The Project Gutenberg EBook of Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden, by Vlerk This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne Vrienden Author: Vlerk Commentator: W.F.C. van Laak Release Date: July 21, 2008 [EBook #26100] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REISONTMOETINGEN VAN JOACHIM *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
De “Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden” werden in 1840 te Amsterdam voor het eerst uitgegeven. In twaalf nummers van 24 bladzijden kwamen de afleveringen uit, elk voorzien van eene plaat en van een omslag met geestige randversiering.
Het geheel valt merkwaardig in het genre van Dickens: hoofdonderwerp, stemming, stijl, platen en titelversiering. Bij den eersten oogopslag herkent men de uitgave van de Pickwick! Hendrik Frijlink te Amsterdam, die deze twaalf afleveringen à 30 cents uitgaf, heeft gezorgd voor eene keurige en smaakvolle uitvoering, weelderig genoeg voor dien tijd, terwijl de octavobladzijden met eene kleine, maar fraaie, scherpgeteekende letter zijn afgedrukt. Een boek, dat ƒ 3,60 gekost heeft en dat dus den uitgever van het Leeskabinet tot eer en tot voordeel kon strekken.
Hoe ging mijn hart open, toen ik die afleveringen na eene halve eeuw wederzag! In mijn prille jeugd had ik ze op eene bovenkamer in mijn vaders huis tusschen andere letterkundige en nuttige boeken gevonden en voor den dag gehaald. Gij kunt begrijpen, dat een knaap van een tiental of een twaalftal jaren het eerst naar de boeken grijpt, die door prentwerk aantrekkelijk gemaakt zijn! Ik kende toen reeds het een en ander van Dickens uit de vertaling, die in tal van afleveringen van het “Leeskabinet” voorkwam, een allergezelligst maandschrift, dat ook door Frijlink uitgegeven werd en waarvan enkele jaargangen op denzelfden zolder lagen opgestapeld. De platen in het Leeskabinet en die van de “Reisontmoetingen” hadden iets van elkaar en zoo meende ik toen reeds iets van de [VI]navolging te bespeuren. De prentjes brachten mij aan ’t lezen; ik las toen rijp en groen, en de humor van dit boek boeide mij.
Die humor deed mij te meer pleizier, omdat ik er weldra eenige inlichtingen bij ontving van vader en moeder.
Ja, ja, zoo werd mij gezegd, dat was dat grappige boek van Oome Bernard, van Bernard Gewin, die het als student of proponent geschreven had en die nu reeds lang een deftig predikant was.
De schrijver was wel niet rechtstreeks van de familie, maar het scheelde toch niet veel, want hij was de zwager van eene tante van mij. Hij kwam als student nog al eens op de pastorie te Oudshoorn bij Leiden een bezoek brengen en was dan zeer vriendelijk voor mijne zuster, toenmaals nog een kind. “Oome Bernard”,—zoo werd hij nog dikwijls genoemd—was dus een huisvriend, aan wien men ook later gaarne dacht. Hij studeerde te Leiden in dezelfde jaren, toen daar ook nog twee andere Theologen waren, zijne vrienden Nicolaas Beets en Johannes Petrus Hasebroek; dit drietal ging ook vriendschappelijk om met J. Kneppelhout, die evenwel een jurist was, zonder examens te doen. Zij vormden een soort van clubje en hielden veel van letterkunde. Zij hadden als talentvolle jonge mannen iets later elk een boek geschreven onder een’ aangenomen naam. De een was Hildebrand, de ander Jonathan, de derde trad op als Klikspaan.
Hij, Gewin, had den naam van Vlerk aangenomen. Toen zij, of ten minste een paar van hen, een reisje langs den Rijn en naar Zwitserland gedaan hadden, had Gewin daar eene beschrijving van gemaakt, natuurlijk met allerlei bijwerk en verandering van namen en omstandigheden.
Die goede, vroolijke Gewin was een liefhebber van grappen. Had hij niet als student een’ grooten brief aan mijne ouders geschreven, een’ brief zoo ontzaglijk, dat het vel sterk en dik papier wel eene geheele tafel bedekte? Daarin had hij schertsend in Bijbelstijl, in de tale Kanaäns, allerhande nieuwtjes medegedeeld, aardig te zamengebracht, met geestige afwisseling van het een op het ander overgaand.
Nu ligt dat boek over Polsbroekerwoud hier voor mij als eene vriendelijke herinnering aan de roemvolle dagen der vernieuwing onzer Letterkunde.
Het werk is zeldzaam geworden. Het zou menigeen moeilijk vallen er een tweede exemplaar naast te leggen! Zelfs oude bezitters van dit [VII]werk zijn het allengs kwijt geraakt. Ook wijlen de Heer J. Kneppelhout op den Hemelschen Berg bij Oosterbeek, niet ver van Arnhem, had het vroeger in zijne boekerij, maar het is er niet meer te vinden: een herdruk is het eenige middel om het aan de leesgrage wereld weder in handen te spelen.
Buitendien is een herdruk niet ongewettigd. Dit boek immers vertegenwoordigt met eenige andere uit denzelfden tijd, een belangrijk tijdperk uit de geschiedenis onzer vaderlandsche Letterkunde.
Ik denk hier aan het optreden der Romantische school in ons land. Met het woord school bedoel ik hier eigenlijk alleen eene richting, een overhellen tot wat toenmaals nieuw was in Europa.
Sedert de dagen der zestiende en zeventiende eeuw, de bekende Herleving der Letteren, was de geestdrift voor het schoone der Klassieke Grieksche en Romeinsche oudheid eenigszins bekoeld.
De navolging op slaafschen trant van steeds dezelfde verhalen in telkens denzelfden vorm begon bij mannen van gunstigen aanleg walging te verwekken. Geruimen tijd had men begrepen, dat de wereldbeschouwing en de nieuwerwetsche gevoelens evenals de met het heidendom van Rome en Griekenland niet meer strookende begrippen onmogelijk in de oude phraseologie te persen waren. De geleerden hadden het weliswaar nog lang volgehouden er behagen in te scheppen, als zij eenige volzinnen tegenkwamen, die geheel of gedeeltelijk uit de oude schrijvers vertaald of nagevolgd waren, maar het groote publiek bleef daar koud voor en liet zich op den duur niet bedotten.
Ook zij, die met de oude letteren niet bekend waren, begonnen in de nieuwe talen als dichters en schrijvers roem te oogsten. Sommigen werden alom gevierd, ja wereldberoemd, die nooit Grieksch of Latijn hadden verstaan.
Andere voortbrengselen van den menschelijken geest begonnen daarom meer de aandacht te trekken. Zoowel de stukken oude poëzie uit de Middeleeuwen, als andere uitingen van het Europeesche genie werden nog eens voor den dag gehaald en geprezen. Stukken, die in den boezem des volks waren ontstaan en die menigmaal onder de mindere bevolking in onooglijke blauwbloekjes een bijna verborgen leven leidden, ja, die soms in de verhalen der dorpelingen een gebrekkig voortbestaan hadden gevonden of slechts leefden in den mond der zangers in achterhoeken of kermisbuurten, zulke stukken nationaal volksleven waren reeds lang in Frankrijk en later in Engeland en Duitschland door geleerden of wijzen aan de kenners aangeprezen. Deze werden nu voortaan bestudeerd.
Poëzie scheen iets nationaals te zijn geworden en bleef niet langer [VIII]een soort van geleerdheid van een enkel individu, behoorende tot de “Republiek der Letteren”.
En toch bleek ook weder, dat de Poëzie iets internationaals was, meer dan eenige zaak ter wereld. Maar men lette nu ook op de dichters van het verre Oosten en legde opnieuw de hand op den ouden, bekenden Bijbel, maar om daar het menschelijke te bestudeeren, als een product van dezelfde dichterlijke geestdrift, die ook elders werkzaam geweest was. Men stelde zelfs eene vergelijking in van het schoone, dat zich overal bij Perzen en Indiërs, bij Mohammedanen en heidenen evenals bij de oudste Germaansche stammen had voorgedaan.
Ja, overal had men poëzie gevonden, en alle volken hadden, zoo bewees men, hunne eigen opvattingen en vormen gehad, en zelf gevonden, terwijl het eene volk niet uitsluitend een voorrecht bezat boven alle andere.
Zoo werd nu niet langer de tijd der Middeleeuwen verwaarloosd en in de verschillende landen werd het echt nationale weder opgezocht. De deftigheid en stijfheid, die men zich eigen had gemaakt, denkende, dat dit bij de Grieken en Romeinen zoo was en die men dus ook had willen nabootsen als de eenige, ware, orthodox klassieke manier, ze werd eenvoudig uitgelachen en ter zijde gesteld.
De natuur, die men niet meer door de oogen der Grieken of Romeinen, der geleerden of pedanten bekijken wilde, maar die de gansche wereld door Buffon had leeren kennen en door Rousseau had leeren liefhebben, de natuur, en de rede, beide door de Fransche omwenteling op den troon gezet, ze werden voortaan met ongekende geestdrift als eene nieuwe ontdekking geprezen en gevierd.
Er was een geslacht opgetreden, dat groote dingen had gedaan of groote omwentelingen had bijgewoond en eene reuzenworsteling had doorleefd. Met den durf der vermetelheid werd veel over boord geworpen, dat lang voor heilig en onaantastbaar gegolden had.
Geen wonder dat men lachte met de regelen der klassiek gevormde geleerden, dat men brak met de uitspraken van Boileau, dat de Fransche Académie niet meer alle gezag behield en dat men in brutalen overmoed of dichterlijke dweepzucht alle vormen schond van conventie of pruikendienst.
Het was in de hoogste mate schokkend voor sommige bedeesde zielen, maar er was niets meer aan te doen: een ongekende maat van vrijheid begon zich overal baan te breken.
Het proza en de poëzie vertoonden er dagelijks de sporen van. [IX]
Wij stippen slechts even aan, wat er gebeurde in de drie voorname genres van letterkunde: in ’t lyrische, in ’t epische en in ’t dramatische deel der moderne poëzie.
Daar, waar de dichter zijn eigen gevoel te kennen wilde geven, zijn vreugde en zijn leed, had hij het steeds gedaan en bleef hij dat doen naar de mate zijner kracht. Maar met een hartstocht, nimmer voorheen vertoond, trok hij zich thans de meest onderscheidene dingen aan, verheugde zich met al wat op aarde schoon, goed of waar was en was in zijn gansche ziel geroerd over ’t minste dat betreurd kon worden in ’t rijke leven van plant, dier of mensch. Zelfs ’t leven van gesteenten en delfstoffen in hun opkomen en vergaan scheen eene echo te vinden in ’t kloppen van ’s dichters hart. Zoo was het op ’t gebied der Lyriek.
Waar zich in vroeger jaren de schrijver voornamelijk beijverde avonturen van oorlog of liefde als geheel persoonlijk te schilderen en alleen in hoogsten ernst te behandelen, daar werd voortaan in den roman het nationale opgezocht, de historische waarheid weergegeven, de plaatselijke kleur aangebracht en de humor van den schrijver geopenbaard. Zoo werd het epische geheel tot iets anders gemaakt.
Met het Tooneel ging men nog veel meer revolutionair te werk. De oude comedie was niets dan scherts geweest, de klassieke tragedie niets dan hooge ernst.
Reeds de achttiende eeuw begon met de drama’s van Shakespeare op te hemelen en alle eer werd hun weldra gegund: die drama’s hadden weinig gemeens met de oude Grieksche en werden meer en meer als voorbeelden van dichterlijk schoon gehuldigd.
Het werd een vast gebruik, dat geestigheden en vroolijke zetten niet geweerd behoefden te worden uit welk tooneelstuk dan ook. Niet de vorsten alleen bleven de helden der ernstigste stukken, ook de kleinen en armen werden soms onder de hoofdpersonen opgenomen. De tijd, waarin de gebeurtenissen plaats hadden, werd geheel genomen, zooals men het noodig oordeelde, zoodat een tiental van jaren soms verliep tusschen het eene bedrijf en het ander. De schrijvers durfden alles te doen, wat zij maar wilden.
Groote dichters waren daarin voorgegaan. Zoo werd het Drama aan willekeur prijsgegeven. [X]
Onder de mannen, wier naam verbonden werd aan al deze vernieuwingen of aan sommige er van, werden met evenveel geestdrift als bewondering Byron en Walter Scott genoemd, Goethe en Schiller, Lamartine en Victor Hugo.
Geen wonder, dat menig student aan onze Akademiën een groot deel van zijnen tijd afzonderde om te doen wat men noemde met eene uitdrukking, die niet meer tot dien tijd behoorde: “offeren aan de Muzen!”
Zooals de jongelui in de zestiende eeuw, die in de nationale letterkunde van hunnen tijd slechts wansmaak en gebrek aan stijl konden aantreffen, zich met hartstocht wierpen op de schriften der Grieken en Romeinen, zoo wilden de beschaafde jongelui in de jaren van 20 tot 40 der negentiende eeuw, de geniale schrijvers, daareven opgenoemd, als de hoofdleiders erkennen van allen goeden smaak en als de profeten van het ware, schoone en goede.
Zelfs Bilderdijks leerlingen en bewonderaars moesten naar deze groote geesten luisteren.
De vier Leidsche studenten, in den aanvang van deze inleiding genoemd, dweepten met de helden der nieuwe letterkundige richting. Zij lazen zoo mogelijk ieder nieuw geschrift, dat in denzelfden geest viel en zij schaamden zich niet de producten uit den vreemde te importeeren. Menige bladzijde, die hen aantrok, werd vertaald, menige, gedachte, die hen trof, werd overgenomen! Ja, zij oefenden zich onwillekeurig in het navolgen van dezelfde wijze van doen.
Wat Jacob van Lennep en Izaäk da Costa niet hadden kunnen laten, hoe zouden Hildebrand, Klikspaan en Jonathan dat hebben kunnen doen?
Hildebrand en Jonathan waren in hunne prozavorming geheel onder den indruk geraakt van wat de Engelschen humor hebben genoemd. Het was dat spelen van den geest met den ernst en met de scherts, met het groote en het kleine, met het roerende en het potsierlijke. Het was het opmerken van de waarheid en van het natuurlijke in alle dingen en onder iedere omstandigheid. Het was vooral de wijsheid [XI]van den hoogontwikkelde en daarmede gepaard de hartelijkheid en innigheid van den zedelijk gemoedelijken mensch.
Zij, de toekomstige Zondagspredikers, men zou haast zeggen: bij de gratie Gods, ze konden niet de gelegenheid verloren laten gaan om in het letterkundige alledagpredikers te worden door hun vriendelijk humoristische critiek op het dagelijksch leven van vele alledaagsche menschenkinderen in hunne omgeving.
Al heeft hun vriend Vlerk het niet zoover gebracht in het aantal herdrukken tot nog toe als zij, zoo moeten wij hem toch in éénen adem met hen noemen.
Hoe men hem ook beoordeele,—en een man als Potgieter, eens de criticus van “de Gids”, beoordeelde hem niet zacht, Vlerk heeft nog meer dan zijne vrienden getoond in welke letterkundige atmosfeer hij leefde.
Hij schijnt zich te hebben voorgesteld in dit boek over Polsbroekerwoud en zijne vrienden bij elkander te geven ongeveer al wat de Romantiek in dien tijd eigenaardigs had.
Eigen, persoonlijke opmerkingen overal, humoristische uitweidingen, afgewisseld door de stelselmatige opsomming van de vier of vijf oordeelvellingen der vier of vijf reizigers omtrent al wat ze zien of beleven. Daarbij de zoete dweperij van een der vrienden, die een echt ontvlambaar jong hart bezit. Tot tegenstelling laat zich bij iedere gelegenheid de zwaartillende Holstaff hooren, die de donkerste schakeeringen der melancholie alom weet aan te brengen met een stillen wellust, eene betere zaak overwaardig. Dat alles gelijkt nu en dan op een van te voren opgemaakt stelsel, dat in alle onderdeelen uitgevoerd is naar een onwrikbaar besluit.
Zoo moeten er dan ook onverwachte avonturen plaatshebben, schaking, moeite met de policie en minstens één erg hartstochtelijk, hoogst tragisch tooneel. De persoon van Polsbroekerwoud wandelt tusschen dat alles door als een type van het oude Hollandsche burgermannetje. Dat hij een der gepromoveerde vrienden is, gewezen student en Rotterdammer van geboorte, is misschien eene kleine vergissing, want hij is veeleer een jongere broeder van Stastok, dan een vriend uit den kring van Hildebrand.
Doch, zooals hij daar treilt en zeilt, is hij een van de personen, die leven brengen en afwisseling in deze Romantische brouwerij.
Het zal menigeen niet berouwen deze reisontmoetingen te hebben ter hand genomen, ja enkelen zullen met dankbaarheid in den schrijver den opgeruimden zin herkennen van Veervlug zelven, die onder den naam van Vlerk al zijnen humor heeft willen laten uitrazen, vóórdat [XII]hij als Bernard Gewin een beroep aanvaardde naar een stil en nederig dorp.
Sic transit gloria mundi!
Hij zal weldra aan andere dingen moeten denken. “Nu moet ik Pols nog afmaken, want Frijlink wil absoluut, dat het afkomt. Uit zijn boekverkopersoogen gezien, heeft hij gelijk. Ik wou dat het uit was” zoo schrijft hij aan zijnen vriend Kneppelhout. En een weinig verder: “Wat zitten die vrienden H. en B. stil. Daar komt nooit meer iets van hen uit.” Dit doelt natuurlijk op Hasebroek en Beets, reeds lang voór hem op hunne dorpspastorie. Nu, in deze vergiste hij zich: er zou nog wel iets van hen uitkomen. Maar van Vlerk zou de Pers niets meer zien. “Ik bewaar liefst mijn incognito”, schrijft hij in een’ anderen brief aan den man, die nooit zou ophouden te schrijven, dan wanneer het hem onmogelijk worden zou.
Voortaan zou Bernard Gewin de deftigheid bewaren voor het groote publiek en doen alsof hij nooit den luchtigen Vlerk gekend had.
Arnhem, Augustus 1902.
W. F. C. van Laak.
Kennismaking met de Hoofdpersonen.
Ik ken vreemdelingen, die, van de Schiezijde Rotterdam binnenkomende, volstrekt niet verrukt waren over de entrée van den Oppert. En toch, de straat is lang en nauw en drok, de huizen zijn hoog en smal, en in een aantal derzelve wordt een koek- of broodbakkersaffaire uitgeoefend; eene menigte niet al te zindelijk gekleede kinderen beweegt zich op de stoepen, en vele moeders, die Mietje of Jantje of Klaasje roepen, stellen hare longen op eene zware proef, daar bijna altijd overrijwagens, met rammelend ijzer beladen, over de ongelijke keisteenen voortrollen. Zoo is het evenwel alleen in het begin: een weinig verder is het gewoel minder en ziet men deftige woningen het hooge dak verheffen, en vooral aan de zijde van het Turfmarktje zijn er zulke, dat men verwonderd staat, hoe zij in dit gedeelte der stad zijn verdwaald geraakt.
Die verwondering houdt evenwel op wanneer men bespeurt, [14]dat deze huizen van achteren aan de vaart voor groente- en marktschepen uitkomen, en dat aan de meesten een houtvlotje annex is, op palen in het water vastgeheid. Deze vlotjes zijn met hekjes omgeven, en over die hekjes hangen gewoonlijk theedoeken of luiers te droogen, en achter die doeken staan potten met bloemen en hier en daar eene tuinbank, en om de illusie nog te vermeerderen, hangt aan sommige achtermuren eene leeuwerikkooi of duiventil. Dit alles hebben de Oppertbewoners aan de Turfmarktzijde vooruit boven de Oppertbewoners aan de Slijkvaartzijde.
Het was dus niet vreemd, dat de oude Heer Polsbroekerwoud, toen hij na vele jaren handelens rijk was geworden, de weinige jaren, die hem tot rusten overbleven, besloot door te brengen in een huis, met houtvlot en erve, gelegen aan de oostzijde van den Oppert. Hoe gaarne had de goede grijsaard daar in zijn eigen woning zijne gade, die met hem had gezwoegd en met hem was oud geworden, bij zich gezien! Maar helaas! daags na den aankoop van het huis, stierf zij; zij zag Kanaän, en mogt het niet binnengaan. Eenzaam leefde hij dus, maar toch gerust en gelukkig, en in de zomervacantie kwam zijn eenige zoon, die een geleerde moest worden, en dus in Leyden op kamers woonde, zijne rust met hem deelen. Acht jaren mogt de oude man al dat geluk smaken. Elken dag zagen de buren hem op zijne buitenplaats, zoo als hij zijn houtvlotje noemde, te voorschijn komen, en met welgevallen staren op zijne potjes met palm, primula veris, goudsbloemen en balsamines, die elkander afwisselden en tusschen de groenhouten bakken met oguba en hortensia waren geplaatst.—En toen hij nu op een zomer-avond, onverwacht en zonder smart, op zijne buitenplaats de eeuwige rust inging, was hij gelukkig in het denkbeeld, dat zijn lieve Joachim, die juist volleerd van de Akademie was te huis [15]gekomen, de vruchten van zijnen arbeid mogt plukken, en een zorgeloos en rustig leven leiden.
En Joachim, die goed was als zijn vader, en rust beminnend als deze in het laatst van zijn leven, en huishoudelijk als zijne moeder, betrok de woning in den Oppert. Daar leefde hij een weinig minder eenvoudig dan de oude Heer, daar hij aan de Akademie geleerd had, dat een mensch meer noodig heeft, dan een burgerman wel vermoedt; maar toch, hij was matig en bedaard. Hij behoorde tot die gelukkigen, die verwonderlijk weinig hartstogten te bestrijden hebben, die eene gemakkelijke ledigheid de aangenaamste occupatie rekenen, en die even weinig dorst naar genot als naar kennis hebben.
Op een warmen zomer-avond, eenige jaren na zijne komst in Rotterdam, liep onze vriend de tuinkamer langzaam op en neder, en liet met welgevallen zijn oog gaan op de keurige rangschikking van vijf Goudsche pijpen, die met tabaksdoos, komfoor en andere rookbehoeften op de tafel waren geplaatst. Eene flesch Rijnwijn, die den hoogdravenden naam Johannisberger op de etiquette voerde, maar, blijkens den prijs en de onbekrompen vermenging met waterdeelen, waarschijnlijk niet uit den slotkelder van Metternich ontboden was, stond, door een vijftal groene glazen omringd, op een blaadje, naast de pijpen, op de tafel.
“Heeft Mijnheer nu nog iets verders te belasten?” vroeg Mijntje binnenkomende, terwijl zij met haar voorschoot een overgebleven stofje van een mahonijhouten stoel verwijderde.
Mijntje was eene bedaagde dienstmaagd, die reeds bij den ouden Heer Polsbroekerwoud gewoond had, die met vele andere zaken aan Joachim als erfdeel was nagelaten, en steeds met een oog van welgevallen den Jongenheer Joachim aanschouwde, dien zij, o zoo klein! had gekend, en nog wel op den arm had gedragen. De Jongeheer was evenwel sinds dien tijd veel veranderd, want hij was nu [16]een volwassen (schoon nog geen vijf voeten lang) persoon van 34 jaren; maar Mijntje was nog dezelfde, althans in hare gedachten, schoon de bakkersknecht zoo veel praatjes niet meer met haar maakte, en de slager niet meer zoo ondeugend was als voor 32 jaren. Maar in trouw en eerlijkheid en liefde voor de familie Polsbroekerwoud was waarlijk Mijntje nog dezelfde.
“Ik dank u, kind!” zeide Joachim, terwijl hij een knoop van zijn lichtblaauw jasje losmaakte, waardoor zijn zwart cachemiren vest zich geheel vertoonde, zonder evenwel iets meer van den merinossen (luchtigen en toch deftigen) pantalon te doen zien. “Ik dank u; de Heeren kunnen nu komen, als zij willen.”
Dit konden evenwel de Heeren, die verwacht werden, niet; want zij zaten in de diligence, die naar Rotterdam reed, en de aankomst aldaar hing meer af van den voerman, die de paarden voortzweepte, of misschien van de paarden, die aan de zweepslagen lang gewoon waren, dan van den wil der in de builkast voorthotsende Heeren.
“Maar, Mijntje!” dus ging Joachim voort: “gij weet nu, dat wij morgen op reis gaan.” (Dit gezegde van Joachim was volkomen overbodig, daar Mijntje het reeds wist, toen voor vier maanden het reisplan gemaakt was, daar zij het daarenboven in de laatste dagen bij het inpakken van ieder stuk reisgoed had gehoord, daar zij bij elke commissie had moeten zeggen, dat het haast had, omdat Mijnheer Donderdag op reis ging, enz.) “Dus, Mijntje! is nu alles goed in orde?”
“Ja, Mijnheer! alles is klaar; uw koffer gepakt; uw valies gesloten; op uw ransel heb ik de laarzen gebonden. Maar ... wat ik zeggen wilde, Mijnheer! daar is hier eene houten pijp bezorgd. Is dat ook voor Mijnheer? UE. rookt immers niet?”
“Ja, kind! dat is nu wel zoo, maar op reis leert men [17]dat misschien aan. En hier in dit land kan men al die dingen zoo goed krijgen. In Duitschland weet ik niet, of ze wel van die moffenpijpen verkoopen. In allen gevalle, ik hèb ze nu vast. Steek ze maar in het zijzakje van mijn ransel.”
Daar werd gescheld; Polsbroekerwoud keek door het raam naar beneden, en zag de vier verwachte reis-compagnons op de stoep staan, terwijl Mijntje met ijver de trappen afslofte, om de voordeur open te doen.
De Heeren nu, die gescheld hadden en per diligence van Haarlem en Leyden kwamen, om gezamenlijk met hunnen vriend Polsbroekerwoud een reisje naar Duitschland en Zwitserland te ondernemen, waren de volgende:
Eduard van Torteltak, een jongeling van 23 jaren, schoon van aangezicht en bevallig van statuur, aardig in gezelschap, maar van die schoonheid en bevalligheid en aardigheid ook ten volle bewust. Hij had het reisplan, door een der vrienden geopperd, gretig aangenomen, ja wel, omdat hij gaarne Duitschland en Zwitserland ook eens zien wilde, maar toch ook, omdat hij het effect van zijn persoon op de vreemde meisjes wilde observeren. Daarom was het hem ook niet onaangenaam, dat de compagnons, die hij bij zich zag, alle kennelijk minder mooije jongens waren en zich met minder smaak kleedden dan hij. Hij had zijn zoogenaamd los en gemakkelijk reiskostuum aan, dat hem tot nog toe evenwel zeer ongemakkelijk was; want de polonaise, die zijne taille heerlijk deed uitkomen, deed ook menigen zweetdroppel, welke zich anders die moeite niet zou gegeven hebben, uit zijne poriën te voorschijn komen.
August Holstaff, van den ouderdom van Torteltak, maar ook slechts in dit opzigt aan hem gelijk; want hij was een ingedrongen persoontje, op wiens gelaat monumenten voor eens geheerscht hebbende kinderpokken waren opgerigt. Hij had dan ook niet veel met zijn persoon op, gelijk [18]hij trouwens met niemand hoog liep, die een gewoon en dragelijk gelukkig mensch was. Maar was men een weinig ongelukkig, bijzonder indien men smart van eenen poëtischen aard had, o! dan was hij medegevoelig en medelijdende. Maar hij bleef overigens, naar den smaak van ongelukkigen, wat al te lijdelijk. Hij gevoelde niets voor de natuur, zoolang de zon helder scheen; maar als de maan was opgegaan, dan was het heerlijk. Eene bloeijende roos trok zijne aandacht niet; maar waren de bladeren door een toeval, liefst door hagel, afgevallen, dan ... o, dan!—Een heerlijk gebouw ging hij met verachting voorbij; maar eene ruïne! ... o, eene ruïne!—Zijne vrienden verweten hem wel eens, dat hij voor niets dan voor ziekelijkheid sympathie had, en dat hij nooit een frisch, bevallig meisje, maar eene sukkelende, teringachtige schoonheid voor zijne gade zou verkiezen.—August Holstaff was anders een goed mensch, alleen een weinig onbruikbaar in de zamenleving. Hij had lange, geelblonde, sluike haren, en was nooit naar de mode gekleed.
Jan Veervlug was, behalve Joachim Polsbroekerwoud, de oudste van het reisgezelschap. Hij was evenwel niet zulk een bedaard en bezadigd jongeling als deze, maar zeer opgewonden en vurig. Ontvankelijk voor den indruk van ieder oogenblik, uitte hij zich terstond, en was daarom niet altijd consequent; maar hij wist dit, en maakte daarop ook geen aanspraak. Hij gaf zichzelven geen rekenschap van de indrukken, die hij ontving, en bespaarde zich daardoor de onaangename gewaarwording van te ontdekken, dat hij met niets zijn voordeel gedaan had. Hij was een bewonderaar van al wat groot en edel was, omdat het hem trof. Hij staarde met verrukking schoone natuurtooneelen aan, wanneer ze niet te lang achtereen voor hem geopend waren: want slechts en gros kon hij genieten; en detail had hij er niets aan. Daarom was nieuwheid voor hem altijd eene [19]bekoorlijkheid. Hij kon nooit luisteren naar de bezadigde taal van zijnen vriend Joachim, dat deze hem moeijelijk vergeven kon; trouwens, hij kon naar niemand luisteren, ook niet naar zichzelven. Hij las veel en onbegrijpelijk schielijk, omdat hij onbegrijpelijk onattent las. Hij dweepte met krachtige dichterlijke taal, maar ook met hoogdravende ondichterlijke bombast. Voor het overige had hij nu en dan een aardigen inval, maar hij studeerde veel op calembourgs, en vooral op namen.
Dionysius de Morder had, behalve dat hij een weinig scheel zag, niets opmerkelijks. Hij was wel goed, maar had veel onaangenaams. Hij was wantrouwend en ontevreden. Somwijlen in kleine dingen teleurgesteld, had hij het zich in het hoofd gebragt, dat hij in alles moest teleurgesteld worden. Gebeurde dit nu en dan, o ja! hij had het wel gedacht! Maar gebeurde het niet, en liep alles mee, dan was hij ontevreden, omdat het niet uitkwam, zooals hij gedacht had. Hoe het ook ging, daar hij nooit het aangename en gelukkige opmerkte, maar zich bij voorkeur bij het contrarie bepaalde, scheen hij, anderen gelukkig en vroolijk ziende, zichzelven toe een rampzalige speelbal van een balsturig noodlot te zijn. Daar hij bij dat alles scheel zag, meende hij, dat alle menschen hem scheel aanzagen. Zag hij fluisteren, hij vreesde dupe te wezen; hoorde hij een gesprek, waarvan hij het onderwerp niet begreep, men zou hem wel bespotten. Dit een en ander maakte, dat de man voor zichzelven niet direct gelukkig was; hij was dan ook zoo gewoon, om zich ongelukkig te gevoelen en alle smarten en rampen als zijn privaat erfdeel te beschouwen, dat, was er iemand, die zijn been brak, hij zich verwonderde, dat hij zelf nog gaan kon. Brandde er een huis af, hij begreep niet door welk toeval het zijne gespaard was. Met dat al, hij was goed en hield veel van zijne vrienden, deed zelf niemand iets onaangenaams aan, en was tevreden, [20]als hij op den duur maar iemand had, die zijne klagten wilden aanhooren. Hij ging nu reizen, schoon hij overtuigd was, dat allerhande akelige reisontmoetingen zijn deel zouden zijn; dat het weer voortdurend slecht zou wezen, diligences zouden breken, logementen afbranden, steden overstroomd worden, rotsklompen hem zouden verpletteren, sneeuwvallen op hem neerstorten, gidsen moorddadige aanslagen doen, rooverbenden hem uitplunderen, en eindelijk dat niets van hetgeen hij zien zou, mooi of belangrijk zou wezen, juist omdat hij het zich mooi of belangrijk had voorgesteld.
Deze waren de personen, die vergezeld van koffers, valiezen en ransels, zich op de stoep bij den Heer Joachim Polsbroekerwoud bevonden, en, na door Mijntje te zijn opengedaan, niet zonder gedruisch te trappen opstoven.
“Dag, Pols! Dag, Pols! Dag, Joachim!” klonk het uit vier monden te gelijk.
“Dag, goede vrienden!” zei Pols zeer goedig; en nu—om iets te zeggen, dat waar doch onnoodig was, want Polsbroekerwoud zei gaarne iets dat waar doch onnoodig was—“de diligence is, dunkt mij, juist op zijn tijd aan.”
“Dat moet wel zijn,” zei Holstaff, “want de koetsier sloeg de paarden onmenschelijk. Ik had in mijne ziel deernis met de arme dieren. Ik dacht, dat zij zich dood zouden loopen.”
“Als zij dan dood toch maar geloopen hadden,” zei Veervlug, niet zonder dit gezegde nog al aardig te vinden.
“Nu, die is goed, Jan!” zei Torteltak; “maar het stoof verduiveld in die menschendoos.”
“Dat komt,” zei Joachim, “omdat het zeer warm geweest is en in geen vier dagen geregend heeft.” Deze opmerking van Polsbroekerwoud was zeer juist.
“Pols, wat zijn hier weinig mooie meisjes in de stad!” [21]ging Torteltak voort; “ten minste, ik heb niets dan dagelijksche gezigtjes gezien.”
“Je moet ook op Zondag komen, om Zondaggezigtjes te zien,” grinnikte Jan.
“Ja, maar,” redeneerde Dionysius de Morder, “het zou ook wel raar zijn, indien wij juist de mooije meisjes gezien hadden. Ik houd mij verzekerd, dat er vele zullen zijn, maar die hebben zich juist, nu wij er zijn, niet vertoond. Het is of alles er op aangelegd wordt, om mij tegen te werken. Daar is nu het weer. Nu wij het niet noodig hadden, is het helder en mooi. Wacht maar! als wij het behoeven voor een heerlijke landstreek, dan zou het mij verwonderen als het niet regende of mistte.”
Deze redenering van Dionysius de Morder was zoo in zijn gewone manier en werd niet geïnterrumpeerd, daar Torteltak terwijl zijne polonaise met een klein zakborsteltje schoonmaakte, en zich niet kon begrijpen, dat de spiegel bij Polsbroekerwoud in zulk een donkeren hoek hing; daar Holstaff nog altijd aan de arme paarden dacht en zuchtte; Veervlug op een jeu de mots peinsde, dat niet lukken wilde, en Joachim veel te goedhartig was, om iemand in de rede te vallen, en daarenboven niets wist om zijn vriend in een goede luim te brengen.
Intusschen kwamen de Heeren tot zitten, tot pijpenrooken en tot Rijnwijndrinken. De goede Polsbroekerwoud voorzag in alle behoeften, en ging daarin met de meest mogelijke bedaardheid, maar tevens met zijne gewone bedrijvigheid te werk. Eindelijk kwam hij tot rust, en nu op zijn gemak gaande zitten, of liever op zijnen stoel wippende, hingen zijne beenen met eene zekere ongedwongenheid van dezelve neder, en eindigden in een paar groote voeten, met hooge schoenen omgeven, tusschen zich en den grond juist zooveel plaats overlatende, als een soort van voetbankje voor den particulier gemakkelijk zoude doen schijnen. [22]Evenwel zonder voetbankje wist hij toch zijn evenwicht te houden, en daarom te gemakkelijker, daar hij zijn linkerarm om de achterleuning van zijn mahonijhouten stoel had geslagen. In die positie dacht het aan Joachim Polsbroekerwoud goed, tot de verzamelde Heeren te zeggen: “En zoo gaan wij dan morgen op reis.”
En nu volgde een zeer lang discours tusschen de vijf reiscompagnons over allerhande zaken, die vroeger reeds besproken waren en nu nog nader werden bepaald. Nu onderzocht men elkander, of er niets vergeten was, en Joachim bleek degene te zijn, aan wiens equipement niets ontbrak; hij had in alles voorzien, wat maar ooit te pas kon komen. Zijne kleederen waren de kleinste, en toch was zijn koffer de grootste van allen; maar ook hij alleen had een potje Spijkerbalsem en een doosje linnen, indien een van zijn vrienden soms in Zwitserland van een berg mogt vallen en zich bezeeren; hij alleen had Hofmansdroppels, voor die zich niet zou bezeeren, maar schrikken; hij had Schotsche pillen en magnesia; veiligheidskoorden, indien er in een logement brand mogt komen; hulpmiddeltjes tegen ongedierte; bouillonkoekjes en poederchocolaad, en de Hemel weet, wat er meer in den koffer, het valies en den ransel van Joachim Polsbroekerwoud te vinden was.
De reis zou den volgenden morgen per stoomboot beginnen. Pols had den klapperman doen waarschuwen, dat hij wekken zou; Veervlug wou opblijven; Torteltak vond, dat men dan te veel geëchaffeerd zou wezen. De opgewondenste van de reizigers dweepten over hetgeen zij zien zouden; de Morder bereidde zich voor op de hem wachtende teleurstellingen; Pols keek zijn lijstje van de beste logementen nog eens na.
“Ha!” riep Veervlug uit: “daar zullen geen acht dagen verloopen zijn, voordat wij “het kleed van bloemen, wingertsblad en arien zaamgeweven,” waarmee Duitschland [23]den koningsvloed omgordt, aanschouwen. Dan zullen wij den doorluchtigen Rhijn met de woorden van onzen grijzen Bard gegroeten:
“Gij schijnt een aerdsche regenboogh,
Gekleet met levendige kleuren,
En tart den hemelschen omhoogh,
Die hierom nijdigh schijnt te treuren.
De blaeuwe en purpre en witte druif
Verciert uw stedekroon en lokken,
En muskadelle wijngertkuif;
De vlieten staen met wijngertstokken
Rontom u, druipende van ’t nat,
En offren elk hun watervat.”
“En dan,” zuchtte Holstaff, “zullen wij op Rolandseck aan den getrouwen Ridder denken, die twee jaren uit zijne hermitage op Frauenwerth tuurde, waarin zijne geliefde Hildegond verkwijnde. En dan zullen wij den nacht in het somber en eerwaardig klooster van Nonnenwerth doorbrengen....”
“Neen,” viel Pols hem in; “daar is het duur en slecht. Belle-Vue te Godesberg is een oneindig beter logement.”
“Voor het goedkoop moet men nooit in hotels gaan,” zei de Morder, “en al geeft ge handen met geld uit, ’t is er nooit dragelijk, laat staan aangenaam.”
“Het meest stel ik mij voor,” zei Torteltak, “van Ems en Baden-Baden, die ruime fashionable courzaals, die schitterende bals, en dan bovenal de lieve delicieuse badgasten, die coquette Françaises, die smachtende Duitschen, die levendige Italiënnes. Wacht maar, lieve kinderen! Wij spreken elkander nader:
“Quand mon coeur a fait un choix,
La belle doit se rendre.”
ging hij neuriënde voort, zijne donkere lokken opstrijkende.
“En dan het Schwartzwald en de Rigi,” ging Veervlug voort. [24]
“Als de Haarlemmerhout en de Hemelsche Berg maar niet interessanter zijn!” bromde de Morder. “Het zou mij verwonderen, als dat alles zoo heel mooi was.”
“Als wij daar de zon zien opgaan,” ging Veervlug voort, “en dan langzamerhand die reuzengebergten in volle pracht en majesteit te voorschijn komen, en wij Zwitserland als ware het ééne vallei vol meeren en stroomen aan onze voeten zien.”
“Dat moet toch nog al een koude expeditie zijn,” zei Pols; “ten minste ik heb wel gehoord, dat de reizigers zich dan van de wollen dekens als jassen bedienen.”
Veervlug hoorde hem niet, maar ging voort: “O mijne vrienden! als wij na afloop der reis nog eens bij elkander zitten, zooals wij hier zijn.”
“’t Zal wel wonder zijn, als wij allen behouden terugkomen,” mompelde de Morder.
“Dan zullen wij ons al die heerlijke tafereelen, die onze oogen aanschouwd hebben, nog eens voor den geest roepen. Dan verplaatsen wij ons nog eens op de Vierwaldstädtersee met haar water, helder als kristal en blauw als het azuur des hemels. Hoe zal dan onze verrukking zijn, als wij maar den naam Zwitserland noemen!”
Pols maakte een einde aan die uitroepen en bespiegelingen, door aan de vrienden te vragen, of zij van garnalen hielden, en gaf intusschen aan Mijntje den last, om die met de salade en het koude vleesch boven te brengen. Hij zou wel voor een soupétje gezorgd hebben, maar dat zou bezwarend zijn, en zij moesten vroeg op. De vrienden namen in alles genoegen, en na een en ander genuttigd te hebben, legden zij zich in ledekanten, bedsteden en kermis bedden neêr, en Polsbroekerwoud sliep in het volle vertrouwen in, dat de klapperman Mijntje, en Mijntje hem, kwart voor vier ure zou roepen, om klokke zeven op de stoomboot te kunnen zijn. [25]
De stoomboot van Rotterdam naar Nijmegen.—Ontmoetingen met bekende en onbekende personen.—Polsbroekerwoud occupeert zich met vele menschen en zaken.—Torteltak wordt verliefd.—Veervlug heeft onaangenaamheden.—Holstaff weent met de weenende.
Polsbroekerwoud sliep evenwel weinig. Het denkbeeld van zulk eene reis te aanvaarden was voor den bedaarden burgerman te veel, dan dat hij daarvan het effect niet in zijne droomen zou gewaar worden. Voeg hierbij de garnalen, waarvan hij dol veel hield en die hij copieus gebruikt had, en gij zult u niet verwonderen, dat de man een slapeloozen nacht had, zich gedurig omkeerde, zijn hoofd uit het bed stak, om te zien of de dag nog niet aanbrak, en dan weêr poogde een klein slaapje te nemen. Maar als het hem dan na veel woelens gelukte, dan benauwden akelige droomen zijn geest: nu eens hoorde hij de schel van de stoomboot luiden, en hij kon onmogelijk klaar komen; dan weder kwam Mijntje, zoo hij meende, boven, daar hij wakker genoeg was, om te merken, dat hij nog geheel ontkleed was, en zij zag hem en profond negligé, en Mijntje bloosde, en Joachim zelf bloosde. Met een schrik ontwaakte hij, en [26]gelukkig! hij was alleen, en het was nog donker. Niet voor op het laatst van den nacht sliep hij gerust in, en hij zou zich, met al zijne onrust en bezorgdheid, nog verslapen hebben, indien de nachtwacht niet aan de commissie van Mijntje en het toegezegde kwartje had gedacht. Maar toch, die publieke spreker, die altijd weet, dat hij weinige, en dan nog gewoonlijk slaperige of onopgewekte, toehoorders heeft, verlangt steeds, dat zijne welluidende stem gehoord en zijne vertrouwelijkheid met de stadsklok bekend worde aan wie het maar hooren wil, en bezit de middelen om zijne woorden ingang te doen vinden bij den hardnekkigsten sluimeraar. In ’t kort, Mijntje was spoedig wakker en gekleed; ook Pols ontwaakte, toen de welbekende stem hem wekte, en eenigen tijd daarna zat hij met zijne vrienden aan de ontbijttafel, schoon de meesten bleek zagen, geeuwden, en er een was, die dat vroeg opstaan een akelig reisinconveniënt vond.
Nu marcheerde het vijftal op. Mijntje kon nauwelijks een traan bedwingen, toen haar brave Heer voor zoo lang wegging, en dacht dat zij het wel eenig zou hebben. Pols vond Mijntje toch eene goede meid; de andere vrienden waren zeer weinig gevoelig voor hare verdiensten, en zeiden dus niets; maar allen stapten zij met stevigen tred naar de stoomboot: Pols zorgde voor de bagage, en nu wachtte men maar met ongeduld, tot het sein van vertrekken zou gegeven worden.
In de meeste reisbeschrijvingen, die in de laatste jaren het licht zagen, staat aangeteekend, dat een opmerkzaam aanschouwer, bij het vertrek van diligences en stoombooten, veel kan opmerken omtrent karakters van menschen; dat men uit de wijze van afscheidnemen soms het doel der reize kan gissen enz. Zoo zal het nu dan ook geweest zijn, daar de stoomboot, met vele passagiers beladen, ook vele betrekkingen van die passagiers op den kant achterliet; [27]maar daar geen onzer reizigers zich bepaaldelijk heeft bezig gehouden met de waarheid dezer opmerking te onderzoeken, heeft ook geen hunner mij iets bepaalds dienaangaande medegedeeld, hetwelk mij reden genoeg is om er hier niets bepaalds over neêr te schrijven.
Ik zeide reeds, dat er vele passagiers aan boord waren. Met de meesten occupeerde de hofmeester zich meer dan onze vijf reizigers; sommigen evenwel zullen ons nader bekend worden. Onze vrienden vonden in ’t begin, dat zij zich onderling genoeg konden bezighouden; maar—hoe het aankwam weet ik niet—het discours kwijnde spoedig. Nu en dan keek men naar een medereiziger, die een vreemden pet droeg, of door iets dergelijks attentie trok; men wandelde eens heen en weder; sommigen gingen eens beneden kijken, en zoo geraakten de vrienden langzamerhand uiteen, behalve Pols en Dionysius, daar de laatste in een lange redenering aan den eersten betoogde, dat eene stoomboot niet gauw voortging en een onaangenaam vaartuig was; dat eene diligence dan toch nog beter wijze van vervoer was, en dat men dan zoo geen nood had, dat de ketel sprong. Hij beweerde, dat de boot voor Sliedrecht wel zou vast raken, schoon het water nog al hoog was, en wat dies meer zij van aangename verwachtingen. Joachim luisterde lang, en wederlegde nu en dan eens met goedhartigheid, zonder evenwel ooit zijnen vriend tot andere gedachten te brengen.
“Maar mijn lieve tijd!” (dit woord “lieve tijd” was een favoriet-woord van Pols, die, nooit vloekende, deze aanroeping aan den Tijd evenwel zeer gepast vond, en daardoor toonde, dat hij van het werkje der Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen, Schuitpraatje over het vloeken, misschien eenig nut, maar van het Koffiepraatje over de Stopwoorden zeker geen nut gehad had) “maar mijn lieve tijd! is dat mijn vriend Dikhorst niet?” En werktuigelijk stak [28]Pols zijn kleinen arm uit, en bood zijne hand den naderenden Dikhorst aan.
Dikhorst nu was een van die menschen, die alleen geschikt zijn om op stoombooten, diligences of publieke plaatsen te ontmoeten. Ik geloof daarom niet, dat er velen waren, die iets tegen den man hadden, maar ik zou ook niemand kunnen opnoemen, die iets bijzonders voor hem gevoelde, behalve misschien zijn oude tante, wier eenige bloedverwant hij was,—zijn barbier, wiens hulp hij dagelijks behoefde,—en de hondenvriend, die tweemaal ’s weeks zijn poedel, Caro geheeten, moest wasschen; want Dikhorst was even zindelijk op zijn hond, als op zichzelven, en dus kon men beiden tweemaal ’s weeks gewasschen en helder aanschouwen. De man had in Leyden gestudeerd, en zes jaren lang daar met Caro geleefd. Hij dronk dagelijks een bittertje op de Societeit, wandelde elken middag, na op zijne kamer gegeten te hebben, een Leyderdorperhekje om, en wandelde nog veel meer, maar binnen de stad, doch altijd alleen vergezeld van Caro; zoodat men de gewoonte had, als men hen beiden zag aankomen, te zeggen: “Daar komt de club van Dikhorst aan!” Caro evenwel had, gedurende zijn verblijf in Leyden, veel conversatie aangeknoopt met andere Akademische honden. Men zou zich vergissen, indien men om dit alles dacht, dat de man volstrekt in verachting was. O neen! iedereen groette hem. “Bonjour, Dikhorst!” zeide elk oud en jong student, die hem tegenkwam; maar het viel niemand in, om nader kennis met hem te maken, en Dikhorst zelf scheen daaraan geen behoefte te hebben. In de Societeit vroeg hij wel eens om de post van de courant, keek nu en dan eens naar een paar dominospelers (schoon hij in zijn Akademietijd zich daaraan niet schuldig maakte, want Caro, veel ongeleerder dan zijn medepoedel, de beroemde Munito, verstond dat spel slecht), vroeg wel eens aan Toon, of er geen nieuws was, en verliet [29]dan de Societeit, fluitende en roepende: “Hier, Caro!”—Polsbroekerwoud, die ook in Leyden gestudeerd had, Dikhorst gedurig op straat ontmoetende,—want ook hij wandelde veel—vond zich gedrongen om kennis met hem te maken. Op zekeren tijd liet hij zich op den Leyderdorpschen weg door hem achterhalen, en beantwoordde zijn groet van “Bonjour” met een: “Zoo, Dikhorst! hoe maakt gij het?”—Deze recontre bevreemdde den baas en verbaasde den hond. De eerste kwam schichtig naar hem toe; de laatste snuffelende. Pols entameerde een discours, door het weêr in deszelfs aangezicht te prijzen,—zette dit voort, door naar Caro’s ouderdom te informeren,—en zoo, daar een en ander beantwoord werd, wandelden de nieuwe vrienden de Hoogewoerdspoort binnen, over de dingen van den dag redenerende, in welke wijze van redeneren Pols ongemeen te huis was. Zoo kwamen zij voor de kamers van Joachim, die, nu stilhoudende, op eens tegen zijn wandelcompagnon zeide: “Gaat gij meê theedrinken?”—“Met plaisir,” zeide de ander, die Caro riep; doch deze, hieraan ongewoon, wilde geen vreemden trap opklimmen, zoodat zijn baas gedwongen was hem naar boven te slepen. Maar nu bedacht Dikhorst zich onder weg, dat hij nog geen een der menigvuldige aangeknoopte en weêr afgebroken discoursen begonnen had, en hij rekende het zich tot pligt, ook iets in het midden te brengen. Daar hij nu een Litterator was, en nog al veel nieuwe Oude Litteratuur las (met regt de nieuwe Nieuwe litteratuur verachtende, als misselijke voortbrengselen van “Cabriolenmakers”), zei hij tot Pols, zoodra hij op de kamer kwam: “Kent ge Hirschig over Seneca?”
Nu was deze vraag voor Joachim zeer moeijelijk te beantwoorden; want hoe goed Jurist hij ware, daar hij al de dictaten in het net overschreef, Litterator was hij niet. En daarenboven, door de menigte dictaten, die hij bezat, was [30]hij langzamerhand in het denkbeeld geraakt, dat gedrukte boeken minder noodig waren voor studerenden, en had hij ook in die overtuiging het Kosterfeest met ongemeen weinig opgewondenheid gevierd. Maar zijne vriendschap voor sommige Boekverkoopers, bij wien hij nu en dan thee dronk, hield hem terug dit gevoelen aan anderen meê te deelen. Integendeel, hij had bij die theeschenkende vrienden vele titels van boeken gezien en hooren noemen, en maakte van die kennis nu en dan gebruik; maar helaas! Hirschig over Seneca had hij nooit gezien, nooit hooren noemen. Wat nu te antwoorden? Ha! hij had nog, meende hij, met Hirschig gestudeerd, en dus kalm en peinzende zeide hij: “Hirschig, bij naam, ja.”
“Een gulden boeksken! een gulden boeksken!” zei de andere. “Hier, Caro!”
Pols vond het ongepast dit discours verder voort te zetten, en door zijn gordijntje open te schuiven, kreeg hij aanleiding tot Dikhorst te zeggen: “Hoe vindt ge het uitzigt hier?”—Dikhorst vond het mooi; want door een hoekspiegeltje kon men de geheele Papengracht, van Gravenstein af tot de Breedestraat toe, zien. Pols vond het daarenboven nog al een kalme stand, niet te veel passage; en toen hij met zijn nieuwen vriend dit onderwerp afgehandeld had, sprak hij over de wijze van theezetten, over het preferabele van armstoelen boven anderen, over het beter koop van pleeten theelepeltjes dan zilveren, over melk, melkboeren, melkemmers en schalkachtige anecdotes van melkmeisjes, en vele andere zaken, die aan Pols kwamen in te vallen.—Dikhorst vertrok; Pols beloofde hem ook eens op te zoeken, en gedurende de nog overige Akademiejaren, voor den Litterator twee in getal, toen hij privaat promoveerde, en Caro terwijl hij den hondenvriend zond, is Pols nog viermaal bij Dikhorst, en deze nog driemaal bij Pols geweest. [31]
Daar zagen zij elkander na vijf jaren afzijns weder. Welk een wederzien! Dikhorst greep de hand van zijn besten Akademievriend, en schudde die met groote schudding. “Wel Pols, hoe gaat het je?”
“Mij stilletjes, man! Ik woon te Rotterdam. Ik ben gepromoveerd, maar ik practiseer niet.—Waar hang jij uit?”
Dit was nog een losse studententerm van Pols, die evenwel begrepen werd door zijn vriend, en beantwoord in een verhaal, hoe hij eerst huisonderwijzer geweest was, daarna een jaar niets om handen had gehad, en nu Praeceptor was in Zeeland; en hoe hij in de groote vacantie eens een uitstapje ging doen naar Gorkum, en over Woerkum zou terugkeeren. Op eens brak hij zijn verhaal af door te roepen: “Hier, Caro!”
“Wat! leeft Caro nog?” zei Pols. En waarlijk, daar kwam Caro aan; maar, ach! hij was oud geworden, en hij werd in Zeeland zoo dikwijls niet gewasschen als zijn baas; dus was Caro in verval, en had juist een schop gekregen van een reiziger, omdat hij, de eens zoo zindelijke Caro, nu niet meer zindelijk was.
Maar daar Dikhorst laat naar bed was gegaan, ging hij nu nog wat slapen, om frisch in Gorkum aan te komen, en Pols vervolgde zijn discours met Dionysius, die nog veel ten nadeele van stoombooten had in te brengen.
Terwijl was Torteltak, die eens naar beneden gegaan was, om te kijken, beneden gebleven, en eerst toen men Dordrecht was voorbijgevaren, kwam hij weêr boven, maar niet alleen. Een oud Heer, met een wijden, zwarten rok, ridderorde, bril, hoed met breeden rand, lichtblaauwen pantalon, eenigzins opgeschort, en lage schoenen, vergezelde hem. De vrienden, die Torteltak in zulk gezelschap zagen arriveren, waren verbaasd, want slechts zeer zelden werd hij met een oud Heer gezien, en hunne verbazing nam [32]nog toe, daar zij opmerkten, dat hij zóó beleefd en voorkomend voor den man was, als hij alleen voor minder jaren en liever sekse gewoon was te zijn. Maar Pols, die nieuwsgierig een weinig was vooruitgedrongen, deed hunne verbazing eindigen, door meê te deelen, dat Torteltak aan den ouden Heer gezegd had: “Dunkt u niet, het zal voor de dames boven warm genoeg wezen?”
De oude Heer, die met onzen vriend bij den stuurstoel genaderd was, scheen het met dezen eens te wezen; doch minder driftig en geëmpresseerd dan hij, vond hij het niet noodig, zoo terstond weêr in de kajuit neêr te dalen, maar keek terwijl hij den rand van zijnen breed geranden hoed nog met zijne hand verbreedde, met een zeer deftig gelaat het luchtruim in, als wilde hij zich oriënteren, welke manoeuvre, door Torteltak nagevolgd wordende, hem, die zijne hand niet gebruikte, en geen breeden rand om den hoed had, belet werd door de stralen der helderschijnende zon. De oude Heer keek zeer lang, en even wijs als wijlen de Phenicische schippers bij nacht den sterrenhemel fixeerden, om hunne rigting niet uit het oog te verliezen. Eindelijk daalden zijne oogen tot de aarde neder, en het zij de blaauwe lucht, het zij de nabij zijnde torenspits, hem op dat denkbeeld bragt, hij uitte de gissing: “Wij moeten niet ver van Sliedrecht zijn!”
“Willen wij dan de dames niet waarschuwen, Mijnheer?” vroeg Torteltak ongeduldig; “want zoo iets geeft nog eenige variatie.”
“Wel ja, dat kunnen wij straks wel doen,” antwoordde de oude Heer heel geduldig. “Maar wat ik zeggen wilde, UEd. gaat van daag ook naar Nijmegen?”
“Zoo is ons plan,” zei de ander, tot den trap der kajuit genaderd.
“Ik heb berekend,” sprak de oude Heer, tot wanhoop van Torteltak de kajuit voorbij stappende, “dat wij er tegen vijf ure kunnen zijn.” [33]
“Ja, dat moet wel wezen,” zei de jongeling, steeds op zijne plaats blijvende staan, en nu besluitende den ouden Heer tot hem te doen komen. Maar deze, die nog steeds geen de minste haast had om naar beneden te gaan, riep Torteltak, met wien hij reeds gemeenzaam geworden was door een anderhalf uur lang discours in de kajuit, waarin hij hem ontwikkeld had, in hoeverre de Engelsche handel aan den Hollandschen nadeelig was. Deze had alles met een engelengeduld aangehoord, om den wil van de zeer aardige dochter des handelaars, die ondertusschen in eene aangename rust gezonken was, schoon de oogen des verliefden jongelings alles in het werk gesteld hadden, om de dame eer onrustig dan rustende te doen worden. Hij was daarom door deze eerste mislukking niet uit het veld geslagen, en beklaagde het lieve kind in zijne ziel, dat zij, in plaats van haars vaders handelsdiscoursen, niet liever zijne vleijende complimenten mocht aanhooren. Hij had eindelijk den ouden Heer naar het dek gelokt, zich voorstellende, in de vrije lucht bevrijd te zullen worden van verdere mededeelingen, en bereidde zich om een vervelend kwartier met mama te passeeren, in hoop van daarna een triomf op het hart der dochter te behalen. Maar helaas! de vader was te zeer ingenomen met des jongelings oplettend toeluisteren. Hij verbeeldde zich, schoon zijne gade hierin met hem van gevoelen verschilde, dat zijne jaren, pruik en bril hem interessant maakten. Hij gevoelde al “het belangrijke van een zestigjarigen leeftijd,” en, schoon hij nooit iets in de wereld gepresteerd had, hij kon spreken van de revolutie van ’95; hij had den vreeselijken Tiran, in ik weet niet welk jaar, door de havens van Rotterdam zien varen; hij wist van een tijd, toen men cichorei voor koffie gebruikte, en de suiker zoo duur was, dat iedereen verbitterd werd. Wat wonder dus, dat hij zich een hoogst belangwekkend wezen beschouwde voor een jongeling, die [34]nooit eene revolutie had beleefd dan die van 1830, die nooit een tiran gezien had, die nooit cichorei had gedronken, en nooit suiker gebruikt, duurder dan 50 cents het oude pond. Ach! hij vergat, dat zoovelen, helaas! van dien tijd wisten te spreken, en dat nooit papa’s, ooms, neven, bejaarde nichten, goede kennissen, schoolmeesters, bakers, en allen, die maar eenigzins belangrijk oud zijn, verzuimen, den jongelieden deze wetenswaardige zaken meê te deelen. De oude heer Korenaar (want hij was het, die, met zijne gade en dochter Ambrosine, door Torteltak was aangetroffen) had dus niet nagelaten, in het belangrijk gesprek over den Engelschen en Hollandschen handel, deze dingen in te vlechten, en Torteltak had hem met een goedwillig: “ha, hoe interessant!”—“ijselijk, hoe duur!”—“ach, hoe treurig!”—ondersteund.—Maar was het dan nu ook vreemd, dat de jongeling met papa naar beneden wilde gaan en de dames naar boven inviteren?—En toch, hij moest nog langer geduld hebben; maar één belangrijk ding moest de oude Heer mededeelen: voor de machine moest hij aan Torteltak bekend maken, dat in zijne jeugd de stoombooten nog niet waren uitgevonden; dat men toen twee lange dagen noodig had om van Rotterdam naar Nijmegen te reizen; dat men in een bolderwagen naar die plaats, in een wagen van zessen over dien zandweg moest, dat het zooveel geld kostte; dat de herbergen op weg nog niet waren ingerigt als de tegenwoordige; en toen dit alles afgeloopen was, besloot de veel sprekende oude Heer, met aan den zwijgenden jongeling te vragen: “En hoe oud ziet ge mij nu aan?”—Torteltak hield hem voor diep in de zestig, maar daar hij wist, dat men, na de vijf en twintig jaar gepasseerd te zijn, gewoonlijk liever voor jonger aangezien wordt dan men is, antwoordde hij zeer beleefd: “Zoo wat een vijftig jaren.”
“Neen, Mijnheer!” zei de oude Heer: “doe er nog een [35]kruisje bij, dan ben je er nog niet; ik ga in het najaar in mijn vierenzestigste.”
Torteltak wilde juist zeggen, dat dit hem frappeerde, dat hij zijne jaren met eer droeg, of iets dergelijks, toen hij eensklaps, tot zijne verbazing en vreugde, de dames aan zijne zijde zag, en mama, die de laatste phrase verstaan had, hoorde zeggen: “Ja, het is al een heele leeftijd; wij verschillen ook achttien jaren.”
Zoo was het dan op eenmaal aan Torteltak duidelijk geworden, welken ouderdom de Heer en Mevrouw Korenaar bereikt hadden; en daar Mevrouw later in het gesprek te kennen gaf, dat zij een zoon had, die ouder was dan Ambrosine, en twintig jaren telde, en nog eene dochter, die de jongste was, van bijna achttien, meende hij daaruit veilig te kunnen opmaken, dat hij in Ambrosine eene negentienjarige schoonheid aanschouwde. Deze leeftijd had altijd iets heel aanlokkelijks voor hem, en hij verschilde hierin met zijn vriend Polsbroekerwoud, die bij voorkeur zijn hof maakte aan dames boven de dertig, omdat deze hem in het discours te gemoet kwamen, zijn persoon niet zoo bijzonder klein schenen te vinden, en evenmin op te merken, dat hij tot die rampzalig ongelukkigen behoorde, die altijd onder een slechten kleermaker gebukt gaan.
De wenschen van Torteltak waren nu vervuld. Mama en dochter waren boven en bleven boven; men liet vouwstoeltjes komen, zocht een plaatsje, waar het niet erg tochtte en de zon niet te fel brandde, hoedanigen men op eene stoomboot weinig vindt; en de oude Heer scheen wat van zijn discoureren te zullen rusten, daar hij uit een schildpadden koker een cigaar en gouden pijpje deed te voorschijn komen, terwijl hij met een schaartje de punt van het tabaksrolletje afknipte. En nu zich in rookwolken hullende, bereidde hij zich, als een gehoorzaam gemaal, die 18 jaren ouder is dan zijne dierbare wederhelft, om, terwijl [36]deze sprak, aan te hooren, of ten minste te zwijgen.
Mama Korenaar deelde nu, in vele bijzonderheden tredende, aan onzen jongen vriend mede, hoe zij, 20 jaren oud zijnde, haren tegenwoordigen echtgenoot had leeren kennen. “Ik logeerde toen,” zoo sprak zij op een langzamen toon, aan alle syllaben den vollen eisch gevende, en vooral de laatste, die op n eindigden, bijzonder drukkende, “bij eenen oom, bij wien Korenaar heel groot aan huis was; en, zoo als het dan bij jonge menschen gaat, het eene woord kwam uit het andere, en eer ik er aan dacht, waren wij geëngageerd. Ik had wel partijen kunnen doen met jongeren; maar ik heb altijd op ware verdiensten gelet, en Korenaar had een uitgebreiden zeehandel, schoon die in de laatste jaren niet vooruitgegaan is; maar anders, klagen hebben wij Goddank niet, en wij kunnen onze kinderen ook nog wel een stuivertje meêgeven, en dat is ook genoeg. Die groote rijkdommen brengen niet altijd geluk aan.”
Torteltak knikte toestemmend, sprak van andere dingen, die wezenlijk geluk aanbrengen, en gluurde naar de dochter, die bescheiden voor zich zag.
“En daarenboven, het is niet alles goud wat er blinkt,” ging mama voort. “Ik ken er wel, die den naam hebben van heel rijk te zijn, en als men het eens op den keper kon beschouwen, zou het misschien bitter tegenvallen.—Och, Ambrosine! wil je eens even mijn parasol van beneden halen; want het is toch nog al zonnig.”
Ambrosine ging naar beneden, hoewel Torteltak natuurlijk opvloog, en zich zeer gelukkig zou gevoeld hebben die dienst te bewijzen. Maar mama zeide, dat haar dochter hare parasol kende en hij zich ligt zou vergissen, en nam de gelegenheid waar om tegen Torteltak van hare lieve dochter te spreken. “Die Ambrosine is zulk een goed meisje, Mijnheer! Niets is haar ooit te veel. Wanneer ik haar iets vraag, zij is altijd gereed. Nu, indien ik het zeggen [37]mag, wij hebben haar ook eene goede opvoeding gegeven. Zij spreekt zoo beelderig Fransch, en kent wat Engelsch ook. Zij teekent zoo heel lief, en speelt waarlijk mooi op de piano, schoon zij nog zoo jong is. Mijnheer Bax, de dansmeester, zegt, dat hij nooit zoo gracieus heeft zien dansen; en de catechiseerjufvrouw—Korenaar, hoe heet die catechiseerjufvrouw ook weer?—nu, die zegt, dat ze ook heel godsdienstig is. Ik zeg altijd, het is wel mijn eigen dochter, maar als Ambrosine ooit trouwt, dan kan de man, die haar krijgt, wel zeggen, dat hij een lot uit de loterij heeft getrokken. Ze is ook zoo huishoudelijk, dat ik mij haast met niets te bemoeien heb, en...”
“Daar, mama, is de parasol. Wilt u ze ook opzetten?”
“Dankje, lieve Ambrosine! de zon is nu al weer een weinigje weg. Maar à propos! heb je geen teekeningen bij je? Ik geloof gemerkt te hebben, dat Mijnheer veel van teekeningen houdt.”
“O, indien het niet te veel gevergd ware!” zei Torteltak.
“Maar, mama! denkt u, dat ik die nu meêgenomen heb? en daarenboven, ik ken er zoo heel weinig van!”
Hier waagde de heer Korenaar het, om dit discours af te breken, door op den toren van Gorkum te wijzen, en iets over de vestingwerken te zeggen, welke interruptie door de dochter met eenen lieven glimlach beantwoord werd, en door de moeder met een dito, minder lief dan grimmig; doch de oude Heer, die zoodanigen reeds velen gezien had, gedurende den langen tijd, dat hij gehuwd was geweest met zijne egade, die achttien jaren jonger was dan hij, ontroerde niet bijzonder sterk. Torteltak vond, dat gezegde gezigtsplooi aan mama geen nieuwe charme bijzette.
Mijnheer Korenaar vond het gepast, op te staan en naar het voorste gedeelte der stoomboot te gaan, om alzoo eene scheepslengte dichter bij Gorkum te wezen. Hij schaarde zich daar onder de menigte, die op stoombooten altijd belang [38]stelt in de plaatsen, welke men passeert; en zijne wederhelft verzelde hem, na aan Torteltak en Ambrosine verzocht te hebben hunne plaatsen te bewaren. Nu mogt dan de jongeling eindelijk zelf het discours leiden; en daar hij alleen door stilzwijgen en toeknikken het hart der oude lieden gewonnen had, gevoelde hij, dat hij een anderen weg moest inslaan, om dezelfde overwinning bij de dochter te behalen. Gaarne zouden wij onze lezers veel van dit gesprek meêdeelen; maar het had geene getuigen, en Torteltak hield het voor ons steeds geheim. Wij weten dan ook niets, behalve dat Pols, die nieuwsgierig om hen heen gedwaald had, bij zijne eerste omwandeling Torteltak heeft hooren zeggen, “dat hij zou wenschen haar nooit gezien te hebben, zoo deze eerste maal ook tevens de laatste moest zijn;” en bij zijne tweede omwandeling Ambrosine: “Gij zult papa altijd aangenaam wezen.”—Misschien zal het vervolg der geschiedenis ons nadere opheldering geven.
Men was Gorkum voorbijgevaren. Eenige passagiers waren tegen anderen uitgewisseld. Voor Dikhorst, vier commis-voyageurs, drie tweede luitenants, twee bejaarde dames en Caro, had men een Rus, een bejaard majoor met zijn vierjarig klein dochtertje, en een koopman, die voor zijn genoegen en geheel zonder wasdoeken pakjes reisde, terug ontvangen. De oude Korenaar en zijne gade bekwamen gelukkig nieuwe vouwstoeltjes, want de anderen waren door de jonge lieden onattent bewaakt; maar de goede mama Korenaar was hierover niet knorrig. Ieder ging voort met zich op zijne wijze te amuseren, of niet te amuseren. Pols was nu ook tot zitten gekomen, en in gezelschap met Veervlug, De Morder en een Luitenant van de koloniale troepen. Men praatte, lachte, morde en streek de knevels op. Veervlug was heel vrolijk, en dronk zijn tweede glaasje bitter, daar zij Loevestein voorbijvoeren, op Hugo Grotius, of, gelijk hij hem noemde, den Grooten [39]Huig, die een type was van de harmonie der vijf faculteiten. Pols, als een oud student, riep: “Bravo!” De Luitenant van de koloniale troepen boog met een verbaasd gelaat. Pols begon een discours met hem over de garnizoensplaatsen, en vroeg hem, of hij wél gecantonneerd geweest was; de Luitenant vroeg hem excuus, en zeide, dat hij bij de troepen voor de Koloniën diende. Pols vroeg of hij campagnes gemaakt had; de Luitenant vroeg hem andermaal excuus, en zeide, dat hij steeds te Harderwijk was.—Alles ging goed; maar, helaas! daar ziet Veervlug bij toeval, dat de Luitenant rood haar, een bleek gelaat en een blaauwen uniformhals heeft, en kan niet nalaten aan De Morder eene aardigheid van eene Hollandsche vlag in te fluisteren. De luitenant hoort het woord Hollandsche vlag, en ziet de vrienden, vooral Veervlug, uitbundig lachen, denkt dat de vlag beschimpt wordt, en meent voor het wapperend dundoek partij te moeten trekken. Verwoed staat hij op: “Ik ben Officier in Hollandsche dienst, Mijnheer! Ik zal de Hollandsche vlag tot mijn laatsten ademtocht verdedigen!” Pols tracht hem te bevredigen en op zijn stoel terug te trekken. De Luitenant stoot hem terug; het vouwstoeltje kantelt—Pols verliest zijne balans—zijn stroohoed vliegt in het water—zijn lichtblaauw jasje scheurt. Een edeldenkend commis-voyageur raapt hem op, en verwijdert zich voorzichtig met hem van de plaats des gevechts. Maar Joachim wil terugkeeren, om nog meer te bevredigen; doch gelukkig is de strijd spoedig geëindigd. De woede van den Luitenant is geweken; want Veervlug heeft zich zoo goed mogelijk verontschuldigd, en daarenboven, de Officier was buiten adem (zoo als Veervlug naderhand grinnekende aan Torteltak vertelde); dus had hij de vlag tot zijn laatsten ademtocht verdedigd. Pols kwam dus juist bij tijds, om de Madera voor de verzoeningsdronken te bestellen. [40]
Torteltak had dit alles in de verte aangezien, als iemand, die zich over het gedrag zijner vrienden schaamt, en wenschte zich (evenwel mèt Ambrosine) honderd mijlen ver. Intusschen, wij moeten het tot zijne eer zeggen, indien het geval erger geworden was, hij zou zich niet aan het gevaar onttrokken hebben; want was hij een onstandvastig minnaar, toch was hij een standvastig vriend.

Het avontuur op de Stoomboot.
Holstaff had evenwel niets van dat alles gemerkt; want hij zat in de voorkajuit. Hij had namelijk, van het begin der reize af, naar menschen gezocht, die hem interessant voorkwamen, dat is: die hij voor ongelukkig mocht houden. Maar hij had op het dek niets dan vrolijke gezigten gezien, en beneden zag hij Engelschen, die verachtelijk gerust sliepen; zijn ergernis steeg ten top, toen hij een gelukkig jong paar zag, dat dus (naar de Morders berekening) nog geen volle week kon gehuwd zijn. In eene onaangename stemming verliet hij de eerste rangen, en hoopte in de voorkajuit gelukkiger te zijn, waar hij meer ongeluk vooronderstelde, schoon, helaas! daar moeijelijker van poëtischen aard. Bijna waren evenwel al zijne nasporingen vruchteloos, toen hij eindelijk duidelijk hoort zuchten. Pijlsnel daalt hij neder, en waarlijk, daar ziet hij aan de tafel eene vrouw niet jong meer, want zij heeft rimpels, en grijze haren komen door haar mutsje te voorschijn. “Zij zal toch nog niet oud zijn,” denkt hij; “maar de smart zal dat, eens zoo gladde, voorhoofd doorploegd hebben; die haren kunnen in één nacht grijs zijn geworden.” Zuchtende neemt hij plaats tegenover haar, en ziet haar van tijd tot tijd aan. In het begin had de oude vrouw hem naauwelijks opgemerkt, maar toen zij den welgekleeden jongeling aanziet, rijst zij uit hare achtelooze houding op, en wil het op den schoot gevallen breiwerk opnemen. Nog één oogenblik, en alle illusie ware voor Holstaff verloren geweest; want het denkbeeld van eene breijende ongelukkige wilde er niet [41]bij hem in. Was het nog borduren geweest bij een ellendig lichtje, met verzwakte oogen en vermagerde vingeren; maar breijen....
“Neen, neen vrouwtje! laat mijne komst u in uwe overdenkingen niet storen! Ik eerbiedig uwe smart; want gij zijt ongelukkig.”
“O ja, dat ben ik wel!” zuchtte de vrouw.
“Ongeluk is ons deel, moedertje! wij zijn op aarde om te lijden.”
“Maar men kan toch gelukkig wezen, Mijnheer! Ik was het zelve eens; en daar zijn er, die nooit behoeven te treuren. Maar ik wil ze niet benijden.”
“Neen, wat ik u bidden mag, benijd ze niet! Het is ongelukkig om altijd gelukkig te wezen.”
De vrouw zag bevreemd op. Zij begreep hem niet.
“Niet waar?” ging Holstaff voort: “toen gij gelukkig waart, hebt gij u niet kunnen begrijpen, dat er zooveel zoets in de smart is.”
“Dat weet ik niet, Mijnheer! maar dit weet ik: eens was ik heel gelukkig; nu ben ik heel ongelukkig.”
“Maar toch, gij moet u daarom niet beklagen; gelukkig, wie voor ongeluk vatbaar is! Maar kan ik door medelijden u troosten?”
“Ach! wat zoudt gij mij troosten, Mijnheer! misschien is uw hart wel goed. Gij ziet, Mijnheer! ik ben oud (Holstaff schrikte; dus niets van subiete vergrijzingen enz.); het zal zoolang niet meer met mij duren; dit is mijn beste troost. O, kon ik maar iets voor mijn zoon, voor mijn goeden Pieter gedaan hebben!—Ja, Mijnheer! ik had voor drie jaren nog vijf kinderen, en voor zes jaren mijn man nog, en wij leefden zoo vergenoegd, en wij hadden ons dagelijksch brood. Maar toen mijn man dood was, toen is de zegen uit mijn huis gegaan. Mijne drie meisjes en mijn Willem zijn aan de cholera gestorven, en toen hield [42]ik niets over dan mijn Pieter. Een knappe jongen was altijd mijn Pieter, en iedereen hield veel van hem, en Dominé zei altijd, dat hij zoo heel best leerde, en hij zou acht dagen na Sint Jan in zijn zesentwintigste jaar gegaan zijn. Hij ging bij ons, te Nijmegen, op het schoenmaken, en de baas was ook zoo tevreden. Maar toen is die baas verleden jaar ook al gestorven, en toen is Pieter naar Rotterdam gegaan, daar hij een anderen baas kon krijgen, en toen moest ik te Nijmegen blijven, want daar had ik mijn vaste huizen, om aan de wasch te helpen en te strijken en te plooijen. En mijn Pieter schreef mij in het eerst alle maanden een brief met zijn eigen hand, en zoo kostelijk geschreven, dat mijn Neef Jacob altijd zei, dat hij voor ondermeester had moeten leeren. Maar op het laatst schreef hij mij niet meer, en ik hoorde niet meer van Pieter, dan zoo te hooi en te gras. Maar nu, overmorgen zal het veertien dagen worden, toen kreeg ik een brief van zijn baas, dat Pieter op den dood leî, en ik nam gauw het beetje spaargeld, dat ik had, meê, en mijn mans horlogie nam ik ook meê, dat ik Pieter na Sint Jan had willen geven voor zijn verjaardag, en ik ging naar Rotterdam, en toen ik er kwam, was hij net den vorigen avond gestorven. En, Mijnheer! ik heb mijn geld gegeven en mijn mans horlogie verkocht, om hem een eerlijke begrafenis te geven; en nu heeft de kapitein van de stoomboot, die mijn man en Pieter zelf nog wel gekend heeft, mij voor niet meêgenomen. En was de jongen nog maar dood, zooals mijn meisjes en mijn Willem! Maar de vrouw van den baas heeft mij gezeid, dat Pieter te Rotterdam op slechte paden gegaan is en dat hij geen Dominé heeft willen hebben, toen hij op zijn laatste leger leî. En de baas heeft zijne vrouw wel bekeven, omdat zij het me gezeid had; maar Pieter zou het er nu toch niet beter om hebben, al had ik het niet geweten. Zie je, Mijnheer! nu zeg ik, als [43]Koning David van Absalom: “Ach! ware ik in uwe plaats gestorven!” En Koning David is altijd bedroefd geweest over Absalom, meer dan over al zijne kinderen, die hij in het graf had, en zoo zal ik ook altijd over mijn Pieter treuren.”
De oude vrouw had haar verhaal onder het storten van vele tranen geëindigd, en Holstaff had met haar geweend. “Ach!” zeide hij, “wat is de aarde een tranendal! Mochten dat al die vrolijke menschen begrijpen! Eene keten van jammeren verbindt de wieg des menschen aan zijn graf. Moedertje! geef mij de hand! ik lijd met u; ik wil met u weenen.”
“Mijnheer! komt u dineren?” vroeg de hofmeester, binnenkomende. “De soep is gediend.”
“Ja, ik ga meê.—Nu, vrouwtje, ik zal u straks nog wel eens komen bezoeken.”
“Wilt gij ook wat te eten hebben?” vroeg de hofmeester aan de oude vrouw.
“Dank je wel, kastelein!” zei de vrouw, want zij had geen geld; maar zij had toch ook geen honger.
Het zou er in de groote kajuit schraal voor Holstaff hebben uitgezien; want daar waren overdadig veel gasten, en de hofmeester had niet overdadig veel eten. Maar Pols, die voor zijne vrienden, als eene moeder voor hare kinderen, zorgde, had zich op twee stoeltjes naast elkander geplaatst, om er een voor Holstaff te bewaren. Hij had met hetzelfde doel twee borden soep genomen, en zoo vond August, binnenkomende, een warm stoeltje en koude soep. Zijne aandoeningen beletten hem evenwel, om naar eisch dankbaar te zijn, schoon niet om zeer spoedig de vrienden in te halen en zich in tijds eene verbazende portie roastbeef toe te dienen. Al de vrienden aten smakelijk, schoon De Morder het eten infaam slecht vond, en het wel verwacht had, omdat hij het altijd zoo trof. Pols [44]vond, dat het waarlijk nog al schikte, en schoon er niet te veel eten was, prees hij den hofmeester, dat er niet nog minder was; alleen hinderde het hem, dat men zoo verbazend schielijk at. Veervlug merkte hierop aan, dat op eene stoomboot alles door stoom moest gaan. Holstaff zeide, dat zijne aandoeningen hem belettenden met smaak te eten, en vroeg eene tweede portie roastbeef. Torteltak at weinig; want hij zat naast Ambrosine, en Ambrosine was engelachtig.
Na het diner spoedde men zich, om in de vrije lucht te komen; men voer Bommel voorbij, waar men den Luitenant van de Kolonialen verloor, die eene oude tante ging bezoeken. Pols vond het nog al aangenaam, dat zij van dien driftigen reisgenoot bevrijd raakten; want hij had vrees, bij eene nieuwe scène ook zijn paardenharen petje te verliezen, en het lichtblaauw jasje, dat door de hand van des hofmeesters vrouw luchtig aaneengehecht was, kon geen nieuwen aanval weêrstaan. Het diner en een glas wijn had anders den goeden man weêr tot zichzelven gebragt; doch hij kon niet nalaten er nog eens bedaard met Veervlug over te praten. Deze hield staande, dat niet hij, maar drie glaasjes bitter, de oorzaak van ’s mans verbittering waren geweest, en Pols, die niets anders verlangde dan bevredigd te worden, berustte gemakkelijk in die explicatie.
De nog overige uren tot Nijmegen werden door den ouden Heer Korenaar (wiens gade sliep) besteed, om eene zeer belangrijke geschiedenis uit zijne jeugd aan Torteltak mede te deelen; doch daar dezelfde oude Heer dezelfde historie nog eens, en nagenoeg in dezelfde bewoordingen, aan al onze vrienden te Kleef heeft verhaald, zullen wij ze op die plaats neerschrijven, daar dit Hoofdstuk toch nog al lang is geworden.
Holstaff was nog eens naar de voorkajuit gegaan, maar had de vrouw in gesprek gevonden met den bejaarden [45]Majoor, die haar op de best mogelijke wijze troostte, die naderhand boven kwam, en, aan de passagiers de historie mededeelende, eene kleine ondersteuning voor de arme weduw vroeg. Velen gaven met genoegen eene aalmoes. Holstaff zeer misnoegd; want geld te geven aan ongelukkigen scheen hem toe, de smart te ontheiligen. Pols zeide, dat, indien de vrouw te Rotterdam kwam wonen, zij dan alle weken vrijdags, een dubbeltje bij hem kon halen, maar gaf nu toch met vreugd een halven gulden. Torteltak gaf veel; want hij was verliefd, en Ambrosine was getroffen. Mevrouw Korenaar raadde Mijnheer, om er te Nijmegen eerst naar te onderzoeken. De Morder gromde en liet een kwartje vallen; de edeldenkende commis-voyageur raapte het kwartje op, en voegde er een pietje van zichzelven bij (hoedanige geldstukjes hij velen bij zich had). De bejaarde Majoor bracht zijne collecte aan de oude vrouw; en daar hij steeds voortging, om haar op eene verstandige wijze te troosten en zooveel mogelijk hoop voor haren Pieter te geven, was de vrouw, toen zij te Nijmegen aankwam, weêr een weinig opgebeurd. Al de reizigers verheugden zich hierover, en bejegenden den bejaarden Majoor met veel achting. Maar Holstaff zuchtte en zeide: “Ja, wel te recht zegt La Fontaine: ‘Wij moeten het meest treuren, omdat onze smart niet eeuwig duurt.’”
En weldra waren onze vrienden, benevens de familie Korenaar, in een druk en vrolijk logement geëtablisseerd. [46]
Een rustige avond en een onrustige nacht te Nijmegen.
De omstreken van Nijmegen hebben dit boven de stad zelve vooruit, dat zij bijzonder mooi zijn. Indien gij daar dus arriveert, en gij hebt een paar dagen den tijd, en een vriend, die het wel met u meent, dan zal hij niet verzuimen eene calêche te doen inspannen en met u naar Berg en Daal te rijden; is hij daarenboven gul en vrolijk, dan zal hij u in kennis brengen met den Steinberger kabinetwijn en den opgewonden kastelein aldaar; en wanneer gij over Ubbergen en Beek zult zijn teruggekeerd, en veel gesproken en gelagchen hebt, zult gij aangename souvenirs van uw Nijmeegsch tourtje verzameld hebben. Maar indien gij geen goede vrienden bezit en geen tijd hebt om een ordentelijk uitstapje te maken, dan benijd ik uw lot niet, zoo gij langer dan twee uren in Nijmegen moet vertoeven. Dit laatste was nu het geval met Polsbroekerwoud en zijne vrienden. Zij hadden besloten, zich goed te amuseren, en moesten zich tot eene wandeling naar Belvédère bepalen; en daar zij nog tijd over hadden, maakten zij het plan, om daarna een uurtje door het beroemde, maar hun onbekende [47]Kalverbosch te kruisen. Dit laatste werd evenwel niet ten volle geëffectueerd, daar zij spoedig bemerkten, dat men dit bosch in minder dan vijf minuten door en door kan leeren kennen, en men, om langer tijd daarmeê door te brengen, óf steeds denzelfden weg moet gaan, óf den bedaarden tred der slakken aannemen, die zich in gemeld bosch in overvloed bewegen. Zij kwamen dus spoedig in hun logement terug, en hadden daar goede gelegenheid en ruim tijd om uit te rusten, eer het souper werd aangerigt. De zakboekjes werden uitgehaald en het reisjournaal begonnen; maar men stond verbaasd, dat men zoo weinig had op te teekenen, en Polsbroekerwoud was genoodzaakt punctum te zetten op de vijfde bladzijde van zijn journaal in folio, hoewel hij eene beredeneerde opgave gedaan had van de waarde der spijzen en dranken, die men in den loop des dags, deels uit behoefte, deels uit weelde, deels uit verveling, had gebruikt. Uit welk oogpunt hij de vier flesschen Rijnwijn, die men nog vóór het souper gebruikte, beschouwd heeft, is mij niet uit zijne aanteekeningen gebleken. De wijn werkte bij deze gelegenheid meer op de oogleden dan op de tong, en het was nog geen half elf geslagen, toen zij de zaal verlieten en zonder verwijl hunne slaapkamers betrokken.
Pols bemerkte dadelijk toen hij in bed kwam, dat Mijntje het niet voor hem had opgeschud. Hij deelde deze opmerking aan Torteltak mede, die met hem op ééne kamer sliep. Maar deze sloeg hierop weinig acht; want hij bereidde zich voor, om van Ambrosine te droomen, en, aan haar denkende, wakker te worden.
En Ambrosine?—Wij hopen, dat zij goed zal gerust hebben. Zij was pas negentien jaren oud, en zal dus later nog gelegenheid genoeg gehad hebben, om slapelooze nachten door te brengen.
[48]
Omtrent middernacht scheen alles in een diepe rust verzonken te wezen. Zoo beschouwde het althans de knecht, die, zijne redenen hebbende om iedereen te doen ontwaken, zulk een geweld op de kamerdeuren begon te maken, dat de slaap bij alle reizigers oogenblikkelijk zijne heerschappij aan den schrik en de verwarring overliet.
“Zeg eens, vriendje! wat moet dat?” zei Polsbroekerwoud, de deur van zijne kamer openende. “Het is duidelijk, dat gij u vergist, want wij hebben verzocht om niet voor zeven ure geroepen te worden.”
“Wat vergissen!” zei de knecht: “ziet ge dan niet, dat het huis hiernaast in lichtelaaije vlam staat?”
Pols keek op, en zag in den gang geen brandend huis, maar door de ramen een eenigzins suspecten gloed. “Dat is weergaês lastig,” zeide hij; “dan zou dit logement ook wel eens gevaar kunnen loopen.”
“Dacht ik het niet!” riep De Morder, zijne kamer uitstuivende: “nu zullen wij allen nog levend verbranden. ’t Is ongepermitteerd. Wij kunnen zeker de trappen niet meer af.”
“Ik zeg immers niet, dat dit huis in brand staat,” riep de knecht, steeds op kamerdeuren bonzende. “Kleed u maar aan. Ik kan voor niets instaan.”
“Dat is anders niets,” zeide Pols, “al is de trap afgebrand. Ik heb een veiligheidskoord bij mij, en wij kunnen het raam dan nog uit. Wij moesten daarvan in alle geval maar gebruik maken.”
“Is er brand?” riep Torteltak. “Hemel, Jan! en die dames, daar van Numero 5?—Zeg dan toch, Jan! zijn die dames gered?”
“Wees bedaard, mijn vriend!” riep Pols. “Hier heb ik het koord al.” En waarlijk, daar kwam de man aan, met een vervaarlijk groot kabeltouw, van knoopen en een haak voorzien. [49]
“Loop naar den duivel met uwe koorden!” vloekte de ander, terwijl hij zijne elegante chamberlouc omsloeg en in drift zijne lokken arrangeerde; “ik wil het lieve meisje redden.”
Pols vond dezen uitval van Torteltak wel niet heel lief, maar vergaf het hem toch gaarne, omdat hij in deze oogenblikken geene lieve gezegden kon verwachten; hij liet dus den jongeling voortspoeden om dames te redden, en bereidde zichzelven om voor het goed te zorgen, waarvan de anderen geen werk schenen te maken. Hij liet ze dus aan hun lot over, maar verzocht hen vriendelijk, om toch bedaard te wezen en zich niet te veel te agiteren.
Daar heerschte evenwel noch onder de vrienden, noch onder de overige reizigers, de door Pols zoo zeer begeerde kalmte. Ook in de kamer der familie Korenaar scheen die te ontbreken. Daar evenwel was de mare niet zoo onverwacht gekomen. Mevrouw was wakker geworden, had eene ongewone drukte gehoord, en gemeend een brandlucht te bemerken. Ontsteld stond zij op, trok haren echtgenoot bij een arm het bed uit, en naderde met hem het venster. Daar zagen zij de vlammen, die het naaste huis verteerden. “Hemel, Korenaar! wat zijn wij in gevaar!” riep zij wanhopig: “dat komt ook van die Kleefsche reizen.”
“Maar, bout! waart gij het dan niet, die zoo op dat reisje aangedrongen hebt?”
“Maar ik heb niet aangedrongen, om in een logement te gaan naast huizen die ’s nachts uitbranden.”
Dit argument was te forsch voor den ouden Heer. Hij trachtte zich te verontschuldigen; doch Mevrouw verbood het hem: “Kleed u, in ’s Hemels naam, maar aan, en maak voort; of wilt gij nu ook nog dat uwe vrouw en uw arm kind verbranden?—Ambrosine, lieve kind! word toch wakker!” [50]
“Wat is er, wat is er?” riep deze, haar lief kopje uit de gordijnen stekende. O! had Torteltak haar zóó gezien met dat lieve blosje op de wangen, en die oogjes nog dronken van slaap, hij zou waarlijk hebben moeten bekennen, dat het nachttoilet haar beter stond dan Mevrouw hare Mama, schoon deze eene echte kant en Ambrosine maar een neigetje om de muts had.
“Sta op, mijn kind! sta op! daar is brand. Schielijk! sla uwen mantel om.—Korenaar, wat talm je toch! haast u dan, in ’s Hemels naam!”
Bons, bons! klonk het op de deur. “Mijnheer, sta spoedig op!” riep de knecht.
“Dames, dames! haast u, wat ik u bidden mag!” riep weldra eene andere stem, die door Ambrosine herkend werd.
“Ja, wij komen!” riep Mevrouw, en deed de deur open. Torteltak nam Ambrosine bij de hand, en trok haar voort. Mama volgde, met pakjes beladen, nog roepende: “Korenaar, kom dan toch! maar vergeet je horologie niet.”
Zonder hulp van veiligheidskoorden—want de trap stond nog zoo pal, alsof er in het geheel geen brand in de buurt was—kwamen al de reizigers beneden, en snelden de voordeur uit, om te zien, op welke hoogte de zaken stonden. Polsbroekerwoud had in den gang een kruiwagen opgemerkt, en begon nu al de koffers en valiezen van zichzelven en zijne reiscompagnons naar beneden te slepen. Hij was geheel gekleed, behalve dat hij zijne slaapmuts voor de nachtlucht had opgehouden; het veiligheidskoord had hij om zijn middel gewonden, om het altijd bij de hand te hebben. Met ongewone vlugheid klom hij de trappen op, waarvan hij telkens beladen weêr neêrdaalde. Hij lette weinig op de menschen, die om hem heen woelden en draafden, als zij hem maar niet in den weg kwamen, en dan was het: “Wat ik u bidden mag, een weinigje plaats; maar wees toch bedaard! Op mijn [51]woord, die agitatie is meer hinderlijk dan nuttig.”
Eindelijk had hij alles bijeen op den kruiwagen, en krood nu den zwaren last met moeite voort, zich eenen weg banende door de menigte, die toegesneld was, om den brand te helpen blusschen, of door hunne tegenwoordigheid de blusschers in den weg te staan. Een eind wegs kon hij voortgaan; maar weldra zag hij zich aangehouden door een serjant van de schutterij, die in functie was, hoewel hij een phantasie-kostuum scheen te dragen, en die, de zilveren strepen op zijne mouw, dat teeken van uitgebreide magt, zoo lang daar geen zilveren schouderbladen present zijn, aan Pols vertoonende, met eene barsche stem vroeg: “Waarheen?”
“Dat weet ik niet, vriend! Ik red mijn goed maar uit den brand!”
De serjant scheen het uiterlijke van de koffers meer gedistingueerd te vinden dan dat van Pols; althans hij voegde hem toe: “Wat jou goed? Je ziet er mij wel naar uit, om met een dozijn zulke koffers te reizen. Laat jij dat goed maar staan, mannetje, en zoek een goed heenkomen.”
Dit zeggende, greep de serjant, ongewoon om magt uit te oefenen en nu verheugd een schitterend feit te kunnen verrigten, Pols bij den arm, en wilde hem van zijn goed verwijderen. Gelukkig evenwel kwam gedurende die worsteling een welgekleed Heer naderbij, en vroeg: “Wat is hier te doen?”
De serjant keek den ondervrager eerst brutaal aan, maar veranderde weldra zijn gezigt, en nam zijne chacot zeer beleefd af, daar hij in dien heer iemand herkende, wiens kleederen hij poetste en wiens boodschappen hij verrigtte, wanneer er geen brand was, en hij dus geene schitterende uniform droeg.
“Eene schreeuwende onregtvaardigheid,” riep Pols. “Ik [52]ben Joachim Polsbroekerwoud van Rotterdam. Ik ben hier voor mijn plaisir. Ik red mijn goed en dat van mijne vrienden, en deze soldaat hier wil mij hierin verhinderen. Maar ik zal naar den Burgemeester gaan. Ik wil dat mij regt geschiede.”
“Blijf maar hier bij uw goed,” zeî de Mijnheer, “of breng het naar uw logement terug. Zij zullen straks den brand wel meester worden. Stoffel! ik zou dien Heer maar laten gaan.”
“Alderbest, Mijnheer!” zeî de serjant, die in het dagelijksch leven Stoffel scheen genaamd te worden.
Gedurende dit gesprek had een dienstvaardig Nijmegenaar, die geene klare denkbeelden van het jus possessionis scheen te hebben, den last voor Polsbroekerwoud een weinig verligt, en een der valiezen naar zijne woning, die ver van den brand in een achterbuurtje was gesitueerd, in veiligheid gebragt. Pols bemerkte dit eerst den volgenden morgen, toen hij, bij het nazien van het goed, zijn valiesje met linnen gevuld miste. Hij moest zich dit verlies getroosten; want daar de edelmoedige achterbuurtbewoner niet eens een fooitje voor het dragen had gevraagd, kon hij moeielijk zijn goed op het spoor komen, en hij droeg dit, om langdurig oponthoud voor te komen, ook maar niet aan de policie op.
Terwijl dit eenige huizen van het logement plaats had, was er niet minder beweging voor de woning, die in lichtelaaije vlam stond. In kleine steden heeft men zoo weinig gelegenheid om dergelijke geimproviseerde illuminatiën te zien, dat, als het dan ook eens plaats heeft, iedereen zich verpligt acht daaraan te adsisteren. In groote steden, vooral in de hoofdstad, waar men zulke dingen meer gewoon is, verschijnen bij zoodanige gelegenheden alleen de stilzwijgend genoodigden; als daar zijn: de geattacheerden aan de brandspuiten, de schutters die het [53]piquet hebben, de zakkenrollers,—in één woord, de zoodanigen, die daar in functie moeten wezen. Onder de dilettanten ziet men gewoonlijk alleen de naaste geburen en heel enkele van de alleropgewondenste vuuraanbidders. Terwijl occupeert zich niemand van de overige inwoners met zulke zaken, die hen niet aangaan, behalve de torenwachters, die het alarmdeuntje wel slapende kunnen spelen, en de nachtwachts, wie het woordeke brand in de keel verroest is. Maar nu in Nijmegen! De gansche populatie was op de been. Niemand, dan die door gebrekkigen ouderdom of lamheid aan huis geconsigneerd was, bleef in zijne woning; dames en négligé, zoo als zij zich anders alleen aan hare kameniers vertoonden,—kameniers en demi toilette, zoo als zij gewoonlijk slechts door de lakeijen gezien werden,—mannen en vrouwen, in hetgeen zij maar het digtst bij de hand vonden, gehuld,—snelden naar het vroeger onopgemerkte, nu zoo belangwekkende huis. Zelfs de moeders meenden, dat zulk een schouwspel hare zuigelingen zou interesseren; althans zij drongen met zoodanige schepseltjes voorwaarts. “Het was op dien weg,” om in dagbladenstijl te spreken, “eene voortgolvende massa, een digte phalanx; de straat was eivol.”—Verscheidene particulieren wisten reeds zeker de oorzaak van den brand, schoon de bewoners van het huis zelve die nog niet gisten. Sommigen hadden den vorigen avond, ja ’s middags al, iets branderigs geroken, en zoo veel wisten weêr anderen van goederhand, dat het huis veel te hoog geassureerd was.
Intusschen waren eenige brandspuiten in werking geraakt, en overstroomde het water, dat voor de brandende woning gedestineerd was, de straat; want eene kenmerkende eigenschap van de slangen eener brandspuit is, dat zij lek zijn. Een veel te groot aantal armen bewoog de pompen, en een veel te groot getal schutters, om orde te houden, was aanwezig. Het ontbrak ook geenszins aan commando’s, [54]die elkander lijnregt tegenspraken, en dus had ieder onderhoorige eene schoone gelegenheid om te gelijk gehoorzaam en ongehoorzaam te wezen. Verscheidene stemmen trachten elkander te overschreeuwen; in ’t kort, het geweld en rumoer, dat een brandtooneel regt levendig maakt, ontbrak ook nu niet.
Onder de menigte toeschouwers, die eene zoogenaamde goede plaats hadden, bevonden zich ook onze reizigers. Mijnheer Korenaar had zijnen bril opgezet, en sloeg met aandacht de vlammen gade, die zich om de balken kronkelden, totdat zij door de nederstortende zoldering voor een oogenblik werden uitgedoofd, om daarna met vernieuwde kracht weêr te voorschijn te komen. Ambrosine leunde op den arm van Torteltak, en beefde van angst en ontzetting. Zij klemde zich nader aan den jongeling, als gevoelde zij bescherming te behoeven, en die liever bij hem te moeten zoeken dan bij Mama, die haar aan de andere zijde vasthield, en vele onnoodige jammerkreten uitte. De Morder stemde met haar in, dat het toch waarachtig eene ijselijkheid is, om wanneer men één nacht in eene stad logeert, dan zulke dingen te moeten treffen. Hij wond haar overigens op, door haar te verzekeren, dat men den brand nog in geen tweemaal vierentwintig uren zou meester worden, dat misschien de geheele stad wel eene prooi der vlammen zou worden, en dat straks zeker de brandende balken op de hoofden der menigte zouden neêrstorten. Veervlug staarde het tooneel met verrukking aan, sprak van den vuurkoning, die thans alle elementen beheerschte,—van massa’s water, die in vloeijende vuurstroomen werden opgelost,—en eindigde alle dergelijke uitboezemingen met den uitroep: “Prachtig schouwspel! Verrukkelijk! Heerlijk!”—Een zeer hardhandig Nijmegenaar naast hem, geenszins in zijne verrukking deelende, en van zijne overige uitroepingen niets begrijpende, vond het gepast [55]hem in deze uitroepingen te storen, door hem een klap voor den mond te geven, welke handgreep, Veervlug eenigzins pijnlijk aandoende, tot vrij hevige onaangenaamheden aanleiding gaf. Gelukkig was het, dat de foule hen een weinig van elkander afdrong; anders weet ik niet wat de gevolgen zouden geweest zijn: want Pols, nog steeds met de koffers bezig, was niet tegenwoordig om te bevredigen. Holstaff stond, met één grooten traan in ieder oog, het akelig tooneel te aanschouwen. “Ach! ach! hoe ijselijk!” riep hij uit. “Die bloeden van kinderen, die nu in dit huis zullen verbranden, en die hopelooze ouders, die hunne dierbaarste panden op zulk eene vreeselijke wijs verliezen, en ze niet kunnen redden,—voor al het goud van de wereld niet kunnen redden! Die ongelukkige kinderen, geheel omringd door onmeêdoogende vlammen—den dood voor oogen—zonder hunne ouders—alleen—die arme, arme bloeden!”

De gestoorde nachtrust.
“Hou toch je mond van die arme bloeden van kinderen!” gromde een burger hem toe. “Denk jij, dat wij hier de menschen laten verbranden? Daar zijn geen kinderen in huis. Daar waren maar twee oude luidjes en eene meid, en die zitten al een uur in veiligheid.”
“Geen kinderen!” mompelde Holstaff: “een raar huisgezin zonder kinderen. “Nu, ik kan het niet helpen. Dan verliezen die menschen alleen hun goed. Ik dacht dat zij veel ongelukkiger waren.”
Het huis was intusschen tot den grond toe afgebrand; doch daar het stil weder was, en men de noodige voorzorgen voor de andere huizen nam, bepaalde zich het onheil tot die eene woning. Ten half vier ure was men, den brand geheel meester, en zag men langzamerhand de menschen aftrekken. De reizigers keerden weêr in hun logement; velen bleven uit voorzigtigheid beneden, waar eenigen op sofa’s en stoelen insluimerden, terwijl anderen, [56]onder een calmerend kopje thee, over den brand van dien nacht, over de oorzaken en gevolgen redeneerden, en ieder hunner een of meer dergelijke scènes had bijgewoond, zeer geschikt om onder zulke omstandigheden te worden meêgedeeld en aangehoord, maar ook evenzeer geschikt om verder geheel te worden vergeten. [57]
Verblijf der reizigers te Kleef.—Zij maken kennis met interessante landgenooten en naburen, spreken over menschen en zaken in gebonden en ongebonden stijl, en bereiden zich voor, te worden vergast op een verhaal van den ouden Heer Korenaar.
Het nachtelijk avontuur te Nijmegen behoorde voor onze reizigers niet tot de vermakelijkste ontmoetingen; maar hen daarom ongelukkig te noemen, zoo als sommigen hunner zich verbeeldden te zijn, is misschien een weinig roekeloos omspringen met een term, die op vele omstandigheden des menschelijken levens met meer regt kan worden toegepast. Het is wel onaangenaam, als men meer geld dan gewoonlijk besteedt, om ’s nachts behoorlijk te kunnen slapen, die duurgekochte rust te moeten opofferen, om niet misschien levend te verbranden; maar moet men zulke brandtooneelen in een belendend huis zien opvoeren, dan heeft dat in een logement dit voor, dat men zich gemakkelijker en zonder veel schade kan verwijderen, terwijl iemand, die onder dezelfde omstandigheden rustig zijn eigen huis in zijne eigene stad bewoont, doorgaans te veel wil redden, en zich daardoor aan aanmerkelijke schade [58]blootstelt. En daarenboven vertrekt een reiziger den volgenden morgen, zonder dat hij lang aanschouwer behoeft te zijn van de treurige ruïnes en, wat bijna even erg is, toehoorder bij de menigvuldige verhalen, die nog wel een week na het ongeluk moeten uitgestort worden. Hij behoeft niet te vernemen, dat zijn goede kennis A bijna door een brandspuit overreden is, dat het bij B maar een duim breed gescheeld had, of hij was door een gloeijenden balk verpletterd; dat C brandgaatjes in zijn zwarten rok meent te ontdekken, schoon hij in zijn bruinen jas bij de vuurscène tegenwoordig was. Hij behoeft zijne deelneming niet te betuigen, wanneer zijne zenuwachtige vriendin P. hem verhaalt, dat zij zoo allerijselijkst geschrikt was, en dat zij niet anders meende, of haar eigen huis stond in brand. Hij is ontslagen om visites te ontvangen van Q of Z, die hem zouden vragen of hij den brand ook gezien had, dat hem vooral onaangenaam zou wezen, daar hij bijna door Q is omvergeloopen, en Z hem in de foule zeer gevoelig op de teenen heeft getrapt. Hij zal niet bedroefd worden door op de societeit te ontdekken, dat Spanje en het Oosten vergeten, en het biljart en domino genegligeerd worden. In één woord, hij behoeft zich niet in zijne kamer op te sluiten, om niet van verveling te sterven.
Gelukkig waren dus ook onze reizigers, die voor zoo vele rampzaligheden bewaard bleven, en reeds den volgenden middag, na een aangenaam tourtje, bij Roberts te Kleef aan de publieke tafel dineerden. Zij zaten daar rustig en op hun gemak; want daar het nog in het begin van het saizoen was, waren de logementen nog niet opgepropt vol. Het was daar nu beter voor menschen, die, om rust te genieten, het gewoel ontvlugten, dan voor die met hetzelfde doel het gewoel opzoeken. Mevrouw Korenaar scheen tot deze laatsten te behooren; althans zij vond, dat zij het heel ongelukkig troffen. Daar waren nog kamers [59]au premier te krijgen, behalve die zij besteld hadden, en de knechts hadden een lui leven, want zij konden het nog bijhouden om de logés te bedienen. Ambrosine vreesde heimelijk, dat zij in Kleef niet zulke aangename kennissen zou maken, als het geval geweest was op de Nijmeegsche stoomboot. Misschien oordeelde zij voorbarig; want zij had aan de table d’hôte toch reeds drie zeer solide gekleede Goudenaars en eene Delftsche familie met zeven kinderen ontmoet. Een der Goudenaars was zeer spraakzaam, en de zeven Delftsche kinderen waren zeer woelig, de Delftsche papa zeer kinderbedervend, en de Delftsche mama heel slordig. De Goudenaars verhaalden veel van de hemelhooge bergen, die zij bij Kleef beklommen hadden, en hadden het met de Eunomianen en vele kleine tourtjesmakers gemeen, dat zij het bereiken van den hemel voor heel gemakkelijk hielden. Zij hadden kennelijk vergeten, of misschien nooit geweten, dat Enceladus en zijne medereuzen, schoon zij ook bergen, van meer omvang dan de Kleefsche, op elkander gestapeld hadden, toch den hemel nog niet hadden kunnen beklimmen. Ook Ambrosine was misschien van deze proefneming onbewust; althans Mama had, bij de vroegere opnoeming van hare qualiteiten, niet van ervarenheid in de oude fabelleer gewag gemaakt; maar zij had toch wel eens gehoord van bergen, met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, en misschien klopte haar hartje van angst, daar zij gehoord had, dat Torteltak zoodanigen moest beklimmen; dus kon zij weinig achting en opgewondenheid gevoelen voor de Goudenaars, daar zij ze vergeleek met den jeugdigen held, die met vreugde van zulke ondernemingen sprak, zonder nog eens hoog daarvan op te geven. Torteltak scheen met Ambrosine meer van de bergen dan van de lieve badgasten gesproken te hebben.
De Delftsche familie had nog niets beklommen; want zij was gisteren pas gearriveerd. Zij had dien morgen een [60]wandeling van een half uur gedaan; maar toen waren vier van de zeven telgen ook tamelijk vermoeid, en de oudste, een jongen van 16 jaren, had ronduit verklaard, dat hij den weg van Delft naar de Kethel mooijer vond, dan dien van de Diergaarde naar Berg-und-Thal. Zijn vader, die in hem veel genie en een opmerkende geest meende te vinden, had dezen zet onbetaalbaar gevonden. De moeder had niets gezegd; want zij zwoegde onder haren driejarigen jongsten telg, die van het eerste oogenblik der wandeling had geroepen: “Dragen—dragen—Jantje wou niet loopen,—Mama stout—Mama Jantje dragen.”—Jantje was ten laatste redelijk zoet geworden, toen Mama aan zijn verlangen voldaan had. Deze berigten had Ambrosine ingewonnen, en zij verwachtte niet veel genoegen van de conversatie met de Delftsche familie.
Na het diner begaven onze vijf reizigers met de familie Korenaar zich naar Schwanenburg, en hoorden uit den mond van Holstaff de oude legende. Op de plaats zelve beviel dit verhaal vrij goed, als onder de veelvuldige legendes niet de naarste; maar toen zij, op hunne retour, van den goeden Holstaff niets hoorden dan: “Hoe akelig was dat voor de arme Beatrix, dat toen de zwanenridder zoo op eens verdween, en hoe zal zij nooit een zwaan hebben kunnen zien, zonder aan hare noodlottige nieuwsgierigheid te denken?” toen wenschten velen der reizigers, dat Erlin nooit vertrokken was, en Torteltak hield ten laatste staande, dat hij van goederhand vernomen had, dat de ridder acht dagen later was teruggekomen en een mooi cadeau voor zijne gemalin uit Keulen had meegebragt.
Toen zij in het logement waren teruggekeerd, sprak Mevrouw Korenaar van vroeg naar bed gaan; maar Torteltak zag haar zoo treurig aan, en Ambrosine slaakte bij die gelegenheid zulk een diepen zucht, dat Mama vermurwd werd. Mijnheer had nog een verhaal in zijn hoofd, dat hij [61]de vrienden gaarne wilde meêdeelen, en waagde het dus tot zijne gade te zeggen: “Nu, bout! wij zullen toch niet met de kippen op stok gaan.” En Mevrouw antwoordde nu, hare dochter de wangen streelende: “Neen, lieve! dat juist niet.” En alzoo werd er besloten, niet met de kippen op stok te gaan.
De vrienden namen nu plaats in de groote eetzaal. Daar zaten, behalve de drie Goudenaars, de Delftsche papa en mama en vijf Delftsche kinderen, die dien avond mogten opblijven, en nog twee Heeren van Elberfeld, zoo even gearriveerd. Juist toen de familie binnenkwam, had een der Goudenaars, een schoolmeester en opgewonden vaderlander in everlasting jas, na een paar trekken van Duitsche gastvrijheid te hebben aangehoord, de daad van Van Speyk opgehaald, en sprak op een uithalenden toon, aan sommige van zijne stadgenooten als aan hem eigen: “Ja, Mijnheeren Duitschers! dat was een groot stuk van Van Speyk.”
“Dat was het wel,” zeiden de andere Goudenaars. Veervlug, die zich terstond bij dit gezelschap gevoegd had, kon niet nalaten te zeggen: “Ja, Mijnheeren! Van Speyk voerde zoo’n groot stuk uit, dat er maar een klein stukje van hem overbleef.”
“En onze dichters hebben hem bezongen,” zei de schoolmeester.
“Dat is ook zoo,” zeiden de andere Goudenaars.
“En daar was er een,” ging Veervlug voort, “die, toen hem gevraagd werd, waarom hij Van Speyk niet bezong, antwoordde:
“Bewondren kan ik hem!... tot zingen faalt mij kracht.”
Maar naderhand schijnt hij berouw gekregen te hebben; althans hij zingt in een liedje, Rood en zwart:
”Die kleuren dekten eens het hart,
Des eedlen Wees in Amstels wallen; [62]
Ach! weinig dacht dien Held toen nog,
Als ’t geel (de kleur van snood bedrog),
Zich daaraan paart, zal ik eens vallen.”
’t Was jammer dat de dichter maar alleen kon zeggen, wat de held weinig dacht; ik had liever geweten, wat hij veel dacht. Hij wist anders nog al wat van hem te zeggen, zelfs hoe het met zijne ziel afliep, blijkens het derde Van Speyk’s gedicht: Aan ***, mij een pijpenkop vereerende, met de beeldtenis van Van Speyk. (Wit porselein met gouden rand).
”Gewis men had geen ongelijk
Om ’t beeld van dapperen Van Speyk,
In wit, met goud omzet, te malen;
Zijn ziel zoo rein als ’t zuiver wit,
Is in ’t ontsterfelijk bezit
Van ’t goud van ’s hemels zalen.”
Deze door Veervlug aangehaalde regels werden slechts door een klein gedeelte van het gezelschap uitbundig toegejuicht. De Goudsche schoolmeester zag den Elberfelder triomferend aan. Deze glimlachte, en één hunner zeide: “Bij ons zouden er nog wel menschen gevonden worden, die de daad van Van Speyk konden verrigten; maar geene die door zulke verzen zijne schim zouden verontrusten.” Dit zeggende, sloeg hij op de tafel, en kommandeerde nog eene flesch Hochheimer.
De schoolmeester zag naar Veervlug met een veelbeteekenend gezigt; maar daar deze terwijl met de Delftsche dame in discours was geraakt, vond zijn gelaat het gepast, maar weêr de gewone onbeduidendheid aan te nemen.
“Heden, Mijnheer!” zei de Delftsche dame: “watte mooije versjes zijn dat! En dat maar zoo op een pijpenkop? Ik weet heusch niet, waar de dichters het tusschenbeide van daan halen. Zoo heb ik ook een neef, die zulke alleraardigste versjes schrijft, en dat ook maar op alles, [63]wat je wilt; laatst nog op een kip, die in ’t water gevallen was, bij ons op ’t Oud Delft. Ik meende te scheuren van ’t lagchen, toen hij ’t me voorlas. Niet waar, Van der Kaas?” ging zij voort, haren man tot getuige roepende: “ik spreek van de versjes van neef Sander.”
Het is opmerkelijk, dat de meeste menschen een neef hebben, die wel versjes maakt, en die al heel dikwijls Alexander of bij verkorting Sander heet. Gelukkig, indien deze neven zich alleen tot boertige stukjes bepalen; die blijven nog al veel privaat eigendom van de familie. Maar gaan zij somtijds verder,—dichten zij nu en dan een wiegeliedje of grafschriftje, dat al heel lief is,—rijmen zij ook wel Hymnes aan den Tijd, of Odes bij gelegenheid van de Eeuwigheid, of Dithyrambes bij het afsterven van een onvermoeid Catechiseermeester en doorkundig Krankbezoeker, dan zijn, helaas! te dikwijls de gevolgen voor de Drukkers, Uitgevers en het lezend Publiek onberekenbaar.
“Wel ja, wijfje!” antwoordde de Heer Van der Kaas aan zijne kolossale Delftsche wederhelft: “Neef Sander is er al heel ver in. Is dat ook niet van hem?
“De zon rookte een cigaar; de maan borduurde een boordje.”
“Abuis, Papa!” viel de jongen van zestien jaren in, die veel genie en eenen opmerkenden geest had; “abuis, Papa! dat is uit dat gedrukte boek, dat van het begin tot het einde boertig is, en daar ook in staat van de trekschuit.”
“O ja, de trekschuit!” zei Mevrouw Van der Kaas; “dat is ook al heel aardig. Vindt uwé niet, Mijnheer? Dat is net, of je er in zit.”
“Ik zit niet graag in trekschuiten,” antwoordde Veervlug.
“Zulke verzen lees ik nu altijd met plaisir,” zei Polsbroekerwoud; “daar kan een bedaard mensch nog bij op zijn stoel blijven zitten. Soms zweven die dichters zoo geweldig hoog, dat men er geen oog op kan houden. Ik weet waarlijk niet, waarom ze zich dikwijls zoo vermoeijen; [64]ze moeten toch altijd weêr op de aarde te land komen. Nu, daar zorgen de meesten ook wel voor, vooral als het naar etenstijd loopt.”
“’t Is net of ik Sander hoor,” zei Mevrouw Van der Kaas.
“Dan merk ik,” riep Veervlug verontwaardigd uit, “dat uw neef nog al niet veel hinder heeft van zijn Poëtisch gevoel.”
“Neen maar,” zei Mevrouw, “als het op stuk van zaken aankomt is hij extra gevoelig. Zoo herinner ik mij nog van een vers, dat hij gemaakt heeft, en dat heel aandoenlijk was: Uitboezeming aan mijne overledene grootmoeder, bij het zien van haar breitobbetje. De meid, die vijfenvijftig jaar bij de goede vrouw gediend had, heeft er bij staan huilen als een kind.”
“Ja, vaak doet ons de dichter weenen,” merkte Holstaff aan; “althans zoo is het mij dikwijls gegaan, wanneer ik in den avond ronddwaalde, met mijn lievelings-auteur in de hand, terwijl ik, door het zachte maanlicht beschenen, nog eens de regelen van Eduard aan de Maan nalas, die mij anders toch ook wel in het geheugen gegrift waren:
“Teedre maan! gij kunt mijn hart
Nimmer weê