The Project Gutenberg EBook of De Wereld vóór de schepping van den mensch, by Nicolas Camille Flammarion This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: De Wereld vóór de schepping van den mensch Author: Nicolas Camille Flammarion Editor: Boudewijn Casper Goudsmit Release Date: October 18, 2006 [EBook #19585] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WERELD VÓÓR DE SCHEPPING *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://dp.rastko.net/ DE WERELD VÓÓR DE SCHEPPING VAN DEN MENSCH. NAAR FLAMMARION VOOR NEDERLAND BEWERKT DOOR DR. B. C. GOUDSMIT. Leeraar aan de H. B. S. en het Gymnasium te Zutphen. MET MEER DAN 300 GRAVURES EN GEKLEURDE PLATEN. ZUTPHEN.--W. J. THIEME & Cie. snelpersdruk van H. C. A. THIEME, te Nijmegen. INHOUD. Inleiding. 1 EERSTE BOEK. De geboorte der aarde. 22 TWEEDE BOEK. Het azoïsche tijdperk. HOOFDSTUK I. Bloedverwantschap en afstamming. Begin van het leven. De eerste organismen. 41 HOOFDSTUK II. Ontwikkeling van het leven. 77 HOOFDSTUK III. Eerste planten en eerste dieren. 126 DERDE BOEK. Het primaire tijdperk. HOOFDSTUK I. De tijdperken in de schepping. De formaties, hare verdeeling. 171 HOOFDSTUK II. De veranderingen van den bodem in onzen tijd. 190 HOOFDSTUK III. De devonische periode. 249 HOOFDSTUK IV. De steenkoolperiode. 269 HOOFDSTUK V. De Permische periode. 312 VIERDE BOEK. Het secundaire tijdperk. HOOFDSTUK I. De triasperiode. 327 HOOFDSTUK II. De Juraperiode. 369 HOOFDSTUK III. De krijtperiode. 445 VIJFDE BOEK. Het tertiaire tijdperk. HOOFDSTUK I. De Eocene periode. 484 HOOFDSTUK II. De Miocene periode. 529 HOOFDSTUK III. De Pliocene periode. 556 ZESDE BOEK. Het quaternaire tijdperk. HOOFDSTUK I. Het vierde tijdperk van het leven op aarde en de eerste dagen van het tegenwoordige tijdperk. 571 HOOFDSTUK II. De schepping van den mensch. 599 GEKLEURDE PLATEN. PLAAT I. De eerste eeuwen der menschheid. Titelplaat. PLAAT II. Een bosch uit de steenkoolperiode. Tegenover. 272 PLAAT III. Tooneel uit de secundaire periode. Tegenover. 365 PLAAT IV. Europeesch landschap der tertiaire periode. Tegenover. 489 DE WERELD VÓÓR DE SCHEPPING VAN DEN MENSCH. INLEIDING. De eerste dagen der aarde. Er was een tijd, dat de menschheid nog niet bestond. De aarde bood toen eenen aanblik aan, die geheel afweek van dien, welken zij thans aanbiedt. In de plaats van het verstandige, nijvere en werkzame leven, dat thans op hare oppervlakte heerscht; in de plaats van die bevolkte steden, dorpen en woningen, van die bebouwde akkers, die wijngaarden en tuinen, van die wegen, die spoorbanen, schepen, fabrieken en werkplaatsen; van die paleizen, tempels en monumenten; in de plaats van die voortdurende werkzaamheid, die tegenwoordig alle natuurkrachten aan zich dienstbaar maakt, in de diepten der aarde doordringt, de raadselen des hemels ontsluiert, de wonderen van het heelal bestudeert en de geheele geschiedenis der schepping in zich schijnt te vereenigen: bestonden er slechts woeste en ondoordringbare wouden, rivieren, die in de doodsche stilte stroomden tusschen eenzame oevers, nooit beklommen bergen, valleien zonder hutten, avonden zonder droomen, sterrenrijke nachten zonder waarnemers. Er bestond geen wetenschap en geene letterkunde; geene schoone kunsten en geene nijverheid; geene politiek en geene geschiedenis; geen taal, geen verstand, geene gedachte. In dien tijd waren de treur- en kluchtspelen van het menschelijk leven op aarde onbekend. Genegenheid en haat, liefde en nijd, deugd en boosheid, zelfopoffering, geestdrift en toewijding, in één woord alle hartstochten, die het stramien van het weefsel des menschelijken levens vormen, bestonden nog niet. De bewoners der aarde bestonden zonder het te weten en arbeidden zonder doel. Hier was het de logge mastodon, die onder zijne voetstappen de bloemen vertrad, die reeds te voorschijn gekomen waren, of het ontzaglijke megatherium, dat met zijnen snuit de wortelen der boomen opdolf, of de mylodon robustus, die knaagde aan de lage takken der cederen, of het Dinotherium Giganteum, het grootste van de zoogdieren, die ooit bestaan hebben, dat zijne lange slagtanden in de diepe wateren onderdompelde om er de bezonken planten uit te voorschijn te halen; daar waren het de voorwereldlijke apen, die hunne kromme sprongen maakten op de heuvelen van het voorwereldlijke Griekenland en hun geslacht voortplantten op de hoogten van het Parthenon. In die vervlogen tijden sluimerde Nederland nog in eene onbekende toekomst. Een oud bosch had zijnen donkeren mantel over Frankrijk, België en Duitschland uitgestrekt; visschen, die thans niet meer bestaan, vervolgden elkander in de breede wateren; thans uitgestorven vogels zongen in de eilanden; voorwereldlijke kruipende dieren bewogen zich over de rotsen. Andere planten en dieren waren over het aardrijk verspreid, er heerschte eene andere temperatuur, een ander klimaat, eene geheel andere wereld. Gaan wij nog verder terug in de geschiedenis der aarde, dan komen wij op een tijdstip, waarop de oppervlakte van Europa nog veel meer afweek van hare tegenwoordige gedaante, een tijdstip, waarop planten en dieren zóózeer van de tegenwoordige verschilden, dat misschien de bewoners van Venus of Mars meer met ons overeenkomen dan deze. Reusachtige vleugelvingerigen met breede vleugels sprongen door de lucht, en die vliegende draken, die ontzaglijke vleermuizen, waren toen de vorsten van den dampkring. De Dimorphodon Macronyx, de Ramphorynchus, en andere dieren, nog barbaarscher dan hunne namen, zetten zich op de boomen neder en klommen met handen en voeten tot boven op de rotsen, wierpen zich in de lucht, terwijl zij hunne vliezige valschermen openden, en wierpen zich als amphibiën in de wateren. In dien tijd ook, leverden de reusachtige vischhagedissen, de Ichthyosaurus en Plesiosaurus slag in de bewogen wateren, de lucht vervullende met hun woest gebrul, breedkoppige monsters met ontzaglijke kaken, van tien tot twaalf meters lengte, en somtijds met tweeduizend tanden in hunnen bek. De Iguanosaurus en de Megalosaurus bewoonden de wouden, waarin reusachtige boomen, varens en duizenden kegeldragende boomen hunne pyramidale toppen verhieven. De Iguanodon, een monster, dat op onzen Kanguro gelijkt, had eene lengte van veertien meters: met de pooten tegen onze tegenwoordige huizen staande, zou hij tot boven de bovenste verdieping reiken. Wat verbazende massa's, vergeleken met die van onzen tijd! Wel overtreffen die fantastische wezens die, welke de menschelijke verbeelding heeft uitgevonden, zooals de Centaur, de Chimaera, de Draak, de Griffioen, de Cerberus, de Vampyr: en zij hebben werkelijk geleefd in de oorspronkelijke wouden; zij hebben de Alpen en de Pyreneën zien oprijzen uit de zee en zich tot boven de wolken zien verheffen en daaruit zien nederdalen. Grootsche landschappen van vervlogen eeuwen! geen menschenblik heeft u aanschouwd, geen oor heeft uwe harmoniën begrepen, uwe tooverachtige panorama's hebben geene enkele gedachte opgewekt. Des daags verlichtte de zon alleen de gevechten en spelen van het dierlijk leven; des nachts bescheen de maan den slaap der zich onbewuste natuur. Sedert de geboorte der aarde, sedert het tijdstip, waarop zij, losgerukt van de zonnenevelvlek, als planeet een zelfstandig bestaan verkreeg, en zich tot eenen bol verdichtte, afkoelde, vast en bewoonbaar werd, zijn zóóvele millioenen jaren voorbijgegaan, dat de geheele geschiedenis der menschheid bij dien ontzaglijken tijdkring in het niet verzinkt. De vijftien- tot twintigduizend jaren geschiedenis der menschheid zijn zelfs slechts een klein gedeelte van de tegenwoordige geologische periode. Indien wij slechts honderdduizend jaren rekenen (en dit is matig berekend) voor den duur der tegenwoordige periode, het quaternaire tijdstip genaamd, de vierde sedert het ontstaan der aarde, dan moet de tertiaire periode driehonderdduizend jaren geduurd hebben, de secundaire periode twaalfhonderdduizend en de primaire periode meer dan drie millioen jaren. Dit is dus te zamen viermillioen zevenhonderdduizend jaren sedert den oorsprong van betrekkelijk reeds ontwikkelde planten en dieren. Doch die perioden waren reeds voorafgegaan door eene azoïsche periode, waarin het ontstaande leven alleen wordt voorgesteld door lagere soorten van zeewier, schaaldieren, weekdieren, ongewervelde dieren of koplooze gewervelde dieren, en die azoïsche periode schijnt 53 honderdsten van de dikte der geologische formaties uit te maken, en dus alleen reeds meer dan vijfmillioen jaren geduurd te hebben! Die tienmillioen jaren stellen dus den ouderdom van het leven op aarde voor. Maar de voorbereiding tot die wordingsgeschiedenis heeft nog heel wat langer geduurd. De periode, vóórdat eenig levend wezen op onze planeet verscheen, overtreft in duur verreweg de periode, waarin zich de verschillende soorten hebben opgevolgd. Met zorg en oordeelkundig gedane proefnemingen hebben het waarschijnlijk gemaakt, dat onze aarde minstens _driehonderdvijftig millioen_ jaren noodig had, om van tweeduizend tot tweehonderd graden af te koelen. Hoe belangrijk is de geschiedenis eener wereld! Hoe loffelijk is de eerzucht, om ingewijd te worden in de belangrijke geheimen der natuur, om te willen doordringen tot den raad der oude goden, die het bestuur van het heelal onder elkander verdeeld hadden. En moet men geen belang stellen in die schitterende veroveringen der moderne wetenschap, die de graven der aarde opdelvende, onze verdwenen voorouders heeft weten te doen herleven? Op de roepstem van het menschelijke genie hebben die voorwereldlijke monsters gesidderd in hunne donkere graven, en vooral sedert eene halve eeuw zijn zij één voor één uit hunne graven verrezen, te voorschijn getreden uit de steengroeven, de mijnen en de tunnels, om weder het daglicht te aanschouwen. Van alle zijden hebben die oude lijken, die reeds in den tijd van den zondvloed versteend waren, en die tot stukken waren verbrijzeld, de kop hier, andere deelen ginds, het bazuingeschal gehoord van het gericht, het gericht der wetenschap, en zijn zij uit den doode opgestaan, en hebben zij zich verbonden als een leger, samengesteld uit vreemde legioenen van alle landen en alle eeuwen, en trekken zij in gelederen voor ons voorbij, vreemdsoortig, wonderlijk, links, onhandig, monsterachtig, als kwamen zij uit eene andere wereld, maar daarbij krachtig, sterk, zelfvoldaan, alsof zij zich van hunne waarde bewust waren, en ons wilden toeroepen: "Hier zijn wij, wij, uwe voorouders, wij, die u het aanzijn geschonken hebben. Ziet ons aan en zoekt in ons den oorsprong van uw bestaan. Uwe oogen, waarmede gij het oneindig groote peilt en het oneindig kleine uitmeet, gij vindt ze bij ons in wording en nederig, maar toch belangrijk, want indien die eerste pogingen bij ons niet gelukt waren, zoudt gij blind zijn. Ziet naar uwe handen, zoo sierlijk en zoo knap, en aanschouwt dan onze klauwen, waarvan zij de volmaking zijn; lacht niet te zeer over onze klauwen, indien gij uwe handen nuttig en aangenaam vindt. Uw mond, uwe tong, uwe tanden, dat alles is fijn, sierlijk, lief, maar het zijn onze muilen, onze snuiten, onze bekken, die uw mond geworden zijn. Uwe harten slaan zacht, geheimzinnig, en die kloppingen van het menschenhart, die wij niet kennen, verschaffen u, zooals men zegt, zulke diepe aandoeningen, dat gij somtijds de geheele wereld zoudt willen geven, om aan de nietigste dier aandoeningen te kunnen voldoen; welnu, ziet hier, hoe de bloedsomloop begonnen is, ziet hier het eerste hart, dat geklopt heeft! En in uwe hersens bewondert gij den zetel der ziel en der gedachte, en zóózeer waardeert gij hunne onvergelijkelijke gevoeligheid, dat gij nauwelijks hunnen fijnen bouw durft doorgronden; maar bedenkt, dat uwe hersenen ons ruggemerg is, het merg onzer wervelen, dat zich ontwikkeld, volmaakt, gezuiverd heeft, en bedenkt, dat zonder ons de natuurkundige, de geoloog, de astronoom, de wijsgeer, de dichter niet zouden bestaan. Ja, hier zijn wij, begroet in ons uwe voorouders!" Zoo zouden die versteende wezens, de apen, de halfapen, de buideldieren, de vogels, de kruipende dieren, de slangen, de amphibiën, de visschen, de weekdieren spreken, en terecht, want de mensch is de hoogste tak van den stamboom der natuur, zijne wortels zijn vastgehecht aan den gemeenschappelijken bodem, en de boom, welke die schoone vrucht draagt, is gevormd uit al die soorten, die in schijn zoo verschillend zijn, maar in werkelijkheid zoo nauw verwant.--Zij zijn uit den doode opgestaan, en de beoefenaar der natuur rangschikt ze. En welk denkend en belangstellend wezen, welke denker, ja zelfs welk eenvoudig lezer van mengelwerk en romans, zou niet boven onvruchtbare lectuur het groote boek der natuur verkiezen, dat voor een ieder geopend is, en dat door zijne openbaringen zoo belangrijk, door zijne verrassingen zoo boeiend en zoo verheven is boven alle verdichtselen en sproken? Wie zou niet willen ingewijd worden in het groote geheim van den oorsprong van den mensch, van de geboorte der aarde en de wieg van het heelal? Is er één onderwerp, dat ons meer van nabij raakt, en onze belangstelling meer kan opwekken? De geschiedenis der aarde bestudeeren, beteekent eveneens het heelal en den mensch bestudeeren, want de aarde is eene ster in het heelal, en de mensch is het voortbrengsel van aardsche krachten. Hij is niet de vrucht van een wonder, hij is het kind der natuur. De dieren zijn niet plotseling op de roepstem van den Schepper geheel gevormd en volwassen voortgekomen en paarsgewijze, van den olifant tot de vloo en tot de mikroskopische mikroben; het eerste paard is niet plotseling van eenen heuvel afgesprongen; de eerste eik is niet als een honderdjarige geschapen. Neen, de thans bestaande dieren zijn voorafgegaan door oorspronkelijke, zeer verschillende soorten; iedereen weet, dat onze aarde zeer oud is, en dat hare geologische lagen de versteeningen bevatten van vervlogen tijden; iedereen weet, dat uit een anatomisch oogpunt het lichaam van den mensch hetzelfde is als dat der zoogdieren; iedereen weet, dat wij nog sporen van organen bezitten, die ons tot niets dienen, en die de sporen zijn van die, welke nog bestonden bij onze voorouders; iedereen weet, dat wij vóór de geboorte, in de eerste maanden na de bevruchting in den moederschoot; weekdier, visch, kruipend dier, viervoetig dier geweest zijn, daar de natuur in het klein haren grooten arbeid der oude tijden samenvat; iedereen weet eindelijk, dat alle levende soorten aan elkander verbonden zijn als de schakels van eenen zelfden keten, die onmerkbaar in elkander overgaan; dat het leven op aarde begonnen is met de eenvoudigste wezens, met planten, die noch bladeren, noch bloemen, noch vruchten hadden en nauwelijks den naam van planten konden dragen, met dieren, die noch kop, noch zintuigen, noch spieren, noch maag, noch bewegingsorganen hadden, en dus nauwelijks tot het dierenrijk konden gerekend worden, en dat de wezens langzaam, ja zelfs onmerkbaar, trapsgewijze, in overeenstemming met den toestand van den dampkring en het water, de temperatuur, de omgeving en de voeding, meer levend, gevoeliger, karakteristieker, volmaakter geworden zijn, om eindelijk uit te loopen op die schitterende en welriekende bloemen, die het sieraad onzer velden zijn, op de vogels, die in de bosschen zingen ... op den mensch eindelijk, die het hoogst van allen staat in de rei der levende wezens. Meen echter niet, dat de mensch, de koning der schepping, zoo afgescheiden en zoo los is van zijne voorouders, en ook zoo hoog ontwikkeld als hij wel schijnt. Op de veertienhonderd millioen menschelijke wezens, die op aarde bestaan, zijn er zoovelen, die nooit eenig bewijs van verstandelijke ontwikkeling geven, en dat niet alleen bij de stammen van Centraal-Afrika, de Samojeden of de bewoners van Vuurland, maar zelfs bij de beschaafde natiën: menschen, die niet denken, die zich nooit rekenschap gegeven hebben van hunne bestemming, die hoegenaamd geen belang stellen in hun eigen levensdoel, in de geschiedenis der menschheid, in die onzer planeet, die niet weten, waar zij zijn, en er zich ook niet om bekommeren, in één woord, die geheel als redelooze dieren leven. Zij, die werkelijk denken en een geestesleven leiden, vormen de minderheid onder de menschheid. Toch neemt hun aantal van dag tot dag toe en ontwaakt en ontwikkelt zich het gevoel van belangstelling. De vooruitgang, die zich langzaam geopenbaard heeft in de volmaking der zintuigen en der hersenen van het dierenrijk, gaat gestadig voort, en wij zien dien aan het werk bij onze eigen soort, die eertijds ruw, grof, onbeschaafd, en thans gevoeliger, fijner en verstandiger is. De mensch verandert, en waarschijnlijk sneller dan eenige andere soort. Indien iemand over honderdduizend jaren op aarde kon terugkeeren, zoude hij de menschheid niet meer herkennen. Indien wij den toestand van het menschdom vergelijken met dien uit het steenen tijdperk, dan bespeuren wij reeds eenen merkbaren vooruitgang, niet alleen moreel, maar ook lichamelijk. Het zijn dezelfde menschen niet meer. De fijnheid van vernuft en van vormen is toegenomen. De spieren zijn minder krachtig, de zenuwen zijn meer ontwikkeld. De moderne man is minder log en ruw; onmerkbaar hebben de hersenen de overhand verkregen. De moderne vrouw is fijner en heeft meer kunstgevoel; zij is blanker, haar haar is langer en meer zijdeachtig, haar blik is helderder en hare hand is kleiner. Somtijds schijnt de ontwikkeling stil te staan in tijden van omwentelingen en beroeringen, als de hartstochten ontketend zijn. Doch die stilstand is slechts schijnbaar. Het geheel wordt medegesleept in het onbewuste zoeken naar het hoogere, in het streven naar het ideaal. Men zoekt en tast en streeft, en dat streven voert de menschheid, die nooit bevredigd is, steeds vooruit naar eenen hoogeren trap van geestesontwikkeling. De schedel modelleert de hersenen; het lichaam modelleert den geest. De oefening der ledematen ontwikkelt juist die, welke het meest gebruikt worden, terwijl die, welke weinig geoefend worden, verminderen, om eindelijk weg te sterven. Men kan daarom over de zeden van eene bepaalde periode oordeelen uit den lichaamsbouw der individuen. Hoewel men ook in onzen tijd nog dikwijls ziet, dat macht boven recht gaat, toch is men thans overtuigd, dat dit een valsch beginsel is. De dag zal aanbreken, waarop de mensch zich er over schamen zal, dat er nog oorlogen gevoerd worden, en waarop hij zich het oorlogsbudget, dien mantel van dwaasheid en laagheid, van de schouders zal werpen. Neen, hij, die over honderdduizend jaren op aarde zou terugkeeren, zou het menschdom niet meer herkennen. Geen onzer talen zal meer gesproken worden. Geene onzer natiën zal meer bestaan. Eene schitterende beschaving zal Centraal-Afrika verlicht hebben. De dampkring zal doorploegd zijn met luchtschepen. Nieuwe natuurkrachten zullen bedwongen zijn ... en misschien zal de een of andere photophonische telegraaf ons doen spreken met de bewoners der naburige planeten. De aarde verandert onophoudelijk. Hier knaagt de zee aan de sterke kusten en dringt zij tot in het binnenland door; ginds daarentegen dragen de zeeën zand aan, vormen zij delta's en baaien; regen en wind doen de bergen afdalen naar de stroomen en den Oceaan; onderaardsche krachten heffen andere bergen op; vulkanen verwoesten en bouwen op; zeestroomingen en stroomingen in den dampkring wijzigen het klimaat; de jaargetijden veranderen periodiek; de planten wijzigen haren vorm, niet alleen door kweeking, maar ook door verandering der omstandigheden; steden ontstaan, komen tot bloei en sterven; alles beweegt zich met duizelingwekkende vaart voorwaarts; in de natuur is nooit rust, steeds een harmonische, eeuwigdurende arbeid; de aarde moge onbewegelijk schijnen: zij voert ons in de ruimte voort met eene snelheid van 106000 kilometers in het uur; de sterren schijnen ons toe vast te zijn: ieder van deze vliegt vooruit met eene duizelingwekkende snelheid; de stroom aan onze voeten moge kalm schijnen als een spiegel: hij stroomt steeds voort en voert onophoudelijk het regenwater in den Oceaan, dat steeds neervalt uit de wolken, welke zich steeds vormen uit de dampen van den Oceaan, die zich altijd verheffen; het gras, waarop wij gezeten zijn, schijnt slechts een levenloos tapijt te zijn: het groeit en neemt toe, en dag en nacht, zonder een oogenblik van verpoozing bestrijden elkander of verbinden zich; de moleculen waterstof, zuurstof en koolzuur in voortdurende werkzaamheid; en wij zelf, die droomende dat groote schouwspel der natuur aanschouwen, wij wanen ons in rust en verbeelden ons, dat de natuur in ons gedurende onzen slaap eveneens slaapt, doch dit is eene dwaling: ons hart klopt, en zendt bij iederen slag het bloed door onze slagaderen; onze longen werken, en hernieuwen onophoudelijk onze levenskracht, de moleculen, waaruit ieder deel van ons lichaam is samengesteld, legeren zich naast elkander, vereenigen zich, verjagen elkander, treden onophoudelijk in elkanders plaats, en, indien wij onder den mikroskoop de weefsels onzer organen, onzer spieren, onzer zenuwen, van ons bloed, ons ruggemerg konden bestudeeren, en voornamelijk de gisting in onze hersens, dan zouden wij eene voortdurende inwendige werking bijwonen, die ieder deel van ons lichaam dag en nacht doet trillen, van het oogenblik af, dat wij verwekt zijn, tot onzen laatsten ademtocht--en nog daarna; immers na onzen dood keert ons lichaam weder molecule voor molecule in den kringloop der natuur terug, om deel uit te maken van de planten, de dieren en de menschen, die na ons komen: niets gaat verloren of wordt nieuw geschapen, wij bestaan uit het stof onzer voorouders, onze kleinkinderen zullen uit ons stof samengesteld worden. Alles verandert en neemt eene andere gedaante aan. Men wane niet, dat tegenwoordig de schepping tot rust is gekomen. De natuur is eeuwig en oneindig en steeds in wording. Nog thans ontbranden werelden in wording aan den hemel en worden andere uitgedoofd. Zwervende kometen, zich van stelsel tot stelsel bewegend, zaaien op haren weg de vallende sterren, de asch van verwoeste werelden, en de koolstof, de kiem van de toekomstige organismen. Iedere planeet heeft hare jeugd, haren rijpen leeftijd, haren ouderdom, haren doodstrijd. De dag zal komen, waarop de reiziger te vergeefs zal zoeken naar de plaats, waar Amsterdam, Londen, Parijs, Rome, New-York gedurende zoovele eeuwen geschitterd hebben als de hoofdplaatsen van bloeiende natiën, evenals de oudheidkenner thans de plaats zoekt, waar Ninive, Babylon, Tyrus, Sidon en Memphis schitterden te midden der werkzaamheid en der weelde. Zoo zal ook de dag aanbreken, waarop de menschheid na het zenith harer ontwikkeling bereikt te hebben, zal uitdooven tegelijk met de laatste levenselementen der planeet, en den doodslaap zal intreden op eene voortaan verlaten en woeste aarde, waarop de vogel niet meer zal zingen, de bloem niet meer zal bloeien, het water niet meer zal stroomen, de wind niet meer zal waaien, waarop de witte lijkwade van sneeuw en ijs zich zal uitstrekken van de polen tot den evenaar. En zóó zal ook de zon zelf worden uitgedoofd te midden van haar stelsel. De wet van den _Vooruitgang_ beheerscht alles. Hoewel wij er ons geen rekenschap van geven, toch gaan wij met snelheid vooruit, en wij hebben geen reden, ontevreden te zijn over den afgelegden weg. Wat is twee, drie eeuwen in vergelijking met den tijd van het bestaan van het menschdom. En in dien tijd is toch de vrijheid van geweten voor goed voor den vooruitgang veroverd. Ja, de wereld beweegt zich voortdurend naar een hooger ideaal; de zeden verliezen hare ruwheid, de geest wordt verlicht, de menschheid gaat in haar geheel en in hare onderdeelen vooruit. De geschiedenis der aarde levert de schoonste en welsprekendste getuigenis voor de wet van den vooruitgang. Zij is als het ware de vooruitgang zelf, belichaamd in het leven, van het erts af tot den mensch toe. Onze planeet is begonnen als eene vormelooze nevelvlek, die zich langzamerhand tot eenen bol verdicht heeft. Die gasvormige nevelvlek, veel ijler dan de lucht die wij inademen, was gevormd uit een gas, veel lichter dan waterstof. De wederzijdsche aantrekking van alle moleculen naar het middelpunt, de verdichting, die daarvan het gevolg was, de wrijving en de omzetting van die beweging naar het middelpunt in warmte; de eerste scheikundige verbindingen, die ontstonden uit die warmteontwikkeling, de invloed der electriciteit, de veelzijdige werking der natuurkrachten, die als het ware uit elkander voortvloeiden, vormden de eerste elementen, waterstof, zuurstof, koolstof, stikstof, natrium, ijzer, calcium, silicium, aluminium, magnesium en de verschillende overige mineralen, die alle in bepaalde meetkundige vormen gegoten schijnen, alsof zij veelvouden zijn van de oorspronkelijke grondstof, die het eerst tot waterstof verdicht schijnt te zijn. Diezelfde stoffen, die onze oorspronkelijke planeet uitmaakten, toen zij als nevelachtige ster schitterde; die zuurstof, die waterstof, dat natrium, toen in gloeiing verkeerend, zooals die stoffen nu nog gloeien in de zon, hebben zich op geheel andere wijze verbonden, nadat de aarde als ster is uitgedoofd. Het vuur is water geworden. Uit een natuurkundig oogpunt zijn vuur en water uitersten, uit een scheikundig oogpunt zijn zij dezelfde. De oceaan, die nog thans zijne golven doet rollen rondom de aarde, bestaat uit waterstof, zuurstof en natrium. Een waarnemer, buiten de aarde geplaatst, zoude onze aarde eerst hebben kunnen zien schijnen als eene bleeke nevelvlek, daarop zien schitteren als eene zon, dan eene roode, daarna eene donkere en eindelijk eene veranderlijke ster zien worden met telkens anderen glans, om ten slotte haar licht en hare warmte te verliezen en in eenen dergelijken toestand te komen, als waarin wij thans Jupiter zien. Reeds toen wentelde de aarde om eene as en om de zon. Toen de oorspronkelijke temperatuur was afgenomen, toen de dampen in de atmosfeer zich verdichtten en de oorspronkelijke zee zich over de geheele aarde uitstrekte, vormden zich te midden der vulkanische schokken der nog jonge aarde, onder bliksemschichten en donderslagen, in het lauwe en vruchtbare water, de eerste planten en dieren uit koolstofverbindingen, half vast, half vloeibaar, slijmig, kneedbaar, bewegelijk en veranderlijk. Die eerste wezens zijn niets anders dan cellen of groepen van cellen, wier, zeegras, ringwormen, geleiachtige lichamen, weekdieren: het zijn nog evenzeer mineralen als planten en dieren, het zijn plantdieren, koralen, sponzen, sterkoralen, schaaldieren. De eerste dieren zijn niets anders dan planten zonder wortels. Door de langzame verbetering der levensvoorwaarden op de planeet, door de trapsgewijze ontwikkeling van enkele organen in wording, verbetert, verrijkt en volmaakt zich het leven. Gedurende het azoïsche tijdvak ziet men slechts ongewervelde dieren, drijvende in de nog lauwe wateren der oorspronkelijke zeeën. Op het einde dier periode, gedurende het silurische tijdvak, ziet men de eerste visschen verschijnen, maar dan nog slechts de kraakbeenachtige; de andere visschen komen eerst veel later. Gedurende de primaire periode ontstaan de grove amphibiën, de logge kruipende dieren, de langzame schaaldieren. Eilanden heffen zich uit de wateren op en worden met een schitterend plantenkleed bedekt. Maar het dierenrijk is nog uiterst arm. Gedurende millioenen jaren zijn alle bewoners der aarde doofstom geweest; de eerste op aarde verschenen dieren, zij, die thans beneden op de rei staan, missen stemorganen; de stem ontstaat eerst in het midden der secundaire periode, en het oor ontstaat nog veel later. Ook zijn gedurende millioenen jaren planten en dieren geslachtloos geweest. Doch trapsgewijze gaat het leven vooruit. Spoedig splitst zich het dierenrijk in afzonderlijke en talrijke soorten. De kruipende dieren ontwikkelen zich; de vleugel voert den vogel hemelwaarts; de eerste zoogdieren, de buideldieren, bewonen de wouden. Gedurende de tertiaire periode scheiden de slangen zich af van de kruipende dieren en verliezen zij hare pooten (waarvan de oorspronkelijke aanhechtingen nog thans merkbaar zijn); de _archeopteryx_, half kruipend dier, half vogel, verdwijnt, de voorouders der apen ontwikkelen zich op het vaste land, tegelijk met de krachtige diersoorten. Maar de mensch bestaat nog niet. Deze komt eindelijk te voorschijn, wat zijn' bouw betreft, gelijkende op het dier, maar hooger staande op den trap van den vooruitgang en bestemd om de wereld te beheerschen door de grootte van zijnen geest. De verschillende geologische lagen der aarde, die wij in onzen tijd kunnen omslaan als de bladen van een boek, toonen ons duidelijk de opvolging der begraven versteende soorten. Die soorten zijn elkander opgevolgd, terwijl zij zich stap voor stap ontwikkelden als de takken van eenzelfden boom. Zij zijn uit dezelfde bron voortgekomen en behooren tot eene zelfde orde van zaken. Maar laat ons niet vooruitloopen op de tooneelen, die zich voor onze oogen zullen ontrollen. Nu wij eenen voorloopigen blik geslagen hebben in die grootsche vraagstukken, moeten wij dadelijk in het hart der vraag binnendringen. In _de Wonderen des Hemels_ [1] hebben wij over het ontstaan der werelden in het algemeen gehandeld, terwijl wij daar, zoowel als in het _Rijk der Sterren_ [2] over de verschillende typen van werelden uitvoerig gesproken hebben. Wij achten het dus overbodig, hierop terug te komen. Wij zullen dan ook dadelijk ons onderzoek aanvangen met de beschouwing der aarde, van het oogenblik af, dat zij hare moeder, de zonnenevelvlek had verlaten. EERSTE BOEK. De geboorte der Aarde. De zonnenevelvlek verspreidde aan den donkeren oneindigen hemel een flauw licht, en terwijl zij zich gestadig naar haar middelpunt verdichtte, gaf de aardsche nevelvlek, uit haar voortgekomen, een even flauw licht, terwijl zij in den tijd van een jaar om de zon heenwentelde. Onze planeet was toen geheel gasvormig, zij had toen nog geene vaste kern of geene vloeistoflaag; zij bestond toen als het ware alleen uit eenen dampkring, die veel lichter was dan de lucht, die wij inademen. Hare oorspronkelijke temperatuur was even hoog als die van den zonnegordel, waaruit zij was voortgekomen. Die temperatuur nam nog toe door hare eigen verdichting. Gehoor gevend aan de wetten der zwaartekracht, verdichtten de moleculen zich nog sterker naar het middelpunt toe. Hare bolvormige gedaante werd hoe langer hoe duidelijker zichtbaar. Eindelijk werd de nevelvlek zon en verspreidde zij een schitterend licht. De mechanische warmteleer leert ons, dat alleen de verdichting onzer nevelvlek tot bol eene verwarming moet hebben veroorzaakt van 8988 graden (Celsius). In dien tijd schitterde dus de aarde in de ruimte als eene zon, door eenen flauwen nevel omgeven. Een waarnemer, toen in het heelal geplaatst, zou eene dubbelster gezien hebben, bestaande uit twee sterren van verschillende grootte; de grootste was onze eigen zon, de kleinste was onze aarde. Ongetwijfeld was dit stelsel veelvoudig, daar verscheidene andere planeten tegelijkertijd met de aarde zonnen waren. Doch waarschijnlijk waren Mercurius en Venus nog nevelvlekken, toen de aarde reeds tot zon verdicht was, zoodat tusschen de aarde en de zon geene andere ster meer gezien werd. Eeuwen lang schitterde de aarde als eene glinsterende zon, als het brandpunt van krachtige scheikundige werkingen, en gaf zij het aanzijn aan vlekken en reusachtige uitbarstingen, overeenkomende met die, welke wij thans op de oppervlakte der zon waarnemen. Naar alle waarschijnlijkheid was zij toen niet zoo groot als thans de zon is; doch zeker was zij veel grooter dan nu, en strekte zij zich uit tot voorbij de loopbaan der maan; zij was toen niet alleen geheel gasvormig, doch ook uiterst ijl. Maar de ruimte, waarin zich de werelden bewegen, is koud en donker. Hare normale temperatuur ligt op 273° onder nul. Die temperatuur is zóó laag, dat de luchtsteenen die temperatuur inwendig behouden, niettegenstaande zij aan hunne oppervlakte sterk verhit worden bij hunne snelle beweging door onzen dampkring; indien men ze na hunnen val opneemt, brandt men zich de vingers, indien men ze aanraakt, maar als men ze doorslaat, zijn zij van binnen zóó koud, dat men zich daaraan nog heviger brandt dan aan de buitenzijde. (Dit is onder anderen opgemerkt bij den meteoor van Dhurmsalla, den 14den Juli 1860). Bij die koude straalde de aarde hare warmte langzamerhand geheel uit; noch de voortgaande verdichting, noch de scheikundige verbindingen, noch de val van kosmische stof, die op haar neerkwam van de zonnenevelvlek en van de verschillende deelen der ruimte, waren voldoende om te herstellen, wat zij door die uitstraling verloor. De aarde werd van gasvormig vloeibaar, wel nog gloeiend, maar nog steeds minder lichtgevend. In stede van wit en schitterend werd zij eerst goudgeel, daarna oranjekleurig, rossig en donkerrood. Een dikke, zware, in beroering zijnde dampkring omgaf haar. Eindelijk doofde zij uit. Als zon had zij uitgediend, maar om zich te koesteren aan den morgenstond van het leven. In deze periode ontstond de maan, dochter der aardsche nevelvlek, evenals de aarde was voortgekomen uit den moederschoot der zon. De maan behoort bij de aarde, zooals de aarde bij de zon behoort. Zij draait om ons heen in 27 1/3 dag, zooals wij om de zon draaien in 365 1/4 dag; als een trouwe wachter vergezelt zij ons op onze reis om de zon; zij wentelt om ons heen in dezelfde richting als waarin wij ons bewegen, d.i. van het westen naar het oosten en bijna in het vlak der aardbaan (de helling bedraagt 5°); hare geboorteakte draagt zij bij hare beweging met zich, en haar aardsche oorsprong treedt in al hare karaktertrekken voor den dag; zij is tachtigmaal lichter en vijftigmaal kleiner dan de aarde, zoodat hare dichtheid 6/10 van die der aarde is. Zij heeft zich van de zonnenevelvlek losgemaakt op een tijdstip, waarop de beweging der aarde om hare as veel sneller was dan thans het geval is; de maan toch is zóó dicht bij ons, en hare aantrekking is zóó aanzienlijk, dat zij aanzienlijke vloeden teweegbrengt; deze vloeden werkten de beweging der aarde om hare as tegen, zooals zij dit thans nog doen, maar toen in veel sterkere mate. Nauwkeurige berekeningen, door den zoon van den grooten Darwin gedaan, schijnen tot de gevolgtrekking te leiden, dat de maan ongeveer vijftig millioen jaren geleden van de aarde is losgerukt, in eenen tijd, waarin de aarde zich in drie uren om eene as bewoog. Reeds vóór de geboorte van de maan ondervond de aarde vloeden, die het gevolg waren van de aantrekking der zon en die onze aardnevelvlek deden zwellen in het vlak van den equator. Bovendien veroorzaakte de snelle beweging onzer planeet om eene as in het vlak van den evenaar eene krachtige middelpuntvliedende kracht, zoodat de minste kracht voldoende was, om een betrekkelijk groot gedeelte van de nevelvlek los te rukken. Die kracht ging uit van de zon. Een krachtige vloed, zijnen invloed voegende bij de middelpuntvliedende kracht, heeft een gedeelte van de aarde vrijgemaakt van de aantrekking; de aarde heeft haren bolvorm hernomen en de losgerukte massa heeft zich verzameld tot ééne massa, die op hare beurt weder aantrekking uitoefende op hare samenstellende deelen, terwijl de losgerukte gordel zijne oorspronkelijke beweging behield en om de aarde bleef wentelen. Zóó ontstond de maan. In de eerste tijden nadat zij gevormd was, was zij in de onmiddellijke nabijheid der aarde en wentelde zij om haar heen in eene periode van drie uren. Onze vloedgolven zijn slechts een flauw overblijfsel van wat zij in den eersten tijd na de vorming der maan waren. In de eerste plaats was de wachter veel dichter bij de planeet, en men weet, dat de aantrekking toeneemt in de reden van het vierkant van den afstand, zoodat op den dubbelen afstand de aantrekking viermaal zwakker, op den drievoudigen afstand negenmaal zwakker wordt. In de tweede plaats was de aarde niet zooals thans verdeeld in land en zee, maar was zij geheel vloeibaar; de vloed werkte dus op de geheele massa en deed eenen kring van water om haar heen draaien. Thans, nu onze onbeduidende vloedgolven in tegengestelde richting loopen van de omwentelingsrichting der aarde en alzoo die beweging tegenhouden, verlengt zij den dag met 22 secunden in eene eeuw. In dien tijd daarentegen werkten de reusachtige vloeden, die de geheele aarde tweemaal daags doorliepen, de beweging der aarde veel krachtiger tegen, zoodat de tijd harer omwenteling van drie tot vier, vijf, twaalf en eindelijk tot vier en twintig uren toenam. De vertraging in de beweging der aarde gaat gepaard met die der maan, en daardoor ook met eene langzame verwijdering van onzen wachter. De vloed, door de aarde op de maan uitgeoefend, was heel wat heviger, dan die door de maan op de aarde uitgeoefend; de planeet immers is 80 maal zwaarder dan de wachter. Hij heeft zóó lang gewerkt, totdat hij de maan om hare as deed wentelen in denzelfden tijd, waarin zij zich om de aarde beweegt, zoodat zij thans steeds dezelfde helft naar ons toekeert. Bovendien is zij niet volkomen bolvormig, maar een weinig gerekt in de richting der aarde. Er zijn thans geen getijden meer op de maan; zelfs indien de maan nog met water bedekt was, zou dit toch niet het geval zijn, nu de maan steeds hare zelfde zijde naar de aarde toekeert. Sedert hare geboorte heeft zich dus de maan langzaam van de aarde verwijderd, al langzamer en langzamer rondwentelend; evenzoo is ook wederkeerig de omwentelingssnelheid der aarde afgenomen. Nog steeds doen de getijden hunne remmende werking op de aarde gevoelen. Waarschijnlijk zal eens de dag aanbreken, waarop ook de maan de beweging der aarde om hare as zóózeer zal vertraagd hebben, dat deze even lang zal duren als de beweging der maan om de aarde, zoodat dan ook de aarde steeds hare zelfde zijde naar de maan zal keeren. Indien de zeeën op aarde zóó lang zullen blijven bestaan, dat de getijden een zoodanig gevolg zullen hebben, zal de maan in 58 dagen om ons heen wentelen, en zouden wij slechts 6 dagen in het jaar hebben, ieder van 1400 uren. Welken invloed zou dit niet moeten uitoefenen op onze zeden en gewoonten! Er zijn in het zonnestelsel twee planeten, die ons een beeld kunnen geven van die lang vervlogen tijden; hoewel zij immers lang vóór de aarde geboren zijn en dus veel ouder zijn dan zij, hebben zij zich veel langzamer verdicht, en zijn zij dus betrekkelijk jonger dan thans onze aarde is. Wij bedoelen de grootste lichamen van het zonnestelsel, Jupiter en Saturnus. De manen van Saturnus zijn nog in de onmiddellijke nabijheid van de planeet gelegen, waaruit zij zijn voortgekomen; zij zijn dan ook betrekkelijk nog eerst kort geleden ontstaan. Bovendien bestaan de ringen, die om Saturnus heenwentelen, uit kleine lichamen, tot een kring verbonden, terwijl de deeltjes, waaruit die ringen bestaan, en die met groote snelheid om de planeet heenwentelen, in bepaalde richtingen opgehoopt zijn tot dichte banden, en in andere richtingen verspreid en verdund zijn. Men vindt zelfs eene volkomen ledige strook, die de ringen in twee afzonderlijke deelen scheidt. Men mag aannemen, dat die vreemdsoortige ringen de kiemen zijn van twee toekomstige wachters, waardoor het aantal gezellen van Saturnus tot tien zou stijgen. Waarschijnlijk is het, dat de maan, evenals de wachters der overige planeten, gevormd is uit eenen gordel, die van de planeet is losgeraakt, en die door de aantrekking harer samenstellende deelen langzamerhand in eenen bol is overgegaan. De duur van de periode, waarin zich eene planeet heeft gevormd, hangt af van de hoeveelheid stof, waaruit zij bestaat, terwijl de tijd, waarin zij is afgekoeld, afhangt van de temperatuur van den oorspronkelijken bol, van zijn volume en zijne oppervlakte; hierbij moet nog gevoegd worden de aard van de stoffen, waaruit de planeet bestaat, en de aard van den dampkring; de laatste toch zal, naarmate hij de warmtestralen meer of minder tegenhoudt, in meerdere of mindere mate de planeet tegen afkoeling beschermen. Eene planeet koelt natuurlijk aan de buitenoppervlakte af, en daar het volume der aarde 49 maal grooter is dan dat der maan, maar hare oppervlakte slechts dertienmaal grooter is, zoo is het afkoelend vermogen der maan bijna viermaal grooter dan dat der aarde, en inderdaad is zij ook sneller dan de aarde verkoeld. Onze planeet moet, zooals uit de wijze van haar ontstaan volgt, eene temperatuur gehad hebben, overeenkomende met die der zon; langzamerhand moet zij begonnen zijn af te koelen, terwijl zij zich nog steeds verdichtte; daarop is zij van gasvormig vloeibaar geworden, en moet het tijdstip zijn aangebroken, waarop hare oppervlakte begon vast te worden. De aarde koelde dus van eeuw tot eeuw af van de buitenzijde naar binnen. Is die afkoeling thans geëindigd, of is er nog inwendige warmte verborgen in den schoot der aarde? Is zij niet van binnen ijskoud geworden, nu zij zich eeuwen lang heeft voortbewogen in eene ruimte van 273° onder het nulpunt? Wat is thans de inwendige temperatuur der aarde? Deze vraag is van het hoogste gewicht, en daarom zullen wij deze in bijzonderheden bestudeeren en daaraan een afzonderlijk hoofdstuk wijden, waarin wij alle gegevens zullen mededeelen, die door de wetenschap zijn verzameld omtrent den inwendigen toestand der aarde, omtrent de temperaturen in mijnen, tunnels, warme bronnen, vulkanen, enz. enz. waargenomen. Maar de geschiedenis der aarde houdt ons thans bezig, en wij zijn thans genaderd tot één der beslissende overgangen in haar bestaan. Een ieder weet, dat de drie toestanden, waarin de stof kan voorkomen, de vaste, vloeibare en gasvormige toestand, alleen het gevolg zijn van temperatuursverschillen. Indien b.v. een blok ijs gebracht wordt tot de temperatuur van het smeltpunt (0° Celsius), houdt het op vast te zijn en gaat het in den vloeibaren toestand over; de moleculen zullen zich op andere wijze schikken en zich rangschikken, zooals dit onder den invloed der zwaartekracht noodzakelijk is. Wordt dit water verhit tot het kookpunt (100° Celsius) dan gaat het in damp over. In alle drie toestanden is het water scheikundig niet veranderd; het is nog steeds water; maar het natuurkundig voorkomen is geheel gewijzigd; in het eerste geval is het eene vaste stof, in het tweede geval eene vloeistof, in het derde geval een gas, dat snel onzichtbaar wordt. Zoo zal een stuk ijzer bij 1500° smelten, een stuk zink bij 470°, terwijl het bij 1300° gasvormig wordt. De verschillende stoffen, waaruit de aarde bestaat, zijn eerst vloeibaar en vast geworden, toen zij voldoende waren afgekoeld. De scheikundige verbindingen, waaruit de samengestelde lichamen gevormd zijn, konden eerst ontstaan nadat de oorspronkelijke temperatuur aanmerkelijk was afgekoeld. De dampen in den dampkring begonnen als regens neer te vallen. Bij 350° begon de kwikregen, de waterregen was eerst mogelijk bij 100°. Wanneer vielen de overige stoffen neder, zoowel de enkelvoudige als de samengestelde? Welke waren te midden van die ongelijksoortige bestanddeelen de scheikundige werkingen in dat uitgestrekte laboratorium, aan den evenaar, de polen en de tusschenliggende plaatsen? Langzamerhand werd de oppervlakte van de aarde door afkoeling vast en dik genoeg, om tot bekken te dienen voor de wateren en vloeistoffen, die voor goed den dampkring verlieten, om de zeeën te vormen. Deze vloeibare neerslag werkte evenals de dampkring zelf op de brandbare of zoutvormende stoffen van het vaste gedeelte. Door voortgezette afkoeling van de kern en door hare inkrimping, brak de omringende korst, die om eene te nauwe kern sloot, op verschillende tijdstippen door, welke doorbraken zeldzamer werden, nadat de korst dikker en steviger werd. Niet alle gasvormige bestanddeelen onzer planeet gingen gedurende die langzame afkoeling in vloeistoffen of vaste stoffen over. Om den bol bleef een uitgestrekt gasvormig omhulsel over, bestaande uit een mengsel van zuurstof en stikstof. Dit is de lucht, die wij inademen. De dampkring, die zich eertijds tot aan de maan uitstrekte (die toen trouwens niet zoo ver als thans van ons verwijderd was), en die bezwangerd was met verbazende hoeveelheden waterdamp, die zich later tot oceanen en zeeën verdichtten, en bovendien met dampen en gassen van toekomstige mineralen, is van eeuw tot eeuw veranderd en gezuiverd, en zóó hebben wij thans het voorrecht, die doorschijnende lucht te kunnen inademen, die ons het prachtige blauw des hemels verschaft, ons de schoonheden van het luchtperspectief doet bewonderen, het daglicht tempert, de planten en dieren voedt, en wier sluier, dicht genoeg om de volkomen afkoeling in den nacht en den winter te beletten, ijl genoeg is om ons de sterren te doen zien en het heelal te doen bestudeeren. Wij geven er ons niet voldoende rekenschap van, dat indien de dampkring slechts weinig anders ware, wij door eenen eeuwigdurenden nevel zouden omgeven zijn, en dat zulk een ondoorschijnend omhulsel van enkele kilometers voldoende zoude zijn, om ons van het overige deel van het heelal af te zonderen. De oppervlakte der aarde moet toen vuurrood geweest zijn. De atmosfeer van dampen, die op haar drukte, was de zetel van uitwasemingen, van opstijgende stroomen, van diluviaansche regens en nieuwe verdampingen, die eeuwen lang van onze aarde eene reusachtige scheikundige werkplaats maakten, waar alle elementen oorspronkelijk door elkander gemengd waren. De ontzaglijke electrische ontladingen, die het gevolg waren van die omzettingen van warmte en beweging, vervulden den dampkring met hare bliksemschichten en donderslagen. Misschien was in dien tijd de maan bewoond, misschien zijn hare bewoners zelfs getuigen geweest van die titanische worsteling der elementen, die met elkander wedijverden om de heerschappij over eene nieuwe wereld te veroveren. Maar de maan, dichter bij de aarde gelegen dan thans, veroorzaakte door hare machtige aantrekking verbazende getijden, die hooger waren, naarmate, bij afwezigheid van vast land, de vloeibare of weeke bodem geheel gehoorzaamde aan den gezamenlijken invloed van zon en maan. De ontzaglijke vloedgolf liep van het westen naar het oosten om de geheele aarde, terwijl de zware dampkring zelf nog geweldiger getijden ondervond. Het was nog geen wereld, maar een oceaan van vuur, vlammen, rook, dampen, stormen en onweders. Doch door zich voort te bewegen in de ijskoude ruimte, koelde de planeet zelf langzamerhand af. De dag brak aan, waarop de oppervlakte van dien vloeibaren en nog brandenden bol begon vast te worden; dit geschiedde het eerst aan de polen, waar de getijden het minst heftig waren en het spoedigst ophielden, waar de dagelijksche beweging en de middelpuntvliedende kracht, die daarvan het uitvloeisel is, het zwakst zijn, waar dus eene betrekkelijke kalmte de natuur in staat stelde, te herademen. De polen hadden toen dezelfde temperatuur als de evenaar. De warmte der aarde overtrof verre die, welke zij van de zon verkreeg; zij bedroeg eenige honderden graden, en was voor alle deelen der aarde dezelfde. Er waren toen noch klimaten, noch jaargetijden, hoewel de stand der aarde met betrekking tot de zon en hare helling niet veel verschilden met die van onze dagen. Maar de oven kookte in zijne eigen warmte. De eerste vaste lagen, die in de poolstreken ontstonden, konden reeds eenigen tijd duren. Maar die, welke in de andere streken der aarde gevormd werden, en vooral die in de tropen en aan den evenaar, werden langen tijd door de getijden opgeheven en verbroken. Zij vormden slakken, op de vuurzee drijvende, die beurtelings afnamen, smolten en weder gevormd werden. Toch werd de oppervlakte tot op eene bepaalde diepte brijachtig; zij was niet meer vloeibaar als water, maar kreeg eene zekere vastheid, zooals pek of zooals het ijzer, dat uit den oven komt. Na verloop van eeuwen namen die drijvende slakken in aantal toe, groeiden zij aan elkander, namen zij in uitgebreidheid toe en werd de eerste vaste _bodem_ gevormd. Doch niet voor langen tijd. Nauwelijks gevormd, werd de bodem weder verbroken en gescheurd door de dampen en gassen, die zich in den inwendigen oven ontwikkelden, terwijl de getijden den bodem onder de oppervlakte in golvende beweging brachten. Hoe zoude die eerste korst weerstand hebben kunnen bieden aan de golven van die vuurzee? Wie kan zich eene voorstelling maken van de vreeselijke verwoestingen, overstroomingen en beroeringen in die eerste tijden? In den vurigen hellegloed bestreden elkander reusachtige titanen, tot waanzin gedreven door den gloeienden dampkring. De vloeibare stroomen, die zich eenen uitweg baanden door de eerste breuken in de oorspronkelijke korst en daarbuiten vast werden, waren stroomen van graniet. Zoo ontstonden de eerste bergen. Toen de afkoeling zóóver gevorderd was, dat water in vloeibaren toestand kon bestaan, begonnen de dampen te verdichten en vielen de eerste waterdruppels neder. Maar bij die temperatuur (welke door de grootere dampkringsdrukking 100° overtrof) verdampte de nauwelijks neergevallen regen weder. Er was toen eene langdurige periode van regen van kokend water. De verdamping bracht het water weder in dampvormigen toestand in de hoogere lagen van den dampkring, waar de temperatuur veel lager was door uitstraling in de ijskoude ruimte, en daar werd het weder tot wolken verdicht, om weder als regen neder te vallen en alzoo dien eeuwigdurenden kringloop voort te zetten. Die strijd van water en vuur duurde eeuwen en eeuwen te midden van electrische ontladingen, stormen, donder en bliksem. Daardoor werd ook de afkoeling verhaast. Zóó brak de dag aan, waarop eene waterlaag van verscheidene kilometers dikte zich over de geheele aardoppervlakte uitstrekte, nadat het grootste gedeelte der dampen verdicht was. De eerste vaste aardkorst, die den bodem der eerste wereldzee vormde, en die door hare opheffingen het aanzijn schonk aan de eerste eilanden en de eerste bergen, bestond uit graniet. Dit gesteente heeft zijnen naam ontleend aan zijne korrelige structuur (van het Italiaansche _grano_, korrel). Het bestaat uit veldspaat, kwarts en glimmer. Het water, zoowel koud als warm, en het koolzuur der lucht, ontleden gemakkelijk het veldspaat, dat uit een kiezelzuur zout bestaat, waarin aluminium, kalium en natrium voorkomen. Die kiezelzure zouten verweren gemakkelijk onder den scheikundigen en mechanischen invloed van het in beweging zijnde water, en zoo werd de bodem der zee bedekt met zand en klei, dat zich in oorspronkelijk horizontale lagen uitstrekte. Het graniet en het gneiss, de oorspronkelijke gesteenten, werden dus op deze wijze voor het eerst gewijzigd. De invloed der warmte op die eerste lagen is duidelijk zichtbaar. De zoo afgezette klei kreeg onder den invloed der warmte eene bladerige structuur, en bestond toen uit gemakkelijk te scheiden horizontale lagen, evenals de leisteen. Die eerste afzettingen liggen onmiddellijk boven de terreinen van vulkanischen oorsprong. In die eerste periode van haar bestaan was onze aarde overal bedekt met eene laag lauw en modderig water, waarin zich die producten der verwering van het graniet neerzetten. De eerste opheffingen deden het graniet als eenzame eilanden boven den waterspiegel uitsteken, terwijl dit graniet verweerde onder den invloed van regen, wind en onweder. Die _oorspronkelijke_ bodem, dien men onder alle geologische lagen vindt, bestaat gewoonlijk uit vier op elkander liggende lagen: geheel beneden het graniet; daarboven gneiss, dat slechts eene wijziging van het graniet is, waarin glimmer de overhand heeft; daarna het micaschiefer; en daarboven eene opeenvolging van lagen. In die lagen heeft men nooit eenige versteening, of schelp of plant gevonden. Het leven bestond nog niet op de oppervlakte der aarde. Door de spleten en de scheuren, die in deze periode gevormd zijn, hebben zich metalen, onder den invloed der inwendige warmte gesmolten, in dikkere of dunnere lagen eenen weg gebaand. Men vindt daarin ijzer, goud, zilver, koper, tin en edelgesteenten, zooals granaat en robijn. Waarschijnlijk bevinden zich onder het graniet in het inwendige der aarde onmetelijke hoeveelheden ijzer en zeer dichte metalen. De onderste lagen, die onmiddellijk op het graniet rusten, zijn blauw, en die welke zich later op de eerste afzetten, zijn groen (leisteen). Die lagen hebben zich natuurlijk horizontaal op den bodem der wateren afgezet. Als men hellende lagen vindt, dan moeten zij òf door onderaardsche krachten opgeheven zijn, òf wel zij zijn door haar eigen gewicht neergestort, toen zich door afkoeling en samentrekking ledige ruimten in het inwendige der aarde gevormd hadden. Zoo dikwijls men bij het doen boren van eene rij hellende lagen op het graniet komt, is men even zeker, de oppervlakte van dat laatste gesteente in dezelfde richting hellend te vinden, als men uit het feit, dat alle meubels eener kamer hellen, het besluit mag trekken, dat de vloer in dezelfde richting helt. Ja zelfs, de lagen, die men boven het graniet van eenen berg vindt, duiden het tijdperk zijner opheffing aan. Indien men bij voorbeeld alleen blauwe lagen vindt zonder het groene leisteen, dan is dit een bewijs, dat de opheffing van het graniet heeft plaats gevonden onmiddellijk na de eerste bezinking en vóór de tweede. Indien zich leisteenlagen boven de blauwe lagen bevinden, dan heeft de opheffing later plaats gehad. Het onderzoek der Alpen en der Pyrenëen bewijst, dat die bergen verscheidene rijzingen en dalingen hebben ondergaan. Somtijds zijn het niet de vorige lagen, die met het graniet in aanraking zijn, maar bezinksels van veel latere dagteekening. Indien een granieteiland zich uit de oorspronkelijke zee heeft opgeheven vóór de vorming der lagen, waarover wij gesproken hebben, en het daarna weder gezonken is (die afwisselende bewegingen zijn in den Griekschen Archipel en in Italië niet zeldzaam), dan is het granieteiland alleen bedekt met bezinksels van lateren tijd. Men vindt de blauwe lagen, waarvan wij zooeven spraken, in sommige gedeelten van Frankrijk (Finistère, Vendée); dit zijn de oudste gronden van Europa en waarschijnlijk van de geheele aarde. Men vindt ze ook in Cumberland in Engeland. De groene lei vindt men niet in Bretagne, maar wel in Wales en in Noord-Amerika. Gneiss en glimmerschiefer vindt men bij Lyon, Limoges, de Cevennes, Auvergne, Bretagne, de Vendée. Die terreinen leveren weinig op voor den landbouwer, maar zijn daarentegen vruchtbaar voor den mijnwerker. De periode, wier geschiedenis wij in groote trekken geschetst hebben, strekt zich over _millioenen_ jaren uit. De gedenkboeken der aarde zijn kostbaar en welsprekend. De scherpzinnige onderzoekingen der geologen hebben zelfs versteende afdrukken van regendruppels voor den dag gebracht, zooals fig. 14 aanwijst. Die droppels waren op zand gevallen, dat tot zandsteen verhard is. Men vindt in Chalindrey (Haute-Marne) eene steengroeve, waarin men over eene groote oppervlakte de sporen vindt van eene golvende beweging van het water (fig. 15). Dergelijke versteeningen zijn bij Boulogne-sur-Mer gevonden. Gedurende al de eeuwen dier eerste periode zijn wij op eene planeet, die uit een astronomisch en geologisch oogpunt belangrijk is, maar op eene planeet zonder leven. Geen dier, geen plant! Slechts eene woestenij, water of rotsen. Geen mos op die rotsen. Geen weekdier in die wateren. Is het de aarde wel? Tevergeefs zou men de gedaante, die haar thans kenmerkt, willen terugvinden. Noch Amerika, noch Europa, noch Azië, noch Afrika. Alleen de zee, overal de zee met enkele granieteilanden. Een onmetelijke vloedgolf beweegt zich tweemalen daags om de aarde. Bijna overal, bijna altijd is de lucht bedekt. De regen valt, de donder rolt, bliksemschichten doorklieven de wolken, de wind blaast en de storm beweegt de wateren. Maar de levenselementen zijn in wording. In de uren van rust zou een helderziend profeet reeds in de diepte der lauwe wateren enkele sporen van eene vruchtbare gelei ontdekken, die reeds niet meer geheel levenloos is. TWEEDE BOEK. Het azoïsche tijdperk. EERSTE HOOFDSTUK. Bloedverwantschap en afstamming. Begin van het leven. De eerste organismen. Te midden der oneindige eenzaamheid schijnt de natuur hare krachten te verzamelen voor de schepping van het leven. Nog is er geen enkel levend wezen op de oppervlakte der aarde: noch menschen, noch dieren, noch planten. Overal en altijd water. In zijnen schoot zal het leven ontkiemen. Onder de wereldzee zijn de mineralen gestold tot eene dunne laag, die voortdurend opgeheven wordt en weder nederdaalt onder den invloed der getijden, eene laag, beweeglijk, veerkrachtig, van verschillende dichtheid, die reeds gedurig gespleten en weder vast geworden is en de eerste uitbarstingen van graniet, de eerste eilanden heeft doorgelaten. Die laag is nog steeds een drijvend vlot op de vloeibare aarde. Maar van eeuw tot eeuw neemt hare vastheid toe. De afkoeling doet hare dikte toenemen. De oorspronkelijke eilanden ondergaan nu ook den invloed van dampkring, wind, regen, afwisseling van dag en nacht, en terwijl zij langzaam verweren, doen zij op den bodem der zee de eerste bezinksels ontstaan. De temperatuur is nog zeer hoog. Nog nauwelijks kan men verschil in temperatuur waarnemen tusschen zomer en winter, dag en nacht. Langzamerhand echter beginnen de jaargetijden en openbaart zich het verschil tusschen dag en nacht. De zon is nog steeds omsluierd door den dampkring, die met dampen, wolken en regen bezwangerd is; zij zelf is nog niet in die periode gekomen, waarin hare schijf scherp begrensd is; nog steeds is zij omgeven door eenen neveldampkring, die een gedeelte harer stralen opslorpt, en daarenboven strekt zij zich waarschijnlijk uit tot voorbij de baan van Venus, en heeft zij dus eene tweehonderd maal grootere middellijn dan thans. Maar onmerkbaar nadert zij van eeuw tot eeuw tot den toestand van lichtende ster, van brandpunt der planeten, van steun van het wereldstelsel. De dampkring der aarde wordt zuiverder en in eene nog verwijderde toekomst zal het hemelsblauw te voorschijn treden. De wereld was toen zeer verschillend van wat zij nu is. Geen menschenoog was nog in staat haar te aanschouwen; geen wezen kon hare geheimen doorgronden. De eilanden, uit de golven te voorschijn getreden, waren dor en naakt: geen boom, geen struik, geen grassprietjes, geen zeemos. Grijze rotsen, uit het water uitstekende, weerkaatsten het licht, en ontvingen de regenvlagen en de bliksemschichten, die haar des nachts verlichtten, en die wel troffen, maar niets konden dooden, terwijl de onmetelijke maan, die nog geene schijngestalten had, maar haar eigen licht afgaf, op de golven hare vaalroode stralen verspreidde. Wat is het leven? Hoe zijn de ontelbare diersoorten en plantensoorten op de aarde verschenen? Hoe lang bestaan zij reeds? Zijn zij aan elkander verwant en afgeleid uit enkele oorspronkelijke vormen? Men meende vroeger, dat de soorten alle van elkander verschilden en onveranderlijk waren, doch dit is eene dwaling. Niet alleen is _de soort_ geen hoofdfactor bij de inrichting van het leven op aarde, maar zelfs kan men zeggen, _dat er geene soorten bestaan_. In de natuur kent men slechts individuen; deze individuen veranderen naar gelang van de levensvoorwaarden, waaraan zij onderworpen zijn, en die veranderingen zetten zich van geslacht tot geslacht voort, en worden erfelijk. Het dieren- en het plantenrijk hangt met elkander samen door hunnen gemeenschappelijken oorsprong en vormen ieder ééne enkele éénheid. Dit is de groote waarheid, reeds voor tweeduizend jaren door Aristoteles vermoed, en vele eeuwen lang bestreden, totdat Lamarck haar in het begin onzer eeuw in eenen wetenschappelijken vorm goot, terwijl zij later door Darwin, Wallace en anderen op vaste grondslagen gevestigd werd. Onze verdeeling van het planten- en dierenrijk is noodzakelijk voor de studie, maar is volkomen kunstmatig en bestaat niet in de natuur zelf. Zij komt ons slechts daarom onveranderlijk voor, omdat wij slechts één oogenblik kennen in den onmetelijken duur der eeuwen. "Indien het menschelijke leven", zoo zeide reeds Lamarck, "zich slechts ééne secunde uitstrekte, dan zoude ieder individu onzer soort, de wijzers van een uurwerk beschouwende, deze niet van plaats zien veranderen. De waarnemingen van dertig geslachten zou nog weinig leeren omtrent de verplaatsing dier wijzers, want deze is in eene halve minuut nog niet noemenswaard, en indien oudere waarnemingen ons leerden, dat die wijzer werkelijk van plaats veranderd is, dan zouden wij het niet gelooven en aan eene vergissing denken, daar ieder die wijzers steeds op dezelfde plaats van de wijzerplaat gezien heeft." Als wij met een oppervlakkig oog de zoo ongelijksoortige levens beschouwen, die onze planeet bewonen, dan schijnt het alsof zij elkander en ons volkomen vreemd zijn. Indien wij de voorwereldlijke dieren beschouwen, die den mensen zijn voorafgegaan en die thans uit hunne graven verrijzen, schijnen zij ons monsters toe; en toch zijn zij aan ons verbonden door banden, die in onzen tijd hoe langer zoo meer aan het licht komen, nu men den invloed weet, door de omgeving uitgeoefend op den vorm en den bouw der wezens. De invloed van het water, de lucht, het licht en de warmte op de bewerktuiging der dieren en planten, is niet te loochenen. Doch indien de omgeving de ontwikkeling van bepaalde organen bepaalt, die in volume toenemen door aanhoudend gebruik, en van geslacht tot geslacht steeds volmaakter worden, niet minder waar is het, dat diezelfde organen in volume afnemen, wegsterven of geheel verdwijnen, indien door wijziging der omstandigheden het orgaan niet meer gebruikt wordt. De plantkundigen hadden reeds vóór de zoölogen het groote gewicht dier rudimentaire organen begrepen. Reeds de Candolle wijdde in zijne _elementaire theorie der plantkunde_ een afzonderlijk hoofdstuk aan de mislukking der organen. De dorens der boomen en heesters zijn mislukte takken. Onder den invloed van eenen slechten bodem, van droogte of van de nabijheid van eenen overvloed van andere planten, blijven zij kort, hard en puntig. Breng den doornachtigen pruimeboom eener haag naar eenen tuin over, bemest hem en kweek hem, en gij zult zien, dat de dorens langer worden en den vorm van gebladerde takjes aannemen, terwijl er geene nieuwe dorens meer ontstaan. Elke jonge tak eener sering eindigt in drie knopjes; maar steeds ontwikkelen zich de twee zijdelingsche knoppen, terwijl de middelste, die tusschen de beide andere ingesloten is, niet aangroeit, zoodat de tak zich slechts in twee, niet in drie takken verdeelt. Bij de dieren komen de redenen van wegsterving veel duidelijker aan het licht dan bij de planten, daar is het eenvoudig het gebrek aan oefening van een orgaan, het gevolg van gewijzigde levensomstandigheden van het dier. Niets is uit dit oogpunt leerzamer dan de invloed van het licht op het gezichtsorgaan. Een dier, dat steeds in de duisternis verkeert, beweegt zich niet langer met behulp van zijne oogen, maar op het gevoel; de oogen nemen dan in grootte af, gaan dieper in de kassen liggen, worden door de huid bedekt en eindigen met weg te sterven en te verdwijnen. Dit is erfelijk van de ouders op hun kroost, en men ziet diersoorten die van oogen voorzien zijn zoolang zij in het licht leven, blind worden, als zij later in de duisternis komen. Wat wij van het oog gezegd hebben, geldt van alle organen, wat ook de aard hunner verrichtingen wezen moge, zij worden door oefening ontwikkeld, en gebrek aan oefening doet ze wegsterven, terwijl die wijzigingen erfelijk zijn. Wij gebruiken gewoonlijk den linkerarm veel minder dan den rechterarm; daardoor is de laatste dan ook zwaarder en zijne beenderen, spieren, aderen en zenuwen zijn dan ook krachtiger dan die van den linkerarm; die verschillen bestaan reeds bij den jonggeborene. Bij de struisvogels, dieren die te zwaar zijn, om zich in de lucht te verheffen, zijn de pooten krachtiger en langer, de vleugels daarentegen korter geworden; deze laatste doen alleen dienst als zeilen, als de vogel in de richting van den wind loopt. Bij den casuaris zijn de vleugels teruggebracht tot een onnut deel, dat onder de veeren verborgen ligt, omdat het dier niet langer vliegt, maar loopt. Zoo heeft men bij watervogels, zooals de vetganzen, gezien, dat de vleugels in vinnen veranderd zijn, en omgekeerd bij de vliegende visschen, dat de borstvinnen zóó wijd zijn, dat de dieren zich eenigen tijd in de lucht in evenwicht kunnen houden. Daarentegen ziet men bij de alen en de lampreien, wier langwerpig lichaam zich gemakkelijk in het water beweegt, dat de borst- en buikvinnen verdwijnen, daar de staartvinnen voor het zwemmen volkomen voldoende zijn. Bij vele insecten bestaan de vleugels alleen bij het mannetje, terwijl zij bij het wijfje onvolkomen of mislukt zijn. Uit al deze feiten blijkt, waarom de zoöloog, zoo hij zich nauwkeurig wil uitdrukken, altijd zegt: _de vogels vliegen, omdat zij vleugels hebben_, en niet: _de vogels hebben vleugels om te vliegen_. De eerste uitdrukking drukt een eenvoudig, duidelijk en onwederlegbaar feit uit; de tweede uitdrukking daarentegen onderstelt eene voorbeschikking van een bepaald dier tot eene bepaalde levenswijze. De levensomstandigheden bepalen de ontwikkeling of het wegsterven der organen; zij zijn werkzaam of buiten werking naar gelang van de omstandigheden en levensvoorwaarden van het dier. Eene algemeene wet van vooruitgang, ontwikkeling, volmaking, opklimming, van verandering der levenlooze stof in levende en denkende organismen, is gegrift in het karakter der geheele natuur; aan die wet zijn de wezens onderworpen, hun bestaan brengt reeds hunne wijziging en ontwikkeling mede. Doch zetten wij ons onderzoek voort. Bij de kruipende dieren verdwijnen de pooten. De krokodillen en de hagedissen hebben er vier; bij enkele zijn deze zeer kort, andere hebben alleen vóór- of achterpooten, bij nog andere vindt men alleen sporen van achterste ledematen. Bij enkele slangen vindt men sporen van bekkenbeenderen, wat aan het begin van den staart door de aanwezigheid van een paar hoornachtige punten merkbaar is. Lamarck verklaart het verdwijnen der ledematen uit de gewoonte van het kruipen, die reeds bij de hagedissen bestaat, hij merkt op, dat een lichaam, zóó uitgerekt als dat van eene slang niet voldoend ondersteund zoude zijn door vier pooten, welk aantal bij geen der gewervelde dieren overtroffen wordt. Eene slang kruipt door middel van hare ribben voort. De bovenmatige verlenging van het lichaam heeft de vermindering van één der longen te voorschijn geroepen, terwijl de andere zich tot in den buik voortzet. Zelfs bij de zoogdieren zijn mislukte en onnutte organen niet zeldzaam; zóó hebben de meeste zoogdieren de drie typen van tanden, namelijk snijtanden, hoektanden en kiezen. Reeds vroeger had men opgemerkt, dat bij de walvisch, waar de tanden vervangen zijn door baleinen, de sporen der mislukte tanden bij de ongeboren vrucht aanwezig zijn; evenzoo bij de vogels. De herkauwende dieren hebben in de plaats van de bovenste snijtanden eenen eeltvormigen ring, maar in de ongeboren vrucht komen de sporen dier tanden voor. De zeekoeien hebben in het geheel geen snijtanden; daar zij zich alleen met zeeplanten voedden, gebruikten zij ze niet, en daardoor zijn deze langzamerhand verdwenen. De mislukte organen, die de _mensch_ bezit, en waarvan hij dagelijks het nuttelooze kan inzien, werden eertijds beschouwd als een bewijs voor de eenheid van het scheppingsplan. Evenals, zoo meende men, een bouwmeester op symmetrie gesteld, valsche ramen aanbrengt, of op de zijvleugels van een gebouw het gronddenkbeeld van den hoofdgevel doet uitkomen, zoo ontsluiert ons de Schepper in die organen het plan, dat hij met de schepping heeft gevolgd. De aanwezigheid echter van die sporen van organen bij den mensch, voor wien zij geheel nutteloos zijn, bewijst alleen, dat zijn bouw nauw verbonden is met dien van het dierenrijk, waarvan hij het volmaaktste uitvloeisel is. Aan de zijden van den hals hebben wij eene niet volkomen ontwikkelde huidspier; bij de paarden doet die spier de huid trillen, wanneer zij de vliegen willen verjagen; bij ons maken de kleederen, bij de wilden de huiden, of het vet, waarmede zij zich besmeren, die spier overbodig; zij is dan ook zóó dun geworden, dat zij aan de huid niet de minste beweging geven kan. Hetzelfde is het geval met de spieren, die de ooren van het paard, den hond en andere dieren bewegen; ook wij bezitten ze, maar zij dienen ons tot niets. Zoo merkt men aan den binnenhoek van ons oog eene kleine plooi op; deze is het overblijfsel van het derde ooglid der roofvogels, waardoor zij, zonder hunne oogen te sluiten, in de richting der zon kunnen zien. Het is zelfs mogelijk, dat rudimentaire organen niet alleen nutteloos, maar zelfs schadelijk zijn. De kuit wordt gevormd door krachtige spieren, die door de Achillespees aan den hiel verbonden zijn; daarnaast bevindt zich eene lange, dunne spier, ongeschikt tot eenigen krachtigen arbeid, de voetzoolspier. Die spier gelijkt op eenen dunnen katoendraad vastgehecht aan een dik kabeltouw; als zij scheurt, hetgeen geschieden kan bij het springen of iets dergelijks, is eene langdurige rust voor de genezing noodig. Bij de kat, den tijger, den panter, den luipaard en verwante geslachten, is die spier even sterk als de beide overige, en stelt zij die dieren in staat, hunne verbazende sprongen te volvoeren. Zoo bezitten de plantenetende dieren, het paard, de koe en enkele knaagdieren een toevoegsel bij den grooten darm, dat den naam draagt van _coecum_: blinde darm; dit toevoegsel hangt samen met de plantaardige voeding dier dieren; bij den mensch, wiens voeding niet zuiver plantaardig is, bestaat die blinde darm alleen uit een klein cilindervormig lichaam, waarvan de opening zeer nauw is. Hij is voor de spijsvertering van geene waarde, daar het voedsel er niet in binnen kan dringen; hij kan zelfs gevaarlijk worden, indien een hard lichaam, zooals eene pit of eene vischgraat er bij ongeluk in geraakt; daardoor wordt ontsteking veroorzaakt, en somtijds doorboring van het darmkanaal, waarvan dikwijls buikvliesontsteking het gevolg is. Deze voorbeelden zijn voldoende, om de beteekenis van afgestorven organen aan te toonen. Bij den mensch en de hoogere zoogdieren zijn die rudimentaire organen herinneringen aan dieren, lager op de ladder geplaatst; maar bij de lagere gewervelde dieren zijn zij somtijds eene aanwijzing voor toekomstige volmaking. In één woord, het geheele dierenrijk, zoowel het levende als het fossiele, doet ons dezelfde verschijnselen zien, als de ontwikkeling der vrucht, die, beginnende uit de cel, zich trapsgewijze verheft tot aan de sport, waarop de beide wezens staan, die haar het aanzijn geschonken hebben. Diezelfde ontwikkeling openbaart zich in de rij der dieren, waarvan de geologische lagen ons de overblijfselen bewaard hebben. De onderste lagen bevatten slechts ongewervelde dieren en visschen; daarop volgen de kruipende dieren, de vogels en de zoogdieren, terwijl de mensch die opklimmende reeks sluit. De fabelleer van alle tijden en van alle natiën heeft de voortzetting der reeks voorzien, door engelen te scheppen, wezens volmaakter dan de mensch, staande tusschen dezen en zijnen Schepper. In meesterlijke bewoordingen heeft reeds Goethe hetzelfde betoogd. Hij zegt ongeveer het volgende: "De dieren zijn gevormd naar eeuwige wetten, en iedere vorm verbergt het oorspronkelijke type in zich. De bouw van het dier bepaalt zijne gewoonten, en de levenswijze werkt weer terug op de vormen. "Aan al die organismen ligt een gemeenschappelijke oorsprong ten grondslag, terwijl het verschil in vormen het gevolg is van de betrekking der organismen tot de buitenwereld. Wij mogen beweren, dat de volmaaktste vormen der organische natuur, zooals de visschen, de amphibiën, de vogels, de zoogdieren, en boven allen de mensch, gevormd zijn naar een oorspronkelijk type, waarvan de schijnbaar onveranderlijke deelen slechts binnen enge grenzen veranderen, en dat die vormen zich nog dagelijks ontwikkelen en zich bij hunne voortplanting wijzigen. "Indien men de planten en dieren beschouwt, die beneden op de ladder der organismen geplaatst zijn, dan kan men ze nauwelijks van elkander onderscheiden; wij mogen dus zeggen, dat de wezens, die oorspronkelijk zóó nauw aan elkander verwant waren, dat zij niet van elkander onderscheiden konden worden, langzamerhand planten en dieren geworden zijn, terwijl zij zich in twee tegengestelde richtingen volmaakten, de eerste om te eindigen in den onbewegelijken boom, de tweede in den mensch, die het type is van den hoogsten graad van bewegelijkheid en vrijheid." Darwin heeft de leer van de langzame verandering der soorten en hare afstamming van eenen gemeenschappelijken oorsprong uitgewerkt, en den naam van _natuurlijke teeltkeus_ gegeven aan de wijze, waarop de natuur daarbij te werk gaat. In zijn _"Origin of species"_ (de oorsprong der soorten) heeft hij de algemeene en onwederlegbare wet van de verwantschap aller wezens samengevat. De verschillende vormen der wezens zijn het resultaat van uiterst langzame wijzigingen. Het is in het groot hetzelfde, wat in het klein geschiedt met het uiterlijk en de gewoonten van de menschen naar gelang van hunne levenswijze en hunne bijzondere vermogens. Een denker, een geleerde, een dichter, een kunstenaar, een ambtenaar, een koopman, een militair, een werkman, een monnik, een losbol, een speler, een dief, een boosdoener, dragen allen op hun gelaat en in hunne wijze van zijn, de ondubbelzinnige uitdrukking van hunne plaats in de maatschappij. Dikwijls vindt men in de maatschappij wezens, wier hersenen afgestorven schijnen. De denker draagt het hoofd gewoonlijk iets voorovergebogen, als het ware iets zoekende; hij wiens hersenkas ledig is, draagt het hoofd rechtop en neemt eene kunstmatige houding aan, als een pauw. De werkman heeft spieren, de dichter en de musicus zenuwen, de waarnemer oogen, en op ieders gelaat spiegelt zich de ziel in hare openbaringen af. Laten die kleine schakeeringen zich eeuwen lang overerven en ontwikkelen, en gij hebt een beeld van de verandering der soorten. Het onderzoek der versteeningen, die de verschillende lagen der geologische terreinen karakteriseeren, toont aan, dat de bewerktuigde wezens eenvoudiger van maaksel zijn, naarmate men dieper afdaalt en men oudere lagen vindt. Wel is waar zijn nog niet alle vormen van versteeningen gevonden. De opdelvingen uit de aardkorst zijn als het ware medailles uit verschillende eeuwen; men heeft er enkele gevonden, maar er ontbreken een groot aantal. Toch zijn zij voldoende, om den loop der ontwikkeling weder terug te vinden, en iedere nieuwe vinding vindt hare plaats tusschen de ledige ruimten die nog overgebleven zijn, en dient tot verbindende schakel tusschen twee soorten, die te ver van elkander verwijderd schenen. En indien men afdaalt tot de oorspronkelijke lagen, dan vindt men geene versteeningen van planten of dieren, die gelijken op thans bestaande soorten, maar wel hoogst eenvoudige typen, laag staande op de ladder, en die als het ware slechts verzamelingen van niet georganiseerde cellen voorstellen. De verschillende soorten vormen eene aaneengesloten keten. Niet alleen dat men van de ééne soort naar de andere kan overgaan, zoowel bij planten als bij dieren, zonder ooit groote sprongen behoeven te maken, men kan ook aanwijzen, hoe de meest volmaakte soorten verbonden zijn met de eenvoudigste, evenals men van de uiteinden der takken van eenen reusachtigen boom afdaalt tot de lagere takken, waaraan de andere hunnen oorsprong ontleenen. Doch er is meer. Indien men afdaalt tot de meest eenvoudige dieren en planten, dan ziet men, dat deze onderling niet zóó ver van elkander liggen als de hoogere dieren van de hoogere planten verwijderd zijn, en dat zij daarentegen zóózeer tot elkander naderen, dat men niet meer weet, of men ze dieren of planten moet noemen. Het zijn tusschenvormen, die noch tot het dierenrijk noch tot het plantenrijk behooren, maar zelfs tot de delfstoffen naderen. Wij wijzen slechts op de koralen, de sponsen, en een groot aantal zoöphyten. Men ziet dus, hoe alles ons op de eenheid van den geslachtsboom van het leven wijst, en op de natuurlijke schakels, die zelfs de aardwormen met den mensch verbinden. De _embryologie_, die ons den mensch leert kennen, zooals hij zich ontwikkeld heeft uit een ei, in overgangen, die overeenkomen met de diervormen, waaruit zijne voorouders zijn voortgekomen; _de vergelijkende ontleedkunde_, die aantoont, dat zijn geraamte overeenkomt met dat der hoogere gewervelde dieren; _de physiologie_, die ons in de hersens de gestadige ontwikkeling uit het ruggemerg doet kennen, en in ieder orgaan de vrucht van de oefening van steeds aangroeiende vermogens; _de natuurlijke geschiedenis_ in hare volle uitgebreidheid, die ons bij planten en dieren de verandering der organen doet zien, veroorzaakt door wijziging der omgeving, der voeding, der ademhaling, van licht, temperatuur enz.; _de paleontologie_, die ons de versteeningen leert kennen, die zich van tijdperk tot tijdperk opvolgen, van de eenvoudigste tot de meer samengestelde, en eenen langzamen en voortdurenden vooruitgang in de ontwikkeling der soorten aanwijst; _de delfstofkunde_, die ons de overeenstemming doet zien tusschen de perioden en de soorten, die toen bestonden: dat alles is voor ons het bewijs van die grootsche eenheid, die algemeene verbroedering. De leer van de verandering der soorten niet te willen aannemen, staat gelijk met de oogen te sluiten voor het licht. Indien gij in onzen tijd iemand de verwantschap tusschen mensch en aap en de overige diersoorten hoort belachelijk maken, wees dan overtuigd, dat gij een weetniet voor u hebt, of iemand, die ter kwader trouw is, of eenen bevooroordeelde, en neem u de moeite niet, hem te willen overtuigen. Zoodanige personen zoeken den adel, waar hij niet is, en wel in den achteruitgang van een min of meer volmaakt oorspronkelijk type, in plaats van dien te erkennen, te bewonderen en te begroeten in _den Vooruitgang_. Zoo zijn wij dan genaderd tot eene hoogstbelangrijke vraag. Wij mogen na al het voorgaande aannemen, dat de geslachtsboomen van planten en dieren dezelfde wortels hebben; maar gaan wij steeds verder en verder terug in de afkomst der georganiseerde wezens, dan komen wij eindelijk tot een tijdstip, waarop het leven moet _begonnen zijn_. Het leven kon niet bestaan, zelfs niet in kiem, toen de aarde nog zon was, en licht gaf in de eenzame ruimte. Er konden toen noch kiemen van planten of van dieren bestaan, noch moleculen organische stof. Zelfs konden er toen geene scheikundige verbindingen gevormd worden. Vóórdat onze planeet zon was, was zij in gasvormigen toestand en maakte zij deel uit van de zonnenevelvlek. Nog verder teruggaande, komen wij tot een tijdstip, waarop de stof, waaruit de aarde later zou bestaan, zóózeer verdund was, dat het meest volkomen luchtledig van onze luchtpompen in vergelijking daarmede als lood zoude zijn. In die omstandigheden is het onmogelijk, zich kiemen van het leven voor te stellen, tenzij men aanneme, dat de oorspronkelijke kiemen van het leven bijzondere, levende atomen zijn. Men neemt in de scheikunde aan, dat de atomen niet vernietigd kunnen worden. Is dit zoo, dan mag men evenzeer aannemen, dat zij eeuwig bestaan hebben. Indien de oorsprong van het leven gelegen is in de eigenschap van het _levende atoom_, om andere atomen aan te trekken en daaruit organische moleculen te vormen, dan zou de eerste organische cel gevormd zijn, zoodra de voorwaarden voor die vorming aanwezig waren. Maar deze onderstelling is zeer onwaarschijnlijk. Hoogst waarschijnlijk bestaan er geene _atomen_ waterstof, zuurstof, koolstof, ijzer, maar alleen _moleculen_ dier lichamen, d.w.z. bepaalde groepeeringen van oorspronkelijke atomen, die zelf noch waterstof, noch zuurstof, noch ijzer zijn. De lichamen, in de scheikunde enkelvoudig genoemd, zijn waarschijnlijk samengesteld uit groepen van grondatomen. Is dit waar, dan zoude er slechts ééne soort van oorspronkelijke atomen bestaan. De oorspronkelijke kosmische stof moet bestaan uit gelijkslachtige atomen. De lichamen, die wij enkelvoudig noemen, moeten bestaan uit groepen van atomen, uit moleculen, die onderling verschillen in volume, vorm en gewicht. Eene molecule waterstof weegt 8 maal minder dan eene molecule zuurstof, 14 maal minder dan stikstof, 100 maal minder dan kwik. Maar dit zijn waarschijnlijk moleculen en geen atomen, en hun verschil in eigenschappen komt voort uit verschil in atomistischen bouw. Die moleculen vormen weder deeltjes van lichamen, die vroeger als enkelvoudig beschouwd werden en waarvan men thans weet, dat zij samengesteld zijn. Twee volumina waterstof, verbonden met één volume waterstof, vormen _water_, 21 deelen zuurstof, vermengd met 79 deelen stikstof, vormen de _lucht_. Alle lichamen, die ons omgeven, hetzij organisch, hetzij anorganisch, zijn samengesteld, en bestaan uit moleculen gevormd uit de stoffen, die men in de scheikunde enkelvoudige stoffen noemt. Overal en altijd klimt de natuur van het enkelvoudige tot het samengestelde op. Wij moeten dus bij ons onderzoek naar den oorsprong der dingen tot den meest eenvoudigen toestand afdalen. Bij den oorsprong van het zonnestelsel bestond de kosmische stof uit gelijkslachtige atomen; de tegenwoordige toestand van het heelal is een gevolg van de latere schikking dier atomen onderling. Wij nemen verder aan, dat de moleculen der lichamen, die wij thans nog enkelvoudig noemen, uit atomen bestaan, en dat de verschillen in de lichamen het gevolg zijn van de rangschikking dier atomen tot moleculen. Die rangschikking is niet willekeurig, maar het gevolg van de natuurkrachten, zooals de aantrekkingskracht der stof (wat die ook wezen moge), de warmte, het licht, de electriciteit, het magnetisme en de andere vormen van beweging der atomen. Het is dus niet te verwonderen, dat dezelfde combinaties van atomen voorkomen op verschillende wereldstelsels, en dat de spectraalanalyse de aanwezigheid van ijzer, waterstof, natrium, magnesium, zuurstof en koolstof, en van andere op aarde voorkomende elementen heeft aangewezen op de zon, de sterren, de planeten en de kometen. De wetten der natuur zijn overal dezelfde, al zijn ook de omstandigheden, waaronder zij optreden, verschillend. Doch diezelfde oorspronkelijke atomen kunnen zich tot andere soorten van moleculen verbonden hebben, die op aarde niet bestaan. Zoo wijst ons de spectroskoop in Saturnus, in Uranus en in enkele nevelvlekken, op lichamen, die op aarde niet voorkomen. In het zonnespectrum toonen de strepen van het helium aan, dat er op de zon lichamen zijn, welke niet overeenkomen met die, welke wij op aarde kennen. De meetkundige groepeering van atomen heeft het aanzijn geschonken aan de oorspronkelijke moleculen der organische stoffen, zooals waterstof, zuurstof, stikstof, koolstof, ijzer, zwavel, phosphorus, arsenicum, zilver, goud, lood, zink, enz. De vereeniging der moleculen, waartoe in de eerste plaats de koolstof, het water en de lucht behooren, heeft de eerste organische stof gevormd. De _kracht_, die oorspronkelijk in de beweging der elementaire atomen zuiver mechanisch is, wordt verwantschap, physisch-chemische kracht in de verbinding der moleculen, levenskracht in den bouw der planten- en dierenorganismen, en later denkkracht bij de dieren en menschen. Er bestaat ongetwijfeld slechts ééne kracht, zooals er slechts ééne soort van atomen bestaat. Maar die kracht openbaart zich op verschillende wijzen, en die verschillende uitingen kunnen van de ééne in de andere overgaan, zonder dat het arbeidsvermogen der stof vernietigd wordt. Het scheikundig onderzoek der plantaardige en dierlijke weefsels bewijst, dat zij uit anorganische moleculen bestaan. Alle levende wezens bestaan uit anorganische moleculen, waaronder de waterstof, de zuurstof, de koolstof en de stikstof de overhand hebben. Indien men nu die weefsels nauwkeuriger onderzoekt, dan blijkt het, dat zij bestaan uit aan elkander verbonden slijmige bolletjes. Deze eiwitachtige bolletjes, cellen genaamd, zijn mikroskopische eitjes, waarin men alles onderscheiden kan, wat ieder ei kenmerkt: een omhulsel, eene vloeistof en eene kern. _Dit is het materiaal_, waaruit alle levende wezens zijn opgebouwd, zoowel planten als dieren. Allen (de mensch evenzeer) ontstaan nog thans uit een mikroskopisch eitje, eene cel. Wij worden er dus van zelf toe gebracht, aan te nemen, dat het leven op aarde begonnen is uit elementaire cellen. Maar hoe en waaruit zijn die cellen gevormd? Deze vraag is van zóóveel belang, dat zij steeds allen heeft beziggehouden, die belangstellen in de kennis der waarheid. Men heeft de oplossing dikwijls zeer ver gezocht. Zoo heeft Sir William Thomson de onderstelling geuit, dat de eerste kiemen van het leven op onze planeet konden gebracht zijn door de vallende sterren en de meteoren. De stelling is zeer oorspronkelijk doch niet waarschijnlijk, hoewel het niet onmogelijk is, dat een stuk van eene doode planeet uit den hemel valt en ons eene nog niet onvruchtbaar geworden kiem brengt. Maar de voorwaarden van bewoonbaarheid der verschillende werelden verschillen onderling zoozeer, dat zelfs indien zoo iets plaats vond, het nog niet gezegd is, dat de plek in zee of op het vaste land, waar een zoodanige steen zou neerkomen, daarom geschikt zou zijn, om de bovenaardsche kiem te doen ontkiemen. Doch eene zoodanige onderstelling verplaatst bovendien slechts de moeilijkheid. Immers indien het leven zijnen oorsprong had op eene andere wereld, dan zou nog altijd de vraag overblijven, hoe dat leven op die andere wereld ontstaan is, en zóó zoude men eindeloos voort kunnen gaan. Doch komen wij op de vraag zelf terug; om haar op te lossen hebben wij de volgende gegevens: ten eerste het onderzoek der versteeningen, tot de oudste lagen behoorende; dan den stamboom der plant- en diersoorten, en bovendien het onderzoek van den tegenwoordigen bouw der bewerktuigde wezens en van de stoffen, waaruit zij gevormd zijn. Één der merkwaardigste resultaten der moderne wetenschap is, zooals wij zooeven opmerkten, dat er geene afzonderlijke organische stof bestaat, omdat planten en dieren uit bekende anorganische elementen zijn samengesteld, waarvan de belangrijkste zijn: koolstof, waterstof, zuurstof, stikstof, kalk, kiezel, phosphorus, zwavel. Alle levende wezens, van den mensch tot de meest eenvoudige plant, bestaan uit anorganische bouwstoffen. Wat hen van de delfstoffen onderscheidt, is niet de samenstelling, de stof, maar de wijze van rangschikking, die er noch vaste, noch vloeistoffen, noch gassen van maakt, zooals bij de anorganische lichamen, maar half vaste, half vloeibare stoffen; die bijzondere toestand is voornamelijk toe te schrijven aan het water, dat in groote hoeveelheid in alle bewerktuigde lichamen aanwezig is, en dat door zijne verbinding met de hoofdelementen der stof de voornaamste rol speelt in de verklaring der verschijnselen van het leven. Dit is een zeer belangrijk feit voor de oplossing van het groote vraagstuk. Een tweede, niet minder belangrijk feit is, dat die wezens zich voortplanten. Maar men moet dit vermogen kunnen verklaren, en zich niet door den schijn laten verblinden. Men gelooft gewoonlijk, dat alle levende wezens, menschen, dieren, planten, tegenwoordig geboren worden uit eenen vader en eene moeder, en men ziet daarin een onoverkomelijk bezwaar tegen de vorming van het eerste levende wezen. Dit is eene dwaling. Alleen de hoogere wezens planten zich langs sexueelen weg voort. De lagere wezens planten zich door deeling voort. Nemen wij b. v. de moneren, de zoöphyten, de amoeben, de polypen en andere. Wat zien wij bij een groot aantal van deze? Eenvoudig dit: het lichaam verdeelt zich in twee gelijke helften, zoodra het door groei een zeker volume gekregen heeft; daarna groeit ieder der twee helften aan en wordt weder een volledig wezen. Dezelfde wijze van voortplanting ontmoet men bij sommige gelede dieren. Dit is dan ook de gewone toedracht bij de cel, het grondlichaam der bewerktuigde wezens. Oorspronkelijk waren er noch delfstoffen, noch dieren, maar alleen cellen, of misschien nog minder, de moneren van Haeckel. De moneren zijn de eenvoudigste lichamen, die tot nu toe zijn waargenomen. Zij zijn in 1864 in de Middellandsche zee ontdekt, in de prachtige baai van Villafranca bij Nizza, en wel door Haeckel, hoogleeraar in de dierkunde aan de hoogeschool te Jena; het zijn kleine slijmachtige bolletjes, met het bloote oog onzichtbaar of zeer klein, (zelden grooter dan 1 millimeter in middellijn). Zij bestaan uit eene eiwitachtige koolstofverbinding en zijn aan elkander verbonden als de moleculen van een blad, men vindt ze in den vorm van kleine geleiachtige lichamen op de rotsen en in de zee. Het is een wezen zonder organen, kop, leden, maag, hart, zenuwstelsel of spieren. Het is stof zonder bouw, gelijkslachtig en eenvoudig, zoowel plant als dier. Het heeft eene ongeloofelijke levensvatbaarheid, en men heeft het gevonden tot op 8000 Meters onder de oppervlakte der zee. Het is bolvormig en bewegelijk. Als het zich gaat bewegen, vormen zich op de oppervlakte vingervormige uitsteeksels, die het in staat stellen zich te verplaatsen. Het voedt zich zonder mond, zonder darmkanaal door endosmose, evenals de planten; het voedsel, dat moet worden opgenomen, dringt dus door aanraking binnen in het lichaam. Het plant zich voort, door verdeeling in twee deelen, die zich door insnoering vormen, zooals men kan waarnemen door het beschouwen der vorige figuur. Deze wijze van voortplanting is niets anders dan een overmaat van groei van het organisme, dat zijne normale grootte overtreft. De voortplanting door deeling is eigenlijk de meest verspreide wijze van voortplanting; op deze wijze toch planten zich de cellen voort, uit wier opeenhooping de meeste organismen, en ook het menschelijke lichaam gevormd is. Beschouwen wij bijvoorbeeld een eitje van een zoogdier. Het is niets dan eene enkele cel. De buitenste omtrek is een vlies, dat de geleiachtige massa omgeeft, waarin men eene kleine kern of een kiemblaasje opmerkt. In het eerste tijdperk der vorming van het levende wezen verdeelt zich dat kiemblaasje in twee kernen en volgt de celstof, de dooier van het ei, de beweging (fig. 25, A). Zoo verdeelen de twee cellen zich weder in vier (B), deze in acht (C), in zestien enz., en eindelijk komt daaruit voort een bolvormige hoop, op eene framboos gelijkend (D). Zoo begint nog thans ieder levend wezen, ook de mensch. Deze zelfde wijze van voortplanting kan ook bij eene groote menigte afgietseldiertjes worden waargenomen, zooals fig. 26 aantoont. In den tijd van eenige dagen ziet men in een glas zeewater millioenen wezens ontstaan, langs dezen eenvoudigen weg voortgebracht. In nauw verband met de voortplanting door verdeeling staat de voortplanting door knopvorming, die zeer verspreid is in het plantenrijk en in enkele lagere klassen van het dierenrijk, zooals bij wormen, polypen en andere. Maar terwijl in het eerste geval de twee wezens, ontstaan uit de splitsing der oorspronkelijke cel, aan elkander gelijk zijn, is bij de voortplanting door knopvorming het tweede wezen een product van het eerste; het is kleiner, en moet eerst nog groeien, vóórdat het aan het eerste gelijk wordt. Zóó was het begin van het leven. De _lagere organismen_, zoowel planten als dieren, _zijn geslachtloos_. Gedurende millioenen jaren plantten zij zich voort door deeling, door knopvorming en vervolgens door kiemen. Het bestaan van geslachten en de scheiding in twee verschillende wezens is eerst van veel latere dagteekening. De tweeslachtigheid bestond lang vóór de scheiding der geslachten; zij bestaat nog bij de meeste planten en enkele lagere dieren (de slak, de pier en verscheidene andere wormen). Daarentegen bestaat de scheiding der geslachten bij de hoogere planten, de mimoseën, de orchideën, de wilgen, de peppels, de kastanjes en andere. De voortplanting zonder geslacht grenst trouwens aan de geslachtsvoortplanting, en de tweede komt uit de eerste voort, langs den weg der afwisselende voortplanting. De parthenogenesis bestaat bij een groot aantal volkomen insecten (iedereen kent de bladluizen). Zoo brengen bij de bijen, de eieren der koningin mannelijke wezens voort, als zij niet bevrucht zijn, en vrouwelijke zoo dit wel het geval is geweest. Hieruit volgt, dat de oude bedenking, gegrond op het denkbeeld, dat alle levende wezens voortkomen uit voortbrengende ouders, geene wetenschappelijke waarde heeft, omdat gedurende eene lange rij van eeuwen de oorspronkelijke bewoners der aarde zonder ouders geboren zijn. De moeilijkheid, om de vorming van organische cellen aan te nemen, is niet meer zóó groot, als toen men de wereld in eenen te nauwen kring insloot. Die vorming schijnt nauwelijks ingewikkelder, dan die der mineralen, die in prachtige, meetkunstige vormen kristalliseeren, of die der scheikundige voortbrengselen, die onder bepaalde voorwaarden van verzadiging en temperatuur, het aanzijn geven aan die prachtige rangschikking van moleculen, waarvan de mikroskoop ons de schoonheid en harmonie heeft leeren kennen. De moneren van Haeckel zijn de eenvoudigste organismen, die men ooit heeft waargenomen. Men kan hier nog aan toevoegen de mikroskopische wezens, die men eerst als schimmel heeft beschouwd, doch welke langs scheikundigen weg de opgeloste suiker omzetten, om de azijnmoer te vormen, in één woord: om de organische stoffen te doen gisten. Die organische korrelingen dragen den naam van _micrococcus_. Zij zijn niet grooter dan duizendsten van millimeters. De aard van die organismen staat nog niet volkomen vast, maar hetzij zij het onvernietigbare leven in zich dragen, zooals door sommigen beweerd wordt, hetzij zij alleen dienen voor den bouw der wezens, zij moesten hier, al is het slechts oppervlakkig, aangestipt worden. Maar moneren, cellen, micrococci, zij alle zijn uit iets gevormd. Dat iets bezit eene zekere werkzaamheid, dat de delfstoffen missen. Welnu! dat is de eerste levende stof, en de eenvoudigste: zij draagt den naam van _protoplasma_, de physiologen toonen aan, dat dit aan alle weefsels, hetzij dierlijke hetzij plantaardige ten grondslag ligt. Het protoplasma is eene stof, die behoort tot de groep der eiwitverbindingen, dat wil zeggen, het is samengesteld uit koolstof, waterstof, stikstof en zuurstof. Daarbij komen nog dikwijls in veranderlijke hoeveelheid zwavel, ijzer en phosphorus. Dat protoplasma _leeft_, wordt geboren, groeit aan, plant zich voort, sterft, is gevoelig, beweegt zich en reageert tegen prikkels. De stof dient, terwijl zij zich op verschillende wijzen wijzigt, tot opbouwing der weefsels en der organen van alle levende wezens. Als de levende wezens sterven, dan ontleedt het protoplasma, en keert het terug tot de anorganische wereld, waaraan het ontleend was. De gevoeligheid is het uitgangspunt van het leven geweest. Planten, zoowel als dieren, zijn gevoelig; het protoplasma is gevoelig, en dit is juist het groote verschil tusschen die stof en de anorganische stoffen, die het meest er op gelijken. De moneren, die nog thans het zoute water bewonen, bestaan alleen uit eene klont protoplasma. Het zijn de eenvoudigste wezens, die wij kennen. Het leven is begonnen in eenen tijd, toen de aardbol geheel omringd was door het lauwe water van den oorspronkelijken oceaan. De eerste levende wezens, die zeer waarschijnlijk overeenkwamen met de tegenwoordige moneren, waren bewoners der zee. Daaruit zijn de land- en waterplanten voortgekomen, de wezens, die thans alleen slechts kunnen leven in het zoetwater van meren, rivieren en stroomen, en de geheele planten- en dierenwereld, die thans het vaste land versiert en leven schenkt. Nog thans bestaan alle wezens voornamelijk uit _water_. De studie der natuur geeft dus een antwoord op de zooeven gestelde vraag. Wij weten, dat de eerste organismen gevormd zijn in het lauwe water der oorspronkelijke zee en slechts geleiachtige, vormlooze lichamen geweest zijn zonder structuur, scheikundige lichamen, waarin de bijzondere eigenschappen der koolstof, en vooral de halfvloeibaarheid en de onbegrensde buigzaamheid der eiwitbestanddeelen, eene splitsing hebben doen ontstaan met de uitsluitend minerale lichamen en de verschijnselen van het leven hebben voortgebracht. Hunne nog weifelende vormen zijn als het ware het beeld der weifelende schreden van het juist ontstane leven. Bij hen bestaat zelfs de cel nog niet met hare kern en haar vlies. De protoplasmastof, weifelend en vormloos, geeft ons nauwelijks een denkbeeld van werkelijke wezens. Toen men den eersten kabel in den Atlantischen oceaan legde, vond men vermengd met het grijze slib, op den bodem gelegen, eene vormlooze geleiachtige massa, die kalklichaampjes bevatte. Die gelei werd in alcohol bewaard. Huxley herkende daarin het vormlooze protoplasma, de laagst staande monere, den _Bathybius Haeckelii_. De merkwaardige onderzoekingen in 1868 en 1869 door Thompson en Carpenter gedaan op de schepen _Lightning_ en _Porcupine_, die al de vroeger algemeen aangenomen denkbeelden omverwierpen omtrent de afwezigheid van het leven in de diepte der zee, deden op eene diepte van drie- tot vier duizend meters op den bodem der zee dat protoplasma kennen, dat uit eene groote hoeveelheid geleiachtige, organische stof bestond, en dat in zóó groote hoeveelheid voorkwam, dat het aan het slib eene zekere kleverigheid mededeelde. Indien men dit slib met verdunden wijngeest schudt, zetten zich zeer fijne vlokken af, die het voorkomen hebben van eene slijmerige eiwitstof. Indien men een weinig van dat slib in eenen druppel zeewater onder den mikroskoop brengt, dan ziet men gewoonlijk na eenigen tijd een onregelmatig net van eiwitachtige stof met scherp begrensde omtrekken, dat zich niet met het water vermengt; men kan zien, hoe die stof langzamerhand van gedaante verandert, en hoe de op zich zelf staande korreltjes en de vreemde lichamen onderling van plaats veranderen. Die stof is dus in staat zich eenigszins te bewegen, en het is niet twijfelachtig, of zij vertoont verschijnselen van eenen nog weinig ontwikkelden vorm van het leven (Fig. 27). Langen tijd bleef men twijfelen aan de juistheid der hier medegedeelde resultaten. Daar de scheikundigen hadden aangetoond, dat alcohol, in zeewater gestort, een slijmerig neerslag gaf, meende men, dat de zooeven genoemde stof eenzelfde neerslag was. Doch in 1875 werden dezelfde waarnemingen herhaald door den Duitschen natuuronderzoeker Bossels bij eene Noordpool-expeditie, op eene diepte van 92 vademen. De toen gevonden stof was werkelijk protoplasma, waarin toevallig enkele kalklichaampjes voorkwamen. De moneren zijn niet anders dan protoplasma. Een klonter gelei is het eenige, wat onze krachtigste mikroskopen ons doen zien; maar die gelei leeft, men ziet haar ieder oogenblik van vorm veranderen, zich meester maken van andere infusiediertjes, ze oplossen en ze opnemen in haar eigen stof. In de omringende vloeistof gelijken zij op die dunne strepen, die in een glas water ontstaan boven een stukje suiker, dat oplost. De moneren zijn kleine bolletjes. Moeten zij zich verplaatsen, dan groeien er stralen aan, die als pooten dienst doen. Men kent reeds verschillende soorten. Zij hebben, zooals wij zeiden, trilharen, die als pooten dienst doen, doch kort en onregelmatig zijn, in alle richtingen uitspringen, zich inkorten en naar binnen treden, als het wezen ze niet meer noodig heeft. De beweging is als het ware eene soort van kruipen, hetwelk geschiedt door het uitrekken van een trilhaar, dat met zijn uiteinde een steunpunt zoekt, zich daarna inkort en zóó het geheele lichaam medetrekt, dat zich beweegt als een oliedroppel, dat op een stukje glas voortgeblazen wordt. Als een zonnestraal het vat treft, dat één dier wezens bevat, dan beweegt het zich steeds naar het licht toe. De veerkracht van het levende protoplasma, zijne uitzetting en samentrekking onder den invloed der warmte, zijn voldoende om rekenschap te geven van de wijze van beweging. Wij noemen ten slotte onder de moneren het _myxodictyum sociale_ (fig. 28). Daar bestaat het protoplasma uit afzonderlijke wezens, kleine min of meer bolvormige klonters, die van alle zijden omgeven zijn van vertakte en straalvormige trilharen en zich door deeling voortplanten, maar toch in koloniën vereenigd blijven door hunne vezels. Dit zijn de oorspronkelijke wezens. Het organische komt uit het anorganische voort. De levenskracht is uit de physisch-chemische kracht ontstaan. De electriciteit is waarschijnlijk niet vreemd geweest aan dien vooruitgang der stof; in den toestand, door de warmte, de drukking van het water, en andere factoren voorbereid, heeft zij nog ingewerkt door aan de moleculen inwendige bewegingen mede te deelen. Nog thans speelt zij eene belangrijke, nog niet genoeg doorgronde rol in de hoogere levensverschijnselen. De bevruchting der planeet is echter geen gewoon scheikundig proces, evenmin als eene scheikundige verbinding een gewoon mechanisch proces is, het is iets meer. Het leven is een nieuwe vorm van beweging; het is eene nieuwe schepping, voortgebracht door de scheikundige verhoudingen, die het bepaald hebben. Door de voortdurende veranderingen in samenstelling, door de bewegingen, waarvan het de zetel is, door zijn vermogen om zich te voeden, zich in afzonderlijke wezens te verdeelen, en zich voort te planten, onderscheidt zich het protoplasma van alle scheikundige stoffen en vormt het eene klasse van lichamen op zich zelf. De afstand tusschen de levende stof en de scheikundige verbindingen is groot, maar toch weet men thans, dat het leven met al zijne kenmerken in eene soort stof aanwezig is, die even eenvoudig van bouw is als de scheikundige verbindingen. Voor den denker, die de geheimen der natuur tracht te ontwarren, is het niet vreemder, de koolstofverbindingen het aanzijn te zien schenken aan geleiachtige lichaampjes, dan de kristallen uit eene zoutoplossing te zien aangroeien naarmate het water verdampt, of den loodboom te zien aangroeien, die ontstaat, indien men eene zinkstaaf in eene oplossing van azijnzuur lood hangt, of den waterdamp heesters te zien teekenen op de glazen van een bevroren venster, of de sneeuwkristallen te zien vormen in de lucht, of den zwavel te zien kristalliseeren, of het bismuth, het goud en het koper. Het verschil tusschen de organische en de anorganische stoffen bestaat niet in hare samenstelling, want de levende wezens zijn alle samengesteld uit dezelfde elementen als de anorganische stoffen; het verschil bestaat alleen in de lenigheid der weefsels, in haar vermogen, om de omringende middenstof te kunnen opnemen en van _binnen aan te groeien_, terwijl de kristallen aangroeien door uitwendige aanzetting, en in haar vermogen, om zich te verlengen, te verkorten en te bewegen. Het kenmerkend onderscheid schuilt voornamelijk in het vermogen van voortplanting, maar zooals wij zeiden, oorspronkelijk openbaarde zich dat vermogen door eenvoudige verdeeling van het aangegroeide voorwerp. Men kan een organisch lichaampje, dat zóó weinig ontwikkeld is als een protoplasmakorrel, noch onder de dieren, noch onder de planten rangschikken, maar toch verschilt het in wezen van de overige scheikundige voortbrengselen en is het de kiem van het leven, dat zich later over de oppervlakte der aarde verspreid heeft. Voor de natuur bestaat er geene scheikunde of natuurkunde, of werktuigkunde, of sterrenkunde, of plant- en dierkunde, evenmin als er zuivere soorten van planten, dieren of delfstoffen bestaan. Dit zijn verdeelingen, door de menschen uitgedacht om de studie te vergemakkelijken en de voorwerpen van studie te kunnen splitsen. Hoewel een groot aantal geleerden zich illusiën scheppen en hunne eigene vindingen als feiten aannemen, is het wenschelijk, niet het slachtoffer te worden van eene dwaling, die voor onzen geest den prachtigen eenvoud der natuur zou verwoesten. Voor haar is het bewerktuigde wezen, evenals de onbewerktuigde wereld de ontwikkeling van een zelfde wezen; de geheele wereld wordt door eene onmetelijke éénheid beheerscht. Het heelal bestond langen tijd in eenen zuiveren _mechanischen_ toestand, als in werking zijnde nevelvlek, als eene verzameling van bewegende atomen, als onderworpen aan de algemeene aantrekkingskracht. De warmte, het licht, de electriciteit, de vorming der moleculen, hebben het aanzijn geschonken aan den _natuurkundigen_ toestand, tijdens welken de planeet haar karakter als nevelvlek verloor. De verbindingen, de verwantschap der stoffen hebben den _scheikundigen_ toestand doen geboren worden; de voorwaarden voor het leven werden gunstig. Op die drie tijdperken, die uit elkander voortvloeiden, is de _organische_ toestand gevolgd, die weer het noodzakelijk gevolg was van het vorige tijdperk. Van den dag af, waarop de voorwaarden van het leven alle aanwezig waren, _moest_ zich het protoplasma even zeker vormen als eene scheikundige verbinding het gevolg is van de voorwaarden, die haar bepalen. En van den dag af, waarop het leven verschenen is met zijne karakteristieke eigenschap van eeuwigdurende voortplanting, moest het zich uitbreiden en vermenigvuldigen over de geheele oppervlakte der aarde. Evenals het licht, de warmte, de verwantschap, de moleculaire beweging, zoo ook werkt het leven onophoudelijk voort en wordt het nooit meer uitgedoofd. Tot aan den laatsten dag van het bestaan der aarde zal het de natuur bezielen, steeds van vorm veranderen en nooit vernietigd worden. Welke onweerstaanbare kracht! Zoodra een organisme tot den volwassen leeftijd gekomen is, dan gevoelt het oogenblikken van wellust, zonder welken de stroom des levens in zijnen loop zoude gestuit worden. Het is niet genoeg te _leven_, het leven _moet_ worden voortgeplant. Van dit tijdstip af is onze planeet van vorm veranderd. Tot nu toe behoorde zij tot het rijk der delfstoffen, doof, blind, zich zelf niet bewust; van nu af aan draagt zij het leven, en het eerste flauwe begrip van persoonlijk bestaan, dat zich bij de vorming der eerste wezens openbaart, ontwikkelt zich en neemt toe, totdat het eindelijk den trap bereikt, waarop verstand en zedelijkheidsbegrippen haar beheerschen. In de zee is het leven begonnen; en daar is het steeds het vruchtbaarst geweest. De wateren bezitten veel meer bewoners dan het vasteland. Overal zijn de zeeën bewoond; overal, tot op den bodem van den afgrond, bewegen zich schepselen, die met elkander in harmonie zijn; overal vindt de natuuronderzoeker stof tot leering en de wijsgeer stof tot nadenken. De diepten van den oceaan, zijne bergen en dalen, zijne valleien en duisternissen, zelfs zijne puinhoopen zijn bezield en versierd met ontelbare bewerktuigde wezens. Het zijn eenzame of samenlevende planten, zich tot weiden uitstrekkend of tot onmetelijke bosschen verbindend. Die planten beschermen en voeden duizenden dieren, die kruipen, loopen, zwemmen, vliegen, zich bedelven in het zand, zich aan rotsen vasthechten, in ravijnen wonen, elkander zoeken en ontvluchten, bestrijden of vervolgen, elkander minnend liefkoozen of meedoogenloos verscheuren. Onze wouden op het vaste land bevatten lang niet zooveel dieren als die der zee. De oceaan, waarin de mensch het leven niet kan behouden, is voor duizenden dieren de bron van leven en gezondheid. Op groote diepten is de temperatuur van het water op alle breedten ongeveer dezelfde (0°) van den aequator tot aan de polen. De meeste beroeringen harer oppervlakte dringen niet dieper door dan 25 meters, waarvan het gevolg is, dat de planten en dieren, door meer of minder diep af te dalen, steeds eene omgeving kunnen vinden, die hun past. De monsters, die men in de zee vindt, de walvisch, de potvisch, de dolfijn, de haai, maken niet het belangrijkste deel uit van de bevolking der zee. De oceaan is bevolkt met ontelbare, oneindig kleine wezens, mikroskopische afgietseldiertjes, zóó klein, dat een droppel vloeistof er millioenen bevat. Alle wateren zijn er vol van, zoowel het rivier- als het zeewater, bij hooge en bij lage temperatuur. De groote stroomen voeren steeds oneindige hoeveelheden naar zee. Alleen reeds de Ganges voert in een jaar tijds eene hoeveelheid naar zee, die zes- tot achtmaal grooter is, dan de massa der hoogste pyramide van Egypte. In de nabijheid der polen, waar groote organismen niet zouden kunnen bestaan, vindt men nog duizenden infusiediertjes. Zelfs in de overblijfselen van het gesmolten ijs, dat op 70° breedte drijft, heeft men meer dan vijftig verschillende soorten gevonden. Op plaatsen der zee, dieper gelegen dan de hoogte der hoogste bergen bedraagt, leven in iedere waterlaag ontelbare scharen van bijna onzichtbare bewoners. Daar is de bakermat van het leven, en daar zijn de eerste levende wezens geweest. De oceaan is hun wieg geweest, en de geleiachtige stof, waaruit de afgietseldiertjes bestaan, is de vruchtbare stof geweest, waaruit zich het levend organisme heeft ontwikkeld. Nog thans zijn de infusiediertjes de talrijkste dieren der natuur, en die wier levenskracht het grootst is. Letten wij b.v. op de amoeben (fig. 31). Stelt u voor een droppel, half-vaste, half-doorschijnende, half-geleiachtige, gelijkslachtige stof, tot willekeurige beweging in staat. Zij beweegt zich in verschillende richtingen, zet zich uit of krimp weer in, en neemt de meest onregelmatige, meest onverwachte gedaanten aan. Als men het diertje plaatst op het voorwerpglaasje van eenen mikroskoop, glijdt het voort als een oliedroppel en verandert het telkens van gedaante. Als een ware Proteus is het nu eens rond, dan weer langwerpig, of gesterd, of gelobd. Al die infusiediertjes zijn van trilharen voorzien, die hun voor alles dienen, zoowel voor de beweging, als voor de voeding en de ademhaling. Deze wezens hebben als het ware het leven in ieder hunner deelen. Men kan somtijds een zoodanig diertje zich zien oplossen in deelen, die voortzwemmen als ware er niets geschied. Nadert men het water, waarin zij zwemmen, met een' penneveer in ammoniak gedompeld, dan staat het diertje stil, maar blijft het de trilharen bewegen. Plotseling ontstaat er eene insnijding op een punt van den omtrek; deze wordt langzamerhand grooter, totdat het geheele dier als het ware opgelost is. Voegt men hier eenen droppel zuiver water bij, dan houdt de ontleding plotseling op, en wat er van het dier nog over is, begint zich weer te bewegen en te zwemmen, als ware er niets geschied. Er zijn van die organismen, die na gedurende jaren op eenen zolder vergeten en verdroogd te zijn, na bevochtiging weder herleven. Al die kleine wezens kunnen tot de oudste der planeet gerekend worden. Op alle breedten en op iedere diepte vindt men in onmetelijke banken versteende foraminiferen. De steengroeven van Gentilly bevatten er wel 20 milliard op eenen cubieken meter! Indien wij een huis voorbijgaan, dat afgebroken, of een gebouw, dat opgetrokken wordt, dan ademen wij in de stofwolk, die ons tegemoet waait, duizenden van die diertjes in. Die oneindig kleine wezens hebben eilanden en bergen gebouwd, en eene meer belangrijke rol gespeeld bij de vorming der aarde dan de grootste en schijnbaar belangrijkste dieren. Die kleine wezens zullen ons in het volgende hoofdstuk onderrichten over de geschiedenis van het leven op onze planeet; thans was het ons slechts te doen, den oorsprong van het leven vast te stellen. Geven wij dus in korte trekken het vorige weer: _Wij kennen thans den oorsprong van het leven op aarde; wij weten, dat alle levende wezens, en ook de mensch, met elkander verwant zijn en aan dien oorsprong hun bestaan ontleenen; wij weten ook, dat die oorsprong eene nederige organische stof is, het gevolg van de physisch-chemische omstandigheden, die haar het aanzijn geschonken hebben; wij weten ten slotte, dat de wet van den vooruitgang de geheele schepping beheerscht._ TWEEDE HOOFDSTUK Ontwikkeling van het leven. Ten gevolge van den reusachtigen arbeid der laatste tijden zijn wij door verbinding en vergelijking van al de wetenschappelijke veroveringen, die elkander aanvullen, zóóver gekomen, dat wij eenen tip van den sluier kunnen opheffen, die het geheim verborg, dat zoovele eeuwen bedolven was onder de menigte schijnbaar ondoordringbare raadselen der natuur; wij hebben een blik geslagen in de vorming der eerste organische stoffen, die weder uit de verbinding van vroegere stoffen zijn afgeleid, welke zelf weer ontstaan waren uit de verschillende groepeeringen der moleculen; wij hebben in gedachte de trapsgewijze gedaanteverwisseling der aardnevelvlek gevolgd, van den gasvormigen, als het ware onweegbaren toestand af tot aan den bouw van de moleculen der als enkelvoudig beschouwde lichamen, en tot aan de verschillende verbindingen, de omzettingen van kracht en stof, de bakermat van het leven en de eerste bewerktuigde wezens, planten en dieren. Die oorspronkelijke organische stof blijft na hare vorming niet onvruchtbaar. Gehoorzamende aan de wet van den vooruitgang, ondergaat zij zelf vervormingen, die de trapsgewijze ontwikkeling van het leven, de verscheidenheid in organismen, de volmaking der wezens ten gevolge heeft. Mogen al sommige geleerden beweerd hebben, dat de hoeveelheid leven op aarde standvastig is, dit is eene dwaling. Bij den oorsprong van het leven was er niet de minste verscheidenheid en geen verschil in soorten. Het aantal soorten is van eeuw tot eeuw toegenomen door splitsing in de vorming der bewerktuigde wezens, en ook het aantal levende wezens is van geslacht tot geslacht toegenomen. Sedert de eerste vorming van het protoplasma is de hoeveelheid leven, het aantal en de verscheidenheid der levende wezens, steeds toegenomen. Van den dag af, waarop zich de eerste hoeveelheid protoplasma gevormd heeft, heeft het leven iets aan de aarde toegevoegd, iets onweegbaars, maar toch eenen nieuwen vorm van werkzaamheid, iets wat de planeet voorheen niet bezat: het leven, het gevoel, en later de gedachte. De volmaking van het leven heeft voortdurend iets aan de natuur toegevoegd. De invloed van het licht en de vorming van de gezichtszenuw; de invloed van het geluid en de vorming van de gehoorzenuw; de langzame ontwikkeling der vijf zintuigen, de vorming en de ontwikkeling van het zenuwstelsel, het ontstaan der eerste indrukken, het zelfbewustzijn, eerst nog duister en onbepaald, langzamerhand beter ontwikkeld, de gedachte, het geheugen, ziedaar langzame veroveringen der levende wezens. Niets hiervan bestond op onze planeet vóór het ontstaan van het leven. Het is dus inderdaad de geschiedenis eener doorloopende schepping, welke wij hier beschrijven. De geleerden, die op het voorbeeld van Haeckel meenen, dat het leven slechts eene mechanische functie is, een bepaalde vorm van beweging, behoorende tot het gebied der natuur- en scheikunde, tasten mis. De ontwikkeling van het ei, dat een zoogdier, een' vogel of een' visch zal voortbrengen, behoort niet uitsluitend tot het gebied dier wetenschappen. De werkzaamheid van plant of dier, dat in zich de luchtmoleculen opneemt, of water, koolstof en andere stoffen aan de omgeving onttrekken, waardoor het organisme in zijne kracht en schoonheid onderhouden wordt, behoort niet uitsluitend tot het gebied der natuur- en scheikunde, hoewel de levensverschijnselen er door beheerscht worden. Er is nog iets meer. De kracht, die de plant, het dier, den mensch doet leven, is eene omzetting der natuurkrachten, die in de anorganische wereld werkzaam zijn. Sedert Lavoisier is de oude vergelijking van het leven met eene brandende vlam werkelijkheid geworden. Dezelfde scheikundige processen, die het vuur in de onbewerktuigde natuur onderhouden, onderhouden het leven in de organische natuur; de zuurstof oefent daarbij hare werking uit. Maar evenmin als het zuur in het galvanisch element, of het zink en het koper, het electrisch uurwerk de uren doet aanwijzen, evenmin brengt de stof de verschijnselen voort, die zich in het leven openbaren, de stof is slechts de draagster van het leven. De scheikundige verbindingen en de verwantschap der moleculen zijn ontstaan na de zuiver mechanische periode van de geboorte der aarde, en zijn het gevolg van den toestand, waarin kracht en stof toen verkeerden. Ook zij hadden reeds iets nieuws toegevoegd aan den chaos der azoïsche periode. De eerste vorming van het protoplasma, ontstaan uit de vroegere scheikundige verbindingen, was tevens het begin van het leven. Er was toen noch ziel, noch gedachte. De gedachte is bij de lagere dieren, de insecten, en de eerste gewervelde dieren: visschen en kruipende dieren, ongetwijfeld het uitvloeisel geweest van de ontwikkeling der zintuigen. Het leven is begonnen met eene eenvoudig samengestelde stof, die nauwelijks de eigenschappen bezat, die wij thans als uitingen van het leven kennen, en de kiem, de voortbrengster dier oorspronkelijke organismen, is niets anders geweest, dan eene gelukkige vereeniging van elementen, waardoor die nieuwe vorm van werkzaamheid in het werk der schepping bepaald is. Evenals de electriciteit te voorschijn treedt uit eene daartoe geschikt gemaakte batterij, zoo is ook de levenskracht voortgekomen uit de groote werkplaats der natuur. Het protoplasma ondervindt op zijne beurt den invloed, waardoor het zich langzamerhand boven zijnen nederigen oorsprong verheft. Door zijn vermogen, om zich te voeden, ontwikkelt het zich en verdeelt het zich: dit is de eerste wijze van voortplanting geweest. Wel is het nog geene plant, maar het leeft, hernieuwt zijn weefsel en plant zich voort. Die eiwitstof, die geleiachtige verbinding van koolstof, stikstof en zuurstof, zal weldra andere stoffen, zooals zwavel, phosphorus, ijzer, zouten, in zich opnemen, en van vorm en eigenschappen veranderen. Zoo zal het protoplasma, na zich verdeeld te hebben in verschillende lichamen, die in eigenschappen verschillen, het aanzijn schenken aan de moneren, de foraminiferen, de eerste cryptogamen, de myxomyceten, de sponsen, het wier, enz. Wij hebben reeds kennis gemaakt met de verschillende moneren en gezien, dat er een aantal verschillende soorten bestaan, die zich bijna alle voortplanten door verdeeling van hun lichaam in twee gelijke deelen. Er zijn er echter enkele, zooals de protomonas, de vampyrilla en de protomyxa, die zich op eene andere wijze voortplanten. Op een bepaald tijdstip van hun leven trekken zij hunne kleine trilharen in, die hun voor de beweging en als grijporganen dienen, en veranderen zij in bolletjes. De buitenste laag dier bolletjes wordt taaier dan die van het protoplasma en vormt eene soort van omhulsel, waarbinnen het protoplasma zich verdeelt in een groot aantal kleine bolvormige massa's. Daarna breekt het omhulsel en komen de nieuw gevormde lichamen naar buiten. Zoo vormen zich de zoösporen. De microben, waarvan men vooral in de laatste jaren zooveel spreekt, schijnen ook niets anders dan moneren te zijn. Men heeft gewoonlijk geen denkbeeld, hoe groot het aantal wezens is, dat overal in de lucht en in het water krioelt. Gemiddeld bevat een cubieke meter lucht in eene volkrijke stad van drie- tot vierduizend. Maar deze zijn eerst van jongeren datum, daar zij als parasieten bij samenhoopingen van menschen gevonden worden en in volle zee en op de bergen verdwijnen. Hunne levensvatbaarheid is verbazend, evenals die van de meeste afgietseldiertjes. Eene enkele bacterie kan in 24 uren meer dan 15 millioen bacteriën voortbrengen! Sommige afgietseldiertjes kunnen als het ware niet sterven. Spallanzani heeft door bevochtiging rotiferen doen herleven, die dertig jaren lang uitgedroogd waren. [3] De stamboom van het dierenrijk heeft zich evenmin als die van het plantenrijk, gemakkelijk en spoedig ontwikkeld. Er was eene verbazende ontwikkeling noodig, eer bepaalde moneren, die hun geheele leven het omhulsel behielden, dat het protoplasma van enkele hunner tijdelijk beschermt, in staat geworden waren, om onmiddellijk van het water en de lucht, die meer of min met minerale stoffen bezwangerd waren, de grondstoffen voor hunnen bouw te verkrijgen. Van dien dag af is het plantenrijk op de aarde verschenen langen tijd waren de moneren de eenige bewoners der aarde, en daaruit zijn langzamerhand naast elkander te voorschijn getreden de wezens, die later de aarde zouden bedekken met haar groen kleed of aan de weiden en de bosschen hunne tallooze bewoners zouden verschaffen. De planten zijn niet de voorouders der dieren. Het zijn twee verschillende werelden, die alleen denzelfden oorsprong hebben. Het zou mogelijk geweest zijn, dat alleen dieren bestonden, hetgeen het geval zou geweest zijn, als geen der oorspronkelijke organismen zich aan den bodem had vastgehecht. Ook zou het mogelijk geweest zijn, dat alleen planten gevormd waren, hetgeen het geval geweest ware, indien alle oorspronkelijke organismen uit den bodem gevormd waren, hetzij in de vrije lucht, hetzij in de diepte der wateren. Ook had het kunnen zijn, dat het dierenrijk evenals het plantenrijk zich geheel anders had ontwikkeld, dan het geval geweest is; daartoe hadden slechts de omstandigheden, zooals de elementen, de warmte, de zwaartekracht, de dichtheid, het licht en andere moeten verschillen van die, waaronder de organismen thans gevormd zijn. De vormen, waaronder het leven op de overige werelden optreedt, moeten geheel verschillend zijn van die op aarde. Hoe moeten wij ons deze echter denken? Zouden wij ons boomen, vruchten en bloemen kunnen voorstellen, indien er geen plantenwereld op onze planeet bestond? Wat ons het meeste treffen moet bij onze studie der eerste bewerktuigde wezens op aarde, zijn hunne bijzonder kleine afmetingen: de meeste zijn mikroskopisch klein. De eerste uiting der levenskracht was hoogst bescheiden, alsof de natuur eerst hare krachten beproeven wilde, vóórdat zij zich te ver van het onbewerktuigde rijk verwijderde. Minerva is niet in volle wapenrusting uit het hoofd van Jupiter te voorschijn getreden. Maar al zijn die wezens klein, zij zijn ontelbaar in aantal. Enkele terreinen bestaan uitsluitend uit mikroskopische versteeningen van die oude wezens, waarvan een groot aantal soorten nog in onzen tijd voorkomen. Ehrenberg heeft in éénen cubieken centimeter krijt vijfhonderdduizend versteende foraminiferen gevonden; Max-Schultze schatte het aantal van die skeletten in 30 grammen zand van de haven van Gaeta op 1 1/2 millioen. Zij vormen dikwijls geheele bergen. Geheele eilanden, zooals Barbados, bestaan uitsluitend daaruit. Het krijt bestaat uit de overblijfselen van mikroskopische dieren en planten; geen stamper is fijn genoeg om de kleine wezens te verbrijzelen. Fig. 40 is een deel van het oppervlak van een geglaceerd visitekaartje, tweehonderd malen vergroot, zooals dit door Ehrenberg reeds in 1842 is waargenomen. Foraminiferen, diatomeën en andere lagere diertjes zijn bij duizenden opgehoopt in de krijt- en kiezelrijke terreinen; volgens Ehrenberg kan een cubieke duim 40 millioen diertjes bevatten. Ook hier zijn de moleculen meetkundig gerangschikt. De foraminiferen, zoo genoemd omdat hunne schaal van kiezel tallooze gaatjes bevat; de rhizopoden (wortelpootigen), die stralen, stekels, haartjes om zich heen hebben, bestaan evenals de moneren alleen uit protoplasma, en hun skelet bestaat uit kiezel evenals het bergkristal. De organische draden van deze dieren houden reeds door hunne aanraking de afgietseldiertjes of de kleine schaaldieren tegen, die om hen heen drijven; zij grijpen ze vast, omringen ze met hun slijmerig net, lossen ze op en voeden zich er mede. De foraminiferen zijn mikroskopische diertjes; de rhizopoden kunnen somtijds de grootte van eenen speldeknop bereiken. De eerste onttrekken het kiezel aan het omringende water; de tweede scheiden koolzure kalk af. Beide leven nog steeds in de diepte der zee. Deze oorspronkelijke wezens zijn niet uitsluitend uit de anorganische wereld voortgekomen. De koolzure kalk kristalliseert bij de rhizopoden in meetkundige vormen, die gewijzigd worden onder den scheikundigen invloed van het eiwitachtige protoplasma, maar toch in meetkundige vormen, evenals de sneeuw, het ijs, de kristallen enz. Beide soorten van dieren komen in tallooze vormen voor. Zij zijn geslachtloos en planten zich, evenals vele planten, door insnoering voort. Geene enkele der voorwaarden voor vooruitgang is in haar aanwezig, geen strijd om het bestaan of wedijver, want zij hebben eeuwen bestaan zonder te veranderen, en zijn dus niet de stamvaders geworden van eene volmaakter soort. Die kleine wezens verdienen reeds den naam van dieren. De amoeben, waarmede wij reeds vroeger kennis gemaakt hebben, die niets anders zijn dan protoplasma, en die zich eenvoudig voortplanten door eene verdeeling in twee deelen, verdienden evenmin dien naam, als dien van planten. Een eerste stap voorwaarts was het, toen het protoplasma geschikt werd, om een vliezig omhulsel af te scheiden, waarbinnen het zich in meer of minder deelen verdeelen kon. Is het omhulsel van eiwitachtigen aard, dan is het wezen, dat dit omhulsel voortbracht, van dierlijken aard; is het daarentegen celstof, dan nadert het wezen tot het plantenrijk. De eiwitstoffen zijn meer of min buigzaam, de celstof is dit niet; hieruit volgt, dat in het eerste geval de bewegingen van het protoplasma zich naar buiten kunnen openbaren; in het tweede geval daarentegen niet. Daarom zijn de dieren in staat zich te bewegen, terwijl het grootste aantal planten haar geheele leven onbewegelijk zijn. Vóór dien stap voorwaarts, waren de organismen noch planten, noch dieren, hoewel zij reeds samengestelder waren dan de moneren en de amoeben. Er bestaan nog heden talrijke afstammelingen van die wezens, die een ieder kan bestudeeren. De zweepdragende afgietseldiertjes, zoo genoemd, omdat zij gewoonlijk eene soort zweep aan hun uiteinde dragen, behooren tot die tusschenvormen, die _protisten_, die noch plant noch dier zijn. Zij nemen alle mogelijke vormen aan. Enkele zijn eivormig en roodachtig, andere zijn bladvormig plat; weer andere zijn uitgerekt in den vorm van staafjes; nog andere leven in kokers, die in boomvormige koloniën vertakt zijn. Die organismen zijn dikwijls de oorzaak van het roodkleuren van den regen of de sneeuw, welk verschijnsel eertijds door het bijgeloof van het angstige volk aan bloed werd toegeschreven. Tot dezelfde klasse van tusschenvormen behoort ook de Magosphaera planula, in 1869 door Haeckel in de Noordzee ontdekt. Het is een lichaam bestaande uit 32 pyramiden, met hare toppen onderling verbonden (fig. 42 nº. 1; nº. 2 is eene doorsnede door het middelpunt gaande). Met behulp der trilharen zwemt het evenals de volvox ronddraaiend voort. Op een bepaald oogenblik valt het lichaam uiteen, de vrijgeworden cellen gaan weg, verschillende grootten en vormen aannemend (nº. 3, 4 en 5), daarna nemen zij den bolvorm aan en gelijken zij op kleine eieren (nº. 6). Die eieren behoeven niet bevrucht te worden. Ieder van deze verdeelt zich weder in 2, 4, 8, 16 en 32 cellen (nº. 7) en brengt weder een wezen voort, dat overeenkomt met dat, waaruit het is voortgekomen. Wij zeiden reeds, dat die organismen geen der karakteristieke kenteekenen van het planten- of dierenrijk bezitten. Tot dezelfde soort van wezens behooren ook de myxomyceten, die zich des zomers in menigte ontwikkelen op de eikenkrullen. Het zijn slijmachtige, oranjekleurige massa's, die verlengsels bezitten evenals de pseudopoden der amoeben, en die zich kunnen verplaatsen en zich voeden door vreemde stoffen op te nemen. Het zijn ongetwijfeld de voorouders der paddestoelen, die reeds tot het plantenrijk behooren. De Noctiluca miliaris (zeevonk) en het Peridinium, waaraan grootendeels het phosphoresceeren der zee moet worden toegeschreven, zijn eveneens tusschenvormen. Allen, die een tijd lang des zomers aan het strand der zee hebben doorgebracht, kennen dit schoone verschijnsel. Voornamelijk na warme en na stormachtige dagen treedt het zeer sterk op. Het zeewater bevat somtijds 25000 van die wezens in 30 cub. centimeters water. De zee schijnt dan verlicht, alsof eene Najade over de golven glijdt en het phosphoresceerende licht ontsteekt. Die protist is als het ware slechts een bolletje doorschijnend gelei. Indien men het water beweegt, spatten er duizenden vonken uit: als men de armen dompelt in eenen emmer zeewater, dan ziet men het vuur langs de huid opkruipen. Dit zijn de ware zoöphyten, plantdieren, de eerste pogingen der natuur, om aan het leven vorm te geven. Verder ontwikkeld dan de vorige organismen zijn de sponsen, die nog op de grens gelegen zijn van beide rijken; zij zijn aan den grond bevestigd als planten, maar voeden zich op de wijze der dieren. De spons is eene verzameling van amoeben en zweepdragende afgietseldiertjes, die hunne persoonlijkheid verliezen, om op te gaan in de gemeenschappelijke massa. Deze massa leeft, ondervindt indrukken, kan zich samentrekken of uitzetten, ontvangt het water, dat haar voedt, doet het door haar lichaam stroomen en verjaagt het weer. Het plant zich zelf voort, schenkt het aanzijn aan amoebencellen, die in het water drijven en zich vasthechten aan oneffenheden van den bodem, om eene nieuwe spons te vormen. _Er is echter nog geene geslachtsvoortplanting_, en dus nog geene vaststaande soortkenmerken. Die kenmerken komen eerst voor den dag bij de _hydra's_. [4] Hier treedt de persoonlijkheid veel sterker op den voorgrond dan bij de vorige organismen. De hydra's of zoetwaterpolypen worden in poelen gevonden. Het voedsel treedt weer uit dezelfde opening, waardoor het is binnengetreden. Om zich te verplaatsen buigt het dier zijn lichaam in eenen boog, hecht het den mond vast tegen het voorwerp, waartegen het steunt, maakt den voet los, trekt dien weer naar den mond, plaatst den mond weer wat verder en zoo vervolgens. Gewoonlijk volbrengen zij die bewegingen, om in het licht te komen, hoewel zij geene oogen bezitten, somtijds ook om hunne prooi te zoeken. En toch, wat vreemde wezens! Men kan ze in stukken snijden, zonder ze te dooden; integendeel: uit ééne enkele hydra kan men er twee, drie, ja zelfs tien maken. Men kan ze ook als een handschoen omkeeren, zonder dat dit invloed heeft op hare spijsvertering: de buitenoppervlakte wordt dadelijk maag. Men kan ze aan elkander vastmaken, ze enten als boomtakken enz. Is eene hydra overlangs in twee helften gesneden, dan zal iedere helft in minder dan vier-en twintig uren zich weer sluiten en zoo eene nieuwe hydra vormen, in staat eene prooi te grijpen. Indien men haar overdwars doorsnijdt, dan zal de voorste helft in twee dagen weder eenen voet verkrijgen, en de achterste helft weer nieuwe armen. Indien men eene hydra eerst overlangs doorsnijdt, en daarna elk der helften overdwars, dan heeft men na verloop van acht dagen vier hydra's. Zoo heeft Trembley uit ééne hydra vijftig nieuwe wezens gevormd. Men kan ook, zoools wij zooeven opmerkten, dat vreemde dier omkeeren. Terwijl bij de sponsen, het endoderm (de binnenste cellaag) zeer veel van het ectoderm (de buitenoppervlakte) verschilt, komen beide bij de hydra's bijna geheel overeen. Men kan van het ectoderm naar willekeur endoderm maken en omgekeerd. Daarvoor behoeft men de polyp slechts om te keeren. Dan moet de vroegere buitenoppervlakte het voedsel kunnen verteren, en de vroegere binnenoppervlakte het beschermende en gevoelige deel van het lichaam worden. Toch heeft dat omkeeren niet de minste schadelijke uitwerking. Eenige uren lang schijnt het dier minder op zijn gemak en doet het pogingen, (die dikwijls gelukken), om in zijnen vroegeren toestand terug te keeren. Maar gelukt dit niet, dan weet het zich in zijnen nieuwen toestand te schikken, en ziet men het de armen uitstrekken om een ruim maal te doen en den verloren tijd in te halen. Indien men eene hydra omkeert en dan door eene andere laat inslikken, dan raken de beide binnenoppervlakten elkander aan, en zullen deze zich zóódanig aan elkander vasthechten, dat de twee dieren na verloop van enkele dagen één wezen vormen! Men ziet, hoe die weefsels zich schikken in de verandering hunner omgeving, en veranderen. Hunne physiologische eigenschappen, hunne scheikundige samenstelling worden meer of minder gewijzigd, en dit is dan ook één der vruchtbaarste bronnen voor de splitsing van het dierenrijk. De hydra's planten zich voort door knopvorming; eene kleine hydra groeit op bet lichaam der eerste en ontwikkelt daar; na eenigen tijd geraakt zij los en leeft zij afzonderlijk. Somtijds dragen zij tot vijf jongen op verschillende trappen van ontwikkeling. Er zijn nog geene geslachten: de jongen groeien naarmate van het voedsel, dat de polyp heeft opgenomen, en de temperatuur. Maar reeds openbaart zich de neiging tot geslachtsvoortplanting. In het laatst van den zomer ziet men dikwijls bij de Cordylophora eene wijze van voortplanting, die van de vorige verschilt. De jeugdige polypen veranderen, in stede van zich tot individuen te ontwikkelen, in bolronde zakjes, waarvan sommige eitjes en andere mannelijke organen bevatten. Dit is een nieuwe stap der natuur op het gebied der uitingen van het leven. Die stap tot de vorming der geslachten vormt den overgang tusschen de polypen en de medusen, die vreemdsoortige schijven gelei, die iedereen dikwijls aan het strand gezien heeft, of in den vorm van halve bollen in het water heeft zien drijven. Langen tijd hebben de beoefenaars der dierkunde gezocht naar de wijze van ontstaan van die wezens; men had ze zorgvuldig van de polypen onderscheiden, terwijl zij inderdaad dochters daarvan zijn. Zij ontstaan uit bepaalde polypen, _Scyphistomen_, langs een rij van vreemdsoortige overgangen, die men aldus kan samenvatten: de scyphistoma, die zeer veel op de andere zoetwaterhydra's gelijkt, verandert in eene geheel andere polyp, _Strobila_ genaamd; deze verandert in eene reeks segmenten, die men niet beter vergelijken kan dan met eenen stapel borden, die één voor één losraken en nieuwe medusen worden. Deze worden grooter, haar scherm neemt toe, krijgt insnijdingen en vangarmen. Volwassen geworden, verkrijgen zij eieren en mannelijke organen, en die eieren geven weder het aanzijn aan waterpolypen, waaruit nieuwe medusen ontstaan. Dit zijn geene gedaanteverwisselingen als bij de insecten (die toen trouwens nog niet bestonden), het zijn merkwaardige voortbrengselen van wisselende voortplanting. Wat zijn de oorzaken dier wisselingen? De hydra's ontstaan uit bevruchte eieren, de medusen uit hydra's zonder voorafgaande bevruchting, door eenvoudige verdeeling van het lichaam, door knopvorming en loslating. Niet alle medusen gelijken op elkander. Er zijn een aantal verschillende vormen, en hoewel alle door hare geboorte aan de hydra's verwant zijn, ontstaan zij niet op dezelfde wijze. De kleine klokvormige medusen ontstaan niet als de groote paddestoelvormige medusen door deeling uit eene strobila; zij groeien als bloemen op hydra's, die in boomvormige koloniën leven; andere ontstaan in den vorm van trossen of kraagjes, en raken los en drijven in het water. Zij gelijken volkomen op zeeplanten, takken, knoppen en vruchten. De medusa verhoudt zich tot de hydra als de bloem tot den tak; haar scherm is als het ware eene bloemkroon. Evenals de bloem gevormd is uit gewijzigde bladeren, die zich straalsgewijze gerangschikt hebben om de as, die ze draagt, zoo is ook de medusa gevormd uit gewijzigde waterpolypen, die zich straalsgewijze gerangschikt hebben door verkorting van den oorspronkelijken afstand. Toch hebben de polypen, in fig. 48 afgebeeld, geene andere overeenkomst met de planten, dan dat zij aan een vast punt zijn vastgehecht, op de wijze der koralen. Die plantdieren, wier vorm en wezen zoozeer verschillen naar gelang der voeding, der temperatuur en andere omstandigheden, zijn eene belangrijke les der natuur. De zoetwaterhydra, die gewoonlijk eenzaam is, sticht koloniën, als men haar plaatst in eene omgeving van eene hooge temperatuur en rijk aan voedingsstoffen. Is dit niet een krachtig bewijs voor de veranderlijkheid der soorten? De waterpolypen maken ons duidelijk, hoe een eenvoudig organisme de meest verschillende vormen kan aannemen, de ladder der bewerktuiging kan afdalen en opklimmen; zij doen ons nog heden stap voor stap die wonderlijke gedaanteverwisseling volgen. Denzelfden naam van plantdier kan men geven aan de koraalpolypen, die in de zee gebouwen van schitterende bloemen optrekken en bouwmateriaal afscheiden, zoodat geheele eilanden uitsluitend daaruit gevormd zijn. Het zijn meer of minder talrijke koloniën, waarvan ieder inwoner zijn eigen huis bouwt en bewoont. Die ontelbare koraaltakken waren langen tijd een raadsel voor de wetenschap, en de schoonheid hunner kleuren heeft de schoonste beschrijvingen in het leven geroepen. Thans weet men, dat het polypenkoloniën zijn, wier verscheidenheid in vorm en wier organische eigenschappen niet minder welsprekend zijn dan die der vorige wezens. Evenals zij bestaan zij uit eene buis, wier uiteinde beschouwd kan worden als een mond en waarvan de binnenzijde als de maag kan worden aangemerkt. Een aantal vangarmen zijn aanwezig; de kop ontbreekt nog. Gehoor- en gezichtsorganen worden nog gemist. Van de vijf zintuigen bestaat nog slechts alleen de tastzin; dat van den smaak begint eerst. Enkele spieren worden gevonden; de zenuwen verkeeren nog in rudimentairen toestand, en zijn weinig gevoelig. Iedere kleine polyp leeft afzonderlijk, maar haar leven smelt ineen met het doodsche bestaan van de kolonie, waarvan zij deel uitmaakt, Evenals bij de medusen heeft de voortplanting plaats door middel van eieren en kleine bevruchtende lichamen, hetgeen het begin der geslachtsvoortplanting is, doch slechts in sluimerenden toestand. Die wezens zijn tweeslachtig, doch onbewust. Gevoelen zij zelfs iets van het leven? Zeker is het, dat zij er geheel onverschillig voor schijnen. Somtijds slorpt de ééne polyp de andere op zonder dat deze den minsten tegenstand biedt. Somtijds sterft de polyp in hare woning en wordt zij dadelijk weder vervangen door eene andere, door die woning zelf voortgebracht: de woning zelf brengt hare eigene bewoners voort. Alsof de natuur langzamerhand hare krachten beproefde bij de ontwikkeling van het leven, staan naast de vorige wezens, doch iets hooger in ontwikkeling, de _tunicata_ (manteldieren, huidzakdieren), wier omhulsel evenals bij de planten uit cellulose bestaat, wier spijsverteringskanaal _twee openingen_ heeft, ééne voor het intreden van het voedingswater, de andere voor het uitstroomen, en die behalve de spijsverterings- en voortplantingsorganen een begin van een hart en van bloedsomloop bezitten. Die kleine weekdieren zijn als het ware niets anders dan levende zakken, maar hun leven is reeds iets ontwikkelder dan dat der vorige. Het vreemdste is, dat in dit beginsel van een hart, zonder kleppen, zonder hartkamers, het bloed nog geene bepaalde richting volgt: het hart slaat een tijdlang in de ééne richting, staat stil, slaat dan in tegengestelde richting, zoodat de bloedvaten, die in het eerste geval de rol van slagaderen vervulden, in het tweede geval als aderen dienst doen. Het dier ademt en zijne ademhalingswerktuigen (kieuwen) zijn gevormd ten koste van het voorste gedeelte van de spijsverteringsorganen. Het schijnt, dat deze van alle ongewervelde dieren het dichtst aan de gewervelde dieren grenzen, en hunne stamvaders zijn. Nog altijd zijn het de trilharen, die het water, dat de voedingsstoffen bevat, naar den mond voeren. Hunne gedaante en afmetingen bieden de grootste verscheidenheid aan. Verschillende soorten zijn mikroskopisch; enkele scheiden kleine schelpen af; andere, zooals de _Pyrosoma_ (vuurlichaam), zijn phosphoresceerend, en verspreiden zelfs, indien zij hunne volle levenskracht hebben, een helder, rood licht; sommige zijn geheel vrij en brengen hun leven zwemmende door; andere hechten zich aan de rotsen vast op het oeverzand: het zijn de _Ascidiën_, die in grooten getale op onze kusten voorkomen en somtijds de grootte van kippeneieren bereiken; zij hechten zich onder de steenen vast als stukken gelei, en indien men den steen omkeert, werpen zij water om zich heen. Bij die wezens is de voortplanting even onregelmatig, en als het ware nog even weifelend als de bloedsomloop. Zij zijn tweeslachtig, geven het aanzijn aan eieren, die zij bevruchten, en uit het ei komt niet de zoon, maar de kleinzoon voort van het dier, dat het heeft voortgebracht, daar de zoon in het ei alleen ontstaat om zich daarin voort te planten en dadelijk te sterven! Het ei brengt een wezen voort, dat nooit het daglicht zal zien, het omhulsel van dat ei is tegelijkertijd de wieg en het graf van een wezen, dat zich daarbinnen voortplant als ongeboren vrucht, en waarvan de overblijfselen tot voedsel dienen voor het nieuwe geslacht, dat het eenige is dat bestemd is, naar buiten te treden. Dit merkwaardige en vreemde feit is van groot gewicht voor de ontwikkelingsleer. Het toont ons aan, dat die wezens behooren tot die periode in de geschiedenis der natuur, waarin de levenskracht na duizenden pogingen en aarzelingen de grens had overschreden, die de weekdieren onderscheidt van de dieren, door een geraamte gesteund, de ongewervelde van de gewervelde dieren. Reeds heeft de natuur eenen langen weg doorloopen in de ontwikkeling der bewerktuigde wezens. Toch hebben wij tot nu toe nog slechts vormelooze wezens beschouwd, die leven in de diepten der zee. Sommige zijn kleine geleiachtige bolletjes, die door middel van hunne trilharen, die hun voor alles dienen, voortzwemmen; andere zijn tot koloniën verbonden en vormen als het ware levende boomen. Wel hebben zij een spijsverteringsorgaan, voortplantingsorganen en organen voor den bloedsomloop, zenuwen en spieren, maar geen spoor van symmetrie. Overbodig is het, hierbij te voegen, dat zij nog geen hoofd hebben. Tot nu toe zijn al die wezens _blind_, _doof_ en _stom_. Een begin van een kop en een begin van symmetrie openbaart zich bij de _wormen_, wier voorouders in het slijk van zeeën en rivieren woonden. Die weekdieren onderscheiden zich van de vorige door twee eigenschappen: zij zijn gerekt en zij verplaatsen zich. Beschouwen wij b.v. den eenvoudigen aardworm. Het feit reeds, dat hij kruipt, geeft hem meerdere voortreffelijkheid. Hij bestaat uit gelijke ringen en zijne toename in lengte wordt alleen verkregen door eene toename in het aantal dier ringen, waarvan elke zoowel kop als staart kan worden. Maar het feit alleen, dat de voorste ring tot taak heeft het eerst het voedsel op te nemen, dat den geheelen worm moet doorloopen, plaatst dien ring in zoodanige omstandigheden, dat zijn bevattingsvermogen gedurig werkzaam is en zich ontwikkelen moet. Het is een mond, die zich vooruit beweegt, die eene zekere verantwoordelijkheid draagt tegenover de geheele kolonie, die altijd vooraan moet staan in het gelid, om het beste uit den grond te zoeken, en reeds daardoor veroorzaakt, dat in dat dier eene buikzijde, eene rugzijde, een voorste gedeelte, een links en een rechts bestaat. De kop krijgt eene afzonderlijke taak. Hij zal hindernissen ontmoeten, zal van tijd tot tijd geroepen worden tot den strijd en somtijds aan groote gevaren zijn blootgesteld. Zijne kracht en zijn weerstandsvermogen zullen langzamerhand toenemen. Toch is dat orgaan nog niet van zoo groot gewicht, of het kan, indien het verminkt is, van zelf weer aangroeien. Indien men van eenen worm den kop afsnijdt, dan groeit hij weder aan; snijdt men eenen worm in tweeën, dan worden beide deelen weder aangevuld (ook het achterste deel, dat weder organen voor den bloedsomloop en hersenen moet verkrijgen). Er bestaan zelfs ringwormen, die men in zoovele deelen kan snijden als men verkiest, en waarbij dan ieder deel weer eenen kop en eenen staart zal krijgen en een dier zal worden, dat volkomen levensvatbaar is. Sommige ringwormen kunnen eene lengte van 1 1/2 meter tegen eene dikte van 3 centimeter bereiken, en bestaan uit honderden ringen. Men vindt in zee dikwijls ringwormen, die zóó lang zijn, dat de staart als het ware niet meer in betrekking staat tot den kop, zoodat zij zich kunnen bijten, zonder het zelf te gevoelen. Enkele soorten, zooals de _Naïdinen_, planten zich door knopvorming voort; veertig tot zestig ringen groeien na elkander aan, en daarna verdeelt het dier zich van zelf in twee deelen, terwijl aan het voorste deel van het nieuwe wezen een kop groeit; maar merkwaardig is het, dat in den herfst die wijze van voortplanting plaats maakt voor geslachtsvoortplanting. Sommige _Nereïden_ zijn nog merkwaardiger: zij bestaan uit _twee wezens, met hunne uiteinden aan elkander gehecht_, het ééne van geslachtsdeelen voorzien, het andere niet. Hetzelfde is het geval bij de _Syllideën_ (fig. 51). Het is, alsof de natuur niet gemakkelijk eene keuze heeft kunnen doen tusschen de verschillende wijzen van voortplanting. Later, bij de insecten, zal de voortplanting alleen geschieden bij het volmaakte wezen, de kapel uit de pop voortgekomen, terwijl de larven zich niet kunnen voortplanten. Hier echter planten de larven zich wel voort. De onderlinge onafhankelijkheid der ringen is somtijds zóó groot, dat bij eenzelfde dier enkele ringen mannelijk, andere vrouwelijk, weer andere van geslachtsdeelen voorzien zijn, andere niet. (Spirorben, Autoliten). De kop vormt zich onmerkbaar. Het beginsel der hersenen is gelegen in den eersten ring bij de ringwormen, in den derden, somtijds in den vierden, bij de regen wormen; bij de ringwormen ligt de mond aan den tweeden ring. De trilharen zijn voelhorens, grijporganen, geworden. De oogen, nog in rudimentairen toestand, komen voor den dag; het zijn zenuwen, gevoelig voor het licht, die zich beginnen te ontwikkelen, en dat wel aan de beide uiteinden, aan de uiterste ringen. De _Nematonereïs contorta_, de _Oria armandi_, de _Fabricia_ hebben gewoonlijk twee oogen op het achtergedeelte; de _Amphicorina_, de _Myxicola_ hebben er vier, de _Amphiglena mediterranea_ zes of acht. De lintwormen, parasieten, die zich aan een ander organisme vasthechten, en die dus hun voedsel nooit behoeven te zoeken, dat zij van zelf binnen hun bereik hebben, hebben in het geheel geen kop, maar alleen een soort zuiggat, waaruit het lichaam van het dier zich ontwikkelt door de vorming van nieuwe ringen. Ook de gehoorwerktuigen beginnen voor den dag te komen, nu eens op den eersten ring, dan weder op een volgenden. Doch langzamerhand beginnen zich de verschillende zintuigen te beperken tot het voorste gedeelte van het lichaam. Zoo wonen wij van stap tot stap de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven bij, terwijl iedere bijzonderheid van de vorming van nieuwe organismen zich aan onze blikken vertoont als eene openbaring van den oorsprong, waaruit alle thans levende schepselen zijn voortgekomen. Als wij aan de insecten komen, dan zien wij ook daar denzelfden oorspronkelijken bouw: meer of minder met elkander verbonden ringen. De duizendpooten hebben gewoonlijk bij hun uittreden uit het ei slechts negen ringen; de overige ringen groeien na elkander aan het achterdeel van het lichaam; maar deze insecten treden reeds meer als afzonderlijke individuen op: wel kunnen de twee helften eener _Scolopendra_, die dwars doorgesneden is, eenigen tijd blijven leven en zich bewegen, maar zij eindigen toch met beide te sterven zonder te zijn aangegroeid. De geslachtsvoortplanting treedt meer op den voorgrond. Bij alle insecten bestaat het lichaam uit drie kenmerkende deelen: kop, borststuk en achterlijf; de kop bestaat uit aan elkander gehechte ringen, het borststuk uit drie en het achterlijf uit zes tot twaalf ringen. Bij de spinnen zijn de ringen alleen waar te nemen in de vrucht. Doch de eenheid van oorsprong der gelede dieren is duidelijk aan te toonen. Maar wij moeten niet te snel vooruitgaan, opdat wij met oordeel den gang van zaken kunnen volgen bij die langzame en grootsche ontwikkeling van het leven. Even laag op de trap der organische wezens staan de _Echinodermen_ of stekelhuidigen, crinoïdeën, zeeëgels, holothuriën, enz. Zij hebben nog beide soorten van voortplanting, dat wil zeggen, zij hebben eensdeels eieren en anderdeels vermenigvuldigen zij zich door knopvorming. Visschers, die dikwijls lastig gevallen worden door zeesterren, snijden ze in stukken, indien zij zich vasthechten aan hunne netten, doch vergeten, dat zij zoodoende vier of vijf voor ééne in de plaats krijgen. Zij kunnen zich door middel van hunne kleine voelhorens langzaam bewegen. De zeesterren en zeeëgels hebben rudimentaire oogen: het zijn roode vlekken, gelegen aan de benedenzijde der stralen, vlak onder de uiterste voelhorens. Het licht wordt sterk daarin gebroken. Zij verdienen nauwelijks den naam van oogen, maar toch zijn zij het reeds. De zeesterren zijn oorspronkelijk polypen, met den kop vastgehecht aan het midden van de ster. De arm eener ster, losgemaakt van de middenschijf, groeit weder tot een geheel lichaam aan. De vijf armen (bij sommige soorten zelfs meer) groeien eveneens weder aan. Iedere arm leeft en kan op zijne beurt het leven schenken aan een' knop, die weder middenschijf wordt en zich zoo tot eene zeester vormt. Er is nog geen kop en evenmin zijn er ademhalingswerktuigen. De weekdieren in engeren zin, de _Cephalopoden_, koppootigen, die op hun' kop loopen, de _Gasteropoden_, buikpootigen, die op den buik voortgaan, schelpslakken en andere, de _Acephalen_, koploozen, oesters, mossels enz. schijnen af te stammen van de ringwormen. Volgens Perrier toch bewegen zich al die weekdieren op een aanhangsel van hunnen kop en zouden de armen van de cephalopoden, de afgeplatte voet der gasteropoden en de tongvormige voet der acephalen aanhangsels zijn van het weekdier; hunne vormen zouden alleen de vrucht zijn van de omgeving, waarin zij moesten leven. De weekdieren en de cephalobranchiaten (kopkieuwigen) zouden beide afstammelingen zijn van wezens, die in kokers wonen, en die in geene betrekking tot de buitenwereld staan dan door de openingen in die kokers en voornamelijk door de voorste opening. De koploozen zouden ontaarde buikpootigen zijn, bij wie de kop geatrophieerd is, toen hij geene taak meer te verrichten had. De brachiopoden (armpootigen), die evenals de koploozen, in eene tweekleppige schelp zijn opgesloten, maar van de eerste uit een anatomisch oogpunt zeer verschillen, zouden van de ringwormen langs eenen anderen tak afstammen, en het dichtst bij den gemeenschappelijken oorsprong gebleven zijn. Bij de weekdieren is het zenuw- en spierstelsel nog slecht ontwikkeld. Het zenuwstelsel bestaat uit knoopen en strengen, en deze centrale deelen zijn onder het darmkanaal gelegen. Ééne der bijzondere eigenschappen van het bekleedsel der weekdieren is, dat het vaste stoffen afscheidt, die de zoo verschillende schelpen vormen, en die voor hen steunsels vormen, onafhankelijk van het spierstelsel. De zintuigen beginnen zich sterk te ontwikkelen. De tastzin is reeds ver gevorderd. De reuk onderscheidt zich langzamerhand van den smaak. Het gehoor heeft tot zintuig blaasjes, waarin reeds gehoorsteentjes gevonden worden. Het oog bezit een netvlies, eene kristallens, een regenboogvlies, eenen oogrok en glasachtig vocht. Het gedeelte van het lichaam, waarop de oogen gevonden worden, is gewoonlijk de aanhechtingsplaats der voelhorens; dikwijls zijn zij aan de uiteinden gelegen. Zij hebben alle een hart of een orgaan voor den bloedsomloop, dat de plaats daarvan inneemt. Zij zijn van geslachtsorganen voorzien en planten zich door eieren voort, maar de geslachten zijn niet altijd gescheiden in twee individuen: bij de koppootigen zijn de geslachten gescheiden, de buikpootigen zijn bijna alle tweeslachtig. De slakken zijn tweeslachtig, dat wil zeggen: ieder individu bezit beide organen, maar de innige vereeniging van twee wezens is voor de voortplanting noodig, daar ieder tegelijkertijd als mannetje en wijfje optreedt. Op de grens der gewervelde en ongewervelde dieren ontmoet men den _Amphyoxus_, lancetvischje, "den eerwaardigen amphyoxus", zooals Haeckel hem begroet, die nog meer van de visschen verschilt, dan de visschen van den mensen. Het is een gewerveld dier zonder kop. De amphyoxus leeft op de zandige oevers der zee, gedeeltelijk in het zand begraven, men vindt hem aan de Noordzee, aan de kusten van Engeland, die der Middellandsche zee, in Brazilië, Peru, Borneo, China, bijna overal. Het geraamte bestaat uit eene kraakbeenige ruggestreng; een cilindervormige buis vormt de as van het lichaam, daarin ligt het centrale zenuwstelsel. Een kleine vlek aan het uiteinde van de ruggestreng is het begin van een oog, ook het reukorgaan komt in primitieven toestand voor, het gehoor bestaat nog niet; hersens zijn nog niet te ontdekken. De anatomische eigenschappen wijzen er op, dat hij de _waarschijnlijke stamvader is van de gewervelde dieren_, de laatste afstammeling van het oude ras der koplooze gewervelde dieren, de verbindingsschakel tusschen de gewervelde en de ongewervelde dieren. Onmiddellijk achter dezen stamvader kunnen de _Cyclostomen_ (rondbekken) gerangschikt worden, waartoe de prik of lamprei behoort. Hun lichaam is wormvormig, zonder ledematen; hun bek bevat geene tanden, hunne huid is naakt en zonder schubben. Zij missen een beenig skelet, maar hebben reeds een begin van kieuwen en van hersenen. Naarmate wij in ons onderzoek vooruitgaan, zullen wij het leven meer beperkt zien tot bepaalde organen, en de bestanddeelen, waaruit de dieren bestaan, hunne oorspronkelijke eigenschappen zien verliezen, om zich over te geven aan de leiding van het met hersenen voorziene wezen. De gewervelde dieren, zooals de zoogdieren, vogels, kruipende dieren, visschen, bestaan in hoofdzaak uit een gebouw van wervels, dat het ruggemerg beschermt, en eindigt in eenen schedel, die zelf uit gewijzigde wervels bestaat, en de hersenen bevat, die niets anders zijn dan de oorsprong van het ruggemerg. Geboren uit de ongewervelde dieren, en ongetwijfeld voortgekomen uit de laagste dezer dieren, de ringwormen, wier anatomische bouw de meeste overeenkomst heeft met de lagere gewervelde dieren, vertoonen zij zich aan ons als de meest volmaakte ontwikkeling van het leven op onze planeet. Het is hieruit, dat men zich niet alleen den vorm der wezens kan verklaren, maar ook de schikking van ieder orgaan in het lichaam. Het hoofd, de zoo fijne organen van het gezicht en het gehoor, het hart, de longen, de nieren hebben zich langzaam gevormd. De vorm van ieder wezen, zoowel in- als uitwendig, is de vrucht van zijne levenswijze en die zijner voorouders. Wij zagen, dat gedurende eene reeks van eeuwen de organismen zich hebben voortgeplant door knopvorming en verdeeling. Daarna hebben wij bij wezens, die zich nog steeds op die wijze voortplantten, organen zien ontstaan, die het aanzijn schonken aan kleine eieren of aan klieren. Van toen af begon de geslachtsvoortplanting, bij dezelfde wezens met de vorige wijze van voortplanting afwisselende, en die optrad bij dieren, die beide geslachtsorganen bezaten en tweeslachtig waren. Daarna treedt de voortplanting op door de verbinding van twee verschillende wezens, die, om het voortbestaan der soort te verzekeren, tot elkander moeten naderen en zich tijdelijk tot één lichaam moeten vereenigen, en juist door deze wijze van voortplanting splitsen zich de wezens tot verschillende soorten. De ligging der voortplantingsorganen in de nabijheid van de organen, die dienen tot de afscheiding van stoffen, die geen nut meer hebben voor het organisme, is niet zeer gelukkig, zij is het gevolg van den bouw der aardwormen, bij welke de oorspronkelijke organen voor de voortplanting verbonden zijn met de organen tot afscheiding. Bij de ringwormen vinden de eitjes, die zich in alle kanalen van het lichaam vormen, in die afscheidingskanalen eenen doorgang naar buiten. De langzame volmaking van het dierenrijk heeft dien oorsprong nog niet uitgewischt. De voortplanting door eieren heeft voortgeduurd tot den dag, waarop levende jongen werden voortgebracht. Ieder levend wezen kwam van toen af voort uit een bevrucht ei, en heeft eenen vader en eene moeder. Deze behoeven elkander echter daarom niet te kennen. De visschen leggen hare eieren in het water; op den eenen of anderen tijd worden die eieren bevrucht, zonder dat de visch, die zich daartoe leent, ooit de moeder dier eieren gekend heeft. Hierop maken de roggen en andere eene uitzondering; deze liggen tusschen de levend barenden en de eieren leggende dieren in, daar het ei uitgebroed wordt in den moederschoot. In andere gevallen, zooals bij de kikvorschen, de watersalamanders en andere dieren, naderen de ouders tot elkander zonder elkander aan te raken, en toch worden de eieren bevrucht vóórdat zij gelegd zijn, of op het oogenblik van het leggen. De innige vereeniging van twee wezens, het huwelijk, hetzij tijdelijk, hetzij duurzaam, is de vrucht van den vooruitgang. Die teedere band, reeds opmerkelijk bij een groot aantal vogels, is begonnen bij de eierleggende dieren, waaronder men een groot aantal viervoetige dieren vindt. De schildpadden, de krokodillen, de kikvorschen, de slangen, de vogels leggen eieren. Men kan de ontwikkeling der voortplanting door eieren volgen van de laagste insecten tot aan de zoogdieren. Deze brengen wel levende jongen voort, maar iedereen weet, dat ook daar in den moederschoot ieder levend wezen als ei begonnen is. Het baren van levende jongen is de tot volkomenheid gebrachte voortplanting door eieren; de eerste wijze van voortplanting is zelfs nog weifelend bij de eerste zoogdieren, de buideldieren, die hare jongen dragen in eenen uitwendigen zak, en vooral bij de vogelbekdieren (_ornithorhynchus paradoxus_). Van welk oogpunt wij dus ook de zaak beschouwen, wij zien in het leven op aarde steeds de ontwikkeling uit éénen zelfden stamboom. De eierleggende viervoetige dieren vormen den overgang tusschen de voortplanting door eieren en door het baren van levende jongen; men weet zelfs nu nog niet, of de ornithorhynchus altijd eieren legt of somtijds ook levende jongen voortbrengt. De buideldieren, zooals de kangoeroe's en andere, schijnen met de vogelbekdieren de oudste zoogdieren der wereld te zijn. Die wezens, die in de ontwikkeling van het leven zijn blijven stilstaan, brengen jongen voort, die zich eerst ontwikkelen na hunne geboorte. De moeder grijpt met de lippen hare jongen, die op zich zelf nog niet levensvatbaar zijn, en legt ze in den zak, dien zij vóór haren buik draagt. Daar hechten zij zich vast, ieder aan eenen tepel, en blijven daaraan vast, totdat hunne ledematen en organen voldoende ontwikkeld zijn. Die buidelzak is als het ware eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling der vrucht ten einde gebracht wordt. Indien de jongen alleen kunnen loopen, vergeten zij toch dat nest niet en vluchten zij daarin bij het eerste alarm; zij brengen daarin een groot gedeelte van hunne kindsheid door. Men ziet, hoe wij geleidelijk de ontwikkeling van alle organen bijwonen. Men kan stap voor stap de vorming van den boezem volgen, te beginnen met de vogelbekdieren tot aan de schitterende Venus van Milo; de volmaking van den kop, van den eenvoudigen worm tot dien van Apollo of Antinoüs, en zoo verder van het geheele lichaam en van ieder orgaan, hand, oog, oor enz. Stap voor stap begint elk orgaan, ontwikkelt het zich en wordt het volmaakter. De levenskracht, eerst in het geheele organisme verspreid, beperkt zich langzamerhand in enkele organen. Wij zagen reeds, dat men eenen ringworm in zooveel deelen kan snijden als men wil, zonder dat het dier zijn leven verliest. Men kan toch het dier beschouwen als eene verzameling van kleine deelen, die ieder hunne eigene levensvatbaarheid bezitten: de rugstukken eener naïdine vormen eenvoudig dertig dieren; elk deel verkrijgt eenen kop, eenen staart en nieuwe ringen. Zoo ook zagen wij, dat enkele lange ringwormen zich in hunnen eigen staart bijten zonder dat zij het zelf bemerken; dat men eene hydra in stukken kan snijden, kan omkeeren, twee hydra's op elkander kan enten, enz. De aardworm heeft niet meer die verbazende levensvatbaarheid in ieder zijner deelen; toch groeit de kop weer aan, als deze afgesneden is. Charles Bonnet verhaalt, hoe hij van eenen zelfden worm twaalf malen den kop heeft afgesneden, en hoe deze twaalf malen weder aangroeide. Iedere straal van eene zeester vormt weder eene nieuwe zeester. Naarmate wij verder komen in ons onderzoek naar de ontwikkeling der wezens, beperkt zich de levenskracht meer en meer. Bij de salamanders groeien zoowel de pooten als de staart weer aan en zelfs ook de oogen en een deel van den kop. Onder de insecten bezitten de sprinkhanen eene verbazende levensvatbaarheid. Van 31 onthoofde sprinkhanen leefden alle nog na twee dagen en waren zij nog even vlug als vóór de operatie, 29 leefden drie dagen, 23 vier dagen, 10 vijf dagen, 4 zes dagen, 2 zeven dagen. De laatste leefde nog vijftien dagen na de onthoofding. Die zelfde dieren kunnen in het leven blijven, als alle organen er uit genomen zijn, (en zelfs ook als zij daarna opgevuld worden): leeggemaakt vijf dagen, leeggemaakt en onthoofd vier dagen. De enkele kop leeft nog vier en twintig uren. De kop met den eersten ring kan 30 uren leven. De kop met de twee eerste ringen drie dagen. De eerste ring, van den kop en het lichaam gescheiden, leeft nog verscheidene uren. De derde ring met het achterdeel van het lichaam sterft dadelijk. Het blijkt dus, dat de levenscentra in den kop en de twee eerste ringen gelegen zijn. Opmerkelijk is het, dat die dieren niet de minste stuiptrekkende beweging openbaren als men ze den kop afsnijdt, of de ingewanden uitneemt. Een sprinkhaan, wien de kop is afgesneden, merkt daar waarschijnlijk niets van. Zoo ziet men ook, dat de twee helften van eenen doorgesneden kikvorsch niet dadelijk sterven: de voorste helft, de kop en de twee voorpooten, loopt weg, terwijl de achterste helft hare gevoeligheid behoudt; niet zelden kan men in een laboratorium eenen onthoofden kikvorsch met den poot de tang zien wegduwen, die hem doet lijden. Ook ziet men dikwijls een onthoofd hoen wegvliegen, een spoor van bloed op zijnen weg achterlatend. Een gevilde en in stukken gesneden paling beweegt zich nog langen tijd. Het hart van eene schildpad, uit het lichaam verwijderd, blijft nog eenige uren kloppen. Vroeger hebben wij reeds gezien, dat men bij de lagere dieren de hersenen kan wegnemen, en dat deze weder aangroeien; diezelfde proef kan ook bij duiven genomen worden. Indien men bij eene duif de hersenen wegneemt, verliest het dier onmiddellijk het gebruik zijner zintuigen en het vermogen, om zijn voedsel te zoeken. Doch indien men het dier voedsel ingiet, kan het blijven leven, omdat de voedingsfuncties ongestoord blijven, als men de daarmede samenhangende zenuwcentra niet geschonden heeft. Langzamerhand groeien de hersenen weder aan, en naarmate die aangroeiing voortgaat, ziet men het gebruik der zintuigen, het bewustzijn en het instinct van het dier weder terugkeeren. Indien de lezer ons wel heeft willen volgen in ons onderzoek over _de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven_, dan zal hij doordrongen zijn van het denkbeeld, dat er een nauw verband bestaat tusschen de verschillende onderdeelen der natuur, van de gesteenten tot aan den mensch; wij herhalen het, van de gesteenten af. Zoo zal een stuk gebroken kristal weer evenzeer aangroeien, alsof het een plantaardig of dierlijk weefsel ware. Pasteur heeft aangetoond, dat indien men een gebroken kristal in de vloeistof plaatst, waaruit het gekristalliseerd is, men het kristal in alle richtingen ziet aangroeien door een afzetsel van kristallijne deeltjes, maar dat men tevens eene sterke werking waarneemt aan het gebroken gedeelte, zoodat het verminkte deel na verloop van enkele uren weer zijne regelmatige gedaante heeft herwonnen. In die onafgebroken reeks openbaringen der scheppende natuur, heeft er van de mechanische, physische en chemische periode vóór het leven, tot aan onzen tijd, zoo rijk aan de vruchten van verstand en gedachte, geene verbreking plaats gehad in den samenhang, geene enkele gaping, geene verandering van plan, geen onoverkomelijke afgrond, geene spontane schepping. De geheele natuur op aarde is naar een zelfde plan gebouwd en vertoont overal de uitdrukking van eenzelfde gronddenkbeeld. Komt men eindelijk tot den mensen, dan staat men niet meer tegenover eenen onoverkomelijken afgrond. De mensen is het kind der natuur, evenals alle voorgaande voortbrengselen. Hij is door onverbreekbare banden verbonden aan de wezens, die hem zijn voorgegaan, aan de gesteenten, de planten en de dieren. Later zullen wij onderzoeken, wie zijn onmiddellijke stamvader geweest is. Maar terwijl wij dit onderzoek sluiten, moeten wij duidelijk die verwantschap van den mensch met de geheele natuur der aarde verstaan. De geest zoowel als het lichaam zijn de producten van de levenskracht, zooals zij langzamerhand ontwikkeld is. Wel beperkt zich het leven meer en meer in het hart en in de hersenen, wel beperkt zich het bewustzijn meer en meer in de hersenen, maar daarom is dit nog geene nieuwe wereld, het is slechts de voortzetting en ontwikkeling van oude vormen. Wij merkten zooeven op, dat het hart van eene schildpad nog blijft kloppen, nadat het uit het lichaam van het dier verwijderd is; hezelfde is met het hart van den mensch het geval. Indien men het hart van eenen ter dood gebrachte enkele minuten na de terechtstelling uitneemt, kan men de kloppingen, ten getale van 40 tot 45 in de minuut, nog wel een uur lang waarnemen, zelfs indien de lever, de maag, de ingewanden verwijderd zijn. Eenige jaren geleden zag een betrouwbaar en bekwaam ooggetuige bij eene terechtstelling in Japan, hoe de oogen van het hoofd van den onthoofde, nadat het op het zand gevallen was, hem strak aanstaarden, en hem 15 tot 20 seconden lang bij zijne bewegingen volgden. Men houde in het oog, dat het hoofd met de scheidingsvlakte dadelijk op het zand was neergekomen, zoodat er bijna geen bloedverlies had plaats gegrepen. De ledematen, de organen van den mensch hernieuwen zich niet, zooals dit met de lagere dieren het geval was; de weefsels echter herstellen zich weer vanzelf, wonden heelen, het vleesch sluit zich weder; door aanhechting van andere weefsels heeft men enkele deelen van organen weder kunnen herstellen, en bekend is het, hoe de transfusie van bloed reeds in vele gevallen het leven gered heeft. Naarmate de centralisatie duidelijker uitkomt, worden een aantal bewegingen onwillekeurig verricht. Het hart klopt, de longen ademen, de maag verteert het voedsel, zonder dat de wil zich openbaart. Langzamerhand heeft de gedachte zich tot de hersenen beperkt, langzamerhand verkrijgt het individu het bewustzijn zijner persoonlijkheid. Die persoonlijkheid, dat bewustzijn is reeds begonnen op de laagste trappen van het dierenrijk [5]. De weekdieren, de visschen, de kruipende dieren, zij allen weten, dat zij bestaan, zij allen verdedigen hun leven en brengen de geheele wereld in verband met hunne persoonlijkheid. Zij beginnen reeds te denken. De gedachte ontwikkelt zich met het zelfbewustzijn. Niemand trekt tegenwoordig het verstand der dieren meer in twijfel. De waarneming der gewoonten, de ontleding der willekeurige handelingen en van de gevoelsuitingen der apen, der honden, mieren, katten, olifanten, bijen enz. toonen onwederlegbaar aan, dat naast en boven het erfelijk instinkt de ziel der dieren begaafd is met al de eigenschappen, waarop zich de menschelijke ziel verhoovaardigt, hoewel dan ook gewoonlijk in mindere mate. Wij zeggen _gewoonlijk_, omdat het niet zelden voorkomt, zelfs bij beschaafde volken, dat de ouders door hunne daden toonen, dat hunne liefde en offervaardigheid voor hunne kinderen verre beneden die der katten, leeuwen en tijgers staat. Niet zelden ontmoeten wij menschen, minder verstandig dan mieren, minder goedaardig dan honden, minder slim dan apen. De Bosjesmannen, Hottentotten en Papoea's staan op eenen zóó lagen trap van ontwikkeling, dat men zoude meenen, dat zij in het geheel niet denken. Een groot aantal van die stammen hebben geen woord voor het begrip _dier_, _plant_, _geluid_, _kleur_, terwijl zij wel uitdrukkingen hebben, om ieder dier, iedere plant, iederen toon, iedere kleur te onderscheiden. Zij missen volkomen het vermogen om te abstraheeren. Zij kunnen tot vijf tellen; verder dan vijf hebben zij geene voorstelling meer van een getal. Andere wilde volken kunnen tot tien tellen, of tot twintig: sommige dieren hebben het wel verder gebracht. Men vindt in Zuid-Azië en Oost-Afrika stammen, die evenals de apen slechts tijdelijke vereenigingen vormen, zonder dat zij nog een begrip hebben van familieleven of huwelijk, de grondslagen der menschelijke beschaving. De halfaapachtige negers, die in de hoogere Nijlstreken leven, zijn volgens de berichten van vele zendelingen niet vatbaar voor eenig begrip; niet alleen dat zij niet kunnen nadenken, zij hebben zelfs geen begrip van dankbaarheid en staan dus in dat opzicht beneden de honden. Men behoeft slechts de verhalen na te lezen van reizigers, die deze primitieve volksstammen hebben gadegeslagen, om een oordeel te kunnen vellen over den lagen trap van hunne zedelijke en verstandelijke ontwikkeling. Indien wij de zielkundige processen bestudeeren, door de dieren in toepassing gebracht bij het openbaren van hunnen wil en hun gevoel, dan zien wij, dat zij evenals wij langs inductieven en deductieven weg besluiten trekken. Het is slechts een verschil in hoeveelheid, niet in aard. Ook het kind gaat slechts uiterst langzaam vooruit in het overwegen, en zijne eerste redeneeringen berusten eveneens slechts op vergelijking. Een kind van een jaar is uit dat oogpunt beschouwd nog een klein dier; zijne verstandelijke vermogens zijn nog in kiem en zullen zich eerst trapsgewijze ontwikkelen. In het eerst zal het als een jonge aap alles willen nabootsen, en dit is de eerste stap tot vooruitgang. Daarna eerst begint het te oordeelen over oorzaken en gevolgen, en gewoonlijk zal dat oordeel zeer juist zijn. Eerst later wordt het door onze valsche maatschappelijke opvoeding met dwalingen en vooroordeelen omgeven en daardoor verhinderd, op den weg van den vooruitgang voort te schrijden. Even zeker als de eerste scheikundige verbindingen ontstaan zijn uit de samenvoeging der moleculen onderling, en even zeker als de scheikundige verwantschap afgeleid is uit de verbindingen, en de oorspronkelijke organismen met hunne levenskracht uit die verwantschap geboren zijn, even zeker is de menschelijke ziel eene volmaking van die van het dier. Toch zoude geen enkele onzer lezers voldaan zijn, indien wij dit hoofdstuk over de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven, dat ons stap voor stap van het protoplasma tot den mensch voerde, hiermede eindigden. En waarom? omdat ieder onzer gevoelt, dat hij nog iets anders is dan een dier, evenzeer als het dier geene plantaardige stof, of de plant iets anders is dan een voorwerp uit het delfstoffenrijk. Reeds bij het dier, en vooral bij het hoogere dier, is de ziel eene leidende kracht en niet eene eigenschap. De stof, die het lichaam vormt, heeft scheikundige en natuurkundige eigenschappen, en die eigenschappen zijn voortdurend in het organisme werkzaam. Een levend wezen is evenals alle lichamen onderworpen aan de zwaartekracht, en de wetten der mechanica zijn evenzeer van toepassing bij de beweging van de spier, die den arm opheft, als bij de beweging van het voedsel van den mond naar de maag. Maar die eigenschappen der stof geven een levend wezen niet zijnen vorm, zijne levenskracht, zijne persoonlijkheid. Men moet de eigenschappen der stof, zoo schreef Claude Bernard, niet verwarren met de functies, die verricht worden. Zoude men het niet ongerijmd vinden, als men hoorde zeggen, dat de stembanden de eigenschap hebben van te spreken en te zingen, of het middelrif de eigenschap heeft van te ademen? Zoo is het ook met de hersencellen: men kan niet zeggen, dat zij de eigenschap hebben van te gevoelen, te denken of te willen! Het leven heeft de gedachte voortgebracht. Ook de gedachte bestaat; het is eene kracht, die zelfbewust is, die gevoelt, wil en handelt. Zij is geen stof. Het lichaam en de beweging zijn zuiver verschijnselen: het eerste is het beeld der stof, het tweede het beeld der handeling; maar beide zijn de gevolgen der _kracht_. Op den bodem van ons onderzoek is de _kracht_ gelegen. Wij hebben haar zien ontstaan, nederig, zwak, onbewust in het protoplasma. Wij hebben haar langzaam zien toenemen, zich bevestigen en heerschen bij de ontwikkeling van het dierenrijk. Wij zien haar op haar toppunt bij den mensch. De menschelijke gedachte is het eindresultaat van alle natuurkrachten, omdat zij die alle in zich heeft opgenomen. Het wezen der kracht is ons onbekend. Wij houden eenen steen in de hand: hij valt; waar is de onzichtbare band, die hem naar de aarde heeft toegetrokken. Onze planeet draait met groote snelheid om de zon: waar is de slinger, die haar aan het draaien gebracht heeft? Hier is een regelmatig veelvlak, eene ster van sneeuw, eene ijsbloem, waar is de hand, die de moleculen in bepaalde vormen rangschikt? Hier zijn twee zaadkorrels; uit een natuur- en scheikundig oogpunt zijn zij gelijk; de één zal echter het aanzijn schenken aan een plantje, dat in den herfst niet meer zal leven, de andere aan eenen reusachtigen boom, die jaren en eeuwen zal voortbestaan: waarin ligt het verschil der beide kiemen? in eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling der plant van hare geboorte tot aan haren dood beheerscht. Het wezen der dingen is dus niet de stof, maar de kracht. De wetenschap veroordeelt dus niet ons gevoel, onze hoop, onze neigingen. Haar doel is integendeel, ze te verklaren en te rechtvaardigen. De wetenschap is nog zoo jong, en laat dus nog zoovele raadselen onopgelost. Maar naarmate zij meer vooruitgaat, zal zij ons meer licht verschaffen. De wetenschap is echter niet de slavin van eene secte of van een stelsel; zij brengt ons voortdurend nader tot het ideaal, om ons in de natuur wetten en krachten te doen bewonderen, waarvan het wezen ons verborgen is en tot het gebied van het onzichtbare en oneindige behoort. DERDE HOOFDSTUK. Eerste planten en eerste dieren. De oudste versteeningen. Laurentische, Cambrische en Silurische tijdperken. Wij moeten, nadat wij in groote trekken de ontwikkeling van het leven op aarde besproken hebben, thans hare geologische geschiedenis bestudeeren. Wij hebben den oorsprong, de langzame ontwikkeling en de schitterende vorderingen van het leven bijgewoond, van het nederige protoplasma tot aan de menschelijke ziel. Wij zullen in de versteeningen, die bij iedere laag behooren, de onwraakbare getuigenis vinden van den vooruitgang van het leven, van de oudste tijden af tot op onzen tijd. Reeds zagen wij, dat de aardbol, die zich uit de zonnevlek verdicht heeft, eeuwen lang in gloeienden toestand geweest is, langzaam is afgekoeld en aan de oppervlakte hard is geworden; in dien tijd was er geen leven op de aarde mogelijk. Doch toen de dampkring, die de aarde omringde, zich verdicht had, toen de afgekoelde dampen vloeibaar geworden waren, en de zoo ontstane wateren de zeeën gevormd hadden, toen de temperatuur van het water tot 60° was afgekoeld, toen gaven de koolstofverbindingen en de stoffen die in dat water dreven, het aanzijn aan de eerste organismen. Die eiwitrijke, geleiachtige organismen konden niet versteenen en dus niet bewaard blijven tot leering voor toekomstige eeuwen. De eerste fossielen zijn die van wezens, die op den bodem der zee onttrokken waren aan den vernielenden invloed van de destijds levende dieren, het water en de lucht, en die zich in eenen zoodanigen grond bevinden, dat zij daarin konden versteenen. In eenen doordringbaren grond, zooals van zand of zandsteen, heeft de versteening, die hand aan hand gaat met de verharding van den grond, niet op dezelfde wijze plaats als in ondoordringbare lagen, zooals klei. Somtijds ontstaat er alleen een getrouwe afdruk van het dier; in andere gevallen maakt ieder der moleculen plaats voor eene delfstofmolecule, door de laag geleverd, die op het lijk, het geraamte, de schelp drukt. Somtijds ook worden de schelpen tegelijkertijd omgeven en doordrongen met kalk; ook geschiedt het wel, dat er als het ware eene aantrekking van zwavelijzer rondom of in de versteening plaats grijpt. Steeds dus ondergaan de lichamen meer of minder belangrijke wijzigingen. Indien het beschermende afzetsel volkomen ondoordringbaar ware, dan zouden zij eeuwen en eeuwen ongeschonden bewaard kunnen blijven. Dit is het geval met het steeds bevroren slijk van Siberië, waar geheele lijken van mammouths geheel onveranderd zijn teruggevonden, zonder dat het vleesch of de haren iets van hunne frischheid verloren hadden; ook ziet men dit bij de insecten, die in de hars en het barnsteen zijn opgesloten. Hoe hebben zich de lagen gevormd? De oorspronkelijke aardbol bestaat ongetwijfeld voornamelijk uit ijzer. De dichtheid der planeet (5,5 maal zoo groot als water) bewijst, dat zij bestaat uit elementen, die zwaarder zijn, dan die welke in de korst voorkomen. Het graniet weegt tusschen 2,6 en 2,7; zoo ook gneiss, kwarts en schiefer. De dichtheid van lei is van 2,6 tot 2,9, van bazalt van 2,8 tot 3,1, van zandsteen 2,2, van marmer 2,6 tot 2,8, van gips 2,2. Deze getallen zijn veel kleiner dan de gemiddelde dichtheid der aarde, en indien onze planeet hoofdzakelijk bestond uit graniet, zou zij nauwelijks driemaal zooveel wegen als een even groote bol water, terwijl zij thans 5,5 maal zooveel weegt. Dit zoude eene reeks van merkwaardige gevolgen hebben. Wij zelf zouden minder wegen; met dezelfde spierkracht zouden wij lichter zijn, de maan zoude langzamer om ons heen draaien, de maanden zouden dus langer zijn enz. De groote hoeveelheden ongemengd ijzer, somtijds (zooals in Siberië) uit de diepten der aarde naar de oppervlakte gebracht, de verschijnselen van het aardmagnetisme, de samenstelling der meteoorsteenen, zijn even zoovele getuigenissen, die gevoegd bij het feit, dat de dichtheid der aarde zoo aanzienlijk is, ons er toe leiden aan te nemen, dat het ijzer één der hoofdbestanddeelen onzer aarde is. Zijne dichtheid (7,2) is juist zoo groot, dat wij voor het soortelijk gewicht der geheele aarde 5,5 vinden. Laten wij nog even terugkeeren tot den tijd, toen de aarde, na haar licht en hare warmte verloren te hebben, hare eigenschappen als zon verloren had, en in den toestand van planeet overging, nog steeds vloeibaar, maar afkoelende. De lichtste gedeelten der gesmolten massa, die door hun gering soortelijk gewicht tot de oppervlakte moesten naderen, waren tevens samengesteld uit de moeilijkst smeltbare stoffen, en indien enkele lichte metalen daarmede vermengd waren, dan waren het metalen, die gemakkelijk zuurstof opnamen en zich ook gemakkelijk met kiezel en aluminium konden verbinden. Naarmate dus het warmteverlies door uitstraling toenam, begon die soort _kiezelschuim_ gedeeltelijk vast te worden. Daar de gesteenten bij het vast worden in het algemeen een grooter soortelijk gewicht verkrijgen, begonnen de eerste vaste stukken eerst te zinken, maar niet zeer diep; daar immers de stoffen in gesmolten toestand op elkander lagen in de volgorde harer dichtheid, vond ieder stuk spoedig eene gesmolten laag om zich heen van dezelfde dichtheid. De stukken begonnen toen geheel of gedeeltelijk weder opnieuw te smelten, maar ten koste van de warmte der omringende stoffen. Dit verschijnsel, zich tegelijkertijd op de geheele aardoppervlakte herhalend, had ten gevolge, dat er eene bolvormige korst ontstond, bestaande uit een mengsel van de lichtste stoffen en andere, die behoorden tot iets zwaardere lagen. Het gesmolten graniet werd vast, toen de temperatuur der aardoppervlakte tot 1500° gedaald was. Vóórdat die korst vast geworden was, was al het water onzer zeeën in dampvormigen toestand in den oorspronkelijken dampkring, wiens drukking 250 tot 300 maal grooter was dan thans, zoodat ook deze eenen grooten invloed uitoefende op de wijze van vast worden van de kiezelmassa. Met den waterdamp vermengd vond men verschillende vluchtige zelfstandigheden, die thans in den oceaan of in de aardschors gebonden zijn, voornamelijk alcalische chloor- en fluorium-verbindingen. Nauwelijks was de korst gevormd, of de vluchtige stoffen, van nu af aan afgesloten van de warmtebron, die ze in gasvormigen toestand hield, begonnen te verdichten. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, hoe verbazend de kracht was, waarmede in dien eersten oceaan, die bijna de temperatuur van het kookpunt had, de stoffen kristalliseerden. Vandaar dus eene zoowel scheikundige als mechanische vervorming der stoffen, waaruit de nauwelijks vast geworden aardschors bestond. Bovendien konden de mineralen der schors, die eene soort van kleverig deeg vormden, zich niet onttrekken aan de verschijnselen van moleculaire samentrekking, die steeds optreden in alle ongelijkslachtige stoffen, die niet volkomen onbewegelijk zijn. Het is dus mogelijk, dat er op die wijze eene meer of minder volkomen scheiding heeft plaats gevonden van de verschillende elementen, en dat wel bij voorkeur in den vorm van lensvormige in horizontalen zin gerekte strooken. Daar eindelijk die eerste korst in het begin weinig weerstand kon bieden aan uitwendige krachten, zoo moesten de stoffen, die daaronder in vloeibaren of weeken toestand gelegen waren, zich als aderen of als massieve stukken daar door heen verspreiden en zoo door hare aanraking de omringende deelen wijzigen. Zoo kunnen wij ons de omstandigheden denken, waaronder zich die schors moet gevormd hebben, die als voetstuk moest dienen voor de sedimentlagen. [6] Die aardkorst, die oorspronkelijke formatie, bestaat, zooals wij reeds vroeger zagen, uit graniet, gneiss, micaschiefer en gesteenten, waarin kwarts, veldspaat en mica de hoofdrol vervullen (Plutonische formatie). Men vindt die oorspronkelijke formatie overal, op alle breedten terug, als grondslag voor de sedimentlagen, die zich later in het water hebben gevormd en op die oorspronkelijke formatie hebben afgezet. Terwijl die sedimentlagen zeer verschillend zijn en niet overal gevonden worden, bestaat de oorspronkelijke formatie overal in de diepten van den bodem. Die formatie is dus zonder twijfel de oppervlakte onzer planeet, op het tijdstip toen de wateren zich verdichtten. Op die oorspronkelijke gesteenten, wier oppervlakte zeer gewijzigd is door uitwendige verschijnselen, zooals de drukking van het water, de zuurstof der lucht en andere, op dat voetstuk, dat reeds bestond vóórdat er nog leven op aarde was, hebben zich de formaties afgezet, die gelijktijdig bestonden met het leven. De oorsprong van die sedimentlagen verschilt ten eenenmale van dien der vorige. Het zijn bezinksels en stoffen, die van andere plaatsen zijn aangebracht en die onafhankelijk zijn van de inwendige samenstelling der planeet. Regen, wind, zonnestralen, koude, ontleden langzamerhand alles wat daaraan is blootgesteld. Nauwelijks waren de eerste rotsachtige eilanden, die nog elken plantengroei misten, uit de wereldzee opgestegen, nauwelijks waren de eerste graniet- of gneissrotsen uit het water te voorschijn getreden, nauwelijks verhieven zich de eerste bergen in de lucht, of die verwering nam een aanvang. De regen gaf het aanzijn aan bronnen, de bronnen aan beken, de beken aan stroomen, en later aan de groote rivieren. De wateren verbrijzelden de steenen, en veranderden ze in keien en in zand. De zee, die aan de kusten knaagde, de vloed en de eb, veranderden tweemalen daags de grenzen en de vormen der kusten. Daardoor hebben de elementen der aardoppervlakte, meer of minder verdeeld, zich neergezet op den bodem van den oceaan, van de stroomen en de meren, alle overblijfselen met zich mede voerende, waarmede zij vermengd waren. Wij zeiden reeds, dat de verschillende sedimentformaties onderling zeer verschillen. Enkele zijn gevormd uit zeer fijn zand, dat zweefde in de kalme wateren, en dat zich zeer langzaam neerzette op eenen horizontalen bodem. Andere, als het zandsteen, zijn de vrucht van het samenkleven van zand met de ééne of andere bindende stof: men onderscheidt kwartszandsteen, ijzerzandsteen, leemzandsteen, kalkzandsteen enz. Nog andere, en deze worden bijna overal gevonden, zijn bezonken opeenhoopingen van keisteenen, kiezel, ijzeroxyde enz. door het water medegevoerd. Weer andere zijn kleiachtige afzetsels, of kalkformaties, bestaande uit koolzure kalk, en die zeer dikwijls uitsluitend ontstaan uit opeengehoopte schelpen. Daartoe behoort het krijt, een broos gesteente, dat bestaat uit eene verzameling van protozoën: men vindt daarin stukken van foraminiferen, met overblijfselen van polypen, stekelhuidigen, weekdieren, verbonden met kiezelrijke overblijfselen van straaldieren, sponsen en diatomeën. Sommige kalkformaties bestaan geheel en al uit eene opeenhooping van kleine schilden van zoetwaterschaaldieren. De kristallisatie der kalksteenen brengt het _marmer_ voort. Tripelaarde bestaat geheel uit diatomeën, mikroskopisch kleine kiezelrijke wieren, bacillen enz. De steenkool is eene sedimentformatie, bestaande uit overblijfselen van dicht opeengehoopte planten, onder eene verbazende drukking begraven. Die lagen hebben zich in volgorde op elkander gerangschikt. De overblijfselen van dieren en planten, die men er ontmoet, behoorden tot wezens, die leefden op de tijdstippen, waarop die lagen gevormd zijn, en die behoudens enkele uitzonderingen niet ver van de plaatsen leefden, waar men ze vindt; want groote verplaatsingen kunnen zij niet zonder nadeel weerstaan. Meesttijds is het lichaam bewaard gebleven door in de plaatstreding van andere moleculen, zoodat het geheel versteend is, en van de stof zelf niets is overgebleven, maar de vorm, zoowel in- als uitwendig, geheel is behouden gebleven. De bezinking groeit van boven aan, zoodat zij ouder is, naarmate zij dieper ligt. Terecht noemt men de oorspronkelijke gesteenten, graniet, gneiss, micaschiefer, die de kristallijnen stoffen voorstellen van de kern der aarde, toen deze nog gloeiend was en het leven ontbrak, _azoïsch_ (zonder leven), en de eerste sedimentformaties, die ontstaan zijn na de verdichting van het water, _paleozoïsch_ (oudste leven). De wetenschap der fossielen is nog jong. Eeuwen lang heeft men gestreden tegen de meening, als zouden die overblijfselen van dieren en planten werkelijk aan levende wezens behoord hebben. Men zeide, dat het spelingen der natuur waren, ontstaan onder den invloed der sterrenbeelden, de zon, maan en planeten, door eene geheimzinnige kracht, aan de aarde eigen. Eerst in de eerste helft der zestiende eeuw begonnen de geologische verschijnselen de aandacht te trekken. Toen ontbrandde een hevige strijd in Italië over den waren aard en den oorsprong der zeeschelpen en andere bewerktuigde versteeningen, die men in menigte in de formaties van dat land vindt. De beroemde schilder Leonardo de Vinci, die in zijne jeugd de plannen had gemaakt voor verscheidene bevaarbare kanalen in het noorden van Italië, die door hem werden uitgevoerd, was één der eersten, die op gezonde en logische wijze over dit onderwerp oordeelde. "Het slijk der rivieren," zoo sprak hij, "heeft de fossiele schelpen bedekt en is daar in binnengedrongen, toen zij nabij de kusten op den bodem der zee lagen. Men beweert, dat die schelpen gevormd zijn op de heuvels, onder den invloed der sterren, maar dan vraag ik, of men thans nog de sterren op de heuvels schelpen ziet vormen van verschillende tijden en soorten. Hoe zouden daarenboven de sterren den oorsprong van het grint kunnen verklaren, dat men op verschillende hoogten vindt, en dat bestaat uit keisteenen, die door de beweging van het stroomende water afgerond schijnen? Hoe eindelijk is op deze wijze op die heuvels de versteening te verklaren van de bladeren, de planten en de zeekrabben?" De opgravingen, in 1517 gedaan ten behoeve van de herstellingswerken van Verona, brachten een aantal merkwaardige versteeningen aan het licht en leverden aan verschillende schrijvers stof op voor bespiegelingen. Zoo zeide o.a. Frascatoro, dat de fossiele schelpen alle aan wezens hadden behoord, die moesten geleefd hebben op de plaatsen, waar men hunne overblijfselen gevonden had. Hij toonde aan, hoe dwaas het was, zijne toevlucht te nemen tot de "plastische kracht" der natuur, die het vermogen zoude gehad hebben, om organische vormen aan de steenen te geven, en bewees met tal van on wederlegbare bewijzen, dat het bespottelijk was, om de ligging der schelpen toe te schrijven aan den zondvloed, zooals sommigen volhielden. Doch deze verstandige denkbeelden werden niet begrepen, en drie eeuwen lang duurde de strijd voort, of de fossiele overblijfselen eertijds hadden toebehoord aan levende wezens, en of, als dit eenmaal vaststond, alle verschijnselen niet konden verklaard worden uit den zondvloed. Tot dien tijd toch meende men algemeen, dat sedert de schepping de zondvloed de eenige oorzaak was, dat eene belangrijke verandering op de oppervlakte der aarde had plaats gegrepen. Men vindt dan ook in de bespiegelingen der oude geologen overal toespelingen op den invloed van den zondvloed en op de spoedige nadering van den ondergang der wereld, die eerst reeds tegen het jaar 1000 voorspeld was. Wat den ouderdom der aarde betrof, bleef de meening der geleerden eeuwen lang ongewijzigd. De eerste poging, om door middel van natuurkundige bewijzen een zoo algemeen verspreid geloofsartikel af te breken, verwekte eene verbazende opschudding; maar door de verdraagzaamheid der Italiaansche geestelijkheid was het veroorloofd dat onderwerp volkomen vrij te bespreken. Zelfs de priesters namen deel aan het twistgeding en namen daarbij zelfs niet allen hetzelfde standpunt in. Te betreuren is het, dat dergelijke vraagpunten niet werden gesteld met het doel om de waarheid te zoeken, maar voornamelijk om de handigheid der stellers in het debat te doen uitkomen. Elke theorie, hoe dwaas ook, vond aanhangers, zoodra zij op het groote publiek indruk kon maken. Zoo verdedigde Mattioli, een uitnemend plantkundige, de stelling, dat eene vette zelfstandigheid, in gisting gebracht door de warmte, het aanzijn schonk aan fossiele organische vormen. En toch hadden hem zijne eigene waarnemingen geleerd, dat poreuze lichamen, zooals beenderen en schelpen, in steenen konden veranderen, daar zij doordringbaar waren voor wat hij het _versteenende sap_ noemde. Zoo beweerde Faloppio, van Padua, dat versteende schelpen door gisting ontstonden op de plaatsen waar men ze vindt, of dat zij in bepaalde gevallen hare vormen verkregen hadden door de beroeringen van aardsche uitwasemingen. Hoewel zelf een verdienstelijk hoogleeraar in de ontleedkunde, beweerde hij toch, dat sommige slagtanden van olifanten, in zijnen tijd opgegraven, niets anders waren dan verhardingen der aarde. Zoo beweerde men zelfs, dat de muntschelpen (nummuliten), in Egypte gevonden, linzen waren, door de Pharao's opgehoopt tot voedsel voor de slaven, die gebruikt werden voor den bouw der pyramiden! Eindelijk echter brak de waarheid door. Een eenvoudig pottenbakker, Bernard Palissy, neemt de natuur zelf waar en heeft den moed te Parijs te verkondigen, ten aanhoore van alle doctoren, dat de fossiele schelpen niets anders waren clan gewone schelpen, eertijds door de zee neergelegd op de plaatsen, waar zij gevonden werden, dat dieren, en vooral visschen aan de steenen hunne verschillende vormen gegeven hadden, en hij tartte de geheele Aristotelische school, zijne bewijzen te weerleggen. "En al vindt men steenen, met schelpen gevuld op de toppen der hoogste bergen," zoo sprak hij, "daarom meene men niet, dat de schelpen gevormd zijn op zoodanige vreemde wijze, als sommigen meenen. Geen enkele steen kan den vorm van eene schelp of van een dier aannemen, als niet het dier zelf dien vorm gebouwd heeft. Vóórdat dus die schelpen versteend waren, leefden de visschen, die ze gevormd hebben, in het water, en de visschen en het water zijn gelijktijdig versteend." Toch bleef men twijfelen. Hoewel reeds Steno in 1669 eene verklaring gegeven had van de sedimentformaties en de fossielen, twijfelen Fontenelle, Buffon en anderen nog aan den aard der fossielen, en hebben zij geen denkbeeld van de wijze van ontstaan der sedimentformaties. Doch langzamerhand trekt het geheimzinnig waas weg, dat altijd de fossielen bedekt had. De onderzoekingen van Steno, Pallas, Saussure, Werner, Deluc, Hutton, Playfair, Smith, Humboldt, Cuvier, Lyell, Elie de Beaumont en anderen verhieven de leer der fossielen tot de positieve wetenschap, die een belangrijk onderdeel der aardkunde uitmaakt. Cuvier was in waarheid de schepper der _paleontologie_. Na hem durfde niemand meer te twijfelen aan het wezen der fossielen, en moest iedereen erkennen, dat zij de overblijfselen waren van dieren en planten, die geleefd hadden in eenen tijd, toen de mensch nog niet op aarde verschenen was, en die bewaard gebleven waren in de sedimentformaties, die zich achtereenvolgens hadden afgezet. Toch had reeds Ovidius geschreven: Vidi, ego, quod fuerat quondam solidissima tellus Esse fretum; vidi factas ex æquore terras; Et procul a pelago conchæ jacuere marinæ Et vetus inventa est in montibus anchora summis. [7] Maar de waarheid breekt eerst langzamerhand baan; het oog gewent eerst geleidelijk aan het licht. Naar aanleiding van dit overzicht is het niet van belang ontbloot, op te merken, hoe groote geesten eenen eigenaardigen luister geven aan ieder onderwerp, door hen behandeld. Somtijds wel breiden zij hunnen horizon zóózeer uit, dat zij het doel nooit bereiken, maar op hunnen weg vinden zij eenen zóó ruimen oogst, dat die oogst, oorspronkelijk bijzaak, zóó belangrijk is, dat deze hoofdzaak wordt. Zoo werd aan Leibnitz in 1680 door hertog Ernst August van Brunswijk opgedragen, de geschiedenis van het huis van Hannover en het hertogdom Brunswijk te schrijven, en hij wilde die geschiedenis beginnen met die van den bodem zelf; zoo kwam hij tot dien van den geheelen aardbodem. Aldus ontstond zijn geschrift over de vormingen en omwentelingen van den aardbodem, als inleiding tot de geschiedenis van Hannover.... en kwam hij zelfs niet tot aan den zondvloed. Toch is dit boekje onvergelijkelijk belangrijker dan de geschiedenis eener dynastie van hertogen, of keizers, en zoo was Leibnitz zijnen tijd twee eeuwen vooruit. Doch keeren wij tot ons onderwerp terug. De oudste sedimentformaties zijn die, welke op de oorspronkelijke gesteenten rusten. Zij zijn de bezinkingen in de azoïsche periode en kunnen in drie lagen verdeeld worden. Zij hebben haren oorspronkelijken horizontalen vorm niet behouden, maar zijn door verschillende oorzaken telkens veel vervormd geworden. De doorsnede van den aardbol in figuur 60 is dan ook meer theoretisch, dan dat zij in werkelijkheid zoo bestaat. De diepste formatie heet _de Laurentische_. Zij is haren naam verschuldigd aan de opgravingen oan de Sint-Laurensrivier in Canada; de tweede formatie, _de Cambrische_, heet naar Wales (Cambria) in Engeland, waar die lagen bijzonder bestudeerd zijn; de derde, _de Silurische_, heet naar de Celtische volksstam de Siluriërs, die in Shropshire woonden tijdens den inval der Romeinen in Engeland, waar die sedimentformaties zeer verspreid zijn. De betrekkelijke dikte dier drie lagen kan een denkbeeld geven van de verhouding van den duur der perioden, waarin zij gevormd zijn. De Laurentische formatie is negen kilometers dik, de Cambrische zes kilometers, de Silurische acht kilometers, te zamen dus 23 kilometers, geheel gevormd door de bezinking in de zee. Alle nieuwere formaties, op de andere gelegen, en behoorende tot de volgende perioden, de primaire, secundaire, tertiaire en quaternaire periode, zijn slechts 20 kilometers dik. Hieruit volgt reeds, dat de azoïsche periode langer geduurd heeft dan de vier nieuwere perioden te zamen. Uit de waarnemingen van den tijd, dien regen en wind noodig hebben om de boven het water uitstekende deelen der aarde te verweren, van den tijd, waarin de stroomen en rivieren de ontlede stoffen naar zee voeren, en waarin de in het water zwevende stoffen bezinken, kan men zich bij benadering een denkbeeld vormen van den duur dier praehistorische tijden. Ons leven is zóó kort, de geschiedenis der volken gaat zóó snel voort, dat wij steeds de neiging hebben, de werken der natuur terug te brengen tot de schaal van onzen mikrokosmos, en daar ééne eeuw ons zeer lang toeschijnt, meenen wij ook, dat dit werkelijk ook voor de natuur eene lange periode is. Maar de studie van het heelal en zijne bewegingen en vervormingen leert ons, dat in de geschiedenis van het heelal de eeuwen minder zijn dan secunden in ons leven. Toch nemen wij als grondslag voor onze redeneering eene nauwe doch voor ons te bevatten grens aan. Onze historische herinnering is zóó kort, dat indien wij voor het quaternaire tijdperk, het tijdperk, waarin de mensch leefde, honderdduizend jaren nemen, wij vreezen te overdrijven, en toch is het zeker, dat dit cijfer beneden de werkelijkheid is. De menschheid heeft reeds onmetelijke tijden bestaan, vóórdat de geschiedenis begon, vóórdat zij kon spreken en schrijven, vóórdat zij zich vereenigde tot volken. Doch nemen wij als grondslag voor de tegenwoordige periode sedert den oorsprong der menschheid honderdduizend jaren aan. In dat geval heeft de tertiaire periode 460 000 jaren, de secundaire 2 300 000 jaren, de primaire periode 6  420 000 jaren, de azoïsche periode 10 720 000 jaren geduurd, zooals blijkt uit de volgende tabel: Verhouding van de dichtheid der lagen en minimumduur der perioden: Dikte. Verhouding. Duur. (100 000 jaren voor de quaternaire periode gerekend). Azoïsche periode. 23 000 Meters 53,6 10 720 000 jaren. Primaire periode. 14 000 Meters 32,1 6 420 000 jaren. Secundaire periode. 5 000 Meters 11,5 2 300 000 jaren. Tertiaire periode. 1 000 Meters 2,3 460 000 jaren. Quaternaire periode. 200 Meters 0,5 102 000 jaren. 43 200 Meters 100 20 002 000 jaren. [8] Wij hebben als grondslag voor deze getallen de gegevens van Haeckel omtrent de dikte der formaties genomen. De cijfers, door verschillende geologen gegeven, wijken in enkele opzichten af, maar het eindresultaat blijft ongeveer hetzelfde. Laat ons thans de azoïsche periode wat nader beschouwen en de sporen van planten en dieren onderzoeken, die men daarin aantreft. De azoïsche periode wordt in de aardkunde vertegenwoordigd door drie formaties, die in de volgorde harer vorming op elkander liggen en de volgende betrekkelijke dikte hebben: Formaties. Dikte. Azoïsche periode laurentisch 9 000 Meters, cambrisch 6 000 Meters, silurisch 8 000 Meters. In de laurentische formatie heeft men tot nu toe niets met volkomen zekerheid gevonden. Verscheidene geologen, vooral Dawson en Carpenter, meenden, dat die lagen in Canada bestonden uit organische overblijfselen; men heeft aan die gesteenten den naam gegeven van _Eozoön Canadense_ (organisme van den dageraad). Men meent diezelfde organismen ook gevonden te hebben in Ierland, Zweden, Boheme en Beieren. Hoewel nu het bestaan van die organismen niet volkomen zeker is, zoo staat het toch vast, dat de eerste organismen in die periode gevormd zijn. Wij mogen dus aannemen, dat wij op den drempel staan van het gebouw des levens. Daar de geologische onderzoekingen zich nog nauwelijks uitstrekken over het duizendste deel van de oppervlakte der aarde, zoo is het niet vreemd, dat men zoo weinig fossielen gevonden heeft, behoorende tot de eerste tijden van het leven op aarde; daarenboven zijn die oorspronkelijke formaties zóózeer verhit en zóózeer gewijzigd door de inwendige warmte der aarde, dat de groote meerderheid van de overblijfselen van levende wezens onder die omstandigheden verwoest zijn. Toch behoeft men niet te wanhopen, dat er meer bewijsstukken voor den dag zullen komen, naarmate de geologen hun onderzoek verder zullen uitstrekken, en dat zij met zekerheid zullen aantoonen, dat het leven begonnen is in de Laurentische periode. Het is niet overbodig, hierbij op te merken, dat de eerste geleiachtige organismen nog niet genoeg vastheid bezaten, om te versteenen; hunne omzetting en bewaring zouden ten minste moeten plaats gegrepen hebben onder zeer moeilijk te verwezenlijken omstandigheden, zoodat het niet vreemd is, dat de bewijsstukken voor het bestaan van organische lichamen zeldzamer worden, naarmate de lagen ouder zijn. Die laurentische laag vertegenwoordigt eene langdurige periode van bezinking op den bodem der wateren; zij is immers negen kilometers dik. De laagste schatting geeft voor die periode eenen duur van verscheidene _millioenen_ jaren. Die rekening kan niet volkomen nauwkeurig zijn, daar die bezinking sneller of langzamer plaats vindt naar gelang van den afstand tot de kusten, van de diepte van het water en van de rijzingen en de dalingen van den bodem. In de aardkunde is men lang niet op zulk een bekend terrein als in de sterrenkunde. De eerste _zekere_ sporen van organische wezens zijn in de cambrische lagen gevonden, hoofdzakelijk in Engeland en Zweden. Het zijn afdruksels van zeer laag staande zeeplanten en zeedieren, wieren, ringwormen, weekdieren, sponsen, polypen, zeeëgels. Bij het aanschouwen van die eerste afdruksels aarzelt men te beslissen, of het wieren of buizen van ringwormen zijn, ja zelfs of het misschien strepen zijn van zuiver levenlooze voorwerpen, door de golven voortbewogen langs den slibbigen bodem. Alles schijnt geheimzinnig, en toch gevoelt men, dat men die niet te ontcijferen teekens niet aan het toeval kan toeschrijven, en dat men daar de sporen van de eerste planten en de eerste dieren vóór zich heeft. De raadselachtige wezens der oude zeeën, de _bilobieten_, de _gyrolithen_, de _vexilleën_, die men versteend in de oudste formaties, voornamelijk in de silurische vindt, en waarin enkele geologen en natuurkundigen slechts versteende sporen zien van voetstappen van dieren, zijn naar de uitstekende onderzoekingen van den markies de Saporta werkelijke organismen, die wel zeer laag staan, doch het karakter vertoonen van planten en de voorouders zijn der wieren. Men mag aannemen, dat die eerste zeeplanten, hetzij plat liggende, hetzij schuin geplaatst tegen den bodem der zee, op het slijk elkander kruisende hoopen vormden, als het ware om elkander kruipende koloniën. Evenals men het meest vaatcryptogamen vindt onder de eerste planten op aarde; evenals men de kraakbeenige visschen ziet optreden vóór de andere; evenals men kan nagaan, dat de kruipende dieren de overige gewervelde dieren, door longen ademend, zijn voorafgegaan, en de buideldieren de overige levend barende gewervelde dieren, zoo moeten op den bodem der oude zeeën de ééncellige wieren als oudste plantenvormen zijn voorgekomen. De wieren worden reeds spoedig zóó talrijk, dat men somtijds de azoïsche periode het wierentijdperk noemt. Zijn het planten? Zij zijn nog weinig ontwikkeld. Enkele draden gaan uit van een centraal punt (fig. 68). Zoodra verscheidene van die planten zich vereenigen, vormt zich eene soort van weefsel, eene soort van kleverig slijk, dat half-doorschijnend is en onder den mikroskoop gezien zich verdeelt in eene menigte voor het bloote oog onzichtbare draden. Het zeegras, dat de zee nog thans in groote hoeveelheid bevat, is veel steviger. Nog altijd zijn het aaneengestrengelde, wortellooze cellen, maar die door hare opeenhooping in zee een zóó dicht weefsel vormen, dat een schip somtijds moeite heeft er door heen te komen. Die eerste planten zijn bijzonder eenvoudig. Het zijn als het ware niets anders dan platte buizen, zonder bladeren, zonder bloemen en zonder vruchten. Zij leefden en ontwikkelden zich in het lauwe water der oorspronkelijke zeeën. Er was nog geen vast land; nauwelijks begonnen enkele eilanden te voorschijn te treden uit de wateren. Er waren toen noch seizoenen, noch klimaten, daar de aardschors nog warmer was dan de temperatuur, die zij van de zon kon verkrijgen; de levensvoorwaarden waren aan de pool dezelfde als aan den evenaar. Zelfs gaven de getijden, die het sterkst waren in de richting van zon en maan, aan de streken, die wij thans de tropen noemen, eene beweging, die naar de polen afnam. De poolstreken waren dus uit dat oogpunt meer bevoorrecht dan de keerkringen, te meer waar diezelfde aantrekking van zon en maan, die met meer kracht werkte op de vloeibare kern aan den evenaar dan aan de poolstreken, de aardschors aan den evenaar minder vastheid gaf. De eerste levende organismen moeten zich dus gevormd hebben in de rustige poolstreken, die toen door eene reusachtige zon verlicht werden. Het is zelfs hoogst waarschijnlijk, dat de zon zich gedurende de laurentische periode, waarin het leven zijne intrede op aarde gedaan heeft, nog niet ver binnen de loopbaan van Venus verdicht had. Het is te verwachten, dat men de _eerste_ organismen, hetzij planten, hetzij dieren, nog niet gevonden heeft, en dat men die vinden zal in de nog niet onderzochte laurentische lagen. De eerste dieren zijn eveneens zeedieren. Men heeft in de cambrische gesteenten ringwormen gevonden, die evenzeer gelijken op voortbrengselen van het plantenrijk als van het dierenrijk: het zijn niets anders dan gelede buizen, die in het water drijven. Ook vindt men in grooten getale _graptolithen_, eenvoudige polypen, bestaande uit getande en samengerolde buizen, _monograpten_, _rastriten_, _phyllograpten_. Het zijn eenvoudige protozoën, verzamelingen van aan elkander vastgehechte vakken. Zij zijn het begin der polypen, en men verbaast er zich over, dat het leven zoo vreemdsoortige vormen heeft kunnen aannemen. Dezelfde lagen bevatten ook kleine schelpen, waaraan men den naam van _lingulae_ gegeven heeft (de eerste armpootige weekdieren) en mosdieren, opgesloten in cellen. Reeds hebben de cambrische lagen een vijftigtal soorten van planten en dieren opgeleverd, waaronder in de eerste plaats voorkomen ééncellige wieren, ringwormen, armpootigen, sponsen en polypen. In de silurische lagen vormen de graptolithen en trilobieten de meerderheid. Eene menigte nieuwe wezens treedt immers op en verspreidt zich wijd en zijd: het zijn schaaldieren, bekend onder den naam van _trilobieten_, en die reeds sedert langen tijd zijn uitgestorven: zij zijn verdwenen in de steenkoolperiode, millioenen jaren geleden. De trilobieten kwamen in menigte voor in de oorspronkelijke zeeën, en men vindt ze gemakkelijk, indien men er eenige uren naar zoekt op klippen of in bergtunnels in de terreinen, die ze bevatten. Zij zijn zeer verspreid in Maine-et-Loire, en in de silurische lagen van de mijngroeven van Trélazé bij Angers. Uit dezen tijd dagteekent ook de koraalpolyp, die zulk eene belangrijke rol gespeeld heeft bij de vorming der aarde, en wier eeuwenoude koloniën groote eilanden hebben gevormd. Onder de plantdieren vindt men de peervormige hemicosmiten, stekelhuidigen, zeekomkommers (holothuriën). Nauwelijks verdienen die wezens den naam van dieren. Verscheidene hebben nog geen kop en kunnen zich niet bewegen, evenals de oesters, wier voorvaderen men daaronder vindt; andere hebben eene soort van kop en een begin van een spijsverteringskanaal; maar het voedsel wordt door dezelfde opening ingebracht en verwijderd, evenals bij de stekelhuidigen; nog andere, zooals de wormen, hebben een begin van bewerktuiging, hoewel de meeste zintuigen nog afwezig zijn en zij zich alleen kruipend kunnen voortbewegen, door hunne ringen beurtelings in te trekken en uit te rekken. Deze azoïsche periode heeft, zooals wij zagen, millioenen jaren geduurd. Gedurende dien langen tijd vertoonden de eerste diersoorten, hoe laag zij ook stonden, reeds sporen van vooruitgang. Wel is er nog geen enkel gewerveld dier en bestonden er zelfs nog geene insecten, visschen, kruipende dieren, vogels of zoogdieren. Maar onder de ongewervelde dieren is er vooruitgang. Wij hebben niet meer alleen het oorspronkelijke protoplasma en de platen gelei, die in het water drijven, en de eenvoudige cellengroepen, de wieren en de ringwormen. De trilobieten hebben reeds eenen kop, eenen staart en waarschijnlijk pooten, de laatste echter tenger en dun, want zij zijn niet versteend; op den kop vindt men de sporen van oogen. Het zijn de eerste oogen, die op onze aarde bestaan hebben, nog niet ontwikkeld en nauwelijks waard dien naam te dragen, maar reeds vinden wij oogzenuw en netvlies. Die oorspronkelijke _arthropoden_, (gelede dieren) veel lager staande dan onze krabben en kreeften, nemen de voornaamste plaats in onder de zeedieren der silurische periode; het aantal soorten en families neemt eerst verbazend toe, doch plotseling verdwijnen zij tijdens de steenkoolperiode, en thans worden zij nauwelijks vertegenwoordigd door den limulus. Men heeft nog twee andere schaaldieren gevonden, die betrekkelijk even hoog staan op den trap der ontwikkeling, den pterygotus bilobus, en den eurypterus remipes; ook deze hadden eenen kop, waarin oogen aanwezig waren, en misschien waren zij de eerste zoetwaterdieren. Het zoetwater, uit den regen ontstaan, ontstond tegelijk met de bergen, de bronnen en de eerste rivieren. In de silurische periode werden de schaaldieren nog door andere soorten vertegenwoordigd. Behalve alle soorten van trilobieten vond men de _dalmaniten_, den _trinucleus_ enz.; behalve den _pterygotus_ en den _eurypterus_, zou men nog den peltocaris, den ceratiocaris, de aristozoë, de beyrichia e.a. kunnen noemen. Maar wij schrijven geen leerboek over paleontologie en mogen dus de hoofdtrekken van de geschiedenis der aarde niet vergeten, door in de bijzonderheden te verdwalen. Toch moeten wij nog opmerken, dat in het tweede gedeelte dezer periode de koppootigen eene verbazende uitbreiding verkrijgen: men vindt meer dan 1600 soorten dier dieren, waaronder de Nautiliden belangrijk zijn. Enkele dezer (o.a. orthoceras) zijn tot twee meters lang. De vinpootigen, (pteropoda) buikpootigen en armpootigen zijn zeer talrijk, wij geven in nevensgaande teekening enkele typen (fig. 78). Ook vindt men polypen, sponsen en medusen. De stekelhuidigen worden vertegenwoordigd door de crinoïden, (zeeleliën) merkwaardige wezens, waarvan de meeste door eenen buigzamen, rechten steel aan den grond verbonden zijn. Die steel bestaat uit een groot aantal op elkander gestapelde schijven en hoewel oorspronkelijk kort, heeft hij tijdens de juraperiode eene groote ontwikkeling verkregen. Fig. 79 geeft twee merkwaardige typen, den ichthyocrinus uit de silurische periode en den apiocrinus uit de juraperiode. De versteende zeeleliën alleen vormen somtijds reeds uitgebreide steenlagen; in de oorspronkelijke zeeën waren zij buitengewoon talrijk en bekleedden zij den bodem der zee met prachtige levende weilanden. Bijna alle zeeleliën uit dien tijd waren aan den bodem vastgehecht: een lange, buigzame, gelede steel droeg eenen bundel eveneens gelede aanhangsels, die dikwijls nog tot in het oneindige vertakt waren en die zich boven den steel uitspreidden als de bladeren van enkele palmen, of die tegen elkander sloten en ineengerold waren als de bloembladeren van eene slapende bloem. Enkele zeeleliën waren meer dan een meter lang; de steel van sommige Pentacrinen was meer dan vijftig voet lang. De geschiedenis der zeeleliën begint tegelijk met de geschiedenis der aarde. De eerste rudimentaire vormen zijn verwant met die, waaruit de holothuriën, de encriniden en de zeesterren ontstaan zijn. Nadat zij gedurende de secundaire periode een tijdperk van buitengewonen bloei gehad hadden, zijn de zeeleliën in de volgende perioden langzaam achteruitgegaan; toch vindt men thans nog enkele soorten, zooals de comatuliden, de pentacriniden, de bathycriniden e.a. De zeeleliën leven op groote diepten: de Pentacrinus Caput Medusae op 400 tot 500 Meters onder den waterspiegel, de Rhyzocrinus Lafotensis op 160 tot 1500 Meters, de Bathycrinus gracilis op 4000 Meters. Op die diepten, waar de storm niet meer woedt, waar de veranderingen in temperatuur niet meer gevoeld worden, waar de zon nauwelijks hare stralen werpen kan, waar alleen phosphoresceerende wezens eenen flauwen lichtschijn verspreiden, is het leven niet meer onderworpen aan de zoo veranderlijke omstandigheden, die daarop aan de oppervlakte van invloed zijn. Het is dan ook in de diepte der wateren, dat de wezens zijn blijven voortleven onder die omstandigheden, waaronder zij oorspronkelijk optraden. De moeilijkheid om de bewoners dier donkere afgronden te bereiken heeft ze langen tijd aan onze nasporing onttrokken, doch thans weet men, dank zij vooral de onderzoekingen van Agassiz en zijne leerlingen, dat zij zeer talrijk zijn, en dat de pentacriniden den bodem der zee bedekken met eene nieuwe soort van leven. Zij zijn in de millioenen jaren van hun bestaan weinig veranderd, omdat de voorwaarden van het leven op die diepte weinig gewijzigd zijn. Alleen die wezens, die in de nabijheid der kusten of de oppervlakte langzamerhand zijn gaan leven in eene andere middenstof, en van waterdieren landdieren geworden zijn, kunnen zich wijzigen. Konden zij zich niet in de gewijzigde levensvoorwaarden schikken, dan zijn zij verdwenen. Gelijktijdig met de stekelhuidigen komen in de silurische periode de weekdieren en de schaaldieren in grooten getale voor. De trilobieten en de nautiliden met eenen reeds gevormden en tamelijk volkomen kop hebben de overhand. De vooruitgang neemt steeds toe. De eerste visschen verschijnen in het water op het einde dier periode, bij den overgang tot de devonische periode, en op de uit de zee verrezen eilanden, die reeds met planten, voornamelijk met wolfsklauwen bedekt zijn, zullen gelijktijdig de eerste dieren, in de lucht ademend, verschijnen, in de gedaante van schorpioenen. Door opheffingen van de aardschors zijn de cambrische en silurische lagen op verschillende punten van Europa bloot geraakt en daardoor het voorwerp geworden van belangrijke onderzoekingen. In Engeland is de cambrische laag meer dan 6000 Meters dik en de silurische 8000 Meters. In Zweden daarentegen is de silurische laag slechts 600 Meters dik. In Bohemen daarentegen is zij gelegen tusschen eruptiefgesteenten. Opmerkelijk is het, dat dezelfde levende wezens, thans versteend, gelijktijdig verschenen zijn in alle silurische formaties. Dezelfde soorten worden gevonden in Zweden, Engeland, Boheme, de Vereenigde Staten, de Kaap de Goede Hoop en in Barrowstraat en Melville-eiland op 76° noorderbreedte; enkele soorten, zooals graptolithus Murchisonii e.a. komen voor op plaatsen, die aan verschillende uiteinden van de middellijn der aarde gelegen zijn. Overal heerschte dezelfde temperatuur. Zelden zijn de silurische lagen horizontaal. Zij hebben alle rijzingen en dalingen medegemaakt, die in de aardschors sedert dien tijd hebben plaats gevonden; men heeft hare fossielen in de Andes in Amerika gevonden op 5000 Meters hoogte. Gedurende die langdurige azoïsche periode strekken de zeeën zich bijna over de geheele aarde uit. Bijna geheel Europa b.v. van Spanje tot aan het Ural-gebergte lag onder water. Een deel van Bretagne stak boven water uit, zoo ook Auvergne, de Alpen, de Jura en enkele eilanden in de Pyreneën; maar de plaatsen, waar Parijs, Rouaan, Havre, Orleans, Bordeaux, Marseille, Nizza, Turin, Genève, Brussel gelegen zijn, lagen toen nog onder de golven der silurische zee. Brest, Nantes, Autun waren reeds uit de wateren te voorschijn getreden. IJsland, gevormd uit eruptiefgesteenten der azoïsche periode, Lapland, Finland, een deel van Zweden en Noorwegen, een deel van Schotland en Ierland, van Spanje, Zwitserland, Corsica, Sardinië, Boheme, Turkije, staken boven de zee uit; maar Londen, Amsterdam, Parijs, Madrid, Petersburg lagen op den bodem van den Oceaan, en daarboven bewogen zich in de wateren onze plantaardige en dierlijke voorouders der silurische periode, die het vruchtbare werk van het toekomstige leven voorbereidden. Hoe welsprekend is dit schouwpel voor hem, die het kan bevatten! Op den eersten oogopslag doet het ons den betrekkelijken ouderdom der bergen kennen. De Alpen zijn ouder dan de Pyreneën. Toen de Mont-Blanc, de Sint-Gothard, de Jungfrau reeds hunne kruinen boven de wolken verhieven, rustten de Pyreneën nog op den bodem van het water; zij zijn de dochters der secundaire periode en millioenen jaren jonger dan de Alpen. Toen verhieven zich slechts enkele toppen der Pyreneën als kleine eilanden, boven de golven; maar het water stroomde vrij door den archipel, en Spanje was nog evenmin scherp begrensd als Frankrijk. De Middellandsche zee bestond evenmin als de Caspische, de Zwarte zee, de Baltische zee of het Kanaal: ééne enkele wereldzee strekte zich over den aardbol uit. De Alpen waren waarschijnlijk veel hooger dan nu; zij schijnen ten minste weder gezakt te zijn, en zelfs verscheidene malen te zijn gestegen en gedaald. In die zeeën heerschten de phalangieten (bastaardspinnen) en tallooze trilobieten. Gewapend met zijn drielobbig schild, was dit het eerste schaaldier, dat zich vrij durfde bewegen, andere plaatsen durfde opzoeken en nieuwe kusten tot woonplaats durfde te kiezen. Het was ook het eerste dier, dat oogen had, geschikt om te zien. Vóór dien tijd werd ieder wezen blind geboren en bleef het blind, alsof de vormelooze natuur zich schaamde voor hare omgeving. Tot nu toe konden de dieren alleen licht en duisternis, dag en nacht onderscheiden, zij konden de plaats, die zij innamen, alleen voelen en niet zien. Doch nu treedt de trilobiet op; hij heeft een werkelijk gezichtsorgaan, niet langer in rudimentairen toestand. En wat zag dat eerste oog, met bulten overdekt? Kleine drijvende weekdieren, nog geen visschen, of kruipende of gewervelde dieren, maar tallooze plantdieren, koralen, zeeleliën, zeesterren. Om zijne vijanden te ontkomen, rolde hij zich tot eenen bal samen en liet hij zich door den Oceaan medevoeren. Hij zal lang genoeg leven, om eindelijk het bijna volkomen gevormde oog der koppootige weekdieren te aanschouwen; het geheele gezichtsorgaan heeft zich ontwikkeld en geleidelijk volmaakt, van de gekleurde stip der _zoänthariën_ tot aan de groote oogen der _ammonieten_ en _belemnieten_. De levende natuur is niet langer blind. De trilobiet, de voorvader der schaaldieren, was ook een der eerste wezens, die van de zich ontwikkelende aarde verdwenen. Zijn schild met drie lobben heeft hem niet kunnen beschermen tegen den tand des tijds; hij verkondigt de veranderlijkheid der vormen, die zich evenals de aarde voortdurend wijzigen; hij verkondigt, hoe niet alleen individuen, maar ook soorten en geslachten sterven. Geen schepsel heeft zich nog buiten de lauwe wateren gewaagd; hier en daar werpen de stormen eene ontwortelde wier, eene tweekleppige schelp op de kust, doch deze worden weder door de golven medegevoerd en aan den Oceaan teruggegeven. Geen wezen heeft nog gepoogd op het vaste land te leven; geen enkele getuige heeft nog het hoofd boven de zee durven uitsteken en het heelal durven aanschouwen: alleen de wateren zijn bewoond. Verheffend denkbeeld! De menschen, die ons zijn voorgegaan, kenden slechts de bewerktuigde wezens van hunnen tijd, zonder te vermoeden, dat er ooit andere bestaan hebben. Hun horizon beperkte zich tot de tegenwoordige natuur. Zij vermoedden niet, dat er eene zichtbare, versteende eeuwigheid achter hen lag. Of indien zij vermoedden, dat ooit andere vormen op de aarde bestaan hadden, waren het voor hen chimaeren, centauren en dergelijke monsters, door de verbeelding gewrocht. De sterrenkunde deed ons de _ruimte_, de aardkunde, den _tijd_ kennen. Doch zie! Daar leeren wij een nieuw heelal kennen. Voor ons opent zich een onmetelijk verleden, bewoond met schepselen, waarvan wij geen denkbeeld hadden. De visioenen der dichters en profeten zijn door de werkelijkheid overtroffen. Zij nemen voor ons een' vorm aan en heeten pterodactylen (vleugelvingerigen), plesiosauren, dinotheriums enz. "Welk eenen invloed," zegt Edgard Quinet, "moeten dergelijke veranderingen in onze beschouwingen, een zoodanige rijkdom, bij den reeds aanwezigen rijkdom gevoegd, de gift van eene geheel nieuwe natuur, in den dood bewaard, uitgeoefend hebben op onze voorstellingen van leven en dood, van het heden en de toekomst, van onze plaats aan de spits der bewerktuigde schepselen! Indien de kruipende dieren in het secundaire tijdperk hadden kunnen spreken, dan zouden zij gezegd hebben: Wij zijn de koningen der schepping. Geen wezen staat boven ons, niemand dan wij is in staat te kruipen. Tevergeefs tracht een troep lagere wezens, straaldieren, weekdieren, visschen zich met ons te meten. Het kruipende dier is het uitverkoren schepsel, de goddelijke vorm; met hem eindigt de wereld haren vooruitgang en hij is de kroon der schepping. "Indien de groote zoogdieren van het tertraire tijdperk hunne stem hadden doen hooren, dan zouden zij gezegd hebben: Het heelal heeft eenen stap voorwaarts gedaan, wij staan op de hoogste trede der ontwikkeling. Hoe is het mogelijk, dat de kruipende dieren ooit hebben kunnen gelooven, dat met hen de wereld voltooid was. Zij zijn in staat op den buik voor te gaan; maar wij hebben het hoofd opgeheven. Wij zijn de wettige heerschers, hoe kunnen er nog hooger bewerktuigde wezens bestaan? Al die overgangsvormen, die zich oefenden tot het leven, ontwikkelden zich geleidelijk tot onze gedaante. Maar wij hebben het eindpunt bereikt, zonder vrees, dat ooit eenig ander wezen ons van onzen troon verjaagt; wij kunnen van eeuw tot eeuw rustig de aarde afweiden en ons onderling verscheuren. "Doch zie! Daar begint het quaternaire tijdstip; de mensch verschijnt en zegt: Tot nu toe heeft iedereen zich vergist, wij alleen niet. De kruipende dieren geloofden aan de goddelijke heerschappij der kruipende dieren, de zoogdieren aan die der zoogdieren. Dwaling, vermetelheid van het lagere volk der schepping. Ik alleen ben de wettige heerscher. Om voor mij plaats te maken, zijn al die koningen van éénen dag ter aarde gestort, van de trilobieten en de koninklijke ammonieten tot de groote gewervelde dieren. Ik alleen ben de heerscher, in wien het leven zijnen volmaaktsten vorm heeft verkregen; of juister gezegd, er is geene enkele schakel tusschen de vroegere vormen en den mijnen. Het heelal is voltooid, de tijden zijn vervuld. In mij heeft God zich uitgeput, ik ben de laatste zoon van zijnen ouderdom. "Dat gezichtspunt is dagelijks moeilijker vol te houden; zoo talrijke organische dynastiën moeten den mensch eindelijk overtuigen, dat hij zelf eene soort van ééne dag is, en dat het oogenblik komen zal, waarop ook hij zal worden onttroond. "Wanneer ik dien langzamen vooruitgang zie, van den trilobiet, den eersten verbaasden getuige van de wordende wereld tot aan het menschengeslacht, dan is het mij onmogelijk, te gelooven, dat de opklimming bij mij eindigt en dat die oneindige arbeid zich niet verder uitstrekt dan tot den horizon, dien ik overzie. Dan kan ik mij niet langer tevreden stellen met wat ik ben. Dan verlang ook ik vleugelen en schep ik mij in mijne verbeelding toekomstige, nu nog onbekende rijen van vormen en wezens, die mij in kracht en in licht evenveel zullen overtreffen, als ik uitmunt boven het eerste wezen, in de oude wereldzee geschapen. Dan kan ik mij dat wonder van hoogmoed en nederigheid verklaren, mensch genoemd; hoogmoedig tegenover de vroegere wezens, die langzaam tot hem opklimmen; maar nederig tegenover de hoogere wezens, waarvan hij de kiem in zich omdraagt en waarvan hij de hoogere aspiraties in zich voelt. [9]" Langzaam en regelmatig groeit en ontwikkelt zich de boom des levens. De ontwikkeling van het plantenrijk loopt evenwijdig met die van het dierenrijk. De oudste planten zijn de laagste zeeplanten, evenals de oudste dieren zeedieren waren. Opmerkelijk is het, dat planten- en dierenrijk ontwikkeld zijn in de volgorde, door de physiologie aangegeven: dit is een belangrijk en tevens onwederlegbaar feit. Indien de gesteenten, in de laurentische, cambrische en silurische lagen bewaard gebleven, ons hoogere planten, boomen, bloemen of vruchten hadden leeren kennen, aan de onze gelijk, dan had men grond gehad, de beginselen in dit boek neergelegd te bestrijden. Maar beide rijken hebben nauwkeurig den weg gevolgd, dien onze lezers bij deze onderzoekingen hebben leeren kennen. De eenvoudigste planten, de cryptogamen, zijn de oudste; men vindt deze alleen in de geologische lagen der azoïsche periode; de meer volkomen planten, de phanerogamen zijn eerst veel later ten tooneele verschenen. De cryptogamen zijn in de geschiedenis der planeet evenals in de plantenphysiologie, de oorsprong en het uitgangspunt van alle planten. Aan den oorsprong van alle planten ontmoeten wij het vormelooze protoplasma, dat echter reeds de kenmerken van het leven bezit. Het is dezelfde stof, waaruit ook de eerste dieren bestaan, en in de meest volmaakte plant vindt men nog de herinnering aan dien toestand terug. Binnen de plantencellen trekt het protoplasma zich samen en ademt het, zooals de dierlijke stof. De vleeschetende planten herinneren ons aan dien toestand, evenzeer als het kruidje-roer-mij-niet, dat den invloed van verdoovende middelen ondervindt. De eerste planten, de ééncellige wieren, de paddestoelen, de korstmossen, zijn slechts opeenhoopingen van protoplasmacellen. Terecht heeft men aan de azoïsche periode den naam van de periode der wieren gegeven, want spoedig hebben zij zich in de oorspronkelijke zeeën verspreid, en het zijn ook de eerste planten, die zich aan de kusten een weinig gewijzigd hebben, om zonder veel water te kunnen leven of zelfs in vochtige lucht. Die wieren, welke op den bodem van het water gebleven zijn, onder ongewijzigde omstandigheden, behoefden zich niet te vervormen, en zooals zij dan ook voor millioenen jaren bestonden, zoo vinden wij ze nog heden terug. Die eerste planten (_protophyten_) vertoonen echter op het einde der silurische periode eene groote verscheidenheid van vormen en afmetingen. Bij de vroeger genoemde soorten kan men nog voegen de _crossochorda_, in de lagere silurische lagen van Schotland en Bagnols (département de l'Orne) gevonden, die uit niets anders bestaat dan uit dooreengestrengelde buizen; de _arthrophycus_, op alle diepten der silurische formatie, de _eophyton_ en vooral de belangrijke groep der _Chondriten_, die beginnende in de silurische periode, in het midden der tertiaire periode verdwenen zijn. De hoogere wieren, fucoïdeën, florideën enz. zijn eerst veel later verschenen. Wij zullen thans niet verder in bijzonderheden afdalen. Ons doel was alleen aan te toonen, dat het planten- en dierenrijk begonnen is met de laagste zeeorganismen. De planten in de lucht zijn ontstaan uit de waterplanten. Verschillende wiersoorten hebben het water verlaten om bezit te nemen van den grond, die boven het water uitstak; eerst hebben zij zich gelegerd op vochtige en dikwijls overstroomde plaatsen, doch later hebben zij zich stap voor stap verspreid met die wijzigingen, die de levensvoorwaarden medebrachten. Onder den invloed van de nieuwe omgeving gaven de celweefsels, die oorspronkelijk gelijkslachtig waren, het aanzijn aan nieuwe bedekkingen. Bij gewijzigde voeding werden ook de planten voor dat doel gewijzigd. Zoo ontstonden eensdeels de blad- en levermossen, anderdeels de varens, de paardestaarten en andere. De eerste planten waren sporeplanten (cryptogamen); de phanerogamen (zaadplanten) stammen daarvan af. De eerste op het land groeiende planten komen evenals de eerste in de lucht ademende dieren eerst voor op het einde van het silurische tijdperk. In het leisteen van Angers heeft men eenen schoonen afdruk van eene varen gevonden. Men vindt ook in de silurische lagen van Cincinnati wolfsklauwen en sigillaria's. Dit zijn de oudste planten, buiten het water levende en dagteekenend uit de silurische periode. De reeds zoo ingewikkelde bouw der plant bij haar eerste verschijnen op de oppervlakte van den bodem, doet ons vermoeden, dat er eene ons onbekende periode moet geweest zijn, waarin op het vasteland eenvoudiger planten bestaan hebben dan varens. Toen de regens als het ware voortdurend op de aarde nedervielen en het water der zee door zijne hooge temperatuur steeds verdampte, moesten planten van zeer lage ontwikkeling den grond bedekken. Die planten leefden ongetwijfeld op de wijze der wieren, die als het ware gedompeld blijven in een onafgebroken bad. Eerst na eene reeks van eeuwen kunnen zij de vormen verkregen hebben, door de oudste afdruksels geopenbaard. In den tijd waarin zich de lei-, de kwarts- en de kalkrotsen der laurentische, cambrische en silurische periode vormden, is de lucht gezuiverd, vielen de regens in plaats van voortdurend, met tusschenpoozen, en vormde de dampkring, nevelachtig en warm blijvend, eene tweede zee, over den Oceaan hangend. Toen verkreeg de plantengroei op aarde nieuwe vormen en organen, passend voor de gewijzigde omstandigheden. Voor het eerst verkregen de planten bladeren, schoten zij wortels uit, en kregen de weefsels verschillenden bouw en verwierven zij grootere schoonheid en symmetrie. Het water is eene middelstof, uiterst geschikt voor de meeste lagere organismen. Geheele afdeelingen van planten en dieren, zooals wieren, plantdieren, de meeste weekdieren en alle visschen leven in het water, dat zij niet straffeloos kunnen verlaten. Niet alleen dient het water tot voertuig voor de gassen, door die schepselen ingeademd, maar het doordringt ze ook; het waterdragend deel der weekdieren bevat een geheel stelsel van openingen en kanalen. Dit is zelfs één der duidelijkste karaktertrekken, waaruit hunne betrekkelijk lage ontwikkeling blijkt. Zoowel de wieren als de weeke dieren drogen uit, zoodra zij uit het water komen en verliezen dan door verdamping het vocht, dat voor het behoud van hun leven noodig is. Een zeer vochtige dampkring echter kan de rol van eene vloeibare middenstof vervullen. Zoo kunnen blad- en korstmossen, al zijn het landplanten, alleen onder den invloed van water groeien. Zoolang de lucht droog blijft, schijnt het leven uitgedoofd, totdat de vochtigheid het leven weder opwekt. De vochtige lucht is dan ook de weg geweest, waarlangs het leven zijne voortbrengselen van het water naar de oppervlakte der aarde heeft overgebracht. De varens, de oudste der bekende landplanten, tieren het weligst in vochtige lucht. Het door longen ademende weekdier, bij hetwelk de kieuwen vervangen zijn door luchtzakken, en dat buiten het water ademt, is eerst na tal van voorzorgen er toe kunnen komen, om op het land voort te kruipen. Het zou zich, met eene bloote en weeke huid, niet over den grond kunnen voortbewegen, zonder het slijm te verliezen, dat uit zijn lichaam druipt en zijnen gang vergemakkelijkt. Het bewoont daarom donkere en vochtige plaatsen, die het alleen des nachts of op regendagen verlaat, terwijl voor diegenen welke eene schelp bezitten, het gevaar om zich aan de lucht bloot te stellen, zóó groot is, dat zij zich hermetisch insluiten, òf door het afscheiden van een slijmerig vocht, òf door van een deksel gebruik te maken. Teruggetrokken in eene nauwe, doch zekere schuilplaats, blijven weekdieren somtijds maanden lang slapend, totdat zij door de vochtigheid ontwaken; men heeft zelfs somtijds dieren uit eene schelpenverzameling na jaren uit hunne rust zien ontwaken onder den invloed van een bad. Terwijl echter de planten en dieren, vroeger in het water levend, begonnen zijn voor het land geschikt te worden door het water te zoeken in den bodem en de lucht, duurde het nog langen tijd, en moest de natuur meer ingewikkelde plannen scheppen, eer zij voor goed voor het land geschikt waren. Bij de werveldieren moesten daartoe de organen voor het ademen door longen gevormd worden, bij de planten een aantal organen, die bij de lagere planten òf niet bestaan, òf niet ontwikkeld zijn, zooals de wortels, die dienen, om de sappen op te zuigen en de bladeren, die dienen voor de ademhaling. Tot voor eenige jaren twijfelde men nog aan het bestaan van dieren, die in de lucht ademen, uit het silurische tijdvak. In 1884 werd echter in de bovenste silurische lagen van Gothland (Zweden) een versteende schorpioen gevonden. Opmerkelijk is het, dat tegelijkertijd de ware aard van eenen anderen schorpioen ontdekt werd, in 1883 in de bovenste silurische lagen van Schotland gevonden. Deze beide exemplaren van dieren, die thans alleen leven in de warme landen, zijn gevonden op de hooge breedte van Schotland en Zweden, een bewijs te meer, dat er toen nog geene klimaten bestonden. Zoo vertoont zich dan het ééncellige wezen aan den drempel der geheele schepping; naarmate de eeuwen bij tienduizenden voorbijgaan, verdeelen zich de wezens in soorten, die zich weder splitsen en vertakken; al meer en meer wijken zij van elkander af; hunne levensverrichtingen worden met hunne organen ingewikkelder; hunne vermogens beperken zich tot bepaalde deelen; hunne instincten komen voor den dag; het laatst treedt het verstand op. En zóó nadert het indrukwekkende drama zijne ontknooping, waarbij de mensen optreedt, de kroon der schepping, volkomen bewust van de hem toebedeelde rol. DERDE BOEK. Het primaire tijdperk. EERSTE HOOFDSTUK. De tijdperken in de schepping. De formaties. Hare verdeeling. In een Arabisch handschrift uit de 13de eeuw legt de schrijver een denkbeeldig persoon de volgende aardige legende in den mond: Toen ik mij eens in eene oude en bevolkte stad bevond, vroeg ik éénen der inwoners, hoe lang geleden die stad gesticht was. Hij antwoordde: wij weten niet, sedert wanneer deze groote stad bestaat, en onze voorouders wisten het evenmin. Vijf eeuwen later kwam ik weer op dezelfde plaats en kon ik geen spoor der stad meer ontdekken. Ik vroeg eenen boer, die op de plaats waar de stad gestaan had, aan het maaien was, hoe lang geleden de stad verwoest was. Dit is, antwoordde hij, eene vreemde vraag. Deze plek is nooit iets anders geweest, dan zij nu is.--Maar stond er dan oudtijds niet eene prachtige stad?--Nooit, was zijn antwoord, voor zooverre wij er tenminste over kunnen oordeelen, en onze vaderen hebben ons nooit over het bestaan dier stad gesproken. Weer vijfhonderd jaren later vond ik op dezelfde plek de zee. Aan de kust stond een troep visschers, die ik vroeg, sedert hoelang het land overstroomd was. Hoe kunt gij ons dat vragen, zeiden zij. Die plek was altijd, wat zij nog thans is. Nog eens vijfhonderd jaren later was bij mijne terugkomst de zee verdwenen; ik vroeg iemand, dien ik alleen op die plek vond, sedert wanneer de verandering had plaats gegrepen, en hij gaf mij hetzelfde antwoord als te voren. Eindelijk, na eene even groote tijdsruimte, kwam ik er voor het laatst, en ik vond er eene bloeiende stad, meer bevolkt en rijker in monumenten, dan de eerste, en toen ik naar haren oorsprong vroeg, antwoordden mij de inwoners: de tijd harer stichting verliest zich in de grijze oudheid; wij weten niet, hoelang zij bestaat, en onze vaderen wisten er evenmin iets van af. Ziedaar inderdaad het beeld van den korten duur van 's menschen herinnering, en van de beperktheid van onzen gezichtskring in tijd en in ruimte. Wij zijn geneigd te gelooven, dat de aarde altijd geweest is wat zij nu is; slechts met moeite kunnen wij ons de veranderingen voorstellen, die zij in de millioenen en millioenen jaren, die het optreden van den mensch zijn voorafgegaan, heeft ondergaan; de lange duur van dien tijd verplettert ons, zooals de uitgestrektheid der ruimte ons in de sterrenkunde verplettert. In het tijdperk, waartoe wij thans genaderd zijn in onze geschiedenis der aarde, was het leven reeds zeer verspreid in de wateren, die nog bijna de geheele aarde bedekten. Zij bestaat hoofdzakelijk uit laag ontwikkelde planten, uit weekdieren en schaaldieren. Doch zij ontwikkelt zich. De soorten, die in dezelfde levensomstandigheden blijven, zooals op den bodem der zee, blijven onveranderd voortbestaan, een groot aantal leeft nog in onzen tijd. De soorten, die zich aan de kusten of op het vasteland bevonden, ondergaan wijzigingen in voeding, temperatuur, licht, ademhaling enz., zij zullen zich schikken naar die gewijzigde omstandigheden door te veranderen, of zullen bezwijken, als de verandering te groot of te plotseling plaats heeft. Enkele geologen noemen het tijdperk, dat wij thans gaan bespreken, _overgangstijdperk_; doch ten onrechte: iedere periode is eene overgangsperiode. Wij zullen dus de geologische benaming behouden, die men er aan gegeven heeft, en zullen dus de periode, die begint onmiddellijk na de silurische periode, het primaire of _devonische_ tijdperk noemen, omdat men voor het eerst die terreinen nauwkeurig bestudeerd heeft in Devonshire (1837). De formatie zelf wordt ook wel bonte zandsteenformatie genoemd. Maar het is van belang, dat wij ons uit een geologisch standpunt rekenschap geven van die opvolging in geologische formaties. Tot nu toe hebben wij voornamelijk de geboorte en de ontwikkeling van het leven bestudeerd en hebben wij de wezens zien ontstaan, die de eerste trede vormden, welke leidde tot het toppunt der schepping, den mensch. Het is thans van belang na te gaan, hoe de lagen zich op elkander hebben gerangschikt, en den gang te volgen der natuur bij het afzetten van al die lagen, waarin men de sporen van verdwenen wezens heeft gevonden. Laten wij dus eerst eene tabel samenstellen van de opvolging dier formaties en tijdperken, te beginnen met de oudste, dat zijn die, welke wij reeds in het vorige hoofdstuk besproken hebben. Tabel der groote perioden van de organische geschiedenis der Aarde. _I. Azoïsche periode._ Periode der koplooze dieren en der wieren. 1 Oudste azoïsche periode of Laurentische periode. 2 Middelste azoïsche periode of Cambrische periode. 3 Jongste azoïsche periode of Silurische periode. _II. Primaire periode._ Periode der Visschen en Varens. 4 Oudste primaire periode of Devonische periode. 5 Middelste primaire periode of Steenkool periode. 6 Jongste primaire periode of Permische periode. _III. Secundaire periode._ Periode der kruipende dieren en der boomen met overblijvende bladeren. 7 Oudste secundaire periode of Trias periode. 8 Middelste secundaire periode of Jura periode. 9 Jongste secundaire periode of Krijt periode. _IV. Tertiaire periode._ Periode der zoogdieren en der boomen met afvallende bladeren. 10 Oudste tertiaire periode of Eoceen periode. 11 Middelste tertiaire periode of Mioceen periode. 12 Jongste tertiaire periode of Plioceen periode. _V. Quaternaire periode._ Periode der menschen, der gekweekte planten en der huisdieren. 13 Oudste quaternaire periode of IJsperiode. 14 Middelste quaternaire periode of Postglaciaire periode. 15 Jongste quaternaire periode of Periode der beschaving. In dezelfde volgorde komen ook de lagen voor. Ook deze zullen wij geven, met de oudste beneden, zooals zij ook in de geschiedenis der natuur op elkander volgen: Opvolging en chronologische volgorde der verschillende lagen. Dikte der lagen. 200 m. Quaternair Oppervlakte. Bovenste quaternaire formatie. Middelste quaternaire formatie. (Postglaciair). Oudste quaternaire formatie. (Glaciair). 1000 m. Tertiair Bovenste pliocene formatie. Onderste pliocene formatie. Bovenste miocene formatie. Onderste miocene formatie. (Molasse). Bovenste eocene formatie. (Gips). Middelste eocene formatie. (Grofkalk). Onderste eocene formatie. (Zand en klei). 5000 m. Secundair Bovenste krijtformatie. (Wit krijt). Middelste krijtformatie. (Groenzand). Onderste krijtformatie. (Wealdvorming). Witte Juraformatie. (Lithographische steen) Bruine Juraformatie. (Portland cement). Zwarte Juraformatie. (Lias). Bovenste Triasformatie. (Keuper, mergel). Middelste Triasformatie. (Schelpkalk). Onderste Triasformatie. (Bonte zandsteen). 14000 m. Primair Bovenste Permische formatie. (Zechsteen). Onderste Permische formatie. (Roode zandsteen). Bovenste steenkoolformatie. (Zwarte leisteen). Onderste steenkoolformatie. (Kolenkalk). Bovenste devonische formatie. (Roode zandsteen). Onderste devonische formatie. 23000 m. Azoïsch Bovenste silurische formatie. Onderste silurische formatie. Bovenste cambrische formatie. Onderste cambrische formatie. Bovenste laurentische formatie. Onderste cambrische formatie. Deze formaties liggen op den oorspronkelijken bodem der aarde, het graniet, enz., waarin men geen spoor van leven ontdekt heeft. Tusschen het graniet en de onderste laurentische formaties ligt, zooals wij zagen: gneiss, micaschiefer en glimmer d.i. waarschijnlijk graniet, gewijzigd door de drukking, de hitte, het water, de zouten, de uitbarstingen, verplaatsingen, vermengingen, enz., in één woord door de omwentelingen in de oorspronkelijke formatie. Fig. 84 geeft eene schematische voorstelling van die formaties met hare betrekkelijke dichtheid. Wel zijn, zooals wij zagen, die lagen in werkelijkheid niet horizontaal of evenwijdig, maar de volgorde is steeds dezelfde. Iedereen weet, dat onder den bebouwden grond, waarop de bosschen, weiden en bouwlanden groeien, steenachtige lagen gelegen zijn van anderen aard, meer of minder harde steenen, kalksteen, zand, krijt, klei, enz. De vruchtbare grond is nooit zeer dik; dikwijls bedraagt de dikte slechts enkele decimeters, en in enkele steenachtige streken slechts enkele centimeters. De bovenste laag van den bodem is het product van de thans nog werkzame krachten: hier is het eene humuslaag, die langzaam de dikte van de vruchtbare laag doet toenemen, daar is het de menschelijke industrie, die meststoffen aan den grond toevoegt; nog verder zetten de regens op de lagere streken de vruchtbare stoffen af, van hoogere streken toegevoerd; elders weder verspreiden de overstroomde rivieren haar slib over de weilanden; en zoo wordt steeds de oppervlakte der aarde gewijzigd. Onder deze laag vindt men de delfstoffen in de volgorde, waarin zij gevormd zijn. Daarin vindt men bijna overal afwisselend zandsteen, kalk en klei. Van den bebouwden grond af tot op de grootste diepten bestaat de aarde hoofdzakelijk uit kiezel, koolzure kalk en aluminium. Het kiezel heeft de kwarts, de bloksteen en de keisteen, het zand der oevers en duinen voortgebracht; het aluminium, de klei en de mergel; de koolzure kalk, de kalksteen, de steenen uit onze steengroeven, het krijt, het marmer en het zandsteen. Dan komen de metalen, gewoonlijk in aderen. Die lagen zijn uiterst langzaam gevormd. Hetgeen in stilstaand water of aan de oevers der zee gedurende eene geheele eeuw bezinkt, vormt eene bijna onmerkbare laag. De op elkander gelegen lagen hebben zich als slib op den bodem der zee afgezet. Dat slib is langzamerhand versteend; na een groot aantal rijzingen en dalingen hebben die rotsen zich tot bergen verheven. Alle bergen, met uitzondering van die van graniet en gneiss, bestaan uit rotsen, die zich oorspronkelijk op den bodem der zee gevormd hebben. Nog thans worden er evenals vroeger stoffen afgezet op den bodem van het water. De werking van de zuurstof der lucht op de hardste rotsen, de warmte, die den grond uitdroogt en doet barsten, de afwisseling van warmte en koude, de wind, de bliksem, de regen, overstroomingen, dat alles ontleedt de rotsen, en verandert de gesteenten in zand. Noch het graniet, noch het ijzer, noch de hardste metalen kunnen daaraan weerstand bieden. Alleen reeds de werking van den regen en van het koolzuurhoudende water is verbazend groot. Steenen- en marmeren beelden, eerst eenige eeuwen geleden vervaardigd, zijn daardoor reeds nu bijna onkenbaar geworden. Kerken van graniet verweren aan de zijde, die aan wind en regen is blootgesteld. De steengroeven, waaruit de steenen van de kerk te Limoges afkomstig zijn, zijn over eene dikte van 1,60 meters verweerd. Al dat stof, al dat zand wordt door den regen naar zee medegevoerd, waar het zich afzet, vermengd met de plantaardige en dierlijke overblijfselen, die het medevoert. Geheel andere bezinkingen hebben thans in den Oceaan plaats; de peilingen bij het leggen van den transatlantischen kabel hebben doen zien, dat eene witte modder, bestaande uit organische lichamen, overeenkomende met die, welke het krijt vormen, en die men op verschillende diepten in bijna geheel Europa vindt, thans bezinkt over eene uitgestrektheid, die veel grooter is dan geheel Europa. Hoewel de betrekkelijke dikte der verschillende lagen ons _bij benadering_ den betrekkelijken duur der verschillende tijdperken doet kennen, zoo mag men toch niet besluiten, dat eene laag van honderd meters overeenkomt met eene duizendmaal langere periode dan eene laag van één decimeter, daar de voorwaarden voor de vorming der verschillende lagen niet dezelfde zijn. Met alleen dat een verbazende tijd noodig geweest is voor de vorming der bezinksels en voor hunne versteening tot harde rotsen, maar het is ook zeker, dat voor de opheffingen van bergen, zooals de Alpen, Pyreneën, Andes en Cordillera's, die van vier- tot achtduizend meters boven de oppervlakte der zee uitsteken, onmetelijke tijdstippen noodig waren. Behalve bij vulcanische werkingen en door plaatselijke oorzaken, moeten die rijzingen en dalingen uiterst langzaam hebben plaats gegrepen. Hoe groot de onregelmatigheden van de aardoppervlakte ons ook toeschijnen, met betrekking tot de grootte der aarde zijn zij hoogst onbeduidend. Wij herhalen hier nog eens met nadruk, dat al die sedimentformaties gevormd zijn ten koste der oorspronkelijke aardschors: zij zijn de vrucht van langzame verwering. Indien zij 43000 meters dik zijn, van de laurentische periode tot op onzen tijd, dan zijn dit 43000 meters stap voor stap ontnomen aan de oppervlakte der boven het water uitstekende rotsen. De aardschors, ten koste waarvan alle sedimentformaties zijn gevormd, was dus reeds zeer dik gedurende dien langen geologischen tijd. Sedert de azoïsche periode is trouwens de vaste aardschors van twee zijden aangegroeid: beneden, door het langzaam vast worden ten gevolge der afkoeling; van boven, door het afzetten der stoffen in de bekkens der zee; die tweede toename in dikte moet echter meer beschouwd worden als eene gelijkmaking dan als eene werkelijke aangroeiing, daar zij plaats heeft ten koste der bergen en van alles, wat blootgesteld is aan atmosferische invloeden. De hier geteekende doorsnede (fig. 86) geeft ons een denkbeeld van het ontstaan dier formaties. In een meer of minder diep bekken, hetzij zee of meer, heeft zich het puin van de boven water uitstekende rotsen, dat daaraan ontnomen is door de genoemde atmosferische invloeden, geleidelijk neergezet. De samenstelling, de dichtheid en de dikte van die laag hangen af van den aard der gesteenten, waaruit, en van de omstandigheden, waaronder zij ontstaan is. Oorspronkelijk waren die lagen horizontaal of flauw hellend. Maar wij zagen reeds vroeger, dat de aarde oorspronkelijk vloeibaar was, en hare afkoeling begonnen is aan de oppervlakte, daar de omgeving eene temperatuur had van 270° onder nul. Het eerste vlies, de eerste granietlaag, is ontstaan door het op elkander stapelen en het vasthechten van drijvende stukken hard geworden graniet, en langen tijd bleef dat vlies uiterst dun. Eeuwen lang kon het dus gehoor geven aan de lichtste slingeringen van den vloeibaren bol en onderging het den invloed van getijden, schommelingen, rijzingen en dalingen. Toen het vlies echter dikker en steviger werd, kon het niet meer zoo gemakkelijk golven, maar kon het evenmin weerstand bieden aan de inwendige schokken, veroorzaakt door scheikundige werkingen, door veranderingen in het evenwicht, die het gevolg waren der verdichting, door het opgesloten zijn van eenen vuurbol in eene schaal van klei, water en lucht. Opheffingen, gering in betrekking tot de grootte der geheele aarde, veranderden langzamerhand de oppervlakte. De oude vulcanische rotsen, nog week of zelfs vloeibaar, hieven de vaste korst op, die daarop drukte, en baanden zich eenen uitweg door spleten, die dikwijls verscheidene kilometers breed zijn (fig. 87). Zoo zijn de Alpen, de Pyreneën, de Vogezen en andere bergen ontstaan. Hieruit volgt, dat sedert het begin van het leven, de geheele aardoppervlakte alle mogelijke veranderingen heeft ondergaan. Er is geene enkele plek op aarde, die niet gedurende den loop der tijden verscheidene vervormingen heeft ondergaan. Alle deelen der aarde zijn eens of meer met water bedekt geweest. De meeste deelen zijn beurtelings gerezen, gedaald en weder gerezen. Men vindt hier en daar alle soorten van formaties bloot liggen, zoowel primaire als secundaire, tertiaire en quaternaire. De steengroeven doen ons de ligging der verschillende formaties zien (fig. 88). Niet alle plaatsen der aardoppervlakte zijn even sterk gewijzigd. Als regel kan men stellen, dat de berglanden gevormd zijn door opheffingen der oorspronkelijke gesteenten; dat de heuvelachtige terreinen als het ware de schoormuren zijn van de berglanden, en gevormd zijn door opheffing der secundaire formaties, welke steunen tegen de primaire formaties, die aan de eruptiefgesteenten grenzen, terwijl de vlakten gelegen zijn op de tertiaire formaties, die verder van de plaats van opheffing verwijderd zijn (fig. 90). Ook de vlakke terreinen leveren eene groote verscheidenheid op. Dikwijls hebben aanslibbingen, ontstaande door overstroomingen eener naburige rivier, die vlakten met eene sliblaag bedekt, die even glad is als de waterspiegel. Dikwijls daarentegen heeft eene rivier, die de vroeger vlakke streek doorstroomt, met hare bijstroomen den grond doorwoeld, en vooral na regentijden en stortvloeden de vlakte vervormd, valleien gegraven en zoo het geheele terrein gewijzigd. Maar de lagen, die den ondergrond van die valleien uitmaken, en die welke de heuvels vormen, die ontstaan zijn door de uitgraving der omliggende terreinen, zijn horizontaal en regelmatig op elkander gerangschikt gebleven. Zoo rust de vlakte, waarop Parijs gebouwd is, op tertiaire formaties, bestaande uit horizontale lagen, en diezelfde lagen zetten zich voort in de heuvels. De groote overstroomingen der Seine in praehistorische tijden hebben het terrein, waarop thans de stad rust, uitgebaggerd en zoo van den Mont-Valérien en den Montmartre op zich zelf staande heuvels gemaakt. Toen men in 1833 de Artesische put van Grenelle wilde boren, die in 1842 voltooid was, stelde men zich ten doel, door de verschillende formaties heen het water te bereiken, dat uit Bourgogne en de bergvlakte van Langres afkomstig was, welke streken, zooals fig. 91 aanwijst, tot de Juraformatie behooren. Men moest dus de verschillende formaties doorboren, die in den vorm van eene waschkom onder Parijs doorloopen, en verder weer stijgen. Op eene diepte van 547 meters was men tot die formatie doorgedrongen. Had men nog verder doorgeboord, dan zoude men door de Jura- en triasformatie gekomen zijn in de primaire, formaties en eindelijk de lagen der azoïsche periode bereikt hebben, die rusten op eenen ondergrond van gneiss, micaschiefer en graniet. Zooals men ziet, is Parijs in eene soort kom gebouwd, op eene bedding, gevormd door de tertiaire lagen, zooals deze zich door de golvingen der secundaire lagen hebben moeten vervormen. De bovenste laag van de secundaire formatie, de krijtlaag, komt b. v. oostwaarts te Troyes bloot. De Juralaag heeft o. a. de heuvelen van Bourgogne en de bergvlakte van Langres gevormd. Fig. 91 maakt duidelijk, hoe het water der artesische put gevoed wordt door het water, dat stroomt door het secundaire zand, dat de Juraformatie van Langres tot Parijs bedekt. De geschiedenis der menschheid hangt ten nauwste samen met den aard der formaties, waarop de mensch leeft. Niet alleen dat de oeconomische waarde der terreinen, uit het oogpunt van voeding, van de planten, die er groeien, de dieren, die er leven, de bouwmaterialen, en alles wat op de levensvoorwaarden van de bewoners betrekking heeft, eenen grooten invloed op het karakter der menschen en op de lotgevallen van het land heeft uitgeoefend, maar men kan bijna de geheele geschiedenis van een volk uit den bodem leeren kennen. Meermalen is de vraag gesteld, waarom Parijs de hoofdstad van Frankrijk is geworden. Parijs ligt niet in het midden van het land: Bourges voldoet veel meer aan die voorwaarde. Zij is evenmin de oudste stad: Marseille en Lyon waren bloeiende steden in het Romeinsche tijdvak, toen Lutetia (Parijs) nog slechts een visschersdorp was, en toch zijn Marseille en Lyon slechts de voorloopige standplaatsen der beschaving geweest. De politieke rol van Parijs moet noch aan het toeval, noch aan den menschelijken wil worden toegeschreven, maar aan de geologische ligging. Ile de France is eene oase, omgeven door streken, minder bevoorrecht uit het oogpunt van den loop der stroomen en den plantengroei, en alsof de natuur alle mogelijke voorzorgsmaatregelen wilde nemen, heeft zij daar uitstekende bouwmaterialen bijgevoegd. Zoo hangt alles in de natuur samen, oorzaken en gevolgen staan met elkander in nauw verband, en de mensch met al zijne overtreffelijke gaven en zijne vrijheidsliefde, is slechts de slaaf van het land, dat hem heeft voortgebracht. Zoo zijn de verschillende formaties onder den invloed van atmosferische invloeden ontstaan, zoo droeg iedere laag hare eigen planten en dieren, met hare eigen fossielen. De dikte van iedere laag hangt af van de voorwaarden, waaronder zij ontstaan is, hier zijn zij rijk en dik, daar arm en dun, elders ontbreken zij door opheffingen en verschuivingen geheel en al, maar wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat toch de som van alle lagen 43000 meters bedraagt, gerekend van de oppervlakte tot aan den granietbodem. De menschheid woont dus op een kerkhof van 40 kilometers dikte; wij loopen over de graven van ontelbare wezens, die gedurende millioenen en millioenen jaren daar begraven zijn, op de schepselen, die van de grijze oudheid af daar langzaam zijn opgehoopt, van den oorsprong van het leven tot op onzen tijd; het stof van verloopen eeuwen vertreden wij met de voeten. De geschiedenis der natuur wordt nog steeds voortgezet. Nog thans beweegt zich onze planeet in de ruimte voort, zooals in de voorhistorische tijden; nog steeds wordt in iedere secunde een mensch geboren; de geslachten volgen elkander op, de dooden keeren tot de aarde weder, en dienen weder tot de vorming van nieuwe wezens, zoowel menschen als planten en dieren; wie weet, of één onzer niet eene molecule bevat, die vroeger behoord heeft aan Caesar of Napoleon; de wilg aan den oever der beek ademt de zuurstof uit, die door het kind, dat te midden der bloemen speelt, wordt ingeademd; de koolzuurmolecule, door den stervenden grijsaard uitgeademd, kan de schoone roos tot voedsel dienen; van het leven tot den dood, van den dood tot het leven, wordt alles gewijzigd en vervormd. De wereld, door onze voorouders uit de vorige tijdperken betreden, was dezelfde als de tegenwoordige. Geene wonderen zijn noodig om de vorming der geologische lagen te verklaren. Het eerste dunne vlies om den gloeienden, vloeibaren bol heeft alle golvingen en trillingen van dien bol moeten volgen. Doch ook die eerste plooien zijn gewijzigd. De aarde koelt af en trekt samen. De korst moet zich dus weder op eene andere wijze plooien, om op de kern te kunnen blijven rusten; aan de ééne zijde daalt zij, aan de andere zijde gaat zij omhoog; zij scheurt, de eruptiefgesteenten zoeken eenen uitweg door de scheuren en komen bloot. De wateren verzamelen zich op de diepste plaatsen. Bergen, vastland, zeebekkens, dalingen, rijzingen, vulcanische uitbarstingen, adervormingen (fig. 92-97), het is alles een geopend boek voor hem, die het wil lezen. Nog steeds herhalen zich die verschijnselen; nog steeds verandert de gedaante der aarde; het ééne deel rijst, een ander deel daalt, hier knaagt de zee aan de kusten, daar trekt zij zich terug, hier wordt eene vallei gevuld, daar glijdt een heuvel af met al wat hij bevat. Dit onderwerp, van het hoogste wetenschappelijk en philosophisch belang, zal in ons volgende hoofdstuk nader behandeld worden; het is de grondslag der geologie. TWEEDE HOOFDSTUK. De vervormingen van den bodem in onzen tijd. Verandering der kusten.--Mondingen en delta's.--Werking van het stroomende water.--Langzame schommelingen.--Rijzingen.-- Dalingen.--Het land en de zee.--De natuur zet haren arbeid voort. Langzamerhand verandert alles om ons heen. De grond zelf, dien wij gewoon zijn te beschouwen als het type van wat _onveranderlijk_ is, verandert onophoudelijk. Het is daarom verkeerd, te zeggen, dat er bepaalde geologische perioden zijn, die de schepping der wereld voorstellen, en dat die schepping thans voleindigd is. Ook onze periode is "geologisch", en zelfs niet minder dan de voorafgaande. De oppervlakte der aarde, in haar geheel beschouwd, verandert. Regen, vorst, warmte, wind, onweer, beken, bergstroomen, verweren de toppen der bergen, waarvan de bouwstoffen afgerukt, medegesleept, verbrijzeld, tot zand vermorzeld en door de mondingen der rivieren naar zee gevoerd worden. Ook knaagt de zee voortdurend aan de oevers; daardoor worden de kusten steiler en wordt de bodem verhoogd door de losgelaten bouwstoffen. Bovendien eindelijk werken nog voortdurend de inwendige krachten der aarde: enkele streken rijzen, terwijl andere dalen. Laat ons zoo kort mogelijk de bewijzen voor die veranderingen nagaan, en die zooveel mogelijk op het terrein zelf bestudeeren. Wij kunnen uitgaan van twee algemeene grondbeginselen: 1º. Overal, waar de kust steil is, wint de zee; 2º. aan de mondingen der rivieren wijkt de zee terug. In het eerste geval knaagt zij aan de klippen, die tot strandkeien verbrijzeld worden; in het tweede geval draagt de zee zand aan, dat den bodem der zee verheft en haar doet wijken. Er zijn wel is waar uitzonderingen op die regels, onder andere kunnen de zeestroomingen en de golven het water een eind binnenwaarts voeren of de keisteenen gebruiken om nieuwe kustgrenzen te vormen, maar in het algemeen zijn die twee oorzaken voldoende, om de geheele gesteldheid onzer planeet te veranderen, onafhankelijk van de rijzingen en dalingen van den bodem. Iedereen b.v. kent Havre. Men weet, dat die stad nog geen vier eeuwen oud is en in 1516 door Frans I is gesticht. De geheele vlakte, waarop die belangrijke stad zoo snel is opgekomen, is gevormd door aanslibbing van de Seine en bezinking van het zand, dat bij springvloed door de zee is uitgeworpen; de geheele plek was tot aan deze eeuw moeras. De Seine sleept het zand mede, dat zij langzaam neerlegt aan hare monding, en tot zelfs een eind ver in zee. Maar bij springtij en storm drijft de zee dat bezinksel terug en wijzigt zij daardoor onophoudelijk den ondergrond. Het gevolg hiervan is, dat het gebied der zee gedurig afneemt. De rechteroever der Seine wordt voorbij Havre al langer en langer, de linkeroever verandert eveneens, zoodat het zeestrand bij Trouville al breeder en breeder wordt. Zoo ziet men, hoe alles om ons heen verandert door nog steeds werkende oorzaken, en dat daartoe volstrekt geene groote omwentelingen in de natuur noodig zijn. Fig. 99 toont ons aan, hoe de zee langzamerhand den voet der rotssteilten bij Kaap la Hève ondermijnt, en wel vooral bij storm en springtij, en hoe daardoor die banken van krijt, mergel en klei verteerd worden; het gevolg hiervan is, dat vertikale muren van honderd meters hoog overhellen, en dat door het voortdurend invreten in den voet der rots de eeuwenoude steenlagen worden uitgegraven. Daardoor levert die kust eenen schilderachtigen aanblik op. Sedert het begin der elfde eeuw zijn reeds 1400 meters door de werking der zee ingevreten. Oorspronkelijk hadden de kusten van alle zeeën eene geringe helling: de vertikale muren en de rotssteilten zijn het gevolg van het invreten der zee; dat voortdurend wegbijten geeft het aanzijn aan de keisteenen, die men op het strand vindt. Men kan zelfs een karakteristiek verschil waarnemen tusschen het profiel van klippen, die langzamerhand weggebeten worden door eene zee met standvastigen waterspiegel, zooals de Middellandsche zee, waar bijna geene getijden zijn, en de klippen van den Atlantischen Oceaan. In het eerste geval vertoonen de klippen, waartegen de golven aanklotsen, een enkel profiel (fig. 100), in het tweede geval is het profiel dubbel: het ééne is geteekend door den vloed, het andere door de ebbe (fig. 101). Behoudens de kleine verschillen, veroorzaakt door de aantrekking van het vaste land, door de veranderingen in luchtdruk, door den invloed der getijden, mag men den waterspiegel der zee als bijna standvastig beschouwen; die waterspiegel is dan ook het beste merkteeken ter vergelijking. Indien men van eeuw tot eeuw aan eene kust eene verandering van de waterhoogte waarneemt, dan is men zeker, dat niet de zee in hoogte veranderd is, maar de grond. De zee houdt steeds dezelfde gemiddelde hoogte, omdat de hoeveelheid water, die in den vorm van regen of sneeuw neervalt, gelijk is aan die welke door verdamping der zee opstijgt; dit kan trouwens niet anders, daar de wolken gevormd worden door verdamping van het water der zee en der rivieren. Men schat de hoogte van den regen, die ieder jaar op de geheele aarde neervalt, op 1,50 meter. Dit is dus ook juist het bedrag, dat verdampt, om de wolken te vormen. Indien die waterdamp buiten de aarde kwam, zou de zee van jaar tot jaar lager worden. Maar het water valt in den vorm van regen weder in den Oceaan neer, of het wordt door de rivieren weder naar den Oceaan toegevoerd. Indien het regent, keert een deel van het neervallende water onmiddellijk weder door verdamping in den dampkring terug; het overblijvende water dringt in den bodem, totdat het eene laag ondoordringbare klei vindt. Het glijdt dan over die laag heen, totdat het eindelijk eene bron vormt, in de nabijheid van de oppervlakte der aarde. Dit is de oorsprong van alle bronnen, beken en rivieren. Men vindt bronnen op alle hoogten, van de toppen der bergen af, tot op den bodem der zee. Die verdamping, die verdichting tot wolken boven in de lucht, en dat neerslaan als regen, maakt van de aarde eenen grooten distilleerketel. De zonnewarmte, die noodig is, om die hoeveelheid water op te heffen tot de gemiddelde hoogte der wolken, komt overeen met den arbeid, die verricht zoude worden door 1500 _milliard_ paarden, zeven uren per dag werkende! Daar het zout niet verdampt, is het water der wolken, van den regen, van de bronnen en de stroomen zoet water, door de zon gedistilleerd. Het normale water, het zeewater, is zout, daar het bestaat uit waterstof, zuurstof en chloor-natrium (keukenzout). Een zeer klein gedeelte van het regenwater keert niet tot de zee terug, omdat het, in den grond dringende, geene volkomen ondoordringbare laag vindt. Dat gedeelte dringt dus diep in het inwendige der aarde door, verzadigt de gesteenten, vormt de minerale wateren, daalt af tot in de warme lagen, waar het verdampt en uitbarstingen veroorzaakt, maar in ieder geval niet naar de oppervlakte terugkeert. De zee vermindert dus van eeuw tot eeuw iets; maar zelfs in drieduizend jaren is die vermindering nog niet merkbaar [10]. Iedere rivier, hetzij zij haren oorsprong vindt in de gletschers, zooals de Rijn, de Rhône, de Po, de Garonne, of in de bergstroomen, zooals de Seine, de Loire enz, volgt eene sterke helling, die haar in den regentijd eene groote snelheid geeft, zoodat de terreinen, waardoor zij stroomt, sterk veranderen. Zij graaft valleien, maakt gesteenten los, rolt steenen voort, verbrijzelt die en sleept ze mede, zoodat zij eene groote hoeveelheid zand en slijk medevoert. Op het bovengedeelte van haren loop bijt zij den bodem uit; op het tweede gedeelte, waar de stroom nog krachtig genoeg is om de stoffen mede te voeren, maar breeder en regelmatiger, graaft zij hare bedding niet meer uit, doch vult zij die evenmin weder aan; op het derde gedeelte, waar zij tot de zeevlakte nadert, wordt de helling flauw en zet zij de medegevoerde stoffen af, zoodat daar aanslibbing plaats vindt. Zoo komt de Rhône, die haren oorsprong op 1760 meters hoogte in de Alpen heeft, in het meer van Genève met eene gemiddelde helling van 7,40 meter per kilometer. Bij haar binnentreden in dat meer zet zij reeds zóóveel stoffen af, dat het meer van Genève sterk in lengte en diepte afneemt; dit is reeds van geslacht tot geslacht merkbaar. Van Genève tot Lyon is de helling slechts 1 meter per kilometer; van Lyon tot Beaucaire is zij 0,40 meter, en van Beaucaire tot Arles 0,12 meter; van Arles tot aan zee is er slechts eene helling van 1 meter op de 50 kilometers; de rivier heeft daar op sommige plaatsen eene breedte van verscheidene kilometers, hare snelheid, die te Genève en zelfs te Lyon nog zoo groot was, is bijna nul en al het zand spreidt zich daar uit over eene groote uitgestrektheid, die door de golven en de zeestroomingen voortdurend gewijzigd wordt. Dit is de wijze, waarop iedere rivier de gedaante der planeet wijzigt. Enkele rivieren, zooals de Seine, de Gironde, de Theems, de Hudson, houden eene voldoende snelheid en worden door de zeestroomingen voldoende uitgeschuurd, om hare monding vrij te houden, en daardoor de vestiging van groote havenplaatsen, zooals Havre, Bordeaux, London, New-York, mogelijk te maken; andere, zooals de Rhône, de Po, de Nijl, de Donau, voeren haar zand zóó langzaam weg, dat langzamerhand de bodem verhoogd wordt en de doortocht voor schepen onmogelijk wordt. De geheele golf van Lyon, van de Pyreneën tot Marseille, levert bewijzen op van de veranderingen, die aan de monding eener rivier plaats vinden. Voor tweeduizend jaren, vóór de Romeinsche overheersching en gedurende dien tijd, had men eene rij van bloeiende steden langs die golf: Illiberris, Ruscino, Narbonne, Agde, Aigues-Mortes, St. Gilles, Heraclea, Rhodanusia. Vier van die bloeiende steden zijn geheel verdwenen, en slechts puinhoopen zijn er van overgebleven. De overige zijn dood, en haar tegenwoordige toestand is slechts de schaduw van hare vroegere grootheid. Eertijds waren de mondingen diep en bevaarbaar, en langs de kusten waren lagunen, evenals die van Venetië, voor de scheepvaart geopend. Maar de bedding der rivier rijst langzaam en de steden, eertijds door hare stroomen gevoed, en als het ware uit de lagunen geboren, zijn thans met die lagunen gestorven. De bosschen zijn onverstandig door den mensch geveld. De lagunen zijn in poelen, de poelen in koortsverwekkende moerassen veranderd. Reeds eeuwen lang tracht men de grootste oppervlakte dier moerassen droog te maken, maar de grond is nog steeds niet vast genoeg voor den plantengroei. Men begrijpt, dat de rivieren aan hare monding de neiging hebben, aan het vaste land uitbreiding te geven ten koste van de zee, en om de stoffen af te zetten, die aan de bergen ontrukt zijn door de bergstroomen en die tot poeder verbrijzeld zijn. Dit is reeds voldoende, om den vorm der landen langzamerhand te wijzigen. De monding van de Po geeft hiervan een merkwaardig voorbeeld. Fig. 102 doet ons reeds bij den eersten oogopslag zien, hoe de Adriatische zee is afgenomen door de aanslibbing van de Po. De stad Adria was ten tijde der Etrusken, voor drieduizend jaren, aan den oever der zee gelegen. Zij is thans 26 kilometers van het meest nabijzijnde gedeelte der zee verwijderd; de Adige en de verschillende zeearmen van de Po, drijven den oever der zee langzaam terug; de hoofdmonding van de Po is thans 35 kilometers van den meridiaan over Adria verwijderd. De winst van het land op de zee bedraagt jaarlijks _zeventig meters_. Jaarlijks worden door de rivier 42 760 000 cubieke meters slib aangebracht, of 1,36 cub. meter in de secunde. De Donau voert jaarlijks slechts 35 500 000 cubieke meters slib aan. De dijken werden reeds in de XIIIde eeuw aangelegd; daardoor is het land beveiligd tegen de jaarlijksche overstroomingen, maar de bedding der rivier rijst, zoodat de oppervlakte van het water van de Po iets hooger is dan de bodem der omliggende streken; bij de hooge waterstanden van 1870 en 1872 stond het van twee tot vier meters boven den straatweg. Als een dijkbreuk plaats heeft na den regentijd, dan veroorzaken de overstroomingen overal verwoesting en dood. Als de dijken niet verwoest worden, worden de bewoonde streken eilanden: uit onze kaart ziet men, dat Ravenna voor drieduizend jaren eene zeehaven was; dit was zelfs nog het geval ten tijde van Augustus, die de haven uitbreidde; thans ligt de stad op 7 kilometers van de zee. Dezelfde verschijnselen neemt men waar, als men de monding van den Tiber beschouwt te Ostia bij Rome. _Ostia_ beteekent monding. Die haven is aan de monding van den Tiber gesticht door Ancus Marcius. Thans bevinden zich de puinhoopen van het oude Ostia op 4000 meters van de monding. De vloot van Scipio Africanus vertrok uit die haven naar Spanje. De bevolking, die vroeger uit 80000 inwoners bestond, is thans tot 50 gedaald, en die 50 verlaten de plaats nog des zomers om de malaria. Het tegenwoordige dorp is in 830 door Gregorius IV gesticht. In 1596 werd aan den oever der zee de toren San Michele gebouwd; deze is thans 700 meters van de zee gelegen. Reeds ten tijde der Romeinsche keizers moest men de haven en het kanaal van Fiumicino graven, om de verzande monding der rivier te vervangen. Sedert 1662 bedraagt de vooruitschuiving van de delta van den Tiber gemiddeld 3,90 meters 's jaars. Fig. 103 geeft ons rekenschap van de verplaatsing der kust. Reeds de ouden kenden die veranderingen, waarvan de aanslibbing van den Nijl in Egypte een zoo merkwaardig voorbeeld oplevert. Reeds voor 2400 jaren schreef Herodotus, dat de Egyptische priesters hun land beschouwden als een geschenk van den Nijl. Volgens hem zoude de delta eerst van jeugdige dagteekening zijn. Homerus spreekt van Thebe, als ware dit de eenige stad in Egypte, en maakt volstrekt geene melding van Memphis. Eertijds waren de takken van de rivier, die zich bij Canope en Pelusium in zee werpen, de voornaamste, en de kust strekte zich bijna in eene rechte lijn tusschen die beide plaatsen uit, zooals uit de kaarten van Ptolemaeus blijkt. Thans zijn Canope en Pelusium nog slechts puinhoopen, en zijn de hoofdmondingen der rivier tot elkander genaderd, zoodat zij sedert tweeduizend jaren haar water afvoeren in de richting van Rosette en Damiette, steden die nog geen duizend jaren geleden aan den oever der zee gesticht zijn en thans reeds acht kilometers daarvan verwijderd zijn. De Nijl zelf heeft aan de delta haren vorm gegeven; de oppervlakte van de delta bedraagt thans 22276 vierkante kilometers. Men heeft berekend, dat indien al het slib door de monden van den Nijl aangebracht, regelmatig over de kust verspreid werd, deze jaarlijks vier meters zoude vooruitgaan; maar die vooruitgang is zeer onregelmatig en de rivier geeft bijna al haar slib af aan de velden, die aan de oevers liggen, waardoor de grond opgehoogd wordt; ook de landbouwers wijzigen merkbaar den arbeid der natuur door stoompompen en andere werktuigkundige toepassingen [11]. In fig. 104 is op de kaart van de monden van den Nijl de oude kustlijn geteekend, zooals Ptolemaeus, die als Egyptenaar het terrein kende, die beschrijft. De Mississipi en de Ganges zijn nog merkwaardiger. De eerste heeft zijn slib tot op 40 kilometers in zee gevoerd; de Ganges en de Brahmapoutra storten in de baai van Bengalen jaarlijks 1 milliard 132 millioen cubieke meters slib! Wij zouden nog veel meer voorbeelden kunnen noemen. Wij hebben echter alleen de meest sprekende typen gekozen. Het is natuurlijk, dat die landaanwinning alleen plaats heeft, als er geene andere factoren in het spel zijn; een aantal monden vertoonen juist een tegenovergesteld verschijnsel door den vorm der rotsen, door de zeestroomingen of de dalingen van den bodem; het resultaat is echter steeds _langzame vervorming_. Slechts weinige plekken zijn in het geheel niet veranderd, zelfs van de historische tijden gerekend. Door dien arbeid van het water worden de bergen lager en de bodem der zee hooger. De Rijn voert in zijn water 6/1000 deelen slib mede, de Garonne 10/1000, de Indus van 2/1000 tot 5/1000. Het is natuurlijk, dat dit maxima zijn, die alleen bereikt worden bij sterken was. Er zijn dagen, waarop de Donau 1250000 cubieke meters slib naar zee voert. Elisée Réclus berekent, dat alle stroomen te zamen jaarlijks 10 _cubieke kilometers_ slib in zee storten. Indien dit zich regelmatig verspreidde over den bodem der zee, dan zoude dat bezinksel in 341 jaren 1 centimeter dik zijn, en dus in 34 millioen jaren 1 kilometer. Al het water der rivieren en stroomen vormt slechts een klein deel van het water der oceanen. Nemen wij aan, dat de gemiddelde diepte der oceanen vijf kilometers bedraagt, dan zoude de hoeveelheid water, die in zee stroomt, eerst in 5 1/2 millioen jaren gelijk zijn aan al het water, dat de zee bevat. Onverbiddelijk moet de gedaante der aarde veranderen. Indien geen enkele oorzaak rijzingen of dalingen van den bodem teweegbracht, dan zoude alleen door de werking van het water de aarde eindelijk volkomen glad worden, en bedekt met eene laag water van eenige honderden meters diepte. Maar ook de oppervlakte van den bodem wordt gewijzigd. Toch is van eeuw tot eeuw de invloed der aanslibbing alleen duidelijk merkbaar. Zoo zal mettertijd de Middellandsche zee eene aaneenschakeling van meren worden, en nog later een reusachtige stroom. De zee van Azof verandert langzamerhand door de nadering der oevers in eene rivier. De golf van Venetië zal mettertijd niets anders zijn dan het verlengde van de vallei van de Po, en de twee groote bekkens der Middellandsche zee, gescheiden door de onderzeesche zandbank, die Sicilië met Afrika verbindt, zullen twee meren vormen, die al nauwer en nauwer zullen worden en den grootsten stroom der wereld zullen voeden. Dan zullen de Dnieper, de Donau en de Po slechts bijrivieren van dien stroom zijn; misschien zelfs dat de Nijl, die thans reeds zoo weinig beteekent aan zijne monding, al zijn water door verdamping zal verliezen, vóórdat hij den breeden stroom bereikt. Een dergelijke toestand is werkelijk reeds op Mars aanwezig, welke planeet, ouder dan de aarde, geene wereldzee meer bevat, maar alleen binnenzeeën, stroomen en kanalen. Niet alleen, dat het water langzamerhand de gedaante der aarde wijzigt, het speelt tevens eene belangrijke rol in de geologische samenstelling der verschillende deelen en in het bewaren van de overblijfselen van levende wezens. In de Gangesdelta en die van de Brahmapoutra, eene uitgestrektheid van 166400 vierkante kilometers, waarover de twee stroomen hun slib afzetten ter dikte van 60 tot 70 centimeters in de eeuw, vindt men verschillende soorten van krokodillen. Die dieren komen in grooten getale in het brakke water voor over de geheele lijn der zandbanken, waar de delta het snelst aangroeit. Men vindt ze bij honderden bij elkander in de kreken, of zich koesterend in de zon op de ondiepten. Zij vallen menschen en vee aan, werpen zich op de onvoorzichtigen, die in de rivier baden en op de huisdieren of wilde dieren, die daar komen drinken. Dikwijls kan men daar een drijvend lijk zien, dat door eenen krokodil met zulk eene drift wordt aangegrepen, dat het dier, om zijne prooi beter te kunnen vasthouden, half boven water uitsteekt. De gewoonten en de verspreiding dier dieren stellen hen bloot, om in de horizontale lagen van het fijne slib bedolven te worden, dat jaarlijks in de Golf van Bengalen over honderden vierkante kilometers wordt afgezet. De bewoners van het land, die verdronken zijn in die stroomen, worden de prooi van die gulzige dieren, en ook de overblijfselen der dieren zelf worden in de nieuwe formaties begraven. Daarbij komt, dat jaarlijks zoovele lijken van arme Hindoe's in den Ganges geworpen worden, dat men steeds in het vloeibare slib eenige beenderen of eenige overblijfselen van hun geraamte vindt. Die bezinkingen worden gesteenten, en de beenderen, die zij bevatten, versteenen evenzoo. De aard, de dichtheid, de dikte, de kleur, de hardheid der lagen hangen af van den aard der voortgestuwde stoffen en de snelheid van het water. De rangschikking in de bezinkselen hangt het meest af van de snelheid van het stroomende water; indien dit toch eene bepaalde snelheid heeft, kan het alleen deeltjes van bepaalde grootte en bepaald gewicht medevoeren. Hieruit volgt, dat naarmate de kracht van den stroom toeneemt of afneemt, de afgezette stoffen reeds gerangschikt zijn naar hare grootte, haren vorm en haar soortelijk gewicht. Verschillende omstandigheden wijzigen den aard der afgezette stoffen. Zoo wordt den éénen tijd van het jaar hout medegevoerd, den anderen tijd slijk. Bereikt de stroom zijne grootste snelheid dan kan hij keisteenan verspreiden over eene oppervlakte, waar bij laag water alleen een fijn bezinksel wordt afgezet. Maar wij mogen ons niet te ver laten medevoeren door die bijzonderheden, daar het schade zoude doen aan ons overzicht van de verschillende oorzaken, die den bodem hebben gewijzigd. Wij komen thans tot eene andere oorzaak van wijziging, niet minder belangrijk dan de vorige, de rijzingen en dalingen van den bodem. Nemen wij bijvoorbeeld de bekende baai van Mont-Saint-Michel op de grenzen van Bretagne en Normandië. Ten tijde van de Romeinsche verovering en in de eerste eeuwen na Christus strekte zich een onmetelijk woud over die streken uit: het was het bosch van Scissey, waarin verschillende kloosters gesticht werden. Mont-Saint-Michel, toen Mont-Tombe genoemd, lag op 20 kilometers van de zee in het midden van het bosch. Thans ligt het in het midden van eene naakte kust, die tweemalen daags bij vloed bedolven wordt onder de golven der zee, die tot aan de dijken voortgaat, tot op twee kilometers daarvan af en over eene breedte van 30 kilometers. In die geheele streek vindt men aan weerszijden van het strand, dat door den vloed bedekt wordt, reeds op geringe diepte alle soorten van boomstammen. Een handschrift uit de 9de of 10de eeuw verhaalt, dat Mont-Saint-Michel reeds lang het bosch verloren heeft, waarmede het omringd was, dat God die streek veranderd heeft om den dienst van den heiligen aartsengel voor te bereiden, en dat de zee alles heeft weggevaagd, om den pelgrims, die van alle zijden komen toestroomen, eenen goeden weg te verschaffen. De eerste abdij, aan den dienst van den heiligen Michaël gewijd, was in 709 gesticht, en reeds toen stroomde de zee om den berg; de oude kronieken der abdij leggen immers den aartsengel de woorden _in pelago_ (in de zee) in den mond. In 1822, na eenen storm, die het strand had omgewoeld, vond men op tien voet onder het zand eenen straatweg, met platte steenen geplaveid, de sporen dragende van eenen ouden Romeinschen weg, die door den moerassigen bodem van het oude bosch gelegd was. Wij mogen aannemen, dat in het jaar 709 de hoogste vloed 12 meters boven de hoogte bij laagwater was. Thans bedraagt deze 15,50 meter. De zee heeft dus in hoogte 3,50 meters gewonnen, dat wil zeggen, de bodem is 3,50 meters gedaald, of 33 centimeters in de eeuw. Volgens een verhaal uit de zesde eeuw kwamen in de baai op denzelfden dag (15 April 565) de twee bisschoppen, Sint-Patern en Sint-Scubilio, om. Den dag vóór hunnen dood gingen zij elkander te gemoet. Het was de dag vóór nieuwe maan en de vloed kwam te zes uren op. Zij waren door den vloed van elkander gescheiden door eene watervlakte van vier kilometers. Thans heeft de zeearm eene breedte van twaalf kilometers. Zoo kan men een aantal voorbeelden geven van daling van den bodem. In de nabijheid van het vorige bosch was een ander bosch, waarin Dol gelegen is. Thans strekt zich om Dol eene groote vlakte uit, die langzamerhand daalt en alleen door dijken tegen de zee beveiligd kan worden. In die moeras vindt men alle sporen der bedolven bosschen: eiken, kastanjes, populieren enz. In de twaalfde eeuw was de rivier de Rance, die van Dinan naar St. Malo stroomt, 70 meters breed (bij laag water). Thans is de breedte (eveneens bij laag water) 1100 meters. Die geheele vallei is onder de golven neergedaald. Bij overlevering weet men, dat het eiland Jersey in de historische tijden met het vaste land verbonden was, en dat ten tijde der eerste bisschoppen (in het jaar 400) de bewoners van het eiland verplicht waren, den bisschop eene plank te brengen, om bij laag water eene rivier over te steken. Het onderzoek der zeekaarten bevestigt die overlevering. Men kan in de zee eene landengte terugvinden, waardoor Jersey een tijd lang hare laatste verbinding met het vaste land gehouden heeft. In die richting kan men over eene lengte van 32 kilometers eene onafgebroken reeks van onderzeesche steenachtige hoogten vinden, die ons die verbinding ten duidelijkste aanwijzen. Op Jersey en Guernsey bedekt thans eene watermassa van 15 meters den bodem, waarop nog in 1340 bosschen en weilanden waren. De zee bijt ook de klippen weg langs de kust van Calvados. Bij Caen heeft men op zes meters onder laag water overblijfselen van bootjes uit de XVde eeuw gevonden. Bij Cherbourg vindt men op den bodem der zee overblijfselen van een uitgestrekt bosch, bestaande uit thans nog bestaande boomsoorten. Enkele boomstompen staan zelfs nog overeind. In de baai van Douarnenez (Finistère) bestond eertijds eene beroemde stad, Is. Die stad was nog bloeiend in de eerste eeuwen onzer jaartelling, hoewel zij toen reeds door de zee bedreigd werd en door dijken werd beschermd. Hare verwoesting door de zee dagteekent, volgens de overlevering, van het jaar 444. Men ziet thans nog bij laag water oude muren, die den naam dragen van "Mogher Greghi", muren der Grieken. De geschiedenis van de verwoesting dier stad verdient een oogenblik onze aandacht. De overlevering verhaalt, dat de stad Is tegen den Oceaan verdedigd werd door stevige dijken, waarvan de sluizen éénmaal in iedere maand onder toezicht van den koning geopend werden, om het overtollige water af te voeren. De stad was prachtig, het paleis weelderig ingericht, en het hof zedeloos. De dochter des konings, prinses Dahut, was schoon, doch zeer behaagziek en onzedelijk, zoodat zij zich, niettegenstaande haar vader een ernstig vorst was, aan de grootste bandeloosheid overgaf. Koning Gradlon, haar vader, had beloofd, een einde te zullen maken aan de losbandige handelingen zijner dochter, maar hij liet zich steeds door zijne goedhartigheid medesleepen. De jeugdige prinses smeedde een komplot, om het koninklijke gezag te vermeesteren en de oude koning werd in zijn eigen paleis gevangen gehouden. De prinses hield nu het toezicht over het openen der sluizen, en vatte het dwaze plan op om ze bij springtij zelf te openen!... Het was avond; de koning zag St.-Guenolëus, den apostel van Bretagne komen, die hem de onvoorzichtigheid zijner dochter mededeelde: de zee drong in de stad door, de storm stuwde het water voort, en daar de geheele stad op het punt was te verdwijnen, bleef hem niets over dan de vlucht. Toch wilde de koning zijne dochter nog redden: hij liet haar halen, plaatste haar vóór zich op zijn paard en begaf zich, gevolgd door eenige hovelingen, naar de poorten der stad. Toen hij die poorten bereikt had, hoorde hij een akelig gebulder; omziende, zag hij, dat waar vroeger de stad Is gestaan had, zich eene onmetelijke baai uitstrekte, waarin de sterren haar licht weerkaatsten. En al meer en meer naderden hem de golven. Reeds wilden zij hem bereiken en omverwerpen, daar hoorde hij eene stem: "Gradlon, indien gij niet wilt omkomen, laat dan den demon los, dien gij met u voert." Verschrikt voelde Dahut, hoe hare krachten haar verlieten, een sluier bedekte hare oogen, hare handen, die stuipachtig de borst haars vaders omklemden, verstijfden en vielen langs haar neer: zij stortte in de golven. En zie, nauwelijks hadden de golven haar verzwolgen, of het water bleef stil staan. De koning kwam behouden te Quimper en vestigde daar zijne residentie. Zeker is dit verhaal eene legende, maar toch bevat het eenen grond van waarheid: de overstrooming eener groote stad in de Vde eeuw onzer jaartelling. Behalve Is zijn ook door de zee verzwolgen: de stad Herbadilla (bij Nantes), in 580,--Tolente, bij Brest;--Nazado, bij Erquy;--Gardoine, in de vlakte van Dol, ten tijde van Karel den Groote. Van den mond der Loire tot Finistère vindt men geen enkel gedeelte, waar niet overstroomde steden gevonden worden, en geen strand, waar men niet sporen vindt, waaruit blijkt, dat die plaatsen vroeger bewoond waren. Op de kust bij Duinkerken, daar waar thans het strand door de zee bedekt wordt, waren eertijds bosschen. Het strand te Etaples (bij Montreuil) bevatte een zoo groot aantal in het zand bedolven boomen, dat de staat het recht verpachtte, om ze uit te graven. België en Nederland dalen langzaam; de grond der steden, in de nabijheid der kust gebouwd, is beneden de oppervlakte der zee, zelfs bij de laagste getijden; op verscheidene plaatsen komt de zee bij hoog water boven de daken der huizen. Indien die streken toch bewoond zijn en tot het oude land behooren, dan hebben zij dat te danken, niet aan de natuur, maar aan de door de menschen vervaardigde dijken, en dat wel sedert de oudste tijden van de geschiedenis van Nederland. Nog steeds worden die streken met bewonderenswaardige volharding tegen de zee beveiligd. Wij behoeven slechts eenige feiten mede te deelen, om een denkbeeld te verkrijgen van den strijd, dien de inwoners van Nederland tegen het water hebben te leveren. In de 12de en 13de eeuw verwoesting der kust: 140 000 slachtoffers. In 1282, vorming der Zuiderzee, door instrooming van het water in het meer Flevo. In 1321, 100 000 slachtoffers. In 1421, 72 dorpen verzwolgen aan den mond van de Maas. In 1427, 55 dorpen verwoest. In 1570, doorbraak van de dijken aan den mond van de Maas, 10 000 slachtoffers. In 1531, vergrooting van de Haarlemmermeer. In 1717, nieuwe overstrooming, 12 000 slachtoffers, de grond is tien meters onder de vloedlijn gedaald. In 1775 overstrooming en tal van rampen, enz. De kronieken van Nederland bevatten de treurigste verhalen van die vreeselijke werking der zee op eenen steeds dalenden bodem. In de jaren 1421, 1427 en 1446 werden meer dan tweehonderd dorpen van Friesland en Zeeland verzwolgen. Langen tijd zag men de spitsen der torens boven het water uitsteken. Het eiland der Batavieren, reeds tijdens Tacitus bewoond, ligt thans onder de laagwaterlijn. Bij hevige westerstormen staan de golven op de Hollandsche kust 5 1/2 meter boven de straten van Amsterdam. De Zuiderzee, die eene oppervlakte heeft van 196 670 hectaren en eene diepte heeft van 1 tot 8 meters, is eerst in de dertiende eeuw ontstaan. De tijd is waarschijnlijk niet meer ver af, dat menschenhanden haar zullen droog maken en dienstbaar zullen maken aan den landbouw, zooals dit ook geschied is met de Haarlemmermeer, die 21 kilometers lang en 10 kilometers breed was en 724 millioen cubieke meters water bevatte. Ten tijde van Tacitus was de Zuiderzee vast land met enkele meren, waarvan het grootste het meer Flevo was. Toen stroomde de IJsel daar doorheen, en stortte zich deze, zijnen loop vervolgende, tusschen Vlieland en Terschelling in zee. Dezelfde verschijnselen als aan de Nederlandsche kusten neemt men ook waar aan den mond der Gironde. Men behoeft slechts de kaarten van het jaar 1752 met die van 1842 te vergelijken, om te zien, dat de zee daar in dien tijd 1200 meters is vooruitgegaan. In 1774 was de vloedlijn te Soulac 950 meters van de kerk verwijderd, in 1865 nog slechts 560 meters. De rots van Cordouan maakte eertijds deel uit van het vaste land; in het jaar 1500 was zij er bij laag water alleen door eene nauwe en doorwaadbare geul van gescheiden. Thans is zij zeven kilometers van de kust verwijderd en men kan alleen bij laag water den toren bereiken. Zelfs kan men wiskundig aantoonen, hoeveel de jaarlijksche daling bedraagt. Immers door de daling van den bodem heeft men den vuurtoren moeten verhoogen, opdat het licht over dezelfde uitgestrektheid zichtbaar zoude zijn als eene eeuw geleden. De daling bedraagt drie meters in de eeuw. Hier heeft echter ook het inbijten van het zeewater zich met de daling van den bodem vereenigd. Het eiland Aix, tegenover Rochefort, is in het jaar 1400 van Rochefort losgeraakt; thans ligt het er verscheidene kilometers van verwijderd. Hetzelfde is het geval met Arcachon, en op de kust van Landes tot aan Spanje. Zeer merkbaar is die vooruitschuiving der zee te Saint-Jean-de-Luz. De stad strekte zich eertijds noordwaarts uit: een klooster der Benedictijnen, dat daar vroeger stond, is thans onder het water bedolven en verwoest, met uitzondering van twee putten, wier metselwerk weerstand heeft geboden aan het water, en waaruit men nog zoet water putten kan. Jaarlijks gaat de zee twee meters vooruit. In de Middellandsche zee, aan het uiteinde der Adriatische zee, is Venetië een voorbeeld van de langzame daling van den bodem: deze bedraagt 0,155 meter in de eeuw. Het plaveisel van het Marco-plein, dat reeds eenmaal is opgehoogd, wordt van tijd tot tijd overstroomd door het water dat bij springvloed doorsijpelt. Het is dus zeker, dat de bodem van Nederland, België, Normandië, Bretagne en een gedeelte van de Fransche kust van den Atlantischen Oceaan daalt. Hoeveel bedraagt die daling? Sommigen schatten die op 2 meters in de eeuw, en beweren, dat Normandië en Bretagne in tien eeuwen 20 meters zullen gedaald zijn, dat alle havens aan het kanaal en aan den Oceaan zullen verwoest worden, en dat later Parijs eene zeestad zal worden, om nog later, over een twintigtal eeuwen, onder het water te verdwijnen; anderen daarentegen zijn van meening, dat dit nog wel zevenmaal langer zal duren. Het is echter slechts eene vraag van tijd. _Het feit_ op zichzelf is niet betwistbaar. Over eenige eeuwen zal Parijs zeehaven geworden zijn, uitsluitend door de krachten der natuur, later zal diezelfde streek langzaam onder de zee verdwijnen, tenzij ten minste die daling ophoude en er eene rijzing op volgt, wat mogelijk is, maar volstrekt niet zeker. De Seine is te Parijs slechts 26 meters boven den gemiddelden waterspiegel der zee gelegen. In toekomstige eeuwen zullen het Pantheon, de sterrenwacht, de Triomfboog, de toekomstige gebouwen van Montmartre, Père-Lachaise en Mont-Valérien boven de zee uitsteken als de laatste getuigen van vervlogen eeuwen. Maar het is hoogstwaarschijnlijk, dat die heerlijke stad niet zoolang leven zal, en dat zij over vier- vijf- of zesduizend jaren reeds vergeten zal zijn, als de brandpunten der beschaving zich naar gene zijde van den Atlantischen Oceaan zullen hebben verplaatst. Wat Holland, de baai St.-Michel, Venetië, Cordouan en andere betreft, valt er aan het dalen van den bodem niet te twijfelen. In andere gevallen komt nog bij die daling de verwering der kusten door de golven der zee. Somtijds ook, zooals bij Kaap la Hève is de uitbreiding van de zee alleen het gevolg van het knagen aan de kusten, zonder dat de bodem gedaald is. Overal waar de rotsen ondermijnd worden door het water, wordt de kust weggebeten. In Engeland vindt men daarvan een aantal voorbeelden. Het eiland Sheppey in Kent, verliest meer dan eene hectare in het jaar, en als dit zoo voortgaat, is de tijd niet ver meer verwijderd, dat het geheele eiland verdwenen is. Verder oostwaarts ziet men de kerk van Reculver, die ten tijde van Hendrik VIII op 1600 meters van de zee verwijderd was. In 1781 was er nog een aanzienlijke afstand tusschen den muur van het kerkhof en de klip; in 1804 werd een deel van het kerkhof bedolven; in 1834 vond Lyell menschenbeenderen en een stuk van eene houten doodkist, die uit de ingestorte glooiing uitstak, thans blijft de kerk alleen staan door eenen kunstmatigen dijk van steenen en palen, die haar beschermt (fig. 110 en 111). Op de kust van Suffolk is de stad Dunwich, eertijds de belangrijkste haven van die streek, door het inwerken van het water op de rotsen, waarop zij gebouwd was, geheel verwoest. De verwoesting begon in de 11de en is in de 18de eeuw voleindigd. Te Harwich, Folkestone, St. Leonard, Hastings, New-Haven wordt de kust door de zee afgeknaagd, die op verschillende punten meer dan honderd meters in de eeuw vooruitgaat. Men houdt met die afneming der Engelsche kusten op sommige plaatsen zóózeer rekening, dat men ze bij koopactes schat op 1 meter in het jaar. Ook in Turkije, b.v. te Gallipoli, knaagt de zee aan de rotsen. Dikwijls kan de mensch die verwoesting der klippen in bedwang houden door de golven te beletten, tot den voet der steilte door te dringen. Niet ver van Dover verheft zich de beroemde klip, die de Engelschen aan Shakespeare gewijd hebben ter herinnering aan de schoone beschrijving, door hem daarvan in "King Lear" gegeven. Om die historische plek, de rotsen en de daarop gebouwde huizen, den spoortrein, te beschermen, heeft men door mijngangen het geheele bovenste deel der rots, wier voet verteerd was, laten springen. Door middel van 9 000 kilogram kruit heeft men één milliard kilogram verbrijzeld en doen neêrstorten, welke massa eene bank vormt van zeven tot acht hectaren, die door hare glooiing in de eerste eeuwen de verwoesting der rots belet, welke reeds gedurende achttien eeuwen over eene lengte van twee kilometers afgeknaagd was. Kan men reeds van geslacht tot geslacht en zelfs van jaar tot jaar dat knagen der zee volgen bij klippen op het vasteland gelegen, des te sterker komt dit uit op eilanden. Enkele sterk glooiende eilanden, die vroeger eene groote uitgestrektheid hadden, zijn bijna geheel verdwenen. Zoo kan men in de Noordzee het eiland Helgoland noemen, dat bestaat uit bonte zandsteen, en dat over zijnen geheelen omtrek omgeven is door eene rotssteilte van 60 meters hoogte. In de elfde eeuw strekte het zich uit over eene oppervlakte van 900 vierkante kilometers, was het zeer vruchtbaar, en rijk aan graan, vee en pluimgedierte. Thans is er nog slechts eene bank over van 2 kilometers lengte en 600 meters breedte, en vindt men er onvruchtbare weilanden en enkele aardappelvelden. Zoo zouden wij nog een groot aantal voorbeelden kunnen noemen. Indien eenerzijds de zee aan het vasteland knaagt, kunnen wij anderzijds voorbeelden genoeg vinden, hoe het vasteland aanwint ten koste van de zee. Wij hebben reeds gesproken over de monden der rivieren en zullen thans enkele voorbeelden geven van de rijzing van den bodem. In Bretagne vormden het vlek Batz tusschen de Loire en de Vilaine, le Croisic en Pouliguen, eertijds een eiland. Langzamerhand is de ruimte tusschen het eiland en het vasteland in eene moeras veranderd. Strabo verhaalt, dat dit eiland bewoond werd door Samnitische priesteressen, die daar eenen wreeden en onzinnigen godsdienst uitoefenden. De zoutmoerassen zijn door de zee verlaten. Te Carnac wijkt de zee terug, te Hennebont eveneens; te Brouage, niet ver van Rochefort, is de zee teruggeweken en heeft zij plaats gemaakt voor zoutpoelen. De vrachtdieren worden thans vastgemaakt aan dezelfde ringen, waaraan tijdens het beleg van La Rochelle (1627) de schepen van Richelieu bevestigd werden. Het stadje Brouage, dat thans om zijne ongezonde ligging verlaten is, krijgt in zijne grachten alleen bij springvloed water. In Rochefort zijn de scheepshellingen, die ten tijde van Lodewijk XIV vervaardigd zijn, thans 1,25 meter te hoog; in de zoutpoelen daar ter plaatse bemerkt men, dat van jaar tot jaar de bodem rijst, en moet men, om het water te doen binnenstroomen, dat het zout moet leveren, meer en meer tot de kust naderen, en de oude verdampingsbekkens laten liggen, die nu eene breede strook vormen achter de thans in gebruik zijnde bekkens. Ten zuiden van den mond der Loire vindt men het eiland Noirmontiers, eertijds een op zich zelf staand eiland, thans bij eb aan het land verbonden. De gemeente Bourgneuf heeft in honderd jaren 500 hectaren aangewonnen. De baai van Aiguillon schijnt het overblijfsel te zijn van de oude golf van Poitou, die zich tot Niort, Luçon en Courçon uitstrekte; aanslibbingen en misschien ook eene rijzing van de kust hebben in betrekkelijk korten tijd eene landaanwinst van 500 000 hectaren geleverd: men berekent, dat de zee jaarlijks dertig hectaren afstaat; blijft dit zoo voortduren, dan is van de geheele golf van Poitou over honderd jaren niets meer over. Op de kust der Vendée, bij Aiguillon, bezaten de monniken van Saint-Michel-en-l'Herm een onmetelijk terrein met visscherijen en paardenstoeterijen, die honderdduizenden guldens jaarlijks opbrachten; daar zij wenschten de landaanwinningen voor zich te behouden en vreesden, dat de koning hun die vermeerdering zoude betwisten, luidden hunne eigendomstitels: _in het westen tot aan Amerika_. Men ziet, dat zij de noodige voorzorgsmaatregelen genomen hadden. Hendrik IV durfde des avonds bij stormweder niet over te steken naar het eiland Noirmoutiers, hoewel die overtocht thans bij elk mogelijk weder op paarden of ezels geschiedt. Bij al die oorzaken van verandering der kusten moeten wij nog de zandduinen voegen, door den zeewind voortgestuwd. Op de kust van de Landes in Gascogne brengt de zee jaarlijks 6 millioen cubieke meters zand aan! Dat zand, door den wind voortgedreven, vormt heuvels, somtijds bergen. Er zijn er van 80 tot 90 meters hoogte. In Afrika, op de lage zandoevers, waar de Oceaan aan de Sahara grenst, bereiken de duinen van kaap Bojador en kaap Verde dikwijls eene hoogte van 120 tot 180 meters. Men heeft van eeuw tot eeuw dorpen zien bedelven onder het fijne stof. In Gascogne zijn de dorpen Lislan en Lélos geheel verdwenen. Het dorpje Mimizan is nog bijtijds gered door palen en beplantingen. Sommige duinen verplaatsen zich 20 tot 25 meters jaarlijks. De mensch houdt ze thans tegen door beplantingen, die den wind geen vat geven. Indien de zeewind en de landwind gemiddeld met elkander evenwicht maken, blijven de duinen op hunne plaats; wat zij den éénen dag winnen, verliezen zij den volgenden dag. Maar indien de zeewind de overhand heeft, breiden zij zich hoe langer zoo verder uit en vormen zij wandelende heuvels, die onverbiddelijk in het land binnendringen. Zoo bedekken de duinen van Santec in de nabijheid van Saint-Pol-de Leon (Finistère) eene streek, die tot in 1616 bewoond en vruchtbaar was; men kon nog in het begin dezer eeuw, de klok van den toren en enkele schoorsteenen boven het zand zien uitsteken. De duinen gingen jaarlijks 537 meters vooruit! Men heeft dien voortgang tegengehouden door beplanting. In ons land heeft men dezelfde verschijnselen waargenomen. Van 1421 tot 1625 is het dorp Petten eenmaal geheel vernield en heeft het tweemaal zóóveel verloren, dat men de huizen landwaarts heeft moeten verplaatsen. De Hondsbossche zeedijk was in de zeventiende eeuw nog door duinen van 350 meters breedte beschermd; sedert dien tijd is dat duin weggeslagen. Van 1660 tot 1839 is de laagwaterlijn 670 meters oostwaarts verplaatst. De voet der duinen is langs de kust van Noord-Holland van 1843 tot 1853 gemiddeld 20 meters geweken. Op sommige plaatsen is door aanstuiving het weggeslagene weder teruggegeven. Van Noordwijk-buiten en Katwijk-buiten is herhaaldelijk een deel der huizen door stormvloeden weggeslagen. Het huis te Britten, waarvan in 1694 nog de fundamenten gezien zijn, lag een paar duizend meters van het tegenwoordige strand. De kerk te Scheveningen ligt op 1800 meters van de plaats, waar de vorige gestaan heeft. Op Voorne en Goeree hebben zich de duinen eveneens oostwaarts verplaatst, zóó zelfs dat de zee gronden heeft vermeesterd, die vroeger aan den binnenkant der duinen lagen. Men ziet, dat een aantal oorzaken inwerken op den vorm der kusten. Somtijds worden de brokstukken der klippen als keisteenen en zand langs de kusten medegevoerd door de vloedgolven, en worden daardoor banken gevormd. Dit is het geval op de kusten van het Kanaal, aan den mond van de Somme, op de kusten van Vlaanderen, Holland en het oosten van Engeland. De zeestroomen, de windrichting en de loop van het zand, dat naar de monden der stroomen gevoerd wordt, veranderen dus op ingewikkelde wijze de gedaante der kusten. Doch keeren wij tot de beweging van den bodem terug. Het duidelijkst blijkt de langzame doch zekere verandering van den bodem in Zweden en het geheele Scandinavische schiereiland, dat aan de ééne zijde rijst, terwijl het aan de andere zijde daalt. Reeds in 1730 had de Zweedsche sterrenkundige Celsius (bekend door den honderddeeligen thermometer) uit de berichten van boeren en visschers afgeleid, dat de Bothnische golf van jaar tot jaar in diepte en uitgestrektheid afneemt; oudere lieden wezen hem verschillende punten van de kust aan, waar de zee in hunne jeugd nog kwam; de namen der plaatsen, de binnenwaartsche ligging van vroegere havens, de overblijfselen van booten, ver van de zee gevonden, de volkszangen, konden daaromtrent geenen twijfel overlaten. Was het hier de zee, die gedaald, of de grond, die gerezen was? Toen ten tijde was men algemeen van gevoelen, dat de bodem onveranderlijk was, en zoowel Celsius als de andere geleerden van zijnen tijd schreven de verandering toe aan eene vermindering van het water der Baltische Zee. Het volgende jaar, in 1731, trok hij met Linnaeus eene merklijn aan den voet van eene rots op het eiland Loeffgrund, en dertien jaren later was het water 0,18 meter gezakt. Hij werd door de theologen van Stockholm en Upsala, die beweerden dat de schepping onveranderlijk was, van onrechtzinnigheid beschuldigd, en zelfs werd het Parlement geroepen, om het vraagstuk door stemming te beslissen. De vertegenwoordigers van het volk en den adel hadden zóóveel gezond verstand, dat zij zich onbevoegd verklaarden; maar de geestelijkheid en de burgerij verklaarden de nieuwe meening kettersch! De geschiedenis der kerkelijke ijdelheid zal toch steeds merkwaardig blijven! Doch de uitspraak der Zweedsche theologen belette de aarde niet te veranderen. Sedert Celsius en Linnaeus heeft men de waarnemingen voortgezet, en heeft men duidelijk aangetoond, dat werkelijk de bodem van Zweden merkbaar in het noorden rijst en in het zuiden daalt. De scheidingslijn loopt van de Zweedsche kust naar die van Sleeswijk-Holstein, tot voorbij Bornholm en Laaland. Volgens de laatste opmetingen (1884) is de noordelijke kust in 153 jaren 2,10 meters gestegen. Daarentegen daalt het zuidelijk uiteinde van het Scandinavisch schiereiland en ook Jutland langzaam. Oude bosschen aan de kust der zee zijn verzwolgen en dalen nog steeds. Enkele straten van Trelleborg, Istad, Malmö staan thans onder water: de laatste stad is sedert 1731 1,55 meters gedaald. Tot op 27 meters hoogte vindt men zeeschelpen, die overeenkomen met die, welke thans in die zeeën gevonden worden. Toen men de kanalen groef, die bij Stockholm het Mölarmeer met de zee verbinden, kwamen oude begraven schepen te voorschijn. Toen men eenen heuvel afgroef, vond men eene houten woning, op 15 meters diepte onder het zand, de klei en de grint bedolven. Ook in Devonshire en in Cornwall (Engeland) vond men onder de zee begraven bosschen; bij laag water vindt men een aantal zwart geworden stompen van boomen, en pootaarde, waarin hazelnoten, takken, bladeren en beenderen gevonden worden. Die stompen staan alle vertikaal: de daling moet dus langzaam en zonder schokken hebben plaats gehad. Van Kessing tot Cromer (Norfolk) is een bosch van 64 kilometers lengte zichtbaar bij laag water; dat bosch bestaat uit boomstammen, die nog met de wortels aan den grond bevestigd zijn; er zijn er onder, die van 60 tot 90 centimeters middellijn hebben, en de kleibedding, waarin zij gevonden worden, bevat eene groote hoeveelheid plantaardige stoffen. Zij komen te voorschijn, zoo dikwijls de golven bij laag water het zand en de keisteenen hebben weggeruimd, die ze bedekken. Ook te Plumstead, te Dagenham, en andere gedeelten van de Theems, tusschen Woolwich en Erith, kan men bij laag water de overblijfselen vinden van een bosch, waarover tegenwoordig de Theems stroomt; men heeft daar onder 6 tot 8 voet aangeslibden grond, eenen bodem gevonden, bestaande uit takken, bladeren, en sporen van boomen en beenderen van dieren uit het tegenwoordig tijdperk. Die daling is van jongen datum, evenals alle vorige. De stad Londen is op een oud bosch gebouwd, dat eertijds bewoond werd door dierenrassen, waarvan men de overblijfselen heeft weergevonden. Die dalingen en rijzingen hebben niet alleen in het tegenwoordige tijdperk plaats gehad; ook eertijds deed zich ditzelfde verschijnsel voor, en daaruit kan de verscheidenheid in de hoogte van de aardschors verklaard worden. Groenland, thans overdekt met ijs en bezaaid met puinhoopen, was, zooals de naam aanduidt; eertijds een vruchtbaar land. Na de reizen, in 983 en 986 door Erik den Roode gedaan, werd het land langs de kusten gekoloniseerd. Thans bedekt het ijs meer dan de helft van de twee milliard vierkante kilometers zijner oppervlakte. Het is na de ijsperiode gerezen, en die rijzing heeft banken van schelpen, overeenkomende met die, welke thans in de naburige zee gevonden worden, tot 50 meters opgevoerd. De expeditie van 1879 tot 1883 op last van de Deensche regeering ondernomen, heeft eene ruïne gevonden uit de middeleeuwen, op eene klip gelegen, die zóózeer gedaald is, dat de zee den voet aanraakt. De westelijke kust daalt langzaam maar zeker. Niet ver van Groenland vindt men op de oude zeekaarten op 57° N.B. en 30° W.L. "het verdronken Bussland", waarvan men thans geen spoor meer terugvindt. Daar staat thans 748 vademen water boven eenen onderzeeschen berg, waaromheen aan weerszijden de diepte 1200 vademen bedraagt. Toch wezen nog in 1777 de zeekaarten daar eene klip aan. Nog verder teruggaande in de geschiedenis vindt men in 1380 het verhaal van twee Venetiaansche edelen, Nicola en Antonio Zeni, die, door eenen storm overvallen, zijn opgenomen door eene Christelijke bevolking, die een groot eiland bewoonde, waarop _honderd steden en honderd dorpen_ gevonden werden. Was dat eiland Bussland of een deel van Groenland? De geschiedenis zwijgt er over. Waarschijnlijk is daar een verdronken eiland. Wij mogen na het voorgaande als zeker aannemen, dat de westkust van Groenland, het zuidelijk uiteinde van Zweden, Pruisen, Hannover, Holland, België, Vlaanderen, Picardië, Normandië, een groot deel van Bretagne, (de Vendée, Poitou, Saintonge schijnen te rijzen), de Landes en Gascogne tot aan Spanje, de kust der Adriatische zee, de Nijldelta en de streek van het Suezkanaal, de monden van den Indus en de Gangesdelta, dalen. De oostkust van Noord-Amerika tusschen Florida en New-Foundland, en Brazilië van den mond der Amazonenrivier tot aan de Pornahyba, de Amazonenvallei, die over 500 kilometers door den Oceaan bedekt is en de Andes, waarop Quito gebouwd is, schijnen langzaam te dalen. Daarentegen rijzen Spitsbergen, de Oostkust van Siberië, Noorwegen en de Scandinavische Alpen, Schotland, Sardinië, Tunis, de beide oevers der Roode zee en Turkestan. Oudtijds was Engeland met Frankrijk verbonden. Aan weerszijden van het kanaal is de geologische gesteldheid van den bodem dezelfde; men vindt er dezelfde formaties, en de in Frankrijk waargenomen rijzingen zetten zich in Engeland, aan de overzijde van het kanaal, voort. Engeland heeft geene enkele plant, geen enkel dier, dat niet van het vasteland afkomstig is. Bij het nauw van Calais heeft de vereeniging van de wateren van den Atlantischen Oceaan met die der Noordzee plaats gehad: de afstand van de Engelsche en Fransche kust is daar nog thans slechts 22 kilometers en de grootste diepte is daar 57 meters. Wanneer is het nauw van Calais ontstaan? Dit is moeilijk uit te maken; zeker is het, dat het in het tegenwoordig tijdperk, en misschien wel na het optreden van den mensch moet geschied zijn. Een sterke stormvloed kan voldoende geweest zijn, om den doorgang te openen. Het nauw van Calais wordt steeds dieper. Eene eerste kaart van den bodem van het kanaal van het jaar 1737 geeft 29 vademen voor de grootste diepte tusschen Dover en Calais; zij wijst bovendien eene bank aan over de geheele breedte van het nauw, waarboven slechts 19 vademen water stond. In 1737 was dus de grootste diepte 47 meters. De kaart, in 1876 vervaardigd, naar aanleiding van het plan van den onderzeeschen tunnel tusschen Frankrijk en Engeland, geeft voor dat maximum 57 meters. Het kanaal zou dus in 139 jaren 10 meters dieper geworden zijn. Wel kunnen wij op de peilingen van de vorige eeuw niet volkomen vertrouwen, maar aan de daling van den bodem valt toch niet te twijfelen. Tusschen Folkstone en kaap Gris-Nez vindt men banken, die slechts vijf of zes meters onder water liggen. De landengte van Dover-Calais is dus nog zichtbaar. Het nauw van Calais wordt niet alleen dieper, het wordt ook breeder. De rotssteilte van kaap Gris-Nez, het uiteinde van Frankrijk, dat het dichtst bij Engeland gelegen is, wijkt jaarlijks 25 centimeters terug. Ditzelfde is bij Dover het geval. Ook Ierland is in de tegenwoordige geologische periode van Engeland gescheiden. Evenals Engeland eertijds aan Frankrijk verbonden was, zoo was ook Afrika aan Europa verbonden. De straat van Gibraltar heeft niet altijd bestaan. Reeds de ouden hadden, met het oog op den symmetrischen vorm van beide kusten, daarvan een vermoeden: volgens hen had Hercules den doorgang tusschen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee geopend. Sallustius beschouwt het zelfs als eene ongerijmdheid; dat men Europa en Afrika verschillende namen heeft gegeven. Evenals het nauw van Calais, zoo wordt ook de straat van Gibraltar wijder onder den invloed der verschijnselen in den dampkring, de stormvloeden en de zeestroomingen. Uit een dierkundig oogpunt kan men het oorspronkelijke verband tusschen Afrika en Europa hieruit afleiden, dat in het noorden van Afrika geene enkele soort van levende weekdieren gevonden wordt, die niet ook in het zuiden van Spanje voorkomt. De straat van Gibraltar, oudtijds bekend onder den naam van "de Zuilen van Hercules" om de reusachtige rotsen, die beide kusten begrenzen, wordt van eeuw tot eeuw wijder en dieper. Plinius, Pomponius Mela, Avienus spreken van boomrijke eilanden, die haar doorsneden; er zou zelfs een tempel gestaan hebben ter eere van Hercules. Volgens Plinius was de kleinste breedte 10 of 11 kilometers, de grootste breedte 14 1/2 kilometer. Thans is de grootste breedte 16 kilometers. De zee heeft de stad Belo verzwolgen, op 12 kilometers ten oosten van Tarifa, en in de baai van Gibraltar zelf, een deel der stad Carteya. Hoeveel landen zijn sedert het optreden der menschheid reeds verdwenen! Allen, die de oude letteren liefhebben, hebben in Plato de schoone bladzijden gelezen, gewijd aan de herinnering van Atlantis, dat geheimzinnige land, dat eertijds bestond tusschen Europa en Amerika, en waarop een vroeger menschengeslacht geleefd heeft. Zeker is het, dat in de miocene periode de planten en dieren van Europa en Amerika dezelfde waren, hoezeer zij ook thans mogen verschillen. Waarschijnlijk was dus in dien tijd het verdwenen vasteland, dat zijnen naam gegeven heeft aan den Atlantischen Oceaan, door eilanden aan Europa zoowel als aan Amerika verbonden. De bewoners der Canarische eilanden zijn zelfs wel eens beschouwd als de afstammelingen der oudste menschheid, die Atlantis bewoonde. Het eiland Madagascar is ongetwijfeld een stuk van een vastland, onder de golven gedaald. Hoewel niet zoo ver van Afrika verwijderd, heeft het toch geheel andere plant- en diersoorten; er komen zelfs slangen en apen voor, die nergens anders op de aarde gevonden worden. Hetzelfde is met het eiland Ceylon het geval. Het behoorde ongetwijfeld met Madagascar en de Seychellen tot een oud vastland, thans in den Indischen Oceaan ondergegaan. De meeste Antillen schijnen te behooren tot een vastland, dat niet met Noord Amerika in betrekking stond. Iedereen weet, dat Nieuw-Zeeland eene geheel op zich zelf staande planten- en dierenwereld bezit. Noch de levende soorten, noch de fossielen komen overeen met die van Australië of Zuid-Amerika. Naar de zoo merkwaardige versteeningen, te Pikermi gevonden: hipparion's, antilopen, giraffen, mastodonten, rhinocerossen, dinotheriums, machaerodonten, te oordeelen, is Griekenland het overblijfsel van een oud vastland, dat uitgestrekte bosschen en overvloedige weilanden bezat, en dat zich tot Afrika uitstrekte over de streken, thans aangewezen door de eilanden van den Griekschen Archipel en de Zee van Kandia. Alles verandert met grootere of kleinere snelheid. Wie kent niet bij name den prachtigen waterval van de Niagara! Deze levert een prachtig voorbeeld van de langzame uitholling eener diepe vallei in het harde gesteente. De rivier stroomt over eene hooge bergvlakte, waarin het bekken van het Eriemeer eene uitholling vormt. Het gedeelte, waar de rivier uit het meer komt, is meer dan 1600 meters breed en ligt meer dan 100 meters boven het Ontariomeer, dat 48 kilometers daarvan verwijderd is. Als de Niagara het Eriemeer verlaat, op de 25 eerste kilometers van haren loop, wordt zij begrensd door oevers, die bijna even hoog liggen als het aangrenzend land, ten westen opper-Canada en ten oosten de staat New-York; de oevers zijn daar nergens meer dan 9 of 12 meters boven de oppervlakte van het land. De rivier, op sommige plaatsen 4800 meters breed, en op verschillende plaatsen doorsneden door lage, en boomrijke eilanden, vormt eenen helderen en rustigen stroom; het verval bedraagt slechts 4,50 meters op eene uitgestrektheid van verscheidene kilometers; de rivier gelijkt in dat gedeelte van haren loop op eenen arm van het Eriemeer. Maar spoedig verandert zij van karakter, en zoodra zij den waterval nadert, loopt zij schuimend over eene bedding van steenachtige en oneffen kalksteen, en doorloopt zij zoo eenen weg van omstreeks 1600 meters, totdat zij eindelijk, aan den waterval gekomen, vertikaal neervalt van eene hoogte van 50 meters. Een eiland, aan den rand van den val gelegen, verdeelt de Niagara in twee watervlakten; de grootste is 530, de kleinste 180 meters breed. Nadat het water zich gestort heeft in een diep bekken, stroomt het met groote snelheid in een nauw kanaal met groote helling over eene uitgestrektheid van elf kilometers. Die bergkloof, die slechts van 200 tot 400 meters breed is, en van 60 tot 90 meters diep, eindigt plotseling te Queenstown in eene lange rij van rotssteilten tegenover den oever van het Ontariomeer. Zoodra de Niagara die engte voorbij is, komt zij in eene vlakte, die zóó weinig hooger ligt dan het Ontariomeer, dat de elf kilometers, begrepen tusschen Queenstown en de oevers van dat meer, slechts een verval hebben van 12 centimeters. Een blik op dien waterval wijst reeds op eene voortdurende verwoesting; het gedeelte van het bekken, dat in de laatste 150 jaren ontstaan is, en dat in diepte, breedte en aard overeenkomt met het overige deel van de engte, die zich beneden uitstrekt over eene lengte van elf kilometers, doet ons besluiten, dat de geheele bergkloof op dezelfde wijze gegraven is, door teruggang van den waterval. In het jaar 1885 heeft Wesson nagegaan, hoeveel de waterval teruggaat, nadat reeds Bakewell in 1829 en Lyell in 1841 hetzelfde hadden gedaan. Fig. 114 geeft de merklijnen van dien teruggang aan, volgens de officieele kaart der Vereenigde Staten van Amerika. Die teruggang is niet regelmatig; maar van 1842 tot 1883 bedraagt hij 77 meters, of gemiddeld 1,88 meter 's jaars. Naar dien maatstaf zoude de waterval eerst voor 6000 jaren begonnen zijn terug te gaan, te beginnen bij Queenstown. Lyell had over eene kleinere uitgestrektheid voor dien teruggang 0,30 meters 's jaars gevonden, hetgeen dus op eenen tijd van 35000 jaren zoude wijzen. Eertijds stroomde de rivier in eene andere bedding, waarvan men de sporen niet ver van de tegenwoordige bedding terugvindt. Deze veranderingen gaan ongemerkt voorbij voor den mensch, waarnemer van éénen dag, omdat ons leven te kort is en onze tijd in beslag wordt genomen door andere, minder belangrijke onderwerpen. Wij zagen zooeven, dat alle bergen langzaam verweren onder den invloed van den dampkring. Dit blijkt duidelijk, zoodra wij oude historische herinneringen raadplegen. Zoo vraagt hij, die voor het eerst Rome, "de stad der zeven heuvelen" bezoekt, waar de zeven heuvelen zijn. Zij zijn gedaald, hunne overblijfselen hebben de valleien, die er tusschen lagen (vooral het Forum) gevuld, en het zijn thans slechts nietige hoogten. In praehistorische tijden was de Seine eene veel breedere rivier dan thans. Te Parijs was zij verscheidene kilometers breed en 37 meters hooger dan thans. Voortdurende verandering! Hier graaft het water den bodem uit, daar verhoogt het den bodem weder, door het slib af te zetten, dat bij groote overstroomingen is aangevoerd, of door eene bedding te vormen uit de bouwstoffen, door den regen aan de bergen ontnomen. In de schoone golf van Napels, op dien tooverachtigen oever, waar de geschiedkundige herinneringen, zich parend aan de schoonheden der natuur, ons zooveel te denken geven, vindt men te midden der puinhoopen van Pozzuoli den ouden tempel van Jupiter Serapis, een merkwaardig getuigenis van de veranderlijkheid van den bodem. Die tempel, omstreeks 105 vóór Christus gebouwd, aan de kust der zee, maar ver boven den waterspiegel, en door Septimius Severus met kostbaar marmer versierd tusschen de jaren 194 en 211 na Christus, later weder door Severus Alexander tusschen 222 en 235 verfraaid, werd door Alarik in 410 en door Genserik in 445 verwoest. De bodem, waarop die tempel gebouwd is, is onder den waterspiegel gedaald. De drie prachtige marmeren zuilen, die er nog van over zijn, elk bestaande uit één enkel blok van 12,5 meter hoogte, zijn zóóver gedaald, dat zij nog slechts 6,30 meter hoog zijn. Deze daling heeft plaats gehad in de middeleeuwen en is geëindigd in de XVde eeuw; het bovengedeelte van de ondergedompelde zuilen is over eene hoogte van 2,70 meter door steenetende weekdieren, die toen evenals thans in zee leefden, aangetast, zoodat zij bezaaid zijn met kleine gaten, waarin men nog thans hunne schelpen vindt. Die gaatjes zijn zóó diep, dat zij wijzen op een langdurig verblijf van die diertjes in de zuilen, want naarmate de dieren ouder en grooter worden, vergrooten zij hunne woning. Het ondergedeelte der zuilen is niet aangetast, omdat dit in den bodem der zee was ingedrongen, en tot eene hoogte van 3,60 meters bedekt was met modder en vulkanische slakken. Op het einde der 15de eeuw begon diezelfde bodem weder langzaam te rijzen. In eene oorkonde van October 1503 staat geschreven, dat Ferdinand en Isabella aan de hoogeschool te Pozzuoli een gedeelte afstaan van de streek, waar de zee van terugwijkt; na dien tijd kan men in de oorkonden die langzame rijzing volgen. In 1749 was de tempel geheel uit het water te voorschijn getreden, en het omringende land drooggeworden. In 1807 zag de bouwkundige, die belast was met de herstelling der puinhoopen, nooit water op de straat, behalve wanneer de zuidewind hevig waaide. Maar de grond begon toch weer te dalen. Van 1822 tot 1838 bedroeg die daling 25 millimeters in de vier jaren, zoodat men in 1838 dagelijks visch ving op plaatsen, waar in 1807 bij stil weder nooit een druppel water stond. In 1857 en 1858 vond Lyell, dat er 0,60 meter water op de straat stond. Nog steeds daalt de bodem. Die merkwaardige schommelingen in den bodem, door den tempel van Serapis zoo duidelijk voor den dag komend, zijn in die geheele streek zichtbaar. Zoo zijn te Pozzuoli zelf de tempel van Neptunus en die der Nymfen onder water; hetzelfde is met twee Romeinsche wegen het geval; langs de kust vindt men overal schelpen, en aan de andere zijde van Napels, te Sorrente, heeft men op eene zekere diepte onder zee stukken van Romeinsche gebouwen gevonden. Op het eiland Capri (het beroemde Capua der ouden) is één der paleizen van Tiberius door het water bedekt. Men mag met Babbage en Lyell aannemen, dat de warmte op de ééne of andere wijze de oorzaak is van de verschijnselen, die de verandering in de hoogte van den tempel bepalen. De warme bron van dien tempel, de onmiddellijke nabijheid van den Solfatare en de Monte-Nuova, de warme bronnen van Nero, op de tegenover gelegen kust van de golf van Baja, de kokende bronnen, de oude vulkanen van Ischia en de Vesuvius, ziedaar een aantal omstandigheden, die dit vermoeden wettigen. Vergelijkt men toch de dagteekening der voornaamste schommelingen met de geschiedenis dezer landstreek, dan is een zeker verband niet te miskennen tusschen iedere rijzing en eene plaatselijke ontwikkeling van vulkanische warmte, terwijl iedere periode van daling samenvalt met eenen toestand van rust in den onderaardschen vuurhaard. Zóó lag bij voorbeeld, vóór onze jaartelling, toen de talrijke vulkanen van Ischia hunne uitbarstingen deden gevoelen, en de Phlegreïsche velden bekend waren wegens hun vulkanisch karakter, de bodem, waarop de tempel van Serapis rust, hoog boven het water. Toen werd de Vesuvius als een uitgedoofde krater beschouwd; maar toen in de eerste eeuw na Christus die vulkaan weder tot uitbarsting kwam, kon men geene enkele uitbarsting meer op het eiland Ischia of in de golf van Baja aanwijzen. Toen was de tempel aan het dalen. In de vijf eeuwen, die de groote uitbarsting van den Vesuvius van 1631 voorafgingen, was de vulkaan zeer rustig, maar toen had men uitbarstingen te Solfatare in 1198, te Ischia in 1302, terwijl de Monte-Nuovo in 1538 ontstond. In die periode rees de bodem van den tempel weder. Eindelijk begon de Vesuvius weer te werken, zooals nog steeds het geval is, en na dien tijd daalt de bodem van den tempel weer. Deze verschijnselen komen overeen met de onderstelling, dat zoodra er zich bij toeneming der inwendige warmte lava vormt, zonder dat deze eenen gemakkelijken uitweg vindt, de omringende bodem rijst; terwijl diezelfde bodem daalt, zoodra de rotsen, daaronder gelegen, afkoelen en zich samentrekken, en de lava langzaam vast wordt en in volume afneemt. De Monte-Nuovo, die merkwaardige berg, wiens hoogte 132 meters en wiens omtrek aan den voet 2400 meters bedraagt, en die in ééne nacht ontstond op de plek van het oude Lucrinische meer, is uit een geologisch oogpunt zeer belangrijk. Gedurende 492 jaren was de Vesuvius betrekkelijk rustig geweest (terwijl de Etna juist bijzonder krachtig werkzaam was) en nog bijna honderd jaren daarna had er geene uitbarsting plaats. Den 29sten September 1538, rees, na twee dagen van aanhoudende aardbevingen, de kust zóóveel, dat de zee over eenen weg van tweehonderd schreden terugging. In den namiddag zag men op de plaats, waar thans de Monte-Nuovo staat, den grond eerst vier meters inzakken en daarna rijzen; na eenige uren opende zich de grond en spuwde hij vuur, asch en steenen uit. Des avonds braakte de grond, evenals een vulkaan, met gevaarlijk geraas, groote steenblokken uit. De geheele streek werd bedekt onder eenen regen van puimsteen en asch. Twee ooggetuigen, die elkander niet kenden, en wier handschriften eerst veel later zijn teruggevonden, deelen mede, dat de nieuwe vulkaan tot op 2400 meters aardmassa's en steenen opwierp zoo groot als ossen. Den volgenden morgen zag men, dat een hooge berg uit den grond was opgerezen. De uitbarsting duurde onafgebroken twee dagen en twee nachten voort; toen men na afloop der uitbarsting den nieuwen berg besteeg, zag men op den top eenen krater van 400 meters omtrek; de steenen, die daarin neergevallen waren, geleken op blazen, die uit kokend water losraken. Den vierden dag begon de uitbarsting weer, en den zevenden dag was zij zóó hevig, dat verscheidene personen, die op den berg waren, door de steenen gedood werden of door den rook verstikten. Merkwaardig is het, dat de krater inwendig tot aan den voet van den berg doorloopt: het benedenvlak, op 126 meters van den top, ligt slechts op 5,70 meters van de oppervlakte der zee verwijderd. Het is een krater, die overeenkomt met die op de maan. Die geheele streek is van vulkanischen aard. Daar was, zooals men weet, volgens Virgilius de onderwereld gelegen (Phlegreïsche velden). Men vindt daar het meer van Averno, de Solfatare, de Sibyllijnsche grot, enz. Ook vindt men daar de beroemde Hondsgrot, waarin een hond verstikt wordt door het onzichtbare koolzuur, dat tot op één voet van den bodem stijgt, terwijl de mensen gewone dampkringslucht ademt. Daar vindt men ook de zweetbaden van Nero, een gang in den berg, waarvan de temperatuur 55° bedraagt: een jongen gaat naakt met eenen leegen emmer en rauwe eieren in de gaanderij en komt na drie minuten terug, met den emmer vol warm water, de eieren gekookt, en het lichaam zoo rood als een kreeft. Ook de Solfatare is zóó hol, dat de grond tot op eenen grooten afstand beeft, als men er met den voet op trapt. Ten slotte wijzen wij nog op de verwoestingen, door de vulkanen en de aardbevingen aangericht; in het jaar 79, toen Pompeji, Herculanum en Stabia verwoest werden, en op de verwoesting van Ischia (1883). Bij al deze oorzaken van verwoesting moeten wij nog de stormen voegen. Onophoudelijk werken zij mede tot de vernieling der kusten. Duidelijk komt dit uit aan de kusten van den Atlantischen Oceaan. Bij donkeren hemel en hevigen wind, ziet men het heir der schuimende golven uit de zee opkomen en de rotsen beuken. Zij storten vooruit, botsen tegen elkander, werpen zich met blinde woede op de klippen. Alles wat van de klip kan losgemaakt worden, wordt weggespoeld, vermorzeld en medegesleurd, en een naakt geraamte met fantastische vormen blijft over. De rotsen zelf worden tot keisteenen vermalen, als zij het water niet doorlaten. De brokstukken zelf worden door de golven gebruikt als geschut tegen de muren. Als de golven onmiddellijk tegen den voet der rotssteilte kunnen aanstroomen, dan rammeien zij die rotsen, zooals eertijds de stormrammen de oude vestingmuren rammeiden, en brengen zij den berg zelf aan het wankelen. De kracht der golven bij eenen storm is verbazend. Door de klippen en hindernissen geprikkeld, stijgen zij dikwijls tot 20, 50 of 100 meters tegen de rotsen op als schuimend stof, dat in de lucht weer neervalt. Men heeft dikwijls drukkingen waargenomen van 35000 kilogram op éénen vierkanten meter. Ontzaglijke steenblokken, als beschutting tegen de dijken geplaatst, die duizenden kilogrammen wegen, worden voortgerold en zelfs weggeslingerd ten speelbal van den woedenden storm; te Cherbourg is het zwaarste vestinggeschut verplaatst. Tot op 1500 meters afstand kan men met gevoelige werktuigen het beven van den grond aantoonen. Een ieder kent het spreekwoord: _Gutta cavat lapidem, non vi, sed saepe cadendo_, de waterdruppel holt den steen uit, niet met geweld, maar door dikwijls te vallen. Het regenwater verandert den bodem, graaft afgronden, veroorzaakt ophoopingen van grond en aardschuivingen, en dat alles door zijne weekmakende en oplossende werking. Te Lons-le-Saulnier hebben aanhoudend, o.a. in 1703, 1712, 1738, 1792, 1814, 1836 en 1848 aardstortingen plaats gehad. Het schijnt, dat eene soort van onderaardsche rivier onder de stad doorloopt en langzamerhand de mergel ondermijnt. In 1792 verdween plotseling een molen, huizen daalden in eenen afgrond neer en werden met 15 meters water bedekt. Toen men den afgrond wilde vullen, teneinde de naburige straten te beveiligen, wierp men er 15711 karrevrachten puin in, zonder hem te kunnen vullen. Een ander merkwaardig voorbeeld van de werking van het water is opgemerkt in Georgia bij Milledgevile. Toen Lyell in 1846 die streek bezocht, merkte hij op, dat het water in 20 jaren eene bergkloof had gegraven van 16 meters diepte tegen 54 meters breedte en 300 meters lengte, en dat wel in een terrein, dat eertijds boomrijk, nooit eenige merkbare verandering had ondergaan. Toen de boomen geveld waren, ontstonden er spleten van negen centimeters in de klei, tengevolge van de zomerwarmte; in den regentijd begon het water de spleet te verwijden. Zóó werd langzamerhand die breede bergkloof gevormd. Een nauwkeurig onderzoek, in het jaar 1885 in de Vereenigde Staten gedaan, heeft aangetoond, dat het regenwater jaarlijks 385 kilogram per hectare aan de berghellingen ontneemt, om het weg te voeren in de valleien, rivieren en in de zee. En wat te zeggen van de bergstortingen, door het water veroorzaakt? Steile en vooroverhangende rotsen, die boven de velden hingen, raken plotseling los en glijden langs de hellingen af; neerstortend doen zij stofwolken opstijgen, die gelijken op de asch, door vulkanen uitgeworpen; de geheele vallei is in duisternis gehuld, de grond dreunt onder het botsen en stooten der rotsblokken. Als de duisternis is opgetrokken, dan ziet men puinhoopen en rotsblokken, dáár waar eertijds groene weiden en vruchtbare akkers gelegen waren; de bergstroom is in eenen modderpoel veranderd, en de muur van rotsen heeft zijnen ouden vorm verloren. Bekend is de bergstorting, waarbij de oude Romeinsche stad Velleja in de 6de eeuw verzwolgen werd; het groot aantal beenderen, munten en kostbaarheden, die men in de puinhoopen gevonden heeft, bewijzen, dat de bevolking geenen tijd gehad heeft, te vluchten. Zoo werd ook het kasteel Tauretunum en het naburige dorp, aan den zuidelijken oever van het meer van Genève in 563 door eene neerstorting van rotsen verwoest; de golven, die ontstonden door het neerstorten der steenen in het meer, verwoestten zelfs aan den anderen oever alle woningen; alle steden der kust werden verwoest en eerst eene halve eeuw later opgebouwd: zelfs Genève werd gedeeltelijk door het water bedekt. [12] Vreeselijk waren de gevolgen van het neerstorten van een deel van den Rossberg, den 2den September 1806. Die berg, ten noorden van de Rigi gelegen, in het midden van het schiereiland, begrensd door de meren van Zug, Egeri en Lowerz, bestaat uit lagen van stevig samengepakte stoffen, op eene kleibedding rustend, die door het water ondermijnd wordt. Reeds op een onbekend tijdstip was het dorp Rotten door de instorting van eenen bergwand verwoest; maar in 1806 was de vernieling nog veel ontzettender. Het had langen tijd geregend, en de kleilagen waren langzamerhand in eene modderachtige massa veranderd; eindelijk begonnen de bovenste rotsen, nu zij haren steun misten, langs de helling af te glijden. Plotseling stortte de geheele massa, met hare bosschen, weiden, hutten en bewoners in de vlakte neer; de tegen elkander botsende rotsen sloegen vlammen uit; het water der diepe lagen, plotseling in damp veranderd, spoot uit den grond, en ontzettende massa's steen en modder werden als uit den mond van eenen vulkaan uitgeworpen. De prachtige buitenplaatsen van Goldau en vier dorpen, door omstreeks duizend menschen bewoond, verdwenen onder de puinhoopen, en de woedende golf, door het storten van het puin in het meer van Lowerz tot eene hoogte van twintig meters opgeheven, vaagde alle woningen weg. Het gedeelte van den berg, dat ingestort was, was vier kilometers lang, 320 meters breed en 32 meters hoog, d. i. 40 millioen cubieke meters. Minder hevig was de bergstorting, die in het jaar 1881 de helft van het dorpje Elm in Zwitserland vernielde. Deze ramp was het gevolg van onvoorzichtigheid. Gedurende eeuwen waren leigroeven gegraven, in eene vooruitstekende rots, zonder dat men zich de moeite gaf de rots te schoren. Reeds vóór de instorting verwachtte men het onheil: er had zich in den grond boven de groeve eene spleet gevormd, die jaarlijks breeder en dieper werd. Eindelijk brak de grond door: tien millioen cubieke meters steen stortten zich uit over het dorp Unterthal en stootten tegen eenen daar tegenover gelegen berg aan, die de ontzettende massa steenen weer in de vlakte terugkaatste. Zoo zien wij, hoe de verschijnselen in den dampkring, het ijs en de bergstroomen de onvermoeibare werklieden zijn, die een geheel net van gangen, engten, valleien in de bergen gevormd hebben. Die werklieden verlagen nog steeds de hooge toppen der bergen en voeren de bouwstoffen, aan de hellingen ontnomen, naar de vlakten en naar zee. Ook de temperatuur werkt op den bodem; over dag zetten de stoffen uit onder den invloed der zonnewarmte, des nachts krimpen zij in door de uitstraling, zoodat de geheele massa rijst en daalt; het bedrag dier verandering is dikwijls meetbaar. De sterrenwachten te Armagh, in Ierland, te Grenève, te Neuchatel staan, blijkens de waarnemingen, daar gedaan, niet volkomen stil, maar schommelen naar gelang van het jaargetijde; die te Neuchatel helt bovendien langzamerhand naar het westen over door eene verschuiving van den grond. Indien men bij sterrenwachten zoodanige schommelingen waarneemt, dan is dit niet het gevolg van mindere stevigheid van den grond, waarop die gebouwen geplaatst zijn, maar eenvoudig van de nauwkeurigheid der waarnemingen, die op zoodanige inrichtingen worden volbracht, en die den sterrenkundige in staat stellen, de geringste afwijkingen aan te toonen. Een ander voorbeeld van de rijzingen en dalingen van den grond, wordt, voor zoover de bodem der zee betreft, door de koraaleilanden of atollen geleverd. Die ringvormige eilanden werden door koralen gebouwd, die alleen op geringe diepte onder den waterspiegel kunnen tieren en evenmin kunnen leven boven den kam der golven. De hoogte der koralen staat dus in nauw verband met die van den waterspiegel. Indien een koraaleiland aan het dalen is, groeien de koralen evenals boomen aan, zóódanig dat zij steeds gelijk blijven met den waterspiegel. Fig. 120 maakt dit duidelijk. Als het eiland daalt, neemt de diepte van het water daarboven toe; het is alsof de waterspiegel rees, en het koraaleiland verkrijgt de hoogten A, B, C. In den Stillen Oceaan en in de Indische zee vindt men koraaleilanden, die eene hoogte hebben van meer dan 1000 meters. Merkwaardige scheppingen! Terwijl de golven met hun wit schuim de koraalriffen beuken, zijn de atollen van binnen kalm als een meer. Door het doorschijnende water heen ziet men het prachtig gekleurde bosch op den bodem van het water bloeien, bij duizenden en tienduizenden vermenigvuldigen de koraalbloemen hare schitterende sterren; alles is licht en leven in die nieuwe tuinen der Hesperiden; zelfs het veelkleurige mos, dat de tusschenruimten vult, bestaat uit millioenen koraaldiertjes. De kleine bouwlieden leven en werken zonder ophouden. Al rukt de storm de grootste steenblokken af, de bevolking herstelt dag en nacht het verlies. Geen monster uit het dierenrijk, geene inspanning door menschenhanden, kan ooit iets wrochten, dat wedijveren kan met de onmetelijke eilanden, door de nietige koraaldiertjes op den bodem der zee opgericht. Als wij zeiden, hoe de langzaam voortgaande werking van natuurverschijnselen de verandering van den aardbol verklaren kan, dan wilden wij daarmede niet beweren, dat alle veranderingen steeds langs rustigen en langzamen weg hebben plaats gehad. Van tijd tot tijd toch hebben in de natuur, niet minder dan in de menschheid, omwentelingen plaats. Overstroomingen, vulkanische uitbarstingen, aardbevingen, cyclonen, stormen, grondverschuivingen, het kruien van het ijs, ziedaar een aantal verschijnselen, die zich wel is waar beperken tot bepaalde streken, maar die toch eenen grooten invloed hebben op de gedaante der aarde. Steden zijn verwoest door aardbevingen; Herculanum, Stabia en Pompeji zijn onder de asch van den Vesuvius bedolven; Lissabon is in 1755 door eene schrikkelijke aardbeving geteisterd; Murcia is in 1879 overstroomd; Ischia is in 1883 door eene aardbeving verwoest (2443 dooden); de uitbarstingen van den vulkaan Krakatau heeft in 1883 aan 40000 menschen het leven gekost; de aardbevingen van Spanje (1884) aan 2500 slachtoffers; de aardbeving in Centraal-Azië, in de vallei van Cashmir aan 2700. De uitbarsting van den vulkaan Krakatau is waarschijnlijk de grootste geologische omwenteling in de geschiedenis der menschheid. Die vulkaan, in de Sunda-straat, heeft meer dan 18000 milliard kubieke meters puimsteen en water aan de ingewanden der aarde ontrukt, waarvan twee derden neergevallen is binnen eenen kring van 15 kilometers straal, en het overige derde zich tot zulk eene hoogte in den vorm van waterdamp, fijn stof, enz. verspreid heeft, dat nog een jaar later het avondrood daarvan het gevolg was. Het geraas der uitbarsting is tot op ontzettende afstanden gehoord; de golvingen in de zee hebben zich tot op onze kusten voortgeplant; de evenwichtstoestand in den dampkring is zóózeer verstoord, dat die storing zich over den omtrek der aarde in 35 uren heeft voortgeplant, en zelfs tweemalen den omtrek der aarde heeft doorloopen. De geheele Sunda-straat is door die uitbarsting gewijzigd en nog thans (1885) zet zich die wijziging voort door de zeestroomingen. Al willen wij niet beweren, dat een ontzettende zondvloed de geheele aarde zoude hebben veranderd, en al kan men een groot gedeelte van de verplaatsingen en bezinkingen verklaren door bergstroomen en aanslibbing, zoo kan men toch de overleveringen over den zondvloed niet geheel verwerpen. De oude overleveringen stemmen te zeer overeen, dan dat men kan twijfelen aan eene overstrooming, in vroegeren tijd in de nabijheid van den berg Ararat, in Armenië plaats gegrepen. Ongetwijfeld hebben de eerste menschenstammen, die daar begonnen te ontwaken in den dageraad der beschaving, eene overstrooming beleefd, veroorzaakt door de Caspische, de Zwarte of de Middellandsche zee, of misschien door den Euphraat. Zeker is het, dat dergelijke omwentelingen invloed hebben gehad op den vorm der aarde. Bij al die veranderingen van den bodem moet nog die van het klimaat gevoegd worden, die alle vorige in belangrijkheid overtreft door haren invloed op het planten- en dierenrijk. De zeestroomingen, die zich wijzigen met de verandering in hoogte der bekkens en oevers, de doorgraving van landengten, de verbreeding van zeestraten, de verwoesting van kapen, de rijzing van landen, dat alles wijzigt reeds het klimaat der verschillende streken. Zonder den Oceaan en den golfstroom, die met zijn lauw water langs de kusten van Frankrijk, Engeland, Nederland en Zweden stroomt, zouden onze streken veel kouder zijn dan thans het geval is, en zouden wij hier het klimaat hebben van Poltava of de Donkozakken. Zoo ook hangt de hoeveelheid water, die jaarlijks op ieder land valt, van de verdamping der zee af, van de windrichting, de gedaante van den bodem; en de invloed, daardoor op het leven uitgeoefend, hangt af van de geologische samenstelling van het land. Bovendien verandert langzaam van jaar tot jaar de schuinte der zonnestralen door de verandering van de helling der ecliptica. Zoo zouden wij nog kunnen spreken over mogelijke veranderingen in breedte, of over veranderingen van den waterspiegel.... Maar het voorgaande is genoeg, om onze lezers te overtuigen van den invloed van het klimaat op den toestand der aarde. Zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk trachten duidelijk te maken, dat het werk der schepping--dat is de voortdurende verandering van wezens en zaken--nog steeds voortduurt; dat zij ons door het tegenwoordige over het verledene doet oordeelen, dat zij in hetgeen thans geschiedt, ons de verklaring schenkt van wat heeft plaats gegrepen sedert het ontstaan der aardsche nevelvlek, sedert de vorming van het protoplasma, sedert het ontstaan van de eerste plant en het eerste dier, tot aan den tegenwoordigen toestand der natuur. Ook de toekomst is reeds als kiem in het heden aanwezig, zooals het heden in kiem voorkwam in het verledene. Ons doel is bereikt, zoo wij hebben aangetoond, dat de wereld vóór de schepping van den mensch is gewijzigd door dezelfde oorzaken, die nog steeds onder onze oogen werken. Bij de levende wezens is die verandering eene veredeling, eene opklimming tot meerdere volmaking. De geschiedenis der wereld is de stamboom van haren vooruitgang. DERDE HOOFDSTUK De ontwikkeling van het leven. De devonische periode.--De geboorte der visschen. De talrijke bewijsstukken, die wij in het vorige hoofdstuk gegeven hebben, met het doel om den arbeid der natuur bij de voortdurende gedaantewisseling der aarde te begrijpen, mogen ons niet uit het oog doen verliezen, bij welk tijdperk wij geëindigd zijn in onze beschrijving van de wereld vóór den mensen. Het vorige overzicht heeft ons in staat gesteld, ons rekenschap te geven van den weg, door de natuur gevolgd bij de vorming en ontwikkeling der aarde. In de werkplaats der natuur toegelaten, ingewijd in hare geheimen, kunnen wij den grootschen eenvoud van haren arbeid op prijs stellen, en zien wij de langzame opklimming van het planten- en dierenrijk tot hooger ontwikkelde vormen. Reeds de ouden zeiden, dat de aarde de dochter is van den Oceaan, en terecht. Wij zagen in de lauwe wateren der azoïsche periode het leven te voorschijn treden, in den vorm van eenvoudige organismen, klonters gelei, protisten, afgietseldiertjes, diatomeeën, wieren, bilobieten, chondriten, mosdieren, plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen, trilobieten, enz. De eerste eilanden kwamen uit de zee naar boven, en de weekdieren en zeeplanten begonnen zich te wagen op de eerste oevers, nog laag en vochtig, en trachtten zich in te passen in die gewijzigde levensvoorwaarden. In de vochtige lucht, onder eenen zwaren en lauwen dampkring, verkrijgen de varens hunnen rijken bladerendos, en reeds ziet men op den vasten grond ringwormen, schaaldieren en spinachtige dieren, krabben en schorpioenen. Maar in al die millioenen jaren der laurentische, cambrische en silurische periode bestond er op de aarde geen enkel hooger bewerktuigd wezen. Het plantenrijk was alleen vertegenwoordigd door sporeplanten, het dierenrijk door ongewervelde dieren. Onder al die planten geene enkele bloem, geene enkele vrucht, geen enkele werkelijke boom; geene roos, geene korenbloem, geene klaproos of winde; geen wilg, geen eik, geen berk of populier; niets van datgene, wat thans de schoonheid onzer landschappen uitmaakt. Niets dan mos, soms zeer hoog, maar veeleer geel dan groen. En onder de dieren geen enkele van die, welke thans de belangrijkste bevolking der aarde uitmaken, geen viervoetig dier, geen vogel, geen kruipend dier, zelfs geen visch. Vreemde wereld, die reeds alles, wat thans bestaat, in kiem bevat! Reeds is het de Aarde en dus met andere eigenschappen bedeeld dan de maan, Venus, Jupiter of Saturnus. De weg harer ontwikkeling is gebaand. Tot nu toe was de natuur doode stof. Bij de trilobieten begon zij het eerst te zien: met deze opende zich het oog voor het licht, en van stap tot stap ontwikkelde het zich om te worden het oog van den arend, den hond, den leeuw, die aanschouwt, het oog van den man, die denkt of de blik van de vrouw, die bemint. Tot nu toe waren ook alle levende wezens doof; de gehoorzenuw vormt zich, trilt voor het eerst, geeft langzamerhand het aanzijn aan het oor; het strottenhoofd en de tong zijn ontwikkeld genoeg, zoodat tonen kunnen worden voortgebracht, die eerst nog onduidelijk, langzamerhand meer gearticuleerd worden; het zal gesis worden bij de slang, gebrul bij de verscheurende dieren, gezang bij den nachtegaal, en de spraak bij den mensch, de spraak die door haren rijkdom en hare bekoring de menschheid op den weg der verstandsontwikkeling geleid heeft, de geschreven taal heeft geschapen, de geschiedenis heeft gesticht, dat heerlijke erfgoed van vervlogen eeuwen, en het menschelijke ras het karakter van zijnen adel en zijne grootheid heeft geschonken. Het oog en het oor, zien, hooren, en spreken! Schitterende vooruitgang bij den tijd, toen de natuur, niettegenstaande de optrekkende duisternis en het geluid van wind en golven, zoovele eeuwen blind en doof is gebleven! Dankbaarheid bezielt den natuuronderzoeker en den denker jegens de eerste oogen, thans versteend, die hier op aarde geopend zijn, jegens de eerste wezens, die gesidderd hebben bij het geluid van storm en donder, en getracht hebben te schreeuwen; want aan hen hebben wij onze heerlijke zintuigen te danken. De _devonische_ periode, de dochter en erfgename der silurische periode, wijst op eenen verbazenden vooruitgang in de organische wereld: de eerste gewervelde dieren verschijnen in het water, evenals hunne ongewervelde voorgangers: het zijn _visschen_. De visschen zijn de laagst ontwikkelde gewervelde dieren, en hunne verschijning aan den ingang der devonische periode pleit voor de leer van de geleidelijke ontwikkeling der levende wezens. Hunne hersenen zijn klein en weinig ontwikkeld; hun wervelkolom is nog rudimentair, hun zenuwstelsel weinig gevormd; de helft hunner macht zetelt in hunnen bek; de kop is tamelijk ontwikkeld, de reuk is zeer gevoelig, het oog ziet goed, het oor begint, verscheidene visschen kunnen zelfs fijne geluiden onderscheiden; de stem echter ontbreekt: de natuur is niet langer doof, doch nog steeds stom en alle levende wezens zijn stilzwijgend. De geslachten zijn gescheiden, maar bij die koudbloedige dieren brengt die scheiding nog niet de zoete wet der aanraking mede. Die aantrekkingskracht is weggelegd voor de kinderen der toekomst; de zoete liefdelust kennen zij niet. Onbekend met de wellust, is ook kinder- of ouderliefde hun vreemd. Welk een afstand tusschen visch en vogel! Hoeveel treden moet de natuur nog stijgen! Iedere visch staat op zich zelf. Eten en gegeten worden: ziedaar zijne bestemming. Het wijfje strooit duizenden eieren, waarvan het grootste gedeelte voor den arbeid des levens verloren gaat; zij laat ze los als een overtollige last en bekommert zich niet om de toekomst; zij worden haar even vreemd, als waren zij uit den hemel gevallen. Te eeniger tijd zwemt het mannetje over die eieren heen en laat hij een bevruchtend vocht daarop vallen; hij kent ze evenmin, het zijn niet zijne kinderen, maar die der natuur. Treurige liefde! treurig leven! En toch! hoever zijn de visschen niet vooruit bij de weekdieren, die met moeite voortkropen over den bodem van het water! Hoe vrij bewegen zij zich! Gelukkig, zegt het spreekwoord, als een visch in het water! Dat geluk bestaat in het gevoel van vrijheid. De eerste visschen hadden echter niet den fraaien vorm, die ons thans zoo bekoort. Ook zij zijn veel vooruitgegaan. De oudste versteende visschen, in de devonische formatie [13] gevonden, zijn van beenschilden voorzien, en heeten _glansschubbigen_ (ganoïdeën); hun beenderstelsel was onvolkomen en hun lichaam was door groote platen en beenige schubben beveiligd, die eene schitterende kleurenpracht vertoonden. Zijn het wel visschen, of zijn het niet familieleden van de schaaldieren? Langen tijd is over die vraag getwist, totdat in het jaar 1863 gebleken is, dat zij schubben bezitten. Het is trouwens niet te verwonderen, dat uitstekende natuuronderzoekers die laag ontwikkelde visschen tot de ongewervelde dieren brachten. Immers gewervelde dieren moeten wervels bezitten, en de eerste fossiele visschen vertoonen evenmin sporen van wervels als de amphyoxus uit onze zeeën. Bij de gewervelde dieren zijn de ledematen door beenderen aan de wervelkolom verbonden; de eerste fossiele visschen vertoonen geen spoor van dergelijke beenderen of een inwendig been; zij hebben alleen één of meer platen, die een schild vormen. Zoo bevestigt zich ook hier weder de leer der langzame ontwikkeling der wezens. Wij zagen vroeger, dat de amphyoxus, koploos gewerveld dier, den overgang vormt van de ongewervelden tot de gewervelden: de paleontologie is weer in volmaakte overeenstemming met de physiologie: de visschen, de oorspronkelijke glansschubbigen, behooren tot het type van den amphyoxus. Fig. 123-124 stellen twee visschen voor uit die periode; zij verschillen zóózeer van alle tegenwoordige soorten, dat het moeilijk te beslissen valt, of zij behooren tot de beenige of kraakbeenige visschen. Zij missen wervels en inwendige beenderen. Tevergeefs zoude men in hunnen kop de inrichting der tegenwoordige visschen zoeken: men ziet een schild, waarin men onmogelijk de verdeelingen van de beenderen van den schedel kan terugvinden; zij gelijken in hunnen vorm op trilobieten. Zoo heeft de trilobiet, de koning der zeeën uit de azoïsche periode, tot opvolger eenen op hem gelijkenden visch, die met hem de heerschappij over de primaire wateren deelt. De pterichthys (fig. 124) heeft eene wervelkolom, die echter niet verhard is; de buitenste helft van het lichaam is ingesloten in een schild, en de pooten schijnen meer gevormd om te springen dan om te zwemmen; de achterste helft draagt schubben en vinnen. Het is alsof het vreemde dier uit twee deelen bestond, een voorste gedeelte, waardoor het tot de ongewervelden zou behooren, en een achterste gedeelte, waardoor het gewerveld is. Men vindt ook in de devonische formaties eene meer ontwikkelde vischsoort, den _coccosteus_. Het achterste gedeelte van het lichaam was bloot; het voorste deel met een stevig schild bedekt. Gaudry meent, dat die visch het achterste deel van het lichaam, dat geene verdedigingsmiddelen bezat, in den modder verborg, en wijst op den nog thans bestaanden Pimelodus gulio, eene Indische visch, wier lichaam naakt is en wier kop eenen harden helm draagt; die visch begraaft zich in den modder, wacht totdat een visch over hem heen gaat, en doodt hem dan door eenen stevigen stoot met zijnen helm. Onder de merkwaardigste visschen van die periode behoort ook de Holoptychus Andersonii (fig. 127). Belangrijk is het, de verandering van den staart der visschen te vergelijken met die van de wervelkolom. In het eerste type (A) is de staart enkelvoudig en neemt de wervelkolom geleidelijk af; in het tweede type (B) is de wervelkolom omgebogen en vergroot, en is de staart eveneens onregelmatig; in het derde type (C) is de wervelkolom in twee takken gesplitst; daaraan hebben de tegenwoordige visschen hunne vlugheid te danken. Hoewel sommige soorten van het eerste type in stand gebleven zijn tot op onzen tijd (zooals de alen), zoo heerschten zij toch oppermachtig in de primaire periode; het tweede type heerschte in de tweede periode; het derde type kenmerkt de latere tijdperken. In het begin van dit werk vestigden wij er de aandacht op, dat de embryologie (de leer der ongeboren vrucht) ons de verwantschap der wezens bewijst, door ons de gelijkenis van de menschelijke vrucht met die der overige levende wezens voor oogen te stellen. De jonge Agassiz heeft aangetoond: _dat de visschen van de ongeboren vrucht tot den volwassen toestand dezelfde overgangsvormen doorloopen, die zij doorloopen hebben van de primaire tijden tot op onzen tijd_. De devonische periode kenmerkt zich dus door eenen beslissenden stap in de ontwikkeling, door het optreden der eerste gewervelden, de visschen. In de vorige hoofdstukken hebben wij de ongewervelden, plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen, weekdieren, schaaldieren enz. zien optreden. Van nu af aan worden de wateren ook bevolkt door de visschen, trapsgewijze voortgekomen uit de wormen. Weldra zullen wij getuige zijn van verdere ontwikkeling. De visschen zullen het aanzijn schenken aan de tweeslachtige dieren, deze aan de kruipende dieren, de laatste aan de vogels, en dat alles langzaam en geleidelijk. Tegelijkertijd, dat de eerste visschen zich in de zee ontwikkelen, heerschen de schaaldieren en vooral de trilobieten nog, zooals zij dit reeds eeuwen lang in de silurische periode deden. Maar toch gevoelen zij reeds, dat zij hunne plaats moeten afstaan aan hunne opvolgers. Noemen wij den _phacops latifrons_, die ons doet denken aan de calymene (blz. 154). Behalve de vroeger genoemde trilobieten vindt men in de devonische formatie den stylonurus (puntstaart), de slimonia (naar den Schotschen geoloog Slimon), den xiphosurus (degenstaart), de hemiaspis limuloïdes (fig. 130). Enkele van die schaaldieren en gelede dieren bereikten verbazende afmetingen; in de devonische terreinen van Schotland heeft men eene soort pterigotus gevonden, die 1,80 meter lang is en dus de grootste kreeften van onzen tijd overtreft. Opmerkelijk is het, hoe de kopaanhangsels (fig. 131), _ma._, _1 m_, _2 m_, _mp_ de rol van pooten vervullen, terwijl het getande grondvlak dier pooten de rol van kaken vervult! Behalve de oorspronkelijke visschen en de groote hoeveelheid schaaldieren waren de zeeën bevolkt met veel meer koppootige weekdieren dan thans. Bij de typen uit de silurische periode (blz. 155) moeten nog gevoegd worden de spiriferen, haplocrinen en calceolae, die aan die periode bepaald eigen zijn. Wij noemen ook nog de vinpootigen, de nautiliden en de nog zeer verspreide zeeleliën. De dierenwereld uit het devonische tijdperk is dus slechts het vervolg van die uit het silurische tijdperk, maar met eene duidelijke neiging tot volmaking. Sommige soorten gaan uit het ééne naar het andere tijdperk over; een groot aantal silurische soorten worden in het devonische tijdperk door nieuwe vormen vertegenwoordigd; verscheidene sterven uit, en die, welke optreden, zijn veel ingewikkelder van bouw. Fig. 137 geeft een overzicht van den tijd, waarop ieder der genoemde diersoorten voor het eerst voorkwam en het tijdperk, waarop zij verdwenen. Wij zien, dat de graptolithen in het cambrische tijdperk ontstonden en na het silurische weder uitgestorven waren, en dat de trilobieten de permische periode niet hebben overleefd. De insecten zijn in dienzelfden tijd verschenen, maar zij hebben, zooals men licht begrijpt, geene versteeningen achtergelaten. Men heeft vleugels van netvleugeligen (haften) in de devonische formatie van Canada gevonden. Één dier voorouders, _platephemera_ genaamd, was met uitgestrekte vleugels meer dan 20 centimeter lang, een andere scheen tusschen de haften en waterjuffers in te liggen, en zoo vindt men nog enkele soorten meer. Merkwaardig is het, dat het tegelijkertijd water- en luchtinsecten zijn. Uit het feit dat in de devonische periode netvleugelige insecten voorkomen, volgt reeds, dat zij minder volmaakte voorgangers moeten gehad hebben. [14] De sierlijke waternymf is niet uit eene zonnestraal geboren; zij heeft grovere voorouders gehad. Men kan er niet aan twijfelen, of de verschillende soorten van insecten hebben zich uit elkander ontwikkeld. Niet alleen hunne overeenstemming, maar ook het aantal reeds bekende soorten duidt dit aan. 376000 verschillende soorten zouden anders paarsgewijze moeten geschapen zijn. Zoo zijn dan de insecten verschenen, waarschijnlijk afstammende van de ringwormen uit de azoïsche periode. Zij nemen eene snelle vlucht en zullen zich in de volgende periode krachtig ontwikkelen, tegelijk met de plantenwereld. Reeds beginnen de planten zich buiten het water te gewennen in moerassen en op lage eilanden. Het vasteland neemt trouwens langzaam toe door langzame rijzing uit het water, en wordt met planten bedekt. Het zijn nu niet alleen meer wieren of laag ontwikkelde planten, maar reeds verschijnen de varens, de wolfsklauwen, de sigillaria's, de paardestaarten. Nog altijd echter beperkt zich de plantenwereld tot de sporeplanten: dezen zijn de alleenheerscheressen in de wateren en op de eilanden, en geen profeet zoude nog kunnen voorspellen, welke rijkdommen voor de toekomstige plantenwereld zijn weggelegd. In de lagere devonische formatie, boven de silurische formatie, waarin wij de wieren, bilobieten enz. gevonden hebben, vindt men den psylophiton, in Canada gevonden (fig. 139). Het is eene soort van wolfsklauw. Al die oude planten zijn, evenals de eerste dieren, in noordelijke streken gevonden: Canada, Scandinavië, Rusland, Engeland. Wij zullen weldra zien, dat er toen nog geene jaargetijden of klimaten waren, en de temperatuur dezelfde was over de geheele aarde; waarschijnlijk is dan ook in de kalme poolstreken het leven begonnen. Iedereen kent het schaafstroo, eene plant in den vorm van harde, bladerlooze biezen, die men aan de oevers van eenzame beken vindt. Die plant is het type der _paardestaarten_, zoo genoemd om den vorm der takken, die op paardehaar gelijken. De plant, die thans slechts enkele decimeters hoog is, was in de devonische periode zeven of acht meters hoog. Hoewel nog eene laag ontwikkelde sporeplant, nog weinig van de oorspronkelijke wieren verwijderd (doch reeds eene landplant) nauwelijks samengestelder dan de korstmossen, de bladmossen en levermossen, begint toch met de paardestaart de ontwikkeling van het plantenrijk. Het tijdperk der sporeplanten opent de rij, om later gevolgd te worden door de zaadplanten. Onder de devonische fossielen heeft men overblijfselen gevonden, die behoord hebben tot paardestaarten van eene hoogte van 10 meters. Die eerste bosschen bevatten behalve de calamiten, eene soort van reusachtig riet van meer dan eenen millimeter middellijn cordaïten, bornia's, antholithen, wolfsklauwen, waaronder de lepidodendrons, die in de volgende perioden 25 tot 30 meters hoogte zullen bereiken. Thans zijn de wolfsklauwen planten met neerliggende, kruipende stengels! In die stille bosschen leefde geen enkele vogel, kruipend of viervoetig dier. De tegenwoordige boschbewoners: herten, reeën, wolven, vossen of eekhorentjes; leeuwen, tijgers, panthers of jakhalzen; hagedissen of kikvorschen; arenden, gieren, raven, pauwen of patrijzen, zangvogels, nachtegalen of vinken, bestaan nog niet. Als men iets hoort bewegen, dan is het een schorpioen onder de steenen, een kakkerlak tusschen de bladeren of een krekel, die met de vleugels klapt. Enkele insecten, enkele muggen gonzen reeds in de zware en zoele lucht. Maar het leven is nog bijna geheel beperkt tot de wateren. Het daglicht is nog niet sterk: de zon schijnt nog niet krachtig, zij is groot, doch nevelachtig; de hemelsblauwe, heldere lucht bestaat nog niet; dag en nacht verschillen nog weinig; de aarde kent nog geene jaargetijden of klimaten. Eertijds, in de azoïsche periode, was er in het geheel geen verschil tusschen dag en nacht, hoewel de planeet reeds om hare as wentelde, omdat het zwakke licht door de zonnenevelvlek uitgestraald, nog niet tot de oppervlakte der aarde doordrong, en omdat de aarde zelf langen tijd lichtgevend geweest was, en daarna door dampen omgeven was, die het licht opslorpten. Doch nu, in het devonische tijdperk, en zelfs in het silurische, is er verschil tusschen dag en nacht, hoe weinig dan ook: dit weten wij reeds daaruit, dat de trilobieten, de schaaldieren, de weekdieren en de visschen oogen bezitten. Geen oog kan bestaan zonder licht: de oorsprong van het oog zetelt in den lichtindruk. Wij mogen daaruit dus besluiten, dat de nevelvlek toen reeds zeer was verdicht. Maar wij zullen dit belangrijke vraagstuk behandelen, nu wij tot de steenkoolperiode genaderd zijn. VIERDE HOOFDSTUK De steenkoolperiode. Ontwikkeling van het plantenrijk.--Eilanden en vastland.-- Zeeklimaat.--Afwezigheid van jaargetijden.--De zonnenevelvlek. --De dampkring, de warmte en de vochtigheid.--De planten en boomen.--Oude bosschen en dieren, daarin levend. Geene enkele ster is in rust in het onmetelijke heelal; geen enkel atoom zelfs van het hardste gesteente, staat stil; geene enkele molecule in het lichaam van plant of dier is onbewegelijk; geen enkel bloedlichaampje in onze aderen, dat niet voortdurend stroomt; overal en in alles is de onzichtbare en onvermoeide kracht werkzaam; werelden veranderen van gedaante; zonnen worden ontstoken en uitgedoofd; de aarde verandert van eeuw tot eeuw; de wezens, die haar bevolken, wijzigen zich naar de levensvoorwaarden, en de geschiedenis der aarde is het tafereel harer voortdurende wijziging. Wij zagen, hoe de eilanden, uit de wereldzee opgerezen, de levensvoorwaarden van planten en dieren hebben gewijzigd, en hoe zeeplanten in zoetwaterplanten veranderd zijn, om zich later te gewennen aan den vochtigen dampkring boven ondiepten. Langs de kusten beginnen zij het eerst haar nieuw bestaan. Zij verkrijgen bladeren, die haar in staat zullen stellen, lucht te ademen, in plaats van ondergedompeld of drijvend te blijven. Hare broeders, de zee- of waterdieren beginnen ook op geringe diepte onder het water, of zelfs buiten het water te leven. Reeds fladderen insecten aan de oppervlakte van het water; kakkerlakken, sprinkhanen, krekels, witte mieren, kruipen, springen of glijden voort onder de eerste bladeren. De dampkring is zwoel, bijna nog water. De hitte is verstikkend. Het regent voortdurend. Uitstekende levensvoorwaarden voor het plantenrijk! Aan den oorsprong van het leven waren er planten noch dieren: er was alleen protoplasma, drijvend in het water, amoeben en protisten, de voorouders der dieren en der planten. Daarna heeft zich het leven vertakt in twee staken, die langen tijd verbonden waren, alsof zij de scheiding betreurden, maar die eindelijk uitliepen in takken, die thans ver van elkander verwijderd zijn, want een groote afstand scheidt thans schijnbaar het rund van het gras, dat het eet: toch hebben zij oorspronkelijk denzelfden stamvader gehad, en voor hem, die de natuur ontleedt, zijn zij lang niet zoo verscheiden als voor den herder, die de kudde weidt. In het begin der steenkoolperiode heeft het plantenrijk reuzenschreden gemaakt ten gevolge van de bijzonder gunstige omstandigheden, waardoor zich deze belangrijke phase van de geschiedenis der aarde kenmerkt. De inwendige warmte der aarde drong nog door de aardschors heen en onderhield eene hooge temperatuur in den dampkring. Wel schijnt het voor hem, die eenen vulkaan bestijgt, alsof eene geringe laag slakken en asch voldoende is, om de warmte te onderscheppen, en iedereen weet, dat men, door een weinigje asch in de holte der hand te nemen, eene gloeiende kool kan vasthouden zonder zich te branden; maar men vergete niet, dat de temperatuur der lava nooit hooger is dan 1000°, terwijl die van den oorspronkelijken aardbol minstens negen- of tienmaal hooger was; de mechanische warmteleer leert, dat alleen reeds de verdichting van alle moleculen der aarde van haren neveltoestand tot hare tegenwoordige dichtheid eene hitte moet hebben veroorzaakt van 89880°, de warmte, ontstaan door de scheikundige verbindingen niet medegerekend. Door de spleten, door uitbarstingen, en zelfs door de dunne aardschors heen, die nog nauwelijks vast en die met water doortrokken was, kwam die inwendige warmte in den dampkring, die toen nog de warmtestralen niet doorliet. _Het opslorpend vermogen van waterdamp is_ 16000 _maal grooter dan dat van droge lucht._ Wij zagen zooeven, dat de dampkring verzadigd was van waterdamp, en dat de regen bijna voortdurend neerviel. Voegen wij nog hierbij, dat er geen vastland was, maar alleen eilanden en dus de geheele aarde onder den invloed van een zeeklimaat stond, en het is duidelijk, dat de temperatuur van de oppervlakte der aarde uitnemend geschikt was voor de ontwikkeling van den plantengroei, en dat wel niet alleen in de tropen, maar over de geheele aarde, daar er nog geene jaargetijden bestonden. Onze lezers weten uit "de Wonderen des Hemels" [15], dat de aarde zich om de zon beweegt, en dat hare as helt ten opzichte van het vlak der ecliptica. Gedurende de helft van het jaar is de ééne pool naar de zon toegekeerd, en de zes overige maanden de andere pool. Vandaar de lange winternachten en de lange zomerdagen, de lage temperatuur aan de polen en de groote afwisseling in jaargetijden. Gedurende het primaire tijdperk verschilde de helling der as niet veel van de tegenwoordige helling. Had dus de zon toen evenals thans eenen overwegenden invloed op de warmte der aarde, dan zouden reeds toen klimaten bestaan hebben: de zonnestralen, loodrecht vallende op de keerkringslanden, zouden daar eene veel hoogere temperatuur hebben doen ontstaan dan aan de poolstreken, waar zij veel schuiner vallen. Doch de plantengroei der steenkoolperiode wijst juist op het tegendeel. Dezelfde plantensoorten, die aan de tropen voorkwamen, werden ook in de poolstreken gevonden. Tot aan Spitzbergen en zelfs tot op de hoogste breedte, door menschen bereikt (noordpoolexpeditie in 1878, tot op eene breedte van 82° 40') heeft men dezelfde kolenkalk gevonden, en tot op 76° breedte dezelfde steenkoollagen als in Frankrijk en de Vereenigde Staten, in China, Zambeze (Afrika) en Zuid-Amerika. Bovendien bestaat de geheele flora uit boomen met blijvende bladeren. De stammen van de fossiele boomen uit dit tijdvak hebben nog niet de concentrische jaarringen, ieder voorjaar gevormd, waaruit men den ouderdom der boomen kan leeren kennen. Men kan hieruit met zekerheid afleiden, _dat er toen nog geene jaargetijden waren_. De zon voegde slechts weinig warmte toe aan die der aarde, want de temperatuur, waarbij de boomvarens, de wolfsklauwen, de cycadeën groeien, ligt tusschen 20 en 25 graden, en was niet hooger in Afrika dan in Spitzbergen. De zon was toen reusachtig groot, maar nog nevelachtig, er straalde slechts een zwak licht uit. De zon heeft zich eertijds uitgestrekt tot voorbij Neptunus en is langzamerhand kleiner geworden, zoodat zij thans slechts eene middellijn heeft van 1380000 kilometers, terwijl die van de loopbaan van Mercurius 112 millioen, van Venus 208 millioen, van de aarde 296 millioen kilometers bedraagt. Toen de zon zich nog uitstrekte tot aan de baan van Venus, was de middellijn der zonneschijf, van de aarde gezien, 90° groot, of 169 maal zoo groot als thans. Toch waren de warmte en het licht, dat de aarde toen van de zon verkreeg, uiterst gering in vergelijking met de warmte, die de aarde zelf bezat. Toen de zon zich niet verder uitstrekte dan de loopbaan van Mercurius, was hare schijnbare middellijn, van de aarde gezien, nog 45°. Van toen af aan begon eerst de helling van de as der aarde invloed uit te oefenen op de afwisseling der jaargetijden, indien ten minste de warmte der aarde de warmte, van de zon ontvangen, niet overtrof. Voor acht of tien millioen jaren, in het midden der primaire periode, waren de voorwaarden voor de duurzaamheid van het wereldstelsel niet dezelfde als thans. De zon was grooter, haar zwaartepunt (en ook dat van het zonnestelsel) nam eene andere plaats in dan thans, en misschien was ook het zonnestelsel door zijne beweging in de ruimte onderworpen aan den invloed van vaste sterren, aan welke het thans niet meer gehoorzaamt. Het is niet uitgemaakt, dat de helling der ecliptica dezelfde was als thans, of dat de polen der aarde in al dien tijd zich niet over de oppervlakte der aarde verplaatst hebben, of dat de verandering van de excentriciteit der aardbaan de berekende grenzen niet overschrijdt en dus grooteren invloed uitoefent op de jaargetijden, dan men gewoonlijk meent. Het is zelfs waarschijnlijk, dat de aarde in die vervlogen tijden onder geheel andere omstandigheden bestond dan thans het geval is. Zoowel de sterrenkunde, als de aardkunde en de paleontologie leeren ons, dat de jaargetijden eerst zeer laat in de ontwikkelingsperiode der aarde ontstaan zijn, en dat in vroeger tijd het klimaat aan de polen hetzelfde was als aan den evenaar, en niet alleen leeren ons die wetenschappen, dàt dit zoo geweest is, maar ook leeren zij ons, waarom dit het geval is geweest. Een zware, zwoele, regenachtige dampkring; eene gelijkmatige, hooge temperatuur; ontzaglijke getijden; uitbarstingen van het inwendige vuur; talrijke onweders; ijzingwekkende stormen; ziedaar het beeld der aarde in dien tijd. De getuigen van dien toestand moeten grove, sterke wezens geweest zijn, in wier schoot de veredeling van latere tijden ontworpen zal worden. De planten, weinig samengesteld, zonder geur, zonder bloemen, verkrijgen in dien voedzamen dampkring reusachtige afmetingen. De zon heeft nog geen glans; de vogels zingen nog niet; eene doodelijke stilte omringt de aarde; alleen de insecten gonzen en vermenigvuldigen zich in de schaduw der onmetelijke bosschen, die de planeet voor het eerst bekleeden met een niet te ontwarren groen tapijt, van den evenaar tot aan de polen. Niemand kan nog gissen, dat er in de toekomst ijswoestijnen of eeuwigdurende sneeuw zullen ontstaan, die op de bergen en aan de poolstreken in de toekomst het leven zullen tegenhouden. Indien men zich in de verbeelding in die uitgestrekte eenzaamheid verplaatst, dan wordt men tegenover die eentonigheid van vormen vreemd gestemd. De geheele afwezigheid van bloemen en hoogere dieren wierp op de schepping eenen sluier van algemeene droefheid, geen enkele vogel vervroolijkte de bosschen, waarin ook nog geene zoogdieren ronddwaalden. De zoele lucht was vervuld met verstikkende dampen, die uit den grond opstegen, en de stilte der natuur werd alleen verbroken door het geraas van den regen, en het suizen van den wind tusschen de boomen. De Zweedsche natuuronderzoekers Nordenskjöld en Malmgren hebben in den zomer van 1868 op Beren-Eiland (74° 30' N. B.) in de steenkool en de gesteenten aan de oppervlakte, achttien soorten van planten gevonden, waarvan vijftien overeenkomen met die der diepste lagen der steenkoolformatie. Die flora heeft groote overeenkomst met die der Vogezen en het Schwartzwald. Overvloedig komen de Lepidodendrons (schubboomen) voor. In de schaduw dier boomen leefden de varens met groote bladeren. Ook de flora der Parryeilanden heeft hetzelfde karakter; men heeft daar talrijke steenkoollagen gevonden, en onder de planten, die men daarin ontdekt heeft, vindt men er, die ook in de steenkool van Silezië voorkomen. De zeedierenwereld in de poolstreken heeft hetzelfde karakter. Men vindt talrijke weekdieren, uit de zee afkomstig, in de steenkoolformatie der poolstreken, welke in dezelfde formatie in Europa gevonden worden, sommige zelfs komen in de tropen voor. Behalve die weekdieren vindt men in Spitzbergen in de kalksteen ook koraaldieren. Alles wijst er op, dat toen de warmte, die op de aarde de overhand had, niet van de zon afkomstig was. De poolstreken hadden eene veel hoogere temperatuur dan thans; zooals wij zagen, mogen wij uit het voorkomen derzelfde soorten van 40 tot 76 graden N. B. afleiden, dat er over de geheele aarde eene groote gelijkmatigheid in temperatuur bestond. Bovendien wijst het karakter der steenkoolflora op eenen moerassigen bodem en eenen dampkring, met waterdamp bezwangerd; tegenwoordig vindt men alleen in de vochtige streken der tropen plantenvormen, daarmede overeenkomend. In onzen tijd groeien de varens en de wolfsklauwen meestal onder de dichte schaduw der bosschen, en hebben zij veel minder dan de zaadplanten behoefte aan de rechtstreeksche werking van de zonnestralen. Dit was ook het geval met hunne oorspronkelijke voorouders, en daar zij de groote meerderheid uitmaken van de planten der steenkoolformatie, zoo begrijpen wij, dat zij hebben kunnen leven en bloeien onder eenen steeds bedekten hemel. Hetzelfde is het geval met de insecten dier periode, want voor het meerendeel zijn het nachtdieren, zooals de witte mieren en de kakkerlakken. Ook het feit, dat men in de poolstreken koraaldieren gevonden heeft, bewijst, dat in die tijden de poolzee eene koralenzee was en dus nooit kouder kon geweest zijn dan 20°. Duizenden heldere beken, gevoed door onophoudelijke regens, stroomden van de naburige hellingen en de hooger gelegen vlakten. Aan de oevers groeiden de boomvarens, de lepidodendrons, de sigillaria's telkens in andere verhoudingen. De calamiten steil en recht, de varens onuitwarbaar dooreengevlochten, zouden de verwondering van den aanschouwer hebben opgewekt; de bevalligheid der boomvarens met hare reusachtige bladerenkroon, de regelmatige schoonheid der lepidodendrons, de lenigheid der asterophylliten, de spelingen van het licht, dat even doorgelaten wordt door het dichte lommer, moeten eene verrassende uitwerking gehad hebben. Maar onder al die steile boomen, volgens bijna wiskundige wetten ingedeeld, was nog geene enkele bloem zichtbaar. De voortplantingsorganen bestonden slechts uit de onmisbare gedeelten; van glans ontbloot, waren zij onder geene bedekking verborgen of waren zij omgeven door onbeduidende schubben. Eerst later, toen de natuur rijker aan vormen werd, bloosde zij over hare naaktheid; eerst toen weefde zij zich bruidskleederen; daartoe heeft zij de bladeren, die bij de voortplantingsorganen lagen, buigzaam gemaakt en in bloembladeren veranderd, en hunnen vorm en kleur gewijzigd. En zoo heeft zij de bloem geschapen, zooals de beschaving de weelde heeft voortgebracht, door haar buiten de grenzen van het volstrekt noodzakelijke te doen treden. De dampkring was in de steenkoolperiode rijk aan koolzuur; die groote hoeveelheid koolzuur werd op het eerste voor goed uit de zee verrezene vaste land aan die rijke plantenwereld afgestaan onder begunstiging van eene tropische temperatuur en een overvloedig, hoewel verspreid licht. In gewone omstandigheden, zouden die planten bij hare ontleding aan den dampkring het koolzuur teruggegeven hebben, dat zij daaraan ontnomen hadden. Maar de plantenoverblijfselen werden naar gelang van hunnen val onder het water en de modder bedolven, en hunne langzame verandering, afgesloten van de lucht, liet in de koolaarde de koolstof bijna geheel bestaan. Tegelijkertijd zetten zich ontzettende massa's kalksteen af, die eveneens eene groote hoeveelheid koolzuur bonden. Zoo werd in die periode langzamerhand de dampkring gezuiverd. Al zijn de natuurkundige voorwaarden der steenkoolperiode over de geheele aarde dezelfde geweest, daaruit volgt nog niet, dat men op alle breedten steenkolen verwachten kan. Op die plaatsen toch, waar toen de zee stroomde, konden alleen kalksteenen, zooals koolzure kalk en andere gevormd worden. Hieruit volgt, dat in de steenkoolperiode boven 76° N. B. zich eene onmetelijke zee uitstrekte. Eerst ten zuiden dier parallel, op de eilanden Melville, Bathurst en Patrick vindt men steenkoolformaties. Zoo ook ontbreken zij in de tropen van het noordelijk halfrond, die toen onder water lagen. Op het noordelijk halfrond vindt men dus de steenkoolformatie overal tusschen 40° en 76°. Op het zuidelijk halfrond vindt men haar alleen op 16° breedte (Zambeze) en in Australië, tusschen 25° en 35°. Het is dus waarschijnlijk, dat toen, evenals thans, de zuidelijke landen zich minder ver uitstrekten en dichter bij den evenaar gelegen waren dan de noordelijke. De steenkoolformatie is in sommige streken twaalfduizend meters dik; daarin overheerschen met de steenkool, zandsteen en zwarte leisteen, waarin als afdruksels de overblijfselen der plantenwereld voorkomen; in de kolenkalk vindt men alleen zeedieren. Men vindt dikwijls een honderdtal lagen steenkool regelmatig op elkander gestapeld; de steenkoolformatie vertegenwoordigt dus een langdurig tijdperk, waarin de plantenwereld aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan. Wij moeten ons dus tot de planten dier formatie wenden, om onderverdeelingen in die periode te kunnen vaststellen. De Europeesche kolenbeddingen leeren ons, dat de steenkoolperiode in drie deelen kan verdeeld worden, ieder met hare eigenaardige flora: I. In de eerste periode hebben de wolfsklauwen (lepidodendrons) en de varens met gevinde bladeren de overhand. II. In de tweede periode de sigillaria's en de calamiten te zamen met de groote boomvarens. III. In de derde periode vindt men voor het grootste gedeelte varens, cordaïten en ringvormige moerasplanten (Annularia). In die laatste periode komt de Walchia te voorschijn, die in de bosschen der Permische periode de overhand heeft. Doch laat ons thans meer nauwkeurig de steenkolenmijnen onderzoeken. De steenkolen zijn het product van eene opeenhooping van ontlede plantaardige stoffen. Men vindt daarin de overblijfselen, de takken, de bladeren, de indrukken van de boomen dier oude bosschen. Scheikundig ontleed, blijken zij te bestaan uit koolstof, waterstof en zuurstof, d. i. uit de samenstellende bestanddeelen der plantenweefsels. Gemiddeld bevatten de steenkolen 83% koolstof, 6% waterstof, 5 1/2% zuurstof en sporen van stikstof en zwavel. Sommige stukken anthraciet bevatten 95% koolstof. Men kan letterlijk zeggen, dat de warmte, die de locomotieven verhit en die afkomstig is van de koolstof, in de bosschen der primaire periode vastgelegd, niets anders is dan de oorspronkelijke warmte der aarde en de zonnewarmte. Die oude warmte was opgehoopt in de steenkolen, wij maken die thans weer vrij, terwijl wij haar arbeidsvermogen in eenen anderen vorm gebruiken, en wij geven aan de natuur de reserve terug, die zij had achtergehouden. Zijn die bosschen der steenkoolperiode begraven op de plaats, waar zij oorspronkelijk aanwezig waren? Zou de steenkool oorspronkelijk turf geweest zijn, die gedrukt onder later ontstane bezinksels, versteend is? of bestaat de steenkool uit plantaardige overblijfselen, door het water medegesleept en op den bodem der bekkens afgezet? De tweede theorie is het eerst door de geologen verkondigd, zij is daarna door de eerste verdrongen, toen men bijna versteende, rechtopstaande boomen ontdekt had, doch in de laatste jaren weder in eere hersteld, omdat zij het geheel der waargenomen feiten beter verklaart. Stroomen beladen met grint, modder en plantaardige overblijfselen monden uit in het diepe en stille water van een meer, waar de stoffen naar hare dichtheid gescheiden worden: de keisteenen en het grint vallen in zeer schuine lagen bij de monding, terwijl de modder verder doorstroomt, zich onder eene veel kleinere helling laagsgewijze afzet en de plantenstoffen bijna horizontaal aan het uiteinde bezinken. Zoo wordt voortdurend het plantenslib onder nieuwe sedimentlagen bedolven, en indien de toevoer van plantenoverblijfselen voortgaat, zal de steenkoollaag zich meer of minder regelmatig op den bodem verlengen, hoewel de verschillende deelen niet gelijktijdig ontstaan zijn. Zoo kan men in de steenkoollaag alle overgangen vinden van de ruwere steenkool (d. i. de plantenstof zonder minerale bijmengselen) tot aan eene modderlaag, vermengd met enkele overblijfselen van planten. Hoevele jaren en eeuwen vertegenwoordigen die bezinkingen? Het is moeilijk te ramen. Volgens de berekeningen van Elie de Beaumont zoude al de steenkool, die door onze tegenwoordige bosschen kan geleverd worden, over de uitgestrektheid der thans ontgonnen mijnen slechts eene laag vormen van 16 centimeters in 100 jaren. Wij hebben hier dus te doen met de vrucht van honderdduizenden jaren, die millioenen jaren achter ons liggen. Men denkt hier onwillekeurig aan de voorstelling der Buddhisten. Om een denkbeeld te geven van den ouderdom der aarde en van haren duur, vergelijken zij onze planeet met eenen diamantberg, die iedere eeuw eens met een katoenen lapje wordt afgestoft. Wanneer zal die berg versleten zijn? De spoorwegen hebben in de laatste vijftig jaren een ongekend licht laten vallen op de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, door de tunnels, die door de verschillende lagen van de oppervlakte der aarde geboord zijn. Maar van alle formaties is toch de steenkoolformatie het ijverigst bestudeerd, om hare groote innerlijke waarde en hare beteekenis voor de industrie. (Wij behoeven hier niet te spreken van de diamant- en metaalmijnen, omdat zij tot de vulcanische formaties behooren, tot eenen tijd, die aan het leven is voorafgegaan). Men kent niet alleen de steenkoolmijnen, die de oppervlakte van den bodem aanraken, maar met de grootst mogelijke inspanning heeft men ook die lagen onderzocht, die iets dieper liggen, maar toch nog de ontginning waard zijn. Die ontginning heeft immers hare grenzen: indien de diepte der steenkolenlaag zoó groot is, dat de exploitatiekosten den verkoopsprijs overtreffen, dan houdt de ontginning op. Zóó b.v. blijkt reeds uit de figuren op blz. 179 en 184, dat men, zoo men doorgraaft tot aan de primaire formatie, die onder Parijs gelegen is, wel steenkool kan vinden, maar dat de exploitatiekosten eene ontginning onmogelijk maken. De groote waarde van de steenkool, die kostbaarder is, naarmate zij minder onuitputtelijk is (de vraag wordt thans ernstig behandeld, voor hoevele eeuwen er nog steenkool beschikbaar is), heeft er toe geleid, om ook de steenkoollagen te leeren kennen, die niet tot de oppervlakte der aarde naderen, en door formaties van later dagteekening bedekt zijn. Zeer rijk aan steenkolenmijnen zijn België, Engeland, Westphalen, de Vereenigde Staten, Rusland en China [16]. Het steenkolengebied strekt zich uit over meer dan een derde deel van Europeesch Rusland. De geologische samenstelling (kolenkalk) toont aan, dat op het einde der steenkoolperiode zich eene zee over Rusland uitstrekte toen westelijk Europa, reeds voor het grootste gedeelte boven water, met meren en zoetwatermoerassen bedekt was, die den voet der reuzenplanten besproeiden. Wanneer de steenkoollagen aan de oppervlakte van den bodem grenzen, dan strekken zij zich daarom nog niet over eene groote oppervlakte uit, maar dalen zij wel tot op zekere diepte naar beneden. Door vertikale putten en hellende mijngangen delven de mijnwerkers de kostbare brandstof ten koste van een leven van zelfverloochening. Hoogst zelden is een kloeke en zorgenvrije ouderdom de belooning van een werkzaam leven vol opofferingen. Indien de mijnwerker ongedeerd is gebleven na alle rampen, die hem in zijn leven onder de aardoppervlakte bedreigen, zooals mijngas, instortingen, overstroomingen enz., dan zijn toch zijne longen doortrokken met steenkolenstof, en werken zij niet meer normaal; zijn bloed wordt slecht vernieuwd, en het daglicht, waarvan hij nog enkele jaren hoopte te genieten, verlicht een zwak lichaam, dat bijna zijn tweede vaderland betreurt. Indien wij ons toevertrouwen aan het stoomros, dat de landen doorklieft en de afstanden vernietigt, indien wij des avonds de schitterende verlichting bewonderen, die met het daglicht wedijvert, dan denken wij slechts hoogst zelden aan den dapperen mijnwerker, die op zijn vreedzaam arbeidsveld de grondstof graaft ten koste van wat den mensch het liefste is. De diepte der kolenmijnen bedraagt somtijds 500, 600 of 800 meters, en de mijngangen, met het kompas gegraven, strekken zich dikwijls tot 5 of 6 kilometers uit. Die steenkolenbekkens hebben in het algemeen den vorm van grootere of kleinere, dikkere of dunnere, diepere of minder diepe kommen, maar de talrijke ontwrichtingen der lagen en de verscheidenheid der oorspronkelijke omstandigheden, waaronder zich de steenkool gevormd heeft, maken het moeilijk, eenen regel daarvoor vast te stellen. Verscheidene geologen onderscheiden de kolenkalk van de daarboven gelegen steenkool, die daarvan door eene laag zandsteen gescheiden is. Men kan echter moeilijk gissen, hoeveel achtereenvolgende bezinkingen van zout- en zoetwater door de talrijke steenkolenbladen vertegenwoordigd worden. In de laag, die zich uitstrekt van Valencienes tot Luik, heeft men op eene dikte van 300 meters 156 op elkander liggende bladen geteld. Enkele bladen zijn slechts eenige decimeters dik, andere, zooals te Commentry, hebben eene dikte van 25 meters. In België hebben enkele lagen den vorm van eene Z, zoodat eene zelfde vertikale put, dikwijls driemaal door een zelfde blad gaat. Dikwijls moet de mijnwerker zich in de lastigste bochten wringen, om den steenkolenader te volgen. De steenkool komt niet alleen voor in de formaties der primaire periode, waarvan wij thans de geschiedenis bestudeeren. De fossiele brandstof komt in alle formaties voor, maar zij is hoe langer hoe minder zuiver en vast, of neemt eene kleinere ruimte in, naarmate men de geologische ladder opklimt of afdaalt, van de eigenlijke steenkolenformatie afgerekend. Alleen in die formatie zelf waren de botanische en climatologische voorwaarden van dien aard, dat zij eene zoo groote opeenhooping van planten toelieten, als de vorming der steenkool noodzakelijk maakte. Wij moeten echter wel degelijk de oude en de jongere steenkool onderscheiden. Doch keeren wij thans terug tot de planten uit de periode, waaraan wij de steenkool te danken hebben. Te midden van de prachtige varens met hare fijn uitgesneden bladeren vindt men ook de kleinste sporeplanten, die zich onder het water verbergen of die door hare geringe afmetingen onzichtbaar zijn. Onder de sporeplanten vindt men de grootste en de kleinste planten. Men vindt er zóó kleine onder, dat men meer dan honderd millioen bijeen moet brengen, om het gewicht van één gram te bereiken! En daarnaast de Macrocystis, die eene lengte van 500 meters bereiken kan, en wier stam toch dun en buigzaam is. Men vindt de sporeplanten overal: in het water, op de oppervlakte der aarde, in den grond, in de lucht, in de levende lichamen, in de lijken. Hare rol is uiterst belangrijk. De wateren zijn vol wieren; de stroomen, de rivieren, de vijvers, de poelen voeden onmetelijke hoeveelheden dier planten; de bodem der zeeën is er mee bedekt; zij geven het aanzijn aan bosschen, die in verscheidenheid van vormen en schoonheid van kleur niet onderdoen voor de bosschen op het land. Als het bloote oog in die wateren niets nieuws meer waarneemt, dan ontdekt men met een vergrootglas weer nieuwe landschappen; spoedig is ook het vergrootglas niet meer voldoende, en indien men dan den mikroskoop te hulp neemt, dan bemerkt men, dat men tevergeefs zijnen gezichtseinder uitbreidt door telkens sterker vergrootingen, want steeds ontdekt men nieuwe plantensoorten, en krijgt men de overtuiging, dat de natuur ons het oneindige te peilen geeft. Al die sporeplanten, groot en klein, leven, en dat leven is veel meer dan het onze de bron van het leven op aarde. Als men die planten aan den arbeid ziet, dan begrijpt men, welke belangrijke rol zij spelen onder de verschijnselen, die op onze planeet plaats vinden: terwijl zij, om te leven, het koolzuur onttrekken aan de wateren, die verzadigd zijn van dubbel koolzure kalk, bereiden zij de onoplosbare koolzure kalk, die zich afscheidt, en vervaardigen zij lagen van steen, waarin zij hare overblijfselen achterlaten als getuigen van het deel, dat zij aan den arbeid genomen hebben. Andere planten werken op het kiezelzuur; zij houden dat vast, bedienen zich er van, om beschermende omhulsels te vervaardigen, en zich met duizelingwekkende snelheid vermenigvuldigend, vormen zij de gesteenten, die zich snel verheffen; de opvolgende geslachten legeren zich op de lijken van die, welke vóór hen geleefd hebben, en die daar blijven liggen, omgeven door kiezelrijke schelpen, die hun tot lijkwade dienen. Somtijds doen die kleine sporeplanten, medegevoerd door de stroomen, hare dooden in zóó grooten getale stranden, dat zij de mondingen van die stroomen verstoppen. Aan de monden van den Oder en vele andere rivieren, bestaat de modder voor een derde of de helft uit ontelbare soorten van planten. In de haven van Pillau wordt iedere eeuw eene massa van één millioen cubieke meters van die oneindige kleine wezens afgezet. Nauwelijks komen die gesteenten boven water, of andere sporeplanten maken zich er van meester: gewoonlijk zijn het korstmossen. Aan de rotsen vastgehecht, ontleden zij zelfs de hardste gesteenten. Die merkwaardige planten, die men overal vindt, waar een terrein geschikt gemaakt kan worden voor de vestiging van hooger ontwikkelde planten, hetzij wieren, hetzij paddestoelen, zijn voor verschillende soorten van arbeid geschikt; men vindt ze dan ook op het kwarts, op zandsteen, leisteen, het bazalt en het porphyr van uitgedoofde vulkanen, en zelfs op de nauwelijks afgekoelde lava van nog steeds vuurspuwende bergen. Wij moeten echter opmerken, dat de sporeplanten oorspronkelijk waterplanten waren en nog altijd min of meer het water zoeken; nauwelijks wagen zich de hoogst ontwikkelde op droge plaatsen; de korstmossen sterven wel niet in de brandende woestenijen, maar _leven_ daar slechts, als zij eenig vocht vinden. Men gevoelt bij alle sporeplanten eene geheime verwantschap met de wieren, waaruit zij ongetwijfeld zijn voortgekomen; bijna alle moeten zij òf in het water leven òf hebben zij behoefte aan meer of minder vochtige lucht. Dringen wij iets dieper in den grond door, dan blijkt het dat de verschijnselen, die wij daar waarnemen, het vervolg zijn van die, welke plaats gegrepen hebben in de tijdperken, die aan het onze zijn voorafgegaan. Dezelfde arbeid werd verricht, en wel op dezelfde wijze, het evenwicht werd tot stand gebracht door de vereenigde werking van voortbrengende en verterende elementen; maar te oordeelen naar de getuigenissen dier eeuwen, waren het alleen de sporeplanten, die dien arbeid verrichtten, terwijl de zaadplanten eerst veel later verschenen, om eerst met de sporeplanten samen te werken, ze later aan te vullen, en eindelijk te trachten ze te vervangen in haren arbeid. Tijdens den langen duur der steenkoolperiode werd de levenskracht der planeet in de wateren hoofdzakelijk vertegenwoordigd door de visschen, op het land door de planten. Nog bestaan wel niet de hoogere ontwikkelde soorten in het dieren- en plantenrijk, maar reeds openbaart zich het streven der natuur door de opklimming van het delfstoffenrijk tot aan de visschen en insecten aan de ééne zijde, en de varens en sigillaria's aan de andere zijde. Dat streven zal blijven voortduren, totdat de natuur het aanzijn zal geschonken hebben aan de gevoelige en de vleeschetende planten, het kruidje-roer-mij-niet en de drosera, en aan de vogels, de zoogdieren en den mensch. In de periode, die wij thans bestudeeren, hebben de planten de grootste vorderingen gemaakt, en de natuur noodigt ons zelf uit, om een oogenblik te vertoeven, ten einde die merkwaardige plantenwereld, die zoo dikwijls miskend is, te bewonderen. De planten zijn niet minder merkwaardig dan de dieren, ook zij leven, en het is alleen door eenen samenloop van omstandigheden, dat niet het hoogst ontwikkelde ras een plantenras geworden is, in plaats van het menschenras. Laten wij ons eerst nog even herinneren, dat de planten in twee groote afdeelingen kunnen gesplitst worden: de cryptogamen (geheim bloeiende sporeplanten) en de phanerogamen (openlijk bloeiende zaadplanten). De eerste zijn nederige, weinig schitterende planten, zonder bloemen; "de huwelijkssponde der plant", de voortplantingsorganen, zijn onzichtbaar, mikroskopisch klein, en zóó verborgen, dat eertijds zelfs uitstekende plantkundigen aan het bestaan dier organen twijfelden, en die planten agamen, (zonder voortplanting) wilden noemen. Tot die cryptogamen behooren de wieren, de zwammen, de schimmels, de mossen, de paardestaarten, de varens. In werkelijkheid is er bij deze planten evenmin als bij de zaadplanten, generatio spontanea, maar evenals bij de lagere dieren, waarvan wij de ontwikkelingsgeschiedenis hebben medegedeeld, is de wijze van voortplanting nog weifelend, en heeft zij nog niet die volmaaktheid bereikt, dat de geslachten volkomen gescheiden zijn, en dat twee verschillende, elkander aanvullende wezens tot elkander moeten naderen. Geen bloemen, geen behaagzucht, geen welriekende geuren, geen wellust: minnarijen van weekdieren, schaaldieren, visschen. Maar de natuur verheft zich tot een poëtischer ideaal. Uit de sporeplanten komen de zaadplanten voort, evenals de gewervelde dieren uit de ongewervelde. De zaadplanten zijn de hooger ontwikkelde, met schitterenden bruidstooi, en voortplantingsorganen, die bij de meeste met het bloote oog zichtbaar zijn: de mannelijke organen, _de meeldraden_, dragen de bevruchtende stof, het _stuifmeel_; het vrouwelijk orgaan, _de stamper_, bevat de te bevruchten eitjes, die het aanzijn geven aan eene nieuwe plant. De zaadplanten worden in twee afdeelingen verdeeld: de _gymnospermen_ (naaktzadigen) en de _angiospermen_ (bedektzadigen); bij de eerste zijn de eitjes niet in eenen gesloten zak, eierstok, ingesloten; en groeit het hout door jaarringen aan (naaldboomen); bij de tweede zijn de eitjes opgesloten in den eierstok; de angiospermen worden weder in twee klassen verdeeld: _de monocotylidonen_ (éénzaadlobbigen), waar het hout niet aangroeit door concentrische ringen (palmen, bananen, suikerriet, dekriet, hyacinten enz.) en de _dicotylidonen_ (twee zaadlobbigen), waar het hout door jaarringen aangroeit en de vaatbundels onbegrensd zijn (eiken, olmen, enz.). Doch wij mogen niet te veel in bijzonderheden afdalen: wij schrijven geen handboek over plantkunde. Wel mogen wij het leven der planten leeren kennen, door hare zeden en aandoeningen te bestudeeren. Fig. 150-154 stellen eenige bloemen voor. In de bloemkroon ziet men in het midden een aan haar benedeneinde gezwollen draadje (stijl), dit is _de stamper_ of het vrouwelijke orgaan; de zwelling aan de benedenzijde is de eierstok, die de eitjes bevat; de top van den stamper is de stempel. Rondom dien stamper ziet men _de meeldraden_ of mannelijke organen, vijf of meer in getal (hun aantal is veranderlijk), en ook de stamper kan één- of veelvoudig zijn. De meeldraden bestaan uit eenen _helmdraad_, die eindigt in eenen ovalen geelgekleurden _helmknop_, die een geel poeder, het _stuifmeel_ bevat, dat voor de bevruchting dient. Men zal zich gemakkelijk van de bevruchting der bloemen rekenschap geven bij de beschouwing der fig. 154-157. Fig. 154 stelt eene _kalmia_ voor, terwijl de meeldraden in rust zijn, vóór de bevruchting; fig. 155 diezelfde bloem op het oogenblik der bevruchting, als de meeldraden zich geplaatst hebben op den stempel van den stamper; fig. 156 is eene _loasa lateritia_, waar men alle meeldraden aangetrokken ziet door den stamper. Voor de bevruchting is het noodzakelijk, dat het stuifmeel de eitjes aanrake. De eitjes, die niet door die bevruchtende stof worden aangeraakt, blijven onvruchtbaar. Op het oogenblik der bevruchting opent zich de helmknop en werpt deze het stuifmeel op den stempel. Uit iederen stuifmeelkorrel gaat eene zeer fijne buis uit, die in den stempel dringt, den stamper in zijne geheele lengte doortrekt, om de eitjes te zoeken, die haar aantrekken, en door haar bevrucht worden. Van dat oogenblik af begint de vrucht zich te ontwikkelen: het bevruchte eitje wordt eene zaadkorrel en de eierstok eene vrucht. De bloem, met hare geuren en schoonheid, verdwijnt; het schoone wijkt voor het ware, het aangename voor het nuttige. Het doel der natuur is volbracht. Bij de dieren zijn reeds sedert langen tijd de geslachten gescheiden, en die scheiding is een zeer krachtige oorzaak van vooruitgang en ontwikkeling. Bij de planten is de scheiding der geslachten uitzondering. Daar de planten op hare plaats blijven, zoo is scheiding der geslachten in haar nadeel, zoodat deze waarschijnlijk wel nooit algemeen zal worden. De éénhuizige planten, waar mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant voorkomen, gaan het meest vooruit. De vorm der bloem hangt samen met de betrekkelijke lengte van de meeldraden en van den stamper. Daar de bevruchting het best verzekerd wordt, indien het stuifmeel boven het vrouwelijk orgaan gelegen is, opdat het neervallend op den stempel kome, zijn bij de recht opstaande bloemen de meeldraden langer dan de stamper en steken zij daar boven uit. Bij de fuchsia's, waar de bloemen neerhangen, is de stempel ver onder de meeldraden gelegen, en als het stuifmeel uit de helmknoppen valt, komt het dus weder op den stempel. Bij een groot aantal bloemen zetten zich de meeldraden bij de minste aanraking in beweging; als men ze even aantikt, of een insect er maar aan raakt, vallen zij op den stempel neer. De insecten spelen dan ook eene belangrijke rol bij het bevruchten der bloemen. Indien zij zich in de bloemkroon neerzetten, brengen zij de zoo gevoelige meeldraden in beweging, die instinctmatig in aanraking komen met den stempel. De bijen, de hommels, de kapellen nemen het stuifmeel mede, als zij honig gezocht hebben in de bloemkroon, en als zij zich dan op andere bloemen nederzetten, geven zij daar het stuifmeel af, dat die bloemen veel sneller bevrucht, dan zonder de tusschenkomst dier insecten het geval zoude geweest zijn. Bij de planten met gescheiden geslachten, zooals de dadels, de kastanjes, en andere, is de bevruchting zelfs zonder de hulp der insecten of van den wind onmogelijk. Men kent de geschiedenis van den vrouwelijken dadel, te Otranto geplant, die onvruchtbaar bleef, totdat een mannelijke dadel te Brindisi zóó hoog boven de naburige boomen uitstak, dat de wind het bevruchtende stuifmeel naar Otranto kon overbrengen. De vallisneria, eene bekende waterplant, behoort tot de merkwaardigste der planten met gescheiden geslachten. De vrouwelijke bloemen worden door eenen langen steel gedragen, die haar in staat stelt, tot aan de oppervlakte van het water te komen en daar hare bekoorlijkheden ten toon te spreiden. De mannelijke bloemen stijgen niet hoog genoeg, om ze te bereiken. Maar somtijds ontsnappen zij plotseling uit de bloemscheede, die ze omsloten hield, en verheffen zij zich tot de huwelijkssponde. Dan verspreiden de helmknoppen hun stuifmeel en wordt dit door de vrouwelijke bloemen opgenomen. Daarna wikkelen zij haren steel spiraalvormig op, zeggen het licht vaarwel en dalen zij af tot onder het water, om er de vrucht van hare liefde te doen rijpen. Nog hooger in ontwikkeling zijn de planten met willekeurige of teweeggebrachte bewegingen, die op hare wijze zenuwen en spieren bevatten en begaafd zijn met vermogens, die hooger staan dan die van een groot aantal lagere dieren. Daartoe behooren het kruidje-roer-mij-niet, de drosera, de vliegenvanger, de aldrovandia, de pinguicula, de utricularia, enz. De merkwaardigste en nauwkeurigst bestudeerde is de drosera, merkwaardig type der _vleeschetende planten_. Wij zijn zóózeer gewend aan het denkbeeld, dat de planten door hare bladeren ademen, en dat zij zich door hare wortels met de sappen der aarde voeden, dat onze gewone begrippen omtrent de onschuld van het plantenrijk omver geworpen worden, indien wij hooren spreken van eene plant, die eet en haar voedsel verteert als een dier. Do drosera, die de venen en de moerassen bewoont, heeft bladeren, die bedekt zijn met voelhorens, en vloeistofdruppels afscheiden, die in de zon schitteren. Indien een insect, vlieg, vlinder, of waterjuffer zich op het blad plaatst, dan dalen alle voelhorens (dikwijls ten getale van 260) op het insect af en nemen het gevangen. Al plaatst het zich op den rand van het blad, dan wordt het reeds gegrepen en naar het midden gesleept. Het wordt met een slijmerig vocht besmeerd en sterft spoedig. Daarna eet de plant het in letterlijken zin op: het slorpt het op en verteert het door middel van eene soort van maagsap. De vleeschetende plant scheidt eene gistingsstof af, met pepsine overeenkomend, en die ook bij de spijsvertering dezelfde rol vervult. Men kan de plant rauw, of gebraden vleesch, stukken hard ei, beenderen of graten geven, zij geeft bijna niets terug! De plant heeft eene ongeloofelijk krachtige spijsvertering. Wij hebben ruimte te kort, om langer over die planten uitte weiden. Het zoude anders belangrijk zijn, nog een oogenblik stil te staan bij de vliegenvangers, die de onvoorzichtige vliegen, die zich een oogenblik op de bladeren neerzetten, meedoogenloos vermorzelen en verslinden, of bij andere verwante soorten; doch wij mogen niet langer vertoeven. Ons doel was alleen, bij de beschrijving der steenkoolperiode, de periode van het plantenrijk bij uitnemendheid, dat plantenrijk te leeren begrijpen: te leeren gevoelen, dat ook dat rijk niet vreemd is aan het leven onzer planeet, en dat het veel minder ver afligt van het dierenrijk, dan men oppervlakkig meent. Indien wij ons bezig zullen houden met den oorsprong van den menschelijken geest, dan zullen wij zien, dat zelfs uit het oogpunt van de geestvermogens, de plant niet zoo werkeloos is, als men meent. Honger, dorst, ziekte, gulzigheid, wellust, ja zelfs liefde, zijn gewaarwordingen, die den planten niet geheel en al vreemd zijn. De hooger ontwikkelde planten zijn eerst zeer laat opgetreden, evenals de hoogere dieren; en er is geen reden te gelooven, dat er in de toekomst niet nog veel hooger ontwikkelde planten zullen bestaan; het plantenrijk immers gaat evenzeer vooruit als het dierenrijk en het menschdom. De bedektzadige planten zijn van jongen datum: de eenzaadlobbigen zijn begonnen in de triasperiode, en de tweezaadlobbigen in de krijtperiode. In de steenkoolperiode bestond het plantenrijk hoofdzakelijk uit sporeplanten: de naaktzadigen treden juist op. Fig. 157 geeft een duidelijk overzicht van het plantenrijk in de verschillende perioden. Men ziet, dat in de azoïsche periode alleen hoogsteenvoudige cryptogamen, protophyten en wieren voorkwamen; dat in de primaire periode, het devonische tijdperk het aanzijn gaf aan de korstmossen, de bladmossen, de eerste varens, de wolfsklauwen en de paardestaarten, die zich vooral ontwikkelen in de steenkoolperiode; dat in die laatste periode ook de naaktzadige cycadeën ontstaan, die aan de varens grenzen, en in de permische periode de coniferen, die in de secundaire periode de overhand hebben. Men ziet ook, dat de bedektzadigen in de triasperiode begonnen zijn met de éénzaadlobbigen, terwijl de tweedzaadlobbigen eerst op het einde dier periode ontstaan zijn, om voort te duren tot op onzen tijd. Onze lezers kennen thans de grondtrekken van het gebouw van het leven op aarde, de grondwaarheden van "de wereld vóór de schepping van den mensch." Langzaam, stap voor stap, volmaakte zich het plantenrijk, terwijl het zich aanpaste aan de levensvoorwaarden der planeet. De steenkoolperiode was het tijdperk der sterkste uitbreiding van dat rijk. Bij dien vruchtbaren plantengroei kon men in de lauwe wateren, in de nauwelijks verrezen eilanden, in de vochtige wadden, de meest verschillende soorten ontdekken van sporeplanten, zooals paardestaarten en mossen. Zij vormden als het ware het weefsel der formaties, waarop de reusachtige paardestaarten groeien moesten. Van de laagste vormen, waar het protoplasma bloot ligt, klimt men ongemerkt op tot de vormen, die aan de zaadplanten grenzen. Die lagere planten, die bladmossen, die paardestaarten, groeien, en bereiken eindelijk eene hoogte van verscheidene meters. Men heeft in de steenkoolformatie zelfs calamiten en paardestaarten van tien tot twaalf meters gevonden. Doch dit was nog slechts het voorspel van de prachtige wouden, waarin de schubboomen, sigillaria's en boomvarens de overhand hebben. De schubboomen behooren tot de familie der lycopodiaceën, die thans slechts vertegenwoordigd worden door onze gewone wolfsklauwen. Zij bereikten toen eene verbazende hoogte, en hunne sierlijkheid wedijverde met hunne kracht. Reeds kon men in de stukken, in de steenkool teruggevonden, die kracht en die sierlijkheid vermoeden. Toen men ze later leerde kennen, vond men, dat die stukken behoorden tot reusachtige boomen, van 30 tot 40 meters hoogte en 1 1/2 meter middellijn. De schors dier boomen was bijzonder schoon, gegraveerd met sierlijke ruiten. Men heeft zelfs den juisten vorm van hunnen inwendigen bouw teruggevonden: in het midden was eene soort van merg, evenals bij hunne tijdgenooten, de calamodendrons (fig. 165 en 166). Men ziet, dat er toen geene jaarringen waren, die ons in staat zouden stellen, den leeftijd van den boom te leeren kennen, en de jaren van ziekte en voorspoed. Bij de calamiten en schubboomen moeten wij nog als vertegenwoordigers der flora van dat tijdperk de varens voegen, die onder die voorspoedige omstandigheden boomvarens worden. In plaats van eene hoogte van enkele meters te bereiken, zooals thans zelfs in de tropen het geval is, werden zij 12 tot 15 meters hoog. Zij waren in de paleozoïsche periode, gedurende het eerste levenstijdperk op aarde, de heerschers en gebieders. Maar geene enkele plant van die oude tijden was zoo merkwaardig als de reusachtige boomen, die thans uitgestorven zijn en bekend staan onder den naam van sigillaria's. Die boomen, die dikwijls eene hoogte van 40 meters bereikten, zijn de overgangsvormen tusschen de sporeplanten en de zaadplanten, want het zijn bijna reeds naaktzadige planten. Zij gelijken op de cycadeën en de coniferen. Zij hebben geene jaarringen, en hare eitjes worden door geenen eierstok beschermd. De naaktzadigen zijn onvolkomen, of liever hoogsteenvoudige zaadplanten, dichter staande bij de cryptogamen dan de bedektzadigen. Deze laatste zullen eerst veel later de overhand verkrijgen. Men ziet het, de gang der natuur is steeds dezelfde: van het eenvoudige naar het samengestelde, van het onvolkomene naar het meer volmaakte, van de armoede naar den rijkdom. Sedert de eerste ontdekking van stammen van sigillaria's was men verbaasd over de vreemdsoortige schikking van sommige ovale litteekens rondom die schoone cilindrische stammen; aan de overeenstemming in vorm van die litteekens met stempels, zijn die boomen hunnen naam van sigillaria's (stempelboomen) verschuldigd. De boomen werden gesteund door krachtige wortels, die zich dikwijls tot 15 en 20 meters van den voet van den boom onder den grond uitstrekten. Andere boomen dier familie zijn van boven tot beneden met zeshoekige schilden bedekt, die tevens de sporen van bladeren dragen; of wel die soorten van schubben zijn driemaal langer dan breed, en dragen de knoopen der bladeren aan den bovensten hoek. Een andere merkwaardige vorm, die der _stigmaria's_, heeft aanleiding gegeven tot onjuiste opvattingen, totdat men de oplossing van het raadsel gevonden heeft. In de steenkolenformatie vond men verbazend groote min of meer gebogen, maar nooit rechte stammen van eene vreemde soort; die boomen kenmerkten zich door eene gegolfde schors, door eene plotselinge vernauwing van den stam en door vlekken, van de grootte eener erwt, die in regelmatige spiralen om den stam liepen. Die vlekken waren kleine stempels, afdruksels van bladeren, die bij de sigillaria's, (zooals bij onze palmen en boomvarens), uit den stam zelf kwamen; maar die bladeren schenen volstrekt niet tot dezelfde familie te behooren. Nauwkeuriger onderzoekingen deden stompen vinden, die dergelijke houtachtige, cilindrische bladeren droegen; het waren veeleer bladstelen dan bladeren. Eindelijk vond men eenen prachtigen stam eener sigillaria, die nog hare wortels behouden had, en het bleek toen, dat de _stigmaria_, die men als een boom beschouwd had, niets anders dan de wortel der _sigillaria_. Die soort is met de oorspronkelijke flora uitgestorven; doch de sigillaria's gaan over in varens, de schoonste boomen dier familie. Wat wij thans varens noemen, is nog slechts een flauw spoor van die prachtige planten van eertijds. Zij gelijken op palmboomen, doch de bladeren zijn enkel- of dubbel gevind; bovendien ontstaan de jonge bladeren der varens gelijktijdig en zijn zij slakkenhuisvormig opgewonden, terwijl de bladeren der palmboomen na elkander ontstaan en uit eenen rechten stam groeien, die spits toeloopt. De varens en de sigillaria's zijn planten, die vocht, schaduw en warmte noodig hebben, want zij wijzen alle op een tropisch klimaat. De _fossiele boomen_ zijn van jongeren datum dan de steenkool. Hoewel echter de planten, die in kiezel veranderd zijn, niet tot de steenkoolformatie behooren, zijn zij toch ongetwijfeld uit de periode der roode zandsteen, die onmiddellijk daarop volgt. Misschien hebben zich die planten ontwikkeld tijdens de steenkoolformatie, zonder verkoold te zijn, en zijn zij op de oppervlakte gebleven, die daarna met zand en klei bedekt is; daarna kan zich het kiezel uit het mengsel hebben afgescheiden, om zich in de houtvezels af te zetten, of is deze molecule voor molecule in de plaats van de koolstof getreden. Men vindt somtijds geheele lagen versteend hout. Het stadhuis te Nordhausen bevat eene zandsteenen trap, waarvan ieder stuk onwederlegbaar aantoont, dat het oorspronkelijk hout geweest is, en dat de massa van jaar tot jaar is toegenomen met houtlagen, bestaande uit vezels, stammen en takken; op andere plaatsen vindt men, dat de houtmassa in prachtige agaatsteenen veranderd is, die nu eens doorschijnend, dan weder ondoorschijnend zijn en de meest verschillende kleuren vertoonen. Op van Diemensland vindt men een bosch, bestaande uit versteende boomen, die in opaal veranderd zijn. Nergens vindt men waarschijnlijk schooner versteend hout, en nergens is de oorspronkelijke bouw der weefsels beter bewaard gebleven. Terwijl het van buiten nog steeds eene gelijkslachtige en blinkende oppervlakte vertoont, bestaat het van binnen uit concentrische lagen, die wel vast aaneengesloten schijnen, maar toch over hare geheele lengte gemakkelijk kunnen worden gespleten. Sir James Ross deelt het volgende mede: "Ten zuiden van de haven (op het eiland Kerguelen) bevindt zich de merkwaardige rots, door Cook beschreven. Het is eene ontzaglijke bazaltmassa, 500 voet dik, veel jonger dan het gesteente, waarop zij rust, en waaruit zij in half-vloeibaren toestand schijnt verrezen te zijn, tot eene hoogte van 600 voet boven de oppervlakte der zee. Tusschen die twee gesteenten van verschillenden ouderdom heeft men versteende boomen gevonden; men heeft er éénen van zeven voet uitgegraven en naar Engeland gezonden. De graad van versteening van dat hout wisselt af tusschen de zeer brandbare steenkool en de vuursteen, hard genoeg om glas te snijden. Eene laag leisteen, verscheidene voeten dik, en op die boomen afgezet, schijnt de verkoling te hebben belet, toen de lava ging stroomen. Één der merkwaardigste geologische karaktertrekken van dat eiland is juist, dat men er verscheidene lagen steenkool boven elkander vindt, in dikte afwisselend tusschen enkele duimen en verscheidene voeten." In de roode zandsteen en onder dat gesteente vindt men versteende boomen, waarin eene kiezelmassa is doorgedrongen, en die in chalcedoon veranderd zijn; van die stammen, dwars doorgesneden, tot platen gezaagd en gepolijst, worden luxeartikelen vervaardigd, even schoon als agaat of kornalijn. Maar keeren wij tot het steenkooltijdperk terug. Met de sigillaria's openden de cardoïten, die eveneens uitgestorven zijn, het tijdperk der naaktzadigen, waarvan de naaldboomen en cycadeën de thans nog levende vertegenwoordigers zijn; ook zij waren boomen van veertig meters hoogte, alleen aan de kruin vertakt, en gedekt door groote bladeren, een meter lang. Die lange bladeren komen in grooten getale voor in de geheele steenkoolformatie, en vooral in de bovenste lagen. De gekleurde plaat tegenover blz. 274 geeft den lezer een denkbeeld van den aard dier onmetelijke wouden, die zoowel op den bodem van het water gevonden worden als op eenen grond, die reeds zijn plantenkarakter verkregen heeft door de menigte planten, in dien grond reeds sedert eeuwen opgehoopt. Dit is de flora, die onze planeet versierde op het tijdstip, waarop de rijke kolenmijnen gevormd werden, die in onzen tijd door de menschelijke industrie ontgonnen werden; men ziet, hoe snelle en reusachtige vorderingen het plantenrijk heeft gemaakt. Doch alsof de natuur zich nu eens uitsluitend heeft willen toeleggen op de uitbreiding en ontwikkeling van het plantenrijk, is het dierenrijk slechts weinig vooruitgegaan. De vischsoorten, die aan de devonische periode eigen zijn, zetten zich ook in de steenkoolperiode voort, en worden vertegenwoordigd door de glansschubbigen, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben. Zij ontwikkelen zich in die periode sterk, krijgen eene groote verscheidenheid in vormen en bereiken eene aanzienlijke grootte, zooals b.v. de megalichthys. Enkele soorten moeten tegelijk door kieuwen en door longen geademd hebben, zoodat zij ook in droge modder konden leven. De weekdieren nemen in die periode eene andere gedaante aan. Het meest komen voor de armpootigen, bekend onder den naam van productidae, groote gewelfde dieren. De soorten der vroegere periodes nemen af met uitzondering der spiriferidae en enkele andere. Ook verminderen de koploozen, doch de buikpootigen nemen weer toe. De plantdieren veranderen weinig. Men vindt stekelhuidigen, zee-egels, zeesterren uit de silurische periode voortgekomen, en zeeleliën, waarvan men in die periode meer dan vijfduizend soorten kent. De schaaldieren ondergaan merkbare veranderingen; de trilobieten verdwijnen bijna geheel; de schorpioenen nemen toe. Reeds vroeger (blz. 168) hebben wij van eenen schorpioen gesproken, in de silurische formatie gevonden. Fig. 178 stelt zijnen opvolger voor in het steenkooltijdperk. De in de lucht ademende dieren worden reeds talrijker. Evenals de spinachtige dieren, zijn ook de oudste duizendpooten in de steenkoolformatie ontdekt. Maar het zijn de insecten, die zich het snelst ontwikkelen. Tot voor korten tijd had men slechts een gering aantal fossiele insecten gevonden, en dat wel alleen in de secundaire en tertiaire periode. Tot in 1878 had men over de geheele aarde slechts 120 overblijfselen van fossiele insecten ontdekt; na 1878 heeft men alleen in Frankrijk in de steenkolenmijnen van Commentry 1300 exemplaren gevonden. Eenige soorten waren reeds in de devonische formatie gevonden, en onlangs ook in de silurische. Hoewel men in het algemeen alleen de vleugelen vond, (daar het lichaam van een insect moeilijk bewaard kan blijven) zijn de insecten van Commentry tamelijk volledig behouden gebleven. Alle insecten, tot nu toe in de primaire formaties gevonden, Zijn rechtvleugeligen, netvleugeligen of halfvleugeligen, en dus minder ontwikkelde dieren dan de vliesvleugeligen en schubvleugeligen; hun lichaam vertoont nog niet die zuivere scheiding van kop, borststuk en achterlijf, die men b.v. bij de vliesvleugeligen bewondert. Een kakkerlak, een krekel, een sprinkhaan, zijn niet zoo ontwikkeld als een vlinder met geschubde vleugels, eene bij, of eene mier. Het is natuurlijk, dat de rechtvleugeligen vóór de vliesvleugeligen zijn opgetreden. In de bosschen der steenkoolperiode vond men de voorouders der kakkerlakken, der krekels, der sprinkhanen, der witte mieren, der waterjuffers. Men kent reeds sedert lang de kakkerlakken, door Oswald Heer in de steenkool van Zwitserland ontdekt. Onder die oude insecten vindt men er (meganeura en titanophasma) van 33 en 25 centimeters: geen enkel insect van onzen tijd bereikt meer die grootte. Wij noemen nog de _protophasma Damasii_ die prachtig bewaard is gebleven, en waarin men (fig. 181) het oog, de sprieten, den fijnen bouw der vleugelen, nog uitstekend kan terugvinden. Indien men aan die insecten denkt en ze in den geest doet herleven in de schitterende wouden dier periode, terwijl men zich de gevoeligheid dier sprieten en dier oogen met duizenden facetten voor den geest roept, dan bewondert men de grootheid van den arbeid, door de natuur volbracht sedert den tijd, toen alleen de raadselachtige organismen der oorspronkelijke zeeën dreven in de wereldzee der cambrische periode. De steenkoolperiode schijnt ook het tijdperk te zijn, waarop de kruipende dieren het eerst optraden. Men heeft in de steenkoolformatie amphibiën gevonden, op salamanders en kikvorschen gelijkend, waarvan enkele meer dan twee meters lang waren. Van dien tijd dagteekenen ook de labyrinthodonten, (kikvorsch-hagedissen) die den overgang vormen tusschen de amphibiën en de kruipende dieren. Wij zullen ze leeren kennen in de permische periode, waarin zij zich snel ontwikkeld hebben, ten einde zich voor te bereiden voor de heerschappij, die zij in de secundaire periode moesten voeren. VIJFDE HOOFDSTUK Einde van het Primaire Tijdperk. De permische periode.--Amphibiën en kruipende dieren. Uit het oogpunt van het leven beschouwd is de permische periode niet minder dan uit een natuurkundig oogpunt de voortzetting der steenkoolperiode. Toch is de steenkoolperiode zelf voorbij; men vindt thans kalk- en zandsteenen, zonder brandbare stoffen, en die in meer of minder dikke lagen op de kolenlaag gelegen zijn. Wij zagen reeds vroeger, dat de steenkolenformatie in Rusland meer dan een derde van Russisch-Europa uitmaakt. Hetzelfde is met de permische formatie het geval; een groot gedeelte van Midden-Rusland wordt door die formatie, die naar de provincie Perm genoemd wordt, ingenomen. Men noemt die formatie ook wel rood-doodliggend, om de weinige fossielen, die zij bevat. In Frankrijk ligt die formatie op verscheidene plaatsen bloot. Op de centrale hoogvlakte, die, zooals wij zagen, zoo rijk is aan steenkolenlagen, bedekt de permische formatie dikwijls die lagen met eene laag van 900 tot 1000 meters, bestaande uit zandsteen en leisteen. In de Vogezen neemt die formatie den bodem der valleien in, die op den oostelijken rand dier bergstreek de secundaire bergketens snijden: daar rust zij onmiddellijk op het gneiss, dat den ondergrond van die valleien vormt, en vermengt zij zich met het porfier, dat daar is uitgeworpen in den tijd, toen dat geheele oostelijke gedeelte der Vogezen met permische wouden (varens, cordaïten, enz.) bedekt was. Het oudste gedeelte der permische formatie is eene strandvorming, in ondiepe zee gevormd. Planten en dieren zijn nog dezelfde als in de vorige periode, maar zij staan reeds op het punt, om plaats te maken voor volkomener vormen. De omgeving verandert. Toch zijn er nog geene jaargetijden op onze planeet, en de zon is nog niet zeer lichtgevend. De temperatuur is nog overal gelijkmatig en tropisch. De bodem ondergaat dalingen, die het gevolg zijn van inwendige afkoeling en samentrekking der aarde. In het begin dier nieuwe periode voert eene algemeene daling van den bodem de zee weer terug over een groot gedeelte van Europa, vooral Rusland, Centraal-Duitschland, het zuid-westen van Engeland, den voet der Vogezen enz. Groote opeenhoopingen verzamelen zich in de zeeën: zij vormen het _jonge roode zandsteen_. Daarboven zet zich in tijden van betrekkelijke kalmte de magnesiumkalk, ook wel zechsteen genoemd, af. Dit is in Centraal- en West-Europa de gewone samenstelling der permische formatie, die trouwens zeer veranderlijk is. Op verscheidene plaatsen brengen onderaardsche inspuitingen in de zeeën delfstoffen, die in het algemeen verderfelijk zijn voor het leven; b.v. het koper in Thuringen en Rusland, het gips en het steenzout in Rusland en Amerika, en het magnesium overal. Uit een mineralogisch standpunt gelijkt dan ook de permische formatie meer op het trias, dat daarop volgt, dan op de formaties, die zijn voorafgegaan; uit een organisch oogpunt is echter het omgekeerde het geval. Behalve in Rusland en in de Vereenigde Staten, waar nog steeds de stilte der vorige perioden voortduurt, zijn de bewegingen van den bodem en de omwentelingen der lagen uiterst talrijk; vandaar dan ook, dat in de Vereenigde Staten de permische formatie 250 meters is, terwijl deze in Boheme 700 meters en in Saksen 1200 meters bedraagt. De onderste lagen rusten nu eens op de steenkool, dan weder op leisteen of graniet, hetgeen wijst op den invloed der zee. De permische periode teekent het einde van een groot geologisch tijdvak, omdat daarin de meeste oude typen uitsterven, hetzij omdat zij hun natuurlijk uiteinde bereikt hebben, hetzij omdat de omgeving niet meer geschikt voor hen is. Slechts enkele typen blijven voortbestaan: nog geene enkele der nieuwe vormen, die het secundaire tijdperk teekenen, komt ten tooneele. Het is dus natuurlijk, dat het einde der permische periode tevens als het einde der paleozoïsche periode beschouwd wordt. De dierenwereld uit die periode telt nauwelijks driehonderd bekende soorten. Alle dierengroepen geraken in verval, ten minste in Europa en in de Vereenigde Staten. De poliepen, de zeeleliën en de stekelhuidigen tellen nog slechts enkele soorten. Bijna alle paleozoïsche armpootigen zijn verdwenen, enkele komen nog voor het laatst voor. Die klasse zal zich niet meer uit haar verval opheffen en altijd overtroffen worden door de buikpootige en koplooze weekdieren. De koppootigen zijn tot enkele soorten teruggebracht, en de schaaldieren worden alleen nog slechts vertegenwoordigd door de laatste der trilobieten, enkele limulen en enkele cypridinen. De glansschubbige visschen behouden hunne stelling en zijn merkwaardig door het groote aantal soorten en individuen. De ontwikkeling van het leven schrijdt regelmatig voorwaarts. Boven de drie afdeelingen: plantdieren, weekdieren en ringwormen, alle ongewervelde dieren, staan de gewervelde dieren. Gedurende de azoïsche en primaire periodes hebben wij na elkander de dieren der drie eerste afdeelingen zien verschijnen, en wel zóó, dat de meest volkomene ongewervelde dieren, de spinachtigen, de duizendpooten, de insecten, de gelede dieren in het algemeen, het laatst verschenen zijn, lang na de plantdieren en de weekdieren. Zoo zagen wij ook de gewervelde dieren met de laagst ontwikkelde, de visschen, beginnen. Die hooger ontwikkelde afdeeling bestaat uit de volgende klassen: Visschen. Amphibiën. Kruipende dieren. Vogels. Zoogdieren. Wij hebben de eerste dier klassen zien optreden. Wij zullen thans de ontwikkeling der tweede klasse bijwonen. De amphibiën zijn noch visschen noch kruipende dieren. Hun zenuwstelsel is ontwikkelder dan dat der eerste klasse, en minder ontwikkeld dan dat der tweede klasse. Men noemt ze amphibiën (tweeslachtig), omdat zij zoowel in het water als visschen, als in de lucht als kruipende dieren kunnen leven. Tot de amphibiën behooren de kikvorsch en de pad, (staartlooze dieren) en de salamanders (die den staart behouden). Tot de kruipende dieren behooren de slangen, de hagedissen, de krokodillen en de schildpadden. De amphibiën ademen de lucht in, die in het water op gelost is, en wel gedurende den eersten tijd van hun leven, door kieuwen. De kruipende dieren ademen steeds de gewone lucht in door longen. De amphibiën vertoonen bovendien voortdurend gedaantewisselingen; op het oogenblik, waarop zij het ei verlaten, zijn zij nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen, en hebben zij nog niet den bouw hunner ouders; dit geschiedt eerst als zij volwassen worden. In het begin van hun leven is hun bestaan aan dat der visschen gelijk, en zijn het waterdieren. Nu eens ontbreken de ledematen geheel en al, dan weer gelijkt het lichaam op eene schijf, en is het afgeplat en van lange pooten voorzien. Bij sommige, die op het land leven en geene ledematen bezitten, gelijkt het lichaam op dat van eenen aardworm. Bij die, welke zich steeds in het water ophouden, is de staart zijdelings afgeplat, en maakt deze het zwemmen mogelijk. De pooten vertoonen alle trappen van ontwikkeling; eerst niet in staat, om het lichaam te dragen, verkrijgen zij later klauwen. Somtijds bestaan alleen de voorpooten, dan weer zijn alleen de achterpooten zichtbaar. Bij de staartloozen sterft de staart af en verdwijnt deze bij het volwassen dier geheel. De uitwendige vorm der amphibiën bewijst, dat haar bouw geschikt is, om zoowel in het water als in de lucht te leven, maar dat zij langzamerhand naderen tot de landdieren, geschikt om te kruipen en te springen. Hoewel het zenuwstelsel nog zeer eenvoudig is, is het toch hooger ontwikkeld dan dat der visschen. De hersenen zijn klein in vergelijking met de wervelkolom. Evenals de visschen leggen de amphibiën eieren. De levend barenden komen eerst later ten tooneele. [17] Evenals de kruipende dieren, tieren de amphibiën het best in een warm en vochtig klimaat; zij komen vooral voor in de tropische landen der nieuwe wereld. In die maagdelijke wouden vinden zij het geheele jaar de vochtigheid en de warmte, die zij voor hare ontwikkeling noodig hebben. In de onmetelijke bosschen van Zuid-Amerika en Zuidelijk-Azië vindt men een onnoemelijk aantal soorten; het water in de holten der boomen, op de bladeren, in het mos, op den grond, werkt het uitkomen der eieren en de ontwikkeling der larven zeer in de hand. Die voorwaarden van bewoonbaarheid kenmerkten juist de permische periode: zij pasten juist voor de amphibiën, en de varens en de sigillaria's van die periode. Evenals wij de devonische periode het tijdperk der visschen genoemd hebben, omdat deze juist in dien tijd hun bestaan gevestigd hebben, en evenals de steenkoolperiode de tijd van de heerschappij der planten kan genoemd worden, zoo zouden wij de permische periode kunnen beschouwen als die van de ontwikkeling der amphibiën. Wel is het waar, dat de amphibiën en de kruipende dieren reeds dagteekenen uit de steenkoolperiode, misschien zelfs uit het devonische tijdperk, doch eerst in het permische tijdperk ontwikkelen zich de amphibiën, terwijl de kruipende dieren eerst in het secundaire tijdperk, en vooral in de Juraperiode, eene hoofdrol zullen spelen. Het werd eertijds als een axioma beschouwd, dat er geene kruipende dieren bestaan hebben vóór de permische periode, en wel vóór de magnesiumkalk, doch in het jaar 1844 werden in de steenkoolformatie kruipende dieren (land- en waterdieren) gevonden. Reeds in 1863 heeft Dawson verscheidene amphibiën en kruipende dieren gevonden, vooral eene soort, die den naam van _Hylonomus_ gekregen heeft, en die door de inrichting harer wervels in staat moet geweest zijn, om buiten het water te klimmen en te springen. Huxley heeft in de steenkool van Groot-Brittanië verscheidene kruipende dieren gevonden, waaronder _den Anthracosaurus_, twee meters lang. King vond in de steenkool van Pensylvanië de indruksels van een ontzaglijk dier, _den Batrachopus_; de indruksels der achterpooten waren bijna een voet lang, en overtroffen dus in grootte die der doolhoftandigen uit de triasperiode. Die indruksels wijzen op een dier, dat in de lucht ademde; want naar de wijze hunner versteening moeten die indruksels gemaakt zijn door een viervoetig dier, dat op de weeke klei aan den oever liep, en moet die klei in de zon gedroogd en gespleten zijn. Daarna moet de klei bedekt zijn geworden met zand, en dit zand in zandsteen veranderd zijn. Enkele voetstappen van kruipende dieren in Pensylvanië gevonden, hebben doen vermoeden, dat zij tot de devonische periode behoord hebben. Niet alleen dat de dieren de sporen van hunnen stap achterlaten aan eenen effenen, slibbigen oever, ook de regen, in groote droppels neervallend, boort in dat slib een aantal ronde holten. Onder den invloed der warmte worden al die sporen hard. Indien nu bij eenen volgenden vloed het zeewater weder nieuw fijn zand brengt op den uitgedroogden oever, dan zal dat zand als het ware afgietsels vormen in die holten, en weder drogende, getuigenis afleggen van den doortocht van dieren en het neerstorten van den regen. Zoo kan men aantoonen, dat in die periode de regen met stroomen moet zijn neergevallen. De afdruksels der voetstappen behooren tot die van amphibiën, die op de zandvlakten van het land in de steenkoolperiode niet alleen de sporen van hunnen doortocht hebben achtergelaten, maar ook deelen van hun geraamte, vooral beenige platen, gelijkende op die, welke het schild der krokodillen vormen, en ook kegelvormige tanden, ingewikkeld van vorm, waaraan die dieren den naam van _labyrinthodonten_ (doolhoftandigen) verschuldigd zijn. Hunne verbazende grootte, hunne wapenrusting van beenige platen, hunne kaken met krachtige tanden, hun gepantserde kop, dat alles maakt die thans verdwenen amphibiënfamilie tot de merkwaardigste verschijning der primaire dierenwereld. De bonte zandsteengroeven bij Lodève (departement Hérault), bevatten talrijke afdruksels van de stappen der labyrinthodonten uit de triasperiode, die zóó goed bewaard zijn, dat men er al de bijzonderheden van de schubbige huid der dieren in kan terugvinden. Zij waren eenige meters lang en hadden korte, doch krachtige ledematen, terwijl de weinige evenredigheid tusschen de stevige achterpooten en de slankere vóórpooten wijst op een springend dier. Het dier, dat de genoemde stappen heeft afgedrukt, had vier handen, vandaar zijn naam _chirotherium_. De voorste ledematen waren veel kleiner dan de achterste, die ongeveer den vorm hadden van eene zware mannenhand, met dat verschil, dat de vingers korter en dikker waren; de lengte der achterhanden bedroeg 24 centimeters, d.i. het dubbele der voorhanden. Het chirotherium was een reuzenlabyrinthodon. Fig. 185 doet ons, zooals uit den stand der duimen blijkt, niet de afdruksels der handen zien, maar afdruksels, die ontstaan zijn door het zand, in de stappen afgezet. Het dier liep evenals het paard, met de pooten zeer dicht bij het middenvlak van het lichaam. De zoo verschillende grootte van de ledematen van die dieren heeft tot de meening geleid, dat zij verwantschap moesten hebben met de kangoeroe's, doch de laatste loopen niet, zij gebruiken de achterpooten alleen om te springen, en gebruiken hunne voorste ledematen alleen, om hun voedsel te nemen; alleen bij toeval plaatsen zij die op den grond. Die amphibiën daarentegen hebben bepaald handvormige ledematen; het chirotherium moet eene soort reuzensalamander geweest zijn. Reeds in de steenkoolformatie leefden de labyrinthodonten te zamen met andere amphibiën, die eenigszins op de tegenwoordige soorten gelijken, en met de hagedissen. In de permische formatie zijn de amphibiën en kruipende dieren talrijker, zoowel in Europa als in Amerika. Zoo heeft men in de permische formatie in Texas en Illinois 28 soorten van kruipende dieren en zeven soorten van labyrinthodonten gevonden. Bij de oudste labyrinthodonten is de schedel geheel geharnast: de buitenste oppervlakte van den schedel is gewoonlijk bedekt met eene leerachtige huid, die ons doet denken aan de tegenwoordige krokodillen. De schedel is nu eens verlengd zooals bij den archegosaurus, dan weder ineengedrongen zooals bij den mastodontosaurus. Bij den archegosaurus vindt men aan iedere hand vijf vingers, terwijl de twee paar ledematen, ongeveer even groot, naar achteren gericht zijn en dienden om te zwemmen. De beenderen waren zeer eenvoudig en konden nog zeer gemakkelijk vervormd worden, zooals dan ook bij het versteenen dikwijls het geval geweest is. Wij zullen niet alle soorten der labyrinthodonten bespreken, doch willen wijzen op hetgeen ons omtrent hunnen algemeenen bouw bekend is. Het lichaam moet zwaar en log geweest zijn. Evenals nu nog bij de staartloozen en de salamanders, waren de achterste ledematen te zwak om het lichaam te dragen, zoodat de buik over den grond sleepte. Zij brachten het grootste gedeelte van hun leven door in de moerassen, vijvers en meren, die in zoo grooten getale den grond doorsneden in de steenkoolperiode, de permische en de triasperiode. Somtijds sleepten zij zich voort over het weeke klei vanden oever, waarin dikwijls het spoor, door hunnen staart achtergelaten, is blijven bestaan. Zoo heeft men afdruksels van het chirotherium in Meurthe en in Hérault gevonden, waarvan schoone proeven in het museum te Parijs voorkomen. Sommige labyrinthodonten moeten verbazend groot geweest zijn. In de triasformatie heeft men schedels van 1,30 meters gevonden, waaruit men vermoeden kan, dat die dieren meer dan _zes meters_ lang moeten geweest zijn. Die uit de permische terreinen van Ohio en Illinois waren kleiner. De vorm van den schedel en van de tanden, als grijp- en kauworganen zoozeer overeenkomend met die der krokodillen, wijst er op, dat wij te doen hebben met verscheurende dieren. De overeenkomst van de labyrinthodonten met de amphibiën en de aanwezigheid van kieuwen bij de larve, wijzen er op, dat zij tijdens het eerste gedeelte van hun leven waterdieren waren; waarschijnlijker echter is het, dat zij in de rivieren, dan in zee voorkwamen. Tot aan het jaar 1867 had men in Frankrijk geen enkele kruipend dier in de primaire formatie gevonden, hoewel men reeds in 1710 in de permische formatie van Thuringen eenen proterosaurus gevonden had. Thans kennen wij er reeds een aantal. Hieruit blijkt dus, dat wij ons moeten hoeden, om aan de natuur ledige vakken toe te schrijven, die alleen het gevolg zijn van onze gebrekkige waarnemingen. Tot de amphibiën behoort ook een salamander met korten staart, de protriton petroleï. Tot nu toe scheen het primaire tijdperk zich gekenmerkt te hebben door kruipende dieren, die verschilden van onze amphibiën. De protriton echter en een versteend dier, in Duitschland gevonden, de apateon, benevens de raniceps, in Amerika ontdekt, komen meer daarmede overeen. De protriton wijkt in vele opzichten van den labyrinthodon af, en komt meer overeen met onze tegenwoordige salamanders. De kleine salamandervormige fossielen worden in dezelfde formaties gevonden als de labyrinthodonten. Het is waarschijnlijk, dat onder de kleine salamandervormige fossielen verscheidene den toestand der labyrinthodonten in hunne eerste jaren voorstellen. Doch het is dikwijls moeilijk, om het verschil, dat veroorzaakt wordt door den leeftijd, en het verschil in wezen te onderscheiden van dieren, die misschien gedaanteverwisselingen ondergingen, zooals de tegenwoordige amphibiën. De grootste soort van labyrinthodonten is bekend door zijne beenderen en ook door de afdruksels der pooten. Bij Lodève zijn de voetsporen vergezeld van die van eenen slependen staart. Dat dier, half salamander, half krokodil, was over het geheele lichaam bedekt met fijne hoornachtige schubben. De ledematen waren kort maar krachtig; de weinige harmonie tusschen voor- en achterpooten wijst op de eigenschappen van een springend dier, maar logger dan de tegenwoordige amphibiën. Men kan zich van die dieren, de oudste der op het land levende gewervelden, de volgende voorstelling maken. Zij waren traag, gulzig, zochten kleine prooi, liepen over het vochtige zand, beschermd door eene ondoordringbare wapenrusting; zij waren de koningen der schepping op een tijdstip, waarop een stevige bouw voldoende was voor de heerschappij; zij hadden geenen enkelen vijand te vreezen, daar verstand en vlugheid nog geene rol speelden, en omdat het instinct zich nog slechts bepaalde tot het onderhouden en het voortplanten van de soort. Het leven van dergelijke wezens bestond nergens anders in, dan in het volgen van het water bij zijn voorwaartstreden en achteruitwijken; zij ademden en bewogen zich buiten het water, doch zonder zich ver van hunne wieg te verwijderen. Naast de labyrinthodonten vindt men eene nog onvolkomener soort, die nog dichter bij het uitgangspunt stond: de ganocephalen (pantserkoppen). Dit type wijst ons op den tijd, toen de kruipende dieren, misschien reeds geschikt voor ademing in de lucht, nog altijd zwommen. Het zijn als het ware minder gevorderde labyrinthodonten. Zooals bijna altijd, als men de oorspronkelijke typen eener reeks vóór zich heeft, zijn zij klein in vergelijking met de labyrinthodonten uit de triasperiode. De grootste (de archegosaurus) is nog geen meter lang. Zijne ledematen waren zwak en beter geschikt om te zwemmen of te kruipen dan om te loopen; toch hebben zij reeds pooten met afzonderlijke teenen. Hij is vleeschetend evenals de labyrinthodon, en verhoudt zich tot dezen als de salamander tot den kikvorsch, welke eerste op een zeker punt der gedaanteverwisseling blijft staan en zijn geheele leven meer of minder een jonge kikvorsch blijft. Zoo ziet men in den archegosaurus het type der gewervelde dieren in wording, op het oogenblik, waarop de verbeening van de wervelkolom voltooid wordt. In de primaire periode waren de amphibiën en kruipende dieren nog jong; verscheidene typen waren nog weinig in hunne ontwikkeling gevorderd; vandaar dat zelfs bij volwassen individuen enkele karaktertrekken het beeld vertoonen van de tegenwoordige kruipende dieren, in jeugdigen of zelfs nog in ongeboren toestand. Fig. 188 stelt één der meest bekende Europeesche labyrinthodonten voor, _den mastodontosaurus_, met korten, platten, breeden en parabolischen kop en goedgewapende kaken; de bovenkaak droeg twee rijen tanden, waarvan de buitenste alleen er honderd bevatte. Die soort kreeg hare grootste uitbreiding in de triasperiode en is daarna uitgestorven. Op de teekening is één der dieren voorgesteld, op den rug gezien, het andere, half in water gedompeld, doet ons de borstplaten zien. Links ziet men op dit landschap paardestaarten en calamiten, rechts boomvarens, tijdgenooten der labyrinthodonten, van de steenkool- tot de triasperiode. Wij zullen de labyrinthodonten terugvinden in het begin der secundaire periode. De planten der permisehe periode zijn, evenals de dieren, de ontwikkeling van die uit de steenkoolperiode, (ontwikkeling in den zin van wijziging der soorten, doch teruggang wat betreft de afmetingen). De grootste sigillaria's met hare wortels, de cordaïten met groote bladeren blijven nog eeuwen lang bestaan; maar weldra verdwijnen deze vormen, om voor _de coniferen_ plaats te maken. Die naaldboomen kondigen weder hunne opvolgers uit onzen tijd aan. De vormen veranderen. Men raadt reeds de bladeren, en bijna zelfs de bloemen en vruchten der toekomstige eeuwen. Maar hoever zijn wij nog af van de sierlijke planten van onzen tijd! Toch zijn de oorspronkelijke tijden voorbij. De natuur wijdt de secundaire periode in: de schepping treedt in eene nieuwe phase, die het leven eene hoogere vlucht geeft en de schatten van onze moderne schepping gereedmaakt. VIERDE BOEK. Het secundaire tijdperk. EERSTE HOOFDSTUK. De triasperiode. De dampkring is gezuiverd. De zon, niet meer zoo ontzaglijk groot en nevelachtig als te voren, begint aan eenen azuren hemel te schitteren. De uitbarstingen van den inwendigen oven, die gedurig het bezinken van de steenkool- en de permische formatie in den weg hadden gestaan, worden zeldzamer en rustiger, de spleten laten niet meer zoo gemakkelijk de inwendige warmte door en zijn gevuld met aderen, die langzamerhand afkoelen. De planten en dieren, die uit het water de kusten en vlakten hadden opgezocht, stijgen al hooger en hooger, naarmate de oneffenheden van den bodem duidelijker te voorschijn komen ten gevolge van de voortdurende samentrekking van den steeds afkoelenden bol, en van de verschuivingen en ontwrichtingen, die daardoor veroorzaakt worden. De planten, niet meer uitsluitend gevoed door het water en den dampkring, behouden hare reusachtige afmetingen uit de steenkoolperiode en beginnen zich al meer en meer te splitsen; de cycadeën en coniferen treden op. Nog zijn er geene boomen met afvallende bladeren, daar er nog geene jaargetijden bestaan. De kruipende dieren krijgen op het vasteland de overhand. In de zee vermenigvuldigen zich de weekdieren, vooral de koppootige uit het geslacht der ammonieten, die reeds in grooten getale optreden in het begin der nieuwe periode, om gedurende dat geheele tijdperk voort te duren. Ook de visschen ontwikkelen zich; zij houden op kraakbeenig te zijn en worden beenig. De arbeid der natuur breidt zich uit en vertakt zich. Nemen wij de secundaire periode in haar geheel, dan is de vooruitgang bij de primaire periode onbetwistbaar. Dit wil echter niet zeggen, dat die periode begonnen is met eene plotselinge schepping van bepaalde typen van dieren of planten, of met eene omwenteling in de natuur, evenmin als dit bij den overgang der azoïsche tot de primaire periode het geval is geweest. De aandachtige lezer begrijpt, dat er tusschen de ééne periode en hare voorgangster of opvolgster geen sprong plaats heeft, evenmin als dit het geval is tusschen den laatsten dag van het ééne jaar en den eersten dag van het volgende jaar. De dagen en jaren van de perioden van het leven op aarde volgen even geleidelijk op elkander als de gewone dagen en jaren; de secundaire periode is de voortzetting der primaire. Ieder wezen streeft naar vooruitgang, en dat streven is juist de bron zijner werkzaamheid. De plant zoekt onbewust maar toch met nadruk het licht, dat voor hare ontluiking het gunstigst is, en de beste sappen voor hare voeding. De visch zwemt naar het water, dat voor hem het verkieslijkst is, en begeeft zich naar den oorsprong der stroomen. Het insect kiest den besten honig of de rijpste druif. De vogel kiest voor zijn nest het fijnste mos, en de gemakkelijkste plaats. De hond bespiedt den wil van zijnen meester en zoekt hem te behagen. Zoowel in het planten- als in het dierenrijk, werken duizenden uit- en inwendige eigenschappen, zooals de kleur--waardoor de insecten bepaalde bloemen verkiezen, en die dus eene groote rol speelt bij de bevruchting, evenals zij van invloed is op de paring der insecten, vogels en zoogdieren--de reuk, die evenzeer haren invloed doet gelden--de spier- en zenuwkracht, de wijze van voeding en de daaruit voortvloeiende hoedanigheden, mede tot den vooruitgang, door dat streven naar het hoogere, waarmede ieder wezen begaafd is. Neem dat streven weg, en gij verbreekt de drijfveer der beweging, en de geheele natuur, van de plant tot aan den mensch, valt weder tot het laagste peil terug. Zonder die gave verliest zelfs het leven zijne reden van bestaan, en blijft de menschheid stilstaan. Vooruitgang is de algemeene drang der natuur. Ieder onzer, in welken kring ook geboren, streeft naar verbetering, de ééne in materieelen, de andere in moreelen of intellectueelen zin; de gierigaard verrijkt zich als moest hij nooit sterven; de geleerde studeert onophoudelijk, dorstend naar het onbekende en wanhopend over hetgeen hem nog te leeren overblijft; de kunstenaar tracht meer en meer het ideaal der hoogste schoonheid te bereiken; de denker ziet eene meer volkomen menschheid vóór zich, en zoo gaat de mensch door al zijne hartstochten, verlangens en aspiraties, in vreugde en in smart, steeds vooruit, en wel verre van voldaan te zijn met wat het leven ons schenken kan, bepalen wij den kring onzer verlangens niet tot deze aarde alleen, doch voelen wij ons geroepen, die hooger op te voeren. Die goddelijke drang, reeds eigen aan het atoom, aan het laagste wezen, de cel en het protoplasma, dat deel van het goddelijke, dat de zichtbare natuur, het uitvloeisel der onzichtbare kracht in zich bevat; die drang naar het oneindige, is de oorzaak der voortdurende volmaking der wezens, de geleidelijke verandering der soorten en van den regelmatigen vooruitgang van de eerste dagen van het organische leven tot op onzen tijd. Het tijdperk, dat wij thans bespreken, wordt in drie perioden onderverdeeld, die door hare karakteristieke eigenschappen scherp onderscheiden kunnen worden: de trias- de jura- en de krijtperiode. De eerste periode heet _trias_, omdat de formaties dier periode bij de eerste studie dier formaties zich in drie lagen vertoonden: de bonte-zandsteen, de schelpkalk en de keuper, waarin de mergel voorkomt. Die drie lagen vindt men regelmatig op elkander in Wurtemberg, Beieren, Lotharingen en elders; doch die verdeeling, die berust op het bestaan eener zeevorming tusschen twee zoetwatervormingen, geldt o. a. niet voor Engeland, de Alpenstreken, het Himalayagebergte en Californië. Bovendien vindt men dikwijls de triasformatie nauw aan de permische formatie verbonden, waardoor de geleidelijke ontwikkeling der organische wereld nog nader bevestigd wordt. Wel kunnen enkele lagen ontbreken, maar de volgorde wordt nooit gewijzigd, nooit ligt de bonte-zandsteen onder de schelpkalk, evenals de juraformatie nooit boven de krijtformatie gelegen is. De tweede periode van het secundaire tijdperk, heet de _Juraperiode_, omdat het Juragebergte, dat eerst later is opgeheven, grootendeels bestaat uit formaties, die in deze periode bezonken zijn. Deze periode wordt weder onderverdeeld in de lias- en de oölietperiode. De derde periode heet de _krijtperiode_, omdat de formaties, toen door de zee afgezet, bijna geheel uit krijt bestaan. Men verdeelt haar weder in drie afdeelingen: de onderste, de middelste en de bovenste krijtformatie. De triasperiode, die het secundaire tijdperk inleidt, bevat, zooals wij zagen, drie verschillende formaties, de bonte zandsteen, de schelpkalk en de keuper. De eerste wordt in groote hoeveelheden in de Vogezen gevonden; de tweede in Beieren, en de derde in de Tyroler Alpen. Men noemt daarom die drie formaties ook wel Vogezische, Franconische en Tyroler formatie. Onder welke omstandigheden zijn die formaties ontstaan? In het begin der triasperiode zijn de binnenzeeën, waarin zich in het noorden van Duitschland en Engeland de zeebezinkingen der bovenste permische formatie hadden afgezet, uitgedroogd; men moet meer in het zuiden, in de nabijheid der Middellandsche zee zijn, om eenen zeetoestand terug te vinden. Maar weldra ontstaan er in noordelijke richting golven, en de zee strekt zich het verst uit in de Frankonische periode, toen Lotharingen en de oostelijke rand der centrale bergvlakte door de zee werden bespoeld. Doch weldra trekt het zeewater zich naar het oosten en het zuiden terug en daardoor krijgen in de Tyrolsche periode lagunen, misschien zelfs poelen, de overhand over geheel Frankrijk, geheel Engeland, en het grootste gedeelte van Spanje. Men vindt de zee weder ten oosten van het laatste land, in Italië: van Sicilië tot aan Venetië, bij Salzburg en in de nabijheid der Carpathen. In één woord: de Middellandsche zee der permo-steenkool-periode is eenigszins noordwaarts verplaatst, minder uitgestrekt naar het westen en verbonden met de lagere gedeelten van den Ural en Centraal-Azië. Over dat geheele grondgebied, waar voor het eerst de ammonieten optraden op het einde der permische periode, krijgt die uitgebreide familie der koppootigen eene verbazende uitbreiding, en ditzelfde verschijnsel openbaart zich in westelijk-Amerika, zoowel als in de poolstreken, terwijl de trias in Zuid-Afrika en in Australië veel meer het voorkomen heeft van eene vastelandformatie. De verschillende formaties der secundaire periode zijn zeer duidelijk van elkander onderscheiden, zij zijn van geheel verschillende samenstelling en met duizenden eeuwen tusschenruimte ontstaan. Toch mogen wij ze in ééne enkele periode samenvatten, daar de planten en dieren dier geheele periode in karakter overeenstemmen. In de bonte-zandsteen vindt men dezelfde soorten als in de schelpkalk en de keuper, en zelfs wordt een groot aantal tot in de krijtformatie teruggevonden. In die geheele periode is de oppervlakte der aarde wel niet volkomen veranderd, maar toch vertoont zij een groot verschil in vergelijking met de vorige periode. Vooreerst vinden wij in grooten getale de planten, die wij reeds leerden kennen, doch bij de oude vormen dier planten komen weder nieuwe soorten voor. Er zijn weder varens, grassen, paardestaarten en wolfsklauwen, doch de groote soorten der twee laatste familiën verdwijnen en zij naderen meer tot de tegenwoordige planten. De grassen komen in grooten getale voor, doch niet meer in groote lagen verkoolde plantenstof, zooals vroeger, maar in den vorm van talrijke afdruksels in de zandsteen. Bijzonder eigen aan de secundaire periode zijn de Cycadeën, eene plant, waarvan in de steenkoolperiode slechts vier soorten, en waarvan thans veertig soorten bekend zijn. In de triasformatie vindt men van de cycadeën twintig soorten, in de Juraformatie dertig en in de krijtformatie vijftien soorten, d. i. dus in het geheel vijfenzestig, of vijfentwintig meer dan wij er thans van vinden. Fig. 192 geeft een denkbeeld van den algemeenen vorm dier familie. Die plantengroep, die zeer dicht aan de palmen grenst en eenen tropischen oorsprong verraadt, komt het eerst voor in de steenkoolformatie en doorloopt alle overige formaties behalve de schelpkalk. Men kan dus den vorm der cycadeën volgen van de secundaire periode tot op onzen tijd: zij komen in zóó groote menigte voor, dat hare versteende vruchten, bladeren en geraamte overal worden teruggevonden. Fig. 193 stelt enkele versteende cycadeënvruchten voor, waarvan de voornaamste op eene kokosnoot gelijkt. De cycadeën bereikten eene hoogte van tien tot twaalf meters: tegenwoordig zijn zij zelden hooger dan 1 meter. De boomachtige cycadeën zijn thans vervangen door de schoonere palmen. De lias- en Juraformaties toonen ons duidelijk de verandering in den bodem aan. Wij vinden daarin reeds enkele bloeiende planten, en wel vooreerst de coniferen, wier bladeren naaldvormig zijn, en wier kegelvormige vruchten aan de geheele familie haren naam gegeven hebben. In den bergketen, die zich uitstrekt tusschen Adersdach en Kudowa, bij het dorp Radowenz in Bohème, heeft men in 1857 een geheel bosch ontdekt, waarin die versteende boomsoort de overhand heeft. In de steenkoolformatie, in de omstreken van Pilsen (Boheme), heeft men stammen van acht meters lengte en één meter middellijn bloot gelegd, die nu eens rechtop staan, dan weder nederliggen, en alle op dezelfde wijze versteend zijn; men vermoedt, dat zij veranderd zijn door het kiezelhoudend water. De boomen van die familie wijzen op het bestaan van eenen drogen bodem en van een minder warm klimaat; de aarde moet dus gedeeltelijk haar karakter van moerassen en eilanden verloren hebben; op hare oppervlakte moet zij heuvelen en bergen hebben zien oprijzen: het gelijktijdig voorkomen van de vruchten en stammen van coniferen met palmen, die vocht en warmte noodig hebben, terwijl de eerste de voorkeur geven aan eenen drogen bodem en eene lagere temperatuur, leidt ons van de hoogten en heuvels naar de bergen, waar men zelfs in de tropen de coniferen vindt. Wij mogen daaruit besluiten, dat er bergketenen bestonden, bedekt met dichte wouden van naaldboomen, misschien wel bergvlakten, ingesloten in het binnenland, terwijl de cycadeën, de varens, de wolfsklauwen, met palmen en lelieachtige planten er tusschen, de kusten dier uitgestrekte formaties omgaven. Het organische leven schijnt zich te hebben verzameld in de ravijnen dier boomrijke heuvels. Onder de verschillende soorten van naaldboomen vindt men in groote menigte de zoo schoone araucaria's. Fig. 194 stelt eenen versteenden tak dier plant voor. Bij haar leven zijn de takken dier planten regelmatig om den stam gerold, en daardoor vertoonen die planten eenen zoo sierlijken vorm. Tot de merkwaardige boomen van die wouden der secundaire periode behooren de voltzia en het pterophyllum, alsmede de haidingera, een naaldboom, die zeer veel voorkomt in de schelpkalkperiode, en die in bouw moet geleken hebben op onze cederen. Doch de rijkdom aan planten uit de steenkoolperiode heeft plaats gemaakt voor betrekkelijke armoede; het zijn niet meer die diepe bosschen met reuzenboomen, en ondoordringbare schaduw. De planten zijn dun gezaaid, het terrein is meer golvend, en het licht speelt op een groen grastapijt. Het plantentype der steenkoolperiode is verdwenen, maar de "bedektzadigen", d.i. de planten, die alleen reeds 9/10 uitmaken van de tegenwoordige flora, zijn nog niet gevormd, behoudens enkele zeldzame éénzaadlobbigen. Men vindt bijna alleen sporeplanten en naaktzadigen, de eerste vertegenwoordigd door varens, paardestaarten e.a., de tweede door cycadeën en naaldboomen. Over den geheelen archipel, die toen bestond, waar nu Europa gelegen is, merkt men op, dat de plantengroei der kusten en lage streken van dien der heuvels en bergtoppen verschilt: beneden, de varens met breed ontwikkelde of fijn uitgesneden bladeren, de paardestaarten en de oorspronkelijke naaldboomen; boven, op de drogere en hooger gelegen plaatsen, de varens met schraal en hard loof, cycadeën en de reuzenconiferen, die de voornaamste boomen waren der wouden op de bergen. De zandsteen, die thans op de toppen van de secundaire bergketenen der Vogezen ligt tot eene dikte van vijftig tot zestig meters, en die op eene vijfhonderd meters dikke laag fijne steentjes rust, hetgeen te zamen de eerste verdieping der triasformatie uitmaakt, is vol van landplanten, die bewijzen, dat de wouden van dat tijdperk nog bezet waren met boomvarens en met eene groote menigte cycadeën en naaldboomen, die veel overeenkomst hadden met onze cypressen. De cypressen, die niet onder den invloed der jaargetijden staan, en die daarom de graven der afgestorvenen met haren blijvenden bladerendos beschutten, de pijnboomen met hunne uitgebreide takken, die sombere en eentonige boomen, zijn de oudste van de thans bestaande planten, want de varens en paardestaarten der primaire periode hebben thans nog slechts kruidachtige vertegenwoordigers. Wij zijn nog ver van de vruchtboomen verwijderd. De derde, en dus de jongste laag der triasreeks, die der bonte mergels, wordt somtijds de _zoutlaag_ genoemd, omdat men er veel gips en steenzout in vindt. In Lotharingen Wurtemberg, Beieren en Zwitserland vormen die steenzoutlagen op sommige punten rijke mijnen. Te Dieuze (Lotharingen) telt men niet minder dan dertien op elkander liggende lagen tot eene dikte van vijftig meters. Die zoutlagen der triasformatie strekken zich uit tot het Juragebergte waar zij de talrijke zoute bronnen dier streek voeden, zooals b.v. te Lons-le-Saulnier. In de beroemde zoutmijn te Strassfurt is de zoutlaag, vermengd met zwavelzure magnesia en keukenzout, 166 meters dik. Die laag strekt zich uit tot onder Berlijn, waar eene zoutlaag van 1550 meters dikte op eene diepte van slechts 90 meters onder de oppervlakte gevonden wordt. Het bijna geheel ontbreken van versteeningen van zeeplanten en zeedieren in de klei, die de triasformatie sluit, de talrijkheid van landplanten en de overvloed van gips en zout, wijzen er ons op, dat Centraal-Europa, waar die mergel zeer verspreid is, toen door ondiep water bedekt was, welks zoutgehalte zóó aanzienlijk was, dat het geene levende wezens bevatten kon. De Doode zee, de groote zoutmeren van Azië en Afrika, die gedeeltelijk door eene zoutkorst bedekt zijn, geven ons een voorbeeld van den toestand van noordelijk Europa in die dagen. De Oceaan had zich toen teruggetrokken naar het zuiden, en bezette toen de Alpenstreken. Een bewijs hiervoor is, dat men, indien men in Frankrijk tot de centrale bergvlakte nadert, vindt, dat de schelpkalk, eene zeevorming, zich niet tot die streek uitstrekt, en dat de mergel dadelijk op de bonte-zandsteen ligt. Men vindt de schelpkalk terug in de Benedenalpen, in Hérault, Var en de omstreken van Toulon; men kan haar over de geheele Alpenstreek volgen, waar zij eene groote uitbreiding verkrijgt. Daar bestaat de triasformatie uitsluitend uit zeevormingen, uit groote hoeveelheden dicht opééngedrongen kalksteen, die een groot aantal fossielen bevatten. In die kalklagen vindt men een duidelijk beeld van de dierenwereld, die in de triasperiode de zee bevolkte. Iedereen weet, dat het zout één der belangrijkste mineralen is. In den vorm van steenzout wordt het in grooten getale binnen in de formaties der secundaire periode gevonden. In Transsylvanië vindt men zoutbergen, die verscheidene mijlen lang zijn en die steile kanten hebben van honderden voeten hoogte, welke bergen geheel uit steenzout bestaan. In Cardona, aan de zuidzijde der Pyreneën, vindt men eene zoutmassa van bijna honderd meters hoogte boven den grond. Die massa is zóó verscheurd en gespleten door den regen, dat men ze met hunne pyramiden, horens, holten en spitsen voor eenen ijsberg zoude aanzien; de hoeveelheid zout is zóó overvloedig, dat men de mijn voor onuitputtelijk houdt, hoewel men haar reeds eeuwen lang ontgint (er wordt reeds in het jaar 1103 melding van gemaakt). De geheele zoutberg is eenige honderden meters hoog. De zoutketenen ten zuiden en ten noorden van het Himalayagebergte leveren nog veel grootere zoutmassa's op. Te Kallabaugh is over eene groote uitgestrektheid de weg in zoutrotsen gehouwen van dertig meters hoogte. Doch die ontzaglijke massa's verzinken nog in het niet, vergeleken bij de zoutbergen, die het Titicacameer omgeven in de Peruaansche Andes; dat meer is 350 kilometers lang. Daar het zout gemakkelijk in water oplost, zoo vindt men in de nabijheid der zoutbergen dikwijls zoutwatermeren. Ook het zeewater is zout, niettegenstaande de rivieren steeds zoet water daarin leiden. Het zeewater komt voort uit de verbinding van natrium en chloor, twee elementen, die het oorspronkelijke water schijnt bevat te hebben. Overal waar het zeewater verdampt, zet zich het zout af; op vele kusten wordt het door verdamping ingezameld. Wij weten niet, of alle zoutafzettingen op zoodanige wijze ontstaan zijn, dan wel of sommige lagen in de aardschors zijn ontstaan door andere verschijnselen; maar een groot aantal van die zoutmassa's, zooals in Zwitserland, zijn door de verdamping der zee ontstaan. De weekdieren, in de kalkrotsen in de nabijheid dier zoutlagen gevonden, bewijzen, dat het zeevormingen zijn. Indien men eene zoutmijn binnentreedt, geraakt men steeds onder den indruk van het vreemde voorkomen dier onderaardsche grotten. Hier en daar verbreeden zich de gaanderijen tot groote kamers of holen; in het midden vindt men dikwijls eenen kleinen vijver; de wanden en gewelven schitteren door duizenden zoutkristallen. Die zoutkamers zijn wel de merkwaardigste voortbrengselen dier formaties en maken eenen vreemden indruk, als men ze bij fakkellicht bezoekt. [18] De Duitsche zoutlagen vertoonen eene treffende overeenkomst in vorm met die van Noordelijk-Zwitserland; men mag daaruit besluiten, dat zij tegelijkertijd en op dezelfde wijze zijn afgezet. Het zout van Wurtemberg, dat in lagen van 10 tot 20 meters voorkomt, is van denzelfden aard als het zeezout. Toch is de zee waarschijnlijk niet de eenige oorzaak van het ontstaan dier merkwaardige zoutrotsen. Te Dieuze vindt men in het zout holten met bewegelijke luchtbellen; het is vermengd met klei, gips, zwavelzure soda en zwavelzure magnesia; maar het bevat geen chloor-magnesium, en geene sporen van iodium of bromium. Het is dus niet waarschijnlijk, dat dit zout ontstaan is door verdamping der zoutwatermoerassen; wel waarschijnlijk is het, dat dit zout langs vulcanischen weg is te voorschijn gekomen. Lagen mergel en klei met gips en anhydriet scheiden de zoutlagen van elkander. Het gips vormt talrijke, doch kleinere hoopen dan het steenzout, en ieder van die hoopen heeft den vorm van eenen grooten knobbel, waaromheen de mergel gewelfd gerangschikt ligt. Die opzwelling kan verklaard worden door aan te nemen, dat het gips ontstaan is door eene wijziging der kalk door de uitstroomingen van zwavel. In den tijd, toen het zout gevormd werd, hadden er telkens bewegingen in de zee plaats, en uit het feit, dat men schelpkalklagen boven de zoutlagen vindt, volgt, dat de zee, na het verdampen van het water en de vorming der zandbanken op de uitgedroogde plaatsen is teruggekeerd en er die kalk en klei heeft afgezet. De dieren, die in de schelpkalk voorkomen, geven ons reeds enkele aanwijzingen omtrent het tijdstip van de vorming der zoutlagen. Zij leeren ons tevens de zeedieren van die verwijderde tijdstippen kennen. In de Zwitsersche salinen heeft Oswald Heer belangrijke voorbeelden van de fauna dier dagen gevonden, o.a. eene kreeft met eenen langen staart en een knobbelig schild, zeesterren en zeeleliën. Aan de oevers der Reuss zijn de rotsen vol zeeleliën. Die dieren leefden in koloniën, zoo schrijft de geleerde Zwitsersche natuuronderzoeker, en een zoodanige bank, bewoond door geheele familiën zeeleliën met hare dunne en lange voeten, en die van boven open gaan als eene tulp, terwijl uit de fijn gebeeldhouwde schaal de trilharen uittreden als eene garve losse draden, moeten een prachtig schouwspel opgeleverd hebben. Terwijl die dieren leefden, die geheel vreemd zijn aan onze tegenwoordige fauna, verschenen ook talrijke weekdieren. Deze naderden veel meer tot de thans nog bestaande soorten en vele daaronder behoorden tot soorten, die nog thans voorkomen. Tot die soorten behoort de lima lineata, die men kan herkennen aan hare twee groote, diep gegroefde kleppen in den vorm van horens, en haren platten, gladden kam. De éénkleppigen zijn niet zeldzaam, en de meeste behooren tot soorten, die nog thans bestaan: daartoe behooren o.a. de turbonilla, en een schoone nautilus, waarvan men dikwijls exemplaren gevonden heeft van eenen voet in middellijn. De _ceratites nodosus_ is de eerste vertegenwoordiger van de thans uitgestorven familie der ammonieten. De ammonieten en de nautili behooren tot de groep der koppootigen, die den eersten rang innemen in de orde der weekdieren en die zich onderscheiden door den bouw hunner schelpen. De talrijke weekdieren dienden tot voedsel van de visschen en de amphibiën, waarvan de verschillende soorten de zee bevolkten. In de keuperperiode komen de landdieren slechts in geringen getale voor. Heer heeft tevergeefs naar insecten gezocht in die formaties in Zwitserland; alleen in de leiachtige klei heeft hij twee soorten van schildvleugelen gevonden. Bij Richen, in de bonte zandsteen, heeft men groote afdruksels van schubben van eenen reusachtigen labyrinthodon en het geraamte van eene kleine hagedis gevonden, die veel overeenkomst had met de salamanders. Te Rheinfelden heeft men eene soort van krokodil ontdekt, den sclerosaurus armatus, en schubben van den kop van den grooten mastodontosaurus. Ook heeft men een aantal hagedissen in het keuper van Wurtemberg gevonden; de meest voorkomende is de belodon Plieningeri, die veel geleek op de Gavialiden van tropisch Amerika; hij heeft dezelfde kaken, lang, smal en met groote tanden gewapend. Gressly heeft te Liestal groote en holle beenderen te voorschijn gebracht, die ongetwijfeld behoord hebben tot eene soort van ontzaglijk groote teratosauren. Het is waarschijnlijk, dat de triaszee het geheele deel van Zwitserland bedekt heeft, dat thans door de molasse wordt ingenomen; toch vindt men hare bezinksels tot nu toe alleen bij den Stockhorn. Men ontmoet kalkbanken en bonte-zandsteen aan de oevers van het meer van Thun; zij bevatten talrijke versteeningen en vormen de grens der triasformatie. Van meer gewicht zijn de bezinkingen der zee uit de triasformatie aan de zuidoostelijke grens van Zwitserland en de gedeelten van Savoye, die daaraan grenzen. Een ader van gips en koolzure kalk strekt zich uit van Bex naar Morillon, in Savoye, en naar Villeneuve; verder vindt men van Meillerie af, aan den oever van het meer van Genève en boven Thonon, de rhetische lagen, die in zuidelijke richting tot de Arvo kunnen gevolgd worden; men verkrijgt dus het bewijs der tegenwoordigheid van de triaszee in Savoye door het bestaan van verschillende lagen, die het land doorloopen. Wij moeten nog opmerken, dat eene breede strook van triasgesteenten uitgaat van Tyrol en den Vorarlberg, Vadutz en Triesen en uitkomt aan den Rijn, zonder Zwitserland aan te raken; zij strekt zich ten noorden en ten oosten uit over de grensgebergten der Prättigau (op drieduizend meters boven de oppervlakte der zee). Van daar strekken de triasgesteenten zich uit over Davos tot aan Oberhalbstein en Engadin, waar zij in Ponte weder beginnen, om zich voort te zetten tot Sulsana en vandaar oostwaarts tot Scarlthal en Münsterthal. De kalkbergen, die de rechtergrens der vallei van Engadin innemen van Ponte tot aan Remus, behooren evenzoo tot die formatie. Deze streek was dus niet onder de zee bedolven in de keuperperiode, terwijl de zee het overige gedeelte der Alpen, waar de triasformatie gevonden wordt, bedekt, zooals blijkt uit de wieren en zeeschelpen, daar gevonden. Die formatie behoort tot de schelpkalk of de keuper, en het is mogelijk uit den aard en de organische samenstelling der gesteenten verscheidene verdiepingen der bezinksels te herkennen. In die gesteenten heeft men de overblijfselen van 55 soorten zeedieren gevonden, die geen twijfel overlaten aan hunnen oorsprong; men vindt er niet alleen den encrinus liliiformis, de zoo fijn gestreepte halobia lommelii en de halobia obliqua, maar verschillende hemnitzia's, de ammonites luganensis en scaphitiformis enz.; men vindt er nog andere weekdieren en schelpen, die het trias kenmerken, en die bewijzen, dat de triasfauna in dezelfde vormen verspreid was in Duitschland, Zwitserland en Italië. Wij zagen vroeger, dat het zout één der belangrijkste voortbrengselen is van de triasformatie; doch ook het gips, behoort tot diezelfde formatie. Men vindt het tusschen de schelpkalk en het keuper, bij voorbeeld te Habsburg, Mullingen, Niederweningen, Birmensdorf, Gebensdorf, Munsterthal enz. Het gips bevat hier en daar zwavelzure natron en magnesia; die zouten, in water opgelost, leveren de purgeerende minerale wateren. Uit hunnen aard zijn die wateren een handelsartikel; er zijn trouwens andere rijke minerale bronnen uit de triasformatie, zooals het zoo hooggeschatte water uit Baden, dat uit eene groote diepte te voorschijn komend, waarschijnlijk uit de keuperformatie voortkomt. De zwavelhoudende wateren van Schinznach en de jodiumhoudende wateren van Wildegg vinden waarschijnlijk hunnen oorsprong in de gips der triasformatie. Behalve het zout en de gips en de minerale wateren bevat de triasformatie nog rijke hulpbronnen; het levert ons talrijke bouwmaterialen, en door hare ontleding geeft zij ons in den vorm van mergelaarde eene uitstekende meststof; de keuperstreken onderscheiden zich door hare vette weiden, vruchtbare akkers en rijke wijngaarden; overal is de triasformatie eene bron van welvaart voor de bevolking. Alleen het dolomiet maakt eene uitzondering; als de regens dat gesteente ontleed hebben, blijft er niets over dan zand, dat het water doorlaat en onvruchtbaar is. Waar de bodem dan ook alleen uit dolomiet bestaat, zooals in de kalkbergen van Vorarlberg in sommige vlakten van Engadin, is de plantengroei zeer arm; de boomen en de struiken komen daar niet tot wasdom, de weiden zijn daar slechts bedekt met enkele grasstoppels en de hooger gelegen streken zijn totaal kaal. In Zwitserland zijn enkele dolomietstreken (zooals de Moravallei, die van St. Giacomo naar den Munsterthalalp leidt), waar de plantengroei geheel ontbreekt, en waar alles van de diepte der vallei tot op de toppen der bergen het beeld vertoont van verlatenheid en dood. Als roode zandsteen en mergel vindt men het trias meer of minder doorloopend op den rand der centrale bergvlakte van Frankrijk. Men vindt er sporen van bij Alais, tusschen het permo-steenkoolstelsel en de lias, in de golf van Aveyron bij Rodez en Espalion en tusschen St. Antoine en Villefranche-d'Aveyron. Om dan het trias weder terug te vinden, moet men den noordelijken rand der bergvlakte volgen in Berry, waar de samenstelling dezelfde is als in Nièvre. In Provence vindt men eene triasstrook op roode zandsteen. Die strook strekt zich uit van Toulon naar Antibes, en men vindt daarin de drie gewone afdeelingen van het Lotharingsche trias terug. In het département du Gard, dragen dertig meters lei en metaalerts eene 15 meters dikke magnesiumlaag met ijzerpyriet, zwavel en lood, waarop 115 meters zandsteen en gekleurde mergel gelegen zijn met kalk vermengd. Bij Lodève, te Fozières, vindt men afdruksels van eenen labyrinthodon in de bonte zandsteen. De bonte zandsteen komt evenzoo voor den dag in verschillende deelen der Pyreneën, vooral in het zuiden van Bayonne. Aan het andere uiteinde van Frankrijk schijnt de streek der Ardennen in de triasperiode bestaan te hebben uit een heuvelachtig terrein, waar door het wegvreten van de rotsen steenblokken, keisteenen, zand en klei naar de binnenmeren gevoerd werden. Slechts weinige overblijfselen van die afzetsels zijn tot ons gekomen; zij onderscheiden zich alle door hunne roode kleur. De geheele strook, bestaande uit horizontale of weinig hellende lagen, is 150 meters dik. De triasformatie in de Ardennen was dus geene zeevorming; ditzelfde geldt voor het geheele noordelijke deel van Frankrijk. De vernieling van oudere formaties heeft daar het aanzijn geschonken aan kleine steentjes, waarvan men in Artois exemplaren terugvindt. De Jura- en krijtlagen van het bekken van Parijs zijn oorzaak, dat men ten zuidwesten der Ardennen geene triasformatie ziet; zij komt weer te voorschijn te Cotentin, waar zij bestaat uit grint, zand, zandsteen en roode mergel, doch tot eene dikte van niet meer dan 60 meters. Het is de voortzetting van het trias van Somerset- en Devonshire, en schijnt alleen in verband te staan met het bovenste gedeelte der keuperformatie. Men mag dus aannemen, dat het geheele bekken van Parijs (waaraan Engeland aansloot) in de triasperiode uit eene streek bestond, waarin groote meren waren, en dat die streek eindigde in eene zee, wier westelijke oever zich uitstrekte van Luxemburg tot Autun. In de Westalpen heeft de triasformatie een eigenaardig voorkomen, dat zich zeer onderscheidt van het Franconische of Vogezische type. Om onze schets der triasformatie te voltooien, voegen wij nog hierbij, dat het trias zijne grootste uitbreiding vindt in het noordwesten van Engeland (1500 meters). Daar vindt men ook de grootste ronde keisteenen, waarbij het kwarts in menigte voorkomt. In het noorden of noordwesten moet dus het vasteland gezocht worden, dat de bouwstoffen geleverd heeft voor de triasformatie. Het Engelsche trias rust nu eens op de permische laag, dan weder op de steenkool- of zelfs de cambrische laag; bovendien vindt men in de onderlagen dikwijls bonte-zandsteen. In de middengraafschappen is de dikte van het stelsel 950 meters. Het is waarschijnlijk, dat daar de Franconische laag vertegenwoordigd is. In de dolomietlagen, die van zes tot vijftien meters dik zijn, heeft men de beenderen der oude thecodontosauren, der paleosauren cylindrodon en platyodon met tanden van den ceratodus ontdekt. In Wales heeft men in dezelfde lagen sporen van den brontozoön ontdekt. De keuperzandsteen bevat beenderen en afdruksels der voetstappen van de labyrinthodonten, en een visch, dysteronotus cyphus. Het steenzout komt er in voor in lensvormige roode massa's, 60 meters diep. Op de zuidkust van Devonshire, te Budleigh Salterton, bestaat het trias uit keien van silurische en devonische kwartsieten, die afkomstig schijnen uit primaire gesteenten, die thans bedekt zijn door de wateren van het Kanaal. Ook in Noord-Amerika komt het trias in drie verschillende streken voor den dag: in het gebied der Apalachen, het Rotsgebergte overeenkomend met Noord-Europa, en het gebied der stille Zuidzee, waarvan het karakter hetzelfde is als dat der Alpen. Het trias der Apalachen vormt nauwe strooken, die zich vooral in Connecticut verlengen en die over eene groote uitgestrektheid hetzelfde karakter dragen. Het bestaat uit bruinachtig rood zandsteen, dat somtijds den bouw heeft van eene vlakte van graniet met schiefer, en is minstens 1000 meters diep, terwijl het talrijke sporen draagt van het kabbelen der golven en van afdruksels van regendruppels. In Connecticut heeft men talrijke sporen van labyrinthodonten, waarvan men meer dan 12000 afdruksels vindt. De Amerikaansche geologen hebben in die laag eene kleine buidelrat, het dromatherium silvestre, gevonden, den oudsten vertegenwoordiger dier klasse. Ten oosten van het Rotsgebergte, bestaat het trias uit rood-zandsteen, bonte gypshoudende mergel en magnesia. De dikte wisselt af tusschen 600 en 1800 meters. Wij zien dus, dat de triasformatie eene voorname plaats inneemt in de sedimentformaties en eene belangrijke periode vertegenwoordigt in de geschiedenis van de wijziging der soorten. Met haar beginnen nieuwe vormen van het leven, en de natuuronderzoeker kan hier evenals in de primaire periode waarnemen, hoe de ontwikkeling van het leven steeds evenwijdig loopt met de paleontologische ontdekkingen in de verschillende formaties. Langzaam doch gestadig ontwikkelt zich het dierlijke leven in zijne hoogere vertakkingen. Een groot aantal soorten van ongewervelde dieren (plantdieren, weekdieren en ringwormen), waarmede wij kennis gemaakt hebben, zijn van het wereldtooneel verdwenen om voor nieuwe wezens plaats te maken. Bij de plantdieren merkt men op, dat het beperkte aantal soorten van zeeleliën als het ware wordt goedgemaakt door de buitengewone menigte individuen van den encrinus liliiformis, wier kalkplaatjes dikke en uitgestrekte lagen vormen in de schelpkalk der triasformatie. Wij hebben die wezens reeds leeren kennen, toen wij den oorsprong der soorten in de silurische periode bestudeerden (blz. 157). Thans is dat type in verval. Andere soorten zijn geheel verdwenen. De beroemde trilobieten zijn voorgoed uitgestorven. Daarentegen verkrijgen de _ammonieten_, gedurende de permische periode ontstaan, eene verbazende uitbreiding. De ammonieten waren koppootige weekdieren, wier spiraalvormige schelpen de grootste verscheidenheid in grootte en in vorm aanboden. Zij hebben gedurende de geheele secundaire periode geheerscht, en zijn daarna verdwenen. In de triasperiode hadden de ammonites Aon en de ceratites nodosus de overhand. Hunne voorouders waren de nautiliden, die wij in de devonische periode hebben ontmoet of het ééne of andere nog oudere weekdier, waarvan dan de nautiliden en de ammonieten afstamden. In de triasperiode geraken de nautiliden in verval: men vindt alleen nog den orthoceras en de goniatiden. Men kent de ammonieten reeds langen tijd, en reeds de oudheid had door de beschouwing dier versteende schelpen de oude gedaantewisselingen der aarde en der zeeën geraden. Zij ontleenen hunnen naam aan de overeenkomst hunner kronkelingen met de ramshorens, die men vindt op de symbolische voorstellingen van Jupiter Ammon. Vooral in de Juraperiode nemen de ammonieten hunne grootste vlucht. Op het einde dier periode vindt men er, die de grootte hebben van een wagenrad. Ook de armpootigen komen evenals de koppootigen in verschillende soorten voor. Behalve den spirifer der devonische periode (blz. 260) en den productus der steenkoolperiode (blz. 315) vindt men nog terebratulae en rynchonellae, die wij vooral in de Juraperiode zullen leeren kennen. Al die schelpen vindt men thans in de tweede laag der triasformatie, de schelpkalk, eene zeevorming. De koplooze zoowel als de buikpootige weekdieren zijn nog sterker vooruitgegaan; van nu af aan hebben die twee klassen de overhand onder de weekdieren. Zij verdienen nog te meer onze aandacht, omdat het voornamelijk de schelpen der verschillende soorten van weekdieren zijn, die de formaties kenmerken, daar die schelpen zeer talrijk en zeer verspreid zijn, en gewoonlijk ongeschonden bewaard zijn gebleven, terwijl de beenderen van groote dieren zeldzaam en meer of minder beschadigd zijn. De familie der ostraceën (oesters) treedt tegelijkertijd op met de pectineën, de posidonia, cardita, lima enz. De oesters, voor het eerst optredend in de triasperiode, zullen van geslacht tot geslacht blijven voortleven en zullen de tijdgenooten der menschheid worden. Zij zullen zelfs één zijner eerste voedingsmiddelen uitmaken aan den oever der zee. Bij de gelede dieren vindt men nu onder de schaaldieren de schaalkreeften of tienpootigen, waartoe de macruren (langstaarten) behooren. Men heeft geheele goed bewaarde schilden van kreeften gevonden. Het grootste verschil tusschen die kreeften en die van onzen tijd is in hare kracht gelegen. Hare scharen, van scherpe tanden voorzien, waren hare natuurlijke verdedigingsmiddelen, die zij noodig hadden tegen de vraatzuchtige monsters, die de wateren onveilig maakten. De visschen schijnen weinig vooruit gegaan te zijn. Zij behooren bijna uitsluitend tot de placoïden en de glansschubbigen. Onder de visschen der triasperiode kunnen wij den ceratodus als type der periode beschouwen, een vreemd type, van kieuwen voorzien als de gewone visschen en van longen, zooals de in de lucht ademende dieren, en van platte, aan de kanten diep ingesneden tanden. Het merkwaardigst is, dat die visch nog in onzen tijd bestaat, en onlangs is teruggevonden in de rivieren van Australië, waar hij eene lengte van 1,20 meters bereikt. De hoogst ontwikkelde gewervelde dieren der triasformatie zijn de amphibiën en de kruipende dieren. Men heeft nog geen flauw vermoeden van den hond, den aap of den mensch. De labyrinthodonten, die wij tijdens de permische periode hebben leeren kennen, blijven de heerschers der wereld: het chirotherium, de trematosaurus, de mastodontosaurus enz., vergezeld van de vischhagedissen: den placodus, den nothosaurus, den simosaurus enz. De dinosauren treden op. Die reusachtige kruipende dieren hadden zeer sterke achterste ledematen, en hoewel zij aan hunne voorste ledematen handen hadden met vijf duidelijk te onderscheiden vingers, hadden zij aan hunne ontzaglijke voeten slechts drie vingers (de beide andere vingers blijven verborgen) Tot die groep van kruipende dieren der triasperiode, die in vertikalen stand liepen, behooren de megadactylus, de clepsysaurus, de bathygnathus enz. en waarschijnlijk ook het brontozoön, waarvan wij zoo aanstonds (blz. 359) een afdruksel geven, tegelijk met regendroppels, die zeker juist gevallen zijn op het oogenblik, dat het dier daar voorbijtrok, en dus tegelijk versteend zijn. Dat afdruksel is gevonden in de zandsteen der bovenste triasformatie. Die schijnbaar niets bijzonders vertoonende steen is dus voor ons als het ware eene photografie van een tooneel uit een reeds lang vervlogen tijd. Het is, als zag men het ontzaglijke kruipende dier reusachtige stappen doen, en door den storm overvallen, langs de oppervlakte van de kust voortrennen, het afdruksel zijner stappen achterlatend op de zachte klei, die het tot leering van de geologen der toekomst bewaart. Die pooten met drie teenen hadden oorspronkelijk doen denken aan reusachtige vogels, en men was er zoo toe gekomen, aan te nemen, dat de vogels reeds in de triasperiode voorkwamen. Dit wordt dan ook in een aantal handboeken der geologie medegedeeld, waarin die sporen dan ook afdruksels van de stappen van _vogels_ genoemd worden. Maar men heeft in die lagen geenen enkelen versteenden vogel gevonden, en bovendien kent men de tweepootige kruipende dieren, welke die sporen van hunnen doortocht kunnen hebben nagelaten. Trouwens anders zoude uit de grootte dier afdruksels volgen, dat de vogels reeds bij hun ontstaan eene verbazende grootte moeten gehad hebben. De vogels treden eerst in de Juraperiode op. Onder de kruipende dieren der triasformatie vindt men de theriodonten, de voorloopers der vogelbekdieren. De dinosauriërs en de vischhagedissen zullen als vorsten heerschen gedurende de Juraperiode, en wij zullen dan ook in het hoofdstuk over de Juraperiode eene afzonderlijke studie aan die dieren wijden. Toch kunnen wij reeds nu tot leering onzer lezers diegenen onder deze bespreken, welke tot de triasperiode behooren. Onder andere zal men in fig. 205 de capitosauren vinden, die in voorkomen en gang evenals de overige labyrinthodonten het midden hielden tusschen de krokodillen en de salamanders. Die diersoort kwam zeer veel voor van de permische tot aan de keuperperiode. De belodon, één der eerste krokodilachtige dieren, onderscheidde zich door zijne zijdelingsche afplatting en de hoogte der bovenkaak, waarvan het uiteinde haakvormig omgebogen was. De tanden waren vertikaal en kegelvormig, terwijl het lichaam voorzien was van een schild, dat nog veel sterker was dan dat der krokodillen. Hij is alleen gevonden in de bovenste keuperformatie van Wurtemberg. De nothosauren, de voorloopers der plesiosauren, komen gedurende de geheele triasperiode voor. De nothosaurus mirabilis wordt vooral in de schelpkalk gevonden. Het is waarschijnlijk, dat hij, hoewel een zeedier, steeds de kusten naderde en de stroomen opzwom. De dicynodonten hebben eenigszins overeenkomst met de schildpadden door den vorm van den kop, met uitzondering van de snijtanden, die aan die der zoogdieren herinneren. In verschillende opzichten naderen zij evenveel tot de zoogdieren als tot de kruipende dieren. De zanglodon, tijdgenoot van den belodon en de labyrinthodonten der keuperperiode, was een reusachtige vleeschetende dinosaurus en tamelijk rijzig van gestalte. Volgens Kapff en anderen zou de kop, onder den naam teratosaurus bekend en in dezelfde formaties gevonden, tot eenen zanglodon behooren. De dieren der triasperiode vertoonden voor het meerendeel vormen, die geheel vreemd waren aan die van onze tegenwoordige wereld. Het waren in de eerste plaats tweevoetige dieren, die in grootte en gedaante zeer veel verschilden van het type der tegenwoordige vogels, doch die bijna alleen bekend zijn door de afdruksels hunner voetstappen, die wel viermaal zoo groot zijn als die van den struisvogel. Het aantal en de schikking der vingers wijzen bij andere weder op zóó groote onregelmatigheden, dat men waarlijk niet weet, hoe ze te verklaren, nu het geraamte niet tot ons is gekomen. Onder de kruipende dieren herinneren sommige aan de schildpadden, andere aan hagedisssen of krokodillen, of wel vertoonen zij evenals de dicynodonten, wier kaken met omgebogen slagtanden voorzien waren, de gemengde kenmerken van die verschillende groepen. De dolichosauren, die gedeeltelijk tot de hagedissen, gedeeltelijk tot de slangen behoorden, wijzen het tijdstip aan, waarop de laatste zich van den gemeenschappelijken stam der hagedisachtigen hebben afgescheiden. Verder teruggaande, zijn de hagedissen geene afzonderlijke orde en vindt men typen, die de hagedissen met de leguanen, en de monitors met de krokodillen verbinden. Ook de krokodillen wijzigen hun skelet, om andere kenmerken aan te nemen, die men thans alleen in de ongeboren vrucht terugvindt. De labyrinthodonten naderen tot de kikvorschen en zelfs tot de visschen en behooren, zooals wij zagen, tot de oudste, merkwaardigste en meest weifelende der oorspronkelijke dierenwereld. De grootte van hun lichaam, hunne bedekking van beenderige platen, hun gepantserde kop maken het ons onmogelijk, daarin kikvorschen te zien. Zij ademden op volwassen leeftijd door longen, liepen op den grond, en waren de opvolgers van andere kruipende dieren, die meer in het water leefden. Waarschijnlijk vertegenwoordigen zij eenen bijzonderen toestand, dien alle kruipende dieren doorloopen hebben vóórdat zij landdieren werden. Wij moeten hier het volgende opmerken: de permische periode heeft ons de geboorte der kruipende dieren doen bijwonen; de triasperiode vertoont ons, naast de ontwikkeling der hagedissen, die van nu af als heerschers optreden, de geboorte der zoogdieren, die zich door de komst der buideldieren aankondigen. De geboorte der zoogdieren!... De eerste trede van de ladder, die tot de menschheid voert. De kruipende dieren, de reuzenhagedissen der secundaire periode, vertegenwoordigen de kracht. Met de zoogdieren begint de periode van het gevoel. Al die ontzaglijke hagedissen zijn gedoemd te sterven; zij dragen de vlam van de verstandelijke ontwikkeling niet met zich; geen dier soorten zal tijdgenoot worden van den mensch. De nederige buideldieren, die op dit oogenblik het daglicht aanschouwen onder de zon der triasperiode, zijn de eerste dieren, die de liefde kennen. Tot nu toe bestond de liefde nog niet op de aarde: plantdieren, weekdieren, schaaldieren, de oorspronkelijke insecten, visschen, kikvorschen, kruipende dieren hebben niet bemind. Zij hebben alleen eieren kunnen leggen, die zij zelfs niet eens zelf uitbroeden, en waarvoor zij de zorg aan de natuur overlaten. De eerste zoogdieren leggen bijna geene eieren meer. Wij zeggen _bijna_, want de ornithorhynchus legt nog eieren. Doch geleidelijk brengen de dieren levende jongen voort in plaats van eieren te leggen. Nederig begin! Zoogdieren zonder melkklieren. Jongen, die ter wereld komen als het ware als eieren zonder schaal en die eerst na hunne geboorte voldragen zijn! De natuur wil ons ook hier weder de langzame ontwikkeling der schepping doen kennen. Het eerst zijn fossiele overblijfselen van zoogdieren uit de secundaire periode ontdekt in het jaar 1818 in de Juraformatie van Stonesfield bij Oxford. Men vond daar eene kaak, die door Cuvier herkend werd als te behooren tot een klein zoogdier van de klasse der buideldieren; die ontdekking verwekte de algemeene verbazing der geologen, daar deze het onmogelijk geacht hadden, dat er vóór de tertiaire periode zoogdieren zouden bestaan hebben. Owen merkte op, dat de soort, waartoe die kaak behoord had, groote verwantschap had met een Australisch buideldier, den myrmecobius. In diezelfde formatie te Stonesfield vindt men evenzoo eene kaak van eenen opossum, en in 1854 werd daar nog eene andere ontdekt, die tot eene geheel verschillende soort had behoord, waaraan men den naam van stereognathus gaf. In 1847 vond men in de bovenste triaslaag van Stuttgart den tand van een klein zoogdier, microlestes genaamd. Sedert dien tijd heeft men zoowel daar, als in het bovenste trias van Somersetshire en in Noord-Carolina eenige andere fossiele kaken gevonden, die hadden toebehoord aan kleine buideldieren of aan lager staande insecteneters. De kaak van een diomatherium silvestre (een klein buideldier) is door den Amerikaanschen geoloog Emons in de roode zandsteen van Noord Amerika gevonden. Onze lezers weten, dat de buideldieren tot de meest onvolkomen en de oudste klasse der zoogdieren behooren, en dat de laagste orde der zoogdieren, de vogelbekdieren, thans nog slechts vertegenwoordigd worden door twee soorten, die in Nieuw-Holland en Van-Diemensland gevonden worden: den ornithorhynchus en de echidna hystrix. Zij zijn de laatst overblijvenden van eene eertijds talrijke groep, die tijdens de secundaire periode de eenige vertegenwoordigster was van de zoogdieren, en waaruit door langzame ontwikkeling en splitsing alle latere zoogdieren zijn voortgekomen. De buideldieren hebben hunnen naam te danken aan eenen buidel of zak, dien het wijfje aan de onderzijde van den buik draagt, en waarin de jongen nog langen tijd na hunne geboorte blijven. In dien zak bevinden zich twee melkklieren, waaraan zich de jonggeborenen vasthechten. De jongen komen bij de buideldieren veel onvolkomener ter wereld, dan dit gewoonlijk bij de zoogdieren het geval is. Zij zijn naakt, blind en doof en blijven zóólang in dien buidel, totdat hunne ledematen en hunne zintuigen voldoende ontwikkeld zijn. De buidel is dus als het ware eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling voltooid wordt. Als de jongen eene zekere ontwikkeling verkregen hebben, laten zij de melkklieren los zonder daarom nog den buidel te verlaten. Indien zij dien van tijd tot tijd verlaten, keeren zij daarin weder spoedig terug, en men mag zeggen, dat zij in dien buidel hunne geheele kindsheid doorbrengen. Bij verscheidene dieren van die orde duurt de zwangerschap niet langer dan ééne maand, terwijl het jonge individu nog zeven tot acht maanden in den buidel blijft vertoeven. Bij de reuzenkangoeroe verloopen er zeven maanden van het oogenblik, waarop het jong in den zak wordt neergelegd tot dat, waarop het voor het eerst den kop te voorschijn brengt; en eerst negen weken later komt het voor het eerst uit den zak. De volgende negen weken leeft de jeugdige kangoeroe nu eens buiten, dan weder in den buidel. Het jong komt den 39sten dag ter wereld. De moeder neemt het in den bek, opent den buidel met hare voorpooten en hecht het jong aan één der melkklieren vast. Twaalf uren na de geboorte is de jonge kangoeroe nog slechts 32 millimeters lang, en kan het nog vergeleken worden met de ongeboren vrucht der overige dieren. Het is eene weeke, doorschijnende, op eenen worm gelijkende massa; de oogen zijn dicht; de neus en de ooren nauwelijks aangewezen, de ledematen nog lang niet ontwikkeld. Het jong gelijkt nog in het minst niet op de moeder. De voorste ledematen zijn een derde langer dan de achterste; de staart is kort en tusschen de achterpooten omgebogen. Het hangt aan de melkklier als eene levenlooze massa, en kan zelfs nog niet zuigen, zoodat de melk op eene zeer eigenaardige wijze uit de klier in den bek gestort wordt; eerst later begint het te zuigen. Zóó voedt het jong zich gedurende acht maanden met de moedermelk; van tijd tot tijd vertoont het den kop, maar het is nog niet in staat, zich alleen te bewegen. De natuuronderzoeker Owen nam een jong van vier dagen van de moederborst af, om te weten of een zoo onvolkomen wezen haar uit zich zelf kon terugvinden, dan wel of de moeder het weer zelf zou aanleggen. Het resultaat der proefneming was het volgende: Na het wegnemen van het jong, kwam een droppel wit vocht te voorschijn. Wel werd het jong onrustig, maar het scheen geene pogingen te doen, om zich weder aan de moeder vast te hechten, en kon zich volstrekt niet bewegen. Men legde het toen in den zak neder en liet het weder aan de moeder over. Deze was toen erg rusteloos, bukte zich, krabde tegen de buitenzijde van den zak, maakte dien met de pooten los, stak er den kop in en bewoog dien in verschillende richtingen. Eindelijk stierf het jong, zonder dat de moeder het weder had vastgehecht. Indien de jonge kangoeroe éénmaal eene zekere grootte bereikt heeft, groeit zij zeer snel. Zij steekt dan den kop uit en kijkt met hare oogen naar alle zijden rond, beweegt hare kleine pooten en begint te eten. De moeder verzorgt haar nog steeds zeer teeder, zonder zich echter zoo bezorgd te maken als vroeger. In den eersten tijd duldt zij niet, dat men het ziet of betast. Zij jaagt zelfs den vader weg, zoo deze zijne spruit wil zien. Zoodra het jong echter den kop maar ééns naar buiten gebracht heeft, is de moeder niet meer zoo bang om het te voorschijn te doen treden. De jeugdige kangoeroe is trouwens zeer vreesachtig, de minste aanleiding doet haar weder naar den buidel vluchten, waarin zij alle mogelijke standen inneemt, nu eens komt zij met den kop, dan weder met de achterpooten of den staart naar buiten. Het is een merkwaardig schouwspel, om te zien, hoe de moeder, als zij zich verplaatsen wil, het jong dwingt om zich in de diepten van den buidel te begeven en het daarbij zwakke stooten toebrengt. Na verloop van eenigen tijd verlaat de jeugdige kangoeroe den buidel en springt zij om de moeder heen, maar bij het minste gevaar vliegt zij weder hals over kop in den buidel; in een oogenblik draait zij weder om, en nu zij zeker is tegen elk gevaar beveiligd te zijn, kijkt zij met eenen grappigen blik naar buiten. Onder de buideldieren vindt men evenals onder alle families van het dierenrijk de grootste verscheidenheid van vorm en verstand. De opossum (eene buidelrat) b.v. schijnt veel meer verstand te bezitten dan de kangoeroe. Audubon geeft van zijne levenswijze de volgende beschrijving: "Let op, hoe hij aan den voet van dien reusachtigen boom stil staat en ronddraait om den stam, om onder de met sneeuw bedekte wortels eene opening te vinden, waarin hij kan binnensluipen. Na eenige minuten komt hij weder te voorschijn, een eekhorentje medeslepend, dat reeds van het leven beroofd is: hij houdt het in den bek, terwijl hij langzaam den boom opklimt. Blijkbaar vindt hij de laagste takken niet naar zijne gading, want hij klimt steeds hooger, totdat hij eene plek gevonden heeft, waar hij minder in het gezicht komt; daar zet hij zich op zijn gemak neder, rolt zijnen langen staart om de jeugdige takken en verscheurt met zijne scherpe tanden het arme eekhorentje, dat hij met de klauwen zijner voorpooten vasthoudt. De schoone lentedagen zijn aangebroken; de boomen vormen krachtige knoppen; maar de opossum is bijna naakt en schijnt door vasten uitgeput. Hij zoekt de kreken op en smult nu aan de jeugdige kikkers. Maar de brandnetel begint zijne teere en saprijke knoppen te ontwikkelen, die hem een kostbaar voedsel opleveren. Het morgengeroep van den wilden kalkoen doet hem aangenaam aan, want de sluwerd weet, dat hij nu spoedig de stem van het wijfje zal hooren, en dat hij haar naar haar nest kan volgen om hare eieren te rooven. En terwijl hij door de bosschen zweeft, nu eens op den grond, dan weder op de boomen van tak tot tak springend, hoort hij het gekraai van eenen haan; en zijn hart klopt van genot, als hij zich te binnenbrengt, wat een heerlijk maal hij het vorige jaar gehad heeft op eene nabijzijnde boerderij. Zachtjes, de oogen wijd geopend, gaat hij vooruit en verbergt hij zich in het hoenderhok. Waarom, eerzame landman, hebt gij het vorige jaar zoovele kraaien en raven gedood? Koop u nu kruit en lood, maak uw geweer schoon, zet uwe vallen gereed en zorg, dat uwe trage honden trouw waken, want de opossum nadert, de strooper is op weg. Hoort gij de kreten van uwe kippen? Eéne der beste is door den sluwen dief medegenomen. Gij loert op vos en uil, en waant u gelukkig, zoo gij hunnen vijand en uwen vriend, de arme raaf gedood hebt. Nog geen week geleden lagen onder deze groote kip een dozijn eieren; zij zijn verdwenen, de opossum heeft ze weggestolen. Het wijfje van den opossum is een voorbeeld van moederliefde. Sla uwen blik in dien zonderlingen buidel, waar de jongen ieder aan eene melkklier bevestigd zijn. De zorgzame moeder voedt ze niet alleen, maar beveiligt ze ook tegen den vijand; zij neemt ze met zich mede, zooals de zeehond haar kroost medevoert, of verbergt ze onder de bladeren van eenen tulpeboom. Na twee maanden beginnen zij voor zich zelf te kunnen zorgen, met wijze lessen gaan zij de wereld in. Maar als de pachter den opossum op heeterdaad heeft betrapt, terwijl hij éénen zijner schoonste hoenders vermoordde, en zich woedend op het arme dier werpt, rolt het zich tot eenen bal samen. Naarmate de man woedender wordt, blijft het dier rustiger liggen; eindelijk blijft het onder den voet van den pachter liggen zonder eenig teeken van leven te geven, met de tong uit den bek, en de oogen gesloten, totdat zijn beul hem laat liggen in het denkbeeld, dat het dier dood is. Doch neen! het is niet dood. Het hield zich slechts zoo; nauwelijks heeft de vijand de hielen gekeerd, of het dier richt zich weer op en vlucht in het bosch. Eene andere soort, de Philander Aeneas (Aeneasrat), leeft alleen op de boomen en komt alleen op den grond voor de jacht. Hij kan door middel van zijnen langen staart gemakkelijk klimmen en zich daarmede overal aan vasthechten, en zoodra hij gaat rusten, begint hij met dien om eenen tak te rollen. Op den grond loopt hij langzaam en moeilijk; toch kan hij kleine zoogdieren, insecten, schaaldieren, vangen, vooral kreeften, waarop hij verzot is. Op de takken der boomen vervolgt hij de vogels en plundert hij de nesten; ook voedt hij zich met vruchten. Somtijds bezoekt hij de hoenderhokken en doodt hij kippen en duiven. De jongen worden, als zij half volwassen zijn, op den rug der moeder gedragen, waartoe zij zich met hunnen staart aan dien der moeder vasthouden. Zelfs als zij bijna geheel volwassen zijn, en dus de moedermelk niet meer behoeven, blijven zij nog bij hunne moeder, en vluchten zij op haren rug bij het minste gevaar. Daaraan zijn zij hunnen naam van Philander Aeneas verschuldigd [19]. Als de moeder verschrikt is, laat zij een gesis hooren en verspreidt zij eenen hoogst onaangenamen reuk. Doch wij mogen niet langer bij die afstammelingen der eerste zoogdieren stilstaan. Het zij voldoende, als wij hebben aangetoond, hoe laag ontwikkeld zij zijn onder de levendbarende dieren, en dat zij toch het rijk der hoogere dieren inwijden. De verstandelijke en zinnelijke vermogens zijn ontstaan, om niet meer te verdwijnen. TWEEDE HOOFDSTUK De Juraperiode. Het Rijk der Reuzenhagedissen. Wij zijn thans genaderd tot de merkwaardigste van alle perioden, die het optreden van den mensch op aarde zijn voorafgegaan. Eene onmetelijke zee strekt zich nog over het grootste gedeelte van Europa en Azië uit, en over groote uitgestrektheden van Afrika en de beide deelen van Amerika, die thans honderden en duizenden meters boven de oppervlakte van den Oceaan gelegen zijn. In die zeeën leven reusachtige en vreemdsoortige dieren, waarvan thans geen enkele afstammeling meer over is. Hoewel de planeet veel meer tot den tegenwoordigen toestand genaderd is dan in de primaire periode, schijnt zij in menig opzicht meer van den tegenwoordigen toestand te verschillen, omdat het leven op de planeet eene vertakking ondergaat, die volstrekt niet doet vermoeden, wat zij in de tertiaire en quaternaire periode worden zal. Een bewoner van Mars of van de maan, die onze aarde zoude bezocht hebben ten tijde van de kruipende dieren van het Juratijdperk, zou niet tot het vermoeden komen, dat eens de dag zal aanbreken, waarop de bodem der zee, na gerezen te zijn, de verblijfplaats zoude worden der groote steden, zooals New-York, Londen, Parijs of Weenen. In de zeeën zwemt de logge ichthyosaurus met zijne ontzaglijke oogen en vreeselijke kaken; de plesiosaurus met zijnen langen hals, die met zijne lange pooten zwom, in de diepte der zee onderdook en dadelijk weer op de oppervlakte verscheen; de teleosaurus, monsterkrokodil van tien meters lengte, wiens gespleten muil, die eene wijdte had van twee meters, dieren kon verzwelgen zoo groot als ossen; de hyleosaurus, met zijn gepantserd schild, die de oevers onveilig maakte; terwijl op de eilanden, die uit het water verrezen waren, aan den voet der heuvels, aan den oever der zeeën, in stroomen en meren, in de met varens, cycadeën, araucaria's en verschillende naaldboomen versierde bosschen, de ontelbare soorten van dinosauriërs leefden, die in de secundaire periode de zoogdieren der tertiaire periode voorafgingen: atlantosauren, reusachtige grasetende viervoetige dieren van 30 meters lengte; brontosauren, sauropoden van 15 tot 20 meters; dicloniën, tweevoetige kruipende dieren van 12 tot 15 meters lengte; stegosauren, tweevoetige dieren van 10 meters; iguanodons, tweevoetige dieren met de klauwen van eenen vogel, en de vleeschetende theropoden: de megalosauren, ceratosauren, labrosauren, amphisauriden, compsognathen enz., kruipende dieren van elke grootte en gedaante, waarvan enkele half krokodil en half vogel waren, en die van het land en de zee, de oevers en de bosschen eene fantastische wereld moesten maken, waarvan wij ons thans geen denkbeeld meer kunnen vormen. En daarboven dan nog de ontzaglijke pterodactylen met vliezige vleugels, die door de lucht sprongen en zich op de oevers neerwierpen te midden der woeste kreten dier geheele bevolking, en de ontelbare tandvogels, die met ontzaglijke snelheid de ruimte doorkliefden om zich op hunne prooi te werpen ... en wij hebben een zwak beeld van het schouwspel, dat onze planeet moet hebben aangeboden in die lang vervlogen eeuwen. Terecht wordt die periode het tijdperk der kruipende dieren genoemd. En toch, hoever zijn die wezens niet in vorm en gewoonten verwijderd van de kruipende dieren van onzen tijd! Die dieren kropen niet. Het waren geen slangen of adders; het waren veeleer reusachtige hagedissen, waarvan sommige op vier pooten, andere bij voorkeur op hunne achterpooten liepen en den vertikalen stand aannamen, en dat wel hagedissen van 10, 15, 20, 30 meters lengte! Die kruipende dieren met hunne ontzaglijke ledematen waren de voorouders van de krokodillen en de hagedissen der tertiaire periode. De pooten zijn langzamerhand verdwenen.--Ook de vogels hadden de kruipende dieren tot voorouders. Die zoo rijke Juraperiode heeft zich over een zeer groot tijdvak uitgestrekt. Onmiddellijk na de laatste triaslagen heeft zich eerst zandsteen afgezet, daarna mergel met koolzure kalk vermengd. Men vindt daarin vele fossielen, vooral schelpen, ammonieten enz. Die eerste lagen heeten _lias_ of zwarte Jura. Daarboven hebben zich lagen van eenen anderen aard afgezet, voornamelijk fijnkorrelig kalksteen, dat doet denken aan eene verzameling visscheneieren. Daarom heet die kalksteen ook wel: _oölithisch_ (oön, ei en lithos, steen). De formatie der Juraperiode kan dus in twee hoofdafdeelingen verdeeld worden, de lias en de oölithische formatie. Ieder dier hoofdverdeelingen kan weder onderverdeeld worden, want er zijn een groot aantal lagen, die uit een mineralogisch oogpunt en uit het oogpunt van fossielen onderling zeer verschillen. De voornaamste zijn: Voornaamste verdeelingen der Juraperiode. I. Liasformatie. Zandsteen der Infraliasformatie Rhetische laag. (Rhetische Alpen) Zwarte Jura. Onderste liasformatie Sinemurische laag. (Semur) Middelste liasformatie Charmouthische laag. (Charmouth) Bovenste liasformatie Toarcische laag. (Thouarsi) II. Oölithische formatie. Onderste oölitihische formatie Bathonische (Bath) en Bajocische laag (Bayeux) Bruine Jura. Middelste oölitihische formatie 1. Oxfordlaag 2. Corallische (koralen), sequanische (Seine), kimmeridische laag Witte Jura. Bovenste oölitihische formatie Portland en Purbecklaag Er zijn nog wel andere verdeelingen; maar wij moeten alles vermijden, wat de zaak ingewikkelder maakt. Alleen merken wij op, dat de lagen hoe langer zoo helderder worden, geleidelijk van donker naar wit overgaan, naarmate wij de krijtformatie naderen, die zooals wij zagen, op de Juraformatie ligt. Vandaar ook de namen: zwarte, bruine en witte Jura. De verschillende lagen verschillen naar gelang der plaatsen zeer in dikte. Zoo is b.v. in het departement der Haute-Marne, dat in de krijtperiode uit het water is verrezen, de infralias-zandsteenlaag zeer dun, de onderste liaslaag 5 meters dik, de lias 91 meters, en de bovenste lias 53 meters; de onderste oölitische formatie is op de bergvlakte van Langres en in Bourgogne 30 meters dik, de oxfordlaag slechts 5 of 6 meters, de mergel-oölithische laag 70 meters; de koraallaag, (die dikwijls onder de sequanische laag vermengd is) is daar uiterst dun, de portlandlaag somtijds 80 tot 150 meters. Daarentegen vindt men de infraliaslaag in Lotharingen 12 meters, te Kédange 24 meters, in Luxemburg 60, in Scanië 700 meters dik; de onderste lias is in Yorkshire 160 meters dik; de lias of zwarte Jura van Wurtemberg is 100 meters dik, de onderste oölithische laag is in de omstreken van Bath 60 meters dik, het klei van Kimmeridge in Lincolnshire is in twee lagen 350 meters dik. In het begin der Juraperiode was een groot gedeelte van Europa onder het water bedolven. Sedert de lang vervlogen tijden der Silurische zee, toen de granietmassa's van Bretagne, de Vendée en Auvergne te voorschijn traden en eilanden bijna zonder plantengroei vormden, is de zee verscheidene malen teruggegaan en weder teruggekeerd. In de triasperiode strekte zich eene uitgestrekte, in golven uitgesneden binnenzee uit over Frankrijk, Engeland, Spanje en Italië; die zee strekte zich over Lotharingen, zelfs tot in Duitschland uit. In het begin der liasperiode was de zee oostwaarts teruggetrokken, waarbij geheel Frankrijk en een gedeelte van Duitschland droog lag; maar spoedig bedekt zij weder geheel Frankrijk, en laat zij alleen de eilanden der oude formatie droog, zonder dat deze met elkander in verbinding staan, zooals Bretagne, de centrale bergvlakte, de Vogezen en de oorspronkelijke Alpen. Die veranderingen zijn het gevolg van de dalingen en rijzingen der aardschors, die overeenkomen met die, welke nog thans plaats grijpen, en die wij vroeger bestudeerd hebben: langzame, geleidelijke bewegingen, die herhaaldelijk onmerkbaar de gedaante der aarde gewijzigd hebben. Honderdduizenden jaren zijn in de archieven van de jeugd der aarde verborgen. In die dagen strekte zich de zee uit over Parijs, Tours, Poitiers, Bordeaux, Genève, Bern, Bazel, Nancy, Troyes enz. Zij bedekte het geheele gebied, dat zich uitstrekte van Londen tot Parijs, Brussel, Bordeaux en Marseille. In het tweede gedeelte der Juraperiode, de oölithische periode, maakt de daling van den bodem plaats voor eene langzame en geleidelijke rijzing. In het midden dier periode ziet men de onder de zee bedolven streken, die de eilanden der oorspronkelijke formatie van elkander scheidden, boven het water uitsteken en de centrale bergvlakte van Frankrijk verbinden met de Vendée en Bretagne en met de Vogezen en België. Op het einde der Juraperiode zijn al die streken, die eertijds onder de wateren bedolven waren, tot zekere hoogte opgeheven. In Engeland vormen de Juraformaties eene breede strook, die zich over het zuidelijke gedeelte van Groot-Brittannië uitstrekt, van het noordoosten naar het zuidwesten; die strook is het verlengde van die, welke rondom het bekken van Parijs gelegen is. De Jurazee heeft zich dus over dat geheele gedeelte van Engeland evenals over Frankrijk uitgestrekt. Maar op het einde der Juraperiode was dat gedeelte van Engeland weder uit het water verrezen, zooals de Jura, de bergvlakte van Langres en de geheele gordel, waarvan wij zooeven gesproken hebben. Zelfs waren ook de streken, die thans onder de wateren van het Kanaal bedolven zijn, boven water, en wel voornamelijk de streek tusschen Portland en Boulogne. Frankrijk was toen met Engeland verbonden, en daar waar thans de golven van het Kanaal rollen, strekte zich een vastland uit, met meren bedekt, die aan hunne oevers eenen rijken plantengroei bezaten, waarbij cycadeën, varens, naaldboomen de overhand hadden, en die bewoond waren door groote, grasetende, kruipende dieren, vooral iguanodons, en door buideldieren. Op dat verdwenen land vormde zich de Purbeckformatie, waarvan het eiland Purbeck, op de Engelsche kust, tegenover Cherbourg het type is, zoowel uit een geologisch oogpunt als uit het oogpunt der fossielen. Terwijl dus het begin der Juraperiode zich kenmerkte door eene daling van den bodem van een gedeelte van Frankrijk en Engeland, had op het einde dier periode het omgekeerde plaats, waardoor een deel van Noordelijk Europa uit de wateren verrees. Vóór die rijzing, tijdens het bestaan der Jurazee, vond men in Frankrijk en Engeland een groot aantal koralen. De koraalriffen zijn nauw verbonden aan de oölithische formaties. Het kalkrijke zand, dat door den vloed op de kust der koraalriffen wordt geworpen, wordt vast door het water, dat er in doordringt; nu eens kleven de korrels licht aan elkander en kan men er de kalk tusschen herkennen; dan weder is het zand harde kalk geworden, waarbij men echter nog steeds de kleine zandkorrels herkennen kan. Somtijds ook is het zand vermengd met keisteentjes, die afkomstig zijn van het eiland, dat het rif omlijst. Diezelfde formatie vindt men thans nog terug op Ascension en op verscheidene punten der Stille Zuidzee. De overblijfselen dier koraalriffen vindt men in de Jura over eene dikte van 40 tot 60 meters (in de omstreken van Gray en Besançon), in Yonne, Provence, in de Beneden-Alpen, in de omstreken van Grenoble,--waar zij worden vertegenwoordigd door groote massa's witte kalksteen, met poliepen vermengd, en hunnen gewonen nasleep van zee-egels en diceraten--in Noorwegen en in Engeland, waar drie koraallagen duidelijk op de oxfordlaag gezien worden, op de kust van Weymouth. Uit het feit, dat de koralen in de Juraperiode in Frankrijk en Engeland voorkwamen, volgt dat het aequatoriale klimaat zich tot voorbij 55° N.B. uitstrekte, hetgeen niet mogelijk is, als aan de noordpool ijs gevonden wordt. Ook de fossiele plantengroei leidt tot diezelfde gevolgtrekking, daar tropische planten, cycadeën en varens toen tot in Siberië op 71° N.B. voorkwamen. In die periode waren dus de jaargetijden en het klimaat niet scherp onderscheiden. Hoe moeielijk het ook wezen moge, om nauwkeurig de tijdstippen van het wijken en voorwaartsschrijden der zee vast te stellen, zoo mogen wij toch besluiten, dat Europa in het begin der Juraperiode een archipel was bestaande uit grootere of kleinere eilanden. Ten tijde van de lias was de centrale bergvlakte van Frankrijk van de Vendée ten westen, van de Vogezen en een gedeelte der Alpen in het oosten door de zee gescheiden. Op het einde der Oxfordperiode breidden die eilanden zich uit en hechtten zij zich aan elkander, aan de ééne zijde door de landengte van Poitiers, aan de andere zijde door die van Côte-d'Or. In de koraalperiode hebben de drie bekkens, waarin Frankrijk verdeeld is, dat van Parijs in het noorden, dat van Aquitanië in het zuidwesten, dat der Rhône in het zuidoosten geen directe gemeenschap met elkander, daar de zeestraten van Poitiers en Côte-d'Or afgesloten zijn. Die rijzing, die zoo duidelijk te voorschijn treedt in het westen en noorden van Frankrijk, wordt nog sterker op het einde der Juraperiode. Frankrijk wordt met Engeland verbonden, en op de plaats, waar thans het kanaal is, vindt men een uitgestrekt vastland, waarop de dier- en plantensoorten het karakter vertoonen van te leven in streken, die niet hoog boven de oppervlakte der zee gelegen waren en die telkens door de zee overstroomd werden. Toch vindt men er een aantal zoetwaterplanten en -dieren; de zoetwater- en zeeschelpen wisselen af over eene dikte van 125 meters: de periode is dus van zeer langen duur geweest. Ook in de Jura waren er zoet watermeren. Wij zagen zooeven, dat de korallische laag in het zuiden van Frankrijk, Provence, Beneden-Alpen, Dauphiné vertegenwoordigd wordt door groote massa's witte kalk, vol poliepen. De kalk is daar onmiddellijk door krijt bedekt. Hieruit volgt, dat die bodem na de koraalperiode, in de eeuwen, waarop zich de Kimmeridge- en Portlandformaties gevormd hebben, buiten het water uitstak en tot aan de periode der krijtformatie boven water gebleven is. Op de Juraperiode volgt de krijtperiode. Van het begin dier periode af verandert weder alles in de verdeeling van land en zee. De rijzing van den bodem van Frankrijk, Engeland en het noorden van Europa, die de hoofdtrek der oölithische periode is geweest, houdt op en maakt plaats voor eene beweging in tegengestelden zin. Een groot gedeelte van Noordelijk Europa daalt weder onder water en er zet zich niets af dan alleen daar waar de mikroskopische wezens van den Oceaan hunne krachten beproeven. Wij beleven eenen tijd van kalmte, waarin de oneindig kleine wezens op den bodem der zee werkten en het krijt vormden, dat tot eene dikte van honderden meters bijna uitsluitend bestaat uit hunne overblijfselen. In Frankrijk bedekte eene uitgestrekte zee den voet der Jura; die zee was aan de ééne zijde verbonden met de Parijsche zee, aan de andere zijde met eene zuidelijke zee, die zich tot aan de tegenwoordige Middellandsche zee uitstrekte. Het zuiden van Frankrijk, dat sedert de koraalperiode boven het water uitstak, is weder gedaald en maakt weder deel uit van eene uitgestrekte watermassa, die zich over het geheele zuiden van Europa uitstrekt. In dien tijd belette de centrale bergvlakte, die geheel boven water uitstak, en die aan de ééne zijde met de Vogezen, aan de andere zijde met de Vendée verbonden was, de gemeenschap tusschen die Middellandsche en de Parijsche zee, die zich tot aan het zuiden van Engeland uitstrekte. Het begin der krijtperiode kenmerkt zich dus door eene groote verandering in de kaart der aarde en door den terugkeer der zee naar streken, die zij reeds lang had verlaten. Die inval der zee schijnt zijn maximum te hebben bereikt in de periode van het witte krijt. Wel doet ons het onderzoek van den bodem de plaatsen kennen, waar het land de plaats van de zee heeft ingenomen, nadat de bodem der zee gerezen was; maar het is niet zoo eenvoudig, de plaatsen te leeren kennen, die in zee veranderd zijn, daar men nog niet ver genoeg gevorderd is in het onderzoek van den bodem der zee. Wij kunnen dus den toestand van Europa voor eene bepaalde geologische periode niet nauwkeurig bepalen. Al is het immers mogelijk, in kaarten den toestand van Europa te teekenen in de silurische en de Juraperiode, tijdens de krijtformatie of in het midden der tertiaire periode, zoo zoude men tusschen die kaarten nog verscheidene andere moeten teekenen, geheel met de overige verschillend, en die met uitzondering der oorspronkelijke formaties, die boven de zee zijn blijven uitsteken sedert het begin der silurische periode, op een groot aantal plaatsen den gedurigen terugkeer en het verdwijnen der zee zouden moeten aanwijzen. Indien men toch b.v. de opheffingen der voornaamste bergen beschouwt, zooals de Alpen, de Pyreneën enz., dan ziet men, dat daar verschillende rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen. De oorspronkelijke gesteenten der Alpen, graniet, gneiss en schiefer, dragen geene azoïsche of primaire formaties boven zich: zij waren dus tijdens de laurentische, cambrische, silurische, devonische en steenkoolperiode reeds uit de zee opgerezen. In de Permische periode moeten zij gedaald zijn, want zij dragen eene anthraciet-houdende laag op de kristallijnen lagen. Tijdens de afzetting der Permische formatie vormden de Alpen eene kuststreek, die daalde om bezinksels van dolomiet, gips en andere triasgesteenten op te nemen. Die daling was echter niet algemeen, maar alleen aan enkele plaatsen eigen, en in het begin der Juraperiode neemt men een aantal schommelingen waar, die eindigen in een volkomen inzinken onder de oppervlakte der zee. Vervolgens zetten zich op de verzwolgen Alpen de oölithische formaties af, die volkomen zeevormingen waren, en daarna de formaties der krijtperiode, waarvan alleen de laatste eene neiging vertoonen om in den vorm van eilanden te verrijzen. Om die eilanden, die langen tijd weinig ontwikkeld waren, plaatsen zich de eocene zeeformaties, uit het begin der tertiaire periode. Maar die ketenen blijven stijgen en vormen weldra te midden der eocene zee een vastland, dat door zijne bewegelijkheid aan groote afbrokkelingen is blootgesteld en waarvan de overblijfselen zich ophoopen in de lagen der molasse, die nu eens het karakter draagt eener landformatie, dan weder van eene zeeformatie, en daardoor de veranderlijkheid der kusten duidelijk aantoont. Nauwelijks is de molasse vast geworden, of de vervorming bereikt haar toppunt en de miocene lagen worden sterk geschud zonder dat de pliocene periode, in het begin waarvan die beweging geschiedt, andere sporen achterlaat dan bezinkingen, door de bergstroomen afgezet en kleine bekkens van bruinkool op korten afstand daarvan gelegen. Men ziet dus, dat de opheffing der Alpen een werk van langen adem is geweest, en dat de verschillende ketenen, waardoor die bergstreek in verschillende deelen verdeeld is, niet uit denzelfden tijd dagteekenen. De binnenste ketenen behooren tot de eocene of misschien wel tot de krijtperiode; die welke daarop volgen, tot de miocene, en die aan den rand tot de pliocene periode. Men wane echter niet, dat er nooit diepe golven ontstaan zijn, waardoor de zee voortdrong tot de inwendige reeds gevormde ketenen. Men vindt daarvoor het bewijs in het voorkomen van muntschelpen of nummulieten in het inwendige der westelijke Alpen. De geschiedenis der Oost-Alpen is niet volkomen dezelfde als die der Zwitsersche Alpen: zij zijn eerst voor goed uit de zee verrez