The Project Gutenberg EBook of Nieuw-Guinee en de exploratie der
"Meervlakte", by J. W. Langeler and L. A. C. M. Doorman
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
Title: Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte"
De Aarde en haar Volken, 1918
Author: J. W. Langeler and L. A. C. M. Doorman
Release Date: December 23, 2006 [EBook #20167]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NIEUW-GUINEE ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Nieuw-Guinee, een der grootste eilanden van onzen aardbol, 24 × zoo groot als ons vaderland, werd ontdekt in 1545 door den Spaanschen reiziger Ynigo Ortiz de Retes. In de oude scheepsjournalen van Spanjaarden en Portugeezen komt de naam geregeld voor. Het is dan ook vrij zeker, dat, toen de Hollanders bezit namen van Indië, het bestaan van Nieuw-Guinee hun niet onbekend was. Spoedig werden schepen derwaarts gezonden, teneinde te pogen handelsbetrekkingen aanteknoopen. Deze tochten hadden geen of weinig succes; onze oude zeevaarders hadden veel te lijden van vijandelijkheden der bevolking en de scheepsbemanningen werden gedecimeerd door de gevreesde “Papoesche ziekte.” Aangezien er bovendien weinig voordeel te behalen was, werden deze tochten allengs gestaakt. In de tweede helft der 18e eeuw is het initiatief tot onderzoekingsreizen geheel in handen van Franschen en Engelschen en de namen van eenigen onder hen bleven tot heden aan de geografie van Nieuw-Guinee verbonden als Kaap d’Urville, Maccluer golf e.d.
In 1828 werd door de Nederlandsche regeering [142]de geheele West-, ZW.-, en Zuidkust tot 141° OL. verklaard tot haar territoor. Een bestuurszetel werd gevestigd, Fort du Bus; deze plaats werd in 1836 echter weder verlaten, daar men niet bestand was tegen het moordend klimaat. Ondanks dit, breidde onze Regeering in 1880 haar gezag nog verder uit, ditmaal over de geheele Noordkust tot aan de Humboldtbaai. Wat de Oostelijke helft betreft, in 1885 verdeelden Duitschland en Engeland deze in ongeveer gelijke deelen.
Bestuursvestiging in ons gebied had wederom plaats in 1898; toen werd Manokwari (Menukwari) de hoofdplaats van de afdeeling Noord-Nieuw-Guinee en Fakfak voor de afdeeling West- en Zuid-Nieuw-Guinee.
Na 1912 was de indeeling als volgt;
Noord Nieuw-Guinee, met bestuurszetel Manokwari, ressorteerend onder Ternate.
West Nieuw-Guinee, met hoofdplaats Fakfak.
Zuid Nieuw-Guinee, met Merauke; beide laatste afdeelingen ressorteerend onder de residentie Amboina.
Tot 1903 was hier betrekkelijk nog zeer weinig van land en volk bekend. In den loop der tijden slechts hadden de zeevaarders de kusten vrij behoorlijk in kaart gebracht; aan de zendelingen, die sinds 1855 op Nieuw-Guinee hun vestigingen hadden, was het te danken, dat eenige van de onmiddellijk aan zee grenzende streken met hun bevolking meer nauwkeurig bekend werden.
Nu kwam in 1903 en volgende jaren een groote verandering. Wetenschappelijke genootschappen in Nederland gingen voor in het organiseeren van meer systematisch opgezette onderzoekingstochten en in 1907 volgde de Regeering met de oprichting van de “Militaire Exploratie-detachementen voor Nieuw-Guinee.”
Van de eerstgenoemde, dus particuliere tochten vermelden wij:
1903. Expeditie Wichmann, exploreerende Humboldtbaai en omgeving.
1904–05. Expeditie tot het betreden der “eeuwige sneeuw”, in 1623 door Jan Carstenz het eerst vanaf de Zuidkust gezien. Het doel werd niet bereikt.
1907. Eerste expeditie Lorentz; bereikte van uit de Noordrivier (Zuidkust) een hoogte van 2600 M.; bracht belangrijke verzamelingen mede.
1909–10. Tweede Lorentz expeditie; beklimmen van de helling van den Wilhelminatop en bereiken der sneeuwgrens op ± 4500 M.
1913. Expeditie Franssen Herderschee; bereikt de kruin van den Wilhelminatop; zag om de Noord een zwaar bergland van evenwijdige O.W. loopende ketenen; groote verzamelingen op allerlei gebied.
In 1907 dan werd samengesteld het Militaire Exploratie detachement voor Zuid Nieuw-Guinee, ter beschikking van het Civiel Bestuur, met het doel om op stelselmatige wijze het land te karteeren, de bevolking en de gesteldheid van den bodem te leeren kennen; in 1909 volgde de oprichting van een overeenkomstig detachement voor Noord-, in 1910 evenzoo voor West Nieuw-Guinee. In 1912 ging de leiding van de geheele exploratie over in militaire handen en wel directelijk in die van den Militairen Commandant van Amboina.
De resultaten door deze detachementen verkregen tot in het jaar 1913 waren:
Zuid. Basis Merauke. Verkenning langs de kust; opvaart van alle rivieren tot den oorsprong, voor zoover uitmondende tusschen Etnabaai en Bensbach rivier; van deze rivieren is de Digoel (tot ± 700 K.M. opgevaren) de grootste, daarop volgen de Eilanden- en de Lorentz- of Noordrivier. Eenige doorsteken van den grooten Digoel naar de Flyrivier. Vaststelling van het feit, dat geheel Nederlandsch Nieuw-Guinee bezuiden de hoogketens van het Centraal Gebergte één uitgestrekte, op vele plaatsen moerassige vlakte is; en dat vele van de geëxploreerde rivieren ver van hun mondingen onderling door armen (antassan) verbonden zijn; men vermoedt zelfs alle. Doorkruisen van het vlakke oerwoud van Frederik-Hendrik eiland. Panorama’s en vastlegging van bijna den geheele Zuidrand van het Centrale Gebergte, waaronder de groote sneeuwtop-complexen: Carstensz, Wilhelmina, Juliana, (Luitenants ter zee Van der Ven en Chaillet). Beklimming van den Goliath tot ± 3300 M.
Het detachement werd einde 1913 na beëindiging van zijn taak overgebracht naar den Mamberamo (Pionierbivak) voor de binnenland-exploratie benoorden het Sneeuwgebergte.
West. Ingesteld begin 1910, opgeheven na uitgevoerde opdracht begin 1914. Basis Kaimana. Het van alle kanten doorkruisen van den geheelen “Vogelkop”, zooals men het schiereiland noemt links van de lijn Geelvinckbaai-Etnabaai; vergemakkelijkt door den ingesneden vorm van het land en de menigvuldige Papoeapaden, die het bereiken van alle punten mogelijk maakten. Het Zuidelijke schiereiland is niet boven de 800 M. hoog, behalve bij de Wandammenbaai, waar men tot 1200 M. klimt. In het Noordelijke schiereiland echter rijst de 3000 M. hooge Arfak op met de 1900 M. boven zee liggende Anggimeren. De grootste rivier van den (Noordelijken) Vogelkop is de recht Noord-Zuid loopende Kamoendan, die in de Golf van Maccluer uitmondt.
Noord. Aanvang September 1909, ter beschikking van den Assistent-Resident van Manokwari. Basis Hollandiabivak aan de Humboldtbaai, na begin 1912 Manokwari. Tevens belast met de voorloopige maatregelen voor de uitvoering van het Gouvernementsbesluit van Maart 1910: het vaststellen van een natuurlijke grens tusschen Nederlandsch en Duitsch Nieuw-Guinee. In November 1910 kwam het detachement weder beschikbaar voor de systematische exploratie der Noordkust.
In de “Grensregelingsperiode”: exploratie van het Tamibekken, het Sentanimeer, het Bewani-gebergte (Mokkofiang) en de Keeromrivier. De laatste werd gevolgd, in de hoop dat zij, zijrivier van de Kaiserin-Augustarivier, Zuidwaarts buigend, met deze een geschikte grensrivier vormen zou; doch zij werd verlaten door den Kapitein Sachse bij het punt Terminus, toen de loop onveranderlijk westelijk bleek. Deze detachementscommandant opperde toen het vermoeden, dat de Keeromrivier de oorsprong van den Mamberamo kon zijn. Belangrijk is ook van dezen tijd de opvaart der Kaiserin-Augusta rivier door den Luitenant ter zee Rambonnet en daarna door de Nederlandsch-Duitsche Grensregelingcommissie in 1910–1911 tot nabij haren oorsprong op ruim 1000 K.M. van de monding. [143]
[144]
Na November 1910: exploratie van alle rivieren der Noordkust en van de delta van den Mamberamo. Exploratie van het Arfak- (3000 M.), Weijland- (3750 M.), Gauttier- (2000 M.), Bonggo- (1200 M.) en Cycloopgebergte (2000 M.). Aan den hoogsten top van het Weijlandgebergte, 3750 M., komen samen de hooge ketens van Weijland-, Nassau- en Charles-Louis-Gebergte; van dicht hierbij (3250 M.) werden de Geelvinckbaai en de Indische Oceaan gelijktijdig overzien en kreeg luitenant ter zee Stroeve zijn peilingen tot in den Afrak, voorwaar een schitterend resultaat!
Het detachement voegde zich in Maart 1914, na beeindiging der Noordkust-exploratie, bij het reeds in Pionierbivak gelegerde “Detachement van den Mamberamo”, om deel te nemen aan de exploratie van het Binnenland.
Er bleef nu nog over de Exploratie van het Binnenland benoorden het sneeuwgebergte. Hier was de Mamberamo de toegangsweg, Pionierbivak hoofdbivak. Dat deze exploratie zwaar zou worden in vergelijking met die van Noord, West of Zuid, bleek hieruit, dat geen Papoeapaden ten dienste stonden als in West Nieuw-Guinee; dat er één weg was, de groote Mamberamo, doch door sterken stroom en versnellingen oneindig veel moeilijker te bevaren dan de vlakte-rivieren der Zuidkust; dat het land één dun bevolkt oerwoud was, waar men niet te rekenen had op tuinproducten van de bevolking; en dat de afstanden enorm waren.
Alvorens in de schetsen over die exploratie te schrijven, willen wij nog kortweg recapituleeren en de geschiedenis van den Mamberamo aanvullen. Wij noemen dan:
1826. Ontdekking van de monding door Dumont d’Urville.
1884. Eerste opvaart door van Braam Morris, Resident van Ternate, met de “Havik” tot Havik-eiland.
1900. Idem door de “Camphuijs” (K.P.M.)
1906. Idem door de “Brak” (Gouvernements-Marine) met hetzelfde resultaat, n.l. niet boven Havikeiland.
1909. Door den Commandant van Hr. Ms. “Edi”, den Luitenant ter zee Rambonnet, werd met het communicatie vaartuig “Pionier” in Juni-Juli de Mamberamo opgevaren, de versnelling bij Havikeiland zonder bezwaar genomen en bereikt een punt op korten afstand beneden de door hem aldus gedoopte “Marine vallen”; met een prauw verder gegaan door de Marine versnellingen heen en gekomen tot bij de eveneens door hem gedoopte “Edivallen.” Bij de terugvaart afgevaren per prauw de Aiberam of Weir, linker delta arm van den Mamberamo.
Uit de rapporten van de vier genoemde opvaarten halen wij nog aan:
“Havik”, Juli 1884: “Gedurende de terugreis hebben wij geen malaria-ziekte gehad. Na terugkeer te Ternate echter kregen allen, die de reis mede hadden gemaakt,—ik meen met uitzondering van 2 personen en er waren in ’t geheel 38 personen aan boord,—in meer of minder mate een aanval van malaria, echter niet in zoo hevige mate als bij de twee latere reizen het geval schijnt te zijn geweest.”
“Camphuys”, Januari 1900: “Deze reis was voor de opvarenden vrij noodlottig. Kapitein de Grooth (gezagvoerder) kreeg malaria en beri-beri, evenals de meeste inlandsche opvarenden en ook stuurlieden en machinisten moesten allen worden vervangen, terwijl het schip zelf geheel moest worden gedesinfecteerd en enkele van de Europeesche opvarenden, waaronder Kapitein de Grooth, voor herstel van gezondheid naar Europa moesten.”
Brak, Juni 1906: “Gedurende de geheele reis en een week daarna werd aan de equipage elken dag een halve gram kinine gegeven, terwijl tevens tegen beri-beri kadjang idjoe werd verstrekt. Toch kregen wij na 14 dagen (men heeft mij verteld het z.g. incubatie tijdperk van malaria) zooveel koortslijders aan boord, dat van de 27 man equipage er slechts 13 geschikt bleken om den dienst waar te nemen. Slechts het machinekamerpersoneel bleef gespaard en ik schrijf het toe aan de hooge temperatuur in de machinekamer, dat zij er zoo goed afkwamen. De koorts begint gewoonlijk de eerste week met zware hoofdpijnen, hooge temperatuur (39°–40°) en absoluut gebrek aan eetlust. Na een week neemt de temperatuur af tot om en bij 38° en deze toestand blijft zoo tot een 14 dagen daarna.”
Pionier, Juni/Juli 1908: “Door den Commandant van Hr. Ms. ‘Edi’ werd meegedeeld, dat, dank zij de door den officier van gezondheid genomen maatregelen (kinine en kadjang idjoe), deze tocht voor de gezondheid van slechts 3 schepelingen schadelijke gevolgen heeft gehad. Deze drie kregen malaria; twee hunner waren na een paar dagen hersteld.”
1910. Poging van Kapitein A. Franssen Herderschee om het sneeuwgebergte vanaf de Noordkust te bereiken. Na de Edivallen te zijn gepasseerd, wachtte hem 40 K.M. verder een groote verrassing: de heuvels verdwenen, de rivier verbreedde zich en zoover het oog reikte, strekte zich naar het Oosten, Zuiden en Westen een zeer groote vlakte uit. Dit was de z.g. “Meervlakte”. Hierna liep de rivier over 25 K.M. recht Zuid en bleek alsdan ontstaan uit de samenvloeiing van twee takken: één komend uit het Westen, één uit het Oosten. Den eerste volgend, bereikte Franssen Herderschee in 10 dagen roeiens den voet van het gebergte; doch nauw tot den landtocht overgegaan, brak onder zijn troep beri-beri in zoodanige mate uit, dat er verscheidenen stierven en de leider met 50% zieken ten spoedigste moest retireeren en de expeditie opgeven. Men was toen nog ruim 70 K.M. hemelsbreed benoorden de Carstenztoppen. De Oostelijke tak, Idenburgrivier gedoopt, werd 45 K.M. opgevaren. Natte moesson.
1910–1911. De Duitsche doktor Max Moszkowski maakte van den weg van Franssen Herderschee gebruik om eveneens het Sneeuwgebergte te bereiken; gebrek aan vivres dwong de kleine expeditie, die in slechts één prauw voer, tot terugtocht. Moszkowski was zeer tevreden over den gezondheidstoestand, dank zij de toegepaste prophylaxe van kinine, zilvervliesrijst en kadjang idjoe.
1911. De bij de expeditie Franssen Herderschee in 1910 slechts 45 K.M. opgevaren Idenburgrivier werd over bijna 400 K.M. verkend door den Luitenant ter zee 1e klasse De Wal. Onbegaanbare kloven met woeste versnellingen aan het eindpunt op 139° 54′ OL. noopten hem tot den terugtocht. Deze reis door de Meervlakte geschiedde in de maanden Juni-Augustus; er kwamen slechts enkele koortsgevallen voor. [145]

Papoea’s van Manokwari.
Tot het reeds genoemde einddoel, het exploreeren van het Binnenland benoorden het Sneeuwgebergte, voer in het begin van December 1913 het eerste échelon van het “detachement voor den Mamberamo” deze groote rivier op.
Dit échelon bestond uit den Kapitein der Infanterie Oppermann als leider, den Officier van Gezondheid Thomsen en den Luitenant ter zee der 2e klasse Langeler. Verder uit eenige Europeesche en Inlandsche onderofficieren, voorts Inlandsche fuseliers en dwangarbeiders. Te zamen een 70 man.
De fuseliers waren in hoofdzaak Javanen en enkele Timoreezen; Amboneezen hadden wij er niet bij. De Timoreezen muntten bijzonder uit. De dwangarbeiders vormden een staalkaart van rassen en stammen; onder hen waren de Atjehers, Palembangers en Boegineezen de besten; hun “zonden” waren moord en grove diefstal; geen wonder, dat het régime streng was en er vaak ter bestraffing naar den rottan moest worden gegrepen.
Een Inlandsche opnemer was toegevoegd aan het detachement; dit was één der z.g. “verkenners” van den Topografischen dienst, welke zijn opgeleid voor detailwerk, doch die ook voor het globalere overzichtswerk uitstekende diensten kunnen bewijzen.
Met een volgend échelon kwamen 40 Dajaks van Borneo, bekwame prauwenmakers en versnellingroeiers en 130 Papoea’s van de kusten, die als roeiers diensten zouden bewijzen.
Eind Maart 1914 kwam het geheele detachement van de Noordkust op den Mamberamo aan en stelde zich onder de bevelen van den leider, Kapitein Oppermann.
Dit detachement bestond uit den Kapitein der Infanterie Schultz, 1e Luitenant Schulze en de Luitenants ter zee 2e klasse Doorman en Stroeve. De Officier van Gezondheid v. Steenis bleef te Manokwari achter. Met een vorig échelon was reeds aangekomen de 1e Luitenant der Infanterie Feuilleteau de Bruin, ter vervanging van Kapitein v. d. Beeke, die na een kort verblijf op Nieuw-Guinee met malaria en beri-beri geëvacueerd was.
Totaal hadden wij derhalve 9 officieren, 160 man kader en fuseliers, 40 Dajaks, 130 Papoea’s en circa 240 dwangarbeiders. Vele zieken maakten een voortdurende vervanging noodzakelijk.
Doreh of Manokwari is de naam voor onzen bestuurszetel aan de Noordkust van Nieuw-Guinee. Het plaatsje ligt aan den Noordkant der baai; het terrein is flauw oploopend met heuvels op den achtergrond. Van af den wal ziende naar het Zuid-Zuid-Westen over de baai heeft men bij helder weer in den vroegen morgen een schitterend uitzicht op het 3000 M. hooge Arfak-gebergte aan den overkant.
Behalve de verblijven en de gebouwen voor de ambtenaren van het Gouvernement, een kazerne [146]voor de gewapende politie, e.d., vindt men één lange hoofdstraat evenwijdig aan het strand met toko’s aan weerszijden. De handelaren zijn Chineezen, zij koopen vogelhuiden in, verkoopen snuisterijen aan de pronkzieke Papoea’s en voorzien verder tegen buitensporige prijzen in de talrijke meer of minder belangrijke nooden van de lagere klassen van het Exploratie-Detachement
De vogelhuiden worden hun geleverd door Papoesche of Ternataansche jagers, aan wie zij geweren, mondkost en een voorschot verstrekken en die na verloop van eenigen tijd hun buit aan hen komen afdragen tegen den overeengekomen prijs. Hier worden goede winsten gemaakt; de prijs van den Paradijsvogel was destijds gemiddeld ƒ 70.– voor de beste soort (Ansoesvogel). Ook andere vogelhuiden worden verhandeld, doch de Paradijsvogel is hoofdzaak; de grootste afnemers waren Amerika en Frankrijk.
De koopende, doch meer nog kijkende, Papoea’s kon men den heelen dag in de winkels zien “lummelen”. Dit luie volkje voert voor den kost geen vinger meer uit dan even noodzakelijk is. Zij leven van vischvangst en landbouw en, als de honger het hun zeer lastig maakt, van koelie-arbeid. Zij hebben zich een zekere beschaving eigen gemaakt; een sarong of lendendoek siert hun lijf en kralen en ringen behooren reeds tot den noodzakelijken opschik. Over den haartooi beslist blijkbaar de spreuk: alles of niets; men ziet of kroeskoppen met 1 à 1½ dM. haardikte of schedelbedekkingen van ½ cM. kroeshaar; beide haartooien zijn evenredig aan hun capaciteiten bewoond. Ook onder de hier wonende Papoea’s komt veel een schurftige huidziekte voor (cascado), welke hun aanzien niet appetijtelijker maakt.
Zij zijn voor een groot deel Christenen; de bekende zendeling Van Hasselt heeft nabij Manokwari zijn “hoofdkwartier.” Het koppensnellen is er onder den druk van het Gouvernement en den invloed van den godsdienst vrijwel uit, doch een enkele maal bezwijkt nog wel het Papoea-hart voor de verleiding van een rechten raak2-tocht.
Hun huizen staan hier en daar langs het strand. Het zijn verzamelwoningen met een middengang met tal van kamertjes ter weerszijden, voor elke familie één. De huizen staan op palen, aan het strand en buiten de laagwaterlijn, wat een hygiënisch voordeel is; een lange “pier” verbindt de woning met den begroeiden oever van de baai.
De prauwen, uit boomstammen uitgehold, liggen bij het huis; zij hebben vlerken, zooals in den geheelen Archipel, en een groot rechthoekig zeil. De Papoea’s zijn goede zeelui en krachtige roeiers; hun pagaaien zijn lang, breed en sierlijk. Een aardig gezicht is het, hen te zien aankomen, als zij hun doel bereikt hebben en de vangst is goed geweest; zij roeien dan zeer snel en doen een regen van zeewater opspatten, de prauw stuift door het water en hun geschreeuw klinkt vroolijk over de baai; hoe minder de vangst, hoe trager de gang.
Het is een opgewekt volkje en om een kleinigheid kunnen zij een heidensch spektakel maken. Gezag en gehoorzamen is hun onbekend: chacun pour soi et Dieu pour eux tous. Er zijn hoofden of korano’s, door het Gouvernement aangesteld, doch mij is altijd verteld, dat hun gezag zich niet verder uitstrekt dan tot de panden van de jas en de klep van de pet, die hun als teekenen van waardigheid geschonken zijn. Toch hebben enkele individuën, ofschoon geen hoofden, grooten invloed; onder dezen bewezen later Dirk Broos en Oscar ons belangrijke, schoon goed betaalde diensten; zij zullen hierna ten tooneele komen.
Het Detachement was gelegerd beoosten Manokwari; de legerplaats heette Kwawi. Hier was tegen het hellende land een groot bivak gebouwd met grintwegen; een goede weg verbond Kwawi met Manokwari en vóór Kwawi was een stevige houten aanlegsteiger gemaakt. Men vond er een hospitaal, groote fuseliers- en dwangarbeiders-barakken en woningen voor officieren en onderofficieren. Alles was in den loop der jaren door het Detachement zelf gebouwd uit het hout der wildernis; de indekking was atap. Het was een permanent bivak van soliede constructie; zelfs een waterleiding ontbrak er niet.
Hier was gelegerd het Detachement van Noord Nieuw-Guinee. Ik ontmoette er mijn collega’s Doorman en Stroeve, kort te voren van patrouille teruggekeerd, en maakte kennis met de overige heeren van het Detachement.
Men had voor ons en onze menschen tijdelijke woningen gereedgemaakt. Dit was wel noodig, want wij zijn een week te Manokwari gebleven en toen eerst met een deel van ons Detachement den Mamberamo opgegaan.
Om te beginnen werden na aankomst (20 November) de “Heemskerk” en het, reeds ter reede liggende, stoomschip “Valk” geheel leeggehaald en alle levende ziel ontscheept. Voor allen en alles werd, vaak dan met moeite, plaats aan den wal gevonden, doch dat we hiermee niet in één dag klaar waren, is te begrijpen.
Daarna werd op de “Valk”, welke ter beschikking bleef, opnieuw ingescheept:3 een échelon van ± 70 man, de materialen noodig voor hun onderdak en voor den verderen bivakbouw en een ruime voorraad vivres.
Tot de 70 man behoorden 3 officieren, n.l. Kapitein Oppermann, dokter Thomsen en ik;4 verder een Inlandsch verkenner, eenige onderofficieren, ± 15 fuseliers en ± 45 dwangarbeiders.
Over de benoodigde materialen behoeft, na de uitgebreide opsommingen in het vorige hoofdstuk,5 niet nader te worden uitgeweid. Slechts zij nog een groote hospitaal-tent vermeld, die in onderdeelen kon worden meegevoerd. De groote motorboot ging mee, twee roeisloepen en twee lichte prauwen.
De afreis van Manokwari was den 26en November. Daar ging het dan ten slotte op den Mamberamo los, na, voor zoover mij betreft, bijna drie maanden van reizen en regelen. [147]
Na Sjeri voeren wij recht Oost benoorden het langgerekte eiland Japèn langs, om vervolgens de Noordkust van Nieuw-Guinee tot Kaap d’ Urville te volgen. Zagen wij het hooge bergland van Japèn bij helder weer en zonneschijn, den volgenden dag kwam de Noordkust tusschen de elkaar snel opvolgende regenbuien slechts nu en dan even te voorschijn. Die kust is weinig schilderachtig.
Men vaart op een mijl of vier uit den wal en aanschouwt niet anders dan het vlakke land, als een donkere streep geteekend aan den horizon. Het is een zandig strand en daarachter groeien rizoforen en tjemara’s. Hier en daar kenmerkt een landhoek zich door donkerder tint; op zulke plaatsen komt gewoonlijk een grootere of kleinere rivier in zee uit.

Samenvloeiing Otken-rivier en Mamberamo (A B).
Kaap d’ Urville heet de Noordelijkste hoek der Noordkust, waar de Mamberamo in zee komt. Zij was moeilijk te herkennen, want landhoeken zijn er vele en de talrijke buien maakten het vinden niet gemakkelijker; de “groote rivier”6 annonceert zich echter op verren afstand door den grooten plas bruin modderwater, die over een rayon van niet minder dan tien mijl uit de kust, op het heldere blauwgroene zeewater drijft. En zoo duidelijk is de scheiding, dat men op een gegeven moment met het voorschip in zoet, met het achterschip in zout water is en de scherpe scheidingslijn tusschen blauw en bruin ter weerszijden ver kan volgen.
Op het lood werd de vaargeul gezocht over de baar of modderbank, die ook hier, zooals voor elke Indische rivier, niet ontbreekt. De minste diepte was 4 vadem.

Groote bocht van den Mamberamo voor Pionierbivak.
Eindelijk voeren we de rivier binnen; de mond was hier een 800 M. breed, de stroom in het midden 3 à 4 mijl. Daar de “Valk” zes mijl volle kracht liep, avanceerden wij dus somtijds slechts met een snelheid van 2 mijl; gewoonlijk konden wij onder den eenen of anderen oever, in minder stroom, voordeel behalen; doch over de 240 K.M. tot Pionierbivak deden wij 4 dagen, waarbij evenwel moet opgemerkt worden, dat we des nachts voor anker gingen.
Als gids voor de opvaart hadden wij de oude kaart van den Luitenant ter Zee Kerkhoven van 1884, welke ook zijnen opvolgers als leiddraad had gediend en die, waar noodig, door hen was gecorrigeerd. De groote rivier toch verlegt zich in die jaren, doch het is minder dan men wel zou verwachten en het bepaalt zich in hoofdzaak tot de lage en ondiepe modderbanken bij de eilanden. Evenals zulks bij het opvaren van alle rivieren gebeurt, houdt men in krommingen den buitenbocht, omdat die het diepste is; de binnenbocht is ondiep. Drijvend zwaar hout raakt daardoor gemakkelijk vast, zoodat men er groot gevaar voor stooten heeft. In binnen- of buitenbocht, kan men zich van verre [148]gezien, nooit vergissen; de eerste toch is in breeden band omzoomd door glagah, een meer dan manshoog uitgepluimd oevergewas. Dit glagah is het wilde suikerriet, doch alleen een hoogst enkele dikke stengel is saprijk en zoet genoeg om de moeite van het uitkappen te loonen.
Den tweeden ochtend zagen wij de eerste heuvelrijen van het Van Rees-Gebergte in de verte, den derden dag voeren wij er tusschendoor tot wij in den avond van den vierden dag op weinig na de plaats van het oude Pionierbivak bereikten.
Bij Scholten-eiland, den derden dag, deed zich de moeilijkheid van den stroom duchtig voelen. Men is hier even voorbij den rand van het heuvelland en heeft wel niet met een stroomversnelling te maken, maar toch is het rivierbed, hoewel breed, op sommige plaatsen zeer ondiep door uitgebreide banken van rolsteenen, welke ook bij lagen waterstand deels droogvallen, zoodat de stroom er sterk is en het water er kolkt.

De “Valk” voor Pionierbivak.
Door de talrijke draaikolken ter plaatse luisterde de slechts zes mijl loopende “Valk” moeilijk naar het roer; op een gegeven moment werden eenige kolken den roerganger de baas; het schip liep zooals men zegt “uit het roer” en werd door den stroom tegen den steilen rotswand geworpen. Wij dachten, dat de schok hevig zou zijn, doch dit viel mee; de oever liep hier onder water blijkbaar hellend af en wij kwamen vrij zacht aan. Het duurde evenwel eenige uren eer wij ons los gemaakt hadden, door ons af te halen aan een zijwaarts uitgebracht werpanker. Het behoeft wel geen betoog, dat het uitbrengen van dit anker met stalen tros in gesleepte sloepen bij dezen zwaren stroom hoogst bezwaarlijk was; toen het anker eindelijk gevallen was, hield het niet in den grond, zoodat het gelicht en opnieuw, doch verder, uitgebracht moest worden. De tweede maal hield het; toen wij los waren scheelde het een klein beetje of wij waren opnieuw geboeid geraakt, doch ditmaal op de overliggende grintbank; wij liepen evenwel vrij, dicht langs Scholten-eiland.
Een voorbeeld van de kwade gevolgen, die zulk vastloopen kan hebben, hadden wij ettelijke maanden later, toen wederom de “Valk” bij dalenden waterstand vastraakte op een verlegden modderhoek bij Kerkhoven-eiland. Het schip had toen voor eenige maanden vivres in. In Pionierbivak waren wij ongeveer juist op het einde van onzen voorraad, de afstand was omtrent 95 K.M. en deze toestand duurde een kleine week; toelichting overbodig.
’s Avonds om een uur of 5 ging het schip voor anker onder den lagen oever, waar goede ankergrond (modder) was en de stroom gering. De sloepen werden gestreken en het heele échelon naar den overwal gebracht, waar op een gunstig plekje bivak werd gemaakt. Het was toch noodzakelijk, dat ieder onder zijn klamboe sliep; om die allen te spannen, daarvoor was aan boord geen plaats. In het eerste bivak waren veel muskieten; wij waren hier nog in de lage moerassige vlakte, die zich vòòr het heuvelland tot de zee uitstrekt; de volgende bivaks ondervonden in dat opzicht reeds den goeden invloed van het heuvelland. Want wij hebben later steeds opgemerkt: waar de vlakte verdwijnt, verdwijnt ook de muskiet.7
Door de opvaart dien eersten dag door het muskietenterrein, zat ook het schip vol muskieten. Ofschoon dan ook ieder onder de klamboe sliep, waren er overdag en des nachts toch nog genoeg prikken ontvangen, om een behoorlijk aantal geïnfecteerden (malaria) te krijgen.
De opvarenden van de “Valk” die, om het zoo maar eens uit te drukken, wel de lasten, doch niet de genoegens der Exploratie voelden, waren dan ook over de “groote rivier”, die haar kwaden naam binnen de drie dagen eer aandeed, slecht te spreken. Toen wij voor Pionierbivak lagen, begonnen wij reeds koortsleiders te krijgen. Van het échelon van ± 70 man gingen er ± 25 aanstonds weer met de “Valk” stroomafwaarts, geëvacueerd; twee dagen nadat het [149]schip vertrokken was, waren alle drie de officieren ziek en lagen zij om beurten te bed. Onder de equipage van de “Valk” was ook menig ziektegeval voorgekomen en bij latere opvaarten van hetzelfde en andere Gouvernements-vaartuigen deden zich overeenkomstige gevallen voor. Wel merkwaardig niet of in geringe mate bij het stokerspersoneel, zoodat men zich onwillekeurig afvraagt of de hitte der vuren een gunstigen invloed heeft op de niet ontvankelijkheid voor infectie.
In het kort volgt hier de dienst der Gouvernements Marine, voor zoover die met de Exploratie verband hield. Die dienst was verdeeld over drie stoomschepen: de “Valk” en de “Albatros”, beide van ongeveer 800 ton en de “Zwaan”, die een 200 ton kleiner was. Die schepen waren beurtelings gedurende twee maanden ter beschikking van den Commandant van het Exploratie-Detachement. Wij richtten het zoo in, dat er ongeveer elke maand een verbinding met Ambon bestond, waarlangs ons vivres, uitrustingsmaterialen en de mail bereikten; daar tusschendoor had deze verbinding met Manokwari en het permanente bivak Kwawi plaats.

Panorama in het Van Rees-gebergte. (Op den voorgrond rechts: Havik-eiland).
Ontmoetingen hadden wij niet vele bij het opvaren. Hier en daar passeerden wij kampongs. Zij lagen geheel anders dan aangegeven was op de oude kaart van Kerkhoven van 1884, wat ook geen wonder is, gezien het ambulante karakter der Papoea’s.
Eén hutje kwamen we voorbij, waar een man en een vrouw ons, half verscholen in het geboomte, begluurden; ik vroeg me af, wat er wel moest omgaan in dit paar der wildernis bij het zien voorbijtrekken van zooveel onbekends, zooveel angstwekkends. Later, eenige uren boven Scholten-eiland, kwamen wij voorbij een dorp van een twaalftal hutten, waar de bevolking ons in groote verbazing, doch zonder vrees bekeek. Een groote zware kerel in een prauwtje kwam zelfs tot vlak langs het schip en riep ons onverstaanbare woorden toe. Men vergete niet, dat deze stammen het opvaren kunnen gezien hebben van de “Havik”, van de Expeditie Franssen Herderschee en van die van De Wal. Enkele versierselen, als kralen en beenen armringen ontbraken ook hier niet; dit waren òf ruilartikelen afkomstig van de genoemde expedities, òf ze waren van af de Noordkust uit de handen van vogeljagers van stam tot stam gewandeld en hier terechtgekomen.8
Nog zij vermeld, dat ter hoogte van dezen kampong veel sagoboomen gezien werden. In verband met het feit, dat de kampong een half jaar later verlaten was, maar zich nieuwe kampongs gevestigd hadden op, bij onze eerste opvaart, onbewoonde plaatsen, komt men tot de conclusie, dat het nomadenvolk een deel van het jaar de sagostreek bewoont, zich voor langen tijd voedsel (sago en gerookt varkensvleesch) verschaft en dan, voorzien van levensmiddelen, voor geruimen tijd zijn zwerversleven hervat.
Bij het beschrijven van een kampong vol Papoea’s mogen de honden niet vergeten worden. Mager, schurftig, huilerig en laf, zijn ze desondanks de onafscheidelijke metgezellen der wilden. Hoort of ziet men ergens in de wildernis een hond, dan kan men er zeker van zijn, dat menschen in de buurt wonen; omgekeerd kan men bij menschen steeds honden verwachten. Merkwaardig is het, dat noch ik, noch één mijner metgezellen, ooit een Papoea-hond hebben hooren [150]blaffen. Deze honden kunnen niet anders dan huilen en janken. Reeds door Lorentz was dit opgemerkt aan de Humboldt-baai; hij veronderstelde, dat men hier met een afzonderlijk ras te doen zou hebben.
In den morgen van 5 December tegen een uur of tien kwamen wij voor de Otken-rivier. Deze is een kleine rechterzijrivier van den Mamberamo. Een 1000 M. deze rivier op, lag het Pionierbivak van Franssen Herderschee en De Wal.
Zoodra het schip het anker had laten vallen, werd een prauw te water gelaten, want onmiddellijk moest vastgesteld worden of het Oude Pionierbivak geschikt was voor dit zeer groote Detachement; zoo niet, waar alsdan het hoofdbivak zou komen.
Het bleek, dat het Oude Bivak te klein was. Het was wel een fraaie gelijke plek gronds, maar voor een Detachement van b.v. 500 personen (vrouwen en kinderen en later te werven Dajaksche en Papoesche roeiers meegerekend), bij lange na niet groot genoeg. Er waren geen sporen te zien van vroegere barakken. Alles was tot halve manshoogte begroeid met onkruid en struikgewas. Bij den oever vonden wij een uitstekend stuk hout, dat bij latere opgraving tot één der vier prauwen bleek te behooren, die in 1911 door de Expeditie De Wal achtergelaten en ingegraven waren om eventueelen lateren opvolgers van nut te kunnen zijn. Die prauwen bleken verrot na twee jaren tijds; wij hadden er niets meer aan.
Wij staken nu de Otkenrivier over en na eenig wandelen en zoeken bepaalde Kapitein Oppermann, dat het nieuwe Pionierbivak zou komen in den hoek tusschen Otken-rivier en Mamberamo. Het land was hier mooi vlak en 4 M. boven het rivierniveau. Een tweehonderd meters naar binnen was een 4 M. hoogere rug, breed circa 100 M., die landinwaarts evenwijdig aan de Otken-rivier liep. Voorloopig zou onderdak gemaakt worden aan den rivieroever; het eerste werk zou daarna zijn, het hoofdbivak te bouwen op den hoogeren rug, meer naar binnen.
Een beekje, uitkomend in de Otken-rivier, gaf vrij helder water, dat na filtreeren en koken zeer goed drinkbaar was.
Zoo was dus de grond voor het Groote Bivak gelegd. Zoo spoedig mogelijk werd eerst het onderdak voor den nacht gemaakt, waarna militairen en dwangarbeiders hun persoonlijke eigendommen konden opbergen. Vervolgens werd een kleine aanlegsteiger gemaakt, waarna met de ontscheping van materiaal begonnen werd. Onze groote motorboot en de motorboot van de “Valk” met onze roeisloepen voeren af en aan.
Den volgenden dag, 6 December, vertrok de “Valk”. Wij oogden haar na, tot ze om de groote bocht verdween, na nog eenmaal lang haar fluit te hebben laten hooren. Daarna waren we alleen, doch er was genoeg te doen om ons bezig te houden.
Zooals men zich herinneren zal, was de eerste taak voor het Detachement van den Mamberamo het inrichten van “Pionierbivak”, doch voor één Detachement. Na verkenning van het Batavia-bivak9 zou dit laatste ingericht worden als algemeen uitgangpunt, met woonplaats voor beide Detachementen. Laat mij aanstonds zeggen, dat, toen de bouw van Batavia-bivak nog maar kort aan den gang was, het reeds duidelijk werd, dat Pionierbivak hoofdbivak moest blijven, Bataviabivak alleen een hoofd-vivres-depôt; de redenen zullen later vermeld worden.
Naast de genoemde taak stond het zoeken van aansluiting aan de vroegere verkenningen van de Apauwar en in het Waropèn-gebied, maar dit stelden wij voorloopig uit, daar men geen twee dingen tegelijk kan doen; voor een groote marschpatrouille toch heeft men veel menschen noodig en dat was juist, wat ons ontbrak.
Ons woonbivak aan den rivieroever bestond uit een officiershuis, één barak voor militairen, één voor dwangarbeiders, een goedang of opslagplaats, een ziekenhuis en een keuken.
Het schoonkappen van het terrein had zich bepaald tot alles, behalve het zware hout. Langs de barakken liepen gegraven sloten, die het terrein zooveel mogelijk draineerden, wat met het oog op de elkaar snel opvolgende regens wel noodig was. De paden door het bivak waren bevloerd met korte dwarslatjes; later werd grint gehaald, dat bij lageren waterstand gemakkelijk van de banken te krijgen was en de daarmee aangelegde paden waren netter en meer soliede. Om het bivak heen stond een houten hek; daarachter was naar alle zijden wildernis.
De officiersbarak was vrij eenvoudig: een houten geraamte, van achteren, op zijde en van boven met atap gedekt. Het naar twee zijden schuin afloopende dak was van voren 2, van achteren 1¾ M. hoog; de diepte was 3 M. Hier stonden onze veldbedden, twee tafels, enkele stoelen en onze koffers. Daar de barak aan de rivierzijde open was, mocht de door den Westenwind aangevoerde regen daar gaarne vrij in spelen. Eenig voorstaand geboomte werkte wel beschermend, doch ik weet zeker dat al mijn goed bedorven zou zijn door vocht als mijn met ijzer beslagen tropenkoffers niet zoo ondoordringbaar gebleken waren. De opening naar achteren was wellicht in dat opzicht voordeeliger geweest, doch wij prefereerden licht en het vrije riviergezicht met als nadeel den regen boven het omgekeerde. Om niet steeds met de voeten in den weeken grond te zitten, hadden wij onze barak met gegolfde ijzeren platen bevloerd; dit was zeer doelmatig; alleen veroorzaakte het gekras van de kopspijkers onzer schoenen op het ijzer gewoonlijk meer onaangenaam lawaai dan gewenscht was.
De barakken voor militairen en dwangarbeiders waren overeenkomstig; de bevloering was hier tevens ligplaats, dus dunne boomstammetjes naast elkaar, hoe gelijker hoe liever; twee palm boven den grond. Onderofficieren en verkenner sliepen onder hetzelfde dak, doch hadden veldbedden.
De goedang had een vloer en een beschermend dak en daartusschen waren onze voorraden: vivres, [151]geneesmiddelen, verlichting, gereedschappen, aanmaakmateriaal voor prauwen, enz.
Het ziekenhuis was de reeds vroeger genoemde groote wegneembare tent; gemiddelde hoogte ruim 2 M.; vrij ruim. Dit was het doktersdepartement met vele potjes en flesschen en zelfs met een kleine operatie-tafel.
In de keuken werd in een paar groote ijzeren potten de rijst gekookt; het was een eenvoudig afdakje, waar ook onze filtersteenen stonden. De laatste bestaan uit een poreuse kalkmassa en zijn zeer doelmatig; ze zijn geelwit van kleur.
Boven de rivier werden van den oever uit en gelijk met dezen bruggen gebouwd, op wier uiteinde overdekte W.C.’s en mandikamers kwamen alles van de meest primitieve constructie, doch stevig.
De kleine aanlegsteiger werd vervangen door een grooten met verschillende trappen in verband met variabelen waterstand (het totaal verval over een jaar bedraagt toch 7 M.); die steiger hield zich goed tot het einde der Exploratie, hoewel de bandjirs dikwijls met stroom en boomstammen moeite genoeg deden om hem omver te halen.

Voorloopige officiers-barak in Pionierbivak.
Intusschen was een ploeg bezig met het schoonkappen van den vroeger genoemden 4 M. hoogeren rug. Ook hier bleef het zware hout staan voor de per volgende boot verwacht wordende Dajaks. De rug bleek nogal grillig van vorm en hoe meer wij met den huizenbouw naar achteren vorderden, hoe meer wij moesten goochelen met de ruimte. Maar het ging best. Hier verrezen in den loop der maanden barakken, als zooeven genoemd, doch ruimer en geriefelijker, hoog (minstens 1½ M.) boven den grond; een ruime goedang en een ruim ziekenverblijf.
Het werk der officieren was in hoofdzaak toezicht houden en “er achter heen zitten”. Daar wij twee zeer ijverige Europeesche onderofficieren hadden, nam dat niet veel tijd in beslag en wij verlangden naar de volgende boot, die ons een groote uitbreiding van menschenmateriaal zou brengen.
De avonden waren gezellig. Men had dan gemandied, gegeten, men had lectuur en den grammofoon. De lectuur was een algemeene erfenis van alle goedkoope romans, die bij het exploratie-detachement van Zuid-Nieuw-Guinee door de opvolgende explorateurs verwerkt waren geworden, een vrij belangrijke hoeveelheid. De grammofoon was first rate, met talrijke goede, groote platen. Wij lieten hem elken avond draaien door een onzer jongens, die daartoe afgericht was en hij heeft ons nooit verveeld. Het was de grootste band, die ons aan de beschaving bond en, met gesloten oogen luisterend, lieten wij ons leiden waarheen de muziek ons bracht.
Onze dokter amuseerde zich met de fotografie, waarin hij een meester was. Zijn donkere kamer was voorloopig een roode klamboe, waar hij ’s avonds met alle ingrediënten inkroop.
Meteorologische waarnemingen behoorden tot mijn departement; elken dag, om 7, 2 en 9 uur werden opgenomen: barometerstand, temperatuur, bewolking, richting en kracht van boven- en benedenwind; elken morgen 7 uur de regenval en de stand van het rivierwater; voor het laatste was een peilschaal geplaatst tegen den grooten steiger. Deze observaties zijn altijd door geschied; bij mijn afwezigheid door den dokter, die permanent bivak-commandant was. Zij geven in elk geval voor een vol jaar het betrouwbaar verloop van twee met elkaar verbandhoudende belangrijke dingen: den regenval en den waterstand. Wij weten te goed de bezwaren van den regentijd en de moeilijkheden der bandjirs om niet gaarne gebruik te maken van den gunstigen tijd en het is een voordeel, dat men thans met juistheid zeggen kan in welke maanden het reizen in Nieuw-Guinee gemakkelijk en opwekkend is en in welke maanden men met veel zorg en moeite weinig vorderingen maakt.
Voor ons was voorloopig de regentijd nog weggelegd: zware wolken dreven onafgebroken uit het Westen, aan regen geen gebrek; het was kil en het landaanzicht naargeestig. ’s Morgens hingen dikke nevels over de rivier, welke ten tien ure waren opgetrokken; ’s avonds kwamen veelal sterren door en op den middag af en toe het zonnetje.
Van nu aan wies de rivier steeds en einde Januari vreesde men, dat het bivak zou onderloopen; gelukkig kwam het niet zoover. De stroomsnelheid voor Pionierbivak was in Januari 4 à 5 mijl; in Augustus 2½ à 3 mijl.
De natste en meest moeitevolle maanden zijn van begin November tot eind Februari; de beste Mei tot September; in dien drogen tijd is het reizen bepaald een genot en smaakt men elken dag de grootste voldoening over den afgelegden weg, maar in den regentijd: ho maar! [152]
Dat de natte tijd niet gunstig was voor den gezondheidstoestand is duidelijk. Toch hadden wij geen ernstige reden tot klagen. Onze benedenstrooms opgeloopen malaria-infectiën waren door de kinine weldra overwonnen; het bivak-zelf (heuvelland) was muskietenvrij; daarna bepaalde het ziekenrapport zich tot de bekende vrij-van-dienst-gasten en eenige meer hardnekkige koortslijders, die van tijd tot tijd werden geëvacueerd. Van beri-beri bleven wij voorloopig verschoond en het totaal aantal lijders daaraan gedurende de geheele expeditie was gering; over de prophylaxe tegen deze ziekte heb ik vroeger reeds gesproken. De malaria-prophylaxe was 0.4 gr. kinine elken 4en en 5en dag.
Was het bivak muskietenvrij, een andere lastige bezoeker moet hier even vermeld. Dit was een insectje, dat leek op een vlieg en op een bij; het was wat kleiner dan onze kamervlieg, de wetenschappelijke naam er van is mij onbekend. Men had twee soorten, donkergele en zwarte. Zij waren meer dan vervelend. Met het rijzen van de zon kwamen zij opzetten, snel nam hun aantal toe. Soms waren gezicht en handen bedekt met dit ongedierte, dat er zonder kwaad te doen rustig overheen wandelde. Men joeg ze ijverig weg en meestal waren zij dan goed genoeg om even op te vliegen, doch zetten zich weer op een ander plekje neer. Waarom sloeg men ze dan niet dood? Omdat ze dan zoo geweldig vies roken; dit was juist hun veilige bescherming. Een geduldschepper waren ze; gelukkig kwam de plaag niet alle dagen voor.
Den 22en December verscheen opnieuw de “Valk”, doch voor dien tijd maakten wij eenige verkenningstochten.

In het Van Rees-gebergte.
In den omtrek van het bivak hier en daar rondvarende, hadden wij boven Havik-eiland een linker zij rivier ontdekt.10 Deze zag er nog al forsch uit en werd het eerste doel voor een marsch.
De Mamberamo was kalm, we waren (met de twee prauwen) spoedig aan den mond der zijtak en daar de regenval eenige dagen vrij gering was geweest, stond er niet veel water in de kleine rivier. Een paar kilometer konden wij haar met de prauwen nog volgen; daarna werd ze te ondiep, we stapten uit en trokken de prauwen in het oeverriet, de glagah.
Nu werd de bedding verder gevolgd.
Grillig en veranderlijk was het landschap als geen ander; we verkenden de rivier ruim 20 KM., tot het avond werd en bivaktijd; we waren toen tot een 200 M. gestegen, het laatste gedeelte snel, daar we den oorsprong naderden en dus tegen de heuvels begonnen op te kruipen. Hoe hooger men kwam, hoe schilderachtiger. Frisch, helder water leschte den dorst en koelde het voorhoofd; het was voor mij een verrukkelijke tocht en een heerlijke lichaamsbeweging na de lange dagen van rust. Het nut? Wij brachten een riviertje mede en eenige aangepeilde toppen. Nut hadden we gehad, als we hier den hoogen scherpen top beklommen hadden en van dien af het landschap aangepeild; doch eerstens waren we daar niet voor uitgerust en tweedens was die royale wijze van werken nog niet voldoende tot mij doorgedrongen; reeds in den aanvang11 heb ik gezegd, dat men exploreeren leeren moet en er is tijd voor noodig om te komen tot het onderscheiden van zeer nuttig en minder nuttig werk.
Ten 5 uur bivak gemaakt, ten 6 uur na de genietingen van een frisch bad, schoone kleeren en een kroes chocolade in de beste stemming. Zelden heb ik zoo’n opgewekten bivakavond meegemaakt; het weer was fraai, de lucht helder; het geruisch van het water, het gegons van de myriaden beestjes in het bosch, de kookvuurtjes rondom, het was alles nieuw; hier genoot ik voor het eerst het boschleven met zijn volkomen gevoel voor vrijheid, onafhankelijkheid, zooals ik het zoo menigmaal genoten heb, zooals ik er nog dikwijls naar mag terugverlangen.
Dan ’s morgens wordt men wakker door het schemeren van den komenden dag en door het eerste geroep van de vogels. Ik kende ze spoedig, die verschillende geluiden; elken vogel herkent men aan zijn slag; boven allen uit klinkt het geroep en gefluit van den paradijsvogel, een lang telkens herhaald wijsje.
Als het dag wordt: uit de klamboe, in de kleeren; de dwangarbeiders pakken reeds; we eten haastig een bordje bras ketan met javaansche suiker, dan op marsch.
De prauwen worden op hun plaats gevonden; des avonds zijn we in Pionierbivak terug. Dat was een leuke marsch! [153]
Onze volgende beweging was gericht op de beproeving van onze groote motorboot in de versnellingen.
Laat mij eerst verklaren wat een versnelling is. Een versnelling ontstaat daar, waar de aanvoer van water meer is dan de afvoer-capaciteit van de bedding verdragen kan; i.a. dus in bergterrein, waar de grond hard is. In wat wij als “vlakte” kennen, is meestal de grond zacht genoeg om de rivier bij overmatigen wateraanvoer in staat te stellen, door uitschuring haar bed te verbreeden; in bergterrein gewoonlijk niet. Er ontstaat daar dus, òf permanent, òf alleen in tijden van zwaren regenval, een meer of minder groot niveauverschil en het water stroomt er veel sneller dan boven of beneden dit punt. De versnelling vormt zich daar, waar het rivierbed smaller of ondieper wordt; zij brengt veelal met zich op eenen of beide oevers banken van rolsteenen; er vormt zich een goot, waarin het water met groote snelheid loopt, kolkt en draait. Groote versnellingen brengen groote en diepe draaikolken met zich mede. Deze zijn niet stationnair, maar verplaatsen zich langzaam stroomafwaarts, waarbij zij zich uitputten. Op de oude plaats ontstaat dan weer een nieuwe kolk. Aan de binnenzijde der versnelling, i.a. dus langs den oever beneden het versnellingspunt ontstaat een “neer”, d.i. een terugstroom.
Beneden de versnelling krijgt men een staande golving van een vier, zes krachtige golven; stroomafwaarts roeiende moet men daar met groote vaart doorheenschieten, want in den kortsten tijd neemt men reeds veel water over.
Een mooi voorbeeld van een versnelling geven onze afbeeldingen van den Edival, waarbij het geheele golvende gedeelte den steenbank weergeeft; men ziet er stroomafwaarts. De tweede foto geldt voor lagen waterstand; duidelijk ziet men aan den witten bovenrand der rotsen, hoever de gemiddelde waterstand is. De eerste geldt voor hoogen bandjirstand; de op beide foto’s met een kruisje gemerkte steenen zijn identiek.
Stroomopwaarts gaande kan men met vrucht van de “neeren” gebruik maken; dikwijls zijn zij vrij sterk en voeren ons gemakkelijk in de binnenzijde der versnelling, die daarna “genomen” wordt, zooals wij later nog uitvoerig zullen zien.
Dat wij met onze groote prauwentransporten geregeld in 4 dagen van Pionierbivak naar Batavia-bivak kwamen, een afstand van 75 K.M., is uitsluitend te danken aan handig gebruik maken van de sterke “neeren”; dat was dus ± 20 K.M. per dag, zeer veel in een rivier met zulke sterke versnellingen. De terugtocht duurde 8 uren, d.i. ⅕ van den opvaarttijd.
Wij vertrokken in den morgen, een mooien morgen, van Pionierbivak met de groote motorboot en twee prauwen, gesleept; vivres voor 3 dagen. Van het komende riviergedeelte tot de Marine-vallen bestond een schetskaartje, vervaardigd door den toenmaligen Luitenant ter Zee Rambonnet, commandant van Hr. Ms. Edi tijdens diens opvaart met de “Pionier” in 1909. Ons doel was, terwijl wij het karakter der rivier in oogenschouw namen, de motorboot zoover mogelijk te brengen, haar zoo noodig boven te laten, daar toch haar bestemming Bataviabivak was.
In den zijarm achter Havik-eiland kwamen wij moeizaam vooruit; het verval is hier vrij groot, de stroom sterk. Daarna schoten wij harder op; men houdt steeds vlak onder den oever, daar is de [154]stroom gering; hieruit volgt tevens, hoe gemakkelijk men beslopen en bepijld kan worden. Bij het nemen der versnellingen, alleen met eigen motor-beweegkracht, dus zonder hulp van trektouwen, moesten wij wel in den vollen stroom op. Toen deze meer dan 5½ mijl12 werd, was hiermee ons eindpunt bepaald; dit was op ongeveer ⅓ van den afstand tot de Marine-vallen.

Edi-vallen. (Van af rechter-oever).
Waren we in dat opzicht teleurgesteld, ook om een andere reden viel de dag ons niet mee: de motor toch gaf aanleiding tot bezorgdheid.
Een motor heeft een koelpomp, die rivierwater ter afkoeling pompt langs de heete wanden der cylinders. Voor onze pomp (en ook later voor die van onze andere motorboot) bleek het rivierwater funest; doordat het zooveel slib bevatte, werd de goede werking der pomp gehinderd en raakten de pijpen verstopt.
Toen ons het euvel den eersten keer overkwam, waren we juist in het volle van een breede versnelling; de pomp gaf geen water meer, de motor werd heet. De machinist vroeg te stoppen; “nog een oogenblikje” werd er gezegd, “even uit den stroom onder den wal.” Pang, pang, deed de motor. Stoppen, doch twee scheuren in de cylindermantels. Onverantwoordelijk? Ja, maar wie had dat verwacht! Tot onze groote verlichting bleken alleen de mantels gescheurd; water liep er zelfs niet uit; de cylinders waren heel, de motor kon draaien. Het was een waarschuwing eens en voor altijd; de pomp werd hierna nooit meer uit het oog verloren, doch wat dikwijls hebben we haar uit elkaar moeten nemen en hoeveel geduld heeft ze ons gekost? Eventueelen lateren explorateurs, die een modderrivier met motorbooten denken te bevaren, kan niet genoeg op het hart gedrukt worden: een sterke koelpomp, ongevoelig voor rivierslib.

Edi-vallen. (Van af linker-oever).
Als “schip” hield de groote motorboot zich best in de versnellingen. Op een gegeven oogenblik raakten we in een kolk, de boot helde, de rivier zoog aan het schroefgedeelte. Het was een vrij unheimische gewaarwording, doch het bleek van geen belang; al draaiende kwamen wij vrij, doch één der gesleepte prauwen had het te kwaad gekregen en was volgeslagen, gekanteld en gaf aanleiding tot het verlies van eenige dwangarbeiders-eigendommen. De menschen werden opgepikt en zoo spoedig mogelijk werd op een rustig plekje de prauw weer recht gelegd en leeg gehoosd.
In den namiddag waren we weder thuis in ons groote dorp. Hadden we dan al opnieuw tot onze teleurstelling moeten ondervinden, dat onze motorboot geen hardlooper was en hadden we dan al met schade onze eerste pomp-ervaring opgedaan, we hadden de groote rivier gezien en hoe zij zich een bed, rijk aan natuurschoon, uitgeschuurd heeft door het Van Reesgebergte, welks ketens N.W.–Z.O. loopen.
Waar ons als leeken telkens en telkens de eigenaardige veranderingen in de oorspronkelijke ligging [155]van den bodem opvielen, moet een geoloog hier wel een dankbaar arbeidsveld vinden. De mijningenieur Van Gelder maakte in 1909/10 de Expeditie Franssen Herderschee mede; bij ons Detachement was geen geoloog van professie; doch de eenige maanden later gearriveerde 1e Luitenant Feuilleteau de Bruyn, die een geologischen cursus had gevolgd, maakte eenige uitvoerige beschrijvingen.
Dezer dagen kregen wij ook af en toe bezoeken van Papoea’s van omwonende of, beter gezegd, van toevallig tijdelijk in de buurt zijnde stammen. Door ons zooveel mogelijk op hun gemak gebracht, overwonnen zij weldra hun schuchterheid; hoewel altijd een open oogje houdende voor een gelegenheid tot eventueel noodigen terugtocht. Den eersten keer vooral waren zij met groot enthusiasme ontvangen; hier begon ons ethnografisch werk!
Na hen met diverse ruilartikelen in de meest rooskleurige stemming te hebben gebracht, begonnen wij zooveel mogelijk van hen te plukken. Vooreerst woorden. Door de Regeering van Nederlandsch-Indië worden gedrukte woordenlijsten, in een klein boekje vereenigd, uitgegeven, om mee te nemen bij elke expeditie of exploratietocht in onzen Archipel, ten einde op systematische wijze, waar de gelegenheid zich voordoet, taalgegevens te verzamelen. Omringd door een kring van onze bezoekers noteerden wij de woorden, die wij machtig konden worden. Vragen werden natuurlijk niet begrepen, doch al wijzende en met gebaren en vooral met heel veel geduld kwamen wij toch een heel eind. De Papoea’s hadden vrij veel vermaak in dit geval en waren ten zeerste voldaan, als wij de goede uitspraak van een woord te pakken hadden; hun goedkeuring, i.a. elke sterke bevestiging, drukten zij uit door even kort de voorhoofdhuid op te trekken, om zoo te zeggen in dezelfde gevallen, waarin wij een kort knikje geven.
Het opschrijven der woorden vervulde hen niet met vrees, zij keken er met belangstelling naar; uit verschillende dingen kon men merken, dat zij reeds vroeger met blanken hadden omgegaan. Kralen en een enkele afgesleten parang waren ook reeds in hun bezit. Terwijl een aantal zich met ons occupeerde, snuffelden anderen rond, doch werden stevig in de gaten gehouden, daar wij wel begrepen, dat de verleiding groot was. Af en toe merkte men, dat er iets nieuws en “leuks” ontdekt was aan een levendig “èh, èh!”, een veelbeteekenend lachen tegen elkaar, herhaaldelijk optrekken van het voorhoofd en met de vlakke hand slaan op het zitvlak.

Papoea’s bij Pionierbivak.
Verschillend waren hun gelaatstrekken; heel anders dan het passieve, dat men in Indië i.a. bij den inlander aantreft. Hier had men met een vrij volk te doen, dat nooit geleerd had zijn gewaarwordingen te verbergen. Vrees, wantrouwen, verlegenheid, verrukking, vergenoegdheid, allen toonden het ons beurt om beurt. Daar waren domme, goedige gezichten; daar waren vlugge, intelligente trekken.
Verschillende “kleedingstukken” werden door hen gaarne afgestaan tegen begeerlijkheden uit onzen ruilvoorraad, waarin het practische oog parangs en bijltjes voor liet gaan, hoewel een mooie kralenketting toch ook niet te versmaden was. Tabak werd bovenal gaarne aanvaard; daar waren zij met recht dol op, deze Papoea’s verbouwden zelf geen tabak. Toch komt de plant voor, daar, waar men haar het minst zou verwachten, nl. in het verste binnenland. Of de plant geïmporteerd is, weet ik niet, doch zeker is dat men kan zeggen, dat ze over een groot deel van Nieuw-Guinee bekend is. Het verging sommigen onzer bezoekers, zooals het kleine jongens vergaat, die voor het eerst een trekje doen: zij werden onpasselijk; de meesten evenwel hielden zich goed en vonden het rooken verbazend voornaam.
Vervolgens kwamen de heeren voor den fotograaf. Dames waren er niet, die bleven de eerste maanden veilig opgeborgen. Onze afbeelding geeft de twee krachtigsten onder onze bezoekers, den linkschen brutaal en zelfvoldaan, den rechtschen ongerust en verlegen. Beiden hadden rijkelijk de cascado-huidziekte; beiden waren overvuil en roken op 5 M. afstands alleronaangenaamst; dit is zonder overdrijving; beiden bewogen zich over het water, doch waarschijnlijk nooit er in. Het hoofdhaar mag een centimeter of vijf lang geweest zijn; het was doorvlochten met een cirkelend weefsel van rottankoord, wat aan den haartooi het aanzien van een pruik of hoedje gaf; des avonds wordt het haar geenszins “losgemaakt”, dit gebeurt nl. nooit, dus maakt uw consequenties!
Om den hals of om het voorhoofd veelal een kransje, zoo al niet van kralen, dan van bamboevruchtjes; vaak ook een zakje van gevlochten melindjoe13-touw, een netje a.h.w., waarin eenige eetwaar als sago en een stukje varkensvleesch. Om het middel een touw van melindjoe-bast, een oneindig aantal malen om de heupen gewonden; deze meer beschaafde bezoekers hadden er als schaambedekking een doekje doorheen bevestigd, maar ook dit partijtje [156]gaat nooit los. Een dergelijke menigvuldige omwinding, doch van de onderarmen, zagen wij bij andere stammen in deze buurt. Rond de bovenarmen en onder de knie vaak een ring van rottan of fijne boomvezels. Sommigen droegen ook “bretels”.

Kleedingstukken en huisraad van Papoea’s uit het Van Rees-gebergte.
(O.a. is nº 10 een staart van droge glagah-bladeren, die algemeen gedragen wordt).
Een onzer foto’s toont al deze kleedingstukken. Daarin heeft men:
Men lette ook op het beentje, dat beide mannen dragen door het middenschot van den neus; dit is een matige versiering: wij kwamen later in het verre binnenland bij stammen, die te dezer plaatse de beide slagtanden van het wilde varken droegen, wat hun een woest en krijgshaftig aanzien gaf.
De kleur der Papoea’s is zeer donker bruin; op de plekken der huidziekte wordt die kleur iets lichter. Eenigen hadden mondkost bij zich: sago, klappers, papaja’s en laboe. De sago in groote klompen van ½ L. inhoud, een groot blok fijn meel; later zal over de sagowinning uitvoeriger gesproken worden. Klappers komen hier weinig voor; de palmen zijn dan afkomstig van de Noordkust, waar ze wel in grooten getale (geïmporteerd) voorkomen; men krijgt den indruk, dat de kokospalm geen inheemsche boom op Nieuw-Guinee is, in het diepe binnenland hebben wij hem nergens gezien. Papaja en laboe zijn op de Soenda-eilanden welbekend; waarschijnlijk ook op Nieuw-Guinee geïmporteerd.
Op de foto’s ontbreken pijlen en bogen. Deze hadden zij dan ook neergelegd, toen hun schuchterheid overwonnen was. De bogen zijn van niboeng-hout, de pezen van rottan koord, lengte 2 M. De pijlen zijn even lang, van licht riet van ¾ à 1 cM. dikte; de punt is er apart aan gebindseld en van bamboe of niboeng-hout. Bijna alle pijlpunten zijn van weerhaken voorzien, het indringingsvermogen is enorm, doch de zuiverheid van het schot niet groot en boven 20 M. klein te achten. Omtrent het al of niet vergiftigen van pijlen heb ik geen zekere gegevens.14
Waren onze bezoekers zonder veel moeite voor den fotograaf gehaald, voor den grammofoon waren ze bang. De psychische uitwerking was toch aardig om te volgen: eerst het gezang gehoord, nieuwsgierig er heen, voorzichtig genaderd, verrukt geluisterd, toen er achter gekeken; niets gezien, angstig geworden, afwerend met de handen gewenkt; wij stopten toen den grammofoon, waarna de rust wederkeerde.
De macht van het geweer was een enkelen bij herinnering bekend. Hij wees op het geweer, wees op een vogel, maakte een beweging van aanleggen, deed langgerekt en smartelijk “oooh!” en viel daarna een oogenblik neer. Hij had er blijkbaar grooten eerbied voor en wij probeerden dan ook maar niet hem of zijn metgezellen er mee te verschrikken.
Na eenige uren werd afscheid genomen; het genoegen was aan beide partijen. [157]

Onze Dajaks.
Na de tweede helft der maand kreeg de koorts mij weer te pakken.
Den 18en December bleef ik om deze reden achter, toen kapitein Oppermann, vergezeld van onzen dokter, er opnieuw op uittrok. Noord-oostelijk van ons bivak lag een NW.–ZO. loopende heuvelrug, dien wij reeds van uit de rivier gezien hadden, naar schatting 400 à 500 M. hoog. Op onze eerste groote patrouille, die wij ons voorstelden te maken naar het Apauwargebied, als de “Valk” ons van meer menschen zou hebben voorzien, hadden wij dien rug over te trekken, wilden wij oostwaarts vorderen. Bovendien verwachtten wij van af den kam een ruim uitzicht naar het zuiden te hebben.
Om deze twee redenen dan werd tot het beklimmen van den rug nu reeds besloten, welks kam in éénen dagmarsch werd bereikt. De kapitein richtte er een klein bivak in en liet er kappen op twee verschillende punten. Uit deze punten kreeg men goed uitzicht naar het Zuiden, doch daar het kappen met de parangs niet zeer vlug ging, kwam er van het goede uitzicht voorloopig niet veel terecht. Vòòr er resultaten kwamen, verscheen de “Valk.”
Dat was den 22en. Om een uur of tien in den morgen klonk het ongewone geluid van een stoomfluit over de rivier. Men hoorde van alle kanten opgewekt: “kapal datang!”15 Na een kwartier verscheen zij om den hoek, de “Valk”, en bracht het heele kamp in een vroolijke stemming. Daar verscheen Europa, al was het voor een korten tijd.
Het schip bracht veel vivres, veel materialen en ± 150 fuseliers en dwangarbeiders, bovendien 40 Dajaks. De Militaire Commandant van Ambon was aan boord om het Pionierbivak en de zaken aan den Mamberamo te inspecteeren.
Waren tot nu toe onze handen gebonden geweest door gebrek aan personeel, thans kon het mes van alle kanten snijden en kwam er aan het “gemodder” een einde. Een onzer stoomsloepen was meegekomen; hierdoor kwam de groote motorboot vrij om bij komende gelegenheid naar Batavia-bivak te worden gebracht.
Een kleine patrouille werd onmiddellijk uitgezonden om Kapitein Oppermann op de hoogte te brengen van de aankomst van den Majoor Gooszen; het bleek evenwel, dat de stoomfluit tot aan den heuvelkam was doorgedrongen en reeds denzelfden middag verschenen de Kapitein en de Dokter beneden. [158]
Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander mededeelen.
In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders, in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit reizen en trekken over te halen zijn.
Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun loon was ƒ 1.– per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.
In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.
Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks; rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan het verstand te brengen.

Hanji-Ipoei en Boejau-Awan.
Aan kleeding hebben zij niet veel “om het lijf.” Een hoofddoek om het lange sluike haar, een “tjidako” om de lendenen; een enkelen ring om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.
Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.
Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aan [159]te geven. Op de vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: “Gampang sadjah.”16 De greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne rottan en met haar (in den “goeden” tijd van gesnelde koppen; thans, onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.
Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven als op de hoeden gezien werden.
Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik en vaak fraai versierd.
Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men dan het blioengijzer ¼ slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder en eenigszins gebogen zijn.
De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een kunst, die ze goed verstaan.

Oorlogsmandaus.
Elke Dajak heeft zijn “Rücksack.” Het is een mandje van fijn gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.
Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets steviger dan die van de Papoea’s, maar het blad is wat smaller.
Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea’s; ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij, dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.
Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch; maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe, dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, “wij werken hard genoeg.” En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde, voor hij “het bijltje er bij neerlei.”
Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken eenig letsel bekomen.
Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein “raseerden”; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde, doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerden [160]zij zich niet; die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware chaos van gevelde stammen door elkaar.
Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten staan, dan is het antwoord: “Zonsbestraling en uitdamping zijn hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak”.
Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak; alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven, maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.
Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden; zij waren aangenomen op ¾ kg. daags, terwijl ons marschrantsoen ½ kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.
Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het “regiment” trok aanstonds aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van; de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen, zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.
Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken in de versnellingen.

Dajak-schilden.
Een versnelling wordt als volgt genomen: met goede vaart nadert de prauw in den “neer”, de Dajaks roeien hun gelijkmatigen slag. Nabij de rolsteenbank, als er grond gehaald kan worden, springt het meerendeel uit de prauw; de vanglijn (touw of rottanstengel van 10 m. lengte, voor aan de prauw verbonden) wordt uitgeloopen en in handen genomen; een man vat den kop der prauw; twee man voorin nemen elk een gallah, dat is een langen soepelen stok en boomen de prauw daarmee voort; de stuurman blijft achterin. Nu gaat het over de rolsteenbank: de gallah-menschen en de man aan den kop houden de prauw vrij van de steenen, de vanglijn-menschen trekken, de stuurman stuurt. Het water klotst gezellig links en rechts, weldra is de prauw weer in glad water, alleen een paar voet hooger dan zooeven. Ik reken, dat we zoo een 40, 50 versnellingen passeerden.
In elke prauw zijn twee stuurlui: een voor (pandjerwallah) en een achter (djoeroemoedi). Beide werken zonder commando absoluut samen en evenzoo zij met de roeiers. In een Dajak-prauw is geen commando, alleen een gemeenschappelijk begrijpen.
Ten drie ure in den middag stonden we voor het panorama. Daar lagen de Marine-vallen in al hun moeilijkheid voor ons. Geen eigenlijke val, maar een zware versnellings-combinatie, het rivierbed driemaal verbreed, het water vlietend, al golvend en kolkend, tusschen een zevental rotsige eilandjes. Dat was geen kinderspel! En stroomop kijkende, wachtte ons geen vertroosting. We wisten, daar lag de Edival, die nog een haartje lastiger was. Doch de Dajaks waren niet van hun stuk te brengen; zij zagen den toestand niet zwaar in en verklaarden, dat de groote motorboot daar best doorheen zou komen, als we maar lang en sterk touw hadden.
Nu, daaraan was geen gebrek!
Met goede hoop en vasten wil voor later werd de terugtocht aanvaard en in 1½ uur volbracht; het was bijna donker, toen we terugkwamen, de bivakvuurtjes brandden hier en daar. Het was dîner op de “Valk”; een klein europeesch gevoel bekroop ons even.
Den volgenden morgen, 25 December, om 6 uur reeds hoorden we de stoomfluit van de “Valk” bij den grooten bocht; dat was zoo vroeg noodig, om ’s avonds nog in zee te kunnen zijn. [161]

De bemanning van motor- en stoomsloep in de vallen.
Einde Maart 1914, na onze terugkomst uit het Bonggogebied,17 kon de exploratie van de kustgebieden van Noord-Nieuw-Guinee als gereed worden beschouwd en werden te Manokwari toebereidselen gemaakt voor het vertrek naar Pionierbivak.
Een der laatste dagen van Maart lichtte het Gouvernements-stoomschip “Zwaan” het anker, om ons naar den beruchten Mamberamo te brengen. Het detachement stond onder bevel van den kapitein der infanterie Schultz; verder gingen mede 1e luitenant der infanterie Schulze en schrijver dezes. Mijn collega, luitenant-ter-zee Stroeve was nog niet terug van zijne expeditie in het Van Reesgebergte (Groote Kerkberg of Kamoeso Pedai) en zou met de eerstvolgende gelegenheid nakomen.
Het detachement bestond uit een uitgelezen troep inlandsche fuseliers en dwangarbeiders. Bijna allen waren reeds eenige jaren te Manokwari en hadden in elk geval mij op alle tochten in de laatste anderhalf jaar vergezeld, zoodat dit een uitstekend getrainde en aan het klimaat gewende troep mocht heeten. Niettegenstaande dit alles, waren er, toen in Juni de groote tocht begon in de westelijke Meervlakte, nog slechts enkele van deze oude garde over.
Het opvaren van den Mamberamo liep vlot van stapel, de gezaghebber van de “Zwaan” en ik keken nog wel even het plekje aan, waar wij in 1913 met het schip een dag of zes vast zaten.18 Den avond van den eersten dag, toen wij voor anker lagen, werd onze genoeglijke rust plotseling verstoord, doordat een dwangarbeider een collega vermoordde. ’t Was geen prettig begin van onzen Mamberamotocht.
Over het opvaren van de rivier zal ik verder niet uitweiden; in de vorige hoofdstukken heeft collega Langeler reeds voldoende hierover verhaald.
Wij kwamen zonder verdere ongelukken een der eerste dagen van April ’s middags voor Pionierbivak ten anker en begonnen dadelijk te debarkeeren en de lading te lossen.
Wij hadden een motorboot medegebracht, met 8 P.K. Brooke’s motor, vaart ± 8 mijl, die bij het lossen goede diensten bewees.
De eerste indruk, dien ik van Pionierbivak kreeg, was niet zoo heel gunstig; tenminste wat aangaat de sombere, gedrukte stemming, die er heerschte. ’s Morgens een schier eindeloos ziekenrapport bij den dokter; het meerendeel der fuseliers en dwangarbeiders onder den indruk van de reeds gebeurde prauwongelukken in de versnellingen en het was mij dan ook een waar feest, toen ik opdracht ontving om te trachten, de motorboot en een stoomsloep boven de vallen naar Bataviabivak te brengen. [162]
Eenige toebereidselen waren spoedig gemaakt en den 4den April ’s morgens vertrok ik met de motorboot en 4 prauwen. De colonne bestond uit 11 militairen, 5 matrozen, 2 dwangarbeiders en 24 Papoea’s. Deze laatsten gingen mede, om zoo noodig de boot aan een tros voorbij lastige hoeken te trekken.
Reeds dadelijk bemerk ik, dat het niet zoo vlot zal gaan, want hoewel de boot bijna 8 mijl haalt, kruipen wij langs den oever vooruit en moeten reeds tegen den middag het prauwtransport inwachten om een uitstekenden hoek, waar een felle stroom langs trekt, voorbij te komen. En nu zijn wij nog beneden de versnellingen en vallen!
Ten 3 uur 30 min. komen wij voor de eerste versnelling waar een ontzaggelijk groote steen “de tulband” den weg verspert en diepe draaikolken veroorzaakt. Er wordt getracht een dikken manillatros uit te brengen door een prauw, bemand met 5 Papoea’s; deze prauw slaat vol water en verdwijnt met mijn kroeskoppen in de draaikolken. Afsteken met de motorboot is het werk van een oogenblik; gierend en tollend snuiven wij de draaikolken door en hebben het geluk de brave kerels te redden. De boorden der prauw worden hierbij echter stukgevaren en de geheele prauw moet worden achtergelaten. Ik behoef niet te zeggen, dat deze redding ons weder een heel eind benedenstrooms heeft gebracht en na veel moeite bereiken wij tegen donker voor de tweede maal den “tulband”, waar bivak gemaakt wordt en nieuwe krachten verzameld worden voor wat de morgen zal brengen.
Den volgenden dag komen reeds vroeg 8 prauwen met circa 90 dwangarbeiders en Papoea’s van de hoogerop gelegen étappen om te helpen. Het gelukt nu een tros uit te brengen en met behulp van de 120 man, die uit alle macht aan den tros halen, terwijl de motor volle kracht draait, passeeren wij dit eerste lastige punt.
Verder is het nu bijna bij elken hoek noodzakelijk de boot te trekken. Reeds dezen tweeden dag laat de motor ons in den steek; het zeer zandige Mamberamo-water had de circulatiepomp verstopt en zelfs reeds averij aan de pomp veroorzaakt. De herstelling gaat gelukkig vrij voorspoedig en ten 4 uur namiddag zijn wij beneden de Marine-vallen, die er op het eerste gezicht niet malsch uitzien om te passeeren. De tros wordt uitgebracht en een oogenblik later is de val achter ons. Wij betrekken bivak in de Etappepost I, die als een roofnest hoog tegen de rotshelling gebouwd is en vanwaar men een schitterend uitzicht heeft over de Marine-vallen, ’s Avonds en ’s nachts, als het bivak in diepe rust gedompeld is, hoort men het bruisen van het water als van een zware branding.
Den volgenden morgen wordt eerst de colonne van luit. Schulze, die inmiddels ook hier aangekomen is, met de motorboot naar den rechteroever der rivier gebracht, om een tocht te maken in de richting van den Apauwar; daarna gaat het weer vooruit, stroomopwaarts.
Bij het punt tusschen Marine- en Edivallen waar korten tijd tevoren een prauw verongelukte en 1 fuselier met 7 dwangarbeiders verdronken, geraakt een prauw, met 1 Papoea er in, in drift en deze ontsnapt ternauwernood aan den dood. Een schielijk toegeschoten prauw met zes Dajaks wist hem te bereiken en naar den oever te brengen. Dit punt is wel het gevaarlijkste van de geheele versnellingenreeks; een kleine fout behoeft slechts gemaakt te worden door de stuurlui en de prauw is met de inzittenden reddeloos verloren. Ten 2 uur zijn wij voor de Edivallen; hierbij vergeleken zijn de Marinevallen maar kinderspel; het water stroomt met circa 20 mijl (= 36 KM.) snelheid tusschen de steile rotswanden door, overal bevinden zich rotsen, boven, in en onder water. Ten 4 uur is alles pas gereed om te trekken; de val wordt gepasseerd en de hoogst gevaarlijke oversteek naar den rechteroever even bovenstrooms van den val wordt zonder fout gemaakt. Bivak wordt gemaakt in Etappepost II; het lastigste deel van de vallen is nu achter den rug.
Den 7en April vroeg vertrokken, moeten wij in den beginne eenige malen den sleeptros gebruiken; daarna stoomen wij door en komen verder zonder hulp voor Etappepost IV, even vóór de Bataviaversnellingen. Het prauwtransport is ’s avonds niet aangekomen, zoodat wij den volgenden morgen vertrekken met eenige fuseliers van de fortbezetting. Herhaaldelijk moet getrokken worden. Bij één der laatste malen raakt een Inlandsch fuselier te water en verdrinkt; oogenblikkelijk werd de sleeptros gekapt, doch ik kwam te laat; eenige meters voor den boeg kwam de drenkeling voor de laatste maal even boven, om voor goed in een kolk te verdwijnen.
Tegen half elf ’s morgens ligt de motorboot voor Bataviabivak, met circa 400 K.M. goed bevaarbare rivier voor zich; behoudens een reparatie aan de voering der circulatiepomp hadden motor en boot geen averij.
Voor de muskietenplaag in Bataviabivak vluchten wij naar beneden en ontmoeten bij Etappepost IV het prauwentransport. Nu moest de stoomsloep, die bij de Edivallen ligt, naar boven gebracht worden. Ik zoek 20 van de beste Papoea’s uit, die hierbij zullen helpen en vertrek in mijn prauw, alleen bemand met Papoea’s, naar beneden. Hoe vertrouwd deze echte zeelui in de hoogste branding zijn, de verraderlijke rivierversnellingen kennen zij niet en doordat het zulke waterrotten zijn, minachten zij het gevaar te veel. Mijn prauw sloeg dan ook even boven de Edivallen half vol water en het scheelde werkelijk niet veel of wij hadden ons testament kunnen maken. Enfin, tegen donker, zat ik rustig op een tuinbank bovenop een hooge rots aan den kant van den Edival naar het werkelijk machtige natuur-tafereel te kijken en onwillekeurig komt dan de gedachte op: wat zal de dag van morgen weer brengen?19
Den 9en April wordt de stoomsloepketel nagezien; er blijken 4 vlampijpen lek te zijn; de dag gaat voorbij met deze te stoppen en de machine gereed te maken, want dit goede oude stoomsloepje (reeds 4 jaren bij het Exploratiedetachement) loopt lang geen 8 mijl en zal een zwaren dobber hebben. [163]
Den 10en April vertrekken wij reeds vroeg, met de stoomsloep en 3 prauwen. De colonne is sterk: 5 man “bemanning stoomsloep”, 3 Dajaks, 19 Papoea’s.
Zonder veel moeite worden de verschillende versnellingen genomen, doch ongeveer om 10 uur blijken weer vlampijpen lek te zijn; het vuur wordt getrokken, de pijpen gerepareerd en ten half twee ’s namiddags wordt weder stoom gestookt. Van 4 uur tot donker leggen wij nog een goed eind af.
’s Nachts om half twee begint de machinist Kasmo, die ’s avonds tot half elf was bezig geweest, ketel en machine na te zien en ten half zeven gaan wij onder stoom. De ketel houdt zich nu best, maar nu legt de voedingpomp20 het af, zoodat wij elk half uur moeten stoppen om met de hand bij te pompen.
12 April ten 2.30 uur komen wij met ons kleine troepje voor Etappepost IV aan, de post even beneden de Batavia-versnellingen. Mijn Papoea’s komen wat later, dus er is geen gelegenheid meer, vanmiddag nog door te gaan. Dit was anders wel wenschelijk geweest met het oog op het dalende water. Sinds 8 April is het water hier ruim 1½ M. gedaald. De stroom is echter minder, zoodat het morgen bij voldoende water niet lastig zal zijn.
Den 13en April ten 6.30 uur vertrokken wij van post IV; ten 7 uur, bij den eersten hoek, slaat de stoomsloep los van de vanglijn, zwaait om en vóórdat de vanglijn is binnengehaald, zit deze reeds in de schroef en vliegt de sloep weerloos met 10 mijls vaart de zwaarste versnelling in. Schoenen en jas uittrekken is het werk van een oogenblik. In 10 seconden draait de sloep drie malen rond; is daarna gelukkig de zwaarste versnelling gepasseerd en tolt achtereenvolgens nog meerdere kolken door. De Papoea’s, die allen reeds met de prauwen aan den wal waren, zaten verbijsterd van schrik het geval aan te kijken, zonder zelfs maar iets te probeeren.
Niet alzoo Tamantojan, de beste aller Dajaks; hij was de eenige Dajak, die aan den wal was, want hij had de vanglijn uitgebracht; de andere twee Dajaks zaten bij mij op de sloep, dus konden evenmin als ik wat uitvoeren. In een prauw met Papoea’s springende, steekt Tamantojan, gillende en joelende de Papoea’s aanvurende, van wal en stuurt dwars door de kolken op ons aan. De kroeskoppen roeien als duivels; door dit voorbeeld steken de twee andere prauwen ook af en toen de sloep in kalmer water was gekomen, waar getracht kon worden den tros uit de schroef te snijden, waren de drie prauwen bij de hand om zoo noodig te helpen. Eindelijk hebben mijn Inlandsche bootsman Doelah en een matroos den tros losgesneden; de machine draait nog, er wordt weer den wal ingestuurd en de poging wordt herhaald, ditmaal met meer succes.
Zooals met de motorboot was geschied,—oversteken naar den anderen oever tusschen twee versnellingen door,—daar is nu geen denken aan, zoodat de rechteroever wordt gehouden. Voortdurend wordt getrokken langs stukken van circa 200 meter. De serang21 Doelah wordt telkens bij de Papoea’s aan den wal gezet, omdat het noodzakelijk is, iemand bij de trekkers te hebben, die fluitsignalen begrijpt. Zelf houd ik het roer en zonder verdere ongelukken bereiken wij het Batavia-bivak, alwaar ik een foto maak van het handige, onversaagde troepje. Ook mijn Papoea’s worden vereeuwigd.
De muskieten doen ons weder vluchten naar Post IV, waar overnacht wordt.
Den 14en April terugkomst in Pionier-bivak, alwaar ik van den kapitein vernam, dat ik over eenige dagen, als de “Zwaan” weder zou zijn gekomen, met deze terug zou gaan naar Manokwari, om aldaar of elders Papoea’s in te huren.
De tegenwoordige Papoea’s, die er sedert December of Januari al waren, hadden in het geheel niet voldaan. Ik kan ook niet zeggen dat het een gunstige collectie was; maar het absolute fiasco met deze lieden was naar mijn bescheiden meening in hoofdzaak een gevolg van gebrek aan bekendheid met hen; het was het exploratiedetachement uit Merauke (Zuid Nieuw-Guinee) dat het eerst in November 1913 den Mamberamo was opgegaan en hoe wil men met lieden, die men niet kan verstaan, iets bereiken, als men daarenboven hunne gewoonten niet kent en hen niet begrijpt! Stroeve en ik, die toen reeds anderhalf jaar op de Noordkust werkten, hadden nooit eenigen last met deze kerels. Zooals men tevoren ook heeft gezien, bracht ik met deze dienstweigeraars de motorboot en stoomsloep boven de vallen.
Hoe het zij, den 16en April kwam de “Zwaan” voor Pionier-bivak en nadat het schip gelost was, vertrokken wij den 18en April naar Manokwari.
Te Manokwari was mijn eerste gang naar het huis van Dirk, die tot mijn grooten spijt niet tehuis was. Wie Dirk is, zal ik U zoo dadelijk vertellen; aanstonds ging een goed bemande prauw er op uit, om hem te achterhalen; hij was n.l. kortelings naar Siari vertrokken en wilde het Arfakgebergte in.
Den volgenden dag meldde Dirk zich reeds bij mij, zoodat het voorspoedig gegaan was.
Dirk Broos—eigenlijk heette bij Burwos (bur wosi = van Wosi, een dorpje op de Noordelijke uitloopers van het Arfakgebergte)—was een Papoea, en wel de slimste, dien men zich kan voorstellen; zijn huis stond te Kwawi, doch daar hoorde hij oorspronkelijk niet; toch had Dirk wijd en zijd in den omtrek gezag, waarvan hij veel gebruik maakte. Dirk was een uitstekend jager; geen Papoea, die zich met hem als bevaren zeeman kon meten. Als woudlooper vond hij zijn gelijke niet.
Dirk was Christen; op een vergadering van goeroe’s (Inlandsche hulppredikers) kon hij een preek houden zoo mooi en vlot, dat de beste Ambonees hem dit niet verbeterde; doch Christen in den waren zin des woords was Dirk niet. Daarvoor hoefde men hem maar even in zijn schelmentronie te zien. Enfin, als men Papoea dragers of roeiers noodig had en men nam Dirk in den arm, dan kwam de zaak in orde; en het gezag, dat hij onder die lieden had, maakte hem in zulk een geval tot een onmisbaar iemand.
Met Dirk was ik spoedig overeengekomen, op welke voorwaarden hij mee zou gaan; hij had n.l. licencie’s voor vogelgeweren en stond er op, dat zijn jagers mede den Mamberamo opmochten, tot Pionier-bivak. Dit vond ik best en ik polste Dirk, waar hij zijn roeiers [164]vandaan wilde hebben. Ik zelf wenschte Biaksche Papoea’s of Sowekkers; Dirk liet zich er nog niet over uit en zei lakoniek: “wij zullen wel zien, als het zoover is.”
’s Middags bracht ik den zendeling Van Hasselt op het eiland Mansinam een bezoek, vanwien ik hoorde, dat in de kampongs op de Zuid- en Oostkust van Noemfoor, hetgeen echte Biaksche Kolonies zijn, voldoende Biakkers en Sowekkers zouden te vinden zijn.
Ik verzocht den heer Van Hasselt den volgenden dag met mij mede te gaan, wat deze gaarne aannam, om tevens een inspectietocht op Noemfoor te maken.

De Biaksche Papoea’s, die meehielpen om de stoomsloep naar Batavia-bivak te brengen.
Den 20en April vertrokken wij met de “Zwaan” naar Noemfoor en kwamen ’s avonds voor Kg. Rumboi, alwaar de heer Van Hasselt van boord ging en beloofde ’s nachts de andere kampongs op Zuid- en Oostkust van onze komst te laten verwittigen. Toen wij dan ook den volgenden dag onder stoom gingen om de Oost, liep alles vlot van stapel en in de kampongs Pakriki, Wanoeserei en Mandori werden 60 stevige roeiers uitgezocht.
Dirk had zich tot dusver nergens mede bemoeid, maar trad pas op toen alle roeiers present waren. Dadelijk kwam hij met een verzoek bij mij, dat allen wel voorschot wenschten te ontvangen. Nu, daar dit gewoonte was, had ik geen bezwaar en betaalde elk ƒ 5.00 uit. In minder dan geen tijd had Dirk hen nu om zich heen verzameld, stalde alle mooie kleeren, sarongs, messen, tabak enz. enz. die, hij voor de vogeljacht bij zich had, uit en verkocht tegen flinke prijzen zijne spullen. Mijne roeiers natuurlijk in de wolken, doch in korten tijd had Dirk, die oude schavuit, de voorschotten.
Onder stoom gaande naar Pionier-bivak bemerkte ik reeds, wat een bijzonder geschikt slag Papoea’s ik getroffen had, vroolijk en opgeruimd, tevreden en gewillig, op het oog gezonde en stevige kerels. En dit alles onder de bekwame leiding van Dirk Broos, dit moest goed gaan. Nu, het heeft de verwachtingen dan ook niet beschaamd.
In Pionier-bivak vond ik luitenant Schulze, die van zijn tocht bewesten de Marinevallen met zware malaria was teruggekomen, en dan ook spoedig geëvacueerd zou worden. Verder den luitenant ter zee Stroeve, die inmiddels van zijn te voren reeds genoemden tocht in het Van Reesgebergte was teruggekeerd en daarna te Pionier-bivak aangekomen.
Eenige dagen te voren was de colonne van kapitein Schultz, die vanuit de Van Gelder-rivier om de Z.W. het land binnendrong, door Papoea’s overvallen, waarbij een Dajak gedood en een fuselier gewond was. Kapitein Oppermann was met een colonne, waarbij den dokter, ter assistentie vertrokken.
Stroeve was juist bezig een nieuwen tocht voor te bereiden: de Rouffaerrivier op, den stroom, die door den kapitein Franssen Herderschee indertijd als een belangrijke zijrivier van de Van der Willigenrivier was aangegeven, doch niet nader werd onderzocht. Stroeve hoopte namelijk, dat deze rivier haar oorsprong zou vinden in het Van Reesgebergte (Kamoeso Pedai) en zou dan trachten aansluiting te verkrijgen met zijn zoo juist gemaakten tocht in dit gebergte van uit het Noorden.
Zoo vertrok dan ook na eenige dagen Stroeve met vier prauwen naar Batavia-bivak en ging van daar uit met de motorboot en 4 prauwen de Van der Willigenrivier op. Bij de monding der Rouffaerrivier aangekomen, valt het hem dadelijk op, dat deze aanmerkelijk grooter is dan de Van Daalenrivier. Eenige loodingsslagen dwars over beide rivieren bevestigen dit vermoeden. De Rouffaerrivier blijkt veel [165]dieper en breeder dan de Van Daalenrivier, zoodat de waterafvoer aanmerkelijk grooter is.
Ook voert de Rouffaerrivier het typische vuile Mamberamo-water af, terwijl de Van Daalen-rivier mooi helder water bevat.

Mijn lijfgarde van Biaksche Papoea’s.
Na een dag opvaren blijkt de rivier uit Westelijke richting te komen. Dadelijk verandert Stroeve zijn plan: drie prauwen worden naar Pionier-bivak teruggezonden; met de motorboot en één prauw wil hij zoo ver mogelijk de rivier, die ontzaggelijk groot en breed is, verkennen, daar dit van belang zal zijn bij het ontwerpen van het plan voor den grooten tocht, die ongeveer half Mei zal moeten aanvangen. Nog eenige dagen vaart hij de rivier op; overal zijn de oevers bevolkt, voor Nieuw-Guinee zeker dicht te noemen en niet altijd is de ontmoeting met de bewoners der Rouffaerrivier vriendschappelijk. Zelfs is hij genoodzaakt eenige Papoea’s, die met een groote overmacht het kleine troepje aanvielen, neer te leggen. Gebrek aan motorsmeerolie doet hem terugkeeren op een punt, waar hij oordeelt, dat de rivier nog belangrijk verder op te varen zal zijn.
Begin Mei komt hij in Batavia-bivak aan, waar hij geen Dajaks of bevaren stuurlieden vindt om met een prauw door de vallen naar Pionier-bivak te komen. Voor hem geen bezwaar; hij vraagt van de hem vergezellende dwangarbeiders eenige liefhebbers om dit gevaarlijke tochtje mee te maken en, zelf aan het roer, weet hij, na echter tweemaal omgeslagen te zijn, behouden Pionier-bivak te bereiken.
Opgetogen is hij over zijne ontdekking op de Rouffaerrivier, welke van zoo groot belang zou zijn voor ons doordringen in het diepste binnenland van Nieuw-Guinee.
Alle officieren waren nu in Pionier-bivak teruggekomen om toebereidselen te maken voor den Grooten Tocht.
In twee colonnes, elk 150 man sterk, zouden respectievelijk Idenburg- en Van der Willigenrivier worden opgevaren.
Elke colonne zou 20 Dajakprauwen krijgen.
De Idenburg-rivier-colonne zou onder bevel staan van den kapitein Oppermann, bijgestaan door den 1en luitenant Feuilleteau de Bruijn en den luitenant ter zee Langeler.
De Rouffaer-rivier-colonne kwam onder bevel van den kapitein Schultz met de luitenants ter zee Stroeve en Doorman.
De officier van gezondheid Dr. Thomsen zou in Pionier-bivak blijven als bivakcommandant.
Daar door ziekte de gelederen enorm waren gedund, bleek spoedig, dat van het formeeren van twee volledige colonnes geen sprake kon zijn; ook het aantal prauwen was verre van toereikend. Er werd derhalve bepaald, dat de Idenburg-rivier-colonne het eerst zou vertrekken. Stroeve en ik hielden ons dezen tijd onledig met jagen, schermen, roeien en plannen maken voor onzen tocht.
Den 15en Mei vertrokken Feuilleteau de Bruijn en Langeler met 20 prauwen naar Batavia-bivak; Dirk Broos met 30 van de beste Papoea’s en alle beschikbare dwangarbeiders-stuurlieden vergezelden hen. Zij waren niet fortuinlijk, want zij raakten in deze eerste dagen in de vallen 6 prauwen kwijt (3 prauwen met lading en de lading van 3 andere.)
Den 18en Mei 1914 vertrok het tweede en laatste échelon der Idenburgcolonne, 4 prauwen onder den [166]kapitein Oppermann. De Dajaks waren achtergehouden, zij zouden zoo spoedig mogelijk het benoodigd aantal prauwen der Rouffaerrivier-colonne completeeren.
Pionier-bivak 18 Mei–3 Juni. Na vertrek van het laatste échelon der Idenburg-rivier-colonne op den 18en Mei wordt met alle hens begonnen prauwen te repareeren en nieuwe te maken. Geheel bruikbare prauwen waren er niet meer; vier stuks konden echter hersteld worden, hetgeen door de Biaksche Papoea’s geschiedde; het personeel der gouvernements-marine zorgde voor het breeuwen en pekken der boorden, zoodat alle Dajaks aan het prauwenmaken konden blijven en zes stuks nieuwe per week afleverden.
Den 20en Mei komt de tijding, dat drie van de vier prauwen van bovengenoemd laatste échelon in en nabij de Edivallen zijn verongelukt en dat een aanvulling van vier prauwen moest worden gezonden. Juist waren er vier gereed, die aan de Idenburg-rivier-colonne worden afgestaan.
Tevens werd ons meegedeeld, dat de 40 Dajaks, die allen met onze colonne mede zouden gaan, aangezien de Idenburg-rivier-colonne alle beschikbare kettingjongens-stuurlieden en prauwenmakers had meegenomen, niet bij één der colonnes mochten worden ingedeeld, alvorens 60 prauwen gereed waren.
Twee mandoers-dwangarbeider (= kettingjongens) waren de eenige overgebleven stuurlieden, zoodat werd afgezien van het medenemen per eerste échelon van dwangarbeiders; zij zouden ons in de versnellingen maar last bezorgen. Wellicht zou het gouvernementsstoomschip eene aanvulling roeiers meebrengen.
De stoomsloep en de motorboot, die in Batavia-bivak lagen, zouden voorloopig met de Idenburg-rivier-colonne medegaan.
Voor de hand lag nu, dat alle aandacht werd geschonken aan het al of niet mogelijk zijn van het door de versnellingen naar Batavia-bivak brengen der groote motorboot, die zich nog in Pionier-bivak bevond.
Indien dit gelukte, dan waren wij ook zonder roeiers verzekerd van een voldoenden vivresopvoer van af Batavia-bivak naar boven. Stroeve en ik besloten het maar te wagen; lukte het niet, dan waren wij nog even ver. Onze colonne-commandant, kapitein Schultz, keurde ons plan goed en 3 Juni 1914 vertrokken wij ten 8 uur ’s morgens van Pionier-bivak met de motorboot en 15 prauwen.
De sterkte der colonne was: 2 luitenants-ter-zee (Stroeve en ik), 1 inl. leerling-verkenner, 1 inl. korporaal, 10 inl. fuseliers, 4 bemanning motorboot, 33 Dajaks, 30 Biaksche Papoea’s en 6 dwangarbeiders, totaal 87 man.
De Dajaks zouden alleen medegaan tot Batavia-bivak, dus om behulpzaam te zijn bij het door de vallen brengen der motorboot.
Het is zeer laag water in den Mamberamo en daardoor staat er betrekkelijk weinig stroom, zoodat de “tulband” zonder eenige moeite wordt gepasseerd.
Ten 12 uur 30 min. komen wij voor een versnelling, die zonder hulp niet te passeeren is; het prauwtransport wordt ingewacht en eerst ten 3 uur zijn alle prauwen present. Dit eerste moeilijke punt wordt zonder fout genomen en ten 4 uur bivak gemaakt, even beneden de Marinevallen.
Terwijl een ieder bezig is, verschijnt heel rustig uit het oerwoud aan den rivierkant, vlak bij onze bivakplaats, een Papoea, boog en pijlen in de eene, een buitengewoon groot kapmes in de andere hand. Zonder vrees te toonen, komt hij naderbij; ’t is een reus, nog nooit had ik zoo’n ontzaggelijk grooten, goed geproportioneerden kerel gezien. De Dajaks werden er stil van en hurkten in een halven cirkel om ons heen; het kalme, bedaarde, zelfbewuste optreden van dezen wilde maakte duidelijk indruk op hen. Nadat wij hem eenige geschenken hebben gegeven, roept hij eenige stamgenooten, die zich tot nu toe in het bosch hadden schuil gehouden. Een van deze, een jongeling van een jaar of zestien, is door een pijlschot zwaar aan den rug gewond. De reus beduidt ons, dat dit door lieden, wat meer landwaarts in wonende, moet zijn geschied. Dit zijn dan waarschijnlijk dezelfde lieden, die de colonne Schultz in April overvielen en een Dajak vermoordden.
4 Juni. ’s Morgens tegen 8 uur komen wij bij de Marinevallen aan, die, nadat beide oevers zijn onderzocht en de doorgangen opgelood, langs den rechteroever worden gepasseerd. De plaats, waar de stoomsloep en de kleine motorboot aan den linkeroever passeerden, ligt minstens 10 meter droog boven den waterspiegel, terwijl zich aan dien oever werkelijke vallen vertoonen.
Ten 1 uur ’s namiddags komen wij langs den rechteroever der rivier even beneden de Edivallen aan; dadelijk wordt een aanvang gemaakt met de prauwen te ontladen, om alle bagage langs den wal bovenstrooms van de versnelling te dragen. Het ziet er hier leelijker uit dan bij de Marinevallen. De linkeroever, waarlangs de boot getrokken moet worden, kan alleen worden bereikt door dwars door de kolken heen over te steken, hetgeen met dit trage, slecht bestuurbare vaartuig zeer gewaagd is. Want even uit het roer loopend, zou de motorboot tegen de steenen te pletter slaan. Na met Stroeve alles lang en breed te hebben besproken, komen wij tot het besluit, dat wij in ieder geval naar den overkant moeten.—Wij steken van wal en komen behouden over, al scheelde het geen paar meters.
De Dajaks brengen nu de trekkrachten,—fuseliers, Papoea’s en dwangarbeiders,—naar den linkeroever; telkens steken de Dajaks over om een nieuw menschenvrachtje te halen en zonder ongelukken komt dan ook de geheele colonne aan. Met Dajaks en Papoea’s bij één troep had men altijd nogal wat te stellen met den naijver tusschen beide volkjes; in dit terrein en voor dit werk waren de Dajaks in handigheid en bruikbaarheid verre de meerderen; in kalmer water roeiende, leggen zij het echter op korten en langen afstand tegen de Biakkers af. Stroeve en ik plaagden het Dajaksche hoofd Anji Poei wel eens en zeiden dan tegen hem: “Die Papoea’s, die kunnen best roeien.”
Nu waren de Dajaks in hun element; met een [167]prauw vol menschen staken zij voorzichtig over; wanneer zij echter leeg terug gingen, roeiden zij stroomop en gingen door de zwaarste kolken en versnellingen terug. ’t Was een schitterend gezicht en wij stonden dan ook met steeds klimmende bewondering telkens de naar de overzijde afstekende prauwen gade te slaan. De brave Anji Poei, die vlak naast ons stond, zag ons enthousiasme en met een fijn glimlachje zei hij tegen ons: “Die Papoea’s, die zijn toch wel handig.”
Hij had groot pleizier, toen wij hem zeiden, dat het van ons maar een grapje geweest was en antwoordde: “Van mij is het ook maar een grapje.”
De twee manillatrossen van 11 c.M. hadden reeds veel geleden van het schavielen langs scherpe rotshoeken, zoodat ik den indertijd door mij in Etappepost II achtergelaten tros van 12 cM. liet halen en met één van 11 cM. liet uitbrengen.

Vertrek van Stroeve en mij op 3 Juni 1914.
Eindelijk is alles klaar, de motor wordt aangezet, wij steken af. Op het oogenblik, dat de boot in den fellen stroom giert, weigert de motor. Met een ruk komt de dunne tros het eerst stijf en breekt, de boot komt dwars op den stroom. Daar de trekkers aan den wal den zwaren tros niet kunnen houden, drijft de boot dwars weg, totdat deze tros, die gelukkig om een rotsblok belegen is, stijf komt en houdt. Elk ander vaartuig zou in deze positie zijn omgeslagen; deze zeer stabiele boot, die als een blaas op het water ligt, helde slechts een weinig.
Daar Stroeve, die op den wal bij de trekkers stond, het gevaarlijke der positie dadelijk had gezien, hadden de menschen, die door het breken van den tros voor het meerendeel onzacht van de been waren geraakt, in een oogwenk den dikken tros weer in handen en uit alle macht werd getrokken. Maar de motor bleef weigeren, wij schoten geen duim op; de boot dobberde nu echter veilig met zijn neus in den stroom. Hoe de trekkers ook werden aangevuurd, de boot bleef aan het rotsblok hangen. Eindelijk, na circa 5 minuten was er eenige beweging te bespeuren; dat gaf nieuwe kracht en centimeter voor centimeter gingen wij vooruit. Het Dajaksch hoofd Anji, die zich bij mij op de boot bevond, stond dansende en gillende zijn menschen aan te vuren; langzamerhand gaat het vlugger en ten 4 uur zijn ook de Edivallen gepasseerd. Wij steken over naar den rechteroever en maken bivak in Etappepost II. De Dajaks brengen nu alle prauwen door de versnellingen heen en ten 7 uur is de geheele colonne met alle vaartuigen behouden in Post II. ’s Avonds is de stemming in het bivak bijzonder opgewekt; tot laat in den nacht hoort men Dajaks en Papoea’s zingen, begeleid door het sombere bruisen van de vallen.
5 Juni. Rustdag in Post II; een prauw met drie zieke Dajaks terug naar Pionier-bivak met bericht aan den kapitein Schultz, onzen colonne-commandant, van het voorloopig slagen.
[168]
6 Juni. Passeeren de kleine Edivallen; de verdere dag verloopt kalm; alleen de circulatiepomp van den motor weigert herhaaldelijk en telkens moet worden gestopt. Ten 12 uur, tijdens eetrust, komt een prauw van boven, waarin onze collega, luit. t. zee Langeler der Idenburg-rivier-colonne, die op weg is naar Pionier-bivak.
7 Juni. De waterstand blijft laag en de rivier levert nergens ernstige moeilijkheden op. Ten 11.30 uur gaat Stroeve in een prauw met 7 van de beste Dajaks vooruit naar Bataviabivak om een nieuwen manillatros te halen en tevens van de gelegenheid gebruik te maken, de Batavia-versnellingen eens te bekijken. Tegen den middag namelijk begint de rivier er al bedenkelijk uit te zien; en wij zijn nu nog een heel eind beneden Etappepost IV.

Laag water voor Pionierbivak. Vlot brengen van een stoomsloep.
Kon ik in April bij hoogen waterstand met de kleine motorboot en de stoomsloep zonder veel moeite Post IV bereiken, nu is hier geen sprake van. Na het vertrek van Stroeve, wordt de boot nog door een zware versnelling heengebracht, waar wij rond vier uur over doen.
De Dajaks verrichten schitterend werk en onder hen blinkt Tamantojan, dezelfde, dien ik reeds op den 13en April vermeldde, weer uit. Vroeg men aan de Dajaks: “Wie roeit van jelui het beste?” Zonder aarzelen zeiden allen: “Tamantojan”. Vroeg men achtereenvolgens aan hen, wie van hen het beste zwom, vischte, dook, boomen klom, kon hardloopen, kon springen enz., telkens weer was het: “Tamantojan”. ’t Was dan ook een juweel; met het vroolijkste gezicht van de wereld haalde hij de onmogelijkste braniestukjes uit.
8 Juni. Hoewel Stroeve ’s morgens vroeg reeds werd terugverwacht, kwam de prauw ons pas ten 12 uur tegemoet en weldra vernam ik dat gisteren de prauw, hoewel bemand met de beste Dajaks, ’s avonds ten 7 uur eerst Post IV had bereikt. Voor dag en dauw vertrokken, was hij ten 11 uur te Bataviabivak aangekomen en dadelijk teruggekeerd. Stroeve had eenige hoop, dat het kon gelukken, de boot door de Bataviaversnellingen te krijgen, maar dan zou het minstens een week duren. De Dajaks, die waren meegegaan, toonden zich minder optimistisch gestemd, maar daar in dezen tijd veel hooger water niet te verwachten was, besloten wij de motorboot er aan te wagen en het tot elken prijs te beproeven.
Nadat dit ook aan Anji Poei was meegedeeld en deze was gerustgesteld omtrent het dragen der verantwoordelijkheid, wanneer de boot verloren ging, werd voortgegaan. Langzaam en heel onzeker schieten wij op.
[169]

Een prauwbemanning in de versnellingen.
V.l.n.r. 2 Dajaks, 1 matroos, 1 fuselier, 1 kettingjongen en 2 Dajaks, (de uiterste rechts is de bekende Tamantojan).
9 Juni. ’s Nachts is het water ongeveer een meter gestegen, hetgeen hier wel niet veel, doch in i