The Project Gutenberg eBook of Van vijf moderne dichters

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Van vijf moderne dichters

Author: P. C. Boutens

Willem Kloos

Wies Moens

C. Th. Scharten

Margot Vos


Release date: August 30, 2004 [eBook #13326]
Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/13326

Credits: Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
Proofreading Team.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN VIJF MODERNE DICHTERS ***

VAN VIJF MODERNE DICHTERS


[VERZEN VAN DR. P.C. BOUTENS, WIES MOENS, WILLEM KLOOS,
MARGOT VOS, CAREL SCHARTEN]




Titelpagina Van Vijf Moderne Dichters

NEDERL. BIBLIOTHEEK ONDER LEIDING VAN L. SIMONS




MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR



AMSTERDAM




1922




INHOUDSOPGAVE

VOORWOORD

Dr. P.C. BOUTENS

WIES MOENS

WILLEM KLOOS

MARGOT VOS

CAREL SCHARTEN


VOORWOORD



Deze bundel, bevattende dichtwerk van een vijftal onzer hedendaagsche dichters, is niet volgens een bepaald plan samengesteld. Hij dankt zijn ontstaan eenvoudig aan de overweging dat het, waar wij ieder jaar niet meer dan één dichtbundel plegen te publiceeren, wel wat heel lang zou duren eer de belangrijkste dichters van ons land in onze Nederlandsche Bibliotheek vertegenwoordigd konden zijn. Wij noodigden daarom een aantal dichters, die tot dusver nog geen werk aan ons afstonden uit, aan dezen bundel mee te werken. Het hing dus min of meer van het toeval af welke auteurs voor dezen jaargang iets konden afstaan. Ondanks dit toeval is er toch in zooverre systeem in de bloemlezing dat zij typeerend werk biedt van de drie opeenvolgende dichtergeneraties na 1880.

In volgende bundels hopen wij op dezelfde wijze weer werk van anderen te vereenigen.



DE REDACTIE DER W.B.





VERZEN VAN DR. P.C. BOUTENS




Dr. P.C. Boutens
























Verzen




































Praeludiën




























Praeludiën









Daar uw glans hun schemer dooft


Weêrlicht om één sterflijk hoofd:



Aangebeden noch vermoed:


Loven voor het hoogste goed....



Van de tranen die gij zondt,


Als in nieuwen morgenstond:



Stralen nog van zoom tot zoom;


Bleef uw ongerepte droom!



't Zij gij zegent of kastijdt:





Werd hetzelfde hemelsch brood:


Laav' de laatste teug, de dood.


Vergeten Liedjes























(Vergeten Liedjes)









Pas bij de laatste brug


Daar keerden wij terug.



De schemerende landen.


In looveren warande ...



Het werd alleen tè laat:


Aan blauwe hemelstraat!



Over een wijd gebied!...


Voor morgen in 't verschiet!...



Aan de allerlaatste brug,


Wij kwamen nooit terug!


(Vergeten Liedjes)









Waar hij stil en eenzaam ligt


Masker van zijn aangezicht


Met zijn bleeke toorts belicht.



Als mijn hart hem elders peist,


Sterren van den avond rijst


Hooger wegen wijst.



Stijg' de gouden offervlam!


Die de dood ons halen kwam?—


Die het leven nam.


(Vergeten Liedjes)









Met glanzende geheimenis,


Van Die alom en nergens is.



Als feller kaarsen in dien schijn:


In nietsverlangend zaligzijn.



Haar dolend tasten eindlijk vond


Nog lichter lust dan uwen mond.



Wij op in duizelhellen schrik:


Van eeuwigheid in oogenblik!...



Met glanzende geheimenis,


Van Die alom en nergens is.


(Vergeten Liedjes)

































(Vergeten Liedjes)



















(Vergeten Liedjes)
















(Vergeten Liedjes)









Blijden en droeven,

Armen, en rijken,




Aldoor ontvangen

Tot alle leven




Zijn alle dagen

Vernieuwde wonder




Aan elkander

Dat het moet neigen




Maar rijst ons tegen

In blind ontzweven



(Lente-maan)










Knoppenzwellende geheimenis:



Uit haar beidende bezwijmenis.




Streeft een nieuw en vast seizoen;



Van een andren, blinden noen.




Van een vreemde stem die lokt en vleit:



In gescheidene verzonkenheid.




Voor het voorgevoel bezwijkt



En in 't eind dezelfde blijkt.


(Lente-maan)




































































(Stemmen)


























































(Stemmen)









Het is de blanke dageraad:

De diepe wei waar nog geen maaier gaat,

Staat van bedauwde bloemen wit en geel;

De zilvren stroom leidt als een zuivre straat

Weg in het nevellicht azuur;

En morgens zingend hart, de leeuwrik, slaat

Uit zijn verdwaasde keel

Wijsheid die geen betracht en elk verstaat,

Vreugd zonder maat,

Vreugd zonder duur....


't Is liefdes uur.



De zon genaakt de middagsteê:

In diepte van doorgloede luchtezee

Smoort de akker onder 't bare goud;

De vonken sikkel snerpt door 't droge graan;

De schaduw krimpt terug in 't hout;

In hemel-en in waterbaan

Geen wolken gaan;

Alleen de wit-doorzichte maan

Blijft louter in het blauwe hemelvuur ...


't Is liefdes uur.



't Is de avond: in zijn rosse goud

Wordt schoon en oud

Der wereld dagehel gezicht;

Snel aan den hemel valt het water van het licht;

En al de windestemmen komen vrij;

De laatste wagen wankelt naar de schuur;

De dooden wenken aan den duistren Oostermuur;


Westersche schans in groene hemelwei

Straalt Venus' gouden aster open

Zoo plotseling en puur ...


't Is liefdes uur.









Leeuwrik, zingen hier beneên,


Door de zilvren neevlen heen



Waar uw aadmen juichen wordt,


Naar de koele vore stort;



Van den duistren aardenacht,


Wel gestelpt, maar nooit verklacht?...



Volgt mijn oog niet meer uw vlucht,


Met zijn zaligend gerucht:



Heeft de ziel uw vreugd verstaan,


Ons gemeen geheim geraên:



Meerdert vreugdes gouden schat:


Zijn van aardes tranen nat.


(Carmina)





VERZEN VAN WIES MOENS



Wies Moens

















































































































































































































































Aan E. L. T. Mesens



















































































































































VERZEN VAN WILLEM KLOOS



Willem Kloos--Naar Antoon van Welie





AAN CO REYNEKE VAN STUWE







Naar de aan het zwarte azuur te ziene plekken,

De veel licht-eeuwen verre nevelvlekken,




Beide armen ijlings voor zich op te strekken

In forschen uitzwaai, 'of ons vleuglen dekken,



Paleis komt rijzen, en onsterflijk wonen

Al wie op aarde in 't Onverderflijk-Schoone



Ach! 't menschdom ging hen voor hun hoogheid loonen....

Aischulos vluchtte voor der burgren hoonen,







Een heel klein beetje 't hoofd, langs 't ruischend strand?


Vaag en toch klaar, uitkijkend naar den rand,



Vogels, als vlekken op den heldren wand

Des eindloos-wijden hemels, en zijn hand,




De onsterfelijke Shelley.... Zwaar-diep-luid,

Een beest, dat bulkt naar onbereikbren buit,










Uitschietend als een meeuw opeens, met volle

Zeilen, die heftig inderhaast zich bollen)




Zij streeft den stormwind tegemoet te hollen,

Wijl, achteraan en naast, twee even dolle




De mist ligt laag op 't water: zien en hooren

Vergaan, alleen de horens hoeënd schallen....














Shelley en las.[*] De wilde golven sloegen

Luider en luider langs de zijden, droegen




Die knerpten. Hoorde-i niet, hoe de andren joegen

Hierheen en daarheen, zuchtten, riepen, kloegen?



Toen stond hij op, verwonderd: neevlen drongen


Komt dreigend door die misten opgesprongen ...







Eve of St. Agnes







Te moeten jong en dwaas zijn: niet te weten

En tòch te doen ... wel gauw weer is 't vergeten....



Naar woorden, om te sussen mijn geweten,


Daar staat Hij en hij glimlacht: schijnt te meten



'k Moet hoesten weer: bloed is 't: ik voel 't, als rijden

Mij duivlen door de borst: 'k zal 't snel belijden,



'k Heb eens in 't stormen der Toscaansche baren....











Ik zag hem nauw, maar voelde zijn nabijen

Bovenaardsche' adem om mijn hoofd zich vlijen,




Omhoog beweegt: men merkt alleen zachtblij een

Vreemde verfrissching langs zijn slapen glijen....




"Hoor naar uw Ziel, die gij nauw weet, die binnen,


Op eigen levensdiepte, waar 't beminnen










Van veilig weten zeeg er door mijn heele

Wezen tot in mijn diepste ziel, die 'k spelen




Om één te wezen met het Al-zijn, kweelen

Weer ging, heel diep-inwendig, als zoovelen




't Jong hoofd—dat lachen scheen als zilvren bellen:—

"Gij moet niet langer meer uw Zelf wreed kwellen,










"Gij stoordet nooit aan dwazen u, die smaadden,

"Maar gingt, door niets weerhouden, vroeg en spade,




"Naar 't niet te noemen Eerste, Oneindge raden

"En, schoon met Denken's eeuwgen last beladen,




"Terwijl men stil-gestuwd omhoog blijft dringen



"Dát was de weg, dien alle dichters gingen,

"Die niet om zelfs-wil maar om Zielswil zingen ...







Maar met een diepe, als bovenaardsche vreugd,

Sinds 'k als een vaag-ontroerend na-geneugt




Uw naam—o, hoe dat oogenblik mij heugt!—

In de' allereersten opgang mijner jeugd




Groeide er een verre erinnring in mij wakker,

Dat ik, in vroeger Zijn, met U als makker,










't Oneindig-diepe Al-wezen (achter 't schijnen

Van dit en dat en wéér wat, 't Uwe en 't mijne)




Onder steeds reddeloos geleden pijnen,

Waar zich vergaan in voelt het Teêre en Fijne,




Klachten om heel ons klein, persoonlijk Lijden,



Het God-genoemd goed-nemende te al tijden


Koelheid het Goede doen, het Slechte mijden?






Van wind door slank-getopte popel-takken:


"Die met hun jonge tanden alles pakken.


"Dra zullen dichters wonen in barakken,



"Van vunze Bolsjewistische Kozakken.



"Geroofd wordt eeuwig-door: 't gaat op en neder,


"O, vlieg, vriend, met mij mede, als lichte veder....









"Waarheen mijn droomen ging in kinderjaren,

"Wanneer ik zat lange avonden te staren,



"Voel ik mij, die maar 'n aardling ben, een zware,



Was Shelley, als een waan, plots heengevaren....



"Muziekvolle ademing uit beetre sferen,

"Die eenmaal 'n oogwenk hier op aard verkeeren














Die levende oogen, o, voor goed, en 't woord,

Het aardsche dat hier spreekt, niet wordt gehoord




Leeft, maar met alles saam, onsterflijk voort ...

O, 'k roep U toe—Uw rust wordt niet gestoord—




Van 't Eeuwge Zijn in 't allerdiepst des Levens:

Gij waart een Hooge, een Goede en Wijze tevens:










Uw innigst In-zijn óp weer in zijn schoot,

Dat altijd, sinds het uit dat Eeuwge vloot,




Ook van òns Zijn vervaagt tot avondrood.

Wat is de mensch? Wat weenen we om zijn dood?




Na bladen vallen laat in 't kerkhof-zand,











Hij, die der Ruimte oneindigheid bespiedt,

Weet, dat heelallen daar vergaan en ziet



In der aeonen onbeperkt verschiet,

Dat alles saam vernevelt tot een Niet

niets
niets

Niets? Ja, toch Eén, het Eenge, wat bestaat,


Het Absolute, bóven Goed en Kwaad;


De wijsgeer noemde 't God, met kalme stem:

Wij voelen, weten, denken niets dan Hèm.






Glanzend of walmend voor een korten duur,

Als vonk of damp uit dat Ondoofbre Vuur,




Door hersnen, aêren, als een levend vuur:

En tòch wij zijn slechts wanen van een uur,




De Vlak-nabije en Onbereikbaar-verre,


Wanneer hij ziet in mensche-ooge' of in sterren,








Maar voor de wereld, jegens U van mij,

Op aarde hier. Want, wat ons nu nog schei,


ik


Staren, tot stil Uw wenk mij roept, waar zij,


Dan zal ons spreken zijn van 't stil-vermoede,


Het eindloos hoog-uit Klare, Zuivre en Goede,


Maar, mocht het eeuwig nacht zijn, waar Gij zijt,







Van U, die zwijgend ligt in stilte Uws hofs;


Tranen, ras wijkend voor iets stils en dofs,


Peinst, tot het òpvloeit in een zang des lofs;


Dien 't Eeuwige ons boetseert uit schijn des stofs.


Zelfs niet het Diepere onzes eignen Zijns,


Haarfijn àl lengten, breedten onzes schijns,








Omdat zij dieper dan ons denken gloeit

En, lichte bloem, omhoog naar 't zonlicht bloeit,



Ook 't aanzicht dezer aarde nooit vermoeid)

Dat, schoon de mensch zijn Aanzijn soms verfoeit,



Om al de ellende dezer wereld tevens,

En laat ons kalm, in 't eind-uur onzes snevens



Voor wien wij schijnen zijn, is naamloos groot.









Altijd-maar-door, al zwijgt hun mond, die wonen

Sinds hun geboorte in 't onuitspreeklijk-schoone,




Bij al wat aarde en hemelen hun toonen

Aan visioenen die hen heerlijk loonen




Die kwaamt en gingt, maar zonder ooit te spreken,


De heil'ge stilte van het diep-in leken









VERZEN VAN MARGOT VOS







































































































Het is Mei, het is purperen Mei!









Van den Mei, van den purperen Mei!









"Het is Mei, het is purperen Mei!"









"Het is Mei, het is purperen Mei!"























































































Wat lok je,

Wat mok je,

Wat glans en gok je,


Als 'n klokje,

'n Klein klokje,

'n Glinstervlokje,



Wat vlei je,

Wat blij je,

Wat spelemei je;


Als leien

Te vrijen

In rozeweien



Wat blink je,

Wat pink je,

Stout smeekelinkje;


Want 'n vinkje,

'n Klein vinkje,

'n Heel klein vinkje

































































































































































































































































































VERZEN VAN CAREL SCHARTEN

































































































zoo teeder

te blozen,


koost weder

hun broze




den schemer

zoo zoel,


daar zwemen

Zoo zwoel




aanhaal'ge

monden,


der zaal'ge

wonde




uw teêr-

-heid toe!


en zeer

en moe




den nacht

wij in


wij lach

en min












Ver was de reis door den nacht,

Den dicht-besneeuwden nacht,


Nu, in den duisteren na-nacht,

Blind in de spelonk van het rijtuig,



Gedoken in 't voort-ijlend hokje,

Zij, mijn Lief, en ik, en het kind,


Hooren we enkel 't gerinkel der bellen

Over de ruischlooze wegen der nacht



En het is als een heuglijke vlucht,

Stil en snel bij het bellen-gerinkel


En 'k denk aan Jozef en Maria met het Kind

Vluchtende door den winternacht,












De rozen glanzen in de maan

En onderdoor een donk'ren boom


Zie ik de verre bergen staan

In fijnen droom

Verzilverd.



Alsof zij zelve stralen,


Hoog in de zilvren zale....



't Ivoren voorhoofd blinkend


Een wit-zij sluiertje, zoo zit


Van berge' en witte rozelaar

In zilvren nacht verzinkend....




















Isola Madre, waar uw geel kasteel



En we uit den droom van vloeiend-blauw juweel


Zoo wijd en ijl, opstegen in uw veel



Tropische aromen broeiden door 't struweel....


Wij daalde' in koelte van laurieren-dreven

En dwaalde' omhoog door een hoog, Oostersch woud




Ver over 't meer-azuur het doomend goud

Der eeuw'ge sneeuw, in 't lucht-azuur versteven!











Raadsel van 't Oogenblik!

Met mijne heete handen

op 't wit papier,

zoo zit ik hier


van 't Heden.


Water van 't meer,

ik hoor uw golven spoelen

aan duist'ren wal—

En fluist'ren zal


aan dit Zelf.


Nacht, zwart en dicht,

stil en ontastbaar boven

d'onstilb're golven,—

Zoo blind bedolven


der Toekomst.


Moeder, Vader, Vrienden,

Waarom uw vragende oogen,

en door den nacht

waarvóór uw zacht


de Tijd gaat—


Vrouw, die mij houdt

in uw goud-lighte leven

omhuld, o Uw

is 't gulden Nu.


het Oogenblik.



Nacht!--laat ons één licht venster

in uw zwaar zwart:

dat daar mijn hart


mijn Kind!












Verrijst van de wazige aarde ...


Flonkerend op de winde-zuchten,




Die stijgt uit de wereld, en den hemel

Vult met zijn zachte takken-gewemel,—


Opdat ik wierd bedolven onder




















Aan W.L. Penning Jr. op zijn zeventigsten jaardag,
10 November 1910.



Altijd zal ik uw blinde beeld bewaren,



En met uw rust mijne onrust deedt bedaren.


Een fijne blos verjongde uw strakke kaak,



't Licht uwer vroolijke en vrome spraak.


Wij zaten, vreemden, en alleen zaagt gij



En, o schoone ochtend! vrienden, scheidden wij!


Doch 't allerschoonst zal mij d'erinn'ring blijven,



Geheven 't blinde hoofd, rechtop van lijve!


Zoo schreedt gij onbezorgd de steilte omlaag,



Stil door den schemer tot de laatste Vraag.


Gij scheent m'een Wonder, oude, blinde Vriend,



Gij waart m'een Teeken: ík was blind, gíj ziend!


Zóó worde uw beeld een voor-beeld den vervaarden,



Met kalm gelaat, waarlangs het zonlicht klaarde ...








Als in de stemm'ge stad het herfst-tij weeft


En onder 't gulden loof een stemming zweeft




Gelijk een herfstdraad die in 't goud-licht beeft


waarin alleen één zilvren stemklank leeft:


De stem, die in de hooge eenzaamheden

Zingt en weerklinkt en zingend meet den Tijd




Het torenlied een laatsten glimlach wijdt

En lichtende verglijdt in 't tijdloos Eden.








BIJ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR TE AMSTERDAM VERSCHENEN IN DE ACHTERSTAANDE RUBRIEKEN DE VOLGENDE WERKEN


GEDICHTEN


A. NEDERLANDSCHE


FRANS BASTIAANSE, Gedichten (2e dr. 6/11e duizend)

I. 0.55 C. 1.05

"Het in aanleg grootsche dat we hier aantreffen, is verrustigd, verklaard en verteederd door de zachte droomerigheid die waarlijk kenmerkend voor dezen dichter is." Hofstad.


S. BONN, Wat Zang en Melody, met een woord tot inleiding van L. Simons.

I. 0.55

...."Bonn is een vogel, die een wijsje kweelen moet als de zon schijnt, het landschap lacht."

Zangen van Hoop.

I. 0.75 C. 1.25

"Bonn is een socialistisch dichter. Z'n gedichten zijn rood. De zangen van dezen bundel zijn 'n verheerlijking van opstand en vrije liefde." Het Centrum. "Er leeft een sterk optimisme in het hart van dezen dichter, wiens boekje weldadig aandoet." Het Tooneel.


RENé DE CLEKCQ, Van Aarde en Hemel. (De Appel- Hemelbrand—Afaasvar—Doemsdag).

I. 0.75

Uit Zonnige Jeugd.

C. 1.05

"Er gaat door dezen bundel de jolige lach van een jeugdig snuiter, die zijn levensvreugde uit in zang en lied en rhythme. Utrechtsch Dagblad.


P.N. VAN EYCK, De Getooide Doolhof en andere gedichten.

I. 0.55 C.1.05

Gedichten. (Het Ronde Perk—Lichtende golven)

L 0.75 C. 1.25 L. 1.40;

"Zoowel lichte, eenvoudige liedjes, als gedichten even zwaarmoedig van stemming als zwaar van zegging, breed voortschrijdend in het sterke rhytme." Nieuws v.d. Dag.



P.A. DE GENESTET, Complete Gedichten, voorzien van portretten van De Génestet en mevrouw De Génestet-Bienfait. Ingeleid en van een aantal belangrijke noten voorzien door Dr. H.L. Oort (5e dr. 25/27e duizend)

I. 1.40 C. 1.90 L. 2.05


JACOB ISRAEL DE HAAN, Het Joodsche Lied.

I. 1.20 C. 1.70 L. 1.85

"Hier geen opervlakkige oogenblik-indrukken, haastig verklankt, maar woorden, komend uit het diepst van een gemoed, waarin de waarheid, met moeite verkregen, met smart gelouterd, rust als een onuitputtelijke schat." Avondpost.


PROSPER VAN LANGENDONCK, Verzen,

I. 0.55 C. 1.05

"v. L. is een echte Vlaming, in hem leeft de trek naar tooneelachtig gebaren en galmende rethoriek tezamen met een kinderlijke teederheid en een ware grootheid van opvatting." Maasbode.


JAN LUYKEN, Jezus en de Ziel, ingeleid en toegelicht door F. Reitsma, met reproducties naar de oorspronkelijke prenten.

I. 0.95 C. 1.45 K. 2.20

"Zou het niet jammer zijn als zulke prachtige dingen verloren gingen?" Het Volk.


V. DE LA MONTAGNE, Gedichten, met inleiding van Emm. de Bom (3e vermeerderde dr. 6/8e duizend in W.B.-uitgaaf)

I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20 K. 1.80


FRANQOIS PAUWELS, Enkele Verzen.

I. 0.55 C. 1.05

"Een gauw gevoelig hart, een fijn muzikaal versgehoor,—ziedaar de bron van Pauwels' welluidende liedjes...." Van onzen Tijd.


J. REDDINGIUS, Johanneskind. Gedichten. (2e vermeerderde dr. 6/8e duizend)

0.55 C. 1.05

Regenboog en Jeugdverzen.

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40

" ... Bij Reddingius is aanwezig allereerst: het wezenlijke, innige natuurgeluid van den dichter." Is. Qaerido.

"Voortaan kan Reddingius, in zijn eigen genre, veilig bij de besten onzer dichters worden geteld."

Willem Kloos.


ANNIE SALOMONS, Nieuwe Verzen.

I. 0.55 C. 1.05 Keurband f 1.80

"Als een bundel zuivren schoonheidszang nemen we deze Nieuwe Verzen mee ons verder leven in. A joy for ever," Utrechtsch Sted. Dagblad.


DE SCHOOLMEESTER, Gedichten van—met al de oorspronkelijke illustraties, en de voorrede van Mr. J. van Lennep, 3e druk, 9e-11e duizend.

I. 1.20 C. 1.70


JULES SCHüRMANN, Uit de Stilte en andere gedichten. Met voorrede van Willem Kloos.

I. 0.80 K. 1.60

"Dit is wel het hoofdkenmerk van Schürmann's verzen dat zij zoo eenvoudig weg uit een ziel schijnen uitgestroomd, als waren zij geen menschenwerk, maar de uiting van een magische kracht." De Avondpost.


NiCO VAN SUCHTELEN, Verzen, dramatisch, episch, lyrisch.

I. 0.95 C. 1.45 L. 1.60

"Er zingt door den ganschen bundel heen een krachtige levenswind, nu zacht—als de zuidewindsadem over de lentebloemen—dan forsch en mannelijk—als de zeewind over de duinen." Onze Eeuw.


HELENE SWARTH, Roemeensche Volksliederen en Balladen, naar de Fransche proza-vertaling van Hélène Vacaresco.

I. 1.20 C. 1.70 L. 1.85

"Heel de natuur leeft, handelt, denkt en voelt met de menschen mee in deze verzen van een, tot rooden hartstocht, maar ook tot sneeuwblanke teederheid vormende poëzie van landbouwers. N. Rott. Crt.

Verzen.

C. 1.05

... "Een prachtige bundel ..." Dr. Walch in Het Vaderland.

Nieuwe Verzen.

I. 1.20 C. 1.70 L. 1.85

"Altijd opnieuw welt de dichterlijke muziek uit haar hart." Onze Eeuw.

"Rijpe verzen van iemand die het leven tot in de kern heeft doorproefd." Delftsche Courant.


J. WINKLER PRINS, Gedichten, met portret van den dichter. Verzameld en ingeleid door J. Reddingius.

I. 0.95

"Prins is in meer dan één opzicht een zeldzame verschijning geweest in de letterkunde van Nederland." De Volksstem.


ALBERT VERWEY, Inleiding tot de Nieuwere Nederlandsche Dichtkunst (1889-1890) met aanhalingen uit de voornaamste werken (5e dr. 21/23e duizend)

L 1.40 C. 1.90



B. BUITENLANDSCHE


ELISABETH BARRETT BROWNING, Portugeesche Sonnetten. Vrij bewerkt naar het Engelsch door Hélène Swarth.

I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20

"Het is de vertaalster gelukt, zeer veel van de diepe en teedere schoonheid, die Mrs. Browning in hare verzen wist te leggen, te behouden." De Tijdspiegel.


DANTE, De Goddelijke Comedie, uit het Italiaansch vertaald door Dr. H. Boeken.

I. De Hel (5e druk in bewerking)

C. 1.45 L. 1.60

II. De Louteringsberg (3e dr. 9/11e duizend)

I. 2.—C. 2.50 L. 2.65

III. Het Paradijs (3e dr. 9/11e duizend)

C. 2.50 L. 2.65

De drie deelen tezamen in één keurband

6.45


Het Nieuwe Leven (Vita Nuova) Uit het Italiaansch vertaald door Nico van Suchtelen. Met Inleiding, Aanteekeningen, Aanhangsel en Portret.

C. 1.25 K. 2.25

"Deze uitgave van "La Vita Nuova" is geworden tot een kostelijk stuk literatuur-studie." Avondpost.

"Wij mogen volstaan met aan den met zoo merkwaardig fijnen takt en zoo groote congenialiteit volbrachten overzettingsarbeid van. den Nederlandschen dichter die waardeering toe te wenschen welke zijn kunst verdient." Onze Eeuw.


Prof. HENRI HAUVETTE, Dante. Inleiding tot de studie van de Divina Commedia.

C. 1.70 L. 1.85 K 2.70

"Er gaat een sterke aansporing van uit om Dante's onvolprezen kunstwerk te gaan lezen." Dr. J.L. Walch.


DANTE-PAKKET. De Goddelijke Comedie, Het Nieuwe Leven en het werk van Hauvette, alle in keurband, tezamen voor f 10.—in carton f 8.—.


MILTON, Het Paradijs Verloren. Metrische vertaling van Alex. Gutteling. (Zes zangen)

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40

"Miltons epos van Het Paradijs Verloren is een dier werken die de letterkunde der 17e eeuw beheerschten. Een van die werken, die men behoort te kennen naast Vondel's Lucifer."


ALFRED DE MUSSET, De Nachten. Vertaald en ingeleid door Hélène Swarth, met portret van den schrijver.

I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20

"Rythme en klank van De Musset's verzen hebben bij déze overbrenging in het Hollandsch al zeer weinig geleden." De Telegraaf.


WALT WHITMAN, Grashalmen (Leaves of Grass). Vertaald door Maurits Wagenvoort. Met portret van den dichter.

I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20

"Het is een bloemlezing van het belangrijkste uit den bundel "Leaves of Grass" van dezen zeer oorspronkelijken Amerikaanschen dichter, wiens werk een zoo sterken invloed heeft gehad en nog heeft op het opkomend geslacht."



BLOEMLEZINGEN


BILDERDIJK, Willem Kloos, Bloemlezing, met inleiding en portretten (2e dr. 7/9e duizend)

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40 K. 2.—

"Kloos' Bloemlezing uit Bilderdijk, met de uitvoerige voorstudie van den dichter, is terecht veelvuldig geprezen,"


RHEINVIS PEITH, Bloemlezing, met inleiding door Willem Kloos. Met drie portretten.

I. 0.95 C. 1.45 L. 1.60

"Kloos wekt op tot rustig bestudeeren en indringend beschouwen van Feith's werken. Dat loont!" N. Courant.


Gedenkboek der Wereid-Bibliotheek 1905/1915 met tal van bijdragen en portretten.

I. 0.75

DR. J. P. HEYE, Bloemlezing uit de Volksdichten. (2e dr. 7/9e duizend)

I. 0.55 C. 1.05 L. 1.20


Schetsboek 1905/1910. Een Keurverzameling uit 't werk van moderne Ned. auteurs, met portretten.

I. 7.50

Luxe-editie op Jap. papier en kalfsleeren band 25.-


JOOST V.D. VONDEL, Uit Vondels dramatische Lyriek, Bloemlezing door L. Simons.

I. 0.80 K. 1.60


ZELFKEUR.-Bloemlezing door de auteurs zelf uit het werk van 57 leden der Ver. Nederl. Letterkundigen. Met talrijke portretten en biografieën.

1e bundel I. 1.20 C. 1.70

2e bundel I. 1.40 C. 1.90

3e bundel I. 1.40 C. 1.90

De 3 bundels in één K. 5.25

"Deze "Zelfkeur" is al heel interessant, en in haar afgeronde fragmenten biedt zij een aanlokkelijk panorama van onze letteren." Hofstad.

"Een vrijwel volledig beeld van de Ned. Letterkundigen die genoemd mogen worden.... een goede inleiding tot diepere kennismaking." Avondpost.

"Het zijn bundels vol kleur en afwisseling." Den Gulden Winkel.



BRIEVEN


VINCENT VAN GOGH, Brieven aan zijn Broeder. Uitgegeven en toegelicht door zijn schoonzuster J. van Gogh-Bonger. Met talrijke illustraties. In drie deelen.

I. 7.50 K. 12.50

"Doch niet alleen tot den mensch, ook tot den kunstenaar brengen de brieven ons nader. Vele reproducties van teekeningen, in den tekst opgenomen, en nog vele portretten en illustraties versieren het mooi uitgegeven werk." Herman Middendorp in De Tijdspiegel.


Dr. H. JAPIKSE, Brieven van Johan de Witt.

I. 0.75 C. 1.25

"Voor de talrijke Nederlanders, die, zonder nu juist aan historische studiën te doen, toch wel iets willen weten van hunne groote landgenooten. Dr. Japikse is daarbij een uitmuntende leidsman; hij koos, uit de Witt's omvangrijke briefwisseling, de stukken die het best de persoonlijkheid van zijn held doen kennen; en hij geeft daarbij, in het kort, de noodige historische toelichtingen." Onze Eeuw.


MULTATULI, Brieven. Bijdrage tot de kennis van zijn leven. (In 10 deelen geïllustreerd).

I. 6.—L. 10.—

Bij maandelijksche afbetaling van één gulden waarbij men het geheel onmiddellijk in zijn bezit krijgt, f 0.50 extra.



TAAL-EN LETTERKUNDE, KRITIEK


Dr. FRANS BASTIAANSE, Overzicht van de Ontwikkeling der Nederlandsche Letterkunde. Met bloemlezing en illustraties.

Deel I. Middeleeuwen (2e dr.)

I. 2.45 K. 3.35

Deel II. 17e en 18e Eeuw.

I. 2.45 K. 3.25


H. L. BEECKENHOPF, Kunstwerken en Kunstenaars. I. 1.20 C. I:70 L. 1.85

"Pittig en frisch werk van den zoo bekenden muziekkritikus."


Dr. J.D. BIERENS DE HAAN, Goethe's Faust. Een studie.

I. 0.55 C. 1.05

"Zoo heeft dr. Bierens de Haan deze dingen gezien, zoo heeft hij ze aan ons gegeven en wij mogen hem dankbaar zijn...." K. C. Bouman-Winkler in De Gids.


EMMANUEL DE BOM, Het Levende Vlaanderen. (Met 29 illustraties).

I. 1.40 C. 1.90 L. 2.05

"Schetst ons het geestelijk leven van Vlaanderen als een machtig brok volkscultuur, een cultuur die door geen macht ter wereld is ten onder te brengen."

"Een uitgave van beteekenis, die waarlijk in staat is ons te toonen wat Vlaanderen kan en wat het is," Vragen v. d. Dag.


M. H. VAN CAMPEN, Over Literatuur. Critisch en Didactisch.

I. 1.20 C. 1.70 L. 1.85

"Deze prachtige, wijze woorden.... zij zijn een program en één waaraan dit buitengewoon zuivere, critische werk, boeiend en belangwekkend als sinds Busken Huet zijn literarische fantasieën uitgaf, geen werk "over" literatuur is geweest, ten volle beantwoordt," Rott. Nieuwsblad.


DESIDERIUS ERASMUS, Een twaalftal Samenspraken, uit het Latijn vert. door Dr. N. J. Singels. Met portret en inleiding van Cd. Busken Huet (uit "Het Land van Rembrandt") (2e dr. 6/8e duizend)

C. 1.45 L. 1.60 K. 2.20

Eene tweede twaalftal Samenspraken. Vertaald door Dr. N. J. Singels, met twee afbeeldingen.

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40 K. 2.—

Lof der Zotheid. Vertaald door Mr. dr. J.B. Kan; inl. en aanteekeningen door dr. A.H. Kan. Met Hobein's oorspronkelijke illustraties (3e druk)

I. 0.95 C. 1.45


JACOB GEEL, Onderzoek en Phantasie. Ingeleid en met aanteekeningen voorzien door dr. C.G.N. de Vooys.

I. 0.75 C. 1.25 L. 1.40

"Een boek als dit is een zeldzaamheid op onze tafels," Annie Salomons.


G. KAPTEYN-MUYSKEN, Levensrichting van dezen Tijd, met portret van Fr. Hebbel.

I. 0.75 C. 1.25

"Een belangrijk en zeer interessant werk, dat in 't bijzonder gewijd is aan den duitschen dichter Friedrich Hebbel, Bovendien behandelt de schrijfster, in verband met den huidigen alles-verwoestenden oorlog, de grondslagen van een Nieuwe Ethiek."


C.R. DE KLERK, Kultuurbeschouwende Inleiding tot Vondels Spelen. (In Band I v. Vondels Spelen)

I. 1.20 C. 1.70

Vaderlandsche Nieuw-Klassieke Beschouwingen.

K. 4.75

"Werk van een autodidact, die er behagen in schept zijn eigen onbevoegdheid te onderstrepen, maar die in de klassieke philologie den weg weet als een vakman en zijn Augustinus en zijn Plotinus kent als waarschijnlijk geen tweede in Nederland".... Dr. J.H. Gunning Wzn.


E. D'OLIVEIRA, De mannen van '80 aan het woord, (Van Deyssel, v. Eeden, Kloos, Verwey, Emants, Netscher, August Vermeylen), met oude en nieuwe portretten (3e dr. 9/lle duizend)

I. 1.60 C. 2.10

"Het zijn smakelijk ineengezette stukjes, waarin de schrijver de auteurs van zichzelven, hun wezen, hun werken, hun wenschen en bedoelingen laat vertellen." N. Rotf. Courant.

"De Jongere Generatie". (Vervolg op "De Mannen van '80") met portretten (2e druk) 7/9e duizend)

I. 2.45 C. 2.95

Dit boekje geeft gesprekken met: Johan de Meester-Karel van de Woestijne-Josine A. Simons-Mees-Cyriel Buysse-Frans Bastiaanse-Herman Robbers-Is. Querido-Carel Schorten-Adama van Scheltema-P. N. van Eijck-Dr. J. D. Bierens de Haan.

.... "De levende persoonlijkheid der schrijvers, die d'Oliveira blijkbaar met een fijn apperceptie-vermogen heeft weten vast te houden en weer te geven ia de hier geboden bladzijden".... Den Gulden-Winckel.


HERMAN POORT, Over Literatuur.

I. 0.55 C. 1.05

"Met een uitstekenden en toch eenvoudigen betoogtrant zet de schrijver zijn inzichten over kunst en literatuur uiteen; ze toetsend aan of toelichtend met de voorbeelden uit de letterkunde." Onze Eeuw.


Is. QUERIDO, Studiën, tweede bundel.

I. 0.95 C. 1.45 L. 1.60

Inhoud: Het Algemeen Menschelijke in Beethoven (2 studies)-Een Parijsche Roman van Hollanders (2)-Armoede (2) Gemeenschaps-philosophie (4)-Over Speenhoff-Het Ivoren Aapje-Moderne ziel en oud Instrument-Over Frederik van Eeden-Drie boeken van Couperus-Verzamelde Opstellen van Van Deyssel-Moeder.

Literatuur en Kunst.

I. 2.50


CAREL SCHARTEN, Het Spellingvraagstuk. "De Vereenvoudigde een gevaar voor Volk en Stam."

I. 0.20

De Roeping der Kunst. (De Poëzie-Het Proza-De Vlaamsche Beweging en de oorlog-Op den weg naar een nieuwe moraal).

I. 1.40 C. 1.90 L. 2.05

.... "zijn studies, met den voornamen, eigenaardigen en hoog-geestelijken toon die hem eigen is,—teer-, en diep-, en heftig-indringend." Is. Querido.


L. SIMONS, Studies en Lezingen.

I. 1.40 C. 1.90

Inhoud: Georg Meredith-Williain Morris-Hendrik Ibsen-Bernard Shaw-Vondels Jeftha-Vondels Gijsbrecht van Aemstel-Molière's Vrek-Molière's Tartuffe Tartuffe-Lezingen.

...."Wat hij doet is het verspreiden van waarlijk vrijzinnige, gezonde en nooit genoegzaam aangeprezen beginselen....." De Telegraaf.

Voordragen en Tooneelspelen.

I. 0.10

Voordragen II. Toegelicht met voorbeelden.

I. 0.10

De Ontwikkeling van het Tooneel en van het Drama. Deel I en II (tot 1625), 600 pag., 22 ill., 2 dln. Tezamen

I. 3.30 C. 3.80 L. 3.95

"Geeft een overzicht van de ontwikkeling van het Drama en het Tooneel in het Oosten, Griekenland, de Romeinen, Middeleeuwen, 16e E. (Vooral Engeland, ook Nederl. en Spanje)."

Vondels Dramatiek (In Band 4 v. Vondels Spelen),

L 1.20 C. 1.70 L. 1.85


ALBERT VERWEY, Inleiding tot de nieuwere Nederlandsche Dichtkunst (5de druk 21/23ste duizend)

I. 1.40 C. 1.90


Dr. C.G.N. DE VOOYS, Spreken en Schrijven in Noord-en Zuid-Nederland.

I. 0.25

"Een brochure geschreven naar aanleiding van het geschrift van den heer Scharten "Het Spellingvraagstuk."


Prof. J.J.G. VÜRTHEIM, Grieksche Letterkunde. Geïllustreerd.

I. 1.40 C. 1.90

"De behandelde onderwerpen zijn met groote kennis en met levendigheid bewerkt; we voelen er den schrijver in die zijn stof beheerscht." Alg. Handelsblad.

Grieksche Lyrische Dichters en hunne Poëzie.

I. 2.75 K. 4.—

"Uit Leiden komen machtige impulsen tot vernieuwing der belangstelling voor de ouden." Tijdspiegel.

"Een heel belangrijke en origineele studie." Vlaamsch Heelal.