Project Gutenberg's Nederlandsche Sagen en Legenden, by Josef Cohen This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Nederlandsche Sagen en Legenden Author: Josef Cohen Release Date: December 17, 2004 [EBook #3455] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE SAGEN EN LEGENDEN ***

“Wie durft mij te vloeken—”
Hoofdstuk. Bladz.
Bladz.
Het is niet de eerste maal, dat de Nederlandsche Sagen en Legenden in een bundel worden vereenigd. Maar wel is het de eerste maal, dat iemand in Nederland zich ten doel stelt, ook de ziel der folklore te ontdekken. Wetenschappelijk is 't hart van ons volk genoeg beschreven; deze arbeid echter wil meer.
Dikwijls heb ik menschen hooren vertellen, en dan dacht ik: het zijn niet alleen de woorden, die het verhaal vormen, maar het is ook de stem, en voor alles het gebaar. Weet gij, wat een gebaar kan doen? Poover is dikwijls de woordkeus van den verteller, schriel zijn stem … maar het gebaar! Wist ge, dat er zoovele kunstenaars onder het volk zijn?
Sommigen dezer sagen en legenden zijn verdroomd in 't groote hart van Nederland. Velen leven nog onder de “denkers,” zooals iemand ze mij noemde. Smartelijk schrijf ik, dat soms de sage vergaat, wanneer ze gedrukt is. Ik ben niet de eerste, die dit constateer.
En toch—niet op mij zal deze schuld rusten. Ik wil vertellen, zooals ik het zelve heb gehoord, grappig, sentimenteel, rhetorisch, weemoedig, zenuwachtig, angstig, geheimzinnig, met stil of met druk gebaar, al naar den aard. Geheimzinnig steeds, zooals 't haardvuur vlamt en de vlammen hoog op spelen bij den rood-koperen ketel. Ook ik zal deze sagen lezen in de eenzaamheid met slechts enkele oude menschen—uit het volk, zooals men zegt—bij mij, en waar ik hun gebaar mis, zal ik misschien den klank mijner woorden hebben, zoodat zij naar mij luisteren, als ik naar hen geluisterd heb.
Er zijn vele mysteriën in de menschelijke ziel, waarvan gij in de groote steden geen besef hebt. Gij leeft uw dagen, zonder de eenzaamheid te kennen—de strijd om het bestaan vreet uw geheimen op—en de verrassende dood doet u hulpeloos zijn. Ge weet niet, hoe angstig ik ben, dit volkshart te krenken. Ge weet niet, hoe ik mijn vrienden Bladzijde Xzal moeten vragen, of ik hen niet beleedigd heb, al besef ik, dat zij mij zullen vrijspreken.
In mijn ooren hoor ik uw spottenden lach. Ja, ik ben ook bang voor u, de massa in de groote steden. Ge spreekt wellicht van dom bijgeloof, en ge zegt, dat dit werk uit den tijd is. Heksen en reuzen—voorspoken en naspoken—kabouters en zeemeerminnen—duivels en witte wijven—menschen met den helm geboren en weerwolven—al deze in bonte mengeling door elkander—wat raken zij u? Ik vrees hen, die verstandig zijn. O! ik haat hun logica.
Toch zal er weder een tijd komen, dat men de schouders ophaalt over deze dagen van nauwkeurig realisme. Dan zal men verwonderd zijn over al mijn vrees, want in die toekomst zal men niet begrijpen, hoe geloof en angst tezamen kunnen zijn in een menschelijke ziel.
Eigenlijk behoort men te glimlachen over het woord “bijgeloof.” Een mensch, die vreugde of smart of huivering voor verleden of toekomst gevoelt, moet zich zijn sentiment voorstellen, en buiten hem om wordt de gedaante geschapen. Het kan een kabouter zijn, vol list en bedrijvigheid, doch ook de weerwolf met den rammelenden ketting. Het zijn de gevaren van natuur of maatschappij, ook wel het gevaar in zijn eigen gemoed, die den mensch bedreigen. Zóó ontstaat de sage.
Overblijfselen uit den heidenschen tijd?
Woorden zijn dat, die ik niet begrijp.
Wanneer een man een witten nevel zag stijgen, welke hem dreigend nazette tot zijn huis, of de nachtmerrie op een zijner paarden kroop, of hij een kaboutertje zag, dat in zijn schuur werkte of hem plaagde—dacht hij dan zelf aan den heidenschen tijd? Waarom steeds de anatomie van het uiterlijke—waarom nooit 't gevoel voor het innerlijk wezen? Waarom altijd 't ontleedmes en nooit de eerbiedige schroom?
Nergens bestaat er zulk een tegenstelling tusschen den geleerde en den kunstenaar als in ons Holland. Ik zal in Bladzijde XIdeze voorrede er niet verder over spreken. Na dit boek zal waarschijnlijk de sage méér den dichter, minder den wetenschappelijken man als zijn eigendom toebehooren. Laat de volkskunde—de wetenschap—dan in handen van den geleerde …. Zóó zullen wij immers voortaan als collega's naast elkander staan?
Twee dooden heb ik nog te herdenken: Gust. van de Wall Perné en Waling Dijkstra. Zij ook hadden het volk lief en hebben er niet mede gespot. Zij hebben ieder van hun streek gehouden, en waar lieden der Vale Ouwe, waar zij van Friesland tezamen komen, klinke hun naam!
Nu wijkt alle vrees van mij. Er is een groot geluk, dat dit boek wordt uitgegeven. Er bestaat geen blijder vreugde. Dezelfde liefde als Van de Wall Perné en Waling Dijkstra heb ook ik. Ja, misschien is 't mogelijk, dat eens de gansche rijkdom aan sagen, die Nederland heeft, blinkt als een opgedolven schat. Friesland, het geheimzinnige land, Groningen het zinnebeeld-zoekende, Drenthe, het onschuldige en geestige, Overijsel, stil! 't is mijn droomende geboortegrond, Gelderland, het sprookjes-vertellende, Utrecht, het oude, Holland het werkelijke, Zeeland, het wijsgeerige en liefdevolle, Brabant, het fantaseerende, en Limburg … er is maar één Limburg: welke sagen! Ik ken 't machtig Limburgsche volk uit zijn verhalen. Het moet een volk zijn met vele kunstenaars.
Alle vrees is mij verre. Duizelend van geluk geef ik u 't beste bloed van uw volk en 't beste bloed van mijzelven.
Bladzijde 1Het was in den zomer, en alles was rijk aan kleur en vreugde. Er was zonnelicht over de zee, zoover men zien kon. Golven van zonnelicht dansten met elkander, en ze zetten haar spel voort tot ver in de haven van Stavoren: wie kon denken, dat het dezelfde golven waren, die boosaardig in den winter, tuk op buit, de vlakke streek bedreigden? De schepen dodeinden mede in de blijde wiegeling der zee, en ook hun wimpels, ze wapperden op dezelfde maat. Waren het de durvende, grimmige schepen, die tot verre voeren, naar de landen der Denen, der Noren, naar de steden der Hanze, diep in het Duitsche land, onvervaard tegen storm en roover? Ernstig was immers hun taak, ze brachten den rijkdom aan hun aller meesteres, de vrouwe van Stavoren. Háár behoorde de zee. 't Was echter niet háár wil, dat de wereld op dezen zomerdag een feest was en niet háár ter eere dansten de statige schepen.
De kinderen stoeiden in de straten. Ze speelden haasje-over, en ze sprongen in rijen, lieten elkaar nu eens los, voegden zich dan aaneen, drongen naar een onbekend doel, en verspreidden zich ineens lachend van elkander. Het geleek, of aldus de golven der zee haar spel binnen de stad voortzetten.
De zomerdag was zelfs in de huizen. Het zonnelicht liet zich niet buitensluiten, het sloop langs reet en spleet, over riet en hout, tot het zich spreidde in 't binnenst der woning. Wat wist het van beletselen? Waar het bijkans nog nooit was geweest—in de kameren der vrouwe van Stavoren—was het met fleemend geweld gedrongen.
Hoog en eenzaam zat zij op haar stoel, de vrouwe van Stavoren. Ze lette niet op de geluiden buiten, noch op het zonnelicht, dat blank aan haar voeten lag. Ze staarde voor zich uit, en leefde in haar eigen gedachten:
Morgen zouden hare schepen uit-varen, alle vijf. Het zou maanden duren tot zij zouden wederkeeren; doch ook Bladzijde 2die tijd moest komen. Dan zou ze haar goudgeld niet meer kunnen tellen. Ze zou het bergen op verscholen plaatsen, opdat begeerige oogen het niet konden vinden. Wie zou dan rijker zijn dan zij?
Hierover dacht de vrouwe van Stavoren op dezen dag, terwijl haar schepen wiegelden in het zonnelicht. Ze haatte de vreugde, die alomme was, het spel, dat ze niet verhinderen kon. Hoog en eenzaam zat ze. Doch plotseling geschiedde er iets buiten op straat. Er was kinderlachen geweest van den vroegen morgen en 't hield eensklaps op. Het vervloeide niet, het stierf niet weg … het stiet aan tegen de stilte. Ja, inééns was het doodsstil, terwijl het zonnelicht bleef. Het was niet de stilte vóór naderend onweer, of vóór den storm, die zijn zwarte, zware wolken aan den glanzenden horizon doet rijzen. Niets van schaduw was er en de vrouwe van Stavoren hief verwonderd 't hoofd.
Toen klopte ze op de tafel, en nòg eens, ongeduldig.
De dienstmaagd stond voor haar.
“Ga zien, wat op straat is, Margriet, en breng me de tijding.”
Weder zette ze zich recht, en ze wilde haar gedachten in den vroegeren gang doen keeren. Eens zouden haar schepen terugkomen, alle vijf …. En 't goud …. Haar blik wendde zich naar een andere richting. Was daar niet zooeven zonnelicht aan den wand geweest? Zou toch onweer dreigen? Hoe stil was de stad. Margriet zou dadelijk wel terug zijn …. Misschien was er een nieuw schip in de haven! Een zeil was in de verte gezien, dat men niet kende? Gingen vreemde zeevaarders aan land? Of zou er iets met haar eigen schepen …?
Ze klemde haar hand vast om 't hout.
Neen, dat zou niet mogelijk zijn. En toch ….
Neen, op dezen stillen zomerdag kon in de haven van Stavoren geen schip vergaan!
En toch …?
Wanneer de vijf vaartuigen weder … zou zij de rijkste ….
Bladzijde 3Waar bleef Margriet?
't Zonlicht was zooeven niet op den wand geweest, wel aan haar voeten, waar 't nu ook lag.
Waarom wilden haar gedachten niet terugkeeren?
Angstig zag zij om zich heen. Ze stond op van haar stoel, en ging uit de kamer. Ze werd naar de stille straat gedreven.
Niemand zag ze. Geen geluid hoorde ze. Onbewegelijk was 't felle zonlicht.
Haar bloed woog zwaar in haar willoos lichaam, en als een sterke band voelde ze den angst om haar brein. Stap voor stap naderde ze de haven …. Wanneer haar schepen?
Niets was geschied. De schepen wiegelden in het zonnelicht, zacht speelden de golfjes, het zonlicht was over de zee, en niet één klein, wit wolke-lijntje beefde aan de star-blauwe lucht.
Ze bemerkte, dat allen uit de stad zich tezamen ver, drongen, en trotsch liep ze naar het volk, de vrouwe van Stavoren, die geen vrees behoefde te kennen. Ze sprak slechts enkele woorden: “Gaat op zijde,” en allen maakten voor haar plaats.
Een in lompen gehulden man zag zij. Hij lag neder op den grond, van honger en uitputting bijkans bewusteloos. Zijn voeten waren bloot, en straaltjes bloed liepen uit 't gepijnigde vleesch. Om zijn magere, doodswitte beenen was ternauwernood nog een rafel goed. Doch 't vreeselijkst om te aanschouwen waren zijn handen, die lang gestrekt waren. 't Geraamte schemerde er als een schaduw doorheen. Zijn mond was iets geopend: de tanden stonden los in 't bleeke vleesch. Kin en wangen waren diepe kuilen, hoog waren de beenderen geschoten.
Er was geen vreeswekkender armoede dan de zijne.
Wat dacht de vrouwe van Stavoren?
Natuurlijk wilde ze eenige lieden roepen, die den man naar haar huis moesten dragen. En zelf zou ze hem verkwikken, en hem reisgeld geven, wanneer hij verder trekken Bladzijde 4wilde. Zijn gekneusde voeten zou ze met kuisch linnen omzwachtelen, zijn verteerde leden bekleeden, en gelukkig zou ze zijn, dat zij den armen man had gered.
Waarom bleef haar trotsche mond gesloten?
De man richtte zich iets op, en zag naar haar. Zijn oogen …. Hoe ze staarden naar de rijke vrouwe, die slechts één woord had te spreken, en de Dood was verjaagd! Nimmer voor dien tijd had men geweten, dat ze zóó machtig was. Ze kon den Dood verdrijven, wanneer ze dit verlangde.
Men wachtte op haar milden troost.
En toen begon de man te spreken.
“Help mij,” zoo smeekte hij. Met moeite wendde hij zich, hij knielde, en strekte zijn magere armen naar haar uit. Meer nog dan zijn woorden, was dit zwijgend gebaar een bede.
En geen gestalte in de drom van menschen, welke in zijn beidende onbewegelijkheid niet mèt hem smeekte.
Want zij allen gevoelden het, dat alleen de vrouwe van Stavoren redden kon. Wat was de Dood tegen haar? Met het uitstrekken van éénen vinger dreef ze den honger ver buiten de stad! Wanneer zij even glimlachte, was de armoede in een land verdwenen. En men wachtte—Men wachtte bang. De vrouwe van Stavoren lette niet meer op den armen man.
Ze staarde naar de zee—Haar schepen waren nog in de haven. Morgen al zouden zij zee kiezen. In haar ooren klonk het tinken van het geld, dat ze winnen zou. Zij gevoelde haar trots als een bedwelming, een roes van blijden angst; en ze sidderde in haar kleed van goudbrocaat, vol eerbied voor haar eigen rijkdom. Van de schepen gleed haar blik naar haarzelve, en ze bezag zich, zooals zij stond temidden van het nederige volk, voor den man, die zijn handen naar haar uitstrekte. Van verre schenen zijn woorden te komen, zoo zwak was zijn stem:
“Help mij.”
Bladzijde 5En van alle zijden druischten de stemmen op haar in: “Help hem.”
Vleiend bewonderden haar oogen de granaatappelen, de bloemen, de ranken, rijk geweven in haar statig gewaad. Elke figuur zag zij aan: als in een wonderschoonen droom glimlachte ze.
Allen meenden, dat haar milde daad volgen zou. Ze glimlachte zeker om de goede gedachten, en het geluk van 't medelijden was in heur hart. Hoe zalig zijn zij, die geven mogen. Welk een gave is de rijkdom voor hen, die milddadig zijn.
De arme man deed zijn handen zinken.
Het verlossend woord zou nu worden gesproken.
Ach! niemand wist, dat ze slechts gelukkig was om haar kleed, en dat zij niet had geluisterd naar den kreet van den arme. Niemand wist, dat ze maar droomde van een weefsel van granaatappelen, bloemen en ranken, en dat ze niet begreep, hoe men op haar goede gaven wachtte.
Daar zij bleef zwijgen, hief de man met meer moeite zijn armen op. Nog zachter, nog verder klonk zijn stem:
“Help mij.”
Het volk zweeg. Wie was het, die beter nog vragen kon? Vast-geklemd was aller verwachting aan het gelaat der trotsche vrouwe.
Toen zag ze naar den smeekeling. Ze strekte haar hand uit, niet om te geven. Met schrik luisterde men naar haar woorden.
“In Stavoren is geen plaats voor zwervers en bedelaars. Wij hebben geen lieden noodig, die niet werken willen. Maak, dat ge heen-gaat. En gij allen! is er geen arbeid te over in deze stede, dat ge uit uw werkplaatsen rent?”
Geen kracht had de arme, zijn handen te doen zinken. Zijn hoofd bleef naar haar gericht, en 't geleek, of hij haar bleef smeeken. Roerloos was het volk, de mannen zelfs van haar schepen.
“Niemand behoeft te helpen, want het kwade voorbeeld Bladzijde 6zal niet gegeven worden in Stavoren. Het kwade voorbeeld is de pest, gaande van huis tot huis. Schaamt u, gij allen, die het kwade voorbeeld niet verjaagt.”
Was er iemand, die iets mompelde? Er was een stem geweest, die verklonk.
Iemand had gedreigd.
Hooger richtte zich de vrouwe van Stavoren, en haar oogen, machtiger dan de Dood, zagen van den een naar den ander. Zoo vorschte ze uit, wie zou hebben gemompeld. Het was slechts een rimpeling van wrok geweest, en in de roerloosheid was deze al opgelost.
“Ga weg uit Stavoren,” zeide eindelijk de vrouwe weder tot den bedelaar, “en weet, dat ge hier niet wederkeeren zult.”
“Ik ben stervende—een bete broods!”
Er was een man in de menigte, die naar zijn huis wilde gaan, om 't voedsel te halen. De stem der vrouwe riep hem.
“Blijf hier! Zoo hij sterven wil, is dit zijn plaats.”
Toen stond de arme man op. Het mirakel geschiedde. Als een jongeling was hij, rank en recht, en zijn stem was als van een ridder, die uitdaagt ten strijd. Er was een vlam in zijn oogen, die fel uitschoot naar de trotsche vrouwe.
“Vloek over u.”
Ze deinsde niet terug. Schamper lachte ze.
“Wie durft mij te vloeken—” en ze strekte haar hand uit, en wees naar de vijf schepen, wiegelend in de haven.
“Ziet gij ze daar—Mijn zijn ze.”
De bedelaar liep krachtig op haar toe, tot hij vlak voor haar stond. Bijna raakte zijn gelaat 't hare. Fluisterend hernam hij 't, zoodat zij alleen het hoorde.
“Ze zijn van de zee, vrouwe van Stavoren. Ge zult sterven … armer en ellendiger dan ik—”
Zwijgende nam zij den ring van haren vinger, en ze wierp het kleinood in de golven.
“Eerder komt die ring terug—ellendige bedelaar voor uw woorden waar zijn. Ik ben de vrouwe van Stavoren!”
Bladzijde 7“Veracht en niet beklaagd,” fluisterde hij. “Hoe vreeselijk zal uw lot zijn. Bedenk u nog éénmaal.”
“Ik heb mij niet meer te bedenken.”
“Bij Christus-bloed! de ring zal wederkeeren.”
Ruggelings viel hij neder, nadat hij dit nog had gezegd. Zijn magere leden strekten zich recht. De oogen werden gebroken. De mond sloot zich. Zijn kleederen waren losse stukken dek, neergesmeten over een naakt en schamel lijk.
“Keert naar uw woningen!” gebood de vrouwe van Stavoren tot het volk. “Mijn mannen zullen den doode in zee werpen. En weet het allen, dat dit een voorbeeld is voor de luiaards. Wie niet werken wil, heeft geen brood, en sterft des hongers.”
Het zonnelicht was over het bruisende, wijde water. Het zonnelicht was in de straten. Doch niet meer speelden de kinderen dezen dag, en de stad was dood. In de stille huizen zaten de menschen, vloek en wrok in de lijdende harten.
In hare eenzame woning zat de vrouwe van Stavoren.
De dag ging voorbij, en de avond kwam.
In het duister wierp een man, in dienst der vrouwe, het lijk in zee. En den volgenden dag voeren alle vijf de schepen af. Het volk van Stavoren staarde ze na, en niemand sprak een woord.
Toen kwamen nieuwe dagen, de tijd werd volbracht. 't Verleden was vergaan—'t heden vervloeide in de eeuwigheid. Vergeten was de vrouwe van Stavoren den zomertijd, en ze dacht aan de uren, dat haar schepen wederkeeren zouden.—Wat was de vloek van den bedelaar voor háár?
De herfst ging immers voorbij, zonder een kwaad teeken? De winter volgde de herfst, en ziet, daar kwam een koerier uit Hamburg, die vertelde van de goede dingen, welke een der schepen in Hamburg had geladen. Fel klopte 't hart der vrouwe, en ze gaf den koerier vriendelijke woorden. Toen kwam de blijde lente, en de uitbundige zomer trad aan in den dans der getijden.
Het was op een dag, gelijk van kleur en vreugde als Bladzijde 8een jaar geleden, dat de kinderen weder speelden in de straten der stede, en er liederen schalden van wijd en zijd. Het zonnelicht was tot diep gezonken in de zee, en drong verre in de huizen.
Niemand lette op den eenzamen man, die op zijn schouders een grooten mand droeg, en langzaam, schijnbaar doelloos, zijn weg ging. Hij liep langs de spelende kinderen, en hij stond stil voor 't huis der vrouwe van Stavoren. Hij klopte aan haar deur. Zij-zelve deed hem open, en vroeg zijn begeeren:
“Eenen visch heb ik gevangen, zoo groot, als nog nooit een mensch heeft gezien. En ik dacht—dat is spijs voor de rijke vrouwe.”
Zij zeide:
“Toon mij den visch, dat ik oordeelen kan.”
Hij sloeg 't deksel van, de mand op en hoog sprong het levende dier, en viel, den wijden bek in ademsnood open, tegen den grond. Zich wringende in bochten hersprong en herviel hij. Hij mat meer dan de lengte van de uitgestrekte armen eens mans, gemeten van de uiterste top van middelvinger tot middelvinger, en zijn kop was bijkans zoo groot als de breedte van een mannenborst van schouder tot schouder. Als een maliënkolder was zijn sterk, geschubd lijf, en zijn steert beukte tegen den vloer met het geweld van eenen hamer.
“Al sinds den morgen worstelt hij zoo met den dood,” sprak de visscher, “en ge moogt wel een zwaard gebruiken, zoo ge hem wilt doen sterven. Dat is voedsel voor u, bijlo! gij kunt er u aan vergasten.”
Ze wendde haar trotsch gelaat naar hem, en sprak:
“Mijn is deze visch. Wat de prijs zij, ik zal er u voor betalen. Of beter—” en ze opende haar beurs—'t. Goud viel op de straat. “Dat is voor u.”
Zij kende zichzelve niet weder. Zij gevoelde het, dat zij dezen visch moest bezitten. Niet dong ze af, gelijk het hare gewoonte was. Het geleek, of een stem in hare Bladzijde 9ziel haar dwong, zich van de koninklijke spijs meester te maken; en zij zelve besloot het wilde dier te dooden.
De koopman droeg den visch binnen haar keuken, en liet haar alleen. Niemand in de stad had bemerkt, welk een kostbaarheid ze had gekocht.
De vrouwe van Stavoren nam een mes en knielde neder. Ze wachtte niet, en sneed met forsche rukken den kop af, en opende het lijf terzijde. Toen tastte ze diep in 't smeuïg vleesch—haar vingers stieten tegen iets hards—ze greep—In haar hand hield ze een ring—Ze duizelde.
Het was de ring, dien ze in zee had geworpen…
Ze staarde ernaar in waanzinnigen angst. Ze wilde iets roepen … ze wilde zich verbergen—ze wilde den ring van zich werpen, doch deze vrees was nog machtiger dan de vreeze des doods, en ze moest zien naar het goud in hare hand. Ze had den drang te vluchten, en huilende liep ze naar buiten, op straat, waar de kinderen speelden.
Het volk stroomde toe en omringde haar. Geen mensch naderde.—Ze stond alleen in den wijden kring, met haar waanzin alleen.
“Help mij,” kreet ze eindelijk in vertwijfeling. “Al mijn rijkdom voor wie me den ring ontneemt.”
Niemand had ontferming. Toen wilde ze den ring van zich werpen. Het gelukte haar niet. Machteloos was ze gelijk een bedelaar, want haar rijkdom had geene waarde meer. Niemand wilde haar bijstaan. Zij was vervloekt door haar slechte daad.
Want van haar vijf schepen keerde er geen weder in Stavoren. Ze wachtte in haar eenzaam huis op hunne tijding. Ze zag het licht rijzen, het duister dalen, vele keeren. Als ze van straat hoorde, dat er een zeil was, aan den horizon der zee, liep ze naar de haven, en alleen stond ze. Maar nimmer was het een schip van háár.
Men vertelt van de vrouwe van Stavoren, dat haar geld slonk. Iederen dag kromde zich haar rug méér. Een oud, hulpeloos vrouwtje werd ze, met geel gerimpeld vel en Bladzijde 10met bevende handen. Ze leunde op haar stok, als ze naar zee zag. En dit was misschien wel haar vreeselijkste straf: dat ze hoopte op de terugkomst der schepen.
Haar oude, moede oogen tuurden naar de eindelooze verte en de angst der verwachting omknelde haar keel als een strop. Iederen dag strompelde ze naar naar huis, denkend: “Morgen zullen ze komen”—
En zoo gingen de dagen voorbij, tot er niets meer was in haar woning. Ze verkocht haar huis, en leefde voortaan in een krot. En toen kwam het uur, dat haar laatste duit voor brood was betaald.
Steunend op haar stok, en tastend—want bijkans blind was ze—ging ze van huis tot huis, bedelende om der barmhartigheid wille. Ze klopte aan de huizen, het vrouwtje van Stavoren. De deuren bleven voor haar gesloten, en ze betwistte met hare zwakke, bevende vingers den honden hun voedsel.
Dit is de legende der rijke vrouw van Leiden, die door God werd gestraft, daar zij haar zuster geen barmhartigheid bewees.
In het jaar 1315 was er groote hongersnood over het land, en Willem van Holland en Henegouwen, van Zeeland en Friesland, door het volk de goede Willem genaamd, wist niet, hoe hij de zorg uit zijn rijk moest wenden, doch toen men hem vertelde van zijn stad Leiden, weende hij.
Gelijk vergift doodde er de honger. De burgers stierven op straat. De kinderen aan de borst hunner moeders. De Dood bleef in Leiden, niemand sparend. 't Gras van de straat was reeds gegeten. De wachters aan de poorten stonden met knikkende knieën.
Er woonden in de stad twee zusters, Anne en Marie. Eertijds hadden ze samen gehuisd, maar Marie had een man liefgekregen, en ze had Anne verlaten. Het scheen, of ze in zusterschap niet gescheiden waren, en of Anne blijde was om Marie's geluk. Echter, wie menschen kent, weet, dat er vele zijn, dubbel van tale: de taal, die de mond spreekt, en de gezwegen taal der booze gedachte. Er is een glimlach, welke den haat verbergt.
Marie kende geen andere taal dan die zij sprak, daarom geloofde ze hare zuster.
De dagen van den honger kwamen, en éérst was er ellende in de huizen der armen. Het deerde Marie niet, dat haar vier kinderen voedsel behoefden: zij en haar man hadden geld gespaard, en ze gaven met volle handen. De armen loofden haar naam, en men zegende haar met rijke woorden.
De honger werd machtiger in de stad. Niet alleen de armen, doch reeds gezellen en meesters der gilden vroegen barmhartigheid. Toen eerst recht waren het Marie en haar man, die troostten. Ieder was welkom, en geen hongerige ging ongespijzigd uit haar woning.
Bladzijde 12De honger liet niet af.
Het was op een avond—en er werd zachtkens aan Marie's deur geklopt.
“Klop … klop … klop …” tot driemalen toe.
“Open niet,” fluisterde de man. “Wanneer het boos volk is—”
“Die zóó laat komt,” zeide zij met vaste stem, “heeft mij meer noodig dan een ander.”
En ze opende de deur.
Haar zuster stond vóór haar.
“Marie—” kreet ze, “om Gods wil, verhoor mij. In drie dagen heb ik geen brood geproefd—Help mij.”
“Hebt ge geen brood meer?” vroeg Marie verbaasd.
“Neen, want alles, wat ik had, heb ik aan de armen gegeven.”
“Zoo dit zoo is—zet u aan den disch, en wees een der onzen. Waar voedsel is voor zes, zal er ook voor zeven zijn.”
Ze gaf haar brood en vleesch. Den beker schonk ze vol van wijn.
“Eet en drink en verlaat ons niet meer,” zoo zeide zij eenvoudig.
“Ach neen—” riep Anne uit, “ik wil in mijn huis blijven, want wat zou men zeggen, als ik ten uwen koste leefde! Gij hebt de armen gegeven, zoodat iedereen het hoorde. Ik daarentegen heb de ware milddadigheid betracht, en mijn linkerhand wist niet, wat de rechter deed. Geen mensch wist van mijn goede daden, en daarom zal men het in mij misprijzen, zoo ik ten uwen koste leef. Laat mij slechts des avonds in het duister komen. Driemaal zal ik kloppen, opdat gij, mijn zuster, weten kunt: “het is de arme Anne, de hongerige Anne, die buiten staat.”
“Zoolang wij te eten hebben—tot de laatste kruimel—zullen we het met u deelen.”
Haar woorden waren haar daden.
Des avonds, als zij Anne verwachtte, stond zij aan de deur, teneinde haar de schaamte te besparen, dat ze als Bladzijde 13bedelares moest kloppen. Zelve zeide zij in de stad, dat Anne en zij tezamen het brood gaven, en niemand vermoedde de waarheid. Men prees de beide zusters in éénen adem.
De nood steeg. Een handvol meel moest men met goud betalen. Toen kwam de tijd, dat ieder gezin voor zichzelf zorgde, en dat niemand zich bekommerde om 't leed van zijn buurman. Niets, dat den mensch nuttig kon zijn, spaarde de dood. Doode visschen dreven op het water, het vee stierf aan vreemde ziekten, het gras was zelfs verdroogd. Boven de lijdende aarde was de diep-blauwe hemel en de verzengende zon, dag aan dag. Waaraan had de menschheid zulk een straf verdiend?
Slechts Marie's handen waren nog mild. Waar ze helpen kon, hielp ze. Met een glimlach zag ze ook voor haar den tijd van rouw tegemoet. Want wanneer de honger begint over een volk, kent hij geen einde.
Een avond, dat Anne aan haar tafel zat, deelde Marie het brood. Ze gaf haren man, haar kinderen en Anne gelijke stukken, doch zij-zelve nam niet.
Zij aarzelde met spreken, tot allen hadden gegeten. Op dat oogenblik zeide zij:
“Zijt gij verzadigd, mijn dierbaren?”
Anne antwoordde:
“Zoo gij nog een stuk brood voor mij hebt, wil ik het gaarne.”
“Ik kan niet meer geven, want het brood is op.”
“Bak dan nieuw.”
“Ik kan niet meer bakken, want ik heb geen meel meer.”
“Kunt ge dan geen meel koopen?”
“Zoo ik geld had, doch er is niets meer over.”
Toornig verhief zich Anne en riep uit:
“Gij slechte vrouw! gij hebt dus uw zuster, uw kinderen en uw man vergeten! Waarom gaaft ge dan hedenmorgen nog een stuk brood aan een ellendigen bedelaar? Waarom gaaft ge uw geld aan de armen? O! ik ken u en uw streken. Bladzijde 14Steeds hebt ge de brave gespeeld, en men zeide: ‘die goede Marie,’ terwijl men dacht: ‘die slechte Anne.’ Daarom was het u te doen, dat ge mij vernederen zoudt. Dat was altijd uw doel, al lang geleden, toen ge met uw man trouwdet, en mij in de eenzaamheid achterliet, in plaats van voor mij te zorgen en te werken. Nu eindelijk ontvangt ge het loon voor uw hoogmoed.”
Marie had haar hoofd gebogen, als ware ze waarlijk schuldig. Met moeite zeide zij ten laatste:
“Gij doet me onrecht,”
“Te veel recht doe ik u nog. Nooit meer zet ik een voet in uw woning. Nu zie ik, wie ge zijt.”
Zij verliet 't huis, zonder een groet. Nog even hoorde men haar haastige schreden. Daarna was er slechts de geluidloosheid van den nacht, en voor 't eerst gevoelde men den angst om 't eigen behoud.
Dit nu was de dankbaarheid der menschen, dat men Marie niet achtte, en niemand, zelfs zij, die nog iets te missen hadden, haar hielpen. Zij was armer dan de armsten—immers ze had in dien tijd 't geloof in de menschheid verloren. Ze meende echter, dat ze haar zuster onrecht had gedaan en nog dacht ze dit, nadat de honger zich in haar woning had genesteld en haar gast was geworden. De honger zette zich aan den leegen disch, als de maaltijd moest beginnen. Onbewogen luisterde hij naar 't gekrijt der kinderen, en hij verzadigde zich aan hun smart. Hij drong—al zwijgende—booze, bittere gedachten in hun ziel. Hij was de overwinnaar der goede stad Leiden.
De nood werd zoo sterk in Marie's woning, dat zij ging bedelen om brood. Zij stond temidden van hen, wien zij vroeger gegeven had.
Een hunner zeide tot haar:
“Gaat naar uw zuster, die heeft nog brood genoeg. Ons wil ze niets schenken, doch u natuurlijk wel.”
“Mijn zuster heeft geen brood, want zij heeft alles gegeven.
Bladzijde 15“Geloof dat niet! Uw zuster houdt zich als een arme. Gaat naar haar toe.”

Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam
“Zelfs, als uw woorden waar konden zijn, zou ik het niet doen. Mijn zuster haat mij en zij zal mij niets schenken. Ik deed haar voorzeker onrecht.”
Ze vroeg om een bete broods aan vreemden, en nooit ging ze tot Anna. Overal weigerde men haar voedsel, en iederen dag kwam zij met leege handen terug.
Wie het eerst gestorven is—?
Haar man; drie harer kinderen waren begraven, en met één kind was ze overgebleven.
“Moeder! geef me brood,” vroeg het kind.
“Er is geen brood,” snikte ze.
“Ga 't halen, moeder.”
“Niet sterven, mijn eenigste! O! je moogt niet sterven.”
“Moeder, geef me brood.”
Dien avond ging ze naar haar zuster's huis. Zij naderde de deur.
“Klop—klop—klop,” tot driemalen toe.
Niemand opende. Ze luisterde, of er van binnen geen geluid kwam. Het bleef stil, als de nacht om haar. Schuchter klopte ze weder.
“Klop—klop—klop—”
De deur bleef gesloten.
Ze peinsde:
“Mijn zuster zal uitgegaan zijn, daar ze geen brood heeft. Dus hebben de lieden toch gelogen, dat ik bij haar hulp kon vinden.”
IJlings keerde ze naar haar woning terug. Het kind lag op den grond, en verhief zich niet bij haar nadering.
“Moeder,” zeide hij met zwakke stem, “Moeder! hebt gij brood? Ik heb zoo'n honger.”
“O! ik kan 't niet geven. Kon ik het van mijn lichaam snijden, mijn kind—Zoo ik één bete had, zou ik er zelve niets van nemen, al scheurt mij-zelve de honger mijn ingewanden aan stukken. Moed! De goede God waakt.”
Bladzijde 16Zij zonk op haar knieën en smeekte om uitkomst.
Wonder! daar was een stem, ruischende, die tot haar sprak:
“Ga morgen in den vroegen ochtend naar uwe zuster Anne. Zij heeft het brood, dat gij behoeft. Uw goede werken zijn bekend in den Hemel, en de engelen zingen uwen naam. Zalig zult gij zijn.”
Nog twijfelde zij en ze vroeg:
“Anne zette zich aan mijnen disch, en at van mijn brood.”
Zoet antwoordde de stem:
“Heb vertrouwen.”
Toen stroomden haar de tranen uit de oogen, en snikkende lachte ze tot haar kind:
“Morgen zal er uitkomst zijn.”
Zij doorwaakte den nacht in gebed, haar zoontje aan haar zijde. En vroeg was het licht. Ze maakte zich gereed voor den tocht, en als den vorigen avond ging ze naar haar zuster's huis. De deur was geopend. Zoete baklucht stroomde haar tegemoet.
“Zuster!” zoo riep ze blijde, “heeft iemand u meel geschonken? Zeker waart ge van plan ten mijnent te komen, en mij rijk te bedeelen, zooals ik ook u heb gegeven. Ge zult mijn onrecht vergeten, nu ik in nood verkeer.”
Anne zag haar aan, haat in haar oogen.
“Wat zoekt ge bij mij, daar ik u gevloekt heb?”
“Zuster—mijn kind is stervende!”
“Uw kind? Spreekt gij van één kind slechts?”
“God nam mij al het andere. Één slechts bleef mij behouden. Zuster! gij zijt gezegend, dat ge mijn laatste bezit redden kunt.”
“Ik weet niet, wat ge meent.”
“Niet voor mezelf kom ik, doch voor mijn kind. Ik wil sterven, zoo ge weinig hebt; deel dan het overige tusschen u en mijn zoon.
“Ik heb geen brood in dit huis.”
“Zuster! er is hier geur van brood—”
Bladzijde 17“Ik zweer u, dat ik geen brood heb.”
Marie zonk op haar knieën neer. Haar handen betastten Anne's kleed.
“Zuster! gij liegt. O! deze leugen zal u nooit vergeven worden. Bij uw zaligheid … geef mij brood.”
Toen sprak Anne een vreeselijken eed:
“Zoo waarlijk mogen mijn brooden in steen veranderen, wanneer ik ze heb. Zoo waarlijk moge het meel in mijn vingers tot steen worden, als ik bak. Ik heb geen brood.”
Marie stond op, en legde haar handen aan 't hart. Ze zeide haar de woorden na met bevende, vreeselijke stem:
“Zoo waarlijk mogen uw brooden in steen veranderen, wanneer gij ze bakt. Zoo waarlijk moge het meel in uw vingers tot steen worden, als gij bakt. Amen!”
Zij ging heen, en liet haar, zuster achter.
Nadat zij weg was gegaan, sloot Anna de deur, en met zachte schreden liep ze naar den oven, waar ze gebakken had. Ze glimlachte, en ze peinsde:
“Voor mij is het alleen, en niemand zal er aanraken.”
Werktuigelijk nam ze een der brooden, welke op tafel dagen. Haar vingers werden koud.
“Steen!,” gilde ze.
Al haar brooden waren tot steen geworden.
Ze wilde het meel bakken. Steen werd het in haar handen.
Ze nam wat geld, dat in haar kasten was. Voor haar goud kocht ze meel. Steen werd het in haar woning.
Voor haar goud ontving ze steen. Ze stierf van den honger, met handen vol goud in haar huis. Overal lagen de steenen brooden, het steenen meel.
Hare zuster echter vond in haar woning brood en meel in overvloed. Zij spijzigde haar kind, ze spijzigde de armen, en ten laatste haar zelve. Doch op Anna was de vloek, en háár kon ze niets geven. Bladzijde 18
Een ieder weet, dat de aartsengel Gabriël de steden en de dorpen van Limburg heeft gebouwd; maar dat Montfort zoo ordeloos ligt, de huizen zoo hotsedebotsescheef door elkaar, is de schuld van den veelnamigen Satanas, die het niet prettig vond, dat het de Limburgsche menschen zoo gemakkelijk werd gemaakt.
Limburg dan was eindelijk gereed, op de steden en dorpen na. Wie moest die eventjes klaarmaken? Natuurlijk de engel Gabriël.
“Luister goed toe,” zei de Schepper, “hier heb je een zak vol met huizen en hoven en wegen, doe je best, en bederf 't landschap niet, want 't is een van de mooiste streken der aarde.”
“Wees niet bang,” antwoordde de engel Gabriël, “dat zal ik wel in orde brengen.”
Hij keek na, of de zak goed gesloten was. Hij knikte—'t kon niet beter. Een stevige knoop was er van boven om gewonden, en geen scheurtje viel er te bekennen. Iedere huismoeder weet, dat een klein gat gemakkelijker te stoppen is dan een groot, en je mag niets ondernemen, voor je alles goed hebt nagekeken. Wat zegde gij daar nu van?
Weet ge, wie 't gehoord had, dat Gabriël de steden en de dorpen in Limburg moest bouwen? Eigenlijk is 't heelemaal niet goed, zijn naam te noemen. 't Was de booze, en hij dacht bij zichzelf: “Als ik den engel Gabriël een poets kan bakken, zal ik 't niet laten.”
En hij mee. Wat vlogen die twee vlug. Maar hoe't kwam, is niet gemakkelijk te zeggen. Misschien dacht Gabriël aan wat anders—misschien had Beëlzebub weer een van zijn duivelsche listen toegepast—Hoe 't zij, de engel merkte van den booze niets, en in snelle vaart bereikten ze Limburg al spoedig. Welk een land! 't Is misschien wel 't allermooiste op de heele wereld, en dat 't daar Gabriël juist moest overkomen!
Bladzijde 19De duivel schoot naar voren en met een forsche hand sloeg hij zijn scherp zwaard tegen den zak. En daar kon de zak niet tegen. 't Was een stevige zak. Er was niets op den zak aan te merken. Probeer 't met iederen zak. Leeneen is daartegen bestand.
Rits! een scheur in den zak.
En daar tuimelden me daar veertig huizen naar beneden. 't Eene kwam hier terecht en 't andere daar.
Alle dorpen zijn netjes en ordelijk aangelegd, nietwaar, maar van Montfort is niets terecht gekomen. Ga maar eens kijken in 't land van Roermond.
En als Gabriël zijn hand niet gauw onder de scheur had gehouden, bewaar ons, dan was er van alle steden en dorpen in Limburg één ongeregelde, schots-en-scheef door elkaar gedrongene massa geworden. Gelukkig, dat hij tegenwoordigheid van geest had, en goed heeft nagekeken, vóór hij de andere dorpen in 't land legde. Bladzijde 20
Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum hadden nog geen namen, en dus werden benoemd drie bekwame mannen, die deze moesten bedenken. Het waren de dikke Stokkum, de lange Kortum en de smalle Bergum. Ze zaten langen tijd tezamen, doch ze konden geen namen vinden, en ze besloten het toeval als peetoom te kiezen.
't Eerste dorp, waar ze aankwamen, was naar den zin van den dikken Stokkum. Want hij kreeg daar voor zijn part te eten: drie borden erwtensoep met kluiven en varkensooren, er bij menigte in drijvende; toen een bruin-gebraden varkenscarbonade met lekker, wit vet er in flarden aan, gedompeld ineen sausje, om een dood mensch weer levend te maken; toen een geurig stuk kalfsvleesch, aan het spit gedraaid; en duiven en wilde eenden, malsch als 't jonge gras; enten laatste een rozig speenvarkentje, dat uit mekaar viel, als je er met je hand aan raakte. De buik van den dikken Stokkum zwol, of hij bersten moest.
Zijn beide vrienden zagen het gevaar tijdig, en ze lieten een smid komen, die een band maakte om Stokkum's buik.
's Avonds was er weder een rijk maal, en opgediend werden: een kapoen, zoo zoet als honing; een forel, wit gelijk sneeuw, en smeltend op de tong; kuikentjes, die een oud mensch kon bijten; en een bruin-korstig stuk rundervleesch, met fijnen rijnwijn begoten.
Stokkum liet 't zich zoo smaken, dat zijn buik weder begon te rijzen. Maar helaas! daar stiet 't uitzettend vet tegen den band … met zulk een kracht, dat 't ijzer begon te kraken.
Toen riep Stokkum in doodsangst, bedoelend, dat hij nog een band wilde hebben ter versterking van den eersten:
“Nog één 'r um. Nog één'rum.”
En sinds dien heet de plaats, waar dit gebeurde: Eenrum.
Bladzijde 21Eindelijk verlieten de drie vrienden het dorp, waar zij het zoo goed hadden getroffen.
Ze kwamen aan een riviertje.
“Daar durf ik niet over,” zei de dikke Stokkum.
“Ik wel,” snoefde de lange Kortum.
Hij nam den polsstok, en sprong naar den anderen oever. Om zijn meesterschap te bewijzen, zette hij weder, zoodra hij was aangekomen, den polsstok in den bodem, en sprong ten tweeden male, thans naar zijn vrienden terug.

Het polsstokspringen
“Kijk 'ns!” riep de smalle Bergum uit, “daar heb je 't mensch-ing al weer.”
Natuurlijk heet het dorp, waar dit geschiedde: “Mensingeweer.”
Ze moesten verder, en nu was 't de beurt van den smallen Bergum, om zijn kunsten te toonen. Ze kwamen aan een water, waar twee dorpen tegenover elkaar liggen. Nu zou Bergum eens laten zien, wat hij vermocht.
Hij wilde springen—Ocharme! Hij bleef met den polsstok in 't midden steken.
De dikke Stokkum was bang, dat zijn kameraad verdrinken zou, en kreet:
“O Berg-um! O Bergum!”
“Als hij 't leven er maar van af-brengt,” riep de lange Kortum.
“Ik winsch 'í um! Ik winsch 't um!”
Sinds dien hebben ook de dorpen Obergum en Winsum een naam, gelijk het zulke flinke plaatsen betaamt.
En vol trots keerden de drie mannen naar hun huis terug. Ze hadden hun plicht volbracht—Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum waren gedoopt. Bladzijde 22
In den tijd, dat Filips de Goede, hertog van Bourgondië, graaf van Vlaanderen, van Holland, Zeeland en Friesland, Den Haag bezocht, om er met zijn gemalin, de vrome Isabella van Portugal den eed van getrouwheid te ontvangen, woonde er in de Korte Poten een vroolijke schoenlapper, genaamd Willem van Nieuwen, die meende zich ter eere van zijn soeverein te moeten bedrinken. Hij had een paar guldens bespaard, en binnen korten tijd had hij de gezondheid van den goeden Filips zoo dikwijls aangeroepen, dat hij er zelf zijn gezonde gedachten mede verloor. Hij wilde naar zijn woning, doch in het Voorhout weigerden zijn beenen hun plicht—en hij viel neer als een blok. Nog luider snurkte hij dan zijn gewoonte was.
In dienzelfden nacht verliet—nadat de klapwaker middernacht had geroepen—Filips de Goede het Binnenhof en, den moestuin van het paleis doorgaande, ging hij linksaf het Tournooiveld op en kwam in het Voorhout. Hij had drie edellieden bij zich, die met name worden genoemd: Jacob de Roussay, Hue de Lannoy en Jan de Berghes, grappenmakers, zooals Den Haag ze sinds dien nooit meer heeft gekend, waardige kornuiten van den goeden Filips. Ze trokken Willem aan zijn been, en Jacob de Roussay zeide met een kennersblik:
“Hij heeft te veel bier en brandewijn.”
Jan de Berghes riep uit:
“Bij den Hollandschen leeuw! die slapende man is de vroolijke Willem, die voorzeker de gezondheid Uwer Hoogheid vandaag gedronken heeft.”
“Wij hebben deernis met het ontwaken van dezen man,” aldus peinsde Filips, “en wijl hij de vroolijkheid mint, zullen wij hem morgen met een onverwachtsch feest verrassen. Daardoor zal hij tegelijk ook ons vroolijk stemmen. Neemt den man op uwen rug, heer de Berghes, heer de Bladzijde 23Lannoy, en draagt hem naar ons paleis. Het wordt morgen een dag, die ons zal heugen.”
Op zijn bevel trok men Willem de kleeren uit, men waschte hem met reukwater, en trok hem een fijn Haarlemsch-linnen hemd aan. Een zijden muts zette men hem los op zijn verwilderd haar, en daarna legde men hem in het eigen bed van den hertog.
De schoenlapper snurkte.
En terwijl hij sliep, fluisterden de hovelingen het elkander toe:
“Filips wil, dat de vroolijke Willem zich voor den graaf van Holland zal houden.”
Met ongeduld wachtte men den morgen.
Terwijl lach en gefluister in den nacht niet ophielden, sliep de schoenlapper den slaap der rechtvaardigen en der dronkaards, in het bed van den hertog, gelijk hij had geslapen in de koele nachtlucht, gelijk hij zou hebben geslapen in een varkenskot. Hij sliep, als had hij dagen lang gewaakt, en onafgebroken trompette zijn snurken in het hertogelijk vertrek, zoodat 't door 't gansche paleis te hooren was. 't Geheele hof verzamelde zich in den morgen om zijn legerstede … een heir met kletterende wapens had hem niet kunnen wekken, laat staan wat jonge edellieden, hofdames, kameniers, pages …. 't Zonlicht streelde hem over 't gelaat, de geluiden van den dag drongen naar binnen—hij snurkte slechts.
Eindelijk naderde de maarschalk van Bourgondië in groot kostuum hem, en raakte hem even den schouder aan.
“Heer Graaf,” zeide hij, “het uur van Uwer Hoogheids ontwaken is ook thans gekomen.”
Om deze plechtige woorden bekommerde zich de slapende niet.
Een page sloeg hem tegen de hand. Een jong edelman stampte met zwaren voet op den grond.
De maarschalk in eigen persoon schudde hem.
Bladzijde 24Willem ontwaakte, richtte zich op, en zag verdwaasd om zich heen.

Willem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heen
Liefelijke muziek was er, zoodra zijn gesnurk ophield. Hij, die gewoon was aan het gekijf zijner vrouw, hoorde nu het zachte tokkelen van snarenspel, en een stem, zoo vol en schoon als hij nog nimmer had gehoord, zong—Toen werd het stil.
Willem zag van den een naar den ander, doch allen behielden hun ernstig wezen. Hij lachte. “Ik droom zeker. Ja, ik heb te veel gedronken.”
“Heer graaf,” sprak de maarschalk van Bourgondië, “dit is het uur, waarop Uwe Hoogheid opstaat.”
“Heer graaf—zoo heeft nog niemand tegen een schoenlappergesproken. Die droom moest maar altijd voortduren.”
Hij betastte de zijden gordijnen, die om zijn bed hingen, het rijk geborduurde kamizool, waarmede hij was gekleed, de fijne lakens, die hem dekten, het vorstelijk hemd. Hij nam de muts en bekeek ze van onder tot boven. Hij rook aan zijn handen, en schudde zijn hoofd.
“Heer graaf? Ik ruik er wel naar.”
“De maarschalk van Bourgondië vroeg met ernstig-verwijtende stem:
“Herkent gij ons niet? Heeft Uwe Hoogheid soms niet geslapen, dat haar geest beneveld is. Ik ben haar maarschalk van Bourgondië.”
Één voor één gingen ze langs zijn bed, en noemden hunne titels.
“Ik ben Uw zegelbewaarder.”
“Ik ben Uw opperschenker.”
“Ik Uw broodmeester.”
“Ik een hofjonker.”
“Ik de bevelhebber Uwer wacht.”
“Ik de gouverneur van Uw paleis.”
Toen naderde hem de schoone Isabella van Portugal, en liefelijk zeide zij:
“Wij zijn Uw vorstelijke gade.”
Bladzijde 25“Mijn vrouw,” riep de vroolijke Willem. “Wilt gij beweren, dat ge mijn vrouw zijt? Al 't andere moge waar zijn, ja, ik geloof, dat ik de graaf van Holland ben, maar mijn vrouw zijt ge niet. Mijn vrouw heeft zooveel wratten op haar gezicht, als ik gisteren glazen heb geledigd, en dat is heel wat, en mijn vrouw heeft een stem, om den Duivel te verjagen. Haar oogen zijn zoo groen als gras, en de kleur van haar huid is zoo geel als een blad in den herfst. Mijn vrouw heeft een middel als een groote ton bier. Neen, nu gij zegt, dat ge mijn vrouw zijt, weet ik, dat ik droom en met verlof van deze edele ridders zal ik weer gaan slapen.”
Zoet antwoordde hem de heerlijke vrouw:
“Ge zijt de graaf van Holland, en wij zijn Uw getrouwe echtgenoote, die uit liefde voor U zou willen sterven—”
“Sterven?” riep de schoenlapper wanhopig. “Zoo waar ik Willem van Nieuwen ben en in de Korte Poten woon….”
“De heer graaf wil ons bedroeven.”
“Dus ben ik de zeer dappere, zeer machtige, zeer edele Filips, hertog van Lotharingen en Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland, van Vlaanderen en Henegouwen, Heer van Friesland—”
“Zijne Hoogheid weet wel, wie zij is. Zijne Hoogheid wil zich ten koste van ons vermaken.”
“Zoo gij 't zegt, ben ik de graaf van Holland. En toch had ik bij alle Heiligen willen zweren, dat ik de schoenlapper uit de Korte Poten ben. Ge weet wel … Willem van Nieuwen. Zoo er iemand uit dit doorluchtig gezelschap iets te repareeren heeft—”
“Kom—wij zullen ons thans verwijderen, behalve de opzichter Uwer garderobe, opdat Uwe Hoogheid zich kan kleeden—”
Weder was er zachte muziek, van een blijde melodie, zingende van de lente, zingende van geluk. Het lied van den glimlach, of de wereld zonder zorgen ware, rimpelloos gelijk een Meiedag.
Bladzijde 26“Vandaag moet Uwe Hoogheid haar beste kleederen aantrekken,” sprak de opzichter der garderobe, en hij reikte hem de roode schoenen met gespen, de granaten kousebanden, de groen fluweelen met goud geborduurde broek, den satijnen overrok, den bruinzijden met zilver geborduurden gordel, de zwarte muts met purperen kleppen, den hermelijnen mantel, alles neerliggende op een kostbaar kussen. Eerbiedig boog zich de dienaar, om zijn vorst te kleeden.
“Stil! stil!” riep Willem uit, “dat speel ik zelf wel klaar.”
“Dat zou tegen de gewoonte van Uwe Hoogheid zijn.”
Toen hij gekleed was, geleidde men hem naar de eetzaal, waar hem zijn gade reeds wachtte.
“O! onze held, hoe hebben wij naar u verlangd,” zeide ze zachtkens. “Zijt ge verlost van uw kwaden droom, dat ge slechts een arme schoenlapper zijt?”
Willem bekeek zijn kleederen, en peinzend bleef eindelijk zijn blik op zijn roode schoenen rusten.
“Kijk eens, geliefde echtgenoote—wat die broek of die kousebanden van me waard zijn, weet ik niet, doch zulke schoenen als ik, heeft alleen maar de graaf van Holland, en daarom moet ik wel gelooven, dat ik ben, wat ge zegt, hoewel ik me ook niet kan verklaren, hoe een graaf van Holland zooveel verstand van schoenen heeft.” Hij krabde zich 't hoofd. “En ziet ge, alles zou ik nog wel aannemen, maar de vrouw van den vroolijken Willem met haar wratten en haar schelle stem, zit me in den weg—”
“Spreek, edele heer, niet van een andere vrouw in onze tegenwoordigheid. Wij hebben U lief, en liefde is ijverzucht.”
“IJverzuchtig behoeft ge op de vrouw van den schoenlapper van Nieuwen niet te zijn.” Hij zuchtte. “Wij gelooven u, onze gemalin. Wij zijn de graaf van Holland! Wij zijn de graaf van Holland! Het overige is een kwade droom.”
Zijn oogen schitterden.
Bladzijde 27“Vertel ons, gemalin, wat doet de graaf van Holland den heelen dag?”
“Weet ge dat dan niet?” berispte ze hem. “Eerst behoort ge ter kerke te gaan, en na den noen moet ge rechtspreken.”
“En dan?”
“Dan zet gij U met Uw edellieden tezamen, en zoo ge wilt, komen wij bij U en schenken U den wijn.”
“Wijn? Daarin zullen wij ons sterk betoonen, dat verzekeren wij u.”
Omringd door zijne hovelingen trok hij ter kerke. Omringd door zijne hovelingen wendde hij zich naar de zaal, om recht te spreken. Men wees hem den troon. Bevallig wierp hij zijn hermelijnen mantel over den arm, en plechtig wachtte hij de dingen, die zouden komen.
Een jonge man trad binnen en bleef aarzelend voor den zetel staan.
“Wat wilt gij?” vroeg hem Willem.
“Recht.”
“Dat beloven wij u. Spreek vrindje—”
De klager, die niemand minder was dan de echte graaf, boog zich terneder.
“Wij hebben lang genoeg gewacht—Zeg eindelijk, wat gij verlangt
“Mijn schoonvader houdt een herberg aan de Korte Poten, Uwe Hoogheid. Één zijner klanten is een liederlijke guit, een dronkaard, Willem van Nieuwen, die zijn beroep slecht verstaat—”
“Halt!” viel hem de rechter in de rede. “Dat is een leugen, want er is geen betere schoenmaker in de stad dan Willem van Nieuwen, en het is daarom ook, dat wij u als onzen vorstelijken wil te kennen geven, om slechts bij dien schoenmaker te koopen.”
Een oogenblik was het stilte. De lach kriebelde de hovelingen in de keel, doch allen wisten hun vroolijkheid tot daartoe in te houden.
Bladzijde 28De graaf zette zijn verhoor voort:
“Vertel ons, wat uw vader voor klacht heeft tegen den vroolijken Willem. Doch wees in uw woorden voorzichtig! Wij kennen den man nauwkeurig.”
“Mijn vader heeft den onwaardigen schelm—”
“Beleedig den man niet! Wees op uw hoede.”
“Hij heeft hem steeds op goed vertrouwen geschonken, doch nimmer eenen duit van hem ontvangen. Thans is Willem hem elf gulden schuldig, welke hij weigert te betalen. Heer graaf! brengt gij den man tot rede.”
“Wij weten van het geval, en we weten, wie uw schoonvader is. Het is de waard met de hazenlip en met den geknapten neus, dien hij in een vechtpartij heeft gekregen. Hij is zoo scheel, dat hij alles dubbel ziet, behalve de glazen, waarin hij schenkt, want die geeft hij maar voor de helft, en het is meer schuim dan bier, dat hij daarbij nog geeft. Wanneer Willem van Nieuwen hem meer dan vijf gulden schuldig is, laten wij ons hangen. Daar wij echter een genadig vorst zijn—”hierbij stond hij op—“zullen wij ditmaal genade voor recht doen gelden, en daar Willem een vroolijk kompaan is, dien wij een toegenegen hart toedragen, bevelen wij onzen rentmeester den klager elf gulden uit te betalen.“
Dit geschiedde:
De rentmeester telde den jongen man elf gulden uit.
Willem oogde hem na, tot hij de zaal had verlaten: Toen riep hij uit:
“Een onbeschaamd gezel. Het is jammer, dat wij hem niet hebben gevraagd, waar hij woont, want wij voelen lust, om hem eens te gelegener tijd af te rossen. Dat is voorbij. Is er nog een geding te beslissen?”
“Uwe Hoogheid is zeker vermoeid van dit rechtsgeding,” zoo sprak de maarschalk van Bourgondië, “en ik raad Uwe Hoogheid aan, een frisschen dronk te nemen, opdat de gedachten van Uwe Hoogheid kunnen rusten.”
“Hiertegen hebben wij niets in te brengen,” schaterde Bladzijde 29de schoenlapper. “Haal ons den lekkersten wijn, dien ge in den kelder hebt, en voorwaar! nu zullen wij u laten zien, dat niemand den graaf van Holland in het drinken evenaart.”
“Zeg dat niet te spoedig, heer graaf!” zoo zeide hem Jan de Berghes, “want voorzeker! ik heb reeds alle edellieden van Brabant in dat tournooi doen sneven.”
“De wedstrijd worde onmiddellijk aangegaan! Edele gemalin, reik ons de bekers.”
Niet zag de schoenmaker, dat zij Jan de Berghes' roemer slechts voor de helft, zijn eigen beker daarentegen telkens vol schonk. Hij dronk in een teug, en hij glimlachte, toen Jan de Berghes drie malen over zijn deel deed.
“Beken het ons maar,” schreeuwde hij, “dat ge niet tegen ons kunt overwinnen.”
“Het einde zal het leeren.”
Ze deden elkander bescheid. Weder ledigde Willem den beker in éénen teug, Jan de Berghes in drie.
“Hahaha! ge zijt voorzichtig … ge ziet, dat ge met een vermaard' drinker hebt aangebonden, en daarom vreezen wij voor u.
“Het zal anders komen dan ge denkt,” hitste jan.
De schoone Isabella lachte.
“Ons dunkt, dat onze gemaal zal winnen.”
Met schorre stem antwoordde Willem:
“Bijlo! dat zijn goede woorden. Als de heer van Berghes tegen den grond ligt, zullen wij er u met een kus mede beloonen.”
Onafgewend bleef ze hem aanzien, terwijl ze hem den boordevollen beker reikte.
“Doe thans ons met eenen teug bescheid,” zoo smeekte ze.
En weder dronk hij.
Toen de avond kwam, viel de vroolijke Willem als een overwonnene ter aarde, en hij snurkte, of hij de dooden moest wekken. Haastig kleedde men hem in zijn oude lompen. Hij bemerkte het niet, dat weder de heeren de Bladzijde 30Berghes en de Lannoy hem op de sterke schouderen droegen, thans om hem 't paleis uit te voeren. Zonder hem te schommelen, brachten ze hem naar het Voorhout, en legden hem daar ter plaatse, waar hij den vorigen avond gezonken was. Onhoorbaar verwijderden zij zich.
Willem snurkte.
Wat deerde 't hem, dat zijn kussen de aarde was, en zijn deken de koude nachtlucht? Hij was in een wereld van gelukzaligheid, waarin het leven een droom is. De echo van een blijde melodie was er in zijn sprookjesachtig bewustzijn en nooit had hij in den zonderlingen waan, die zijn slaap begeleidde, kunnen denken, dat hij de vroolijke Willem was, snurkend onder den blooten hemel. Ach neen! hij was de graaf van Holland, de schoone Isabella was zijn gemalin.
De wreede dag brak aan. 't Eerste roerlooze licht van den morgen schemerde bleekwit langs de takken der boomen, en alle hanen van 's Gravenhage kraaiden elkander tegemoet. Nog weifelde de zonnegloed boven de vage schemering, die de dag troebelde door den nacht. Het geheim van het duister was steeds nog in het Haagsche Voorhout, de zware boomen wilden den nacht behouden, doch daar in een onbewaakt oogenblik was 't het eerste zonnestraaltje, dat over 't mos schoot, en vol-uit volgde een bundel van rooden glans. Blijde begonnen ineens alle vogelen te zingen. Voor de huizen der 's Gravenhaagsche burgers kakelden de kippen, knorden de zwijnen. Smeden en timmerlieden hervatten 't ambacht …. En langzamerhand begonnen ook de mieren in het Voorhout haar dagelijksche taak. Haar drommen stieten tegen 't lichaam van den snurkenden schoenlapper. Ze beten.
Wee! zijn ontwaken.
Hij richtte zich op, keek om zich heen, wreef zich in de oogen, en greep toen naar zijn beenen en lendenen, waar de verontruste mieren haar ergernis toonden. Hij sprong op, bekeek zijn ellendige plunje, en krabde zich 't hoofd. Bladzijde 31Hij zeide niets. Hij zette alleen maar zijn mond wijd open, en bleef onbeweeglijk staan.
Toen zuchtte hij, en langzaam ging hij naar zijn huis.
Niet de schoone Isabella van Portugal, maar zijn vrouw met de wratten wachtte hem. Hare handen waren niet zacht. Ze voerden den bezemsteel, en ze hanteerden dien danig tegen den armen schelm, die niets van zijn vroolijkheid had behouden. Hij zette zich aan zijn werk. Zijn muren waren met oude schoenen behangen. Zijn vloer was van aarde, en er waren geen kleeden op. Ook was er geen zachte muziek in zijn woning—en terwijl de schelle stem zijner vrouw hem honende trilde in zijn verdoofde ooren, mompelde hij:
“'t Was alles maar een droom. Ik had 't wel kunnen denken—'t was maar een droom.”
In de Betuwe, Teisterbant, was eens een rijk heer, maar hij besteedde zijn geld niet aan goede dingen, en als er in de streek iets kwaads was geschied, zeide men:
“Dat heeft Gerard, de slechte heer, gedaan.”
Vroeger was hij een goed heer geweest, doch vele booze geesten loeren op de onschuldige ziel: hartstocht en eerzucht en speelzucht en heerschzucht, die allen een stem hebben binnen 't geweten der menschen. Een dag was er een jonge man op Gerard's slot gekomen, die hem een brief van een zijner vrienden had gebracht: sinds dien zag men hen altijd samen. Nimmer had Gerard iemand gekend, die hem dierbaarder was.
In die dagen was de weerwolf weder in de Betuwe verschenen, en men zeide, dat er vreeselijke dingen zouden gebeuren. Want waar slechte daden en gedachten zijn, is de weerwolf: 't is een groote hond met een vlammende tong en vurige oogen. Hij rammelt met zijn ketting en loopt rechtop als een mensch. Zoo hij een stal voorbij-komt, rukken de paarden zich los en snellen dol in de weide.
Gerard en zijn vriend zouden een avond huiswaarts keeren, toen ineens een wilde storm kwam opzetten. Het duister sloeg loodzwaar neer, en de wind was als een gillende vloek, die aanhoudend schreeuwde door de lucht. Het water der rivier in de verte grommelde; de stammen der boomen werden gebeukt als met bijlen, de knappende takken sprongen woest tegen elkander, en in een warrelenden dans, schuifelende als voetstappen, slingerden de losgelaten bladeren over de ongeziene aarde. Gelijk de weeklacht van een reus was deze nacht, één lang-gerekte gil snerpte uit het duister. Plots verstomde 't geraas, en duidelijk klonk voor Gerard 't rammelen van een ketting. Hij zag twee vurige oogen, die, hoe zijn angstige paard zich ook wendde, voortdurend naar hem gericht waren. Daarna was de storm bedaard. De avond schemerde vredig.
“Heb je die vreemde oogen gezien?” vroeg Gerard, Bladzijde 33en hij klopte 't bevende paard tegen den hals. “De landlieden zeggen, dat de weerwolf is teruggekeerd.”
“Dat is hij ook,” lachte zijn vriend. “Ik heb hem al vele malen bemerkt, wanneer ik des avonds over 't land zag.”
“Wat zou hij van ons willen?”
“De weerwolf wil niet, hij haalt, wat hem vervallen is.”
“Wat zal hij halen?”
“Ga 't hem zelf vragen. Ik kan hierop geen antwoord geven.”
Ze reden, zonder nog een woord te zeggen, naar het kasteel. Telkens zag Gerard zijn vriend aan, en het scheen hem, of er een gloed was in zijn oogen, welken hij bij een mensch nog nooit bemerkt had. Nadat zij eindelijk tehuis waren gekomen, en van hun paarden waren afgesprongen, vroeg Gerard:
“Waarom heb je niets tegen me gesproken?”
Het was een stem, die van verre scheen te komen, welke antwoordde:
“Laat mij—ik smeek 't je—op het oogenblik niets zeggen.”
Zwijgende liepen zij de gang in, en gingen naar de kamer. Gerard beval zijne dienaren, zich te verwijderen. Hij keek zijn vriend in de oogen, welke hem lichtend geleken als de oogen van den weerwolf.
“Zeg me, wat dit alles te beteekenen heeft?” vroeg hij.
De vriend antwoordde met doffe stem:
“Je hebt mij gekend, zonder mij te kennen. Weet je, wie ik ben?”
“Het leek, toen ik je voor 't eerst zag, of ik je al jarenlang had gekend, en of ik al jarenlang met je had gesproken—”
“Dat had je ook.”
“Van mijn jongste dagen, ja—ik zou bijna zeggen, van mijn geboorte.”
“Ja—ja.”
“Zeg me je waarlijken naam.”
“O mijn naam! …. Luister naar me, Gerard. Ik ben Bladzijde 34door den duivel gezonden, want door mij wist hij van je geheime, slechte gedachten.”
“Wie ben je dan?! Je naam, of—”
Hij nam het zwaard van den wand. Treurig sprak de ander:
“Je kunt me niet dooden. Ik ben en ben niet. Ik ben je grootste vriend en je grootste vijand. Ik ben een stem in je bloed, en door duivelsche macht heb ik menschengedaante aangenomen. Ik moet mijn plicht volbrengen. Zie! als je het zwaard in mijn hart stoot, zul je geen bloed zien.”
“Alles heeft een naam—de Duivel heeft een naam—de weerwolf heeft een naam.”
Nauwelijks had hij dit geroepen, of een ketting rammelde, en twee vurige oogen waren op Gerard gericht. Het scheen, of zijn vriend in de lucht vervloeide, en of er achter in de zaal een hond blafte.
Dit was de eerste keer, dat Gerard den weerwolf ontmoette. Het zou helaas! de laatste maal niet zijn.
Al had zijn vriend hem verlaten, toch geleek het den heer in Teisterbant, of diens stem altijd tot hem sprak, hitsend tot kwade dingen. Zacht zeide hem een klank binnen in zijn ziel, dat hij zijn oude, goede, trouwe makkers moest opgeven, en dat hij nieuwe, slechte kameraden moest zoeken.
Hij vond ze ook, want slechte vrienden zijn overvloedig. Het waren beruchte kompanen, met wie hij voortaan omging: sluwe oplichters, kaartspelers en drinkebroers.
Tot dusver was hij gewoon geweest, wanneer de oogst schraal stond, zijn pachters uitstel van betaling te geven: nu, in dit booze jaar, terwijl de weerwolf zijn kwaad bedreef, kende hij geen genade.
Er was een oude boer, die zijn geheele leven op een zijner pachthoeven had gewoond, en die thans in zwaren nood verkeerde, want de oogst was mislukt, en zijn vee was gestorven. Hij kwam bij hem op het kasteel, en smeekte hem om medelijden. Gerard vloekte en riep uit:
Bladzijde 35“Als je niet betaalt, jaag ik je van de boerderij als een hond.”
De oude man wrong zijn handen, en riep in doodsangst, o! doodsangst was het:
“Laat me op de boerderij blijven wonen.”
Gerard lachte:
“Als je betaalt.”
De oude man ging met moeden tred heen. Hij zag zijn heer niet aan—'t geluid echter zijner voetstappen, zooals ze klonken op de trap en op 't kiezelsteen van den tuin—was een verwijt, scherper dan woorden kunnen zeggen. Gerard luisterde er niet naar, en des middags vertelde hij in de kroeg, wat hij bedreven had.
Zijn beste vriend, die magere Hein werd genoemd, knikte hem goedkeurend toe, terwijl hij een oogenblik de kaarten liet rusten.
“Dat is goed zoo, Gerard, je had 't bijna niet beter kunnen doen!”
“Bijna niet—magere Hein?” vroeg de heer verwonderd, “wat bedoel je daarmee?”
“Er zou nog iets beters gedaan kunnen worden!”
“Wat meen je toch?”
Magere Hein nam de kaarten op, floot tusschen zijn tanden, en lachte:
“Vooruit! bestel nog een borrel, en we zullen kaartspelen.”
Gerard boog zich voorover en greep hem bij den pols.
“Leg je kaarten neer, ik wil weten, wat je bedoelt.”
“Ik wil alleen nog maar zeggen, Gerard, dat je een leerling in het vak bent.”
Ze speelden. Ze namen de kaarten, en gooiden ze neder, ze schudden ze, en gaven. Gerard lette niet op, en verloor. Hij was met honderd goudstukken in de herberg gekomen, maar na drie uur was er niets meer van zijn geld over. Magere Hein streek koelbloedig 't goud van de tafel, en liet het in zijn beurs vallen.
Bladzijde 36“Ziezoo! tot morgen,” lachte hij.
Gerard keek hem aan, en vroeg langzaam:
“Je hebt zooeven gezegd, dat ik een nieuweling in 't vak ben. Nu ik zooveel geld aan je heb verspeeld, mag ik zeker wel weten, watje meent.”
Magere Hein liet zijn beurs in den zak dansen, dat de goudstukken tinkelden.
“Zie maar eens naar de kleindochter van den boer, en je zult jezelf een antwoord geven.”
Verder sprak hij niet. Vóór de kroeg namen zij van elkaar afscheid.
Eenzaam ging Gerard den weg naar huis. Hij dacht aan den avond, dat hij met zijn vroegeren vriend den weerwolf ontmoet had, toen, na den storm, de weiden even zoo schemerig-vredig waren geweest. Als toen waren de slooten zoo blank en roerloos, en stil lag in hun schimmig zilver de schaduw der boomen. Onbewegelijk stonden eenige koeien op het land; vast, afgebakend was de diepe gloed van den horizon gespreid. Het landschap was zonder trilling en geluid, en het geleek Gerard, of er zelfs niet 't minste wolkje boven kon drijven, en of het verstard was tot aan den gezichteinder. Toen spalkte de gloed aan den hemel vaneen—een zwarte smook sloop lenig, wrong zich, door de opening, en boog zich spiedend naar beneden. Huiverend bleef hij staan. Een ketting rammelde, en aan den horizon lag de weerwolf, den muil wijd geopend, den vurigen tong wentelend, en de vreeselijke, gloeiende oogen naar zijn richting. Hij vermande zich, en riep:
“Weerwolf! zoekt ge mij?”
Dichtbij hem klonk een zacht gegrom, en toen hij den klank spiedend naderde, vloog een donker lichaam op en verdween met woeste sprongen in de verte.
“Weerwolf! booze wolf!” kreet hij.
Wankelend, een dronkaard gelijk, liep hij verder. Naast hem was een gedaante, die al zijn bewegingen nabootste, en hem in de ooren fluisterde:
Bladzijde 37“Waarom heb je mageren Hein niet gezegd, dat je den kleindochter van den boer reeds lang kende? Je wist, wat hij meende, je had de stem van zijn hart gehoord. Gerard! de tijd is rijp.”
De heer stond stil en met hem zijn schaduw, Hij ging verder, en weder hoorde hij naast zich den ritselenden tred, die deed denken aan 't glijden van een blad in den herfst.
“Pluk de bloeiende kersen uit den boomgaard, Gerard. Waarom heb je den ouden boer niet gezegd, dat hij op 't land kon blijven, als …. Jij kunt slecht zijn, want je hebt geld. Niemand durft zich tegen je te verzetten.”
Gerard sloeg de handen tegen zijn voorhoofd. Hij klaagde tot zichzelf:
“Is 't zoover met je gekomen? Onthef den armen man van zijn pacht—toen je vader nog leefde, woonde hij al op 't land. Laat 't volkje naam zegenen, en niet vervloeken.”
De gestalte naast hem spotte:
“Probeer je niet te verzetten, want dat lukt je toch niet. Ga nu maar dadelijk naar den ouden boer en zeg hem, dat hij de boerderij in ruil voor zijn kleindochter 'kan behouden. Dat brave geweten van je is machteloos geworden.”
Hiertegenover dreigde de stem, welke hem het goede voorschreef:
“Gerard als er een steen losgaat van den weg, volgen er meer. Je kunt nog terug—ga rustig naar je kasteel, en zoek den slaap des rechtvaardigen. Je weet wel, dat al je tegenwoordige vrienden je kwaad willen, verlaat ze! Het is ook laag, om den ganschen dag in een herberg met een verloopen sujet te kaarten. Eens kom je voor God's richterstoel, om verantwoording over je daden af te leggen. Wat zul je God dan antwoorden?”
Even zweeg de donkere schaduw, die met hem ging. Niet langer dan eenige seconden. Dan vleide ze:
“Wat is braafheid, en wat zul je ermede bereiken? Wees verstandig, Gerard. Men noemt je den schoonsten Bladzijde 38jongen man uit de streek, en zul je nu je jeugd laten voorbijgaan? Wie weet, wat er na dit leven is—Geloof de andere stem niet, die begrijpt er even weinig van als ik. Ik zeg je, dat je je moest schamen, wanneer je tegenover den mageren Hein komt te zitten, en hem zult zeggen, dat je den boer zonder vergoeding de pacht hebt vrijgescholden. Hij zal je uitlachen, en niet alleen magere Hein, maar ook lange Dries, en gezellige janus, ze zullen je met zijn drieën uitlachen, omdat je een domme, goede kerel bent. Er is nog nooit een braaf mensch geweest, die 't goed op de wereld heeft gehad.”
Nog geruimen tijd duurde deze tweespraak. Ten lange leste stond Gerard voor de deur van den boer, en hij kon de beide stemmen nog volgen.
Hij klopte.
Er kwam geen antwoord, en hij trad binnen.
De boer zat aan de blank-houten tafel, zijn hoofd tusschen beide handen. Hij bewoog zich niet, toen Gerard voor hem stond. Hij bleef voor zich uit-staren, gelijk iemand, die zich iets herinnert, en mijmerend terug-leeft. Zijn oogen waren vergroot, en onwillekeurig hield hij de handen, waarmede hij zijn gelaat ondersteunde, tot vuisten gebald.
Zijn kleindochter spon vlas—het wiel snorde, doch ze zong er geen lied bij. Zij dacht niet aan het verleden, zij dacht aan de toekomst. Wat zou Jan zeggen, als hij hoorde, dat zij de boerderij moesten verlaten? Zij spon het vlas—het wiel snorde, doch ze zong er niet bij.
Ze hoorde de klink van de deur, en hief 't hoofd.
Juist zóó was de vaag-roode tint van het avondlicht over haar bleek gelaat, en in gedempt goud werd haar blonde haar omvat. Terwijl aldus haar gezicht den stillen gloed ontving, vloeide uit haar handen, bij het spinnewiel, 't bloed weg, en wit, slank lagen ze bij het vlas.
Gerard naderde haar, en zag haar aan. Toornig richtte zij zich op.
Bladzijde 39“'t Huis hieruit, slechte man,” riep ze. “Je vriend is de weerwolf.”
Hij antwoordde haar met een schellen lach:
“Ik kom niet, om met jou te praten, maar met je grootvader.”
“O! slechte man,” fluisterde ze, “iedereen weet, dat weerwolf bij je is geweest.”
“Praatjes.”
“Jan heeft 't mij gezegd.”
Hij haalde zijn schouders op. Toen sprak ze dreigend:
“Jan is niet bang voor tien weerwolven, en hij zal me helpen. Want 't is uit slechtheid, dat je bij me komt….”
Eerst toen schrikte de boer wakker uit zijn mijmering. Hij verhief zich als een krachtig man en stelde zich tegenover zijn gast.
“Hier ben ik de meester,” riep hij, “en hier jaag ik weg.”
“Kom vriendje,” zei Gerard luchtig, “het was vanmorgen zoo boos niet gemeend. Ik heb ook veel geld verloren, en daarom was ik wat kwaad gemutst. Er is wel nader over te praten, beste man. Je hebt al jaren op de boerderij gewoond, en ik kan het toch niet over mijn hart verkrijgen ….”
De oogen van den ouden man waren plots als van een jongeling, die nog alles van het leven mag verwachten. Redding zou er komen, en gespannen wachtte hij op het heil. Zijn kleindochter echter, haar handen vouwend, smeekte hem, den heer niet te gelooven. Had Jan niet zelf gezegd, dat Gerard en weerwolf voor eeuwig een verbond hadden gesloten? Nadat ze dit had verklaard, schrompelde eenige seconden het lichaam van den boer inéén. Hij werd een grijsaard, voor wien de dood licht moest zijn; uit zijn oogen week alle glans, de groeven om zijn mond werden diep, zijn handen begonnen te beven. Het vreeselijk vermoeden begon in hem te leven. Toen tintelden zijn spieren, zijn arm werd recht, en zijn vinger wees Gerard de deur.
Bladzijde 40“Als ik nog een jonge kerel was,” riep hij, “zou je er zoo genadig niet afkomen.”
Met gebogen hoofd verliet de heer de boerenhoeve. Hij meende, dat zich nu zeker de schaduw weder bij hem voegen zoude, maar dit geschiedde niet. Ook zweeg zijn geweten, en aldus was er noch een goede noch een kwade stem sprekend, welke hem verweet of aanhitste.
Juist zou hij de laan, welke naar zijn kasteel voerde, ingaan, toen hij achter zich haastige schreden hoorde. Hij wendde zich om, en zag jan, den geliefde van het jonge meisje, op zich afkomen. Voor hij wist, wat er gebeurde, lag hij al in een greppel naast den weg, met een hoofd vol deuken en gaten.
Dat gaf den volgenden dag in de kroeg een schaterende vreugde, nadat hij zich zijn vrienden had vertoond!
Gezellige janus sprak 't eerst.
“Ze hebben jou ook aardig de veeren uit-getrokken,” zoo lachte hij, “en ik moet zeggen, dat er weinig van je is overgebleven. Ben je gevallen, broeder, of was je zoo buiten Westen, dat je tegen een muur bent aangeloopen? Ze zeggen hier, dat je door een boerenjongen bent toegetakeld, maar dat geloof ik niet. Of zou er toch soms iets van waar zijn?”
Lange Dries nam de kaarten op, schudde ze, en sprak peinzend:
“Ik heb 't voor je opgenomen, want ik kon niet denken, dat je 't getuigenis van een sterke vuist zoo op je gezicht zou dragen. Vertel ons, kindlief, wat er gebeurd is.”
Ze spotten nog langen tijd, doch eindelijk sloeg magere Hein met zijn vuist op tafel en schreeuwde:
“Laten we 't hem zeggen, waarom geen van ons allen dergelijke ongelukken gebeuren. Wij hebben er ons voor weten te vrijwaren. Wij hebben een contract met den weerwolf afgesloten, die helpt ons, als wij hem oproepen.”
“Stil ….” zei Lange Dries, “zijn tijd is nog niet gekomen.”
Bladzijde 41“Wat—niet gekomen! Heeft hij geen lust om zich te wreken?” Hij richtte zich tot Gerard. “Heb jij geen lust, om je te wreken?”
“Ja.”
“Dan moet je te middernacht naar een kruisweg gaan, daar komt de weerwolf in menschelijke gedaante—Eerst zie je hem niet … let dan op het rammelen van den ketting—zeg dan: ‘in naam van den Duivel ben ik hier,’ en je zult raad krijgen, zooals je nooit iemand heeft gegeven.”
Gezellige Janus smakte met de lippen.
“Dan is 't klaverblad van vier gered.”
“Hebben jullie—” vroeg Gerard dof, “allen een verbond met den weerwolf afgesloten?”
Zij zwegen, de drie pratebroers. Ja, zij waren in weerwolf's macht, en ze hoopten, dat hij Zou worden als zij. Als hij te middernacht naar den kruisweg ging, zou hij een middel vinden, om zich op Jan te wreken.
Gedachteloos speelde hij kaart, en gedachteloos verloor hij.
Bijna te middernacht verlieten de vrienden elkander. Gerard was vastbesloten den raad van mageren Hein op te volgen, en hij liep naar den kruisweg.
't Klokje van den verren toren sloeg twaalf uur—hij hoorde 't rammelen van een ketting, toen sprak hij met vaste stem:
“In naam van den Duivel ben ik hier.”
Hij gevoelde, dat iemand op hem toe-trad, tot hij vlak bij hem was. 't IJzer sleepte achter de gedaante aan, en ketste tegen de steenen, met zacht-klingelend geluid. Hij hoorde een moede, treurige stem:
“Je hebt mij geroepen, Gerard. Hier ben ik.”
Waar had hij die stem eerder vernomen?
“Magere Hein heeft je gezonden—” vervolgde de gestalte, “en je wilt je op Jan wreken. Dat kan gebeuren. Ik heb gehoord, dat hij gauw wil trouwen, en dat hij een Bladzijde 42eigen boerderij zal zetten. Dan is jouw tijd gekomen en ik zal je helpen.”
“Wat moet ik voor uw hulp geven?”
“Je hebt me in den naam des Duivels geroepen en daarom eisch ik je ziel.”
Gerard werd vervaard over deze woorden, en hij riep, dat hij zijn ziel niet wilde verpanden. Hij wilde vluchten van deze plaats, maar de weerwolf legde hem een klauw op zijn schouder, en beloofde hem, dat hij niet voor niets zijn ziel behoefde te geven. Hij zou ongestraft wraak mogen nemen, en tot den Oudejaarsavond zou hij over zooveel geld mogen beschikken, als hij-zelf wilde. Op Oudejaarsavond echter zouden de weerwolf en hij kaartspelen: zeven spelen, en de inzet was Gerard's ziel. Wie 't meeste ervan won, zou de ziel mogen hebben.
Dit nam Gerard aan. Hij besloot bij zichzelf, om in het volgende halfjaar nog meer te kaarten dan hij tot dusver had gedaan. De weerwolf beloofde hem zooveel geld, als hij maar wilde, en dus zou hij nooit arm kunnen worden. Den volgenden morgen was hij al vroeg in de herberg, doch magere Hein zat er reeds, vóór zich een groote pot bier.'
“Je bent er ook gauw bij,” lachte magere Hein, “de hanen hebben waarentig nog niet allemaal gekraaid, en je bent toch zeker na middernacht naar bed gegaan?”
“Kom! laten we spelen.”
De waard bracht de smerige kaarten en legde ze op tafel.
Thans vonden zij het niet meer de moeite waard, om woorden te verspillen. Ze haalden hun beurzen voor den dag, beide met goudgeld gevuld, en ze smeten ze naast zich. Toen speelden ze. Buiten was het schoone zonnelicht, de vogels zongen, en het geheele zeldzame feest van den zomerdag nam een aanvang. Zij zaten in de berookte, besmookte herberg, en zopen en kaartten. Ze loerden, om elkander te verrassen; Gerard lette goed op zijn spel, hij waagde niets: zijn oude tegenstander was hem echter de baas, en 't klonk onophoudelijk van goudgeld naar Hein's Bladzijde 43kant. Eindelijk was de beurs van den heer leeg, en hij haalde een nieuwe voor den dag. Weder begon en herbegon het spel. De waard ging af en aan, zoodra een kroes of glas was opgedronken. Zij zopen, en het hitste hen aan tot sneller geven en nemen der kaarten. Toch gaf Gerard voortdurend acht—

Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten
Wat baatte het hem? Ook de tweede beurs met goud raakte hij vóór den avond kwijt.
Ze zouden van elkander afscheid nemen. Lachende zeide magere Hein:
“Gerard! de weerwolf heeft je geen kaarten geleerd.”
“Dat zal ik mezelf leeren—en jij zult 't me leeren.”
Deze belofte kwam hij na. Langzamerhand kon hij evengoed spelen als magere Hein, en niemand kon zeggen, wie 't minst en wie 't meest verloor. Daarom was magere Hein ten zeerste vertoornd, want hij had al den tijd als de beste zes-en-zestiger van den omtrek gegolden. Binnen een maand was hij zijn roem al kwijt.
Hij zon op nieuwe middelen, om Gerard te grieven.
Op een morgen, dat de heer in de kroeg trad, noodigde hij hem niet dadelijk uit, om een spelletje te kaarten. Hij schoof Gerard een glas wijn toe, en vroeg:
“Zullen we eerst eens wat drinken?”
“Waarom?”
“Dan kun je beter met elkaar praten. Heb je gehoord, dat jan, die jou de leelijke poets heeft gebakken, een eigen boerderij gaat bouwen?”
“Wat zeg je?”
“Een eigen boerderij …. Ja—ja—en je hebt 't hem nog niet betaald gezet.”
Dien dag speelde magere Hein verreweg het beste, zoodat de kompanen in de herberg er zich over verwonderden. Gerard verloor goudstuk na goudstuk, en toch scheen het, dat hij geheel in zijn spel verdiept was. Hij boog zich over zijn kaarten, zijn voorhoofd was in diepe groeven gerimpeld, en zijn stem, wanneer hij een enkele Bladzijde 44opmerking sprak, klonk boos. Iedereen geloofde, dat het was om zijn ongeluk.
“Trek 't je niet aan,” zeide magere Hein, toen zij eindelijk de kaarten voor goed hadden neergelegd, “vandaag jij morgen ik.” Hij meende dit niet, doch hij wilde hem niet ontmoedigen.
“Geen nood,” riep Gerard uit, “'t zal niet lang meer duren, of je ziet me terug.”
Recht-aan, recht-toe—hij dacht niet meer aan 't geld, dat hij verspeeld had, want hij zou 't terug kunnen krijgen, wanneer hij 't wenschte—ging hij naar den kruisweg. Daar wachtte hij tot middernacht, toen fluisterde hij:
“In naam van den Duivel ben ik hier.”
Er klonk zacht gerinkel van een ketting. Hij hoorde een stem:
“Mijn vrienden behoeven dat niet meer te zeggen. Ik ken ze al van ver. Ik weet ook, waarom je komt. Het wordt je tijd, om je op Jan te wreken. Hij zou nu spoedig met het meisje trouwen, wanneer wij het hem niet zouden beletten. Wacht nog één maand, en je zult hem zijn slagen betaald zetten! Heb je nog iets anders te wenschen?”
“Neen.”
“Dan tot over een maand, als de boerderij gereed is.”
Nog even rammelde de ketting. Toen was de stilte rondom hem.
Langzaam, als wieken van een molen bij tragen wind, gingen de dagen voorbij—en in deze maand verloor Gerard meer dan drieduizend goudstukken aan mageren Hein. Men gaf dezen weder de eer, dat hij de beste kaartspeler was. Niemand wist, waarover de heer peinsde, als hij met gefronst voorhoofd bij de tafel zat.
Het bouwen der hoeve ging voort.
Eindelijk kwam de dag, dat ze gereed was. Slechter dan ooit speelde Gerard. Met ongeduld beidde hij den avond.
Toen hij om tien uur bij de boerderij stond, bemerkte hij tot zijn verwondering, dat ze verlaten was. Bladzijde 45Hij lag lang uit bij de rivier, hij hoorde zijn hart bonzen.
Wat zou er geschieden?
Eerst heel ver, daarna dichtbij, hoorde hij een geluid, dat op het zwellen van den storm geleek. Daartusschen schuurde een ketting door de lucht, zoo duidelijk, als ware dit de eenige klank in den stillen avond. Gerard meende, dat het noodweer kwam opzetten, en hij keek naar den hemel. Alle sterren en planeten echter van het heelal flonkerden, en de glans stroomde over de lucht, over de aarde, een wijd meer gelijk, waarop het zonnelicht is.
Ineens zag de heer, dat twee der sterren zich losmaakten van den egalen gloed, en snel dalend, vlammender en vlammender, zich naar hem bewogen. Het rammelen van den ketting werd een woeste ijzerdans, dreunend als groote stukken ijzer op ijzer gesmeten. Hij borg zijn handen voor de oogen ….
Naast hem lag de weerwolf.
“Je dag is gekomen, Gerard,” zeide de droevige stem, “zooals ik je beloofd heb. Ga mede—er is niemand in 't huis, daar heb ik voor gezorgd.”
De heer stond op, en liep naar de hoeve. Ze waren voor de schuur gekomen.—Geen enkel woord zeide de weerwolf. Hij nam twee steenen, sloeg die tegen elkaar, de vonken spatten eraf op droog rijs, dat voor hem lag—even smookte het, een kleine vlam slingerde zich van takje op takje, meerdere vlammen volgden, vermengden zich met elkander, werden een vuurtje, een vuur, dat vonken en vlammen afdrong tegen 't hout der schuur, een laaiende tong lekte ook daar, vuur werd het, vuur en vuur warrelden dooreen, het was brand!
“Kom,” beval de weerwolf. “Niemand hoeft je hier te zien. Ga naar de herberg, en blijf daar zitten—dan kan niemand je iets bewijzen.”
Rustig zat Gerard in de kroeg. Hij vond er gezelligen janus, en hij stelde hem voor, een spelletje te domineeren. Zij speelden Russisch. Gerard had steeds de meeste Bladzijde 46zevenen, en dubbel blank scheen hem niet te verlaten.
Iemand rukte de deur open, zag naar binnen, schreeuwde:
“Brand!” en verdween.
Tegelijkertijd sprongen de twee vrienden op, en renden buiten de kroeg.
Aan den hemel dreef een rossige rook, die breeder en dikker werd, tot hij 't gansche firmament vulde. Het was niet te zien, waar het vuur precies was, want 't geheele gehucht leek wel in vlammen te staan. Zuilen van vuur rezen in de hoogte. Een luid geroep van stemmen was er over de straat, en de klok luidde men, dat men in de nabijzijnde dorpen hulp zou bieden. De brandweerkar rolde aan, en alle jongelingen holden mee, om met het spuiten te helpen. Er formeerden zich ploegen, om elkaar af te wisselen, en sissend sprong de eerste waterstraal, als een stuk ijzer zoo sterk en blank, door den vurigen gloed, doovend, wat in den weg kwam. Ook Gerard wilde zich bij een ploeg voegen. Men wilde het niet. Bits riep één der jongelingen:
“Wie er schuld aan heeft, hoeft niet te helpen.”
Gerard lachte en antwoordde:
“Ik heb er geen schuld aan. Vraag 't maar aan gezelligen janus.”
De spuiten der andere dorpen renden aan, en in het hooge vuur drongen van alle zijden waterstralen, als scherpe messen, die tegen elkaar worden gewet. De vlammen slonken, en een benauwende rook sloeg uit de puinhoopen van 't huis. Na uren werkens was in den morgen 't laatste vuur tegen den grond geslagen. Er stond een wacht bij 't huis. Toen sloop een eenzaam man, de eigenaar van deze ruïne, naar de plaats, weenend en hij schreeuwde:
“De wraak des Hemels voor wien dit heeft gedaan.”
Iemand der wacht troostte hem:
“Hij zal zijn wraak niet ontgaan.”
Er waren er velen, die hoopten, dat de rechter zou straffen. Dit geschiedde niet. Wel beval de rechter, dat Bladzijde 47Gerard bij hem zou komen—hij was nog een oud vriend van zijn vader—en hij praatte langen tijd met den heer.
“O Gerard!” sprak de rechter, “wat hoor ik slechte dingen van jou. Toen je een klein kind was, heb ik nog met je gespeeld, en nu hoor ik, dat je een kaartspeler bent, en met mageren Hein omgaat, die je zeker tot gemeene dingen aanzet. Ik had dat vroeger nooit van je gedacht.”
Dat heeft de rechter gezegd.
Wie er berouw had, niet de heer. Wanneer de nonvlinder in het dennenbosch is, blijft er van het hout niets over. Had hij niet den weerwolf—in ruil voor wraak en geld—zeven kaartspelen op Oudejaarsavond beloofd? Nu hij de gevangenis niet inging, had hij zich met mageren Hein te oefenen. Iederen dag kwam hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de kroeg—en de beide menschen zaten tegenover elkander, en kaartten. Nu weder wist niemand, wie van tweeën het beste zes-en-zestigde. Met rustig hoofd overwoog Gerard zijn kansen.
Na eenige maanden mompelde men, dat de heer de overwinnaar was. Nooit vergiste hij zich in het aantal, troeven, dat nog over was, op het rechte oogenblik kondigde hij een twintig of een veertig aan, zonder ooit een vrouw of heer voor den tijd weg te geven. Het was de beurt van mageren Hein, om zijn goudstukken te betalen. Iederen dag verminderde zijn rijkdom.
Magere Hein had een dochter, die van zijn slecht gedrag niets wist. Ze begreep het niet, dat haar vader iederen dag met Gerard in de kroeg zat, want haar ziel was jong en vol vertrouwen. Nooit duldde magere Hein, dat er kwaads van zijn dochter werd gezegd. Er waren wel eens aterlingen, die met haar spotten, doch niemand durfde dit in gezelschap van den vader.
Het was het mooiste meisje der Betuwe, en zooals er geen schooner kerselaren zijn dan in de Betuwe, zoo zijn er geen mooier meisjes dan daar. In het voorjaar zien wij Bladzijde 48de witte bloesems, guirlanden van witte bloesemen, tuinen van witte bloesemen, een wijde, witte schoonheid, een duizelingwekkende belofte; nooit stelt de vervulling van zomer en herfst teleur. Zang en dans hebben zij daarom lief, de meisjes van de Betuwe. Ze zijn de schoonste der wereld: hoe wonderschoon moet zij dan wel zijn, die haar koningin wordt genoemd? Zij is de sprookjesachtige belofte en de werkelijke vervulling.
Dat was de dochter van mageren Hein. Het was een boos uur, dat Gerard haar ontmoette, en zij, verwonderd, zijn knik beantwoordde. Een valsche melodie speelde door zijn ziel.
Het duurde wel een maand vóór Gerard met den vader over 't meisje praatte. Magere Hein was met een volle beurs gekomen—hij moest met een leege heengaan. Verdrietig zeide hij:
“Daar blijft van mijn geld niets over.”
Gerard boog zich naar hem over, en fluisterde:
“Ik heb je dochter lief, magere Hein! Als je mij je dochter geeft, betaal ik je al je geld op den huwelijksdag weerom.”
“Nooit—nooit—”
“Je hebt 't mij zoo geleerd,” zeide Gerard met een duivelschen glimlach, “weet je nog wel, datje mij een leerling in het vak noemde?”
“Zoo heb ik dat niet bedoeld.”
“Hoe heb je 't dan anders bedoeld—'t is gelijk, of 't de dochter van een boer is, of jouw dochter is 't!”
“Mijn dochter zal niet met iemand trouwen, die met den weerwolf heult.”
Gerard liet zijn goudstukken in zijn zak rammelen.
“Zonder dát zul je niet kunnen kaartspelen, magere Hein.
“Dan laat ik 't vervloekte kaartspel.”
“Dat kun je niet meer. 't Kaartspel heeft jou te pakken. Ik wil je eens wat zeggen, magere Hein. Zullen wij om je dochter zes-en-zestigen? Wie van dertien spelen er Bladzijde 49't meest wint, heeft gewonnen. Jij zet je dochter als inzet en ik duizend beurzen met goud gevuld. Is 't aangenomen?”
“Neen—”
“We zullen zien.”
Twaalf dagen kwam magere Hein niet in de kroeg. Den dertienden dag verscheen hij. Hij riep om een borrel en om kaarten. Het spel nam een aanvang.
En van de dertien spelen won Gerard ze alle.
“Je dochter is de bruid,” lachte de heer.
“Je zult haar hebben,” zei magere Hein schor.
Het is geen vroolijke bruiloft geweest. De organist kon dien dag niet spelen, daar hij ziek was. De dominé sprak slechts enkele woorden, en buiten sloeg de regen met felle stroomen neer. In den avond was er storm, zooals er nooit in de Betuwe was geweest. Alsof duizend kettingen tegen elkaar stieten, zoo gierde de wind over de vlakte. Een fel hahaha, nu eens gierlachend, dan weer klagelijk weenend, sloeg door de lucht, en liet een angstwekkende echo na, welke niet breken wilde. Een heksensabbath van woeste stemmen gilde ver en dichtbij, vreemde geruchten waren er in schuur en stal, die geleken op buigen en kraken van dood hout en toch in hun nameloos wee een levende ziel verborgen.
De bruiloft van den slechten heer met 't mooie meisje voorspelde niets goeds. De weerwolf zou zijn buit wel halen, zeide men in de Betuwe.
Gerard speelde nu met zijn schoonvader niet meer om geld. Het was hem er alleen maar om te doen, dat hij oefening zou krijgen. O! hij zou beter spelen dan de weerwolf. Toch verschool zich een geheime angst in zijn bloed—: wat zou er op Oudejaarsavond gebeuren? Eerst laat in den nacht kwam hij thuis—vroeg vertrok hij weder. Hij moest kaarten, kaarten, kaarten …. Soms was 't hem, of een donkere gedaante achter hem stond, wanneer hij speelde … soms hoorde hij den sleependen ketting …. Zijn droomen werden gekweld door dien sidderenden Bladzijde 50klank, een bedreiging voor hem, die hem nooit rust liet. Hij werd als een man, die geen jeugd heeft gekend, somber en in zich zelf pratend. Als hij over een eenzamen weg ging, zag hij de vale, vluchtende gedaante van den weerwolf steeds voor zich. Kwam hij op zijn slot, dan was hij korzelig tegenover zijn vrouw, alsof zij 't helpen kon, dat hij ongelukkig was. Het gerucht, dat hij haar sloeg, was de waarheid. 't Meisje, dat eens zoo blijde en vertrouwend naar 't leven had gezien, of het een bloesemende boomgaard ware, had nu lichtschuwe oogen. Haar teere schouders waren gebogen, als rustte er een last op. Ze wist, dat ze met een kaartspeler was getrouwd, die geheele dagen achter elkander met haar vader in de kroeg zat, en wanneer ze aan de toekomst dacht, zag zij in de eindelooze ellende, het langzaam-aan verdwijnen van het verleden, en de onafwendbare nadering der dagen, die eens verre waren. De tranen zouden tranen volgen. Het leed zou zijn teekening in haar gelaat groeven.
De Oudejaarsavond was voor haar een marteling. Ze kon niet aan het verleden denken, ze durfde niet denken aan de toekomst. Daarom voorzeker is het geweest, dat zij om zeven uur uit het kasteel ging, en Gerard alleen liet in de groote zaal.
Nog vijf uren had de heer te wachten, voor hij zijn vonnis zou vernemen. Hij wilde het noodlot afwenden en hij deed drie grendelen voor de poort. Hij had een grooten bloedhond: dien stelde hij ter bewaking. Hij sloot de deur van de groote zaal, en stak alle kaarsen aan, zoodat hij den nacht vergat. De vensters wapende hij met luiken. Nu mocht de vijand probeeren te komen.
De wijzers der klok schreden voort, en de geluidlooze tijd deed zijn plicht. Als er een kaars was uitgebrand, stak Gerard een nieuwe op den blaker aan. Zóó bleef het volle glans tot elf uren.
Net of er een koelte wuifde langs de rossige vlammen, sloegen ze heen en weer. Gerard ging naar de vensters Bladzijde 51en zette de luiken vaster. Roerloos lag de bloedhond vóór de gegrendelde poort.
Het was koud in de zaal. Hij wierp eenige blokken op het vuur—wel warrelden de vonken op, maar zij brandden niet. Hij strekte zijn handen naar den haard uit—zijn vingers bleven koud.
Hij hoorde den koekoek van de klok twaalf malen, voor hij wist, dat er een uur was verloopen. Een ketting rammelde … hij wendde zich om … de weerwolf stond achter hem.
“Ik ben hier, om te kaarten,” zeide hij, “heb je alles klaargelegd?”
“Nee,” antwoordde Gerard.
“Zie dan naar de speeltafel—daar liggen de kaarten.”
Hij zag 't spel liggen. Een hoopvolle gedachte verdrong zijn angst.
“Maar als de kaarten gemerkt zijn?”
“Dat zijn ze niet, doch jij mag schudden en geven, en ik zal met den rug naar de kaarten gaan zitten. Jij zegt me dan, wat je opspeelt, en schuift me mijn kaart toe.”
Aldus speelden ze.
Het eerst won Gerard, toen de weerwolf.
“Quitte,” riep deze.
't Volgend spel was voor Gerard, het vierde voor den weerwolf.
“Quitte alweer.”
Het vijfde spel won de weerwolf, het zesde Gerard.
“Quitte ten derde male.”
Het klonk spijtig, en nu was er vrees in weerwolf's stem. Zou de ziel hem ontgaan?
Het ging om het zevende, of laatste. Hij rammelde met zijn ketting.
De heer sloeg de handen aan zijn hoofd. Alle oefenspelen met mageren Hein waren in zijn denkend brein verzameld. Het zou er nu op aankomen, wat hij had geleerd.
Schoppen was troef.
Bladzijde 52Bij den derden slag speelde Gerard een twintig uit. Hij beefde van geluk. Ja, hij zou mogen winnen.
Het was de laatste tour en nog had geen van beiden zes-en-zestig geroepen. En ineens kwam er een jubeling in Gerard. Hij zou het spel niet verliezen. Hij nam een ruiten negen met een ruiten boer. Hij had klaver-aas in de hand, en hij moest uitspelen. Alle troeven waren er toch uit? Aas, heer, vrouw, boer, tien—ja—
En hij speelde den klaver-aas. Hij had één kaart vergeten.
“Troef,” riep de weerwolf. Hij gooide met een behendigen zwaai schoppen-negen op tafel en draaide zich meteen om, Gerard met zijn klauwen grijpend.
“Troef—en zes-en-zestig.”
Hij voer met Gerard's ziel ter helle. Bladzijde 53
Ook in ons land, en wel in Utrecht, heeft een basiliscus zijn helsch wezen vertoond, nadat hij lange jaren deze streken had gemeden. Reeds had dit monster in het jaar 513 bij Dokkum achttien menschen geveld, die zijn oogen hadden gezien, en acht eeuwen later vond men weder een zeer grooten basiliscus in den put van Oldeboorne. Toen men hem ophaalde, waren het weder achttien menschen, die door hem werden gedood: even flikkerden zijn oogen, en dát vuur sloeg de sterfelijke lichamen in, welke asch werden. Men gaf allerwege acht, dat er geen basiliscus werd geboren, en men kon dit met eenige moeite wel beletten. De duivel, die op de menschelijke ziel loert, weet, dat hij gehaat wordt als vijand der wereld, en hij moet meer listig zijn dan sterk, wil hij den schat van ongeloof en twijfel naar de hel mededragen. Zijn trawanten vindt ge daarom onder onschuldige dieren, welke hij onder betoovering brengt, waarvoor zij later dikwijls moeten boeten, of het menschen waren. Evenals heksen mogen zij niet langer leven, want wat met den Duivel heeft verkeerd, is gevaarlijk voor het grootste goed ter aarde—slechts te betalen met hemelsch gewin: de ziel.
Daarom handelden de menschen wijs, als ze acht sloegen op de hanen. Sommige hanen waren er, die eieren legden zonder dooier, en deze werden uitgebroed op een mesthoop; men zeide, dat een schildpad ze stoofde. Als het ei openbarstte, kwam er een basiliscus uit, een vervaarlijk monster, welks kop zoo vreeselijk was, dat niemand dien aan kon zien, zonder den dood te sterven. Geen wezen op aarde, dat hem niet ontvluchtte: ja, hij ontvluchtte, hoe vreemd het klinken moge, zichzelf, want hij was bang, zijn eigen oogen te aanschouwen, die ook hem den dood moesten brengen. Hij vlood in donkere putten en kelders, liefst onder een brouwerij, en daar heeft ook de basiliscus van Utrecht gewoond. Hij was uit het hanenei gekropen, en het zonnelicht vreezend, dat op meer en vaart heldere Bladzijde 54spiegels, zelfs zonder rimpeling, nederlegt, had hij 's nachts onder een brouwerij redding gezocht. Twee felle vlammen waren zijn oogen.
Een man ging naar beneden, in opdracht van den bierbrouwer: misschien had hij 't schuimend vocht te schenken, frisch uit het vat, misschien ook viel er iets te verplaatsen of te vertimmeren. Men was verwonderd, dat hij niet wederkeerde, en men schertste een weinig, meenend, dat hij zich op zijn eentje te goed had gedaan: ongetwijfeld was de zoete slaap zijn geest en ziel binnengedrongen, en waren zijn gedachten ver van de zorg dezer wereld. Ten leste werd de patroon ongeduldig; hij riep en vloekte, dat de kerel boven moest komen, en men kreet met luide stem in den kelder. Toen er geen antwoord kwam; meende men, dan hij meer Danziger of Maastrichtsch of Leuvensch bier had gedronken, dan voor een zwakken slaap paste, en wat woorden niet konden bereiken, zou wellicht een flinke trap of oorvijg kunnen brengen. Een stevige kornuit ging naar beneden, en hij zag, dat de man dood terneder lag. Hij wilde roepen, maar zijn blik gleed af en hij staarde in de oogen van den basiliscus.
“Nu moet ook ik sterven,” dacht hij, want een vlam sloeg om zijn hart. Met de handen greep hij naar de plek zijner pijn, en de basiliscus bleef hem aanzien, den grooten hagedissenkop vooruit, en de scherpe stekels op zijn lichaam stonden loodrecht opgericht. De man gevoelde, dat de vlam in zijn lijf verder sloop, op de wijze van het vuur, met een spits einde eerst lekkende, voor zij zich verbreedde.
Zoo ook dringt de smart der liefde vleiend en verterend in 't willoos bloed des menschen, want het onvervuld verlangen is een basiliscus, wiens oogen dooden, en dat zichzelven zou dooden, als het zichzelven ooit zien kon.
De jonge man, die naar beneden was gezonden, viel ook terneder, en de twee vuren in den kop van het monster staarden de duisternis tegemoet.
Bladzijde 55Hoevelen de basiliscus gedood heeft in Utrecht; is niet bekend.
Er is geen kroniek van, gelijk voor Dokkum en Oldeboorne: doch wel afschuwwekkender moet zijn leven geweest zijn, daar men er nog vele eeuwen over heeft gesproken.
Hij was niet te dooden, als draken of waterslangen, die immers een dapper ridder met zijn zwaard kan verslaan, nadat ze veel menschen ten verderve hebben gevoerd. 't Is een vreeselijker ondier dan alle andere. Onbeweeglijk ligt hij in duisteren kelder, en hij heeft den kop slechts te wenden naar zijn vijand, om dezen te doen wankelen en te verteren. En wanneer er ook eens een mensch gevonden werd—maar dit is bijkans onmogelijk—die niet sterft door de vlam om zijn hart, dan is één prik der rechte stekels voldoende, om te dooden.
Hoe de stad Utrecht van den basiliscus te bevrijden?
Iemand, meer knaap dan man, bood zich aan, om met hem te kampen. Men bezag hem vol deernis, want het is wel wreed, als een jongeling moet sterven. Maar hij kwam vroolijk, en liet zich een blinddoek voor 't gelaat binden; opdat hij de vreeselijke oogen niet zou zien. Men vroeg hem naar zijn wapen. Was 'teen speer of boog, of een slinger, gelijk de knape David had, die Goliath wilde verslaan?
Hij wees op zijn borst, waarop een plank rustte, en niets anders.
“Weet ge dan niet?”—zoo vroeg men hem, “dat de basiliscus stekels heeft? Hij is een groote hagedis, dien ge niet hooren kunt, zoo hij nadert, en zien kunt ge hem ook niet, met uw blinddoek voor het gelaat.”
Hij lachte slechts, zooals een onbezorgde knaap, die 's levens strijd en wreedheid nog niet kent, kan lachen. Hij behoorde tot hen, die wereldsche smart tegemoet gaat met een blinddoek voor de oogen, doch met het wapen van reinheid op zijn borst. Men aarzelde. Zou men hem doen dalen, tot voor het vreeselijk monster? Weder Bladzijde 56lachte hij, en met jongen, lichten tred liep hij naar beneden. De basiliscus hoorden zijn schreden, en hief den kop. Zijn oogen waren vlammen, maar de knaap stierf niet, neen, hij liep zorgeloos, en tastte slechts even. Nog feller vlamden de oogen van den draak, en de jongeling lachte maar.
Langzaam kroop de hagedis naderbij. Zoo de vijand niet stierf door het vuur, zou hij sterven door het vergift. Was er een mensch, die den basiliscus kon ontgaan?
Toen wendde de knaap de plank, die op zijn borst rustte, en hij hield de voorkant naar de richting der duisternis, welke vóór zijn blinddoek was.
De basiliscus snelde op hem toe, en plotseling zag hij zijn eigen oogen, daar het een spiegel was, dien den jongeling met zich had meegedragen, glas der zuiverheid en der waarheid, dat hij voor het monster plaatste.
De vlam, die allen hadden gevoeld, sloeg 't eigen lichaam van den basiliscus binnen, en hij werd verteerd tot asch en tot niets. Bladzijde 57
Niet uit alle haneneieren kruipt een basiliscus: ook worden er heksen uit-gebroed, die het vee betooveren, schepen beletten uit te varen, en kinderen kwellen. Een goede honderd jaar geleden heeft er in Bolsward ook zulk een heks gewoond.
Op het Hoog leefde een gelukkig echtpaar met vele, gezonde kinderen. Alleen het jongste was altijd ziek, en de buren zeiden, dat het wel betsjoend kon zijn.
Doch wie was de tsjoenster?
Er woonde in de Witheerensteeg een vriendin der vrouw, die veel van kinderen hield. Ze kwam dikwijls op het Hoog, om een praatje te maken, en dan nam ze het kind, op haar schoot, en ze kuste het met veel liefde. Ze wiegde het in haar armen en zei:
“Do earm skiep. Do earm skiep.”
Als ze zich naar 't kind overboog, was er moederliefde in haar blik. Als dokter kwam, schudde ze medelijdend en mistroostig 't hoofd, alsof ze zeggen wilde:
“Kun je voor het arme schaap niets doen?”
Wat probeerde men al niet? Duizend middelen, die in dikke boeken staan! Een dokter kan niet helpen, als 't kind betsjoend is. Om die ziekte tegen te gaan, heeft men sterkere hulp noodig. De eenige, die raden kan, is de duivelbanner. Deze weet alles en kan de heks verjagen, haar zelfs doen sterven. En wat kan een dokter doen tegen een tsjoenster? Hij gelooft er zelfs niet aan!
“Weet je, wat ik doe?” zei eindelijk de man. “Ik ga den duivelbanner opzoeken.”
Dat dras een wijs besluit. Had hij dit maar eerder gedaan, instee de raad van een dokter op te volgen. Hij ging den volgenden dag op weg, en had wat water van zijn kind meegenomen. Hij liep uren en uren, vóór hij bij den duivelbanner kwam, die onmiddellijk begreep, dat er iets niet in den haak moest zijn. Er was een tsjoenster in het spel. Hij zei het den vader zonder omwegen. Wat te doen? De duivelbanner zei:
Bladzijde 58“Dat is al heel eenvoudig, man. We zullen haar wel klein krijgen, maar 't kind moeten we ook genezen, is nietwaar?”
“Ja,” antwoordde de man.
“Kijk eens, deze kruiden helpen.” De bezweerder gaf hem een klein zakje, zeggend:
“Dat is nummer één. Daarmee moet je de wieg van het kind uitrooken.”
De wieg was ook al behekst. Of 't goed was, dat men den duivelbanner om raad had gevraagd!
Schuchter vroeg de man:
“En nummer twee?”
“Nummer twee is dit drankje. Dat moet 't kind gebruiken, 's morgens op de nuchtere maag, 's middags vóór 't gaat eten en 's avonds voor 't gaat slapen. Maar voor ik 't vergeet, wanneer de wieg wordt uitgerookt, mag er niets openstaan. En dan is er nog nummer drie.”
“En dat is, nummer drie?”
“Houd de geneesmiddelen in je zak, en loop, zonder je op te houden, recht naar huis. Op de reuk van kruiden komen de heksen af, en raad eens waarom? Ze willen ons werk tegenhouden, die leelijke tjoensters, wanneer het goede is gekocht. Als nu een vrouw op je afkomt, weet je, dat het de heks is. Ga recht door. 't Kan niet missen.”
Het was een lange weg, maar de vader nam geen rust, al lokte hem menige herberg. Recht moest hij gaan. Straks moest hij de tsjoenster ontmoeten. Maar wonder! hij kwam geen enkele vrouw tegen, noch aan de Sneekerpoort, noch in de Witheerensteeg en eerst op het Hoog schreed iemand hem voorbij. Het was een vrouw. Ze liep vlak langs hem heen, en stiet hem in de zij. Er rinkelde iets. 't Fleschje in zijn zak werd gebroken, en hij gevoelde, dat het drankje wegvloeide. Wat was dat jammer!
Hij vertelde het zijn vrouw dadelijk, toen hij thuiskwam. Zij schudde haar hoofd en riep uit:
“Ja, mijn vriendin was ook al zoo gehaast. Ze moest naar de Witheerensteeg.”
Bladzijde 59“O! is 't die?” vroeg de man, geheel en al ontsteld.
“Wat meen je?”
“Men moet er 't beste van hopen,” zuchtte hij. Ze greep hem bij den arm.
“Wat bedoel je toch?”
Hij vertelde haar, wat de duivelbanner had gezegd, en zij werd angstig. Ze stamelde:
“Je zou zeggen … je zou zeggen ….”
“O! wat zou 't me spijten, als zij de heks was—”
“Denk je dat?”
“'t Moet wel zoo zijn. Wie zou 't anders wezen? Er is me maar één vrouw tegengekomen. En dat ze zoo gauw liep! 't Kan niet anders ….”
“En wat moeten we nu met 't kind doen?”
“'t Drankje is weg, maar de kruiden heb ik nog. We kunnen de wieg eerst uitrooken.”
Het was tot midden in den nacht, dat zij ermede wachtten. Alle deuren, alle vensters werden gesloten, ja, het sleutelgat werd met was bestreken. Hoe klein de heks zichzelf ook maakte, naar binnen kon ze niet. Geen doorkomen aan.
Het hielp wel, dat men zoo goed het bevel van den duivelbanner na-kwam. Ja, de duivelbanners zijn de eenigsten, die kunnen helpen.
Men draaide de wieg om en legde de kruiden in 't komfoor. Toen de vlam erop, en heel zachtjes begonnen de kruiden te smeulen. Welk een stank, welk een stank! De man en zijn vrouw kregen het er benauwd van, vooral, nadat de rook en smook hoe langer hoe dikker en dichter de kamer doorwolkt hadden. Brrr! En alles dicht …. Het kind kreunde, en buiten werd er aan het slot gemorreld.
“Niet opendoen!” hijgde de man. “De heks.”
Daarmee was het nog lang niet uit. Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te jammeren … een ware heksensabbath.
De man en zijn vrouw waren het erover eens: de duivelbanner had gelijk. Er waren booze machten in het spel. Bladzijde 60Het duurde eenigen tijd, vóór de rook was weggetrokken; gelukkig maar, dat men den schoorsteen niet verstopt had. Zoodra de lucht weer zuiver werd, hielden de katten met schreeuwen op, en ook het kind kreunde niet meer.
Heksenwerk moest het heeten en anders niet. Iedereen in Bolsward was het erover eens, en daarom bejegende men den man der tjoenster van alle kanten stug, waar hij den volgenden dag ook kwam. Des avonds trad hij de gelagkamer van de “Valk” binnen en al zijn vrienden zwegen. Als hij tot een hunner sprak, wendde deze 't hoofd af. Misschien had een kind op straat hem al nageroepen, misschien had hij het van een der lieftallige lieden gehoord, die gaarne het leed van een ander op de tong proeven. Hij wist, wat er gezegd werd in de stad, en hij besloot zijn vrienden om raad te vragen. Het was een moeilijk geval, want een heks is slim. De waard kwam er ook bij staan, en luisterde toe. Met praatte her en der, roosterde de zaak aan het spit, maar men kon ze niet zoo gauw gebraden krijgen. Wat moest er gedaan worden?
Een der vrienden was een sluwe vogel. Eindelijk had deze de goede raad gevonden.
“Je moet een klein gat in den zolder boren,” zei hij, “zoodat je haar bespieden kunt.”
Iedereen vond het vreemd, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Het eenvoudigste is altijd het beste op de wereld.
De man wachtte, tot de vrouw was uitgegaan, en toen deed hij, wat zijn vriend hem had geraden, onderwijl denkend:
“Wanneer ze nu meent, dat ik uit ben, zal ik zacht naar boven sluipen, en ik zal van hieruit kunnen zien, wat ze doet, die leelijke heks.”
Een paar avonden later, deed hij, of hij 't huis ging verlaten.
“Waar ga je naar toe?” vroeg zij. Hij antwoordde onverschillig:
Bladzijde 61“Naar ‘de Valk.’ Ik moet kijken, of 't bier me vanavond smaakt.”
Zoo namen ze afscheid van elkaar. Zij meende natuurlijk, dat hij weg was, doch hij had de deur natuurlijk niet gesloten. Neen, hij sloop terug, en liep de zoldertrap op. Met zijn oog ging hij op het gat liggen, dat hij een paar dagen geleden had geboord. Een deel der kamer kwam binnen zijn spiedende blik, en hij bemerkte, dat ze opstond, om zich heen keek, en de deuren sloot. De man boven peinsde:
“Haha! ze wil niet gezien worden! Ze heeft wat in den zin.”
Ze ging naar de kast.
“Wat moet ze daar doen?” dacht hij.
Ze opende de kast heel omzichtig. Hij kon net precies onderscheiden, wat ze wegnam. Een heel klein popje, dat in luiers was gewikkeld!
Ze nam het popje op haar schoot en begon het te prikken. Met groote, scherpe spelden prikte ze het. Ze bleef het steken, op 't hoofdje, op den rug, op de beentjes, en 't kind daarginder op het Hoog werd nu vreeselijk daardoor bezeerd. Luid begon het te krijten en het was niet tot bedaren te brengen, zoolang de tsjoenster pijnigde. De man op zolder wist dit.
Het werd eindelijk de gewone tijd, dat hij uit de herberg kwam. Nu zag de spion boven, dat ze 't popje weer in de kast borg. Hij ging kousvoeteling de trap af, en sloop de deur uit. Hij liep even om, en kwam een oogenblikje later doodgemoedereerd terug. Ze had de stoete op tafel staan met geurige boter.
“Zoo—” glimlachte ze, “ben je al terug?”
Hij antwoordde niet.
“'t Is vroeg vanavond, of verbeeld ik 't me?”
Hij antwoordde niet.
Ze begreep, dat hij iets vermoedde van haar wreed spel: Zwijgend stonden ze tegenover elkaar. Ten laatste beval hij:
Bladzijde 62“Geef me den sleutel van de kast.” Ze deed heel verwonderd.
“Wat wil je daarmee. Je heb daar toch niets te zoeken?”
“Geef me den sleutel.” Ze trachtte te schertsen.
“Daar is niets in ….”
“Zoo! is daar niets in? Daar is toch wel wat in?”
“Neen,” zei ze, en diep beet ze met haar tanden in haar lip.
“Och—een kast zonder iets erin. Wat doe je dan met een kast, waar niets in is?”
“Er is wel wat in.”
“Wat is er dan in?”
“Mijn kleeren zijn erin!”
“Laat ze me zien—of is er nog meer in?”
“Ja, een popje, dat ik op straat heb gevonden.”
“Zoo—een popje! Waarom heb je er me niets van gezegd? Hier de sleutel!”
Ze moest hem gehoorzamen, en hij opende de kast. Naar de kleeren keek hij niet. Hij nam het popje in zijn hand, en draaide het om en om.
“Overal zijn speldeprikken,” zei hij. Ze smeekte:
“Geef 't mij terug. Geef 't mij terug.”
“Dat is niet noodig. Je bent geen kind meer.”
“Ik wou 't weggeven.”
“Niet noodig! Ga jij maar naar bed.”
“Geef 't mij maar terug.”
“Naar bed! Ik blijf een kwartiertje op.”
“Nee—nee—terug … het popje … terug het popje.” Hij tergde haar.
“Je houdt zooveel van kleine kinderen? Je bent altijd lief tegen kleine kinderen? Ga naar bed.”
Ze schreide. Wat kon ze anders doen? Ze ging schreiend naar bed.
Hij pookte het vuur op en de vlammen laaiden. Hij gooide 't popje er midden tusschen.
“Zoo!” riep hij uit.
Bladzijde 63Hij hoorde, hoe de vrouw in haar bed steunde. Toen begon ze van pijn te schreeuwen. De man bleef natuurlijk heel rustig. Hij zei:
“Ik verbrand het popje maar.”
Hij keek naar de vlammen, die 't popje omdansten en grepen in hun begeerenden, verterenden gloed.
Eerst, nadat het tot asch was geworden, wendde hij zich naar het bed. Daar lag de vrouw, met vreeselijke brandwonden, en ze stierf op hetzelfde oogenblik. Bladzijde 64
De vrouw van den predikant in Pietersbierum lag ziek te bed, en ze kon niet slapen. Ze woelde heen en weer, en ze bad om slaap, die haar kon doen vergeten. Wat wilde ze anders dan vergeten, buiten deze wereld van pijn en zorg zijn, al ware het slechts enkele uren? Haar oogen waren wijd-geopend, en ziet! daar spalkte de nacht uiteen.
Midden in de kamer stond een doodkist.
Ze stond op, om te weten, wie gestorven was en ze naderde de kist. Wie lag erin? Zijzelve.
“Moet ik sterven?” dacht ze, en ze wekte haar man.
“Kijk de kist in de kamer,” zei ze. De man richtte zich iets op, en staarde den nacht in, welke voor hem niets was dan het duisterste duister.
“Wat moet ik zien?” vroeg hij verwonderd. Ze antwoordde, in 't midden der kamer staande:
“Deze baar, waarin ik als lijk lig.” Hij werd kwaad, en zei korzelig:
“Je verbeeldt je mooie dingen! Schaam je, en ga slapen.”
Langzaam liep ze naar haar bed terug, doch ze wendde zich, zoodra ze weer lag, met het gezicht naar de kist, welke bleef staan. Ze dacht:
“Dus moet ik sterven.”
En ze sliep niet. Korten tijd daarna kwam een man binnen. Hij was gekleed in een rooden hemdrok. Hij bleef even zwijgend staan, en schreed toen rustig naar den schoorsteenmantel. Hij boog zich iets voorover, en ze bemerkte, dat hij iets van den schoorsteenmantel nam, een paar dingen van ijzer. Ze richtte zich iets op, om beter te kunnen zien. Wat waren het? Een paar schroeven. De man in den rooden hemdrok trad statig op de kist toe, en maakte het deksel vast. Iemand—ze onderscheidde niet wie—legde op de dichte baar een witten doek. De dragers kwamen binnen en de kist werd weggedragen.
Toen werd alles stil en duister en gewoon. Wakende Bladzijde 65wachtte ze den dag af, welke zonder geheimen was. Haar man haalde zijn schouders op, toen ze hem had verteld, hoe de man met zijn rooden hemdrok had gehandeld, en hij zei:
“Zulk een man is er in Pietersbierum niet. Hoe zou hij dus ooit de doodkist kunnen dichtnagelen. Zet zulke beelden uitje hoofd.” De vrouw echter antwoordde:
“Het was waar, zooals ik jou zie.”
Eenigen tijd later werd haar een zoon geboren, en men droeg hem naar de kerk in een roode kapruft. Hij werd gedoopt, en nadat men aan het doopmaal zich had verzadigd, zeide de predikant lachend, want hij geloofde niet in de werkelijkheid van een droom: “Was dit niet de man in den rooden hemdrok, die je lijkkist heeft dichtgeslagen? Kom! dat zal 't wel geweest zijn?” Ze staarde hem met groote oogen aan, en zweeg. Hij spotte nog even ten haren koste, maar ze legde de handen in haar schoot.
Hij meende, dat ze wel in stilte de dwaasheid van haar geloof beleed, en hij kwam niet meer op haar woorden terug. Het duurde echter lang, of men hoorde, dat er in het dorp een nieuwe timmerman was komen wonen.
Deze was gekleed in een rooden hemdrok.
Men zag hem ook niet anders dan in den rooden hemdrok.
In zijn werkplaats en op straat droeg hij den rooden hemdrok.
Ze kwam hem tegen, en legde de hand voor haar oogen, gelijk vele menschen doen, die binnen hun geest een herinnering aanschouwen. En ze zeide:
“Dat is de man.”
Echter praatte ze er niet meer over. Een jaar later stierf ze.
De predikant wilde niet, dat haar droom tot waarheid werd, en hij beval:
“Breng de kist in een andere kamer.”
Men wilde hieraan voldoen, en twee dragers namen de kist. De gang echter was nauw, en men stiet de baar bij het draaien tegen den muur. Een der dragers zei:
Bladzijde 66“De kist kunnen we nergens anders krijgen. De kist moet hier blijven staan.”
Ze droegen ze naar 't midden van het vertrek. Daar bleef ze, gelijk de vrouw ze had gezien.
Haar lijk lag in de kist. Het deksel was er nog niet op geschroefd. De predikant riep:
“Leg de schroeven niet op den schoorsteenmantel. Leg de schroeven op de vensterbank.”
“De man met den rooden hemrok trad binnen. Hij bleef op den drempel staan.
“Ik zal de kist dicht-schroeven,” zei hij.
Hij ging naar den schoorsteenmantel. Ja, men had de schroeven op de vensterbank gelegd, doch een paar waren er blijven liggen. Deze nam hij.
Hij liep op kist toe. Met de schroeven, welke hij op den schoorsteenmantel had gevonden, deed hij het deksel op de kist. Iedereen zag het. De predikant riep:
“Er mag geen witte doek op de kist.” Allen knikten met 't hoofd. Niemand zou een witte doek op de kist spreiden.
Juist wilde men vertrekken toen nog een vrouw binnentrad. Ze keek naar de kist.
“Dat is niet in orde,” dacht ze. “Zoo zullen we dominé's vrouw niet uitleiden.”
Ze nam haar witte zakdoek en spreidde deze vroom over de kist.
Allen bogen het hoofd, angstig en berustend tegelijkertijd om het wonder, dat 's menschen leven is. Bladzijde 67
Lang geleden was Westerschouwen op Walcheren een groote visschershaven, welks schepen trotsch de Noordzee bevoeren; zij brachten rijke lading mede, iederen keer, dat ze de haven hadden verlaten, en de visschers werden overmoedig door hun welvaart, wreed en spotziek van nature. Zij meenden, dat geen haven aan de hunne gelijk was, en ze gevoelden zich als trotsche heerschers, die met harde voetstappen over de aarde schrijden.
“Wie is er gelijk aan de visschers van Westerschouwen?” dachten ze.
Eens waren ze er weder uitgegaan, en hun netten deden zij in zee zinken. Het duurde niet lang, of men haalde een der netten op, en men vond een mooie zeemeermin, die smeekte, dat men haar weer zou loslaten. Doch de hoogmoedige schippers lachten slechts en ze togen naar Westerschouwen terug, om hun vangst te toonen. Nimmer, naar hun heugenis, hadden visschers zulk een wonderlijke buit medegevoerd, en hun dronken hoogmoed deed hen lachen om de smart der blanke vrouw.
“Laat me gaan,” zoo riep zij in vertwijfeling, “visschers van Westerschouwen, en ge zult gezegend zijn.”
Een andere stem kwam uit de zee, en hoewel ze zwaarder was van toon, klonk ze als de echo van haar schaamte en haar leed. Men zag buiten boord, en weder lachte men, gelijk sterke mannen kunnen lachen, die zwakken mishandelen.
“Het is de zeemeerman,” riep men elkaar van de schepen toe, “hij zwemt met zijn kind in de armen.”
Groen zijn de haren van de zeemeerman, en gelijk golven, opgeslagen door den Westwind (als er geen zonlicht is over de zee), vloeien ze groen over zijn schuimwitten rug. Het gelaat is bruin van kleur, als een stuk hout, dat veel dagen in zee heeft gedreven, en de baard warrelt er in groene striemen omheen en over.
Bladzijde 68Het kindje, dat hij in zijn armen droeg, was blank van kopje, rug en beentjes, en het spartelde al aardig mede. Naar haar beide liefsten strekte de zeemeervrouw haar armen uit.
“O!” riep hij weenend, “geef me haar terug, want we waren gelukkig, booze visschers. Wat moet zij bij u doen? Ze zal zeker bij u sterven.”
Geen der wreede menschen antwoordde, en men zeilde de haven tegemoet. De zeemeerman vroeg niets meer, telkens dook hij naar boven, en hij zag alleen maar naar het wijfje, dat bijkans stervende was, en dat hem met haar oogen, reeds omfloerst door den nevel des Doods, trachtte te onderscheiden van zeeschuim en golven.
Dat was een groot gejuich, waarmede de Visschers aan wal sprongen! Een hunner tilde het net hoog, waarin het zeemeerwijfje gevangen was, en hij liet het beschouwen door de dwaas-gierende vrouwen en de verwonderde kinderen. De zeemeerman echter, die nu zeker wist, dat men haar niet uit kortswijl hield, zwom tot dicht bij het strand, en zijn armen strekte hij naar uit, verlangende en vertwijfelende.
“In 't riet is ons huis, van schelpen gebouwd, die wij hebben verzameld schelp voor schelp. Haar laatste gedachte zal aan 't huis zijn, en wilt gij haar doen sterven dichtbij uw donkere aarde? Hebt erbarmen.”
De vrouwen en de mannen lachten, en ze gevoelden hun macht. Voor teederheid was geen plaats in Westerschouwen, en men bond het net aan den watertoren.
Men zag, hoe de meerman tot vlak bij de haven kwam, en zich zoo hoog oprichtte, als hij kon. Men hoopte, dat hij nog eens zou smeeken om 't leven zijner vrouw. Doch hij zweeg en leed haar doodsstrijd mede, en 't was voor hem, wat voor een mensch het stroomen van bloed uit een slagader is. Voor haar werd de lucht nevel, en die nevel naderde snel. Ten laatste moest ze er de oogen gansch voor sluiten, en ze stierf met de gedachte aan Bladzijde 69't schelpenhuis in het riet. Hij zag haar sterven, en strekte zijn armen naar haar uit. Zijn leed was zijn toorn, en zijn toorn zijn leed; één waren ze in zijn ziel.
Nog verder zwom hij in de haven, tot vlak bij de kust. Alle inwoners der machtige stad waren tezamen aan het strand, want allen wilden hun lachlust aan zijn smart verzadigen.
Welke wapens droeg de zeemeerman in zijn handen? Vuur om te verdelgen, golven om te verzwelgen? Zwaard om te houwen, spies om te schieten, bijl om te hakken?
Arme, arme zeemeerman! De menschen konden vrij uit met hem spotten. Ze hadden hem niet te vreezen. Ze wezen naar hem met hun vingers, en schaterden.
Hij stoorde zich niet aan hun hoon. Hij had wapens in de hand, welks macht en geweld de menschen van Westerschouwen nog niet kenden. Even was hij in zee gedoken, en boven gekomen met wier en met zand, dat de wegen naar de zee afsluit. Waar gisteren nog schepen konden varen, keert morgen het zachte zand en het vleiend wier iedere boot.
De zeemeerman tilde zijn handen in de hoogte, en deed het zand en het wier vallen in geulen en ondiepten. Daarbij zong hij:
“Westerschouwen, Westerschouwen,
Het zal u berouwen,
dat ge genomen hebt mijne vrouwe ….
Westerschouwen zal daarom vergaan,
de toren alleen zal blijven staan.”
Langzaam zwom hij weg, om alleen te treuren in zijn schelpenhuisje, en niet keerde hij naar Westerschouwen terug. Maar het zand en het wier deden hun stillen en onstuitbaren intocht, winden en stormen en golven dreven het op, tot het de schepen omsloot met worgend geweld.
Toen vloden de menschen uit hun huizen, en het zand stoof op het strand. Het drong op, millioenen van korrelen, het omwoei, het omstoof de woningen, het legde zich in Bladzijde 70de straten terneder. Als door den storm een dak inviel, boog het zand zich hoog, en stortte door de opening naar beneden. Zoo een drempel vermolmde, een deur uit zijn scharnieren werd gedraaid, warrelde het in de kamers en keukens, en het dekte den vloer. Het werd hooger en hooger, het klom op tegen de wanden, het drong zich in de spleten, 't maakte hout en ijzer zwak. Als eindelijk een huis instortte, viel dit in een hoop mullen grond, en het verzonk als een lichte last.
Het zand kwam niet, waar de toren stond. De toren werd gespaard, terwijl de stad dieper en dieper daalde. Wel woei het stof even om zijn steenen, doch deze schenen het terug te kaatsen tot daar, waar de huizen begonnen. Bladzijde 71
Nog regeerde hertog Albrecht van Beieren over Holland, toen de tijding kwam, dat in het Purmermeer een zeemeermin was gevangen. Zij had geleefd in de Zuiderzee, en ze had zich steeds verborgen, als de visschers kwamen. Zij haatte de menschen. Zij hield alleen van het spel tusschen golven en zonneglans, als ze zwemmende niet wist, of het schuim der zee was of warm licht, waartusschen haar blanke armen kliefden.
De storm kwam op, en de wilde zee brak de dijken. De vloed voerde haar mede, en zij dreef het Purmermeer binnen, willoos, als was ze een stuk hout. Ze kon den weg niet meer terug vinden, en ze dook, om voedsel te vinden. Met mos en zuiver wier was ze bekleed.
Men herstelde de dijken, en de Zuiderzee trad binnen haar gebied terug, onmachtig ten slotte tegen de menschen.
Telkens moest de zeemeermin boven komen; en ze zwom dan rustig voort, totdat menschen naderden. Dan dook ze, zoolang ze kon, en ze werd angstig, als de menschen—meest waren het vrouwen, die booten met vee voortroeiden—haar konden zien. Ze wist niet, dat ook de menschen bang voor haar waren, al was hun nieuwsgierigheid even groot als hun vrees. Telkens dichter kwamen de vrouwen en maagden met haar booten bij de plaats, waar zij zwom, en ze bemerkten, dat het slechts een arme, weerlooze zeemeermin was, en ze kon niets dan plassen en ploeteren in het water.
Eindelijk hadden ze moeds genoeg, om heel dichtbij haar te komen, en met sterke armen hieven ze haar, hoe ze zich ook verzette, binnenboord. Ze voeren met haar in de stad Edam, en iedereen verwonderde zich over haar wezen. Ze trachtte zich verstaanbaar te maken, en men deed moeite haar woorden te begrijpen: deze waren echter zoo vreemd, dat het geen taal van menschen kon zijn.
Men wiesch haar schoon van het wier en het mos, dat haar als een lange, golvende mantel dekte, en men trok Bladzijde 72haar vrouwenkleederen aan. Ook leerde men haar het voedsel der menschen eten: zij verzadigde er zich aan.
Toch verlangde zij ernaar, om weer in het vrije water te leven, en met wind en golven, haar vrienden te spelen. Telkens liep ze naar buiten, om zich in het meer te werpen met groote moeite hield men haar tegen.
Veel volk kwam haar bezien, en men sprak allerwege van haar.
Ook de bewoners van Haarlem—een machtige stad—hoorden van het wonder vertellen en ze zonden burgers uit, om haar in levenden lijve te aanschouwen. Ze keerden terug en zeiden:
“Het is een mooie zeemeermin, die men ons in Edam getoond heeft.”
“Wanneer het een mooie zeemeermin is,” mompelde een burger, “dan komt ze Haarlem méér toe dan Edam.”
Toen keerden zij, die haar gezien hadden, naar het kleine stadje aan de Zuiderzee terug, en ze vroegen, of Haarlem de zeemeermin bezitten mocht.
De Edammers waren hierover zeer bedroefd. Zij gingen tot de burgers der trotsche stad en vroegen:
“Wilt ge haar hebben?”
“Ja.”
Er was geen keus. De Haarlemmers voerden de blanke buit met zich mede, en ze deed haar intocht in Sint Bavo's veste.
Daar leerde men haar spinnen op een spinnewiel … rrr! deden de raderen.
Ze leefde er vele jaren lang, en nadat ze was gestorven, begroef men haar op het kerkhof der menschen, want dikwijls had ze het teeken des Kruises gemaakt. Bladzijde 73
Gezongen hebben de zeemeerminnen met haar liefelijke stemmen, zegen en vloek. Ze zijn in veel plaatsen van ons land geweest, en ook naar Muiden zwom een zeemeermin, zingende:
“Muiden zal Muiden blijven,
Muiden zal nooit beklijven.”
Toen verdween ze.
Vele dorpen en steden zijn tot bloei gekomen, doch Muiden is Muiden gebleven, en zonder verandering Muiden, en zal Muiden blijven, tot in eeuwigen dage.
Uit een kruis van ijzer is Erasmus beeld gegoten. Daarom wellicht heeft het een wonderlijke macht.
Een boek draagt hij in zijn hand.
Onbeweeglijk blijft het boek, zoolang Rotterdam gelukkig is. Vrees niet voor het gemeenebest, wanneer het boek niet door de vingers des standbeelds wordt aangeroerd.
Wee! wee u! duizendmaal wee echter, gij trotsche Maasstad, als Erasmus een bladzijde uit zijn boek omdraait, want dan wacht u onheil.
Telkens, als er ongeluk zou komen, las het standbeeld verder. Bladzijde 74
Nog is Waleram's bloed ongewroken. In het land van Limburg klinkt zijn stem, ten Noorden en ten Westen, ten Zuiden en ten Oosten, doch geen echo laat ze na.
Waleram en Reginald van Valkenberg waren twee broeders, en beiden beminden ze met gelijke liefde de dochters des graven van Kleef, Alixe. Zij hadden er nog niet met elkander over gesproken, hoewel zij van oudsher gewoon waren, elkaar hun geheimen te belijden. Zij reden uit, en praatten over jacht en tournooi, over heldendaden en soms over een minstreel, die op het kasteel van Valkenberg had gespeeld, nimmer echter over Alixe van Kleef en hunne liefde.
Een waren zij tezamen zonder doel uitgereden. Er was in beiden een geheime begeerte: dat zij het slot van Kleef mochten bereiken. Zij lachten met elkander om onverschillige dingen. Eindelijk zeide Reginald:
“Het is jammer, dat het slot van Kleef zoo ver verwijderd is. We zouden anders kunnen trachten, er nog vóór den avond te komen.”
Stil besloot Waleram, de wonde niet te toonen, welke hem pijnigde. Hij betoomde zijn verlangen en antwoordde:
“Wat zouden wij in het slot van Kleef moeten vinden, Reginald?”
Zijn broeder haalde diep adem.
“Niets. Ik peinsde alleen over den grooten afstand.”
Het was Waleram's beurt, om meer te zeggen dan hij wilde:
“Zullen wij een wedstrijd houden, wie 't eerst aan 't slot van Kleef is?”
Reginald aarzelde. Zou zijn broeder het geheim bemerken, wanneer hij toegaf? Beter ware het onverschilligheid te huichelen.
“Waleram! heden ben ik te moede.”
“Moede—gij moede, Reginald? Als gij niet met me gaat, rijd ik alleen.”
Bladzijde 75De wedloop begon. Ze zetten hun edele paarden aan, nu eens was Reginald de eerste, dan weder Waleram. Zeker zouden ze tegelijkertijd nog vóór den avond het slot hebben bereikt, zoo Waleram's paard niet was gestruikeld, en dus Reginald eerder dan hij Kleef binnenreed. Nadat hij zijn naam had geroepen, liet de wachter de slotbrug neer, en de graaf met zijn dochter wachtten hem.
Het was niet met een blijden lach, dat ze hem begroette. Even slechts zag ze hem aan, daarna staarde ze langs hem heen, over den weg, en vroeg:
“Waar is Waleram, uw broeder?”
Liever had hij gewenscht, dat ze hem een dolk in 't hart had gestoken. Bekommerde zij zich meer om zijn broeder dan om hem? Drift deed zijn brein duizelen, en eerst met bovenmenschelijke moeite wist hij zich te bedwingen, om arglistig te lachen:
“Ge weet misschien niet, Alixe, dat mijn broeder een slecht ruiter is, zooals hij zich onbekwaam voelt in alle dingen, die eens ridders zijn. Daarom heb ik hem verre achter mij gelaten, temeer, daar mijn verlangen, om hier te zijn, mij aandreef.”
“En hebt ge dan niet op uw broeder gewacht?”
“Mijn verlangen was sterker dan mijn broederliefde.”
“Ge zult wel vermoeid en hongerig zijn van den langen tocht,” sprak de graaf hoffelijk, “volg ons naar de zaal.”
Nauwelijks waren zij gezeten, of de wachter voegde zich bij hen, en meldde, dat een tweede ruiter naderde. Toen schitterde Alixe's oogen, en vroolijk riep ze:
“Dat is Waleram.”
Hij trad binnen, met stof bedekt, en hinkende. Zij liep hem tegemoet, en heette hem met juichende stem welkom. Reginald wendde zijn blik van hem af; onwillekeurig zette zich Alixe naast Waleram.
“Ik was zeker tegelijkertijd met mijn broeder Reginald gekomen,” zoo sprak hij, “zoo niet mijn paard gestruikeld was. Vandaar ben ik met stof overdekt.”
“Ge zijt ons welkom, hoe ge ook zijt.”
Waleram ging voort:
“Ik was verwonderd, dat mijn broeder mij niet wachtte, en verder reed, zonder zich om mij te bekommeren. Zeker heeft hij niet gezien, dat mijn paard struikelde.”
Reginald hief 't hoofd op, en lachte schamper:
“Ik meende, dat hij weder zulk een slechte ruiter was, zooals ik het Alixe heb verhaald. Gewoonlijk laat ik hem ver achter mij, daar ik bedrevener dan hij ben.”
Waleram liet de vuist op tafel zinken, en riep:
“Zoo Reginald mijn broeder niet ware, zou het zwaard tusschen ons beslissen.”
“Vertelt gij het sprookje, dat gij machtiger zijt dan ik, Waleram? De wedstrijd moet nog gestreden worden, waarin gij overwint.”
“Neen!” riep de graaf van Kleef, “zoo moogt gij beiden niet voortgaan. Het is niet goed, als broeders kampen. Beiden zijt ge dappere ridders, en dat moet u genoeg zijn.”
Alixe was opgestaan. Haar stem klonk toornig, terwijl zij uitriep:
“Het is Reginald, die dit begon. Waleram moest antwoorden, daar hij uitgedaagd werd. Het is Reginald, die Waleram den roem niet gunt. Nooit heb ik van hèm gehoord, dat hij Reginald belasterde.” Ze zette zich weder naast Waleram. Zij zwegen allen daarna. Hun gedachten sloten ze op. De broeders aten. Het duister van buiten legde een troebele schaduw door 't licht der zaal.
Alixe stond op, en liet de drie mannen tezamen. Aan den drempel wenschte ze hun een goeden nacht. Het was Waleram, dien ze daarbij aanzag.
Nadat zij alleen gelaten waren, duurde het zwijgen voort. Het scheen, of er, toen de nacht genaderd was, geen menschen meer waren, zóó stil bleven zij in hun zwijgen. Eindelijk—met moeite—zacht klonk zijn stem—was het de graaf van Kleef, die sprak.
Bladzijde 77“Broeders! Waleram en Reginald—bij alles, wat u heilig is en mij, gaarne gaf ik u beiden mijn dochter, Alixe, als dit mogelijk was. Daar Gods bestuur niet veranderd kan worden, zeg ik u, dat mijn dochter hem kan kiezen, dien ze mint. Zweer het mij, dat gij elkander als broeders zult liefhebben, welken man zij ook nemen wil. Want zoowaar als de vriendschap van vele mannen door de liefde verdwijnt, zoo zeg ik u als oud man: verwerp de vriendschap nooit lichtvaardig.”
De twee broeders zwegen, en de graaf ging voort als een smeekeling:
“Zweer het mij, Waleram en Reginald, dat gij elkander—”
“Waarom noemt ge den naam van Waleram het eerst?” riep Reginald rauw. “Hebt gij hem evenals Alixe meer lief dan mij? Ge denkt het eerst over hem.”
Waleram liet zijn vuist op tafel zinken.
“Ik duld uw beleedigingen niet meer, en ik noem u geen broeder. Zoo gij mij Alixe niet gunt, zij er vijandschap tusschen ons.”
“Ik neem uw uitdaging aan, wanneer Alixe heeft verklaard, wie ze liefheeft, mij of u! Van dat oogenblik zijn wij vijanden van elkander.”
“Niet zoo,” smeekte, de graaf van Kleef, “liever heb ik, dat geen van beiden mijn dochter verwerven zal.”
Zij drieën wisten, dat het onheil niet te keeren viel. Den volgenden morgen reden de beide broeders heen, en Alixe's stem zong achter hen:
“Waleram! keer spoedig bij ons weder. Waleram! keer spoedig bij ons weder. Reginald … Waleram! Waleram! Waleram.”
Het was kort daarna, dat Alixe Waleram beloofde, zijn vrouw te worden. Reginald vluchtte uit het land, en men was daarom gelukkig. “Want”—zoo meende men—“nu zal hij zichzelf tegen een booze daad willen beschermen. Over eenige jaren zal hij op den Valkenberg terugkeeren, en Bladzijde 78de twee broeders zullen weder tezamen uitrijden, gelijk 't hun gewoonte was.” Sommigen zeiden, dat hij als boeteling ter bedevaart was getrokken, en zeker is het, dat Waleram en Alixe op hun huwelijksdag niets wisten dan hun geluk, en zich niet om het loerende gevaar bekommerden.
In den nacht reden ze naar het slot van Valkenberg. Zij zetten hun paarden tot meerderen spoed aan, en heel hun geluk lag besloten in 't ééne verlangen: dat ze uit de verte de tinnen en torens mochten zien rijzen uit het duister van den maanlicht-nevel. Woorden kenden zij niet meer.
Stapvoets deden ze hun paarden over de brug rijden. Alles was stil. Tastend in den donker, vast-omsloten, naderden zij het slaapvertrek.
Toen ontviel zij zijn armen. Hij zocht in den diepen nacht naar haar, waar zij gevallen was.
“Alixe!” riep hij.
Hij hoorde haar stem, verre—
“Vaarwel Waleram! Uw broeder—Zijn dolk was scherp—Waleram … vaarwel!”
Hij voelde, dat hij bij den keel werd gevat. Hij wilde zich verweren. Hij tuimelde over 't lichaam van Alixe, achterover … de linkerhand van zijn broeder omknelde zijn keel … de rechter, met het mes gewapend, zocht en vond zijn hart. Even nog snikte hij ….
“Broeder! gij hebt ons vermoord. Wraak over u!”
Reginald rende heen. Bij den maanlichten weg was een kleine beek. Hij boog zich voorover, en waschte zijn bebloede handen.
O wonder! toen hij de handen ophief, zag hij, dat het bloed niet verdwenen was. Nogmaals neigde hij zich; en legde de handen neer in de wild-stroomende beek. Het water sloeg over zijn vingers, langs zijn vingers—
Hij trok nu weder zijn handen naar zich toe. Het bloed stroomde op den grond. Het bloed bleef op de huid, en geen enkel waterdropje mengde er zich door.
Dichtbij de plaats, waar hij stond, woonde een kluizenaar. Bladzijde 79Tot hem ging Reginald, en wankelend trad hij de eenzame cel binnen. Hij toonde hem de bebloede hand.
“Vader!” zoo weende hij, “ziet mijne handen, rood van bloed. Ik heb mijn broeder vermoord—red mijn ziel. Bid, dat mijn handen weder worden als weleer. Bid voor mij, en geef mij uitkomst.”
“Zulk een zonde,” huiverde de kluizenaar, “is niet in mijn macht, om te vergeven. Ik zal echter voor u bidden, van dezen avond tot aan den morgen, en misschien, dat God uitkomst geeft.”
Hij zonk op zijn knieën neder, zijn handen hemelwaarts vouwend. Hij smeekte voor den armen zondaar om God's ontferming. Doch God antwoordde hem niet, tot den morgen, nadat hij den geheelen nacht niets had gedaan dan bidden.
Het was licht, toen hij opstond.
“Hoe vreeselijk telt uwe zonde bij God, die Kaïn niet heeft vergeven. Één antwoord is er gekomen, ridder—moge zij tot uw heil strekken. Reis Noordwaarts, steeds naar het Noorden—het is 't eenige, dat ik u zeggen kan.”

“Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden”
Ze scheidden.
Hij trok Noordwaarts.
Hij kwam door kleine dorpen en door groote steden. Landen, waarvan hij nooit had gehoord, zwierf hij door. Hij at niet en rustte niet. Wanneer hij honger had, of slaap zwaar over zijn oogleden lag, zijn ziel met nevelen vullend, rook hij aan zijn handen, en de geur van het bloed dreef hem. Menigmaal was er een schaduw in het bosch, welke hij voorbijging—en dan had hij een duizeling, die dreigde hem neder te storten. Dan keek hij naar zijn roode hand.
Soms, in een stad, hoorde hij den lach van een vrouw, en hij wilde stil-staan, om haar te bezien. Zoo schoon was die lach—
Eens sprak een meisje tot hem. Haar stem klonk als die van Alixe.
Bladzijde 80“Waar wilt gij heen-gaan, ridder? Blijf bij mij.”
Hij zag naar zijn hand.
“Waarom zwijgt gij, ridder? Als ge me aanziet, hebt gij me lief.”
Hij wendde zijn schuwen blik naar haar. Hij had het willen zweren, dat het Alixe was, die naast hem schreed. Hij bedwong zich met alle kracht.
“Ga heen, Alixe, of wie gij zijt. Mijn ziel moet rust vinden, mijnhanden moeten van het bloed bevrijd worden.”
Als een nevel week ze.
Vele andere verzoekingen kwamen tot hem.
In een uur van wreeden honger, kwam hij een bakkerswinkel voorbij. Een milde geur vulde de straat. Hij gevoelde met schrik, dat hij alles voor één bete broods zou kunnen vergeten. Hij sloeg zijn handen aan den mond, en likte het bloed. Toen moest hij Noordwaarts trekken, en als een damp, die door zwaren wind wordt bewogen, vervloog de geur van het brood.
Voor den ingang van een bosch, wachtte hem eens een ridder. De punt van zijn zwaard was naar hem gericht, en hij riep met luide stem:
“Reginald van Valkenberg! ge zult moeten strijden, vóór ge hier binnentreedt.”
Vertoornd over zulk een beleediging, wilde ook hij zijn wapen vatten, en met den vreemden ridder strijden. Op hetzelfde oogenblik, bedacht hij, dat het bloed van zijn broeder aan zijn hand kleefde, en hij peinsde in zichzelf:
“Beter is het te sterven dan te leven. Misschien is dit wel God's wil, dat hij mij dooden zal. Doch mij is bevolen, Noordwaarts te trekken.”
Hij ging verder en zonder aarzelen liep hij den vreemden ridder tegemoet. Hij verwachtte, dat het zwaard hem door 't hart zou gaan. Dit gebeurde niet. Het paard en de dreigende ruiter aan den ingang van het bosch gleden weg als een klein wolkje aan de blauwe lucht—Geen hinderpaal bestond er voor hem.
Bladzijde 81Nadat vele dagen weder waren voorbij gegaan, zag hij aan den weg een schoone jonkvrouw liggen, wier handen en voeten gebonden waren.
“Red me”—aldus smeekte ze, “een draak bewaakt mij, en eeuwig zal ik geboeid blijven, als ik niet verlost word.”
Het was hem, of hij uit een droom ontwaakte. Reeds wilde hij zijn stem doen klinken, en haar vragen, waar zich de draak ophield. Hij gevoelde met blijdschap, dat hij moedig was. Hij zou in staat zijn, den draak te overwinnen. Vóórdat hij echter zijn zwaard trok, zag hij zijn handen, en 't bloed stroomde op den grond. Hij sprak geen woord, en volgde zijn noodlot. Haar stem klonk thans achter hem:
“Lafaard! uw moeder zal zich schamen, dat gij haar zoon zijt.”
Zonder om te zien, liep hij verder. Eensklaps hield de stem op, en hij wist ook, dat deze vrouw niet had bestaan, en dat hij weder zichzelf had overwonnen.
Hij trok Noordwaarts.
Eindelijk zag hij in de verte een blauwe streep, lager dan de weg, waarop hij ging. Verwonderd bemerkte hij, dat de blauwheid niet hoog was, zoodat het geen woud of berg kon zijn, die hem tegen wilden houden, en ook was het niet de horizon, daar de lijn te strak was gespannen en er geen nevel aan rustte.
Wat was het daar vóór hem?
Hij hoorde een geruisch, dat aan den stormwind deed denken. Doch zelfs bij den hevigen stormwind zijn er seconden, dat het gerucht luwt. Hier was het een geluid, dat staag aanhield, en zichzelven gelijk bleef.
Plots doordrong het zijn bewustzijn, dat het de zee was, vóór hem. Het was de wijde zee en de klank der zee. Het verbaasde hem, dat er geen schip op dreef. Zou het zijn dood zijn, Noordwaarts trekkend, te verdrinken? Of zou al dit water het bloed van zijne handen kunnen wasschen? Al dit water …?
Bladzijde 82Toen zag hij, dat er aan het strand een boot lag. Hoe ze daar zoo plots was gekomen, wist hij niet. Op het vaartuig stond een man.
Hij naderde.
De man riep:
“Ben je daar eindelijk, Reginald van Valkenberg? Ik heb lang op je gewacht.”
“Wie zijt gij?” vroeg de ridder.
“Kom bij mij.”
Zóó gebiedend werd dit gezegd, dat Reginald gehoorzaamde.
“Ga mede.”
Reginald volgde hem. De boot schommelde—en voer weg naar de wijde zee.
In de verte was een groot schip. De wind sloeg bol door de zeilen.
De man noodigde hem met een stil gebaar, dat hij op het schip zou overgaan, en hij liep hem voor naar't onderste ruim. Daar verdween hij.
Er stond een tafel en stoelen. Twee gedaanten, een witte en een zwarte, zaten aan de tafel en wezen hem zijn plaats.
De zwarte gedaante haalde een paar beenen dobbelsteenen voor den dag, en zij en de ridder begonnen te spelen om Reginald's ziel.
Zonder stuurman en roer vaart het schip, nu al bijna zevenhonderdjaren. Zevenhonderdjaren wordt er gespeeld om Reginald's ziel, en eerst op den jongsten dag zal het spel eindigen.
In Limburg klinkt Waleram's stem, en ze roept ten Noorden en ten Westen, ten Zuiden en ten Oosten:
“Moord! moord!”
Twee lichten dwalen, als de stem, die geen echo heeft, klinkt.
En dit zal duren tot den jongsten dag. Bladzijde 83
Weet, alle Christenmenschen, dat op de wijze, hierna verteld, in Dordrecht is gebracht het waarachtig Heilig Hout, ofte een stuk van het Heilige Kruis.
Lang geleden woonde er in Dordrecht een eerlijk jongeling, Claes Scoutet was zijn naam; en hij diende zijn meester vele jaren lang, onderdanig en getrouw.
Van zijn onovertref bare deugd vertelde men veel goeds, zoodat ook een machtig Lombardijnsch koopman over hem hoorde spreken; bij hem trad Claes Scoutet in dienst als knecht en klerk. De koopman vertrouwde hem na korten tijd volkomen, en had hem lief, of het een zoon van hem ware. Zij beiden dan dreven handel in Lombardije, ver weg gelegen.
Na eenigen tijd vertrokken de Lombard en Claes, naar een land van heidenen, en daar verkochten zij juweelen aan allen, die deze zaken begeerden. Ze leerden de taal der heidenen, en werden met hen bevriend. Zij dreven eerlijken handel, zoodat de groote Soudaan of Vorst van Babylonië met zijn vrouw en zijn dochter over hen hoorden spreken. De vrouwen hebben de schittering lief, en de vrouw en de dochter des Soudaans bedachten vele listen, om de juweelen te verkrijgen, die de koopman bij zich had. Ze fluisterden en monkelden onder elkaar, en wat de twee sluwe vorstinnen bedachten, is waard om te vermelden.
Ze lieten den koopman komen, en lachten hem toe, en voerden het met vleiende woorden in zijn geest, dat hij met den Soudaan van Babylonië zou spreken.
“Wek op den Soudaan,” zoo zeiden zij, “dat hij zijn schepter zal doen vermaken. Fij! hoe plomp is hij voor zulk een heerscher.”
Toen nu de Soudaan had toegestemd—want welke man is tegen de list van vrouwen bestand?—dat hij zijn schepter zou doen vermaken, liet zijn dochter den jongen Claes bij zich komen, en ze zeide:
Bladzijde 84“Onder het goud en de diamanten en paarlen van den schepter is een groot stuk van 't hout verborgen, waaraan de God der Christenen is gestorven.”
Waarom sprak dit de dochter des Soudaans? Opdat ze enkele juweelen van Claes te goedkooper zou krijgen, want ze wist wel, dat hij begeerig naar het hout was, en ook zeide ze het, daar haar ziel gewend was naar het zalige Christen-geloof.
Aldus was het, dat de koopman zijn juweelen gaf in pand voor den schepter, en dat ze afscheid van den Soudaan namen, die hun mede gaf twee trouwe heidensche knechten en een brief van vrijgeleide, om te reizen door het land der Arabieren, die zeer wreed zijn; zeven kameelen schonk de Soudaan hun bovendien.
Toen de koopman en Claes halverwege Alkarië en Jeruzalem waren gekomen, wat geschiedde er? De koopman werd ziek aan den menisoen, en stierf, na zijn ziel te hebben gegeven in de handen Gods.
Mogen allen, die God vreezen, sterven, als hij.
Ze waren nog twaalf dagreizen van Jeruzalem, en ook een der trouwe heidensche knechten werd ziek, en stierf aan den menisoen. Nu was Claes bijna alleen in 't land der Arabieren; in den nacht brak hij het heilige hout, God smeekende om genade, want anders wist hij niet te doen. De stukken verborg hij onder zijn kleeren.
Den dag daarop maakte hij zich gereed om naar Jeruzalem te trekken, waar hij zonder veel avonturen aankwam, en vandaar reisde hij naar Jaffa, waar hij een schip vond.
Hij vroeg de bootslieden:
“Waarheen gaat dit schip?” En ze antwoordden hem:
“Naar Venetië.”
Nauwelijks had hij plaats genomen, of de wind werd goed, en waaiende, waaiende, dreef de wind 't schip in zoo korten tijd naar Venetië, dat het zeer mirakelijk was, een mirakel Gods.
In Venetië ontmoette hij alras een goed man, die met Bladzijde 85een groot schip naar Londen wilde varen. Londen is een stad in Engeland.
Claes ging dan scheepwaart, en de wind woei. Zij kwamen in zoo korten tijd in Engeland, dat iedereen, die 't hoorde, zich verbaasde. En Claes ging naar Dover, en vandaar naar Vlaanderen, en hij kwam in Brugge aan. Daar borg hij 't hout in een gesloten kist, en hij trok naar Armegië en naar andere landen, drijvende koopmanschap, totdat de tijd was gekomen, om te huwen: want hij had gelds genoeg. Zijn oogen zochten, en ze vonden een jong meisje, Margaretha Tristram was haar naam, en na Claes' dood is zij getrouwd met Uutenhoven.
Toen Claes twee jaren met haar in den echt had geleefd, toonde hij haar het kistje, waarin geborgen was het heilige hout, en hij zeide tot haar:
“Ik ga naar Dordrecht, omdat ik daar geboren ben, en ik neem mee een stuk van het kruis.”
Hij ging voor het kapittel der Groote Kerk, en hij deed de kerkmeesters beloven, dat zij voor hem en zijn gezin zouden bidden en doen bidden, eeuwiglijk. En zij beloofden het hem. Op deze voorwaarden gaf Claes de kerk een stuk van 't kruis onzes Heeren, Jesu Christi.
De kerkmeesters lieten maken een kruis van fijn goud, waarin zij het heilig hout legden, en ze zetten het kruis op een altaar, het altaar van den Heiligen Hout, aan de noordzijde.
Dus alle geloovigen wilt aanbidden het Heilige Hout, waarin onze zaligheid is gewrocht.
En in 't jaar één duizend vierhonderd zeven en vijftig verbrandde de Groote Kerk met alle andere huizen, groote en kleine, staande aan de poortzijde, en de huizen van de Vuylpoort tot aan het Minnebroedersklooster.
En alles wat in de Groote Kerk was, verbrandde, behalve steen en ijzer. Zilver, goud, koper, lood, en de klokken smolten en alles, wat het Heilig hout bevatte, ja het verbrandde of smolt. Alleen 't Heilig hout spaarde God.
Bladzijde 86Toen de brand over was, trok de deken der kerk, meester Jan van Egmond Aalbertsz—een zeer vroom man—met vele Heeren en burgers, en kerkmeesters, Willem Duyck, den zoon van Arend Duyck en vrouwe van Naarssen, en Jan van Muylwijck, die later de banier heeft gedragen voor Utrecht en Deventer, en met ontelbaar volk, wereldlijk en geestelijk, en ze zochten 't in de asch voor het verbrande altaar.
En toen ze 't vonden, was 't week, of 't van was geweest ware, maar daarna werd het hard en stijf als hout. Men toonde het aan het volk, en daarna elken Goeden Vrijdag en op den Paaschdag.
Het heilig hout heeft Claes Scoutet de kerk gegeven, en hij was vroeger een burger van Dordrecht, en hij toog naar Brugge. Brugge is een stad in Vlaanderen.
Aldaar werd hij burger en hij stierf aldaar.
God zij zijn ziel genadig. Deo gratias. Bladzijde 87
Er was een geleerd man, rijk van goed, maar onrein van leven. Al zijn geld verspilde hij in zonde. En toen hij niets meer had, was hij bedroefd en ver van der menschen huizen ging hij in eenzaamheid. Niet wist hij, wat te beginnen zonder rijkdom, en alles wilde hij bedrijven, om het geld weder te winnen. De Duivel kwam tot hem, zeggend:
“Waarom ben je zoo droeve?”
De geleerde man vertelde hem, wat er was geschied. De duivel sprak:
“Wil je doen, wat ik, raad—ik zal je geven aan rijkdom genoeg.”
De man beloofde, dat hij den raad wilde opvolgen, wat het ook wezen mocht.
“Dan moet je God verzaken en Zijne moeder Maria,” zeide de Duivel.
Op dezen raad verzaakte hij zijn God, maar met zware moeite kwam hij ertoe, om Maria, de moeder Gods, te verzaken. Maar hij verzaakte Haar om der wille van den rijkdom. Daarom gaf de Duivel hem veel goud, en hij leefde een langen tijd in groote zonde. Ten laatste keerde hij tot zichzelven in:
“O! onzalig mensch, wat heb je gedaan? Je hebt God verzaakt en Zijn moeder Maria. Sterf je in deze zonden, zoo ben je eeuwig verdoemd.”
Hij ging in een kerk en viel op zijn knieën voor het beeld van Maria en smeekte zeer innig, dat Zij zich zijner zou ontfermen en voor hem bidden zoude. Hij liet niet af, bad altijd en bedreef grooten rouw vanwege zijn zonde. Ten laatste sprak de barmhartige moeder Gods tot den armen zondaar:
“Ik kan u niet helpen, want gij hebt uw God en uw Schepper en mij verzaakt.”
“O waarde moeder Gods, gij moet mij helpen, want anders ben ik verdoemd voor eeuwig.”

“O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen”
Bladzijde 88“Ik kan u niet helpen, want gij hebt het niet verdiend, dat men u helpen zal.”
“O Maria, hoe is Uw naam en hoe pleegt men U te noemen?”
“Sommigen noemen mij de moeder Gods, anderen de vrouwe der engelen of de koningin van het Hemelrijk of een ster der zee of de lieve moeder Gods Maria.”
“O! waarde moeder Gods Maria—Gij hebt nog een anderen naam, zooals het staat in salve regina.”
“Men noemt mij ook de barmhartige moeder Gods.”
“O lieve Maria en moeder der barmhartigheid, dien naam meen ik en ik hoop, dat Gij dien door mij niet zult verliezen. En zoo Gij mij niet helpt, verliest Gij Uwen goeden naam.”
Toen sprak Maria, de moeder Gods, tot haar lief kind Jezus:
“O! lief kind, ontferm U over dezen zondaar.”
“Lieve moeder, hij heeft mij verzaakt, ik keur hem geen genade waardig.”
Toen nam het beeld van Maria haar lieve kind Jezus en zette het op het Altaar, en knielde neder voor het Altaar, biddend zonder einde, en zeggend:
“Lieve kind! ontferm U over den zondaar.”
“Lieve moeder, de deur des hemels is hem ontzegd.”
“Lieve kind, is hem de deur ontzegd, laat mij dan het venster wezen, opdat hij door Mij mag komen in het eeuwige leven. Want ik ben het venster des Hemels.”
“Lieve moeder! ik zal Uwen wil doen.”
Maria, de barmhartige moeder Gods, zeide tot den zondaar:
“Ga heen en wil niet meer zonde bedrijven. Maar biecht uw boosheid en beter uw leven.”
De man dankte en loofde Maria, de moeder Gods en ging blijde en vertroost heen. Hij ontdeed zich van al het goed des Duivels, en hij ging in een klooster, waar hij God en Maria diende en zijn zondig leven beterde. Bladzijde 89
Tusschen Schoonloo en Zweel bevindt zich een groot veld, daar staan geen huizen op, en wegen loopen er weinig door: hij, die er gaat, moet niet bang zijn voor de eenzaamheid.
Eens huisden er twee reuzen, Brammert en Ellert heetten ze. Brammert was zoo groot, dat hij de heele breedte der vlakte vulde, als hij terneer lag: dan rustte Ellert in de lengte, en zóó bemerkte één van beiden steeds of er iemand aankwam, dien zij konden berooven: òf Ellert wist het òf Brammert, doch één van de beiden altijd.
's Daags spanden zij touwen in het veld, en ze bonden er ongewijde klokken aan. Wanneer nu een mensch naderde, liep hij immer tegen een touw, de klokken begonnen te klinken en Brammert en Ellert snelden naar de richting, waar ze het geluid hadden gehoord; menigen schat hadden ze in den loop der tijden vergaard. Tevreden echter waren zij niet. Want ze roofden en moordden geenszins dáárom. Ze roofden en moordden, wijl hun was geprofeteerd, dat eens iemand door het veld zou trekken met den sleutel tot het geluk bij zich. Dien sleutel wilden ze hebben, en ze waren teleurgesteld, wanneer ze een reiziger hadden gedood, bij wien ze slechts goud en zilver vonden …. Ze waren ook steeds naijverig op elkander, daar ieder hunner meende, dat de ander zich op slinksche wijze van den sleutel had meester gemaakt, en er niets over had gezegd. Ze bewaakten elkander, als twee honden, wien het te doen is om dezelfde prooi, ze waren elkaar's schaduw, als twee gevangenen waren zij, door één keten gebonden.
Eens in een donkeren nacht had Brammert, de vader, die drie duim kleiner was dan Ellert, maar daarvoor in de plaats drie duim hersenen meer bezat, een ridder vermoord, en het duurde—daar Ellert niet dadelijk wakker was geworden—eenigen tijd voor ook de zoon het lijk ontdekte.
Ze hadden een beurs gevonden, zóó gevuld met goud, als een versche bron met water. Maar Ellert—met zijn Bladzijde 90domme verstand (had hij niet drie duim minder aan hersenen?)—dacht dadelijk, dat Brammert den sleutel had, en hij zeide tot zichzelf:
“Eerst moet ik probeeren, of Brammert het mij goedschiks bekennen zal, ik zal morgen net doen, of hij zijn geheim in den slaap heeft verraden.
Ze legden zich ter rusten, en ze snurkten zoo luid, dat de vogels den volgenden ochtend te verdoofd waren om te zingen. Toen riep Ellert Brammert met luide stem toe:
“Je hebt ook aardig gedroomd, vadertje.”
“Wat meen je daarmee, zoonlief?” vroeg Brammert.
“Ik hebt wel gehoord, datje den sleutel gevonden hebt.”
“Ik den sleutel gevonden, zoonlief? Welnee goud en zilver, anders had de man niet bij zich en dat is niet veel.”
“Kom, kereltje, wij behoeven elkaar niets wijs te maken. Beken nu maar, dat jij den sleutel hebt gevonden, en dan praten wij er geen woord meer over.”
“Haha,” dacht Brammert, die de slimste was, “nu verklap je jezelf, zoonlief.—Jij hebt het op mijn leven gemunt, zoodra ik den sleutel in mijn bezit heb.” Dit dacht hij, hij sprak echter:
“Meen je, dat ik jou 't nu zal vertellen, als ik den sleutel heb? Nee! Wanneer ik hem vind, mag jij hem bewaren, omdat jij de grootste en de sterkste bent van ons tweeën. Ik ben drie duim kleiner dan jij, en ik voel me te zwak voor een zoo zware taak.”
Dit geloofde Ellert met zijn domme verstand, totdat er een paar dagen later een koopman door het veld zwierf, en Brammert de eerste was, die van het buitenkansje profijt trok. Toen Ellert naderde, was moord en roof reeds geschied, en weder wantrouwde de zoon den vader.
“Waarom,” peinsde hij, “is Brammert altijd de eerste? Dat is gemakkelijk te begrijpen … hij wil den sleutel hebben, en mij die niet geven.” Hij sliep den geheelen nacht niet, omdat hij er voortdurend over nadacht, hoe hij zijn vader tot een bekentenis moest bewegen. Eindelijk, Bladzijde 91de zon was reeds lang opgegaan, en hij had maar altijd liggen peinzen over het moeilijke vraagstuk! ging hij naar hem toe, en zeide:
“Weet je, vadertje, wat ik vannacht gedroomd heb?”
“Hoe zou ik dat weten, zoonlief?” vroeg Brammert, die had geleerd, dat je met vragen verder in de wereld komt dan met antwoorden.
“Ik heb gedroomd, dat jij den sleutel gevonden hebt.”
“Hoe zou ik dien hebben kunnen vinden?”
“Bij den koopman!”
“Die had veel te veel geld bij zich. Die werd veel te veel door zorgen gekweld.”
“Daar heb je gelijk in, vadertje. Neen! dan heb ik verkeerd gedroomd.”
In zichzelf lachte hij, en hij overlegde:
“De derde keer zal hij zeker door de mand vallen. Dan behoef ik heelemaal niet meer op antwoord te wachten, hij zal het mij argeloos vertellen, en ik zal hem dooden om alleen den sleutel te hebben. Laat er één mensch ter wereld komen, die me daarna den sleutel afneemt. Mijn vuisten zijn sterker dan smidshamers, de spieren van mijn armen zijn zwaarden gelijk, en wie durft me trouwens aan te vallen? Zelfs vadertje dood ik in den eerlijken strijd, omdat ik drie duim grooter ben dan hij.” Had hij echter geweten, hoe Brammert terzelfder tijd over hèm dacht, hij zou zich nog zoo zeker niet van de overwinning hebben gevoeld.
“Zoonlief denkt, dat hij de geheele wereld met kracht kan overwinnen. Of hij niet weet, dat ik drie duim hersenen meer heb dan hij …. Hoe kom ik aan zulk een dommen zoon?”
Er was nu vijandschap en wantrouwen tusschen hen en ze gevoelden lust elkander te verlaten. Zeker hadden ze dit gedaan, wanneer niet beiden naar den sleutel hadden verlangd. Ze gunden elkaar niets, zwijgend volvoerden zij hun booze daden, niet meer met de sympathie, die kwade Bladzijde 92menschen verbindt. Ja, in Ellert was de geheime wensch verscholen, Brammert te dooden. Indien hij had gedurfd, zou hij geen oogenblik hebben geaarzeld. Zijn geweten had hij verloren en de stemmen, die spraken in zijn geest, hitsten hem aan tot bloedige dingen. Hij had gezworen, nooit zijn handen te wasschen, opdat ze de kleur en den geur van 't bloed zouden behouden.
Brammert bemerkte wel, dat Ellert door wreede lusten werd gekweld: hij zag het aan de oogen, waarover de diepe schaduw van een fellen gloed lag; ook aan de korte, roode vingers, die zich telkens en telkens klemden in de palm zijner hand, en aan de wijze, waarop de dikke lippen zich openden, dat de witte tanden grijnzend bloot-kwamen, aan den peinzenden glimlach, die lag langs mond en wang.
Hij wist 't, en 't gonsde in zijn hersenen:
“Hij durft mij niet te vermoorden, omdat ik verstandiger ben dan hij. Hij weet, dat ik zijn kracht door mijn slimheid weerstaan kan. Wanneer ik waak en op mijn hoede ben, als hij dicht bij mij is, overwint hij me niet.”
Eens kwam er een jong meisje, dat men niet gewaarschuwd had, van het dorp Sleen in het veld. Ze raakte een touw aan en dadelijk begonnen de klokken te luiden.
Brammert en Ellert schoten toe.
Het meisje wilde vluchten, ze liep over den weg—een vervolgd mensch: de doodsangst was in haar bloed. Met één sprong was Ellert, de grootste der twee reuzen, bij haar! hij greep haar handen vast en lachte.
“Dat hebben wij nooit gehad, een vrouw op 't veld. Nu hebben wij iemand, die ons het eten kan bereiden en ons de voeten kan wasschen, als ze gewond zijn,” schertste hij.
“Laat mij gaan” smeekte het meisje.
“Je laten gaan? We zijn veel te blij, dat we je hebben. We zullen je ook niet dood maken.
Het meisje boog de handen voor het gezicht en weende. Nog nooit hadden Brammert en Ellert tranen gezien, wel hadden ze kreten gehoord van vrees en verdoemenis, Bladzijde 93doch nooit van smart. Ellert stond te grinneken: “Zoo'n buit hebben we nog nooit gehad, vadertje. En 't mooiste is, dat ze geen geld heeft, en dat ze den sleutel tot 't geluk niet bij zich kan hebben, want dan zou ze er wel gelukkiger uitzien. Alleen, omdat er nog nooit een vrouw op 't veld geweest is, zullen wij haar houden.”
Brammert zag haar aan, en er was een vreemde vriendelijkheid in zijn blik: Zooals dikwijls, wanneer een sterk mensch een klein en ongelukkig schepsel ontmoet …. Een stille glimlach, en een trotsch medelijden was achter in de iris zijner oogen. Het meisje keek naar hem op, vertrouwend, en misschien gevoelde ze wel dadelijk, dat, al was Ellert sterker, en oogenschijnlijk machtiger, om haar te beschermen, Brammert drie duim hersenen meer bezat, en hij gezind was tot teerheid. In de dagen, die volgden, vergat Ellert den sleutel tot het geluk … Een doffe pijn was er om zijn hart … dat het jonge meisje glimlachte, wanneer zij bij Brammert was, en weende, als Ellert haar naderde. Somber staarde hij naar Brammert, wiens gezicht veranderd scheen. Nu geleek hij een mensch, wien alle wenschen zijn vervuld. En eensklaps, gelijk een pijl, die tròf, schoot hem van binnen-uit zijn ziel de gedachte in den geest, dat Brammert den sleutel tot het geluk had gevonden, en dat hij-zelf er van verstoken zou zijn tot in het eind zijner dagen.
Eenzaam liep hij over 't veld, en hij steunde luid als de stormwind. Voor hij begreep, wat er gebeurde, vielen er tranen, zoo groot als mansvuisten, langs zijn wangen, en hij weende van smart, als 't jonge meisje had gedaan.
“Brammert heeft den sleutel tot 't geluk,” schokte het op in zijn brein, “en ik mag toekijken …. Hoe moet ik me er van meester maken? Ik wil zoo graag …. Ik gun hem den sleutel niet. Ik zal hem dooden, zoodra ik kan.”
Hij rook aan zijn handen, die als bloed waren.
“Vannacht nog,” fluisterde een booze stem, “als hij nederligt, 't hoofd op den heuvel, sla ik hem een ijzeren Bladzijde 94pin door de hersenen, en nooit meer zal hij opstaan: Ik zal hem den sleutel ontrooven, zoodra hij dood ternederligt.”
Brammert droomde met open oogen. Hij vermoedde nu niet, dat Ellert hem wilde vermoorden. Hij dronk het geluk, tot het overschuimde in zijn ziel. Hij wilde nooit meer rooven en branden, hij wilde het veld verlaten, verre zijn van zijn verleden.
Het was de laatste nacht, dat hij nog op 't land doorbracht.
Zijn hoofd lag achterover op den breeden heuvel, die nog altijd de Brammertshoop wordt genoemd. Hij wasbedwelmd door zijn geluk, diep en zwaar zonken zijn droomen in zijn bewustzijn. Het maanlicht scheen, toen Ellert dicht-bij sloop en zich over hem heen boog. Een witte wolk was het maanlicht, die tot op de aarde was gezonken, en een schemer wierp langs den donkeren grond, een vage, mat-zilverdoortrokken glans daarboven. Bij dien gloed aanschouwde Ellert Brammert's gelaat. Een glimlach bewaakte zijn slaap.
“Hij heeft den sleutel tot 't geluk” dacht Ellert.
Hij nam de pin en dreef die zwaren hamer in Brammert's voorhoofd, ver in zijn hersenen, dat de reuzenkop geklonken werd op den harden bodem. Geen pijn was er op zijn gezicht, de glimlach van vrede bleef. Het geluk was in hem, de laatste seconde van zijn leven.
Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende. Ellert stond naast haar, en er spraken duistere stemmen in zijn bloed:

Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende
“Nooit zul je den sleutel vinden, dien hij gevonden heeft. Tot in verre geslachten zal je naam een vloek zijn, Ellert, Ellert, en nooit zal je naam vergeten worden, Ellert, Ellert ….”
Hij nam het zwaard, waaraan zeven smeden zevenjaren hadden gewerkt, en stiet het zich in 't hart. Hij viel neer, naast zijn vader, zonder een woord te klagen. Hun bloed vloeide tezamen.
Het land waar hij gestorven is, draagt zijn naam: Het Ellertsveld. Het was een land van vloek en verdoemenis. Bladzijde 95
Hoog was de linde van Canne, die tegen den berg stond, dichtbij het klein kapelleke. De zeven schepenen spraken er recht, en ze waren beschut als in een zaal. Noch zonnelicht, noch regen lieten de dichte bladeren door: Iedereen, die van slechte daden werd beticht, stond onder de hooge linde, voor de zeven schepenen, terwijl het volk in wijden kring was geschaard.
Er was een vrouw in Canne, die jong al weduwe was geworden, en met haar kind alleen op de wereld was overgebleven. Sindsdien werkte zij meer dan zij vermocht.
Wat het zijn kon, dat er eenigen in het dorp haar haatten? Wellicht was zij te gelukkig geweest. Of was het uit oude dagen, dat een wrok, om een gebaar, een woord of een daad, of om het geheim van haar innerlijk wezen, bestond?
Onverzoenlijk was haar vijand, en loerend op het gunstige oogenblik. Hij werkte haar, waar hij kon, tegen. Als zij werk had gevonden, had zij het onmiddellijk daarna weder verloren. Daarom was het, dat zij ten langen leste, den strijd tegen den onbekende moede, besloot, om haar brood in Maastricht te verdienen. Iederen morgen ging ze in de vroegte uit haar huis en liet haar jongen alleen.
“Wees zoet vandaag en speel niet bij den Jeker,” zeide ze iederen dag, wanneer zij—vertrok.
Eens kwam zij van de stad in het dorp terug, toen ze bij haar woning een groote menigte menschen zag. IJlings trad ze naderbij. Men week. Tot haar ontzetting bemerkte ze, dat men haar binnen den kring liet.
Haar knaapje lag lang uitgestrekt, dood. Zijn hoofdje was blauw opgezet, en de angst leefde nog om den dooden mond, waaruit flauw 't water siepelde. Vóór haar vreeselijken schrik, die alle reden in haar verdrong, was zij er zich van bewust, dat er striemen van een knellende hand in 't nekje waren, en waar een nagel had getroffen, was bloed.
“Moord,” zoo fluisterde men.
Bladzijde 96De moeder was naast haar jongen neergevallen, het gezicht ter aarde. Ze weende niet, want haar verdriet was te groot. Ze wist niet, wat er om haar geschiedde. Ze was niets dan smart, en haar bewustzijn viel daarin terneer als een steen in bodemloos water.

De moeder was naast haar jongen neergevallen
De schout had zich door de massa gedrongen, en hij stond voor de roerlooze groep, moeder en kind.
“Wat is hier geschied?” zoo vroeg hij.
Er was een stem uit de menigte:
“De knaap is vermoord, en die de daad heeft bedreven, ligt er niet ver vandaan.”
't Volk morde:
“De moeder heeft haar eigen kind gedood. Daarom kan ze niet weenen.”
Men begreep niet, dat het leed geen klank heeft. De schout beval zijn dienaren, de vrouw mede te nemen, en haar in 't gevang te werpen.
Nadat zij uit haar angstigen droom ontwaakt was, en sidderende overeind rees, zag ze met angst, dat men haar alleen had gelaten. Ze sloeg de handen aan het voorhoofd, en trachtte zich te bezinnen. Eensklaps stiet ze een snerpenden gil uit.
“Jean—mijn kind.”
Ze zonk op haar knieën en betastte den vloer.
“Hebben ze jou van me weggenomen?”
Haar handen, zoekende, glijdende over den bodem, raakten de vochtige steenen van den wand. Ze richtte zich iets op—het was alles steen—dat zij vond—klamme, zweetende kilheid. Zij probeerde in de enge ruimte iets te vinden, waaruit zij begrijpen kon, welke plaats men haar had aangewezen. Haar woning was het niet. Bij het tasten stiet haar been tegen een hard voorwerp, en in dezen klankloozen, kleurloozen nacht, begrepen eindelijk haar blinde vingers, dat het een brits was.
“'t Kot!” riep ze in angst. “O! waar heb ik dat aan verdiend? Mijn kind dood … en ik in 't gevang!”
Bladzijde 97Ze strekte zich op den vloer uit, maar ze gevoelde de hardheid van den bodem niet. Dof gonsden haar hersenen. Ze sliep niet en waakte niet. Waren haar droomen gedachten of haar gedachten droomen? Was het eerste zonnelicht, dat bevende drong langs de traliën, en een bilzenkruid-kleurigen nevel spreidde in de sombere cel, een vloek of een zegen?
De schout en zijn dienaren traden binnen. Ze grepen haar ruw bij den schouder.
“Mede naar de linde van Canne. De schepenen wachten,” zoo bevalen zij.
Met moeite stond ze op. Strompelend ging ze naast haar geleiders. Toen ze in de verte den lindeboom zag, boog ze haar hoofd. Nu eerst kwam zij tot bewustzijn en wist, van welke misdaad zij werd beschuldigd.
Met stompen dreef men haar voor haar rechters, en ze weende.
Eens zaten daar de schepen, alle zeven,
't Is lang geleden, dat ik 't geschreven vond
Om recht te spreken over dood en leven,
Terwijl rondom vol vrees het volk stond.
“De schande,” weende ze.
“En niemand sprak voor haar, ze lag in tranen,
Die arme ziel, verlaten en veracht.
Maar toch … ze hoort haar innerlijk vermanen
Een stem, die heimelijk vertrouwen bracht.
Ze wist het … God was met haar.
Het was een zomerdag, waarin de lucht gloeiend-blauw is, en de sterke kleuren scherp tegen elkander botsten (nergens in elkaar vervagende, gelijk in het vroege voorjaar of in den herfst) blauw en groen en rood, in hun diepste, felste nuanceering. Als een oneindige golving van paarsgeel, hier hoog, daar laag, lag het koren tegen de heuvelen, en zoo vol was de lucht van leeuwerikken-jubel en vinkenslag als slechts in den zomer.
De schout stond op, en zeide het verzwarende getuigenis. Voor het eerst hoorde ze den naam van haar geheimen vijand. Ze hief de handen in vertwijfeling. Hij was Bladzijde 98de voornaamste man van het dorp, en wie zou haar, een arme weduwe, gelooven?
Hij trad zelve naar voren, en herhaalde zijn verklaring. Hij had dan ook gezien—zoo zeide hij—hoe zij in den vroegen morgen met haar knaapje was gaan wandelen. Hij volgde hen beiden, want hij wist, dat zij gebrek leed, en bij een zoo slechte vrouw kon het plan bestaan, zich van haar kind te ontdoen. Bij den Jeker had de weduwe omgezien, en hij moest zich haastig achter een boom verbergen. Vervolgens had hij het snoode misdrijf aanschouwd, dat de vrouw het jongetje vastgreep, zijn keel omknelde, hem worgde en hem in de beek wierp.
Met ontzetting hoorde men deze aanklacht, en stil wachtten zij, de aanklager, de schout, de schepenen, het volk, op het antwoord der arme vrouw. Zij moest zeker bekennen, nu de voorname man haar misdrijf had gezien. Het was duidelijk—zij had den moord gepleegd; het waren de indrukken van haar vingers, welke om den hals lagen van den dooden knaap. Men droeg het lijkje op een baar naderbij. Ze zou alles bekennen—ze deinsde terug met een schrik, dien alleen moordenaars kennen. Niemand was haar welgezind. Zij zweeg—dat was 't grootste bewijs harer schuld. Dat ze op haar knieën zonk, dat ze haar handen legde op 't verstarde gelaat, was haar berouw. Ieder gevoelde echter, dat de dood den dood riep, en dat slechts één straf voor haar kon bestaan.
De oudste der schepenen wendde zijn gelaat naar haar toe.
“Wat hebt gij te zeggen?” zoo vroeg hij.
Nog antwoordde ze niet.
Dringender werd zijn verhoor.
“Wat hebt gij te zeggen! Of kunt gij niets antwoorden, daar gij schuldig zijt.”
Zij richtte zich iets uit haar gebogen houding en antwoordde dof:
“Ik ben onschuldig.”
Er was een klank in haar gepijnigde stem—de echo van Bladzijde 99haar eerlijk geweten—die even, even een teerder gevoel wekte bij de luisterenden. Toen echter de klank verklonken was, snerpte de stem van den schout door de stilte.
“Wilt gij dan zeggen, dat uw aanklager liegt? Wat zou hij voor redenen hebben? Hij een rijk man—gij een arme vrouw?”
“Ik ben onschuldig.”
Toornig riep de schout:
“Gij hebt mannen voor u, geen kinderen.”
De oudste der schepenen vroeg:
“Hebt ge anders niets te zeggen, dan dat ge onschuldig zijt?”
Zij zag hem glimlachende aan, want een stem had haar zacht toegefluisterd:
“Wees vertroost, moeder. Zoowaar de ziel van uw kind in den hemel is, zoo waar zal uw onschuld blijken.”
Daar niemand wist, wat haar glimlach beteekende, meende men, dat zij spotte. De oudste der schepenen noodigde den schout met een gebaar uit tot spreken. De aanklager ging achteruit en voegde zich bij het luisterende volk.
De schout sprak:
Schuldig was deze vrouw, des te schuldiger, daar zij haar misdrijf ontkende. Reeds van vroeger waren er kwade geruchten over haar, en thans, nu zij bij het lijk van haar kind stond, bleek het, hoe gegrond ze waren. Er kon slechts één meening zijn, dat zij haar kind had vermoord, en in den Jeker had geworpen.
Zou zij het uit armoede hebben gedaan?
Wie was er in Canne, die een noodlijdende hulp zou weigeren? Iedere deur zou voor haar geopend zijn, als ze voor haar en haar kind werk vroeg.
Twijfelde er iemand aan haar schuld?
Wat zou een mensch ter wereld eraan kunnen hebben, om een weduwe valsch te betichten? Er kon noch bij de schepenen noch bij het volk vermoeden zijn, dat een ander dan zij den moord had gepleegd. Bladzijde 100
Zoo min men in den zomer door de sneeuw kan waden
En 't nacht kan wezen in den dageschijn …,
Zoo min moogt gij gebruik en wet versmaden
En mag deez' vrouw thans vrijgesproken zijn.
Als 't sneeuwde in dezen heerlijken zonne-zomerdag—als de nacht onmiddellijk mocht volgen op dit verblindend licht—zou hij in de onschuld der vrouw gelooven.
Hij had uitgesproken.
Ineens drongen de wolken tezamen aan den blauwen hemel, en verduisterden alle licht.
't Was nacht in den dag. 't Was winter in den zomer.
De vogelen hielden op met zingen. Er was noch de geur van bloemen, noch van koren. Niemand zag zijn buurman. De hemel was duisternis, zoo dicht en dik, als hing er het zwaar gewicht van den nacht aan.
Doch eensklaps hervatte het licht zijn luister.
Het donker sloeg terug, zonder een valen sluier als in den morgen achter te laten. Gelijk een bliksemflits snijdt door den duister, doch dan dieper en breeder en hooger van ruimte, en langer van tijd, zóó hieuw ineens de glans van den dag den nacht uiteen. De vogelen zongen weder. De bloemen geurden weder. In gloeiend paarsgeel golfde het graan tegen de heuvelen.
Alleen de linde was veranderd. Op haar takken, op haar bladeren was sneeuw, en de groene stam was wit van sneeuw. Op den grond echter onder haar gloeide de zomer … insecten kropen af en aan, een rups gleed, een kever warmde zich in het zonnelicht. Grooter mirakel dan dit alles geschiedde nog. De sneeuw smolt niet. Temidden der uitbundige, woeste weelde van louter zomerkleuren was de linde wit, en de takken bogen onder hun zwaren last.
En ieder schrikte over wat gebeurde,
Maar wacht! daar zag men nog een wonder meer,
Toen kort daarop de zon weer alles kleurde
Toen was de boom in sneeuw, gelijk bij winterweer.
Ontroerd las de oudste der schepenen het vrijsprekend vonnis. Doch men zocht den aanklager en vond hem niet.
Moge hij zijn loon hebben ontvangen! Bladzijde 101
Het was in den jare veertien honderd negen en dertig, dat er Groote Sterfte over de menschheid kwam, en de taak van den Dood niet wilde eindigen. Zwart waren Zijn knokels. Op een zwart paard reed Hij, zwart waren de toomen, zwart het zadel, zwart 't ijzer van de zeis, waarmede Hij sloeg. Men noemde Hem den Zwarten Dood.
Waar was Hij niet geweest?
Uit het Oosten was Hij gekomen, over de Hongaarsche landen tot Weenen, waar Hij langen tijd had vertoefd. Verder was Hij gegaan, als een onverwinbaar held. Weeklachten waren er aan alle kanten. Hij reed stapvoets langs de wereld, maaiende, alwaar het leven had gezaaid. Lees de oude kronieken over Hem. Bij honderdtallen verzamelden zich de menschen, mannen en vrouwen, om Hem te vermurwen: gezamenlijk vereenden ze zich ten gebed, ze geeselden zich en elkander. Doch de Zwarte Dood zag en hoorde niet naar hen, want Hij was gekomen, om te verderven, en het Noodlot bestuurde Zijn onstuitbaren tocht.
Ook in het dorpje Ruurloo was Hij binnengereden, en sinds dien week Hij niet meer. Eenige dagen voor zijn komst hadden pelgrims uit het Heilige Land bij de bron overnacht, ze waren bij het eerste zonnelicht weder verdwenen. De meisjes uit 't gehucht waren den uchtend naar de bron getrokken, en hadden de kruiken vol met water geschept, gelijk 't hare gewoonte was. En daarna werd ieder, die van het water had gedronken, ziek: de Zwarte Dood boog zich over het krommend lijf, onbewogen sloeg Hij toe. De pijn bleef in houding en gelaat van den geslagene.

… En de Taak van den Dood niet wilde eindigen
Niet alleen, dat hij, die water dronk uit deze bron, werd gedood, doch alle bronnen, behalve die van het kasteel, waren door den vloek getroffen. Toen zeide men, dat de Joden het water hadden vergiftigd. En de Joden vluchtten uit Ruurloo, met achterlating van have en goed, ze liepen Bladzijde 102tot waar de Zwarte Dood nog niet genaderd was. Alleen de oude Abraham en zijn schoone dochter Mirjam bleven in het dorp. Want Abraham was te oud, om te gaan en Mirjam was te schoon, om niet door den ridder van Ruurloo te worden beschermd.
De Zwarte Dood reed op Zijn zwart paard. Bijna geen huis, op eenigen afstand van het slot, of Hij was er de gast, die roofde en moordde.
Toen kwamen zij, die gespaard waren tezamen, en ze riepen dat men Abraham en Mirjam zou dooden. Want de joden hadden de bronnen vergiftigd, en vergelding vroegen ze om het vreeselijk misdrijf, waaraan zich de beiden hadden schuldig gemaakt.
De jonge ridder in het zwaar-beschut kasteel lachte achter zijn muren. Des avonds, als Mirjam bij hem kwam, stelde zijn lach haar gerust. Den dag daarna echter, wanneer de dorpelingen haar dreigend voorbijgingen, vloeken en scheldwoorden verborgen in hun ziel, was 't haar, of geen macht ter wereld haar zou kunnen redden. En ze smeekte den ridder van Ruurloo haar en haar vader onderdak te geven achter de poorten van het slot. Want van haar vader wilde ze niet scheiden.
“Mirjam!” lachte de jonge ridder lichtzinnig, “kom met je vader, den ouden Jood, bij me wonen. Zijn gezicht alleen is wel in staat, om de bron te vergiftigen, maar zoolang jij bij me bent, vrees ik dit gevaar niet.”
De Zwarte Dood reed langs 't zonnig riviertje de Berkel, en de Groote Sterfte hield aan. Hij kwam in 't stedeke Borkuloo, Zijn paard zag men in Lochem en Zutphen, en het spoor van den hoef langs de wegen van den IJsel. T'elken avond was hij weder in Ruurloo, en men ontdekte Hem, den stillen, eenzamen ruiter, bij de brug van het kasteel, zijn handen tot vuisten ballend, om de grens, die Hem werd gesteld. De ridder lachte, sloot Mirjam in zijn armen en kuste haar den rooden mond.
Bladzijde 103Toen geviel het, dat de moeder des ridders hem berispte om de Jodendeerne, die hij in zijn slot woonplaats verstrekt had. Ze zeide hem, dat hij moest huwen met een eerbaar en adellijk meisje; ze zeide hem, dat hij Abraham en Mirjam moest dooden.
Daar Mirjam hare woorden had gehoord, dreigde zij hem, toen ze weder tezamen waren:
“Ridder van Ruurloo! ik weet het lot der vrouwen, zooals ik er een ben, gelijk ik het lot der bloesemen weet. Daarom zal ik me niet wreken, als gij mij verstoot. Doch bij den eeuwigen God! als ge mijn ouden vader met uwe hand aanvat, zijn uwe dagen geteld.”
Hij lachte, en antwoordde niet.
Vijf dagen hadden hun taak volbracht, en de zesde was gekomen. Over Mirjam's woorden had de ridder niet nagedacht; de andere woorden, die zijn moeder had gesproken, drongen ze gemakkelijk weg. In zijn geweten was noch een goede, noch een kwade stem, gelijk alle stemmen zwijgen binnen het geweten van den lichtzinnige. Hij dacht niet na over de toekomst. Zooals het lot kwam, geschiedde het voor hem.
Hij zag Machteld, en zijn moeder vroeg hem, of hij niet wist, dat zij de rijkste en schoonste was van Brabants jonkvrouwen. En ziet! haar rijkdom bekoorde hem. Te mogen rossen en brassen, iederen dag weder, uit de eeuwige schat. Hij stelde het zich al voor, zonder gedachte, met zinnelijken blik, hoe hij de fraaist-gekleede ridder zijn zou ver in den contrije, en hoe hij Mirjam zou blijven bekoren.
Zijn moeder echter waakte meer over zijn zieleheil dan hij-zelf. Hier was 't de klank van haar stem, daar was het een gebaar—hier was het een zwijgen, daar was het een woord, zooals vrouwen het slechts weten te zeggen.
Stug wachtte Machteld een dag den jongen, lichtzinnigen minnaar.
“Waarom leven de Jood en de Jodin op het kasteel?” Bladzijde 104waren haar booze woorden. “Vang ze en doe ze levend verbranden. Ik zal uw vrouw niet worden, als ge aan dit bevel niet gehoorzaamt.”
Hij bezag haar even, en haalde zijn schouders op.
“Het zal gebeuren,” zeide hij onverschillig.
Maar toen zijn mannen kwamen, om de beiden te grijpen, vonden ze er slechts één: den ouden Abraham. Ze sleepten hem over den hof, en wierpen hem in het kot. Dienzelfden avond bracht men hem reeds ter dood.
En de Zwarte Dood had Ruurloo verlaten. Niet meer werd Hij bij het kasteel gezien, tot den nacht voor de bruiloft. Hoog zat Hij op Zijn roerloos ros, en zwarter waren Hij en Zijn dier dan de nacht om hen. Hij balde Zijn handen niet tot vuisten. Zijn sikkel hing over Zijn schouder.
Toen de wachter den hoorn stiet, deed Hij zijn paard langzaam wenden. Men kon zeggen, dat Hij een droom geweest was, want er waren nu geen sporen op den weg, en in den luisterrijken morgen ontdekte men niets meer van Hem.
Onbekommerd waren de bruid en de bruidegom. Waarom zouden ze vreezen? Jong en rijk en schoon waren ze beiden. 't Leven was een gloed voor hen, en terwijl ze in de zaal stonden, scheen het, of ze gewarmd werden door het zonnelicht. Ze glimlachten van gedachteloos geluk. Zou de dag van morgen niet even wonderlijk zijn als deze dag?
Een dienaar naderde den jongen, blonden ridder, en fluisterde.
Buiten wachtte een heidin, die kon waarzeggen.
Waarom zou ze niet binnen treden, en hun het geluk voorspellen? Was de groote wereld niet van hen? Als ze de waarheid zeide, zou ze goud verdienen. Ook de moeder glimlachte, de gasten glimlachten.
Duister trad een gesluierde vrouw binnen het zonnelicht van hun aller verwachting.
Bladzijde 105“Wie eerst?” vroeg ze heesch.
“De bruid,” riep de bruidegom.
Ze naderde, en zag haar hand. Zonder ze aan te raken.
“Maagd en vrouw. Gehuwd en weduwe. Het klooster en het graf,” zeide ze zachtjes.
“Ge liegt,” schreeuwde de bruidegom.
Het zonnelicht was uit de zaal geweken. Alles was in valen schemer verborgen. Onbewegelijk stonden de gasten, wachtend op meer.
De heidinne richtte zich recht uit haar gebogenheid. Terug den sluier.
“Mirjam.”
“Mirjam,” echode haar stem. Ze naderde den ridder, en zag hem aan. Ze sloeg haar armen om hem heen, zóó sterk, dat zijn krachtige arm weerloos werd. En allen om hem heen stonden stil, wachtten.
“Mijn vader is dood,” klaagde ze.
“Haal haar van me af,” wilde hij roepen. Doch reeds was haar mond den zijnen genaderd. Ze kuste hem wild.
De schemer week uit de zaal. Het was duisternis. De Zwarte Dood stond aan de deur, en Zijn schaduw strekte zich uit over de dingen en levens. Toen hoorde men Mirjam's stem, in jubeling:
“Ik heb mijn vader gewroken. Ridder van Ruurloo! mijn kussen waren vergiftig. Ik ben aangetast door den Zwarten Dood—en ook gij—zult sterven—als ik—”
Ze zonk voor hem neer, zijn knieën omklemmend. Met haar laatste leven hield ze hem vast—Even nog snikte ze ….
Toen was het stil.
En allen vloden ze van den ridder van Ruurloo, niemand riep hem een vaarwel toe, noch de gasten, noch zijn moeder, noch zijn jonge, schoone bruid.
In eenzaamheid is hij gestorven. Bladzijde 106
Niet rijdend op een zwart ros verscheen de Dood in de streek van den Enscheder Esch, maar sluipend als een klein wolkje, dat in een huis bleef, tot allen waren gestorven, de ouden en de jongen. Genadeloozer dan een krijgsman was deze damp, zoo smal en ijl.
“'n Blauw dämpken vleug der van duur tot duur,
En woar dat blauwe dämpken kwam,
Doar störf an den heerd de heldre vlam,
Doar störf de boer, de vrouw, het keend
Et hoes verwöj duur weer en weend.”
Het koren stond in den zomer op het veld. Waar was de hand, die het maaien kon? Het vee wachtte droomend op de weide bij de beek, gelijk alle dagen. Het sappige gras was gegeten, en het werd melktijd. De koeien snoven in de lucht, één bromde zacht, één loeide. Waar bleven de vroolijke meiden? Met langzame passen volgden de beesten elkander, telkens stilstaand, telkens snuivend, klaar blij te groeten, als de melksters naderden. De koeien waren het zoo gewoon geweest, en ze wisten zeker, dat de meiden moesten komen. Maar niemand kwam, op dezen dag. De arme dieren brulden van smart; ze riepen vele malen om barmhartigheid, maar meedoogenloos schoof de schemer over de weiden, en het duister stond aan den horizon al gereed, een hooge, zwarte ridder, wiens lange schaduw over de aarde kroop, den schemer achterna. Geen licht bleef voor den nacht gespaard.
Stil! daar kwamen de wolven naar het Aamsveen geslopen, wolf na wolf. Hadden ze het kleine witte wolkje gezien, dat langs vele hoeven ging, en dat de menschen doodde?
Dit was een tijd voor de wolven, nu de menschen leden. De nacht omsloot hun gedaanten, en dus naderden ze het land, om er heer en meester te worden voor langen tijd.
In den zomer en in den herfst bleven ze nog een eind verwijderd van de huizen, waar hun machtigste vijanden Bladzijde 107woonden, die hen uit de verte konden treffen met tandenscherpe, zonne-blinkende wapenen. Maar iets in hun bloed zeide hun, dat ze geduld moesten oefenen, en geduld kenden ze. Ze lieten zich verjagen, doch iederen dag drongen ze enkele Meters verder op dan ze vier en twintig uur geleden hadden gedurfd.
Wat de mensch was voor den wolf, was 't kleine wolkje voor den mensch, een vijand, die den dood in zijn aderen droeg.
De winter kwam, grimmig van koude. Waarom hadden de menschen geen hout gesprokkeld, om den haard te doen vlammen? Goed is het te zitten dichtbij de warmte-streefende vlam, als buiten de stormen rossen en rijden in joelende jacht. De hitte dringt tot diep in 't gebeente, en er is rossig, vertroostend licht over vloer en zolder. Zwijgen en spreken bij den brandenden haard heeft elk zijn bijzonder geluk: wie zwijgt, leert dan vele geheimen des levens, en wie spreekt, gevoelt een blij vertrouwen in de goedheid zijner vrienden.
Het verhaal zegt, dat er in dien winter nog slechts drie haarden brandden in alle de hoeven der streek. Toen naderden de wolven, niet meer stap voor stap. Ze drongen binnen in de dorpen der menschen, en in de stallen en huizen zochten ze hun woning.
“Et was in de tied van de zwatte dood,
Op den Enscheder Esch was bittere nood,
Op dree hofsteên alleen an den heerd glom vuur.”
En zij, die nog aan den brandenden haard zaten, waren bang voor het witte wolkje, dat zoovelen reeds had vernietigd. Ze durfden niet uit te gaan, want als ze de deur openden, kon het witte wolkje wel eens binnen glijden. Ze luisterden naar 't gehuil der wolven, en alleen de Lappe was onvervaard. De Lappe ging langs de wegen, als was er niets te koop en hij speurde naar 't witte wolkje, want hij wilde het vangen. Zoo het gevangen was, zou weder Bladzijde 108het geluk kunnen keeren in den Enscheder Esch en de heerschappij der wolven ware uit.
Doch het witte wolkje was vlugger dan de Lappe. Het was niet zoo gemakkelijk te grijpen, al loerde de boer erop, gelijk een koddebeier op een strooper. De Lappe wist echter, dat zijn dag zou komen, en dat hij het witte wolkje zou bemachtigen.
Wat moest de lente voor bruiloftsfeest houden, na zulk een winter?
“Met al wat leven har, was et edaon.”
Welk een tijd! Het gras op de velden woekerde verder, het groeide op het erf der hoeven, tot voor de deuren, die uit haar hengsels hingen, en het mos bedekte dicht vloer en dak. Waren dit ooit menschenwoningen geweest? Uit de stal eener boerderij sprong een wolf, en, o schrik! in de bedstede van Hölterhof jankten de wolvenwelpen. De wolvin stond aan de deur, ze was de wachteres der rijke hoeve.
De Lappe mocht niet slapen in deze vreeselijke dagen. Luister:
Een menschenkind kwam er na jaar en dag,
Nieuwsgierig, hoe de Hof er zoo lag
Zoo stil en verlaten 't huis en de stal,
Hij gaat eens naar binnen. Hij staat eral,
Daar! Schrik slaat hem om 't hart, ontroerd;
In de bedstee iets zachtkens roert.
Leeft hier nog iets, al is 't niet veel?
Daar springt hem voorbij en loopt naar de deel,
De wolvin, de wolvin in wilde draf
In de bedstee wierp ze de welpen af.
In dezen hoogen nood zal de Lappe wel niet veel geslapen hebben, minder dan anders, en dat wil wat zeggen, want zij die op de Lappe wonen, gebruiken in gewone tijden hun oogen terdege, des daags en des nachts.1 De Lappe moest op het witte wolkje letten, en wie weet, of Bladzijde 109het niet angstig was, om den Lappe te ontmoeten: die zat al genoeg vol streken, en duizend zwarte Dooden had hij kunnen bewaren, zonder dat ze ooit konden ontsnappen.
“Hoe krijg ik hem?” dacht de Lappe.
“Hoe kom ik bij hem, zonder dat hij 't merkt?” dacht 't kleine, witte wolkje. Want, let wel, het wilde niet in gevangenschap komen, ja, het wilde nog lang in vrijheid sluipen, heel behoedzaam, om te dooden. Daarvoor was het witte wolkje geschapen.
Eens ging het te middernacht uit, en men kon het niet onderscheiden van den nevel, die over het veld was. Het wachtte geduldig in het starre maanlicht, en het vloeide nu eens laag, dan weer hoog langzaam op zijn eene doel af: 't huis van den Lappe. Het was eerst in den morgen, dat het stil in een greppel wachtte. De morgenschemering dekte het even, maar toen dacht 't kleine witte wolkje:
“Nog is het licht schuw en schemerend overal. Dit is 't uur voor mij.”
Doch de Lappe had het wel gezien, zooals iedereen wel begrijpt. Al te middernacht was hij naar buiten getreden, en in de duisternis had hij het witte wolkje wel bespeurd en al de gangen van het witte wolkje had hij gevolgd, peinzend:
“Dat komt op den Lappe af, voor den wis en drie en waarachtig! Regelrecht op mij, maar 't zal je misloopen, mijn jong.
En nadat in den morgen 't wolkje zich had verheven, om zijn hoeve binnen te gluipen, bleek het, dat niet alleen de Lappe, maar ook 't vee 't dreigend gevaar had gezien of gevoeld. Want de stomme dieren loeiden en blaatten en knorden en snoven, omdat ze wel wisten, wat het witte wolkje te bedieden had. De Lappe echter stond roerloos, of hem de heele zaak niet aanging, zijn tijd beidend.
Nu was het witte wolkje al dicht bij de hoeve, en let thans eens op. In de benedendeur der boerderijen in deze streek is een rechte paal, welke de “stipel” wordt genaamd. Bladzijde 110't Witte wolkje wist wel, dat 't voorzichtig moest zijn, en 't kroop gauw in een gat van den stipel.
Met enkele sprongen was de Lappe er al bij. Hij nam een pin, en met een forschen houw sloeg hij deze in het gat van den stipel. Het witte wolkje was gevangen, het kon niet meer naar buiten komen, en het zou me niet verwonderen, wanneer 't er nog zat. De Lappe immers was in alle ambachten thuis, en waar die een pin in den stipel slaat, daar is 't raak ook.
Dus zijn de wolven uit deze streek weder geweken, gelijk ze zijn gekomen. Uit Schouwink vluchtten ze het vrije veld in, een geheel nest van wolven, uit Groot Huntveld, uit het Lutje Holzik, uit den wijd-vermaarden Hölterhof, waarvan niets is overgebleven dan een droom en een sage. De menschen keerden weder, en menige krachtige handdruk had de slimme Lappe in dezen tijd te verduren.
Zoo ge nu gaat naar het Aamsveen, zal men u nog de plek wijzen, waar de Hölterhof heeft gestaan, en een kuil in den grond, dien men nog altijd de “wolfkuil” noemt, ter herinnering aan de dagen, dat door een klein, wit wolkje de menschen werden verslagen en de wolven gelokt.
“Maar zie, in den stipel, daar was een gat
In den stipel, die in de benedendeur zat,
Daar kroop 't wolkje zachtjes in,
De Lappe zag 't en met een houten pin
Sloeg hij 't wolkje in het kleine gat,
Tot de Zwarte Dood gevangen zat.”
1 Volgens de bekende Twentsche folklorist J. J. van Deinse, zeide men, dat vroeger op de boerderij “de Lappe” een roode deek uithing, ter waarschuwing van de smokkelaars. (Driemaand. Bladen XV, blz. 9).
Meer dan zevenhonderd jaren geleden, ging de vrome Oliverus langs de Maas, en in ieder dorp, waar hij kwam, wachtte hij, tot allen zich om hem hadden verzameld. Zoo hij sprak, moest men wel naar hem luisteren, en hij zeide het lijden van Christus, gestorven aan het kruis, tot vele vrouwen weenden, omdat Hij zooveel geleden had; ook vertelde hij van de heilige moeder Maria, gebenedijd onder alle vrouwen, daar Zij den Heere Jezus had gedragen onder 't hart. Maar in zijn stem was reeds een toornige klank, die wonderlijk werkte in der mannen geest en ziel; menige knaap tastte naar dolk of zwaard; en de volwassenen gevoelden zich weder als jongelingen, die ten strijde zullen tijgen. Doch men wachtte nog op de woorden, welke achter den toorn van Oliverus waren verborgen, en dan zou men weten, hoe men den Heer kon wreken.
Toornig was de stem des predikers geweest, doch plotseling hield het schreien der vrouwen op, want zoo smartelijk werd de stem, dat niemand meer durfde te weenen uit ontzetting en ontzag voor zoo nameloos en onnoemelijk leed.
Wat—zoo vroeg Oliverus—was er van het land geworden, dat eens de voeten des Heeren en Zijner moeder, der maagd Maria, hadden betreden? Wee den Christenen! het was in handen van heidenen en ongeloovigen, die spotten met de Heilige Drieéénheid. Moest het in de macht der Saracenen blijven?
Niet klinkt de stem eener moeder, sprekend over haar doode kind, smartelijker dan de stem van Oliverus, den Keulschen scholaster.
Kon er een vrouw zijn, die niet bad, dat deze vloek de jammerende aarde zou verlaten?
Was er eenig man, die het zwaard niet reeds uit de scheede had getrokken, om zich te wreken op hen, die den Heere Jezus op deze wijze ten tweede male kruisigden?
Bladzijde 112Een oude mulder stond temidden der menigte en hij dacht bij zichzelf:
“Van mij zal niemand verwachten, dat ik medetrek met deze jonge dwazen. Maar mij zal men vragen om een som gelds, teneinde dit werk te steunen. Oeie, oeie, men zal denken, dat ik honderd Mark zilvers dien te geven, daar men mij voor rijk houdt. Dit zal niet geschieden, zoowaar ik Godeslas ben, de eigenaar van den ‘Zwarten Molen’ bij Maastricht. Niets meer dan vijf Mark zilvers zal ik uit mijn beurs schudden.”
Velen, die aan de Maas woonden, konden Oliverus niet vergeten, noch de stem, die in toorn had geklonken, noch die in leed. Vrouwen gaven haar laatste penningske voor het vrome doel, om het land des Heeren weder voor de Christenen te winnen. Mannen, jonge en oude, sloten zich aaneen, om te strijden tegen de booze heidenen, die heerschten over Jezus' graf.
Toen kwam men bij Godeslas, den mulder.
“Geef, geef met volle handen,” zeide men. “Ge zijt oud, en Hemel of Hel is niet ver meer van U. Geef, geef, om Godes wil, Godeslas.”
“Geven? Wie spreekt er niet van geven? Alle menschen vragen om te geven. ‘Geef mij,’ zegt het kind. ‘Geef mij,’ zegt de jongeling. ‘Geef mij,’ zegt de man. ‘Geef mij,’ zegt de grijsaard. Want het kind wil groeien, de jongeling groei verleenen, de man groei onderhouden en de grijsaard groei voleindigen. Doch om te geven, is een vreemde hand van noode, en allen grijpen naar deze vreemde hand, allen willen ervan plukken. Luister! ik heb een boom gezien, vol van blad, en eenige weken later was er geen groen meer aan, omdat de rupsen in grooten getale langs stam en tak hadden gekropen, om zijn leven af te knabbelen. Ga naar buurman's huis. Buurman is rijk genoeg, om te geven.”
“Hebt ge niet gehoord, wat Oliverus zeide?”
“Och wat—Oliverus!—moeten anderen ons hier Bladzijde 113komen vertellen, wat wij te doen en te laten hebben? Maar toch wil ik u niet ongetroost laten heengaan. Ge behoeft van mij in het dorp niet te kallen, dat ik gierig ben. Ik zal u wat schenken: vijf Mark zilvers. Hoe! verlangt ge soms meer van me? Gaat dan liever mijn deur voorbij.”
“Ge zijt rijk, mulder, en het zal u niet deren, zoo ge honderd Mark geeft.”
“Hoho! wist ik 't niet, dat ge dit deuntje wildet gaan zingen? O ja, wel zegt men van mij, dat ik rijk ben, doch met welke maat meet ge een's ander's rijkdom? Ik kan nazien, hoe diep het water in een put staat, of hoe breed een veld is, hoe zwaar een zak meel weegt. Echter kan ik niet weten, hoeveel geld een ander mensch heeft.”
“Weigert ge dan geld te geven?”
“Ik weiger niet, ik geef van mijn armoede,” en hiermede smeet de gierige mulder vijf Mark zilvers op tafel. Zijn bezoekers vertrokken, woedend over zijn vrekkigheid, zonder hem te danken. Zoodra Godeslas alleen was, lachte hij, mompelend:
“Die dwazen.”
Ja, hij vond het dwaas, dat er menschen werden gevonden, die hun leven waagden, om met de Saracenen te strijden. Daar was hij goedkoop van afgekomen! 's Daags en 's nachts was hij zeker van zijn leven, en hij sliep er niet te minder om in zijn woning.
Eens kwamen hem kruisvaarders voorbij, die naar het Heilige Land wilden trekken. Ze liepen rechtop, denkende aan de woorden van Oliverus. Wat riep hun Godeslas spottende toe? Aldus moet het wel geklonken hebben:
“Hoevelen van u zullen er wederkeeren? Waarom begeeft ge u in den dood?”
Niemand antwoordde hem. Toen hoonde hij hen met wreeder woorden:
“Ik behoef niets te wagen, ik heb mezelf voor vijf Mark zilvers afgekocht. Weet gij nu, wat ge waard zijt, vrome krijgslieden? Vijf Mark zilvers iedere man!”
Bladzijde 114Hij schreeuwde hen na, tot ze zijn stem niet meer konden hooren. Daarna keerde hij weder in zijn huis, zijn oogen toeknijpend van pret. Voor hij insliep, moest hij telkens weder lachen, omdat hij zoo slim was geweest.
Het werd nu zomer, en de beek was zandig en roerloos. De raderen van den molen hadden geen voortgang in dezen tijd, en daarom was de mulder verwonderd, toen hij ontwaakte en den molen hoorde. Dat kon niet anders dan een droom zijn.
Voer de wind wellicht door de takken?
Neen, het was de molen, en de raderen ratelden. Alles was in de weer. Het huis dreunde. De mulder werd boos. Welke onverlaat dreef hem midden in den nacht zijn molen? Hij riep den knecht, en het duurde niet lang, of deze stond voor hem.
“Rrrrrt,” zeiden de steenen van den molen. Wat maalden ze?
“Ga zien,” riep de mulder tot zijn knecht, “wat er in den molen geschiedt.”
Hij wachtte en luisterde. Hij hoorde 't water schuimen in de beek, als bruiste ze, door sneeuwstorm gedreven, van den berg in 't dal. Hij hield zijn hoofd in de handen verborgen, en luisterde.
“Wanneer komt de knecht terug,” dacht hij. “Als de knecht terugkomt, zal ik weten, waarom mijn molen draait.”
Hij hoorde de voetstappen van den knecht dichterbij komen, zwaar en langzaam als die eens kettinggangers. De man bleef voor zijn heer staan, het hoofd gebogen.
“Wat is er met den molen?” vroeg de mulder heesch.
De ander gaf geen antwoord: hij strekte slechts zijn armen uit. Ze luisterden thans beiden, mulder en knecht, naar 't geklapper en gestamp der raderen, en 't sissen en schuimen der roerige beek. De één wist niet en de ander wist.
“Ik zal—zelf—gaan zien—” stamelde de mulder.
Hij kleedde zich aan, en opende de deur van den molen. Bladzijde 115Wankelend trad hij binnen. Hij moest naderen, hij kon niet meer terug.
Een donkere man stond voor hem, die hem zwijgend wenkte.
Toen zag hij, wat er in zijn molen gemalen werd.
Guur gespuis was bezig, vijf Mark zilvers onder de steenen te vergruizelen. Vijf Mark zilvers, waarvoor de rijke mulder zich had vrijgekocht.
“Ik heb twee paarden bij me,” zeide de duistere gedaante. “We gaan rijden, Godeslas.”
De mulder staarde naar de geldstukken, die vermalen werden, en hij begreep, welke straf hij zou moeten lijden. De zwarte man beval:
“Doe uw buis uit.”
Want op het buis van den mulder was een kruis geteekend, en de zwarte man was hier angstig voor, daar 't het teeken is, dat hem verjaagt. Had Godeslas de kracht gevoeld, zich te verzetten! Hij deed, wat hem was gezegd, en toen hield hem de duistere gedaante reeds vast. Of hij een veder ware, werd hij op 't paard geworpen, en voort ging het! dieper en dieper den nacht in.
Er werd in den molen niet meer gemalen. De stilte van den zomernacht was over 't veld. De kleine golfjes der beek murmelden zacht. Bladzijde 116
Reynout van Valkenburg … u heeft uw vrouw meer liefgehad dan haar kind.
Hij was uitgereden, de trotsche held.
“Vaarwel! vaarwel! Nog geen jaar en ik keer weder. Mijn plaats is, waar mijn mannen en vrienden zijn. Als ik terug kom van den langen weg, luister dan naar het lied van den zanger, want mijn naam zal hij zingen …: Reynout van Valkenburg. Vaarwel! En als het kind is geboren, neem het in uwe armen, en wieg het bij dat lied. Vaarwel ook, edele moeder! Geboren ben ik, om te strijden, want groot is mijn geslacht. Streel mijn armen onverwinbaar zijn ze van kracht, en wee den vijand. Om het edele goed en bloed en recht strijd ik—wees daarom niet versaagd. Vaarwel!”
Hij reed heen, en de vrouwen zagen hem verdwijnen als een stofwolk op den weg, opwarrelende en verwarrelende in den wind. Hij ging, waar de strijd hem wachtte. Hij streed, waar het gevaar 't grootst was.
“Reynout van Valkenburg!” klonk zijn stem, en de vijanden vloden. Zóó rukten hij en zijn vrienden van slag tot slag, steeds dieper dringend in het vreemde land. Het geschiedde, wat hij had gezegd: vele zangers zongen van zijn roem, hun liederen klonken over de landen, en tot in Reynout's slot drongen zij door. Reynout's vrouw hoorde ze in hare krankheid en ze fluisterde tot haar kind:
“O groot geluk, dat gij geboren zijt in deze dagen, nu zijn roem over de wereld schalt. Wanneer hij wederkeert, zal ik wellicht genezen zijn van al mijne smart, en ik zal voor hem zingen.”
Zijn moeder zag uit het venster. Gesteund door zijn schildknapen, kwam de edele ridder gewond uit den strijd terug. Eerst wilde zij haar blijdschap jubelen—want zij was zoo gelukkig, dat zij hem zag. Hoe hij ook wederkwam, hij was haar zoon.
Bladzijde 117Toen werd zij angstig. Waarom gingen zij drieën zoo langzaam? Zij liep hen tegemoet.
“Reynout! Reynout! mijn zoon! Uw vrouw gewan een kindeke.”
Hij zag haar niet aan, terwijl hij sprak. Moede zonk zijn hoofd ineen.
“Leg mij in het blanke bed, opdat ik ruste. Ik ben ziek.”
“Reynold! Reynold! zone mijn,
Din vrouw gewan een kindekijn,”
“So leget mi in die coetse blank,
Opdat ic ruste. Ic ben crank.”
“Reynout! gij zult niet sterven. Gij moogt niet sterven.”
Men droeg hem naar het bed. Men strekte zijn leden uit.
“Reynout! uw vrouw wacht op u. Zij wil u haar kind toonen.”
“Laat mij sterven, moeder ….”
“Reynout! groot is uw roem. O! mijn arm moederhart. O! uw vrouw, die naar u verlangt! O! uw kind, dat geen vader zou hebben. Sterf niet.”
“De lansepunt drong mij in den rug—niet in mijn borst ben ik gewond. Een verrader was het, die mij doodde.”
“Spreek niet van den dood.”
“Ach moeder! 't Is alles God's wil. Doe de klokken luiden, wanneer ik gestorven ben …. Luid de klokken. Zeg mijn vrouw vaarwel—zeg mijn kind vaarwel.”
Hij stierf, de edele ridder van Valkenburg.
De klokken luiden met doffen, dooden klank. Zij hielden niet op. Ze droegen de smart over het verre land. Al het leed dezer wereld was er in den klank dezer klokken.
“Waarom zijn de klokken heden zoo treurig, moeder?”
“Mijn dochter! 't is een ommegang met vaan en kruis en psalmenzang.”
“Dan wil ik slapen, en droomen van mijn held.”
Zij glimlachte in haar slaap. Ze zag haren ridder op zijn ros, en achter hem drommen van lansknechten en edelen, luide roepend zijnen naam.
“Reynout van Valkenburg!”

Zij zag haren ridder op zijn ros
Bladzijde 118Waar de hoeven van zijn paard den bodem raakten, ontloken bloemen, die jonge knapen plukten, ze tot kransen windende. Iedere ridder ontving zijn krans, doch twee droeg Reynout. Dit was het vreemde, dat hij geen zwaard vasthield, maar bloemen.
Ze aanschouwde het gelaat van den paladijn. Het glimlachte als in den slaap. De droom was in zijn oogen, en zijn mond was gesloten. Hij luisterde niet naar het juichen der makkers.
Zij ging naast zijn paard. Zij streelde de bloemen en de handen, die de bloemen droegen. Toen zag ze naar hem op, hij echter wendde zijn oogen niet af van de verte. Zij hoorde haarzelve spreken, luider dan alle jubeling rondom hem.
“Een kindeke is ons geboren, Reynout.”
Hij hoorde het niet. Hij staarde in de verte, en de glimlach veranderde niet om zijn gesloten mond.
Diep in haar droom was het bewustzijn, dat de liefde het grootste wonder des levens is, en het grootste goed der menschen. Zij gevoelde, dat zij in haren slaap glimlachte met denzelfden glimlach, dien haar ridder had.
Ook voor haar verstomde het geluid der jubeling, en ze hoorde nu slechts den eentonigen stap van het paard.
Eensklaps begon het paard te draven. Zijn hoeven ketsten tegen den grond, dat het klonk als klop na klop.
Schrikkend ontwaakte ze.
Zou hij aan de poort geklopt hebben? Waarom versliep ze haar tijd? Zoo zij hem door haar ziekte dan niet tegemoet kon treden, haar stem had hem toch kunnen verwelkomen. Nu wachtte hij buiten, en haar stem had gefaald. Hoe zou ze hem kunnen overtuigen, dat zij hem liefhad?
Waarom eindigde het geklop niet? Waarom trad hij niet binnen?
Was het wel beuken van een hand, tegen de poort? Was het niet veel meer 't aanhoudend slaan van plank bij plank, tot een doodkist.
Bladzijde 119Zij richtte zich op en angstig vroeg ze haar moeder:
Mer segh mi, 't geruchte op den ganck
Is dat niet kloppen planck bi planck?
De moeder hield haar smart voor haarzelve. Ze wilde niet zeggen, dat Reynout dood was. Zij zou 't later vertellen.
Zij glimlachte.
“Mijn dochter! 't is de oude zolderpui, die hersteld wordt.”
“'t Is als 't maken van een doodkist,” huiverde de jonge vrouw, en ze drong het kind dichter tegen zich aan.
“'t Zal niet lang meer duren, en de ridder keert huiswaarts.”
Ze zeide het met zekerheid, en haar dochter geloofde haar. Ze wilde weder rusten, en ze sloot haar oogen. Weder deinden haar gedachten weg—Het kloppen had opgehouden. 't Was even stil.
Waarom opende de gravin haar oogen, en zag ze haar moeder verschrikt aan? Er was nog geen geluid, en toch was er een naderende dreiging—een schemerende angst.
“Moeder—moeder,” klaagde de jonge vrouw.
“Wat wilt gij, mijn dochter?”
En ineens zongen de priesters, die Reynout's lijk wegdroegen. Welk een wonder is de liefde, die het gevaar vooruit-gevoelt. Al eer de lijkzang had geklonken, was het geluid in haar ziel geweest, en wat nu refreinde, was slechts een echo.
“Moeder, moeder, moeder mijn! Wie zingt er zoo droeve?”
“Mijn dochter, het zijn de pelgrims van Sint-Jago.”
“Moeder! laat zij heengaan. Het is als de lijkzang van priesteren voor eenen doode. Ik meende, dat het voor Reynout was.”
“Neen, mijn dochter, wees gerust. Het zijn pelgrims, gij kunt mij gelooven.”
“Dan zal ik weder slapen—”
Zij sliep en droomde.
Haar held klopte het paard op den nek, en fluisterde Bladzijde 120het toe. Het dier minderde zijn vaart, het reed stapvoets. 't Geheele leger van ridderen, knapen en knechten reed stapvoets. 't Leek, of de rit van al de honderden helden geluidloos was, en ze zag zichzelven geluidloos gaan naast Reynout's ros. Terwijl zij glimlachend om haar geluk voortschreed—telkens zag ze op naar 't gelaat van haar ridder—schoot er plotseling een angst door haren vrede, en ze bemerkte ook, dat Reynout's voorhoofd gerimpeld was. 't Zou om dezelfde reden moeten zijn: ze was slechts in schamel kleed gehuld, en dit vergaf hij haar niet.
Zij hoorde hem zeggen—zijn stem was toornig:
“Waarom kwaamt ge me zóó armoedig tegemoet? Waarom hebt gij u voor mijn intocht niet getooid? Zelfs met de meest-eenvoudige bloemen des velds waart gij toch welkom geweest.”
“Hoort dan!” zoo antwoordde zij treurig, “een kindeke is ons geboren, en langen tijd heb ik krank gelegen. In de verte hoorde ik u komen, en ik ben opgestaan, zoo ziek en schamel als ik was. Wees daarom niet vertoornd.”
De rimpelen in zijn voorhoofd bleven. Zijn oogen waren van haar afgewend. Haar hart klopte fel, daar zijn stem boos was.
“Ga heen, en hul u in ander gewaad. Keer dan bij me weder.”
Ze besloot, om haar bruidskleed te halen. Terwijl zij zich verbeeldde, dat zij haastig naar het slot liep, schrok ze weder wakker. Haar moeder zat aan haar legerstede, en de werkelijkheid keerde terug.
“Moeder! als Reynout komt, wil ik me kleeden in mijn bruidsgewaad, in rood en in blauw, opdat hij mij vroolijk begroete.”
Toen sloeg haar moeder de handen aan 't hart en luide weende ze.
“Draag geen rood en draag geen blauw, maar zwart alleen, mijn lieve kind.” Bladzijde 121
“Min kind, ic 't niet meer bergen kan,
Dood en gesonken is din man”
Niet luiden de doodsklokken zóó dof, niet zingen de priesteren, die het lijk wegdragen zóó droeve, en alleen uit de stem reeds wist de jonge vrouw, wat er gebeurd was.
Ze vond, om haar smart te klagen, niets dan deze woorden:
“O! grond, rijt op, 'k wil in din schoot
Bi Reynold wesen in der doot.”
De steenen, die geen tranen hebben, en geen medelijden met menschenwee, hoorden haar bede, en ze fluisterden met elkander.
“Dit is een leed, dat wij niet kennen,” spraken ze, “en als wij kunnen helpen, laten wij het doen!”
De rots, waarop het kasteel was gebouwd, vernam de nooit-gehoorde stem der steenen en ontwakend uit het eeuwige zwijgen, vroeg zij hen:
“Wat is er geschied, dat gij spreekt?”
“Wee—wee,” antwoordden de steenen, “bij uw hart ligt Reynout van Valkenburg, voor eeuwig verzonken, en in het slot weent zijn gemalin, om bij hem te wezen in den dood. Open u, doe het kasteel vergaan, dat op u rust, en neem haar op, dat zij zich met Reynout vereenige.”
Toen gevoelde de rots het goddelijk medelijden, en vol liefde opende zij zich, en deed het slot tot puin vallen. De jonge vrouw zonk in de klove tusschen den harden steen, en ze viel neder naast Reynout's lijk.
Uit de rots groeide een hooge eikeboom, machtig van stam, zwaar van tak, een breede schaduw vleiend over den weg.
Om den top vlogen twee vogelen, duif en doffer. Hun gemeenschappelijke vlucht zocht den hoogen hemel.
Ze waren de zielen gelijk van Reynout en zijn vrouw, die nu tezamen zijn in den eeuwigen dood, dat is in het eeuwige leven. Bladzijde 122
Op het slot van Haarlem woonde een slecht en wreed ridder, die door het volk werd gehaat, en door zijn vrouw bemind. Want elke vrouw is de draagster der liefde, ze heeft al lief om der liefde wil, ja, dikwijls vraagt zij niet, wien ze nu eigenlijk liefheeft. Zij zelve heeft zachte handen en haar oogen schreien gemakkelijk; doch haar vingers spelen gaarne met den forschen nek, en, een vroolijk kind gelijk, woelt ze dartel in den ruigen baard.
Emma van Haarlem wist wel, dat men haar man verafschuwde, en ook wist zij, dat het met reden was. Het volk moest het onduldbare dulden, en hij ging het vertredend en vertrappend voorbij. Hij meende, dat zijn macht eeuwig zou duren, zoo hij angst uitwierp. Hij roofde en moordde en brandde. Ja, hij was als een beest zoo wreed in het dooden, doch als een mensch deed hij doelloos lijden.
Het volk morde. De mannen hielden hun oogen ternedergeslagen, zoo ze den ridder ontmoetten, maar geen der arme schobbejakken vergat het hoofd te ontblooten, ten teeken, dat ze hun haren kort droegen. Hij zag langs hun gebogen ruggen, en de teugels van zijn paard greep hij vaster. Wee hem! den tyran.
Het mokken en mopperen smeulde voort, zonder dat de burchtheer 't bemerkte. Hij bleef een genadeloos man en eindelijk begreep men, dat niemand voor hem veilig was. Men liep te wapen, toen hij op zijn kasteel toefde. Het arme volk belegerde den trotschen burcht en geen hulp was er voor den slechten ridder, die angstig werd om de macht van het gepeupel. Doch zijn vrouw, Emma van Haarlem, glimlachte en zeide:
“Ik zal uw leven redden.”
Had hij er ooit op gerekend, dat men zijn slot zou omsingelen? Waarom had hij niet voor leeftocht gezorgd? Wat gaf het hem, dat hij en zijn garnizoen uitvallen deden, Bladzijde 123waarbij velen der kerels gedood werden? De moed zelve is te breken, echter niet de vrees, die den moed verwekt. Uit vrees, dat de ridder weder zou rooven en moorden, bleven de belegeraars tezamen, en ze trotseerden 't heden, om zich voor de toekomst te vrijwaren. Geen, die het beter begreep, dan de burchtvrouw: zij stelde tegenover de angst des volks haar liefde, en ze berustte onversaagd. Ja, wellicht was ze blijde; dat haar heer niet heen kon gaan, en dat hij altijd bij haar was.
Zoo er ook van het volk tientallen sneuvelden, het volhardde om gracht en muur. De honger werd zijn bondgenoot, vernielender dan de steenen uit een katapult. Van de gewelven braken de steenen los, en 't hout der brug vermolmde. De wachter op den toren kon zijn instrument niet ver doen klinken, en spatten roest kringelden er op de zwaarden.
“We zullen ons moeten overgeven,” zeide de ridder. “We kunnen ons tegen den honger niet verweren.”
Emma zag hem aan, en vroeg:
“Laat mij met het volk spreken!”
De oude kronieken zeggen niet, waarom hij zijn toestemming gaf. In den nevel der sage is haar liefelijk wezen verborgen. Zij ging tot het volk, en men raakte haar niet aan. Heilig moet haar glimlach zij n geweest, omdat men naar haar luisterde. Ja, men moet haar hebben bemind en aanbeden, en zij kon weten, dat men haar wensch wilde vervullen.
Was er een man, die aan 't hoofd der troepen stond? Of heeft zij tot den wilden troep zelve gesproken, welke slechts één doel had: den wreedaard te vernietigen?
“Wat wilt gij?” vroeg men haar. Zij antwoordde:
“Laat mij en mijn vrouwen uit het kasteel trekken.”
Ze sprak geen woord over den ridder, dien men wilde treffen, en men was gerust. Het volk verzette zich niet tegen de vrouwen; Emma van Haarlem en haar dienaressen mochten het kasteel vrijelijk verlaten. Voor den wreeden man zou dan geen genade gelden.
Bladzijde 124“Maar—” aldus smeekte ze—“moet ik dan arm en berooid door 't land trekken? Zal mij niets van mijn rijkdom overblijven?”
“Wij strijden niet tegen uw schatten,” antwoordde men. “Wat wilt gij medenerven?”
“Laat mij het kostbaarste, dat ik heb, mededragen,”
“Het is u toegestaan.”
Nog aarzelde ze, en men vroeg haar, wat ze meer verlangde.
“Zweer het, dat ge mij vrij zult laten gaan, als ik mijn kostbaarste bezit in mijn armen draag. Zweer, dat ge mij noch mijn schat zult vernietigen.”
Men zwoer het gaarne, want men wilde haar toonen, dat 's volks toorn naar vrijheid streefde, niet naar doelloozen dood of doelloozen rijkdom.
Zij ging naar het slot terug, en zeide tot den burchtheer:
“We zijn gered.”
Ze droeg den wreeden ridder van Haarlem in haar armen, want hij was haar kostbaarst bezit. En met moeizame schreden wankelde zij, gebogen door haar last, langs de rijen van het zwijgende volk, dat zijn eed getrouw bleef. Misschien, dat enkelen hun handen tot vuisten balden, denkend aan de slechte daden, die niet door den dood werden verzoend.
Toen zij eindelijk den laatsten man had bereikt, liet zij haar schat los, en zij tweeën, de ridder en zijn vrouw, zagen achter zich. Een wolkje rook, als een nevel, hing reeds boven het kasteel, en plots schoot een spitse vlam uit den toren. Bladzijde 125
Het waren blijde dagen voor de schoone Eleonora, toen zij heer Herman had ontmoet. Want hij was het, om wiens wil zij tot dusver had geleefd, zonder dat ze dit wist. Zoo zij vroeger had gelachen, was het door hem geweest, die niet nabij stond en toch nabij; en zoo zij had geleden in onbewuste droefgeestigheid, welke der vrouwen is, geschiedde dit, omdat ze hem nog niet had gezien en toch al van hem droomde. Zooals de mannen het werk hebben, bezitten de vrouwen de liefde. Heer Herman dacht, nadat hij haar aanschouwd had:
“Voor deze vrouw zal ik willen strijden,” en hij zeide haar dit. Wat antwoordde ze hem? Het eeuwig antwoord der liefde:
“Mijn leven is het uwe.”
Doch toen ze haar moeder bekende, dat ze heer Herman minde, zei deze:
“Voor een ander heb ik u bestemd, mijn kind!” Ze fluisterde:
“Wie is die ander, moeder?”
“Zweder.”
Zij wist, dat hij haar niet liefhad, doch wel haar goed, en ze smeekte:
“Dezen man niet.” Men luisterde niet naar haar. Men wilde, dat ze Zweder zou huwen, en op haar sterfbed zei de moeder:
“Ge moet heer Herman verzaken, mijn kind!” Ze fluisterde:
“Moet ik?”
“Zweer, dat ge Zweder zult volgen.” Zij zwoer het, en de moeder stierf, gelukkig glimlachend na haar dood, zooals zij allen, die het leven welbereid achter zich laten. Eleonora wilde haar eed niet gestand doen en niet breken. Als Zweder haar vroeg, hem te huwen, zocht ze listige voorwendsels, want ze hoopte, dat het geluk zou komen. Ze zat eenzaam op den Wildenborch en ze wachtte … Bladzijde 126ja, inderdaad wachtte zij op heer Herman, ocharme! Ze wilde hem tegemoet gaan, om tegen zijn borst te rusten, en zwijgend bij hem te zijn. Ze glimlachte: immers, ze wist zeker, dat hun dag komen moest.
“Ik heb lief,” fluisterde ze tot zichzelf.
Het zonlicht was over de wegen naar den Wildenborch, het slot, waar zij toefde.
Ze stond, en riep den torenwachter.
“Zeg mij—blaas den hoorn—als er een ridder nadert.”
Het was een droevige dag, dat hij den hoorn blies, luide over het veld. De brug werd opgelaten, en Eleonora's dienaren grepen hun wapenen. Niet een enkele ridder naderde, neen! het was Diebald, die in Zweder's naam kwam. Hij zond zijn heraut, en deze zeide:
Vrouwe Eleonora! ge zijt heer Zweder's bruid, en zult zijn vrouw worden. Wat blijft ge hem verre, vrouwe Eleonora! Waarom onthoudt ge hem den Wildenborch?”
Ze antwoordde:
“Zoo de Wildenborch heer Zweder's bezit is, waarom wil hij dan den burcht met geweld nemen? Verlangt hij zóó naar mijn erfdeel, dat hij niet wachten kan?”
“De Wildenborch komt heer Zweder rechtens toe, vrouwe Eleonora!”
Hij ging heen, en Diebald legerde zijn mannen om den Wildenborch. Zij wachtten geduldig, want er was weinig leeftocht in den burcht. Vrouwe Eleonora leerde de trouw harer lieden kennen, die den langzaam-martelenden honger niet vreesden, welke hun vleesch afvrat als een dier met scherpe tanden. Ze versaagden niet, zij leden, zoolang zij dit wilde.
Zij bad om uitkomst, want ze was angstig voor den heer Zweder, haar toekomstigen gemaal. Des nachts had ze niet geslapen en thans wachtte ze hulp, want veel zulke troostelooze nachten kon ze niet leven.
Buiten kletterden wapenen, zwaard sloeg tegen zwaard, en de brug sloeg neder met dof gedreun. De burcht was Bladzijde 127verloren, meende ze. Op het voorplein stond een ridder, nu de meester van den Wildenborch. Het vizier was gesloten, en hoog en zwijgend stond hij. De schoone Eleonora knielde, en omknelde met haar armen den ijzeren voet.
“Diebald! heer Diebald,” zoo smeekte ze weenend, “nu gij overwonnen hebt in naam van Zweder, val ik neer in het stof, zie me liggen! Dit is Wildenborch en hier hebt ge mij. Begeert gij nog meer? Dood mijn dienaren niet, ze hebben de muren verdedigd op mijn bevel.”
“En braaf hebben zij gehandeld.”
Op het vizier.
“Herman,” jubelde zij.
“Eleonora!”
“Ik dank u, Herman!”
“Ik ben ter bruiloft gekomen. Morgen zal het bruiloft zijn.”
“Van wie?” vroeg ze schalksch.
“Van ons beiden!” lachte hij.
Waar was het leed, waar was de honger? De lieden togen met boog en spies ten poorte uit, om herten en evers te jagen. De spitten blonken al, en de vrouwen gingen in het woud, om hout te sprokkelen, opdat het vuur zou laaien. Er zijn veel grootscher feesten geweest, maar geen gelukkiger. Men zong liederen ter eere van Herman en zijn vrouw; en deze dag scheen zonder begin en zonder einde, gelijk de eeuwigheid. Ja, in dezen dag was eigenlijk al hun geluk besloten, want de booze Zweder wilde zich wreken, en niet lang liet hij wachten. Men zegt, dat reeds den volgenden ochtend Herman uitreed, en dat hem toen de speer in den rug trof. De moordenaars vloden.
De knapen vlochten een baar van sterke takken, en hierop legden ze den held. Langzaam droegen ze hem naar den Wildenborch, zonder hem te wiegelen, opdat zijn pijn zoo licht mogelijk zou zijn. Wel wilde hij sterven, hoe jong hij ook was, doch dan in Eleonora's armen, en met haar zoeten troost gezegend.
Bladzijde 128De fakkels brandden in den avond.
Eleonora ging naar buiten, en ze zag haar Herman, nederliggende op de baar. Ze zag bij den glans van het vuur, dat er bloed was aan de takken en twijgen en bladeren, welke den held als laatste rustbed dienden. Met al haarliefde kuste ze hem en in dezen kus stierf hij, glimlachend.
Op een stille plaats werd zijn graf gedolven. Het lijk lag op het slotplein.
De moordenaars kwamen tot den heer Zweder, en zeiden:
“Uw vijand is niet meer.”
Toen trok hij-zelf met zijn heir naar den Wildenborch. De trompetten schalden.
“Geef over den Wildenborch! De rechtmatige heer is gekomen.”
De brug viel terneder, en de heer Zweder deed zijn intocht. Hij kwam met geopend vizier, en hij zag den doode en de levende, die erbij stond. Hij zeide:
“We zullen dat lijk dezen avond begraven.” Zij antwoordde met zachte stem:
“Het graf is reeds gedolven.” Hij lachte, of hij zeggen wilde, dat dit des te beter was. Zoodra het duister werd, reed men uit, om den doode naar de groeve te voeren. Onder de boomen was het reeds nacht, en naar de zijde der boomen dreef Eleonora haar paard. De bladeren ruischten—was er nog een ander geluid?
Nadat men den heer Herman ter aarde had besteld, ging men naar den Wildenborch terug. Alom was het nacht, en men kon elkaar niet onderscheiden. Toen gleed Eleonora van haar paard en het trouwe dier liep door. Ze ging in een greppel liggen—en het duurde niet lang, of alle klanken van den stoet, het stappen der paarden, het praten van ridders en knechten, waren vervloeid. Ze stond op, en liep naar Herman's graf.
Wat nam ze van den grond? Wat zand, en niets meer. Bleef ze nog langen tijd? Neen, ze vluchtte voor den boozen Zweder.
Bladzijde 129Ze verborg zich als het dag was. In den nacht ging ze verder.
De regen sloeg neer, en de wilde winden woeien. Op den weg—zoo zij althans een weg ging—schramde zij haar voeten aan puntige steenen.
Het was in den morgen, dat ze bij Staveren's burcht stond, en voor 't eerst trok ze overdag verder, want hertog Reinold zou haar hier beschermen. Ze had den heer Zweder nu nooit meer te duchten, zoolang ze leefde.
Ze klopte aan de poort, en ze werd binnengelaten. Ze was gekleed in het gewaad, dat ze ten uitvaart van Herman had gedragen; gebogen ging de zwarte vrouw naar de kamer, waar hertog Reinold's vrouw haar wachtte.
“Niet lang zal ik meer leven,” zoo zeide zij; “laat mij hier sterven.”
Neen, het duurde slechts korten tijd, of men groef bij het slot een graf voor de jonge vrouw, doch de meeste graven zijn dood en 't hare leeft. Des nachts ziet men haar rijzen uit Eleonora's Poll, en ze neemt van de aarde wat zand, gelijk ze eens heeft genomen van het graf bij den Wildenborch. De wind verwaait het.
Hoe vreemd ritselen er de bladeren in den herfst …. Bladzijde 130
Het was een koude winterdag, en bij den haard van het stadhuis zaten de Kamper raadslieden tezamen, heel gezellig na lange en wijze debatten over diverse resolutiën, welke op de burgers zouden worden uitgestort. Men durfde eigenlijk niet goed heen te gaan: want de vinnige Oostenwind had zelfs voor de raadsleden geen clementie over, en men besloot nog wat te redeneeren over alles en nog wat.
“Wat een storm!” rilde een der raadsheeren. “'t Heeft vannacht harder gevroren dan ik 't ooit gekend heb, en mijn vrouw's tante zegt, dat het de strengste winter is, dien ze ooit heeft meegemaakt. En dat wil wat zeggen, want ze wordt met 't voorjaar zeven en negentig jaar.”
“Hu—,” riep de burgemeester. “Laten we den bode roepen, opdat deze nog wat houtblokken op de haard legge.”
De bode werd geroepen. Hij kwam, en groette de edelachtbare heeren met een zeer bijzondere reverentie, waaraan niemand eenige aandacht schonk. Met een stem echter, of hij een veldheer ware, die bevel geeft een lang belegerde veste te bestormen, riep de burgemeester:
“Wij hebben 't koud. Leg blokken op den haard.”
Toen de blokken gebracht waren, en naar den eisch nederlagen op de vlammen, om hun vonnis te ondergaan, schikten de wijze raadslieden nog dichterbij het vuur dan tot dusver. De zegenrijke hitte vleide zich zoet over 't kippevel hunner armen, en de handen, welke wit van de kou geweest waren, werden teeder-rood geroosterd.
“'t Is hier beter dan buiten,” zei de burgemeester, en hij schoof nog wat dichter naar voren, in den rug gevolgd door zijn raadsheeren.
“Dat is een waar woord,” antwoordde het oudste raadslid.
“Dat zou ik denken,” voegde er het jongste aan toe.
De burgemeester dacht een oogenblik na. Eindelijk sprak hij:
Bladzijde 131“Buiten gaatje de wind door merg en been.” 't Oudste raadslid zuchtte.
“Als 't maar weer voorjaar wordt,” en zijn buurman peinsde luid:
“Hier zitten we gelukkig goed.”
De burgemeester zette zijn zetel weder iets meer vlammenwaarts, en de wijze raadslieden drongen met hem een paar duim op. De burgemeester deed opmerken:
“Over een bevroren rivier kunnen de schepen ook niet varen.” 't Oudste raadslid was 't met hem eens.
“Sinds de rivier dicht is, komen er ook geen schepen meer aan.” En 't jongste, de optimist van 't gezelschap, troostte:
“In den zomer zal de rivier wel weer open zijn.”
Plotseling zwegen ze allen, en keken elkaar verschrikt aan. Er was brandlucht. De bode werd geroepen, en de burgemeester vroeg:
“Is er brand hier in de buurt?”
“Neen,” zei de bode, “maar met oorlof der edele heeren is burgemeester's pantalon aan 't schroeien.”
“'t Is goed, we zullen hierover beraadslagen.”
Langen tijd dacht men over 't geval na. Het kwam niet te pas, dat het vuur zoo vermetel was, om de broek van den Kampenschen magistraat aan te tasten. Doch hoe kon men dit verhelpen? Niemand durfde een woord te spreken, totdat de burgemeester zijn oordeel had gezegd.
“Edele heeren van den raad dezer stad,” sprak deze eindelijk, “de zaak is van een bijzonder perikel. Ik, uw burgemeester, ken slechts één middel, om het kwaad te verhelpen.”
Met spanning wachtte en luisterde men.
“Edele heeren van den raad dezer stad …. De schoorsteen moet naar achteren worden gebouwd. Wanneer dit is geschied, zullen wij voortaan van de vlammen geen last meer hebben.”
En aldus werd met veel bijval besloten. Bladzijde 132
In de dagen van Olim, toen Weert Weert nog niet was, woonden er tòch in het stedeke van Jan van der Croon reeds moedige mannen, die gaarne wilden laten zien, wat zij t' avonture vermochten. Zij lieten de spierballen hunner armen dikwijls opzwellen, en zij schudden de wapenen, als gingen zij den vijand tegemoet: ojammer echter! de vijand bleef uit, en de Weertenaren dienden hun dapperheid tot later gebruik in te pekelen.
Op een dag reed er door het stadje een vischkoopman, die de goede burgers eindelijk tot de befaamde helden zou maken, over wie nog in gansch Limburg en Noord-Brabant met stillen eerbied wordt gesproken.
De vischkoopman dan had een rog op zijn wagen, die, zonder dat hij 't merkte, van zijn kar op de straat glipte en in 't mulle zand der straat bleef liggen. Hij ging door, en de Weertenaren bleven met 't monster alleen. Ze wisten niet, wat het was, en met schuifelende schreden kwamen ze, de hoofden vooruit, dichterbij. Hoog sprong het in de lucht, en met geweld sloeg het, daar zijn krachten hem begaven, door de zwaartekracht weder naar beneden. Een wilde, wanordelijke vlucht der aanvallers volgde, en de rog had zich dus ten eersten male goed tegen de helden verdedigd.
Een der Weertenaren ging op het dak zitten, en keek vandaar naar het gruwelijk ondier. Een ander klom in een boom, en begon het met steenen te bombardeeren. Men zou het duivelsch gebroed, dat in 't rustig stadje uit de lucht was komen vallen, wel klein krijgen!
Gillende vrouwen hielden onderwijl haar mannen bij de jas. Kinderen schreiden om de algemeene angst, en iedereen was klaar, om nog verder weg te loopen, als de rog weder een van zijn slangelijfkunstenaars-grappen zou uithalen.
Gelukkig overlegde een burger, dat men in Weert nog een schout had. Doch waar was de schout? Als er niets gebeurde, zag men hem met strenge passen en met vreeswekkende Bladzijde 133rimpels in zijn voorhoofd over de straat gaan. Dan keek hij naar ieder onschuldig varken, dat in den grond wroette, als ware het dier een vermaarde roover, die onschadelijk gemaakt moest worden, en zoo nu en dan bleef hij plechtig staan, of hij de goede burgerij verzekeren wilde: “Zoolang ik schout ben, zal er in Weert niets buiten de welvoegelijkheid geschieden.”
Aan den anderen kant … áls er werkelijk eens wat voorviel! Dan waren nóch de schout nóch zijn rakkers ergens te vinden. Men klopte tevergeefs aan hun deuren. Ze waren spoorloos verdwenen, totdat zij weder zonder gevaar konden naderen, en de delinquent door de burgers zelf gevangen was genomen. Dan klonken hun krijgshaftige passen al dichter en dichterbij. Hun oogen waren klein en stekelig. Hun wenkbrauwen borsteliger dan ooit, en hun wapenen rink-rinkelden onder 't gaan. Als ze den misdadiger naar het kot sleepten, deden ze dit naar de eischen der hoogste kunst.
Ook op het oogenblik, dat de rog zoo'n vervaarlijken salto-mortale had gemaakt, was de schout niet aanwezig, maar de vrouw van den smid snapte hem net precies, toen hij zich wilde verstoppen. Zij jubelde:
“De schout! de schout!” en ze trok hem naar voren.
Wat moest hij beginnen, de arme kerel? Hij gevoelde de verantwoordelijkheid zijner betrekking, hij kuchte met een moed, die iedereen vertrouwen gaf, en hij stapte naar voren, teneinde een toespraak tot de mannen van Weert te houden, gelijk helaas zoo menig veldheer, die zeer goed zijn troepen moed weet te verschaffen, doch die zelf op den achtergrond wenscht te blijven, waar 't gevaar hem niet bereiken kan.
“Burgers!” zoo sprak hij, “de eer onzer goede vaderstad eischt, ja eischt, dat wij gindschen draak verslaan. Gij allen hebt wel eens van Sint Joris gehoord.”
De rog sprong in de hoogte, en alle Weertenaren, de schout incluis, maakten, dat ze weg kwamen.
Bladzijde 134Op een afstand zette de schout zijn rede voort.
“Wat ik zeggen wil! als men oprukt voor het gemeenebest, dan dient men niet alleen te beschikken over den Weertschen moed, maar ook over Weertsche trouw en Weertsch beleid. Zoo de vijand binnen onze poorten is, kunnen wij hem niet tegemoet trekken in wanordelijkheid, zooals ik daareven uit mijn hinderlaag heb ontdekt, neen! burgers of leeuwen, wij moeten ons in vaste rijen scharen, en, zonder te wijken, ineens op den belager, die wreedheid aan lafheid paart, afstormen. Zeker kunt gij hierbij uw leven verliezen, maar weet! dat er voor een burger niets schooner is dan voor het vaderland te sterven. Daarginder ligt het vaalzwarte monster, zijn oogen loeren naar ons, en hij heeft den bek open, om ons allen tegelijk te verslinden. Op voor Weert! Uw wapenen vooruit, zooals zij in uw handen zijn, spiesen en lansen en messen en mestvorken en schoppen, en dan allen tegelijk voorwaarts. Één, twee, drie.”
En daar schoten de Weertenaren naar voren, slechts gehinderd door de vrouwen en verloofden, die hen trachtten tegen te houden bij schouder of been, en die zich desnoods mede lieten sleuren, om hun man maar niet de eerste te doen zijn. De schout had geen eega van noode: hij bleef vanzelf wel achter, teneinde op een afstand de strategische kansen van voor- en tegenpartij te wikken en te wegen; booze tongen willen wel eens beweren, dat hij zich gaarne in zijn hinderlaag had teruggetrokken. Hoe dit zij, zijn zware stem gaf den anderen dapperheid genoeg, totdat de rog, misschien zelf verschrikt door al het kabaal, zich met zijn laatste kracht in de hoogte hief, en de burgers, losgelaten doorhun vrouwen, denzelfden weg terug snelden, dien ze met zooveel voorzichtigheid heen hadden afgelegd.
De schout schudde 't hoofd, toen zij zich weder om hem verzamelden.
“Mannen van Weert!” zeide hij, “ge zult 't me niet euvel duiden, wanneer ik verklaar, dat ik meer van u had Bladzijde 135verwacht! Leer van mij, dat iedereen wel zeggen kan: ‘Ik heb moed.’ Maar moed, burgers van Weert, is moed, dien men toont.”
Dit waren allen met hem eens, en de schout ging voort.
“Ik geef toe, dat de overmacht te groot is, om met goed gevolg te worden bestreden, en daarom is versterking onzer troepen een gebiedende eisch. Laat ons dus de klokken luiden, teneinde onze trouwe bondgenooten in den omtrek te verwittigen, dat er groot gevaar is in Weert, en laten we ons zoolang hier op den achtergrond houden. Wanneer de vijand ondertusschen mocht naderen, kunnen wij nog de wijk nemen, want het is geen gebrek aan moed, burgers van Weert, als men vlucht, om later een aanval des te beter te doen slagen.”
De klokken werden geluid, verkondigend, wijd-uit, dat de burgers in groot perikel verkeerden; de boeren daarbuiten hoorden het, en ze maakten zich op, om te helpen, zooals het goede buren betaamt. Ze kwamen aanrijden op dikke paarden, of wel snelden ze toe met zeis en met sikkel, met schaar en met ploegijzer, en met dichte drommen drongen ze de stad binnen.
“Wat is er hier te doen?”
“Waarmede kunnen wij helpen?”
“We konden niet eerder komen!”
De schout knikte hen vriendelijk toe.
“Landlieden! het is ook uw belang, dat de vijand, die gij ziet, wordt verslagen. Want verneemt, dat de draak, die daar ligt, uit Rusland is komen aanvliegen, recht op Hamont toe, waar het drie menschen met huid en haar heeft verslonden. Dit was nog niet voldoende voor zijn onverzadiglijken honger.”
De stedelingen en boeren rilden.
“Van Hamont snelde het naar Budel, en daar viel het onverwacht een koopman aan. Met één slag behoorde deze tot het rijk des doods, en 't ondier opende den muil, om het lijk te verzwelgen. Nadat hij hiermede gereed Bladzijde 136was, verlangde hij nog een kleine toespijs, en onder het vliegen naar Weert greep hij, ondanks het gejammer der moeder, een driejarig kind bij de beenen op, en met een hap en een snap was 't al in zijn keelgat verdwenen.”
Langen tijd zweeg men, met hijgenden adem naar den rog starende. Eindelijk riep één der boeren:
“'t Is geen dier, 't is de Duivel, welke zich in deze gedaante aan ons vertoont. Wat helpen ons deze wapenen tegen hèm?”
Maar de burgers mokten:
“Als hij zoo gevaarlijk is, kunnen wij hem hier niet laten. Want anders kunnen we nooit meer over de straat wandelen, zonder dat hij één onzer als zijn prooi uitkiest. Te wapen! te wapen! we zullen hem aan onze spietsen steken.”
Nu waarlijk trokken ze met man en macht vooruit, bereid, om te sterven. Doch nauwelijks waren ze het monster genaderd, of de koopman, die het had laten vallen, drong zich nog vlugger naar voren dan de Weertsche helden.
“Och heeren, och heeren, 't is de rog, dien ik verloren heb. Heeren, heeren, hij doet niemand kwaad, waarom zou u mijn rog steken? 't Is maar een visch!”
Hij nam, denk eens aan, het ondier in zijn handen en legde het weder op de kar. De Weertenaren zagen, dat hij er rustig mede weg-reed.
De boeren lachten om de stadslui, dat zij schudden.
“Jullie moeten eens weer de klok luiden, domme rogstekers!”
Sindsdien heeten de lui van Weert alom in het land van Brabant en Limburg: “de rogstekers,” en ze zullen dien naam behouden, zoolang Weert Weert blijft. Bladzijde 137
Ze konden bij malkander niet komen ….
Hilbert liep fluitend over 't Ellertsveld, en hij dacht aan niets. Van de andere zijde kwam Japikje, en ook zij dacht aan niets. Toen ontmoetten zij elkander, en beiden dachten ongeveer hetzelfde.
Hilbert peinsde:
“Dat is een aardig wicht, om een poossien mee te vrijen.”
En Japikje dacht:
“Dat is een aardige vent, en vroeg hij me maar, om een poossien te vrijen.”
Hilbert kwam uit het Zuiden van 't Ellertsveld, waar de manskerels niet voor een klein geruchtje vervaard zijn, en Japikje uit 't Noorden, waar de wichten zich niet laten kennen.
Ze gingen elkander voorbij, en Japikje zong:
“Moeder zet mien mussien teregt,
t' Aovend kump mien vraoijer,
Komp ie niet, ik hael um niet,
Al komp ie van mien levent niet.”
Zingende antwoordde Hilbert:
“Spien mooi meissien spien
Spienst du niet
Dan wienst du niet
Dan kriegst doe t' aovond oew vraoijer niet.”
Ze sloegen zich lollig tegen de dijen, keken om, en lachten tegen elkaar.
“Hoe heet je?” riep hij voortgaande.
“Alberts Japikje.”
“Ik kom Zaterdagavond, om 'n poossien te vrijen.”
“Dat mag om mien part wel wezen.”
Vervolgens liepen ze weder door, ieder de eigen richting.
Uit vreugde zong Hilbert 't lied van zijn kinderjaren:
“Rondom de ketel!
Wat zullen wi t' aovend eten
Broam, broam, sprikken,
Leêr, leêr, lappien leêr
Doe er uut en ik er weêr.”
Bladzijde 138Uit de verte schalde haar vroolijke stem:
“Haken en oogen,
Tikke, takke, toogen,
Wit pampier
Zwart pampier
Zoo komt Pouwel Jones hier.”
Toen tegelijkertijd:
“Lange, lange riegel
Twintig is de stiegel,
Dartig is de riegellang,
Veertig is de ummegang.”
Ze keken om, en ieder zag een zwarte stip, dat was de ànder, die den volgenden Zaterdag zou vrijen.
De week was eindeloos lang. Waren dat gewone etmalen van vier en twintig uren, en was een uur niet méér dan zestig minuten? Dat was een plaagzieke zon, die in het Oosten niet wilde rijzen, naar het Zuiden niet wilde keeren, uit het Zuiden niet wilde dalen. De wijzers der klok kwamen nooit vooruit, en de koekoek kwam slechts schaarsch uit zijn huisje. Iedere dag had berouw, dat hij gekomen was.
Ten laatste echter ging de tijd zijn noodzakelijker gang. De Zaterdagavond verscheen, of hij nimmer geaarzeld had, en Hilbert liep over het Ellertsveld, naar Japikje toe. Ze wachtte hem reeds.
De avond was donker.
En ach, wat de uren in de afgeloopen week verzuimd hadden, haalden ze nu in. In een oogenblik vervloeide de donkere avond in den duisterder nacht. Vóór Hilbert eigenlijk goed begreep, dat Japikje in zijn armen had gerust, drong het fel-gewapende licht van den dag op tegen den zwarten burcht aan den horizon, en 't heir der zonnestralen deed er zijn glorieuse binnenkomste, terwijl zes hanen tegelijkertijd de blijde overwinning bazuinden.
Woorden had Hilbert niet veel. Hij keek Japikje aan, en vroeg:
“We mosten mit menner1 wat eten.”
Bladzijde 139Hij wachtte gespannen op haar antwoord. Doch bij haar was het … wel vrijen in den avond, doch overdag geen vertrouwelijkheid. Hij zou 't moeten ervaren, hoe er bij een Drentsch meisje, dat haar manieren kent, een groot onderscheid is tusschen minnekoozen en de liefde; om van 't huwelijk nog heelemaal niet te spreken. Ze bezag hem wel minder minachtend dan zij 't haar andere vrijers deed, bij het licht, doch hij mocht er zich nog niet op beroemen, haar uitverkorene te zijn.
“Mi lust niet, 'k doe bedanken,” lachte zij.
“Japikje,” vervolgde hij smeekend, en hij streek haar over 't jak—onwillig liet ze het toe—“ik vind oe zoo'n himmel wicht2. Ik mag oe zoo geern. Och, mien wiggien, mien wiggien3. Ben ik geen knap jonk kerrel? Zullen wij trouwen?”
“Hold op met oew praeties. Ik wil oe niet, en zie, da'j een ander kriegt.”
“Mag ik dan Zaturdagavond weer een poossien met oe vrijen?”
“Nee!”
“Mag ik dan nooit weerom kommen?”
“'t Volgend jaar, niet eerder en niet later. Je mot op denzelfden dag kommen, en dan wi'k—dan wi'k—” ze schaterde, “met oe trouwen, allenig met oe.” Ze trok hem aan zijn neus, draaide in den ronde, en liep van hem weg, zonder nog om te zien. Met verwonderde domheid keek hij haar na, totdat 't laatste tipje verdwenen was.
Den volgenden Zaterdag ondernam hij denzelfden tocht als een week geleden. Zijn vriend Lammert was meegegaan, omdat hij in 't Noorden ook eens de wichten wilde zien, en hun gemeenschappelijk avontuur verbroederde hen. Ze liepen tot aan de boerderij. Alles was donker. Hilbert kuchte, floot, Lammert klopte tegen 't venster. 't Was zoo stil, als stonden ze voor een onbewoond huis.
Lammert krabde zich 't hoofd.
Bladzijde 140“Was ik maar in 't dorp gebleven,” peinsde hij wijsgeerig, “daar had ik met Trientien een puossien kunnen vrijen.”
“Waar zou ze wezen?” vroeg Hilbert.
“Dat komt er nou van, dat je mien mee wol hebben. D'r is op de stoel nog geen plaats voor een, en nou moeten wij er met ons beiden zitten.”
Eensklaps zagen ze, dat op den weg twee gestalten stonden. Er was een afrimpeling van hun wezen in het duister, of bij hun beiden even de nacht ophield, en achter hen de nacht weder begon. Zóó ook ziet ge des avonds twee boomen aan het stille pad, het donker brekende, en toch op zichzelf niet lichter dan de lucht.
“Wie zouden 't wezen”? fluisterde Hilbert.
“Ik ken ze in 't Noorden niet, en als 't donker is, zijn alle katten grauw.”
“Mij dunkt, dat 't Japikje is ….”
“Met een vrijer.”
“Was maar wat vroeger gekomen, dan had jij haar eerder gezien.”
“Stil! stil! ze hoort ons.”
“Ze zijn daar menaer aan 't smokken.”
“Mien dunkt dat ook.”
Ze slopen weg, als twee vossen, die niet bij een kippenhok kunnen komen. Ze liepen met groote passen over het Ellertsveld, den genadenloozen lach van het minnend paar achter hen. Hilbert begreep, dat hij een vol jaar had te wachten, vóór en aleer hij naar het Noorden van het veld terug behoefde te keeren.
Gelijk de week voorbijgegaan was, zich rekkende als elastiek, net of er telkens nog weer een dag aan toegevoegd werd, zóó verliep dit jaar, week aan week, en terwijl 't verleden altijd kort scheen, werden heden en toekomst eindeloos lang. Er zat geen schot in Hilbert's werk, want als een magneetnaald wendde hij zich steeds naar 't Noorden, en tuurde, of Japikje toch niet zou komen. Hij, die vroeger altijd een voorbeeld was geweest van Bladzijde 141een struischen, jongen kerel, werd nu zoo mieserig als een stadsmensch. Zingen en fluiten was eruit bij hem. 't Klonk niets anders in zijn geest dan “Japikje, Japikje” en “wat duurt een jaar toch lang.”
Één jaar?
Vijf jaar, zes jaar waren er in dat ééne jaar besloten. Maar gelukkig! ook vijf, zes jaar volgen elkander en gaan voorbij. Als van het vuur de asch, zoo blijft steeds van den tijd het verleden over, en er kwam een dag—hei! 't was in de Mei—dat Hilbert zich weder op weg begaf, naar Japikje toe, in het Noorden van het veld.
Hoe Hilbert gekleed was?
Niet op zijn piekfijnst! In zijn daagsche plunje. Zijn Zondagsche pak droeg hij over den arm, want dat wilde hij eerst aantrekken, als hij Japikje's huis zou naderen, want 't stoof leelijk op het witte land, en zóó kwam hij er des te beter aan. In zijn linker-broekzak had hij een flesch jenever gestoken, en in zijn rechter een stuk schinken4, om den honger te stillen, en den dorst te wekken. Telkens nam hij een beet en een slok, en halverwege op 't Ellertsveld was 't vleesch op en de flesch al flink aangesproken.
Hij kwam aan een kuil en stond stil.
Van de ruige hoogte zag hij naar beneden, en op den grond, wriemelend door elkander, waren honderden kaboutertjes tezamen. Zij hadden het druk! Tientallen deden niets anders dan hun handen in de hoogte steken, tientallen stampten met hun voetjes op den grond, anderen gingen af en aan, 't was een gewirwar, een schuddebotsen, een op en neer getril, dat je oogen je pijn deden. Ze waren allen eender gekleed: allemaal in een groen pak en met een groene broek, en witte klompen aan de voeten. Ze hadden allen grijze baarden, en een heel klein pijpje in den mond. Dunne rookwolkjes bliezen ze in de lucht.
Ineens zag een hunner Hilbert, hij stiet een ander aan, Bladzijde 142deze ander weer een ander, en eindelijk wisten zij het allen, dat er een mensch bij hen stond. Fluisterend beraadslaagden zij onder elkander. Nu had een mensch hun geheime vergaderplaats ontdekt! Jarenlang hadden zij er zich in vrede verzameld, ongestoord, en thans stond er iemand voor de kuil, en had precies gezien, wat ze deden. En ware het geweten bij allen maar zuiver geweest …. Liepen er niet onder, die de boeren op velerlei wijzen hadden geplaagd? Sommigen hadden allerlei nuttig werk verricht, de vloer in de huizen geveegd, het linnen gewasschen, de koffie gezet, het vuur aangelegd, doch anderen hadden de boter bedorven, de melk van de koeien gedronken, het touw van de geit losgemaakt, de klompen weggezet, en duizend schelmsche streken uitgehaald. 't Meest van allen vreesde een heel klein dwergje met een langen baard. Hij kroop gauw achter de anderen weg.
Hilbert van zijn kant was ook niet op zijn gemak. Al waren die honderden kaboutertje ook nog zoo klein, vereend konden ze hem heel wat moeilijkheden veroorzaken. Hij had lust terug te keeren …. Hij zou geen oogwenk hebben geaarzeld, wanneer Japikje hem niet zou gewacht hebben. Dat het juist op dezen dag geschiedde ….
De twee partijen bleven zwijgend tegenover elkander staan. Toch moest er iets gebeuren, dat toenadering bracht of afstooting.
Plotseling dacht Hilbert aan de flesch jenever, die hij bij zich had gestoken. Hij haalde ze te voorschijn, bekeek ze tegen 't licht, en lachte. De oudste der kabouters, die den langsten baard droeg, en 't grootste pijpje in den mond geklemd hield, grijnsde zoo, dat de pijp hem bijna uit den mond viel, en klapte in de handen. De overigen volgden zijn voorbeeld, en aangemoedigd door zijn vriendelijkheid, ging Hilbert bij hen in de kuil zitten. Alle kabouters verdrongen zich om hem, behalve het kleine dwergje, dat de menschen altijd zoo geplaagd had.
De oudste vroeg hem, wat hij op 't veld kwam doen. Bladzijde 143Hilbert vertelde de gansche historie, en de deutels5 knikten allen met hun grijze kopkes, het hoofdmans-guurke vooraan, behalve dat ééne, booze aardmannetje weder, dat zich zoo gauw mogelijk ging verstoppen.
“Blijf vanmiddag bij ons,” stelde 't oudste kabouterke voor, “dan heb je nog tijd genoeg, om bij het wicht te komen.”
“Jawel,” zei Hilbert, “'t is ook wel heel mooi bij jullie, maar ik moet me nog verkleeden, want ik heb mijn daagsche pak aan.”
“Kom, kom—je zult er geen berouw van hebben.”
Hilbert vond 't aardig goedje, en hij wou 't tot goed vriend houden. Want als hij met Japikje ging trouwen, zou hij toch allicht een eigen boerderij bouwen, en dan kon je eigenlijk niets dan nut van de kleuters hebben. Ongemerkt zouden ze heel wat werk voor hem kunnen verrichten. Ze konden alles, de kabouterkes. Niet alleen in smidswerk waren zij bedreven, doch bakken, boenen, strijken, wasschen, melken, slachten, ploegen, maaien, zaaien, timmeren, metselen, koken, beestenvoeren, al, wat in een boerengedoente te pas kwam, verrichtten zij.
Hij haalde de jeneverflesch voor den dag, en nog dichter kwamen de guurkes bij hem. Ze klommen bij tientallen op zijn knieën en keken begeerig naar den kostelijken drank.
“Da's klare jenever,” zeide Hilbert, “en nou wil ik dat onder jullie allemaal verdeelen. Daar hoeft niets van over te blijven. Elk krijgt zijn deel, de een niet meer dan de ander, en nu opgepast!”
Hij reikte de flesch 't eerst aan den hoofdman, die, de zware vracht handig tillend, zoodat de kleine vingertjes ze niet konden laten vallen, ze hoog boven zijn hoofd hield, en behendig een vallenden druppel in zijn mond ving. De anderen keken nauwlettend toe—en ziet! ieder kreeg precies een druppel en niets meer.
Ze smakten met de lippen, en hun tongen zochten in Bladzijde 144de mondhoeken, of er soms nog een spritseltje was overgebleven. Ze werden allen vroolijk, dansten hand in hand, en allen waren ze vergeten, dat er nog een klein kaboutertje bestond, dat nog niets had gekregen. Het had zijn kopje boven den kuil gestoken, waarin het zich verstopt had—eerst kwam 't voorhoofd met diepe rimpels, toen de glinsterende, graag-kijkende oogen, toen de snuffelende neus, en eindelijk de mond. Ook hij stak zijn tong uit, echter niet, omdat hij nog wat wilde likkebaarden, doch omdat hij van de kostelijke gave verstoken werd. Hij zag, dat de flesch bij Hilbert lag. Voorzichtig, op zijn handen en voeten kroop hij erheen. Telkens lag hij even stil, gelijk een rups doet, die een hinderend takje of boomblad op haar weg vindt. Dan gluurde hij naar Hilbert, want hij vreesde, dat het mensch hem bij nadering zou grijpen en aframmelen. Eindelijk was hij bij de flesch.
Hilbert had tot nu toe gedaan, of hij hem niet zag. Toen 't kleine kaboutertje dichtbij hem stond, en de flesch aan de lippen wilde brengen, keek hij hem aan en zeide:
“Er is niets meer in.”
Meteen begon hij te lachen.
“Dat valt ook niet mee, kabouter.”
Het guurke zette een boos gezicht. De rimpels van zijn voorhoofd trok hij in de hoogte, zijn oogen vernauwde hij, zijn mond zette hij vooruit. Zijn kleine handjes balde hij tot vuisten, en dreigend schudde hij ze.
“Dat zal ik je betaald zetten, boer,” zeide hij ten laatste.
Hilbert schaterde het uit.
“Probeer 't maar, kleine kleuter, als je kunt.”
Niemand van de overige kabouters, die 't veel te druk hadden met zang en dans, bemerkte, wat er was geschied. Anders hadden ze hem zeker gewaarschuwd, want het was een gevaarlijk guurke, dat het anderen terdege lastig wist te maken. Een kwaadaardig en eigengereid ventje, even listig als hij klein was, de eerste bij plagerijen, de laatste als een moedige daad moest worden verricht. En Bladzijde 145bang voor zijn hachje …! Een echte slechte kabouter was hij. Dien had Hilbert nu tot vijand! Ware hij maar niet bij het kleine volkje gebleven.
Hij keek glimlachend toe, hoe de kabouters rondom hem sprongen en dansten, en, toen het eindelijk tijd voor hem werd—hij moest nog vóór middernacht bij Japikje zijn—drukte hij bij het oudste guurke zijn spijt uit, dat hij niet langer kon blijven.
“Kom maar gauw bij ons terug,” noodigde deze.
“Zeker, zeker, dat beloof ik je.”
“En als je ons noodig hebt, kom dan maar héél gauw bij ons. We zullen je overal mee helpen.”
De slechte kabouter stak weer zijn tong uit, en vloog gauw in 't holletje, om te bespieden, welken kant Hilbert gaan zou.
Zoodra hij het had gezien, sprong hij uit zijn schuilplaats te voorschijn, en hij hem na! Hij dook als Hilbert zijn gang matigde, in een groef of spleet, achter een struikje, in een wagenspoor, en dan draafde hij weer, om den verloren afstand te herwinnen.
Hilbert bleef even voor de Gietensche herberg staan, ging naar binnen, en deed zijn flesch weer vullen. Hierna kwam hij buiten, keek naar de flesch, nam een stevigen slok, en trok verder.
Telkens keek hij op zijn horloge, en zuchtte dan. Hij was veel te lang bij de kabouters gebleven. Hij zou zich moeten haasten. Hij had zich ook nog te verkleeden. Waarom had hij dat niet in de Gietensche herberg gedaan? Hij repte zich, wat hij kon. De kabouter had moeite hem bij te houden: voortdurend moest hij kleine sprongetjes maken, om geen terrein te verspelen. Hij ook hoopte, dat 't avontuur spoedig geëindigd zou zijn … want na twaalf uur 's nachts hebben kwade geesten geen toovermacht meer … en 't was al bij tienen.
Wat die mensch ook voor vreemdigheid uithaalde. Hij liep weer een herberg binnen. 't Kaboutertje keek door Bladzijde 146de ruiten, wat hij daar in 't schild voerde. 't Zag … 't Zag, dat Hilbert zijn daagsche pak uittrok, en 't Zondagsche wilde aanschieten. Op dat oogenblik liep het haastig de gelagkamer in—door niemand bemerkt en voor Hilbert begrijpen kon, wat er gebeurde, sprak het een spreuk, en jas, broek en vest vlogen de deur uit, of ze vleugelen hadden ….
Hilbert liep de vluchtelingen na, niet anders denkende, dan dat een rukwind ze had medegesleurd, en dat hij ze wel pakken zou, vóór hij vijf minuten verder was. Ze fladderden hooger dan hij-zelf, en hij had dus te springen, om ze te bereiken. Het was een storm, zooals hij er nog nooit een gekend had; alleen, waar de kleeren waren, woei de rukwind, en met zóó tergende behendigheid, dat jas, broek en vest, wanneer Hilbert's handen juist lot grijpen stonden, weder opvlogen, vlugge vogels gelijk.
Hij was eenigszins gerustgesteld, dat ze den kant gingen van Japikje's huis. Wanneer zij een andere richting hadden gekozen, ware hij zeker te laat gekomen. Nu was er nog kans, dat hij vóór twaalf uur bij Japikje zou zijn, en dan! het zou een vroolijke bruiloft worden.
Doch terwijl hij dit peinsde, schoot een andere, vreeselijke gedachte kriskras door zijn brein, en hieuw zijn hoop aan stukken.
Hij kon toch niet zóó bij Japikje komen. Hij had zijn daagsche pak in de herberg gelaten, en zijn Zondagsche was aan den haal. Het mocht kosten, wat het wilde, hij zou en moest zijn beste kleeren terughebben.
De woeste jacht begon.
't Kleine kaboutertje klom hem tegen de beenen op, en klemde zich met allebei zijn handjes vast. Anders zou het hem niet hebben kunnen bijhouden. 't Ging over gebaande en ongebaande wegen, over slooten, greppels, heggen, kuilen, en gelijk in een droom—maar 't was de spottende werkelijkheid, helaas—liep Hilbert achter zijn kleeren aan. 't Vreemde van de zaak was, dat ze soms Bladzijde 147op hem schenen te wachten, daar zij vlugger waren dan hij. Als hij ze dan pakken wilde, vlogen ze weg, en dan hoorde Hilbert ergens dichtbij hem een honenden lach … van den kleinen kabouter, die tegen zijn beenen leunde.

't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op
Bij Japikje's huis hielden zij stil.
Hijgende rende Hilbert erheen. Het was zijn laatste kans.
De kleeren konden niet verder, meende hij. Haastig keek hij op zijn horloge. Het was op slag van twaalven. Hij zag door 't venster. In de kamer zat Japikje met drie vrijers. Hij had zich te haasten.
Woest snelde hij naar de kleeren.
Ze ijlden in de hoogte, ze bleven zweven in de lucht, ze doken in den schoorsteen, en, nadat hij weder naar het venster was geloopen, bemerkte hij, dat ze zich kalm tegen de schouw hadden gevleid, en dat Japikje met de vrijers vol verwondering het vreemde schouwspel bestaarden.
Op dit oogenblik sloeg het twaalf uren.
Hilbert zag, dat het kaboutertje van zijn beenen sprong, een langen neus maakte, en weg-ijlde. Hij begreep, wie hem zoo leelijke poets had gebakken.
Toen riep hij naar binnen, dat men 't pak zou reiken, en hij kleedde zich aan, om zijn vonnis te vernemen.
Dat was lang niet malsch!
Waarom hij zoo laat kwam?
Dan had hij zich maar niet bij de kabouters moeten ophouden!
Waarom zijn pak zoo stoffig was?
Dan had hij maar beter uit zijn oogen moeten kijken.
Of ze nog met hem zou trouwen?
Ja, maar dit jaar niet! Hij moest het volgend jaar op denzelfden dag terugkomen. Want ze vond hem wel een aardige vent ….
Dit is de historie van Hilbert en Japikje die niet konden trouwen, daar hij een kabouter tot vijand had. Houd allen de kabouters tot vriend, want nuttige kereltjes zijn Bladzijde 148het, als ze willen, in huis en hof, en schuur en stal, bekwaam vooral met ijzerwerk. Daarom ook zijn ze als de smeden, blijde om een lied. Doch waar zij huns gelijke niet in hebben, dat is in 't bedenken van een plagerij. Wees dus voorzichtiger dan Hilbert, als ge uw Japikje op tijd wilt krijgen; en trek uw Zondagsche pak aan.
Het is de moraal van deze historie, en een andere moraal is er niet te vinden. Bladzijde 149
1 Elkaar.
2 Proper meisje.
3 Meisje.
4 Ham.
5 Beide namen voor kabouters.
Een paleis van prinsen, hertogen en koningen is geweest in de stad Stavoren, en de deuren der burgerhuizen waren van zuiver goud. Gelegen was het op den oever van het Flevus-meer, waarin vele rijke rivieren hun water stortten, de Cuyner, de Vecht, de IJsel, en een stroom van het Rijnwater, komende uit het sticht Utrecht. Geen schooner haven dan die van Stavoren, en de burgers van Holland spraken met afgunst van de fraaie stede, welker schepen talloos waren op de Noordzee.
Er woonde in Stavoren een weduwe, de rijkste van alle menschen. Ook was zij de hoogmoedigste, en iedereen vreesde haar.
Eens, dat een harer vaartuigen zeilree lag, liet zij den schipper bij zich komen, en zij beval hem te gaan, waar hij nog niet geweest was, en het kostbaarste voor haar mede te brengen, wat hij vinden kon. Den prijs, dien men vroeg, mocht hij betalen. “Het zij het schoonste, wat ooit menschenoogen aanschouwd hebben. Het zij heerlijker om te bezitten dan goud en zilver, en ieder in de stad zal er van moeten spreken, mij benijdend en huldigend tegelijkertijd om dat bezit! Ga!”

Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen
“Maar edele vrouw!” zeide de schipper angstig, “hoe zal ik weten, wat het schoonste is? Nooit heb ik iets gezien heerlijker om te bezitten dan goud en zilver. Is er geen ander, dien ge met deze taak kunt belasten?”
“Gij zijt de oudste van mijn schippers, gij hebt de verste reizen gemaakt, en daarom draag ik u op het voor mij te zoeken. Zoo gij iets vindt, dat gij zegt: ‘voorwaar! voorwaar! het is edeler dan menschenhanden ooit schiepen, zie deze kleur en vorm,’ dan zult ge weten, dat gij voor mij hebt gevonden. Zoo niet, weet dan, dat gij nooit behoeft weder te keeren.”
“Ik zal mijn plicht volvoeren,” sprak de man, “en het rijkste, wat ik ooit heb gezien, zal ik voor u medebrengen.”
Den volgenden dag voer zijn schip af.
Bladzijde 150In het onderruim had hij niets dan goudgeld geborgen, dat was van de rijke weduwe. Hij kwam in vele steden, waar hij kostbare dingen zag, alles heerlijk, om te bezitten. Doch overdacht hij dan, of hij nog nooit wat schooners had ontmoet, dan viel hem iets altijd in, dat nog kostbaarder was. Hij zag edel gouden drijfwerk, schitterende diamanten, geborduurde gewaden, Byzantijnsche tapijten, vreemd-gevormde ringen en bracelets, goudbrocaat, doch het was alles van menschenhanden, en huns gelijke trof hij telkens weder. Waren ook niet zelfs de deuren der Stavorensche huizen van zuiver goud, en zou men niet met de vrouw spotten, die een schipper uitzond, om haar 't kostbaarste te halen, terwijl deze slechts met iets terugkwam, dat bijna ieder in de stad kon koopen? Menigen koopman en kramer vroeg hij:
“Toon mij 't schoonste, wat gij hebt,” maar als 't hem getoond was, schudde hij zijn hoofd en zeide droeve:
“Dat zoek ik niet.”
Eindelijk op zijn zwerftocht, kwam hij in een rijke stad, waar hij nog nooit geweest was, Danzig is haar naam. Hij begon er te vragen, wat hij overal gevraagd had, bij goudsmeden vooral was zijn tocht. En weder vond hij niet.
Toen besloot hij, ook deze stad te verlaten, en nog verder Noordwaarts te varen. Hij had gehoord, dat er in verre streken dierenhuiden verkocht werden, kostbaarder en zeldzamer dan hermelijn. Die wilde hij koopen.
Het was de laatste middag, dat hij nog in Danzig was.
Hij kwam langs een onaanzienlijk gebouw, en zag naar binnen.
De deur was geopend, en aldus zag hij het kostbaarste, wat hij ooit gezien had, oneindig veel rijker dan goud en zilver, en schooner dan ooit menschenhanden hadden gewrocht.
Blijde dacht hij:
“Nu heb ik gevonden, wat mijn meesteres begeert. Welken prijs men ook zal vragen, dit kan ik rustig koopen, Bladzijde 151want 't heeft grooter waarde dan 't goud, dat in mijn schip geborgen is, ja dan alle goud ter wereld.”
Hij ging naar binnen, en was het spoedig met den koopman eens. Men laadde de kostbare waar in zijn schip, en eenige uren later zeilde hij van Danzig weder naar Stavoren.
De rijke vrouw had daar allang op zijn terugkomst gewacht. Ze was reeds hoovaardig op haar schat, en ze glimlachte in haar fel verlangen. Wat zou 't wezen?
Ze bezag peinzend haar blanke pols. Haar handen vleiden heur blonde haar. Ze lachte tegen haarzelve om haar schoonheid, die nog machtiger zou worden door wat de schipper medebrengen zou. Ze vertelde het alom, en ze spotte met alle vrouwen. Thans evenaarden ze haar bijna, doch als het schip er zou zijn, zou zij zich boven ieder mogen verheffen.
Zij hield haar gedachten niet geheim. Openlijk sprak ze van het naderend geluk.
“Zooals een ander een schip geladen heeft met houtwerk of met visch, zóó deed ik het laden met goudgeld. Ik weet wel, dat gij allen rijk zijt, maar zooveel hebt gij nog nooit tezamen gezien, en wat ervoor, gekocht zal worden, zal van mij zijn. O! niet zal het lang meer duren.”
Het was reeds eenige morgens daarna, dat ze gewekt werd door een luid geroep op straat. Ze hoorde den naam van den schipper, en ijlings kleedde zij zich, om naar de haven te gaan. Er was niemand in Stavoren, die tehuis bleef. Kinderen drongen in dichte menigte op, nieuwsgierig naar de kostbare schat.
Men waagde al gissingen, wat ze wezen kon. Men zag het aan des schippers gelaat, dat hij verheugd was.
De edele vrouw trad naar voren, en riep met een stem, trillend van verwachting:
“Zeg, wat gij hebt medegevoerd.”
Niet lang wachtte hij met zijn antwoord, dat juichend luidde:
Bladzijde 152“O edele vrouw! zulke schoone tarwe als gij nooit hebt gezien.”
Toen gevoelde zij, hoe men met haar spotte. Instee, dat zij anderen minachten kon, minachtte men haar. Wat zou haar kunnen redden van den hoon, dat zij een kostbare schat verwachtte en slechts tarwe ontving?
Hij beidde haar geluk. Zijn eenvoudig, oprecht gelaat moet wel zorgeloos geweest zijn. Wat was er voor hem inderdaad schooner dan deze zware tarwe, heerlijk voedsel! Hij had veel graan gezien op zijne reizen—doch bij den eersten blik in de onaanzienlijke Danzigsche schuur had zijn volkshart geweten, dat er niets beters dan deze tarwe kon bestaan. Hij had zich van zijn opdracht gekweten. Het was het schoonste, dat ooit menschenoogen hadden aanschouwd. Het was heerlijker om te bezitten dan goud en zilver, en wie in de stad zou er niet van moeten spreken, de vrouw benijdend en huldigend tegelijkertijd? Konden menschenhanden dit vervaardigen? Het was een goddelijke gave, die in zijn schip geladen was.
Ach! hoe slecht kende hij de rijke weduwe, die hem had uitgezonden, en wier ijdelheid had willen pronken. Wat wist hij weinig van 't hart der Stavorensche burgers, die stoepen hadden gebouwd van louter goud, alleen om meer te schijnen dan de Hollanders! Zij hadden slechts achting voor voos vertoon, en ze lachten wat om de Danzigsche tarwe.
De rijke vrouw wist, dat zij den spot, den grootsten vijand der ijdelheid, had te bestrijden, en ze riep den schipper toe:
“Tarwe hebt ge? En aan welken kant hebt gij ze geladen?”
“Aan bakboord.”
“Welnu,” hoonde ze, en ze wendde zich tot het volk, “werp ze dan over stuurboord weer in zee.”
Zonder verweer voldeed hij aan haar bevel. Het graan, dat hij geladen had, loste hij in de golven. Lachende keken Bladzijde 153zij toe, de burgers van Stavoren. Zou er ooit aan hun rijkdom een einde komen?
Die lach voerde hen ten verderve.
Want op de plaats, waar de tarwe gevallen was, drong zand op temidden der zee. Uit iedere korrel graan scheen een korrel zand te komen, en nieuw zand dreef weder aan tegen 't vastgezette. Vroeger was de haven van Stavoren open geweest voor ieder schip—nu bedwongen door den tyran was haar vrijheid geknot.
De armoede kwam in de trotsche stad, en menige burger dacht met weemoed aan de rijke tarwe, roekeloos in zee geworpen.
't Armoedigst van allen werd de vrouw, die de schuld in haar geweten had te dragen. Dat echter niet alleen was haar straf.
Op het zand—'t heette het Vrouwenzand—begon den volgenden zomer graan te groeien. 't Volk was verheugd. Een rijkdom was hun ontnomen, een nieuwe rijkdom ontstond weder. Men zou het deelen, wat er groeide, en er behoefde dus geen zorg meer in Stavoren te zijn!
Nadat men erheen was gegaan, om te maaien, zag men, dat het koren was, hoog van halm.
Doch het had geen aren—en men noemde het “wonderkoren.”—Er was geen korrel voedsel in.
Het diende voor niets, dit graan. Het groeide hoog en verging doelloos gelijk schijn en ijdelheid. Bladzijde 154
Eens stond er in het Noorden van ons land een groot kasteel, dat heette Stenhuisheerd. Het waren trotsche, driftige ridderen, die er heerschten, willoos tegen hun woede, die meer verderf over de streek hadden gebracht dan honger, ziekte of overstrooming.
Het driftigst van alle ridders was hij, die in het begin der 14⊇ eeuw Stenhuisheerd regeerde.
Hij had een jong, adellijk meisje lief, en hij vroeg haar, of ze zijn vrouw wilde worden.
“Ja,” zeide ze, “als ge uw grootsten vijand overwint!”
“Dat zal ik,” zwoer hij.
“Weet ge, wie het is?”
“Ik zal hem vinden.”
“Wilt ge van mij zijn naam niet hooren?”
“Ik verlang dit niet.”
Hij reed heen, en ze zag, hoe hij zijn paard aanzette. Nog eens riep hij haar toe:
“Wacht nog eenige dagen, en ge zult zijn naam van mij hooren.”
Vele vijanden had de ridder, want hier had hij in drift een mensch gekrenkt, daar iemand in drift gedood. Terwijl hij reed, bedacht hij, wie zijn grootste vijand kon zijn, en hij meende, dat het een ridder was, wiens broeder hij had verslagen. Tallooze malen had hij gehoord, dat deze op wraak zon.
Zijn paard deed hij wenden naar de richting van des vijand's slot.
Wat deed hem echter plots weder de vaart van het dier inhouden?
Hij sloeg zichzelven tegen het voorhoofd.
Wat zou 't hem baten, als hij dezen versloeg. Zou het jonge meisje niet zeggen:
“Ge hebt u door 't dooden van dezen man weder een nieuwen tegenstander geschapen, een nog grooter vijand dan den vorigen. Bloed eischt bloed?”
Bladzijde 155Het duizelde hem.
Wie was zijn grootste vijand?
Hij keerde naar zijn eigen kasteel terug. In den nacht was alle rust hem verre. Gekweld door zichzelven, liep hij de zaal heen en weer, altijd nadenkend:
“Wie is mijn grootste vijand?”
De morgen was geen troost voor hem. Voor zijn oogen bleef een donker floers, gespannen als het duister in den nacht, en zonder ophouden pijnigde hem de angstige vraag. Hij trachtte rustig te bedenken, wien zij wel meenen kon. Nooit zou hij het haar kunnen vragen. Hij gevoelde 't als een vernedering, om weder bij haar te komen, zonder haar wensch te hebben gehoorzaamd. Een nog dieper schande ware het, haar nu te vragen, wien zij bedoelde. Had hij haar niet gezegd, dat hij den vijand wel kende?
Tien nachten en dagen hield hij 't uit. Daarna maakte hem de eeuwig-vragende vraag tot een willoos mensch. Hij reed tot haar, en zonder begroeting riep hij rauw:
“Wie is het, dien ge hebt gemeend! Mensch of duivel … ik zal hem overwinnen.”
Zacht antwoordde ze hem:
“Het is geen mensch en het is geen duivel, die uw grootste vijand mag heeten. Het is uw drift, edele ridder! Geen grooter vijand hebt ge dan dezen.”
Hij deinsde terug, en riep angstig:
“Hoe zal ik dien overwinnen?”
“Gaat ter kerke, en luister geduldig naar de mis. Bid tot God.”
Hij boog zijn hoofd, gelijk een vroom man, en zeide plechtig:
“Om uwentwil zal ik het zwaarste volbrengen.”
“Ik zal u wachten.”
Den volgenden dag wilde hij ter kerke gaan, en hij reed vroegtijdig uit. Hij had 't eene vaste voornemen te doen, wat ze bevolen had.
Bladzijde 156Hij nam den kortsten weg, en dat juist bracht hem ongeluk. Want, nadat hij het boschpad, welk onmiddellijk naar 't bedehuis voerde, had gekozen, zag hij een hert voor zich, dat even den kop met 't zwaar-vertakt gewei naar hem keerde, en vervolgens vluchtte. Toen vergat de ridder van Stenhuisheerd, waarom hij gegaan was. Zijn ziel wist slechts van één verlangen: te jagen.
't Hert vluchtte in dicht bosschage, en met moeite volgde hij het. Dan was 't licht geritsel van den vluggen hoef, strijkend tegen den grond, verre, tot 't dier weder kwam op een open plek, waar 't paard opnieuw won. De ridder herinnerde zich zelfs zijn liefde niet meer. Met driftige stem, met driftige voet en hand zette hij zijn ros aan tot vervolging. In 't kerkje werd de mis al gelezen. Hij had, zonder het te beseffen, zijn geluk verspeeld. En zelfs 't hert zou hij nog niet krijgen. Het lokte hem steeds verder van zijn doel.
Eindelijk was er een beek, waarover het vervolgde dier, even aarzelend, zwom. Daar tegenover werd de grond moerassiger. Licht-zwevend, zonder dat de hoeven den grond even drukten, meer glijdend dan loopend, drong het door het riet, en verdween. Wel kwam de ridder aan den anderen oever—zijn paard daarentegen, al vermoeid van den snellen rit, wist niet te ijlen over den weeken bodem, en, nadat hij vloekend op den grond gesprongen was, vond hij het spoor niet terug. Zooals een waanzinnige, uit onnaspeurlijke oorzaak, weder de dingen bemerkt, zooals hij ze vroeger heeft gezien—wat is er in den tijd geschied, dat hij zichzelven niet kende?—zoo was hij zich ook bewust van de werkelijkheid, en hij ging terug, met woeste gebaren zijn vermoeid paard aandrijvend.
Zoodra het zijn vaart minderde, sloeg hij het, en woest lachte hij, als het steigerend sprong. Hij zwoer en vloekte, dat hij nog op tijd zou komen. Met vreeselijke woorden verdoemde hij het hert, dat hem van de kerk gelokt had. Zeker was de mis al gelezen …
Bladzijde 157Hij naderde het dorpje.
Uit de kerk zag hij de menschen reeds komen, in vrome aandacht nog 't hoofd gebogen. Hij reed midden door de schaar, riep één hunner kort toe, dat hij 't paard zou vasthouden, sprong op den grond, en holde 't bedehuis binnen.
De priester was alleen in de kerk. Hij had zich reeds naar de poort gekeerd, om heen te gaan, en verwonderd zag hij den ridder komen.
Diens stem riep hem reeds van de deur luid tegemoet:
“Zeg voor de tweede maal de mis! Zeg voor de tweede maal de mis.”
Zonder angst luisterde de priester. Goed en rustig antwoordde hij:
“Ge vergist u, mijn zoon! Hoe kunt gij van mij verlangen, dat ik de mis ten tweeden male leze?”
Toen toonde hem de ridder zijn zwaard, en hoonde:
“Ik zal u dooden met dit zwaard, zoo gij mij niet gehoorzaamt.”
“Mijn leven is in uw macht, doch niet mijn wil. Ik vrees den dood niet.”
Weder was het den heer van Stenhuisheerd, of hij het zwarte floers voor zich zag, en het scheen hem toe, dat hij nederstortte. Het zwarte floers werd rood, het week terug voor het daglicht. Hij zag den priester ruggelings op den grond terneder liggen, hemzelf omstuwd van het volk; hij had 't bloedende zwaard in zijn hand, en hij zwaaide ermede, dat iedereen ter zijde liep.
“Moeten er nog meer gedood worden dan deze ellendige priester?” zoo dreigde bij.
Buiten sprong hij op zijn paard. Nogmaals dreef hij 't met wild dreigen aan.
't Was in den laten middag, dat hij 't slot van zijn meisje bereikte. Zij wachtte hem.
“Hebt gij de mis gehoord?” zoo vroeg ze glimlachend.
“Neen.”
Bladzijde 158Niet een vage rimpel van den glimlach bleef op haar gelaat. Hoog richtte zij zich op.
“Dus hebt ge niet gedaan, wat ik u heb gevraagd?”
Hij hernam met doffe stem:
“Ik kwam te laat.”
Ze zag naar zijn harnas, met bloed bevlekt, en naar de punt van zijn zwaard, welk geen blankheid meer had.
“Wien hebt ge gedood?”
“Den priester.”
“Waarom?”
“Omdat hij de mis niet ten tweede male las.”
“Ga heen, gij, die een priester hebt gedood. Ik zal vergeten, dat ge mij hebt liefgehad. Vloek over u.”
Tegen haar kon hij niet driftig zijn. Haar kon hij slechts smeeken, hem lief te hebben. Hij zeide in vertwijfeling:
“Niemand kan u zoo groote liefde geven als ik. Wanneer gij mij bevaalt, den priester ten tweede male te dooden, zou ik 't doen.”
“Ge hebt niets meer van mij te hopen. Ik vloek het uur, dat ik u heb ontmoet.”
“Verdoemd,” fluisterde hij. Hij sprak geen enkel vaarwel, hij ijlde naar buiten, sprong weder te paard, en reed ditmaal naar zijn eigen kasteel.
Hij had geen berouw.
De priester had zijn bevel niet gehoorzaamd, daarom was hij gestorven. Wel gevoelde de ridder, als een band om zijn borst knellend, een vreemde onrust, of hij op de wereld niet thuis ware. Niemand had hem lief. Vijanden waren er aan alle zijden, en de grootste vijand was hijzelf. Wanneer hij dezen zou kunnen dooden ….
Thans zette hij zijn paard niet aan. Nu kon hij rustig bedenken.
Hij zou dus als eenzaam man in 't leven staan?
Er was nog een andere onrust in hem, een vrees, of er iets gebeuren ging, dat hij niet kende. Neen, berouw had hij niet, doch een verlangen, om zich met zichzelven te verzoenen.
Bladzijde 159Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante. Niet op een paard—op een bok. Hij zat achterstevoren, zoodat de heer van Stenhuisheerd het gezicht kon onderkennen. Het was de duivel, met zijn grijnzend gelaat, en hij wenkte hem.

Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante
Achter elkander reden ze over de slotbrug, hun beide dieren gingen stapvoets, het een onmiddellijk bij 't andere.
“Wat wilt ge van mij?” riep de ridder.
De duivel schaterde.
In den grond zonk het rijke slot, honderden vademen diep, en mèt zijn steenen zonk de heer van Stenhuisheerd, zittend boven op 't paard. De vlakke, kale bodem dekte alles, en wat er overbleef van den trotschen ridder, die over honderden had geheerscht, was niets dan zwavelstank. Bladzijde 160
In den nacht lag het doodenschip voor 't eiland Walcheren. Op het dek stond de zwijgende schipper. Geluidloos werkte de bemanning, en de stuurman bij het roer zag peinzend vóór zich. Op alle gezichten was 't licht der maan—maar buiten hen viel geen licht.
Er was een onzichtbare hand, die, wanneer iemand dood zou gaan, aan het venster klopte. Dan weder gleed de gedaante, wien de hand behoorde, verder, één met den nacht, zonder een trilling, zonder een nevel. Overal, waar een mensch moest sterven, klopte zij, zoo zacht, dat 't stiller was dan het ritselen van een blad. Wie kan zeggen, wat het voor geluid was? Een klanklooze klank, onweerstaanbaar voor hem, die van 't leven scheidde. Zooals in den avond een uil wiekt door de stilte, of gelijk een luwte ondeelbaar-even vaagt en vervaagt, zoo moet 't zijn geweest, dat het voor den stervende klonk—klonk?
Er was een jonge knaap, die lang ziek geweest was, en de hand aarzelde nog even. Toen gleed ze langs 't venster, en zooals een ander kind droomerig volgt 't blij geluid van trommel en fluit, wanneer 't zonnelicht schijnt, zoo stond de jonge knaap op, en volgde de geluidloosheid, die hem voorafging. Het vreemde was, dat hij zijn weg wist. Telkens stond hij even stil, als de hand der schrijdende gestalte een venster beroerde—om dan weder te volgen, wat een vormlooze, kleurlooze, alleen maar voortgaande gedaante was.
Voor een huis had hij langer te wachten dan anders.
Het was een man, iets ouder dan hij, die tot den dood werd gewekt. Altijd was deze gewoon geweest de dingen des levens te beheerschen, en hij was over de wereld gegaan, of ze een danszaal ware. Nu moest hij sterven, en hij wilde zich tegen den dood verzetten. Het wordt verteld, dat hij een meisje liefhad, en daarom niet met het doodenschip wilde varen. Toen de hand aan het raam Bladzijde 161tikte, verzette hij zich met al zijn macht tegen de verlokking, en stil wachtte hij.
De knaap buiten gevoelde een hevige pijn. Om zich heen hoorde hij overal zacht gekerm, en 't was, als klaagden en riepen duizenden stemmen van dooden. Hij zag alles door den nacht, behalve de eene gestalte, en hij zag ook den man, door de gedaante geroepen, op zijn legerstede nederliggen. Ook hij klaagde van hevige pijn. De knaap hoorde, dat hij smeekte, om nog te blijven leven.
“Een enkel jaar!” zoo riep hij. “Laat mij nog een jaar van de wereld genieten.”
Nadat hij dit had gesmeekt, schreed de gestalte verder, en de knaap volgde. Wat was het vonnis geweest? Het gekerm der dooden was opgehouden, en als de gedaante aan een venster klopte, volgde de geroepene.
Eindelijk kwamen ze allen bij het schip, en hun namen werden gefluisterd. De naam van den man was er niet bij. Ze stegen in het schip, en licht voer het over de zee, zonder dat de golven den romp raakten. Het was, als vlogen ze op de vleugelen van een vogel door de ijle lucht. Soms kwamen zij een ander schip tegen: dan zwenkte hun vaartuig niet, doch het ging recht-door, en weder kraakte geen hout.
De knaap vroeg den schipper—hij kende zijn stem niet weder—en hij meende, dat nooit meer een levend mensch ze zou kunnen hooren:
“Waarheen varen wij?”
Zacht antwoordde de schipper:
“Naar 't land van den nevel aan de overzijde der zee. Engelland noemen het de menschen. Daar zult gij in nevelen opgaan.”
“Voor hoelang?”
“Weet gij wat zeven millioen jaren zijn? Weet gij wat zeven honderd millioen jaren zijn?”
“En dan—?”
“Aan 't einde der eeuwigheid is het begin der nieuwe eeuwigheid!”
Bladzijde 162“Zal ik nooit meer naar 't levende leven terugkeeren?”
“Verlangt gij?”
“Ik hoor mijn moeder schreien.”
“Eens zult gij terugkeeren—maar niet om bij uw moeder te zijn!”
“Waarom dan?”
“Ge zult 't weten.”
In de nevelen van Engelland voer het schip. Schimmen van schemering wachtte hen, en leidden hen in 't geheimzinnig rijk. Werden ze één met den nevel, bleven zij toch bestaan binnen den nevel? Eeuwig was het stil, en er woei geen klank meer over van Zeeland, waar de levenden wonen. Als in een bosch, wanneer de nacht nabij is—iedere klank zou bevreemding wekken waren zij tezamen. Hoelang? Wie meet den tijd in de eeuwigheid?
Het was den jongen knaap, als had hij even slechts in den nevel getoefd, toen hij de gedaante weder op hem zag toeschrijden, die hem wenkte. Hij volgde haar. Het schip lag zeilree, het was met dezelfden bemand. De schipper stond op het dek, de stuurman aan het roer. Weder gleed hij over de zee.
“Hoelang is het geleden, dat ik gegaan ben?”
“Zij, die leven, noemen het een jaar.”
“Waarheen voert men mij?”
“Gij zult 't weten.”
Als een jaar geleden, zeilden zij over de zee, geen golven raakten het schip, geen ander vaartuig ontweken zij. Zelfs door de branding, in bruisend, brekend water, gleden ze ijl, en zonder schok kwamen zij aan land.
“Volg uw weg,” sprak de schipper.
Teerder dan een damp, die bij het overvloeien van den ochtend in den vollen dag het laatst op den akker blijft (even voor 't zonnelicht ze gelijk stemt met de gansche atmosfeer) sluierde zijn nevel langs de dingen des levens. Hij wist niet, of het dag was of nacht. Hij ging verder, Bladzijde 163totdat hij voor 't huis van den man stond, die vorig jaar niet sterven wilde.
Weder ging de gedaante langs de huizen. Soms bleef ze wachten, en haar, hand raakte de ruiten aan, zonder te kloppen. Toen kwam ze aan de hoeve, waar de doode hem beidde, en tezamen zagen ze naar binnen.

Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde
De man en een vrouw zaten bij de wieg van een kind, en de vrouw neuriede een lied. Hij had zich voorovergebogen, om 't gezicht beter te zien. Daarna klopte de gedaante, onbewogen, als trof ze den man in ongeluk aan: deze stond op.
“Wat is er?” vroeg de vrouw verschrikt:
“Niet dit jaar—niet dit jaar. Ik kan dit jaar nog niet gemist worden. Ik ben gelukkig, neem een ongelukkige voor mij in de plaats.”
Weder gevoelde de doode een hevige pijn, en van alle zijden hoorden hij de klagende stemmen der gestorvenen:
“Neem weg die smart. Breng hem bij ons.”
“Spreek!” beval nu de gestalte den knaap.
Toen hoorde hij zichzelf spreken. Hij noemde den man bij zijn voornaam.
“Ga mee met ons. Je bent den dood vervallen.”
“Neen—neem” kreet de man in angst, “kom het volgend jaar weerom. Dan zeker zal ik u volgen.”
“Wat is er toch?” riep de vrouw. “Tegen wien praat je?”
“Stil … stil … 't gaat voorbij. Dit jaar niet. 't Volgend jaar.”
De doode en de gedaante schreden voort. Bij hen voegden zich de schimmen van dezen nacht. 't Schip lag klaar. Het was als altijd.
Weder werd de knaap in de nevelen opgenomen, en hij herinnerde zich niets van wat er was geschied. Het leven was niet voor en niet achter hem. Er was geen tijd geweest, en er zou geen tijd komen. Als in een diepen droom was zijn geest gezonken, doch nog peilloozer. Zoo 't leven een droom is, welk een droom is dan de dood?
Bladzijde 164Maar eensklaps, als schrok hij wakker, en met hem alle nevelen, hoorde hij duidelijk 't geluid van een menschelijke stem:
“Laat mij nog één jaar leven,” en tegelijkertijd gevoelde hij een hevige pijn, en hij hoorde zijn eigen stem en de stem der andere dooden weeklagen:
“Breng hem hier. Laat hem niet leven.”
Het ging voorbij, en de schemering herbegon. Hoevele malen dit zich herhaalde? Hoevele malen zij hoorden, dit?!:
“Ik ben gelukkig! Laat mij niet in 't geluk sterven.”
Na wat menschen jaren noemen, werd de nevel weder losgemaakt, en nogmaals voer hij van Engelland, het rijk der dooden, over de zee. De schipper zeide hem niets, nadat zij aan land waren gekomen. In onbewustheid wist hij, wat hij moest doen, en hij gleed tot aan 't huis, waar de man woonde.
De doode kon de gedachten van den levende hooren, als waren zij stemmen. Zij spraken:
“Dit jaar zal ik evenals vorig jaar weer geroepen worden. Het zal nu ook mijn tijd niet zijn …. Ik zal wel het medelijden weten op te wekken. Het is nu, dat ik in zorg verkeer, want mijn jongen moet een ambacht leeren, en voor dien mag ik niet sterven. Wie zou voor den jongen zorgen, als hij zonder vader was?”
De doode hoorde dit zoo duidelijk, of de levende met hem praatte. Hij wist, dat 't onmogelijk was, den man te waarschuwen, die de orde der wereld had verstoord. Toch trachtte hij hem te zeggen, wat hij peinsde. Hij begon weder met den voornaam.
“Je weet niet, watje wacht. Het was reeds de laatste maal, dat je het leven kon houden. Er zijn al zooveel anderen voor jou in de plaats gedood. Jij behoort niet meer in het licht, in den nevel is je woning.”
De man wist niet, dat er iets tegenover hem stond, en hij ging voort te denken:
“Ik durf niet te denken, wat er gebeurd zou zijn, wanneer Bladzijde 165ik voor dezen tijd was gestorven. Dan waren mijn vrouw en kind alleen in zorgen achtergebleven, en niemand hier was zoo barmhartig geweest, om hen te helpen. Nog veel jaren moet ik leven—misschien over twintig, dertig jaar kan ik hier gemist worden. En dan nog—Neen! ik wil wachten, tot ik oud ben, en het leven me een last is. Voor dien tijd niet—voor dien tijd niet.”
Zijn zoon trad aan de deur en ging vervolgens naar zijn vader toe. Ze spraken over de onverschillige dingen, welke van het leven zijn. Het zonlicht blonk over de wegen en het land, met blijdschap wezen zij elkander op de rijke oogsten, welke te wachten vielen, van graan en vruchten.
“Wanneer het vannacht regenen zal,” zeide de vader, “mogen wij wel 't allerbeste hopen.”
“Er is daarop geen kans,” meende de zoon. “Er zweeft geen wolkje aan de lucht.”
“Het gebeurt meer, dat er dan toch onweer komt men zegt wel eens uit een onbewolkten hemel.”
“Kom vader! dat zal wel nooit gebeuren.”
De man antwoordde niet. Hij staarde voor zich uit.
Toen zag de doode, dat in de verte de avond kwam. Het zonlicht aan den horizon werd mat-rood gesluierd, een huivering beefde door het graan, en het groen der boomen werd donkerder, ervoor was een violette tint.
“Onweer zal er niet komen,” zeide de jongen.
Ze zwegen beiden.
Langzamerhand begon de avond lucht en aarde te omvatten. Was er ginder een weg geweest, waaraan boomen stonden? Even nog geleden was de zon een vuurbol—thans was er slechts nagloeien van den ontzaglijken gloed, en overigens was 't al grauw aan den horizon. Ook het graan, ook de bongerd, ook de slooten, ook de molen werden door warrelingen van schemer omhuld, het geleek, of alles verder werd gezet dan het in den dag had gestaan, verdwijnende.
Het oogenblik kwam, dat de doode de gedaante zag Bladzijde 166schrijden, schrijdend door het koren, met rustige schreden, als iemand, die zijn plicht vervult. Ze kwam rechtstreeks naar den man, die niet sterven wilde. Ze liep niet naar het venster, om daar te kloppen. Ze bleef staan, waar de man stond, en ze sprak in menschentaal, en met menschenstem, zoodat vader en zoon haar beide verstonden.
“Jijt gij bereid?” vroeg ze zacht en mild.
“Nog één jaar.”
“Jijt gij bereid?”
“Ik moet voor mijn zoon zorgen.”
“Dat behoeft ge niet meer,” zeide ze streng.
Een bliksemstraal laaide langs den hemel, schoot naar de aarde, en doodde den jongen. De vader was ongedeerd. Twee dooden volgden de gedaante.
Achter hen klonk de wanhopige klacht van den man. “Laat mij nu ook sterven. Neem mij nu ook mede.”
“Kom,” fluisterde de gedaante. “Het schip wacht ons weder. Over dertig jaar kom ik bij den man terug. Dertig jaar heeft hij nog te leven.” Bladzijde 167
Velen hebben de geschiedenis al verteld, die smartelijk is van het begin tot het einde, van Mooi-Ann van Velp en den jonker bij Biljoen.
In den zomer, als de boschbessen vol en zwart zijn, trekken de vrouwen en meisjes erop uit, om deze te plukken, en ze vergaren de rijpe vrucht in karren, waarmede ze naar de steden rijden. Dan roepen ze en 't klinkt droefgeestig, daar zij zich niet thuis gevoelen binnen deze vijandige wereld:
“Mooie boschbessén. Prachtige boschbessén,” heel langgerekt, in eentonigen deun.
Wie het eens heeft gehoord, vergeet het niet.
Sommigen zeggen, dat mooi-Ann de dochter was van den heer van Velp1, en dezen vertellen, dat het lange jaren geleden is geschied. Maar dit is nietwaar. Zij hoorde tot de boschbessenpluksters, en de heer bij Biljoen zag haar voor 't eerst, toen zij aan het werk was.
Het zonlicht speelde in het bosch—de vogels zongen. Haar jong figuur had zich over de struiken gebogen, en haar fijne handen plukten. Zoo moogt ge hen zien, een eenvoudig meisje uit het volk, en de trotsche, slechte heer, die lachte.
Ze keek om, en was verschrikt. Hij naderde haar.
“Wie ben je?” vroeg hij.
Ze durfde hem niet te antwoorden.
“Ik zal je niet opeten,” lachte hij. “Wist je wel, mijn kind, dat je mooi bent?”
Wat zou ze moeten zeggen? Ze bedacht, om weder aan 't werk te gaan, maar ze moest naar hem zien, zooals hij daar stond, zelfbewust en zeker van zijn onweerstaanbaarheid.
“Weet je wel, hoe ik heet?” Nauwelijks hoorbaar zeide ze:
“Ja—ge zijt de heer bij Biljoen.”
“Goed—maar nu moet ik jouw naam ook weten.”
Bladzijde 168“Men noemt me Ann van Velp.”
“Mooi-Ann van Velp zal ik je noemen. Mooi-Ann! wil je met me meegaan, en op mijn kasteel wonen?”
“'t Past mij niet, om met u mee te gaan. Ben ik niet maar een arm meisje?”
De heer bij Biljoen richtte zich rechtop, en schuw bezag ze hem. Heeft niet ieder meisje hare gedachten over den man, dien ze zal liefhebben? Hij stond forsch voor haar, 't blonde haar golfde onder-uit zijn blauwe baret, zijn voorhoofd was hoog, zijn neus gekromd, zijn lippen rood. Reeds lang had zij, zonder het te weten, van zijn grijze oogen gedroomd, welke scherp waren, als zag hij in de verte een dier, dat hij dooden wilde. Hoe angstig en rustig moest het wezen, om aan zijn borst te liggen, door dien sterken, dikken bovenarm te worden omvat. Hij wist, dat hij haar bekoorde. Hij glimlachte. Door dien glimlach werd hij nog machtiger voor haar.
Er zijn er velen, die zich aan de beschrijving van haar schoonheid hebben gewaagd, en een spreekt van “biddend albast.” Ze was misschien kleiner dan hij, al scheen ze met hem schouder aan schouder te staan. Heur blond haar droeg ze los, en het schoot bandeloos neer, in wijden boog langs den ronden arm tot aan de kloeke heup. Dit was haar grootste bekoring, dat haar gelaat kinderlijk was en haar wezen een meedoogenlooze lijn van schoonheid. Haar glimlach was vertrouwend—ach! waarom had ze den jonker bij Biljoen lief van het eerste oogenblik, dat ze hem ontmoette?
De dobbelsteenen worden geschud en geworpen geen menschenhand heeft meer macht, om het getal der oogen te bepalen. Onzichtbare krachten werken aan hun wending, hun val, hun even-kantelen, hun liggen. Tel de punten. Drie zessen of drie eenen—ge hebt het te wachten.
“Wat doe je dan den heelen dag, mooi-Ann?”
“Ik werk voor mijn moeder.” Bladzijde 169
“Voor mijn moeder werk ik, in schuur en stal,
In 't huis en op den akker, overal.”
En hij:
“Maar arbeid geeft maar zorgen, en geeft maar angst en pijn,
Wanneer gij mij wilt volgen, zult gij zonder zorgen zijn!”
“Neen! neen!” riep zij in vertwijfeling, “ik wil u niet volgen, ik ben bang voor u.”
“Waarom dan? Zie ik er zoo naar uit, om bang voor mij te zijn?” Hij kwam naderbij, en nam haar hand. Zij sloeg haar oogen neer. Toen begreep hij, dat zijn wil de hare was, en woest sloot hij haar in zijn armen.
Van dit oogenblik was zij hem onderdanig. Zij vergat, dat zij een moeder had. Hij gaf haar kostbare kleeren, want wreed wilde hij, dat zij schoon was. Wat bleef er over van het meisje, dat boschbessen had geplukt, om haar brood eerlijk te verdienen?
Er woonde op het kasteel bij Biljoen een oude meid, die ijverzuchtig was, dat mooi-Ann een dame werd, en haar bevelen mocht. Vroeger had zij het meisje wel gekend als een arme deerne, gelijk aan de anderen in het dorp. Moest ze haar nu bedienen, als was ze van adel?
Ze was een listig karonje, de oude meid.
Ze wachtte 't oogenblik af, dat de jonker minder van mooi-Ann hield dan vroeger. Mooi-Ann? Mooi-Ann?
Het was niet lang geleden, dat ze mooi-Ann werd genoemd. Toch, wat was er van haar schoonheid gebleven?
Als de jonker een dag uitgereden was; zat zij alleen te schreien. Er was niet even geluk geweest, sinds zij den heer had ontmoet. Had zij gemeend, dat zij rust zou kennen? Was liefde dan ongeluk? En ze had den jonker lief, die haar in mooie kleeren kleedde, doch die nooit anders dan slecht voor haar was. Hij had nog niet gezien, dat zij schreide: de eerste tranen hadden geen sporen gelaten. Hoe zou het zijn, als eindelijk de groeven scherper werden, en de jonker dan zeker de oorzaak van haar smart zou weten? Ze huiverde. Als zij van het kasteel Bladzijde 170werd gejaagd, waarheen zou ze dan moeten gaan? De schande ….
Ze wist, dat de oude meid haar haatte.
Dikwijls had zij dien haat gevoeld, altijd-gezwegen, als een scherp woord. Ze moest ervoor zorgen, dat de oude meid haar geheim niet ontdekte. Mooi-Ann deed altijd vroolijk, opdat de ander niets zou merken. Ze trachtte te lachen, ze deed of ze gelukkig was, het arme, verlatene kind. Lang kon dit niet duren.
Want eens, toen de jonker verveeld en moede en knorrig tehuis gekomen was, en eenzaam bij het haardvuur zat, klopte de meid zachtjes aan de deur. Ze trad binnen. Ze vertelde hem, dat mooi-Ann gehuild had, dien middag, en ze wist wel waarom. Ze fluisterde. Hij vloekte. Toornig riep hij, dat zij de deerne bij hem zou brengen.
't Was anders dan eenige maanden geleden, nadat hij haar in het bosch had gezien, een mooi kind uit het volk, dat haar brood verdiende. Het was een schreiend wicht, dat angstig bij hem stond. Op al zijn vorschende vragen antwoordde ze “ja.”
Hij vroeg:
“En als ik je uit 't kasteel jaag, zul je mijn naam te schande maken?”
“Neen heer!”
“Je bent leelijk geworden! Dat ik het nu eerst zie.”
Ze wist geen antwoord te geven. Ze had kunnen zeggen: “door uw schuld”—wat kan men echter van zoo'n meisje verwachten?
Dreigend verhief hij zich.
“Dat zal niet gebeuren,” zoo zwoer hij.
“Wat zult ge met me doen?” wilde ze angstig vragen. Ze zweeg. Minachtend bezag hij haar.
“Het is nog tijd.”
Toen sprak ze het uit, wat zij gevoelde.
“Doe alles, wat ge met me wilt—Dood me, dat is beter.”
Nooit had hij haar liefgehad. Wie kon zoo spreken Bladzijde 171tegen een vrouw, als hij ook maar één oogwenk in zijn leven van haar had gehouden? Alles was beter dan te blijven leven. In den dood zou ze niet meer schreien. In den dood zou zij zich wreken.
Het was avond, en de vijver van het slot Biljoen was roerloos. Niet één rimpel bleef. Onbewegelijk was ook de schemer boven het water.
Toen klonk er een schrei. 't Kon van een vogel geweest zijn, die in zijn nest werd verschrikt, of van een hulpeloos dier, dat door een vos werd gegrepen. Waarom van een mensch?
't Werd even stil, de stilte, als een levend wezen luistert, of er ergens geluid is.
't Water van den vijver spatte hoog.
Het zou wel een groote steen zijn, die in de kolk werd geworpen. Soms deden dat de jongens uit het dorp, hoewel het eigenlijk al te laat was, om dat te denken. De stilte kwam terug. Het was niets geweest.
Den volgenden ochtend vond men het lijk van mooi-Ann tusschen de biezen. Zeker had zij zichzelf gedood. Wie durfde den jonker bij Biljoen te verdenken!
Twee jaren waren voorbijgegaan.
Toen kwam, een avond, een jonge man uit Velp, langs het slot. In 't bosch, waar hij doorging stond een hooge eikeboom. Terwijl hij bedaard doorstapte, zag hij eensklaps tegen den stam geleund, een hooge, witte gedaante. Eerst was hij verwonderd, en hij naderde iets. De gestalte wenkte hem. Hij deinsde terug, en sprak de aloude, goede spreuk:
“Zoo gij van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij.”
De nevel week. In de verte hoorde hij een milde stem, zeggend:
“Ken je me dan niet weer? Ik ben mooi-Ann! Morgen wacht ik nogmaals.”
Den volgenden avond keerde hij terug. Door den dag Bladzijde 172had hij geworsteld als door een breeden stroom, welks vaart tegen hem was gewend. Ieder uur was een vijandige stortgolf, en al strijdende had hij slechts één gedachte:
“Hoe zal het eindigen?”
De avond was een weefsel van nevel. Hij had zijn oogen half-gesloten, en nu zag hij haar duidelijk voor zich. Ze was in het witte kleed, dat de jonker van Biljoen haar had geschonken, en in 't goud-blonde haar, dat ze had gekapt als een dame, blonken de edelsteenen. Ze had zijden schoenen aan met zilveren gespen, of ze ten dans ging. Om haar blanken hals droeg ze een ketting van paarlen.
Hoe wist hij, dat haar oogen blauw waren? Het was toch een avond schemerend en onwezenlijk, waarin geen kleuren standhielden. Wat was mooi-Ann anders dan een nevel?
Hij stond stil.
Zij was na zijn woorden geweken. Ze was niet van God. Van den duivel was ze. Het zou 't beste zijn, dat hij terugkeerde. Waarom toefde hij?
Aan 't eind van het bosch wachtte hem mooi-Ann. Ze hield haar armen naar hem uitgebreid, en diep haalde hij adem, voor hij zijn weg naar haar vervolgde. Nadat hij haar dichterbij was gekomen, zweeg hij; hij vond de woorden niet, welke hij den avond te voren had gezegd:
“Zoo ge van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij.”
Het was, of zijn bloed hem anders drong. Hij moest tot zichzelven zeggen:
“Zoo ge van God zijt, wijk. Zijt ge van den Duivel, nader dan.”
Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid. Een zware bloemengeur woei uit haar kleeren. Haar oogen, die hem star aanzagen, waren de lokkende zonde. Welke man zou niet eeuwig verdoemd willen zijn, om haar blanke armen te kussen. Haar roode lippen waren het verderf der ziel. Haar voeten stonden op 't gras, en vertrapten de madelieven.

Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid
Bladzijde 173Hij kon niet meer vluchten.
Was dit mooi-Ann, die eens door den wreeden jonker verrast werd bij het plukken der boschbessen, en die zich angstig gevoelde, om met den heer mede te gaan?
Ze trad naderbij, en sloeg haar armen om hem heen.
“'t Is goed, dat je gekomen bent,” zeide ze met matte stem, “ik heb naar je verlangd, maar ik wist, dat je komen zou, anders had ik niet gewacht.”
“Hoe wist je dan, dat ik komen zou?”
Ze lachte.
“Ik kan tegenwoordig in de sterren lezen.”
Toen werd haar stem ernstig. Ze vroeg:
“Je hebt zeker een meisje lief?”
“Neen,” antwoordde hij zuchtend, “sinds gisteravond niet meer. Ik was verloofd—nu ken ik er maar één, en dat ben jij, mooi-Ann.”
“Dat is beter dan een ander,” lachte ze. “Ben ik niet mooi?”
Ze nam een roos, die ze op haar kleed had gedragen. Die gaf ze hem.
“Ruik aan deze roos, als je niet meer aan me denkt.”
Hij kuste haar. De nacht sloot zich over hen beiden, en een muur was de stilte van het bosch. De tijd gleed langs heen. Hij hoorde het ruischen van den tijd niet, zóó verre was het. Vol medelijden wachtte het licht van den morgen, waarschuwend met een schemer, dat de dag moest komen.
De jonge man stond haastig op. Er was niets naast hem. Hij had gedroomd ….
Toch, hij hield in zijn hand een bleek-roze roos. Hij rook er aan, en hij dacht aan de mooie neveling, die hij gansch den nacht had liefgehad. Met loome schreden liep hij huiswaarts: Wat zou er geschieden, wanneer hij zijn meisje weder ontmoette? Wat zou hij zeggen? Als hij haar eens moest verklaren, hoe hij aan de roos kwam. Wanneer ze hem dezen avond bij de berken wachtte, opdat ze samen zouden gaan, zooals 't vroeger hun gewoonte was. Bladzijde 174Een hevige pijn was zijn angst, want thans zou 't alles anders worden. Hij hoopte, dat het lang zou duren, voor hij zijn meisje weer zou zien.
Ze kwam reeds voor den middag, en, toen hij haar zag, bedacht hij schamper, hoe ze van mooi-Ann verschilde, in gelaat en kleeding. Haar stem klonk hem ruw. Had hij vroeger van haar gehouden?
“Was je gisteravond ziek, dat je niet kwam?”
“Nee—” zeide hij somber, “ziek was ik niet. Waarom dacht je dat?”
“Ik heb op je gewacht, maar ik had er nog kunnen staan. Waar was je?”
“Ik ben op mijn eentje uitgeweest. Mag ik dat niet?”
Ze keek hem verbaasd aan. Hij had haar nooit veel van liefde gesproken, en dat had ze ook niet verlangd. Ze mocht hem gaarne, en als ze aan de toekomst dacht, werd zijn beeld nooit vergeten. Ze zouden op een boerderij wonen, als man en vrouw. Meer behoefde ze niet te weten. Dat was haar liefde en haar geluk.
“Ik hoop, dat ik vanavond niet hoef te wachten,” sprak ze lachend. Ze meende, dat hij mede zou lachen. Zijn gelaat bleef ernstig.
“Je hoeft niet op me te wachten,” zeide hij, “ik kom nooit weer.”
Nog meende zij, dat hij gekscheerde. Ze nam speelsch zijn hand.
“Ben je gisteravond naar de herberg geweest?”
“Nee.”
“Waar was je dan?”
“Daar heb je niets mee te maken.”
Toen eerst wist zij, dat hij haar haatte om een geluk, welk ze niet geven kon. Wanneer zij woorden voor haar leed had gekend, zou ze gezegd hebben, dat zij van hem hield. Ze wist niets te doen dan te zwijgen, maar ze nam haar schort, en legde die voor haar oogen. Weg was de toekomst, met den man, de boerderij, den bongerd en de Bladzijde 175koeien. Een donkere laan lag voor haar. Ze was bang, om erin te gaan, zóó alleen.
“Je hoeft me nooit meer te wachten,” zeide hij norsch. O! de eerste schrede in de donkere laan. Er was niets van haar hoop gebleven. Haar eenvoudige ziel wist, dat er een ander meisje voor haar in de plaats was gekomen, en, haar schort stijf tegen de oogen geperst, overdacht ze gauw, wie 't wezen kon. Martha was 't niet en Mina niet en Aaltje niet en Geusje niet en Fine niet en Sine niet. Wie kon 't wezen? Ze gluurde over den boezelaar.
“Wie is 't?” vroeg ze.
Hij staarde haar verwonderd aan.
“Wat meen je?”
De oogen kwamen nu geheel boven de schort uit.
“Met wie heb je nou verkeering?”
Hij schaterde van het lachen.
“Met mooi-Ann.”
Ze liet den boezelaar van pure bevreemding vallen. Haar oogen werden zoo groot, of er tusschen jukbeen en wenkbrauw geen plaats meer voor ze was. Thans keerde de hoop terug. Hij hield haar voor den mal, de dwaze jongen! De boerderij bestond weder. Ze zag zichzelve met de melkemmers naar de weide gaan. Hij deed niets dan lachen.
“Wat ben je d'r eentje,” zeide ze.
“Kom vanavond bij den vijver en je zult het zien.”
Hij liep zijn huis binnen. Ze bleef nog even wachten. Aarzelend ging ze heen.
Aldus heeft een menschenziel aanschouwd, wat er met hem dien avond geschiedde. Ze stond in 't bosch, en zag haar jongen, die haar voorbijliep, zonder op haar te letten. Uit den vijver steeg een nevel, die naar den man toeschreed, met licht-glijdende passen. Het meisje stiet een kreet uit, maar haar verloofde hoorde 't niet. Hij en de nevel naderden elkander.
Ja, het was mooi-Ann. Hoe had ze kunnen gelooven, dat 't een nevel was?
Bladzijde 176“Mooi-Ann,” gilde ze.
Mooi-Ann was nu vlak bij den jongen. Ze wenkte hem, hij volgde. Het meisje riep zijn naam. Hij zag niet om. Hij liep rustig zijn noodlot tegemoet.
Aan den vijver beidde mooi-Ann hem.
“Kom,” fluisterde ze, “ik heb je lief.”
Thans weder werd ze een nevel, sluierend over het water. Langzaam boog hij zich voorover.
“Kom.”
Hij liet zich in den vijver vallen. Toen hoorde 't meisje een schaterenden lach. Het was mooi-Ann, die zich had gewroken. Het was het eerste slachtoffer, dat ze gemaakt had. Er zouden er meerderen volgen.
Zoo was er een jong gezel, die naar Arnhem kwam, om een ambacht te leeren. De wereld was nog voor hem als een diep bosch, en hij kende nog slechts den eersten angst en het eerste verlangen, om het leven te kennen. Zijn vader had gezegd, toen hij heenging:
“Kom als een man terug.”
Zijn moeder had geschreid:
“Blijf altijd dezelfde, die je nu bent.”
Zoo was hij heengegaan. Welken raad had hij te volgen?
Op een avond naderde hij Velp. Bij den vijver van't kasteel van Biljoen bleef hij even staan, en toen gevoelde hij, dat hij moede was. Hij besloot, om te gaan rusten. Hij legde zich op den weeken grond, en spoedig sliep hij.
Hij wist niet, hoelang hij had geslapen, nadat hij in een blijden, onwezenlijken droom ontwaakt was. 't Was al nacht. Het maanlicht en 't sterrelicht legden een witten sluier over alle dingen, een zelfden glans over grond en water. Er waren geen geheimen, dien nacht! De jonge gezel vond het een weelde, om alles te bezien.
Eensklaps werd hij op zijn schouder getikt. Hij richtte zich op. Hij was verlegen, dat er een meisje stond, en zij glimlachte om zijn verwarring.
“Wie ben je?” zoo vroeg zij.
Bladzijde 177Hij noemde zijn naam.
“Dan ben je niet uit Velp?”
“Nee,” zeide hij.
Even wachtte ze. Vervolgens nam zij zijn hand.
“'t Is goed, dat je bij me bent gekomen, als je hier vreemd bent. Heb je nog nooit in je leven van een meisje gehouden?”
“Nee—nog nooit.”
“Heb je nooit van me gehoord?” vroeg ze weder.
“Nee nooit!”
“Ik ben mooi-Ann van Velp. Er is niemand in 't dorp, die me niet kent.”
Haar liefelijke glimlach verkwikte hem. Hij gevoelde, hoelang hij gezworven had, en hoe mat hij was. Hij wilde in haar armen droomen, terwijl zij hem aanzag. Al het leed en geluk dezer wereld zouden haar kussen hem kunnen geven. Voor 't eerst strekte hij zijn armen naar een vrouw uit.
“Kom aan den vijver zitten,” noodigde hem mooi-Ann.
Hij volgde haar. Was hij anders dan een dronkaard in zijn liefde? Met wankelende passen ging hij, blind-starende. Als mooi-Ann eens, toen ze den jonker van Biljoen had gezien, was hij. Den naam zijner moeder had hij vergeten. Zijn ziel was door de liefde bevlekt, ja, zoo hij was blijven leven, voor altijd besmet. Van den eersten, teederen droom, vóór ze hem gevraagd had, met haar mede te gaan, bleef zelfs de herinnering niet over. Het was gelukkig, dat hij stierf.
Het maanlicht was over land en water gelijk. Hij wist het niet, dat hij met haar in den vijver schreed. Hij zonk in de diepte neder, en smetteloos, vol van glans, sloot zich het water over hem. De nacht verloor niets van den gloed. Mooi-Ann lachte niet, want ze dacht aan haar eigen ondergang terug.
Dit is de sage van mooi-Ann. Zij gaf dezelfde smart, welke zij ontvangen had, eerlijk terug, en ze was een schakel uit den ketting des verderfs. Bladzijde 178
1 Teenstra. Volksverhalen en Legenden.
Dichtbij Echt, in het Limburgsch land, is een groote schat verborgen, en wie hem vinden kan, verlost de juffrouw zonder kop van den nood, om te moeten zwerven, waar aardsche menschen wonen.
In het schuchtere voorjaar, als nauwelijks nog de blaadjes durven te gluren, en de lucht van bedeesde blauwheid is, en het zonnelicht zich heel verlegen verschuilt, gelijk een jonge knaap, die zijn liefde niet vermag te uiten, lag bij de ruïne van het Sleutje een boerenjongen te slapen. Wellicht—wie zal het zeggen?—had hem het bier uit Susteren tegoed gesmaakt, en hij verdroomde den eersten lentedag. De verliefde zon vluchtte, zoodra de avond kwam, héél snel, en een gure wind verdrong meedoogenloos alles, wat er nog restte van de onvolkomen, teedere poëzie. Drikus, de boerenjongen, bleef snorken, eerst de milde warmte, daarna de barre kou ten spijt, ja, hij ontwaakte zelfs niet, toen er drie eikels op zijn neus vielen. Toch had hij wakend bewustzijn genoeg—een ondeelbaar deel eener seconde—om zich te verbazen, dat er eikels daalden in de vroege lente, een tijd, die meer is aangewezen op het moeizaam zetten, dan wel op het rijpen der vrucht. 't Bleef echter slechts bij deze haast-wezenlooze verwondering, en het snorken ging bijna geheel onverbroken verder, zonder dat hij lette op den tijd, die verging, en op de plaats, waar hij nederlag …. Het ware beter geweest, dat hij erover had nagedacht: want middernacht naderde, en op deze plek spookt de juffrouw zonder kop, die den bewoners van Echt wraak heeft gezworen. Eeuwen geleden is ze door de burgers dier stad aangevallen, en zonder absolutie gestorven. Wee hem, die haar op Woensdag of Vrijdag ontmoet!
Gelukkig was het een andere dag, dat Drikus bij de ruïne lag te slapen!
Nauwelijks was de klok van middernacht uitgeslagen, of hij ontwaakte door een allervreemdste hitte, dichtbij hem. Hij richtte zich op, en wreef zich over zijn oogen.
“Wat is dat?” vroeg hij bevend.
Bladzijde 179Wat beteekende dat? Een blauwe vlam spartelde en sprankelde, en ineens rammelde een ketel door de lucht, welke haast je rep je op het vuur aanvloog, en daar juist boven bleef hangen. Daar begon het in den ketel te broddelen en te pruttelen en te sissen en te zieden, en de damp kwam eraf, niet aangenaam-riekend als wanneer tante Trees pannekoeken bakte, doch het stonk zonder genade.
“Hatsji!” zei Drikus. “Hatsji! Hatsji!”
Boven tegen den hemel begon het te rommel-donderen. De wilde wind woei en teisterde de takken der boomen. Drikus durfde niet omhoog te zien, en toch kon hij er niets aan doen, dat zijn nekspieren zich kromden en hij zijn hoofd ophief. O ijselijkheid! Aan den hemel reed een gloeiende koets, getrokken door twee zwarte bokken met knoestige hoornen en in hun razende vlucht klapwiekten de vleermuis-vleugelen, die uit de zijden der spookdieren schoten. In den wagen zat een dame in witten mantel. Drikus had nog net den tij d, om zich achter een struik te verstoppen.
Reeds was de juffrouw zonder kop uitgestapt, en vlug liep ze op den ketel toe. Zij nam er het deksel af, maar eensklaps wendde zij zich om, en liep tot Drikus' schrik recht naar den struik. Ze wierp het witte gewaad van zich, en zoo zag de jongen haar bloedrood lichaam, dat eindigde inden afgesneden strot. Bloed droop in groote druppelen van haar keel naar beneden, en bloed droop van haar nederhangende linkerhand, en bloed droop van 't hoofd, dat zij in de rechter hield. Bloed mengde zich met bloed, het daalde naar de aarde, en scheen weder 't roode lichaam op te kruipen, als het gevallen was. Ze was een fontein des bloeds, en niets ging er verloren, het keerde tot de bron weder, waaruit het ten tweeden male, ten derden male, ten duizendsten male ontvlood.
Van haar wendde de ongelukkige man zijn blik naar den ketel, die op 't blauwe vuur stond, en welks stank een angstwekkend geheim verborg.
“Menschenhoofden,” zeide zij. “Ik braad menschenhoofden uit Echt.”
Bladzijde 180In den ketel lag het vleesch ros te roosteren, de oogen der dooden (melk-wit opgezet met in het midden den appel van zielloos zwart) staarden onafgewend naar den jongen man, die met afschuw zag, hoe reeds het vuur de oogen naderde ….
“Stil!” beval de juffrouw zonder hoofd, “en luister naar mij.”
Drikus stond bevende voor haar.
“Het was in tijden van oorlog, dat ik gedood werd, maar vóór dien heb ik mijn goud en mijn juweelen in drie kisten geborgen, en ze onder de aarde begraven, hier op deze plek. Neem dit berkenrijsje en plant het, opdat gij niet vergeten kunt, waar het is! Het is voor mij ook van belang … want ik moet blijven zwerven, zoolang de schat nog niet door menschenhanden op een Dinsdag is opgedolven. Hoe moet gij graven? Met een nieuwe spade. Hoe diep moet gij graven? Zeven, zeven, zeven voeten. Wat moet gij spreken? Geen woord, geen woord …. Neem een helper mede.”
Één kist—één kist
Is voor de armen,
De tweede, geef de kerk
Uit uw erbarmen
Met de derde, moogt gij
Uzelf verwarmen
Rrrrt! daarmede verdween ze, en Drikus bleef alleen achter, zich de ooren krabbende. Hij liep zoo haastig hij kon naar Echt, om een gezel te zoeken, die hem den volgenden Dinsdag zou willen helpen, en wie was daar beter geschikt voor dan Hannes, zijn vrouw's broer? Hij zeide tegen hem:
“Je mag geen woord spreken,” en Hannes antwoordde:
“Natuurlijk niet.”
Wonderlijk-langzaam gaan de uren voorbij, wanneer ge wacht. Het zonlicht weigert te verschijnen na den langen, lijzigen nacht en als het eindelijk komen moet, op het allerlaatste oogenblik, dan klimt het zijn vaste baan aan den hemel treuzelig en traag, net of het zeggen wil:
“Kom ik er vandaag niet, dan kom ik er morgen,” en vóór het twaalf uur is, heeft het wel een etmaal geduurd. Bladzijde 181Zijn gang van het Zuiden naar het Westen geschiedt al even kreupel, doch als het ten leste besluit, de aarde maar weder te verlaten, dan bezint het zich plotseling, en doet, of het ik weet niet hoe aangenaam bij ons is. Weggaan?! Geen sprake van. Het denkt er niet aan. Het blijft op de banken van den horizon rusten, strekt zich daar welbehagelijk uit in zijn volle lengte, en werpt een laatsten, zéér langen, weemoedigen blik naar de tintelende vlakte. Het heeft ruim spel, want de avond weigert ondertusschen op zijn beurt te komen. Vóór er een ster aan de lucht is, schijnt er geen tijd meer te bestaan. Zon en maan willen niet komen, en niet verdwijnen, en ze gelijken in dit opzicht op het slag menschen, dat veel bezwaren maakt, om u te bezoeken, doch dat, als het eenmaal een visite maakt, niet weg is te krijgen.
Drikus en Hannes, zij beidden ongeduldig, en ook voor hen werd het ongeduld beloond: immers, de eeuwigheid lokt het heden in haar afgrond, en alle tijd valt hierin geruischloos terneder. De Dinsdag kwam, en de twee kornuiten begaven zich tezaam op weg, de lippen vast op-één geklemd, om zich in het zwijgen te oefenen. Ze droegen fonkelende spaden op den rug, en ze voelden zich gelukkig als menschen, die in de toekomst hun vertrouwen stellen.
Ze vonden alras het berkenrijsje, en Drikus trok het uit den grond.
Vroom begonnen ze te delven in de gewillige aarde. “Zeven, zeven, zeven voeten,” zong het in Drikus' ziel. Hij was er zeker van, dat hij de schat zou bereiken, en eensklaps hoorden zij, dat de schoppen stieten tegen een kist. Hannes sprong van vreugde in de hoogte.
“Drikus! daar zit de heks,” schreeuwde hij.
Klingeleklingekling! de geldstukken hadden haast, om weg te komen, diep, diep, dieper in den grond, al maar zinkende, zóó ver weg ten laatste, dat 't gerinkel niet meer te hooren was.
En daarom spookt de juffrouw zonder kop nog altijd bij Echt; er is geen mogelijkheid, dat ze ooit verlost zal worden. Bladzijde 182
Men weet het, dat ons land vroeger door reuzen werd bewoond. Er waren reuzen in Drenthe, die hebben de Hunebedden gebouwd. Er waren reuzen op de Veluwe, die hebben daar de hooge bergen neergegooid. Er waren reuzen bij Hilligersberg; reuzen in Holland en Friesland.
Bij Haarlem leefde een reuzin, Walberech was haar naam. Ze was voor haar doen nogal groot. In één stap stak zij de Noordzee over, en eens, toen roovers haar vee hadden geroofd, en al een nacht zeilens verder waren, bereikte ze hun schip in één schrede, nam 't met één van haar vingers op, en wierp het in de lucht. Toen alle roovers dood waren, at ze hen met huid en haar, nam haar kudde mede, en kwam weer behouden aan land. De koeien had ze onder den linkerarm, de paarden onder den rechterarm en de schapen liet ze op haar hoofd weiden.
Niemand minder dan Picardt vertelt al verhalen van deze reuzen.
Hij zegt, dat er ongelijk meer reuzen in deze landen hebben gewoond, dan er steenhoopen gevonden worden. Want in sommige landen heeft men geen steenen, terwijl er evenwel reuzengebeentes met lang haar uit de aarde zijn gegraven. Bij Westerborg is dit geschied, te Sneek in Friesland. In 't jaar 1488 (het is aan geen twijfel onderhevig) spoelde er op het eiland Terschelling een reuzenlichaam aan, dat door den vloed uit zijn graf was gerukt. De reuzen waren bekleed met vellen van dieren en gewapend met knodsen. Wat ze aten? Beren, wolven, leeuwen, elanden, paarden, wilde zwijnen, herten, reeën, dassen, vossen, hazen, zwanen, raven, ganzen en visch! Hoe lang ze leefden? Het waren frissche en sterke lieden, en sommigen zijn driemaal zoo oud geworden als een mensch.
Ook in Limburg woonden de reuzen. Hun koning heette Halichem, en hij was ongetrouwd. Het was een ernstige kerel, Bladzijde 183die er weinig woorden op nahield. Als er iets moest gebeuren, sprak hij het kortaf, en wee hem! die zijn bevel niet gehoorzaamde.
Hij was zoo om en bij de vijftig jaar, toen vonden zijn onderdanen, dat het tijd voor hem was, om te trouwen. Niemand durfde 't hem recht te zeggen. Toch ging het op den duur niet langer. Het volk moest een vorst hebben, als Halichem eens iets menschelijks passeerde.
Eindelijk besloot een hunner met den koning te gaan spreken. Wat ze met elkander verhandeld hebben, weet niemand. Halichem bulderde zoo luid, dat 't huilen van den storm er een zefiertje bij is, en alle reuzen maakten zich uit de voeten. Daarbij zijn heel veel heuvelen en dalen ontstaan, te veel om op te noemen.
Halichem hield van zijn vrijgezellenleven! Waarom? De oude kronijken zwijgen hierover. Misschien had hij over eten en drinken niet te klagen. Het dierenvel, dat hij over de schouderen droeg, zag er zeker steeds keurig uit. Ook kon hij 't waarschijnlijk met zijn vrienden goed vinden. Bovendien kon hij wel wat verlegen geweest zijn tegenover de teedere sekse, want dat heb je tegenwoordig zelfs vaak met groote kerels.
't Doet er ook eigenlijk niets toe.
Halichem wilde niet trouwen, en de eerste poging, om hem van zijn plan af te brengen, mislukte geheel en al. Eerst na dagen durfden zijn onderdanen terug te komen.
Met zijn weigering was het immers nog niet geheel afgeloopen.
Op een zomerdag kwam zijn volk in een geheime vergadering tezamen. Wat daar besproken is, weet niemand. Het besluit echter is algemeen bekend. Men zou een deputatie van sterke reuzen naar Halichem afvaardigen, en hem tot rede brengen.
Aldus geschiedde. Zeven van de sterkste reuzen organiseerden zich, en de petitie werd overgereikt. De vorst had zich naar den wensch zijner natie te schikken. Hij ontving Bladzijde 184de gedeputeerden allergenadigst, en beloofde hun verlangen in overweging te nemen.
Maar … wie was er waardig, om koninginne te worden?
Halichem ging zelf op den zoek. Hij vond een aardig meisje, zoowat vier voeten kleiner dan hij. Alle bestanddeelen van een goed huwelijk waren dus aanwezig, want voor een nette, fatsoenlijke bruiloft behoort 't meisje niet zoo groot te zijn als de jongen. 't Andere staat niet.
Het volk was dronken van vreugde.
Inderhaast werd het paleis gebouwd. Daar de trouwplechtigheid spoedig zou plaats vinden, werd er niet veel zorg aan de architectuur besteed. Dit behoefde ook niet. In 't nederigste hutje immers kan geluk wonen?
Maar ….
't Volk was tevreden—maar …. Maar Halichem, de vorst, vond zijn poging, gedaan in het belang van zijn volk een groote teleurstelling. 't Was wel een aardig meisje, om te zien, doch hetgeen eraan ontbrak, was eigenlijk, wat ze te veel had.
Ze kon alleronmenschelijkst, allerongedanigst, allerverduiverkaterst veel praten. Ze praatte van den vroegen morgen tot den laten avond.
“Ratteretalleratatteratattertatatatterteta,” ging het den heelen dag, dat het den armen Halichem duizelde in zijn ooren. Waar ze over praatte? Over de reuzin die en over de reuzin zoo; over den armband van de reuzin zus, en de oorbellen van reuzin gindsche. Over den ouden reus, dien ze niet had willen hebben, en over den jongen, dien ze had geweigerd. Over de nicht van reuzin X, die de oud-tante van reuzin IJ had beleedigd, en wat de reus Z daarover had gezegd, wat de reus Dubbel X daarover zou zeggen, en wat Halichem meende van de nicht van reuzin IJ, die altijd anderen zoo bekladde. Ook had de reuzin dubbel IJ haar eens zoo gekrenkt, door haar met een mensch te vergelijken. Daarom wilde ze de reuzin dubbel IJ niet op de bruiloft vragen; zóó ze haar toch op de bruiloft vroeg, koel bejegenen. Bladzijde 185
“Ratadeplantadeplan—allodadadadada—”
Den ganschen dag.
Nu was Halichem in het begin verwonderd geweest, dat iemand zoolang achtereen kon redeneeren. Hij had ademloos gewacht, wanneer ze zou ophouden. Zoon wezen had hij nog nooit ontmoet. 't Eten liet ze ervoor staan, om met hem te babbelen. 't Merkwaardigst was, dat ze nimmer naar zijn antwoord verlangde. Ze vroeg hem wel, wat hij over een of ander onderwerp dacht, maar op het oogenblik, dat hij zijn meening zou zeggen, riep ze uit:
“Stil! jij praat den heelen dag—laat mij nu ook eens wat zeggen,”
en dan begon 't van voren af aan, over alle dingen der wereld, van de paplepel tot aan de liefde toe. Eerst de nacht bracht rust.
Wanneer dan de afgetobde reus probeerde te slapen, drong hem de echo van haar stem weer in zijn bewustzijn, en dan herkauwde zijn brein al het geestelijk voedsel van den dag, zonder ophouden. Als de morgen kwam, bemerkte het meisje in het geheel niet, dat Halichem moede was, en, daar zij een uitmuntenden slaap had genoten, begon zij frisch, van voren af aan.
Halichem werd nog stiller dan vroeger. Doch zijn verloofde lette daar niet op. Het waren eenige oude reuzen van zijn volk, die 't eerst bemerkten, dat hun vorst er slecht uitzag. Ze vorschten naar de reden. Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden, dat zelfs hun wijsheid haar niet begreep. Langzaam, 't hoofd schuddend, gingen ze terug. De jongste zeide:

Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden
“Ik heb op de wereld geleerd, dat alles zijn grond heeft.”
Die op hem in jaren volgde, voegde hieraan toe:
“'t Is beter ten heele gekeerd, dan ten halve gedraaid.”
Toen eindigde de oudste ernstig:
“Er is veel kwaad ontstaan, doordat men te weinig heeft gesproken. Maar te veel is nog gevaarlijker. We moeten den vorst waarschuwen.”
Bladzijde 186In den nacht, toen hij alleen was, gingen ze naar hem toe. Ze kwamen in zijn vorstelijk slaapvertrek, waar hij nederlag, de oogen brandend en wijd-open. Hij sprong overeind, op het oogenblik, dat hij voetstappen hoorde. Arme man! hij meende, dat het zijn verloofde was, die met hem nog wat wilde babbelen.
“Wij zijn 't,” sprak de oudste grijsaard, “om met u de zaken des lands te bespreken.”
Woest schudde Halichem zijn vuist, zoodat ze bijna den neus van den ouden reus raakte.
“Bespreken?” zoo schreeuwde hij. “Bespreken?” En toen afgemat: “bespreken.” Wat moet er nu nog besproken worden?”
“Ge moogt niet trouwen.”
Halichem viel hem, snikkend van vreugde, om den hals.
“Dat zijn de eerste wijze woorden, die ik sinds lang heb gehoord. O! wijze raadslieden, zoo gij wist de smart, die ik om der wille van mijn volk heb geleden. Maar nu! hoort mij aan! Nu wil ik mijn volk gelukkig maken. Van deze stonde aan, roepen wij de mannen toe: “als gij uw wijsheid wilt bewaren, zoo gij wilt werken naar uwen aard, trouw dan niet.” Het zal morgen bij het krieken van den dag door mijne herauten alom worden bekendgemaakt.”
Aldus is geschied, dat de reuzen in Limburg niet meer trouwden, en daarom is hun geslacht uitgestorven. Het zijn nu de eens zoo verachte menschen, die in het land van Maastricht, van Roermond en Venloo heerschen.
Doch ter eeuwiger gedachtenis aan het mislukte huwelijk staat nog de half-voltooide woning der reuzen bij het plaatsje Echt, als een stille waarschuwing voor de Limburgers, die er zich echter niet aan storen! Bladzijde 187
Een graf houdt beider asch vereend;
Maar 's ouden geest vindt rust noch vrede
In d' ijsbren nacht van 't lijkgesteent',
En vaak ontsluipt hij aan die stede
Te middernacht als 't stormt en tiert,
En regent, als men de uilen
Hun grafgezang hoort huilen
De weerhaan knersend giert.
Het klinkt in den stillen nacht. Leeft de sage dan nog? Verhaalt men ze, wanneer het lamplicht uit is, en geen vreemde kan luisteren? In het duister vagen stemmen. Nu wordt verteld de historie van den plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom, bijgenaamd de Duivel. Eensklaps is er een oude stem, hortend en angstig ….
“Ik heb 't dikwijls gehoord. Heel dikwijls hebben ze 't mij verteld.”
Een streng militair was de Duivel. Wanneer hij door de stad reed, door de Steenbergsche straat, de Blauwe Handstraat, of over de Groote Markt, zagen de burgers hem vreezende na, en menigeen dacht bij zichzelven:
“Liever zou ik willen sterven dan onder den Duivel te staan.”
In zijn hand droeg hij een kleine karwats, die één scheen te zijn met zijn hand. Graag drukte hij 't paard de sporen in de zijden, dat het steigerde, en vonken uit de steenen sloegen. Wanneer dan de voorbijgangers angstig wegstoven, lachte hij schor, en schudde de karwats, of hij zeggen wilde:
“Ik wou, dat ik ze allemaal kon ranselen, en dat ik de bloedige striemen zag over hun gezicht en hun handen. Of dat ze onder de hoeve van 't paard raakten, en dat ik ze van pijn zag kruipen.”
Hij had een zoon, die als vaandrig bij het regiment diende: Alfons was zijn naam. Het was een vroolijke kornuit, die geen enkele vreugde versmaadde, en die de meisjes van Bergen-op-Zoom liever had dan de krijgstucht. Bladzijde 188Hoezee en hier ginder! de Brabantsche meisjes, die anders zoo kieskeurig zijn, noemden hem den schoonen Alfons, ziedegij!
“Een schooneren jongen dan Alfons vindt gij in Brabant niet,” zoo zeiden ze.
Wie kon begrijpen, dat hij de zoon was van den stuurschen plaatsmajoor, die in geheime lust niets liever deed dan pijn te doen, en die eerst genoot, wanneer hij een levend lichaam kwellen kon?
Een morgen waren de officieren op de binnenplaats der kazerne tezamen, toen zij dof tromgeroffel hoorden. Zij staakten hun gesprek, en luisterden.
“Zou er weer iets met den Duivel zijn gebeurd?” vroeg een jong luitenant.
Nooit noemde men den plaatsmajoor anders, zelfs niet in tegenwoordigheid van den zoon. 't Was een Duivel, dat wist ieder. Ja, velen zeiden, dat hij erger dan de Duivel was, slimmer in zijn streken en onmenschelijker in zijn wreedheid.
De plaatsmajoor trad op hen toe. Op dertig el afstands schreeuwde hij al:
“Dat moest uit zijn. Als ik een schildwacht in slaap zie, schiet ik hem dood. Hoe kan ik op mijn soldaten vertrouwen, wanneer ze in slaap vallen?”
In de verte werd een baar gedragen, waaraan een zwart kleed hing. Dof rommelde de trom.
“Nu zal 't ze duidelijk zijn,” grijnsde de Duivel. “Ik heb er vannacht een gesnapt, die stond net als een paard te slapen. Hij kan er in den Hemel of hel over nadenken.”
De officieren zwegen steeds. Wie durfde een woord te spreken? De Duivel zag hen aan en gromde:
“Ik ben blij, dat ge 't mij eens zijt, en, versta me wel, ik verwacht van u hetzelfde. Geen genade voor den schildwacht, die niet waakt. Ik dank u!”
Hij groette met kort, dreigend gebaar. Heel in de verte bromde de trom. Niemand zag den zoon aan. Bladzijde 189Men gevoelde lust, om buiten hem de zaak te bespreken.
Toen zeide Alfons rauw:
“Mijn vader is een goed militair.”
Misschien hoorden zij allen, dat er angst en schaamte in hem was. Zij wisten het allen, dat de man zijn straf had verdiend, doch er was wroeging in hun ziel, omdat de Duivel hem had gedood. Een huivering voer langs hen heen. Hun gezichten werden strak, en menigeen bemerkte, dat hij onwillekeurig de hand aan den degen had geslagen.
Alfons vooral bestreed zijn jeugd. Hij hoopte, dat een der anderen iets beleedigends over zijn vader zou zeggen, opdat hij dezen zou kunnen aangrijpen. Toch was hij zichzelven niet meester, en voortdurend hoorde hij een stem spreken:
“Duivel! duivel! jij bent een duivel's zoon.”
Eindelijk stelde een gemoedelijk kapitein voor, om heen te gaan.
“Wij hebben niet te oordeelen ….”
Langzamerhand scheen het, dat zij vergeten zouden. Nooit spraken zij er met elkander over. Het waren meerendeels jonge menschen, die 't leven liefhadden, en de ouden hadden reeds te veel ondervonden. Binnen eenige dagen was het weder tusschen hen als steeds.
Wanneer zij echter nog eens een schildwacht zagen, die op zijn post was ingeslapen, was 't een geheime overeenkomst, dat ze hem wekten.
Had de Duivel dit bemerkt?
Hij liet een order bekend maken, die ineens weder de oude, geleden geschiedenis in herinnering bracht. Nog strenger dan vroeger luidde het bevel.
Alwie een schildwacht slapende zou aantreffen, had 't recht hem te dooden. Wanneer een soldaat het bemerkte, rustte op hem de plicht—zoo hij deze plicht niet volvoerde, zou hij zelf moeten sterven.
Angstig luisterde Alfons naar deze woorden. Nu bemerkte hij, dat de wrok langer bleef in de oogen zijner Bladzijde 190kameraden, en dat ze hem ontweken. Dikwijls zag hij, dat ze onder elkander fluisterden, maar als hij hen naderde, was 't altijd over onbeduidende dingen, dat zij spraken.
Zijn vader hield van hem.
Dat het een vreemde liefde was, van Duivel, kunt gij wel begrijpen. Toen de knaap jong was, had hem de vader naar Den Haag gestuurd—de moeder was jong gestorven—en daar was hij bij een tante opgevoed. De Duivel reed tot Dordrecht, om hem te halen. Op den huisweg had hij geen enkel woord gesproken. Eerst op het oogenblik, dat zij Bergen-op-Zoom in 't zicht kregen, zeide hij enkele woorden:
“Voortaan sta je onder mijn commando. Over zaken van dienst wil ik niet met je praten.”
Zoo was 't gebleven.
Thans weder wist Alfons, dat hij gehoorzamen moest, al gevoelde hij, dat men een deel van den haat ook aan hem gaf. Zou hij niet als spion dienen? Men vertrouwde hem niet meer. Hoe wist de Duivel alles zoo nauwkeurig, wat er in dienst geschiedde? Wie kon een betere handlanger zijn dan Alfons?
De jonge vaandrig wist, dat hij gemeden werd. Waar hij vroeger algemeen kameraden had gekend, waren thans zijn vijanden. Hij was vogelvrij verklaard. 't Gerucht sloop door in de stad Bergen-op-Zoom. De meisjes gingen hem voortaan zonder lach of groet voorbij.
Niemand vermoedde, dat hij met zijn vader gesproken had. Hij was te trotsch, om dit te vertellen.
Een avond had hij den Duivel buiten de Steenbergsche poort ontmoet. Even had hij geaarzeld … toen besloot hij hem te zeggen, wat er in hem omging. De Duivel hield zijn schreden niet in. Met lange passen liep hij over den weg. Hij had den kraag tegen 't hoofd geschoven, en hij ging iets gebogen, zijn sporen kletterden. Dat gaf zijn geheele figuur iets afwerends, maar flink streefde hem de vaandrig terzijde.
Bladzijde 191“Vader!” riep hij.
De plaatsmajoor matigde zijn rhytmisch-snellen tred niet.
“Vader! een verzoek ….”
Nog altijd zweeg de Duivel.
“Vader! ik verzoek … om mijn overplaatsing.”
“Overplaatsing?” gromde de oude militair. “Waarom?”
“Omdat ik hier niet op mijn plaats ben.”
“Niet op je plaats?”
“Vader! ik wil overal zijn, behalve hier. 't Is een hel voor mij, hier!”
“Meen je—dat ik—je zal—overplaatsen?”
“Als u me niet overplaatst—”
“Bewaar—den afstand—jonge kemphaan. Jij wordt niet—overgeplaatst. En daarmee—zeg ik je—ingerukt—marsch! Val mij niet weer—lastig!”
Als een echo van zijn vader's scherpen tred was de smart voortaan in zijn jonge ziel. Kon hij zich verweren tegen de gedachte zijner kameraden? En hoelang zou het duren, dat hij nog in Bergen-op-Zoom moest blijven?
Eerst een jaar later bewees hij zijn makkers, wie hij inderdaad was, trouw tot in den dood. Hij, de blonde, jonge vaandrig, een spion van den Duivel? Alles mocht men van hem zeggen, dit niet.
Het was tijdens een feest. Overal klonk muziek, tot diep in den nacht. Men kon niet begrijpen, dat er ooit eenige smart in Bergen-op-Zoom was geleden. De beenen werden niet moe van het dansen, de ouden van dagen waagden nog eens een horlepiep, en waar was al het bier gebrouwen? Er waren vreemde dingen te zien—een Vlaamsche reuzin en een grijnzende neger, de dikste vrouw ter wereld was ook in Bergen-op-Zoom. Op de Markt blies en stampte een doedelzak-man, een beer sprong duizend sprongen, een heidin zeide de toekomst. Marskramers klopten aan de huizen, en ze lieten de schoonste kralen in de zon schitteren. Want het waren dagen van zonlicht, waarin men leefde! 't Kan in Brabant niet regenen, Bladzijde 192als er feest is. 't Zonlicht werd niet moede tot laat in den avond, en het was een festijn, waarin de heele wereld schik had, van 't kleinste kind tot de gerimpeldste bes. De soldaten en officieren waren vooraan.
Niet de Duivel, en niet de jonge vaandrig.
Wee den soldaat, die op het appèl ontbrak! Iederen avond hield de plaatsmajoor zijn stille ronde. Het pistool hield hij stevig in zijn vuist.
Niemand bemoeide zich met den zoon. Stil ging hij zijn weg. Er was op zijn jong, roerloos gelaat geen leed. Het leed was binnen hem besloten.
Den derden avond van het feest passeerde een troep jonge officieren, luid-lachend, een schildwacht. Hij riep geen “werda,” toen ze hem voorbij gingen.
“De Duivel zal hem halen,” lachte een luitenant, “de kerel is in slaap gevallen. Hij mag blij zijn, dat de plaatsmajoor de ronde niet heeft gedaan.” Goedhartig wekte hij hem.
“Vooruit kerel! uit den dut. 't Is goed dat jou de Duivel niet gesnapt heeft.”
Verschrikt was de soldaat opgesprongen. Hij was niet in staat, om een woord te zeggen, want de angstige werkelijkheid, dat hij ternauwernood den dood ontgaan was, deed hem den roes vergeten. Zij hadden hem getracteerd, en de slaap had gemakkelijk ingang gevonden in zijn beneveld brein.
De officieren lachten.
“Arme kerel! die vandaag niet kan feestvieren.”
“Vooruit!” riep een jong luitenant, die nooit genoeg van het leven kon krijgen, “daarginder wacht ons Bergen-op-Zoom. We hebben de Vlaamsche reuzin nog niet gezien. En avant!”
Zingend en jubelend verliet de vroolijke schare de eenzame post. In de verte klonk de duizendstemmige muziek der stad. Wat is ieder feest ter wereld tegen de echte Hollandsche kermis? Een week per jaar is de Hollander uitbundig—leve de vreugde!
Bladzijde 193De soldaat luisterde naar 't gejoel en geraas. Zijn handen beefden …. Als de officieren niet toevallig voorbij waren gekorven, zou hij dood geweest zijn.
Nu kon hij luisteren naar de geluiden van het verre geluk.
Een half uur later kwam de Duivel de post voorbij.
Hij zag, dat de schildwacht was ingeslapen. Zonder een oogenblik te aarzelen, trok hij zijn pistool, en schoot. Hij ging verder in zijn stille ronde.
Den volgenden dag vond men Alfons dood terneder liggen bij het schildwachthuisje.
Toen de officieren hun weg waren gegaan, kwam Alfons te voorschijn, en met rustige schreden liep hij naar de schildwacht.
“Je wilt zeker wel graag feestvieren?” De arme kerel wist niet, wat hem geschiedde. Zou 's Duivels zoon geen listen willen gebruiken, om hem in 't verderf te storten? En toch … hoe lokte de kermis. Alle stemmen van jeugd en blijdschap lokten hem.
“Kom,”—zeide Alfons, en zijn eerlijke woorden hadden den trillenden klank der geheime smart, “ga maar gerust heen, vriend. Ik zal waken, als de Duivel komt. Het is donker weer.”
De schildwacht geloofde hem. Hij moest hem gelooven. Hij bedankte hem met geen woord. Hij groette zwijgend en ging heen. Zijn stem zou een golf zijn van het bruisende feest, zijn vreugde zou teloor gaan en toch een deel zijn van deze ontzaglijke vreugde, welke geen grenzen kende.
Alfons stond op zijn verlaten post.
Het zou niet lang meer duren, of de Duivel zou zijn ronde gaan. Dan zou hij vinden, dat alles in orde was. Hij loerde er natuurlijk op, om weder iemand te snappen!
Thans bedacht de jonge vaandrig, dat hij moede was. Niet moede van lichaam, doch moede van ziel. Meden niet alle kameraden hem? Vroeger was hij de eerste geweest bij ieder feest, elk jaar weder. Men minachtte hem. Bladzijde 194Men beschouwde hem als een spion. Niemand gaf hem gelegenheid, zich te verdedigen.
De vreugde in de stad, welke hij in zijn verlatenheid hoorde, lokte hem in geen enkel opzicht. Ze voerde stroomen van droefgeestigheid door zijn bloed. Hij weende niet. Hij gevoelde zijn leed, zooals men angst gevoelt: in heel zijn wezen.
Voetstappen naderden.
Door al het gedruisch hoorde hij den klank der naderende voetstappen, ja zelfs hun echo trilde in zijn geest en zijn ziel. Dat was de stille ronde, sluipende, gereed om te springen. Dat was de vloek van zijn jeugd.
Zijn smart was als een vuist, die zijn keel dicht knelde, en hem ruggelings ter aarde wierp. Wilde hij opzettelijk doen, of hij sliep? Was het buiten zijn wil om, dat hij zijn adem inhield, terwijl de dreigende voetstappen naderden?
Hij lag stil. Uit de stad kwamen de klanken van het feest, doch al zwakker en zwakker werden ze, en ze verstomden tegen den regelmatigen tred van zijn vader, den strengen plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom. Het was niet waar, dat er een andere klank bestond.
Hij kende geen vrees. Hij was een held gelijk, stervend voor zijn plicht.
't Heeft niet één seconde geduurd, dat de Duivel zich over hem heen-boog.
“Dat is de derde maal,” mompelde hij, toen hij zijn pistool had afgevuurd.
Eensklaps, fel-uit, klonk het blijde feest weder door. Niemand had 't gehoord, dat er een schot was gevallen. 't Geluid is er nooit anders geweest dan als een echo van verre, en ongehinderd ging alles verder.
Men was verwonderd, toen men den volgenden morgen Alfons vond. Men berichtte den plaatsmajoor, dat zijn zoon door een pistoolschot was gedood, op de plaats, waar de schildwacht was geweest. Recht-op hoorde de Duivel het bericht aan.
“Ik zal mijn eigen zoon dooden, als hij zijn plicht niet Bladzijde 195doet.” Zijn handen bleven strak op tafel liggen, en geen oogwenk beefden ze. Zijn oogen zagen star voor zich uit. Onbewogen ging hij door de stad, met gelijkmatigen tred. Hij ging tot de plek, waar het lijk van zijn zoon ternederlag. Wie weet, wat de Duivel dacht? Herinnerde hij zich niet de dagen, dat hij met den kleinen Alfons had gespeeld? Zonnig was de wereld geweest, het kleine knaapje stelde hem duizend vragen over menschen en dingen, en de duistere Duivel beantwoordde ze allen. Het kind had geluk gekend bij iedere bloem, bij iederen vlinder en vogel; alles, wat hel was van kleur had hij liefgehad, en naar alles, wat vliegen kon, hadden zijn teedere handen gegrepen. Later nog had de Duivel hem op een paard getild en rechtop, als groote menschen, had de kleine jongen zich gezet, en glimlachend van trots naar zijn vader gezien. Het waren zeker de kleine dingen, die de plaatsmajoor zich herinnerde, en alle waren ze machtig binnen-in zijn ziel. Ze fluisterden en hoonden tot hem. Liefelijke gedaanten waren het geweest—plots werden ze dreigend van stem en gebaar.
Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats, waar zijn zoon was gestorven. Niet met zijn scherp-regelmatigen tred, maar moede. Hij trok het pistool, en met rustige hand schoot hij zichzelven dood.

Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was gestorven
Wanneer het stormt, gaat de plaatsmajoor uit, in Bergen-op-Zoom.
Eerst hoort ge de lachende stemmen—zijn het de officieren, die den slapenden soldaat wekken? Dan wordt 't even stil. Er is dan een zacht geritsel, geschuifel—in de verte klinkt wanluidende muziek, het is de kermis, die blijft doorrazen, steeds verwijderd, terwijl er klanken murmelen: de soldaat en de vaandrig spreken tezamen. Een helsch lawaai is er in de verte. De kermis wil niet eindigen, de Duivel gaat zijn stille ronde. Zijn rhytmische tred klinkt scherp, zijn sporen rinkelen. Een pistool wordt afgeschoten.
Alles eindigt in een langen kreet van bovenmenschelijke smart. Bladzijde 196
In de diepte van een kuil, even-gaans van Lochem, dichtbij de Koerbelt, waren eens drie witte wiven, die zusteren geleken in leelijkheid, met ontvleesde armen, en lange, grijze, dunne haren. De oogen lagen diep, en de tanden kwamen uit als bij een geraamte. De oudste was de meesteres van alle witte wiven in den omtrek, tot de Veluwe toe. Ze had echter geen naam.
Overdag lagen zij in 't zand, één met het zand. Eerst des avonds stegen zij, meestal hoog naar de lucht. Waren het nevelen of wolken? Soms bleven zij op aarde, en renden dan over de vlakte, de scherpe nagels dreigend vooruit, den mond wijd-geopend. Ook wel klonk haar kreet gillend door de lucht, wilder dan de stormwind.
Herbert en zijn zuster Aleid waren niet bang voor de witte wiven. Als kinderen gingen ze dikwerf des avonds langs den kuil, om nog een boodschap voor moeder te doen, en als ze dan voorbij de Koerbelt kwamen, en in de verte de nevelen zagen rijzen en dalen, wezen de kleine vingertjes er zonder vrees naar. Want hoe gaarne de witte wiven ook jonge knapen rooven, zij wisten, dat geen harer hun kwaad wilde doen. Soms zelfs daalden zij in den kuil, en plukten er bloemen. Dan gleed meermalen de oudste der witte wiven spiedend langs hen heen, de klauwen uitgestrekt als een kat, die aangevallen wordt, doch wanneer zij dan onder elkander lachten, vloog de witte wive weer verder. Ze zagen haar nevel in een oogwenk verdwijnen, en, als ze huiswaarts gingen, joeg de witte wive krijtend aan den horizon, sneller dan een paard. Daarom hadden Herbert en zijn zuster Aleid geen angst voor de witte wiven, al waarschuwde hun buurmeisje Johanna, de dochter van Scholte Lodink, hen voor hun moed.
“Ga niet den kuil in,” zoo zeide ze, “Herbert … want van de witte wiven is nooit iets goeds gekomen.”
Hij lachte.
Bladzijde 197“Wie weet … misschien gooien ze mij in mijn hand nog eens goud.”
“Nee—nee Herbert—ga nooit weer in den kuil. Ze zijn slecht, de witte wiven.”
Na dezen volgde hij haar zin. Wanneer hij des avonds den kuil voorbij-kwam, liep hij naar zijn huis door, en zacht klonk hem dan Johanna's stem:
“Nee—nee Herbert.”
Liefde was zelfs nog geen woord voor hem. Toch dachten zijn ouders en de hare—zij bekenden het elkander glimlachend—dat Herbert en Johanna wel een paar zouden worden. Scholte Lodink, een oud soldaat, schertste, terwijl hij met de vuist op tafel sloeg:
“Als dat eens waar was—dat ze man en vrouw waren—in Barchem zouden er geen twee gevonden worden met meer rijkdom.”
En zijn vrouw Christine lachte witjes.
“Maar”—riep eens Scholte Lodink uit, “ze moeten niet gedwongen worden. Al wil mijn dochter Johanna trouwen met een keuterboer, mijn gezegde is: “je mag twee jonge lui niet van mekaar halen.”
Toen lachte juffer Christine niet meer. Ze dacht bij zichzelve:
“'t Is goed, dat Herbert en Johanna bij elkaar zijn, want mijn dochter zal niet met een armen jongen trouwen, daar zal ik voor zorgen.” Ze sprak haar gedachten niet uit. Zuinig zat ze te kijken, den mond vast-gesloten.
“De liefde, zeg ik maar, voor alles,” ging de rijke Scholte voort, “als er geen liefde is, kun je met geld ook al niets beginnen. Herbert en Johanna zullen een paar worden, al had hij ook geen geld.”
Eenige jaren later kon hij zijn woorden waar-maken, want Herbert's ouders wonnen een proces, doch ze verloren er hun spaarpenningen mede. Toen waren de gedachten van moeder Christine vol zorg over de toekomst van haar dochter. Was zij niet de vrouw van Scholte Bladzijde 198Lodink, en moest Johanna dan trouwen met zulk een armoezaaier, die alleen met zijn handen zijn brood kon verdienen? Ze ging voor den haard zitten, en peinsde. De vlammen speelden hoog-op en gloeiden langs den ketel, de vonken vlogen van 't droge hout, dat zichzelf telkens wentelde. Moeder Christine hield haar handen uitgestrekt, dat alle warmte over de vingertoppen streek. Altijd zeide ze, dat ze zóó het beste kon denken.
Wat haar inviel, was niet gelukkig voor Herbert en Johanna. Want terwijl ze zich vooroverboog, om vooreen stuk hout grooteren doorgang te maken dan het tot dusver had, ontdekte zij, dat ze een anderen vrijer voor Johanna wist dan Herbert …: Albrecht! Albrecht had alles, wat je van een huwelijkscandidaat mag verwachten, zoo meende ze; hij was een kloekgebouwd man, en hij was rijker dan wien ook in den Achterhoek. Hoe zou ze de beiden bij elkaar kunnen brengen, zonder dat Johanna het sluw opzet bemerkte?
Geen beter koppelaar dan het toeval!
Eens ontmoette moeder Christine Albrecht, terwijl ze er eigenlijk 't minst op verdacht was. Ze hield hem aan, dadelijk tot een gesprek gereed.
“Wel Albrecht,” zoo sprak ze, “wat zie ik je tegenwoordig weinig.”
“We loopen elkaar uit den weg, juffer Christine,” lachte de jonge man.
“'t Lijkt wel zoo—Je moest eens een avond bij ons komen, dan kun je met den Scholte nog eens over politiek praten.”
Dat haar dochter thuis zou zijn, wanneer er over de politiek zou worden gesproken, kan iedereen gemakkelijk begrijpen. En ziet! moeder Christine speelde haar beste kaarten uit: want Johanna was dien avond op haar blozendst en mooist, en als speelde er de wind door, zoo dartel waren haar krullen over 't blanke voorhoofd. Alle geheimen van haar jeugd, anders zoo verborgen achter den nevel harer oogen, las je nu op haar vroolijk gezicht, vrij-uit, Bladzijde 199of ze een kind was, en geen meisje, dat de liefde kende. Moeder Christine kon niet vermoeden, dat ze Herbert gezien had, en dat ze langs Albrecht heen-keek, als ware hij maar een levenloos ding. Moeder Christine, hoe slim ook, wist niet, dat er reden voor was, waarom Johanna op den drempel had gestaan, de handen boven de oogen. 't Was niet om de stralen der avondzon, 't was om Herbert beter te kunnen zien. Moeders, die willen koppelen, zijn slim en dom tegelijkertijd.
Ze kon er ook niets aan doen, dat er weinig over politiek werd gesproken, dien avond. Want er was met Herbert iets vreemds gebeurd, en Scholte Lodink wist het te verhalen. Herbert's naam werd meer genoemd dan het de vrouw van den Scholte lief was, en haar dochter zat te luisteren, of ze engelenmuziek hoorde.
Het was nu eerst bekend geworden, al was het een paar maanden eerder geschied.
Op een zomeravond kwam Herbert te paard van den hoefsmid. Hij reed op den smallen weg een kolk voorbij. Plotseling vloog een watervogel met luid geschreeuw op. Het paard schrikte, en sloeg aan den hol, rechtrennend naar den Wittewijvenkuil—
“Nee—neen,” wilde Johanna roepen, maar op hetzelfde oogenblik bedacht ze, dat ze Herbert toch dezen avond gezond en wel had gezien, en ze glimlachte tegen zichzelve. De Scholte had even met zijn vertelling opgehouden. Vervolgens ging hij voort, zijn stem bedachtzaam, heel langzaam sprekend, en hij zag Albrecht daarbij aan.
“Zeker zou Herbert in de kuil zijn gestort, als niet een oude vriendin hem te hulp was gekomen, de oudste der witte wiven. Zij sprong op, haar klauwen grepen het dier in de manen en haar knieën stieten het in de zijde. Even nog trilde het paard. Herbert klopte het tegen den nek, streelde het, en rustig deed hij 't keeren. Stapvoets reed het naar huis.”
Dit alles vond de oude Scholte gelukkig voor den jongen Bladzijde 200man. Maar niet voor niets was hij soldaat geweest: hij bewonderde Herbert om zijn moed.
Johanna schoof iets naderbij, om beter te kunnen hooren. Albrecht had den mond wijd-open van verbazing. Moeder Christine schoof onrustig op haar stoel.
Ja, wat had de drommelsche jongen gedaan? Teeder werd Lodink's stem.
“Op het oogenblik, dat hij gevaar liep verpletterd te worden, had Herbert in den kuil gezien—alles, wat de witte wiven er deden. Ze zaten voor een vuurtje, en daarboven was een groene boomtak, waaraan een vogel hing, netjes geplukt, of het door menschenhanden was geschied. Ze braadden 't vleesch, de witte wiven. 't Was maar goed ook, dat Herbert zijn oogen den kost had gegeven. Want daardoor had hij later zijn dankbaarheid kunnen bewijzen.
Hij was thuis gekomen, en had zijn zuster Aleid, met wie hij vroeger zoo dikwijls in den kuil was gedaald, onder vier oogen alles verteld. Hij had haar gevraagd, of ze voor de witte wiven een Driekoningenkoek wilde bakken, bruin van korst en zoet van binnen, en die wilde hij voor zonsondergang brengen. Aleid had geglimlacht. Was 't méér niet? Ze wilde nog meer voor hem doen. En toen hij haar had gevraagd, of ze alles netjes voor hem wilde klaarmaken, had ze hem aangezien en gezegd:
“Natuurlijk wil ik dat doen, maar onder één voorwaarde.”
“En die is?”
“Dat ik mee mag gaan naar den Wittewivenkuil.”
“Aleid,” riep hij angstig, “dat niet.”
“Zouden de witte wiven je kwaad doen?” had ze gevraagd. “Dan wil ik het gevaar met je deelen. Vroeger hebben wij er bloemen geplukt, Herbert, tot Johanna je vroeg niet meer te gaan. Dacht je, dat ik nu bang geworden was?”
Dagen lang van zelfopofferenden strijd hadden zij gekend. Aleid had overwonnen. Ze bakte de geurige Driekoningenkoek, en deed ze in een aarden schotel. Ze Bladzijde 201omstak het gebak met klimop, dat den aarden schotel bedekte, zoodat het scheen, of ze haar gave bood in een krans van groene bladeren. Ze wilde de koek dragen tot aan de groeve: Herbert bracht ze naar beneden. Wel klopte haar hart van angst, toen zij zag, dat dichtbij vanonder een struik, zich een groot hoofd naar voren schoof, en een groen oog haar bestaarde, maar zij hield zich moedig; en rustig, nadat Herbert weder boven gekomen was, schreed zij naast hem, huis-toe.
Den volgenden dag was Herbert naar den kuil gegaan. In de diepte had hij den aarden schotel gezien. De klimopbladeren lagen ernaast.”
Toen zweeg Scholte Lodink. Hij knikte even zijn dochter toe, en wendde zich vervolgens naar Albrecht. Wilde hij den jongen man iets zeggen? Zijn dichte wenkbrauwen had hij hoog opgetrokken, er lagen rimpels in 't voorhoofd, en diepe groeven om den mond.
Na zijn verhaal was 't gesprek tusschen moeder Christine, Johanna en Albrecht slechts traag. Er was één woord in hun brein—doch hoe verschillend van klank—dat hun lust tot praten stremde: Herbert.
Moeder Christine dacht het met woede.
Haar man—de Scholte—had de vertelling al wel eerder gehoord, doch hij had op een goede gelegenheid gewacht, om ze mede te deelen. Hij had weder waarlijk getoond, dat hij een oud soldaat was, die zijn wapens op 't juiste oogenblik gebruikt, niet te vroeg en niet te laat. Ze moest het zichzelf eerlijk bekennen, dat hij de sterkste geweest was. Ze zou later wel eens kijken, besloot zij stil. 't Spel was nog niet voor hem gewonnen.
Johanna gevoelde den klank van het woord “Herbert” als een zoete troost. Zooeven had ze hem gezien. Krachtig ging hij over den weg. Hij had haar met een glimlach vol vertrouwen gegroet. Wie was tegen hem bestand? Er bestonden geen gevaren voor hem. Zelfs in den Wittewijven-kuil was hij gedaald, en waarom? Om zijn dankbaarheid Bladzijde 202te bewijzen. Goed en moedig was hij van harte. Welk meisje verlangde er niet naar, door hem te worden beschermd? Albrecht zat naast haar, en 't woord “Herbert” was in zijn bewustzijn gelijk een vloek, terwijl hij 't mooie, jonge meisje aankeek. Hij haatte de dapperheid. 't Leek hem, of Scholte Lodink hem minachtte, daar hij Herbert prees. Was hij eigenlijk minder dan Herbert? Hij kon met zijn geld koopen, wat hij wilde—en wat was Herbert? Diep in hem brandde de wraaklust en de zekerheid, dat hij Herbert als zijn daglooner kon krijgen, en dat hij hem kon laten slaven. Herbert was een knecht, en hij de meester! Dat wilde hij Johanna duidelijk maken. Hij balde zijn handen tot vuisten. Wanneer hij 't verlangde, kon hij Johanna tot vrouw vragen, en Herbert kon hij laten zwoegen voor hem en haar. En als Herbert met Johanna zou trouwen—dan wist Albrecht een goeden zet. Dan zou hij de man voor zich laten werken, en hij zou hem 't leven zuur maken.
Zijn plannen stonden vast, toen hij afscheid nam. Maar hij liet niets merken. Zelfs Scholte Lodink wist niet, wat hij in 't schild voerde—
De arme Scholte Lodink!
Dien avond nog had hij van juffer Christine meer te verdragen dan daarvoor tijdens geheel zijn huwelijk. Zoo'n sermoen had hij nog nooit gehoord. De tong der vrouw kende geen rust—ze klapperde maar door, zonder dat hij er een woord tusschen kon krijgen. Hij was als oud soldaat anders niet vooreen klein geruchtje vervaard—hij had tegen vele soorten van vijanden gestreden, maar zulk een helsch vuur was er nog nooit over hem uitgegoten. Of hij zich verbeeldde, dat zij, Christine, haar toestemming tot 't huwelijk zou geven van Herbert met haar dochter? Wist hij dan niet, wat Albrecht bezat, en wat hij zou erven? Wat deed het ertoe, of iemand in den Wittewijven-kuil daalde—dat durfde Albrecht ook. Als 't daarom te doen was—of er in het leven niet nog heel wat anders Bladzijde 203kwam kijken! Wel twee uur ratelde ze zoo door, van 't een naar 't ander, van 't ander naar 't een, en het scheen Scholte Lodink toe, of hij er zelf buiten adem van geraakte.
Eindelijk lukte 't hem, haar stop te zetten.
Was Albrecht even moedig als Herbert! Dat had hij te bewijzen …. Boven 't geld stond mannemoed. Een man, die niet dapper was, zou zijn dochter niet krijgen. Er loeren allerlei gevaren voor het meisje, dat niet beschut wordt. Een sterk gemoed en een sterke arm zouden haar te pas komen, beter dan al 't goud der aarde. Wanneer Albrecht durfde, wat Herbert durfde, zou hij Johanna kunnen krijgen. Hij, als oud soldaat, wilde 't niet anders … en sabels en kogels! hij zou zien, wie in dezen hem den voet dwars zou zetten.
“Meen je, dat Albrecht niet naar den Wittewivenkuil durft gaan?” vroeg hem zijn vrouw.
“Neen, dat durft hij niet.”
“Ik zou niet weten, wat daar voor waagstuk aan was.” Ze klemde de lippen op elkaar, tot haar mond de nauwe gleuf van een spaarpot geleek: er kon nog wel wat in, maar eruit kwam niets meer.
Haar woorden hadden den Scholte Lodink op een denkbeeld gebracht.
Den volgenden dag, toen hij met Johanna over 't veld ging, vroeg hij haar ronduit:
“Wien mag je liever lijden, Herbert of Albrecht?”
Zij bloosde om de plotselinge vraag. Hoe kon haar vader zóó dom zijn. Ze nam haar schort aan de tippen vast, op alle gebeurlijkheden voorbereid. In ieder geval—bij smart en bij vreugde—waren hier tranen te verbergen. Ze kende haar vader genoeg, om te weten, dat hij op haar kwaad niet doelde; doch tevens had ze wel gehoord, dat het gesprek tusschen haar vader en moeder lang had geduurd, den vorigen avond, en dat haar vader's bromstem het tegen haar moeder's fluitstem had afgelegd. Wat zou er geschieden? Haar boezelaar was gereed.
Bladzijde 204Weder klonk Scholte Lodink's vraag, en ze moest nu wel eindelijk een antwoord geven.
“Wien mag je liever lijden, Herbert of Albrecht?”
Angstig zeide ze:
“Herbert, vader.”
“Dat heb ik wel gedacht,” loofde hij vol blijdschap.
Dat was een goede tijding! Een paar kernachtige vloeken werden Albrecht's karakter nog nageknetterd. Op dat oogenblik tilde Johanna haar schort op, en wischte haar tranen van vreugde af. Ze wist nu, hoe sterk haar vader voor Herbert en tegen Albrecht was. Ze liet haar boezelaar weder vallen—ze nam zich den tijd niet, om de kreuken glad te strijken—ze legde haar wang, nat en wel, tegen 't behaard gezicht van den Scholte, en smeekte:
“Vader! help mij.”
“Dat zal ik, mijn kind.”
Hoe eenvoudig waren haar woorden, waarmede ze hem zeide, hoe ze Herbert liefhad. Gelijk een vogel in de Mei—(eenvoudig is zijn lied—diep de liefde, waarmede hij zingt)—minde zij. 't Was alles overgave, en verwachting. Want het allerteerste der liefde is, dat zij meer verwacht dan verlangt.
Toen sloeg de oude Scholte zijn armen om haar heen, en zij hadden beiden 't gevoel, vader en dochter, of zij kinderen waren. Was 't leven anders dan een licht spel? Geld had geen macht, de wereld was als een weide, waarop men slechts kransen had te vlechten. Wie slecht was, mocht niet medespelen.
Ineens begrepen zij het beiden, dat het maar een droom was. 't Leven was wreed, en moeder Christine had ook nog wat in te brengen!
Scholte Lodink kwam met zijn plan voor den dag.
Moeder Christine had gezegd, dat Albrecht even moedig was als Herbert. Dat zou hij moeten bewijzen.
Dit zou hij van de beide minnaars dus eischen: te middernacht zouden zij tweeën naar den Wittenwivenkuil Bladzijde 205rijden—Herbert van den Westkant, Albrecht van den Zuid. Als zij de groeve waren genaderd, moesten zij beiden een haarspit in den kuil werpen, en wie dan—natuurlijk elk door een witte wive achtervolgd—'t eerst aan de boerderij van den Scholte zou aankomen, werd Johanna's man.
Nu kon moeder Christine laten zien, dat Albrecht even versaagd was als Herbert.
Zoowel Herbert als Albrecht, hoorden zijn besluit rustig aan. Ze begrepen het wel, dat de Scholte gelijk had, zeiden zij. Want in die dagen zwierf er veel kwaad gespuis over den weg, en 't zou goed zijn, als Johanna niet den eersten den besten tot man had ….
Albrecht dacht bij zichzelven, dat het gemakkelijker zou gaan, dan hij zich had voorgesteld. Hij behoefde niet in den kuil te dalen. Voor zijn geld kon hij een edel paard koopen, en Herbert had maar een oude bles. Slechts éénmaal in zijn leven had hij zichzelf tot een flinke daad te dwingen, en bij slot van rekening beteekende deze nog niet zooveel. Hij kocht van een koopman 't allerbeste paard. Hij besloot stil en sluw in zichzelf, om 't haarspit van verre te slingeren—dan wilde hij wel eens zien, of de witte wive hem zou vangen, en of hij niet 't allereerst aan de hoeve van den Scholte zou aankomen.
Herbert dacht niet zoo verre. Hij had maar een ouden knol, en hij begreep wel, dat hij met alle macht had te rijden, om niet in de wive's macht te vallen. Toch wilde hij voor Johanna alles volbrengen, en rustig reed hij op den bepaalden avond van den Westkant naar den kuil. In de verte hoorde hij hoefslagen. Dus Albrecht's paard naderde ook? Hij dreef de bles met kort woord aan, tot hij vlak voor de groeve stond. Albrecht was er nog niet. Met vermetele kracht wierp hij het spit naar beneden, en riep met forsche stem:
“Wit—wit—wit—
Hier komt een ijzeren spit.”
Woest ijlde Bles den berg af. Uit den kuil steeg de Bladzijde 206witte wive, haar klauwen uitgespreid, den mond wijdgeopend en onmiddellijk was ze achter den ruiter. De stormwind stak op en sloeg het graan naar beneden; de takken der boomen kraakten.

Woest ijlde Bles den berg af
De witte wive was zóó dicht bij Herbert, dat hij haar adem gevoelde. O! als haar scherpe klauwen hem grepen.
Hij zette 't paard tot meerder drift aan.
“Hahaha,” gierde de witte wive, “Herbert—je kunt me niet ontkomen. Voor 't huis van den Scholte zullen mijn klauwen je hebben. Ik zal me wreken, zooals ik me nog nooit op een menschenziel gewroken heb. Sta maar stil met je paard—dat is te oud voor zulk een wedloop. Albrecht, die een vurig ros heeft gekocht, heeft het zelfs niet gewaagd met mij te wedijveren. Halverwege is hij omgekeerd.”
Als de witte wive geloofde, dat zij hem met deze woorden zou tegenhouden, vergiste zij zich. Neen, integendeel … dat Herbert hoorde, hoe Albrecht had gefaald, gaf hem reeds de macht van den overwinnaar. Was zijn paard oud? In den meester was moed, in het dier angst. Vooruit ….
Hij voelde al even haar klauwen langs den nek—schrammend—toen hij 't erf van Lodink's hoeve op-reed. Een hard voorwerp suisde hem na. De witte wive holde naar den kuil terug.
“Hoezee!” riep de Scholte. Moeder Christine zeide niets—haar voorhoofd bestond alleen maar uit rimpels. Johanna viel den kranigen ruiter om den hals.
“En 't zal over een paar dagen bruiloft zijn,” schreeuwde de gelukkige vader, “en ik zal een horlepiep dansen, zooals alleen een soldaat het kan.”
“Heeft ze je niet geraakt?” vroeg Johanna bezorgd.
“Een lichte schram—en dan—heeft ze me nog wat nagegooid.”
“Nagegooid?” zeide Scholte. “Laat eens kijken.”
Ze gingen naar 't erf—
Herbert lachte.
Bladzijde 207“De witte wive wil ook niets houden …. Een stuk van den aarden schotel, dien wij haar gegeven hebben.”
“Vreemd, dat die heel is gebleven,” peinsde de Scholte, en hij nam de scherf op, en hield ze in de hand. “Wat is die zwaar.”
Johanna trok hem aan de mouw.
“Kom … vader … laten we weer in huis gaan … het is koud buiten.”
De lamp brandde. De Scholte had de scherf in zijn hand. Eensklaps stiet hij een juichkreet uit.
“Die aarden schotel … die aarden schotel … is van goud. Dat is 't huwelijksgeschenk van de witte wive. Ze heeft je eerst nog wat vrees willen aanjagen, maar dat was haar wraak—Jongen … Herbert … je bent rijker dan de Scholte Lodink … en rijker dan Albrecht.”
Dit zeide de oude man, en hierbij keek hij schalksch zijn vrouw aan. Toen ook glimlachte juffer Christine, en ze breidde haar armen uit.
Maar Johanna—ja, Johanna—rustte al tegen den schouder van een ander, van een jongen man—en de armen van haar moeder had ze niet meer noodig. Bladzijde 208
In oude tijden—'t is algemeen bekend—werden Holland en Friesland door reuzen bewoond. Onder dezen had er een, Lem genaamd, te Leiden zijne woonplaats. Deze kreeg van eene reuzin eenen zoon, dien hij mede Lem noemde, en die daarom gewoonlijk Lem de Tweede heet. Toen de knaap volwassen en ridder geworden was, stichtte hij in de nabijheid van Leiden eene stad en noemde deze naar zichzelven Haarlem (Heer Lem).
In dien tijd was het tegenwoordige Haarlemmerhout aan Bacchus gewijd, die daar een' schoonen tempel had. Hiernaar heet nog heden eene gracht in de nabijheid van Haarlem Bakenessergracht en eene kerk Bakenesserkerk,
De Chatten of Hessen hadden voor vele jaren hun vaderland verlaten, en waren onder hun hoofd en leidsman Bato in de Betuwe aangeland, waar zij hun woonstede hebben gevonden. Een ander deel van dien stam trok echter Noordwaarts en kwam op avontuur aan in een plaats, gunstig aan een rivier gelegen.
“Hoe zullen wij de stad noemen?” vroeg de eene Hes den anderen Hes.
Goede raad was niet goedkoop.
Eindelijk vond een der wijsten hunner bij ingeving den knapsten raad.
“Dat is te zeggen ….” zoo sprak hij met verstandig beleid, “we hebben dit bij avontuur gevonden. Laten wij de stad dus D'avontuer noemen.”
Zijn voorstel vond bijval. Hij werd op een schild geheven.
Sinds dien heet de vermaarde koekstad Davontur of Deventer!
Met Zandeweer vallen we in de moderne historie.
Een paar inwoners van 't Zandt waren aan 't kuieren op een kronkelweg, en bij iedere kronkeling zagen zij een Bladzijde 209toren, precies gelijkend op zijn collega in hun geboortedorp. Telkens, wanneer ze den toren weder bemerkten, riepen zij beiden in koor:
“Daar heb je 't Zandt-al-weer. Daar heb je 't Zandtal-weer.”
Sinds dien heet Zandeweer: Zandeweer.
Met Domburg draagt het zich heel anders toe.
Terwijl eenige timmerlieden bezig waren een balk in de kerk aan te brengen, gelukte het hun niet, dezen op haar plaats te schuiven. Toen kwam een vogel binnengevlogen, die de juiste richting aangaf.
Toen zeiden de timmerlieden tot elkander:
“Wat zijn wij toch domme burgers?”
Dat is de oorsprong van den naam: Domburg.

Het ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: Domburg
Op de Hulpe of Helpe in Overijsel stond een Mariabeeld, dat allerlei wonderen verrichtte. Daarom heet de plaats mirakel-loo, waarvan later Markeloo is afgeleid. Bladzijde 210
Eens, dat een vrouw uit Tubbergen uit den put water schiep, voelde ze plotseling, dat zich een kille hand op haar schouder legde. Ze wendde zich om, en ze zag tot haar schrik, dat haar wel twintig witte wiven hadden omringd. Groot stonden ze bij haar: nevelen, dreigend van vorm en gebaar. Ze kwamen dichter- en dichterbij, zoodat er geen enkele uitweg voor de vrouw bleef Alles was donker, behalve de witte wiven.
Angstig riep de vrouw haar man, doch deze hoorde haar niet.
De witte wive, die haar de hand op den schouder had gelegd, sprak:
“Waarom ben je zoo bang—ga met ons op de bergen dansen.”
“Ik wil niet meegaan,” riep de vrouw uit. “Jullie zijn slecht, dat weet iedereen.”
“Als je bij ons bent, verlang je nooit weer naar de wereld terug.”
“En mijn kind dan? O! witte wiven, laat mij gaan.”
Alle witte wiven, in den kring om haar zwegen. Deze starheid was haar vonnis. Zonder genade waren ze. Als met geboeide handen ging de vrouw mede.
Des avond vermiste men haar op de boerderij. Overal zocht men, doch men vond niets van haar terug. Zelfs niet 't geringste spoor van haar voetstappen was te vinden: een paar stoere knapen daalden in den put, zonder ook maar één vermoeden te brengen, waar zij kon wezen.
Men dacht eerst niet aan de witte wiven, hoewel er bij Tubbergen vele zijn. Het is een kwaadaardig soort in die buurt, met scherpe nagelen, en ze houden van de jacht, die de witte wiven van Lochem haar hebben geleerd. Zij loopen nooit hard … haar passen zijn lang-glijdend en gelijkmatig … echter kan zelfs de vlugste boerenjongen het op den duur niet tegen haar volhouden. Bovendien trekken zij altijd in dichte drommen uit, en, net als koeien, Bladzijde 211die een hond omsingelen, sluiten zij zich in een kring, tot de benarde mensch zich niet meer weet te verweren. Geen gevaarlijker witte wiven dan die uit Tubbergen! Ze weten, wanneer ze een menschenziel kunnen vangen.
't Was een groot verdriet voor den boer, dat hij zijn vrouw had verloren.
Want het zijn menschen der eenzaamheid uit deze streek, trotsche droomers. In geheel Nederland vindt men niet gemakkelijk lieden, die zoo hun gedachten weten te verbergen, en, wat ze eens lief hebben gehad, vergeten ze nooit, daar zij moeilijk de poort van hun hart ontsluiten. Zij toonen geen vreugde en geen smart. Altijd is hun wezen stug. Wie ze veel ontmoet heeft, denkt aan hen met schreiend heimwee terug—en waar hij woont, de menschen van Overijsel kan hij nooit vergeten.
Niemand sprak woorden van troost tot den boer, die zijn vrouw verloren had. Des avonds kwamen zijn buren bij hem, 't lampje brandde, en zij tuurden met hem in 't licht. Iederen avond weder namen zij in stijve houding afscheid—moeilijk de zinnen vindend, welke bij het afscheid worden gezegd—dan blies de boer 't licht uit, en gesterkt door hun gezwegen troost, kroop hij in zijn bedstede. Den volgenden dag was hij klaar voor zijn werk, want hij had te zorgen, dat zijn kind door 't leven kwam.
De buurvrouwen wilden wel voor 't kind zorgen, dat het gewasschen en gekleed werd. De boer verbaasde zich niet, dat het steeds zoo goed voor den dag kwam, even zoo, of de moeder het hielp. Nooit vroeg hij, wie het oppaste. Hij zou hetzelfde voor zijn buren hebben gedaan, wat ze nu voor hem deden, en des avonds in de stilte vroegen ze hem niets.
Het is echter bekend, dat vrouwen onder elkander meer praten dan mannen, en eens, toen de boerinnen uit de streek tezamen waren, bespraken zij, hoe flink het kind groeide, en hoe er een waarlijk-moederlijke hand voor waakte.
Ze meenden, dat nu degene, die zoo deugdzaam was Bladzijde 212om het kind te helpen, wel te voorschijn zou komen, maar de vrouwen zwegen, en zagen elkander aan.
Toen werd er gevorscht naar den naam der bescheiden helpster—: wie zou het wezen, die het kind zoo goed verzorgde? Niemand antwoordde.
De buurvrouwen letten nu voortaan op; wie er des morgens de hoeve binnenging—tot haar verwondering ontdekten ze geen mensch. Alles was stil om de boerderij. En toch was steeds 't kind goed verzorgd.
Men sprak er met den boer over. Wie zou 't wezen, die zóó, zonder iets in ruil te vragen, op den jongen paste?
Inplaats van naar 't werk te gaan, bleef de boer een ochtend voor de deur van zijn hoeve wachten. Geen mensch naderde het huis. Hij wilde al weer naar 't werk gaan … daar hoorde hij eensklaps in de kamer zacht praten.
“Heb je goed geslapen, mijn kindje? D'r is nog zand in de oogjes—ik zal 't d'r uitvegen. En heeft 't kindje gisteren de pap lekker opgegeten? Is 't kindje zoet geweest?”
't Was de stem van zijn vrouw, die daar klonk, met een droevigen klank. Zachtjes opende hij de deur. 't Kind lag in de bedstede, de kleine handjes uitgestrekt, en lachend over heel zijn gezicht. Er was echter niemand anders in 't vertrek.
Op dat oogenblik begreep de man, dat zijn vrouw in der witte wiven macht moest zijn, en hij besloot des avonds met de buren erover te beraadslagen, hoe ze haar moesten bevrijden. Ze verlangde naar haar huis terug, en daarom moesten allen hem raden.
Tot laat in den nacht bleef men bij elkander.
Er werd besloten, dat men heel in de vroegte met een kar naar de belt zou rijden, waar de witte wiven woonden, en de vrouw met geweld mede zou rukken. Men zou zich met geweren wapenen, en deze tegelijkertijd afschieten, opdat de witte wiven op een afstand zouden blijven. Men doorwaakte dezen nacht en eerst, nadat een vage, troebele schemering zich uit den duister had geheven, spande men Bladzijde 213twee vurige paarden voor een wagen, en men reed weg, de bergen tegemoet.
De boeren spraken geen woord, opdat de witte wiven niet zouden weten, hoeveel zij in aantal waren, en dus niet met de vrouw zouden vluchten. Het geleek wel een doodgewoon boerenkarretje, dat op den weg reed, om naar de markt te gaan. De witte wiven kwamen te voorschijn, en ze wachtten bij den weg—
“Op zij,” riep de boer, die 't paard mende, en hij knalde met de zweep.
De wiven lachten.
Ineens sprongen allen uit de kar en schoten de geweren af. De wiven vluchtten, de nevelen weken tot aan den horizon. De boeren volgden haar, en in een heidegroef vonden zij de vrouw, die smeekte:
“Neem mij mee. Ik heb zóó naar mijn kind verlangd.”

“Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd”
“We zijn gekomen, om je los te maken,” sprak de boer ernstig. “Stap nu maar dadelijk op, want anders komen de witte wiven weerom.”
“Nee—nee,” huiverde ze, smeekte ze, “nooit meer de witte wiven.”
“Dat zal ook niet meer gebeuren.”
Ze namen haar bij de hand, en leidden haar naar den wachtenden wagen. Dreigend omdrongen de nevelen haar, de monden wijd geopend (zoodat de witte, slierende tongen te zien waren), de klauwen uitgezet. Wild reden de vurige paarden naar de hoeve terug—met wijde passen liepen de onvermoeide wiven mede, en ze schreeuwden vreeselijke woorden.
“Je komt weerom—dansen op de bergen—gevangen in den sluier—voor eeuwig—Vrouw! we wachten jede tooverwoorden worden gesproken, al zijn ze vreemd—'t Leven gaat zijn gang—wie houdt het tegen? Ga dadelijk mede terug—dan zul je geen angst kennen. Later mag je niet meer uit vrijen wil komen, als de woorden niet gezegd worden.”
Bladzijde 214Op deze wijze dreigden de witte wiven, tot zij de hoeve waren genaderd. De vrouw liep met gebogen hoofd 't huis binnen—gelijk iemand, die door berouw wordt gekweld.
Buiten dansten de witte wiven, en ze zongen, wachtende, daarbij een lied op een vreemde, eentonige wijs, maar de vrouw kwam niet naar haar toe. Ze hield de handen tot gebed gevouwen.
“God in den Hemel,” zoo bad zij, “Vader der schepselen—verlos mij van den nood—red mij uit de scherpe tanden en klauwen. Leid mij, want de nacht is gekomen, en de morgen nog verre. Ben ik niet als een blinde, daar mijn oogen niet door de duisternis kunnen zien? Ben ik niet als een kreupele, daar er vele steenen liggen op den weg? Wanneer ik mijn armen uitstrek, voel ik, hoe zonder kracht ze zijn, doch met Uw hulp, o Heer, zijn zij sterk en geen zwakheid blijft in mij.”
Haar kind legde men in haar schoot, en toen zeide zij vroom:
“Zoo ik alleen om mijnentwil smeekte, zou ik niet meer wagen, tot Uwen troon te komen. Doch Gij, o Heer, die ook ziet in mijn lichtzinnig hart, en Gij, die alleen weet, welk een moeielijken strijd ik voer tusschen de lokkende zonde en de plichten des levens, zult om der wille van mijn kind ….”
Ze snikte luid.
“Als 't om mijn kind is—dat ik niet in dit huis bleef geef dan Uwen wil te kennen. Want hoe weten wij, arme menschen, wat goed voor ons is?”
Aldus bad en weende zij, terwijl buiten de witte wiven dansten en haar lokten.
De volgende dagen sprak men weinig tot de vrouw. Men liet haar binnen haar gedachten leven, want wie zou kunnen helpen? Stil sloop ze door 't huis en de schuur, en langzamerhand leerde ze weder ieder hoekje kennen.
't Deed haar vreemd aan, dat alles zoo onveranderd was. De roodbonte koe kende haar weder—het dier Bladzijde 215hief den droomerigen kop, en liet zich vol vertrouwen streelen. De geit blaatte, toen ze naderkwam, vol tevredenheid. De hond voor 't hok bleef rustig op zijn plaats staan, turend in de verte. Zelfs de kippen en de haan wisten, dat de vrouw terug was, en als ze over 't erf kwam, liepen ze haar tegemoet, want zeker had ze een restje van aardappelen of kruimels brood. Was ze ooit weg-geweest?
En de dingen—hoe waren zij haar vertrouwd!
De haard, waarboven de ketel hing. De bleek-houten tafel, en de gekleurde, gekramde kopjes. De schotels op den schoorsteen. De klok met zijn vroolijken koekoek. De klompen van haar man. De steenen van den vloer. Buiten 't jaartal met de ijzeren cijfers. 't Riet van het dak met 't groene mos.
Het was goed, om weder tehuis te zijn.
Wanneer de woorden nu maar nooit gesproken werden, die haar weder in de macht der witte wiven zouden brengen! 'Zij gevoelde het, dat zij—hoe vreemd ook—gezegd zouden worden. De witte wiven hadden haar gewaarschuwd:
“'t Leven gaat zijn gang—wie houdt het tegen?”
Soms geleek 't haar, dat haar hart stil-stond, daar zij de woorden des verderfs in haar ooren hoorde. Ze zweeg zóó lang, tot eindelijk de man weder met haar sprak, en vroeg, of ze nu nooit, nooit weder naar de witte wiven zou terug-gaan.
“Als 't van mij afhing—,” sprak ze, “nee! nooit meer, want ik weet, dat het slecht was, u allen te verlaten, en met de witte wiven van Tubbergen te dansen. Je weet 't, dat 't niet van mij afhangt ….”
Ze zweeg, en in haar oogen was al het leed harer ziel. Niets van haar smart bleef voor hem verborgen.
“Wat is er dan?” vroeg hij weder.
“Er zijn woorden, die nooit gezegd mogen worden.”
Even wachtte hij. Toen hernam hij zachtjes.
“Welke zijn die woorden dan?”
“Weg, jou varken ….” heeten ze. Als die woorden gezegd Bladzijde 216worden, kom ik in de macht der wiven. Zorg, dat ze niet gezegd worden, die woorden.”
Hij lachte luid.
“Ze zullen nooit gezegd worden.”
Zij stond op, en zag hem aan, vol stille boosheid en angst.
“Hoe kun je lachen? Als die woorden gezegd worden, ben ik voor altijd verloren. Wie zal er dan op 't kind passen, en wie boerin zijn op de boerderij? Bid liever voor mij, dat de woorden nooit gezegd zullen worden. Ga naar de meiden en de knechts, ga naar de buren, zeg 't hun, dat ze op hun woorden passen.”
Hij lachte niet meer. Er waren diepe groeven in zijn voorhoofd, nadat hij de meiden, de knechts en de buren had gewaarschuwd. Ze hadden hem allen beloofd, dat ze op zouden passen. En toch … terwijl hij langs het weiland ging, bemerkte hij de witte wiven, en hij hoorde haar zegevierenden lach.
Wat kwam het er voor haar op aan, hoevele jaren het zou duren, dat de vrouw weder met haar op de bergen zou dansen? Zij wisten, dat de woorden moesten worden gesproken, omdat er geen strenger wet is dan het leven.
Het waren vreemde dagen, die volgden. Wanneer de boer van het land in zijn hoeve trad, verwachtte hij telkens, dat de vrouw reeds was vertrokken—dan was hij blijverwonderd, dat ze er nog zat.
“Is er niets gebeurd?” vorschte hij. “Niets? Was er niemand aan de deur?”
Ze antwoordde, zonder op te zien, met doffen klank.
“Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken.”
In haar stem bleef de zekerheid, dat ze eens gezegd moesten worden, al deze dagen. Dikwerf stond ze aan de deur, en staarde in de schemerige verte. Ze had haar kind en haar huis lief—en toch … Behoorde ze niet aan de witte wiven?
Ze boog haar hoofd voorover, om beter alles te kunnen Bladzijde 217onderscheiden. De witte wiven dansten iederen avond, en ze zongen een melodie van zondige bekoring.
Wat ze had volbracht in de dagen, dat ze bij de witte wiven was geweest … deed zij thans niet meer: nooit zorgde ze voor het kind, en ze liet het aan haar buurvrouwen over. In haar geest was de donkere schaduw … angst en verlangen, om weder op de bergen te mogen zijn, overheerschten haar nu.
Soms gleed zachtjes een witte wive langs de boerderij—als ze zoo op den drempel stond—even wachtende. Dan strekte de vrouw de armen naar haar uit, en de woorden, die verlossing en vloek zouden brengen, drongen zich naar lippen. Waarom zij ze niet zeide? Misschien dacht ze wel aan den eersten dag, dat ze weer tehuis was gekomen, of misschien was het toch wel vrees, om haar kind alleen te laten.
De witte wive gleed verder—gleed langs het hek—over de sloot—gleed in de nevelen van den avond—werd één met de onwezenlijkheid.
Als de man een uur later in de hoeve kwam, zag hij zijn vrouw als steeds bij 't haardvuur zitten. Wanneer hij haar vroeg, of er iets was gebeurd, dien dag, of iemand bij de deur was geweest, klonk haar stem dof en moedeloos:
“Nee! er is niets gebeurd. De woorden zijn vandaag niet gesproken.”
Er kwam een dag, dat de man 't vergat, om de vraag te stellen. Hij had hard gewerkt, en was vermoeid. Daarom ging hij dadelijk slapen.
De vrouw herinnerde hem er niet aan, en voortaan bleef ze met haar gedachten alleen. Zij-zelf zeide het noch de meiden noch de buren noch de knechts, dat zij voorzichtig moesten zijn. Telkens weder streken de witte wiven 'thuis voorbij, toléén harer de vrouw toefluisterde:
“Spoedig wachten we je op de heuvelen.”
Klankloos antwoordde ze, 't hoofd gebogen, de handen naar den grond gestrekt:
Bladzijde 218“Ik weet het, witte wive. Laat het gauw zijn.”
Eenige dagen later was een van de knechten aan het werk, bezig met garven te vleien. Hij bemerkte niet, dat het varken kwam aanwaggelen, tot het dichtbij was, en aan het koren rook. Hij schopte het … even later was 't dier terug.
“Weg jou varken!” riep de knecht ongeduldig.
Toen schoten hem de woorden weder in zijn geest, en hij liet 't koren in den steek. Hij liep, wat hij loopen kon naar den boer toe. Op den akker stond de man, maar die wist reeds, dat er iets vreeselijks was gebeurd.
“Je hebt de woorden gezegd,” riep hij hem van verre toe.
“Ja baas.”
Tezamen gingen ze naar de hoeve. Ze vonden de vrouw niet meer. Er was geen spoor van haar overgebleven. Nooit meer kwam ze terug, en de vloek had zich voltrokken.
Ze danst met de witte wiven op de belten, en ze behoort niet meer bij dit menschengeslacht. Velen hebben haar gezien—ze draagt lichte, grijze kleeren. In haar ooren heeft ze prachtige bellen, schitterend van goud. Om haar hals zijn paarlen. Doch men zegt, dat ze veel heeft geschreid, en dat men haar soms hoort weenen om de zonde, die het einde was van haar leven. Bladzijde 219
In het oude koninkrijk Lilefoort heerschte de vorst Pyrion, wier vrouw Matabrune was geheeten. Zij was slecht van hart, hoe slecht, zult gij uit deze schoone historie en miraculeuse geschiedenis van den ridder met den zwaan hooren.
Koning Pyrion en koningin Matabrune hadden een zoon, met name Oriant, een jongeling, die de jacht liefhad. Eens, dat hij een hert achtervolgde,—het was na zijn vader's dood en hij was koning van Lilefoort—moest hij 't lijdelijk aanzien, dat 't dier zich, vluchtend, in een stroom wierp, en zwemmende den anderen oever bereikte. Toen keerde Oriant terug, en ging rusten onder eenen boom, bij eene bron. Terwijl hij daar nu zat, kwam er een jonkvrouw met vier dienstmaagden, eenen ridder en twee knechten, en ze zeide tot Oriant:
“Wat doet ge in mijne heerlijkheid te jagen? Wie heeft u daartoe verlof gegeven. Of meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe ge een hert hebt achtervolgd? Voorwaar, ik zeg u, het had u niet behoord, zoo ge het had gedood! Doch ook thans zult gij uw misdrijf boeten.”
Oriant had voortdurend haar aangezien, terwijl ze deze woorden sprak, en de stem, waarmede hij antwoordde, kende alreeds de ontroering der liefde.
“Schoone jonkvrouw—” zoo zeide hij, “ik zou niet gaarne tegen uwen wil handelen. Wat ik nam, nam ik als uw leenheer. Weet, wie ik ben! Mijn naam is Oriant, en ik ben de zoon van koning Pyrion en koningin Matabrune: koning van Lilefoort ben ik.”
De ridder—Savari was zijn naam—sprong, na deze woorden te hebben gehoord, van zijn paard, en knielde neder. Groetend den edelen vorst, smeekte hij als volgt:
“Heer! vergeef Beatrijs, mijne gebiedster, wat ze u heeft misdaan. Zij kende u niet, en dit is de reden van hare misdaad.”
Bladzijde 220Mild sprak de edele heer, Oriant, de zoon van koning Pyrion en koningin Matabrune:
“Wat zij boeten zal, zal met haren wil zijn. Ik ben ontroerd door hare schoonheid.”
En hij keerde zich tot de jonkvrouwe en sprak:
“Welschoone maagd! wilt ge mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u.”
Toen voerde hij de reine Beatrijs naar Lilefoort, en al zijnen ridders zeide hij, dat hij met haar zou trouwen. En men vertelde het Matabrune, dat Oriant Beatrijs tot koninginne zou kronen.
Nauwelijks had Matabrune het gehoord, of ze trad haren zoon Oriant tegemoet. Oriant lachte, daar hij meende, dat zijn moeder wel mèt hem verblijd zou zijn, en hij riep haar uit de verte toe:
“Wees blijde, wees blijde, want ik heb de schoonste vrouw der wereld gevonden.”
Matabrune antwoordde toornig:
“Niet ben ik blijde, neen! niet ben ik blijde, gij hebt maar een eenvoudig meisje genomen, gij, een machtige koning.”
Oriant lachte niet meer. Hij vervulde echter zijn belofte, Beatrijs gedaan, in tegenwoordigheid van den ridder Savari, en hij kroonde haar als de koninginne van Lilefoort. De booze Matabrune moest wel doen, alsof zij tevreden was, al haatte ze Beatrijs, de schoone koningin.
Matabrune verzoende zich niet met Beatrijs, en ze was niet gelukkig met allen, die Oriant liefhadden. Toen koningin Beatrijs moeder van een tweeling was geworden, fluisterde Matabrune, nadat de kinderen ten doop gebracht waren, tot Oriant den koning:
“Zien mijn oogen het goed, dat er twee kinderen zijn, die Beatrijs u heeft geschonken? Weet gij wel, dat deze twee kinderen niet beiden van u kunnen zijn? Ik vrees, dat Beatrijs ook eenen anderen man liefheeft.”
Bladzijde 221Oriant wachtte niet lang met zijn antwoord.
“Waarom kunnen er niet twee kinderen tegelijkertijd geboren worden? Dat kan zeer wel geschieden, moeder, want God's goedheid kan ééne vrouw wel zeven kinderen geven, waarom dan niet twee?”
De booze Matabrune bemerkte hieruit, dat de koning te verblijd was, en haar niet geloofde. Daarom wachtte zij op een lateren tijd.
Nu geviel het, dat er eenige maanden daarna oorlog uitbrak, en de edele koning Oriant met zijne ridders ten strijde toog. Voor dien liet hij zijne moeder Matabrune bij zich komen, en hij zeide haar:
“Zult gij—wanneer ik weg ben—voor mijne vrouw Beatrijs zorgen, of zij uw dochter ware? Zie! ik vertrouw haar u toe.”
Matabrune sprak hierop plechtig:
“Ik belove 't u.”
Oriant nam van, zijn reine vrouw Beatrijs afscheid. Zij weenden beiden, en hun tranen vloeiden ineen. Hij kuste haar 't voorhoofd en den mond, en hij streelde hare armen, zonder woorden te zeggen. Hij besteeg zijn paard, en toen vertrok de vorst, de voorste der ridderen, gelijk 't behoort.
Zoodra hij was heengegaan, bedacht Matabrune, hoe zij zich op Beatrijs kon wreken. Ze liet de vrouw bij zich komen, die voor Beatrijs in hare krankheid had gezorgd, en ze sprak tot haar als volgt:
“Ge weet wel, dat mijn zoon Oriant tegen mijnen wil Beatrijs heeft getrouwd, die maar een arm meisje was, en hij was een machtig koning. Hoor nu, wat ik heb besloten, want ik wil, dat hij van haar afkeerig wordt.”
“Ge weet—” zoo antwoordde de vrouw, “dat Beatrijs, de koningin, weder een kind verwacht. Wat meent ge, als we zouden zeggen, dat zij dit kind heeft gedood? Zeker zou de koning, Oriant, haar haten, wanneer hij dit zou hooren:”
“Dit is mij niet genoeg—” hernam Matabrune. “Zoovele Bladzijde 222kinderen als Beatrijs ter wereld zal brengen, zoovele jonge honden leggen wij ervoor in de plaats. Wij zullen dan zeggen, dat deze jonge honden hare kinderen zijn, en ik zal iemand bevelen, om haar werkelijke kinderen weg te dragen en te dooden. Dan voorwaar zal Oriant, de koning, wel van Beatrijs afkeerig zijn.”
De vrouw beloofde, dat zij gehoorzaam zou zijn aan Matabrune's bevelen.
Beatrijs bracht zes zonen ter wereld en eene dochter. Ze hadden allen bij hun geboorte een zilveren keten om den hals, zoo edel was de moeder. Nauwelijks had Matabrune dit alles vernomen, of ze voerde de kinderen weg, en in de plaats daarvan legde ze zeven jonge honden naast Beatrijs, de zieke koningin.
Dit nu riep de vrouw, die Matabrune bij zich had laten komen. Ze riep met luide stem tot Beatrijs:
“Wee koningin Beatrijs! Wee over u! Gij hebt zeven jonge honden ter wereld gebracht! Wee! Wee!”
De slechte Matabrune zeide:
“Doe weg dat schandelijk stuk, en begraaf de honden op het veld. Houd het geheim, vrouw, opdat des konings eere niet gekrenkt worde.”
Beatrijs dan was zeer zwak. Zij had het niet bemerkt, welk verraad er was geschied. Het duurde wel een tijd, voor ze bij haar zinnen kwam. Op dat oogenblik keerde Matabrune haar gansche haat tegen Beatrijs, de ongelukkige koningin uit, haar scheldend met booze woorden, dat zij jonge honden het leven had geschonken en geene kinderen. Met moede stem zeide Beatrijs:
“Toon ze me dan, want ik kan u niet gelooven.”
Men liet haar de jonge honden zien, en toen schreide Beatrijs, omdat ze voor altijd de liefde van haren man, Oriant, had verloren.
De vrouw, die haar in haar ziekte had verzorgd, zeide met valsche stem:
“Ge behoeft niet te weenen, edele koningin, want ge Bladzijde 223hebt uw schoonheid behouden, en Oriant zal u niet minder liefhebben, wees er zeker van.”
Beatrijs schreide door, en naar dezen troost luisterde ze niet.
Matabrune was verblijd, daar haar de schandelijke daad tot dusver was gelukt. Zij riep haren dienaar—Marcus was zijn naam.
“Vriend, ge moet mij eenen dienst bewijzen, maar ge moet geheim houden, wat ge voor mij doet. De koningin, de sluwe Beatrijs, is moeder geworden van zeven kinderen, zes zonen en eene dochter, die droegen bij hunne geboorte ieder een zilveren keten om den hals. Dit is een teeken, dat zij later dieven en moordenaars zullen worden, en daarom moeten ze sterven, vóór zij Oriant, den koning, in schande brengen. Voer de zeven kinderen met u in een bosch, en doe ze daar sterven.”
Marcus boog voor de slechte koningin, Matabrune, en hij beloofde, dat hij naar haren wil zou handelen. Hij nam de zeven kinderen, verborg ze onder zijnen mantel, en reed naar 't woud, waar hij, van het paard stappend, ze nederlegde. Hij beschouwde ze, en toen zag hij, dat ze schoon waren. Hun zilveren kettingen blonken in de zon, en Marcus, de dienaar, bepeinsde, dat deze ketenen wezen op groote dingen in de toekomst. De kinderen lachten hem toe, en hij kreeg medelijden.
Hij beval de kinderen in Godes barmhartigheid aan, en hij keerde naar Lilefoort terug, om naar het paleis van Matabrune te gaan. De booze Matabrune beidde hem reeds, en ze vroeg hem ongeduldig, of hij haar bevel had gehoorzaamd, en of hij de kinderen had gedood. Haar dienaar, Marcus, antwoordde met een enkel “ja,” en wendde zich van haar af. Matabrune was zeer blijde, en nu besloot zij, om Beatrijs ook te doen dooden, zoo het kon, door Oriant's hand.
Haar ongeduld behoefde niet lang te duren, want Oriant reed spoedig daarna de stad Lilefoort binnen, trotsch te Bladzijde 224paard gezeten, als overwinnaar der vijanden. Matabrune ging hem tegemoet. Hem groetende, weende zij, en zij weende:
“Lieve zoon! blijde ben ik, dat gij weder hier zijt, en dat gij als overwinnaar zijt teruggekeerd, maar ik ben vol droefheid om wat er met uwe vrouw, met Beatrijs, is geschied!”
De koning schrok, en hij boog zich voorover, zijn stem angstig voor de eerste maal zijns levens.
“Zeg mij dan, moeder, is Beatrijs gestorven?”
“'t Is de dood niet, het is een schandelijk stuk van uwe vrouw, waarom ik zoo droeve ben. Ik durf het u niet te openbaren, laat een ander het u zeggen.”
“Neen, moeder, zoo het een schandelijk stuk van mijne vrouw is, vraag ik van u voorwaar, het mij te bekennen. Want uit uwen mond kan ik het 't beste hooren.”
“O! heer, mijn zoon, o koning Oriant, verneem dan, dat niet Beatrijs moeder is geworden van menschenkinderen, doch dat zij zeven jonge honden ter wereld heeft gebracht.”
Toen ging de koning, de edele Oriant, met eenen ridder in eene kamer, en hij weende langen tijd, tot uit zijn oogen geene tranen meer konden vloeien. In eene andere kamer was de koningin, de edele Beatrijs, en ook zij weende hare smart. Een schildknaap, die haar had gediend, was haar komen zeggen, wat Matabrune, de moeder des konings, haren zoon had bekend.
Vervolgens riep de koning zijnen raad tot zich, geestelijken en edellieden, en hij sprak tot hen:
“Ik heb u hier bijeen doen komen, om mij van raad te dienen in de zaak tegen Beatrijs, de koningin. Hoort, wat Matabrune, mijne moeder, mij heeft gezegd. Niet heeft Beatrijs mij kinderen geschonken, zonen en dochteren, menschen als menschen geschapen, doch jonge honden waren haar deel.”
Na deze vreeselijke woorden zweeg de raad eenen Bladzijde 225langen tijd. Eindelijk stond een oud en wijs man op. Dit was de raad, welke hij den edelen Oriant gaf:
“Heer koning! zoo Beatrijs aan eenige misdaad schuldig is, kan deze wel buiten haar weten zijn geschied. Daarom is zij niet met den dood te straffen. Beter is het, dat ge wacht, tot God, die een rechtvaardig rechter is, de waarheid zal openbaren.”
De koning was zeer getroost door deze woorden, doch weder rimpelde zich zijn voorhoofd, toen een ander ridder met booze stem uitriep:
“Heer koning! zult gij de vrouw laten leven, die een zoo groote schande over uwen naam heeft gebracht? Weet gij dan niet, dat gij, als zij gevangen blijft, nooit met eene andere vrouw zult trouwen? Beter is het, zoo ge haar doet verbranden, dan kunt ge een ander kronen tot koninginne van Lilefoort, en ge kunt uw droefheid vergeten.”
Niet lang liet koning Oriant op antwoord wachten. Hij zeide:
“Zoo ook de koningin des doods schuldig is, nimmer zal ik den eed vergeten, dien ik de jonkvrouw Beatrijs heb gezworen in tegenwoordigheid van ridder Savari, aldus luidende:
“Welschoone maagd! wilt gij mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u.”
“Zelfs als Beatrijs zou zijn gestorven, dezen eed zou ik altijd gedenken, want mijn liefde voor haar is mij liever dan het zonlicht. Daarom ook heb ik geweend, tot ik niet meer weenen kon, en mijn tranen niet meer wilden vloeien.”
Men besloot hierop, om Beatrijs in eene schoone kamer gevangen te zetten, en haar door twee ridderen te doen dienen, tot het zou zijn uitgemaakt, of zij waarlijk zeven jonge honden ter wereld had gebracht.
Haar kinderen onderwijl waren door eenen kluizenaar in het bosch gevonden, en ze schreide jammerlijk van Bladzijde 226koude en honger. Hij wond ze in zijnen mantel, en voerde ze in een kluis. Niet lang daarna zond God hun een geit, die ze voedde. De kluizenaar—Helias was zijn naam kleedde hen in kleederen van bladeren, en deed voor hen, wat hij met zijn eenvoudige krachten kon. Een der jongens kreeg hij boven allen lief, en daarom gaf hij hem zijnen naam: Helias.
Eenige jaren later kwam de jager van Matabrune—Savari heette hij—in 't bosch, en hij vond daar zeven kinderen spelen onder eenen boom. Hij groette hen vriendelijk, doch de kinderen, die behalve den kluizenaar, nooit een mensch hadden gezien, liepen angstig weg. De jager Savari was nieuwsgierig, waar wel de kinderen tehuis behoorden, hij volgde hen, en trad in de woning van Helias, den kluizenaar.
“Wat zoekt gij bij mij?”
“Wees gerust—” zoo sprak de jager, “ik zal den kinderen geen leed berokkenen. Alleen was ik verwonderd, daar zij zoo slecht zijn gekleed, en toch zulke kostbare zilveren ketenen om den hals droegen.”
De kluizenaar verhaalde hem, hoe hij de kinderen had gevonden en opgevoed, en daarna namen de beide mannen van elkander afscheid, omdat Savari weder naar Lilefoort wilde vertrekken. Daar vertelde hij de booze Matabrune, wat hij in 't bosch had gezien: zeven armoedige kinderen ieder met eenen zilveren keten om den hals.
Matabrune kreet:
“Ga weder heen en dood de kinderen, anders zal ik ze zelf ombrengen.”
De jager Savari beloofde, dat haar wil zou geschieden.
Matabrune ging naar haren dienaar Marcus, en dolzinnig van woede, beval ze, dat hem de beide oogen zouden worden uitgestoken, tot straf, dat hij de kinderen niet onmiddellijk na hun geboorte had gedood.
De jager Savari nam zeven mannen mede, om de zes jongens en het eene meisje te vermoorden. Op hun weg Bladzijde 227kwamen ze door een dorp, waar een groote menigte volks was verzameld. Her en der vroegen ze, waarom zoo velen tegelijk tezamen gestroomd waren, en het antwoord luidde:
“Men zal eene vrouw verbranden, die haar kind heeft vermoord.”
Dit stemde Savari tot nadenken.
“Om één kind verbrandt men deze vrouw al? Hoe zal ons vonnis luiden, wanneer men weet, dat wij zeven kinderen hebben omgebracht?”
En de anderen zeiden:
“Neen! we zullen de kinderen niet dooden. Wat zullen wij doen? Wij zullen de zilveren ketenen medenemen, en deze Matabrune toonen, ten bewijze, dat wij haar bevel hebben gehoorzaamd.”
Ze traden in het bosch, en Savari voerde hen naar de hut. Ze vonden hier echter niet zeven kinderen, maar slechts zes, daar de kluizenaar met het kind, dat hij 't meest liefhad, met Helias, in 't naast-bij gelegen dorp was gaan bidden. De zes kinderen kreten bij het zien der woeste mannen.
“Wees niet bang, lieve kinderen,” zeide de jager Savari, “we zijn niet hier gekomen, om u kwaad te doen. Ge behoeft niet te schreien.”
Terwijl Savari, de jager, dit zeide, namen zijn mannen de ketens weg. Zoodra dit geschied was, werden de kinderen in witte zwanen veranderd, die opvlogen, en met een schreeuw zich hoog in de lucht verhieven. Savari en zij, die met hem waren, schrokken over dit wonder zoodanig, dat zij in onmacht ter aarde vielen. Nadat zij weder tot bewustzijn waren gekomen, beefden ze nog van vrees, en Savari riep uit:
“Laat ons trekken van deze plaats, waar wij te lang geweest zijn. Zes kinderen hebben wij gevonden, instee van zeven. Laten wij zeggen, dat wij zeven kinderen hebben gedood, en dat wij één der ketenen onderweg hebben verloren.”
Bladzijde 228De mannen volgden Savari's raad, en ze spraken de woorden, die hij had gezegd, tot de booze Matabrune; deze werd uitermate vertoornd en schreeuwde:
“Zoo gij een zevende keten hebt verloren, moet gij mij de waarde hiervan vergoeden. Eerder zal ik niet tevreden zijn.”
Ze liet eenen goudsmid bij zich komen, die één der ketens in het vuur legde, om te zien, of het edel metaal was.
Wonder! toen de keten heet werd, woog hij meer dan de anderen tezamen, en er was zilver genoeg, om twee bekers te maken van de ééne keten. De goudsmid bracht éénen beker naar de slechte Matabrune en behield den anderen voor zichzelven, en toch verwonderde zich Matabrune nog, dat ze zulk eenen grooten beker had ontvangen. Ze was verheugd om de schoone gave, die er haar aan herinnerde, dat nu de zeven kinderen van Beatrijs waren gestorven.
Ze kon toch niet vermoeden, dat er zes van in zwanen waren veranderd, en dat de zevende, Helias, nog in leven was?
De kluizenaar en Helias waren in het bosch teruggekeerd en ze verbaasden zich, dat zij de zes jonge kinderen niet vonden. Ze zochten den geheelen dag, en 's nachts sliep Helias niet; den volgenden morgen begon hij dadelijk weder te zoeken, weenende van wanhoop. Hij ging al schreiende voort. Eindelijk bereikte hij een water, waar hij zes schoone zwanen zag. Hij naderde den vijver, en riep de trotsche vogels tot zich. Ze zwommen naar hem toe, hij streelde ze, ze aten van het brood, dat hij hun gaf. Hij was getroost, en hij bezocht hen voortaan dagelijks.
Hij groeide op tot een krachtig jongeling, tot ridderlijke daden wel in staat. Hij wist het niet, dat hij zijn behendigheid spoedig zou moeten toonen. Want Matabrune was haar haat jegens Beatrijs nog niet vergeten, en steeds zon zij op middelen, om haar te doen dooden. Aan haar hof was een ridder, Macharis was zijn naam, en hij had een hart, even valsch als van Matabrune. Daarom liet hij Bladzijde 229zich overhalen, om weder tegen Beatrijs te getuigen, dat zij jonge honden ter wereld kon brengen, en dat zij den koning, den edelen Oriant, en zijne moeder, de goede Matabrune, had willen vergiftigen. En dit zeide Macharis onder den invloed van Matabrune:
“Ik verklaar te willen kampen tegen ieder, die het opneemt voor Beatrijs.”
De koning beval, dat men Beatrijs uit de gevangenis voor hem zou brengen, opdat zij zich tegen de beschuldiging zou kunnen verweren. Ze trad voor den vorst, groette hem met teederen groet, en viel op haar knieën voor hem neder. Matabrune bemerkte, dat zij allen, de koning, de edele Oriant niet 't minst, medelijden hadden met de schoone koninginne Beatrijs, en ze riep haastig Macharis, opdat deze zijn aanklacht zou zeggen, hetgeen hij deed. Oriant, de koning, zeide toen tot Beatrijs:
“Ge wordt van een groot misdrijf beschuldigd, vrouwe, en ik zeg u, dat ge de waarheid zult belijden. Weet, als gij geen leugen uitspreekt, dat ge niet zult sterven, doch als gij de onwaarheid verkiest, zal een schandelijke dood u wachten, tenzij iemand uw recht verdedigt. Spreek de waarheid, Beatrijs.”
De koninginne, de schoone Beatrijs, verhief zich, en zag hem in de oogen.
“Heer! ik weet, dat er niemand wordt gevonden, die mij gelooft, en die mij recht zal verschaffen; en toch ik zweer u allen, dat ik onschuldig ben. Bij God zoo betuig ik, dat ik nimmer het schandelijk kwaad heb bedreven.” Zij vouwde haar handen. “Gode alleen zij de wrake over mijne vijanden, die mij zoo valschelijk betichten.”
God in den Hemel hoorde hare spreuk, en hij zond een Zijner engelen naar den kluizenaar, om hem te zeggen, dat de zeven kinderen waren van koning Oriant en van koningin Beatrijs, dat er zes hunner in zwanen waren veranderd, en dat de edele jongeling Helias den valschen ridder Macharis moest bevechten.
Bladzijde 230Hierna riep de kluizenaar den jongeling tot zich, en hij zeide tot hem:
“Gij, Helias, zijt de zoon van koning Oriant en van koningin Beatrijs, en ge zijt met uw broederen en uw zuster te vondeling gelegd op bevel van Matabrune, de moeder des konings Oriant. Thans heeft dezelfde Matabrune één harer ridderen, genaamd Macharis, bevolen de koninginne Beatrijs te beschuldigen, als zou zij niet een mensch liefhebben, doch eenen hond, en als zou zij den koning Oriant en zijne moeder Matabrune hebben willen vergeven. Dit nu zegt God: ‘gaat henen, en kampt voor de koninginne Beatrijs tegen den valschen ridder Macharis. Uw broeders en uwe zuster zijn veranderd in de zwanen, die gij dagelijks hebt gevoed.’”
De edele jongeling vroeg:
“Zult gij dan, als ik weg ben, voor de zwanen zorgen?”
“Ja,” antwoordde de kluizenaar, “ik zal ze met brood voederen, gelijk gij hebt gedaan.”
Vervolgens nam Helias afscheid. Hij was in bladeren gekleed, blootshoofds, barrevoets, en op eenen stok steunde hij. Aldus ging hij naar Lilefoort, naar 't hof van koning Oriant, waar men de koningin, de schoone en reine Beatrijs, ter dood zou brengen, daar niemand voor haar wilde kampen.
Juist op het goede oogenblik kwam Helias aan, en hij stond bij de poort, om binnen gelaten te worden. De wachter vroeg hem:
“Wat zoekt gij?”
“Den valschen ridder Macharis,” was het antwoord.
De wachter wilde met hem spotten, en dus zeide hij:
“Ik ben het, dien gij zoekt. Ik ben de ridder Macharis.”
Helias sloeg hem met zijn stok, en een andere dienaar wilde hem grijpen, daar hij meende, dat de jongeling in zijn vreemde kleeding waanzinnig was. Helias werd boos, en hij riep uit:
“Ik zeg u, laat mij gaan. Ik wil mij wreken op den valschen ridder Macharis, die mijne onschuldige moeder beticht.”
Bladzijde 231“Macharis—” antwoordde een der wachters, “is in de zaal en klaagt Beatrijs aan. Ons echter schijnt het toe, dat het valschelijk is, want de koningin Beatrijs is goed.”
Helias omhelsde hem uit dankbaarheid voor deze woorden, en de knecht leidde hem in de zaal, tot voor 's konings troon.
Oriant vroeg hem:
“Wien zoekt gij hier?”
“Ik zoek Macharis, heer.”
Men wees hem den ridder, en Helias ging tot hem, en sloeg hem met de vuist recht in het gelaat.
“Gij, valsche verrader, ik daag u uit, om met mij te strijden.”
De koning, Oriant, stond op van zijn troon, en riep tot Helias, den jongeling:
“Hoe durft gij, vermetele, Macharis in mijne tegenwoordigheid te slaan?”
“Heer,” antwoordde Helias bescheiden, “ik ben gekomen om de waarheid te spreken.”
En hij wendde zich tot Beatrijs, de koningin, met deze woorden:
“Lieve moeder, wees niet bedroefd, want met Godes hulp zal ik u in uw eer herstellen.”
“Wat wilt gij dan zeggen?” zoo vroeg de koning.
“Zeggen wil ik de waarheid alleen en deze is, dat ik uw zoon ben, o heer, en de zoon van uwe vrouw, van Beatrijs, die naast mij staat. Ik verklaar, dat ik met Macharis wil gevangen blijven, tot het blijken zal, dat ik de waarheid spreek.”
De koning zag toen Beatrijs aan, en mild was zijne stem en vol goedheid zijne oogen:
“Wat dunkt u, Beatrijs, van de woorden, die deze jongeling spreekt?”
Beatrijs boog haar hoofd.
“Heer! ik weet hiervan niets; want ik was krank, toen mijne kinderen werden geboren. Maar ik geef de zaak in Bladzijde 232God's handen en in die van dezen jongeling, en ik bid u hem te behandelen als uwen zoon.”
De koningin, Beatrijs, werd naar eene schoone kamer gevoerd, en Oriant, de koning, begaf zich tot Matabrune, en vertelde haar van Helias, den jongeling. Matabrune verbleekte, en ze trachtte nu goede en zoete woorden te vinden, doch zij kon niet beletten, dat de koning beval, om Macharis gevangen te zetten. De koning reed naar 't woud, en hoorde daar van den kluizenaar 't verhaal, dat hem Helias voor waarheid had verteld. Daarom liet de koning voor den jongeling een harnas maken, en hij stelde de koningin, de edele Beatrijs, in vrijheid. Macharis werd door vier dienaren bewaakt, en moest tegen Helias kampen.
Macharis was angstig, toen hij 't strijdperk binnen-reed, ziende den edelen jongeling Helias, krachtig in zijn harnas. Hij wilde het niet laten blijken, hoe bevreesd hij was, en daarom riep hij spottend:
“Meent gij tegen mij te kunnen strijden, jongetje? Ik zal u laten zien, hoe sterk ik ben.”
Helias nu antwoordde:
“Verrader, ik ben blijde u hier te zien, ik zal op u de eer mijner moeder wreken.”
Ze reden op elkander in. Door het geweld van den stoot, stortte Macharis ter aarde.
Hij stond weder op.
“Ik zal u laten gevoelen, hoe krachtig mijn arm is.”
Helias riep:
“Welaan! rijd maar wakker toe.”
Ze lieten beiden hun lansen zinken, en, spiedend, ontdekte Macharis een plek in des jongelings harnas, die het vleesch niet bedekte. Daar stiet hij en Helias' bloed vloeide. Nu meenden Beatrijs en allen, die met haar waren, dat Helias was getroffen, en een ieder was hierover zeer bedroefd. Helias echter werd nog moediger, en hij kreet met een stem, fel-flitsend als de bliksem:
“Verrader, is het u niet genoeg, dat gij mijne moeder Bladzijde 233hebt verraden? Wilt gij ook nog haren zoon dooden? Thans zal ik u met Gods hulp toonen, wat gij van mij hebt te verwachten.”
Hij sloeg hem den helm af, en hieuw hem zoo met 't zwaard, dat hij zich niet meer kon verweren, en daarna kloofde hij hem den arm. Toen gaf de valsche ridder Macharis zichzelf gewonnen.
“Jongeling! ik heb den slag verloren—zeg mij uwen naam.
“Ik ben Helias—de zoon van den edelen koning Oriant en de in haar leven zoo getrouwe koningin Beatrijs en ik wil zien, hoe gij zult sterven, vóór ik deze plaats verlate. Wacht uwen dood, verrader.”
Het antwoord van den valschen ridder Macharis luidde als volgt:
“Laat mij leven, tot ik de waarheid heb bekend. Laat mij den goudsmid aanwijzen, die de ketens heeft van uwe zuster en uwe broeders.”
De kamprechters kwamen, en ze wezen Helias de overwinning toe. Deze echter zeide slechts:
“Dat de koning hier kome met de koningin en al hunne heeren.”
De edele Oriant en de reine Beatrijs, verzeld van hunne drommen ridders, traden in het strijdperk, om te hooren, wat de jongeling, Helias, hun wilde zeggen.
“Luister naar de belijdenis van dezen ridder hier, van Macharis, den valschaard.”
Macharis trad naar voren, groetende den koning, Oriant, en de koningin, Beatrijs, met eerbiedige reverence. En hij bekende allen, die om hem heen stonden, de talrijke misdrijven van Matabrune, die hiervoren zijn verhaald, opdat zij geene navolging zullen vinden in der Kerstenen landen. Amen.
Men hing Macharis aan eene hooge galg, den valschen ridder, die Beatrijs valschelijk had beticht. De koning omhelsde Beatrijs om al het leed, dat zij onschuldig had Bladzijde 234geleden. Er waren vele vreugdefeesten, en daarna werd de goudsmid ontboden, dien men vroeg, wat er van de zilveren ketens was geworden.
De goudsmid nu bracht vijf zilveren ketens terug, en een beker, dien hij met den beker der slechte Matabrune uit ééne keten had gesmeed, en hij bad om vergiffenis, en de koning zeide:
“U zij vergiffenis geschonken.”
Oriant en Beatrijs namen de ketenen, en ze kusten deze, klagende om hunne arme kinderen, die in zwanen waren veranderd.
Vervolgens werd Marcus geroepen, wien de booze Matabrune de oogen had uitgestoken, en Oriant, de koning, vroeg hem, hoe hij in blindheid was geraakt.
Op deze vraag zeide Marcus, al wat hem was overkomen.
Oriant gevoelde medelijden met den blinde, en hij bad innig tot God, dat Marcus weder zou genezen. Hij teekende over de oogen van den ongelukkige een kruisje, en daardoor herkreeg Marcus zijn gezicht. Allen waren verbaasd over het wonder, dat aan den dienaar was geschied.
Nadat Matabrune had vernomen, welk lot de valsche ridder Macharis had ondergaan, werd zij bevreesd, en zij gaf daarom den knechten, die haar bewaakten, veel wijn te drinken, opdat zij dronken zouden worden. Haar toeleg gelukte. De knechten sliepen zwaar in hun roes, en Matabrune kon ontvluchten. Helias echter, die door zijnen vader als koning was gekroond in Lilefoort, zette haar na, belegerde het kasteel, waarin Matabrune was gevlucht, veroverde het, nam de slechte vrouw gevangen, en deed haar verbranden.
Hij had gezworen, dat hij niet zou rusten, voor hij zijne zuster en zijne broeders terug had gevonden, en nauwelijks had hij zijn eed uitgesproken, of zes zwanen vlogen uit de hooge lucht, en daalden in de slotgracht. Helias riep Oriant, zijn vader, en Beatrijs, zijne moeder, en tezamen gingen ze naar het water. De zwanen zwommen op Helias Bladzijde 235toe, en lieten zich door hem streelen. Hij toonde hun de ketens, en de trotsche vogelen schaarden zich in een rij, om elk zijne keten te ontvangen. Helias hing ze een keten om, voor den laatsten zwaan echter bleef er geene meer over. Oriant en Beatrijs liepen hunne vijf kinderen tegemoet, vier zonen en eene dochter, en waren met hen blijde. De arme zesde zwaan was zeer bedroefd, en van smart wilde hij zichzelven de veeren uittrekken.

Hij toonde hun de ketens
“Wees zonder smart,” zoo troostte hem Helias, “want ik heb u lief als mijnen broeder, ook al hebt gij niet de gestalte van een mensch.”
De zwaan was zeer dankbaar over deze woorden, en boog zijn hoofd, uit dankbaarheid voor den edelen jongeling.
De vijf kinderen werden gedoopt, en de dochter werd Rosse genaamd.
Nadat Helias reeds eenigen tijd koning was geweest, zag hij eens op een morgen het venster uit en hij bemerkte zijnen broeder den zwaan, een scheepje trekkende. De koning, Helias, hield dit terecht voor een teeken Gods, en hij riep zijn dienaren toe:
“Breng mij mijn harnas en mijn zilveren schild, want ik moet deze plaats, Lilefoort, verlaten.”
Men gaf hem zijn harnas, men reikte hem 't schild, waarop een dubbel gouden kruis stond, en zijn vader Oriant schonk hem eenen hoorn, zeggende:
“Bewaar dezen hoorn, want die hem hoort blazen, dien zal geen leed of schande kunnen geschieden.”
Driemaal schreeuwde de zwaan met wonderlijke stem, en Helias ging in het schuitje zitten. De zwaan klapte ten zijnen wellekomste met zijne vleugelen, en zwom aan, het scheepje achter zich, van stroom tot stroom, tot zij de plaats bereikten, door God voor hem beschikt.
Juist hield Otto de eerste, keizer van Almanien, heerschend over de landen der Ardennen, van Luik en Namen, rijksdag in Nijmegen, en de graaf van Frankenburg, beschuldigde Bladzijde 236de hertogin van Bouillon, dat ze haren man met vergif had gedood, en dat hare dochter onwettig was. Niet mocht daarom de hertogin blijven heerschen over het rijk van Bouillon, doch het moest hem, den graaf van Frankenburg, broeder van den overleden hertog, vervallen. De hertogin zeide, dat zij onschuldig was. De graaf tegenover haar gesteld, wierp zijn handschoen ter aarde, als bewijs harer schuld, en zeide, dat hij met een ieder zou kampen, dat zij des doods schuldig was.
De keizer sprak deze woorden:
“Vrouwe, zoo het waar is, wat de graaf tegen u volhoudt, zijt gij des doods schuldig. Zoek eenen ridder voor u uit, zie rond in deze zaal, opdat gij iemand kunt vinden, die u verdedigen zal.”
De hertoginne deed haren blik smeekend gaan van den een naar den ander, doch de ridderen gaven geen geluid, en ze voelde zich van alle hulp ontbloot. Daar hoorde men eensklaps het stooten van eenen hoorn, en men keek ten venster uit. Op Nijmegen's stroom zag men een scheepken drijven, waarin een ridder stond, en dat scheepken werd door eenen zwaan getrokken. De ridder, geheel gewapend, sprong aan wal, en de zwaan zwom verder. De keizer ontbood den ridder tot zich, en terwijl hij al naderde, zeide de hertogin tot hare dochter deze woorden als volgt:
“Lieve dochter hoor! ik droomde dezen nacht, dat de graaf en ik met elkander dingden en dat ik werd veroordeeld, om te worden verbrand. Op dat oogenblik zwom een zwaan aan, die bracht water, om 't vuur te blusschen, en uit 't water kwam een visch; allen werden angstig, die deze visch bemerkten. Alleen ik stond rustig, en daarom geloof ik, dat deze ridder mij zal redden.”
Helias, de koning van Lilefoort, naderde den keizer, hem groetende.
“Ik ben een arm ridder, uitgetrokken op avonturen.”
De keizer antwoordde hem minzaam:
“Zoo gij een arm ridder zijt, uitgegaan op avonturen, Bladzijde 237dan vindt gij hier een avontuur, want de hertogin van Bouillon wordt ervan beschuldigd, dat zij haren man heeft willen dooden, en ook, dat hare dochter onwettig is. Het is aan u, dat ge voor haar eer kunt strijden, daar zij des doods is, wanneer er niemand wordt gevonden, die voor haar strijden zal.”
Helias zag de hertogin aan, en het scheen hem toe, dat zij een vrouw was, rijk aan deugden; ook hare dochter vond hij schoon.
Hij wendde zich weder tot den keizer, en wel met deze woorden:
“Laat mij alleen spreken met de hertogin van Bouillon.”
Dit zeide de keizer:
“Het zij u toegestaan.”
Toen zij alleen waren, wendde zich de edele ridder tot de hertogin.
“Vrouwe! zweer mij de waarheid, en niets dan de waarheid, ik zal dan in uwe zaak zijn een getrouw dienaar.”
Zij antwoordde trotsch:
“Zoo waarlijk helpe mij God almachtig, ik zal u de waarheid zeggen en niets dan de waarheid.”
“Vrouwe, bij uwen eed, zijt gij onschuldig aan alle dingen, die men tegen u zegt?”
“Ja—ik.”
Helias sprak:
“Gij hebt daarom heden een kampvechter gevonden, die voor uwe eer zal strijden.”
Zij gingen in de zaal terug, en Helias groette den keizer.
“Heer! laat hem in het strijdperk komen, die de hertogin van Bouillon beschuldigt, want ik voorwaar zal tegen hem strijden.”
Nauwelijks had hij dit gezegd, of de graaf van Frankenburg trad op hem toe, en lachte schamper, hem beziende van hoofd tot voeten:
“Vriendje! wat begeert gij? Wel toont gij u moedig in Bladzijde 238eene zaak, die u niet heeft geroepen.”
Helias zeide rustig, en hij rekte zijn krachtig lichaam hoog op:
“Ziedaar mijn handschoen, ik geef dezen u, om de eere Gods en om de minne der edele vrouw. Heden zult gij bevinden, wat een ridder van avonturen doen kan.”
De graaf van Frankenburg nam Helias' handschoen en de keizer ontving hun beider eed.
“Wanneer wilt gij kampen?”
Helias ging naar voren.
“Nog dezen dag.”
Daar de graaf dit niet durfde weigeren, werd het strijdperk gereed gemaakt, en in een wijden kring gingen de keizer met zijne heeren, de hertogin en hare dochter zitten. De edele vrouwen smeekten God, dat de edele ridder van avonturen zou overwinnen, en de beide strijders reden op elkaar in. Bij den eersten stoot braken de lansen en daarom streden zij verder met hunne zwaarden, tot de graaf van Frankenburg zich niet meer kon verweren, en een spanne tijds vroeg, teneinde te mogen spreken.
“O edele ridder!” aldus sprak hij, “maak met mij vrede, ge kunt verkrijgen daarvoor mijne dochter en het land van Ardennen.”
Dit was Helias' antwoord:
“Meent gij, dat ik u zal steunen in uw verraad? Spreek daarover niet meer, want van mij hebt gij geene genade te wachten. Ik zal de hertogin verlossen, en hare dochter zal ik trouwen tegen uwen wil.”
Na deze woorden sloeg de graaf den ridder, Helias, het zwaard uit de handen. Deze echter sprong van zijn paard, greep den graaf van Frankenburg vast, sleurde hem ter aarde, brak zijn schild, en ontwrong hem zijn zwaard. De graaf van Frankenburg smeekte om genade. Helias sloeg hem 't hoofd af.
Helias keerde zich weder tot den keizer, hem groetende, en de keizer, Otto de Eerste van Almanien, herstelde de Bladzijde 239hertogin in haar eer, en gaf haar heur land terug. Ze dankte hem vriendelijk.
“Dan geef ik mijne dochter en mijn land aan hem, die 't eerlijk heeft gewonnen.”
Daarna sprak de keizer dit oordeel, opstaande van zijnen troon:
“De ridder met den zwaan is thans hertog van Bouillon, en hij zal trouwen met de dochter der hertogin, met de schoone Clarisse.”
Den volgenden dag trouwde Clarisse, de dochter der hertogin, met Helias, den ridder met den zwaan, die nu geworden was hertog van Bouillon. Twaalf dagen en nachten duurde het feest, te hunner eer gegeven, en daarna vertrokken zij beiden naar hun rijk. Onderweg werden zij door vrienden en bloedverwanten van den hertog van Frankenburg aangevallen, maar Helias versloeg al zijne vijanden en welbehouden bereikten zij het land van Bouillon.
Ze leefden gelukkig, en ze kregen eene dochter, die zij IJda noemden, later de moeder der edele heeren Boudewijn, Godfried en Eustachius.
Eens, dat de hertogin en de hertog, Helias, waren uitgereden, vroeg ze hem:
“Heer! uit welk land zijt gij, welke vrienden hebt gij, wie zijn uwe ouders?”
Hij zeide met ernstige stem:
“Vraag daar nooit meer naar, hertogin, want dan zouden wij moeten scheiden.”
Zes jaren lang zweeg Clarisse deze vraag, doch toen overviel haar plotseling in den nacht de nieuwsgierigheid der vrouwen.
“O Heer, zeg mij, van welke afkomst zijt ge?”
Met bedroefde stem antwoordde Helias, de hertog van Bouillon, haar:
“Ge weet wel, dat ge dit niet moogt weten, en morgen vertrek ik uit deze landen, en ik zal gaan naar den Bladzijde 240keizer te Nijmegen. om afscheid van hem te nemen.” Toen riep de hertogin in grooten angst hare dochter IJda, opdat deze haren vader met smeeken en weenen zou vragen, te blijven. Maar in den ochtend verzamelde Helias zijne heeren, en hij beval hun te zorgen voor zijne vrouw en zijne dochter en het goede land van Bouillon. Al sprekende, hoorde hij, dat de zwaan al buiten was, slaande met de vleugelen een groot geraas. Helias begaf zich naar het scheepken, en de zwaan voerde hem door den stroom.
De hertogin Clarisse en haar schoone dochter IJda begaven zich naar Nijmegen, teneinde den keizer Otto van Almanien, te vertellen, wat er was geschied.
Nog waren zij aan het spreken, daar stiet Helias den hoorn, en hij ging naar den keizer, hem eerbiedig groetende, en hij gaf hem zijn land terug.
De keizer vroeg hem:
“Blijf, hertog van Bouillon, bij uwe vrouw Clarisse en uwe schoone dochter IJda.”
Helias echter zeide:
“Ik kan dit niet volbrengen. Ik vraag u slechts bescherming voor mijne vrouw, Clarisse, en mijne dochter, IJda.”
De keizer sprak:
“Ik belove ze u.”
Toen vertrok de ridder, en de zwaan voerde hem van Nijmegen langs vele stroomen, naar Lilefoort.
Juist bij zijn aankomst zat Oriant met zijne vrouw en zijne vijf kinderen aan tafel, en daar hoorden ze den stoot van Helias' hoorn. Zij stonden allen op, en ze zagen uit de vensters van 't paleis, ze zagen den zwaan, en Helias zittende in het scheepken. Hij sprong aan wal, en zijn vader, Oriant, zijne moeder Beatrijs, zijne zuster Rosse, en zijne vier broeders ijlden hem tegemoet, en ze stelden hem vele vragen, maar zijne moeder, Beatrijs, vroeg, waar de zwaan was gebleven, en hij antwoordde:
“Hij is in het water teruggekeerd. Ik echter zal hem Bladzijde 241halen, en wij zullen beproeven hem door gebeden tot menschelijke gedaante te brengen.”
De koning, Oriant, beval, dat men van de beide bekers weder eene keten zou maken, zooals die was geweest, en toen dit was geschied, hing hem Helias de keten om den hals, en tezamen baden ze tot God. Toen kreeg de zwaan zijn menschelijke gestalte weder, en men noemde hem Esmeri, en hij was een schoon jongeling.
Nadat Helias eenigen tijd in Lilefoort was geweest, liet hij eenen dag al zijne vrienden tot zich komen.
“Ik neem afscheid van u allen om de wereld te verlaten, want ik wil mijn leven beteren en voor u bidden.”
Een ieder was zeer bedroefd om Helias' besluit, doch er was niemand, die zich durfde te verzetten, en, steunend op eenen stok, liep Helias naar een door Oriant gesticht klooster, en daar werd hij door de monniken met vreugde ontvangen. In het land van Ardennen nu deed hij een slot bouwen, gelijk aan het slot van Bouillon, over welk land hij hertog was geweest. Aan het klooster schonk hij vrijmarkten en vele voorrechten, en hij stelde dertig monniken aan, om Gode te dienen. Zelf leefde hij naar den kloosterregel.
Maar nog eene zaak moet er van hem verhaal