The Project Gutenberg EBook of Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I, by Gerrit Kalff This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I Author: Gerrit Kalff Release Date: December 10, 2007 [EBook #23812] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE *** Produced by the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net GESCHIEDENIS DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE DOOR G. KALFF, HOOGLEERAAR AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN. EERSTE DEEL. TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1906. STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS. VOORREDE. _Van 1868-1872 ontving ons volk van _JONCKBLOET'S_ hand de eerste volledige wetenschappelijke geschiedenis onzer letterkunde._ _Tot op den huidigen dag is die eerste de eenige gebleven. Met die twee feiten voor oogen zal menigeen erkennen, dat de rustelooze voortgang der wetenschap en de ontwikkeling onzer denkbeelden over literatuur en geschiedschrijving der literatuur een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde wenschelijk, ja noodig, maken._ _Het is waar_, JONCKBLOET _heeft zijn, in vele opzichten voortreffelijk, werk in latere uitgaven aangevuld en gewijzigd; doch het wezen van zijn boek is daardoor niet veranderd._ _Ongeveer twintig jaar na_ JONCKBLOET _ondernam_ Dr. J. TE WINKEL _een nieuwe geschiedenis onzer letterkunde, eveneens op eigen wetenschappelijk onderzoek berustend. Een dergelijk boek mocht toen reeds om meer dan een reden noodig genoemd worden, zooals door den schrijver in zijne Voorrede is uiteengezet. Doch_ Dr. TE WINKEL _liet zijn verdienstelijk werk na het eerste deel steken. Zoo bleef een nieuwe volledige geschiedenis onzer letterkunde een desideratum_[1]. [1] De geïllustreerde _Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde_ van Prof. J. TEN BRINK, bestemd in de eerste plaats voor het groote publiek en dus van anderen aard dan de beide bovengenoemde werken, kan hier buiten beschouwing blijven. _De firma_ J.B. WOLTERS _te Groningen, die indertijd_ JONCKBLOET'S "Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" _had uitgegeven, verzocht mij een nieuw dergelijk werk samen te stellen en ik heb die taak op mij genomen, in de overtuiging dat hier werk viel te doen nuttig voor anderen en voor mijzelf._ _Voor anderen--want ook in de 18 jaren, verloopen sedert de verschijning van_ Dr. TE WINKEL'S _boek, zijn weer tal van nieuwe werken en teksten gevonden; is onze feitenkennis door voortgezet onderzoek gewijzigd en vermeerderd; hebben buitenlandsche geleerden werken geschreven die ons in staat stellen, dieper door te dringen in het wezen en de ontwikkeling onzer literatuur. Dat alleen reeds maakt een nieuwe poging tot verwerking en samenvatting der bestaande stof wenschelijk. Doch er is meer. Een der redenen waarom_ Dr. TE WINKEL _het wenschelijk achtte, naast_ JONCKBLOET'S _werk het zijne te plaatsen, was gelegen in een "afwijkende aesthetische beschouwing der letterkundige voortbrengselen." Ook die reden bewoog mij tot het samenstellen van mijn werk. De opvatting en beschouwing mijner voorgangers eerbiedigend, acht ik het wenschelijk eene geschiedenis onzer letterkunde samen te stellen, uitgaand van een andere opvatting van leven en literatuur, van den samenhang tusschen die beide, en van de taak der literatuur-geschiedschrijving._ _Voor mijzelven acht ik de samenstelling van dit werk een goede aanleiding tot verwerking en samenvatting van hetgeen een bijna 25-jarige studie onzer letterkunde mij te gevoelen en te denken heeft gegeven._ _Mijne opvatting van literatuur en literatuur-geschiedschrijving hier uiteen te zetten, schijnt mij overbodig; men zal die uit mijn werk voldoende kunnen opmaken._ _Hier zou ik dus kunnen eindigen, ware het niet dat ik eerst een droevigen plicht had te vervullen._ _De man die den stoot gaf tot het ontstaan van dit boek, de uitgever_ E.B. TER HORST, _is eenige dagen geleden ontvallen aan de zijnen, aan den boekhandel, aan de wetenschap waarvoor hij als uitgever in zijn kort leven zooveel heeft gedaan. Het doet mij hartelijk leed, dat deze rusteloos, te rusteloos, voortvarende man in de volle kracht zijner werkzaamheid van ons moest scheiden; dat ik zijne belangstelling en zijn raad bij de voortzetting van dit werk zal missen. Mij blijft slechts de herinnering aan zijn onbekrompen trant van zaken doen en onze korte doch aangename samenwerking_. LEIDEN, 20 October 1905. G.K. INHOUD. VOORSPEL I VOORSPEL II BOEK I. STANDENPOËZIE Inleiding 1. Ridderpoëzie 2. Geestelijke Poëzie (Hadewych) 3. Poëzie der Gemeenten (Reinaert) Vroegste Lyriek Jacob van Maerlant Dichters, Voordragers, Publiek Tusschenspel. Ontkieming van het Nationaliteitsgevoel BOEK II. STANDENPOËZIE. DE STEM DER GEMEENTEN Inleiding Ridderpoëzie in verval Geestelijke epische poëzie en proza (Ruusbroec) Poëzie der Gemeenten (Vervolg) Het Leerdicht--Reinaert II Verhalende en lyrische poëzie Ontwikkeling van het Literair Leven Willem van Hildegaersberch Dirc Potter Alphabetisch Register VOORSPEL. VOORSPEL. I. Land en Volk. Romeinen. Franken. Bernlef. Heidendom en Christendom. Oudnederlandsche Letterkunde. De akker der volkspoëzie ligt braak. Latijnsche poëzie en prozawerken. Het onderzoekend oog dat zich richt op het verst verleden van ons volk, stuit allerwegen op een ring van duisternis. Slechts langzaam en tragelijk wijken voor het wassend licht der wetenschap, de dikke nevelen die verbreid liggen over het ontkiemen van ons volksbestaan. Wat zien wij in die schemering? Lage landen aan zee, oostwaarts zachtkens opglooiend, overal afgebroken door plassen en meren en breede rivieren; eenzame heiden en uitgestrekte bosschen, afgewisseld door poelen en moerassen. Over die woeste gronden zwerven Kelten en Germanen, jagers en visschers, levend van de hand in den tand, een ruw en zorgvol bestaan rekkend in den strijd met wilde dieren. Onzekere geruchten omtrent een schrikwekkenden grooten vloed zijn blijven hangen in het geheugen ook van ons volk. Nog staan, indrukwekkend en geheimzinnig, op de Drentsche heidevelden de hunnebedden, heugenissen dier vroegste schemertijden. Maar niet onduidelijk noch onzeker van klank zijn de schetterende trompetten die de nadering verkonden van Romeinsche soldaten en als sterren door de nevelen schitterend zien wij de zilveren adelaren zich wiegen boven de helmen dier legioenen die de wereld hadden veroverd. In het gevolg der Romeinen kwam de beschaving. Van hen leerden onze voorouders het aanleggen van wegen en dijken, het bouwen van bruggen en huizen; in landontginning, landbouw, handel en nijverheid waren de Romeinen onze voorgangers en leermeesters. Met de zee, "de wilde zee" zooals men haar te onzent nog lang placht te noemen, wordt een strijd aangebonden ter verdediging van het land; weldra gaan de Friezen haar bevaren om handel te drijven. Langzaam neigt der Romeinen heerschappij ten val. Hun wereldrijk verzwakt; als het bloed naar het hart trekken de legioenen zich uit de verre streken terug, de greep van Rome's ijzeren vuist verslapt. Wanneer eindelijk het Romeinsche rijk bezweken is onder de slagen der Germanen, komen de Franken hier als heerschend volk de plaats der Romeinen innemen. Zelf een Germaansch volk, maar dat langzamerhand samensmolt met de Gallo-Romeinsche bevolking van het door hen veroverd land en meer en meer onder den invloed geraakte van de beschaving en het Christendom der overwonnelingen, dringen zij aldoor noordwaarts op. Een botsing met de, benoorden den Rijn wonende, Friezen en Saksen kon niet uitblijven; eene botsing van stammen tegen stammen, botsing ook van ruwheid en beschaving, van Heidendom en Christendom. Lang blijven de Friezen onder hunne koningen RADBOUD en POPPO zich verdedigen tegen de Franken onder hunne PEPIJNS en KAREL MARTEL, maar ten slotte moeten zij den strijd opgeven; het Friesche rijk dat zich langs de zeekust eens tot het Zwin had uitgestrekt, wordt in de 8ste eeuw bij het Frankisch rijk ingelijfd. KAREL DE GROOTE bevestigt dien stand van zaken; onder zijne roemvolle regeering beginnen de bewoners dezer landen de zegeningen van orde en vrede eenigermate te leeren kennen en genieten. Niet verwonderlijk dus, dat wij ook nu eerst onder deze volken eenig spoor vinden van letterkundig leven. Aan het Friesche volk komt de eer toe, het eerst zijne stem te hebben opgeheven in het veelstemmig koor van Nederlands poëzie; aan de poort onzer literatuur staat--Frysk bloed, tsjoch op!--een vrije Fries, de blinde zanger BERNLEF. Het weinige dat wij van BERNLEF weten, is ons verhaald door ALTFRIDUS, bisschop van Munster, in zijne levensbeschrijving van den apostel LIUDGER, een edelen Fries die in Friesland het werk van BONIFACIUS heeft voortgezet[1]. In dat levensverhaal vinden wij gewag gemaakt van "den blinden zanger BERNLEF, dien zijne buren liefhadden om zijne minzaamheid en omdat hij de daden van het voorgeslacht en de oorlogen der koningen wel in zijne harpzangen wist te verhalen." Voorts wordt ons nog medegedeeld, dat BERNLEF met zijne vrouw te Holwerd bij Dokkum woonde en dat hij drie jaar lang met volslagen blindheid bezocht was. Misschien hebben wij hier een dier zangers van beroep voor ons, gelijk zij bij de Gernamen voorkwamen, een der dragers van de oude inheemsche volkspoëzie[2]. Al kennen wij BERNLEF'S liederen helaas! niet, wij wagen niet veel met de onderstelling dat zij hetzelfde karakter zullen hebben gedragen als die "alleroudste liederen over de daden en oorlogen der vroegere koningen" welke KAREL DE GROOTE deed verzamelen en opteekenen[3]. Was BERNLEF de dichter der liederen die hij placht te zingen? Daarnaar kunnen wij zelfs niet gissen. Liever dan eene poging daartoe aan te wenden, wijzen wij op een andere mededeeling aangaande dezen Frieschen zanger in hetzelfde _Leven van Liudger_: "Overal waar deze BERNLEF den man Gods (LIUDGER) vond, leerde hij psalmen van hem en hij bleef in de "verlichting" die hij door dezen deelachtig was geworden totdat hij, oud en der dagen zat, in vrede stierf." De literatuur is ook hier spiegel, van het leven. In die Oudgermaansche volkszangen, wijkend voor de Christelijke kerkliederen, zien wij de worsteling van Heidendom en Christendom die nu onze aandacht vraagt. Die worsteling was niet meer zoo zwaar als zij voorheen was geweest, maar zij was toch nog verre van geëindigd. De oudste verkondigers van het Christendom hier te lande: SINT SERVAES, SINT AMAND, SINT ELOY, en hunne meerendeels Angelsaksische opvolgers WILLEBRORD, LEBUÏNUS, BONIFACIUS en zoovele anderen hadden de bewoners dezer landen gevonden als belijders van een geloof dat men een natuurdienst mag noemen. Wodan was vooral een windgod, Wodan's heir de wilde jacht der stormende wolken; Donar was een onweersgod, Moeder Aarde werd vereerd als eene godheid, sporen van boomvereering zijn ook hier aan te wijzen evenals van het geloof aan elven en nikkers, geesten die verblijf hielden in lucht en aarde, bosch en water. Tegen dat geloof komt het Christendom zich kanten: tegen den ontzagwekkenden Wodan op zijn achtvoetig ros de luchten doorzwevend--God de Vader; tegen den wilden Donar met zijn pletterenden hamer--de bleeke man der smarte met de doornenkroon; tegen de bloedwraak--het "hebt uwe vijanden lief"; tegen de heerschappij van zinnelijkheid en hartstocht--de eisch van zelfbeheersching, zelfverloochening, kastijding van het booze vleesch. Overal, in Vlaanderen en Brabant als in Holland en Friesland, doet zich de stem van het nieuwe geloof hooren. De vrome mannen, die hier het Evangelie brengen, worden vaak grimmig ontvangen, hun leven in gevaar gebracht, BONIFACIUS door de Friezen vermoord--zij versagen niet. Gestadig gaan zij voort met prediken, bekeeren, doopen, met het bouwen van kerkjes, het stichten van kloosters. RADBOUD, "de vijand Gods", zooals MELIS STOKE hem noemt, moge komen met zijne heidensche Friezen en het pas gestichte vernielen en verbranden--geen nood! een nieuwe kerk, een nieuw klooster verrijst. Het Christendom wint gaandeweg veld; het heidendom trekt zich terug, overwonnen niet gedood. Lang blijft het voortbestaan als ondergrond van het nieuwe geloof, lang nog blijft het leven en zich openbaren in tal van gewoonten en gebruiken, hoezeer ook bedreigd door den banvloek des priesters. Lustig bleven op Sint-Jan de vuren branden aan welker vlammen de heidenen van ouds eene reinigende kracht toeschreven; bezwerings- en tooverformulieren werden nog steeds toegepast, de wichelarij met paarden en vogels hield stand; de hazelaarstak deed nog lang zijne diensten bij het zoeken naar verborgen schatten. De lijkmaaltijden bleven in zwang; men hechtte er gewicht aan, welk dier men des morgens het eerst tegenkwam, aan welken kant eene kraai u voorbijvloog. Menige heidensche godheid, menig voorvaderlijk heiligdom werd gekerstend, maar lang niet overal bleek het doopsel krachtig genoeg om het oude geloof te verjagen. Zoo was het klooster Blandinium te Gent blijkbaar gesticht op de plaats waar vroeger een Oudgermaansch heiligdom had gestaan. Immers, wij lezen in het _Leven van Sint Amand_: Het was omme den torre Blandijn, Daer die afgod der Sarrasijn In stont, die Marcurius hiet. al worden de heidensche bewoners dezer landen hier, gelijk zoo menigmaal elders, Sarracenen genoemd, al schuilt onder den naam Mercurius Donar of een andere Germaansche god. Nog in het midden der 14de eeuw toonde men den geloovigen de zeven boomen "waar SINT AMAND eerst zijn ruste nam" [4]. Doch er bestaat wel reden om te vermoeden, dat dit zevental Sint Amands-boomen oorspronkelijk een zevental Wodans-eiken zal geweest zijn, zooals de overlevering er ook te Wolfhezen toont. En menig halfbekeerde Vlaming, wiens weg hem in het schemeruur langs die boomen voerde, zal er een eerbiedig schuwen blik op hebben geworpen, denkend aan de oude goden. Ondertusschen vermenigvuldigden de kloosters zich snel; reeds vóór de kruistochten is Zuid-Nederland er mede bezaaid[5] en in het Noorden moeten zij ook al spoedig talrijk zijn geweest. Gewoonlijk werd zulk een klooster gesticht ergens in de "solitudines", de woeste gronden die een groot deel dezer landen besloegen. Bosschen moesten dan gerooid, moerassen gedempt, heiden ontgonnen; het werk der beschaving nam een aanvang. Naast vele wereldlijke heeren maakten vooral de Cisterciënsers zich verdienstelijk ten opzichte dezer kolonisatie binnenslands. Zeker, niet al deze geestelijken waren heiligen; de meesten waren maar menschen, zwakke menschen. Over de ruwheid, vechtlust en zedeloosheid der geestelijken van de 8ste eeuw wordt luide geklaagd.[6] De kerkelijke tucht verslapte zóózeer, dat in de 10de eeuw de regel van SINT BENEDICTUS bijna geheel vergeten was, dat menig abt zich van de wereldlijke machthebbers slechts door de tonsuur onderscheidde.[7] Doch het zou onbillijk zijn, wegens zulke feiten den goeden invloed, door het Christendom en een deel der geestelijkheid geoefend, voorbij te zien. En zeker zou menig literair werk van dezen tijd niet geschreven zijn, indien zijn maker niet in een klooster die veiligheid, rust en kalmte van geest had gevonden, zonder welke de meeste letterkundige werken niet kunnen ontstaan. Dat geldt in hooge mate van de eeuwen waarop wij hier inzonderheid het oog hebben, de 9de-12de eeuw, die ons deze landen toonen in een toestand van verwarring en verwildering. Telkens zeilen de Noorsche zeeroovers onze rivieren op, allerwege schrik verbreidend; zij moorden, plunderen, sleepen den buit naar een versterkt kamp, worden soms verjaagd, doch slechts om een volgenden keer met fellen wrok terug te komen. Doch ook in streken waar zij niet kwamen, vernemen wij weinig anders dan veeten, oorlog, roof, moord, verwoesting. Tal van kleine graven, behalve den graaf van Friesland (die zich later graaf van Holland zal noemen), trachtten zich onafhankelijk te maken. Het groote rijk van Neder-Lotharingen, dat een korten tijd al deze landen behalve Vlaanderen omvatte, kon geen afzonderlijke staat blijven maar loste zich op in een aantal kleine feodale staatjes[8]. Te midden van al die verwoesting en verdeeldheid bleef de Christelijke Kerk overeind, niet ongedeerd, maar ongeschokt in hare eenheid. Ook op de literatuur dezer eeuwen heeft zij haar stempel gedrukt. Want terwijl er nauwlijks sprake kan zijn van de vorming eener literatuur in de volkstaal, kiezen de letterkundigen dier eeuwen bijna zonder uitzondering de klassieke kerktaal, waar zij uiting willen geven aan hetgeen hun geest en gemoed vervult. Voordat wij die in het Latijn geschreven werken in oogenschouw nemen, moeten wij kennis maken met hetgeen door sommige geleerden als _Oudnederlandsche Letterkunde_ is aangeduid[9]. Evenals de Engelschen vóór hunne middeleeuwsche letterkunde eene Oudengelsche of Angelsaksische literatuur kunnen aanwijzen en de Duitschers vóór de Middelhoogduitsche eene Oudhoogduitsche, zoo moesten ook de Nederlanders, meende men, eene Oudnederlandsche letterkunde hebben gehad. Vaderlandsliefde die in het teeken der Romantiek stond, strekte verlangend de armen uit; de Wetenschap werd omhelsd, zóó vurig zelfs dat zij in de knel raakte--uit die vereeniging werd een "twijfelkind" geboren, zelfs critische geesten zoo bekorend, dat een hunner profeteerde als ziener met den blik achterwaarts gericht, "dat er eene Oudnederlandsche letterkunde _moet_ bestaan hebben"[10]. Er was hier een bezwaar: Oudnederlandsche dichtwerken waren en zijn afwezig. Doch voorloopig behielp men zich met gewag te maken van het Hildebrandslied, het Lodewijkslied, van den Oudsaksischen Hêliand, van OTFRID'S Evangeliën-harmonie en dergelijke werken. En zeker, wanneer men zegt: wij Nederlanders zijn een Germaansch volk, _dus_ hebben ook wij deel aan de Oudgermaansche letterkunde; of: ook hier te lande hebben Saksen gewoond, _dus_ kunnen wij den Hêliand tot onze literatuur rekenen, dan kan men van die werken gewag maken in een geschiedenis onzer nationale literatuur. Doch dan moet men nog heel wat meer tot de Oudnederlandsche letterkunde rekenen dan thans geschiedt. Wie bij zijn verhaal van de ontwikkeling der Nederlandsche literatuur zooveel mogelijk de grenzen wenscht te eerbiedigen, waarbinnen deze volken van ouds geleefd of hunne taal gesproken hebben, die zal dit deel der Oudnederlandsche literatuur afwijzen als onrechtmatig verkregen goed. Sterker meenen de scheppers dier literatuur te staan in hunne aanspraken op een aandeel in de vorming van heldendichten als BEOVULF en GUDRUN. Dat die dichterlijke werken of deelen daarvan hier te lande bekend zijn geweest, daarvan hebben wij ook zelfs niet de geringste historische aanwijzing. Ook later wordt ten minste van BEOVULF en GUDRUN nooit gerept. "Het mag daarom met recht bevreemding wekken", lezen wij bij een der bovenbedoelde geleerden, "dat zij hier volkomen in vergetelheid zijn geraakt"[11]. Uitgaande van die vooropgezette meening, heeft men met vlijt en scherpzinnigheid alles samengebracht, wat maar eenigszins dienen kon om te betoogen b.v. dat de Gudrun-sage hier gelocaliseerd is geweest, of ten minste dat het tooneel der gebeurtenissen die in de Gudrun-sage verhaald worden, voor een deel in ons land te zoeken is. De Franken en Friezen worden genoemd in den BEOVULF; in de GUDRUN is sprake van Friesland, en allerlei andere plaatsnamen die _kunnen_ doen denken aan deze landen bij de zee. Met den jongsten uitgever van GUDRUN geloof ik, dat de aardrijkskundige en staatkundige namen en aanwijzingen in dat gedicht zulk een verward mengelmoes te zien geven, dat wij ons daarvan kwalijk als wetenschappelijk materiaal kunnen bedienen[12]. Doch laat het waar zijn, dat de gebeurtenissen, in die heldendichten bezongen, ten deele op onze kusten hebben plaats gehad, krijgen wij dan daardoor eenig aandeel aan dat Angelsaksische, aan dat Middelhoogduitsche dichtwerk? "Ja", zal men zeggen, "want dan hebben wij tot het ontstaan van die gedichten bijgedragen". Mij schijnt die gevolgtrekking uitermate gewaagd. Behoort dan een dichterlijk werk, welks tooneel ons verplaatst naar een of ander land, daardoor reeds tot de literatuur van dat land? Dan zal men de literatuurgeschiedenis van menig volk moeten gaan herzien. Zoolang er geen deugdelijker gronden worden aangevoerd voor de stelling, dat ook ons volk deel heeft gehad aan de vorming dier Oudgermaansche heldendichten, acht ik het beter geene poging te doen ons te tooien met veeren uit de pluimage van Duitschers en Engelschen. Een eenigszins verschillend geval hebben wij in de sage van den Zwaanridder. Dat die sage hier te lande, vooral in Brabant maar ook elders, overal bekend is geweest, daarvan zijn onderscheidene bewijzen[13]. Een deel dezer sage, ook dat staat vast, ten minste voor sommige redactie's, heeft zich gelocaliseerd te Nijmegen. Wat meer zegt, hier _weten_ wij, dat de sage te onzent in de middeleeuwen bekend is geweest: MAERLANT immers acht het de moeite waard, de sage te bestrijden die verhaalde dat de hertogen van Brabant afstammen van den Zwaanridder. "Misdadige leugenaars tijgen GODFRIED VAN BOUILLON aan dat HELIAS, de Zwaanridder, zijn grootvader van moederszijde was" zegt hij in zijn _Spieghel Historiael_ en elders in datzelfde werk over GODFRIED sprekend: Noch wijf, no man, als ict vernam, Ne was noit zwane, daer hi af quam, Al eist dattem Brabanters beroemen, Dat si vanden zwane sijn coemen[14]. Voorts bestaat er een fragment van een Dietsch gedicht over den Zwaanridder. Doch geeft het bestaan van dat fragment ons nu "alle reden om te doen vermoeden dat er evengoed een Nederlandsche roman van den Zwaanridder zal bestaan hebben, als er een Fransche _Roman du Chevalier au Cygne_ in verschillende redacties, en meer dan ééne bewerking in de Middel-hoogduitsche letterkunde van bestaat"?[15] Dat wij eertijds eene volledige bewerking der sage in het Nederlandsch bezeten hebben, geloof ook ik. Echter--en daarop komt het aan, indien men spreekt over sagen als materiaal voor de poëzie--voorzoover wij nu zien kunnen, is dit Nederlandsch gedicht geen zelfstandige bewerking der inheemsche sage, maar eene navolging van een of ander Fransch origineel[15]. Ook de sage der Heemskinderen was hier te lande populair; doch het Middelnederlandsch gedicht, dat hunne geschiedenis behandelt, is bewerkt naar het Fransch. Wij zien dus, dat ook hier poëtische stof voor het grijpen lag; maar geen dichter die er de hand op legde om er een poëtisch werk in de volkstaal uit te scheppen. De bovengenoemde voorbeelden zijn niet de eenige van dien aard. Wat kan sterker indruk hebben gemaakt op het gemoed en de verbeelding onzer voorouders, dan die telkens herhaalde rooftochten der Noormannen? Wanneer de gevreesde viking zich vertoonde aan boord van zijn hooge kromsteven, dan sidderde ook den stouten Fries het hart in de borst, want hij wist dat er geen genade was; dat plundering, mishandeling, moord hem en zijn volk bedreigden, dat ballingschap en slavernij veelal het lot was van wie gespaard bleven. De gansche negende eeuw door bestoken de Noormannen de kusten van Holland en Vlaanderen. Zij zeilen de rivieren op, diep landwaarts in; zij bouwen versterkte legerplaatsen bij Maastricht en Leuven, die uitgangspunten worden voor rooftochten in het omliggend land.[16]. Welnu, geen enkel gedicht, geen lied, geen rijmpje zelfs in de volkstaal dier eeuwen is tot ons gekomen. Eerst in een gedicht van veel lateren tijd, de _Legende van het heilige Kruis_ (naar het schijnt uit de 14de eeuw), vinden wij verwarde herinneringen aan het verblijf der Denen (Noormannen) in Brabant. Zweeg men, omdat de smart te groot was? Dikwijls immers is het waar, wat in later tijden Vader CATS een Latijnsch dichter nazeide: Gewone droefheid klaagt, maar al te diepe zeer En heeft geen open wond, geen zucht, geen tranen meer. Doch de akker der volkspoëzie is braak blijven liggen ook op plaatsen, waar eene verklaring als de bovenstaande niet van pas zou zijn. Wat al gerucht is, in den aanvang der 12de eeuw, in den lande gemaakt, in Zeeland, Utrecht, Keulen, door den dweper TANCHELM! Een voorlooper van JAN VAN LEIDEN, een volksredenaar zóó welsprekend, dat hij de geleerde klerken ijverzuchtig maakte; die door zijn grooten invloed op de vrouwen ook de mannen voor zich wist te winnen; die in 't openbaar optrad in kleederen met goud doorweven, omstuwd door lijfwachten die een banier en een zwaard voor hem uitdroegen; die de geestelijkheid en de kerkleer durfde aantasten in zijne prediking en door de Utrechtsche Kanunniken aan den aartsbisschop van Keulen werd afgeschilderd als de voorlooper van den Antichrist! Te Keulen gevangen gezet met zijne gezellen: een priester EVERWACHER en een smid MANASSE die naar het voorbeeld van zijn meester een broederschap van twaalf mannen en ééne vrouw had opgericht (de apostelen en de maagd Maria), weet hij zich door de waterproef te zuiveren van de beschuldigingen tegen hem ingebracht. Later treedt hij weer in het openbaar op; in een vorstelijk kleed en met schitterend hoofdtooisel trekt hij, omgeven door drieduizend mannen, door stad en land. Hertogen noch graven durven hem weerstand bieden. In 1115 wordt hij, in een vaartuig gezeten, door een priester verslagen.[17] Een poëtische stof, zou men zeggen, aantrekkelijk ook voor onze middeleeuwsche dichters, wien het--indien men mag afgaan op zoo menig dichterlijk werk van later tijd--waarlijk niet haperde aan gevoel voor het indrukwekkende of aangrijpende. Maar de nationale poëzie zwijgt over TANCHELM en de Tanchelmisten, over den priester EVERWACHER, over den smid MANASSE en zijn ontuchtig apostelengilde. Waarom? De verklaring schijnt mij voor de hand te liggen. Behalve de bovengenoemde zijn er in deze eeuwen nog zooveel andere dingen gebeurd, die indruk gemaakt hebben op de gemoederen der menschen van toen. Verscheidene daarvan nu zijn wel herschapen tot literaire werken van grooter of kleiner waarde. Echter niet in de volkstaal, maar in de taal der Kerk, het Latijn. Verwonderlijk is dat niet. In de schatting der middeleeuwsche menschen van dien tijd, stond het Latijn hoog boven de volkstaal. Het Dietsch was de taal van het "diet", van JAN ALLEMAN, en werd nog niet als schrijftaal gebezigd; het Latijn, met zijn eerbiedwaardig verleden, den roem en het gezag der klassieke schrijvers, was de taal der Kerk in gansch West-Europa, de taal ook waarvan geestelijken en geleerden zich schriftelijk bedienden, de taal die vorsten en machtigen kozen voor het opstellen van officieele stukken. Rome's taal en letterkunde werden ook hier te lande vlijtig beoefend. In de bibliotheek der beroemde abdij van Egmond vond men in de 11de en 12de eeuw tal van klassieke dichtwerken: VIRGILIUS' _Bucolica_ en _Georgica_; OVIDIUS' _Tristia_; CICERO's _De Senectute, De Amicitia_, de _Orationes_; SALLUSTIUS' werken. Van de lateren vond men er: PERSIUS' _Satiren_, STATIUS' _Thebaïs_; SENECA'S _De Clementia_; AULUS GELLIUS' _Noctes Atticae_. Voorts talrijke glosen op de klassieke schrijvers waaruit men mag opmaken dat de werken dier auteurs wel bestudeerd werden. Van middeleeuwsch-Latijnsche werken trof men er aan o.a.: eene _Vita Brendani_, de _Gesta Francorum id est Cronica cum Vita Karoli_, DARES FRIGIUS' _De Excidio Trojae, Gesta Alexandri Magni_[18]. Onder de boeken welke de abdij Bloemhof te Wittewierum in een latere eeuw (de 13de) bezat, vinden wij OVIDIUS, VIRGILIUS, eenige auctores ethici et satyrici; verder tal van werken over grammatica en dialectiek, geschriften van de Kerkvaders AUGUSTINUS en GREGORIUS[19]. In diezelfde eeuw vinden wij aan de abdij van Mariëngaarde te Hallum eene "scola publica" verbonden; aan haar hoofd stond zekere magister FREDERIK, die met zijne leerlingen 's morgens de heidensche poëten en geschiedschrijvers en na het middagmaal de Kerkvaders las[20]. Die eerbied en liefde voor het Latijn zal de ontwikkeling der volkstaal waarschijnlijk belemmerd hebben; de veldbloem heeft "tier noch zwier" in de schaduw van den grooten boom die haar het vrije genot van zon en wind en regen beneemt en beslag legt op de groeikracht van Moeder Aarde. Abt EMO van Wittewierum bezat, volgens zijn biograaf, den lateren abt MENKO, vele gaven en talenten--doch niet de gaaf der wereldlijke welsprekendheid "in lingua teutonica"; daarvan was hij geen beminnaar en hij oefende er zich ook niet in "propter studium et amorem vitae spiritualis et lectionis". Nog op zijn sterfbed sprak hij keurig Latijn. Begrijpelijk is het, dat wij in de Latijnsche geschriften van zulke mannen niet zelden aanhalingen vinden uit klassieke schrijvers: in EMO'S Kroniek b.v. verzen of sententie's van CICERO, HORATIUS, SENECA, LUCANUS; in een reisbeschrijving van een Friesch of Groningsch pelgrim uit den aanvang der 13de eeuw herinneringen aan VIRGILIUS' _Eclogae_ en aan zijne _Aeneis_[21]. Begrijpelijk evenzeer, dat bewondering ook hier tot navolging bracht. Het lag voor de hand, dat allen die in aanraking waren gekomen met de Latijnsche literatuur en behoefte gevoelden zich te uiten, voor die uiting de taal zouden kiezen waarmede zij vertrouwd waren, die reeds op zich zelve zekere waardigheid aan een literair werk bijzette, het verhief boven het alledaagsche, en waarin zij allerlei wendingen, uitdrukkingen, vergelijkingen vonden waarmede zij hun voordeel konden doen. In die dagen, met voorbijgang van het Latijn, zich van de volkstaal bedienen voor de samenstelling van eenig letterkundig werk, zou alleen dan verwacht kunnen worden, indien er toen onder ons volk een krachtig gevoel van zelfbewustheid, een krachtig nationaliteitsgevoel, aanwezig ware geweest. Daarvan was nog geene sprake. Indien men zich herinnert, dat de grootste dichter der middeleeuwen, DANTE ALIGHIERI, vóór het schrijven der _Commedia_ geweifeld moet hebben tusschen de volkstaal en het Latijn, dat hij zelfs den aanvang van den _Inferno_ in Latijnsche hexameters gedicht heeft, dan zal men zich over de toestanden te onzent in vroeger eeuwen niet verwonderen. Het is natuurlijk denkbaar dat in die eeuwen een dichter, die geen Latijn kende, zich gedrongen zal hebben gevoeld tot eene poëtische uiting in de volkstaal. Maar in allen gevalle is geen enkel voorbeeld van zoodanige uiting tot ons gekomen. Wanneer wij nu het oog slaan op de Latijnsche werken, toen te onzent gedicht, dan treft ons aanstonds, dat wij hier een zwak voorspel vernemen van de latere literatuur der middeleeuwen. MAERLANT sprak in zijn _Wapene Martijn_ dit kloeke woord over den adel: Mine roec, wiene droech of wan [Zijnoot: Ik geef er niet om wie zijn moeder of zijn vader was.], Daer trouwe ende doghet es an Ende rene es van seden; Uut wat lande dat hi ran, Dats, dien ic der namen an [Zijnoot: toeken (gun)] Van der edelheden. Maar lang vóór hem had de adellijke Fries LUDGER, in den proloog van zijn verhaal over de heiligen BONIFACIUS en GREGORIUS, verklaard "dat er een adel des geestes bestaat, welks leden boven alle aanzienlijken van geboorte, de hoogste liefde en vereering waardig zijn"[22]. Wij vinden de stof voor meer dan een ridder-epos in een paar Latijnsche kronieken dier eeuwen; eene bewerking der Reinaert-sage, eenige heiligenlevens, een leerdicht en ten slotte een paar staaltjes van lyrische poëzie. Het schijnt mij de moeite waard, de meeste dezer werken, het een iets korter, het ander iets uitvoeriger, te behandelen[23]. MILO, monnik uit het klooster Elnon bij Doornik, die omstreeks 872 stierf, behoort zeker wel tot de oudste Latijnsche dichters te onzent. Hij vervaardigde een leven van SINT AMAND in 1800 hexameters, op aansporing zijner kloosterbroeders, en als een hulde door hem op den dag van Sint Amand aan dien heilige gebracht. Behalve eenige kleinere gedichten schreef hij ook nog een omvangrijk leerdicht in twee boeken _De Sobrietate_, waarin door tal van voorbeelden uit O. en N. Testament wordt aangetoond, hoe nadeelig de gevolgen der gulzigheid en hoe goed die der matigheid zijn. Tusschen die voorbeelden vindt men hier en daar, evenals in de leerdichten van lateren tijd, uitweidingen over de priesters, over de onkuischheid van velen in dien tijd, ook wel eens over den dichter zelven. Geleerdheid is hier genoeg, ook navolging van VIRGILIUS; poëzie zoo min als in verreweg de meeste onzer middeleeuwsche leerdichten. Over de levens van BONIFACIUS en GREGORIUS door LUDGER, beide in proza, spraken wij reeds. Voorts vinden wij nog melding gemaakt van een ander leven van BONIFACIUS, geschreven door een tijdgenoot van LUDGER, een man van merkwaardige belezenheid en eenigermate bekend met Latijnsche klassieken en mythologie. In de eerste helft der 9de eeuw schreef een Friesch monnik in de abdij van Werden eene levensbeschrijving van LUDGER, waarin soms stof voorkomt, bruikbaar voor een dichter. In de laatste helft der 10de eeuw gaf een ander Friesch monnik ter abdij van Werden een verhaal van de romantische lotgevallen en vele mirakelen der Heilige Ida[24]. Bisschop RADBOUD van Utrecht (± 917) toonde vooral eene voor dien tijd zeldzame kennis van grammatica en metriek in zijne _Versus de hirundine_, zijn _Carmen Allegoricum_ op Sint Suitbert en zijne _Ecloga_ op Sint Lebuïnus; in deze en andere stukken van zijne hand vinden wij wel loofwerk van antieke mythologie en navolging van VIRGILIUS, maar nergens eene wending of uitdrukking, karakteristiek voor den volksgeest of het volksgemoed dier dagen[25]. Door de heerschappij van het Latijn werd de natuurlijke uiting van het gemoedsleven als gestremd en verstijfd. Rechtstreeksche gemeenschap tusschen het innerlijk leven en de taal die dat innerlijk leven moet verklanken, kon onder die heerschappij niet bestaan. Om uit te drukken wat men gevoelde, moest men in eene vreemde taal zoeken naar woorden, wendingen, vergelijkingen die zoo ongeveer overeenkwamen met hetgeen men wenschte uit te drukken. Zoo kwam men tot poëzie, die op echte poëzie gelijkt als een kunstbloem op een levende bloem. Een goed voorbeeld van zulk dichtwerk vinden wij in de verzen die gewijd zijn aan het leven en den lof van ANSFRIED, bisschop van Utrecht, die in 1010 stierf. Hoe rijk aan afwisseling is het leven van dezen bisschop, hoe rijk ook aan treffende of ontroerende feiten, aan zedelijke schoonheid, aan verhevenheid. Hij is van aanzienlijke afkomst, zijn vader schijnt graaf van Leuven te zijn geweest; een neef en naamgenoot van den knaap bezit vijftien graafschappen. Aartsbisschoppen, die van Trier, die van Keulen, leiden zijne opvoeding. De latere keizer OTTO I kiest hem op een tocht naar Italië tot zijn zwaarddrager; onder diens roemrijke leiding wordt hij een bekwaam veldheer. Spoedig is hij een der machtigste edelen van zijn tijd. Van de vroomheid en trouw zijner gemalin HILSWINDE bleven tot in onzen tijd romantische verhalen bewaard. Krachtig treedt hij op tegen de roovers (Noormannen?) in Brabant. Daarna wordt hij--zijns ondanks--door den keizer tot bisschop van Utrecht verheven; hij legt in de kapel te Aken zijn zwaard op het altaar der H. Maagd en wijdt zich aan haar dienst. Alle omstanders barsten in tranen uit. Voortaan wordt zijn leven meer en meer dat van een heilige; blind geworden, vertoeft hij liefst in het door hem gestichte klooster, de Hohorst bij Amersfoort. Zijn leven daar doet denken aan dat van SINT FRANCISCUS: hij put water om melaatschen te wasschen; zijne liefde ontwikkelt zich tot eene onbegrensde teederheid voor alle schepselen van den Heer. Zelfs den vogelkens was hij weldadig. Des winters liet hij uit medelijden met hunne armoede volle korenschooven in de boomen van zijn heuvel plaatsen. Geen wonder waarlijk dat na zijn dood de Utrechtenaren niet rustten, vóórdat zij zijn lijk van den Hohorst naar hunne stad hadden gevoerd, waar het onder psalmen en lofzangen en den toeloop eener ontelbare menigte in de Sint-Maartenskerk begraven werd[26]. Geen wonder ook dat een Utrechtsch priester zich niet lang daarna opgewekt, misschien gedrongen, gevoelde om den lof van zulk een man en zulk een leven te zingen. Hij heeft getuigd van zijn eerbiedige liefde voor zijn bisschop in een 26-tal Latijnsche hexameters. Dat deze hexameters niets eigens, niets persoonlijks hebben, bevreemdt ons niet; de kunst der middeleeuwen immers is juist algemeen en onpersoonlijk van aard. Maar wij verwachten toch voor het minst in deze uiting van droefheid en bewondering eenige warmte van gevoel te zullen opmerken en dat des dichters hart bewogen was, toen hij zijne verzen schreef. Inderdaad is er wel eenige golving van gevoel te bespeuren, maar het zijn golvingen zooals men ze ziet in een ijskorst die over het bewegelijk element ligt uitgebreid. Onder den verstijvenden invloed der rhetoriek, bij het verkillend zoeken naar juiste uitdrukkingen en tegenstellingen in een vreemde taal, is, wat er aan gevoelswarmte moge geweest zijn, vervlogen en wij vinden meerendeels slechts verzen als de volgende: Quondam bellator, nunc autem pacis amator. ... Deposuit parmam, cepitque levare patenam. Wat de nagedachtenis van een als heilige vereerd en bemind prelaat in het Nederland dier dagen niet vermocht: een gedicht in de volkstaal te voorschijn roepen, dat is een halve eeuw later in Duitschland geschied. Toen een jongere tijdgenoot van ANSFRIED, de beroemde aartsbisschop ANNO van Keulen in 1075 gestorven was, heeft een Frankisch geestelijke niet lang daarna in een dichtwerk getuigd van zijne liefde en eerbied voor den overledene. Maar in Duitschland was de ontwikkeling van het nationaliteitsgevoel blijkbaar verder gevorderd dan te onzent: het bekende Anno-lied is in de volkstaal gedicht. Dit 900-tal verzen geeft ons iets anders te zien dan de 26 Latijnsche hexameters van den Utrechtschen klerk. Welk een rijke ader van echte poëzie zien wij telkens glinsteren in het ruwe, ongevormde en onbewerkte, ijzerharde taal-erts van dat Anno-lied! Ja, wij vinden hier veel onbeholpens, ook hier die zonderlinge overzichten van bijbelsche en wereldgeschiedenis, dat gemis aan samenhang en overgang; herinneringen aan VIRGILIUS en LUCANUS, te midden dezer speelmans-poëzie.... Maar hoe leven hier de middeleeuwen in visioenen van hemelsche heerlijkheid, in wonderen en allegorieën, in verhalen van veldslagen, roof, moord, brand en verwoesting. Hoe gloeit de wilde strijdlust der ijzeren eeuw van tijd tot tijd op in stalen helmen en vaste halsbergen en scherpe Beiersche zwaarden, die door helmen bijten; hoe vlamt die strijdlust op uit verzen als: Ha! hoe kletterden de wapenen Toen de rossen op elkander in vlogen, Legerhoornen loeiden, Beken bloeds vloten. Maar hoezeer ook overweldigd door de volheid zijner kwalijk beheerschte stof, toch vergeet de dichter zijn held niet, den "dierbaren" man, den "heiligen bisschop" in Keulen, de schoonste burg in het Duitsche land. Telkens waar SINT ANNO in dit dichtstuk optreedt, schieten, als zedige bloemen onder zijne voeten, beelden en vergelijkingen uit de verzen op: te midden der zeven heilige bisschoppen van Keulen schittert ANNO als de turkois in een gouden vingerling; God heeft hem door lijden gelouterd zooals de goudsmid goud in het vuur smelt, wanneer hij een kostbare spang wil maken; als een leeuw zat hij voor de vorsten, als een lam ging hij tusschen de behoeftigen; hij is ten hemel opgestegen om ons den weg derwaarts te wijzen, zooals een arend die zijne jongen wil leeren vliegen, in kringen opwaarts stijgt en op zijne wieken statig zweeft[27]. Zulke tonen wist die vroege zanger voort te brengen, omdat hij durfde zingen in zijne moedertaal. Zulke of dergelijke muziek had ook hier kunnen weerklinken, indien het nationaliteitsgevoel krachtig genoeg ware geweest; indien een Dietsch dichter de hand had durven slaan aan de poëtische stof die ook te onzent lag opgehoopt. Welk een voorraad van zulke stof geven ons de beide Latijnsche kronieken van den Utrechtschen geestelijke ALPERTUS en zijn Vlaamschen genoot GALBERTUS te aanschouwen[28]. Ik heb hier het oog vooral op de geschiedenis van den edelman BALDERIK die met ADELA, eene dochter van den machtigen graaf WICHMAN van Hamaland, gehuwd was. De levensgeschiedenis van dit verdorven echtpaar verhaalt ons van langdurige belegeringen, onneembare kasteelen en verraders die den vijand ter sluik binnenlaten; van gevechten in het open veld; dienstmannen wien neus en ooren worden afgesneden; van vrouwen in eene belegerde vesting die helmen op het hoofd zetten om de belegeraars te misleiden; de vernietiging der sterke vesting Uplade (bij Elten aan den Rijn); den sluipmoord op den jongen Saksischen graaf WICHMAN gepleegd en de vernietiging der sterke vesting Uplade waar die daad geschied was. Wegens dien moord moet BALDERIK zich te Nijmegen voor Keizer HENDRIK komen verantwoorden. Als hij vóór den Keizer staat, verbieden de hertogen GODFRIED en BERNHARD hem te spreken. Wanneer hij desniettegenstaande zich gaat verdedigen, knarstanden zij van woede en het scheelt weinig of hij wordt door hunne krijgers afgemaakt. ADELA doet ons in hare verhouding tot BALDERIK soms aan Lady MACBETH denken: op de tijding van des Keizers komst, wordt BALDERIK moedeloos; ADELA verliest den moed niet, doch wekt haren man op tot dappere tegenweer. Van haar gaat het plan uit tot moord op graaf WICHMAN, hun tegenstander, die als gast op het kasteel Uplade vertoeft. Eerst wil zij hem vergiftigen; als dat niet gelukt, draagt zij hare taak over aan een paar knechten die WICHMAN van achteren aanvallen en neerstooten. Voortdurend zet zij BALDERIK aan tot nieuwe misdaden. "Et sicut Hiezabel Achab, ita et ista hunc ad flagitia semper concitavit, dans ei consilia, quibus ad perniciem suam uteretur, donec abominabilis et odiosus omnibus fieret"[29]. Een onvoldragen gedicht zien wij ook in het geschiedverhaal van den moord, die in 1126 in een kerk te Brugge gepleegd werd op KAREL DEN GOEDE, graaf van Vlaanderen. Na het volbrengen van den moord verschansen de moordenaars onder hunne aanvoerders, BOUTSAERT (BORSIARDUS) en ROBBRECHT, in eene kerk en worden daar door de aanhangers van den graaf belegerd. De strijd die dan aanvangt, heeft in de beschrijving van GALBERTUS inderdaad hier en daar een grootsch karakter. Begrijpelijk is het, dat men een oogenblik denkt aan het indrukwekkend slottafreel der _Nibelungen_, in BOUTSAERT den grimmigen HAGEN meent te herkennen, in ROBBRECHT "Giselher daz Kint". Terwijl de strijd in de Kerk woedt, springt WALTER, een dienstman van den graaf die zich op het orgel verscholen hield, naar beneden midden tusschen de vijanden--een sprong die doet denken aan den vervolgden HERNANT in de _Chanson des Lorrains_[30]. Maar er is in de middeleeuwen meer gelijk dan eigen, en dergelijke overeenkomsten bewijzen alleen, hoe zeer het middeleeuwsch epos _in hoofdzaak_ juiste afspiegeling der werkelijkheid bevat; niet dat een episch dichter het oog hield gericht op een of ander historisch feit. Met een weinig scherpzinnigheid eenerzijds en een weinig goeden wil anderzijds, zou men op die wijze ook kunnen aantoonen, dat SHAKESPEARE in zijn _Macbeth_ het oog moet hebben gehad op de geschiedenis van ADELA en BALDERIK. In beide deze kronieken, vooral in die van GALBERTUS, blijkt op meer dan eene plaats vrij sterke aandoening; er was ook wel voldoende zelfbeheersching en neiging om het waargenomene en gevoelde te verwerken tot een met kunst geschreven verhaal. Maar dan toch een verhaal naar het voorbeeld der Romeinsche geschiedschrijvers. Vandaar de rhetorische toon, de redevoeringen en gesprekken in den trant van die voorgangers, doch met minder talent. GALBERTUS laat zich wel eens verleiden zijner verbeelding te zeer den teugel te vieren: hij weet ons o.a. gezegden mede te deelen, die midden in een vreeselijk bloedbad geuit zullen zijn en wat een eenzaam opgesloten man denkt, vóórdat hij sterft. Maar toch, had deze monnik eens den moed gehad zich van zijne moedertaal te bedienen--misschien waren wij een belangwekkend kunstwerk rijker. Diezelfde gedachte komt bij ons op, indien wij kennis maken met de Latijnsche bewerking der Reinaert-sage die op deze kronieken volgt, zooals in de nationale literaturen van Franschen, Duitschers en Nederlanders de bewerkingen der dier-sage op het ridder-epos. Dit Latijnsche gedicht, dat naar den wolf: _Ysengrimus_ heet, is vermoedelijk omstreeks 1150 vervaardigd door zekeren Magister NIVARDUS, eerst monnik in het klooster Blandinium, later scholaster der Kerk van S. Pharahilde te Gent[31]. Wij vinden hier een aantal, ook van elders bekende, dierfabels in distichen vervat en op kunstelooze wijze tot een geheel verbonden. Het verhalend element is in dit werk gering, de dialoog overheerscht; het zijn al te vaak eindelooze gesprekken waarin de middeleeuwsche dialectiek triomfen viert, maar die den lezer na eenigen tijd vermoeien en ten slotte vervelen. De dichter was een zeer belezen man, die de klassieke Latijnsche schrijvers goed en OVIDIUS op zijn duimpje kende; onder het schrijven zijner verzen stonden hem telkens plaatsen uit zijne lievelingsauteurs voor den geest, maar nergens maakt hij zich aan slaafsche navolging schuldig. Opmerkelijk nu is vooral, hoe onder en in dit overgenomen klassicisme telkens het Vlaamsch-menschelijke zich vertoont. Wij speuren en zien den volksgeest in die ietwat ruwe rondheid die alles bij zijn naam noemt, in de ironie, de komische of groteske overdrijving, de grappen, de vergelijkingen en spreekwoorden aan het dagelijksch leven ontleend[32]. In zijne uitdrukkingen en aardigheden, in woorden als _mantica, bulga, follis_ te vergelijken bij het latere middelnederlandsche _male_ (maag), als _taberna (taverne), carmina completoria ("van uwen complete dat ghetide")_ doet hij ons telkens aan den, een eeuw jongeren, _Reinaert_ denken. Het is dezelfde nationale dichtader, maar die hier niet kan uitschieten in de laag van klassicisme waarmede de Vlaamsche geestesakker overdekt was. Indien deze dichter eens gedurfd had, zooals DANTE gedurfd heeft! Wat zou hij, met zijn ongetwijfeld voortreffelijken aanleg niet hebben kunnen volbrengen. Maar de tijd, dat een dichter zulk eene stof in de volkstaal zou durven behandelen, was nog verre. Er moest nog veel veranderen in het uiterlijk en innerlijk leven van de bewoners dezer landen, eer het zoover kon komen. AANTEEKENINGEN. [1] Deze _Vita Liudgeri_ is uitgegeven in PERTZ _Monumenta G._, II, 404 seqq. [2] Vgl. P. PIPER, _Die Spielmannsdichtung_, I, 29. [3] In EGINHARD'S _Vita Caroli Magni_ 29 (PERTZ, _Monum._, II, 458). "Item barbara et antiquissima carmina, quibus veterum regum actus et bella canebantur, scripsit memoriaeque mandavit." En in _Annales Caroli Magni_, V, 545 (PERTZ, _Monum._, I, 276) leest men: Quae veterum depromunt praelia regum Barbara mandavit carmina litterulis. [4] _Leven van Sint Amand_ (ed. BLOMMAERT), I, 3468; II, 3303. [5] PIRENNE, _Geschichte Belgiens_, I, 91. [6] _Bonifacins_ door Dr. J.P. MÜLLER, I, 86. [7] PIRENNE, t.a.p. I, 86-7. [8] Vgl. hier als elders BLOK'S _Geschied. v.h. Nederl. Volk_. [9] Ik heb hier het oog op hetgeen eerst door JONCKBLOET is uiteengezet en later door TE WINKEL uitgebreid. Ook op COSIJN'S rectorale rede "_over Angelsaksische Poëzie_" (1899). [10] COSIJN, t.a.p. bl. 21. [11] Dr. TE WINKEL, _Gesch. der Ned. Lett._ [12] _Hilde--Gudrun...._ von F. PANZER. Halle a/S. 1901. Ook Prof. SYMONS, die de _Gudrun_ uitgaf, hecht aan die plaatsnamen niet veel. [13] Men vindt ze opgesomd o.a. in de werken van JONCKBLOET (I, 33 volgg.) en TE WINKEL (I, 58). Zie voorts de onderscheidene studiën van Dr. BLÖTE over deze sage, een artikel van G. PARIS in _Romania_, 1901, en van Mr. L.A.J.W. Baron SLOET in _Versl. en Meded. d. Kon. Akad._, XII, 253 volgg. [14] _Sp. Hist._, IV, Partie III, Boek, c. VI en XXII. Zie voorts mijne _Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 250 volgg. [15] Vgl. _Middelned. Epische Fragmenten_, bl. 255. [16] PIRENNE, t.a.p. bl. 41-43. [17] Zie dat alles uitvoeriger medegedeeld in MOLL'S _Kerkgeschiedenis_, II, 3, bl. 45-55. [18] Zie den Catalogus der boekerij van Egmond medegedeeld in VAN WIJN'S _Huiszittend Leeven_ en, in veel beter uitgaaf, in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147 volgg. door wijlen Prof. KLEYN. [19] A.W. WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 78-79. [20] MOLL, t.a.p. II, 2, 239. [21] In het _Itinerarium_ van dien pelgrim, dat ik leerde kennen uit MATTHAEI _Veteris Aevi Analecta_, II, 26-33 b.v.: "Natales fines et arva dulcia linquentes" (_Ecl._, I, 3); aan het slot: "et tunc demum quae passi fuimus periculorum meminisse juvabit" (_Aen._, I, 203). Vgl. ook de naar klassieke voorbeelden gevolgde beschrijving van den storm op p. 31. In de Kroniek van ALPERTUS, _De Diversitate Temporum_ (ed. DEDERICH) o.a.: uit Juvenalis: "Intolerabilius nihil est quam foemina dives." [22] MOLL, t.a.p. I, 367. Dezelfde gedachte reeds bij HIERONYMUS. Zie FRANCK en VERDAM in hunne uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Gedichten_, bl. LXXVIII. [23] Ik maakte bij dit overzicht gebruik vooral van EBERT'S _Allgem. Geschichte der Literatur des Mittelalters im Abendlande_, van MOLL's _Kerkgeschiedenis_ en een enkele maal van HOFMAN PEERLKAMP'S _Liber de vita_ etc. MILO'S gedichten zijn het best uitgegeven door L. TRAUBE in _Poetae Latini Aevi Carolini_, III, 557 seqq. [24] Over deze laatste heiligenlevens vgl. MOLL, I, 367 volgg. [25] Vgl. over de poëzie van RADBOUD: EBERT, t.a.p. III, 184. H. PEERLKAMP, p. 11. De _Versus de hirundine_ medegedeeld in _Zeitsch. f.d. Alt._ N.F. 7, 388 flgg. Zijne Antiphonen op S. Maarten in _Kerkhistor. Archief_, III, 213 volgg. [26] Zie voor het medegedeelde MOLL'S _Kerkgesch._, I, 275 volgg. en ALPERTUS' Kroniek _De Div. Temporum_. [27] _Der Lobgesang auf den heiligen Anno_ (ed. GOLDMANN), Leipzig und Altenburg, 1816. Voor verdere bijzonderheden zie men _Grundriss der Germ. Phil._, II, 1, 251; en PIPER'S _Spielmannsdichtung_, II, 1. Gedateerd op 1077-'78; door sommigen op 1105-1110. [28] De Kroniek van ALPERTUS: _De diversitate temporum libri_ II, is van ongeveer 1022 (ed. DEDERICH, Münster, 1859). Vgl. MOLL, _Kerkgesch._, II, 2, 343 en BLOK, I, 130. Over de Kroniek van GALBERTUS vgl. RUDOLF HENNING, _Nibelungen--Studiën._ Strassburg. 1883. [29] _De Div. Temp._, II, 5. [30] R. HENNING in het aangehaald werk. [31] Ik heb mij hier bediend van E. VOIGT'S voortreffelijke uitgave van den _Ysengrimus_, (Halle a.S., 1884). In zijne _Etude sur l'Ysengrinus_, (Gand, 1895) komt L. WILLEMS tot eenigszins andere voorstellingen dan VOIGT. W., stelt den tijd van ontstaan 1151-1152; V.c. 1148. W. gelooft dat een "flamand gallicant" uit de buurt van Lille de dichter is geweest en dat deze niet uit de mondelinge overlevering maar uit de verhalen der trouvères heeft geput. Het eerste is door W. m.i. niet aangetoond; het tweede is niet te bewijzen. Zie over WILLEMS' boek ook het oordeel van Dr. J.W. MULLER in _Museum_ (1897) waarmede ik mij in hoofdzaak kan vereenigen. [32] VOIGT, _Einl._ LXIII. II. De Kruistochten. De "lage landen bij de zee" als grensland tusschen Frankrijk en Duitschland. Fransche en Duitsche literatuur. Heinric van Veldeke (_Leven van Sint Servaes_, _Eneïde_, liederen). Vertaling van het Nibelungen-lied. Speelmanspoëzie (_Van den bere Wisselau_; _Van Sente Brandane_). Losmaking van Duitschland. Toen het gevreesde jaar 1000 voorbij en de wereld niet vergaan was, ademden ook de bewoners dezer landen op. Niet alsof met die 11de eeuw een tijd van ongestoorden vrede en rust aanbrak! Integendeel, ook in deze en de volgende eeuw, wij hebben er reeds staaltjes van gezien, was er nog allerwege verdeeldheid; soms schijnt het alsof ieders hand tegen allen is opgeheven. Zeker, tegenover de verdeelende stonden verbindende krachten: de kerk, het leenwezen, eene zelfde of ten minste gelijke taal, dezelfde zeden en gewoonten. Maar voorshands is de eenheid van elk dier onderscheidene kleinere volksgeheelen hier te lande (Friesland, Holland, Vlaanderen, Brabant en andere) weinig hecht; er is te nauwernood sprake van één band die ze onderling vereenigt. Geen verschijnsel heeft in deze eeuwen zoo krachtigen invloed geoefend op onze volkswording als de kruistochten! Onder de eerste deelnemers aan die grootsche tochten, toen "het Westen zich op het Oosten wierp, onder den kreet: God wil het!" vinden wij ook onze voorouders. Reeds omstreeks 1030 zien wij een graaf van Holland ter kruisvaart trekken en aan zijne zijde een lid dier stoute ARKELS, welke de latere graven van Holland zoo dikwijls tegenover zich zouden zien[1]. Na hen treffen wij onder de kruisvaarders in deze en de volgende eeuwen graven van Holland, Gelder, Vlaanderen aan; zonen van oud-adellijke geslachten als de BREDERODE'S, BORSELEN'S, VAN LYNDEN'S; Friesche edelen uit den stam van GALAMA en BOTNIA. Nog lang na den tweeden kruistocht, die in 1147 voorviel, wezen latere kruisvaarders elkander den palmboom op het graf van den dapperen Frieschen aanvoerder HENDRIK ULVINGA in de nabijheid van Lissabon. Niet alleen ridders, ook aanzienlijke burgers, gewone poorters, lijfeigenen trokken naar het Heilige Land. Waarschijnlijk waren er maar weinig ridders onder die Antwerpenaars, Hollanders en Friezen, die volgens hun eigen getuigenis acht jaren in de Middellandsche zee van roof op de heidenen hadden geleefd en in 1097 op hunne schepen, welker masten met goud waren beslagen, het leger der kruisvaarders in Cilicië te hulp kwamen[2]. Zeker, behalve zuivere godsdienstige geestdrift zullen er voor deze tochten beweegredenen zijn geweest van minder gehalte; de naam "groote aflaat" dien men in de 13de eeuw aan een kruistocht gaf, wijst reeds op iets anders dan op liefde tot God om Gods wil. En dat vooral bij degenen die slechts geld, niet zich zelven, gaven ten behoeve dezer tochten. Ook bezwaardheid van geweten zal wel tot de beweegredenen hebben behoord; ook drijfveeren van minder allooi zal men niet mogen voorbijzien: lust naar avonturen, strijdlust, zucht om buit of roof te behalen. Dat alles moge waar zijn, maar desniettemin zien wij hier in de ontwikkelingsgeschiedenis van ons volk dit belangrijk verschijnsel, dat voor het eerst zij die zóó lang verdeeld waren gebleven: Vlamingen, Friezen, Hollanders, Gelderschen en zoovele anderen, in het besef hunner éénheid als Christenen, gezamenlijk optrekken tegen één vijand in verre gewesten. De groote invloed dier tochten op de ontwikkeling ook van ons volk is bekend. Nu eerst deden de Nederlanders hun "intocht in de Kerk waardoor zij inderdaad vereenigd werden met het groote lichaam, waarvan zij vroeger leden heetten, maar niet waren"[3]. Handel en nijverheid, ook de kunsten ontwikkelden zich. De trage verbeelding der bewoners van deze lage landen kreeg een schok, werd opgewekt, geprikkeld. Welk een indruk moet het Zuiden, moeten die landen der zon met hun geheimzinnig achterland, hebben gemaakt op de ruwe maar ontvankelijke gemoederen dezer zonen van het Noorden, die zich voor het eerst verplaatst zagen buiten de enge grenzen van hun gouw of graafschap! Maar niet minder gewichtig dan dat alles is de invloed geweest, dien de aanraking met andere volken moet hebben geoefend op het onze. Door dat herhaald en langdurig samenzijn en samenwerken met andere volken of volksdeelen, moeten onze voorouders voor het eerst ten deele bewust zijn geworden van zich zelf. Nu eerst wordt hun de gelegenheid gegeven om door vergelijking met anderen zich zelven te leeren kennen; nu eerst begint door den morgennevel der naïeveteit heen het beeld der eigen persoonlijkheid flauw voor hen op te schemeren. Ook van het volk, waarvan zij nog een deel uitmaakten en waaraan zij zich het nauwst verwant gevoelden: de Duitschers, moeten zij zich reeds onderscheiden hebben gevoeld in taal en karakter. Welk een aanzienlijk verschil bestond er reeds omstreeks 1171, toen HEINRIC VAN VELDEKE zijn _Sint Servaes_ dichtte, tusschen Middelnederlandsch en Middelhoogduitsch! Dat verschil kan natuurlijk eerst langzamerhand zoo gewichtig zijn geworden. Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de meeste dezer lage landen tot Duitschland; hunne ligging in Europa maakte ze tot een schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen. Langzamerhand zullen wij den band met het overig Duitschland losser zien worden en ten slotte feitelijk wegglijden, al blijft hij in schijn nog lang zichtbaar, al wordt hij later wel eens opnieuw aangeknoopt. Dat de bewoners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen in woonden; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het Dietsch onmiddellijk paalde aan het Fransch, was oorzaak dat Fransche taal en letterkunde te onzent gemakkelijk ingang konden vinden. Dien aanwas van zelfstandigheid tegenover Duitschland, waarbij de invloed van Frankrijk zich doet gevoelen, zullen wij nu in de geschiedenis, onzer letterkunde gaan beschouwen. De eenheid dezer landen met het overig Nederduitschland vertoont zich ook in die scharen van Vlaamsche en Hollandsche kolonisten, welke in de 11de en 12de eeuw een deel van Nederduitschland bevolkt en er zeker toe bijgedragen hebben daar het gevoel van eenheid met de bewoners der lage landen levendig te houden. Echter moet dat gevoel van eenheid te onzent sterker geweest zijn in het zuiver Germaansche Noorden dan in het Zuiden, dat een tweetalig land was. Dit verschil tusschen Noord- en Zuid-Nederland moeten wij hier al aanstonds op den voorgrond brengen. Zuid-Nederland was verdeeld in Dietsche en Waalsche gewesten of zulke die Dietsche en Waalsche elementen in zich vereenigden. Vlaanderen, Brabant, Limburg waren in hoofdzaak Dietsche gewesten; Artois, Kamerijk, Henegouwen, Namen en het land van Luik bijna uitsluitend Waalsche. Echter deed zich in Vlaanderen de politieke invloed van Frankrijk sterk gelden; Brabant hing nauwer met Duitschland samen; Limburg had wel het meest recht op den naam van: grensland. Tegenover de Fransch (Walsch) sprekenden voelden de Dietsch-sprekenden zich één. Reeds in VELDEKE'S _Leven van Sint Servaes_ worden "Dutschen ende Walen" tegenover elkander gesteld[4], Maar niet zóó scherp stonden zij tegenover elkander, of de meerdere geestesbeschaving en kunstzin van het Fransche volk oefenden hare bekoring en haren invloed op de minder ontwikkelde bewoners dezer grenslanden, voorzoover zij Fransch verstonden. Ook in de literatuur zal dat blijken. Terwijl te onzent, zooals wij gezien hebben, nog geene nationale letterkunde bestond, had de kunst van het woord in Frankrijk reeds tal van voortreffelijke of belangwekkende werken voortgebracht. Kort vóór of na den eersten Kruistocht waren de oudste _Chansons de geste_ reeds gedicht: de grootsche _Chanson de Roland_, de indrukwekkende _Lorreinen_, barbaarsch als de Roodhuiden, de bloedige _Raoul de Cambrai_, _Girart de Roussillon_, een deel van den _Guillaume d'Orange_, de _Aiol_. De aanvang der 12de eeuw bracht het ontstaan van het hoofsche ridderdicht ("épopée courtoise") en dat der lyriek. Vóór het midden dier eeuw waren de meeste verhalen, die de onderscheidene "branches" van den _Roman du Renart_ vormen, reeds voor de eerste maal opgesteld[5]. Ook de Duitschers konden, lang vóór het ontwaken der literatuur te onzent, op menig werk van beteekenis wijzen; behalve de vroeger genoemde dichtwerken hadden zij reeds: het Walthari-lied, EZZO'S lied over de Wonderen van Christus, een gedicht over Koning ROTHER. Die nationale literatuur, in hoe menig opzicht ook zelfstandig en oorspronkelijk, kon zich echter niet onttrekken aan den invloed der Fransche literatuur, die toen reeds den toon aangaf. De _Alexander_ van PFAFFE LAMBRECHT en het _Rolands-lied_ van PFAFFE KONRAD waren reeds in de eerste helft der 12de eeuw uit het Fransch vertaald; in de tweede helft dier eeuw zou de vertaling eener branche van den _Roman du Renart_ volgen en de Fransche lyriek de ontwikkeling der Duitsche bevorderen. Het is waarlijk niet vreemd dat wij dezen invloed van Frankrijk op Duitschland kunnen waarnemen ook in het land, dat meer dan eenig ander een schakel tusschen hen vormde: Limburg. Omstreeks 1170 werd binnen of bij de grenzen van dat land de bekende geschiedenis van FLORIS en BLANCEFLOER bewerkt in een dialect, dat misschien oorspronkelijk zuiver Limburgsch geweest is of althans met evenveel recht tot het Nederlandsch als tot het overige Nederduitsch kan gerekend worden[6]. Het is den schrijver dezer bewerking, die een Fransch voorbeeld volgde, blijkbaar slechts om het verhaal te doen geweest; reflexie is, naar het schijnt, afwezig. Zijn verhaaltrant is uiterst beknopt en zaakrijk, sober maar droog; van de aandoening die dit liefelijk verhaal in latere dichters zou wekken, is hier weinig te bespeuren. Taal en stijl van dit gedicht zijn nog onbeholpen; de korte zinnen, en de hortende verzen waarin dalingen niet zelden ontbreken, met hunne onzuivere rijmen, wijzen op geringe technische vaardigheid. Veel duidelijker dan in dit gedicht vertoont zich de invloed der literaturen van Frankrijk en Duitschland op de ontwikkeling der onze in het werk van HEINRIC VAN VELDEKE. In de poëzie van dezen Limburgschen edelman uit de buurt van Maastricht vinden wij de onderscheiden elementen vereenigd, welke wij hier achtereenvolgens hebben leeren kennen: hij legt den band tusschen de Latijnsche literatuur en de nationale door zijne omwerking van een Latijnsch heiligenleven tot het Limburgsch _Leven van Sint Servaes_; uit het Fransch vertaalt hij een riddergedicht over ENEAS in zijne moedertaal, waaruit het weer in het Middelhoogduitsch wordt overgebracht (_Eneît_); in het Limburgsch dicht hij, onder den invloed der Fransche (Provençaalsche) lyriek een dertigtal minneliederen die eveneens in het Middelhoogduitsch worden vertaald. Zoowel zijne _Eneïde_ als zijne minneliederen hebben groote beteekenis gehad voor de ontwikkeling der Middelhoogduitsche epische en lyrische poëzie. Van zijn leven is ons weinig bekend. Hij schijnt op een of andere wijze in betrekking te hebben gestaan tot den geestelijken stand en het klooster van SINT SERVAES; blijkbaar kende hij behalve de Fransche ook de Latijnsche literatuur, o.a. de _Aeneïs_, de _Metamorphosen_ en het epos van STATIUS[7]. Hij ondernam c. 1171 de bewerking der _Vita_ van den H. Servatius op verzoek van gravin AGNES VAN LOON en van zekeren kanunnik HESSEL, "die doen der costeryen plach." Hij heeft in Duitschland gereisd, was omstreeks 1175 aan het hof van Kleef en gaf zijn onvoltooide _Eneïde_ daar te lezen aan gravin MARGARETA, de bruid van LODEWIJK III, landgraaf van Thüringen. Zijn handschrift werd hem ontstolen en eerst veel later terug bezorgd, zoodat de voltooiing der _Eneïde_ waarschijnlijk kort vóór 1190 heeft plaats gehad. In Duitschland zal hij kennis gemaakt hebben met de daar bestaande nationale literatuur, o.a.: het _Anno-lied_, LAMPRECHT'S _Alexander_, KONRAD'S _Rollands-lied_; ook de Duitsche sagen van dien tijd kunnen hem niet vreemd zijn gebleven. Zijne minneliederen dagteekenen misschien uit denzelfden tijd als zijne _Eneïde_. Ook heeft hij nog een gedicht van "Salomon en de Minne" geschreven, dat ons slechts uit eene aanwijzing van een Duitsch dichter bekend is[8]. Indien "meyster HEINRIC" begonnen ware met minneliederen te dichten, vervolgens de hand geslagen had aan een ridderroman waarvan de minne schering en inslag is, en daarna, ouder en ernstiger geworden, getracht had door middel van een heiligenleven goed te maken wat hij misdreven had met het dichten dier wereldsche poëzie--dan zou hij gedaan hebben, wat na hem door tal van andere Nederlandsche dichters gedaan is. Die gang van zaken zou bovendien in overeenstemming zijn geweest met wat de gewone levenservaring ons leert. Naar het schijnt, heeft het tegenovergestelde plaats gehad: is hij begonnen met de bewerking van een heiligenleven, om zich daarna tot minnepoëzie en ridderverhaal te wenden. Zoolang deze voorstelling niet door nieuwe feiten aangetast is, zullen wij ons er aan moeten houden. Daar zoowel _Sinte Servatius Legende_ als de _Eneïde_ bewerkt zijn, de eene naar een Latijnsch, de andere naar een Fransch voorbeeld, komt het er bovenal op aan, het karakter dezer bewerkingen te leeren kennen. Over het algemeen volgt VELDEKE zijne Servatius-legende, die hij telkens aanduidt als "die vite", op den voet[9]. De letterkundige waarde dezer bewerking is gering en herinnert ons dat wij bij den aanvang van de ontwikkeling onzer literaire kunst staan. De gebrekkige uitdrukking, de afgebroken zinbouw, de stootende verzen met hun drietal heffingen doen ons denken aan de oude volkspoëzie. In eene periode als: Alle die vergaderinghen Al weynende dat sij songhen Met luder stemmen: Osanna! Doen was vroude ende yamer da, meent men een nagalm te hooren van deze verzen uit het Lodewijkslied: Joh alle saman sungun "Kyrieleison". Sang was gisungan Wig was bigunnan. Enz. Beelden en vergelijkingen zijn schaarsch en over het algemeen onbeduidend. In een paar dier vergelijkingen bespeuren wij eenige aandoening. Zoo b.v. in deze uit het eerste boek: Daer nae sprack der heilighe man, --Die salighe diet ghemercken can-- "Men mach in menghen synnen "Gods heerscapie bekennen, "Sijne ghenade ende sijne ghewalt. "Ghij siet wale wie der wynter kalt "Die eerde bevroret "Ende haer vrocht testoret "Ende tewrijvet ende verkeert; "Ende als hij dan henne veert, "Ende der somer aen gheyt, "Dien alle die werelt gherne ontfeyt, "Ende daer toe alle creatueren, "Eyn yeghelijck nae sijnre natueren, "Verhoghen sich ende vervrouwen. "Allen die Gode ghetrouwen "Ende doer hem lijden arbeit, "Dien gheeft hij grote rijcheit, "Woninghe in hiemelrijck "Ende vroude ewelijck." Maar wanneer wij een blik in VELDEKE'S voorbeeld slaan en daar op de overeenkomstige plaats lezen: "en", ait "quomodo verna temperies redit post hiemem, sic post mortem orietur beatis requies", dan zien wij dat VELDEKE'S verdienste hierin bestaat, dat hij een dichterlijk onderdeel van zijn voorbeeld op zelfstandige wijze heeft uitgebreid[10]. Ook waar wij elders verwachten, dat eenige stijging van aandoening zich in den stijl en de verzen zal openbaren, zooals b.v. in de visioenen, wordt die verwachting niet vervuld[11]. Toen VELDEKE zijn _Leven van Sint Servaes_ bewerkte, gevoelde hij zich een armen zondaar, die behoefte had aan de voorspraak van den heiligen man bij God; die hoopte dat zijn werk ter eere Gods zou strekken[12]. Maar de levensgeschiedenis van den heilige moge hem hebben gesticht, zij heeft noch zijn gevoel noch zijne verbeelding kunnen treffen. Anders was dat met de geschiedenis van ENEAS, zooals zij door een onbekend Fransch dichter omstreeks 1170-'75 is verwerkt tot een ridderroman[13]. Wat dit gedicht opmerkelijk maakt, is vooral de wijze waarop hier de liefde tusschen de beide seksen als dichterlijk motief is gebruikt en de groote plaats die de ontleding van het gansche gemoedsleven, van de hartstochten en vooral van de liefde hier inneemt. Deze opvatting der liefde was iets nieuws in de toenmalige literatuur. Aan de klassieken viel die niet te ontleenen. Het is bekend, dat zoowel de toestand der vrouw als de verhouding der beide seksen in de Oudheid gansch anders was dan in de nieuwere tijden; er waren weinig dingen die TACITUS in de Germanen sterker troffen dan juist hun achting voor de vrouwen, hun eerbied voor het huwelijk, dat kuischheid bij hen in eere was en dat de vrouw in het huwelijk stond als eene gelijke tegenover den man. Door de opkomst van het ridderwezen, eene Germaansche instelling, was dit gevoel van eerbied jegens de vrouwen nog sterker geworden en had het zich, vooral in Zuid-Frankrijk, onder den invloed der galanterie verfijnd. In het Fransche gedicht is de ontleding van den hartstocht bij uitnemendheid reeds vrij ver voortgezet en, voor dien tijd, fijn. Het is een van VELDEKE'S verdiensten dat alles nagevoeld en in eigen trant het eerst in onze taal te hebben gezegd. Doch al heeft hij een voorbeeld gevolgd, hij was geenszins louter vertaler. Hij heeft heel wat gewijzigd of veranderd, weggelaten of toegevoegd; meestal geschiedde dat om de juistheid der uitdrukking te verhoogen of den gang van het verhaal te verduidelijken; ook wel eens om de eischen van eigen kieschheid of eigen smaak te bevredigen[14]. Verscheidene didactische uitweidingen, overtollige beschrijvingen en mededeelingen heeft hij laten vervallen. Desondanks telt zijn werk ongeveer 3000 verzen meer dan het oorspronkelijke. Die grooter omvang is toe te schrijven vooral aan de wijdloopigheid van den bewerker, die zich openbaart o.a. in het uitspinnen van monologen en van gevechten, ook in de beschrijving van zielstoestanden. Waar hij beschrijft, ook naar het uiterlijk, toont VELDEKE menigmaal wel talent, maar een onontwikkeld talent, terwijl zijn smaak en zijne kunstvaardigheid nog gering blijken. Zoo b.v. waar hij ons de Sibylle beschrijft, die ENEAS "toe Icônjen in her hûs" bezocht. Een viertal verzen van het oorspronkelijk gedicht zijn in de bewerking uitgedijd tot een 34-tal, zoodat men hier met recht van VELDEKE'S werk mag spreken: grôt ende grâ was her dat hâr end harde verworren-- dat wir wale spreken dorren-- alse eines perdes mane. die frouwe hadde ane vele onfrouwelîch gewant. ein boech hade sî an der hant. dar ane sach sî ende las. doe schoude sî Enêas. He marcde sî rechte. dat mies [Zijnoot: mos.] lockechte hiene her ût den ôren. sî enmochte niet gehôren, et enwâre, dat man riepe. her ougen stonden er diepe onder den ouchbrâwen, langen ende grâwen, die dâ vore hiengen-- end her ter nase giengen, grouwelîch was her lîf: hem enwart nie wîf alsô wonderlich kont. swart ende kalt was her der mont. sî sat in den gebâre, alse er leven wâre ân alre slachte wonne. die tande stonden er donne [Zijnoot: dun (geplant).] end wârn her lanc ende gele. her was der hals end die kele swart end gerompen [Zijnoot: gerimpeld.]. sî selve was geskrompen in bôsen gewande. her arme end here hande waren âdern ende vel[15]. Belangwekkend is op deze plaats de worsteling van een naïef kunstenaar met zijne stof. De dichter is blijkbaar wel onder den indruk en tracht dien zoo goed mogelijk weer te geven; er is wel goede grondstof, er zijn wel goede deelen van een beeld, maar hoe zonderling liggen zij dooreen. Telkens springt hij van de afzonderlijke trekken op het geheel over of wordt zijne eigen voorstelling hem te machtig, zoodat hij zich lucht moet geven. Na de aardige vergelijking van het haar bij verwarde paardemanen--de vergelijking raakt volgens VELDEKE blijkbaar de grens der kieschheid--een blik op het onvrouwelijk gewaad; zij had een boek in de hand; nu weer de détails: vlokken mos (haar) hingen haar uit de ooren, diepliggende oogen onder laag afhangende grijze wenkbrauwen; dan plotseling een blik op het geheel: gruwelijk was haar lichaam; daarna terugkeer tot de détails: de mond was zwart en koud; weêr een algemeene indruk: hare houding gaf te kennen dat zij geenerlei vreugde kende; zoo gaat het voort. Kunst als deze, hoe onvolkomen ook, doet ons betreuren dat VELDEKE'S invloed op de Nederlandsche dichters van later tijden naar het schijnt zoo gering is geweest, want aanleg had hij zeker. Duidelijker nog dan in zijne _Eneide_ blijkt die aanleg in het dertigtal minneliederen, door hem onder den invloed der Fransche hoofsche lyriek gedicht. In gevoelens en stemmingen, in keuze van voorstellingen en uitdrukkingen blijven deze liederen binnen den kring van den conventioneelen vrouwendienst, die zich in Frankrijk had ontwikkeld en zich daar en elders deed gelden, zoowel in eene min of meer kunstmatige werkelijkheid als in de poëzie. De verhouding van den minne zoekenden man tot de vrouw die hij wenscht, wordt voorgesteld als een _dienst_: zij is de meesteres, hij de dienaar. Telkens is ook in deze liederen sprake van _dienen_ en _dienst_. De minne wordt verheerlijkt: Von minne kumet uns allez guot: diu minne machet reinen muot. Waz solte ich sunder minne dan?[16] De vrouwen worden tegenover de mannen verdedigd, haar toorn wordt gevreesd. Het zinnelijke in de verhouding der beide seksen (het "umbevân") wordt dorperlijk genoemd: Wie mohte ich dat für guot entstân, dat hê mî dorpelîche bâte dat hê mî muoste al umbevân?[17] vraagt eene vrouw, die--naar de gewoonte in deze minnepoëzie--sprekend wordt ingevoerd. Voor haar goeden naam moet de minnaar zorg dragen; daarom mag hij zijne liefste niet in het openbaar noemen; daarom ook moet hij haar en zich hoeden tegen de booze tongen de ("rueger" en "nider") [18]. Niet zelden begint een lied--ook dat was conventioneel geworden, maar conventie waarin waarheid schuilt--met een klein natuurschetsje of een trek uit het natuurleven; hetzij om overeenstemming, hetzij om tegenstelling tusschen natuurleven en gemoedsleven te doen uitkomen. Tegenstelling vindt men al dadelijk in het eerste lied: Ez sint guotiu niuwe mâre, daz die vogel offenbâre singent dâ man bluomen siet. Zuo den zîten in dem jâre stuende wol daz man frô wâre: leider des enbin ich niet[19]. Overeenstemming treft men aan in verzen als deze: Ez tuont die vogele schîn [Zijnoot: toonen.] daz si die boume sehent gebluot [Zijnoot: bloeiend.]. ir sanc machet mir den muot sô guot daz ich vrô bin noch trûric niht kan sîn[20]. Maar niet zóó vast is VELDEKE in de leer van den vrouwendienst of de natuur gaat hem soms boven de leer. Het moge dorperlijk zijn naar het "umbevân" te verlangen, deze minnaar doet wat hij niet laten kan: ich bat sie in der kartâten daz si mich müese al umbevân[21]. en hij vraagt het niet te vergeefs. Hoe idealistisch ook gezind, hij verliest den blik op de alledaagsche werkelijkheid daarom niet: Swer den vrouwen setzet huote [Zijnoot: bewaking.], der tuot daz übele dicke stêt. vil manic man der treit die ruote [Zijnoot: draagt de roede.] da er sich selben mite slêt[22]. Ook de leukheid niet, die hem doet zeggen: geschihet mir als deme swan, der singet als er sterben sal, sô vliuse [Zijnoot: verlies.] ich ze vil dar an[23]. Zoolang wij deze liederen slechts in eene Hoogduitsche overzetting kennen, is het natuurlijk niet uit te maken of zij in Limburg bekend zijn geworden, noch of zij ook in andere deelen dezer landen verbreid zijn en invloed hebben geoefend op de zich daar ontwikkelende literatuur. Wij komen op die vraag nog even terug, doch kunnen nu reeds zeggen, dat wij voor het bestaan van zulk een invloed geen afdoend bewijs hebben. Ten opzichte der _Eneide_ verkeeren wij in iets gunstiger omstandigheden. Het is bekend dat MAERLANT in zijne _Historie van Troyen_, sprekend over de geschiedenis van ENEAS en DIDO, zegt: "Oec ist gedicht in Duytsche woert"[24]. Het is mogelijk, dat hij hier het oog heeft op VELDEKE'S gedicht, maar zonder nader bewijs mogen wij dezen regel natuurlijk niet als beslissend beschouwen. Voorzoover wij nu kunnen zien, is VELDEKE'S invloed op de ontwikkeling der Nederlandsche letterkunde gering geweest; in allen gevalle op verre na niet zoo belangrijk als op die der Hoogduitsche literatuur. Voor tal van Middelhoogduitsche dichters is VELDEKE'S werk, met name zijne _Eneide_, een voorbeeld geweest, dat zij bewonderden en navolgden. Zijn dichterlijk verhaal gaf in Duitschland den stoot tot het ontstaan der epische minnepoëzie en minstens eene eeuw lang wordt hij door Duitsche dichters gelezen en geprezen, ook door de grootsten onder hen als WOLFRAM VON ESCHENBACH, den duister-verhevene en den beminnelijken GOTTFRIED VON STRASSBURG[25]. VELDEKE'S werk, het werk van een ontwikkeld dichter, die reeds zekere mate van individualiteit vertoont, behoorde tot de kunstpoëzie dier dagen. In die poëzie is een Nederlander de Duitschers vóórgegaan. Naast die kunstpoëzie echter bestond in Duitschland eene nationale verhalende volkspoëzie. Gedeeltelijk was deze, in den tijd waarvan wij spreken, reeds onder den invloed gekomen der hoofsche epiek. De beide bekende heldendichten _Nibelungen_ en _Gudrun_ leveren daarvan het bewijs en toonen ons van welken aard die invloed is geweest. Een ander deel dezer volkspoëzie was vrij gebleven van dien invloed van het hoofsche epos. Die soort van poëzie vinden wij vertegenwoordigd in een aantal verhalende gedichten, meerendeels In het laatst der 12de eeuw gemaakt en voor een deel afkomstig uit de Rijnlanden. Men pleegt ze samen te vatten onder den naam: _speelmanspoëzie_, omdat zij zwervende dichters en voordragers tot makers hadden. Ook treedt in vele dezer gedichten een speelman op den voorgrond. De meest bekende zijn: _Orendel, Salman und Morolf, Hertog Ernst, Sint Oswald_. Alle herinneren door hun inhoud en hun trant min of meer aan een vroeger gedicht van dezen aard: de geschiedenis van _Koning Rother_, al beweegt dat verhaal zich in hooger sfeer dan deze latere werken. In alle leveren de Kruistochten den historischen achtergrond; in verband daarmede vinden wij hier dan ook telkens melding gemaakt van schepen en zeereizen. Het verhaal dier tochten naar verre landen geeft den dichters natuurlijk ruimschoots gelegenheid hunnen hoorders allerlei vreemds en wonderbaarlijks voor oogen te brengen; vooral het verhaal van Hertog ERNST is met dat wonderbare vervuld. Het komisch element openbaart zich op vele plaatsen, gewoonlijk in ruwe grappen zooals men ze van deze dichters verwachten kon[26]. Hier staat de Nederlandsche poëzie tegenover de Hoog- en Nederduitsche in eene andere verhouding dan bij VELDEKE: dáár was het onzerzijds _geven_, hier _nemen_. Beide boven aangewezen soorten van volkspoëzie vinden wij te onzent vertegenwoordigd: het volksepos onder den invloed der hoofsche ridderpoëzie in eene vertaling der _Nibelungen_; de speelmanspoëzie in het gedicht _van den Bere Wisselau_ en misschien ook in dat _van Sinte Brandaen_. In welken tijd hebben de bewoners dezer landen voor het eerst kennis gemaakt met de Nibelungen-sage? Op die vraag moeten wij het antwoord schuldig blijven. Dat er geen grond bestaat om den bewoners dezer landen een aandeel toe te kennen in de _vorming_ van het Oudgermaansch heldendicht, hebben wij hiervoor uiteengezet. Daarin ligt natuurlijk niet opgesloten, dat men hier te lande geene kennis van die _elders ontstane_ heldenpoëzie of heldensage kan hebben gedragen. Het mag waarschijnlijk heeten dat de, in een bericht der 10de eeuw en in den _Reinaert_ vermelde, koning HERMENRYC de bekende Gotenkoning der heldensage is[27]. Ook weten wij dat de abdij van Egmond reeds in de 11de of in het begin der 12de eeuw een exemplaar van het _Walthari-lied_ heeft bezeten[28]. Weliswaar was het slechts een Latijnsche vertaling waarin dat heldendicht tot ons is gekomen; doch juist dat Latijn zal het aantrekkelijk hebben gemaakt voor de geestelijken dier dagen en in allen gevalle mag men de aanwezigheid van dat dichtwerk beschouwen als een bewijs van belangstelling in de Oudgermaansche heldensage. Heeft men hier te lande, zij het dan ook slechts in het Zuidoosten, Nibelungen-liederen gekend, vóórdat het, later uit die liederen ontstane, epos in het Nederlandsch is vertaald? Die vraag hangt samen met het vraagstuk van den ouderdom dier vertaling. Volgens de meeste Duitsche geleerden is het epos, zooals wij het tegenwoordig hebben en dat het voorbeeld is geweest der Nederlandsche vertaling, niet ouder dan 1205[29]. Nu vinden wij echter dat VELDEKE in zijn _Leven van Sint Servaes_ spreekt van ATTILA als "Bodelinghes son" [30]; deze vadersnaam komt ook in de _Nibelungen_ meer dan eens voor. Was VELDEKE nu met dezen naam bekend geworden door de _Nibelungen_ of kende hij dien van elders? Dat hij dien naam in Duitschland heeft leeren kennen, evenals de namen der heldenzwaarden Eggesas, Mimming, Nagelring, waarover hij in de _Eneïde_ spreekt, is niet waarschijnlijk; immers hij heeft, naar het schijnt, eerst na het dichten van den _Servaes_ in Duitschland gereisd. Een andere grond om te vermoeden, dat hier misschien Nibelungen-liederen in omloop zijn geweest, is dit: nog in de 15de eeuw vinden wij den melkweg in een Geldersch-Kleefsch woordenboek genoemd: _Ver Broenelden strait_[31]. Wijst het in zwang komen en blijven van een dergelijken naam niet op langdurige bekendheid met de Nibelungen-sage? Is het wel aannemelijk dat een dergelijke naam in zwang zou kunnen komen door den invloed eener schriftelijke vertaling en moet hier niet veel eer gedacht worden aan den gestadigen invloed eener mondelinge overlevering? Wat daarvan zij, vast staat, dat men het Nibelungen-lied in het Nederlandsch vertaald heeft en, indien de tijdsbepaling der Duitsche geleerden juist is, dat deze vertaling nà 1205 is vervaardigd[32]. Hoe lang na 1205? Dat is niet met een jaartal aan te geven. Doch er bestaat reden om te gelooven, dat onze vertaling in de eerste helft der 13de eeuw is gemaakt. De populariteit van dit epos zal zich spoedig ook over de grenzen dezer landen hebben verbreid; het handschrift dat de fragmenten der Nederlandsche vertaling bevat, schijnt nog tot de 13de eeuw te behooren; het feit dat MAERLANT in zijn vroegste werk _Alexander_ den vernederlandschten naam van ATTILA: _Ettel_ gebruikt en in zijn _Spiegel Historiael_ dien van _Diederic van Berne_, mag doen vermoeden dat hij deze namen misschien uit de vertaling der _Nibelungen_ heeft leeren kennen. Van die vertaling zijn ons slechts twee kleine fragmenten over, elk van 72 verzen, die een gedeelte der 16de en een gedeelte der 17de Aventiure van het oorspronkelijk epos behelzen. Of men het gansche gedicht vertaald heeft, moet dus onzeker blijven; ook hoe onze voorouders het genoemd hebben. Dat men van het _Nevelingen-lied_ of van de _Nevelingen_ zal hebben gesproken, is onwaarschijnlijk, omdat dit woord reeds in de 13de eeuw eene gansch andere beteekenis had (_neef_ of _verwant_). Ook bij deze vertaling hebben wij in de eerste plaats te vragen naar het karakter der vertaling en de wijze waarop de vertaler zich van zijne taak heeft gekweten[33]. Gunstig kan het oordeel over zijn werk niet luiden. Zijne verzen zijn vrij goed en hij heeft wel getracht het episch rhythme van het origineel weer te geven; doch zijne gebrekkige kennis van het Duitsch belemmerde hem in zijn werk als een blok aan het been. Waar hij een woord of een vers niet begreep, liet hij het weg, of--erger--verving het door een stoplap als: "dat doe ic u verstaen" en "dies was hi wel blide". Aan zijne gebrekkige taalkennis is waarschijnlijk toe te schrijven, dat, vooral in het tweede fragment, de gang van het verhaal hier en daar onduidelijk of verward is. De aanschouwelijkheid van het jachttooneel heeft bij de overbrenging geleden; voor het krabben en bijten van den beer dien SIEGFRIED vangt, heeft de vertaler geen oog gehad; geen oog ook voor SIEGFRIEDS rijke kleeding, voor de fraai bewerkte pijlen en het goede zwaard BALMUNG. De gevoelige regels uit het oorspronkelijk gedicht over KRIEMHILDE'S droefheid: ir hetet mîn vergezzen, des mag ich wol jehen, dâ ich dâ wart gescheiden von mîme lieben man. "daz wolde got" sprach Kriemhilt, "waer iz mir selber getân". zijn weergegeven door het onbeteekenende: Nu is mijn welvaren voerwert meer gedaen. Ook den trek dat KRIEMHILDE niet kan besluiten den geliefden man te laten begraven, mist men in de Nederlandsche bewerking. Van den persoon des vertalers is ons niets bekend, evenmin als van de auteurs van _Wisselau_ en _Brandaen_. Dat is geen toeval, maar in overeenstemming met het onpersoonlijk karakter der volkspoëzie, in tegenstelling met de bekendheid van de auteurs der meer individueele kunstpoëzie. Indien wij echter in aanmerking nemen dat in het laatste couplet van het tweede fragment de geestelijke tint bij de overzetting vrij wat sterker is geworden, dan zouden wij geneigd zijn voorloopig een geestelijke voor den bewerker te houden. Maar geen geestelijke zal het geweest zijn, die ons het verhaal _van den Bere Wisselau_ heeft nagelaten. Of zoo al, dan een tot speelman verloopen geestelijke of klerk, een dier vaganten of goliarden, gelijk er in de 12de en 13de eeuw zoovele rondzwierven: arme schooiers, tuk op een goeden maaltijd, en als GARGANTUA in extaze gerakend "au seul son des pintes et flacons"; verloopen studenten, wier ideaal was in taberna mori, ubi vina proxima morientis ori wien uit de engelenkoren de smeekbede reeds tegenklonk: "Deus sit propitius isti potatori". Want zoo ergens, dan vinden wij hier in onze literatuur de rechte speelmanspoëzie. Reeds uit den kort samengevatten inhoud van het gedicht kan dat blijken[34]. Het begin van het fragment brengt ons naar het land van den reuzenkoning ESPRIAAN. Wij zijn aan het zeestrand. Koning KAREL is juist met zijne "genooten" op een schip aangekomen. Onder zijn gevolg is een reusachtige beer, Wisselau genaamd, die zekeren GEERNOUT als zijn meester gehoorzaamt. Een reus die de wacht aan het strand houdt, wordt door Wisselau gedood. Nu komt koning ESPRIAAN met zijne reuzen. Op zijne vraag verneemt hij van GEERNOUT, dat er nog vier zulke beren in het schip gebonden liggen. Uit vrees noodigt ESPRIAAN koning KAREL en de zijnen op zijn kasteel. GEERNOUT trekt Wisselau een rok van vier kwartieren aan, dien hij voor hem had laten snijden ter gelegenheid van een hoffeest te Aken en volgt met den beer de overigen. Als zij aan ESPRIAANS burcht komen, loopt de portier op het zien van Wisselau jammerend van angst weg. GEERNOUT gelast den beer in de "gargoensche tale" (jargon) die zij beiden alleen verstaan, dat hij naar de keuken moet loopen, den opperkok bij het haar grijpen en in den soepketel werpen; daarna met den ketel de zaal binnenkomen, om de reuzen nog meer schrik aan te jagen. Dat geschiedt. Schenkers en drossaten komen de zaal binnenvliegen om ESPRIAAN te melden wat met den opperkok BRUGIGAL gebeurd is. Achter hen aan komt de beer met zijn grotesken last. ESPRIAAN wil vluchten, maar GEERNOUT trekt hem neer op zijn zetel. Wisselau gaat den kok verslinden; grimmig kijkt hij rond, zoodat de reuzen doodsbenauwd op de zaalbalken klimmen. De reuzenkoning smeekt GEERNOUT om hulp en deze belooft den beer mak te zullen maken. In zijn gargoensch zegt hij tot hem, dat zij een schijngevecht zullen houden; Wisselau moet zich daarin laten overwinnen. Nadat de worsteling geëindigd is, staan de reuzen verbaasd over de kracht van den kleinen man. GEERNOUT zegt schertsend tot den beer dat er niets meer te eten is; ESPRIAAN lacht, maar Wisselau wordt boos en schudt zich, zoodat de kostbare knoopen van zijn rok springen. Daarna werpt hij den rok op het vuur en gaat er voor zitten om zich te warmen. Daar zat hij als een jonker! Voor geen duizend mark zou een reus hem gelast hebben op te staan; zij blijven op veiligen afstand van het vuur en den beer. Een maaltijd wordt voor de gasten aangericht en men beraadslaagt over het nachtverblijf. Koning ESPRIAAN zou den beer gaarne kwijt zijn. GEERNOUT denkt er over hoe hij koning KAREL en zijne gezellen behouden weer uit het reuzenland zal brengen.--Daar eindigt het fragment. De kern van dit verhaal kenden wij reeds van elders[35], ESPRIAAN of ASPRIAAN, zooals hij in de Duitsche sagen wordt genoemd, is een ontzagwekkende reus, die o.a. ook in het gedicht van koning ROTHER voorkomt als koning van het verre reuzenland. In eene Noorsche sage bevindt hij zich onder het gevolg van koning OSANTRIX, die naar de hand eener Hunsche prinses dingt; hij wordt vergezeld door zijne drie broeders: WIDOLF "mit der Stange", ATGEIR en AVENTROD. WIDOLF (elders WIDOLT) wordt door zijne broeders wegens zijne wildheid aan een keten meegevoerd; want, laat men hem los, dan slaat hij met zijne ijzeren stang woedend om zich heen. Een deel dezer sage kan als tegenhanger van het Middelnederlandsch fragment dienen: WIDGA, THIDRIKS strijdgenoot in een gevecht van den held van BERN en ATTILA tegen koning OSANTRIX, is door WIDOLFS stang neergeslagen, door den vluchtenden vijand gebonden en meegevoerd. Hierop doen WILDIFER, een ander strijder van THIDRIK, en ISUNG, diens voornaamste speelman, gezamenlijk eene poging om den gevangene door list te bevrijden. WILDIFER laat zich in eene berenhuid naaien en wordt zoo door zijn gezel bij den halsband geleid. In 's konings hof aangekomen, slaat ISUNG meesterlijk de harp en op die tonen dartelt en huppelt zijn beer, dien hij _Vizleo_ (Witte leeuw) noemt, tot verbazing van allen. OSANTRIX wil nu ook den moed van het dier op de proef stellen; op eene schoone vlakte worden, in tegenwoordigheid eener groote menigte, zestig groote jachthonden op Vizleo losgelaten. De koning is ook aanwezig, vergezeld door zijne dienstmannen, onder welke zich de geboeide WIDOLF bevindt, geleid door zijn reusachtigen broeder ABENTROD. De beer grijpt den grootsten brak en slaat daarmede twaalf der beste honden dood. Toornig gaat de koning met ontbloot zwaard op den beer los en brengt hem een houw in den rug toe; het zwaard doorklieft de berenhuid maar stuit af op de "bronie" (maliënkolder) daaronder. Als OSANTRIX dan naar de zijnen wil terugkeeren, rukt WILDIFER zijn zwaard uit de handen van den speelman, loopt den koning na en houwt hem het hoofd af. Ook tegen de reuzen ABENTROD en WIDOLF keert hij zich en verslaat hen. WIDGA wordt bevrijd en keert terug tot THIDRIK. In hoever nu in de Noorsche sagen, onder de gedaante van den beer, Thor schuilt en het berengevecht eigenlijk een strijd van zomer en winter moet voorstellen, is voor ons van minder gewicht. Duidelijk blijkt echter uit het voorgaande de samenhang van het Nederlandsch gedicht met andere, ook tot poëzie verwerkte, Germaansche sagen. Deze en dergelijke verhalen moet de dichter van den _Wisselau_ gekend hebben; daar heeft hij blijkbaar de elementen gevonden, die door hem in eigen trant zijn bewerkt en vereenigd. Het gedicht van koning ROTHER was in de Rijnlanden ontstaan en de herinnering aan den geketenden beer leefde daar ook in liederen als dat "von dem übelen wîbe" voort. Naar de oostelijke grenzen wijst ons dan ook niet alleen de taal van het gedicht, maar evenzeer de vorm van den naam _Wisselau_, die in het Nederlandsch _Wittelau_. zou moeten luiden[36]. In het oosten of zuidoosten des lands zal dit speelmansgedicht zijn ontstaan, waarschijnlijk kort na den tijd, waaruit ook de Duitsche speelmansgedichten dagteekenen--, nl. het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. MAERLANT kende ons gedicht reeds, want in zijn _Spieghel Historiael_ laat hij er zich afkeurend over uit. Tot tweemaal toe verwijt hij den dichters van beroep dat zij in hunne poëzie KAREL DEN GROOTE beliegen en onder andere gedichten van dien aard vermeldt hij ook "van bere Wisslau die saghe" en Van bere Wisslau die snodelhede [Zijnoot: onwaardige, armzalige dingen.] ende meneghe favele groet ende cleine[37]. MAERLANT'S ergernis zal vermoedelijk vooral hebben gegolden, dat men een vorst als KAREL DEN GROOTE in zulk gezelschap bracht. Maar ook GEERNOUT met zijn beer kunnen hem niet behaagd hebben. In GEERNOUT toch hebben wij blijkbaar een dier zwervende speellieden voor ons, die er altijd zijn geweest en er nog zijn: beurtelings kunstenmaker, goochelaar, muzikant, dichter of ten minste zanger en voordrager, die niet zelden met gedresseerde dieren rondreisden. Een van het soort waartoe ook de "Sarrasijn" behoorde, "die voor mijn here speelde met eenen bere", van wien eene grafelijkheids-rekening der 14de eeuw gewag maakt[38]. Boven zulk volkje voelde een eerzaam klerk en gezeten burger als MAERLANT zich ver verheven. De speellieden waren er vooral op uit, hun publiek te doen lachen; gedurig hooren wij in dit gedicht dan ook van _lachen_ en _scop_ (scherts) spreken. Die grappen waren niet van het fijnste soort; dat kan men verwachten: een beer, potsierlijk uitgedost in zijn rok met kwartieren als in een ridders wapenrok; een kok, gekookt in zijn eigen soepketel; een angstige portier, roepend, schreeuwend: "o wi, o wach!"; schenkers en drossaten die, hals over kop, een zaal komen binnenvluchten, zoodat hunne armen, beenen en hoofden het zwaar te verantwoorden hebben; de vraatzucht van een beer die zich zoo dik gegeten heeft, dat de knoopen hem van den rok springen als hij zich schudt; angstige reuzen op zaalbalken hunne toevlucht zoekend; een reuzenkoning, met schuine blikken naar zijn vreeselijken gast loerend--alles gruwzaam of grof, doch niet zonder zekere ruw-komische kracht en wel geschikt om de ruige lippen van ruwe poorters en boeren te plooien tot een breeden lach. Een meester in de kunst was deze speelman evenmin als de meeste zijner gildebroeders; hij bekommert zich weinig om de overgangen in zijn verhaal, dat in reeksen van kort afgebroken volzinnen als met vlugge schokjes voortspoedt met veronachtzaming zoowel van de maat der verzen als van de zuiverheid der rijmen. Waartoe zou het hem ook gediend hebben, zorg te besteden aan rijm en maat? Zijn publiek was er onverschillig voor; dat publiek wilde aangenaam bezig gehouden, geboeid worden; hoe meer nieuws en wonderbaars hoe beter; op dit publiek, tot hetwelk de dichter zich meer dan eens richt, was alles berekend. Geen wonder voor wie in het oog houdt, dat deze dichters van hunne kunst leven moesten. Tot datzelfde publiek moet in ongeveer dienzelfden tijd ook het gedicht _van Sente Brandane_ zich gericht hebben. Deze BRANDAEN was abt van een Iersch klooster. Eens zat hij te lezen in een boek dat allerlei verhalen van wonderen bevatte. Hij werd boos over zoo ongeloofelijke dingen en wierp het boek op het vuur. Een engel kondigt hem nu aan, dat hij tot straf voor zijn ongeloof met een aantal zijner monniken moet scheep gaan en negen jaren lang rondzwalken. Op hunne tochten zien zij zooveel wonderbaarlijks, dat den abt alle twijfelzucht vergaat. Nu mag hij naar zijn klooster terugkeeren en sterft kort daarna. De kern van dit verhaal is reeds in de 10de eeuw te vinden in een Latijnsche legende: _Peregrinatio Sancti Brandani Abbatis_ en werd later in verscheidene Europeesche talen, zoowel in proza als in poëzie, bewerkt. Waarschijnlijk is deze stof tusschen 1173-1180 aan den Neder-Rijn in een rijmwerk behandeld en misschien niet lang daarna in het Nederlandsch vertaald[39]. Dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben, kan niet betwijfeld worden door iemand, die ook maar eenigszins op de hoogte is van deze soort poëzie. Evenals in den _Oswald_ en den _Orendel_ hebben wij hier eene half-ascetischen half ridderlijken zeetocht (de _Brandaen_ spreekt van "recken"); vooral in het gedicht van _Hertog Ernst_ vinden wij tal van wonderbaarlijke zaken en personen die ook hier voorkomen: zoo b.v. de leverzee en den magneetberg; de schitterende karbonkels; het prachtig paleis, met de in den muur gegraveerde dieren; de menschen, met zwijnskoppen en kranenhalzen, in zijden gewaden, gewapend met bogen; de vermelding der Pygmeeën. Een kluizenaar die op een eenzame rots woont, vindt men weer in het verhaal van _Sint Oswald_. Dat ook in den _Brandaen_ drossaten en schenkers voorkomen, die veroordeeld zijn om na hun dood dorst te lijden, zoodat ze in honderd jaren geen droppel water binnen krijgen, is een der vaste trekken van de speelmanspoëzie[40]. Het was een onschuldige wraakneming der speellieden op degenen die hen onder hunne voordracht niet voldoende van nat en droog hadden voorzien. Echter heeft de Nederlandsche bewerking ook elementen, welke men niet vindt in een der drie Duitsche bewerkingen die voortgekomen zijn uit het oorspronkelijk Nederrijnsch gedicht. Ik heb hier het oog vooral op de merkwaardige ontmoeting van Brandaen met een sprekend reuzenhoofd dat door den vloed op het strand geworpen is. Een dergelijk verhaal vindt men ook in de legenden van S. MALO en S. MACARIUS. In de eerste legende is sprake niet van het hoofd doch van het gansche lichaam van een gestorven heidenschen reus; in de tweede van een reuzenhoofd. Beide reuzen laten zich doopen. In dat laatste opzicht nu geeft de Nederlandsche bewerking ons iets eigenaardigs. Brandaen stelt aan het reuzenhoofd voor, zich te laten doopen. Maar de doode weigert, omdat hij vreest zijn toestand te zullen verergeren: liet hij zich doopen en zondigde hij dan opnieuw, dan zou hij, als Christen, veel strenger gestraft worden. En dus, zoo besluit hij: willic weder varen Te mijnre aermer scaren In die deemsternesse [Zijnoot: duisternis.] [41]. Mij zou het niet verwonderen, indien de Nederlandsche bewerker, bij deze vermoedelijk van hem afkomstige passage, aan den Frieschen koning RADBOUD gedacht heeft, die door den apostel WULFRAN gedoopt zou worden. Immers, als deze heiden verneemt dat zijne koninklijke voorzaten de plaats der helsche verdoemenis bewonen, trekt hij den voet uit de doopvont terug en wil liever met zijne voorouders in de hel dan met de Christenen in den hemel verblijven[42]. Opmerkelijk mag ten slotte heeten, dat wij in de Nederlandsche bewerking op een paar plaatsen een komisch element aantreffen, waar dat in de drie ons overgebleven Duitsche bewerkingen ontbreekt. Ook dat getuigt dat wij hier het werk van een speelman voor ons hebben[43]. Lang niet alles in het wezen en de herkomst van dit gedicht is ons duidelijk; wij moeten vele vraagteekens laten staan en zouden er nieuwe kunnen bijvoegen. Doch er schijnt mij voldoende grond aanwezig om aan te nemen, dat het uit het Duitsch vertaald is en met de vertaling der _Nibelungen_ en het gedicht _Van den Bere Wisselau_ dagteekent uit het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw. Ook de twee laatstgenoemde werken alleen zouden reeds kunnen volstaan om ons in de literatuur van dien tijd zoowel den samenhang met als de losmaking van het overig Duitschland te toonen. Dat er samenhang was, behoeft niet te worden aangetoond. Wel dient de aandacht te worden gevestigd op het gewicht van feiten als de vertaling van _Nibelungen_ en _Brandaen_, als de bewerking van _den Bere Wisselau_. Want uit dat overbrengen van de eene taal in de andere blijkt, dat de bewoners dezer landen zich een ander volk voelden dan de overige Duitschers; het gedicht _van den Bere Wisselau_, zelfstandige bewerking van Duitsche gegevens, toont ons dat gevoel in nog hooger mate. Staatkundig bleef een deel dezer volken nog lang afhankelijk van Duitschland; in cultuur en kunst, ook in de literaire kunst, zouden zij steeds meer hunne eigen wegen gaan. Zij zouden dat vooral doen, nadat Brabant en Vlaanderen op den voorgrond waren getreden en Limburg op den achtergrond was geraakt. Meer en meer zullen Brabant en vooral Vlaanderen de leiding der literaire beweging krijgen. Wanneer zij daarmede begonnen zijn, is moeilijk te zeggen. Is de vertaling der _Nibelungen_ misschien uit Brabant afkomstig? Zijn de beide redacties van den _Brandaen_ in het oosten des lands of elders gemaakt? Dagteekenen de bewerkingen der Fransche ridderromans, welke MAERLANT in één adem noemt met de "sage van den bere Wisslau", uit denzelfden tijd als de _Wisselau_? Tot het geven van afdoende antwoorden op die vragen zijn wij vooralsnog niet in staat. Slechts op de laatste vraag mag men misschien: "ja" antwoorden of: "het is waarschijnlijk." Zeker is: dat de bewoners dezer landen zich van de overige Duitschers moesten losmaken, vóórdat er sprake kon zijn van hunne ontwikkeling tot een zelfstandig volk en ook: dat de hier aanwezige kiemen van nationaliteit beter bodem vonden in het verder van Duitschland af, en aan zee gelegen, Vlaanderen, dan in het grensland Limburg. In Vlaanderen, Brabant en Limburg zien wij gedurende de 13de eeuw, op welker drempel wij nu staan, eene half-internationale, half-nationale kunst groeien en bloeien. Uit welken bodem zij opschoot, onder welke omstandigheden zij zich ontwikkelde, zullen wij nu trachten te verhalen. AANTEEKENINGEN. [1] Vgl. voor dit overzicht der Kruistochten vooral MOLL'S _Kerkgesch._, II, 1, bl. 7 volgg. [2] Vgl. MAERLANT'S _Spiegh. Historiael_ (edd. DE VRIES en VERWIJS), III, bl. 366. [3] MOLL, t.a.p. [4] Zie I, 1116. Zie ook I, 682-3: "In ebreuschen, in dietschen || In walschen ende in vriesschen". Vgl. ook _Roman van Torec_, vs. 2556: "Joncfrouwe, sprecti diets oft walsc?" In den _Rinclus_, vs. 602 _walsch_ en _vriesch_ tegenover elkander gesteld. [5] Vgl. _Hist. de la langue et de la Littérature française...._ sous la direction de L. PETIT DE JULEVILLE I, 49 suivv. (o.a. 92, 100-101), 171 en L. SUDRE, _Les sources du Roman de Renart_, p. 341. [6] Vgl. SCHERER, _Gesch. der D. Lit._, S. 143-4; PIPER, _Spielmannsdichtung_, II, 299; _Grundriss der German. Phil._, II, 1, 258. Uitgegeven door STEINMEYER in _Z.f.d.A._, 21, Bd. S. 307 flgg. STEINMEYER gelooft dat de afschrijver aan de taal een Hoogduitsche tint gegeven heeft. De bewerker schijnt eene Fransche redactie te hebben gevolgd, waaruit no. 1 en no. 2 der door ED. DU MÉRIL uitgegevene redactie's zijn voortgevloeid. De fragmenten komen overeen met ASSENEDE'S bewerking, vs. 2315-3945 en tellen samen 368 verzen; daartusschen zijn echter op vele plaatsen verzen weggevallen. STEINMEYER'S raming van het geheel (c. 3700 verzen) schijnt mij te hoog: ASSENEDE'S bewerking die veel uitvoeriger is, telt er slechts 3980. [7] Dat hij zich "ongheleert ende ongherecht" noemt (I, 186) zal wel eene uiting van nederigheid zijn. Immers onmiddellijk daarvoor stelt hij zich zelven tegenover de "ongheleerde luden". Vgl. bovendien het Latijn in den proloog en eene plaats als II, 944-946. [8] Zie al het wetenswaardige omtrent VELDEKE samengevat in de Inleiding tot BEHAGHEL'S _Eneide_. Over VELDEKE'S taal nog te vergelijken wat Prof J.H. KERN mededeelt in _Museum_ 1900, bl. 213-218. Overigens nog BORMANS' Inleiding op _Sint Servatius Legende_. [9] VELDEKE'S bewerking stemt het meest overeen met het leven van S. SERVAES, dat men vindt in de _Gesta pontificum Tungrensium Trajectensium et Leodiensium_ in de 10e eeuw samengesteld door den abt HARIGER. Vgl. over een fragment van een hs. van het eind der 12e eeuw: _Z.f.d.A._, Bd. 27, 146-157. Over een Duitsch leven van S. SERVAES uit ongeveer denzelfden tijd als VELDEKE'S werk: _Z.f.d.A._, 1845, V, 75 flgg. [10] Deze Latijnsche passage komt niet voor in HARIGER'S _Gesta_, wel in de toevoegsels tot dat werk van zekeren AEGIDIUS, een Cistercienser monnik uit het Klooster van S. Maria aureae vallis. Daar AEGIDIUS echter omstreeks het midden der 13e eeuw schreef, moet de door VELDEKE gebruikte _Vite_ ook door HARIGER en AEGIDIUS gebruikt zijn. (Zie CHAPEAUVILLE'S uitgave van HARIGER en AEGIDIUS). Zoo vinden wij ook de vergelijking uit I, 271 terug in het oorspronkelijke: ejusmodi nempe multas tunc temporis provisio divina pro necessitate accenderat faces etc. [11] Vgl. I, 1626; II, 674, 1789, 1931. [12] Vgl. den proloog van Boek I. [13] Vroeger hield men BENOÎT DE STE. MORE voor den maker. Zie PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 220, en SALVERDA DE GRAVE, _Introduction à une édition critique du Roman d'Eneas_ ('s-Gravenhage, 1888). [14] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, CL-CLVI. [15] Vs. 2708-2741; in het Fransche gedicht vs. 3456-3460. [16] _Minnesangs Frühling_, p. 62. Dat VELDEKE'S liederen oorspronkelijk door hem in zijne moedertaal gedicht zijn, blijkt ook daaruit, dat men ze--in tegenstelling met de werken der overige Minnesinger--gemakkelijk in gewoon Middelnederlandsch (daarom nog geen Limburgsch) kan overzetten. Hier b.v.: van minne comet ons alle goet: die minne maket reinen moet. Wat soude ic ane minne dan? [17] Ik kan niet beslissen of het eerste vers gebruikelijk Middelhoogduitsch is. Misschien heeft eene verwarring met _entfaen_ (ontvangen) plaats gehad en zal men de drie verzen op deze wijze mogen weergeven: hoe mochte ic dat voor goet ontfaen, dat hi mi dorperlike bade dat hi mi moeste ombevaen? [18] Vgl. M.F., p. 61, 25; 56, 18; 57, 30-32; 60, 32; 61, 10; 58, 17-19. [19] M.F. 56, 1-6. Het sijn goede nieuwe maren dat die vogel openbare singen daer men bloemen siet. tot dien tiden in den jare stonde wel dat men vro ware: lacen, des en ben ic niet. [20] M.F. 64, 17-21. Die vogelen doen ane schijn dat si die bome sien gebloet. haer sanc maket mi den moet so goet dat ic vro bin ende trurich niet can sijn. Vgl. voorts nog: M.F. 57, 10-18; 58, 23 vlgg.; 59, 11; 62, 25; 66, 1. [21] M.F. 57, 5-6. ic bat hare in der caritaten dat si mi moeste al ombevaen. Vgl. voorts: 59, 32; 60, 1. [22] M.F. 65, 21-24. So wie den vrouwen settet hoede, die doet dat dicke evel staet. wel menich man draget die roede daer hi sich selven mede slaet. Vgl. voorts: 65, 11-12; 67, 1-2; 62, 11-22. [23] M.F. 66, 13-15. geschiedet [Zijnoot: Misschien in het oorspronkelijk Limburgsch: _gescege_?]" mi alse den swane die singet alse hi sterven sal, so verliese ic te vele daer ane. [24] Vgl. o.a. Episodes uit MAERLANT'S _Historie van Troyen_ door Dr. J. VERDAM, p. 27-28. [25] Vgl. BEHAGHEL'S _Einleitung_, S. CLXXXVI flgg. [26] Uitvoerige mededeelingen over en uiteenzetting dezer poëzie in PIPER'S _Spielmannspoesie_. Vgl. voorts: _Grundriss_, II, 1, 305 vlgg. [27] Vgl. _Reinaert_ (ed. MARTIN), GLOSSAR j.v. _Ermenrijc_ en W. MÜLLER, _Mythologie der deutschen Heldensage_, S. 178. [28] Vgl. KLEYN'S Catalogus in _Archief voor Ned. Kerkgesch._, II, 147. [29] Over die tijdsbepaling _Grundriss_, II, 1, p. 310 vlgg. ZARNCKE houdt het er voor dat B. "um die Mitte des 13. Jahrh." is ontstaan. (_Das Nibelungen-Lied, Einl._, S. XIV). [30] Boek II, 115. [31] _Teuthonista_ (ed. VERDAM), p. 486: "die witte wech des nachtes an der lucht, den men noempt sent Jacobs wech of ver broenelden strait, _galaxia_." [32] Over de redactie die waarschijnlijk tot voorbeeld heeft gestrekt aan de Nederlandsche bewerking vgl. mijne _Middelned. Epische Fragmenten_, p. 1-3 en het artikel van Dr. FRANTZEN in _De Gids_, 1889, I, 29-79. [33] In mijne uitgave der fragmenten heb ik daaromtrent het een en ander medegedeeld; Dr. FRANTZEN voegde daaraan vrij wat toe in zijn voortreffelijk _Gids_-artikel. Sedert heb ik de fragmenten nog eens met het origineel vergeleken in de uitgave van BARTSCH: _Der Nibelunge Nôt._ (Leipzig. BROCKHAUS, 1870-1880) waarin men ook de varianten der hss. vindt. [34] Vgl. _Middelned. Ep. Fragmenten_, bl. 9-32; het genoemde stuk van Dr. FRANTZEN in _De Gids_ en de uitgave van E. MARTIN in _Quellen und Forschungen_, 65. Heft. [35] Vgl. _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 10. [36] Volgens de juiste opmerking van Dr. FRANTZEN, t.a.p. [37] _Sp. Hist._, IIIe Deel, bl. 170, 204. [38] Vgl. _Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche huis_, III, p. 96. [39] Bij de door Dr. TE WINKEL genoemde literatuur moet gevoegd worden: 1o. de uitgave van het gedicht door Dr. E. BONEBAKKER. (Amsterdam. Gebroeders BINGER. 1894); 2o. Dr. J. BERGSMA, _Bijdrage tot de Wordingsgeschiedenis en de critiek der Mnl. Brandaenteksten_; 3o. _Van Sente Brandane_ in _Tijdschr. v. Ned. T. en L._, VII, 85 vlgg.; 4o. _Romanische Studiën...._ von ED. BOEHMER, I, 553 flgg. Over de tijdsbepaling van het Mnd. gedicht te verg. het a.w. van P. PIPER, I, 116. De Middelnederlandsche bewerking is tot ons gekomen in twee redacties, die van het Hulthemsche en die van het Comburgsche hs. Ook ik houd de eerste voor de oudste; o.a. omdat het aantal assoneerende rijmen en het aantal der verzen met slechts drie of twee heffingen er grooter is dan in het Comburgsche hs. De beide bewerkingen schijnen, onafhankelijk van elkander, naar hetzelfde Mnd. voorbeeld gemaakt te zijn. [40] Vgl. _Van Sente Brandane_ (ed. BONEBAKKER), p. 10. [41] Vs. 249-251. [42] Het hier en elders in den _Brandaen_ voorkomende _aerme scaren_ (zie BONEBAKKER'S _Aant._, p. 8) met DE VRIES, VERWIJS, VERDAM e.a. te veranderen in een door DE VRIES gemaakt Mnl. woord _harmschare_ (straf, kwelling), dat nergens in de Duitsche redacties voorkomt, schijnt mij niet alleen onnoodig maar zelfs verkeerd. Het Comb. Hs. dat spreekt van "keitivegher scaren" had DE VRIES kunnen waarschuwen. De uitdrukking is op de bewuste plaatsen volkomen goed te verdedigen. MAERLANT spreekt van "blide scare" voor hemelbewoners; (zie _Stroph. Ged._ edd. FRANCK en VERDAM, p. 135). Doch wij hebben hier een der niet zeldzame gevallen waarin de oudere philologie, tegen de overlevering in, en met verwerping van het voor de hand liggende als te eenvoudig, zich vermeide in de spelingen van haar critisch vernuft. [43] Ed. BONEBAKKER, C. 1008, H. 953; C. 1075-1081, H. 1022-1028. BOEK I. STANDENPOËZIE. INLEIDING. Gedurende de gansche 13de eeuw is er in deze landen en volken nog weinig eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven. Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens te draaien. Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont. Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God--zegt DIRC POTTER in zijn _Minnen Loop_--heeft der wereld rijk in tweeën gedeeld: de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft, moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14de eeuw, WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook "van der drierehande staet der werelt" en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2]. Niet meer, als in de 11de eeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die, eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen. In het laatst der 12de eeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS, EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der "tafelronde" vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder. Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen, want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots neersloeg--omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers, Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral de orde der Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg, Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd een eenzaam leven leiden. Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten. Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met "eiken tune (planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen gevangenis (_steen_) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren van hout en met riet gedekt). De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13de eeuw eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden. Er wordt--het spreekt vanzelf in dien tijd--ter dege onderscheid gemaakt tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel niet een _heerschende_ stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan leven als zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest, tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf overdragen. Maar stadig rees de ster der gemeenten[5]. In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten, kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de onderscheidene "sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde. Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner "sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling. Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen hoofd en hals en zoo voort, totdat eindelijk de zevende "sibbe" in de nagels der handen geplaatst, en vandaar "nagelmagen" genoemd werd. De maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen bloedverwant. Nog in het midden der 13de eeuw heerschte in Friesland de barbaarsche gewoonte om een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne naastbestaanden op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak hadden genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was het nog in de 14de eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige en zes zijner naaste magen (in Drenthe "keurmagen" genoemd) ieder een zevende van het weergeld (man-geld) of zoengeld betaalden. De magen staan elkander bij voor het gerecht als in het gevecht. Zij deelen in de schande die over een hunner komt. Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt AERNT VAN BENSCOP hem zijn jachtvogel en zegt: Ic moet nu op desen tijt Uwen sconen sperwaer draghen, _U te lachtre [Zijnoot: schande.] ende uwen maghen_. Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij: _Eest dat ghi sijt van haren maghen_, So moetti nuwe wapene draghen, Keren ende wreken dese overdaet. En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch ridder koning ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, dan door als gevolg van dien slag te noemen: "ic vergat al mire mage"[7]. Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den enkeling, het samengestelde boven het enkele, het vormen van complexe eenheden, zien wij in deze eeuwen ook elders. Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, vischwater, met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine wereld op zich zelve. Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren en grachten tal van afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, vooral ten platten lande, at men eigengebakken brood (_huisbakken_ kreeg eerst later zijne ongunstige beteekenis); droeg men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in Reuzelmaand een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden als ROGER BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, JACOB VAN MAERLANT weten alles wat er in dien tijd te weten valt. Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in die meest geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook daar de synthese het wint van de analyse, zooals blijkt uit de neiging tot het vormen van groote zin-complexen bij menigen middeleeuwschen schrijver? Zulk een zin-complex is b.v. dit volgende uit den proloog van den _Brandaen_: Die Heleghe Gheest moet mi leeren, --Die welke der ezelinnen Wijlen dede sprekens beghinnen, Daer up dat reet Balaam, Dat was een heydin man, Dat so [Zijnoot: zij.] meinschelike sprac, Daer sij den inghel Gods sach Commen in haer ghemoet: Den wech hi haer wederstoet [Zijnoot: versperde.] Met eenen zwerde vierijn [Zijnoot: van vuur.]; Si vloo van den inghel fijn Ende dede haeren heere cont-- Dese moete ontsluten minen mont: Die ghene die haer gaf de macht, Dat si wert redene acht [Zijnoot: met spraak begaafd.] [8]. Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid het gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een zwak schemerlicht op de onnaspeurbare gangen der menschelijke gedachte--ook andere deelen van dat innerlijk leven zijn ons in het afdruksel der taal bewaard gebleven: de sterk ontwikkelde zinnelijkheid van het middeleeuwsch geslacht en zijn gebrek aan zelfbeheersching. Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient men zich niet van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men verzinnelijkt die begrippen door te spreken van: een boogschot hoog, een steenworp ver; zekere eilanden liggen volgens MAERLANT "twee dachseilinghe verre" van Afrika; zeker arts is beroemd: "alse [Zijnoot: even.] verre als God de sonne seinen doet". Iets zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar ridders vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. De tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee sonnescinen"; van den eenen winter op den anderen door: "tusschen twee sneeuwe". De lente door: "alst ten nieuwen gerse [Zijnoot: gras.] kwam", najaar en voorjaar door "te hooi en te gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een bosch _staat_; een brug _loopt_ over een rivier; men hangt iemand niet op--men hangt hem "_bi der kelen_"; men kust een meisje "_ane haren mont_", zit met haar in het "_groene gras_", begraaft haar onder "_de rooskens root_". Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers van toen tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die wij--als onnoodig, immers: vanzelf sprekend--weglaten. Het zijn gewoonlijk verbindingen van twee werkwoorden, waarvan het eene een lichamelijken toestand, het andere eene werking uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals: "daer hi lach, sat, stont" achten wij nu overbodig--voor de middeleeuwsche menschen waren zij dat niet. Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: _antwoordde ende seide, bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat vaste, Gods ghebot ende sine woorde_ tautologieën te noemen: toen had elk der deelen van zulke uitdrukkingen zijne eigen beteekenis en kracht; het verschil tusschen onze voorouders en ons is slechts, dat zij er behoefte aan hadden een grooter deel der voorstelling in taal te verzinnelijken dan wij. Om dezelfde reden zijn in: _God, die coninc van den trone_ [Zijnoot: hemel.], de op _God_ volgende woorden volstrekt geen stoplap, evenmin als in zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond behoefte om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven[9]. Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen trant van voorstelling zien verlaten, met dien verstande dat hij het indirecte vervangt door het directe. Zij beginnen b.v. met een bode te doen spreken in afhankelijke zinnen: Dat sijn vader doot ware Ende sijn moeder ooc mede. Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen: "Ende in u lant is groot onvrede, "Want vremt volc, sonder waen, "Hebben u lant ondergedaen [Zijnoot: onderworpen.]." Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik van afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig en de rechtstreeksche uiting, als natuurlijker, hun aangenamer. Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen die perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal of beschrijving laat varen voor het sprekend invoeren van een zijner personages, zonder dezen overgang aan te kondigen: een schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in hooge mate tot de verlevendiging van het verhaal bijdraagt[10]. De taal--wij zeiden het reeds--was hier spiegel van het leven. Welk een brand van hartstocht slaat ons tegen uit de middeleeuwsche kronieken! Hoe onbeteugeld stormen de driften in al die gevoelsmenschen, die nog zoo weinig gewend zijn hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de rede stem in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden werd. Ook het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste menigte, in strijd met den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, stormt de kloosterkapel binnen, rooft het corpus domini met het ciborium en steekt de kloostergebouwen in brand. Van hertog JAN I van Brabant, een toonbeeld van echte ridderschap, wordt ons verhaald dat hij in gramschap een stok doormidden beet. MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen bedriegen en als hunne prooi beschouwen. De abdis van het hoog-adellijk Rijnsburg klaagde aan den paus, dat hare nonnen in vele opzichten den regel overtraden, dat zij twistgierig waren en zelfs de handen aan elkander sloegen. De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn--zij konden den hartstocht niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster zal voor menigeen een veilige wijkplaats zijn geweest, maar hoevelen namen hun strijd met zich nadat de poort zich achter hen gesloten had! Als een rijk man gereed staat der wereld vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er dan tusschen de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap[11]. Wat is er ook binnen de kloostermuren geleden in den strijd met de zonde en den wellust. Hoe heerschten ook daar trots, ijverzucht, toorn, gulzigheid en die zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken van Heisterbach _acedia_ noemden en die een middeleeuwsch prototype van _spleen_ en _weltschmerz_ schijnt te zijn geweest[11]. Gansche geslachten komen door de verplichting van veete tegenover elkander te staan: in Leuven de patricische families van BLANCKAERT en DE COLVERE; in den slag bij Woeringen vinden wij de SCAVEDRIESCHEN tegenover de geslachten van WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de Haspengouw een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux, die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde richten en vele dorpen worden verbrand. De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van Rijnsburg is meer dan eens in twist met de grafelijkheid van Holland of met Hollandsche edelen, met TEYLINGHENS, WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan over den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, OTTO VAN DER LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in de buurt van Vollenhove en slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT VAN AEMSTEL leidt in Holland en het Sticht een boerenopstand waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de burgerij zien wij op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de patricische geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de regeering gunden[12]. Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, stand tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. Het is de strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en REINOUT van Gelre; tusschen de hartstochtelijke gravin van Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en WILLEM II van Holland; denzelfden graaf van Holland die bij Hoogwoude tegen de Friezen sneuvelt. Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te nauwernood in bedwang gehouden door Germaansch recht en Christelijk geloof. "Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord en waarin onze voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet daarin dat zij te zachte heelmeesters waren. Zij die een meisje aanspoorden om zich te laten schaken (het schaken was in zwang) werden gestraft met het verlies van den neus. "Wie vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte "alle duytsche lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar of moordbrander het rad, dat manslag en roof met het zwaard werden gestraft, een valsche munter in een ketel levend gezoden werd, een spion boeten moest met verlies van een oog, een "pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim moest missen. Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan hand. Ook de kerk had tal van straffen te harer beschikking en maakte daarvan een ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten behoorden tot de gewone straffen. Had iemand zich zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven jaren lang in ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door de excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, dan wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch monnik samengevat in een vers dat reeds aan de tong een voorsmaak van dat lijden geeft: Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror. Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en straffen. Met krachtige hand bestuurde zij de gemeente der geloovigen; liet zij de teugels vaak losjes hangen, zij hield ze stevig vast. Van de wieg tot het graf begeleidde zij den mensch, ja, haar invloed eindigde ook met den dood niet. Was de middeleeuwsche christen door den doop in de gemeenschap der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd worden. Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, uit geheimzinnig schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht tegenglansde, waar bij het mysterie der mis de opzwevende wierookgeuren hem stemden tot aandacht en vereering. Lag hij op zijn sterfbed, dan naderde, aangekondigd door de klinkende altaarschel, de priester met de heilige hostie en de stervende blies den laatsten adem uit met de gewijde waskaars tusschen de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig leven in eeuwigheid. In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door de heiligen die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem waren voorgegaan naar den hemel, doch nog steeds over de menschen bleven waken. Wie op reis ging, beval zich in de hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT CHRISTOFFEL was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze en zijne trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden verslinden. Maar wat nood voor den vromen Christen? Konden God, Jezus en Maria, konden de heiligen en zelfs de overblijfselen dier heiligen, niet elk oogenblik een wonder verrichten? Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het jaar 1214 kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker OLIVIER van Keulen sprak. In het klooster Aduard waren monniken, zóó eenvoudig van hart, dat zij beproefden hunne kappen op te hangen aan de zonnestralen[13]. Was er nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid voor wie deze en dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het niet begrijpelijk, dat de dichter van den _Karel ende Elegast_ in den aanvang van zijn verhaal "wonder en waarheid" in één adem noemt? Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling te geven van het leven der toenmalige maatschappij. Het was noodig eene poging daartoe aan te wenden, omdat alleen langs dien weg eenigermate zal kunnen blijken, op welke wijze zich hier het leven in de poëzie heeft geuit. Zóóveel kan althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat gedurende de 13de eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere, het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. Het leven heeft zich toen vooral _standsgewijze_ geuit. En zoo bevat de poëzie, die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak uitingen, niet van individuen, maar van standen. Daarom mag zij _standenpoëzie_ heeten. In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. Zóó is het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN AFFLIGHEM en vooral MAERLANT vertoonen iets van een dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig van omtrek. Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons gekomen, doch het zijn _slechts_ namen. Wat baat het ons of wij weten dat "CLAES VER BRECHTEN ZONE" den _Willem van Oranje_ vertaald heeft? Dat WILLEM VAN UTENHOVE "een priester van goeden love" was en dat de dichter van den _Reinaert_ eveneens WILLEM heette? Kennen wij die mannen nu? Van vele andere dichterlijke werken zijn zelfs de namen der bewerkers ons onbekend. Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie als volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende stroomingen die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt in: ridderpoëzie, geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten. AANTEEKENINGEN [1] _Der Minnen Loop_, IV, vs. 4 vlgg. [2] _Gedichten_ (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den Henegouwschen dichter JEAN DE CONDÉ vindt men een _dis des trois estas dou Monde_ (_Dits et Contes de Baudouin de Condé_, II, 49 suivv.). Beide stukken hebben overigens niets gemeen. [3] Vgl. Boek VIII, vs. 1070. [4] VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 141. [5] Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van PIRENNE, MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, _Höfisches Leben zur zeit der Minnesinger_; SCHOTEL, _De Abdij van Rijnsburg_; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Studiën en Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. Royale de Belgique_, no. 32; _Kronijk v.h. Histor. Genootschap_, XII, (164-165); twee artikelen van POLS in _Bijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh._ (stuk over Graaf JAN I van Holland) en redevoering ter algem. vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879. _De Slag van Woeringen_ (ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de Aant. p. 542. Wat den _Grêgorjus_ van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog op, dat de tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan. [6] Vgl. _Reinaert_, vs. 2006-'98: Hi rekende dat hi ware mijn oom ende began ene sibbe tellen; aldaer worden wi gesellen. [7] Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S _Deutsche Rechtsalterthümer_, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in: _Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin_, p. 259 vlgg.; _Nederd. Regtsoudheden_, p. 298; _Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd. Lett._, 4e Reeks, Deel I; MOLL, _Kerkgesch._, II, 4, 225; _Kroniek van Melis Stoke_ (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; _Kerken Claghe,_ vs. 212; _Moriaen_, vs. 174-177; voorts _Grimb. Oorlog_, II, vs. 291, 413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; _Parthonopeus_, vs. 1227; _Limborch_, II, 1862. In het _Mnl. Wdb._ zullen i.v. nog wel andere voorbeelden genoemd worden. [8] Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van wat zij: _inlapsels_ noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn. Wie een citaat uit den _Brandaen_ niet afdoend acht uit hoofde van mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in MAERLANT'S _Alexander_, I, 953-960; VII, 61-84; 93-105; _Leven van S. Lutgarde_, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694-6716; 9542-'48; 9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III, 548-557; 850-864. _Der Leken Spieghel_, II, c. 48, vs. 668-685 (men lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang). _Der Minnen Loep_, I, 2047-2060. STOETT, _Syntaxis_, p. 146; _Hildegaersberch's Gedichten_, 155, 203 vlgg.; 157, 129-138; 157, 1-15. FRANCK onderstelt in den dichter van het _Leven der H. Lutgarde_ opzet bij het maken zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig. Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in _Neue Jahrbücher für das Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit._, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432-434. F. denkt aan invloed van het Latijn). [9] Deze en andere voorbeelden vindt men: _Karel en Elegast_ (ed. KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; _Sp. Hist._, I, p. 34, vs. 21; _Alexander_, I, 1121; _Moriaen_, vs. 86, 3795; _Tijdschr. v. N.T. en L._, XVII, 297 vlgg.; _Kar. e. Eleg._, 100, 198; _Merlijn_, p. 72, vs. 6696; _Lied in de Middeleeuwen_, bl. 572; STOETT, _Syntaxis_, p. 121; BOTERMANS, _Die hystorie van die seven wijse mannen van romen_. Proefschrift, p. 50; _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM). Inl. XXXVI. [10] _Torec_, 3800-3804; 3738-'41; _Moriaen_, 355, 573, 972; _Karel en El._, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S _Syntaxis_, p. 144. Het verwante verschijnsel in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 187; behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: _Flovent_, 395; _Madelghijs Kintsheit_, p. 69, vs. 40; _Aiol_ (Vlaamsche redactie), vs. 663; _Karel de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)_, p. 12, vs. 287; p. 31, vs. 872 (weer het eerste verschijnsel). LONGINUS of althans de schrijver van het boek [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI _de Sublimitate_ (ed. B. WEISKE. Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII. [11] Vgl. TE WINKEL'S _Maerlant_, p. 257, noot 2; WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, p. 72; _Naturen Bloeme_, II, 690-2; MOLL, _Kerkgesch._, II, 2, 78; _Brab. Yeesten_, V, 144-146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Stud. en Bijdr._, II. [12] DEWEZ, _Histoire générale de la Belgique_, III, 43; HEELU'S _Slag bij Woeringen_, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL, _A.v.R._, o.a. p. 100-101; PIRENNE I, 416, 422. [13] BLOK a.w. I, 175. _Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap_, XXIII, 43. 1. RIDDERPOËZIE. Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de "matières" te onzent geoorloofd? Romans: _Flovent_, _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Renout van Montalbaen_, _Geraert van Viane_, _Lorreinen_, _Aiol_, _Aubri de Borgengoen_, _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_. Overige romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Karel en Elegast_. II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: _Lancelot_, _Percevael_, _Ferguut_, _Floris en Blancefloer_, _Partonopeus en Melior_. Overige romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Moriaen_, _Walewein_. Eindbeschouwing. Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, frisch uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend in pracht, verstorven door overmaat van weelderigheid--zoo ging op, zoo blonk, zoo verzonk het ridderwezen. Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een plechtige bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de kern, door de Franken gebracht in het naar hen genoemd land; onder den invloed der kruistochten ontwikkelde die kern zich daar tot een zedelijke instelling met een hoog-ideaal karakter. Een ridder moest zijn "grootmoedig in tegenspoed, edel van bloede, overvloeiend van eerlijkheid, voortreffelijk door hoffelijke zeden, standvastig in mannelijke braafheid. Dagelijks moest hij met devote gedachtenis aan 's Heeren lijden de mis hooren, voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil hebben, de heilige Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars bevrijden, weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen, onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon weigeren, tot bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter optreden, geene steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke bedoelingen, den roomschen Keizer of zijn stadhouder in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat ongeschonden in zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks vervreemden en onberispelijk voor God en menschen leven." Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van vroeger, in veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der maatschappij. Maar de aanraking met het weelderig Oosten, de toenemende rijkdom en weelde, menschelijke zwakheid en zinnelijkheid begonnen na eenigen tijd de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden haar langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied voor de vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd tot een vrouwendienst waarin het zinnelijk element zich krachtig deed gelden; de hoofschheid, die gaandeweg de vroegere ruwheid had vervangen, werd galanterie; de losheid, loszinnigheid en die: losbandigheid. Toewijding die goed en bloed op het spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht, roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was de adel een stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom en uiterlijke beschaving onderscheidde van de overige bevolking, die hem veelal overtrof in innerlijke kracht, in zedelijke en geestelijke ontwikkeling[1]. De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. Wie kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat roerend-droeve verhaal van FRANCESCA DA RIMINI en die verzen: Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse: Quel giorno più non vi leggemmo avante. Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar levend, hebben uit verhalende liederen grootere verhalende gedichten geschapen. In den aanvang behandelden die gedichten uitsluitend het nationaal verleden, uit den tijd der Merovingen, zooals de _Floovant_; uit dien der Karolingen verhalen waarin KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote vazallen des rijks optreden: de _Chanson de Roland_, de _Chanson des Saisnes_ (Saksen), den _Ogier_, den cyclus van _Guillaume d'Orange_, de _Lorrains_ (hertogen van Lotharingen), _Renaus de Montauban_, _Aiol_, _Auberi le Bourgoing_. Kort voor of in den aanvang der 12de eeuw begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit den Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid te verwerken: den _Roman de Troie_, den _Roman d'Enéas_, _Roman de Thèbes_, de _Geste d'Alexandre_, den _Roman de Jules César_. Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met het Keltisch element in Engeland ontstond omstreeks het midden der 12de eeuw een nieuw soort van verhalen: de Keltische romans. Keltische zangers die rondzwierven door Engeland en Frankrijk, zongen ook in het laatste land hunne lais, liederen van fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al spoedig werden vertaald en nagevolgd door Fransche dichters. Langzamerhand werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden ook nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. Wij vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning ARTUR en zijne gemalin op den voorgrond komen en het Christelijk element zich krachtig doet gelden òf zulke, waarin de dolende ridders van ARTURS hof eene hoofdrol spelen als: de _Tristran_, _Ivein_, _Lancelot_, _Erec_, _Gauvain_, _Cligès_. Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans als _Le Grand Saint Graal_, die bestaat uit deze drie deelen: _Jozef van Arimathea_, _Merlijn_, _Perceval_; voorts _la queste_ (het zoeken) _du Saint Graal_ en een gedicht _Le Petit Saint Graal_. Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer romans, waarvan ik slechts eenige voorname heb genoemd, gemakkelijk gemaakt door de drie voorname stoffen, welke zij behandelen, aan te wijzen. In de _Chanson des Saisnes_ heet het: Ne sont que trois matières a nul home entendant: De France et de Bretaigne et de Rome la grant. Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, zijn, bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns geestes kinderen; de romans waarin nationale stoffen verwerkt zijn, danken hun ontstaan aan een anderen geest. Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden in twee groote afdeelingen, die zich tot elkander verhouden als het nationale tot het uitheemsche. Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke der oude nationale _Chansons-de-Geste_ met hunne ruwheid en grootschheid, ziet men de Keltische en klassieke romans met hunne hoofschheid, hunnen vrouwendienst, het sterk ontwikkeld lyrisch-erotische, gemengd met mystiek, hunne neiging tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in de nationale gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden weergeven: de nationale groep weerspiegelt een beschaving minder ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche geboren is. De nationale groep staat dichter bij het volks-epos, de uitheemsche dichter bij het kunst-epos. Voor een deel geldt dit onderscheid van volks-epos en kunst-epos ook met betrekking tot de dichters dezer romans; want de makers der oudste _Chansons-de-Geste_: _Roland_, _Girard de Roussillon_, _Jourdain de Blaives_, _Floovant_, zijn ons onbekend; van de dichters der latere _Chansons_ kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI, BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE TROYES, BÉROL, BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE DE BERNAY... doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, andere hebben uitheemsche gedicht. Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den uiterlijken vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven in korte verzen van acht lettergrepen, in tegenstelling met de overige die in het oudere decasyllabische vers of in alexandrijnen zijn gedicht[2]. Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig zich te ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend werd. Dat zij daar bekend werd, is licht te verklaren uit het internationaal karakter der ridderschap en de nabuurschap van Frankrijk. Maar bovendien waren Fransche taal en literatuur reeds in de laatste helft der 12de eeuw in een deel van Zuid-Nederland bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch werd als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; in Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de hooge geestelijkheid als een tweede volkstaal[3]. Aan het hof van den Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168-1191) leefde en werkte de beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter van vele Keltisch-Fransche romans; BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen dichtte Provencaalsche liedjes; een paar bekende Fransche dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te Atrecht[4]. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking met de Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; dat wij eene Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder den invloed der Fransche. Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog niet mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aannemen, dat wij het laatst der 12de of althans de eerste helft der 13de eeuw als zoodanig moeten beschouwen. MAERLANT immers heeft meer dan eens in zijne werken (_Alexander, Sint Franciscus, Spieghel Historiael_) gewaarschuwd tegen den, zijns inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende ridderromans. Onder die romans vindt men een paar die tot de bovengenoemde "nationale" groep behooren, zooals _Willem van Oranje_ en de _Heemskinderen (Renaus de Montauban)_; enkele zoogenaamde klassieke romans, zooals die over _Alexander_; een paar die in het Oosten spelen: de _Floris en Blancefloer_ en den _Partonopeus_; eindelijk een groot aantal die tot de Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van _Lancelot_ en _Tristan_[5]. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende, bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het _Leven van Sinte Lutgart_ gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, dat de menschen niet willen luisteren naar "goede exempelkine", maar gaarne komen: Daer men van ouden ijeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] singet, Oec daer men voert die sagen bringet Van wigen [Zijnoot: strijden.] och van tavelronden, Daer wilen eer hen onderwonden Te dichtene af die menestrele. ... Mar wonder hevet mi van desen Warumme si so gerne lesen Van ouden sagen dat gedichte Ende oc geloeven also lichte Din logeneren die se tellen. ... Mar die die oude bourden scriven, Si swegen bat, dat seggic hen[6]. Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het oog hebben op Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich vooral tot de gemeentenaren en lagere geestelijken die over het algemeen weinig of geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder den lageren adel de kennis van die taal zoo verbreid zijn geweest, dat men er de voordracht van Fransche gedichten met eenig gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS, wier moeder van adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in het klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon vragen wanneer zij honger had[7]. Zouden ook lieden uit dien kring der maatschappij geen deel hebben uitgemaakt van het publiek dat Fransche romans liefst vertaald hoorde voordragen? Indien men nu in aanmerking neemt, dat de _Alexander_, het oudste der genoemde werken van MAERLANT, omstreeks 1257-1260 zal zijn vervaardigd en het _Leven van Sinte Lutgart_ tusschen 1263-1274; dat de romans, waartegen met zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in de tweede helft der 12de eeuw reeds bestonden, deels van nog vroeger tijd dagteekenen--dan zal men wel mogen aannemen, dat men te onzent in het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans heeft verdietscht. Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie zich bedienen van het onderscheid in: nationale (Frankische) en uitheemsche (Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) ridderdichten? In allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht dat de Fransche literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens blijkt dat men te onzent zich bewust is geweest van een onderscheid in drie "matières". Niet, als in Frankrijk, beantwoorden hier de beide groepen aan verschillende cultuurtoestanden, waarvan de een op den ander volgde. Integendeel, voorzoover wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep te vertalen. VELDEKE'S _Eneïde_ is het vroegste episch vertaalwerk dat wij met zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel van den _Roman de Troie_, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. Zou de vertaling van de _Chanson de Roland_ niet ouder zijn dan beide? Onmogelijk is dat niet, zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, aangezien het oorspronkelijk gedicht reeds vóór den eersten Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang gemaakt en zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet verkrijgen. Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men hier te lande in het laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw, zonder oordeel des onderscheids, Fransche ridderromans heeft vertaald en nagevolgd. Indien wij nu toch onderscheid blijven maken tusschen een paar groepen van riddergedichten, dan geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een verschillende geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen. FRANKISCHE ROMANS. De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek dier dagen wel krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats de indrukwekkende gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers ook hier te lande bemind en geëerd; groot in de oogen van het nageslacht niet het minst om zijne oorlogen tegen de heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en burgers dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden strijd tegen het "Saracynsche diet" dien ook de groote Koning met zijne dapperen had gestreden? En onder die dapperen verschenen in deze romans voor het geestesoog de dappersten en wijsten, die beroemde "genooten", lijfwacht en raad des Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en zijn boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD van Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren en anderen[8]. Het geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke werken moest wel indruk maken op een publiek, eenvoudig van gemoed, beheerscht door dezelfde hartstochten als de personages in die verhalen. Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd tegen duizenden bij duizenden Sarracenen, die weigert op zijn wonderhoorn Olifante te blazen om zijn Koning te hulp te roepen; die eindelijk afgestreden, ten doode gewond, zich uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar Spanje gekeerd, maar het hart vol van "het zoete Frankrijk" en zijne maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog houdt tot God zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn hoofd op zijn arm, met saamgelegde handen ontslaapt hij; cherubijnen komen en voeren graaf ROLAND'S ziel naar het paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige hertog van Lotharingen, door een overmacht na heldhaftige tegenweer neergeveld, die daar ligt tusschen de overige dooden, "als de eik tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier Heemskinderen, die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal gezeten is, wanneer de gezanten van koning KAREL, ROLAND en WILLEM VAN ORANJE onder hen, binnentreden. Overmoedig zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn scherp zwaard over zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden bliaut, het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord spreken. De afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor hem. Hij wil hen niet aanzien. Zij richten het woord tot hem. Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij, nu hij zijne vijanden daar voor zich ziet, maar hij kan geen woord uitbrengen: te vol is zijn gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft zwijgen. Dan komt zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden schaal vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren man dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft zij dat woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft haar zoo in het aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort. Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of ruw; ook voor het zachte, het teedere is er eenige plaats. In de grootsche _Chanson de Roland_ komt de teederheid soms te voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende onweerswolken. ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER is doodelijk gewond; met moeite houdt hij zich nog in den zadel, de nevel des doods houdt zijn blik reeds omtogen; zoo voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND die komt aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den helm toe. ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: gezel, doet gij dat met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief heeft.--Ik hoor u, zegt OLIVIER; ik hoor u spreken, maar ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u getroffen, vergeef mij.--Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND ik vergeef het u. Hoe treffend is het tooneel in den _Willen van Oranje_, waar de roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor zijn klooster uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te hebben gedood of verjaagd, ontdekt hij in een kar die de roovers medevoerden, zijne eigen jonge kinderen. Aandoenlijk is in den roman der _Heemskinderen_ de trouw van het reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het eindelijk op den eisch des Konings in de Oise verdronken zal worden, slaat het telkens de steenen stuk welke de dienaars aan zijne pooten hebben gebonden; zoolang het ros zijn meester ziet, heeft het kracht om dat vol te houden. Nu dwingt de Koning REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar Beyaert. Op nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt het boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, "alsof 't een mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient bitterlijk geschreit hadde"[9]. Wanneer REINOUT dan niet naar den trouwen vriend omziet, zinkt het ros en verdrinkt. De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans niet op den voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch tooneeltje of een komische trek den ernst vervangen; de grappen waarmede de personages zich vermaken, zijn ruw of grimmig. Behalve de kleine roman van _Karel en Elegast_, die een afzonderlijke plaats verdient, is geen enkele dezer romans in zijn geheel tot ons gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts grooter of kleiner fragmenten[9]. Wij noemen den roman van _Flovent_ in de eerste plaats, omdat de _kern_ van dit gedicht herinneringen bevat aan de eerste Frankische dynastie: de Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als oudste zoon van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS. Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen schildknaap RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en vrienden, in oorlog met de Sarracenen (onder wie hier, gelijk zoo dikwijls, de heidensche Saksen schuilen). Een christelijke en een heidensche prinses betwisten elkander FLOVENT'S bezit. Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door zijn vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De heidenen worden verslagen en FLOVENT later koning van Frankrijk. Ons fragment van ruim 600 verzen wijkt sterk af van de eenige ons bewaarde Fransche redactie, die echter zelve weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere. Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats het _Roelants-lied_ te worden genoemd. Algemeen bekend is, dat wij hier het verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, waarin de achterhoede van KAREL DE GROOTE'S leger, onder bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën door de vijandige Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde van een tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, de Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche gedicht is waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel een vijftal fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche bewerking berusten. Tracht men daaruit die verloren bewerking weer samen te stellen, dan komt men tot een fragment van ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen van het Fransch ten deele teruggevonden worden. Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus van gedichten welke zich groepeeren om den persoon van WILLEM VAN ORANJE, een der voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, die de Mooren telkens terugsloegen wanneer zij pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer werken, het zoogenaamde _Moniage Guillaume_ (WILLEM'S monniksschap) hier vertaald; van dat laatste deel van WILLEM'S geschiedenis is ons een klein fragment van ruim 400 verzen bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de wetenschap, dat zekere CLAES VAN HAERLEM, "VER BRECHTEN SONE", deze vertaling vervaardigde[10]. De ons bewaard gebleven fragmenten behelzen de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan boven sprake was en eenige van zijne latere lotgevallen. Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote vazallen geeft de roman van _Renaus de Montauban_ ons een voorbeeld[11]. Een der machtige vazallen des Konings, HAYMIJN van Dordogne, is met dezen in strijd. Zijne zonen REINOUT, ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten dezen strijd tegen den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien strijd moeten zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde koningen. Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de toovenaar MALEGIJS spelen een gewichtige rol in dit gedicht. De roman draagt terecht den naam van den oudste der vier Heemskinderen--zooals zij later te onzent genoemd werden--daar REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans telkens weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft het mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige wijze eenige der bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. Welk Fransch origineel door hem is gevolgd, weten wij niet; wel dat het geen der ons overgebleven redactiën is geweest. Misschien ook is de Nederlandsche bewerking eene samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de bewerker, evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste[12]. De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; misschien slechts een zevende der gansche bewerking[13]. Naast den _Reinout van Montalbaen_ moet de _Geraert van Viane_ genoemd worden; ook deze roman immers bevat herinneringen aan den strijd van CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, al zijn die herinneringen hier verbonden met heugenissen aan den strijd tegen de Sarracenen in Zuid-Frankrijk. Slechts een klein fragment van nog geen 200 verzen van dezen roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche roman van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld van den Nederlandschen bewerker geweest, maar eene veel oudere bewerking. Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten vinden wij in de _Chanson des Lorrains_. Door die geheele grootsche epopee immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; alles draait om de "veede" tusschen het geslacht der hertogen van Lotharingen en dat van FROMONT van Bordeaux. Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens wordt de vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed tegen sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen op de jacht overvallen en vermoord is en daarna ook GARIJN zelf, het hoofd van het geslacht der Lorreinen, zetten hunne zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT doodt FROMOND van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de "veede" over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling bleven ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen meer dan 10.000 verzen, misschien slechts een tiende deel van het oorspronkelijk gedicht bevattend[14]. Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten de _Aiol_ in. Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur van den jongen ridder, die alleen naar des Konings hof trekt om de zaak van zijn verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. In de verroeste wapenrusting van zijn vader, op een armzalig paard, rijdt hij heen en wekt den spotlust van wie hem op zijn weg ontmoeten--maar hij wint zijne zaak. Deze roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide bewerkingen zijn onderling onafhankelijk[15]. De eene, in Limburg vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het ons bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, ongeveer 600 verzen bedragend, omvatten vs. 2538-10092 van het origineel. Eenige verzen der Middelnederlandsche bewerking (vs. 58-73) vindt men in het Fransen niet terug. De andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn overgebleven, wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde. Of wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, ons onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter betwijfeld worden. De samensteller dezer bewerking volgt het Fransche verhaal wel in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken op eigen wijs. Hij heeft veel weggelaten (vs. 518-601 komen overeen met vs. 8354-9061: 83 verzen in het Nederlandsch voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801-1200 dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat deze bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook met het oog op het feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk Nederlandschen naam vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: _Scaerdeline_, terwijl in het Fransche gedicht geen zwaard van AIOL een naam draagt[16]. Dat namen uit het origineel als _Elie, Avisse_ zijn weergegeven door _Helline_ en _Anflisse_, doet denken dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts kende van "hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het tweede fragment dezer bewerking (_Baselie, Mersaelien ende Eggermort, Florette_, het wout van _Bonival, Godevert van Brusewijc_) in het Fransch in het geheel niet voor. Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman van _Auberi le Bourgoing_. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten en daden van een jong Bourgondisch ridder, die met zijn neef en wapenbroeder GASCELIN, in Beieren de Russen en in Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door een huwelijk met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van dat land wordt. Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, die tot dusverre geacht worden ontleend te zijn aan den roman van _Doon de Mayence_ en aan de _Chanson des Saisnes_ (Saxons). Het eerstgenoemd fragment verhaalt ons van drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO (ROELANTS vader) die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere, welke door de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal plaats hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar Vauclere doen de ridders een inval in het kamp der heidenen en een hevig gevecht vangt aan. In den Franschen roman van dezen naam, waarin de stad Vauclere en de Sarraceensche aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote rol spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer men in aanmerking neemt dat de roman van _Fierabras_ hier volgens MAERLANT'S mededeeling reeds vóór het eind der 13de eeuw vertaald was; dat in den _Geraert van Viane_ de strijd tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats heeft op een eiland in een rivier[17]; dat ELEGAST hier, evenals in den roman van _Karel en Elegast_, optreedt als toovenaar; dat de naam van ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair van CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden zijn, dan moet men waarschijnlijk achten, dat wij hier eene vrije bewerking van Fransche epische stoffen vóór ons hebben. Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam _Gwidekijn van Sassen_, ook daarin blijft nog veel over dat opheldering behoeft[18]. Met JEAN BODEL'S _Chanson des Saxons_ heeft ons fragment niets gemeen; dat het vertaald zou zijn naar eene vroegere bewerking dezer stof die bewaard is gebleven in de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik onwaarschijnlijk wegens de gewichtige afwijkingen. Ons fragment verplaatst ons in de volgende omstandigheden: Het Fransche leger, waarbij ROLAND en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend), OLIVIER, ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich bevinden, heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar de reus FLEDRIC, GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een nachtelijk gevecht heeft plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De dichter der Nederlandsche bewerking kende het _Roelants-lied_ blijkbaar; met den ridder in de zwarte wapenrusting die tooveren kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn[19]. Ook hier moeten wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van epische stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts door mondelinge overlevering bekend waren geworden. Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen tijd vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien door eene Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, spreekt van _Fierabras_. Waarschijnlijk heeft hij den naam van dezen heidenschen reus, die in Spanje, na een gevecht met OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt, leeren kennen uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook Nederlandsche bewerkingen der romans van _Foulque de Candie_ en van _Karel en Galie_, welke laatste ons in eene Nederduitsche omwerking in den _Karlmeinet_ is bekend gebleven. Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans en van de reeds behandelde: _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Reinout van Montalbaen_, zal men wel mogen aannemen, dat zij uit de eerste helft der 13de eeuw, ten deele misschien (het _Roelants-lied_ b.v.) nog uit het laatst der 12de eeuw dagteekenen. Ook van den _Flovent_, _Geraert van Viane_, de _Lorreinen_, den _Aiol_ (ten minste de Limburgsche redactie) en den _Aubri de Borgengoen_, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de eerste helft der 13de eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking van den _Aiol_, de _Doon de Mayence_, de _Gwidekijn van Sassen_ tot dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der 13de eeuw moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer en beter gegevens hebben, zal dat bezwaarlijk zijn uit te maken[20]. Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische stof wordt gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die poëzie echter was voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke werken; er is hier gewag gemaakt van die poëzie alleen om den smaak onzer voorouders in dezen te kenschetsen. De Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben slechts eenig aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben nagevoeld. De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als bewerking of navolging?[21] Over het algemeen kan men zeggen, dat--met uitzondering van het _Roelants-lied_--bij de bewerkers wel gevoel voor het ridderwezen bestond. In de _Lorreinen_ die vrij letterlijk vertaald schijnen, worden de lange gevechten niet weggelaten of bekort, ook in de _Geraert van Viane_ zijn verzen als: Wi sullen hem marghiin laten weten, Of onse swerde connen sniden, tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke voorkomen. In den _Aubri_ is sympathie voor het ridderwezen; de bewerker heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros Blanchaert dat zijn meester terugvindt. Ende het begonde neyen [Zijnoot: hinneken.] zeere Ende scrabbelde metten voete. Ook in den _Renout_ kan men nog vrij wat van de ruwe grootschheid van het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking beneden haar origineel. Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt die van het _Roelants-lied_. Niet zoozeer, doordat de bewerker slechts gebrekkig Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel lager gestaan hebben dan de meeste overigen. Maar doordat hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt ridderlijk epos, zoo sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in zijn grootschen eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel, hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is soldaat in zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de wapenrustingen door en door: de blinkende, met goud doorwerkte halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de gouden sporen. Hij volgt elken slag met het oog van een kenner en weet op een prik of de den neus beschermende strook metaal (_le nasel_) al dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan wel het lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het zadel wordt tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard een diepe wonde toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne ruwe eenvoudige wijze, maar hij weet dapperheid toch ook in een Sarraceen te waardeeren; hij is een getrouw vazal: voor zijnen Koning en voor "douce France" heeft hij alles over. De woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: "halt sunt li pui e tenebrus li val" [Zijnoot: Hoog zijn de bergen en duister de dalen.], verhoogt nog den indruk van het geheel. Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of niets gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het ridderwezen of die uitingen zijn van den feodalen geest, laat hij weg. Voor ridderlijke mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. Waar hij een epitheton toevoegt, geschiedt het om de Christenen dapperder en vromer, de heidenen lafhartiger en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer OLIVIER zijn aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk tusschen dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in het Fransch: Vus ne gerrez [Zijnoot: zult liggen.] jamais entre sa brace in het Nederlandsch: Nemmermeer en wert si u wijf. Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke in dit fatsoen ondergegaan. Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg ging, daar krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje op den geest van zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de Vlaamsche bewerking van den _Aiol_, waar de beschrijvingen vooral van gevechten aanzienlijk bekort of geheel weggelaten zijn, de episode van den visscher TIERIJN daarentegen met blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met dat krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze: Ware Macharijs mijn oem hier, Hi soud u, Ayoel, _selc een bier Met vullen nappe scinken_, Ghi souds langhe mogen dinken[22]. Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654-700) vinden wij in het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel des bewerkers een vers als het derde van dit drietal: De hermite starf cortelike, Want hi voer te Gods rike: _Daer moeten wi alle comen_! De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de "maechscap" die haar verhindert AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig teeken des tijds[23]. De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over het algemeen gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; telkens komen verzen met drie heffingen al te lange verzen afwisselen. De rijmen zijn achteloos behandeld; het aantal assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen is vrij groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene eigenaardigheid des bewerkers van _Reinout van Montalbaen_ is, dat hij in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord _man_ moet _sente Jan_ te hulp komen; bij _trouwe_: _onse Vrouwe_; bij _huus_: _Jesus_ enz.[24]. Niet alleen het _Roelants-lied_, maar ook de _Lorreinen_, de _Reinout van Montalbaen_ wemelen van stoplappen; met _Flovent_, _Aubri den Borgengoen_, _Willen van Oringen_ schijnt het in dezen beter gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort afgebroken perioden, wijst er ons op dat wij hier waarschijnlijk met volksdichters, niet met geleerde dichters (_clercken_) te doen hebben. Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij in _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_ en de Vlaamsche redactie van _Aiol_ eer vrije bewerkingen van, uit Frankrijk afkomstige, epische stoffen te zien hebben dan vertalingen. Met meer recht mag men dit aannemen van _Karel ende Elegast_. Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden, dat wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof hebben[25]. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene samenzwering, tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen een door God gezonden engel hem waarschuwde. Die engel gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen. Op zijn nachtelijken tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden, die hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden ontmaskerd en gestraft. In de Latijnsche kroniek van ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt de kern van dit verhaal vermeld en ook gewag gemaakt van eene _cantilena_ (lied) waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige Oudfransche gedichten, vooral den _Renaus de Montauban_ en een werk van lateren tijd, _le Restor du Paon_, wordt over dit verhaal gesproken. Dat er behalve het lied over deze stof nog een episch gedicht van eenigen omvang zou hebben bestaan, is niet bewezen. In allen gevalle is zulk een episch gedicht niet bekend en kan men dus geen origineel van het Nederlandsch gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat zulk een Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? Moet dat dan noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons verhaal? Kan de Nederlandsche dichter niet evengoed kennis hebben gekregen van zijne stof langs den weg der mondelinge overlevering? In tegenstelling met de meeste Middelnederlandsche gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn naar een uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt van een bron, nergens eene uitdrukking als "die boec seit" of iets dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons gedicht vindt, deze verzen uit den aanhef: Wat den coninc daer ghevel, _Dat weten noch die menighe wel_ wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende reden om reeds op grond van de bovenvermelde feiten de oorspronkelijkheid van ons gedicht onwaarschijnlijk te achten of te ontkennen[26]. Doch er is meer: de namen ELEGAST, EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen, waarvan de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel van ons verhaal--anders dan in de Fransche vermeldingen--de landstreek rondom KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats Ingelheim. Bovendien schuilt in ELEGAST een wezen uit de Germaansche mythologie en is hij blijkbaar verwant met ALVEGAST (heer der elven), denzelfde die in Frankrijk AUBERON genoemd werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken, het vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden bassen; de kennis van een tooverspreuk (hier _bede_ genoemd) waardoor hij de bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn dan ook trekken die men in Germaansche sprookjes terugvindt[27]. Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel en taal, een geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog op bovenstaande uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te denken; moet men al denken aan navolging, dan zeker aan eene die van oorspronkelijkheid niet ver afstaat. Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof in God en vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in uitdrukkingen als "een heilich enghel", "d'enghel die van Gode quam", "d'enghel van den paradise"; in Gods vaderlijke zorg voor den koning die het gezinde van Ingelheim in vasten slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den nachtelijken tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen riddereer en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: "varen stelen of God verwerken [Zijnoot: van zich afkeerig maken.]!" Hoe goed kent de dichter het ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide gevechten mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de "witte" halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en den wachter die "den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. Opmerkelijk is hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, "d'edel man" zooals hij telkens wordt genoemd; treffend de onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST, door hem op valsche aantijgingen verjaagd. Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter voor hem de sympathie die de "vogelvrije" te allen tijde gevonden heeft; ook beantwoordt hij aan het ideale type van den vogelvrijen roover: alleen den rijken ontneemt hij het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken vooral zijn hem een welkome prooi. Hij leeft van _roof_, maar dat verlaagde hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek[28]. Dat publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, kracht en edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen spot met KARELS talenten als dief en inbreker. En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, met slechts een enkele reflexie over "vrouwenlist", zelden ontsierd door stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang op eenvoudige maar doeltreffende wijze voorbereid door des konings overpeinzing over "ridders die op aventure" leven[29]; dan zien wij den nachtelijken rit bij maanlicht door het bosch, de ontmoeting met den dreigenden zwarten ridder, het tweegevecht, de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in EGGHERIC'S kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons te boeien en met zich te voeren--zooals hij het ook ongetwijfeld meer dan zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan. KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS. Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen aard dan wat hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht der Frankische romans. Met de personages uit die romans voelden zij zich verwant; het leven daar afgebeeld was min of meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar op grooter schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels vreemd was, maar die hen bekoorde, deels door al dat vreemde en wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed vonden wat zij begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, hoofsche beschaving, fijnheid van vormen en omgangstaal. Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van het hoofsche ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de volmaakte ridder; koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en edele schoonheid. Rondom hen eene glanzende schaar van ridders, getrouwe vazallen, bereid hun leven voor hun koning te wagen, dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en jonkvrouwen, bekoorlijk, dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en op de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde men dan een levendig spel van woord en weerwoord; van dartele behaagzucht en schalke veinzerij tegen vurige liefde en ootmoedige toewijding. Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die bleek worden van aandoening, die om genade smeeken, en jonkvrouwen die zich houden alsof zij niets gehoord hebben, die haar minnaar wijs maken, dat hij geslapen heeft. Welk Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken gehoord als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den _Roman van Troye_: HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.--Word toch wakker, POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van nacht kunt gij slapen zooveel gij wilt.--Vrouwe, zegt hij, wie zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te zitten slapen?--Zoo onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers in uw slaap tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou het u slecht bekomen.--Sliep ik dan?--Ja zeker.--Als gij het zegt, moet het waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap iets miszegd?--Ja gij, maar onwetend; daarom zal ik het niet in ernst opnemen.--Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, wat ik miszegd heb?--Ja gij: eerst zegt gij tot mij: "genade!"; toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u, wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! Toen ik die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij droomde en maakte u wakker.--Ach, vrouwe, men heeft wel eens meer gezegd: waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.-- Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij niet, want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende jonkers gold: "vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur van den hartstocht blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo menige geschaakte jonkvrouw die hij op zijn weg ontmoet, die hij verlost uit de macht van een of anderen rooden ridder of afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne eenzaamheid wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi te zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van FLORIS voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR; de liefde voor GALIENE doet wonderen aan den boerenzoon FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt ridder. Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, is reeds uit het voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt het, indien men er op let, hoe de aandacht die vroeger alleen of voornamelijk den man geschonken werd, nu in beslag wordt genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS denkt, kan BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons MELIOR, TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt door de verleidelijke VIVIANE in het bosch van Broceliande verstrikt. En wie kan LANCELOT de bloem der ridderschap noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne misdadige liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE? Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans der poëzie; nergens misschien liefelijker dan in den roman van _Lancelot_, waar ons verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen lag in de woning der fee MORGUEYNE.--Uit zijne gevangenis, door de ijzeren staven voor het venster, ziet hij in den bloeienden tuin. Twee winters en een zomer zit hij nu reeds daar. Om de verveling te verdrijven, heeft hij zijne wapenfeiten op de muren geteekend. In die wemeling van figuren verschijnt meermalen ééne vrouw--de koningin. Dikwijls gaat hij op haar beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan weent en klaagt hij. De Mei is gekomen; April heeft oorlof genomen. Weer ziet hij de boomen bloeien, de frissche rozen opluiken, de roode rozen... hij ziet haar rooden mond. Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; ééne is er, pas ontloken--zóó was zij, toen hij haar zag ten tournooi te Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt hij zijn hand uit het venster, maar de ijzeren traliën houden hem tegen. "Zouden traliën mij tegenhouden?--Neen!"--met beide handen grijpt hij de twee staven aan; één ruk... zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht. Nu verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar en legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent zich, kiest een goed ros, zit op en rijdt heen. Waarheen? Op een der vele tochten ("questen") die deze dolende ridders ondernemen om iemand of iets te zoeken: een gevangen wapenbroeder, een wonderbaarlijk zwaard of schaakbord, een sluier of ander ridderteeken. Waar komen zij, wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar kluizenaars wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op rust; zij geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen naar ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen en toovenaars. Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier fijner vormen aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst van vroeger, maar eer een tournooi met scherpe wapenen. Grootsche afmetingen neemt de strijd aan in het laatste deel van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den strijd der Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van Salesbiere komt het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger reeds gesneuveld; LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN, de ridder met den leeuw, ligt met gekloofden schedel neer; van die gansche roemruchte Tafelronde staan nog slechts een paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De Koning doodt MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde. Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, GRIFLET, zet hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt zijne krachten bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S goed zwaard Excalibur in een poel; een gewapende hand en arm komt te voorschijn en vangt het zwaard op. GRIFLET verwijdert zich op 's Konings bevel. Van een heuveltop ziet hij uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn gezeten; ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard en wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe dienaar verliest hem weldra uit het oog. Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch omstraald met hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo menig dapper ridder der Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; niet weggelegd voor LANCELOT noch WALEWEIN, die besmet zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de reine GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den Graal zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche godsdiensten geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen heeft. Een tooverketel die drommen van ridders kon spijzigen, kwam reeds in de Keltische mythologie voor; het Christendom verving dien ketel door een schotel, later een beker (_gradale, graäl_ is een Romaansch woord voor _schotel_), waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal. De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de Keltische mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van LONGINUS. Ook de Graalburcht met den koninklijken visscher (le Roi Peschéor) wordt in Keltische verhalen teruggevonden. Geheimzinnig en wonderbaar is de graal reeds in CRESTIEN DE TROYE'S _Conte del Graal_ (omstreeks 1175). PERCEVAL, in den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page binnentreden die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot de hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; dan een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare steenen sieren hem. Zóó verblindend een glans straalt van dien schotel af, dat het licht aller kaarsen in de zaal verdoofd wordt. Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk door MAERLANT vertaald werd, is de Graal de Avondmaalsbeker[30]. En zoo blijft hij het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met het brood des levens. Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk tot ons gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van _Lancelot,_, _Percevael_, _Walewein_; de romans _van Ferguut_, _van Torec_, _van den Graal_ en _van Merlijn_; de roman _van Alexander_ en die _van Troje_; eindelijk de verhalen _van Floris en Blancefloer_ en _van Partonopeus en Melior_. Over de romans _van Merlijn_, _van den Graal_ en _van Torec_, evenals de roman _van Alexander_, bewerkt door MAERLANT, spreken wij later. Onder den naam: _roman van Lancelot_, is tot ons gekomen een groot werk dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene zelfstandige werken door LODEWIJK VAN VELTHEM was erkend, en welks deelen men langzamerhand beter leert kennen[31]. Wij vinden hier 1o een groot werk waarvan LANCELOT de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2o de _Graalqueste_ en 3o _Artur's dood_. Voorts hebben wij, blijkens deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN DE TROIE'S _Percevael_, van de _Wrake van Ragisel_, een _Walewein-boek_, een roman _van den Ridder metter mouwen_ en de vertaling van een paar Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen[32]. De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door dit viertal verzen uit den proloog van den _Lancelot_ (II, 11-14): Ghi sult hier horen scone die jeesten [Zijnoot: verhalen.] Bede van rouwen ende van feesten, Van ridderscape groote daet, Van selsieneheden [Zijnoot: vreemde dingen.] menich baraet [Zijnoot: bedrieglijk spel.]. In den _Lancelot_ vinden wij vele "wandele" of "dolende" ridders. Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier inneemt. Wij treffen hier o.a. reeds "'t wiel van avonturen" aan. Ook vrouw VENUS, die "den boom der minnen" in het harte der menschen plant; deze boom heeft twintig telgen: de eerste telg draagt "melthede", de tweede "oetmoedechede", de derde "sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde deel, dat de vertaling bevat van de _Queste van den Grale_, vinden wij veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de "hertheid van ertrike" voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; zeven ridders zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de wereld; de oude en de nieuwe wet worden voorgesteld door eene vrouw op een serpent en eene op een leeuw gezeten[33]. De roman _van Ferguut_ heeft naar den inhoud iets eigens. FERGUUT immers is de zoon van een rijken dorper, wiens vrouw echter met den adel is vermaagschapt. Terwijl hij achter den ploeg loopt, komen eenige gezellen der Ronde Tafel, die op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te worden als zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting trekt hij naar ARTUR'S hof--evenals AIOL naar het hof te Parijs. ARTUR geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op avontuur, ziet de schoone GALIENE en wordt onder den invloed van de liefde tot haar langzamerhand een volmaakt ridder. Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door den invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieuwen adel uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van de gemoedsontwikkeling der moderne volken onder den invloed der liefde. Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: ridder KEYE, ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk personage, bespot den boerenzoon; FERGUUT overwint ridders, bevecht eene reuzin, neemt deel aan het beleg van eene stad enz. Iets eigens hebben ook de romans van _Floris en Blancefloer_ en van _Partonopeüs en Melior_. In beide staat de liefde op den voorgrond, de avonturen--hoe talrijk en wonderbaarlijk ook--op den achtergrond. Maar in den eersten roman zien wij die liefde in een paar kinderen die samen opgroeien: een heidensch prinsje en een christelijke gravendochter. Door de ouders van FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde, met naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS wordt Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de grootouders van KAREL DEN GROOTE. In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene dergelijke stof als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren jong edelman, PARTONOPEÜS VAN BLOIS, op jacht verdwaald, wordt door een tooverschip naar een geheimzinnig prachtig kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend, gaat hij na den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar gelaat te zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt zijne gelofte en daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding van een paar jaren, waarin PARTONOPEÜS half waanzinnig rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De geheimzinnige minnares blijkt de dochter van den Keizer van Constantinopel te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer van Constantinopel wordt, spreekt vanzelf. Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide romans een historischen achtergrond: de nauwe aanraking tusschen Europa en het Oosten in den tijd der Kruistochten, aanraking ook tusschen Christendom en Heidendom; zegepraal van het eerste over het laatste, blijkbaar zoowel in de kerstening van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS. Elkanders tegenbeeld zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze waarop de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld zijn. Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere werken van deze soort te onzent bekend geweest. MAERLANT maakt nog melding van: _Tristan en Isoude, Octaviaan, Madocs droom, Amadas en Ydoine_[34]. Al zijn ons geene Nederlandsche bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er bestaat toch voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke werken, hierbij te voegen. Want--wij stipten het reeds aan--men mag ter wille van een beter overzicht wel spreken van Keltische of Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche romans; doch in waarheid zijn al deze werken voortbrengsels van denzelfden geest. Ten deele zal dat reeds uit het voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw, indien men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen. Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? Niets dan de namen van plaatsen en personen; voor het overige gelijken zij volkomen op de andere romans. Grieken en Trojanen, mannen zoowel als vrouwen, gevoelen, denken en spreken als middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed en gewapend als zij. Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans ligt voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen verschil tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER en een of andere Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze en GALIENE of dergelijke heldinnen uit een Keltischen roman. De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet lang na het midden der 13de eeuw gedicht (tusschen 1257 en 1264), de overige worden door hem in onderscheidene zijner werken genoemd en zullen dus wel tenminste zoo oud zijn als die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten deele, nog wel tot de eerste helft der 13de eeuw behooren. Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig houden, deze: welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen dezer oorspronkelijk Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers dier bewerkingen hunne taak opgevat en uitgevoerd? De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat na te gaan; zoolang wij de onderscheiden werken, welke door VELTHEM zijn vereenigd, niet in hun oorspronkelijken vorm bezitten, kunnen wij bezwaarlijk uitmaken, wat van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker, wat van den compilator is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den eigenlijken Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd[35]. Dat het godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan in den Franschen roman, moet misschien op rekening van VELTHEM worden gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking moet toeschrijven van een bloedenden ridder bij een rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te maken[36]. Ook het duizendtal verzen dat wij van den roman _van Percevael_ in zijn oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van nauwe aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd te hebben[37]. Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den _Ferguut_. Het is mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking te danken hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn werk bij vs. 2593 zou hebben begonnen. Doch in allen gevalle bestaat er geen reden, om het eerste deel der bewerking tegenover het tweede te stellen als het werk van een "hoofsch" tegenover dat van een "dorper" dichter; beide deelen der Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest die zeker eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden[38]. De dichter van den Franschen roman _Fergus_ was blijkbaar een bewonderaar van CRESTIENS DE TROIES. De Nederlandsche bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het Fransche oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, een naam dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen uit CRESTIENS' _Ivain_, waar de kamenier van IVAIN'S minnares denzelfden naam draagt[39]. De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige poëzie en de Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat weten te behouden. Zoo zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van GALIENE goed door hem weergegeven. Op een enkele plaats heeft hij de levendigheid van het oorspronkelijke verhoogd door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede is dan ook gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden. Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten of ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling van _vilain_ door _vrient_; de zedigheid van den bewerker toont zich, waar uit de opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden de "mamelettes comme pumetes [Zijnoot: appeltjes.]" zijn verdwenen[40]. Had hij maar niets gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de beschrijving der jacht in het oorspronkelijke bij die in het Nederlandsche verhaal. Duidelijk blijkt dan dat de bewerker, anders dan de dichter, die hertenjacht in het bosch niet heeft _gezien_; niet gezien "hoe de Koning gaat staan in de stijgbeugels om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe "de bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt "het hijgen en woelen" van het uitgeput hert en hoe het, verdronken in de rivier, komt bovendrijven met "den gezwollen buik, stijfstaand van het ingezwolgen water"[41]. Tal van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker ingevoegd; zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor Koning ARTUR en zijne ridders: "Hi stont ende sweette als een das"; iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand iets "aen sijn cleet wriven" of iemand "sijn vel verwarmen". FERGUUT blijft te lang weg van zijne minnares; "een vrouwenhart is niet van staal", waarschuwt de Nederlandsche dichter, en: "zijne rapen zouden wel eens kunnen aanbranden"[42]. In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker de grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het doet voorkomen dat GENOVERE niets was in vergelijking van GALIENE en waar hij Koning ARTUR tot GALIENE doet zeggen: "ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw". Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker afkomstig is: eene uitweiding over het karakter der liefde en een licht komisch glimpje hier en daar o.a. in een spottend verkleinwoord[43]. Doch noodig is dat niet om op grond dezer bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze bewerker een zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat, doch wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en aan de gewenschte fijnheid van gevoel. Meer talent dan uit de bewerking van den _Ferguut_ blijkt ons uit die van den _Partonopeüs_, waarvan groote fragmenten (meer dan 8000 verzen) tot ons zijn gekomen[44]. Dat deze bewerker onvoldoende kennis toont van ridderlijke kleeding en riddergebruik, raakt de aesthetische waarde zijner bewerking niet van nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch element heeft verzwakt, daar het parallellisme van eenige mooie verzen heeft voorbijgezien of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt en o.a. de vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft weggelaten. Doch van meer gewicht dan dat alles is, dat hij op verscheidene plaatsen zijner bewerking toont dichter te zijn. Hij moge onbekend zijn met de namen van sommige kleedingstukken, met sommige gebruiken bij het geven van den ridderslag en het houden van een tournooi--aan _gevoel_ voor deze dingen ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van den _Ferguut_ heeft hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild zwijn blijkbaar wel voor oogen; hij voegt er zelfs een paar aardige trekjes aan toe: hij ziet den jachthond aan de "leise" (zeel), ziet hoe de honden met de oogen den ever volgen. In een troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij blijkbaar behagen: scone gewapent quamen si echt [Zijnoot: achteraan.], scilt ane hals ende spere gerecht, helm op 't hovet, baniere gebonden, ende neder totter hant ontwonden. Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij: Dus souden wi die roede houwen daer men ons soude mede blouwen [Zijnoot: slaan.], Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn niet zelden door even fraaie Nederlandsche weergegeven[45]. Hooger dan de _Partonopeüs_, het hoogst misschien van al deze bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S _Floris ende Blancefloer_. Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en schoon Fransch gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk en mooi Nederlandsch berijmd verhaal, moet toegeschreven worden vooral aan zijne idealistische opvatting der liefde. Het zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen als _Tristram en Isoude_, _Paris en Helena_ en andere werken der hoofsche minne-epiek, was bij hem in goede aarde gevallen: geen dorperlijk gemoed--hij besefte het--kon de edele minne op den rechten prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor clercken, leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring hebben leeren kennen[46]. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; zij viel hem zuur, zooals hij ons zelf zegt; met passen en meten verdietschte hij het "walsch": men moet corten ende lingen die tale, salmen se te rime bringen. en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan[47]. Doch daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de vergelijking met zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die deelen van het werk welke door hem zijn uitgebreid of waarin hij meer zelfstandig te werk gaat, beter zijn dan de overige; dat over het algemeen de naïeve bevalligheid van het oorspronkelijk gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke wijze in zijn dietsch weergegeven. Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE (c. 1220) heeft een Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), hetzelfde Fransche gedicht in zijne moedertaal bewerkt. In sommige opzichten, vooral in gemoedsontwikkeling, staat FLEKE boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze de oorspronkelijke stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000 Fransche verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne wijdloopige reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd[48]. Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen van de kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich openbaart in het bouwen van verzen en het vinden van rijmen, dan wordt ons dat moeilijk gemaakt door den toestand waarin o.a. de romans der Lancelot-compilatie tot ons zijn gekomen. Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn wij geneigd aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de stoplappen minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men o.a. in de romans _van Ferguut_ en _van Partonopeüs_. Daar, evenals in den _Walewein_ en den _Moriaen_, treft men vrij wat voorbeelden aan van het zoogenaamd _rime riche_ (gelijke klank bij verschil van beteekenis of van functie), zoowel waar het geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het eigenaardig soort van rijm, dat wij in den _Renout van Montalbaen_ aantroffen, waar steeds een of andere heilige in den rijmnood moet voorzien, vinden wij in den _Ferguut_ terug[49]. Zooals onder de Frankische romans o.a. de _Aiol_ den overgang vormt van de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig werk als _Karel en Elegast_, zoo staat hier de bewerking van _Floris en Blancefloer_ tusschen de vertaalde romans en een paar werken die mij voorkomen zelfstandig te zijn: _Moriaen_ en _Walewein_. Ook de roman _van Moriaen_ is ons bewaard gebleven in de Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S handen te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken vorm tot ons te zijn gekomen[50]. Zelfstandig en eenigermate oorspronkelijk mag deze roman heeten, aangezien er geen origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon, een Moor, die voorgesteld wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt oorspronkelijk[51]. Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, uit andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft vereenigd tot een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is ten opzichte van taal en versbouw, doch overigens niets eigens noch veel kunstvaardigheid toont. Een overwonnen ridder die door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt gezonden, tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg van een sterk kasteel--dat alles behoort tot het vaste materiaal waaruit deze romans werden samengesteld. Bovendien heeft de dichter gedurig den roman _van Karel en Elegast_ voor oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men zelfs woordelijke navolging opmerken[52]. Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere romans had leeren kennen, schijnt ook de roman _van Walewein_, waarvan door den dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen werden gedicht en die met 3300 verzen door PIETER VOSTAERT werd voltooid[53]. Hier wordt ons verteld van onderscheidene "questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig schaakbord, in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt te behooren aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het kleinood afstaan, indien hij daarvoor het wonderzwaard met de twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN bezit. Een nieuwe zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard slechts geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot van JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een vos herschapen, wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. WALEWEIN wint IJSABELE, ook haar hart, en trekt terug naar koning AMORAEN. Deze redt hem uit de moeilijkheid eener keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te overlijden. Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar koning ARTUR die zijn schaakbord ontvangt. Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van andere minder belangrijke, zooals ze in deze romans plegen voor te komen. Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste wonden geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in den lusthof van YSABELE en een gloeiende rivier rondom den burcht van koning ASSENTYN, om van den betooverden prins te zwijgen[54]. Zulke zaken vindt men eveneens in andere romans van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien aard. Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis _van Peredur (Perceval)_; daar ook de vermelding van het "Castle of Wonders" of "van den wondere dat casteel" zooals het in den roman _van Lancelot_ genoemd wordt. Ook de bron der jeugd, waarvan hier verhaald wordt; de smalle brug, scherp als een scheermes; de onderscheidene tafels, waaraan verschillende leden eener hofhouding middagmalen, zijn ons van elders bekend[55]. Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters vereenigd tot een geheel; want eenheid is er, al is zij niet van hooger orde dan die in het bekende sprookje: Toen ging hij naar de Galg: "Galg, wil jij Man hangen? "Man wil niet Os dollen, "Os wil niet water slobberen ... ... Ja, zei Galg. En Galg hing Man, En Man dolde Os En Os slobberde water enz. Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van deze soort, valt moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN HEELU kennen blijkbaar wel verhalen over _Walewein_; of zij echter het oog hebben juist op dezen roman[56]? Met het oog op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij sterk is, op het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, zou ik geneigd zijn dezen roman in allen gevalle tot de 13de eeuw, en eer tot de eerste helft daarvan dan tot de tweede te brengen. Ook de taal en het vrij groot aantal assoneerende rijmen schijnen ons daartoe recht te geven[57]. De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar macht en haar praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de gemoederen van velen hier te lande aangetrokken, beheerscht of bekoord. De poëzie, uit dat ridderwezen en ridderleven geboren, heeft vooral den adel, maar waarschijnlijk ook de aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan de indruk, door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest. Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde onder den invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan om die bewering te staven. Immers, ook in de overige landen van West-Europa was dat het geval. Doch--en dat feit weegt zwaarder--de volksziel nam hier te lande het ridderwezen niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo krachtig bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale ridderpoëzie werd geboren; eene _eigen_ ridderpoëzie, gelijk de Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON STRASSBURG, HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH en het nationaal-ridderlijk epos van _Nibelungen_ en _Gudrun_. Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door hen vertaalde of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar zien wij naast gevoel voor het ridderwezen in zijne onderscheidene uitingen, ook vroomheid en zedigheid die slechts matige sympathie koesteren voor de ridderidealen: die den hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis aan verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische roman, dien wij voor een oorspronkelijk werk mogen houden, hooger staat dan de twee zelfstandig bewerkte Keltische romans. _Karel en Elegast_ staat niet veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" uit den nationalen cyclus; _Moriaen_ en _Walewein_ veel lager dan de beste Fransche romans van den uitheemschen cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich afspiegelt in de Frankische romans, heeft--zou men zeggen--sterker indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer sympathie gevonden, kon dus ook beter door hen vertolkt worden, dan dat der volgende periode, toen liefde, maar vooral zinnelijke liefde, hoofsche bevalligheid en fijne vormen overheerschend waren. Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling van ons volk ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen geboren poëzie heeft de ridderlijke idealen onder deze volken helpen verbreiden. Die idealen en die poëzie hebben er deels ingang gevonden, deels hebben zij afkeer gewekt en verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder geestelijkheid en gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al niet tegen den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene andere richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting vragen nu onze aandacht. AANTEEKENINGEN [1] De hier geraadpleegde werken zijn o.a. doch vooral: LA CURNE DE SAINTE PALAYE, _Mémoire sur l'ancienne Chevalerie_; L. GAUTIER, _La Chevalerie_; A. SCHULZ, _Das höfische Leben zur Zeit der Minnesinger_; MOLL, a.w. II, 4, 235. De geschiedenis van het ridderwezen in Nederland--aanlokkelijke maar zware taak--moet nog geschreven worden. Dr. J. TE WINKEL gaf een vlijtig bewerkte studie: _Het kasteel in de XIIIe eeuw_, later omgewerkt tot: _Het Ridderwezen geschetst volgens de ridderromans_. Maar het blijft de vraag, in hoeverre onze, meerendeels vertaalde, ridderromans hier als bronnen mogen dienen. [2] De voornaamste uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek zijn hier zoo beknopt mogelijk samengevat, voorzoover noodig is om de Nederlandsche ridder-poëzie beter te begrijpen. Wat nog ontbreekt, zal verderop zijne plaats vinden. Ik maakte bij de samenstelling van dit overzicht gebruik van de algemeen bekende werken van GASTON PARIS (_Histoire poétique de Charlemagne_); L. GAUTIER, _Le Epopées Françaises_ (2e éd.); PIO RAJNA, _Le origini dell'epopea francese_; K. NYROP, _Den oldfranske heltedigtning_. Ik volgde vooral NYROP en de auteurs in PETIT DE JULEVILLE'S _Histoire_, I, 49-344. Van NYROP'S werk verscheen eene Italiaansche vertaling met belangrijke aanteekeningen van EGIDIO GORRA. (Torino, 1888). De oudere literatuur (tot 1887) over de Keltische gedichten bij TE WINKEL. Daarbij moet gevoegd o.a.: _Studies on the Legend of the Holy Grail_ by ALFRED NUTT (1888) en de scherpe doch billijke en opbouwende critiek op NUTT'S werk door Prof. H. ZIMMER in _Gött. gel. Anzeigen_ (1890); _Studies in the Arthurian Legend_ by JOHN. RHYS. (1891). Zie voorts de literatuur bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 49 suivv.; vooral ook de inleiding op W. FOERSTER'S _Der Karrenritter_ (LANCELOT). Halle. NIEMEYER. 1899. [3] Vgl. PIRENNE a.w. 167, 368-9; JONCKBLOET, I, 113 (noot). [4] Vgl. TE WINKEL, p. 79-83 en J. STECHER, _Hist. de la Litt. Néerl._, p. 21 suivv. [5] JONCKBLOET heeft het eerst de aandacht op deze bewijsplaatsen gevestigd. Vgl. o.a. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 140 vlgg.; 289 vlgg. TE WINKEL heeft deze bewijsplaatsen nog vermeerderd in zijn _Maerlant's Werken_, (2e druk), bl. 402-408. [6] _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), II, 39-57. Vgl. ook de plaats uit _Van den Levene ons Heren_ die later vermeld zal worden. [7] _Acta Sanctorum Junii_, III, p. 242-3: "in quadraginta annis, quibus postea inter socias Gallicas vixit, tantum vix sermonis Gallici addiscere potuit, ut panem recto modo Gallice peteret, cum esurivit." _Leven van Sinte Lutgart_, II, 461 vlgg. S. LUTGART stierf in Aquiria (Aiwières) in 1246. [8] De namen der pairs staan niet alle vast. Zie daarover L. GAUTIER in zijne voortreffelijke uitgave der _Chanson de Roland_, p. 30-31 (in de aanteekeningen). [9] Waar geen ander werk wordt opgegeven, verwijs ik voor de hier behandelde fragmenten naar mijne _Mnl. Epische Fragmenten_. Daar ook vindt men de bespreking der hss., der verhouding tot het origineel enz. [10] _Spiegh. Hist._, IV, 1, c. 29, vs. 73-76. [11] Uitgave van Dr. J.C. MATTHES. (Groningen. WOLTERS. 1875). [12] Zie de samenvatting der uitkomsten van MATTHES' onderzoek, p. XXXVII zijner Inleiding, waarbij echter veel onzekers. [13] Vergelijkt men de Mnl. bewerking met het _Volksboek_ (ed. MATTHES), dan blijkt dat ongeveer 25 bladzijden van het _Volksboek_ overeenkomen met de 2000 verzen der fragmenten; volgens die berekening zou het gansche Mnl. gedicht meer dan 14000 verzen hebben geteld, daar het _V._ 184 bladzijden telt. [14] Uitgegeven door Prof. J. VERDAM in _Tijdschrift voor Ned. T. en Lett._, II, 209 vlgg. [15] Te laat om een zelfstandig onderzoek te kunnen instellen, bemerkte ik, dat SUCHIER dat deel der _Lorreinen_ hetwelk niet te vinden is in het Fransch voor oorspronkelijk Nederlandsch houdt, terwijl G. HUET het aan een verloren Fransch werk ontleend acht. De degelijke en scherpzinnige onderzoekingen van den laatsten geleerde over dit onderwerp zijn gepubliceerd: _Romania_, XXI, 361 suivv. en XXXIV, 1 suivv. De zienswijze van SUCHIER in zijne _Gesch. der Franz. Lit._ (1900), p. 45. [16] _Scaerdelijn_ ziet er uit als eene afleiding van _scaert_ (_scaerde_). Zie o.a. _Karel ende Elegast_, vs. 413 de "scaerde ende vlegghen" in de helmen. [17] Zulke duels komen in de Oudfransche epische poëzie meermalen voor. Zie o.a. Pio RAJNA, _Le Origini_, p. 402. [18] Eene collatie van het hs. gaf ik later in _Tijdschr. v. Ned. T. en Lett._, IXe jaarg., p. 166, 189. Zonderling is, dat MAERLANT hem noemt: "Winechkijn, der Sassen here"; zie: _Spieghel Historiael_, III, 8, c. 86, vs. 3. [19] Met terugneming van hetgeen ik vroeger (_Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 166) heb gezegd, geloof ik nu dat met _El'e_ of _Es'e_ in het hs. Elegast bedoeld is. [20] Ter bepaling van den ouderdom steunde ik vooral op vermeldingen als die van MAERLANT, in verband met den ouderdom van het oorspronkelijk gedicht, dien van het hs. der Nederl. bewerking, ook den geest van het gedicht en dien der bewerking. Overigens verwijs ik voor dit deel van mijn verhaal naar mijne _Middelnederlandsche Epische Fragmenten_ en de vroeger aangehaalde werken over de Fransche epische poëzie. Doch er valt ook in onze ridderpoëzie nog veel te onderzoeken; ik noem slechts de verhouding van den _Karlmeinet_ tot de Mnl. ridderpoëzie. [21] In sommige gevallen sloot een Mnl. vertaler zich dicht bij den tekst van zijn origineel aan; hij leverde dan eene _vertaling_ in onzen zin van dat woord. In andere, talrijker, gevallen, gaf hij eer een _bewerking_ dan eene vertaling. Op zulke gevallen past wat BORMANS (_Mnl. Ep. Fragm._, p. 51) zegt: "traduire c'était imiter; on retranchait, on ajoutait, on transposait, on modifiait de toutes manières." Het spreekt vanzelf, dat men, alvorens eene vergelijking in te stellen tusschen origineel en navolging, waar onderscheidene redacties van dat origineel bestaan, eerst voorzooveel mogelijk moet vaststellen, welke redactie den bewerker tot voorbeeld zal hebben gestrekt; op de wijze zooals Dr. VAN BERKUM dat gedaan heeft in zijn onderzoek van den _Partonopeus_, Dr. BOTERMANS in dat van _die hystorie van die seven wyse mannen van romen_; ik meen ook te mogen wijzen op mijne Inleiding tot de fragmenten van het _Roelantslied_. Echter overschatte men de waarde van zulk een onderzoek voor eene vergelijking tusschen voorbeeld en navolging niet. Waar men den geest der bewerking kenschetsende invoegsels, weglatingen of wijzigingen vindt, daar zal men die gewoonlijk op rekening van den bewerker moeten zetten. Bij de vergelijking der bewerkingen van _Nibelungen_, _Roelantslied_, _Reinaert_, _Rinclus_ e.a. met hunne origineelen, kan men vaak dozijnen van varianten te hulp roepen; doch zij laten de kenschetsende afwijkingen voor rekening van den Mnl. bewerker. [ F2] _Aiol_ (ed. VERDAM), vs. 14-17. [23] T.a.p., vs. 390-405: "Verdoemt moete de maechscap sijn" "Ay, maechscap, wat heb di mi gedaen!" enz. [24] Vgl. vs. 555, 629, 750, 780, 787, 850, 856, 886, 890, 1095, 1103 (pass.), 1147, 1248, 1515, 1774. [25] Uitgaven van JONCKBLOET, KUIPER. (Amsterdam. VAN KAMPEN EN ZOON. 1890), en BERGSMA (Pantheon-uitgave, 1893). Vgl. ook: BERGSMA'S _Bijdrage tot de tekstcritiek van den Karel ende Elegast_. (Groningen. 1890). [26] Tot dusver heeft men dat op voorgang van JONCKBLOET gedaan. Maar JONCKBLOET was zóó bevangen door zijne studiën der Oudfransche Chanson-de-geste--hoe uitnemende vruchten die studiën ook hebben gedragen--en had daarbij zóó weinig geloof in het dichterlijk vermogen van ons volk, dat vermeldingen als de bovengenoemde hem reeds dadelijk afdoende voorkwamen. [27] _Karel ende Elegast_ (ed. KUIPER), vs. 768-9, 837-839, 923. [28] _Roof_ was niet onteerend, heimelijke diefstal wel. Men maakte onderscheid tusschen "diefte ende roof" (_Limborch_, X, 505). MAERLANT zegt in zijn _Rijmbijbel_, (I, p. 206): "Ne roof niet, hen si dijn"; in den _Spiegh. Historiael_, III, p. 374: "onse aerme worden rike met rove". Zie verder _Nederd. Regtsoudheden_, p. 282. De dichter van _Van den Levene ons Heren_ legt het zelfs Jezus in den mond, (vs. 943). [29] Vs. 105 vlgg; 203 vlgg. [30] Een overzicht van den _Oorsprong van den Graal_ gaf TEN BRINK in eene voordracht, gehouden in de Kon. Vlaamsche Academie. Afzonderlijk uitgegeven bij A. SIFFER te Gent. (1897). [31] Eenige volledige uitgave van JONCKBLOET. Latere uitgaven van deelen der zelfstandige werken, waaruit de compilatie bestaat, door TE WINKEL, MOLTZER en FRANCK in _Tijdschr. v. N.T. en L._, X, XIII, XIV, XIX, en door VAN VEERDEGHEM in de _Bulletins de l'Acad. Royale de Belgique_, 3me série, tome XX, no. 12. [32] TE WINKEL, _Geschiedenis,_ p. 190. [33] Vgl. IV, 10720 vlgg.; III, 15256-'91; III, 1745 vlgg. [34] Vgl. _Maerlant's Werken_ door Dr. J. TE WINKEL, bl. 405 vlgg. Ook in _Floris en Blancefloer_, (vs. 58-59) wordt melding gemaakt van de geschiedenis _van Tristram en Ysoude_. In het gedicht _Van den Levene ons Heren_, vs. 15, wordt onder de romans waartegen de dichter waarschuwt, opgenomen die _Van Pyramuse_, hoe hi sijn leven Verloos.... In de Oudfransche literatuur bestond een roman van dien naam. (Vgl. P. DE JULEVILLE'S, _Histoire_ etc., I, 244). [35] Zie JONCKBLOET'S _Inleiding_ op Deel II, p. CCVI. [36] Vgl. o.a. III, 22557 vlgg.; IV, 2149-'50. [37] _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIII, 38. [38] VERWIJS geloofde aan twee dichters. Zie zijne Inleiding, p. XXIX. Bij zijne argumenten moet nog gevoegd worden dat in het eerste deel niet 19 assoneerende rijmen voorkomen, maar 28 (vgl. vs. 59-60, 121-122, 563-4, 605-6, 669-'70, 711-'12, 1029-'30, 1331-2, 1673-4). Deze voorstelling werd door JONCKBLOET bestreden. (Vgl. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 310). Ik zou mij eer aan de zijde van J. scharen; doch acht den strijd niet zoo heel gewichtig, omdat in allen gevalle de geest der bewerking doorgaans dezelfde blijft. [39] Zie o.a. RHYS, _Studies_, 93, 105 en PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 310. [40] Vgl. vs. 1360 vlgg. (liefdesoverpeinzingen); 1671-'6 (dialoog); 1658 en 1666; vs. 1182 vlgg. [41] Vs. 75 vlgg. [42] Vs. 319, 2057, 5328, 4984; andere dergelijke uitdrukkingen: 399-400, 402-4, 1170, 2099. [43] Vs. 5035, 5056; 2768-'84; 3500 vlgg. (waar de afschuwelijke reuzin PANTASALE "scone wijf" wordt genoemd); 3365, 3524, 3533. [44] Vgl. het in menig opzicht uitnemend proefschrift van Dr. A. VAN BERKUM: _De Middelnederlandsche bewerking van den Partonopeusroman_. (Groningen, WOLTERS. 1897.) [45] Zie VAN BERKUM a.w. LXIII, LXVII, LXXI; CXV; CIV; CIII, CXXXIII; XLIV; CV, CVI, CVIII; XCVII, CXII-CXIII. [46] Die opvatting in vs. 3-13, 53-75, 1012 (door MOLTZER blijkens zijne aanteekening niet begrepen); vs. 1365 (waar met het hs. _sot_ moet worden gelezen). [47] Vgl. vs. 22, 86; vs. 19-20; al te lange verzen of zulke waarin men geen rhythme hoort zijn b.v. vs. 1900, 1918, 2005, 2058, 2339, 2647, 2859, 3567, 3853. [48] Uit vs. 282-4 zou men opmaken, dat D.v.A. meer dan een redactie van het verhaal heeft gekend. Van de twee door ED. DU MÉRIL uitgegeven redactie's van het Fransch gedicht, staat A dichter bij DIEDERIC'S werk dan B; echter heeft DIEDERIC waarschijnlijk eene ons onbekende redactie gevolgd. Die redactie zal wel dezelfde zijn geweest als of dicht gestaan hebben bij de door FLEKE gebruikte: in vs. 272-'82, 474-'95, 1562-'81, staat D.'s bewerking dichter bij die van FLEKE dan bij version A. Vgl. over de verhouding der onderscheiden redacties: MOLTZER'S Inleiding voor zijne uitgave; H. SUNDMACHER, _Die altfranzösische und mhd. Bearbeitung der Sage von Flore und Blanscheflur_. (Göttingen. 1872) en H. HERZOG in _Germania_, 1884, 149. SUNDMACHER overschat FLEKE'S bewerking, die hij bespreekt alsof ze een oorspronkelijk werk ware; onderschat de Middelnederlandsche. HERZOG'S stuk is vol geleerdheid, gewaagde onderstellingen en slotsommen. Op vele plaatsen is DIEDERIC'S bewerking veel uitvoeriger dan het Fransch. B.v. in vs. 213-'30, 322-'48, 474-'95, 519-'34, 1562-'81, 1922-'31, 2148-'54, 2219-'22, 2224-'48, 2735-'50, 2750-2820, 2827-'31, 3173-'95, 3376-'81. Niet in het ons bekende Fransch komen voor: 272-'82, 378-'9, 410-'20, 570-'85, 714-831 (iets daarvan in version B), 2197-2204, 2841-'9, 2887-'9, 3139-'49, 3396-3415, 3482-'97. Van deze plaatsen vindt men voor een klein deel iets bij FLEKE; maar DIEDERIC gaat ook daar doorgaans zijn eigen weg. [49] Vgl. vs. 657-8, 2138, 2830, 2908, 3201, 3762, 3832, 4534, 4749, 4783, 4839, 5275, 5392. Ook in de Fransche epische poëzie was dit heiligen-rijm bekend. Vgl. NYROP in de vertaling van _Gorra_, p. 383. [50] Vgl. FRANCK'S uiteenzetting in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XIX, 45-46. [51] In den _Merlijn_ wordt vs. 31706 zekere ridder _Morian_ genoemd ("Dander was Morian, als ic versta"). Waarschijnlijk hebben wij hier echter te doen met een bedorven tekst; immers diezelfde ridder wordt, verderop in dat hoofdstuk, tweemaal _Moriaval_ genoemd (vs. 31942, 31989). Misschien had het hs. _Moriau'_; het is bekend hoe licht _u_ en _n_ verwisseld werden. [52] Vgl. Dr. BERGSMA'S uitgave van _K.e.E._, bl. 47-48. Bij de daar opgegeven plaatsen moet nog gevoegd worden: vs. 112 (het tooverkruid uit den _K.e.E._) en _M._ 607-8 = _K.e.E._, vs. 1205-6. [53] JONCKBLOET hield ook dezen roman voor vertaald; doch de bewijsgronden, door hem aangevoerd, zijn zwak. Van een Fransch origineel is niets bekend; J. zelf houdt de aanwijzing bij ROQUEFORT (II, 33) voor eene vergissing; de door R. aangehaalde plaatsen (II, 129), meerendeels gemeenplaatsen, hebben weinig bewijskracht. Ook kan men den proloog maar niet wraken of uitleggen, zooals J. doet. Er zijn inderdaad vele verwijzingen naar een bron of bronnen (bij VOSTAERT meer dan bij PENNINC); doch die geven nog geen recht om aan te nemen, dat hier een voorbeeld werd nagevolgd. [54] Deze elementen aangewezen door JONCKBLOET in zijne uitgave van den roman (II, 152-153). [55] Vgl. RHYS, _Studies_, 105 en 55; _Lancelot_, II, 40393; _Walewein_, vs. 1010 vlgg.; 3550 vlgg. en II, p. 153. [56] Vgl. JONCKBLOET'S uitgaaf II, 135. [57] Gevoel voor het ridderwezen in vs. 1846 vlgg.; 4333 vlgg.; de beschrijving van het gevecht, vs. 10598-10635. VOSTAERT heeft eens de platte vergelijking van een bloedenden ridder bij eene geslachte koe. (8830-1). De godsdienstige tint in vs. 147-9, 236-8, 292-4, 378-9, 384, 460, 478-'81, 495 vlgg., 574-6, 666, 1154-6, 1326-'30, 2684, 2695, 2980-4, 3010, 3049-'51, 3360-'66, 3626-'33, 3649-'50, 3714, 3875-'7, 3946-'54, 4020-'1, 4064-'5, 4097 vlgg., 4268-'9, 4348-'52, 4436-'7, 4758 vlgg., 6138, 6142, 6683 vlgg., 7049-'55, 7198-7200, 7687-'8. Bij VOSTAERT: 8118-'9, 8133-'5, 8380-'5, 8478, 9272-'7, 9376-'7, 9531, 9866, 11088. De moralizeerende toespraak van den dichter tot zijn publiek (4838-4845) zou ik dan ook niet met JONCKBLOET willen schrappen, als van een afschrijver afkomstig. Over de taal vgl. JONCKBLOET II, 135. Verscheidene daar genoemde woorden komen echter ook in later tijd voor. 2. GEESTELIJKE POËZIE. Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie. _Van den Levene ons Heren_. Heiligenlevens. _Rinclus_. Ontstaan der mystiek. Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van Maagdeburg. Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies, Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van Tongeren. _Leven van Sinte Lutgart_. De Minne. Hadewych. Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken, daar ging haar streven in dezelfde richting als dat der geestelijkheid die de Christelijke idealen, voor een deel althans, tot werkelijkheid trachtte te maken. En dat was niet het eenige punt, waar deze beide standen elkander raakten. Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel behoorden, lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een Westvlaamsch auteur der 14de eeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt: Van vier moneken sijn die drie Gheboren van groten maghen.[1] In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige maatschappij vereenigd. Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een scherp verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. Waar de adel, alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen ontzag om zijn doel te bereiken, daar kwam hij in botsing met die geestelijken welke, hunne roeping getrouw, den blik op het eeuwige gevestigd hielden. De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde zonder wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en te lezen gaven, moest kwaad zijn in de oogen van vrome geestelijken. Daartegen waarschuwen moesten zij plicht achten. Doch dan mochten zij het niet laten bij waarschuwen; dan moesten zij trachten den verkeerden invloed dier ridderromans te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg ontstond geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie. Wij hebben reeds vroeger eene plaats uit het _Leven van Sinte Lutgart_ leeren kennen, die ons dien gang van zaken toont[2]. Tegenover al die "sagen van wigen och van tavelronden", [Zijnoot: Verhalen van oorlogen en tournooien.] van "minne" die niet tot de "gerechte minne", nl. de liefde tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN AFFLIGHEM zijn leven van de maagd LUTGARDE "dat vromelic es ende goet". Eene tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht _Van den levene ons Heren_. In den proloog van dat werk waarschuwt de dichter zijn publiek tegen zoo menige "rime die ter zielen luttel smaect"; hij heeft daarbij het oog op verhalen Van battalien ende van minnen Van meneghen die wi niet kinnen: Van Roelande ende van Oliviere, Van Alexandre ende van Ogiere, Van Walewaine ende van siere macht, Hoe hi jeghen sine viande vacht; Van Digenen, hoe hi sijn lijf Tormente omme een scone wijf; Van Pyramuse hoe hi sijn leven Omme minne verloos....[3] Doch dat zijn alles "boerden", al zijn zij op schrift gebracht. Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin _waarheid_ verkondigd wordt: van "waarheid" spreekt zijn werk, immers van den heiligen Christus. Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd om de kern van het werk: de verlossing van het menschdom, zijn hier door een echt dichter vereenigd tot een geheel dat hooge waarde heeft[4]. De ons onbekende maker, misschien een "clerc", heeft zijne stof tusschen 1260-1270 bewerkt, zooals hij die had leeren kennen uit den bijbel en uit andere bronnen[5]. Onder die andere bronnen moeten de zoogenaamde apocriefe evangeliën in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel kreeg de christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch behalve die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, vond men andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF, PILATUS, JOZEF van Arimathea en andere heilige personen, die als een sterke onderstroom het godsdienstig gemoedsleven onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke bijbelboeken waren voor het grootste deel des volks te sober, te verheven; de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen waarover de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES afliep; van JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar aanwezige heilige mannen uit het Oude Testament, ondanks het verzet der duivelen, verloste. Aan het gewoon-menschelijke, het dagelijksche is in deze verhalen meer plaats vergund; maar ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte. Dat alles trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij boven hen uit door zijne dichterlijke gaven. Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden, wanneer men ziet welk een warme liefde tot de misdeelden den dichter bezielde: Selen wy dragen bont ende grau, Ende ons sieren als enen pau, Ende die arme sal sijn in selc bedwanc, Dat hi ne sal hebben spel no sanc? Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie. Deze is het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de wendingen der volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen. Zoo b.v. de rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL Gods wil aan MARIA komt boodschappen: Vant hi Marien ter venstren staen? Vant hise achter [Zijnoot: langs.] straten gaen? Vant hise in plaetsen [Zijnoot: pleinen.], vant hise int spel? Neen hi, niet; die maecht pensde al el [Zijnoot: andere dingen.]. Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: "Doe sprac een jode: Heren, hort na my"; het afgebrokene in den zinbouw, den korten vleugelslag van des dichters gedachten[6]. De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, die wij later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, openbaren zich hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid van toon, een doorvoelen van JEZUS' lijden, zooals later MEMLINC het ons te zien zal geven. Telkens hooren wij van "dat zoete kint", zijne heilige, zijne gebenedijde hand, zijn zoete hart; God "van hemele", "d'alweldeghe God", de heilige engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in verzen als: "Kinder, seit hi, hoert na mi" of "Kinder, seit hi, lieve vrient"[7]. De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat tegen HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel als een hond; hij is een "dief" (in de taal onzer voorouders: het inbegrip van alle kwaad), een "onreyne drake"; ten laatste wordt hij krankzinnig, het helsche vuur gloeit uit zijne oogen[8]. Geen woorden genoeg heeft de dichter om de Joden uit te beelden in hunne felheid, die hen doet schuimbekken; in het welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en martelen; in hun schamperen spot[9]. Die haat en die liefde zijn beide in hooge mate naïef. "God is een goed wreker", zegt de dichter, "al spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: "Hart, kondt gij spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden klagen". Van GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer bracht en ter verklaring daarvan: "Hine dorst laten, want hi was God". De duivel spreekt van "mijn hel"[10]. Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden verminderde den afstand tusschen God en de geloovigen, die niet zich verhieven tot Hem maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, door latere geslachten in acht genomen, bestaan voor dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt niet, de schamele hut, het "huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt, met zachte ironie "dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS te zeggen, dat hij "zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, of ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij onder stoelen en banken door kruipt om bij JEZUS te komen[11]. Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid schiepen naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde deze volksdichter met de bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling van het maatschappelijk en huiselijk leven in Palaestina, geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving, zooals lang vóór hem de dichter van den Oudsaksischen _Hêljand_ had gedaan. JEZUS deelt aan zijne twaalf "gezellen" mede, dat de smartelijke kruisdood hem wacht; de "gezellen" zwijgen op dat bericht, maar PETER "zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord en wenscht dat JEZUS nog berouw moge krijgen over hetgeen hij gezegd heeft: "Ghi sijt een so scone man", zegt hij, "hoe komt zoo iets dan in uwe gedachten?" Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld staand of zittend "in een rinc", zooals dat van ouds ook hier te lande gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die aan MAHOMED gelooven; zij komen "met manne ende maghe" te samen; hun hoogepriester wordt "bisschop" genoemd, PILATUS noemt zich zelven "meier". Hier en daar klinken tonen uit de ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie heen: wij treffen woorden aan als stegereep [Zijnoot: stijgbeugel.], ghereide en vorboech" [Zijnoot: borstriem.], als "glaviën" voor lansen; geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij JEZUS' graf; van een slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande uitdrukking gebezigd: "dat hi en horde no en sach"[12]. Het wonder van het droogvoets trekken der Israëlieten door de Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de Roode Zee maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der elementen herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op zijne zwerftochten bezocht[13]. Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen dichter die het leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op telkens wanneer een deel van dat leven hem sterk ontroert. Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S moederweelde schetst: Sat Maria, ghinc se ochte stoet [Zijnoot: of stond zij.], Sie custe dicke [Zijnoot: dikwijls.] haers kindes voet, Daer sijt in die wieghe leide ofte nam; Soe lanc soe meer tkint haer bequam [Zijnoot: behaagde.]. Als tkint weende, haer was onsachte, Sie sweghet [Zijnoot: suste.] minlike, soete ende sachte; Als tkint hadde honger ofte dorst, Sie gaf hem haer ghebenedide borst; Sine cleder waren altoos wit, Nieuwe gedweghen [Zijnoot: pas gewasschen.], groot recht was dit; Sijn bat ne was no heet no cout, Met rechte was tkint sire moeder hout [Zijnoot: genegen.]. Maria herde wel dies wachte, Dat sine wieghe was scone ende sachte; At sie, dranc sie, al dat sie dede, Haer oghen volgden den kinde mede. Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, lachend tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend oogenblik zullen treffen: Daer tkint sach blicken [Zijnoot: schitteren] tscarpe swert, Tkint loech ten mordenare wert. Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van het rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat zijn verhaal telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud Driekoningen-lied te hooren in: Drie coninge woenden in Oriënt, D'een den anderen wel ghehent [Zijnoot: naburig.]. ............... Een werf [Zijnoot: eens]" in ere avontstont Een clare sterre an den hemel stont. .................. Sie lasen op, (sie lasen) nedere, Ter sterren si keerden wedere. ............... Een coninc vant ende las, Wat dat scone boekijn [Zijnoot: voorteeken.] was. Enz. Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan van het epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier bestaande liederen door den dichter tot een geheel zijn verenigd[14]. Doch al acht ik dit niet waarschijnlijk, voor zeker houd ik, dat het gedicht, ware het in beter toestand tot ons gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het nu reeds doet. Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan zou eerst duidelijk blijken, hoe oorspronkelijk van opvatting dit voortbrengsel van naïve kunst is en welk een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert. Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen brengen tot de 13de eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan is uit eene terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook werken als het _Leven van Sinte Lutgarde_ en _Van den Levene ons Heren_ zijn natuurlijk niet voortgebracht louter uit begeerte om tegenover de ridderromans geestelijke poëzie te plaatsen. Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te verdiepen in het eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te verdiepen in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn der christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere werken ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen, tegenovergesteld aan den geest en het karakter der ridderpoëzie. Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13de eeuw, dat ons een fragment van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, bevat een aantal berijmde levensverhalen van heiligen: _van sente Marie Egyptiake, van sente Eustaesse, van sente Aechte, van sente Caterine, van sente Waerneer_[15]. Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. De meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben geteld en geven een eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen der bovengenoemde heilige vrouwen en mannen. Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit het Latijn; ook het beroep op eene "scrifture" dat men in het leven _van sente Eustaesse_ vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen algemeen verbreid geloof aan een, jaarlijks door de Joden gebracht, offer van een Christenkind "wit [Zijnoot: blank.], blosende ende root." Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk mogelijk; doch het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij van de meeste slechts betrekkelijk kleine fragmenten hebben. Misschien moet men het onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. het leven _van sente Aechte_ zooveel assoneerende rijmen vertoont, terwijl die in de overige fragmenten schaarscher zijn of, zooals in het leven _van sente Marie Egyptiake_, schijnen te ontbreken[16]. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: dat het aanhooren van zulk een levensverhaal onder hunne goede werken moge medegerekend worden[17]. Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst worden gerekend een klein fragment van _de boec der biechten_, dat eveneens in het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT gevonden wordt. Vermoedelijk is dit werk uit denzelfden tijd als de bovengenoemde heiligenlevens. In allen gevalle is het aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk vervaardigd zal zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar reeds in de 9de eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die aan de Denen het evangelie zouden verkondigen[18]. Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het middeleeuwsch Christendom de voorstelling van God als "een goed wreker", volgens de uitdrukking in _Van den Levene ons Heren_. Het is niet geheel zeker maar toch m.i. waarschijnlijk, dat er reeds vóór het midden der 13de eeuw te onzent een gedicht _van onses Heren wrake_ bekend was, vertaald of vervaardigd door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht zal waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting van Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld te worden als Gods wraak over het ter dood brengen van JEZUS. In den proloog van zijn boek over den Graal en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht "wyde becant"; was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding van het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd vereischt, en moet het dus ten minste in de eerste helft der 13de eeuw ontstaan zijn[19]. Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking van een Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12de of den aanvang der 13de eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord _Miserere_ genoemd wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) van Moiliens werd gedicht[20]. In de geschiedverhalen onzer letterkunde wordt het kortweg _Rinclus_ genoemd[20]. Het Fransche werk is in 12-regelige coupletten gedicht, een vorm die in de Nederlandsche overzetting behouden bleef. De 97 eerste coupletten werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren HEINREC. Het gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de vragen: wat de mensch geweest is, wat hij is en wat hij zijn zal; het wekt op tot navolging der martelaren, tot het doen van de rechte keuze tusschen God en de wereld, het betoonen van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de dichter zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van weelde, ijdel zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven ontleend zijn. Ook de priesterschap en de kloosterlingen worden niet gespaard. De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts de hoofdzaken van het origineel terug, of slechts het een en ander daarvan[21]. Soms heeft de Nederlander zijn voorbeeld niet begrepen en maakt hij er maar iets van; elders heeft hij een beeld weggelaten dat hij misschien geen kans zag weer te geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten, waaraan die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid ontleent. Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk die op het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; in het Fransche verhaal _van Sint Maarten_ die zijn mantel doorsnijdt, krijgt men "het stalen zwaard" te zien--de Nederlandsche bewerking spreekt slechts van de "snede die den mantel deelde in tween". Elders is eene tegenstelling grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het Dietsch ingetogener dan het Fransch[22]. Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun voorbeeld schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar voegen zij--GIELIJS meer dan HEINREC--iets van het hunne in; onder die invoegsels of wijzigingen zijn er die verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten. In no. 33 is sprake van priesters die--zooals HEINE zegt--"water preeken, maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM niet als kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke "verlucht" met dit beeld: "eerst moet hij zelf de donkere diepte bevaren; dan zal hij wind in zijn zeil krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak "on veut bien étain pour argent" door: "want hi neemt rogge daer hi leent evene" (haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort van den rijke, heet het bij GIELIJS: "men sant hem niet dan hontgebas". Van een begeerig man die verlangend voor een gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch: "tant huka [Zijnoot: schreeuwde.] et tant apela"; GIELIJS vertaalt: "Hi claterde der doren rinc". Elders vinden wij in het origineele gedicht een hoovaardige in dit vers: "orguieus va dou col coloiant" [Zijnoot: rek (reik)-halzend.]! Aardig geschetst; maar GIELIJS overtreft zijn voorbeeld met: "'t Hoot op hals als een hane die crait". Op een andere plaats weer heeft hij de voorstelling verlevendigd door het invoegen van een dialoog[23]. Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten zoowel aan GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; hier en daar vindt men zelfs plaatsen die woordelijk overeenkomen[24]. Maar alleen op grond van die bekendheid aan te nemen, dat de bewerkers van den _Rinclus_ en MAERLANT tijdgenooten zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog op den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is om de Nederlandsche bewerking nog in de 13de eeuw te plaatsen. DE MYSTIEK. De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, breidde hare macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich zelve voor als de eenige bron van waarheid en recht. Doch al te velen onder hare machthebbers logenstraften door hunne daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid en kracht, wat zij met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag eener kerk, door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling. Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten voelden ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten grond te herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden? Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn tusschen God en den mensch--dan afgedaald in de eigen ziel, daar zelf den weg tot God gezocht. Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig gemoedsleven der middeleeuwen langzamerhand die strooming, welke bekend staat onder den naam van: mystiek. Onder haar invloed ontwikkelde zich het gemoedsleven met eene vroeger niet gekende kracht; geen hoogte was meer te hoog, geen diepte te diep. Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, geestelijken en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen toestand der kerk. In de abdij van Molesme werd de geest van SINT BENEDICTUS vaardig over Vader ROBERTUS en zijne boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux het eerste Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde zonen van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. Eene eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de grootsche en teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den "bruidegom der armoede", die zijn kort maar rijk leven besteedde aan eene poging om de kerk tot nieuw leven te wekken. Omstreeks het midden der 12de eeuw zien wij een paar abdissen van Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische beden wenden tot keizer, paus, bisschoppen en abten. Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese van Lyon tot paus ALEXANDER III met het verzoek om de armen het evangelie te mogen verkondigen. Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. In de voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen gesneuveld; hunne vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, zwierven bedelend rond, werden de prooi van ruw geweld of leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier, gelijk zoo menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen der Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, in Leuven vindt men begijnhoven reeds in den aanvang der 13de eeuw; Luik zag omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen als in eene afzonderlijke kleine stad vereenigd; Keulen telde er omstreeks het midden der 13de eeuw duizend; nog vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien plaatsen in België die een begijnhof bezaten. Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12de en 13de eeuw zijn eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij hier in het bijzonder het oog moeten richten, omdat het ons vergund is een blik te slaan in haar godsdienstig gemoedsleven. Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters van beroemde namen in de geschiedenis der mystiek. HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104-1178 en stierf als abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook hier te lande bekend. De bisschoppen: RUDOLF van Luik, GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den Elzas, een Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar in het Roermondsche, een krans hebben gezonden. Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften door haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels in het Latijn opgesteld; de Duitsche werken zullen later door haar biechtvader GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. Haar voornaamste geschrift heet: _Scivias sive Visionum ac Revelationum libri tres_[25]. Zij zegt ons daarin o.a. dat zij alle dingen ziet in een buitengewoon licht, dat als een vlam hare ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt zij _visioen_. In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg, ijzerkleurig; daarop gezeten iemand van wien zulk een luister uitstraalt, dat zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem. Deze berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van Gods heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden koningstroon en daarop gezeten een jongeling van zooveel glans dat zij hem niet kan aanzien. Telkens ziet zij schitterend licht, schitterende torens en kolommen. Ook wel een menschenhoofd met zes vleugels. Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van ELISABETH, "magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S antwoord. Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders geboren (1129). Van der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, droeg het haren kleed op het lichaam, was omgord met een ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig voedsel; alles onder veel weenens en biddens. In het klooster Schönau bij Bingen, waar zij van 1141-1165 leefde, ontvangt zij, evenals HILDEGARDE, last van God om de menschen op te wekken tot berouw en bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last te onttrekken door aan te voeren dat zij niet "wel ter tale" is ("nescio loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften berispt zij vooral de geestelijken om hunne hebzucht en heerschzucht, hun hoogmoed, weelde en wellust. Ook den paus spaart zij niet. Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke spanning. Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot wiel van vuur; een kruis, oogverblindend in gouden glans; een hoogen berg en op den top schitterend het Lam Gods; op een wiel eene ladder welker top de hemelen schijnt te doorboren; naast het wiel een man met goudglanzend hoofd, haar als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren, die vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn vol oogen; een hoogen berg, welks top schittert van licht; van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt dikwijls mede op welken tijd, onder welke omstandigheden zij in dien toestand van extaze geraakt en hoe lang die toestand aanhoudt[26]. Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls--geen wonder bij zulk een lichaams- en gemoedstoestand--wordt zij overvallen door droefheid en somberheid. Zelfs het gebed, anders haar hoogste genot, staat haar dan tegen. Zij werpt haar psalmboek van zich. Wel schrikt zij van die daad en grijpt het terstond weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare somberheid. De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven is? Ook aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent zij over zekere droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het leven gaat haar walgen. "Maak er een eind aan" blaast de Booze haar in. Doch God waakt over haar, ook in hare ellende. Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw in niet geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen vooral vond men in de 13de eeuw een aantal vrouwen, daaronder vele adellijke, die haar leven verdeelden tusschen mystieke overpeinzing en het verplegen van zieken en melaatschen[27]. Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG (c. 1212-1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een aantal liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar innerlijk leven ten deele blootlegt. Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen over de zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging berokkend te hebben. Doch gewichtiger dan zulke uitingen zijn voor ons die over de gewijde liefde, de _minne_ als middelares tusschen God en de ziel. Evenzeer die over de zondige begeerten, welke des menschen lichaam en zijne ziel in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De geweldige Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij aanschouwd heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne en de Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het zijn telkens weer uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. Vrouw Minne heeft haar beroofd van vrienden en magen, van wereldsche eer en rijkdom; heeft haar ziekte berokkend, heeft haar vleesch en bloed verteerd--maar ook, welk een rijken schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen. Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, uit streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en een ketterjager zou deze zorgeloos rondzwevende vogels licht onder schot kunnen krijgen. MECHTHILD laat zich gaan, zooals een dichteres dat doet. Want poëzie is hier in zoo menige uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart met "een kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij Suso vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: wie van minne sterft, dien moet men in God begraven; van het leven in God sprekend: zegt zij: de visch kan in het water niet verdrinken; de genade komt van boven: dat de arend zoo hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil te danken; de ziel moet zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die in de val zit en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige Drievuldigheid, zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner moeder en zich vlijt aan haar borst. De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland hebben waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. De eerste helft der 12de eeuw was nog maar even voorbij, toen de abdij Klaarkamp in Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster verrees. Tal van andere kloosters kwamen uit dit moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters: Syon en Nazareth in Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij Assen, Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, als de abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond men addellijke jonkvrouwen en daaronder ettelijke die de namen droegen van RENESSE, ALKEMADE, TEILINGEN, DUVENVOORDE. Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen van een hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het Praemonstreiter klooster Mariëngaarde gold het als een bewijs van innige vroomheid en tevens als eene groote genade-gave: "totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het dankgebed na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een toestand verkeerde, werd "intus debriatus" genoemd. Ook van het zoogenaamde "tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen GERBRAND, tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar Citeaux huiswaarts keerde, werd hij ziek en stierf te Vervins; lang vóórdat de tijding van zijn dood in Friesland was ontvangen, had eene non van het klooster Syon in een visioen den abt zien sterven. Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische strooming in het Zuiden dezer landen. Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommige konden in de zielen van anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door verlangen naar den hemelschen bruidegom, dat zij in vele jaren slechts enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de tong zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor een steek met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos. Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland is ons nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan in het Latijn opgesteld door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN OIGNIES, in 1177 te Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als bagijn gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150-1224; MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21ste jaar overleed en LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige CHRISTINA in het klooster te Sint Truyen leefde en van daar naar het klooster Aquiria bij Kamerijk ging, waar zij in 1246 stierf. De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer zusteren, een streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor koude, al bevriest de wijn in de miskelk; voor pijn, voor honger. MARIA en MARGARETHA waren begaafd met het "tweede gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in Christus' lijden, vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij in extaze of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van hare lippen dan: "ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer al het zinnelijke als een wolk uit hare ziel was verdwenen door de stralen van het goddelijk licht, dan ontving zij de vormen der godheid in hare ziel als in een spiegel. CHRISTINA onderscheidt zich van de overige door den sterken invloed dien het natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht welke hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige begeerte naar mannen, die haar uit angst voor dien hartstocht tot Christus doet vluchten; die er haar toe brengt zich met doornen te geeselen, totdat zij de booze zinnen heeft getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid is, gaat haar dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet meer kan verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden verzonken blijft en dat haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, dat zij soms in diepen slaap viel wanneer zij zedelijk gekwetst werd door iets dat zij hoorde of zag[28]. LEVEN VAN SINTE LUTGART. Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN TONGEREN te worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze gelukt het ook haar, slechts door de liefde tot den hemelschen bruidegom de zinnelijke liefde te overwinnen. In hare extazes ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks de Moeder Gods, de engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene rust voordat zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met Hem heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger hadden gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en anderen, wordt ons verhaald, dat zij door aanraking met hare hand of door het strijken van speeksel wonderen verrichtte. Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig voor ons[29]. Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door den bekenden Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk geslacht van Bellenghem, die gewoonlijk genoemd wordt naar de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar hij een deel zijner jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een vertrouwd vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de eveneens bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin--zij was omstreeks 18 jaar ouder dan hij--hem had getroost en opgebeurd, wanneer hij de moeilijke taak der biecht-afneming had te vervullen. Voor hem was zij een heilige; de gedachte dat hem, na haar scheiden uit dit leven, niets van haar zou overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was hem blijkbaar ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze dan haar lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt hare behoefte aan een tastbare heugenis van geliefde dooden met een vlok haar--dit kind eener eeuw van forscher en grover zinnelijkheid wenschte hoofd of hand zijner vriendin voor zich om die, in zilver of goud beslagen, te bewaren[30]. Slechts haar rechterpink, haar "minste vingerkijn", had LUTGART, wien het ter oore was gekomen, hem half in ernst half in scherts toegezegd. Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd abdis van Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de begeerde reliquie slechts, nadat hij de abdis beloofd had het leven zijner gestorven vriendin te zullen beschrijven. Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne _Vita Lutgardis_; dat werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar van HADEWYCH aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. De schrijver had het verdeeld in drie deelen volgens de drie trappen van het ascetisch leven: het begin, den voortgang en de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons LUTGART'S leven in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het tweede omvat de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de Cisterciënser-nonnen van Aywières; het derde hare elf laatste levensjaren. Deze _Vita Lutgardis_ nu is als leiddraad gebruikt door een Nederlandsch dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig _Leven van Sinte Lutgart_. De dichter van dat werk, WILLEM genaamd, werd omstreeks 1210 te Mechelen geboren als een onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk geslacht der Berthouts; hij studeerde te Parijs, trad in de orde van Sint Benedictus, werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van Sint Truyen en stierf in 1297. Zijn _Leven van Sinte Lutgart_ is door hem waarschijnlijk tusschen 1262-1274 gedicht[31]. Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche _Vita_ niet geweest voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere verhaal van THOMAS in de gemakkelijk vloeiende verzen zijner omstandige en genoegelijk breedvoerige bewerking liet uitdijen tot een omvangrijk geheel; het tweede en het derde boek, die alleen tot ons zijn gekomen, omvatten samen reeds meer dan 20.000 verzen[32]. WILLEM heeft slechts weinig weggelaten; wat hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden naam der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen. Zoo vertelt THOMAS ons in zijne _Vita_ van eene non, door den duivel bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, dat zij zich meer dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, indien vurige gebeden haar niet weerhouden hadden[33]. WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de non door den Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er angstwekkend uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons daarop van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, het lichaam der bezetene te verlaten; van het gansche levendig tooneel dier duivelbezwering vinden wij daarentegen in de _Vita_ weinig of niets[33]. Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een invoegsel. In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets weg te laten, zijn voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens en opmerkingen van zich zelven ingevoegd. Zoo b.v. waar een paar van LUTGART'S visioenen beschreven worden en waar hij zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen, de dichters dwaas te noemen, omdat zij al die "fantasijen" van oude vrouwen beschrijven[34]. Zoo is ook hoofdstuk XVI van het Tweede Boek bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons daar eene levendige schildering geeft van den strijd tusschen LUTGART en de duivelen die haar voortdurend belagen; die zij verjaagt, "zooals iemand zich de vliegen met een kwispel of een tak van het lijf houdt" en die haar zóó vreezen dat zij zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te naderen. Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat genomen, om vermaningen te richten tot de "heren en vrouwen" die zich onder zijn gehoor bevonden of die hij elders door de lezing van zijn werk hoopte te bereiken. Hij waarschuwt de prelaten die hun plicht verzaken en wien het slechts om wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog, hoe LUTGART slechts door de "sterke minne" tot God den duivel en zijne trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen de oude hebzuchtige huichelaars, de "papelarde metten grisen langen barde", die den armen onder allerlei drogredenen het hun toekomende willen onthouden; hij betreurt de verslapping der kloostertucht en stelt de abdij van Afflighem aan andere ten voorbeeld. Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal van bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, anderzijds dient erkend, dat hij even vaak onderhoudend en levendig vertelt. Levendig en onderhoudend is b.v. de proloog van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger eenige verzen aanhaalden. En hoe aardig teekent hij in den proloog van het Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft bevangen onder de voordracht: Dat heldekoppen [Zijnoot: knikkebollen.] ende nigen, Dat metten hoofden neder sigen Gaf mi litteeken [Zijnoot: blijk.] dat hem somen Die vaec in d'ogen ware comen. Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; daar wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den beganen grond, maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk dichter; heeft ten minste eenige der wezenlijke eigenschappen van een dichter. Men zou dat reeds vermoeden waar men hem de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na een gebed tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd, Meer dan u iemen soude mogen Geseggen wel met didscher spraken [Zijnoot: in het dietsch (de volkstaal).]. Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons beschrijft hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat gelaat van uitgelezen schoonheid, anders stralend van glans, nu zoo bleek en verslagen ziet van hartzeer; hoe donker haar gewaad, dat anders schittert heller dan het licht van een zomerschen dag. Fraai is het 4de hoofdstuk van het Tweede Boek, waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde tot eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd dien eene mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in God vond, is ons in het zesde hoofdstuk van dat boek geschetst met de zachte gevoeligheid van omtrek die wij ook in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier vooral de verhouding eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË die har herte voeget So simpellic an onsen Here, Dat men ne can no min no mere Vergronden noch genemen ware Hoe 't tusschen hem stoet ende hare. Si es so schamel [Zijnoot: bedeesd.] ende so blode, Dat si mi soude ontdekken node Des iwent [Zijnoot: iets.] ochte condech maken[35]. Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook in de zorgzaamheid voor den vorm van zijn werk: zijne verzen zijn gebouwd met eene regelmaat van stijging en daling, die eenig is in onze middeleeuwsche literatuur en zijne rijmen zijn zoo zuiver, dat men er te nauwernood eene enkele assonance onder aantreft[36]. Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van WILLEM'S werk buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige voorstelling van het streven der ziel naar vereeniging met God, dat hij _minne_ noemt. Als een stroom van wit licht doorgloeit die "minne" het _Leven van Sinte Lutgart_; in de _Vita_ van THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een glimpje te zien. Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware "minne" is, namelijk niet de wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de liefde der ziel tot God, dan moet men al zijne krachten inspannen om deze liefde deelachtig te worden. Maar lang is de weg en moeilijk de strijd. Menigeen die zich gewennen wil de minne te dienen en in haar school te gaan, streeft in den aanvang al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten. In den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; doch indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich te nemen dan hij kan volbrengen, dan wachten hem schaamte en vernedering. Daarom moet hij die "der minnen rade volger" gestadig volharden in den goeden strijd. Want een strijd, eene worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART dwong met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, haar al hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het haar niet weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij haar geene "zeghe vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, krachtiglijk met gebeden worstelend tegen den hoogste des hemels. Maar wie eenmaal de minne als middelares tot vereeniging met God heeft leeren kennen, die blijft strijden. En dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne geschonken, zoodat hij in "orewoet" [Zijnoot: geestverrukking.] geraakt en verzwolgen wordt in der minne grondelooze diepte. LUTGART was in de school der minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat geen geleerde met behulp van boeken en schrifturen verklaren kan[37]. Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der minne in meerdere of mindere mate deelachtig geworden; het spreekt van zelf, dat verwante zielen, die eenigen tijd de minne hadden gediend, behoefte hebben gevoeld, hare innerlijke ervaringen ten minste ten deele te bespreken, of te luisteren naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne het zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen in de ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om LUTGART te hooren "disputeren van der minnen". Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de eenige keer zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante zusters in het klooster zich hebben onderhouden over de hooge dingen die hare gansche ziel vervulden. Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen aan die gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan 't hart lag, dat zij "het minste vingerkijn" der overledene niet missen en slechts voor eene levensbeschrijving der betreurde zuster wilde afstaan? Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne _Vita Lutgardis_ opdroeg, eene andere zijn geweest dan de mystieke, en tot nog toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare visioenen heeft geopenbaard en de minne verheerlijkt in zoo menig fraai en innig gevoeld lied? Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op die vraag het antwoord geven. HADEWYCH. Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche werken in proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard, die in een paar handschriften van de 13de en den aanvang der 14de eeuw _visiones haywigis, epistole haywigis_ en _ritmata haywigis_ genoemd worden[38]. De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen eene in extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen veelal over de minne; ook de epistolae behandelen vooral dat onderwerp, zooals reeds blijkt uit den aanvang: "God die de clare Minne die onbekint was, verclaerde bi siere doghet"; van de gedichten (_ritmata_) is de minne schering en inslag. Blijkbaar hebben wij hier het werk vóór ons van ééne dichteres die den naam HADEWYCH draagt; ook _in_ haar werk wordt die naam een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan al deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde sfeer, waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen in ons land en in den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer wij in een van HADEWYCH'S visioenen melding gemaakt vinden van "Heldegaert die al de visione sach", dan zal het wel niet gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis HILDEGARDE VAN BINGEN bedoeld is[39]. Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen en Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder krachtig ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele bagijnen noemt, zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze voorstelling nog aannemelijker. Op eene andere plaats in haar werk maakt HADEWYCH gewag van de "vrouwe van Nazaret". Waarschijnlijk hebben wij hier te denken aan BEATRIX VAN THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth (bij Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had[40]. Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken in een Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat er in de abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non heeft geleefd, eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest verwant met al de hierboven genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk zal HADEWYCH, de dichteres, één zijn geweest met de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne _Vita Lutgardis_ heeft opgedragen. Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter de zuiver lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene jongere geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken met "lieve kint". Deze "joncfrouwe" is nog "ongheproeft van allen dinghen". HADEWYCH wekt haar op om zich in te spannen als iemand die den weg der Minne nog van meet af heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten ootmoed betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken[41]. Door middel van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen uit ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere SARA en EMME, wie zij verwijt dat zij zich te weinig bekommeren om de minne, die haar zelve "zoo vreseleke omvaen hevet in beroeringhen van onghecuster [Zijnoot: onbevredigd.] minnen". Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw tot wie HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen over allen nood, goede daden verrichten, zieken verplegen. Zij zelve heeft dat ook gedaan totdat het haar verboden werd[42]. Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S werken niet veel te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, is gedeeltelijk nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar tiende jaar had de minne haar hart bedwongen; had God haar niet gesterkt, zij ware onder dien dwang bezweken. De meeste visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al kwamen zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af had zij haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden van al wat niet betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine kolom in de kerk der heiligen[43]. Wel had zij reeds in hare jeugd een sterk zielsverlangen naar het genot van één te zijn met Gode; doch daartoe was zij toen nog te weinig volgroeid naar den geest; zij had er zich nog te weinig voor ingespannen. Leed en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot heiliging. Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In een visioen was haar door God dit gebod gegeven: zij moest begeeren arm, ellendig en versmaad te zijn onder alle menschen; alle verdriet moest haar behagelijk zijn boven alle aardsche geneugten, ook al zou dat verdriet ondragelijk zijn voor een mensch. Zij moest der wereld vreemd worden, klein geacht bij de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten waar zij des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden haar begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren nood en hare ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare jeugdige vrienden: zij heeft niet onder de menschen gewandeld, hunne gewoonten niet gevolgd, noch in hun eten noch in hun drinken noch in hun slapen; niet zich gesierd met kleurige kleederen, nooit genoten van blijdschap die een menschenhart verblijden kan. Bedroef u--zegt zij tot het jonge meisje--zoo weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga, hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want het is al der minnen werk, dat de "vreemden" niet kennen[44]. Op die gevangenschap die haar bedreigde en die "vreemden" komen wij terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling te vormen van haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is met behulp van het tot hiertoe medegedeelde. Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. "Mint de minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken. Wie naar minne streeft, doch naar die stem niet luistert, dien klinkt zij vreeselijker dan de donder. Dat woord is de band daar de minne hare gevangenen mede bindt, het zwaard waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede zij hare kinderen kastijdt. Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken in het bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en "het swaerste inder scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: "Du salt minnen dinen Here, dinen God, van al dijnre herten, van al dijnre sielen, van al dijnren crachten"[45]. Die woorden mag de minnende ziel nimmer vergeten, slapend noch wakend. Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij, dan moet zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid te verwerven, noch om der wille van eenig genot in den hemel of op aarde--maar alleen omdat het welbehagelijk is aan den hoogwaardigen God, die de menschelijke natuur daartoe geschapen heeft. Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich neemt. Met de minne komt ook de vreeze het hart des minnaars binnen. Hij vreest, dat hij de minne niet zal kunnen voldoen; dat al wat hij over minne zegt, te gering zal zijn voor haar. En wel bestaat er reden tot zulke vreeze. Want wij willen allen wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen mensch zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan het kruis hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. Elk klein verdriet trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, beliegt men ons, worden wij in onze eer getast of in ons gemak of in ons genoegen--dan gaat het ons zoo ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo dolen wij arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke wegen in een vreemd land. Want alleen de minne kan ons voldoen; niets anders. Der minne loon blijft nimmer uit, al komt het dikwijls spade. Wie haar zich zelven geeft geheel, die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed. Dan hebben zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen in de diepte der minne. Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de dingen der menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo wonderliefelijk gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich goedertierenlijk tot de menschen kan richten in al wat zij wil[46]. Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm gelukkig. Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in het hart zijner vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid in eene geestelijke dronkenschap "daer si in moet spelende sijn". Telkens valt HADEWYCH zoo "buten den geest" en blijft zij zóó verzwolgen in de minne, dat zij geene voorstelling of begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn met Hem en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. Zij geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op Pinksteren, op Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. Vrouwe Hemelvaart; de eene extaze duurt een half uur, eene andere een halven dag, vaak blijft zij drie dagen en drie nachten "in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een hoogen berg met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende schijf die de eeuwigheid verbeeldt, de drie "overste" hemelen met de tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem met al de zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: "Ende ic keerde mi van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre [Zijnoot: helderder.] ende witter dan cristal; daer mocht men dore sien een groote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen setel ghelijc eener sciven ende [Zijnoot: die.] was claerre ane te siene dan die sonne in haerre claerster macht ende onder die scive stonden drie colommen.... Ende midden onder die scive draeyde een wiel soo vreseleke omme ende die soo eyselike was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike daer of verwonderen mochte ende vervaren [Zijnoot: vreezen.]. De zetel beteekent de eeuwigheid; de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H. Geest. Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. Doch terwijl zij bezig is met eene poging om mede te deelen wat zij gezien heeft, op eene wijze die levendig herinnert aan het beeld van "eenen den Zoon des menschen gelijk zijnde" uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd door Gods grootheid en schoonheid, dat zij erkennen moet: "Daer ne magh ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke [Zijnoot: onzegbaar.] grote scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken wonderleken aenscine, dat benam mi alle redene van hem in ghelikenessen." Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen neemt en aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne gevoelden naar haars harten begeeren; eene korte wijle heeft zij kracht dat genot te verdragen, maar spoedig daarop verliest zij den schoonen man in zijn zichtbaren vorm; zij ziet hem als wegsmelten, totdat zij niets meer van hem gewaar wordt. Doch op die ure was het haar alsof zij één waren "zonder differentie". Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de zuivere vlam, waarmede de minne doorgaans in haar brandt. Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam moesten aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet haar te hooren vertellen, dat soms al hare leden schudden en beven van begeerte; dat zij, uit eene extaze tot zich zelve komend, zich niet zelden neerslachtig of ellendig voelt[47]. Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S visioenen, de aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; de invloed van dat werk toch openbaart zich telkens in de beschrijving van hare droomen en gezichten. Ook de schrijver der Openbaring deelt ons een paar maal mede dat hij "in den geest was", eens "op den dag des Heeren"; ook hij heeft velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier dieren, den arend, de sterke stem als die van den donder, de zes vleugels met oogen bezet; het zevenvoudig bazuingeschal vinden wij terug in de zeven vleugelslagen waarmede, bij HADEWYCH, de engel "een ghestille" maakt. In de woorden der Openbaring: "gij moet wederom profeteren voor vele volken en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod hebben gezien--zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN en ELISABETH VAN SCHÖNAU--haar dwingend hare visioenen te openbaren[48]. Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden onder de bronnen waaraan deze volgster der minne haren dorst naar het eeuwige stilde. Onder de boeken, toebehoorend aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch waar HADEWYCH'S poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van "der minnen boec dat men noempt cantica canticorum"[49]. Op meer dan eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar bekend was, dat de voorlezing van dat bijbelboek haar hart ontroerde[50]. Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S gevoel en verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat behalve haar gevoel ook haar verstand bevredigde. PAULUS was haar niet onbekend, noch ORIGENES, noch AUGUSTINUS. De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX moesten deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door haar zoo geliefden tekst uit het Hooglied: "dilectus meus mihi et ego illi" tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; weinigen hadden zich zoo als hij verdiept in de beschouwing van de geestelijke liefde, van dien "amor sanctus et castus" waardoor de ziel van den Christen moet worden gezuiverd; ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een ijzer, gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt; zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in het Hooglied en de Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, evenals HADEWYCH, hebben gevoeld vóórdat hij haar in een zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer HADEWYCH in een harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God dienen uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide soorten tegenover elkander stelt als "knechten" en "zonen", dan schijnt haar daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S brieven voor den geest te staan[51]. Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt zij, wie het Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben gemaakt. Wanneer wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt in _redene_, _wille_ en _memorie_, dan worden wij herinnerd aan ALBERTUS' indeeling: _ratio, voluntas, memoria_[52]. Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend in hare visioenen, nooit de grenzen overschreden welke door de R.K. Kerk aan het voelen en denken waren gesteld? Er bestaat reden die vraag te doen, waar het mystieken geldt. Hoe licht konden zij er toe komen zich te vergelijken met andere Christenen en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in haar proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij "_vreemde_" noemt[53]. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde personen die zij elders noemt: "valsche broederen die seinen huusgenoote des geloofs". Tegenover deze plaatst zij de ware broeders en zusters die zij met den naam van de "_nuwe_" (nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet waarschijnlijk voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche secte als die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest, doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om licht moeten wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt van het woord _nieuw_ in geestelijken zin, in uitdrukkingen als: En ik zag eenen _nieuwen_ hemel en eene _nieuwe_ aarde; het _nieuwe_ Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen _nieuw_[54]. Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een klein aantal geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men tot haar opzag, dat zij daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, dat zij kwam tot uitspraken als deze: "ic en gheloefs ooc niet, dat enich mensche levet daer God also sere af ghemint es". Doch er is een groote afstand tusschen al of niet rechtmatige zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. in een zin als deze: "Mer in ghebrukene [Zijnoot: genot]" van minnen es men God worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men het anathema uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een eigen weg naar God zoekt, eene kiem van ketterij in zich omdraagt, en dat er naast eene kettersche ook eene kerkelijke mystiek leefde: men heeft toch BERNARD VAN CLAIRVAUX niet van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat "de diligendo Deo" geschreven heeft: "sic affici deificari est"?[55] In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan eens getuigd van haren eerbied voor de "heilige kerk", en tegen haar eigen getuigenis in mag men haar niet van ketterij beschuldigen. Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande HADEWYCH'S persoon zijn beantwoord. Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, dat de menschen haar "soo langhe laten leven ende datse enegen raet ochte enecb sparen ochte genade te mi hebben, sine tormenten mi altoes met nuwen tormente", dan moet men wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging om den geloove. Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere over ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan komt men tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn reizend en trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven vereenigd). Onder hare geestverwanten noemt zij immers ook "eene beghine die meester ROBBEERT doedde _om hare gherechte Minne_"[56]. Eerst in lateren tijd zou zij dan eene toevlucht hebben gezocht bij de Cisterciënser-nonnen van Aywières en abdis zijn geworden. Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, het vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non of abdis, dankbaar moeten zijn. Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene periode, aanvangend: "Nu verstaet die innecheit van uwer zielen, wat dat es: ziele". Men zou het gevoelsleven dier mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die periode geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan men toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in het eerst van zijne vlucht: "Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem weder sienlec.... Siele es een wech van den dorevaerne Gods in zine vriheit van sinen diepsten ende God es een wech van den dorevaerne der zielen in hare vriheit.... Dat sien dat naturelec in de ziele ghescapen es, dat es caritate. Dat sien hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene en can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en rust niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit dan minne, mer minne hevet meer suetecheiden van zalecheden dan redene. Doch hulpen hem dese twee herde zeer onderlinghe, want redene leert minne ende minne verlicht redene"[57]. HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne verhevenheid. Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij den arend: zooals hij de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt de ziel God; dan denkt zij niet meer aan heiligen of menschen, zij vliegt alleen "in die hoechede Gods". Op andere plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en zuiverheid uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich verlaten en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt om Gods wil Hem behagelijk is. "Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse ochte ghi van hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven niet. Want ic segghe u waerleke, dat al de ellende die men doeghet met goeden wille te Gode, die es bequame [Zijnoot: passend.] in die ghehele nature Gods". Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere niet, want zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit waar zij ons mededeelt, hoe God haar eerst het genot had gegeven van Hem lief te hebben, doch haar dat ontnomen had, toen zij zich zelve in hare onwaardigheid had leeren kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens Hem te grijpen, later ontweek Hij hare grijpende hand: "Nu gaat het mij", zegt zij, "als iemand wien men iets aanbiedt "te spele" (uit de grap) en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt: vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene uiteenzetting van haar "ongheval ter minne" uit vrees voor verkeerde uitleggingen der "vreemden": "de vreemde souden netelen planten daer de rosen staen zouden"[58]. Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote schoonheid is, heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S proza. Men ziet het b.v. waar zij de kleinmoedigheid van sommige minnende zielen schelst: "Inden daghe der gratien sijn si coene ende inden nacht der tribulatien soe keren si den rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte verheven int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine gratie doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy [Zijnoot: verdriet.] sere verdroeven." Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de kerkvaders zoo veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij HADEWYCH voor. Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken in het proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen vaak gezien wordt[59]. Blijkbaar geschiedde dit met de bedoeling aan de taal eenige verheffing en uiterlijk schoon bij te zetten; doch het bloed kroop hier waar het niet gaan kon. Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal den harteklop der echte poëzie kunnen hooren. HADEWYCH mocht al zeggen: Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe Ende mi selven mine quale linghe [Zijnoot: verleng.]. Zij liet het daarom niet; zij wist te goed: Maer dien ouden ende dien jonghen Coelt sanc van minnen haren moet. Wel ons, dat zij "van minne" gezongen heeft, want wij hebben daaraan het bezit van geestelijke poëzie te danken, niet zelden duister, ook wel eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur niet dikwijls zullen aantreffen. Ook tot hare "vri edele sinne ende wel gheboren" was het verholen woord gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. In hare jonge jaren had zij zich geheel aan de minne overgegeven; zij beloofde zich niets dan zaligheid van de minne, van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid, macht--lacy! het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper: jeghen avont Sal men loven den sconen dach. Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie wachtten haar, onnoozele; want: Suer ende donker ende overwreet Sijn der minnen weghe in haer beghin. Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet: Want ic sach eene lichte wolke opgaen Over alle swerke, soo scone gedaen [Zijnoot: van gedaante.], Ic waende met volre weelden saen [Zijnoot: spoedig.] Vri spelen in de zonne.... Doe wert mijn hoge [Zijnoot: blijdschap.] maer een waen; Al storve ic, wie es dies mi wanconne [Zijnoot: misgunnen zou.]? Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te komen leeren kennen: vreemden en vrienden had zij laten varen, eer en rust opgegeven; hare ziel zooveel mogelijk ontledigd van indrukken, door al het geschapene op haar gemaakt; die ziel gemaakt tot een klaren spiegel, waarin het beeld der Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de minnende ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op allerlei geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt eerst dat redene den grond der minne moet doorglanzen. Nu kan de ziel de onderscheidene trappen ("graden" en "staghen") der minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan dat geschieden; men moet geduld oefenen. Menigeen wil wel op gemakkelijke wijze de minne deelachtig worden en stelt zich, dorper die hij is, tevreden met een klein genot dat voor de hand ligt; doch minne kent dezulken niet: Die gherne woude doghen tsuete ellende: [Zijnoot: ballingschap.] Die weghe ter hogher mînnen lant, Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende, Des ghevet de trouwe seghel ende pant. Nu es menech dorper soo truwant [Zijnoot: (schooierig) verachtelijk.], Hi nemt dat hem es naest ghehende [Zijnoot: nabij.] Ende blivet vore minne die onbekende; Metter truanciën cleet, Soo en hevet hi vorme noch ere, Daer minne dat haer bi versteet. In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene kracht, geen merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig aan deze uitspraak der minne: hoe dieper gewond, hoe zachter genezen! Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als een band, een licht, een kole vuurs, een dauw, een levende bron; eene helle, die alles verslindt. Alleen hij zal haar geheel bezitten, die zich geheel aan haar overgeeft. "Den middenweg houden, dat is zalig leven", zeggen de vroeden, die naar deze wereld wijs geacht worden--maar HADEWYCH zegt: Middelheit moet af, Eer men in mach Ten edelen goede. Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en klagen, maar daarin is toch zaligheid: Bi wilen lief, bi wilen leet, Bi wilen verre, bi wilen ghereet [Zijnoot: dicht bij.], Die dit met trouwe van minnen versteet, Dat es jubileren: Hoe minne versleet [Zijnoot: verslaat.] Ende ommeveet [Zijnoot: omvangt.] In één hanteren. Bi wilen licht, bi wilen swaer, Bi wilen doncker, bi wilen claer, In vriën troost, in bedwongen vaer [Zijnoot: vrees.], In nemen ende in gheven, Moeten die sinne Die dolen in minne Altoos hier leven[60]. Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot den dood voor ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen begrijpen, vóórdat MARIA door haren ootmoed de minne zelve had gevangen: Wat soo ons god ye onste [Zijnoot: ooit gunde.], Hen wert nie man [Zijnoot: er kwam nooit iemand.], die conste Gherechte minne verstaen, Eer dat maria de goede Met diepen ootmoede Die minne hadde gevaen [Zijnoot: gevangen.]. T'ierst was si wilt, doe wert si tam, Si gaf ons vore den leeuwe een lam: Si maecte de demsterheit [Zijnoot: duisternis.] claer, Die hadde geweest donker wel menech jaer[61]. Is men onder strijd en storm van minne door het land van ballingschap tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al dat hooge gerucht (der wereld) de stilte der nederigheid over de ziel; dan omvat de ziel wijde ruimten, dan doorwandelt zij de diepten der minne ("der minnen gewat"); zij geniet de minne en geniet totdat zij in "orewoet" en geestelijke dronkenschap zich zelve verliest. Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als deze, kan kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij weten te weinig van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek om met zekerheid te kunnen spreken over den samenhang van HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór haar. Dat er te onzent, vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen, eene lyrische poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen; doch iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van de poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben leeren kennen. HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene onmiskenbare verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals die zich vóór haar in de aangrenzende landen en ook te onzent had ontwikkeld. Onder al dit "zingen van minne" verneemt men telkens klanken en motieven die ook in de wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden, die klachten over den band en den brand der minne, de ellende die de minnaar moet doorstaan, die betuigingen dat de minne met haar aanlokkelijk gelaat hem van zinnen berooft--dat alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie. Woorden als _zeelde_ (minneweelde), _merkaren_ (kwaadwillige spionnen en verklikkers), eene uitdrukking als: "de minne heeft de dagen en ik de nachten", wijzen in diezelfde richting[62]. De aanvang van een der grootere lyrische gedichten: Viere meisteren seiden een coninc: Welc ware de starcste dinc is de gewone van zoovele _tenzonen_ (strijdgedichten) welke, in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken gemaakt werden[63]. Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van HADEWYCH'S liederen aan met een schetsje of een greep uit het natuurleven. Dat natuurleven moet dienen ter inleiding van het gemoedsleven, hetzij door overeenkomst hetzij door tegenstelling. Zoo b.v. in dit fraaie aanvangscouplet: Tsaermeer [Zijnoot: thans.] sal in corten tide Tsap van den wortelen opwaert slaen! Daerbi sal, verre ende wide, Beemt ende cruut sijn loof ontfaen; Dies so hebben wi sekeren waen [Zijnoot: vast geloof.], Die voghele werden blide; Die gheet in minnen te stride, Hi sal verwinnen saen [Zijnoot: spoedig.], Opdat hi niet en mide [Zijnoot: zich niet spare.] [64]. Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan het natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne en alle verdriet te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door den dauw, op den dorenstruik ontluikt; ook in de minne is het: "na groten storme werdet dat weder scone"; waar 't gemoed met den rijp van den waan is bedekt, daar kan geen loover van minne groeien[65]. Andere vergelijkingen verplaatsen ons in het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil bouwen, hoe dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich zelve bij een kind "dat na sprect dat het spreken hoort"; op de vervulling van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals een gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij vergelijkingen of beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; op de grens van het platte staat zij met haar beeldspraak van de taverne waarin Minne hare gasten bedient. Aan de volkspoëzie en wel aan de oudste leugenliederen herinneren ons deze verzen: Want niet bat en can 't getoonen mijn sin, Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin[66]. Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden wij door hare beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan aan het ridderwezen. In het proza komt er een enkele maal een voor, zoo b.v. waar zij spreekt van de "wijsheit" die "alle die edele ridderen achemeert" [Zijnoot: uitrust.] in den strijd der minne; doch in de poëzie wemelt het ridderleven ons telkens voor de oogen. De gansche voorstelling van het zoeken der minne als een strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft overigens waarschijnlijk ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij hooren van "doorhouwen schilden" en "schermen onder den scilt", van "joesten", eenen "keer doen" (zich door den vijand heen houwen en langs denzelfden weg terugkeeren), van "sinen hoghen telt (draf) riden", van "heervaert", "kimpen" (kampvechters), "vesten", muren en grachten; van koene ridders die een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van "schachten die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het ridderleven kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en het is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres van het vers: Fiere herte en was nie [Zijnoot: nooit.] bloode gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is geweest[67]. Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel van haar geest en haar gemoed. Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele weet te vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen die haar eenigszins kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. Haar gevoel is dikwijls onbestuurd en doet hare poëzie dan vervloeien tot muzikale woord-arabesken, die uiting geven aan hare gemoedsstemming, al kunnen wij daar het verband tusschen gevoel en klank niet waarnemen. Op menige plaats geven hare verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener ziel met het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben beseft. Voor het eerst--immers nog vóór WILLEM VAN AFFLIGHEM--vinden wij in de geschiedenis onzer woordkunst het besef uitgesproken van het onvermogen der taal om de diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over de Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: "van al dien dat in ertike es, mach men redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe en wetic gheen dietsch noch gheen redene". En elders lezen wij over het zich oplossen van den mensch in God: "ay, ic en dar [Zijnoot: durf.] hier af nemmeer scriven, ic moet emmer van den besten meest swighen... ende hier omme quetse ic mi, dat ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat der pinen [Zijnoot: moeite.] wert es, ochte woorde na [Zijnoot: volgens.] miere zielen gront." Ook in hare poëzie vinden wij uitingen als: Het mochte dat inneghe gedinken De tonge verminken, Sprake siere af meer[68]. Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein. Eentonig--heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der erica. AANTEEKENINGEN [1] _Spiegel der Zonden_ (ed. VERDAM), vs. 4852-3. [2] Zie bl. 124, 6. [3] Vs. 5-15. Den naam _Digenen_ kan ik niet thuisbrengen. De eenige mij bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder _Degener_ die door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de romance in H. v. FALLERSLEBEN'S _Horae Belgicae_, II, 29. [4] Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten vermeld door TE WINKEL, _Gesch._, bl. 266 en in PETIT'S _Bibliographie_, no. 478 en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 4e Reeks, Deel IV. [5] In vs. 4055 wordt "die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059 "sinte Gregorijs"; in vs. 4067 "sinte Augustijn". Doch is dit deel van het gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de _leverzee_ noemt, (vs. 1130)? [6] Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760, 2076; vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen. [7] Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.; 860 vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775-8, 1802, 1910. [8] Vs. 517, 757 vlgg. [9] Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923, 2950 vlgg.; 3039 vlgg. [10] Vs. 754-5, 1634, 271-2, 4277. [11] Vs. 354-5 (het Ovidiaansch: "eodem argento" maar minder fijn); 2251, 1402. [12] Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396; 2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340-1. [13] Vs. 1130. [14] Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.; 1986 vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.; 3395 vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg. Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of meerregelige coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen wordt aangegeven, herkennen. Door te letten op den bouw dier liederen kan men dan den blijkbaar sterk geïnterpoleerden tekst zuiveren. In het door WILLEMS uitgegeven fragment naar een hs. der 14e eeuw vinden wij de coupletten, MARIA MAGDALENA in den mond gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den afschrijver verknoeid; het volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een zuiverder tekst. Echter heeft ook deze eene critische zuivering hoognoodig. Opmerkelijk is (VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van vier verzen met gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig interpolaties blijken. [15] Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN van Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over dat hs. _Belg. Museum_, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, _Mnl. Gedichten_, II, Inleid.; PRIEBSCH, _Deutsche Handschriften_ enz., no. 177. In vs. 752 van het leven _van S. Aechte_ wordt als jaar der vervaardiging 1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven in 1287 en in vs. 13-15 van zijn leven lezen wij: "dat doet es bleven _nu nichtinghe_"; in het leven _van S. Marie Egyptiake_, vs. 687-9: "dit was ghemaect.... MCC ende neghentech jaer." [16] Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poëet RUTEBEUF schreef eveneens eene _Vie sainte Marie l'Egyptianne_. De Mnl. bewerking, die uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met deze bewerking gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a. vindt in de _Legenda Aurea_ (ed. GRÄSSE), p. 247, c. LVI. [17] _Van sente Aechte_, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; _van sente Waerneer_, vs. 5 vlgg.; ook het slot van _van sente Marie Egyptiake_. [18] Vgl. PIRENNE'S _Gesch. Belgiëns_, I, 36. Het klooster Thorout (Thor-hout?) lag niet ver van Sluis. [19] Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een Fransch werk zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S _Gesch. der Ned. Lett._, II, 88-90. FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan hebben bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend voor. Zou MAERLANT trouwens wel van een _Fransch_ werk hebben kunnen zeggen, dat het "wyde becant" was? Kennis van het Fransch was in de 13e eeuw geenszins algemeen in Vlaanderen. [20] Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook den titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch werk. Ik verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P. LEENDERTZ. (Amsterdam. 1893). [21] Vgl. b.v. no. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den _Rinclus_ met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke. [22] Vgl. no. 38 (v.d. _Rinclus_) met het origineel; vs. 936 (_Rinclus_) met str. no. 81, 11; voorts no. 5, 12 v. _Mis._ met de bewerking; no. 104 (met 103 v.d. _Rinclus_) no. 109 (met 108); in no. 112 de uitdrukking: _n'en leva pas le ventre vuit_, die niet in no. 111 (_R._) te vinden is; no. 120 (_Mis._). De varianten van 29 door VAN HAMEL medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis. [23] Vgl. _Rinclus_, no. 117; vs. 526 (_Mis._, no. 43, 5-8); vs. 691 (_Mis._, no. LVII); vs. 1114 (_Mis._, no. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg. [24] Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl. zijne _Gesch. der Ned. Lett._, I, 434. Meer punten van overeenkomst zijn aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Ged._, Inl. LXXXVIII. [25] _Scivias_ i.e. _nosce vias Domini_ (onderzoek (leer kennen) de wegen des Heeren). [26] Vgl. _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 ("Deinde cum inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum enim erat), veni in extasim." "Et his dictis, ab extasi reversa sum", p. 617: "In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619: "Accidit in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut venirem in mentis excessum"; p. 620: "In die ad Missam, cum inchoaretur Passio Domini, iterum in extasim veni." [27] In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE (_Epistola_ CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen adellijke jonkvrouwen in haar klooster opneemt. [28] Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral aan: MOLL'S _Kerkgesch._, (zie: _Alg. Reg._, p. 181-2. Zonden heerschende bij geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.: II, 2, 1 vlgg. en 148 vlgg.; PREGER, _Gesch. der deutschen Mystik_, I; SABATIER, _Vita di S. Francesco d'Assisi_; MIGNE, _Patrolog._, T. 197; _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, 604-643. _Offenbarungen der Schwester Mechthild von Magdeburg...._ herausgeg. von P. GALL MOREL; WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, p. 136-7. AUGER'S _Etude sur les Mystiques des Pays-Bas_ geeft weinig nieuws van beteekenis. [29] Vgl. _Leven van Sinte Lutgart...._ door F. VAN VEERDEGHEM. Leiden, voorheen E.J. BRILL. 1899. [30] Vgl. ald. III, 4580-'84. De _Vita_ schijnt slechts van _de hand_ te spreken. Zie _Inl._ XI. [31] Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S _Inleiding_. [32] Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI. [33] _Vita_ (in de _Acta Sanct._, Junii, T. III), p. 246, c. 11; _Leven van S. Lutgart_, IIe Boek, c. XII. [34] II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956-979. [35] De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt men II, 1297; 516-562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel, waar men slechts deze woorden vindt: "cum Moniales alta voce cantarent." [36] De uitgever zegt: "assonances hebben wij er niet opgemerkt" (_Inl._ LXIII). Ik vond er slechts één (II, 241-2: _talen_ || _maken_). [37] De voornaamste plaatsen waar over de _minne_ gesproken wordt, zijn II, 81-88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.; 6388-'98; 6969-'88; 7787-7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91; 2008-'32; 3070-'84; 4564-'7. _Orewoet_ genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927. Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts van III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug ("pia Lutgardis in oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem vero, ubi in ira Dominum misericordias continentem evincere non valebat" etc.). [38] Uitgaven van haar werk: _Gedichten_ in Maetschappij der Vlaemsche Bibliophilen, 4e Reeks, no. 2; _Proza_, id. no. 11. De hss. ter Bibl. Royale te Brussel Cat. Ned. hss., no. 2877-'80 en ter Univ.-Bibl. te Gent. Vgl. voorts over die hss. _Vaderl. Museum_, II, 136 vlgg. Een artikel van PAUL FRÉDÉRICQ over: _De geheimzinnige ketterin Bloemaerdinne_. (Zuster HADEWYCH) in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van E. VAN EVEN in _Dietsche War._ van 1896. Voorts: _Untersuchungen über die Werken van Zuster Hadewych...._ von M. JÖRIS. Strassburg. 1894. De voorstelling van RUELENS--FRÉDÉRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne is m.i. onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele aangetoond. Tegen die voorstelling pleit vooral: 1o. dat de namen der beide vrouwen verschillen; _Hadewijch_ en _Heilwijch_ zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, _Die Personennamen_, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien tijd ook wel verwisseld worden 2o. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit HADEWYCH'S werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad van ketterij sprake mag zijn; ook van die "allerschandelijkste seraphische liefde" zijn in HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen. 3o. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en haar invloed bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok JAN VAN LEEUWEN, spreekt van "een overheylich wijf die hiet hadewijch" en van hare "edel goddelike leringhe"; die "leringhe" is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S geschrift: _die rolie der woedegher minnen_. Zie daarover het artikel van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: _De XXe eeuw_, IX, 181. [39] _Proza_, bl. 187. [40] Vgl. _Quinque prudentes Virgines...._ auctore P.F. CHRYSOSTOMO HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de _Vita B. Beatricis_. Was zij de Cisterciënser-non, "quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat de se ipsa"? (_Vad. Museum_, II, 142), en wier werk door WILLEM VAN AFFLIGHEM in het Latijn "satis eleganter" vertaald is? Of moeten wij aan HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden wij ook hier weer verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien wij WILLEM VAN AFFLIGHEM in betrekking tot deze. [41] Vgl. o.a. _Proza_, blz. 5-6, 15, 20-21, den aanvang der _Epistolae; Gedichten_, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5-10; 210, 25-28. [42] _Proza_, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij sommige Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese? [43] _Proza_, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van PAUL FRÉDÉRICQ. [44] _Proza_, bl. 106-7, 128. [45] _Deuteronomium_ VI, 5. (De tekst van het proza heeft "_diere_ herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik _dijnre_). [46] Vgl. _Proza_, bl. 72-3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63. [47] _Proza_, bl. 104, 143, 179, 119, 126-7. (_Openb._ I, 13 vlgg.), 146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83. [48] Vgl. _Openb._ VIII, 6 en _Proza_, 135; VI, 1 en 135-6; VIII, 13 en 153-4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met _Proza_, 135, 139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: "gij moet wederom" enz. In _Openb._ II, 4 lezen wij: "Maar ik heb tegen u dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: "maar ik heb eenige weinige dingen tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: "Mer ic hebbe een dinc te di, daer ic mi omme belghe" enz. [49] Vgl. _De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken...._ door W. DE VREESE, I, 427. [50] _Proza_, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: "ic di, wes mi" in hare _Poëzie_, bl. 94, 131, 244. [51] S. BERNARDI _Opera omnia...._ D. JOANNIS MABILLON. Mediolani. JAC. GNOCCHI, 1850, I, _Ep._, XI te vergelijken met: _Gedichten_, XI, 19-20: Want der knechten wet es vaer [Zijnoot: vrees.] Maer minne es wet der sonen. "Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit sibi: tertius filius et defert patri." Voorts: _Tract. de Conversione_; _de diligendo Deo_; _In cantica sermo 67_. [52] Vgl. _Proza_, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK GOETHALS van Gent, spreekt van: _nosse_, _velle_ et _posse_. Vgl. _Heinrich von Gent_ von Dr. K. WERNER, S. 37. [53] B.v. _Proza_, p. 43, 93, 107. _Gedichten_ o.a.: p. 5, 41; 26; 86, 41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2; 86, 27 en pass. [54] _Proza_, 14, 24; voorbeelden van _nuw_, _Mnl. Wdb._, IV, 2422 en pass. in HADEWYCH'S _Gedichten_. Tegenover de _nieuwe_ plaatst H. ook wel eens de _oude_ en tegenover de _vreemde_ de _bekende_. Zie b.v. _Ged._, bl. 224 (b.). [55] _Proza_, 35, 58. [56] _Gedichten_, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk is 190, 1 vlgg. _Proza_, bl. 176. Met "broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der 13e eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90. [57] _Proza_, bl. 61-2. _Minne_ en _Redene_ als de twee voornaamste zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S _voluntas_ en _ratio_. Inderdaad vinden wij in de _Gedichten_, bl. 196, vs. 15 vlgg. _redene_ en _wille_ in verband met _memorie_ behandeld. [58] _Proza_, bl. 87, 5, 3, 68. [59] _Proza_, bl. 32; voorts 17, 96, 104. _Rijmklanken_ o.a. op bl. 23, 42, 57, 89. [60] Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de _Gedichten_, p. 84, 69, 18, 56, 61, 66-7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), 92, 93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der minne), 242, 264, 21-22, 32; (de geestelijke "dorper"), 39, 42, 43, 46, 49, 105, 123, 235. [61] Vgl. _Ged._, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17-18; ("hoech gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; ("gewat"), 9; ("ghebruken"), _orewoet_, (28, 51, 69, 107, 30-31), 43. [62] _Ged._, p. 69, 134, 142, 146, 156-7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93. [63] Vgl. bl. 186. [64] Bl. 8. En voorts pass. b.v. no. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, 35, 41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143. [65] _Ged._, bl. 11, 15, 24. [66] _Ged._, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met den aanvang: Een blinde zag een molensteen Ronddrijven in den stroom. [67] Vgl. _Proza_, bl. 60-61; _Ged._ 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83, 124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers: "Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling is op haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig. In den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking m.i. eer: dat men zich een schepsel Gods dan dat men zich van adellijk geslacht voelt. [68] _Proza_, bl. 59, 77; _Ged._, bl. 252, 254, 257. 3. POËZIE DER GEMEENTEN. De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. _Disticha Catonis_. Dietsche _Ars Amandi_. _Bestiaris_. _Esopet_. De eerste boerde. Roman _van den VII. Vroeden van Rome_. _Van den Vos Reinaerde_. De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal karakter. De adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden gevoelen door afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot tijd met zijne landgenooten tegenover andere volken staan--toch had hij met den adel van andere West-europeesche volken veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor allen, hun begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten, waren grootendeels van denzelfden aard. Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het Westen van Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals; dezelfde klooster-orden vond men in onderscheiden landen; overal droegen "gelijke monniken gelijke kappen" en konden van gedachten wisselen in de gemeenschappelijke kerktaal. Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten het zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans aan stad of dorp gebonden, kwamen zelden buiten hunne streek of hunne gouw, veel minder in vreemde landen, tenzij een bedevaart of een krijgstocht er hen toe dwong. In die talrijke kleine kringen welker samenhang door onderling gesloten huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal, recht, maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts Dietsch, gaf en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen, en bewaarde de eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken, zeden en gewoonten. Het ideale streven van den adel en de geestelijke "minne" waren voor hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche minne, in de ridderromans verheerlijkt, konden nog niet veel aantrekkelijks hebben voor harde werkers, tuk op winst die slechts de vrede hun brengen kon; voor eenvoudige boeren en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem, uiterlijke beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In die behoefte voorzagen de kerk en het geloof voor een groot deel; doch naarmate het geestelijk leven onder de gemeenten zich ontwikkelde, begonnen ook zij smaak te krijgen in eenig letterkundig werk dat hen kon vermaken, onderrichten of stichten. Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden voldeed, had kans de gemeente te behagen--indien het niet te omvangrijk was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen tijd als in kasteel of klooster. Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige zedelessen onder den naam _Disticha Catonis_ uit de eerste eeuwen onzer jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen of vertalingen onder de volken van West-Europa was verbreid[1]. Dat "bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd reeds in 1253 zóó hoog geschat, dat men het op de scholen van Yperen als leerboek gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE zijn _Floris en Blancefloer_ bewerkte, nam hij in zijn gedicht een drietal verzen uit den "bouc van zeden" op, die hem blijkbaar nog van de schoolbanken heugden. De korte, grootendeels vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans paarsgewijze rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun inhoud kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel doen. Zij vonden hier enkele voorschriften in den geest van het Christendom, zooals: den dood niet vreezen, zich niet schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel meer echter zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op de praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid, het aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet te veel eten en drinken, niet veel praten onder het eten, zijn kinderen een ambacht laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed maken wat gij in dronkenschap misdreven hebt; ais gij ziek zijt, kies dan iemand die verstand heeft van de geneeskunst; let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe kracht te boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof uwe vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk dat zij menschen zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine gift, scheld niet die u liefhebben; bespot oude menschen niet; tracht wijs te worden: onderricht in den landbouw kunt gij vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij LUCANUS, in de minne bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig spreken: Men seit: die vloet die stille staet, Soe [Zijnoot: zij.] es dieper dan die harde gaet. Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed, geniet er dan van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen. OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de _Dietsche Catoen_ spreekt, was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald gedicht, dat waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de _Ars Amandi_ behandelde. Ook in een _bestiaire_--wij zouden zeggen: een _beestenboek_--zooals een Fransch geestelijke van hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den aanvang der 13de eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op de liefde. Zulk een "bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit dezen tijd, kwam gedeeltelijk tot ons. Veel meer in trek echter waren de echte "bestiaires" die een overzicht van gesymboliseerde zoölogie behelsden. MAERLANT verhaalt ons dat Heer WILLEM UTENHOVE, "priester van goeden hove" te Aardenburch, zulk een _Bestiaris_ had gemaakt. Doch hij was van den rechten weg afgedwaald, doordat hij een Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was dit voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S _Bestiaire_ uit den aanvang der 12de eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de eenhoorn die zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald is tot Maria; de krokodil den duivel; de sirenen die in zee de schippers verlokken: de rijkdommen in de wereld de menschen verleidend enz.[2]. Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de verbeelding niet aan het werk en vermochten dus niet, wat men van een literair werk vooral verlangt: de toehoorders (lezers) aan zich zelven te ontrukken. Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal dat tevens een nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de oudste tijden af bij alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in zwang geweest en hebben zich langs de wegen van mondelinge en schriftelijke overlevering, de eeuwen door, van het eene volk tot het andere verbreid. In tijden toen de mensch zijne meerderheid boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als later, verplaatste de verteller zijne hoorders gaarne te midden der dierwereld. Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan kon niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en het verhaal won aan zinrijkheid doordat het den geest der hoorders aan het werk zette, en hen zelven de toepassing deed maken. Niet zelden ook voerde de verteller de dieren in gezelschap van een of meer menschen ten tooneele of vertelde hij een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder verdichte namen of aangeduid in algemeene bewoordingen. Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld door den loop der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap op verre na niet in staat. Slechts hier en daar kan zij ons een kijkje geven op de veelheid hunner elkander kruisende kronkelwegen. In het Oosten met name in Voor-Indië, zijn vele dezer verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken vereenigd; van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen gekomen; vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der menschheid geweest en mondeling van het eene geslacht op het andere zijn overgegaan, ook al kreeg men door vertalingen eene schriftelijke overlevering naast die mondelinge[3]. Waarschijnlijk waren er in de 13de eeuw ook hier te lande verscheidene dierenfabels in omloop[4]. Echter berust de eenige Nederlandsche fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen niet op mondelinge overlevering, maar bevat zij eene vertaling van een Latijnsch origineel dat bekend staat onder den naam _Romulus_. Misschien had MAERLANT het oog op dezen bundel, toen hij in zijn _Spieghel Historiael_ verhaalde dat de "favele" van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en NOYDEKIIN, waren verdietscht "in rime scone ende fijn" en ze aanprees om de "spellecheit [Zijnoot: vermakelijkheid.] ende wijsheit van zinne" die men er in vond[5]. De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk _Esopet_ genoemd, was natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid mede te deelen. De schrijver van den proloog bereidde zijne hoorders (lezers) daarop voor, toen hij aldus aanving: Ic wille u, in die ere ons Heren, Bi beesten ende bi vogelen leren, Wisen ende wel bedieden Die nature van den lieden. Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in een paar regels of een spreekwoord samengevat. In die goede lessen achtte de proloogschrijver de verdienste van het boek gelegen. "Let op den inhoud, niet op den vorm", zegt hij; in elk woord vindt gij "redene ende goeden sin"[6]. Toch mag de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten, al is zij onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet beter op geworden. De 67 fabelen die hier uit den _Romulus_ ter bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen van vos en kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel enz.; zij zijn meerendeels levendig verteld; hier en daar heeft de bewerker de levendigheid verhoogd door zijne personages sprekend op te voeren, zooals dat ook in de epische ridderpoëzie gebruikelijk was[7]. Hier en daar heeft de volksaard aan de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de vertaler de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met: Hets recht, dat valsche taverniere Drinken van hars selfs biere[8]. Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker ons een kijkje in de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de (met kokend sulfer en pik gevulde) ketels moeten ronddrijven[9]. In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook menschen ten tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden; zij handelen over de bruiloft van een dief, over Juno en Venus, een jonkman en eene jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren zoon, een man die uit twee monden spreekt. Daar had de dichter een greep gedaan in het algemeen menschelijke, daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor hen werkelijkheid was[10]. In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen bundel dat ik tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het een karakter draagt, verschillend van dat der overige. Het is het bekende verhaal van de ontroostbare weduwe die niet wil scheiden van haar mans lijk. Niet ver van haar zit een soldaat op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een misdadiger hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone weduwe, stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat verwanten van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd voor straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem uit den brand door het lijk van den betreurden echtgenoot in de plaats van het misdadigerslijk te hangen. Het middeleeuwsch woord _fabel_ was, evenals het Oudfransche _fabliau_, ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen uit het dierenleven te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche bewerking vergelijken met het Latijnsche origineel, dan zien wij duidelijk dat wij hier een voorlooper onzer latere _boerden_ voor ons hebben. Van het sober, bijna droog, vertelde Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een klein tafereel vol leven gemaakt, waarin de naïeve volkshumor van tijd tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v. het eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter: "Vrouwe," seegt hi, "God houde u!" "Ay mi!" seegt si, "wie es daer nu?" "Vrouwe," seegt hi, "hier es een man." "Ay mi!" seegt si, "nu vlie dan! "Nemmermeer so ne wil ic comen, "Of God wilt daer men _man_ hort noemen. "Ay mi!" seegt si, "hier leget doet "Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet ... Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost: "Bi Gode!" seegt hi, "lieve vrouwe, "Mi es herde leet uw rouwe; "Maer die levende ende die dode "Moeten sceden, al doen sij 't node." ... Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge jeugd. Zoo'n mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw man mag flink zijn geweest... daar zijn nog betere dan hij: "Beter?" seegt si, "ay mi! ay mi! "Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"-- "Vrouwe," seegt hi, "dat ben ic, "Die u ghemint hebbe een stic" [Zijnoot: eenigen tijd.].-- "Ghi hout u scaren [Zijnoot: gij spot.], ic wane," seegt soe. "God weet, vrouwe," seegt hi, "in doe." Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort tot het eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze getracht het slot te verknoeien[11]. Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men met verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels, welke de wereldliteratuur kent, nl.: _van den VII. vroeden binnen Rome_. Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in Azië en Europa deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot bundels, die onderling verschillen doordat, als in een kaleidoscoop, telkens weer andere verhalen zich samenvoegen tot een nieuw geheel. De lijst om die verhalen blijft dezelfde; overal is het een stiefmoeder die haren schoonen voorzoon, een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens daarvan afgebracht door een waarschuwend verhaal van een der zeven vroede mannen die den jongeling hebben opgevoed. Tegenover elk dier verhalen plaatst de stiefmoeder een verhaal met tegenovergestelde strekking, totdat de vader de waarheid ervaart en de booze stiefmoeder doet verbranden. In die lijst vindt men telkens weer een verschillend samenstel van verhalen, al komen ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen voor[12]. In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij waarschijnlijk de bewerking eener Fransche proza-redactie[13]. MAERLANT zal wel het oog op dit gedicht hebben gehad, toen hij in zijn _Spiegel Historiael_ schreef: Maer noit en vand ic, als ic ghome [Zijnoot: naar ik meen.], Ghene VII. vroede te Rome, _Els dan die valsche faloerde [Zijnoot: Behalve dan dat logenverhaal.] Veinset daer af eene boerde_[14]. Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit één der verhalen zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in _Esopet_ of omgekeerd, zoodat beide werken niet zoo heel lang na elkander zullen vervaardigd zijn[15]. Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der meest bekende verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om eenig denkbeeld van het geheel te geven. Wij vinden hier o.a. het verhaal van den trouwen hond die een kind in de wieg verdedigt tegen een slang, de slang doodt en, met bloed bevlekt, zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht ondersteboven is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt, de wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de hond het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den kop af. Voorts het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend, van de dieven die in des Konings schatkamer binnendringen, waarin één hunner gevangen blijft; dat van de vrouw die het geduld van haar man op zware proeven stelt, door SHAKESPEARE in zijn _Taming of the Shrew_ gedramatizeerd; van de overspelige vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem te laden. Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld dat zij over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de vertaler in menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een stuk aan dat mooi verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze herhalingen en stoplappen; de bouw zijner zinnen laat nogal eens te wenschen over. Anderzijds is er in zijn werk zekere frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en de vele teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging iets van zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van zijn volk en zijn tijd openbaart zich hier en daar duidelijk. Op meer dan een plaats vinden wij een godsdienstig tintje, waar dat in het Fransen ontbreekt; elders integendeel een realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet gevonden wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag zijne magen ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod om 's avonds na klokslag zonder lantaarn uit te gaan toen reeds bestond of, verlevendigt zijn verhaal door het aardig weergeven eener tevreden stemming in een regel als deze: Dat halp den keyser in sijn merch[16]. Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den ganschen geest der bewerking en de blijkbare onbedrevenheid van den bewerker in het hanteeren der taal, doen mij eer aan een volksdichter dan aan een ontwikkeld dichter denken, al blijkt ons niet tot welk publiek hij zich bij voorkeur richt. Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen van dezen aard--zij konden immers alle afzonderlijk worden voorgedragen--zich in dezen tijd onder ons volk openbaart. En begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet hebben genoten van een dichtwerk waarin een aantal dierfabels waren verbonden tot een veel hechter en schooner geheel dan dat der _VII. vroeden van Rome_. Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk middeleeuwsch kunstwerk VAN DEN VOS REINAERDE[17]. In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt de fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit volgt natuurlijk nog niet, dat de fabelbundel _Esopet_ ouder moet zijn dan het episch gedicht _Van den Vos Reinaerde_; doch welke ook de ontstaans-orde dezer twee werken moge zijn, veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet ontloopen. En, wat gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier waarschijnlijk eene mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of onder de schriftelijke. De bewerker der Latijnsche fabels uit den _Romulus_ moet ook andere fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de hand, dan dat die hem uit den volksmond bekend, dat zij hem door anderen verteld zijn geworden? Anders dan in den _Romulus_ draagt de vos bij hem reeds zijn naam _Reinaert_, kent hij den ezel onder den naam _Boudewijn_, den aap onder dien van _Martijn_; de vos spreekt den wolf aan met "soete here oom", de ezel het everzwijn met "lieve broeder", de kleinere dieren (muis, lam) spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met "here" of "edel here"; wij vinden in den _Esopet_ reeds de uitdrukking: "van reinaerts spele spelen". Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels kenden, zal de verdietsching van den _Romulus_ bij hen in goede aarde zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept hebben in die korte verhalen, waarin allerlei menschelijk gebeuren, denken en gevoelen was voorgesteld; te meer, omdat de acteurs op dit klein tooneel te voorschijn kwamen in de gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende dieren. Maar in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve waren, zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: den hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, den hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; hier konden zij "vroescap leren" in nuttige lessen als: tevreden zijn met weinig, zich hoeden voor slechte raadgevers, mooipraters wantrouwen, zich aan een ander spiegelen, om het rad van avontuur denken, dat het met groote heeren kwaad kersen eten is, "dat behendichede beter es dan sterchede". En die "vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat zij werd voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met rustige vroolijkheid en zachte luim en leuke scherts die hier en daar, als in de fabel over de vrouwen, tot goelijken spot werd. Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing van het zooveel grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk dierenleven, dat hun in het verhaal _Van den Vos Reinaerde_ geboden werd. Alles wat er in _Esopet_ te genieten viel, was ook hier aanwezig, maar in hoogere macht, en vereenigd tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf[18], vos, das, ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met uitheemsche als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij gelijk aan de feodale, bestuurd door Koning Leeuw die met zijne groote vazallen te rade gaat. In die maatschappij is er een die zich om recht noch wet bekommert, leeft naar eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei misdaden zich tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, onbarmhartig, telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna ongenaakbaar Maupertuis verlatend. Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van klachten zijn tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings rechterstoel vangt aan. Reinaerts grootste vijand, Isegrim de wolf, opent de reeks der aanklagers. De Koning besluit dat Reinaert driemaal zal worden ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens naar Maupertuis gezonden, komen met schade en schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het aan neef Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld tot de galg, weet de schelm zich te redden door den Koning het uitzicht te openen op een ver weg begraven schat; dit leugenverhaal heeft hij verbonden met zware beschuldigingen tegen beer en wolf. Hij komt er af met eene bedevaart; beer en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram Belijn vergezellen hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met Cuwaerts kop tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis. In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een paar lijnen aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen indruk moesten wij hebben, voordat wij ons nu kunnen wenden tot het beantwoorden van de vragen: van waar had de dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar opgevat en uitgewerkt? welke indrukken laat de beschouwing van zijn kunstwerk bij ons achter? Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een of meer der Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft gekend, noch dat hij een zoogenaamde "branche" dier sage, _Le Plaid_, eenigermate als voorbeeld heeft gevolgd. Van de 12de tot de 14de eeuw hadden tal van Fransche trouvères, meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne, maar vooral uit Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde deze verhalen behandeld, zooals zij zich die herinnerden uit de klassieke fabelbundels, uit de in kloosters gedichte Latijnsche verhalen als _Ecbasis Captivi_, _Sacerdos et Lupus_, _Gallus et Vulpes_, of uit de mondelinge overlevering. Langzamerhand ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en kerkgebruiken en parodie van ridderwezen en ridderroman op den voorgrond komen. Bij de voortgaande ontwikkeling van het literair kunstgevoel gingen sommige dichters er naar streven eenheid te brengen in de veelheid dezer verhalen. In den aanvang der 13de eeuw (omstreeks 1204) zien wij dat streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht _Le Plaid_. Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een nieuw werk; tal van bekende verhalen en dichterlijke motieven, met kunst verwerkt en met tact samengevoegd, zijn daarin door hem met nieuw leven bezield. In het eerste deel van zijn werk (ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele het Fransche gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het verhaal wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche "branches" of uit de mondelinge overlevering bekend waren. In het tweede deel ging hij nog meer zijn eigen weg, daar hij, naar dichters welbehagen puttend uit de bronnen der schriftelijke en waarschijnlijk ook der mondelinge overlevering, uit de door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is er dus wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar hun gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, scherp kan die tegenstelling niet genoemd worden. Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch gedicht en de Fransche "branches" zijn ons reeds vroeger aangewezen; die overeenkomst heeft soms betrekking op den toestand, soms ook, maar minder dikwijls, op de wijze van voorstelling; woordelijke overeenkomst kan vooral in het eerste deel hier en daar worden opgemerkt[19]. De tot dusver gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd. Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, terwijl hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat te praten. Een tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. In het Nederlandsch gedicht moet Bruin de beer, op zijne zending naar Maupertuis door Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, een zwaren tocht volbrengen om koning Nobel alles te berichten; niet in _Le Plaid_, maar in een der andere Fransche "branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, valt door Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren mishandeld en sleept zich met moeite naar 's konings hof. De weeklachten van vrouwe JULOCKE, de pastoorsche, vindt men op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_ slechts aangeduid; vrij wat uitvoeriger zijn de klachten der "prestresse" uit eene andere branche en het meest gelijken zij op het gejammer van Dame Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar gemaal Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als de pastoor. Botsaert, de "clerc" des konings, schijnt van WILLEM'S vinding; wij mogen echter niet vergeten, dat ook koning Noble een "clerc" heeft in Baucent "le sanglier", al komt deze niet op dezelfde plaats voor als in het Nederlandsch. Het gat dat "onder dien spiker verholenlike gemaect" was, uit den _Reinaert_, vinden wij niet op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_, wel in eene andere "branche" terug[20]. In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden gelegen; behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke overeenkomst sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat wij hier aan de schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering moeten toeschrijven. Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM onderscheidene, door trouvère's gedichte, verhalen van Renart heeft gekend, maar toch waarschijnlijk niet met eene volledigheid die slechts door hedendaagsche critische uitgaven bereikt wordt. Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge overlevering ook hier niet uit het oog te verliezen. Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den _Reinaert_ als parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in meer dan een der Fransche "branches", ook in _Le Plaid_, aanwezig. Hier is het een verdienste van WILLEM, dat hij den geest dier parodie zoo uitnemend heeft gevat en weergegeven en dat hij getoond heeft dit wapen van den spot voortreffelijk te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers vond. Hoe duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door parodiëering der genealogische herauten-wijsheid zulk een komisch-grotesk aanzien weet te geven. Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen, zooals het hem uit Nederlandsche romans bekend was geworden. Dat hij den _Karel en Elegast_ voor dat doel gebruikt heeft, wisten wij; op verscheidene plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming aan te wijzen. Doch er is meer van dien aard te noemen. In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd wordt: met snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten eik op LAMFROIT'S erf en bedreigd door een aansnellenden troep dorpers, heeft WILLEM naar alle waarschijnlijkheid het Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch niet alleen. Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman _van Lancelot_ een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer met vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men oordeele: _Reinaert_, vs. 718 vlgg. Doe volchde hem een mekel here. Int dorp ne bleef man no wijf: Den bere te nemene sijn lijf Liep 't al dat lopen mochte. Sulc was die enen bessem brochte, Sulc enen vleghel, sulc een rake: Sulc quam ghelopen met enen stake, _So si quamen van haren werke_ _Lancelot_, II, 38377 vlgg. (Die meyer liep sere verbolgen: Die scepenen gingen hem volgen. Men geboet al ute daer, Wat elc conste vinden vorwaer, Waes 't riec, pike, vleghel, stocken, Hake, sceppen, swingen, rocken, Wat dat si gegripen conden, _Also alsi in haer ambacht stonden_, Nam elc dat ende volgede naer. Sulc nam enen timberbiel daer Ofte ene reke oft een gysarme; En si dattene God bescerme Soe es min here Walewein verloren. De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in _Le Plaid_ eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit den Franschen _Lancelot_; doch met het oog op de boven gecursiveerde verzen, komt mij dat niet zoo waarschijnlijk voor. Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der _Lorreinen_. In het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert lezen wij o.a. dit vers (1075): wat cost Reinaerde scone tale? Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch (vs. 782) lezen: Mes sa parole que li coste? dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder de oogen heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman der _Lorreinen_ den verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode (dus onder dezelfde omstandigheden) hooren zeggen: Want mi cost niet hoefsce tale dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet gekend hebben. En dat met meer reden, omdat er ook andere plaatsen in de _Lorreinen_ zijn, die ons aan het gedicht _van den vos Reinaerde_ doen denken. In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer KAREL te Aken; hij zal uitspraak doen in "'t gedinge" tusschen een paar zijner groote vazallen: koning OTTE en koning YOEN; de laatste wordt namelijk beschuldigd van overspel met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen Isegrim, Reinaert en Hersent). Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname vazallen met hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne zaak bepleitend. GELLOEN, de verrader, die in dezen roman eene gewichtige rol speelt, boos, sluw, dapper, doet ons meer dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij in een strijd tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S dochter; toen hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN, kwam hij koning KAREL "smeken ende lecken || Als die sine quaetheit woude decken." Tot straf voor zijne misdaden wordt hem eene "heilege bedevaert" opgelegd[21]. Het eerste geval herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet, ook Reinaert tot straf opgelegd. Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst reeds kan bestaan hebben tusschen de _Chanson des Lorrains_ en den _Renart_ en dus het Nederlandsch gedicht niet of niet in de eerste plaats raakt. Doch zoo oordeelend zou men geene rekening houden met een gewichtigen, tot dusver onopgemerkten karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de groote rol die _de maagschap_ daarin speelt. In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne maagschap opkomen en vinden wij over het algemeen een levendig besef van de beteekenis der maagschap; in de Fransche gedichten over Renart vindt men op de overeenkomstige plaatsen niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking dat die maagschap vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten zijn, waarin de maagschap vaker genoemd wordt dan juist in de _Lorreinen_, het verhaal der veete tusschen twee voorname geslachten--dan geloof ik wel te mogen aannemen dat WILLEM ook de Nederlandsche _Lorreinen_ zelfstandig heeft geparodieerd[22]. Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten slotte niet het minst in den proloog, die juist om die reden zoo uitnemend strookt met het gansche gedicht. Wie den proloog van den _Reinaert_ leest na die van _Walewein_ en van _Floris en Blancefloer_, zal in gelijke woorden, wendingen en rijmklanken meer dan eens de parodie opmerken[23]. WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek eener dame. Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de waarheid zegt; doch waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook hier de ridderromans parodieert, waarin wel eens meer gewag wordt gemaakt van zulk een verzoek. Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman _van Alexander_ heeft ondernomen ter eere van haar die hem "gevangen" houdt. En nu is het opmerkelijk dat wij juist in den _Alexander_ tal van plaatsen vinden die ons aan den _Reinaert_ herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat WILLEM ook dezen roman heeft gekend[24]. Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren, loopt gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek te weinig zal ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in hun wezen zekere tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk publiek gaarne bereid den dichter ook in zulke verbeeldingen te volgen, en naarmate een publiek eenvoudiger is, zal het te minder gestoord worden in zijn genot door het overschrijden der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste maat weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend, ons toch binnen den kring van het dierenleven te houden. De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit anthropomorphisme geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier immers eene voorstelling der feodale maatschappij: de koning bestuurt den staat, zijne groote heeren zijn zijne raadslieden, hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij zendt gezanten die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een kapelaan, van het zweren op heilige reliquieën; de dieren doen afstand van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven met eene lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel, schatten, gaan op een bedevaart met "palster ende scerpe", worden terechtgesteld; de galg staat voor hen klaar, er wordt bij de terechtstelling op een hoorn geblazen. De leden dezer feodale maatschappij vertoonen onderscheidene menschelijke aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in onmacht, Reinaert zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen langs de knevels[25]. Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste daarvan, had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden. Nergens echter gaat hij de grenzen van den tact zoozeer te buiten als de dichters van _Le Plaid_ en der overige "branches". Deze laten de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm gevallen kip water over den kop, om haar weer bij te brengen. In den _Reinaert_ vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking, aan het paardrijden ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en Tibeert de kater loopen daer si lopen wilden, dat si nie toghel uphilden[26]. Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal sprake is van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer beteekenen dan: _stilstaan_. In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze uitdrukking ("onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere die ons de dieren werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe zij hun rijdier de sporen geven en door de vlakte draven. WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der buitenwerken daarvan, de "barbecane". Doch daarbij blijft het. In de Fransche gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor ons met zijne hooge muren, ophaalbruggen, het wiket in de poort; in een der "branches" wordt zelfs een formeel beleg beschreven; elders gewag gemaakt van het Grieksch vuur[27]. Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke vermenschelijking der dieren de maat geëerbiedigd, anderzijds weet hij de dieren in hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar flauwtjes door dat dierenleven heen zien schemeren. Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan eens aan de kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor zij stekeblind worden. Wij zien hem om een hoenderpark sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat de vlokken hem van den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich te koesteren op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes, totdat hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij zijn vader te bespieden, den ouden vos die met den staart zijn spoor uitwischt; hij zelf krabt met zijn pooten het zand weg van den toegang tot een hol, pas door zijn vader gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij bijt Cuwaert de keel af en het vossengezin smult van den "goeden vetten hase." Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat hij niet meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst is binnengekomen; die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt, onder het vreten tegen Reinaert gromt en hem de tanden laat zien; Isegrim met zijne magen die ons zoo goed geschetst worden in dat ééne vers: "met scerpen claeuwen, met diepen monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de "barbecane" van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop en voorpooten gevangen in een halfgespleten eik; later zien wij hem afgemat en bloedend op den oever liggen, "ende sloech met beiden sinen lanken" [Zijnoot: zijden.]; daarna op weg naar des konings hof, beurtelings voortschuivend op zijne achterdeelen of zich over den grond wentelend. Tibert de kater, op de muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den bijna naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die zich uit den strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is voorts de haan Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig en rustig leeft in dat mooie park, totdat de roode vijand hen komt belagen; Cantecleer, klapwiekend gaande voor de lijkbaar, waarop de door Reinaert vermoorde kip Coppe ligt; Coppe "die so wale conste scraven [Zijnoot: (met de pooten) schrabbelen.]." Elders zien wij haan en kippen op de hanebalken of losloopend bij een schuur, hond en kat kijvend om een worst, de ooievaar die de kikkers opslokt en tal van andere beesten die ons slechts terloops genoemd worden. Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt grootendeels afgespeeld onder den blooten hemel in Gods vrije natuur. Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen staan in het groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof; een hooge steen is 's konings troon. Onbezorgd wandelt Cantecleer met zijne kippen rond waar de groene velden vol bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde (rustplaats van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen breeden heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en hij het erf van LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit het bosch heeft gehaald om hem te splijten; een rivier stroomt in de nabijheid. In die rivier ontkomt de mishandelde beer aan zijne vervolgers. Op den oever van die rivier ligt hij uitgeput, als Reinaert die op een heideheuvel een vet hoen heeft verorberd, daarheen komt om zich wat op te frisschen. Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. "Al heil, edel voghel!" roept hij, "vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel vliegt in het kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken! 's Avonds laat bereikt hij Maupertuis; helder als de dag schijnt de maan over de heide; bij dat licht loopen hij en Reinaert naar pastoors schuur. Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt de bron Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid; jonge berken staan in den bemosten grond om de put. Een dergelijke wildernis moet het zijn, waarheen Reinaert ten slotte met zijn gezin de wijk neemt, waar het op de heide en in het kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte. Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich reeds in de karakteristiek zijner personages? Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den echtbreker; die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin van den koning, naar het schijnt, te na is gekomen; die voor zich zelf weet te zorgen en tijdens het gevecht der dorpelingen met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof uiten zich zijne teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als deze den beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op Isegrim en Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk. Bij zijn afscheid weet hij den haas Cuwaert en den ram Belijn met zich te lokken; den eerste vermoordt hij en zendt den ander met den kop des vermoorden in een zak naar den Koning terug; "er zitten brieven in", zegt hij, "waarvoor de Koning u dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in de klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen na al zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij het hoofd op, hij loopt als een prins bij den weg. Met de galg voor oogen spot hij nog met Isegrim. Zijn zelfvertrouwen begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft zijn vindingrijke geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets van een schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en Koningin gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal over eene samenzwering der dieren om Bruin op Nobels troon te zetten. Dat verhaal besluit hij op voortreffelijke wijze met de klacht: "ende arm man Reinaert es de blare [Zijnoot: zondebok.] "; langs dien weg weet hij het verhaal weer op zich te wenden. Niets is hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht en begint Latijn te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de biecht onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel van Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel. Hoe ootmoedig houdt hij zich tegenover den Koning; hoe nederig tegenover den beer: ik moet wel honing eten uit nood, een arm man is geen graaf! Maar des te bitterder en onbarmhartiger is zijn spot later, als hij het spel gewonnen ziet. Want hij kent geen genade; boven alles is hij _fel_: "de felle metten roden baerde", het "felle dier", "die felle creature"--zoo noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt is de liefde voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al zoo aardig aan zijn muiltje staan en die een aardje naar zijn vaârtje zal hebben; Rosseel, "den schonen dief", die hij zoo lief heeft als eenig vader zijne kinderen. Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim en Bruin, naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl Tibert de kater zich later ook tegenover Reinaert plaatst. Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem zien handelen of hooren spreken. In den aanvang van het verhaal staat hij met zijne vrouw Hersinde en zijne magen vóór den Koning; hij is degeen die de reeks der klagers opent. Uit onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert en hij als "gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling van Reinaert is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den schuldige stevig vast te houden, Hersinde moet den schelm bij zijn baard grijpen, onderwijl zal hij met Bruin en Tibert de galg in gereedheid brengen. In zijn triomf over den gehaten vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij hoort dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt en hem met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten gevild worden, ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen verkropt hij zwijgend zijne woede. Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend in zijn domme zelfgenoegzaamheid. "Maak u niet bezorgd over mij" zegt hij tot den Koning, die hem waarschuwt tegen Reinaerts bedriegelijken aard. Komisch is hij in zijn naieven lofzang op den honing, niet minder in de deftigheid waarmede hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de gulzigaard, over het "maathouden"! Dan zien wij "arm man Brune" in de knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts één oor, drijft hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning, steunend van pijn, ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts bittere grappen te verdragen, springt hij opnieuw in het water. Welk een krachtig komische werking doet zijn droefheid over de vermindering van zijn uiterlijk, het verlies van zijne "mooie wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde aan het hof verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt hij deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling. Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert heeft, die hem van den aanvang af verdedigt, die hem trouw blijft, ook nadat zijn oom hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer hij ziet, dat Reinaert gevaar loopt door niet aan de indaging gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan 's Konings hof. Is Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen heen, om zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert ook hem van deelname aan de samenzwering tegen den koning. Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert. Maar hij, "een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's mislukten tocht weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen. Onderweg is hij angstig, al tracht hij zich goed te houden. Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn snoepzucht is hem de baas; voor de opening in pastoors schuurdeur aarzelt hij, maar Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook koning Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan dat beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook nu nog dieren "qui se respectent." Met welbehagen neemt hij later de beulsrol op zich: "ic ne dede nie so lieve pine." Het loopen met het zware stroptouw valt hem wat moeilijk, maar hij doet het met goeden wille. In groote zorg zien wij hem ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het bericht brengt van Reinaerts vrijspraak. Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige Cantecleer, zoo fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot; de angstige en domme ram Belijn en andere dieren die geheel op den achtergrond blijven. Boven deze staat koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust, een spotbeeld van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen ridderroman. Dus siet men dat behendichede Beter es dan sterchede. Die slotverzen van een der fabels uit _Esopet_ moeten wel den voornamen indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche gemeenten gemaakt door dit werk, het rechte epos der gemeentenaren. Voor hen geen ridderidealen noch hooge minne. Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe vermetele boef, koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel, die spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne meerderen; grappenmaker met een scherpe tong, die ook het heilige niet spaart, die pleizier heeft in eigen schelmstukken; wien gewetenloosheid en wreedheid werden vergeven, omdat hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij bovendien immers maar een dier was. Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters en boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden werd door het geloof en de wet, wier nuchter verstand gescherpt werd vooral door den lust naar voordeel en gewin; wien hartige scherts en losse grappen zoo smaakten al liep er wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo onbarmhartig en genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne vijanden; die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen de hoogere standen. Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen, hadden zij te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien wij slechts weten dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc (uit den Britschen sagenkring) had gedicht, en van wien wij mogen vermoeden dat hij in Oost-Vlaanderen woonachtig was. Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek, maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een eenheid heerscht daar! Reinaert's figuur beheerscht het gansche gedicht; hij vervult voortdurend onze gedachten; is hij niet ten tooneele, dan spreekt men van hem. Doch niet minder voortreffelijk is de wijze waarop WILLEM al deze, deels overgenomen deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en vereenigd. Hoe is hij _in_ zijn verhaal, dat slechts hier en daar door eene reflexie wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in zijne stof; zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens het gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden van menschen, dieren, de natuur. Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodiëeren, moet een fijn man zijn geweest. Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met de wolvin, in het Fransch de spil waarom alles draait, naar den achtergrond heeft geschoven. Hoe geestig weet hij den hoofschen spreektrant na te volgen in dat half omsluieren van het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel aan Grimbaert biecht; want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat maar een rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat oogenblik door Reinaert worden ontzien. Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen roman heeft bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in den aanvang van zijn verhaal mede te deelen. Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld met zijn volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den dag, waar hij het juffershondje Cortois Fransch doet spreken; en Grimbaert bij de biecht tot den Latijn brabbelenden Reinaert zeggen: "oom, praat je Fransch? spreek asjeblieft Dietsch, dan kan ik je verstaan". Den hoofschen dichter van _Sinte Lutgarts Leven_, WILLEM VAN AFFLIGHEM, smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die opgesmukte leugenverhalen van ezels die dansen en springen, van rammen die de mis bedienen[28]. Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is zijn Reinaert blijven genieten en het Nederlandsche volk is gevolgd waar de Vlaming voorging. Eeuw in eeuw uit, in omwerkingen van velen aard, in volksboek, volkslied, volkssprookje kwam "'t looze Reintje" de geesten bekoren met zijne vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de kinderkamer. Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan deze stof opnieuw de hand geslagen, om haar te verwerken in den geest van het oude gedicht of om er zijn eigen omgeving parodieerend in af te beelden. Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft het gedicht _van den vos Reinaerde_ een kleinood der Dietsche letterkunde, en de nagenoeg onbekende WILLEM een dichter die onder de middeleeuwsche kunstenaars van het woord te onzent geen meerdere en te nauwernood zijns gelijke heeft gevonden. AANTEEKENINGEN [1] Uitgave van Dr. A. BEETS. (Groningen. WOLTERS. 1885). [2] Fragmenten van een bestiaris van minnen (oorspronkelijk of vertaald?) en van een gedicht getiteld "_Hier beghint Ovidius_", dat uit het Fransch is vertaald, uitgeg. door BORMANS in: _Bulletins de l'Acad. Roy. de Belgique_, T. XXVII, 488. MAERLANT'S mededeeling in _Der Naturen Bloeme_, (ed. VERWIJS), bl. 5. Zie voorts over de _bestiaires_: PETIT DE JULEVILLE, a.w. II, 164 suivv. en: _Geschichte des Physiologus_ von Dr. F. LAUCHERT. Strassburg. 1889. [3] Ik volgde hier hoofdzakelijk de voorstelling van BÉDIER in zijn bekend werk _Les Fabliaux_. [4] Vgl. het artikel van Dr. J.W. MULLER in _Taal en Letteren_, XIV, 490. De verzen uit _Sinte Lutgart's Leven_ (II, 95-6): Daer doen si stomme beesten spreken _Daer doen si simmen speren breken_ wijzen ook daarop. Uit het door mij gecursiveerde vers mag men opmaken, dat hier sprake is van een fabel of een verhaal waarin een tournooi van apen wordt beschreven. Zulk een verhaal is, mijns wetens, niet tot ons gekomen. [5] T.a.p. I, 96, vs. 69. Vgl. voorts de uitgave van Dr. TE WINKEL. [6] Aldus versta ik de verzen (vs. 19-20): Maer merket ende hoert Meer die redene dan die woert. [7] Vgl. b.v. no. 11, 1-2; 28, 1 vlgg.; 42, 1 vlgg. [8] De afschrijver voegde hieraan weer een paar onnoodige verzen toe. [9] Vgl. no. 3; no. 50; no. 30; no. 66. Het Latijn heeft op deze plaatsen niets van dien aard. [10] no. VII, XLV, LX, LXII, LXIII. Ook de fabel van den strijd tusschen den buik en de overige ledematen verplaatst ons buiten de dierenwereld (LXV). [11] De vier laatste verzen kunnen, zooals FRANCK opmerkte, onmogelijk van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker zijn. Het Latijnsche verhaal heeft op de overeenkomstige plaats slechts het volgende: "Accepit (aquam) bibit et exinde habiit. Cumque ille videret feminam pulcram, rediens consolatur eam. Iterum sic fecit et tertio." Vgl. _Romulus_ (ed. OESTERLEY. Berlin. Weidmannsche Buchhandlung), p. 69, III, 9. [12] Een zeer goed overzicht van deze stof en de literatuur daarover gaf Dr. A.J. BOTERMANS in zijn Proefschrift: _Die hystorie van die seven wijse mannen, van romen._ 1898. De Erven F. BOHN. Haarlem. Hoofdstuk I. [13] Vgl. daarover: Dr. H.P.B. PLOMP, _De Middelnederlandsche bewerking van het gedicht van den VII. vroeden van binnen Rome._ (Utrecht. 1899). [14] I, p. 92. [15] Vgl. _Esopet_, vs. 51-2: Mi es te nacht een dief verstolen, Die mi op thoeft was bevolen met _VII. Vroeden,_ 3248-9: Ende hem van der galgen verstolen, Die hem te wachten was bevolen. Ik verwijs naar de editie van STALLAERT. Zie ook de critiek dier uitgave van Dr. STOETT in _Noord en Zuid_, X, 6. [16] Vgl. het a.w. van Dr. PLOMP, bl. 51 vlgg. Het realistisch-erotisch element o.a. in een vers als 1921: "_Maer so een meer maelt, so hi moeder es._" (Vgl. mijn _Lied in de Midd._ over de molenaarsliederen bl. 308, 409 vlgg.). Met vs. 1519 vlgg. (het verbod van 's avonds zonder licht uit te gaan) vgl. men deze keur van Antwerpen van 1438-'9: "dat nyement by nachte en ga achter de straten na de diefclocke sonder lanteern ofte licht." (_Antw. Bibliophilen_, no. 3, bl. 134). [17] Een overzicht der literatuur bij TE WINKEL en PETIT. Daarbij moet gevoegd worden vooral: _Les Sources du Roman de Renart_ par L. SUDRE, (Paris, 1893); een overzicht van dat werk door Prof. J.W. MULLER in _Taal en Letteren_ van 1895; de nieuwe uitgave "_van den Vos Reinaerde_" door BUITENRUST HETTEMA en MULLER; de artikelen dezer geleerden in _Taal en Letteren_, 14e jaargang. Ik verwijs hier naar de voortreffelijke uitgaaf van Prof. MARTIN; voor de Fransche branches naar MARTIN'S _Roman de Renart_, ook naar een uitnemend artikel van VORETZSCH in _Zeitschr. für roman. Philol._, XV en XVI. [18] Nog in de 14e eeuw krioelde het in het Brugsche Vrije en trouwens in gansch Vlaanderen en Brabant van wolven. Vgl. _Siècle des Artevelde_, p. 251 en _Mém. Cour. de l'Acad. Royale de Belg._, XXXII, 221. [19] Vgl. daarover de mededeelingen van JONCKBLOET en MARTIN; Prof. J.W. MULLER heeft nog op eenige andere punten gewezen in het genoemde artikel in _Taal en Letteren_. [20] Vgl. _Reinaert_, vs. 623-6 met _Br._, XIV, 302-6 (al is daar geen "gepeins" maar "dire soef"); dit "binnensmonds spreken" ook I, 2785, 2841. _Rein._, 960-'81 met _Br._, X, 687-716; _Rein._, 1258 vlgg. met _Br._, I, 879-882; VI, 207-224; _Br._, I b. 2702-2722; _Rein._, 3368 vlgg. met _Br._, I, 942-3; _Rein._, 1510 vlgg. met _Br._, I, 1050-'54 en XIV, 258-9, 665 vlgg. [21] Vgl. de door JONCKBLOET uitgegeven fragmenten (_Karel de Groote en zijne XII. Pairs_), p. 55, 60, 169, 182, 233 vs. 60, 244. [22] De bedoelde plaatsen in den _Reinaert_ zijn: vs. 62: "Isingrijn ende sine maghe"; 1024: "te lachtre allen sinen maghen"; vs. 1084-5; voorts: vs. 1666: "ghi sijt mijn maech: u souts vernoien || seidic eneghe dorperheit"; ook vs. 1755: "so arem no van so cranken maghen"; vs. 1850: "Bruun spranc up met sinen maghen"; 1884-5: "Orlof nam Grimbeert die das || Met Reinaerts naesten maghen"; 1899-1900: "al es Reinaert selve quaet || hi hevet meneghen goeden maech"; 2191: "som van minen liefsten maghen || die ic node soude bedraghen" (ook vs. 2228, 2913); vs. 2463: "ser Isingrijns maghe"; 2720: "doe haddics rauwe als een sijn maech"; 3398-9: "hi was een deel des coninx maech || hi mocht wel doen"; vs. 3449: "alle sheren Belijns maghe"; 3456-7: "Reinaerde... ende allen sinen maghen". [23] Vgl. _Rein._, 11-17, 32-7 met _Flor. en Blanc._, 1-13, 65-75; _Rein._, 1-9 met _Wal._, 1-6; _Rein._, 1-2 met _Wal._, 23-24. [24] Vgl. FRANK'S uitgave van den _Alexander_, Inl. XVII-XVIII. F. gelooft, dat MAERLANT hier onder WILLEM'S invloed gestaan heeft. Mij komt dat reeds op zich zelf onwaarschijnlijk voor. Doch bovendien: bij de door F. genoemde plaatsen is door VERDAM in zijne recensie van F.'s werk nog eene treffende plaats gevoegd nl.: _Alex._, VIII, 315 te verg. met _Rein._, 1589. VERDAM schijnt niet te hebben opgemerkt of der vermelding waard geacht, dat de rijmen dier verzen: _oghen_ || _ghedoghen_ in datzelfde boek nog tweemaal voorkomen: VIII, 251-2, 751-2. Nu is het toch waarschijnlijker dat een paar verzen uit den _Alexander_, welker rijmklanken nog tweemaal terugkeeren, WILLEM in het oor zijn blijven hangen, dan dat MAERLANT het ééne verspaar uit den _Reinaert_ zou herhaald en nog tweemaal diezelfde rijmklanken gebruikt hebben. Ten slotte wijs ik nog op de overeenkomst tusschen het begin van WILLEM'S proloog en dat der _Enfances Ogier_ van ADENEZ LE ROI: Li roi ADANS ne veut plus endurer que li estoire d'Ogier, le vassal ber, soit corrompue, pour ce i veut penser etc. [25] Vgl. o.a. _Rein._ 83, 90, 142, 622, 656, 941, 1090, 1450, 1713, 1813, 2060, 2153, 2271, 2282, 2435, 2471, 2722, 2739, 2959, 2980, 2993, 3241, 2839, 2844, 2048 en tal van andere plaatsen. [26] 1159-1160. [27] Vgl. _Br._, I, 271, 342; 134: "Hersent rogist, si ot vergoine"; 967: "au col li met andous les braz"; 1447-'59: "Renart mist l'anel en son doi"; 1617: "baignier... ventuser... sener"; 344; 577 ("onques n'i ot resne tenue"); 580: "Iloc s'arestent li destrer"; 705: "tant a alé esporonant"; 744: "tant a sa mule esporonee" en voorts 1146, 1190, 1461-2. Het kasteel: vs. 953, 961, 1120; _Br._, I a.; het Grieksch vuur I, 282. [28] T.a.p. II, 89 vlgg. VROEGSTE LYRIEK. Hoofsche lyriek. Geestelijke lyriek. Het volkslied. VELDEKE'S minneliederen--wij zagen het in een vroeger hoofdstuk--vertoonen den invloed der Oudfransche lyriek; in hun Middelhoogduitsch gewaad staan zij volkomen op hunne plaats tusschen de werken der Minnesinger, omdat immers ook de Duitsche lyriek van minne zich had ontwikkeld onder den invloed der Fransche. Of HADEWYCH Fransch en de Fransche lyriek heeft gekend, weten wij niet; woorden als _zeelde_ en _merkaren_ in hare poëzie wijzen eer naar de lyriek der Minnesinger; doch dat zij de wereldlijke minnepoëzie moet gekend hebben, kan nauwlijks betwijfeld worden[1]. Het is geen toeval dat VELDEKE en waarschijnlijk ook HADEWYCH tot den adel behoorden; de erotische lyriek immers, waarop wij het oog hebben, was _hoofsche_ lyriek, werd vooral door den adel voor den adel gemaakt; tot den adel behoorden zoowel de Zuidfransche troubadours als de Hoogduitsche Minnesinger. Een aantal Zuidnederlandsche edelen uit Brabant, Vlaanderen, het Doorniksche, Artois volgden hun voorbeeld; onder hen HENDRIK III, hertog van Brabant (± 1260). De Fransche minnepoëzie dezer Zuidnederlandsche dichters draagt in hoofdzaak hetzelfde karakter als de overige "lyrique courtoise", die wij reeds in VELDEKE'S werk leerden kennen; wij vinden hier dezelfde opvatting en voorstelling der liefde, de geveinsde wanhoop, dezelfde klachten, hetzelfde smachten, talrijke jeux-parti's (tenzonen) waarin twee tegenovergestelde meeningen door een paar vrienden verdedigd worden, vele pastourellen; niet zelden vangt een lied aan met een klein natuurschetsje, vele dezer stukjes vertoonen een refrein. Zoo klaagt QUENES DE BETHUNE die blijkbaar ter kruisvaart gereed staat: Aï, amors, com dure departie, Me covient faire à perdre la millor Ki onkes fust amée ne servie; Deus me ramainst à li, par sa douçor, Si voirement com j'en part à dolor! Deus, c'ai je dit! Jà ne m'en part je mie: Se li cors vait servir Nostre Signor, Tous li miens cuers remaint en sa baillie. GUILLAUME DE BETHUNE begint een lied aldus: Kant li boscage retentist Dou chant des oisillons en mai Et la rose el vergier florist, En icel tens joious et gai, Lors chanterai de cuer verai, Car quant li maus d'amer me prist, El plus haut lieu del mont me mist. Verderop in dat lied lezen wij: Douce Dame, quant je vos vi A celle fois premièrement, Ne cuidai pas il fust issi De tout en tout à vo talent; Por vos languis à esciant, Et quant n'i puis merci trover, Bien veul morir por bien amer[2]. Heeft er geen Dietsche minnepoëzie van dezen aard bestaan? Men moet het wel gaan vermoeden, indien men ziet, dat er meermalen gewag van wordt gemaakt. In den proloog der _Disticha Catonis_ lezen wij: Dieghene die in haren sinne Draghen waerlike [Zijnoot: wereldsche.] minne, Si maker of riim ende liet. Dat deze dichter het oog heeft op wereldsche, zinnelijke liefde, blijkt wel uit hetgeen hij laat volgen: Der minne so ne draghic niet[3] ook uit zijne uitdrukking "ter minnen dienste staen" die immers ontleend is aan de hoofsche lyriek. Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen Die loes baraet [Zijnoot: sluw bedrog.] ende arge treken Bedekken metter minnen name over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige rijmen[4]. Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld die waar MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie waarschuwt en haar tevens kenschetst. In zijn _Wapene Martijn_ zegt hij tot zijn vriend: Martijn, ic ben wel berecht: Het seghet al, heren ende knecht [Zijnoot: schildknaap.], Vrouwen ende joncfrouwen, In sanghe ende in rime slecht, Dat si met minnen sijn verplecht [Zijnoot: verstrikt.], Ende men cans niet bescouwen. Mi dinke dat al die werelt vecht Jeghen der reenre minnen lecht Ende volghen ontrouwen. Menich seghet nu ende echt [Zijnoot: daarna.]: "Mijn sin is ane u ghehecht So sere, ic wane bedouwen" [Zijnoot: wegkwijnen.]; Achtre maken si de mouwen [Zijnoot: steken zij er den draak mede.] [5]. MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters en lezers van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke minnepoëzie maakten, blijkt ons uit den _Spieghel Historiael_. In zijn voorbeeld, VINCENTIUS' _Speculum_, worden de wereldsche geestelijken dier dagen berispt, wier gefriseerde lokken en geparfumeerde kleederen eene andere dan "heilige minne" verraden en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden: "dulces literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT: noch laten gaen Salute, subtijleke ghedicht Ende met sconen rimen verlicht[6]. Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde plaatsen gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het kan niet waarschijnlijk worden geacht. Zoowel de dichter der _Disticha Catonis_ als MAERLANT richtten zich immers niet in de eerste plaats tot edelen; onder de gemeenten was kennis van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid, en het is de vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het Fransch zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, dat er omstreeks het midden der 13de eeuw vrij wat Dietsche minnelyriek moet zijn geweest. Doch in ieder geval is er maar zeer weinig van overgebleven. Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde "clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten, herinnerde hij zich misschien niet dan met berouw, dat hij, ook een "clerc", indertijd den roman _van Troje_ had vertaald waarin de minne zooveel plaats beslaat. Zou hij zelf nooit een minneliedje hebben gedicht ter eere van de onbekende jonkvrouw voor wie hij zijn _Alexander_ heeft bewerkt? Het is licht mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht voor een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet: Nye en droech vrouwe Ghestadighen rouwe, Noch nummer en doet; Haer ketsen [Zijnoot: zich inspannen.], haer jaghen, Haer mynne draghen Is saen te voet[7]. Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN BRABANT worden toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche lyriek dier tijden is overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, aan Hertog JAN toegeschrevene, minneliederen die ons slechts in Hoogduitsche overzetting bewaard bleven, inderdaad door hem gedicht. Een vijftal dat zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch laat terugbrengen, zullen wij aan hem mogen toekennen; de overige zijn misschien door hem in het Middelhoogduitsch gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld[8]. In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar zij zijn bevallig en welluidend. Zoo b.v.: Eens meienmorgens vroe Was ic opgestaen; In een scoen boemgaerdekijn Soudic spelen gaen. Daer vant ic drie joncfrouwen staen; D'ene sanc voren, d'ander sanc na: Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa. Doe ic versach dat scone cruut In den boemgaerdekijn, Ende ic verhoerde dat soete geluut Van den mageden fijn, Doe verblide dat herte mijn, Dat ic moeste singen na: Harba lori fa, enz. Doe groette ic die allerscoenste, Die daer onder stont; Ic liet mine arme al omme gaen; Doe ter selver stont Ic woude se cussen an haren mont; Si sprac: "laet staen, laet staen, laet staen!" Harba lori fa, enz. Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men ook in de overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, gelijk elders zoo vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. Overigens vinden wij hier de gewone klachten, verzuchtingen en betuigingen. Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, is ons overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH. Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest die van "minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens en behoeften des harten geuit in liederen of andere lyrische vormen. Dat men in dezen tijd geestelijke liederen heeft gekend, weten wij uit het _Leven van Sinte Lutgart_. In een visioen ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA en CATHERINA naderen, achter haar eene schare groote schoone maagden, in witte stolen gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen zingen zij "enen leec van minnen"[9]. Uit dit zeldzaam, slechts hier voorkomend, woord _leec_ blijkt in allen gevalle dat ook WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe bepaalt zich onze wetenschap in dezen. Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons slechts in latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. Zoo b.v. het lied: Nu zijt wellecome, Heere Christ, Want ghy onser alder Heere bist enz. dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds vóór het jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid is hier niets te zeggen[10]. Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere korte lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het gansche volk of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds op zich zelf moet dat in dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; doch ook hier zijn ons meer aanwijzingen dan teksten van liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen kunnen de bewoners dezer landen sterker hebben ontroerd dan de kruistochten? Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat eene herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken[11]. Liederen, vóór of in den strijd aangeheven--men zou ze in navolging van onze oostelijke buren: _wijchliederen_ kunnen noemen--waren bij de Germanen vanouds bekend[12]. Een dezer liederen is, hoe zeer dan ook verminkt, door een Engelsch kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS PARISIENSIS vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst van ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, vóór den strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij zongen: Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin, Engelond is min ant tin [13]. Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen zijn, het feit: dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk heeten en niet minder: dat wij hier het van ouds bestaand verband tusschen zang en dans nog vermeld vinden; dat verband is misschien nog zichtbaar in het herhaalde _hoppe_[13]. Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel vroeger eeuw de Friesche zanger BERNLEF er zong, werden ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar nog altijd tot liederen verwerkt. In zijn roman _van Alexander_ zegt hij: Alse die liede seghe ghewinnen, Spreectmen verre van haren daden Ende singht er af in meneghen staden. Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de Latijnsche woorden: "toto radiaret in orbe" door: Men soude van siere doghet singhen Al van daer die sonne up staet, Tote daer soe weder neder gaet. Ook de typische uitdrukking _een nieuw lied_ waarmede de liedjesdichters en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid van het publiek hebben geprikkeld, is aan MAERLANT reeds bekend, zooals blijkt uit het vers waarin hij van ALEXANDER zegt: Van joien sanc hi nuwen sanc[14]. Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen de Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne bondgenooten anderzijds, waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, waarin JAN VAN BRABANT en de zijnen vergeleken werden bij een haan met zijne hennen, hunne tegenstanders bij valken en blauwvoeten[15]. Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien reeds in de 12de eeuw in een lied werden bezongen, blijkt ons uit eene mededeeling van den kroniekschrijver LAMBERT VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd in de buurt van Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders sneuvelden; een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden door liedjeszangers gezongen[16]. Deze liedjeszangers waren met de pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders en verbreiders, misschien ten deele ook de dichters van zoovele liederen die toentertijd bestaan moeten hebben, doch, naar het schijnt, voorgoed verdwenen zijn. Omstreeks het midden der 13de eeuw moet er een aantal vroolijke, dartele of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met het oog op den volksaard zouden wij dat wel reeds mogen vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt ons verschaft door den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijn _Liber Apum_ ("der Biën Boeck") dat tusschen 1258-1261 geschreven is. In menig verhaal, door den schrijver tot stichting of waarschuwing verteld, vinden wij eene kostbare bijdrage tot onze betere kennis van het leven onzer voorouders. Zoo lezen wij b.v.: "Inder sceydinghe des landes van Vlanderen ende Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes ende inden dorpe was karcwijdinghe, ende daer waren vele menschen verghadert te spelen, onder wien dat was een piper als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS, die een gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande. De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. Daer nae doe die hemel des avondes verdonckert was ende alleman te huys ghinck, was alleen de piper noch niet ghesadet van den spele ende ghinc over den weghe singhende mitten pipen". Een onweer komt op en twee herdersjongens, die den pijper vergezellen, zien dat hij, door den bliksem getroffen, ineenzinkt. "Mercke hier", besluit de schrijver, "dat alle die gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher wraeken"[17]. Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig man, Heer GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: "hy hadde eenen knechte, ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, die geset was des nachtes te waken. Dese selve voerghenoemde knecht was seer ydel in allen doechden ende was oeck mede des selve ghelijkes seer oncuus ende hi plach te pipen ende te singhen ende vergaderde vele maechden ende jonghelinghen. Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke dat die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden oghen voer den piper huppelde ende spranc, ende tot menigherhande maniren zijnre beweghinghe hem menichsins verblidede. Doe dat die here den knecht gheseyt hadde ende hi niet aflaten en wolde vanden verdoemelijcken spele ende alremeest van den oncuuschen lieden daer hi die magheden mede verweckede, gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig tijds later wordt ook deze knecht "van gode gheslaghen"[18]. "Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op eene andere plaats van zijn boek, "dat door ontuchtige minneliederen de harten ook van kloosterlingen en oprechte geloovigen dikwijls verontrust worden?"[19]. Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den jare 1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, zou ten aanhoore van het volk gezegd hebben: "dat vermaarde lied van _Martijn_ heb ik met een mijner gezellen vervaardigd en in verscheidene deelen van Frankrijk en Duitschland verbreid." De schrijver voegt er aan toe: "dit nu was een zeer schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"[20]. Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser met zijne brandende oogen, die voor den pijper uit danste, men zal kwalijk geloof kunnen weigeren aan het getuigenis van CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat dartele of ontuchtige minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die liederen meest 's avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen; opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid door muziek en dans, waarmede het vanouds verbonden is geweest. Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. Zij zijn verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen heeft op zomeravonden bij den reidans onder het spel van den pijper. De zangers konden ze niet opschrijven al wilden zij; wie schrijven konden, zullen het niet der moeite waard hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken die nuttige kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en gemoed bevorderden. Die kennis en ontwikkeling werd hun rijkelijk verschaft door den man die meer dan eenig ander zijner tijdgenooten in zijne werken eene samenvatting en een beeld geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT. AANTEEKENINGEN. [1] Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S poëzie op de hare vgl. MARTIN JÖRIS, _Untersuchungen_ enz., bl. 81 vlgg. [2] Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn _Lied in de Middeleeuwen_, bl. 252 vlgg. De aangehaalde verzen zijn te vinden in: _Trouvères Belges du XIIe au XIVe siècle...._ par A. SCHELER, p. 2, 35, 36. [3] _Der_ moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: _Diere minne ne garic niet_. [4] T.a.p. II, 63 vlgg. [5] _Strophische Gedichten_ (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35. Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in _Het Lied in de Middeleeuwen_; vgl. ald. bl. 253. [6] A.w. II, bl. 82, vs. 40-42. [7] Vgl. _Historie van Troyen_ (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055. Het Fransche vers (13421) luidt: "One nule ne pot doel aveir." Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666-6677 over den dood van HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een drietal verzen vindt. [8] Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld door H. BOERMA in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV, 220 vlgg. Onder de daar genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was opgemerkt in hetzelfde Tijdschrift IX, 274. [9] A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden; vgl. _A. Sanct._ Junii III, p. 245, 9. [10] Vgl. _Kerstliederen en Leisen_ door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam, JOH. MÜLLER, 1887, bl. 20; BÄUMKER, _Niederl. geistl. lieder_ in: _Vierteljahrsschrift für Musikw._, 1888, bl. 157. [11] In R. HENNING'S _Nibelungen-Studiën_ (_Quell. u. Forsch._, 31, p. 21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schöpfte im Anfang des zwölften Jahrhunderts seine Erzählung über den ersten Kreuzzug aus flandrischen und nordfranzösischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in het _Chronicon Hierosolymitanum_ de plaatsen te vinden, welke die bewering zouden kunnen staven. [12] Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S _Gesch. des deutschen Kirchenliedes_, p. 44-5. [13] Vgl. _Onze historische Volksliederen_ door PAUL FRÉDÉRICQ, bl. 8 en _Middelnederlandsche Historieliederen_ door Dr. C.C. v.d. GRAFT, bl. 43. [14] Vgl. _Alexander_ (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en de aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont dat deze verzen van MAERLANT zijn. (Het "singhen ende lesen" in X, 1254 b.v. is van GAUTIER DE CHATILLON). [15] Vgl. _Rymkronyk van Jan van Heeln_ (ed. WILLEMS), p. 343, DXX vlgg. JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in vs. 5184 vlgg. [16] PAUL FRÉDÉRICQ in a.w. bl. 8. [17] Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER VAN OS, Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men fo 169 vo. [18] T.a.p. fo 140. [19] _Liber Apum_ c. XLVIII: "obscenis et venereis cantibus corda etiam religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri". [20] A.w.c. XLVIII: "Cantum hunc celebrem de Martino ego cum collega meo composui et per diversas partes gallie, theutonie promulgavi. Erat autem turpissimus et plenus luxuriosis plausibus cantus ille." Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der Dietsche vertaling. Het, mij en anderen onduidelijk, "plenus luxuriosis plausibus" heb ik gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen. JACOB VAN MAERLANT. Inleiding. Ridderpoëzie. Omkeer. Geestelijke poëzie. Poëzie der Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee. Besluit. In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen en hunne poëzie vereenigd. Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans; hij behoort tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke poëzie; hij zegt den adel en vooral den geestelijken de waarheid en tracht door zijne latere werken aan de gemeentenaren die kennis en ontwikkeling te verschaffen die zij begeerden en noodig hadden. Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband met zijne werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming, in de eerste helft der 13de eeuw, vermoedelijk in de buurt van Brugge, geboren; misschien woonachtig te Damme. Later in zijn leven vinden wij hem als koster te Oost-Voorne en in betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN CATS, wien hij zijn _Naturen Bloeme_ ten geschenke gaf, en ALBRECHT, Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman van FLORIS V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg hij zijn roman _van Merlijn_ op. Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne, schreef hij zijne eerste werken: den roman _van Alexander_ (1257-1260), _van Merlijn_ (c. 1261), _van Torec_ (c. 1262) en _van Troyen_ (c. 1264)[1]; waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak die naar de aanvangswoorden _Wapene Martijn_ (c. 1266) genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar Damme, waar hij, volgens de overlevering, "scepenclerc" (gemeentesecretaris) zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien omstreeks 1266 plaats gehad. Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten, nog eenige groote werken: _der Naturen Bloeme_ (1266-1269); _Rijmbijbel_ (vóór 1271); _Sinte Franciscus Leven_ (c. 1271-1272?) en daarvóór het _Leven van Sinte Clara Spieghel Historiael_ (1282 of 1283 tot 1289 of 1290[2]). In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem belet het te voltooien. Aan het slot van het 3de boek der 4de Partie van dat groote werk gekomen, schreef hij: Ende verstaet dat Jacob moet Van Maerlant rusten terre stede Van der vierder paertyen mede, Ende beiden tote dats hem God jan [Zijnoot: vergunt.], Dat hire weder coemet an, Omme te dichtene in redene claer Die dinghe diere volghen naer. In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden. RIDDERPOEZIE. Wie MAERLANT door latere dichters "vader der Dietsche dichteren algader" hoort noemen, zou kunnen vergeten dat ook deze vader eens jong geweest is en de minne heeft gekend, al was hij nog zoo degelijk. De zoete heugenis dier minne overvalt hem later midden in de geleerdheid van _der Naturen Bloeme_. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPRÉ aan eene beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over de vreugde der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in zijn vertaling een anderen weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker zingt dan eenige andere, wien in eene kooi de gevangenschap weelde schijnt, vergelijkt hij bij Hem die met minnen es bevaen, _Dat een zwaer karker es ende soete_. Cume [Zijnoot: nauwlijks.] hevet hi enighe moete [Zijnoot: tijd.] Om yet te pensen dan omme sanc, Ende om feeste ende om spel ghemanc [Zijnoot: samen.], _Der minnen karker geeft hi prijs [Zijnoot: lof.], Want et dinct hem een paradijs_[3]. In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen hij de hand sloeg aan eene bewerking van den roman van ALEXANDER, ter wille van eene schoone die hem gevangen hield en peinzen deed[4]. Behalve den _Alexander_ bewerkte hij in deze eerste jaren nog drie andere romans. Het is begrijpelijk dat twee daarvan: _Merlijn_ en _Torec_ behooren tot die Keltische romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman in MAERLANT'S omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk ook, dat de twee overige: _Alexander_ en _Troyen_ behooren tot die klassieke romans die naar den geest zoo verwant waren met de Keltische. De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere beschouwing, voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT niet. Hij noemt in zijn proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig met en overtreffende die van zoovele andere helden: de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen niet halen, de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne Hunnen kunnen hiermede niet vergeleken worden. Voor MAERLANT zijn blijkbaar alle gedichten die deze en dergelijke stoffen behandelen, gelijksoortig als schilderingen van het verleden. Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen over ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring in het zoo even gezegde. Maar ook de groote roem van het door hem verdietschte werk moet daartoe hebben bijgedragen. De _Alexandreïs_ waarmede de scholaster GAUTIER DE CHATILLON andere onhistorische gedichten over ALEXANDER hoopte te verdringen, maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de Universiteit van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke boeken opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een van deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. MENKO, abt van Wittewierum in den aanvang der 13de eeuw, noemt in de kroniek van zijn klooster de _Alexandreïs_ in één adem met de _Aeneïs_; een zijner tijdgenooten, de Christelijke Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit werk zoozeer in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat liggen[5]. Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. Geest en gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden wijd open als de bloemkelk gereed om zonnestralen en dauw en regen op te vangen. Deze menschen luisterden naar verhalen uit den voortijd als kinderen naar een sprookje; hun frissche belangstelling, nog niet neergebogen onder den last eener eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt, zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden. Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig Oosten introk en den machtigen Perzischen heerscher durfde aantasten, moest wel indruk maken op de verbeelding van middeleeuwsche menschen. Wanneer MAERLANT de toebereidselen tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij zich dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven[6]. En wat al wonderen verhaalden de auteurs van de _Alexandreïs_ en dergelijke werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden en zilveren bergen zijn; gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij het Paradijs dat er uitziet als een schitterende burg; hij ziet menschen zonder hoofd, arenden die van achteren leeuwen zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de verbeelding in werking te brengen behaagde de _Alexandreïs_; in de schets eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en klerken gericht wegens hunne simonie, tot de groote heeren wegens hunne hebzucht, was veel wat den jongen MAERLANT belangwekkend en aantrekkelijk moest voorkomen. Het verwondert ons dan ook niet van hemzelven te vernemen, dat hij dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een half jaar heeft verdietscht[7]. Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in dit gedicht eer eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft korte samenvattingen, ten einde grooter duidelijkheid of beter samenhang te verkrijgen; lascht gepaste vergelijkingen of spreekwoorden in of voegt scherper trekken toe aan de teekening van zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van alle aardsche grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den bombastischen, bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk niet willen noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een enkelen keer door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op sommige plaatsen bekort hij zijn voorbeeld en breidt dan niet zelden uit hetgeen onmiddellijk volgt, als om eene vergoeding te geven[8]. Een der meest karakteristieke uitbreidingen is zeker die waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; in de teekening van "meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt hij zooveel Vlaamsche werkelijkheid, dat men hier en daar wanen zou verplaatst te zijn naar een Vlaamsche stad die feest viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig jonkman zijn geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid even vroolijk te maken over de dwaze "warmoesdeernen" die zich hoofsche namen hebben aangeschaft en beweren "vrouwe YMME" en "vrouwe MARGRIETE" te heeten[9]. Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de hoofsche vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans der minne blonk. Wanneer "meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" de schoonheid eener Scythische koningin heeft geprezen, neemt MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde schoonheden uit vroeger tijden op te sommen[10]. Hij heeft ze voor het kiezen: behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee van hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die andere YSOUDE "met de blanke handen" en MELIOR VAN CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en eene van WALEWEIN'S vele minnaressen en LANCELOT'S "amie" en DEJANIRA, DIDO, BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR... waarlijk, men behoeft niet te vragen met welke lectuur deze in der minnen kerker gevangene zich tot nog toe bij voorkeur den tijd had verdreven. Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de _Historie van Troyen_. Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den aanvang der 13de eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: DIEREGOTGAF, een paar gedeelten van den Franschen _Roman de Troie_ vertaald of bewerkt[11]. In het eene stuk, _tprieel van Troyen_ genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij zijn daar in het gezelschap van een aantal jongere ridders, met de koninginnen van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons in den oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot tournooi met scherpe wapenen; de dames zitten er dan ook naar te kijken. MAERLANT heeft den ganschen _roman de Troie_ van BENOÎT DE ST. MORE vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, waarschijnlijk echter na het zóó te hebben gewijzigd dat het met zijn eigen werk strookte[12]. De _Roman van Troyen_ is vol liefdelyriek. Het is dan ook begrijpelijk, dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den uiterlijken vorm der lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt met een minneliedje. Ook elders vinden wij dat lyrisch karakter: een drietal verzen van BENOÎT over den dood van HECTOR wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene elegische ontboezeming, wel niet in coupletten, maar toch in eenige op gelijke wijze aanvangende perioden afgedeeld[13]. Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk heeten; op menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de bewerker vervuld was van zijn onderwerp, van die ridderwereld en die liefdesgevallen. Waar hij b.v. MEDEA'S hartstocht in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene fraaie navolging van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking heeft hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog in het verhaal te brengen[14]. Tusschen den roman _van Alexander_ en dien _van Troye_ bewerkte hij een paar romans uit den Britschen sagenkring. De _Historie van den Grale_ en _Merlijns Boeck_ vormen de beide deelen van het eene werk, dat eene vertaling bevat van een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON. In de _Historie van den Grale_ worden ons in hoofdzaak de lotgevallen van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van PILATUS een "nap" of "scotele" had ontvangen, "daer Jezus die eerste misse in sanc"; hoe hij na de inneming van Jeruzalem door de Romeinen met een groote schare naar verre landen trok en hoe "die scotele die men heet den Grael" het vermogen bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de goeden de "gracie" te doen gewinnen. Later wordt de "heilige Grael", "dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede van JOZEF'S zwager BROEN, die "de rike visscher" geheeten wordt omdat hij een visch moet vangen die naast den Graal op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet worden gelegd. BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier afdeelingen van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen wij verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling een eind en wendt zich tot de geschiedenis van MERLIJN. Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over het recht op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, advocaat der duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen[15]. Natuurlijk verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, doen zij door een hunner bij eene onschuldige maagd een kind verwekken dat tot Antichrist bestemd is. Hun opzet mislukt, doordat dit kind, MERLIJN, zijne bovennatuurlijke wijsheid slechts tot heil der menschheid wil aanwenden. MERLIJN komt later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking tot YGERNE, "des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van die overspelige liefde is ARTUR, die koning van Logres wordt maar jaren lang strijd moet voeren tegen de weerbarstige baronnen in zijn land. Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door LODEWIJK VAN VELTHEM zal worden voortgezet[16]. Noch in de _Historie van den Grale_, noch in _Merlijns boeck_ vind ik plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler doen kennen. Wel mag men vermoeden, dat de beschrijving der hoofsch-hartstochtelijke liefde van koning UTER voor de schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal zijn gevallen[17]. Had hij geen behagen geschept in zulke liefdesgeschiedenissen, dan zou hij zeker den roman _van Torec_ niet hebben bewerkt. Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de _Lancelot-compilatie_ is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene verwerking derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans, met name in den _Lancelot_, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een schoone maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan verlaten; een dozijn ridders, achtereenvolgens uit een kasteel komend, die door den held van het verhaal overwonnen moeten worden; het "josteeren" tegen de gezellen van de Tafelronde; bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen. Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik heeft gemaakt van Fransche romans, mag men reeds opmaken uit een vrouwenaam als "TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: "met rouwe gedragen" (er is daar sprake van een kind); uit riddernamen als "VAN DER BASSE RIVIERE" en "DE ORGELIOUS"; de hier voorkomende "camere van wijsheden" herinnert ons aan "la Chambre de Beauté" in den _Roman de Troie_[18]. De eenmaal voorkomende uitdrukking "also als ic 't int romans hore" kan wel grond geven tot de onderstelling dat MAERLANT zich bij die plaats van zijn werk een Fransch voorbeeld herinnerde; doch op grond van dat vers alleen aan te nemen dat de _Torec_ vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog op het feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd wordt. Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, de roman van MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan men er toch niet in aanwijzen. Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook in dezen roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als: Dat hare doe een splinter stac Van reinre minnen in haer herte in eene lyrische ontboezeming over de minne, "die alle hovescheit wiset"; in het "saluut van minnen" dat TOREC aan de blanke MIRAUDE zendt[19]. OMKEER. In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens behalve liefde voor vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt doch behoeft nadere verklaring. Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag men betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap tot de zijne had gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken koning PORUS hebben gezegd, dat hij "bloedde als een rund" of uit den roman _van Troyen_ juist beschrijvingen van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag hebben weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT _historie_. In zijn _Alexander_ verklaart hij met nadruk dat hij "die waerheit, meer no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; èn in dien roman èn in de overige vergenoegt hij zich niet met zijn voorbeeld te volgen; doch hij vult het aan, wijzigt of bestrijdt het, zooals hij meende dat de historische waarheid het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige kennis, blijkt duidelijk waar wij in den _Alexander_ allerlei wetenschappelijke invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de Babylonisch-Perzische geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS, XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. Naar het schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts zijn geheugen geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken gelezen moet hebben dan "der minnen boek". Zoo hoog stelt MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES tot zijne geliefde BRISEÏS laat zeggen: "wy lesen in ouden vyten", waar het Fransch slechts van "hooren zeggen" spreekt[20]. Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER of hij blijft zich helder bewust dat deze toch een _heiden_ was en hij verzuimt niet DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel zal komen[21]. Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone en bewondering voor uitheemsche romanheldinnen, maar in schoonheid konden die toch niet halen bij ... de vrouwe die noit en dede Sonde no ooc dorperhede met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. Dezelfde eerbiedige liefde voor "de moeder ons heren" vinden wij aan het slot van den _Alexander_ en in den roman _van Troyen_, waar hij eene onbekende, door BENOÎT aangeduid als "riche dame de riche roi", vervangt door haar die "moeder es ende maghet". Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT den indruk van dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben meent hij, in den oorlog hunne eer verloren. En waarom--gaat hij voort--laat men zich onder Christenmenschen nog altijd voorlezen van die "overdaet"--Want aan weerszijden waren het louter heidenen--? Het antwoord luidt: opdat ... elc man mercken sal, Hoe onreene dat averal Hoerdom es ende hoe groot quaet Datter af te comene staet[22]. Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst doen als afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal MAERLANT zijn geweten hebben gerust gesteld, indien dat ten minste nu reeds in hem sprak, zooals het later zou spreken over den verkeerden weg door hem als dichter gevolgd. Gaf de _Alexander_ ons den MAERLANT van later reeds te zien in zijne neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet hij dat, waar wij in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige bewerking vinden van de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten jegens papen en klerken over hunne symonie, jegens groote heeren over hunne hebzucht. Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT zóó duidelijk wat hij later worden zal als in den _Torec_. In het hoofdstuk, getiteld "hoe Torec in 't scep van aventuren was", zien wij allerlei kiemen die later zich zullen ontwikkelen. In een rijkversierd vertrek hooren wij daar vroede oude mannen spreken over het nut der wijsheid, over dwazen die dat nut niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen rijk en arm, de onverdiende geringschatting van den arme. Hier vinden wij ook reeds de drie soorten van liefde genoemd, die wij later in den _Wapene Martijn_ zullen terugvinden[23]. Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt boven alle vrouwen, die partij kiest voor den arme tegen de grooten der aarde, die adel en geestelijkheid hunne hebzucht verwijt, die wijsheid en nuttige kennis verheft en aanprijst--zal het winnen van den verliefden bewerker van ridderromans. Zal het winnen--langzamerhand. Want van eene bekeering in den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. Immers onder zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch geschrift over de gesteenten (_Lapidarijs_) en een werkje over droomen (_Somniarijs_) dat een dergelijk karakter zal hebben gedragen. Ook verloochent hij in latere jaren dat eerste werk niet. Naar zijn _Troyen_ en zijn _Alexander_ verwijst hij de lezers ook nog in zijn _Rijmbijbel_ en zijn _Spieghel Historiael_ zonder ze af te keuren; van den _Alexander_ zegt hij alleen, dat er fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil herhalen. Anders is het met den _Merlijn_ en de Britsche romans in het algemeen. Zoowel in _Rijmbijbel_ als in _Spieghel Historiael_ laat hij zich geringschattend uit over "die boerde van den Grale", over "MADOCS droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"[24]. Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en meer komt hij tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken van den rechten weg was afgedwaald. In den _Rijmbijbel_ zien wij die overtuiging zoo sterk geworden, dat zij zich moet uitspreken. Hij bidt God: vergeef mij om der wille van dit werk dat ic mi besmet Ebbe in logenliken saken, Die mi de lichtheit dede maken Van der herten ende van den zinne Ende van der wereliker minne[25]. Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT toont besef te hebben van dien omkeer en van nu af zien wij hem in de nieuwe richting voortgaan. Meer dan eens stelt hij "der poëten fabelen", de "boerden ende favele" tegenover de waarheid, tegenover het evangelie. Het duidelijkst in den aanvang van _Sinte Franciscus Leven_: Cume [Zijnoot: nauwlijks.] es hi van mi bekint, Die nu leeft ende waerheit mint; Maer Tristram ende Lanceloot, Perchevael ende Galehoot, Ghevensde [Zijnoot: verzonnen.] namen ende ongheboren, Hier of willen de lieden horen; Truffe van minnen ende van stride Leestmen dor de werelt wide. Die ewangelie es ons te zwaer, Omdat soe recht seit ende waer. Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn verhaal van dien "coninc van versen" Die vinden conste ende maken Veerse die ter werelt smaken maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan "pensde te betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk uit te maken; doch zeker is, dat de stem der waarheid zich in MAERLANT'S werk luider doet hooren, naarmate hij ouder wordt[26]. Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is het, dat nu in het vervolg alle "Walsch" voor hem "valsch" is, terwijl het Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig heet. Dat onder de waarheid, die hij voortaan wil verkondigen, tal van wonderen begrepen zijn, behoeft in een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; "waerheit ende menech wonder", "wonder ende waer" worden door hem, evenals door andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één adem genoemd[27]. GEESTELIJKE POËZIE. Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen vinden dan in den bijbel? In die overtuiging heeft hij de _Historia Scolastica_ van PETRUS COMESTOR verdietscht, die bekend staat onder den naam van _Rijmbijbel_. In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven der geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien der Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten wat hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en daar stukken van den bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; menige mystieke uitlegging van het bijbelverhaal is door hem uitgebreid, ook neemt hij niet zelden de gelegenheid waar om MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te gispen[28]. Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis onder het bereik der leeken brengen. Van poëzie is in dit werk geen sprake; van aandoening zelfs tenauwernood. Slechts op een paar plaatsen, namelijk waar hij den dood van JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar van JEZUS sprake is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen[29]. Blijkbaar was de bewerking der _Scolastica_ voor den auteur louter plicht. Hij moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben, wij kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de voltooiing der bewerking van den _Pentateuch_ slaakt hij dan ook de verzuchting: God danc, ic heb se overleden [Zijnoot: achter den rug.]. Minder zwaar zal hem de bewerking van _Sint Franciscus' Leven_ zijn gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, maar op verzoek van eenige belangstellenden te Utrecht, inzonderheid van zekeren broeder ALAERD, waarschijnlijk, evenals de overige vragers, lid der orde van SINT FRANCISCUS. Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in de persoonlijkheid van den "edelen vaendragher ons Heren" veel moet zijn geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de armen tegen de aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den proloog immers herhaalt hij nog eens eene waarschuwing van vroeger: Dat minnen gaet vor alle ere; _Want arem man heet emmer sot_. En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, wie haar op kostelijker altaar geheven, dan juist "il Poverello"? Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven weinig eigens, weinig ook dat ons spreekt van aandoening in hem gewekt door de levensopvatting en den levenswandel van "SINTE FRANSOYS". Waar wij hier en daar sporen van aandoening meenen te zien, blijkt bij vergelijking met het origineel dat MAERLANT niet veel meer geeft dan eene vertaling[30]. Met _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_ had MAERLANT werken gegeven die zijns inziens beter lectuur waren dan de door hem verworpen dwaasheden "van minnen ende van stride". De kennismaking met Latijnsche kerkliederen en eigen godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook nog andere geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog moeten richten. Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde lyrische gedichten, waarvan een drietal: _Van den vijf Vrouden_ [Zijnoot: vreugden.], _Van ons Heren Wonden_ en _Clausule van der Bible_ misschien nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is waarschijnlijk, het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het vierde gedicht _Van der Drievoudichede_ bevat een zeer vrije bewerking van een Latijnsch gedicht als dat _De Sancta Trinitate_; _Clausule van der Bible_ en _Disputatie van den Cruce_ schijnen zelfstandige bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten en voorstellingen, die men ook elders in de middeleeuwsche literatuur aantreft[31]. In het eerste stuk wordt telkens in een nieuw couplet eene nieuwe vreugde van MARIA, in het tweede achtereenvolgens de vijf wonden van JEZUS bezongen. _Clausule van der Bible_ bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen veelvuldig gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude Testament, vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT wordt niet moede, door een veertigtal strofen heen, de Moedermaagd telkens weer onder een andere gedaante te verheerlijken: MARIA is de duive met den olijftak terugkeerend naar de ark; de ladder waarlangs de engelen af- en opklommen; RACHEL, des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind MOZES schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels dauw neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, de steen waaruit op MOZES' gebed een klare fontein ontsprong... zoo volgt het eene beeld op het andere, totdat de dichter het moet opgeven, want "volprisen" kan hij haar niet, "de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht scheen gelijk de zonneschijn. In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; behoefte om JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, uit zich hier ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende verzen. Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten: _Van der Drievoudichede_ en _Disputatie van den Cruce_. Hier kon hij niet volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele vraagstukken als dat der Drieëenheid, een geschil als dat tusschen MARIA en het Kruis, eischten inspanning van denkkracht en voorstellingsvermogen om zelf te begrijpen en anderen te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat wij MAERLANT hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het lyrisch-dramatische van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang gekomen op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend bij de samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de rollen zoo verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. Die verdeeling gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van moeilijke vraagstukken; de afwisseling van vraag en antwoord of ook het verschil van opvatting tusschen twee sprekers bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT, man van veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de Latijnsche literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven van de "débats", "jeux-partis" en "tençons" die in de toenmalige nationale Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden en die ook door de Belgische trouvères gedicht werden[32]. Zoo zien wij in de tweespraak _Van der Drievoudichede_ JACOB in gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe kan ik God leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim en Seraphim, antwoordt JACOB, nog zou ik u op die hooge vraag niet kunnen antwoorden. Luister naar hetgeen mij de bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil doorgronden is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd zullen worden als zij den Horeb beklimmen.--Ook ik ben overtuigd, herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid niet zouden kunnen omvatten; doch leer mij zooveel mijn door de zonde verzwakt verstand kan bevatten. JACOB geeft dien wensch gehoor: God is boven alles, onder alles, buiten alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest. Den Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin; daarna den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider vereeniging ontsproten Heiligen Geest; samen vormen zij eene drie-eenheid van _macht_, _const_ en _wille_, die aanwezig moet zijn in elken mensch die iets wil voortbrengen. God rust zelf en brengt alles in beweging; geene plaats omvangt Hem, Hij omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde, Hij is eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het geloof draagt hier de kroon. Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon geeft MAERLANT eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, van den zondeval, van de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in JEZUS, van het Laatste Oordeel. Hij is van ons heengegaan, doch Hij heeft zijn vleesch en bloed hier gelaten om het te "sacreeren" in der priesters handen. Met eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig te mogen worden wordt het gedicht besloten[33]. In _Disputatie van den Cruce_ zien wij MARIA handenwringend staan onder het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: moordenaars en dieven moet gij straffen, niet Hem die rein van zonden is.--Niet alleen uwe zaak geldt het hier, antwoordt het kruis, maar die "der wereld gemene"; toen ik uw zoon ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch onsterfelijk zal Hij terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op Hem en willen van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis waarheid heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: mensch, wat heb ik voor u gedaan en wat doet gij voor mij? Gij moet de wereld verzaken of gij zult niet met mij leven. Al uw pogen strekt om schatten te vergaderen. Doch het is niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders voorgaan: al het kwaad komt uit de "sacristie" [Zijnoot: de kerk.]; vleeschelijk leven, wellust, zich trotsch gedragen--het vindt zijn oorsprong bij de geestelijkheid. Om de armen bekommeren zij zich niet. Beginnen zij soms de wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de vleeschpotten van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der kudde, maar wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en ontrukt het heilige land aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en het kruis zegt tot MARIA, dat het niets baat of men haar al bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden heeft. Ten slotte gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat door Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van Kruis noch Maagd kan ontberen. POËZIE DER GEMEENTEN. In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over de hoogten der bespiegeling; in _Disputatie van den Cruce_ zien wij hem afdalen tot de vlakte beneden waar het werkelijk leven wordt afgespeeld. Er was echter in dat werkelijk leven, behalve het wangedrag der geestelijken, nog zooveel dat hem vervulde: maatschappelijke misstanden die hem in twijfel en onrust hielden, onrecht dat hem ergerde, gewichtige vraagstukken die hem niet los lieten. In een paar tweespraken, _de eerste_ en _d'ander Martijn_, heeft hij getracht samen te vatten wat in hem omging. Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen, gedachten over maatschappij en kerk, over handel en wandel der menschen, over de verhouding der standen, over de liefde, de zonde, over God, ten deele reeds door anderen uitgesproken, ten deele dus herinneringen den dichter bijgebleven uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn eigendom--zijn hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook de meeste andere vervat zijn; in _de Eerste Martijn_, de omvangrijkste tweespraak van alle die bijna 1000 verzen telt, is op menige plaats een dichterlijke gloed waaruit ware poëzie is voortgekomen; _d'ander Martijn_, van veel minder omvang, geeft meer spel van vernuft dan poëzie al is deze niet geheel afwezig. De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de hoofsche minnelyriek en de minachting van "truffen ende poëtriën", het meesterschap over den vorm verbieden ons aan te nemen dat zij uit des dichters jeugd zouden dagteekenen. Maar anderzijds getuigt _de Eerste Martijn_ van zooveel eerbiedige liefde voor de vrouwen, zij het ook dat die evenals in den _Roman van Troyen_ bekroond wordt door een AVE MARIA, en toont _d'ander Martijn_ zulk een welbehagen in het behandelen van eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons den dichter kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. Mag men eene gissing wagen, dan zal men geneigd zijn aan te nemen, dat hier een man van tusschen de dertig en veertig tot ons spreekt. Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien wij in _de Eerste Martijn_ in de weemoedige stemming die op eene ontgoocheling pleegt te volgen. Hij heeft de werkelijkheid aan zijne idealen getoetst, de schellen zijn hem van de oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet: "Wapene [Zijnoot: wee!]", Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden bespot, verdrukt--de slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere. Hoe anders dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw en deugd was, tot heer boven den "dorper"--nu spannen de heeren samen, vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de slechten de macht in handen. Dat komt van de kwade raadgevers. Is er nog een God die regeert? Blijkbaar laat Hij alles over aan het blinde toeval. MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt hij. Terug! God hoort en ziet alles. De priesters zullen het gewaar worden; de brandstapel wacht u! Vertrouw op God: God en was noit moede no mat; In 't wout en es loof no blat Buten siere hoede. Al dat es in elke stat Dat behoet hi ende besat Met godliken goede [Zijnoot: voorziet Hij van goddelijken zegen.]. Al ghehinghet hi dan dat, Dat die quade ghewinnet scat Ende menne heet den vroede: So hi hoghere sit up 't rat [Zijnoot: van Avontuur.], So hogher val, so meere plat [Zijnoot: zwaarder smak.] In der helscher gloede Onder der duvele roede. JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de slechten eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen aan den harden MARTIJN.--Omdat de zondaar eeuwig zou willen leven, klinkt het antwoord, moet hij ook eeuwige straf ondergaan. Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou ik dan, indien ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig verdoemd zijn, ook al ware ik milddadig en al had ik penitentie gedaan? MARTIJN spreekt den vrager moed in: laat u niet van allerlei door de priesters opdringen, er is "menich onbescheden [Zijnoot: onverstandig.] swijn" onder; God is ook een God van genade, van liefde. Maar de liefde is blind, naar men zegt--herneemt JACOB. Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er zijn drie soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de "caritate" die God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar van aard, strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de "cracht die twee herten tsamen bint". Met een uitval tegen de hoofsche minnepoëzie geeft JACOB zijne instemming te kennen. Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn pad gekomen, keert de dichter de rollen om. MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer op: van waar komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, edel en onedel? Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van CAÏN; anderen: van CHAM; doch het is onwaar, de "Duutsche loy" [Zijnoot: Het Duitsche wetboek: de _Saksenspiegel_.] weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van krijgsgevangenen. En wat den adel betreft--wat gaat het mij aan, wie iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugdzaam is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman[34]! MARTIJN stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van ADAM afstammen en dus bloedverwanten zijn, hoe is dan de "maechscap" zoo verdwenen? Van waar dan al die afgunst en strijd?--LUCIFER is daarmede in den hemel begonnen, antwoordt JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn en Dijn hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot een ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar neemt de liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het hart of uit de oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; als een onbeschaafde Fries die niet weet wat liefde is. Luister! Nu vangt een redetwist aan tusschen het hart en het oog, tweespraak in de tweespraak, die door vrouwe Redene beslecht wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met de liefde tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf volgen zij een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel van uw goed aan de armen, neig uw hart tot hen; dan moge God u in Zijne hoede nemen, u aan de macht der duivelen onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op den oorsprong van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor de vrouwen die hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN verklaart zich overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om der wille van de "hooge vrouwe", aan wie ons behoud gelegen is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de tweespraak een einde. _D'ander Martijn_ is in zoover eene voortzetting van _den Eersten Martijn_, dat wij hier in den aanvang een dergelijke vraag gesteld zien als die over den strijd tusschen het hart en het oog. Hier geldt het de vraag: twee vrouwen beminnen mij; de eene heb ik lief, maar zij mij niet; de andere heeft mij lief, maar ik haar niet--tot welke der twee moet ik mij wenden? Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der "Cours d'amour" bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze in "_het schip van aventuren_" had hooren behandelen. In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander nu met allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan de Oudheid en den Bijbel. Redene moet zich in de liefde doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan de voorbeelden van noodlottige liefde uit den Bijbel moeten wij ons spiegelen. God zelf wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft, wie Hem wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken aan haar die mij lief heeft. In den _Verkeerden Martijn_ hebben wij een aardig voortbrengsel van middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S redeneeringen uit den _Eersten Martijn_ omgekeerd en tegen de zijne overgesteld. Hier en daar, vooral in de drie eerste strofen, meent men toch de bitterheid van den dichter in zijn scherts te hooren doorklinken. In het laatste couplet is iets van voorname levenswijsheid, die met een lichten glimlach spreekt over de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel jammer, dat slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid krijgen aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene vraag blijft: of MAERLANT inderdaad de maker is van dit gedicht. Er bestaat misschien meer reden hier aan het werk van een ander te denken dan aan een zelf-parodieerend sarcasme, waarvan in de middeleeuwsche literatuur, naar ik meen, tenauwernood een ander voorbeeld te vinden is[35]. De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling in het maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk hart over de misstanden in dat leven en uit begeerte om in die misstanden verbetering te brengen. Verbetering door afbreken en opbouwen. De _Martijn's_, vooral _de Eerste Martijn_, werkten vooral afbrekend; in een drietal andere gedichten trachtte de dichter op te bouwen. Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan eens een vroeger motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, zoo keert ook MAERLANT terug tot vroeger bewerkte stoffen. De schets eener middeleeuwsche vorstenschool uit den _Alexander_ wordt overtroffen door de handleiding voor vorsten in _Heimelijkheid der Heimelijkheden; Lapidarijs_ is uitgebreid tot het groote werk _der Naturen Bloeme_; de historische overzichten uit _Alexander_ en _Merlijn_ tot den _Spieghel Historiael_. Het oorspronkelijke _Liber de Secretis Secretorum_, in dezen vorm zeker niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag van zijn naam wijd en zijd verbreid, bevatte eene soort van overzicht der regeerkunst en, daar een vorst ook zich zelven moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet onwaarschijnlijk is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER toch in menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent kon heeten. _Heimelijkheid der Heimelijkheden_ zou dan min of meer als een correctief van den _Alexander_ moeten worden beschouwd, dat des te beter zou werken, omdat het ook hier juist ALEXANDER is, wien door den zoo hoog vereerden ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo was b.v. de aansporing tot het bedwingen van den "grammen moet" voor den _Alexander_ van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet overbodig[36]. _Der Naturen Bloeme_ en _Spieghel Historiael_ moesten, evenals vroeger _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_, voorzien in de behoefte aan degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching van THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk _De Naturis Rerum_ kon elk die zijne bekomst had van fabelen en leugens, "nutscap ende waer" vinden. Alles wat men toentertijd van de natuur, van menschen en dieren wist, vond men hier bijeen. MAERLANT heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten, in het overige de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd of er iets aan toegevoegd[37]. In zijn _Spieghel Historiael_ leverde hij populair-wetenschappelijk werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden was voor de leeken tot dusver één nevelachtig verschiet van eentonig grijs geweest; deze _Spiegel_ wierp er voor het eerst krachtige lichtstralen in en doorheen. Nu eerst namen enkele bekende figuren in dat verschiet vaste omtrekken aan, nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver af, nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin men leefde. Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT VAN BEAUVAIS, bewerkte MAERLANT slechts een deel, het _Speculum Historiale_; de twee voorgaande deelen: _Speculum Naturale_ dat over God, het heelal en den mensch handelde en het _Speculum Doctrinale_ dat een overzicht der menschelijke wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van het _Speculum Historiale_ eer eene bewerking dan eene vertaling; hij raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. den Hollandschen kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de geschiedenis van Nederland en de levensbeschrijvingen van Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk met een schat van spreuken en lessen van levenswijsheid[38]. Hier ook had MAERLANT gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns inziens, de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over KAREL DEN GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende KARELS hadden samengesmolten tot éénen; hij houdt zich aan de _Historia Caroli Magni et Rolandi_; immers, dat was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich tegen de vermenging van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het huis Bouillon[39]. Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de vermenging van verschillende historische KARELS eerst door de hedendaagsche wetenschap opnieuw is gemaakt en met evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid gestaafd, dan moet men dezen middeleeuwschen "clerc" bewonderen om zijn helder verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde van zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan eigenlijk geen sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde werken zoo goed als afwezig. Zelfs vertoonen zij in de bewerking tenauwernood eenige aandoening, tenauwernood iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk grapje maken over de vlooien, de "clene wichten" die ons in dit aardsche tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid toonen waar hij het dier Furions ter sprake brengt--doorgaans blijft hij in _der Naturen Bloeme_ de ernstige leermeester[40]. In den ganschen _Spieghel Historiael_ vond ik slechts een paar plaatsen waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op MAERLANT zooveel indruk maakte, dat zijne bewerking er de sporen van draagt. CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van ROELAND heeft hem blijkbaar getroffen; in het Dietsch lezen wij dat de groote keizer ... grongierde [Zijnoot: brulde.] in der gebare Alse oft een leuwe ware Die sine jonge vonde vermort. Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden welp zal wel niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in zijn voorbeeld niet te vinden[41]. Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar hij in bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid zegt, een geestverwant herkent. Daar komt hem zijn _Eerste Martijn_ weer voor den geest, zoo levendig zelfs dat een paar rijmen uit de eerste strophe hier weer opklinken[42]. DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE VAN OVERSEE; BESLUIT. Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft MAERLANT ons vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. Beide dagteekenen uit zijn ouderdom. _Van den Lande van Oversee_ moet gedicht zijn na den val van ST. JEAN D'ACRE (1291) en in _der Kerken Claghe_ hooren wij den dichter zeggen: Wat sagh ic in den spieghel claer? Mijn oude leven, mijn graeuwe haer, Hoe sterven es met mi gheboren! Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. De klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud uitmaakt van het eene, ruischt als ondertoon door de verzen van het andere[43]. De dichter beeldt hier de kerk uit als eene moeder, eene bedroefde vrouw van haar erf ontzet, wier verdediging Christenridders plicht moet zijn. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze voorstelling eene herinnering is uit de dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne verdiepte in ridderromans. In den roman van _Lancelot_ toch legt een abt aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die ridder heeft gezien. Wij lezen daar: Tot u quam op dien nacht besien Die heilege kerke ende al om dien In eens droefs wijfs gelike, Die u clagede droeffelike, Datmen hare onrecht dede Ende nam hare ervechtechede. Sine quam niet gecleet met siden, None togede met den bliden; Maer si quam in groter droefheden Ende gecleet met swerten cleden Om den toren die hare kinder Daden mere ende minder; Dat sijn besondechde kerstine Dat haer kinder (sculdech) te sine, Ende gelijc hare moder hare Altoes sculdech te houdene waren[44]. Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk gewaarschuwd had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd tegen de geestelijkheid. In zijn _Naturen Bloeme_, zijn _Rijmbijbel_, zijn _Spieghel Historiael_ had hij zich meer dan eens scherp uitgelaten over hunne hebzucht, weelde, wellust; hun verweten, dat zij waren ... vor mine ogen smeker [Zijnoot: vleiend.] Ende achter valsch als de verrader. De critiek, welke zijn bewerking van den _Rijmbijbel_ hem van de zijde der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn _Spieghel Historiael_ nog niet vergeten[45]. Doch, had hij daar met de belgzucht van het "paepscap" rekening gehouden, in _der Kerken Claghe_ spaart hij hen niet. Onversaagd springt deze strijdbare "clerc", ridder naar geest en gemoed, zijne moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken, dat haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en leiden. De wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken de volle waarheid zou durven zeggen, hen met name noemen--hoe zou hij bejegend worden! Met enkele trekken schetst hij hen: korte rokken, breede zwaarden, lange baarden, kostbare kleederen, hooge paarden; wat al fierheid--ten koste der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de waarheid zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig, naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is eene vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op de loer. Hij behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen onder zijn bereik. Wie de kwaden vleien, hebben de beste plaatsen en eene vette keuken; zij drinken dat zij zweeten en slapen er te beter op. Al maken de heeren zich aan roof schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze geestelijken, die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. En krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de heilige Kerk! Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij nieuwe wapenen dragen en deze wandaden te keer gaan en wreken. Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, met zijne pen, tastte MAERLANT ook in het gedicht _Van den Lande van Oversee_ de Kerk van Rome aan, die hij scherp onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier durft hij zeggen: Die Kerke van Romen is dusdaen vraet, Si is dronken ende al sonder raet, Die hovet is van Kerstijnhede. Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een noodkreet, door den vromen Christen geslaakt, toen hem meer en meer zekerheid gewerd, dat het Heilige Land aan de macht der Christenen ging ontglippen. In _Disputatie van den Cruce_ had hij reeds eenmaal een klacht daarover doen hooren, maar nu Acre, het laatste bolwerk der Christenen, gevallen is, slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de ontzetting, de verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef: Kersten man, wats di gheschiet? Slaepstu? hoe ne dienstu niet Jhesum Christum dinen here? Peins, doghedi dor di enich verdriet, Doe hi hem vanghen ende crucen liet, Int herte steken metten spere? Tlant, daer hi sijn bloet in sciet [Zijnoot: stortte.], Gaet al te quiste, als men siet: Lacy, daer en is ghene were! Daer houdt dat Sarracijnsche diet [Zijnoot: volk.] Die Kerke onder sinen spiet Daerneder, ende doet haer groot onnere Ende di en dunkets min no mere [Zijnoot: gij geeft er niet om.]! In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe moeder, de Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt--gij leeft in weelde; Gods vijanden hebben te Acre kloosters en huizen vernield, het volk gedood. Christen! trek op, den hemel kunt gij winnen, indien gij die schande wreekt. Dan eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat er gebeurd is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het vlamt weer op in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen... Kerk van Rome, trek het zwaard! Maar de voorname geestelijken hebben wel wat anders te doen! Wat doet gij ter wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. "Reinaerdie" speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee uitrichten! En waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden niet te na gesproken--de duivel hale hen met hunne trotsche bijzitten! Maar het Heilig Graf vertoont zich weer aan zijn geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de koningen, graven en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd het schild "van sabel en van goude", het "lazuren" schild met de leliën op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat en zijne moeder wreekt--hij zal er voor boeten! Overredend klinkt het daarop: Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten immers toch eens sterven? Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! Hoe anders was het ten tijde van CHARLEMAGNE en GODFRIED VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter valkenjacht, gij landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij u van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een bede tot God besluit de dichter zijn bezielden oproep. Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val van Acre is het Heilige Land geheel aan den greep van het Westen ontglipt. Sedert de kruistochten een aanvang hadden genomen, was de Europeesche Christenheid twee eeuwen ouder geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift en avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; andere idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne toewijding, hunne kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan gevoelde, zijne devotie verrichten bij het Heilig Graf dat in zoo menige kerk ook te onzent was nagebootst. MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht opwekte, schijnt den veranderden koers der geesten niet te hebben opgemerkt. En indien al, dan heeft hij dien zeker betreurd. Want hij was een "prijzer van 't verleên" en zag in zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij dien bij vroeger vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden en op het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en opbouwend heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor te leiden, dat gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche dichter die, sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging en het plichtsverzuim van adel en geestelijkheid is opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij heeft voor Vlamingen en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na hem een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk leeren lezen. Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op eene plaats onder de groote mannen van ons volk; doch als kunstenaar rijst hij daardoor niet in onze schatting. Zeker, hij was dichter. Hij heeft dat getoond in den _Eersten Martijn_, vooral in de eerste helft waar de aandoening door de strofen golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat getoond in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig brok van zijn overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch bevallig of aardig mag heeten. Den kunstenaar zien wij in den dichter, waar hij, in navolging der Latijnsche en Romaansche lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de afschrijvers bezweert zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde hecht aan de zuiverheid zijner rijmen. Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; er is in zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel dat berijmd proza moet heeten. De drang naar schoonheid in zijn gemoed werd onderdrukt door het verlangen om de maatschappij te verbeteren en zijn volk te onderwijzen. En nu kan de invloed van een dichter op de zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk wel strekken om de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen, niet om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt om op zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan. Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk zulk eene ruime plaats hebben gegeven in dit verhaal van de geschiedenis onzer letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, beter dan eenig ander auteur zijner dagen, de eeuw en de maatschappij waarin hij leefde in hunne onderscheiden stroomingen vertegenwoordigt; omdat de geslachten die na hem kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in enkele zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat onbeschrijfelijke dat wij poëzie noemen. AANTEEKENINGEN. [1] De romans _van Alexander, Merlijn_ en _Troyen_ zijn tot ons gekomen in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, in een dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig Nederland gesproken werd _(Tijdschr. v. Ned. T. en L._, XXIII, 156). De _Torec_ schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den _Lancelot_ (a.w. X, 173; XIX, 36). [2] Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk boek van Prof. J. TE WINKEL: _Maerlant's Werken_, (2e druk, 1892), vgl.: Tweede Hoofdstuk. [3] Vgl. _Nat. Bloeme_ (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en _Inleid_. XXIV. Over den kalander-leeuwrik: BREHM, _Het Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II, 100. [4] De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen heeft in zijn gedicht, heette waarschijnlijk _Gheile_ en zal wel eene Vlaamsche geweest zijn. Vgl. FRANCK'S _Inl_. op den _Alexander_, XI-XII. [5] WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 134. [6] Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig. [7] Vgl. X, 1530-1. [8] Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke _Inleiding_, inzonderheid naar het hoofdstuk: _Maerlants verhouding tot zijne bronnen._ [9] Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454. [10] T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481. [11] Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een _Simon die Godgaf_ (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der Vlaemsche Bibliophilen I, 6). [12] Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S _Inleiding_ op zijne _Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen_, met name p. 17, 154-5, 181. MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van NAPOLEON DE PAUW. [13] Vgl. VERDAM'S _Episodes_, vs. 6666-6711 met _Roman de Troie_, vs. 16179-16181. [14] Vgl. _Episoden_, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt, op bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, 9345; 327, 10166; 341, 10694. [15] FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. TE WINKEL beweert het tegendeel. Vgl. _Anzeiger f.d.A._, IX, 367-8 en TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 168 noot. [16] Vgl. _Merlijn_ (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S uitgave kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen van FRANCK'S vernietigende maar rechtvaardige critiek. [17] _Merlijn_, vs. 7639 vlgg. (7770-8, 8164, 8175-'80). [18] Vgl. _Torec_ (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene "Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S _Conte du Graal_; zie de Aant. op FRANCK'S _Alexander_, bl. 481). Afbeelding der _Chambre de Beauté_ bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192. [19] _Torec_, vs. 869-870; 1228-'49; 3231-'51. [20] Vgl. _Alex._, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; vgl. GAUTIER, _Alex._, IX, 258-260. Of M. deze vergelijking misschien uit den _Lancelot_ heeft overgenomen, doet weinig ter zake. _Episoden_ enz. vs. 767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het origineel; _Alex._, I, 68; VERDAM'S _Inl._ op _Episoden_ enz. bl. 21 vlgg.; TE WINKEL in _Tijdschr. v. N.T. e. L._, I, 332 vlgg.; _Merlijn_, vs. 33, 589, 621. FRANCK'S _Inl._ op den _Alex._, L-LI; _Episoden_, bl. 163-4, vs. 4159 en vs. 4219 in verg. met het oorspronkelijke. [21] _Alex._, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook _Troyen_, vs. 10736. [22] _Alex._, VIII, 126-9; X, 1535 vlgg.; _Episoden_ etc. bl. 159-160. Over die _riche dame_ te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197-8; _Episod._, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht, door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne uitgaaf v.d. _Roman de Troie_: "Sur les manuscrits" in Deel I. [23] Vgl. _Alex._, VIII, 637 vlgg.; _Torec, Inl._, bl. XXII vlgg. [24] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; _Sp. Hist._, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg. [25] A.w. I, 64 vlgg. [26] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 2755; _Sinte Franc._, 9-10; 51-40. Het verhaal van den "coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het ook in het Latijn. [27] Vgl. o.a. den Proloog van _der Nat. Bloeme_, vs. 108-116; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 368; waai heidsliefde o.a.: _Rijmb._, I, 25, 4885, 34830; waarheid en wonder: _Nat. Bl._, I, 486-'93; IV, 5 vlgg.; V, 413 vlgg.; _Sp. Hist._, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7. [28] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 337-9. [29] Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen: Want haer lyoen, hare lupaerd, Haer troest, haer muur, haer casteel, Ende hare hulpe algeheel Starf met eren, die goede Judas. In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: "firmavit faciem suam ut iret in Hierusalem" aldus weergegeven: Doe de tijd naken began Vander Passiën, maecte vast Sijn anscijn, _die lieve gast_ [Zijnoot: vreemdeling.], Te Jherusalem te gane. [30] Zoo b.v. vs. 7811-'14: Aldus in dien dorwitten vleesche Die nagle zwart als iet vereesche Entie wonde van der zide Bloeide als ene rose blide. Het Latijn heeft hier (in de bewerking van _Bonaventura Vulcanius_): "Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa quaedam pulcherrima videbatur." [31] Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen op de uitgave der _Strophische Gedichten_ door FRANCK en VERDAM. [32] Vgl. over den dialoog: Inleid. der _Stroph. Ged._, LXXX; EBERT, _Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt._, II, 16; JEANROY, _Les Origines de la poésie lyrique_, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER, _Trouvères Belges_ o.a. I, 6-7, 137, 139, 141. [33] In sommige handschriften heet dit gedicht _De derde Martijn_. [34] Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den kerkvader HIERONYMUS. Zie _Inleiding_, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook reeds in ARISTOTELES' _Ethica_. Vgl. BURCKHARDT, _Die Cultur der Renaissance_, II, 90. Vgl. ook _Heim. der Heim_ (ed. CLARISSE), vs. 1831-2; in het Latijn: "quia Deus creavit aequales." [35] FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie _Inleiding_, p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen. Nagevolgd werd de _Eerste Martijn_ door een dichter die in 1299 den _Vierden Martijn_ dichtte (uitgeg. door SERRURE in _Vad. Mus._, IV, 55 vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet. HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het dichten "op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter verzen dan deze dichter. [36] _Heim. der Heim._ (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie de vergelijking in KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 289 vlgg. [37] Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg. Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de Inleiding in VERWIJS' uitgave. [38] Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den _Sp. Hist._ en TE WINKEL t.a.p. het _Achtste Hoofdstuk_. [39] Vgl. _Sp. Hist._, III, p. 170, 204; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 422-5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p. 79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c. 6, vs. 5-11. [40] Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg. [41] Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, _Lib._ 24, c. 20): "Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore magno." [42] Zie: _Inleiding_, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: _hove || verscrove_. [43] Vgl. _v.d. L. v. O._, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200. [44] Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen. [45] Vgl. _Nat. Bl._, II, 469-'76; 680 vlgg.; _Rijmb._, I, 78 vlgg.; 5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485-7; _Sp. Hist._, I, bl. 16, vs. 80 vlgg. DICHTERS, VOORDRAGERS, PUBLIEK. Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de dichtwerken die gedurende de 12de en de 13de eeuw door deze volken zijn voortgebracht; de personen der makers bleven op den achtergrond. Op dien achtergrond moeten zij blijven, omdat, ten minste in het verhaal van de ontwikkeling eener middeleeuwsche literatuur, de persoon des dichters minder gewichtig is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat ons van die dichters met of zonder naam bekend is. Tevens geeft ons dat gelegenheid mede te deelen, wat wij weten van het publiek waartoe zij zich richtten, van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder literaire werken toen ter kennisse van het publiek kwamen. Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat hij er roeping toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. Het spreekt vanzelf, dat beroep en roeping niet steeds samengingen; doch ook dat door het beroep de roeping niet noodwendig werd uitgesloten. Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden of omdat zij er behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken of "clercken" mogen rekenen zooals WILLEM VAN AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH, MAERLANT, de dichters van _Rinclus_, _Van den Levene ons Heren_, van den _Dietschen Catoen_, _Esopet_ en dergelijke werken; ook JAN VAN BRABANT, de edelen en hoofsche "clercken" die minneliedjes dichtten en de dichters van volksliederen. Het is wel mogelijk dat sommige dezer dichters zich, evenals MAERLANT, van het wereldsche tot het ernstige of stichtelijke hebben gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner bewijzen. De bewerker der _Disticha Catonis_ namelijk verhaalt ons in zijn proloog: Als ic die minne sach, ic louch; Nu haticse al in minen sinne Die minne draghen entie minne Ende hebbe ghekeert minen moet An die ghenen die siin vroet. Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en WILLEM VAN AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over andere dichters die zij _menestrelen_ noemen. MAERLANT heeft een afzonderlijk hoofdstuk van zijn _Spieghel Historiael_ gewijd aan "'t scelden jegen die borderers", d.i. romanschrijvers; aan het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog heeft op de "menestrele", die dus ook door hem als de dichters der ridderromans werden beschouwd[1]. En WILLEM VAN AFFLIGHEM spreekt van de menestrelen als van "logeneren". Blijkbaar gevoelen zij zich door hunne geleerdheid en ontwikkeling, ook door hun streven naar waarheid en vroomheid verheven boven die verdichters van fabelen en luchtige verhalen van oorlog en minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al te wereldschgezinde "clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden: Dit en sijn niet clerke, maar menestrele[2]. Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) aanduidt, tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral, den heer en zijn "gezinde" met muziek en zang of voordracht van poëzie te vermaken. Een dienaar van die soort hebben wij reeds ontmoet in dien knecht van den Brabantschen ridder, Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was "te pipen ende te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie vinden wij ook bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt in _der Naturen Bloeme_ naar aanleiding van den vogel _Garrulus_[3]. Het "pipen en mauwen" van den menestreel kan kwalijk iets anders beteekenen dan het spelen op de pijpen ter begeleiding van zang of voordracht. Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem de menestrelen; zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door hun loftuitingen te prikkelen, in de hoop op geschenken zijnerzijds. Lof en roem verwerven--MAERLANT zegt het ons--daarnaar streefden de meeste ridders: Want die ridder niet gheroet [Zijnoot: rust.], Hine verslijt vleesch ende bloet, Updat sijn prijs mere. En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, vernemen wij eveneens uit zijne woorden: ... der idelre gloriën cleet, Daer menestraudië met omme gheet[4]. In zijn _Spieghel Historiael_ laat hij nog eens een waarschuwing hooren tegen de "smekende" (vleiende) menestrele[5]. Een klein staaltje van hunne praktijken zien wij in de bewerking van den _Aiol_. In eene opsomming van edelen die AIOL verwelkomen, worden in de Dietsche bewerking o.a. de graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de graaf van Artois genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de overeenkomstige plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld. Waarschijnlijk hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des menestreels jegens zijn publiek te zien[6]. Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld, kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers in de met hen eenigszins verwante "yrauden" (herauten). Meer dan eens worden "menestrele ende yraude" of--wat hetzelfde is--"yraude ende spelmanne" in één adem genoemd[7]. In den roman _van Torec_ zien wij den held in de wapenrusting van een anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders uit den zadel steken. De paarden der overwonnenen geeft hij aan de aanwezige speellieden en yrauden, en deze zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk: Doe riepsi ende dyraude mede: "Ha ha! Myduel, Myduel! "Hi heeft den prijs ende niemen el; "Hi es die beste van den velde: "Hi es genindech [Zijnoot: dapper.], coene ende melde" [Zijnoot: mild.] [8]. Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, maar ook bij die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig van die der ridders verschilde, zouden wij wel reeds mogen vermoeden. MAERLANT verzekert het ons ten overvloede in zijn _Rijmbijbel_[9]. Omgekeerd werd de plaats van den menestreel, naar het schijnt, wel eens ingenomen door een "scriver", die doorgaans wel een "clerc" zal zijn geweest. In de _Heimelycheit der Heimelychede_ lezen wij: Nu betaemt wel elken heere Die bewaren wille sine eere, Dat hi scrivers met hem houde, Vroede liede, jonghe ende oude, Die scone ende wel connen dichten, Ende met sconen worden verlichten Connen dat sijn heere wille. ... Want ghelijc dat smenscen lede Scoonre sijn ghecleedt dan naect, Also eist dat men een dicht maect, Daer men der wareit niet ut en gheet Ende ment met scone worden cleet. MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld, naar het schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op te stellen gesproken wordt[10]. Doch wat hiervan zij, zeker is meer dan een dichtwerk door een "clerc" op verzoek van een edelvrouw of edelman vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den proloog van zijn Graal-roman mede: Dese historie van den Grale Dichte ick ter eren Heren Alabrechte, Den Heer van Vorne, wael met rechte; Want hoge liede met hoger historie Menechfouden zoecken hoer glorie Ende korten daer mede hoer tijt. En in de opdracht van zijn _Spieghel Historiael_ lezen wij: Grave Florens, coninc Willems sone, Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone Die mi dit dede anevaen. Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige ridderromans, bij den voortgang onzer wetenschap, bleken bewerkt te zijn door "clercken". De godsdienstige, hier en daar zelfs kerkelijke, tint, die over de bewerking van het _Roelandslied_ en over den roman _van Walewein_ ligt, die misschien ook in de _Lorreinen_ te zien valt, geeft tot dit vermoeden wel eenigen grond[11]. In ontwikkeling zullen de "clercken" over het algemeen wel boven de menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men daarom aan deze laatsten niet alle ontwikkeling te ontzeggen. De bewerker van den _Partonopeüs_ b.v. was blijkbaar een man van zekere ontwikkeling en beschaving; hij zal wel niet de eenige zijn geweest[12]. Dat mogen wij vermoeden ook met het oog op eene reeds vermelde plaats uit den _Spieghel Historiael_. MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing over tegen de wereldsche "clercken" die een wit voetje bij vrouwen en jonkvrouwen trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' schets van het uiterlijk dezer "petits abbés" geeft hij in zijn Dietsch aldus terug: Dese setten al haer doen (Om) haer surcoet [Zijnoot: tabbaard.] ende haer caproen, Hoe hare gescoyte [Zijnoot: schoeisel.] ten besten staet; Om specie ende mossceliaet [Zijnoot: parfums.], Dat si wel rieken van den crude; Nuwe scoen met behagelen hude, T'haer gelu enten crooc [Zijnoot: krullende lokken.], Met vingerlinen verciert ooc: Si gaen rechts of si pleyen [Zijnoot: dansen.] souden. Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, over wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze beschrijving met het vers: Dit en sijn niet clerke, maer menestrele. Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van sommige menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven. Blijkbaar trachtten dezulken hunne adellijke meesters te evenaren in voornaamheid van kleeding, voorkomen en gang. Zijn er te onzent, behalve HEINRIC VAN VELDEKE, adellijke menestrelen geweest? Dat de bewerker van den _Willem van Oringen_ door MAERLANT: "Claes _ver_ Brechten zone" wordt genoemd, geeft ons daarvan geen voorbeeld, want _ver_ wordt in de 13de eeuw reeds van burgervrouwen gebezigd[13]. Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en onedel--zeker is er wel onderscheid geweest tusschen de menestrelen onderling: in maatschappelijke positie, in uiterlijke en innerlijke beschaving; onderscheid ook tusschen hen die, verbonden aan den dienst van één heer, als gezeten menestrelen gesteld mogen worden tegenover hunne rondzwervende kunst-broeders. Ook die "gezeten" menestrelen zullen wel eens van heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand in den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; onze bronnen vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te kunnen spreken. Op die rondzwervende menestrelen moet VELDEKE het oog hebben, waar hij, afwijkend van zijn voorbeeld, ter bruiloft van ENEAS en LAVINE "die speleman end die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk beloonen[14]. Op hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: "menestrele || Die altoes zijn onghestade"[15]. Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de "speelman" en het "speelwijf", waarvan de bewerker van den _Partonopeus_ (niet zijn voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook "alle die singen broet om Gode", die door HEYN VAN AKEN in zijne vertaling der _Rose_ genoemd worden, waar het Fransch ze niet noemt[16]. Dat onze voorouders bij het woord _menestreel_ in de eerste plaats dachten aan een _muzikant_, een "_speelman_" zooals zij zeiden, blijkt ook uit eene plaats in MAERLANT'S _Alexander_. Een paar verzen der _Alexandreïs_ waarin over _mimi_ gesproken wordt, geeft hij aldus weer: Die menestrele quamer mede Vor dien coninc in die stede Ende loofdene met haren sanghe. Daer was menich trompe langhe, Vedelen, haerpen ende sijmphonien, Cystolen die wel leren vrien, Salterien, orghelen ende sciven[17]. Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen: Men speelder met sweerden ende met kniven dan zien wij hoe rekbaar het begrip _speelman_ was en dat het in de middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens zien wij dat zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche compilatie _Karlmeinet_ die omstreeks 1300 uit Nederlandsche romans is samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven van de kunst en de kunsten van Hundert mynistrere De wir nennen speleman. Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den hoorn, de harp, het salterie; genen kunnen spreken van wapenen, van avonturen en van minne; anderen goochelen onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar draaiende) met stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw[18]. Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, die paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. Trouwens hunne middeleeuwsche voorgangers stamden weer rechtstreeks af van de Romeinsche "mimi." In deze kringen, waarin ook niet zelden zwervende klerken (goliarden, vaganten) werden opgenomen, zullen wij waarschijnlijk de dichters hebben te zoeken die onzen _Bere Wisselau_, misschien ook de reize _van Sente Brandaen_ hebben vervaardigd. Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk aan het publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie, en zeker het grootste deel van het proza der middeleeuwen, was in de eerste plaats bestemd, te worden voorgedragen en aangehoord. Tallooze plaatsen ook in onze middeleeuwsche literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog op uitdrukkingen als: "Nu hoort....", "dat u te hoorne dunket zoete", "hoort er naer", "nu hoort vort van deser dinge" enz.[19]. Bij de voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste aanvankelijk, wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken hebben bestaan. Het publiek wordt daar gewoonlijk aangesproken met: "gi heren ende gi vrouwen"; de hoofsche WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: "gi vrouwen ende heren"[20]. Soms wordt deze benaming afgewisseld met: "gi goede liede"; doch men moet hierbij in aanmerking nemen dat deze uitdrukking eene beleefdheidsformule was: "een goet man" is wat wij noemen: een fatsoenlijk man, een man van eer. De dichter van _Floris ende Blancefloer_ spreekt bepaaldelijk niet tot dorpers, maar tot lieden van stand en ontwikkeling[21]. Het _Leven van Sinte Lutgart_ richt zich nu eens tot "heren ende vrouwen", dan weer tot "closterliede", "grote ende clene", "man noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: "die hier te ringe sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring om den voordrager heen zat. Iets gemoedelijks ligt er in het "kinder" of "lieve kinder", waarmede MAERLANT in zijn _Merlijn_ en de bewerkers van het _Roelands-lied_ en van het gedicht _Van den Levene ons Heren_ soms hun publiek aanspreken[22]. Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden mag, tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, dan paste die wijze van aanspraak in hun mond wel; minder in dien van niet-geestelijken die later hun werk voordroegen. Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding van dichter tot voordrager. In menig geval zal de dichter tevens de eerste voordrager van zijn werk zijn geweest; immers de meeste dichters zullen hunne kans hebben waargenomen om met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch zoodra het oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd was, konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de prologen van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, dunkt mij, dat de dichters op latere voordragers gerekend hebben[23]. Het vermelden van des dichters naam in den proloog moest waarschijnlijk denzelfden dienst doen als in onzen tijd de naam van den schrijver op het titelblad. In sommige gedichten (_Moriaen_, _Carel en Elegast_, _Levene ons Heren_, _Seven Vroeden_) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde persoon te zijn geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot zijne hoorders in den eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, dat ook een later voordrager dat _ic_ kon behouden. In andere werken (_Floris en Blancefloer_, _S. Frandscus_, _Walewein_, _Troyen_, _Merlijn_) begint de dichter wel met _ic_, doch gaat later over tot het noemen van zijn naam en spreekt van zich zelven in den 3en persoon. Op die wijze bleek bij eene voordracht door een ander toch, wie de dichter was. Ook het omgekeerde komt voor: de dichter van den _Reinaert_ begint met: "WILLEM, die... hem... hi" en spreekt later van zich zelven met _ic_; hetzelfde geval treffen wij aan in _der Naturen Bloeme_ en den _Rinclus_. Hier zullen wij moeten denken aan den overgang van _oratio indirecta_ tot _directa_, dien wij vroeger in een ander verband hebben besproken. Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden? Indien men MAERLANT'S uiting dienaangaande in _Heimelijcheid der Heimelijcheden_ gewicht mag toekennen, dan: ja. In den zomer, zegt hij, pleegt men zich op allerlei wijze te vermaken: Ende men brinct soeten sanc te voren, Ende men moet dan geesten [Zijnoot: geschiedenissen.] horen Die ghenouchlijc sijn int vertellen Ende lachen dan met goeden ghesellen[24]. Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den adel, juist des winters en in den herfst meer behoefte hebben gehad aan zulke voordrachten dan in de andere seizoenen. Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager geschaard, dan verzocht hij een "ghestille" en de voordracht ving aan. Begon hij dadelijk met spreken? Indien wij ons herinneren, dat de menestrelen tevens muzikanten waren, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij begonnen zijn met een klein voorspel. Zoo lezen wij in den roman _van Lancelot_: Hi tymperde die harpe eer iet lanc, Ende begonste harpen enen sanc[25]. Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht begeleid heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten zelfs niet, of de verzen in den toon van het recitatief of slechts rhythmeerend voorgedragen werden. Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig zeggen der verzen, of streefden zij er ook naar, de personen in hun verhaal ten minste met de stem, misschien ook in houding en gebaar, te verbeelden? Verwonderlijk zou dat niet zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners van Provence een speelman: _contrafazedor_, d.i.: conterfeiter, nabootser. Het voordragen van een stuk door één persoon met verschillende stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, ook niet een menschenstem nabootsen?[26] Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke speellieden pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren nafluiten en nabootsen (wie hoorde zulke kunstenaars nooit ten platten lande of in kleine steden?) dacht aan den vogel Garrulus, de gaai, die ook bij de hedendaagsche vogelkenners geroemd wordt om zijn nabootsingstalent. Vooral de Vlaamsche gaai moet "een der meest begaafde en onderhoudende inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen hinneken als een veulen, anderen hebben zich geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen als een hen. Een hedendaagsch natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij eens in het bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van de ekster, de stem van den spreeuw... en eindelijk, opkijkend, een Vlaamsche gaai boven zich zag[27]. Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van _der Naturen Bloeme_ nu lezen wij van de gaai: Wat so bi hem lijt [Zijnoot: hem voorbijgaat.] ooc mede, Ist man, ist voghel, ist enich dier, Bespot dit voghelkijn al hier, Ende conterfaet alrehande luut ... ... Gheplumt ist van menigher ghedane ... ... Garrulus dit dinct mi vele Bedieden some menestrele, Die altoes sijn onghestade, Ende callende vroe ende spade Vele boerden, vele lueghen, Ende conterfeiten dien si moeghen, Bede riddere ende papen, Porters, vrouwen ende knapen, Daer si scone sijn omme gheplumet. Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, dat de bedoelde menestrelen inderdaad door stem, houding en gebaar de personen in hun verhaal trachtten uit te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog op het laatste vers, waarschijnlijk, dat de menestrelen soms gekostumeerd zijn opgetreden. Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een handschrift. Op zulk eene voordracht immers doelen de talrijke plaatsen waar van _lesen_ sprake is in den zin van _voorlezen_[28]. In verband daarmede wordt, ten minste in _Sinte Lutgarts Leven_, de voordracht zelve _lesse_ genoemd[29]. Opmerkelijk is ook de niet zeldzame uitdrukking "singen no lesen" of "lesen ende singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend is, maar ons toch ook aan het Oudgermaansche _singen und sagen_ herinnert[30]. Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten uit het hoofd opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk kunnen maken, zijn er ook nu nog. Zij zullen in die vroegere tijden, toen het geheugen zooveel minder beladen en overladen werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men zal dit te eer aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen zich gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken zullen doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn. Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben gegolden, indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te hebben. Wij lezen op eene vroeger vermelde plaats van den _Karlmeinet_, dat er menestrelen waren De van mynnen ind leve [Zijnoot: liefde.] Sprachen _sunder breve_[31]. Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij las, hij kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner hoorders had grenzen. Zeker, het publiek dier dagen, niet verwend en luistergraag, zal niet spoedig te veel hebben gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op bedacht, aan het dreigend "te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij hier en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen als: "Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze uit _Floris en Blancefloer_: Het soude u allen dinken te lanc, Noemdic u die gherechten alle[32]. Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, maar ook door bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor hetgeen onmiddellijk zal volgen. Het zijn wendingen als: "Hoort hier wonder groot!", "Hoort hier ontfermelike dinc!" of: Nu alre irst so mogedi horen Utenemende aventuren. Ook klinkt het wel overredend: Maer wildi vort met lesen duren, Ghi sult hier horen scone die jeeste[33]. Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders wel eens verveeld hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen over zijn publiek verdienen stellig niet alle letterlijk te worden geloofd; doch de aardige verzen waarin hij de verveling zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor een deel werkelijkheid bevatten[34]. Een zoo omvangrijk gedicht als het _Leven van Sinte Lutgart_ zal wel in verscheidene "lessen" en op achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het spreekt vanzelf dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd moesten pauzeeren. Met de groote ridderromans zal het wel niet anders zijn gegaan. Doch men behoefde natuurlijk niet steeds een werk in zijn geheel voor te dragen; het karakter van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed juist tot gedeeltelijke voordracht. De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men gewoonlijk in ééne "lesse" voor? Zou men ook te onzent, evenals misschien in Frankrijk, niet meer dan twee of drie duizend verzen tegelijk hebben gelezen of gezegd[35]? Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is in dezen nog niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. Wij kunnen slechts door een paar voorbeelden de richting aangeven, waarin met eenige kans op vinden kan worden gezocht. In den grooten roman der _Lorreinen_ die waarschijnlijk uit een honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk in zijn geheel kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan een plaats verzen die het begin, andere die het eind eener "lesse" schijnen aan te wijzen; niet zelden geeft de voordrager daar eene korte samenvatting van hetgeen te voren verhaald was, om daarna den draad van zijn verhaal weer op te vatten. Zulke literaire pleisterplaatsen vindt men ook in den _Walewein_ en den _Reinaert_. In de _Lorreinen_ leest men b.v. (na de gewone opwekking tot aandacht: "Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze samenvatting: Gi hebt hier voren wel gehort, Hoe van Bordeas der port Was gereden her Garijn enz. Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van den inhoud der drie groote deelen van het gedicht, en iets later deze samenvatting van het voorafgaande: Gi hebt hier voren verstaen wel, Hoe Gelloen die ridder fel enz. Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke recapitulatie vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven door een groote geschilderde hoofdletter[36]. Zoo ook in den _Walewein_: Nu latic hier of die tale, Ic salre weder toe keren wale. Ghi hebt wel ghehort hier voren Hoe Walewein die ridder uutvercoren Jeghen den roden ridder vacht Die.... Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: "Ic wille corten mine tale" misschien het eind eener voordracht[37]. Dat men het gedicht _Van den Vos Reinaerde_, bijna 3500 verzen, in ééne "zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; doch waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt gekozen zal hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8: nu moet hi pleghen siere sele Reinaert bi Grimbeerts rade, ende ghinc te hove up ghenade. om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende vs. 1689: Nu es die biechte ghedaen. Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder na vs. 1962. Wij lezen daar: Nu waren die drie heren gereet, die Reinaerde waren te wreet. dat was de wulf ende Tibeert ende her Bruun die hadde gheleert honich stelen te sinen scaden. Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan zijne "lesse" midden in het verhaal der voltrekking van het vonnis aan Reinaert die tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: waarom zou hij de aandacht zijner hoorders niet gespannen hebben met dezelfde kinderlijke kunstgreep, waarvan zich in onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs bedienen, wanneer zij een hoofdstuk besluiten met: "Eensklaps weergalmde een schot!" of: "De doodstraf nam een aanvang"? Behalve de mogelijkheid dat men den _Reinaert_ in zijn geheel of in twee deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze andere: dat men telkens slechts één of meer der afzonderlijke verhalen hebbe gekozen waaruit het gedicht bestaat. Men zal b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als deze: Inleiding (vs. 1-464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs. 465(518)-1014); zending van Tibert (vs. 1043-1356); zending van Grimbaert (vs. 1357-1750); Reinaert ten hove (1751-3018; misschien met een rust vóór vs. 2551: "Doe Reinaert quite was ghelaten"); Reinaert's wraak (3019-3476). In allen gevalle is het wel opmerkelijk, dat de Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld is in een aantal hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen met de bovenvermelde, door mij afgedeelde, "lessen". Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch gedicht geeft ons o.a. de roman _van Limborch_. Dit verhaal is verdeeld in een aantal boeken, welke--evenals in de _Lorreinen_--door eene groote gebloemde letter zijn onderscheiden[38]. Sommige dezer boeken die van 1000-1400 verzen tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In de overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot van eenig onderdeel een "amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt[39]. Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden pad moeten wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op de in den aanvang gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal voortgezet onderzoek ons dat brengen? Voorloopig meen ik het te moeten betwijfelen. Voor den omvang dier middeleeuwsche voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene regelmaat van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en op een anderen keer 1000 en bij weer een andere gelegenheid 2000 verzen hebben voorgedragen? Of welk ander aantal ook, afhankelijk slechts van de omstandigheden, den aard der stof in verband met de aandacht van het publiek en de persoonlijkheid van den voordrager? Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel van ons verhaal kunnen besluiten. Alle poëzie--zeiden wij vroeger--en het grootste deel van het proza der middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd te worden voorgedragen en aangehoord. In die uitspraak ligt opgesloten, dat verzen en proza ook langs een anderen weg ter kennisse van het publiek konden komen; men begrijpt, dat ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen. Er zijn in de tweede helft der 13de eeuw wel reeds lezers, in onzen zin des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat wij die in de eerste plaats onder de geestelijkheid en daarna onder den adel zullen vinden. Zoo zegt MAERLANT'S vriend MARTIJN aan het slot van het strophisch gedicht _Van der Drievoudecheide_: Als ic dit lese ende spelle Maghic leren, als ic vertelle, Mijn ghelove al bloot. In den proloog van _Sinte Lutgarts Leven_ lezen wij: Mar wonder hevet mi van desen Warumme si so gerne lesen Van ouden sagen dat gedichte, Ende oc geloeven also lichte Din logeneren die se tellen[40]. En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die hem niet gelooft aan: Dat hi die vite van der maget ... Of selve lese, ochte imene el Hem lesen doe[41]. In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking der _Historie van Troyen_ voorspelt de dichter, sprekend van HECTOR'S dood: Oec alle heren ende vrouwen Diet lesen, sullen maken rouwe[42]. En in _der Naturen Bloeme_ zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS: Ghebiedijt, here, dit suldi lesen, Die wile dat ghi ledich sout wesen[43]. Misschien heeft MAERLANT in zijn _Rijmbijbel_, die toch tenminste evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd was, het oog op zelf lezen, als hij schrijft: Nu merct ghi die hier in zult lesen, Wat nutscap hier an zal wesen. Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal niet geweest zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? Het mag betwijfeld worden. Ook had de adel tal van vermaken en ontspanningen die hij hooger stelde dan deze vermoeienis des geestes. De geestelijken konden wel lezen, doch Latijnsche geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de kloosters werd bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen. Voorzoover de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur waarschijnlijk tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het lager onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al kon lezen, dan eischte het koopen van een handschrift toch eene vrij hooge mate van stoffelijke welvaart, want een handschrift bleef vooreerst nog een voorwerp van weelde; het lezen eischte smaak in geestelijke ontspanning, vrijen tijd en niet minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en denken, zich openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van algemeen verbreid was. Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van gevoelen en denken konden komen, hadden zij nog menig stadium van ontwikkeling te doorloopen. In het eerstvolgende dier stadiën zullen wij hen nu gadeslaan. AANTEEKENINGEN. [1] _Sp. Hist._, IV, 1, cap. XXIX. [2] A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor: "_sponsos_ magis estimatos quam clericos." [3] T.a.p. III, 2146: "Als hi dus pipet ende mauwet." Vgl. ook XI, 149: "blasen ende pipen" in verband met het woord "noten" in vs. 151. [4] _Eerste Martijn_, vs. 371-388. [5] A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22. [6] _Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk_., II, 230, vs. 493-4. [7] Vgl. b.v. _Moriaen_ 4641-2: "Menestrele ende yraude mede || Ward daer gegeven grote rijchede"; _Lorr._ (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs. 1342. _Torec_, vs. 2714-'5: "Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi alle gichte danne". Dat _menestreel_ verdietscht werd met _speelman_, zien wij in _Karlmeinet_, A. 287, vs. 12-13: Hundert mynistrere, De wir nennen speleman. [8] A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld _Van Feeste van Heren_ lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195: Dan roepen die eerauden voort Den danc als die vrouwen ramen, Ende noemen overluut bi namen Wyet verdient nae wapen recht. [9] Vs. 15259 vlgg. [10] A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud van het capittel: _De Electione notarii_. [11] Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, bl. 52, 55. Over den roman _van Walewein_ vgl. het vroeger medegedeelde en vs. 19-21 van den proloog. Wat de _Lorreinen_ betreft, verwijs ik naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten, p. 17, vs. 371-2; 28, 637-9; 30, 661; 32, 730-'4. [12] Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p. bl. LI vlgg. [13] In de _Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht_ (ed. Mr. CH. M. DOZY), p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: "Symoen vern Anesoeten sone van wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn vriend VERDAM. Bij nader onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande posten nog tal van dergelijke benamingen voorkomen, die duidelijk maken dat _ver_ in het laatst der 13e eeuw geene adellijke dame aanduidde. Zoo b.v.: "Thout Jan ver Haedwien sone"; "Van den mele Jan ver Diewien sone"; "Ysere Heyne ver Lisbetten sone" enz. [14] _Eneide_, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE GRAVE) blijkt. [15] _Nat. Bloeme_, III, 2135. In afwijking van het _Mnl. Wdb._ vat ik hier _onghestade_ op als _ongedurig, zwervend_. Immers dan alleen gaat de vergelijking op met den gaai "die van bome te bome vliecht ende sprinct.... Noch gheduert in ghere stede." [16] A.w. vs. 10514-6. [17] _Alex._, V, 1041-7. In de _Alexandreïs_ op de overeenkomstige plaats, (V, 483): Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas Cum cytharis mimi: [18] _Karlmeinet_ (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog 296_b_, vs. 48 vlgg. [19] Vgl. o.a. _Mnl. Wdb._ i.v. III, kol. 592. [20] A.w. II, vs. 5089, 6271. [21] Proloog, vs. 3 vlgg.; 72-5. [22] Eenige bewijsplaatsen uit vele: _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 124; _Flor. en Blanc._, 16; _S. Lutgart_, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, 11393, 13817; III; 68, 2737; _Roel._, 210; _Merlijn_, vs. 545; _L.o.H._, vs. 17. [23] Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag of de proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier niet dieper treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk onderzoek verdienen. [24] A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig. [25] II, 29408. [26] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neueren Dramas_, I, 380. Over het voordragen met "Stimmenwechsel" ald. 34, 160. [27] Vgl. BREHM'S _Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II, 227-8. [28] _Sp. Hist._, I, 280 (2e kol.): "Maer die scone bispele || Diemen gerne lesen hort"; _Bere Wiss._, 391: "daer ic vormaels ave las"; _Ferg._, 4509: "dus gedaen dinc hordic noit lesen"; _Rijmb._, 27099: "Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment leest bi sullen wesen" (de toehoorders). [29] II, 168. Vgl. voorts _Mnl. Wdb._, IV, kol. 403-4. [30] _Moriaen_, 2506-7: "Van soo vreseliken dinghen || En horde noit man lesen no singhen"; _Walewein_, 4994; _Troyen_ (Epis. ed. VERDAM), 4687, waar in het origineel staat: "Jamès hom _n'orra_ tel esforz"; _Leven v. S. Lutgart_, II, 3157, 5580, 7631. Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den _Reinaert_, I, 2981 en _Mnl. Wdb._, IV, p. 392, 394, 395, 396. [31] D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd. Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in _Mnl. Wdb._, I, kol. 1337. [32] Vs. 2197-8. [33] Vgl. o.a.: _Reinaert_, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, 2848 en pass.; _Aiol_, 25, 602, 615, 983; _Van Sente Brandane_, C. vs. 1, 5, 30, 1702; H. vs. 2014, 2026; _Moriaen_, 1688-90; _Lancelot_, II, 10-11. Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd, die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn _Leven van S. Lutgart_ ten onrechte stoplappen noemt. [34] Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over WILLEM VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: _Neue Jahrbücher für das klassische Altertum_ etc., XIII Bd., 6. Heft. [35] Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288. [36] Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (_Kar. de Groote en zijne XII. Pairs_), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. 1354 vlgg.; bl. 74-75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in _Tijdschr. v. N.T. en L._, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog Fragm. JONCKBLOET, bl. 131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, bl. 31, vs. 95 vlgg. Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere _rubricae_ is het misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen. [37] Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener "lesse" in vs. 1867 en vs. 2842? [38] Inleiding, p. XXXV. [39] I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal "amen's"; in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; V, 1738; ook aan het slot; VI, 2234. [40] II, 47-51. [41] A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165-7. [42] _Epis._, vs. 6676-7. [43] _Nat. Bl._, bl. 169, vs. 4029-4030. TUSSCHENSPEL. ONTKIEMING VAN HET NATIONALITEITSGEVOEL. Maerlant. Ridderpoëzie. Heyn van Aken. _Hughe van Tabarien_; _Roman van de Roos_; _Roman van Limborch_. Jan van Heelu. _Slag bij Woeronc_. Lodewijk van Velthem. _Flandrijs_. _Vlaamsche Rijmkroniek_. _Brabantsche Yeesten_. Melis Stoke. Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver meermalen iets aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk voortgekomen of onder hen opnieuw geboren, als het inheemsche tegenover het uitheemsche mocht worden gesteld. In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar wel gevoel voor het ridderwezen in zijn heroïek idealisme, zijn hoofschheid en fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover het ridderlijke, het dorperlijke tegenover het hoofsche; uit gemis aan aesthetischen zin het aanschouwelijke en beeldende opgeofferd aan de eischen van fatsoen en zedigheid. In den _Karel en Elegast_ bewonderden wij eenvoudig en zuiver gevoel, sober en met naïeve kunst verwerkt. Het gedicht _Van den Levene ons Heren_, de poëzie van WILLEM VAN AFFLIGHEM, vooral die van HADEWIJCH, toonden ons innigheid van godsdienstig gevoel in bevallige vormen en de hooge vlucht der ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal _van den vos Reinaerde_ sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren spot in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden. Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen om te onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend krachtig en bezield. Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het nationale tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen stellen. Doch men zou zoo doende uit het oog verliezen, dat er in dezen tijd van het nationale in den vollen zin des woords eigenlijk niet gesproken kan worden, omdat uit de bewoners dezer landen nog niet eene natie, ééne natie, was ontstaan. De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog hebben, behoorden echter tot de elementen waaruit zich het Nederlandsch volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het zoover kon komen, moesten de onderscheiden volksgroepen hier te lande zich nauwer aaneensluiten. Dat kon weer niet geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger samenhang ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere, eene eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en gewoonten, kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond, waaraan zij allen eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen tegen indringers, waaraan zij gehecht waren door de kracht der gewoonte en doordat zij er zich thuis gevoelden. MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn volk, dat hij onder de eersten zich bewust wordt van die gehechtheid aan den geboortegrond, die zulk een voornaam bestanddeel vormt van het nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid is hij niet uit zich zelven gekomen. GAUTIER DE CHATILLON heeft hem door zijne _Alexandreïs_ op die gehechtheid aan den geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S warme ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige wijze weergegeven in deze verzen: Owi, here God, hoe macht sijn Dat elken minsce int herte sijn So soete dunct sijns selves lant? Die Brabantsoen prijst Brabant Ende die Fransois Vrankerike, Die Duutsce dat Keyserrike, Die Baertoene [Zijnoot: Bretagners.] prisen Baertaniën, Die Tsampanoise Tsampaniën, Also mint die vogel dwout, Daer hi in hevet grote ghewout [Zijnoot: vrijheid.]. Al dademene in een waerme mute [Zijnoot: kooi.], Mach hi, hi vlieghet ute. Dus priset elckerlijc sijn lant. Maerlant seide dat hi noit en vant Also goet lant alse Bruxambocht [Zijnoot: het Vrije van Brugge.]. Ic waens hem daerbi heeft ghedocht, Omdat hiere in was gheboren[1]. Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting van het begrip _geboortegrond_, waar hij over Frankrijk en Duitschland als het land van _de_ Franschen, _de_ Duitschers spreekt. Doch daarnaast zien wij eene beperkter opvatting, waar hij Champagne en Bretagne in één adem met zulke landen noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn geboortegrond voorstelt. MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner tijdgenooten hebben weergegeven. De dichter van den _Reinaert_ moge een enkele maal den blik laten weiden over het groote laagland "tusschen de Elbe en de Somme", HADEWYCH hare geestverwanten hebben gehad in Thuringen en Saksen, geestelijken en clercken als MAERLANT een deel van Europa hebben omvat met hun blik--de groote meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen binnen den kring van de eigen stad of de streek, waar zij geboren waren. De blik der meesten werd beperkt door de grenzen van het graafschap of hertogdom, waartoe zij behoorden, en richtte zich betrekkelijk zelden op naburige landen en volken. Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo licht zich uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks het midden der 13de eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen wij in het laatst dier eeuw en in den aanvang der volgende ook elders in deze landen waarnemen. In Limburg, Brabant, Vlaanderen, die landschappen dus, waar het letterkundig leven tot nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien wij het volksgevoel ontwaken en zich uiten in den roman _van Limborch_ en den _Flandrijs_, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den _slag bij Woeringen_, in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE. Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de meeste dezer werken het volksgevoel--of beter: het stamgevoel--verbonden zien met de verheerlijking van den adel, dat de vorm dier werken ons herinnert aan dien der ridderromans, dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen, de ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den roem van dat geslacht te verhoogen, vinden wij op groote schaal terug bij een ganschen stam. Zoo kwam een dichter er toe, de verheerlijking van een geslacht uit te breiden tot den stam, waarover dat geslacht regeerde. Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een 14de-eeuwsch dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een strijd tusschen de machtige heeren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. De bedoeling van den dichter was natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van Grimbergen. Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang vernemen, dat "die van Brabant" gekomen zijn "uut dien van Troyen[2]." Langs dien, ook later niet zelden gevolgden, weg verhief men een gansch volk tot den adelstand. Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer voorstelling versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de oorspronkelijke ridderpoëzie de liefde tot het eigen land zich reeds openbaart. Toont de onbekende dichter der _Chanson de Roland_ niet eene sterke liefde voor "dulce France"? Het zou geen wonder zijn, dat menig hoorder der Nederlandsche bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen: Dan wille God niet, dat ghesciet, Dat soete Vrankrike bi mi Sijn eere verliese, hets soe vri! of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren[3]. In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman echter vond ik de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners zoo diep gevoeld, zoo uitvoerig in wezen en werking beschreven, als in den roman _van Lancelot_, in deze verzen: Alsi ter zee quamen mettien, Begonste Lancelot dat lant besien, Daer hem in was menege ere Gedaen ende oec vele mere Dan oit daer vore was, sonder waen, Enegen riddere allene gedaen. Hem begonste lopen sere Die trane op sirie lire [Zijnoot: wangen.], Ende hi versuchte doe sware Ende weende sere daernare. Alsi aldus hadde gewesen Ene wile, hi sprac na desen Stillekine, so dat dese word Nieman en verstont dan Bohort: "Ay soete lant ende godertire "Ende mergelijc [Zijnoot: vreugdevol.] in alre manire, "Wel sittende ende blide mede, "Vol van alre geluckechede, "Daer min geest in blivet geellike [Zijnoot: geheel en al.] "Ende mine ziele dier gelike, "Gebenedijt moetstu talle stonde "Wesen van Jhesus Kerst monde, "Ende gebenediet soe sijn si "Dire in bliven selen na mi "Ende wonen selen in desen lande! "Sijn si mi vriende oft viande, "God mote hen pays geven "Ende met rasten [Zijnoot: rust.] doen leven!" ... ... Dit waren sine worde die hi sprac, Alsi uten lande van Logres trac. Hi sach ten landewaerd nadien, Alse lange als hijt conde gesien[4]. Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat ons lief geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten, die gefluisterde zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust! Hoe modern reeds, al hooren wij hier slechts een flauw voorspel van dergelijke poëzie in lateren tijd, wanneer CHILDE HAROLD zijn "native shore" vaarwel zal zeggen. Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een kiem van nationaliteitsgevoel, dien wij in het _Roelants-lied_ en den roman _van Lancelot_ kunnen opmerken, vinden wij ook in de meeste bovengenoemde Dietsche dichtwerken en dichters. De _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn ridderromans; HEYN VAN AKEN, dichter van den _Limborch_, toont ook elders sympathie voor het ridderwezen; de _Slag van Woeringen_ is half ridderroman half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU, zal wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord hebben; de edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S _Spieghel Historiael_ voort, doch is tevens de samensteller van de Lancelot-compilatie. De _Vlaamsche Rijm-Kroniek_, de _Brabantsche Yeesten_ en MELIS STOKE'S _Rijmkroniek van Holland_ zijn zuiver-historische werken; doch men vergete niet, dat deze werken ten deele strekken moesten om de aanzienlijke afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te betoogen, en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn recht van bestaan ontleende. De dichter van den _roman van Limborch_, HEYN VAN AKEN, was vermoedelijk in Brussel geboren en tijdens zijn leven pastoor van Corbeke bij Leuven. Wij kennen drie werken van hem; twee vertaalde: _Hughe van Tabarien_ en den roman _van de Roos_; een oorspronkelijk: den _roman van Limborch_. Het laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291-1318; het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking van den _Limborch_ eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van het eerste is onzeker. De dichter moet vóór 1330 gestorven zijn; zeker niet zoo heel lang na de voleindiging van den _Limborch_[5]. In den aanvang van het Tiende Boek immers stelt hij zich aan zijn publiek voor als een oud man: hij is versleten, het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig genoegen "leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne deugt hij niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij moge dan pastoor geweest zijn, aan het slot van zijn _Hughe van Tabaryen_ schreef hij: Dit hevet ghedicht, te love ende theeren [Zijnoot: ter eer.] Allen rudderen, Heyne van Haken[6]. Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond of wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht _De l'Ordene de Chevalerie_ in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting van