Project Gutenberg's Geschiedenis der Europeesche Volken, by J.G. Kohl This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Geschiedenis der Europeesche Volken Author: J.G. Kohl Illustrator: A. Kretschmer Release Date: November 12, 2006 [EBook #19774] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GESCHIEDENIS DER EUROPEESCHE *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Geschiedenis
der
Europeesche Volken
“Dit oude Europa verveelt mij!” moet Napoleon eens gezegd hebben. En velen, dat werelddeel moede, hebben het hem later nagezegd.
Napoleon uitte dat gezegde waarschijnlijk, toen hij het toppunt zijner macht bereikt had, toen hij geheel Europa aan zijne voeten zag en hem niets meer te wenschen over bleef. En zij, die even als hij Europa moede waren, zeiden het, omdat zij hopeloos, in het oude Europa niets te winnen of te verliezen hadden.
Het is een somber gezegde, dat òf uit geblaseerdheid òf uit vertwijfeling ontstaan is en er door ingegeven wordt.
Noch de geschiedenis, noch eene bedaarde overweging der bestaande verhoudingen, brengt er ons toe dit gezegde te beamen, veeleer brengen beide ons tot de overtuiging, dat ons goed Europa noch vervelend, noch, zoo als de Amerikanen het uitdrukken, zwak van ouderdom is.
Op de geheele wereld is, tot op den nieuwsten tijd, geen schouwtooneel voor hoofd en hart meer onderhoudend en ontwikkelend, dan de beschouwing van het leven en het werken der wakkere Europeesche volken; nergens vestigt men meer zijne hoop op de jeugd, op vooruitgang en op nieuwe gezichtspunten, dan in ons kleine werelddeel, dat wel reeds oud is, maar altijd zijn levenslust blijft behouden.
Van de tijden der Atheners af, was Europa de bakermat der beschaving. “Met het christendom”, zegt Arndt, “zijn alle geniën daar heen getrokken. Het is het hart der wereldgeschiedenis geworden. Door de ontdekking van Columbus werd Europa het centrum van het aard-organisme, en sedert dien tijd kan men bijna met zekerheid zeggen, zal het, door alle tijden heen, het geestelijk en lichamelijk centrum van onzen aardbol blijven.”
Deze zekerheid bevestigt zich bij ons, wanneer, wij het verwonderlijke en op Aarde eenige plan, waarnaar de Schepper ons vasteland daarstelde, nader [2]beschouwen; wanneer wij nagaan hoe gelukkig de natuurlijke aanleg is, die aan de Europeesche volken van den beginne af eigen was en hun in hoofdzaak eigen gebleven is.
Als de Grieken den God van den regen en de wolken, en zijn broeder den “aarde-schuddenden” Poseidon, den God der zee, de hoogste macht toekenden, en de Godin der Aarde slechts als eene ontvangende, lijdelijke vrouw voorstelden; als hun groote dichter Pindarus een zijner oden met de beroemde spreuk begon: “het water is zeker het beste,” toont een blik op den aardbol aan, door welk juist begrip deze zoowel als gene daarbij geleid werden.
Alle oude en jongere beschaafde landen der wereld waren in de nabijheid van het water gelegen. Van China over Indië naar Perzië, Arabië, Egypte en Europa, vormen zij een langen gordel van door de zee bespoelde schiereilanden. Meer binnenslands, verder verwijderd van de zee, buiten het bereik harer bevruchtende wolken en baren, afgelegen van bevaarbare rivieren, heeft nooit de beschaving zelfstandige wortels geschoten.
Het in tallooze stukjes land verbrokkelde en steeds barbaarsche Australië, waar de eilanden zich met hunne kleine wilde volkstammen in de water-woestijn verliezen, bewijst echter dat, ook met betrekking tot het water, het goede te veel kan zijn.
Het schijnt, dat bij het huwelijk tusschen vastland en water, beide even als echtelieden met nagenoeg gelijke kracht tegenover elkander moeten staan; In den omtrek van den onmetelijken oceaan, waar Gaea als eene dwerg leeft, ziet het er even onaangenaam uit als in het binnenste der grenzenlooze landmassa’s, die niet onder het bereik van den elektrischen drietand van Neptunus vallen.
In geen werelddeel echter is de verhouding tusschen water en vastland zoo gunstig en voordeelig, als in Europa.
Aan drie zijden door zout water omspoeld, wordt het door groote zeeboezems in verschillende krachtig ontwikkelde landen verdeeld. Het heeft een zeer sierlijken en vasten lichaamsbouw, eene slanke, goed geproportioneerde gestalte met duidelijk ontwikkeld hoofd, goed gevormde borst, fraaie taille en sterk gespierde armen.
Te recht heeft men daarom Europa met den mensch vergeleken, en haar naam aan dien eener goddelijke jonkvrouw ontleend, als had de natuur zelve reeds de hooge bestemming van dit gedeelte der wereld bij voorbaat aangewezen, als had zij willen zeggen: gij zult de eerste onder de werelddeelen, de Koningin der Aarde zijn.
De andere vastelanden Azië, Afrika, schijnen in vergelijking met ons Europa, niets dan breede, plompe, ongefatsoeneerde massa’s, die nooit met eene menschelijke figuur, hoogstens zooals Indische sagen het met betrekking tot Azië deden, met de schaal van groote schildpadden of met de bladeren der op de wereld-zee drijvende reusachtige planten, vergeleken kunnen worden.
De gladde, koele, zilte, landen aan elkander verbindende, wateren, waarin Europa zich baadt, bespoelen in Frankrijk en Spanje het hoofd en de borst der jonkvrouw, zij versterken in Engeland en Italië hare gespierde armen. [3]In de Zwarte zee, en meer noordwaarts in de Witte zee, bevochtigen zij hare voeten; en even als de Godin der liefde komt zij steeds vroolijker, gezonder en schooner uit dit bad te voorschijn.
De stamvader Oceaan, in wiens schoot Europa ligt, heeft, hoe beweeglijk hij ook zijn mag, toch eene zekere mate van gelijkmatigheid in zijn karakter. Daar hij, niet zooals de hartstochtelijke vrouw Gaea, gemakkelijk door de zon verhit wordt, en zelfs gedurende den winter ook nog eenige warmte in zijn bloed blijft behouden, matigt hij daarom overal waar hij verschijnt. Hij breekt de spitsen af der pijlen van den zuidelijken zonnegod, en tevens maakt zijn zachte adem de verstijfde leden van den noordelijken Boreas lenig.
In Europa doet hij dit, ten gevolge van de zamenwerking van buitengewone omstandigheden, meer dan in eenig ander gedeelte der Aarde.
Het gedeelte der Aarde, dat wij bewonen, keert namentlijk zijn gelaat naar die merkwaardige oceanische strooming toe, die als heete stroom, onder den naam golfstroom, uit de golf van Mexico te voorschijn komt en door de kusten van Amerika teruggestooten, zich als een zacht verwarmde stroom uit het zuid-westen tot ons keert.
Met vochtige wolken beladen en door zachte weste-winden, de bloesem ontwikkelende Favonius of Zephyr der ouden, begeleid, dringt deze strooming door de zuilen van Herkules (Gibraltar) de Middellandsche zee, die ons van den Afrikaanschen gloei-oven scheidt, binnen. Even als zij in het zuiden verkoelend werkt, zoo werkt zij verwarmend in het koude noorden. Zij kronkelt door de golf van Biscaia, verhoogt de temperatuur der Britsche eilanden, voert eene menigte warmtestof strijkelings langs de kusten van Noorwegen tot aan de Noordkaap, en houdt, jaar in jaar uit, de zee tot aan Spitsbergen open.
Aan dezen weldadigen golfstroom, aan wiens—tot in den laatsten tijd miskenden—invloed, geheel Europa en zijne beschaving blootgesteld waren en nog zijn, hebben de Skandinaviërs het te danken, dat zij als Europeanen kunnen leven; dat zij met groote schepen hunne havens, waarin het ijs smelt, even gemakkelijk kunnen verlaten als de Italianen het de hunne kunnen doen; dat hunne velden, die door de dampen van den golfstroom bevochtigd worden, bijna even groen zijn als die in Duitschland en Nederland; dat bij hen akker- en boschbouw bloeien op een breedtegraad, waar overal elders op Aarde—in Amerika, zoowel als in Azië en Australië—de ijskoning zijn ruwen schepter zwaait, of hoogstens alleen nog Eskimo’s of Päschera’s een allerellendigst leven leiden.
De afstand van de noordelijkste berken-bosschen van Noorwegen, tot aan de zuidelijkste pijnboom-wouden van Griekenland en Italië, bedraagt bijna 40 breedtegraden. Op den geheelen aardbol wordt, behalve in Europa, nergens in de gematigde luchtstreek een streek gevonden, waar op een even groot breedte-verschil zoo weinig onderscheid in het klimaat is, als in het hierboven opgegevene.
In Azië zoowel als in Amerika, ook in het zuidelijk gedeelte, staan de uiteinden eener dergelijke oppervlakte tegen elkander over als leven en dood. Bij de hoog in het noorden gelegene Tornea-rivier, vindt men een der vruchtbaarste, [4]bekoorlijkste en volkrijkste streken van Zweden, waar in den zomer korenvelden afgewisseld worden door liefelijke weidelanden, waarop het gras ongewoon digt en hoog groeit. Ja! aan den even noordelijk gelegen Alfen-Elf groeien nog pijnboomen van 60 voet hoogte, terwijl buiten Europa op dienzelfden breedte-cirkel, niets anders dan mos en klein struikgewas wil groeien. In het oosten langs de Europeesche helling van het Ural-gebergte, langs de Oka en de Wolga, bevinden zich de schoonste en vruchtbaarste landschappen van het Russische rijk; voortreffelijke weiden, rijke korenvelden, nu de korenschuren van Oost-Europa, en de prachtigste eiken-bosschen wisselen daar elkander af. Aan de oostelijke of Aziatische helling van datzelfde Ural-gebergte verandert dat tooneel ras. Daar mist men al spoedig den echt Europeeschen boom, den mannelijken, koninklijken eik, die bij ons overal groeit, dien de Europeesche volken voor heilig hielden en dien zij allen, Grieken, Celten, Germanen, zich als om strijd als hunnen nationalen boom, als het symbool van lang voortdurende kracht verkozen.
Misschien moeten wij in deze strooming van den oceaan, de allerwezentlijkste en afdoendste oorzaak der gesteldheid van Europa ten opzichte der andere werelddeelen verklaren; want misschien is ook deze stroomrichting uit het Zuid-Westen, die in vroegere tijdperken der Aarde-ontwikkeling wellicht veel sneller gestroomd heeft, de kracht geweest die onze kusten zoo golfrijk, ons vastland zoo bont getooid, zoo open en toegankelijk gemaakt heeft; die, met één woord, langzamerhand die jonkvrouwelijke gedaante heeft te voorschijn geroepen. Men zou daarom den golfstroom een der invloedrijkste onder de natuurkundige factoren kunnen noemen, die het lot der Europeesche menschheid bepaald hebben. Daar hij aan ons werelddeel de eigenschappen van een trekkas verleende, heeft men hem ook wel den eigenlijken vader der westelijke beschaving genoemd.
Weste- en Zuidweste winden, die deze strooming vergezellen, zijn de heerschende in Europa. Zij voeren de dampen en nevels van den Oceaan over het geheele vasteland heen, bevochtigen het overal, spijzigen rijkelijk zijne bronnen en rivieren, en maken het tot eene goed bevochtigde en bronnenrijke regengordel, namentlijk in tegenstelling met dien breeden, waterloozen aardgordel, die in het zuiden door Perzië, Arabië, en Afrika om haar heen loopt.
Bevaarbare, vruchtbaarmakende en vroolijk stroomende rivieren, die toonbeelden en voorbeelden eener rustelooze werkzaamheid, doordringen als een net van levendige aderen alle deelen en onderdeelen van ons groot Europeesch vaderland. Zelfs in het hooge noorden brengen zij de molens en kunstraderwerken der Schotten en Skandinaviërs in beweging, en dragen zij hunne vaartuigen het geheele jaar door, terwijl op dezelfde poolshoogte in andere werelddeelen de rivieren met eeuwig ijs bedekt zijn, en zich niet anders voordoen dan als toonbeelden van traagheid en doodelijke rust.
De regen en de rivieren maken ook nog de zuidelijkste streken van Europa, de landen aan de Middellandsche zee vruchtbaar, terwijl in den naastgelegen gordel, in de woestijn Sahara, met het wegloopen en opdroogen der wateren, alle leven, ook het menschelijke leven, versterft. [5]
In de regenlooze zonen is de grond van nature veel minder geschikt tot bebouwing. Slechts door kunstmatige bevochtiging en door eene inspanning, die nu en dan de krachten der bewoners schier te boven ging, kon men dat verhelpen. Wanneer men dit echter naliet, dan moest weldra, zooals dit in den nieuwen tijd geschied is, de kunstmatig geteelde plant verwelken.
In het steeds door den hemel bevochtigd Europa, zullen de gronden en hun plantengroei niet zoo spoedig afgeleefd en afgestorven zijn, als daar. Dit werelddeel bevat het element der eeuwige jeugd in zich. Het zal zoo lang krachtig blijven, als de Oceaan, de golfstroom en de terugkeerende passaatwinden, aan Europa verfrisschend nat zullen toevoeren.
Even als het heilaanbrengend nat der wolken, zoo ontvouwt zich een vruchtbare bodem over het geheele werelddeel. De vruchtbare akkergrond strekt zich uit tot de binnenste dalen der gebergten.
Europa is het eenige onder de groote werelddeelen, dat geen voor den mensch onbewoonbare woestenij bezit, waarmede Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en Azië zoo overvloedig bedeeld zijn. De steppen van Rusland, die men wel eens woestijnen genoemd heeft, hebben dien naam voornamelijk te danken aan hunne eentoonigheid. Zij, zooals ook de moerassen van Polen, wanneer de mensch zich maar eenige moeite geeft, zijn vruchtbaar en loonen den arbeid. En als men over de zandvlakten van Pruissen als over eene natuurlijke woestijn sprak, dan was dat toch eene, die met behulp van regen, vlijt en arbeid, in eenen tuin te veranderen was.
Een sporadisch, dat wil zeggen slechts hier en daar, door ijs, kale rotsen of moerassen van geringe uitgebreidheid afgebroken plantendek, bedekt het geheele, altijd groene Europa; in deze door de natuur gevormde schilderij heeft de kleur der hoop den grondtoon.
Europa behoort tot de gematigde luchtstreek. Slechts een onbeduidend gedeelte bij de Noordkaap behoort tot de koude luchtstreek, en van de heete wordt zij door een fraaie zee over hare geheele lengte gescheiden.
Ook in dat opzicht verschillen wij van de andere werelddeelen. Al deze behooren deels, zoo als Afrika en Zuid-Amerika met bijna hunne geheele oppervlakte tot de aequatoriaal-landen; deels ligt, als Azië en Noord-Amerika, hunne breede borst geheel bloot voor den invloed der onbarmhartige noordewinden.
Te recht heeft men ook hierin eene hoofdreden gezocht voor de welige ontwikkeling der Europeesche natien. Waar, zooals aan de poolstreken, de grootste vlijt, de sterkste inspanning geen of slechts een zeer karig loon ten deel valt, daar vervalt de geest, evenals de natuur, tot den eeuwigen winterslaap.—Waar, zooals in de tropische gewesten, een dozijn broodboomen voldoende zijn om eene familie te voeden, daar doodt de overvloed de geestkracht der menschen, die niets moeielijker kunnen verdragen dan “eene reeks gelukkige dagen.”—Waar echter, zooals in onze gematigde luchtstreek, eene spaarzame en toch niet ondankbare natuur ons ten strijde roept, en die strijd niet te zwaar is, daar wordt de geest wakker geschud, daar bloeit de arbeid, de moeder van ontwikkeling en vooruitgang. [6]
Hoe practisch, hoe opwekkend, hoe aangrijpend is niet de, onze Europeesche zone eigene, natuurverschijning: de wisseling der jaargetijden. In de streken, waar de liefelijke zonnegod nooit in zijn vollen luister verschijnt, evenals daar waar hij in eentoonige pracht eeuwig lachend straalt, kan hij ter naauwernood de menschen wakker houden. Met ons Europeanen echter speelt hij het altijd opwekkende spel van scheiden en weder verschijnen.
Welk een beteekenisvol beeld van ons eigen leven, toovert deze bekoorlijke dans der Horae ons niet voor den geest. Als de jeugdige lente en met haar het vernieuwde licht nadert, als de vogelen kweelen en de aarde juicht, “wien zweefden dan niet altijd weder de droombeelden zijner jeugd voor den geest en wie gevoelde dan niet zijne goddelijke bestemming?” En niet alleen de lente, waarin alles tot een nieuw leven ontwaakt, of de zomer, waarin alles tot volle rijpheid komt, ook de langzamerhand eindigende finale, de herfst, maakt op ons gemoed een diepen indruk.
Hoe bezielend, hoe ontwikkelend moet in het verloop der tijden het schouwspel van eene zoo tooverachtige afwisseling gewerkt hebben op het gemoed onzer volkeren, die altoosdurend strijd en overwinning voor oogen hadden, die daardoor als het ware in staat gesteld werden, in hunne woonplaats en zonder te reizen, alle luchtstreken der Aarde te doorleven en van alle klimaten te genieten.
Gedichten op den zomer, den herfst en de lente maken wel de helft uit van de poëzie der Europeesche volken. Ja! als men bedenkt, hoe de Grieken den in lentetooi terugkeerenden Apollo den beschermgod der dichters maakten, en hoe ook in het noorden van Europa het gezang der landskinderen in Mei, tegelijk met het lied van den leeuwerik, op nieuw weerklinkt, dan wordt men geneigd juist in deze afwisseling der jaargetijden de bron en de aanleiding onzer poëzie te zoeken.
De schoonste en roerendste sagen en ideeën, niet alleen der Romeinsche en Grieksche, maar ook der Slawische en Germaansche godenleer, hebben betrekking op de afwisseling der jaargetijden, die alle Europeanen tot nadenken, tot het maken van vergelijkingen en tot de kennis van het menschelijke leven en van hen zelven bracht.
En de bijbel zelf spreekt met lof over den invloed van de wisseling der jaargetijden, wanneer hij zegt: “zoo lang de Aarde staat en zoo lang er menschen op leven, zullen ook zaaien en oogsten, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht blijven bestaan.”—Maakt niet zelfs de stichter van den godsdienst, die wezentlijk de Europeesche geworden is, steeds melding van deze zaken? heeft hij niet vele der voor ons bevattelijkste beelden en der fraaiste leeringen uit haar geput? Het zijn allen beelden en gelijkenissen en lessen uit den schoot der gematigde luchtstreek; van dien grilligen aardgordel, die zijne kinderen nu eens in het vuur, dan in het water doopt, die hunne gemoederen steeds in spanning houdt, altijd hunne neigingen, hun verlangen of hun verdriet wakker maakt, hen nu eens met treurigheid, dan weder met vroolijkheid en vreugde vervult, en die daarom alleen door zulke phenix-volkeren als de Europeesche bewoond wordt, die even als de vogel [7]Phenix steeds van voren af hun vernield nest opbouwen, en bij wie men nooit aan eene wedergeboorte behoeft te twijfelen.
Even als in de uiterlijke gedaante van het vaste land, en zijne, voor het onderlinge verkeer zoo gunstige zamensmelting met de zee, alsmede in het klimaat, dat van geene uitersten weet, en in de grondgesteldheid, die geene woestijnen kent, maar overal, hier meer, daar minder, bebouwbaar is; zoo toont zich ook overal elders in de geheele verdere natuur van Europa, in zijne oorspronkelijke produkten, in zijne planten- en in zijne dierenwereld, eene zekere doelmatigheid, zekere bijzonder heilzame gematigdheid. Nergens vindt men Indischen overvloed, Aziatische pracht en tropische overdaad. Maar bijna overal heeft men het noodige en bruikbare, of kan men het verkrijgen.
In andere werelddeelen, b.v. in Zuid-Amerika, vindt men landen, waar op eene vlakte-uitgebreidheid, nagenoeg zoo groot als geheel Europa, volstrekt geen vaste steen gevonden wordt, waar straat- en bouwsteenen even zeldzaam zijn als diamanten. In Europa steekt het oude gebeente der Aarde overal rijkelijk boven den bodem uit, of is in puin over zijne oppervlakte verspreid, opdat de Europeesche volken hun verstand er aan zouden scherpen, en van de steenen, die zij te voorschijn kunnen halen, duurzame werken zouden daarstellen.
Van nature zijn wij arm aan paarlen, edelgesteenten, goud en zilver. Daarentegen zijn wij rijk aan het metaal, waardoor men zich, op de zekerste wijze, die schatten verschaffen kan. Overal in ons werelddeel vindt men ijzer; men vindt het in de moerassen van Finland, in de bergen van Skandinavië en Groot-Brittanje, en in de rotsen en eilanden der landen aan de Middellandsche zee. Uit dit metaal vervaardigden de Europeänen hunne spaden, hunne ploegen, hunne zwaarden, hunne machineriën, waardoor zij den wereldbol aan zich onderwierpen. Met dit haar ijzererts, dat zij hem bijna overal aanbiedt, spreekt Europa tot hare kinderen: “arbeidt en heerscht!” “Arbeiden is koninklijk,” zoo luidde de beroemde spreuk van een met ijzer bekleeden Europeeschen heerscher: een echt Europeesch koningsidée, een bon mot, waarin geen Aziatische Nebukadnezer den Macedonischen Alexander vóór was. Deze spreuk vormt een scherp kontrast met het uit Azië afkomstige en daar algemeen verspreide gezegde: “rusten is beter dan gaan, slapen is beter dan waken en de dood is het beste van alles.”
Ook het karakter der dierenwereld komt overeen met de aangegevene physionomie van het vasteland. Even als in de wijze waarop de lichaamsbouw geregeld is, uitstekend en behendig de juiste maat in het oog gehouden is, en men evenmin op het vasteland zulk eene verlammende verbrokkeling als in Australië, of zulke kolossale en onbehouwen afmetingen als in Azië en Afrika aantreft—zoo heeft ook de dierenwereld van ons werelddeel geene soorten die, of in karakter of in afmetingen, monsterachtig zijn. Na den zondvloed werden in ons Europa geene olifanten, rinocerossen of andere wilde dieren meer gevonden. De weinige leeuwen en tijgers, die Griekenland eens zou gevoed hebben, heeft de Europeesche Herkules spoedig gewurgd. [8]
Noch in soort noch in aantal, zijn de door den mensch gevreesde schepselen, bij ons zeer talrijk geweest. De wolf, de losch, de beer zijn, nevens eenige kleinere diersoorten, de eenige die wij als bij ons inheemsch kunnen beschouwen, terwijl in verscheidene andere oorden der wereld, de mensch moeite heeft zich voor de verscheurende en roofdieren te vrijwaren, en genoodzaakt is een onophoudelijken strijd tegen hen te voeren.
Vergiftige planten zijn zoo goed als geheel uit onze gezonde wouden verbannen; de elders zoo talrijke vergiftige planten zijn, even als de vergiftige slangen en andere verschrikkelijke en monsterachtige kruipende dieren, bij ons nagenoeg geheel onbekend.
Onze vogels evenaren die der andere luchtstreken niet in grootte en kleurenpracht, daarentegen munten zij boven die der andere werelddeelen uit door hun liefelijk geluid. Geen werelddeel is zoo rijk aan zangvogels als Europa. Kweelend doortrekken de kleine gevederde minnezangers onze bergen en bosschen en doen ons gehoor aangenaam aan, terwijl de Flamingo’s en Kakatoe’s der tropische gewesten, door de grilheid hunner kleuren het oog verblinden. Het is, als ware in Europa de natuur zelve verstandiger, en minder op bloot materieele praal en pronk gesteld, dan ergens anders.
Ook in de plantenwereld gaat het bevallige boven het prachtige, het nuttige en voor menschelijke doeleinden geschikte boven het schitterende.—De broodgevende voedingsplanten, de opvroolijkende wijn, vele verfrisschende en gezonde vruchtsoorten, die de Schepper Adam in het paradijs gaf, heeft Europa gaarne aangenomen, en zij zijn in onze trekkas, met behulp van ons gematigd klimaat, door Europeesche kunstvlijt nog in zoo hooge mate veredeld, dat moeielijk een verfijnde smaak de voorkeur zal geven aan de overzoete, sterk gekruide en lekkere vruchten van het zuiden, boven het bouquet van ons druivensap, boven de liefelijk gekleurde vruchten onzer appel-, peeren-, pruimen- en citroenboomen.
De bij ons van nature inheemsche bosch- en weidebloemen, spreiden wel niet zooveel uiterlijke pracht ten toon als de sierplanten van andere werelddeelen, die overdadig prijken met alle kleuren van den regenboog. Onze echt Europeesche nachtviooltjes en vergeet-mij-nietjes, onze mirre en resida, onze lavendel, onze kleine rosmarijn, sneeuwklokjes en meibloemen verbergen zich, om zoo te zeggen. Zij moeten ontdekt, hunne bescheidene schoonheid moet erkend, en kan dikwijls niet dan alleen met overleg, genoten worden. Zij bezitten niet dat bedwelmend aroma, dat aan de planten van Arabië eigen is, en toch brengt een Europeesch viooltje of een heerlijk riekend “hoe-langer-zoo-liever” eerder den dichter in verrukking, dan de kelk van eene schitterende kaktus of eene sterk riekende magnolia.
Kortom, waarheen wij onze blikken ook wenden, overal blijkt het, dat de gulden middenweg midden door Europa loopt. De natuur heeft Europa nergens geheel verwaarloosd, maar ook nergens den hoorn des overvloeds verkwistend over haar uitgestrooid. En juist in deze gematigdheid, die bij de Europeesche schepping heerscht, ligt hare eigentlijke kracht. Een klein begin heeft de natuur overal gemaakt, den aanleg heeft zij allerwege gegeven, den menschen [9]de benuttiging en de voltooiing van het werk overlatende. Het borduurraam en de stof die geborduurd moet worden heeft zij zeer voordeelig gesteld, het borduren zelf echter slechts voorbereid. De Europeaan moest dat werk voltooien.
Sem, de Aziaat, was als Noach’s eerstgeborene, om zoo te zeggen door eerstgeboorterecht de erfgenaam der schepping; hij bleef op de aangeërfde hoeve en volgde de oude overlevering der voorvaderen. Japhet echter, de Europeaan, was de jongere zoon, die weinig erfde, die het leven in moest en zich in de wereld zijn koningrijk moest en wist te veroveren. [10]
De lange aaneengeschakelde rij van ter bebouwing geschikte landschappen, die tusschen de woestijn van Sahara en de Middellandsche zee gelegen is, maakt meermalen, zoowel in physieken zin als in betrekking tot de geschiedenis der beschaving, eene uitzondering op het groote werelddeel Afrika, waarvan zij een gedeelte uitmaakt. Misschien is er eens een tijd geweest, waarin zij daarvan geheel gescheiden was, namentlijk, toen de nu opgehevene kom dier groote woestijn ook met zeewater gevuld was.

Arabieren en Mooren
Zij sluit zich in vele opzichten aan de landen van zuidelijk Europa aan, en vormde daarmede vroeger, toen de straat van Gibraltar nog niet bestond, een samenhangend geheel. Nu ligt zij aan den oever derzelfde zee, waaraan zuidelijk Europa gelegen is—deelt met haar een zelfde klimaat en een zelfden plantengroei,—is met haar dan ook dikwijls aan de zelfde veroveraars en koningrijken onderworpen geweest, en heeft tot op onzen tijd—tot het verschijnen der Afrikaansche Turco’s onder Fransche banier in ons noorden, en tot op de vernieuwde invallen der Spanjaarden in Marokko in 1862—met ons van krijgslieden, koloniën, bevolking en ontwikkeling omgewisseld.
Hieruit spruit de voor ons onderwerp al aanstonds belangrijke vraag voort: welke volks-elementen, welke invloeden op karakter en ontwikkeling, welke veranderingen in zeden, gewoonten en taal, hebben de Europeanen van deze zijde ontvangen en geleden, en welke overblijfselen en indrukken vinden wij daarvan nog ten huidigen dage bij ons?
De landen van Noord-Afrika behooren, even als Europa, tot de gematigde luchtstreek, waarin zij, even als ons werelddeel, over de geheele lengte van het Oosten naar het Westen zich uitstrekken. Zij deelen nog, ofschoon niet in dezelfde mate, in den invloed van den zuidwest-passaat en zijn daarom—voor het grootste gedeelte althans—even als Europa een regenland. Zelfs snijdt de zuidelijke grenslijn der met de oppervlakte der zee op dezelfde hoogte [11]vallende sneeuw, eenige der hoogste punten van noordelijk Afrika. Hier en daar treft men deze verschijning aan tot aan den voet van het Atlas-gebergte en der andere bergen van het binnenland, tot aan den rand van de, tot den altijd regenloozen en heeten gordel behoorende, Sahara, de groote zandzee zonder water.
Even als het karakter van het klimaat, zoo heeft ook de plantengroei van Noord-Afrika, veel meer overeenkomst met dien van Europa dan met dien der binnenlanden van Afrika. Ja! dit Noord-Afrika vormt eigenlijk met het zuidelijke Europa eene en dezelfde botanische provincie. Het deelt met het zuidelijk gedeelte van Europa de belangrijkste blad- en vruchtboomen, onder anderen den nuttigen olijfboom, de sappige citroenen, oranje-appelen en andere Europeesche zuidvruchten. Ook is het nog een wijnland, maar de zuidelijke grens van den wijnstok loopt rakelings langs de zuidelijke grens dezer kustlanden heen.—Vooral ook is het een zeer dankbaar bouwland, en de graansoorten, die wij gaarne de Europeesche noemen, vinden wij ook hier in zulke gunstige omstandigheden, dat Noord-Afrika, dat zich in het gezicht van Europa ontplooit, in vroeger tijden een der voornaamste korenschuren van ons werelddeel geweest is. Deelde Noord-Afrika met ons onze graansoorten, zoo kon omgekeerd het in de tropische gewesten te huis behoorende suikerriet, de katoenstruik en de dadel-palm naar Spanje en Sicilië overgebracht worden, en aan den drassigen oever van eenige rivieren van dit eiland, groeit nog heden ten dage de bij den Nijl te huis behoorende papyrus-plant.
Even als met den plantengroei, zoo is het in zekere mate ook met de dierenwereld gesteld, ofschoon, met betrekking tot deze, beide werelddeelen meer van elkander onderscheiden zijn. Verscheidene dieren en diersoorten bewonen zoowel de noordkust van Afrika, als de zuidelijke gedeelten van Europa. Zoo, om slechts eenige voorbeelden te kiezen, vindt men èn hier èn daar, het damhert, het konijn, den kraanvogel, verscheidene roofvogels en nog talrijker kruipende dieren, insekten, kapellen. En daarbij moet wel opgemerkt worden, dat deze zuidwaarts, de zuidelijke grens dezer aan de Middelandsche zee gelegene Afrikaansche kustlanden niet overschrijden of overvliegen.—Dat wij Europeanen jaarlijks vele vroolijk kweelende zwermen zangvogels, en ook de bij ons zoo inheemsche ooievaars, met Noord-Afrika verruilen, is van algemeene bekendheid, even als dat eene kolonie Afrikaansche apen, naar de rotsen van Gibraltar verhuisd is, alsmede dat—in oude tijden ten minste—de Afrikaansche leeuw ook in Europa zijn gebrul deed hooren, tot de knods van Herkules hem in Griekenland nedervelde.
Met het oog op al deze omstandigheden, hebben dan ook vele oude Grieksche aardbeschrijvers er geen steen of been in gevonden, het Noordelijk Afrika onder den naam “Libyë” nog tot Europa te rekenen, en het geheel van het overige Afrika, dat zij bij voorkeur “Ethiopië” (het land der Zwarten) noemden, af te scheiden.
De oorspronkelijke bewoners van Afrika, de zwarte kinderen van Cham, de door de zon aan huid en hersenen verzengde negerstammen hebben, ofschoon zij over eene groote uitgestrektheid even dichte naburen van ons werelddeel zijn [12]als de Mongoolsche nomaden-stammen van Azië, het nooit in hun hoofd gekregen Europa te beoorlogen, te verwoesten, of er zich met der woon heen te begeven. Diep verzonken in eene van eeuwen her dagteekenende barbaarschheid, zijn deze ontelbare volkeren, die niet de minste énergie bezitten, voor de overige menschheid van niet den minsten dienst geweest, zij hebben voor haar niets uitgedacht of uitgevonden. Even als de baren van eene groote, sombere binnenzee, bewogen zich bij hen, van het begin der wereld af, de volkeren heen-en-weer. Iedere baar, hoe hoog zij ook mogt stijgen, viel weder binnen de grenzen dezer zee terug, en nergens stroomde zij vol ondernemingsgeest over.—De wolharige negers hebben geene geschiedenis. Wij nemen bij hen niets waar, dan tallooze eentoonige veranderingen en altijd op dezelfde wijze herhaalde wilde omwentelingen; nergens een vroolijken wasdom, nergens eenige grootsche ontwikkeling, nergens eenigen belangrijken vooruitgang. Zij zijn voor ons werelddeel nooit gevaarlijk, maar ook nimmer nuttig geweest. Ja! zij hebben, voor zoover het oog der geschiedenis reikt, nooit op de door ons bedoelde noordelijke grens van hun eigen werelddeel vasten voet gehad. Ook daar verschijnen zij (even als nu en dan in Europa) niet dan begeleid door krachtiger rassen, en door dezen behandeld als slaven. Wij mogen deze neger-volken, bij eene schildering der volken van Europa, geheel en al ter zijde laten.
Noord-Afrika heeft van oudsher zijne heeren en zijne landbouwers deels uit Europa, deels uit de omstreken van Hasch, dat is het land der Zon (Morgenland)—Azië—gekregen, voornamentlijk en het meest uit de laatste streken, vooral in de vroegste tijden, toen alle verbreiding van het menschengeslacht en der beschaving, van daar uit het Oosten naar het Westen gericht was.—Beschouwen wij daarom het allereerst de verhouding van Noord-Afrika tot Azië.
Beide zijn door eene hoogst merkwaardige brug, de landengte van Suez en hare voortzetting in Syrië, aan elkander verbonden. Zij zijn ook over de geheele uitgebreidheid der smalle kloof van de Roode Zee, die gemakkelijk bevaarbaar is en vroeger—zoo luidt de bijbelsche sage—door een geheel volk doorwaad werd, slechts zwak van elkander gescheiden. Afrikaansche en Aziatische eigenaardigheden vermengen en verbroederen zich hier. Door Arabië, eene oostelijke voortzetting der Sahara, en door Perzië en Beludchistan, dringt deze verbroedering door tot aan Voor-Indië.—Oude schrijvers hebben daarom ook dikwijls gevraagd, of men niet een deel van Noord-Afrika, namentlijk Egypte en het geheele Nyl-dal, nog tot Azië rekenen moest; anderen hebben weder het omgekeerde gedaan en gedeelten van Azië, met name Arabië, tot Afrika gerekend. En wij, onzerzijds, mogen hier ook deze streken mede in den kring dien wij zullen nagaan, trekken, en wanneer wij over de Noord-kust van Afrika spreken, dit ook tot Syrië, Phenicië, Arabië en hunne naburige landen uitstrekken.
De geloofwaardige geschiedenis leert ons, dat noordelijk Afrika herhaalde malen van daar overstroomd en gekoloniseerd geworden is, en het is hoogst waarschijnlijk, dat alles wat de Noord-kust van Afrika, wat bevolking betreft, aan ons Europa gegeven heeft, oorspronkelijk uit Arabië en andere naburige [13]Aziatische streken gekomen is, en dat de Noord-Afrikaansche landstreken daarbij slechts de rol van bemiddelaar, van een land dat doorgetrokken wordt, of van een brug voor de volken gespeeld heeft.
Dit nu schijnt zeer goed te passen op het Oostelijk Afrikaansche kustland, waarop ons oog het eerst valt; op den oudsten weg der westersche beschaving, op het raadselachtig land van sphinxen en eeuwenoude ruïnes, uit wier overblijfselen van tempels en grafplaatsen, vijfduizend jaren tot ons spreken. De gelijkvormigheid der gebouwen die de oude Egyptenaars optrokken, met die der nog oudere bewoners van Hindostan, hunne priesterheerschappij en verdeeling in kasten, hunne volks- en staatsregeling, alsmede andere kenmerkende eigenaardigheden, schijnen het meer dan bloot waarschijnlijk te maken, dat zij als kolonisten uit het Aziatische Oosten beschouwd moeten worden. Vermoedelijk kwamen deze kolonisten het allereerst met schepen aan de zuidkust van Arabië, in het zoogenaamde “gelukkig-Arabië,” aan, en gingen zij vervolgens door de straat van Bab-el-Mandeb, (poort des doods), die, met het oog op de invoering der Oostelijke ontwikkeling liever “poort des levens” moest gedoopt zijn, naar de naastbijgelegene gedeelten van het middelste Nyl-dal.
Van deze middelste landstreken, waarheen ons ook de oudste Egyptische overleveringen als het beginpunt hunner beschaving wijzen, richtten zich hunne koloniën en hunne rijken noordwaarts, langs de boorden van den geheelen Nyl tot aan de Middellandsche zee, waar in de vruchtbare delta de Egyptische palmboom zijn kroon ontvouwde, en vervolgens weder zuidwaarts tot diep in Abessynië en Ethiopië.
In het Nyldal ingesloten, aan de kanalen der rivier wonende, bloeide de Egyptische beschaving—eene afgeslotene wereld op zich zelve—onbepaalde tijden lang. Eindelijk werden eenige harer zaadjes en stekjes over de Middellandsche Zee naar Europa gevoerd, waar zij op een hoogst vruchtbaren, namentlijk op Griekschen bodem vielen.—-Een Egyptenaar (Cekrops) stichtte Athene; een Egyptenaar (Danaüs) bouwde het koningsslot van Argos; Minos, de wetgever van Creta, had wellicht meer dan de overeenkomst van naam gemeen, met den ouden Egyptischen staten-regelaar Menes. Ja! een Egyptisch Koning, Sesostris, zou, oorlogvoerend en veroverend, eens het geheele Grieksche schiereiland tot aan den Donau en tot in het land der Skythen, doorgetrokken zijn.
Door Griekenland,—wiens oude kunst, zoolang zij nog niet op eigen wieken gedreven had, blijkbaar hare wieg in Egypte gevonden heeft; wiens denkende mannen zich tot de Egyptenaren begaven, om daar aan de oude bronnen wijsheid op te doen—Plato onder anderen, die even als Herodotus, Solon en Pythagoras, Egypte bezocht en daar studeerde, kende den Egyptenaren zonder voorbehoud den eersten rang toe, noemde hen de uitvinders der rekenkunst, der meet- en sterrekunde; volgens Diodorus stamt de geheele godsdienst der Grieken, hunne goden en helden-sagen uit Afrika van de Egyptenaars af; alleen stelden de Grieken alles wat in Egypte geschied was voor, alsof het in Griekenland gebeurd was—door deze Grieken, zeg ik, die aanvankelijk [14]door de Egyptenaren voor kinderen, voor piepjonge volken en onontwikkelde barbaren uitgescholden werden, werd de ontvangen beschaving vervolgens aan het overig Europa verder medegedeeld; en zoo komt het, dat wij nieuwere Europeanen—wier hedendaagsche tijdrekening van Egyptischen oorsprong is—nog heden ten dage eenigzins den Egyptischen stempel dragen, en dat onze gedachten zich langs banen bewegen, wier oorsprong aan den Nyl gezocht moet worden.
Alexander de Groote en na hem de Romeinen braken later den boezem van het oude Egypte, dat zijne ontwikkeling als in een gesloten oesterschelp verborg, open, en lieten haar met die van Europa zamensmelten. Egyptische priesters bouwden hunne tempels in Italië; Europeesche (Grieksche en Romeinsche) wijsgeeren richtten hunne scholen aan den Nijl op, terwijl hunne handelaren en krijgslieden tot in het hart van Ethiopië doordrongen. Door de Bijzantijnsche Keizers en later door de Turksche Padichas, die nog later Egypte en geheel Noord-Afrika, zooals vroeger Alexander en Rome gedaan hadden, veroverden, zijn weder de bewoners der Nijlstreken, even als ten tijde van Sesostris, tot aan de oevers van den Donau gevoerd geworden, en bij die rivier kan men onder de Halve-Maan, nog heden ten dage de gezichten der bruine Egyptenaren en donkere Ethiopiërs, tegenover de Duitsche troepen zien staan.
Met den invloed welken de Egyptenaren op Europa gehad hebben, staan, zoowel wat betreft den tijd waarin als de wijze waarop, die van een ander volk, de zoogenaamde “purper-menschen” (Pheniciërs), de bewoners van de Syrische kust, op dezelfde lijn. Die Syrische kust, tegelijkertijd een oostelijk aanhangsel en een zijvleugel van Egypte en Afrika, maakt een der belangrijkste deelen uit der door ons beschouwde zuidelijke kusten van de Middellandsche zee. De zeevaartkundige en handeldrijvende kinderen van Syrië, scholieren van het oude wijze Babylonië, hebben reeds vroeg de Middellandsche zee doorkliefd, en zoowel aan de Afrikaansche als aan de Europeesche kusten, beschaving en koloniën door het geheele groote waterbekken verbreid, dat ook nu nog bij de Oostersche volken hun naam draagt, en de Syrische zee (Bahr el Scham, het water van Scham) genoemd wordt.
Reeds 1500 jaren vóór Christus kwamen Phenicische zeelieden, kolonisten, handelaars, planters en veroveraars naar Griekenland. Hun aanvoerder (Kadmus) bouwde Thebe in Boeotie en bracht het Phenicische letterschrift naar Griekenland. Hiervan zijn alle andere Europeesche alphabets afgeleid. Ook brachten de Pheniciërs, wat minstens van evenveel gewicht is, het allereerst het gebruik van ijzer en van ijzeren gereedschappen naar Europa over.—Kreta, Rhodus, Cyprus, ja bijna alle eilanden van den eerst later “Griekschen Archipel” werden door hen bezet. Zij drongen nog veel verder naar het Westen door, en bouwden in den omtrek van het tegenwoordige Tunis hun wereldberoemde “Kart Chadata” (Nieuwstad), dat door de Romeinen “Carthago” genoemd werd. Met de overwinnende vlooten en legerscharen der Pheniciërs en hunne machtige moederstad, drong de Semitische volksstam, en met hem ook andere hun onderworpene bewoners van Afrika, Spanje binnen. Zij overstroomden [15]en veroverden bijna het geheele Pyreneesche schiereiland, bebouwden en exploiteerden het; evenzoo handelden zij met de Europeesche eilanden, Sicilië, Sardinië en Corsica, waar zij verscheidene steden stichtten.
Hunne tochten ter zee strekten zij zelfs uit tot ver voorbij de zuilen van Herkules noordelijk tot aan Groot-Brittanje, waar hun naam den bewoners zoo diep ingeprent is, dat nog heden ten dage vele Ieren in den waan verkeeren dat hun volk rechtstreeks van de Puniers of Pheniciërs afstamt. Punische en Afrikaansche volken doortrokken onder Hannibal zelfs het zuidelijk Frankrijk en Spanje, even als wij weder in onze dagen onder de vanen van Napoleon, uit diezelfde streken, in diezelfde landen, Afrikaansche krijgslieden, even woest als de soldaten van Hannibal, met de Franschen naar den Rijn zagen marcheeren.—Dat op deze en andere wijze, door tusschenkomst der Pheniciërs en hunne kolonisten, de Europeesche en Noord-Afrikaansche bevolkingen zich meermalen vermengden, is onder anderen ook daaraan merkbaar, dat zij een slavenhandel op groote schaal door de geheele Middellandsche zee georganiseerd hadden, en daarbij, zooals beweerd wordt, de in Europa geroofde slaven gewoonlijk in Afrika, de Afrikaansche daarentegen in Europa verkochten. Dat de Pheniciërs in Europa spoorloos verdwenen, dat zij bij ons geheel dood en uitgestorven zouden zijn, is niet aan te nemen; bijvoorbeeld reeds daarom niet, dat de, wel is waar vrij wat veranderde, letters: letters van den schrijfmeester van Europa, zich thans nog onder onze hand en pen vernieuwen. Zien niet nog, om zoo te zeggen, de schimmen der uitvinders van het glas door onze vensterramen onze huizen binnen?
Van de Egyptenaren en Pheniciërs stap ik nu over naar de westelijk gelegene landen en volken aan de zuidzijde der Middellandsche zee.
De geschiedboeken van Egypte deelen ons verscheidene invallen mede der oude landsvijanden uit het oosten, de herdersvolken, die zij “Hijksos” noemen. Deze waren naar alle waarschijnlijkheid de voorvaderen onzer Arabieren. Zij overstroomden Egypte en een groot deel van Afrika’s noordkust, volgens mededeelingen onder anderen reeds 2000 jaren voor de geboorte van Christus. De Perzen en Meden, en met hen ook weder Arabische nomaden-stammen, rukten onder Cambyses het land binnen, en onderwierpen Egypte en andere gedeelten der noordkust van Afrika.
Wij zien in latere tijden een dergelijken inval uit diezelfde landstreken gebeuren, waarmede wij beter bekend zijn. Meer andere invallen kunnen vóór de Mohamedaansche Arabieren en vóór Cambyses, en ook vóór de zoogenaamde “Hyksos”, plaats gevonden hebben; de geschiedenis en ook zelfs de sage zwijgt daarover.
Zoolang wij de volken kennen, die Noord-Afrika, westelijk van Egypte, en die de Europeanen Nasamonen, Getulers, Numidiërs, Barbarijers, Mauritaniërs of Mooren noemden en noemen; zoolang zien wij in hen een ras, dat van de zuidelijke Afrikanen, de negers, geheel verschilt in lichaamsbouw, kleur, haar, in verstandelijke ontwikkeling, in taal en in gewoonten. Zij hebben in dat alles veel minder overeenkomst met de zwarten, dan met de Arabieren en de andere volken van Zuid-Westelijk Azië, die, zooals gezegd is, vermoedelijk [16]reeds in de allervroegste tijden hunne beweging naar dit gedeelte der Aarde begonnen hebben.—Reeds de oude Grieken beweerden dezen oorsprong der inboorlingen van Noord-Afrika uit Azië. Herkules, die onvermoeide wandelaar, de halfgod aan wien zij alle groote dingen toeschrijven, heeft Aziaten uit Indië, over Arabië naar Afrika gevoerd. Ook de Romein Sallustius, die langen tijd proconsul in westelijk Afrika was, en de geschiedkundige boeken van Hiempsal, een ouden Koning der Numidiërs, liet vertalen, was van meening, dat de Mooren en Numidiërs afstamden van Armeniërs, Perzen, Meden en Arabieren, die zich met der woon hier gevestigd hadden.
De naam “Mauritaniers” of “Mooren,” waarmede de Romeinen, en na hen de Spanjaarden en Portugeezen, alle Noord-Afrikanen, zonder onderscheid van ras, gewoon waren aan te duiden, zou van Aziatischen oorsprong zijn; zelfs de oude naam van het geheele vasteland “Afrika”, alsmede de reeds door de Grieken opgegevene inheemsche benamingen van het groote Afrikaansche gebergte, “Atlas”, laten zich uit het Arabisch afleiden. Zekerlijk zijn deze Aziaten, die in de allervroegste tijden Afrika binnentrokken, even als de vroegste Aziatische bewoners van Europa, in zeer van elkander verschillende stammen en volken omgezet. Wij mogen in hen wellicht de, met en door elkander vermengde, overblijfselen van verschillende kolonie-stichtingen uit Azië, te herkennen hebben.
De laatste en ook voor ons, tegenwoordige Europeanen, belangrijke inval van Aziatische volkstammen in Noord-Afrika, was die der door Mohamed in beweging gestelde en tot den Islam bekeerde Arabieren. Zij verspreidden zich tijdens het einde der 7de eeuw, langs de geheele kust, over het geheele land, dat zij hun Westland (“Magreb”, waarvan Marocco eene afleiding is) noemden. Hunne heerschappij strekte zich uit tot aan den Oceaan, tot aan de Straat van Gibraltar, van waar zij naar het naburige Spanje overstaken en in dat land een inval deden. Dit was eene gelijksoortige beweging, als die welke vroeger door de “Hijksos” en de voorvaderen der oude Libyërs en Barbarijers bewerkstelligd was.
De Arabieren, en in hun gevolg de Mooren en andere Afrikaansche, hun van oudsher verwante, volkeren veroverden, even als eens hunne voorgangers, de Pheniciërs en Karthagers, het gedaan hadden, bijna het geheele Pyreneesche schiereiland. Tijdens den hoogsten bloei en de uitbreiding van hun Kalifaat, bezaten zij ook weder al de voornaamste eilanden der Middellandsche zee: Cyprus, Kreta, Sicilië, Sardinië, Corsica en de Balearische eilanden, van welke de Grieken beweerd hadden, dat zij reeds in de oudste tijden, inwoners uit Afrika zouden ontvangen hebben, en die ook, zooals reeds gezegd is, vroeger door de Pheniciërs en Karthagers vermeesterd waren geworden. Over deze Europeesche eilanden is dus, even als over Spanje, menige stortvloed van volken uit Noord-Afrika heengegaan.
Zeer merkwaardig is het, dat de Mohamedaansche Arabieren en Mooren, ten tijde hunner grootste uitbreiding, vrij wel een even groot deel van Europa onder hunne macht hadden, als de Pheniciërs en Karthagers ten tijde hunner grootste macht. Beiden kregen geen vasten voet aan deze zijde der Pyreneën; [17]beiden werden in Gallië en in Italië door de Europeanen geslagen, de Puniërs door de Romeinen onder de Scipio’s, de Arabieren door de Germaansche Franken onder Karel Martell. Bij beide gelegenheden scheen Europa in gevaar, door Afrika overmeesterd en geafrikaniseerd te worden.
De invloed, die deze Afrikaansch-Aziatische inval, onder de zonen van Mohamed, op de moderne Europeesche volken gehad heeft, was van veel meer belang dan ooit vroeger eene volksbeweging uit diezelfde streken, en dat wel reeds daardoor, dat zij in een veel lateren tijd plaats grepen, en ook door den langeren duur der Arabische heerschappij. Ook kan men den loop van dien invloed, aangaande welken wij beter onderricht zijn, duidelijker nagaan. De levendige en hartstochtelijke Arabieren begonnen, nadat zij naar alle vier de windstreken de schoonste en rijkste landen in wilden haast waren doorgetrokken, “nadat zij meer vijanden verslagen hadden dan zij tellen, meer land onder hun juk gebracht hadden dan zij beschrijven konden”, toen zij meer rust hadden, de kunsten en wetenschappen te beoefenen. Zij maakten zich meester van de door de Grieken en Romeinen opgegaarde schatten van kennis, verzamelden de geschriften hunner geleerden, vertaalden die in het Arabisch, bouwden op dezen grond verder door, en toonden daarbij meer talent en vlugheid dan de langzame Indo-Germaansche volksstammen, die eerst veel later doordrongen in den klassieken geest en de wetenschap der oudheid. De Arabieren voerden, terwijl zij de fakkel der geleerdheid, die bij de overige volken nog bitter weinig licht verspreidde, tot zich trokken, de eerste ver om zich heen grijpende renaissance of wedergeboorte der wetenschappen aan. Zij hadden het merkwaardige en grootsche spreekwoord: “de menschen zijn òf geleerd òf zij zijn leerlustig. Alle andere menschen zijn nietige muggen.” Tot in Tartarije en de Mongoolsche landen, ja zelfs tot in het afgeslotene China, werden door hen de edelste schatten van kennis, en de fraaiste denkbeelden van den menschelijken geest overgebracht. En evenzoo ontgloeide hun voorbeeld de Europeanen, onder wie zij in Spanje, in Sicilië en elders, ver om zich heen lichtverspreidende scholen, waarin zoo wel de goede smaak als het verstand ontwikkeld werd, stichtten.
Deze Arabische akademiën, waarin zij aan de Musen een nieuw tehuis bereidden, b.v. die van Cordova, Sevilla en Grenada in Spanje, de scholen van Salerno in Italië, die door Arabische geleerden, die alle doode en levende talen der wereld lezen en schrijven konden, op het toppunt van glans en aanzien gebracht werden, werden in de elfde en twaalfde eeuw bezocht, niet alleen door Mohamedanen uit alle deelen van Afrika, zelfs uit het binnenste gedeelte van Fez en Marocco, maar ook door Christenen uit alle oorden van Europa, zelfs door mannen die bestemd waren eens de driedubbele kroon van het Pausdom te dragen, op gelijke wijze als later het Italiaansche Bologna en daarna Parijs en de Duitsche universiteiten. Zij, die, door de Arabieren goed onderwezen en met rijke kundigheden en geestesgaven toegerust, terugkeerden, werden door de onwetende Europeanen Magiërs genoemd en door hen dikwijls als heksenmeesters vervolgd. In het begin der 14de eeuw richtte men in verscheidene Europeesche steden, in Parijs, Bologna, Oxford en Rome leerstoelen [18]voor de Oostersche talen op, ter ontginning der mijnen van Arabische beschaving.
De grootste verdienste verwierven zich de Arabieren in de wiskunde, de natuurwetenschappen en de artsenijkunde, met betrekking tot welke vakken zij in nog hoogere mate de onderwijzers van Europa geworden zijn, dan de Grieken en Romeinen het geweest waren. De algebra en de chemie noemen wij nog heden ten dage met Arabische namen. In de astronomie, eene wetenschap die hare wieg heeft onder den helderen hemel, in de onbewolkte schitterende atmospheer van Noord-Afrika, Egypte en Arabië, gebruiken wij nog dagelijks de Arabische woorden: “Nadir,” “Zenith,” “Azimuth,” “Almanak” enz.
De rekenkunst hebben wij nagenoeg geheel alleen aan de Arabieren te danken, en zoo ook de, misschien in Indië uitgevondene teekens der getallen, die zooveel doelmatiger waren dan die, welke bij de oude Romeinen en Grieken in gebruik waren. Ook de benaming “cijfer” is van Arabischen oorsprong; even als de teekens zelve aan de gestalte van den kameel hunnen oorsprong zouden te danken hebben. Ook in de chemie zijn verscheidene dagelijks gebruikt wordende uitdrukkingen van Arabischen oorsprong, zooals de woorden: “Alkohol,” “Alkali,” “Elixer” en vele andere.
In de uitoefening van vele kunsten echter waren aan de Arabieren, door de voorschriften van Mohamed de handen gebonden, zooals b.v. in de schilder- en beeldhouwkunst, daar het hun verboden was, het menschelijk gelaat en het omhulsel van den menschelijken geest, tot voorbeeld te kiezen. Toch leverden zij ook daar, waar zij zich op dit gebied vrij ontwikkelen konden, zooals b.v. in de bouwkunst, veel schoons en groots.
In de door hen en naar hunne ideën gebouwde tempels, in Azië (b.v. de groote moskee te Damascus)—in Afrika (b.v. de prachtige moskee van Kairwan) en in Europa (b.v. de beroemde moskee van Cordova) voegden zij aan de zeven wonderen der wereld nog geheel nieuwe toe. Door Spanje werkten hunne door ieder bewonderde bouwmeesters, ook op het overige Europa in, en veel van wat wij den Gothischen stijl en smaak noemen, is eigentlijk niets dan een ideé en eene uitvinding der Arabieren.
De taal der Arabieren werd, en zulks kon bij al hun streven naar ontwikkeling moeielijk anders, voor alle takken van menschelijke wetenschap en kennis, meer beschaafd en verfijnd dan eenige andere van dien tijd. Alleen aan de muziek, die noch door hunne godsdienstplechtigheden, noch door hunnen nationalen aanleg in de hand gewerkt werd, schijnen zij weinig gedaan te hebben. “Van oudsher waren de Arabieren meer redenaars en dichters, dan zangers, musici en kunstenaars. Voor rhytmus en melodie in de taal hadden de Arabieren, wier volks-poezie zeer oorspronkelijk en eeuwen oud was, en die het eigendommelijk kenmerk van hun vurig en phantastisch nationaal-karakter droeg, steeds het fijnste gevoel, en daarvoor maakten zij dan ook het nog ruwe oor der Europeanen het eerst weder toegankelijk.” De Provençaalsche dichtkunst werd, toen het eerste morgenrood van Nieuw-Europeesche poezie en literatuur in de 12de en 13de eeuw weder gloorde, aan de Europeesche [19]naburen der Arabieren, door deze hunne vijanden tegelijkertijd opgedrongen en opgezongen. Even als deze ontleenden ook de Katalonische en Siciliaansche dichterscholen, de bronnen der Spaansche en Italiaansche poëzie, hun vuur aan de punten van aanraking der christelijke met de Arabische wereld. En zoowel in deze “gaya siencia” (de vroolijke kunst), als in hunnen bouwstijl, in de mathesis, geneeskunde en chemie werden de Arabieren ook in velerlei andere vakken tot voorbeeld genomen.
Zij brachten niet alleen de fraaiste paarden-rassen naar Europa—zij waren niet alleen zelven de uitstekendste ruiters en ridders—zij, die, stoute heldendaden verrichtende, overal in de wereld naar avonturen zochten, bevorderden ook dikwijls bij de Europeanen dien zelfden lust naar avonturen, die zelfde ridderlijkheid, dien zelfden trek naar groote daden. Bij hen ontwikkelde zich (ten deele althans) dat, wat wij echter even goed de “Arabische geest” zouden kunnen noemen. De instellingen onzer Europeesche ridderschap waren meerendeels navolgingen, van hetgeen reeds lang bij de Arabieren gebruikelijk was geweest. En wanneer ook al onze ridderschap in hoofdzaak een Germaansch-Romanische instelling moge geweest zijn, zoo geraakte deze toch eerst tot volkomenheid, toen Noordsche manhaftigheid de gloeiende geestdrift met den glans en de hoffelijkheid der Oostersche verfijning, overgenomen had. De oorlogen die de Europeanen gedurende hunne kruistochten, in het Zuiden en in het Oosten met de Arabieren voerden, dwongen hen onwillekeurig, veel van de militaire gebruiken en de krijgskunst der Arabieren over te nemen. Onze christelijke ridderorden zijn het eerst aan den rand der breede grenslinie van den strijd met de Saracenen, in Spanje, in Egypte of in het Heilige Land, ontstaan. De Tempelridders kwamen er rond voor uit, dat zij hunne orde-voorschriften aan de Muzelmannen ontleend hadden. Ook de wapenleer (heraldiek) is door de Arabieren en Mooren tot ons gekomen, en onder anderen is, volgens de onderzoekingen van den Vicomte de Beaumont, de beroemde lelie in het wapen van Frankrijk van Oosterschen oorsprong.
Vooral niet minder merkwaardig en van niet minder ingrijpenden aard, was de van de Arabieren uitgaande inwerking op den Europeeschen handel en op industrie. Arabische zeevaarders, kooplieden en hunne vlooten zeilden en verkeerden in de 9de en 10de eeuw door al de drie deelen der Aarde, aan de eene zijde in den Atlantische Oceaan en aan de andere zijde tot naar Oost-Indië en China. Zij brachten de uiteinden der wereld tot elkander, en dreven ruilhandel met de verst verwijderde volken. Zij waren de aanvoerders der karavanen in het binnenland van Afrika, zij begeleidden ook de karavanen tot in het hart van Azië. De handelstakken van bijna alle andere volken der Aarde, met name ook de Europeesche, waren eveneens niets dan vertakkingen van den grooten Arabischen wereldhandel, waarvan de Genueesche en Venetiaansche handel eveneens afstammen. Ook het handelsverkeer door Rusland langs de Wolga tot aan het oude Nowgorod en het in de nabuurschap der Samojeden bloeiende “Biarmie” was een tak van dien machtigen stroom, en daar aan het strand der IJszee en der Oostzee, worden nog heden Arabische munten gevonden.
Zooals eens die munten, zoo zijn ook nu nog bij de door ons, en bij alle [20]Europeanen zonder uitzondering, aangenomene termen, vele uitdrukkingen in zwang, toepasselijk op handel en zeevaart, die van de Arabieren afkomstig, en door bemiddeling der Italianen en Spanjaarden aan onze taal toegevoerd zijn: “admiraliteit”, “arsenaal”, “tarief”, “magazijn”, “karavaan”, “bazar”, zijn enkele der hiertoe behoorende woorden, zoo ook de namen der beroemde winden: “monsum”, “sirocco”, “samum”, waarmede de Arabische schepen zeilden. Ook velen der wijd en zijd verbreide waren en produkten, hebben door alle tijden heen Arabische benamingen gehouden, zooals de suiker (alzucar), die de Arabieren ons het eerst leerden kristalliseeren; de koffij (kawe), die zij sedert onheugelijke tijden in Gelukkig Arabië verbouwden; de kamfer en het lak, dat hunne kooplieden uit Indië aanvoerden; zoo ook de “safraan”, de “artisjok”, de “jasmijn”, de “tamarinde”, de “boomwol”, (katoen, al guoton) en de daarvan vervaardigde stoffen “mousselin”, en “calico”. Even zoo zijn de “gazelle”, de “giraffe”, de “civet-kat” en nog eenige andere dieren, in de Europeesche woordenboeken met Arabische namen aangeduid.
Ook in verschillende takken van nijverheid zijn de Arabieren voorbeelden en onderwijzers der Europeanen geworden. Zoo waren zij b.v. gedurende een gedeelte der midden-eeuwen de voornaamste en bekwaamste bewerkers der zijde. De Arabische zijde-weefsels uit Almeria in Spanje, waartoe Marocco de grondstof leverde, waren beroemd. Het is bekend, dat reeds de ouden hunne kostbaarste purperkleurige kleedingstukken uit Phenicië kregen, en zoo was het ook weder in de midden-eeuwen. Gouden treswerk en boordsels, fraai gekleurde tapijten, gouden en zilveren draadwerk, kostbare weefsels, waarin sierlijke patronen met gouddraad waren ingeweven, kwamen nagenoeg alleen van de zoogenaamde “Saraceenen” (Oosterlingen), d.i. Arabieren en hunne naburen. De Noormansche Koningen in Beneden-Italië en hunne Hohenstaufsche opvolgers, hadden groote en wereldberoemde katoen- en zijdefabrieken in Palermo. De teekenaars en de werklieden in deze fabrieken waren Saracenen. De Oostersche smaak in de versieringen, en de ingeweefde Arabische spreuken geven dit genoegzaam te kennen. Deze fabrieken leverden de prachtgewaden voor de Koningen en Grooten van Europa. Van hen is onder anderen ook een deel der kroonings-ornamenten der Duitsche Keizers afkomstig. De Arabische inrichtingen in Palermo werden de leerscholen voor de zijde- en tapijtweverijen in Opper-Italië. En van hieruit kwamen deze oorspronkelijk Arabische kunsten in de vijftiende eeuw naar Nederland, waar zij verder tot bloei en volmaking kwamen.
Ook met de kunst, reukwerken te vervaardigen, met het distelleeren van wijn, hebben de Arabieren ons Europeanen bekend gemaakt, en het is overbekend dat het eerste mechanische uurwerk, dat noordelijk van de Middellandsche zee gezien werd, uit Arabië afkomstig was; zooals vermoedelijk ook de eerste invoering van het buskruit en van het kompas, deze in de geschiedenis der beschaving zoo buitengewoon belangrijke uitvindingen, aan de Arabieren moeten toegeschreven worden. Uit dit alles ziet men dus, dat even als de toenmalige dichters van Europa, Arabische vertellingen en riddergeschiedenissen in hunne romans inweefden, evenzoo onze kunstenaars en werklieden [21]in hunne voortbrengselen, Arabische phantasiën tot thema namen; dat even als in de verzen der Provençalen en Troubadours, Arabische beeldspraak weerklonk, zoo ook onze Keizers en Koningen Arabische borduursels en sieraden op schouders, borst en gordel droegen, en dat even als de ridders en krijgslieden, zoo ook de geleerden en wijzen van Europa, meermalen de zeden en wetten overnamen van de uit Afrika overgekomene veroveraars.
De Europeanen hebben zich echter bij deze door alle tijden terugkeerende zamensmelting der beide, in het zuiden naburige vastelanden, niet altijd alleen passief gedragen. Zij hebben de Puniërs, de Egyptenaren, de Saraceenen niet alleen bij zich afgewacht. Ten allen tijde zijn zij zelven op verscheidene punten hun uitgestrekt vaderland binnengedrongen, en zijn zij, doordien zij herhaalde malen verscheidene gedeelten der Afrikaansche kustlanden met hunne Europeesche landen in aanraking brachten, met hen in inniger samenhang gekomen en hebben zij Afrikaansche zeden en bloed van daar naar hier overgebracht.
De in het zuiden van Europa gelegene schiereilanden Griekenland, Italië, en Spanje, waren bij voorkeur de bruggen, waarlangs hunnerzijds de Europeanen zich naar Afrika begaven. Men zou deze schiereilanden en de eilanden-keten Sardinië, Corsica en Sicilië, in zekere mate kunnen vergelijken met groote stukken druipsteen, die van het hoofdlichaam van Europa in de diepe grot der Middellandsche zee afhangen. De Afrikaansche kust, die overal dezelfde gedaante heeft en in eene rechte lijn doorloopt, is dan de vlakke bodem van deze grot. Even als het kalkwater langs de druipsteenen afvloeit, en op den bodem der grot duidelijke figuren vormt, zoo hebben ook altijd de Europeesche volken langs die landen getracht naar buiten te komen, en is daardoor tegenover de uiterste punten een Afrikaansch Griekenland, een Afrikaansch Italië of Spanje ontstaan. Zoo kwamen reeds in de oudste tijden, na de vernietiging van Troje, Hellenen op het Afrikaansche schiereiland Barca, dat juist onder hun land ligt, en stichtten daar hunne beroemde kolonie, Cyrene. Zoo kwamen ook de Romeinen, reeds spoedig in de eerste tijden hunner toenemende grootheid, in aanraking met dat gedeelte van Afrika, dat juist onder hun schiereiland Italië lag. Over Sicilië gaande, togen zij naar Afrika, vernielden Carthago en onderwierpen zich dat Afrikaansche land. Zoo zijn insgelijks de Spanjaarden—ook weder in onze dagen—over de straat van Gibraltar—het dichtst bij hen gelegen gedeelte van Afrika, het zoogenaamde Tingitanische schiereiland, binnengetrokken en hebben het dikwijls, als behoorende aan hun moederland, als het Hispania Transfretana (het Spanje aan gene zijde van de straat) bezet.
Hadden de Europeanen eerst op een zoo in hunne nabuurschap gelegen punt vasten voet gekregen, dan breidden zij zich vervolgens, even als de uit Azië komende veroveraars, over de geheele noordkust, of ten minsten over groote terreingedeelten er van, uit. De Grieken stichtten van Cyrene uit, langs dezen kustrand, vele andere koloniën, en deze Afrikaansche Grieken, die, naar de uitdrukkelijke getuigenis der oude schrijvers, allen zich, nevens hunne Europeesche moedertaal, ook de Afrikaansche hadden eigen gemaakt; die ook naar hunne zeden en gewoonten van tweeërlei natuur, halve Europeanen en [22]halve Afrikanen waren, vormden langen tijd een belangrijk verband tusschen de beide werelddeelen. Na de Grieken onderwierpen de Romeinen de geheele noordkust van het vasteland van Egypte tot aan Marocco, stichtten er eene reeks bloeiende koloniën en verdeelden haar in verscheidene, op Europeesche wijze bestuurde en bebouwde provinciën. Zij maakten zich daar zoo inheemsch, dat er bijna geen onderscheid was tusschen de Romeinsche provinciën langs de noordelijke, en die langs de zuidelijke kust der Middellandsche zee. Zij drongen ook dieper het land in en haalden van daar de Getulische en Numidische ruiters, die zij bij hunne legers inlijfden en waarmede zij in alle deelen van ons vaste land oorlogvoerden.—Hunne Afrikaansche legioenen, hunne zouavenregimenten, waarin zich zoowel Romeinsche Afrikanen als inboorlingen van Afrika bevonden, toonden in vele op Europeeschen bodem geleverde veldslagen, eene groote mate van onstuimige dapperheid en eene bijzondere geschiktheid, die zij zich op de leeuwenjachten en in de eeuwige guerilla-oorlogen der woeste stammen, in de rotsgebergten van Getulië hadden eigen gemaakt.
Na de Romeinen, tijdens de volksverhuizing, vermengden zich, al was zulks ook maar van voorbijgaanden aard, zelfs de Germanen, de bewoners van het noorden van Europa, met de Afrikanen. De Vandalen werden van den Oder, over Spanje, tot naar Mauritanië teruggeworpen, en zij beheerschten eens zoowel de Europeesche landen ten noorden van de zuilen van Herkules, als de Afrikaansche landen ten zuiden er van, oostwaarts tot voorbij Carthago. Onder hunnen Koning Genserik keerden zij, door Afrikanen vergezeld en zelve waarschijnlijk gedeeltelijk geafrikaniseerd, naar Europa terug, en brachten de voornaamste stad van ons werelddeel ten onder, van uit dezelfde haven (Carthago), die eens door de Europeanen, van Rome uit, een zoo hard lot te verduren had. Nog in latere tijden heeft men, in eenige blondharige bergvolken van Afrika, nakomelingen dezer Germanen willen zien.
In den bloeitijd der Arabische macht, die de Duitsche volksverhuizing op den voet volgde, was de heerschappij der Europeanen meer dan ooit van Afrika uitgesloten. Nadat echter het groote Arabische Kalifaat, even als het Romeinsche rijk, uiteengespat was, gedurende de kruistochten in de 12de en 13de eeuw, vielen om zoo te zeggen, de Europeesche volkeren weder midden in het Zuiden en in het Oosten. In Syrië, Palestina, op de eigentlijke noordkust van Afrika, in Egypte, in Tunis en Marocco verschenen zij ontelbare malen onder de banier van Lodewijk den Heilige en andere Koningen, tot op de tijden van Keizer Karel V en Sebastiaan van Portugal, en brachten van daar terugkeerende, zuidelijke gewoonten, zienswijzen, zeden, natuur- en kunstproducten naar Europa.
Onder de langdurige heerschappij der Turken, kwam vervolgens de geheele reeks van schoone Afrikaansche landen, wier ontwikkeling vroeger, zoowel onder de Carthagers als onder de Grieken en Romeinen en later ook onder de Arabieren, zoo op Europeesche wijze gebloeid had, weder tot den toestand der oude barbaarschheid. De zoogenaamde roofstaten ontstonden, en gedurende verscheidene eeuwen betraden Europeanen den Afrikaanschen bodem niet anders [23]dan als slaven en krijgsgevangenen. Dit is eindelijk eerst weder in onze 19de eeuw veranderd, want nu zijn de Romaansche volken andermaal begonnen zich over de tegen hen over liggende kusten op nieuw te verspreiden.
Sedert 1830 zijn de Franschen, die zich somwijlen als de erfgenamen der Romeinen beschouwen, het land binnengerukt en hebben er een Europeesch-Afrikaansche kolonie gesticht. Zij hebben daar den toegang gebaand aan de nakomelingen der eertijds daar zoo gevreesde Germanen, aan de nijvere Duitsche landbouwers, die nu door vlijt en weldaden de misdragingen hunner Vandaalsche voorvaderen doen vergeten.
Sedert eenige jaren zijn de Spanjaarden het voorbeeld der Franschen gevolgd. Vol geestdrift hebben zij de oude veete en den zelden afgebroken naijver tusschen Europa en Afrika weder opgerakeld, en schijnen, indachtig aan de vroegere overleveringen van hun land, hun “Afrikaansch Spanje” weder te willen veroveren.
Napoleon III heeft van daar zijne Afrikaansche legioenen, de regimenten zouaven of Afrikaansche Europeanen en de horden der woeste Turco’s, (inboorlingen, geboren leeuwenjagers van het land) naar ons werelddeel overgevoerd en met hunne hulp in 1859 zijne snelle overwinningen in Italië behaald.
Dit is nagenoeg een kort overzicht over de groote rij van gebeurtenissen, die tot de zamenvlechtingen en zamensmeltingen der Europeesche en Afrikaansche volks-elementen geleid hebben. Wel zijn de resultaten van vele dezer zamensmeltingen weder weggevaagd, of beter gezegd: zij zijn zoo in de Europeesche atmosfeer vervlogen, dat zij niet meer opgediept en nauwkeurig nagegaan kunnen worden. Maar er zijn ook streken in ons werelddeel, waar de resultaten van dat langdurig verkeer met Afrika nog min of meer merkbaar zijn, en die wij in zekere mate als een midden tusschen ons in gelegen streek Saraceenen-land, of ten minste als eene zichtbare Afrikaansche tint, op het gelaat onzer volken kunnen beschouwen.
Ten slotte wil ik trachten, deze nu nog meer of minder Afrikaansch gekleurde deelen van Europa aan te duiden: bij onze Europeesche Turken is de Arabische taal het orgaan van godsdienst en geleerdheid. Bij den Turkschen stam zelven is nog veel vermomd Arabisch bloed, en bij hunne legers, aan den Hellespont zoowel als aan den Donau, dient nog menig Arabier, Egyptenaar en Moor. Ook verschijnen in hunne handels-havens niet zelden Arabische kooplieden, zooals ook op hunne galeien, slaven en gevangenen uit alle landen ten noorden van de woestijn. In het overige niet Turksche Europa, bestaan nog enkele punten, waar de Saraceenen nog heden ten dage, zoo te zeggen in persoon, ofschoon met aanzienlijk veranderde nationaliteit en gewoonten, bestaan. Op Malta b.v. heeft het volk, zooals bekend is, een Arabisch dialect, en iets dergelijks kan men ook opmerken bij de bewoners der Balearische eilanden, die zoo dikwijls in handen der Afrikanen waren, en wier gewoonten en taal nog altijd eene Arabische tint hebben.—De bevolking van Zuid-Italië en die der groote eilanden Sicilië, Sardinië, Corsica, die in den loop der tijden zoo dikwijls en zoo lang onder den invloed van Afrikaansche rassen stonden, duidt nog heden menig Arabisch en Afrikaansch element aan. [24]
Veel bij de hedendaagsche bewoners van Sicilië en van het naburige Abruzzo, doet eerder aan het Oosten dan aan Europa’s christelijke landen denken. Half barbaarsche stam-hoofden, Palikaren en Klephten, komen hier onder veranderde namen voor.
De bewoners der bergen van het binnenland van Sardinië ten tijde der Romeinen, beschreef Strabo ongeveer zoo, als wij tegenwoordig de Kabylen van Noord-Afrika kennen. “Beschaving,” schrijft hij, “is in Sardinië alleen aan de kusten te vinden. De bergbewoners echter leven alleen van veeteelt en roof, zij zijn ruw en schuw als het wild.” En wat deze Romein van de half Afrikaansche natuur der oude Sardinische bergbewoners van voor 2000 jaren zegt, dat geldt in meerdere of mindere mate ook nog ten huidigen dage van hen.
Ook de Corsicanen, met wier volksnaam men de benaming van het handwerk der “corsaren” (zeeroovers) in verband gebracht heeft, waren in het binnenste van hun eiland, van oudsher niet veel beschaafder dan de oude oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de Barbarijers. Roofzucht, bloedwraak, de ruwheid van de herdersvolken, haat en verachting voor alle nieuwigheden en veranderingen, heerschen nog heden bij hen, ofschoon zij reeds sedert eene eeuw tot een beschaafden staat behooren, en Frankrijk veel gedaan heeft om hen naar dezelfde regelen als de andere Franschen te regeeren. De bruinachtige gelaatskleur, de kleur van het haar, de uitdrukking van het gelaat en de geheele vorming van het lichaam der zoogenoemde “Italiaansche” eilanders schijnt er op te wijzen, dat zij in zekere mate een overgangsvorm uit Afrika naar Europa zijn.
En wat eindelijk de bevolkingen van Spanje en Portugal betreft, deze zijn, voornamentlijk in het zuidelijke deel dezer landen, nog heden ten dage dikwijls met Afrikaansche (Moorsche) elementen bezwangerd. Niettegenstaande later christelijke Koningen van Spanje, de Mooren en Morisco’s van hun land, op eene allerwreedaardigste wijze deden vervolgen, en ofschoon het hun gelukte hun rijk van hen die hun geloof trouw bleven, zooals zij het noemden te “zuiveren,” zoo hebben zij toch het Moorsche of Afrikaansche karakter, bij de bevolking van Andalusië, Granada, Murcia, Valencia, niet geheel kunnen doen verdwijnen. Het is een ten deele eeuwenoud, en reeds ten tijde der Pheniciërs en Carthagers hier ingeworteld karakter. Takken van Arabische industrie bloeien, al is het dan ook op vrij wat jammerlijker wijze dan ten tijde der Abderhamans, daar nu nog; en onder de zwarte sluiers, in snede en maaksel van Arabischen oorsprong, der schoone dames van Cadix en Sevilla, schittert dezelfde gloed der donkere oogen, reeds door Arabische dichters bezongen.—Zeer veel in de levenswijze, kleederdracht, zeden, dansen en volksliederen, der bewoners van het zuidelijke deel van het Pyreneesche schiereiland, is van Afrikaanschen oorsprong. Vele, nog heden geldende geographische namen in die streken zijn Arabische benamingen, die door de Spanjaarden eenigzins gewijzigd zijn. Zulke benamingen dragen daar rivieren, b.v.: de Guadalquivir, Arabisch Werd al Kebir (het groote water); steden, b.v. Gibraltar, Arabisch “Dschebel al Tarik” (de rots van Tarik); provinciën, b.v. Algarvië, arabisch El Garb; bergketens b.v. de Alpujarras, Arabisch Alboscharat. Een zeer [25]beroemd bergland heet nog heden het Moorsche: “Sierra Morena.”
Dergelijke geographische sporen en monumenten der volksverhuizingen uit Afrika naar Europa, treffen wij nog veel meer noordelijk aan, b.v. in een dal der Helvetische Alpen. In het kanton Wallis is nog heden ten dage eene geheele reeks namen voor bergpaden, afgronden, gebergten en dorpen in gebruik, die hun Arabischen oorsprong duidelijk verraden. Piz del Moro (de top der Mooren), Monte-Moro (de Mooren-berg), Fontane More (de Mooren-bronnen), en de plaats-namen “Allalie,” “Alangel,” “Algabi” zijn eenige der Arabische namen in dit land. Ten tijde toen de Arabieren en Mooren in Spanje en Zuid-Frankrijk machtig waren, hebben, zegt men, zich eenige Saraceenen uit Noord-Afrika in de bergpassen der Alpen, voornamentlijk in de kloven van den St. Bernard nedergezet, vanwaar zij het zuiden en het oosten van Zwitserland onophoudelijk beoorloogden, tot in 954, in welk jaar zij zelfs St. Gallen bedreigden. Van hen zouden deze Arabische namen, in deze zoover van de Arabieren en Mooren verwijderde landstreek, wier zwartharige, bruinkleurige inwoners, volgens de opmerkingen van een reiziger, nog heden eene Arabische afstamming verraden, afkomstig zijn; ofschoon zij anders in zeden, taal en levenswijze van hunne blonde Duitsche en Fransche naburen niet meer verschillen.
Ja, bij het Waadlandsche dorp Saas, maken deze dalbewoners nog, ter bevochtiging hunner Alpen-matten, gebruik van eene oude waterleiding, die de Saraceenen daar, hoog boven het dorp en boven de toppen der boomen uit, in de rotsen hebben uitgehouwen. Dat is dan wel een het verst naar het binnenste gedeelte van ons werelddeel vooruitgeschoven post, van die merkwaardige verhuizingen, veroveringen en invloeden uit Afrika; het meest nabijgelegene spoor der zamenvlechting en zamensmelting der bevolkingen van beide werelddeelen, dat ik aanwijzen kan, en hiermede sluit ik daarom dit hoofdstuk. [26]
Er bestaan tamelijk gegronde redenen om te vermoeden, dat eens niet alleen de Kaspische zee en het meer Aral eene zamenhangende watermassa vormden, maar dat die groote binnenzee zich ook ten noorden van den Kaukasus uitbreidde en zich met de zee van Azof en de Zwarte zee vereenigde, terwijl zij in het westen de vruchtbare streek van Oostelijk Europa, en in het noorden den zuidelijken voet van het Uralisch gebergte bespoelde. In het oosten reikte die binnenzee tot aan den aanvang van het centraal-Aziatisch hooggebergte. Had deze voor-historische binnenzee een duurzaam bestaan gehad, dan zou ons werelddeel, door eene bijna onoverkomelijke natuurlijke grens, van de Aziatische binnenlanden gescheiden zijn geweest. De ons onbekende natuur-veranderingen, tengevolge waarvan de Zwarte zee, die van Azof, de Kaspische en de Arabische zee zich in afzonderlijke bassins oplosten, en zich binnen de tegenwoordige engere grenzen terugtrokken, hebben veroorzaakt dat sedert dien tijd, het Zuid-Oosten van Europa zich meermalen nauw verbonden heeft met Azië. De bergvolken konden zich nu droogvoets van den Kaukasus verder westwaarts begeven. Vooral echter is daardoor eene groote breede opening, tusschen het noordelijk uiteinde der Kaspische zee en den zuidelijken voet van den Ural ontstaan, en deze is van oudsher eene der merkwaardigste volken-poorten voor Europa geweest. De Kaspische zee liet, toen zij het noordelijk gedeelte van haren diep ingezonken bodem ontblootte, een uitgestrekt en woest land na, welks grondgesteldheid nog heden ten dage aantoont, dat het vroeger met water bedekt geweest is. Het is een uitgestrekte, boomlooze, zoutachtige steppengrond, die met zand, kiezel, mosselschelpen en ontelbare zoutkorrels, de overblijfselen der vroeger hier woedende baren, bedekt is. En deze onhuisselijke steppen-natuur loopt in zuidelijke richting voort tot aan de vlakten van Perzië, oostelijk tot aan het begin van den hoogen bergmuur van den Bolortagh, waarvan twee groote rivieren afstroomen, die de beroemde vruchtbare oasen van het oude Baktrië besproeien. [27]
In het Noord-Oosten breidt zich deze onverkwikkelijke grondgesteldheid, zonder bepaalde grenzen naar Siberië uit, en in het Noorden eindigt zij aan den zuidvoet van het met bosschen begroeide Ural-gebergte. In het westen dringt zij tusschen den Ural en de Kaspische zee, door het gebied der beneden Wolga, Europa binnen, waar deze woeste vlakte een vruchtbaar land ontmoet, dat ten minste iets boven de oude zee-oppervlakte verheven is. Dat geheele groote bassin, in welks midden het meer Aral gelegen is, en waarin de Kaspische zee zich van den Kaukasus af rondkronkelt, is een der eigenaardigste diepten van den aardbodem. Het ligt met al zijne meeren en rivieren, nu nog merkelijk lager dan de Zwarte- en Middellandsche zee. Alexander von Humboldt en andere geleerden hebben daarom over een “afgrond” van de Kaspische zee gesproken, en spraken over de geheele woeste streek, die ons Europa als op sleeptouw medegegeven is, als over een kolossalen, wijdgeopenden “krater”. Vroeger noemde men het naar de beide hoofdwateren, die ook nu nog zijne diepste plaatsen bedekken, ook wel het “Aralo-Kaspische bassin”, of ook wel de “lage vlakten van Turan”, naar een oud Perzisch woord, dat zooveel beteekent als “het land der duisternis”, in tegenstelling met Perzië of Iran zelf, dat beteekent “het land des lichts”.
Uit den “afgrond” der Kaspische zee, komen op bepaalde tijden van het jaar verschillende soorten van visschen te voorschijn: geheele scharen zalmen, steuren en andere groote waterbewoners, begeven zich stroomopwaarts door de groote kanalen der Wolga, tot diep in het Westen en het Noorden van Oost-Europa, waar zij zich over de neventakken van dat gebied verdeelen. Even zoo trekken uit die zuidelijke, laaggelegene landen, voortdurend geheele scharen land- en watervogels naar het Westen en het Noorden. Zij komen uit den omtrek der Kaspische zee en van het meer Aral, passeeren de bovengenoemde landen-poort tusschen deze zee en den Ural, en verspreiden zich in de lente over Rusland, vanwaar zij tegen den herfst weder naar de streken vanwaar zij kwamen, terugkeeren. Ook de verwoestende zwermen vliegende sprinkhanen, die met andere, minder te vreezen soorten van sprinkhanen daar hun vaderland hebben, vliegen, overal verderf aanbrengende, dikwijls en in groote zwermen door die poort uit Azië Europa binnen.
Met één woord, een groot gedeelte, der levende natuur schijnt hier zich uit het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen en Westen te bewegen. Even als met de dieren, zoo ging het ook van oudsher met de menschen. Met uitzondering van enkele vruchtbare rivier-gebieden en oase-achtige vruchtbare streken in het Oosten en het Zuiden, die reeds in oude tijden de zetels waren der ontwikkeling van volken, die daar hunne bestendige woonplaatsen hadden, en waarin de steden Taschkent, Samarkand, Buchara, Chiwa en hare oude voorgangsters bloeiden, was het geheel bewoond door steeds heen- en weer trekkende Nomaden. Reeds in de oudste tijden, tijdens Cyrus, worden ons als zoodanig de “Massageten” genoemd, en later nog ontelbare andere [28]stammen, die langs hunne zuidelijke grens in onophoudelijken strijd met de meer ontwikkelde bevolking van Iran of Perzië leefden. Aan gene zijde der hooge bergen in het Oosten, meer naar het binnenste van Azië toe, zijn nog andere dorre bassins, die gelijk zijn aan het Aralo-Kaspische bassin, en die ook, even als deze, van de vroegste tijden af door Nomaden bewoond werden: de woestijn “Gobi”, die van “Schamo” of de door de Chineezen zoo genoemde “zandzeeën”.
Dikwijls reden de Nomaden dezer Oostelijke “zand-zeeën,” door de passen der bergen, naar het westelijk bassin aan de Kaspische zee, en brachten zoodoende aan de bewoners daarvan nieuwen toevoer van bevolking en nieuwe meesters. Dikwijls begaven zich omgekeerd de Westelijke Nomaden naar hunne naburen in het Oosten. Maar nog menigvuldiger vereenigden zij zich, en trokken zij door de Uralisch-Kaspische volken-poort, even als die vogels waarvan wij gewaagden, Europa binnen, en verspreidden zij zich daar, om even als de zwermen vliegende sprinkhanen, overal verwoesting aan te brengen.
Men zou haast zeggen, dat de menschen op dien van water beroofden zeebodem, den onrustigen aard dier eens hier klotsende zilte baren aangenomen hebben. Als de zee, zoo woedt en stormt hun geest hier eeuwen lang, en slechts nu en dan, in tijden van rust en vrede, komt zij tot kalmte, even als zulks ook bij de zee het geval is.
Sedert het begin der geschiedenis, waren dergelijke overstroomingen en doorbraken hier aan de orde van den dag. Maar wanneer wij de geschiedenis der eeuwen nagaan, zien wij die overstroomingen nu en dan in omvang tonemen, de baren hooger rijzen en, als een tweede zondvloed, de beschaafde landen overstroomen en de geheele wereld van China tot Rome op hare grondvesten doen schudden, als zouden, waar het menschengeslacht niet verdelgd werd, ten minste al de bloesems der beschaving van den aardbol weggevaagd worden.
Ten gevolge van dergelijke gewelddadige bewegingen, is China herhaalde malen, van het eene einde tot het andere, in handen gevallen der uit het binnenland van Azië komende Nomaden-stammen, maar heeft het zich door zijne onweerstaanbare vastheid van karakter en zijn staatsbestuur, steeds weder er boven op weten te werken, en door omwerking der vreemde bestanddeelen die waren blijven hangen, steeds zijne eigendommelijkheid weten te bewaren.
Eveneens hebben ook de andere beschaafde schiereilanden van Azië, Indië, Perzië en Klein-Azië, herhaalde malen nieuwe bevolking en overheerschers van die zwervende Nomaden-stammen ontvangen; zijn gedurende lange tijd-ruimten in hunne innerlijke ontwikkeling gestoord geworden, en hebben niet dan na veel strijds, hunne onafhankelijkheid en de hun eigene ontwikkeling, even als China, weder kunnen herstellen.
Ons Europa, dat zelfs door onze natuurvorschers soms niet eens als een op zich zelf staand werelddeel, maar meer als een groot aanhangsel van Azië, als een der Aziatische schiereilanden (“zooals Bretagne een aanhangsel van Frankrijk is,” zegt Humboldt) beschouwd is geworden; dit Europa schijnt ook door die Nomaden-stammen van oudsher als een gedeelte van Azië aangezien te zijn, en zij zijn het even dikwijls in- en uitgetrokken, als de schiereilanden China [29]en Indië, als maakte het mede een gedeelte uit van hun moederland en van het gebied, waarop zij meenden recht van grazen te hebben.
Gewoonlijk golden die invallen wel alleen de oostelijke gedeelten van ons werelddeel, en meer in het bijzonder de volken der uitgebreide vlakten van Rusland, die den Nomaden als bijzonder geschikt moeten voorgekomen zijn. Slechts tweemaal zijn zij, bij wijze van uitzondering, zoo diep ons vasteland binnengetrokken, dat het scheen als wilden zij daar, even als in Azië, alles mongoliseeren. Eenmaal in het begin der 5de eeuw onzer tijdrekening, toen tengevolge van een aan de Chineesche grenzen uitgebroken strijd onder de herdersvolken, Rome met vernietiging bedreigd werd; toen Atilla, de geesel Gods, de volkeren tot in Frankrijk en Italië, in beroering bracht en hen, als een stormwind de wolken, voor zich heendreef, en ze als een hoop kaf tot naar Spanje en Afrika deed overwaaien. En een tweede maal in het begin der 13de eeuw, toen Dschingis-Chan en zijne bloeddorstige opvolgers door alle langs den Donau en de Wolga gelegene landen heentogen, en tot aan de grenzen van Duitschland de akkervelden onder de hoeven hunner paarden vertrapten. Beide malen hebben Duitsche krachtsontwikkeling ons werelddeel voor eene dreigende mongoliseering gevrijwaard. De eerste maal deden zulks de West-Gothen onder Setius op de vlakten van Châlons, en de tweedemaal de Duitsche ridders onder Hendrik den Vrome van Silezië, op het slagveld aan den voet der Sudeten bij Wahlstatt, waar nog heden ten dage jaarlijks, de den barbaren geleverde, en voor de bevolking zoo merkwaardige slag, herdacht wordt.
Daar deze beide invallen der Aziaten, die bijna een duizendtal jaren na elkander plaats hadden, voor Europa de meest belangrijke geweest zijn, zoo zijn ook de namen, waaronder de Nomaden in beide tijdstippen verschenen, het meest verspreid geworden.
De ruiters van Attilla werden Hunnen genoemd. Dezen naam hebben zij van de Chineesche grenzen medegebracht. Geschiedschrijvers van het Hemelsche rijk noemden hen “Hungnu” of “Hiongnu,” en daar zij onder dezen naam de schrik van het door hen geteisterde Romeinsche rijk en van de door hen in rep en roer gebrachte Germanen werden, zoo heeft men langen tijd na dien, alle uit Azië komende en gelijke zeden met hen hebbende barbaren, onder den naam van Hunnen-volken zamengevat, even als in vroegere tijden de Grieken dezelfde wilde volksstammen onder den algemeenen naam “Skythen” aanduidden.
Hetzelfde deed men ook weder bij den tweeden grooten inval der Nomaden onder Dschingis-Chan. Toen ter tijde was in Azië de naam “Tata” of “Tatar” beroemd onder hen geworden. “Tata” was oorspronkelijk de naam van een kleinen nomaden-stam, die zich echter met den roem en de macht van dien stam meer en meer verspreidde. Het eerst kwam bij de Chineezen, en later ook bij de Perzen en Arabieren, die naam in gebruik, en eindelijk kwam hij, toen de Nomaden zoowel het Russische Kiew, als de Poolsche koninklijke residentie Krakau bestormden, en toen het heesche geschreeuw hunner kameelen zelfs aan den Oder vernomen werd, ook in Europa in zwang. Hier voegde men bij den naam, die zuiver Aziatisch “Tata” luidt, maar die de Europeanen in klank en beteekenis aan den Tartarus herinnerde, nog eene “r.” “Wees [30]getroost,” had Koning Lodewijk IX van Frankrijk tot zijne moeder Blanche gezegd, toen deze hem uit naam der door de Aziatische horden geteisterde christenheid om bijstand smeekte—“wees getroost! want de hemelsche genade zal in allen gevalle met ons zijn, hetzij dat wij deze kwaaddoeners in den helschen afgrond van den Tartarus, waaruit zij voortkwamen, terugslingeren, hetzij dat zij zelf ons vernietigen en ons naar het paradijs zenden zullen.” Sedert dien tijd werden zij Tartaren genoemd en paste men ook dien naam toe op de volkeren, die met Dschingis-Chan kwamen, hoe verschillend zij ook in taal en afkomst mochten zijn, en ook nog wordt wel in onze dagen, die naam op de gezamentlijke Nomaden-volken van Midden-Azië toegepast, op dezelfde wijze als de Oosterlingen alle Europeanen, tot welk volk zij ook mogen behooren, “Franken” noemen. Later zag men in, dat er onder die Nomaden twee zeer van elkander verschillende groote geslachten bestonden, met geheel van elkander afwijkende talen en gelaats-uitdrukking: een meer westelijk ras, dat den naam, “Turken” verkreeg, en eene meer oostelijke groep, die den naam “Mongolen” droeg. Deze laatste naam bracht Dschingis-Chan zelf in zwang, aanvankelijk als een eeretitel voor de élite zijner dappere strijdmakkers. “Ik wil”, zeide hij, “dat dit mijn met een edel kristal te vergelijken volk, dat mij bij ieder gevaar zoo trouw was, ‘Mongol’ d.i. de trotsche of de onverschrokkene, heet, en het verhevenste zij, van alles wat zich op Aarde beweegt.” Weldra beroemde zich ieder der Oostelijke Tartaren op dezen eeretitel, die door den nieuwen geesel Gods in eere gebracht was. “Mongolen en Mongolei” werden de namen van wijd verbreide volken en rijken, en ten slotte heeft men met dien naam een der vijf hoofdrassen van het menschelijk geslacht aangeduid.
Als men den gang dezer groote volken-bewegingen en de machtige rijken, die nog meer in grootte toenamen dan vroeger het Romeinsche rijk, en den oorsprong der talrijke beroemde landen-veroveraars en volken-vernietigers, die uit den Aziatischen Tartarus opdoemden, nagaat, dan komt men, even als bij de reuzenstroomen der Aarde, die verscheidene landschappen doorstroomen, gewoonlijk tot eene, in een afgelegene streek verborgen bron, en tot eene zeer geringe aanleiding van de groote beweging.
In de rookerige tent van een Tartaarsch edelman, midden op de dorre vlakte, wordt een knaapje geboren, dat als duizend andere, door zijne moeder naar landsgebruik voor het eenvoudige herdersleven wordt opgeleid. Vader en moeder sterven en de jongeling erft de kudde; eenige knechten en vazallen zijner famillie worden tegen hem weerspannig. Hij brengt hen weder tot gehoorzaamheid, treedt zegevierend uit den met de vuist beslisten strijd te voorschijn, en hierdoor ontwaakt in den opgewonden en zegedronken jongen paardenherder, een heldengeest die naar grootere daden snakt. Hij vindt in zijne nabijheid nog meer strijdvragen over weide-recht en kudden-gebied te beslechten.—Hij vereffent ze,—verzamelt om zich de uitgelezensten van zijn volk, die beginnen met hem in hunne liederen te bezingen. Spoedig brengen de hoofden der herderstammen van nabij en van verre hunne zaken voor hem. Hij verklaart zich voor de eene partij, verklaart de tegenpartij voor oproerlingen en vernietigt hen, zoo zij weerstand bieden, te vuur en te zwaard. Vrijwillig [31]en uit vrees onderwerpen zich vervolgens vele andere hoofden van stammen aan den herdersknaap, “Temudschin” genaamd, die oorspronkelijk als een lam opgroeide, maar wiens stem weldra als het gebrul van den leeuw over de velden klinkt.—“Het volk staat op, de storm breekt los,” en de op de grassteppen levendig geworden hartstochten en de opgewekte begeerten, zetten nu, alle grenzen overschrijdende, den aardbodem in lichte laaie vlam.
Uit de rotskloof bruischt de bergvloed
Woedend, dondrend, naar benêen,
Met zich voerend in zijn stortvloed
Eikenboomen, brokken steen.
Temudschin beweegt zich weldra als een jonge adelaar in steeds grootere en grootere kringen. Hij neemt zijn vlucht naar de Chineesche grenzen, doortrekt met zijne “Tartarus-zonen” de prachtigste dalen, plundert met hen de rijkste steden, voert hen naar onbekende rivieren, laat hen onder indrukmakende plechtigheden van het water dier stroomen drinken, laat hen zweren dat zij, zooals hij zich sierlijk uitdrukt, “het onaangename zoowel als het aangename van dit leven met hem willen deelen.” Een heilig kluizenaar, een zoon der woestijn, treedt nader en verkondigt in eene groote, “Kuraltaï” (een Mongoolsche rijksdag) aan het verzamelde volk, dat de Goden aan dezen Temudschin al het land dat langs de rivier ligt gegeven hebben, en dat hij van nu af “Chakan” (Vorst der Vorsten) of Dschingis-Chan (groote Chan) heeten zal.
Weldra drinkt nu deze Dschingis-Chan parelenden wijn uit de schedels zijner vijanden, de Koningen van Azië, die hij als gedenkteekenen van zijnen toorn en zijne strafoefening, in zilver en goud gevat, met zich medevoert. “Ik wil mijn stijgbeugel niet verlaten,” zoo zweert hij, terwijl hij weder te paard stijgt, “voor ik geheel Azië als een kleine molensteen rond kan draaien.”—Hij onderwerpt de halve wereld. Oude, door wapenmacht beroemde, door kunsten en wetenschappen en eene wijze staatsregeling uitmuntende rijken, worden medegesleurd door den dwarrelwind die aan gindsche dompige tent zijn ontstaan te danken heeft, en naar men later berekend heeft, dalen zes millioen menschen daardoor, afgemaaid als het gras, ten grave.
Gelijkluidende met dit verhaal, maar met menige variatie, zijn ook de tradities van de wijze waarop de andere Nomaden-bewegingen, die in de wereldgeschiedenis staan opgeteekend, ontstaan. Maar even snel als de door hen gestichte rijken in macht aangroeiden, even spoedig spatten zij weder uiteen. Even als de bergstroomen, zijn zij spoedig in uitgebreidheid en kracht toegenomen, hebben een tijd lang gedreigd en alles in rep en roer gebracht, en zijn als sneeuw-lawines weder verdwenen. Attila en Dschingis-Chan hebben geene opvolgers gehad. Bij hen is niet zulk eene opvolging van machtige mannen geweest, zooals de lange lijst der Romeinsche Keizers of der Chineesche Hemels-zonen ze ons doet lezen. De groote Herder-Keizers staan als een eenzamen Kolossus in de woestijn. Als bruischende golven stuwen de opgewonden [32]volken tot aan zijn kruin tegen hem op, maar weldra is het: “zoo gewonnen, zoo geronnen” aan hen bewaarheid. Zij richtten geene gebouwen op, bij gemis van het duurzame fundament van onwrikbare grondstellingen en diep ingewortelde gewoonten. Hunne geschiedenis biedt geene stof aan, waaruit een Tacitus of een Gibbon een werk kan samenstellen, dat geschikt is het verstand te boeien. Daadzaken zijn wel is waar in massa voorhanden, maar zij kunnen niet gegroepeerd worden, er bestaat geen zamenhang tusschen. Er vindt geen organischen wasdom plaats, evenmin als een afsterven naar de wetten der natuur. Hoogstens een steppen-dichter bezingt hen in een wild lied. Alleen in de meer beschaafde landen, waarin zij zulke oude grondstellingen bij hunne verschijning vonden, en waar zij deze langzamerhand tot de hunne maakten, duurde de heerschappij hunner opvolgers langer.
Op de steppen van hun vaderland brak, nadat het alles overschaduwend genie, de groote komeet met den langs het halve hemelgewelf loopenden staart verdwenen, en nadat b.v. Dschingis-Chan onder een eenzamen boom, midden op een naakte steppe, zonder eenig gedenkteeken of monument begraven was, onder de tegenstrijdige elementen weder tweedracht uit. Reeds onder de eerste opvolgers ontstond bij de horden en in het rijk tweespalt, en de oude chaotische toestanden ontstonden weder.
Alle zooveel overeenkomst met elkander hebbende Oostersche volksstammen, door den loop der eeuwen heen en in volgorde na te gaan, en den lezer alle stammen, die onder verschillende namen verschijnende en weder verdwijnende, door de Kaspische-Uralische volken-poort Europa binnendrongen, ieder op zich zelf te beschrijven, kan mijn doel niet zijn. Voor ons, die hoofdzakelijk ons oog gericht hebben op hetgeen nu nog in Europa bestaat, zal daardoor weinig gewonnen worden; want schier geen dezer ontelbare invallen doet zijne gevolgen nu nog gevoelen. Alleen de laatste inval onder Dschingis-Chan maakt daarop eene uitzondering. Door dezen heeft de bevolking van Oostelijk-Europa eene blijvende, nog heden ten dage niet geringe vermenging met Tartaarsche bestanddeelen ondergaan, daar na het verval van het groote rijk van Dschingis-Chan, zijne Europeesche bezittingen nog eeuwenlang onder bijzondere Tartaarsche machthebbers bleven. Ten tijde zijner grootste uitgebreidheid omvatte dit Europeesche Tartaren-rijk, of het door hem zoogenoemde “Chanaat van Kiptschak”, de grootste helft van het tegenwoordige Rusland, van de Kaspische zee langs de Wolga tot aan Nischnei-Nowgorod en Moskou, en westwaarts tot aan den Dniepr, aan de grenzen van Litthauen en Polen. Het was een stuk nagenoeg vier à vijf malen zoo groot als Duitschland. Het werd ook wel het rijk der gouden horde genoemd, omdat de vorstelijke tent der Chans, die zich in de hoofdlegerplaats “Saraï” aan de beneden-Wolga bij het tegenwoordige Astrachan bevond, met van gouddraad vervaardigde sieradiën bedekt en overtrokken was.
De heerschappij der Tartaren had deze uitgebreidheid gedurende ongeveer 200 jaren, van het jaar 1224, toen de Russen in den slag bij de Kalka geslagen werden, tot aan het einde der zestiende eeuw, toen de Russen het hoofd weder opstaken en de eerste groote overwinning over de Tartaren, op de [33]Kulikowsche velden langs den Don, onder Dimitri Donskoi (in het jaar 1380) bevochten. Niet dat gedurende die lange tijdruimte, het geheele zuid-oostelijke gedeelte van Europa, binnen de aangegeven grenzen gelegen, geheel door Tartaren bevolkt geweest is. Zijne zuiver Tartaansche bevolking bepaalde zich tot de zuid-oostelijkste en oostelijkste gedeelten, maar wat dit rijk aan Finsche en Slavische bewoners bevatte, was aan de Tartaren onderworpen en vermengde zich dikwijls met hen. Tartaarsche adellijken en ambtenaren, die onder anderen de schattingen inden, doortrokken het land in alle richtingen en woonden ook onder de onderworpene volken; Europeesche (Slavische) Vorsten moesten naar de gezegde gouden legerplaats aan de Wolga reizen, om daar voor den de zweep zwaaienden Chan als vazallen den rug te buigen.
Als hulptroepen vinden wij de Tartaren ook dikwijls onder de Polen en Lithauers, met wie zij dikwijls tegen de Russen verbonden waren, en met wie zij zich ook gedeeltelijk als kolonisten en naburen vermengd hebben. Ook kregen gedurende dien tijd de Europeesche Tartaren nog somwijlen weder toevoer uit het groote Tartarije in Azië.
Het laatste Tartaarsche en Mongoolsche leger van eenige beteekenis, dat door de Kaspisch-Uralische volken-poort binnentrok, was dat van den “hinkenden man met den ijzeren voet”, Tamerlan of Timurlenk, die zich van een smid en roover, die aanvankelijk niets bezat dan een mager paard en een oud kameel, tot Heer van Azië opwerkte.
Intusschen kwam deze Tamerlan het hem arm en koud toeschijnend Europa niet ver binnen. Hij stelde zich tevreden met de Tartaren van Kiptschak, die zich tegen hem verzet hadden, te vernederen; rukte slechts een klein eind langs de Wolga op en keerde spoedig naar Azië terug, waar hij, de plunderaar van het rijke Indië en Perzië, in zijn hoofdstad Samarkand, midden in den Kaspisch-Uralischen afgrond gelegen, veel grootere schatten verzameld had, dan Rusland en Europa hem aanbieden konden.
Die tocht van Tamerlan naar Europa heeft eerder gediend om de macht der Tartaren in ons werelddeel te breken dan te versterken, want de Europeesche of Kiptschaker Tartaren werden toen bij duizenden geslacht, en na Timurs aftocht en eenige jaren daarna gevolgden dood, loste zich het groote rijk der gouden horden in verscheidene kleinere chanaten op, in de vorstendommen Kasan, Astrakan en de Krim.
Deze kleine Tartaarsche rijken, ofschoon onder elkander in strijd levende, gaven den Russen nog wel een eeuw lang de handen vol werk. Hunne wilde ruiterscharen beangstigden Moskou en andere Russische steden nog dikwijls. Maar eindelijk, na eene reeks bloedige gevechten in den zomer van het jaar 1552, viel de Tartaarsche koningsstad Kasan aan de Wolga in handen der Christenen. En slechts twee jaren na den val van Kasan, in het jaar 1554, voer voor de eerste maal een Russisch leger de geheele Wolga af, en overwon, terwijl het Astrakan veroverde, de Tartaarsche landen tot aan de monding der rivier, tot aan de oevers van de Kaspische zee. Daardoor was de levensader in het oosten van ons werelddeel, voor Rusland en voor de Europeanen gewonnen. [34]
Het Tartaarsche Chanaat van de Krim bestond nog bijna 200 jaren langer dan Kasan en Astrakan. En van dit schiereiland uit, werd dan ook nog eens in het jaar 1571 de stad Moskou door ruiterscharen overvallen, ingenomen en verbrand. Dit was de laatste maal dat de Russische hoofdstad van de Nomadische volken te lijden had.
Van nu af breidde Rusland zijne Kozakken-liniën, zijne verdedigingswerken en militaire-grenzen steeds verder tegen de Aziaten uit, en beperkten deze hen in een steeds enger gebied. Volgens het plan van Peter den Groote werd eindelijk in het jaar 1738 de Uralische linie, juist dwars door de reeds meermalen vermelde volkenpoort tusschen Azië en Europa getrokken, en de stad Orenburg in het midden dier opening, als wachter van Europa en hare beschaving gebouwd. Het ontstaan en de opkomst dezer stad en vesting, waarmede dat onzalige gat gestopt werd, kenmerkt de grondvesting der Europeesche heerschappij aan die poort, wier sleutel nu Rusland in handen kreeg. Van daar uit had ons werelddeel—voor de eerste maal in de geschiedenis—eene sterke grens tegen de Nomaden van Azië. Sedert dien tijd heeft geen nieuwe verwoestende inval van Aziatische herdersstammen in Europa plaats gegrepen; de groote duizendjarige Nomaden-verhuizingen uit het Oosten hielden op; de kleine geïsoleerde rest in de Krim, die geen toevoer en hulp meer van daar ontving, werd spoedig, kort na het midden der 18de eeuw, onschadelijk gemaakt en aan de Russische heerschappij onderworpen.
Verscheidene der, op de hier boven beschrevene wijze in Europa binnengedrongene Tartaren, werden, tengevolge der Russische veroveringen, tot het Christendom bekeerd, vele hunner Vorsten werden zelfs gedurende den loop der gebeurtenissen gedoopt en deze gingen langzamerhand in de Russische nationaliteit onder. Het meerendeel echter behield hunnen Mohamedaanschen godsdienst, hunne taal en zeden, en verloor slechts hun ouden oorlogzuchtigen geest en hunne onafhankelijkheid. Als landstreken, waarin zij nog de meer of minder overwegende, nu echter dikwijls met de Russen vermengde, grondbevolking uitmaken, mogen wij noemen: 1º. de landstreek aan den linker Wolga-oever, tusschen de Wolga en het Ural-gebergte en 2º. de dalen en steppen in de Krim, die ook wel eens Klein Tartarije genoemd worden.
Volgens de berichten van Baron von Herberstein en andere vroegere reizigers schijnt het, dat vroeger (voor ongeveer 300 jaren) het leelijke Mongoolsche type in de lichamelijke ontwikkeling, bij de hoogere klassen dezer Kasansche, Astrakansche en Krimsche Tartaren, nog tamelijk sterk te voorschijn trad. Toen waren nog velen hunner Mursas (edellieden) en hunner Chans van Mongoolsch bloed. Al hunne Vorsten zeiden van Dschingis-Chan af te stammen. Dit Oost-Aziatische of Mongoolsche element heeft zich echter langzamerhand vermengd en is verloren gegaan. Latere reizigers schilderen die Tartaren af, als veel meer van de Mongolen verschillende, en nu maken zij een zeer fraai gevormd Turksch-Tartaarsch slag van menschen uit.
Men zal deze verandering, deze versterking der Europeesche Mongolen gemakkelijk begrijpen, als men bedenkt, dat bij den geheelen zoogenaamden Mongolen-inval, de stoot van de Mongolen uitging. Reeds bij die legers, waarmede [35]Dschingis-Chan, Batu en Tamerlan, Europa binnen vielen, vormden wellicht van den beginne af de Turksche of Westelijke Tartaren het meerendeel. Van Mongoolsch of Oost-Tartaarsch ras waren alleen de Prinsen, de legeraanvoerders, de elite der troepen. Daar de oorspronkelijke woonplaatsen der Mongolen ver van ons werelddeel verwijderd zijn, het van oudsher door Turksche stammen bevolkte Turan, echter zeer nabij dat Aralo-Kaspische laagland gelegen was, zoo moesten de nieuwe manschappen, rekruten en kolonisten, die bestendig toestroomden, steeds meer van Turksch-Tartaarsche afkomst zijn.
Even als het Mongoolsche bloed, zoo is ook (grootendeels ten minste) de nomadische geest bij deze aan Rusland onderworpene Tartaren verloren gegaan. In de middelpunten van het leven aan de Wolga, in Kasan, Astrakan, Simbirsk, die zij gemeenschappelijk met de zich daar ook gevestigd hebbende Russen bewonen, houden zij zich nu onledig met allerlei in steden te huis behoorende handwerken, vooral zijn zij zeer beroemde leder-bewerkers. Maar ook, zelfs in de kleinste Tartaarsche dorpen, mangelt het niet aan de noodige handwerkslieden, smeden, timmerlieden, looiers. Hunne vlijtige vrouwen spinnen wol, hennep en vlas; ook worden de Tartaarsche boeren, waar zij land verwierven, als zeer zorgvuldige landbouwers geroemd. Boven alles is echter de bijenteelt hunne liefhebberij. Overal treft men onder hen bekwame en gegoede immekers aan. Het zou wel niet geheel juist zijn, te gelooven dat de Tartaren al deze kunsten des vredes eerst tijdens hunne onderwerping aan Rusland zich eigen gemaakt hebben. Ons Europeanen hebben deze volken vroeger, om zoo te zeggen, zich van hun ruwen kant doen zien. Maar in den rug hunner ruiterscharen, die onze steden in puin en asch hulden, oefenden ook altijd weder nakomende kooplieden en handwerkslieden hun bedrijf uit. De Russen veranderden daaraan niets, dan dat zij de ruiters en boogschutters der Tartaren de oorlogsfakkel uit de handen namen, en het ook bij hen wonende vreedzame element naar boven werkten.
Daar de Tartaren na hunne onderwerping, als met de overigen gelijkstaande onderdanen, in het Russische rijk zijn opgenomen; daar zij, even als de Russen zelven in alle deelen van dat groote rijk konden handelen en wandelen, zoo vindt men dan ook nu schier in alle groote Russische steden, in Moskou, Petersburg, Nowgorod, kleine koloniën van hen, welke in die Christelijke plaatsen hunne Mohamedaansche bedehuizen bezitten. Als dienstbaren worden zij tot verschillende betrekkingen gebezigd, en vooral worden die oude paarden-vrienden dikwijls door het rijk als voerlieden bij goederen-transporten gebezigd, terwijl zij zeer gezochte koetsiers en stalmeesters zijn. Zelfs op het vlakke land, binnen in Rusland, midden tusschen eene geheel Slavische bevolking, vindt men kleine door Tartaren bewoonde distrikten, die geheel op zich zelve ten oosten van Moskou verspreid zijn. Vermoedelijk zijn het de nakomelingen van Tartaarsche krijgsgevangenen, die de Czaren hier en daar onder hunne bevolking, zich met der woon deden vestigen.
Eene tamelijk groote bevolkings-groep van Tartaarschen naam bevindt zich, zooals reeds gezegd is, nog heden ten dage in de Krim. Daar bewonen zij vooral de schoone dalen van de kleine bergstreek, die de zuidelijke helft van [36]het Taurische schiereiland vormt en met den schoonen, door de Russen zoo hoog geprezen zoogenaamden “zuid-oever”, in de Zwarte Zee eindigt. Daar hebben de Tartaren aan alle hellingen der bergen hunne kleine dorpen met platte daken, en hunne kleine, vlijtig bezochte moskeën en minarets, waarin zij met ijver hunne gebeden verrichten en de dikwijls moeielijke plichten van hunnen godsdienst vervullen. Daar kweeken zij in hunne tuinen de edelste fruiten, die tot zelfs naar Moskou en Petersburg verzonden worden, vreedzaam als onze Alpenbewoners, langs de hooggelegen weiden van den “Tschatirdag” en de andere hooge toppen van het Taurisch gebergte. Daar staat ook nog, door tuinen en grachten omgeven, in de schilderachtige hoofdstad Baktschisarai, het oude paleis, het zoogenaamde “rooversnest”, der eens door de Russen zoo gevreesde Chans, uit het Mongoolsche geslacht van Dschingis-Chan.
Het is merkwaardig, hoezeer het geheele doen en laten der Krimsche Tartaren in deze kleine plaatsen overeenkomt, met wat men in Constantinopel en in de steden der Osmanen in Klein-Azië en Europa ziet. De bouw der huizen, de winkels, de werkplaatsen der ambachtslieden, de kleeding, de wijze van omgang, de zeden en de uitdrukking van het gelaat, alles is precies als in Turkije. En toch zijn deze Tartaarsche Turken ten noorden van de Zwarte Zee, tengevolge van andere gebeurtenissen, langs een geheel anderen weg en in een geheel anderen tijd, in hunne tegenwoordige woonplaatsen aangekomen, dan zij, die ten zuiden dier zee wonen; ook hebben zij bijna nooit met dezen tot een zelfde rijk behoord, en hebben zij in verbinding met de Mongolen geheel andere politieke lotgevallen gehad. Zij hebben met de Osmanen niets dan de oorspronkelijke afstamming gemeen, die hen eens voor vele eeuwen in de steppen van Turan zamen verbond. Maar juist dat is iets eigenaardigs bij de Aziatische volkeren, dat zij in ras en zeden onveranderlijk als rotsen schijnen, terwijl hunne politieke scheppingen als zand en stofwolken vervliegen.
Bijna alle Turk-Tartaren, binnen de grenzen van Europeesch Rusland, zijn nu nijvere dorp- of stadbewoners. Van de naar een hunner aanvoerders zoogenaamde Nagaïsche horde, zijn alleen nog eenige bewegelijke en ongedurige overblijfselen op de steppen in het noorden van den Kaukasus en de Krim.
Wat de bloedverwanten der Turk-Tartaren, de echte Mongolen betreft, ook deze worden in zekere mate nog in Europa aangetroffen, waar een hunner stammen, eene afdeeling der Kalmucken of “Kalimik”, d.i. de afvalligen, zich nog ophoudt. Deze Europeesche Mongolen die zich zelven “Oeloeth” noemen, mogen intusschen eigentlijk niet beschouwd worden als achtergeblevene overblijfselen van vroegere Mongoolsche invallen, veeleer zijn zij nog van nieuweren datum. Eerst in het begin der 18de eeuw, ten tijde van Peter den Groote, kwamen zij in ons werelddeel, en wel, niet meer bezield met plannen om de Aarde te verwoesten, maar als bescherming zoekende vluchtelingen. Het schijnt dat telken male, wanneer de groote beschaafde rijken aan hunne grenzen in kracht toenamen en om zich heen grepen, oproer, angst en beweging bij de Aziatische Nomaden ontstonden. De horden vluchtten dan niet zelden, om de met de beschaving komende afhankelijkheid te ontgaan, naar afgelegene landen. Eene dergelijke beweging of vlucht ontstond in de 17de eeuw onder de [37]Mongolen, tengevolge van de machtstoeneming van den Chineeschen Mantschu-keizer.
Daar echter, tegelijk met deze macht in het Oosten, ook in het Westen het groote Europeesche beschaafde rijk der Russen krachtig tegen Azië optrad, zoo werd het eigentlijke vrije gebied der Nomaden in het binnenland van Azië steeds enger en enger, en wij zien daarom sinds dien tijd, de uit elkander gespatte horden, herhaaldelijk van het eene der beide rijken naar het andere, van China naar Rusland of van Rusland naar China trekken, al naarmate zij geloofden, nu eens hier dan weer daar, iets van hunne oude vrijheid te kunnen redden.
Aan deze omstandigheden heeft Europa zijne hedendaagsche Mongolen, de vroeger genoemde horden der Kalmucken te danken. Op hun terugtocht voor den Mantschu-keizer en in strijd met andere op hunnen weg liggende volken, werden zij steeds verder westwaarts naar de Uralische volkenpoort voortgeschoven, en kwamen zij eindelijk in het jaar 1703 in de nabijheid van het Russische gebied aan.
In den zwakken toestand, waarin zij zich bevonden, onderwierpen zij zich aan de Russische opperheerschappij. Peter de Groote wees hun aan de beneden-Wolga eene streek lands aan, waar zij hunne kudden konden weiden, en sedert dien tijd huist deze Mongoolsche kolonie aan de passen en afscheidingen tusschen Azië en Europa, en beweegt zij zich binnen de natuurlijke grenzen van ons werelddeel.
Aanvankelijk hadden zij eene aanzienlijke getalsterkte, maar deze werd in het jaar 1771 door eene zeer merkwaardige gebeurtenis aanmerkelijk verminderd en tot op de helft gebracht. De Kalmucken, die belijders waren van den Indischen Budha-dienst, voelden zich namentlijk ook in Rusland niet tevreden, zij hadden hun Aziatisch vaderland niet geheel vergeten en werden eindelijk, ook door geheime boodschappen van den Keizer van China, tot terugkeer aangemoedigd en overreed. Toen hun besluit tot rijpheid gekomen was, kwamen plotseling de familiën van 50,000 Kalmucksche Kibitken te zamen—ten getale van, naar hun zeggen, meer dan 300,000 “monden”—verhieven hunne standaarden en vluchtten met hunne vrouwen en kudden weder oostwaarts naar China, om, zooals de Chineesche Keizer Khienlong, (die deze terugkeering, in een door de Chineesche dichters klassiek genoemd gedicht, bezongen heeft) zegt: “de gevaren en bezwaren aan eene groote reis verbonden, de aanvallen en gevechten gedurende den verren tocht niet tellende, om de helderheid des Hemels in de nabijheid van het rijk van het midden, en het geluk vazallen te mogen zijn van den grootsten monarch van het heelal, te genieten.” Deze groote Kalmucken-vlucht is daarom zeer belangrijk, dat zij eene der weinige Aziatische volken-bewegingen is, die wij, in hare oorzaken en de omstandigheden waaronder zij plaats greep, nauwkeuriger kennen, en wijl zij ons daardoor ook de oorzaken en de toedracht der andere vroegere volksverhuizingen duidelijker maakt.
Die oostwaarts gevluchte Kalmucken wonen thans nog aan den Altaï en zijn afhankelijk van China. De in Europa (Rusland) achtergeblevene, die men om [38]hen te behouden, nu ook meer vrijheden en gunsten toestond, hebben nu nog eene getalsterkte van 300,000 zielen. Daar zij, in woeste en voor den akkerbouw bijna geheel ongeschikte streeken, zich op de veeteelt toeleggen en eenige duizende vierkante wersten bosch- en waterlooze steppen, voor het Russische rijk in eene rijke paarden- en veestapelplaats veranderd hebben, zoo zijn zij zeer nuttige onderdanen geworden, die wel verdienen in waarde gehouden te worden. De talk en de wol hunner kudden helpt de Europeanen in het noordelijk gedeelte van Rusland, hunne donkere winternachten verhelderen en verwarmen.
Toen in den nieuweren tijd hunne wilde op ruige paarden gezeten boogschutters, met het Russische leger, zoowel gedurende den zevenjarigen oorlog als ook gedurende de oorlogen tegen Napoleon, in Duitschland en in het overige Europa verschenen, verwekten zij daar bijna evenveel opzien, als eens hunne voorvaderen onder Dschingis-Chan en Attila. Men beschreef hen als baarlijke duivels, men legde hun te laste rauw vleesch, zelfs menschenvleesch te eten, en dat zij geene andere kookkunst bezaten, dan het vleesch onder den zadel malsch te zitten.
Zulke vreesselijke zaken blijken geheel en al onwaar te zijn, wanneer men deze goede menschen in hunne eigene legerplaatsen bezoekt. Dan ontdekt men dat zij wel gewoon zijn wat vleesch en vet onder den zadel te leggen, om mogelijke wonden hunner paarden te genezen, maar dat zij zoo weinig liefhebbers van rauw vleesch zijn, dat zij er zich ten zeerste over verwonderen hoe de Europeanen rauwe ham kunnen eten. Dan ontdekt men verder, dat deze barbaren, van den stichter hunner godsdienst een zoo fraai, zachtzinnig en verstandig wetboek ontvangen hebben, dat het schier met de Christelijke zedeleer wedijveren kan. Helaas echter heeft hun wetgever, Dschingis-Chan, juist in tegenstelling met den voor de reinheid zoo zorgdragenden Mohamed, hun verboden zich met het wasschen hunner kleederen en kookgereedschappen bezig te houden, welk verbod zij dan ook jammerlijk stipt nakomen.
Zij gebruiken eene taal, de Oud-Mongoolsche, wier kracht en uitdrukking men te vergeefs getracht heeft in andere talen terug te geven. “De melancholische gedichten en gezangen dezer van roof levende herders,” zegt een Chineesch geschiedschrijver, “als zij in den stillen nacht over de groote steppen weerklinken, hoe eenvoudig en ongekunsteld zij ook zijn, persen den toehoorder de tranen uit de oogen.”
Achter deze merkwaardige Kalmucken, in het binnenste van het Kaspisch-Uralische laag gelegen land, wonen de roofzuchtige Kirgisen, in drie talrijke horden, en over een ver uitgestrekt gebied. Daar zij met hunne Kibitken (kleine voertuigen) slechts zelden tot aan de Europeesche grenzen stroopen, zoo zal ik hier van hen alleen opmerken, dat zij beschouwd moeten worden als een volkstam, die uit eene vermenging van Turken en Mongolen ontstaan is; zij spreken echter een zuiverder Turksch dialekt dan de Osmanen in Constantinopel. Gedeeltelijk erkennen zij de opperheerschappij van den Czar, gedeeltelijk die van den Zoon des Hemels in Peking, en als zij de gelegenheid schoon zien, berooven zij de onderdanen van beide deze groote rijken. Wegens [39]hun blond haar, hebben enkele geschiedschrijvers deze Kirgisen voor afstammelingen onzer Gothische voorvaderen gehouden.
Behalve de genoemde Mongoolsche en Turksche stammen, die de volksverhuizingen uit Azië naar Europa overbrachten, hebben zij af en toe ook nog staaltjes en overblijfselen van andere Aziatische volken met zich medegevoerd, waaronder niet weinige van de grenzen van Perzië, en zelfs eene kleine kolonie uit het verwijderde Hindostan.
Aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de vruchtbare oasen van het zuidelijk gedeelte van Turan, leefde van oudsher midden onder de Nomaden, een gezeten, steden bewonend en ontwikkeld volk, de oude “Sogdianen” en “Baktrianen”, bij wie handel, kunsten en handwerken bloeiden. Hun omgang met de Nomadische steppen-volkeren, waaraan zij hunne kunstprodukten verkochten, is van overouden oorsprong. Wij ontmoeten hen, in de geschiedenis van den Aziatischen handel, ook onder verscheidene andere namen. Door de ruwere Mongolen, die onder Dschingis-Chan hunne oude steden en vorstendommen veroverden en hunne bibliotheeken verbrandden, werden zij “Buckhar” d.i. “de geleerde mannen” genoemd, en onder dezen door de Mongolen ingevoerden naam, zijn zij nog heden ten dage bij de Europeanen bekend.
“Bochara” is nog heden de naam van een hunner hoofdsteden, en hun geheele land noemen wij Bucharye. Als hunne kramers, als de aanvoerders hunner karavanen en ten deele financiers en fabriekanten, trokken de Bucharen met de Mongolen de wereld door, en verbreidden zij zich, als eene merkwaardige kaste van reizende kooplieden, oostwaarts langs alle wegen, die door hen, aan wie zij onderworpen waren, gevolgd werden, oostwaarts tot in China; ook gingen zij met deze westwaarts naar “Kiptschak” of Europa. Nog heden, na het verdwijnen van het Mongoolsche rijk bezoeken zij—nu onder Russische bescherming—dezelfde landstreken langs de Wolga, de groote jaarmarkten van Nowgorod, Charkoff, Kasan, en komen ook te Moskou en Petersburg, ja zelfs op de Leipziger-messe zijn zij welbekende gasten.
Deze Bucharen zijn, wat lichaamsbouw betreft, een slank, goed gebouwd volk, met frissche, heldere gelaatskleur, groote zwarte en sprekende oogen, edel gebogene haviksneus, zwart haar en dichten baard. Zij zijn bedaarder, buigzamer en minder trotsch dan de Turksche Tartaren, en hebben geen lust voor veeteelt en een zwervend leven, maar hebben aanleg voor de kunsten des vredes en zijn door handel en nijverheid zeer welvarend. Zij noemen zich zelve “Tadschicks”, dat de oude naam der Perzen is. Daar zij over het algemeen Perzisch spreken, zoo zijn zij ongetwijfeld niet, zooals men weleens beweerde, van Mongoolsche maar van Perzische afkomst. Gewoonlijk brengen zij aan Europa niet dan zeer vluchtige bezoeken, en keeren, als zij hunne zaken gedaan hebben, naar hun geboorteland, ten zuiden van het meer Aral terug. Ook worden in Astrakan, Kasan en eenige andere Russische steden, rijk gewordene Bucharen, die zich daar met der woon gevestigd hebben, aangetroffen.
Zooals gezegd is, zien wij eindelijk de ver verwijderde Hindostansche volkenwereld, om zoo te zeggen met het puntje van den vinger, ons werelddeel aanraken. Aan de Wolga, in Astrakan bestaat eene kleine kolonie van Hindoes [40]die de leer van Brahma omhelzen. Men gelooft, dat zij eerst tegen het einde der 14de eeuw, ten gevolge van een inval der Mongolen onder Timur, daarheen getrokken zijn. Dit is dezelfde Timur, wiens opvolger ook de Zigeuners uit Indië verjaagd en naar Europa gevoerd heeft, zoo men meent althans.
Het gezamentlijke getal van alle, als nakomelingen der door de Uralisch-Kaspische volken-poort binnengestroomde Middel-Aziatische volkeren, en nog heden ten dage onder ons levende menschen, der Hindoes, der Bucharen, der Kalmücken, der Kasansche-, Astrakansche- en Krimsche Tartaren, zal hoogstens 2 millioen bedragen. Wij zouden echter te weinig waarde hechten aan den invloed dezer volkenbeweging op Europa, zoo wij hen alleen naar hun aantal, in vergelijking met de bevolking van het werelddeel, wilden schatten.
De Tartaren en Mongolen hebben nog veel grootere overblijfselen en sporen hunner aanwezigheid bij ons achter gelaten, dan die weinige rechtstreeksche afstammelingen. Afgezien daarvan, dat zij verscheidene onzer oorspronkelijk Finsche natiën, de Bulgaren, de Tschuwaschen, de Baschkiren, door vermenging min of meer geturkiseerd of gemongoliseerd, en hun gedeeltelijk hunne taal en zelfs hunnen godsdienst, den Islam, opgedrongen hebben—(van deze geturkiseerde Finsche volkeren zal ik bij de beschouwing van den Finschen volksstam spreken)—afgezien daarvan, hebben de Tartaren en Mongolen ook op een onzer grootste Europeesche rijken en volken, dat der Russen, vrij wat invloed uitgeoefend en zijn er in versmolten. De eens aan de Tartaren onderworpene Russische natie, openbaart zoowel in haren politieken toestand, als in haar physieken en psychischen type, menigen trek, neiging en instelling, waarvan wij het voorbeeld waarschijnlijk in het binnenste van Azië, bij de Nomaden der Mongolen en van de Kaspische laaglanden, moeten zoeken. De geheel onbeperkte heerschappij der Czaren zelve, heeft veel van de regeeringswijze dier Aziatische opperhoofden. De hardheid der bij hen gebruikelijke straffen, herinnert aan het bamboes-riet bij de Chineesche Mongolen. De geringschatting en het kwistig omspringen met menschenlevens bij krijgstochten en andere gelegenheden, is bij hen niet veel geringer dan zulks bij de krijgstochten der Mongolen was. Hunne lastige volgorde in maatschappelijken rang, hunne zoogenaamde “Tschin”, schijnt naar naam en daad eene kopie van de bij de Mongolen en Chineezen heerschende etiquette te zijn. Ook hunne melancholieke en roerende volksgezangen, persen den toehoorder de tranen uit de oogen, even als zulks de Mongoolsche zangen vermochten.
Vele Tartaren, Mongolen, Kalmücken en andere Aziaten werden van oudsher, als men hen als krijgsgevangenen naar de binnenlanden van Rusland overbracht, wanneer de Czaren hen met Russische eereblijken beloonen of winnen wilden, in den schoot der Russisch-Slavische nationaliteit opgenomen. Zelfs onder de voornaamste familiën des rijks ontdekt men nog namen, die reeds dadelijk de Tartaarsche afkomst van het geslacht verraden. Zoo, om een voorbeeld aan te halen, de naam van den bekenden, nu Russischen Vorst Kotschubey, d.i. “de kleine bey.” Misschien is den lezer somwijlen wel eens de naam der vorstelijke familie Dunderkoff-Korakow voorgekomen. Het zijn nu Russische Magnaten, wier stamboom echter oorspronkelijk in eene Kalmuksche herderstent ontkiemde. [41]
De schedelvorm en de gelaatstrekken van het Mongoolsche type, het vierhoekige hoofd, de vooruitstekende wangbeenderen, de kleine wipneus, de langwerpige oogen, het vlakke gelaat, al is een en ander bij hen zoo opvallend niet als bij de eigentlijke Mongolen, schemeren ook bij de Russische nationaal-trekken, onder de anders meer ronde en ovale liniën van den Indo-Europeeschen stam zeer duidelijk door.
En als men dan eindelijk bedenkt, dat diezelfde gelaatsvormen ook bij alle stammen van het Chineesche rijk, die zeer beslissend het Mongoolsche type dragen, weder teruggevonden worden, dat verder ook zelfs de Indiaansche stammen van Noord-Amerika, in hunne lichamelijke gesteldheid, wederom slechts ietwat getemperde uit- en afdrukken van datzelfde model schijnen te zijn, dan staat men werkelijk verbaasd over de buitengewone verspreiding van dit type over de oppervlakte der Aarde, en men kan schier zeggen, dat wel een derde gedeelte van het menschelijk geslacht tot het Tartaarsch-Mongoolsch of Mongoolsch-achtig ras behoort.
Ja! zelfs in de gebergten van midden-Europa, in het zuid-oostelijke punt van Duitschland heeft men—en met deze opmerking zal ik deze beschouwing sluiten—sporen van Mongolen of van Mongoolsche type willen vinden. Aan den voet van den Orteles, in de hoogere dalen van het Etsch-dal, in de zoogenaamde Bintch-Gau is, volgens de onderzoekingen van Dr. Goldrainer, de schedelbouw der daar nu Duitsch sprekende bewoners, “Mongoolsch”. Men heeft gemeend, dat in die gebergten een verstrooide troep van de soldaten van Attila achtergebleven is, en men heeft getracht, de daar aangetroffen wordende zonderlinge on-Duitsche plaatsnamen, “Tschars, Tartsch, Latsch, Compatsch” enz, uit de Aziatische talen te verklaren. De Zwitsers gelooven, dat dit volk afstamt van een vreemdsoortig volkje in Annisiers, een dal in Boven-Wallis op zes uren afstands van Sitten, en dat zij “Hunnen” (d.i. Mongolen) noemen, van hetwelk echter Slavische oudheidkenners gelooven, dat het afstamt van Slaven, waarschijnlijk echter toch van Slaven die Attila volgden, en zich in de bergen van zijne legers verwijderden. Ik heb er reeds in het vorige hoofdstuk opmerkzaam op gemaakt, dat men in dit zelfde kanton Wallis ook de oostelijkste sporen van Saraceensche of Arabische volksverstrooiing aanwijst. En zoo is dat daar dus eene zeer merkwaardige plaats, waarin nog heden ten dage de uiterste sporen herkend worden van twee groote volksstroomen, die in het hart van Europa tegen elkander over stonden; de eene, die van Arabië en West-Azië en van de noordkust van Afrika, den gloeioven van Europa, over Spanje kwam aanstroomen, en zich in Frankrijk en tegen de Alpen verloor—en de andere, die uit het binnenste van Azië, uit den Europa in het Oosten, als het ware, aanhangenden “Tartarus”, losscheurde, de Uralisch-Kaspische volken-poort passeerde, het geheele Oostelijk Europa herhaalde malen overstroomde, en eveneens tegen Frankrijk en de Alpen wegstierf, waar zij midden in de bergholen de duidelijkste sporen achterlieten. [42]
Tusschen Klein-Azië, het Grieksche schiereiland en het eiland Creta is het vierhoekige bassin eener kleine binnenzee van het overige der Middellandsche waterwereld afgesloten. Dit water-parallelogram mag als eene groote binnenzee, met verscheidene uitgangen die naar groote zee-partijen voeren, beschouwd worden. Het binnenste van het bassin is als bezaaid en bestrooid met eene menigte bergachtige eilanden van vulkanischen oorsprong, die, wat natuurschoon, vruchtbaarheid en andere voordeelen betreft, met weinig andere eilandgroepen van Europa vergeleken kunnen worden.
Een schitterende hemel welft zich er over heen. Zij genieten een zachten winter en worden door de zeelucht voor eene overmatige hitte bewaard. Zij zijn allen bewoonbaar, en in het bezit van liefelijke dalen, afgewisseld door vlakten, die zeer geschikt zijn ter aankweeking van den wijnstok; de olijf- en citroenboomen bieden de bijen eene massa van honigrijke tuinen aan.
Even als de eilanden zoo doen ook de kusten van het omliggende vasteland zich zeer afwisselend voor. Van het noorden, oosten en westen uit loopen de landen met vele fraaie schiereilanden in het zee-bassin uit. Diepe bochten en golven en bijzonder veilige havens dringen het land in en noodigen overal ter scheepvaart uit. Men zou de geheele Aegeïsche zee, ten gevolge van haren rijkdom aan ankerplaatsen en reeden, als eene enkele groote haven kunnen beschouwen. En zeer goed zou men Griekenland in zijn geheel een Europa in het klein kunnen noemen.
Even als Europa door zijne verschillende onderdeelen, door zijne bijzonder goede verhouding van vastland en water boven al de andere deelen der Aarde uitmunt, zoo munt Griekenland boven het overig Europa uit. En even als de Europeesche volken, toen zij eenmaal wakker waren geschud, bestemd schenen alle andere volken der wereld, scheepvaart, handel, verkeer, werkzaamheid, énergie, beschaving en wetenschap te leeren kennen, zoo schijnt de Aegeïsche- of Grieksche zee van nature bestemd, de wieg en leerschool dezer Europeesche werkzaamheid en kracht te zijn.
Wanneer en hoe zich de eerste menschelijke bevolking over dit heerlijk schoone bassin, over die vriendelijke eilanden en schiereilanden verspreidde, is in een ondoordringbaar duister gehuld. Maar zooveel valt uit de taal der Hellenen op te maken, dat zij en hunne stamvaders, als hoedanig men gewoon is de “Pelasgen” te noemen, uit het Oosten over Klein-Azië gekomen zijn en tot den grooten Indo-Germaanschen volkstam behooren, die aan ons Europa, zijne voornaamste en ontwikkeldste volken gegeven heeft. Uit hunne taal blijkt, dat zij innig verwant zijn met de Keltische, Romaansche, Germaansche en Slavische volkeren. Even als van deze, zoo moet ook de oorsprong der Grieken in Indië en aan den Himalayah gezocht worden.
Onder wiens aanvoering, onder welke omstandigheden en lotgevallen, de voorvaderen der Hellenen, de zoogenaamde Pelasgen zich vandaar losrukten; waardoor zij zich reeds in dezen tijd onderscheiden konden, en hoe zij toen [43]door het westelijk gedeelte van Azië en door Klein-Azië zich een doortocht wisten te banen, dat alles is ons niet zoo nauwkeurig overgeleverd geworden, als b.v. de oorsprong en de vroegste geschiedenis der Israëliten.
Juist de beide volken, die in de oudheid het grootste gewicht verkregen en het meest ontwikkeld waren, de Grieken en Romeinen, deelen het lot, dat over hunne oudste geschiedenis en over de vroegste bewoners dier landen eene schier nog grootere onzekerheid bestaat, dan over menig ander, minder ontwikkeld ras, en dit is ten deele een natuurlijk gevolg juist van hunne vroegtijdig gerijpte ontwikkeling en bloei, die alles wat aan vroegere tijden herinnerde en van ouderen datum afkomstig was, als “barbaarsch” verduisterde, verachtte en aan de vergetelheid ten prooi gaf. Ja! zelfs hebben wij niet dan eene hoogst onduidelijke en zeer twijfelachtige voorstelling van de manier en de wijze, waarop de Hellenen zich in taal en ontwikkeling, uit den grooten moederstam hunner Pelasgische voorouders of voorgangers, te voorschijn werkten en zich als een zelfstandig volk neerzetten en leerden gevoelen. Dergelijke zaken zijn in de geschiedenis der menschheid meermalen even moeielijk te doorgronden, als b.v. in de natuur, de manier en de wijze, hoe en door welke chemische werking in den wortel van den rozenstruik, de droppel die bestemd is den knop te vormen, opstijgt en zich bevestigt, en hoe zich uit het knopje de schoone bloem ontvouwt. Weldra staat de volle centifolie heerlijk riekend daar, voor wij nog kunnen aantoonen, hoe en waarom zij zóó en niet anders werd.
Alles wat wij zeggen kunnen, is: dat de zoogenaamde Pelasgen, vooral echter hunne opvolgers of kinderen, de “Hellenen,” een van oudsher met voortreffelijken aanleg toegerust geslacht moet geweest zijn, en dat hun goed gesternte hen een tehuis binnenleidde, dat zoo gunstig, als maar bij mogelijkheid gewenscht kon worden, geschikt was ter ontwikkeling van zulken voortreffelijken aanleg, namentlijk in dat bont getooide bekken der Aegeïsche zee, waarvan ik zooeven de voornaamste eigenaardigheden mededeelde.
Trots deze gunst en gaven der natuur schijnt het niet te min, dat zelfs ook bij de Grieken, even als bij alle andere Europeesche volken, de aanstekende vonk van buiten moest aangebracht worden.—De sagen der Hellenen wijzen naar landverhuizers, die van buiten af het land binnenkwamen, als gebeurtenissen, die hun den lust tot een welgeordend leven inboezemden: op eene uit den vreemde komende onderwijzeres in den landbouw, Demeter (Ceres) die den echt stichtte, den vijgeboom naar Griekenland bracht, even als Minerva den olijfboom—op een buitenlandschen Prometheus, die den Grieken alle kunsten leerde, waarbij zij van het vuur moesten gebruik maken. Zelfs het gebruik van het ijzer, ontvingen zij uit den vreemde. De invoering van het paard, de kunst van spinnen en weven werden aan Poseidon, den god der zee toegeschreven, dat wellicht even veel zeggen wil als: zij kwam in schepen naar het tot nu toe onkundige eilanden-volk.
Even zoo kwamen uit Phenicië en Egypte te scheep tot hen, door Kadmus, Danaüs, Pelops, de eerste wetgevers, staten-regelaars en de stichters hunner burgten en steden,—hunne orakels—een groot deel der namen hunner goden en hunne godsdienstige fabelen en instellingen. Alle beginselen van beschaving [44]werden den Grieken door zeevaarders en handelaars gebracht. Hunne ontwikkeling was, met één woord, uit de zee geboren. Ten gevolge der ligging en grondsgesteldheid groeide die vervolgens bij hen, met behulp der zee, verder aan. Van de vroegste tijden af werden de Grieken zelven een volk van zeevaarders en handelaars. De oudste naam der bewoners van het land “Pelasgen” zou ook (volgens de meening van sommigen ten minste) af te leiden zijn van het Grieksche woord Pelagos (Zee) en niets anders dan “zeelieden” beteekenen. Na den grooten God van den alles omvattenden Hemel, den ongeëvennaarden Zeus, was Poseidon, de god der wateren en der winden, bij hen de voornaamste godheid. Hij was machtiger en had meer invloed op hun lot dan de andere goden. Tot hem stegen in de talrijke, op de eilanden en voorgebergten opgerichte tempels, hunne vurigste gebeden omhoog. Uit de zilte baren verrees Aphrodite, hunne godin der schoonheid, en in de zee zelve had de zonnegod Helios zijn paleis, waar hij in de armen der onder de wateren heerschende Thetis rustte.
De eerste belangrijke, gemeenschappelijke ondernemingen der Grieken, waarin zij als een op zich zelf staand volk optraden en zich leerden gevoelen, de tocht der Argonauten, de Troyaansche oorlog, waren groote vloot- en zee-expedities, en even als ten tijde van Agamemnon geheel Griekenland uit de Aegeïsche zee opdaagde, zoo heeft het uit diezelfde zee, uit hare eilanden, havens, schepen, ook later meermalen zijne kracht getrokken—eene wedergeboorte te weeg gebracht. Even als de door Herkules nedergevelde Antaüs, die steeds van zijne moeder, de Aarde, nieuw leven ontving, zoo is Griekenland, als het nedergeveld was (zelfs in onze dagen) uit zijne moeder, de zee, weder opgestaan.
Hunne oudste en ook bij hen meest gebruikelijke liederen, de gedichten van Homerus, hebben zeerooverijen, zeeavonturen en scheepvaart tot onderwerp. Het zijn gedichten, die nog heden ten dage even als voor 3000 jaren, door het Grieksche volk het best begrepen worden, even als bij de Nomaden-volken der Arabieren de tradities van hunne herders-patriarchen Abraham en Ismael.
Eenmaal door invloeden van buiten wakker gemaakt, ontwikkelde de vruchtbare, en even als het water beweegbare, genius der Grieken eene verwonderlijk veelzijdige werkzaamheid naar alle richtingen van den menschelijken geest. Tot enthusiasmus—dit fraaie woord is van Grieksche vinding—geneigd, begaafd met eene levendige phantasie en een levendig voorstellingsvermogen, ontdekten zij op de hooge toppen hunner bergachtige eilanden, in de wouden hunner langs de kusten gelegene dalen, op de met bloemen bedekte en door liefelijke bronnen en stroomen bevochtigde, langs de oevers gelegene landschappen, overal het spoor eener godheid. Ieder hoekje van hun land werd door de poëzie verheerlijkt en vereeuwigd. Zij leerden die goden vereeren, en in alle oorden van Griekenland ontstonden orakel-plaatsen, tempels en bedevaartsplaatsen. Iedere duim gronds van het land werd klassiek en geheiligd. [45]
Al de hoogten zijn door Oreaden bewoond,
In ieder boomke leeft eene Drijade,
En het helder, rein, schuimend rivierwater stroomt
Uit de urnen der aanminn’ge Najaden.
Even als hun land, zoo bood ook hun leven de scherpste contrasten aan. Het scheepsleven was rijk aan afwisseling en merkwaardige gebeurtenissen, en zou alleen reeds voldoende geweest zijn, om den vertellers, den redenaars, den dichters den mond te openen. Maar op den achtergrond van dit veelbewogen, stormachtig zeeleven lagen de kleine, bekoorlijke woonplaatsen in de hoekjes der eilanden, de huisselijke haard aan de helling der bergen, de vruchtbare akkers langs de heldere stroomen en het idyllische herdersleven op de bergen Ida, Pelion, Helikon en in het boomenland van Arcadië.
Noodwendig moesten de Grieken onder dusdanige natuurlijke gesteldheid en contrasten, zich dichterlijk gestemd gevoelen. Zij grepen naar de lier en hebben gespeeld en gezongen als geen anderen na hen.
Naar het model der door de Egyptenaren en Pheniciërs bij hen gestichte gemeenten, stichtten en bestuurden zij bloeiende steden, republieken en staten in ’t rond om den Archipelagus. Daar versterkt, zeilden zij verder langs de natte paden der zee, stichtten zij in Italië en Sicilië hunne koloniën, ontstaken de vuurtorens der beschaving aan alle barbaarsche kusten der Zwarte Zee, verlichtten daarmede ook, als met een helder schitterend garneersel de geheele noordkust van Afrika, entten van Massilia uit, het verre Gallicië de eerste beginselen der beschaving in, ja voeren zelfs door de zuilen van Herkules, den Oceaan op.
Terwijl zij op die wijze de grootte der wereld leerden kennen, begonnen zij, wier geest van eene even ideale als praktische natuur was, over het geheele wereldrond handelsondernemingen te doen, en traden, midden op hunne met waren opgevulde markten en in hunne van handel en menschen wemelende en levendige havens, als even zoo scherpe als diepzinnige denkers, natuurvorschers en wijsgeeren op, die ieder naar hunne wijze van wereldbeschouwing, verschillende systemen, scholen en sekten oprichtten.
De handel met volken, die zoo verschillend van aard waren, deed bij hen rijkdom en weelde ontstaan, en liet een streven naar de verfraaiing van het alledaagsche leven bij hen ontwaken en de schoone kunsten bloeien. Een Apelles, een Praxiteles en de tallooze scholieren dezer meesters traden op; onder hunne handen kreeg het marmer gestalte en leven, en verrezen de heerlijkste tempels en zalen, op wier wanden de fraaiste schilderstukken aangebracht werden.
Daar in het vaderland der Grieken geen vorstelijke, alles uitsluitend naar zijne nukken schikkende Nijl, geen groote gebiedende Ganges, geen onmetelijk groot en eentoonig Mesopotamië was; daar hier integendeel alles verbrokkeld, verschillend en sierlijk gevormd was—eene gemakkelijk te overwinnen en den menschen niet overweldigende natuur—kleine dalen, smalle vlakten, talrijke tamelijk hooge bergen, en dat alles toch door den gladden spiegel der [46]zee nauw verbonden en saamgesmolten, zoo is ook ten gevolge daarvan de aard van den Griekschen volksgeest zelf een veelhoekig, een aan alle zijden geslepen edelgesteente geworden.
Geheel in tegenstelling met andere volken, b.v. met de eentoonige en eenvormige massa, die nog heden ten dage ons de Russische land- en volksgeest biedt, gelijken de Hellenen een boom, die in bevallige groepeering zijne vele takken naar alle zijden uitbreidt. Hunne taal scheidde zich in verschillende dialekten, hun stam in talrijke geslachten, die allen zeer verschillende eigenschappen en toch allen uitstekende hoofddeugden bezaten, en die ook allen, trots hunne uitbreiding in zeer tegenovergestelde richtingen, toch, even als hunne eilanden door de daar tusschen stroomende zee, door den band van gemeenschappelijke sympathieën en doeleinden aan elkander verbonden en vastgeknoopt waren.
Dezelfde verhoudingen, die de verschillende dialekten, bouwstijlen en wijsgeerscholen der Dorische, Jonische en Aeolische Grieken in het leven riepen, kweekten bij hen ook een even groot verschil van politieke inrichting en burgerlijke toestanden. In dezen zin, hebben zij gedurende hun bestaan, om zoo te zeggen, alles in het leven geroepen wat maar denkbaar is. Democratiën, monarchiën, oligarchiën en aristokratiën, heerschappij van het volk en van het geld, militair-despotismus en priestergeweld, wisselden elkander bij hen af, al naar mate afstamming, tijd en plaats. De geheele overige wereld biedt geen staatsvorm aan, waarvoor de kleine Grieksche wereld niet een model geleverd en waarvoor de Grieksche taal geene bepaalde benaming uitgedacht heeft, die nu nog bij alle beschaafde volken der Aarde in zwang zijn. De Grieksche Aristoteles philosofeert, ofschoon hij niets dan de politieke scheppingen van zijne landslieden en hunne naaste buren kende, over alle mogelijke vormen van staatsregeling, als had hij, even als wij, alle politieke toestanden der wereld voor oogen gehad.
Vergelijkt men de staats-regeling, het burgerlijke zijn en de politieke strekking van twee Grieksche staten, b.v. het ernstige, harde, krijgshaftige, monarchale of aristokratische, om zoo te zeggen Britsche Sparta, met het fijne, vernuftige, schitterende, weelderige, demokratische, ietwat Fransche Athene, zoo houdt men het schier voor onmogelijk, dat menschen, die eene zelfde taal spraken en zich eene zelfde nationaliteit toeschreven, een, wat karakter en verstand betreft, zoo scherp contrast kunnen vormen. Men zou eerder gelooven de vreemdsoortigste bestanddeelen—Noordpool en Zuidpool—op steenworps afstand naast elkander te zien huizen. De uitersten, teugellooze vrijheid en onbarmhartige tyrannie onder het juk van één enkelen, schijnen elkander bij de Grieken de hand te reiken, en midden tusschen deze beide uitersten, vinden wij dan weder een menigte staats-inrichtingen, die uit het verstandigst overleg, en uit het zorgvuldigst overwegen der menschelijke natuur en der verschillende bestanddeelen der maatschappij ontstonden.
De revolutie en de afwisseling van meesters, waren bij deze rustelooze menschen, die zoo belust op nieuwigheden waren, aan de orde van den dag. In hunne geschiedenis ziet men te vergeefs uit naar een zonnig tijdpunt van rust, [47]zooals b.v. die van Rome ten tijde van Augustus aanbood, waarin de kunsten van den vrede en de wetenschappen, naar onze begrippen gemakkelijk hadden kunnen bloeien. Het zwaard aangegord, schreven de krachtige Grieken geschiedenis, zoo kernachtig als later die niet weder geschreven is. Den giftbeker drinkende, dien de onverdraagzame medeburgers hun reikten, gaven de Grieksche wijzen zedelessen over verdraagzaamheid en liefde, die nog niet vergeten zijn. Midden in de wereldsche drukte op straat, onder de opgewondenheid van het Forum, dachten hunne philosophen rustig en kalm na over boven-aardsche dingen. Midden tusschen het eeuwige partij-getwist en bloedige wapengekletter, huldigden hunne dichters en kunstenaars de gratiën, en schiepen zij zulke volkomene, welluidende en harmonische taalbeelden, als nimmer aan een vreedzaam volk in die mate gelukte. Tusschen hunne lippen werd de Grieksche taal gevormd tot de fraaiste, deftigste, mannelijkste en tegelijkertijd zachtste taal, waarin ooit menschen gedacht en gedicht hebben, tot eene bij uitstek rijke taal, wier woordvoeging zoo gemakkelijk, zoo vloeiend is, die voor den mond zoo aangenaam te spreken, voor het verstand zoo veelbeteekenend en zoo nauw samenvoegend is, en die gedeeltelijk middellijk, gedeeltelijk onmiddellijk alle tegenwoordige talen tot voorlichtster gediend heeft. Wanneer men het doen en laten der Grieken in hun geheel beschouwt, dan meent men stoute, geniale mannen te zien, die het verstonden bloemen te doen ontluiken in de vurige kraters der vulkanen, en die aan de muzentempels gebouwd hebben op den rand van den steeds vloeienden lavastroom.
Even als in het moederland Hellas, zoo ging het ook in de koloniën. De Grieksche dochtersteden ontstonden meestal ten gevolge van inwendige tweedracht en hartstochtelijke partijtwisten, en deze koloniën zelve, waarmede zij de barbaarsche kusten der Middellandsche Zee omgaven, schijnen even vele kraters geweest te zijn, die, als de Etna, het land in de rondte tegelijkertijd verwoestten en vruchtbaar maakten. Aan de kleine golf van Tarente in Groot-Griekenland alléén, had een half dozijn van zulke vuur- en bloemenspuwende vulkanen wortel gevat: het trotsche Crotona, het weelderige Sijbaris, Heraclea, Tarente en nog eenige andere onvergetelijke steden. Even als Athene en Sparta in Hellas, als Ephesus en Milete op de kust van Klein-Azië, als Syracuse de volkrijkste en machtigste aller Grieksche koloniën, en het steeds door de Etna verwoeste en steeds weder opbloeiende Catanea op Sicilië, leefden die steden in eeuwigdurende tweedracht, en hunne burgers trokken, zoo lang zij zich roeren konden, tegen elkander te velde en hielden over en weer de onbarmhartigste strooptochten in het gebied hunner naburen. Men is somwijlen geneigd deze Grieksche republieken voor even zoovele halfwilde Montenegro’s te houden. Niets van alles wat later de Turken tegen de Christenen uitgevoerd hebben, bleef door deze Hellenen onbeproefd in de schier nimmer gestilde partijwoede. Moord, brand, verwoesting, harde slavernij, ja verdelging tot den laatsten man, tot er geen steen op den ander bleef. En toch waren deze steden bij wijle rijk, groot, losbandig en weelderig, telden hunne burgers bij honderdduizenden en hadden volop dichters, schilders, beeldhouwers en leerlingen van Pythagoras. [48]
Toch lag vermoedelijk in de bijzonder heftige en vurige natuur der Grieken opgesloten, dat de geheele tijd van hunnen bloei en hunne fraaiste scheppingen, slechts kort was, en dat zich hunne geheele scheppende kracht slechts in een, als een vluchtigen droom voorbij zwevend oogenblik, samenvatte. Ten tijde van Perikles, in de 5de eeuw voor Christus geboorte, hadden zij het toppunt van hunnen bloei bereikt. Om de persoon van dezen “hellenischten aller Hellenen”, groepeeren zich de uitstekendste Grieksche namen, die door hetgeen zij volbracht hebben, over de geheele wereld bekend en verheerlijkt zijn geworden. Men heeft de Grieken eene jongelings-natie genoemd. Ja! Hegel noemde hun geheel nationaal zijn en streven, “een enkele jongelings-daad”. Men kan hun nationaal maatschappelijk leven met het eigenaardige bestaan van andere geniale, naar het grootsche strevende jongelings-naturen vergelijken, b.v. met die van een Raphaël, die zich in de vurige opwelling zijner werkkracht vroegtijdig ontwikkelde, maar daarop aan de nakomelingschap eene erfenis van zijne werken vermaakte, waarover zij zich, door alle tijden heen, verheugen kan. Met zulk eene erfenis in de hand, welke de tijdgenooten van Pericles achterlieten, heeft de nationale geest der oude Grieken zich steeds, tot op onze dagen, machtig en invloedrijk getoond; ofschoon sedert den dood van Perikles bij hen slechts de eene overheersching door vreemden op de andere volgde, en zij nimmer weder tot eene zoo krachtvolle zelfstandigheid geraakten, als in die korte jaren, toen zij ongestraft onder elkander vechten en om den palm der overwinning strijden konden.
Het allereerst kwamen zij onder Philippus en Alexander. Maar deze barbaarsche Koningen van het Noorden helleniseerden zich, huldigden den geest der Grieken, namen hunne taal over, en verbreidden beiden, te gelijk met hunne veroveringen, over het geheele Oosten. Aan de grenzen van Indië en de Mongolen en vervolgens ook aan den Nijl, stichtten zij rijken, die men naar de aldaar heerschende taal en ontwikkeling, als Grieksche stichtingen moet aanmerken.
De Macedoniërs werden, zoowel in de wereldheerschappij als in het bezit der heerschappij over Griekenland, door de Romeinen afgelost, en even als gene werden ook deze de scholieren hunner Hellenische onderdanen. Hebben de Romeinen ook al niet, als de naburige Macedoniërs, de taal en de zeden der Grieken overgenomen, zoo moesten zij hen toch, daar zij zelven niets beters konden te voorschijn brengen, als hunne meesters en modellen beschouwen. Het gevangene Griekenland nam zelf zijne wilde gebieders gevangen en bracht de kunst over naar het boersche land der Latijnen. De Romeinen gingen bij de Grieksche redenaars in de leer. Hunne gedichten waren niet anders dan een weerklank der Grieksche gezangen, hunne musici, hunne paedagogen waren Grieksche slaven. Hunne tempels, hunne steden, hunne marktplaatsen werden versierd en verlevendigd door standbeelden, die een eeuwig leven ademen en gered waren uit den ondergang van Griekenland. Op de vleugelen van den Romeinschen adelaar verbreidde zich Grieksche beschaving over het geheele Westen, even als vroeger de Macedonische phalanx haar tot aan den Indus en Himalayah, die bronnen van alle Hellenisch en Indo-Germaansch leven, baan gebroken had. [49]
Met het goud des verstands, dat de Romeinen uit Griekenland gehaald hadden, hebben zij om zoo te zeggen de geheele wereld verguld, en de Grieken zijn op die wijze, in het gevolg der over de Aarde marcheerende Macedonische en Romeinsche infanteristen, ook in het binnenste van alle landen gekomen, waarheen zij als een oud zeevaarders- en kustvolk, alleen misschien nooit gekomen waren.
De Macedoniërs, die van oudsher naburen en stamverwanten der Grieken waren, zijn met taal, verstand en zeden, zooals ik reeds zeide, in de Grieken, om zoo te zeggen, opgegaan. Waar zij geboden en vertoefden, daar geboden ook de Grieken zelven. De Romeinen daarentegen, bewoners van een ander schiereiland en van een vreemd geslacht, ofschoon in alle aangegevene opzichten de kweekelingen der Grieken, bleven toch altijd Romeinen en verspreidden het ontvangene op hunne wijze. Daardoor kwam het, dat de Grieken zich in het Westen, waar zij bijna niet anders dan als dienaren verschenen, nooit zoo te huis gevoelden als in het Oosten, het schouwtooneel der verrichtingen van de Macedoniërs. Ja! de Romeinen romaniseerden zelfs dààr geheele streken, waar in vroegeren tijd Grieksche zeden, taal en bloed de overhand hadden, b.v. Zuid-Italië en Sicilië. Daardoor kwam het dan ook dat, toen het Romeinsche rijk zich in twee groote helften verdeelde, van deze beide helften, het Westersch Romeinsche rijk en het Oostersch-Romeinsche rijk, het eene aan zijn uiteinde een geheel geromaniseerd, het andere een predomineerend Grieksch, met Macedonisch-Grieksche ontwikkelings-elementen bezwangerd, karakter had.
In het Oostersch-Romeinsche rijk, dat Nieuw-Rome of Bijzantium tot hoofdstad had, kregen na de afscheiding Grieksche taal, Grieksche volksstammen, Grieksche geslachts-adel, Grieksche beschaving weder de overhand, en men kan deze verdeeling van het rijk in zekeren zin als eene politieke wedergeboorte der Grieken beschouwen, ofschoon het wedergeborene kind van toen af aan bij de Oostersche volken niet slechts den naam “Rome” (Rum, Rumili) droeg, maar zelfs de Grieken zelve, zich eeuwenlang “Romaier,” hunne Grieksche taal de Romaiische noemden. Daar in het geheele Oosten de Grieksche taal bij voorkeur de taal der letterkundigen was, zoo werd zij dan ook van den eersten tijd af aan de draagster van het, ten tijde van den bloei der Romeinsche macht opkomende, nieuwe geloof. Het Christendom werd, zoodra het Jeruzalem verlaten had, het allermeest door de Grieksche taal over de wereld verspreid.
Het bekken van den Archipelagus met zijne eilanden en zijne vooruitstekende landen, dat het best met een naar het Oosten geopend net vergeleken kan worden, ving nu de eerste, aan de Phoenicische kusten ingescheepte, christen-apostelen op, zooals het duizend jaren te voren de van daar scheep gegane professoren der oud-Egyptische wijsheid ontving. Het Grieksche volk bood den grooten zaaier het eerst een terrein aan, waar zijne zaadkorrels niet op een steenachtigen bodem vielen, maar waar zij integendeel al spoedig in Korinthe, Thessalonika, Ephesus en andere steden diepe wortels schoten. Ook in de Aziatische steden bestonden de eerste Christen-gemeenten schier zonder uitzondering uit Grieken. In hunne taal werd de eenige God overal aangebeden, [50]en de eerste predikatiën der zendelingen gehouden. In hunne taal werden onze heilige boeken geschreven. Ook was zij de taal der eerste christelijke conciliën. Grieken brachten het christendom naar Rome en verbreidden het over het overig Europa; vandaar zijn dan ook tot op heden in geheel Europa de meeste uitdrukkingen voor kerkelijke zaken, zelfs de naam der “kerk” en die van het boek der boeken, den “bijbel”, van Griekschen oorsprong.
Van alle christelijke kerken is de Grieksche de oudste; van Griekenland uit werd het heidendom het eerst door het Christendom ondermijnd en eindelijk tijdens de stichting van Nieuw-Rome of Constantinopel geheel afgeschaft. Gedurende de invallen der barbaren, die op de verdeeling van het Romeinsche rijk weldra volgden, bleef het Oostelijk Keizerrijk der Grieken veel langer bestaan dan dat der Westelijke Romeinen. De onbuigzame, barsche Romeinen, die hun rijk hoofdzakelijk op hunne dapperheid en stoffelijke overmacht gegrondvest hadden, moesten het onderspit delven, toen hun die dapperheid begon te ontbreken en eene grootere macht dan de hunne zich tegen hen over begon te stellen. De Grieken, die zich tijdens hunnen bloei, behalve den moed en de vaderlandsliefde die hun eigen waren, ook eene hooge mate van verstandelijke ontwikkeling, eene bijzonder groote mate van politieke behendigheid en andere daarmede in betrekking staande eigenschappen, hadden eigengemaakt,—bewaarden, nadat de bandelooze overmoed en vrijheidszin gebreideld waren, toch deze taaiere eigenschappen, en bleven, even als de Chineezen in hunnen strijd met de Mongolen, zelfs na hunne nederlagen, meermalen overwinnaars. Terwijl het geheele Westelijk Europa door Noordsche horden overstroomd en eeuwen lang weder in eene diepe duisternis gestort werd, ontvingen ook de Grieken vele hun land diep binnendringende benden. Maar zij wisten, als vlugge strijders, behendig de stooten te ontwijken en ze dikwijls van zich af te wenden, of, wanneer zij somwijlen het onderspit moesten delven, zoo stonden zij toch, even als het door de stormen heen- en weer gezweepte struikgewas der hoog-gebergten, steeds, van frissche loten voorzien, weder op.
Sedert de 5de en 6de eeuw trok de groote Slaven-vloed met overmacht het Grieksche schier-eiland binnen, en drong in alle tot het Europeesche vasteland behoorende provinciën van het Grieksche rijk, tot aan Athene en tot in den Peleponnesus. De Slaven kwamen daar nu niet alleen als soldaten en gebieders, maar met vrouwen, kinderen en kudden zetten zij zich in deze landen met der woon neder, begonnen na eenigen tijd den grond te bebouwen, stichtten talrijke Slavische dorpen en vlekken, en gaven aan landen, bergen, dalen, rivieren, beken en grotten, Slavische namen. Maar te midden dezer Slavische overstrooming, bleven de steden en havens aan de kusten, overal langs de Aegeïsche zee, zelfs in de bangste tijden, in het bezit der Grieksche burgers en der Byzantijnsche bezettingen. Daar de Slaven geene schepen hadden, zoo lieten zij de eilanden der Aegeïsche zee grootendeels ongemoeid. Zelfs in de gevaarlijkste oogenblikken, toen Avaren, Bulgaren en Serviërs Constantinopel bestormden en te gelijkertijd aan de Aziatische zijde van den Bosphorus, bij Scutari de Perzen onder de wapens stonden; zelfs in zulke oogenblikken, waarin alles verloren scheen, hielden de Grieken zich staande op hunne vloot, met behulp waarvan [51]de verbinding tusschen het middelpunt van het rijk en de eilanden en kusten nauwelijks een oogenblik verbroken was, en werd ook telkens weder in de vertwijfeldste omstandigheden, de buitenste omtrek en het ruwe getimmerte van de oude Hellenen-wieg, de Archipelagus (de hoofdzee) met haar toebehooren gered. Rondom deze wieg dus, bleef altijd een overblijfsel van het Hellenendom bestaan, en van dit oude tehuis en geboorteplaats uit, dat wil zeggen van uit de schepen, van uit de havenplaatsen Korinthe, Thessalonika, Patras, Monembasi en vele anderen, verspreidde zich in de 9de eeuw andermaal dit Hellenendom. Nadat de inval der Slaven in den loop van 300 jaren hun aanvankelijk zoo woest karakter verloren had, nadat zij uit roovers, verwoesters en plunderaars, landbouwers en grondeigenaars geworden waren, toonden zij zich ontvankelijk voor de, van de Grieksche kusten het land binnendringende, beschaving. Ook de Grieksche wapens, voornamentlijk onder de regeering van Keizer Basilius I, in de tweede helft de 9de eeuw, waren weder gelukkig tegen hen, en vele der door de Slaven bezette provinciën en landschappen werden toen weder door de Grieken heroverd.
Eene duizenden tellende en Grieksch sprekende geestelijkheid trok de nieuw bekeerde provinciën binnen. Kloosters en kerken werden gebouwd, nieuwe steden en versterkte plaatsen aangelegd en in deze zetten zich bij voorkeur weder Grieken neder. Ten gevolge van dit een en ander verstonden en spraken de Bulgaren, die er hun intrek genomen hadden, spoedig even goed Grieksch als Slavisch, en werden in den Peleponnesus en aan de kuststreken van Thessalië, Macedonië en Thracië, de Slavische namen weder òf verdrongen òf verhelleniseerd. Het nieuwe door Grieken of Grieksch-sprekenden bevolkte Griekenland, dat zich op deze wijze weder oprichtte, had in hoofdzaak denzelfden omvang, als het eens door de oude Hellenen bezette land.
Zoo viel dus toen in Griekenland iets dergelijks voor, als ter zelfder tijd (na Karel den Groote) in Duitschland plaats greep. Ook in Duitschland, even als in Griekenland, hadden de Slaven, tijdens hunne eerste woeste overstrooming van eene menigte oud-Duitsche landstreken, schier de geheele oostelijke helft van het oude Germanië met hunne stammen gevuld. Maar ook daar werd weerwraak genomen. Karel de Groote en de Duitsche Keizers die hem opvolgden, herstelden, terwijl zij de binnengedrongene Slaven onderwierpen en doopten en ze dwongen de Duitsche taal en gewoonten aan te nemen, weder de grenzen van het oude Germanië, even als Basilius en de hem opvolgende Grieksche Keizers, Griekenland zijne oude grenzen terug gaf. In de groote landschappen, meer binnenwaarts in het Byzantynsche schiereiland gelegen, won de van de kusten komende vergrieking minder voet. Daar behielden de vele binnengedrongene barbaren hunne taal en gewoonten. Slechts nu en dan kwamen Grieken bij hen in de steden en vestingen wonen. Ook dit was weder juist zoo, als ten tijde der oude Hellenen, met dit onderscheid dat nu, in stede der vroegere Macedoniërs, Thraciërs en Illyriërs, de Slavische Bulgaren, Serviërs, Kroaten enz. de oude, steeds barbaarsche plaatsen bewoonden, die nooit door Grieksche schepen en kustbewoners in grooten getale bevolkt waren geworden.
In hoofdzaak is dit, met eenige geringe wijziging zoo gebleven tot aan den [52]volgenden grooten inval die Griekenland trof, tot den inval der Turken. De tusschen beide groote invallen, den Slavischen in de 6de eeuw en den Turkschen in de 14de eeuw, gelegene invallen der westelijke volken van Europa, die onder den naam van kruistochten bekend zijn, kunnen in eene geschiedenis van den Griekschen volkstam, zooals ik die tracht te schetsen, niet dan van minder belang beschouwd worden, want op taal, zeden en bloed der natie hebben zij betrekkelijk slechts geringen invloed uitgeoefend. Ten dezen opzichte moet men de algemeene opmerking voor oogen houden, dat de Grieken over het algemeen als de Oostersche volken van Europa te beschouwen zijn; dat zij als zoodanig, van oudsher minder van de Westersch-Europeesche volken overgenomen hebben, dan zelfs van de Aziaten. In de oudste tijden waren de volken van West-Europa, de volken van Italië enz., ruwe barbaren, en stond de Grieksche beschaving in veel nauwere betrekking met de toenmaals hoogst beschaafde Aziaten. De bewoners van Italië hebben, ofschoon zij op verschillende tijden Griekenland geheel of ten deele overheerden, de nationaliteit daar slechts zeer weinig gewijzigd.—Zelfs de Romeinen, die langer dan 400 jaren in Griekenland de teugels van het bewind in handen hadden, die daar geheele volkrijke steden b.v. Korinthe uitmoordden en haar weder met Italische (Romeinsche) burgers bevolkten, konden de Grieksche nationaliteit niet in de hunne doen opgaan. Men vindt nu, en vond reeds spoedig na het einde der Romeinsche opper-heerschappij, nauwelijks hun spoor meer in Griekenland. Zij hebben geen streek des lands geitaliseerd of geromaniseerd. Geen overblijfsel hunner taal laat zich in Hellas bespeuren, zooals zulks in het land der Daken of der tegenwoordige Wallachijers nog heden ten dage het geval is. Alle Romeinsche kolonisten in Griekenland werden spoedig uit den weg geruimd of tot Grieken vervormd.
Datzelfde nu laat zich ook zeggen van den inval dier Italiaansche kruisvaarders en der andere Westelijke Europeanen, die in het begin der 13de eeuw het Byzantijnsche rijk veroverden en het een tijdlang onder elkander verdeelden. Venetianen, Genueezen, Franschen en adellijke geslachten van andere volken van West-Europa hebben, ten gevolge dier gebeurtenis, zich wel in Griekenland opgehouden, hebben op de eilanden en in Grieksche kust-plaatsen vele kleine Vorstendommen gesticht en deze korteren of langeren tijd beheerd, ja de Venetianen hebben tijdens hunne grootste macht den geheelen Peleponnesus, de meeste eilanden der Aegeïsche zee, verscheidene kuststreken van Noord-Griekenland, ook Cyprus en Creta, om zoo te zeggen, in één woord dus het geheele stamgebied der Grieken onder hunne heerschappij gehad, en toch neemt dit niet weg dat op het karakter, op de taal en het bloed van dit volk, de heerschappij ook dezer Westelijke Europeanen geen beslissenden invloed gehad heeft. Alleen op de Jonische eilanden heeft de volkstaal vele Italiaansche uitdrukkingen aangenomen, en op de Cycladen zijn nog heden ten dage eenige nakomelingen van Fransche en Italiaansche familiën, die de Roomsch-Katholieke kerk trouw gebleven zijn. Ook deze Roomsch-Katholieke kerk der Westelijke Europeanen heeft even min als hunne taal en gewoonten, ooit bij de Grieken wortel geschoten, welke pogingen de Pausen daartoe ook aanwendden. [53]Hier moet ik nog de volgende opmerking, die gemakkelijk verder uitgewerkt kan worden, maken, dat evenmin de Germanen, zoo dikwijls zij op verschillende tijden in Griekenland verschenen zijn, het eerst als Gothen, die geheele provinciën van het schiereiland overmeesterd hadden, vervolgens als Noormannen, die dikwijls als Keizerlijke trawanten, als zeeroovers, als bedreigers van Constantinopel, onder de Grieken vertoefden, eindelijk in den nieuweren tijd als Beieren, die het jonge Koningrijk Griekenland in de 19de eeuw organiseerden, belangrijke sporen bij het volk of zijn karakter hebben achtergelaten.
Na de eerste invallen der Turken in Griekenland in de 14de eeuw, en na de verovering van Constantinopel door de Osmanen in het jaar 1453, moesten de Grieken, zooals gezegd is, andermaal voor een vreemden volksstam bukken en wel voor een volkstam van Aziatische afkomst. Met betrekking tot eene politieke onafhankelijkheid, was dit eene zoo volkomene nederlaag, als de Grieken haar slechts eens, namentlijk van de Romeinen, geleden hadden. De Turken brachten in Azië zoowel als in Europa, schier zonder eenige uitzondering, alle plaatsen en streken die den Grieken toebehoorden, onder hunne macht. Het Turksche rijk omvatte nagenoeg alles, wat het Oost-Romeinsche of Byzantijnsche Keizerrijk ten tijde van zijn grootsten bloei bezeten had. En de eerste daad, bij de inname van Constantinopel, scheen de Grieken als een totaal vernietigende slag te zullen treffen. Kort na de overgave der stad, liet de veroveraar Muhamed II, al de waardigheidsbekleders en primaten van het door hem vernietigde Grieksche rijk, onbarmhartig dooden, en deed overal de plaatsen der vermoorden door Osmanlis innemen. Toen, en ook later, als de Grieken, bij hunne pogingen om hunne onafhankelijkheid te herkrijgen, gedecimeerd werden, scheen het nog meermalen als waren de beklagenswaardige Grieken in de holen van den cycloop geraakt, en als zouden zij allen verdelgd en uitgemoord worden even als de medgezellen van Odysseus. Maar even als deze schrandere held, zoo zijn ook de buigzame Grieken weder levend uit die holen te voorschijn gekomen. Nauwelijks had dan ook die Turksche Sultan besloten, dat Constantinopel geen puinhoop blijven zou, dat de Grieken ten minste als slaven en bedienden konden gebruikt worden, en dat een nieuw gebouw van staat op de fundamenten van het oude zou opgetrokken worden, of hij zag in, hoezeer hij de met de betrekkingen van het land vertrouwde en in regeeringszaken bedrevene Grieken noodig had. Het allereerst deed zich de behoefte gevoelen aan Grieksche tolken, om het nieuwe volk te kunnen verstaan. De betrekking van rijks-opperste-tolk werd dus weldra een zeer gewichtig ambt, dat natuurlijk in handen der Grieken kwam. Door zulke invloedrijke Grieksche tolken, secretarissen en tusschenpersonen werden langzamerhand de Turksche Pacha’s omgeven. Van het inwendig bestuur der christelijke kerk verstonden de Mahomedaansche Turken nog minder, dan aanvankelijk van de regeling der staats-aangelegenheden in hun nieuw gebied. Zoodra de Sultans besloten waren, de Grieksche Kerk naast den Islam te dulden, ja zelfs haar tegen den Paus en tegen het Katholieke Westelijk Europa te ondersteunen, moesten zij ook menschen verheffen, die in staat waren deze machtige en ver verspreide [54]lichamen in beweging te brengen. Zij stelden de Grieksche patriarchen en de hoogere Grieksche geestelijkheid, in wier aangelegenheden zich te mengen zij vernederend zouden gevonden hebben, op zulk een onafhankelijk standpunt, als deze vermoedelijk door geene veroverende Katholieke macht geplaatst zouden geworden zijn. De Grieken bezetten daarom, zelfs onder de heerschappij der Turken, naar eigen goeddunken uit hun midden niet alleen de hoogste kerkelijke betrekkingen in de eigentlijk Grieksche steden en landstreken, maar ook bij de onderworpen volken van niet-Griekschen oorsprong. De aartsbisschoppen en bischoppen der Wallachijers, Serviërs en Bulgaren behoorden bijna altijd en behooren nog heden ten dage tot Grieksche familiën, terwijl alleen de lagere geestelijkheid uit de Slavische landskinderen zelven bestaat.
Evenmin konden de Grieken, die van overoude tijden her, bijzonder geschikt waren de zee te bevaren, op de Turksche vloot ontbeerd worden. Zij maakten daarvan een zeer belangrijk element uit. De groot-dragoman der Keizerlijke vloot was bijna altijd een Griek. De handels-marine bleef natuurlijk van zelf in hunne handen. Uit dit alles mag men besluiten, dat de Grieken steeds, ofschoon in Turksche afhankelijkheid, een zeer invloedrijk volk uitmaakten.
In zekeren zin zelfs kan men beweren, dat, met de steeds toenemende vergrooting van het Osmanische rijk, ook het gebied van den invloed der Grieken en van hunne taal toegenomen is, op gelijke wijze als zij zich eens, toen zij de triumftochten van den Macedonischen Alexander begeleidden, uitgebreid hebben. De Turken vonden onder de Grieken in Byzantium menig voor politiek en intrigue zeer geschikt talent, dat zij ook in hunne Aziatische aangelegenheden zeer goed benutten konden en toen zij de groote Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachye geheel van zich afhankelijk gemaakt hadden, werden langer dan eene eeuw de vorsten-kroonen dezer landen aan Grieksche familiën uit de zoogenaamde Phanar, d.i. uit dat gedeelte van Constantinopel waar al de aanzienlijke Grieksche familiën bij elkander woonden, toegedeeld. De Grieksche taal werd dientengevolge de gewone taal van het hof en den adel in geheel het oude Dacië, en als zoodanig drong zij noordelijk door tot in de Bukowina, tot in het tegenwoordig tot Oostenrijk behoorende Gallicië, waar zij ook nog heden ten dage geschreven en gesproken wordt. Zoo ver was zelfs ten tijde van Alexander de Grieksche taal als volkstaal (of ten minste als taal van een volksstam) het Skythen-land niet binnengedrongen. Toen eindelijk de Porte langzamerhand meer met Europa vereenzelvigd, en in zekere mate als een lid der Europeesche staten-familie beschouwd werd, toen toonden zich ook zeer dikwijls weder de Grieken als de geschiktste diplomatieke agenten aan de hoven van Parijs, Londen en Weenen.
Op verscheidene onderdeden der Grieksche natie rustte het Turksche juk in gewone tijden volstrekt niet zwaar. Verscheidene der Grieksche eilanden, zooals die, welke aan de vrouwen van den Keizerlijken harem slechts eene geringe schatting als speldengeld betaalden, regelden hun bestuur naar oude Grieksche gewoonten. De Grieksche Klephten met hunne Palikaren leefden hier en daar in de gebergten van Thessalië en Boeotië, zoo vrij als Koningen. Andere Grieksche gemeenten, zooals b.v. de nakomelingen der oude Spartanen, de [55]Mainoten, zijn nooit geheel aan de Turken onderworpen geweest. Daar de Osmanen, zooals men gewoon is te zeggen, in Stamboel, waar zij hunne legerplaatsen hadden opgeslagen, slechts “kampeerden”, daar zij in de binnenste gedeelten der landen zonder onderling verband, als soldaten, ambtenaren, bezettingstroepen in de vestingen, en in allen gevalle als spahis of landheeren verschenen, daar zij zich slechts als trotsche veroveraars gedroegen, en zich zelden vernederden om op stedelijke bedrijven of akkerbouw zich toe te leggen; daar zij in éen woord in den regel niet met den vriendelijken, de volkeren het best tot onderwerping brengenden landbouw, in alle afgelegene deelen der landen binnendrongen, en altijd slechts als krammen of nagels in het geheele gebouw der volken van hun rijk verschenen, terwijl het gebouw zelf uit het oorspronkelijke materiaal bleef bestaan, zoo kan men uit dit alles gemakkelijk afleiden, dat door hen de oorspronkelijke gewoonten der Grieken in hare hoofdtrekken weinig veranderd werden.
En inderdaad, als wij deze hoofdtrekken, zooals zij heden ten dage bestaan, vergelijken met die, zooals zij nagenoeg 400 jaren voor Christus, ten tijde van Pericles zich vertoonden, dan ziet men, dat beide nu nog met elkander overeenstemmen, en dat al de Turken- en Slaven-oorlogen, al de landverhuizingen, omwentelingen, verplaatsingen en uitroeiingen van bevolkingen, daarin slechts eene nauw merkbare verandering te weeg gebracht hebben.
Thans nog—men kan ook zeggen nu weder—wordt de Aegeïsche zee door een zoom van Grieksche dorpen en steden omgeven. Grieken of Grieksch gewordene, dus Grieksch sprekende menschen bewonen den geheelen Peleponnesus, schier het geheele Livadië of de provinciën Attika, Boeotie, Euboea, en verderop Thessalië. Als eene smalle streek omgeeft het Grieksche bevolkings-gebied den geheelen kustrand van Macedonië en Thracië. Bij Constantinopel bewonen zij een vrij aanzienlijk gedeelte van den Tracischen landen-driehoek tot Adrianopel toe, en ook wonen zij aan weerszijden van den Propontis, van den Hellespont en van den Thracischen Bosphorus. Van hieruit begeven zij zich, overal met Turksche kolonien vermengd, eenerzijds oostwaarts over Sinope tot Trebizunde, en anderzijds over Troye, Smyrna, Ephese naar Rhodus, van waar zij ook weder oostwaarts den zuidelijken rand van Klein-Azië innemen. Verder bewonen zij, en hier maken zij het grootste gedeelte der bevolking uit, alle eilanden van den Griekschen Archipelagus, alsmede Creta en Cyprus, waar hun aantal honderdduizenden bedraagt, en eindelijk vormen zij ook het hoofddeel der bewoners in het westen op de Jonische eilanden.
Alleen in de westelijke helft der Middellandsche Zee, in Sicilië, dat eens nagenoeg even Grieksch was als Cyprus en Creta; in Zuid-Italië, waar eens eene bloeiende Grieksche kolonie, het zoogenaamde Groot-Griekenland bestond, en verder op, in Corsica en Zuid-Frankrijk, Spanje enz., zijn alle Grieksche volks-elementen verloren gegaan. Maar men meent toch in de dialecten en zeden van eenige plaatsen in het koningrijk Napels, zoo mede in eene armoedige, vervallene wijk van Marseille, nog zelfs heden ten dage eenige sporen te vinden die een Dorischen en Jonischen oorsprong verraden. [56]
Daarentegen hebben in de latere tijden de Grieken, weder even als hunne voorvaderen met handels- en reisgeest bezield, in vele andere steden van Europa, wanneer ook al niet zulke machtige, onafhankelijke republieken als hunne voorouders, toch handelsnederzettingen, kantoren en faktorijen gesticht. Deze in het overig Europa verstrooide nederzettingen der Grieken dagteekenen ten deele reeds van de tijden der kruistochten, die een levendig verkeer der Grieken met het avondland veroorzaakten. In Venetië leefden al de tijden van haar bestaan, Grieksche zee- en kooplieden. Sedert de 17de eeuw vestigden zij nederzettingen in Moskou en weldra ook in Weenen, waar nog heden eenige der aanzienlijkste bankiers tot deze natie behooren, en tot waarheen zich door geheel Hongarije en Zevenburgen een uitgebreid net van Grieksche kantoren uitstrekt. In de Zuid-Russische havensteden Odessa en Taganrog, spelen Grieksche huizen, nog of liever weder, zulk eene hoofdrol, dat men meenen zou, dat in deze steden het oude Grieksche “Olbia”, dat voor Christus geboorte hier eens in het Skythenland bloeide, met veranderden naam weder opgestaan is. Ook zijn er, sedert de tijden van Katharina, in de Krim weder Grieksche dorpen, alsmede eene uitsluitend door Grieken bewoonde stad, het in den laatsten Russischen oorlog zoo dikwijls genoemde Balaclava, en eindelijk bevindt zich langs de zee van Asow eene kleine landstreek, die met landbouwende koloniën van Grieken bezet is.
Dat sedert de verheffing van het Grieksche volk en sedert de herleving van zijn handel en zijne ontwikkeling, de Grieken ook meermalen in andere streken van Europa, in Londen, Parijs, Leipzig en op andere groote markten en punten van onderling verkeer, als tusschenpersonen voor den handel met het Oosten, en in de Fransche en Duitsche akademie-steden als scholieren en kweekelingen der wetenschap verschenen, mag ik als van algemeene bekendheid rekenen.
Even als in de grenzen van hun oorspronkelijk woongebied aan de Aegeïsche zee, wier havens in den loop van 2000 jaren noch vernauwd noch opgestopt raakten en die nog heden de schoonste van het morgenland zijn; even als in hun scheepvaart- en handelsgeest, die hen steeds de wijde wereld indreef, zijn de hedendaagsche Grieken ook in hunnen lichamelijken en verstandelijken aanleg, in hunne taal en in de eigendommelijkheden van hun karakter, in vele opzichten de ouden gebleven.
Nog heden vinden wij, en dat niet alleen bij de daarom zoo dikwijls geprezene eiland-Grieken, de schoonste gestalten en lichaamsvormen, en zien wij onder hen niet zelden den echt Helleenschen, zoozeer geprezen grondtrek, juist zoo verschijnen als de werken van Praxiteles hen ons toonen. Die “diepe ligging der oogen in gewelfde oogkassen”, de “edele vorm en de hooge bogen der oogleden, de korte opgetrokkene bovenlip, de volronde kin, de loodrechte stand van voorhoofd en neus, de breede, stevige nek, en vooral de door Aphrodite zelve gescheiden en gekrulde haardos”—dit alles is nog in onze dagen bij hen geene ongewone verschijning. Niet minder antiek is de kleeding der Nieuw-Grieken, waarmede zij hun slank lichaam tooien. Oude schilderstukken en beeldhouwwerken bewijzen ons voldoende, dat wat wij nu Oostersche [57]of Nieuw-Grieksche kleeding noemen, in menig punt niets anders is, dan de ook bij de oude Hellenen gebruikelijke kleedij.
De ruige wollen mantel der hedendaagsche Grieken en de Fez der Turken, zijn afkomstig van de antieke schippersmutsen, die, op dezelfde wijze gevormd en met dezelfde roode kleuren geschilderd, op oude vazen voorkomen. De aloude zoogenoemde Phrygische muts wordt nu in onze dagen door de Arkadische herdersknapen gedragen. De uit, schelpsgewijze op elkander genaaide, zilveren munten vervaardigde borstlappen, die de bruidschat der Livadische jonkvrouwen zijn, herinneren ons levendig aan het borstpantser van Minerva, dat ons uit onze Musea bekend is. De vorm der oorringen, colliers en armbanden der Nieuw-Grieksche vrouwen, hare gewoonte om het donkere haar der bruid met goudpoeder te bestrooien, dit alles en nog veel meer in den vrouwelijken tooi, doet ons in hooge mate aan het antieke denken. Ook verwen zij nog heden de punten harer fraaie vingers met eene roodachtige stof, zonder dat zij er bij denken, dat reeds Homerus de “rooskleurige vingers” van Aurora bezongen heeft.
De oude Phrygische kleederdracht, die bij de Grieksche kolonisten in Klein-Azie vrij algemeen in zwang was, gelijkt somwijlen, zelfs in de kleinste details, op die, welke wij nu Turksch of Nieuw-Grieksch noemen, zoo b.v. komen reeds op oude schilderijen, die de geschiedenis van Achilles voorstellen, de nu nog gebruikelijke gele en roode kleuren der Turksche pantoffels voor. Zelfs de bekende, uit doeken en shawls gevormde hoofddekking, de zoogenaamde tulband, was bij de Grieken reeds lang voor de aankomst der Turken bekend. De hevige en plotselinge uitwerking der zon in die landen, heeft van oudsher het ook bij de mannen noodig gemaakt, zich stoffen hoofddekkingen te vervaardigen.
Niet minder dan bij de kleederdrachten, laten zich ook bij andere gebruiken en zeden der Nieuw-Grieken, zulke duidelijke overblijfselen uit de oudheid aanwijzen, dat men dikwijls in de verzoeking komt te gelooven, dat er in velerlei opzicht bij hen sedert 2000 jaren weinig veranderd is. Zelfs kerkelijke en godsdienstige handelingen, zooals b.v. gebruiken bij bruiloften en begrafenissen, die men bij de verandering van godsdienst vooral gewijzigd en veranderd zou verwachten aan te treffen, hebben verscheidene overblijfselen uit het heidendom behouden. Even als in oude tijden, zoo wordt ook nu nog het bruidspaar, als symbool van huwelijksgeluk, een granaat gegeven, en even als toen, worden zij nog heden, wanneer zij hun huis binnentreden, met rijst bestrooid, ten teeken dat hunne jaren van geluk even talrijk mogen worden als het getal korrels. Even als vroeger worden, bij de jaarlijksche herdenkingsfeesten der afgestorvenen, gerst, gedroogde druiven, gebak en wijn als doodenoffer gebracht en op de graven geplaatst. Aan de hoofdeinden worden kleine kaarsen geplaatst, zoodat de geheele begraafplaats in den nacht door de vele flikkerende lichtjes geïllumineerd schijnt te zijn. De oude Charon is nog, nu even als toen, de verpersoonlijking van den dood. Ook nu nog zijn uitdrukkingen als “Hades” en “Tartarus” gebruikelijk, en worden zij dikwijls in de klaagliederen der eenvoudige, poëtische en bijgeloovige herders, die in den zomer de hooge dalen van den Parnassus doortrekken, aangetroffen. De beschouwingen der Nieuw-Grieken over het leven [58]na den dood, wel verre van voor de christelijke leer van het paradijs en de hel geheel geweken te zijn, toonen zich in de poëzie dezer natuurkinderen zeer antiek, en dit alles laat zich alleen verklaren uit een rechtstreekschen, door gedurende eeuwen bewaarde overleveringen, zamenhang met den heidenschen ouderdom.
De oude hellenische dansen worden bijna allen nog heden uitgevoerd, zoowel de militaire wapendans, als de koordans der herders en de dans van Ariadne of de zoogenaamde “Geranos.” Deze laatste nu, de “Romaika” geheeten, is een der merkwaardigste overblijfselen van oud-Hellenischen oorsprong. “De figuren van dezen dans, die door zang begeleid wordt, herinneren nog heden, even als voor Christus geboorte, aan de dwaalgangen van het labyrinth, waarin Theseus, door den draad van Ariadne geleid, het monster tegemoet ging. De angst van de beminde van Theseus teekent zich duidelijk af in de pantomime der jonge voordanseres, die, een witten doek zwaaiende, de lange rij harer gezellinnen, aanvoert, en de bloemenketen der meisjes, wier hoofd en sieraad zij is, nu eens uit elkander dan weder bij elkander wenkt.” Homerus beschrijft dezen dans in heerlijke verzen, als een der voorstellingen, die op het schild van Achilles figuurlijk waren aangebracht.
Hetzelfde wat wij van de dansen der meisjes gezegd hebben, valt ook bij de spelen der knapen op te merken. Zoo b.v. het Astragalus-spel, waarbij in ouden tijd ongemakkelijk slagen vielen, en bij welk spel Patrokles, toen hij het met den zoon van Amphidamas speelde, het ongeluk had dezen te dooden, waarom hij de vlucht nemen en bescherming zoeken moest in het huis van koning Peleus, waar hij vervolgens zijne zoo beroemde vriendschap sloot met Achilles, den zoon des konings. Volgens getuigenis van den Duitschen hoogleeraar Ulrich, spelen de Nieuw-Grieksche kinderen aan den Helicon nog heden ten dage dit in dichterlijke verzen verheerlijkte spel, naar dezelfde regelen en met dezelfde klassieke stooten en historisch gewordene slagen.
De Grieksche oude vrouwen bereiden nog even als vroeger toovermiddelen, waardoor eertijds de Thessalische vrouwen zich zoo beroemd of liever berucht maakten. Knoflook, die reeds in de Odyssea van Homerus, Hermes als tegenmiddel tegen de toovenarijen van Circe aanwendt, wordt den Griekschen kinderen van onze dagen als amulet om den hals gehangen, om de kracht van het booze oog op hen onschadelijk te maken.
De landbouw-gereedschappen en huishoudelijke benoodigdheden hebben zoo geheel den antieken vorm, dat de hedendaagsche Grieksche boerenwoningen onze musea van de meest echte modellen zouden kunnen voorzien. Zelfs de herdershonden dezer Nieuw-Grieksche boeren gelijken op de beroemde Mollossische kudde-bewakers, die wij in de gallerijen van Florence en van het Vaticaan, door meesters der oudheid afgebeeld en uitgeschilderd zien. De watervaten der tegenwoordige Thessalische vrouwen hebben eene opvallende overeenkomst met de antieke vazen, en dragen ten deele ook nog dezelfde namen als deze.
Even als dit alles, is onder anderen ook de ronde handspiegel met handvat, die wij in de handen van zoo menig marmeren Venus zien, onveranderd gebleven. Evenzoo de handmolens, waarvan zich de Grieksche vrouwen op de eilanden, terwijl zij hunnen arbeid met gezang begeleiden, tot het malen van [59]het graan bedienen, en nog ontelbare andere zaken uit het dagelijksch leven.
Nog interessanter dan dit alles echter is het, dat de echo der oude taal, dien welluidenden en tevens manlijken tongval, van de schoonste, edelste en rijkste taal, die ooit door menschelijke lippen gesproken werd, ons uit dit land duidelijk en zuiver in de ooren klinkt. Waar is het echter, dat de tegenwoordige Nieuw-Grieksche of Romanische taal, even als een fraai standbeeld, dat eeuwen lang in den grond begraven lag en door de oude elementen vervreten werd, verscheidene veranderingen ondergaan heeft; zij heeft het een en ander uit het Slavisch, het Turksch en het Italiaansch overgenomen. Wat hare syntaxis betreft, is zij vervormd en veranderd. Ook is het accent, waarmede de taal tegenwoordig wordt uitgesproken, eenigzins vreemd, misschien Slavisch. Opmerkenswaardig is het, dat zij alle sporen van het verschil der oude dialecten verloren heeft. Volgens het oordeel van eenige geleerden zou zij zich alleen uit het Aeolisch dialect ontwikkeld hebben. In haar wezen is zij echter dezelfde gebleven, en kan zij met veel meer recht de oude Grieksche taal genoemd worden, dan men b.v. het tegenwoordige Italiaansch met het oude Romeinsch mag gelijk stellen. Ook is het tegenwoordige Duitsch verder verwijderd van het oude Gothisch, dan het hedendaagsche Russisch van het oude Slavisch, dan het dialect der Atheners van onzen tijd van de taal der tijdgenooten van Homerus.
Het Grieksch wordt nog heden met dezelfde letters geschreven als vroeger. Ja, de Grieksche dorpelingen beschrijven het papier nog op dezelfde wijze—op de knie, op lange reepen, die zij vervolgens even als de ouden oprollen.
Nog heden worden in deze schoone taal volksliederen gedicht en gezongen, waarvan Goethe getuigd heeft, “dat geene andere natie iets dergelijks kan aanwijzen.” De vrijheids-hymnen, die in het begin dezer eeuw een Rigas zong, hebben een blijvenden roem verworven.
In het dialect van vele Nieuw-Grieksche dal-bewoners zijn niet alleen Oud-Grieksche woorden bewaard gebleven, die bij de spreektaal der Byzantijnsche Grieken niet meer bekend zijn, maar men treft er zelfs verscheidene wortelwoorden aan, die ouder zijn dan de ons bekende Oud-Grieksche schrijftaal.
De Grieksche taal is in al deze opzichten in Europa eenig in hare soort. Zij is, in haren rijken vorm, ouder en minder veranderd dan eenige andere. Want in denzelfden tijd, waarin het Grieksch zich in zoo hooge mate duurzaam gelijk bleef, hebben vele der andere Europeesche talen niet alleen verscheidene malen hun alphabet veranderd, maar hebben zij zich ook op eene zonderlinge wijze gewijzigd, en verscheidene er van hebben zich te midden van al deze veranderingen en wijzigingen eerst gevormd. Deze omstandigheid alleen bewijst voldoende, dat de Grieken, door hunne beschaving en hunne taal, steeds weder de hun land binnendringende barbaren ten onder brachten, en dat er ook ten allen tijde nog Grieken genoeg overgebleven moeten zijn, om deze tenonderbrenging mogelijk te maken.
Zelfs de sagen, mythen en verhalen, die het volk elkander in zijne taal verhaalt, de geheele dichterlijke stoffeering, waarmede zij die omkleedt, zijn nog heden ten dage veelal de oude. In den Peleponnesus b.v. verhalen de boeren elkander tegenwoordig nog de geschiedenissen van de daden en verrichtingen [60]van Herkules, welke geschiedenissen zij vastknoopen aan de nabijgelegene holen en moerassen, en nog heden ten dage zou een Grieksch dichter uit hunnen mond even goed het thema voor eene “Herakleïde” kunnen verzamelen, als de oude mythedichters zulks uit den mond hunner voorouders deden. Den naam Herkules verwisselen zij echter daarbij met dien van een held der Christenheid, namentlijk met dien van den heiligen Johannes.
Het allerminst erkent men den verheven, vaderlandslievenden, spoedig in geestdrift ontstokenen, tot de schoonste deugden in staat zijnden nationalen geest der oude Hellenen, in het karakter der tegenwoordige, als sluw en in handel en wandel slecht te boek staande Nieuw-Grieken. Maar ook hierin hebben zij veel meer overeenkomst met de ouden, dan de algemeene meening wel toegeven wil. Geslepenheid, listigheid, sluwheid en veinzerij, die den Nieuw-Grieken schier door iedereen ten laste gelegd worden, en die men gewoonlijk aan de onderdrukking der Turken en aan het juk der Slaven toeschrijft, waren volgens de getuigenis van Homerus ook reeds den ouden Hellenen in hooge mate eigen, en de vindingrijke Odysseus was met al die hebbelijkheden en daarenboven met lust tot stelen, lust tot rooven en sluwe overredingskunst begaafd. Deze ondeugden der Nieuw-Grieken zijn dus ook uit de oude tijden naar onze dagen overgebracht.
Aan den anderen kant munten, trots de onderdrukking en het slavenjuk der Turken, de Nieuw-Grieken nog heden ten dage even als de Ouden uit door levendigheid van gevoel en phantasie, gemoedelijkheid, scherpte van geest en vroolijkheid! Liefde voor hun te huis op berg en eiland, en tevens groote lust zich, als de baren der zee, te verplaatsen, bezielt hen even als hunne voorouders, en aan roemrijke voorbeelden van practischen zin en heldhaftige zelfopofferende verdediging van het vaderland, heeft het in den nieuweren tijd even weinig ontbroken als in den ouden, evenmin als ook aan aanleidende oorzaken voor ijverzucht, partijwoede en eene hartstochtelijke wraakoefening.
Naast de grootste intriganten, vindt men soms nog in het tegenwoordige Griekenland, de eerlijkste en rechtschapenste mannen; naast de slechtste karakters en de grootste ondeugden, menschen met zuiveren, vasten wil, ja zelfs met den meest grootschen heldenmoed. Ik behoef slechts Andreas Miaulis, wiens gebeente naast het gedenkteeken voor Themistocles rust, een Lazarus Konduriotti te noemen, namen die velen van ons zich nog uit hunne jeugd herinneren, als voorbeelden van dappere, trouwe en eerlijke mannen, van mannen bezield met een vasten wil. Een Johannis Kolettis is zelf door zijne vijanden voor het edelste karakter van Griekenland verklaard, even als zulks in oude dagen ook met Pericles het geval was. Ja! in de asch van schier iederen Nieuw-Griekschen stam, als een of ander groot ongeluk dien trof, is nu en dan eene vonk van heldenmoed opgegloeid, die duidelijk genoeg bewees, dat de oude geest nog niet verdwenen was.
De lust tot geleerdheid en wetenschappen is bij de Grieken nimmer uitgedoofd geworden, en zelfs toen de onderdrukking der Turken in Constantinopel het zwaarste was, waren er nog altijd eenige Grieksche afstammelingen, bij wie beschaving en wetenschappelijke ontwikkeling traditioneel waren, en uit wier midden [61]nu en dan groote geleerden opstonden, heldere koppen, die veel licht om zich heen verspreidden en zelfs in het Westen de aandacht tot zich trokken. Zelfs in de vorige eeuw, toen de Turksche opperheerschappij alles in een diep duister hulde, hebben oude reizigers bij de behoeftige naburen der Akropolis, een naklank en een nasmaak van het beroemde oude Attisch zout en vernuft ontdekt.
In den nieuwsten tijd heeft zich het geheele volk, in zoo verre het vrij werd, weder op de studie toegelegd; de lust tot leeren en tot onderwijzen is herleefd, even als vroeger, zijn hooge- en volksscholen in haren boezem verrezen.
Ook met betrekking tot de schoone kunsten, is de volksaanleg nooit geheel verloren gegaan. Reeds zeer spoedig nadat zij vrij geworden waren, hebben de Nieuw-Grieken zich op dit gebied eenigen nieuwen roem verworven.—De Grieksche vrouwen stonden steeds bekend als de beste borduursters van geheel Turkije, terwijl hare mannen beroemd waren als aanleggers van tuinen; deze wisten door zorgvuldige aanplanting van vruchtboomen, aan menige Oostersche stad fraaie wandelwegen te bezorgen. De aristokratische kunst van Praxiteles, die eens de roem en de trots der oude Grieken was, is den nakomelingen nimmer geheel vreemd geworden. Een tak der beeldhouwkunst die in Griekenland steeds in eere gehouden werd, is de kunst in hout te snijden. De muze der Grieksche schilderkunst, heeft in de schaduw der Kerk wel een kommervol leven geleid, maar toch was zij in de midden-eeuwen begaafder dan hare zusters in alle andere overige landen der christenheid, en toen in het begin van de dertiende eeuw de Franschen, de Venetianen en de andere, het kruis dragende barbaren, eens voor korten tijd het Grieksche Byzantium veroverden, toen begonnen zij kort daarna de Grieken na te apen en met kleuren te dichten. De zoogenoemde Italiaansche schilderscholen der 14de en 15de eeuw, vereeren die Grieksch-Byzantijnsche muze als hare moeder. En nu weder in den nieuweren tijd, na den vrijheidsoorlog, worden verscheidene Grieksche jongeren dezer muze, ook in het buitenland met eere genoemd. Zelfs heeft eene Griekin, de dochter van een Primaat van het eiland Spezzia, Bukuris, in Italië bewonderaars voor hare schilderstukken gevonden; en in de muziek heeft onder anderen de Griek Chalkiopulos composities geleverd, die op alle Grieksche eilanden gezongen worden. Intusschen moet men deze kunstproducten en talenten der Nieuw-Grieken, in vergelijk met die welke hunne voorvaderen ons achterlieten, nog zeer gering schatten en niet meer dan als eene kiem beschouwen op den grond, waarop eens zoo rijk de muzen bloeiden.
Derhalve is het ook zeer begrijpelijk, dat de hedendaagsche Nieuw-Grieken in hunne overleveringen spreken over de roemrijke verrichtingen hunner voorvaderen, als over daden van een Titan-geslacht, en dat zij in hunne sagen al datgene wat hun van dat geslacht ter oore kwam, vermengden met de mythen van de wereld in rep en roer brengende Cyclopen en reuzen. De Nieuw-Grieken toonen op een hunner voorgebergten den grafsteen van zulk een Oud-Griekschen Titan, dien zij “Hellenos” noemen. De geest van dezen Hellenos—ik bedoel de krachtige geest van het oude Hellas,—waarheen onze beschouwing ons nog eens terugvoert—die van eene even onvergankelijke en eeuwig [62]jeugdig blijvende natuur schijnt te zijn als Griekenlands Goden zelven, is tot den huidigen dag op Aarde nog nimmer geheel onderdrukt geworden.
Veeleer is hij, heldendaden grooter en schooner dan die van een Alexander verrichtende, het buitenland doorgetogen, en heeft hij overal, zelfs terwijl zijn eigen volk sluimerde, de natiën, die hem verblijf gaven, en waar zich haar zin met den zijnen vereenigde, verkwikt, verheugd, gelukkig gemaakt en versterkt. Immers de geheele bloei der ontwikkeling en beschaving van de Arabieren in de middeleeuwen, ontstond voornamentlijk uit eene vereeniging met dien ouden Helleenschen geest. De oude Grieken waren de onderwijzers der Arabieren, die hunne werken in de door hen veroverde provinciën zonden, ze lazen, in hunne taal overzetten en in hunne scholen invoerden. En ook het licht, dat toen van het Moorsche Spanje op het overige barbaarsche Europa viel, was niets dan eene terugkaatsing van den glans aan de Helleensche zon ontleend.
Even als bij de Arabische ontwikkeling, zoo was ook bij de Europeesche zoogenaamde wedergeboorte der wetenschappen, in de 15de eeuw, die naar het buitenland verdrevene Titan Hellenos degene, die bij deze wedergeboorte behulpzaam was, ja zelfs was hij de opvoeder en vader. Want toen de Turken in het jaar 1453 Constantinopel veroverden, en de voortvluchtige Griek Laskaris van daar de werken van Hesiodus, Euripides, Sophocles, Aeschylus, Aristophanus, Plato, die het ongeletterde Europa schier niet anders dan uit Arabische vertalingen kende, in de zuivere oorsponkelijke taal overbracht naar Italië, waar zij kort daarna gedrukt werden; toen ontbrandde eindelijk in Europa weder een nieuw, helder brandend en verwarmend licht. De menschheid, die nu uit de oorspronkelijke bron van de Grieksche wetenschap putte, wierp de middeleeuwen ter zijde, en begon andermaal met behulp van Socrates, Plato en zijne landgenooten, dezen ontwikkelder, dezen zachter, dezen veel christelijker nieuweren tijd.
Sedert dien tijd heeft ons die geest der Hellenen niet weder verlaten. Sedert dien tijd zijn de Grieken, die het goddelijke in den mensch, inniger dan eenig ander volk, gevoelden en openbaarden, in zoo velerlei zaken weder modellen geworden, en het oud-klassieke Grieksche zijn is met ons geheele leven zoo zeer samengevlochten, dat het schijnt alsof wij het volstrekt niet ontberen konden, en het slechts in ons nadeel ontberen zouden. Het schijnt dat wij gevaar zouden loopen achter uit te gaan, als wij niet altijd met de Grieksche oudheid in verbinding bleven. Staat niet de oude Grieksche geest onzen historici, wien Thucydides steeds een onbereikbaar voorbeeld was,—onzen philosophen, die van Plato en Pythagoras de impulsie tot hunne nieuwe ideeën en onderzoekingen ontvingen,—onzen sterrekundigen, voor wie een Griek Aristarchus reeds 300 jaren v. Chr. het Copernikaansche zonne-stelsel, met de zon in het midden, als hypothese vastgesteld heeft,—en onzen natuuronderzoekers, die hetgeen zij weten lang en bijna uitsluitend uit Aristoteles en Ptolomeus putten, en nu nog dikwijls, van hen veel nieuws en veel dat nog niet opgemerkt werd leeren, ter zijde? Staat hij niet met zijne inspiratiën, achter onze politici, onze staatsbestuurders, onze volks-vertegenwoordigers?—verzekeren ons niet dagelijks, [63]om een afdoend bewijs te leveren, de beste en welsprekendste redenaars, die van het Engelsche parlement, dat zij in het bad der Grieksche Hippokrene zich versterkten en bekwaamden tot den strijd voor vrijheid en recht?
Maar het grootste wonder heeft de reizende en rusteloos werkzame Hellenos, deze eeuwige Griek, deze met hemelsch licht stralende broeder van den somberen Ahasverus, den eeuwigen jood, deze altijd door rijke zaden uitstrooiende en zegen verspreidende geest, gewrocht voor de herleving der kunsten. Ja, in dezen zin, op dit hun uitsluitend eigen veld, zijn de oude Hellenen nog grootscher geweest, maar zijn zij helaas! nog in mindere mate tot ons gekomen dan op eenig ander. Zij hebben in woord en in kleur, met penseel en met beitel, zooveel prachtige kunststukken gewrocht, dat als wij ze nog bezaten, wij er al onze steden mede zoude kunnen versieren en ze rijkelijk van voorbeelden voorzien. Wat hun penseel schiep, wat hunne lier melodieus te voorschijn bracht, is schier alles vergaan en verbleekt, en zelfs van hunne steenen en metalen werken zijn slechts enkele brokstukken, kapiteelen en torso’s overgebleven. En toch spreekt uit deze overblijfselen hunner scheppingen eene zoo volmaakte schoonheid, een zoo krachtige geest, dat schier iedere ontdekking en uitgraving van een enkel brok, van eene enkele torso, van een Venus van Milos, van een Apollo van Belvedere, of van een Laokoon telkenmale groote sensatie bij de ontwikkelde wereld teweeg brengt, ja! men zou kunnen zeggen, een tijdpunt in onze kunstenaars-ontwikkeling aangewezen of gemaakt heeft.
De gezamenlijke en zoo verblijdende nieuwste bloei van Europeesche kunst is in den grond, even als de Macedonische, de Romeinsche en Arabische geestesontwikkeling, de Italiaansche schilderscholen der 13de eeuw, en de wedergeboorte der wetenschappen in de 15de eeuw het geweest is, wederom een voortbrengsel van den, uit zijn graf herrezen, Griekschen geest.
Inderdaad, hetgeen door deze Grieken voortgebracht is, moet ons met verbazing vervullen; vooral, wanneer men alles nagaat, wat zij tot de beschaving van het menschelijk geslacht hebben bijgedragen, en onze bewondering wordt des te grooter, wanneer wij opmerken, dat zij daarbij van buiten af, wel eenige maar toch over het geheel zoo weinig hulp kregen, en dat zij veeleer de helpers en redders van ons allen werden, en zij nagenoeg alles oorspronkelijk uit zich zelven hadden, het uit hun eigen brein schiepen en weldra, snel en met energie den geheelen Olympus als met den stormpas veroverende, alles tot de grootste volmaking gebracht hebben.
Volmondig mogen wij het getuigen, terwijl wij aan het slot dezer beschouwing nog eenmaal zien naar dat kleine zeebekken, aan welks oevers ik mijne lezers de wieg en de oude woonplaatsen der Grieken toonde: daar aan den Archipel, daar begon ons Europa, daar liggen de wortelen onzer beschaving; van deze, ik mag wel zeggen, heilige zee (Agio-Pelagos) waar voor ons geestelijk leven, vrijheid, en zedelijkheid opgingen; van daar zijn de zaden der humaniteit overgewaaid tot naar het uiterste Noorden en Westen van ons werelddeel, en vervolgens naar de nieuwe wereld en over onze geheele planeet heen. [64]
In de twee groote schiereilanden van Griekenland en Klein-Azië, die slechts door eene nauwe zeeëngte van elkander gescheiden zijn, zien de beide werelddeelen Europa en Azië tegelijker tijd elkander in het gezicht. Het is, alsof de vaste landen hier hunne gespierde vuisten uitsteken, om òf elkander te omhelzen òf de zwaarden met elkander te kruisen.
De lotgevallen dezer beide schiereilanden, zijn ten alle tijde nauw aan elkander verbonden geweest. Het eene (het Westelijke) diende meestal den Europeanen als sterkte en als haven tegen de Aziatische volken, die hunnerzijds steeds het Oostelijke als brug tot hunne tochten en marsenen naar Europa bezigden. De volkeren, die over deze brug heen op elkander stieten, en tot groote rijken samensmolten, waren, in ’t algemeen en over het geheel genomen, schier altijd dezelfde. Aan de eene zijde de oude Europeesche volken, de Grieken, de Illyriërs, de Romanen, de Slawen, met zeer verschillend volks-leven; aan de andere zijde de West-Aziaten, de Syriërs, de Perzen, de Arabieren enz. met hun eentoonig levens-type, met de despotische staatsinrichtingen van het Oosten.
Alleen de hegemonie der beide hier strijdende partijen is in den loop der tijden verwisseld. Eerst stonden aan de spits der Europeanen de Hellenen, daarna de Macedoniers en nog later de Romeinen. En de Aziatische banier werd eerst door een Perzischen Koning, later door de Kalifen en eindelijk door de Turksche Sultans gevoerd.
Meesttijds behaalden, gedurende de twee duizend jaren van strijd, de Europeanen de overwinning en behielden zij het overwicht. Het gelukte den Achaeërs Troje te verwoesten, in Klein-Azië bloeiende koloniën te vestigen en later den aanval van den grooten Koning van Iran af te slaan. Onder Alexander den Groote stortten zij den Grooten Heer zelven van zijn troon aan den Euphraat, en heerschten zij voor eeuwen over het geheele Westelijk Azië, eerst onder de opvolgers van den Macedoniër, later met en onder de Romeinen en eindelijk weder onder de Byzantijnsche Keizers.
Geen West-Aziatisch rijk met Oostersch despotisme van eenige uitgestrektheid, heeft zich op den duur, noch in de oudheid noch in de middeleeuwen, in Oostelijk-Europa kunnen vastnestelen. Eerst in een lateren tijd, heeft het merkwaardig volk der Osmanen, den door de Atheners zoo zeer gevreesden triumf der Aziatische Groote Heeren, aan deze zijde van den Hellespont weten te behalen.
Naar taal, bloed en zeden behoorden deze Osmanen oorspronkelijk tot dien [65]grooten volksstam, die in Europa gewoonlijk de Turksche genoemd wordt, en die, even als de Mongolen, Tunguzen en Finnen, wederom een tak is der nog grootere volkeren-groep, die onze etnographen als de Tataarsche of Turanische, ook wel als de “hoog-Aziatische” en “Altaïsche” aangeduid hebben.
De traditiën en de mythen, aangaande den oorsprong van al deze volken, wijzen naar den Altaï, het hooge midden-gebergte van Azië, aan de grenzen van China en Rusland, heen. De Turken, die zich zelven als stamverwanten dezer Mongolen, Tungusen en andere nomadische volksstammen van Midden-Azië, erkennen, hebben over hunne afzondering van hunne broederen, de volgende mythe of sage, die misschien op een historischen grond berust, maar voor het overige, zooals men gemakkelijk opmerken zal, zeer poëtisch opgesmukt werd.
Eens, zoo vertellen de Turken, bij de verwoesting van een grooten nomadenstam (namentlijk die, welke door de oude Chineesche schrijvers het rijk der Noordelijke Hunnen genoemd wordt), ontkwamen aan het algemeene bloedbad slechts twee jonge Hunsche of Tartaarsche Prinsen, Kaian en Ragos, met hunne vrouwen. Zij verzamelden de overgeblevene gereedschappen, kameelen, paarden en kudden hunner verslagene vrienden en trokken Noord-Westwaarts, naar de hooggelegen schuilhoeken van het Altaï-gebergte, om daar een toevluchtsoord te vinden. Terwijl zij steeds dieper en dieper dit gebergte introkken, ontdekten zij ten laatste een uiterst smal spoor, dat aan de voetstappen van het bergwild zijn ontstaan te danken had, en zoo eng was, dat slechts één ruiter tusschen de kloven en afgronden passeeren kon. Het gemsen-spoor dat zij volgden, bracht hen eindelijk in eene aangename, breede, met beken doorsneden en van rijke weiden voorziene, hoog-vlakte. In deze welkome en moeielijk toegankelijke plaats vestigden zij zich met hunne kudden, bouwden zij hutten en tenten en leefden daar vele jaren, in den winter van vleesch, in den zomer van melk en wilde vruchten. Zij gaven hunne woonplaats den naam “Erkene-Kom”, dat is, het dal van het hoog gebergte.
De nakomelingschap dezer beide Nomaden-Prinsen, van buiten ongestoord en aan geheel de overige wereld gansch onbekend, nam aanzienlijk in aantal toe en verdeelde zich in verscheidene stammen of horden. Nadat zij zoo vier eeuwen in hunne schuilplaats geleefd hadden, en deze hun met hunne groote kudden te klein geworden was, besloten zij in eene algemeene volksvergadering, even als de Joden uit Egypte, de wijde wereld weder in te trekken. Maar hunne ouden hadden de plaats vergeten, waar zich het beroemde smalle bergpad bevond, waarlangs hunne voorvaderen vluchtende zich hierheen begeven hadden. En alle nasporingen naar dat pad, in de hemelhooge steile rotswanden, die hun “Erkene-Kom,” deze bakermat van alle Turksche stammen omgaven, waren te vergeefs. “Men moest daarom tot andere middelen zijne toevlucht nemen.”—Een hoefsmid vond, nadat hij de steile rotswanden, die als even vele muren het dal omgaven, opmerkzaam gadeslagen had, eindelijk eene plaats, die niet zoo dik was als de overige, en waar des te gemakkelijker een doorgang te maken zou zijn, daar zich hier alleen ijzer-houdende rotsen bevonden. Op zijn raad werd hier een groot vuur aangelegd. Zeventig groote blaasbalgen werden aangebracht [66]en met behulp er van smolt men het metaal weg, zoodat er eene bres en een smallen doorgang gevormd werd, waardoor een beladen kameel passeeren kon. Zoo trok nu het geheele volk onder aanvoering van hunnen toenmaligen Chan of Hertog, “Bertezena” genaamd, de wereld in en stortte zich als een lang bedwongen bergstroom over het omliggende land uit. Zij zonden gezanten aan alle omwonende stammen en boden hun bijstand en bescherming aan, wanneer zij hunne weiden afstaan en zich aan hen onderwerpen wilden. Verscheidene dier stammen, die zich verbonden hadden om tegenstand te bieden, sloegen zij terug, en zoodoende werden zij spoedig een groot en machtig volk, uit wiens schoot vele beroemde geslachten en machthebbers ontsproten zijn.
Later werd nog lang het aandenken aan den wonderbaren uittocht uit het dal “Erkene-Kom”, bij alle Turksche volken door een jaarlijksch feest gevierd; zij maakten dan in een groot vuur met vele blaasbalgen een groot stuk ijzer gloeiend, waarop de opperste Chan den eersten hamerslag, en na hem alle andere hoofden der horden eveneens een hamerslag moesten doen. Ofschoon nu dergelijke verhalen,—zooals er bij de Aziatische volken vele bestaan over den aard en de wijze van hunnen oorsprong—niet in al hunne bijzonderheden als geschiedenis mogen beschouwd worden, zoo geven zij toch in het algemeen tamelijk zuiver aan, hetgeen ontelbare malen gebeurd is, en zijn zij zelfs in hunne poëtische opsieringen, als het karakter en de phantasie der volken die deze mythen met zich omdragen, aanduidingen die verdienen opgemerkt te worden. Ook bezitten zij als onderwerpen van het latere volksgeloof, ten minste de waarde eener subjectieve historische waarheid.
Van de op verschillende wijze over de landen ten Westen van het Altaï-gebergte verspreide volken, waren verscheidene, reeds lang voor onze Osmanen, langs andere wegen naar Europa gekomen.
De eerste invallen van Turksche volken in ons vasteland geschiedden niet over Klein-Azië, maar noordwaarts van de Zwarte zee door Rusland. De Osmanen, de Polowzer, de Petschenegen en na hen verscheidene andere horden, die in de 13e eeuw met Tschingis-Chan naar Europa kwamen, en daar meer of minder duurzame rijken stichtten, behoorden tot dit ver verspreide ras der Turken. Maar de namen der Noordelijke Turken zijn meerendeels lang verdwenen, en slechts geringe overblijfselen er van wonen nu nog in de Krim, in het Uralische gebergte en aan de Wolga. Van al de verschillende stammen zijn de Osmanen de eenigen, wien het gelukt is een blijvenden indruk op Europa te maken, en zelfs ten lange laatste in den Europeaanschen volks-Areopagus zitting en stem te verkrijgen, even als ook van de tallooze Finsche stammen de Magyaren, als de ontwikkeldste en begaafdste, in macht en roem uitgeblonken hebben.
De voorgangers en broeders der Osmanen in Azië, de Seldschukische Turken, die daar in de 11de eeuw, uit de overblijfselen van het Kalifaat, een machtig rijk stichtten, zijn naar Europa zelf nauwelijks overgekomen, ofschoon zij wel de heerschappij der Europeanen in Azië, nog voor van Osmanen sprake was, zeer beperkten. Zij ontnamen den Byzantijnschen Grieken vele hunner Aziatische provinciën, die hun onder de Arabische Kalifen nog gebleven waren. Ook waren [67]het de door de Seldschukische Turken gestichte rijken, met welke de Westelijke Europeanen, ten tijde der kruistochten in strijd geraakten. De groote, langdurige strijd der Europeanen met de Turken in deze streken, begon dus eigentlijk reeds in de 11de eeuw in het binnenste van Klein-Azië, met die Seldschuken, die ook reeds de halve maan in hun vaandel voerden en van wie de Osmanen dit teeken overerfden.
De kruistochten golden schier allen bij uitstek Turksch-Seldschukische Sultans, en daar zij, met betrekking tot hun voornaamste doel (de verchristelijking van Westelijk Azië) zonder gevolgen waren, daar zij den voornaamsten schutsmuur van Europa tegen Azië, het Byzantijnsche rijk, nog meer verzwakten, zoo hebben deze onbekwaam aangevoerde kruistochten zeker niet weinig er toe bijgedragen, den Turken, den Islam en het Oosten de poorten van ons werelddeel te openen. De Turksche veroveringstocht naar het Westen zetten de Osmanen voort, daar waar hunne broeders de Seldschuken, (die op hun tocht en zelfs nog voor zij Europa bereikten, uit elkander gespat waren) die hadden moeten opgeven.
De sage die de Osmanen hebben, aangaande hunnen bijzonderen oorsprong en hunne afscheiding van de andere Turksche stammen, herinnert eenigzins aan het eerste begin van Rome. Eene wolvin en een Sabynsche maagdenroof spelen er de hoofdrol in. Hunne voorvaderen, zoo luidt de Osmanische mythe, die als vreedzame weide-bezitters aan de oevers der Westelijke zee (de Kaspische zee) leefden, werden door een naburigen, wilden stam, die ouderdom noch geslacht verschoonde, aangevallen, uit hunne haardsteden verdreven en te gronde gericht. Slechts een kleine knaap, die de vijanden voor dood in een meer ge- worpen hadden, ontkwam. Een dier der wildernis, eene wolvin, had medelijden met den jongen knaap, haalde hem uit het water en zoogde hem, die tot stamvader der Osmanische Turken bestemd was, even zooals ook eens eene wolvin aan Romulus en Remus dienzelfden dienst bewezen had. Onontdekt leefde de jonge herder met zijne wolvin in een eenzaam hol, groeide op tot een man en verwekte bij eene eveneens voortvluchtige vrouw 10 zonen. Nadat deze tot jongelingen opgegroeid waren, roofden zij zich vrouwen van naburige stammen en vermeerderden hun geslacht. Toen het dal overbevolkt raakte, rukten zij, met een wolfskop op hunne vaandelstokken, tegen hunne vijanden op en vervulden onder dit teeken den omtrek met vrees en ontzetting. Dit geschiedde in de alleroudste tijden. Maar zelfs nog in het begin der 13de eeuw, 300 jaren voor het tijdpunt waarop zij eene macht zouden vormen die drie werelddeelen verontrustte, waren de Osmanen, even als eens het volk Israël onder Abraham, niets meer dan eene horde van slechts weinige duizende beredene herders en herderskinderen, die vluchtende voor de invallende Mongolen, zich uit de provincie Korassan en uit den omtrek der Kaspische zee op weg begaven naar het Westen, en al vluchtende over Armenië naar Klein-Azië kwamen.
Uit dezen weinig talrijken ruitertroep, die onder weg door deserteurs en naar huis terugkeerenden nog aanzienlijk verminderde, ontstond het groote Osmanische rijk; even als uit de muren van een Sabynsch stadje de, de geheele bekende wereld onderwerpende, Romeinen; even als uit een bijna onmerkbaar [68]aan den horizon verschijnend wolkje, een storm ontstaat, die langs den geheelen hemel trekt.
Even als bij vele vluchtelingen, die uit hun vaderland verdreven de wijde wereld voor zich open zagen, en door dezen aanblik buiten zich zelven geraakten, zoo ontwaakte ook bij dit, tusschen de oude steden van het land langs den Eufraat dwalende hoopje roofzuchtige herders, weldra een geweldige lust naar heldendaden, roem en schatten. Hunne aanvoerders droomden al vroegtijdig, even als de stamvaders der Joden, van roem en grootheid voor hun volk.—Ertogrul, een dezer dikwijls genoemde allereerste machthebbers en eerste horden-aanvoerders, droomde eens gedurende een zijner legertochten, dat hij in zijne tent een fraaie heldere bron zag ontspringen, die met steeds toenemende kracht, in haren onstuimigen loop, tot eene groote rivier aangroeide en toen wijd en zijd het land overstroomde. Een zijner wijze Sheiks leide den droom zoo uit, dat aan Ertogrul weldra een heldhaftigen zoon zou geboren worden, die het volk tot groote daden zou aanvoeren.—En nog fraaier en duidelijker droomde daarna deze zoon zelf, Osman (vrij omineus—beender-breeker—de Turksche naam voor een roofvogel, den koningsarend)—de meest gevierde held van het naar hem genoemde volk der Osmanen.
Als jongeling in liefde ontstoken voor de dochter van Edebalis, een ouden Sheik, scheen het den jongen Osman op een avond, na het eindigen van zijn gebed, toe, alsof hij den grijzen vader zijner geliefde naast zich zag rusten, en alsof de wassende maan schitterend uit den boezem van den oude opsteeg, om zich weldra als volle maan in zijn eigen (Osman’s) boezem te verbergen. Op de plaats echter, waar de volle maan verdwenen was, groeide een prachtige boom met uitgestrekte takken, beladen met kostelijke vruchten, en onder zijn lommer rustte het heelal met al zijne bergen en dalen, rijke weiden en fraaie rivieren, provinciën en steden, bewoond door eene werkzame bevolking, die zich in de schaduw van den prachtigen boom in haar bestaan scheen te verheugen. Osman ontwaakte in het volle genot van dit prachtig gezicht, en schilderde vol verbazing het fraaie tooneel, dat hij in zijn droom gezien had, aan zijn ouden vriend. Deze, die tot nu toe zijne dochter aan den jongen avonturier geweigerd had, maar nu in den droom een teeken des Hemels meende te zien, ten gunste der vereeniging van zijn huis met dat van Osman, en er den toenemenden bloei der vereenigde stammen uit opmaakte, gaf zijne toestemming tot eene verbintenis, waaruit het werkelijk schitterend geslacht der machtige Osmanische Sultans, als eene reeks meteoren ontsproot.
Nagenoeg alle sagen en verhalen der Osmanen, die op de kindsheid van hun volk betrekking hebben, zijn van zeer vromen, zeer phantastischen en prophetischen aard. Ook hebben hunne geschiedschrijvers (want deze heeft dit volk steeds vele voortgebracht) er voor gezorgd, dat wij de ontwikkeling en den weg der natie, van af de woestijnen van Turan, over den Euphraat tot aan den Bosphorus, voet voor voet beter kunnen volgen, dan die van den oorsprong en vooruitgang van vele andere Aziatische volken.
De nu nog in het Turksche rijk bekende en door het volk bezochte en vereerde graven hunner eerste Sultans, zijn tegelijkertijd de merkpalen en gedenksteenen [69]op hunne zegebaan. Suleiman, de grootvader van Osman, die zich te paard in den Euphraat stortte om zijne horde een weg te banen, werd aan den oever dezer afgelegene rivier begraven. Ter eere van zijn zoon, den bovengenoemden Ertogrul, werd door de zijnen, eene halve eeuw later een grafsteen opgericht, 200 mijlen westelijker aan de oevers der rivier Sangarios, in het midden van Klein-Azië. En de kleinzoon eindelijk, Osman, de grondvester der Turksche macht, vond zijne rustplaats reeds zeer dicht in de nabijheid van het Europeesche zeegebied, in het zoogenaamde “zilveren gewelf” der Bithynische stad Prusa, wier omtrek het eerste vaste stamgebied en de wieg van het Osmanische rijk werd.
Tot zoolang was de horde, onder het verrichten van vele heldendaden, rusteloos door het noordelijke deel van Klein-Azië, om de in het zuiden nog machtiger staten der Seldschuken, en deels in dienst van deze, rondgeslopen. Hier echter in het oude Bithynië en aan de grenzen van Azië en Europa, waarheen de arm der Seldschuken niet meer reikte en waar de Byzantijnsche macht niet meer bloeide, nestelden zij zich onder Orchan, den beroemden zoon van Osman, en zetten als frissche voortroepen der machtelooze Seldschuken, het eerst in hunne oudste koningsstad Prusa, vasten voet, even als eene wig, die zich rechts en links in beide werelddeelen wilde indringen.
Van daar uit hebben zij om zich heen gegrepen, zoowel westwaarts naar Europa dat vóór hen, als oostwaarts naar Azië dat achter hen lag.
Daar het westen voor hen lag en zij aanvankelijk met hunne stamgenooten, de Seldschuken, op vriendschappelijken voet leefden, zoo keerden zij het eerst hunne wapenen bij voorkeur tegen ons vaste land. Nadat zij de kleine Byzantynsche stadhouders en leenroerige vorsten, en de Grieksche vorsten aan den Hellespont en aan de zee van Marmora, den een na den ander overwonnen hadden, gingen zij in het midden der 14de eeuw naar Europa zelf over. Zij kwamen daar gedeeltelijk als vrijbuiters, die hier en daar rooftochten ondernamen en onderlinge twisten der Byzantijnen met kracht van wapenen onderdrukten, gedeeltelijk ook als vrienden en trawanten der Grieksche Keizers, die deze dappere ruiters tegen hunne oproerige stadhouders of tegen-keizers in dienst namen—eindelijk ook als vreedzame landverhuizers, die reeds lang voor zij de stad innamen, in Constantinopel eene zeer bevolkte kolonie bezaten—weldra echter ook, nadat zij het masker van vriendschap afgelegd hadden, als gebiedende veroveraars, die reeds in het jaar 1358 een hunner vorsten, Suleiman, den hoopvollen kleinzoon van Osman, aan deze zijde van den Hellespont een grafteeken, het eerste dezer soort, bouwden. Van het graf van dezen jongeren Suleiman uit, drongen zij al ras, de eene Grieksche stad na de andere wegnemende, de Europeesche landen dieper in, en reeds weinige jaren later, in het jaar 1361, bestormden zij Adrianopel, de grootste provinciestad der Grieken, waar zij hunnen Sultans hunne eerste Europeesche residentie oprichtten.
Alle omgelegene Grieksche en Slawische volken bogen zich nu weldra voor hunne sabels, die een hunner aanvoerders vergeleek bij eene wolk, die over Europa heentrekkende, bloed in plaats van regen vergiet. Van hier uit ontnamen zij het oude Grieksche rijk om zoo te zeggen zijn wortels en takken, eer [70]zij den stam, de drievoudig ommuurde hoofdstad, velden. In het jaar 1389 vernietigden zij, in den bloedigen volkenslag op het Amselfeld, de vereenigde macht der Serviërs, Bulgaren, Walachijers en Hongaren, en verspreidden zij zich nu over bijna het geheele schiereiland heen.
Eindelijk, in het midden der volgende eeuw, in het jaar 1453, nadat zij de stad aan alle zijden omsingeld, het geheele vaartuig om zoo te zeggen onttakeld hadden, bestormden zij den romp van het oude Byzantium, vertraden zij geheel en al het laatste nog stuiptrekkende lid van het Romeinsche rijk, dat achter de muren van eene enkele stad, als een slak in zijne schulp kruipende, zijn einde vond, even als het eens, uit de enge muren eener enkele stad, zijne vang-armen over de geheele wereld uitgebreid had.
Hier, aan den gouden horen, in het brandpunt van het verkeer tusschen Azië en Europa, waar de Turksche Sultans hunne tweede en blijvende Europeesche residentie vestigden, werd nu de schitterende droom van den heldhaftigen horden-hoofdman Osman bewaarheid. De Osmanische macht groeide onder eene reeks krachtige, talentvolle en gelukkige Vorsten, van Mohammed II tot Selim II, in het tijdsverloop eener eeuw inderdaad tot zulk een reusachtigen boom aan, die de volken van drie werelddeelen, de beroemdste en gezegendste landen van den aardbol overschaduwde, zooals Osman het in zijn droom gezien had.
De aanvankelijk zoo kleine horde, die slechts weinige duizende koppen telde,—daar zij deels in zich zelve vermeerderde,—deels hare broeders, de Seldschuksche Turken, wier rijken het een na het andere opgeslokt werden, in zich opnam,—deels echter ook altijd onder de onderworpene volken rekruteerde en vele, tot den Islam bekeerden met den geest der Osmanen vervulde, en hen met dezen naam vereerde—zwol tot een machtigen stroom van verscheidene millioenen aan, die overal de woonsteden der uitgemoorde of in slavernij weggevoerde oorspronkelijke bevolking in bezit namen—die zich als grondeigenaars en grondbezitters in de Europeesche rijksleenen verspreidden, die als bevelhebbers en bezettingstroepen alle steden van Syrië, Mesopotamië, Egypte, ja zelfs de geheele lange noordkust van Afrika binnentrokken.
Ten tijde van hun toppunt van bloei en macht in het midden der 16de eeuw, nadat zij onder hunnen vreeselijksten Padischa Suleiman den Prachtigen, ook Hongarije veroverd en zelfs de Duitsche Keizerstad Weenen aangevallen hadden, toen het hof van den Turkschen Sultan het prachtigste van zijn tijd geworden was, strekte in Europa hun rijk zich noordwaarts uit tot aan de Karpathen, westwaarts tot aan de Alpen en tot dicht bij Venetië, en oostelijk over Zevenbergen en Moldavië door geheel zuidelijk Rusland heen, zoover de ruiterscharen van hunnen vasal, den Chan der Krimsche Tartaren, hunne strooptochten ondernamen.
Nagenoeg anderhalve eeuw, gedurende de 16de en een gedeelte der 17de eeuw, bleven zij op deze hoogte. Van dien tijd af dagteekent zoowel het verval hunner innerlijke energie als hunner uiterlijke macht. Weinige groote en krachtige mannen verschenen meer onder hen. De Sultans verweekelijkten in de harems, waarin zij hunne opvoeding ontvingen. Familietwist en broedermoord bevlekten [71]meermalen de treden van den troon. Even als bij de heerschers geen bepaalde wet aangaande de troonsopvolging bestond, zoo had zich ook bij het volk geen oud-adelijk element, op geboorte en vast grondbezit gegrond, gevormd. Hebzucht, roofgierigheid, omkoopbaarheid begonnen meer en meer bij de Turken veld te winnen, en ondermijnden de vroeger zoo geprezene maatschappelijke deugden.
Niet zoodra tastte die stilstand en verrotting het inwendige aan, of de tot nu toe in ontzag gehoudene naburen begonnen met meer geluk tegen de Turken te opereeren. Het geheele oostelijk Europa, de Duitschers, de Polen, de Russen traden krachtig op. Kleine christen-legers sloegen nu somwijlen Turksche legerscharen, die dubbel zoo sterk waren, op de vlucht. Zelfs de vroeger zoo gevreesde Janitscharen boezemden geen schrik meer in. Oostenrijk, dat Hongarije bevrijdde, herstelde en met zijne staten vereenigde, knakte in de 17de eeuw de Turksche macht het eerst aan den Donau. Hem volgde Rusland, dat in den loop der 17de en 18de eeuw de Tartaarsche Vorstendommen Kasan en Astrachan veroverde, tot aan den Kaukasus en de Zwarte zee doordrong, en ten laatste zich ook de Turksche vasallen in de Krim, alsmede alles wat de Turken aan gene zijde van de Pruth bezaten, onderwierpen. In onze eeuw werden—hoofdzakelijk met behulp van Rusland—de Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachije, de Serviërs, de Montenegrijnen en eindelijk de Grieken, binnen de grenzen van het oude Hellas, van de opperheerschappij der Turken bevrijd.
En in al deze bevrijde landen, die zij slechts als militairen bezet hadden, waar zij naast de inboorlingen slechts als soldaten gewoond hadden, zonder in de vele betrekkingen en handwerken van het burgerlijke leven in te dringen, zijn zij nu zoo goed als spoorloos verdwenen. Slechts vele treurige ruïnes getuigen van hunne vroegere aanwezigheid. Gebouwen en kunstproducten hebben zij niet achtergelaten, dan hier en daar de ingestorte muren eener vroegere Turksche vesting—of ook op de marktplaatsen in de steden waterleidingen en bronnen, van welke nuttige zaken de Osmanen zeer groote vrienden waren—ook op menige plaats, b.v. in de stad Ofen, midden onder de weder opbloeiende christelijke kerken, het graf van een Mohammedaanschen heilige, waarheen nu en dan nog wel eens een vrome Turk langs den Donau eene bedevaart maakt. Levende getuigen, landbouwende kolonisten, burgerlijke handwerken uitoefenende gemeenten, zijn van hen daar onder de christelijke heerschappij niet achtergebleven, zooals dat bij hunne stamgenooten, de Turksche Tartaren in de Krim, in Kasan en Astrachan, wel het geval geweest is.
Duidelijker zouden wij, als zich dit zoo gemakkelijk nagaan en van de inboorlingen onderscheiden liet, de indrukken hunner vroegere aanwezigheid vinden in de zeden, taal en het karakter der hun eens onderworpene en nu bevrijde natiën. Zoowel in de Hongaarsche, als in de Walachijsche, Servische en Nieuw-Grieksche taal zijn verscheidene Turksche woorden ingeslopen, en hiermede natuurlijk, daar vreemde woorden nooit zonder vreemde begrippen komen, ook menige Turksche voorstelling en denkwijze. Hongaarsche schrijvers der 17de eeuw klagen, dat in den tijd der Tursche heerschappij, bij den Hongaarschen en Zevenbergschen adel, veel in de dagelijksche gewoonten en huiselijke [72]inrichtingen, Turksch geworden is, en daarvan zou men nu ook nog overblijfselen kunnen vinden. Dat ook de Wallachijers, de Grieken en Serviërs, den invloed van den despotischen druk der Turksche heerschappij nog niet geheel overwonnen hebben, daarover is dikwijls geklaagd geworden.
Ook in eenige der den Sultan nog direct onderworpene provinciën, krijgt men heden ten dage nog slechts zelden een echten Osmanischen Turk te zien. In het door de Slawen bewoonde Bosnië b.v., is wel de adel van het land mohamedaansch en in zijne zeden Turksch, maar naar de afstamming en de taal bestaat deze adel toch uit oorspronkelijke Slawen.
Ook in de overige Europeesche provinciën, die de Turken nog heden in bezit hebben, in Bulgarije, Macedonië, Thracië, Albanië, enz. is de grond- en landbevolking Slawisch, Grieksch, Albaansch enz. en de zoogenaamde Osmanen hebben daar slechts, om zoo te zeggen sporadisch verdeelde woonplaatsen. Zij wonen in de steden als burgerlijke en militaire ambtenaren en op het land als grondbezitters, slechts zelden als zelf arbeidende dorpsbewoners en nijvere handwerkslieden. Zamenhangende, uitsluitend door Osmanen bewoonde landschappen, vindt men in geheel Europeesch Turkije slechts enkele. In de steden zullen zij nagenoeg de helft der bevolking uitmaken, en in het geheel mag men het getal echte Osmanen in geheel Europa bezwaarlijk op meer dan 1½ millioen stellen, waarvan het grootste gedeelte bij elkander wonende in Constantinopel gevonden wordt. Daar ter stede zijn nagenoeg een half millioen ingezetenen, die tot de Osmanlis gerekend worden.
Beproeven wij nu de zeden en de eigenaardigheden van het karakter te schetsen van dit merkwaardige volk, dat tijdens zijn bloei eens geheel Europa deed beven, en dat ook nu nog, alhoewel niet zoo zeer door dreigende macht, als wel door de vraag wie van zijne zwakte voordeel zal trekken, geheel Europa bezig houdt. Wij moeten nog daarbij in de eerste plaats onderscheiden, wat zij oorspronkelijk in hun eigenlijk vaderland waren, en wat zij in den loop der tijden, bij hunne verbreiding over zoovele landen en bij hunne aanraking met zoo vele verschillende volken, geworden zijn.
Het eerste en voornaamste geschenk, dat de Osmanen na hunne eerste ontmoetingen met hunne West-Aziatische naburen ontvingen, was de godsdienst van Mohamed. De oorspronkelijke godsdienst der Turken in hunne Aziatische steppen was een ruwe natuurdienst, waarbij zij voornamelijk de vier elementen: vuur, water, lucht en aarde vereerden, en tevens aan een hoogsten geest des hemels paarden en schapen offerden. De Islam kwam in hunne oorspronkelijke woonplaats reeds tot hen door de Arabieren en Perzen. Deze waren gewoon alle gevangenen, die zij in hunne oorlogen met de naburige nomadische roofstammen maakten, tot den Islam te bekeeren, en deze bekeerden, als zij in hun vaderland teruggekeerd waren, weder hunne stamgenooten. Reeds omstreeks het jaar 1000 na Christus, waren op deze wijze verscheidene nog nomadische Turkenstammen goede Mohamedanen geworden, terwijl ook verscheidene nog het oude Schamanendom aanhingen, en weder andere door de Chineezen zelfs tot Buddhisten gemaakt waren.
Onze Osmanische Turken waren reeds lang ijverige aanhangers van den Profeet, [73]toen zij uit de vlakten langs de Kaspische zee naar het Westen togen. Door den Islam hebben zij veel van dien godsdienstigen ernst, die alle Oosterlingen van oudsher kenmerkte, overgenomen. Even als bij de Hebreërs en bij de Arabieren, is ook bij hen de invloed van den godsdienst op zeden, zin en werkzaamheid der natie, veel opvallender dan bij de Europeesche volken, en even als bij hen, schijnt ook bij de Osmanen al hun doen en denken, om zoo te zeggen, van godsdienst doortrokken te zijn.
Streng en met nauwgezetheid vervulden zij ten allen tijde hunne godsdienstige verplichtingen en de waarneming der met deze samenhangende gebruiken. En zelfs nu nog is er moeielijk iets plechtigers te bedenken, dan de gebeden der Turken in de kerken, die zij op eene in het oog vallende demoedige wijze, en geheel vervuld met vrome voornemens, verrichten. De daarbij heerschende plechtige stilte en de indrukwekkende ernst, vervullen zelfs den christen-toeschouwer met eerbied. Doodstil, zacht en barrevoets als bedelmonniken, sluipen de mannen—eerwaardige, oude, witgebaarde grijsaards en achter hen hunne gehoorzame knapen en jongelingen—nader, zinken op de tapijten der moskee op hunne knieën, slaan als boetvaardige zondaars op hunne borst, en vervallen in stomme bespiegeling en aanbidding van den Onzichtbaren, of luisteren aandachtig naar de gebeden en toespraken van hunnen Iman.
De uiterlijke godsdienst is bij hen, nagenoeg onveranderd, tot op onze dagen dezelfde gebleven. Een echt orthodoxe Osmanli beschouwt nog heden de pest als eene straffe Gods, die het nutteloos en zondig is te trachten te ontwijken; hij draagt geen parapluie of zonnescherm, daar het hem zondig schijnt de zegen van Allah van zich af te houden, en hij geeft kleerborstels van plantaardige stof de voorkeur boven de gewone, daar de Koran de aanraking verbiedt van alles wat van het zwijn komt. Hun eerbied voor den Koran is zoo groot, dat zij aan het bloote lezen er van wonderen toeschrijven. Naar hunne meening worden, door het lezen van sommige plaatsen uit den Koran, ziekten genezen, en het zonderlingste daarbij is, dat de psychische invloed van het vrome, ernstige geloof aan de onfeilbaarheid hunner heilige schriften, op hen werkelijk dikwijls eene merkwaardige geneeskracht uitoefent. Ontelbaar zijn de middelen om in de toekomst te lezen en even talrijk die, om zich voor booze invloeden te vrijwaren. Zij overtreffen daarin nog de heidensche Romeinen van den ouden stempel. Even als deze lezen zij het goede of kwade uit de ingewanden van pas geslachte dieren—doen voorspellingen uit de vlucht der vogels—hebben geluk en ongeluk aanwijzende uren en dagen, die met nadruk door de astrologen in hunne kalenders worden aangegeven, en geen Osman zal eene reis ondernemen, een huis bouwen, zich in het huwelijk begeven of iets anders gewichtigs ondernemen, zonder zich eerst over het gunstige van het oogenblik en de constellatie der sterren overtuigd te hebben. Is hij ziek, of hebben kwade droomen hem droefgeestig gestemd, dan verschaft hij zich van den Iman een pot, die van binnen met verscheidene spreuken uit den Koran beschreven is, vult dien met water, laat de met inkt geschrevene spreuken in het water oplossen, en drinkt dan, in het heiligste vertrouwen op eene goede uitwerking, deze vloeibaar gewordene heilige spreuken op. [74]
Het dak van zijn huis, de voorsteven van zijn schip, de muts zijner kinderen, de hals van zijn paard, de kooi zijner vogels, alles behangt hij met amuletten en tegenmiddelen tegen “het booze oog” of tegen andere betooveringen. Veel van dit bijgeloof stamt nog uit de steppen en uit den tijd van het Heidensche nomaden-leven af. Echt Mohamedaansch echter, en dit is hun door den Islam aangebracht en hebben zij met alle aanhangers van den Profeet gemeen, is hun onwrikbaar en hun bijzonder eigen geloof aan een onafwendbaar fatum; een geloof, dat hen eenerzijds zoo onbuigzaam en overwinnend, maar aan de andere zijde ontoegankelijk maakte voor eene toenemende ontwikkeling.
De overtuiging, dat in den slag, te midden van een kogelregen, geen schot hen treffen kon, dat niet door God voor hen bestemd was, boezemde den Turken een onoverwinlijken moed in. Maar het denkbeeld, dat God alles hier beneden regelt en leidt, onafhankelijk van eenige menschelijke inmenging, maakte hen tevens werkeloos en loom. In gelukkige dagen verhoogde dit geloof de kracht van den veroveraar, maar in dagen van ongeluk vervulde het hem met zoo groote gelatenheid, dat hij het verval en de ontaarding van zijn volk met onverschillige oogen aanzag.
Zich schikkende in alles, wat hem ook overkomen mag, leeft de Turk rustig daarheen, zijne grootste voldoening, zijn zekersten troost vindende in het bewustzijn, dat, wat de toekomst hem ook brengen moge, het reeds te voren bepaald is. Maakt het ongeluk hem arm en wordt hij daardoor gedwongen afstand te doen van geriefelijkheden, waaraan hij sedert jaren gewoon is, verliest hij zijn eenigen zoon, zijn liefste kind: nimmer zal hij morren. “God is groot! Hij gaf het, hij nam het ook.”—Een minister valt—een stadhouder wordt ter dood veroordeeld. Zonder tegenspraak geeft hij zijne betrekking en zijn leven op, en smeekt alleen dat men hem den noodigen tijd moge laten om zijn gebed te verrichten. Ofschoon zij even als andere menschen toegankelijk zijn voor teedere aandoeningen en diep gevoel, voeden zij toch nimmer eene smart op eene wijze die schadelijk is voor gezondheid en geest, en duurzaam zedelijk lijden, blijvende storingen in de werkzaamheid van den geest, vindt men derhalve zelden bij de Turken. En de zich in het leven openbarende gelatenheid, verlaat hen ook niet in de smartelijkste ziekte en in het laatste uur. Bij geen volk heeft de dokter, wanneer zijne geneesmiddelen niet helpen, zoo weinig verwijtingen te wachten dan bij de Turken. Zij verontschuldigen hem altijd daar mede, “dat het Allah’s wil niet was.”
In tegenstelling met de talentvolle maar geslepene Grieken, prijst men de eenvoudige, ongekunstelde rondheid en de oprechte eerlijkheid der Osmanlis, die van oudsher gewoon zijn, zonder omwegen hunne meening te zeggen. Zij mijden de slingerpaden, die de vleiende Zuidelijke Oosterlingen (de Arabieren en hunne naburen de Perzen) zoo gaarne bewandelen.—Zij praten weinig en wat zij zeggen, zeggen zij langzaam, duidelijk en met uitdrukking, zoodat ook geringe zaken met hen spoedig afgedaan worden. Wat b.v. een Turksche koopman zegt, geldt bij hem als het eerste en laatste woord; afdingen is hem onbekend. [75]
Men ziet het reeds aan hun uiterlijk, dat zij een heerschersvolk waren. Hun gang is statig. In al hunne bewegingen zijn zij afgemeten en deftig. Slechts zelden verraden zij uiterlijk, wat hunne ziel innerlijk aandoet. Waar wij hardop lachen, daar speelt om den mond der Osmanen slechts een glimlachje. Waar wij in de handen klappen, daar geeft hij zijn bijval slechts door een licht hoofdknikken te kennen, of wèl blaast hij den rook zijner pijp wat harder uit.
“Het gemis aan alle aristokratische kasten- of klassenwezen bij de Turken is oorzaak, dat niet alleen den hooggeplaatsten, maar ook zelfs den geringsten onder hen, een zekere zweem van voornaamheid eigen is. Behalve het onderscheid aan de verschillende ambtsbetrekkingen verbonden, zijn alle Turken gelijk, en geen stand is zoo hoog, of ieder kan dien, wanneer geluk, talent en omstandigheden hem begunstigen, bereiken. De arme en de eenvoudige onder hen, is van nature hoffelijk en waardig. Hij vergeet en verhoovaardigt zich nooit. Hij schijnt het bewustzijn te hebben, dat hij, ofschoon in eene hut geboren, in een paleis sterven kan. En met deze mogelijkheid voor oogen, schijnt hij altijd zoo te handelen alsof het uur der standsverwisseling reeds geslagen was. Dit maakt het onderling verkeer tusschen de Turken zeer gemakkelijk. Men ziet den Bey, wanneer hij niets te doen heeft, zonder complimenten naast den arbeider, de effendi naast den visscher plaats nemen, als waren zij voor hetzelfde lot geboren. Bij iedere heugelijkheid, bij ieder familie-feest of openlijke plechtigheid, staan de deuren der rijken en grooten veel meer open voor de geringen en armen dan bij ons.”
Ofschoon de misslagen hunner krijgslieden hen bij ons als hardvochtig en wreed bekend hebben doen staan, zoo kan men toch in tijd van vrede, den Turken eene groote neiging tot weldoen en eene geneigdheid tot medelijden, niet ontzeggen. Zij zijn in staat voor hunne gunstelingen alles te wagen, hunne slaven behandelen zij als hunne kinderen. Zij schijnen de oude grondstelling der Romeinsche veroveraars: “De bellare superbos et parcere subjectis”1 tot het uiterste in praktijk te brengen. De weerbarstigen werpen zij onbarmhartig ter neder; de onderworpenen liefkoozen zij. Vandaar ook hunne groote liefde voor onschuldige kinderen. Niet tevreden met hunne eigene kinderen, nemen zij ook zeer gemakkelijk en dikwijls, hulpbehoevende kinderen en weezen aan. Deze aangenomene kinderen noemen zij “kinderen der ziele.” Ook de zeer te roemen hartelijkheid, waarmede zij hunne moeders behandelen, vindt zijn oorsprong in dezelfde bron. Dat is ook de oorzaak dat de moeder van den Sultan, de zoogenaamde Sultane Valide, de tweede persoon in het rijk is.
Zij, die in den oorlog koelbloedig zooveel Christenbloed vergoten hebben, zijn niet in staat dieren te kwellen. Zij bezitten een hun aangeboren medelijden met alle stomme creaturen, en bovendien beveelt de Koran zelf hun, bijen, mieren, kraaien, zwaluwen en visschen te ontzien. Wanneer een Europeesch reiziger, bij de eene of andere gelegenheid, voor pleizier een vogel schiet, dan wordt hij door zijne Turksche reisgenooten beschuldigd van moord. In de nabijheid der Turksche dorpen in Klein-Azië, vindt men vogelkooien opgericht [76]waarin oude arenden die niet meer verder kunnen, of patrijzen wier vleugels lam werden, of ooievaars die een poot gebroken hebben en die men opgevangen heeft, op algemeene kosten verpleegd en gevoed worden. De Turken zullen het ontzien, een lam dat nog niet gespeend is te slachten, om het gejammer van het moeder-schaap niet te hooren. De paarden worden bij hen als kinderen opgebracht en gevoed, en in plaats van ze aan de zweep te gewennen, zijn zij gewoon zacht toegesproken te worden; aan hals en manen zijn zij, even als de kinderen, van amuletten voorzien om ze tegen booze invloeden en tooverij te vrijwaren.
Daardoor was en is ook nog nu een weerspanning en koppig paard eene groote zeldzaamheid bij de Turken, en vroeger was het bekend, dat wanneer paarden van dat karakter in de oorlogen met de Hongaren, Duitschers, Polen en Russen opgevangen werden, zulke buitgemaakte wildzangen onder de zachte tucht der Turksche stalmeesters, weldra zoo zacht en gewillig werden, dat zij vol vreugde hunnen meester tegenhinnikten en voor hem de knie bogen, om hem des te gemakkelijker te laten opstijgen. Ook nu nog laat de voorname Turk, wanneer hij de lente op het land doorbrengt, gaarne onder een boom in de nabijheid zijner paarden-weide, eene tent opslaan, en ziet hij van daar vol genoegen uren lang naar het spelen, het vechten, en het springen zijner veulens en merriën.
De Turken hebben zich evenmin als schoolmeesters en opvoeders der jeugd, hardvochtig of tijranniek getoond. Zelfs in de merkwaardige opvoedings-gestichten der trawanten van den Sultan en der Janitscharen, waren de tucht en de orde wel streng, maar men kende in deze inrichtingen zulke paedagogische dwangmiddelen niet, als men tot op onze dagen in christelijke landen voor heilzaam hield, zooals ketenen, plak, donkere kelder en slechte ligging met water en brood. De eenige straf, stokslagen, mocht slechts zelden toegepast worden, en het getal der slagen was dan nog zeer beperkt; ook zijn de stokstraffen bij de Turken nooit met zooveel gestrengheid, nooit in zoo groote hoeveelheid en zoo onbarmhartig, toegepast geworden als b.v. bij de Russen, en het is niet zelden gebeurd, dat Turksche krijgsgevangenen bij de Russen, wanneer zij zich aan de daar heerschende discipline moesten onderwerpen, luide naar de in Turkije in zwang zijnde rechtspraak terug verlangden en deze zeer roemden.
Een zeer voordeelig licht over de gemoedsgesteldheid der Turken, werpt de hartelijkheid en aandoenlijke wijze, waarmede zij hunne dooden herdenken. Hunne kerkhoven zijn altijd met bloemen en welig groeiende cypressen versierd, en gewoonlijk in bekoorlijke dalen of op liefelijke heuvelen gelegen, waar wij eene villa, een klooster of een lusttuin zouden aanleggen. Op feestdagen zijn die kerkhoven de gewone verzamelplaatsen van het volk, waarop de kinderen naast de graven hunner voorouders spelen, terwijl de volwassenen zich in het genot der frissche lucht, hunner pijp en hunner ernstige herinneringen verheugen. Ook zijn de Osmanen groote vrienden van stille familie-feesten in den kring der hunnen, en eenige dezer feesten, b.v. het jaarlijks in iedere huishouding terugkeerend tulpenfeest, zijn van zeer liefelijken aard.
De natuur heeft evenmin het hoofd als het hart der Turken stiefmoederlijk [77]bedeeld. Zij zijn niets minder dan dom en onleerzaam. Veeleer munten zij in den regel uit door een vlug begrip en vooral door een sterk geheugen. Niet zoozeer hunne ongeschiktheid staat hun bij hunne ontwikkeling in den weg, als wel hun gebrek aan werkzaamheid. De onveranderlijke traagheid waarin zij verzonken zijn, houdt hunne talenten in banden. Het ontbreekt hun aan voortdurenden ijver, aan lust tot werken, aan de rustelooze nieuws- en weetgierigheid der Europeanen, om met hunne goede begaafdheden iets groots tot stand te brengen.
Zij zijn niet, zooals wij, gewoon te wedden en te wagen, om het geluk na te jagen. Voelen zij zich door de omstandigheden bevoordeeld of is de wind hun gunstig, dan laten zij zich dit welgevallen en leven zij gaarne in gemakkelijke en kalme rust heen. Dientengevolge munten zij ook daardoor uit, dat zij, in tegenstelling met de Europeesche natiën, geen geluks- of hazardspelen kennen, zooals dat toch anders bij hunne onderdanen, de Grieken, Walachijers en Slawen, dikwijls het geval is. Zelfs hunne jeugd doet aan geene weddingschappen en kent geen wedstrijden, geen beproeven der wederzijdsche krachten in gymnastische spelen en wedloopen. Den dans houden zij geheel beneden hunne waardigheid; hoogstens laten zij zich door hunne vrouwen of hunne odalisken iets voordansen. Evenzoo worden ook de andere kunsten, die voortdurende oefening vereischen, door hen niet beoefend. Ofschoon zij gaarne muziek hooren, beoefenen zij haar even weinig als den dans. Grieken en Armeniërs zijn hunne muzikanten en voorzangers, en verwonderd zien de Turksche grooten het aan, dat de afgezanten onzer Koningen in Constantinopel schilderen of piano spelen, en vragen zij: waarom zij toch zelve zich met die zaken bemoeien, daar zij immers rijk genoeg zijn om zelf een troep muzikanten te betalen.
Alleen op de dichtkunst hebben zij zich toegelegd. Zij bezitten niet alleen vele lieve volksliederen, maar zij hebben ook menig uitstekend dichter en eene niet arme literatuur voortgebracht. De beroemde Duitsche schrijver der Turksche geschiedenis, de heer von Hammer, heeft eene bloemlezing in vier deelen, uit de werken van niet minder dan 2200 Turksche dichters samengesteld, die echter niet alle eene bekrooning op het Kapitool waardig zijn.
Vooral hebben de Turken—iets dat bij een volk dat zooveel roemrijke daden verricht heeft, zeer natuurlijk is—zich meermalen op het schrijven van geschiedenis toegelegd en hebben zij vele historici voortgebracht. Ja! zij hebben zelfs sedert 300 jaren—en daarop kan zich niet iedere Christelijke staat beroemen—de vaste betrekking van een rijks-geschiedschrijver gehad, wiens plicht het is, de gebeurtenissen, oorlogen, vredesverdragen en inwendige veranderingen op te teekenen. Toch beschrijven deze Turksche historici de geschiedenis, even als hunne gedichten, op eene, den Perzen, Arabieren en meest allen Oosterlingen, eigendommelijke, zeer weidsche manier. Een overzicht over de bloemrijke titels hunner geschiedkundige werken toont zulks ten duidelijkste aan. Wat onze prozaïsche geschiedschrijvers eenvoudig een “geslachtsregister” noemen, heet bij hen: “een rozenkrans der rechtvaardigen” of “een bloementuin der besten.” Wat wij eenvoudig weg eene “wereldgeschiedenis van de vroegste dagen tot den laatsten tijd” noemen, daaraan geven zij den hoogdravenden [78]naam van “de golvende zee en de rijk stroomende bronnen in de wetenschap der eerste en laatste dingen.” Eene “verzameling van biographiën” wordt bij hen verfraaid tot een “rozenbundel uit den tuin der kennis van de menschen.” En als wij een boek in 8 hoofdstukken deelen, dan verdeelen zij het liever in even zoo vele “bloem-perken” of wel “paradijzen.” Deze zelfde hoogdravende en weidsche stijl, hebben zij ook bij de titulatuur hunner beambten ingevoerd, en dientengevolge draagt bij hen, wat wij een “page” noemen, den naam van “een dienaar van het kleed der gelukzaligheid” of een opperhof-meester “een heer der poort van genade en eere.”
Eenvoudiger en nuchterder, dan zij zich in hunne gedichten en geschiedboeken toonen, zijn de Turken in de sedert oude tijden bij hen gebruikelijke spreekwoorden, die een schat van practische levenswijsheid aanbieden, en vele bewijzen van een gezond verstand, fijne opmerkingsgeest en menschenkennis bevatten.
Vooral de echte oud-Turksche, nog uit den nomaden-tijd afkomstige spreekwoorden, die men aan vorm en inhoud gemakkelijk als zoodanig herkennen, en onderscheiden kan van de levensregelen en spreuken die zij van de Arabieren en Perzen overgenomen hebben, munten door een zeer krachtig, opvallend en scherp vernuft en uitdrukking uit. Daar geest, karakter en zeden der natiën zich zoo dikwijls in hunne spreekwoorden weergeven en daar, als wij over de Turken spreken, veel minder sprake is van dergelijke zaken, dan van hunne barbaarsche krijgsgebruiken of van hunne bloemrijke rijmelarijen, zoo wil ik den lezer hier ten slotte nog op eenige echt Turksche spreekwoorden opmerkzaam maken, en er eene kleine verzameling van mededeelen.
Niet zeldzaam zijn de spreekwoorden, waarin de Osman de waarheid aanbeveelt, b.v.:
“Zit mijnentwege krom mijn zoon, maar spreek recht.”
“Wie zich ver houdt van de leugen, die nadert God.”
“Wandel niet over de licht breekbare brug van de leugen, beter is het, mijn vriend! door den stroom te zwemmen.”
Zeer karakteristiek zijn de even talrijke spreuken, waarmede de stilzwijgende, voorzichtig sprekende Turk, even als Salomo, tegen de tong en de scherpheid van tong te velde trekt.
“De tong,” zoo luidt een dezer, “is een beenlooze slang, die toch beenderen breekt.”
“Een mes-wond geeft een lidteeken, maar een wond door de tong geslagen, is onheelbaar.”
“De tong heeft meer menschen gedood dan het zwaard.”
“Die zijne tong aan banden legt, redt zijn hoofd.”
“Wie spreekt die zaait, hij weet niet wat. Wie hoort die oogst, en heeft de keuze.”
“Het hart van den dwaas ligt op zijne tong,—de tong van den verstandige is in zijn hart.”
“Luister duizendmaal, spreek eenmaal.”
Verachting voor het gezwets van praatzuchtige en lasterende menschen, drukt op recht Turksche wijze de volgende spreekwijze uit: [79]
“De hond blaft, de wolf gaat zijn gang.”—en met eene aardige variatie:
“De hond huilt, de karavaan trekt voorbij,” wat men menigen dwazen bespotter van oude eerwaardige gewoonten en instellingen zou kunnen toeroepen.
Eenige in de Turksche spreekwoorden bevatte zedelessen, zou men gerust in één adem met de uitspraken onzer beste kerkvaders kunnen noemen, zooals b.v.
“Doet gij wat goeds, werp het in de zee; merkt de visch het al niet op, zoo weet de Heer het toch.”
of deze:
“Het goede der menschen verbergt zich in een eng vertrek, maar het kwade wandelt op breede wegen.”
Of het volgende:
“Doe goed dengene die u slecht behandelt, dan zult gij bij hem en bij God genade vinden.”
Van deze laatste spreuk zou men bijna geneigd zijn te gelooven, dat de Turken, die wij gewoonlijk het oude: “oog om oog, tand om tand” toegedaan houden, haar van buiten af ontvangen hebben, wanneer het niet uitgemaakt was, dat zij reeds bij Turksche stammen, zelfs in den tijd van Mohammed, gebruikelijk was.
Niet minder mag het ons verwonderen, dat zelfs het “ken u zelven” der Grieken, bij deze Osmanische barbaren zoo hoog in waarde was.
“Wie zich zelven begrijpt,” zeiden zij met nadruk, “die begrijpt God.”
Welke fraaie beteekenis heeft ook niet deze spreuk:
“Die des avonds nog slecht is, die is nimmer goed.” Zij schijnt op een vromen man te duiden, die na zijn avondgebed alle booze en wraakzuchtige plannen van den dag opgeeft.
“Toorn is uw vijand, overleg uw vriend.”
“Die toornig opgesprongen is, gaat beschaamd weer zitten.”
“Reik den ongelukkige uwen vinger, en God zal u zijne rechterhand toereiken.”
De ondankbaarheid wordt door de Turken sterk genoeg veroordeeld, want “een ondankbare,” zeggen zij, “telt niet onder de menschen.”
Geene deugd wordt meer door hen geprezen dan geduldig afwachten, geen misslag bitterder gehekeld, dan overijling.
“Snel geloopen, spoedig vermoeid.”
“Snel gewassen, spoedig uitgebloeid.”
“Wandel bedaard, dan haalt gij den haas in.”
“Geduld is de sleutel tot alle genot.”
Hun vast geloof aan het niet te veranderen noodlot, drukken zij eveneens in vele spreekwoorden eigenaardig uit, b.v.:
“Geen schild van verstand weert den pijl van den boog des noodlots af.”
“De mensch spreekt, het noodlot lacht.” (“l’Homme propose, Dieu dispose.”)
“Wat u toegedacht is, wordt u zelfs van daar toegezonden.” (uit de verst verwijderde oorden der Turksche heerschappij.) [80]
“Die geluk hebben zal, vangt ook met een ezel een gans; de ongelukkige echter vangt zelfs met een koningsvalk geen muis.”
Vele der in hunne spreekwoorden bevatte lessen van wijsheid, getuigen van eene hoogst scherpzinnige zaken- en levensbeschouwing:
“Maak u zelven niet tot een schaap, de wolven zullen spoedig bij de hand zijn.”
“Niet de reis schaadt den mensch, maar zijne reisgenooten kunnen hem schaden.”
“Wie een vriend zoekt zonder gebrek, die blijft zonder vriend.”
“Een domme vriend is erger dan een verstandig vijand.”
“Hoed u voor den vijand één maal, maar voor den vriend met wien gij omgaat, een duizend maal.”
“Wanneer u uw heer ook slechts zand geeft, steek het beleefd in den zak.”
Schillers: “Sluit u aan het vaderland, aan dat dierbare land aan, daar zijn de ware wortelen uwer kracht,” zeggen zij echt nomadisch, maar recht begrijpelijk, door: “een hond is het sterkst in zijn eigen hok.”
Ons: “hij slaat den zak en meent den ezel,” omschrijven zij sierlijker:
“Mijne dochter, ik sprak tot u, maar de schoondochter zou het hooren.”
Van het “oog des meesters” zeggen zij:
“Waar gij niet zelf zijt, daar zijn geene oogen.”
“De liefde is blind,” luidt bij hen als volgt:
“Hij is schoon, dien men van harte lief heeft.”
“Voor den minnaar is ook Bagdad niet ver.”
Ons: “een nieuwe lap op een oud kleed,” luidt bij de Turken:
“Een gezonde os voor een gebrekkelijken ploeg.”
De tijd, waarin de Turken deze en nog vele andere gulden spreuken en lessen, die ik hier voorbij ga, uitdachten en opstelden, ligt ver terug.
Er is een tijd geweest, waarin zij, even als de Spartanen naar hunne wetten, ook naar deze lessen handelden.
Er volgde een andere, waarin hun geest, door innerlijke macht aangedreven, zich machtig verhief en waarin zij, al hunne springveeren in beweging stellende, met schier Romeinsche energie de wereld aanpakten en overstroomden. De Turken hebben het beter dan eenig ander nomaden-volk verstaan, met voorzichtigheid en volgens bepaalde regels, hunne heerschappij over Europa, Azië en Afrika uit te breiden en te bevestigen. Deze omstandigheid zou voldoende zijn om te bewijzen, dat naast hunne geschiktheid voor den oorlog een zeker ordenend instinkt, naast de vernielende ook een scheppende kracht, zooals die geen andere stam van Aziatische overweldigers bezeten heeft, gewoond moet hebben.
Nu echter gelijken zij, zooals gezegd is, een boom wier bladeren door den storm afgewaaid zijn, de takken en de wortelen zijn nog wel aanwezig en men kan den geheelen bouw nog herkennen, maar het hout is broos geworden. En wanneer ook al zijn eindelijke val, “de verdrijving der ziekelijke Turken uit hunne Europeesche legerplaats naar Azië,” waarschijnlijk nog op velerlei tegenstand stooten zal, wanneer wij ook al vóór dat einde nog menige ongedachte opflikkering beleven zullen, zoo gaat de achteruitgang toch zoo zichtbaar, dat een uitdooven der vlam onvermijdelijk schijnt. [81]
“De Turken hebben geene toekomst in Europa. Hunne nationaliteit en hun godsdienst zijn onbuigzaam in wezen en vorm, zonder eenige levenswekkende kracht en zonder geschiktheid tot eene hoogere ontwikkeling, die als behoudend element eene toekomst verzekeren kan, die aan de toenemende eischen van den tijd zou voldoen,” zij zijn van eene stof, die zich niet buigen laat en daarom breken moet. Het schijnt dat zij eene volledige nederlaag te gemoet gaan. Ten minste hebben, zooals ik zeide, tot nu toe alle provinciën en staten, die zich van de heerschappij der Osmanen bevrijdden, van deze vreemdsoortige nationaliteit geheel afstand gedaan. Waarschijnlijk zullen de staten, die zich verder boven de graven der Turken verheffen zullen, even zoo handelen, en een latere ethnograaf van Europa zal dan over deze Osmanen—niets meer hebben mede te deelen. [82]
1 De trotschen te beoorlogen, den ootmoedigen genadig te zijn. Vert.
Al de lang uitgestrekte oeverlandschappen aan de zuidzijde van den midden- en beneden-Donau, verder het zuidelijke Hongarije, de zuid-oostelijke punt van Duitschland en de noordelijke- en midden-provinciën van Europeesch Turkije, worden nu door eene reeks volken van Slawischen stam bewoond. Zij hebben het door overwinningen gekroonde vaderland van Alexander den Groote (Macedonië), het zangrijke land van Orpheus (Thracië), de vroegere Romeinsche provinciën: het steeds door water en troepenmarschen geteisterde Moesië, Illyrië, Pannonië en een gedeelte van het, met de laatste bergen der Alpen gevulde Noricum (Stiermarken en Karinthië) in bezit genomen. Zij vormen een aanzienlijk bestanddeel der bevolking van Hongarije en Oostenrijk, en maken verreweg het grootste gedeelte der Europeesche onderdanen van den Turkschen Sultan uit.
Zij vormen eene geslotene compacte groep Slawische stammen, die, zoowel geographisch door hare nabuurschap, als ethnographisch door gelijksoortige afstamming, en eindelijk ook historisch door gemeenschappelijke lotgevallen, met elkander samenhangen.
Daarentegen zijn zij van de overige groote Slawische volken en rassen, door eene lange strook daar tusschen geschovene volken, gescheiden. Van de Russen in het Oosten zijn zij door de Wallachyers of Rumenen gescheiden, van de Polen en de Karpathische Slawen door de Magyaren of Hongaren, en van hunne westelijke broeders, de Moraviërs en Tschechen, door eene breede wig, gevormd door de Duitsche bevolking van Oostenrijk. Niet alleen met betrekking tot hunne geographische ligging, maar ook door ras en geaardheid, vormen zij een tamelijk scherp contrast met de overige Slawen, ofschoon zij zich meer aansluiten aan hunne noordelijke broeders (de Russen), dan aan de westelijke (de Polen en Tschechen).
Daar zij op deze wijze eene in velerlei opzicht op zich zelve staande volkenmassa vormen, heeft men ook eene eigene benaming voor hen trachten te vinden. Daar zij de meest zuidelijke van alle Slawen zijn, noemt men hen gewoonlijk de Zuidelijke-Slawen. Alle stammen dezer Zuidelijke-Slawen laten zich naar hun dialect en volkskarakter weder onder twee namen samenbrengen, namentlijk onder die van Bulgaren en Serviërs.
De naam Bulgaren heeft betrekking op de Oostelijke afdeeling der Zuidelijke-Slawen, aan den beneden-Donau en aan de Zwarte en Aegeïsche Zee, met de provinciën Moesië, Thracië, Macedonië. De naam Serviërs daarentegen duidt op de bewoners der westelijke helft, aan den midden-Donau en aan de Adriatische Zee. Beide groote onderdeelen der Zuidelijke-Slawen; het Bulgarische en het Servische, zijn zoowel met betrekking tot de grootte der bevolking, als met betrekking tot de uitgestrektheid van het grondgebied waarover zij zich uitbreiden, nagenoeg gelijk. [83]
Vrij algemeen wordt aangenomen, dat de hoofdmassa der Zuidelijke-Slawen, eerst tijdens de groote volksverhuizing, en wel in de 6de eeuw, onder de regeering van Keizer Justinianus, het grootste gedeelte hunner tegenwoordige woonplaatsen in bezit heeft genomen. Voor even zeker houdt men het, dat zij hier meerendeels nakomelingen van de hun geheel vreemde “Thraciërs,” “Macedoniërs”, “Illyriërs” als heerschende volken vonden.
Eene andere vraag, waarover de denkbeelden meer uiteenloopen, is echter, of niet reeds eenige Slawenstammen hier reeds lang en in overoude tijden, in de gebergten van Hämus, van Rhodope, aan den Macedonischen Strymon, aan den Thracischen Maritza en in de Illyrische berg-labyrinthen, midden onder de oorspronkelijke bewoners geleefd hebben. Verscheidene overoude, reeds bij de Hellenen gebruikelijke namen van bergen, steden en rivieren, schijnen dit waarschijnlijk te maken. Eveneens wijzen de tegenwoordige zeden, gebruiken en levenswijze dezer Slawen daarheen. Veel daarin stemt volkomen overeen, met hetgeen de ouden ons van hunne Noordelijke naburen, van die “Thraciërs” en “Illyriërs” mededeelen.
Men kan het nauwelijks gelooven, dat een geheel vreemdsoortig, geheel nieuw en uit verre oorden deze streken pas binnengetrokken volk, zich met behoud zijner taal, zoo geheel met de levenswijze en gewoonten van het land zou vereenzelvigd hebben. Natuurlijker is het, wanneer men zich voorstelt, dat de zoogenaamde “inval der Slawen in de 6de eeuw” niets volstrekt nieuws in het land bracht, dat hij daar veeleer reeds homogene, verbroederde maar onderdrukte volksbestanddeelen aantrof, deze slechts versterkte en onder de, het meeste gewicht in de schaal leggende Slawische, Thracische en Illyrische bevolking, in aanzien bracht.
Hoe wij ons echter het oogenschijnlijk zoo plotseling en krachtdadig optreden der Zuidelijke-Slawen, in de landen ten zuiden van den Donau te denken hebben, zij het als een inval van een nieuw element, zij het als eene innerlijke, van buiten versterkte toevloeiing uit reeds lang bestaande bronnen; zooveel is zeker, dat bij dezen inval der Slawen, andere even zoo lang bestaande volken, gedecimeerd, bij opvolging vernietigd, in de machtige Slawenmassa versmolten, of in de bergen gedreven en tot een eng gebied beperkt werden.
Van deze vroegere, òf alleen aanwezige òf ten minste domineerende, oorspronkelijke bewoners van het Grieksch-Turksche schiereiland, vinden wij nu nog in het oude Epirus een aanzienlijk overblijfsel; het volk der zoogenaamde Arnauten of Albaneezen. Daar hunne geschiedenis en aardrijkskunde, tengevolge van het zooeven gezegde, innig met die der “Zuidelijke-Slawen” samenhangt, zoo kunnen wij de beschrijving daarvan het best aan die hunner naburen, lotgenooten en nationale-vijanden vastknoopen.
Daarom zal ik alles, wat ik in deze afdeeling wensch mede te deelen, in de volgende drie afdeelingen splitsen:
[84]
De Bulgaren, wier aantal omstreeks 3 à 4 millioen zielen bedragen zal, bewonen nu, het voornaamste deel der bevolking uitmakende, nagenoeg geheel het oude Macedonië, het grootste gedeelte van Thracië of Rumelië en de oude Donau-provincie Neder-Moesië.
Na hetgeen ik reeds gezegd heb, is het mogelijk dat in deze streken, sedert de alleroudste tijden, Slawische stammen gewoond hebben, zonder dat zij zich intussen en op den voorgrond stelden. Eerst na de groote volksverhuizing in de 5de eeuw begonnen zij zich te roeren, en daar verscheidene hunner Slawische stamgenooten uit het Noorden zich met hen verbonden, werden zij, onder den naam “Sklabänen,” “Slawen” of “Anten,” gevaarlijk voor de Oostelijke Romeinen; in de 6de eeuw deden zij verwoestende invallen in het Byzantynsche rijk, bij welke gelegenheid zij zelfs tot Athene en in den Peleponnesus doordrongen.
Deze “Sklabänen” kwamen langs de mondingen van den Donau uit het groote gebied der Russen, en zoo schijnen dan ook nog heden ten dage hunne nakomelingen in taal, wezen en gewoonten, ware tweelingsbroeders te zijn der Russen, en wel voornamentlijk der Klein-Russen uit de omstreken van Kiew en der Ukraine.
De naam Bulgaren was aanvankelijk bij hen onbekend. Even zooals zulks meermalen met de andere Slawenstammen plaats had, geraakten ook de Slawen van den Balkan zeer spoedig onder de heerschappij van een ander krachtig volk. Het waren de Finsch-Tartaarsche Bulgaren, die tegen het einde der 7de eeuw van den Ural en de Wolga de Slawen volgden, toen deze over den Donau trokken en daar aan den voet van den Balkan op dergelijke wijze een groot rijk stichtten, als hunne broeders de Magyaren, het iets later in Hongarije deden.—Hun naam “Bulgaren” stamt, zegt men, af van de groote rivier de Wolga, en beteekent zooveel als Wolgaren, bewoners der oevers van de Wolga.
Het grootste deel der onderdanen van dit Bulgarenrijk bestond nu uit die Slawen, de Koningen en de adel echter waren van Finsch-Tartaarschen stam. Onder aanvoering der vreemde overheerschers, in wier legers zij bloot als soldaten dienden, hebben de Balkan-Slawen bijna alle oorspronkelijke bewoners van Oud-Macedonischen- en Thracischen stam in die streken, uitgeroeid of in zich opgenomen en zich overal, tot in Thessalië toe, in hunne plaats gesteld.
Het rijk der Bulgaren, die vierhonderd jaren lang, met de Byzantynsche [85]Keizers in schier onafgebroken bloedigen oorlog leefden, bevatte ten tijde zijner grootste uitgestrektheid, niet alleen de bovengenoemde provinciën ten zuiden van den Donau, maar ook het oude Dacië (Zevenburgen) en een groot deel van Hongarije, welk laatste zij echter weldra aan de Magyaren verloren. Even als Zevenburgen aan de Magyaren kwam, zoo vervielen de zuidelijke provinciën, Macedonië en Thracië, somwijlen weder aan de Byzantijnsche Keizers, als deze eens het bit op de tanden namen, zonder dat dan echter de vreemde bevolking uitgeroeid werd. Het langst handhaafden de Bulgaarsche Koningen zich in de Donau-provincie Moesië, waar zij in hunne koningsstad Tirnowo, het Moskou der Bulgaren, resideerden. Daardoor is ook tot op den tegenwoordigen tijd de naam “Bulgarije” aan die streek verbleven.
De Finsche Bulgaren aan den Balkan hebben een ander lot gehad, dan hunne in Hongarije binnengetrokken broeders, de Magyaren. Terwijl deze midden onder de Slawen tot op onze dagen als een eigendommelijk volk zijn blijven bestaan, verloren zich de Bulgaren langzamerhand onder hunne Slawische onderdanen. Zij namen de taal, de levenswijze en ook de Grieksch-christelijke godsdienst der Slawen aan en veranderden zich allengs in Slawen. Dit geschiedde in de 8ste en 9de eeuw. Niets bleef van hen overig, dan de Finsche naam “Bulgaren,” die de eens aan het groote rijk hunner Chans, ten zuiden van den Donau onderworpene Slawenstammen, als hun algemeenen nationalen-naam hadden aangenomen, zooals op gelijke wijze, de oude Galliërs den Germaanschen naam van Franschen, van hunne in hunne nationaliteit opgegane gebieders, de Franken, aannamen.
Sedert de 10de eeuw herinnert slechts weinig bij de Bulgaren aan de Finnen en Tartaren, veeleer schijnen zij in zeden en gewoonten werkelijke Slawen, alleen hunne taal toont in bouw en syntaxis nog eenige Tartaarsche sporen. Even als de Tartaren scheren zij zich het hoofd, en even als dezen laten zij op den schedel een langen haarbos staan. De Bulgaarsche Slawen beroemen er zich op, onder alle Slawen de eersten geweest te zijn, die het Christendom aannamen, eene schrijftaal en literatuur ontwikkelden. Zonder twijfel hebben zij dit voorrecht te danken aan hunne nabuurschap met Constantinopel. De bijbel werd het eerst van alle Slawische dialecten in het Bulgaarsch vertaald. Het oud-Bulgaarsch, waarvan het nieuw-Bulgaarsch eenigzins afwijkt, had de eer de heilige kerktaal der Russen en van alle andere niet-Katholieke Slawen te worden.
Het schijnt echter, dat met de oplossing van het krachtige, vreemde, Tartaarsch-Finsche element, met het Slawisch worden van den Bulgaarschen adel en der Koningen, en met de aanneming van het christendom, ook de wilde energie van het volk verdween. Wel bestond het oude Bulgaarsche Koningrijk te Tirnowo in Moesië, binnen beperkte grenzen nog eenige eeuwen lang; wel voerde het nog menigen oorlog met de Byzantijnen, de Serben en andere naburen, maar het grootste gedeelte der Slawische Bulgaren waren aan deze naburen onderworpen, en eindelijk werd het na de 15de eeuw een gemakkelijke buit der Osmanische Turken. Van alle Europeanen hebben de Bulgaren het juk der Turken het langst gedragen, en sinds het zooeven opgegeven tijdpunt zijn zij, betrekkelijk, [86]de trouwste of liever de geduldigste onderdanen der Turken geweest, wien zij nimmer zooveel last berokkend hebben, als de stoutmoedige Serviërs en hunne naburen de dappere Albaneezen. Nog meer dan dezen zijn zij geheel aan de Turken onderworpen geworden. Onder hen bestaan er geene zulke onafhankelijke berg-republieken, als die der Montenegrijnen onder de Serviërs, als die der Mirditen (d.i. de dappere mannen) en andere, onder de Albaneezen zijn. Alle Bulgaren zijn over zoogenaamde “Spahiliks,” dat wil zeggen leengoederen, verdeeld, en zij verrichten heerendiensten voor en zijn cijnsplichtig aan den Spahi, (den leenheer) die altijd een Turk is; aan wien zij dus even onderworpen zijn als de Russische lijfeigene aan zijn edelman. Zij maken in de door hen bezette landstreken de eigenlijke landbewoners en arbeiders uit. Alle bebouwing van den grond en alle handenarbeid wordt door hen verricht. De ploeg, de spade, de bijenkorf, de veestal, de jaarmarkt zijn zaken, die zij boven alles liefhebben. Zij gaan, evenals de Duitsche Holland-gangers, bij geheele scharen naar naburige rijken of provinciën, om daar als daglooners het gras te maaien of den oogst binnen te halen.
Geheel anders dan de oorlogzuchtige Serviërs en Albaneezen, hebben de Bulgaren, sedert het te loor gaan van hun niet onroemrijk verleden, met andere woorden sedert meer dan 500 jaren, het moorddadig krijgsgewemel over hunnen rug laten rollen, zonder daaraan een actief aandeel te nemen. Zij vreesden oorlog en strijd, en hunne soldaten hebben zelden heldendaden verricht. Ja de trotsche Osmanli heeft hen zelfs meermalen vol verachting van zijn leger, waarin Bosniërs en Albaneezen de voornaamste plaats innamen, uitgesloten. De Bulgaren hebben in den nieuweren tijd slechts nog ééne soort helden gehad, hunne zoogenaamde Haiducken, hunne roovers, die ten allen tijde in de bergen van den Balkan te vinden waren en zijn, maar wier aantal in onrustige tijden, wanneer hunne vaderlandsliefde opgewekt werd, dikwijls tot groote en gevaarlijke scharen aanwies.
Wanneer de Bulgaar de hem dikwijls door zijne Osmanische heeren toegevoegde onbillijkheden niet langer verdragen kan; wanneer hem zijne bruid ontvoerd, of zijn land en grond geroofd wordt; wanneer het hem, zooals den Zwitser Melchtal, gebeurt, dat de een of andere brutale machthebber, zijn vader het gezicht ontneemt of doodt; wanneer hij zich in eene samenzwering ter bevrijding van het vaderland ingelaten, of tegen de wetten zijner gebieders gezondigd heeft, dan zegt hij: “ik word Haiduck!” met andere woorden, hij gaat naar de woeste en afgelegene gedeelten van den Balkan, en leidt daar met gelijkgezinden, de Turksche overheid trotseerende, een wild, vrij rooversleven. Uit den schoot dezer patriotsche en oproerige Haiducken-vereenigingen zijn somwijlen, als zij om zich henengrepen, als zij toevloed uit invloedrijke familiën kregen, groote schokken voor het land ontstaan.
Zoowel onder Tartaarsche, Byzantynsche, als onder Turksche heerschappij, onder den hardsten druk en onder eeuwenlange kwellingen, hebben de Bulgaren hunne oorspronkelijke gewoonten, hun Slawisch nationaal-karakter en hunne taal bewaard. Zij zijn, zooals wij reeds zeiden, een wel vreedzaam maar taai volk, geduldig maar volhardend, gedwee maar arbeidzaam. Overal waar zij [87]komen, b.v. ook in Zuid-Rusland, dat sedert de tijden van Catherina vele duizende Bulgaarsche landverhuizers ontving, genieten zij den roep, uitstekende landbouwers en spaarzame huisvaders te zijn, die somwijlen niet minder werkzaam en vlijtig zijn dan de Duitsche kolonist. In Rusland kan men het best opmerken, hoezeer zij in taal en zeden op de Russen gelijken, hoewel zij in politieken zin niet altijd met den grooten Czar sympathiseeren.
De woonplaatsen, dorpen en huizen, die de Bulgaren aan beide hellingen van den, met bosschen wilde kersen-, pruimen- en andere boomen bedekten, Balkan en van het Rhodope-gebergte, ja! in alle bergen en dalen tot aan den voet van den Olympus, tot aan de grenzen van Thessalië gebouwd hebben, gelijken in hooge mate op die der Klein-Russen en Kozakken in zuidelijk Rusland. Even als daar hebben ook zij hunne woningen half in den grond ingegraven, terwijl die voor het overige uit leem, riet en vlechtwerk bestaan. Even als de Kozak, bouwt ook de Bulgaar een aparten stal voor zijne paardjes, een anderen voor zijne ossen, een anderen voor de schapen of geiten, kippen of honden. En het geheel van zulk eene boeren-hofstede ziet er uit als eene bonte verzameling korven van wilgentakken gevlochten, verschillend in grootte en vorm.
Binnen deze woon- en huishoudingkorven houden zij overigens op hunne wijze alles zeer netjes; op hunne akkers en in hunne tuinen maken zij van ieder hoekje gebruik, om het te bebouwen en ieder plekje van eene vruchtdragende plant te voorzien.
Even als de Russen en schier alle Slawen, trachten ook de Bulgaren hun dikwijls treurig bestaan door gezang op te vroolijken. ’s Morgens vroeg als zij uitgaan, en ’s avonds laat wanneer zij bij troepen van het veld terugkeeren, zingen de mannen en vrouwen hunne melancholische, eentoonige liederen, die ver over de velden klinken en dikwijls den nacht met zwaarmoedige klanken vervullen. Ook aan het hoofd hunner kudden, die hunne melodiën volgen, trekken zij met gezang uit. Het instrument, waarmede zij hunne liederen accompagneeren, schijnt eene navolging te zijn van de fluit, waarop de herders van Theokrites bliezen. De oude Grieksche dubbel-tibia is bij de Bulgaren, zooals ook bij de Zuidelijke-Slawen nog van dezelfde antieke gedaante. Men beleeft in het binnenste der door hen bewoonde dalen, vlakten en heuvelen, momenten en tooneelen, die aan het leven der herders en herderinnen van Arkadië herinneren.
Een der merkwaardigste onder hunne antieke, nog nu bestaande gewoonten, is de zoogenaamde “Probatimstwo” (de verbroedering). Evenals de oude Thraciërs, bij wie reeds de Grieken deze gewoonte vonden, en van wie de Bulgaren haar waarschijnlijk overnamen, nemen zij meermalen een geliefd persoon als broeder of zuster aan. Een priester zegent deze verbintenis, even als het huwelijk, in. Aan de beide vrienden wordt daarbij, boven het graf hunner ouders, een krans op het hoofd gezet. Zij geven elkander vervolgens den broederkus en zijn nu als “Probatim” (bonds-broeders) voor het leven in geluk en ongeluk aan elkander verbonden. Somwijlen verbinden zich op dezelfde wijze geheele familiën. Deze schoone gewoonte is echter niet uitsluitend Bulgaarsch. Men vindt ze ook bij andere Zuidelijke-Slawen. [88]
De Bulgaarsche vrouwen behooren tot de schoonste van Turkije. Zij zijn van eene hooge, goedgevormde, krachtige en toch uiterst fijne gestalte, die men dikwijls, wanneer zij met golvend, met frissche bloemen versierd haar voorbij zweven, met bewondering in dit barbaren-land ziet. Meer dan eens is, wanneer door een Osmanli zulk eene Bulgaarsche Helena ontvoerd werd, het geheele land in rep en roer gekomen, evenals Griekenland toen de echtgenoote van Menelaus geroofd werd, en zijn dien tengevolge gebeurtenissen voorgevallen, die men als eene herhaling in het klein van den Trojaanschen oorlog zou kunnen beschouwen.
Van de mythe van Orpheus, die 1250 jaren vóór de geboorte van Christus de dieren des wouds betooverde, en ook van meer andere dergelijke poëtische sagen, die de Grieken bij de oude Thraciërs putten, kan men ook onder de hedendaagsche Bulgaren sporen vinden, en tot zulke idyllische genrebeelden als die welke Homerus en Theokrites ons schilderen, hadden ook de Bulgaarsche dorpstooneelen aanleiding kunnen geven, als de dagelijksche voorvallen in het land der Prinses Nausica of onder de Sikelische herders.
Een Duitsch geleerde heeft, zooals bekend is, onze Philhellenen op eene wreede wijze uit den droom gewekt, doordien hij hun trachtte te bewijzen, dat de tegenwoordige Grieken geene nakomelingen der oude Hellenen, maar hoofdzakelijk slechts Slawen waren. Wanneer men echter in het Slawisch-Bulgarije, dingen als de bovengenoemde waarneemt, zou men haast omgekeerd gelooven, dat zelfs de andere genoemde Slawen nog dezelfde antieke en onveranderde tijdgenooten van Homerus zijn. Het schijnt zelfs, dat deze oude zanger dezelfde menschen onder andere namen voor zich gehad heeft. Is dit wellicht niet anders dan een schijn, zoo vindt men toch in Thracië, zooals in het algemeen in iedere andere aardstreek, zekeren geest, niet een volks- maar een landsgeest, die zich daar zoo inheemsch gemaakt heeft, dat hij alle stammen, die zijn land binnentrekken, aangrijpt en met zich eenvormig maakt.
Ook in de groote steden, die in het land aangetroffen werden, in Sophia, Varna, Philippopolis enz, zijn de Bulgaren ingedrongen, ofschoon zij daarin niet zoo den boventoon kregen als op het platte land, waar zij alles overstroomden. Geen dezer steden hebben zij zelven gebouwd. Het zijn overoude Grieksche en Romeinsche stichtingen, die in de algemeene Slawen-overstrooming als staan-geblevene boomen uitsteken, en waarin de kern nog heden Grieksche burgers en nevens hen Joden en Armeniërs zijn, terwijl als hoofd over allen een Turksch Pascha met zijne Spahis en Trawanten staat. Zelfs in de steden, die zooals Adrianopel en Gallipoli reeds geheel in het Grieksche bevolkings-gebied liggen, zijn de marktkramer, de daglooner en de mindere man Bulgaren. En zelfs Constantinopel heeft eene zeer aanzienlijke Slawisch-Bulgaarsche bevolking.
Hier in Constantinopel was natuurlijk van ouds her, even als voor alle volken van het groote Grieksch-Illyrische schier-eiland, zoo ook voor de Zuidelijke-Slawen, een ruim veld ter verkrijging van rijkdommen, invloed en macht. Vele Slawen werden hier tot den Islam bekeerd en klommen dan dikwijls als renegaten tot hooge waardigheden op. Eenige der in de geschiedenis der Osmanen uitstekendste ministers of Groot-Vizieren, waren van Slawischen oorsprong, zoo [89]b.v. Chosrew-Pascha onder Murad IV, zoo ook de machtige Mehemed Sokolis, die als een arme Bulgaarsche Slawe naar Stamboel gesleept, en vervolgens in den dienst getrokken werd, wiens steun hij worden zou.
Ja, reeds ten tijde der Byzantynsche Keizers hebben zich niet zelden zulke Slawen, van slaven of gewone soldaten, tot gekroonde souvereinen opgewerkt. Meer dan één beroemd Oost-Romeinsch Keizer was van Slawisch-Bulgaarsch bloed. Ook Belisarius, de gevierde held en veldheer van Justinianus, schijnt, naar zijne geboorte en naam te oordeelen, een echte Slawe geweest te zijn. Nog nu weet ieder de beteekenis van het woord “Belisarius” (Beloi Czar = de witte Vorst.)
Even als naar Rusland, zoo zijn ook vele Bulgaren bij verschillende gelegenheden naar Hongarije getrokken, en eindelijk zijn, van Constantinopel uit, de Bulgaren ook somwijlen bij honderdduizenden naar Klein-Azië overgeplant geworden. Maar hier, in een overzicht over Europa, hebben wij hunne lotgevallen dáár niet te volgen. [90]
Zeer onderscheiden van de Bulgaren, zijn in geest en wezen hunne broeders en naburen in het Westen, de Slawen van Servischen stam, die men gewoonlijk Illyro-Serviërs of ook de Illyrische-Slawen noemt. Deze hebben, in tegenstelling met de geduldige, arbeidzame Bulgaren, eenige der oorlogzuchtigste en ondernemendste stammen van het Turksche rijk voortgebracht, die tegelijkertijd de slechtste landbouwers en tuiniers er van zijn.
Uit de Slawen van dezen stam, kwamen het eerst de bewoners van het Vorstendom Servië te voorschijn, die in den nieuweren tijd hunne onafhankelijkheid door eene reeks bloedige oorlogen bevochten hebben,—de dappere Bosniaken, die eens de beste rekruten voor het Janitscharen-korps leverden—de onbuigzame Montenegrijnen, een hoopje bergbewoners, die van oudsher de macht der Osmanlis trotseerden. Ook de Morlaken en Dalmatiërs, die somwijlen als zeeroovers de schrik der Adriatische zee, en gewoonlijk ook de beste matrozen der Dogen van Venetië geweest zijn, behooren tot dezen kernachtigen Slawenstam; eindelijk de Slavoniërs en de, zoo al niet geheel Servische, toch den Serviërs zeer na verwante, “Krowaten” of Kroaten, wier regimenten, onder Hongaarsche of Oostenrijksche vanen, zich in vreemde landen dikwijls gevreesd genoeg hebben gemaakt.
De naam “Serviër” was eens een der groote nationale- of algemeene namen der Slawen. Even als bij de Duitschers de naam “Allemannen”, die bij de Franschen nog altijd de algemeene naam voor hen is, zoo is de naam Serviër ook nu slechts aan eene onderafdeeling der Slawen eigen gebleven.
De oorspronkelijke woonplaats der Serviërs en der van oudsher met hen verbroederde en naburige Kroaten, zou aan den noordelijken voet der Karpathen in het tegenwoordige koningrijk Gallicië geweest zijn, en zij zouden van de daar woonachtige Ruthenen of Klein-Russen afstammen. Thans nog duidt hunne taal, die nauw aan de Rutheensche verwant is, hunne afkomst uit die noordelijke streken aan.
Ook de talrijke Lithauwsche uitdrukkingen, die in de Servische taal behouden zijn, schijnen te bewijzen, dat zij van het noorden der Karpathen, uit de nabuurschap der Lithauwsche en Finsche volksstammen afkomstig waren.
Zij moeten in hunne tegenwoordige woonplaatsen, in de vroegere Romeinsche provincie Illyrië, in het begin der 7de eeuw, toen daar de Finsch-Tartaarsche Awaren heerschten, binnengerukt zijn. De Serviërs vernietigden in die streken de heerschappij der Awaren en de hun onderworpene oorspronkelijke [91]bevolking, en slawiseerden het geheele land. Hier en daar meent men echter onder hen, b.v. in de zeden en het uiterlijk der Servische Morlaken van Dalmatië, nu nog sporen dier Tartaarsche Awaren te herkennen.
Van af den Donau en de gebergten van Illyrië, waar zij het eerst kwamen, drongen deze Servische Slawen door tot aan de Adriatische Zee in de nabijheid van Venetië, en verspreidden zich vervolgens langs de Drave en Save, tot aan de grenzen van Tyrol, Salzburg en Opper-Oostenrijk over al de Oostelijke dalen der Alpen.
Zij verspreidden zich dus, van de noordelijke grenzen van Macedonië en Albanië, tot in Duitschland, over een lang uitgestrekt gebied, dat bijna even groot is als het koningrijk Pruissen, en waarin zich nu nog 6 à 7 millioen Slawen bevinden.
Bijna geen ander Slawisch volk is in zoovele kleine onderafdeelingen, nevenstammen en dialekten gesplitst en heeft zulke afwisselende lotgevallen gehad, als het Illyrische of Servische. Op hun uitgestrekt gebied ontmoeten wij eene menigte verschillende volks- en provincienamen. De bij alle Slawen reeds sedert oude tijden in het ooggehoudene, aan elkander hangende en verschillende onderdeden bevattende, familie- en stam-verhoudingen, zijn bij deze Servische Slawen nog tot op den huidigen dag onveranderd gebleven. Als hunne dochters huwen, begeven zich naar oud gebruik de schoonzonen en ook de zonen met hunne vrouwen, zoo mogelijk onder hetzelfde dak, in verschillende kamertjes verdeeld. Kan men dit niet meer, dan vestigen zij zich ten minste met der woon rondom het huis van den familie-vader. Breidt het geslacht zich nog meer uit, dan neemt het den akker, die het dichtst bij de woonplaats van het hoofd van den stam gelegen is, in bezit; de oudste van den stam blijft het hoofd van het geslacht. Zoo vormt bij hen in den regel ieder dorp, eene enkele zich zelve regeerende familie, die met de overige wereld en met de rijks overheid alleen door hun “Ouden,” hun patriarchaal opperhoofd, in betrekking staat. Ook de grootere staatsburgerlijke afdeelingen en distrikten, vallen gewoonlijk met geslachts-verbindingen en bloedverwantschappen zamen. Nagenoeg iedere familie, iedere stam heeft zijn rivierdal, zijn bergketen, zijne afgeslotene hooge vlakte, voor zich. In afgelegene en ontoegankelijke hoeken van het land, hebben deze geslachten dikwijls sedert oude tijden, de Romeinen, Byzantijnen en Turken getrotseerd en als vrye mannen hunne onafhankelijkheid bewaard. Hoezeer het familieleven in de natuur dezer volksstammen ingeweven is, kan men daaruit afleiden, dat bij hen, die de zee bevaren, letterlijk elk door hen bemand schip, om zoo te zeggen eene varende familie, eene drijvende Clan is. Van den kapitein tot den scheepsjongen, bestaat de geheele equipage uit bloedverwanten.
Uit deze verhoudingen en neigingen zeg ik, zullen waarschijnlijk de ontelbare stam- en volksnamen der Illyro-Servische Slawen ontstaan zijn. Om echter over de hierdoor ontstane namenverwarring een overzicht te hebben, mag men die stammen verdeelen in de volgende hoofdgroepen: 1) De Serviërs in engeren zin, waartoe de Slavoniërs, de Bosniaken, de Montenegrijnen, de Dalmatiërs en de bewoners van het tegenwoordig zoogenaamd Vorstendom Servië gerekend [92]worden. 2) De Kroaten in Turkije en Oostenrijk; 3) de zoogenaamde Slovenen of Wenden in Istrië, Stiermarken en de Krain. Verscheidene omstandigheden bewijzen, dat zij allen gezamentlijk tot ééne enkele groote afdeeling der Slawen behooren, die hoewel in zich zelve gelijksoortig, van andere groote Slawen-afdeelingen, de Bulgaren in het oosten en de Czechen en Polen in het noorden, veelvuldig verschillen. Ook is er niet aan te twijfelen, dat al de genoemde stammen met elkander sympathiseeren en elkander als broeders van denzelfden stam beschouwen. Zelfs de ontwikkelde Oostenrijksche officier, die aan de Drave onder Duitsche heerschappij geboren is, begroet de halfwilde Montenegrijnen, als hij bij hen in hunne rotsennesten komt, als zijne vrienden, en zijn hart klopt sneller als hij hunne vaderlandsliefde-ademende gezangen hoort.
Van genoemde drie afdeelingen der Slawische Illyriërs hebben zich de eerstgenoemden, de Serviërs in engeren zin, van oudsher als een levendig, dapper, poëtisch en vrijheidlievend volk gekenmerkt. Zij bezetten de landen der Dardaners, Triballers en andere wegens hunne onhandelbaarheid reeds in de oudheid veel genoemde volken, en erfden iets van hunne zeden en geest, waar zij niet al reeds oorspronkelijk met hen eenigzins verwant waren.
De geheele streek, die zij bewonen, van den Donau tot aan de Adriatische Zee, is met steile bergen en met de schoonste, aan verschillende boomsoorten rijke, eeuwenoude wouden bedekt, waarin hier en daar nog wolven, beeren en andere wilde dieren huizen. Tusschen de door kastanje-bosschen omkranste hoogten, in de taal van het land “Planina” (zooveel als: Alpen) genoemd, liggen hier en daar liefelijke, met wateren doorsnedene, groene, vruchtbare dal- en weide-ketels of campagnen, welke de taal des lands “Livada” noemt. Deze beide woorden “Planina” en “Livada,” die de reiziger overal in Servië ontmoet, geven op de duidelijkste wijze het karakter aan, der door de Servische stammen bewoonde streken.
Even als de oude Triballers en Dardaners, daalden de Serviërs in vroegere tijden van hunne bergen af en maakten, even als de Bulgaren, verwoestende tochten naar het zuiden, tot in den Peleponnesus. De eerste eeuwen hunner geschiedenis zijn eene aaneenschakeling van onafgebrokene oorlogen met de naburige Bulgaren en met de Byzantijnsche Keizers, wien zij wel dikwijls nood en gevaar brachten, maar van wie zij af en toe ook afhankelijk waren. Het toppunt hunner macht bereikten zij in de 14de eeuw. Toen hadden zij de geheele Oostelijke helft van Illyrië tot één koningrijk vereenigd. Ja! een korten tijd (1336–1356) behoorden tot dit Servische Koningrijk zelfs ook Macedonië en verscheidene provinciën van Griekenland. Dat viel voor onder de regeering van den Servischen Kraal (Koning) Stephanus Dushan, die dien tengevolge ook den weidschen titel van “Keizer van het morgenland” aannam. Maar van dit toppunt hunner macht, gingen de Serviërs weldra een snellen val te gemoet.
De Turken vielen Europa binnen, leverden in het jaar 1389, aan de Serviërs en de met hen verbondene Hongaren en Wallachijers, den slag op het Amselveld, een der “Livadas” of dalketels in Boven-Servië, dat zoo dikwijls met bloed gedrenkt is geworden.—En sedert dien tijd waren de Serviërs de—wel is waar niet zeer gehoorzame—onderdanen der Turken. Nog heden ten [93]dage staat hun de herinnering aan dien slag op het Amselveld, waarin hun Koning, hun adel, hunne geestelijkheid, de bloem van hun volk, hun geheel nauwelijks ontstaan rijk, door de Turken vernietigd werd, levendig voor den geest. Deze tragische gebeurtenis is het groote nationale-ongeluk van den Servischen stam. Hunne volkspoëzie dwaalde sedert dien tijd treurig en klagend langs de grafheuvelen van het “Amselveld,” zooals omgekeerd de natie vol verlangen blikt, naar het toppunt hunner vroegere macht, onder dien zoogenaamden “Keizer” Stephanus Dushan, als naar het doel, dat zij zich voorstellen eens weder te bereiken.
Tot nu toe echter is hun op dien weg niets verder gelukt, dan de grondvesting van het kleine Vorstendom Servië in het dal-labyrinth der rivier Morawa, en die van dien merkwaardigen kleinen roofridderstaat op de ontoegankelijke sombere rotstoppen van Tschorna-Gora of Montenegro (Zwarte berg), waar een oorlogzuchtig bisschop, met eene uit despotismus en republikanismus gemengde regeeringswijze, eene heldhaftige gemeente bestuurt en met de zijnen een leven leidt, dat letterlijk in alle bijzonderheden reeds bij Homerus bekend schijnt geweest te zijn, die het, in zijne schilderingen der roofzuchtige Phacaken en hunnen Koning, schijnt bezongen te hebben.
De Serviërs waren, toen zij naar Illyrië kwamen, heidenen, maar weldra werden zij, even als bijna alle Zuidelijke en Oostelijke Slawen, door de Byzantynen gedoopt en voor de Grieksche Kerk gewonnen. Het grootste gedeelte van het volk omhelst dit geloof, dat hen ook weder met hunne stamgenooten, de Russen en Bulgaren, verbond, nog ten huidigen dage: slechts bij één stam der Serviërs, de Bosniaken, is het den Turken gelukt, aanhangers voor den Koran te winnen. De trotsche en rijke adel der Bosniaken ging bij de Turksche verovering tot den Islam over, om onder de nieuwe heerschappij hunne privilegiën en hun landbezit te waarborgen. Hun voorbeeld werd door de gilden en kooplieden der Bosnische steden om dezelfde reden gevolgd. En zoo vormen de Bosniaken, tot groot verdriet der Servische patriotten, midden in Illyrië een Slawischen stam, waarvan de hoogste klassen, wel niet Turksch, maar toch Mohamedaansch, en wel zooals gewoonlijk de renegaten, fanatiek Mohamedaansch geworden zijn. Al de door de Turksche Keizers in den laatsten tijd goedgevondene nieuwigheden en hervormingen, hebben bij de Bosnische aanhangers van den profeet op hardnekkigen tegenstand gestooten. Ofschoon zij grootendeels hunne oude Slawische taal gehouden hebben, ofschoon hun Mohamedanisme met een weinig christelijks vermengd is—(de muzelmansche edellieden van Bosnië vieren nog in hunne familiekringen, de oude feesten der door hunne christen-voorvaderen vereerde beschermheiligen, een St. Elias- een St. George- een St. Petrus feest; laten somwijlen door christen-popen bij de graven hunner vaderen bidden, betalen ook nog missen voor hunne zielen)—ofschoon verder een eigenlijk Osman nauwlijks in hun land te vinden is—(de Sultans moeten, in den regel, in het land geboren Slawische edellieden tot gouverneurs der provincie maken, en was de uit Stamboel gezonden Vizier een Osman, dan moest hij zich wel wachten zijne citadel bij Trawnik te verlaten, en mocht hij zelfs in de hoofdstad van het land, Bosna Serai, niet langer dan drie dagen vertoeven,) [94]zoo hebben toch deze fanatieke en oorlogzuchtige Bosniaken, dikwijls zelfs tegen den Sultan zelven, in naam van Mohamed en de oude Turksche instellingen, hunne vanen ontplooid.—Men heeft hen wel eens “de Vendeërs van Turkije” genoemd.
Van oudsher leverden zij den Sultan mede zijne beste troepen, en de Janitscharen, die Mahmoed II in de eerste twintig jaren dezer eeuw met het zwaard en de bijl vervolgde en uitmoordde, waren voor een groot deel Slawische Bosniaken. Zij zijn ook tot in den laatsten tijd, meer dan eenmaal tegen hunne christelijke, maar door hen verachte en met hoogmoed behandelde, stambroeders in het Vorstendom Servië te velde getrokken, en hebben zij gedreigd de vrijheden, door den Sultan dit rijk toegekend, te vernietigen.
Tot aan de Adriatische zee, tot aan de sedert oude tijden Dalmatië en Liburnië genoemde kustlanden, drongen de gezamenlijke Servische stammen door, en zelfs hebben zij al de tallooze rots-eilanden en klippen, die langs de oostzijde van die zee liggen, met hunne geslachten bezet. Daar vonden zij eene reeks oude, bloeiende, Romeinsche handelsteden: Rausium of Ragusa, Salona en andere. Ook in deze steden, zelfs in het oude groote paleis van Keizer Diocletianus, dat binnen zijne vervallen muren eene geheele gemeente, de stad Spalatro opnam, drongen de Servische Slawen door, en vulden ze zoowel met hunne burgerlijke als adellijke geslachten. De in de middeneeuwen zoo bloeiende en beroemde republiek Ragusa was eene Servische gemeente. Men heeft haar wel eens “het Servisch Athene” genoemd, en hare patricische geslachten zoeken nog heden de wortelen hunner stamboomen, in de Planinas en Livadas van Bosnië en Servië. Van oudsher echter was deze kust, langs de Adriatische zee, aan de invloeden van Italië blootgesteld. Ten tijde der Romeinen voerden natuurlijk Romeinsche taal en zeden den boventoon. Sedert de 10de eeuw tot op den nieuwen tijd stond zij onder de heerschappij der Dogen van Venetië. De daar woonachtige Slawen werden dien ten gevolge een weinig geitalianiseerd, en vermengden zich met, door hen uitgenoodigde, Italiaansche familiën. De ontwikkeldsten onder hen spreken, nu onder Oostenrijksche heerschappij, in den regel beide talen, zoowel de Italiaansche handels- en literatuur-taal, als die der Slawische boeren.
Aan deze zeeoevers vestigden zich dan ook de Servische bergvolken, zooals ik reeds gezegd heb, op schepen. Zij werden hier zulke ijverige en geschikte matrozen,—eerst zeeroovers, vervolgens als koopvaardijvaarders in dienst der republieken Venetië en Ragusa,—even als hunne voorgangers, de bij de Romeinen beroemde Liburniers geweest waren. De Riva dei Schiavoni (de oever der Slawen) in Venetië, is naar hen zoo genoemd. Ook verschijnen de Slawen nog heden ten dage, evenals vroeger in de haven en op de markt van Venetië; ook nu nog is het meerendeel der scheeps-kommandanten en matrozen der Oostenrijksche oorlogsvloot van den stam der Kust-Serviërs, of zooals zij zichzelve noemen “Morlaken” (van mora, d.i. zee).—Verscheidene der Servische familiën drongen ook bij den Venetiaanschen adel in, en hunne geitalianiseerde Slawische namen staan in het libro d’oro van Venetië opgeteekend. Evenals onder de adellijken der republiek, zoo vond men [95]ook onder de schilders der Venetiaansche school, somwijlen een man van Slawische afkomst. Ik wil aan den bekenden Nicolo Dalmata (Nikolaas de Dalmatiër) en Medola Schiavone, gewoonlijk alleen Schiavone (de Slawe) genaamd, herinneren. Ook verspreidden zich de Serviërs, van uit de Adriatische zee, vroeger nog over vele deelen der wereld. Zij kwamen als matrozen in dienst der Napolitaansche koningen, en men vindt hen nog heden ten dage naast de Italianen in alle havens der Middellandsche Zee; ja zij hebben zelfs in Amerika, b.v. in New-Orleans aan den Mississippi, kleine koloniën gesticht.
De noordwestelijke broeders en naburen der eigenlijke Serviërs, de Kroaten, drongen nog dieper de landen der West-Europeesche volken in. Zij werden allen, zelfs die, welke in het zoogenaamde Turksche Kroatië, het westelijkst uiteinde van het Turksche rijk wonen, tot den Roomsch-Katholieken godsdienst bekeerd. Onder hen vindt men noch Mohamedanen, noch Grieksche Christenen, of ten minste slechts zeer weinige. Ook de Kroaten hebben evenals de Serviërs, eens een tijd van bloei gekend, en vormden in de 10de eeuw onder hunne eigene Vorsten een eigen, niet zoo heel klein koningrijk. Maar deze Kroatische bloei duurde nog korter dan die der eigenlijke Serviërs. Reeds in het jaar 1091 werden de Kroaten door de Magyaren overweldigd, en na dien tijd deelden zij bijna altijd de lotgevallen van dit volk, als een aanhangsel van Hongarije. Slechts een klein gedeelte werd aan de Turken onderworpen en is het nog heden. De naam van hun koningrijk, figureert nog heden onder de titels van den Keizer van Oostenrijk en Koning van Hongarije. Men kan zeggen, dat zij de Janitscharen van Hongarije en Oostenrijk geweest zijn, evenals de Bosniaken die van Turkije waren.
Kroaten en Serviërs mochten in den aanvang, van hunne bergachtige landen in Illyrië uit, noordwaarts langs den Donau en door de vlakten van Pannonië, zich verbreiden en vastnestelen, maar later bestond in hun onrustig, door de Turken steeds onderdrukt en aan bloedige opstanden rijk vaderland, reden genoeg tot landverhuizing. Reeds in het jaar 1427 stond de despoot van Servië, George Brankowitsch, aan Koning Sigismund van Hongarije, de hoofdstad van Servië, het beroemde Weisenburg (Belgrado) af, en verkreeg hij daarvoor in Hongarije verscheidene landstreken, waarheen zijne onderdrukte landgenooten zich bij duizenden met der woon vestigden. Deze landverhuizing herhaalde zich ook bij verscheidene volgende gelegenheden, en zelfs in de twee laatste eeuwen hebben zich gedurende den bloei der Oostenrijksche macht, herhaalde malen groote scharen Serviërs, Bosniaken en Turksche Kroaten, naar het Oostenrijksche gebied begeven, en zetten zij zich in de groote uitgestrektheden van het Magyaren-land neder, vooral in die streken aan de zuidelijke Theiss en den Donau, die onder de Turksche heerschappij van hunne andere oorspronkelijke bewoners ontbloot waren. Buitendien heeft ook zelfs in tijden van vrede, eene voortdurende verhuizing uit het land der Serviërs naar Hongarije plaats gevonden. Van daar komt het, dat wij niet alleen Slavonië en de Oostenrijksche Militaire-grenzen, maar ook het zoogenaamde Banaat, het vruchtbare landschap aan de Theiss, en verscheidene andere streken langs den midden-Donau, vol Servische koloniën vinden. De uiterste, iets grootere kolonië der Serviërs ligt [96]aan den Donau, deels boven, deels beneden Pesth. Een kring Kroatische dorpen loopt langs de westelijke grens van Hongarije, en aan den voet der Stiermarksche Alpen, hoog naar het noorden toe; en de uiterste Kroatische koloniën liggen in eene kleine groep aan het Neusiedler-meer, niet ver van Weenen, bij elkander.
Evenals naar de Adriatische zee, zoo hebben deze nakomelingen van den Servischen stam, zich ook te scheep naar den Donau begeven, en zijn zij hier een der belangrijkste scheepvaart- en handels-volken geworden. Zij hebben bijna over de geheele rivier, van Pesth tot aan Belgrado, den voor handel en scheepvaart weinig geschikte Magyaren, dat werk afgenomen. Zij vervoeren hier tot ver naar Hongarije toe, de voortbrengselen van hun eigen vaderland, voornamelijk die bij de Mohamedanen en Joden zoo weinig in aanzien zijnde dieren, die den overleden Vorst van Servië, Milosch, zoo rijk gemaakt hebben. Zij zijn natuurlijk hoofdzakelijk de vervoerders van die dieren langs de Save en Drave. Men noemt de uit Servië overgekomene schippers en kooplieden in Hongarije, gewoonlijk “Razen” en hunne groote schepen op den Donau “Razina’s” naar het land der Raiszen of Rasziërs, dat de naam eener Servische provincie is. Uit deze en andere Servische elementen, heeft zich letterlijk bij iedere der Hongaarsche Donausteden, eene door Servische schippers, werklieden, kramers en handwerkers bewoonde, zoogenaamde Razen-stad gevormd, even zooals sommige onzer steden eene bepaalde Joden-wijk hebben. Het laatste dergelijk Razen- of Serviërs-kwartier in noord-westelijke richting vindt men in Weenen zelf, terwijl het uiterste in omgekeerde of in zuid-oostelijke richting in Constantinopel gezocht moet worden. De gezamelijke Slawische bevolking van zuidelijk Hongarije is, van af Pesth, als voornamelijk Servisch te beschouwen, en hun aantal in Oostenrijk, met inbegrip der Slavoniërs, Kroaten en der Servische bewoners der Militaire grenzen en der zoogenaamde Woiwodina, bedraagt nagenoeg 3½ millioen.
Het westelijk gedeelte van den grooten stam der Zuidelijke-Slaven, bestaat uit de Slowenzen of Winden in Karinthië, Krain en Stiermarken. Ofschoon de geschiedenis van den inval dezer Winden in het duister ligt, zooveel is toch zeker, dat hunne taal een dialekt is der Servische en Kroatische, en dat zij tot dezen zuidelijken, niet tot den noordelijken Slawenstam der Czechen en Polen, moet gerekend worden. Dit wordt ook bevestigd door den toon en het karakter hunner volks-poëzie, die weinig overeenkomst met die der Czechen heeft. Zij verraadt eene geheele andere wijze van beschouwing en uitdrukking dan deze, en bezit, even als de Servische, iets zeer tragisch. Veel van haar is geheel en al Servisch, vooral in de liederen, die het gebied der geschiedenis en van het nationaal verleden betreden, en die op volkssagen van smartelijken en beteekenisvollen inhoud berusten.
Reeds Karel de Groote deed in de 9de eeuw dezen, het Germaansche gebied al te diep binnengedrongenen, Slawen den oorlog aan, onderwierp hen en verdeelde hun land in grensmarken; na dien tijd zijn zij bijna altijd aan de Duitschers onderworpen geweest. Hun adel verloor zich in dien der Duitschers, en de burgerij der steden van hun land heeft zich geheel uit Duitsche elementen [97]ontwikkeld; zij zelven zijn niet anders dan de herders, land- en wijnbouwers van hun land. Nu reiken deze westelijkste der Zuidelijke-Slawen, niet verder dan tot aan het Venetiaansche, tot aan den Isonzo en de hooge Alpentoppen van den Terglou of Triglowa, een Slawische naam die “driehoofdig” beteekent, en tot voorbij Klagenfurt. Aanvankelijk echter waren zij nog verder vooruitgedrongen, tot in de dalen aan den Grosz-Glöckner en tot aan Tyrol en Opper-Oostenrijk.
Maar hier heeft de terugslag van hetgeen in Duitschland gebeurd was, hunne macht geknot. In Tyrol, Salzburg, Opper-Oostenrijk en in de Noordelijke deelen van Stiermarken en Karinthië, zijn alle Slawische elementen door het zegevierende Duitsche element, weder geheel verloren geraakt.
Waarschijnlijk heeft de geographische ligging van de gezamenlijke Zuidelijke-Slawen, de omstandigheid dat zij tot aan de spits van de Adriatische zee, dit merkwaardig historisch- en geographisch keerpunt in den geledingbouw van Europa, opgedrongen werden, het meest er toe bijgedragen, dat zij zulke verschillende lotgevallen gehad hebben. Even als de Slawen, zoo streefden ook de Italianen, de Duitschers, de Hongaren en de Turken, naar dit natuurlijk en gewichtig grens- en hoekpunt, en de zwakkere, de reeds van nature verbrokkelde Slawen werden daarbij geheel uit elkander gejaagd en vernietigd. Eenige werden, zooals reeds gezegd is, gegermaniseerd, terwijl andere een Italiaansch waas kregen. Eenige werden door Hongarije geannexeerd en andere met Tartaarsche en Turksche elementen vermengd. Ook verdeelden zij zich naar hunnen godsdienst, en dit bracht veel verschil en tweedracht onder hen te weeg, in drie soorten. Eenige volgden, zooals bereids gezegd is, den Islam, andere den Paus en weder andere den Griekschen Patriarch.
Ten slotte wil ik hier, zooals ik reeds aanduidde, nog een volk vermelden, dat wel in taal en afstamming weinig met de Zuidelijke-Slawen gemeen heeft, maar waarvan de beschrijving toch daarom, het gemakkelijkst met die der Slawen kan verbonden worden, daar zij naburen er van zijn, met hen een gelijk lot deelden, en, zoo al niet in het bloed, dan toch in de zeden er veel gelijkheid mede hebben,—en eindelijk, daar het een overblijfsel schijnt te zijn van dien verspreiden, ouden, Illyrischen volksstam, die vroeger een groot deel der nu door de Zuidelijke-Slawen bewoonde landen bevatte, en in wiens grondeigendom de Slawen binnen rukten. Ik bedoel de in de geheele wereld om hunnen oorlogzuchtigen geest beroemde Albaneezen of Arnauten, die zich zelve echter “Skypetaren” (de kinderen der rotsen) noemen.
De “Albaneezen” of de “witte mannen” (naar de beteekenis der Oosterlingen, die al het koninklijke en zelfstandige wit noemen: de vrije onafhankelijke menschen), nu nagenoeg anderhalf millioen zielen sterk, bewonen, als oude oorspronkelijke bewoners, de noord-westelijke helft van het Grieksche schiereiland, of een stuk van zuidelijk Illyrië en het oude landschap Epirus, dat van de noord-oostelijke helft (Thessalië en Macedonië) door den bergketen van den Pindus gescheiden wordt.—Zooals Thessalië tusschen den Pindus en den Archipelagus ligt, zoo strekt zich Albanië of Epirus uit tusschen den Pindus en de Jonische zee. Het land is vol woeste, steenachtige en dikwijls [98]met sneeuw bedekte bergen, waartusschen zich vriendelijke en welige, met wijngaarden, oranje- en vijgeboomen gevulde dalen en enkele meeren—hier en daar langs de rotswanden vette weiden en hoogst vruchtbare, fraaie landstreken bevinden, waarvan een aan den voet van den Pindus, tegenwoordig nog, even als in de oudheid, de Elyzeesche velden genoemd wordt. Aan een dezer meren lag het, bij de Grieken zoo hoog in aanzien staande, heilige eikenwoud van Dodona. Maar een sterk contrast met deze kleine lachende paradijzen, vormen de veel talrijker schrikwekkende landschappen, wier donkere bergkloven het land als met voren doorsnijden, en waarin de Grieken de ingangen tot de onderwereld, een Erebos en Acheron plaatsten; ook de onbeschrijflijk woeste, doorgevretene en doorboorde rots-labyrinthen waarvan een, reeds door de ouden uitgescholden werd als: “infames scopuli Acrokeraunii”, die met dreigende klippen in de Adriatische zee uitspringen.
De stammen, die deze bergachtige wildernissen, dalen en zeekusten bewoonden, waren van de vroegste tijden af om hun wilden geest en hunne oorlogzuchtige gewoonten beroemd. De Mirmidone Achilles, de meest woeste der Troyaansche helden, werd in de nabijheid van dit land geboren. Naar de schildering, die Homerus ons van zijne kracht en ruwe dapperheid geeft, schijnt hij een echte Albanees geweest te zijn. In lateren tijd kwam de heldhaftige koning Pyrrhus met zijne Palikaren van daar naar Italië, om Rome schrik in te boezemen. Een dergelijk Palikaren-opperhoofd, de veel geprezen George Kastriota of Skanderbeg, kwam uit de Acherontische kloven te voorschijn, toen in de 15de eeuw de Turken dit bergvolk wilden onderwerpen, wat hun echter nimmer geheel gelukt is. En ook weder in onzen tijd hebben wij daar een derden Pyrrhus, den vreeselijken Ali Pascha van Janina, uit een geslacht der Albanesche “Tosken”, de macht van den Sultan zien trotseeren. Van af Achilles tot op onze dagen heeft dezelfde sombere geest, in dit van eeuwig wapengekletter weergalmend land, dezen, zooals Lord Bijron het noemt, “rugged nurse of savage men” bestaan, en steeds heeft daar dezelfde over-oude volksstam, hetzelfde nationale-type, dezelfde taal geheerscht. Zelfs de alles in zijn stroom medesleurende volksoverstrooming der Slawen, die slawiseerend tot aan den Peloponnesus doordrong, is deze stevige rotsmannen voorbij gestroomd en heeft hen, als de oude wortelen van een eik, die eens zijne takken wijd uitspreidde, als de overblijfselen van een ouden burg, in de gebergten laten zitten.
Wat hun uiterlijk betreft, verschillen deze Arnauten zeer van hunne naburen de Slawen, de Walachijers en de Nieuw-Grieken. Het zijn meestal menschen van eene hooge gestalte en van een krachtigen, gespierden lichaamsbouw, met langen hals en gewelfde borst. Hunne gelaatstrekken reeds, verraden de moedige, nimmer door slavernij getemde, mannen. Zij hebben in den regel het type van het Indo-Germaansche ras, waartoe zij, zooals nog onlangs een geleerde uit hunne taal heeft bewezen, behooren, ofschoon dit vroeger in twijfel getrokken werd. Hunne vrouwen staan in schoonheid en uitdrukking bij de mannen niet ten achter. De gestalte en de gang dezer Albaneesche Amazonen hebben iets statigs, iets gebiedends. Hunne rijke, smaakvolle kleeding draagt er niet weinig toe bij, den Albaneezen iets schilderachtigs en indrukwekkends [99]te geven. Het is dezelfde kleeding, die uit honderd ellen linnen zamengevouwene Tristanella, het over de borst geworpene, engsluitende met goud geborduurde “Sjelleck” (vest), de roode met afhangende zijden kwasten voorziene hoofdbedekking (Fes), die in den nieuweren tijd als de nieuw-Grieksche kleederdracht, in geheel Europa bij iedereen bekend is. Zij mag bij de Arnauten oorspronkelijk en van dezen op de Nieuw-Grieken overgegaan zijn.
In hun vaderland leven zij, evenals de Serviërs, in talrijke clans en geslachten verdeeld, die in nimmer eindigende bloedwraak onder elkander in vijandschap leven en die somwijlen, als een machtige vijand hen van buiten bedreigde, als een eenig man opstonden. Verscheidene dezer stammen, b.v. de moedige Chimarioten in de Keraunische bergen, en hunne buren de Mirditen (d.i. de dapperen) hebben in alle tijden, evenals de Montenegrynen, hunne onafhankelijkheid van de Turken bewaard. Ook de door de heldhaftige verdediging van hun rotsdal, over de geheele wereld beroemd geworden Sulioten, waren van Albaneeschen stam. Deze nooit onderworpen geworden stammen dragen den trotschen naam van “Armatolen” (wapenbroeders). Daar zij altijd tot den dood bereid moeten zijn, òf om hem te ontvangen òf om hem te geven, zoo zijn zij altijd, zelfs bij hunne vreedzaamste bezigheden en werkzaamheden, tot aan de tanden toe gewapend, en Ceres wandelt in hun land met de speer en het schild van Minerva rond, en zelfs Endymion hult zich in het pantser van Mars.
Deze menschen, die even vlugge en stoute bergbeklimmers zijn als onze Zwitsersche en Tyroler Alpenjagers, wonen even als de Kaukasische volken, in sombere woningen, die veel weg hebben van holen en sterk zijn als vestingen; zij schijnen eer uit steenblokken opgeworpen dan gebouwd te zijn, en zijn, in stede van met vensters, met schietgaten voorzien. Ook is hun land met eene menigte kleine, eenzame wachttorens bedekt, die boven alle rotskloven uitsteken, en van waar uit de bewoners, als uit arendsnesten, iedere beweging op het land kunnen waarnemen. Op de bergen zijn zij schaap- en geitehoeders, ook hebben zij uitstekend hoornvee, terwijl zij in de dalen zich op den wijnbouw en op de verbouwing van maïs en ander graan toeleggen. Zwijgt voor eene enkele maal hier en daar in een dal of op een berg het krijgsrumoer, en rust de wraak en de haar vergezellende angst, dan kan men in zulke tijden in dit wilde land, ook ten volle de bekoorlijkheid van een idyllisch landleven genieten, vooral wanneer de schoone epirotische boerinnen, met meirozen versierd, het bosch intrekken, om daar de bruiloft van Flora en de lente met dansen te vieren. Wanneer echter de Sultan of zijn Pascha soldaten noodig heeft, en groote sommen uitlooft, dan dalen de Arnautische “Bulukbaschis” (de opperhoofden der stammen) van de bergen, werven ieder naar zijne kracht en naar de hoeveelheid van het handgeld, dat geboden worden kan, eene meerdere of mindere massa jeugdige herdersknapen en voeren deze hunne “Buren” (“pleegkinderen”) zooals zij ze noemen, buiten het land ten oorlog.
Wien zij zich verkocht hebben, hetzelfde wie hij is, dien dienen zij dapper en trouw. Zoo vindt men deze landsknechten van het Oosten onder de vanen van den Sultan, in de serails van Bagdad en Kaïro, in de zalen der Moldavische Hospodars; korten tijd geleden nog bij de Pauselijke lijfwacht, in het Koninklijke [100]slot te Napels, ja! zelfs onder de trawanten der gebieders van Tunis en Tripoli, waar zij meer dan eenmaal de Deys onttroonden en aanstelden, en eindelijk voor de poorten van het paleis van den Keizer van Marocco. Van hunne jeugd af met wapens spelende, en vertrouwd met het gebruik van hun lang geweer, dolk, yatagan en pistolen, zijn zij reeds uitstekende schutters en krijgslieden vóór zij hun dorp verlaten, en derhalve overal als soldaten en trawanten welkom.
Moedig en onder luid geschreeuw, storten zij zich in ongeordende hoopen op den vijand, en zijn zij gewoon te overwinnen. Hun oorlogsmarsch “Brokovalas” genaamd, die reeds de strijdmakkers van Skanderbeg bij het begin van den strijd zongen, en die wellicht afkomstig is uit de tijden van Koning Pyrrhus, moet een verschrikkelijken indruk maken, en is dikwijls genoeg de schrik van het Oosten en van het Westen geweest. In hun eigen vaderland aan een vermoeiend leven gewend en weinig behoeften kennende, achten zij de vermoeienissen der marschen en van het oorlogsleven gering. Schielijk voldaan, matig en werkzaam, zijn zij op reis met wat gekookte rijst of groenten tevreden. Gezang en dans zijn hunne uitspanningen, en men ziet haast nooit een hoop Albaneesche soldaten zonder een mandoline-speler of zanger. Bovendien hebben zij nog dikwijls een snaakschen verteller bij zich. Bij buitengewone gelegenheden of op hooge feestdagen wordt hun eene “Kotsche” (een gebraden geit) of een schaap opgedischt, die nog juist op dezelfde wijze klaar gemaakt en gebruikt worden, als zulks door Homerus wordt beschreven. Het geheele dier namelijk wordt met zijn huid, aan een uit het bosch gesneden braadspit gebraden en in zijn geheel opgedragen, vervolgens wordt het door Odysseus (ik bedoel den Bulukbascha) in stukken gesneden, hij verdeelt de dampende stukken en het vet onder de aanzittende “buren,” naar gelang van hunnen rang. Deze doorsteken het met hunne dolken en gebruiken het onder ongedwongene vroolijkheid.
Overigens is de soldaten-kaste niet de eenige stand bij dit volk. De ietwat gehelleniseerde Albaneezen in de steden van het land, leggen zich met vlijt en goed gevolg op de handwerken toe. Velen van hen trekken dikwijls als metselaars geheel Turkije door, en helpen de plaatsen weder opbouwen, die hunne landslieden, de oorlogzuchtige herders, verwoestten. Ook als slachters zijn de Albaneezen wijd en zijd in Turkije bekend.
Zij hebben echter ééne kunst, die hun in het bijzonder eigen schijnt te zijn. De in Turkije beroemde kunst der “Suterazzi” (bronmeesters) stamt af uit Albanië. Deze waterkunstenaars komen uit de dalen van Albanië, om de steden van het Oosten van frisch bronwater te voorzien, bronnen te graven, aquaducten te bouwen, baden aan te leggen. In Constantinopel, welke stad zij met dergelijke aquaducten omgeven hebben, hadden zij groote gilde-voorrechten en privilegiën, en in alle provinciën van Turkije vindt men sporen van hunne werkzaamheid. Zonder wetenschappelijk ontwikkeld te zijn, verstaan de Albaneezen de kunst, zeer spoedig en zeer juist de hoogte der bergen, den afstand der plaatsen, de terreinvoordeelen van iedere plaats te beoordeelen. Zij maken daarbij gebruik van zekere technische handelingen, die zij van hunne [101]voorouders overgenomen hebben, en die zij steeds onveranderd, zonder ze verder te volmaken, behouden hebben. Hunne dikwijls 5 tot 10 mijlen lange waterleidingen, waarvan het verval zeer goed berekend is, zijn zoo aan elkander gelijk, dat men die van gisteren nauwelijks onderscheiden kan van die, welke voor 2000 jaren opgericht werden, even weinig als men het onderscheid zien kan tusschen de verschillende werken, die de bevers sedert het begin der wereld bouwden.
Ook als landbouwers hebben zich vele Albaneezen over de naburige provinciën verspreid. Zij hebben aan de hellingen van den Helicon in Boeötie kleine dorpen gebouwd; men vindt ze bij Athene en Attika en zelfs over den Peleponnesus verstrooid, waar zij zich reeds in het einde der middeneeuwen als hulptroepen der vele kleine tyrannen en Hertogen, waaronder Griekenland na de verovering van Constantinopel, onder de kruisvaarders zuchtte, verbreidden; waar zij ook later dikwijls weder bij verschillende gelegenheden eigendommen verwierven, wanneer zij op aanzetten van Turksche Pascha’s, de oproeren der Grieken onderdrukten en het veroverde land onder elkander verdeelden. En ofschoon velen hunner, die den Islam aanhingen, gedurende de Grieksche omwentelingen uit Arkadië en Lakonië verdreven zijn, zoo zal toch nu nog een derde gedeelte der boeren-bevolking van het Grieksche koningrijk, Skypetarisch of Albaneesch zijn. Bij een groot gedeelte der Grieksche landlieden (niet der steden) is zelfs het Albaneesche de eigenlijke huis- en familie taal.
Zij zijn ook eenige eilanden van den Archipel binnengedrongen, en zoo beroemen zich de heldhaftige Hydryoten en Spezzioten, die zich in de Grieksche omwentelingen zoo beroemd hebben gemaakt, van Arnautisch bloed te zijn. De zoogenaamde Grieksche opstand, waaraan het Nieuw-Grieksche koningrijk zijn bestaan te danken heeft, is in zekeren zin ook een Albaneesche geweest.
Daarentegen zijn ook omgekeerd weder vele Grieken over het oude stamland der Skypetaren verbreid. Men treft ze daar in alle steden, voornamelijk in de zuidelijke gedeelten van het land, het oude Arkadië en Epirus in engeren zin. Het zuidelijke Epirus is in hooge mate vergriekscht, en heeft onder anderen ook het geloof, en den ritus der Grieksche kerk aangenomen, terwijl de Arnauten, in het midden van het land, tot den Islam toetraden, en de bewoners van het noordelijk gedeelte van het land door Roomsche zendelingen voor de katholieke kerk gewonnen zijn. Ook de tegenwoordige kerkelijke verdeeldheid der Arnauten schijnt op zeer oude onderscheiden en verhoudingen te berusten. Want men kan opmerken, dat de Grieksche kerk nu juist zoover heerscht als ook reeds in de oudheid door de klassieke schrijvers, het oude Epirus als half vergriekscht, als eene mengeling van Hellenen en barbaren, aangegeven wordt.
In de noordelijke gedeelten van Turkije, in de Illyrische provinciën Servië, Bosnië enz., vindt men van de oude Illyriërs, de voorvaders der Albaneezen, nu niets meer, dan eenige oude plaats-, rivier- en bergnamen, die nog getuigen van de vroegere groote verbreiding van dezen volkstak.
Even als de oude Epirotische Koning Pyrrhus, zoo zijn ook zijne latere [102]nakomelingen, dikwijls weder over de Adriatische Zee naar Italië getrokken. Het bovengenoemde Albaneezen-opperhoofd, de beroemde Skanderbeg, ondernam eens een tocht naar Italië, die zeer veel overeenkomst had met dien van Pyrrhus. Ook bezitten wij nog een, in het Italiaansch geschreven, brief van dezen Skanderbeg, waarin hij zich zelven met Pyrrhus en Alexander den Groote vergelijkt, en tracht te bewijzen dat de Albaneezen, de hun door de Italianen gegeven scheldnamen niet verdienden, maar veel eer edele afstammelingen der edele voorvaders, der oude Macedoniërs en Epiroten, waren. De oorlogen en invallen der Turken in Albanië, hebben bij verschillende gelegenheden, vele der Akrokeraunische rotsbewoners naar de zee gedreven, en deze hebben een asyl gevonden bij den Paus te Rome, vooral echter in het koningrijk Napels, waar zij in Calabrië en Sicilië tegenwoordig nog in verscheidene dorpen als landbouwers wonen. Verscheidene der naar Italië gevluchtte Albaneesche familiën, kwamen daar tot roem en aanzien, zoo b.v. de doorluchtige vorsten-familie Albani, die in de 15de eeuw naar Rome kwam, en aan het Pauselijke hof zooveel Kardinalen, aan de wereld, aan Paus Clemens XI en de kunsten, den beroemden schilder Frans Albani en de prachtige villa Albani leverde.
Turksche en andere woelingen voerden eindelijk ook eene kolonie van dit merkwaardige volk naar Oostenrijk. In het jaar 1740, trokken verscheidene duizende Albaneezen van den stam der zoogenaamde “Clementi,” in het gevolg van den Servischen Patriarch Arsenius Ivannowicz naar Hongarije. Zij bouwden daar, in de nabijheid van Belgrado aan de Save, verscheidene groote, fraaie dorpen, en leven nog heden onder den naam “Clementijnen” midden onder Magyaren en Serviërs, hunne zeden en gebruiken getrouw blijvende, onder bescherming van een Duitsch vorstenhuis. [103]
Het klinkt als een sprookje, wanneer men zegt, dat in den tijd, toen het machtige Romeinsche rijk, als de toren van Babel, ineenstortte en zich in verscheidene kleinere staten en volken oploste, een overblijfsel Romeinsche burgers en soldaten zich naar een afgelegene en wilde bergstreek terug trok, en in hare schuilhoeken de stormen der volksverhuizing lieten uitwoeden; dat zij daar eeuwen lang met de oorspronkelijke bewoners dier landstreek samenwoonden, en groote landstreken, aan den voet van het gebergte, met hunne talrijke afstammelingen weder bevolkten, en zoodoende de Nucleus of het zuurdeesem van een nieuw, groot, zeer verspreid volk werden, dat tot op den huidigen dag bestaat en nog vrij duidelijk, ofschoon met veelvuldige bijmengingen en wijzigingen, de Romeinsche taal spreekt; bij wien ook de herinnering en den naam der Romeinen behouden bleef—en dat nog daarenboven dit behoud van den naam en de taal der Romeinen, juist in eene landstreek plaats vond, die vóór alle andere een groote volken-poort, een waar doorgangsoord voor de meest verschillende volksverhuizingen was; in eene landstreek, waarvan men vooral had kunnen verwachten, dat zoo ergens, dan daar al het Romeinsche en oude tot het laatste spoor zou weggevaagd zijn—dit alles, zeg ik, schijnt schier ongeloofelijk, en toch is het de van oude tijden overgebrachte en geloofwaardige geschiedenis van dat gedenkwaardige volk, dat wij gewoon zijn Walachyers of Moldo-Walachyers te noemen.
De hoofdkern der landschappen door dit volk bewoond, wordt gevormd door de boschrijke hoogten en grasrijke Alpenplateaux der zuidelijke Karpathen, de groote en met vele kloven voorziene bergen van het tegenwoordige Zevenburgen, die door de inwoners zelve bloot weg “Muntje” (Montes, de Alpen) genoemd worden.
Van dit hooge bergland, dat schier overal door groote vlakten omringd is, en slechts op twee punten door smalle, lage en nog daarenboven doorgebrokene bergruggen, met andere gebergten, in het noorden met de Poolsche Karpathen en in het zuiden met de Servische bergen gemeenschap heeft, stroomen naar alle zijden heen rivieren. Naar het noorden en westen de talrijke wateren, die naar de Theiss, naar het Hongaarsche vlakland stroomen, naar het oosten, de Dniester, de Pruth en Sereth, die in de Zwarte Zee uitwateren en naar het zuiden de Aluta en vele andere kleine rivieren, die als in eene goot in den Donau uitloopen. De breede Donaustroom omgeeft het land, langs de geheele [104]zuidelijke helft, als eene natuurlijke grens, en scheidt het van de landen van het groote Illyrisch-Grieksche schier-eiland.
De binnenste gedeelten van de bergachtige kern des lands, wedijveren in natuurlijke schoonheden en rijkdommen met de fraaiste gedeelten der Duitsche Alpen. Hier valt onze blik op eene menigte ijzingwekkende rotskloven, van de grootste afmetingen, dààr stijgen de oude beenderen der Aarde in eene duizeling wekkende hoogte op, als waren zij het werk der Titanen. In de diepte ruischen, in watervallen en draaikolken, de bergstroomen. De terrassen en hellingen zijn hier en daar met de weelderigste bosschen op het schilderachtigst getooid. Boven op de opgehevene en uitgestrekte ruggen treft ons oog met bloemen versierde weiden en groene dreven. De op zich zelf staande, als torens en koepels boven alles uitstekende, toppen der bergkolossen, bieden de heerlijkste uitzichten aan, in het zuiden tot aan den Pontus en tot aan den ouden Haemus in Thracië, in het noorden tot diep in Polen en Hongarije.
Langs groote uitgestrektheden is het kolossale muurwerk dezer prachtige hoogten, eene ware bergvesting, ontoegankelijk voor de karavanen, legers en volkverhuizingen. Hier en daar echter is de vesting door natuurlijke bressen of poorten doorgebroken, waardoor de wateren en winden even als ook de volken, sedert oude tijden uit- en instroomden, en deze poorten of passen: “de ijzeren poort,” “de roode toren-pas,” “de vulkaan-pas” zijn van oudsher in de geschiedenis van het land beroemd geweest. De kloven en aderen der bergen zijn rijk aan mineraliën van de meest verschillende soort. Men vindt er berghars, ijzer, koper, zilver en goud. Zelfs het overal elders zoo zeldzame kwikzilver ontbreekt hier niet. Aan hunne randen zijn de rijkste massa’s van het zuiverste kristal-zout nedergeslagen. Ter verkrijging van vele dezer schatten, is reeds sedert den oudsten tijd een gedeelte der bergen doorboord geworden. Veel echter verbergen zij nog ongebruikt en onontdekt in hun schoot.
Langs den lagen rand van het hooggebergte slingert zich een krans vriendelijke heuvel-landschappen door Opper-Walachye en Moldavië tot aan de Bukowina. Bij hen wisselen fraaie dalen met boschachtige niet te steile hoogten, vruchtbare bouwlanden met grasrijke uiterwaarden elkander op het allerbekoorlijkst af. Levendige beukenwouden en aangenaam riekende lindenbosschen vindt men daar in hunne grootste pracht, waar tusschen heuvels met wijngaarden, alsmede mildbloeiende ooft- en vruchtboomen van zeer verschillende soort, die hier in de lente geheele landschappen met eene zee van bloemen bedekken, en het land een aangenamen tuin doen gelijken. Terwijl de beer, de losch, de wilde kat in de kloven der hooggebergten huizen, worden die linden- en beukenwouden der heuvelachtige gedeelten verlevendigd door het gekweel van allerlei zangvogels, die hier in zoo buitengewoon groot getal komen en nestelen, als nauwelijks in eenig ander gedeelte van Europa. Ook leven in de bosschen verscheidene soorten van herten en reeën, een overvloed van wilde zwijnen en andere wildsoorten.
De heuvelstreken verliezen zich ten laatste in de geheel vlakke landschappen, die zich langs den Donau, aan den Pontus, de Dniester en de Theiss, rondom genoemde bergachtige kern van het land, als een groot tapijt uitbreiden. [105]In deze vlakten hebben de rivieren, van het begin der schepping af, haar natte slib laten vallen, en over hare uitgestrektheid zware lagen vruchtbaren bouwgrond gevormd. Even als in de delta van den Nijl is ook hier, aan de monden van den Donau, de oogst honderdvoudig, en de onuitputtelijke vruchtbaarheid dezer Donau-vlakten, die in verschillende tijden de graanschuren van Constantinopel geweest zijn, en tot het Grieksche schiereiland nagenoeg in dezelfde verhouding staan, als de landschappen langs de Po of Lombardye tot het Italiaansche, is bij de oude, zoowel als bij de nieuwe schrijvers letterlijk spreekwoordelijk geworden.
Ik kan dit, hier slechts in hoofdtrekken geschetste, beeld van het tegenwoordig door de Walachyers bewoonde gedeelte van Europa, dat de zoogenaamde Donau-Vorstendommen Moldavië en Walachye, de Russische provincie Bess-Arabië, het Oostenrijksche Hertogdom Bukowina, het Koningrijk Zevenburgen, het zoogenaamde Temeswarer Banaat, en aanzienlijke gedeelten van Hongarije omvat, en in uitgebreidheid vrij gelijk staat met de grootte van het Pyreneesche schier-eiland, niet in bijzonderheden verder beschrijven. Al het bovengenoemde samen vattende, mag men echter wel beweren, dat dit landen-complex van nature alles aanbood, wat een volk aan grondstoffen noodig had, om beschaving en kunsten te doen ontwikkelen; had men het gebied, uit de landen-massa waarover het verdeeld is, kunnen uitsnijden en als een eiland in de zee kunnen plaatsen, of naar eenige andere gunstige geographische ligging overbrengen, en het door een nijveren volkstam kunnen laten bevolken, dan had daarin een der ten allen tijde bloeiendste rijken en natiën kunnen ontstaan.
Voltaire heeft ergens gezegd, dat wel het klimaat zeer veel invloed heeft op het karakter der volken, maar tienmaal meer invloed nog heeft de regeeringsvorm, en honderdmaal meer de godsdienst. Hij had daar nog wel bij mogen voegen, dat meer dan dat alles, de aardrijkskundige ligging van een land en een volk beslist; dat de ligging die het in den grooten landen- en volkenkrans toegedeeld is, de manier en de wijze waarop het eene plaats in het groote landen-tapijt van het vasteland is aangewezen, boven alles en door iedereen in het oog moeten gehouden worden. Het schoonste land ter wereld zal niet in staat zijn, eene bloeiende maatschappij, een invloedrijk geslacht voort te brengen en aan te kweeken, als de ligging, die het op onze planeet inneemt, ongunstig is voor de ontwikkeling; wanneer belemmerende invloeden zich in zijne nabuurschap bevinden. De vette akkers der Walachyers grenzen en vermengen zich aan de eene zijde met de onmetelijke steppen van zuidelijk Rusland. Tusschen de zuidelijke voorgebergten der Transylvanische Alpen en den Pontus, blijft eene ruime, opene poort, waardoor de koude steppen-winden blazen, die het klimaat in den winter bijna gelijk aan dat van Rusland maken, en hier, op denzelfden breedtegraad als Florence, den Donau en het geheele land voor maanden onder eene dikke laag sneeuw en ijs begraven.
Even als de noord-ooste winden, de in het land zoo gevreesde “crivans,” zoo zijn ook hier van oudsher de onrustige steppen-volken binnengestormd, en hebben zij herhaalde malen voor lange tijden de schoone akkers in woestenijen verkeerd en slechts als paarde-weiden benuttigd. [106]
De majestueuse Donau, de grootste rivier van Europa, die wel een huwen met den Oceaan waardig geweest was, beleeft hier het droevig lot, door het nauw en afgelegen bassin van de Zwarte Zee verslonden te worden. Daar hij dwars over de noordelijke basis van het groote Grieksche schiereiland heen loopt, zoo hebben de beschaafde rijken, die, zich over dit schiereiland verbreidende, aan den Propontis en aan de Aegeïsche zee hunne wortels hadden, hem niet zoo zeer als een levensader, maar veeleer als hun grens-kanaal of als eene gracht beschouwd, waar langs zij hunne militaire grenzen en verdedigingswerken oprichtten. En zoo hebben zij het land aan gene zijde aan de barbaarschheid en aan het Noorden prijs gegeven. De volken van het Noorden en het Oosten wederom, beschouwden deze Donau-landschappen steeds als het einde van hun gebied, waarheen zij nog op hun gemak konden rijden, terwijl het Zuiden er zich aan vasthield, als aan het uiterste, dat het nog vermocht te verdedigen. Ten gevolge hiervan was aan den Donau nagenoeg nooit een invloedrijk centraalpunt van het volken-leven. Nooit ontwikkelde zich hier, zooals aan de Delta van den Nijl, aan den Rijn en andere groote rivieren, eene wijze, machtige en gebiedende natie. Men vindt hier, zoo lang de geschiedenis aanwijst, nooit iets anders dan een betwist grensland, dat altijd een, steeds van heerscher verwisselende, speelbal der machtige naburen geweest is, en dat veel overeenkomst heeft met een zeeboezem, waarin het schuim der volken—de uiterste toppen der baren,—tegen aan klotst en gaten slaat.
Het is hoogst waarschijnlijk, dat deze volken-branding, deze in de landen van den beneden-Donau ingewortelde, en van oudsher bestaande tweeslachtige en gemengde toestand, zoo als wij dien in den loop der eeuwen kunnen volgen, reeds dagteekent van ver vóór den tijd, waarvan wij de geschiedenis uit geloofwaardige bronnen kennen. De oude geschriften der Grieken, die deze landen het eerst genoemd hebben, rekenen de bewoners er van tot de zoogenaamde Thracische stammen, waaronder allengs de “Geten” en de “Daken” of Daciërs als bijzondere, onze Donau-Vorstendommen en het Zevenburgsche Alpenland bewonende natiën te voorschijn treden. De laatste naam van Daciërs behield ten laatste bij de Romeinen de overhand, en bleef voor langen tijd de volksnaam.
De Walachysche taal heeft nog heden ten dagen vele woorden en wortelen, die wij noch uit de Turksche, noch uit de Slawische, noch uit de Latijnsche, noch uit eenige andere nu naburige en bekende taal, waaruit zij elementen ontvangen heeft, kunnen afleiden, en die daarom vermoedelijk aan die, door de Romeinen en Grieken als oorspronkelijke bewoners genoemde Tracische “Geten” en “Daciërs” toebehooren. Even als in de taal heeft het volk ook nog in zijn ras, in zijne zeden en in zijne geheele wijze van zijn, veel oorspronkelijk “Dacisch.” Hij, die in de gelegenheid geweest is, een grooten en plompen Walachyschen herder, met zijne in geitenvel gehulde voeten, zijne door een lederen gordel vastgehouden broek, met zijn schaapsvel op het hoofd, met zijne lang niet leelijke maar wilde gelaatstrekken onder den kolpak te zien, en die deze figuur vergeleken heeft met die Dacische krijgsgevangenen, zooals [107]zij in Rome op de, aan de zuil van Trajanus aangebrachte, beeldhouwwerken te zien zijn, zal onze gevolgtrekking billijken. De figuren, die de oude Romeinsche beeldhouwers daar voor 2000 jaren in steen uitbeitelden, gelijken op de personen, die wij heden ten dage aan den beneden-Donau, in het gebergte van het oude Dacië zien ronddwalen, als een goed portret op het origineel. Ook van den bij de Romeinsche blijspelen ingevoerden knecht, die altijd onder den naam “Davus” den kwâjongensachtigen en barbaarschen dwaas speelt, heeft men gemeend eene teekening naar de uit Dacië ingevoerde slaven te zien. Aanduidingen van dit soort, zeg ik, versterken het vermoeden, dat wij in de tegenwoordige Walachyers, voor een groot deel, de oude Daciërs voor ons zien.
Ten tijde van den grootsten bloei van het Romeinsche Keizerrijk, werden de Daciërs beheerscht door een Koning “Decebalus” genaamd, die in het oude beroemde en nu nog in eenige ruïnen bestaande “Sarmizegethusa”, in een der Alpendalen van Zevenburgen resideerde, en van daar uit het omliggende land beheerschte. De Romeinen onder Keizer Trajanus overwonnen dezen vorst na hardnekkigen strijd, bouwden eene steenen brug over den Donau, stuurden troepen en kolonisten het land in, legden wegen en bergwerken aan en veranderden het geheele Dacische rijk in eene Romeinsche provincie. De onderworpene barbaren leerden de Romeinsche taal, die zij echter waarschijnlijk van den beginne af, met Dacische en andere elementen vermengd hebben.
Ofschoon Keizer Adrianus de vaste brug over den Donau weder af liet breken, en vervolgens ook onder Keizer Aurelianus de altijd onrustige provincie weldra geheel opgegeven werd, en ofschoon de Romeinen daar hoogstens honderd en vijftig jaren heerschten, zoo hebben zij toch den inboorlingen in dezen korten tijd den stempel hunner Italiaansche taal zoo diep ingedrukt, dat hunne nakomelingen die aangeleerde taal nog niet vergeten hebben en nog heden ten dage hun land “Zara Rumaneski” (land der Romeinen) noemen.
Het is opmerkelijk, dat de grenzen van het gebied waarover heden ten dage deze taal en natie verspreid is, bijna nauwkeurig overeenkomen met de grenzen van het Romeinsche Dacië. Deze provincie grensde ten oosten aan den Dniester, ten westen aan den Theiss, ten zuiden aan den Donau en ten noorden tot even verder dan Zevenburgen, met andere woorden overal juist zoover als nog heden ten dage de “Romaenen” als oorspronkelijke bewoners het land bewonen.
Er is moeielijk een tweede, even sterk bewijs te geven, voor de energie van den korporaal-stok en den schoolmeesterstaf der Romeinen. Tallooze eeuwen bewonen de barbaarsche “Daken” alleen en ongestoord, op hunne eigene manier, hun Noordsch land. Zij leeren niets van de Macedoniërs, niets van de Grieken, die nu eens als vrienden, dan eens als vijanden hun land bezoeken. Vervolgens, echter komen de Romeinen, die onweerstaanbare landenbedwingers en volkenverwoesters, en deze worden voor de korte tijdruimte van 150 jaren hunne leermeesters en heeren, en ofschoon de Daciërs later weder gedurende bijna twee duizend jaren, als eene aan de oevers der zee groeiende struik, [108]door de menigvuldigste volken-brandingen en stormen heen- en weergezweept werden, zoo hebben zij het van de Romeinen ontvangene toch in zulk eene groote mate bewaard, dat een reiziger bij hen, om zoo te zeggen bij iederen voetstap, het Romeinsche element ontwaart. Hoeveel bruggen ook sedert Miltiades en den Persischen Koning Darius over den Donau geslagen zijn, zoo is toch de Romeinsche, door Trajanus gebouwde brug de eenige, die nu nog (ten minste in eenige door Adrianus niet verwoeste overblijfselen) overgebleven is. Ook vindt men heden ten dage voor in het land nog eenige duidelijke sporen van Romeinsche wegen. Ofschoon de Romeinen in hunne bergwerken ieder blok met hamer en breekijzer moesten losbreken; zoo zijn toch de door hen uitgebrokene, nu verlatene mijngangen en schachten, veel talrijker in Dacië, dan die welke men later, na de uitvinding van het buskruit, door springen veel gemakkelijker kon verkrijgen. Alle eenigzins aanzienlijke interessante ruïnen van het land stammen van de Romeinen af, en de munten, mozaïken en andere kunstwerken, die men daar bij massa’s uit den grond opdelft, dragen de beeltenis en den stempel van Romeinsche Keizers. Het volk zelf versmaadt alle andere namen, waaronder het bij de overige wereld bekend staat, onderhoudt met groote voorliefde alleen zijne Romeinsche tradities en herinneringen, en houdt geene nationale benaming voor eervoller dan die der Romeinen, “Rumanye” of “Romaenen” die het nu nog op zich toepast.
Wie de geschriften der geestige Gravin Dora d’Istria, eene dochter van den Walachyschen Vorst Ghika kent, die zal zich herinneren, met welke levendige vaderlandsliefde deze geleerde dame, steeds zoowel van Walachyë, als ook van Italië, als ware dit laatste het land harer vaderen, spreekt, en hoe warm zij sympathiseert met het streven naar vrijheid van de Italianen, die zij de broeders der Walachyers noemt. In de, in het jaar 1849 aan den Donau uitgebrokene nationaliteits-oorlogen, gaven zelfs deze Walachyers aan het verwonderd West-Europa het vreemde schouwspel te zien, dat zij onder aanvoering van “Centurionen” en “Decurionen” te velde rukten, en in hunne vanen en wapens de klassieke letters S.P.Q.R. (Senatus Populusque Romanus) plaatsten. Ook in de voortbrengselen hunner nationale poëzie wijzen deze Romaenen ook heden ten dage dikwijls naar Rome terug, als ware dit Rome hun eigenlijk stamland, hun vaderland, welks verlies hen met weemoed vervult.
Waar is dat Roma? eertijds door verdediging harer zonen geducht!
En dat thans niets dan sombere klachten doet hooren!
Onder vreemde heerschappij én macht én druk wordt nu weemoedig gezucht!
Het vaderland, allen zoo dierbaar, is verloren.—
Beweent ons toch, die als vreemdlingen in vreemde rijken wonen,
Gij, gebeenten en gij, graven van Romeinen, zoo eerwaard!
Beweent ons toch, gij waardige spruiten, gij dochters en zonen
Uit den doorluchtigen stam van dien Romulus, zoo vermaard!
Verhef ten hemel uw rechtmatig droefgeestig geklag,
Want de Romeinsche Roem voor eeuwig verdween!
Gij heuvels en gij bergen! klaagt toch ook uw wee en ach
En ook gij beken en bronnen in het dal hier benêen; [109]
En gij kleine vogel, zoo vrij van alle banden,
Klaag ook in uw zingen toch steeds met ons!
O! lief Italië! gij schoonste aller landen!
Wat heeft de vijand u verwijderd van ons.
Deze verzen en ontboezemingen vond ik eens in eene elegie, die mij een der patriotische afstammelingen der Romeinsche kolonisten in Dacië, in den omtrek der ruïnen van de oude Koninklijke residentie van Decebalus, “Sarmizegethusa” presenteerde. Men ziet daar uit, dat een Romeinsch nationaal-gevoel, een heimwee naar Rome, zich in de geheele geschiedenis der Walachyers tot op onze dagen openbaart. Levendig herinnert men zich bij zulke verzen, de elegiën die de Romeinsche Ovidius, 1800 jaren geleden in ditzelfde land, waar hij in ballingschap leefde, dichtte. Is het niet alsof de klaagliederen van den ouden Naso, in die landstreken onder de Romeinsche kolonisten, van hand tot hand, van mond tot mond, waren gegaan en zich tot op onzen tijd, als eeuwenoude nationale treurzangen, steeds op nieuw het burgerrecht hebben weten te verwerven?
En nu de taal, waarin die liederen gezongen worden, en die door het geheele volk gesproken wordt, al is zij ook al niet geheel meer die van Ovidius, zoo blinken u toch overal uit de massa der taal, òf zuiver Romeinsche, òf een weinig veranderde Romeinsche uitdrukkingen tegen, even als het kwartskristal uit de graniet-massa. Niet zonder verbazing kan zich de reiziger naast een dezer barbaren aan den oever van Dniester of Pruth nederzetten, en hooren hoe onder het gesprek, dat hij met hem over zijne nomadische aangelegenheden aanknoopt, hem het eene Latijnsche woord voor, het andere na, als behoorde het in de landstaal te huis, over zijne ruwe lippen komt. Hij zelf, uw Walachysche reismakker, waarmede gij u in een gesprek verdiept hebt, geeft zich voor eenen “pescator” (visscher) uit, en hij spreekt u met “Domne” (Domine, heer) aan, hij wenscht u een “bundi” (goeden dag) of “bun avenit” (van advenire) toe; welke zonderlinge verwelkomingen, van den Tiber tot aan den Dniester, gedurende zoovele eeuwen weergalmen. Vraagt gij hem “Que es” (tot welk volk behoort gij?) dan antwoordt u deze ruige, met schaapsvellen bekleedde Nomade: “Eo sum Romanie” (ik ben een Romein). Het gras waarop gij zit, noemt hij “frunse värdje” (frons viridis, het groene kruid). Vraagt gij hem naar de Walachysche benamingen van het om u grazende vee, dan krijgt gij weder Latijnsche woorden te hooren. Het zijn allemaal “capras” (geiten), “vaccas” (koeien), “boos” (ossen) en de hond die ze bewaakt “kine” (canis, chien). Hoe mogen het toch de Romeinen wel aangelegd hebben, dat zij de overoude bergbewoners geleerd hebben, zaken waaraan zij zoo lang gewoon waren, niet in het Dacisch maar in het Latijn uit te drukken? Gaat hij zijne beesten tellen, dan is het: “uno, duo, tri.” Het tellen zelf noemt hij evenals de Romeinen “numerare.” De wilde pereboomen, die met vruchten beladen aan den groen getooiden oever van den Pruth voor u staan, noemt hij “pieras formassas” (pirus [110]formosa), en de zwarte pruimen daarnaast “prungus negros” (pruna nigra) en de noten, “nukus” (nuces). Zoo pratende weg spreekt hij ook veel over zijn “Imperatu nostru” (Imperator noster); en gij weet bijna niet of hij op den ouden Keizer Trajanus in Rome, of op den Czar Nikolaas in Petersburg doelen wil. Is eindelijk uw gesprek afgeloopen en ook het steppenvuur, dat naast u flikkerde, uit, dan roept het barbaren-kind, even als vroeger de Romeinsche Centurio des avonds in zijne legerplaats: “extinso fusco” (ons vuur is uitgedoofd), en gaat hij met u over den “podu de leno” (pons ligneus), die over het water ligt, naar zijne niet ver verwijderde “casa” (hut).
Deze voorbeelden, die wij aanzienlijk zouden kunnen vermeerderen, mogen voldoende zijn, en ik mag volstaan met de algemeene opmerking, dat zij, die getracht hebben de elementen der Walachysche taal te ontleden, tot het resultaat gekomen zijn, dat meer dan de helft dier elementen van Romeinschen oorsprong zijn; zeer merkwaardig is het dat de Walachysche uitspraak van het Latijn in hooge mate gelijkt op die der hedendaagsche Italianen. Zoo b.v., om slechts een enkel voorbeeld aan te roeren, spreken de Walachyers even als de Italianen “Tschitschero” niet Sisero (Cicero), even eens “dscheme” niet “gemit” (hij zucht), dschoku (Italiaansch gioco, zoet); noi, wij; voi, gij; uovo (ovum, ei). Het “gli” der Italianen hebben de Walachyers volmaakt op dezelfde wijze, b.v. tagliari in het Walachysch en het Italiaansch voor “snijden.” Men heeft getracht dit van latere verbindingen der Walachyers met de tegenwoordige Italianen af te leiden. Maar veel natuurlijker schijnt het aan te nemen, dat de naar den Donau verplante Romeinsche burgers en landbouwers-soldaten, in hunne lingua rustica, reeds toen ter tijd veel zoo uitspraken, als nu onze tegenwoordige Italianen doen, en dit uit Italië mede naar den Donau overbrachten. Nadat de Romeinen Dacië verlaten hadden, kwam het (waarschijnlijk niet zonder veel strijd) onder de heerschappij van Germaansche volken, van de “Gothen” en de “Gepiden.” Aanzienlijke gedeelten van het Dacische land en volk, de Walachysche Bukowina, Zevenburgen, de oostelijke, geheel Walachysche, helft van Hongarije, staan ook nu nog onder de heerschappij der Germanen (de Oostenrijkers). Ook is reeds sedert de 12de eeuw, het geheele binnenste, bergachtige gedeelte van Dacië, met kleine landschappen van Duitsche kolonisten doorsneden, en ook Moldavië en Walachye hebben niet weinige Duitsche landverhuizers opgenomen. Heden ten dage, heeft Romaenië zelfs een Vorst van Duitschen stam.
Er valt nauwelijks aan te twijfelen, of zulke tijdperken van Duitsche heerschappij en Duitsche inmenging, moeten niet zonder invloed op de ontwikkeling der Walachysche nationaliteit gebleven zijn. De taal bevat nog eenige elementen uit den Gothischen tijd, en ook later zal het Zevenburgsche Walachye velerlei geleerd en aangenomen hebben, van zijne Duitsche naburen, zijn Duitsche rentmeesters of Duitsche rechters.
De volken evenwel, die zich van de zijde der Slawen, weldra nadat de Gothen west- en zuidwaarts vertrokken waren, in het Dakenland vestigden, hebben steeds veel invloed van blijvenden aard op de geschiedenis der Walachysche [111]nationaliteit gehad. Met de Slawen, die van oudsher meer met hen verwant waren en hun sympathie inboezemden, hebben de geromaniseerde Daken zich veel meer verbonden. De Slawen, die evenals de Germanen, door den inval van Attila en zijne Hunnen, in oproer gebracht waren, rukten tegen het einde der 5de eeuw naar den beneden-Donau en overstroomden ook het oude Dacië, waarin zij zich, nevens de door hen ten onder gebrachte inboorlingen, vestigden. Velen van hen bleven daar zelfs nog, toen in de volgende eeuwen de opperheerschappij over het land, van de Finsch-Tartaarsche Nomaden-volken overging op de Bulgaren, Magyaren, Petschenegen en Kumanen, die achter elkander Dacië geheel of gedeeltelijk, voor korteren of langeren tijd, bemachtigden. Juist onder de onderdrukking dezer vreemde overheerschers, kwam eerst de innige vermenging van het Slawisch en Dako-Romanisch element tot stand. Dit laatste behield echter de overhand, vermoedelijk daar de binnengedrongene Slawen de minderheid vormden tegen de oorspronkelijke inboorlingen.
Dat echter de vermenging, met de Slawen van grooten invloed en van blijvenden aard was, wordt heden ten dage in Moldavië en Walachye door velerlei zaken bewezen. Men ontmoet daar bij iedere schrede, even goed het Slawisch element als het Romeinsche, zoowel in zeden, als in taal en andere uiterlijke gesteldheden van het volk. In zijne geheele lichamelijke gesteldheid, zijne physionomie, zijne wijze van zijn en doen, heeft de Walachyer meermalen veel overeenkomst met zijne Slawische naburen in Bulgarije en Zuid-Rusland. Zijne woningen zijn juist zoo ingericht als die der Ruthenen en Kozakken. Zijn bijenteelt, zijn landbouw en huishouding is meermalen op dezelfde leest geschoeid als die van zijn buurman. Veel daarvan mag misschien al niet rechtstreeks van de Slawen overgenomen zijn, maar zijn ontstaan te danken hebben aan de overeenkomst van klimaat.
Ook in de taal der Walachyers vinden wij duidelijke sporen van een het volk diep ingeprent Slawisme. Van de helft van den Walachyschen woordenschat, die niet uit Italië kan afgeleid worden, is, volgens het beweren van den Slawischen geleerde Schaffarik, de helft Slawisch. Ja! zelfs verscheidene eigenaardige grondtoonen, vokalen, consonanten en samengestelde klanken van het Slawisch alphabet, zijn in het Walachysche overgegaan. Wij kunnen echter niet verklaren, of dit niet ook ten deele berust op eene oorspronkelijke, van vóór de geschiedenis dateerende, verwantschap van het Slawische met het Walachysche of Thracische ras. Ook moet hierbij opgemerkt worden, dat de uit het Slawische ontleende woordenschat, in het Walachysch ongeassimileerd bleef, zonder invloed op vorm en bouw van het Walachysch, en dat deze taal daarom in hoofdzaak eene Romanische, eene zuster van het Italiaansch gebleven en niet eene Slawische geworden is, zooals sommige wel meenden.
Herhaalde malen verviel de gezamenlijke Walachysche natie, of ten minste een aanzienlijk gedeelte er van, met Slawische stammen tegelijk, aan hetzelfde rijk of tot dezelfde dienstbaarheid. Zoo b.v. kwam het in de 8ste en 9de eeuw onder het groote Walacho-Bulgarenrijk, waarin de Slawen het grootste gedeelte der onderdanen uitmaakten. En vervolgens werden dikwijls door Tartaarsche gebieders, Slawen naar het land der Walachyers, en omgekeerd Walachyers [112]naar de oorden door de Slawen bewoond, overgebracht. Ook later nog kwamen de Walachyers meermalen onder Slawische heerschappij. Galicische (Ruthenische) Vorsten heerschten in de 12de eeuw over een groot gedeelte van Bess-Arabië en van Moldavië. Ook traden de Walachyers met de Zuidelijke-Slawen tot dezelfde christelijke kerk, tot het Grieksche of Oostersche patriarchaat toe.
Langen tijd, zelfs tot in de 17de eeuw, was dientengevolge het Slawische niet alleen de kerktaal, maar ook de staats- en rechtstaal der Walachyers. De wetten, de rechtspleging, contracten werden in het Slawisch gesteld, evenals in andere landen in het Latijn. Ook bedienen de Walachyers zich nog tot op den huidigen dag, voor het schrijven en drukken hunner taal, van het Slawische alphabet. Nagenoeg alle hoogere betrekkingen en waardigheden aan het hof, zelfs de latere Walachysche Vorsten, kregen en behielden Slawische namen en titels. De geheele staats- en kerkelijke inrichting was in zekeren zin op Slawischen voet geschoeid.
Ook de Bojaren, de hooge adel der Walachyers, zijn naar het oordeel van enkelen, van Slawischen oorsprong, iets wat de Bojaren zelven niet willen toegeven; zij beweren zelfs uit echt Romeinsch bloed gesproten te zijn. Eveneens is de nationale naam der Walachyers, waar onder zij in Europa vrij algemeen bekend zijn, door de Slawen in omloop gebracht. De Slawen noemden alle afstammelingen of onderdanen der Romeinen “Wlach.” Italië zelf noemen zij ook het land der Walachen (Walachyers.) “Wlach” beteekent nu nog in het Poolsch een Italiaan. Het is hetzelfde woord, dat de Duitschers in den vorm “Wälsche” (vreemd, Italiaansch) gebruiken. Door de Slawische en Germaansche benaming der Walachyers, wordt dus weder de Italiaansche en Romanische herkomst der hedendaagsche bewoners van Dacië erkend, ofschoon zij zelve dien naam niet gaarne hooren.
Ook in hunne huiselijke gewoonten en alledaagsche gebruiken, toonen de hedendaagsche Romaenen dikwijls eene groote gelijkheid met de Slawen, en ofschoon de geleerden niet zoo groote waarde aan zulke dingen hechten, als aan het onderzoek naar het alphabet, de deelwoorden, de voegwoorden en de samenvoegingen der woorden, zoo moeten deze toch ook beschouwd worden als hulpmiddelen om de bestaande volksverwantschappen te bewijzen. Enkele voorbeelden daarvan wil ik hier aanhalen: evenals in de Slawische landen, zoo verlaat ook in het Dakenland, het landvolk naar een oud gebruik, wanneer de boomen bloeien, dansende zijne winterkwartieren; de met bloemen getooide meisjes in afzonderlijke reien, en in andere reien de knapen, door hunne met zijden doeken zwaaiende voordansers aangevoerd. “Zij hebben,” zegt Demetrius Kantemir, eens zelf een Walachysch Vorst en een der beste kenners der gewoonten van zijn volk, “meer dan honderd verschillende wijzen en maten en vele zeer élégante dansen, die daarop kunnen uitgevoerd worden.” Daarmede worden tien dagen tusschen Hemelvaartsdag en de Pinksterdagen in voortdurende beweging doorgebracht, en alle vlekken en dorpen al dansende doorgetrokken.
Dit is nagenoeg juist zooals bij de Kozakken en Bulgaren; ook de manier en de wijze, waarop bij de half-Slawische Letten en Lithauers, de verliefde [113]jongeling, aan de ouders zijner geliefde, iemand zendt om de hand der dochter te vragen,—en hij, die voor den minnaar het aanzoek doet, voorzichtig en met van oudsher gebruikelijke plechtigheid, alsof het er om te doen was een Prins met een Prinses te verloven, zijn boodschap overbrengt—hoe ontwijkend hij door de ouders behandeld wordt, hoe men hem, die naar hij zegt gekomen is, om een verloren lammetje, een opgespoorde maar verdwenen ree, een eens gezien maar toen weder weggevlogen duifje te zoeken, eerst met opzet de andere dochters voorstelt,—hoe deze door hem wel geprezen, maar tegelijkertijd gecritiseerd en als ondergeschoven verworpen worden—en hoe men dan eindelijk, als de aanzoeker dringender wordt, met het echte duifje, dat in een schuilhoek reeds op het fraaist opgetooid werd, voor den dag komt—en wat dan nog verder plaats heeft,—dat alles komt zoo nauwkeurig overeen met de Walachysche gebruiken bij diezelfde gelegenheden, dat zelfs de vergelijkingen en de beelden, waarvan de sprekers zich bedienen, bijna geheel dezelfde zijn, als die bij de half-Slawische Lithauers en Letten, die toch door uitgebreide landstreken van de half-Slawische Walachyers gescheiden zijn.
Even als dergelijke gewoonten, zoo zijn ook verscheidene bijzondere wijzen van bijgeloof bij de Walachyers evenzeer ingeworteld, als in de geheele Slawische wereld. Zoo—om ook hier onder de vele voorbeelden slechts een zeer bijzonder aan te voeren—gelooven de Walachyers, dat de zon op den St. Johannes-dag, haren loop niet recht door, maar met eene trillende beweging, huppelend en springend begint. De Walachysche boeren staan daarom dien dag vroeg op, om de opkomst der zon en die “trillende beweging” aan haren lichtenden bol waar te nemen. Zij beschouwen het als een goed teeken en als eene reden tot vroolijkheid, als het hun gelukken mag, dit te kunnen waarnemen. Ook weet ik bij eigene ervaring, dat ook in vele, vroeger Slawische streken van Duitschland, de nu Duitsche boeren, juist hetzelfde bijgeloof van hunne Slawische voorouders overgenomen hebben, en nog heden ten dage, uit verlangen de zon op den St. Johannes-dag te zien “huppelen en springen,” zich reeds vroeg in den morgen naar de bij hunne dorpen gelegene hoogten begeven. Iets dergelijks zou men nog van vele andere gebruiken, meeningen en gewoonten der Walachyers kunnen opmerken. Zoo hebben zij ook, om nog een voorbeeld aan te roeren, de “Wila”, de lucht- en wolken-godin der Slawen, in hun bijgeloof opgenomen, die daarin evenzeer verbleef, als van de tijden van Keizer Trajanus af “de tooveres Tina” of Dina, dat wil zeggen de Romeinsche Diana.
Dergelijke zaken wijzen, naar mijne meening, even duidelijk als taalwortels, grammatikale vormen en gebruikelijke uitdrukkingen en woorden, eene zeer belangrijke en langdurige vermenging van het Slawisch onder de Walachyers aan, want alleen daardoor schijnt het zich te laten verklaren, dat iets dergelijks in alle plaatsen en huishoudingen van het volk binnendringt, en zich daar als dagelijks gebruikt wordende en zeer gewone wijze en vorm van het leven vastzetten kon. Men dringt den volken nieuwe wetten, godsdienstige ontwikkeling en dikwijls zelfs een nieuwe taal eerder op, dan nieuwe familiegewoonten, huiselijke gebruiken en dorpszeden. [114]
Ook in den nieuwsten tijd weder hebben de Slawen (Russen) een aanzienlijken invloed op het Walachysche volk uitgeoefend. Zij hebben eene groote, door Walachyers bewoonde, provincie (Bess-Arabië) met hun rijk vereenigd, en ook in den loop dezer eeuw herhaalde malen jaren lang in andere Romaenische provinciën, namelijk in Moldavië en Walachye, als meesters huis gehouden; zij hebben ze door hunne ingevoerde hervormingen, tamelijk wel aan zich zelven gelijk gemaakt. Vooral de Romaenische Bojaren hebben zich in den nieuweren tijd, den Russischen adel meermalen tot model en voorbeeld genomen.
Deze aanhoudende en dikwijls herhaalde inwerkingen der Slawen op de Romaenen, die, zooals reeds gezegd is, reeds van 6de eeuw dagteekenen, werden echter in deze lange tijdruimte door vele andere vreemdsoortige invloeden, die van de Finsche-, Mongoolsche-, en Turksch-Tartaarsche volken uitgingen, even als in het vaderland der Slawen zelf gekruist en gewijzigd. De nomadische ruiter-volken der Avaren, der Magyaren, der Bulgaren, der Petschenegen en Polovzers, vervolgens de Mongolen en ten laatste de Turken, overvielen achtereenvolgens, de eerst met de Romeinen en vervolgens met de Slawen vermengde Daciërs, en namen ze of geheel of ten minste gedeeltelijk in hunne wisselende, snel aangroeiende en snel vervallende rijken op. Bij deze bloedige veroveringen en wisselingen van heerschappij, werden dikwijls groote gedeelten van het land verwoest, geheele gedeelten van het volk vernietigd, verdreven en hunne plaats door vreemdelingen ingenomen. Wanneer de oude gebieders door nieuwe te voorschijn getredene Nomaden uit den zadel werden gelicht, dan verdween wel hun naam uit de geschiedenis, maar waarschijnlijk bleven toch hier en daar overblijfselen van hunnen stam en van hun bloed in het land achter, en deze werden dan, even als de Romaenen zelven, onderdanen der nieuwe overheerschers, en voegden zich bij de massa der reeds onderdrukten. In elk geval bleef bij de Romaenen, even als bij de Russen, veel van den geest, de zeden en de taal dezer Nomaden-volken achter.
In de taal der Walachyers vinden wij nu nog, naast het Oud-Dacische, Gothische en Slawische element, verscheidene woorden van Finschen, Turkschen of Tartaarschen oorsprong, die ongetwijfeld toe te schrijven zijn aan die afwisselende opperheerschappij der Oostersche natiën. Geen dezer veroverende volken heeft zedelijke kracht genoeg bezeten, om de vroegere bewoners van het land de taal te ontnemen, die zij van hunne eerste machtige overwinnaars, de Romeinen, ontvangen hadden. Als een gevolg van de heerschappij der Nomaden is ook waarschijnlijk onder anderen de omstandigheid aan te merken, dat de Walachijers, ofschoon zij het heerlijkste akkerbouwland bewonen, toch veel liever herders dan landbouwers zijn; en dat zelfs hun akkerbouw, die geene afschutting der landerijen kent,—waarbij slechts opene dorschvloeren op het vrije veld, en geene andere dorsch-machines dan de hoeven der paarden bekend zijn,—zoo veel Nomadisch bezit. Als bijenhouders trekken de Romaenen nomadisch rond, even als de Baschkiren in de velden van hun land. De veeteelt beminnen zij hartstochtelijk, en een gezeten Walachijsche boer bezit dikwijls meer ossen en paarden, dan hij zelf weet of geteld heeft. Vooral als schaapherder schijnt de Walachyer op zijne plaats te zijn, wanneer hij, voor de vreedzame woldragers [115]uit, met de uit hertenhoorn eigen gemaakte pijp in den mond, langzaam over de weiden wandelt. Hij is goed voor zijn vee en gaat met hen om als een vader, en deze gedragen zich daardoor ook altijd zeer tam, gewillig en gehoorzaam als goede kinderen. St. George, de schutspatroon der kudden, is bij hen de grootste en meest gevierde heilige van den kalender.
De Walachysche bergbewoners en veehoeders trekken met hunne kudden de wereld diep in. Zij gaan met hunne kudden tot ver in Turkije, waar zij op den Balkan dreven en weiden bezitten, waarop zij het recht van grazen hebben. Zij hebben ook een groot gedeelte van den veehandel aan den Pontus, den Donau op, tot aan Hongarije en Weenen, in handen. Men treft ze daar overal als ruwe ossendrijvers bij de kudden aan. En dit nomadische herdersleven valt zeer in hunnen smaak, en in alle Europeesche provinciën van het Turksche rijk is “Wlach” en “herder” vrij wel identiek. In Rumelië, Macedonië, Thessalië stooten deze veedrijvers uit de Donaulanden, ook weer op zeer merkwaardige en ver verspreide overblijfselen van hunne eigene nationaliteit, op de zoogenaamde “Cutzo-Walachyers”, die hunne schapen en geiten zelfs tot in den Peleponnesus voor zich uit drijven, en die, zooals sommigen gelooven, de nakomelingen zijn van die Dako-Romanen, die de Romeinsche keizers, na den inval der Gothen, zuidwaarts van den Donau verplantten.
Van alle bovengenoemde Uralisch-Aziatische nomaden-volken, hielden de Magyaren, die zich sedert de 10de eeuw in een gezeten Donau-volk veranderden, de Walachyers het langst onder den duim. Zij vereenigden een groot gedeelte van het oude Dacië, Zevenburgen, het Banaat en het geheele land langs den Theiss, en nu nog beheerschen zij die streken onder de opperheerschappij van Oostenrijk. Zij zijn niet alleen als gebieders, soldaten, beambten, overheden en leenheeren, maar ook op sommige plaatsen als grondeigenaars en landbouwers dit land binnengedrongen, zoodat men nu ook midden onder de Walachyers geheele landschappen en dalen vindt, waarin de oude Romano-Dacische bevolking geheel verloren gegaan en door Magyaarsch bloed vervangen is, zooals zulks voornamelijk langs den geheelen Theiss plaats vond. Ook de Romanische bevolking zelve is, onder die aan de kroon van Hongarije onderworpene Walachyers, veelvuldig gemagyariseerd, vooral de hoogere klassen van het volk, de meer ontwikkelden van den adel. Daardoor komt het, dat men onder de 1½ millioen Walachijers van Hongarije en Zevenburgen bijna geene oude Romanische Bojaren-familiën vindt. De grondbezittende edelman is daar in den regel Magyaar, en het volk bestaat, in dit gedeelte van zijn oud Dacisch stamland, in hoofdzaak nog slechts als een deel van het zoogenaamde “misera contribuens plebs.”1
De laatste groote volksbeweging uit het Oosten stortte zich in het begin der 13de eeuw, toen de opvolgers van Dschingis-Chan zich op weg begeven hadden, om het Westen der bewoonde wereld te veroveren, over de Dako-Romanen uit, nadat Dschingis-Chan zelf reeds het Oosten en het Zuiden onderworpen had. De heerschappij der Mongolen in deze westelijke streken van Europa, [116]waarin zich nu de hechte Koningrijken der Duitschers, Polen en Magyaren gevormd hadden, was echter slechts van zeer korten duur. Al ras bepaalde zij zich uitsluitend tot Oostelijk Europa, het tegenwoordige Rusland, en daar geene nieuwe volksverhuizing na hen volgde, zoo slaagden daarna met zeker goed gevolg, de Walachyers in hunne dikwijls beproefde pogingen, om eene onafhankelijke nationaliteit te verwerven.
Kort na het terugtrekken der Mongolen, na het midden der 13de eeuw, stonden onder de, in de bergdalen van Zevenburgen te zamen vluchtende Romaenen, twee volksleiders op, die de hunnen naar de, door de Mongolen verwoeste en door de Slawen sporadisch bezette Donau-landen, aan den voet der gebergten terugvoerden.
Een dezer, “Dragosch” geheeten, trok, zooals de Walachysche kroniekschrijvers zich uitdrukken, “met de jeugdige bloem van het Romaensche volk,” van uit de Marmarosch aan de bronnen van den Theiss, oostwaarts. Het eerste oostwaarts stroomende water, dat hij onder zeer avontuurlijke omstandigheden bereikte,—de vaderlandsche geschiedschrijvers hebben er eene fraaie mythe van gemaakt—heette “Moldava” en daarom gaf Dragosch aan het land dat hij veroverde en weder met Romaenen bevolkte, aan den staat dien hij stichtte, den naam van “Moldavië.”
De andere Romaensche staten-vormer “Radul” of “Rudolf de Zwarte” genaamd, die in een gedeelte van Zevenburgen aan de bronnen der Aluta gewoond had, welk gedeelte van oudsher “Fogarasch” genoemd werd, had op gelijke wijze, reeds eenigen tijd voor Dragosch, de bergen verlaten, en was zuidwaarts langs genoemde rivier gegaan, terwijl hij de daargelegen landschappen op de Daken heroverde, op nieuw bevolkte, bebouwde en tot éénen staat vereenigde, die “Walachye” par excelence genoemd werd.
Op deze beide merkwaardige staten-vormen van Dragosch en van Radul, die tot op onze tijden, ofschoon met eene zeer onvolkomene en steeds bevochten zelfstandigheid, en hoogstens slechts als vasallen-staten van naburige rijken zijn blijven bestaan, zien de Romaenen met bijzonder welgevallen neder, als op de periode der wedergeboorte en der hernieuwing hunner nationaliteit, die, zooals zij meenen, eens onder Decebalus en Trajanus hare gouden eeuw gehad heeft, vervolgens onder de duizendjarige verhuizing in de bergen van Fogarasch en Marmarosch gesluimerd, maar in stilte taal en zeden onderhouden heeft, en nu onder de beide bovengenoemde volkshelden, op eens als een losgebroken bergstroom bruisend en bevruchtend weder over de vlakte henenvloot. Verscheidene streken van het oude Dacië, aan den Donau en aan den Pontus, werden weder gedaciseerd en het onder de asch glimmende Romaensche volkselement, dat natuurlijk ook onder de Tartaren nooit geheel uitgestorven was, kwam weder bovendrijven. In de 14de en 15de eeuw weerden de Walachijers zich dapper tegen de Polen, Hongaren en andere naburen, die zich altijd in hunne zaken mengden. Toen hadden zij hunnen Alexander, hunnen Stephanus en andere vorsten, die door hunne geschiedschrijvers als nieuw opgestane Decebalussen, “de goede” of “de groote” enz. worden bijgenaamd.
Maar ook deze nationale zelfstandigheid duurde niet lang, want reeds in het [117]midden der 15de eeuw, trok aan den zuidelijken horizon een nieuw onweder, de over Klein-Azië en Constantinopel naderende macht der Turken, samen. De Walachyers riepen deze nieuwe Aziatische naburen, aanvankelijk zelf in hun land, daar zij hoopten zich van hunnen bijstand tegen de Hongaren te kunnen bedienen, en de Turken hunnerzijds verschoonden hen zoolang, als de macht der christelijke naburen geëerbiedigd moest worden. Toen echter in den noodlottigen slag bij Mohacz (in het jaar 1526) een einde aan het rijk der Magyaren gemaakt werd, en de halve maan in het oosten en tot onder de muren van Weenen wapperde, toen kwamen ook langzamerhand de Walachyers geheel onder de macht der Turken. Aanvankelijk werd hun eene geringe schatplichtigheid opgelegd, die echter met de jaren steeds grooter werd.
De inheemsche vorsten-waardigheid, die na het verdrijven der oude vorstengeslachten van Dragosch en Radul, niet meer erfelijk, maar een verkozen ambt was, werd spoedig onder den steeds meer rechtstreekschen invloed des Sultans bezet, en ten laatste werden deze Walachysche vorsten, even als de Pascha’s, met het onderscheidingsteeken “de drie paardenstaarten” vereerd, en ook even als de Pascha’s naar het goedvinden van den Sultan benoemd en afgezet. Aanvankelijk waren de Padischa’s nog zoo meegaande, dat zij deze hunne vorstelijke vasallen uit de oude, in het land geborene Bojaren-geslachten der Walachyers kozen. Langzamerhand echter lieten zij ook deze gewoonte varen, en begonnen zij vreemde avonturiers uit Epirus en Albanië, wie er maar het meeste voor bood, op den troon te plaatsen, en sedert het begin der 18de eeuw werd het een blijvend gebruik bij de Turksche keizers, de Walachysche en Moldavische vorsten, die hunne grens bewaken, en zooals eens Miltiades voor Darius, hunne Donau-opzichters en Donau-bruggenbouwers geworden waren, uit de in Constantinopel levende Grieksche familiën te nemen, en gewoonlijk tot deze waardigheid die Grieken te benoemen, die hen als staatstolken gediend hadden en waarover zij tevreden waren. De Sultans waren gewoon in de decreten, waarbij zij deze tot vorsten der beneden-Donaulanden benoemde tolken bevorderden, in hunne bloemrijke, maar toch zeer veel beteekenende oostersche taal over hen te spreken, als over “eene door hunne hand aangekweekte plant, eene licht verspreidende en door hen aangestokene kaars.” Zij bliezen deze kaarsen uit, als het hun goed dacht, zonder dat er overigens de minste reden voor bestond, en zoo zag Walachye, sedert dit systeem in werking gesteld was, in den loop eener eeuw, niet minder dan 40 verschillende Grieken op hunnen vasallen-troon verschijnen en weder verdwijnen.
Deze “Grieksche Hospodars” voegden nu, bij alle onder de Romaenen reeds bestaande nationaliteiten en talen, ook de Grieksche. Het Grieksch werd niet alleen de hoftaal der Hospodars, maar ook de conversatie-taal der beschaafde klasse, en de dagelijksche taal van alle, van het hof meer of minder afhankelijke Bojaren, die onder de heerschappij der Turken in hooge mate vergriekscht of gebyzantiniseerd werden. De Grieksche taal schoot zulke diepe wortels, dat zij zelfs nu nog, onder de Walachysche edellieden der Oostenrijksche provincie Bukowina, de gewone spreek- en schrijftaal is, zooals zulks in Petersburg met het Fransch het geval is. Verscheidene Grieksche woorden en elementen [118]zijn daardoor ook geheel in de Dako-Romaensche taal en nationaliteit overgegaan.
Eerst sedert het begin dezer eeuw heeft Ruslands ingrijpende overmacht, den invloed dier door de Turken zoo groot gemaakte Grieksche familiën, gefnuikt. Met behulp van Rusland zijn weder geboren Walachysche geslachten op den troon gekomen, en ook hebben de Russen bij de voorname kringen van het vorstendom, nevens hunne gewoonten, de Fransche taal in velerlei opzicht de Grieksche doen vervangen.
De aanhoudende afwisseling van regeering, het onbestendige van het tegenwoordige, het onzekere der toekomst, gedurende het geheele tijdperk der door de Turken ingevoerde heerschappij der Grieken, moest bij de Walachyers iedere duurzame onderneming en nuttige hervorming onmogelijk maken. De nu en dan te voorschijn tredende kiemen der industrie werden altijd weder verstikt, de handel en alle vaderlandslievende bewegingen verlamd en onderdrukt. Het door de Grieken voor goeden buit beschouwde, en onder belastingen gebukt gaande volk kon, evenmin als de door de Spanjaarden uitgemergelde Peruanen, in zijnen staat van lijfeigenschap eenig teeken van leven geven, terwijl al zijne naburen in ontwikkeling toenamen.
Wanneer men nu nog daarbij voegt, dat, als men de geschiedenis der Walachyers in het algemeen en in het groot beschouwt, het blijkt dat iedere afwisseling en iedere onzekerheid sedert overoude tijden, bijna altijd het treurig lot geweest is van dit in zulk eene ongunstige positie verkeerend volk, dat in zulk een kwaden wind geplaatst was, een hoek, die tegelijk de plaats was, waardoor alle volken Europa binnen- en uittrokken, dan laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat onder zulke omstandigheden, zich noch eene grootsche en gelukkige, noch eene zeer bedrijvige of industrieele natie, vormen kon.
Inderdaad zou men gelooven, wanneer men onder de Walachyers komt, hetzij men uit het Westen van de energieke Magyaren, hetzij uit het Oosten van de insgelijks minder indolente Kozakken, hetzij uit het Zuiden van de moedige en bedaarde Serviërs komt, eene schrede bergafwaarts gedaan te hebben.
De wegen, waarlangs de reiswagen, door eenige daaraan met touwen vastgebondene wilde paarden wordt voortgetrokken, zijn, al naar mate van het jaargetijde, of een diep moeras of eene stoffige zandstreek. De huizen der bewoners, of liever hunne stroo- of rieten hutten, hunne in de aarde gegraven gaten en gelapte zomer-tenten en hunne ellendige winterholen, die men ter nauwernood ziet, daar zij zich altijd vreesachtig zijwaarts van den straatweg, in het binnenste van het land verschuilen, zijn nog minder bewoonbaar dan die der Hongaren en Kozakken, terwijl hunne akkers nog meer verwaarloosd zijn. De gedaanten der menschen, door wie men zich omgeven ziet, de herders, die hun hoornvee, dat met hen vergeleken er aangenaam, rein, sierlijk en men zou kunnen zeggen, beschaafd uitziet, met een ruw “hallo” vooruitdrijven;—de plompe landlieden, die met een voorspan van 6 ossen langzaam een ellendigen en zeer ouderwetschen ploeg, door den van vet glimmenden akkergrond trekken—de postiljons, de stalknechten, de logementhouders en hunne [119]handlangers die de reizigers bedienen, en die hun stekelig haar met spek ingesmeerd hebben,—zij allen zien er zeer wild en somber uit. Zelfs in den dorpsschoolmeester en den predikant, is men eerder genegen een Heiduk dan een zacht brandend licht der gemeente te zien. Het is onmogelijk, dat het er bij de eens door Ovidius beklaagde onderdanen van Decebalus, erger uitgezien kan hebben, en men mag het eens zijn met het gezegde van den Moldavischen Vorst Kantemir, die zijne boersche landlieden “de ellendigste dorpbewoners onder de zon” genoemd heeft.
“Krachtige vastberadene en groote mannen, sterke en edele karakters, heeft men bij dit volk zelden aangetroffen, ofschoon een hoofdtrek in hun karakter vermetelheid is en zij gaarne twist zoeken. Het hart hebben zij niet ver van den mond, en even als zij hunne spoedig gaande gemaakte vijandelijkheden spoedig vergeten, zoo zijn zij ook niet lang trouw aan gesloten vriendschap. Zij zijn meer sluw dan voorzichtig en weten bij hun onvast karakter, van geene matiging hunner gevoelens. Als het hun goed gaat, geven zij zich aan overmoed en aan de uitgelatenste vroolijkheid over, maar treft hun het ongeluk, dan laten zij ras den moed zinken. Niets schijnt hun op het eerste gezicht moeielijk toe, maar stooten zij op de eene of andere zwarigheid, dan geraken zij in de war en geven hun plan op. Tegen overwonnenen en ondergeschikten zijn zij afwisselend goedig en wreed.”
“Trouw wordt zelden bij hen aangetroffen, en zal ik het eerlijk zeggen,” zegt Vorst Kantemir, dien ik hier, als landgenoot en bevoegd beoordeelaar der Walachyers, liever dan mij zelven of andere berichtgevers volg, “dan vind ik weinig in het karakter en de zeden der Walachyers, mijne landslieden, te prijzen dan hunne aangeborene gastvrijheid en hunne strenge rechtzinnigheid. Tegen alle nieuwigheden zijn zij ten sterkste ingenomen, wat trouwens zeer gemakkelijk te begrijpen is, daar al het nieuwe, wat hun van buiten werd aangebracht, steeds nieuwe plagen en tyrannie waren.”
Alle handwerken, kunsten en wetenschappen worden bij hen beoefend door vreemden, die zich bij hen met der woon gevestigd hebben: Duitschers, Russen, Franschen, Armeniërs en Joden. Zij zelven zijn niet alleen geene liefhebbers en bewonderaars der kunsten en wetenschappen, maar “bijna allen” zooals meergenoemde Vorst beweert, “verachten haar even hard als zij de vreemde ‘avonturiers’ doen, door wie zij beoefend worden.” Voor een echten Walachyer is het volgens hunne meening voldoende, als hij zijne gehoornde ossen, zijne paarden, schapen en bijenkorven, met streepjes en schrappen in den kerfstok, die hun rekening-courant-boek voorstelt, kunnen aanteekenen. Al het andere schijnt hun overtollig toe.
Het allerminst heeft men van oudsher de Bojaren en in het algemeen den adel der Walachyers te roemen. De adel is in verscheidene klassen verdeeld, naast de in het land geborene Dako-Romaenen hebben vele rijk geworden Grieken, Armeniërs, Joden, Polen, Tartaren, ja zelfs Tscherkessen, zich in den lands-adel der Vorstendommen doen opnemen. Dientengevolge is die adel bijna nog bonter samengesteld dan het gemeene volk zelf. De mishandelingen waaraan deze Bojaren, òf als hovelingen der Hospodars òf als dienaren van [120]den Turkschen Sultan vroeger even goed blootgesteld waren, als hunne eigene door hen weder onderdrukte en geplaagde boeren, hebben ook bij hen het gevoel voor de edele genoegens des levens en alle fijnere aandoeningen van het hart ondermijnd.
Wel hebben zij in lateren tijd hunne nationale dracht afgelegd, en zijn West-Europeesche modes en gewoonten, die grootendeels over Rusland, maar gedeeltelijk ook over Oostenrijk en Weenen tot hen kwamen, ingevoerd geworden; zulks neemt echter niet weg, dat zij in hunne manieren, in hunne neigingen en liefhebberijen, nog in velerlei opzicht de ouden gebleven zijn: Fransch of Duitsch sprekende, zich Europeesch voordoende Oosterlingen.
Zij hebben een grooten tegenzin tegen alle inspanning van lichaam of geest. Iedere beweging, waaraan eenige moeite verbonden is, is hun onaangenaam. Men ziet hen haast nimmer te voet. Het paardrijden en andere lichaamsoefeningen, zelfs de jacht, die bij zoovele hoogere standen van andere volken tot de lievelings-bezigheden behooren, worden door hen niet bemind. Zij bewegen zich bijna niet anders dan in gemakkelijke rijtuigen. De luxe in kleeding is, zoowel bij de mannen als bij de vrouwen, groot, en werkt verderfelijk op hunne huiselijke omstandigheden en hun vermogen. Hunne zucht tot verkwisting evenaart hunne begeerlijkheid, terwijl zij daarbij nu eens door onbeperkte pronkzucht, dan weder door eene angstvallige gierigheid beheerscht worden.
Geheel overgegeven aan weelde, zinnelijk genot en aan de min-vermoeiende genoegens der gezelligheid, hebben zij weinig gevoel voor de prachtige natuur van hun land. Zij willen alleen in de residenties der Vorsten leven, waarin van oudsher genade-bewijzen en ambten, titels en prebenden verdeeld werden en te verkrijgen waren. De heerlijkste oorden van hun vaderland zijn daardoor eenzaam en verwaarloosd; de dalen en de fraaiste landschappen, waarin ridders en Koningen hunne zetels zouden kunnen opslaan, worden dientengevolge alleen bewoond door beeren en arenden en—door arme, ruwe herders. Somwijlen komt het in hun hoofd op, hier of daar een fraai landhuis te laten bouwen, maar bijna nooit brengen zij het dikwijls geuite voornemen om het te gaan bewonen tot werkelijkheid, en zoo zijn ze binnen weinig tijds weder tot puinhoopen vervallen. Slechts zelden kunnen zij het over zich verkrijgen, eens, welk jaargetijde het moge zijn, de stad te verlaten, wier kringen een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hen uitoefenen. “Groote, oorspronkelijke genieën en grootsche gedachten leven even weinig onder hen, als groote deugden en de geest van zelfopoffering.” Maar wat zij spoedig kunnen leeren, dat maken zij zich gaarne en zeer gemakkelijk eigen, daar zij in den regel niet van vermogens ontbloot zijn.
Dit zijn minder opwekkende opmerkingen, die echter door nagenoeg allen, die de afstammelingen der oude Dako-Romaenen in hun land opzochten, gemaakt zijn. Echter mogen wij niet onopgemerkt laten, dat men zich bij algemeene schilderingen van een volk, wachten moet de pen te zeer in zwarte kleuren te dompelen, daar men overal te veel aantreft wat te gispen of te beklagen gevonden kan worden. Hij, die beproeft met weinige zwakke en algemeene [121]penseelstreken, de trekken van een volk of van eene maatschappij te schetsen, mag niet vergeten welk een groot en veelzijdig wezen een volk is, dat met verscheidene millioenen zielen over eene groote vlakte-uitgebreidheid verdeeld is. Er bestaan zooveel schakeeringen in de toestanden, die men niet dan door eene nauwkeurige beschrijving der bijzonderheden in het oog kan doen springen; bij eene dergelijke beschrijving toonen geheele gemeenten, ja geheele stammen, eene physionomie, belangrijk afwijkende van die, welke men als algemeen aangegeven heeft—vele uitzonderingen op den regel—enkele edele individuën, die zich verre boven de algemeene middensoort, welke de etnograaf beschreven heeft, verheffen, en die zich deugden, smaak en ontwikkeling, waartoe men aan de geheele massa aanleg ontzeggen moet, in hooge mate eigen gemaakt hebben.
Zoo hebben dan ook de Walachyërs, trots de geringe achting, die zij volgens de getuigenis van hunnen ouden Vorst Kantemir, voor de wetenschappen aan den dag leggen, dezen geleerden en waarheidslievenden schrijver, een vriend van Peter den Groote, zelven voortgebracht, en nevens hem nog verscheidene andere wetenschappelijke celebriteiten, onder wie ik ook weder aan de beminnelijke, geestige en geleerde Gravin Dora d’Istria herinneren mag, die in onze dagen met zoo’n diep gevoel haar zoo deerlijk geteisterd vaderland, en de lichtzijden van hare zoo dikwijls berispte landgenooten, geprezen heeft, terwijl zij toch tegelijkertijd den invloed der Duitschers billijken tol betaalde. Zoo beroemen de Walachyers er zich op, onder vele andere gevierde helden, eens den Hongaren hunnen grooten Johan Hunyades (wiens moeder ten minste eene Walachysche was) en zijnen zoon Matthias Corvinus geschonken te hebben. Verscheidene in de geschiedenis dikwijls genoemde Vorsten der Bulgaren waren eveneens van Walachyschen stam, en in oude tijden zijn, naar men zegt, zelfs de Romeinsche Keizers Aurelianus en Galerius geborene Dako-Romanen geweest, en al deze worden door de Walachysche patriotten met niet weinig trots als hunne landgenooten beschouwd.
Evenzoo vindt men in het land der Walachyers hier en daar zeer nette en deftige woningen, die volstrekt niet gelijken op het algemeen beeld, dat wij zooeven geschetst hebben, op de anders vrij algemeene stroohutten en in de aarde gegraven holen. In de bergen treft men soms dorpen aan, wier bewoners eene bijzondere zorg wijden aan hunne oofttuinen, vooral aan de kwetsen-boomen, de lievelings-vruchtsoort der Walachyers.
Heeft het harde lot, dat steeds hun land trof, hen loom en traag gemaakt, daar zij slechts zelden de vruchten van hun werk konden deelachtig worden, zoo hebben de voortdurende oorlogen en rooverijen hun ook geleerd, gemakkelijk afstand te kunnen doen van hetgeen zij bezitten of minnen. Niemand schikt zich gemakkelijker in het verlies dan de Walachyer, met zijn dikwijls herhaalden lakonieken uitroep: “zooals God wil.” Zonder groote behoeften te kennen, streng en gehard opgegroeid, laten zij zich zelden door een ongeluk geheel ter neder slaan. Hagelslag, overstrooming, brand en dergelijke beschouwen zij eenvoudig als “van God komende,” en verspillen er daarom ook geene weeklachten aan. Slechts zelden bedelen zij. [122]
Hunne gastvrijheid, die zooals reeds opgemerkt is, hun kritische dichter en rechter, de Vorst Kantemir als hunne meest in het oog springende deugd prijst, komt bij iedere gelegenheid aan den dag; waar maar een paar Walachyers bijeen zitten en niets dan een stuk droog maïs-brood eten, waarbij zij als eenige kruiderij, nu en dan een vingerlang stukje van een knoflookstengel afbijten, daar is de reiziger zeker, door hen vriendelijk uitgenoodigd te worden aan hun maal deel te nemen. Bij hunne bruiloften en andere feestelijkheden, waar het stout toe gaat, heeft de aan hunne deur kloppende wandelaar altijd zijn deel, en bij hunne begrafenissen wordt altijd een aantal armen, in het huis van den afgestorvene, gespijzigd en naar vermogen bedeeld.
Over het algemeen weet of denkt iedereen, die slechts eens de Lüneburger heide doorreisde, en in deze treurige streek, die over het geheel zeer te recht als eene “woestenij” afgeschilderd wordt, toch menig vriendelijk, ja bekoorlijk natuurbeeld ontdekte, dat op de heide van den Walachyschen volksgeest ook nog veel vriendelijks en weldadigs kan aangetroffen worden. Hoe trouw en standvastig was, in weerwil van de, zijn volk in het algemeen ten laste gelegde “lichtzinnige vergeetachtigheid,” b.v. de oude Abram Babecz, dien een Duitsch reiziger eens in Walachye ontmoette, en die naar Walachysche gewoonte 12 jaren om zijnen vroeg gestorven zoon treurde, d.i. steeds blootshoofds ging. En hoevele dergelijke trekken zou men hier nog niet bij kunnen voegen.
Hoe welluidend en aangrijpend zijn niet vele der bij de “barbaarsche” Walachyers inheemsche zangwijzen, die, even als die der Slawen, altijd in den klagenden moltoon gezongen worden. Hoe roerend en poëtisch zijn niet dikwijls de onder het volk verbreide liederen en gedichten. Gedurende mijne reizen in Walachye heb ik eenige er van bij een verzameld, en wat kan aandoenlijker klinken dan de volgende verzen, die een geboren Walachyer mij als een volkslied zijner natie mededeelde, en onder den titel: “Impartire a florilor.” (de verdeeling der bloemen) voor mij opgeschreven heeft.
Florilor, o Florilor
Di livada reserite!
o! Bloemen gij bloemen!
Ontsproten uit den grond!
Ieder moet u roemen
En hier en daar in ’t rond.
Gij dochters der natuur!
Getooid met zonnepracht
Van geel, groen en azuur
Van hemelsblauw, zoo zacht.
In een krans heb ik keur,
Van bloemen fijn geteeld;
Wat vorm betreft of kleur
Juist ieder meisjes beeld.
U, o Flora! aanminnig wezen
Met uw oogjes, zacht en lieflijk,
Met uw mondje, nooit volprezen,
Met uw inborst, zoo bekoorlijk [123]
Geef ik gaarne een viooltje, stil en klein
Als zinnebeeld uwer deugden, veel en rein.
En voor u, Isaa! dient tot zinnebeeld
De schoonste roos, vol vuur en gloed,
Daar uw wezen noch uw spreken ooit verheelt
De warmte van uw hartebloed.
Maria! uw hart is zoo rein en zoo goed,
Den dauwdrop gelijk, die daar glinstert in ’t veld.
Gij die aan ’t doornloos bloempje ons denken doet,
En zonder dat ge ’t u ten taak hebt gesteld.
De lelie schenk ik u dus tot beeldnis,
Die als zij zich ’s morgens ontsluit,
Der geheele schepping tot vreugde is,
Uit wier geur niets dan liefde ontspruit.
Dergelijke dichtregels zijn wel in staat ons met het “barbaarsche” volk, dat ze dichtte, te verzoenen. En wie de hoogst belangrijke Walachysche volksverhalen gelezen heeft, die eenige jaren geleden door een Duitscher bijeen verzameld en uitgegeven werden, die zal aan de Walachyers eene groote mate van phantasie niet kunnen ontzeggen.
Eindelijk kan ons, bij de ontmoedigende beschouwing van het treurig lot en de verwaarloozing van dit volk, ook nog de omstandigheid eenigzins opvroolijken, dat in den allernieuwsten tijd, minstens twee deelen van dit nog meer dan de Polen verbrokkelde volk, zich weder broederlijk verbonden hebben, en dat Moldavië en Walachye althans eene poging tot vereeniging en nationale versterking gedaan hebben. Dit is sedert de tijden van Decebalus de eerste maal, dat zooveel Daciërs weder even als nu, onder een door hen zelven gekozen Vorst staan. Of dit een begin is tot zulk eene herstelling van het oude Daken-rijk in zijn geheelen omvang, als waarvan de Romaensche patriotten, die in hunne verbeelding “de ongebaande steppen en wouden van Walachye met gouden korenvelden, met straat- en spoorwegen doorsneden, met fabrieken bezaaid en met 10 millioen ontwikkelde Romaenen bevolkt zien,” droomen, dat zal de toekomst moeten leeren.
Eene zekere hoop, dat deze droom eens verwezenlijkt zal worden, kan men echter bezwaarlijk uit de treurige geschiedenis van het verledene van het land en volk putten. Verscheidene nationaliteiten schijnen, zoowel door hunnen natuurlijken aanleg, als door de plaats die het oord dat zij bewonen in de wereld inneemt, veroordeeld te zijn, voortdurend eene ondergeschikte en onzekere rol te spelen. Ook kan men ter nauwernood zonder schrik aan de bloedige wegen en vreeselijke schokken denken, met wier hulp alleen het zou kunnen gelukken, alle Walachysche stamgenooten, op wier ruggen in Rusland, in Gallicië, Hongarije, Zevenburgen, andere volken en staten zich opgebouwd hebben, te vereenigingen en ze te ontdoen van alle vreemde bestanddeelen. [124]
1 Het ellendige, lasten opbrengend gemeen.
In het zuid-oosten van Europa, in het gebied en in de nabijheid van den grootsten stroom van ons werelddeel, heeft de natuur eene reeks groote berglanden gevormd, die in physieken zin, eenige gelijkheid met elkander hebben.—Boheme, Moravië, Hongarije, Walachye (met Bulgarije), allen gelijken daarin op elkander, dat het uitgestrekte, aan alle zijden door groote bergketenen omgeven, laaglanden zijn, terwijl men in het midden effene en meestal bijzonder vruchtbare vlakten vindt, die in de voortijden vermoedelijk groote binnen-zeeën vormden, wier wateren nu echter tot groote stroomaderen samengetrokken zijn.
Van al deze merkwaardige bassins is Hongarije het merkwaardigste, en ook in historischen zin was het het belangrijkste.
In het noorden en oosten wordt het door de Karpathen als door een sterk slingerenden halven cirkel omgeven; in het westen en zuiden wordt het door de Alpen en hare vertakkingen begrensd. In het noord-westen, waar Alpen en Karpathen op elkander stooten, is eene opening, door welke de Donau bij Presburg in het bassin stroomt, om het als een groot kanaal in schuine richting te doorsnijden. In het zuid-oosten, waar de Servische en Zevenburgsche gebergten op elkander stooten, is eene tweede opening, de sedert oude tijden zoogenaamde “ijzeren poort,” bij welke de Donau zich, door eene verscheidene mijlen lange galerij van hooge rotswanden, weder een uitgang door het land baant.
Van alle zijden komen de wateren van de bergen afstroomen, om zich, tot groote stroom-aderen vereenigd, naar het binnenste gedeelte des lands te begeven en zich met den Donau te vereenigen. Uit het westen komen de Drave en de Save, uit het oosten de veruiteenloopende takken van den Theiss, den vischrijksten stroom van Europa.
In het noorden en oosten scheidt het Karpathisch gebergte het land van de Sarmatische vlakte, en veroorzaakt tusschen Polen en Hongarije een bijna even scherp afgeteekend verschil in klimaat, als de Alpen zulks doen tusschen Duitschland en Italië. Wanneer men van uit het noorden de Karpathen overschrijdt, komt men al ras uit de pijnboomwouden en uit de, gedurende zes maanden met sneeuw bedekte, moerassen van Polen, in een vruchtbaar wijnland, en wel in een land, waar, onder veel helderder en drooger hemel, zuidelijker en vuriger wijnen verbouwd worden. De talrijke vertakkingen der Karpathen [125]vormen in Noordelijk Hongarije eene menigte liefelijke heuvelachtige landschappen. De bodem is er rijk aan allerlei schatten, aan gezondheidsbronnen, mineraalwateren, ijzer, zilver, koper en zelfs ook aan goud, en tusschen de ertsrijke bergaderen breidt zich een net vruchtbare, aan elkander verbondene dalen uit, waaronder ook het zoogenaamde “gouden land van Hongarije,” het groote eiland Schutt in de armen van den Donau.
De vertakkingen en uitloopers der Alpen zijn in het zuiden en westen wel armer aan metalen, maar daarentegen vol van de treffendste en bekoorlijkste landschappen. De gezamenlijke wateren van het land, dat naar het zuiden afhelt, zijn daar sedert oude tijden opgestuwd geworden, en hebben, even als in de Delta van den Nijl, ook in Walachye een vetten slijkbodem doen ontstaan, die over eene uitgestrektheid van 50 mijlen, in de om hunne vruchtbaarheid zoo beroemde landschappen van het Banaat, de Batschka en het Drave-dal gevonden wordt. Daar zijn zelfs amandel- en olijfboomen en zelfs de katoenstruik inheemsch geworden, terwijl de tamme kastanjeboom er in prachtige wouden groeit.
De middelste streken van Hongarije, vormen een groot vlak land, dat zoo geheel vrij is gebleven van de omwentelingen, die onzen aardbol doorwroet hebben, dat zijne oppervlakte over geheele streken gelijk schijnt te zijn aan den vlakken effenen waterspiegel eener binnenzee. In het geheele bergachtige Europa aan deze zijde der Russische bergen, treft men geene tweede dergelijke vlakte aan. Overal waar men, van de grensgebergten komende, deze vlakte betreedt, meent men een ander werelddeel voor zich te zien. Men zou meenen, dat Europa midden tusschen zijne bergen een stuk van het Aziatische steppenland in zich opgenomen heeft. Alles is vrij, open en ruim, overal is de horizon onbegrensd. Zandheuvels of vroegere duinen zijn de eenige hoogten. De oppervlakte is in den regel kaal, hout- en woudloos, voor een groot deel arm aan water, met gras of met onmetelijke heidevelden bedekt. Enkele gedeelten zijn vruchtbaar en geschikt ter bebouwing. Beide streken langs den Donau en den Theiss zijn een groot gedeelte van het jaar met water bedekt en vormen wijd uitgestrekte moerassen. Andere gedeelten missen geheel een vruchtbaren bodem en den gras-groei, en gelijken kale, water-, boom- en schaduwlooze zandwoestijnen. Zij worden van oudsher “Püsten” (Wüsten, woestijnen) genoemd, onder welken naam echter later ook de gezamenlijke binnenste vlakten van Hongarije—bouwlanden zoowel als woestijnen—aangewezen worden. Even als in de Russische steppen, vindt men ook in deze Hongaarsche “püsten” talrijke zout- en natron-meren als overblijfselen van eene vroegere binnen-zee. Ook het klimaat dezer woestijnen heeft in hoofdtrekken veel overeenkomst met die der Aziatische steppen; het heeft eene in hooge mate drooge temperatuur. In den zomer brandt de zon boven de Hongaarsche vlakte even gloeiend als boven de Sahara. Dikwijls is maanden lang aan den hemel geen wolkje te bespeuren, en de lucht tot stikkens toe heet en stil. In den winter daarentegen waaien scherpe winden over het vlakke land heen, maar deze zijn, tengevolge van den tegen het noorden en oosten beschermenden bergwal, niet zoo ruw en koud, als in de oostelijke zusterlanden [126]Meestal mag men het wagen zomer en winter de kudden buiten te laten. Bij uitzondering echter komen uit het Oosten zeer harde winters, en dan komen de runderen, even als in de steppen van Rusland en Tartarye, bij duizenden om.
Alle algemeene en bijzondere karaktertrekken van natuur en leven in deze Hongaarsche püsten, harmonieeren in zoo hooge mate met wat men aan de Kaspische zee en den Pontus waarneemt, dat men meenen zou, hetzelfde land, denzelfden bodem aan deze zijde der Karpathen weder te zien, hetzelfde vroeger samenhangende tapijt, waarvan de later uit de ingewanden der aarde opgestegene Karpathen, slechts toevalligerwijze een stuk afsneed en insloot. Het valt niet te betwijfelen, of deze steppen-natuur van het binnenste gedeelte van Hongarije, vormt het wezenlijke karakter van het land, en heeft een beslissenden invloed op het geheele land gehad. Ware Hongarije, even als het overige Europa, door heuvels en bergketenen doorsneden geweest, het zou eene andere geschiedenis gehad hebben; het zou zich dan meer aan het Westen hebben aangesloten, maar nu moest het, als eene onmetelijke door bergen ingeslotene dierenrijke weide, als een door de Karpathen omzoomde prachtige veeplaats, bij de Aziaten beroemd en door hen als een land van belofte beschouwd worden.
De Aziatische en Nomadische volks-elementen, die zich van de vroegste tijden af, in dezen breeden boezem van Hongarije uitstortten, hebben van daar uit op het land en het volk steeds hun zegel gedrukt en bij beiden den toon aangegeven. Wij zien nu daar midden in dat weide-land een volk van Oosterschen oorsprong, dat naar alle zijden heen, over een ander karakter hebbende bergvolken druk en heerschappij uitoefent. En zoo is het bijna door de geheele geschiedenis heen geweest.
Reeds in het jaar 50 na Christus geboorte, ten tijde van den Romeinschen Keizer Claudius, trok uit de Oostelijke steppen aan de Zwarte Zee, een nomaden-volk, de Jazijgen geheeten; het begaf zich over de Karpathen naar Hongarije en zette zich in de lage gedeelten van het binnenste des lands neder. De Romeinen schilderen ons deze Jazijgen als “een volk van wilde en koene ruiters, die, zonder dorpen en zonder steden, onafgebroken te paard, in gemakkelijk op te breken legerplaatsen leefden, en hunne wagens en kudden met zich voerende, naar mate zij daar lust toe gevoelden of hun zulks noodig scheen, heen en weer trokken.” Zij waren vrije menschen, die hunne onafhankelijkheid zelfs lang tegen de Romeinen wisten te handhaven. Daarentegen hadden zij de om hen wonende bergvolken aan zich onderdanig en schatplichtig gemaakt.
Men meent in deze weinige door de Romeinen medegedeelde gegevens, de aanduiding van toestanden te herkennen, zooals die nu nog in het land bestaan. Vele hun gelijkende ruitervolken kwamen na de Jazijgen in het land, en wie weet hoe dikwijls reeds voor hen, gelijksoortige stammen op gelijke wijze het land binnen gedrongen waren.
Welke taal die Jazijgen spraken, tot welke der groote Aziatische nomaden-stammen zij behoorden, weten wij niet, en evenmin is het ons bekend, tot welke familie de inboorlingen en bergbewoners die zij er aantroffen, gerekend moeten worden. Slawische schrijvers echter zijn van oordeel, dat de laatstgenoemden Slawen waren. En was dit, zooals waarschijnlijk is, het geval, dan zouden wij [127]dus hier reeds in de oudste tijden een beeld voor oogen hebben, van den nu nog in Hongarije voortdurenden strijd tusschen nijvere, akkerbouwende, onderworpene Slawen, en zich op de veeteelt toeleggende, vrij rondzwervende, in het inwendige van het land gebiedende, indringers uit het Oosten.
Na de Jazijgen, wier macht, omstreeks het midden der 4de eeuw, door een algemeenen opstand hunner (Slawische?) onderdanen gebroken werd, wier naam echter ten huidigen dage in de geographie van Hongarije, in het district “Jazijgië” aan den Theiss, vereeuwigd is, vielen de horden der zoogenaamde Hunnen het land binnen, en hun aanvoerder Attila sloeg, even als voor hem de stam-opperhoofden der Jazijgen, zijne legerplaats midden in de vlakten van Donau en Theiss op. Zijne verschijning was niet eene koene en op zich zelf staande onderneming van een afzonderlijken stam, maar het gevolg van groote staten-veranderingen en volksbewegingen in het Oosten. Hij kwam aan het hoofd eener groote volks-lawine, midden in een bruisenden vloed van natiën. De nationale elementen door dezen vloed over Hongarije uitgeschud, waren natuurlijk van zeer verschillenden aard. Daaronder bevonden zich zoowel Mongoolsche als Finsche, Turksche en wellicht ook Tungusische krijgers, al waren dan al wellicht eerstgenoemden de aanvoerders.
Ten tijde van Attila, in het midden der 5de eeuw, speelde Hongarije voor de eerste maal eene groote maar vreeselijke rol in de wereldgeschiedenis, en van dien tijd af heeft dat land den naam “Hunnenland” of “Hungarn” (Ungarn—Hongarije) bij de westelijke Europeanen behouden. Van uit de Hongaarsche püsten, van uit de ruiter-legerplaatsen aan den Theiss, werden toen de eerste tochten gedaan die tegen het Romeinsche rijk gericht waren, de Germaansche wereld in rep en roer brachten, en in geheel Europa de vaan der revolutie plantten. Van daar uit reden Attila en zijne scharen naar Duitschland, naar Frankrijk en Italië, en daarheen keerden zij, de Alpen omtrekkende, met den in het westen opgedanen buit beladen, ook weder terug. Daar, in zijne legerplaatsen aan den Theiss en den Donau, ontving Attila de afgezanten van de Keizers uit het Westen en uit het Oosten en de schatting van vele volkeren.
Na het verval van het rijk der Hunnen, waarvan de oorzaak, deels in inwendige tweespalt der opvolgers van Attila, deels in den opstand hunner Slawische en Germaansche onderdanen, moet gezocht worden, kwam de heerschappij over Hongarije aan Duitsche stammen, aan de Gepiden, Gothen en Longobarden.—Maar ook deze hielden niet lang Hongarije onder hunne heerschappij, want schier iedere eeuw deed nieuwe volken uit het Oosten en het Westen binnenstormen.
Vervolgens, in de 6de eeuw, kwamen de Avaren. Zij volgden het voetspoor der Hunnen, om het voorbeeld van dezen op nog ergere wijze te herhalen. Even als Attila, zetten zich hunne Chakans (opperhoofden der horden) in de vlakten aan den Theiss en den Donau neder, en van daar uit vielen zij, even als de Hunnen overal verwoesting aanbrengende, het overige Europa aan. Men toont nu nog in Hongarije overblijfselen aan der zoogenaamde Avaren-ringen, groote ronde verschansingen, waar binnen zich de Avaren met hunne ruiters en kudden verschansten. [128]
Hunne rooftochten voerden zij, evenals de Hunnen, hoofdzakelijk in drie richtingen uit: zuidelijk naar Constantinopel, westelijk den Donau op naar Duitschland, zuidwestelijk tot de Adriatische zee naar Italië. Zij handhaafden zich nagenoeg 200 jaren in hunne stelling, tot ten laatste Karel de Groote, tegen het einde der 8ste eeuw, langs den Donau tegen hen optrok, in een grooten slag aan den Raab hunne macht brak, en met Duitsche kolonisten zijn “Avaren-mark”, Avarengrens, ook wel de “Oostelijke-mark” later “Oostenrijk” genoemd, tegen hen oprichtte.
Reeds lang was een ander Finsch-Tartaarsch volk, de Bulgaren, van den Ural af, de Avaren op den voet gevolgd. Terwijl zij, in den rug hunner steeds voorwaarts trekkende voorgangers, de verlatene provinciën wegnamen, kwamen zij na de nederlaag der Avaren, ook naar Hongarije, en beheerschten dit land van af de oostelijke grens tot aan den Donau bij Pesth. De hoofdmacht dezer Bulgaren had zich intusschen naar den beneden-Donau en naar Constantinopel gewend, en hunne heerschappij in Hongarije was noch zeer uitgebreid, noch van langen duur. In hunne noordelijkste bezittingen aan den Theiss en den Donau, moesten zij onderdoen voor de Magyaren.
Het einde der 9de eeuw bracht de Magyaren in het land. Even als hunne voorgangers de Bulgaren, de Avaren, de Hunnen, de Jazygen, hadden zij zich ook aan de grenzen van Azië en Europa te paard gezet, en waren zij strijdende, slagen winnende en verliezende, nu eens overwinnende, dan weder door hunne vijanden gedecimeerd en voor hen vluchtende, lang aan de Chazaren onderdanig, langs denzelfden grooten volkeren-weg in het noorden van den Pontus, waarlangs al hunne voorgangers gekomen waren, westwaarts getrokken; waren in dezelfde bergpassen der Karpathen, in het noorden van Zevenburgen, de gebergten overgetrokken, en maakten eindelijk, even als hunne voorgangers, in de goede weiden langs den Theiss en den Donau, halt. Daar, midden in de vlakten sloegen, even als eens Attila, hunne eerste legeraanvoerders en hertogen, Almus en Arpard, hunne legerplaatsen op, en zij en hunne opvolgers verspreidden zich van daar op hunne tallooze kleine paardjes, even als de Hunnen en de Avaren, langs de van ouds daartoe gebruikelijke wegen over het overige Europa, en doortrokken plunderend en verwoestend het Byzantijnsche rijk in het zuiden, Italië bij het begin der Adriatische zee en Duitschland opwaarts langs den Donau. Wanneer men de gelijkvormigheid dezer gedurende eeuwen voortgezette marschen en tochten, en hunne overeenstemming op schier alle punten, zoo met betrekking tot het doel, als tot de wegen die tot dat doel moesten leiden, beschouwt, dan zou men bijna geneigd zijn te gelooven, dat de volken volgens afspraak te werk gingen, of wel als bestond er eene traditie, dat het Hongarenland, het met bergen omringde weideland aan den Donau, over heel Azië eene groote vermaardheid had genoten, en als had zich dus van de vroegste tijden af ieder ruitervolk, met het plan dit doel te bereiken, op weg begeven. Ten deele moge dit werkelijk zoo geweest zijn, maar ten deele is ook de gelijkvormigheid en regelmatigheid dezer bewegingen uit de natuurlijke gesteldheid dier landen te verklaren.
Het geheele zuiden van Rusland is eene met gras bedekte vlakte, die den [129]Nomaden zeer geriefelijk voor hunne beweging en toenemende uitbreiding moest zijn. Het ruwe klimaat en de dichte wouden van midden Rusland, waren hun hinderlijk bij het voorwaarts rukken naar het noorden, terwijl zuidwaarts de Zwarte Zee hun in den weg lag.
Zij trokken dus het liefst westwaarts. In deze richting stieten zij op de Karpathen, die in Zevenburgen eene hooge, breede en moeilijk te overwinnen hinderpaal vormden, die echter van de bronnen van den Dniester en Pruth tot die van den Theiss, lage, smalle bergruggen en gemakkelijke bergpassen aanbieden. In het noorden dezer landstreek verheffen de Karpathen zich weder hooger, zoodat zich bij den Theiss eene kleine verzakking bevindt, een overgangspunt, een zeer natuurlijk inlatings-station, veel doelmatiger en natuurlijker dan de reeds bovengenoemde “IJzeren Poort” in het zuiden, waardoor de Donau binnenstroomt. Nu nog gaat daar door een der voornaamste reis- en straatwegen van Rusland en de Bukowina naar Hongarije.
De Jazygen, de Avaren, de Magyaren, die, zooals bereids gezegd is, niet altijd als overwinnaars hunnen weg vervolgden, veelmeer dikwijls als door andere horden voorwaarts gedrevene vluchtelingen, aan den voet der Karpathen aankwamen, waagden dan, als zij van de heerlijke streken aan gene zijde hoorden, de bergen over te trekken. Achter de bergen konden zij ten minste een tijd lang voor hunne vervolgers zeker zijn, en in die vlakten, waar zij de rijken hunner Aziatische voorgangers, of van de aldaar van oudsher inheemsche Slawen, in tweedracht en verval vonden, konden zij met frisschen nomaden-moed als veroveraars en gebieders optreden.
Dat zij meest allen ten slotte aan den Donau halt hielden, als hadden zij nu hun doel bereikt, als waren zij in het beloofde land aangekomen, verklaart zich even natuurlijk uit de verdere gesteldheid van Westelijk Europa. Had men verder op ook nog eindelooze vlakten, weiden, rijbanen gevonden, dan waren de Nomaden tot aan het einde der wereld doorgedrongen. Op hunne onderzoekings- en rooftochten van de kale püsten uit, ontdekten zij echter steeds, dat men aan de andere zijde niets dan bosch- en berglanden vond, vol menschen, steden, muren en doorsneden door zeeboezems. Zij werden daar dikwijls met bebloede koppen teruggeworpen, en bleven daarom in hunne püstenstreek waar niemand hen opzocht, en dat het laatste stukje van het werelddeel was, dat op hun Aziatisch vaderland geleek. Nog heden ten dage is de Magyaar, als men hem eene beschrijving van bergen en enge dalen geeft, gewoon met een soort afschuw te zeggen: “maar dat is verschrikkelijk! Daar moet een Hongaar stikken.”
Even als met betrekking tot de wegen waarlangs zij het Donauland binnentrokken, en tot de omstandigheden waaronder zij zich daar vestigden, gelijken deze volken, tot de Magyaren toe, ook allen op elkander wat ten slotte hunne nationale geschiedenis was. Onder heinde en ver gevreesde legeraanvoerders en ruwe machthebbers legerden zij allen, de een na den ander als sombere onweerswolken, aan den Donau, en deden zij van daar uit een tijd lang hunne verwoestende tochten naar alle zijden heen. Maar geen vast beginsel, geen erfelijkheid van den vorstelijken troon, geene neiging tot beschaving of vooruitgang [130]schoot bij hen wortel, en daardoor kwam het, dat al die onweerswolken zich in nevels oplosten. De onstuimige ondernemingsgeest verminderde. Zulke groote en talentvolle aanvoerders als Attila keerden niet weder. De horden kregen oneenigheid en raakten verdeeld, en zoo werden zij altijd weder de buit van eene andere, nieuw aangekomene horde, die nog bezield was met dien frisschen moed en die jeugdige eensgezindheid, die den roovers bij den aanvang hunner expeditiën zoo eigen pleegt te zijn.
De Magyaren waren de eersten en bleven de eenigen, die het talent of het geluk hadden, dit gewone lot van alle politieke stichtingen der Aziaten in Europa te ontkomen. Zij alleen zijn niet als stof vervlogen, zij alleen zijn midden onder ons blijven bestaan, en hebben zich als een vast lid aan den krans der andere Europeesche volken aangesloten. Nauwelijks aan deze zijde der Karpathen gekomen, stichtten zij eene monarchie met een erfelijk vorstenhuis, en kwamen uit hen verscheidene heldhaftige vorsten voort. Kort nadat zij, even als de Hunnen en de Avaren, door de westelijke volken voor hunne rooftochten in bloedige slagen bestraft en teruggeworpen waren, gaven zij niet zooals de genoemde volken, op Aziatische wijze door eene overhaaste vlucht het in bezit genomene land op, maar kwamen zij veeleer spoedig tot bezinning, en besloten, terwijl zij de Westersche beschaving en het Christendom—en wel het Westersche en niet zooals de Russen, het Oostersche Christendom—aannamen, als Europeanen in Europa te blijven, daar zij als Aziaten zich niet inheemsch konden maken. Zij trokken de zware wapenrusting der westersche volken aan, riepen Duitschers en Italianen in het land, stichtten met behulp van dezen steden en vestingen, grepen naar den ploeg en leerden van de Duitschers en Slawen den landbouw.
Het onuitputtelijke Azië ging intusschen voort, even als te voren, nieuwe ruitervolken naar het Westen te zenden. Het eerst in de 10de eeuw de Petschenegen, die de Hongaren altijd op den voet gevolgd waren, vervolgens in de 12de eeuw de wilde Kumanen of Polowzers, beide van Turksche afkomst en eindelijk in de 13de eeuw de Tataren van Dschingis-Chan. Even als hunne voorgangers klopten ook zij allen aan dezen Karpathen-muur, ja zij klommen dien zelfs ten deele over. Maar de sterk geblevene en nog sterker gewordene Magyaren boden hun een even degelijken als machtigen tegenstand. De Turksche Petschenegen en Kumanen kwam slechts bij afzonderlijke troepen in Hongarije, en ook dezen slechts als trawanten en onderdanen der Hongaarsche koningen, en verdwenen weldra in de massa van het Hongaarsche volk, waarmede zij zich vermengden. Zelfs de Tataren van de 13de eeuw, werden in Hongarije, nadat zij het geheele land eerst verwoest hadden, ten slotte overwonnen, en moesten zich met de heerschappij over de uitgestrekte landen ten oosten der Karpathen tevreden stellen, en eerst veel later was het krachtig gewordene Rusland in staat, deze Aziatische landverhuizing bij den Ural een grens te stellen, even als voor hen de Magyaren het reeds bij de Karpathen gedaan hadden.
Van Duitschland uit, dat na den tijd van Karel den Groote en Hendrik den Vogelaar zich vast aaneen sloot, zich met steden en muren wapende, door Hongarije en Rusland heen, kan men in den loop der eeuwen een langzaam [131]kristallisatie- en consolideerings-proces der Europeesche volken opmerken, dat met landbouw, beschaving, het bouwen van steden, met militaire grenzen, kozakken-liniën enz., langzamerhand verder naar het Oosten rukt, even als het indijkings-systeem der Duitsche Marsch-boeren, de Aziatische volken-zee tot steeds engere grenzen beperkt, en aan de van Azië uitgaande politieke schokken steeds minder vergunt, zich aan ons vasteland mede te deelen.
Aanvankelijk zullen de Magyaren, toen zij over de Karpathen het land binnentrokken, niet meer dan 300.000 koppen bedragen hebben. Zij vermeerderden zich aan den Donau tot eenige millioenen, zonder dat zij zich, even als de Franken en de Gothen in Spanje en Gallië, in de oorspronkelijke bevolking oplosten. Terwijl zij veel meer dan deze beide volken, de taal en de eigenaardigheden hunner voorvaderen getrouw bleven, en deze ten deele zelfs nog aan anderen opdrongen, stichtten zij zelven daar een rijk, dat lang bestond, en ten tijde van zijn grootsten bloei in de 14de en 15de eeuw, bijna alle midden- en beneden-Donau-landschappen, van af de Karpathen tot aan de Adriatische Zee, en onder Lodewijk den Groote zelfs ook Polen tot aan de Oost-Zee omvatte.
Onder dezen Lodewijk uit het huis van Anjou, en vervolgens onder hunnen gevierden Mathias Corvinus, die niet alleen op de slagvelden uitblonk, maar ook wetenschappen en kunsten beoefende, die eene zoo groote en kostbare bibliotheek bezat als geen ander Europeesch Vorst van zijn tijd, en dien de Hongaarsche boeren nu nog prijzen, wanneer zij spreekwoordelijk zeggen: “Koning Mathias en de gerechtigheid zijn dood,” bereikten de Hongaren de hoogste trap van nationalen roem en aanzien. Het geluk en de vooruitgang van dit volk zouden wellicht bestendiger geweest zijn, als zich niet een nieuwe en vreeselijke afgrond geopend had; een afgrond, die zoovele bloeiende Europeesche volken verslonden heeft. Terwijl de Hongaren het toppunt hunner macht bereikt hadden, hadden de Turken alle voormuren der christenheid in het zuiden ter neder geworpen, en stonden zij eindelijk aan de Donau-grenzen.
Die groote Hongaarsche Koningen, die een tijd lang de heldhaftige voorvechters der christenheid tegen de Muzelmannen waren, hadden onwaardige opvolgers, die kroon, rijk en leven in de ongelukkige gevechten tegen de Turken verloren. Met de belangrijke slagen bij Varna (1444), waar Koning Wladislaus met zijne helden verslagen werd, en bij Mohacz (1526), waar Koning Lodewijk II met de zijnen in een moeras verzonk, eindigde de nationale grootheid en de onafhankelijkheid der Magyaren. Als onderdanen of verbondenen der Turken, verzonken de Hongaren zelf in een poel van machteloosheid en verwildering.
De Turken hebben van Hongarije nagenoeg 200 jaren lang, de eigenlijke Magyaarsche kern van het binnenste püstenland bezeten. De Slawische nabuurlanden der Karpathen zijn nooit blijvend in hunne handen gekomen. De Magyaren verturkten zich onder de halve maan op merkbare wijze; zij begonnen zich even als de Turken het hoofd te scheren, bedienden zich van Oostersche baden, bouwden in hunne steden moskeeën, en namen ook in taal, zeden en gewoonten veel van de Osmanen over. Velen hunner gingen zelfs tot den Islam over, dienden de Muzelmannen als vasallen, borduurden op hunne vaandels de halve maan, en schreven daaronder: “Voor Allah en het vaderland.” [132]Dat het hun niet geheel zoo ging als de Albaneezen en de Bosniërs, en dat bij slot van rekening, zij ook uit dit gevaar de hoofdtrekken hunner nationale-eigendommelijkheid redden, “dat zij” zooals een hunner geschiedschrijvers zich uitdrukte “langzamerhand weder een behoorlijk christen-gelaat toonen konden,” hebben zij grootendeels te danken aan de overwinningen van een Karel van Lotharingen, van een Prins Eugenius, en aan hunne verbinding met het Oostenrijksche Keizers-huis, met wier hulp zij zich in den loop van drie eeuwen van gemeenschappelijken strijd en van worsteling, tot nieuwe hoop en tot nieuwe ontvouwing hunner nationaliteit verhieven.
Waaruit deze Magyaarsche eigendommelijkheid en krachtige nationaliteit eigenlijk ontsproten, wat zij geweest zijn en welke grootere volksstammen tot de Magyaren moeten gerekend worden, daarover heeft men tot den huidigen dag veel gestreden.
De Russische schrijvers, bij wie wij de eerste berichten aangaande de Hongaren vinden, leidden haar af uit het land “Ugrien,” het oude stamland der Finnen aan den Ural. Een Hongaarsch geleerde, Sainovicz, die in het jaar 1769 met de beroemde wetenschappelijke expeditie, tot hoog in het noorden van het land der Lappen trok, om den doorgang van de planeet Venus waar te nemen, deelde deze zienswijze, en schreef een boek waarin hij bewees, dat de Lapsche en de Finsche taal in wezen dezelfde waren als die der Magyaren. En het is ook nu nog het oordeel der meeste geleerden, dat de Magyaren oorspronkelijk de naaste verwanten geweest zijn der Finsche Oostjäcken, Wokulen en Baschkiren, wier land in de middeneeuwen langen tijd “Groot-Hongarije” genoemd werd. De beroemde Fransche reiziger en gezant Rubruquis verzekert, dat in zijn tijd, in de 13de eeuw, de taal der bewoners van dit “Groot-Hongarije,” der Baschkiren, nog geheel dezelfde was als die der Magyaren aan den Donau.
Ook de oude tradities der Hongaren zelven, wijzen naar het gebied van den midden Wolga en de Kama, als het oord, vanwaar hunne tochten naar Westelijk Europa uitgegaan zijn. Daar leeft nog heden ten dage een Finsche volksstam, die bijna denzelfden naam draagt als de Magyaren, namentlijk de “Metscher-jakers.” En eindelijk bevinden zich zuidelijk van genoemde streken en zuidelijk van de Wolga, aan de rivier Kama, de ruïnen eener stad die nog heden “Madschar” genoemd wordt, en die men voor de oorspronkelijke woonplaats der Magyaren houdt.
De bij alle verwantschap bestaande groote verscheidenheid, der tegenwoordige Hongaarsche taal met die der overige Finsche dialecten, zoo ook het wezenlijk onderscheid naar lichaam en geest van beide volken, hebben daarentegen anderen bewogen, den oorsprong der Hongaren ergens anders te zoeken, en de genoemde overeenkomsten te verklaren uit hun meer of minder lang verblijf onder de Finnen. De Bijzantynsche schrijvers noemden de Hongaren van de vroegste tijden af, gewoonlijk “Tourkoi” (Turken). En daar nu de Hongaarsche taal niet alleen vele woorden, maar ook menige eigenaardigheid in bouw en mechanisme, met de talen der talrijke Turksche stammen gemeen heeft; daar ook verder de lichaamsbouw van het Hongaarsche volk eerder iets Zuid-Aziatisch dan iets Lapsch of Finsch verraadt, zoo hebben [133]vele geleerden hen tot de Turk-Tataren gerekend. Anderen wederom rekenden hen tot de oude Hunnen en Mongolen. Wijl er eindelijk echter nog zeer veel, zoowel in de taal als ook in het geheele wezen der Magyaren overblijft, dat noch Turksch, noch Finsch, noch Mongoolsch is, en daar voornamelijk de Hongaarsche patriotten zelven, wien eene verwantschap met de Oostjäcken of Lappen—de Keizer van Rusland loofde orden uit, om dit op wetenschappelijke gronden te bewijzen—niet vleiend genoeg of misschien zelfs wel gevaarlijk toescheen, zich altijd het liefst hielden aan dit hun eigenaardigst, dit iets, wat zij “Mag” d.i. kern van het volk (vandaar “Magyaren”) noemden, zoo is in den nieuwsten tijd eindelijk een hunner, de jonge, enthusiaste Czoma von Körös, midden tusschen Finnen, Turken en Mongolen door, naar den oorspronkelijken zetel van het geheele Europeesche menschengeslacht, naar de Indische hooggebergten gereisd, om daar aan de bronnen van alle Aziatisch-Europeesche volks-stroomen, de dalen te ontdekken, waaruit de kern van het Magyarendom ontsproten mag zijn. Maar de onderneming van dezen geleerden Hongaarschen patriot, die daarbij zijn leven verloor, heeft weinig tot beslissing dezer vraag bijgedragen, ofschoon hij zelf persoonlijk overtuigd was, dat het stamland der Hongaren aan gene zijde van den Himalaya bij Tibet te zoeken is.
Het waarschijnlijkste resultaat, waartoe men intusschen, ten minste behalve in Hongarije, vrij algemeen gekomen is, en dat zooals gezegd is, voornamelijk op de oorspronkelijke verwantschap der Magyaarsche en Finsche taal berust, is en blijft dit, dat de Magyaren in hun eerste begin als een Finsch heldengeslacht moeten beschouwd worden, dat zich later met vele vreemde bestanddeelen vermengde, en waarin zich vervolgens gelijktijdig als door chemische vermenging en oplossing der elementen, even als in het tegenwoordige gemengde Engelsche volk, een zeer eigenaardige geest vormde, en waaruit een zelfstandig en zijn eigen kracht bewust organisme ontstond, dat wij in geene der bijmengingen, waarvan het een produkt is, terugvinden en door geen er van geheel oplossen en verklaren kunnen.
Zonder twijfel hebben zij, reeds voor zij over de Karpathen klommen, op hunne lange wandeling en gedurende hun ongeregeld en met tijdperken van rust afgewisseld voorwaarts gaan, van den Ural door de steppen van Rusland, veel vreemds in zich opgenomen; Turksche, Slawische stammen lagen op den weg van dit hoopje strijders. In de dienstbaarheid der Chazaren en in de oorlogen met de vreemdelingen, vereenigden zij zich met deze en trokken zij velen hunner met zich voort. In Hongarije zelve zette zich dit proces nog verder voort, want daar vonden zij overal zoowel Slawische volken als overblijfselen van Aziatische stammen. Van de Avaren, van de oude Hunnen, van de nog oudere Jazijgen waren, bij de afdaling in het binnenste der Hongaarsche püsten, altijd eenige overblijfselen overgebleven, die, onder al de omwentelingen en de verwisselingen van heerschers in het land, een nomadische kern der bevolking bewaard hadden. De Magyaren namen dezen, hun het meest passenden, Aziatischen zuurdeesem aan. Toen zij van de groote daden der Hunnen en Avaren hoorden, en toen zij zelven later dergelijke groote daden uitvoerden, [134]toen versmolt in het volksbewustzijn der Magyaren, de voortijd geheel met het daar zooveel overeenkomst mede hebbend tegenwoordige.
Zij eigenden zichzelven, om zoo te zeggen, den geheelen vroegeren roem van het door hen bezette land toe. Zij namen de tradities der Avaren en Hunnen als de hunne aan. Zij vereenzelvigden zich met alles, wat van oudsher veroverend en verwoestend, van uit het oosten in hun Donau-bekken verschenen en daar weder uitgegaan was. Zoo werd Attila een Hongaarsch nationaalheld, wiens daden de Magyaarsche schrijvers nog met grooter voorliefde en met meer toevoegsels van hunne vinding opgesierd hebben, dan de Duitschers en Franken de daden van hunnen grooten Karel. Attila en zijne Hunnen, Bajan en zijne Avaren, waren naar hun idée in zekeren zin slechts de voorhoede geweest van dezelfde groote en langdurige volksverhuizing, waarvan nu de Magyaren de achterhoede en den staart vormden, terwijl zij het geheele werk de kroon opzetten, door dien zij ten slotte de onderdrukking en consolideering van het land voltooiden.
Maar verreweg het meerendeel der bewoners van het land, dat de Hongaren als hun vadererf binnentrokken, bestond uit Slawen, die, zooals reeds gezegd is, overal in de rondte, in het zuiden zoowel als in het noorden, in het oosten zoowel als in het westen, te vinden waren. Grootendeels ten koste dezer Slawen, groeide de nieuwe spruit uit het Oosten tot een grooten boom op. Het kon niet missen, dat hij daarbij veel ook van dit element, te midden waarvan hij zich verplaatst zag, aannam: bijna een derde gedeelte der woorden in de taal der Hongaren is van Slawischen oorsprong, even als ook vele hunner familie-namen, (zoo zelfs de naam van den beroemdsten Magyaar van den nieuweren tijd, Lodewijk Kossut), en eveneens kwamen vele hunner politieke instellingen, b.v. hunne landverdeelingen of comitaten, hunne koninklijke hof-ambten, hunne boersche betrekkingen uit den Slawischen ondergrond te voorschijn.
De Duitschers eindelijk vormden een derde element, dat wijzigend op het karakter der Magyaren gewerkt heeft. De oude Germaansche heerschers van Pannonië, de Longobarden, Gothen, Gepiden waren spoedig weder verdwenen, maar reeds met de kolonisten van Karel den Groote in zijn Avarische mark, schoot Duitsche bevolking in Hongarije vasten wortel.
Toen de Magyaren zelven met de Duitschers oorlog voerden, en vervolgens door dezen overwonnen en tot het christendom bekeerd werden, toen na het jaar 1000—door den gedoopten Koning Stephanus geroepen—Duitsche zendelingen en apostelen, en kort na hen Duitsche ridders, hovelingen, kolonisten en stedelingen bij menigte in het land kwamen, en toen dit in het land komen van Duitschers, van af het jaar 1000 tot op den huidigen dag, bijna onafgebroken voortduurde, toen moest ook wel veel Duitsch bloed, even als Duitsche denkwijze, taal en zeden in het Magyaarsche overgaan. Koning Stephanus had de, op den eersten blik wat vreemde, maar voor de geschiedenis van Hongarije zeer karakteristieke, grondstelling aangenomen: Unius linguae uniusque moris regnum fragile est (een rijk van eene taal en van dezelfde zeden is bouwvallig). Zijne opvolgers beschouwden deze grondstelling [135]als een heilig voorschrift, en daarom hebben de Hongaren allerlei volken gastvrij bij zich toegelaten. Daardoor is het wel een wonder te noemen, dat dit kleine hoopje Magyaren, midden onder zoovele op hen inwerkende en door hen bijgeroepene vreemdsoortige invloeden, in weerwil van de Slawische meerderheid, het Duitsch moreel overwicht en de Turksche overheersching, toch nog tot op dezen tijd zooveel eigendommelijks in de kern van zijnen nationalen geest, dat hen op den eersten blik van alle andere volken onderscheidt, bewaard heeft. Zeer begrijpelijk daarentegen is het, dat zich daarbij tegelijkertijd in hun ras en in hunne manier van zijn zooveel veranderde, dat wij in de ons van de oude Urmagyaren overgeleverde portretten, de tegenwoordige ter nauwernood herkennen.
De kroniekschrijvers der Duitschers, Slawen en Byzantijnen schijnen het daarover eens, dat die voorouders der Hongaren, zoowel naar lichaam als naar geest, ware wangestalten geweest zijn. “Wat het uiterlijk betreft,” zegt een dier ouden, “zijn de Hongaren afschuwelijk, zij hebben diep liggende, kleine oogen, hoekige en scherpe trekken, zij gelijken op met de bijl behouwene schanspalen. Zij zijn klein en nietig, en hebben in hun gedrag en zeden veel van wilde dieren.” “Men moet” voegt een ander hier nog bij “het geduld en de inschikkelijkheid der Goddelijke Voorzienigheid bewonderen, die het toegelaten heeft, dat dit zoo walgelijke geslacht een zoo paradijsachtig land voor zich mocht nemen.”
Merkwaardig verschillen met deze berichten der ouden, de uitspraken en ondervindingen der hedendaagsche reizigers. Onder de hun land bewonende rassen, daarin zijn bijna alle nieuwere reizigers het eens, munten nu de echte Magyaren—de Kernmannen—vooral uit, en nemen zij door hunne lichamelijke en zedelijke eigenschappen, eene gebiedende en indrukwekkende plaats in. Hun lichaam is in den regel welgemaakt, hunne spierkracht groot. Zij hebben bijna altijd een stevigen en lenigen lichaamsbouw. Hunne houding is manhaftig. Vastberadenheid en oorlogzuchtige trots spreekt uit iedere beweging en uit hunnen gang. Hun gelaat is edel, hun oog groot, donker en vol vuur, en wordt bedekt door zware, borstelige wenkbrauwen; een gevulde knevel, dien zij als een, hun bijzonder eigen, nationaal attribuut beschouwen, versiert de bovenlip, en onder deze is eene rij groote sneeuwwitte tanden zichtbaar. Men zal moeielijk ergens anders eene schilderachtiger vereeniging van manlijk schoone krijgshaftige physionomiën vol uitdrukking, en welgemaakte gestalten aantreffen, dan men in de Hongaarsche regimenten bijeen vindt. Onder het vrouwelijke geslacht ontdekt men, zoowel bij de lagere als bij de hoogere klassen, niet zelden even zooveel bekoorlijkheid en schoonheid. De vrouwen der hoogere standen der Hongaren hebben zich beroemd gemaakt door hunne betooverende gratie, door hunne natuurlijke en ongedwongene lieftalligheid. Keizer Alexander van Rusland moet, toen hij zich eenmaal door een kring van zulke Magyaarsche vrouwen omgeven zag, gezegd hebben dat hij meende zich te midden van een gezelschap Koninginnen te bevinden. De groote schrik, dien de ruwe voorvaderen dezer zoo fijn gevormde schoonen, als soldaten en landverwoesters inboezemden, zal waarschijnlijk die vroegere portretschilders alles [136]wel eenigzins met een donker oog hebben doen beschouwen. Velen echter hebben eene verklaring van dit verschil gezocht in de veranderingen der zeden, die in den loop der eeuwen plaats gegrepen hebben, zoo mede in den invloed, dien een zachter klimaat op het ras moet hebben uitgeoefend. De Hongaren verwisselden hunne oorspronkelijke woonplaatsen in het ruwste klimaat van het oude vasteland, tegen eene woonplaats in het zuiden van Europa, op vruchtbare vlakten waar koren en wijn in massa groeit. Zij legden de gewoonten van wilde, armoedige jagers af en namen eene beschaafde levenswijze aan. Daardoor werden zij, zegt men, in den loop van duizend jaren van een leelijk, een schoon volk met regelmatige Kaukasische gelaatstrekken, en bezitten zij nu ook, in plaats van de geelachtige Noord-Aziatische kleur, de liefelijke, roodachtig witte tint, die den volken van Europa eigen is. Misschien bracht hiertoe de vermenging van rassen, even als bij de Britten en Amerikanen, ook het hare bij. Dat de Magyaren aanvankelijk vele vrouwen van Finschen stam met zich zouden medegevoerd hebben, is weinig waarschijnlijk. Gedurende langen tijd huwden zij met Slawische en Duitsche vrouwen. Men heeft in Siberië de opmerking gemaakt, dat ook de echt van Russen met Mongoolsche vrouwen, die beiden niet door schoonheid uitmunten, met opvallend schoone kinderen gezegend wordt.
In zedelijken zin schijnt de ommekeer van het Magyaarsche volk niet zoo volledig geweest te zijn. In dit opzicht komen de oude berichten wat meer overeen met hetgeen wij later, en ten deele zelfs heden, nog zien. Ruwheid, barschheid en een wilde, moeielijk te temmen zin, heeft men den Magyaren van oudsher verweten. De trekken van onbarmhartige wreedheid, die de geschiedenis der binnenlandsche bewegingen onder de Magyaren, zelfs die der omwentelingen van onzen tijd aanbiedt, zijn dikwijls verschrikkelijk, en zelfs alledaagsche gebeurtenissen zijn bij hen maar al te dikwijls daarmede in overeenstemming. Ook in het vreeselijke straf-wetboek, dat zij ontwierpen en dat lang bij hen toegepast werd, openbaart zich eene zekere hun aangeborene hardheid en eene groote, misschien echt Aziatische, geringschatting van eens menschen leven. In den oorlog is rooflust altijd een in het oog springende karaktertrek van hen geweest, en zelfs in vredestijd is rooverij letterlijk een handwerk bij hen, ’t is zeggen zij, “wel een gevaarlijk handwerk, maar het is niet onteerend,” want moed, kracht en dapperheid, zoo zeggen zij nog heden, betaamt den man meer dan pijnlijke zedelijkheid. De beroemde roover-hoofdlieden worden, door den gemeenen man in Hongarije, in liederen en platen bijna evenzeer geprezen als de helden huns lands, en als de aan het hoofd daarvan staande Koning Etzel.
Met de heldhaftige vastheid van hun karakter, gaat eene groote mate van hardheid gepaard. Zij zijn over de geheele wereld beroemd geworden door hunne spreekwoordelijk gewordene vloeken, “waarmede een Magyaar in een dag meer tegen de goede vormen zondigt, dan een Franschman gedurende zijn geheele leven.” De Hongaren zelven leiden deze en andere zwakheden, of als men wil deze overmaat van kracht hunner landslieden, “uit het edele, vurige, opbruisende temperament” af, dat zij zich, vooral in vergelijking met de door [137]hen als flegmatisch en flauw uitgescholdene Duitschers, toeschrijven. Zij vergelijken de Duitschers, of zooals zij hen noemen “de Schwaben,” met hunnen kouden, zuren wijn; zich zelven echter met den vurigen tokaijer. Als bovenmate krachtige, uiterst zinnelijke naturen, houden zij zoowel bij hunne dranken als in hunne keuken, veel van het gepeperde, het gekruide, het vaste en scherpe, wat geen buitenlandsch verhemelte verdragen kan. Daarin heeft hunne keuken eenige gelijkenis met die der krachtige Engelschen.
Als maar niet met dat vuur, dat bij sommige gelegenheden zoo gemakkelijk in hen ontbrandt, weder in een ander opzicht eene moeilijk in beweging te brengen loomheid, een zoo diep ingewortelde weerzin tegen alle nieuwigheden en verbeteringen verbonden was! Een oud Duitsch spreekwoord zegt reeds van hen: “de Hongaar doet geene schrede buiten zijne Hongaarsche zeden.” Daarin verraden zij het meest hunne oostersche natuur en herinneren zij ons aan den Osman. Even als de Oosterlingen, worden ook zij van oudsher als zeer afgemeten in hunne uitingen, als zeer stilzwijgend beschouwd. Reeds de abt Regino van het klooster St. Prüm, de eerste Duitscher, die eene beschrijving van hen gaf, noemt hen: “natura taciti”. “Men sla den Magyaarschen boer gade, wanneer hij voor zijne deur zit te rooken. Hij droomt en rookt en zwijgt. Hij zou meenen iets van zijne waardigheid te verliezen, als hij veel sprak. Slechts met lange tusschenpoozen opent hij den mond, en alleen als hij zijn buurman iets noodzakelijks te zeggen heeft.” De bewegelijkheid van den mededeelzamen, spraakzamen Duitscher, schijnt den Magyaar het aanhoudend gebabbel van een zwetser toe, wien het aan waardigheid ontbreekt, en de Slawe schijnt den Magyaar een waar potsenmaker.
Intusschen zijn er omstandigheden, waarin ook de Hongaar zeer spraakzaam wordt, b.v. als er sprake is van processen. Even als alle krijgshaftige natiën, is hij nergens minder bang voor dan voor een gerechtelijken strijd. Zelfs bij de Romeinen waren rechts-kwestiën niet talrijker dan in Hongarije, waar de rechtsgeleerdheid een der onderwerpen der gewone opvoeding is, en waar bijna iedereen advokaatje speelt.
Stilzwijgendheid is eene eigenschap van trotsche karakters. En inderdaad ziet de Magyaar, op alle in zijn land nevens hem wonende rassen, met een gevoel van eigenwaarde neder, dat niet zelden in laatdunkendheid en somwijlen in vrij belachelijken eigenwaan ontaardt.
In zijn trotschen moed maakt hij zich dikwijls aan de grootste hardheden schuldig. Van zijn Slawischen landsman is hij zelfs spreekwoordelijk gewoon te zeggen: “De Slawe is geen man.” Eene critiek zijner nationaliteit en van zijn land verdraagt hij niet. Een bewonderaar daarvan echter maakt hij spoedig tot zijn vriend. “Die zijne ijdelheid vleit, wordt gemakkelijk zijn meester en zijn heer. Sluwe vreemdelingen weten met deze zwakheid, terwijl zij hem door vleierijen verblinden, gemakkelijk hun voordeel te doen.” Zij leiden de trotschen Magyaar daarbij als den stier bij de hoorns. Meer dan eens werd juist door zijn nationalen trots, het geheele volk afhankelijk gemaakt. Maria Theresia zette hen, met eenige vleierijen, geheel naar hare hand. De arme Keizer Jozef daarentegen, die de Hongaren gelukkig wilde maken, hen wilde verrijken [138]en beschaven, maar die hunne nationaliteit kwetste, leed in zijne plannen bij hen schipbreuk, en de man, die hun grootste weldoener wenschte te zijn, schelden zij nu nog uit als hun ergsten vijand. “Buiten Hongarije”, zeggen zij spreekwoordelijk “is geen leven (“extra Hungariam non est vita et si est vita non est ita”), en bestaat daar al leven, dan is het daar toch niet zooals hier.” Zij zijn daarom als kolonisten schier nooit uit hun, door de Karpathen omgeven, beloofde land gekomen. Zij hebben zich in hunne Püsten samengedrongen, in eene zeer compacte massa bij elkander gehouden.
Alleen de Szeklers, in de zuidelijkste dalen van Zevenburgen, maken daarop eene uitzondering. Deze afdeeling der Magyaren heeft zich altijd, door eene eigenaardige staatsregeling, van de hoofdkern van het volk meer of min afgezonderd gehouden. Over den oorsprong van dit merkwaardige Szekler-volk, dat tot de Magyaren van Hongarije ongeveer in dezelfde verhouding staat, als de Kozakken tot de Russen, is men het niet eens. Sommigen gelooven, dat zij van de Turksche Cumanen, die naar de gebergten verplaatst en gemagyariseerd werden, afstammen. De Szeklers zelven beweren, dat zij rechtstreeks van Attila en de Hunnen afstammen, en meenen dat een der afstammelingen van het geslacht van Attila, die zich bij den ondergang van zijn rijk met een overblijfsel der Hunnen in de Dacische bergen nestelde en wist te handhaven, de stichter van hun volk geweest is. Anderen echter beweren, dat voor nog het hoofdleger der Magyaren onder Arpad nagekomen was, eene verstrooide en voor hunne vijanden vluchtende troep Magyaren, zich in de bergen gered en daar zijne zelfstandigheid bewaard heeft. De omstandigheid, dat hun naam “Szekler”, in het Hongaarsch zooveel als vluchteling beteekent, schijnt deze laatste meening te steunen. Even zoo ook, dat de Szekler zich in type en gewoonten als echte Magyaren voordoen. Zij spreken eene geheel onvermengde Hongaarsche taal, en hebben ook de oude Magyaarsche gebruiken en staatsregeling bijzonder zuiver bewaard.
Buiten hunne “Püsten” en Karpathen, vindt men de Hongaren nergens anders in Europa verstrooid of woonachtig. Slechts enkele uitzonderingen hierop, maken verscheidene merkwaardige koloniën van Magyaarsche landverhuizers in Moldavië en Bess-Arabië, waarheen zij door de Hussitische onrusten gedreven werden, en waarheen ook bij verscheidene andere gelegenheden weder Magyaren zich begaven; in de laatste tijden ook weder Szeklers, die daar boven de indolente Walachijers, door werkzaamheid, zindelijkheid en verstand uitmunten.
Zelfs de geringste Magyaar beschouwt zich zelven, vol grandezza, tegenover een Walachijer, een Slawe en een eenvoudigen Duitscher, als een edelman. De Koningen volgden dezen karaktertrek hunner natie, verhieven somwijlen bij de geringste aanleiding en bij dikwijls zeer twijfelachtige verdiensten, geheele dorpen, ja geheele landsdistrikten, met alle daarop wonende boeren, in den adelstand, en schonken hun al de privilegiën van een Hongaarsch edelman, vrijdom van belasting, persoonlijke onschendbaarheid en eene dien tengevolge bijna geheele straffeloosheid. Zij gaven daardoor aan de laatdunkende inbeelding van het volk en alle daarmede samengaande gebreken, een nog ruimer veld, waarop gemakzucht en hare zusteren welig voortgewoekerd hebben. Men kan nagaan welke [139]hinderpalen de ontwikkeling van een volk in den weg moesten staan, waar tot op onze dagen geheele gemeenten, uit schaap- en koeleiders, uit voerlieden en heiducken bestaande, aan groote rechten eene even groote onwetendheid paarden en adellijke rechten bezaten.
Tegenover deze zeer in het oog vallende gebreken, staan bij de Hongaren zeer prijzenswaardige hoedanigheden. Is de Magyaar lomp en hardvochtig, hij is tevens rechtschapen en eerlijk. Arglistigheid is bij hem niet, zooals bij de Slawen, een opvallende karaktertrek. Is hij stilzwijgend en ernstig, geen vroolijk mensch in gezelschap, maar vastberaden en geneigd tot droefgeestigheid en zwaarmoedigheid, zoo is hij daarbij toch niet indringend, niet nieuwsgierig, zeer terughoudend, geen schreeuwer, geen raisonneur, eigenschappen waarin zijn buurman, de Walachijer, uitmunt. Zijn nationale trots komt overeen met zijne vrijheidsliefde. Even als hij een vijand is van nieuwe verbeteringen, zoo is hij ook een vriend van de oude wet en gebruiken. Met groote vasthoudendheid, met veel weerstandskracht, sloot hij zich steeds aan bij de eerwaardige staatsregeling van zijn land, bij het historisch verleden van zijn volk. Getrouw bewaarde hij, trots alle inmengingen en invloeden van buiten, die hij altijd weder de baas werd, alles wat de physionomie, wat het eigenaardige kenmerk van het volks-karakter uitmaakte. Als een granietrots is hij van den beginne af, midden in de door volken-stormen bewogene Donau-landen, blijven staan. Even als tot den grootsten hoogmoed is hij ook in staat tot grootmoedigheid. Hij speelt gaarne den groote, maar laat ook anderen daaraan deelnemen. Gastvrijheid is bij de Hongaren een der meest algemeen verbreide deugden, die door den rijkdom van het land ondersteund wordt. Niet alleen in de sloten wordt het bezoek van den reiziger met dank aangenomen, ook aan de hut van den arbeider klopt de pelgrim en de arme niet te vergeefs aast, en als men hunne betaald wordende logementhouders, van wie men gewoonlijk op de vraag “wat kunnen wij krijgen?” als antwoord de tegenvraag krijgt: “wat hebt gij medegebracht?” als weinig dienstvaardig en voorkomend gelaakt heeft, zoo toonen zij zich als gastheeren, die zelf de kosten bestrijden, des te voorkomender, des te meer in hun element. Hunne onbevangene vertrouwelijkheid, hunne argelooze en naïve openhartigheid is, als zij zich eenmaal geopend hebben, zoo groot, dat zij hem, die hun de eer aandoet hen op te zoeken en een glas wijn met hen te drinken, hunne geheele levensgeschiedenis en hunne grootste hartsgeheimen openbaren.
Bij vele gelegenheden heeft zich een edelmoedige en ridderlijke zin van het Volk, in hunne geschiedenis geopenbaard. Als eene Maria Theresia met haar zoontje op den arm, om hulp smeekende de vergadering der Hongaarsche Magnaten binnen treedt, dan vergeten en vergeven deze alle vroegere vijandschap met Oostenrijk, en roepen zij vol geestdrift uit: “leve onze Koning!” en redden zij door hunne dapperheid en zelfopoffering het in het nauwgebrachte Vorstengeslacht, dat zij toch eigenlijk niet anders dan als een buitenlandsch beschouwen.
Ook de plaats, die de Hongaar het zwakkere geslacht aanwijst, bewijst dat de grootmoedigheid van den sterke in hem woont. Hij beschouwt zich wel [140]als onbeperkt gebieder in zijn huis en familie; “Uram” (mijn heer) noemt hem zijne vrouw, zij zal hem nimmer met “jij” of “jou” aanspreken; maar nooit zal hij, als de Slawe, zijne vrouw, die hij dikwijls zijne “roos”, zijne “ster” noemt, en die zeker is in hem een vriend, een steun, een beschermer te hebben, mishandelen. Zij, die hij “zijne lieden” d.i. zijne familie noemt, behandelt hij met welwillendheid en goedheid.
Even als de Magyaren zelven, zoo vloeit ook hunne taal over van énergie en kracht. Zij is zeer duidelijk, zeer scherp en stellig. Zij is rijk aan spreuken en beelden en uiterst aanschouwelijk, en bezit naar het oordeel van kenners een fraaien en mannelijken klank. Een harer merkwaardigste eigenschappen, die zeer kenmerkend is voor de eenheid van de kern der Hongaarsche nationaliteit, bestaat daarin, dat zij geene dialekten of patois bezit. De boer spreekt even zuiver en goed als de Magnaat, of nog zuiverder, want hij gebruikt in zijn spreken niet zooveel Latijnsche en Duitsche uitdrukkingen, en verandert niets aan haar beeldrijk en poëtisch karakter. Het Magyaarsch is nu de ontwikkeldste van alle talen van Finschen stam. Door verscheidene schrijvers, dichters en geleerden is, sedert den tijd van Lodewijk den Groote, hare stof in alle richtingen gevormd en beschaafd geworden. De geschiedenis der Hongaarsche literatuur wijst eene menigte namen aan, die echter buiten de grenzen van hun vaderland weinig bekend zijn. Van oudsher hebben zij—en daarin hebben zij veel overeenkomst met de Romeinen en met bijna alle veroverende volken—een bijzonder grooten overvloed aan redenaars, rechtsgeleerden en geschiedschrijvers gehad. Het strekt aan de geheele Hongaarsche natie tot groote eer, dat het haar nooit aan mannen ontbroken heeft, die het geheel en de onderdeelen hunner vaderlandsche geschiedenis, door het herstellen van historische monumenten en door kritische onderzoekingen, wisten te bewijzen en het gebied van historische waarheid te verrijken. De heer von Engel, de Duitsche geschiedschrijver van Hongarije, noemt eene lange reeks Magyaarsche namen, die hem in dit opzicht eerbiedwaardig toeschijnen.
De omstandigheid, dat het Hongaarsche volk een zoo merkwaardigen en zoo rijk aan afwisselingen zijnden heldentocht uitvoerde, gedurende welken het als een komeet uit Azië naar Europa overvloog, om zich bij den Donau vast te nestelen, schijnt het reeds vroeg een prikkel tot het epische, eene voorliefde voor de heldensage gegeven te hebben. Duitsche en Hongaarsche kroniekschrijvers vermelden liederen, waarin de Magyaren hunne oude Arpadische Vorsten verheerlijkten, en de herinnering aan de nationale heldendaden wakker hielden. In deze liederen worden de zeven horden-aanvoerders, onder wie het volk het land binnenrukte, en de eerste wilde en heldhaftige strooptochten van hunne “Lehel” en “Botonds” naar Konstantinopel, Italië en zelfs naar Spanje, bezongen. De Attila-sage is eveneens een onderwerp der oude Hongaarsche poëzie geweest. Eigenlijke groote, over de geheele wereld bekende dichters, invloedrijke voorlichters der wereld, hebben de Hongaren echter tot nu toe niet opgeleverd. De lier van slechts weinige hunner moderne zangers klonk sterk genoeg, om ook somwijlen aan deze zijde der Karpathen, in Westelijk Europa vernomen te worden. De namen der beide broeders [141]Kisfaludy en van den genialen Alexander Petösi hebben meer algemeene bekendheid verkregen.
Van andere Muzen-zonen, b.v. van menschen die zeggen durven: “anch ioson’ pittore”, is bij de Hongaren zelden sprake geweest. Zij hebben ook dat met de Romeinen gemeen, dat zij de muziek en andere kunsten bij zich door vreemden laten uitoefenen; zooals de Romeinen de Grieken bij zich als fluitspelers in dienst namen, zoo hadden de Hongaren van oudsher de Zigeuners als barden en muzikanten bij hunne veldslagen en dansen.
Ja zelfs de kleine kunsten van het dagelijksche leven beoefenen de Magyaren noch met voorliefde, noch met handigheid. Nagenoeg altijd worden de technische handwerken bij hen door Duitschers of Slawen uitgeoefend. Voor den handel gevoelt de Magyaar volstrekt geen lust, en hij liet dien van oudsher aan de Duitschers, Italianen en Israëlieten over. Op nijverheid en op hen die zich op de industrie toeleggen, ziet hij nagenoeg met dezelfde minachting neder, die den kweekelingen van Mars dikwijls zoo eigen is, als er van handel en industrie sprake is.
Het eenige burgerlijke bedrijf, dat bij hem in groot aanzien staat, is de landbouw, terwijl hij met aangeborene voorliefde zich op de veeteelt toelegt. Maar ook zijne bebouwing van het land is het duidelijk aan te zien, dat hij die eerst in Europa leerde. Zijne uitdrukkingen voor alle landbouwgereedschappen zijn van Duitschen of Slawischen oorsprong. Daarbij heeft hij uit den hoorn van overvloed van Ceres, slechts het allernoodzakelijkste, de verbouwing van graan genomen. Het verbouwen van groenten, vruchten en de tuinbouw zijn hem nog min of meer vreemd gebleven. Zijne dorpen liggen kaal en onaangenaam midden in het bouwland, zonder dat zij vriendelijk afgewisseld worden door vruchtboomen, sierboomen of planten, of zonder dat men er bloem- en groenteperken aantreft. Waar men in Hongarije zulke kleine oasen met alle versierselen en toestellen, noodig om van den grond op allerlei wijze partij te trekken, aantreft, daar vindt men ook altijd te midden der bloeiende heesters, de Duitsche kolonisten, die de zeden aangenomen hebben van het land, waar onder vlijtige handen de bosschen nedervallen, de moerassen uitgedroogd worden, de kale vlakten in wijngaarden veranderen, en die ook overal het eerst, de in de bergen verborgen schatten voor den dag haalden. De Magyaarsche dorpen vormen met die der overal onder hen verstrooide “Schwaben” een scherp kontrast, en zien er nog tegenwoordig uit als zooeven op het vlakke veld opgeslagen soldaten-kampen.
Nog lang na hunne aankomst in Europa woonden de Hongaren in tenten. Eerst langzamerhand verwisselden zij hunne tenten tegen kleine houten, wit geverwde huizen, waarvoor zij den naam, hun door de Duitsche bouwmeesters geleerd, “hàsz” (huizen) aannamen. Daarbij bleef echter het plan van een legerplaats bewaard—de bijzonder breede, elkander onder rechte hoeken snijdende straten, als voor binnentrekkende cavalerie gemaakt, en in het midden, waar vroeger de hoofdtent, die van den ritmeester stond, staat nu het kerkje. Het is spreekwoordelijk geworden dat de Magyaar, even als ieder ruiter, veel van eene ruime woonplaats en eene nauw sluitende kleeding houdt. Met [142]uitzondering van deze kleeding, wil hij gaarne alles gemakkelijk, ruim en rijkelijk hebben. Al wat eng en beperkt is, stuit hem tegen de borst, en hij verstaat volstrekt de kunst niet zich te behelpen.
Volgens dezelfde ruime plannen waar naar hunne dorpen gebouwd zijn, zijn ook hunne grootere plaatsen, hunne zoogenaamde steden aangelegd, in wier losse en op zich zelf staande huizen, geene vaste aaneensluiting der “polgars” (burgers), geen gemeenschappelijk en organisch samenleven merkbaar is. Stevige steenen steden, met architectonische versieringen en met aan elkander sluitende woningen, zooals de huizen van nauw verbondene stadgenooten, hebben de Duitschers het eerst in Hongarije gebouwd, en deze zijn bij den eersten oogopslag duidelijk te onderscheiden, van de Magyaarsche scheppingen van dat soort. De hoofstad Ofen-Pesth, die reeds in de 13de eeuw door de kroniekschrijvers eene “magna et ditissima Teutonica villa” genoemd werd, en nu onder de fraaiste steden van Europa gerekend mag worden, kan als een grootsch gedenkteeken van Duitsche vlijt en Duitsche nijverheid, in het midden van het Magyarenland, beschouwd worden.
Het meubilair in de kleine woningen der Magyaarsche boeren is in den regel meer dan eenvoudig. Ten tijde der Turken vond de oostersche gewoonte, om verscheidene meubelen door tapijten en kussens te vervangen, weder ingang.
En toen (het is nauwelijks 200 jaren geleden) bepaalde zich somwijlen het roerend goed, zelfs der Magnaten, tot eenige kostbare tapijten, waarmede zij hunne kamers en eetzalen, in plaats van met behangsels en beelden versierden, een paar kleinoodiën, eenige edelgesteenten en vele kleeren en wapens. Hoe gebrekkig en armoedig het meubilair ook moge zijn, zoo zien toch deze Magyaarsche dorpen, in vergelijking met die der Walachyers, er zeer gegoed en net uit; trouwens zindelijkheid in huis is eene zeer gewone deugd bij de Magyaarsche boeren. In alle, zelfs in de grootste Hongaarsche plaatsen, heeft men gebrek aan handwerks- en ambachtslieden. Alleen kleer- en schoenmakers, die een Hongaarsch kostuum weten te maken, en smeden die een paard kunnen beslaan, zijn altijd in een groot aantal onder hen aanwezig; daardoor zijn de inwoners, zelfs de edellieden die op hunne goederen leven, genoodzaakt ieder jaar eens de groote markten en steden van het land te bezoeken, om daar, als moesten zij eene reis door de woestijn doen, den noodigen voorraad voor den geheelen winter te koopen.
Is echter de zomer in het land, dan eerst merkt men in een Hongaarsch huishouden, het nomadische wezen waaruit het ontstaan is, recht op. Dan trekt de Magyaar, dien de wanden van zijn huisje reeds den geheelen winter gedrukt hebben, met zijn vee naar buiten, naar de püsten, naar die grenzenlooze vlakten, waar de zon met zoo onvergelijkbare pracht op- en ondergaat, waar storm en onweêr zich zoo vrij en imposant ontladen, waar de nachten verhelderd worden door een zoo rein, frisch en niet te vergelijken helder sterrenlicht. Even sterk als de zeeman naar de zee, verlangt de Hongaar naar de püsten, die hij in zijne liederen, even als de Arabier de zandwoestijnen, bezingt. Kan hij niet naar de püsten trekken, dan verplaatst hij ten minste, om zich eene illusie te geven, zijne legerstede in de vrije lucht op het voorplein zijner woning, en [143]slaapt daar met zijne geheele familie, onder eene galerij, die aan zijne hut aangebracht is.
Alle landelijke werkzaamheden in dienst van Ceres, geschieden eveneens onder den vrijen hemel. Graanzolders, dorschvloeren, schuren zijn er niet. Het graan wordt op het land door de ossen uit het stroo getrapt, en het koren dikwijls alleen in kuilen bewaard. Den ploeg voeren zij over het veld om, als ware het de processie eener Aziatische Godheid. Hij is bespannen met 4 of 6 ossen, en voor ieder wagentje spannen zij een half dozijn moedige paarden. In vollen ren loopen deze dieren, met den wagen achter zich aan, door dik en dun. Zoo, zelfs op hunne zwaar beladene wagens nog tegen elkander wedrennende, komen de Hongaarsche boeren, voorafgegaan door zware stofwolken, met hunne produkten op de markt aan, als ware het eene plaats, die zij met hunne ruiterij stormenderhand genomen hadden.
Het liefst echter begeeft zich, zooals reeds gezegd is, de Hongaar des zomers even als zijne stamgenooten van den Ural, met zijn vee naar de steppen. Dan denkt hij even als Lenau:
Toen ik trok door het verre Hongaarsche land,
Was de vreugde mijns harten zeer groot.
Als dorp en bosch en boom verdween in ’t land
En de heide zoo woest zich ontsloot.
Daar vindt hij nog alles zooals in het Oosten; onbegrensde vlakten, mijlen ver geene omheining of afschutting van welken aard ook, eindelooze dreven, tallooze kudden vee en paarden. Zelfs de groote, ruigharige, witte Hongaarsche herdershonden zijn, naar men beweert, uit Azië herkomstig en stammen af van die honden, die de oude Magyaren van daar mede brachten; zij gelijken nog heden op de honden der Baschkiren. Ook de Hongaarsche paarden zijn van Tartaarsch ras, klein, mager maar vlug, onvermoeid en flink, “uit louter adem bestaande.” De Magyaarsche herder heeft hen bij al zijne tegenwoordige vreedzame bezigheden, bij het bewaken en te samen drijven zijner wijd verstrooide kudden, bij zijn uitrijden naar het ver afgelegene veld, bij het bezoeken zijner ver van hem af wonende buren, even noodig als vroeger bij de strooptochten naar Duitschland.
De Hongaar leert van zijne prilste jeugd af het paard besturen. Hij is een geboren ruiter, een centaur. “De Magyaar komt te paard ter wereld,” zegt een Hongaarsch spreekwoord. Reeds als hij pas vier jaren oud is, tilt zijn vader hem op het kleine, langharige ros, dat in zijne manen nog de doornen, distelknoppen en takjes heeft zitten, van de heesters waardoor het zwierf, en zegt tegen hem, als hij zonder van het paard te vallen zijn eersten galop doet: “gij zijt een man!”
“Heerlijk leven, ’t ruiterleven,
Dat is leven, dat alleen.”
zingt weder Lenau en die woorden zijn uit het hart van den Hongaar gegrepen. Terwijl, zooals men meent opgemerkt te hebben, de Hongaar bij [144]het drinken van wijn zwaarmoedig wordt, zoo gevoelt hij zich vroolijk en moedig als hij op een jolig paard zit. Daardoor komt het, dat het beste en heldhaftigste troepenkorps der Hongaren, altijd dat der lichte cavalerie was. Als infanteristen hebben zij minder groote daden uitgevoerd, terwijl daarentegen hunne vlugge “huzaren”—eene Magyaarsche vinding en een Magyaarsch woord—in alle landen van Europa beroemd en nageaapt werden. Even als de naam Huzaren, zijn ook verscheidene andere militaire uitdrukkingen, b.v. de woorden “Schako,” “Dolman,” “Haiduck”, en zoo vele andere in alle Europeesche talen opgenomen. De huzaren-uniform, zooals wij die heden ten dage nog bij onze legers zien, is de eigenlijke, oude Hongaarsche volksdracht. Zij is zonder twijfel een der rijkste en fraaiste nationaal-costumes, die wij in Europa bezitten, en zij stamt vermoedelijk, even als alle smaakvolle costumes, uit Azië af, dat zich van den vroegsten tijd af, beter verstond te kleeden dan Europa.
Hoezeer het doen en werken der paarden-beteugelende Magyaren oorspronkelijk nomadisch is, bewijst ook weder hunne taal. Want terwijl deze, zooals reeds opgemerkt is, de meeste op landbouw, handwerken en kunsten betrekking hebbende uitdrukkingen van de Duitschers en Slawen overgenomen heeft, zijn alle technische uitdrukkingen der herders echt Magyaarsch. Bovendien is deze Magyaarsche herders-terminologie eene uiterst wijdloopige en volmaakte. Zoo b.v. heeft ieder soort kudde haren bijzonderen naam, zoo ook ieder soort van herders. Een ossenherder heet “Gulijas,” een zwijnenherder “Kanasz,” een schaapherder, “Juhasz” en de koene paardenherder “Czikos,” als waren het allen bijzondere kasten of standen der maatschappij. En iedere kaste heeft weder eene ontelbare massa uitdrukkingen, waarvoor bij ons geene bijzondere woorden bestaan. Ook dit hebben de Hongaren met de Tartaren, Kozakken, Walachyers en alle andere tegenwoordige bewoners van het eens nomadisch of Skytische Europa gemeen, bij wie allen, ook al zijn zij nu landbouwers geworden, het oude lievelings-bedrijf, de veeteelt, eene ongemeen rijke terminologie bezit.
Het is verwonderlijk, ik moet het herhalen, ja, men heeft het dikwijls raadselachtig genoemd, dat zulk een oorspronkelijk, alleen voor de ruwste bezigheden, voor het herdersleven, geschikt Aziatisch volk, dat zoo weinig aanleg voor andere bezigheden, handwerken en kunsten van het burgerlijke leven medebracht en ontwikkelde, dat zoo oneindig veel van andere volken, in wier midden het zich vestigde, over moest nemen, tot op den huidigen dag zijne nationale eigendommelijkheid heeft kunnen bewaren en zich in zijne stelling heeft kunnen handhaven. Meer dan eens waren de Magyaren zoo met vreemde elementen overstroomd, zoo onder den voet geraakt, dat men ze bijna al vergeten en uit de Europeesche volkenrij uitgeschrapt had, en toch zijn zij altijd weder als “Magyaren” uit dien chaos te voorschijn gekomen. Zelfs op het laatst der vorige eeuw was de Hongaarsche taal weder zoo in minachting gekomen, dat zij nauwelijks nog door de laagste volksklasse gebezigd werd, en door alle standen, die eenigzins op den naam van beschaafd aanspraak wilden maken, het Latijn bij voorkeur gebruikt werd. Jozef II meende haar gemakkelijk [145]den genadeslag te kunnen toebrengen, maar van den dag af waarop deze Keizer decreteerde, dat de Latijnsche taal afgeschaft en binnen drie jaren het Duitsch in geheel Hongarije ingevoerd, geleerd en verstaan moest worden, is de volksgeest andermaal zoo wakker geschud, en heeft hij op nieuw zijne krachten zoo ontwikkeld, dat hij, als werd er een nieuwe Arpad of een tweede Mathias Corvinus verwacht, de oogen van geheel Europa tot zich getrokken heeft, en dat de Hongaren in Oostelijk-Europa—met betrekking tot vrijheidsliefde, manhaftigheid en andere moreele eigenschappen—als het eerste volk daar staan. In dezen zin staan zij hoog verheven boven hunne buren, de Walachyers, de Serviërs, de Bulgaren en Slawen. Zij hebben hunne nationaliteit ook beter bewaard dan de Polen. Zij behooren niet, zooals de Osmanen, tot de ziekelijke volken van Europa, van welke men met zekerheid vooruit kan zeggen, dat zij verdwijnen zullen. Of het hun echter gelukken zal, te midden der volken van Europa eene geheel zelfstandige plaats in te nemen en weder, zooals zij droomen, het middelpunt van een machtigen Magyaarschen staat midden in hunne püsten aan den Theiss te vestigen, daarvoor geeft de geschiedenis der laatste driehonderd jaren geen waarborg. Want van die geschiedenis heeft men, en terecht, opgemerkt, dat zij somwijlen met verwonderlijke levenskracht opbruiste, en dat zij dan als een bergstroom voortrolde, als wilde zij met kracht iets groots tot stand brengen, “maar spoedig ook weder verdwijnt de opgewondenheid dezer trotsche, statige, ridderlijke en hooghartige Magyaren, en loopt zij dood op steenachtige en onvruchtbare gronden.” [146]
Na de tijden der groote volksverhuizing, die het Romeinsche rijk verwoestte, toont de geschiedenis ons ten noorden der Karpathen, in het Weichsel-dal, een Slawisch volk aan, dat daar onder den naam “Lechen” woonde. Onder den naam “Obotriten” en “Wagriers”, waren andere Slawen tot in de beukenwouden van Mecklenburg en Holstein doorgedrongen. Als “Wenden,” “Pomeranen” “Lusitzer” en onder talrijke andere benamingen, bewoonden zij de zandige streken die nu tot Pruissen behooren, tot over de Elbe en tot in de Lüneburgsche heidevelden toe. De Slawische “Sileziërs” bezaten het geheele gebied van den Boven-Oder, en de “Tschechen” vulden niet alleen de dalen van Boheme en Moravie, maar waren van daar uit ook zuidwaarts, onder den naam “Slowaken”, de heuvel-streek van Opper-Hongarije binnengedrongen. Ja! verscheidene Slawen waren zelfs tot in het Mainland, tot aan Wurzburg en Fulda gekomen, zooal niet als veroveraars en overheerschers, dan toch als onderdanen, kolonisten, landbouwers, door Duitsche bisschoppen en Vorsten daarheen verplant.

Polen
Al deze zooeven genoemde Slawen hebben in taal, zeden en geaardheid veel met elkander gemeen gehad, en hadden in al deze opzichten van hunne oostelijke en zuidelijke broeders, de Russen, Bulgaren, Serviërs en Kroaten, een meer of minder wezenlijk verschil. Men heeft hen daarom in eene groep samengevat, en plaatst ze naast de Russen en naast de Zuidelijke-Slawen, als derde groote tak der Slawen-familie, onder den naam “Voorste” of “Westersche Slawen.”
Het lot van dezen Slawen-tak, is in den nieuwsten tijd, tot aan de laatste verdeeling van Polen, zeer treurig geweest. Vele der tot de “Westersche Slawen” behoorende natiën, zijn geheel van den aardbodem verdwenen. Geen hunner heeft eene duurzame of blijvende onafhankelijkheid bewaard of deze terug erlangd, zooals onder de Oostelijke Slawen de Russen, onder de Zuidelijke Slawen de Serviërs en Montenegrijnen. De overblijfselen der Westersche Slawen zijn allen aan vreemde volken en staten onderworpen geworden.
Bij hun eerste optreden in de geschiedenis (in de 5de en 6de eeuw) verschijnen zij als verschillende, van elkander gescheidene stammen, die uit het verre Oosten gekomen zijn, en hebben zij, naar het schijnt zonder veel moeite, zonder veel strijds, het Oostelijk Germanië, dat in de groote volksverhuizing van Duitschers ontbloot was, in bezit genomen. De akkers bebouwende, hunne kudden weidende, voor hunne goden in de bosschen altaren oprichtende, breidden [147]zij zich uit over de uitgestrekte vlakten van den Weichsel en den Oder, van een groot deel der Elbe en langs de Oostzee. Zij schijnen eerder vredelievend dan oorlogzuchtig geweest te zijn. Wij hooren, gedurende hunne uitbreiding in Duitschland, niets van groote legeraanvoerders en krijgshelden, niets van zulke ver uitgestrekte verwoestings-tochten, als bij den inval der Zuidelijke-Slawen in het Byzantynsche rijk, of zooals later bij het optreden der wilde Avaren en Magyaren.
Het schijnt wel, dat de verspreiding dezer Slawen naar het Westen, zeer stil in zijn gang gegaan is, terwijl zij den eenen akker achter den anderen beploegden, en de eene weidestreek na de andere aan hunne dorpen toevoegden.
Zij hadden geen gemeenschappelijk opperhoofd. Iedere stam had zijn eenvoudig patriarchaal gemeente-bestuur, maar toch over eenige, heerschten reeds vroegtijdig kleine Vorsten-geslachten.
Ook door buitenlandsche schrijvers worden zij ons als goedhartige, vlijtige, gastvrije menschen afgeschilderd, die muziek en dichtkunst beminden, maar voor het overige zeer sober en barbaarsch leefden. Wreede zeden, bloedige offers, onmenschelijke gewoonten schijnen bij hen niet, zooals bij de oude Celten en andere rassen van harder deeg, bestaan te hebben. Zij woonden overal gezellig in sterk bewoonde dorpen en buurtschappen bijeen. Zij legden zich toe op den bergbouw, verstonden de kunst metalen te smelten, maakten linnen, brouwden mede, en plantten vruchtboomen. Zij bouwden zelfs, waar zij kwamen, houten steden, waarin, naar de beschrijving van vaderlandsche kroniekschrijvers, handel en handwerken eene tamelijke hoogte begonnen te bereiken. Zoo was het in het eerste begin der middeleeuwen, den gouden tijd dezer Westersche Slawen, waarin zich een Slawische patriot zoo gaarne terugdroomt, even als de Duitschers zich nog gaarne den tijd der Germanen, dien Tacitus ons schildert, terug denken.
Met Karel den Groote eindigde deze gelukkige tijd. Onder hem kregen zij last van de Duitschers. Deze machtige Keizer wendde het gelaat van Duitschland, dat sedert den tijd der Gothen altijd naar het zuiden en westen gericht was geweest, weder naar het oosten. Hij en zijne eerste opvolgers brachten het Christendom op de punt van het zwaard onder de Westersche Slawen. De invoering van het Christendom echter is overal in Europa het teeken tot opwekking, tot vereeniging, tot grondvesting van groote staatkundige en nationale machten geweest. Zij die het aannamen werden door het Christendom met een heldhaftigen geest vervuld. De opgerichte bisschoppelijke en aartsbisschoppelijke zetels waren overal staketsels, waarlangs de staten der gedoopte heidenen opgroeiden. Ook de stammen en kleine zee-vorstendommen der Skandinaviërs kristalliseerden zich, onder den invloed van het Christendom, tot de groote Koningrijken Denemarken, Noorwegen en Zweden. Ook de Hongaren vormden eerst eenen staat en eene vaste nationaliteit, door middel van het door de Duitschers in hun midden geplante kruis.
Zoo ontstonden dan tengevolge hiervan, eveneens onder de Westersche Slawen langzamerhand meerdere groote rijken. Vooreerst het beroemde groote [148]Moravische rijk, dat ten tijde der Karolingers tot zeer in de verte over de westelijke stammen gebood, maar van geen langen duur was. Vervolgens het Boheemsche rijk, dat een tijdlang onder deze Slawen het hoogst in aanzien stond. Eindelijk het Poolsche rijk, dat hen allen in langen duur en glans overtrof, maar ten lange laatste, even als zij, tot verval komen moest.
De Slawenstammen, bij wie het zaad des Christendoms geen vruchtbaren bodem vond, maar die hardnekkig hun oud heidendom getrouw bleven, werden in den doorgezetten strijd der bekeering- en verovering-lustige Duitschers, in den loop der tijden aan dezen onderworpen en ten laatste geheel door hen ten ondergebracht. Dit lot trof de “Wagriers” in Holstein, de “Obotriten” in Mecklenburg, de “Pomeranen” aan de Oostzee, de “Ukrer” in de Ukermark, de “Hevellers” in de Havelmark, de “Polaben” aan de Elbe—ja! wie kan al de namen noemen der kleine heidensche Slawen-volken, die eigenzinnig aan hunne oude heiligdommen, en aan de vereering hunner “Tschernobogs” en “Bielobogs” vasthoudende, in den loop der op Karel den Groote volgende eeuwen, ontelbare malen door de Duitschers verslagen werden en zich even dikwijls weder oprichtten—zich met elkander verbonden of in twist met elkander leefden—het nimmer tot eene krachtige nationale vereeniging konden brengen—de een na den ander in de door de Duitschers opgerichte grensmarken en bisdommen opgenomen werden—en ten lange laatste allen in den grooten smeltkroes der germaniseering ten onder gingen. De taal en de gewoonten dezer westelijkste onder de Westersche Slawen, zijn onder den machtigen invloed der Duitschers, die in hun land burgen, steden en kerken bouwden en het met talrijke kolonisten en burgers binnenrukten, verloren gegaan.
In de meeste plaatsen getuigen alleen nog de namen van dorpen, bergen, rivieren, van de eens in het oosten van Duitschland bestaande Slawen-wereld. De namen van verscheidene der grootste Duitsche steden (Dresden, Leipzig, Breslau) en ook die van verscheidene Duitsche provinciën (Pommeren, Lausitz, Ukermark, Silezië) zijn van Slawischen oorsprong. In Saksen en Pruissen is onder de verduitschte landbewoners, overal nog veel van de Oud-Slawische zeden en van het Oud-Slawische bijgeloof overgebleven. Daarbij hebben zich ook eenige overblijfselen hunner taal, bij de Duitsche dialekten in het oosten gevoegd, en zelfs in de uitspraak der Duitschers heeft men hier en daar eigenaardigheden der Slawische spraakorganen willen herkennen. Op enkele plaatsen (b.v. in het Altenburgsche) is bij eene overigens volkomene verduitsching van taal en gewoonten, de oude Slawische nationale kleederdracht overgebleven, even alsof men, in plaats van zooals de slang die zich van hare huid ondoet, hun de huid heeft laten behouden en hen alleen vleesch en merg heeft doen verruilen.
In physionomie, lichaamsbouw en andere kenteekenen, blinkt ons het Slawendom onder de Duitsche beschaving, in Pommeren en in andere gedeelten (aan gene zijde der Elbe) der helft van het Duitsche vaderland, nog op verschillende plaatsen veel tegen. Zoo onderscheidt men zelfs nog heden ten dage in Holstein, in gewoonten, lichaamsbouw en karakter der bewoners, vrij scherp de grenzen der ten tijde van Karel den Groote door Slawen bewoonde landstreken, van [149]die welke de Germaansche Saksers in hun bezit hadden. Ja zelfs aan deze zijde der Elbe in het Koningrijk Hanover, in het zuid-oostelijk gedeelte der Lüneburgerheide, vindt men nu nog eene landstreek, die men het “Wendenland” noemt, waarin de Slawische taal eerst onlangs doodgebloed is, en waarin nu wel plat Duitsch gesproken wordt, maar waar zeden, kleeding, wijze van bouwen en de geheele physionomie van het land, nog dikwijls zeer duidelijk den Slawischen stempel draagt.
Het geheele oostelijke Duitschland, het gebied waarover de Westelijke Slawen zich verspreidden, werd met Duitsche koloniën uit bijna alle provinciën der Rijn- en Wezerlanden overstroomd. Verscheidene dezer volkplantingen bleven hier en daar hun volksaard en taal vrij getrouw, somwijlen echter vermengden zij zich sterker met de Slawen. In menige streek werden de Slawen geheel vernietigd, in andere bleven zij compacter bijeen en werden zij tot het Duitschdom, om zoo te zeggen, omgedoopt. Het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat hier, ofschoon Duitsche taal en gewoonten schier overal gezegevierd hebben, onder het zoo ontstane Duitschdom nog verscheiden manieren en schakeeringen van het Slawisme aangetroffen worden.
Heden ten dage vindt men midden in Duitschland hoofdzakelijk nog slechts twee streken, waarin het Slawendom, als twee taal- en volks-oasen of eilanden, is blijven bestaan. Namelijk ten eerste aan de Oostzee tusschen Stolpen en Dantzig, westelijk van den Beneden-Weichsel in West-Pruissen, eene streek, waarin de “Kassüben” en de aan hen verwante Slawen wonen, en ten andere aan weerszijden van de Boven-Spree in de Lausitz, onder Pruissische en Saksische heerschappij, het land en het volk der zoogenaamde “Sorben-Wenden”.—Deze nu nog Slawisch sprekende, denkende en gevoelende Sorben-Wenden, liggen daar, gerukt uit den samenhang met hunne andere stambroeders, van alle zijden door Duitschers omgeven, als hadden de Duitschers vergeten hen te vernietigen, en zij zelven zich te redden. Hunne zwakke nationaliteit, waarmede wij ons hier niet verder behoeven bezig te houden, schijnt ook, even als die der andere Westelijke Slawen, aan een reddeloozen ondergang gewijd te zijn en veroordeeld te wezen langzamerhand dood te bloeden.
De eenige der Westelijke Slawen, die tot op den huidigen dag den aandrang der Duitschers en andere naburige staten weerstaan hebben, en die nu nog, ofschoon zonder politieke onafhankelijkheid en nationale zelfstandigheid twee compacte volken vormen—bij wie ook nog altijd de hoop op eene wedergeboorte niet verloren is—en waarvan wij dus hier als van twee invloedrijke en gewichtige deelen der bevolking van Europa moeten melding maken, zijn de Tschechen en de Polen.
Het merkwaardige land, dat de Tschechen nu reeds sedert langer dan duizend jaren bewonen, is van zoo eigenaardige natuurlijke gesteldheid, als men nauwelijks een tweede in Europa aantreft. Vier lange bergketenen sluiten onder bijna rechte hoeken aan elkander, en vormen een vrij regelmatigen en ruimen vierhoek, die een gedeeltelijk vlak, gedeeltelijk golvend terrein omsluit. [150]Van alle zijden stroomen van de hoogten rivieren af, en vereenigen zich in het midden in de Elbe, die den bergmuur doorboort en in de Noord-Duitsche vlakte ontvliedt. Men zou het land gevoegelijk kunnen vergelijken met een vat dat slechts één spondgat heeft. Het geheel heeft al het uiterlijk van eene midden in Duitschland geplaatste groote bergvesting. Door dichte bosschen en onherbergzame streken aan de hoogten van den grenswal, wordt deze geïsoleerdheid nog grooter.
Het vruchtbare centraal-gebied, de vriendelijke dalen, de aan mineraliën en andere schatten rijke heuvels, die deze ketel in zijn binnenste bevat, werden vermoedelijk reeds eeuwen voor Christus geboorte, door Uralische- of Finsche oude Europeanen ontdekt, en hier even als elders zijn vele geslachten uitgestorven, waarover de geschiedenis zwijgt. Het eerste volk, dat ons in het Boven-Elbe-bekken genoemd wordt, de “Bojers”, zou van Celtische afkomst geweest zijn en van hen zou het land zijne namen “Bojenheim”, “Boheim” “Boheme” ontvangen hebben. Ten tijde van Christus geboorte, werd dat bekken door een volk van Duitschen stam, door de “Markomannen” in bezit genomen. Zij behielden het nu 400 jaren, en bedreigden of verschrikten van hunne bergvesting uit, onder hunne Marbods, zelfs de Romeinsche keizers.
De inval der Hunnen onder Attila brak ook de kracht dezer Duitschers in Boheme, en voerde de bloem van het volk ter slachtbank op de Katalaunische velden, en op de andere slagvelden der door de volksverhuizing in rep en roer gebrachte volken. Tegen het einde der 5de eeuw trokken nu afstammelingen van de derde groote familie der Slawen, den ontvolkten Boheemschen ketel binnen. Natuurlijk vonden zij daar nog veel Duitschers, zooals vroeger ook ongetwijfeld de Germanen er nog vele Celten aangetroffen en aan zich onderworpen hadden. De Slawen kwamen in onderscheidene stammen uit de Sarmatische vlakte. Maar onder hen was een hoofdgeslacht, en de aanvoerder daarvan moet “Tschech” geheeten hebben; deze nestelde zich in het midden des lands vast en nam eene gebiedende houding aan; in den loop der tijden smolten de andere met hem gekomene Slawenstammen, en misschien ook de in vroegere tijden in het land achtergeblevene overblijfselen der Celten en Duitschers, tot een volk samen, onder den naam “Tschechen”, welke naam de overhand verkregen heeft.
Even als de Magyaren in het Hongaarsche bekken, zoo namen ook de Tschechen van den beginne af, bij de verovering van den Boheemschen ketel, bij voorkeur de vlakste vette dreven en de fraaie heuvellandschappen in bezit; vele der door hem in het nauw gebrachte Duitschers, namen de vlucht naar de bosschen en schuilplaatsen der bergen die het land omgeven, waar zij wel langzamerhand aan de Tschechen onderworpen geraakten, maar toch in het onbenijde grondbezit der rotsdalen en bergachtige streken bleven, en daar ook hunne taal en zeden behielden, even als de Celtische Hoog-Schotten in Caledonië, toen de Anglo-Saksen en Noormannen in hunne Lowlands binnenrukten. Toen later overal, om Boheme heen, het Duitsche element zegevierde op het Slawische, toen Duitsche bergwerkers en Duitsche industrieelen door de Tschechische Vorsten zelven naar de bergen geroepen werden, om de in den grond bevatte schatten op te delven, of zich van hen te bedienen tot het vervaardigen [151]van molens of van andere werken, die door de bergstroomen in beweging konden worden gebracht, toen vermeerderde zich de aanvankelijk kleine stam der Duitsche bergvolken aanzienlijk, greep hij om zich, verdrong of verduitschte de Slawen weder, ook daar, waar zij aanvankelijk in de dalen der gebergten de overhand verkregen hadden, en namen de woongebieden dezer stammen langzamerhand dien vorm aan, zooals zij heden bestaan. De Slawen behielden het binnenste gedeelte van het land, terwijl een kring van Duitsche gehuchten, dorpen, steden en landschappen hen aan alle zijden, door den geheelen vierhoek van gebergten en wouden heen, omringde.
Onder alle Westelijke Slawen hebben zich de Tschechen van den beginne af gekenmerkt, door hunne manhaftigheid en door hunnen politieken zin. Van oude tijden her, heeft men hen, de “ontoegevendste onder de Slawen” genoemd, zij hebben zich in staatszaken bekwaamd, toonden zich in zaken hun vaderland betreffende eensgezind, en hebben een onbuigzamen nationalen geest bewaard. Misschien is dit alles iets wat eigen was aan hunnen oorspronkelijken stand en aan hun bloed. Waarschijnlijk echter, viel hun veel daarvan eerst, ten gevolge van de geographische ligging van het land dat zij binnenrukten, ten deel. In dien fraaien bergketel, waarin alle wateren in één stroom zamenliepen, moesten de landskinderen zich wel nauwer bij elkander aansluiten. Daar moest zich weldra een enkel domineerend levenspunt, een politiek centrum, eene stad als Praag, verheffen. Er moest eene krachtige eenheid van staat, een eensgezind staats-organisme ontstaan. Achter hunne bergen verschanst, door deze beschermd, waren de Tschechen, in de merkwaardige stelling die zij ingenomen hadden, beter dan hunne Slawische broeders in de noordelijke vlakten, in staat het toestroomende Duitschdom tegenstand te bieden.
Deze krachtige politieke zin, die de gesteldheid van hun land den Tschechen inboezemde, is gedurende het duizendjarige bestaan dier natie, bij verschillende gelegenheden duidelijk gebleken. Herhaalde malen—eerst onder hunnen machtigen beheerscher Samo in de 7de eeuw—later onder hunnen Hertog Boleslaus in de 10de eeuw—nog later onder hunnen koning Ottokar in de 13de eeuw, en wederom eene eeuw later onder keizer Karel IV, vormden het Tschechische bergketel-land en volk de kiem van een machtigen staat. Praag, de hoofdstad des lands, gaf in dit laatste tijdperk, in pracht en beschaving, de belangrijkste steden van het vasteland niets toe. Hare universiteit telde de beroemdste professoren en in het begin der 15de eeuw 20,000 studenten, waarvan Slawen, Tschechen, Moraviërs, Polen, het grootste gedeelte uitmaakten. Praag was toen voor de Katholieke Slawen-wereld, wat Kiew voor de Grieksch-Russische was, een helder licht verspreidend voorbeeld en model, eene heilige tempel- en muzenstad.
Herhaalde malen geraakten de Tschechen in verval, even dikwijls echter verhieven en vereenigden zij zich weder, joegen de vijanden van hunne grenzen terug, trokken over hunne bergen de daarbuiten gelegen landen binnen en annexeerden ze: Moravië in het zuiden, Silezië in het oosten, de Lausitszen in het noorden, Franken in het westen, voegden zij als nevenlanden bij het gesloten hoofdlichaam van hun rijk. De Tschechen voerden om zoo te zeggen, al het land [152]en volk, dat zich aan den buitensten voet van hunnen bergketel bevond, meermalen in triumf met zich mede. Somwijlen heerschten hunne Koningen tot diep in Hongarije en tot aan de grenzen van Italië, even als de Markoman Marbod dit, van uit ditzelfde land, ook eens gedaan had. Maar steeds werden hun die zoogenaamde “nevenlanden” weder afgenomen en als te welig uitgewassene takken afgehakt. Zij beheerschten ze niet lang genoeg om ook hunne Slawische nationaliteit, ras en taal daar blijvend te doen zijn. Met deze bleven zij steeds tot hunne vesting, het Boven-Elbe-bekken, beperkt.
Maar ook in het binnenste hunner bergvesting werden zij in den loop der tijden, meermalen met Duitsche elementen overstroomd, vermengd en doortrokken. Daar hunne geestelijke leiders en kerkleeraars meermalen uit Duitschland kwamen—daar hunne Koningen tot Keurvorsten en grootwaardigheid-bekleeders van het Duitsche rijk verheven werden—daar zij, vooral na de germaniseering van Silezië in de 13de eeuw, steeds meer in het Duitsche rijk ingeweefd werden,—daar Duitsch recht, Duitsche wetten meermalen bij hen van kracht waren—daar eindelijk na het uitsterven van het oude Slawische Koningsgeslacht der “Przemysliden” in het begin der 14de eeuw, Duitsche Vorsten en Keizers in de hoofdstad van Boheme resideerden,—zoo vulden zich ook de hoven der Vorsten, de kloosters, de bisschoppelijke zetels, de steden steeds meer en meer met Duitschers. De steden der Tschechen werden, even als die van Hongarije en Polen, bijna allen door Duitschers gebouwd en aanvankelijk door Duitsche burgers bewoond, die echter te midden van de oude, echte Bohemers, dikwijls weder tot Slawen verbasterden.
De zoogenaamde Hussiten-oorlogen, die in het begin der 15de eeuw uitbraken, mogen wel als de laatste groote nationale beweging der Tschechen, en als hun laatste krachtig optreden in Duitschland, beschouwd worden. Ofschoon godsdienstige geschillen de naaste aanleiding tot deze vreeselijke oorlogen waren, zoo namen zij toch weldra, daar Huss en zijne ideën op ouden Slawischen grond en bodem stonden, en daar aan de andere zijde het rijk en de Keizer der Duitschers zich bij de “rechtgeloovige” partij schaarden, eene nationale wending.
Even als onder Samo, als onder Boleslaus en Ottokar, stroomden daarbij de Tschechen weder van alle zijden en gedurende meer dan 10 jaren, uit hunnen bergketel, en verwoestten zij, onder hunne eenoogige en vreeselijke Ziska’s en kaalhoofdige Prokopen, de Duitsche landen, ten oosten, noorden, westen en zuiden rondom hunnen bergketel gelegen.
Daarentegen mag men den slag aan den Witten Berg, waarin (in het jaar 1620) weder, even als meermalen te voren, Duitschers en Tschechen tegen elkander over stonden, en de daarop volgende vreeselijke reactie onder Keizer Ferdinand II, als een zeer bloedigen en op onmenschelijke wijze benutten triumf der Duitschers op de Tschechen beschouwen.
Deze voor 250 jaren geleverde slag werd langen tijd door de Boheemsche geschiedschrijvers, als het “Finis Bohemiae” beklaagd, even als de slag op het Amselfeld, die de Zuidelijke-Slawen tegen de Turken verloren, als het einde van Servië, of als de slag bij Maciejowicz als de ondergang van Polen. [153]Na dien slag werd de Duitsche taal met geweld bij de Tschechen ingevoerd. De oude Boheemsche adellijke geslachten stierven uit en hunne goederen werden onder Duitsche heeren verdeeld. Verscheidene, gedurende den dertigjarigen oorlog verwoeste, landstreken werden door Duitsche kolonisten bezet. Verscheidene duizende Tschechische familiën werden uit het land verdreven, en men vindt hunne Slawische namen nu nog onder de burgers van Dresden en andere Saksische en Pruissische steden. Het Tschechisch werd voortaan eene “boerentaal” genoemd; ook legden toenmaals de Tschechen hunne oude nationale dracht af.
Het volslagen einde van het volk was dit echter niet. Gedurende de twee eeuwen, die op den ongelukkigen dertigjarigen oorlog volgden, hebben de Tschechen zich langzamerhand ook weder vermeerderd en versterkt. En toen, na den val van den volken-onderdrukkenden Napoleon, over alle nationaliteiten van dit werelddeel een belevenden adem woei, toen hebben ook de Tschechen, even als de Hongaren, de Serviërs, de Walachyers en de Grieken, zich hunnen oorsprong herinnerd. Vaderlandslievende dichters, geleerde mannen, bekwame geschiedschrijvers en oudheidkamers zijn onder hen opgestaan, en hebben de geschiedenis van het volk verheerlijkt, zijne literatuur verrijkt, zijne oude “boerentaal” gezuiverd en weder in eere gebracht.
Uit alle hoeken van het land, uit de oude sloten en kloosters, zelfs uit de kerktorens zijn de sporen en getuigen zijner vroegere nationale grootheid voor den dag gekomen. In den knop van den kerktoren der Boheemsche stad Köninginhof, hebben zij eene verzameling van oude Slawische heldenliederen en lyrische g