The Project Gutenberg eBook of Grashalmen

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Grashalmen

Author: Walt Whitman

Translator: Maurits Wagenvoort


Release date: December 6, 2004 [eBook #14281]
Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/14281

Credits: Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
Proofreading Team.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GRASHALMEN ***
Walt Whitman, Leaves of Grass



"...............dit is geen boek,
Die 't aanraakt, raakt een mensch aan."
(W. W. "Tot ziens!")

WALT WHITMAN

GRASHALMEN

(LEAVES OF GRASS)

VERTAALD DOOR MAURITS WAGENVOORT

MET PORTRET VAN DEN DICHTER

1917


WERELDBIBLIOTHEEK

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.

UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR—AMSTERDAM



Walt Whitman

INLEIDING

{VII}

Een korte inleiding schijnt mij gewenscht. Van een reis, in 1892, door de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bracht ik als kostbaarste herinnering de Leaves of Grass van Walt Whitman mee. Tijdens mijn reis ging er geen dag om zonder dat ik iets van hem las, en nog lang daarna nam ik dagelijks het boek op om te herlezen. Diep was de indruk geweest, dien ik van den arbeid en het leven der Noord-Amerikanen had ontvangen, diep was de indruk, dien ik van de Leaves of Grass ontving. Deze poëmen, docht mij, geven een kort begrip van wat ik met bewondering en eerbied, soms met verbijstering heb gezien; zij zijn een verkleind beeld der geweldige republiek, het leven van Amerika verpuurd door liefde en denken van een universeel dichter. Toch geven zij meer dan de "athletiscihe republiek": zij openen heerlijke visioenen van wording, ontwikkeling en voortgang in steeds groeiend recht: het Universum aanschouwd door een Amerikaan, wien de Menschheid eens een plaats zal aanwijzen te midden der groot-edelsten van allen tijd.

Anderhalf jaar: te Chicago, Berlijn en Genua, gaf ik aan de vertaling van wat thans wordt gepubliceerd. Dit is niet de geheele Leaves of Grass, wel de geheele Whitman, zooals hij zich in de Leaves openbaart. De dichter herhaalt hier en daar wat hij gezegd heeft: er was geen reden die herhalingen te vertalen; buitendien liet ik mij door mijn smaak leiden. Er zijn enkele poëmen in de Leaves of Grass, die mij niet bezielen, wat natuurlijk aan mij en niet aan Whitman ligt. Zoo ook zijn eenig berijmd gedichtje Captain, my captain, dat ik onvertaald liet, uit eerbied voor het rijm, en wijl Whitmans karakter als{VIII} dichter toch het heerlijkst in ongebondenheid zich uit. Niettemin was het denkbeeld mij een gruwel een salon-Whitman te geven. In mijn vertaling spreekt de bard zich uit met dezelfde zware en toch zoo zielvolle stem, die de zijne is, ruw soms, duister soms, maar altijd verheven, altijd menschelijk, altijd natuurlijk.

Mijn loon was mijn arbeid-zelf. Wat kon ik inderdaad van mijn vertaling verwachten? Behalve door Emerson, Whittier, Thoreau, in Amerika niet, in Europa, behalve door Tennyson en Rosetti, weinig gewaardeerd, is Walt Whitman arm en ongeacht gestorven, nadat hij, om de "onzedelijkheid" van de Leaves of Grass, uit een betrekkinkje aan een ministerie te Washington was ontslagen. Wat ik niet verwachtte, een kleine twintig jaar geleden, was het bezwaar om Grashalmen gedrukt te krijgen. Indien ik Whitman fatsoenlijk had willen maken—wat men een bloemlezing noemt, uit zijn Leaves of Grass—zou ik niet bijna vijf jaren hebben behoeven te wachten voor een uitgever geneigd was althans een deel van Walt Whitmans werk te publiceeren. Dit evenwel leek mij toen beneden den eerbied dien ik voor den bard gevoelde: mijn vertaling zou in haar geheel of niet verschijnen. Zij verschijnt nu, wel is waar niet in haar geheel, maar toch in haar schoonste fragmenten.

Wàt, in dezen tegenspoed, kon mij teleurstellen? Niets. Walt Whitman kon wachten, ik had geen haast. Indien mijn levensgeluk afhankelijk ware geweest van mijn literair succes, zou ik zeer beklagenswaard zijn. Mijne boeken vinden weinig lezers: het verlies daarvan is niet geheel aan mijn kant. Het verwonderde noch ontmoedigde mij, dat ik jaren had te wachten eer men mijn Grashalmen wilde publiceeren. De anderhalf jaar met Whitman doorleefd, schonken mij een levenswinst, die noch door eenig succes kon vermeerderd, noch door eenigen tegenspoed kon verminderd worden.

Over Walt Whitman en zijne Leaves of Grass wil ik{IX} hier weinig zeggen. Mijn vertaling geeft de maat aan van de bewondering en de liefde die ik voor deze heerlijke twee-eenheid gevoel. Misschien toch kunnen een paar verklarende woorden hem een of twee lovers meer winnen. Men moet de Leaves of Grass niet nemen als gedichten, Walt Whitman niet als dichter. Om een paar dichters van onderscheiden genie te noemen: Keats, Kloos, Heine, Verlaine: naar hun beteekenis is Walt Whitman geen dichter. Noch kan hij gemeten worden naar welken dichter ook: zijn zangen zijn als symphonieën, en men denkt soms aan Beethoven, wanneer men hem leest.

De oer-dichter was de man, door veel strijd, veel denken, veel leven hoog en groot geworden, richter, leider, priester, zanger van zijn volk. Hij verkondigde wat recht was, deugd, liefde en schoonheid. Wat hij sprak was de natuurlijke wijsheid van een God-gewijde ziel, door innerlijke aanschouwing en nog meer door het vuur des levens gelouterd. Maat en rijm kende hij niet, van verzen had hij nooit vernomen, wat men poëzie noemt had geen zin voor hem, maar beter dan eenig ander wist hij wat harmonie was en schoonheid. Hij had de menschheid lief en kende haar zwakheid en lijden, haar kracht en vreugde. Hij bezat dien oppermoed, die, geboren uit een onbedaarlijke zucht naar vrijheid, voorbeschikt om alleen en hoog te staan te midden der menschen. Het leven had enkel bekoring en de dood geen verschrikking voor hem. Dus had zijn volk hem erkend als richter van allen, leider van allen, priester en zanger tevens. Ziehier, in de tweede helft der negentiende eeuw, in een samenleving, de Noord-Amerikaansche, die nog aan het begin harer geestelijke vorming staat, de oer-dichter in Walt Whitman herboren, maar verworpen door zijn volk, omdat de menschen van heden niet natuurlijk kunnen zijn.

Aldus moet de lezer Whitman beschouwen, wil hij hem begrijpen; zijne poëmen, zijne zangen zijn geen {X}gedichten; het zijn visioenen; uitspraken, wetten, poëzie, zoo gij wilt, maar poëzie als erts, zooals het gevonden wordt in de Ilias, in het Nibelungenlied, in de Veda's, in de Psalmen, in het Hooglied.

Wie lezen wil om zich te amuseeren, poëzie wil genieten als een zoete zielestreelinig, bekoorlijk door fraaie rijmen, lichten cadans en gedachten zwevend tusschen banaliteit, weemoed en burgermans verliefdheid, dien heeft Walt Whitman zelf terecht gewezen: de Leaves of Grass zijn niet voor hem of haar. Wien het gegeven is vrij te zijn van voor-oordeel, wie de schoonheid kan zien, ook wanneer zij in ongewonen vorm verschijnt, wie zich-zelf wil geven aan den dichter en het lezen steeds wil afwisselen door lang en rustig nadenken, dien opent Whitman grootsche verschieten van sterke liefde in de goddelijke eenheid van lichaam en ziel, dien schenkt hij moed, hoop en zelfvertrouwen.

Wat mijn vertaling betreft: zij zal hare gebreken hebben, maar, wie mij ook het tegendeel zegge, ik weet dat zij goed is, als geheel. Whitmans vlucht door Tijd en Ruimte, niettemin, is soms zoo verheven, dat ik hem slechts heb kunnen volgen door lager te Wijven dan hij; op andere punten is de vertaling, onder het werk-zelf, en, natuurlijk zonder dat die bedoeling voorzat, beter geworden dan het oorspronkelijke. Ik gewoel temeer vrijmoedigheid dit te zeggen, wijl ik bij mijn werk geholpen werd door een dier vrouwen, die door een waarlijk hemielsche eigenschap alles verbeteren wat zij aanraken. Onze vriendschap-zelve belet mij haar te noemen, maar wanneer ik, zooals ik hiermeê doe, Grashalmen aan haar opdraag, geef ik haar slechts terug wat zij mij geleend heeft, wetende, dat ik voor mijn leven haar schuldenaar blijf, ook waar mij slechts van haar de nagedachtenis rest.

Sevilla, Oct. '98. M. W.

's-Hage'17.


{1}

UIT: INSCRIPTIES


MIJN LIED IS VOOR HET IK




En-Masse.




en dus meer dan ieder waard:


manlijke.




doen door goddelijke wetten.









noemt mijn leven?



waarheid is mijn leven.









wat gij 't meest behoeft, dat breng ik u.

{2}


ziel is alles,


andere boeken, dit boek wordt door het verstand alleen

niet gevat.


levens te gemoet.





{3}

VAN PAUMANOK UIT (fragmenten)








straten,



straks mijngraver in Californië,


met een dronk bronwater.



druischt, gelukkig en dankbaar,


Missouri, bewust van de machtige Niagara,


harigen, sterkborstigen stier,


door sterren, regen en sneeuw getroffen,


bestudeerd,


weêrgalooze, den eenzamen lijster der moeras-ceders,


vlucht voor nieuw een wereld.











{4}






de zon.





landengte daar tusschen.




leven,



kunsten leven doet, dat al wat goed is lief heeft.




hooren.



rusten zij,



voorgeslacht,


dan in haar spoor.



vervolgens, naar mij luisterend,


{5}










naar de Mexicaansche zee,



in en naast rivieren,


vloeiend vuur, dat al doet leven.






neem hen ten Noord,


leven,



voor u.




naar hen,


en luisteren naar mij.




haar verklaren?







regeerders,


{6}


naleeft durf ik niet uitgaan tot mijn arbeid,


verdient,


meer verdienen dan het verdient,






en met mij het vuur der materie,


erkend,


is,


weg kiest,








vóór water keerde en weerkwam, ebbe en vloed, levende!



't schoonst de ziel bezing,



onvergankelijkheid.



in wat omgaan ook, zij onderworpen aan een anderen Staat,


nacht, tusschen al de Staten en tusschen elk twee-tal hunner,


den President, vol van scherppuntige dreigende wapens,



{7}







eerbiedsgroet brengen aan elke stad, 't zij groot of klein,


U, ter land en zee, het ware held-zijn is,


Amerikaan.




moet bijeenbrengen,


zoo als dat nu reeds in mij leeft,


vuren die mij dreigden te verteren,




van liefde,


en haar vreugd?











kennen,


levensdeel niet over,


volk—en ik zeg: in werkelijkheid is er geen kwaad.

{8}

even gewichtig als wat ook in het leven).


religie tot wijding, ik daal in den arena af,


te doen hooren,





zijn daar om religiëns wil.





zeker de toekomst is.



religie zijn,










kunst, amours?





dichter.


branden om religiëns wil;


geeft licht aan het eigenlijk leven dezer aarde:



{9}








hebben, en toch 't verheft ons en 't is groot,



handen uitstrooit voor allen en zorgt voor allen.







nest zat en haar jongen koesterde.



lied van leven.



zong voor wat dicht aan zijn zijde was,


enkel voor de echo's die het lied aan het verleden schonken.



pas geboren waren voor de toekomst.






levens, blijde en krachtig.





kloeker zangen, hooger zangen dan ooit op aarde gehoord.




{10}
zie u aan met een goed oog, gij ook leeft in mijn hart, zoo

goed als de anderen.




leven heeft voor hen en door den dood niet wordt geschaad;


is, en ik wil de bard van het karakter zijn,


zijn,


ben vast besloten U te erkennen en luide en moedig te

verkondigen, dat gij verheven zijt,


en dat zij ook in de toekomst niet zal zijn,


gevolgen altijd heerlijk kunnen wezen,


dan de dood,


eeuwige en het tijdelijke hetzelfde zijn,


groot als een ander.





dagen te eeren,


een gedicht schrijven, zonder de ziel te eeren,


ik dat geheel noch deel zijn kan zonder de ziel.







beesten, boomen, stroomende rivieren, de rotsen en de

woestijnen,

{11}


worden?



man of welke vrouw ook,


afleggers en wijkt naar de sferen die van gelijk leven zijn,


moment der geboorte tot het oogenblik des doods.



afdruk de meening en de bedoeling des schrijvers niet

beter weer,


en ziel worden weergegeven,

Onverschillig voor den dood of na den dood.



het bevat en is de ziel;


en ieder deel uws lichaams!






en wij tweeën nu voor ons-zelf alleen!


maakt!


van passie!



begeert en liefheeft meer!


U met mij voort naar de toekomst!





UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK


{12}









mijn ziel,




dezen zelfden grond en uit deze zelfde lucht.


hier geboren en dier ouders tevens,


mijn arbeid,





nooit vergeet ik ze,


het leven hun dringt,







begin en het einde;







{13}





en overal is het wezen, altijd zal de kunne er zijn;


blijven der verscheidenheden, altijd een nieuw geslacht.



gevoelt dat dit de waarheid is.



goed doorvoegd, gesteund in de balken,


electrisch,

Staan wij hier in het leven, ik en dit mysterie.



niet is mijn ziel.


door het zichtbare bewezen,


zijn tijd.






te zijn?


sterven, en ik weet dat.



met het zoo-even ontbonden kind, en wat gij daar van mij

ziet tusschen laarzen en hoed is niet mijn geheele Ikheid.


zijn daar niet twee eveneens en allen zijn goed,


leeft goed.



{14}

en vademloos zijn als ik-zelf ben,




ik leef voor mij en weet wat mijn is, mannelijk en

vrouwelijk,



geringschatting,


mijn de moeders en de moeders van moeders,


storten,




uitgeworpen, door mij niet geminacht,



onvermoeid, gij kunt mij niet afschudden.







die ieder toejuicht, ik speel ook de marschen voor

overwonnenen en verslagenen.



veldslagen worden in denzelfden geest verloren als zij

worden gewonnen.









alle overwonnen helden!

{15}

voor de grootste helden wier naam beroemd is.







hebben dat doel en het mica aan de rotshellingen heeft

het ook.




in den morgen kwinkeleert, het doen?




vertellen.








uit in een nieuwe taal.





menschen.




verlaging,





en toch altijd voortgaan.

{16}

wandelt,




vast tegen u aan, nacht die mij magnetisch doorvloeit!






de nevelbetopte bergen!


doortrokken!



klaarder en helderder wordt!


appelbloesem aarde!











de dichter te zijn van slechtheid tevens.



voort, ik blijf onaangedaan.



daar,




vruchtbaarheid voortkomt?


zijn?



{17}
tegenkant,



vroeg aan den arbeid.



verleden van eonen,





die zich-zelven ontrouw is en die niet gelooft.








vrouwen, zich niet van hen afscheidende,










verklaring van leven en toekomst




dezelfde voorwaarden deel kunnen hebben.




en ik verwijder die heeschheid,


verklaren



{18}

hoofd en hart,





van mij is een wonder.






zijn zoo vreedzaam en zelf-voldaan,





tot God,


manie van eigendomsbegeerte,


duizenden jaren vroeger leefde,


wereld.




duidelijk toonen te bezitten




onachtzaam verloren,





herinneren,


broeder zal leven.


{19}




een lange wijl van mij uit,


schoonen, zachtmoedigen God aan mijn zijde,



en den diameter van tachtig duizend mijlen,



in de buik draagt,























Alleen-Zaligmaking,



Hercules zijn kleinzoon,


{20}

heb een ets van den gekruisigde,


Mexitli en met ieder afgods- en heiligenbeeld.


cent meer,



dezen zullen nu opstaan en uitvliegen en zingen in eigen

kracht.)


ze in mij-zelf en deel er gulhartig van mee aan iederen

man en iedere vrouw die ik ontmoet,


die een huis bouwt,


hemdsmouwen en hamer of beitel ter hand,


beschouw een rookwenteling of een haar op den rug mijner

hand even gewichtig als welke openbaring ook


zijn voor mij niet minder dan de goden in den antieken

krijg.


der verdelging doorsnijdt,


balken gaan, hunne bleeke voorhoofden ongedeerd

en boven het vuur uit;


aan de borst, die genadig is voor iederen pasgeborene;


engelen met hemden om hunne lendenen opgerold;


verleden en toekomstige zonden,


een advocaat te betalen voor zijn broêr, die voor vervalsching

terechtstaat en om dien broêr bij te staan;


mij heen gerooid, waarvan die vierkante roede niet vervuld

was?


{21}


wacht mijn tijd uit om eens een der allerhoogsten te

worden;


als de beste en even wonderbaarlijk zal zijn.



der duisternis.







altijd nader;


wat is de drukkersjongen?


teeder en vast in uw armen?


in de torens—maar de zeemanschap van kapitein en

machinisten?


maar de gastheer en de gastvrouw en de blik hunner oogen?


den weg?



menschelijk denken?







der toekomst.




eeuwen liggen tusschen twee treden,


klim ik en klim ik.



{22}

dààr zelfs was,


nevel,


stinkende koolstof.







en roeiden als vroolijke roeiers,


ter zij,




mijn weg,


glans er van verduisteren.




rusten,



het voorzichtiglijk neer.



om mij te volmaken en te bekoren,







sterrengroepen,


becijferen, geven slechts een som die de nog verdere

sterrengroepen bezoomt.



{23}
wijden zich altijd uit,




verhevener omgang,


stippen maken.




oppervlak zouden worden herleid tot een bleek gedobber in

het Al, 't zou niets hinderen op den duur,



gaan en verder.



mijlen brengen het Verband niet in gevaar of doen er

ongeduld binnensluipen,









smacht, zal ik ontmoeten.






werd ik gemeten en nimmer zal ik gemeten worden.




en een boomtak tot staf,



{24}

de Beurs,




en op den open heirweg.







uwer geboorte af, zonder het te weten,




schouderen en laten wij haast maken om voort te komen,


bezoeken.



en laat uw hand op mijn heup rusten,



weder rusten.



keek op naar den sterrenhemel,

Wanneer wij een zullen geworden

zijn met gindsche werelden en één met het genot en de

kennis van alle dingen die zij bevatten, zullen wij dan zalig

zijn en voldaan?

Neen, wij dringen enkel tot hunne hoogste

hoogten door om, daar voorbij, verder te streven.




verklaring geven.




{25}

kleed, kus ik U met een vaarwel-kus en open de deur

voor uw later vertrek.





van elk uwer levensoogenblikken.



vastgehouden, die U met het land verbond,



opkomt, mij toeknikt, schatert en lachend het water uit

uwe haren doet spatten.








ik voor hem is,


loopt in een doodskleed in zijn eigen begrafenisstoet,


der aarde koopen,


zien maakt het onderwijs van alle tijden beschaamd,


in begeeft kan er een held in worden,


wielen des Heelals,





van God,


vragen ten opzichte van God,


ben ten opzichte van God en van den Dood).



{26}
geheel niet,


ik-zelf ben.



dezen dag zie?


van een uur,


eigen gezicht in den spiegel,


geteekend met Gods naam,








vergeefs tracht gij mij ongerust te maken.



naar zijn werk,



deuren,


en hoe het leven uitbreekt.



mest, maar hinderen doet dit mij niet,



naar de gladde borsten der meloenen.



velerlei dood,


malen gestorven.)

{27}


bevorderen,





doet glanzen,


die in de drab vergaan,





de middagzonnestralen,


groot of klein.






gegeven, ik heb er aan ontleend,






langer toeven.)









met zijn avondmaal?




dat 't reeds te laat is?

{28}





zich over mijn gesnap en getalm.










van de zon,


vlokken.



groeien dat ik liefheb,


mij uit onder uwe voeten.






verlies den moed niet,







UIT: ADAMSKINDEREN


{29}





wezen!



bliksems en het woeden der winden?)


ander man!




over aan mij ten trots van de wereld!



eerst de kussen te planten van een zelfbewusten man.



afgrond, alles ontbonden en verlicht!


vind!


ik van de mijnen zoo goed als gij van de uwen!


beste van natuur!



zooals ik ben.



geestes!


anderen!


slaan!


{30}


er tegen op te tuimelen!




zaligheid en vrijheid!







komt gij weer,



leven,


hedennacht tevens,


deel aan de nachtelijke orgieën van jonge mannen,



diepgevallene tot liefsten vriend,


iemand zijn door anderen veroordeeld om bedreven daden,


die mijn ware makkers zijn?



zijn.






UIT: CALAMUS


{31}








genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid,



algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn ziel,


vindt in zijne gezellen,



lippen,


antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven zeggen.)


andere omvat,


van mannelijke gehechtheid,


hooren,



een en veertigste jaar,


geweest zijn,




{32}





nutteloos,









alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U meet,


uitputten,


maakt aan de levens om U heen zult gij moeten opgeven,


mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van mijne

schouders,




waar ik U zal beproeven,



noch zult gij mij in gezelschappen zien,


ongeborene of een gestorvene),


zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond ons onbemerkt

kan naderen,


eiland,



den jongen echtgenoot,


{33}


op uw heup,




gedragen te worden eeuwiglijk.



zal er gevaar voor U zijn,



steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk ontgaan,


haddet, zie dan toe!




ik dit boek heb geschreven,



hoogdravend prijzen,


best een zeer gering getal) die liefde winnen,


even veel kwaad doen als goed en meer nog misschien,


waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te vatten;








strijd ben met mijzelf,






{34}



heb toevertrouwd,


uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen was,



echo's daarvan, doode woorden,



elken dag,


aannemen en verstooten—niet dààrin,


mijns levens polsslag!


dan in deze zangen.









slechts een mooie fabel is.


heuvelen, weerspiegelende en vloeiende wateren,


slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het geval

is) en wat zij werkelijk zijn nog onbekend,


mij verlegen maken en mij bespotten!


weet,)


standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker) indien ik op

een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal blijken

anders te wezen (zooals die schijn dan ook even zeker

anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den schijn

van nu of in 't geheel niets is;

{35}

door hen die mij liefhebben, mijn lieve vrienden,


naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne houdt,


redenen niet bevatten ons omringt en in ons doordringt,


ik ben stil en vraag niets meer,


identieke leven aan gene zijde des grafs niet beantwoorden,


ik ben tevreden,


bevredigd.







uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten moet,


die de teederste minnaar was,


vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd bemind,


zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk uitstortte,


zijne lieve vrienden, aan die hem lief hadden,


nachten, vol onvoldaanheid,


hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig was,


in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander wandelden

hand in hand, zij tweeën alleen, van andere menschen

verwijderd,


schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn vriend

op zijn schouder rustte.

{36}




Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in het

Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor mij de

nacht die volgde toch geen nacht van geluk,


waren, was ik toch niet gelukkig,


volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende den

rijpen herfstadem,


morgenlicht verdwijnen,


baadde, dartelend met de koele wateren en de zon zag

opstijgen,


op weg was naar mij toe, o toen was ik gelukkig,


voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging heerlijk

voorbij,


's avonds, kwam mijn vriend,


wateren langzaam rollen, rollen op het strand,


op mij toekwamen, om mij geluk te wenschen,


zijde onder hetzelfde dek in den koelen nacht,


naar mij toegekeerd,


was een nacht van geluk.







anders dan gij denkt;



{37}

zou schenken?



zachte en verdraagzame woorden?


naar een werkelijken held?


dat dit alles misschien niets is dan maya, illusie.







takken,


zich in blijde donkergroene bladen,


mij-zelf,


uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan zijn

zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou kunnen,


wat mos om,


altijd het oog op heb,


te doen denken,


anders dan aan hen,)


me aan mannelijke liefde denken;


gedijen, alleenig in een groot vlak land,


heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn liefde

zoekt nabij is,



{38}




ik U aanzie,


in mij als een droom)



en volwassen, herinner ik mij alles weer duidelijk,


meisje met mij,


uwe gebleven noch heeft het mijne enkel het mijne laten

blijven,


elkaar voorbijgaan, gij neemt in keer van mijn baard, borst,

handen,


vergund aan U te denken als ik alleen ben of waak in den

eenzamen nacht,


zal zijn U eens opnieuw te ontmoeten,







de eeuwen gewijd zocht te vernietigen,


eeuwen gewijde instellingen,


er van?)


dezer Staten, 't zij diep in het land of aan de zee,


die op de wateren dobbert,



{39}





van overwinningen door groote veldheeren bevochten, dan

benijd ik die veldheeren niet,


noch den rijkaard in zijn paleis,


die elkaar liefhebben, hoe zij leefden,


den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor elkaar, heel

den langen weg,


zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en getrouw,


bittersten nijd.






liefde uit te storten over een die mijn liefde niet beantwoordt,


op een of andere wijs het loon zeker is,





{40}


UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG









overal waar ik wensch te gaan.



mijzelf,


voortaan zal ik mij niets voelen ontbreken,


met het nutteloos oordeel over anderen,







leven is.




waar ik ga,



het mijne.






laat ronddwalen, ik geloof dat hier meer is dan het zichtbare,


{41}

voorkeur noch uitzondering;


melaatsche, de ongeletterde worden door U niet geweigerd;


bedelaar, de waggelende dronkaard, de vroolijke

troep werklieden,


het vluchtende paar,


naar stad, de wagen die uit de stad terugkomt,


geen,









onhoorbaar als de ziel aanschouwen wil,


frissche ziel van dien weg.


verlaat

mij niet?

Waag U niet—gij zijt verloren indien gij mij

verlaat?

Reeds ben ik welgebaand en drukbeloopen, geen

die mij niet roemt, houd U aan mij?


maar ik heb U lief,





hun bezieling gevonden in de open lucht,



zijn en ieder die mij ziet zal mij liefhebben,


{42}





gedachte grenzen,


meester,




uit den greep die mij zou willen vasthouden.










mij zooveel goed gedaan, ik woû U hetzelfde doen,


mij zijn,


mij-zelf,




zegenen.






zou mij dat niet verbazen,


zou dat mij niet verwonderen.



gewinnen:


met de aarde.


{43}


geslacht,


bespot alle gezag en redenen die zich tegen haar mochten

willen kanten).





haar bezit op den ander die haar niet bezit,


zelf,


is voldaan,


't leven en van wat volkomen is in 't leven,


oproept uit de ziel.




bewijzen onder de uitgestrekte wolken en langs het landschap

en de vloeiende stroomen.





niet van U zijn vervuld, zijt gij niet van hen vervuld.







poorten en stelt vragen steeds.


stikdonkeren nacht?


mij zijn zonnelicht en zonnewarmte in mijn bloed doen

vloeien, waardoor het zich uitzet?

{44}

slap en plat neer?


wandel of verheven en melodieuze gedachten dalen in mij

neer!


bloeien en als rijpe vruchten afvallen als ik voorbijkom;)




terwijl ik in 't voorbijgaan een oogenblik blijf kijken?


die vrouw of dien man? Wat geeft hun een zoo vrij beroep

op de mijne?











bekoring van man en vrouw,


iederen dag uit eigen wortels voort, dan dezen voortspruiten,

frisch en bekoorlijk altijd, uit zich-zelf.)


en oud het liefdezweet,


rijkdom te boven gaat er uit neer,


smachten en sidderen van de pijn der gemeenschap,









eerst ruw en onbegrijpelijk,

{45}

verborgen,


zeggen.




woningen zijn, wij kunnen hier niet blijven,


mogen hier niet ankeren,


een korte wijl is 't ons veroorloofd er van te genieten.








golven trotseeren en gaan waar de Yankee-klipper voortsnelt

met volle zeilen.





priesters.



begraven niet langer wachten.







prijzen,





reis was, ter nauwernood hebt gij U er voldaan nedergezet,

of gij wordt opgeroepen door een onafwijsbaar bevel om

door te gaan,

{46}

van hen die achterblijven,


met hartstochtelijke kussen van afscheid,


U vasthouden.







wat op deze of welke wereld ook zichtbaar was

of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de zielenprocessie

langs de verheven wegen des Heelals.



verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang enkel

toevoegsel en steun.




zwak, onvoldaan,


door menschen,


waarheen zij gaan,


naar iets verhevens.




ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd is.







heen,


propere gezichten,

{47}


om de belijdenis te ontvangen,


schuilend en angstig door het leven,


beschaafd en lief in de salons,



het slaapvertrek, overal,


in het hart, verdoemenis in het hoofd,



over zich-zelf,


zich-zelf.











wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het genot

zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt, iets groeit,

dat een moeilijker strijd noodzakelijk maakt.





vijanden, verlatenheid vinden.







hebben hem lang en vaak betreden—blijf niet achter!


boek op de plank ongeopend!

{48}

geld ongeïnd!


des onderwijzers!


advocaat pleiten in het Hof en den rechter de wet verklaren.






maken?


lang?





UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT


{49}






U zie ik van aangezicht tot aangezicht.



belangwekkend vind ik U!


Brooklyn oversteken om huiswaarts te keeren vind ik belangwekkender

dan zij kunnen denken,


tijden, gij zijt mij meer, gij hebt grooter deel in mijn

gepeins dan gij kunt denken.







of van alle volgende generatiën,


gevoelde ik,


is, was ik een mensch in een menigte menschen,


de rivier en den schittervloed, gevoelde ik mij verkwikt,


voortsnelt met den haastigen vloed, stond ik en snelde

voort,


dikstammige schoorsteenen der booten, zag ik.

{50}


in de lucht drijven met beweginglooze vleugelen en wiegelende

lichamen,


terwijl het overige in zwarte schaduw bleef,


Zuiden dalen,




van mijn hoofd in het zonneweerkaatsende water,


Zuidwestwaarts,


heendrijvende,


der schepen te zien,



schepen voor anker,


sparren,


de ranke, kronkelende wimpels,


loodshuizen,


wenteling der raderen,


werden,


raderborden, het dartelende, glinsterende gekuif,


muren van de steenen pakhuizen der dokken,


dicht naast elkaar aan weerskanten bij de sloepen,

de hooischepen, de door den nacht verraste lichters,


hoog op en helder vlammend in den nacht,


{51}
over de daken der huizen en omlaag in de straatspleten.






scheiden?




mijn Brooklyn,


de wateren die het omspoelen,


bewegen,



zij in mij op,


raadselen,



ik, zou ik worden door het lijf.









waarheid zeer onbeduidend?





en stal,


durfde uitspreken,


{52}


leefde in mij,


mij niet,


gebeurlijkheid van anderen,


stemmen van jonge mannen als zij mij zagen naderen of

voorbijgaan,


leunen van hun lichaam tegen het mijne als ik zat,


in openbare bijeenkomsten en sprak hun toch met geen

woord van die liefde,


knagende, slapende leven,


nastaren,


zoo groot als wij wenschen,


tegelijk.






mastomboorde Manhattan?



in den schemer en den lichter in den nacht?


met stemmen, lieflijk voor mijne ooren, luide en krachtig

bij mijn streelnaam toeroepen als ik voorbijga?


man die mij nu aanziet?





aanvaard?

{53}

niet kan vervullen, is nu vervuld, niet waar?






ebbe!



pracht, of de mannen en vrouwen van alle volgende

generatiën!



heuvelen van Brooklyn!


uit!


raadselen,


of in de openbare bijeenkomst!


welklinkend bij mijn speelnaam!


eeuwig achterna staart,


haar maken wil.



tegen U aanleunen en zich toch met den stroom

meehaasten;


wijde cirkels hoog in de lucht;


aller neerziende oogen tijd hebben gehad U te zien,


het zonbeschenen water van mijn hoofd of ieders hoofd!


schoeners, sleepen, lichters!


bij zonsondergang!

{54}

zwarte schaduwen in het vallen van den avond, werpt rood

en geel licht over de daken der huizen!




aroma's,


schouwspelen, breede en genoegzame wateren,






onverzadigd,


buiten ons bereik houden,


U voor altijd in ons hart,








UIT: LIED VAN DE BREEDE BIJL


{55}





de levenden zelf,


van het heden,


als de ziel der aarde en der menschheid,


tot man.





constitutie? of de best-gebouwde stoomschepen?


vestingbouw, verdediging?



bezielt.


en pijpen de pijpers voor hen,



woord der Godheid in het namelooze wordt weggeslingerd.



bezit,


grootste stad van heel de wereld.




{56}

of van hen die het anker lichten voor het vertrek,


winkels waarin goederen van heel de aarde worden verkocht,


vinden zijn, noch de plaats waar geld 't overvloedigst is,




ziel en lichaam gestaald hebben,


wordt geliefd,


gewone woord en de gewone daad en niet door monumenten

op de pleinen,


vindt,


wetten,


slaven,


vermetelheid van lieden die enkel kracht vinden

in den volkswil.


zooals, op 't gefluit van den dood, de zee zwiepende

en rijtende baren opstort,


achtbaarheid van het hart,


Mayor, gouverneur, en wie meer, betaalde dienaren,


wetten in de ziel vinden en naar dezen behooren te leven,


toegepast,



de mannen,

{57}

mannen;










UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED


{58}









stichten,


gesticht is,



te maken voor het levensvuur der religie,


te vereenigen, te verheffen,


dan voor te gaan,



de oude, oude wereld!












Odysseus' zwerftochten,


sneeuwbekruinden Parnassus,


{59}
poorten van Jaffa, en op den Moriah-berg,


burgten, uwe Italiaansche paleizen,


ongeploegd arbeidsveld wacht en roept U.














wat ik zie?


haar langer bekoren?


myriaden heldenfamen, heldendichten, heldendaden haar

langer bezielen en boeien?





het heden en in ons midden;


schonk en beter nog?


bezielende kracht van de daad, van de schoonheid, van

den heldenmoed?


bezielde bezielt haar niet meer,


heden doen die van 't verleden vergeten,


bronnen van Castalië,


zwijgend al die pyramiden-graven die den tijd trotseerden,

{60}

krijgers, de wilde roep der muzen zwijgt,


Melpomene, Thalia!


nu zoekt meer den Heiligen Graal,



voor het licht van den morgenstond,


Olivier namen slechts,


in de wateren der Usk,


Galahad heengegaan, weggetrokken allen als de ademwas

op glimmend staal,


zoo machtige wereld, die nu ledige, onbezielde schimmenwereld,


legenden en mythen,


ridders en schoone riddervrouwen,


kroon, bijgezet in het knekelgewelf.


dood uit met de klaroen der eeuwen,




('t is waar, hoewel altijd dezelfde, sinds dien veel veranderd

op haar reis door eeuwen en landen,)


kracht haar weg banende dwars door de warreling heen,


stoomfluit,


haar aandacht,


{61}

ons middagmaal!







zou dan mijn levensdoel en dezer zangen doel zijn?)


juichen dat Europa tot ons komt!


lieve zusters, oude en nieuwe wereld.



tijd ontvangen U en zullen U bezielen,


volk, het doet zijn eigen nieuwe doen,


binnen en van buiten,


smachten naar het onbereikbare,







oorlog zelf,


dat veld vol zwart gebrande, verminkte lijken!


tijgers en wolven, wier tong uit den muil hangt, geen

denkende menschen zich in verlustigen,


nijvere handen,



wind,





{62}

lusten en liefden van lediggangers bezingt,


in den nacht, als de late dansers huppelen op de maat

van vroolijke klanken,


enkelen,





onderwerpen die hunner waardiger zijn dan dezen.



en diens roem van dagelijkschen wandel

en handel,


dezen grootscher zijn dan alles,


ploegen, wieden en graven,


het moesbed en de bloemen,


leven heeft en vervult en iedere vrouw tevens;


U-zelf hoog,


schilder,


dienstmaagd, van den stalknecht en den portier,


reinigen helpt door kleine uitvinding,


den arbeid te leggen, welke ook.





het eindeloos zwoegen zonder rust,


belangen en zijne vreugden,

{63}

vrouw,


toebehoort,


door de scheikunde geholpen,


gezonde vrouw, den volkomen lang levenden mensch,


zijn ziel loutert,




verkeer der werelddeelen,



Oceaan,


Gothard en Hoosac tunnels, de Brooklyn-brug,


stoomvaartlijnen die als draden over de zeeën zijn getrokken,


ik U.





UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID


{64}






arbeid op de velden vind ik de verklaring der godskrachten,





zou dat dan veel zijn?


wijs staatsman ware, zou dat dan veel zijn?


betaalt, zou U dat bevredigen?



banaliteit,


maar de banaliteit verre.




van mij geniet, ik verlang slechts wat mij toekomt,



zoo na als de naaste aan dezelfde bank,


van U hetzelfde als gij aan broeder of liefsten vriend

schenkt,


ik persoonlijk U even lief zijn,


dat worden om uwentwil,

{65}

zult gij dan denken dat ik mij niet herinner mijne eigen

dwaze, wetschennende daden?


drinkgelag tegenover U aan die tafel,


haar uw liefde schenkt, o ik ontmoet vele vreemden en

schenk hun mijn liefde,






wijzer dan gij?


of een dief waart,



vat vol geleerdheid zijt en uw naam nooit gedrukt hebt

gezien,







onhoorbaar, ongevoelig en onvoelbaar,


te maken of gij al dan niet bestaat,




in huis of buitenshuis, ik zie in den een dezelfde waarde

als in den ander,






vader.



opgeleid worden in een vak,

{66}

bij den boer werken,



zij zijn mij na,




bezeten,


is even goed,


wissel van de waarde aan, maar geef U de waarde zelf.




woorden kan men 't vinden, het ontsnapt aan die woorden,



uw gehoor of uw gezicht,


U van en daaruit komt het U immer te gemoet.




daarin niets hier over,


van het Ministerie van Financiën, niets in dagbladen of

weekbladen,


of de mededeelingen van de Beurs.







het is grootsch in zijn eeuwig gedobber,


het geluk is,


of een bon-mot of eenig onderzoek,

{67}

en bij ongeluk ons kan ontgaan,


kunnen verliezen,


lichaam en zijn identiteit met de ziel, de tuk die met

volkomen bereidwilligheid alle aardsche dingen verslindt,


zijn onuitsprekelijke vreugden en smarten,


de wonderen die elke minuut der komende tijden van zich

zullen vervullen,



of voor de winsten van uw winkel?


een spelletje in het beuzeluur van dezen heer en die

dame?


enkel om in een schilderij geschilderd te worden?


konde beschrijven of bezingen,


samenstelling van het Heelal en de luchtstroomingen

enkel waren om aan schoolmeesters geleerdheid te

verschaffen?


atlassen en de landkaarten?


dan aangeduid bij fantasie-namen?


tabellen of den landbouw zelf?



in een beroep, zullen wij dit alles hoog stellen?


er niets tegen.


hoogste stel ik het kind dat geboren wordt van eene

vrouw en een man.

{68}





ook zijt,


gij zijt niet hier ter wille van hem,


niet voor hen,



komen en trekken van handel en verkeer, dit alles is

voor U.




ook zijn gehouwen in U,


geest het verleden mag zijn doorgedrongen, bevindt zich

dit uur in U en die van mythen en verhalen evenzoo,


kracht, wat zou er van hen allen zijn?


zouden ledig zijn.




Of in de lijnen hunner bogen en kroonlijsten?)



U aan uw werkelijk leven doen denken,


trommen, noch de klanken van den bariton-zanger die zijn

liefelijke romanza zingt, noch die van het mannenkoor,

noch die van vrouwenkoor,








den spiegel? Is daar niets hoogers of beters?

{69}



zijn één.






uwe schreden terugkomen.


zoo goed als het beste,


krachtigste, liefdewaardigste!


toekomst maar nu,


een vriend, een broeder, een naasten buur—in de vrouw

een moeder, zuster, vrouw,


in poëmen en overal,


goddelijk en krachtvol leven,


zooals gij.





steê van den prediker,


beroeren en zij dan mijn lichaam beroeren in keer,


vrouw of een slapend kind,


nachtwakers dochter,


ik zijn vriend ben en metgezel,


hoog verheffen als ik U doe, mannen en vrouwen aan den

arbeid.





UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE


{70}





harmonieeren,


deze boogjes, hoekjes, en stipjes?


aarde en in de zee,




den mond uws vriends gesproken?





vrouw, altijd welgevormd, natuurlijk, levensvol,


schaamte of reden tot schaamte.)




samen met de hunne—mijn naam is voor hen een niets,


wat zouden lucht, aarde, water, vuur weten van mijn naam?


woorden, en zij zijn welsprekendheid en wijsheid,


vrouwen, ook zij is vol welsprekendheid en wijsheid.



woorden der aarde,


meer dan in hoorbare woorden.

{71}

haar schoonheid te ontblooten, niettemin is haar onzichtbaar

leven het schoonste,


het verheven koorgezang der helden, de weeklachten der

slaven,


gelach van jongelieden, geschreeuw van markters,


nooit missen.



hare kinderen missen nooit,


de terugslag mist nooit,


onze reis door de eeuwigheid mist.





snelt, draagt het dezen,



het,


geen anker vastgehouden, door geen klip geraakt,












aarde vast en vloeibaar is,


in het firmament,

{72}




van verleden en heden en dat der onsterflijkheid;









kan niet missen,


tooneelspeler en speelster niet voor het gehoor,


of die door de zijne wordt verklaard.






zelf volkomen is,


die zelf gehavend en gebroken blijft.



de grootheid en het vermogen der aarde,


door die der aarde,


gegrondvest in de aarde,


rechtschapenheid dezer aarde.



liefde oproept,


{73}


aarde,


der aarde,


den druk ontsnappen.






krachteloosheid,





alles en ieder is het beste,


nader,


gelicht,



nu zoo reëel als voorheen,









de melodieën der ziel,


ziel, wat zouden zij dan zijn?


zij dan zijn?)



godsdienst die het beste noemt,


ongemoeid laat.


{74}




zult gij er de wel-daad van zien,


de bouwmeesters verschijnen.





allen verstaat, en die allen verklaart en allen getrouw is,


dat gij niet een jota minder zijt dan zij zelven,






LIED DES HEELALS


{75}













of zichtbaar, dit zaad ontvangt bloei.










den aardkloot gelegd,







in schijn wordt gekend,


wat wij slecht noemen tevens.



uit list, bedrog en tranen,


Heelals.

{76}


van menschen en volken,



alles vervullend.














meer dan vernomen,











uitvoering,




paden breed en nieuw



verleden,



verklaren,




{77}


met haar zegeningen,


gaarden worden godstuinen, de oogst is zeker,


tot het leven der zaligheid,



ziel hoog zij en zinge,


geloof,


het geloof in Uw Godsplan, dat tijd en ruimte vervult,






droom,


{78}




PIONIERS! O PIONIERS!






vaardig,


Pioniers! O Pioniers!





armen,

Pioniers! O Pioniers!




vriendschap,


voorgaan,

Pioniers! O Pioniers!




zijn zij moê daar ginds over de wijde zeeën?


wijsheid,

Pioniers! O Pioniers!




ons streven,


arbeid

Pioniers! O Pioniers!



{79}


langs nog onbetreden paden,

Pioniers! O Pioniers!




in de aderen der moeder en brengen haar onrust,


waschdom,

Pioniers! O Pioniers!




sierra's en der hooge bergenvlakten,


Pioniers! O Pioniers!




zonen van Amerika,


't Noorden,

Pioniers! O Pioniers!




wonderteêre, sterke liefde!


van liefde,

Pioniers! O Pioniers!




wuiv' beheerschend boven alles (buig Uw hoofd)


liefste,

Pioniers! O Pioniers!



{80}

wijken,


Pioniers! O Pioniers!




vallen worden spoedig weer vervangen,


altijd voorwaarts,

Pioniers! O Pioniers!





Pioniers! O Pioniers!




al de werkers, al hun werk,


Pioniers! O Pioniers!





Pioniers! O Pioniers!




gaan ge-drieën onzen weg,


schemer, door verledens spokenheiren,

Pioniers! O Pioniers!




samenhangende als trossen,

{81}

Pioniers! O Pioniers!




in die werelden ons wachten,


den weg,

Pioniers! O Pioniers!





Pioniers! O Pioniers!




want ook gij deedt eens uw arbeid,)


ons op,

Pioniers! O Pioniers!




lieve,


vermaak,

Pioniers! O Pioniers!





arbeid,

Pioniers! O Pioniers!




neder?


vergeten,

Pioniers! O Pioniers!


{82}



"ontwaakt!"



Pioniers! O Pioniers!


{83}



AAN U






sneeuw is, die U onder handen en voeten wegsmelt,


verdwijnen: Uw gezicht, Uw vreugden, woorden, huis, handel,

wandel, verdriet, dwaasheden, gewoonten, misdaden,



winkel, arbeid, hofsteê, kleed, uit uw koop en verkoop,

eten, drinken, lijden en doodgaan.



mijn gedicht moogt zijn,



geen hunner was mijn liefde inniger dan voor U.




op U toe moeten nemen,


U zei; wat ik tot dusver heb gezongen was het lied der

zotheid, omdat ik U niet bezong.



zingen van U,



U zelf onrecht,


gebrek,

ik

die nimmer zal toestaan, dat er èèn boven U worde gesteld,


{84}
God, hooger stel dan wat in U leeft.


midden het godsbeeld,


stralen van goudzonnig licht.


zonder dien nimbus van goud-zonnig licht,


vrouw stroomt dat licht voor eeuwig zijn stralen uit.




liggen slapen,




U te bespotten, hoe zullen zij dan tot U terug komen?)




staren,


iemand U volgde,


Uw onverschillig doen, de nacht, het wijde kleed

der gewoonte U verhullen voor anderen, zij verhullen U

niet voor mij,


puistig voorhoofd anderen afstooten, mij doen zij dat niet,


of vroegtijdige onmatigheidsdood, dat alles wordt door

mij ter zijde geschoven.



gevonden, of in U kan gelijkwaardigs gevonden worden.


vrouw, of het even goede is in U,


wacht U,



hetzelfde U schenken kan,

{85}

glorie zing.



schouwspel, vergeleken bij U,


onmetelijk en eindeloos als zij,


natuur, weeën van schijnbare ontbinding: gij zijt de man,

gij zijt de vrouw die hen kan bedwingen,


pijnen, passiën, ontbinding.



falend vermogen,


uitgebannen, wat er in U is openbaart zich,


gebaand en niets is veronachtzaamd,


heen, volgt wat in U is zijn weg.


{86}



TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 'S LEVENS OCEAAN









door de golven bespoeld,


gehoord,


telgen,


starende,


die mij mijn poëmen doet zeggen,


voeten in het zand zijn lijnen had getrokken,


op den bodem van alle zee, alle land, alle leven der

wereld.



aangetrokken door die rimpels in het zand, volgden

het spoor der ebbegolven,



had de vloed achtergelaten op het strand,


golven naast mij,


alles buiten mij wordt weerspiegeld daar [**door?] alles in mijn

binnenste,


eiland,


{87}

evenbeeld.







en vrouwen, die schipbreuk leden,


instormen,


aanvloeit,


aanspoelsel ben van d'Oceaan,



weggespoeld.



zoekende diep in de aarde,


mond,


en mij de holle echo's hunner woorden in het oor

blazen, ik zelf nièt het geringste denkbeeld heb gehad

van het wat en wie mijner Ik-heid,


opstaat, nog altijd ongezegd, onbegrepen, onverklaard,

onbereikt,


groeten en buigingen,


woord dat ik heb geschreven,


onder mijn voeten.


kunnen bevatten, niet het geringste, en dat niemand dit

vermag,


waar om mij neer te vellen tot mijn Niets,


spreken.

{88}






en slib aan, en weten niet waarom,


kerven van het weggespoelde leven.



ligt,




hersenschimmen, dobberde op de onmetelijke golven des

levens, werd aangespoeld op Uw kusten,



eiland.



losmaken,


dat ik begeer.



liefheb,


lieflijk geheim influisteren van dat murmelen, waar ik naar

smacht.








verloochen mij niet,


mijn voeten als ik U beroer, of wat gij wegwerpt, verzamel,



die op ons neerziet waar wij gaan, en mij en wat het mijne

is volgt,

{89}

wrakhout,



wordt uitgeworpen,




droefheid en vreugd. Niets altijd Niets, en toch het een in

strijd met het ander,



een traan, een spat waters of modders,


wegvloeit,


bloesembladeren dobberende op de golven en lichtelijk aangespoeld,



wolkbazuinen,


en neergeworpen aan Uw voeten,




{90}


ZEKERHEID





zijn geheele aandacht vraagt;


het gezicht, die ik van mij ken, zien nu reeds andere gezichten

uìt, die ik niet ken, schoone tastbare gezichten,


verborgen in iedere iota der wereld,


oneindig, vergeefs tracht ik mij voor te stellen hoe oneindig,


met een goddelijk doel zoo harmonisch door het ruim, en

dat ik eenmaal in staat zal zijn te doen als zij, en mèèr

dan zij,


jaren,


buitenste zijn buitenste en het oogenlicht heeft een ander

oogenlicht en het gehoor heeft een ander gehoor en de

stem een andere stem,


wordt beweend, heeft zijn levensbloei, en de dood van

jonge vrouwen en de dood van kindertjes heeft zijn

levensbloei,


doel des levens, niet zijn bloei heeft?)


welke verschrikkingen zij gezien hebben, 't doet er niet

toe wiens vrouw, kind, man, vader, vriend er ook mede is

onder gegaan) bloeien dààr, des levens vol,


den samenhang der dingen zijn levensbloei,


en Ruimte, maar ik geloof, dat Zalige Dood die bloeitijd is.


{91}



EEN STILLE GEDULDIGE SPIN






alleen zat,


heen te onderzoeken,


aan onzichtbare draden,





om U er mee te verbinden,


het slepende anker vasthoudt,


o ziel.


{92}



AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN





te zeggen,


zoek geen uitvluchten,


daarom zeg ik, dat geen ontkomen U mogelijk is.


voelt gij 't, Ik praat niet met U, ik buig mijn hoofd zoo

dicht over het Uwe, dat gij enkel mijn oogen ziet.




Uw eeuwige ziel, Uw echte ik, dat zekerlijk den dood

ontkomt,


het echte goud Uwer ziel.


waandet,


glimlacht,


ziek zijt,


Uw weenende vrienden, ik zit aan Uw zijde,


is niemand te beklagen,


wij kennen is U bereid.


{93}



GEZICHTEN







o wat al gezichten!


ideaal,


alledaags-vriendelijke gezicht,


van natuurwetkenners, en van rechters met breede jukbeenderen,


boven de wenkbrauwen, de geschoren witte gezichten

van vrome burgers,



het mooie gezicht van een, die verfoeid of veracht wordt,


gezicht van de moeder van vele kinderen,



eeuwig verstijfde rots,


van den ontmande,




steeds heen en weer varende veerboot, gezichten en gezichten

en gezichten,







{94}
dacht, dat deze gezichten d'eindvorm des levens waren?








voortdrijven.


zij hebben geen etiket noodig,


caoutchouc, duveltjesdrek,


kreet,


hun wit wordt gezien,


ingedrukte nagels,


neer, terwijl zijn oogen staren.










in Uw kronkelenden doodendans?




mommen.


het fijne voel-instituut van visschen of ratten,




in het gesticht,


{95}

verlamd en gebroken,


huis opruimen,



ongedeerd, elke atoom van hem zoo goed als een van de

mijne.







met krachtigen arm.


Ik zie wat verschijnt,


voorloopers ruim baan maken,




gezag aan zich-zelf;



van al wat goed is.




ik uit—rood, wit, zwart, allen zijn goddelijk,


worden.



mij toe,




Kom hier
kom heel dicht bij me, hinkende
man,

Blijf naast mij staan tot ik zoo hoog ik maar kan tegen U kan
aanleunen,

{96}
Vervul mij met witten honig, buig U over mij heen,

Beroer mij met Uw baard, beroer mij aan borst en schouders.










katstruiken omlaag.




en het waterblauw.



is reiner en schooner dan de hemel.


boerderij,




sponnen 't met het rokken en het wiel.



wenscht te gaan,





{97}

LIED VAN ZONSONDERGANG

















onnaspeurlijke insect,



der nieuwe maan aan den Westerhemel,













bloed!



{98}

neer te zien op mijn rooskleurig lijf!




en vrouwen, die ik liefheb.



zie om mij heen!


zon, maan, sterren voort en voort schieten op hun baan!


alles!)


takken en bladeren!


levende ziel!)


zelfs!



en nu mij en Amerika bezielt!


van mij uitgaan in anderen.


haar ondergaan,


van heel het leven der aarde,


Ik-heid.





deze oogen,


Oosten zag doorbreken,


aan het strand der Westerzee,


waar ik ook omzwierf in de straten,

{99}

schouwspel van oorlog,


en overwinning.








die treuren doet in het Heelal.




zing in onverzwakte aanbidding voor U!


{100}



TOT WEERZIENS!






gezegd,


volmaaktheid is in alles.



menschen gaan,


leven,


wat Amerika is,





van leven en dood doen hooren,


zijn.


ik het leven doorgegaan;

Tot

weerziens!


jongen man voor den laatsten keer.






rechtvaardiging van zelfbewustheid,


identiteit is,


wordt,

{101}

al wat daar voorheen schoon was op aarde er bij verbleekt.



zijn,




zijt gij dat (Tot ziens dan!)


kuisch, liefdevol, deelnemend, welgewapend.



stoutmoedig zal zijn,


aan den overgang.



lieflijk bloed,



(Tot ziens!)



dan ooit te voren,





kreet uit.







droesem,


moed van het Waarom?


geslacht na geslacht,

{102}

taak, die ik opgelegd heb, volbrengen,


haar liefde verklaar ik mij duidelijker,


zwetser, ik—en beproef de kracht van hun brein,



worden (sterven maakt mij waarlijk onsterflijk)


zal zijn, en waartoe ik mij onophoudelijk heb voorbereid.



ongesloten mond?





naar voren, en ga regelrecht op U toe.







mij weg.




mijne ooren, en doet mij sluimeren,





en geheim,





{103}

moede is,


uit mijn mensch-gewordenheid vaar ik op, heenwaarts, waar

anderen mij zekerlijk wachten,


nog, schiet oproepende dageraadstralen door mij

heen. Tot ziens!





{104}



VAARWEL DAN, FANCY!















te zamen de vreugde des levens genoten;


Fancy.




ontwaken èèn, wij zijn samengevloeid tot èèn, in waarheid

vermengeld tot èèn;


zullen wij blijven,


om samen het onbekende te gemoet te gaan,


leven, misschien zullen wij iets leeren,


nu op om het Lied van onsterflijke schoonheid te zingen

(Wie weet?)


aarde hechten, loswikkelt, ongeduldig om Uw ballingschap

te ontvlieden—dan, nu voor 't laatst:






{105}

INHOUD



  Bladz.
INLEIDING VII
Uit: INSCRIPTIES:
Mijn lied is voor het Ik 1
Toen ik het boek gelezen had 1
Werpt voor mij niet uw deuren dicht 1
VAN PAUMANOK UIT (fragmenten) 3
Uit: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK 12
Uit: ADAMSKINDEREN:
Een uur van woest genot 29
Oer-momenten 30
Uit: CALAMUS:
Op onbetreden paden 31
Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt 32
Niet enkel in wat ik mij van de borst werp 33
De vreeselijke twijfel van den schijn 34
Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen 35
Toen ik den avondstond hoorde 36
Vind ik in u opnieuw een hart dat zich door mij
voelt aangetrokken? 36
Ik zag in Louisiana een levenseik 37
Aan een vreemde 38
Ik hoor daar werd tegen mij getuigd 38
Als ik eens naga wat roem is 39
Soms, in mijn liefde 39
Uit: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG 40
Uit: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT 49
Uit: LIED VAN DE BREEDE BIJL 55
Uit: HET TENTOONSTELLINGSLIED 58
Uit: EEN LIED VOOR DEN ARBEID 64
Uit: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE 70
LIED DES HEELALS 75
PIONIERS! O PIONIERS 78
AAN U 83
TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN
's LEVENS OCEAAN 86
ZEKERHEID 90
EEN STILLE GEDULDIGE SPIN 91
AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN 92
GEZICHTEN 93
LIED VAN ZONSONDERGANG 97
TOT WEERZIENS! 100
VAARWEL DAN, FANCY! 104