins in harmonie met dien kloeken bouw is.

“Wie daar....? Ahzoo menheer Van Hake, ben jij ’t! Je moeder welvarend?”

“Dank u generaal; ma is heel gezond, en het doet me ook recht veel genoegen dat ik de juffrouw hier zoo wél mag vinden. De juffrouw ziet er waarlijk al veel beter uit.”

“Ben je druk aan ’t praten geweest? Je hebt zoo’n kleur.”

“Niet te druk, lieve pa. Menheer Van Hake heeft een brief voor u gebracht. Hebt u hem niet gekregen?”

“Nee, een brief? Van wien?”

“Van dokter, generaal. Hendrik zou u buiten gaan opzoeken.”

“Ik heb ’em niet gezien;” zegt Van Barneveld en trekt tweemaal met kracht aan de schel: “Jacoba-lief, je zoudt me nu plezier doen met wat naar buiten of naar je kamer te gaan. ’t Is goed dat je menheer Van Hake, die ons zeer verplichtte—ja zeker m’n vrind, ik vergeet dat niet—dat je hem ontvangen hebt; je bent veel beter, en je mocht hem nu zelf wel eens bedanken, maar je ziet er wat vermoeid uit; menheer Van Hake zal je nu zeker excuseeren.”

“O wat dat betreft generaal; ik hoop niet....” [193]

“Nee ’t zal haar nu geen kwaad hebben gedaan; maar we moeten nog voorzichtig zijn.”

Hij geeft Jacoba een gebiedenden wenk.

Van Hake tast naar zijn hoed die onder zijn stoel staat:

“Indien ik anders zoolang ergens anders....?”

“O nee, volstrekt niet menheer Van Hake,” zegt Jacoba: “papa heeft gelijk; ’s morgens moet ik me nog wat rustig houden, want ik wil in ’t vervolg ’s morgens wat heel vroeg opstaan en wandelingen maken. Goeden avond! Mijn groeten aan mevrouw uw mama. en ook aan....”

“Waar of Willem blijft!” valt Van Barneveld in met krachtige stem: “Ik heb tweemaal gescheld; de oude wordt langzaam.”

Gevoelde Jacoba dat haar vader ’t slot van haar opdracht wilde verhinderen, toch zegt ze bij ’t heengaan:

“.... En ook mijn groeten aan dokter Helmond en zijn vrouw.”’

De oude koetsier—die ’t nooit verleeren zal om bij ’t naderen van zijn generaal, de twee voorste vingers nabij de grijze haren te brengen, krijgt in last om driemaal de groote schel boven ’t huis te doen klinken: dat was ’t sein voor Hendrik dat hij niet meer in de plaats behoefde te zoeken en terugkomen moest.

In afwachting van Hendrik sleept het gesprek tusschen den ouden generaal en den jongen provisor. De laatste, ach, hij gevoelt het weer levendiger dan ooit dat hij met “zulke wenschen” een gek, een groote gek is; en toch....

En Van Barneveld?—Heeft hij dan daarvoor in Gods schoone schepping wat rust voor zijn ontstemd gemoed gezocht, om bij zijn binnentreden aanstonds weer in dien maalstroom te worden geworpen! Had hij van den babbelaar niet meer dan genoeg vernomen; heeft hij den pleegzoon dezen morgen niet ten tweeden male—en toen met nog wat meer recht dan den eersten keer—een onderhoud geweigerd! Wat moet die brief hem nu melden? Wat wil hij dan? Wil hij liefde van den pleegvader en heulen met een Delila! Wil hij twee heeren dienen!?—En die jongen daar; voert ook hij iets in zijn schild? Heeft de wauwelaar van ’t stadje dezen morgen waarheid gesproken? Zou dat manneke zich verstouten.... zou hij zich in ’t hoofd hebben gezet dat bij met Jacoba....? Neen, ’t is bijna niet te denken; en toch....

Hendrik kwam binnen en overhandigde zijn meester den brief.

Van Barneveld heeft toen met een wenk verlof gevraagd of genomen, om den brief in Van Hakes tegenwoordigheid te lezen.

Van Hake zit voor op zijn stoel.

Van Barneveld leest:

“Geëerde oom!”

De generaal gaat naar het raam. ’t Werd al wat donker, en, ’t was niet noodig dat die knaap hem zag terwijl hij las. Bij ’t raam leest hij verder:

“Voor de tweede maal werd ik aan uw woning afgewezen. Gedachtig aan uw spreuk: “Kruipen doet het laag gedierte”, drong het [194]besluit zich aan mij op, dat deze poging om u te ontmoeten de laatste zou geweest zijn.

“Goddank, dat ik tot betere gedachten kwam!

“Ik wist niet oom, dat het voorgevallene op dien avond,—het opperen van mijn vermoeden omtrent de oorzaak van Coba’s zenuwlijden, en het wel wat vrije gedrag van mijn vrouw,—reeds voldoende zou zijn om mij uwe liefde onwaardig te maken....”

“Wátblieft u Generaal?” zegt Thomas, door een paar onverstaanbare woorden van Van Barneveld, plotseling uit een zeker orgelkamertje weggerukt.

“Watblief?” herhaalt Van Barneveld, die den provisor vergeten was, terwijl hij omziet. En dan met een vorschenden blik: “Ben je met den inhoud van dezen brief bekend menheer?”

Thom die onwillekeurig is opgestaan, aarzelt, maar zegt toch ferm:

“De hoofdinhoud is me geen geheim generaal; maar gelezen heb ik hem niet.”

“Ahzoo!” zegt Van Barneveld, terwijl hij Thom nog even van terzijde beschouwt. Daarna den brief weer inziende en zoekend naar de woorden, die hem straks onwillekeurig een gesmoorden kreet van verbazing ontlokten, prevelt hij onhoorbaar: “Wel wat vrij gedrag! Ha, mij dunkt!”—Nu leest hij verder:

“Diep erkentelijk voor het vele goede, dat gij mij van jongs af aan bewezen hebt; gedachtig aan zoo menig woord door u gesproken, aan zoo menige les van u ontvangen, moet de vrees dat uw liefde voor mij verloren ging, mij wel bitter kwellen.

“En waardoor moest ik haar dan zoo eensklaps verliezen? Door mijn opvatting omtrent Coba? Dat is niet mogelijk. Een enkel oogenblik mocht die meening uw wrevel wekken, uw helder doorzicht zou er mij op den duur geen verwijt van maken, daar ben ik zeker van. En evenmin kan Eva’s ondoordachte handelwijze er oorzaak van zijn.”

—Ha, ondoordacht! bromt Van Barneveld in den grijzen knevel; en leest weer voort:

“Neen, wat zij in uw oogen misdreef, het kan toch niet voor rekening komen van den man, die ook in zijn vrouw zal afkeuren wat afkeuring verdient. Ik wil Eva’s gedrag op dien avond niet rechtvaardigen: zij heeft den eerbied aan uw jaren verschuldigd zeerzeker een oogenblik uit het oog verloren, maar ook, haar oprecht karakter....”

Van Barneveld leest niet meer; zijn oogen staren strak in het dommelig verschiet, waar de zon zooeven is ondergegaan en slechts roode strepen aan den hemel heeft achtergelaten. De hand, waarin hij den brief hield, zakt bij het lichaam neer, terwijl hij de linker tegen ’t hart drukt, ’t Kon hem daar in de laatste weken soms zoo snel, zoo pijnlijk kloppen. Groote God! mocht hij zulk een brief dan nog verder lezen: de verbloeming, de verdediging van een smaad, waarover ieder rechtgeaarde, en die pleegzoon althans, niet dan verontwaardiging gevoelen moest.

—Ha! ik heb het gevreesd! zucht Van Barneveld onhoorbaar: [195]Neen, God weet het dat ik niet “trotsch en schriel” ben, maar ’t bloed kookt mij al te onstuimig wanneer ik de dwaasheid ten troon, en Gods wetten verkrachten zie. Om dat bruisende bloed, om dat pijnlijk kloppen hierbinnen, ontving ik hem niet. Maar zijn brief kon ik lezen; die brief—lang verwacht—zou me zeggen hoe het stond tusschen hem en mij. En ik weet het nu: Breed en diep is de kloof. Tusschen ons is alles voortaan....

“Deert u iets generaal?”

Van Barneveld geeft in den beginne geen antwoord. Het blad papier heeft geritseld in zijn hand en viel op den grond.

Doch zie, met een krachtige zelfoverwinmng grijpt hij de leuning van zijn stoel. Zijn donkere oogen strak op Van Hake richtend, staart hij hem eenige seconden stilzwijgend aan, als zoekt hij naar een gepasten vorm voor ’tgeen hij spreken wil, en zegt dan met vaste stem:

“Je hebt het vertrouwen van.... je patroon, menheer Van Hake, dáárom geef ik je in antwoord op zijn brief een mondelinge boodschap. Zeg aan.... dokter Helmond, dat ik hem aan Simson herinner, hoe deze, sterk met God, schier ongewapend duizend Philistijnen versloeg; maar ook, hoe hij, krachteloos gemaakt door een vrouw—een heidin—slechts zijn sterkte mocht herwinnen om zich onder ’t puin van den heidentempel te begraven.”

Van Hake stond roerloos. Zonder een woord te kunnen zeggen, zag hij den spreker een wijle aan. Wat moest die toon, wat moest dat beeld beduiden? Ach, hij vreest nu maar al te zeer dat die oude man meer reden tot wrevel heeft, dan dokter vermoedde of blijken liet.

Helmonds sombere stemming der laatste dagen was Thom niet ontgaan; maar, eerst dezen middag—nadat dokter erg verhit was thuisgekomen—heeft hij zijn hart voor hem uitgestort.—Thom, zoo onverwacht de vertrouwde van zijn weldoener geworden, heeft bescheiden maar toch met veel vrijmoedigheid zijn oordeel gezegd, en, hij gelooft het zeker, ook goeden raad gegeven. Als het niets anders was dan een opvatting tegen mevrouw Helmond—zooals dokter zeide—een verschil van zienswijze; de strijd van een jonge levenslustige vrouw met een grijsaard, die toch ook alleen door ervaring de wereldsche goederen en genietingen als ijdel heeft leeren beschouwen, welnu, dan was er toch zooveel reden tot voorhoofdrimpelen niet.—Och zie, heeft Thom gevleid en gedrongen: als dokter nu eens wilde doen wat hij dacht, namelijk; aan den ouden man een hartelijken brief schrijven, maar een heel hartelijken, met verzoek om een onderhoud in alle liefde; en als Thom dan zelf dien brief mocht brengen, en dokter het verder eens stilletjes aan hem wilde overlaten, ja, dan geloofde hij zeker dat hij dokter nog dezen avond met een gunstig antwoord zou kunnen verheugen.

Wat Thom in die oogenblikken zoo vermetel heeft gemaakt, hij weet het zelf niet. Maar immers, tweemaal is hij zeer welwillend door dien voornamen heer ontvangen; en heeft hij dan toen niet [196]vrij—erg op zijn gemak—over alles kunnen spreken? ’t Was toch een heel verstandig man die generaal, en Thom geloofde vast dat men, wanneer men ’t maar verstandig aanlei, in de redelijkheid wel alles van hem gedaan kon krijgen. Zie, ’t was toch ook bedroevend dat dokter nu in weerwil van al zijn geluk, met zoo’n mooie jonge vrouw en een prachtig huis, en zulke schitterende vooruitzichten—terwijl hij al gedurig zoo stil en afgetrokken geweest is—daar nu neerzat alsof alle geluk is vervlogen; die beste dokter, die edele vriend! En dan—maar nee, waarachtig niet! Nee, op zijn woord van eer, met eenige bijbedoeling heeft hij geen boodschap naar De Zonsberg gezocht. Wat zou het hem voor zich zelven baten, al kon hij door een gepast goedmoedig woord die beide mannen weer wat spoediger tot elkander brengen? Nee zeker, die andere gedachte is achteraan gekomen, als een roover. Hij behoeft zich immers ’t vertelseltje maar te herinneren: Er was eens een koning, en die koning had een dochter. En er was een boerenjongen, en die boerenjongen was een gek.—Uit er mee!

—Of hij Jacoba misschien toch even zien zou? Nu ja, zien; wie weet....! zoo heeft hij gedacht.


En of het geen dwaasheid van Helmond geweest is om aan het voorstel van zijn jongen vriend gehoor te geven? Och, Helmond wist het toen evenmin. Erg verhit met een bonzend hoofd thuisgekomen, heeft hij zooveel oprechte deelneming in het oog van dien braven Thom gelezen, dat hij hem wel tot zijn vertrouwde moest maken.

Eva was niet thuis. Indien hij haar terugkomst afwachtte, om haar eerst zijn weervaren mee te doelen, ongetwijfeld zou zij hem, na zulk een afwijzing, het onmiddellijk schrijven als de grootste dwaasheid, ja misschien als een laagheid hebben ontraden. Waarom dan niet aanstonds gedaan, waar een goede geest hem nu toe aanspoorde; uitstel zou licht tot afstel kunnen leiden, en immers, terwijl hij vroeger zoo lang besluiteloos bleef, is spoedig handelen nu geraden. Bovendien, nu hij ten tweeden male werd afgewezen, nu is er zeerzeker bij den ouden man meer grieve dan August zich heeft voorgesteld. En zie, daar stond die goedmoedige Thom met zijn blonden krullebol en zijn helderblauwe oogen. Helmond had zijn tusschenkomst niet gezocht, Thom heeft ze hem als ’t ware opgedrongen. Nu dan, geen bedenkingen meer; gedachtig aan ooms onverzettelijke gestrengheid tegen Philip, was een algeheele scheuring nog ’t best te voorkomen door de tusschenkomst van zulk een vriend, die nog bovendien het vertrouwen van den grijsaard bezat.

En of Thom een warm vriend en zijn zending waard was. Hoor dan:

“Generaal, u moet me niet kwalijknemen, maar dat heele verhaal van Simson, dat.... neem mij niet kwalijk, dat durf ik niet aan dokter weeromzeggen. Dokter is een best mensch generaal, een bijzonder best mensch, en.... dat heeft ie van u.... jawel op m’n woord, hij heeft het vroeger honderdmaal gezegd: al wat er goeds aan hem was dat had hij aan u te danken.” [197]

—Och! wát is het anders dan de eeuwenheugende geschiedenis van de slang en de vrouw, en de vrouw en de slang, zucht Van Barneveld onhoorbaar, terwijl hij zonder op Thom te letten strak voor zich heen ziet.

“Maar als men dan alles weet generaal, van de gevoelens en van de liefde niewaar, dan kan er immers geen misvatting meer zijn, dan....”

Van Barneveld ziet op, en Thom van terzijde aan:

“Ik heb je, meen ik, ’t antwoord voor den dokter gegeven. Iets anders heb ik niet.”

“Maar.... met uw verlof; als ik me niet bedrieg dan hebt u den brief niet heelemaal gelezen generaal.”

“Jawel, tenminste....”

“Nee! nee waarlijk niet! U moet me niet kwalijknemen dat ik u tegenspreek, maar op m’n woord, als u hem heelemaal gelezen hadt dan liet u zeker weten: dat u dokter met plezier ontvangen zoudt. Och beste dokter—generaal wil ik zeggen, als u nu eens wist hoe blij ik met die boodschap zou wezen. Vijf en twintigmaal zou ik er voor door een heete zon, zooals ’t van morgen was, willen heen en weer loopen. Och, dokter is zoo’n best mensch, generaal, en nee, z’n vrouw is ook zoo kwaad niet, als men haar nader leert kennen. Gul is ze, goedhartig! Kom generaal, u moest die haken en oogen nu maar uit de wereld maken, en maar denken....”

Van Barneveld, die weer met de hand op de vensterbank geleund bij ’t raam staat, ziet om, en valt met eenigszins schorre stem nu haastig in:

“Je bent nog zeer jong menheer Van Hake, en daarom vergeef ik je dat je een man van mijn jaren de les wilt lezen, en onder ’t oog brengen hoe hij ten opzichte van dokter Helmond en .... zijn vrouw te handelen heeft. Een man....”

“Maar.... maar....” aarzelt Thom in bijna smeekende houding: “als u dan toch waarachtig dien brief niet heelemaal gelezen hebt....”

“Mijnheer de provisor, ik verzoek je mij niet meer in de rede te vallen. Een man als je patroon, van wien men onderstellen mag dat hij denkt alvorens te schrijven—nee dankje, dien stoel kan ik wel zelf....—ik zeg, zulk een man zal aan ’t slot van zijn geschrift niet weerspreken wat hij vooropstelt. Genoeg, ik ken dien brief, al las ik hem niet ten einde. De kern....”

Thom kan zich niet weerhouden en valt in:

“Ja maar generaal, juist die kern van dokter; zijn hart voor u...”

Van Barneveld ziet Thomas aan met een blik, waarin zeer duidelijk geschreven staat: Zwijg! Meer niet, maar ’t was voldoende:

“Ik dien toch een misverstand bij je weg te nemen jongmensch,” herneemt Van Barneveld met zichtbare inspanning: “Je schijnt te denken dat een verschil, “haken en oogen” zooals je dat gelieft te noemen, mij ’t besluit deed nemen om dokter Helmond niet meer te ontvangen. Maar ik zeg je: zoomin als vuur en water, of duisternis en zonneschijn in vrede kunnen leven, zoomin kan het de geest, die [198]in dokter Helmond gevaren is met mijn waarachtige overtuiging,”

Thom bijt zich schier de lippen aan bloed. Hij wil spreken, hij moet spreken..... Maar nee, halt! halt jongmensch, wacht je beurt; halt!

“En Helmond kent die overtuiging!” hervat de generaal met verheffing: “Of weet hij niet meer wat ik den worm noem, die knaagt aan den wortel van ons volksbestaan! Die worm is het zinneloos teren op den roem en het geld van een wakker voorgeslacht; ’t is die geest van luie brooddronkenheid, van voorname domheid, maar vooral van zotte verheffing boven zijn stand. En die duivel in veel gedaanten, moet met kracht worden bestreden zal de geest van ’t voorgeslacht ontwaken in ’t eind: “Met God voor Oranje! Door noeste vlijt, tot Neerlands roem!

Maar hij zal ontwaken. Bij God, men zal het ervaren dat Neerland niet rijp is, en niet rijp worden zal voor annexatie! Het juk der dienstbaarheid verdragen wij nooit op den duur. De oude leeuw zal tand en klauwen toonen. Losrukken zal hij zich en vechten tot zijn laatsten droppel bloed, wanneer overmacht hem den nek durft krommen. Wee, wee dan de vadsige gasthuis-Nederlanders, ’t ontaarde ras, wanneer het, in zijn dommel, door kanongedonder wordt wakkergeschokt! Wee, wee de verwijfden!”

“Generaal, ik bid u, zou mijn beste brave dokter....”

“Knaap, kun je niet hooren en verstaan? Zeg, werd dan Helmond sedert zijn vrouw hem regeert, niet mijn tegenstander, een vijand van zijn vaderland!?”

“Generaal, waarachtig hij wil niets liever dan in overeenstemming met u handelen.”

“Maar wie, wie kiest hij dan! Ik zeg je dat hij steeds haar zal kiezen, al gevoelt hij zelf dat hij zondige weelde boven eenvoud en tevreden zin, dat hij een Delila boven Jehova verkiest.”

“Generaal, nog eens: u trekt het te ver. Mevrouw Helmond is....”

“Een duivelin! Zwijg jongen; wie mijn pleegzoon in zulk een korten tijd reeds zóó tot haar slaaf maakte, heeft met satan een verbond gesloten.—Na zulk een avond, mijn God, inplaats van haar te noodzaken aanstonds neer te vallen aan mijn voet, liet hij zich door die vrouw, vier weken lang van zijn grijzen pleegvader terughouden.—’t Is haar wufte zin die hem zand en klatergoud in de oogen strooit.—Wat wil hij nu!—Mij zeggen dat hij de kooper werd van een huis met dertien kamers, zonder het te kunnen betalen. Mij bekennen misschien—zoodra ik hem het geld voor zijn dwaasheid weigeren moet—dat hij nu mede geheel overtuigd is van ’tgeen zijn vrouw mij verwijten dorst, dat ik.... ha! dat ik ben: én trotsch én schriel!”

“Goeje hemel, generaal!”

“Nu weet je het knaap. En ’t is goed misschien dat de vertrouwde van dokter Helmond het weet, om ervan te kunnen gruwen. Spaar me nu verder; ik was niet voorbereid op dit alles.... Ga! Nee, niets meer. Ik ben wél, maar toch....” Van Barneveld, die reeds gedurig de hand ter plaatse van ’t hart heeft gebracht, doet het ook [199]nu, terwijl hij vervolgt: “In een fel bestookte vesting wordt spoedig bres geschoten. Heb ik je soms wat hard toegesproken menheer Van Hake, vergeef ’t den ouden man; jij deedt je plicht.... jij....! Blijf een brave zoon; vergeet je moeder nooit. Wees eenvoudig; tracht niet naar ’tgeen onbereikbaar voor je is; en, als je een vrouw kiest....” Thom werd bloedrood: “neem er dan eene uit je stand, die—zoo noodig, ’t brood mee verdienen durft. Vaarwel!”

’t Was Thom na dat laatste zeer beslissend: vaarwel, niet mogelijk een woord meer te spreken.—Ja toch:

“Maar ik bid u, generaal!”—Halt! zóó donker heeft hij nog nooit een oog zien worden.—Goeie hemel, moest dit het besluit dan wezen! Die beste dokter!—En dan, ach!.... Daar was eens een koning en die koning had een dochter en, en.... de boerenjongen was een gek, een verduivelde gek!


Nog denzelfden avond moest Hendrik een brief aan ’t adres Binzler te Godesberg, op de post bezorgen; en, reeds twee dagen later—bij ’t eerste uchtendkrieken, draafden Victor en Coco, voor de vigilante, met koffers beladen, het hek van De Zonsberg uit.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

’t Was Augustus.—Reeds sedert eenige dagen hebben Helmond en Eva hun nieuwe woning betrokken.

Inderdaad, het deftige oud-burgemeestershuis was prachtig opgeknapt, zoowel vanbuiten als vanbinnen. Ja, en men komt zoo van ’t een op ’t ander. De stadstimmerman beweerde dat dokter het huis “schandekoop had: tweeduizend gulden voor reperaties—met de serre, waar mevrouw zoo’n zin in heeft gehad erbij—’t was hem wel driehonderd gulden meegevallen. Zoo goed als present!”

De zaal, waarin Helmond en zijn vrouw zich op dit oogenblik bevinden, is de kleinste der beide zalen in het huis, en werd de Oranjezaal genoemd sedert Koning Willem I er op zekere doorreis, bij den voormaligen hoogadellijken burgemeester een collation gebruikte.

Eva heeft aanstonds een bijzonder zwak voor deze zaal gehad. Het prachtige stukadoorwerk met zijn fiks gesneden cherubs; de fraai geschilderde doeken aan den wand—Arkadische landschappen voorstellend: de hooge zeer kunstig gebeeldhouwde schoorsteenmantel, met zijn prachtig wit marmeren beeldengroep in ’t midden en een paar wapenschilden in ’t lofwerk erboven, dit alles heeft Eva van het eerste oogenblik afaan ten zeerste bekoord.

En dan, niet al te groot en daardoor ongezellig: een vroolijk uitzicht [200]hebbend op het ruime marktplein met de frisch groene linde- en kastanjeboomen; zóó, keurig gemeubileerd, was het niet vreemd dat Eva de Oranjezaal tot het vertrek heeft gekozen, waar ze het meest vertoeven en haar vrienden ontvangen zal.

Ja zelfs August, die in den laatsten tijd wel wat somber en afgetrokken was—“geen wonder na de infame behandeling van den ouden despoot”—zelfs August die eerst in de onaangename bui drie stuks meubels voor de Oranjezaal onbarmhartig van het lijstje had geschrapt, hij stond verrukt toen hij voor ’t eerst een kijkje mocht nemen, en zijn Eva met een kus moest toestemmen, dat, zonder de drie stuks—die ze natuurlijk tóch maar komen liet—het geheel lang niet zóó zou voldaan hebben.

Weinige oogenblikken geleden heeft Helmond een boodschap van zekeren boer Bikkers ontvangen, om aanstonds op De Schebbelaar te komen.

Dat verzoek kwam zeer ongelegen. Dokter Helmond heeft het dezen morgen zóó met zijne visites geregeld dat hij den namiddag vrij had.—Het theegoed stond reeds gereed; men wachtte behalve papa en mama Armelo, den majoor Kartenglimp, die den uitslag zijner nasporingen betreffende de veronderstelde afstamming der kapiteinsfamilie van de graven Van Armeloo, zou komen meedeelen.

“Ja August, ’t zou al heel onredelijk van me zijn indien ik niet volmondig toestemde, dat je als een lieve brave man hebt woord gehouden. Welzeker heb je getoond dat ik je onverdeelde liefde bezit, ja, door alles te doen wat mij genoegen kon geven, wanneer het namelijk niet in strijd was met je plicht. Maar mij dunkt, je neemt het nu met dien plicht wat al te zwaar. Of je een paar uur vroeger of later naar dien boer gaat, dat zal zooveel niet uitmaken. Aanstonds zullen de oudelui en de majoor hier zijn. Je dient er toch bij te wezen August, en ’t zou me bepaald een groot verdriet doen als je nu heengingt.”

De Schebbelaar ligt een heel eind buiten de stad Eva. Men kan niet weten; misschien is er werkelijk haast bij.”

“Die menschen hebben altijd haast August.”

“’t Is waar, de boer wacht langer met den dokter te roepen, dan hij zelf wachten wil. Indien ik wist dat Kartenglimps verslag wat spoedig afliep....” Hij ziet naar de pendule; “Maar nee ’t is toch beter.....”

“We kunnen hem immers zeggen dat je wat haast hebt, en later neem je een vigilante.”

“Nee Eva, vigilantes nemen dat kan en wil ik niet, dan zou ik zelf op die visite een gulden toegeven.”

“Och arm arm mannetje!” zegt Eva; en opstaande komt ze aan zijn zij, en hem zacht onder de kin strijkend, vleit ze met zoete stem: “Zal dat nu altijd zoo blijven?”

“Wat meen je lieve kind?”

“Nu ja, wát meen ik.... Niet boos worden August!”

“Boos....? Geef ik zooveel reden om dat te vreezen?”

“Nee zeker niet. Maar....” Aarzelend: “We zijn immers één als [201]man en vrouw; en waarom dan altijd die achterhoudendheid! Toen je mij ’t eerst van liefde hebt gesproken, toen vroeg ik er niet naar of je..... rijk waart; maar, nu ik het weet—ja natuurlijk, ik weet het—nu moest je vis-à-vis je eigen vrouw dat vertoon van armoede, of wat er naar zweemt, toch laten varen.—Is het uit vrees August, dat ik op den duur wat veeleischend zal worden? O, geloof me, wanneer je mij in alles je vertrouwen woudt schenken, dan zou je me waarschijnlijk al gauw moeten opdringen wat ik nu onstuimig begeeren blijf.” Hem liefkoozend: “We dokteren zoo wat voor liefhebberij.... hé....? en hebben fortuin, nog al veel fortuin....?”

Ik, Eva, ik?”

“Nu ja, van mijn kant is er geen quaestie van. Pa en ma hebben geen sous; en tante in Den Haag heeft haar fortuintje in een levensverzekering gestoken. Als de goeje ziel morgen sterft: La bonne nuit ses écus!”

“Nee Eva, je bedriegt je; ik heb geen....”

Eva legt hem snel de hand op den mond: “Stil, niet jokken. Foei, die guldens- en stuiversberekeningen á la Zonsberg, zouden den besten en verstandigsten mensch van de wereld ten laatste in de war brengen. Wat je me verbergt, je doet het op aanraden van het gepensionneerd reliek....”

“Eva! zóó niet!”

“Pardon, op aanraden van Rechtsomkeert met de leege tasch, marsch! Volgens het mooie systeem: Eet alle dagen beschimmeld roggebrood zoo hard als een keisteen, dan zal beschimmeld wittebrood zoo hard als een baksteen, taart of pastei voor je wezen.”

“Eva, Eva!”

“Heb ik er iets aan miszegd, lieve August, dat ik je voor den besten verstandigsten man van de wereld houd—met een klein deukje door een schriele opvoeding misschien?—Toen we op de catechisatie eens den tekst behandelden: “Geldgierigheid is de wortel van alle kwaad,” toen heb ik er tegenover-gesteld: “Royaliteit is de moeder van alle deugd,” en, dominee en al de meisjes hebben er toen met sympathie om gelachen. Jij bent au fond royaal mijn beste man, ik weet het bij ondervinding; maar zeg dan nu ook ronduit dat je die dubbeltjes- en centen-uitzuinigings-manie zult zien af te leeren; dat past niet wanneer men....”

“Maar Eva, ik bezweer je....”

“Tuterletuterletu!” roept Eva zoo hard mogelijk, als wilde zij een valschen eed voorkomen. En dan vleiend: “August, als je me nu waarlijk liefhebt, veins dan niet langer. Of je arm of rijk bent, ik heb er je even lief om, dat weet je; maar, nu je het bent, toon me nu ook, door het te erkennen, dat je me heelemaal vertrouwt. Als je het niet waart dan zou je immers wel de domste man van de wereld moeten zijn. Welk verstandig mensch zou er huizen koopen zooals dit, en het meubileeren zooals wij deden, wanneer hij er niet zeer warmpjes inzat. O, ik heb het al begrepen toen je in Parijs, voor mijn toilet en diamanten, zooveel meer kondt uitgeven dan het totaal van je reisgeld bedroeg!” [202]

’t Was Helmond bij Eva’s laatste woorden alsof hij door een wesp werd gestoken.—Dát was te veel!

Alleen ter wille van háár wier oog hem liefdevol moet toelachen, aan wier boezem hij zoo gaarne rust, en van wier heerlijk mondje hij zoo graag een zoeten kus ontvangt, slechts om haar gelukkig en tevreden te zien, heeft hij dat fatale woord gehouden, en, toegegeven, telkens meer. En nu zegt hem diezelfde mond dat hij een dwaas zou zijn geweest indien hij, zonder de middelen ertoe te bezitten, dat alles had ingewilligd; Een onverstandig, een dom, een zeer dom man!

—Maar was hij dat inderdaad? Heeft hij dan niet werkelijk een kleinen, spaarpot gehad, waarmee hij nooit heeft willen pralen, maar die hem instaat zou stellen om het dierbare wezen, dat hem geheel wilde toebehooren, als op rozen te doen gaan in de zoetste levensdagen—de eerste van een zaligen echt?—Toen was hij dan toch geen dwaas en onverstandig man, al heeft hij in die luttele dagen wat heel veel geld uitgegeven.—En later?—Ja ja Helmond! fluistert het vanbinnen: Ja, later!

—Maar, neen! nog eens neen! Hij is er immers gerust op geworden. Voor zooveel de notaris mocht laten blijken, is er sedert het gebeurde met Philip geen wijziging in het testament van den pleegvader gebracht. En heeft men dan inderdaad geen fortuin, wanneer men het later met eenige zekerheid verwachten mag? En bovendien al moest dat uitzicht in damp vervliegen—en zoo waar als er een God is, en zoo waar als hij den grijzen pleegvader altijd zal.... achten, zoo waar zal hij niet speculeeren op een vermogen, waarop hij inderdaad geen recht heeft—neen, al moest dat uitzicht geheel verdwijnen, indien hem ’t leven en de kracht gespaard worden, dan kan hij, na een zestal jaren, die tot heden gemaakte schulden reeds hebben ingehaald.

—Een man als hij: een dokter wiens praktijk dagelijks toeneemt en zeer winstgevend mag heeten, hij kan waarachtig zeggen: fortuin te bezitten. En zie dan Helmond, hoe die schrandere zielvolle oogen je aanstaren. Zal hij voortaan een onverstandig man zijn in zulke heerlijke oogen!—Zou hij niet door te bekennen, de achting waarop hij aanspraak heeft verliezen, en bovendien zijn zedelijk overwicht.... ’twelk hij voortaan wat meer zal weten te handhaven! Inderdaad, met het oog op dit alles, mag bij immers zijn Eva toestemmen, dat hij niet de domme onverstandige man is, die een huis koopt en het prachtig meubileert zonder het te kunnen betalen.

Na een korte weifeling zegt Helmond:

“Nu ja kindlief, ’t spreekt vanzelf. Zou ik zoo iets gedaan hebben indien ik ’t niet doen kon! Maar toch....”

“Bravo, bravo!” valt Eva in: “dat heet nu waarlijk lief hebben, en zijn vrouw als zijn ander ik beschouwen. Zie, dát moest ik maar zeker, heel zeker weten: mijn beste man deed niets wat hij niet doen kon. ’t Blijft me even onverschillig August, hoeveel we hebben in de wereld. Ik weet genoeg, en ben recht tevreden. Maar [203]mannetjelief, tob dan ook over geen gulden meer, als je om mij genoegen te doen, die visite wat later per vigilante kunt maken. Zeg, zul je blijven August? De zaak is immers belangrijk genoeg?”

August stond met den rug naar Eva gekeerd in een boek te bladeren.—Hij heeft haar bedrogen, hij heeft haar gezegd dat hij.... als een verstandig man handelde, toen hij inderdaad maar al te dikwijls aan haar dwaze wenschen het oor leende. Zal hij haar nu een vermaning geven; haar nog eens het oude lied herhalen....? Neen! Maar toch:

“Eva, al is het dan waar dat ik vóór ons trouwen misschien iets terzij had gelegd, vergeet niet dat zelfs de verstandigste man door de omstandigheden zijn verstand kan verliezen, en.... dat na alles wat we reeds uitgaven, ijver en zuinigheid waarachtig boven alles plicht is.—Nu ja, wat de conferentie betreft, ik zal ze bijwonen. ’t Zou niet aardig voor je zijn wanneer ik al dadelijk heenging; maar zoo spoedig mogelijk zal ik dan toch naar mijn zieke wandelen. Ja zeker wandelen Eva, al wordt het wat laat.”

“Och mijn lieve beste August!” vleit Eva met een zoen; en dan vroolijk: “Wacht, om je te toonen hoe lief ik je vind, zal ik je nog maar eens dadelijk laten hooren dat mijn Erard hier uitmuntend voldoet.—Zingen? Ja zeker, zingen zal ik erbij, als je dat wilt. Wacht! een aardig lied, dat mij juist zooeven uit vroeger tijd te binnen viel. Zieje wel manlief, dat ik waarheid sprak toen ik je zei, dat ik hier in ons ruimer huis weer heel veel spelen en zingen zou?”

Eva’s slanke gestalte zweeft naar haar kostbaar instrument; en, nadat ze al ras met groote kunstvaardigheid en kracht een wegsleepend praeludium deed hooren, zingt ze nu met haar overheerlijk sopraangeluid:

Vraag aan den nachtegaal toch niet,

Als hij zijn plechtig avondlied

Zoo rein welluidend klinken doet:

“Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon

“Een stem zoo schoon,

“Zoo wonderzoet?”

Laat toch het vogeltje ongestoord

Maar jubelen met vol accoord,

Wat ook natuur ten loon u biedt,

Haar eêlste gaven schenkt ze om niet!

Vraag aan het bloeiend roosje niet,

Als gij haar lieflijk blozen ziet,

En ze u bekoort door zachten gloed:

“Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon

“Een kleed zoo schoon,

“Een geur zoo zoet?”

[204]

Laat toch het roosjen ongestoord;

Van arbeid heeft net nooit gehoord.

Wat ook natuur ten loon u biedt

Haar eêlste gaven schenkt ze om niet!

Nu Eva zwijgt en de slotaccoorden reeds wegsterven, nu staat Helmond daar nog sprakeloos, doch met een glans van verrukking op zijn mannelijk schoon gelaat. Hij denkt er niet aan dat Eva misschien als tegenhanger van ’tgeen hij daar straks had gesproken, dit bijna vergeten lied gezongen heeft, ’t Sloeg ook wat al te weinig op ’tgeen hij bedoelde. Maar ja, ja zeker: “Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!”—Groote God, is het werkelijk zijn vrouw, zijn eigen vrouw, die daar zoo heerlijk, zoo betooverend schoon heeft gezongen? Ze heeft woord gehouden; hier, waar het ruim hoog en niet vochtig is, hier zingt en speelt ze; hier leeft ze weer op; hier wil en zal ze gelukkig zijn met hem, en met haar prachtig talent. Reeds vier malen zong ze in deze zaal, maar zóó heerlijk, zóó onuitsprekelijk betooverend schoon, neen, zóó kan ze zelfs voorheen nooit hebben gezongen:

“Eva.... nóg eens, ik bid je, engel! nóg eens!” dringt Helmond met denzelfden blik vol verrukking, terwijl hij schier aarzelend zijn hand op haar schouder drukt: “Ja waarachtig: Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!”

“Bevalt het je lieve man? Komaan!” En weder zingt Eva het eerste couplet, waarin men nu werkelijk den reinen nachtegaalstoon kan herkennen.

En August, hij voelt een heeten gloed naar het voorhoofd stijgen.—Een talent als het hare, waarvan misschien de gansche wereld als van een Jenny Lind of een Patti kon hebben gewaagd, zulk een talent heeft zich aan hém, een eenvoudigen stadsdokter, overgegeven, geheel en al, met hart en ziel! En zulk eene heeft hij willen kerkeren in bedompte lage naargeestige vertrekken. En dan—deze eenige onder de Romphuizer vrouwen, zou men miskennen en beleedigen durven! Zulk eene zou niet de eerste en eenige blijven! Ja, zoo waar als God leeft, zweert August bij zich zelven, terwijl nogmaals de laatste tonen wegsterven van die wonderschoone melodie: ik zal haar in eere houden zooals ze verdient!

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Mama Armelo heeft zich dezen middag in ’t gala-pak gestoken om met Armelo, die ook zijn Zondagsche jas heeft moeten aantrekken, aan Eva’s uitnoodiging te voldoen. [205]

De echtgenooten begeven zich op weg naar het nieuwe doktershuis.

Met een eenigszins vreemd draaiende deftigheid stapt mevrouw, naast den ex-kapitein—die in de laatste jaren wel wat voorover loopt—door de voornaamste straten van het stadje, op het tamelijk groote marktplein toe.

“Zieje wel Armelo, dat Wessels de kleermaker weer groet?”

“Ja Marie.”

“En slager Van Delden dáár..... heb je ’t gezien, zoo anders als anders, zoo onderdanig?”

“Ja.—Je hadt je wel wat minder mooi kunnen maken Marie.”

“Waarom?”

“’k Heb immers Van Delden nog om drie maanden uitstel gevraagd; nu zal je mooie plunje hem in de war brengen.”

“’t Is vreemd Armelo, dat je dat uitstel en die beleefdheid niet beter begrijpt. Ik voor mij geloof dat we sinds het bekend is, zooveel krediet kunnen krijgen als we maar willen.”

“Bekend? Wát zeg je! is het al bekend? Ik dacht dat die gekheid tenminste geheel onder ons zou blijven totdat de majoor....”

“O dáár spreek ik niet van Armelo, ik bedoel van onzen schoonzoon, van Helmond. Sedert dat men zeker weet dat hij, ook van zich zelven, er warmpjes inzit.”

“Ahja, wat dát betreft. Maar het staat me toch eigenlijk tegen dat men dáárom aan mij....”

“Is Eva dan misschien je eigen vleesch en bloed niet, man?”

“Ja waarachtig! Maar te speculeeren op andermans geld! Nee Marie, nee!”

“Andermans! andermans!! De wettige man van je eigen kind! van het kind dat haar bestaan in de wereld aan ons te danken heeft. Is dokter niet precies zoo goed je zoon als Eva je dochter? Noem jij het andermans, ik noem het eigen! Van één meel, van één deeg!”

“Ik spreek van zijn geld.”

“Geld is niemendal. Wát is geld voor iemand die genoeg heeft! Geld is een dood, een onnoozel ding....”

“Stil vrouw, je praat zoo hard dat de jongens die daar knikkeren er van opkijken.”

“Die jongens kunnen ook wel om wat anders opkijken, Armelo. Maar hoe ’t zij,” vervolgt mevrouw iets zachter: “wat heeft men aan geld dat niet gebruikt wordt? En, als jij bijvoorbeeld eens rijk waart en schoonouders hadt die een stand moesten ophouden in de wereld, zou jij dan niet zeggen...” Mevrouw vervalt in iets zeer theatraals: “neem van het mijne, ik heb fortuin!”

“’t Is me moeielijk Marie, om me met de herinnering aan mijn schoonouders, zoo iets van stand ophouden voor te stellen, en nog moeielijker om.....”

“Och Armelo zwijg nu maar, je schijnt weer een dwarse bui te hebben; dat treft al heel slecht van avond. Je hebt die buien zeker uit de Tiendaagsche ruzie gehouden!—Kom man, kijk toch wat opgewekter. Zie, daar heb je het huis al. Goeje hemel, dat we nu [206]zoo zeggen kunnen: daar, in dat mooiste huis van de heele stad, daar wonen onze kinderen! Och lieve deugd! wat een front maakt dat huis!—Nee, zenuwachtig ben ik niet Armelo, tenminste niet dagelijks; maar nou! wil je wel gelooven dat ik ieder keer kippevel krijg, als ik den markthoek omsla en dat huis daar voor me zie.—Och, hij doet het, onthoud er je vrouw bij.”

“Hij doet het? Wat meen je?”

“Wat? Wel Armelo, denk toch eens door.... zóóveel kamers, zóóveel ruimte voor twee personen!”

Armelo antwoordde niet. Het hoofd ging hoe langer hoe meer voorover.—’t Is hem tegenwoordig precies alsof hij overdag een boek leest, en ’s nachts droomt dat hij er zelf in vermoord wordt.—Ha! zonder dien verwenschten drank, die het gevolg was van..... Stil, zijn vrouw leeft nog, en ze heeft zich gebeterd, evenals hij, helaas toen het te laat was.—Maar ja, zonder dát zou hij niet telkens gepasseerd en, ofschoon nog per gratie met klokke vijftig, gepensioneerd zijn geworden. Neen, dan was hij nu kolonel, wie weet misschien generaal geweest! Maar dat alles is voorbij. Stil dan ouwe kameraad; gedane zaken nemen geen keer. Als je na nummer één, daar heel Boven, ergens in een nieuw garnizoen komt, en bij een hooger wapen van voren afaan kunt beginnen, dan zul je ’t wel verstandiger aanleggen. Zeker! Nu, wees te vreden dat je zonder schandaal nog een geregelde retraite hebt kunnen maken; dankbaar dat je stilletjes kondt rondsukkelen met wat zuinigheid en wat werken erbij.—Maar, in den laatsten tijd! in de laatste weken! Ach, somwijlen heeft hij oogenblikken gehad dat hij—nee, dat is niet waar; ja, ja toch, verdord! dat hij naar een glas jenever verlangde. Als het dan toch draait..... dan..... Een glas jenever!

Dat was slecht! Heeft het geluk hem beneveld en zoo uitzinnig gemaakt? Welk geluk? Welnu is Eva niet geheel gelukkig getrouwd; Eva, zijn oudste, zijn lieve dochter?—Stil, dat is voor hem zulk een groot geluk niet. Hij durft het niet uitspreken; men zou het verkeerd kunnen uitleggen; maar, sinds dat goede huwelijk, zoo geheel naar aller zin, en vooral in de laatste weken, was Eva zijn Eva niet meer. Vriendelijk is ze, nu ja, heel vriendelijk. Eens hebben papa en mama met Louise zelfs bij haar gegeten, en tweemaal thee gedronken, welzeker! Maar toch, ’t was hem toen juist zoo vreemd en raar geweest. Bijvoorbeeld ’t is hem soms onmogelijk om zich duidelijk voor te stellen dat hij háár—die mooie rijke mevrouw—als kind zoo dikwijls op zijn knie heeft gehad; dat ze hem in die schrikkelijke dagen van vernedering en ellende—de lieve vroolijke bloem met haar golvende lokken—zoo telkens uit eigen beweging kwam liefkoozen en zoenen op den pijnlijk geplooiden mond; of, met haar rein welluidende stem haar schoonste liederen ging zingen, om, zooals ze zeide, haar “lieve pa’tje weer wat vroolijker te maken, en van zijn dierbaar hoofd die nare rimpels te verjagen”. Toen, ach, ofschoon telkens en telkens teruggestooten, gekrenkt in zijn eer en benadeeld in zijn inkomsten—helaas door eigen schuld! was hij toen niet dikwijls nog gelukkiger dan nu? Is [207]het dan niet alsof de rust en kalmte der laatste tien jaren, nu na dat huwelijk van Eva, een eind hebben genomen? Aan wien zal men het wijten? Aan den braven dokter die Eva als zijn oogappel bemint? Neen onmogelijk! Maar toch..... Ach, ware ze met ziek geworden! zucht Armelo onder ’t voorttreden in stilte; ware ze zoo meer in “onzen doen” gebleven; muziekonderwijzeres geworden; en was dan die goede Donerie niet zoo terughoudend geweest..... Maar, dat alles is voorbij! En nu, ’t is alsof er sinds dat huwelijk en sinds die dwaze voorspiegeling van een graventitel vooral, een oude kwade geest in huis is wakker geworden. Het geld van den generaal; het fortuin van Helmond, en de adellijke titel, ze maken het oude hoofd van die arme vrouw weer op hol. Heb ik Louise, dat goede eenvoudige kind, niet bijna alle dagen met tranen in de oogen gezien, en was het mij dan niet telkens alsof ik in een zwarten nacht staarde; alsof ik op een slagveld was met kermenden en lijken overdekt, terwijl de raven akelig krasten in ’t rond? Dat beeld vervolgt me al meer en meer; en als ik wakker lig, soms uren lang—terwijl ik in die laatste jaren weer zoo gerust kon slapen—dan zie ik altijd en altijd weer datzelfde huis, dáár, en schrikkelijk groote vlammen uit die vensters naar buiten slaan, en dan hoor ik haar kermen en gillen: Vader, vader!—O God! En dan.....

“Guns Armelo, je loopt alsof je spelden zoekt;” klinkt het eensklaps aan zijn zij; en Armelo schrikt op, en zet zijn kin in de stropdas, want ja, zij heeft gelijk: als oud-soldaat mag die rug niet zoo krom worden.—Maar, wie weet, wie weet wát hij nog te dragen krijgt: “Watblief Marie?”

“Dat je waarlijk je oudste schoenen hebt aangedaan.”

“De oudste? Ik dacht dat het de nieuwe.... Ahja, nu zie ik ook....”

“Ze zijn bovenop in de buiging heelemaal kapot; je kous schijnt er door. Zóó kun je niet meegaan, we moeten eerst weer....”

“Marie ben je mal! Eva zal dáár niet naar zien, en al deed ze het, we hebben háár dunkt me in allerlei toilet gekend, van haar eerste kreetjes afaan.”

“Daar spreek ik niet van Armelo, maar een fatsoenlijk man, een man van geboorte.... enfin zelfs een oud-militair loopt met geen kapotte schoenen. Wat zou de majoor wel van je denken!”

“De majoor! dat is me vrij onverschillig. Je weet dat ik aan die heele affaire niemendal hecht; tenminste....”

“Tenminste Armelo, zoolang we geen zekerheid hebben. Ik ken je, mannetje, en zoo ben jelui mannen allemaal: schimpen op zoete koek, maar, als ze ’t trommeltje bij zich krijgen ’t heelemaal leeg eten—zoo ongemerkt!—Ik zou me schamen, in jou positie met kapotte schoenen! Kom, ik heb quasi m’n zakdoek vergeten.”

“Als ik nú weer mee naar huis terugga, Marie, dan kun je er zeker van zijn, dat ik blijf waar ik ben.—Je weet wel dat ik toch al moeielijk tot deze visite—of conferentie zooals jelui het noemt—te bewegen was.”

“Maar met zulke vieze kapotte hannekemaaiers op haar mooie tapijt!” [208]

“Als je met de hannekemaaiers mijn schoenen bedoelt, dan zeg ik je dat je overdrijft; ’t is er maar één, en waarlijk zoo erg niet; de andere is nog heel.”

“’t Staat arm man, armzalig! Maar als je in zoo’n dwarse bui bent, dan zou je wezenlijk instaat zijn om thuis te blijven.... tenminste ’t zou schrikkelijk laat worden.—Je houdt dan je rechter den heelen tijd over je linker, op die plek, begrijp je Armelo. En nu, in ’s-hemelsnaam, niet dat lamentabele gezicht!—Kijk, daar staat schoonzoon al voor ’t raam. Hemel, wat een pracht van een huis!—Gauw Armelo, zie eens op zij, ongemerkt: Zie me om de liefde eens hoe de freules Van Winteren ons nakijken. Je kunt denken hoe het die dames pikeert dat wij de hooge breede stoep van ’t mooie oud-burge.... van ’t nieuwe doktershuis opstappen.”—Zij trekt aan de schel der huisdeur: “Nu front naar de markt kapitein!”—en dan bij zich zelve: “Ziezoo dames, als je wilt dan kun je ons nu uit de verte nog eens in onze volle waarde genieten. Jawel kale jonkvrouwen met een heelen boel verbeelding en wind op het lijf! hier staan wij; ik en m’n man; en we gaan hier—om zoo te zeggen zoo goed als in ons eigen huis, en als je maar geduld hebt, dan zie je mettertijd nog eens een heel ander kroontje op de kaartjes van de familie Van Armeloo dan het magere ding, waarmee jelui zoo’n laffen bluf maakt.” Luide: “Och Armelo, zie eens, zit m’n mantille wel recht? Trek hier ’en beetje. Man, strijk je knevel toch op; en,—denk aan je schoen!”

Bus, de lange drankjesrondbrenger van dokter Helmond, die een soort van “huisknechtelijk” voorkomen heeft gekregen—door een licht linnen jasje met blauwe streepjes—opent de deur.

“Dag Bosch!—Mijn kinderen thuis?” zegt mevrouw: “Mijn zoon de dokter óók? Ha! le voola!”—Een enkelen keer—nochtans hoogst zeldzaam—sprak mevrouw Armelo Fransch.—“Ha! Lieve Helmond! hoe gaat het? Foei, kom je ons zelf in de gang ontvangen? foei!—Och, je moet je om óns niets, niets ter wereld geneeren. Wij hebben zoo volstrekt geen complimenten of aanmatiging, wij....”

Helmond die den zoen van zijn mama “recht hartelijk” heeft gevonden, begroet intusschen zijn schoonvader met een trouwhartigen handdruk; en dan:

“Wat! niet heel fiksch papa; moet ik u in den vijzel hebben?”

“O ’t heeft niets te beteekenen,” zegt Armelo: “van morgen een beetje hoofdpijn.”

“In den vijzel!” zegt mevrouw: “Helmond-lief, ik dacht dat je den vijzel voorgoed....”

“Maar mama’tje, wie heeft dát gezegd!”

“Gud! menheer Kippelaan zei....”

“Och vrouw, zwijg toch van Kippelaan, ’t is ’en proppenschieter.”

“Ga binnen; Eva wacht u;” zegt Helmond en doet de deur, waaruit hij in het breede marmeren voorhuis kwam, wat verder open, en papa Armelo treedt achter mama Armelo de Oranje-zaal binnen. [209]

Eva heeft gewacht.

Als altijd schoon, ja schooner misschien dewijl het zwart barège kleed haar blankheid te meer doet uitkomen, ligt Eva bij het binnentreden van haar ouders, zeer gracelijk in een voltaire, met het hoofd achterover, de fijne hand aan den kleinen mond, en den blik schuin terzijde door ’t venster in de blauwe lucht. Helmond begreep die houding op dit oogenblik niet. Moest dat een klein ondeugend comediestukje wezen? Was het om haar ouders stilzwijgend een raadseltje op te geven, ’t raadseltje van twee is drie? Of Eva inderdaad iets van dien aard bedoelde toen ze bij ’t binnentreden der ouders—hoewel slechts gedurende een ondeelbaar oogenblik—half liggend zitten bleef, of dat zij misschien ’t effect van haar Oranjezaal die nu kant en klaar was door een gepaste stoffage,—een rustig figuurtje—wilde verhoogen, wenschend dat men bij ’t binnentreden een indruk zou krijgen ’tgeen onmogelijk was wanneer zij aanstonds ging opvliegen als een schichtig konijn!?—Helmond gelooft het eerste. Eva zou hem, indien hij ’t haar later gevraagd had, waarschijnlijk geantwoord hebben: Mijn hemel, wie kan nu van al die vluchtige gedachten en invallen zoo haarfijn rekenschap geven? Ik zat zoo, mijn hemel, ik zat zoo!

Nu heeft ze de ouders begroet. Er is plaats genomen. Eva zet thee. Mama Armelo komt aan het woord:

“Wij denken geheel eenstemmig Eva, en ’t allerbeste zal dunkt me zijn, dat we nu eerst eens bedaard den majoor af wachten.’t Verstand van je lieven man, mijn besten zoon—ja ja Helmond, God weet hoe ik dweep met je kennis en verstand; maar ik zeg Eva, er zijn wel eens zaken die de vrouwen oneindig beter inzien. De majoor is een man die zeer juist....”

“Och Marie, jij altijd met je verheerlijking van dien majoor!” roept Armelo; en dan wat zachter: “Als Helmond zelf me niet had laten vragen om de zoogenaamde explicatie van dat heerschap te komen aanhooren, dan, neem me niet kwalijk, dan zou ik er vast voor bedankt hebben.”

“Heb ik u gevraagd....?” zegt Helmond en ziet Eva die naast hem zit, van terzijde aan.

“Hé August-lief, weet je niet meer dat ik zei van gisteren, en toen.... van morgen;” zegt Eva met een snel blosje, terwijl ze met den rug van haar mooi blank handje even zijn wang streelt: “en dat je het toen beter vondt om het vandaag te hebben. Weet je niet meer August?”

“O ja, wat dat betreft in zoover heb je gelijk Eva. En dan tot den schoonvader, waarschijnlijk met het doel om aan zijn interpellatie voorgoed een eind te maken: “In onze waardeering van den majoor—hoewel we hem eerlijk gezegd, nog weinig kennen—geloof ik niet dat we zoo heel veel van elkander verschillen papa. Maar zonder te beslissen of er iets van komen kan, zoo moet ik mama en Eva toestemmen, dat de majoor zich de zaak waarlijk met den meesten ijver en belangeloos heeft aangetrokken. De man verdient tenminste met eenige waardeering te worden aangehoord; hij heeft zeker aanspraak op onze.... dankbaarheid.” [210]

Helmond had de laatste woorden met moeite en weerzin uitgebracht. De dankbaarheid weegt hem pijnlijk zwaar.—’t Was alles, met die verandering van woning enz. enz. alles zeer eenvoudig in zijn werk gegaan. De notaris Zoutenheer heeft hem het geld bezorgd—zeer amikaal, en ’t is dus een zaak geheel tusschen hen beiden. Maar toch, was die majoor niet inderdaad de man, die hem door zijn praatjes, in Eva’s tegenwoordigheid, het hoofd op hol heeft gebracht!—Helmond heeft geen berouw van ’tgeen hij voor zijn vrouwtje deed; neen, straks nog heeft hij het levendig gevoeld: ’t was goed, en alles zou best terecht komen. Maar, dat die persoon, die indringer, op zijn handelen inderdaad invloed heeft uitgeoefend: dat die vreemde sinjeur door den loop der omstandigheden geheel op de hoogte van Helmonds zaken gekomen is, dewijl—zooals de notaris hem in vertrouwen meedeelde—de majoor zelf een deel van het geld bezorgde waarmee hij geholpen werd; dát, zie, dat alles heeft een weerzin tegen dien man bij hem verwekt, een geheel anderen en veel sterkeren weerzin dan vroeger het uiterlijk en de manieren van dien majoor, of wel zijn vrees voor den dood het gedaan hebben. Nu echter zal Helmond dien weerzin moeten bestrijden, omdat hij bij ’t openbaren ervan het allereerst zijn eigen vonnis zou hebben geveld.

De kapitein, die zich steeds vrijer tegenover zijn vrouw gevoelt wanneer er heeren in ’t gezelschap zijn, en zich nu vooral—onder den machtigen indruk dat eens in deze zelfde kamer een Oranje heeft gezeten—zonderling sterk en in zijn kracht gevoelt, de kapitein herneemt terwijl hij zijn schoonzoon een sigaar presenteert—’tgeen zijn vrouw de verkeerde wereld en bespottelijk vindt:

“Ik spreek het niet tegen Helmond, de man is almachtig gedienstig; maar in dienst kenden ze geen dienst zonder commando.”

“Och hoor je wel kind,” fluistert mevrouw Armelo tot Eva: “papa spreekt van zijn dienst alsof ie nog in ’t volle vuur stond.”

Eva glimlachte, maar zweeg.

“Ik hou niet van menschen,” vervolgt de kapitein: “die zich ongevraagd in onze zaken mengen. In ’t jaar dertig....”

“Beste Armelo, die geschiedenis kennen we allemaal.”

“Pardon mama, ik ken ze niet;” zegt Helmond, en luistert nu met geduld naar het verhaal van den schoonvader, hoe deze namelijk indertijd met een zeer indringend kameraad van ’t “zesde” had gehandeld. Helmond, echter al spoedig bemerkend dat hij reeds volkomen op de hoogte der geschiedenis is, kan intusschen zoo van terzijde gedurig eens naar Eva luisteren, om haar blijde instemming te vernemen met alles wat mama vooral in deze zaal te roemen en te bewonderen vindt.

“Zoodat ik maar zeggen wil Helmond,” vervolgt de kapitein: “dat ik nooit op menschen gesteld ben, die je hun vriendschap zoo opdringen, en voor niemendal alles voor je doen willen. Er wordt zoo weinig voor niemendal gedaan in de wereld!”

“Je moet van middag maar niet te veel van papa verwachten Eva; papa heeft de bokkepruik opgezet. Heb je niet Armelo? Och [211]manlief, ze staat je zoo leelijk. Jij kunt niemendal goeds van den majoor hooren omdat ie majoor is, dáár zit ’em de knoop.—Wat zeg jij kind?”

“Kom papa, zet uw grieven nu maar aan kant. We vinden menheer Kartenglimp geen van allen een modelman, maar, zooals Helmond al zei: wat ie voor ons doet dat is wel zeer beleefd, en ik verzoek u dus tegen mijn gast heel vriendelijk te zijn papa’tje. Mij dunkt, u zult toch ook naar zijn verslag verlangen.”

“Ja Armelo, dat dunkt me; tenminste....”

Armelo—’t is aan zijn gelaat te zien—zet er zich overheen:

“Verlangen? Nee Marie, nee! Of je me nu aankijkt of niet, ik zeg je nee; ik verlang er niets naar; ik heb er geen oogenblik—nee tenminste geen minuut naar verlangd. Ik zei van den beginne afaan dat het gekheid, groote gekheid was.”

“Dat heb je niet Armelo lief; je hebt er wel degelijk in gegroeid: je hebt in je handen gewreven. Niewaar Eva? Ik zie het nóg.”

“Ja, u hadt er wel mee op papa. Misschien niet dadelijk, maar toen u begreept....”

“Ik zeg je nee! Ik heb gelachen.”

“Ja juist Armelo-lief, dat was het bewijs: je hebt gelachen.”

“Maar duizend bommen en kanonnen, is lachen dan niet een bewijs...”

“Zeker pa, dat je ergens plezier in hebt.”

“Of Eva, dat je iets belachelijk vindt. Zieje, en ik lach inderdaad om dat malle idee van dien adel. Heb ik het dan niet aanstonds gezegd: al ware het zoo, wát zou ik met zoo’n titel doen; ik die met Gods hulp nog werk heb om rond te komen.”

“Chut, chut beste, je schreeuwt dat men ’t buiten wel hooren kan.”

“Dat komt omdat jij me zoo dikwijls overschreeuwt! Maar zieje, als men er mij naar vraagt dan wil ik het zeggen: In den verstandigen tijd dan eten we gewoonlijk moespot met een stukje vleesch of spek—of zonder als ’t wezen moet; afgemarcheerd! We houden onze kleeren tot ze ’t verstellen niet meer waard zijn, en....”

“Maar Armelo, ik ken je niet meer! Man, je vergooit je....”

“Dan gaan we in ’s-hemelsnaam allebei tegelijk!—De schoenen”—en Armelo laat, doch niet zonder zekere zelfoverwinning zijn linkervoet zien—“we dragen ze totdat ze versleten zijn.”

“Maar dat is ’en schande!” roept mevrouw. En Eva het hoofd met zekeren weerzin afwendend, zegt zacht in zich zelve: “C’est un peu trop fort!”

“U wilt maar zeggen papa, dat zulk een titel minder bij uw tegenwoordige positie past,” meent Helmond.

“Dát wil ik maar zeggen: dat, heel eenvoudig: en hoe belachelijk ik het denkbeeld vind: dat ik een graaf zou wezen, en mama, de dochter van een bakker, gravin! ’t Is onzinnig!”

“Maar Heer in den hemel!” roept mevrouw met trillend hoofdgebaar: “Een bakkersdochter! Alsof bijvoorbeeld alle adellijke families Bakker geen bakkers, of weet ik het wát anders geweest zijn! Ga jij je gang maar Hanoversche boerenzeun.... ga jij....” [212]

“Mama ik bid je,” valt Eva in met hooggekleurden blos, nadat ze een snellen blik op haar man heeft geworpen: “u moet je niet zenuwachtig maken. We weten heel goed dat, onder andere, de eigen broer van úw mama luitenant ter zee is geweest.”

“Ja, ja juist!” stemt mevrouw: “dáár denkt men niet aan.”

“Wat geeft dat!” zegt Armelo: “Ik, Harmen Pieter Armelo, ik ben van boerenzoon wel kapitein geworden; maar wou je daarom nog een graaf van me maken? Ik zeg je ’t is onzinnig!”

“Papa, dát is het niet,” zegt Eva eenigszins driftig, ofschoon op een gansch anderen, oneindig gekuischter toon dan hare moeder: “’t wordt dunkt mij onverstandig om over de onmogelijkheid en de onzinnigheid van iets te spreken, dat men niet onderzocht heeft en waarvan de mogelijkheid door anderen in ’t geheel niet zoo sterk wordt betwijfeld.”

—Aha, het kind leest hem de les! Moeders partij wordt krachtig versterkt! Och ’t zal nu maar beter zijn verder te zwijgen. Er zijn vrouwen die altijd altijd gelijk hebben; volkomen! al ziet men ook klaar dat ze een kanon voor een trekpot houden. Zwijgen is dikwijls verstandiger. Maar een enkele maal moet het pak eens van ’t hart.—Helmond heeft nu tenminste gehoord hoe de oude man erover denkt. En, al zal hij dan nooit in der eeuwigheid zulk een gekheid goedkeuren, nú wil hij zwijgen.—Als het kind gaat meedoen..... en vergeet....—Enfin, hij zal weer zwijgen, en luisteren. Welzeker!

“Drievierden van ’t gezelschap papa, beschouwen als zeer wel mogelijk, ’t geen ú zoo heelemaal verwerpt. Mama, Helmond en ik.”—Mama geeft teekenen van goedkeuring; Helmond tuurt op het gloeiende kooltje van zijn sigaar onder de grauwe asch, en Armelo luistert:

“Wij met ons drieën verlangen te weten wát mijnheer Kartenglimp ons zal meedeelen;” vervolgt Eva: “Na gehoord te hebben papa, kunnen we oordeelen of de zaak mogelijk is. Als er werkelijk stukken zijn die duidelijk aantoonen dat wij afstammen van de oude graven Van Armeloo, en ons goed recht op dien titel alzoo te bewijzen is, dan zal ieder verstandig mensch toestemmen....”

“Welzeker!” komt mevrouw tusschenbeiden.

“Toestemmen dat men zoo iets niet mag prijsgeven; dan zal men....”

“Ja maar Eva,” valt Helmond in: “papa oppert alleen het groote bezwaar dat men als graaf, heel anders dan als eenvoudig gepensioneerd kapitein voor den dag dient te komen. Papa begrijpt.....”

“Papa begrijpt de zaak geheel en al verkeerd, evenals jij lieve man.....”

Mevrouw Armelo bijt, hoofdknikkend, op den nagel van haar duim.

“Ronduit gezegd, hij voelt niet dat een graaf, die bijvoorbeeld niets meer dan roggebrood heeft, toch inderdaad een heel ander mensch is dan een burgerman in dezelfde omstandigheid. Met honderd voorbeelden zou ik dat kunnen bewijzen.”

“O, desnoods met duizend;” stemt mevrouw. [213]

“Om iemand te noemen,” hervat Eva: “was Karel V geen keizer meer toen hij in zijn klooster horloges maakte?”

“Me dunkt ’t,” zegt mevrouw, ofschoon ze inderdaad dien vijfden Karel niet zoo spoedig te plaatsen weet.

“Daar heb je Napoleon,” vervolgt Eva met vuur: “was die op St.-Helena de groote keizer niet meer? Was Marie Antoinette zelfs onder beulshanden niet koningin? Waren.....”

“Eva, je moet je niet zoo opwinden,” zegt Helmond met een vriendelijk dreigen: “we begrijpen wat je bedoelt, maar waarlijk je slaat met die voorbeelden mis. In ’t klooster was Karel zoomin werkelijk keizer als Napoleon het was op St.-Helena, of de ongelukkige Marie Antoinette koningin op het bloedig schavot.”

“Maar Helmond, begrijp jij, jij dan ook niet dat waarachtige, dat hoogere van den adelstand? dat het iets aangeborens is, iets....”

“Onafneembaars,” vervolgt mevrouw Armelo: “iets wat er nooit uitgaat, wat er altijd in blijft, totdat.....”

“Totdat het verzuurt misschien!” mompelt de kapitein onhoorbaar.

“Ik begrijp wat u zeggen wilt mama,” valt Helmond haastig in: “maar dan zouden we bijna evengoed kunnen stellen dat Sixtus V, als paus, eigenlijk nog veehoeder, of Benedictus XII in die hooge waardigheid nog molenaar was.”

“Je bent onaardig Helmond, heel onaardig, en dat in presentie van mijn ouders!”

Ik ben ’t niet Eva. Misschien begrijp je ’t verkeerd; ik sta tusschen de partijen in. Met mama en met jou ben ik het eens, dat Kartenglimp eerst moet gehoord worden. Zoodra het waar blijkt te zijn wat hij als zeker stelt—’t geen ik betwijfel—dán kunnen we nog nader beoordeelen of niet inderdaad de inzichten van papa de beste zijn, en.....”

“Dáár moet het heen, welzeker!” roept Eva, terwijl tranen van spijt haar in de oogen springen: “’t Mankeert er maar aan August, dat jij papa gaat stijven in zijn.... ja al heel weinig militaire opvatting; in een bekrompenheid waaraan ik geen naam weet te geven. Diezelfde bekrompenheid.....”

—Zwijg Armelo, zwijg, vermaant de ex-kapitein zich zelven in stilte: je hebt straks genoeg gezegd. Als jij spreekt dan zal ’t vuur van een anderen kant nog feller gaan opvlammen.—Goed zoo kind! denkt hij terwijl Eva verder spreekt: ga jij zoo maar voort. Ik ben niets meer dan je vader; och nee, een door eigen schuld vernederd en bekrompen vader. Goed zoo, diezelfde bekrompenheid zal papa doen voorbijzien wat hij aan zijn kinderen is verschuldigd, en dat hij als man, als hoofd van zijn geslacht, verplicht is om zijn recht in de wereld—ha, zijn recht!—’t koste wat het wil, te hernemen.

“’t Is als de dag!” zegt mevrouw.

“En,” gaat Eva voort: “dat het aan een dochter, die tenminste een aristocratisch hart bezit, dat het aan háár als ’t ware een roof zou wezen.....”—Goed zoo kind.... een vader die je besteelt!

“Ik zeg August een roof, als hij niet deed wat zijn plicht is [214]in ’t belang van de zijnen. Men verzaakt niet altijd zijn plicht....”

—O God, dat is te veel! dát van haar, van Eva zijn kind! Maar blijf zwijgen Armelo, zwijgen; toon om Gods wil niet dat je zoo iets begrijpt. Ze heeft het zóó niet bedoeld. Neen, je kind, je oudste, heeft dát niet willen zeggen. Zwijg! aan ’t beven van je stem zouden ze ’t merken.... Raap dat pluisje van den grond, want..... aan je oogen kunnen ze zien dat er iets naar boven dringt.—Zeker, als hij nu sprak hij zou zich niet goedhouden, hij zou ’t uitbarsten misschien. O God! zulk een verwijt van háár!... Stil—stil!—Goddank! daar wordt gescheld. Dat geeft afleiding. Goddank!

“Nee, niemendal, Helmond;” zegt Armelo nog met het hoofd naar omlaag: “Ik dacht dat ik daar iets op ’t tapijt zag liggen.... dáár.... maar ’t is niets.... O zoo, is de majoor er. Ei zoo!”

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dank zij Helmonds bijzonderen tact, heeft Kartenglimp bij zijn binnentreden niets bemerkt van de bewogen stemming, waarin het gezelschap verkeerde.

Maar ook Eva zelve, ofschoon door papa’s tegenstreven ten zeerste ontstemd, zij heeft zich spoedig weten te herstellen. Een man aan wien men verplichting had—zie, dat moest men begrijpen—zulk een man diende men met eenige onderscheiding te ontvangen, en ’t zou al zeer burgerlijk en onhoffelijk zijn, indien men zulks, door een onderlinge verdeeldheid, kon verzuimen.

Eerlijk moet Eva zeggen dat die majoor Kartenglimp nooit haar charme zal worden. Er is iets in zijn gelaat ’twelk haar niet bevalt; zijn manier van spreken heeft bovendien zeer dikwijls een zekere gemeenzaamheid die geen plezier doet, en waardoor men wel haast gedwongen wordt om zekere geruchten niet zoo onvoorwaardelijk met den naam van laster te brandmerken. Maar toch, bij een nadere kennismaking—en Eva heeft hem nu immers reeds eenige malen, ook bij den notaris ontmoet—mag zij zeggen, dat ze het zeer onverstandig zou noemen om iemand als den majoor, alleen op ’t uiterlijk of op geruchten te veroordeelen, zonder hem meer van nabij te kennen. Wanneer men over dat zekere Oostersche in den man wat heen was, dan zag men tenminste dat hij een fameus goed hart bezat. En bovendien, hij heeft iets breeds. Niemand bijvoorbeeld heeft zoo goed als hij begrepen, dat August wel heel onverstandig zou hebben gehandeld, indien hij de eenige gelegenheid om dit huis te koopen had laten voorbijgaan; niemand als hij begrijpt zoo geheel en al, dat men in de wereld moet zijn wie men is, en dat men.... [215]

“O nee volstrekt niet majoor; nee, ik heb wel altijd zeer veel aan de muziek gedaan, maar niet om er ooit....”

“Dat begrijp ik mevrouw: u hebt de Kunst liefgehad om de Kunst, maar ’t is natuurlijk nooit bij u kunnen opkomen om er een armzalige broodwinning van te maken. Uw familie zou zóó iets....”

“Dat was toch primitief wel degelijk ’t plan menheer;” zegt Armelo, die sedert Kartenglimps komst nog bijna geen woord heeft gesproken.

“Mijn vrouwtje beklaagt zich haar studies niet;” valt Helmond in, terwijl hij Eva met een blik beschouwt waarin een zacht verwijt stond te lezen: “Maar, of haar ouders al bedoelingen hebben gehad, toen ze zeer verstandig voor de ontwikkeling van dien prachtigen aanleg zorgden, ik geloof ook dat zij zelve alle recht had om te gelooven, dat haar kunst wel gauw brutale kapers aan boord zou krijgen.”

“Wat papa bedoeld heeft August, dat weet ik niet, maar dit weet ik wel, dat ik nooit heb begrepen dat men in ernst het plan had om mij zoo te vernederen: Een muziekjuffrouw!—Of bestond het voornemen misschien om mij tot een théâtre-chanteuse, een tooneelprinses te promoveeren? ’t Is allerliefst, allerliefst!”—Fier: “Nee! dat is papa’s bedoeling nooit geweest.”

“Maar mijn hemel Eva!” zegt Armelo: “omdat je zoo’n mooie stem hadt.... omdat.... Weet je dat niet meer?”

“Nee papa, dát weet ik zeker niet meer. Ik geloof dat u je vergist; zulk een eer zoudt ú als oud-officier voor uw kind niet hebben begeerd, dát weet ik papa. U zult mij met iemand anders verwarren, ’t Is onaangenaam. U meent het goed, maar.... zóó.... Wat moet men van mij denken!”

—Wat moet men van haar denken! Ja, waarachtig, wat, wát moet men van haar denken!—Zwijg Armelo, zwijg nu vooral: die vreemde is er bij. Wat zou hij dan wel van haar moeten denken indien hij wist dat ze de waarheid bedekt.... neen, dat ze—ofschoon misschien voor ’t allereerst—dat ze nu.... liegt, dat ze haar ouden vader tot een suffer, of, tot een leugenaar maakt.—Stil ouwe kameraad.... daar ligt weer iets onder de tafel. Stil! “Nee niemendal Helmond, dankje.... ik dacht dat daar tóch iets lag, maar ’t is niets, niemendal.”

Aangezien Helmond dezen avond, zooals bekend is, nog een zieke buiten de stad te bezoeken heeft, en daarom op wat spoed moet aandringen, zoo geeft de majoor gaarne aan de uitnoodiging gehoor om het resultaat van zijn onderzoek aan de familie te gaan meedeelen. De papieren, die Kartenglimp nu te voorschijn haalt, legt hij met een bijzondere zorg voor zich op de tafel. Hij schijnt heel wat correspondentie over die zaak te hebben gevoerd, en ’t moet moeielijk zijn om alles goed uit elkaar te houden.

Eva voelt haar hart kloppen nu de majoor nog eens een papier inziet alvorens te beginnen. Maar hoor, ’t was alsof haar een pak van dat hart viel:

“Mijnheer Van Armeloo, nu wij tot de belangrijke zaak komen, die [216]u mij hebt willen opdragen, nu acht ik mij gelukkig u voorloopig met een gunstigen uitslag te mogen feliciteeren.”

Eva zag terzij, en stond op; en, om haar opstaan te rechtvaardigen, gaat ze naar de schel waaraan ze trekt, maar bespeurt niet dat Kartenglimp nu juist in den grooten spiegel, die schuin tegenover hem hangt, haar schoon gelaat waarop een blijde ontroering te lezen stond, genieten kan.

Armelo maakt een beweging alsof hij iets zeggen wil; immers, hij heeft dien majoor volstrekt niets opgedragen, niets! maar moeder Armelo geeft haar echtgenoot een zoo beheerschenden wenk, dat de majoor ongestoord kan vervolgen:

“U weet kapitein, dat uw naam mij van den beginne af aan zeer bekend voorkwam. Ziehier de reden: In mijn jonge jaren logeerde ik veel te Waechtel in Noord-Brabant. De pastoor van het dorp kwam somtijds bij mijn familie aan huis, en van hem vernam ik—zonder er destijds eenige waarde aan te hechten—dat de goederen zijner parochie voor ’t grootste deel het geschenk waren van een zekeren graaf Arend Van Armeloo, wiens echtgenoot de erfgename der heeren van Waechtel geweest was. In de eerste plaats kan ik hier het stuk overleggen van den tegenwoordigen pastoor van Waechtel aan wien ik heb geschreven. Wees zoo goed dit even in te zien kapitein..... alsjeblieft.....”

“Ja..... maar mijn oogen..... Ik heb.....”

Mevrouw Armelo heeft nu haastig het papier gegrepen, doch Helmond, vreezend dat zijn schoonmoeder bij ’t mogelijk voorlezen ervan, over ’t een of ander woord zal struikelen, neemt het snel van haar over, alsof hij meende dat mama het hem heeft willen toereiken.

De deur wordt geopend, en Bus in zijn huisknechtelijk jasje, vraagt bij ’t binnentreden:

“Wat blieft oe mevrouw?”

“Zul je straks wijn brengen Herman?”

“Da’s goed; woar mo’k ze kriegen?” vraagt Bus geheimzinnig.

Eva had den domoor wel willen schudden.—Dát kwam ervan! Is die oude apotheeklooper dan ook een persoon om meteen voor huisknecht te dienen? ’t Was om dol te worden. Enfin, August heeft het nu zelf kunnen hooren!

“Ik heb aan Antje m’n bevelen gegeven Herman. Ik dacht dat je ’t wist. Ga, vraag ’t haar.”

“Joa moar mevrouw, as Antje altied van “kalfsoog” en “pillenposteljon” begint dan....”

“Bus, je vraagt aan Antje ’tgeen mevrouw je gelast;” zegt Helmond, en geeft den man een gebiedenden wenk; en als de huisknecht met een: “Asjeblief dokter” vertrekt, dan haast zich Helmond om door ’t voorlezen van den brief die onaangename stoornis te bedekken en Eva’s voorhoofd weer effen te strijken. Hij leest:

“Hoogedelgestrenge Heer!

“Op uw verzoek meld ik u, dat de goederen onzer parochie [217]Waechtel cum annexis, inderdaad voor het grootste deel bestaan uit een donatie van wijlen den grave Arend Van Armeloo, ter eere geschonken en gelegateerd aan onze Lieve Vrouwe en Heilige Moeder de Kerk, zijnde dit geschied, zooals uit het charter blijkt, “ad pias causus, met vollen consent van zijnen veelbeminden soon Herbert van Armeloo, in den jare onzes Heeren vijftienhonderd en tien, bij zijn vollen kennis en verstande op het grafelijk slot Waechtel.”

Met dezen aan uw wensch voldaan hebbende teeken ik mij,

Hoogedelgestrenge Heer!

“Uw Dienstw. Dienaar

J. Mans,

“Pastoor te Waechtel c. a,”

Waechtel..... 18.

’t Klonk Eva—die voor ’t oogenblik den huisknecht geheel vergeten was—als muziek in de ooren, toen Helmond, nog eens het adres van den brief beschouwend, met overtuiging zeide:

“Die brief is al dadelijk een bewijs voor uw goed geheugen, majoor!”

“Mijn geheugen bedriegt mij niet gemakkelijk dokter. Ik ga verder: Een tweede brief van pastoor Mans gaf mij zekerheid dat het wapen der graven Van Armeloo de treffendste overeenkomst heeft met dat van ú kapitein. Het uwe is goud met een blauwen dwarsbalk; dat der graven Van Armeloo was mede goud, maar de blauwe dwarsbalk is beladen met drie gouden sterren. Wacht—of nee, de brief bevat niets bijzonders; maar ziehier de afbeelding die ik voor mijn eigen genoegen van de beide wapens gemaakt heb.”

“’t Is al te vriendelijk;” zegt mevrouw Armelo.

Eva’s oogen glinsteren sterker dan de gouden sterretjes in den blauwen balk terwijl ze de teekening beziet.

“Maar ik heb u vroeger al eens gezegd majoor, dat ik dat wapen zelf heb laten maken. We deden het vroeger met ’en grosken, een duit of ’en cent, maar toen ik de epaulet kreeg toen meende m’n vrouw.....”

“Mijn beste kapitein, ik weet het, ik weet het, maar juist dat uw wapensnijder u dit wapen heeft gemaakt, het bewijst zijn bekendheid met uw geslacht.”

“God! dat is nu zoo duidelijk als tweemaal twee!” zegt mevrouw terwijl ze Eva aanziet; en dan tot haar man: “Armelo-lief, je moest den majoor, die zooveel moeite voor ons doet—jawel majoor ook met dat schilderij van de wapens, jawel—je moest hem nu laten uitspreken.”

“Ja maar, ik zeg ...” [218]

Kartenglimp maakt een gebaar met de hand, waarmee hij uitdrukt dat zulk een oppositie hem onaangenaam is, en voegt er bij: “Wil de kapitein liever dat zijn hooge titel niet te bewijzen zal zijn.... ik heb er vrede mee. ’t Is dan alleen jammer dat men ’t mij niet eerder heeft gezegd.

De beide dames verzekeren den majoor dat men vol belangstelling luistert. De majoor zal—volgens Armelo’s echtgenoot—begrijpen dat de tegenspraak van Armelo alleen voortspruit uit.... uit.... dat ongewone; als men nu “dagelijks graaf was geweest”, niewaar....? En uit verkoudheid; Armelo had van morgen schrikgelijk geniesd; en.... en.... ’t een bij ’t ander: “Jawel Armelolief, en een geest van tegenspraak, dat is.... dat is.... Laat den majoor, ik bid je, nu voortgaan.”

Kartenglimp ziet een papier in, en voelt terzelfder tijd dat de beeldschoone doktersvrouw haar oogen met al den “gloed der belangstelling” op hem gevestigd houdt. Hij moet dien zoeten triumf toch even genieten:

“Als er belangstelling is dames.... met veel genoegen.—’t Spreekt dan vanzelf dat ik verder ’t allereerst mijn werk ervan maakte om te vernemen of er in ons vaderland nog andere afstammelingen van dien Arend of zijn zoon Herbert te vinden waren; doch nergens is daar eenig spoor van te ontdekken. In ’t archief van de oude leenkamers, vond een mijner vrienden wel het geslacht Van Armeloo vermeld, doch van veel vroeger en zonder dat het van eenig belang voor onze zaak was. Ik meende nu aanstonds mijn verdere stappen in uw geboorteland te moeten beginnen kapitein. U werdt in November 1807 te Birchheim in Hanover geboren niewaar?”

“Watblief....?”

“Ja majoor, juist,” zegt Eva snel, en wisselt dan een blik met haar moeder, die Kartenglimp niet ontgaat en waardoor hij opnieuw in de overtuiging wordt versterkt dat mijnheer de graaf van Armeloo ook bij die mooie dochter een nul in ’t cijfer is. Best! als hij ’t maar weet!

“Zoon van Peter Harmen niewaar?” vervolgt Kartenglimp; “welgesteld landbouwer aldaar.”

“Welgesteld!” herneemt Armelo: “ik moet je zeggen....”

“Ja maar papa,” valt Helmond in: “Eva heeft nu gelijk: wanneer de majoor zoo telkens door u in de rede wordt gevallen dan....”

“Dan is het letterlijk om gek, om tureluursch te worden:” stemt de gravin.

“Hier dokter,” herneemt Kartenglimp die—zooals Eva opmerkt—zeer bescheiden doet alsof hij van dat intermezzo niets gehoord heeft: “hier dokter, heb ik een heele correspondentie met de burgemeesters van Birchheim, Puttenburg, enz. enz.; met heeren Archivaren und Geheim-ober-land-und-volk-statistik-inspectors, of hoe ze heeten; met heeren Pastors oder Predigers en het lest wel ’t best, met een persoon, waaraan ik zeer toevallig ben gekomen, een allerschranderst actief mensch, van wien ik u later spreek. ’t Grootste deel, ja bijna die geheele correspondentie kan ik u sparen. Ze zou [219]u niet veel meer doen zien dan wát er alzoo is gedaan dokter, om den overgrootvader, ik zeg den overgrootvader van mijnheer uw schoonvader op ’t spoor te komen.”

“En is hij gevonden majoor?” zegt Helmond, nu Kartenglimp een oogenblik zwijgt.

—Hoor, hoor! August vraagt dat met wezenlijke belangstelling, meent Eva, en ze voegt er bij: “Ja niewaar, hij was er majoor?”

“Maar kind, welzeker!” bevestigt mevrouw: “de eene vader heeft natuurlijk altijd weer een anderen vader gehad, dat spreekt!”

“Hier heb ik, om kort te gaan, een brief,” hervat Kartenglimp, terwijl hij met een uitdrukking van groot gewicht het papier toont: “een stuk dat voor het geslacht der Van Armeloo’s evenveel waard is als het gevoel van eer voor den soldaat. Deze brief dokter,”—de majoor scheen het woord niet meer tot den kapitein te richten; “deze brief van den heer Dr. Heinrich Stangbetter, evangelisch Pastor of Prediger te Mariënthalen in Oldenburg, ofschoon hij in bijna onleesbaar Duitsch is geschreven—zie maar dames—hij gaf mij de zekerheid van het hoogstbelangrijke feit dat van 1707 tot 1752 twee heeren Armelo, Walter en Peter, vermoedelijk vader en zoon, na elkander evangelisch predikant in die plaats zijn geweest, terwijl te Mariënthalen in gemeente- en kerk-archieven de overvloedigste bewijzen daarvan voorhanden zijn.”’

De linksche wijze, waarop de lange drankjesrondbrenger Bus inmiddels het theeblad heeft weggenomen en den wijn op de tafel gezet, kon Eva nu voor ’t oogenblik niet uit den zaligen hemel stooten waarin ze zich bevond, ’t Hinderde haar alleen dat papa zoo akelig onverschillig en strak zat te kijken; en ook—ja, dat Kartenglimp hem nu zoo in ’t geheel niet meer aansprak.

“Papa!”

“Watblief?”

“Meen je om in te schenken, vrouwtje?” zegt Helmond: “Ja, de majoor mag wel eens drinken.”

“Ah! merci!” zegt Kartenglimp, en proeft den heerlijken Cantemerle, en herneemt terwijl hij ter halverwege opstaande met het glas salueert: “Ik drink even het welzijn van dezen huize: Mevrouw Helmond! dokter! mevrouw Van Armeloo....”

“Papa, de majoor wou.... Papa dan!” roept Eva.

“Hemel Armelo-lief! zie je dat glas niet!”

“O jawel; jawel.... Wát was de....?”

“Derangeer je niet kapitein. Ik dronk het welzijn van mevrouw je dochter, en van mijn vriend Helmond in hun nieuwe woning.”—Den ontevreden blik van Eva bemerkend: “’t Is niets mevrouw; papa heeft zeker zinkings die hem wat hinderen in ’t hooren.”

Armelo zet er zich weer overheen, en ja, hij verstout zich:

“Ik drink graag het welzijn van mijn kinderen majoor, maar.... ik weet niet of deze conferentie en uw bemoeiingen wel inderdaad zoo bijzonder in ’t belang van hun en ons geluk zijn.”

De majoor is doodsbleek geworden, maar schijnt toch zijn kalmte te bewaren. [220]

“Hemel papa!” zegt Eva.

“Man ben je.... om Godswil, ben je stapel geworden!” roept mevrouw.

Ja, ook Helmond moest in stilte bekennen dat het wat erg liep. Ofschoon zulk een bemoeiing in zake van afkomst, het stokpaardje van dien majoor bleek te zijn; hoewel hij volstrekt niets te verzuimen had en hij zich voor deze bereddering letterlijk heeft opgedrongen, men moest toch erkennen dat niemand hem bepaald weerhouden heeft, en zelfs dat mama en Eva door haar openlijk betoon van ingenomenheid, hem zeker tot handelen hebben aangevuurd. En nu, terwijl men hem dan een tijd lang rustig liet begaan; nu men bijeen is gekomen om zijn verslag te hooren—ofschoon Helmond zelf het wel graag had ontweken—nu de majoor werkelijk reden meent te hebben om papa te kunnen feliciteeren; zie, nu zet die oude heer zich eensklaps zoo schrikkelijk stijf in den zadel. Indien het onmogelijk was, à la bonne heure, maar onmogelijk was het niet; en ofschoon papa er dan zelf—althans van middag—schrikkelijk tegen was, vergeten mocht hij niet dat Eva er geheel anders over denkt. Hij, Helmond, o nee, hij hecht er niets aan, zoo goed als niets; maar als het dan waar is, wat Debecque heeft gezegd, dat namelijk zulke titels zeer gemakkelijk kunnen overgaan, en hier dus zeker vooral, van schoonvader op schoonzoon—natuurlijk in ’t belang van kinderen en kleinkinderen,—ja! dan was het inderdaad zeer onbeleefd om een man, die zich zooveel moeite getroostte, en nog wel op het oogenblik dat hij aan Eva een soort van toost bracht, zoo onheusch te behandelen.

“Papa, we mogen dunkt me niet vergeten dat de majoor zich te veel moeite voor ons gaf, om er tot dank een onvriendelijk woord voor te ontvangen.—Wij die u kennen, weten wel dat het uw bedoeling niet was om den majoor iets onaangenaams te zeggen.” Met nadruk, ofschoon steeds op gepasten toon: “De majoor wil met u klinken papa!”

Na een korte aarzeling heeft Armelo met eenige trilling zijn glas genomen, en stoot het weifelend tegen dat van Kartenglimp, doch, met een wrevelig gebaar en zonder te drinken zet hij het daarna op de tafel.

Kartenglimp bespeurt een “algemeene verontwaardiging,” waarvan mevrouw Armelo inderdaad al aanstonds de tolk wordt. Er komt iets in zijn blik, ’twelk hij met moeite zou kunnen verbergen, doch ’tgeen hij nú, bij die “algemeene verontwaardiging” te verbergen onnoodig acht.

“Ik geloof mevrouw,” zegt hij snel tot Eva: “dat papa zijn diensttijd wat te zeer vergeten is. Wanneer hij uw wellevendheid en uw beschaving bezat....”—Kartenglimp ziet Eva—ongetwijfeld door zijn woorden gestreeld—de oogen neerslaan en blozen, en vervolgt: “dan zou hij zich wat beter herinneren dat de man, die ertoe meewerkt om hem van eenvoudig gepensioneerd kapitein tot den gravenstand te brengen—’tgeen zonder mijne relaties zeker nooit gelukken zou—dat die man tot nu toe in rang nog altijd zijn [221]meerdere is. Je moest een voorbeeld aan je vrouw en dochter nemen kapitein, en wat meer eergevoel toonen.”

Mevrouw Armelo geeft, sterk knikkende, bewijzen van toestemming.—Eva is vuurrood geworden.—Helmond ziet links en rechts.... naar Eva, naar papa, naar Kartenglimp, en zijn gansche houding teekent onrust. Opgestaan gaat hij naar de deur, vreezend dat iemand onverhoeds in deze oogenblikken zal binnenkomen, terwijl Kartenglimp nog voortgaat met inzonderheid Eva te verheffen tot een model, waaraan de vader zich wel spiegelen mocht.

En, een zwaren strijd heeft Helmond te strijden. Op dien toon kan het niet verder! Hij ziet den armen schoonvader daar zwijgend en met pijnlijk saamgeperste lippen neerzitten.—Ja, zijn vijandige houding tegenover den majoor was zonderling en ongewettigd; maar op deze wijze! Zal die vreemde, den oud-kapitein hier, onder Helmonds dak, dan zóó de les mogen lezen; zal hij Eva zóó op een dwaalspoor mogen brengen, en haar doen vergeten dat zij ten koste van haar vader verheven wordt? Helmond wil spreken, hij zal, hij moet!—Maar, als hij dien man—nu zichtbaar verstoord—door een terechtwijzing tegen zich in ’t harnas jaagt....? Vernam hij dan niet in vertrouwen dat juist die majoor een der personen is door wien de notaris hem ’t geld kon bezorgen? En heeft hij niet zooeven gehoord dat het zonder de hulp van dien man zeker nooit zal gelukken om een titel te bekomen, waaraan Eva hangt met al de kinderlijkheid van haar hart? Waagt hij dan niet, door zijn terechtwijzend woord, dien man nog meer te ontstemmen, en Eva een teleurstelling te berokkenen, die dan ook wel mogelijk een bron van kwelling voor hem worden kon?—Maar hoor!

“Ik bedrieg mij niet kapitein, uw vrouw en dochter, en ook uw zoon, ze schamen zich over je kleingeestigheid. Ze gevoelen....”

Armelo hoort niet meer wat zijn vrouw en kinderen gevoelen. Hij, hij zelf voelt het oude militaire hart weer krachtig wakker worden in de borst.—Wat vermeet zich die gepommadeerde opsnijer, de brutale klant met zijn vreemde tronie, de indringer van wien “God noch goed mensch” de origine en geschiedenis kent; de man, die zich opwerpt om een titel aan ’t licht te brengen—wie weet met welke bedoeling—een titel die tóch niet bestaat. Wat waagt hij het—duizend bommen en kanonnen! om op zijn kwajongensjaren met een in Indië verworven rang, een oud-kapitein van het Neerlandsche leger te insulteeren! Wat duizend donders! waagt hij het om vis-à-vis vrouw en kinderen zulk een toon te voeren; zijn dikwijls weerspannige, hooghartige vrouw nog meer tegen hem op te zetten, en zijn kind, zijn Eva, van hem te vervreemden geheel en al!?—Op, ouwe kameraad! knip dat brutale onridderlijke poespas onder z’n neus! Duizend donders! toon nu.... Nee, chut Armelo, stil! bedaar!.... ’t Is hier de plaats niet. Zal de arme kapitein dan aanstonds in de rijke woning van zijn schoonzoon schandaal gaan maken en haar tot een kroeg verlagen? Nee, stil; stil nu Armelo; weerhoud je. Als je spreekt en loskomt dan raak je slaags in ’t volle vuur. Zwijg dus! [222]Morgen in de sociëteit, dan kun je hem vinden. Een knip onder den neus zul je hem geven; ha! dáár, een knip onder den neus; Ga nu maar voort sinjeur; wel ja, doe mijn eigen vrouw maar altijd toestemmend knikken en triumf op mijn “kleingeestigheid” vieren. Laat dat kind zich maar schamen voor een vader, die.... o God!.... Neen zwijg Armelo, zwijg tot morgen! Laat hem zijn gang gaan. Stil!

“Ik denk dames,” vervolgt Kartenglimp met een naren lach, “dat de kapitein dat glas niet wil drinken, omdat hij misschien tegenwoordig tot het korps der afschaffers behoort,—hahihaha! hahihaha!”

—Maar God, wat is dat?—Hoor, wat snerpt daar als een gil door de ruime Oranje-zaal? Wat vliegt daar op en scheurt dien valschen lach vaneen?

Ze hebben het niet gehoord hoe het in de laatste minuten, mede bonsde in Eva’s borst. Haar blozen en verbleeken; het neerslaan dier oogen; haar zwijgen, neen, ze hebben het niet beschouwd als den strijd van haar dwazen wensch met haar waarachtig liefhebbend kinderhart.—God! had zij dan straks zoo iets uitgelokt? Maar zóó heeft ze het niet bedoeld!

Zwijg! dat is laag en gemeen!” heeft Eva eensklaps met de grootste overspanning geroepen, terwijl ze zich ten deele van haar zitplaats verhief: “Zwijg man, en lach zoo akelig niet..... Dat is mijn vader weetje, mijn goede lieve brave vader! Wie riep je hier, om dien ouden man te beleedigen, zeg? in mijn huis....?

“Eva, Eva!” zegt Helmond: “In ’s-hemelsnaam!”

“Wát Helmond! wil jij me terughouden? Al heb ik straks ook den schijn gegeven van meer aan een titel dan aan mijn lieven vader te hechten, die schijn mag niet blijven! Zou jij dat willen!?”—Geheel opstaande en fier tot Kartenglimp:—“Je lacht al niet meer, goed! Vraag nu mijn vader excuus voor de verregaande beleediging die je hem, vooral met dat laatste woord, hebt aangedaan.—Ik zeg: vraag excuus!”

Kartenglimp zoo wit als een lijk geworden, schijnt nochtans zijn kalmte niet te verliezen.

“Een beleediging mevrouw? Heb ik met dat laatste woord een beleediging gezegd? Ik wist niet....”

—O God, heeft ze dan haar zinnen verloren....? Hoor! het was hem onbekend, wat er gebeurd is in vroeger tijd! Heeft ze dan in haar overijling nu zelve dien goeden stillen vader den pijnlijksten stoot gegeven, door vuur te vatten toen men hem een afschaffer noemde? Ze heeft goed willen maken wat ze straks misdeed, neen—haar hart, haar liefdevol kinderhart heeft gesproken; maar helaas, ondoordacht, om hem nu nog dieper te wonden in ’t bijzijn van dien man. O, zij weet niet wat ze nu spreken, waar ze zich bergen zal.

Maar zie.... het hoofd van den vroeg vergrijsden vader, het schudt wel vreemdsoortig, maar toch, ja, in die altijd zoo goedige oogen ziet ze tranen glimmen. Tranen!—En met die oogen vol tranen ziet hij haar aan.—Lachen ze haar toe door die tranen heen? [223]Wenken ze haar om te komen aan zijn zij; in zijn armen, aan zijn vaderhart?

Ja Eva, dat trillen van het hoofd en dat beven van die lippen, ’t is nu een gevolg van den warmen gloed, die daar eensklaps zijn borst doorstroomde.

O, toen ge daar op dien schrillen gejaagden toon uw: “Zwijg! dat is laag en gemeen”, hebt uitgekreten; toen gij hem uw lieven braven goeden vader hebt genoemd, toen was het hem als zongt gij het schoonste lied uwer kinderjaren; als drukten weer uw rozelippen op ’t teederst zijn pijnlijk gesloten mond.... o God, toen had hij zijn Eva, zijn kind weergevonden, de oudste, de lieveling die hij straks reeds verloren dacht.

Zie, en nu staat ze aan zijn zij, en ze drukt dat grijze goede hoofd vast, heel vast aan haar borst;—zóó, zóó! nog meer op zij, nog vaster, ja, want—die vreemde, zal ze niet zien: de tranen van haar goeden, haar lieven vader!

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Een groot kwartier later was de majoor Kartenglimp vertrokken.

Door zelf zijn kalmte te bewaren, of wel met geweld te hernemen, was Helmond er al spoedig in geslaagd om, althans voor ’t oog, de gemoederen tot bedaren te brengen.

’t Was immers een misverstand, een mal-à-propos. Men heeft het den majoor die zooveel moeite deed, niet durven zeggen, dat papa, bij rijper en rijper indenken, hoe langer hoe meer tegen de zaak is geworden, en niet dan op sterk aandringen van.... de familie, erin heeft toegestemd om dezen namiddag de conferentie bij te wonen. Een lichte ongesteldheid, zooals mama zeer juist gezegd heeft, had hem misschien dezen middag nog bovendien wat zenuwachtig gemaakt, en zoo heeft het den schijn gehad alsof hij zich tegen den majoor en niet, zooals werkelijk het geval is geweest, tegen de zaak bleef kanten.—“Niewaar papa?”

“Jawel, welzeker!” heeft Armelo gezegd. Och hij zou nu wel alles hebben toegestemd; immers, hij had zulk een zalig oogenblik gehad, o zoo onbeschrijfelijk zalig!

En wat Eva’s uitval betrof, de majoor zelf zou dien waardeeren niewaar? Een dochter die gevoelig wordt, zeer gevoelig, wanneer men haar vader.... “U zult bekennen majoor,” heeft Helmond vervolgd: “dat, ofschoon er reden was u eenigszins gekrenkt te gevoelen, dit gevoel zich wat sterk tegenover onzen braven vader heeft lucht gegeven. Ook op mijn schoonmoeder en mij moest uw woord een pijnlijken indruk maken. Maar als een misverstand nu [224]aanleiding gaf.... wanneer ik zelf erken dat wij schuld hadden door u onbekend te laten met de zeer verminderde ingenomenheid van onzen vader met de zaak, dan bedrieg ik mij niet of u zult—niet als bekentenis van ongelijk, maar als de mindere in leeftijd, ofschoon de meerdere in rang, den ouden kameraad—ook ter wille van vrouw en van dochter, wel gaarne de hand reiken.”

En..... Zoo was het geschied.

Maar wat er omging in de harten dat is in die ure onvermeld gebleven.

Nadat Kartenglimp vertrokken was, hebben papa en mama Armelo nog eenige minuten getoefd; maar papa verlangde nu toch zeer naar huis, want de hoofdpijn, die men reeds eenige malen had voorgewend, was werkelijk gekomen. Mama die na Eva’s uitbarsting en wat erop volgde, zeer stil is geworden, heeft toch niet kunnen nalaten om Eva te zeggen, dat ze heel “grootsch” had gehandeld met zóó haars vaders eer op te houden en zijn partij te trekken; en, slechts fluisterend—want in Helmonds oogen vreest ze toch straks wel wat al te onbewimpeld voor haar meening te zijn uitgekomen—slechts fluisterend voegt ze in ’t heengaan er tot Eva bij, dat ze van dien adel nog altijd het beste blijft hopen, ofschoon ze het lijdelijk moesten aanzien hoe de majoor—en zonder dat er over de zaak een woord is gerept—al die papieren en stukken weer stilletjes mee naar huis had gepakt.

En Eva, ’t was háár wel aan te zien dat ze zware hoofdpijn had. Ze sprak na ’t heengaan der ouders bijna geen woord. August vond dat niet vreemd. ’t Was maar beter; en, Eva zou hem groot plezier doen met naar bed te gaan: haar pols ging wat gejaagd, en haar voorhoofd gloeide.

—O, wie durfde nu nog beweren dat zulk een vrouw geen schat was, grooter dan de grootste op aarde?

“Ziezoo lief wijfje, lig nu maar rustig; ’t is mede in ’t belang van ons “geheim” dat je bijna verklapt hadt. Met den gezwinden pas ga ik nu naar mijn zieke; ja; toch te voet. ’t Zal wel donker zijn als ik terugkom, maar als je slaapt dan zijn de uren seconden. Nee, wees gerust, die hoofdpijn van papa zal morgen wel beter zijn. Maar, vrouwtjes, die zulke goede plannen hebben als jij, ze moeten wat oppassen en ook bij haar edelste emoties niet te hartstochtelijk worden. Tot straks mijn lieve beste vrouw!—Watblief? Of dat onderzoek van dien adel, nu papa er zoo schrikkelijk tegen is, toch niet kan plaats hebben?—Welzeker Eva, alles kan; maar ’t beste is nu dat je er niet over denkt. Mij dunkt, dokter Helmonds vrouw heeft dezen avond bewezen dat ze, ook zonder adelbrieven, wel waarachtig van adel is. Dag lieve, slaap zacht!”—Nog een kus op haar lieven mond, en Helmond spoedt zich voort.

’t Begon al te schemeren toen Helmond, reeds een tien minuten buiten de stad gekomen, verfrischt door de heerlijke avondlucht, van verre een boerenknaap op ongezadeld paard in vollen draf zag naderen. [225]

In weinige seconden was de ruiter den dokter voorbijgejaagd; maar terwijl Helmond met gefronste wenkbrauwen even omziet, bespeurt hij dat het paard door den knaap met kracht wordt ingehouden terwijl ook de ruiter naar den voorbijgereden dokter omkijkt!

Helmond heeft een oogenblik te voren gevreesd ’t geen hij nu moet vernemen. Die haast, dat ongewone harddraven naar stad, ’t is het gevolg van een sedert bijna twee uren vergeefsch wachten op den dokter, die gezegd had dadelijk te zullen komen. Reeds drie kwartier geleden is een andere knecht van boer Dirksen, te voet naar stad getrokken, om dokter, als hij hem mocht tegenkomen, tot spoed aan te zetten; maar, misschien zal Japik, niet wetend dat dokter verhuisd is, naar de oude woning aan den wal zijn gegaan en hem zóó hebben misgeloopen.

—Ja, ’t was vreeselijk erg; boer Dirksen lag “als dol”, en telkens was het alsof hij “genacht ging zeggen.” Als dokter rijden kon, dan moest hij toch dadelijk “den bles” nemen, en hem maar ferm “ribbenhaver” geven, want o Heer, d’r zou wat te koop zijn als boer Dirksen bezweek!

In een oogenblik heeft Helmond den bles beklommen. Vroeger, vooral in zijn studententijd, had hij menig paard bereden, en ofschoon hij nooit een harddraver had zooals deze, ja zelfs nu zonder beugels of sporen en van ’t losse dek, ’t zou tóch wel gaan.—’t Was van belang geen minuut te verliezen.

—Goeje God! als hij had kunnen voorzien dat er zooveel haast was! Nu ja, men heeft de boodschap gebracht of dokter eens dadelijk op De Schebbelaar bij boer Dirksen wou komen.—Dadelijk!—Maar, kwam er dan ooit een boodschap, en vooral van een boer, zonder dat dadelijk er bij!—En dan, die gezonde ronde, blozende boer Dirksen! Hij had een talrijk gezin, en een macht van loontrekkend personeel.—Aan hem zelf heeft Helmond het allerminst gedacht. Gevolgen van onrijpe vruchten eten en dergelijke, hebben hem een oogenblik voor den geest gestaan. Bovendien, men moest wel niets verzuimen, maar een dokter behoeft toch ook geen schel te zijn, die maar aanstonds geluid geeft als men—noodig of niet—aan het koord trekt. Hoe dikwijls kwam hij niet reeds in een woning, waar men hem dringend liet roepen, om er met een: O, ’t is alles weer bestig dokter; we dochten, dokter kan licht eens komen;” te worden begroet.

En toch, terwijl Helmonds lichaam door den stevigen bles—ook zonder dat hij hem hak- of ribbenhaver behoeft te geven,—op ongewone wijze wordt geschud en geschokt, roert er mede iets in zijn binnenste, ’twelk hem geen rust gunt: Het was je plicht geweest dokter, om zonder wettige verhindering aanstonds naar De Schebbelaar te gaan. Een dwaasheid heeft je er van teruggehouden, een vrouwengril!

—Een dwaasheid! een vrouwengril? Zou het dan geen lafheid zijn geweest dien majoor te ontwijken? Zou het vervullen van den plicht, inderdaad geen dekkleed voor zwakheid geworden zijn!?

—En, vanwaar dan zulk een bijzondere weerzin tegen dien [226]majoor? Waarom, waarom is zijn gezelschap een kwelling voor Helmond geworden?

—O Eva.... Eva!

—Eva? Neen! zou hij háár, die liefdevolle dochter, die engelachtige vrouw met haar hemelsche gaven, durven noemen, wanneer hij zelf zijn plicht kon verzaken als man!—Is zij het niet geweest die hem nog bovendien heeft aangeraden om althans niet te voet te gaan maar een rijtuig te nemen?

—Een rijtuig!—Maar stil, zij mag en zal immers niet weten dat haar man een onverstand, een dwaas was, toen hij zich liet vervoeren om meer te doen dan hij kon en mocht.

—Hoe! tóch onverstandig? Is het dan ooit te veel of onverstandig gedaan wat hij voor haar doet? Neen! neen!! Hij wil zich dat telkens en terdege herinneren, en bewijzen zal hij het later zonder fout. Maar, om dat te kunnen, moet hij voortaan ook als dokter op ’t verstandigst zijn rekening maken.—Waartoe zal het rijden dienen indien hij den tijd tot loopen heeft! Tegen vermoeienis ziet hij niet op; immers al wat hij werkt en doet, hij doet het ter wille van haar, zijn schat en zijn liefde.

—En dan, wanneer men een huishouding heeft, dan behoeft men ook immers niet meer zoo buitengewoon discreet met het maken van visites te zijn.—Debecque heeft het getoond, men ziet een dokter graag als hij zijn zaak kent.—Wanneer de burgers en boeren tóch niet tevreden zijn aleer zij een paar “bruine dranken” geslikt hebben, waartoe ze hun dan—tot zijn eigen scha te onthouden!

Eensklaps gevoelt de ruiter bij een zeer sterken schok een stoot aan zijn knie; een plotselinge duizeling overvalt hem, en....—Neen, Gode zij dank! dat is goed afgeloopen; dat had veel erger kunnen zijn. De moedige harddraver—ofschoon anders een dood mak paard—heeft aan de hand die hem bestuurde waarschijnlijk geen meesterhand herkend, en, hoe het gekomen is weet Helmond niet, maar toen hij een weinig van den schrik bekomen, opstaande van den bermrand1 waarin hij gevallen of geworpen was, naar het been tastte ’twelk hem wat zeer deed, toen zag hij ginder nabij de hoeve van boer Dirksen, nog den harddraver met het schuingezakte geelbonte paardedek voortrennen, en straks, schier rakelings langs den hekpost heen, het erf van zijn meester binnenhollen.

—Gelukkig! de val had veel erger kunnen zijn. Helmond kan zeer goed voort: het loopen hindert hem weinig of niet. Maar, hij gevoelt zich toch eenigszins ontsteld, en zeker was het nu voor hem geen geschikt oogenblik om in een woning te verschijnen waar hem misschien, door zijn late komst, een ongewenschte ontvangst inplaats van eenig betoon van deelneming te wachten staat.

Helmond houdt zich kloek. Men bemerkt niet eens dat hij wat bleek ziet en wat ontdaan is. Men had ook wel aan iets anders te denken en naar iets anders te zien! Aan het bed van boer Dirksen [227]gekomen, voer Helmond—ofschoon men ’t niet zag—een schok door de leden.

Helaas! Wat men vreesde is waar. De man had den tol der natuur reeds betaald. Neen, die kleur op dat gelaat, men behoeft er zich niet mee te vleien; Dirksen zou zelfs nog kleur hebben wanneer hij begraven werd. Er was geen twijfel: de pols stond stil, boer Dirksen was dood!

Het gejammer en geweeklaag van het boerengezin, van die weduwe met haar zuigeling op den arm, en de negen andere kinderen die allen schreiden—de meesten in navolging der ouderen, zonder den omvang van hun verlies te beseffen; de smartelijke kreten van meiden, knechts en geburen, die in een oogenblik het huis deden weergalmen, ze roerden Helmond heviger dan ooit een zoodanig tooneel het gedaan had. Geen wonder, met eigen zaken vervuld; getroffen door het onverwacht bericht dat hij misschien te laat zou komen; ontsteld en méér geschokt dan hij in den aanvang geloofde door dien val van het paard, maar bovenal gefolterd door de gedachte dat hij waarschijnlijk met een spoedige hulp hier het ergste had kunnen voorkomen; door dit alles innerlijk bewogen, is het niet te verwonderen dat de dokter al zijn wilskracht behoeft om voor ’t uiterlijke bedaard te schijnen.

En, hoe moest het hem dan te moede zijn, toen daar eensklaps een groote zwaargebouwde kerel—de broeder van vrouw Dirksen—met woedend gebaar hem onder de oogen trad, en hem in weinig gekuischte, ja in deze oogenblikken akelig schril klinkende woorden, den dood van zijn “braven zwager” verwijten kwam?

Er was aan Helmonds lichaam geen zenuw die niet trilde, maar nochtans hij scheen bedaard. Hij betuigde dat het hem waarachtig leed deed hier te laat te zijn gekomen; maar dáárom zou boer Geurtsen toch niet beweren dat dit sterven des dokters schuld was. De familie heeft zelve de zaak—toen Dirksen dezen middag ongesteld werd—niet ernstig ingezien; anders zou zij wel een boerenwagen of sjees gestuurd en op den meestmogelijken spoed hebben aangedrongen. Dit alles was niet geschied. Zoodra het dokter geschikt heeft is hij van huis gegaan. Maar bovendien..... wie zou, en vooral met het geloof van boer Geurtsen, durven zeggen, dat een menschenhand krachtiger was dan de hand van God?

Dit laatste mocht inderdaad een overloopen tot de tegenpartij heeten uit zucht naar zelfbehoud. Helmond gelooft wel degelijk aan een God en een Godsbestuur, al begrijpt hij het niet, en al zoekt hij de “onoplosbare raadsels” niet te verklaren; doch zeker zou hij zulk een uitstekend dokter niet geweest zijn, indien hij meende dat het met ziekten anders ging dan met een snel wassenden vloed. Dijk en dam zullen hem keeren totdat hij weer effen vloeit binnen zijn boord, indien zijn kracht althans niet te sterk, en het water niet...... te overvloedig is.

Helmond had, na het vernemen der ziekteverschijnsels, immers aanstonds het oog gehad op heilzame kruiden die een Voorzienigheid mede in ’t aanzijn riep. [228]

Maar dat overspringen naar den vijand baatte den dokter niet, want, hoe vast boer Geurtsen ook anders in de leer was, nu zwager Dirksen daar “dood lag”, en die dokter hem “verzuimd had—jawel, vrouw en kinders en allen konden dat getuigen; nu zou God er wraak over roepen, en de Heer zal een onnutten dienstknecht uitwerpen in de buitenste duisternis waar zal zijn weening en knarsing der tanden!”

Een oogenblik is het te vreezen geweest dat de groote zware Geurtsen, reeds eenigermate in de rechten van den Heer des onnutten dienstknechts zou treden; doch Helmonds bedaardheid, en de zorgen die hij—alsof er geen bedreigingen tegen hem klonken—in stilte aan de weduwe ging wijden, dewijl haar zenuwen door ’t geen er nu voorviel nog meer geprikkeld werden,—Helmonds schijnbare kalmte, en zijn bedaard handelen: vriendelijk wenkengevend in ’t belang van al die schreiende jongens en meisjes; lafenis biedend aan Geurtsens eigen vrouw, een zuster van den overledene—zooals ze daar doodsbleek zat te klappertanden, dit alles deed den storm althans voor het oogenblik bedaren. Slechts in een dof gebrom gaf de zwager, op een stoel neergevallen en met het hoofd in de hand geleund, nog gestadig aan zijn verbolgenheid lucht. En wat er omging in zijn “hartengedichtsel”....? “God beter ’t, nou kreeg ie dien heelen troep onder voogdij en beheeren! Zulke dokters! zulke verd..... dokters!”

Voordat Helmond een half uur later vertrok, mocht hij de groote voldoening smaken, dat de altijd schreiende weduwe hem de hand drukte, met de betuiging dat ze ’t hém niet kon wijten; immers, als dokter ’t zóó begrepen had dan zou hij eerder gekomen zijn; niemand heeft dit kunnen denken. En dan weer uitbarstend in geween:

“Och God! och God! dat ie nou dood is, waarachtig dood!”

’t Was goed dat er zich te midden van al die weenenden en verslagenen, toch één enkele bevond die sedert dokters komst, nog om een andere reden tranen heeft geschreid. Dat was Hanna, de frissche blonde boerenmeid met haar goeden aard en helderblauwe oogen. Neen, ze heeft het bijna niet kunnen aanhooren dat die lompe Geurtsen, dien besten man zoo onheusch en onrechtvaardig bejegende. Was die dokter geen engel van goedheid! Heeft hij haar niet met Gods hulp uit een zware ziekte weer vierkant op de been geholpen; was hij niet alle dagen aan moeders huis geweest—weer of geen weer; en, toen het op betalen aankwam..... toen, toen had ie de arme moeder op den schouder geklopt en gezegd: “Als Hanna eens een fikschen boerenzoon trouwt moedertje, dan kom ik op de bruiloft meesmullen voor drie!” Och zoo’n edele goeje man, zoo’n knappe—om dien zoo te boenderen als Geurtsen gedaan had!

Ja, ’t was maar heel goed dat die frissche blauwoog inwendig gekookt heeft, en dat ze haar weldoener, bij ’t heengaan, de bewijzen van haar trouw en vereering zoo overvloedig liet blijken.

Dat geschiedde toen ze hem uitliet, en ze samen alleen waren in ’t achterhuis bij de melkkamer der groote boerderij. [229]

—Lieve hemel, wat schortte hem? Hij moest zich aan een karnton vasthouden.

“’t Is niets Hanna, niemendal.”

“Moar ie wordt zoo wit as ’en doek dokter.”

“Nee dat komt wel terecht.... laat me maar eens even.... stil....”

“God dokter, drink dan; drink! Hier ’en schoep karnemelk.... hier....”

“Zoo ja; ’t wordt al beter. Dankje goeje Hanna, dankje kind. ’k Ben straks vóórdat ik hier kwam gevallen; en....”

“En toen zoo’n schandoal hier in huus!! Kom mee, kom mee dokter. Loopen dát zu’j niet. Wat schêlt ’t mien! ’k Zal oe voaren tot bij stad. Ze zullen mien nou niet missen of zuuken. ’k Zet Kwiebes den ezel veur ’t kerreken op veeren. Kom moar mee noar ’t stal. Ze zouwen oe kapot moaken hier! Kom gauw moar; kom mee!”


1 Berm-rand, het gras langs den straatweg.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De majoor Kartenglimp, zoo pas van de conferentie in de nieuwe dokterswoning thuisgekomen, heeft zijn hoed met ruw geweld op een canapé gesmeten en zich zelf in een voltaire geworpen. ’t Ware bedroevend geweest voor wie als getuige van zijn teleurstelling die lang verkropte woede had moeten aanschouwen.—Driemalen dreunde de tafel door een krachtigen slag van zijn vuist. De onzinnigste vloeken en verwenschingen ratelden hem tusschen de tanden.

—Wees voorzichtig Kartenglimp; drift is nadeelig voor je gestel; denk aan die laatste ziekte in ’t voorjaar. Je bent nu sterk en flink; en zoo iets zal niet terugkomen, maar hou je aan zijn raad. Maak je niet zoo ontzettend driftig. Wees matig in alles.—Jawel.... hij zal het in ’t oog houden; ’t is zaak! Maar, moest die oude dronkaard, die dwarskop, die.... ploert-kapitein hem zóó beleedigen, zóó zijn plannen, zijn zalige uitzichten dwarsboomen, ja, voorgoed verijdelen misschien!—Zijn plannen verijdelen!?—Neen, dát nooit, dát in der eeuwigheid niet!—Wat wil hij dan? Wát?—Ha! hij wil het menschdom toonen dat de maatschappij de rechten van het individu verkort en verkracht. Hij zal toonen dat de mensch zich niet beneden het dier heeft te stellen, beneden den leeuw die vrij is in zijn woud en spelonk, en zijn prooi en zijn lust neemt waar hij die vindt. Hij wil zich wreken op die maatschappij waar men hem zijn vrijheid heeft benomen, waar men hem gekerkerd houdt en als ’t ware een dolk op de borst zet. Zie toe brave Oostindische officieren, vervloekt moedig eedgespan; wat Ronner-Kartenglimp niet instaat is op u te verhalen dat zal hij zich hier verschaffen: wraak op wie hem durft kwetsen, vernederen en weerstaan.—Ja brave dokter Helmond, die wel voor een muziekmeester maar niet [230]voor mij kondt terugkeeren, boeten zul-je; ik zal je inwikkelen, inwikkelen, en met je schoone vrouw, totdat ze, voor den duivel, in mijn armen zal toestemmen dat ik haar redder werd!—En wat wil men nu? peinst Kartenglimp iets kalmer voort. Dien adel, waarvoor ik mij sinds eenige weken zooveel dwaze moeite gaf, zal zelfs zij.... dat heerlijke kind er nu van afzien, ter wille van dien vader? —Onvoorzichtige Ronner! je hebt je te zeker gewaand van haar zucht naar die glorie, gesteund door dat malle creatuur van een moeder. Dien vader heb ik beschouwd als een onding, die zelfs in ’t oog der dochter geen stem had. Maar ’t was buiten haar kinderliefde gerekend. Dat overweldigde mij toch een oogenblik. Ja, dat was schoon.... toen, toen dacht ik eensklaps aan de vrouw die mij leerde als kind, en mij haar lessen gaf.... lieve onnoozele lessen! Toen,—nu ja, ik voelde mij getroffen maar was een gek. Ik was.... Nee nee Ronner, dat was je niet! Nee, ’t zou groote dwaasheid geweest zijn wanneer je dáár die hand niet hadt gegeven. Haar oog werd aanstonds helderder; het vertrouwen keerde terug.... Waarachtig, ja, die blik, toen ik mijn papieren zonder een woord te spreken opborg.... die blik.... Zeker, de zucht naar die glorie is nog niet uitgedoofd. Ik moet geduld hebben, mij stilhouden; de wensch zal weldra, door de onzekerheid waarin men bleef te meer geprikkeld, weer levendig, en bij weigering van mijn zijde al grooter en grooter worden.—Zou ik dan ook tevergeefs zoo lang gezocht en gesnuffeld, en de oneffen schakels voor die geslachtsketen zoo kunstig hebben aaneengesmeed?

Ja, Kartenglimp had zich veel moeite gegeven. Inderdaad was het hem in den beginne niet onmogelijk voorgekomen dat de kapiteinsfamilie nog kon afstammen van de oude graven Van Armeloo. De overeenkomst der wapens had hem in den aanvang werkelijk getroffen, en, de tegenwerping van den kapitein: dat hij bij zijn bevordering tot officier geen wapen bezat maar zich er een graveeren liet, ze heeft hem het meest waarschijnlijke antwoord doen geven, namelijk: dat de wapensnijder, met het grafelijk wapen bekend, op het hooren van denzelfden naam iets dergelijks doch wat eenvoudiger gemaakt heeft. Voor het overige was alles misgeloopen. De vader en grootvader van den kapitein waren boeren in het Hanoversche dorp Birchheim geweest, maar van zijn overgrootvader heeft de majoor zelfs geen spoor kunnen vinden. Evenmin was het hem gelukt om eenige zekerheid te verkrijgen, aangaande een vermoeden als zou de genoemde jonge graaf Herbert, zoon van den te Waechtel overleden graaf Van Armeloo, naar Hanover zijn uitgeweken en zich daar als predikant hebben neergezet. Nergens heeft hij elders den naam van den kapitein teruggevonden. Onder zijn veelvuldige correspondentiën daarover, is hem echter mede een brief van een predikant in Oldenburg geworden, die waarschijnlijk een a voor een u heeft gelezen en gemeld, dat er—zooals Kartenglimp op de conferentie heeft meegedeeld—in de plaats zijner inwoning, van 1707–1752, twee predikanten elkaar hebben opgevolgd die den naam van Urmelo droegen. Deze vondst heeft Kartenglimp als een heerlijk [231]redmiddel aangegrepen. In des predikers slecht geschreven brieven met Duitsche letters, waren de U’s gemakkelijk wat te veranderen geweest, en—mocht de familie al zelve aan dien prediker schrijven, men zou zijn Urmelo’s misschien in gemoede voor Armelo’s houden.—Nu kwam het er maar op aan om een authentiek bewijsstuk te verkrijgen, dat zekere Hollandsche graaf Herbert Van Armeloo,—met verandering van zijn naam in eenvoudig Armelo—van den heer eener heerlijkheid zijn aanstelling als prediker ontving, en bovendien het bewijs, dat de beide predikers Urmelo—die nu reeds zeker als de voorvaders van den kapitein door Kartenglimp waren aangenomen—in een rechte lijn afstamden van den Hollandschen uitgewekene, zooeven vermeld.—En die bewijsstukken?—Haha!—Kartenglimp heeft immers zijn alvermogenden zaakwaarnemer in dienst, zijn trouwen Ronner, haha! Maar diens papieren houdt hij terug! hij houdt ze geheim—geheim, dát is zijn kracht.

—Maar als men dan bedrogen is? Welnu—haha!—dan is men bedrogen! Dan is hij het mét hen; dan zijn ze maar altemaal bedrogen, voor den duivel!


“Wat is er, wát?”

“Boeh! je kijkt weer zoo leelijk!” zegt de gemeenzame deerne die vooral den majoor dient; en dan: “Daar is de krant.”

“De krant? waar?”

“Hij staat op de trap.”

“De krant op de trap!? Alle duivels, wat moet dat beteekenen? Ik versta geen gekheid.”

“Ojee! is het weer zóó laat. De krant: wel, Kippelaan met z’n spillebeenen.”

“Niet thuis!”

“Nee dat zie ik ook.” Naar buiten roepend: “De majoor zeit dat ie niet thuis is.”

Kippelaan, overtuigd dat hij zoowel hier als overal steeds welkom moet zijn, heeft het woordje niet óf voor een aardigheid gehouden óf niet verstaan, althans, langs de deerne heen struikelt hij de kamer binnen, ziet naar den dorpel om, en dan met de tien tolken zijner vriendschap vooruit op den majoor toeschietend, verheugt hij zich in zijn welstand; vraagt hem naar zijn welvaren; verzekert hem van eigen welzijn; deelt hem mede dat het uitmuntend weer is, dat de dagen al korten, dat hij ware vriendschap gevoelt voor een man als de majoor, en....

“Heb je anders niets?” zegt Kartenglimp: “Ik had belet gegeven.”

“Dat begrijp ik majoor; men kan niet altijd voor iedereen, niewaar, natuurlijk! Daarom waardeer ik te meer uw vriendschap.—Nog niets gehoord? O, van belang! van belang!”

“Wat meen je?”

“Fameus geval! De heele stad mee vervuld! tenminste.... enfin! Pas gebeurd. Zeker nog niets van gehoord? Van De Schebbelaar? Van boer Dirksen? Watblief?”

“Och jij met je praatjes; is er brand, laat ze ’t blusschen.” [232]

“Brand? pardon! pardon!! Dood. Subiet. Onze vriend dokter Helmond....”

“Wat, wát!?” schrikt Kartenglimp op: “Is Helmond dood?”

Kippelaan stuift een paar schreden achteruit. Dat heeft hij niet gezegd of bedoeld; en, Kartenglimp krijgt nu een ontzettend verhaal—Kippelaansstijl—van het gebeurde in den avond; een vermeerderde maar niet verbeterde uitgave van hetgeen reeds naar stad was overgewaaid, namelijk: dat boer Dirksen, de geëerde en welvarende boer van De Schebbelaar, aan zijn groot gezin en aan de maatschappij was ontvallen, ten gevolge van een krampkoliek, die door zijn dokter zóó weinig is geteld dat hij den man zonder hulp heeft gelaten.

“En die dokter was.... dokter Helmond?” vraagt Kartenglimp ten slotte, terwijl hij met moeite den vreemden glimlach weerhoudt die hem soms de baas wordt.

“Ja, jawel! ’t Is mijn vriend, mijn intieme vriend Helmond; knap, uitstekend knap man; beroemd; mijn neef de professor zei....”

“En had hij den kerel zonder naar hem om te zien maar zoo laten....”

“Om u te dienen.... jawel, om u te dienen....!”

—Om hém te dienen!—Haha, lacht Kartenglimp, hahiha!


De goedhartige Hanna van De Schebbelaar heeft Helmond—uit vrees dat men hem, inweerwil van den gevallen avond en de huif die het karretje overdekte, in een ezelwagen zou zien—met een kleinen omweg tot bij het oude huis aan den wal gereden. Daar wilde hij wezen om Hanna aanstonds ’t een en ander uit de apotheek voor het gezin te kunnen meegeven.—Met het oog op deze noodzakelijkheid heeft Helmond te eerder vrede gehad met Hanna’s goedaardig inspannen, waartoe haar door boer Dirksens plaatsvervanger hoogstwaarschijnlijk het verlof zou zijn geweigerd. Nu immers heeft Hanna’s rit voornamelijk, zoo niet uitsluitend plaats gehad in ’t belang der familie van den overleden boer.

Van Hake haastte zich om in weinige minuten de fleschjes gereed te hebben die Hanna mee terug zou nemen, en waarvan hij de gebruiksaanwijzing vooral duidelijk moest opschrijven.

Terwijl het meisje nu met den arm op de toonbank geleund de werkzaamheden van den provisor gadeslaat, verzuimt ze de gelegenheid niet om de zaak van haar goeden dokter in het verschoonendste daglicht te plaatsen, en brengt Van Hake daardoor tevens geheel op de hoogte van ’tgeen er gebeurde, ofschoon hij reeds eenigszins door dien tweeden afgezant van De Schebbelaar was ingelicht.

Hanna heeft thans met haar ezelkarretje, door de straten der stad den terugtocht naar De Schebbelaar aangenomen, en een traan komt haar in de oogen nu zij de vreeselijk groote doos vol pepermuntjes beziet, die de goeje dokter haar nog heeft opgedrongen en die ze nu—onder ’t rijden—tegen ’t verliezen waarborgt, door er haar neusdoek om te winden en ze dan in den zak te steken. [233]

De Romphuizers, voor zooveel ze nog op straat zijn of op de stoepbanken hunner woningen den reeds korten zomeravond genieten, zien het karretje van De Schebbelaar na, en begrijpen niet wáár het vandaan komt, dewijl niemand het straks zag voorbijkomen.

Op sommige plaatsen vormen zich groepjes, vooral onder de boomen op de markt nabij het oud-burgemeestershuis; en, men wauwelt er over het plotseling sterfgeval; hoe een mensch er gauw uit kan wezen, en hoe—zooals menheer Kippelaan straks nog in ’t voorbijgaan aan den molenaar heeft gezegd—hoe het onvergeeflijk is dat een dokter, die te veel geld heeft om te dokteren, tóch maar dokteren blijft.

En terwijl men dit alles beredeneert, en het daarbuiten oproer is in veler gemoed, was het zeer kalm en rustig in het fraaie en groote doktershuis. Men vernam er nog niets van ’t geen er op De Schebbelaar gebeurde.

Eva slaapt. Kalm en zacht slaapt ze op den lauwer dien haar kinderlijke liefde haar vlocht; en ze droomt..... o zoo heerlijk van een feest, een prachtig feest; en van vuurwerk en Bengaalsch licht.—En zie, uit het schitterende licht trad een bevallige knaap met een kniebuiging haar tegemoet;—’t was Siebel uit de Faust, de opera die men te Parijs zag opvoeren—en op een rijk geborduurd kussen bood hij haar een kroon aan, een grafelijke kroon met diamanten en parelen omzet.

’t Was niet zoo geheel zonder aanleiding dat Eva van een feest droomde. Even nadat Helmond naar De Schebbelaar was gegaan, heeft men aan mevrouw, ofschoon ze wat te bed lag, een briefje overhandigd, terwijl een knecht op antwoord bleef wachten. Het adres: “Monsieur et Madame Helmond-Armelo”, heeft haar recht gegeven om het briefje te openen. ’t Was een uitnoodiging van mijnheer en mevrouw Debecque om een feest te komen bijwonen ’twelk zij zich voorstelden te geven op Woensdag den 5den September e. k. En, Eva heeft de uitnoodiging maar aangenomen.

Minder feestelijk dan Eva in hare droomen, was Helmond gestemd.

Misschien heeft dat karretje, aan de hoofdpijn, die hij op De Schebbelaar het eerst gevoelde, geen goed gedaan, althans zij is er niet beter op geworden, en, nu hij een oogenblik in mevrouw Van Hakes huiskamer op de ouderwetsche doch gemakkelijke sofa zit, nu gevoelt hij dat die rust hem goeddoet. Ja, ’t een en ander had hem van streek gebracht. O wat zou hij niet willen geven indien hij slechts een uur vroeger bij Dirksen ware geweest, al had de afloop dan ook dezelfde moeten zijn.

“Ja zeker Thom, dikwijls moet men wel uren laten voorbijgaan eer men een zieke bezoeken kan; maar nú, om een niets!”

“U hadt visite. De familie. Mij dunkt dus.....”

“Jij bent een goeje kerel Thom; maar weet je waar mijn “onverbiddelijke” zit? Niet? Hier, hier zit ie; hier vanbinnen. Die is crimineel.”

“Ja maar dokterlief,” zegt mevrouw Van Hake: “men moet zoo iets toch niet te sterk trekken. Mijn trouwe man was de braafheid [234]en ijver in eigen persoon, maar bij een geval als dit zou hij het hoofd hebben gebogen en gezegd: “Hier misgunde de dood den dokter zijn brood.” Een geval als met boer Dirksen behoort tot de zeldzaamheden.”

Helmond knikte haar vriendelijk toe, maar antwoordde niet. Het glas frambozenazijn, ’t welk de goede vrouw hem intusschen gereedmaakte, nam hij dankbaar aan, en dronk het met lange teugen, doch, starend naar den grond en zonder inderdaad goed te proeven wát men hem ter verfrissching geschonken had.

Thom met zijn volle liefde voor den braven meester, heeft Helmond een wijle in stilte gadegeslagen, en oppert nu aarzelend het vermoeden dat dokter door dien val toch meer van streek is dan hij bekennen wil.

Maar neen, waarlijk, de goede jongen moest daarvoor geen zorg hebben; de pijn aan het been was al beter, en ’t hoofd zou na een goeden nacht, morgen wel heelemaal in orde zijn. Thom kon toch wel begrijpen, dat de omstandigheid op zich zelve reeds genoeg was......

“Om u wat onplezierig te stemmen. Ja zeker,” valt Thomas in: “maar als u dan reeds aan die goede Hanna hebt kunnen zien hoe een onbevooroordeeld mensch de zaak zal opnemen, dan moet u er waarlijk niet zelf zoo’n gewicht aan hechten. Als mevrouw u zóó zag thuiskomen....”

“Wat zeg je Thom, zie ik er uit dat mijn vrouw zal schrikken wanneer ze mij ziet?”

“Wel heere nee!” vallen moeder en zoon schier gelijktijdig uit: “’t is maar alleen als u zoo ernstig kijkt!” En mevrouw Van Hake, die nu begrijpt dat men dokter maar liefst over geheel wat anders moet spreken, laat er schier onmiddellijk op volgen: “Ik geloof dat Eva toch bijzonder met het huis blijft ingenomen,” en dan half lachend: “beter dan met Bus als huisknecht.”

Thomas die zijn moeder verstaat, valt nu mede half lachend in:

“Ja, Bus zei van avond, dat ie z’n eigen blind keek op z’n eigen als ie zoo’n lichte jas aanhad, en dat ie, vooral met die jonge meiden, er genoeg van kreeg.”

Of moeder en zoon de rechte snaar niet hebben getroffen, althans Helmond antwoordde ook nú niet; maar, eensklaps zich vermannend en opziende alsof hem iets inviel, zegt hij:

“Thom, jij bent niet om je kwartaal gekomen; ’t is waar, ik had het je kunnen meebrengen, maar....”

Onwillekeurig hebben moeder en zoon elkander vluchtig aangezien. Thomas kreeg een kleur. Ze hebben er niet om willen vragen; en toch....

“O, wat dat betreft dokter,” zegt hij met eenige aarzeling: “dat zou wel terechtkomen. We begrepen heel goed dat u met al die drukten van verhuizen en allerlei, zoo iets gemakkelijk vergeten kondt.”

“Natuurlijk,” valt de weduwe in: “vooral ook omdat u hier niet meer in huis woont. Ja zeker, men kan dat begrijpen.” [235]

Helmond die was opgestaan met het besluit om zich krachtig te toonen, is onwillekeurig nogmaals in de oude sofa neergevallen, en, met het hoofd in de hand geleund, zegt hij nu op een toon waardoor moeder en zoon opnieuw tot het wisselen van een snellen blik worden gedwongen:

“Ja, ik heb wat veel aan het hoofd.—’t Liep wat druk in den laatsten tijd.”—Eensklaps opziende, met iets luchtigs in den toon alsof hij bevreesd is dat men hem zekere zorgen zal toeschrijven; “Wat je kwartaal betreft Thom, ’t ligt klaar in mijn schrijftafel.” En dan weder opstaande: “Komaan, nu zal ik ’t wijfje eens gaan opzoeken. Ze had wat hoofdpijn van avond.”

Met leedwezen vernemen Thom en zijn moeder dat mevrouw Helmond ongesteld is. Maar gelukkig volgens dokter heeft het niet veel te beteekenen. Ze had zelfs van middag nog prachtig gezongen: “Ja dat moet u toch eens komen hooren mevrouw; ’t klinkt heerlijk in onze groote kamer. U zult zelve toestemmen dat Eva gelijk had toen ze hier niet spelen of zingen wilde. ’t Was hier te laag, veel te laag.”

“Zeker, dat scheelt nog al,” zegt mevrouw Van Hake: “maar anders, och dokter, dit huis....”

Thom, die bij zijn moeders laatste woorden door allerlei gebaren tevergeefs heeft getracht haar opmerkzaamheid tot zich te trekken, valt nu haastig in:

“Moe wil zeggen dat de herinneringen haar dit huis zoo lief maken. Maar moe begrijpt natuurlijk dat mevrouw.... niewaar moe....?”

“O ja Thom, jawel; wie zou dat niet begrijpen; voor een jonge vrouw met zulk een talent en zooveel smaak! zeker, als men het hebben en doen kan—dat weet dokter ook wel, dan....”

Thom, onzichtbaar voor Helmond, staat te schudden met het hoofd en bijt zich fel in de lippen. Nee, nee! Moeder moest nu vooral niets doen blijken. Och, hij weet wel dat ze zeggen moeten ’tgeen hun op het hart ligt, maar niet dezen avond. Immers, Thom zweeg al zoo lang, ofschoon het hem dikwijls strijd heeft gekost. Maar had hij dan ook aan dien goeden meester de harde woorden van den pleegvader kunnen overbrengen? ’t Was al erg genoeg dat hij hem, na zijn bezoek op De Zonsberg, heeft moeten zeggen dat de oude generaal wel wat verstoord was over den koop van het oud-burgemeestershuis, en dat hij dokter nu in geen geval meer ontvangen kon, aangezien hij morgen naar een badplaats ging.—Thomas heeft gezwegen, want, moeder had immers mede gezegd dat die oude man het wel wat al te ver trok. Dokter mocht dan wat erg toegeeflijk—ja soms wat zwak zijn ten opzichte van zijn jonge vrouw, hij was toch zeker zoo onverstandig niet, meer te doen dan hij verantwoorden kon.—Maar ach, in den laatsten tijd heeft men toch wel eens gevreesd dat de trouwe vriend inderdaad meer deed dan.... Doch stil, stil! nu geen woord. Ha! moeder heeft hem begrepen;—zij wenkt het hem zijdelings toe. Nu zal men zwijgen, maar later spreken; ja, want er moet een eind aan komen, in aller belang.

Helmond heeft den hoed opgezet. [236]

—Nee, waarvoor zou Thom met hem meegaan? Dan zat bovendien zijn moeder alleen.—Of hij duizelig is?—“Nee goeje vent,” zegt Helmond zoo vroolijk als hij kan: “duizelig ben ik in ’t geheel niet. Ik dacht dat mijn handschoen gevallen was. Enfin, wil je me volstrekt een klein eindje brengen? Komaan dan maar. Goeden avond lieve mevrouw. Thom is hier aanstonds terug.—Nee, we zullen over boer Dirksen niet te veel tobben, al blijft het me leed doen.—Slaap wel!—Komaan m’n vrind, je arm! Jawel, jawel, nú moet ik er alles van hebben.”

Toen Van Hake zijn goeden beschermer had thuisgebracht, en naar huis terugkeerde, toen kwam hem een vrouw tegemoet die bijzonder veel haast had, en hem vroeg: of dokter Helmond tegenwoordig niet dáár in dat groote huis woonde?”

“Ja. Moet dokter ergens komen?”

“’t Is voor de vrouw van den kuiper Sturk;” klonk het antwoord: “Zooals men meende zou ’t er op aanloopen. ’t Was volgens berekening een veertien dagen te vroeg, maar ’t schijnt zoo te willen.”

“Dokter is ongesteld.”

“Ja dat kun jij wel zeggen, maar hij moet mee. Hij heeft haar aangenomen; en ik zeg: ’t is wel om ’en kind te doen, maar daarom niet kinderachtig.”

Thom verkeert in den grootsten tweestrijd. Helmond was volstrekt niet fiksch bij ’t naar huis gaan; hij gelooft zeker dat dokter wat koorts had; inderdaad vertrouwde hij wel dat dokter na een rustigen nacht morgen veel beter zal wezen, maar, indien hij nu zulk een vermoeiende nachtwake hebben moest, dan—God wist, of de lieve, de al te goede vriend, niet zelf erg ziek zal worden; en, waar moest het dan heen! Neen, wanneer de toestand waarin vrouw Sturk verkeert aan dokter bekend wordt, dan is het zeker dat hij zich geen oogenblik zal bedenken, maar er aanstonds zal heengaan, zonder voor zich zelven de gevolgen te berekenen.

—Maar, dat mag en zal niet gebeuren!

“Ik zeg je dat dokter ziek is; dokter ging met koorts naar bed. Doe geen vergeefsche moeite, hij kan toch onmogelijk meekomen.”

“Maar kristene-zielen, moet ’en mensch in zulke omstandigheden....!”

“Stil vrouwtje, we zijn hier niet zonder hulp. Ik ben de provisor van dokter Helmond; we zullen aanstonds naar vrouw Spanning gaan. Jawel, dat mensch is knap genoeg, daar sta ik je borg voor. Wat mij betreft, ik zal bij Sturk blijven, en mocht er iets wezen.... welnu, nood breekt wet, dan kunnen we altijd dokter Helmond nog halen.”

De vrouw, overtuigd dat mijnheer Van Hake zóó niet spreken zou als zijn patroon niet werkelijk ziek was, moest toestemmen dat het dan zoo maar ’t beste zou zijn, want menheer had gelijk: nood breekt wet, en baas Sturk had ’en hekel aan dokter Biermans, omdat Biermans z’n regenton door ’n knoeier als Govers had laten maken; en: “Gauw dan maar, want Sturk heeft gejaagd van belang.” [237]

Thomas Van Hake handelde met de beste bedoeling, en toch, of hij goed deed? De tijd moet het leeren. Zooveel is echter zeker, dat dokter Helmond een gansch anderen nacht zal doorbrengen dan de goede Thom hem denkt te bezorgen.


Thuisgekomen ging Helmond het allereerst naar de kamer, waar hij zijn geliefde zou vinden. En, ja, toen zijn Eva daar kalm en rustig slapende vond, toen gevoelde hij voor het eerst sedert dien langen namiddag, iets weldadigs zijn borst doorstroomen, iets dankbaars, dat hem persoonlijk met zulk een val geen ernstig ongeluk was geschied; dat hij gespaard bleef voor háár.

—Wat ligt ze daar lief, denkt Helmond bijna overluid, terwijl hij de zwaar damasten gordijn een weinig terzijde houdt, en Eva bij het zachte schijnsel der groote moderateurlamp die op het beddetafeltje brandt, eenige oogenblikken beschouwt: Wat lag ze daar lief; wat slaapt ze gerust!—Het mondje half geopend alsof het zoo de welluidendste tonen zal doen hooren. Zie, die heerlijke golf van haar losgevallen haar, wat teekent hij nu vooral de blanke fijnheid van haar huid. Wat ligt ze daar rustig en schoon; met dat edele voorhoofd, met dat regelmatig bewegen der kleine neusvleugels, met dat telkens dubben der lange oogwimpers als zullen die oogen zich zoo aanstonds openen en hem liefdevol aanzien; met dat geregeld golven van den boezem onder het dekkleed, waardoor mede schier onmerkbaar de blanke en kunstvaardige handen worden bewogen die er nu zoo rustig op nederliggen.

—Wat is ze schoon en wat slaapt ze kalm! Op gevaar af dat hij haar wakker zal maken, drukt Helmond een teederen zoen, eerst op haar voorhoofd en dan op haar zachte wang.... en.... Neen, ze wordt niet wakker; zie, ze slaapt nog voort: een vriendelijk lachje plooit haren mond.—Droomt ze van hem, van August, van haar geliefde? Ziet ze hem in haar zoeten sluimer zooals hij daar werkelijk voor haar staat met den blik vol innige liefde op haar gevestigd; een blik waarin ze zou kunnen lezen: Engel, om uwentwil heb ik het leven lief, om uwentwil blijft de wereld mijn lust; een graf zou ze zijn wanneer de ademtocht, dien ik nu verneem, moest verstommen, wanneer die dubbende oogwimpers eens niet meer opengingen....? Mijn engel!

Of ze van hem droomde? hij moet het weten, want bij die laatste gedachte werd het hem eensklaps zoo angstig, zoo vreeselijk angstig om het hart.

“Eva! lieve! hier ben ik!”

Zij glimlachte weder. En die schoone oogwimpers gaan nu vluchtig naar boven; en hoor:

“Mon ami!” lispt ze met nog sterkeren glimlach; en dan, zooals het gaat in den slaap, dan volgt er een diepe ademhaling met een langen zucht, en, de schoone slaapster wendt zich om, met het gelaat naar de binnenzijde van het ledikant, en haar ademhaling gaat weer geregeld als van eene die rustig blijft slapen.

—Mon ami!.... [238]

—Ze droomt dan toch werkelijk van hem!

Ja waarlijk, en ’t is juist het schitterendst oogenblik van haar blinkende droom geweest toen August haar bijna ontwaken deed, omdat hij haar stem wilde hooren, omdat hij haar oogen moest zien. Maar hij was verstandig, hij liet haar slapen en voortdroomen dien ganschen droom ten einde.


Mon ami!—Uit het midden van een zonderling bonten optocht, die zich binnen het vierkant van een zeer groot tooneel heeft bewogen, trad August Helmond in een prachtig gewaad van parelgrijs satijn haar tegemoet. Hij boog de knie voor zijn Eva die zich de vroeger ontvangen prachtige kroon op de sierlijk golvende lokken heeft gezet, en ze reikt hem haar hand, waarop hij een teederen zoen drukt. En dan, van het rood fluweelen kussen ’twelk nogmaals die knaap—alsof het Siebel uit de Faust ware—haar met een kniebuiging kwam aanbieden, neemt ze een tweede kroon met fonkelend edelgesteente omzet, en ze drukt het kostbaar sieraad op het, voor haar neergebogen hoofd van den vriend.—En een zeer hel licht blinkt weer eensklaps, en ze zegt: “Mon ami—demain—toujours!” Maar dat licht werd verblindend sterk; zij moest zich omwenden.....—’t Was juist het oogenblik toen Helmond haar stem gehoord, en vluchtig haar oogen had gezien, en zij zich omwendde naar de donkere zij van het ledikant. En in den droom was het nu eensklaps een vuurrood licht ’twelk het helle en witte licht had vervangen. Ze kon nu de oogen beter geopend houden, en, hoe lang ze staarde dat weet ze niet, maar altijd en altijd weer zag ze daar een grijnzend satergezicht om den hoek van een geschilderden boomstam gluren; en dat wezen was geheel en al in ’t rood en zwart gekleed; soms als een vleermuis, met een degen op zij; en uit zijn oogen bliksemden roode slangen; en het grijnsde akelig, en als zij de oogen neersloeg en naar den grond zag, dan vloog er een luik open in dien grond, en dan sloeg een roode vlam naar boven, en eensklaps was ook hij weder daar, hij met die roodzwarte kleeren en dien vleermuismantel, en hij zag haar scherp en altijd scherper aan, zoodat zij moest terugtreden. En eensklaps klinkt er een gillend krijschende muziek; en de zonderling bonte schaar van vrouwen en mannen—zooals ze daar stonden, de mannen ter rechter- en de vrouwen ter linkerzijde van die geschilderde boomen—ze vliegen nu eensklaps als dolzinnigen walsend en gillend dooreen; en—hoe zij zich wendt en hoe zij zich keert, altijd staat dat wezen in het bloedroode licht, juist voor haar oog, nu eens lager en dan weer hooger; straks ten halve achter iets verscholen, en dan weer geheel en al zichtbaar, steeds met grijnzend sarrend gelaat, en terwijl het dan gillend zingt:

Le veau d’or est encore debout,

On encense

Sa puissance,

D’un bout du monde à l’autre bout!

[239]

snerpt het dansende koor ten slotte met hem mee in snijdende cadence:

Et satan conduit le bal!

Et satan conduit le bal!

“August! o August!” kreet Eva half ontwakend. Maar August was er niet meer. Hij heeft nog iets voor den volgenden dag te regelen gehad, en liet Eva gerust slapende alleen, om haar den “liefelijken droom” waarin ze hem—onbewust zoo hemelsch heeft toegelachen, stil en kalm te laten uitdroomen.

“August!” klonk haar stem nog eens, doch minder angstig dan zooeven, en toen, toen wendde zij zich weder naar de lichtzijde, en vielen de oogleden weer toe, en werd de ademhaling weer kalm en geregeld—zeer kalm en geregeld.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het werk verricht, ’t welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde hij, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen ’twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.

De oudste der beide nieuwe dienstboden—op ’t stuk der dienstboden is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer vooruitgegaan—de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en ’t is wel aan haar oogen te zien dat ze dokter—die natuurlijk een huissleutel heeft—straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.

Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam, aan Dr. A. Helmond.

Dat kleine briefje kon Helmond even inzien. ’t Droeg wel de sporen alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik ’t voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een “al te groote belangstelling” te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige waarheid niet gegist dat het briefje der Debecque’s waarvan het omslag slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva weder was dichtgemaakt.

En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.

Op dit oogenblik is er zeker niets, ’t welk Helmond meer tegenstaat dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe van De Schebbelaar; dien zwager met zijn boosaardig [240]verwijt!—Neen het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden; feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!?—Nu ja, maar die zorg is toch overdreven. ’t Zal zeker een mooi feest zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....

—Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer ’t een en ander aan het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien, de vigilante—ook terug in den nacht—zal minstens drie gulden kosten, plus de verschillende fooien!—En dan de praktijk! Nee, peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik ’t maar aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef—bijvoorbeeld vrouw Sturk, ’t geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja, Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid in het mooie huis.....

—Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!

—Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!

Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel—die door Eva op zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld —en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik te maken. Aan de dienstmaagd, die straks goeden nacht komt zeggen, geeft Helmond het briefje, met bevel dat Bus het morgen zoodra hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel voorzichtig zijn, en het briefje volstrekt niet kreukelen!? Den grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op ’t adres hem onbekend is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn was wel niet erger, maar in alle geval zal ’t beter zijn om nu rustig naar bed te gaan. Waarom nog meer in ’t hoofd te halen dan er nu reeds in woelde en spookte.—Helmond beziet nog even het adres. De hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht.—Even wil hij zien of hij zich niet bedriegt. Lezen zal hij hem in geen geval.

Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden, waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden teruggebracht. De woorden “uw diep ongelukkige broeder”, ze hebben hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen.—O groote God, ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:

“..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek werd geleden,” leest Helmond voort, terwijl hij den brief als ’t ware verslindt: “Voor drie weken ongeveer besloot ik mij zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf mij naar zijn [241]woning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij toe: Indien gij uit naam van “iets uit Romphuizen” kwaamt, dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.

“Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weet hoe ge tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten zijnen behoeve zult besluiten.—Toen ik plaats had genomen, verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu, ’t was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn broodmager maar altijd toch nobel gelaat.

“’t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende, dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden; van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van u aan te nemen. Liever zou hij—doch waartoe meer. Eensklaps was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon: wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?—Nu ja, in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen, dien hij laag moest noemen; immers liever zou hij zich met vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner “voor ’t oogenblik nog al moeielijke omstandigheden.” Dewijl hij zich op zijn bureel, bij ’t meesttijds verrichten van armzalig kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd, ja zelfs een stuk—’t welk hij meende dat toch nooit gelezen zou worden—in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een “ploert” vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.

“Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene fatsoenlijke [242]betrekking, zij het als klerk op een koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd had—zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren kooplui aanstonds reeds “iemand op ’t oog deden hebben, waarmee ze zoo goed als klaar waren”, zoodat hij onverrichterzake kon aftrekken.—“Maar geen nood,” riep Philip bijna woest; “je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer; het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land, maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg te geven aan een plan, ’t welk tot uitvoering zal komen, en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken.”

“Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien gij ’t niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar talent—ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord—moet niet veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen zonder eenige reputatie.—Dit laatste komt in ons voordeel, want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste viool zal moeten spelen.”

“Groote God!” zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:

“Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam van Helmond waarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de tooneelbiljetten—zeer waarschijnlijk van een der allerminste gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of dit kan en mag geschieden. Zonder u te hooren, heb ik reeds neen geantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch moet hij een kostwinning hebben.—Als uw oudste trouwe vriend, bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig.”

“Geld! ha, geld!” zucht Helmond, en drukt de handen vaster tegen het kloppende hoofd.

“Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen, indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a duizend gulden te nemen of te plaatsen.

Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou haar gretig aanpakken [243]indien ik hem door mijn vrienden—gij verstaat me—die aandeelen bezorgde.

“’t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt, indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen, waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen oplevert.

“’t Is dan verder—zooals gij reeds vermoed hebt—mijn voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen, die reeds door mijn vrienden genomen zijn.

“Bij mijn laatst bezoek, ’t welk ik hem gisteren bracht, liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem—natuurlijk zonder den steun van u of uw oom—zou kunnen helpen. De arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen zetten. Maar.... “de oogenblikkelijke moeielijkheden—?” Nu ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde, en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was—’t is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den hoed voor haar heb afgenomen—van zulk een vriend wilde hij nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen, ’t welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.

“En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.

“Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriend

Everard Woudberg.”

Het was dokter Helmond alsof het arme hoofd hem ging bersten. Steeds turend op het schrift, bleef hij in dezelfde houding zitten, met de beide ellebogen op de tafel geleund.

—Ook dit nog!—Dit! Welk dit?—Het moest zeker een gevolg van wat koorts zijn, dat hem deze brief zoo loodzwaar op de borst drukte. Had Woudberg dan geen prachtig uitzicht voor Philip geopend? Was het geen heerlijke uitredding voor den armen jongen; geen gelukkige wederoprichting van den naam, dien Philip tot heden maar al te weinig had geteld, en die toch het erfdeel was van een geslacht waaruit, in de laatste twee eeuwen, zelfs zonen tot de hoogste waardigheden mochten opklimmen!

Maar nochtans, terwijl Helmond zoo peinst, klinkt daar telkens een stem, en het dreunt in zijn hoofd: geld, geld, geld, geld!

Opgestaan, zoekt Helmond nu naar het beste geneesmiddel—Het koude water ’twelk hij overvloedig aanwendt, doet hem inderdaad [244]een oogenblik als herleven. Den kletsnatten doek stijf tegen de nekspieren gedrukt, ziet hij nu met verruimden blik de zaken weer in:—Geld is er noodig, veel geld: tien duizend gulden! En het moet er komen. Van oom....? Maar zal het geen vergeefsche moeite zijn om aan oom te vragen, of hij in Philips belang die aandeelen wil nemen! ’t Is zoo goed als zeker dat de vroeger zoo nobele man, die langzaam in ongevoeligheid aan een steen gelijk wordt, kortaf zal weigeren.—Ha! nu heeft hij een goeden inval: Woudbergs vrouw zou aan Jacoba als haar oude schoolvriendin kunnen schrijven, met verzoek om haar vader in ’t belang der beide oprichters tot het nemen van de aandeelen over te halen.—Ja, wanneer Coba maar geheel op de hoogte is, dan zal ze dat zeker met tact behandelen. De generaal moet niet weten dat hij met zijn geld den armen Philip helpt, zoomin als Philip ooit ontdekken mag dat de hulp van die zijde kwam.

En, Helmond kan aan den aandrang van zijn hart geen weerstand bieden. Aleer hij zich te bed zal begeven moet hij aan ’t werk. Spoed is noodzakelijk.—Deze onverwacht schoone uitkomst mag Philip in geen geval door het dralen van zijn broeder ontgaan. Wanneer hij aanstonds schrijft, zoowel naar Amsterdam als naar den Godesberg, dan kon Bus de beide brieven morgen mede zeer in de vroegte bezorgen; en, bij de gerustheid dat August dan deed wat hij kon, behoefde de angst hem niet te kwellen dat hij morgen door ongesteldheid, of door den drang der praktijk—immers hij dient mede reeds vroeg naar De Schebbelaar te gaan—de goede gelegenheid tot schrijven zal missen, die hij nu heeft in het nachtelijk uur. Het water, waarmee de dokter zich gedurig het hoofd verfrischt, heeft hem waarlijk veel verkwikt, althans hij gevoelt geen smart zoolang hij aan zijn lieve pleegzuster schrijft. Het slot van den brief luidde:

“Meer, mijn goede zusje, behoef ik je niet te zeggen. Je vader moet de aandeelen nemen in de meening dat hij er de neven van Woudberg genoegen mee doet.

“De families Woudberg en Van Diense zijn bovendien in Amsterdam als solide bekend, zoodat oom voor zijn geld geene zorg behoeft te hebben.

“Nieuws van belang is hier niet. Meld mij vooral wanneer gij terug denkt te komen, en of het u, lieve Coba, in den vreemde goed gaat en bevalt.

“Hoe ik mij ten opzichte van uw vader voortaan zal moeten gedragen.... ’t is mij in al die weken nog niet helder geworden. Ik hoop de kracht te behouden om mijn dankbare liefde voor hem met de innige liefde voor mijn engel te blijven verbinden, ’t Heeft mij grooten strijd gekost om uw vader op zijn verjaardag te schrijven, en—in vertrouwen gezegd Coba—Ik geloof niet dat de brief er een van den ouden stempel was.

“Na ’tgeen ik ondervinden en van mijn goeden Van Hake hooren moest—ofschoon hij mij slechts zeer weinig te antwoorden had—was dit niet anders. [245]

“Met een zoen aan mijn lieve zusje, in wier beterschap ik mij zoo recht hartelijk verheugde, en die zich ook nu, naar ik hoop, heel frisch en versterkt zal gevoelen, blijf ik als altijd haar liefhebbende broeder:

August.

Romphuizen van 29 op 30 Aug. 18....”

De pendule met een forsch metalen Minervabeeld erop, sloeg één. Buiten deed de Romphuizer torenklok het haar na.

Helmond zit weer eenige oogenblikken met de beide handen onder ’t hoofd. En, zelfs terwijl hij daar schreef was het denkbeeld niet bij hem gerezen, om zelf in ’t belang van zijn broeder geld op te nemen. Neen, nu en nooit te voren was hij op die gedachte gekomen, ofschoon hij toch om dit huis.... voor haar te kunnen koopen, met alles wat daarin is—de fraaie pendule op zijn studeerkamer had hem er aan herinnerd—zich niet heeft ontzien schulden te maken, zeer groote schulden!—Hola August, waartoe die zaak zoo gedurig te herkauwen, dat zou je ziek maken; waarachtig dat is tobben; dat is voor een goed deel de oorzaak van je hoofdpijn.—Voort! De brief aan Woudberg moet nog geschreven. ’t Geschiedt toch alles in Philips belang. Wie geeft meer, hij die zijn nachtrust opoffert in ’t belang van broeder of vriend, of hij die om te helpen geld leent van anderen!?—En Helmond schrijft:

....“Ik twijfel er niet aan beste Woudberg, of uw lieve Emma zal ongetwijfeld die kleine comedie wel mede willen spelen in ’t belang van onzen Philip. Op deze wijze—ik ben er haast zeker van—neemt oom het getal aandeelen, en zal Philip kunnen terugkeeren in den stand waartoe hij behoort. Wat uw goedheid voor mijn broeder betreft, ik zal er je steeds erkentelijk voor zijn. Zoo hij mede-directeur der nieuwe verzekeringsmaatschappij wordt, hij heeft het dan alleen aan mijn trouwen Everard te danken.—Wat echter de gelden betreft, die gij aan Philip hebt geleend, ik mag niet toestaan dat de arme jongen in dit opzicht uw schuldenaar blijft. Zeg hem niet dat ik die zaak voor hem vereffende. Gij zelf weet waarom.—Mocht hij u later het geld kunnen geven, welnu, dan ontvang ik het op mijn beurt van u terug. Hiernevens alzoo de....”

Geld! geld! geld! klopt het sterker in Helmonds hoofd. Opstaande trekt hij een paar laden van de prachtige schrijftafel los.—Zie, dat was nog de onbekendheid met de verdeeling of bestemming der laden. Deze is voor de rekeningen. De rekening die bovenop ligt is van den Utrechtschen bloemist. Helmond was die bijna vergeten. En vluchtig leest hij: “Voor UEd. aan heesters en bloemen: driehonderd en dertig gulden” Welnu, ’t is immers voor eens, en zoowel voor Eva’s serre als voor dien grooten verwilderden tuin is er heel wat noodig geweest. Ah! deze la moet hij hebben. In weinige oogenblikken had Helmond nagezien hoeveel geld aan papier en contanten hij nog voorhanden had. Honderd negentig gulden en eenige stuivers! [246]’t Is een luttele en bovendien een zeer negatieve bezitting, met het oog op den inhoud van de lade, die hij het eerst had geopend. De groote schulden zijn wel alle door de hulp van den notaris kunnen vereffend worden, maar hoeveel is er niet nagekomen, en om zich telkens weder bij den notaris aan te melden, dat stuitte hem tegen de borst.

—Neen de praktijk moet het goedmaken, en langzamerhand zal alles terechtkomen.

—Desnoods kan hij zijn weinige vrije uren aan het schrijven van eenig medisch werk besteden; een populair boek ’twelk men flink honoreeren moet.

—Maar voor het oogenblik?—Aan Woudberg wil hij tweehonderd gulden terugzenden. Woudberg is een beste jongen, maar ’t was niet te dulden dat hij het huisgezin van dokter Helmonds broeder onderhouden zal. Tweehonderd gulden!—En het weinige dat daar ligt, al ware het voldoende geweest, kan hij het missen? Wat zou het zijn, geheel zonder geld te zitten in ... een woning met twee zalen! En dan, is niet verreweg het grootste deel van dit geld het kwartaal, ’twelk hij morgen volstrekt aan Thomas moet voldoen! Zie, hij had geen onwaarheid gesproken: ’t Ligt hier immers klaar in zijn schrijftafel.—Goddank! daar wordt het eensklaps voor zijn starenden blik als brak de dageraad aan: Donerie’s monument! Een andere kleine lade is ras geopend.—Naast eenige papieren, inteekenlijsten en correspondentiën over het op te richten gedenkteeken—ligt een kleine portefeuille. Helmond, die zich gaarne met het bewaren van de reeds ingekomen gelden heeft belast, neemt haastig de portefeuille en ... Neen, leg neer, dat is misbruik maken van vertrouwen. Dit geld moet tot het bestemde doel onaangeroerd blijven!—Maar is er dan niets, volstrekt niets meer in de roode tasch, waarin hij vroeger als vrijgezel zijn schatten bewaarde?—Hij kan dien ouden getrouwe toch licht nog eens even inzien. Er was links immers zoo’n klein zakje waarvan de voering wat loszat; wie weet of daarachter...? Wie weet?—Neen! de flauwe hoop is reeds in damp verdwenen. Al de zakken en binnenzakjes van de roode tasch, werden doorzocht, maar niets was er te vinden. Deze schatbewaarder van weleer, was, evenals boer Dirksen, nóg rood, maar dood!—Hu! welk een dwaze gedachte was dat! Daar is iets krankzinnigs in zulk een gedachte ... Krankzinnig!—Stil, hij mag zelfs aan dat woord geen plaats geven, ’t Is natuurlijk dat hij wat overspannen is. ’t Wordt hoog tijd naar bed te gaan. Doch de brief die daar ligt moet voltooid, en aan hetgeen erin staat moet voldaan worden.

—Waarom mag hij dan eigenlijk die tweehonderd gulden niet leenen van de zeshonderd en vijftien, die men reeds voor een eenvoudig gedenkteeken op Donerie’s graf bijeen heeft gebracht?—Waarom? Omdat toevertrouwd geld ons heilig moet zijn. ’t Is het geld ter vereering van een geliefden afgestorvene.—Geld?—Mag dit doode bankpapier de tolk dier vereering heeten? Neen, ’t zal slechts het loon worden voor den arbeid. Het monument zal de vereering dier nagedachtenis wezen. Dit geld kan door ander vervangen [247]worden, indien het maar gereed ligt wanneer men den arbeid betalen moet. Waarom zou hij niet...? Nee! Nee!” zegt Helmond eensklaps overluid, en hij schrikt schier van zich zelven. “Nee!

En toch, slechts luttele seconden later heeft hij zijn besluit gewijzigd: Van zich zelven had hij niets te geven, maar wat dáár in geld lag—het geld voor dat monument—immers hij mocht het met recht voor een groot deel het zijne noemen. Zie maar, het gouden repetitie-horloge met den zeer zwaren horlogeketting, waarvan hij zich nu ontdoet, het wordt in de lade gelegd naast die kleine portefeuille waaruit hij twee—neen vier biljetten van honderd gulden genomen heeft. En—geld, geld, geld, bonst weder het hoofd. Maar immers, zijn daad kan zelfs den toets der strikste eerlijkheid doorstaan. Ligt daar geen waarde voor waarde!?

Zooeven had de pendule halftwee geslagen. Helmond schreef weer, en sluit nu zijn brief.—Alles was stil, doodelijk stil.—Een geweldig schellen aan de huisdeur klinkt eensklaps door de holle woning en doet den wakenden dokter hevig ontroeren, ’t Verschijnsel dat men in den nacht aan een doktershuis de slapenden komt wakker maken, is zeker niet vreemd, en in denzelfden stond begrijpt Helmond dan ook dat men voor een zieke zijn hulp komt inroepen; doch in deze oogenblikken was het zeker niet onnatuurlijk dat Helmond, bij ’t hooren van den hellen klank, is overeind bevlogen met een gevoel, alsof men hem op een misdaad kwam getrappen.

Eerder dan men verwachten kon heeft de dokter zich hersteld. Snel zijn kamer verlatend is hij op het breede bovenportaal naar het raam gegaan ’twelk op ’t marktplein uitziet.

Het raam opgeschoven, roept hij naar buiten:

“Wie daar?”

“Ik!” klonk het antwoord, ’twelk zeker het meest voor de hand lag; doch spoedig ook werd die inlichting achtervolgd door de bijvoeging: dat menheer Van Hake liet zeggen of dokter, als hij ’t eenigszins kon doen, toch alsjeblieft dadelijk bij vrouw Sturk wou komen, ’t Was noodig, en de kuiper ging zoo vreeselijk aan. Als dokter niet kwam dan zou de kuiper gek worden, zeidie, want vrouw Spanning had hij al gedreigd de deur uit te smijten.

—Van Hake! Vrouw Spanning!—Helmond begreep niet wat dit alles beteekenen moest. Maar, duidelijk klonk het naar beneden:

“Zeg dat ik aanstonds zal komen.”—En het raam ging weer dicht.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Des anderendaags morgens ging Bus, de nieuwbakken huisknecht—die toch zijn oude functies bleef waarnemen—reeds [248]zeer vroegtijdig naar het nieuwe doktershuis. Het was tegenwoordig halfvijf wanneer hij aan de tuinpoort schelde—niet om de meisjes “die katten” te doen opstaan, maar om ze de rust te gunnen wanneer ze hem maar, inplaats van open te doen, den sleutel van bovenneer toewierpen.

’t Zoldervenster werd eenige oogenblikken later geopend, en de nachtmuts van Kaatje, waarin een aardig ondeugend gezicht stak, vertoonde zich in de hoogte, en Kaatje wierp hem den sleutel toe.

“Zoo, ben je daar ouwe palfrenier. Pak aan! Klets.—Da’s jammer, ’t was op je neus gemunt. Ons roepen om zes uren hoorje! Een kwartiertje erover is ook goed. Zorg dat je water voor onze koffie hebt, taaie! En zie wat er op de lei staat. Bezoer!”

Bus zag wat er op de lei stond:

“Daadelijk die briev in je naamgenoot bezorgen ouwe slaaprok.”

—k’Hem!—Bus vond den brief bij de lei liggen. Aan ’t adres van mijnheer Debecque. Ja die moest vroeg bezorgd worden, en hij zal hem dan maar ’t eerst naar zijn “naamgenoot” brengen—k’hem—maar wat er op die lei staat dát zal nog eerder weg: En Bus veegt de lei schoon.

Toen Kaatje een paar uren later dokter en mevrouw ging “kloppen”, toen was mevrouw reeds bij de hand, want ofschoon zij nog geheel in nachttoilet was, aanstonds opende zij de deur der slaapkamer, en gaf Kaatje bevel om het briefje aan mijnheer Debecque, dat dokter gisterenavond gegeven had, nog niet weg te sturen, maar wel de twee brieven, die nu op het portaaltafeltje lagen. Kaatje moest goed toezien, de brief naar Amsterdam moest worden aangeteekend zooals dokter gezegd had.

Voorts zouden de meiden immers wel heel, heel stil zijn, want dokter is bijna den ganschen nacht uit geweest, om vier uren thuis gekomen en nu pas ingeslapen. Mijnheer had ook dit recept voor zich zelf geschreven; Bus moest er dadelijk mee naar mijnheer Van Hake gaan, en dan meebrengen ’t geen deze hem geven zou. Tegen acht uren zou hij mede een vigilante bestellen, want dokter moest vroeg naar De Schebbelaar. Maar sust! geen leven, en vooral geen geklop meer.

—Wel heerejee, zegt Kaatje bij zich zelve, nu haar mooie mevrouw de deur weer dichtdoet: Zukke kinders! wat al complimenten! Wel heerejee, kun je ook nog meer in één adem een mensch op z’n lijf jagen!—Bon, best, ’t zal allemaal plaats hebben; maar als Bus al die viezevazen moet doen, dan kan Kaatje messen slijpen en aardappels schillen en schoenen poetsen. Mersie zeit de Franschman; we kunnen dat luchtje zelf wel scheppen. De brieven da’s één; ’en wandelingetje naar Zoethout is twee; ’en viselantje is drie, en—Careltje van den bakker da’s vier.

“Waar heb jij dat briefje voor Debek Bus?”

“Al bezorgd Kaatje.”

“Domme eend; dat moest niet.”

“En ’t stond op de lei?” [249]

“Nu taaie, wat is ’en lei! Als ’t schrift was; maar leischrift kun je immers uitvlakken.”

Bus had Kaatje wel eens eventjes met dien schoenborstel...... maar.....

’t Is gelukkig voor Kaatje dat ze er zoo schalks uitziet en zoo’n mooie rooie kleur heeft, want anders: “’t is een dierazie!”

Kaatje vond de morgenlucht allerverkwikkendst. Met den huissleutel boven op de beide brieven; een schoonen boezelaar vóór, en een hagelwit mutsje op, stapt ze zeer langzaam het marktplein over. Wat zou ze eerst doen?—Dat eind naar de post lag uit den weg. Careltje van den bakker stond nu zeker met de mooie forsche armen—zoo natuurlijk—in de bakkerij voor ’t open raam aan den wal; niet ver van Zoethout; niet ver van de vieselantes. Zal ze eerst de brieven bezorgen? Maar als Careltje dan eens in dien tijd gedaan had.... Ze zal de brieven ’t laatst bezorgen, welzeker, da’s sekuurder.

“Goeje morgen vrijster! Kaatje van dokter Helmond niewaar? Iets verloren? Je stondt zoo in gedachten. Toch alles wel thuis?—Zoo vroeg al op ’t pad!”

“Wat meen je menheer?” vraagt Kaatje strak.—’t Was de klok.

“’k Zal ’t je zeggen. Juist op weg om even bij jelui aan te loopen. Gisteren gehoord, dokter niet heel fiksch was. Watblief? Treurig geval met boer Dirksen niewaar? De heele stad vol van. Je zult er alles van weten.”

Kaatje wist van niets; maar van dien gek met z’n spillebeenen begeert ze niets te vernemen.—Careltje kwam toch óók overal en wist evengoed alles.

“Of dokter van nacht al of niet is uitgeweest?” herneemt Kippelaan: “Watblief? ’t Is maar eenvoudig een vraag. Vrouw Sturk, je hebt het gehoord; treurig afgeloopen niewaar?”

Kaatje brandt van nieuwsgierigheid om al het nieuws te hooren waarvan ze niets vernam, en waar haar meester zoozeer in betrokken schijnt. Maar van die klok met z’n gewauwel wil ze niets weten. Ze zal ’em in ’t riet sturen, en dan als de wind naar Careltje!

“Om je de waarheid te zeggen menheer Kikkelaan....”

“Kippelaan m’n lieve meid! Kippelaan, Jules Janin!”

“Juist, ik wou maar zeggen dat de dokter zoo gezond is als ’en visch; dat ie den heelen nacht rustig heeft geslapen, en ook nog in lange geen plan had om op te staan. Nee, in’t geheel niet. Nou, als jij, menheer Kikkelaan, zoo’n jonge vrouw hadt, dan... Atjuusjes!”

“Kaatje, m’n lieve.... à propos?”

Kaatje omziende: “Hê, riep je me?”

“Nee, roepen niet. Maar ik zie je den Hoenderveldschen kant opgaan, terwijl je daar brieven voor de post hebt....”

“O wou jij die voor me bezorgen! Jongens ja, dan zou je ’en bolletje zijn.”

Kippelaan heeft een sterk bewijs van aarzeling gegeven: [250]

“Bezorgen!—tuterletu! bezorgen! Wát zeg je, deze frankeeren!—ei!—Ja maar m’n lieve Kaatje, je begrijpt....”

Eensklaps, nadat hij vlug de adressen had gelezen—waarom ’t hem inderdaad voor ’t oogenblik slechts is te doen geweest—neemt hij de brieven met een merkbare gejaagdheid van Kaatje aan; steekt ze zeer haastig in den zijzak van zijn jas die hij aanstonds dichtknoopt, en Kaatje groetend stapt hij haastig voort.

Weinige minuten later bevindt Kippelaan zich met de beide brieven op zijn slaapkamer, die de achterste is der beide bovenvertrekken welke hij bewoont, en onder andere dit verschil heeft met de zitkamer, dat hier slechts twee, en vóór—behalve een kleintje—drie spionnetjes uithangen.

Kippelaan had het onbeschrijfelijk warm. De gordijn voor het venster wordt neergelaten. Ontelbare malen heeft hij van dat venster naar de deur gezien.—Ha! nu was het gevonden! Twee stoelen worden er tegen de goed gesloten deur gezet, en, dwars over die stoelen ligt al spoedig het beddetafeltje, beladen met zooveel wit en blauw aardewerk als er maar voorhanden was en op den zijkant kon geplaatst worden.

In ’t sleutelgat der deur zit een watje.

—Phu! Kippelaan krijgt het waarlijk al te benauwd.—Wil hij kwaad!? Waarachtig niet! ’t Is zoo goed als een bestiering. Jawel, een bestiering! Praatjes, allemaal praatjes werden er rondgewauweld.—Kippelaan kan dat gewauwel niet velen—en een weldaad zou het voor de familie Helmond en aanverwanten zijn, indien men uit echte bron aan al die praatjes een eind kon maken. En, twee brieven van den dokter zelf zullen alles bevatten wat men te weten noodig heeft. Welzeker, familie-omstandigheden zal men vernemen uit den brief aan juffrouw Van Barneveld—het ideaal enfin,—en financieele zaken uit een brief met drie lakken naar de groote koopstad.

Ofschoon zedelijk verplicht tot de inzage van brieven, die hem “zoo ongezocht in de handen werden bestierd”, aarzelt Kippelaan toch, aleer hij tot de voorgenomen operatie besluit, ’t Was anders doodeenvoudig; de spiritusvlam onder de bouilloir brandt fiks, en het theewater dat alreeds van de kook was geraakt, begint weer te razen dat het een lust is. En zie, terwijl de brief aan Jacoba, die in een gom-couvert was gesloten, nu reeds op den geopenden ketel ligt, steekt Kippelaan ter ontzegeling van den gelakten brief, een mes in de groote spiritusvlam, meenend dat het hem gemakkelijk zal vallen door middel van een gloeiend mes, de zegels, zonder de stempels te beschadigen, wat los te maken.—Er stond hem zoo iets van voor.

Gedurig naar de gebarricadeerde deur, en een paar malen zelfs naar het donker onder zijn ledikant ziende, heeft Kippelaan nu reeds—ofschoon met eenigszins bevende vingers—den brief van Jacoba uit het losgelaten couvert genomen. En.... hij zal smullen:

“Lieve Jacoba, beste zusje!”


—O God wat is dat!? Men klopt op de deur: [251]

“Hé! Watblief? Wie is daar?”

—Heeft hij goed gehoord, zijn ze daar om de brieven!.... O goeje God!..... Watblief!?”

“Kan ik er niet in; scheelt er wat aan?” roept men van buiten.

“Nee niemendal.... Een beetje ingeslapen!”—Lieve hemel! Het klamme zweet parelt hem onder den neus. Jacoba’s brief is reeds tot een bal ineengefrommeld.—Waar blijft hij er mee.....? Ha! In den ketel! Voort, zóó, het deksel er op!

“Maak ’em open menheer!”

—Openmaken! Nee waarachtig niet! Althans hij heeft geen idee gehad om er iets uit te nemen.

“Maak de deur dan eens open menheer!”

“De deur! Ahzoo. Jaja! Dadelijk hoorje.”

—Nee, dien brief met waarde in den ketel te stoppen, dat ging niet.—In ’t bed! onder de matras, tot nader order. Goeje hemel, hij beeft over al zijn leden.

Kippelaans hospita hield er een looper op na “voor zekere gevallen, weet u, dat er een sleutel zoek was. Ze heeft dien looper maar even gebruikt omdat menheer waarschijnlijk iets scheelde. En, terwijl ze nu met fermeteit de deur opent teneinde te zien wat Kippelaan weerhield om den brief aan te nemen dien ze hem brengen kwam, geeft de dikke hospita een gil van ontzetting, want, met een vreeselijken slag, die haar gansche woning deed dreunen, sloegen honderden scherven van glas en aardewerk met beddetafel en stoelen voor de voeten van den rillenden Kippelaan neer.


Intusschen heeft Kaatje, van haar Careltje, die trouwens een groote Carel is, een heeleboel nieuws vernomen. Ten eerste vernam ze “met ijzing” ’tgeen er van De Schebbelaar bekend werd, en hoe er over de handelwijze van haar heer en meester wordt geoordeeld, ’t Was God geklaagd om iemand zoo aan z’n eigen over te laten, en willens en wetens met een gerust hart de eeuwigheid in te sturen. Als er zóó met het rijke volk als Dirksen wordt geleefd, zei Careltje, dan kunnen menschen als wij en ons-gelijken wel op de vingers natellen hoeveel we zoo’n dokter waard zijn; hij mag dan zoo knap wezen als de neef van menheer Kippelaan.”

“Ja, maar Kippelaan zei al gisterenavond dat ie ’t vak voor z’n pleizier dee;” verzekert de molenaar die mede aan de bakkerij was gekomen.

“Maar dat is juist het gemeene;” herneemt Careltje, en wrijft met zijn “natuurlijken arm” een kruimel deeg van de wang: “Als dat dan waar is—zooals gisterenavond de smid ook al gehoord had—dat ie namelijk een vondeling en ’t kind van een schatrijken graaf zou wezen, dan zeg ik dat zoo’n man d’r uit moest scheien met tongen te bekijken en de menschen naar de eeuwigheid te helpen.”

“Een graaf!” zegt Kaatje, vuurrood geworden: “Is hij een graaf! Ben ik bij een.....?” [252]

“Jawel, dat zeggen ze allemaal. ’En mooi ding! ’En graaf met ’en apetheek. ’t Is schande!”

“Voor vier duiten drop!” grinnikt de molenaar.

“Nee maar gekheid is gekheid;” herneemt Careltje die geen gekheid verstaat: “Ze hebben—niewaar Kaatje—gisterenavond visite gehad?”—Kaatje knikt—“Zie-je, gesmuld en gebrast! En dan intusschen iemand te laten doodkrimpen die, zooals ze zeggen, Godsterwereld niks mankeerde, en dat omdat meseu de dokter z’n eigen liever op zijn gemak zet.”

“Nee Careltje, gemakzuchtig is ie niet, da’s niewaar. Ik zie ’em tegenwoordig dikwijls heen en weer draven naar dien wal dat ie d’r bleek van wordt. En dat moet ie om die aptheek. Ik zei: as ie ’m in z’n huis nam; zoo’n kazerne van ’en huis! maar daar heeft mevrouw geen zin in. Nee gemakzuchtig, nee!”

“Maar ik zeg,” valt Careltje in, terwijl hij, om Kaatje niet af te stooten, haar met den natuurlijken arm om den hals pakt: “ik zeg dat jij gelijk kunt hebben, maar dat ik gelijk heb ook; of zou je me willen aanpraten om ooit weer ’en dokter te roepen die, God beter’t, binnen ééne twaalfuur tweemaal naar zich fluiten laat?”

“Tweemaal?”

“Ja waarachtig meid;” valt de molenaar in: “Weet je dát nog niet? Vrouw Sturk heeft ze van morgen tegen halfdrie ook al genacht gezeid.—Verknoeid! ’t Was niet alles in orde. Van Hake de bediende—je weet wel—had verteld dat z’n baas ziek was, en geraden om vrouw Spanning te halen..... Maar jawel, ’t is verschrikkelijk! Toen dokter dan eindelijk toch om ’en uur of twee was komen aansukkelen, toen had de kuiper juist in woede vrouw Spanning de deur uitgesmeten.

“Heere beware!” zegt Kaatje.

“Ja, en wat het ergste was: van de kunst was er geen heil meer te wachten. Gekonfiskeerd! ’t Mot er toen gerookt hebben van belang, en ze zeien dat Sturk hem een pak slaag had gegeven, niet gering!”

“Nee, da’s gelogen!” valt Careltje in: “Menheer Kippelaan, die voor een half uurtje hier even aan ’t raam was, wist alles precies van Mie de schoonmaakster: Sturk zou dokter zeker aan ’t huis zijn gekomen, maar menheer Van Hake had hem tegengehouden, en een oogenblik later gelegenheid gevonden met den dokter door een zijdeur te ontkomen. Van Hake moet nog een leelijken veeg hebben gekregen. Maar ’t was ook meer dan erg! Zoo’n wurm van een vrouw......!”

“Nee maar ’t is gruwelijk! ’t is helsch zeg ik,” herneemt de molenaar: “’en leelijken naam hêt ie ook: Hel-mond!”

“Ja Dores, daar heb je wel gelijk aan, al ’en heel gemeene!” bevestigt Careltje.

“Maar als de dokter dan toch ziek was!” zegt een bakkersknechtje, die met een langen stok waaraan de natte ovendoek zit, het groepje in de deur der bakkerij was genaderd.

“Ziek! wát ziek!” zegt Careltje: “als je ziek wilt wezen dan moet je geen anderen willen gezond maken!” [253]

“Maar hij was niet ziek,” roept Kaatje, half in den waan dat ze dokter, met wien ze toch medelij heeft, door die verzekering nog eenigszins in zijn eer zal herstellen: “Hij is gisterenavond zoowat om half elf in huis gekomen; heeft—omdat mevrouw al naar bed was—op z’n kantoor smakelijk een boterham gegeten, en is toen doodbedaard brieven gaan zitten schrijven, blijkens dat er van morgen drie waren om naar de post te brengen....” Kaatje heeft bij deze laatste mededeeling eensklaps een kleur gekregen; maar men bemerkt het niet.

“Wat heb ik gezeid!? wát!” valt Careltje uit: “Zie je wel dat ie niet ziek was! De meid van Sturk die den dokter om twee uur ging halen wou het liegen heeten; maar d’r was licht op ’t kantoor! Menheer Kippelaan had het van Hent den klepperman zelf gehoord; en ik zeg: d’r brandt geen licht om twee uur op ’en kantoor of d’r moet iemand óp zijn!”

“Nee nee,” stemt het uit aller mond: “dat spreekt vanzelf; dát is bewezen! ’t Is schandelijk! Wie zou zoo’n dokter vertrouwen!”

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Toen Helmond door zijn Eva, te circa halfacht, met een zoen werd wakker gemaakt, en ze hem daarna met haar welluidend: goeden morgen! een geurigen kop thee met beschuit toereikte, toen gevoelde hij slechts weinig meer van ’tgeen hem, toen hij eindelijk ter ruste ging, voor slapeloosheid en zeer waarschijnlijk voor een ziekte deed vreezen.—Al zijn de uren die hij sliep slechts weinig in getal geweest, ze hebben hem zonderling verkwikt. Neen, ofschoon hij zijn hoofd rechts en links keert, de pijn is geheel verdwenen. De sombere voorstellingen die hem door het brein spookten toen hij zich bevend van overspanning tot slapen heeft gelegd, al die sombere visioenen zijn voorbijgegaan.

—En zie, zijn Eva, de schoone Hebe in haar gracieus morgenkleed, ze staat daar als een toonbeeld van zorgende liefde.—O goede God! nu ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hem heeft. Zij is in zorg geweest, over hém! Ze heeft gevreesd dat hij te vroeg zou wakker worden. Ja dáárom hield zij de vensterblinden ter halverwege gesloten ofschoon ze de ramen heeft opengezet, dewijl hij daar zeer op gesteld is.

En zie, daar kwam ze nu zelve met den verkwikkenden drank:

“Eva!”

“Lieve August, gaat het beter? Waarlijk beter?”

Helmond knikt, maar antwoordt niet. Hij ziet haar slechts in de schoone oogen; drukt haar fijne hand, en dan haastig den blik van haar afgekeerd naar de binnenzij van het ledikant, verdringt hij iets, [254]’twelk hem uit het hart naar het oog is gevloeid. Goede God, was er voor haar dan niets beters weggelegd dan de vrouw te worden van een eenvoudigen dokter! Zie, daar is wat hoogers, iets vorstelijks in die vrouw; en ja, bij al die gaven van schoonheid en talent, toont ze, in de liefde voor vader en echtgenoot, een engel te zijn.

“Eva!”

“Wat is er dan beste?”

“Ik ben zoo gelukkig Eva.”

“Nu lieve man, dat klinkt me waarlijk als muziek in de ooren. Ik heb van nacht den heelen tijd allerlei gekheden gedroomd, en ook dat je heel boos op me werdt; en je grijnsde me zoo akelig aan.—Ja ik weet het zelf niet meer: ik droomde dat we te Parijs waren, en dat we meespeelden toen ze de Faust gaven. Eerst was jij Faust en toen.... ik weet niet, toen werdt je eensklaps Mephisto, en, toen schreeuwde je me zoo akelig toe: “Et Satan conduit le bal,” o zoo akelig. Zie, ’t is allemaal gekheid, dat weet ik wel; eerstens beduidt het niets, en tweedens hecht ik niemendal aan droomen; maar zoo’n gezicht blijft je ’s-anderendaags soms zoo bij. Toen je van nacht met hoofdpijn heel onplezierig thuis kwaamt, toen dacht ik, daar heb je ’t al met dien naren droom; als hij nu maar niet ziek wordt!—Ik heb er je niets van gezegd, hoewel ik er erg vervuld mee was. Maar mijn lieve man, nu kun je ook best begrijpen hoe heerlijk ik het vind om je, bij ’t wakkerworden ’t allereerst te hooren zeggen: Eva, ik ben zoo gelukkig!—Komaan mon cher monsieur le comte—nu wacht maar, ik geef den moed nog niet verloren, al was papa er wat tegen,—komaan, we zullen aan geen akelige droomen meer denken; peuzel jij die beschuitjes nu maar op, dan zal ik je eens laten kijken hoe heerlijk vandaag het zonnetje schijnt, ’t is een lust!”—Eva opent nu de vensterblinden, en, aanheffend zingt ze tevens met haar klankvolle stem, zoodat men zich in den zonneschijn zou wanen al zag men den regen ook stroomen:

“O Sonnenschein, o Sonnenschein,

“Wie scheinst du mir in’s Herz hinein.

“Weckst drinnen lauter Liebeslust,

“Dass mir so enge wird die Brust!

“Dass mir so enge wird die Brust!”

Een kwartier later is Helmond gekleed.

Ofschoon hij zich wel iets minder frisch gevoelt dan bij zijn allereerst ontwaken, toch moet hij bekennen dat het oneindig beter met hem is dan hij heeft kunnen verwachten. Daar komt zijn lieve vrouw alweder met een kop thee in het slaapvertrek.

“Eva, mijn eenige schat, mijn zonneschijn!” zegt Helmond en sluit haar in zijn armen; en dan, dan hoort hij ook van háár een schier nog welluidender toon dan daareven; want ook zij heeft gezegd: dat ze nu zoo recht gelukkig is.

En Eva had waarlijk reden om zich gelukkig te gevoelen. Nu ze haar woning had, en er alles zoo heerlijk was ingericht, nu waren [255]voor ’t oogenblik haar liefste wenschen vervuld. De kleine katastrophe van gisterenavond zou zeker geen gevolgen hebben, en, als zij het maar eens van de rechte zijde aanpakt, dan zal papa wel meer zwak op dien adel krijgen. Het voornaamste, waar het op aankwam, bleef toch het bewijs dat men aanspraak op dien titel had, en dat bewijs was reeds in handen van den majoor. Welnu, een klein beetje geduld; en dan, wanneer zij èn Helmond er maar op blijven aandringen en zich dankbaar betoonen, dan zal de majoor —tegen restitutie van onkosten, natuurlijk omdat hij aan al die stukken en bewijzen met zooveel moeite gekomen is,—ze wel aan hen afstaan.

Ja, Eva voelt zich recht gelukkig, want ofschoon het briefje aan de Debecque’s toch al verzonden was—omdat Bus beter hard draven dan dienen kan—ze heeft nu alle hoop dat August, wanneer hij zich zooals hij zeide wèl blijft gevoelen, ten genoegen van zijn vrouwtje nog een tweede briefje zal schrijven om die uitnoodiging tóch maar aan te nemen.—O die goede August! hij heeft immers voor ’t grootste deel uit zorg voor háár bedankt.

—Nu, dat behoefde waarlijk niet, haar hoofdpijn van gisterenavond heeft niets te beduiden gehad, en August zelf—waarlijk ze is er zoo blij om—hij voelt zich weer heelemaal fiks. Hoor, hij vraagt haar zelfs om nog eens dat lied: Natuur is mild te zingen!—Wat ziet hij haar tevreden aan! Ja als ze het nu wilde doordrijven.... van die groote partij hier aan huis tegen haar jaardag —ja, ze weet dan zeker dat hij toe zou stemmen. Maar ’t is nog niet noodig; en als men maar eerst bij de Debecque’s is geweest, dan komt die partij op haar jaardag vanzelf. Ze weet nu immers zeker dat die hooggeprezen zuinigheid iets is, waar men voortaan maar zonder veel woorden overheen moet glijden; ’t is een zwak dat het mannetje zich graag wat armoedigjes voordoet. Nu, in zulke scholen maakt men zulke leerlingen. Maar gierig, nee gierig is hij niet. Wat die nachtpraktijk betreft, daar moet hij van afstappen, dáárdoor alleen is hij met zoo’n dolle hoofdpijn en zoo laat naar bed gegaan. Mettertijd, als het gelukt met dat overbrengen van papa’s titel op hem—en waarom niet—dan moet hij de heele praktijk maar neerleggen. Iemand die bezigheid wil hebben kan ze altijd wel vinden. Men behoeft daarvoor niet de slaaf van iedereen, ja van je minste plebs te wezen. Hoe heerlijk al, dat men tenminste hier van die aptheeklucht bevrijd is. Bah! zoo’n aptheek!

O voorzeker, Eva voelt zich nu recht gelukkig; alles, alles lacht haar weer toe; en zie maar, het allermeest haar lieve August.

Doch Eva weet niet dat Helmonds glimlach, nu hij de vigilante ziet voorkomen en haar straks een zoen tot afscheid geeft, een zeer gekunstelde wordt; neen, want hij heeft haar niets gezegd, niets van zijn val, niets van het gebeurde op De Schebbelaar, en niets van den nacht aleer hij—Goddank, een weinig mocht slapen.—Waartoe haar onnoodig zijn leed te klagen; immers hij had haar vroeger vermaand dat de praktijk alleen voor den dokter is. [256]

’t Was reeds laat in den voormiddag toen dokter Helmond aan zijn woning terugkwam.

Eva meende te bemerken dat hij wat somber gestemd was.

Of hij zich weer minder wel gevoelde....?

“Nee Eva, nee; ik heb wat heel veel zieken bezocht, en er zijn er die van een dokter meer verlangen dan redelijk is.”

“’t Is een nare betrekking August, ik heb dat altijd gezegd. Geen oogenblik ben je zeker van je tijd; dag en nacht altijd voor Jan en alleman te moeten klaarstaan, en misschien nog heel dikwijls ondank voor zorg en moeite tot loon te krijgen!”

Er was veel waars in ’t geen Eva zeide.

“Ja ’t is jammer kindlief, dat het onverstand der menschen ons zoo dikwijls moet bedroeven. Waarlijk er is geen edeler werkkring dan de mijne. Maar, als men het onmogelijke eischt...!”

“Heeft men dat nú gedaan August?”

“Och—nú, en alle dagen. Maar wij zetten er ons overheen.... wij....”

“Welzeker,” valt Eva in: “in jouw plaats beste man, zou ik nooit naar eenig praatje van het wauwelig gemeen luisteren, dáárvoor sta je te hoog èn als dokter én door je.... andere maatschappelijke positie.—Als ik in je plaats was August, weet je wat ik dan deed?”

“Hé?” vraagt Helmond in gedachten.

En Eva zegt fier:

“Wel, den eerste die mij een woord durfde tegenwerpen of zich aanmatigen om mij in mijn praktijk de wet te stellen, dien zou ik bedanken en verzoeken een anderen dokter te nemen.”

—Bedanken!—August geeft met een pijnlijk glimlachje een antwoord ’twelk zijn vrouw—evenals dat glimlachje zelf—op rekening van zijn “eenig gebrek” stelt. Immers: “Waar zou de schoorsteen van rooken, als wij niet wat geduld oefenden?” heeft hij gezegd terwijl hij zich gereedmaakte om nu—na het koffiedrinken, —weer zoo spoedig mogelijk naar die nare aptheek te gaan.

Bedanken! heeft August in zich zelven herhaald, terwijl hij buiten de kamer en op weg naar het huis aan den wal, een paar malen de hand aan het hoofd bracht—aan dat hoofd waarin het alweer niet heelemaal pluis is.

Bedanken!—Neen zulke ruwe scènes heeft hij nooit te voren gehad; ze moeten eenig zijn in eens dokters praktijk. Op De Schebbelaar gekomen, heeft boer Geurtsen—de aanstaande toeziende voogd der tien minderjarige kinderen—hem zoo mogelijk nog brutaler dan den vorigen avond onder de oogen gezien, en gevraagd, of hij niet begrepen had dat hij op De Schebbelaar had uitgediend, en niet zoo “leep was om te vatten, dat de heele perementasie van de Dirksens en Geurtsens—over meer dan achttien hofsteden verdeeld—voortaan d’r eigen wel zou wachten om ’en dokter te nemen die zijn patiënten aan d’r eigen zelvers overliet, en onverlet den adem liet uitblazen?”

Bedanken! herhaalt Helmond met dien droeven glimlach. [257]Ha! zoo moet het maar gaan. Het rijkste deel mijner praktijk te verliezen, door.... Neen, de oorzaak had evengoed een andere kunnen zijn.—Maar toch, ’t klinkt op dit oogenblik zeker uit haar mond al zonderling: bedanken!—Mijn obstetrische praktijk schijnt door de omstandigheid bij Sturk nog bovendien een gevoeligen knak te zullen krijgen.

—Bedanken! in mijne omstandigheden....? Een pleegvader die zich misschien reeds heeft voorgenomen om zijn hand voor nu en de toekomst geheel van ons af te trekken. Een woning te bezitten waarvan geen steen ons eigendom is; een huis dat aan zijn bewoners steeds grootere weelde en altijd en altijd meer geld zal vragen. Schulden hier en schulden daar; niet onoverkomelijk, neen, maar slechts aflosbaar bij een toenemen van praktijk en inkomsten.—Bovendien een broeder die gebrek lijdt, en die, ofschoon er hoop op een goede uitkomst bestaat—bij een weigering van den pleegvader, toch maar alleen van den broeder hulp kan verwachten.—En dat huis aan den wal ’twelk reeds tweemaal, doch slechts in zijn geheel is kunnen verhuurd worden, ’t blijft nog altijd renteloos, dewijl ik immers mijn woord gaf dat de arme doktersvrouw het niet zou verlaten, en ook, ja, omdat Eva gezegd heeft, geen aptheek in haar nieuwe woning te dulden.....

Zoo denkende treedt Helmond de apotheek binnen.

“Al bezig Thom; dat is goed. Ik kwam Bus tegen, en gaf hem de recepten vast mee.—Je zult gemerkt hebben dat er een vijftal minder is dan waar ik je gisteren op prepareerde.—Boer Dirksens dood, zal collega Biermans voortaan weer wat minder rust gunnen. Nu, de man heeft nog ambitie genoeg, en—een groot gezin. Wat zoek je Thom?”

Thomas, die Helmond bij ’t binnenkomen ternauwernood had kunnen groeten, is “op stikken af”. Den lessenaar—terzij van de toonbank—heeft hij geopend, en terwijl hij deed alsof hij daarbinnen iets zocht, verborg hij zijn aangezicht voor den blik van zijn meester.

“Wat zoek je toch Thom?” vraagt Helmond nog eens. En dan—dan slaat de lessenaar neer met een slag, en bedekt Thomas zijn gelaat met beide handen, en... Nee, ’t is hem onmogelijk! hij kan niet spreken. De keel is hem als toegenepen, en de oogen schieten weer vol tranen.—Och God, hij had het zoo goed gemeend!

Helmond is zijn jongen vriend nabijgekomen, en legt hem de hand op den schouder.

“Nu Thomas, wat is er? Zeg, heb je weer ’t een en ander moeten hooren dat je om mijnentwil bedroeft?—Ik zal er je maar ineens doorhelpen mijn jongen, ’t Is niet plezierig, zeker; maar zulke zaken komt men te boven. Nu ik zelf hier en daar zooveel overdrevens moest hooren, nu ben ik al meer getroost dan gisteravond. Thom, wat er gebeurd is, het spijt me, maar mijn geweten zegt me dat ik niet willens een patiënt heb verzuimd. In een kleine plaats worden zulke zaken schrikkelijk uitgemeten; in den beginne zal mijn praktijk er een beetje onder lijden, maar dan...” [258]

“Och dokter!” valt Thomas nu bijna schreiende in: “och, als u eens wist hoe ik er kapot van ben; zooveel geschimp en geblaas tegen u, en mede door mijn toedoen, door mijn eigendunkelijk handelen! Och lieve God! ik meende het toch zoo goed!”

“Thomas, wees verstandig; al kan ik niet goedkeuren wat je hebt gedaan; dat je trouw hart het je heeft ingegeven daar ben ik zeker van. Komaan Thom, jij met je prettige natuur, je moest me vandaag wat opfleuren, maar geen gezicht zetten alsof Polen totaal verloren was.”

“Och dokter, hoe zal men lachen als men zich zelf zou willen afranselen en op water en brood zetten. U, aan wien ik alles ben verschuldigd, ú heb ik door mijn eigenwijsheid schandelijk benadeeld. Jawel, die Sturk is een wraakzuchtige vent. Wat boer Geurtsen nog zal zwijgen, dat strooit hij uit met een helsch pleizier.”

“Ho ho, dat kan toch zooveel niet wezen, ’t Was zeker veel beter geweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw Spanning heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden.”

“Hij heeft Biermans gehaald, en deze moet hem hebben toegestemd dat een tijdige en betere hulp haar zeker gered had. O, ’t is om te vertwijfelen dokter!”

“Ik geloof niet Thom, dat Biermans dat gezegd heeft.”

“Jawel dokter. Juffrouw Sillemond die zooeven hier was, en haar dochter, de vrouw van Winkelaar, kwam afzeggen—zoo’n feeks, alsof een dokter een barbier was!—diezelfde tang had Biermans zelf gesproken, en op haar vragen moet hij met een heel twijfelachtig gezicht de schouders hebben opgehaald.”

“Ei, is juffrouw Sillemond haar dochter komen afzeggen ... ei!” zegt Helmond terwijl hij even pijnlijk glimlacht; maar aanstonds vervolgt hij op luchtigen toon: “Ik wou wel eens weten Thom, wat twijfelachtige gezichten zijn. Bovendien, iemand die twijfelt weet niet, en iemand die er nog op den koop toe de schouders bij ophaalt, bekent tweemaal niet te weten.—Zwijg nu hierover Thomas. Gedane zaken nemen geen keer.”

“Nee maar die Biermans, die te hard en te schriel was om mij, toen vader al begon te sukkelen, een beetje met m’n Latijn en scheikunde voort te helpen, zoo’n kerel moet ú niet benadeelen door z’n leelijk gezicht tot een beschuldigend vraagteeken te verwerken.”

“Bedaar Thomas. Biermans is altijd heel wel met me geweest.”

“Ja, omdat u een engel van goedheid bent; maar ik weet wel waardoor zijn broodnijd tot broodwraak is geklommen, al zet hij in uw gezelschap een kermisgezicht. Dat u sedert uw huwelijk, geen avondjes meer bij hem komt doorbrengen omdat mevrouw er geen lust in heeft, dat steekt hem. Mevrouw moet eens aan Pietje zijn oudste dochter heel openhartig hebben gezegd: dat ze den toon bij haar ouders aan huis, sinds haar verblijf in Den Haag, niet best meer verdragen kon. Daar zit ’em de angel dokter: en dan uw mooie huis! ja, wat hij u benadeelen kan, dat zal hij niet laten; en och beste [259]beste dokter, dat ik nu dien plattelandsscharrelaar zulk een venijnig wapen in de hand moest geven!—Och dokter,” barst Thom nu werkelijk in tranen los: “Och vergeef me,—al ben ik misschien geen wegschoppen waard.”

Een groot uur later waren, inweerwil van Thomas’ bewogen gemoedsstemming, de recepten klaargemaakt, en trok Bus er de stad mee in.—Bus kreeg dien dag nog meer te slikken dan al het “bocht” ’twelk ie in z’n mand had. Maar Bus kon zwijgen, en als Bus antwoordde dan zei ie eenvoudig:

“Als Onze Lieve Heer trekt, en dokter trekt, wie zou ’et dan winnen hé?” Maar ook een anderen keer:

“Weet jij wát je doen moet? Laat je eerst door Biermans verknoeien, en als je dan “verknooien” en voor de pieren bent, zeg dan aan vader Abraham: complement van Lange Bus, en dat je ’en gek was!”

Toen Helmond de apotheek wilde verlaten, trad mevrouw Van Hake juist uit haar huiskamer de gang in, en verzocht op zeer beleefden, schijnbaar eenigszins kouden toon: of zij dokter even mocht spreken.

Helmond schrok onwillekeurig, ’t Was hem—doch slechts een oogenblik—alsof het weer tikte en klopte in ’t hoofd zooals gisteravond en in den nacht. Immers ’t is nu reeds bijna een maand dat het kwartaal was verschenen. Neen, men zal hem dáárom niet te spreken vragen, ofschoon het geld hier zeker noodig is, maar uit die achterlijkheid kon men licht gevolgtrekkingen maken die hij graag voorkomen zou.

“Mij spreken, met genoegen!” zegt Helmond.

De weduwe laat den dokter voorgaan, en doet dan de deur der huiskamer zachtjes achter zich toe.

Er was iets bijzonder deftigs, ja schier plechtigs in de wijze waarop de weduwe haar jongeren vriend ontving. Haar kleed van eenvoudig zwart merinos was geheel in harmonie met de uitdrukking van haar gelaat. ’t Is te raden dat het haar moeite heeft gekost om tot dit onderhoud te besluiten. Thomas weet waarover het loopen zal. Moeder en zoon hadden het afgesproken; ze waren er onherroepelijk vast toe besloten. Wat er gisteren, wat er in den nacht—mede door Thomas’ schuld zooals hij blijft volhouden—in dokters praktijk gebeurde, het heeft de schaal geheel naar die zijde doen overslaan.

Mevrouw Van Hake mag niet langer van zooveel goedheid misbruik maken. Haar wonen in dit huis is een jaarlijksche schade voor Helmond van minstens driehonderd gulden. De weduwe van een Van Hake mag dat niet blijven genieten om Godswil, wanneer zij bijna zeker weet dat haar weldoener zich door wat al te groote toegevendheid, in erger moeielijkheden bevindt dan hij toonen wil. —O, had zij vooruit geweten hoe het tusschen den generaal en zijn pleegzoon stond, ze zou den laatste al vroeger als een moeder hebben gesmeekt, om toch niet toe te geven aan de steeds hoogere eischen van zijn schoone maar nooit tevreden vrouw; ze zou hem [260]gewaarschuwd hebben, om geen huis te koopen waartoe hem de middelen ontbraken, en waardoor hij een reuzentred zou vooruitgaan op het pad, ’twelk hem moest voeren tot jammer en ellende.

—Neen, ze heeft het toen niet geweten. Zij had mede geloofd dat dokter toch inderdaad van zichzelf nog al middelen bezat, meer dan hij gewoonlijk blijken liet. Maar Thom heeft het op De Zonsberg anders vernomen, ’t Was toen te laat voor die waarschuwende stem. Doch nu, wat men herstellen kan, dat moet geschieden Mevrouw Van Hake zal haar weldoener als vriendin, als moeder toespreken. Raden zal ze hem—maar met groote bescheidenheid. En dan, ze zal hem haar stellige voornemen meedeelen, om met Thom deze woning te verlaten, dewijl ze vast besloten heeft, in een achterstraat zeer goedkoop een paar tamelijk nette kamers te huren. waarin ze een kleine stramien- en wolzaak beginnen wil.—Muurvast zal ze bovendien weigeren om langer voor Thom een honorarium aan te nemen, ’twelk hij waarschijnlijk nergens in’t heele land, en althans niet in een apotheek als deze, ter assistentie van een zelfhandelend dokter, zou kunnen bedingen. Zóó moet men tot een zuivere verhouding komen. De omstandigheden gebieden het.

Ofschoon Thomas weet waarover het gesprek moet loopen, zijne moeder heeft het gepaster gevonden dat hij er niet bij tegenwoordig zou zijn, vooral na hetgeen er dezen nacht gebeurd is.

Maar hoor, nadat de weduwe zich reeds een geruimen tijd met haar vriend heeft onderhouden, gaat de deur der huiskamer weer open, en roept mevrouw Van Hake met een van aandoening trillende stem naar de zij der apotheek:—“Thom! Thom! kom eens hier?”

Thomas spoedt zich zoo snel als hij kan naar de huiskamer.

“Thomas,” zegt mevrouw Van Hake terwijl ze gedurig met groote moeite haar aandoening bedwingt: “ik ben tegen onzen trouwsten vriend niet opgewassen. Zeg jij eens jongen, dat we vast, vast besloten hadden....”

“Ja dokter, ’t kan niet anders. Moe is er nu overheen. Niewaar moe?—U die tegenwoordig zooveel tot uw last hebt, u mogen wij verder niet bezwaren. Nee dokter, zeker niet!”

Helmond is voor ’t uiterlijke kalm. Indien hij niet wat bijzonder bleek had gezien dan zou men zeggen—zooals hij rustig te luisteren zit, en nu nog even wacht alvorens te spreken—dat hij daar poseeren kon voor de type van een krachtig en helderdenkend man:

“Straks Thomas, ben je me haast wat al te nederig en smeekend geweest, maar nu val je weer wat te kras in een anderen toon;” zegt Helmond; en dan met gezag: “En mijn antwoord is: Zoolang Thomas, als je bij mij in betrekking bent, zoolang blijven onze condities onveranderd. Ons contract loopt van jaar tot jaar, ingaande met de maand Mei. Wil je van patroon veranderen, dan waarschuw je mij tegen Februari; of, zie je de gelegenheid schoon om ergens op billijke voorwaarden een apotheek over te nemen—je weet wat ik vroeger aan je vader beloofde—we spreken elkander dan nader. Maar tot zóólang geen oproer alsjeblieft; er is helaas genoeg gehaspel in de wereld.” [261]

“Dokter!” valt Thomas in: “op gevaar af dat ik u nog grief op den koop toe: Ziedaar, ik moet het u zeggen: Moe en ik we kunnen, nee we willen het brood om Godswil niet langer eten. We willen van iemand als u, die al werk hebt om zelf rond te komen... ja sinds u een vrouw hebt die...”

Mevrouw Van Hake schrikt van Thomas’ woorden, en heft—alsof ze een storm wil bezweren—haar beide handen omhoog.

Helmond is opgestaan. Nu is zijn blik zoo gestreng als men dien zelden of nooit van hem ziet.

“Zwijg Thomas! Niet verder! Als je me waarachtig een hart toedraagt, zooals je nog straks hebt gezegd, en ik altijd geloofde, dan komen zulke woorden niet meer over je lippen. Sinds ik een vrouw heb Thom, ben ik voor alle menschen die ik hoogacht en liefheb, zooals voor je brave moeder en voor een trouwen vriend zooals jij, dezelfde gebleven.”

“Och dokter, dokter! Mijn jongen meende dat niet!” smeekt mevrouw Van Hake.

Thomas ziet strak naar den grond, ’t Is nu alles verloren. O God! Hij is een ezel, een gek! een ellendeling!

“Uw zoon meent het goed, maar hij dient van u nog te leeren mevrouw, dat men niet alles zeggen kan wat men denkt. Kijk niet meer als een arme zondaar Thom!—Hier is mijn hand. O! je hebt van oom Van Barneveld wat al te veel fraais vernomen; ik begrijp het.” Met klem: “Maar ik zeg je, dat diezelfde vrouw mij ten stelligste heeft verboden—ofschoon het natuurlijk ook mij nooit in de gedachte zou gekomen zijn—ik zeg: diezelfde vrouw heeft mij verboden om uw lieve moeder, op welke wijze dan ook, zij het zelfs tegen een ruime vergoeding te bewegen tot het verlaten van eene woning, waaraan zij zoozeer gehecht is. Die vrouw, Thomas...”

“Maar dokter, mijn jongen zegt waarlijk niets tot Eva’s nadeel; hij is overtuigd, evenals ik, dat zij het hartelijk meent. Wij hebben er de bewijzen van. Hij bedoelde alleen dat uw huishouding zooveel meer kost tegenwoordig; niewaar Thom? dat u zoo heel veel uitgaven hebt, en dus... Spreek dan Thomas, ’t Was goed bedoeld niewaar Thom?”

Van Hake antwoordde niet. Hij stond even strak te kijken, en schimpte onhoorbaar met een bijna schreiende nijdigheid op zich zelven:

“Gek! Eigenwijs!—Leg een slot op je tong. Kuiken! Ondankbaar schepsel!”

“Geef mij de hand Thomas, en leer te zwijgen.”

Thom staart nog voor zich heen, maar eensklaps den blonden krullebol opheffend, ziet hij den meester met zijn blauwe—nu droefgetinte oogen zoo wonderlijk aan, en zegt op een toon waarvan een ijzeren hart wel aan ’t kloppen moest raken:

“Weet u wat ik op dit oogen blik zou wenschen...? Ik zou willen dokter, dat uw vrouw gerust sliep op ’t uiterste randje van een afgrond, en dat er dan een paar tijgers aan den eenen kant en een paar hyena’s aan den anderen kant tot een sprong gereed stonden. [262]Zie, en dan wou ik dat ik er eens bij was, met een dolk of revolver in de hand! Sakkerloot! tegen dat wild gespuis zou ik ’t willen opnemen voor haar; ik zou...”

Nu speelde er weer een glimlach om Helmonds lippen.—Thom zou het doen: hij meende het, de goede kerel!

“Genoeg!” valt hij in, terwijl hij den vriend nu bewogen de hand schudt: “’t Zou Thomas, een vrij kritiek parquet voor je zijn, en hoe hartelijk ’t mag wezen, ik zou er mijn wijfje maar liefst niet aan wagen. Ze moest onder jou heldenstuk eens verschrikt ontwaken en van dien rand naar beneden storten. Ziezoo—je sanglante voorstelling Thom, heeft ons weer een beetje vroolijker gestemd, en daar het al laat wordt, eindig ik ons onderhoud. Hoor eens mijn beste mevrouw, weet het nu wel en voor altijd: nooit zullen deze kamers zoolang als ú leeft—en God spare u lang voor ons allen—nooit zullen ze door iemand anders dan door u en Thomas bewoond worden. Uw zilveren Minerva-beeldje is ons contract geweest.

Thomas, eensklaps door Helmonds woorden tot de zekerheid gekomen dat zijn aangebeden moeder—’t mocht gaan zooals het wilde—levenslang in dit huis zal blijven, voelt een innige blijdschap zijn borst doorstroomen, en terwijl hij toch aan dat grootste bezwaar denkt, valt hij met een hartstochtelijkheid uit die wel eenigszins in strijd was met den raad dien hij ging voordragen:

“Moe zeg, als je hier, hier dan eens een mutsenwinkel gingt doen!”

En ja, nu moest Helmond wel lachen alsof er vooraf niets anders ware voorgevallen.

“Een mutsenwinkel!” herhaalt hij op eenigszins kluchtigen toon.

“’t Is een grandioos idee van je Thom! Nee voor trotsch m’n vrind, hou je me zeker niet, maar zie, eer ik dulden zou dat jouw moeder, de vrouw van dokter Van Hake, hier een mutsen..... Foei foei, we zouden nog waarlijk aan ’t lachen raken.—Basta! Ik moet naar huis.—A propos, we hebben nog een klein misverstand uit den weg te ruimen.....” Helmond heeft een portefeuille te voorschijn gehaald, maar laat die vallen, en vervolgt onder ’t langzaam oprapen: “Men schijnt dus ook hier wel eens te denken dat ik boven mijn financieele krachten ga. Ik geloof dat men zich daarover niet bezorgd hoeft te maken. Tot heden heb ik nog alles kunnen betalen wat ik schuldig was, en voor ’t overige...”

“Maar lieve dokter, wij vragen daar immers niet naar. Straks opperde ik alleen het vermoeden.....”

“We komen er nu maar niet op terug lieve mevrouw. Hier Thom zijn twee briefjes van honderd gulden, hier.—Honderd en twintig moet je er afhouden voor het verschenen kwartaal. Heb je niet weerom?”

“Ja maar waarachtig dokter, ’t is te veel, ’t is...”

“Als je me nu boos wilt maken Thomas, volstrekt...? Nu dan: ik verzoek je mij quitantie van de tweehonderd gulden ineens te geven, de overblijvende tachtig schrijf ik op het volgende kwartaal. [263]Ik hoop dat dit je toonen zal dat men de beste vrienden kan zijn zonder elkander juist te taxeeren.”

Thomas hoorde beweging in de gang.—Was de straatdeur open gebleven?—Nu, dat gebeurt overdag wel meer. Hij ziet de gang in.—Neen, er was niemand.

Nadat Helmond weinige minuten later vertrokken was, zag hij Kippelaan op eenigen afstand voor het raam van een komenijwinkel staan, waarachter echter niets bezienswaardigs was uitgestald. Tot Helmonds verbazing, heeft Kippelaan zich haastig omgekeerd zoodra hij den dokter bemerkte, en verdween hij om den hoek van een straatje, zoo snel als zijn spillebeenen hem vervoeren konden.—Och die brief, die waarlijk nog ongeopende brief met de drie lakken, hoe brandde hij hem in den zak. Maar hoe hij ’t er mee zou aanleggen!? Och goeje hemel, hij wist het niet. Misschien zou ’t toch maar het beste zijn om eens eventjes te zien of de inhoud zooveel angsten inderdaad wel waard was.

Toen Helmond Kartenglimps woning voorbijging, zag hij hem juist de deur uitkomen. Eensklaps gevoelde hij weer dat kloppen in ’t hoofd toen de majoor hem groetend terzij trad.

De majoor sprak van niemendal. Noch van het gebeurde op die conferentie gisterenmiddag, noch van een der treurige voorvallen die in Romphuizen een paar weken, of langer misschien, het hoofdgesprek zouden uitmaken, geïllustreerd met allerlei zeer belangrijke maar meest tegenstrijdige berichten omtrent dokter Helmond, zijn relaties, zijn fortuin en niet het minst zijne vrouw. Inderdaad, de majoor was zonder eenige rancune; zeer beleefd; gepast beleefd. Helmond gevoelt inderdaad eenig leed, omdat hij dien man misschien niet altijd juist beoordeelt.—’t Is waarschijnlijk nog steeds een gevolg van dien vroeger ontvangen indruk: au fond poltron!—Nu ja, maar voor nummer één mogen oud-militairen toch óók wel respect hebben.

“Salut! plezierige wandeling majoor;” zegt Helmond bij ’t afscheid.

“Bonjour... Eh! wat ik zeggen wou! Altijd tot je dienst hoor!” en Kartenglimp maakt een veelbeteekenend knipoogje: “altijd tot je dienst, ’t Zal wel terecht komen, als eindelijk de generaal... begrepen!?... Geen complimenten onder vrienden: a 5 percent. Gerust! Adieu!”


Weinige oogenblikken nadat Helmond straks zijn Eva verlaten had, is Kaatje met een groote doos in de Oranje-zaal gekomen, de boodschap er bijvoegende, dat de menheer uit Utrecht er was, met dit—en nog een heelen boel meer.

—Ha! hoe heerlijk trof het dat August nú uit is. Hij vond die dingen zoo licht vervelend. Juist, dit waren najaarsmantels volgens de laatste Gracieuseplaten.—Een fluweelen mantel voor den winter kon ze nu meteen bestellen, en dan—wat trof dat heerlijk—kleinigheden voor Woensdag als men naar de Debecque’s zou gaan. —Ja, voor eenige zaakjes in ’t belang van ’t geheim, daar mag ze ook wel aan denken. O! al ware August zelfs thuis geweest, als [264]ze maar ’t eerst van de benoodigdheden voor dat laatste gesproken had, dan zou hij de rest ook wel hebben goedgevonden. ’t Was inderdaad zoo’n beste man!

“U zult er dus voor zorgen?—Ja, met kant gegarneerd, eenvoudig maar rijk.”

“Zeer goed mevrouw, ik hou me dan maar aan den fluweelen mantel van de gouverneursvrouw, die is bepaald rijk en deftig.”

“Goed, in dat genre tenminste.—Overmorgen heb ik m’n jacquette niewaar? We hebben morgen al September.”

“We zullen ons best doen mevrouw.—Hoe vindt u dit wit cachemire? Mooi voor sorties!—We maken ze voor al de eerste dames. Heel nieuwe modellen.”

Eva beziet de stof.—Haar sortie is nog goed; ja, maar met rood; rood is zoo fameus opzichtig; blauw staat veel liever, veel fijner.

“Zou ie vast stellig Dinsdag kunnen thuis zijn?”

“Als ’t noodig was morgenavond mevrouw.—Jawel, uw taille heb ik. Dus met blauw?”

“Maar als ie er Dinsdag niet is, dan krijg j’em terug.”

“Voor onze rekening mevrouw.”

“Zijn dat foulards?”

“Och, eenvoudige zijden schortjes mevrouw, meer voor burgermenschen.”

“Wacht die twee zal ik nemen; de meiden loopen altijd met zulke verschrikkelijke tafellakens.”

“Ja mevrouw, wij zeggen altijd: duurkoop, goedkoop; als de dienstboden dat over ’t algemeen begrepen dan zouden ze liever wat méér voor hun goed besteden. Maar...!” De man trekt de schouders op.

“Maak jelui ook manskleeren?”

“In alle soorten mevrouw. We hebben zelfs kamerleden.”

“Dus maak je livrei?”

“Zeerzeker mevrouw. Woudt u den knecht....?”

“Ja, dat is te zeggen, hij is nu uit; en ’t is toch beter dat je daar later met mijnheer over spreekt. Stuur Dinsdag modellen mee van passement, rood met goud. We kunnen knoopen krijgen met.... met ons wapen er op?”

“Dat is te zeggen, als u ze laat maken, zeerzeker mevrouw.”

“Goud met een dwarsbalk en een kroon erboven;” zegt Eva zacht, en onwillekeurig vluchtig blozend.

“’t Zal alles volgens mevrouw haar orders geëffectueerd worden.”

“Ja maar dáárover dan een volgenden keer.—Denk aan Dinsdag. De sortie in alle geval!”

Terwijl de reiziger straks, op iets gemeenzamer toon, de dienstmaagden binnen de strijkkamer tot de bewondering van zijn goederen en stalen dwingt, doet hij met de verzekering, dat mevrouw het over de dienstboden geheel met hem eens was—namelijk “dat een meid niet beter haar fatsoen en eer kan ophouden dan door zich wat degelijk en netjes te kleeden”—Kaatje besluiten om “dan maar [265]zoo’n fijne lakensche met al die gitten te nemen—wel ja, ze vroeg toch om opslag als ie ’en graaf was,—en Jaantje de keukenmeid, om er nog bovendien zoo’n “tierlantijn in de lendens op te hangen.—Waarom niet; wat maalde Jaantje om ’en riksdaalder; ze zag immers wel dat ze hier voor ’t opscheppen waren.”

’t Was zonderling, zoo aanstonds heeft Eva aan rijtuig en livrei gedacht, en zie—daar staat het nu werkelijk voor de deur. ’t Moet van een der buitenplaatsen zijn; een licht gentil rijtuigje, heerlijk!—Hé! zulk een elegant wagentje met zoo’n paar ranke paarden....! Al mettertijd; wie weet! Men moet met August niet alles opeens begeeren.

Een weinig achter de zware meubelgordijn verscholen, kan Eva de persoon zien die de paarden bestuurde, en nu wacht totdat men den knecht die schelde zal hebben opengedaan.—’t Is een jonkman met een zeer gunstig voorkomen, levendige oogen, donkerblonde haren en een zeer langen lichtblonden knevel. Hij is eenvoudig maar smaakvol gekleed.—Eva kent hem niet.

Met een snelle wending is de jonge vrouw naar de deur gegaan, en zegt om den hoek tot Kaatje die ging opendoen:

“Als er iemand is die mijnheer moet spreken, zeg dan dat dokter zoo aanstonds zal thuis komen.”

“Bij u binnenlaten mevrouw?”

“Nee, in de groote zaal; en me dan zeggen wie er is.”

Eenige oogenblikken later bericht de dienstmeid dat de luitenant Hardenborg, de zoon van den baron van De Poel, gevraagd had of mevrouw niet ontving.

“O! de zoon van menheer Debecque. Verzoek mijnheer hier te komen Kaatje. Als ik schel dan breng je port en fijne glaasjes.”


Zeer verdiept in de lectuur van een der prachtwerken, die zij van een kleine tafel heeft genomen, zit Eva in haar fraaien voltaire bij ’t raam, nu Archibald Hardenborg binnentreedt.

—Te droes! denkt de jonge luitenant, nu hij door Eva zeer minzaam maar toch eenigszins hoog-elegant wordt verwelkomd: te droes, die dokter mag tevreden zijn. Waarachtig, daar zijn de mooiste Parisiennes niemendal bij. En jawel, voor een dokter woont dat hier in een aardig stulpje! De oud-burgemeester sloeg het deksel van z’n kist stuk, louter van plezier als ie zag hoe prachtig men hier zijn oud foedraal heeft opgeknapt.

“Met schaamte beken ik mevrouw, dat het mij bijzonder lief is u te mogen ontmoeten;” vangt Archibald aan. Hij zet zich op een stoel dien Eva hem aanwees, en vervolgt: “Een onverwacht opgekomen uitstapje naar Parijs, was oorzaak dat ik mijn bezoek—nadat ik u niet thuis mocht vinden—eerst nu hervatten kan. Haastige vrienden hebben geen ooren voor afscheidsvisites. En toch had ik dit vóór ons vertrek, behalve in mijn eigen belang, uit pure dankbaarheid zoo gaarne gedaan, want, zonder de trouwe zorg van dokter Helmond zou ik zeker ’t graf van Abélard en Héloïse niet gezien hebben—hetgeen me trouwens zeer zenuwachtig maakte—[266]noch de mooiste vrouw van Europa op één na. Ik dacht dat keizerin Eugénie de mooiste was.”

“Ah ja, u hebt een reisje naar Parijs gemaakt. Helmond heeft me dat gezegd..... Lieve stad niewaar?”

“Interessant, fameus! De Notre-Dame, ’t Café Riche, de Louvre, Lodewijk XIV op allerlei manieren! De groote Napoleon op de punt van een naald!—Lief!? Jawel bij avond heel veel liefs, maar meest doré au feu. ’t Valt minder in mijn smaak.”

Eva vond het heerlijk over haar ideaal te kunnen spreken met iemand die er pas geweest was, die er zoo vroolijk over kon praten, en van wien ze mede wist dat hij een degelijk jongmensch was.

“Maar op gevaar af wat indiscreet te worden,” zegt Archibald ten laatste, niet zonder een weinigje ironie: “wanneer mevrouw Helmond zich waarlijk zoo sterk gevoelt dat ze wel aanstonds opnieuw dat reisje zou kunnen maken, en dokter, zooals u zegt, gemakkelijk wanneer hij ’t wilde een week of drie kon uitbreken, dan—neem mij niet kwalijk—dan is het toch wel hard voor de ongelukkige familie Debecque, om te moeten vernemen dat er bij dokter Helmond en zijn lieve vrouw zoo weinig sympathie voor haar partij bestaat.”

Eva bloosde vluchtig terwijl ze glimlachend inviel:

“Maar menheer Hardenborg, wie heeft u dat verteld?”

Er volgde een ophelderende verklaring, die den luitenant volkomen bevredigde. Immers aan zooveel vriendelijks als mijnheer Archibald haar achtereenvolgens heeft gezegd, en voornamelijk over haar lieven man, had zij geen weerstand kunnen bieden.—Nu ja, dat briefje was geschreven op een oogenblik toen Helmond nog al hoofdpijn had, maar als hij wist dat het mede een fête zoowat ter zijner eere was, ja dan waagde zij niet te veel om mede uit zijn naam alvast de zeer beleefde uitnoodiging aan te nemen.

Archibald zegt dat hij nu gerust zijn ontslag uit den Nederlandschen dienst kan nemen, want gelukkiger overwinning dan deze zou er toch nooit te behalen zijn. Mevrouw moest weten dat hij geadviseerd had om de heele Romphuizer noblesse—waarmee hij dan later wel eens perceelswijze kon kennismaken—maar stilletjes thuis te laten en het feest in de doos te doen, wanneer “de bloemen die men voorop dacht te zetten er aan moesten ontbreken.”

“Ha! ik zie daar Helmond het marktplein opkomen;” zegt Eva, die juist naar buiten zag dewijl ze vreesde dat de overstelpende zaligheid die haar borst doorstroomde, en waarvoor ze geen naam had, misschien wat al te duidelijk op haar gelaat zou te lezen zijn.—De familie Debecque, de eerste uit den omtrek, gaf een partij aan de noblesse van Romphuizen, maar ze zouden die partij niet laten doorgaan indien dokter Helmond en zijn vrouw daarvoor moesten bedanken!!!

“Ah juist!” zegt Hardenborg: “’t Doet me recht veel plezier dat ik hem eens weer de hand zal mogen drukken; ’t is een juweel van een dokter. Natuurlijk, juweelen behooren bij elkaar. Weet u ook mevrouw, wie de snaak is waar dokter nu afscheid van neemt?” [267]

“Dat is de majoor Kartenglimp;” zegt Eva, terwijl ze opstaat en schellen gaat.

“Kartenglimp! Kartenglimp!? Onbekend! Maar een gezicht dat men meer heeft gezien. Hij lijkt wel wat op den beer in De Jagers en het Melkmeisje, of op den wolf in Roodkapje. Wacht,” hij haalt een zakboekje te voorschijn: “Jawel, juist, papa heeft niemand vergeten: de majoor Kartenglimp!—Prompt we zullen zijn kennis maken.”


“Ha, ha, daar is onze dokter!—Wel hoe gaat het mijn brave clairvoyant. ’k Heb te Parijs alle middagen een extra glaasje op je gezondheid gedronken, en merk dat het je geen kwaad heeft gedaan. Je ziet er best uit, tenminste....”

“O ik ben heel wel luitenant, dankje.—Goed geamuseerd?” zegt Helmond die inmiddels zijn Eva een zoen heeft gegeven.

“Voortreffelijk!” zegt Archibald, en dan: “Nu spijt het me alleen maar mijn brave dokter, dat ik je ook van een minder mooie zij moest leeren kennen. Foei, om mij nu het feest te willen ontnemen dat le bon papa zoo mooi georganiseerd had. Maar ’t is mis: Mevrouw heeft me al heelemaal gerust gesteld. Papa krijgt Woensdag de polonaise; dokter Helmond de wals; en je onderdanige, als het niet al te indiscreet is, nummer drie van het programme du bal.”

“Ei ei!” zegt Helmond, door den opgewekten toon van den vroolijken luitenant, met zijn open en eerlijk gezicht, weldadig afgeleid: “Ei zoo, is dat alles in dien korten tijd al zoo vast bepaald?”

“Menheer Hardenborg anticipeert wel een beetje op onze dans plannen;” zegt Eva lachend: “Maar wat de partij betreft, ik wist immers dat je het goedvondt August, ’t Was bezorgdheid voor mij, zooals ik u zeide menheer Hardenborg, en Helmond had ook wat hoofdpijn. Maar nu, niewaar lieve man, nu zijn we heel wel, en de lust ontbrak mij zeker niet.”

“En mijn stelling is zeker zeer weinig gewaagd,” zegt de luitenant: “dat een wensch van mevrouw Helmond, een wet voor haar man is?”

Helmond beviel de wending van het gesprek niet bijzonder. Ofschoon hij Hardenborg kende, en na alles wat hij van hem vernemen mocht, zich overtuigd hield dat hij een brave edele jongen was, zoo speet het hem toch dat een aangeboren courtoisie, waarschijnlijk geprikkeld door Eva’s schoonheid, hem deed voortgaan met Eva’s zwakke zij te streelen. Ongetwijfeld moest zij den jongen Hardenborg reeds een hoog denkbeeld van hun fortuin hebben doen opvatten, althans op luchtigen toon—zonder te vermoeden dat hij hier olie in het vuur wierp—ging Archibald voort om naar aanleiding van zijn laatste uitstapje, of als een gevolg van het gesprek over zijn nette equipage, die nog voor de deur wachtte, ten behoeve van de schoone doktersvrouw op Helmonds schuldenlijst te stellen: een toertje naar Parijs nog vóór den winter, en dan, een paar makkelijke lieve rijtuigen met een flink span mooie schimmels. [268]

August had weer hoofdpijn toen de vroolijke prater—met de zekerheid dat Helmond en zijn prachtig vrouwtje het feest zouden bijwonen—in gestrekten draf het marktplein over en naar huis reed.

Eva vond het waarlijk een alleraardigst mensch, en August moest nu ineens niet zoo ijselijk ernstig kijken. Immers dat reisje, ze denkt er niet aan; nee, ze vindt het nu al heel prettig dat men Woensdag het feest op De Poel zal bijwonen. En dan, ja.... Helmond moet dat nu maar goedvinden.... een grandiose partij op haar jaardag moeten ze geven, een afdoener ineens.—Nee, anders niets!... Als Bus—of een betere huisknecht, nu maar eerst zoo’n eenvoudig livreipak heeft niewaar, vóór de partij, dan praten ze ná den jaardag samen wel eens heel ampeltjes over dat idee van Hardenborg.

“Idee van Hardenborg?”

“Nu, je weet wel....?” En, ijlend naar de piano, brengt ze na een krachtig accoord, eensklaps haar helder geluid tot de hooge Gis en zingt:

“Vooruit postiljon, met uw brieschend gespan;

“Laat schallen den hoorn;

“Doe spannen den reep

Door de klappende zweep;

“En voer me in het dons van den zachten karos,

“Langs heuvel en bosch,

“Naar ’t heil van mijn leven:

Den lieven man!”

En zie, terwijl zij nu een oogenblik later naar hem terugsnelt, en den dierbare met haar armen omstrengelt, ja, waarlijk, nu glimlacht ook Helmond weder; nu glimlachte ook hij, de lieve, de beste, de gulle vriend.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Mevrouw Armelo was woedend—letterlijk woedend. Zoo’n onverzettelijk hoofd als tegenwoordig die man had, daar was geen denkbeeld van te maken. Bedanken voor zoo’n partij! voor een partij bij den baron Debecque van De Poel. Letterlijk de heele beau-monde van Romphuizen en omstreken was genoodigd, en daaronder natuurlijk ook de familie Van Armeloo: zelfs Louise, “mademoiselle Louise” jawel. En dan te bedanken! Waarom?—Goeje hemel! “Omdat men eens en vooral van conversatie, van zulke conversatie heeft afgezien”! Een mooie grap! als het een partij is die [269]louter voor je eigen vleeschelijken zoon en dochter wordt gegeven—zooals Eva zelve heeft gezegd!—“Omdat men zulke menschen niet weerom kan vragen”!—Maar hemelsche goedheid, waarom niet!—Zal het dan noodig zijn om juist op dezelfde manier uit te halen? Kan men niet eens eenvoudig een avondje geven: tong, saucis, komijne, zoetemelksche en een taart....? “Te veel kosten”!—Nu ja, dat diner in De Arend daar is ook wat tegen geprutteld; maar was er dan iemand die daarvan nog een cent te pretendeeren had?—“Geen kleeren? De uniformrok?”—Mevrouw kan niet alles zeggen zonder spreken; maar als Eva binnenkort, ondanks papa’s tegenwerken, zorgt de stukken van adeldom in haar bezit te krijgen, en alles bewezen is, dan zal manlief tóch wel aan een zwart pak moeten gelooven. Nota bene, een graaf zonder een zwart pak!—Maar nu, ’t was hemeltergend. En daar stond je dan als vrouw letterlijk als een kind, als een niets! ’t Was om razend te worden.—Toen de graaf—enfin Armelo—het antwoord aan den knecht heeft gegeven: dat men zeer vriendelijk voor de beleefde uitnoodiging liet bedanken, toen heeft zij wel gezegd, dat mijnheer zich vergiste, want dat hij aannemen meende; maar de graaf—enfin Armelo—heeft als een gek volgehouden dat hij zeer goed wist wat hij zeide, en was de knecht—terwijl haar letterlijk de vingers hebben gejeukt—half lachend heengegaan, natuurlijk lachend om de zotheid dat men voor zóó iets bedankte.—Wát geld! had haar eigen zoon geen geld als water! Dat zei niet slechts Eva maar iedereen!—Mevrouw Armelo is woedend. Geen wonder: heel Romphuizen is in beweging; alles kleedt zich voor van avond; en.... Ouwe tuinboonen zal ie straks hebben; bij vergissing met het boonenkruid er onder; dat lust ie volstrekt niet.

“Wat wil jij Van Hake? Moet jij bijgeval ook naar de partij?”

“Nee mevrouw; daar behoor ik niet; tenminste....”

“Natuurlijk; ik wist ook wel beter. Wat wou je?”

“Och mevrouw, onder ons gezegd, ik heb een kleine bestelling voor juffrouw Louise, maar ’t moet dood dood geheim blijven, en daarom wou ik haar graag heel alleen spreken.”

“Is ’t weer in dien tijd! Je weet wel Van Hake, dat wij geen menschen zijn die tegenwoordig voor Jan en alleman zoo maar klaar staan.”

“Ja mevrouw, dat weet ik heel best, maar ’t is iets, enfin. Mevrouw Helmond is gauw jarig, niewaar? We hadden zoo’n idee. Eventjes mevrouw. Is Louise achter?”

“Ja, achter is ze zeker; want of ze het doet om me te plagen, maar dat zit letterlijk den heelen dag met den neus op haar naald.—Zeg, heb jelui plan op een comedie misschien?”

“We wilden het liever dan een treurspel!” zegt Thomas snel. Daarop vliegt hij naar het kamertje waar hij Louise vindt; en, als hij haar heeft gegroet, dan legt hij zijn vinger op den mond, en draait de deur op het slot.

Thomas Van Hake gevoelt zelf iets vreemds nu hij in dit kleine kamertje, zoo maar zonder verlof is binnengetreden, en, na de deur te hebben gesloten, tegenover de blonde voormalige schoolkameraad [270]staat die hem met haar groote blauwe oogen vragend aanziet, terwijl een blos haar vriendlijk gezichtje heeft gekleurd.

Thom heeft nooit gezien dat Louise zulke mooie oogen had.... Nú schijnt het echter alsof ze wat veel heeft gewerkt of—geschreid.

“Ja Louise, dat is vrij brutaal om zoo maar binnen te komen en de deur op ’t slot te doen.”

“Zeker, wat moet dat beduiden Thomas?”

“Ik wou je alleen spreken.”

“Maar dan kan die deur toch wel open blijven?”

“Nee Louise, nee! Ik wil zeker zijn dat niemand ons overvalt. Er is haast bij ’tgeen ik te zeggen heb.”

“Is er iets kwaads Thomas? Je doet me schrikken!”

“Kwaad—nee, tenminste niets om van te schrikken.—Maar toch.... luister nu even, en laat die naald eens rusten.”

“Ja Thomas, maar ik kan wel hooren en werken tegelijk, want deze sortie heeft ook haast; ze moet over een half uur klaar wezen. Ik maak die voor mevrouw Lens—natuurlijk in ’t geheim, je weet wel—zij moet er mee naar De Poel.”

“Maar dat is God geklaagd!” roept Thomas op gedempten toon: “Jij zit hier je oogen rood te turen, en je zuster....”

“Stil Thomas, stil, niet over háár. Misschien geniet ik zelfs meer dan Eva, terwijl ik hier rustig zit te werken en zij haar zorgen heeft voor haar toilet.”

“Louise, ik kwam hier om je te verzoeken aanstonds naar je zuster te gaan.”

Ik Thomas? Zal ik haar moeten helpen; voor asschepoester spelen misschien? Nee Thom, dat meen je niet.”

“Zeker meen ik dat niet.—Je moet haar bewegen niet naar De Poel te gaan. Het mag, het kan niet. Dáárom Louise kwam ik hier.”

“Mag Eva niet naar dat feest gaan? En waarom niet?”

“Luister,” zegt Thomas; en in weinige oogenblikken heeft hij aan het meisje den hoofdinhoud zijner vermoedens en bezwaren meegedeeld. Neen, alles kon hij haar niet zeggen, maar zijn moeder en hij, ze hadden nu de vaste overtuiging dat dokter werd gekweld door zorgen, die hij uit overgroote liefde voor zijn vrouw te verbergen zocht. Ja, vooral dezen middag was het gebleken dat dokter in een zeer gedrukte stemming verkeerde.

Sedert eenige dagen gebeurde het dikwijls dat dokter na het verrichten van eenige bezigheden in de apotheek nog eens in een der kamers van het oude, nu ontmeubelde huis ging, om er eenige oogenblikken te vertoeven, zonder dat Thomas begreep wat hij er eigenlijk deed. Dezen morgen nu, had Thom eensklaps in de voormalige huiskamer naast de apotheek, een slag gehoord alsof er iets van boven neerviel.

“Nee, ’t was zoo erg niet;” valt Thomas zich zelven in de rede toen hij het meisje verbleeken zag: “Ik loop naar de deur,” vervolgt nij: “en onwillekeurig luisterend, hoor ik nu nogmaals dien slag doch met de woorden er bij: “Dwaas! waarom gezwegen!” Ik begreep nu dat dokter met den voet op den grond had gestampt [271]zonder aan mijn nabijheid te denken. Of ik goed deed of niet.... zonder beraad opende ik de deur, en vroeg of dokter mij riep.—Vreemd, ik zou zeggen met een bijna angstigen blik zag hij mij aan; maar spoedig zich herstellend, zeide hij, dat hij in ’t geheel niet geroepen en ook niets noodig had. Maar, vermoedelijk toch vreezend dat ik het woord had verstaan, ’twelk hem in de eenzaamheid was ontvallen, achtte hij het raadzaam om eenigszins in dienzelfden toon te blijven, en, in de apotheek terugkomende, hernam hij: “’t Is me hinderlijk Thom, dat ik van middag naar die partij moet. ’t Gebabbel over Dirksen mag wat verminderen, maar de gevolgen zijn toch grooter dan we ons in ’t eerst hadden voorgesteld. Er kon wéér zoo iets gebeuren. En dan....”—“Wat is er nog meer dat u bezwaart?” vroeg ik met belangstelling. Toen Louise, vernam ik dat dokter een paar uur geleden Hendrik van De Zonsberg ontmoet had. De oude generaal die met de juffrouw eergisteren van De Godesberg was teruggekeerd moest niet heel wel zijn. Hendrik was naar den notaris geweest om hem te verzoeken nog dezen avond bij den ouden heer te komen. Ik kon dus wel begrijpen, zei dokter, dat hij geen trek had om nu naar een partij te gaan.”

“De generaal ziek!” valt Louise in: “Nee dan is het wel te begrijpen. Is hij er niet aanstonds naar toe gegaan?”

“Och Louise, dat is nu het groote punt in quaestie. De generaal zegt kort en goed, dat je zuster—mevrouw Helmond—de tering niet naar de nering zet, en wanneer dokter haar daarin blijft stijven, dat hij dan niets meer van hem weten wil.—Je moet er niet van praten Louise, maar zieje, dát is de zaak. En nu zul je ’t begrijpen, hoe ik om dien besten dokter in angst zit. Zelf niet heel fiksch tegenwoordig,—nee, recht gezond is hij niet—onder den druk zijner belasterde praktijk; in zorg over de gezondheid van dien geliefden pleegvader, die hem echter niet wil ontvangen; zeer zachtjes; in zorg misschien ook over die boodschap aan den notaris; ja wie weet als de oude heer zijn testament eens ten nadeele van dokter veranderen liet....!”

“Zou dat mogelijk zijn? Maar dán nog.... Eva zegt altijd....”

“Dat dokter rijk is niewaar?” valt Thomas fluisterend in: “Nee Louise, uit te ver gedreven liefde, uit valsche schaamte heeft hij háár, en uit onbaatzuchtige vriendschap heeft hij moeder en mij in den waan gebracht dat hij van zich zelven middelen bezat. Maar ik weet ’t beter! Onder de tegenstrijdige praatjes, die er in den laatsten tijd zoo veelvuldig over mijn weldoener liepen, behoorde ook de verdenking dat hij bij notaris Zoutenheer diep in de schuld zit, ja zelfs dat andere personen hem gewillig met eenige duizenden hebben bijgesprongen.”

“Heb ik het niet gedacht!” zegt Louise, en dan: “En jij Thom, geloof jij dat ook?”

“Ja, en ’t is daarom voornamelijk dat ik hier kom. Ik geloof, ik weet bijna zeker Louise, dat mijn brave vriend in de schromelijkste moeielijkheden zit. Spaar me de bewijzen. Maar geloof me, naar [272]mijn innige overtuiging zou je aan dokter en zijn vrouw de grootste weldaad bewijzen, indien je ze bewegen kondt om van avond niet naar De Poel te gaan maar wel naar De Zonsberg. En jij Louise”—hij vat in zijn gejaagden ijver de rappe hand van het meisje: “jij zult wel weten hoe je het aanleggen moet; je zult je zuster alles aan ’t verstand kunnen brengen. Paai haar desnoods met een rijke erfenis van den generaal, als je om Godswil mijn besten dokter maar helpt redden. Och lieve Louise, ik zou je eeuwig erkentelijk zijn.”

’t Was getooverd, maar zelfs onder dit gesprek door heeft Louise de laatste hand aan haar sortie kunnen leggen.

“Ei zoo, heb jelui de rollen al verdeeld?” vraagt mevrouw Armelo, die Louise straks met haar simpel stroohoedje op, en een pakje onder de eenvoudige mantille verborgen, aan de zij van Thomas de woning ziet verlaten: “Moeten er nog meer in den arm worden genomen? Als jelui verlegen bent, je zoudt voor mij op een rol kunnen rekenen.”

“Misschien de mère noble Duègne!” roept Thomas.—Mevrouw begreep het niet recht:

“Best, bestig, ik hou me daaraan!”


August en Eva hebben vroeg en zeer vluchtig gegeten, want Helmond had nog ’t een en ander te doen,—waardoor hij zeker weer zoo afgetrokken is geweest, denkt Eva—en Eva zelve moest alles nazien wat haar zooeven uit Utrecht is bezorgd, om zich daarna te kleeden, ’t geen ze niet graag zoo overhaast doet.

“Zei je iets August?”

“’t Kwam me voor dat je wat bleek zag Eva. Mij dunkt beter ten halve gekeerd dan.....”

Eva met groote verbazing: “Ten halve gekeerd....? Je bedoelt toch niet om par exempel nog thuis te blijven? Nee maar lieve beste papa’tje in spe, nu moet ik toch heusch om je lachen. Wou je me thuis laten?”

“Ik ben waarlijk bang dat je je te veel zult vermoeien. ’t Is eigenlijk een dolle geschiedenis.”

“Een dolle geschiedenis!? Maar die jij hebt goedgevonden.”

“Ik....? Nee! nee Eva, goedgevonden heb ik het niet.”

“August, als je nu in ernst wilt dat de partij me geen kwaad zal doen, agiteer me dan niet vooraf.—Je bent een beste man, maar je hebt iets dat niet goed is.—Kijk nu niet boos, ’t is zoo heel erg niet: je bent wat zwaartillend. Stil, ik weet wel dat het nu allemaal hartelijkheid is, en zorg voor ons popje meteen; maar men moet niet overdrijven. In den beginne toen we zoo zuinigjes, zoo doodeenvoudig moesten leven—in een hondenhokje—omdat men volstrekt geen middelen had, toen kon mijn goede man niet van het burgemeestershuis hooren of er rezen bergen van bezwaren; en,—nu men bewezen heeft dat men zeer goed over dat alles kan heenkomen, nu....” [273]

“Eva, je spreekt altijd weer alsof ik over schatten te beschikken had, terwijl .... ja waarachtig, terwijl...”

“In ’s-hemelsnaam August, begin nu niet weer van voren afaan. Ik vergeet niet zoo licht wat je mij eens hebt gezegd. Waarlijk op dat punt ben ik heel gerust, en, als er toch weer gezwaarmutst wordt, dan denk ik: dat zal wel slijten mettertijd. Maar manlief, je moet dat nu niet op een ander terrein overbrengen. Dat je zorg voor me hebt, dat doet me recht veel plezier, maar getob .... nee! eerst niet goedvinden, dan wel goedvinden, dan weer: we moesten nu tóch maar thuisblijven.... Hoor eens Evertje Zwaarhoofd, we gaan nu van avond dol prettigjes naar de Debecque’s en dan zal ik stellig niet te veel dansen, en dan pruttel jij niet meer en je kijkt me niet zoo zwart, baasje, maar je geeft me nu een fermen zoen.—Ziezoo!”

Nu Eva zich snel heeft verwijderd, valt Helmond als geknakt, in een der zachte voltaires neer. Hij gevoelt wel dat hij in kracht—in zedelijke kracht vooral—sinds zijn huwelijk is achteruitgegaan.—Hij durft niet meer. In den aanvang was hij op den goeden weg. Te Parijs heeft hij getoond dat hij als man kon handelen, zelfs tegenover die aangebeden, zoo schoone als talentvolle vrouw.—Maar toen gold het zijn plicht als dokter; zijn plicht jegens een weldoener en geliefde pleegzuster. In zulk een geval zou hij immers ook nu nog krachtig zijn, indien Eva anders wilde dan hij.—Evert Zwaarhoofd! Ha, misschien heeft zij toch een beetje gelijk. Is die toekomst dan werkelijk zoo duister? Is een schuld van eenige duizenden guldens dan een onoverkomelijke....? De praktijk zal zich wel spoedig herstellen: en dan .... in de toekomst: Oom Van Barneveld!.... Helaas! ja, oom Van Barneveld!

—Maar ’t is waar, een groote reden van bezorgdheid om nu feest te gaan vieren, is juist het bericht dat de generaal niet heel wel is.

Ofschoon oom al twee dagen terug was, August heeft geen poging gedaan om nog eens te beproeven of een afwezigheid van zoo vele weken ook gunstig heeft gewerkt. Hij heeft er zeer tegen opgezien, en kon er niet toe besluiten alvorens hij eenig antwoord op zijn brief aan Jacoba zou hebben ontvangen; immers hij vermoedt dat een verbod om hem te schrijven oorzaak van haar stilzwijgen is.—Maar ja, indien hij had geweten dat zijn pleegvader ziek was....!

’t Is zonderling! Nu hij dan toch naar De Zonsberg zou willen gaan, om—na dat treurig bericht—dien ouden man te ontmoeten, en, of hij wilde of niet, de hand te drukken totdat hem de tranen in de oogen zouden springen, nu staat hij alweder voor een genot, ’twelk hij Eva er voor zou moeten ontnemen.

—Maar ook, de generaal heeft immers niets van zich doen hooren; men vernam toevallig dat hij terug en een weinig ongesteld was. ’t Zal zoo erg niet wezen. Door niet naar De Poel te gaan, stuurde men bovendien het heele feest in de war; ja zelfs als Eva alleen ging. En, alleen te gaan; nee, dat zou haar zeker niet bevallen. Enfin! morgen dan naar De Zonsberg, morgen! [274]

“Mevrouw,” zegt Kaatje terwijl ze Eva’s vriendelijk en keurig gemeubileerd boudoir is binnengetreden: “mevrouw, daar is de juffrouw van den kapitein: uw zuster zal ik maar zeggen.”

“Hé, wat wil die?—Laat maar wachten in de zaal Kaatje.”

Neen, wachten kon Louise niet. Zij klopt aan de deur van Eva’s boudoir.

“Binnen!—Hé, kom je tóch boven Louise? Wat heb je kindlief? Is er onraad dat je zoo’n haast maakt? Je ziet me hierin een ergen boel; maar dat kleeden voor een partij waarop men zoowat de eerste zal zijn, is nog al lastig, tenminste zonder kamenier. Hé, zie jij eens eventjes, valt die berthe van achteren goed? Ja, in zoover kom je me heel van pas zusjelief. Hangt ze goed? Mooie blauwe japon niewaar? Nog uit Parijs meegebracht, vin jij ’em te laag? Maar wat heb je anders aan een tamelijk mooien hals niewaar? Men kan letterlijk niets zien met zoo’n kleinen spiegel.”

“Eva, ik zou je heel graag helpen, maar liever om je weer uit te kleeden dan je verder toilet te helpen maken.”

“Watblief?” zegt Eva verrast.

“Je weet Eva-lief, dat ik je niet te veel met mijn visites lastig val, sedert ik zeer tegen je zin blijf werken zooals ik meen dat mijn plicht is....”

“Lieve schepsel, kom me nu niet met de opsomming van al je verdiensten in de war brengen. Je bent een zeer handig meisje, dat weten we wel.—Nu kindlief, al dadelijk die waterlanders, foei! Ik zeg het niet uit boosheid. We waardeeren je immers en....”

“Och dat is niet noodig, volstrekt niet;” zegt Louise half schreiend; en dan zich spoedig herstellend: “Wij hebben ieder onzen eigen weg Eva, en ik bedoelde alleen dat ik niet zonder toestemming hier op je mooie kamer zou gekomen zijn als ik er geen reden voor had.”

“Komaan kindlief, wat heb je dan, zeg?”

“Eva, je moet niet naar die partij gaan.”

Eva houdt nú eens een witte camelia en dan een takje zeer fijne vergeet-mij-nietjes tegen haar prachtig zwart glanzend haar.

“Ei, niet! En waarom nie.... te.... Louise?”

“Omdat.... omdat je man, de goede dokter er ziek van zal worden.”

“Och kom! Hé, hoe weet jij dat zoo, beste kind?—Och kijk nu eens heel eventjes, wat vin je mooier? Deze witte niewaar?”

“Eva, je denkt dat het geen ernst is....”

“O volstrekt niet; nee dat denk ik in ’t geheel niet. Als jij me nu even zegt wat je mooier vindt, wit of blauw, dan zal ik je zeggen hoe het komt dat ik aanstonds alles begrijp, en me toch kalm kan blijven kleeden. Wit hé?—Nu dan: Dokter heeft een visite bij pa gemaakt, en gezegd dat hij geen plezier in het feest had, omdat ie bang was dat ik me wat te veel vermoeien zou. Zie, dat zijn nu zulke kleine zaakjes daar zusje nog niet van weten mag.—Zeg, heb ik ’t mis?—Och geef eens even dat diamantdoosje aan. Nog uit Parijs meegebracht.”

“Eva, je laat me niet uitspreken en hebt misgeraden bovendien. [275]Lieve zuster, luister nu even: Er is waarlijk geen gekscheren mee.—Och laat die bloemen en diamanten een oogenblik rusten en hoor wat ik je ernstig zeggen wil.”

Met een wel wat gemaakte belangstelling luistert Eva nu naar de zuster die de tolk is van de zorgen, waardoor de goede Thomas ten behoeve van den dierbaren meester werd gekweld.

Een betere keus, meende Thom, had hij niet kunnen doen. Louise zou met kalmte en verstand haar zuster op de hoogte van den wezenlijken toestand van zaken brengen. Een andere weg was er niet. Dokter scheen verblind te zijn, en—maar Thomas zou dit aan niemand, neen zelfs niet aan zijn moeder durven toevertrouwen—de arme man moest reeds in groote ongelegenheid verkeeren, ja waarschijnlijk had hij reeds de eerste schrede op een zeer gevaarlijken weg gezet! Immers, toen Thomas eenige dagen, nadat hij de beide bankbriefjes van Helmond had ontvangen, er een van wilde uitgeven, toen heeft het zijn aandacht getroffen, dat het dezelfde nummers waren, die hij kort te voren aan Helmond had gebracht, als zijnde de opbrengst der laatste lijst ten behoeve van Doneries monument.—Ja, ook de stempels van eenige firma’s aan de achterzij, hebben hem overtuigd dat het dezelfde briefjes waren, die Helmond in een la van zijn schrijftafel had geborgen, met de woorden: “Ziezoo, dat ligt daar rustig totdat het monument zal zijn afgeleverd.”—Van Hake zou vroeger misschien al spoedig tot het besluit zijn gekomen, dat dokter die briefjes voor specie of wel tegen ander bankpapier had ingewisseld, doch nú, sedert de ervaringen der laatste dagen, moest hij het ergste vreezen. Reeds tot drie malen toe heeft dokter het geldbakje uit de toonbanklade in zijn porte-monnaie geledigd met de opmerking, dat hij tegenwoordig telkens gebrek aan klein geld had, terwijl hij dezen morgen met een zonderlinge ongedwongenheid Thomas om vijf enkele guldens heeft gevraagd, “aangezien hij thuis niet anders dan groot bankpapier had, en men de meiden moeielijk om te wisselen kon uitzenden, dewijl mevrouw ze niet goed missen kon.”

Thomas Van Hake gelooft dat hij wel een groote domoor zou moeten zijn, als hij mis heeft gezien; en vurig hoopt hij dat Louises gang naar het doktershuis gezegend zal wezen.

“Zoo, is dát nu de zaak Louisje-lief?” zegt Eva met kwalijk bedekten spijt: “Meenen sommige menschen dat ik den goeden dokter aanzet om hooger te vliegen dan wij kunnen—ik gebruik je eigen woorden, je hoort het.—Weet je wat? doe jij dan lieve kind, het compliment aan die menschen terug, en zeg hun dat Eva Helmond verstandig genoeg is om te weten wát haar convenieert; maar vooral ook: dat de allerknapste en allerverstandigste man uit dit heele babbelnesterige Romphuizen, zeker wel weten zal wát hij doen en wát hij laten moet.”

“Maar Eva, ’t is immers toch mogelijk dat Helmond om je genoegen te doen, niet alles zegt; en dewijl hij—zooals je zelve bekend hebt—telkens bezwaren heeft, inderdaad veel meer uitgeeft dan hij in redelijkheid zou mogen en kunnen.” [276]

“Nee kind, dat is niet mogelijk. Een jong meisje zooals jij, die zoowat niets van de wereld heeft gezien,—nee ’t is je schuld niet, maar zoo iemand meet alles naar zich zelve af. Een man zooals de dokter, is geen Louise Armelo. Wat zulk een man zegt, dat is zoo, en wat hij doet dat moet men in Romphuizen niet blieven te bevitten of.... te misgunnen, voilà le mot! Ik zeg dat niet op jou, kind.—Maar brisons!—Wie heeft je met al die wijsheid hierheen gezonden?”

“Eva dat doet er niet toe. Maar als—ik zeg als het nu eens waar was, en Helmond reeds diep in de schulden zat, hoe zou hij er uit kunnen raken? Ik zeg: gesteld eens!”

“Och kind, je verveelt me. Is dit een moment voor al dat gebeuzel!”

“Eva, ik vraag je: wie zou in zulk een geval de eenige zijn van wien hij hulp zou kunnen verwachten?—Van wien anders dan van zijn pleegvader? En—die pleegvader is ziek teruggekomen.—Bij de verwijdering die er tusschen ulieden moet bestaan—terwijl je die ongesteldheid had moeten aangrijpen om je te verzoenen door een spoedig en hartelijk bezoek,—zal de generaal nu straks vernemen dat gijlieden, op ’t prachtigst uitgedost, De Zonsberg voorbijrijdt zonder je om hem te bekreunen, terwijl je op De Poel een vroolijke partij gaat bijwonen.”

“Waarlijk, ik maak je mijn compliment! Dat is in ons belang allerliefst door je berekend Louise. Je hebt een speculatieven geest. Uit vrees voor een mogelijke onterving, moeten we bij dat oude potstuk gaan opzitten en pootjes geven niewaar? Weet je wat die generaal is? Die man is een trotsch, een onverdraaglijk hoogmoedig despoot. Wil je weten wat ik hoop kind? Ik hoop dat menheer de generaal—die mij schandelijk durfde beleedigen en blijft beleedigen —dat hij zich straks zóó wel gevoelt dat hij, zonder vrees voor instorten—je ziet ik wensch den man van harte beterschap—enfin, zóó wel, dat hij voor ’t open raam aan den straatweg zal kunnen zitten om ons “zoo prachtig uitgedost” eens ter dege te kunnen opnemen, wanneer we hem in de mooie open fourgon uit De Gouden Arend, triomfantelijk voorbijrijden!”

Louise moet het uiterste wagen:

“Eva, als ik nu eens zeker, eens heel zeker wist dat je Helmond op dit oogenblik met niets gelukkiger zoudt kunnen maken dan met het besluit, om, inplaats van naar De Poel, met hem naar De Zonsberg te gaan....”

“Zeg eens, zeer belangstellend zusje, ben je ook soms een heel klein beetje jaloersch dat Louise Armelo niet, en Eva Helmond wél naar dat feest gaat? Maar stel je gerust, tegen mijn jaardag kindlief, zullen we het hier eens heldertjes overdoen, en, al bedanken papa en mama dan óók weer uit een bespottelijke mesquinerie, we zullen zorgen dat jij er bij komt. Met mijn zijden ruit—nog van Den Haag—zul je een heele parade maken. Men denk er dan aan zusje: naaistertjes ja zelfs naaistertjes in het geheim, ze wonen op den duur geen feesten bij in den hoogeren stand.” [277]

Louise was te vol, zij kon niet meer spreken. Zij moest het wel opgeven Eva tot betere gedachten te brengen.—En dan, telkens gegriefd te worden! O het deed haar zoo zeer. Maar toch, het antwoord op Eva’s laatste woorden, ’twelk zoo voor de hand lag, zij mocht het alleen onhoorbaar uitspreken: “Maar, naaistertjes in het geheim, ze mogen wel vijftig zuur verdiende guldens betalen aan een huwelijksdiner, voor een zuster uit den hoogeren stand!”

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

’t Was inderdaad een prachtig feest, ’twelk de Debecque’s ter eere van hun in het moederland teruggekeerden zoon Archibald gaven, en waarvan die zoon de eer—zooals reeds vernomen werd—recht hoffelijk op dokter Helmond en zijn vrouw heeft overgedragen.

Van halfzes tot zes uren ongeveer, hebben de koetsen aanhoudend gerold. Voor ’t meerendeel in gala-costuum, zijn de gasten in een der ruime benedensalons ontvangen. Nadat de genoodigden, op een paar heeren na, voltallig waren, werd men beleefdelijk verzocht zich mee naar buiten, naar “de groene kamer” te begeven.

De groene kamer was een groote rotonde, onder zwaar eiken- en beukenhout, tusschen de stammen dichtgegroeid met acacia- kamperfoelie en jasmijnstruiken, zoodat men binnen die rotonde—waarheen een klein slingerpad leidde—geheel in ’t groen, en onbespied zat. Een aantal gemakkelijke tuinbanken—voor deze gelegenheid alle met kussens bedekt—stonden meerendeels in ’t ronde der groene kamer, terwijl aan de eene zijde een groote tafel was geplaatst, waarop zich een menigte benoodigdheden van porselein en zilver bevond, zoowel voor de thee, die hier zal gebruikt worden, als voor de vele versnaperingen die er mede gereed staan. Echte havanna’s en manilla’s ontbreken er mede niet, en—”’t Is zeker een groot voorrecht om in zulk een groene kamer thee te drinken,” zegt Archibald terwijl hij den heeren een sigaar presenteert: “want juffrouw Natuur heeft hier behoorlijk voor ventilatie gezorgd.”

Niemand, die de schaar der gasten opmerkzaam beschouwt zal, durven ontkennen dat mevrouw Helmond, zoo niet de jongste dan toch zeker de schoonste is van de vele oudere en jonge dames, die de groene kamer binnen haar suizende en geurende wanden vereenigd ziet. Eva is niet ijdel op haar schoonheid—althans ze gelooft niet dat ze dááraan ooit voedsel heeft gegeven; maar nu, in haar prachtig blauw damastzijden kleed, met de witte camelia in de haren; de witte kanten berthe langs de blanke schouders waarover de zwarte lokken wiegen; zonder eenig ander versiersel dan het stel kleine diamanten, ’twelk August haar te Parijs had gekocht; zooals [278]zij daar zit, naast mevrouw de gravin Van Leeuwen die zeer besproeteld en tamelijk corpulent is, en naast de burgemeestersvrouw die vijf en veertig jaren telt; nu zij, schuin tegen haar over, de schichtige gastvrouw ziet, met een heel mooie muts op de peper-en-zoutkleurige boucles, en twee geagiteerde kleurtjes op de wangen; nu zij daar, overal verspreid, de leden van haar sekse opmerkt, in ’t rood en ’t wit, in ’t havanna en korenblauw, in ’t neteldoek en barège—nu ze eindelijk opstaat omdat ze een paar heeren die haar in beslag hadden genomen, wel kwijt wil wezen, en zegt dat ze mevrouw Debecque eens even wil toespreken ja—nu zij, gracelijk knikkend, de gedesoeuvreerde aansprekers voorbijgaande, in haar ruischend kleed de rotonde, ten aanschouwe van zoo velen, doorschrijdt, nu gevoelt Eva iets vorstelijks, iets ’twelk haar het hoofd wat fierder doet opheffen, en glimlachen.... enfin zooals een geboren gravin Van Armeloo zou hebben geglimlacht.

Archibald Hardenborg heeft aan papa Debecque beloofd, te zullen zorgen dat de partij niet stijf werd. Er is dan ook geen quaestie van. In de groene kamer heerscht al spoedig een drukte en beweeglijkheid van plaatsverwisseling—om elkander eens toe te spreken—dat er maar al te weinig wordt gelet op de waarlijk schoone muziek der *** kapel, die, aan de buitenzijde der groene kamer geplaatst, haar welluidende tonen deed hooren.—De echte muziekliefhebbers, of ook de paartjes, die eens naar een rustiger kout verlangden, zelfs heeren die nog wel voor ’t vallen van den avond een kijkje in de plaats willen nemen, ze verlieten al van lieverlee de kamer, waarin —zooals dominee Hoogerberg aan zijn vriend den burgemeester verzekerde: “het zeker overheerlijk moest wezen, om op een schoonen zomerzondagmorgen nog eens in alle stilte een preek te kunnen nazien;” en waarin—zooals Piet Lovers, de bleeke candidaat-notaris, die al acht jaar geëngageerd is, zijn Marietje toefluistert: “waarin hij ’s avonds vooral bij maneschijn, wel zoo eens heelemaal met haar alleen zou willen zitten.” ’t Was een verschrikkelijk vak dat notariaat!—En Marietje nadenkend met een zucht:

“Zou je niet kunnen uitvinden om bijvoorbeeld papier van boombast te maken Piet?”

“Marietje-lief dat is al uitgevonden; ’k las het immers laatst in de krant.”

“Och heer!” zegt Marietje en later: “Maar Piet dan iets anders, zoo iets in dien geest?”


“Toch niet ernstig die ongesteldheid, dokter?” vraagt de gastheer: “’t Was een groote teleurstelling dat de generaal liet bedanken. Ja, onder ons gezegd, indien de partij een nadere kennismaking met Archibald.... Begrepen!? Allerliefst kind, Jacoba, allerliefst! Wat scheelt den generaal?”

Helmond is schijnbaar afgetrokken.

“Pardon..... ik zag daar; ik meende..... Die ongesteldheid? Och, dat beteekent niet veel, tenminste ....”

“’k Dacht het wel! Al te bang voor uitgaan!” Roepend: “Archibald! [279]—Zieje, ’t heeft niets te beteekenen die ongesteldheid.”

“Watblief, ongesteldheid? Ben je niet fiks mijn brave Aesculaap? Wat bedoelt u papa?”

“Ik meen van De Zonsberg.”

“Ja .... ja, dat is treurig; maar wat er aan te doen! ’k Heb het plezier gehad haar eens te zien; bleek lief! Ah ja, we spraken van den generaal; dus niet gevaarlijk? Komaan!—Zeg dokter, in vertrouwen—Papa niet luisteren—ben je niet in den derden hemel? Mijn goeje deugd, wat een prachtige vrouw! Als ze van avond geschaakt is, telegrafeer dan maar op mijn signalement! A propos, is dat die majoor Kartenglimp? Die man is later gekomen hé? Hij is een intieme van je, niewaar?”

“H’m, intiem!” zegt Helmond.

“O, ik dacht ’t, omdat je straks zoo’n heelen tijd met hem wandelde....?”

“Ja wel, hij is een patiënt van me;” zegt Helmond schijnbaar kalm doch met inwendige ontroering, want hij had er bij kunnen voegen: Eigenlijk ben ik er nú een van hem.

“Allemachtig bekend gezicht! Wil je me eens eventjes aan hem voorstellen?—.... Ha zoo, ’t plezier den majoor Kartenglimp te zien?—Nee majoor, pardon, dat is van middag al meer gebeurd, een Debecque ben ik niet. Mama heeft me lager bij den weg gehouden. Mijn vader heette Hardenborg, om je te dienen. U bent ook in Indië geweest niewaar?”

’t Was goed dat op ditzelfde oogenblik een snel voorbijvliegend dametje—wij gelooven niet uit ondeugd—den majoor zóó tegen den arm stiet, dat het kopje ’twelk hij in de hand hield op den grond viel, en de thee over het neteldoeksch kleed van het dametje werd uitgestort.

Ja, dat was een zeer gelukkig intermezzo, want bij Archibalds meedeeling en vraag, is het Kartenglimp geweest alsof hem “de dood op den rug sprong”. Op gezag van mijnheer Kippelaan,—mijnheer Kippelaan had het van den horlogemaker, die wekelijks klokken en pendules bij den baron Debecque ging opwinden, wie kon het dus beter weten—op gezag van Kippelaan heeft hij in de stellige meening verkeerd, dat de jonge luitenant: Debecque heette, en zee-officier op non-actief was.

Tusschen het vliegende dametje en den majoor worden nu eenige verontschuldigingen gewisseld. Aller oogen zijn natuurlijk op het met thee gekleurde japonnetje gevestigd, en niet op het vuurrood, ’twelk het gelaat van den majoor had bedekt, maar dat—zoo het al gezien werd, in alle geval op rekening van het ongeluk moest gesteld worden.

Kartenglimp sprak met een paar dames over uitwasschen en ’t vreeselijke jammer van een dameskleed zoo geheel onwillekeurig te hebben bezoedeld; terwijl hij intusschen den zoon des huizes geheel vergeten scheen.

“’t Is ongelooflijk” fluisterde Archibald tot Helmond: “zooals die majoor op een vent lijkt dien ik eens, drie jaren geleden, in Indië [280]heb gezien; maar dat was er een die minder verlegen was op ’t punt van damesjaponnen. ’t Is vreemd! En vijf jaar is hij in ’t land niewaar?”

“De majoor woont ruim twee jaar hier, maar een allervleiendst vaarwel van zijn mede-officieren, toen hij Indië verliet, ’t welk ik lezen mocht, was gedagteekend: Juni 18.. nu ruim zes jaar geleden.”

“Ei ’t is zonderling! Men zegt wel eens dat Onze Lieve Heer geen twee blaadjes eender gemaakt heeft, maar die majoor en de kapitein Ronner, dat gemeen individu, ze mogen dan voor de blaadjes niets bewijzen, voor de menschen gooien ze de stelling totaal op straat.—Ah ha! mijn lieve freules!” vervolgt hij, zich eensklaps terzijde wendend, tot de dochters van den baron Narwal—een zeer vermogend edelman, wiens buitengoed omstreeks een uur van De Poel lag: “’t wordt al wat donker voor de groene kamer niewaar? Nu moeten de dames mij eens het groote voorrecht gunnen om zóó, ziezoo, bras-dessous bras-dessous, de vijvers met haar rond te wandelen. Papa had ze voor deze gelegenheid willen laten droogmalen om ze dan met Rijn-wijn te vullen, maar de snoeken hebben dat afgestemd, hé!—Ah zie, onze brave lampenisten zijn al met de verlichting bezig.—Freule Marie,—al geëngageerd voor de eerste wals..... Freule Rosa,—voor de eerste quadrille....? Welzeker, ’t bal zal binnen zijn!—’t Was eerst plan om buiten te dansen, maar, van een concurrentie met de muggen hebben we afgezien.—Geen eerste wals meer? O, dat is verschrikkelijk! De galopade....? Ai, dat is jammer, de eerste galopade heeft mij mevrouw Helmond al toegezegd.”

“Ah zoo, dan heeft mijnheer Debecque de mooie doktersvrouw zeker vooruit gevraagd, want al vroeg hoorde ik haar tot dien majoor zeggen dat ze geen dans meer open had.”

“Abuis schoone freule: menheer Debecque heeft niemand vooruit gevraagd,” zegt Hardenborg, en meent het aardige freuletje, in ’t lila satijn, zóó wel een beetje te mogen foppen: “Een lief gezichtje die doktersvrouw;” voegt hij er bij, op dien halfvragenden toon, om—casu quo—niet nóg eens zeer te doen.

“Lief! ik vind haar bepaald prachtig!” zegt freule Marie; “’t Is een ware beauté.”

“Ja ik kan haar niet genoeg aankijken;” zegt Rosa.

“Ze heeft compleet iets vorstelijks,” herneemt Marie: “mij dunkt ik heb nooit zooveel charmes bijeen gezien.”

“En naar ik hoor moet ze zoo prachtig zingen. Je kunt je haast niet begrijpen mijnheer Debecque, dat zoo’n mensch van geen geboorte is. ’t Schijnt wel alsof er altijd iets aan ontbreken moet.”

“Fameus jammer!” zegt Hardenborg, die nu vis-à-vis freule Rosa vooreerst maar een Debecque zal blijven.

“O, dat idee heeft me geen oogenblik gehinderd;” valt Marie in: “Nee, weet u wát me hinderde .... Hé dat is mooi die verlichting à giorno, mooi in het water;—het choqueerde me geweldig zooals die oude majoor Katten- of Kartenglimp haar het hof stond te maken. Die man heeft een leelijk gezicht.” [281]

“Hé, vindt u freule?”

“Pardon, ’t is misschien een vriend?”

“Foei Marie, je zegt ook maar alles!”

“Ja ’t is onverstandig. Ik denk wat al te dikwijls overluid. U neemt het niet kwalijk luitenant?”

“O volstrekt niet! Om je de waarheid te zeggen freule, ik ben het volmaakt met je eens; de manier waarop die majoor straks het mooie vrouwtje courtiseerde ’t was....”

A-bas!” zegt freule Marie.

Au fond commun;” stemt Rosa.

Hardenborg werd zeer warm van binnen,—Harmonie!—Mooie muziek!—Hij sloot die beide, hem anders heelemaal onbekende armpjes wat vaster,—vooral dat armpje links aan de zij van het hart;—niewaar, ’t pad werd zoo smal, en.... ’t Was nu jammer dat die kleine van De Zonsberg er niet bij was. Dan—dán kon men misschien ineens besluiten: voor ’t oogenblik: Links, nominatie nummer één!—En avant!


Juist tegenover de plek, waar het vuurwerk zou worden ontstoken, was een groote cantine geplaatst, waar wijn, limonade en sorbets benevens allerlei fijne gebakken werden aangeboden.

Reeds een groot aantal gasten bevond zich daar koutend en genietend bijeen.

“Een allerliefste avond;” zegt een der heeren.

“Wel iets bijzonders voor ons kalme Romphuizen;” antwoordt juffrouw Lansveld.

“En de feesten zullen elkander zoo spoedig opvolgen,” zegt mevrouw Lens, terwijl zij de keurige met wit dons omzette sortie, door Louise Armelo gemaakt, een weinig lager laat zakken: “Tenminste ik heb mijn woord al moeten passeeren aan mevrouw Helmond voor—ik meen den acht en twintigsten September.”

“Ja juist. Ik ben ook gevraagd!” klinkt het hier en daar.

“Allerliefst!”

“Prachtige gelegenheid in ’t nieuwe doktershuis!”

“Recht lieve menschen!”

“Puissant rijk!”

“Hé puissant?” Zeer zachtjes: “Ik dacht dat het veel uiterlijk was. De praktijk verloopt bepaald!”

“O geen wonder menheer: heelemaal liefhebberij.”

“Och-kom, dus zoudt u denken dat men bijvoorbeeld zoo’n rekening niet behoeft te....?”

“Nee quant à cela, heelemaal niet, maar een gracieus cadeau of cadeautje. U begrijpt—de generaal!—Puissant!”

“Ah zoo juffrouw Van Berge, zult u den acht en twintigsten September ook van de partij zijn?”

“Om u te dienen notaris. We stonden zoo bij elkaar, en toen heeft mevrouw Helmond ons, allerliefst, in massa geïnviteerd.”

“Vin-jij dat Helmond er vroolijk uitziet?” vraagt de burgemeester aan den notaris. [282]

“Vroolijk? Jawel; tenminste het tegendeel is me niet opgevallen.”

“Hij ziet bleek.”

“Wie, ik?” roept Hardenborg, die nu met zijn beide aardige freuletjes aan het buffet is gekomen, en zorgen zal dat ze op ’t vlugst en op ’t allerbeste bediend worden—door het zelf te doen: “Bleek, ja dat komt van zulk een zachte illuminatie aan weerskanten;” en, de freules Narwal loslatend, buigt hij galant rechts en links, en ziet meteen dat ze beiden bepaald allerliefst zijn, maar freule Marie..... ja waarachtig, freule Marie is lampion nummer één, en krijgt dan ook het eerst een glas punch à la Romaine en het eerst een roomhoorntje à la vanille.


“Eindelijk zal Eva haar lieven man dan eens te spreken krijgen,” zegt de jonge vrouw, en neemt den arm van haar vriend, en slaat een zijpad met hem in, terwijl ze bijna iets zwevends in haar tred heeft, nu de kapel, Von Weber’s geanimeerde Invitation à la Valse doet ruischen en zwellen.

“Kalm, kalm vrouwtjelief; je hebt al wat te veel kleur. Ik bid je, dans nu straks niet te druk. Ik moest het je eigenlijk heelemaal verbieden, maar.....”

“Dan zou je zelf geen beurt krijgen niewaar? O beste man, als ik nog denk dat je me dit avondje bijna ontkaapt hadt. ’t Is hier déli, ik amuseer me dol! En de menschen zijn allemaal even charmant en lief. De baronesse Doelemeere heeft wel een half uur met me gepraat, en de familie Narwal van Brouwerscate die fêteert me haast al te veel. Heb je ’t niet gezien?—Guns August, die Kippelaan is toch een malle vent; ofschoon ik eigenlijk geloof dat hij de gravin Van Leeuwen even weinig kent als mij, zoo presenteerde hij mij aan haar, en wel als: Mevrouw Helmond geboren gravin van Armeloo.—O je kunt niet gelooven wat dat dadelijk een gemakkelijkheid gaf; ik heb toen ook maar de stoute schoenen aangetrokken en haar op een invitatie voor den acht en twintigsten geprepareerd. Dadelijk nam zij het zeer gracieus aan.”

“Maar Eva, ’t is onverstandig om die menschen al zoo lang vooruit te vragen; bedenk toch.....”

“Bedenk toch, niewaar Evertje z. m., dat we dan allang dood en begraven kunnen zijn. Boe boe! kan het nog somberder?” En dan, half luide neuriënd, zingt ze de Invitation à la Valse na. Eensklaps houdt Eva stil: “Weet je August, wat me alleen hindert van avond—als jij tenminste heel lief en aardig bent—’t is, dat ik eigenlijk vis-à-vis mevrouw Narwal en vooral tegenover mevrouw Van Leeuwen een bespottelijk figuur maak. Ja, met m’n doodonschuldige diamantjes.—Zeker, ze zijn heel lief, en ik vond het alleraardigst van je, toen je ze mij, je weet wel, voor een vergoeding hebt gekocht; maar heusch, de schapen maken hier een allerzotste vertooning. Mevrouw Van Leeuwen had letterlijk geen oog van m’n broche af toen ze met me sprak, en ik kon zoo zien dat ze me den heelen tijd haar prachtige, o! over-over-prachtige broche wou laten [283]opmerken, want, dan trok ze zoo met dien hals en zette de borst vooruit, van belang!”

“Mijn hemel Eva, hoe kun jij nu over een broche denken als je bij zoo’n vijftigjarige, eer leelijke dan mooie vrouw staat. Jij bent, bij haar vergeleken, heelemaal een diamant.”

“Ja mannetjelief, zoo’n discours hebben we geloof ik nog eens gehad, op een achtermiddag; toen vond je—als ik me wel herinner —geslepen glas even mooi.—Maar neem me niet kwalijk, een man kan onmogelijk begrijpen wat het is, als men, enfin, nog al gekleed en dan niet zoo heelemaal een nul in ’t cijfer, tegenover een dame staat die je letterlijk uitlacht omdat je bespottelijk kleine diamanten aanhebt.”

“Heeft mevrouw Van Leeuwen jou uitgelachen Eva?”

“Ja! ’t Was nu juist geen gillen, maar ja, ja zeker, ik kon heel goed zien dat ze—als ze ’t gedurfd had—me zou hebben uitgelachen; en ik herhaal dat ik dat alles behalve plezierig vind. Zeg lieve kereltje, krijg ik tegen den acht en twintigsten....? Nee, chut! geen overijlde antwoorden, ’t Is ook indiscreet misschien om zoo zelve te vragen; maar toch.... ik hoop....!”

“Nee nee Eva! nee!!!” En in zich zelven: Mijn God, waar moet dat heen!

“August!” zegt Eva verschrikt: “vraag ik te veel? Och, neem ’t me dan niet kwalijk. Je weet wel dat ik niet ’t beste, het allermeeste wil: wat jij doet en wilt dat is me altijd goed geweest. Was het niet, lieve beste August? Zeg dan, ben ik niet óvertevreden tegenwoordig? Heb ik dat niet bijna elken dag, ja nog zooeven gezegd?—August, ben ik niet je trouwe lieve vrouwtje? Zeg? Spreek dan; ben je boos omdat ik een beetje op mijn jaardag vooruitliep?”

Eva ziet rond of daar ook iemand wezen mocht; en dan, dan legt ze haastig haar poezelen arm om zijn hals en——een zoen als uit den zaligen bruidstijd, steekt Helmond opnieuw het hart in gloed!


Het vuurwerk was voor een particuliere partij inderdaad schitterend. Nu eens stond het schilderachtig gelegen landgoed met al zijn genoode en ongenoode gasten, in een tooverachtig rood of blauw of paars licht, waardoor men zich in een droom verplaatst gevoelde, en dan weer....

“Hé, dat is oorverdoovend!” zegt een der juffrouwtjes Lens, en trekt “voorzichtigheidshalve” het hoofd wat terug.

“’t Zou niet kwaad zijn menheer Debecque—o, ’t is waar, menheer Hardenborg—als er nooit op een andere manier met kruit werd gewerkt;” zegt freule Marie Narwal, die toevallig weer naast Archibald stond.

“Dus zoudt u mij met de heele militaire macht zoo maar zonder complimenten op straat willen zetten? Foei foei freule Marie.”

“Ik hoop niet dat mijnheer Hardenborg zich, bij gelegenheid, over de gastvrijheid op Brouwerscate zal te beklagen hebben;” is [284]het antwoord, ’t welk schalks wordt gegeven; en dan ernstig; “Maar ja, als ik wist dat u bijvoorbeeld iemand in den oorlog.... ja, hadt doodgemaakt, dan.... dan zou ik er misschien toe kunnen komen. Ik vind het afschuwelijk dat menschen elkander zoo koelbloedig vermoorden.”

“Wel freule, wat ik vroeger wel eens mijn ongeluk heb genoemd, dat zou ik nu haast m’n geluk willen heeten: de ondergeteekende, ofschoon hij flink—ik moet het bekennen—op dat fanatieke Indische goedje heeft laten inblazen, hij is nooit zelf in de gelegenheid geweest om er een—althans zooveel hem bekend is—voorgoed de bajonet te doen afslaan.” En dan zich terzij tot Kartenglimp wendend: “Hebt u ook nog met die vroolijke Bandjareezen kennis gemaakt majoor, als ik u vragen mag?”

“Nee, toen was ik al in Holland.”

“O ja, dat meen ik gehoord te hebben. Ik denk wanneer ik u zie gedurig aan iemand die wat jonger was, hé, maar anders fameus op u geleek.”

“Ei!—Mooi dat rad hé. Vin-je niet mevrouw Helmond? Fameus mooi!—Magnifique partij niewaar?—Ik geloof dat dat de “bouquet final” geweest is. Ha zie, nog een vuurpijl, pour la bonne bouche. Mag ik ’t genoegen hebben u den arm....?”

“O dank u majoor; ik heb.... ik zoek....”

“Nog altijd een beetje rancune?” vraagt de majoor wat zachter, terwijl Eva hem toch onwillekeurig terzijde blijft, en men zich langs een smaller pad, tusschen een bosschage van hulsten en andere fijne doornheesters, uit den kring van het gezelschap verwijdert.

“Rancune, o nee majoor, maar....”

“’t Is niet onnatuurlijk mevrouw, en de vriendelijke woorden die ik u straks mocht toespreken zijn niet voldoende geweest. Ik heb schuld; ik had het al vroeger moeten goedmaken. Waarom ben ik niet bij u geweest sedert den avond van dat, voor u zoo onaangename misverstand.... ’t Is onvergeeflijk, ik beken het! Maar, een geboren Van Armeloo is allerminst haatdragend of kleingeestig.”— Stilstaande: “Vergeef me mevrouw Helmond. Na al de moeite die ik met liefde had gedaan, werd ik dien avond zoo ge.... ge.... gedesillusioneerd dat ik mij zelf een oogenblik vergat, en ook naderhand besloot om die papieren altemaal weg te doen, te verbranden, want.... Nee nee, pardon, verbrand heb ik ze niet. Ik kwam daarvan terug, en vooral omdat er één stuk bij is, dat zelfs als curiositeit zeker een aardig sommetje waard zou wezen.”

“O dat zal het stuk zijn ’twelk bewijst....?”

“Juist; uw papa hecht er niet aan! Enfin, ieder mensch heeft zijn eigenaardige begrippen. Uw papa is een zeer verstandig man, en zal waarschijnlijk zijn goede redenen hebben....”

“Ja dat is zeker; maar u vergist je majoor, als u denkt dat papa omtrent die papieren heelemaal onverschillig zou zijn. Papa zal er.... Nee, hij zal er u wel niet om vragen, maar....”

“Ik zou ze hem in geen geval aanbieden, mevrouw Helmond, dat kunt u gemakkelijk begrijpen.” [285]

“Nee....” aarzelt Eva, “dat is niet onnatuurlijk.” Zich snel in de rede vallend: “Ik geloof anders majoor, dat—indien de zaak wáár is—dat dan het bewijs door iedereen gemakkelijk te leveren is.”

“Dit laatste komt niet overeen met hetgeen ik u vroeger verzekerde mevrouw. Als man van eer, als oud-officier, geef ik u de stellige verklaring, dat het van de duizend menschen er nauwelijks één zal gelukken om het stuk te bemachtigen ’twelk ik door mijn bemoeiingen meester werd, en waarvan in deze zaak alles afhangt.”

“Dat stuk is....?”

.... “Eenvoudig het document waaruit onwederlegbaar blijkt, dat de bet-overgrootvader van uw vader, en de zoon van den Hollandschen graaf Van Armeloo één en dezelfde persoon is geweest.”

Een oogenblik bleef het stil. Dan zegt Eva snel:

“U zoudt mij verplichten met mij dat bewijs te.... zenden majoor.”

“O, ’t is zeker veel eer: veel....” Eensklaps omziende: “Mij dunkt ik hoor daar roepen: Zoudt ú mij ’t genoegen willen doen mij den arm te geven, schoone mevrouw Helmond?”

Weer vliegt Eva het bloed naar de wangen.—Neen, haar arm krijgt hij niet!

“O, u neemt niet kwalijk majoor?” zegt ze snel: “’t Is Helmond die daar roept.” IJlings spoedt zij zich nu terug langs het pad, doch.... halt, nu kon ze niet verder.

Helmond met Archibald, freule Marie Narwal en nog een paar jongelieden, bevonden zich aan ’t eind van het pad.

“Een Absalome!” roept de luitenant, en vliegt naar de plek, waar Eva eensklaps tot stilstaan werd gedwongen, dewijl ze met haar sortie aan een nijdig takje bleef haken.

’t Was maar een kleine scheur. Eva zei dat het niets te beduiden had. Maar Archibald hield een korte potsierlijke toespraak tot den ondeugenden meidoorn, die zich in ’t voorjaar met zijn welriekende bloempjes zoo aardig voordoet, maar nu in ’t begin van September zoo valsch is als een jaloersche kat.

Kartenglimp bleef op den achtergrond.

En ginds aan den arm van dien jongen luitenant zag hij haar voortzweven.—Welzeker, men wachtte haar in de zaal; de muziek speelde er reeds een Ouverture de Bal; zij zou er dansen, dansen met iedereen, maar voor hem—inweerwil van dat prachtige lokaas, ’twelk hij haar sinds dien avond toch in ’t geheel niet meer toonde—voor hém heeft ze zelfs den arm niet over.... dien blanken welgevormden arm!—Maar ha! al wordt het tijd, ’t is nog vroeg genoeg, welzeker, nog vroeg genoeg!

Een zeer groot aantal waskaarsen op luchters en kronen, verlicht overvloedig de groote zaal en de twee daaraan grenzende zeer ruime kamers, die door breede nu geheel weggeschoven battans gemeenschap hebben.

De groote zaal is delicieus gecireerd, als een spiegel zoo glad! Enkele paren wandelden daar reeds koutend in ’t ronde, doch het meerendeel bevindt zich nog in het groote vóórsalon, waar men in [286]den middag ontvangen werd. Dominee Hoogerberg, bekend met de huiselijke omstandigheden der familie Debecque, brengt er, alvorens de dans zal beginnen, en nú reeds, dewijl hij om gewichtige redenen vroegtijdig naar huis moet, een hartelijken maar korten heildronk aan de gastvrouw die heden verjaart, en aan haar eenigen zoon, die in ’t moederland mocht terugkeeren om een moeder gelukkig te maken.

“Dominee, allerliefst! allercharmantst! Dank je, merci, aller-aller-hartelijkst!” zegt mijnheer Kippelaan, die aanstonds is vooruitgestoven, en met zijn beide handen de hand van den spreker vermeesterend, ten aanschouwe van al zijn hoorders, steeds karnend, de tolk blijft van aller gevoelens!

Archibald ziet het treffende schouwspel een oogenblik met een kwalijk verborgen glimlach aan, en dan net glas opheffend, zegt hij:

“Terwijl mijn schuld aan onzen hooggeëerden dominee op zoo passende wijze door de welwillende tusschenkomst van mijnheer.... re.....??”

Kippelaan!” helpt de eigenaar van dien naam, terwijl hij met een verheerlijkt gelaat naar den spreker omziet.

“Ah juist, Kippelaan; uw naam was mij ontschoten....”

“Jules Janin!

“Straks hoop ik u mede een handdruk te geven dominee,” zegt Archibald, eensklaps van Kippelaan op Hoogerberg ziende: “om u dank te zeggen voor de goede woorden aan ’t adres van mijnheer Kip..... ik meen aan ’t adres van mama en van mij; doch met den dronk die nu geen uitstel duldt, maar welke twaalf-twaalfde gedeelten der jonge dames toch hopen dat kort en vooreerst de laatste zal wezen,—omdat de muzikanten anders ongeduldig zouden worden; niewaar dames?—met dit glas dan moet ik den vriend gedenken, zonder wiens trouwe hulp ik misschien—zelfs met den besten wil van de wereld—hier niet als zoon van den huize had kunnen fungeeren.—Maar, ik zie eenige zakdoeken te voorschijn komen. Alzoo denkende aan het heden, en herdenkende “om het half uur een zeer leelijken lepel”, maar ook: alle dagen twee- of driemaal een gezicht waarop een hart stond geteekend van goud, neen, een hart vol waarachtige belangstelling! denkende aan een trouwen vriend, die deed wat hij kon om mij voor mijn goede moeder in ’t leven te bewaren, drink ik dit glas—de handdrukken mijnheer Kippelaan, zullen mogelijke flaters in mijn oratie goedmaken...’” Kippelaan wilde reeds toesnellen om den zoon van den huize te.... maar hij werd door een der heeren tegengehouden: “drink ik dit glas,” herhaalt Archibald met verheffing van stem, “op wat mijn braven dokter liever is dan zijn leven, op haar die hem meer waard moet zijn dan al de schatten dezer, nog al plezierige wereld: op zijn aangebeden vrouw, mevrouw Helmond, geboren Van Armeloo!”

Het was bij de levendigheid die er nu onder al de aanwezigen ging heerschen—en waarbij mijnheer Kippelaan letterlijk handen te kort kwam—een zeer vermeldenswaardige bijzonderheid, dat [287]er onder die vele dames, en inzonderheid onder die dames van hooge geboorte, geen enkele te vinden was, bij wie er een gevoel van jaloezie werd opgewekt, door den toost op mevrouw Helmond door den zoon des huizes uitgebracht.

Eva gevoelde zich.... half bedwelmd, als een veder zoo licht, en onuitsprekelijk zalig. De tranen stonden haar in de oogen. O! en toen men haar nu van alle kanten met de liefste woorden overlaadde, en de baron Narwal haar zeide: “Wij hopen de lieve doktersvrouw recht veel met haar echtvriend op Brouwerscate te zien;” en de baronesse Doelemeere haar met zoo’n recht vriendelijk en gemeenzaam knikje de verzekering van haar belangstelling schonk ja, toen zelfs de gravin Van Leeuwen naar haar toekwam en zeide: “Ik vereenig me van harte met de beste wenschen voor uw geluk, lief mevrouwtje,”—toen.... ’t was niet om uit te spreken.... ze moest toen den fijn geborduurden zakdoek voor de oogen drukken; de weelde van dat oogenblik was schier al te groot!

Nochtans, toen ze zich nóg eens door diezelfde hooggeboren vrouw zoo innemend hoorde toespreken; en zij tevens uit mevrouw Van Leeuwens prachtige met parelen bewerkte flacon een weinig eau-de-cologne moest nemen, toen kwam er een klein, een bijna onmerkbaar wolkje haar gelaat overtrekken, want, weder waren de oogen der gravin op haar diamanten broche gericht, en zei de oudere dame met wezenlijke zorg: “Je aardig speldje is losgegaan lief mevrouwtje. Voorzichtig, ’t zou toch wezenlijk jammer zijn, niewaar?”

En de groote diamanten der gravin blonken en fonkelden met duizend kleuren, en Eva tastend naar “’t speldje”, inplaats van het vast te steken, deed het—’t was niet onnatuurlijk, door het eenigszins trillen der vingers, als een gevolg van de aandoening waarin de toost haar gebracht heeft—geheel en al losgaan, zoodat het op den grond viel. En zie, nadat een galant jongheer het aanstonds had opgeraapt en haar weergegeven, verdween “dat kinderachtige sieraad” voorgoed in den zak van haar kleed.

Helmond heeft met een zeer kort maar hartelijk woord, Archibald zijn dank betuigd, en het welzijn van den gastheer gedronken. Helmond gevoelde zich nu wat beter dan straks. Misschien hebben een paar glazen pittigen wijn hem goedgedaan. Een bediende komt reeds voor de vijfde maal met het blad waarop de geurige Côte d’or en Rudesheimer worden aangeboden.

“Dankje!—Eh.... ja toch.—Ziezoo kameraad.”


Het bal heeft een aanvang genomen.

’t Is een kleine misrekening voor Eva geweest: De baron Debecque heeft niet met háár, maar met mevrouw Van Leeuwen, die nog gaarne een enkel dansje—zoo’n Polonaise bijvoorbeeld—meedoet, het bal geopend. Aan den arm van den baron Narwal gevoelde Eva zich echter spoedig ruimschoots schadeloos gesteld, want mijnheer Narwal was een man nog in de kracht van ’t leven, had wel vijf ridderorden, en was kamerheer of iets van dien aard; tenminste “ijselijk hoog!” [288]

Nu de tweede dans zal beginnen en reeds

De dartele snaren

Doen tripp’len de paren;

nu hangt Eva in den arm van haar alles, van den eenige, op wien ze waarlijk zoo trotsch is:

“O, engel!” zegt ze, en drukt hem dien arm zoo innig: “zulk een feest, zóó iets heerlijks heb ik nog nooit beleefd. Die menschen hier.... Och wat zijn ze allen onbeschrijfelijk lief en hartelijk, en zonder eenige distantie.—Eén ding beste August, als het te pas mocht komen, ik zeg als, och spreek dan vooral niet tegen dat jij ook van adel bent; ’t is me letterlijk al pratend uit den mond gevallen toen ik door dien mallen Kippelaan.... ik weet niet hoe, een beetje in ’t nauw raakte. Maar.... onwaarheid sprak ik toch niet; je kunt immers later papa’s titel krijgen; niewaar August?”

“Mijn hemel Eva, dat gaat te ver!”

“Ben je boos, mijn lieve man? Nee, dat kun je nu niet wezen, niewaar? Maar luister eens.... ik mag er immers vast op rekenen....? Wel, op onze partij, met mijn jaardag? Och die jonge Hardenborg was zoo galant; ik zei maar even dat ik deze muziek zoo allerliefst vond, en—dadelijk dadelijk is hij toen gaan informeeren of de kapel den acht en twintigsten vrij zou wezen.—En ja zeker, alles is in orde! Natuurlijk moest hij er toen aanstonds beslag op leggen omdat ze zoo moeilijk te krijgen is....”

“Eva, ben je razend!”

“God August! je zoudt me doen schrikken. Freule Marie ziet juist naar ons, zij zal denken dat we woorden hebben. Lach: toe lach.”—Eva lachte.—En August? Moest hij dan hier die algemeen gevierde vrouw, en ten aanschouwe van zoo velen, een barsch gelaat toonen, haar, zijn dierbare Eva? Ha, als men dan overal fluistert dat een man, die zulk een vrouw bezit, haar niets weigeren mag, dat ze hem meer moet waard zijn dan al de schatten der wereld; ha, waarom zou hij dan ook niet lachen! Waarom zou hij dan ook niet....

—Daar vangt de wals aan.—’t Is alsof de wijn hem eenigszins heeft beneveld. Misschien ook is hij het dansen ontwend:

“Bedaard, bedaard lieve kind; niet te vlug; je weet wel waarom? Ja zeker, heel goeje muziek, fameus in de maat!”

En Eva wielt, al zwevend, als in een hemel aan den arm van haar teerbeminde. En de muziek is krachtig; maar hoor, telkens en hoe langer hoe meer, klinkt er in die sterke bazuintonen bij het geanimeerd en wegsleepend refrein, een enkele noot.... die haar aan woorden, aan vreeselijke woorden herinnert, en ook aan dien droom met den saterlach:

Et—Satan conduit le bal,

Et—Satan conduit le bal!

Ik wil wel eens rusten August!—Dit stuk moeten ze bij ons [289]niet spelen, ’t Refrein is toch leelijk; al te snerpend. Vin-je óók niet, m’n lieve man?”


Mijnheer Kippelaan voelt zich dezen avond misschien nog gelukkiger dan Eva Helmond. De bijzonderheid dat hij op zulk een partij was gevraagd, heeft hem boven de huizen gebracht.

—’t Scheen wel—dewijl zelfs de candidaat-notaris Piet Lovers met zijn ouderwetsch Marietje was genoodigd—dat de baron Debecque zijn invitaties zoo ver mogelijk had uitgestrekt; maar de eer was toch bijzonder, en hij mocht nu gerust zeggen dat de adel uit den omtrek met alles wat daartoe behoorde zijn intieme vriend was. In den beginne is Kippelaan iets minder op zijn gemak geweest, maar sedert hij het stoute stuk volbracht, en dokter Helmond, zonder dat iemand het zag, de beide banknoten van honderd gulden uit den brief aan Woudberg, met een couvert er om, in den achterrokzak heeft gewerkt, had hij zich zoo onschuldig gevoeld als een pasgeboren zuigeling.

Allerliefst lieve gelegenheid!—In den vooravond bij ’t geleide van juffrouw Van Berge naar de groene kamer, heeft hij al iets voelen kloppen, en.... enfin, juffrouw Van Berge heeft hem eensklaps losgelaten, en Mina Lens die vóór haar liep, in den arm genomen.—O dat guitje!—Later had hij gehoord dat juffrouw Van Berge ook waarlijk al met den kantonrechter uit B. geëngageerd was, enfin.—Na ’t verblijf in de groene kamer is hij weer zoo.... ja, hij moet het bekennen “zoo ondeugend geworden.” Bij ’t vuurwerk heeft hij de kleine blanke allerliefste jonge dame, Mietje Lansbroek, het hof gemaakt, en gezegd dat hij “duizendmaal op den rand geweest was, maar nu in háár den afgrond voor zijn hart metterdaad gevonden had.” Mietje Lansbroek heeft toen gezegd, dat ze het al te akelig vond, wanneer menheer Kippelaan zijn hart aan zoo’n halsbrekenden toer zou wagen, en heeft hem toen haar “allerliefsten rug” toegedraaid—natuurlijk, volgens Kippelaan, een weinig verlegen over zijn aanzoek en de geestigheid van haar eigen antwoord.—’t Was waar ook, hij had zoo iets hooren spreken van een remonstrantsch proponent. Enfin, allerliefst, geestig! Dansen? Zie ’t was jammer, al de dames waren disperaat dat ze hem een dans moesten weigeren.... maar nee, ’t is zijn schuld; zijn eigen schuld; hij is niet vroeg genoeg gekomen! ofschoon.... Enfin, ’t was allerliefst dat ze hem allen zonder uitzondering beloofden: jawel, als er weer een feest was; ja welzeker.

Op dit oogenblik schept Kippelaan nog even een luchtje, want hij had aan een der buitendeuren staande—iets in ’t donker zien verdwijnen, ginder in de richting van de groene kamer, waar nog een enkele gekleurde ballon tusschen het donkere groen hing. En Kippelaan vond het buiten allerheerlijkst....

’t Was heelemaal donker, pikdonker in de groene kamer. Daarbinnen klonk een zucht. Bijna gelijktijdig klonk er nog een zucht, meer piano.—Er volgde een plechtige stilte.—Na eenige seconden had de herhaling van het even genoemde diep roerende zuchten [290]plaats.—Toen had men iets kunnen vernemen van een langgerekt geluid zóó bijna als van het theewater alvorens het aan—of van de kook raakt.—Nogmaals nú hartverscheurende zuchten. En dan:

“Och Marietje!”

“Och Piet!”

“O, als ze ons één—één tienduizendste meegaven, dan!”

“Och Piet, dán....”

“Och Marietje!”

“Gud, ik hoor wat!”

Twee personen zijn juist den ingang der groene kamer genaderd, ’t Zijn Helmond en de majoor Kartenglimp.

Helmond is er overheen.—Wat drommel wáárom niet! Zijn er dan niet honderdduizend menschen voor één die doen zouden wat hij doet? Geld ter leen vragen als men ’t noodig heeft en zeker weet dat men het zal kunnen teruggeven:—Kunnen? zeker? Ja, ongetwijfeld zeker! Als hij den generaal morgen maar eens als vanouds de hand heeft gedrukt, wat, voor den drommel, wat zouden er dan voor haken en oogen kunnen zijn? Zal een man van eer, een man als de generaal zijn woord breken, zonder een bepaald voorval waardoor een brouillerie gewettigd kan heeten? Zou hij zonder eenige kennisgeving de gedane verklaring intrekken, dat August nevens Jacoba zijn erfgenaam zal zijn? Neen, die pleegvader zal dat niet!—Nu, wáárom tobt en treuzelt hij dan, en zit zoo telkens met de handen in ’t haar? Is het niet armzalig dat iemand met zulk een erfenis in ’t verschiet, hier rondloopt met niet meer in zijn bezit dan de vijf guldens die zijn provisor hem leende!—Zegt het spreekwoord geen waarheid: Met den tijd komt alles terecht!—Wat weerga, al moest zijn leven, zijn heele aanzien, alles er aan opgeofferd worden, men heeft gelijk: Een vrouw zooals de zijne wordt er op de duizend geen gevonden! Zóó een moet boven alle ontbering verheven zijn en schitteren in haar vollen glans. Men moet haar ten volle waardeeren. Dat doet men hier, dat doet iedereen. Boven al die adellijke vrouwen, zelfs van leeftijd, werd zij verheven, door dien toost van den zoon des huizes. Wat drommel, Eva heeft gelijk, hij is een beroerde zwaarmuts; alles komt terecht.... en.... Neen, het dolle plan om confidentieel met den ouden Debecque te spreken en hém te vragen.... neen, hij heeft het laten varen; ’t zou Eva die, nog al wat hoog van alles heeft opgegeven, compromitteeren; en ook.... met al die adellijke kennissen, en later die partij ten zijnen huize.... Neen! Kartenglimp had hem zeer heusch bejegend; den ganschen avond; allerhartelijkst! De man is poltron; tenminste een beetje wars van Vriend Hein was hij zeker; maar anders, noch over het niet terugkomen om zijnentwil uit Parijs, noch over dien onaardigen conferentie-avond heeft hij zich beklaagd.—Helmond weet toch zeker dat notaris Zoutenheer, een gedeelte van het hem verstrekte geld van den majoor heeft gekregen; en, inplaats van iets onaangenaams na die scène te laten blijken, heeft hij laatst zonder eenige pretensie gezegd: dat hij a vijf percent.... onder vrienden....

“U begrijpt majoor, dat ik ’t alleen vraag omdat je ’t mij zelf presenteerde. [291]Ik vond je voorstel zoo cordiaal: anders zou ik aan Zoutenheer ... maar....”

“Nee nee, wáárom! Zoutenheer moet zes percent hebben, en ik ben er met vier tevreden.”

“Vier? Ik meende....”

“Wat bl.... onder vrienden; jij bent een uitmuntende dokter! Apropos, kan zoo’n avondlucht kwaad? Nee hê....?”

“Niemendal majoor. Voor ú is de lucht allerheilzaamst. En dus...”

“Zou jij me niet zoo eens een levensregel kunnen voorschrijven? Zieje, voor gevallen.... Enfin, als ik zoo iets had, dan was ik gerust.— Wat die drie duizend gulden betreft; accoord! Waarachtig, met alle plezier! Jelui moet het er van nemen. Als de ouwe opstapt dan ben je heelemaal binnen. Een schietgebedje voor zijn tijdige afreis. Hahiehaha!”

“Majoor, op die manier wil ik mijn vrienden niet hooren. Mijn pleegvader heb ik waarachtig lief, en....

“Bravo mijn waarde! Eere hebbe je hart. Maar permitteer me! Ik voor mij vind hem tegenover dokter Helmond en zijn vrouw een vervoerd schrielen compeer.—Praat er niet van! Geeft ie wel eens een zak guldens mee? Pardon, ik heb daar niet mee te maken!— Enfin, in orde! Kom morgen in den loop van den voormiddag maar bij me. Altijd tot je dienst. Maar wat ik zeggen wil.... ah ja, is je vrouwtje nog een beetje boos op me dokter?”

“Nee majoor; wáárom zou ze....?”

“Dat vraag ik jou m’n vrind.—Weet je wat me, ronduit gezegd, een weinig hinderde?—Zonder er me op te beroemen, ik heb voor dien adel mijn best gedaan, en terwijl dokter Helmond nu vriendschappelijk en wel is, weigert mevrouw Helmond mij bijna een antwoord.”

“Maar dat is een opvatting.”

“Ik wil het gelooven. Maar zie, dan moest jij haar toch zoo ongemerkt eens zeggen, dat het je plezier zou doen als ze weer een klein beetje vriendelijker tegen me was. Ik ben toch geen monster niewaar?”

“De Hemel beware....!”

“Weet je wat me bijvoorbeeld hinderde? ’t Was dat ik in presentie van een paar heeren, zoo maar kortaf moest hooren, dat ze geen dans voor me had.”

“Maar dan zal ze er werkelijk....”

“Nee nee m’n vrind, je vrouwtje had er nog wel zes open, omdat ze je beloofde niet veel te zullen dansen. Dit laatste zei ze aan dien luitenant; en—hier zit ’em de voorname grief—toen gaf ze hém een oogenblik later toch een galop, ofschoon hij al tweemaal haar cavalier was.—Dat heer bevalt me niet Helmond.”

“Wien bedoelt u majoor?”

“We spraken van dien menheer Archibald niewaar? In jou plaats amice, zou ik hem niet al te veel.... enfin! We kennen die heertjes! Ik ben zelf in Indië geweest, en....”

“Maar majoor, zulk een veronderstelling.... U vergeet dat mijn vrouw....” [292]

Ik vergeet niets niemendal beste vrind! Je vrouw heb ik leeren kennen: ’t is het prachtigste karakter dat ik ooit ontmoette. Haar houding, bij die vermeende miskenning van haar vader: o, ’t was edel, magnifiek! Maar de listen van zulke heertjes.... waarachtig, daar zijn geen vrouwen tegen gewapend. Zet jij de kloekste vrouw aan den rand van een afgrond; wanneer men haar onverhoeds een stoot geeft, dan zal ze te pletter vallen zonder eenige kans op behoud.”

“Archibald is naar mijn innige overtuiging een edele brave jongen.”

“Edel en braaf, dat doet al weinig tot de zaak m’n vrind, dat weet jij ook wel. Je kunt kerken en gasthuizen stichten, ja zelfs aan ’t hoofd van een asiel voor gevallen meisjes staan en toch op dat punt een zwak oogenblik hebben. Ik heb je gewaarschuwd, hij biologeert ze.”

“Majoor..... je liegt het!”

“Ei zoo, is dát onze verhouding dokter! Ik meende dat het een bewijs van oprechte vriendschap was wanneer men waarschuwt voor een mogelijk gevaar. Ik zeg niet voor een zeker maar voor een mogelijk gevaar.”

“Majoor, vergeef me dien uitval. Ik heb een paar glazen wijn méér gedronken dan me tegenwoordig inderdaad dienstig is, en....”

“Glad verkeerd dokter; als je helder wilt kijken dan moet je nooit te veel.....”

“Ik weet het, en vergat het nooit. Maar nu, men is gelukkig, men.....”

“Welzeker! Maar als je zoo gelukkig wilt blijven, geef dan—ik herhaal het, aan een pronkjuweel als je vrouw alles, alles wat haar hart begeert, maar zorg dat je haar alleen behoudt. ’t Is een verkeerd teeken wanneer een jonge vrouw een man van mijn leeftijd een dans weigert, om hem een oogenblik later aan zoo’n blonden knevel te gunnen.—Nee, agiteer je niet.—’t Is mij volkomen goed dat je dien snaak vertrouwt; maar als vriend was ik verplicht je te raden om een oog in ’t zeil te houden, en je onergdenkend vrouwtje een kleinen wenk te geven. Wat mij betreft, ik wensch als vriend alleen het bewijs der waarheid van je bemoedigend woord, dat je nobele vrouw geen rancune tegen me heeft. Zorg jij amice, dat zij het toont door de laatste wals met me te dansen.—Zie dán blijft alles zooals we dat hebben afgesproken.—Heb ik vier of drie percent gezegd? Nu ’t maakt niet uit; onder vrienden! Morgen, twee uur. Drie duizend a drie percent; opperbest!”


De partij bij de Debecque’s eindigde eerst laat in den nacht. In de pauze van het bal heeft men aan kleine tafels van vier en zes personen gesoupeerd.—Aan Helmonds tafeltje—hij had niet van zijn Hebe kunnen scheiden—zaten behalve Eva, de douairière gravin Van Leeuwen, de baron Debecque, de burgemeestersvrouw en—de majoor Kartenglimp.

Na het keurig fijne souper is een deel der gasten vertrokken.—[293]Eva heeft nog tweemaal gedanst, eens met den baron Narwal, en eens met den majoor Kartenglimp; met den laatste de wals, waarin aan ’t slot dat nare geschetter kwam.

Het gemakkelijke rijtuig uit De Gouden Arend voert Helmond en Eva huiswaarts.

’t Is zoo heerlijk rijden na zoo’n feest, en aardig is ’t ook, ze zitten half liggend nog zoo vertrouwelijk in dat rijtuig alsof ze pas geëngageerd waren.

Ja, Eva is wel een beetje moe, maar heusch, te veel vermoeid heeft zij zich niet. Alleen die laatste dans met dien vijftigponder was akelig. Die nare man!

“Ruw, ja, wat erg ruw, maar anders.... Mag ik het hoofd zoo’n beetje op je schouder leggen? Een oogenblikje lief kind?”

“Welzeker August, jij moogt alles doen wat je maar wilt, en zelfs als ik je wenschen voorkomen kan, dan zal ik het zeker niet laten. Hield ik niet trouw mijn woord August, hoewel ik er weinig plezier in had?”

“Je bedoelt?”

“Wel, dat ik met blauwbaard soupeerde en danste! ’k Denk altijd aan blauwbaard als ik hem zie. Gemeene stem toch.”

“Gemeen.....? Vin-je! ’k Zeg, iets ruws, iets....”

“Nee, bepaald gemeen! Jij spreekt zooveel menschen van allerlei slag, en daarom hoor je ’t zoo niet. Die kluchtige luitenant had op de laatste bladzij van zijn balboekje, zooals hij zei, een index gemaakt. Onder de personages wier conversatie hij schrappen zou, behoorden, nummer één: de majoor Kattenglimp zooals hij hem telkens noemde, en ten tweede menheer Kippelaan. Mijnheer Kippelaan had nota bene verteld dat jij geld van dien Kartenglimp zoudt geleend hebben. Verbeeld je!”

Helmond komt schielijk overeind:

Ik! Is ie gek?.... En wie heeft je dat gezegd?”

“Och dat kwam zoo toevallig, al lachend. Hardenborg proestte het uit. Die Kippelaan had in één adem meer dan twintig vragen en confidenties aan juffrouw Lens gedaan, en zóó hard dat Hardenborg alles hooren kon. Jij waart de zoon van Van Speyk of van een op de citadel; en de majoor was bang dat Archibald mij wat te veel het hof maakte; en..... O lieve, we hebben bijna gestikt; dat alles diende als stormram om het hart van juffrouw Lens te veroveren. Juffrouw Lens had blozend gezegd, dat Kippelaan zich zeker vergiste, want dat ze hem al eens vroeger voor de eer moest bedanken.—Zeg August, als het niet om die stukken was, dan zou ik er heusch toe kunnen besluiten om dat heer Kattenglimp den acht en twinstigsten ook thuis te laten. Als men je zoo vriendschappelijk met hem ziet omgaan, dan mocht men soms denken dat die Kippelaanspraatjes van geld leenen wáár waren. ’t Idee alleen zou me een hekel aan dien man doen krijgen. Bah!—Ojee!”

“Wat is er Eva?”

“Och niemendal; ik wou m’n flacon krijgen, want ik geloof dat je weer wat hoofdpijn hebt.... ja, met die hand aan het hoofd.... [294]en daar prik ik me aan het nijdige speldje, dat ik in den zak stak omdat het was losgegaan. Kijk eens, ’t bloed komt er uit.”

“Och die arme vinger!” zegt Helmond, en terwijl hij zich zelf tot schertsen dwingt, zoent hij den kleinen patiënt, en voegt er bij:

“Een liefdepleister er op, dan is het aanstonds weer beter niewaar?”

“Nee nee....” vleit Eva zachtjes: “een garnituur à la douairière Van Leeuwen! Ja, als dàt er op kwam! Hé mannetje, we gaan toch overmorgen voor zaken naar Utrecht, niewaar? Niet!? Jawel! jawel! dat heb je vast beloofd als ik met dat Kattensinjeur wilde dansen..... ’t Is zonde August, je deedt me schrikken; ik dacht dat je terug gingt krabbelen. Hardenborg zei immers dat het niet mooier kon treffen: iemand, die juist twee zulke rijtuigjes met een mooi span paarden moest wegdoen, omdat ie naar de Oost gaat. Wel foei, een dokter zonder rijtuig!” En dan, wuivend met de hand naar de zij van het in den nachttoon verscholen landgoed De Zonsberg: “La bonne nuit illustre général! ’t Is jammer dat je ons niet nóg eens genieten kunt.—Stil mannetjelief. Wacht, hier heb je ál de eau-de-cologne die er nog in de flacon is,—als de oom het zag dan zou hij bang zijn dat ik bankroet ging—Ziezoo, laat mij maar weer eens heldertjes blazen.... Frisch hé? Nee stil, niets te lastig; mijn laatste ademtochtje wil ik verblazen voor zoo’n besten man.—Leg het hoofd maar weer neer. Nog een klein eindje rijden, en dan.... droomen van een feest, zooals er geen prettiger werd gegeven, maar waarvoor de partij op den jaardag van’t vrouwtje toch zeker niet onder zal doen!”

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De generaal Van Barneveld bevindt zich in de serre—zijn lievelingsverblijf.—Hij heeft er nogmaals inspectie gehouden over de camelia’s, azalea’s, cactussen en zoo vele andere bloemsoorten, en zegt nu tot den tuinbaas die de inspectie heeft bijgewoond:

“Jawel baas, alles in orde! Je hebt goed gezorgd.”

“En wat zeit menheer wel hiervan?” vraagt de tuinman, terwijl hij een kleinen pot van de stelling neemt: “Ziet de generaal dat uitbotsel wel? ’t Is aardigheid zeg ik. Ja generaal, als d’r leven is dan is d’r nog hoop, zeg ik! Je zoudt het anders van zoo’n takje meidoorn waar blom aanzat en dat al aan ’t zuchten was, niet gedacht hebben. De generaal heeft er eer van.”

“Je kunt dat ding nu wel buiten zetten baas.”

“Dat zou ik den generaal voor de vaste waarheid niet durven aanrecommandeeren. We hebben gisteren al een nachtvorstje gehad, en als het hier blijft, dan.....”

“Ik zeg: je zoudt het buiten zetten!” [295]

“Allebeneur, als de generaal het verkiest.—Nog iets van je bevelen menheer?”

“Niemendal baas. Alleen wil ik je zeggen dat je in mijn afwezigheid goed hebt opgepast. ’t Was je plicht, maar ’t zal je toch aangenaam zijn te hooren dat ik tevreden ben.—Je kunt gaan.—Hé baas, zeg eens: Jij hebt vroeger bij den Haag gediend, niewaar? Juist, ik meende het. Dus den tuingrond ken je daar?”

“O generaal als m’n eigen zelf.”

“Goed! Je kunt gaan.—Zeg aan Hendrik dat ie na’t ontbijt even naar stad moet met een briefje aan den notaris.”

“Best menheer;” zegt de tuinbaas, en dan schoorvoetend, terwijl hij de pet in zijn handen ronddraait:

“Zou ik den generaal wel een vraag mogen doen?”

“Welnu?”

“Och menheer, je ziet me zoo bleek tegenwoordig. ’t Is ons allemaal op ’t lijf gevallen toen je thuis kwaamt. Als de generaal toch eens den dokter—menheer Helmond liet komen, ik geloof....”

“Dankje voor je belangstelling baas. Ik ben heel wèl.—Ga nu!—Hei! je vergeet dien pot. Je kunt hem wel wegdoen.”

Zwijgend zit Van Barneveld nu een geruimen tijd binnen zijn lievelingsverblijf op een tuinstoel, met den blik, door de openstaande glazen deuren, over het smalle balkon der serre, in het tintelend verschiet.

—Wie heeft hem geroepen?

“Ah Coba, ben jij het! Wat is er?”

“Komt u ontbijten lieve papa? ’t is al een kwartier over den tijd.”

“Hé een kwartier.... Ei!—Geef me den arm kind.”

“Waart u weer in gedachten verdiept?”

“Ja Coba, ik dacht daar juist dat het hier toch stil is, heel stil op den duur.”

“Maar die stilte vind ik juist zoo heerlijk.”

“Ei!”

Na eenige minuten, terwijl men aan de ontbijttafel heeft plaats genomen, herneemt de generaal met vaste stem, doch afgewend gelaat:

“Ik heb besloten De Zonsberg te verkoopen Coba.”

Jacoba ontstelde! Toch kwam liet bericht niet geheel onverwacht. Zij heeft het gevreesd. Ze zwijgt.

“Spijt je dat Coba?”

“Het antwoord lieve vader, mag ik u schuldig blijven. Er is iets wat me meer spijt; u weet het.”

“Meer spijt....? Wat meen je?”

Jacoba is opgestaan, en, bij den generaal gekomen, vlijt ze haar bleek gezichtje aan dien zilverwitten schedel: slaat den arm om zijn schouder, en dan bijna fluisterend zegt ze: “De reden wáárom u het doen wilt.”

“Zwijg daarvan Coba.”

“Och papa, kan ik dan zwijgen als ik zie dat uw dierbaar leven onder dien last moet bezwijken. Zou er dan geen mogelijkheid zijn om.... August, en Eva voor ons, voor ú te herwinnen?” [296]

“Nee NEE! dat is ONMOGELIJK!” zegt de generaal met een kracht die de teedere Coba doet ontstellen: “Noem mij den naam van dat wijf niet meer, nooit, nimmer meer. De helle veeg die hem dronken maakt; de lichtekooi die....”

“Stil stil; bedaar beste vader....”

“Vergeef me klein lief meisje, ik dacht er niet aan dat jij hier waart.” Hij strijkt met de hand langs het voorhoofd, en dan: “Jij bent heel wél niewaar? Tenminste.... je ziet er bepaald.... zeer zeer goed uit.”

Jacoba beschouwt haar vader eenige oogenblikken stilzwijgend met teederen blik.—Neen, hij ziet er niet goed uit, in ’t geheel niet. Zijn oogen staan flets, en in oogenblikken als deze, wanneer hij zich te veel door zijn smart laat vervoeren, bespeurt Coba zeer duidelijk dat zijn ademhaling beklemd is. Zie, terwijl hij zich achter een courant te verbergen zoekt, drukt hij de hand ter plaatse van het hart.

—Ja, Haar dierbare vader is ziek. Zijn hartzeer heeft mogelijk de kiem ontwikkeld eener kwaal waaraan zijn moeder, ofschoon in hoogen ouderdom, bezweken is.

—Indien de kalmte in dat hart mag terugkeeren en de juiste middelen worden aangewend, ja, dan kan ook die beste vader tot in hoogen ouderdom voor haar gespaard blijven, Maar anders....! Welnu, papa en Helmond moeten met elkander verzoend worden, ’t koste wat het wil. August en Eva moeten den lieven vader excuus vragen.—Waarvoor?—Coba weet het zelf niet recht. Maar excuus moeten ze vragen, al ware het slechts omdat ze zonder haars vaders toestemming dat groote huis hebben gekocht. En als alles dan in orde is, dan moet dokter August papa eens flink onderhanden nemen, en hem weer sterk maken zooals hij het was voor weinige maanden.

Jacoba heeft haar besluit genomen: Al werd het haar ten strengste verboden om, op welke wijze dan ook, met Helmond of zijn vrouw in aanraking te komen, Jacoba meent het eenvoudige en eenige middel gevonden te hebben om den verbroken band der liefde weer aaneen te hechten.—Dominee Hoogerberg, den waardigen predikant, zal zij in den arm nemen. De verstandige leeraar zal, van zijn heerlijk standpunt, bewerken wat zelfs een eenig kind niet bewerken kan. Ginds zal zijn liefderijk vermaan tot ootmoed en berouw bewegen; en hier, door zijn bediening er toe gewettigd, zal hij wijzen op het voorbeeld van den lijdenden Jezus, die zelfs aan het kruis nog bad voor zijn moordenaren.


Den volgenden morgen was de schemering ternauwernood geweken, toen Jacoba Van Barneveld zich reeds op weg bevond om dominee Hoogerberg te gaan bezoeken. Een groot uur later mocht zij met dankbare zelfvoldoening de pastorie verlaten. De edele predikant, die wel met luste zich verblijden kon met de blijden, maar wiens dagelijksch leven inderdaad het waarachtige leven mocht heeten: een leven tot heil en geluk van anderen; dominee Hoogerberg heeft aan zijn lieve bezoekster zeer stellig beloofd dat hij hare [297]mededeeling onder ’t zegel der diepste geheimhouding zou bewaren, en alles doen wat hem mogelijk was om de zeer betreurenswaardige verwijdering—waarvan hij reeds hoorde spreken—ten goede te doen verkeeren.

Dominee Hoogerberg zou doen wat hem mogelijk was.—Meer heeft hij niet gezegd.—Ja zelfs toen hij het zeide vreesde hij meer dan hij hoopte. Hoogerberg wist maar al te goed, dat hij de harten der menschenkinderen niet vruchtbaar kan maken. Zaaien kon hij, niets meer! Eva Armelo’s karakter meent hij te kennen, reeds van der jeugd afaan; en de oud-generaal, die haat, wat hij zonde noemt, met een vreeselijken haat, hoe zal men hem doen gevoelen, dat zijn onverzoenlijk haten een zonde tegen den armen schuldige wordt! Hoogerberg zou zaaien—zóó heeft hij in stilte besloten—mocht God den wasdom schenken, zoo mogelijk nog in dit leven!

Op haar terugtocht naar De Zonsberg neemt Jacoba, met een kleinen omweg haar pad langs het achterpoortje der groote kerk.

Nog eer zij het heeft bereikt, staat ze een oogenblik luisterend stil.—Neen, ’t zwijgt alles daarbinnen. Haar hoop is in rook vervlogen. En zie, ook het poortje is gesloten. Maar stil, stil! Hoor dan.... Jawel; daar klonken de volle tonen van het orgel weer. Een huivering van blijdschap doortrilt Jacoba’s leden. Neen, daar is niemand in het straatje, niemand die haar ziet. Ze slaat de hand aan den zwaren klinkring der kleine poortdeur. Ze was wel toe, maar niet gesloten....

’t Is kil in de kerk. Een sterkere huivering doet Jacoba beven. Starend voor zich heen, staat ze daar stil en luistert. Vraag haar niet wat ze zou wenschen in dezen stond. ’t Is immers zoo somber en eenzaam en kil in de ruime holle kerk.... hier beneden. En de orgeltonen, die daar van boven klinken, ze stijgen al hooger en hooger....

Met den arm op de leuning eener kerkbank geleund, bedekt Jacoba haar bleek gezichtje eenige oogenblikken met beide handen. ’t Was haar eensklaps alsof ze zich in een luchtzee bevond, in een blauw tintelenden aether—eindeloos, eindeloos ver aan alle zijden. En, gansch van verre, daar zag ze hem zitten, als een koning, als David, spelend op de harp, hem den schoonen jongeling, den dierbare, die nooit heeft vermoed dat Jacoba hem zoo liefhad.—Nu is het voorbij. Dat was een week, een zonderling zwak oogenblik. Wanneer ze haar lang gekoesterd plan geheel wil volvoeren, dan moet ze nu krachtig en flink zijn.

Met de grootste verbazing zag Thomas Van Hake Jacoba het orgelkamertje binnentreden. Ofschoon hij wel gedurig aan Jacoba’s wensch heeft gedacht om het orgel eens te zien; ’t was al zoo vele weken geleden sinds ze dien wensch te kennen gaf, dat hij, althans in dezen stond, volstrekt niet op hare komst was voorbereid. Thom is in ’t geheel niet verlegen, maar toch, het was hem bij Jacoba’s binnentreden alsof het geheele orgelkamertje in brand stond.

In de eerste dertig seconden weet hij eigenlijk niet wat ze spreken; alles ziet hij dubbel, totdat hij eindelijk de eerlijke verklaring aflegt: [298]waarlijk wel een beetje verrast te zijn, juffrouw Van Barneveld al zoo vroeg hier bij zich te zien.

“Ik stoor u menheer Van Hake; maar ’t was onze afspraak dat ik eens in de vroegte zou komen kijken hoe het er op zoo’n orgel uitziet. Speel u gerust door. ’t Klonk heel mooi. Gerust!”

“Nee, waarlijk niet juffrouw Van Barneveld. ’t Is al een heelen tijd geleden sedert ik hier ’t laatst speelde. En.... en....” Thom wist niet meer wat hij zeggen zou. O ja, hij moet haar ’t een en ander uitleggen: “Ziet u juffrouw, hier zit je nou net precies als voor een piano, en je speelt er ook precies zoo op, en dan dáár op zij, ziet u, dat zijn de registers, die kun je uittrekken, allemaal een verschillenden toon; en daar beneden, daar heb je een klavier voor de voeten; dat is nog al zwaar, tenminste voor een bink zooals ik. Maar o, als u hier onzen goeden Donerie gezien hadt, dat ging met een gemak van belang!—Och, wilt u wel gelooven juffrouw, dat het geen wonder is als ik hier soms wat van streek raak. Goed is er nooit op dit orgel gespeeld dan door één, en die ééne was hij.”

Nadat Thomas, die zich intusschen geheel herstelde, nog eenige explicaties had gegeven, moest hij ten laatste voor den wil van die “bleeke heerlijke engel” bezwijken, en speelde hij den 103den psalm zóó goed, dat zijn zalige meester, indien hij het had kunnen hooren, hem een bravo zou hebben toegeroepen.

Jacoba moest zich aan de leuning van de houten orgelbank vasthouden. Thom zit met den rug naar haar toe. Haar oogen dwalen het vertrekje rond.—De wanden zijn naakt; een klein wit houten tafeltje met een ouden matten stoel vormen het geheele ameublement.

—En op dat orgel, op dat klavier speelde hij dien zwanenzang! peinst Jacoba, terwijl de orgeltonen haar weemoedige stemming nog verhoogen.—En hier op deze houten bank, hier zat hij dan neer, en dacht er niet aan dat er ééne was, die de hardste bank en de soberste bete wel gaarne met hem zou gedeeld hebben haar gansche leven. Ach, waarom heeft ze door hier te komen de langzaam heelende wond weer opengereten?—Waarom? Omdat ze geen volkomen rust zou vinden, aleer ze die zucht had bevredigd om ook dit verblijf te zien, het kleine Zondagsvertrek, ’t welk de dierbare wel eens zijn heiligdom genoemd heeft.—En is zij dan nú tevreden? Nogmaals ziet ze rond. Zou er dan werkelijk niets, volstrekt niets zijn, ’t welk ze met zich kan nemen als een herinnering aan dit heiligdom, als een reliek....? Met haar kleine mes zou ze een spaander van die bank willen snijden. Ze zal.... Maar die knaap zou het bemerken; en dan.... Hoe! ziet ze wel? Steekt daar de punt van een blad papier uit de lade der kleine tafel?

“Volstrekt niet uitscheiden, volstrekt niet menheer Van Hake, ik vind het zoo heel mooi; ’k wilde maar even op dien stoel gaan zitten; ’t voldoet nog meer zoo’n beetje achteruit. U speelt overheerlijk!”

“Och lieve juffrouw, ’t is al te veel lof voor mijn broddelwerk;” zegt Thom, terwijl hij zijn hart voelt kloppen; en al voortspelend [299]denkt hij: Ben je gek! Je zoudt uit de school van dien Kartenglimp moeten zijn, als je je zóó iets verbeeldde. Dat fijne lieve kind zou hier komen om jou! Schaam je wat! en immers—er is een vertelseltje: Daar was eens een apthekersjongen die geen cent bezat, en die jongen was een tijd lang een gek. Maar nu, hij is het niet meer.—Forto, Forto!

Thomas speelt inderdaad met kracht en gevoel. Maar Jacoba hoort het niet. Op den stoel nabij het tafeltje gezeten; gedurig het oog naar den speler gekeerd, trekt ze snel maar zachtjes de lade open. Van het piepend knarsen schrikt ze. Gelukkig werd het geluid voor den speler door het orgel overstemd. Het blad papier ’t welk Coba’s opmerkzaamheid had getrokken, bevredigt haar niet. ’t Was een verfrommeld, afgescheurd muziekblad. Maar nu, zie, ’t is een oud, geschreven muziekboekje ’t welk ze, steeds dieper tastend, uit de la heeft te voorschijn gehaald.

’t Hing zeer uiteen; een menigte aanteekeningen meest met potlood bevonden zich boven of beneden de notenlijnen.

Eensklaps overdekt een purperrood Jacoba’s gelaat. Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Op de eerste bladzij daar leest ze: “Liedjes van Herman Donerie voor piano” en dan, met potlood er naast geschreven; “Prullen van een twaalfjarigen wildzang. Men dient te leeren lezen voordat men schrijft.”

Neen, Jacoba bedriegt zich niet; dit alles is van zijn hand. En dat onschatbare manuscript lag hier begraven en vergeten in een la dier kleine tafel!....

—God, daar zwijgt het orgel! Van Hake ziet om, en haar aan. De gedachte om het boekje weer ijlings in de la te bergen is even spoedig verworpen als ze gerezen was. Inwendig bevend, tuurt Jacoba er in, en ofschoon het spreken haar moeite kost, toch zegt ze snel:

“Ik vond hier dit boekje, en dacht dat hetgeen u speelde er in stond, maar....”

“Hé, in dat boekje? ik ken het niet juffrouw, ’t Was een psalm dien ik speelde.”

“Ah juist,” zegt Jacoba; en zich geweld doende, neuriet ze van het blad het begin eener melodie uit de “Liedjes van Herman Donerie.”

“’t Komt me zoo bekend voor, zoo fameus bekend. ’t Boekje is dus niet van ú mijnheer Van Hake?”

“Nee, pardon juffrouw!”

Jacoba heeft zich geheel hersteld.

Opstaande en hem het boekje toonend, vraagt ze:

“Kunt u ook zien of het hier op ’t orgel thuis behoort?”

Van Hake heeft het ingezien, en niet zonder ontroering zegt hij:

“Dat schijnen oude composities van mijn besten vriend te zijn.”

“Van....?”

“Van Donerie juffrouw.—Waarschijnlijk hechtte hij er geen waarde aan en bleef het boekje hier liggen.”

“Och-kom.—Men zou het dus wel eens kunnen meenemen? Die ééne melodie komt me toch zóó bekend voor.... zoo fameus bekend.... dat ik ze graag eens zou spelen!” Ze legt het boekje op de tafel: [300]“Wat ik zeggen wilde, u spraakt daar van uw vriend; hebt u nog al satisfactie van uw bemoeiing....?”

“U bedoelt voor dat monument juffrouw? Ja zeker,” vervolgt Thom, en nadat hij vlug een kort verslag van den loop der zaken, en nog den meesten lof aan zijn ontslapen leermeester en vriend heeft gegeven, besluit hij op diep weemoedigen toon:

“Och, als u ’t mij vraagt juffrouw, dan geloof ik vast dat ditzelfde orgelkamertje dien laatsten keer een soort van Gethsemané voor hem geweest is.”

“Hoe zoo ...?”

“Och lieve juffrouw, er was er één die hij liefhad, en.... die eene....”

“Die ééne?” zegt Coba terwijl ze zich afwendt. Maar Thomas antwoordt niet. Is dan ook de Kippelaansduivel in hém gevaren? Heeft hij alweer te lang of te veel gebabbeld? Moest hij dan hier dat zwakke lieve engeltje met zooveel treurigs bezighouden! Zie, ze is weer zoo bleek als een doode geworden. De herinnering aan dien morgen bij Krul heeft haar zeker te fel geschokt. Lieve hemel, als ze nu hier weer ongesteld werd.... indien ze weer een flauwte kreeg....! Maar hoe ... een flauwte hier!! en haar dan te kunnen opvangen; haar te wiegen in zijn armen, te klemmen aan zijn hart; haar die lieve zachte oogjes onbespied weer los te mogen kussen, en....

—En.... een vervloekte struikroover te zijn, een geweldenaar, een inbreker. Thom, Thom! waar dacht je aan!

—Goddank! juffrouw Van Barneveld krijgt geen flauwte. Goddank, zijn armen en hulp zullen niet noodig zijn. Maar Thomas is nu verschrikkelijk de kluts kwijt. Waarom kwam ze dan ook hier! Immers hij heeft het haar niet verzocht.—Een apthekersjongen, al bezit hij geen cent, is immers ook niet van steen, maar van vleesch en bloed. Inderdaad, hij wenschte nu dat ze heenging, of anders zou het waarachtig nog kunnen gebeuren dat die apthekersjongen tóch een gek werd.

“O, zeer tot uw dienst juffrouw! ’t Was al heel weinig en gebrekkig wat ik speelde. Als de juffrouw bij gelegenheid nog eens weer.... Maar nee, nee, dat mag ik niet vergen.—Wel de complimenten als ik verzoeken mag.—Voorzichtig, de trap is wat steil, voorzichtig!—Ei! wacht lieve juffrouw, u vergeet dat boekje, wacht!”

Of Jacoba het werkelijk vergeten had?—Ach, haar kloppend hart smeekt God in stilte om vergeving, dat het bewaren van haar hartsgeheim haar zoo dikwijls tot veinzen had gedwongen.—Ha! Er was er dan toch ééne, die hij heeft liefgehad!

O! zij heeft niet willen vragen, en nooit zal ze er naar vragen wie die ééne geweest is. Maar nu, ja gewis: wie zijn nagedachtenis het innigst vereert, die zal hij uit hooger orden de zijne noemen. O goede God, en wie vereert die nagedachtenis meer dan zij, de zwakke Jacoba! [301]

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De avond die den dag voorafging waarop Eva’s geboortefeest in het nieuwe doktershuis zou gevierd worden, was als ’t ware de aankondiger van het gure seizoen. Geen wonder, October stond voor de deur. De regen viel bij stroomen neer, en de wind koelde zijn woede aan de reeds geel en bruin geworden bladeren.

Dokter Helmond liep—zooals hij zich in den laatsten tijd had aangewend—in gedachten de groote huiskamer op en neer.

“Maar lieve August, ’t zou verschrikkelijk zijn!” zegt Eva, terwijl ze van haar borduurwerk opziende, langs de lamp heen haar wandelenden echtgenoot met de oogen volgt.

“Verschrikkelijk! Wat meen je Eva?”

“Wel, als het morgen zulk een weer was! Onze heele tuin-illuminatie viel in duigen; ’t zou allerakeligst zijn!” Na een oogenblik stilte: “August, waar denk je toch aan? Weer muizenesten? Toe kom dan eens hier. Foei, tobberijen over niemendal, terwijl ik in zorg ben over ’t geen ons nu toch het meest moet ter harte gaan: ons feest! het feest op den verjaardag van je wijfje August!

“Welzeker!” zegt Helmond: “als het zulk een weer was dan zou....”

Eva bemerkt niet dat haar echtgenoot in dit oogenblik een hevigen strijd heeft te strijden. Opgestaan is Eva hem nabijgekomen en zegt nu met haar zoetste stem: “Als ik morgen waarlijk den schoonsten dag van mijn leven door de liefde van mijn besten man zal genieten dan....” zij strijkt met haar zachte hand over Helmonds voorhoofd: “dan mag dáár geen wolkje te zien zijn. Weet je August, waar ik het nieuwsgierigst naar ben? Nee, ik zeg het niet.—Wil ik het toch zeggen?—Ja?”

“Ik weet niet wat je bedoelt Eva.”

“Ei ondeugd, dat weet je niet? En je weet óók niet hoeveel die diamanten speld van mevrouw Van Leeuwen heeft gekost........?

Nee, daar heb je zeker niet naar laten informeeren niewaar?— August, zeg.... ben ik er vér vandaan, of.... of vin-je dat visschen nu wat heel indiscreet? Maar och m’n beste man, je weet ook niet wat een schrikkelijke pret ik er in zou hebben, om morgen eens tegen over die deftige gravin Van Leeuwen te staan, en— changement de décorations—dat ik dan op mijn beurt, zoo heel langs m’n neus weg kon zeggen—of als het àl te ondeugend was tenminste kon denken: Wat een aardig lief speldje hebt u daar aan, een lief garnituurtje! Ben ik ondeugend Guus? en vin-je me indiscreet? Nu, iets te zeggen dat behoeft niet, maar.... kijk me eens eventjes aan, dan kan ik wel zien of ik heel ver van honk ben.... Boe boe, wat kijk je zwart; is dat een verstoppertje-spelen misschien, zeg, lieve plaaggeest?” [302]

Helmond aarzelt. Ofschoon hij een paar stel diamanten op bezien in huis heeft, neen hij zal ze haar niet geven.... neen! En bij God! ook haar partij zal niet doorgaan! ’t Koste wat het wil. Beter laat dan nooit zal hij toonen dat zelfs die teerbeminde vrouw—zijn afgod—zonder wier bezit hem de wereld een graf zou schijnen, niet in staat is om hem, door haar kinderlijke zucht naar wat blinkt en schittert, op den duur als een dwaas te doen handelen, en haar door zijn zwakke toegevendheid in ’t eind ongelukkig te maken.

“Eva kom hier eens zitten. Ja hier, dicht aan mijn zij.—Aan den laatsten avond van een jaar mag men wel eens een oogenblik aan wat ernstigs denken....

“Hemel August, het is me alsof ik dominee Hoogerberg hoor. Maar ja zeker, laten we nu eens als oude getrouwde luidjes—met een geheim, waar men nog niets van merken kan—eens heel heel ernstig praten.” Ze steekt haar arm door den zijne, legt haar hoofd tegen zijn schouder, en vervolgt: “Morgen als de vrouw nu twee en twintig jaar oud wordt, dan zal er ten huize van dokter Helmond een soirée met soupee worden gegeven, zooals de goede stad Romphuizen nooit gedroomd had, dat er binnen haar doodsche wallen een zou gegeven worden. Nee chut! laat me nu eens eventjes heel ernstig praten: Op den avond van den acht en twintigsten September zullen de aanstaande heer van Romphuizen en z’n echtgenoot de graaf en gravin Helmond Van Armeloo—nu ja, niet al te ernstig kijken beste, want wie weet!—enfin, dan zullen ze al dien ouden en nieuwbakken adel uit den omtrek, eens toonen wat chic en bon ton is; dan.... Nee, ik bid je nog een oogenblik geduld! En dan overmorgen als Bel uit Amsterdam en La Fosse uit Utrecht alles weer netjes hebben opgeredderd en meegepakt, dan.... nu komt het.... dan gaan we verder eens heel zuinigjes en eenvoudigjes leven.—Goed hê?—Dan eten we nog een heelen tijd kliekjes van taarten en getruffeerde fazanten, en rijden heel deftig en ernstig....” Eva fluistert nu met haar onweerstaanbaar lieve stem: “ja heel ernstig, beste mannetje, naar den boer waar we ons lieve kleine popje zullen koopen, en.... Kom goeje Evertje Zwaarmuts, lach nu maar eens, en beken maar gauw dat ik wel heel ernstig ben, wanneer ik met al mijn illusies voor morgen, toch met zooveel plezier van de toekomst kan spreken, en je verzekeren, dat me waarlijk op den duur niets zoo gelukkig maakt als het bezit van mijn braven brompot, en de gedachte dat ik, al mettertijd, de moeder zal wezen van zoo’n engelachtig ventje, van ons heel klein snoeperig stamhoudertje, August.”

De inwendige strijd, dien hij te voeren heeft, maakt Helmond ongevoelig voor de zoete omhelzing zijner Eva, zooals hij schier doof is geweest voor haar woorden, die deels weer de tolken waren van kaar ijdelheid, en deels ook der teederste aandoening van het hart der vrouw.—Helmond zwijgt nog een oogenblik. Nu zal hij spreken. Nú. Het moet! Morgen zou het te laat zijn. Reeds gisteren ontving hij een verzegelden brief van De Zonsberg; het resultaat der tusschenkomst van den waardigen Hoogerberg, het ultimatum van [303]den oom.... Men moest terug: terug van den breed en weg die tot het verderf leidt! Terug, of anders....”

“Eva, toen je op dien avond te Parijs van me hoorde dat we ’s-anderendaags zouden vertrekken, toen was je bitter teleurgesteld, maar je hebt je als een verstandige vrouw aanstonds getroost. Je bent alweer ouder geworden, en dus, wanneer er nú eens...”

“Och beste man, als je nu waarlijk graag wilt dat ik den laatsten nacht van mijn oudejaar rustig zal slapen, verg dan niet te veel van mijn verstand. Weet je waar ik plezier in heb? Ik heb er plezier in om nog maar altijd te denken, dat jij het verstand voor ons allebei hebt. En je hebt het; jawel! Maar je bent Evert Zwaarmuts, en ’t zit er waarlijk op dat je me weer van voren afaan zult gaan beweren—ofschoon het wat te laat is—dat morgen het ijs en de ditten en datten wel konden wegblijven; en dat de blauwjassen evengoed zouden voldoen als de kapel die komen zal.” Opstaande: “We moeten daar nu van afstappen lieve August. Teleurstellingen verwacht ik op mijn verjaardag niet.”

“Eva.... het hooge woord moet er uit: de partij zal morgen niet doorgaan.”

“August, is ’t je in ’t hoofd geslagen?”

“Daarvoor heb ik in de laatste dagen wel eens gevreesd. Het verstand voor twee was er zeker niet. Dáár Eva lees!”

Eva, doodsbleek geworden, ziet het geschrift in ’t welk August haar toereikt:

“Ha! van hem!” zegt ze met weerzin: “Van dien bekrompen despoot! Wil hij eeuwig heerschen over mijn man? Nee dat lees ik niet; die schrale hanepooten doen me aan de magere jaren denken. Nee ik wil, ik wil het niet lezen.”

“Als ik het je verzoek Eva?”

Eva, na zichtbaren strijd, zegt eensklaps met verheffing van stem terwijl ze stampt met den voet:

“Nee nee zeg ik je: dat mensch is de duivel, die zich tusschen ons stelt.

Helmond bedwingt een stijgenden toorn; en dan:

“Eva ik wil het: lees!”

Voor ’t uiterlijke kalm ziet hij haar strak in de oogen. En zij, ze wijkt voor dien blik onwillekeurig een schrede terzij, en trillend als een popelblad door een onverwachten stormwind bewogen, nogmaals opziende naar den man, die zich eensklaps met zijn ongewoon ik wil het, zoo akelig gelden liet, vat ze het blad papier, ziet het in en, ofschoon het haar schemert voor de oogen en ze sommige volzinnen slechts ten deele begrijpt, ze leest nu den brief:

“Aan dokter Helmond!

“Er zijn twee wegen. De eene voert tot de eeuwige gelukzaligheid, de andere ter verdoemenis. Als dokter Helmond begrijpen wil dat hij sedert zijn huwelijk den laatsten weg heeft gekozen, en zich met zijn vrouw wil haasten om dien aanstonds te verlaten, dan zal [304]de generaal Van Barneveld God danken, en zijn hart en huis zullen voor de jonge echtgenooten weer geopend zijn.

“Om op den weg die tot God leidt terug te komen, moet er echter met den vervloekten geest naar grootheid, naar verheffing boven zijn stand, en het weelderig genieten van Gods gaven zonder arbeid in het zweet des aanschijns, worden gebroken. Als voorwaarden, die van den goeden geest zullen getuigen, eischt de pleegvader, van dokter Helmond, dat men zoo spoedig mogelijk zal terugkeeren tot den kring waarin men behoort, en allereerst tot de woning, die men zonder reden voor een paleis heeft verwisseld. Het oud-burgemeestershuis zal met zijn meubels en versiersels binnen vier weken publiek moeten verkocht worden, om den volke te doen zien dat dokter Helmond werkelijk leven moet van zijn praktijk. Als bewijs dat men met Gods hulp tot het goede wenscht te besluiten, zal de partij ten zijnen huize worden afgezegd. Men vrage niet wat de wereld zal denken of spreken, men bedenke alleen wat God eischt en wat eerlijk en goed is. Een eerlijke retraite is geen schande. Indien het bewijs der goede gezindheid op den 28sten September wordt gegeven, dan zal de oude pleegvader dienzelfden dag zijn kinderen met open armen ontvangen, en, zoo er door daden, die de krachten te boven gingen, schulden mochten zijn, hij zal ze zwijgend vereffenen.

“Andere redenen, die een verwijdering zouden wettigen, bestaan er niet meer. De pleegvader wil vergeven en vergeten.

“Dit ultimatum is geschreven in overeenstemming met den waardigen leeraar dezer gemeente Ds. Hoogerberg.

“Herinnert u te zamen het woord van den heiligen stichter onzer religie, den Zoon van God: “Gij kunt Gode niet dienen en den Mammon!”

Alexander Van Barneveld

De Zonsberg, 26 September 18....”

“Afschuwelijk! Afschuwelijk!” barst Eva los met bevende stem: “Mijn God! welk een toon! Den Mammon dienen! Ha, wie durft daarvan spreken! Hij, die zelf in dienst van den geldduivel is!”

Vrouw! zwijg!” roept Helmond met krachtige stem: “Als je me waarachtig liefhebt, vergrijp je dan niet opnieuw aan den man dien ik vereer en die het goede wil. Zwijg zeg ik je! Hoor je me niet! Ja, ’t is nu genoeg, hij heeft gelijk: wij zijn op een rampzaligen weg!” Met verheffing van stem en Eva aanziende, zoodat ze hevig ontsteld een schrede teruggaat: “Ik zeg je Eva, die man heeft waarachtig gelijk; met dien vervloekten geest, die zucht naar grootheid en verheffing boven onzen stand, moet gebroken worden!— Sta daar zoo niet te beven. Mijn toorn kind, geldt mij zelf in de eerste plaats, ja waarlijk, mij zelf geheel alleen. Eva, ik was krankzinnig, ja waarachtig!”

—O groote God, wat ziet hij haar akelig aan! Wat wil dat zeggen, krankzinnig! Nee nee, dat is hij niet, nee, stil stil. Goddank, hoor maar, hij spreekt bedaarder; hoor, hij noemt haar weer zijn beste [305]kind, zijn lieve vrouw, Maar toch, dat gewone punt der tobberij wordt met een schier aan krankzinnigheid grenzenden angst behandeld.—Men moest terugkeeren tot den eenvoud waarop de pleegvader zoo gesteld is, men moest....

“Maar August, zoo waar als ik leef, die brief is geschreven door iemand die....”

“Die het goede wil, die begrijpt dat ik mijn kind, mijn schat niet bewaar met de trouw door mij bezworen; door een man die ons verderf tegemoet ziet, die mij in stilte bij mijn waren naam noemt: een zwak man tegenover zijn vrouw.—Eva, dat zal eindigen; zoo waarachtig als ik je liefheb, zoo waarachtig zal dat eindigen! Die brief is kras maar goed. Zachte medicijnmeesters maken stinkende wonden. Dat ultimatum moet worden nageleefd. De partij zal morgen niet doorgaan!”

Eva moest zich met de beide handen aan de tafel vasthouden. Die man.... háár man, hij maakte haar werkelijk angstig. Dat is geen taal van een verstandig man. De partij morgen niet doorgaan!—Zou het dan ernst zijn, waarachtig ernst?

Helmond haalt een aantal pas geschreven klein gevouwen brieven uit den jaszak te voorschijn:

“Ziehier Eva, dit zijn de bewijzen dat ik het goed met je meen. Voor zooveel mogelijk zullen wij deze briefjes nog van avond laten bezorgen. Als reden geef ik op dat je ongesteld bent geworden. Je teleurstelling zal die ongesteldheid zijn, want teleurgesteld dát ben je zeker.”

Eva ziet hem aan met angstigen blik, en zegt nu met doodsbleeke lippen:

“August, ik word werkelijk bang.—Je bent toch niet.... zeg lieve August, je hebt toch geen erge hoofdpijn niewaar?—O, o! die akelige vrek zal hem krankzinnig maken.”

“Nee Eva, oom zal me genezen. We zullen handelen volgens zijn wil, en dan zul je leeren inzien dat hij het goed met ons meende.”

“Je spreekt dus met je volle verstand August! En ik versta je wel: aan dien onzin zou je gehoor willen geven!? Maar dat is onmogelijk! Wartaal, waanzin staat daar te lezen. Terugkeeren naar het oude huis, en dit huis publiek verkoopen, binnen vier weken!— Publiek verkoopen en publiek schandaal maken is hier volmaakt hetzelfde. Gesteld eens dat die oom met eenig recht oordeelde dat onze manier van leven wat te weelderig is, zou een verstandig mensch dan ooit op het denkbeeld komen om zulk een ultimatum te schrijven. Daar spreekt haat en wangunst uit dat schrift.”

“Eva, je kent mijn pleegvader niet; hij was van mijn jeugd afaan....”

“We weten dat, hij was je voorzienigheid, maar nu—nú is hij een wangunstige vrek die....”

“Zwijg, zwijg zeg ik je!”

Er was woede in Helmonds blik. Eva stuift achteruit, en dan in een vreesachtige houding met haar bevende klankvolle stem:

“Is dat je liefde man!—O God, wie had dat kunnen denken; op [306]den vooravond van het feest waarop ik mij zoo verheugde, en dat hij mij eerst zoo hartelijk gunde! O! waarachtige liefde bestaat niet meer. Vertrouwen nee, vertrouwen kan men den edelste niet.... O God!”

“Schrei niet Eva, kind, schrei niet! Ik zal je toonen dat ik je liever heb dan ooit; liever dan mijn leven.”

“Och August, hoor ik goed? Zul je, ja zul je zeker.... dien brief vol waanzin verbranden en me gelukkig maken....?”

Gelukkig maken!

Helmond voelt zich eensklaps het hart als door ijskou versteenen. Neen hij beseft het volkomen, op den weg dien hij terug moet zal zij nimmermeer zich gelukkig gevoelen! Dat heeft hij bedorven voor altoos. De kleine woning aan den wal, waaraan ze allengs misschien zou gewend zijn, en waarin ze waarschijnlijk als jonge moeder gelukkig zou zijn geworden, nu, indien ze er moest terugkeeren, ze zal haar zijn als een graf.

“O ik wist het wel,” vervolgt Eva met verruiming dewijl ze Helmonds zwijgen reeds voor toestemmen houdt: “Wat August eens aan zijn Eva schonk of toezeide, dat neemt hij niet terug. En méér beloven of schenken dan je doen kondt, dat heb je nooit gedaan; nee nee August, dát weet ik, dáárop bouw en vertrouw ik als op een rots. Je eigen woorden zijn me altijd een waarborg geweest, en je uitstekend verstand.... O, er is maar één knap en verstandig man in Romphuizen.... Lieve, lieve Helmond!”

—O God, hoe kan hij zich redden met haar, en zonder haar van zich af te stooten; zonder haar te dooden misschien? Immers zóó kan en mag het niet langer. In die weinige maanden reeds steekt hij diep in schulden, en voor een goed deel werd hij ondanks zich zelven, de schuldenaar van een man voor wien hij vriendschap huichelen moet. Slechts weinige dagen geleden ontving hij nogmaals van den majoor Kartenglimp een paar duizend gulden ter leen,—helaas! nu reeds door hem op rekening gesteld van ooms nalatenschap!—En die nalatenschap zou dan voor hem verloren zijn, voorgoed verloren!—En zonder dat uitzicht zou hij voortgaan op dezen weg!—O hoe spoedig zal dan het oogenblik der schande komen. Sinds hij aan die nalatenschap dacht, werd het uitzicht op eigen gewin al meer en meer beneveld: de verhouding tusschen het debet en credit was reeds sedert lang geheel verbroken.

—Terug! aarzel niet langer! roept de stem van ’t verstand den jongen dokter toe, en de stem der liefde roept mede: Terug naar het hart van den pleegvader die, ofschoon hij niet volmaakt is, nu het treffendst bewijs heeft gegeven zijner liefde door het schrijven van dien brief. Immers, Helmond alleen kan beseffen wat overwinning hij op zich zelf heeft moeten behalen om dien regel te schrijven: dat de pleegvader zou vergeven en vergeten.... ja ook aan Eva vergeven, dat ze hem schold voor een trotsch en een gierig man!

“August.... waar ga je heen?”

“Ik ga goedmaken wat ik misdeed; ik ga eindelijk voor je welzijn zorgen kind!” [307]

“Je bedoelt....?”

“Ik zal Herman deze briefjes ter bezorging geven, en laten telegrafeeren naar Amsterdam en Utrecht dat de partij niet kan doorgaan.”

Het wordt Eva alsof er vonken vuurs door de kamer spatten, alsof het hooge stukadoorwerk naar beneden buigt en wringt.

—Als Helmond niet op den weg is om krankzinnig te worden—o vreeselijk denkbeeld—dan, dan is hij een tiran, een leugenaar, een.... Neen dát is niet mogelijk; hij wordt gedreven door den wil van een despoot, die hem onder zijn ijzeren schepter wil terugbrengen. —Eva beseft dat ze al haar geestkracht en al haar verstand zal behoeven om haar man, ter voorkoming van publiek schandaal, van besluit te doen veranderen. Ze voelt zich nu sterker. Ze zal kalm wezen, dat is het beste.

“Weet jij niet meer August,” herneemt Eva: “wat me voornamelijk zoo gelukkig maakte in den laatsten tijd? ’t Was het volle vertrouwen op mijn man. Sinds dien brief van Jacoba, geloofde ik in je, August, geheel en al; want je hebt woord gehouden; en als je wel eens aan ’t tobben raakte, waarschijnlijk in navolging van dien ouden heer, dan sloot ons gesprek toch met de zoete verklaring; dat mijn August niets deed wat onverstandig was.”

Helmond voelt weer dat pijnlijk hoofdkloppen.—Hoe verpletterend klinken die woorden, en toch op dien zoeten toon. Nu zegt hij:

“Eva, straks zullen we verder spreken en alles behandelen, dan zullen we elkander geheel verstaan en zeker in ’t einde elkander liever hebben dan ooit.... Nu.... ’t is hoog tijd; de telegrammen moeten vóór zevenen bezorgd zijn....”

Eva houdt zich oogenschijnlijk kalm.

“Wanneer die telegrammen en brieven werkelijk verzonden werden Helmond, dan zou daaruit blijken dat de man die het deed—zoo hij niet krankzinnig is—zijn jonge vrouw heeft bedrogen, weken en maanden lang”. Fier en gevoelig: “En dat is niet zoo; zoo waar als er een God leeft, dat is niet zoo. Nee, hij behoefde zich niet te bekrimpen, maar zou het nú uit overgroote goedheid willen doen, om.... een ouden man te believen.—Zeg, zou je dan willen August, dat ik je tóch voor een zwak en niet te vertrouwen mensch hield!? Hoe! Mijn rots, mijn rots....!!” Zij vliegt op hem toe en omhelst hem in vervoering: “Mijn schat in dit leven! Nee nee dat wil je niet!”

—O God, als hem dan door zijn eigen vrouw de dolk op de borst wordt gezet:

“Ja ja Eva, ik herhaal het, ik heb je bedrogen; reeds weken lang leefde ik als een dwaas, en stak mij in schulden, terwijl ik zuinig had moeten zijn en klein en nederig....” Maar Helmond kon niet voortgaan met spreken. Eva had hem een oogenblik met doodsbleeke lippen aangehoord, en nu, hoor, nu berst ze in een zonderling lachen uit; hoor, al sterker en sterker.

“Eva! kind!—bedaar! Lach zoo wonderlijk niet. Eva je maakt je te zenuwachtig. Eva!—Eva!!”

Maar of Helmond ook poogde haar tot bedaren te brengen, het [308]baatte hem niet. Vreemder en vreemder werd steeds dat lachen. De schok, dien Helmond haar heeft toegebracht, was nog grooter geweest dan hij het zich heeft kunnen voorstellen, en de woorden zuinig en klein en nederig, welke Eva in den laatsten tijd zoo dikwijls al schertsend had weerlegd, ze hebben, bij het ontvangen van dien schok, vermoedelijk tot dat akelige lachen aanleiding gegeven.

Eenige seconden later is dat droevige lachen in schreien overgegaan, en—een soort van bedwelming, die straks door een rustiger inslapen zal gevolgd worden, heeft haar nu vermeesterd.

Eva ligt op de sofa; kleine snikken ontsnappen aan haar fijngevormde lippen. August ondersteunt nog altijd het canapé-kussen waarop haar hoofd rust.

—Stil, zoo aanstonds zal ze inslapen. Hoor! nog een snikje, nóg een.... een lange zucht en:

“August!” klinkt het zacht.

“Wat is er lieve? Hier ben ik.”

“Zoo ben je daar, dat is goed. Waar was je? Morgen, o, heerlijk, morgen!”

Weer volgt er een zucht. Een langgerekt geeuwen klinkt er, en—hoor, ze slaapt, ja zeker ze slaapt.—Zachtjes trekt Helmond zijn arm onder het kussen terug, en.... ziet nu om naar de pendule.

’t Was—halfacht.

—Te laat!—De telegrammen kunnen niet meer verzonden worden.—En, morgen reeds met den eersten trein zal men uit Amsterdam komen om alles voor het soupee te regelen en, voor zooveel noodig, ook hier gereed te maken. En reeds dezen avond gaan de bloemen en bouquetten uit Utrecht op weg en....

Helmond staat in gepeins als verloren.

—Maar zou Eva’s lichte ongesteldheid—die bovendien niet onnatuurlijk is in haar omstandigheden—zou ze niet als ’t ware een bestiering zijn geweest? Dáárdoor werd het te laat... !!—Dominee Hoogerberg heeft gezegd dat oom Van Barneveld niets liever dan een toenadering wenschte, indien Helmond voortaan wat meer wilde bedenken hoe hij als dokter in Romphuizen moest en kon leven.—Dat was een gematigde toon. Die geest was verstandig.—Zóó, indien oom Van Barneveld er goed over denkt, ja, zóó kon hij terugkeeren. Maar Eva heeft gelijk: zou het verstandig zijn om op een wijze als in dien brief werd begeerd publiek schandaal te maken?—Eva heeft het bij den rechten naam genoemd. Hoe zal men over een dokter spreken, die zóó door zijn eigen pleegvader wordt aan de kaak gesteld! Zulk een dokter zal men verachten inplaats van hem te vertrouwen. Die brief, dat ultimatum is waarachtig onzinnig. Een feest ter eere van zijn jonge vrouw moet zonder een geldige reden eensklaps worden afgezegd, en duizend tongen zullen in beweging komen en zeker die jonge vrouw niet sparen! En binnen de vier weken zal men dit huis moeten ontruimen en verkoopen....!

Aan zijn gedurig hoofdlijden moet Helmond het toeschrijven dat hij oom’s ultimatum in den aanvang zoo letterlijk heeft opgenomen[309]—Goddank daar komt licht! Morgen op Eva’s verjaardag zal hij zich zoo vroeg mogelijk met haar naar De Zonsberg begeven. De oom en pleegvader zal dien stap waardeeren en de redenen moeten billijken, waarom het feest voor ’t laatst nog moet doorgaan. En dan, het vraagstuk zal worden opgelost meteen, hoe dokter Helmond zijn nieuwe woning zal kunnen verlaten zonder zijn goeden naam te bederven, zonder zich belachelijk te maken in het oog der geheele stad. Hij kan den pleegvader het voorstel doen om zich elders als dokter te gaan vestigen.

—Welzeker, denkt Helmond voort, zulk een schrijven draagt te vele blijken van overijling, dan dat de verstandige oom er niet op zou terugkomen. ’t Is waar, wat hij eens heeft gezegd dat blijft in den regel gezegd; “wat geschreven staat dat staat geschreven,” maar toch, met blijdschap herinnert August zich nu den avond vóór zijn trouwen, toen de onveranderlijke oom uit eigen beweging een overeenkomst vernietigde, waarvan hij bekennen moest dat de eischen, zoo niet te sterk, althans niet helder door hem gesteld waren.

—Goddank! zegt Helmond nog eens in stilte, want voor het oogenblik is hem niets zoo welkom als de rust die hij zich zelf door zijn overlegging bezorgde: Onzinnig wreed zou het zijn om nu dat kind, ja wat is zij anders dan een verrukkelijk kind! om haar “haar eigen feest” te ontnemen. Langzaam, zeer langzaam moet hij met haar terug indien ze niet verwelken en verkwijnen zal.—Zooals hij haar straks heeft geschokt, dat was werkelijk tirannie. Welnu dan Helmond, wees krachtig en wijs voortaan, en waak met verstand, terwijl een trouwe pleegvader den terugtocht wil dekken; maar sla dan ook niet tot uitersten over. Ze konden die engel dooden en mét haar, o lieve God, de teedere spruit, wier eerste kreetjes ook voor haar reeds meer waarde zullen hebben dan parelen en diamant.

Eva slaapt rustig. Zie, de zachte blos is geheel op die donzen wangen teruggekeerd. Met den rug van zijn hand glijdt Helmond er zachtkens langs heen.

—Parelen en diamant, herhaalt hij nu bijna overluid, en drukt de beide handen vluchtig tegen zijn hoofd, dewijl het daarbinnen toch gedurig nog zoo vreemd en pijnlijk klopt.—Parelen en diamant! ’t Zou de grootste dwaasheid zijn!—Maar, indien ik ze aanstonds genomen had, dan zou die dwaasheid reeds zijn geschied.... In alle geval ’t zou op het groote geheel slechts een kleine doorslag wezen. Indien men dan liefdevol in de armen van den pleegvader terugkeert, dan zal hij op den laatsten misgreep— die zoo natuurlijk uit den vroegeren geboren werd, niet letten. Oom Van Barneveld schreef: Zoo er schulden mochten zijn, ze zullen zwijgend vereffend worden.—Ach, als hij haar dan nogeen enkele maal zoo innig gelukkig zal zien.... Nee, nee, nee! “Weg Satan, weg!” zegt Helmond eensklaps overluid en stampt met den voet. zóó hard dat Eva er vluchtig van ontwaakt.

“Weg! Weg Satan! Trotsch, schriel! Weg!” zegt ze half wakend, half droomend. [310]

Helmond ziet haar weer inslapen; maar nochtans zijn onrust komt sterker terug: Tot nogtoe heeft hij buiten Eva’s vijandige gezindheid tegen dien oom gerekend. Zal zij er toe kunnen besluiten om morgen op haar jaarfeest tot hém te gaan. Neen neen.... !

Maar zie hoe men tóch denken kan met een steeds sterker bonzend hoofd.—Ja, zij zal er blij en geheel vrijwillig heengaan! O, die verzoening zal schoon zijn. Zie, zóó moet het gebeuren: Het fraaiste stel diamanten zal Eva als een verrassing ontvangen, en August zal haar doen gelooven dat diezelfde “schriele oom” het haar toegezonden heeft. Maar natuurlijk, zij mag den generaal dan niet spreken over zijn geschenk. En, met te dieper gevoel zal zij den grijzen weldoener bij dat morgenbezoek in de armen snellen, teruggekomen van haar onbillijk oordeel, en met de stilzwijgende verklaring van dankbare liefde.—O, en de warmte waarmee zij den oom—en geheel vanzelf—zal tegemoet ijlen en omhelzen, zij zal weldadiger werken op dat hart dan duizend verklarende woorden. Het stel diamanten zal zeker nooit door Eva vergeten worden.....

Zooeven had de huisschel geklonken, en dewijl men nu de kamerdeur naderde, liep Helmond zachtjes naar de deur, opende haar zonder gedruisch, en begaf zich al spoedig naar de spreekkamer, waar hem iemand wachtte, die hem noodzakelijk alleen wilde spreken. Bij de kleine lamp, die in de spreekkamer was neergezet, stond een aardig burgermeisje van zestien jaren omtrent.

—Wat ze verlangde?—Nee, zieken waren er gelukkig niet, maar dokter moest niet kwalijk nemen; ze was zooveel als Grietje van Wulters den huisschilder.

“Ah zoo!” Helmond voelde eensklaps iets zeer beklemds: “En.... ?”

“Ja dokter,” vervolgt het meisje: “vader was een beetje opzichtig om u zelvers lastig te vallen, nadat u gezegd hadt van over drie maanden; en.... Maar ziet u, vader had ook al die inslagen van glas en behangselpapier moeten doen, en dáárom: en ook omdat vader zoozeer geen krediet heeft in Amsterdam, ziet u, nou zou vader een wissel krijgen, en dacht moe dat we maar zoo vrijpostig moesten zijn om u.... ja ziet u dokter, ’t is een heeleboel geld, maar zulke mooie papieren, en het blommenhuis en al dat dure glas zei vader en.... vader heeft er ook hard voor moeten werken dokter.”

Helmond heeft de kwitantie a zeshonderd en tien gulden, van het eenigszins bevende Grietje aangenomen en ingezien.

Groote getallen spreekt men zoo gemakkelijk uit. ’t Was een slagveld met tienduizend of—daar wil ik afwezen—van honderdduizend lijken, zegt iemand, en de hoorder fronst bij beide getallen schier even zwaar het voorhoofd. Over het kleine verschil van negentigduizend lijken stapt hij gemakkelijk heen.

De betrekkelijk kleine sommen, die telkens en telkens het geld hadden verslonden, ’twelk de dokter extra heeft moeten opnemen, herinnerden hem gedurig en ook nu, hoe hij in den laatsten tijd maar zelden goed heeft doorgedacht, dat, om duizend gulden te kunnen betalen, men tienmaal honderd gulden moet bezitten. [311]

—Doch waarom nú het arme hoofd daarmee gebroken! Kon hij dan een oogenblik vergeten dat hij juist morgen.... Goddank! van allen last zal ontheven zijn? Zal oom niet morgen stilzwijgend zijn schulden vereffenen....?

“Kindlief, als vader verlegen is dan zal ik hem graag voldoen. Wanneer zou die wissel vervallen?”

“Vader zei dat ik maar zeggen moet morgen dokter, maar als ik goed heb gehoord, dan spraken va en moe van Dinsdag, da’s overmorgen dokter. Ziet u, ik wil niet buiten mijn hart spreken dokter.”

“Doe jij dat nooit lief kind. Nooit!” zegt Helmond en drukt weer de hand op het hoofd: “Ga nu naar huis, en zeg aan vader dat hij er vast op rekenen kan overmorgen zijn geld te zullen krijgen.”

“Bestig, alsjeblief dokter.—O, zou ik dat papiertje weer meenemen dokter.—Och, ’t was in goeje handen.”

Geen tien minuten later had Helmond een geheel ander bezoek.

’t Was Archibald Hardenborg, die met een ongewone bedruktheid op ’t gelaat, kwam informeeren of het waar was ’tgeen hij dezen middag van den generaal van De Zonsberg meende verstaan te hebben, namelijk dat de verjaringspartij morgen waarschijnlijk niet doorging?

Nog een oogenblik wacht Helmond en aarzelt een antwoord te geven. Maar dan:

“Nee amice, daar is geen quaestie van. Oom zal bedoeld hebben dat hij waarschijnlijk zelf niet komen zou. Oom is dezer dagen niet zoo heel fiksch.—Hoe.... hoe von-je dat hij er uitzag?”

Na een uitroep van blijde verruiming vervolgt Archibald:

“Hoe de generaal er uitzag? Ja om je de waarheid te zeggen, ik weet wel dat ie z’n degen en epauletten niet aanhad, maar voor de rest heb ik meer naar het fijne popje gekeken. Lief bleekneusje! Verduiveld, mijn trouwe reparateur, ik ben in de laatste dagen in zoo’n fragile positie. ’k Stond den dood uit dat je feest niet zou doorgaan.” Geheimzinnig: “De Zonsberguit! finaal, totaal! Bij dat laatste bezoek dezen middag begon ik waarachtig een oogenblik sympathie voor bleek te krijgen. Enfin, ik geef het gesprek zoo’n polsenden draai,—je begrijpt dat—en verneem zoo en passant van een paar heel bleeke lipjes, dat het, volgens de overtuiging van die lipjes, groote zonde is wanneer een zwak en dikwijls sukkelend meisje haar hand schenkt aan.... Enfin, ’t kwam er zoo’n beetje gevoileerd uit, maar ’t wou toch zeggen: Als je er ooit aan denken mocht om me te vragen, reken er op dat je een heel mal figuur zoudt slaan.”

“Ik dacht Archibald, dat freule Marie Narwal....”

“Stil stil: papa had een drietal geformeerd, en immers een oogenblik begon ik bleek nog al interessant te vinden, ’t Is in zooverre niet ongemakkelijk indien candidaten zich terugtrekken.—Vin-je me pedant? Waarachtig, papa zou het me maken. Maar amice, er is er toch maar ééne, die ik van het eerste oogenblik afaan.... Zieje, en daarom werd ik drommels benauwd dat je partij niet zou doorgaan. Begrepen? Ik droom geregeld van dat engelachtige kind.—Apropos, komt Ronner, die poesbaard ook op het feest?” [312]

“Wie zeg je, Ronner?”

“O sapperloot, ik meen Kattenglimp.”

“De majoor Kartenglimp? Jawel.”

“Zeg, vin-je dat au fond geen fameus gemeene type?”

“Gemeen!?—Dat is te zeggen, nobel is anders, maar gemeen....”

“Enfin, ’t komt zeker door die frappante gelijkenis; ’k had hem maar eens gezien, op de ree van Batavia toen hij scheep ging; ik spreek van dien Ronner—maar, als twee droppels water! Grooter schoelje en poltron heeft er nooit een degen gedragen. Alleen ter wille van zijn moeder liet men hem loopen.—Maar ik zie het, ik hou je op.... jawel, je zult nog ’t een en ander te bestieren hebben. Je charmant lief vrouwtje is zeker ook zoo’n beetje in de weer; men kan niet alles aan de domestieken overlaten. ’k Heb daarom met voordacht alleen naar mijn cordialen dokter gevraagd. Wat zul je morgen gelukkig wezen! ’k Zei gisteren aan papa: als Helmond voor zoo’n vrouw folieës deed, ik zou hem waarachtig de bon coeur mijn compliment maken.”

“Helmond, Helmond! waar ben je?!” klinkt het luide in ’t voorhuis. —Verrast den luitenant bij haar echtvriend te vinden, blijft Eva een oogenblik later op den drempel van het spreekkamertje staan. Ze was nog wat licht in ’t hoofd van de flauwte, die haar na dien vreeselijken schok bezwijmen deed. Bij ’t ontwaken wist ze in den aanvang niet of ze gewaakt of gedroomd had. Maar toen, toen moest en zou ze het weten. En nú, o Goddank! hoor maar, ’t was alles alles een droom. August stemt immers dien luitenant zonder eenige terughouding toe, dat zijn vrouwtje morgen de schoonste feestkoningin zal zijn, die er ooit op aarde bevelen gaf. Hij ziet er volstrekt geen bezwaar in dat Hardenborg haar engageert voor een enkelen dans. Hij spreekt het niet tegen dat hij zijn vrouwtje morgen en haar gansche leven verwennen zal. Goddank! ’t was dus een droom.... of neen, toch niet: het is een zinsverwarring, een misverstand geweest. Die dwaze brief van den “uitgedienden generaal” heeft August straks voor een oogenblik op ’t sterkst in zijn gewone tobberij doen vervallen. Neen, men was niet arm.... Hoor maar, hoor, hij stemt het weer toe: Morgen, ja zeker, morgen zal het gansche huis één enkele feestbouquet zijn ter eere van Helmonds “engelachtig vrouwtje”.

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Reeds in den vroegen morgen van den 28sten September heerschte er een buitengewone, maar nochtans een fluisterende, e