"...............dit is geen boek,
Die 't aanraakt, raakt een mensch aan."
(W. W. "Tot ziens!")
WALT WHITMAN
GRASHALMEN
(LEAVES OF GRASS)
VERTAALD DOOR MAURITS WAGENVOORT
MET PORTRET VAN DEN DICHTER
1917
WERELDBIBLIOTHEEK
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.
UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE
LECTUUR—AMSTERDAM
INLEIDING
Een korte inleiding schijnt mij gewenscht. Van een reis, in 1892, door de
Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bracht ik als kostbaarste herinnering de
Leaves of Grass van Walt Whitman mee. Tijdens mijn reis ging er geen dag om
zonder dat ik iets van hem las, en nog lang daarna nam ik dagelijks het boek op om te
herlezen. Diep was de indruk geweest, dien ik van den arbeid en het leven der
Noord-Amerikanen had ontvangen, diep was de indruk, dien ik van de Leaves of
Grass ontving. Deze poëmen, docht mij, geven een kort begrip van wat ik met
bewondering en eerbied, soms met verbijstering heb gezien; zij zijn een verkleind
beeld der geweldige republiek, het leven van Amerika verpuurd door liefde en denken
van een universeel dichter. Toch geven zij meer dan de "athletiscihe republiek": zij
openen heerlijke visioenen van wording, ontwikkeling en voortgang in steeds groeiend
recht: het Universum aanschouwd door een Amerikaan, wien de Menschheid eens een
plaats zal aanwijzen te midden der groot-edelsten van allen tijd.
Anderhalf jaar: te Chicago, Berlijn en Genua, gaf ik aan de vertaling van wat
thans wordt gepubliceerd. Dit is niet de geheele Leaves of Grass, wel de
geheele Whitman, zooals hij zich in de Leaves openbaart. De dichter herhaalt
hier en daar wat hij gezegd heeft: er was geen reden die herhalingen te vertalen;
buitendien liet ik mij door mijn smaak leiden. Er zijn enkele poëmen in de
Leaves of Grass, die mij niet bezielen, wat natuurlijk aan mij en niet aan
Whitman ligt. Zoo ook zijn eenig berijmd gedichtje Captain, my captain, dat ik
onvertaald liet, uit eerbied voor het rijm, en wijl Whitmans karakter als{VIII} dichter toch het
heerlijkst in ongebondenheid zich uit. Niettemin was het denkbeeld mij een gruwel een
salon-Whitman te geven. In mijn vertaling spreekt de bard zich uit met dezelfde zware
en toch zoo zielvolle stem, die de zijne is, ruw soms, duister soms, maar altijd
verheven, altijd menschelijk, altijd natuurlijk.
Mijn loon was mijn arbeid-zelf. Wat kon ik inderdaad van mijn vertaling
verwachten? Behalve door Emerson, Whittier, Thoreau, in Amerika niet, in Europa,
behalve door Tennyson en Rosetti, weinig gewaardeerd, is Walt Whitman arm en ongeacht
gestorven, nadat hij, om de "onzedelijkheid" van de Leaves of Grass, uit een
betrekkinkje aan een ministerie te Washington was ontslagen. Wat ik niet verwachtte,
een kleine twintig jaar geleden, was het bezwaar om Grashalmen gedrukt te
krijgen. Indien ik Whitman fatsoenlijk had willen maken—wat men een bloemlezing
noemt, uit zijn Leaves of Grass—zou ik niet bijna vijf jaren hebben
behoeven te wachten voor een uitgever geneigd was althans een deel van Walt Whitmans
werk te publiceeren. Dit evenwel leek mij toen beneden den eerbied dien ik voor den
bard gevoelde: mijn vertaling zou in haar geheel of niet verschijnen. Zij verschijnt
nu, wel is waar niet in haar geheel, maar toch in haar schoonste fragmenten.
Wàt, in dezen tegenspoed, kon mij teleurstellen? Niets. Walt Whitman kon
wachten, ik had geen haast. Indien mijn levensgeluk afhankelijk ware geweest van mijn
literair succes, zou ik zeer beklagenswaard zijn. Mijne boeken vinden weinig lezers:
het verlies daarvan is niet geheel aan mijn kant. Het verwonderde noch ontmoedigde
mij, dat ik jaren had te wachten eer men mijn Grashalmen wilde publiceeren. De
anderhalf jaar met Whitman doorleefd, schonken mij een levenswinst, die noch door
eenig succes kon vermeerderd, noch door eenigen tegenspoed kon verminderd worden.
Over Walt Whitman en zijne Leaves of Grass wil ik{IX} hier weinig zeggen. Mijn vertaling geeft de
maat aan van de bewondering en de liefde die ik voor deze heerlijke twee-eenheid
gevoel. Misschien toch kunnen een paar verklarende woorden hem een of twee
lovers meer winnen. Men moet de Leaves of Grass niet nemen als
gedichten, Walt Whitman niet als dichter. Om een paar dichters van onderscheiden
genie te noemen: Keats, Kloos, Heine, Verlaine: naar hun beteekenis is Walt Whitman
geen dichter. Noch kan hij gemeten worden naar welken dichter ook: zijn zangen zijn
als symphonieën, en men denkt soms aan Beethoven, wanneer men hem leest.
De oer-dichter was de man, door veel strijd, veel denken, veel leven hoog en groot
geworden, richter, leider, priester, zanger van zijn volk. Hij verkondigde wat recht
was, deugd, liefde en schoonheid. Wat hij sprak was de natuurlijke wijsheid van een
God-gewijde ziel, door innerlijke aanschouwing en nog meer door het vuur des levens
gelouterd. Maat en rijm kende hij niet, van verzen had hij nooit vernomen, wat men
poëzie noemt had geen zin voor hem, maar beter dan eenig ander wist hij wat
harmonie was en schoonheid. Hij had de menschheid lief en kende haar zwakheid en
lijden, haar kracht en vreugde. Hij bezat dien oppermoed, die, geboren uit een
onbedaarlijke zucht naar vrijheid, voorbeschikt om alleen en hoog te staan te midden
der menschen. Het leven had enkel bekoring en de dood geen verschrikking voor hem.
Dus had zijn volk hem erkend als richter van allen, leider van allen, priester en
zanger tevens. Ziehier, in de tweede helft der negentiende eeuw, in een samenleving,
de Noord-Amerikaansche, die nog aan het begin harer geestelijke vorming staat, de
oer-dichter in Walt Whitman herboren, maar verworpen door zijn volk, omdat de
menschen van heden niet natuurlijk kunnen zijn.
Aldus moet de lezer Whitman beschouwen, wil hij hem begrijpen; zijne poëmen,
zijne zangen zijn geen {X}gedichten; het zijn visioenen; uitspraken, wetten,
poëzie, zoo gij wilt, maar poëzie als erts, zooals het gevonden wordt in de
Ilias, in het Nibelungenlied, in de Veda's, in de Psalmen, in het Hooglied.
Wie lezen wil om zich te amuseeren, poëzie wil genieten als een zoete
zielestreelinig, bekoorlijk door fraaie rijmen, lichten cadans en gedachten zwevend
tusschen banaliteit, weemoed en burgermans verliefdheid, dien heeft Walt Whitman zelf
terecht gewezen: de Leaves of Grass zijn niet voor hem of haar. Wien het
gegeven is vrij te zijn van voor-oordeel, wie de schoonheid kan zien, ook wanneer zij
in ongewonen vorm verschijnt, wie zich-zelf wil geven aan den dichter en het lezen
steeds wil afwisselen door lang en rustig nadenken, dien opent Whitman grootsche
verschieten van sterke liefde in de goddelijke eenheid van lichaam en ziel, dien
schenkt hij moed, hoop en zelfvertrouwen.
Wat mijn vertaling betreft: zij zal hare gebreken hebben, maar, wie mij ook het
tegendeel zegge, ik weet dat zij goed is, als geheel. Whitmans vlucht door Tijd en
Ruimte, niettemin, is soms zoo verheven, dat ik hem slechts heb kunnen volgen door
lager te Wijven dan hij; op andere punten is de vertaling, onder het werk-zelf, en,
natuurlijk zonder dat die bedoeling voorzat, beter geworden dan het oorspronkelijke.
Ik gewoel temeer vrijmoedigheid dit te zeggen, wijl ik bij mijn werk geholpen werd
door een dier vrouwen, die door een waarlijk hemielsche eigenschap alles verbeteren
wat zij aanraken. Onze vriendschap-zelve belet mij haar te noemen, maar wanneer ik,
zooals ik hiermeê doe, Grashalmen aan haar opdraag, geef ik haar slechts
terug wat zij mij geleend heeft, wetende, dat ik voor mijn leven haar schuldenaar
blijf, ook waar mij slechts van haar de nagedachtenis rest.
Sevilla, Oct. '98. M. W.
's-Hage—'17.
UIT: INSCRIPTIES
MIJN LIED IS VOOR HET IK
En-Masse.
en dus meer dan ieder waard:
manlijke.
doen door goddelijke wetten.
noemt mijn leven?
waarheid is mijn leven.
wat gij 't meest behoeft, dat breng ik
u.
ziel is alles,
andere boeken, dit boek wordt door het verstand
alleen
niet gevat.
levens te gemoet.
VAN PAUMANOK UIT (fragmenten)
straten,
straks mijngraver in Californië,
met een dronk bronwater.
druischt, gelukkig en dankbaar,
Missouri, bewust van de machtige
Niagara,
harigen, sterkborstigen stier,
door sterren, regen en sneeuw getroffen,
bestudeerd,
weêrgalooze, den eenzamen lijster der
moeras-ceders,
vlucht voor nieuw een wereld.
de zon.
landengte daar tusschen.
leven,
kunsten leven doet, dat al wat goed is lief
heeft.
hooren.
rusten zij,
voorgeslacht,
dan in haar spoor.
vervolgens, naar mij luisterend,
naar de Mexicaansche zee,
in en naast rivieren,
vloeiend vuur, dat al doet leven.
neem hen ten Noord,
leven,
voor u.
naar hen,
en luisteren naar mij.
haar verklaren?
regeerders,
naleeft durf ik niet uitgaan tot mijn
arbeid,
verdient,
meer verdienen dan het verdient,
en met mij het vuur der materie,
erkend,
is,
weg kiest,
vóór water keerde en weerkwam, ebbe en
vloed, levende!
't schoonst de ziel bezing,
onvergankelijkheid.
in wat omgaan ook, zij onderworpen aan een anderen
Staat,
nacht, tusschen al de Staten en tusschen elk twee-tal
hunner,
den President, vol van scherppuntige dreigende
wapens,
eerbiedsgroet brengen aan elke stad, 't zij groot of
klein,
U, ter land en zee, het ware held-zijn
is,
Amerikaan.
moet bijeenbrengen,
zoo als dat nu reeds in mij leeft,
vuren die mij dreigden te verteren,
van liefde,
en haar vreugd?
kennen,
levensdeel niet over,
volk—en ik zeg: in werkelijkheid is er geen
kwaad.
even gewichtig als wat ook in het
leven).
religie tot wijding, ik daal in den arena
af,
te doen hooren,
zijn daar om religiëns wil.
zeker de toekomst is.
religie zijn,
kunst, amours?
dichter.
branden om religiëns wil;
geeft licht aan het eigenlijk leven dezer
aarde:
hebben, en toch 't verheft ons en 't is
groot,
handen uitstrooit voor allen en zorgt voor
allen.
nest zat en haar jongen koesterde.
lied van leven.
zong voor wat dicht aan zijn zijde was,
enkel voor de echo's die het lied aan het verleden
schonken.
pas geboren waren voor de toekomst.
levens, blijde en krachtig.
kloeker zangen, hooger zangen dan ooit op aarde
gehoord.
zie u aan met een goed oog, gij ook leeft in mijn hart,
zoo
goed als de anderen.
leven heeft voor hen en door den dood niet wordt
geschaad;
is, en ik wil de bard van het karakter
zijn,
zijn,
ben vast besloten U te erkennen en luide en moedig
te
verkondigen, dat gij verheven zijt,
en dat zij ook in de toekomst niet zal
zijn,
gevolgen altijd heerlijk kunnen wezen,
dan de dood,
eeuwige en het tijdelijke hetzelfde
zijn,
groot als een ander.
dagen te eeren,
een gedicht schrijven, zonder de ziel te
eeren,
ik dat geheel noch deel zijn kan zonder de
ziel.
beesten, boomen, stroomende rivieren, de rotsen en
de
woestijnen,
worden?
man of welke vrouw ook,
afleggers en wijkt naar de sferen die van gelijk
leven zijn,
moment der geboorte tot het oogenblik des
doods.
afdruk de meening en de bedoeling des schrijvers
niet
beter weer,
en ziel worden weergegeven,
Onverschillig voor den dood of na den
dood.
het bevat en is de ziel;
en ieder deel uws lichaams!
en wij tweeën nu voor ons-zelf
alleen!
maakt!
van passie!
begeert en liefheeft meer!
U met mij voort naar de toekomst!
UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK
mijn ziel,
dezen zelfden grond en uit deze zelfde
lucht.
hier geboren en dier ouders tevens,
mijn arbeid,
nooit vergeet ik ze,
het leven hun dringt,
begin en het einde;
en overal is het wezen, altijd zal de kunne er
zijn;
blijven der verscheidenheden, altijd een nieuw
geslacht.
gevoelt dat dit de waarheid is.
goed doorvoegd, gesteund in de balken,
electrisch,
Staan wij hier in het leven, ik en dit
mysterie.
niet is mijn ziel.
door het zichtbare bewezen,
zijn tijd.
te zijn?
sterven, en ik weet dat.
met het zoo-even ontbonden kind, en wat gij daar van
mij
ziet tusschen laarzen en hoed is niet mijn geheele
Ikheid.
zijn daar niet twee eveneens en allen zijn
goed,
leeft goed.
en vademloos zijn als ik-zelf ben,
ik leef voor mij en weet wat mijn is, mannelijk
en
vrouwelijk,
geringschatting,
mijn de moeders en de moeders van
moeders,
storten,
uitgeworpen, door mij niet geminacht,
onvermoeid, gij kunt mij niet
afschudden.
die ieder toejuicht, ik speel ook de marschen
voor
overwonnenen en verslagenen.
veldslagen worden in denzelfden geest verloren als
zij
worden gewonnen.
alle overwonnen helden!
voor de grootste helden wier naam beroemd
is.
hebben dat doel en het mica aan de rotshellingen
heeft
het ook.
in den morgen kwinkeleert, het doen?
vertellen.
uit in een nieuwe taal.
menschen.
verlaging,
en toch altijd voortgaan.
wandelt,
vast tegen u aan, nacht die mij magnetisch
doorvloeit!
de nevelbetopte bergen!
doortrokken!
klaarder en helderder wordt!
appelbloesem aarde!
de dichter te zijn van slechtheid
tevens.
voort, ik blijf onaangedaan.
daar,
vruchtbaarheid voortkomt?
zijn?
tegenkant,
vroeg aan den arbeid.
verleden van eonen,
die zich-zelven ontrouw is en die niet
gelooft.
vrouwen, zich niet van hen afscheidende,
verklaring van leven en toekomst
dezelfde voorwaarden deel kunnen hebben.
en ik verwijder die heeschheid,
verklaren
hoofd en hart,
van mij is een wonder.
zijn zoo vreedzaam en zelf-voldaan,
tot God,
manie van eigendomsbegeerte,
duizenden jaren vroeger leefde,
wereld.
duidelijk toonen te bezitten
onachtzaam verloren,
herinneren,
broeder zal leven.
een lange wijl van mij uit,
schoonen, zachtmoedigen God aan mijn
zijde,
en den diameter van tachtig duizend
mijlen,
in de buik draagt,
Alleen-Zaligmaking,
Hercules zijn kleinzoon,
heb een ets van den gekruisigde,
Mexitli en met ieder afgods- en
heiligenbeeld.
cent meer,
dezen zullen nu opstaan en uitvliegen en zingen in
eigen
kracht.)
ze in mij-zelf en deel er gulhartig van mee aan
iederen
man en iedere vrouw die ik ontmoet,
die een huis bouwt,
hemdsmouwen en hamer of beitel ter hand,
beschouw een rookwenteling of een haar op den rug
mijner
hand even gewichtig als welke openbaring
ook
zijn voor mij niet minder dan de goden in den
antieken
krijg.
der verdelging doorsnijdt,
balken gaan, hunne bleeke voorhoofden
ongedeerd
en boven het vuur uit;
aan de borst, die genadig is voor iederen
pasgeborene;
engelen met hemden om hunne lendenen
opgerold;
verleden en toekomstige zonden,
een advocaat te betalen voor zijn broêr, die
voor vervalsching
terechtstaat en om dien broêr bij te
staan;
mij heen gerooid, waarvan die vierkante roede niet
vervuld
was?
wacht mijn tijd uit om eens een der allerhoogsten
te
worden;
als de beste en even wonderbaarlijk zal
zijn.
der duisternis.
altijd nader;
wat is de drukkersjongen?
teeder en vast in uw armen?
in de torens—maar de zeemanschap van kapitein
en
machinisten?
maar de gastheer en de gastvrouw en de blik hunner
oogen?
den weg?
menschelijk denken?
der toekomst.
eeuwen liggen tusschen twee treden,
klim ik en klim ik.
dààr zelfs was,
nevel,
stinkende koolstof.
en roeiden als vroolijke roeiers,
ter zij,
mijn weg,
glans er van verduisteren.
rusten,
het voorzichtiglijk neer.
om mij te volmaken en te bekoren,
sterrengroepen,
becijferen, geven slechts een som die de nog
verdere
sterrengroepen bezoomt.
wijden zich altijd uit,
verhevener omgang,
stippen maken.
oppervlak zouden worden herleid tot een bleek
gedobber in
het Al, 't zou niets hinderen op den
duur,
gaan en verder.
mijlen brengen het Verband niet in gevaar of doen
er
ongeduld binnensluipen,
smacht, zal ik ontmoeten.
werd ik gemeten en nimmer zal ik gemeten
worden.
en een boomtak tot staf,
de Beurs,
en op den open heirweg.
uwer geboorte af, zonder het te weten,
schouderen en laten wij haast maken om voort te
komen,
bezoeken.
en laat uw hand op mijn heup rusten,
weder rusten.
keek op naar den sterrenhemel,
Wanneer wij een zullen geworden
zijn met gindsche werelden en één
met het genot en de
kennis van alle dingen die zij bevatten, zullen
wij dan zalig
zijn en voldaan?
Neen, wij dringen enkel tot hunne hoogste
hoogten door om, daar voorbij, verder te
streven.
verklaring geven.
kleed, kus ik U met een vaarwel-kus en open de
deur
voor uw later vertrek.
van elk uwer levensoogenblikken.
vastgehouden, die U met het land
verbond,
opkomt, mij toeknikt, schatert en lachend het water
uit
uwe haren doet spatten.
ik voor hem is,
loopt in een doodskleed in zijn eigen
begrafenisstoet,
der aarde koopen,
zien maakt het onderwijs van alle tijden
beschaamd,
in begeeft kan er een held in worden,
wielen des Heelals,
van God,
vragen ten opzichte van God,
ben ten opzichte van God en van den
Dood).
geheel niet,
ik-zelf ben.
dezen dag zie?
van een uur,
eigen gezicht in den spiegel,
geteekend met Gods naam,
vergeefs tracht gij mij ongerust te
maken.
naar zijn werk,
deuren,
en hoe het leven uitbreekt.
mest, maar hinderen doet dit mij niet,
naar de gladde borsten der meloenen.
velerlei dood,
malen gestorven.)
bevorderen,
doet glanzen,
die in de drab vergaan,
de middagzonnestralen,
groot of klein.
gegeven, ik heb er aan ontleend,
langer toeven.)
met zijn avondmaal?
dat 't reeds te laat is?
zich over mijn gesnap en getalm.
van de zon,
vlokken.
groeien dat ik liefheb,
mij uit onder uwe voeten.
verlies den moed niet,
UIT: ADAMSKINDEREN
wezen!
bliksems en het woeden der winden?)
ander man!
over aan mij ten trots van de wereld!
eerst de kussen te planten van een zelfbewusten
man.
afgrond, alles ontbonden en verlicht!
vind!
ik van de mijnen zoo goed als gij van de
uwen!
beste van natuur!
zooals ik ben.
geestes!
anderen!
slaan!
er tegen op te tuimelen!
zaligheid en vrijheid!
komt gij weer,
leven,
hedennacht tevens,
deel aan de nachtelijke orgieën van jonge
mannen,
diepgevallene tot liefsten vriend,
iemand zijn door anderen veroordeeld om bedreven
daden,
die mijn ware makkers zijn?
zijn.
UIT: CALAMUS
genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid,
algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn
ziel,
vindt in zijne gezellen,
lippen,
antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven
zeggen.)
andere omvat,
van mannelijke gehechtheid,
hooren,
een en veertigste jaar,
geweest zijn,
nutteloos,
alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U
meet,
uitputten,
maakt aan de levens om U heen zult gij moeten
opgeven,
mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van
mijne
schouders,
waar ik U zal beproeven,
noch zult gij mij in gezelschappen zien,
ongeborene of een gestorvene),
zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond
ons onbemerkt
kan naderen,
eiland,
den jongen echtgenoot,
op uw heup,
gedragen te worden eeuwiglijk.
zal er gevaar voor U zijn,
steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk
ontgaan,
haddet, zie dan toe!
ik dit boek heb geschreven,
hoogdravend prijzen,
best een zeer gering getal) die liefde
winnen,
even veel kwaad doen als goed en meer nog
misschien,
waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te
vatten;
strijd ben met mijzelf,
heb toevertrouwd,
uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen
was,
echo's daarvan, doode woorden,
elken dag,
aannemen en verstooten—niet
dààrin,
mijns levens polsslag!
dan in deze zangen.
slechts een mooie fabel is.
heuvelen, weerspiegelende en vloeiende
wateren,
slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het
geval
is) en wat zij werkelijk zijn nog
onbekend,
mij verlegen maken en mij bespotten!
weet,)
standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker)
indien ik op
een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal
blijken
anders te wezen (zooals die schijn dan ook even
zeker
anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den
schijn
van nu of in 't geheel niets is;
door hen die mij liefhebben, mijn lieve
vrienden,
naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne
houdt,
redenen niet bevatten ons omringt en in ons
doordringt,
ik ben stil en vraag niets meer,
identieke leven aan gene zijde des grafs niet
beantwoorden,
ik ben tevreden,
bevredigd.
uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten
moet,
die de teederste minnaar was,
vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd
bemind,
zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk
uitstortte,
zijne lieve vrienden, aan die hem lief
hadden,
nachten, vol onvoldaanheid,
hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig
was,
in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander
wandelden
hand in hand, zij tweeën alleen, van andere
menschen
verwijderd,
schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn
vriend
op zijn schouder rustte.
Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in
het
Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor
mij de
nacht die volgde toch geen nacht van
geluk,
waren, was ik toch niet gelukkig,
volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende
den
rijpen herfstadem,
morgenlicht verdwijnen,
baadde, dartelend met de koele wateren en de zon
zag
opstijgen,
op weg was naar mij toe, o toen was ik
gelukkig,
voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging
heerlijk
voorbij,
's avonds, kwam mijn vriend,
wateren langzaam rollen, rollen op het
strand,
op mij toekwamen, om mij geluk te
wenschen,
zijde onder hetzelfde dek in den koelen
nacht,
naar mij toegekeerd,
was een nacht van geluk.
anders dan gij denkt;
zou schenken?
zachte en verdraagzame woorden?
naar een werkelijken held?
dat dit alles misschien niets is dan maya,
illusie.
takken,
zich in blijde donkergroene bladen,
mij-zelf,
uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan
zijn
zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou
kunnen,
wat mos om,
altijd het oog op heb,
te doen denken,
anders dan aan hen,)
me aan mannelijke liefde denken;
gedijen, alleenig in een groot vlak
land,
heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn
liefde
zoekt nabij is,
ik U aanzie,
in mij als een droom)
en volwassen, herinner ik mij alles weer
duidelijk,
meisje met mij,
uwe gebleven noch heeft het mijne enkel het mijne
laten
blijven,
elkaar voorbijgaan, gij neemt in keer van mijn baard,
borst,
handen,
vergund aan U te denken als ik alleen ben of waak in
den
eenzamen nacht,
zal zijn U eens opnieuw te ontmoeten,
de eeuwen gewijd zocht te vernietigen,
eeuwen gewijde instellingen,
er van?)
dezer Staten, 't zij diep in het land of aan de
zee,
die op de wateren dobbert,
van overwinningen door groote veldheeren bevochten,
dan
benijd ik die veldheeren niet,
noch den rijkaard in zijn paleis,
die elkaar liefhebben, hoe zij leefden,
den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor
elkaar, heel
den langen weg,
zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en
getrouw,
bittersten nijd.
liefde uit te storten over een die mijn liefde niet
beantwoordt,
op een of andere wijs het loon zeker is,
UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG
overal waar ik wensch te gaan.
mijzelf,
voortaan zal ik mij niets voelen
ontbreken,
met het nutteloos oordeel over anderen,
leven is.
waar ik ga,
het mijne.
laat ronddwalen, ik geloof dat hier meer is dan het
zichtbare,
voorkeur noch uitzondering;
melaatsche, de ongeletterde worden door U niet
geweigerd;
bedelaar, de waggelende dronkaard, de
vroolijke
troep werklieden,
het vluchtende paar,
naar stad, de wagen die uit de stad
terugkomt,
geen,
onhoorbaar als de ziel aanschouwen wil,
frissche ziel van dien weg.
verlaat
mij niet?
Waag U niet—gij zijt verloren indien gij mij
verlaat?
Reeds ben ik welgebaand en drukbeloopen, geen
die mij niet roemt, houd U aan
mij?
maar ik heb U lief,
hun bezieling gevonden in de open lucht,
zijn en ieder die mij ziet zal mij
liefhebben,
gedachte grenzen,
meester,
uit den greep die mij zou willen
vasthouden.
mij zooveel goed gedaan, ik woû U hetzelfde
doen,
mij zijn,
mij-zelf,
zegenen.
zou mij dat niet verbazen,
zou dat mij niet verwonderen.
gewinnen:
met de aarde.
geslacht,
bespot alle gezag en redenen die zich tegen haar
mochten
willen kanten).
haar bezit op den ander die haar niet
bezit,
zelf,
is voldaan,
't leven en van wat volkomen is in 't
leven,
oproept uit de ziel.
bewijzen onder de uitgestrekte wolken en langs het
landschap
en de vloeiende stroomen.
niet van U zijn vervuld, zijt gij niet van hen
vervuld.
poorten en stelt vragen steeds.
stikdonkeren nacht?
mij zijn zonnelicht en zonnewarmte in mijn bloed
doen
vloeien, waardoor het zich uitzet?
slap en plat neer?
wandel of verheven en melodieuze gedachten dalen in
mij
neer!
bloeien en als rijpe vruchten afvallen als ik
voorbijkom;)
terwijl ik in 't voorbijgaan een oogenblik blijf
kijken?
die vrouw of dien man? Wat geeft hun een zoo vrij
beroep
op de mijne?
bekoring van man en vrouw,
iederen dag uit eigen wortels voort, dan dezen
voortspruiten,
frisch en bekoorlijk altijd, uit
zich-zelf.)
en oud het liefdezweet,
rijkdom te boven gaat er uit neer,
smachten en sidderen van de pijn der
gemeenschap,
eerst ruw en onbegrijpelijk,
verborgen,
zeggen.
woningen zijn, wij kunnen hier niet
blijven,
mogen hier niet ankeren,
een korte wijl is 't ons veroorloofd er van te
genieten.
golven trotseeren en gaan waar de Yankee-klipper
voortsnelt
met volle zeilen.
priesters.
begraven niet langer wachten.
prijzen,
reis was, ter nauwernood hebt gij U er voldaan
nedergezet,
of gij wordt opgeroepen door een onafwijsbaar bevel
om
door te gaan,
van hen die achterblijven,
met hartstochtelijke kussen van
afscheid,
U vasthouden.
wat op deze of welke wereld ook zichtbaar
was
of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de
zielenprocessie
langs de verheven wegen des Heelals.
verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang
enkel
toevoegsel en steun.
zwak, onvoldaan,
door menschen,
waarheen zij gaan,
naar iets verhevens.
ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd
is.
heen,
propere gezichten,
om de belijdenis te ontvangen,
schuilend en angstig door het leven,
beschaafd en lief in de salons,
het slaapvertrek, overal,
in het hart, verdoemenis in het hoofd,
over zich-zelf,
zich-zelf.
wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het
genot
zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt,
iets groeit,
dat een moeilijker strijd noodzakelijk
maakt.
vijanden, verlatenheid vinden.
hebben hem lang en vaak betreden—blijf niet
achter!
boek op de plank ongeopend!
geld ongeïnd!
des onderwijzers!
advocaat pleiten in het Hof en den rechter de wet
verklaren.
maken?
lang?
UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT
U zie ik van aangezicht tot aangezicht.
belangwekkend vind ik U!
Brooklyn oversteken om huiswaarts te keeren vind ik
belangwekkender
dan zij kunnen denken,
tijden, gij zijt mij meer, gij hebt grooter deel in
mijn
gepeins dan gij kunt denken.
of van alle volgende generatiën,
gevoelde ik,
is, was ik een mensch in een menigte
menschen,
de rivier en den schittervloed, gevoelde ik mij
verkwikt,
voortsnelt met den haastigen vloed, stond ik en
snelde
voort,
dikstammige schoorsteenen der booten, zag
ik.
in de lucht drijven met beweginglooze vleugelen en
wiegelende
lichamen,
terwijl het overige in zwarte schaduw
bleef,
Zuiden dalen,
van mijn hoofd in het zonneweerkaatsende
water,
Zuidwestwaarts,
heendrijvende,
der schepen te zien,
schepen voor anker,
sparren,
de ranke, kronkelende wimpels,
loodshuizen,
wenteling der raderen,
werden,
raderborden, het dartelende, glinsterende
gekuif,
muren van de steenen pakhuizen der
dokken,
dicht naast elkaar aan weerskanten bij de
sloepen,
de hooischepen, de door den nacht verraste
lichters,
hoog op en helder vlammend in den nacht,
over de daken der huizen en omlaag in de
straatspleten.
scheiden?
mijn Brooklyn,
de wateren die het omspoelen,
bewegen,
zij in mij op,
raadselen,
ik, zou ik worden door het lijf.
waarheid zeer onbeduidend?
en stal,
durfde uitspreken,
leefde in mij,
mij niet,
gebeurlijkheid van anderen,
stemmen van jonge mannen als zij mij zagen naderen
of
voorbijgaan,
leunen van hun lichaam tegen het mijne als ik
zat,
in openbare bijeenkomsten en sprak hun toch met
geen
woord van die liefde,
knagende, slapende leven,
nastaren,
zoo groot als wij wenschen,
tegelijk.
mastomboorde Manhattan?
in den schemer en den lichter in den
nacht?
met stemmen, lieflijk voor mijne ooren, luide en
krachtig
bij mijn streelnaam toeroepen als ik
voorbijga?
man die mij nu aanziet?
aanvaard?
niet kan vervullen, is nu vervuld, niet
waar?
ebbe!
pracht, of de mannen en vrouwen van alle
volgende
generatiën!
heuvelen van Brooklyn!
uit!
raadselen,
of in de openbare bijeenkomst!
welklinkend bij mijn speelnaam!
eeuwig achterna staart,
haar maken wil.
tegen U aanleunen en zich toch met den
stroom
meehaasten;
wijde cirkels hoog in de lucht;
aller neerziende oogen tijd hebben gehad U te
zien,
het zonbeschenen water van mijn hoofd of ieders
hoofd!
schoeners, sleepen, lichters!
bij zonsondergang!
zwarte schaduwen in het vallen van den avond, werpt
rood
en geel licht over de daken der huizen!
aroma's,
schouwspelen, breede en genoegzame
wateren,
onverzadigd,
buiten ons bereik houden,
U voor altijd in ons hart,
UIT: LIED VAN DE BREEDE BIJL
de levenden zelf,
van het heden,
als de ziel der aarde en der menschheid,
tot man.
constitutie? of de best-gebouwde
stoomschepen?
vestingbouw, verdediging?
bezielt.
en pijpen de pijpers voor hen,
woord der Godheid in het namelooze wordt
weggeslingerd.
bezit,
grootste stad van heel de wereld.
of van hen die het anker lichten voor het
vertrek,
winkels waarin goederen van heel de aarde worden
verkocht,
vinden zijn, noch de plaats waar geld 't
overvloedigst is,
ziel en lichaam gestaald hebben,
wordt geliefd,
gewone woord en de gewone daad en niet door
monumenten
op de pleinen,
vindt,
wetten,
slaven,
vermetelheid van lieden die enkel kracht
vinden
in den volkswil.
zooals, op 't gefluit van den dood, de zee
zwiepende
en rijtende baren opstort,
achtbaarheid van het hart,
Mayor, gouverneur, en wie meer, betaalde
dienaren,
wetten in de ziel vinden en naar dezen behooren te
leven,
toegepast,
de mannen,
mannen;
UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED
stichten,
gesticht is,
te maken voor het levensvuur der
religie,
te vereenigen, te verheffen,
dan voor te gaan,
de oude, oude wereld!
Odysseus' zwerftochten,
sneeuwbekruinden Parnassus,
poorten van Jaffa, en op den Moriah-berg,
burgten, uwe Italiaansche paleizen,
ongeploegd arbeidsveld wacht en roept U.
wat ik zie?
haar langer bekoren?
myriaden heldenfamen, heldendichten, heldendaden
haar
langer bezielen en boeien?
het heden en in ons midden;
schonk en beter nog?
bezielende kracht van de daad, van de schoonheid,
van
den heldenmoed?
bezielde bezielt haar niet meer,
heden doen die van 't verleden vergeten,
bronnen van Castalië,
zwijgend al die pyramiden-graven die den tijd
trotseerden,
krijgers, de wilde roep der muzen
zwijgt,
Melpomene, Thalia!
nu zoekt meer den Heiligen Graal,
voor het licht van den morgenstond,
Olivier namen slechts,
in de wateren der Usk,
Galahad heengegaan, weggetrokken allen als de
ademwas
op glimmend staal,
zoo machtige wereld, die nu ledige, onbezielde
schimmenwereld,
legenden en mythen,
ridders en schoone riddervrouwen,
kroon, bijgezet in het knekelgewelf.
dood uit met de klaroen der eeuwen,
('t is waar, hoewel altijd dezelfde, sinds dien veel
veranderd
op haar reis door eeuwen en landen,)
kracht haar weg banende dwars door de warreling
heen,
stoomfluit,
haar aandacht,
ons middagmaal!
zou dan mijn levensdoel en dezer zangen doel
zijn?)
juichen dat Europa tot ons komt!
lieve zusters, oude en nieuwe wereld.
tijd ontvangen U en zullen U bezielen,
volk, het doet zijn eigen nieuwe doen,
binnen en van buiten,
smachten naar het onbereikbare,
oorlog zelf,
dat veld vol zwart gebrande, verminkte
lijken!
tijgers en wolven, wier tong uit den muil hangt,
geen
denkende menschen zich in verlustigen,
nijvere handen,
wind,
lusten en liefden van lediggangers
bezingt,
in den nacht, als de late dansers huppelen op de
maat
van vroolijke klanken,
enkelen,
onderwerpen die hunner waardiger zijn dan
dezen.
en diens roem van dagelijkschen wandel
en handel,
dezen grootscher zijn dan alles,
ploegen, wieden en graven,
het moesbed en de bloemen,
leven heeft en vervult en iedere vrouw
tevens;
U-zelf hoog,
schilder,
dienstmaagd, van den stalknecht en den
portier,
reinigen helpt door kleine uitvinding,
den arbeid te leggen, welke ook.
het eindeloos zwoegen zonder rust,
belangen en zijne vreugden,
vrouw,
toebehoort,
door de scheikunde geholpen,
gezonde vrouw, den volkomen lang levenden
mensch,
zijn ziel loutert,
verkeer der werelddeelen,
Oceaan,
Gothard en Hoosac tunnels, de
Brooklyn-brug,
stoomvaartlijnen die als draden over de zeeën
zijn getrokken,
ik U.
UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID
arbeid op de velden vind ik de verklaring der
godskrachten,
zou dat dan veel zijn?
wijs staatsman ware, zou dat dan veel
zijn?
betaalt, zou U dat bevredigen?
banaliteit,
maar de banaliteit verre.
van mij geniet, ik verlang slechts wat mij
toekomt,
zoo na als de naaste aan dezelfde bank,
van U hetzelfde als gij aan broeder of liefsten
vriend
schenkt,
ik persoonlijk U even lief zijn,
dat worden om uwentwil,
zult gij dan denken dat ik mij niet herinner mijne
eigen
dwaze, wetschennende daden?
drinkgelag tegenover U aan die tafel,
haar uw liefde schenkt, o ik ontmoet vele vreemden
en
schenk hun mijn liefde,
wijzer dan gij?
of een dief waart,
vat vol geleerdheid zijt en uw naam nooit gedrukt
hebt
gezien,
onhoorbaar, ongevoelig en onvoelbaar,
te maken of gij al dan niet bestaat,
in huis of buitenshuis, ik zie in den een dezelfde
waarde
als in den ander,
vader.
opgeleid worden in een vak,
bij den boer werken,
zij zijn mij na,
bezeten,
is even goed,
wissel van de waarde aan, maar geef U de waarde
zelf.
woorden kan men 't vinden, het ontsnapt aan die
woorden,
uw gehoor of uw gezicht,
U van en daaruit komt het U immer te
gemoet.
daarin niets hier over,
van het Ministerie van Financiën, niets in
dagbladen of
weekbladen,
of de mededeelingen van de Beurs.
het is grootsch in zijn eeuwig gedobber,
het geluk is,
of een bon-mot of eenig onderzoek,
en bij ongeluk ons kan ontgaan,
kunnen verliezen,
lichaam en zijn identiteit met de ziel, de tuk die
met
volkomen bereidwilligheid alle aardsche dingen
verslindt,
zijn onuitsprekelijke vreugden en
smarten,
de wonderen die elke minuut der komende tijden van
zich
zullen vervullen,
of voor de winsten van uw winkel?
een spelletje in het beuzeluur van dezen heer en
die
dame?
enkel om in een schilderij geschilderd te
worden?
konde beschrijven of bezingen,
samenstelling van het Heelal en de
luchtstroomingen
enkel waren om aan schoolmeesters geleerdheid
te
verschaffen?
atlassen en de landkaarten?
dan aangeduid bij fantasie-namen?
tabellen of den landbouw zelf?
in een beroep, zullen wij dit alles hoog
stellen?
er niets tegen.
hoogste stel ik het kind dat geboren wordt van
eene
vrouw en een man.
ook zijt,
gij zijt niet hier ter wille van hem,
niet voor hen,
komen en trekken van handel en verkeer, dit alles
is
voor U.
ook zijn gehouwen in U,
geest het verleden mag zijn doorgedrongen, bevindt
zich
dit uur in U en die van mythen en verhalen
evenzoo,
kracht, wat zou er van hen allen zijn?
zouden ledig zijn.
Of in de lijnen hunner bogen en
kroonlijsten?)
U aan uw werkelijk leven doen denken,
trommen, noch de klanken van den bariton-zanger die
zijn
liefelijke romanza zingt, noch die van het
mannenkoor,
noch die van vrouwenkoor,
den spiegel? Is daar niets hoogers of
beters?
zijn één.
uwe schreden terugkomen.
zoo goed als het beste,
krachtigste, liefdewaardigste!
toekomst maar nu,
een vriend, een broeder, een naasten buur—in de
vrouw
een moeder, zuster, vrouw,
in poëmen en overal,
goddelijk en krachtvol leven,
zooals gij.
steê van den prediker,
beroeren en zij dan mijn lichaam beroeren in
keer,
vrouw of een slapend kind,
nachtwakers dochter,
ik zijn vriend ben en metgezel,
hoog verheffen als ik U doe, mannen en vrouwen aan
den
arbeid.
UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE
harmonieeren,
deze boogjes, hoekjes, en stipjes?
aarde en in de zee,
den mond uws vriends gesproken?
vrouw, altijd welgevormd, natuurlijk,
levensvol,
schaamte of reden tot schaamte.)
samen met de hunne—mijn naam is voor hen een
niets,
wat zouden lucht, aarde, water, vuur weten van mijn
naam?
woorden, en zij zijn welsprekendheid en
wijsheid,
vrouwen, ook zij is vol welsprekendheid en
wijsheid.
woorden der aarde,
meer dan in hoorbare woorden.
haar schoonheid te ontblooten, niettemin is haar
onzichtbaar
leven het schoonste,
het verheven koorgezang der helden, de weeklachten
der
slaven,
gelach van jongelieden, geschreeuw van
markters,
nooit missen.
hare kinderen missen nooit,
de terugslag mist nooit,
onze reis door de eeuwigheid mist.
snelt, draagt het dezen,
het,
geen anker vastgehouden, door geen klip
geraakt,
aarde vast en vloeibaar is,
in het firmament,
van verleden en heden en dat der
onsterflijkheid;
kan niet missen,
tooneelspeler en speelster niet voor het
gehoor,
of die door de zijne wordt verklaard.
zelf volkomen is,
die zelf gehavend en gebroken blijft.
de grootheid en het vermogen der aarde,
door die der aarde,
gegrondvest in de aarde,
rechtschapenheid dezer aarde.
liefde oproept,
aarde,
der aarde,
den druk ontsnappen.
krachteloosheid,
alles en ieder is het beste,
nader,
gelicht,
nu zoo reëel als voorheen,
de melodieën der ziel,
ziel, wat zouden zij dan zijn?
zij dan zijn?)
godsdienst die het beste noemt,
ongemoeid laat.
zult gij er de wel-daad van zien,
de bouwmeesters verschijnen.
allen verstaat, en die allen verklaart en allen
getrouw is,
dat gij niet een jota minder zijt dan zij
zelven,
LIED DES HEELALS
of zichtbaar, dit zaad ontvangt bloei.
den aardkloot gelegd,
in schijn wordt gekend,
wat wij slecht noemen tevens.
uit list, bedrog en tranen,
Heelals.
van menschen en volken,
alles vervullend.
meer dan vernomen,
uitvoering,
paden breed en nieuw
verleden,
verklaren,
met haar zegeningen,
gaarden worden godstuinen, de oogst is
zeker,
tot het leven der zaligheid,
ziel hoog zij en zinge,
geloof,
het geloof in Uw Godsplan, dat tijd en ruimte
vervult,
droom,
PIONIERS! O PIONIERS!
vaardig,
Pioniers! O Pioniers!
armen,
Pioniers! O Pioniers!
vriendschap,
voorgaan,
Pioniers! O Pioniers!
zijn zij moê daar ginds over de wijde
zeeën?
wijsheid,
Pioniers! O Pioniers!
ons streven,
arbeid
Pioniers! O Pioniers!
langs nog onbetreden paden,
Pioniers! O Pioniers!
in de aderen der moeder en brengen haar
onrust,
waschdom,
Pioniers! O Pioniers!
sierra's en der hooge bergenvlakten,
Pioniers! O Pioniers!
zonen van Amerika,
't Noorden,
Pioniers! O Pioniers!
wonderteêre, sterke liefde!
van liefde,
Pioniers! O Pioniers!
wuiv' beheerschend boven alles (buig Uw
hoofd)
liefste,
Pioniers! O Pioniers!
wijken,
Pioniers! O Pioniers!
vallen worden spoedig weer vervangen,
altijd voorwaarts,
Pioniers! O Pioniers!
Pioniers! O Pioniers!
al de werkers, al hun werk,
Pioniers! O Pioniers!
Pioniers! O Pioniers!
gaan ge-drieën onzen weg,
schemer, door verledens spokenheiren,
Pioniers! O Pioniers!
samenhangende als trossen,
Pioniers! O Pioniers!
in die werelden ons wachten,
den weg,
Pioniers! O Pioniers!
Pioniers! O Pioniers!
want ook gij deedt eens uw arbeid,)
ons op,
Pioniers! O Pioniers!
lieve,
vermaak,
Pioniers! O Pioniers!
arbeid,
Pioniers! O Pioniers!
neder?
vergeten,
Pioniers! O Pioniers!
"ontwaakt!"
Pioniers! O Pioniers!
AAN U
sneeuw is, die U onder handen en voeten
wegsmelt,
verdwijnen: Uw gezicht, Uw vreugden, woorden, huis,
handel,
wandel, verdriet, dwaasheden, gewoonten,
misdaden,
winkel, arbeid, hofsteê, kleed, uit uw koop en
verkoop,
eten, drinken, lijden en doodgaan.
mijn gedicht moogt zijn,
geen hunner was mijn liefde inniger dan voor
U.
op U toe moeten nemen,
U zei; wat ik tot dusver heb gezongen was het lied
der
zotheid, omdat ik U niet bezong.
zingen van U,
U zelf onrecht,
gebrek,
ik
die nimmer zal toestaan, dat er èèn
boven U worde gesteld,
God, hooger stel dan wat in U leeft.
midden het godsbeeld,
stralen van goudzonnig licht.
zonder dien nimbus van goud-zonnig
licht,
vrouw stroomt dat licht voor eeuwig zijn stralen
uit.
liggen slapen,
U te bespotten, hoe zullen zij dan tot U terug
komen?)
staren,
iemand U volgde,
Uw onverschillig doen, de nacht, het wijde
kleed
der gewoonte U verhullen voor anderen, zij verhullen
U
niet voor mij,
puistig voorhoofd anderen afstooten, mij doen zij dat
niet,
of vroegtijdige onmatigheidsdood, dat alles wordt
door
mij ter zijde geschoven.
gevonden, of in U kan gelijkwaardigs gevonden
worden.
vrouw, of het even goede is in U,
wacht U,
hetzelfde U schenken kan,
glorie zing.
schouwspel, vergeleken bij U,
onmetelijk en eindeloos als zij,
natuur, weeën van schijnbare ontbinding: gij
zijt de man,
gij zijt de vrouw die hen kan bedwingen,
pijnen, passiën, ontbinding.
falend vermogen,
uitgebannen, wat er in U is openbaart
zich,
gebaand en niets is veronachtzaamd,
heen, volgt wat in U is zijn weg.
TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 'S LEVENS OCEAAN
door de golven bespoeld,
gehoord,
telgen,
starende,
die mij mijn poëmen doet zeggen,
voeten in het zand zijn lijnen had
getrokken,
op den bodem van alle zee, alle land, alle leven
der
wereld.
aangetrokken door die rimpels in het zand,
volgden
het spoor der ebbegolven,
had de vloed achtergelaten op het
strand,
golven naast mij,
alles buiten mij wordt weerspiegeld daar [**door?]
alles in mijn
binnenste,
eiland,
evenbeeld.
en vrouwen, die schipbreuk leden,
instormen,
aanvloeit,
aanspoelsel ben van d'Oceaan,
weggespoeld.
zoekende diep in de aarde,
mond,
en mij de holle echo's hunner woorden in het
oor
blazen, ik zelf nièt het geringste denkbeeld
heb gehad
van het wat en wie mijner Ik-heid,
opstaat, nog altijd ongezegd, onbegrepen,
onverklaard,
onbereikt,
groeten en buigingen,
woord dat ik heb geschreven,
onder mijn voeten.
kunnen bevatten, niet het geringste, en dat niemand
dit
vermag,
waar om mij neer te vellen tot mijn
Niets,
spreken.
en slib aan, en weten niet waarom,
kerven van het weggespoelde leven.
ligt,
hersenschimmen, dobberde op de onmetelijke golven
des
levens, werd aangespoeld op Uw kusten,
eiland.
losmaken,
dat ik begeer.
liefheb,
lieflijk geheim influisteren van dat murmelen, waar
ik naar
smacht.
verloochen mij niet,
mijn voeten als ik U beroer, of wat gij wegwerpt,
verzamel,
die op ons neerziet waar wij gaan, en mij en wat het
mijne
is volgt,
wrakhout,
wordt uitgeworpen,
droefheid en vreugd. Niets altijd Niets, en toch het
een in
strijd met het ander,
een traan, een spat waters of modders,
wegvloeit,
bloesembladeren dobberende op de golven en lichtelijk
aangespoeld,
wolkbazuinen,
en neergeworpen aan Uw voeten,
ZEKERHEID
zijn geheele aandacht vraagt;
het gezicht, die ik van mij ken, zien nu reeds andere
gezichten
uìt, die ik niet ken, schoone tastbare
gezichten,
verborgen in iedere iota der wereld,
oneindig, vergeefs tracht ik mij voor te stellen hoe
oneindig,
met een goddelijk doel zoo harmonisch door het ruim,
en
dat ik eenmaal in staat zal zijn te doen als zij, en
mèèr
dan zij,
jaren,
buitenste zijn buitenste en het oogenlicht heeft een
ander
oogenlicht en het gehoor heeft een ander gehoor en
de
stem een andere stem,
wordt beweend, heeft zijn levensbloei, en de dood
van
jonge vrouwen en de dood van kindertjes heeft
zijn
levensbloei,
doel des levens, niet zijn bloei heeft?)
welke verschrikkingen zij gezien hebben, 't doet er
niet
toe wiens vrouw, kind, man, vader, vriend er ook mede
is
onder gegaan) bloeien dààr, des levens
vol,
den samenhang der dingen zijn
levensbloei,
en Ruimte, maar ik geloof, dat Zalige Dood die
bloeitijd is.
EEN STILLE GEDULDIGE SPIN
alleen zat,
heen te onderzoeken,
aan onzichtbare draden,
om U er mee te verbinden,
het slepende anker vasthoudt,
o ziel.
AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN
te zeggen,
zoek geen uitvluchten,
daarom zeg ik, dat geen ontkomen U mogelijk
is.
voelt gij 't, Ik praat niet met U, ik buig mijn hoofd
zoo
dicht over het Uwe, dat gij enkel mijn oogen
ziet.
Uw eeuwige ziel, Uw echte ik, dat zekerlijk den
dood
ontkomt,
het echte goud Uwer ziel.
waandet,
glimlacht,
ziek zijt,
Uw weenende vrienden, ik zit aan Uw
zijde,
is niemand te beklagen,
wij kennen is U bereid.
GEZICHTEN
o wat al gezichten!
ideaal,
alledaags-vriendelijke gezicht,
van natuurwetkenners, en van rechters met breede
jukbeenderen,
boven de wenkbrauwen, de geschoren witte
gezichten
van vrome burgers,
het mooie gezicht van een, die verfoeid of veracht
wordt,
gezicht van de moeder van vele kinderen,
eeuwig verstijfde rots,
van den ontmande,
steeds heen en weer varende veerboot, gezichten en
gezichten
en gezichten,
dacht, dat deze gezichten d'eindvorm des levens
waren?
voortdrijven.
zij hebben geen etiket noodig,
caoutchouc, duveltjesdrek,
kreet,
hun wit wordt gezien,
ingedrukte nagels,
neer, terwijl zijn oogen staren.
in Uw kronkelenden doodendans?
mommen.
het fijne voel-instituut van visschen of
ratten,
in het gesticht,
verlamd en gebroken,
huis opruimen,
ongedeerd, elke atoom van hem zoo goed als een van
de
mijne.
met krachtigen arm.
Ik zie wat verschijnt,
voorloopers ruim baan maken,
gezag aan zich-zelf;
van al wat goed is.
ik uit—rood, wit, zwart, allen zijn
goddelijk,
worden.
mij toe,
Kom hier
kom heel dicht bij me, hinkende
man,
Blijf naast mij staan tot ik zoo hoog ik maar kan tegen U kan
aanleunen,
Vervul mij met
witten honig, buig U over mij heen,
Beroer mij met Uw baard, beroer mij aan borst en schouders.
katstruiken omlaag.
en het waterblauw.
is reiner en schooner dan de hemel.
boerderij,
sponnen 't met het rokken en het wiel.
wenscht te gaan,
LIED VAN ZONSONDERGANG
onnaspeurlijke insect,
der nieuwe maan aan den Westerhemel,
bloed!
neer te zien op mijn rooskleurig lijf!
en vrouwen, die ik liefheb.
zie om mij heen!
zon, maan, sterren voort en voort schieten op hun
baan!
alles!)
takken en bladeren!
levende ziel!)
zelfs!
en nu mij en Amerika bezielt!
van mij uitgaan in anderen.
haar ondergaan,
van heel het leven der aarde,
Ik-heid.
deze oogen,
Oosten zag doorbreken,
aan het strand der Westerzee,
waar ik ook omzwierf in de straten,
schouwspel van oorlog,
en overwinning.
die treuren doet in het Heelal.
zing in onverzwakte aanbidding voor U!
TOT WEERZIENS!
gezegd,
volmaaktheid is in alles.
menschen gaan,
leven,
wat Amerika is,
van leven en dood doen hooren,
zijn.
ik het leven doorgegaan;
Tot
weerziens!
jongen man voor den laatsten keer.
rechtvaardiging van zelfbewustheid,
identiteit is,
wordt,
al wat daar voorheen schoon was op aarde er bij
verbleekt.
zijn,
zijt gij dat (Tot ziens dan!)
kuisch, liefdevol, deelnemend,
welgewapend.
stoutmoedig zal zijn,
aan den overgang.
lieflijk bloed,
(Tot ziens!)
dan ooit te voren,
kreet uit.
droesem,
moed van het Waarom?
geslacht na geslacht,
taak, die ik opgelegd heb, volbrengen,
haar liefde verklaar ik mij duidelijker,
zwetser, ik—en beproef de kracht van hun
brein,
worden (sterven maakt mij waarlijk
onsterflijk)
zal zijn, en waartoe ik mij onophoudelijk heb
voorbereid.
ongesloten mond?
naar voren, en ga regelrecht op U toe.
mij weg.
mijne ooren, en doet mij sluimeren,
en geheim,
moede is,
uit mijn mensch-gewordenheid vaar ik op, heenwaarts,
waar
anderen mij zekerlijk wachten,
nog, schiet oproepende dageraadstralen door
mij
heen. Tot ziens!
VAARWEL DAN, FANCY!
te zamen de vreugde des levens genoten;
Fancy.
ontwaken èèn, wij zijn samengevloeid
tot èèn, in waarheid
vermengeld tot èèn;
zullen wij blijven,
om samen het onbekende te gemoet te
gaan,
leven, misschien zullen wij iets leeren,
nu op om het Lied van onsterflijke schoonheid te
zingen
(Wie weet?)
aarde hechten, loswikkelt, ongeduldig om Uw
ballingschap
te ontvlieden—dan, nu voor 't
laatst:
INHOUD
| |
Bladz. |
| INLEIDING |
VII |
| Uit: INSCRIPTIES: |
| Mijn lied is voor het
Ik |
1 |
| Toen ik het boek gelezen
had |
1 |
| Werpt voor mij niet uw deuren
dicht |
1 |
| VAN PAUMANOK UIT (fragmenten) |
3 |
| Uit: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK |
12 |
| Uit: ADAMSKINDEREN: |
| Een uur van woest
genot |
29 |
| Oer-momenten |
30 |
| Uit: CALAMUS: |
| Op onbetreden paden |
31 |
| Wie gij ook zijt die mij nu
vasthoudt |
32 |
| Niet enkel in wat ik mij van de
borst werp |
33 |
| De vreeselijke twijfel van den
schijn |
34 |
| Gij die getuigen zult in de
volgende eeuwen |
35 |
| Toen ik den avondstond
hoorde |
36 |
| Vind ik in u opnieuw een hart
dat zich door mij |
| voelt aangetrokken? |
36 |
| Ik zag in Louisiana een
levenseik |
37 |
| Aan een vreemde |
38 |
| Ik hoor daar werd tegen mij
getuigd |
38 |
| Als ik eens naga wat roem
is |
39 |
| Soms, in mijn liefde |
39 |
| Uit: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG |
40 |
| Uit: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT |
49 |
| Uit: LIED VAN DE BREEDE BIJL |
55 |
| Uit: HET TENTOONSTELLINGSLIED |
58 |
| Uit: EEN LIED VOOR DEN ARBEID |
64 |
| Uit: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE |
70 |
| LIED DES HEELALS |
75 |
| PIONIERS! O PIONIERS |
78 |
| AAN U |
83 |
| TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN |
| 's LEVENS OCEAAN |
86 |
| ZEKERHEID |
90 |
| EEN STILLE GEDULDIGE SPIN |
91 |
| AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN |
92 |
| GEZICHTEN |
93 |
| LIED VAN ZONSONDERGANG |
97 |
| TOT WEERZIENS! |
100 |
| VAARWEL DAN, FANCY! |
104 |