The Project Gutenberg EBook of Eline Vere, by Louis Couperus This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Eline Vere Een Haagsche roman Author: Louis Couperus Release Date: October 17, 2006 [EBook #19563] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ELINE VERE *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ Louis Couperus Eline Vere Een Haagsche Roman Aan mijn vriend Gerrit Jäger Hoofdstuk I. I. Men verdrong zich in de, tot kleedkamer ingerichte, eetzaal. Voor een psyché stond Frédérique Van Erlevoort, met loshangende haren, zeer bleek onder een dunne laag poudre-de-riz, de wenkbrauwen als door een enkele penseelstreek zwarter getint. --Haast je dan toch, Paul! We komen niet klaar! zeide ze, een weinig ongeduldig, met een blik op de pendule. Voor haar knielde Paul Van Raat, en zijn vingers plooiden een langen, ijlen sluier, van goud en karmozijn, als een draperie om haar middel. De stof wolkte op het roze fond van haar onderkleed; haar hals en armen waren, sneeuwwit van de veloutine, vrijgelaten en flonkerden in den glans van, door elkander gestrengelde, snoeren en ketenen. --O, wat een tocht! Hoû toch de deur dicht, Dien! gilde Paul een oude meid na, die bevracht met eenige japonnen, de kamer verliet. Door de open gelaten deur zag men gasten, gerokte heeren en licht gekleede dames; zij begaven zich langs de aralia's en palmen van den corridor naar de groote suite; zij glimlachten om de oude meid en wierpen een steelschen blik naar binnen. Allen schaterden om die verrassing, dien blik achter de coulisses; alleen Frédérique bleef ernstig, in het bewustzijn, dat zij de waardigheid eener antieke vorstin had op te houden. --Haast je toch, Paul! sprak zij, bijna smeekend. Het is al over half negen! --Ja, ja, Freddy, wees maar niet bang, je bent al klaar! antwoordde hij, en handig schikte hij eenige juweelen tusschen de gazige plooien harer draperie. --Klaar? vroegen Marie en Lili Verstraeten, uit de kamer komende, waar de estrade was opgeslagen: een geheimzinnige verhevenheid, als uitgewischt in een halfduister. --Klaar! antwoordde Paul. En nu, alsjeblieft kalmte! vervolgde hij, terwijl hij zijn stem verhief en gebiedend in het rond zag. De vermaning was noodig. De drie jongens, de vijf meiden, die als kameniers dienst deden, liepen in het, met allerlei accessoires opgevulde, vertrek elkaâr in den weg, lachende, gillende, de grootste wanorde veroorzakend. Te vergeefs poogde Lili een gouden bordpapieren lier uit de handen te redden van den twaalfjarigen zoon des huizes, terwijl de beide bengels van neven op het punt waren tegen een groot wit kruis aan te klimmen, dat, in een hoek der kamer geplaatst, onder hun aanvallen reeds wankelde, --Weg van dat kruis, Jan en Karel! Geef die lier op, andere Jan! brulde Paul. Zorg daar toch een beetje voor, Marie, en nu.... Bet en Dien hier, Bet met de lamp; Dien bij de deur; de anderen weg! Er is geen plaats meer; kijken in den tuin aan het raam van de groote zaal; daar zie je alles prachtig, uit de verte.... Kom, Freddy, voorzichtig, hier is je sleep.... --Je vergeet mijn kroon.... --Die zal ik je opzetten, als je gepozeerd bent. Kom, allons. De drie verbannen meiden haastten zich weg te komen, de jongens hurkten neêr in een hoek der tooneelkamer, waar zij niet door het publiek gezien konden worden, en Paul hielp Freddy de estrade beklimmen. II. Marie, nog even als Lili niet gedrapeerd, sprak door het gesloten raam, met den vuurwerker, die in den besneeuwden tuin, in een dikken duffel, wachtte om het Bengaalsch licht af te steken. Een groote reflector was door het venster als een bleeke, lichtlooze zon zichtbaar. --Eerst wit, dan groen, dan rood! riep Marie, terwijl de vuurwerker knikte. De kamer was donker, slechts verlicht door de lamp, die Bet vasthield, terwijl Dien bij de porte-brisée der, nu verlaten, kleedkamer stond. --Voorzichtig, Freddy, voorzichtig! sprak Paul. Frédérique liet zich zeer behoedzaam in de kussens van het rustbed neêr; Paul schikte haar draperieën, haar kettingen, heur haren, haar diadeem, en strooide hier en daar een bloem. --Is het zoo goed? vroeg zij met bevende stem, eene, van te voren bestudeerde poze aannemende. --Je bent om te stelen, prachtig; nu Marie, Lili hier! Lili wierp zich op den grond, Marie vlijde zich tegen de bank, met het hoofd aan Frédérique's voeten. Vlug drapeerde Paul beide meisje in kleurige châles, sluiers, strengelde snoeren om haar armen, in heur haren. --Marie en Lili, wanhopig kijken! meer wringen je armen, Lili! In wanhoop, meer in wanhoop! Freddy, jij meer smachten, je oogen omhoog, in je mond iets treurigs. --Zoo? Marie schaterde. --Ja, zoo! Zoo is het beter; stil nu, Marie, alles klaar? --Klaar! sprak Marie. Paul schikte nog iets, een plooi, een bloem, in wantrouwen, of alles gereed zoû zijn. --Kom, nu maar beginnen! sprak Lili, die zeer ongemakkelijk lag. --Bet, breng de lamp weg; Dien, de deur dicht, en dan beiden hier, elk aan een kant van de porte-brisée! Dit gebeurde, en zij bevonden zich allen met kloppende harten in het pikdonker, terwijl Paul aan het venster tikte, om zich daarna bij de jongens in den hoek te voegen. Langzaam en weifelend ontvlamde het Bengaalsche licht tegen den reflector aan, de porte-brisée schoof statig open, een helle witte gloed verheerlijkte het tableau. III. Glimlachend en beleefd, terwijl de gesprekken eensklaps in een murmelend gegons overgingen, drongen zich de gasten in de groote suite en de serre een weinig naar voren, verblind door een zee van kleuren en licht. Heeren weken uit voor een paar lachende meisjes; op den achtergrond der zaal klommen jongelieden op stoelen, om beter te zien. --"La mort de Cléopâtre!" las Betsy Van Raat aan mevrouw Van Erlevoort voor, die haar het programma had gereikt. --Prachtig, magnifique! hoorde men van alle zijden. In den witten gloed van het licht scheen het oude Egypte herschapen te zijn. Tusschen weelderige draperieën zag men iets als een oaze doorschemeren, een blauwe lucht, een paar pyramiden, een palmengroep. Op haar door sfinxen getorste rustbank lag Kleopatra, overgolfd door een vloed van lokken, den dood reeds nabij, terwijl zich een adder om heur arm kronkelde. Twee slavinnen wrongen zich in wanhoop aan haar voeten. De bonte droom eener oriëntalische pracht van enkele seconden, de poëzie der oudheid voor korte wijlen herlevend, onder de blikken eener moderne soirée. --Dat is Freddy! sprak Betsy; beeldig, o beeldig! en zij wees mevrouw Van Erlevoort, wie al die weelde een weinig voor oogen schemerde, de stervende vorstin aan. Nu echter herkende de moeder haar eigene dochter in het bevallige, onbewegelijke beeld, ginds voor haar. --En dat is Marie, en die andere, o, dat is Lili, onherkenbaar! Wat een prachtige costumes, wat een moeite! Ziet u, die draperie van Lili, dat violet met zilver, heb ik hun nog geleend. --Hoe doen ze het! murmelde de oude dame. De witte gloed van het licht weifelde, de deuren schoven dicht. --Prachtig, tante, prachtig! riep Betsy tot mevrouw Verstraeten, de gastvrouw, die haar voorbij ging. Tweemalen herhaalde zich de droom, eerst in zeegroenen glans, daarna in vuurrooden gloed. Onbewegelijk lag Freddy met den adder, en alleen Lili sidderde in haar gewrongen poze. Paul zag met een stralend gezicht uit zijn hoek toe; alles was goed. --Wat ligt die Freddy stil! En alles zoo rijk en toch niet overladen! Iets als een schilderij van Makart! sprak Betsy. haar veeren waaier ontplooiend. --De freule uw dochter is al heel gauw levensmoê, mevrouw! lispelde de jonge De Woude Van Bergh, zich tot mevrouw Van Erlevoort, de mama van Freddy, buigende. IV. Na de derde herhaling van den droom ging mevrouw Verstraeten in de kleedkamer. Zij vond er Frédérique en Lili, schaterend bezig zich van haren Egyptischen dos te ontdoen, zoekende naar de tallooze spelden, tusschen elke vouw. Paul en Marie, op hooge trappen, bijgelicht door twee der meiden, rukten Kleopatra's boudoir uiteen. Dien beijverde zich neêrgeworpen draperieën en afgegleden kettingen op te rapen. De drie jongens rolden op een matras over elkaâr. --Was het mooi, mama? vroeg Lili. --Was het mooi, mevrouw? riep Frédérique tegelijkertijd. --Prachtig mooi! Ze hadden het nog eens willen zien. --Nog eens! Ik ben nu al half dood! riep Lili, en zij liet zich kwijnend, met geloken oogen, in een fauteuil neêr, terwijl ze er een grooten bundel van afgooide. Dien werd wanhopig: zóo zou zij nooit aan een eind komen. --Lili, rust dan toch! riep Paul, boven op zijn trap, haar uit de andere kamer toe; je krijgt nu zoo een vermoeiende poze. Tante, zegt u toch aan Lili, dat ze moet rusten! en hij wierp eenige bonte tapijten van de koorden af, waarover zij geplooid hingen. Dien ging aan het opvouwen. --Dien, witte lakens en witte tulle! riep Marie. Dien hoorde verkeerd en bracht verkeerd aan. Ieder sprak, ieder beval en vroeg; de grootste wanorde begon te ontstaan. Paul roerde zich in wanhoop, zonder begrepen te worden, op de hoogste trede van de trap. --Ik kan niet meer! sprak hij, neêrhurkend en woedend. Ik moet ook alles alleen doen! Mevrouw Verstraeten was, na Pauls verzoek aan Lili herhaald te hebben, vertrokken om den knechts te zeggen, dat de jonge artisten niet vergeten mochten worden. De eersten kwamen dus weldra binnen, met groote bladen vol glazen wijn en limonade, gebak en sandwiches. De wanorde steeg ten top. De drie jongens lieten zich bedienen op hun matras, waarover een der Jannen een stroom orgeade goot. Toen stortte Marie op hen in een woede van woorden toe, en zij trok met Dien de matras onder hen weg, naar de andere kamer. --Frédérique, help dan toch eens aan den achtergrond! riep Paul, steeds gehurkt, en met eene verwijtende stem. Hij had het reeds opgegeven meester te blijven over de drie jongens, die nu echter door oude Dien buitelend en gillend uit de kamer werden verdreven. Het werd een weinig rustiger, ieder was echter bezig, behalve Lili. --Wat een rommel! sprak zij binnensmonds; en zij borstelde zittend heure haren uit, golvend en aschblond, om daarna van een grooten kwast een sneeuw van poeder op haar armen te doen vallen. Dien kwam terug, ademloos, en het hoofd schuddende met een goedigen glimlach. --Dien, witte lakens en tulle, gauw! riepen Freddy, Marie en Paul tegelijkertijd. Paul was van zijn trap afgeklommen, had het groote witte kruis, waaronder hij bijkans bezweek, op de estrade geplaatst en vlijde de matras en tal van kussens aan het voetstuk. --Dien, witte lakens en tulle, alle tulle en gaas, dat er is! En Dien bracht het aan, met de andere meiden, wit, alles wit. V. Mevrouw Verstraeten was naast haar nicht, Betsy van Raat, gaan zitten. Zij was gehuwd met den ouderen broêr van Paul. --Jammer, dat Eline niet is gekomen; ik had op haar gerekend, om de lange pauzes met wat muziek aan te vullen. Ze zingt zoo lief. --Ze was waarlijk niet wel, tante. U begrijpt, hoe 't haar spijt, ooms verjaardag niet te kunnen meêvieren. --Wat heeft ze? --Ach, ik weet niet, ze was zenuwachtig, geloof ik. --Ze moet heusch niet zoo toegeven aan die buien. Met een beetje energie kom je die nervoziteit wel te boven. --U weet het, tante, het is de ziekte van het jongere geslacht! zeide Betsy, met iets als een treurigen glimlach. Mevrouw Verstraeten zuchtte, en schudde toestemmend het hoofd. --A-propos, hernam zij. De meisjes zullen morgenavond zeker te moê zijn om naar de opera te gaan. Zoû je misschien onze loge willen hebben? Betsy bedacht zich even. --Ik heb morgen een dinertje, tante, maar toch wil ik de loge heel gaarne hebben. Alleen de Ferelijns en Emilie en Georges komen, maar de Ferelijns wilden vroeg weggaan, omdat de kleine Dora weêr niet wel is geweest, en dan zoû ik met Emilie en Georges een acte kunnen gaan hooren. --Nu, dat is dan afgesproken. Ik zal je de kaartjes sturen! sprak mevrouw Verstraeten, en stond op. Ook Betsy stond op. Georges De Woude Van Bergh wilde haar juist aanspreken, maar zij deed, alsof zij hem niet zag. Zij vond hem van avond onverdragelijk; reeds tweemaal had hij haar aangesproken en beide malen hetzelfde gezegd, iets over de tableaux. Gedecideerd, hij had geen conversatie. Morgenavond zoû zij hem ook al moeten genieten. Tantes loge was een uitkomst.... Haar man stond in de serre met een groep heeren, den heer Verstraeten, den heer Hovel, Otto en Etienne Van Erlevoort, die druk redeneerden, en hij luisterde toe, met zijn groot dik lichaam de bladeren eener palm verdrukkend, een ietwat dommen lach op zijn goedig gelaat. Ook hij ergerde haar; zij vond hem archi-vervelend, en een rok stond hem zoo slecht, niets chic! In zijn duffel zag hij er ten minste flink uit! En zij vond gelegenheid even tot hem te zeggen: --Spreek toch eens iemand aan, Henk. Je staat al den heelen tijd in dien hoek. Circuleer eens een beetje; je ziet er zoo uit, net of je je verveelt.... Je das zit scheef. Hij stotterde iets en tastte aan zijn hals. Zij echter keerde zich om en was weldra te midden van een luidruchtig troepje, dat zich om freule De Woude geschaard had. Zelfs de melancholieke mevrouw Van Rijssel, Freddy's zuster, had zich er bij gevoegd. Emilie De Woude was ongehuwd en droeg haar acht-en-dertig jaren met een benijdenswaardigen levenslust; haar aangenaam, opgewekt gelaat maakte een allerinnemendsten indruk. Zij geleek op haar veel jongeren broêr Georges, maar had iets joviaals, dat zeer afstak tegen zijn gemaniereerde stijfheid. Uitgelaten vroolijk had Emilie een kleinen kring, toegelokt door de komische voordracht harer anecdoten, om zich verzameld. Zij was juist bezig te verhalen, hoe ze verleden op de bevroren sneeuw gevallen was voor de voeten van een heer, die haar onbeweeglijk had staan aankijken, inplaats van haar op te beuren. --Verbeeld je, mijn mof links, mijn hoed rechts, ik in het midden, en daar stond hij, met open mond, naar me te kijken.... VI. Er klonk een belletje; Emilie staakte haar verhaal en vloog uit haar auditorium weg, om naar voren te komen. Men verdrong zich voor de, zich opschuivende, porte-brisée. --Ik kan niets zien! sprak Emilie, zich op haar teenen verheffend. --Komt u hier op mijn stoel, freule! riep, achter haar een jong meisje, dat, in een crême toiletje, boven de anderen uitstak. --Je bent een dot, Toos, heerlijk! Ik kom. Mag ik even passeeren, mevrouw Van der Stoor; uw dochter redt me uit den nood. Mevrouw Van der Stoor, een dame, die onder pseudoniem gedichten schreef, week bits glimlachend uit. Zij was een weinig gefroisseerd door Emilie's sans-gêne, zijzelve deed geen poging om beter te zien. Emilie en Cateau Van der Stoor stonden weldra samen op een stoel, elkander om het middel vasthoudend. --O, wat mooi! riep Emilie, en zij werd stil van wat zij zag. Uit de baren eener schuimende zee van gaas verrees een ruw, als uit wit marmer gehouwen kruis, waaraan een slanke witte vrouw zich in doodsgevaar vastklampte, terwijl haar voeten door een tulle golf werden oversproeid. En haar vingeren wrongen zich krampachtig vast aan de Rots der Eeuwen. --Het is Lili! hoorde men hier en daar. --Wat is die Lili elegant! fluisterde Emilie tot Cateau. Maar hoe zoû ze daar zoo hangen! Hoe houd ze het uit! --Ze ligt heelemaal in kussens, maar het is toch erg vermoeiend, zeide Toos. Je ziet natuurlijk niets van die kussens, freule. --Natuurlijk niet! Het is heel mooi, ik heb nooit zoo iets poëtisch gezien.... Zeg eens, Toos, ik dacht dat je meê zoû doen? --Ja freule, maar alleen in het laatste tableau met Etienne Van Erlevoort. Nu moet ik langzamerhand weg, om mij te gaan verkleeden. Zij wipte van haar stoel. Het licht weifelde, de deuren schoven dicht. Een licht applaus klapte als op ongelijke handslagen door de zaal. Maar weldra herhaalde zich het witte vizioen van schuimend gaas, en een engel boog zich met roerenden blik over den breeden arm van het kruis, om de bezwekene, die nu met geloken oog daartegen lag, op te heffen. Het applaus weêrklonk krachtiger. --Marie kan zich natuurlijk weêr niet ernstig houden! sprak Emilie, haar hoofd schuddend. Ze schatert het straks uit. Werkelijk trilde er iets zeer ongepast spotachtigs om het fijne mondje van den engel, terwijl zijn roerende blik eenigszins komiek werd onder een paar zenuwachtig opgetrokken wenkbrauwen. VII. Hoewel men het den artisten aanzag, dat zij moê waren, daar niemand zich onbewegelijk hield, werd het laatste tableau met tal van toejuichingen ontvangen. Viermaal, vijfmaal moest het herhaald worden. Het was eene allegorische voorstelling der Vijf Zinnen, voorgesteld door de vier jonge meisjes, rijk gedrapeerd in zware stoffen,--goud- en zilverlaken, brokaat en hermelijn--en door Etienne, den jongsten broêr van Frédérique, die in een minstreelgewaad het Gehoor voorstelde. Het was nu gedaan. Met de lange pauzes, die de artisten zich veroorloofd hadden, was het twee uren geworden, en de heer en mevrouw Verstraeten ontvingen de dankbetuigingen der gasten, die afscheid namen. --Blijft u nog soupeeren, met Cateau? zeide mevrouw Verstraeten zachtjes tot mevrouw Van der Stoor. Heel familiaar. Mevrouw Van der Stoor vond echter, dat het te laat zoû worden; zij wilde alleen nog op haar dochter wachten. De artisten hadden zich zoo spoedig mogelijk verkleed en traden de zaal binnen, waar zij nog van de laatste gasten eenige complimenten over spel en smaak opvingen. Emilie had zich bij dien zegevierenden intocht aan de piano gezet, en ontbeukte er de akkoorden eener fanfare aan. Zij bleef als intieme huisvriendin met Van Raat en Betsy soupeeren. --Morgen kom je toch, niet waar, Toos; morgenmiddag, om twee uur, komt de fotograaf! riep Marie. Het was dan Donderdag, maar Cateau zou niet naar school gaan, om uit te slapen, en om twee uur zou zij komen. Afgetobd vielen de artisten neêr in de gemakkelijke stoelen der ruime serre, waar een koud souper verscheen, een kalkoen, slâ, een taart, champagne. --Wat was het mooist? Wat was het mooist? riepen zij allen. En een ieders opinie werd gewikt en gewogen, bestreden en toegejuicht, onder een algemeen gerammel van borden, gekletter van vorken en lepels, geklink van glazen, vol en spoedig leêg. Hoofdstuk II. I. Om halfdrie keerden de Van Raats van het souper terug naar het Nassauplein. Hun huis was stil, de knecht en de meiden waren naar bed. Terwijl Henk zijn sleutel in den zak stak, en den bout dwars voor de huisdeur lichtte, stelde Betsy zich onwillekeurig haar slapenden jongen voor, roze, met gesloten vuistjes, in zijn wit bedje. Zij nam de bougie, van den pijler der trap, en ging naar boven; hij met zijn couranten de eetkamer in. Het gas brandde er, schemerflauw, een verkleinde waaiervlam. Zoo ook in haar kleedkamer. Zij draaide de kraan open waardoor zich het licht snel uitbreidde, en trok haar bonten rotonde van de schouders. In den kleinen haard wrong zich stuiptrekkend een vurige tong, als van een heraldischen leeuw. Er zweefde door het vertrek iets als de lauwheid van een warm bad, vermengd met den zoeten geur van Violettes de Parme. Even zag zij in de aangrenzende donkere kamer naar het witte bed van haar kind om, begon zich toen, zuchtende, te ontkleeden en liet de kanten japon, als een wolk van zwart, haar heupen afglijden. De deur werd geopend, en Eline kwam, een weinig bleek, binnen, in een wit flanellen peignoir, met los hangend haar. --Zoo Elly, nog niet naar bed? --Neen; ik.... heb wat zitten lezen. Heb je je geamuzeerd? --O zeker, het was alleraardigst. Ik wou alleen, dat Henk niet zoo ondragelijk vervelend was. Hij zegt geen stom woord, en zit met zijn bête gezicht aan zijn horlogeketting te morrelen, tot ze gaan whisten, in de pauzen. Eenigszins driftig zette Betsy den eenen voet achter den anderen, en schopte een schoentje uit, van goudleêr, met kralen. Eline rekte zich, kwijnend. --Heb je gezegd aan mevrouw Verstraeten, dat ik ongesteld was? --Ja, maar zusje, je weet, als ik 's avonds thuis kom, verlang ik naar mijn bed. Morgen de rest, vindt je niet? Eline wist, dat haar zuster, 's avonds thuiskomende, of zij zich geamuzeerd had of niet, immer in een licht korzelige stemming was, een ergernis, veroorzaakt door den lust zich zoo spoedig mogelijk te ontkleeden. Toch had Eline even den aandrang met een bits woord te antwoorden, maar gevoelde oogenblikkelijk daarop er zich te loom en ontzenuwd voor. Zij roerde zacht met de lippen Betsy's wang aan, en liet haar hoofd, geheel onwillekeurig, op den schouder harer zuster neêr, in een onbedwingbaar verlangen naar teederheid. --Ben je heusch ziek, hè, of....? --Neen. Alleen een beetje.... een beetje lui.... Adieu. --Slaap lekker. Eline ging, loom en bevallig in haar witten peignoir. Betsy raapte den kanten japon op, en ontkleedde zich verder. II. In de gang kreeg Eline het onbewuste gevoel van buiten de deur gezet te zijn, dat haar, zeer vaag, onaangenaam aandeed. Den geheelen avond, toegevende aan een gril van loomheid en verveling, had zij alleen gezeten, en langdurige eenzaamheid deed haar spoedig melancholiek worden, en naar een schertsend woord en het bijzijn van anderen verlangen. Besluiteloos bleef zij een oogenblik in het donker staan, en ging, in hare behoefte naar eenige aanspraak, tastende de trap af, de eetkamer binnen. Henk had zijn rok op de bank neêrgegooid, en stond zich, in vest en hemdsmouwen, zijn traditioneelen grog klaar te maken. Heete wasem wolkte het glas uit, terwijl hij den ketel weêr op de vuurstoof plaatste. --Zoo meisje! groette hij met zijn joviale stem, en innemende goedmoedigheid speelde in zijn soezige, blauwgrijze oogen en om zijn zwaar en blond beknevelden mond. Heb je je niet erg verveeld, zoo geheel verlaten? --Wel een beetje. Misschien jij nog meer? vroeg zij, hem behaagziek toelachend. --Ik? Wel neen. Integendeel, de tableaux waren heel aardig. Wijd zijne beenen uit-een zettende, slurpte hij behagelijk aan zijn gloeienden grog. --Is de peuter stil geweest? --Ja. Hij is niet wakker geworden. Blijf je nog op? --Even de couranten inzien. Maar waarom ben jij nog niet naar kooi? --Ach.... zoo maar.... Zij rekte zich weer kwijnend voor den spiegel, en wond zich, met opgeheven armen, het loshangende haar tot eene glanzend bruine wrong. Zij gevoelde eene behoefte hem veel en vertrouwelijk te verhalen, zocht naar iets, maar vond in hare leêge, verdroomde gedachte geen enkel onderwerp, geen enkele grief. Zij was gaarne in tranen losgebarsten, in de overmaat eener, niet al te scherp vlijmende, smart, alleen om zijne zachte, zware stem haar te hooren troosten. Maar zij vond niets en bleef zich kwijnend rekken. --Is er wat, hé? Hè meisje? Kom vertel eens, is er wat? Starend schudde zij het hoofd van neen, Neen er was niets. --Nou, maar je kan het mij gerust vertellen, hoor! --Ach.... ik heb een beetje het land. --Waarover? Zij kreunde even in eene behaagzieke pruilerij. --Ach.... ik weet niet. Ik ben wat zenuwachtig, al den heelen dag. Hij lachte, met zijn zachten, vollen, diepen lach. --Jij met je zenuwen! Kom, zusje, wordt nu weêr vroolijk, hé? Je bent zoo een gezellige meid, als je wat vroolijk bent, je moet je niet aan die buien overgeven.... Hij gevoelde, dat zijne welsprekendheid niet toereikende was om haar dit verder te betuigen, en dus besloot hij, schertsend: --Wil je een grogje, zus? --Dank je.... Ja, een slok uit je glas. Zij wendde zich tot hem, en lachende onder zijn blonde knevels, hief hij het wasemende glas aan hare lippen. Toen zag hij door de half gesloten oogleden een traan glinsteren, dien zij tegenhield. En eensklaps, als besloten, zette hij zijn glas neêr, en vatte haar de handen. --Kom, meisje, vertel eens, daar is wat, er is wat gebeurd met Betsy, of.... kom, anders ben je zoo vertrouwelijk met me. En hij blikte haar verwijtend toe met zijn soezigen, dommen blik, als van een goedigen New-Foundlander. III. Toen, toen barstte zij los, en, door snikken onderbroken, stroomden de klachten voort, schijnbaar zonder aanleidende oorzaak, verteederd als zij was geworden door zijne stem en zijn oog. Het was eene onhoudbare behoefte zich te uiten. Wat had zij aan haar leven, voor wie was zij eenigszins van nut! De handen in elkaâr gewrongen, liep zij het vertrek op en neêr, immer klagende, klagende. Het zou haar niets kunnen schelen binnen een uur te sterven; alles was haar het zelfde; alleen dat doellooze, nuttelooze bestaan, zonder iets waaraan zij zich met hare geheele ziel kon wijden, werd haar te zwaar. Henk sprak tegen, eenigszins verlegen met de scène, die toch niets anders was dan eene bekende, een periodiek terugkomende scène. Hij praatte over Betsy en Ben, hun jongen, over hemzelven; hij had het op de lippen haar te spreken van een eigen huishouden, dat de toekomst haar zou toebeschikken, maar iets als eene kiesche aarzeling hield hem hiervan terug. Zij, op deze tegenwerpingen, schudde het hoofd, een boudeerend kind gelijk, dat het verlangde niet krijgt en het aangebodene weigert, en woest wierp zij op eens haar hoofd tegen zijn schouder en snikte daar, een arm om zijn dikken nek geslingerd. Zoo klaagde zij voort met lossamenhangende zinnen, in haar nervoziteit geprikkeld door een avond eenzaam gemijmer in een overwarme kamer, steeds terugkomende op haar doelloos leven, dat zij voortsleepte als een vervelenden last, en er klonk iets in hare stem als verweet zij dit alles aan hem, aan Henk, aan haar zwager. Hij, zeer verlegen, ontroerd door de geurige warmte dier omhelzing, die hij toch niet al te teeder mocht beantwoorden, verbrak dien hobbelenden stroom van gebroken zinnen alleen met een paar banale troostwoorden. Langzaam, langzaam aan, op den vollen, zachten toon zijner zware stem, liet zij hare melancholie wegwiegelen, als eene wemeling van rozenbladeren op een vliet. Eindelijk zweeg zij, loosde een zucht, maar bleef met haar hoofd op zijn schouder rusten. Nu zij bedaarder werd, vond hij het gepast, zich wat boos te maken over haar onverstand.... Wat een lariflang was dat toch! Wat een onzin! Wat drommels, wond ze zich toch altijd zoo op.... --Neen, Henk, waarlijk....! begon ze, en hief haar vochtigen blik tot hem. --Meisje, je zeurt met je doelloos leven, en al dat moois meer. Waar haal je toch die dingen vandaan? We houden immers allemaal van je.... En, bij de herinnering zijner onuitgesproken gedachte van zoo even, ging hij voort: --Een jonge meid.... en dan praten van een doelloos.... Zus, je bent dol! Toen, als gekitteld door zijne gedachte, en bovenal meenende, dat de filozofie genoeg geduurd had, schudde hij haar op eens met schertsende woestheid bij heur armen, en kneep haar in den treurenden mond. Lachend stribbelde zij tegen; de uitbarsting had in haar iets als een verbroken evenwicht hersteld. Toen beiden eenige oogenblikken daarna samen de trap opgingen, moest zij een schatergil onderdrukken, daar hij haar plotseling tilde en droeg, terwijl zij, bevreesd, dat hij zoude struikelen, half smeekte, half beval: --Kom Henk, laat los, hoor! Wees nu niet zoo dwaas, Henk, laat los, Henk! Hoofdstuk III. I. Eline Vere was de jongste der beide zusters, donkerder van haar en oogen, slanker, minder rijk van vormen. Haar schaduwvolle, zwartbruine blik, bij de geämberde bleekheid van haar tint en het kwijnende van sommige heurer gebaren, gaven haar iets van een loome odàliske, die droomde. Die schoonheid verzorgde zij zeer, als een dierbaar juweel, dat men laat fonkelen en flonkeren, en deze aanhoudende zorg deed haar als verlieven op wat zij bevalligs aan zich vond. Minuten lang kon zij zich spiegelen, glimlachend met de fijne punt van den roziggenagelden vinger de lijn van wenkbrauw en wimper streelend, zich de oogleden een weinig amandelvormig vertrekkende, of heure bruine haren woest om zich heen warrelende, in de houding eener schalke zingara. Haar toilet verstrekte haar eene onophoudbare moeite, een voortdurende, zeer ernstige overpeinzing, waarbij zich lichte kleuren met sierlijke vormen harmonieerden tusschen het emailachtige tintelen van satijn en het in warme schakeeringen wisselen van peluche, omwolkt door eene apotheoze van tulle en gaas, mousseline en kant. De lichte druppel, trillende onder de facetten van den brillant aan haar ringvinger, wekte, met den verwelkenden geur van een sachet, eene aangename gewaarwording van fijne weelde, iets zeer vrouwelijks en weeks in haar op. II. Eenigszins droomerig en romantisch van natuur dacht zij zich soms, in loome buien, met zekeren wellust, hare kinderjaren terug, en stapelde zij allerlei kleine heugenissen uit dien tijd op elkaâr, als dierbare reliquieën. Dan verfrischte en verfraaide zij, willens en wetens, die verflauwde heugenissen met idealistisch-teêre tint. Van tijd tot tijd zich ze weder voor den geest roepend, vergat zij wat historisch, wat fantastisch er aan was, en kon, met stellige zekerheid, de eene of andere nietige epizode van vroeger dagen, aldus gepoëtizeerd, verhalen. Betsy, met practischen waarheidszin, dong aanstonds, of zij er zeker van was of niet, op alles, wat slechts naar verheerlijking zweemde, af, en Eline, in eene behagelijke melancholie, onderscheidde meestal, na zulke terechtwijzingen, zoowel de eerste kiem, als de latere fantastische bloem harer voorstelling. Zij herinnerde zich haar vader, een schilder, een fijn-artistieken geest, zonder kracht tot scheppen, zeer jeugdig gehuwd met een oudere, hem overheerschende vrouw, zich gedrukt gevoelende onder die heerschzucht, terwijl zijn fijn-bezenuwd gestel, gelijk een edel snaarspeeltuig, getrild had onder haar te ruwe beroering, zooals dat van Eline nu somtijds trilde onder die der zuster. Zij herinnerde zich dien vader, met zijn tint als vergeeld ivoor en zijne bloedelooze doorschijnende vingers, lusteloos en loom neêrliggende, zich in de geestkracht zijns denkens plannen van groote werken scheppend, en die van zich werpend na een eerste penseelstreek. Zij was eenigszins zijne kleine vertrouweling geweest en zijn krachteloos genie had in haar oogen de vlucht genomen van dat eens poëtischen, madonna-malenden Rafaëls, met dwepende oogen en lange lokken. Hare moeder had haar steeds een stille vrees ingeboezemd, en de herinnering der illuzie-verdrijvende nietigheden des dagelijkschen levens, die zich aan deze moeder meer verbond dan aan dien vader, maakte het Eline onmogelijk haar in gedachte te idealizeeren. Zij herinnerde zich, na den dood haars vaders, jong gestorven in de ontevredenheid van een mislukt leven, na dien harer moeder, plotseling door eene immer dreigende hartkwaal getroffen, hare jeugd onder de hoede eener verweduwde tante en zachte voogdes. Ouderwetsch, mager en recht, met treurige, regelmatige trekken, als de ruïne eener schoone vrouw, herinnerde zij zich die voor een groote spiegelruit vier glinsterende breinaalden, in regelmatig, beverig menuet, met twee dorre handen, te hebben zien bewegen. Zij leefde daar in die groote kamer, in eene zachtkens ontzenuwende en weeke welvaart, in iets geurigs en fluweelachtigs, het mollige Deventersch onder de voeten, een vlammend blokkenvuur in den haard, en een, met fantastische ooievaren en scharlaken pioenrozen bekleurd, geel zijden Japansch tochtscherm voor de deur. De beide zusters, daar aan elkanders zijde ontwikkeld, onder de lessen eener zelfde opvoeding, in eene zelfde omgeving, hadden twee aan elkaâr evenwijdige gemoedslevens in zich laten ontkiemen, wier zijden echter bij het rijpen der jeugd naar de eischen van twee verschillende temperamenten afweken. In Eline, die, van een loom en lymfatisch gestel, behoefte gevoelde aan teederen steun en zachtkoesterende warmte, en wier zenuwen, fijn als de vezelen eener bloem, zelfs in hare weeke, als met fluweel gecapitonneerde omgeving dikwijls nog door den minsten tegenstand te ruw werden beroerd en te hevig geprikkeld, ontwikkelde zich uit angst eene terughoudendheid, die haar gemoed vulde met duizenden kleine grieven van heimelijk verdriet. Overvol geworden stortte zich dit dan uit met een enkele bruisende golf. In Betsy's volbloediger leven ontkiemde, bevorderd door Eline's behoefte aan steun, een streven naar overheersching, waardoor zij haar psychisch bestaan bijna geheel in het wezen der, als was zoo ontvankelijke, zuster kon dringen, welke hierbij, na een eersten schok, toch rust en voldoening vond. Maar noch Eline's vrees haar fijn bezenuwd gestel te zullen wonden, noch Betsy's heerschzuchtig egoïsme hadden ooit tot eene tragische crisis aanleiding gegeven, daar beider scherpe omtrekken, in de zachtblauwe atmosfeer harer omgeving, zich afstompten en wegdoezelden in een effen grijze tint. III. Later, na eenige bals, waar Eline zich op hare witte satijnen voetjes, in iets bezwijmelends van geur en licht, glijdend had laten medevoeren door een zachten dwang van haar cavaliers, en zich door slepende driekwartsmaten, als door teugen champagne had laten bedwelmen, later was zij tweemalen ten huwelijk gevraagd geworden, en had zij beide malen bedankt. Van die aanzoeken behield zij de herinnering als van twee gemakkelijke triumfen, die toch een kalmen glimlach van eigenwaarde verwekten, en de heugenis der eersten vermocht zelfs somwijlen haar een lichten zucht te ontlokken. Toen had zij Henri Van Raat ontmoet, en sedert verbaasde zij zich vaak, hoe die goede lobbes, zooals zij hem noemde, die toch zoo weinig op den held harer droomen geleek, zooveel sympathie in haar verwekte, dat zij dikwijls, plotseling, naar zijn bijzijn verlangen kon. Die harer droomen had iets van het geïdealizeerde beeld haars vaders, van Ouida's romanhelden, en niets van Van Raat, met zijne, in de volbloedigheid van een te sanguinisch gestel, wegsoezende luiheid, zijn zachte, domme, grijsblauwe oogen, zijn trage spraak en dikken lach. En toch was er iets in zijn stem, in zijn blik, dat haar aantrok, in zijne vertrouwelijke gemoedelijke wijze van zijn, dat haar van steun sprak, zoodat zij soms het vage verlangen gevoelde, haar hoofd als moede op zijn schouder te leggen. En ook hij gevoelde, met zekeren hoogmoed, dat hij iets in haar leven was geworden. Die hoogmoed verdween echter aanstonds, zoodra Betsy hem nader kwam. Bij Eline's zuster gevoelde hij zulk een zedelijke minderheid, dat hij meermalen haar radde en luchtige scherts met nog tragere spraak en nog dikker lach dan gewoonlijk beantwoordde. Zij vond er een verfijnd genot, vol wreedheid, in, hem dan uit te lokken tot gezegden, die zij, met een weinig valsch vernuft, als zeer weinig complimenteus wist te doen voorkomen, om ze hem daarna, met een tintelende ondeugendheid, voor de voeten te werpen. Hij verontschuldigde zich, zoekende naar zijn zinnen, somwijlen nog niet goed vattende, wat zijne onbeleefdheid geweest was, of zich verwarrende in armzalige wendingen, ten einde haar van zijne goede meening te overtuigen. Dan schaterlachte zij luid, en die volle, gezonde lach, klaterend in spottend gevoel van meerderheid, hitste hem nog meer aan dan de teedere, als naar steun tastende bekoring van Eline's wezen. Deze was de bekoring eener weenende, zoet lonkende sirene, die, met een kwijnenden kreet van verlangen, haar loome armen uit het blauw der baren beurt, en weêr door die baren machteloos wordt meêgevoerd; gene, die eener thyrsos zwaaiende Bacchante, welke met strengelende wijngaardranken hem zocht te omstrikken, of hem driest, in dartelen, prikkelenden overmoed, haar vollen beker in het gelaat wierp. IV. En zoo was het iets geweest, waarvan hij zich nooit zuiver rekenschap had kunnen geven, hoe hij op een avond, in de groene koelte eener flauw verlichte serre, Betsy eensklaps verzocht had zijn vrouw te worden, geheel op eens, met een paar doorslaande zinnen. Hij had alleen dien avond gevoeld dat hij niets anders vermocht als gemagnetizeerd door iets bevelends in Betsy's wezen, dat hem tot die verklaring dwong. Zij, kalm, zonder aarzeling, had aangenomen, er voor zorgende, dat de, in haar gemoed bruisende, blijdschap over het vooruitzicht nu meesteresse in een eigen omgeving te zullen worden, zich onder die kalmte schuil hield. Zij verlangde naar een andere atmosfeer, dan de deftige mufheid der groote kamer met de gladde spiegelruiten, het oude Deventersch, den vlammenden haard, en de ooievaren en pioenrozen op het Japansche scherm. Maar Henk had, toen Eline hem, eenvoudig en vriendelijk, geluk gewenscht had, een verbaasdheid en ontevredenheid gevoeld over zijn eigen daad, die hem geen woorden deden vinden bij de zusterlijke betuigingen van het jonge meisje. En Eline, zonder er bewust van te wezen, ruw door al dit onverwachte aangegrepen, school, uit plotselingen angst voor Betsy, in hare melancholische terughoudendheid weg, terwijl zij sedert, zich toch hare meerdere zwakheid bewust, het overheerschende streven der zuster met een zeer prikkelbaren hoogmoed poogde te bestrijden, in die overheersching niet meer de rust en voldoening van eertijds weêrvindend. V. Henk en Betsy waren een jaar gehuwd, toen tante stierf. Betsy was bevallen van een zoon. Hij, op aandrang van zijn vrouw, had in dien tijd naar eene betrekking, eene bezigheid gezocht, daar hij Betsy met zijne kalme, goedmoedige luiheid soms verveelde, als een trouwe hond, dien men steeds aan zijne voeten vindt liggen, en die, bij ongeluk, dikwijls getrapt wordt. Ook hijzelve koesterde een onduidelijk denkbeeld, dat een jonge kerel, trots zijn fortuin, toch iets moest uitvoeren. Intusschen, gevonden had hij niets en zijn ijver was ook zeer verminderd, sedert Betsy zelve niet meer op zijn zoeken aandrong. Heel lastig maakte hij het haar immers niet, daar hij des morgens, bijna iederen dag, in den fyzieken aandrang van zijn groot lichaam naar eenige ontspanning der spieren, paard reed, nagerend door zijn twee grijze Ulmerdoggen; des middags, door zijn vrouw geprest, visites met haar maakte, of, ontslagen van dezen plicht, de sociëteit bezocht, terwijl zij des avonds samen veel uitgingen, naar soirées en comedies, waar Henk door zijn fladderend vrouwtje werd medegesleept als iets lastigs, maar iets geheel onmisbaars. Hij schikte zich in dit hem te woelige leven; hij gevoelde geen kracht zijn wil tegenover dien van Betsy te stellen, en vond het rustiger zich aan te kleeden en zijne vrouw te volgen, dan den huiselijken vrede te verstoren door een strijd van tweeërlei verlangens. En hij genoot van den zeer enkelen avond, dien zij thuis, alleen, doorbrachten, en die hem, in zijne aangeboren neiging naar gezelligheid, vulde met een lauwen wellust; die hem, op het einde, verliefder deed worden, dan wanneer hij zijne vrouw, buiten zijn bereik, op een soirée had zien tintelen van scherts en vroolijkheid. Dan werd hij wrevelig, en zeide, in eene boudeerende stilte, geen woord bij het huiswaarts keeren. Zij echter, op dien enkelen avond, verveelde zich gruwelijk, werd slaperig in den suizenden gloed van het gas, en ergerde zich, met een boek op de canapé liggende, aan haar man, die de illustraties van het leesgezelschap bezag, of minuten lang op zijn kopje thee zat te blazen. In zulk een oogenblik gevoelde zij een onweêrstaanbaren aandrang van wreedheid hem aan te sporen, toch in 's hemelsnaam naar eene bezigheid om te zien, waarop hij, ietwat verbaasd, zóo uit zijn wellust geschud te worden, met dikke, lijmerige zinnen antwoordde. Zij echter was innerlijk zeer gelukkig; zij vond het heerlijk zooveel aan haar toilet te kunnen bekostigen, als zij maar verkoos, zonder tot op een cent nauwkeurige berekeningen, als tante haar had laten doen, te behoeven te maken; en zij overdacht somwijlen bij het einde der week met een zaligen glimlach, dat zij geen dag des avonds waren thuis gebleven. Eline intusschen had in een melancholische eenzaamheid dat jaar bij tante Vere doorgebracht, droomerig starende door de groote spiegelruiten of op de Japansche ooievaren en pioenrozen, een enkele maal door Betsy meêgevoerd in haar zwier van vermaken. Zij had veel gelezen, vooral bekoord door Ouida's weelderige, van kleurengloed en Italiaansch zonlicht flonkerende, fantasmagorie eens geïdealizeerden levens, hel en bont als een schitterende caleidoscoop. Zij las de Tauchnitz-editions, tot de deeltjes, uitgeput door den greep harer vingeren, los uit zichzelve vielen, met krullende bladen, aan een enkelen draad. Ook bij tantes ziekbed, waar zij, met een gevoel van romantische voldoening, waakte, en zich een slapeloozen nacht afsloofde met duizend kleine zorgen, las zij ze, en las zij ze weêr. In de atmosfeer der ziekekamer, doorgeurd met een geëtherizeerden medicijnreuk, kregen de deugden en begaafdheden der edele helden, de smettelooze schoonheden der hellebooze en hemelreine heldinnen eene onwederstaanbare bekoring van lokkende onwaarheid; en Eline voelde zich vaak door een hartstochtelijk verlangen aangegrepen, om te logeeren in een dier oude Engelsche kasteelen, waar graven en hertoginnen elkaâr met eene hoffelijke etiquette zoo elegant beminden, en elkander rendez-vous gaven in den maneschijn van een eeuwenoud park, als in een electrisch lichteffect, tusschen het vaag blauwgroene geboomte van tooneelcoulisses. Tante stierf, en Henk en Betsy verzochten Eline haar intrek in hun huis te nemen. Maar zij weigerde eerst uit eene vreemde treurigheid, waarin zij als versmolt bij de gedachte aan de verhouding tusschen haar zwager en hare zuster. Toch kwam zij deze melancholie met eene buitengewone inspanning van wilskracht te boven, als met een forschen zwaai van vleugels. Zij had zich immers altijd verbaasd over de geheimzinnige aantrekkingskracht, welke haar naar Henk verlangen deed; nu hij de man harer zuster geworden was, rees er eensklaps zulk eene, door alle wetten van fatsoen en gewoonte gebouwde, hindernis tusschen hen op, dat zij zich zonder gevaar aan zusterlijke sympathie kon overgeven, en ze vond zich dus zeer kinderachtig, uit herinnering aan vervlogen, nooit begrepen gevoelens, te weigeren van hun aanbod gebruik te maken. Daarbij kwam dat haar toeziende voogd, oom Daniël Vere, wonende te Brussel, ongehuwd en te jeugdig was om het jonge meisje huisvesting te kunnen aanbieden. Zoo zette Eline dus haar bezwaren op zij, en schertsend de voorwaarde bedingende, dat zij eene kleinigheid, maandelijks, zou mogen bijdragen in het huishouden, nam zij haar intrek bij heur zwager. Henk had deze bijdrage geweigerd, ofschoon Betsy hare schouders had opgehaald, met de verklaring, dat zij, in Eline's plaats, ook zoo zou willen doen, om zich vrij en onafhankelijk te gevoelen. Uit haar ouderlijk erfdeel trok Eline een jaarlijksch inkomen van f 2000; zij behield deze som dus geheel en al en wist zich met grooten, door tantes zuinigheid aangeleerden, takt hiervan even elegant te kleeden als Betsy, die slechts te putten had uit een vollen buidel. En er waren drie jaren, eentonig, met de zelfde winter- en zomervermaken voorbijgegaan. Hoofdstuk IV. I. Toen Eline den morgen na heure uitbarsting van verdriet beneden kwam, om te ontbijten, was Henk reeds de deur uit, op weg naar den stal, waar zijne paarden en tevens zijne beide, door Betsy niet in huis gedulde, Ulmerdoggen verzorgd werden. Zij vond alleen den kleinen Ben, die, eentonig neuriënd, met zijn korte breede vingertjes vet van boter, aan een boterham zat te plukken. Betsy hoorde ze zeer bedrijvig rondloopen en ernstige beraadslagingen houden met Grete, een vinnige keukenmeid. Dien middag kwamen Frans en Jeanne Ferelijn en freule De Woude Van Bergh, met haar broêr, dineeren. Eline zag er frisch en helder uit, in eene eenvoudige matinée: een rok van drie groote volants en een effen corsage, beide van een donkergrijze, wollige stof, die glad over het corset spande, het midden omsnoerd en omstrikt met een grijs zijden lint als ceinture; aan haar hals een klein flikkerend gouden pijltje. Zij droeg geen ringen, geen braceletten: zij had iets zeer gewild eenvoudigs en jonkvrouwelijk stijfs. Op het voorhoofd en in den nek kroezelden wat fijne lokjes als uitgerafelde zijde. Vriendelijk, terwijl zij hem bij de deur reeds toelachte, knikte zij den jongen toe, en achter hem gekomen, pakte zij zijn dik hoofdje tusschen beide handen, om er, wat bevreesd voor zijn boterige vingertjes en lipjes, een flinken zoen op te drukken. Toen ging zij zitten, met een tevreden gevoel over hare verzorgde bevalligheid, in haar hersteld gemoedsevenwicht aangenaam gestemd door de lauwe warmte van de kachel, terwijl de sneeuw neêrviel in een donzige stilte. Onbewust glimlachend, wreef zij zich haar blanke, witte handen en bezag haar rozige, witgepunte nagels, om daarna behagelijk naar buiten te zien, waar eene fruitvrouw, in tweeën gebogen, mager als een riet, hoekig, in een vuile grijze shawl een kar, met besneeuwde sinas-appels voortduwde. Behagelijk ook, met iets egoïstisch verheugds, dat de zaak haar niet zou deeren, hoorde zij, zich een broodje snijdend, naar een twist tusschen Betsy en de vinnige meid, luide bevelende betuigingen en korte brutale tegenwerpingen, die tegelijkertijd opklonken tusschen het gerammel van ijzeren pannen, of het porceleinen geklater van een driftig neêrgeplaatsten stapel borden. Betsy kwam binnen, met een ontevreden uitdrukking in haar, onder zware wenkbrauwen tintelende, oogen, haar korte, vleezige lippen nijdig samengetrokken. Zij droeg een stapeltje kristallen dessertschaaltjes, die zij nu zelve wilde wasschen, daar Grete, de keukenmeid, er een gebroken had. Voorzichtig, trots hare verbittering, zette zij het stapeltje neêr, vulde een spoelkom met lauw water, zocht naar een kwast. --Die drommelsche meid....! Verbeeld je, een van mijn fijne schaaltjes. Dat gaat ze waarachtig met kokend water wasschen. Het is ook altijd zoo, als je die lomperts wat toevertrouwt. Hard, met een ruwen nadruk klonken haar woorden. Wrevelig duwde zij Ben, die haar in den weg stond, opzij. Eline, zeer bereidvaardig in haar aangenaam humeur, wilde aanstonds helpen, wat Betsy, gestreeld, gaarne aannam. Zij beweerde nog veel te doen te hebben, maar liet zich intusschen op de bank neêrvallen en zag toe, hoe Eline voorzichtig de schaaltjes éen voor éen afkwastte en in de plooien van een theedoek droogde, met kleine, bevallige gebaren, zonder hare vingers te bevochtigen of een droppel te storten. En zij gevoelde het verschil tusschen hare eigene bruisende bewegelijkheid, ontsproten uit haar rijke gezondheid, en Eline's elegance, gemengeld met iets als eene vrees zich te zullen vermoeien of te bezoedelen. --A-propos, gisteren bij de Verstraetens hoorde ik, dat ze van avond niet naar de opera gingen, om uit te rusten van de tableaux; tante vroeg, of ik de loge wilde hebben. Heb je lust te gaan? --Naar de opera? En je gasten? --Jeanne Ferelijn wilde vroeg weg, omdat haar kind weêr koû heeft gevat, en ik woû Emilie en haar broêr vragen, of ze meêwillen. Henk kan thuis blijven. Je weet, het is een loge van vier. --Het is mij wel. Heel goed. Tevreden over zichzelve zette Eline het laatste schaaltje, doorglanzend met fijn geslepen punten, neêr, en de spoelkom weg toen er in de keuken een twist uitbarstte, doorkletterd met de zilveren ritseling van een neêrgesmeten bundel lepels en vorken. Grete was met Mina, de werkmeid, aan den gang. Betsy repte zich en weldra volgden ruwe bevelen en brutale tegenwerpingen elkaâr op, als in een snellen dialoog. Ben was intusschen, eenigszins soezig, met een open mond, op de plek blijven staan, waar zijn moeder hem heengeduwd had, vol van een stille vrees voor al dat rumoer daarbuiten. --Kom Ben, ga je meê naar tantes kamer? vroeg Eline en glimlachend strekte zij haar hand naar hem uit. Hij kwam nader en beiden gingen de trap op. Op de eerste verdieping bewoonde Eline twee kamers, gescheiden door een portière: een slaapkamer en een ruim boudoir. Met een verfijnde zuinigheid en takt had zij deze vertrekken een aanzien van weelde weten te geven, waarover iets als een artistiek waas lag. Het was er bont en vol, terwijl een gewilde wanorde hier en daar natuurlijke stillevens vormde. Haar piano stond schuin in een hoek. Een lage divan, overdekt met een Perzische stof, was overlommerd door een volbladige aralia. Een kleine schrijftafel was overladen met tallooze kleine voorwerpen van weelde. Beelden, platen, veêren, palmen vulden alle hoeken. De roze marmeren schoorsteen was bekroond met een Venetiaansch spiegeltje, door roode koorden en kwasten als opgebeurd. Een Amor en Psyche, naar Canova, in biscuit, vormde daar een groep van een, zich overgevende, ontsluierde jonkvrouw en een minzieken gevleugelden god. Toen Eline met Ben binnenkwam, streelde de rossige gloed van den haard heur aanstonds de wangen. Zij wierp het kind eenige verscheurde, uit hun banden hangende, prachtwerken toe, om het bezig te houden; en het nestelde zich op den divan, onder de aralia. Eline trad even haar slaapkamer binnen, waarvan de ramen nog eenige smeltende ijsbloemen vertoonden, fijn geëtst, als in kristal. Als een apotheoze van tulle en kant stond daar een toilette-duchesse, grillig omgeven met de satijnen cornets van oude balbouquetten, en overladen met flacons en coupes van porcelaine-de-Sèvres en kristal. Tusschen al dit wit en roze schitterde de spiegel als gepolijst metaal. Het ledikant verschool zich achter roode draperieën; een breede psyché, dwars in een hoek, ving in zijn glas een groote watering van licht op. Even zag Eline rond, of de meid alles naar behooren had geschikt; toen, huiverend in de kilte van het juist geluchte vertrek, ging zij opnieuw haar zitkamer in en sloot de deur. Het was er zeer behagelijk in die iet of wat orientalische weelde, terwijl van buiten de sneeuw een schelwitte weêrkaatsing naar binnen schoot. II. Eline voelde haar keel vol melodie. Zij zocht dus, in een aandrang zich te uiten, tusschen haar muziek, en koos de wals van Mireille. Zij zong ze met variaties van zichzelve, met lange points-d'orgue, fijn uitgesponnen als zwellende glazen draden met jubelende trillers, als die van den leeuwerik in haar lied. Zij vergat de sneeuw en de koude daarbuiten. Toen kreeg zij een gewetenswroeging bij de gedachte, dat zij in geen drie dagen gestudeerd had, en zij zong gamma's, fileerde haar hooge tonen of zocht de smelting van een moeilijken overgang te volmaken. En het metaal van haar stem klonk glansrijk op, een weinig koud maar helder, vol kristal en parelen. Ben, hoewel gewend aan dit gejubel, dat het geheele huis doortrilde, bleef toch met open mond luisteren, zonder zijne illustraties verder om te bladeren en opschrikkende bij de doordringende schelheid van een hooge si of do. Eline begreep nu zelve niet, waarom zij den vorigen dag zoo treurig was geweest. Hoe was die bui van melancholie toch komen aandrijven, zonder eene bepaalde aan te duiden oorzaak; hoe weggezweefd, eveneens zonder een alles overstroomende vreugde? Nu voelde zij zich opgewekt, vroolijk, gezond; het speet haar gisteren niet de tableaux te hebben gezien, waarvan zij gaarne door Betsy meer had hooren vertellen, en zij vreesde zeer, dat de heer en mevrouw Verstraeten haar ongesteldheid niet ernstig zouden hebben opgenomen. Die goede, gezellige meneer Verstraeten, altijd vol vroolijkheid en gekheid, en die lieve mevrouw! En zij dacht, steeds voor haar piano, nu een roulade, dan een paar voorslagen studeerende, aan andere lieve menschen, die zij kende. Ze vond goede eigenschappen in al haar kennissen: in de Ferelijns, Emilie De Woude, de oude mevrouw Van Raat, mevrouw Van Erlevoort, ook in mevrouw Van der Stoor. Cateau was een poetje. En zij betrapte zich op het idée, wel eens met dien komedietroep te willen meêdoen: ze vond dat Frédérique, Marie, Lili, Paul en Etienne een uitstekende levensopvatting hadden, altijd vroolijk samen, vol plannen van pretjes. Het was wel aardig zich te laten bewonderen, mooi gedrapeerd. En Paul had een lieve stem, ze vond het heerlijk duo's met hem te zingen, en ze vergat, dat ze een paar dagen geleden aan haar zangmeester had gezegd, dat hij hoegenaamd geen klank in zijn orgaan had. Ze was dus aangenaam gestemd en ze zong een tweede wals, die van Juliette uit Gounods opera. Ze dweepte met Gounod! Het was half elf, toen er geklopt werd aan haar deur. --Binnen! riep ze en liet, omziende, haar fijne vingers rusten op de toetsen. Paul van Raat trad de kamer in. --Bonjour Eline. Dag, kleine rakker. --Zoo, Paul! Zij stond op, eenigszins verbaasd hem te zien. Ben liep naar zijn oom toe en trok zich aan zijn beenen op. --Wat kom je al vroeg. Ik dacht, dat je vanmiddag zou komen zingen. Maar daarom ben je niet minder welkom, hoor! Ga zitten, en vertel mij van de tableaux! riep Eline opgetogen.... toen, zich bedenkende, dat zij den dag te voren ongesteld was geweest, hernam ze kwijnend: --Het speet me vreeselijk, dat ik gisteren zoo ziek en akelig was. Vreeselijke hoofdpijn.... --Ik kan het je niet aanzien. --Heusch, Paul! Denk je, dat ik anders niet was gekomen om je talent te bewonderen? Kom, vertel me, vertel me alles! en zij trok hem meê naar de sofa, vanwaar zij de prachtwerken afwierp. Paul had zich eindelijk bevrijd van Ben, die, aan zijn handen hangend, zich op de hielen liet wiegelen. --Kom, laat los, Ben, dikke jongen! En is de hoofdpijn nu over? --O ja, heelemaal. Ik ga vanmiddag meneer Verstraeten nog feliciteeren, en mijn excuses maken. Maar Paul, vertel me nu.... --Ik kwam je juist vertellen, dat ik van middag niet kom zingen, hoor Elly. Ik heb geen toon in mijn stem; gisteren heb ik zóó moeten brullen en brommen, dat ik er schor van ben. Maar we hebben veel succes gehad.... En hij begon honderd uit te vertellen over de tableaux. Het waren zijn idées en veel was zijn handenarbeid geweest, o.a. het kladderen van de achtergronden; maar ook de meisjes hadden een maand lang zwaar werk gehad met de costumes en duizenden kleinigheden. Dien middag zou Losch komen om fotografies te nemen van de laatste groep; zelfs al was hij dus op stem geweest, had hij niet kunnen komen zingen. En daarbij gevoelde hij zich zôo stijf; hij had gewerkt als een timmerman, maar de meisjes zouden zeker ook wel uitgeput zijn. Gepozeerd had hij niet; hij had het reeds zoo druk met de organizatie der voorstelling gehad. Hij liet zich een weinig achterover vallen in de Perzische kussens der sofa, overlommerd door de aralia, en streek zich met de hand over het haar. Het trof Eline, hoe hij op Henk geleek, ofschoon hij tien jaar jonger, slanker en levendiger was, fijner besneden van gelaat en verstandiger van blik. Maar een enkel gebaar, een optrekken der wenkbrauwen, deed die gelijkenis soms treffend uitkomen, en al waren zijn lippen dunner onder zijn blond kneveltje, dan die van Henk, onder zijn dikken snor, toch lachte hij met den zelfden trek en de zelfde volle diepe zachtheid van zijn broêr. III. --Waarom neem je toch geen goede schilderles, Paul? vroeg Eline, als je toch talent hebt.... --Dat heb ik juist niet! lachte hij. Het zou de moeite niet loonen. Ik klodder zoo wat, precies zooals ik wat galm. Het is allemaal niets. En hij zuchtte om zijn gemis aan energie om zijn onbeduidende talentjes tot iets hoogers te ontwikkelen. --Je laat me denken aan papa, sprak zij, en er trok een waas van weemoed over haar woorden, toen het gepoëtizeerd beeld haars vaders voor haar blik verrees....--Hij had bepaald buitengewoon veel talent, maar zijn gezondheid was in den laatsten tijd te zwak, dan dat hij iets groots kon scheppen. Ik herinner mij, dat hij juist aan een kolossaal doek bezig was, een scène uit Dantes Paradiso, geloof ik, juist toen.... toen hij stierf. Arme papa! Maar jij, je bent nog jong en flink, ik begrijp niet hoe je niet verlangt om wat te doen, iets groots, iets bizonders. --Je weet, dat ik bij Hovel werken ga; oom Verstraeten heeft het voor mij bedisseld. Hovel was advocaat en procureur en daar Paul inderdaad nog al vroeg, na een afwisseling van hard blokken en lang luieren, in de rechten gepromoveerd was, had oom Verstraeten gemeend den jongen meester een dienst te doen, door hem zijn vriend aan te bevelen. Paul zou dus op Hovels kantoor werken, tot hij zichzelven als advocaat zou vestigen. --Bij Hovel? Een heele beste man! Ik mag zijn vrouw heel gaarne. O, maar dat zal uitstekend zijn, Paul! --We zullen hopen! --Maar zie je, als ik een man was, zou ik maken, dat ik beroemd werd. Kom Ben, wees nu niet lastig, ga nu de mooie plaatjes kijken, hier op den grond! Zou je het niet heerlijk vinden beroemd te zijn? Zie je, als ik niet Eline Vere was dan werd ik actrice! En zij galmde een roulade uit, die van haar lippen viel als een ris diamanten. --Beroemd!--minachtend haalde hij de schouders op. Neen, dàt vind ik zoo een kinderachtig idée! Beroemd te zijn! Dat kan me niets schelen! Maar ik zou wel goed willen schilderen of... goed willen zingen, soit. --Maar waarom neem je dan geen les, hetzij in schilderen, hetzij in de muziek? Wil ik mijn meester vragen? --Dank je, laat dien brompot van een Roberts er maar buiten. En daarbij, waarlijk Eline, het is de moeite niet waard, ik zou toch niet kunnen volhouden in het een of ander. Ik heb vlagen, rages, weet je en dan meen ik alles te kunnen doen, dan zoek ik groote onderwerpen voor een schilderij... --Zooals papa, glimlachte zij weemoedig. --En dan ben ik vol ijver om van mijn stem te maken, wat er van te maken is, maar heel gauw branden die mooie plannen uit als afgestoken lucifers. --Je moest je schamen. --Ik ga mijn geniale aspiraties in proceszaken wegstoppen, weet je! antwoordde hij lachend opstaande. Maar nu moet ik gauw naar de Princessegracht, naar de Verstraetens. Je rekent dus niet op me, van middag. We moeten nu nog het een en ander gereed maken, vóor Losch komt. Adieu, dag Eline, dag Ben, dikke peuter. --Bonjour, beterschap met je schorheid. Paul ging en Eline zette zich weder aan haar piano. Een korte pooze mijmerde zij er over, hoe jammer het was, dat Paul zoo weinig energie toonde, en dit deed haar weêr aan Henk denken. Maar ze gevoelde zich te opgeruimd om veel te peinzen en te filozofeeren, en zij zong, vol van een weelde, die zich klaterend moest uiten, tot het belletje van twaalf uur haar en Ben naar beneden riep. IV. Paul had zijn moeder gewaarschuwd, dat hij dien middag niet thuis zou komen koffie drinken, daar hij dit bij de Verstraetens dacht te zullen doen. Hij woonde met mevrouw Van Raat in de Laan van Meerdervoort samen. Zij, eene oudere zuster van mevrouw Verstraeten, was eene deftige dame met peinzende, lichtblauwe oogen, met eenigszins ouderwets opgemaakt, zilvergrijs haar, en met een waas van berusting en vermoeidheid over geheel haar wezen verspreid. Daar het loopen haar moeilijk begon te worden, zat zij meestal neêrgebogen in haar gemakkelijken stoel met hoogen rug, het matte grijze hoofd gezonken op de borst, en de blauwgeaderde handen in de schoot gevouwen. Zij leefde nog een stil, eentonig bestaan voort, na een kalm en tevreden, bijna wolkeloos leven aan de zijde van haar echtgenoot, op wiens portret zij vaak de doffe oogen sloeg, zooals het ginds, in generaals-uniform, goed geschilderd, vóor haar hing: een knap, fiksch, open gelaat, met een paar trouwe, verstandige oogen, en een innemenden trek om den vastgesloten mond. Het leven had haar weinig groote smarten aangebracht en zij was er, in de kleine poëzie van haar eenvoudig geloof, God dankbaar voor; maar toch, nu was ze moê, zeer moê, onherstelbaar getroffen door den dood van dien man, welken zij tot het laatst had aangehangen met een genegenheid, kalm als een rimpelloos meer, waartoe het bruisen harer jeugdige liefde vervloeid was. Toen was zij een weinig gaan tobben, meestal over duizenden nietigheden, dagelijks terugkeerende kleine beslommeringen met haar meiden en haar leveranciers, hetgeen zich in hare gedachte alles aaneenschakelde tot een keten van last. Zij gevoelde het, ze werd oud, en het leven kon haar weinig meer geven, en ze vermijmerde zich met een stil egoïsme in de vervlogen poëzie van haar weleer. Zij had drie kinderen gehad; haar jongste, een meisje, was gestorven. Van haar beide zonen beminde zij Henk het meest, die forsch en groot haar uiterlijk het meest aan zijn vader liet denken, terwijl zijn soezige goedmoedigheid, in haar oogen, meer naar de ronde, oprechte flinkheid van dezen zweemden, dan Pauls fijner bezenuwde wispelturigheid en vleugellooze genialiteit. Paul was haar steeds nu te onrustig, dan te nerveus geweest, zoowel vroeger, in zijn telkens afgebroken juridische studiën te Leiden--eindelijk, dank zij een weinig moreelen dwang van oom Verstraeten, met een promotie bekroond,--als nu, wanneer hij 's avonds laat uit bleef, rages had van schilderen, tableaux-vivants en duetten of van luierend nietsdoen, waarin hij een geheelen middag over een sofa hing, met een boek, dat hem verveelde. Vóor Henk gehuwd was, had hij, rustiger en huiselijker dan Paul, zich ook beter kunnen schikken in het huis zijner oude moeder; al was hij stil, zijn zwijgen had haar nooit geërgerd: het was als de gezellige stilzwijgendheid van een trouwen New-Foundlander, die met zijn slaperige oogen over haar waakte. Zij gevoelde zich zoo veilig bij haar Henk. Zij hield van geen eenzaamheid, waarin haar het verledene te rooskleurig bij het grijze heden voor den geest placht te trekken, en Paul zag zij zelden anders, dan in haast dineerende, daar hij een afspraak had, of zich vervelende op zijn eigen kamer. Uitgaan deed zij daarbij zelden, ongewend geworden aan de woelende drukte der straten, of de gonzende conversatie van vele menschen te zamen. Henk was haar lieveling, en zij betreurde, door den nevel harer tobberigheid, waar het haar zoon aanging scherp en helder ziende, zijn huwelijk met Betsy Vere. Dat was nooit een vrouw geweest voor haar kind, en zij had hem ook niet van harte haar toestemming en moederlijken zegen kunnen geven, toen hij haar zijn voornemen had meegedeeld. Toch had zij den geliefden zoon niet in die keuze willen tegenstreven, bevreesd anders wellicht zelve tot zijn ongeluk mede te werken; zij had dus met een verloochening van gewone oprechtheid, een verloochening, die haar somwijlen zelve verbaasde, haar afgunst voor de indringster verborgen en deze ontvangen als een dochter. Intusschen, zij bleef een zwaar hoofd hebben in de toekomst van Henk: zij had mevrouw Vere een weinig gekend; driftig en heerschzuchtig was deze haar steeds een onaangename persoonlijkheid geweest en deze dochter deed haar veel aan die moeder denken. Ofschoon Henk, in haar oogen, een veel vaster en flinker karakter bezat dan Vere, dien zij zich slechts doodsbleek en met zware hoofdpijn kon voorstellen, terwijl zijn vrouw voor hem dacht en handelde, ofschoon Henk, naar zij meende, de ronde flinkheid van zijn vader had, en zich niet zou laten bedillen, gelukkig, gelukkig als zij met Van Raat was geweest, zou hij nooit met Betsy wezen. En zij zuchtte bij die gedachte met vochtig oog; heur moederlijke liefde deed haar, trots haar moederlijke blindheid, als door een onfeilbaar instinct iets van de waarheid gissen, en zij had gaarne heur vroeger geluk gegund aan haar zoon, om in zijn plaats te hebben geleden. Met dwalende gedachten had zij nu gezien, hoe Leentje, de meid, in de andere kamer de ronde eettafel voor de lunch had gedekt, voor haar alleen, en met een matte berusting zette zij zich neêr, loodzwaar gedrukt onder een hatelijke verlatenheid. Morgen zou zijn als heden; het leven was haar een uitgebloeide zomer geworden en bleven herfst en winter ook stormenloos, zij brachten dorre melancholie en kille lethargie over. Waarom leefde zij nog....? En ze gevoelde zich zoo moede onder het gewicht dier versuffende eenzaamheid, dat zij Leentje niet eenmaal de les las over haar ruwheid, ofschoon zij toch een porseleinen vleeschschaal in het oog kreeg, waarvan de rand bij het vatenwasschen zeer gekarteld was geworden. V. Vroeger dan zij placht uit te gaan, ging Eline dien middag naar de Verstraetens. Het was in de laatste dagen van November en een strenge winter was vroeg ingevallen. Het vroor; de sneeuw knarste, nog onbezoedeld en blauwig-blank, onder Eline's lichten, regelmatigen tred, maar liever zocht haar voet de gladheid der schoongemaakte trottoirs. De fijn geschoeide handen in het kleine mofje verschuilend, soms van onder haar witte tulle voilette een kennis, vriendelijk glimlachend, toeknikkende, nam zij haar weg door de Javastraat naar de Princessegracht. Ze gevoelde zich nog zeer opgeruimd in haar elegant, met bruin bont omzoomd, wintertoilet en in haar aangename gemoedsstemming, zelfs niet verbroken door een kleinen twist met Betsy, welke haar verweten had, hoe zij Grete werk liet doen, dat Mina paste. Zulke kleine oneenigheden waren tegenwoordig geene zeldzaamheid, echter steeds tot groote ontstemming van Henk, wien niets zoo tegenstond als die lichte uitbarsting van huiselijk gekibbel. Eline had zich echter Betsy's opmerking weinig aangetrokken en deze met minder bitsheid dan gewoonlijk beantwoord; zij wilde zich niet door zulke nietigheden uit haar goed humeur laten brengen, het leven was er haar te lief voor.... En dankbaar, dat zij zich ingehouden had, sloeg zij de Javastraat om. Bij de Verstraetens vond zij nog een ongewone wanorde. Dien gaf haar niet-thuis, maar Eline verbrak het consigne en drong door in de groote suite, waar zij mevrouw aantrof, die zich verontschuldigde over haar peignoir. Losch, de fotograaf, was, half bedekt onder het groene kleed van zijn toestel, bezig de reeds gepozeerde groep der Vijf Zinnen te beschouwen. De meisjes, Etienne en Paul, lachten Eline toe, en zij zeide, na mevrouw haar excuses gemaakt te hebben, hoe heerlijk zij het vond nog iets van de tableaux te kunnen zien. Maar het tafereel maakte in het kille, door den besneeuwden tuin weêrkaatste, daglicht, niet meer dien indruk van gloed en weelderig kleurgeflonker als den vorigen avond in een verheerlijking van Bengaalsch licht. De draperieën hingen slap en verkreukeld, het goudlaken van Frédérique had een vaal verlepte tint; haar hermelijn bleek molton te zijn, met zwarte wol opgewerkt. Etienne's blonde pruik was een weinig uit de krul. Tevergeefs maande Losch aan een weinig vriendelijk te kijken: Lili, als de Reuk, lag half te sluimeren in haar kussen. --Ik geloof, dat er niet veel van komen zal, zeide Marie, terwijl Losch aan haar draperie schikte; maar Toosje Van der Stoor had er wel idée op, en bleef liggen, onbeweeglijk, met een onuitstaanbare kramp in haar middel, door heur moeielijke poze. Eline was, om de gepozeerde artisten niet af te leiden, naar de serre gegaan en zette zich neêr bij den heer Verstraeten, dien zij nog met zijn verjaardag feliciteerde. Hij legde zijn boek uit de handen en zijn bril af, terwijl hij met zijn tintelende, bruine oogen vol welgevallen het elegante meisje beschouwde. --Weet u wel, sprak ze, terwijl zij het, met bont omzoomde, manteltje loshaakte; weet u wel, dat ik eigenlijk jaloersch ben van dat troepje daar ginds. Je ziet ze maar altoos samen, altijd vroolijk, vol van allerlei plannen en pretjes.... Ik voel me heusch oud bij ze.... --Verbeeld je! antwoordde mevrouw lachend, terwijl zij in haar peignoir achter een stoel bleef staan; je bent even oud als Marie, drie-en-twintig, niet waar? --Ja mevrouwtje, maar ik ben niet zoo bedorven geweest als Marie en Lili worden, en ik geloof, dat ik het me toch zoo goed zou hebben laten welgevallen! Ach, u weet, vroeger bij ons, toen ik nog een kind was.... papa was meestal ziek en dat maakte ons natuurlijk stil, en later bij tante Vere.... tante was een allerliefste vrouw, maar veel ouder dan papa en vroolijk was zij niet.... --Je mag geen kwaad spreken van tante Vere, Eline! zeide de heer Verstraeten; ze was nog een oude vlam van me.... --O, en u mag niet met haar spotten; ik hield dol veel van haar, ze was ook een tweede moeder voor ons, en toen ze, na die lange ziekte, stierf, voelde ik mij verschrikkelijk verlaten, als alleen op de wereld.... Ziet u, dat alles heeft me nu juist geen erg vroolijke jeugd gegeven! en ze glimlachte met een weemoedig trekje, terwijl haar oogen, bij de gedachte aan wat zij gemist had, vochtig werden. Terwijl, als je Paul en Etienne en de meisjes ziet, dat is altijd een gelach en een vroolijkheid.... heusch om er jaloersch van te worden. Die Toos is ook een lief kind. Men hoorde de artisten van de estrade springen. Losch was klaar. Paul en Etienne kwamen met Freddy, Marie en Cateau in kostuum de serre binnen, terwijl Lili naar bed ging, afgewonden door de drukte der twee laatste dagen. --Dag juffrouw Vere, sprak Cateau en reikte Eline haar hand. Eline gevoelde plotseling een onbeschrijflijke, onberedeneerde sympathie voor dat kind, zoo eenvoudig en onbewust-innemend, en ze moest haar aandoening, terwijl ze opstond om heen te gaan, verbergen door Cateau met een brusk gebaar, al spelende, te omhelzen. --Dag schat! zeide ze dwepend. Kom mevrouwtje, ik ga u verlaten, u zal nog veel te doen hebben, nu de drukte is afgeloopen. Alleen.... heb ik Betsy beloofd u de kaartjes te vragen voor de opera.... Zou ik ze mogen meênemen, als u ze bij de hand heeft? VI. Het was nog vroeg, even over halfdrie, en het kwam Eline in de gedachte, hoe zij in vele dagen de oude mevrouw van Raat niet had opgezocht, ofschoon zij wist, dat deze veel van haar hield en gaarne des middags iemand ontving, om een praatje te kunnen maken. Henk ging zijn moeder trouw iederen morgen bezoeken, nadat hij gereden had en de twee, door zijn vrouw verbannen, Ulmerdoggen renden ongestraft de trappen van het huis zijner moeder op. Betsy zag deze zelden: Betsy zag wel in, dat mevrouw Van Raat haar weinig genegen was. Eline had haar hart weten te winnen, door een zekere, allerinnemendste wijze, waarop zij met oude dames omging, iets in haar toon van spreken, in haar kleine attenties, iets als een geur van eerbied, die der oude vrouw weldeed. Eline ging weêr terug door de Javastraat naar de Laan van Meerdervoort, en vond mevrouw Van Raat alleen, in haar hoogen stoel, de handen gevouwen in den schoot. En zij scheen het jonge meisje een beeld van zóo groote, onuitgesproken treurigheid toe; er zweefde over de rijke, versleten meubels zulk een waas van vervlogen gezelligheid; er hing in den corridor, in het vertrek zulk een atmosfeer van weemoed; er lag over de plooien der donkergroene ripsen gordijnen zulk een nevel van melancholie, dat zij zich bij haar binnentreden beklemd om het hart voelde, als was het leven de moeite niet waard. Waarom waarom....? Toen deed zij zich geweld aan. Zij verzamelde die gedachten, waarin zij des morgens zoo opgeruimd was geweest, zij glimlachte en nam in haar toon dien vagen eerbied, met iets van liefde en medelijden, aan, en zij sprak opgewekt over Paul, over het diner van dien middag en de opera.... en zij beloofde mevrouw Van Raat eenige boeken te sturen, lieve, lichte lectuur, waarin men de wereld door roze glaasjes bekeek. Het deed haar pijn zoo te ratelen, terwijl zij gaarne met de oude vrouw had willen schreien, in een sympathie van weedom, maar zij hield zich goed, en durfde zelfs een ernstiger onderwerp aan te vatten; zij keurde het, steeds met haar lieven, eerbiedigen toon af, dat mevrouwtje zooeven, toen zij binnen was gekomen, vochtige oogen had gehad en dit nu niet wilde erkennen; zij was niet nieuwsgierig, maar zij zou haar zoo gaarne willen troosten, zoo ze kon; had mevrouwtje haar niet wel eens meer als confidente beschouwd..? Zij doelde op klachten over Betsy, op andere, kleinere beslommeringen, maar raakte ze niet verder aan. En de oude vrouw schudde, reeds getroost en met een lachje, het hoofd; waarlijk zij had niets, zij gevoelde zich alleen maar wat verlaten; ach, het was, geloofde zij, dat ze zich verveelde; ze stelde in weinig meer belang, maar dat was haar eigen schuld, niet waar? Andere oude menschen lazen geregeld de courant, hielden zich op de hoogte, zij niet; maar Eline was toch een lieve meid; waarom geleek Betsy niet een beetje op haar, hé? En ze begon, levendiger, te verhalen, over haar jeugd, over haar lieven man; daar hing zijn portret.... Het was over vieren, toen Eline zich haastte weg te komen; het begon donker te worden en het dooide en de duisterende wolken schenen op haar te zullen vallen en haar te doen stikken.... Die oude vrouw was gelukkig geweest, zeer gelukkig.... verbeeldde zij zich dat, of was het waarheid? En zij, Eline, was nu reeds niet gelukkig; o, hoe zou ze zich gevoelen, wanneer ze ook oud was, en leelijk en verschrompeld! Dan zou ze zelfs geen herinneringen hebben, om zich te troosten, dat het geluk bestond, voor haar bestaan had, dan zou alles droeviggrijs zijn, grijs als die lucht! O God, waarom te leven, zoo niet gelukkig? --Waarom, waarom? fluisterde ze en ze haastte zich, daar ze zich verkleeden moest vóor het diner. VII. Het zou een eenvoudig, huiselijk dinertje zijn. Om halfzes kwamen de Ferelijns en kort na hen Emilie met Georges. Betsy ontving ze in den salon en vroeg Jeanne naar het kindje. --Ze is nu veel kalmer, mijn kleine meid, ze heeft tenminste geen koorts meer, maar toch, geheel beter is ze niet. Dokter Reijer was nog al tevreden. Ik vind het heel lief, dat je ons gevraagd hebt: ik heb waarlijk behoefte eens uit al die soesah te zijn, maar door mijzelve kom ik er niet toe. Alleen, je ziet, ik heb vertrouwd op je gezegde, dat het heel intiem zou zijn en er mij dus niet voor gekleed. Zij keek een weinig ongerust van haar eigen eenvoudige, zwarte japon naar Betsy's grijs satijnen toilet. --Er komt werkelijk niemand meer dan, hier, Emilie en haar broêr, dien ik een beleefdheid wilde doen. Maar je hadt mij gezegd vroeg naar huis te willen gaan, en wij gaan dan later even naar de opera, in de loge van oom Verstraeten. Maak je dus niet ongerust, je hebt groot gelijk gehad, zoo te komen. Henk kwam binnen, in zijn huisjasje, met zijn joviaal, vriendelijk gezicht en dit stelde Jeanne nog meer gerust dan Betsy's verklaring. Emilie, ruischende van de gitten, en levendig als altijd, kende zij goed, en alleen Georges maakte op haar, in de onberispelijkheid van zijn frac en zijn gardenia, een indruk van gegeneerdheid. Frans Ferelijn was, als Oost-Indisch ambtenaar, met verlof voor herstel van gezondheid in Holland gekomen en zijn vrouw was een oude schoolkennis van Eline en Betsy. Jeanne scheen een eenvoudig vrouwtje, zeer stil en gebukt onder haar huiselijk verdriet. Zwak, mager en van een bloedarmoedige bleekheid, met een paar zachte bruine oogen, was haar de moederlijke zorg voor drie ziekelijke kinderen bij bekrompen geldmiddelen te zwaar en zij had een onbedwingbaar heimwee naar Indië, waar zij geboren was, waar zij het eenzame leven in de binnenlanden lief had. Zij leed van de koude en telde de maanden, die zij nog in Holland zou moeten doorbrengen. Aan Emilie verhaalde zij, hoe zij bij Temanggoeng in de Kadoe gewoond hadden,--Frans was controleur 1e klasse,--temidden eener menagerie van Cochinchina-kippen, eenden, duiven, een Hollandsche koe, die zooveel liter melk gaf per dag, twee geiten en een kakatoe,--als Adam en Eva in het Paradijs, merkte Emilie op;--hoe zij des morgens haar Perzische rozen en haar mooie crotons verzorgde en in den groentetuin zelve haar groenten voor dien middag uitzocht, en hoe haar kinderen in Holland aanstonds waren begonnen te sukkelen en te hoesten. Het is waar, ze zagen wel bleek in Indië, maar ze behoefde daar toch niet te vreezen voor elk tochtje, voor elke deur die open stond. En zij betreurde zeer haar baboe, Saripa, die zij uit economie had moeten achterlaten. Nu was zij in dienst bij andere menschen op Samarang, maar zij had beloofd, dadelijk weêr tot haar te komen, zoodra zij in Indië terug waren, en Jeanne zou haar uit Holland eenige mooie katoentjes voor kabaia's medebrengen. Emilie luisterde vriendelijk toe, en maakte haar goed aan het praten; zij wist, hoe die herinneringen uit Indië Jeanne vermochten te wekken uit haar gewone stilte. Betsy vond haar ongeschikt in een groot gezelschap, en vroeg haar dus slechts alleen, met haar man, soms met een paar goede kennissen. Eigenlijk vond zij haar vervelend en onbeduidend, meestal slecht gekleed en zeurig, maar toch meende zij, dat deze opinie niet uitsloot haar een enkele maal intiem te vragen, Jeanne uit medelijden, Emilie voor de vroolijkheid en Georges, om zijn kaartje met een invitatie te reciproceeren. Terwijl Frans Ferelijn met Henk over zijn aanstaande promotie tot assistent-rezident sprak, en Georges, na een paar frazen aan de gastvrouw, luisterde, hoe Jeanne verhaalde van Frans' rijpaard, dat eens tot in hun middengalerij was komen aanzetten om zijn pisang te halen, lag Betsy met het hoofd op den rug harer causeuse en vond dat Eline op zich wachten liet. Zij had gaarne wat vroeg willen eten, om niet al te laat in de opera te komen, en ze hoopte maar, dat de Ferelijns niet indiscreet zouden zijn en langer blijven, dan zij zich eerst hadden voorgenomen. Amuzant waren ze toch zelden, dacht ze, en stond op, heimelijk ongeduldig, verschikte de pauwenveêren in een Makartbouquet, eenige kleinigheden op een peluche tafeltje, of schoof met heur voet het tijgervel voor den vlammenden haard terecht, kribbig op Eline. Eindelijk ging de deur open en Eline trad binnen. En het trof Jeanne, hoe mooi, vooral hoe elegant zij was in haar roze toilet van zijden rips, zeer eenvoudig en zeer rijk, met enkele kleine strikjes, die als vlinders wegscholen op haar, en-coeur opengesneden, corsage en heur korte mouwtjes in den elleboog; strikjes, die zich luchtig schenen neêrgezet te hebben op haar schouders en aan haar middel. In haar lichtbruine haren, opgekamd in den vorm van een antieken helm, stak een roze veêren touffe met aigrette; roze schoentjes schoeiden haar voet, loom en licht als die eener fee; een enkel parelsnoer schakelde zijn matwitte kralen om haar hals. In de hand droeg zij haar lange handschoenen, haar roze veêren waaier en haar binocle van parelmoer. Ferelijn en De Woude stonden op en zij drukte hun de hand en kuste Emilie en Jeanne even op het voorhoofd, meêwarig naar de kleine Dora vragend. Zij zag, hoe allen, zelfs Henk en Betsy haar opnamen, van het hoofd tot de voeten, als getroffen door den rijken eenvoud van haar toilet, en zij glimlachte, toen Jeanne haar van dokter Reijers goede hoop sprak, het tobbende vrouwtje in den triumf en den glans harer schitterende bevalligheid toe. VIII. Aan tafel schertste Eline onophoudelijk met De Woude, haar buurman. Betsy zat tusschen haar beide mannelijke gasten, Emilie tusschen Henk en Frans, Jeanne tusschen Eline en Henk. In de eenigszins somber en antiek gemeubileerde eetkamer glinsterde de tafel van damast, zilver en kristal onder den gloed van het gas, terwijl het flikkerde langs karaffen en glazen, waarin donkerrood of bleekgeel, de wijn scheen te sidderen. Uit de bloemen van een zilveren korf verhief een ananas heur kroon van stekelig loof. De Woude was met Eline begonnen te praten over de soirée bij de Verstraetens en hij schilderde haar, hoe waarlijk vorstelijk freule Van Erlevoort als Kleopatra en het Gezicht was geweest. Onder Emilie, Frans en Betsy ontstond een druk gesprek over Indië, waarin zich Jeanne eerst bijwijlen mengde, maar ze zat te ver, en werd afgeleid door het gekakel van De Woude en het schelle lachje van Eline, die met elkaêr zaten te flirten. Zwijgend lepelde Henk zijn soep en at zijn vischpastei, een enkele maal Jeanne en Emilie met een paar woordjes bedienend of inschenkend. En Jeanne werd al stiller en stiller, zoowel uit malaise als uit vermoeidheid over haar druk gekout met Emilie, na een dag vol zorg. Zij gevoelde zich weinig thuis naast het coquetteerend paartje: Eline, en grande toilette, De Woude, in zijn rok, die beide als een groepje vormden uit een galadiner, terwijl zij er in haar zwart japonnetje povertjes bij afstak. Toch was zij blijde, dat zij naast Henk zat en gevoelde zij in die nabuurschap iets als de vage sympathie van haar misplaatstheid voor de zijne. En zij kon niet nalaten zich te vergelijken bij Eline en Betsy; zij tobbende met haar drie kinderen en haar klein verlofs-traktementje, Eline en Betsy onbekrompen steeds verkeerende in een zwier van vermaak en wereldschheid. Waar was de vroegere, gezellige vriendschap, die haar samenbond, toen zij, nog ondeugende kinderen, met haar tasschen naar school slenterden, Eline den capuchon van haar regenmantel vol kersen had gestopt, en zij haar ondeugd en moedwil tegen de schooljuffrouwen botvierden onder het commando van Betsy? Zij gevoelde zich als verkoeld van de jonge vrouw, welke haar nu zelfs begon af te stuiten door dit laatdunkend nonchalante in haar wijze van spreken, door dien toon van overwicht tegenover haar man, verkoeld van dat jonge meisje, dat haar wuft en ijdel toescheen in haar gesprek vol schitterende nietigheid met dien fat. Vooral Eline begreep zij niet; zij vond iets ongewoons, iets raadselachtigs in geheel haar wezen, dat steeds met zichzelve in contrast was. Haar gelach om niets vermoeide haar en zij verwonderde zich uit een fijn instinct er over, hoe iemand, die, naar men zeide, zoo heerlijk zong, zoo onaangenaam en onnatuurlijk lachte. O, dat ze toch een oogenblik stil ware....! En zij wenschte zich terug in hun nauw bovenhuis, bij haar kleine Dora; hoe had ze die invitatie dan ook aangenomen! Het is waar, Frans was er op gesteld geweest, dat zij, nu de dokter het gevaar geweken zag, eenige verstrooiing zou zoeken, maar dit, dit gaf haar geen verstrooiing: dit maakte haar zenuwachtig, zelfs verlegen. En zij bedankte Henk voor de zwezeriken met asperges, die hij haar aanprees. --Heb ik goed gehoord, freule, is meneer De Woude een broêr van u? vroeg Frans zacht aan Emilie. Zoowel haar als Georges ontmoette hij voor den eersten keer, en zoowel hunne gelijkenis als hun contrast trof hem. --Zeker, fluisterde Emilie. Een eigen broêr. En ik ben trotsch op hem. Hij is een echte gommeux, maar een beste jongen. Hij werkt op Buitenlandsche Zaken, hij is élève-consul.... Pas op, als u misschien iets slechts van hem denkt! lachte zij fluisterend, en dreigde met haren vinger, als ried zij Ferelijns gedachte. --Ik heb nog nauwelijks meer dan een paar woorden met meneer De Woude gewisseld, en zal dus wel oppassen, nu al een opinie over hem te hebben! sprak hij een weinig verschrikt over Emilie's brusquerie. --Dat is u geraden; de meeste menschen krijgen een geheel anderen indruk van Georges, als zij hem eenigen tijd kennen, dan als zij hem voor het eerst in gezelschap zien.... U ziet, ik spring als een trouwe zuster voor mijn broêr in de bres.... Schenk u me nog maar eens in. --En zelfs zonder dat hij wordt aangevallen! hervatte Ferelijn glimlachend, en voldeed aan Emilie's verzoek.--Maar toch zooveel merk ik al dat hij een bedorven kindje van de dames is, niet alleen van zijn zuster, ook van mevrouw Van Raat en juffrouw Vere.... Betsy had zich in het gesprek van Eline en Georges gemengd, aangetrokken door de levendigheid van den laatste, die van den hak op den tak sprong, tal van onderwerpen even aanroerde: een conversatie, zonder bepaald fond, zonder eigenlijke geestigheid, maar licht als schuim en zeepbellen en flikkerend als vuurwerk. Zulk een gesprek was haar element; een ernstig discours, al werd het met verve gevoerd, was haar te zwaar, maar dit getintel van kleine vonkjes en schuimspatjes, dat was als het geparel van den wijn in het kristal der kelken, behaagde haar uitermate. Zij vond Georges veel amuzanter dan gisteren bij de Verstraetens, waar hij tweemaal beweerd had, dat het roode licht meer flatteerde dan het groene. Nu viel hij niet in herhalingen, maar ratelde door, terwijl zijn stijfheid met een paar fijne plooitjes kreukte, terwijl hij haar schertsend brutaal in de rede viel, of zijn opinie opdrong, terwijl hij zijn frazen vlug en onnauwkeurig afspon met een Fransche levendigheid. Eline had een paar malen Jeanne willen medevoeren in dien cirkel van schitterende nietigheid, maar Jeanne had slechts even geglimlacht of geantwoord met een enkel woord en Emilie gaf het op haar te amuzeeren. Het gesprek werd algemeener; Eline voegde zich er bij met haar vrooliik sans-gêne en haar komische jovialiteit en Frans, te midden van dien tooverkring, kon niet nalaten nu en dan een vonk van luchtige geestigheid te laten flikkeren, al wierp hij vaak een bezorgden blik naar zijn stil vrouwtje. IX. Het was Jeanne alsof het diner nimmer zou eindigen. Ofschoon zij niet den minsten eetlust had, wilden zij niet meer weigeren en at van de getruffeerde poularde, van de gâteau Henri IV, van de ananas en het keurig dessert, haren wijn echter slechts even met de lippen aanrakend. Henk, naast haar, at veel en met smaak, en verwonderde zich, al kluivende, hoe zij steeds zulke kleine porties nam. Maar ook De Woude at ternauwernood, daar hij er zich in het vuur zijner levendigheid nauwlijks den tijd toe gunde. Emilie echter hield Henk goed gezelschap en dronk een stevig glas wijn. Het was over achten, toen men opstond en de dames zich naar den salon begaven. Frans ging met Henk en De Woude een sigaar rooken, daar Jeanne verklaard had nog wel een half uurtje te willen blijven. Betsy had dit vriendelijk gevraagd; zij kon haar gasten toch niet op staanden voet laten vertrekken en het bleef vroeg genoeg voor de opera. --Is Dora dikwijls ziek, Jeanne? vroeg Eline, terwijl zij zich, met het geruisch van haar roze rips, naast deze op een canapé neêrzette, en haar hand nam. Den laatsten keer, dat ik haar zag, mankeerde haar niets en toen vond ik haar al zoo bleekjes en fijntjes. Jeanne trok zacht hare hand terug en gevoelde iets als een ergernis over die vraag na de conversatie aan tafel; zij antwoordde kortweg. Maar Eline liet niet af, als was ze bewust, nu in liefheid te moeten inhalen, wat zij eerst had verzuimd, en zij kon zóó iets gevoelvol-medelijdends in haar stem leggen, dat Jeanne er onwillekeurig door werd bewogen. Jeanne begon te klagen, hoe zij niet geloofde, dat dokter Reijer zorgvuldig genoeg haar meisje had onderzocht, en Eline, die zich op het zilveren blad, dat Gerard, de knecht, voorhield, haar mokka suikerde, hoorde vol belangstelling naar de moederlijke klacht. Emilie en Betsy waren in het aangrenzend boudoir gegaan, waar de eerste modeplaten wilde zien. --Arme meid, wat heb je een moeite, en nauwlijks drie maanden pas in Holland. Je bent immers in September gekomen? vroeg Eline het doorzichtige Chineesche kopje op de peluche babbytafel zettend. Jeanne zweeg, maar eensklaps richtte zij zich op, en op haar beurt Eline's fijne, koele vingers vattende, zeide zij, in een verlangen naar teederheid: --Zeg eens, Eline, je weet, ik heb het hart op de tong, ik ben altijd nog al oprecht geweest: mag ik je iets vragen? --Natuurlijk, antwoordde Eline, een weinig verbaasd. --Nu dan.... waarom zijn we niet met elkaâr, zooals we vroeger waren, toen je ouders nog leefden? Het is nu vier jaar geleden, dat ik trouwde en naar Indië ging, en nu we terug zijn gekomen, nu ik je weêr terug zie, is het, of alles tusschen ons veranderd is. Ik heb geen kennissen en bijna geen familie hier in Den Haag, en ik zou gaarne mijn vroegere kennissen blijven behouden. --Maar Jeanne.... --O, ik weet het, je vindt me misschien dwaas, dat ik zoo spreek, maar ik voel me soms zoo gedrukt door al die soesah; ik zou zoo gaarne eens aan een goede vriendin mijn hart willen uitstorten.... wat ik natuurlijk niet aan mijn man doe.... --Maar waarom niet aan je man....? --Ach, hij heeft al genoeg zorg van zijn eigen zaken; hij is ziek, niet waar, en hij wordt ongeduldig.... --Maar Jeanne, ik weet niet, wat er tusschen ons veranderd zou zijn. --Misschien verbeeld ik het mij ook; vroeger waren we meer samen, nu leef je in geheel andere kringen, je gaat veel uit en ik.... we zijn zoo langzamerhand aan elkaâr vervreemd. --Maar als men elkaâr in vier jaar niet gezien heeft.... --We hebben toch correspondentie gehouden. --Wat zeggen een drie, vier brieven in een jaar! Spreekt het niet van zelf, dat men eenigszins andere ideeën krijgt, als men ouder wordt en in andere omstandigheden komt. Vroeger was ik ook in zorgen, eerst over mijn lieve papa, later over tante Vere, die ik in haar ziekte heb opgepast... --Voel je je gelukkig hier, kan je met Betsy overweg? --O, zeker, uitstekend, anders zou ik immers niet bij haar inwonen. Eline vond het, uit haar aangeboren terughoudendheid, niet noodig, hierop meer te antwoorden. --Zie je, je hebt je om niets te bekommeren, ging Jeanne voort; alles gaat en gebeurt zooals je zelf wilt, je leeft vrij en onafhankelijk, voor je genoegen.... bij mij is alles zoo geheel anders. --Maar is dat nu een reden om ons vervreemd van elkaâr te noemen? Ten eerste vind ik vervreemd een onaangenaam woord; ten tweede is het, al duidt je het zachter uit, niet waar.... --Toch wel. --Toch niet.... Ik verzeker je Jeannelief, kan ik je van dienst zijn in het een of ander, je zal me altijd bereid vinden. Geloof je dat? --Zeker, en ik dank je voor je belofte... Maar Eline... --Nu? Jeanne had iets als een vraag op de lippen: hoe ben je? verhaal mij meer van je, laat mij je beter leeren kennen, zooals je nu bent! maar het gemaakt vriendelijk lachje om die fijne lippen, in die droomerige, amandelvormige oogen deed haar zwijgen. En zij gevoelde plotseling berouw over haar openhartigheid tegenover dit coquette meisje, dat haar veêren waaier in- en uitplooide; zij gevoelde als een onvoldaanheid over het nuttelooze gesprek, dat er uit gevloeid was. Waarom had zij zich door die opwelling laten medeslepen; zij pasten immers toch niet bij elkaâr.... --Nu? herhaalde Eline, en toch vreesde zij in haar terughoudendheid voor die vraag, die komen zou. --Later, later, als we weêr eens alleen zijn! stotterde Jeanne en zij stond op, ontevreden, over zichzelve geërgerd, op het punt in tranen uit te barsten, na dat onaangename diner, na die vruchtelooze wisseling van gedachten. Betsy en Emilie traden juist uit het boudoir. Jeanne meende dat het tijd was van heengaan. De drie heeren kwamen weldra binnen en Henk hielp Jeanne haar langen wintermantel aantrekken. Zichzelve tot vriendelijkheid dwingend nam zij afscheid en herhaalde Betsy, hoe lief zij haar intieme invitatie had gevonden, en opnieuw overviel haar een rilling van ontevredenheid, toen Eline haar op beide wangen kuste. --Wat is die Jeanne toch gloeiend vervelend! zeide Betsy, nadat de Ferelijns weg waren. Zij heeft bijna geen mond opengedaan.... Waarover heb je het toch zooeven met haar gehad, Eline? --Ik? Wel over Dora, en over haar man... niets bizonders. --Arme meid! sprak Emilie medelijdend. Kom Georges, haal mijn sortie eens. Mina bracht echter de sorties der dames binnen, terwijl De Woude zijn ulster ging aantrekken en Henk zich in zijn dikke handen wreef, aangenaam gestemd, dat hij van avond thuis zou kunnen blijven na een lekker diner. Het rijtuig stond reeds een half uur in de dooiende sneeuw te wachten, met Dirk den koetsier en Herman den palfrenier, onder hunne groote, bonten pélérines als verzonken, op den bok. --Frans, dwing me nooit meer een invitatie bij de Van Raats aan te nemen! sprak Jeanne smeekend, terwijl zij, rillend aan haar mans arm, door de modder plaste, en de slippen van haar te wijden mantel, die telkens openwoei, met haar kleine, verkleumde hand bij elkaâr poogde te houden. Heusch, ik voel me niet meer thuis bij hen, bij Betsy en Eline. Hij haalde even ongeduldig de schouders op en bleef zwijgen, en zij stapten met hunne natte schoenen door, in het flikkerend licht der lantaarns, die zich vervelend regelmatig herhaalden langs den weg, en die haar doffen glans afspiegelden in de plassen, beverig en flauw. X. De derde acte van Le Tribut de Zamora was juist begonnen, toen Betsy, Emilie, Eline en Georges hunne loge binnenkwamen. Deze komst gaf een afleiding, eene plotselinge, lichte beweging in de stilte van het luisterend en schouwend publiek; er ruischte een gekreuk van zijde en satijn; men zag naar hen op en om; kijkers richtten zich naar hen toe; in het publiek fluisterde men hier en daar, en vroeg men, wie zij waren. Emilie en Eline zetten zich vóor neder; Betsy en Georges achter haar, en Eline zag een wijle, half glimlachend, in het rond, terwijl zij haren waaier en haren parelmoeren binocle neêrlegde. Toen begon zij langzaam hare sortie van wit peluche, met roze satijn gevoerd, los te strikken, en deed die als iets rozigs en sneeuwigs van haar schouders glijden, waarop De Woude ze over de leuning van haar fauteuil schikte. En zij genoot in den triumf harer bevalligheid, toen zij, als zonder er op acht te geven, zag, hoe men haar betuurde en bewonderde. --Het is vanavond vol, we treffen het goed, fluisterde Emilie. Ik vind niets zoo vervelend als een leêge zaal. --O, ik ook! zeide Betsy. Kijk daar zitten de Eekhofjes, Ange en Léonie, met haar mama. Gisteren waren zij ook bij de Verstraetens: de volgende week geven ze een soirée dansante! en zij groette de meisjes terug. --Vanavond zingt de nieuwe baryton, die uit Brussel komt, Theo Fabrice, sprak De Woude tot Eline. U weet, dat er sinds de débuts twee zijn afgewezen, hij is eindelijk de derde. --Wat duren die débuts vreeselijk lang dezen winter! merkte Eline achteloos en zich waaiende op. --Met den fort-ténor hebben we het nog al dadelijk getroffen, maar ook hier, Fabrice schijnt heel goed te zijn, naar ik heb hooren zeggen. Kijk, daar komt hij. Het koor van Ben-Saïds odalisken was geëindigd, en de Moorsche vorst zelve trad binnen, aan de hand Xaïma zijn paleis binnenvoerend. Eline lette echter weinig op, daar zij nog de zaal rondzag, nu en dan een kennis toelachte, en haar oogen niet weêr naar het tooneel richtte, dan toen Ben-Saïd en zijn slavin onder hun troonhemel gezeten waren en het ballet begon. Daarin schiep zij behagen en zij volgde de danseuses, die, als glijdend op de tippen der teenen, zich rijden onder de Moorsche arcades en zich groepeerden onder de opgeheven sluiers en waaiers van zilveren franje, omgoten door haar corsages van glanzig satijn, en schitterend van het klatergoud op de tulle harer wijd uitgeplooide rokjes. --Een lief ballet! zeide Emilie, gapende achter heur waaier, en vlijde zich gemakkelijker in haar fauteuil, een weinig onder den indruk van het genoten diner. Eline knikte en terwijl zij achter zich het gefluister van Betsy en Georges hoorde, bleef zij de kunstige evoluties volgen der eerste danseuse die onder de op en neêr gezwaaide sluiers en waaiers tusschen de anderen doorzweefde, steeds op de punten van heur satijnen, naar omlaag gekromde voeten, de armen omhoog, in heur kapsel een flikkerend aigrette van diamanten. Uit den aard harer droomerig idealistische natuur, hield Eline dol veel van de opera, niet alleen om er zich in haar loome elegance te laten bewonderen, niet alleen om de muziek, en om eener beroemde chanteuse de voordracht van een of ander aria af te hooren, maar ook om de gespannen, zeer romantisch gekleurde intrigues, de eenigszins ruw geschilderde melodramatische peripetieën, vol haat en liefde en wraak, waarvan het conventioneele haar niet hinderde, en waarin zij zelfs geen waarheid zocht. Zij behoefde geen oogenblik te vergeten, dat zij acteurs en actrices, geen ridders en edelvrouwen voor zich zag, dat zij zich in een vollen, verlichten schouwburg bevond, ziende naar geschilderde coulissen en hoorend naar de tonenmassa's van een zichtbaar orkest, en niet met held en heldin medeleefde in de tel quel opgerakelde poëzie van de een of andere mediaevistische periode; zij genoot desniettemin, zoo die acteurs niet te slecht zongen, niet burgerlijk acteerden en er gesoigneerd in hun kostumes uitzagen. Betsy integendeel ging alleen naar de opera om te zien en zich te laten zien; zij zou Eline's genot, zoo zij hiervan geweten had, kinderachtig hebben gevonden en er de schouders over hebben opgehaald, maar Eline genoot in stilte, omdat zij Betsy's opinie vermoedde, en liet haar zuster dus denken, dat zij eigenlijk geen ander genoegen in den schouwburg smaakte dan, als zij, kennissen te zien en door dezen gezien te worden. Zij betreurde het nu bij zichzelve zoo laat gekomen te zijn; ze zag Le Tribut de Zamora voor de eerste maal, en ze wist niet den inhoud der twee voorafgaande actes. Emilie was onder den indruk van haar vischpastei en haar getruffeerde poularde stil geworden en zat, als zij, aandachtig te zien. Het ballet was geëindigd. Ben-Saïd en Xaïma traden van hun troon af, en hij zong na het recitatief: "Je m'efforce en vain de te plaire!" de romance: "O, Xaïma, daigne m'entendre! Mon âme est à toi sans retour!" De stem van den nieuwen baryton was vol en zwaar, meer die van een basse-chantante, en hij voileerde haar in zijn lied als met een sluier van melancholie. Maar in zijn weelderig, Moorsch kostuum leek hij groot en zwaar gebouwd; noch aan zijn houding, noch aan zijn mimiek vermocht hij eenigen zweem van verliefde onderdanigheid te schenken, en hij zag de chanteuse-légère, in haar zilverlaken en haar, met paarlen doorvlochten, blonde haren, meer aan met iets dreigends en geweldigs, dan met den deemoed van smeekenden hartstocht. Eline voelde dit gemis in zijn actie, maar toch behaagde haar het contrast dier uitdrukking van gebiedenden trots in zijn houding, met die andere van deemoedigheid in zijn stem. Zij volgde den zang toon voor toon, en terwijl de actrice bij een plotseling fortissimo van Ben-Saïds koper orgaan scheen te sidderen van angst, vroeg Eline zichzelve af: --Waarom zou ze toch zoo bang zijn?.... Wat is er gebeurd? Hij ziet er niet kwaad uit. En zij zag, terwijl men, na de romance, in de handen klapte, de zaal rond, toen haar blik bij toeval op een groep heeren viel, die in de entrée der stalles zich op de trapjes geposteerd hadden. Zij bespeurde, hoe zij juist naar hun loge tuurden, en denkelijk over hen praatten, zoodat zij met haar gracieuze loomheid het hoofd weder een weinig wilde afwenden.... maar tegelijkertijd merkte zij éen onder hen op, die, hoed en stok in de hand, haar met iets hoffelijks en familiaars toelachte.... Zij keek hem even aan, met groote oogen, groette in haar verbazing niet dadelijk terug, maar wendde zich eensklaps om, legde heur hand op Betsy's knie en fluisterde haar zuster toe: --Zie eens, Betsy, zie eens wie daar staat! --Waar, wie dan? --Daar in de stalles.... Vincent.... zie je niet! --Vincent! herhaalde Betsy, eveneens verbaasd; o ja, Vincent!! Zij knikten beiden Vincent toe, die haar schertsenderwijze met zijn binocle begon te fixeeren, waarop Eline zich coquet achter haar waaier verborg. --Wie, wie is dat, wie is Vincent? vroegen Emilie en Georges. --Vincent Vere, een eigen neef! antwoordde Betsy. O, een dwaze jongen, meestal weet niemand waar hij uithangt; dan zie je hem in geen maanden en dan apparaisseert hij weêr. Ik wist volstrekt niet, dat hij in Den Haag was. Eline, doe toch zoo gek niet met dien waaier. --Hij hoeft me niet te fixeeren! zeide Eline, en hield zich met een bevallige ronding van den arm den waaier voor het gelaat. --Sedert wanneer heeft u uw neef gezien, mevrouw? vroeg Georges. --O, zeker niet in anderhalf jaar. Ik geloof, dat hij, toen we hem het laatst spraken, naar Londen zou gaan, waar hij iets gevonden had, als reporter bij een courant, geloof ik, of iets dergelijks. Verbeeld je, ze zeggen, dat hij een tijdlang in het Vreemden-Legioen in Algiers is geweest, maar dat geloof ik nooit.... Hij heeft van alles gedaan, en bezit nooit een sou.... --Ja, nu herinner ik me hem, ik heb hem vroeger wel eens gezien, zeide Emilie gapend. Een raar individu. --Ja, dat wel, maar hij weet, dat hij zich hier in Den Haag, waar hij familie heeft, een beetje moet inhouden, en dat doet hij: we tolereeren hem dus. --Ach ja, merkte Emilie filozofisch op; je hebt meestal zoo een vuns lid in de familie. Eline choqueerde zich lachend om haar studentikoze uitdrukking en plooide eindelijk langzaam de roze struisveeren van haar waaier in. XI. De derde acte verliep, zonder dat zij veel begreep van de scène met Manoël, maar uit het groote duo van Hermosa en Xaïma ving zij een draad op; de herkenning van moeder en dochter na het gebisseerde: "Debout, enfants de l'Ibèrie!" en het scherm viel onder een daverend applaus, dat de beide actrices driemaal voor het voetlicht, waar een paar bouqetten en een corbeille haar overhandigd werden, terugriep. --Ach toe, meneer De Woude, vertel me eens, waar komt toch de intrigue eigenlijk op aan. Je n'y vois pas encore clair! vroeg Eline nu terwijl zij zich een weinig tot Georges wendde. Betsy sloeg echter voor, een oogenblik in den foyer te gaan en zij stonden op en verlieten hunne loge. In den foyer, op de ottomane gezeten, verhaalde Georges het verloop van de handeling der opera, terwijl Eline met meer aandacht dan zij wilde laten blijken, luisterde. Zij wist nu, waarom Xaïma huiverde voor Ben-Saïd en zij had gaarne de loting der jonkvrouwen in de eerste, den verkoop van Xaïma als slavin in de tweede acte gezien. Eensklaps merkten zij Vincent op, die de trappen van den foyer af en naar hen toekwam, eenvoudig en vrijmoedig, als had hij zijn nichten nog pas den dag te voren gezien. --Zoo Vincent, ben je weêr uit de lucht komen vallen? riep Eline. --Dag Eline! Dag Betsy! Gecharmeerd je weêr eens te zien. Freule Van Berg en Woude, zoo ik me goed herinner? Hij drukte haar beiden de hand. --Zoo ongeveer. Ik bewonder uw geheugen, ik was u vergeten, antwoordde Emilie. --Meneer De Woude Van Bergh, meneer Vere, prezenteerde Betsy. --Zeer aangenaam. En hoe gaat het, goed? --Totnogtoe een weinig verbaasd! lachte Eline. Je komt zeker om morgen weêr te vertrekken, naar Petersburg of Constantinopel, niet? Hij zag haar glimlachend aan met zijn fletse blauwe oogen, als van verkleurd porselein achter hun lorgnet. Zijn gelaat had schoone, regelmatige trekken, bijna te schoon voor een man, met den fijnen rechten neus, den kleinen mond, waarom vaak iets spotzieks of minachtends speelde, overdonst door het dunne, blonde snorretje; maar een ongezonde, geelbleeke tint, en een vermoeide uitdrukking vaagde de grootste bevalligheid ervan weg. Zeer slank en fijn gebouwd, was hij in een donker, half gekleed kostuum, en opvallend waren zijn smalle voeten en zijn slanke hand, met dunne, witte vingers, een hand als van een artist, waarvan de fijnheid Eline steeds aan die haars vaders deed denken. Hij zette zich bij hen neder, en vertelde, op Eline's vraag, met een matte stem, hoe hij juist in Den Haag was gekomen, voor bezigheden. Het laatste was hij geweest te Malaga, in een wijnzaak; vóór dien tijd in een assurantiemaatschappij te Brussel; daarvóór, in een rijk oogenblik, als compagnon in een tapijtenfabriek te Smyrna, die failliet was gegaan. Niets vlotte; nu verveelde hem dat gereis en getrek; hij had genoeg blijk van energie gegeven, maar het noodlot was hem tegen; alles waarin hij zich moeide scheen hem ongeluk aan te brengen; wellicht zou hij echter bij een kinaonderneming op Java een betrekking kunnen krijgen, maar hij moest eerst juiste inlichtingen inwinnen. Morgen in den ochtend hoopte hij bij Van Raat te komen, dien hij spreken moest. Betsy vroeg daarop, of hij dan kwam koffiedrinken, daar Van Raat 's morgens nooit thuis was, wel 's middags. Hij nam dit gaarne aan en praatte vervolgens over de opera. --Fabrice, o, dat is de baryton, niet waar? Ja, een mooie stem maar een leelijke, dikke baas. --Vindt u? Neen, ik vindt, dat hij op het tooneel nogal een goed figuur maakt! meende Emilie. --Kom, freule, dat meent u niet.... Emilie bleef bij haar opinie en Eline lachte om hun verschil van meening. Het belletje waarschuwde echter, dat de vierde acte begon en Vincent nam afscheid, ofschoon Georges hem beleefd zijn plaats in de loge wilde afstaan. --O, dank u, zeer verplicht; ik wil u niet van uw plaats berooven, ik sta in de stalles heel goed. Dus dan tot morgen, nietwaar? Adieu Betsy, Eline.... au plaisir freule.... zeer aangenaam geweest, meneer De Woude. Hij boog, drukte Georges de hand en verwijderde zich langzaam, lichtjes met zijn dunnen rotting zwaaiend. --Het is een vreemde jongen! zeide Eline en schudde het hoofd. --Ik ben altijd bang, dat hij ons nog eens compromitteeren zal! fluisterde Betsy Emilie in het oor; maar, zooals ik zeide, totnogtoe heeft hij zich nogal fatsoenlijk gedragen. En daarbij, ik ben lief tegen hem, om hem te vriend te houden; ik heb een soort vrees voor hem, men kan nooit weten.... --Ik kan niet zeggen, dat hij een charme van me is! sprak Emilie en zij stonden op, om zich naar hun plaatsen te begeven. --Kom, Emmy, dat zeg je nu maar, omdat hij Fabrice niet mooi vond! plaagde Georges. Emilie haalde de schouders op en zij gingen door den couloir. --O, er is dus geen vijfde acte! Ik dacht, dat er vijf actes waren! zeide Eline, bijna teleurgesteld, tot De Woude, die haar het slot der opera verhaalde, snel, met een enkel woord. XII. In de vierde acte, in de door maanlicht beschenen tuinen van Ben-Saïd, hoorde Eline vol belangstelling naar Manoëls cavatine, zijn duet met Xaïma en hun beider trio met Hermosa, maar haar aandacht steeg, toen de Moorsche vorst in de poort van zijn paleis verscheen, den krijgslieden beval Manoël weg te voeren, en Xaïma, na zijn, tevergeefs smeekende klacht, in plotseling woedenden hartstocht voortsleepte.... Het einde der opera: Ben-Saïd vermoord door de moeder, die haar dochter redden wil, greep haar meer aan, dan zij zou hebben willen bekennen. In zijn scènes met de beide vrouwen speelde de nieuwe baryton met een vuur en een kracht, die het melodrama als een gloed van romantische waarheid bijzette, en toen hij getroffen op de trappen van het paviljoen neêrzeeg, hief Eline haar binocle op, om zijn donker gekleurd gelaat met den zwarten baard en de geloken oogen even te beschouwen.... Het scherm viel, maar de vier acteurs werden teruggeroepen en Eline zag hem weder, buigende met een koelen, onverschilligen trek, die afstak bij de glimlachjes van den tenor, de forte-chanteuse en de chanteuse-légère. Het publiek rees op, de deuren der loges openden zich... Georges hielp zijn dames met haar sorties en zij gingen den couloir door, de trappen af, om achter de glazen deuren te wachten, tot hun rijtuig werd aangediend, door den afroeper met de hand aan den mond: --Van Raa....aat!.... --Ik geloof toch niet, dat de Tribut een van Gounods beste opera's is, is het niet, Eline? vroeg Emilie in het rijtuig. Niet te vergelijken met Faust of Romeo et Juliette. --Ik geloof het ook niet, antwoordde Eline voorzichtig, om haar bewogen gemoedsstemming niet te doen blijken: maar men kan zoo moeilijk over muziek oordeelen, wanneer men die voor het eerst hoort. Een paar lieve melodieën hebben mij wel gefrappeerd. En daarbij, we hebben maar de helft gezien. --Voor een paar actes te gaan, vind ik wel aardig, maar eene geheele opera te moeten hooren, verveelt me, dat wil ik wel bekennen, zeide Betsy gapend. En Georges neuriede: "Debout, enfants de l'Ibérie!" De De Woudes werden eerst thuisgebracht op het Noordeinde en Betsy en Eline reden vervolgens, mollig gedoken in het gebrocheerd satijn van den landauer, naar het Nassauplein terug. Zij spraken nog even over Vincent en toen zwegen zij beiden, en Eline dacht in een dwalende mijmering aan de wals van Mireille, aan haar twist met Betsy over Grete, aan de groep der Vijf Zinnen, aan Mevrouw Van Raat en De Woude, aan heur roze japon en Ben Saïd. Hoofdstuk V. I. Er was ongeveer een week verloopen na de tableaux-vivants, toen Lili Verstraeten zich des middags in den kleinen salon neêrzette, daar waar ze waren vertoond geworden. Het vertrek had sinds lang weêr zijn gewoon aanzien hernomen, en in het open haardje vlamde een vroolijk vuur. Buiten was het koud; er woei een gure wind, en het dreigde te zullen regenen. Marie was met Frédérique van Erlevoort commissies gaan doen, maar Lili had verkozen thuis te blijven en vlijde zich nu behagelijk in een ouderwetschen, ruimen fauteuil, bedekt met oud tapisseriewerk, een gezelligen stoel, die haar lief was. Zij had Victor Hugo's Notre Dame de Paris medegenomen, maar zij wilde zich niet dwingen tot lezen, zoo zij er nog geen genoegen in nam, en zij liet haar boek, in rood leêr gebonden, verguld op sneê, dus ongeopend in haar schoot liggen. Hoe heerlijk niets te doen dan een beetje te droomen, en hoe dom van Marie en Freddy, uit te gaan in dat vreeselijke weêr! Haar kon het niet schelen, het weêr; buiten mocht het waaien en stortregenen, binnen was het heerlijk; de wolken temperden het licht, de laag gedrapeerde meubelgordijnen lieten het slechts zeer bescheiden doorglijden.... Dien had zij weggestuurd, toen die ze wilde wegtrekken naar terzijde. Papa zat te lezen in de serre, daar, waar het meeste licht viel; ze kon juist zijn lieven, grijzen kop zien, en zij bespiedde, hoe gauw hij de blaadjes omsloeg; hij las werkelijk niet zooals zij, die haar boek had medegenomen om zich een houding te geven. Zij verveelde zich nooit, al deed zij niets; integendeel, zij genoot dan van haar dwalende gedachten: rozeblâren, als voortgeblazen door een lichte koelte; zeepbellen, broos en kleurig, die zij behagelijk zag omhoog stijgen, en de rozeblâren woeien weg, de zeepbellen spatteden uiteen, maar ze verlangde haar rozeblad geen klimop te zijn, dat zich in haren geest vastrankte, en haar zeepbel geen ballon captif! Mama was nog boven, steeds zeer bedrijvig; ach, zij kon mama toch geen werk uit de handen nemen; die wilde toch alles zelve doen, al deed Marie ook zoo een beetje het huishouden. Ze hoopte, dat er geen visite zou komen; heerlijk, heerlijk alleen te rêvasseeren! Hoe aardig, zoo een vlam te zien krullen om een verkoold houtblok; de haard was net een hel, in miniatuur, de turven waren rotsen, en daartusschen groeven zich afgronden, louter vuur en gloed, iets van Dante! De vervloekten dwaalden rond over de rotsen en zagen met ontzetting in den vlammengloed, brrr.... En glimlachend tegen haar eigen fantazie wendde zij de oogen af, een weinig verblind door het staren in die hel.... Nog geen week geleden, hadden zij, ginds op die plek, gepozeerd voor hun opgetogen kennissen! Wat zag er toen alles geheel anders uit! Nu waren de achtergronden, de lieren, het kruis, al de rommeldebommel geborgen op den zolder. Dien had de kostumes netjes opgevouwen in koffers bewaard. Het was toch een gezellige tijd geweest, ook de beraadslagingen met Paul en Etienne over de onderwerpen en de kostumes; de repetities, waar Paul iedere poze moest voordoen! Wat hadden zij dikwijls geschaterd, wat een moeite zich ook getroost voor enkele minuten.... Papa las maar ijverig door, en zij telde; eens na vijf-en-twintig, toen na dertig tellen sloeg hij het blaadje om; wat repte hij zich! Hè, wat kletterde de regen, en wat stroomde de goot! Freddy en Marie waren voor haar pleizier uit.... heerlijk zich veilig te voelen, als een poesje, voor die nattigheid.... En haar voeten nestelden zich in de wol van de zwarte schapenvacht voor den haard; haar blond hoofd drukte zich dieper in het tapisseriewerk van den ouden stoel. Freddy ging dien avond naar een bal. Hoe was het mogelijk, dat zij er tegen kon, bijna iederen avond uit te gaan! O, zij, Lili, hield er ook dol van, een prettig bal, een amuzant soiréetje, maar ze bleef ook heel gaarne thuis: ze las of ze werkte of ze.... deed niets, maar verveling kende ze niet, en haar leventje.... het was net een kalm beekje, ze was zoo geheel en al tevreden bij haar engelen van ouders; ze wenschte maar dat het altijd zoo zou blijven; het kon haar niets schelen een oude jongejuffrouw te worden.... Quasimodo, Esmeralda, Phoebus de Châteaupers; ach, had ze maar liever Longfellow medegebracht; ze had niets geen verlangen naar de Cour des Miracles, maar wel naar Evangeline en The Golden Legend: My life is little, Only a cup of water, But pure and limpid.... Wat werd ze poëtisch gestemd! Ze lachte in zichzelve om zichzelve en keek naar buiten in den tuin, waar de druipende, dorre takken als in wanhoop geschud werden door den wind. Daar werd gebeld en.... zij hoorde stappen en gelach in de gang, en een aanhoudend geveeg van voeten op de mat. Freddy en Marie kwamen thuis, maar zij gingen denkelijk naar boven; neen.... zij traden binnen, steeds lachend, ontdaan van hunne druipnatte regenmantels en beslikte overschoenen, en met zich een geur van wind en vochtigheid in de warmte der kamer voerend. --Heb je ooit! riep Marie uit; de freule zit bij het vuurtje zich te warmen. Wel zeker, waarom niet! --Wil de freule ook een kussentje in het rugje? spotte Freddy. --Lach maar toe! murmelde Lili glimlachend en nestelde zich dieper in den stoel; ik zit hier heerlijk en heb geen koude, natte voeten. Bagger maar alleen in de vuiligheid, hoor!.... Freddy ging den heer Verstraeten even groeten, en Marie beweerde een hartversterking noodig te hebben, en zou thee zetten. Daarop zetten de meisjes zich bij elkander neder en Lili wilde ook gaarne een kopje, heur afternoon-tea, al had ze niet gebaggerd in de vuiligheid. --Wat is het hier donker, Lili, hoe heb je hier kunnen zitten lezen! Het is om je oogen te bederven! riep Marie. --Ik heb ook niet gelezen, antwoordde Lili, genietende in haar dolce-far-niente. --De freule heeft zitten peinzen! spotte Freddy weêr. --Heerlijk! sprak Lili, glimlachend haar oogen luikend. Zoo totaal niets te doen.... alleen te rêvasseeren. En zij schaterden het alle drie uit over de bekentenis van die schaamtelooze luiheid, toen mevrouw Verstraeten beneden kwam, zoekende naar het sleutelmandje, dat Marie verzuimd had in haar kamer te brengen, en zij vond ze, alle drie lachende over heur kopje, de sleutelmand naast de banketschaal. Frédérique vertelde daarop, dat zij gauw weg moest; zij was dien avond gevraagd op de soirée-dansante bij de Eekhofs, en zij moest nog het een en ander voor haar toilet nazien, en mevrouw vond Lili veel verstandiger dan Freddy en Marie, die commissies gingen doen in hondenweêr. II. Er werd weder gebeld. Het was Paul, die nog meer dan de meisjes dien geur van wind en vocht medebracht, en die weêr naar buiten werd gestuurd, om beter zijn voeten af te vegen. --Wat een weêr! zuchtte hij en deed zich eindelijk na al die pourparlers neêrvallen in een fauteuil. Mevrouw liet de jongelui alleen en zette zich in de serre bij heur man, maar deze, hoorende dat Paul er was, begaf zich naar de achterkamer. --Dag oom. --Zoo, dag Paul, hoe gaat het.... Ook goed met mama? --O, het schikt nog al, oom, mama is heel wel; zooeven zat ze druk te lezen in een boek, dat Eline haar gestuurd had.... --En hoe is het er meê, heb je al een visite bij Hovel gemaakt? --Neen oom, nog niet! --Maar doe dat dan. Laat er niet al te veel gras over groeien, Hovel verlangt kennis met je te maken.... --Paul, je hebt nu al vier dagen geleden gezegd, dat je naar Hovel zou gaan! riep Marie uit. Hoe is het mogelijk, dat je daar zoo lang over moet denken. Het is, of het een reis is! --Ik was van plan er morgen heen te gaan. --Ga dan ook morgen, om halfzeven; na den eten vindt je hem altijd thuis en is hij te spreken. Ik zou dat nu zoo maar vaststellen! zeide oom Verstraeten, en er glom iets ontevredens in zijn anders zoo vroolijke, donkerbruine oogen, toen hij naar de serre terugging, gauwer dan hij anders zou gedaan hebben. --Paultje, Paultje! zeide Frédérique, haar hoofd schuddend: hoe kan je zoo lui zijn, nog luier dan Lili. --Ach, het is immers morgen tijds genoeg, bromde Paul terug, en dronk zijn kopje uit. --Ja maar lui ben je! voer Marie hem tegen, onbevreesd voor een booze bui. En om er oprecht over te spreken, we vinden dat allesbehalve goed.... --Wel zeker, ga me nu maar eens de les lezen, oude grootmama. --Oude grootmama, of geen oude grootmama, ik zeg je precies mijn opinie.... En zie je, ik vind het jammer, dat je zoo bent, want je zou veel meer kunnen presteeren, als je wat meer energie hadt. Let op mijn woorden, als je je niet een beetje betert, wordt je net als Henk.... een uitstekend goede, beste, brave jongen, maar een doeniet. Je weet, ik dweep volstrekt niet met Betsy, maar ik kan me begrijpen, dat je broêrtje haar soms gruwelijk moet vervelen, met zoo een heelen dag niets doen. --Zeg nu niets van Henk; Henk is een goede, beste vent! riep Frédérique. --En daarbij, voer Marie voort; je hebt meer capaciteiten dan Henk; daarom vind ik die luiheid en dat gebrek aan energie dubbel onuitstaanbaar in je.... --Ach, Marie, zeide Lili opstaande; zit nu niet zoo uit te varen tegen Paul.... poor boy! Ga jij morgen naar Hovel, hoor! fluisterde zij hem in; dan is alles weêr in orde.... Hij lachte haar toe, en beloofde zich te zullen beteren onder het voogdijschap van haar drieën. --Het schijnt, of ik onder curateele van mijn nichtjes en van freule Van Erlevoort sta! zeide hij vroolijk. Mag het kleine jongetje nu nog een kopje thee? III. De stortregen had opgehouden, maar de wind schudde nog steeds de druppelende takken. Het was over halfvijf, toen er opnieuw gebeld werd. --Over halfvijf! riep Frédérique uit. Ik moet weg, ik had al lang weg moeten gaan, om strikken op mijn japon te zetten.... O, ik zal adorable zijn van avond, geheel en flot de tulle! Waar zijn mijn pakjes, Marie? --Er is gebeld, zou daar visite zijn? vroeg Lili. Frédérique wachtte even, daar zij in de vestibule haren regenmantel moest aantrekken, en Dien kwam binnen om te vragen, of er belet was voor meneer De Woude Van Bergh. --Ik denk van niet, Dien, vraag maar even in de serre. --O, die onuitstaanbare jongen! riep Lili. Dat pedante être! --Ach, hij is zoo kwaad niet, meende Paul; en volstrekt niet pedant. --Nu maar, ik maak de deur dicht, ik wensch hem niet te zien! hervatte zij en zij wilde de porte-brisée dichtschuiven, toen Dien terugging met de boodschap, of meneer zoo goed zou willen zijn binnen te komen. --Kom Lili, wees nu niet zoo dwaas, kom nu meê! drong Marie aan. --Dank je, ga maar alleen; sprak zij en schoof de beide deuren dicht, juist toen De Woude in den salon binnentrad, waar hij door Marie ontvangen en in de serre geleid werd. Paul en Frédérique lachten, en namen afscheid van Lili; zij gingen alle drie door de eetkamer naar de vestibule. --Adieu, groet oom en tante van mij, en zeg oom dat ik bepaald naar Hovel zal gaan, morgen na den eten! zeide Paul. --Doe ook mijn complimenten, en zeg, dat ik waarlijk weg moest! sprak Freddy. --Goed, adieu, amuzeer je van avond, en flot de tulle! Brr, wat is het hier koud in de gang! Paul en Freddy gingen, en Lili keerde terug door de eetkamer. Georges De Woude?.... O, hij kwam zijn digestie-visite maken voor de soirée! Neen, zij kon hem volstrekt niet uitstaan. Zoo geaffecteerd en altijd zoo stijfjes! Hoe was het mogelijk, dat Paul nog iets in hem vond; zij vond Paul duizendmaal beter en flinker. Wat kon Marie Paul de les lezen! Hij was toch een goede jongen; en dat hij wat lui was uitgevallen.... ach, hij had immers geld, en kon best nu nog wat plezier maken; later zou hij wel een betrekking zoeken, daar was zij zeker van.... Zij zou het papa zeggen; Paul had bepaald gezegd morgen naar Hovel te zullen gaan, en hij hield altijd woord. Zij zette zich opnieuw in den ouden fauteuil en pookte het vuur op, en wierp er kolen en turven in en een enkel blok hout. Zij verwarmde even haar koud geworden vingers, en wreef zich de handjes, koel als wit satijn. Door de gesloten deur hoorde zij het geruisch der stemmen in de serre; meestal onderscheidde zij de fijne stem van Georges.... hij scheen heele verhalen te doen! Zij moest toch eens even zien.... en zij stond op en schoof een der deuren een weinig en voorzichtig ter zijde. Zoo kon ze juist in de serre turen, langs de breede bladen der palmen; papa en mama zag zij niet, maar zij zag Marie juist in het gelaat en Georges op den rug.... Hoe grappig, als Marie haar nu juist in het oog kreeg, maar zij scheen een en al aandacht te zijn voor de historietjes van dat fatje. Lili kon net zijn glanzend boordje bewonderen en de pandjes van zijn jas.... keurig! Daar.... daar, daar keek Marie op.... nu bespeurde die haar juist door de breede reet heen; adieu, bonjour, zij wuifde met haar hand Marie toe, zij boog, zij trok gezichten en Marie werkte zenuwachtig met haar wenkbrauwen en haar lippen, om het niet uit te proesten van het lachen! IV. Terwijl het donker werd, haastte Frédérique zich naar huis, naar het Voorhout. Zij repte zich, toen Willem de knecht haar had opengedaan, als een wervelwind de ruime vestibule door, de breede wenteltrap op. Bijkans struikelde ze over Lientje en Nico, twee der kinderen van mevrouw Van Rijssel, haar oudste zuster, die, sedert zij van haar man gescheiden was, met haar viertal bij mevrouw Van Erlevoort was komen inwonen. --Juf, pas toch op, de kinderen zullen heusch vallen! sprak Frédérique hijgend tot de dikke juffrouw Frantzen, die zij op het portaal der eerste verdieping tegenkwam, in wanhoop zoekende naar de ondeugende bengels. Ze ravotten op de trap, daar, Lientje en Nico! --Weet u ook waar Ernestine en Johan zijn? vroeg juffrouw Frantzen radeloos. --Wel neen, ik kom zoo juist thuis! antwoordde Frédérique verontwaardigd en zij repte zich verder, vloog haar kamer in, wierp haar regenmantel uit en opende met zenuwachtige vingers een der drie, vier pakjes, die zij in haar zak en in haar mof had meêgebracht. --Ik zal nooit klaar komen! murmelde zij angstig en zij sloeg de groene, damasten gordijnen van haar ledikant op, waar heur baltoilet, als een ijle wolk van lichtblauwe tulle, in een wazige teederheid lag uitgespreid. Dien morgen was Frédérique's toilet van de naaister gekomen, maar zij had er een paar strikken bij willen voegen, en zij durfde er ternauwernood aan raken, uit vrees het ragfijne weefsel te zullen verwarren. --O, ik word wanhopig! sprak ze weêr; toen, met een invallende gedachte, vloog zij op eens de kamer uit, en riep op het portaal: --Tilly, Tilly, Mathilde! Een der deuren werd geopend; haar zuster, mevrouw Van Rijssel, trad verschrikt te voorschijn. --Maar, Freddy, wat is er; is er brand, dat je zoo gilt? --Neen, dan zou ik niet precies jouw hulp verlangen? Maar toe, help me eens, ik ben wanhopig, ik kom nooit klaar. --Waarmeê? --Met mijn baltoilet. Je weet, ik woû hier en daar nog een strik zetten. Ik vind het zoo kaal op zij, en ik heb lint gekocht. Mevrouw Van Rijssel wilde antwoorden, toen de deur van mevrouw Van Erlevoorts kamer openging, en de oude dame vroeg, wat er toch aan de hand was. Tegelijkertijd weerklonk er een schel gegil en gelach van kinderstemmen op de tweede verdieping, men hoorde luid getrippel van levendige stappen en een meisje van zeven buitelde de trappen af, achtervolgd door een jongen van zes. --Mama, mama! schreeuwde het kind, terwijl zij de laatste trappen afsprong. --Maar Tine, Johan, is dat een leven maken! Wat voeren jullie nu weêr uit? vroeg mevrouw Van Rijssel zeer streng. --Jo plaagt me altijd, Jo, wil me kietelen en hij weet, dat ik er niet tegen kan! hijgde het meisje, en ze verschool zich in de rokken harer grootmama, terwijl Frédérique Johan in hare armen omstrengelde. --Ik heb je al meer gezegd, dat ik al dat geren en geschreeuw in huis niet hebben wil! hervatte mevrouw Van Rijssel ontevreden. Bedenkt toch, grootmama wordt langzamerhand oud en kan niet meer tegen dat lawaai. --Ach! sprak mevrouw Van Erlevoort goedig; ze speelden maar een beetje, nietwaar Tien? --Pas op, hoor, anders zal ik je kietelen! riep Frédérique en kietelde Johan onder zijne kleine armen, zoodat hij spartelend en kraaiend op den grond viel. --Mais comme vous les gâtez, toutes les deux; ne les choyez donc pas, quand je suis fâchée. Je perdrai tout mon pouvoir, si vous continuez ainsi! riep Mevrouw Van Rijssel wanhopig, en keek over de trap, want beneden gaven Madeline en Nikolaas dikke juffrouw Frantzen den grootsten last en wilden niet met haar mede naar boven. --Lientje, Nico! riep mevrouw van Rijssel met haar strenge stem. --Ach, Mathilde, toe, laat de kinderen nu, en kijk eens even naar mijn japon! smeekte Frédérique. --Ik kan er geen orde meer onder houden, gedecideerd niet! zuchtte Mathilde. --Haast je, Freddy, we eten vandaag wat vroeger.... over een half uurtje, als het kan! zeide mevrouw Van Erlevoort. Men hoorde de huisdeur opendraaien; het waren Otto en Etienne Van Erlevoort, die samen thuiskwamen en hun vroolijke stemmen vermengden zich met het gegil der kinderen, de vergeefsche aanmaningen van juffrouw Frantzen en het geblaf van Hector, Otto's zwarten hond. --Kom nu, Mathilde, zie nu eens even naar mijn japon! vleide Freddy met haar liefste stem. Mathilde gaf haar moederlijke plichten in dat brouhaha op en liet zich door Frédérique medetroonen. --Gedecideerd, ik verlies al mijn macht.... --Komt kinderen, vecht nu niet meer, weest nu zoet! sprak mevrouw Van Erlevoort tot Ernestine en Johan; gaat nu meê met oma naar beneden, het is hier om te bevriezen.... V. Mevrouw Van Erlevoort was steeds aan drukte gewend geweest en zij had er zich steeds wel bij bevonden. Als moeder van zeven kinderen had zij nooit anders dan gelach, gekibbel of gewoel om zich heen gezien en zou zij niet begrepen hebben, hoe een talrijk huisgezin, in een andere atmosfeer, rustiger en vrediger dan de hare, zou hebben kunnen bestaan. Haar huis was dan ook van den beginne af vervuld geweest met het schelle gejubel, de luidruchtige twisten en het onophoudelijk door elkaâr gedraaf harer kinderen, en toen deze opgroeiden, met al den levenslust en de dartele woeligheid hunner bruisende jeugd; daarna was, eenige jaren na het verscheiden van haar echtgenoot, mr. Théodore Otto Baron Van Erlevoort ter Horze, lid der Tweede Kamer van de Staten-Generaal, een tijd van ongekende kalmte ingetreden, toen vier harer kinderen de een na de ander huwden en haar woning verlieten. Théodore, de oudste, het eerst, die nu hunne goederen in Gelderland beheerde, en te midden van zijn jonge vrouw en hun talrijk kroost op het Huis ter Horze zoowel in heereboer als in jeugdigen patriarch scheen herschapen te zijn; daarna de derde dochter, Mathilde, wier kort huwelijk zeer ongelukkig was geweest; vervolgens de twee oudste meisjes, Cathérine en Suzanne, de eene gehuwd met een Engelsch bankier, mr. Percy Howard, en nu te Londen gevestigd; de andere met jhr. Arnold Van Stralenburg, griffier bij de Arrondissements-rechtbank te Zwolle. Zoo was mevrouw Van Erlevoort overgebleven met haar twee zoons, Otto, adjunct-kommies bij Binnenlandsche Zaken, Etienne, te Leiden studeerend in de rechten, en haar jongste, Frédérique, en zonder de nieuwe bekoring en frissche emoties van haar grootmoederschap, zou zij te midden dezer betrekkelijke kalmte zeker melancholiek zijn geworden, gewend als zij was aan het gedribbel of gehuppel van voeten op de trap en het gelach en gezang van heldere stemmen in haar ruime vestibule. Eenige jaren na haar huwelijk keerde Mathilde met vier kinderen bij mevrouw Van Erlevoort terug; na de scheiding van haar man, waren deze haar toegewezen geworden. Van Rijssel leefde sedert in het buitenland, en men hoorde weinig meer van hem. Mevrouw Van Erlevoort beklaagde hare dochter, welke heur lot van verwaarloosde en miskende echtgenoote zoo lang met waardigheid had kunnen torsen, en zij nam ze vol liefde tot zich, in het diepste haars harten overgelukkig, door het nieuwe, ontluikende leven, dat de vier kleinkinderen in haar woning medebrachten. Zij bedierf hen allen, zooals zij nimmer haar eigen kinderen had bedorven, kon bij hunne grootste guitenstreken met den besten wil der wereld niet boos worden en bracht Mathilde daardoor soms tot radeloosheid en wanhoop. Deze wist niet wat er van hen worden zou bij zooveel toegevendheid; zij smeekte mevrouw Van Erlevoort haar toch niet te wederstreven in gerechtvaardigde strengheid en verdiende strafuitdeelingen; mevrouw Van Erlevoort beloofde, maar vergat haar belofte bij de eerste gelegenheid de beste, terwijl Frédérique, zelve bedorven, Mathilde wel bij haar klachten steeds gelijk gaf, maar ook weinig het hare bijbracht tot eenige billijk strenge pedagogie. Alleen bij Otto kon Mathilde nog op eenigen vasten steun rekenen en de vier bengels hadden ook alleen respect voor oom Ot. Hij paarde aan de goedhartigheid zijner moeder het gezonde verstand en de degelijkheid van zijn vader, en scheen in zijn beraden kalmte eenigszins ouder dan hij was, maar er lag zulk een innemend waas van hartelijkheid over zijn flinke trekken, er sprak zoo iets vertrouwelijks en sympathieks uit zijn donkere, lichtvolle oogen, dat zijn ernst en zijn degelijkheid eerder aantrokken, dan voor zijn acht-en-twintig jaren te somber en te straf schenen. Etienne was daarentegen een en al vroolijkheid, onbedachtzaamheid en lichtzinnigheid, en de lieveling van zijn moeder, wie de glans en zonnegloed van zijn karakter de ziel scheen te koesteren. Frédérique was dol op haar beide broêrs, maar noemde Otto dikwijls papaatje en stoeide met Etienne bijna als Lientje met Nico en Tine met Johan. VI. Mevrouw Van Erlevoort had dien middag wat vroeger willen eten,--om halfzes,--daar zij nog haar kleine siësta wilde nemen, voor zij zich zou moeten kleeden. Zij zou dien avond, behalve met Freddy, ook met haar beide zoons naar het bal bij de Eekhofs gaan, terwijl mevrouw Van Rijssel thuis bleef, als een stille, melancholieke jonge vrouw, wier glimlach uitgewischt scheen op haar wasbleek gelaat en die nog slechts leefde voor haar kinderen. Het woelige viertal at steeds apart met juffrouw Frantzen, op Mathilde's uitdrukkelijk verzoek, daar mevrouw Van Erlevoort niets liever had gewild, dan de geheele bende met de dikke juffrouw aan tafel te zien, onbevreesd haar fijn damast met de saus overstroomd, eenige glazen gebroken, of kleine vingertjes in de compôte aan het grabbelen te zien. Zoo had Mathilde er dan ook niets aan kunnen doen, dat de kinderen, die vroeger aten en sneller gedaan hadden, soms een voor een als kleine bandieten, binnenslopen, tot wanhoop van juffrouw Frantzen, wier rond gezicht dan met verschrikte oogen in de halfgeopende deur verscheen. Dit was een paar malen door mevrouw Van Erlevoort goedig geduld en weldra een regel geworden, waarin Mathilde zuchtend berustte. Etienne en Frédérique maakten het kleine goed woeliger dan ooit. Otto schertste meê en Mathilde haalde met een glimlach de schouders op; het ging, zooals het ging.... --Dank je Otto, ik wil niets meer eten, zeide Frédérique aan tafel; ik kan nooit eten, als ik naar een bal ga, dat weet je wel. --Nog altijd? vroeg Otto. Ik dacht alleen, dat een jong meisje niet at bij haar allereerste entrée in de wereld. Ben je nog altijd zoo nerveus? Arme meid! --Freddy, wat heb je nu aan je toilet gedaan? Ik hoop toch niets bedorven? vroeg mevrouw Van Erlevoort angstig. --Neen, moes, ik heb op Mathilde's raad maar alles gelaten als het was.... O, je zal me zien vanavond: vervolgde zij tot Otto; ik zal zoo etherisch zijn in mijn blauwe tulle.... zoo om weg te blazen, weet je. Daar heb je de Filistijnen .... Deze betiteling sloeg op de vier Van Rijsseltjes, die binnenstormden. Nico met een oorverscheurende trompet in zijn mond. Zij kwamen ieder hun sinas-appel met wijn en suiker binnen eten; mevrouw Van Erlevoort nam Nico naast zich, bereidde zorgvuldig zijn dessert en de blonde guit was weldra bezig, met van sap druipende lipjes, de gesneden stukjes af te zuigen, nu en dan toeterend op zijn trompet. Ernestine, Johan en Etienne pikten van ééne schaal om het gauwst, en hunne vorken verwarden zich in elkander, onder een luid gelach, terwijl Freddy aan Otto opsomde, wie er alzoo kwamen dien avond, bij de Eekhofs. --Nu, dan heb je de Hijdrechtjes, Eline Vere, de Van Larens, Françoise Oudendijk.... Vindt je Françoise niet mooier dan Marguerite Van Laren? Zeg eens Otto, aan wie van beiden ga je je cour maken? O, Nico! Mijn trommelvlies! Nico! Troe, troe, troe, klonk de bazuin. --Nico, je maakt me dol met dat geschetter. Leg dat ding neêr en eet nu netjes. Kijk, je doet alles op je buisje druipen! bestrafte Mathilde. --Ach, hij maakt maar wat muziek, niet waar, kleine dot, sprak mevrouw Van Erlevoort en sloeg haar arm om den jongen, die zijne grootmama zeer oneerbiedig juist in haar oor bazuinde, met de krassende valschheid van een draaiorgel. VII. Na den eten stoeiden Freddy en Etienne met de kinderen, terwijl mevrouw Van Erlevoort zich in haar boudoir ging afzonderen en Otto, naast Mathilde, die borduurde, zijn sigaar rookte. Rika, de meid, nam de tafel af, zeer gehinderd door Nico, en duizend angsten uitstaande voor een blad, waarop zij vuile glazen en borden had geplaatst. Eindelijk sloeg het acht uur en juffrouw Frantzen kwam om de kinderen te halen. --Ciel de mon âme! riep Frédérique, op de canapé half gesmoord door Ernestine, Johan en Lientje, en zij bevrijdde zich van de armen en beenen die haar als polypen omvingen. Ik moet naar boven; Mathilde kom je me helpen? --Goed, antwoordde Mathilde en stond op. En jullie kinderen, gauw naar bed! --Neen, ik wil niet, ik wil eerst tante Freddy mooi zien! riep Ernestine met een zeurig stemmetje. En ik wil tante ook helpen. --Tante kan je hulp wel missen en mooi is ze altijd! antwoordde Mathilde. Kom, gaat nu allen meê met juffrouw Frantzen, allons, als zoete kinderen. Freddy vloog weg, en daar mevrouw Van Erlevoort sluimerde, kon Mathilde haar macht laten gelden en het viertal werd naar boven gejaagd met een aanmaning op elke treê, daar Nico hinkend weder de trap af wilde gaan en Lientje op het portaal met Hector op den grond bleef sollen. --Ik kom dadelijk, Freddy! riep Mathilde; zoodra de kinderen boven zijn! en Freddy gilde van uit haar kamer, dat ze zich hield aanbevolen. Ze was reeds bezig met het golvende haar uit te borstelen, den lokkenvloed van Kleopatra.... Mathilde zou haar kappen: die kon het zoo keurig doen. En ze schikte alles en ze zag alles na, haar waaier, heur handschoenen, haar zakdoek, heur lichtblauwe, satijnen schoentjes.... Een blos van zenuwachtigheid tintte de matheid van haar melkwit teint, terwijl zij zich in den grooten spiegel bezag en glimlachte, tot er een kuiltje zich groef in elke wang. Het zou wel gaan, dacht ze. Na een half uur kwam Mathilde terug met Martha, de linnenmeid, die ook als kamenier dienst deed en Frédérique ging zitten, vlak voor den spiegel, in haar onderlijfje en haar blauwe schoentjes. --Net zoo eenvoudig en snoezig als verleden keer, Tilly! vleide Frédérique, terwijl Martha nu de kam, dan een frizeerijzer, of een haarspeld aangaf. O, het is hier koud geworden! Martha, gooi wat om mijn schouders! Martha legde haar een bonte pelerine om. Mathilde had met vlugge vingers haar werk voltooid. --Daar! sprak ze, en schoof de krullende franje van voren terecht. Eenvoudig, keurig en stevig. Ben je tevreden? Frédérique bezag zich en roerde even met de tippen harer vingers heur kapsel van terzijde aan. --Zeker, zeker, zeide ze; en nu.... nu mijn flot de tulle. De bonten pelerine vloog op den grond, maar Martha regelde de wanorde van kleedingstukken, die zich in het vertrek verspreidden. Mathilde hief de wolk van teeder azuur op, en liet ze, licht als een zucht, om Freddy heenglijden. --Ik ben iets van een fee, van een ondine! sprak Freddy, haar armen opheffend, en Tilly en Martha knielden neêr en haalden de wazige plooien dier ragfijne nevels uit, La, la, la,.... Freddy's voetjespaar bewoog zich op een maat, die zij neuriede.... --Freddy, Freddy, stil nu.... Martha, een speld; die strik zit los.... --Hoe vindt je het, Martha? --Beeldig, freule! --Is het nu niet kaal, op zij, Tilly? --Och, wel neen, het is een en al strik- en lintenburg, wat wil je nu meer. Het fladdert al alles om je heen.... toe, Freddy, ik bid je, wees nu een oogenblik stil.... Daar ging de deur zachtjes krakend open, als door een geheimzinnige hand.... --Wat is dat nu weêr! riep Mathilde, bijna ongeduldig en ze werd woedend, toen ze Ernestine, rillende in haar witte nachtjapon, als een tengere schim, zag verschijnen, een weinig angstig en toch guitig-brutaal. --Toe moes, ik wou zoo graag.... --Maar Tine, het is om doodziek te worden, zoo op die koude trappen en door de koude gang te loopen! Ik begrijp niet, hoe je zoo ongezeggelijk kunt zijn.... --Kruip in mijn bed, Tine, gauw, maar pas op voor mijn lijfje! riep Freddy. Ach, laat maar, Tilly, fluisterde zij. Tine was reeds in bed gekropen en nestelde zich als een duif in de dekens, waarna haar dunne vingertjes met welbehagen het blauwe satijn van Frédérique's corsage, dat nog op de kussens lag, betastten. Mathilde haalde met een zucht haar schouders op, berustend als altijd, maar zij nam het lijfje weg. Mevrouw Van Erlevoort verscheen in de nog geopende deur, ruischende van haar moiré. --O, wat is mama mooi! riep Frédérique opgetogen; je zal zien, Tilly, ik ben weêr het laatste klaar. Toe, rep je wat! Mathilde reeg het blauw satijnen lijfje van achteren dicht en mevrouw Van Erlevoort zag bewonderend en glimlachend naar haar nevelige ondine.... Daar hoorde zij echter iets sluipen, achter zich, en omziende bespeurde zij Johan en Madeline, beiden verkleumd en in nachttoilet.... --Neen maar, dat is te erg! Dat is om wanhopig te worden! riep Mathilde uit en zij liet Frédérique half geregen staan en vloog naar de bengels toe. Hoe kunnen jelui toch zoo ondeugend zijn en mama zoo een verdriet doen! Morgen zijn jullie allemaal ziek.... Kom, gauw naar boven en dadelijk! Haar stem klonk gramstorig en de beide kinderen begonnen bijna te weenen, maar mevrouw Van Erlevoort kwam ter hulpe. --Ach Mathilde, laat ze nu maar een oogenblikje blijven.... --In mijn bed.... kruip in maar, gauw! riep Frédérique schaterend van het lachen. Maar niet aan mijn tulle... afblijven, afblijven! en zij week angstig terug voor die uitgestrekte klauwtjes der beide wandalen, die in het luchtige gaas schenen te willen grijpen, en aan de lange strikken te willen trekken. Mathilde zelve begreep, dat de kinderen in Freddy's bed nog het beste zouden zijn voor het oogenblik, en zij gaf voor de duizendste maal toe en reeg zuchtend Freddy's corsage, waarvan het satijn kraakte, verder dicht; Johan en Lientje kropen intusschen bij Tine onder de gewatteerde deken en zagen met tintelende, guitige oogen naar de blauwe fee op. --Doe je daar nog iets overheen, tante? vroeg Johan; of blijf je zoo nakend? --Ach, domme jongen? riep Tine verontwaardigd en zij duwde hem omver, zoodat Lientje met een gil meêgesleept werd en Frédérique's bed weldra een chaos geleek van wollen dekens, blonde krullen, kussens en half ontbloote, roze beenen en armen, die zich alle onder een luid gekrijt dooreenwoelden. Mevrouw Van Erlevoort en Frédérique weenden bijna van het lachen om dit tafereel, de laatste tot groote ergenis van Mathilde, welke haar veters maar niet vermocht vast te strikken, en mevrouw Van Erlevoort riep Otto en Etienne, die, gerokt en reeds geoverjasd, de trap afkwamen, binnen om het schouwspel te zien. --Kom er meê in, oom Eetje, kom er meê in, toe, kom er in! schreeuwde Johan, maar Etienne bedankte voor de eer; hij was nu veel te mooi om zoo te ravotten, hoor. --Je bent om te schaken, Freddy! zeide Otto glimlachend. --Om weg te blazen, niet waar, pf...t... Maar Tilly, ben je nu nog niet klaar met die veters? --Ach wat, Freddy, je staat geen oogenblik stil! Tilly was ten laatste klaar en iedereen was klaar en mevrouw Van Erlevoort ging reeds de trappen af, daar het rijtuig juist gekomen was. --Kinderen, nu in bed blijven en niet rondloopen in de koû! riep Mathilde met gezag, terwijl Frédérique zich met Martha's hulp in haar sortie hulde, Otto belastte met een waaier en Etienne met een handschoen. --Kom, Freddy, mama is al lang naar beneden, zeide Otto en sloeg met den waaier ongeduldig op zijn hand. --Freddy, heb je niets vergeten? vroeg Mathilde. --Zeg, waar is je tweede handschoen, Freddy, of trek je er maar een aan? riep Etienne luid, om zich in het rumoer, dat de kinderen steeds in bed maakten, te doen verstaan. --O, wat maken jullie me allemaal geagiteerd!.... Ik heb hem al half aan, mijn tweeden handschoen! Martha, mijn zakdoek! Dank je; alles klaar? Goed! adieu, dag kleine schatten... --Freddy je vergeet wat! riep Etienne. --Wat, ach wat dan....? --Je parapluie, hier! --Flauwe jongen.... Mama zit zeker al in het rijtuig te wachten en jij houdt me op met flauwiteiten! Nu adieu, dag Tilly, dag lievelingen, ja Otto, ik kom al.... Dag Tilly, dank je voor je hulp. Dag Martha. --Veel plezier, freule. --Hier kinderen, kom hier! riep Mathilde. Zij wierp hun alle drie iets om, een doek of een deken: Ernestine Freddy's regenmantel, die haar een el voor de voeten sleepte. --En waar is juffrouw Frantzen, dat jullui hier zoo maar gekomen zijn? vroeg zij ontevreden. --In haar eigen kamer bij Nico, moes, Nico slaapt, zeide Tine. Toe moes, niet boos zijn! En zij hief hare armpjes, omfladderd door de te wijde mouwen van den regenmantel, liefkoozend op. Mathilde glimlachte en liet zich omhelzen. --Kom nu allemaal, naar bed! sprak zij een weinig verzoend. --Wat ziet de freule derledikant er uit, zeide Martha hoofdschuddend, ik kan het heelemaal weêr gaan opmaken, stoute bengels! --Zoete bengels! riep Lientje. Mathilde nam haar in haar arm op en Tine en Johan volgden, bijna struikelend over hun vreemde draperieën en gillende van de pret, dat hun list gelukt was. --St, stil zijn, anders maak je Nico wakker! Juffrouw Frantzen wist van den prins geen kwaad; zij zat, met Hector aan haar voeten, te breien in de kamer, waar Nico sluimerde en ontstelde hevig, toen zij de karavaan zag aankomen. Die ondeugende kinders, om zoo stilletjes weg te sluipen; ze was in de volle overtuiging dat ze al lekkertjes sliepen in de kamer er naast! Het drietal werd in bed bezorgd, rillend en verkleumd maar dol van vroolijkheid en juffrouw Frantzen vermaande ze nu toch niet meer te praten en zoet te gaan slapen.... En Mathilde boog zich over het bedje van haar Nico, die met geloken oogen in de wol lag, de vochtige lipjes half geopend, en zijn blonde krulletjes kruivend over het witte kussen. Engel van een jongen! En ook de anderen, wat een schatten, echte lastposten, niet te regeeren vooral met mama en Freddy als medebestuur.... Maar toch, hoe gelukkig, dat zij ze had, alle vier, alle vier! En zij boog zich en roerde even met de lippen Nico's open mondje aan, en zij voelde zijn zachten, geurigen adem over haar wang strijken, als een liefkoozing, en haar tranen drupten neêr op zijn voorhoofd, zoo doorschijnend bleek, zoo zacht.... Engel van een jongen.... Hoofdstuk VI. I. De oude mevrouw Van Raat kwam een enkele maal des avonds thee drinken bij haar zoon op het Nassauplein; zij werd dan zeer vroeg, om zeven uur, door haar coupé gebracht, waarmede zij om halftien weder vertrok. Dezen keer was Betsy nog boven, zeker met Ben, zooals Eline mevrouw Van Raat verzekerde, hoewel zij wist dat Anna, de kindermeid, den kleinen jongen naar bed placht te brengen. Zij geleidde mevrouw Van Raat in het boudoir, waar het zachte schijnsel der bougies van een kristallen kroontje neêrschemerde op het violette peluche der causeuses en met het getintel der pendeloques weêrkaatst werd in den ronden spiegel. --En Henk? vroeg de oude dame. --O, die dut zeker nog! lachte Eline. Wacht, ik zal hem even roepen. --Neen, neen, laat hem, arme jongen! zeide mevrouw Van Raat. Laat hem maar slapen, en blijf wat met mij keuvelen, kind. Zij liet zich in de canapé neêr en zag glimlachend naar Eline die zich op een lage pouffe zette aan haar zij. Eline nam de dorre, geaderde hand der oude vrouw in de hare. --En hoe maakt u het mevrouwtje, goed? U ziet er vandaag uit als een jong meisje, zoo gladjes, ik zie geen enkelen rimpel op uw voorhoofd. Mevrouw van Raat liet zich als altijd bekoren door die liefkoozende stem, door dat glanzende lachje, waarin Eline nu iets naiëfs wist te leggen, misschien onbewust. --Dolle meid! Zoo te spotten met mijn grijze haren. Elly, je moest je schamen! en zij sloeg haar arm om Eline's hals en kuste haar op het voorhoofd. En hoe gaat het met Betsy tegenwoordig, is zij niet erg lastig? fluisterde zij. --Ach, mevrouwtje, heusch, Betsy is niet zoo kwaad, ze is maar een beetje.... een beetje driftig, zoo in haar manier van spreken. Alle Vere's zijn driftig, ik ook; papa alleen herinner ik me nooit driftig gezien te hebben, maar papa was ook een man als er geen tweede bestond. Ik kan uitstekend met Betsy overweg; och ja, je kibbelt natuurlijk wel eens, als je altijd samen bent, maar dat zou ik zelfs met u doen, geloof ik, als ik bij u woonde. --Wel, ik woû, dat je er eens de proef van nam! --Kom, ik zou u op den duur veel te lastig zijn, u vindt me nu lief, omdat u me zelden ziet, maar als u me dikwijls zag....! en zij lachte vroolijk. --Heb je nu toch ooit zoo een kwade meid gezien, net alsof ik zoo een humeur heb, hè? --O, zoo bedoel ik het niet.... Maar waarlijk, Betsy is au fond een hartelijke meid, en ik verzeker u, Henk heeft een charmante vrouw aan haar. --Nu, het is mogelijk, maar.... ik weet niet wie ik voor hem gekozen had, Betsy, of.... iemand anders, als ik had kunnen kiezen voor mijn jongen. Zij legde de hand op Eline's hoofd en zag het meisje met iets veelbeteekenends in haren doffen blik aan, een treurig glimlachje om den ingevallen mond. Eline schrikte een weinig. Mevrouw Van Raats toespeling bracht haar oude gedachten voor den geest, lang vervlogen en bijna vergeten gedachten waarin zij dat plotselinge verlangen naar Henk had gevoeld, dien vagen wensch zich op hem te verlaten, als op een goedigen steun. En het scheen, of die gedachten ver waren, uitgewischt, als in een nevel, of het nog slechts schaduwen van gedachten waren, schimmen van gedachten.... Zij misten alle bekoring, zij kregen zelfs iets grotesks, dat haar bijna glimlachen deed.... --O, mevrouw, murmelde zij in haar parelend lachje; wie weet hoe ongelukkig hij dan was geworden, terwijl nu.... hij zit een beetje onder den pantoffel, maar Betsy heeft nogal kleine voeten.... --St.... stil! fluisterde mevrouw Van Raat, daar komt iemand. Het was Henk, die de portière van het boudoir een weinig oplichtte en zich verwonderde, dat het reeds zoo laat was. Eline lachte hem uit en vroeg of hij zoet gedroomd had. --Je eet veel te veel, daarom wordt je zoo lui 's avonds. U moest eens zien, hoeveel hij eet.... --Nu hoor je, moeder, hoe je zoon in zijn eigen huis bedrild wordt, zelfs door zijn schoonzusje. We hebben toch zoo een last van dat kind.... --O, schei daar maar over uit; mevrouwtje gelooft toch niets kwaads van me, zelfs niet van haar aangebeden Henk.... niet waar mevrouwtje? Durf eens te zeggen, dat het niet zoo is? Zij zag met iets kinderlijks in hare mooie, amandelvormige oogen, met iets kinderlijks in hare houding naar de oude vrouw op, en er straalde eensklaps zulk een gloed van sympathie uit geheel haar wezen, dat mevrouw Van Raat zich niet weêrhouden kon haar te omhelzen. --Je bent een dot! sprak ze, overgelukkig in de koesterende warmte der genegenheid van haren dorren ouderdom voor die zon van jeugd. II. Toen Betsy beneden kwam, verontschuldigde zij zich vriendelijk, dat zij zoo lang was opgehouden geworden en vroeg zij, of mama niet liever in den salon kwam theedrinken, het was daar ruimer.... --Paul zou straks ook komen, sprak mevrouw Van Raat, terwijl Eline haar een marmeren stoof onder de voeten schoof. Dan moest je samen wat muziek maken, Elly, zal je? --Goed, mevrouwtje, heel gaarne.... Mevrouw Van Raat haalde haar bril en haar haakwerk te voorschijn, terwijl Betsy zich voor het theeblad, schitterend van zilver en Japansch porselein, neêrzette. Zij sprak over het een en ander, nieuwtjes van den dag, ook over het bal van eergisteren, bij de Eekhofs, zij had zich goed geamuzeerd... --En jij ook, Elly? vroeg mevrouw. --Ja, uitstekend, mevrouwtje, heerlijk gedanst, en een magnifique cotillon, heel aardig. --En jij, Henk? --O, Henk! Betsy en Eline lachten beiden; Eline riep uit, dat hij veel te dik was om te dansen; alleen een menuet zou hij nog heel elegant kunnen doen; mevrouwtje wist, dat kwam nu weer langzamerhand in de mode. Mevrouw lachte meê, en Henk dronk goedig zijn wasemend kopje thee uit, toen er gebeld werd en Paul weldra binnentrad. Hij vertelde, dat hij zoo juist van de Prinsengracht, van Hovel kwam, wien hij een visite gemaakt had; gisteren avond had hij al naar den advocaat willen gaan, maar hij was Vincent Vere tegengekomen, in de Hoogstraat, en hij had zijn bezoek uitgesteld, om met nog een paar kennissen een glas wijn op Vincents kamer te gaan drinken. Hovel was hem uitstekend bevallen bij nadere kennismaking; hij was zeer humaan, zeer vriendelijk, en zij waren overeengekomen, dat Paul met den volgenden Maandag beginnen zou op zijn kantoor te komen werken. Mevrouw Van Raat slaakte onwillekeurig een zucht van verlichting, nu die lang besproken visite eindelijk was afgelegd. Den laatsten keer dat zij haar zwager Verstraeten gezien had, meende zij, van Paul sprekende, eenige ontevredenheid in hem bespeurd te hebben, en zij rekende zeer, in zake haar jongste, op de hulp van Verstraeten, die Pauls toeziende voogd was geweest, tijdens zijne minderjarigheid. Betsy gevoelde, terwijl Paul sprak, iets, alsof het niet stond, dat Henk toch zoo totaal zijn tijd "verlummelde" met zijn paard en zijn honden.... Maar wat te doen; zij had al zoo dikwijls aangedrongen, en het was er nu geen geschikt oogenblik toe, in het bijzijn der oude mevrouw Van Raat. --Kom Paul! riep Eline op eens, willen we wat gaan zingen? Paul verklaarde zich bereid; hij stond op; Eline zette zich aan de piano. Iederen Donderdag studeerden zij te zamen duo's in en zij beroemden zich reeds op een klein répertoire. Paul had nooit les gehad, kende nauwelijks pianospelen, maar van Eline ving hij nu en dan een raadgeving, een aanwijzing op, die hij steeds trouw volgde, en zij beweerde, dat wat hij met zijn stem vermocht te doen, hij aan haar verschuldigd was. Hij hield nu reeds zijn mond goed open en zijn tong tegen zijn ondertanden aan, maar heusch, hij moest les nemen, bij Roberts.... Je kon eigenlijk zoo maar niet zingen zonder studie. --Wat zullen we nemen? Une Nuit à Venise? --Goed, best, Une Nuit à Venise! Zij sloeg een muziekboek open, in rood leer gebonden, waarop in gouden letters: Eline Vere prijkte. --Maar galm hier en.... hier je hooge sol niet zoo uit, sprak ze. Neem die liever in je middenregister en niet uit de borst. Dan klinkt het veel melodieuser. En heel zacht beginnen, en hier, en hier crescendeeren. En goed gelijk met me blijven op het laatst, met het loopje, je weet wel. Nu... netjes Paul. Zij speelde het voorspel van Lucantoni's duet, terwijl Paul met een kuchje zijn stem verhelderde. En zij zetten te zamen gelijk en zacht in: "Ah, viens, la nuit est belle! Viens, le ciel est d'azur!" Zijn lichte tenor klonk een weinig broos en week, maar met een aangeboren bevalligheid, op naast het glansrijke metaal van haar sopraan. Zij vond er een genot in zoo samen te zingen, als Paul wat bij stem was en naar raad wilde luisteren. Het scheen haar, of zij steeds gevoeliger zong, wanneer een andere stem de hare vergezelde, en vooral in de herhaling der fraze: "Laisse moi dans tes yeux, Voir le reflet des cieux!" legde zij iets als het smachten eener Italiaansche liefde.... Het duet kreeg in haar geest meer dramatischen vorm; zij stelde zich in gedachte voor met Paul, als den tenor, liggende in een gondel, die tusschen de decors van een Venetiaansch kanaal voortgleed, in den magneziagloed van het kunstmatige maanlicht. Haar droomende verbeelding dacht heurzelve in het rijke toilet eener patricienne; Paul in dat van een armen, jongen visscher en zij beminden elkaâr, en lagen in zijn boot te droomen, al zingende, op de lagune. Voor haar zat het publiek ademloos.... "Devant Dieu même Dire: Je t'aime Dans un dernier soupir.... Daar was het loopje, zij vreesde, zij vreesde.... Paul zou blijven steken, zij relentiseerde.... neen, Paul bleef met haar samen en zij genoot in de samenstemming van maat, terwijl hunne stemmen wegstierven: "Dans un dernier soupir...." III. --Beeldig, beeldig, Eline! riep mevrouw Van Raat, die stil was blijven luisteren. --Je bent goed bij stem, Paul, sprak Betsy, om iets te zeggen. --Nu, Eline, moet je alleen zingen! riep Paul, verheugd over zijn succes. Mina was onder het duet de couranten binnen komen brengen, het Vaderland en het Dagblad, en Henk had er zich in verdiept, zoo geruischloos mogelijk de krakende bladen omslaande. --Maar Paul, wil je dan niet meer? vroeg Eline. Iets anders, of ben je moê? --Zing liever alleen, Eline.... --Ach neen, als je niet moê bent, wil ik liever nog een duet. Heusch, ik vind het heerlijk zoo met je te zingen. Durf je uit de Roméo, het groote duo? --Heusch Eline, ik kan het nog niet goed, en het is zoo zwaar. --Ach, verleden kende je het uitstekend, als je maar zacht en lief zingt en je niet forceert met uit je borst te galmen. Kijk.... hier deze heele passage in een tusschenstem zingen, vooral niet schreeuwen.... Hij vroeg haar met een angstig gezicht nog eenigen raad over deze fraze, over dien toon, en zij zeide, hoe hij doen moest. --Kom, durf je? Maar vooral niet schreeuwen, dat is altijd afschuwelijk, en.... blijven we steken, dan is het immers nog niets. --Ach, wil je het probeeren, het is mij goed. "Va! Je t'ai pardonné, Tybalt voulait ta mort!" zong zij daarop met rijk gekleurde voordracht, en Paul antwoordde met zijn recitatief en te zamen murmelden zij het "Nuit d'hyménée, o, douce nuit d'amour!" Opnieuw verrees de dramatizeering van het duo voor haren blik; het vertrek van Juliette, Roméo, in zijn schitterend kostuum, op kussens aan hare voeten liggend. En Roméo was Fabrice geworden, de nieuwe baryton, en zij liet haar hoofd neêrzijgen op zijn schouder: "Sous tes baisers de flamme Le ciel rayonne en moi!" Pauls stem wankelde zeer en klonk onzeker, maar Eline hoorde het nauwlijks, dat hij het was, die zong: in hare gedachte bleef het Fabrice met zijn zwaar geluid, en haar zang klonk op, klaterend en vol, zonder dat zij meer dacht, hoe zij haar tenor overdekte. Daar.... daar parelde de leeuwerik in den dageraad en zij stelde zichzelve voor, ontsteld hangende in Fabrice's armen, terwijl zij vroeg: "Qu'as tu donc.... Roméo?" "Ecoute, o Juliette!" antwoordde Paul met vaster klank, nu hij een pooze had kunnen rusten. Maar zij betuigde: het was niet de leeuwerik, het was nog steeds de nachtegaal; het was niet de eerste zonnestraal, het was nog steeds de teedere weêrschijn der maan en Fabrice bleef en het orchest ruischte door in de akkoorden, welke zij der piano ontsloeg, terwijl zij zwijgend in elkanders armen vielen. Bijwijlen, in de korte pauzen van het duo, doemde de werkelijkheid ruw en wreed voor Eline's geest terug, en dan zag zij niet meer het tooneel en Fabrice, maar hun salon, en Paul, die het blad omsloeg. Maar nu, opnieuw viel zij in: zelve begreep Juliette het gevaar, zoo Roméo langer toefde; zij drong zelve, dat hij zou gaan en hij antwoordde: "Ah! reste encor, reste dans mes bras enlacés! Un jour il sera doux, à notre amour fidèle, De se ressouvenir de ces douleurs passées!" Dit was een passage waarin Pauls lyrische weekheid tot zijn recht kwam en Eline hoorde, als glimlachend en voor goed uit den droom ontwakend, hoe melancholiek en lief hij dit vermocht voor te dragen. Een wroeging omving haar: zij gevoelde het, dat zij zooeven hem in haar genot overjubeld had; ze zou nu oppassen.... En zij droeg de finale, minder in overweldigende wanhoop, dan in weeke smachting voor, zoodat Pauls hooge borsttonen beter uitkwamen dan in het begin, maar het visioen was voorbij, het tooneel, het publiek, Fabrice waren verdwenen. "Adieu, ma Juliette!" zong Paul haar toe en zij antwoordde met een lichten kreet, waarin hij instemde: "Toujours à toi!" VI. --Heerlijk, heerlijk zoo te zingen! riep Eline in extaze uit en ze vloog op en omhelsde mevrouw Van Raat met bruisende onstuimigheid. En zingt Paul nu niet lief, mevrouwtje, en is het niet onverantwoordelijk, dat hij geen les wil nemen? U moest hem eigenlijk dwingen.... Maar Paul beweerde, dat Eline hem reeds mooi genoeg les gaf, en dat ze hem nog eens zich zou laten doodzingen met hare moeilijke duo's; Eline echter meende, dat hij het er perfect had afgebracht. Betsy zuchtte, in stilte, van verademing na het bruyante afscheid der Veroneesche geliefden, dat onder het geschilderd plafond en tusschen de peluche draperieën van haar salon haar te zwaar en te luid in de ooren had geklonken. Eigenlijk vond ze het een vreeselijk geblèr! Waarom zong Eline liever niet iets aardigs, iets luchtigs uit de een of andere bouffe! Het gesprek begon, nu Eline en Paul zich hadden neêrgezet, weder algemeen te worden, over kleine nieuwtjes van den dag, over de drukte in de straten, nu het weldra St. Nicolaas was, tot het halftien sloeg en Mina zeggen kwam, dat het rijtuig voorstond. --Het is ook mijn uurtje, sprak mevrouw Van Raat, langzaam opstaande, en Eline huppelde neuriënd weg, om haar goed in het boudoir te halen, een bonten rotonde, een wollen doek, een capuchon. Zij liet zich zorgvuldig inmoffelen door haar lieveling, en pakte voorzichtig haar bril en haar handwerk bijeen in hare réticule. Daarna kuste zij hen allen, zich tot hen buigend met de langzame bewegingen eener vermoeide, oude vrouw en Henk en Paul lieten haar uit en hielpen haar in de mollige, satijnen kussens van den coupé. Het rijtuig rolde weg, en mevrouw Van Raat hoorde nog een geruisch in haar ooren als van zingende stemmen en zij glimlachte weemoedig, terwijl zij het beslagen glas van het portier afwischte, om naar buiten te zien, waar de sneeuw vuil en bezoedeld neêrlag in den glans der lantarens, en ze dacht aan den tijd, toen ze naar de opera ging, met haar man.... Paul bleef nog een uurtje en stapte toen op, na een stevig glas wijn op zijn duo's gezet te hebben.... Toen hij vertrokken was, ging Eline naar boven, om wat op te redderen, zooals zij aan Betsy zeide. Het was koud in Eline's zitkamer, maar de koelte verfrischte hare wangen en hare handen, verhit door de lauwe atmosfeer van den overwarmen salon. Zij wierp zich neêr op de Perzische kussens, hief heur hand omhoog en streelde het blad der aralia, in een houding, die haar lief was. En zij glimlachte, terwijl haar oogen zich vergrootten in een droomerig gestaar, en dacht aan Fabrice met zijn mooien baard en zijn prachtige stem. Hoe jammer, dat Betsy niet meer van de opera hield! Zij gingen er zeer weinig heen en zij was er toch zoo dol op. Ze zou mevrouw Verstraeten eens netjes, op een discrete wijze, doen blijken, dat zij haar wel eens een enkelen keer kon vragen; meneer ging toch nooit, en mevrouw inviteerde meestal den een of den ander op haar vierde plaats, nu eens Freddy, dan Paul.... waarom haar ook niet? Eensklaps sprong zij op, geprikkeld door een plotselinge gedachte: Fabrice had gisteravond voor de derde maal gedebuteerd: de eerste maal was hij opgetreden in Hamlet, daarna in le Tribut de Zamora, waarin zij hem gezien had, gisteren in Guillaume Tell.... Zij liep haar kamer uit en boog zich over de leuning der trap. --Mina, Mina! riep ze. --Ja juffrouw! antwoordde Mina, die juist in de vestibule liep met een blad vol wijnglazen. --Breng me de couranten eens, als meneer en mevrouw ze gelezen hebben, wil je? --Goed juffrouw, dadelijk. Zij keerde terug en wierp zich weêr op den divan. En ze lachte om zichzelve, daar heur hart klopte van nieuwsgierigheid. Het idée! Wat kon het haar eigenlijk schelen! Daar hoorde zij Mina de trap opkomen; zij bracht beiden, het Vaderland en het Dagblad. --Als u blief, juffrouw. --Dank je wel, Mina, zeide Eline onverschillig en nam de couranten loom aan. Nauwlijks echter had de meid de deur achter zich gesloten, of zij vouwde kreukend en krakend het Vaderland open, en zocht met tintelende oogen in het Kunst- en Letternieuws, en ze las: "De Fransche Opera." "Niemand zal het zeker na Hamlet en Le Tribut de Zamora betwijfeld hebben of de heer Theo Fabrice zou genade vinden in de oogen van de abonné's onzer Fransche Opera, en men kan zich dus alleen verwonderen, dat er zich nog drie stemmen tegen den schitterenden baryton verklaarden. Opnieuw gaf de heer Fabrice, in Tell, bewijs hoe hij ten volle geschikt is om het emploi van Baryton van den Grand Opéra alhier te vervullen, zoodat wij ons van harte in zijn aanneming verheugen kunnen. Aan een forsch en goed geleid orgaan paart de verdienstelijke artist een hartstochtelijke en toch gepaste actie, die van studie getuigt. In het duo met Arnold (1e acte) en het groote trio, in de scène met Jemmy, gaf Fabrice een grootere volmaaktheid dan men meestal op ons tooneel gewend is, te hooren...." En Eline knikte glimlachend, goedkeurend; het was inderdaad volkomen waar; en zij las het artikel uit, zich verheugend in zijn succes, en zocht vervolgens hoe het Dagblad over hem oordeelde. Hoofdstuk VII. I. De Ferelijns bewoonden in de Hugo de Grootstraat boven een kruidenier een klein appartement, een suite met een keuken en een kabinetje op de eerste, en twee kamers met twee kabinetjes op de tweede verdieping. Zij leefden daar in een drukkende bekrompenheid, een benauwde zuinigheid; Frans was door zijn ouders weinig nagelaten geworden en moest dus met vrouw en kinderen leven van zijn klein verlofstractement. Zij hadden zich in Den Haag gevestigd, in de stad, waar zij beiden, van hun kindsheid af, hadden gewoond, waar zij elkaâr hadden leeren kennen, waar zij hun vrienden en hun meeste souvenirs dachten terug te zullen vinden, hoewel Frans er wel eens over sprak, dat zij verstandiger zouden handelen zich in een kleinere stad te vestigen. Maar ook Jeanne's vader, de heer Van Tholen, gepensionneerd rezident, woonde nog in Den Haag, zeer eenzaam, wegens zijn moeilijk karakter weinig meer gezocht door oude vrienden en bekenden, en langzamerhand verlaten door zijn kinderen, die huwden of eene betrekking zochten. Daarom had Jeanne haar man ook overgehaald, niettegenstaande hun kleine beurs, in Den Haag te blijven. Zij zou zuinig zijn, beloofde zij, en zij hield woord, weinig spaarzaam van aard, maar nu gedwongen te zien op iederen cent, dien ze uitgaf. Zoo bleven zij in Den Haag, trots vele teleurstellingen, Jeanne vond heur vader in de vier jaren, waarin zij elkaâr niet gezien hadden, oud geworden, ontevredener en prikkelbaarder, dan zij hem zich vroeger herinnerde. De tijden van vroeger waren voorbij, dacht zij; de vroolijke jeugd in de ouderlijke zonnige woning, met haar moeder en haar broers en zusters; haar onschuldige guitenstreken met vriendinnetjes van school; haar meisjesdroomen onder de seringen en jasmijnen van hun tuin; haar engagementstijd, vol idealistische hersenschimmen, met Frans. De souvenirs, die zij in Holland meende terug te vinden, waren wijd en zijd verspreid, als verdorrende bladeren, en hoe zij in Indië's hitte ook heimwee had gehad naar de vocht en den mist van het vaderland, nu, gebukt onder haar teleurstellingen, gebukt onder haar gedwongen zuinigheid, verlangde zij weder naar dat materieel kommerlooze buitenleven, dat zij in de Kadoe, tusschen haar koe en haar kippen, genoten had. En toch, dapper trots haar zwakte, hield zij den kamp met de duizende kleine beslommeringen van het dagelijksche leven vol. Dokter Reijer kwam hare Dora steeds om den anderen dag bezoeken, maar ze meende in den gezochten, jongen dokter een zenuwachtige haast te bespeuren, die hem zijne visite als bij seconden deed aftellen. Hij bleef even, luisterde aan Dora's borstje, zeide geruststellend, dat haar hoest losser werd, drukte Jeanne nog eens op het hart, het kind niet uit te laten gaan en vertrok in zijn coupé, terwijl hij met een gouden potlood in zijn boekje noteerde en de namen zijner drukke clientèle nazag. Frans zelven had hij, om zijn zware hoofdpijnen en zijn koortsen, een consult aangeraden met een professor in Utrecht, wien hij over den patiënt reeds lang uitvoerig geschreven had en Frans was naar Utrecht gegaan en teruggekomen, ontevreden over de vage, bedekte wijze, waarop de professor zich had uitgelaten. Zoo dokter Reijer nu Dora bezoeken kwam, ging Frans weg, geërgerd over hem en zijn Utrechtschen professor, die met hun beiden hem nog niet konden genezen, en hij begroef zijne hoofdpijn, die hem in het achterhoofd hamerde en zijne rillende huiveringen, die over zijn rug als sijpelingen van koud water vloeiden, in eene norsche eenzaamheid op zijn eigen kantoortje, het kabinet der eerste verdieping. Iets als eene wroeging omving hem dan wanneer hij Jeanne, alleen, boven met den dokter hoorde praten en Dora met haar zeurig stemmetje hoorde krijten, als het kind tegenstribbelde en zich niet wilde laten onderzoeken, maar toch: hij stond op; alle doktoren waren kwakzalvers, die hem wel veel wijsheid konden vertellen, maar die hem, als hij ziek was, toch niet genezen konden.... II. Jeanne ging met den dokter, nog pratende, de trap af, en Frans hoorde in zijn kabinet hoe Reijer naar hem vroeg, hoe zij iets antwoordde en de meid riep, om den dokter uit te laten. Daarop kwam zij binnen, terwijl het koetsje weldra op straat wegratelde. --Stoor ik je? vroeg zij met hare zachte, onderdrukte stem. --Neen, zeker niet, waarom? --Waarom ben je niet even boven gekomen, Frans? Reijer heeft tweemaal naar je gevraagd. Hij haalde de schouders op. --Het is toch voor niets! sprak hij wrevelig; ze sturen je naar beroemdheden in Leiden en Utrecht, die je een tientje laten betalen voor een praatje van een paar minuten.... --Maar wat wil je dan? Je kan toch niet met een tooverslag genezen van iets, waar je al twee jaren aan souffreert. Ik vind, je bent niet verantwoord, als je niet meer voor je gezondheid doet, dan je in die drie maanden, die wij hier zijn, gedaan hebt. Je bent er toch voor in Europa gekomen, niet waar? --Zeer zeker, maar ik moet eerst iemand vinden, die meer vertrouwen inboezemt dan Reijer. Reijer is een dokter à la mode, jou door de Van Raats aangeraden, heel beleefd en heel aardig, maar mij te oppervlakkig en te vluchtig. Hij is weg voor je hem gezien hebt. --Maar je spreekt ook niet open met hem. Ik vraag hem uit over Dora en dwing hem als vanzelf langer te blijven, en waarlijk, nu hij ons reeds beter kent, schijnt hij ook meer belang in ons te stellen. En men zegt algemeen, dat hij knap is, niet alleen de Van Raats dwepen met hem.... --Ja, ik zal wel eens zien, ik heb allen tijd, we zijn hier immers nauwlijks. Je bent soms net een druppel water op een steen, tèk, tèk, tèk.... Je zit altijd door te draven over die doktershistorie! riep hij, ontevreden over zichzelven en ongeduldig uit, en hij sloeg zijne schrijfportefeuille open, als om haar te beduiden, dat hij geen tijd meer had. Zij ging zonder een zucht en sloot de deur zacht achter zich toe. Boven vond zij in de kinderkamer hunne eenige meid, een jonge deern van zestien jaar, met een vuil schort en ponyhaar, bezig de bedden op te maken, terwijl Dora met de beide jongens, Wim en Fritsje, in het andere vertrek aan het spelen was met eene groote bouwdoos, een geschenk van grootpa, den heer Van Tholen. --Ik zal de deur dicht doen, dan kan je de kamer luchten, Mietje, sprak Jeanne en zij schoof de porte-brisée toe, en zette zich, glimlachend tot de kinderen, neêr bij het raam aan eene tafel, bezaaid met eenig linnengoed, dat zij moest nazien, kousjes, schortjes, rokjes, hier zoo kort geleden aangeschaft, en reeds te verstellen... O, wat waren hare kinderen slijtsch!... Ze zuchtte en hare kleine, magere hand woelde een weinig in het goed, terwijl hare oogen zich met tranen vulden. Waarom was ze niet sterker van gestel, wat zou ze dan flink haar huishoudentje geregeld hebben! Het was haar soms zoo moeilijk zich te verheffen boven de moedeloosheid, waarin zij zich voelde wegzinken als in een afgrond, uit de lusteloosheid, die haar als met fluweelen armen omving, en toch ... er moest zooveel gedaan worden; ze mocht niet toegeven aan ijdele mijmerij, niet hare oude, verspreide herinneringen bij elkander rakelen, als uitgebrande sintels, en zich in een verlangen naar vroegere illuzies vergeten; de werkelijkheid doemde voor haar op met een groote scheur in Dora's nieuw wollen rokje en de vuile wasch, die geteld moest worden. En toch nu, terwijl hare hand steeds woelde tusschen de kleine kousjes en de kleine hemdjes, nu liet ze zich meer en meer neêrzijgen in het weeke dons harer vermoeidheid; ze richtte zich niet met geestkracht op, om aan het werk te gaan en ze hoorde niet het gekibbel der kinderen, toen Dora en Fritsje beiden zeurend vochten om eenige blokjes. Zij had zoo gaarne veel zonneglans en harmonie in hare kleine woning willen brengen, maar zij was geene fee, en ze voelde zich zoo zwak en reeds niet bestand tegen de kleine lasten van het leven, en ze dorst niet te hopen op een rooskleuriger toekomst, daar de gedachte er aan haar, uit een aangeboren vrees, steeds huiveren deed, en haar een vaag, onduidelijk schrikbeeld voor den geest bracht, van iets sombers en rampzaligs, dat zij niet in woorden had kunnen schetsen. Haar hoofd viel neêr op haar andere hand en een traan drupte nu en dan op het linnengoed. O, wat had ze zoet kunnen sluimeren, gestreeld door eene liefkoozing, van iemand, die haar beminde en in wiens teederheid zij zich kalm en kommerloos en veilig zou gevoeld hebben! En ze dacht aan haar Frans, en hoe hij haar gevraagd had in hun tuin onder de bloeiende seringen, en zij dreef hem en ze was een druppel water op een steen, tèk, tèk, tèk.... O, ze wist het, ze maakte hem niet gelukkig; ze was hem een groote teleurstelling geworden, maar zij kon het niet hebben, dat hij meer in haar had willen zien en vinden, dan zij was: een dom, eenvoudig, zwak vrouwtje, met een groote behoefte aan veel, veel liefde, en veel zachtheid en innigheid, en met iets als een tikje sentimenteele poëzie in haar kleine ziel.... En zij richtte zich zuchtend op en vermaande de kinderen niet zoo een leven te maken: papa zat beneden en papa had hoofdpijn... Toen zocht zij op tafel naar heure werkmand, maar zij had hem in de huiskamer gelaten en zij vermaande Dora, als eene groote meid, even op de broêrtjes te passen. Zij sprak meestal tot het meisje met iets in haar stem, alsof zij tot eene volwassen dochter sprak, en Dora hielp haar dikwijls, gestreeld, dat moes haar al zoo bruikbaar vond. Zich aldus heffende uit hare weeke traagheid, ging Jeanne naar beneden, naar haar huis- en eetkamer, en ze zocht naar de mand, toen Frans binnenkwam. Hij had haar de trap opnieuw hooren afkomen, en hij had behoefte haar even te zien, in een gevoel van wroeging en ontevredenheid over zichzelven. Hij naderde haar, terwijl zij terzijde van den schoorsteen zocht, op de punt zijner pantoffels. Hij vatte haar zacht bij heure armen. Zij schrikte even en toen zij opzag, bespeurde ze in zijn oogen die zachtheid, waar ze zoo naar verlangen kon, en hij vroeg haar met een vragend glimlachje, waarin bijna iets als vrees school: --Ben je boos, zeg? Hare oogen vulden zich plotseling vol vocht en ze vleide heur hoofd neêr op zijn schouder en legde haren arm om zijn hals en knikte van neen. --Heusch niet? Nog eens knikte zij van neen, lachende onder haar neêrdruppelende tranen, en zij sloot de weenende oogen en voelde zijn ruigen snor op hare lippen, toen hij haar zoende. Wat had hij toch gauw berouw, wanneer hij onvriendelijk was geweest en wat deed het haar goed zoo te kunnen vergeven. --Kom, huil dan niet, zoo erg is het niet geweest.... Zij loosde een zucht van verademing en klemde zich vaster aan zijn hals. Als je maar een beetje vriendelijk tegen me bent, o, dan voel ik me zoo.... zoo sterk, dan voel ik me tot alles in staat. --Lief wijfje!.... Nog eens zoende hij haar en, onder de warme teederheid zijner lippen, vergat zij de ijskoude der ongestookte kamer, die haar rillen deed in zijne armen. Hoofdstuk VIII. I. Het was den 5den December en er heerschte van den vroegen morgen af een geheimzinnige drukte, een glimlachend gefluister, een angstig weggemoffel voor onbescheiden binnentredenden, in het huis der Van Erlevoorts. Des avonds even over zevenen kwamen de Verstraetens; de twee neefjes Jan en Karel, die in de tableaux hadden meêgedaan, vergezelden hen; vervolgens kwamen de Van Raats en Eline; daarna de oude mevrouw Van Raat en Paul; Henk echter en Jan Verstraeten traden niet den salon binnen, maar verstopten zich aanstonds geheimzinnig in een kabinetje, waar Marie en Lili reeds een pak kostumes hadden gebracht. In den grooten salon ontving mevrouw Van Erlevoort, stralend van vreugde, heure gasten, die door de Van Rijsseltjes en Hector met oorverdoovend gejuich werden welkom geheeten, wat door Mathilde en dikke juffrouw Frantzen nauwelijks kon worden getemperd. --En waarom heb je Ben nu niet meêgebracht? vroeg mevrouw Van Erlevoort verontwaardigd aan Betsy. --Heusch, mevrouw, Ben is nog te klein, u moet bedenken, hij is pas drie jaar en het wordt te laat. --Hij had wel even met onze Martha naar huis kunnen rijden, als de kinderen naar bed zouden gaan. Ik had juist iets aardigs voor hem, sprak mevrouw teleurgesteld.... In den anderen salon, waar de jonge meisjes met Otto, Paul en Etienne praatten en lachten, ontstond een beweging en de Van Rijsseltjes keken zenuwachtig en nieuwsgierig op. Martha, de linnenmeid, was binnengekomen en had glimlachend iets aan Frédérique medegedeeld. --Menschen, kinderen! riep Frédérique met een waardig gelaat; stilte! St. Nicolaas is gearriveerd en vraagt, of hij zijn entrée mag maken. Vindt u het goed, mama? Men hield zich zoo ernstig mogelijk en zag steelsgewijze naar de Van Rijsseltjes. St. Nicolaas kwam intusschen reeds aangestapt in een witten tabbaard en een langen, rooden mantel, met goud galon omzoomd; hij droeg lange, grijze haren, een langen, witten baard en een gouden mijter op het hoofd. Statig deed hij zijn entrée-de-salon, steunende op zijn staf en achter hem ging zijn zwarte page, gekleed in een fantazie-kostuum, dat zij, die de tableaux onlangs bij de Verstraetens gezien hadden, wellicht herkend zouden hebben. De drie meiden en Willem, de knecht, volgden hen als een achterhoede en bleven vroolijk toekijken in den kleinen salon. De groote menschen bogen allen met een zelfbewust glimlachje voor den Spaanschen bisschop. St. Nicolaas mompelde een groet en begaf zich, bijna struikelend over zijn te langen tabbaard, naar de canapé, waar de oude mevrouw Van Raat en mevrouw Verstraeten zaten, omringd door mevrouw Van Erlevoort, den heer Verstraeten, Mathilde, Betsy en Otto. Men stond voor het gemak niet op en mevrouw Van Erlevoort verwelkomde den hoogen gast met een familiaire vriendelijkheid. Waarom blijft oma zitten? fluisterde Ernestine verwonderd, en zij hief haar fijn verstandig gezichtje naar Marie omhoog. Dat doet ze toch nooit als er zoo een oude, vreemde meneer komt.... --Mais, écoute donc, comme elle est fine! fluisterde Marie tot Eline, die naast haar stond. Eline echter hoorde niet; zij stond te lachen met Paul en Etienne om St. Nicolaas wiens tabbaard bepaald afzakte en reeds een halve el over zijn voeten golfde, terwijl een blonde reep tusschen zijn grijze lokken en zijn mijter zichtbaar was. II. Daar verhief St. Nicolaas zijn volle, zware stem en wenkte hij, terwijl hij met een flinken ruk zijn tabbaard in zijn gordel optrok, de Van Rijsseltjes tot zich. Zij vertrouwden de zaak nog niet goed, maar toen St. Nicolaas een der zakken uit de handen van zijn knechtje nam en zij nu beiden ze openden en begonnen te strooien, toen straalden de Van Rijsseltjes van blijdschap, vergaten hunnen angst, en wierpen zich tegelijk, over Hector rollend, op den grond neder om te grijpen, wat maar te grijpen viel, peperappels, vijgenmandjes, hazelnoten, mandarijntjes, chocolâ.... --Pak maar op, pak maar op! moedigde St. Nicolaas aan; we hebben nog een heele boel meer, zie maar! Kom jullie, groote jongens, moet je ook niet wat hebben? De neefjes Verstraeten lieten zich de uitnoodiging niet herhalen en grabbelden meê. --Wil u dit voor mij bewaren, oma! gilde Nico en stortte een regen van opgezamelde lekkernijen in den schoot zijner grootmama; dan ga ik nog meer halen! --Nico, Nico! vermaande Mathilde. --Ach! zeide mevrouw Van Erlevoort goedig. St. Nicolaas en het knechtje schudden echter hunne groote zakken, die hoe langer hoe slapper waren geworden, uit en keerden ze om, als blijk, dat ze nu waarlijk geledigd waren. --O, nu gaan we zeker naar de eetkamer! riep Ernestine, en ze sprong op en klapte in hare handen. --O ja, naar onze tafeltjes! stemde Johan in. Ieder stond op en men volgde den bisschop en de kinderen naar den kleinen salon, en de meisjes gichelden weêr om St. Nicolaas' afgezakte pruik, maar de heilige riep de meiden en Willem toe: --Gauw, gooi de deuren maar open, gauw! De porte-brisée werd opengeschoven en de kinderen stormden de verlichte zaal binnen, waar in plaats van de eettafel, nu vier kleine tafeltjes stonden; op elk lag de naam in chocoladeletters gespeld; op elk verhief zich een toren van speelgoed. De Verstraetens en de Van Raats fluisterden tegen de meiden en lieten hunne cadeaux voor de kleinen ook binnenbrengen, één voor één hoepels, zweepen, panoplies, ballen, tinnen soldaatjes, een koe, die melk kon geven.... Intusschen had St. Nicolaas zich met zijn knechtje uit de voeten gemaakt, en daar het langzamerhand halfnegen begon te worden, meende Mathilde, dat er aan alle pret een einde kwam. Maar zij zou, zelfs met behulp van dikke juffrouw Frantzen, niet zoo heel spoedig haar doel bereiken. De kinderen verwarden zich in eene administratie om hun speelgoed en hunne lekkernijen bij elkander te houden; hazelnoten regenden uit de zakken van Ernestine over den grond: Johans tinnen soldaten, die in een oogwenk waren uitgepakt geworden, konden onmogelijk meer allen in hunne spanen doos en Lientje met haar hoepel en Nico met een nieuwe trompet renden met Hector de eetzaal door, zonder zich veel meer over hunne andere ordeloos verspreide bezittingen te bekommeren. --Kom kinderen! riep Mathilde; gauw nu, het wordt tijd om naar bed te gaan. Maar zij hoorden niet meer, de kleine Van Rijsseltjes, dol van de pret en weêr in wanorde omverwerpende wat de anderen bijeengezameld hadden, en Frédérique deed meê en nam Nico op haar rug, terwijl hij haar als zijn paard sloeg met een zweep. Ook de kleine Verstraetens wonden Tine en Johan op, en liepen hen na, over den langen, marmeren corridor, stampende met hunne laarzen. Mathilde sloeg hare handen wanhopig in elkaar. Niemand lette op haar, daar juffrouw Frantzen de meiden hielp met het speelgoed, en de jonge meisjes weêr met Paul en Etienne kakelden. Daar zag zij gelukkig Otto, die met Betsy en mevrouw Verstraeten sprak en zij ging naar hem toe en vatte zijne handen. --O, ik bid je, Otto, help mij toch, de kinderen moeten heusch naar bed en ze hooren zelfs niet meer naar me. Mama helpt je ook niets in die dingen. Mevrouw Van Erlevoort was namelijk juist bezig in de andere kamer het theeserviesje van Lientje voor de kleine meid te vullen met water, melk en suiker, en de oude mevrouw Van Raat en de heer Verstraeten zagen lachend toe. --O, Otto moet weêr de boeman zijn! zeide deze vroolijk. --Ach, neen, geen boeman, maar mijn hoofd loopt me om, als je mij niet even helpt. Heb je ooit zulke woelwaters gezien als mijn kinderen, Betsy? Toe Otto, kom je? Betsy lachte. --Ik zou maar even mijn gezag als oom doen kennen, meneer Van Erlevoort, zeide mevrouw Verstraeten. Otto ging met Mathilde meê, eerst naar Freddy. --Kom Freddy, Nico moet naar bed. Kom Nico, gauw. Morgen mag je weer paardje rijden op tantes rug. Stil Hector, liggen. --Je hebt niets te zeggen over mijn rug, hoor! zeide Freddy; hoor je, papaatje! Kom Niek, papaatje zegt dat we moeten uitscheiden. Niek gehoorzaamde, pruilend en vragend om zijn trompet, en Mathilde nam hem bij de hand. Daarna ging Otto in den corridor en de twee oudsten werden als hollende paarden gestuit, terwijl zij renden, en Otto zijn armen openbreidde. --Kom Tine, en Jo, mama wil, dat je nu naar bed gaat, niet waar! Wees nu niet meer ongezeggelijk, anders doe je mama verdriet. --Wat hebben we dit jaar een boel gekregen, oom! riep Ernestine buiten adem. Mathilde kwam nu met Nico en Lientje aan de hand eveneens in de gang. --Verbeeld je, daar zat mama heel kalm theetje te spelen niet Line! zeide zij en haar wanhopig gezicht deed Otto glimlachen. Waarlijk het zou twaalf uur worden, zonder dat mama.... --Moesje, moeten we niet eerst goedennacht zeggen, aan de menschen? gilde Johan. --Neen, neen! riep Mathilde verschrikt en klemde vaster zooveel kleine handjes als ze maar kon; ik zal wel je groeten overbrengen aan alle menschen, aan allen hoor! Dank je Otto. Zij knikte hem vriendelijk toe en hij knikte haar terug, met zijn hartelijken glimlach en zijn flinke oogen. En Mathilde bracht de kinderen naar boven. III. --U kan dus goed tegen al die drukte? vroeg de oude mevrouw Van Raat aan mevrouw Van Erlevoort, en zij keek haar glimlachend, maar bijna verwonderd aan met haar doffen, treurigen blik. Er heerschte een plotselinge kalmte na den uittocht der kinderen. Men verliet de eetkamer, waar hun speelgoed nog slingerde; het vertrek werd gesloten en men dwaalde rond in de twee salons, terwijl mevrouw Van Erlevoort thee schonk en Willem ronddiende. Otto was teruggekomen. --Of ik er tegen kan, mevrouw? Ik voel mij er in herleven, ik voel mij er opnieuw jong in worden. Ik heb behoefte aan jeugd om mij heen. Ik heb geen treuriger leven gekend, dan toen mijn dochters en mijn zoon Théodore getrouwd waren, en toch had ik nog drie kinderen behouden en Freddy en Etienne zijn uitgelaten als kinderen.... Maar ik moet van dat kleine goed om mij zien dwarrelen; er is niets wat een mensch jonger doet blijven dan hun vroolijk rumoer.... Mag ik u nog eens inschenken? Mevrouw van Raat reikte haar kopje over en zij benijdde mevrouw Van Erlevoort dien levenslust met zóo grijze haren. Zij vergeleek haar met zichzelve, en haar eigen melancholieke eenzaamheid, die zij dubbel gevoelde, nadat het leven haar zoo bedorven en geliefkoosd had, doemde in wreed contrast op naast den, door jeugd omringden ouderdom, van die gelukkige grootmama, met haar gezond gestel, dat geen nevroze scheen te kennen. --En o, u weet niet, hoe het mij spijt, dat ik het zestal van Théodore zoo zelden zie, maar de jongen dweept met het buitenleven en wil er niets van weten, wanneer ik hem poog over te halen in Den Haag te komen wonen. --Uw dochter in Engeland houdt zich bij haar éene kindje, niet waar? vroeg mevrouw Verstraeten. En mevrouw van Stralenburg? Mevrouw Van Erlevoort boog zich een weinig tot mevrouw Verstraeten en fluisterde haar iets geheimzinnigs in, terwijl zij tegen den heer Verstraeten, die haar vragend en glimlachend toeknikte, schalks knipoogde. Daarop vertelde mevrouw Van Erlevoort, hoe de Van Rijsseltjes gisterenavond hunne schoentjes hadden uitgezet, toen Henk en Jan Verstraeten binnenkwamen, glimlachend, en Henk met een rood gezicht. Mathilde kwam eveneens terug en men zeide haar tal van aardigheden over de kinderen. Maar er werd hard aan de huisbel gerukt, zóó, dat het zelfs, trots de vele vroolijke gesprekken, de opmerkzaamheid gaande maakte. Ieder zag naar de deur, die openging. Willem, Truitje en Rika torsten te zamen een groote kist binnen, naar mevrouw Van Erlevoort toe. --O! riep Frédérique; dat is de kist uit Londen! Mevrouw Van Erlevoort verhaalde aan mevrouw Van Raat, dat haar schoonzoon Howard hun ieder jaar op St. Nicolaas eene groote kist stuurde, die steeds voor ieder iets bevatte. Willem maakte met een beitel en nijptang de schroeven en nagels los, geholpen door Etienne. Een ieder zag vol verwachting toe. En de stortvloed van geschenken en surprises begon. IV. Eline had reeds van hare cadeaux eene kleine étalage gemaakt, en zij beweerde, dat men haar verschrikkelijk bedorven had en straalde van blijdschap in haar sympathieken glimlach. Glimlachend ook nam zij nu een pakket uit Martha's hand aan; langzaam brak zij het touw, voorzichtig ziende of een cachet of een onbewaakte letter haar niet op het spoor van den gever zou brengen. Maar niets verried haar dit; het adres gaf eenvoudig te lezen: Mlle E. Vere. Het was een waaier-étui van grijs leer; zij opende het, reeds met verwondering bedenkend van wien dit kon wezen. In den étui, op het gecapitoneerde grijze fluweel, lag een waaier van zeer fijn gesneden parelmoêr: zij nam dien op en ontplooide hem langzaam. Bewonderend zag zij er op neêr. --Bucchi! murmelde zij, den naam des schilders lezende onder aan den waaier, Bucchi! De waaier was inderdaad geschilderd door den Italiaanschen kunstenaar, een fantazie van rozen en elven op ivoorwit satijn. --Van wien kan dat zijn? sprak zij. Hoe prachtig! Ieder stond op, ieder verdrong zich om Eline, die voorzichtig den waaier hield opengeplooid en men bewonderde het kostbare voorwerp. Eline was zeer verbaasd. Van mevrouw Van Raat had zij een odeurstelletje, dat wist zij zeker; van Henk en Betsy.... --Betsy, lieveling, moet ik jou hiervoor bedanken? vroeg zij oprijzend. Betsy schudde haar hoofd. --Parole d'honneur, mij niet, Eline! Ja, zij had immers een armband van Betsy en Henk, maar van wien dan dezen waaier? --Zou het misschien van.... Vincent zijn? vroeg zij weder. --Van Vincent? Ach wel neen, hoe kom je daar nu op? Welk jongmensch geeft zoo een cadeau. Laat eens zien. Eline reikte haar den waaier over. --Het is magnifique, zeide Betsy; magnifique! Eline schudde, zich bedenkend, langzaam het hoofd, geheel en al het spoor bijster. De waaier ging intusschen voorzichtig van hand tot hand, en Eline bespiedde onderwijl ieders gelaat, maar op niemands trekken las zij ook maar de minste verklaring. Toch richtte Frédérique eensklaps haar hoofd met iets verwonderds op. Zij verdreef echter aanstonds die uitdrukking van haar gelaat en schijnbaar onverschillig naderde zij de plaats, waar Eline gezeten was. --Mag ik den étui eens even zien? vroeg zij. Eline reikte haar den étui en Frédérique bezag en betastte het grijze leêr en het grijze fluweel. --Kan je ook soms in de verste verte vermoeden, van wien ik dat kan gekregen hebben? vroeg Eline en bewoog hare armen met een gemaakte wanhoop. Frédérique haalde haar schouders op en zette den étui neêr. --Neen.... ik weet het heusch niet! sprak zij, een weinig koel en zij zag Eline nieuwsgierig in haar lichtbruine oogen. Iets onverklaarbaar antipathieks scheen haar uit dien gazellenblik toe te lichten, straalde haar ook uit die affectatie, die wanhoop over den onbekenden gever tegen. Zij keek niet meer naar den algemeen bewonderden waaier, en was het verdere gedeelte van den avond stiller dan zij ooit placht te zijn. V. De stortvloed van geschenken was opgehouden. Mevrouw Van Erlevoort had heur gasten verzocht haar beide ontredderde salons, vol papier, stroo, zemelen en aardappelschillen te verlaten, nu Willem de deuren der eetzaal voor de tweede maal openschoof en de eettafel, voor het souper gedekt, vroolijk glinsterend allen tegenlachte. Het was zeer vroolijk aan tafel. De heer Verstraeten amuzeerde mevrouw Van Erlevoort en Betsy, tusschen wie hij gezeten was, met zijn kluchtige scherts en Mathilde naast Betsy lachte vaak meê, Henk, tusschen zijn moeder en zijn tante gezeten, ontbrak het aan niets, terwijl Otto en Eline in een druk gesprek waren en Etienne zeer rumoerig tusschen Lili en Marie het hoogste woord voerde. --Freddy, wat ben je stil, chère amie? vroeg Paul, terwijl hij een kreeftensalade verorberde en zich tevergeefs uitputte, zijn, anders genoeg luidruchtig buurvrouwtje aan den praat te maken. Heb je soms niet genoeg gekregen naar je zin? --Ik stil? Hoe kom je er aan! antwoordde Freddy en zij begon te kakelen met een overstelpende levendigheid, welke als de echo was van die van Etienne. Maar toch, de hare was een weinig opgeschroefd, zij lachte niet altijd meê uit den grond van haar hart en zag vaak steelsgewijze naar Eline om, schitterend van bevalligheid in haar vroolijk gesprek met Otto. Ja, ze had toch wel een bizonder waas over zich, iets betooverends, als een sirene, terwijl haar droomerige oogen zich half sloten, wanneer zij lachte, en de mollige lijn harer fijn besneden lippen zich in twee kuiltjes verloor. En die mollige handjes, die zoo blank tusschen de zwarte kant en de donkerroode strikken van haar toilet woelden, en die coquette brillant, een enkele, als een droppel, trillende in de zwarte tulle aan heur hals... Frédérique vond haar betooverend, maar toch, zij vond haar antipathiek .... en haar oogen bespiedden bijna angstig Otto's blik, die vol licht op de sirene neerzag. Maar onderwijl praatte en lachte zij door met Paul, met Etienne en Lili en Marie, en de oude mevrouw Van Raat riep van den overkant haar toe, dat de familie Pretmaker de eer van haren naam weer goed ophield. Champagne stroomde in de kelken en de heer Verstraeten dronk op de immer jeugdige gastvrouw, met haar mooie grijze haren en bedankte haar met een kus, dien zij wilde afweren, voor het prettige feest. Eline klonk met Otto op iets, dat Frédérique niet verstond, en waarvoor zij haar mooiste cadeau had willen geven, om het te weten. Toch vroeg zij het niet.... --Etiênne, wat maak je een leven! riep zij bijna ongeduldig haar broêr toe, die iets galmde van: "Buvons jusqu'à la lie!" terwijl hij zijn bevenden kelk bijna uitstortte over Lili's taart. Maar zij had berouw over dat dwaze verwijt: waarom mochten anderen niet vroolijk zijn, al was zij nu ontstemd? Het souper liep ten einde, de rijtuigen stonden reeds voor en de gasten, beladen met allerlei, vertrokken onder herhaalde dankbetuigingen voor de gewisselde geschenken. Mathilde was moê en ging spoedig naar boven, terwijl mevrouw Van Erlevoort en Otto een oog hielden op de overal verspreide cadeaux en ze een weinig bij elkaâr schikten. --Wat zien de kamers er uit! zeide Frédérique en zij schopte een gescheurde kartonnen doos terzijde naar een hoop verkreukeld pakpapier. Daarop naderde zij de tafel; de waaier..... Eline had hem meêgenomen. Vervolgens kuste zij haar moeder en Otto, maakte schertsenderwijze Etienne's haar in de war en bracht haar cadeaux naar boven. Langzaam ontkleedde zij zich, dralende in de kilte, die haar huiverend omving.... En terwijl zij zich rillende tusschen haar dekens uitstrekte, zag zij weder Eline voor zich, in haar betooverende elegance, in haar zwarte kant, glimlachend tegen Otto.... Het dwarrelde voor haar heen als een ordelooze kaleidoscoop, Henk als St. Nicolaas gedost met zijn afgezakten tabbaard, en Jan Verstraeten als knechtje, de kist uit Londen, de waaier van Bucchi.... Hoofdstuk IX. I. Het was een paar dagen na den St. Nicolaasavond, toen Eline des middags uitging met den kleinen Ben aan haar hand. Den vorigen avond was zij met mevrouw Verstraeten, Marie en Lili naar de opera geweest, waar zij de Trouvère gezien had, en dien morgen had zij Roberts, haar ouden brompot van een muziekmeester, Léonore's air voorgezet, opdat hij haar zou accompagneeren: "La nuit calme et sereine..." Hij had zijn hoofd geschud; hij hield niet van die bravour-aria's der Italiaansche school, waarvoor Eline dikwijls met hem redetwistte; zij vond Bellini, Donizetti, Verdi elegant en melodieus, muziek als geschreven voor haar kristallen sopraan, hij vond ze dikwijls kinderachtig, met hun huppelende, lichte wijsjes en wees haar op de rijkere diepheid van Wagner. Maar ze had hem onder den duim en hij had gespeeld wat ze hem voorgezet had. --Kom Ben, niet zoo hangen, goed loopen! sprak Eline tot den kleinen, dikken jongen, die op zijn loome beentjes haar een pas achterna bleef. Kom, gelijk met tante blijven. Vindt je het niet prettig, meê naar de winkels te gaan? Eline had gisteren in de opera, tijdens de cavatine van den Comte de Luna, een gedachte in zich voelen opkomen. Achter het raam van een platenwinkel had zij portretten van Fabrice gezien, gecostumeerd, in verschillende pozes, en zij had het plotselinge verlangen gevoeld er een te bezitten. Nu was zij op weg gegaan, om zich dat portret aan te schaffen. En zij stelde met een lichten glimlach, als genoot zij in een geheime weelde, zich hem voor met zijn groote, forsche gestalte en zijn mooien kop met den zwarten baard. Hoe heerlijk toch acteur te zijn! Van Fabrice dwaalden hare gedachten af op haar nieuwen waaier, dien zij gisteren had gebruikt.... Betsy had haar gezegd, dat zij dwaas deed dien te gebruiken, voordat zij den gever kende, nu zij in het minst niet vermoeden kon van wien het geschenk haar toekwam, maar zij had zich niet aan het bezwaar harer zuster gestoord; zij vond integendeel iets pikants in dat onbekende, en haar romantische geest schepte er aanstonds een kleinen roman uit: Fabrice had haar opgemerkt in de loge der Verstraetens, hij was gecharmeerd op haar geworden, hij zong voortaan slechts voor haar, alleen voor haar, en de grootste teleurstelling vervulde zijn hart, wanneer hij haar niet in de opera zag... Hij was het, die haar den waaier gestuurd had, met dat bescheiden: Mlle E. Vere, op het adres; hij had gezien, dat zij gisteren den waaier gebruikt had, en hij zou het haar wellicht eenmaal laten raden uit een enkelen blik, uit een enkelen klank zijner stem.... Zij glimlachte om dat romantizeeren harer fantazie en eensklaps schoot er als een bliksemstraal door haar geest... Het heugde haar: verleden zomer, op de tentoonstelling van schilderijen in de Akademie, had zij waaiers van Bucchi gezien, onopgemaakt, en uitgespannen achter glas, en zij herinnerde zich nu plotseling ze zeer bewonderd en den wensch geuit te hebben er een te bezitten.... Wie had de fijne opmerkzaamheid gehad, haar nu dat verlangen te bevredigen? Met wie was zij geweest in die tentoonstelling? Met Emilie De Woude, met Georges misschien.... Georges kon toch niet.... Of, haar danseur, die haar ten huwelijk had gevaagd, dien zij had afgewezen? Ach, het was te dwaas, ze gaf het op, ze wilde er niet meer over denken.... eenmaal zou ze het toch wel weten.... Door de Parkstraat en de Oranjestraat was zij in het Noordeinde gekomen en zij naderde reeds den platenwinkel, toen haar op eens de vrees omving, of de winkelier het niet dwaas zou vinden, dat een jong meisje het portret van een acteur kwam koopen. Zij geloofde, dat zij nooit zou durven... maar daar stond zij reeds voor den spiegelruit, waarachter groote gravures en fotografieën, beelden in biscuit en terracotta, tal van andere kleinere kunstvoorwerpen uitgestald waren, en haar oog viel dadelijk op een ris portretten, acteurs en actrices van de opera, met hun namen er onder geschreven: Estelle Desvaux, Moulinat, Théo Fabrice... --Kom Ben! sprak ze en duwde het kind zachtjes de deur in. Eenige dames zochten in den winkel fotografieën uit en zagen haar aan. Zij kon het niet helpen, maar ze meende waarlijk, dat zij even bloosde onder haar witte tulle voiletje. --Mag ik nieuwjaarskaartjes van u zien, zooals er voor aan het raam liggen? vroeg zij den winkelier, die haar naderde, Niet aan die beeldjes komen, Ben. Een menigte van kaartjes werden haar getoond. Ze bezag ze aandachtig, nam ze met de tippen harer geschoeide vingeren op, en legde er eenige terzij. Daarna zag zij hier en daar rond, bespeurde een stapel portretten en vatte die met haar loome onverschilligheid aan. Er waren er bij van Fabrice. Welke zou ze nemen? Dit melancholieke, in het zwart fluweelen kostuum, met den kanten kraag, van Hamlet; dit als Tell? Neen, hier dit, als Ben Saïd, zooals ze hem voor het eerst gezien had. Maar zij zou er ook nog een nemen van Moulinat, den tenor, en een van Estella Desvaux, de forte-chanteuse; dan frappeerde het niet, dat zij eigenlijk alleen voor Fabrice was gekomen. Maar dàn kon zij nog wel een tweede van Fabrice er ook bij nemen, als Hamlet. --Wil u me die kaartjes geven en, hier, deze vier portretten. --Mag ik ze u laten bezorgen? --O, neen, geeft u het maar meê, ik zal u dadelijk betalen. Hoeveel is het te zamen? Zij betaalde en nam het enveloppe aan, waarin de winkelier de platen gesloten had, en ze ging heen met Ben aan haar hand, en verbeeldde zich, dat de dames, nog altijd bezig met haar fotografieën, haar weder aanzagen, als wilden zij heur gedachte doorgronden. II. Een glans van genoegen overstraalde Eline's gelaat, nu zij weder buiten was, en nu zij gedurfd had, en zij gevoelde zich zeer vriendelijk en sprak telkens als een lief moedertje tegen Ben. En toen zij in de Hoogstraat Jeanne Ferelijn bespeurde, die melancholiek, in haar wintermantel wijd als een zak, en met haar eenvoudig zwart hoedje op, aan de overzijde liep zonder haar te bemerken, stak zij haastig, Ben medetrekkend, de straat over, tusschen twee rijtuigen, en zij sprak Jeanne aan, glimlachend en vol hartelijkheid. Zij liepen te zamen een eind op, en Jeanne vertelde haar, dat het zeer goed met Dora ging, maar dat zij een kindermeisje had moeten nemen, dat zij de kinderen niet altijd onder de hoede van Mietje durfde laten, die zoo slordig was en zoo weinig attent en dat dit haar financieël wel eenigszins drukte. Eline dwong zich oplettend te zijn bij het verhaal der nieuwe beslommering; Jeanne sprak echter weldra opgewekter over haar vader, den heer Van Tholen, en over dokter Reijer, waarmede zij thans beter overweg kon. Nu zij opmerkte hoe sympathiek Eline haar aanzag, en hoe lief zij Ben een enkele maal vermaande, rakelde zij eenige oude herinneringen op uit haar schooltijd, en zij lachten beiden om een paar guitenstreken, eertijds bedreven, en om de kersen, die zij snoepten uit Eline's capuchon. Jeanne berispte zichzelve, dat zij op het dinertje, onlangs bij de Van Raats, zulk een onaangenamen indruk van Eline had kunnen ontvangen; zij vond haar nu eenvoudig en hartelijk. --Maar laat mij je niet langer ophouden, Eline, sprak zij, eensklaps stilstaande; ik heb eenige vervelende commissies te doen; ik moet een paar pannen bestellen, en een melkkan. Mietje heeft kans gezien me er een te breken. --O, ik heb niets te doen, ik ga zoo ver met je meê, wanneer je het niet vervelend vindt, en wanneer Ben niet moê is. Ben je moê, kleine baas? Neen, niet waar? Hij kan al zoo flink loopen! Zij liepen verder op en Jeanne bestelde de pannen en Eline koos in een porceleinwinkel een melkkan voor haar uit. Intusschen bleef zij vol van haar eigen gedachten over Fabrice en zij gevoelde soms een onweêrstaanbaar verlangen, om het enveloppe, dat zij in haar eene hand droeg, te openen en zijn portretten te zien. Ze hield zoo dol veel van muziek, en Fabrice zong met zoo iets innigs, met veel meer gevoel dan andere acteurs. Hij was nog jong, geloofde zij; hij zou later zeker zeer veel naam maken en in Parijs worden geëngageerd. Jeanne ging nooit naar de opera en had hem dus denkelijk nooit gezien.... Zou zij, Eline, hem wel eens tegenkomen in de straten? En hoe zou hij er uitzien in zijn gewone kleeren? Ze zou eens, des morgens vroeg, een boodschap verzinnen, ten einde de opera te passeeren; mogelijk was het dan repetitie geweest, en zou zij de artisten in den omtrek van het gebouw ontmoeten. Vervuld van haar eigen berekeningen, hoorde zij niet altijd wat Jeanne haar verhaalde, maar zij bleef haar, wandelende aan heur zijde, aanzien met die oogen en dien glimlach, welke zoo betooverend lichtvol en Eline's grootste innemendheid waren. Zij waren intusschen omgekeerd en zij nam nu afscheid bij den Hoogewal. --Nu adieu, ik kom je eens gauw opzoeken, Jany, en mijn groeten aan Ferelijn. Zal je het doen? Kom Ben, geef mevrouw een handje. Jeanne gevoelde, in haar behoefte aan teederheid, iets als een lauwe warmte haar doorstroomen bij den klank van dien naam, Jany, een herinnering aan vroeger, aan haar jongemeisjesjaren, toen iedereen haar Jany noemde, Jany.... En zij haastte zich naar de Hugo de Grootstraat vol moed en vroolijkheid, verlangende naar haar klein binnenhuisje, haar man en haar schatjes van kinderen.... Eline glimlachte heimelijk, terwijl zij zich door het Willemspark naar huis begaf. De dorre takken boven haar glinsterden van den rijp, en in de vriezende lucht was het helder en klankrijk, als vol van onbestemde echo's.... Zij gevoelde een aandrang om haar geluk in die ruime atmosfeer uit te galmen met een schitterende roulade.... Was zij dan een klein beetje.... gecharmeerd.... op dien cabotin? Ach, het was te dwaas, hij zong alleen maar goed! Hoofdstuk X. I. Groote, zich rekkende schaduwen, als dansende, zwarte schimmen, wierpen de vlammen in de kachel over den muur en het plafond der donkere kamer. Voor een seconde bleef er dan een lichtglans hangen aan een antieke zilveren kan op een gebeeldhouwd buffet, dat, als een donkere massa, een hoek vulde, aan eenige antieke borden en pullen tegen den wand.... Vincent Vere lag uitgestrekt op zijn divan, en zag bij die telkens herhaalde lichtflikkeringen met halfgesloten oogen rond. Die vreemde, met rossen gloed doorschoten, somberheid van het vertrek deed hem aangenaam de alledaagschheid van zijn in de Spuistraat gehuurde kamers vergeten, waar een enkel kostbaar voorwerp van hemzelven vloekend afstak tegen de versleten burgerlijkheid van het ameublement. En hij mijmerde een pooze in die dantesque schemering.... Hij gevoelde zich in de laatste dagen zeer uitgeput. Een matheid verlamde zijn ledematen; het scheen hem of er lauw water door zijn aderen vloeide in plaats van bloed; een mist scheen somwijlen over zijn hersenen te hangen, zoodat hij niet denken of zich iets herinneren kon. Zijn geaderde oogleden vielen kwijnend over zijn fletsen, lichtblauwen blik; zijn onderlip scheen als moede neêr te hangen en er groef zich daardoor een trek om zijn kleinen mond, die hem iets zeer lijdends gaf. Vaak had hij zich zoo gevoeld, maar thans gaf hij de schuld aan de atmosfeer van Den Haag, die hem deed stikken, en hij verlangde naar veel ruimte en veel lucht, en begreep niet hoe hij er toe gekomen was, zich te begeven naar een stad, die zoo weinig aantrekkelijkheid voor hem gehad had.... Ja, het heugde hem, door den nevel van zijn uitputting heen: hij had een wijle van rust gewild, na al zijn rusteloos trekken en reizen, maar nu reeds werd hij, trots zijn vermoeidheid, door een nervoziteit geprikkeld om zich opnieuw in een maalstroom van veranderingen te werpen. Rust en eentonigheid verdoofden hem, en niettegenstaande zijn zwakte, bevocht hem steeds een aandrang naar veel beweging, naar veel handeling; een verlangen naar telkens wisselende verschieten, naar een horizon, die steeds week. Toch miste hij alle energie om zich aan eenig werk met kracht te wijden, terwijl zijn veranderlijkheid hem steeds voortdreef in een rusteloos zoeken, naar een kring, een omgeving, een betrekking, waarin hij zich thuis zou gevoelen, en die hij niet vond. De twee weken, welke hij thans in Den Haag had doorgebracht, schenen hem een eeuw van verveling toe. Den dag, nadat hij Betsy en Eline in de opera gezien had, was hij bij de Van Raats komen koffiedrinken en had hij Henk vijfhonderd gulden te leen gevraagd: hij wachtte, binnen een paar dagen, geld uit Brussel, naar hij zeide, en zou zijn neef zoo spoedig mogelijk deze schuld afdoen. Henk, die hem kende als zeer vergeetachtig in zulke kwijtingen, had echter niet willen weigeren en hem de gevraagde som ter hand gesteld, en Vincent leefde nu, terwijl het geld hem den eenen dag als water tusschen de vingers slipte, en hij den anderen, met een bijna bekrompen gierigheid, een dubbeltje poogde uit te winnen, in zijn doffe zwakte voort, terwijl de wissels uit Brussel zich wachten lieten. Over de toekomst bekommerde hij zich weinig, hij had steeds geleefd van het eene uur op het andere; hij had dagen van weelde gekend in Smyrna, en honger geleden in Parijs en Londen, maar in welke omstandigheden ook, steeds had hem die koorts naar afwisseling voortgejaagd in een ontevredenheid met het tegenwoordige; nu gevoelde hij zich eensklaps, terende op zijn vijfhonderd gulden, zoo gedésoeuvreerd, dat de last zijner lusteloosheid hem somwijlen zijne zwakte vergeten deed. Zoo mijmerde hij voort, starende in de duisternis, doorschoten met de rosse vlammen, die de meubels telkens met spookachtig relief uit het donker deden verschijnen. Hij mijmerde voort in een troosteloos pessimisme.... Waarom zou hij niet zijn zooals hij was? Hij zou weder geld noodig hebben en hij zou het krijgen op welke wijze ook, quand même; waarom niet? Er was geen goed en geen slecht in de wereld; alles was zooals het wezen moest en het gevolg van een aaneenschakeling van oorzaken en redenen; alles had recht van bestaan; niemand kon iets veranderen aan wat was of zijn zou; niemand had een vrijen wil; ieder was een gestel, een temperament en kon niet anders handelen, dan volgens de eischen van dat temperament, overheerscht door omgeving en omstandigheden; dàt was de waarheid, die de menschen steeds met hun kinderachtig idealisme, zeurend over deugd en met een handjevol religieuze poëzie, zochten te bedekken.... --O God, wat een bestaan is toch het leven! dacht hij en vatte het hoofd in de handen, terwijl zijn vingers door het krullende lichtbruine haar woelden. Dit leven tenminste dat ik nu leid, zou mij binnen een jaar dood of dol maken. Morgen is als vandaag, niets, niets, eentonig flauw.... En hij wierp zich als in een zee van herinneringen en overdacht wat hij doorleefd had, en verschillende oorden en steden doemden voor zijn geest op.... --En toch, wat een gezwoeg voor niets! murmelde hij en zijn oogen sloten zich, terwijl eensklaps een sluier over zijn heugenis scheen neêr te dalen, en een licht zweet hem op het voorhoofd parelde. Het suisde in zijn ooren en een onbepaalde ruimte, iets schrikwekkend wijds rolde zich plotseling uit voor zijn gesloten blik.... Maar die zwakheid, een flauwte nabij, duurde slechts eenige seconden; een diepe zucht slechts hief zich nog op uit zijn borst.... II. Daar hoorde hij vlugge stappen de trap opdraven, en een vroolijke stem wisselde eenige woorden met de juffrouw uit den galanteriewinkel beneden. Hij wachtte eenige kennissen dien avond. De deur werd geopend.... --Bliksems wat donker! Het lijkt hier wel de hel met dat vuur.... Waar zit je, Vere? riep Paul Van Raat, bij de deur stilstaande. Vincent rees op en kwam hem te gemoet en vatte Paul bij de schouders. --Hier, old chap, schrik niet.... Wacht, ik zal de lamp opsteken. Hij zocht lucifers, stak twee ouderwetsche lampen aan, die op den schoorsteen stonden, en knipte met de oogleden, door het schijnsel verblind. Het dantesque waas, dat over de kamer hing, was aanstonds door het gele petroleumlicht weggewischt, en de eenige gezelligheid bleef nog de goed brandende kachel, terwijl het antieke buffet met de zilveren kan en enkele Oostersche voorwepen verdwaald schenen tusschen het oude ameublement van rood Utrechtsch trijp, versleten tot den draad, en het antieke porselein tusschen de leelijke, goedkoope gravures en chromolithografieën aan den muur in een aristocratische misplaatstheid scheen opgehangen. Het was de eerste maal, dat Paul Vincents verblijf binnentrad en hij bezag de kan en de borden en bewonderde ze. --Ja, ze zijn nogal mooi in hun soort; de kan lekt, maar het drijfwerk is heel fijn, zie eens. Ik ben vandaag naar een ouden jood gegaan, een antiquaire, om die dingen van de hand te doen. Het is au fond ballast. Hij zou morgen komen. Of misschien heb jij er lust in? Zij zijn à prendre! --Neen, mijn kamer, of mijn atelier, zooals je wilt, is al zóo vol. --Nu, een paar borden meer of minder.... --Neen, merci. --Ja, ik doe ze ook liever aan den jood weg. Als ik kan, zie ik hem dan nog in den nek, weet je, en daarvoor zou ik met jou natuurlijk te eerlijk zijn. --Zeer verplicht. En als hij fijner is dan jij? --Ach, dan ziet hij mij in den nek. Dat is altijd zoo in de wereld, nietwaar? Je hebt zeker al thee gedronken? --Ja .... neen, dank je, laat maar .... maar zeg, hoe lang blijf je nu hier in Den Haag? Ze hadden zich neêrgezet en Vincent trok zijn schouders en zijn wenkbrauwen op. Dat wist hij werkelijk niet; hij had nog geen inlichtingen ingewonnen omtrent de betrekking bij de kina-onderneming op Java, maar hij had gehoord, dat men er liefst een chemist voor wilde hebben, en dat was hij niet. Hij zou er dus denkelijk van afzien, en daarbij geloofde hij, dat hij het Indische klimaat niet zou kunnen verdragen. Intusschen, blijven in Den Haag, en er iets zoeken, daar was geen kwestie van. Den Haag begon nu al te vervelen; het was er kleinsteedsch: iedereen kende elkander, ten minste van aanzien, en men ontmoette er overal de zelfde menschen, criant vervelend! Hij wist nog niet, wat hij zou doen, maar hij wachtte eerst brieven en geld uit Brussel. En hij eindigde met Paul te vragen of deze hem, voor een paar dagen, honderd gulden kon leenen. Paul geloofde wel, dat hij zou kunnen, maar hij wist het niet zeker. --Je zou me waarlijk er meê een dienst doen. Hoor ik het dan van je, morgen bijvoorbeeld? Of vindt je me indiscreet? --O, volstrekt niet, in het geheel niet. Ja, goed, ik zal zien, morgen. --Nu, ik dank je bij voorbaat. Je weet, de beide Erlevoorten en De Woude komen van avond ook. Ik had gevraagd, of ze een glas wijn kwamen drinken, sprak Vincent op een anderen toon. --Ja, ik sprak ze vanmiddag op de Witte, antwoordde Paul. Vincent leunde achterover tegen de oude, roode bank en het licht van de lampen wierp een vale tint op zijn geelbleeke gelaatskleur. Een zeer vermoeide trek grifte zich om zijn lippen. Het trof Paul, hoe Vincent geleek op een portret van zijn oom Vere, Eline's vader, terwijl hij, in zijn liggende houding, zijn arm met een gebaar, dat Paul bij Eline zelve vaak had opgemerkt, onder het hoofd boog. III. Na eenigen tijd, over negenen, kwam Georges De Woude van Bergh en het laatst Etienne Van Erlevoort binnen, die de verontschuldigingen van zijn broêr, welke verhinderd was geweest mede te komen, overbracht. Otto gevoelde geen sympathie voor Vincent, ofschoon hij met dezen nooit de minste onaangenaamheid gehad had; in zijn eigen degelijk, kalm, mannelijk karakter, waarvan het gezonde evenwicht zich nooit verbrak, in zijn hartelijke flinkheid kon hij geen vriendschap koesteren voor iemand, die zich, naar zijn meening, geheel en al beheerschen liet door een ziekelijke nervoziteit, zonder ooit eenige geestkracht in te spannen, om er zich boven te verheffen. Otto was een van de weinigen, die Vincent niet vermocht tot zich te trekken; bijna ieder gevoelde in zijn omgang wel iets, dat terugstiet, maar dat tevens later zeer aantrok; iets als een zoet vergift, waarmede men eerst bekend moest zijn, als een bedwelming van opium. Door zijn voortdurend reizen had Vincent veel menschenkennis, of liever, veel tact verkregen om met allerlei lieden om te gaan, en hij kon, zoo hij wilde, den schijn van welk karakter ook aannemen, met het zelfde gemak, waarmede een slang zich lenig wringt in verschillende bochten of een goed acteur verschillende rollen vertolkt. Maar Otto, in een onbewuste fierheid op zijn gezonde kracht, die recht door zee ging, minachtte Vincent om de vergiftige bekoring welke hij van zich kon doen uitstralen en waardoor een ander zich verleiden liet. Een blauwige rook wolkte weldra door het vertrek, daar Vincent sigaren had geprezenteerd; alleen hijzelve rookte niet. Hij had een paar flesschen St. Emilion uit een kast gehaald, ontkurkte ze en zette vier wijnglazen op de tafel. Etienne, luidruchtig als altijd, verhaalde in een sterk gekruid jongelui's-patois tal van anecdoten en histories, met een mimiek en gebaren, die hem iets gaven van een gentlemanlike comiek uit een café-chantant. Paul en Georges lachten, Vincent echter haalde met een blasé-glimlachje zijn schouders op, en terwijl hij inschonk, murmelde hij minachtend met zijn lichte stem: --Wat een kind ben je toch, Eetje, Eetje! Etienne trok zich de opmerking niet aan, en voer voort, terwijl hij in het geheel geen gaas meer over zijn stijl plooide, en de anderen luisterden toe, behagelijk de bouquet van hun wijn genietend. Vincent bleef Etienne echter voor den gek houden. --Wat een stoute jongen is die kleine Erlevoort, om zulke dingen te durven vertellen, hè? Wat een ondeugd! sprak hij en de spotzieke lach om zijn lippen had zoo iets aanmoedigends en innemends, dat Etienne nog niet uit het veld geslagen werd. Vincent schonk nog eens in en Georges prees zijn wijn. Hij was onder jongelui weinig spraakzaam en amuzeerde zich met een stil genot, daar hij alleen voor dames de moeite nam al het schitterende schuim zijner conversatie te doen sprankelen. Vincent vroeg hem het een en ander omtrent zijn werkkring op Buitenlandsche Zaken, terwijl Etienne ernstige waarschuwingen aan Paul deed, die hem ongeloovig aankeek. --En later wordt je dan zeker naar de een of andere plaats gedetacheerd, nietwaar? vroeg Vincent. --Dat kan gebeuren, antwoordde Georges. --Het is ten minste een betrekking, waarin je nog het een of ander zien kan. Maar hoe iemand zijn gansche leven op een bureau slijten wil, is me onbegrijpelijk. Ik zou dood zijn voor mijn tijd. Daar heb je nu Erlevoort, ik meen je broêr, Eetje.... --Nu, laat Otto maar loopen, sprak Paul. Die maakt een schitterende carrière, dat zal je zien.... --Je weet, Otto is voor minister of gouverneur-generaal in de wieg gelegd.... ten minste dat beweert de oude vrouw altijd. Ik ben alleen de verschoppeling van de familie! riep Etienne. --Ja, het bedorven jongetje, hè, lachte Vincent. Hoe ver ben je nu met je studies? --Ik, wel ik moet candidaats doen, maar ik loop geen college, ik studeer hier in Den Haag. --Vindt je het hier dan zoo genotvol in jullie Den Haag? vroeg Vincent met een toon van minachting op dien plaatsnaam. --Ja, het gaat vrij wel.... --Hoe is het in godsnaam mogelijk! Jullie zijn dan toch al met bitter weinig tevreden, of liever jullie weten volstrekt niet wat er eigenlijk in de wereld is. Den Haag maakt mij slaperig en suf, er hangt iets soezigs in de lucht.... --Kom, dat zal wel aan jou liggen, lachte Paul. --Het is mogelijk en het ligt ook zeker aan mij, dat ik zoo een leven als de meesten van jullie leiden, geestdoodend vind. Wat voeren jullie nu uit! Je loopt hier altijd rond in een heel klein kringetje, net een paard in een tramwayspel op de kermis. Je hebt in je betrekking, als je er een hebt, altijd dezelfde bezigheidjes en daarna dezelfde amuzementjes. Het is insipide, hoor! --Maar wat wil je dan hebben, dat we doen? vroeg Georges. --Mijn God, leidt voor mijn part zoo een plantenleven voort, maar ik begrijp niet, dat jullie niet eens verlangen er uit te gaan, de wereld eens te zien.... --En jij, jij hebt nu, zooals je het noemt, de wereld gezien, nietwaar.... en wat heb je nu....? Je hebt twaalf ambachten en dertien ongelukken gehad, en je hebt op het oogenblik het toch ook niet schitterend ver gebracht! riep Paul, een weinig ontstemd over de minachting, waarmede Vincent hem beoordeelde. Er lichtte even achter zijn lorgnet een vinnige schicht uit Vincents fietsen, blauwen blik, terwijl zijn dunne lippen zich vastsloten in hun glimlach. --En je vergeet je plichten als gastheer met je filozofie! riep Etienne, op zijn leêg glas tikkend. --Ach, het is mogelijk, dat ik wat onrustiger van temperament ben dan jullie; dat zal de heele chose zijn! sprak Vincent kwijnend; hij schonk de glazen nog eens in en liet zich mat neêr op de bank, naast Georges, en zijn oogen dwaalden vermoeid door het vertrek. IV. Het was zeer warm geworden en de rook der sigaren scheen, als een tastbaar waas van het plafond neêr te hangen. Vincent zette de deur open. Etienne, die weinig wijn verdragen kon, was zeer opgewonden geworden, had roode kringen onder zijn oogen gekregen en zijn glas gebroken. Georges en Paul amuzeerden zich steeds om zijn grappen. Vincent echter bleef hem flauw glimlachend aanhooren. En er rees in hem een vreemde verwondering op, een verwondering, dat een mensch steeds zichzelve, steeds zijn eigen individu was, zonder zich ooit te kunnen verwisselen in de persoonlijkheid van een ander. Dikwijls, zonder de minste aanleiding, doemde die verwondering bij hem op, te midden van de vroolijkheid der anderen en zij vulde hem met een groote verveling bij de gedachte aan het onherroepelijke noodlot, dat hij steeds Vincent Vere was en wezen zou, dat hij nimmer herboren kon worden in een geheel ander schepsel, dat ademde onder geheel andere omstandigheden in een geheel anderen kring. Hij zou gaarne verschillende gemoedslevens hebben doorleefd, in verschillende eeuwen hebben bestaan, en in telkens wisselende metamorfozen zijn geluk hebben willen zoeken. En dat verlangen scheen hem tegelijkertijd zoowel zeer kinderachtig, om de bespottelijke onmogelijkheid, als zeer verheven, om de grootsche onbereikbaarheid, die het omvatte, en hij meende, dat niemand dan hij zulk een verlangen koesterde en gevoelde zich zeer hoog boven andere menschen geplaatst.... In die mijmering was het hem, of de drie anderen zeer ver van hem waren, als van hem gescheiden door den nevel van rook.... Een gevoel van lichtheid doorzweefde eensklaps zijn hersenen; het werd, of hij elk voorwerp met heller kleuren zag, hun gelach en gepraat harder hoorde klinken in zijn oor, als op een plaat van metaal, den geur van de tabak, vermengd met een aroom van gestorten wijn, in meerdere scherpte rook, terwijl de aderen in zijn slapen en zijn polsen klopten, alsof zij barsten zouden.... Die prikkeling zijner zenuwen duurde eenige seconden; toen zag hij de jongelui hem lachend aanzien, en ofschoon hij niets begrepen had van wat zij gezegd hadden, lachte hij zachtjes meê, om hen te doen gelooven, dat hij in hun scherts meêstemde. --Zeg Vere, het wordt hier verbazend benauwd, mijn oogen doen me pijn van den rook! sprak Georges; zouden we niet even een raam kunnen openzetten? Vincent knikte, en deed de deur dicht, terwijl Paul, die bij het raam zat, dit openschoof. Een koelte drong aanstonds binnen. Op straat was het stil; slechts een enkele maal hoorde men een paar stemmen, bij een regelmatig geklink van stappen, voorbijtrekken, of een straatdeun, krijschend uitgestooten, door de kalmte daarbuiten heengalmen. De kille lucht bracht Vincent geheel tot zichzelven, en zijn zonderlinge verlangens verdwenen, nu zijn zinnen tot rust kwamen. Integendeel, thans benijdde hij den drie anderen dat zelfde fyzieke en moreele plantenleven, hetgeen hij kort te voren in hen geminacht had; Paul benijdde hij zijn goede, krachtige gezondheid, slechts een weinig ontzenuwd door eenige energielooze artisticiteit; Georges zijn kalme gelijkmoedigheid en tevredenheid; Etienne zijn kinderlijke jeugd.... Waarom was hij niet als zij, gezond, tevreden en jong, waarom genoot hij niet het leven, zooals het zich gaf, en zocht hij steeds naar iets, dat hij zelve niet had kunnen beschrijven? Het was bij eenen, toen de drie jongelui opstonden en Paul beweerde, dat zij Etienne moesten thuisbrengen, daar hij van zijn eerste opgewondenheid vervallen was in een droeve melancholie en van zelfmoord sprak. --Zeg eens, Eetje, heb je wel je sleutel bij je? vroeg hij. --Sleutel? vroeg Etienne met doffe oogen en doffe stem. Sleutel? herhaalde hij nadenkend. Ja in mijn zak, ja.... een sleutel.... in mijn zak .... Hier.... --Nu, kom dan, laten wij dan gaan! spoorde Georges aan. Etienne naderde Vincent en vatte hem bij de armen, terwijl de anderen vroolijk toeluisterden. --Vere, adieu, dank voor je hospi-, hospitaliteit. Ik heb je altijd mogen lijden, Vere, je bent een bliksems goede kerel, hoor je, Vere. Ik voel bepaald veel, heel veel sympathie voor je. Ik heb het vanmiddag nog verteld op.... op de Witte; Paul kan het getuigen, ik heb verteld, Vere, dat je een hart van goud hadt. Ze miskennen je, Vere, maar.... --Kom, allons! riepen Paul en Georges ongeduldig, hem bij een arm vattende; maak het kort! --Neen, neen, laat me zeggen, wat.... wat ik op mijn tong heb; ze miskennen je, Vere, maar stoor je er niet aan, oude jongen; het gaat mij ook zoo in de wereld, ze miskennen mij ook. Het is treurig, treurig, maar het is zoo; dag Vere, nu, slaap lekker, Vere. Vincent deed hen uitgeleide met een kandelaar en Etienne, tusschen Georges en Paul, nam beider arm op straat. --Vere, wees nu niet zoo onvoorzichtig. Vat geen kou, zoo aan de deur, en stoor je er niet aan; ze miskennen je, maar ik zal je wel verdedigen.... Vincent knikte glimlachend Paul en Georges toe en sloot de deur van den donkeren winkel. --Bliksemsgezellige kerel, die Vere! stotterde Etienne. Hoofdstuk XI. I. Na vieren waren de Verstraetens meestal thuis, en het was nu een dag, waarop het omstreeks dat uur storm liep van visites, geheel en al bij toeval. Betsy en Eline waren even aangewipt en hadden er de Eekhofs en de Hijdrechten, Emilie De Woude en Frédérique ontmoet; later was mevrouw Van der Stoor met Cateautje gekomen. Eline, met hare hand op den schouder van Cateau, boog zich over de fotografie, die deze bezag. Zij was bewust een indruk op Cateau gemaakt te hebben, door haar elegance en haar vriendelijkheid, en daar zij, uit een behoefte aan genegenheid, gaarne sympathie verwekte, kweekte zij Cateau's liefde aan, als een dierbare plant. Maar er mengde zich in die behoefte tevens een zweem van zegevierenden trots tegenover Frédérique, in wie zij, na den St. Nicolaasavond, waarom wist ze niet, een geheimen afkeer jegens haar, Eline, vermoedde. Terwijl Cateau haar toesprak, met haar innemend stemmetje, zag Eline even naar Frédérique op, om te zien, of deze wel de bewonderende sympathie van die kleine bespeurde. Maar Frédérique schertste met de Eekhofjes. --U zingt veel met meneer Van Raat? Heeft hij een mooie stem? vroeg Cateau. --Een beetje zwak maar heel lief.... --Hé, ik zou u zoo gaarne eens beiden willen hooren! --Nu, dat kan wel gebeuren, bij gelegenheid.... --U heeft zoo een prachtige stem; o, ik vind het een genot, als u zingt, ik vind het iets goddelijks.... Eline lachte zachtjes, gestreeld door Cateau's oprechte extaze. --Heusch waar? Maar toe, Toos, noem me toch niet altijd zoo deftig: juffrouw Vere; zeg maar Eline voortaan, wil je? Cateau bloosde van genoegen en streelde het bont van Eline's mofje glad. Ze liet zich geheel en al inpalmen door die melodieuze stem, dien zachten, kwijnenden gazellenblik.... Meer dan gewoonlijk gevoelde Eline een behoefte aan liefde, veel liefde om zich heen. In het geheimste harer ziel was haar bewondering voor Fabrice ontvlamd in een hartstocht, die haar geheele gedachte vulde, en waaraan zij lucht moest geven zonder zich te verraden. Den rijkdom van liefde, dien zij in zich waande en dien zij niet vermocht te openbaren, scheen zij te willen verdeelen onder wie het waard waren, als een kostbaar bouquet, waarvan zij ieder een bloem toewierp. Zij overstraalde die verkorenen met den glans van haar glimlach en genoot, wanneer zij bespeurd had, dat men haar lief vond, in een welbehagen van koesterende warmte, maar ook leed zij bijna, wanneer zij in iemand eenige koelte te haarwaarts ontdekt had. Zoo deed haar de onverklaarbare stugheid van Frédérique pijn, en hoewel zij die eerst, uit zekeren trots, niet had willen opmerken, had zij thans moeite gedaan Frédérique voor zich te winnen, en deze toegesproken met al de bekoring harer lieflijkheid. Maar Frédérique antwoordde steeds kortweg, op een luchtigen, nonchalanten toon, terwijl zij een anderen kant opkeek; zij vermoedde wel, dat Eline die koelheid opmerkte, maar zij kon haar gevoelens nooit verbergen, oprecht als zij was, zonder eenigen tact voor diplomatieke veinzerij. Het gesprek liep over portretten en mevrouw Verstraeten passeerde even Eline en Cateau om een album van een tafeltje te nemen, dien zij aan mevrouw Van der Stoor en mevrouw Eekhof wilde toonen. Mijmerend en half luisterend naar Toos, dacht Eline aan Fabrice en zag zij den album in de handen van mevrouw Verstraeten.... En er schoot eensklaps een gedachte in haar op, als een onbesnoeide rank van haar levendige fantazie, die over haar hartstocht bloeide.... Zij zou zich een album aanschaffen, voor verschillende portretten van hem, Fabrice; het zou een klein heiligdom harer liefde zijn, waarin zij over de beeltenis van haar afgod zou kunnen dwepen, en waarvan niemand het bestaan zou gissen. Een heimelijk genoegen overglansde haar gelaat bij het voornemen en bij de gedachte, dat zij zooveel te verbergen had voor het oog van anderen; zij kreeg iets zeer belangwekkends voor zich zelve, en zij gevoelde een leegte in haar ziel zich al meer en meer vullen met de schatten van haar passie. Zij was gelukkig, en haar geluk was gemengd met een ondeugende, schalke dartelheid, dat zij iets verheelde, wat haar omgeving natuurlijk zeer dwaas en zeer berispelijk zou gevonden hebben, hadde die er van geweten.... Een jong meisje als zij, verliefd op een acteur.... wat zouden mevrouw Verstraeten en Betsy en Emilie en Cateau en Frédérique, wat Henk en Paul en Vincent wel hebben gedacht en gezegd, zoo zij hadden kunnen vermoeden.... En zij zag bijna spottend rond op haar familie, op haar kennissen, waar zij zich bewogen door den salon; zij vond zich moedig, dat zij hun conventioneel fatsoen in zichzelve tartte, dat zij gecharmeerd durfde zijn op Fabrice! Zij lachte bij een grappige uitdrukking van Emilie meer dan noodig was; ze lachte tegelijkertijd hen allen uit, die daar waren, overmoedig trotsch op haar verborgen en verboden hartstocht. --En meneer Van Raat, meneer Paul, bedoel ik, wordt nu zeker later advocaat? vroeg Cateau. Wat had dat kind het vandaag toch telkens over Paul, dacht Eline. Er kwam geen einde aan Paul, Pauls lieve stem en Paul advocaat.... --Ik geloof, dat je Paul nog al aardig vindt, niet? vroeg Eline. --O, ja, ik mag hem heel gaarne! zeide Cateau zonder blikken of blozen; maar alleen, soms kan hij zoo boos zijn, vind ik; verbeeld je.... verleden bij de tableaux.... En Eline moest het verhaal aanhooren van Pauls woede, verleden bij de tableaux, en ook van Pauls kunstvaardigheid in het drapeeren. --Die windt er geen doekjes om, dacht Eline; maar ach, ze behoeft toch niet dadelijk gecharmeerd te zijn, al spreekt ze wat veel over hem; denkelijk zou zij dan doen zooals ik en.... zwijgen.... Het liep naar halfzes toe, men nam afscheid. --Dus ik zal u samen eens hooren? drong Cateau aan. --Kom maar eens op een Donderdagmiddag, dan zingen wij geregeld. --Ach, dan ben ik op school.... --Nu dan eens op een avond, nous verrons.... --O, heel gaarne.... Eline.... Zij sprak den naam voor het eerst sedert Eline's verzoek uit, en liet dien thans van haar lippen vallen in een glimlach, gestreeld door die gemeenzaamheid. Daarop nam zij afscheid, aangespoord door haar moeder. Eline bleef een oogenblik alleen staan, bij toeval naast Frédérique. Zij had reeds afscheid genomen en wachtte op Betsy, die nog terloops met den heer Verstraeten sprak, en zij was op het punt iets tot Freddy te zeggen.... Maar zij toefde, tot deze wellicht beginnen zou.... en zij zwegen beiden. Cateautje vertelde op straat, in extaze, allerlei liefs aan mevrouw Van der Stoor over Eline en Paul. II. Nieuwjaar was gekomen met harde vorst. Betsy had op Oudejaarsavond de Verstraetens en Erlevoorten, ook mevrouw Van Raat en Paul, geinviteerd op oesters en het was zeer vroolijk geweest in de warme luxe van haar salons. Nu volgden de winterdagen elkander in een zelfde eentonigheid op, terwijl de avonden voor Betsy en Eline als een onafgebroken reeks van diners en soirées voortgleden. De Van Raats zagen veel menschen en vooral was Betsy als het ware beroemd om haar keurige dinertjes, nooit van meer dan tien, hoogstens twaalf personen, en steeds aangeboden met de meest onbekrompen en gedistingueerde weelde. Zij leefden in een côterie, wier verschillende leden elkaar vaak en met gemeenzaamheid zagen, en zij waren zeer tevreden over haar kring van kennissen. Eline intusschen, in dien lichten roes van wereldschheid, voedde de vlam harer geheime liefde in een stil geluk aan, en zij vond er zich zeer romantisch om. Op een morgen, dat zij commissies had gedaan en langs de Princessegracht terugkeerde, zag zij Fabrice, die langzaam uit het Bosch kwam, bij de Brug. Zij voelde haar hart kloppen en durfde nauwelijks opzien,--toch had zij ten laatste met een schijnbare onverschilligheid haar oogen even op hem wagen te richten. Hij was gekleed in een korten duffel; een wollen bouffante was achteloos om zijn hals geslagen; en hij liep, de handen in de zakken, met een ietwat norsche uitdrukking op zijn donker gelaat, beschaduwd door den breeden rand van zijn flambard. Hij maakte op haar een indruk van trotsche ongenaakbaarheid, en zij idealizeerde op dien indruk voort: wellicht was hij van goede familie, want zij vond, dat hij iets zeer gedistingueerds had in zijn krachtvolle gestalte; zijn ouders waren er tegen geweest, dat hij zich wijden zou aan de kunst, maar hij had een roeping in zich gevoeld, die niet te weêrstaan was; hij had zijn muzikale opleiding ontvangen aan een conservatoire, en hij had gedebuteerd, en nu gevoelde hij een bittere melancholie in zijn ziel; hij bespeurde, dat de omgeving van acteurs, waarin hij moest leven, hem te ruw en te onbeschaafd was; hij gevoelde zich vreemd van hen en trok zich terug in zijne fiere eenzelvigheid en hij dacht aan zijn jeugd, aan zijn kinderjaren, en zag zijn moeder weder voor zich, hem, met gevouwen handen, smeekend zijn voornemen vaarwel te zeggen en niet meer aan het tooneel te denken.... Sedert dien dag kreeg Eline de caprice, zooals Betsy het noemde, om des morgens groote wandelingen te doen. Zij vond het Bosch 's winters zoo prachtig, zeide zij; ze dweepte met die hooge, rechte stammen, aan marmeren zuilen gelijk, als het gesneeuwd had: het was als een kathedraal. Henk vergezelde haar een paar malen met Leo en Faust, de twee Ulmerdoggen, maar hij betreurde zijn gewoonlijken rit te paard, en zij ging nu alleen, nadat zij in den stal bij Dirk de twee honden had afgehaald, die met hun groote pooten blijde tegen haar opsprongen en haar, als twee ruwe pages, beschermend omstuwden met hun dartel geren. Het was goed voor haar gezondheid, beweerde zij, zoo men haar verwonderd naar die wandelingen vroeg; zij liep veel te weinig, en vreesde zoo dik te zullen worden als Betsy werd, wanneer zij altijd maar reed. Dokter Reijer vond haar dagelijksche ochtendwandelingen uitstekend. In het Bosch ontmoette zij steeds enkele wandelaars, meestal dezelfde; iederen dag een ouden, grijzen heer in een pels gehuld, en die steeds kuchte, met de hand aan zijn mond. Fabrice echter ontmoette zij slechts zelden. Hij was zeker op de repetitie, meende zij, wanneer zij den baryton niet gezien had en in een teleurstelling, die haar vermoeid maakte, naar huis ging, smachtende naar heur boudoir, haar warme kachel, haar piano. Maar toch zette zij heur wandelingen door en zij merkte nu op, dat Fabrice geregeld des Vrijdags de zijne deed; op andere dagen kon zij geen staat maken; soms zag zij hem dan, soms zag zij hem niet... En zij had het er voor over vroeg op te staan, soms nog uitgeput door een soirée, die tot drie uur geduurd had, of afgedanst, half gebroken en niet uitgerust, met blauwe kringen onder haar vermoeide oogen. Het is waar, zij zag Fabrice nu zeer dikwijls in de opera, van uit een loge, of de stalles; ze ging nu met de Verstraetens, dan met Emilie De Woude en Georges, eens had zij de Ferelijns geinviteerd,--maar toch, nu zag zij hem anders, niet van haar gescheiden door het voetlicht en den idealen toestand, waarin hij al zingend verkeerde: nu zag zij hem voor zich, op drie passen van haar af, als een gewoon mensch. Op die dagen, dat zij Fabrice ontmoette, scheen het wijde gewelf der besneeuwde takken als te nauw om haar geluk te bevatten. Zij zag hem nader komen met zijn flinken, veêrkrachtigen pas, de flambard een weinig schuin, de bouffante met de franje affladderende van zijn schouder, en hij ging haar voorbij, terwijl hij haar, of de honden, die hem snuffelend naderden, even aanzag met een blik zonder gedachte.... Wanneer zij daarna omkeerde en langs de Maliebaan zich naar huis begaf, was zij overvol van een blijdschap, die haar een kleur op haar koele wangen joeg en haar niet de minste afmatting deed gevoelen, en, thuis gekomen, zong zij die weelde uit met een jubelende kracht, klaterend in helderheid van klank. Den geheelen dag bleef zij vroolijk en opgeruimd, en levendiger bevalligheid verving haar loome elegance. Haar oogen tintelden, zij schertste voortdurend, werd geërgerd door Henks luie goedigheid en Bens soezige zoetheid en plaagde vader en zoon, terwijl de vestibule galmde van haar schitterenden lach en de trappen kraakten, wanneer zij die bijna afsprong.... Eenmaal, dat zij Fabrice op een Vrijdag haar tegemoet zag komen, nam zij een besluit. Zij vond het kinderachtig in zich, dat zij hem nooit goed durfde aanzien; hij was toch een acteur en zou wel eens meer door dames, die hem op straat herkenden, worden opgenomen. Hij kwam nader en met iets brutaal hoogmoedigs en bijna uittartends wierp zij haar hoofdje in den nek en zag hem vlak in de oogen. Hij beantwoordde dien blik met den zijne, als gewoonlijk zonder gedachte, en ging verder. Toen, in een overmaat van moed, zag zij om.... zou hij ook....? Neen, hij liep door, met de handen in de zakken, en zij zag alleen zijn breeden rug, die zich verwijderde.... Dien morgen haastte zij zich naar huis, en ze neuriede tusschen haar gesloten lippen, waarom een trek van schalke ondeugd speelde. Ze dacht aan niets dan aan hem, Fabrice, en ze belde op het Nassauplein aan.... Grete deed open.... Leo en Faust renden naar binnen. Daar schaterde ze het uit: ze had vergeten de doggen naar den stal terug te brengen! Luid daverde het geblaf der honden door de vestibule als een duo van bassen. Betsy kwam uit de eetkamer, brieschend van woede. --Mijn God, Eline, ben je dol, die lamme honden hier te brengen!... Je weet, dat ik ze niet zien wil.... Ik begrijp niet, hoe het je in je hersens komt, als ik het toch niet hebben wil! Je zou op het laatst geen meester meer zijn in je eigen huis.... Breng ze alsjeblief weg en dadelijk.... Haar stem klonk hard en ruw, als een bevel tegen een mindere. --Ze hebben dorst en ik wil ze laten drinken, zeide Eline kalm, hoogmoedig, om haar vergeetachtigheid te bedekken voor Betsy's blik. --En ik wil niet, dat ze hier komen drinken, zeg ik je! Kijk die gang, kijk dien looper, overal vuile pooten.... --Dat kan Grete in een minuut weêr schoonmaken.... --Daar weet jij niets van! Jij leeft hier als een prinses, die niets doet, dan wat mij onaangenaam is! Ik zeg je, breng die smerige beesten weg! --Ze moeten eerst drinken. --Mijn God, ik wil niet, dat ze hier drinken! riep Betsy buiten zichzelve van nijdigheid. --Ze zullen drinken, in den tuin! antwoordde Eline rustig. --Dat wil ik wel eens zien! schreeuwde haar zuster. Als ik toch.... --Leo, Faust! riep Eline, steeds met een aanhitsende kalmte en lokte de honden tot zich, terwijl zij op haar knie klopte. Betsy kookte van woede. Haar lippen sidderden, haar handen trilden, haar adem schokte in de keel. Ze kon niets meer zeggen, zij had Eline wel kunnen slaan, maar deze ging langzaam met de opspringende honden door het gangetje naar den tuin, en vulde zelve een emmer met water aan de kraan. Zij vond er een verfijnd genot in Betsy vandaag woedend te maken. De honden dronken en zij bracht ze terug in de vestibule. Betsy stond daar nog steeds en haar nijdige oogen vlamden van gramschap over haar machteloosheid. Zij had Eline willen naloopen, haar den emmer uit de handen willen rukken, maar zij vermocht het niet van zenuwachtigheid. --Ik verzeker je, Eline, bij alles wat heilig is, dat ik Henk....! begon zij met een bevende stem en een kleur als vuur. --Ach, vlieg op! riep Eline in een plotseling stijgende drift, en zij ging met de honden het huis uit, terwijl zij de voordeur dichtsloeg. Na een kwartier kwam zij terug, zingende en nog vol blijdschap over haar ontmoeting met Fabrice. Zij ging de trap op, terwijl zij een langen triller deed parelen, als om Betsy, die, bijna weenend, in de eetkamer zat, te plagen. Toen Henk bij twaalven thuis kwam deed Betsy haar beklag over Eline's brutaliteit in hun huis, maar Henk werd ongeduldig, wilde niets beslissen, en zij schold haar man uit, om zijn flauwheid, in een hevige scène. Een week lang spraken de zusters bijna geen woord met elkaâr, tot wanhoop van Henk, wien deze bouderie al zijn huiselijke gezelligheid vergalde, vooral aan tafel, waar zij snel aten, hoewel Eline voortdurend kakelde tegen hem en Ben. Hoofdstuk XII. I. Het had Frédérique getroffen, hoe Otto op Oudejaarsavond bij de Van Raats zeer veel met Eline had gesproken en geschertst, wel niet in het oog loopend, maar toch meer dan zijn gewoonte was met jonge meisjes in het algemeen. Er waren een paar dagen voorbijgegaan, en zij had steeds een vraag aan haar broêr op de lippen, zonder dat er zich een gelegenheid voordeed, om die te uiten. Zij was soms brusk tegen Etienne, als deze met haar schertsen wilde, en zij had iets van haar goed humeur verloren, meenden Lili, Marie en Paul. Zij speelde ook weinig met de kinderen. Het was een avond, dat zij thuis bleven; alleen Etienne was met eenige jongelui, die hem waren komen halen, uitgegaan. De kinderen waren naar bed en mevrouw Van Erlevoort zat met Mathilde in den kleinen salon bij het theeblad, mevrouw met een boek, Mathilde met een handwerk. Frédérique kwam binnen, en zij knikte haar moeder glimlachend tegen en streelde liefkoozend het grijze haar op heur slapen glad.... --Freddy, wil je even Willem bellen? vroeg Mathilde, Otto wou een kop thee op zijn kamer hebben: hij zit te werken en zal pas later beneden komen. --O, schenk maar in, ik zal het wel even brengen, antwoordde zij. Mathilde schonk en Frédérique ging met het kopje naar boven. Op de trap bedacht zij zich, of ze zou durven; misschien, dat Otto zelve een woord zou zeggen, maar anders wilde ze het toch wagen. Zij trad Otto's kamer binnen. Hij liep rond als in een vage droomerij, het hoofd gebogen, de handen op den rug, geheel en al tegen zijn arbeidzame gewoonte in. --Zoo, dat vind ik pas een lief zusje! zeide hij schertsend en nam haar het kopje uit de hand. Dat zal tienmaal zoo lekker smaken als anders, uit zulke lieve vingertjes.... --Maar Otto! riep Frédérique; hoe kan je zoo schrikbarend banaal zijn! Ik had tenminste een frisscher complimentje verwacht, niet zoo iets gewoons. Zij bleef hem glimlachend aanzien, maar hoorde niet wat hij antwoordde, daar zij bij zichzelve overwoog, hoe haar vraag in te kleeden. Wellicht zou hij het kwalijk nemen. Toch wilde zij, en zij bedacht een inleiding, een voorwendsel om tot haar doel te geraken, maar haar natuurlijke oprechtheid deed haar niets vinden, en zij begon met eenvoudig te zeggen: --Otto, ik.... ik heb je iets te vertellen, ik heb iets bij je te biechten. --Een zonde....? --Een zonde.... neen, dat geloof ik niet.... Een.... indiscretie, die ik onwillens jegens je begaan heb.... Maar vooraf moet je me pardonneeren.... --Zoo maar op goed vertrouwen....? --Ik zeg je, de indiscretie was onwillekeurig en.... ik ben niet eens zoo indiscreet geweest als ik had willen zijn.... Ik heb dus zelfs recht op een kleine belooning.... maar ik vraag alleen maar, of ik vooraf op je pardon kan rekenen.... --Nu, ik zal barmhartig zijn, maar vertel dan.... --Zal je heusch niet boos worden? --Heusch niet.... wat is er? --Ik weet.... bij toeval, zie je.... ik weet, wie op St. Nicolaas.... Hij verbleekte een weinig, terwijl hij haar vol verwachting aanstaarde. Het ontging haar niet, dat hij gespannen luisterde. --.... aan Eline.... dien waaier heeft gegeven.... dien waaier van Bucchi.... Zij bleef vóór hem staan, met iets als van een stout kind, zeer verlegen om hare bekentenis. Hij blikte haar steeds toe, een weinig verschrikt, met groote oogen. --Weet je....? begon hij stamelend. Zij knikte van ja. --Toe, wees niet boos! vervolgde zij. Ik kon het heusch niet helpen. Ik kwam 's morgens even op je kamer, ik wilde er lak van je schrijftafel halen en.... je hebt me toch nooit verboden op je kamer te komen, nietwaar? Ik klopte, maar je was al uit, en toen ik naar het lak zocht, zag ik in dat loketje.... den étui staan, dien ik 's avonds dadelijk herkende.... Ik dacht een oogenblik, dat het iets voor mij zou zijn en wou.... en wou het openmaken.... je weet hoe nieuwsgierig ik ben.... maar ik heb het niet gedaan, omdat ik al spijt genoeg had, dat ik je cadeau had ontdekt.... Zeg, ben je nu boos, ik kon het heusch niet helpen, wel? --Boos, maar lieve meid! Is dat nu iets om boos te zijn! antwoordde hij met een gedwongen luchtigheid. Een surprise kan geen eeuwigheid duren, en daarbij.... je hebt het toch zeker niet aan Eline verteld? --O neen, natuurlijk niet....! --Nu, wat is er dan?.... Dan is er immers niets! sprak hij achteloos. Of ben je bedroefd, dat de waaier niet voor jou bestemd was? Ze haalde minachtend de schouders op. --Ik wist niet, dat je me voor zoo kinderachtig hield. Alleen.... --Nu wat? Zij zag hem onderzoekend aan met haar heldere, oprechte oogen en hij gevoelde zich een weinig verlegen onder dien uitvorschenden blik. --Alleen.... een jong mensch.... geeft toch niet.... zulke cadeaux.... aan een jong meisje, als hij niet heel veel van haar houdt.... --O, ik mag Eline heel gaarne, waarom zou ik haar niet op St. Nicolaas iets geven.... --Neen, Otto, je bent niet oprecht! sprak zij ongeduldig en trok hem mede naar de canapé. Kom, ga eens zitten en hoor eens even, wat ik je te vertellen heb. Een degelijke, verstandige, zuinige jongen zooals jij, geeft geen waaier, van ik weet niet hoeveel, aan een jong meisje, als.... hij niet verliefd op haar is.... Dat zul je mij niet wijsmaken. Je hebt Eline vroeger nooit iets gegeven en je hebt dezen keer aan Lili en Marie ook niets gegeven. Je ziet dus, ik doorzie wel, dat er meer achter schuilt! ging zij voort en legde hem hare handen op de schouders.... Maar eensklaps hield zij op. --O, je vindt me misschien.... je wil misschien niet, dat ik er met je over spreek! stamelde zij bijna verschrikt. --Freddy, integendeel! sprak hij zacht en trok haar tot zich op de bank. Ik wil heel gaarne met je spreken over.... over Eline. Waarom zou ik niet....? Maar stel nu eens, dat ik misschien veel, heel veel van Eline hield, vindt je het dan nog zoo onverstandig en ondegelijk in me....? --Dus waarlijk.... je houdt.... je houdt van Eline? --Vindt je dat dan zoo erg onbegrijpelijk? vroeg hij glimlachend. --O, Eline is niet iemand voor je! barstte zij eensklaps hartstochtelijk los. Neen, Otto, neen, Eline kan je nooit waard zijn; ik weet het, ze is mooi, en ze heeft iets.... iets wat aantrekt.... maar ze is mij.... ze is mij antipathiek, ik verzeker je, geloof mij, je moet niet meer aan haar denken, je zou nooit gelukkig met haar kunnen zijn.... Je bent zoo lief en goed; als je heusch heel veel van haar ging houden, zou je misschien geheel en al in haar willen opgaan, geheel en al voor haar willen leven, en ze zou je nooit een tiende, nooit zooveel! kunnen teruggeven van wat jij haar gaf. Ze heeft geen hart, ze is een koude steen vol egoïsme.... Alles is egoïsme in haar.... --Maar Freddy, Freddy! viel hij haar in de rede. Lieve meid, wat hol je door! Hoe zou jij aan zooveel menschenkennis komen om precies te weten wat Eline is. Het ergerde haar, hoe zacht hij haar naam uitsprak, als een liefkoozing die op zijn lippen verwijlde. --Menschenkennis? Ik weet van geen menschenkennis, ik weet alleen wat ik voel, en ik voel, dat Eline geheel en al voor zichzelve bestaat, niet de minste opoffering voor een ander zou kunnen doen.... Ik voel, neen, ik verklaar je, ik ben er overtuigd van, dat als je met Eline trouwde, je nooit, nooit, nooit gelukkig zou zijn.... Ze zou een tijd van je kunnen houden, maar haar liefde zou egoïsme zijn, zooals alles in haar egoïsme is. --Freddy, je bent hard! sprak hij zacht en verwijtend. Ik vind het lief van je, dat je zoo voor me voelt, maar je bent hard, heel hard voor Eline.... Ik geloof niet, dat je haar kent, en ik geloof integendeel, dat ze voor iemand, van wien zij hield, zich geheel en al zou kunnen opofferen. --Je zegt, dat ik haar niet ken: hoe ken jij haar dan? Wanneer zie je haar anders, dan als ze een en al glimlachje en lievigheid is.... --Vindt je het een fout in haar, dat zij liever innemend is dan stug? Frédérique zuchtte. --Ach Otto, ik.... ik weet niet wat ik vind; ik voel het alleen, je kan niet gelukkig met haar zijn! sprak zij met een onwrikbare overtuiging. Hij vatte haar glimlachend bij de hand. --Je spreekt werkelijk, of we morgen gingen trouwen.... --O toe, zeg me.... vind me niet.... nieuwsgierig.... Je hebt haar.... toch nog niet gevraagd...? Hij zag haar aan, steeds glimlachend, en schudde langzaam van neen. --Denk dan goed er over na, zal je, laat je niet ineens meêsleepen.... Zij vlijde zich liefkoozend tegen hem aan, en haar oogen stonden vol tranen. --Je bent een lieve meid, Freddy, maar heusch.... --Je vindt me misschien ridicuul, dat ik je zoo een raad durf geven! --Volstrekt niet. Ik ben je er integendeel innig, innig dankbaar voor, maar toch, je moet je niet zoo door een gevoel, laat me zeggen door een antipathie, die niet eens eenige aanleiding heeft, laten meêsleepen om zoo hard te oordeelen over een ander. Neem dien raad aan, dan zal ik je niet ridicuul vinden, maar wel een lief, klein zusje.... Hij kuste haar herhaaldelijk op het voorhoofd, en zij verschool zich een weinig verlegen tegen zijn schouder. --Toe, neem me niet kwalijk, ik ben misschien onhandig geweest, ik had niet zoo moeten spreken.... --Je bent me het liefst, wanneer je precies uitspreekt wat je op het hart hebt, en ik reken er ook op, dat je dat voortaan altijd zal doen. --Dan word ik misschien stug en niet innemend! antwoordde zij met bedoeling. --En nu ben je een beetje hatelijk. Ben je dan jaloersch van Eline? --Ja, antwoordde zij kort. --Om den waaier zeker? schertste hij. --Och, je plaagt me! steunde zij boudeerend. Niet om den waaier, ik heb er wel tien, maar wel om... omdat jij van haar houdt. --Laten we dan eens een verdrag maken... Jij zoekt voor me een meisje, dat je lief vindt en geschikt om mijne gemalinne te worden, en waarvan je niet jaloersch bent; heb je haar dan gevonden, en bevalt ze mij ook, dan denk ik nooit meer aan Eline.... Vindt je dat goed? Zij antwoordde niet en stond op, terwijl zij haar tranen afwischte. Zijn scherts mishaagde haar en deed haar vreezen, dat hij haar dwaas had gevonden. Zij naderde de tafel, wees hem even op het kopje thee en zeide: --Je thee wordt koud, Otto, ik zou ze uitdrinken. Voordat hij had kunnen antwoorden, was zij weggewipt vol tegenstrijdige gevoelens, verheugd, dat zij zich geuit had, dat zij nu Otto's vertrouwen had, en toch in onzekerheid of zij niet liever had moeten zwijgen. II. Sedert vijf dagen had Eline op haar ochtendwandelingen Fabrice niet ontmoet, en die teleurstellingen van den morgen verbitterden haar geheelen dag. Eerst was zij stil, somber, kribbig geworden; weldra werd zij zeer melancholiek: zij zong niet meer en had op een morgen Roberts, haar muziekmeester, op een Donderdagmiddag Paul Van Raat afgeschreven. Op een morgen, na haar wandeling, omstreeks half elf, kwam zij thuis en wierp zich peinzend neêr op haar divan, terwijl zij, liggende, met dwalende vingeren, haar manteltje loshaakte. Zij duldde Ben niet bij zich en zond hem naar de kindermeid. En vermoeid, met haar groote, lichtbruine oogen vochtig en glanzend van een onvoldaan verlangen, tuurde zij haar kamer rond en liet zij haar blik dwalen over de platen, de palmen, de groep van Canova. Een droefgeestige zwaarmoedigheid omving haar als met een nevel en zij vroeg zichzelve af, waarom zij leefde, zoo zij toch niet gelukkig kon wezen. Om haar onbestemde smart een bepaalden vorm te geven zocht zij naar grieven en stapelde ze opeen; zij had behoefte aan liefde en er was niemand, die haar beminde. Met Betsy kon zij niet meer overweg, naar het scheen; herhaaldelijk had zij twist met haar zuster en de schuld lag toch niet altijd bij haar; Frédérique was in het oog loopend koel tegen haar; waarom, kon ze ook maar in de verste verte niet vermoeden; alleen de oude mevrouw Van Raat bleef haar steeds genegen, maar zij gevoelde zich tegenwoordig in geen humeur voor die beminnelijke vrijmoedigheid, getemperd door een geur van eerbied, die haar het hart der oude vrouw had gewonnen. Haar leven was een nutteloos bestaan; zij slingerde zonder doel van den eenen dag op den anderen en zij verlangde naar.... iets als een vaag droombeeld, zonder bepaalden omtrek, dat oprees in een sfeer van liefde, soms zeer ideaal als een idylle, soms ook zeer eenvoudig, met een waas van huiselijkheid en stil geluk. Zij zuchtte, terwijl zij haar hand ophief naar de aralia en het blad bijna verkreukelde in haar zenuwachtige vingeren, en ze dwong zich haar mijmering een gestalte te geven, in beeld te brengen, en zij zag zich eensklaps, door een grilligen wiekslag harer fantasie, met Fabrice samen, beiden geëngageerd in een groote stad aan het tooneel. Zij hadden elkaâr lief en zij waren beroemd; men overlaadde hen met kransen, met bouquetten, en duidelijk voor haar geest rees het geheele visioen op, zooals het opgerezen was, terwijl zij eens gezongen had met Paul. Maar haar fantazie, door geen nieuwe indrukken gevoed, daar zij Fabrice in zoo lang niet gezien had, kwijnde; het vizioen verkleurde, en het liet haar alleen, in een grijze, sombere stemming, die de afspiegeling scheen van den hemel daarbuiten, zwaar van donkere regenwolken. Ze voelde de tranen, als warme druppels, van haar wimpers glippen; zij voelde een dringend verlangen naar Henk, wien zij haar verdriet wilde klagen; hij ook had haar zoo lief, en kon haar zoo vriendelijk in zijn onhandigheid troosten; zijn stem alleen reeds, zoo goedig en zwaar, was als een balsem. En zij snikte langzaam voort en bedacht, hoe onaangenaam toch die bouderie met Betsy was. Morgen was zij, Eline, jarig; zou Betsy dan een eersten stap doen ter verzoening, of lag eigenlijk de oorzaak van den twist bij haarzelve? Zoo zij geweten had, hoe zij ontvangen ware geworden door haar zuster, had zij gaarne een toenadering gewaagd, desnoods excuus gemaakt, maar nu vreesde zij Betsy's koelheid. Zij zou dus wachten, wachten. De middag ging langzaam voorbij, de uren sleepten zich voort, als moede onder den last harer melancholie. Toen kleedde zij zich voor een diner bij de Hijdrechten, zonder de minste illuzie te maken, dat zij zich amuzeeren zou. Gaarne had zij Betsy willen verzoeken te zeggen, dat zij ziek was en thuis bleef, maar het ging niet; wat zij verleden zich bij de Verstraetens had veroorloofd, konden de Hijdrechten kwalijk nemen, en daarbij zou Betsy haar verzoek misschien ronduit weigeren. Zij ging dus en schroefde zich op tot een coquette vroolijkheid, die men niet doorzag, daar zij veel tact had haar gevoelens te verbergen. III. Den volgenden dag was het de 20ste Januari; heur verjaardag. Zij bleef lang te bed, omvangen door de warmte der dekens, in de zacht roode schemering der gordijnen, zonder eenigen lust tot opstaan, zonder eenig verlangen naar heur wandeling..... Zij zou hem toch niet zien, al ging ze, docht haar in een voorgevoelen. Bijgeloovige denkbeelden maakten zich van haar meester; zij meende--het was nu bij negenen--als Mina nog vóor negenen kwam om haar waschtafel te ordenen, zou zij morgen Fabrice in het bosch ontmoeten. Maar Mina kwam na negenen, en toen de meid alles gereed gezet had en vertrokken was, verzon zij iets nieuws.... Zij zou hem toch nog ontmoeten, wanneer zij hare braceletten gisterenavond in de groote coupe had gelegd; niet, zoo ze in een der kleine lagen, en ze richtte zich op, sloeg het roode damasten bedgordijn terzijde en zij zag naar heur toilet uit.... daar lagen de armbanden op de groote vaas! Met een glimlach zonk zij weêr terug in de kussens.... Zij streed met zichzelve om op te staan, maar waarom niet te blijven liggen in de lauwte der wol, daar zij mat van treurigheid was; waarom een nieuwen dag te beginnen?.... Straks zouden haar kennissen komen om haar te feliciteeren; zij zou lief moeten zijn, hun cadeaux in extaze moeten aannemen, en zij was in een weinig vriendelijk humeur, zij had geen lust iemand te ontvangen.... Het sloeg reeds halfelf, en zij dacht, of Betsy misschien niet weldra boven zou komen, om met een paar vriendelijke woorden de bouderie bij te leggen; zij luisterde, of zij den tred harer zuster niet op de trap vernam, maar haar verwachting bleek ijdel, en ten laatste, ontzenuwd door haar loomheid, stond zij op en kleedde zich traag aan. De spiegel weêrkaatste haar beeld met iets droevigs in de oogen en iets bitters om den mond, en zij vond zich bijna leelijk zoo.... Maar wat deerde het: voor wie mooi te zijn, voor wie, daar niemand haar liefhad met zulke innigheid, als zij meende, dat heur hart bevatten kon! Zij was nu gereed en op eenmaal overviel haar een huivering.... Zij kon zich niet naar beneden begeven; hoe zou zij Betsy moeten naderen? Zou zij geheel en al een afwachtende houding aannemen? Waarom kwam Betsy haar dan toch ook niet tegemoet. Zij was toch eigenlijk zeer kwalijknemend, zoo lang boos te blijven, om een kleinigheid.... Eline gevoelde bijna een vrees, Betsy in de eetkamer te zullen zien en zij begaf zich naar heur boudoir, waar de kachel reeds vlamde, en wierp zich op haar divan, diep ongelukkig in een smart vol wanhoop en verlatenheid.... Waarom, waarom leefde zij.... Zoo werd het haar als een redding uit een afgrond van droefgeestigheid, waarin zij al dieper en dieper wegzonk, toen zij Henk en Ben beiden de trap hoorde opkomen.... Zij naderden, zij vernam hun stemmen, er werd luidruchtig gebeukt op haar deur. --Waar ben je, meisje, nog in je bed? riep Henk. --Neen, ik ben hier, in mijn boudoir! riep zij terug, met lichte verheffing van stem. De deur werd opengedraaid en Henk verscheen in de portière, zijn hoofd schuddend, terwijl Ben tusschen zijn vaders hooge rijlaarzen doorslipte, een bouquet in de vuistjes. --Tante, wel gefeliciteerd met uw verjaardag.... en dit is van Ben! zeide het kind als een van buiten geleerd lesje, terwijl het den ruiker in haar schoot legde. --Maar meisje, is dat lang boven blijven; anders ben je op dit uur al van je wandeling terug! riep Henk. Zij antwoordde niet, maar omhelsde den kleinen jongen, terwijl haar oogen bijna vochtig werden. --Zet.... zet hem in water, Ben, zal je, in wat lauw water.... Dank je, dank je wel, lieve vent.... Daar, in die vaas, voorzichtig. Ben, steeds gehoorzaam en gewillig, ging aanstonds weg met de vaas, tusschen de beenen van Henk door. Eline viel weêr in de kussens neêr en zag haar zwager aan met een flauw lachje. --Ik voel me akelig vandaag.... niets wel! sprak zij kwijnend. Henk kwam nader met de handen op den rug. --En dat op je verjaardag? vroeg hij opwekkend. Kom, ik zou maar beneden komen, luie meid, maar laat mij je eerst flink zoenen.... van harte hoor! en hij drukte zijn lippen op haar beide wangen, terwijl zij glimlachend liggen bleef. --En hier is een kleinigheid voor je, Elly.... ik hoop dat het je bevallen zal! vervolgde hij, terwijl hij haar een étui overhandigde. Zij lachte even. --Hoe grappig, dat je me mijn cadeau hier boven komt brengen.... Dank je, Henk, dank je. Zij opende den étui, en zag een haarspeld, in den vorm van een diamanten spin. --Maar Henk! riep zij uit. Wat bederf je me toch.... Ik herinner me: verleden zag ik dat bij Van Kempen, en ik zei, dat ik het zoo aardig vond.... ik ga heusch beter op mijn woorden passen, in het vervolg.... durf niets meer zeggen! sprak zij bijna verlegen, en zij dacht aan haar waaier van Bucchi. --Betsy had het in haar ooren geknoopt, antwoordde hij. We geven je gaarne iets wat je verlangt. Nu was zij bijna geërgerd over hun cadeau, maar ze sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem. --Heusch, heusch, je bederft me! stamelde zij. --Kom, lariflang hoor! riep hij uit. Maar nu ga ik nog een beetje rijden; kom nu ook beneden, meisje, anders draag ik je de trappen af. --Neen maar, dat zal je laten.... --Goed, maar dan ook als de.... --Ja, ja, dadelijk; maar Henk, hoor, geen gekheid! riep zij verschrikt en ernstig gebiedend, daar zij een plagerij voorzag en in geen stemming was die te dulden. Hij stelde haar gerust, terwijl hij het op de lippen had haar te vermanen tot een verzoening met zijn vrouw, maar hij vreesde, dat hij haar niet voorzichtig genoeg zijn verlangen zou kunnen meedeelen; hij vreesde, dat zij driftig zou worden, en daarbij.... alles zou zich wel spoedig schikken, dacht hij, en ging weg. Zij stond op, en vermoedde, al dralende, hoe Betsy zeker aan Henk gezegd had, haar het cadeau boven te brengen, om het niet zelve te moeten overhandigen. Zij gevoelde zich verlegen met haar houding; zij was nu wel genoodzaakt den eersten stap der verzoening te doen en dit krenkte haar fierheid. Het zou wezen, als ware zij zoo opgetogen over hun cadeau, dat alle vroegere onaangenaamheid nu was goedgemaakt.... Het was vervelend, maar toch, zij kon nu niet beneden komen, en na een korten, koelen groet, ontbijten zonder iets te zeggen. Het speet haar zeer, dat zij haar ingeving van den vorigen dag niet gevolgd had en reeds een toenadering had gepoogd. Eigenlijk was het toch te dwaas, dat gekibbel alleen om die honden! En zij hield zich behaagziek de diamanten spin tegen heur haar, tegen haar hals aan.... IV. Voordat zij beneden kwam, opende Eline een loket van het schrijftafeltje. Heimelijk glimlachend haalde zij er een album uit, een cadeau aan zichzelve, en ontsloot het.... Het bevatte enkele portretten van Fabrice, in verschillende kostumes, en die zij reeds eenigen tijd met veel tact, maar steeds met een kloppend hart gekocht had, nu eens in dezen, dan eens in genen winkel, nooit er voor terugkomende in denzelfden, steeds bevreesd, dat de winkelier iets van haar gedachten raden zou.... Eenmaal was zij voor een dag naar Amsterdam geweest, om kennissen op te zoeken; daar was zij eens goed brutaal geweest, en had in een boekwinkel er met een front d'airain zeven tegelijk gekocht; men wist er toch niet wie zij was, en zij beloofde zich voortaan in geheel haar leven geen voet meer over den drempel van dat magazijn te zetten.... Met een oog vol dartele ondeugd bezag zij nu haar collectie, en welk blad zij ook omsloeg steeds blikte zijn donker gelaat met den zwarten baard haar toe, een enkelen keer zelfs zooals zij hem tegenkwam in het Bosch, met zijn flambard en zijn bouffante.... O, zij gevoelde het nu: het was een inniger gevoel dan bewondering, dat haar doortrilde bij die beschouwing, dat haar, in een jonkvrouwelijke zedigheid en schaamte voor zichzelve, huiveren deed even haar lippen te drukken op die geliefde beeltenis; zij gevoelde het nu, het was een hartstocht, die haar gedachte vervulde als met een schat van zaligheid, een liefde, waarvoor zij alles zou kunnen opofferen, wat hij zou kunnen vragen.... En romantische voorstellingen verhitten haar hersenen, die den last der melancholie een weinig hadden afgeschud na Henks opbeurende woorden, waarin zij somwijlen als de echo van een vervlogen wensch hoorde.... Vluchtende met Fabrice zag zij zich aan een station, wachtende op den trein en vreezende, dat men hen achtervolgen zou.... --Tante, tante, maak open! riep Ben aan de deur. Zij sloot den album weg en opende de deur. Ben kwam binnen, voorzichtig met beide handjes de vaas omknellend, vol met water. --Netjes hoor, kleine baas! zeide Eline. En niet gemorst op de trap? Hij schudde van neen, verheugd over zijn handigheid. Mina had hem geholpen. Terwijl hij den bouquet in de vaas zette, bedacht Eline, hoe dit cadeau van den kleinen jongen ook een attentie van Betsy was.... Het was eigenlijk maar lastig.... Zij trok nu echter de stoute schoenen aan, en ging met Ben naar beneden. Betsy zat in de eetkamer en beraadslaagde met Grete. --Dag Betsy, zei Eline. --Dag Elly, wel gefeliciteerd! antwoordde Betsy, zonder uitdrukking. Eline wilde niets meer zeggen; de meid moest eerst weg zijn. Ze zou ook niet ontbijten; ze had geen honger. --Grete, je kan wegnemen, ik zal niet eten! sprak zij, en schertste, om zich een houding te geven, met Ben. Betsy bleef verdiept voor haar schrijftafel, in rekeningen en boekjes als een naarstige menagère, met den rug naar haar toe. Na een pijnlijke stilte van eenige seconden, toen Betsy wrevelig Ben verboden had te hangen en hem naar de kindermeid gestuurd had, stond Eline op. Zij naderde haar zuster en legde heur handen op dier schouders. --Betsy.... begon zij. Maar zij vermocht nog niets te zeggen over het cadeau, de diamanten spin. --Betsy, toe, zou het niet beter zijn, als.... je weet niet, hoe het mij spijt, dat we zoo.... Toe, wees nu niet boos op me, ik heb ongelijk gehad.... --Wel Eline, het doet me plezier, dat je dat erkent. Boos ben ik niet. --Is dan alles vergeten? --O, wel zeker. Je weet, ik vind niets vervelender dan onaangenaamheden, ik hoû veel van den vrede. Laten we er dus niet meer over spreken.... Haar koele toon was Eline als ijs; toch boog deze zich en gaf Betsy een zoen. --Neen waarlijk, het spijt me; ik heb natuurlijk geen recht je in je eigen huis.... ik heb er vreeselijk verdriet van. Ze had nog iets willen zeggen, maar kon haar woorden niet vinden en nogmaals zochten haar lippen Betsy's voorhoofd, toen deze zacht haar afweerde: --Nu goed; laten wij er dan niet meer over spreken, ik ben niet meer boos.... Maar niet zooveel zoenen; je weet daar hoû ik niet van.... V. Die verjaardag ging Eline somber voorbij. De verzoening met Betsy had op haar niet den gewenschten indruk gemaakt; zij had zich iets hartelijkere voorgesteld: een zusterlijke omhelzing, een vermenging van tranen, waarna zij langen tijd vriendelijk en minzaam met elkaâr zouden zijn omgegaan. De werkelijkheid echter was een, van Betsy's kant, ijskoude neêrbuigendheid geweest, waaronder zich Eline nu haar houding eenigszins als een dwaas figuur voorstelde. Zij wist zich zwakker dan haar zuster en toch wilde zij zich tegen die overheersching verzetten, maar bij iederen opstand en nog meer, zooals nu geweest was, na een tijdelijke overwinning, gevoelde zij zich krachteloozer en krachteloozer om dien strijd met zoo ongelijke moreele wapenen voort te zetten. Haar fierheid was haar thans als een zwak riet gebleken, dat knakte bij iedere vlaag, en haar mistroostigheid bleef daarom een donker waas als een rouwfloers over haar gedachte verspreiden. Toch was zij schijnbaar vroolijk, dien middag, te midden van de vroolijkheid harer kennissen, die haar kwamen gelukwenschen. Maar mevrouw Van Raat, uit wier peinzende, lichtblauwe oogen zij gaarne een straal van sympathie had opgevangen, was ongesteld, en liet zich door Paul verontschuldigen, en deze teleurstelling woog haar zwaar op het harte. Mevrouw Van Erlevoort en Mathilde voegden daar Freddy's excuses aan toe, die verkouden was en liever thuis had willen blijven, en Eline overdacht weêr met verwondering, waarom Frédérique haar toch een kwaad hart scheen toe te dragen. Jeanne Ferelijn overstelpte haar met tal van huiselijke klachten, en zij had al haar wellevendheid en innemendheid noodig, om die niet al te blijkbaar ongeduldig aan te hooren. Cateautje Van der Stoor, die zij evenals mevrouw Van Raat gaarne had gezien, scheen haar verjaardag vergeten te hebben; zij kwam niet en liet ook niets van zich hooren. Maar Emilie De Woude bracht haar eigenaardige, bruyante vroolijkheid mede, die haar tot schaterens toe opwond. De tintelende kout verlichtte haar een weinig de doffe atmosfeer der salons, waar het gas nog niet was opgestoken, waar langs de laag geplooide meubelgordijnen een schemerende somberheid binnenzonk, die de vroolijkheid van het verguldsel, van het havanna satijn, van het vieil-or der draperieën en meubels in treurige schaduwen scheen uit te wisschen. Emilie wilde Eline's cadeaux zien, sierlijke kleinigheden, enkele bouquetten, op een tafel geschikt om een groote mand vol bloemen en vruchten. --Wat een heerlijke corbeille! riep Emilie. Perziken, druiven, rozen, prachtig! Van wie, Elly? --Van Vincent; charmant, vindt je niet? --Ik wou, dat ik ook zulke galante neven had.... --Cht, stil, fluisterde Eline. Vincent was juist binnengekomen, terwijl hij, naar de gastvrouw zoekende, zijn oogen een weinig toekneep. Betsy ontving hem als altijd met zekere warmte en voorkomendheid, in een voortdurende vage vrees voor dien neef. Eline bedankte hem, zijn beide handen in de hare drukkend. Vincent verontschuldigde zich, dat hij zoo laat kwam; het was kwartier over vijven en de Verstraetens namen afscheid in de toenemende schemering, waarna Gerard binnenkwam om het gas op te steken, de blinden te sluiten, de gordijnen dicht te plooien. --Vincent, blijf eten vanmiddag, wil je? vroeg Betsy. Betsy vreesde namelijk voor een vervelende avond. Zij waren nergens geïnviteerd, en daarbij had zij gemeend op den verjaardag harer zuster geen plannen te moeten maken om uit te gaan, had dit ook niet kunnen doen, daar zij, tijdens de bouderie, dien morgen pas bijgelegd, haar nauwelijks een woord had toegesproken. Vincent kon een half uur voor het diner familiaar gevraagd worden. Vincent had conversatie als hij in een goede luim was en bracht ten minste een ander gezicht meê aan tafel. Vincent nam met een onverschillig: "o, heel gaarne!" de uitnoodiging aan. Intusschen beweerde Henk behoefte te hebben om even een loopje te maken en wipte de deur uit, alleen zijn hoed nemend en zijn kraag opzettend, met de handen in de zakken. Anna, de kindermeid, kwam Ben halen om hem wat op te knappen, daar zijn mond vol gelei en room zat van de taartjes. Ook Betsy verdween even naar boven en Eline en Vincent bleven alleen in de groote salons, nu hel van gasgloed. --Kom, laten wij in het boudoir gaan zitten! zei Eline, en Vincent volgde haar in het kleine vertrekje. De zacht heldere gloed van het kristallen kroontje over den zilveren weerschijn van het violette peluche gaf er iets geheimzinnigs vertrouwelijks aan, iets als om uit te lokken tot intieme mededeelingen. Vincent scheen echter geen anderen indruk te krijgen, dan dien van een rustig bien-être; hij liet zich met een zucht op de sofa neêrzijgen, in zijn gewone matheid, en deed Eline eenige onverschillige vragen over de kennissen, die hij zoo even had afscheid zien nemen. Terwijl zij hem antwoordde, gevoelde zij een groote sympathie voor haar neef in zich opwellen. Het was weer die behoefte, welke haar hartstocht voor Fabrice verwekt had: veel liefde om zich heen te voelen, de schatten harer liefde te verspreiden. En evenals het Paul getroffen had onder den valen schijn eener petroleumlamp, trof het haar nu onder het, door de pendeloques tintelende, gaslicht: Vincent geleek haar overleden, dierbaren vader, zoo treffend, dat zij zich bij zijn aanblik, als in haar jeugd kon terugdenken; zóó, met dien smartelijken trek om den mond, met die oogen vol meemoed, lag haar vader neêr, wanneer hij uitgeput was van artistieke vizioenen, te ver af om in zijn onmacht te grijpen: zóó hing zijn hand over de leuning van zijn stoel, wanneer het penseel haar ontgleden was. En Eline voelde haar sympathie voor Vincent doortrillen met medelijden en poëtischen weemoed, terwijl zij luisterde naar zijn vermoeid murmelende stem, die haar over Smyrna sprak; hij scheen haar belangwekkender toe, dan de meeste jongelieden bij hun côterie; hij werd haar martelaar, in de kleinheid der wereld, terwijl hij haar klaagde, dat hij Den Haag kleinsteedsch en vervelend vond en naar veel ruimte verlangde; zij ook, zij wilde.... --Maar ik verveel je met mijn klachten, parlons autre chose! viel hij zichzelven met veranderde stem in de rede. Ik ben niet beleefd zooveel over mijzelven.... --O, volstrekt niet, je verveelt mij in het geheel niet! antwoordde zij wat haastig, een weinig verdrietig, dat hij den draad harer fantasie eensklaps afsneed. Denk je, dat ik mij niet geheel en al in je gedachten verplaatsen kan, dat ik niet begrijp, hoe je anders wilt, dan den alledaagschen sleur, waarin wij willens en wetens ronddraaien? Ik zelf zou somtijds.... er wel eens uit willen! riep zij met een beweging harer armen, als ware zij een gevangen vogel, die zijn vleugelen uitslaat. Ik voel mij soms zeer geneigd een vreeselijk dollen streek te doen! en zij glimlachte schalks en dacht aan Fabrice. Hij schudde, glimlachend ook, zijn hoofd en tikte haar even op heur omhoog geheven hand, die bevallig neêrviel. --Waarom zou je nu dwaasheden willen? vroeg hij. Je vervalt in een uiterste. Onafhankelijk te leven van iedereen, je niet storen aan de praatjes van een côterie, maar je wil te volgen, zoolang die verstandig is; zoo dikwijls van omgeving te veranderen, als men verkiest, dat is mijn ideaal.... niets dat zoo jong doet blijven als afwisseling. --Maar om onafhankelijk te zijn, om zich aan niets te storen.... moet men meer moreele kracht bezitten, dan wij gewoonlijk in onze overbeschaafdheid durven hebben! antwoordde zij, zich vermeiende in de epicuristisch-filozofische tint, die hun gesprek een weinig kleurde. --Moreele kracht? Ach neen, je moet er eenvoudig geld voor hebben! hernam hij kortweg en practisch. Als ik rijk ben, en vormen heb, geen dwaasheden doe, maar mij netjes hoû voor de wereld, ben ik volkomen in staat mijn ideaal verwezenlijkt te zien, zonder dat men mij iets anders zal ten laste leggen, dan misschien.... een beetje excentriciteit. Zij vond de zienswijze te nuchter, te banaal en drong hem de hare op, die haar meer romantisch scheen. --Nu goed, geld.... natuurlijk! hernam ze, met vrouwelijke gemakkelijkheid zijn stelling afwerend. Maar zonder genoeg kracht om zijn eigen wil door te drijven, wordt men toch dadelijk meêgesleurd door alle oude gewoonten. Zie je, en daarom--hij lachte om haar allerbeminnelijkste logica--daarom zou ik zoo gaarne.... eens iets dwaas doen, iets vreeselijk dwaas. Ik gevoel me sterk om mijn eigen gang te gaan en mij te verzetten tegen de wereld, ik voel soms zeer veel bravoure in mij.... Hij had schik in de dartelheid, die uit hare glanzende oogen straalde en hare geheele elegante figuurtje scheen hem, terwijl zij aldus coquetteerde met haar loszinnigheid, een kapel toe, op het punt weg te fladderen. --Maar Eline! riep hij lachende. Wat voor dingen haal je je toch in je hoofd! Wat zou je dan wenschen, wat voor dwaasheden zou je dan eigenlijk willen doen? Toe, biecht eens op, ondeugd! Zij lachte meê. --O, minstens me laten schaken! --Door mij? --Waarom niet? Maar ik geloof, je zou me gauw aan mijn lot overlaten, ik zou een te duur luxe-artikel zijn en ik zou met hangende pootjes terugkeeren. Merci dus, als je vraag een invitatie insloot; ik wacht liever op mijn rijken mylord.... --Geen hutje dus met maneschijn? --O, Vincent, hoe afgezaagd! Jamais! Ik bestierf het van verveling: dan noch liever actrice.... en wegloopen met een acteur.... En zij schitterde van schalkschheid en overmoed, zij genoot met geheime vreugde in haar gedachte aan Fabrice, en zag Vincent driest in de oogen; hij kon toch die gedachte niet raden.... Hij schaterde het uit; de levendige dartelheid, die haar loome elegance gedurende hun gesprek vervangen had, de gloed in haar amandelvormige oogen, en het behaagzieke tikken harer kleine hand op hare knie vermaakten hem nog meer dan haar woorden, en toch, deze waren hem ook sympathiek; er verschool zich een verlangen naar afwisseling onder, dat gelijk was aan het zijne. Zij zagen elkander daarna een wijle glimlachend aan, en Eline gevoelde in de zachtheid van zijn fletsen blik die langzaam omstrikkende bekoring als van het staren eener slang. --Hoe frappant.... lijkt hij op mijn lieve papa, hoe frappant! dacht zij, bijna verwonderd over de sympathie, die zij voor Vincent gevoelde, terwijl zij opstonden, nu de bel hen naar de eetkamer riep. Hoofdstuk XIII. I. Mevrouw Verstraeten was bij Lili, die zwaar koude had gevat, thuis gebleven, terwijl Marie en Frédérique met Paul en Etienne, de schaatsen over den schouder, naar de IJsclub aan de Laan van Meerdervoort waren getogen. De oude heer zat te lezen in de warme serre tusschen het glanzige groen der aralia's en de palmen. Lili was uit haar humeur; zij antwoordde haar moeder, die nu en dan een fraze zeide, niet anders dan met kwijnende monosyllaben, terwijl zij, tot stikkens toe, een kuch zocht in te houden. Want zij had verklaard, dat zij beter was en niet meer hoestte; dat dit lange thuis blijven haar toch niet goed zou doen en haar zou verwennen, en dat zij over een paar dagen uit wilde. En toch, niettegenstaande dit voornemen, scheen het haar buiten Siberië toe, zooals zij in den tuin de bevroren sneeuw hard en blank zag liggen op de dorre takken der boomen, en op de onbezoedelde, in lang niet betreden paden, die marmer geleken. Mevrouw haakte ijverig door en de vlugge beweging der haakpen, die den wollen draad tot een mollig weefsel verstrengelde, hinderde Lili, evenals het regelmatig omgeslagen blad van haar vaders boek, daar ginds, haar hinderde. Zijzelve deed niets en heure handen lagen mat in den schoot, maar, genoot zij anders van zulk een dolce-far-niente, nu verveelde zij zich, zonder toch tot eenige bezigheid aandrang te gevoelen. Heimelijk gevoelde zij zich ijverzuchtig op Freddy en Marie, die gezond en vroolijk waren, terwijl zij zwak was en zich voor ieder tochtje in acht moest nemen, maar zij had haar zuster, toen deze aarzelde met Freddy en Etienne mede te gaan, zelve aangespoord haar schaatsen te gaan halen; Marie kon toch niet altijd bij haar, Lili, thuis zitten, als ze zoo dwaas was ziek te worden, en daarbij, mama bleef haar gezelschap houden. Een zucht ontglipte haar lippen, terwijl zij uit den bon-bonnière een cough-lozenge nam, en mevrouw zag haar even tersluiks aan, daar zij wist, hoe het openbaren harer moederlijke bezorgdheid Lili in deze prikkelbare stemming meer ergeren kon, dan de grootste onverschilligheid gedaan zou hebben. Zoo dreef de middag langzaam voorbij onder Lili's stille bouderie en geen visites kwamen die doffe rust verstoren, toen er over vieren gebeld werd en Dien Georges De Woude binnenliet. Lili was geërgerd; Dien had hem best eerst kunnen aandienen en hem niet dadelijk in den salon laten, meende zij. Zoo intiem kwam hij toch niet bij hen aan huis. En zij groette, terwijl mevrouw Verstraeten hem de hand reikte, eenigszins koel, dralend haar witte vingertjes reikende, dralend ook volgende, toen mevrouw hem naar de serre leidde, naar den ouden heer. Haar ouders zaten reeds met hem ter neder, toen zij langzaam een rottingstoel wat aanschoof, en zich langzaam er in neêr liet zijgen, als wilde zij hem goed doen merken, dat zijn bezoek haar stoorde, en dat zij zich bij hen voegde, alleen omdat de beleefdheid dit eischte. Zij zag bij de eerste frazen, die hij met haar ouders wisselde, een weinig gemaakt verstrooid in den tuin, als stelde zij geen belang in hun gesprek. Mevrouw was begonnen met een vraag over Berlijn, waar hij drie maanden gedetacheerd was geweest, maar hij antwoordde eenigszins haastig, zich half tot Lili wendend, en hij vroeg beurtelings mevrouw en haar aanziende, naar hare gezondheid; was zij waarlijk zwaar ziek geweest? Lili murmelde iets, terwijl haar mama eigenlijk antwoordde, maar het trof haar, hoe zijn vraag gedaan werd met zekeren angst, zonder banaliteit, alsof hij inderdaad in haar welvaren belang stelde. Wat kon het hem schelen of zij ziek was of niet!... Maar hij scheen haar koelheid niet op te merken, nu hij, daar de vraag haar onbehagelijk scheen, met zijn levendige gemakkelijkheid doorpraatte en op Berlijn terugkwam, en op zijn aangename wijze de vragen van meneer en mevrouw beantwoordde. Telkens zag hij haar aan, als om haar in het gesprek te voeren, en uit beleefdheid glimlachte zij dan een enkele maal, of vroeg zij iets, zonder al te veel belangstelling. Wat ratelde hij toch altijd, dacht zij, zooals zij vroeger dacht wanneer hij causeerde als nu; maar toch, het was of die gedachte gedwongen bij haar oprees, en niet geheel en al gemeend was. Hij ratelde, het was waar, maar er was iets gezelligs en aangenaams in zijn geratel, iets dat haar, al wilde zij het zich niet bekennen, onderhield na den eenzamen achtermiddag, dien zij, zich vervelend, had doorgebracht aan de zijde heurer hakende moeder. Hij sprak niet kwaad, een beetje druk, maar vervelend was hij niet en--het was, of zij het nu voor het eerst zag--zoo vreeselijk geaffecteerd was hij toch ook niet. Hij had een wat al te nauwkeurige en daarom gekunstelde uitspraak, maar dat was alles; zijn gebaren waren eenvoudig, en door zijn lichte gemaniëreerdheid blonk iets hartelijks door, zoo vaak hij zich tot haar wendde. En zijn kleeding, ze was precies, precies, neen maar zie je, zóó precies.... toch niet poenig, moest zij erkennen, netjes, al te netjes misschien, maar eenvoudig. Hij praatte door, nu de heer Verstraeten hem over zijn betrekking sprak, terwijl zij hem aldus opnam, en onwillekeurig, zonder het te bespeuren, hartelijker glimlachte en vriendelijker vroeg, maar hij, hij bespeurde het, en hij waagde het nog eens te vragen: gevoelde zij zich nu beter, ging zij nog niet uit? Wat kon het hem toch schelen, dacht zij weêr, bijna kribbig; één keer uit beleefdheid gevraagd, was meer dan genoeg, maar toch, zij antwoordde nu zelve, en zeide, dat zij niet meer hoestte,--een kuch logenstrafte haar aanstonds--en dat zij zich voelde bijkomen onder de goede zorgen van mama en Marie. Hij was haar dankbaar voor die woorden, maar hij had de kuch hooren krijschen in haar keel, en hij had het op de lippen, haar aan te raden, zich nog in acht te nemen; het weêr was zoo bar.... toch deed hij het niet; ze mocht eens meenen, dat het zijn zaken niet waren, en hij vroeg of Marie het goed maakte. --O ja, antwoordde Lili; ze is gaan schaatsenrijden met Frédérique en Etienne Van Erlevoort en met Paul. Beklaagt u me niet, dat ik weêr alleen thuis moet blijven, als het zieke kindje? --Is het u zoo een groot verdriet niet te hebben kunnen meêgaan? Houdt u van rijden? --Ja, dat is te zeggen, ik hou er wel van, maar eerlijk gezegd, ik kan het niet goed; Marie en Freddy rijden veel beter; die zwieren dan rond, terwijl ik krabbel; ik ben te bang, weet u en.... --Maar helpen Paul of Etienne u dan niet? --O, Paul zegt ronduit, dat hij het vervelend vindt met zoo een sukkelaarster te rijden en Etienne, dat is zoo, die offert zich wel eens een vijf minuten op. --Maar Lili! sprak mevrouw; als je het niet kan, is het toch ook wel vervelend voor hen. --Ik was toch galanter in mijn tijd! zeide de oude heer. --O, ik maak hun er geen verwijt van, zeide Lili; ik constateer alleen een feit! en zij kuchte. --Maar, als u nu beter is, als u nu weêr uitgaat, hernam Georges aarzelend,--hij wist wel, dat hij zich waagde op dun ijs,--mag ik me dan eens een enkelen keer als uw cavalier offreeren; ik ben wel meestal op mijn bureau, maar toch.... --U rijdt? riep Lili; ze had het nooit van hem gedacht. --Ik ben er dol op! betuigde hij. Neemt u aan? Zij bloosde bijna, en antwoordde glimlachend, met neêrgeslagen wimpers. --O, dan heel gaarne.... met heel veel plezier. Maar u zal zoo een last van me hebben.... Ik ben zoo bang, ik hoor het ijs altijd kraken; weet u.... u vermoedt niet, wat u me eigenlijk wel aanbiedt.... --Toch wel! antwoordde hij. Ik geloof niet, dat het me ooit berouwen zal u dit gevraagd te hebben.... Hoe was het toch, dat hij een fraze zeggen kon met zoo iets.... gemeends, iets hartelijks, dacht Lili, en zij vond niets om hem te antwoorden, en lachte alleen een weinig. Er ontstond een kleine pauze in het gesprek, en eertijds zou Georges zeker zijn hoed gegrepen en afscheid genomen hebben, maar nu, hij bleef, hij verlevendigde de conversatie opnieuw, als had hij nog geen plan om in het eerste uur op te stappen; totdat Janbroêr met zijn boeken onder den arm thuis kwam, bleef Georges met gemakkelijk gekeuvel zijn visite rekken, toen werd het donker, en zich verontschuldigend over zijn lang bezoek, rees hij ten laatste op. --O, volstrekt niet, integendeel! zeide de heer Verstraeten. Het doet me plezier je weêr eens gezien te hebben.... Groet den ouden heer en je vroolijke zus van me. --Emilie beweerde, dat ze het niet zonder je kon stellen! voegde mevrouw er bij. Ze zal zeker wel blij zijn.... Lili begreep nu eenigszins, dat Emilie Georges gemist kon hebben, en zij bood hem gul haar hand en bedankte hem nogmaals voor zijn aanbod. --Een goede jongen, die De Woude! sprak de heer Verstraeten, toen hij weg was en Lili ging naar den kleinen salon terug, terwijl zij haar mama ook iets gunstigs over Georges hoorde zeggen, ingenomen als zij was door Georges' beleefde voorkomendheid.... --Hij komt altijd geregeld eens aan.... natuurlijk, hij zou het niet doen, als er geen jonge meisjes in huis waren, als we geen menschen zagen, maar toch.... Lili hoorde niet verder; ze glimlachte haar fantazie toe, die zich haar voorstelde met Georges, glijdende over het ijs, de handen gekruist over elkaâr.... II. Marie kwam thuis, gebracht door Freddy, Paul en Etienne, die aan de deur afscheid namen; zij was doodmoê, koud en rozig van wangen met schitterende oogen. Het was heerlijk geweest: veel menschen op het ijs, de Eekhofjes, Eline met Henk.... --De Woude heeft hier een visite gemaakt, zeide mevrouw. Hij was sedert drie dagen terug. --Zoo! sprak Marie onverschillig en begon haar manteltje los te knoopen. --En hij heeft me gevraagd met hem te gaan schaatsenrijden, als ik beter was, zeide Lili, bijna verlegen en kuchend. Marie hield eensklaps op den mantel uit te trekken en zag haar zuster verbaasd aan. --De Woude?.... Met jou! En wat heb je gezegd? --Natuurlijk, dat ik het heel vriendelijk vond.... wat zou ik anders gezegd hebben.... Marie proestte het uit. --Jij rijden met De Woude? Met dat "pedante être", dien "geaffecteerden fat"? Maar Lili, dat zal nooit gaan, je vond hem altijd zoo onuitstaanbaar. --Qu'est ce que ça fait? Hij is tenminste galanter dan Paul of Etienne, en als hij me helpen wil.... Marie lachte steeds. --Hij kan immers niet rijden! riep zij minachtend uit. --Hij zegt, dat hij er dol van houdt.... --Och, geloof het toch niet.... Praatjes.... Lili haalde ongeduldig haar schouders op. --Hij zal er toch niet om jokken.... --Mon Dieu, wat ben je in eens vol ijver om hem te verdedigen. Vroeger was er geen haar goed aan.... --Ik heb hem altijd heel vriendelijk gevonden, heel beleefd.... --Lili, hoe kan je zoo schandelijk jokken....! Je vond hem onverdragelijk! --Maar Marie, daarom mag ik toch wel eens met hem gaan schaatsenrijden? riep Lili bijna smeekend. Je danst toch ook niet altijd met charmes van je. --Ik weet toch niet, wat ik er van denken moet, hield Marie plagend vol. Zoo maar in eens, samen op het ijs.... Mama, vindt u het wel goed? Lili wendde zich af met een voorname minachting. --Kind! was alles wat zij, neêrziende op hare zuster, zeide, en zij was wrevelig op zichzelve, dat zij weêr een kleur had gekregen, voor niets immers.... III. --Papa slaapt? vroeg Georges, terwijl hij Emilie's zitkamer binnentrad, des avonds na het diner. Emilie schrikte een weinig; zij was eenigszins onder den indruk van een copieusen maaltijd; haar stoel was zoo gemakkelijk en het vuur zoo gezellig. --Ja, papa slaapt, herhaalde zij, met de oogen knippende. Georges lachte. --En Emilie, heeft die ook geslapen? vroeg hij luimig. Emilie stemde meê in zijne vroolijkheid. Neen, ze had niet geslapen, ze had alleen maar wat zitten soezen. Bleef Georges thuis thee drinken? Dat was gezellig. En zij zag hem, met haar hartelijke oogen, vol vriendelijkheid, aan; ze gevoelde een moederlijke genegenheid voor dien veel jongeren broeder, dien zij van kind af aan had opgevoed en bedorven en vertroeteld, die nu weêr terug was onder de vleugelen van haar zorg, na twee maanden in het buitenland geweest te zijn. Gelukkig, hij zag er goed uit, hij was zelfs dikker geworden, en zij merkte met trots op, dat er iets mannelijks lag over zijn fijne trekken, of was het, omdat haar blik hem een wijle ontwend was? Georges zette zich bij haar neêr, sprak over dit en vroeg naar dat. Ze kende hem goed, meende zij, en aanstonds begreep ze, dat hij haar iets te verzoeken had. Zij was inwendig verheugd, dat hij haar noodig had, maar toch ondeugend genoeg, om hem uit zichzelven voor den dag te laten komen, zonder zijn woorden uit te lokken. Hij draalde zeer lang, en toen hij uit haar voorgewende achteloosheid meende, dat het oogenblik van vertrouwelijkheid niet goed gekozen was, scheen hij eensklaps beslist zijne mededeeling uit te stellen, en sprak op vasteren toon over iets onverschilligs. Nu gevoelde zij berouw en antwoordde weinig, terwijl zij een middel zocht om hem tot zijn eerste voornemen terug te brengen. Maar zij vond er geen aanleiding toe en eensklaps hakte zij den knoop door met bondigweg te vragen: --Zeg, Georges, wat is er? Wat heb je me te vertellen? Het was nu zijn beurt te veinzen en verwonderd antwoordde hij: --Je iets te vertellen? Hoe meen je dat? --Ach.... ik weet niet, ik dacht.... ik meende zoo iets in den krul van je knevel te zien! schertste zij. Is er waarlijk niets? Geldzaken?.... Zij wist wel beter, het waren geen geldzaken, het waren nooit geldzaken, want hij was daarin zoo wanhopig accuraat, dat zij, die haar ouden vader zoowat alle beheer uit handen had genomen, zich nimmer een aanmerking of een vermaning behoefde te getroosten. Hij schudde dan ook ontkennend zijn hoofd, maar toch, hij zag haar slechts glimlachend aan, hij kwam niet verder, zijn vraag scheen dan wel moeilijk in woorden te brengen, voor iemand, die zoo ratelen kon? --Ach neen, antwoorde hij. Alles is gezegd in een paar woorden maar er zijn soms oogenblikken, nietwaar, dat woorden goud schijnen te kosten. --Ik bid je, Georges, niet van die ambages; heb je me iets zeggen of te vragen, zeg het ronduit, flinkweg, zonder je woorden te wikken en te wegen, dat is tegenover mij volstrekt niet noodig! hernam zij bijna verwijtend, maar met zoo aangemoedigde innigheid, dat hij haar groote, blanke hand greep, en ze met zijn speelsche galanterie aan de lippen bracht. --En nu, gommeux, allons, biecht op! drong Emilie aan, met de geliefkoosde hand hem een tik onder de kin gevend. Hij moest zoo, er was geen terugwijken meer mogelijk en hij verzamelde zijn moed, hij begon te spreken, langzaam, met afgebroken zinnen, maar het eigenlijke kwam spoedig genoeg. Zijn pozitie.... zou zij het erg dwaas van hem vinden zoo hij.... aan trouwen dacht? In zijne woorden trilde een heimelijke vrees, alsof zijn geluk aan haar antwoord zou hangen. Het was zoo: zijn woorden verrasten haar, zij beschouwde hem, niettegenstaande zijn vier-en-twintigste jaar, nog zoo een beetje als haar jongen, als haar troetelkind en.... hij dacht aan trouwen! Maar tevens kende zij hem, niettegenstaande het oppervlakkig vernis zijner lichte affectatie, als degelijk en verstandig; hij zou haar zoo iets niet vragen, wanneer hij niet nagedacht had, en ze mocht hem niet krenken, met een woord van scherts, in een willicht allerinnigst gevoel. Scherp te midden dier gedachten, gevoelde zij echter een vrees, hem aldus vroeg of laat te moeten verliezen. --Trouwen! Georges, waarlijk denk je er aan....? Hij glimlachte heimelijk, als gestreeld door een lieflijk vizioen. --Waarom niet? fluisterde hij bijna. --Ben je dan.... ben je dan zoo.... verliefd? vroeg zij zacht. Is het....? en een naam welde haar op de lippen, zonder door te klinken. Hij knikte haar lachend toe, als wist hij, dat zij het geraden had. Zij plaagde hem reeds, eenigen tijd voor zijn vertrek naar Berlijn, met Lili Verstraeten, waar hij het steeds zoo druk over had. Maar dat hij het toestemde, stelde haar teleur. Wist hij dan, dat Lili van hem zou kunnen houden? Bouwde hij niet het tooverpaleis zijner verwachtingen op zand? Zij echter uitte die gedachte niet; zij wilde hem geen illuzie ontnemen, hij scheen zoo gelukkig in zijn stille hoop. --Georges, als het je ernst is, nietwaar.... eh bien raisonnons! hernam zij en schoof haar fauteuil dichter naar zijn stoel. Veronderstel, dat alles eerst rozengeur en maneschijn is, dat je haar vraagt, dat zij je accepteert, wat dan? Hoe lang zal je dan niet moeten wachten, eer het tot een huwelijk komt? --Waarom? --Maar Georges, hoe heb ik het nu met je? Wat een naïveteit! Je wil toch niet trouwen op je traktement van leerling-consul? Twaalfhonderd gulden, niet waar? Het is waar, je kan natuurlijk je aandeel krijgen van wat mama heeft nagelaten, maar het is een bagatel, ce ne sera pas le Pérou, alles te zamen! Ik vraag je dus, hoe.... wat....? Je kunt ook niet rekenen, dat de Verstraetens je veel zullen meêgeven, ze leven goed maar eenvoudig! bepaald fortuin hebben ze niet. --Beste Emilie, als je rekenen wilt, reken dan juist. Het is waar, op ondersteuning van mijn aanstaande schoonouders--zoo zij het ooit worden, fluisterde hij glimlachend--reken ik niet; het zou me zelfs niet eens aangenaam zijn. --Afslaan, zoo ze een duit in het zakje legden, zou je toch niet, geloof ik. --Ik weet het niet; dit is een factor, dien ik buiten rekening laat, waar ik ook waarlijk nog niet aan gedacht heb, maar je was zoo even aan het optellen, en je telde wat slordig op. Stel, dat ik dit jaar mijn examen voor vice-consul nog niet doe; is ons aandeel niet elk vijftienhonderd gulden? --Zoo ongeveer. --Nu, twaalfhonderd plus vijftienhonderd gulden maakt... --Zevenentwintighonderd gulden! Wil je daarvan leven met een vrouw? --Maar waarom niet, Emilie? Zij sloeg de handen van wanhoop te zamen. --Maar Georges, je bent.... pardonnez-moi le mot.... je bent niet wijs! Wees toch geen kind en schep je geen illuzies uit onmogelijkheden. Heb je soms bij toeval dat boekje in handen gekregen, hoe heet het ook weêr? De kunst om van vijftienhonderd gulden fatsoenlijk en getrouwd.... --Neen, ik ken het niet, maar vijftienhonderd is geen zevenentwintighonderd gulden, en ik maak me sterk.... --Jij maakt je sterk! Ja, jij zal wat! Ben jij iemand om met een paar ellendige duizend gulden met een vrouw een geheel jaar van Januari tot December te moeten doortobben! Ja, jij zal wat! vervolgde zij opgewonden en bijna boos, toen hij haar in de rede wilde vallen, en zij rees driftig van haar fauteuil op. Ik zie je al op een klein bovenhuis met zeker eens in de week een biefstuk, hè? Nu enfin, dat leven je te beschrijven, kan ik niet. Ik heb er geen idee van, wil ik wel bekennen. Je bent het goed gewend, Lili ook, hoe willen jullie samen....? Och kom, het is kinderpraat, het is onzin. Wees toch verstandig. Ik ken je te goed.... --Het schijnt toch niet geheel en al! kon hij eindelijk in het midden brengen, met zijn zachte stem, die zoo kalm afstak bij den klank harer levendige verontwaardiging. Ten minste, ik meen wel mijn behoeften te kunnen inrichten naar mijn middelen. --Jij misschien, soit, maar je vrouw dan? Wil je een jong meisje, in zekere aisance groot gebracht, forceeren ook hare behoeften in te richten naar jouw middelen? Geloof mij, Georgeslief, de tijden zijn voorbij, dat je alleen leeft van den wind, en.... --Ze hebben nooit bestaan, meen ik. --Laat me uitspreken. Jongelui, zooals jij, zooals Lili, hebben behoeften, willen luxe, willen uitgaan.... --Och uitgaan, dat eeuwige uitgaan! Ik ben als jongmensch uitgegaan; een mensch behoeft toch niet eeuwig en altijd uit te gaan! --Egoïst! Omdat jij dus als jongmensch bent uitgegaan, wil je, getrouwd zijnde, uit economie thuis blijven, en met je vrouw op je bovenhuis bij je wekelijksche biefstuk zitten koekeloeren.... Prettig perspectief voor haar! --Maar Emilie, in ernst, waarom op den voorgrond te stellen, dat men iederen avond zoogenaamd moet uitgaan. Ik zie daar geen reden toe, ik stel mijn geluk in iets anders .... --Tot op dit oogenblik heb je toch met genot gefladderd op bals, op soirées, ben je, en un mot, uitgegaan.... Je bent nu verliefd, je hebt nu zowat poëzie misschien in je idées, maar geloof me, dat slijt.... en als je eenigen tijd getrouwd bent, vind je het heel gezellig een aangenamen kring van kennissen te hebben. --Toegegeven wat den kring van kennissen betreft, maar dien af te danken, zou ook niet in mijn plan liggen, en ze te blijven zien, kost zooveel geld niet.... --Kost wel veel geld, Georges, geloof me, drong Emilie beslist aan. Je wordt geïnviteerd, je wilt niet achterblijven; je moet eens, hoe eenvoudig ook, een dinertje geven.... dat herhaalt zich, en dat moet gebeuren van je zevenentwintighonderd gulden, niet waar? Nu, ik zie je al! Vooral zie ik je vrouw, die het huishouden moet doen van die zevenentwintighonderd gulden, of liever, van wat je haar er voor afstaat... Nu, ik kom niet bij je logeeren, hoor! Hij lachte om haar komische woede, maar hij gaf haar niet toe. --Ja, zusje, je mag nu praten wat je wilt, ik blijf bij mijn opinie, dat men van weinig geld met veel verstand ook een heel eind komt en ook gelukkig kan zijn.... --O ja, natuurlijk, dat weet ik.... je mag praten als Brugman, meneer Georges hoort je allerliefst aan en maakt allerliefst zijn aanmerkingen.... maar koppig.... stokstijf bij wat hij denkt, dat is.... Zij kon niet uit haar woorden komen; ze was zeer boos .... --Emilie, wind je nu niet op voor niets! zeide hij bedarend. Totnogtoe hangt alles in de lucht, nietwaar? Ik heb nog.... geen stap gedaan.... Ik weet niet eens, of ik.... --Ja Georges, dat begrijp ik, antwoordde Emilie, eenigszins gestild door de kalmte zijner fijne stem; maar toch, financieele overwegingen zijn niet iets van later zorg; dat zal je me toestemmen. --Natuurlijk, maar je zou alleen mijn budget hooger stellen dan.... à propos, wees eens lief! viel hij zichzelven in de rede met een innemenden glimlach. Van een budget gesproken.... help mij eens er een te maken. --Totaal zevenentwintighonderd gulden? Onmogelijk Georges, dat kan ik niet.... Wanneer je als jongmensch op kamers woonde, zou je meer noodig hebben.... Hij zuchtte. --We kunnen het daarover dus niet eens worden? vroeg hij. Ze haalde haar schouders op. --Je bent een kind dat je nog blijft bij die dwaze idees. Je kent het leven niet. Zij was verstoord, dat hij zoo eigenzinnig was niet naar goeden raad te luisteren, maar hij.... ofschoon hij er niet voor zou hebben willen uitkomen: hij gevoelde zich een weinig wankelen in de onwrikbaarheid zijner, toch zoo langdurig overpeinsde meeningen: hij gevoelde een moedeloosheid drukkend op zijn vertrouwen zinken, den grond zijner verwachting voor zijn voeten wegdeinzen.... Langzaam streek hij de hand over het voorhoofd: beter zoo hij.... zoo hij wachtte.... --Het is misschien beter, als ik.... als ik wacht!.... fluisterde hij, zijn gedachte uitende, en er klonk zoo treurige verslagenheid uit die berusting, dat zij Emilie, trots haar voorloopige overwinning, smartte.... Zij ging achter hem, ze vatte zijn hoofd in beide hare handen en ze keek hem lang in de weemoedig lachende oogen, die hij op de hare richtte.... --Droomer, die je bent! sprak zij vol moederlijke innigheid voor zijn verdriet.... Wie weet, nietwaar? Je bent zoo jong.... en misschien, wie weet misschien.... --Nu.... wat misschien? --Misschien heb jij wel gelijk en redeneer ik als een kip zonder kop! riep zij uit, haar overwinning verwerpende bij het leed, dat deze haar verwenden jongen toebracht; alleen ik bid je: overleg, weer verstandig, Georges! En zij drukte twee lange kussen op zijn oogleden, die zich sloten, en waaronder zij iets vochtigs ried. Hoofdstuk XIV. I. --Adieu, Betsy, dag Henk! Ik ga slapen, ik ben moê! zeide Eline in één adem, nog in de vestibule. --Kom je nog niet wat eten? vroeg Betsy. --Merci, wel verplicht.... Zij ging naar boven, terwijl Betsy haar schouders ophaalde. Betsy hoorde in den korten, beslisten klank van Eline's woorden, dat zij in die nerveuze prikkelbaarheid was, waarin zij kon haten wie haar af wilde brengen van haar voornemens. --Wat heeft Eline? vroeg Henk in de eetkamer, ongerust over de dreigende wolk. --Ach, weet ik het! riep Betsy uit. Het is begonnen op het concert, en in het rijtuig antwoordde zij me zelfs niet, zooals je hebt kunnen merken. Ik doe of ik het niet zie, maar ik vind Eline onuitstaanbaar met die kippenkuren.... Eline ging, statig, als een beleedigde vorstin, in het zwanendons en peluche harer sortie de trap op, haar zitkamer binnen. Mina had de oplettendheid gehad het gas aan te steken; zelfs brandde er nog een blok hout in den haard. Ze zag even rond, rukte zich de witte kant van heur haren en het witte manteltje van haar schouders, en, het hoofd gebogen op de botst, met starende oogen, zag zij bijna wezenloos voor zich uit, als verpletterd onder het gewicht eener ontzettende teleurstelling. In het Venetiaansche spiegeltje, door de roode koorden sierlijk opgebeurd, boven de blanke groep van Amor en Psyche, wier bevallige idylle in hatelijk spotziek contrast was met de satire harer gedachte, zag ze zichzelve weêrkaatst, schitterend in haar roze rips, het hoog opgekamde haar gekapt met een roze aigrette, hetzelfde toilet waarin ze drie maanden geleden voor het eerst.... Fabrice had gezien.... En nu.... Zij lachte bijna luid, ze vond zich bespottelijk, ze walgde van zichzelve, als had zij zich bezoedeld. Het was Diligentia-concert geweest, in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, en Henk en Betsy waren er met haar, op haar aandringen, heengegaan. Fabrice zou er zingen: "de populaire baryton der Fransche opera was uitgenoodigd geworden zich ook in de concerten van het Gebouw lauweren te plukken," zooals Het Vaderland vermeldde.... Eline had niet gerust voor zij zeker was te gaan; zij had eerst de Verstraetens gevraagd; Mevrouw had geen lust, Lili was nog ziek.... zij had toen Emilie aangespoord; Emilie had een invitatie; eindelijk Henk en Betsy, die, ofschoon zij geen van beiden veel met concerten dweepten, hadden toegegeven. En Eline had zich veel voorgesteld Fabrice op een nieuw terrein, in een nieuwe gedaante, die van concertzanger, te zien optreden. Gelukkig hadden zij hun plaatsen op het balkon, vlak bij het tooneel; hij.... o, hij had haar zeker in de opera opgemerkt; hij zou haar nu een teeken geven, hij had haar lief.... de waaier van Bucchi!.... En Eline had zich illuzies geschapen zonder eind; haar hartstocht vulde haar ziel meer en meer met een tweede, denkbeeldig, fantastisch bestaan, waarin Fabrice en zij held en heldin waren; een roman van onwaarschijnlijkheid en zich steeds al meer en meer opschroevende romantiek.... Hij vond haar schoon, hij aanbad haar, zij zouden vluchten, zingen op een tooneel, armoede lijden, tot roem en weelde geraken.... Een koorts van gelukzaligheid, nu zij hem weer zien zou, had de geamberde bleekheid harer wangen getint met een lichten blos, als van een donzige perzik; haar oogen hadden gefonkeld in den schemerenden gloed harer kwijnende blikken; en.... zij waren gegaan, zij had zich neergezet, schitterende van een schoonheid, die binocle bij binocle op haar had doen richten, die Henk, Betsy zelfs weder was opgevallen, en de eerste symphonie, was een ruischende hymme geweest, die haar juichte van liefde en geluk.... Toen, toen was hij opgetreden, ontvangen door een kletterend handgeklap. Terwijl Eline nu, steeds wezenloos, in den spiegel blikte, zag zij hem in haar verbeelding zoo optreden, een tweede maal. Onhandig, als een dikke timmerman in een rok, die hem te nauw scheen; zijn korte kroesharen, vet van cosmétique, geplakt langs zijn wangen; zijn gelaat zeer rood boven het spiegelwitte plastron van zijn overhemd, geleek hij burgerlijk en plomp, met een onbehaaglijk norsche uitdrukking om zijn behaarden mond, in zijn toegeknepen oogen, overhangen door zware wenkbrauwen. En het was Eline geweest of ze hem voor het eerst zag. Al de bekoring, waarmede hij door zijn levendige, talentvolle actie, in schitterende kostumes, welke zijn gestalte op het voordeeligst deden uitkomen, haar onbewust omstrikt had, verbrak haar tooverkoorden als dooreen enkelen ruk, en al klonk in zijn prachtige stem het zelfde krachtvolle koper, dat haar in de opera met zaligheid doortrilde, nu hoorde zij ternauwernood dat hij zong, ontzet als zij was over haar reusachtige vergissing. Had zij dan nooit oogen gehad? Die burgerlijke timmerman het ideaal harer fantastische hersenschimmen! In snikken had zij kunnen uitbarsten, wanhopig van ontsteltenis, maar geen trek verroerde zich op haar gelaat en zij bleef recht, bijna stijf zitten, slechts met een lichte huivering de witte peluche sortie zich om de schouders trekkend. Zoo lang hij zong, blikte zij hem toe, bezag hem van top tot teen, als wilde zij zich nu ook niet sparen, en de adem onttrilde bijna hijgend haar lippen, nu zij zich alzoo dompelde in haar verdriet, zonder er lucht aan te kunnen geven. Had zij hem dan nooit zóó gezien, wanneer zij hem in het Bosch ontmoette, in zijn duffel, met zijn bouffante en zijn flambard, die hem iets romantieks, als van een Italiaanschen roover, gaf? Had zij zich zoo vergeten? Zij blikte even met een rillenden angst de zaal rond. Niemand sloeg op haar acht, niemand vermoedde den storm van teleurstellingen in haar hart; men was een en al oor voor Fabrice. Gelukkig, men wist niet, men zou nooit weten. Maar de gedachte, dat zij gered bleef voor het oog der wereld, schonk haar geen troost. Vóór haar, in scherven, lag het luchtige, glazen paleis harer teedere vizioenen en hersenschimmen, dat zij, zuil voor zuil, broos en luchtig had opgezet, schitterend en, hooger, steeds hooger, in fantastische, kristallen pracht, hooger, steeds hooger, tot het als met een apotheoze aan de wolken reikte. En nu, alles was verbrijzeld, alle vizioenen en hersenschimmen vervlogen, weggevaagd als door een enkelen windstoot, en zelfs geen chaos bleef over, slechts een ontzettende leegte, slechts die man daar met zijn rood kruideniersgezicht en zijn wit hemd, en zijn nauwen rok en zijn geplakte haren. Zij herinnerde zich niet ooit zoo geleden te hebben als dien avond. Drie maanden lang had die roman van liefde haar hart doen kloppen; iederen keer, dat men achteloos zijn naam voor haar uitsprak, iederen keer, dat zij zijn naam op een aanplakbiljet vermeld zag, en nu: een enkelen blik op dien--Vincents woorden ruischten haar als een echo van spot in het oor--"dikken, leelijken baas", scheurde haar dien roman uit de ziel, en alles was weg, weg. Zij sprak bijna niet, en toen Betsy, later in den foyer, het strakke masker harer trekken, overtogen met een vale bleekheid, opviel en zij haar zuster vroeg, of ze ziek was, stemde Eline koel toe; ja, ze voelde zich wat flauw. Men ontmoette er de Oudendijks en de Van Larens, men lachte en schertste, men noemde Fabrice's naam, maar Eline bleef, als een gewonde duif, op een bank neêrliggen en hoorde, bijna zwijmend van smart, niets begrijpend en bête glimlachend, naar een verhaal van den jongen Hijdrecht. In het tweede gedeelte van het concert trad Fabrice ook ten tweede male op, nogmaals met jubelende toejuiching ontvangen, en het werd Eline of ze duizelde, of het publiek, dol van bewondering, in een satanischen rondedans zou rondvliegen om den baryton, altijd even norsch en rood en plomp. Het zweet parelde haar op het voorhoofd, heur handen waren ijzig en klam in het strakke schoeisel van peau de Suède, en haar boezem hijgde boven een langen, benauwden ademtocht.... Gelukkig, het concert was uit. II. Nu was zij alleen, zij kon zich vrij door dien storm van smart laten meêslieren, zij behoefde niet al haar geestkracht bijeen te zamelen om zich glimlachend en vriendelijk te houden tegenover de wereld, en zij viel ook met een snik van wanhoop op haar knieën neêr voor de Perzische sofa en begroef haar kloppend hoofdje in het goudborduursel der weeke kussens. Heur handen verstikten het hikkend gehuil, dat haar tenger lichaam schokte, terwijl heur haren in den val losraakten, en langzaam zich ontwindend, haar omgolfden met hun glanzende kronkels. Na de eerste smart en teleurstelling had haar een bitter gevoel omvangen, alsof zij zich, ware het ook slechts in haar eigen oogen, aan een onuitwischbare bespottelijkheid had overgegeven, aan iets onwaardigs en belachelijks, dat voor altijd met een smet haar gemoed bezoedeld had, dat haar voor altijd met een spottende herinnering zou achtervolgen, als een komisch spooksel.... Zeer lang bleef zij aldus gedompeld in haar verdriet en in haar kussens. Zij hoorde eerst Henk en Betsy zich naar hun kamers begeven, toen Gerard, den knecht, de huisdeur op het nachtslot sluiten en den bout verheffen, hoorbaar klinkend in de stilte, die het geheele huis doorsuisde. Toen bewoog zich niets meer en Eline gevoelde zich zeer eenzaam, als verdronken in een oceaan van leed. Eensklaps schrikte een gedachte haar op.... Snel hief zij zich omhoog, terwijl het bruine haar zich warrelde om haar schouders, en een uitdrukking van gekrenkten trots schemerde over haar, met tranen besproeid, gelaat als een glans. Beslist trad zij op haar schrijftafel toe, schijnbaar zelfs kalm, en zij opende met trillende sleutel het, eens zoo dierbare, loket, zij nam er den album uit... Het roode fluweel scheen haar als vuur de vingeren te schroeien ... Zij schoof een stoel bij den haard, waar het houtblok nog gloeide in de asch, zij ontsloot het boek... Dat was dan het heiligdom harer liefde, de tempel van passie, waarin zij gedweept had over de beeltenis van den afgod.... En terwijl zij de bladen omsloeg, ging de processie dier portretten haar blik voorbij: Ben Saïd, Hamlet, Teil, Luna, Nélusco, Alphonse, de Nevers... Het was voor het laatst... Ruw, terwijl de vergulde albumbladen scheurden, schoof zij de fotografies er uit, één voor één, en zonder eenige aarzeling scheurde zij ze doormidden, daarna in vieren, éen voor éen, het harde bordpapier der portretten kreukende, in den wraakzuchtigen greep harer fijne vingeren. De stukken wierp zij in den haard, éen voor éen, en terwijl de vlam ze omkrulde, volgde zij haar werk van vernietiging, en wierp er steeds meer, steeds meer in het vuur, met den pook er in woelende, tot alles verbrandde... Dat was voorbij, de schande was gelouterd... Toen rees zij op, eenigszins verlicht... Maar de gescheurde album, dien zij nog in de vingers hield, schroeide haar nog steeds de huid, en het fluweelen boek eensklaps zoo ruw aangrijpend, dat haar nagels scheurden, slingerde zij het met een onderdrukten kreet van afgrijzen verre van zich weg, tegen de piano aan, waarvan de gewekte snaren een doffen zucht slaakten... Toen raapte zij haar sortie, heur witte kant op, streek de verkreukelde zijde van haar toilet glad en begaf zich naar heur slaapkamer, waar een kleine, melkwitte nachtlamp een zachten, weemoedigen glans verspreidde. En het was haar of zij opnieuw diep, diep neêrzonk in dien oceaan van leed, dien afgrond van teleurstellingen, waaruit slechts de zwarte schim harer melancholie verrees.... terwijl haar eensklaps een twist met Betsy heugde.... Zij had namelijk een paar dagen geleden beweerd, dat Roberts, haar muziekmeester, oud werd en niet meer deugde, dat zij van een artist wilde les nemen, van Fabrice bijvoorbeeld, en Betsy had haar afgevraagd of ze dol was geworden, en beweerd, dat dit gedecideerd nooit gebeuren zou, zoolang Eline bij hen in huis woonde.... Het hoefde nu ook niet te gebeuren.... Hoofdstuk XV. I. De strengheid des winters verzachtte zich en het voorjaar viel in, druipende van regen en kil van mist, die haar sluiers in flarden ophing aan de nog bladerlooze boomen. En men praatte veel over Otto Van Erlevoort, die Eline Vere zoo het hof maakte; o zeker, het zou een engagement worden, meenden de Eekhofjes, de Hijdrechten, de Van Larens en mevrouw Van der Stoor. Henk was met Etienne in Gelderland geweest; zij hadden gelogeerd op het Huis ter Horze, het landgoed der familie Van Erlevoort, waar Theodore, de oudste zoon, zomer en winter met zijn vrouw en zijn kroost woonde, en in dien tijd was Otto veel op het Nassauplein gekomen, bij Betsy en Eline, wel meestal in gezelschap van anderen, geïnviteerd er familiaar den avond te passeeren, maar toch, bleef het niet opmerkelijk in hem, die anders stil leefde en weinig uitging, dat hij nu de Van Raats zoo dikwijls bezocht? Intusschen, kwam het eens tot een engagement, dan zou het uitstekend zijn: Otto was een charmante jongen, had een goede pozitie. Eline was allerliefst, elegant, rijk naar men meende: zij waren voor elkander geknipt, en daarbij, Eline zou heel blij zijn een baron te krijgen! Men vond hen zoo goed voor elkander geschikt, dat men eigenlijk leed had er maar weinig kwaads van te kunnen zeggen, en men zocht, tot men eindelijk iets gevonden had; au fond was het Betsy, zie je, die, zooals je wist, niet al te best met zusje overweg kon, en die haar gaarne fatsoenlijk het huis had uitgebonjourd.... Betsy haalde Otto aan; het was waar, Eline wilde wel, maar zonder Betsy hadden misschien noch hij, noch zij er aan gedacht.... O ja, Betsy, ze was heel goed in gezelschap, maar in huis! Een maîtresse femme? Wel neen, erger.... een feeks! Die goede dikke Henk zat geheel onder de pantoffel, en als Eline niet zoo ongemakkelijk was, en flink van zich afbeet, was ze ook onder den duim geraakt! Het scheen oppervlakkig zoo lief, een zusje, dat wees was, in huis te nemen, maar als je zoo schatrijk was als de Van Raats, beteekende het financieel niets--daarbij, de Vere's hadden óok geld--en of het in huis alles zoo couleur de rose was, men geloofde er niets van! Daarom, Betsy vond, Eline moest maar trouwen; het werd tijd; ze had het ook al zoo dikwijls kunnen doen, met dien, en met dien, maar ze was mooi, en ze was moeilijk, enfin.... het was haar zaak, nietwaar? Eline wist, dat men zoo over haar sprak, maar zij trok er zich met een vorstelijke onverschilligheid bitter weinig van aan. Zij ook dacht het: Otto zou haar zeker vragen, en zij meende, dat zij hem zou aannemen.... Zij gevoelde wel is waar geen liefde, zooals zij die bedoelde, voor Van Erlevoort, maar er bestonden niet de minste termen om hem af te wijzen; het zou in alle deelen een uitstekende partij zijn; meer fortuin zou haar niet onwelkom geweest zijn, maar zij, meende zij, met haar verfijnde zuinigheid, zou genoeg tact bezitten, om een schijn van weelde om zich heen te verspreiden. Dat Betsy echter Otto aanhaalde, was een weinig bezijden de waarheid: Betsy, hoewel zij het huwelijk zeer gewenscht achtte, gevoelde geen persoonlijke sympathie voor Otto, die haar te strak en gepozeerd was, en zij was vriendelijk en beleefd tegen hem, maar deed geen zweem blijken, dat zij hem een gewenschten zwager vond.... Ook bij de Van Erlevoorts had men van de buitenwereld wel eens onbescheiden vragen vernomen, maar Frédérique haalde nog altijd haar schouders op, met een gebaar, alsof zij totaal van niets wist; Eline was immers al zoo dikwijls geëngageerd geweest, in de oogen harer kennissen altijd,--met dien en met dien, waarom ook niet eens met Otto? vroeg zij zoo ironisch, dat men de waarheid niet gissen kon. En toch wist zij, dat er thuis soms raadselachtige gesprekken gevoerd werden tusschen mevrouw Van Erlevoort, Mathilde en Otto, een soort van familieraad, die nog tot geen beslissing scheen te komen. Zij gevoelde er zich een weinig uit ter zijde geschoven, en ze was te fier, nu men haar raad versmaadde en haar opinie niet noodig scheen te hebben, er zich in op te dringen; eens zelfs, toen zij mama, zuster en broêr na het diner te zamen had gevonden, en bespeurd had, hoe het gesprek bij heur binnenkomst eensklaps was opgehouden, hoe men haar, terwijl heure hand den deurknop nog had vastgehouden, aangezien had met eenige lichte verlegenheid, was zij, zonder een woord, weder verdwenen, de deur zacht sluitend, in een stille bouderie, vol gekrenktheid. Ook alleen met Otto zocht zij, na heur gesprek over den waaier, geen vertrouwelijk samenzijn meer; hij beschouwde haar immers als een kind; nu goed, zij zou hem niet lastig vallen met haar kinderachtigheden.... En alleen bij Lili en Marie voer zij uit tegen Eline, dat coquette nest, zonder een sprankje gevoel in al haar gedraai en gelach; maar zij zweeg, als Paul er bij was; hij verdedigde haar ook al; Eline had hem ook al ingepalmd, evenals Etienne, die geen kwaad woord van haar hooren kon! Wat al die jongens toch in haar vonden, ze begreep het niet, zij vond Eline een en al onnatuur en affectatie, een actrice, Eline speelde altijd comedie.... En al was zij geërgerd over Etienne's pleitredenen voor Eline, zij gevoelde zich zonder hem, nu hij op de Horze logeerde, wat eenzaam in het groote huis te midden van het gewoel der Van Rijsseltjes en het geblaf van Hector, waartusschen dikke juffrouw Frantzen zich met wanhopige pogingen roerde om den vrede te herwinnen. II. Het was Zondag en Paul Van Raat had zich voor eene pooze gezet aan zijn ezel, waarop een half voltooid stilleven prijkte: eenig oud Delftsch, een antieke Bijbel, een antiek Rijnwijnglas en een zilveren drinkkan,--die van Vincent, welke hij toch had overgenomen,--los geschikt op een breed gekreukeld Smyrnaasch tafelkleed. Maar het werk vlotte niet; het licht bleef vaal, hoe hij ook zijn gordijnen ophaalde of neêrliet, en hij betreurde het, dat zijn vingers veel gemakkelijker de voorwerpen zelve in een oogwenk smaakvol wisten te plaatsen, dan ze daarna in kleur op het doek na te beelden. Het was de schuld van het weêr: bij zoo een regenachtigen hemel tintelde er geen licht in den wijn van zijn glas, en geleek de zilveren kan tin.... En hij legde het penseel weg en wandelde met de handen in de zakken en fluitende zijn atelier op en neêr, een weinig geërgerd door zijn gemis aan werkkracht. Hij had toch zoo gaarne gewild, maar hij kon niet, al dwong hij zich.... Zijn kamer geleek een chaos van artisticiteit, zooals zijn machteloos dillettantengemoed een chaos was, waaruit zelden een schepping voortkwam. Boven een gebeeldhouwde eikenhouten kast hing een tropee van antieke wapens; de muren waren, tot het plafond toe, bedekt met porselein, schilderijen, platen en etsen, en vrouwenbeelden in marmer en terra-cotta schenen hem te omringen, als in een harem van krijtwitte en amberkleurige schoonheid. Overal slingerden boeken; uit losgestrikte portefeuilles slipten schetsen en gravures; op den grond, om den ezel, lagen penseelen, kwasten en tubes. Een groote aschbak was vol asch en overal lag stof. Leentje, de werkmeid, mocht slechts bij groote gratie dit verblijf binnentreden. En terwijl hij in zijn teleurstelling op en neêr wandelde scheen het hem, dat hij een verluchting zou gevoelen, wanneer hij al dien artistieken rommel eens opruimen, zijn ezel op zolder brengen, en nooit meer aan een penseel denken zou. Het scheen hem toe, dat, ware zijn kamer gezuiverd van kunst, zijn geest van zelve ook geen kunst meer verlangen en geen teleurstellingen ondervinden zou.... Het was tijd verknoeien; hij kon toch niets, hij kon zich beter amuzeeren dan met dit gekladder.... En hij bedacht, hoe hij zijn kamer dan opnieuw zou inrichten, ruim en eenvoudig, zoodat men er zich in bewegen kon, zonder nu een beeld om te gooien of dan over een Oostersche draperie te struikelen. Maar toch, iets als weemoed overviel hem bij die gedachte; het was toch illuzie.... wel reeds lang gebroken en neêrgestort van haar voetstuk, maar waarvan hij nu ten laatste de scherven nog weg zou vagen.... Eensklaps hoorde hij Eline's schertsende stem op den corridor, en hij ging naar beneden, de achterkamer in, waar zij zijn moeder reeds omhelsde. Zij was met Ben gekomen; Betsy liet mevrouw Van Raat vragen, of zij genoegen zou hebben dien avond op het Nassauplein te komen: er kwamen alleen mevrouw Eekhof met hare dochters, Ange en Léonie, Frédérique met haar twee broêrs en Vincent. --We rekenen natuurlijk ook op jou, Paul! sprak zij, terwijl zij hem de hand reikte, Cela s'entend, n'est ce pas....? Kom, mevrouwtje, u moet het maar doen, wees nu niet zoo onaardig te weigeren; u mag op uw gewone uurtje weêr weg. Ce n'est pas à refuser.... Enfin, mevrouwtje zou het dan maar doen, maar eigenlijk gevoelde zij zich niet thuis bij al die jeugd. --Dat doet u juist goed, die vroolijkheid .... zie mevrouw Van Erlevoort eens! sprak Eline. Aan die moest u een voorbeeld nemen.... Mevrouw, niet bestand tegen de verlokking van de stem harer lieveling, werd overwonnen; ook Paul beloofde te komen. En mevrouw zag Eline, die naast haar op de canapé zat, met nieuwsgierigheid aan, als overwoog zij iets bij zichzelve. Paul had Ben aan het ravotten gebracht, geërgerd over de zoetheid van het kind, dat stil op een bankje aan de voeten zijner grootmama was gaan zitten. --Zeg Eline, ik moet je toch eens vragen....! begon mevrouw Van Raat fluisterend. Is het zoo? Eline voelde een lichten blos haar wangen kleuren, maar zij deed, of zij de vraag niet begreep. --Wat mevrouwtje? Hoe meent u? Mevrouw glimlachte, maar verklaarde zich niet verder, Alleen vroeg zij: --Frédérique komt vanavond, nietwaar...? --Ik denk het wel, tenminste.... begon Eline. --Alleen....? --Neen, met.... zooals ik u zooeven zeide, met haar broêrs, Otto en Etienne.... --O zoo! sprak mevrouw achteloos, maar zij zag haar weder van terzijde aan, terwijl iets als een schalkschheid in haren doffen blik speelde. --Ik geloof, dat u erg ondeugend is! sprak zij, over haar mofje strijkend. --Ach, de menschen praten zooveel, niet waar? Je hoort dit, je hoort dat.... maar toch, soms hoor je ook wel eens de waarheid. --En wat heeft u gehoord? --Iets dat je me al lang had moeten vertellen, als je vertrouwen in mij gesteld had. Nu moest ik het waarlijk door Betsy het eerst weten. Eline schrikte. --Heeft Betsy gezegd....? stamelde zij. --Ja, liefje, en ik had het liever voor het eerst van jou gehoord! herhaalde mevrouw Van Raat, in de lichte gekrenktheid eener oude dame, die meent te kort gedaan te zijn. Eline werd heimelijk ongeduldig. Het is waar, Otto had haar gevraagd, maar zij kon zich nog niet beslissen, en het hinderde haar, hoe iedereeen er van scheen te weten en ongevraagd raad gaf, hoe iedereen in bedekte en onbedekte termen tegen Betsy toespelingen waagde te maken en sommigen, gedekt door den sluier van intimiteit, haar zuster zelfs ingefluisterd hadden, bij Eline aan te dringen, opdat zij zich verklaren zoude.... Zij had ten laatste genoeg van die indiscreties, en zij was op het punt mevrouw Van Raat een bits antwoord te geven, maar zij bedwong zich en liet niets van haar ergernis blijken, terwijl zij aan mevrouws oor murmelde: --Ach, wat had ik u moeten zeggen....? Het is zoo, Erlevoort heeft mij gevraagd.... maar ik mocht er toch niet over spreken, voordat ik zelf wist, wat ik zou doen. En zij zag even naar Paul, schielijk haar blik afwendend, geërgerd ook op hem, daar hij met Ben op zijn rug, een pooze het ravotten gestaakt had, haar nieuwsgierig aanzag en haar woorden poogde op te vangen. Zij zou hun toch geen voldoening op die ongepaste onbescheidenheid geven, meende zij, en zij stond op, en brak mevrouw Van Raats overwegingen, waaruit bleek, dat de oude dame Otto gaarne mocht, zoo spoedig zij kon af, door een omhelzing en een paar lieve woordjes. En zoowel de meerdere innigheid van mevrouw Van Raats bevenden kus, als de dartelheid in Pauls oogen hinderde haar tot kribbig wordens toe, terwijl zij op Ben wachtte, daar zijn grootmama hem nog liefkoozend in haar armen sloot. III. Neen, Eline wist niet wat te beslissen. Zij huiverde een stap te doen, die haar gelukkig of ongelukkig voor haar leven maken kon; het was haar als hing heur toekomst thans alleen af van een enkel woord, dat zij draalde te uiten. Zij huiverde er voor een mariage-de-raison te doen, daar zij in heur hart een grooten drang gevoelde naar veel liefde, al had zij dien ook, willens en wetens onderdrukt na heur teleurstelling, en Otto.... zij had met hem gedanst, met hem gelachen en geschertst, maar nooit had zijn beeld haar gedachte ook maar een wijle vervuld, en zij had hem vergeten, zoodra zij hem niet meer zag en hoorde. Toen zij echter zijn hartelijken eenvoud doorzien had, toen zij ried, dat hij haar liefhad, was dit vermoeden haar zoet geweest, en zij maakte zich wijs, dat het haar zou gehinderd hebben hem leed te doen, hem iets te moeten weigeren, zelfs heur hand.... Bij die vrijwillige verbinding scheen de zachtheid van zijn stillen hartstocht een balsem uit te gieten over haar gemarteld hart. De gedachte zijn vrouw te worden had haar onder dit zelfbedrog vervuld met eene kalme vreugde: iets als een lieflijk verschiet was haar voor den blik gerezen, en.... zij had financiëele overwegingen gemaakt. Ook, meende zij, lachte het haar toe, geheel onafhankelijk te zullen worden, en het huis harer zuster te verlaten, daar zij er zich, trots haar eigen fortuintje, als geketend gevoelde, als een lastige logée, die men duldde ter wille van de opinie der wereld. Maar onder al die schijnredenen, welke haar lokten Otto met een stille behaagzucht toe te lachen, school, een adder gelijk, onzichtbaar voor haar eigen blik, de bittere spijt over de ruïne harer ingestorte fantazieën weg, en zou zij zich ooit aan Otto geven, het zou zijn om zich te wreken op Fabrice, om zich te wreken op zichzelve. Intusschen, zoodra hij gevraagd had, zoodra zij nadenken moest, en zich niet in een overstelpende weelde van passie kon overgeven, was zij vol angst teruggedeinsd een beslissend woord te spreken. Hij, Otto wachtte; hij ten minste was bescheiden. Hij had gedurende eenige dagen het huis der Van Raats gemeden, en zij wilde hem beloonen voor zijn discretie; zij had blozend Betsy verzocht hem een intieme invitatie te sturen, evenals aan Freddy en Etienne. Hij zou komen, zij zou hem spreken en het scheen haar of zij door onzichtbare machten werd voortgestuwd op een hellend pad, of zij anders wilde dan zij handelde, maar onmachtig was den dwang van haar noodlot te ontgaan; het scheen haar of zij geblinddoekt zocht naar haar geluk, angstvol luisterend haar handen uitbreidde naar iets wat er de echo van scheen, en toch zeker was het nimmer te zullen vinden, nimmer. VI. Betsy schonk thee. Mevrouw Van Raat en mevrouw Eekhof zaten bij haar op een canapé en praatten met Emilie De Woude; Henk hoorde, met de handen in zijn zak, aandachtig naar Vincent, en Eline bladerde met Ange en Léonie Eekhof en Paul in haar muziek op de piano, toen Otto en Etienne binnenkwamen. --En Frédérique? vroeg Betsy verbaasd, terwijl zij Otto de hand reikte. --Frédérique gevoelde zich wat moê, ze laat zich excuzeeren, antwoordde hij eenvoudig. --Ze is tegenwoordig meer onwel! sprak Etienne met overtuiging, als wilde hij de woorden van zijn broêr kracht bijzetten. Eline's hart klopte. Zij gevoelde zich zeer zenuwachtig, al wist zij die nervoziteit te verbergen onder haar lieflijke vroolijkheid. Het was haar plotseling of ieder haar aan zou zien, zou raden wat zij dacht, en zij huiverde bijna haar wimpers omhoog te heffen, uit vrees het aanzicht van den salon eensklaps geheel veranderd te zullen vinden.... Maar toch, toen zij opzag, was alles het zelfde: de oude dames praatten met Betsy en Emilie door, Vincent fluisterde bijna aan Henks oor, en de meisjes en Paul drukten Etienne de hand. Otto trad echter naar haar toe. Zij wist bijna niet meer hoe zich te houden en meende, dat zij zeer onhandig stond, maar juist die aarzeling teekende in haar slank figuurtje iets weifelend schuchters af, dat haar een nieuwe bekoring gaf. Zij hoorde, hoe hij haar eenvoudig goedenavond zeide, maar in zijn stem klonk iets vols en rijks, als een belofte van teederheid. Zij gevoelde eensklaps een nieuwe aandoening, een smeltende weekheid in haar hart, die zij niet begreep. Hij bleef bij hun groepje, bij de piano; hij stond vlak naast haar, maar sprak met Ange, terwijl Léonie luid schertste met Etienne, die haar brutaal het hof maakte. Een enkele maal zag Otto Eline aan, om haar te doen deelen in hun gesprek over niets, en zij glimlachte zonder te hooren. Zij kon haar gedachten niet meer volgen; die fladderden in haar geest als kapellen en het werd haar, of stemmen aan haar ooren zongen.... Zij begreep, dat zij zich niet mocht laten neêrzinken in de zachte weelde, die haar als met donzen armen omving, dat zij niet droomen kon te midden van een salon vol menschen. En zij ging, na een paar schertsende frazen, terzijde, terwijl zij zich verwonderde over haar gedempte stem, die klonk als door een gaas.... --Vincent, je speelt ook, nietwaar? hoorde zij Betsy vragen, terwijl zij de oude dames en Emilie zag opstaan en Henk in den anderen salon aan het speeltafeltje bespeurde, bezig de parelmoeren fiches uit een Japansche doos te nemen. Het was haar, als bewoog zij zich in een droom.... Zij zag de kaarten in den vorm van een S uitgespreid op het ronde, roode laken; zij zag op de hoeken der tafel de bougies branden en de, van ringen glinsterende vingers van mevrouw Eekhof een kaart trekken. Het werd haar, als was zij buiten dat alles, ver af.... Vincent ging zitten tegenover mevrouw Van Raat, Henk zou spelen met mevrouw Eekhof. Betsy keerde met Emilie terug, zij zou later invallen. --Mevrouw, wij hinderen toch niet, als we muziek maken, of is het daar een vreeselijk ernstig partijtje? vroeg Léonie aan Betsy, naar de speeltafel wijzend. --O, volstrekt niet, amusez-vous toujours....! antwoordde Betsy en zij voerde met een vraag Otto en Emilie mede naar de canapé. Zij was voor vreemden steeds zeer innemend. --Toe, Eline, laat je dan hooren, kindlief, we smachten naar je sirenengeluid! ging Léonie door in een onuitbluschbare levendigheid; ik zal je accompagneeren met mijn doigts de fée. --Heusch niet, Léo, niet vanavond.... Ik ben niet bij stem. --Niet bij stem? Ik geloof er niets van! Kom! Allons, chante, ma belle! Wat moet het zijn....? --Ja, Eline, toe zing! riep mevrouw van Raat uit den anderen salon en vroeg verlegen aan haar partner wat troef was. --Heusch mevrouwtje, heusch Leo, ik kan niet, ik voel het altijd wanneer ik niet kan.... Ik laat me anders nooit bidden, nietwaar....? --Maar je hebt immers muziek meêgebracht? --Ja, maar dat zijn geen airs om meê te beginnen, dat is voor later op den avond.... --Eerst iets ernstigs, kom Eline, allons! --O, gedecideerd niet! sprak Eline en schudde het hoofd. Het was haar waarlijk onmogelijk; zij gevoelde zich als in een koorts, die haar een zachten blos op de wangen joeg, haar oogleden kwijnend neêrvallen, haar pols jagen, haar vingeren sidderen deed. Zij zou gevibreerd hebben, haar keel was klankloos. --Gedecideerd niet? hoorde zij zacht herhalen en zij zag om. Het was Otto, die, bij Betsy en Emilie gezeten, het haar vroeg en haar met zijn hartelijke oogen aanzag. Opnieuw schudde zij het hoofd, steeds, naar zij meende, onhandig, maar vol onbewuste bevalligheid. --Waarlijk, ik zou niet kunnen.... En zij wendde zich dadelijk af, vreezende, dat hij vermoeden zou, waarom.... Daarbij gevoelde zij zich zeer verlegen, zoodra haar blik den zijne ontmoette, ofschoon niet het minste verwijt er uit straalde. En het werd haar nu of er iets scheefs was in de verhouding dier kennissen, welke hunne salons vulden met hun gescherts en gelach, iets wat niet was zooals gewoonlijk en de regelmatige banaliteit ervan verbroken had; maar toch, zoo dacht zij, alleen Betsy en mevrouw Van Raat wisten, dat Otto haar gevraagd had, en dat zij hem dezen avond haar antwoord zou geven.... Wat de anderen mochten vermoeden, zij zouden geen woord laten ontslippen, dat haar zou noodzaken den sluier van hun geheim op te beuren, vóór zij het verkoos. En dit vertrouwen op de discretie hunner welopgevoedheid stelde haar gerust. Léonie echter boudeerde en vond Eline een vervelende meid. Paul en Etienne riepen nu, dat zij, Léo, zingen moest en wilden hare muziek halen, die het meisje uit eene affectatie van schuchterheid in de vestibule gelaten had. Alle drie vlogen ze lachend naar de deur, maar Léonie wilde hun niet permitteeren de muziek te zoeken, en zij maakten een plotselinge, vroolijke drukte, die de whisters in den anderen salon glimlachend over de kaarten deed opzien. Etienne echter zegevierde en bracht weldra met opgeheven armen de partituur van de Mascotte binnen, die aan een draad uit zichzelve hing. De Eekhofjes werden overgehaald en zij neurieden nu lachend en hakkelend, met twee dunne, schelle stemmetjes het duet van Pipo en Bettino: "O, mon Pipo, mon Dieu, qu't'es bien!" terwijl Etienne haar met dikwijls twijfelachtige akkoorden begeleidde. Toch had het duet groot succes en in een stijgende vroolijkheid galmden zij weldra met hun vieren, Ange, Léonie, Etienne en Paul, zoowel uit de maat als uit den toon, nu het langoureuse: "Un baiser est bien douce chose!" dan het comique: "Le grand singe d'Amérique!" en hun muziek dartelde als een gefladder van luchtige melodie vroolijk door de salons. Eline was op een pouffe naast de piano gaan zitten, en zij leunde er heur koortsig hoofdje tegen aan, bijna verdoofd door Etienne's hard gerammel. Hare hand sloeg de maat op hare knie: zoo scheen zij nog eenig belang te stellen in wat zij deden. Zij hoorde de snaren der piano gonzen in hare ooren, en dit gegons verhinderde haar na te denken en eene beslissing te nemen. Telkens slingerde zij van het een op het ander.... Ja, zij zou aannemen; zijne liefde, schoon niet beantwoord, zou toch haar geluk zijn, het was de vervulling van haar noodlot.... neen, zij kon zich niet dwingen, zij kon zich niet, zonder een zweem van liefde, laten vastketenen. En het was haar of heure gedachte, tot bezwijmelens toe, gewiegeld werd naar twee zijden; het was haar of een klok hard in heur hersenen tikte, ja, neen, ja, neen.... Verluchting zoude het zijn in den blinde te grijpen.... neen, slechts met juist overleg mocht zij haar besluit nemen.... o, dat die klok toch bedaarde, zij vermocht niet zoo te strijden met zichzelve, zij was er te zwak toe.... Zij wilde niet meer nadenken, zij zou zich laten medesleepen door de onzichtbare machten, die haar op haar hellend pad dreven, zij zou zich geheel overgeven aan den drang der omstandigheden; die zouden beslissen voor haar.... en zij gevoelde een rilling kil over haar huid glijden, toen hunne blikken elkaâr ontmoetten, en stond op. V. Vincent was uitgevallen, Betsy viel in. --En Elly, heb je nu al een dollen streek verzonnen, iets vreeselijk dwaas? vroeg Vincent in de laatste woorden hare stem nabootsend. Aan de piano was het kalmer geworden, Léonie was bij Emilie gaan zitten praten en verhaalde zeer levendig van een kleine sauterie bij de Van Larens, Etienne had zich omgedraaid op den tabouret en maakte nu gekheid met Ange, die in een schaterlach op den pouffe was neêrgevallen, terwijl zij haar gelaat met de handjes bedekte, Paul lachte meê en bladerde in de muziek. --Hoe? Wat?.... Hoe meen je? stotterde Eline, die niet begreep. --Je vertelde me immers verleden, dat je iets vreeselijk dols zou willen doen; nu ik vraag je of je misschien al iets weet. Ik doe gaarne meê. Zijn scherts was haar een wanklank. In de, haar ongewoon ernstige, stemming, waarin zij onwillekeurig door haar gedachten was gekomen, scheen de herinnering aan die pooze van wuftheid haar een echo van vervlogen wenschen toe. Neen, zij wenschte zich aan geen berispelijke onzinnigheden toe te geven; zij wilde verstandig zijn als Otto was. Berispelijk onzinnig: haar teleurgestelde liefde, zoo zij dien naam aan haar dwaasheid mocht geven, was het al geweest; zij wilde zich voortaan niet meer zoo laten medesleepen. En zij drong in haar hart de bittere spijt terug, die er als een adder den kop scheen op te beuren. Terwijl zij nauwelijks woorden vond om Vincent met een luchtige fraze te kunnen antwoorden, omving haar eensklaps een plotselinge schrik. Het was een gedachte, die nieuw bij haar oprees. Neen, er was geen terugdeinzen meer mogelijk. Otto, Betsy, moesten verwachten, dat zij zoude aannemen, Zou zij anders hem met de intieme invitatie haar wensch te kennen hebben gegeven, dat zij hem wilde zien? Zou zij hem anders niet geschreven hebben? Het was beslist, het kon niet anders en een groote rust verspreidde zich, na haar plotselingen schrik, door haar geheele wezen. --Maar lieve meid, ik geloof, je lijdt aan distracties! riep Vincent lachend uit. Hij had haar gevraagd, waarom Georges De Woude er niet was en zij had kwijnend gelispeld: --O ja, dat is wel zoo.... Ze lachte nu zelve, zij werd nu weêr zichzelve in de zaligheid van die rust. Zij ging zitten. --Neem me niet kwalijk; ik heb wat.... en ze bracht de hand aan de lokjes op haar voorhoofd. --O, zeker hoofdpijn. Ik ken dat! viel hij ironiek haar in de rede en zag haar onderzoekend aan. Ik geloof, dat het een familiekwaal bij ons is; we hebben dikwijls hoofdpijn. Verschrikt hief zij haar blik naar hem op. Hij kon toch niets weten? --Ik heb ook hoofdpijn gekregen onder het spelen, onder dat gerammel aan die piano. Het was, alsof ik er allerlei schelle kleuren zag, groen, geel, oranje. Als die kleine, vroolijke meid daar zingt, Léonie, geloof ik, zie ik altijd oranje. --En als ik zing? vroeg zij coquet. --O, dan is het heel iets anders, hernam hij ernstig. Dan zie ik altijd een harmonieuzen climax van zeer licht roze tot purper toe, en alles smelt zacht in elkaâr. Je lage tonen zijn roze, je hooge purper, en schitterend. Als Paul zingt wordt het me grijs, soms iets van violet. Zij begon zeer vroolijk te lachen, en Paul, die hem gehoord had, ook. --Maar Vincent, dat zijn vizioenen van een overspannen fantazie. --Misschien wel. Soms is het toch iets heel moois. Heb je het nooit gehad? Zij dacht even na, terwijl Ange en Etienne, die het laatste van hun gesprek gehoord hadden, naderbij kwamen en luisterden, evenals Paul. --Neen, ik geloof het niet. --Heb je ook niet, dat sommige tonen de gedachte aan een geur bij je opwekken, bij voorbeeld opoponax of réséda? Orgeltonen zijn net als wierook. Als je die scènes van Beethoven zingt: Ah, Perfido! dan ruik ik altijd verveine, vooral bij een der laatste hooge passages. Als je het eens later zingt, zal ik je zeggen wanneer. Ange schaterde. --Maar, meneer Vere, hoe heerlijk zoo geparfumeerd te zijn! Allen lachten meê en Vincent scheen ook zeer opgewekt. --Het is toch waar, parole d'honneur. --Neen, ik heb wel, dat sommige menschen me aan beesten laten denken, fluisterde Etienne. Henk bij voorbeeld, laat me aan een grooten hond denken, Betsy aan een kip, mevrouw Van der Stoor aan een krab. Men gierde het uit: Otto, Emilie en Léonie stonden op en kwamen naderbij. --Wat is dat toch voor een vroolijkheid? vroeg Emilie nieuwsgierig. --Mevrouw Van der Stoor is een krab! gilde Ange met tranen in de oogen van het lachen. --En zeg eens, Eetje, waar laat ik je dan aan denken? vroeg Léonie met glanzende oogen, nadat Eline haar op de hoogte van het gesprek had gebracht. --O, jij en Ange zijn net twee kleine puckjes, roaff, roaff! riep Etienne uit en blafte. Freule De Woude met haar onderkin is een kalkoen! fluisterde hij, overmoedig door zijn succes, Ange in, die bijna stikte. Juffrouw Frantzen is ook een kalkoen, in een ander genre. Willem, onze knecht, is een deftige ooievaar en Dien, de keukenmeid van de Verstraetens, een kakatoe. --Het is een menagerie, een arke Noachs! gierde Léonie. --En Eline! vroeg Paul ten laatste. --O, Eline! herhaalde Etienne en dacht na. Soms.... een pauw, soms.... een slang, op het oogenblik.... een duifje. Men schudde het hoofd over den dollen jongen, maar men bleef vroolijk lachen, zeer vroolijk. VI. --Etienne is altijd opgeruimd, sprak Eline tot Otto, nadat men zich verspreid had en zij knikte mevrouw Van Raat, die Emilie haar plaats aan de speeltafel had afgestaan, vriendelijk toe. Vincent werd intusschen zeer geplaagd door de Eekhofjes, die hem vroegen of hij een parfumeriewinkel ging opzetten. --O ja! antwoordde Otto. Hij heeft ook geen reden anders te zijn, niet waar? Hij heeft alles wat hij verlangt. Er klonk iets weemoedigs in die woorden, als was dit met hem, Otto, niet het geval, en het was Eline onmogelijk hem nog iets te antwoorden. Een pooze bleven zij zwijgend naast elkaâr staan, terwijl haar bevende hand in de pluimen van den Makart-bouquet woelde, en zij gevoelde haar gedachten opnieuw wiegelen. --Heb je niets te zeggen? fluisterde hij ten laatste zacht, maar zonder eenig verwijt. Zij haalde diep adem. --Waarlijk, ach... ik... ik kan nog niet, vergeef me, maar heusch... later, later. --Goed later, ik heb geduld, zoolang ik het nog mag hebben, sprak hij, en zijn kalme toon stilde dat gewiegel in haar hersenen. Toch, zij kon niet meer weigeren, maar zij kon zich ook niet uitspreken. En zij bewonderde nu ook zijn tact vol eenvoud, terwijl hij met haar voortsprak over zaken, die hun op dat oogenblik geen van beiden veel belang inboezemden. Die eenvoud was zijn grootste bekoring, voor iedereen; hij was zoo geheel en al die hij was, dat het scheen alsof er achter zijn oprechtheid niet het minste school, dat hij behoefde te verbergen. Terwijl hij praatte scheen hij noch haar, noch zichzelven wijs te willen maken dat dit gesprek belangrijk was; scheen hij het alleen voort te zetten, omdat hij gaarne bij haar was, gaarne naast haar stond, en dat zij iets tegen elkander moesten zeggen. Het klonk haar zoo duidelijk uit de volle diepte zijner stem; hij dacht aan iets anders en hij poogde dit niet te verhelen. En voor het eerst gevoelde zij nu voor hem iets als medelijden; gevoelde zij, dat zij wreed was, en dat hij moest lijden, en deze erbarming wekte opnieuw de smeltende weekheid in haar op, die zij niet begreep. Gerard ging rond met een zilveren blad vol glazen, wijn en sorbets, daarna met twee groote porseleinen schulpen vol gebakjes. --Wil u een sorbet, mevrouw, en een taartje? vroeg Eline aan mevrouw Van Raat, wat verlaten op de canapé, nu en dan glimlachend tegen het vroolijke troepje der jongelui, die elkaâr kaart legden. --Wacht! vervolgde zij tot Otto; mevrouwtje zit daar zoo alleen, ik ga haar wat gezelschap houden. Hij knikte haar vriendelijk toe en ging hooren naar de horoscoop, die Ange voor Paul trok. Eline wenkte Gerard en zij nam een sorbet, legde een taartje op een schoteltje, en bood het mevrouw Van Raat. Daarna zette zij zich naast de oude vrouw neêr en vatte haar hand. Mevrouw Van Raat roerde echter de ververschingen niet aan, maar zag tot Eline op, recht in heur oogen. --Nu, hoe is het? vroeg mevrouw. Eline kon in heur smeltende weekheid niet geërgerd worden over de onbescheidenheid. En zij antwoordde alleen zeer zacht, bijna onhoorbaar: --Ik.... ik zal ja zeggen. Zij zuchtte, en de tranen welden in haar oogen, toen zij voor het eerst dat besluit uitsprak. Zij zou ja zeggen. En zij kon niets meer vinden om de oude vrouw bezig te houden; dat eene woord, dat zij zou moeten uitspreken, vervulde haar zoo geheel, dat alle andere gedachten vervlogen. Een oogenblik zaten zij dus zwijgend naast elkander, een weinig met den rug naar het vroolijke troepje, dat zich om een babytafel verdrong en de kaarten raadpleegde. En Eline hoorde eensklaps Ange's schelle stem, die schertste, terwijl zij de kaarten een voor een naast elkaâr scheen te leggen. --Hoort u nu goed, meneer Erlevoort.... ik ben veel geestiger dan madame Lenormand.... dat is u, hartenheer.... u is omringd van veel tranen, maar die klaren op in glimlachjes... u krijgt veel fortuin, en gaat in een kasteel wonen op de Pyreneeën. Of koopt u liever een villa bij Nice? Ah! daar is zij! Hartevrouw, ziet u! Roze Mie! U gaat nogal ver van haar af, maar al de tusschenkaarten zijn gunstig... U zal met veel bezwaren te kampen hebben, eer u tot haar doordringt, want ze wordt nogal gecourtizeerd.... ziet u maar: klaverheer, ruitenheer, zelfs een plebejer, een sociaal-democraat; schoppenboer! --Zwarte Piet....! riep Léonie. Ah, fi donc! Eline glimlachte een weinig verschrikt en wischte een enkelen traan af, die aan haar wimpers hing en mevrouw Van Raat, die eveneens geluisterd had glimlachte ook. --O, kijk die azen heerlijk liggen! juichte Ange voort. Geen vrees, meneer Erlevoort, geen vrees, alles klaart op... --De kaarten schijnen gunstig, fluisterde mevrouw Van Raat. Eline trok glimlachend een minachtend mondje, maar zij was wat ontsteld: Zwarte Piet had haar aan Fabrice doen denken.... VII. Men was van de whisttafel opgestaan en men praatte druk door elkaâr. De vroolijkheid was door de voorspellingen nog meer gestegen, en Etienne verweerde zich met een stortvloed van woorden tegen Ange, die hem voorspelde, dat hij een oude vrijer zou worden; hij bedankte daar hartelijk voor.... Terwijl Ange en Léonie Paul overhaalden nog iets te zingen en Léonie hem een lied van Massenet accompagneerde, nam Betsy met aandacht haar zuster en Otto op. En zij meende goed te zien: er was nog niets tusschen hen verhandeld. Wat draalde Eline toch! Neen, dan had zij, Betsy, het eenvoudiger gedaan; zij had Van Raat kalm geaccepteerd, toen hij haar in zijn onhandigheid gevraagd had.... Waar zat Eline toch over te zeuren? Waarom zou ze Erlevoort nu in 's hemels naam niet aannemen? Zij waren geheel en al voor elkander geknipt.... En ze ergerde zich zeer over die sentimenteele aarzeling harer zuster, terwijl deze een huwelijk kon doen met iemand van goede familie, met een redelijke pozitie.... Haar blik gleed koud over Eline's ranke gestalte, waaraan steeds die weifelende schuchterheid een nieuwe bekoring gaf, en zij merkte die op, zij merkte ook een waas van ernst op, dat over haar schoonheid verspreid lag, en dat zij nooit te voren bij haar bespeurd had... Wat een pourparlers toch, als alles zoo eenvoudig was! Maar toen zij haar man, die met Otto sprak in het oog kreeg, ergerde die haar nog meer dan Eline: wat was hij toch dom! Zou hij waarlijk nog niets gemerkt en niet begrepen hebben, waarom Otto eigenlijk van avond ten hunnent was! Intusschen, mevrouw Van Raat was reeds vertrokken, later dan zij gewoonlijk placht te doen en nog over Eline's besluit in eene onzekerheid, die haar nieuwsgierig had doen dralen. Zij had zich eenigszins de illuzie gemaakt van eene scène-de-familie en de avond was haar dus een teleurstelling geweest. Nu--het was bij half-een--maakten mevrouw Eekhof en haar dochters met Emilie, Vincent en Paul ook aanstalten tot vertrekken, en zij gingen, terwijl de meisjes, in een wervelwind van vroolijkheid, door Henk en Etienne naar de vestibule, naar heur rijtuig werden geleid. In het kleine boudoir waren Betsy, Eline en Otto een wijle alleen gebleven, in stilte, die hen eenigszins verlegen maakte. Betsy echter begaf zich opzettelijk naar den salon, naar de speeltafel, als wilde zij de verstrooide fiches ordenen.... En het was Eline of de grond onder haar voeten wegzonk. Zij kon heur verwarring niet voor Otto's blik verbergen, en hij, hoewel hij geen voornemen had gehad dezen avond op zijn verzoek terug te komen, gevoelde zich niet sterk genoeg tegen de verleiding der omstandigheden, nu zij zich beiden alleen bevonden.... --Eline...! fluisterde hij met gebroken stem... O, waarlijk, moet ik zoo weggaan....? Bijna angstig hijgde zij haren ingehouden adem uit met een sidderenden zucht. --Otto... heusch, heusch... ik... ik kan nog niet... --Adieu dan, vergeef me, dat ik je voor de tweede maal drong, sprak hij, drukte even hare vingers en ging.... Zij echter gevoelde zich eensklaps geheel en al smelten in hare weekheid. Bevende over haar geheele lichaam wankelde zij, maar zij stortte zich naar de portière, en zich aan de draperie vastklemmende, riep zij, terwijl zij zich geheel en al aan hare aandoeningen overgaf: --Otto! Otto! Hij kon een lichten kreet niet weêrhouden, hij snelde terug en ving haar in zijne armen op en stralende van vreugde voerde hij haar terug in het boudoir. --Eline, Eline, riep hij uit. Is het waar? Zij antwoordde niet, maar wierp zich snikkend, gebroken door haren strijd, overwonnen, aan zijne borst en voelde, dat hij haar klemde in zijne armen.... --Je wilt dus .... je wilt dus mijn vrouwtje worden? Zij waagde heur gelaat tot hem op te heffen, terwijl zij, rillende, geketend lag in zijne omhelzing en slechts haar blik vol tranen en haar vage glimlach antwoordden hem. --O.... Eline.... engel! fluisterde hij en zijne lippen drukten haar voorhoofd. Stemmen klonken in den salon. Henk en Etienne waren uit de vestibule teruggekomen, Etienne met zijn overjas aan en zijn hoed in de hand. --Maar waar blijft Otto toch? hoorde Eline hem eensklaps uitroepen en zij onderscheidden tevens de stem van Betsy, die iets fluisterde. Otto zag glimlachend neêr op het weenende hoofdje, dat, nu verschrikt, tegen zijn borst lag. --Kom, willen we dan gaan? sprak hij, en in zijn eenvoud straalde hij van geluk. Zij liet zich langzaam, zeer langzaam medevoeren, steeds snikkende in zijn armen, het hoofd verborgen op zijn schouder. Betsy kwam hen glimlachend te gemoet en drukte Otto de hand met een blik van verstandhouding. Henk en Etienne waren ietwat verbaasd. --Van Raat, mag ik je.... mag ik je mijn aanstaande prezenteeren, sprak Otto. Ook Henk glimlachte nu, ook Etienne, met zeer groote oogen. --Die oolijkert, die schalk! riep hij uit en dreigde zijn broeder met den vinger. Als ik dat nu toch vanavond had kunnen denken. Eline echter, steeds snikkende, maakte zich uit Otto's arm los en viel Henk om den hals. Hij kuste haar en zijn zware stem mopperde goedig: --Nou, van harte, zusje... maar drommels, kom, niet zoo huilen... wat moet er dàt nu bij.... Kom, lach eens, kijk eens lief.... Verlegen verborg zij echter heur hoofd in de handen en ook Betsy meende haar nu even te moeten zoenen, en schoof heur verwarde lokjes wat recht. --Ik ben erg tevreden over mijn soiréetje, erg tevreden! sprak zij met bedoeling. VIII. Henk wilde Otto nog doen blijven, Etienne was reeds zoo bescheiden zich uit de voeten te willen maken, maar Eline murmelde smeekend, dat zij zeer moê was en Otto drong niet aan. Hij was te gelukkig om nog iets te verlangen, hij zou gaan, overvol van vreugde.... En zij vond hem zeer lief, dat hij afscheid nam alleen met een handdruk, terwijl zij gevreesd had, dat hij haar kussen zou, voor de anderen .... De beide broêrs vertrokken en Eline vluchtte naar heure kamer, waar zij Mina trof, die het lampje ontstak. De meiden hadden door Gerard, die zoo even te ongelegener tijd in den salon was gekomen, het nieuws gehoord en Mina feliciteerde haar en keek haar nieuwsgierig glimlachend aan. --Dank je, dank je.... Mina.... stotterde Eline. Gelukkig, zij bevond zich alleen.... Even zag zij in den spiegel en zij schrikte over haar betraande bleekheid. Maar toch was het haar of heur ziel weggleed in een stil, blauw meer, dat roerloos zijn wateren over haar sloot, en waar een eeuwige vrede scheen te heerschen, een Nirwana, waarvan de zaligheid geheel nieuw was. Hoofdstuk XVI. I. Het was een frissche, heldere dag in Mei, na een week van regen en kille mist. Jeanne had haar kinderen, Dora, Wim en Fritsje met de bonne een wandeling laten maken naar de Scheveningsche Boschjes; zijzelve echter was thuis gebleven, daar zij voortdurend veel te doen had, en het bovenhuisje scheen haar uitgestorven toe, nu zij eenzaam zat te naaien en te stoppen in een bleeken zonnestraal, dien zij, onbevreesd voor haar tapijt en haar gordijnen, binnen liet vallen. Frans was uit de stad, naar Amsterdam, waar hij een geneesheer consulteerde. Het was nu halftwee, dacht Jeanne met een blik op de pendule, die hoorbaar in de stille kamer tikte; om halfzes ongeveer zou Frans terugkomen, en de uren, die zij nog zoude moeten wachten, schenen haar eeuwen toe, hoewel zij het toch heerlijk vond eens ongestoord veel werk te kunnen doen. De bleeke zonnestraal was schuins op haar neêr komen zinken, maar het hinderde haar niet en zij koesterde zich integendeel in zijn zwakken lenteglans. Het licht tintelde langs heur lichtbruin haar, en gaf haar ingezonken, witte wangen een weêrschijn van dof albast; het glinsterde ook over haar dunne, fijne vingers, terwijl zij met een regelmatige beweging de naald haalde door den zoom van een hemdje. En zij verlangde naar den zomer; o, Mei, met haar nattig, mistig weêr, en haar zeldzamen helderen dag, mocht zich zoo snel mogelijk ten einde spoeden; hoe had zij zich nog eenige illuzie kunnen maken, dat Mei een maand van lente-weelde zou zijn, zooals de dichters het logen! Zij glimlachte een weinig weemoedig, zich over het hemdje bukkend en den zoom met haar nagel dicht persend; zij glimlachte er over, dat iedere illuzie, de minste zelfs, verstoof, terwijl heur leven voortrolde en de toekomst, waarvoor zij in een grooten, geheimen, onzegbaren angst vreesde, steeds week voor de eentonige werkelijkheid en nu, nu rilde zij, nu rees weder dat bange voorgevoelen in haar ziel, als een gesluierd spook; hun zou iets overkomen; een, niet af te wenden, ramp zou hen verpletteren. Zij haalde huiverend diep adem, met de handen geprangd aan haar borst, huiverend, niet voor haar, niet voor hem, voor de kinderen. Zij stond op, het werd haar onmogelijk meer te werken, en toch, zij mocht niet lui zijn, den enkelen zomerschen dag, dien de kinderen haar in rust lieten. O, waarom was zij niet sterk! En zich leunende tegen den post van het venster, liet zij zich geheel beschijnen door den zonnestraal, als een bleeke kasbloem, die naar licht en lucht verlangt, en zij zag, verloren in haar grauwe gedachten over wat komen zou, in het vierkante tuintje van den kruidenierswinkel beneden. Een sering begon er in blad te komen, maar in het middenperkje en in de perkjes aan den muurkant was nog niets geplant en voor Jeanne's gedachten doemde eensklaps een vizioen van Perzische rozen op, zooals die op hun erf te Temanggoeng bloeiden, groot als roze bekers vol zoeten geur. Het was of zij dien geur genoot; het was of de blozende kleur dier bloemen de grauwe gedachten verdreef en alleen maar wat heimwee opwekte naar warmte en liefde. Zoo stond zij, toen er gebeld werd en Mathilde Van Rijssel binnenkwam. II. Zij hadden elkaâr eenige malen ontmoet bij de Van Raats, en zij wisten nu dat zij sympathie voor elkaâr gevoelden. --Ik kom eigenlijk met het booze voornemen je eens meê te troonen voor een wandeling! sprak Mathilde glimlachend. Het is heerlijk buiten en het zal je goed doen. --Maar Tilly, de kinderen zijn uit en Frans ook. Heusch, ik kan niet, ik moet ook werken. --Waarlijk onoverkomelijke bezwaren! schertste Mathilde vriendelijk. Je hoeft toch niet op het huis te passen! --Neen, maar als de kinderen thuis komen, en ze vinden mij niet.... --Heusch, Jeanne, dat is verwennen, ze kunnen toch wel een oogenblikje zonder je! En dat je man uit is.... is dat ook al een bezwaar? Kom, ik zou maar hoed en mantel aandoen en meêgaan als een verstandige meid. Zoomen? Dat doe je als het regent.... Jeanne gevoelde een week genot zich de wet te laten voorschrijven door die zachte stem, die zelfs schertsend steeds een toon van weemoed liet doorschemeren. En zij gaf zalig toe, terwijl zij bijna neuriënd de trap opging om zich te kleeden. Weldra was zij gereed en na tal van vermaningen aan Mietje, ging zij met Mathilde de deur uit. De koele wind hief iets als een nevel van haar geest op, terwijl haar bleeke wangen koud werden en bijna een kleurtje kregen. Zij luisterde verschrikt naar haar vriendin, die haar vertelde, dat zij eerst Tina en Jo naar de Van Raats had gebracht; Betsy en Eline hadden hen gevraagd om met hen en Ben te gaan toeren. --En de anderen? --O, Lientje en Nico moesten absoluut met mama gaan wandelen; mama was al wanhopig, dat de oudsten uitgingen. Ik had ze niet meê durven nemen! sprak zij lachend. Die goede mama! Zij waren door de Laan van Meerdervoort op den Scheveningschen weg gekomen en sloegen dezen in. Er waren weinig wandelaars. Mathilde liet zich meêsleepen door haar gevoel, liet zich opwekken door de heldere frissche lucht, hoe weinig spraakzaam zij ook anders zijn mocht en teruggetrokken in haar stille smart. --Je weet niet hoe.... hoe goed mama is, sprak ze. Ze leeft zoo geheel en al voor de haren, voor haar kinderen en haar kleinkinderen: ze heeft nooit de minste behoefte voor zichzelve; wat ze ook denkt of doet, het is voor ons. En ik geloof, als je vroeg van wie ze het meest hield, dat ze het niet zou kunnen zeggen. Ja, ze is dol op Etienne; Etienne is altijd vroolijk als een kind, en omdat ze ook vroolijk is en nog heel gaarne eens goed lacht, doen zijn grappen haar goed, maar of ze niet evenveel van Frédérique of van Otto of van mijn kinderen houdt, daar twijfel ik heusch niet hard aan. Als mama naar Londen of naar de Horze schrijft, zijn het klachten zonder eind, dat zij die verloren schapen nooit ziet! Je kan begrijpen, hoe ongelukkig mama was, toen Cathérine en Suzanne trouwden en ze haar verlieten.... Ik geloof, ze zou het liefst een soort van hôtel laten bouwen, waar ze ons allemaal in kon herbergen, Théodore en Howard en Stralenburg en al de anderen.... Goede, goede mama! Ze zwegen beiden een pooze. De Scheveningsche weg slingerde zich als een lang, grijs lint voor haar uit, met een ver perspectief van boomstammen, onder het netwerk der bladerende twijgen. Zonneglanzen vonkelden op het jeugdige, geelgroene loof, hel en vroolijk wuivend onder de strakke, blauwe lucht; op de oude stammen gloeide een nieuw mos, fluweel gelijk. Een zacht getjilp van vogelen doortrilde de heldere atmosfeer als kristal. --Wat is het hier heerlijk! zeide Mathilde. Men herleeft. Maar laten we een zijpaadje ingaan. Die menschen vervelen me, denkelijk moeten wij hen ook vervelen. Wij detoneeren, hier in de natuur, ik vind menschen altijd zoo leelijk tusschen groen, vooral als het zoo jong is.... Je ziet, ik begin te filozofeeren.... Jeanne lachte even, overvol van geluk. De wereld scheen haar schoon en goed toe, vol liefde. En zij dacht aan Frans... III. Zij waren op een bank gaan zitten en Jeanne waagde te vragen: --Maar jijzelve, Mathilde? Je spreekt altijd zooveel over je mama en nooit over jezelve. Mathilde zag met iets huiverends op. --Over mijzelve? Ik doe mijn best mijzelve te vergeten. Ik ben.... ik ben niets meer voor mijzelve. Ik ben.... alleen nog iets voor de kinderen. Voor hen denk ik nog en leef ik nog; als zij er niet waren, was ik dood. Er klonk uit haar woorden de herinnering eener doffe smart, die in berusting was weggewischt. --Als je je verbeeld hebt zeer gelukkig te zijn, gelukkig door en met iemand, voor wien je lichaam en ziel zou willen opofferen en je merkt.... Maar ach, waarom daarover te spreken.... --Doet je de gedachte daaraan dan zoo lijden? --O neen, ik heb geleden; er is een tijd geweest, dat ik gek dacht te zullen worden en God vloekte, maar dat leed is een lethargie geworden, dat is voorbij.... Ik denk er nooit aan, ik denk alleen aan mijn vier schatjes. En die gedachte vervult mij genoeg om geen levende mummie te worden.... Je weet, ik leer ze totnogtoe zelve, en toch wordt het al langzamerhand voor Tina en Jo tijd om naar school te gaan. Otto zegt dat ten minste wel eens, maar ik zou ze te zeer missen, en mama is natuurlijk op mijn hand.... Lievelingen! Misschien verbeeldde zij het zich, maar Jeanne meende door die doffe berusting een onderdrukten, bitteren toon te hooren doorklinken, en zij kon niet nalaten Mathilde's hand te nemen en medelijdend te fluisteren: --Arme meid! --Ja, jij... zeker, je bent rijker dan ik, je hebt je kinderen en je hebt je man! antwoordde Mathilde met een treurigen glimlach, terwijl haar oogen zich met tranen vulden; en al heb je natuurlijk verdriet en akeligheid op je tijd, je hebt meer... meer dan ik... Laat dat je troost zijn, denk in een treurige bui maar aan mij, denk er aan, dat ik je nog zou kunnen benijden, als... als alles niet dood in mij was, behalve dat eene. --Mathilde! O, hoe kan je zoo spreken! Het doet me pijn.... --Dat moet het toch niet, want mij doet het geen pijn meer... Het is alleen maar zoo een flauwe herinnering van iets wat geweest is, weet je... Verder niets... Maar toch is het beter er over te zwijgen: die herinnering op te rakelen doet me geen goed, al ben ik bijna een mummie... --O Mathilde, hoe is het je mogelijk dat altijd te verkroppen: ik, ik zou niet kunnen, ik zou moeten uitspreken wat me zoo ongelukkig ... --Neen, neen, Jeanne! O, waarlijk neen, nooit meer! Spreek daar ook nooit meer over... ik... ik voel... me anders... herleven!... Ik bid je... nooit... nooit meer... Zij leunde achterover tegen de bank en enkele tranen drupten van haar wimpers, terwijl zij, wasbleek in haar zwarte kleeding, een beeld geleek van oneindige, bovenmenschelijke smart... Zij wilde niet meer herleven, zij wilde dood zijn... VI. Jeanne wenschte gaarne niet al te laat thuis te komen, opdat zij de kinderen en Frans vóor mocht zijn. Zij gingen dus terug. --En ik heb je nu zeker treurig gemaakt, terwijl ik je had willen opfrisschen met een prettige wandeling? vroeg Mathilde glimlachend. Dat komt van al die filozofie, vergeef het me maar.... Jeanne vond niets te zeggen en knikte haar even vriendelijk ontkennend toe, als wilde zij daardoor te kennen geven, dat zij waarlijk niet treurig was. En in het binnenste van heur hart moest zij het zich ook bekennen; hoe diep Mathilde's stille wanhoop haar ook in het eerst bedroefd had, nu deze zelve weer haar gewonen schijn van berusting had aangenomen, vervloeide dat medelijden voor haar vriendin in een gevoel van kalmte en rust, wat haar eigen kleine ellenden betrof: bij die eene groote, zich steeds opkroppende, smart leken haar deze nietig en onbeduidend toe, licht te torsen lasten des levens, terwijl zij onder Mathilde's leed verpletterd zou zijn neergezonken. Zij gevoelde een wroeging, dat zij ondankbaar was voor al het goede, dat haar geschonken was en haar behouden bleef, een wroeging, dat zij wel eens, o, altijd in stilte! zoo rampzalig durfde zijn over haar noodlot, terwijl toch zooveel verdriet haar bespaard was geworden! Frans, hij mocht zijn fouten hebben, hij mocht driftig en onaardig zijn, als hij ziek was, toch had hij haar lief, en was hij steeds, na een pooze nadenkens, bereid om zijn ongelijk te bekennen; toch stelde hij haar op prijs. En in die zoete gedachte, welke haar fier maakte, was het haar niet meer mogelijk treurig te zijn uit medelijden; alleen vond zij er zich egoïst om, maar ach! ze gevoelde zoo zelden zulk een zalige fierheid haar kleine ziel doortrillen; zou het dan slecht zijn, een weinig egoïst te genieten, voor een kort oogenblik? Mathilde bracht haar weder thuis en Jeanne verlangde, alleen gebleven, vol opgewektheid naar de kinderen. Zij kwamen weldra, frisch van de buitenlucht, en zij omhelsde hen bijna onstuimig en liet hen vertellen waar zij geweest waren, wat zij gedaan hadden. En toen haar Dora wat zeurde, maakte zij het zwakke poppetje met allerlei gekheid aan het lachen; het leven scheen nu zoo somber niet, of zij kon vroolijk zijn. Hoofdstuk XVII. I. Lili zat in den salon te lezen, toen Frédérique binnen kwam. Zij had eenige visites gemaakt en zij eindigde nu haren middag bij de Verstraetens. --Is Marie uit? vroeg Freddy. --Neen, antwoordde Lili; wij zijn uit geweest. Marie is nog boven. --Wat doet Marie daar toch? hernam Frédérique met eenige bevreemding. Wat voert ze tegenwoordig toch altijd boven uit? Wanneer ik hier ook kom, zit ze boven. Jullie hebben toch niet gekibbeld? --O, neen, volstrekt niet! antwoordde Lili. Marie teekent, geloof ik, of dikwijls zit ze ook te schrijven. --Te schrijven, een brief? --Ach, neen... een novelle, of zoo iets... maar je moet er maar niet over spreken, misschien wil ze het niet weten. --Vindt je Marie niet veranderd? vroeg ze daarop. --Veranderd? Marie? Neen, ik heb niets gemerkt. Waarom zeg je dat? --Ach, nergens, om; ik dacht alleen: Marie heeft het tegenwoordig altijd zoo druk; dan dit, dan dat. --Maar dat heeft ze toch altijd gehad; ze zoekt zich altijd te occupeeren, net als Jan; papa zegt, dat ik alleen de luie van de familie ben.... Frédérique zweeg, maar in zichzelve verbaasde ze zich, dat Lili niet opgemerkt had, hoe Marie in den laatsten tijd iets nerveus kreeg, dat afstak bij haar vroegere gezonde beweeglijkheid. Intusschen, misschien verbeeldde zij het zich slechts, dacht zij, in haar meening een weinig aan het wankelen gebracht door Lili's verwondering over haar vraag. --Je weet, we gaan van avond naar de Oudendijken, zeide zij, om over iets anders te spreken. --Het is waar, je vertelde verleden, dat je er geïnviteerd was.... Je gaat dus weêr meer uit? Je bent immers een tijdje blasée geweest, niet waar; ten minste je werd altijd onwel na een invitatie? schertste Lili. --Ach, ik had ook verdriet! antwoordde Frédérique ronduit. Het was.... je weet wel.... om die dwaasheid van Otto... Maar nu er niets meer aan te doen is, wasch ik mijn handen in onschuld... Hij is wijs genoeg, nietwaar... Ik heb ten minste geen lust mij te verkniezen, omdat... Zij voltooide niet, en haar oogen werden vochtig terwijl een trek van spijt zich trotsch om haar lippen groefde. --Maar Freddy, betuigde Lili zacht. Hij kent haar toch zoo lang, al den tijd, dat zij bij de Van Raats inwoont, en als hij nu van haar houdt... --O, ik wensch niets liever, dan dat alles goed gaat en dat ze gelukkig worden. Maar ik kan Eline nu eenmaal niet uitstaan. Natuurlijk, ik doe me nu geweld aan, ik ben nu lief tegen haar, maar je weet, ik kan me zoo moeilijk anders voordoen dan ik ben... Ach toe, laten we over iets anders spreken; er is niets aan te doen en ik denk er liefst zoo min mogelijk over... Willen we naar boven gaan, naar Marie? Lili vond het goed en zij gingen. In de zitkamer der beide zusters zat Marie voor een kleine schrijftafel; een paar bladen lagen beschreven voor haar, maar zij leunde met het hoofd in de hand en haar pen trok op een blank vel papier, als in verstrooiing, rechte schrapjes dwars door elkaâr. Zij schrikte op, toen Freddy en Lili binnenkwamen. --We komen je verrassen te midden van je drukke bezigheden! begon Freddy te schertsen. Ten minste, als je ons niet liever kwijt bent... --Wel neen!... Je weet wel beter, nietwaar... Die Lili is ook zoo ongezellig om alleen beneden te gaan zitten... Lili antwoordde niet; het was immers niet haar beider gewoonte des namiddags op haar kamer te blijven, en Marie zelve was ongezellig dit te doen.... --Is het een geheim wat je schrijft? vroeg Freddy met een blik naar de beschreven vellen. --O neen! antwoordde Marie schijnbaar achteloos. Ik was al vroeger iets begonnen.... een soort dagboek, een beschrijving van onze reis in Thüringen en het Schwarzwald, van verleden jaar, en ik wou er een schets, iets romantisch van maken, maar het verveelt me... Ik begrijp eigenlijk niet, hoe ik er toe gekomen ben, voegde zij er zacht bij. Het is niets voor mij om te willen gaan schrijven, vindt je wel...? --Dat weet ik niet! sprak Freddy bemoedigend. Lees er ons iets van voor. --Verbeeld je! Je te vervelen met mijn schoolmeisjes-stijl! Pas si bête, hoor, riep Marie lachend. Ach, een mensch moet iets uitvoeren; ik verveel me; toen ben ik gaan schrijven, net als Lili is gaan lezen... Weet je wat, Frédérique! vervolgde zij, terwijl zij hare vriendin ernstig-komisch aanzag: ik vind, dat we zoo oud worden! Oud, weet je, bepaald oud, we worden vervelend... Weet je wel, dat we zeker in geen twee maanden zoo hebben gelachen, als we vroeger wel eens deden? --Met Paul of Etienne! voegde Lili er bij, terwijl zij glimlachte bij de herinnering. --Met ze of zonder ze! Wij amuzeerden ons ook zonder die jongens, onder ons meisjes! Maar nu... ik weet niet hoe jij er over denkt, maar ik vind ons criant vervelend! We krijgen onze beslommeringen... Jij hebt een tijdlang onder den druk van een antipathie tegen Eline rondgewandeld... Lili zegt geen woord tegenwoordig, maar rêvasseert den heelen dag of vertelt me poëtische droomen, en ik... ik ga van verveling schrijven over blauwe bergen en wazige verschieten.... --Wat zal daar het einde van wezen! lachte Freddy. Ik zie de toekomst duister in, vooral voor jou. Achter de blauwe bergen en die wazige verschieten schuilt iets, wed ik... --Schuilt iets?.... herhaalde Marie. O neen, niets, volstrekt niets. Frédérique meende een traan te zien glijden tusschen Marie's vingers, die zij voor de oogen hield. Lili was in een boekenkastje aandachtig eenige deeltjes aan het ordenen.... --Marie! fluisterde Frédérique zacht... Toe zeg me: is er iets, kan ik iets voor je doen, vertel het me dan... Ik zie toch wel, dat je over iets verdriet hebt; waarom schroef je je dan op? Marie stond op en wendde het gelaat af... --Ach, wel neen, Freddy, verbeeld je toch niet zoo iets! Je wordt net zoo romanesk als Lili... Ik heb niets... Ik verveel me alleen, ik verlang naar vroolijkheid... Zoo, dag Janneman!... Janbroêr was binnengekomen, eenigszins verbaasd. --Wat zitten jullie hier met je drieën te koekeloeren? Zeker over heeren te praten! riep hij met eene luidruchtige, brutale stem. --Heb je ooit zoo een wijsheid gehoord! antwoordde Marie en sloeg haar handen in elkaâr. Dat is je ingeboren mannelijke ijdelheid, die je dat laat zeggen, al ben je zelf nog maar een kwajongen... Wacht, ik zal je leeren... Zij liep hem om de tafel na, terwijl hij behendig en met haar spottende, een paar malen over een stoel wipte dien hij haar vlug voor de voeten zette.... Freddy en Lili schaterden om hun beider, komieke zwenkingen rondom de tafel en de stoelen.... Plotseling stormde hij weg en zij achtervolgde hem. --Die Marie! riep Freddy en zij verwonderde zich. Zij begreep niet. Na een pooze kwam Marie terug, ademloos... --Heb je hem gepakt? vroeg Lili. --Natuurlijk niet! antwoordde zij. Die jongen is als een geit zoo vlug.... Hup.... hup.... hup... hij vliegt over alles heen! Hé, heerlijk zoo eens te rennen.... Ik wou dat ik een jongen was. Toen Frédérique wegging, vergezelde Lili haar de trap af; Marie zou dadelijk beneden komen.... Maar zij toefde even aan het venster en keek uit.... In de schemering, die als een doorzichtige, als een aschkleurige mist, neêrzonk, lag het Kanaal groen en stil onder het vage loovernet der boomenrij. Daarachter dommelde de Maliebaan weg, uitgewischt in schaduw, met een vochtig gaas van grijzen dauw, recht oprijzende in hare vlakte. Marie zag uit en ze zuchtte. Zij zou dat gevoel, die wreede spijt uit haar hart wegspotten, zooals zij nu gedaan had. Zij werd oud, bepaald oud, ze werd vervelend, ze kreeg hare beslommeringen. Onmeêdoogend voor zichzelve, zou zij dien bloesem harer ziel verdrukken, altijd afweren. Het was zelfkwelling, maar het moest. En nu zij in dien droefgeestigen dauw, ginds over de vlakte stijgend, zich moê staarde, rees voor haar vochtig oog een dierbaar gelaat op, een flinke kop, met een oprechte hartelijkheid in een paar trouwe oogen en stralend van een innemenden lach, maar niet haar, Eline straalde die lach toe. II. De trammen van den Ouden Scheveningschen weg naar het Kurhaus waren stampvol. Zij werden op de halte Anna Paulownastraat--Laan Copes van Cattenburg bestormd door een wachtende menigte, die, in een oogwenk, de wagens gevuld en de perrons overladen had of de imperiale was opgeklommen. Men verdrong elkander, zeer ernstig van gelaat, zelfs ter wille van het kleinste staanplaatsje, onbarmhartig voor wanhopige lotgenooten, onder wie vele dames, met een overspannen zenuwachtigheid en een bont gefladder van lichte toiletten den tram omliepen, turende door de glazen of zij wellicht nog een zweem van een open plekje bespeurden. De conducteurs belden; zij riepen driftig tot de achtergeblevenen die wenkten, en daarop dadelijk den anderen kant uitzagen, naar de, nog onzichtbare, volgende tram; want ach, de paarden zetten zich reeds in beweging en de ernstige gezichten van hen, die nu blijde op elkaâr gepakt zaten, glansden van gelukzaligheid, na de overwinning. --Wat een foule! Het is vreeselijk! zeide Eline, met een rustig glimlachje op het gewoel neêrblikkend. Zij zat naast Betsy in den open landauer, met Henk en Otto tegenover haar. Dirk, de koetsier, was een oogenblik genoodzaakt geweest even stil te blijven staan, maar nu kwam er opnieuw vlugger beweging in de file van equipages op den rijweg. Het palfreniertje, Herman, zat met gekruiste armen, als gegoten in zijn lichtgrijze livrei met schitterende knoopen, onbeweeglijk en recht, de lippen bijna aanmatigend op elkaâr gedrukt. --Het zal stampvol zijn! meende Betsy. Maar het is natuurlijk buiten, we behoeven dus niet bang te zijn voor een plaats.... Er woei geen zuchtje door het dichte bladerweefsel, en, na een dag van straffe, broeiende zonnehitte, scheen er bij het eerste waas van schemering nog een looden zwaarte in de lucht te blijven hangen. Eline, een weinig afgemat door die warmte, welke haar zeer bleek maakte, leunde achterover, en sprak weinig; alleen blikte zij Otto een enkele maal tusschen hare kwijnende wimpers toe met een schalke coquetterie, vol geluk. Betsy sprak voortdurend tegen van Erlevoort, daar Henk ook niet spraakzaam was; hij overwoog namelijk bij zichzelven of het niet gezelliger zou geweest zijn, thuis in den tuin thee te drinken, dan zoo dadelijk na den eten naar Scheveningen te moeten oprukken. Betsy intusschen, zeer gezond en opgeruimd, genoot van de lauwe lucht, waarin zij behagelijk ademde; genoot van hare zachte gebombeerde kussens, van geheel haar weelderige equipage, die zoo keurig uitblonk boven andere eigen rijtuigen, genoot zelfs van Hermans onberispelijke houding en van de zilveren initialen op de van den bok afhangende dekken. Zij was tevreden over zichzelve, over de luxe, die zij, al toerende, ten toon spreidde, tevreden over haar gezelschap. Eline was zoo beeldig mooi, net een poppetje: haar toilet van lichtgrijs étamine was bijna opvallend eenvoudig, terwijl de brides van het capothoedje haar gelaat in een zijden lijst hielden omvat.... Erlevoort zag er flink uit en zoo gedistingueerd: Henk zoo gezellig dik, zoo goed doorvoed.... haar man was toch nog zoo kwaad niet, ze had slechter kunnen treffen. En zij groette hare kennissen, terwijl Dirk hunne equipages voorbijreed, met allerinnemendste hartelijkheid: zij wilde vooral niet trotsch schijnen, al vlogen hare mooie vossen ook nog zoo hard. --O, heerlijk, de lucht wordt frisscher, ik voel me bepaald herleven! murmelde Eline, zich, diep ademend, oprichtende, toen zij de Promenade voorbij waren. Ik heb heusch behoefte aan frissche lucht na zoo een temperatuur als van middag. --Ach kom, kind, het was delicieus! beweerde Betsy op een toon van tegenspraak. Ik teeken er voor altijd zulk weêr te hebben, --Nu, ik zou binnen een maand dood zijn... Zeg Otto, je lacht, zeg eens eerlijk, denk je nu, dat ik me aanstel, of geloof je waarlijk dat ik niet tegen die warmte kan.... --Maar Elly, natuurlijk geloof ik je! Zij keek hem opeens gemaakt boos aan en schudde verwijtend met heur kopje. --Alweêr Elly, fluisterde zij. --O ja.... hoe dom van me; nu, ik geloof wel, dat ik iets weet! fluisterde hij verrukt terug. --Wat conspireeren jullie toch? vroeg Henk nieuwsgierig. --Niets, nietwaar, Otto.... een geheimpje tusschen ons alleen.... cht! zeide zij en hield zich den wijsvinger voor den mond, genietende in hun mysterie. Zij wilde namelijk niet, dat Otto haar noemde bij den verkleinnaam waarmede iedereen haar mocht noemen.... Hij moest er een uitvinden voor hem alleen, een, die niet afgesleten was op aller lippen, een, die nieuw was en frisch.... hij vond haar toch niet erg kinderachtig, wel? En hij had zich uitgeput met te verzinnen, maar zij was niet tevreden geweest met wat hij verzonnen had... hij moest nog maar eens zoeken.... nu, scheen hij dat gevonden te hebben? --Ik ben heusch nieuwsgierig? fluisterde zij weêr, glimlachend. --Straks! fluisterde hij terug en zij glimlachten beiden. --Zeg eens, ik heb je totnogtoe altijd minder vervelend gevonden dan de meeste geëngageerde menschen, maar begin nu ook niet met zulke onuitstaanbaarheden! riep Betsy, verontwaardigd, maar toch niet erg boos. --Nu, jij vroeger met Henk! schertste Eline, nietwaar, Henk? --Nou, of! antwoordde Henk en lachte haar vroolijk toe, terwijl zij bij de gedachte aan de verloving harer zuster, thans jaren geleden, een uitgewischte herinnering voelde oprijzen van hare toenmalige gevoelens, als van iets, dat zeer ver en zeer zonderling was. Maar zij waren reeds langs de villa's van den Badhuisweg, voorbij de Galerie, langs de achterzijde van het Kurhaus omgereden en zij hielden voor de trappen van het terras, aan den zeekant op. III. Om een tafeltje, dicht bij de muziektent, zaten de Eekhofs en de Hijdrechten, toen Betsy, Eline, Otto en Henk door het tourniquet, dat de controleur draaien deed, éen voor éen uitkwamen, terwijl Henk de kaarten toonde. Zij echter zagen hun kennissen niet en wandelden verder, terwijl Otto zijn hand op Eline's arm deed rusten. --Kijk, daar heb je de Van Raats en freule Vere met Erlevoort! zeide de jonge Hijdrecht. Ze komen hier tegenwoordig iederen avond. --Wat kleedt Eline zich tegenwoordig bespottelijk eenvoudig! merkt Léonie aan. Waarvoor dient dat nu? Niets dan aanstellerij. En verbeeld je... een capotje! Ieder geëngageerd meisje meent dadelijk, dat ze een capotje op moet zetten... Ridicuul! --Het is toch een paar, waar je gaarne naar kijkt! meende mevrouw Eekhof. Je hoort wel van onverstandiger engagementen. --Ze loopen ten minste fatsoenlijk met elkaâr, zeide Ange. Soms zie je er, die bespottelijk zijn; bij voorbeeld: Marguerite Van Laren, die altijd de pluisjes van de jas van haar aanstaande wegplukt... weet je nog, hoe we verleden gelachen hebben, Hijdrecht? Betsy intusschen, rechts en links groetende, had verklaard, dat zij goed zouden doen, niet langer te wandelen en naar een tafeltje om te zien; het was zeer vol. Gelukkig, buiten zat men overal prettig, zelfs was het te verkiezen ver van de tent te zitten; anders verging men van het lawaai... Zij zetten zich dus een weinig terzijde, aan den kant der Conversatiezaal, waar nog tal van tafeltjes onbezet waren, toch vóor aan het wandelpad, zoodat zij de menigte wandelaars konden zien en door dezen gezien worden. Het was dus een gewissel van groeten en knikjes en Betsy en Eline vermaakten zich soms fluisterend met een scherpe critiek over een bespottelijk toilet of een ridiculen hoed. Eline zelf was zeer tevreden over den eenvoud, waarmede zij zich sedert haar engagement kleedde: een eenvoud, die zeer elegant, zeer cossu en zeer overdacht bleef, maar die toch in te groot contrast was met haar gewone weelderigheid, om niet sterk in het oog te vallen. Zij vond, dat die eenvoud haar lieftallige schoonheid als met plastischer lijnen deed uitkomen en hare ranke gestalte als in het marmer van een beeld modelleerde; zij vond, dat haar vroegere wuftheid er met een waas van gracieusen ernst door gesluierd werd, een ernst, die Otto's ingeschapen eenvoud zeker aantrekkelijk moest zijn. Zij was nu zoo en niet anders; zij gevoelde het, dat zij moeilijk zichzelve kon zijn, dat het haar integendeel gemakkelijker was, zich steeds in de eene of andere rol te denken; nu de rol der eenigszins pozeerende, maar altijd bevallige en overgelukkige aanstaande van een degelijken, jongen man, iemand uit haar eigen wereld, en dien men algemeen mocht om zijne, hemzelve onbewuste, innemendheid. En overgelukkig--zij gevoelde dat tevens, met al de zaligheid van het gestild verlangen in haar hart, dat naar geluk gesmacht had--zij was het in de rust, die haar zijne groote, kalme liefde, welke zij meer ried dan begreep, geschonken had; zij was het in de blauwe stilte van dat meer, dat Nirwana, waarin hare, door fantazieën vermoeide, ziel gegleden was als in een donzen bed, en zij was daarin zóó gelukkig, zóó tot in hare fijnste zenuwen, welke waren als losgespannen snaren, dat zij vaak, onverwachts, een traan in haar oog voelde opwellen van innige dankbaarheid. De stroom van wandelaars draaide zonder ophouden voor haar blikken voort, en het duizelde haar een weinig, zoodat zij een enkele maal niet teruggroette. --Eline, waarom groet je niet....? Zie dan toch, mevrouw Van der Stoor en Cateautje! fluisterde Betsy berispend. Eline zocht met haar blik en knikte zoo lief mogelijk, toen Vincent Vere en Paul Van Raat hen kwamen aanspreken. Zij bleven staan, leunende op hunne stokken, daar er geene stoelen in den omtrek te zien waren. --Willen jullie een oogenblik gaan zitten, ten minste als Eline wat wil loopen? vroeg Otto en hief zich half op. Eline vond zijn plan uitmuntend. Henk en Betsy bleven nu niet alleen, en terwijl Vincent en Paul hunne stoelen innamen, wandelden zij langzaam voort in den stroom der anderen. Zij naderden de muziektent en de hooge vioolpassages van Lohengrins Vorspiel zwollen als stralen van kristal voller en voller op.... Een groep van aandachtige muziekliefhebbers had zich in een halven cirkel om de tent geschaard, en tuurde den kapelmeester, die met het langzaam zwaaien van zijn staf den stroom van melodie beheerschte, op den rug. Otto wilde Eline laten voorgaan in den nauwen doorgang tusschen de bezette stoelen der verandah en den halven cirkel der staande toehoorders, maar zij wendde zich om en fluisterde: --Even luisteren, wil je? Hij knikte en zij bleven staan. En zij genoot in haar kalme stemming van de statige zwelling dier tonenmassa's. Het was haar, als vloeiden daar geen klanken, maar de blauwe wateren van haar meer, rimpelloos als de vloed, waarop Lohengrins kaan was voortgegleden, en zij zag zwanen, statig en schoon... Bij het zwaarste fortissimo haalde zij diep adem en toen de glazen toondraden der violen dunner en dunner uitsponnen, dreven ook de zwanen weg, statig en schoon.... Een applaus weêrklonk, de halve cirkel der toehoorders verbrak zich. --Mooi.... zoo mooi! murmelde Eline als in een droom. En zalig voelde zij Otto's hand haar arm zoeken.... o, zij leefde zoo zoet.... --Vindt je het niet dwaas .... ik voel me altijd zoo .... beter dan anders, als ik mooie muziek hoor; ik krijg dan bijna een gevoel of ik je toch wel een beetje waard ben, lispelde zij bijna aan zijn oor, onhoorbaar voor wie hen omringden. Het is misschien wel pedant van me, maar ik kan het toch heusch niet helpen. Zij zag hem glimlachend, maar bijna angstig aan, in spanning voor wat hij zou antwoorden: zij gevoelde dikwijls, voor wat hij van haar denken zou, een lichte vrees, als zou zij hem kunnen verliezen door een enkel ondoordacht woord, want zij begreep nog niet, hoe hij haar liefhad, waarom hij haar liefhad.... --Ach, zet me toch niet zoo hoog in de lucht! antwoordde hij vriendelijk, terwijl zijn stem haar volheid dempte, waardoor hun gesprek slechts tusschen hun lippen scheen voort te zweven. Ik voel me zelf zoo doodgewoon, zoo niets bizonder verheven boven anderen, je mag jezelve ook niet zoo beneden me stellen. Jij mij een beetje waard! Waar haal je het vandaan? Kleine dwaas! Weet je wat, ik geloof nooit, dat je jezelve goed kent. Zou hij gelijk hebben, zou zij zichzelve niet kennen? Een heerlijke verrassing vervulde haar; zij meende zichzelve zoo goed te kennen: zou er nog waarlijk in haar ziel iets zijn, waarvan zij niet wist; iets, waaruit wellicht haar liefde voor hem vloeide? Zou hij haar zichzelve leeren kennen? --O Otto! begon ze. --Wat? vroeg hij zacht. --Niets, ik hou zoo veel van je, als je zoo iets zegt van jou en van mij! murmelde zij, vol van een zaligheid, die zij niet kon uiten. Zijn hand drukte zacht haren arm en zij trilde even, terwijl zij steeds voortgingen, en nu en dan groetende voortgingen te midden der schertsende en dringende menigte, van de tafeltjes betuurd door wie hen kende, al was het slechts van aanzien. --Kijk, wat loopen Erlevoort en Eline daar zalig met elkaâr! perdus dans le même rêve.... bepaald, ze zien ons alweêr niet! riep Léonie bijna met dépit uit, terwijl zij met Hijdrecht hun op een afstand voorbij ging. IV. Eline en Otto hoorden eensklaps hun namen zacht uitspreken. Zij zochten even en zagen aan een tafeltje mevrouw Verstraeten met Marie, Lili en Frédérique zitten. Georges De Woude was reeds van zijn stoel opgestaan en wenkte hen glimlachend. Zij traden naderbij en gaven elkaâr de hand. --Freddy! sprak Otto verrast. --Mevrouw was zoo lief mij na het eten te laten vragen of ik meêging, antwoordde zij, bij wijze van verklaring. Otto, we kregen, toen je weg was juist een brief van de Horze: ze maken het allemaal goed en je moet veel groeten hebben. Jij ook, Eline. --O, dank je wel! antwoordde Eline hartelijk, terwijl zij een oogenblik Georges' stoel naast mevrouw innam. Marie was zeer bleek geworden maar het viel niet op onder haar witte voile. --Théodore schrijft dat Suzanna en Van Stralenburg met de kleine bébé over een week bij hen komen logeeren en mama was een en al agitatie. --Wat, wou mama naar de Horze gaan? En Howard komt hier? --Ja, dat was juist het dilemma. --Die goede mevrouw Erlevoort, sprak mevrouw Verstraeten. --Percy heeft immers geschreven, dat hij in de laatste dagen van Juli komt; nu, Van Stralenburg kan niet langer blijven dan tot den 20sten, schrijft Théodore. Je begrijpt--en zij dwong zich Eline vriendelijk aan te zien--je begrijpt, hoe mama te moede is: naar Zwolle reizen, daar komt ze nu eenmaal nooit toe, en vóor den 20sten uit Den Haag te gaan terwijl Howard en Cathérine komen, dat kan natuurlijk niet.... --Maar Howard gaat immers later ook naar de Horze? vroeg Otto, --Ja, maar hij zal toch eerst een beetje in Den Haag willen blijven en van Scheveningen profiteeren, antwoordde Frédérique. Mama zit nu allerlei bedenkingen te maken, hernam zij weder tot Eline; zij zou wanhopig zijn, wanneer zij van den zomer haar nieuw kleinkind niet zag, dat kan je begrijpen.... --Nu, dan zal ik mama wel overhalen met mij naar Zwolle te gaan een dezer dagen: dat is toch het eenvoudigste! antwoordde Otto. Naar de Horze is nog wel een omslachtiger reis. --Je kan het probeeren, antwoordde Frédérique. Het zou zeker een oplossing van het raadsel zijn.... Lili had intusschen aan mevrouw gevraagd, of zij het goed vond, dat zij wat met De Woude ging oploopen, en mevrouw verzocht Otto nu ook een oogenblik te gaan zitten, tot zij terug zouden zijn. --Wat is Eline toch mooi, vindt je niet, De Woude? vroeg Lili. Zij had hem, sedert zij met hem had schaatsen gereden, toegestaan haar bij den naam te noemen, en zij noemde hem nu: De Woude, tout court. Het frappeert me telkens, als ik haar zie.... --Ja, ze ziet er heel aardig uit! antwoordde Georges onverschillig. --Neen, maar ik vind haar bepaald mooi, bepaald mooi! drong Lili aan. Hoe is het mogelijk, dat je haar niet mooi vindt! Wat een curieusen smaak heb jij dan toch! Hij lachte vroolijk, in het genot eener geheime gedachte. --Ik kan toch heusch niet helpen, dat ze me geheel en al koud laat: ik heb een ander ideaal van mooiheid. Maar als je nu absoluut wilt hebben, dat ik ze mooi vind, dan zal ik nog eens zien. --O neen het kan me volstrekt niet schelen, hoor! antwoordde zij, ook lachend: alleen, iedere heer vindt haar mooi, daarom begrijp ik het niet van je. Ik begrijp ook niet, dat Frédérique niet van haar houdt. Als ik een man was, werd ik smoorlijk op haar. --En zou je dus duelleeren met Erlevoort.... De pauze was aangevangen en het gedrang der wandelaars, die zich in een rechtschen en in een linkschen stroom hadden verdeeld, was zeer dicht. Georges en Lili bevonden zich als ingesloten tusschen met moeite voortbewegende schouders en hoofden. Er was geen doorkomen meer aan.... --Het is wanhopig! zeide Lili. Als het toch zoo vreeselijk vol is, vind ik het niets prettig. Het lijkt wel een Zondag. --Vindt je het goed, als we een beetje naar buiten gaan naar het strand? vroeg hij zacht. We zijn vlak bij den uitgang.... --Kan dat? vroeg Lili, gestreeld door de verleiding. Zou mama het goed vinden? --Wel zeker, onder mijn hoede; het kan uitstekend, hoor! sprak hij geruststellend, bijna trotsch. Zij stonden voor het tourniquet en de controleur draaide. Als bevrijd uit een klem van benauwdheid traden zij vlug de treden van het terras af, staken den rijweg over en haastten zich over de breede trap, die naar het strand leidt. De groote mandstoelen stonden dicht bij elkaâr, als waren zij opgeborgen. Hier en daar slenterde een Scheveninger op een langzamen, plompen zwaaipas, die zich regelde naar het gedein van den hoop ronde rokken zijner gezellin.... En over de zee, in de hoogte, ruischte voor de façade van het Kurhaus, in een gloed van gaslicht, een hel gewoel. --Oef! riep Lili uit. O, is het hier niet veel ruimer? De zee zelve krulde haar, nauwlijks gerimpeld, satijn van wisselend groen en azuur en violet, met tintelende plooien schuim, uit van den einder tot het strand. Daarboven schitterden sterren en de melkweg scheen een stof van parelen, verspreid aan die geheimzinnige eeuwigheid van vaag blauw... Uit de zee steeg een bijna onzegbaar gesuis op, als uit een eindeloos groote schelp.... --Wat is het hier heerlijk stil na dat rumoer daarboven. Het is om te gaan dwepen! murmelde Lili in extaze. --Ja, antwoordde Georges. Zij was bijna over iets gestruikeld; hij had haar daarop gevraagd of zij zijn arm niet wilde nemen, en zij had dit gedaan. Het werd hem toen of hij haar veel te zeggen had, en alsof hij zich nooit zou kunnen uitdrukken zonder belachelijk te schijnen. En ook zij gevoelde een lieflijke behoefte zich geheel en al te uiten, te spreken over de zee en de lucht, die haar zoo schoon schenen, maar zij schaamde zich een weinig over de poëzie in haar hart, die te vreemd afstak bij de gewone banaliteit der kringen, waarin zij elkander steeds zagen. Zij was bang aanstellerig te schijnen en zij zweeg, en zij zwegen beiden, terwijl zij langzaam voortgingen, met het gesuis van de zee in hun ooren, en met een zelfde zacht wiegend gevoel in hun harten, dat zij beiden in elkander rieden, en dat hun stilzwijgen scheen te vullen met meer dan woorden. Zij liepen langzaam voort, altijd voort, als verloren in hun eenzaamheid, met de rust van de zee als eene, nooit te bewegen, kalmte voor oogen. En hij begreep, dat hij iets zeggen moest. --Ik zou wel altijd zoo met je door kunnen wandelen, tot Katwijk toe! sprak hij en zijn schertsende toon verheelde een weinig, dat hij het meende. Zij lachte; het was immers scherts. --Dan zou het wel eens kunnen gebeuren, dat ik moê werd. --Dan zou ik je dragen. --Je zou niet kunnen, je zou bezwijken onder me. --Heb je zoo een min idée van me, dan zal ik het je eens toonen. --Maar Georges! Hoe durf je toch zoo brutaal zijn! Ik zal nog eindigen met me boos te maken, ten minste, als je niet dadelijk vergiffenis vraagt. --Hoe moet ik dat dan doen? vroeg hij deemoedig. Zij liet hem woord voor woord een lange tirade herhalen: Ik, Georges De Woude van Bergh, vraag nederig excuus aan... voor... en hij herhaalde elk woord, terwijl zij haar zin telkens meer uitspon, in het genoegen, waarmede de echo, die hij er van gaf, haar doortrilde. Zij was ook niet zoo toornig, als zij wilde doen blijken; haarzelve scheen het toe, dat hun wandeling nooit zou eindigen, dat zij langs dien licht schuimenden zeezoom zouden gaan, tot zij nieuwe kimmen zouden zien opdagen. --Kom, we moeten omkeeren! sprak hij eensklaps; we gaan te ver. Zij keerden zich om, en verschrikten toen zij zagen, hoe ver het Kurhaus in de hoogte lag, in een rossen gloed van licht, maar in haar smolt die schrik eensklaps weg in een weekheid, een zachte onverschilligheid; wat gaf zij om hen daar boven: zij waren samen, aan de zee. --Lili, heusch we moeten voortmaken, sprak hij, een weinig verlegen lachende. Je mama zal niet weten, waar we blijven! Nu was zij werkelijk gekrenkt, over zijn voortdrijven; hij voelde dan niet die weeke, die zachte onverschilligheid; hij voelde niet voor haar dat egoïsme, dat zij voor hem gevoelde; hij gevoelde niet, dat er niets bestond, niets dan zij beiden, aan den suizenden oever.... --Ik kan heusch zoo gauw niet door dat zand stappen! sprak zij een beetje geërgerd en zij klemde zich vaster aan zijn arm; maar hij bleef onverbiddelijk, en zeide, dat zij maar op hem steunen moest. Hij was toch eigenlijk verbazend koppig onder dat fijne waas zijner lieve galanterie! --Maar Georges, ik kan niet meer, ik ben doodaf! hijgde zij boos, ofschoon de gewilde gramschap in haar stem versmolt tot een vleiend smeeken. Hij echter vloog schertsend de breede trap op, haar bijna medesleepend, en haar arm goed in den zijne sluitend, en zij moest toch eigenlijk lachen. Het was wel curieus, dat gevlieg in het donker.... Zij waren nu ook, kalmer, de trapjes van het terras opgegaan en terwijl Georges de kaarten zocht, sloeg Lili. een weinig het zand van den zoom van haar japon af.... De pauze was geëindigd, en het orkest klaterde de koperen fanfares van den marsch der Reine de Saba uit.... Er liepen nog wandelaars, maar het gedrang was zeer verminderd. Zij haastten zich, schijnbaar onverschillig, maar Lili met een kleur op de wangen, naar hun tafeltje toe. Mevrouw Verstraeten zat alleen met Marie en Frédérique; Otto en Eline waren weg. --Groote goedheid, waar hebben jullie met elkaâr gezeten? riep Marie uit, terwijl Georges en Lili plaats namen op de stoelen, die ter bewaring met een paar mantels waren behangen geworden. Ik heb in dien tusschentijd met Paul gewandeld en Eline en Otto konden heusch niet langer op je stoelen blijven... --We hebben bijna bovenmenschelijke pogingen gedaan, om ze te behouden, nietwaar mevrouw? voegde Frédérique er bij. --Maar ik heb je niet voorbij zien komen, waar ben je dan toch geweest? vroeg mevrouw verwonderd. In de Conversatie-zaal naar het dansen gaan zien? Georges vertelde van hun wandeling aan het strand en Lili bewonderde hem in stilte om den tact, waarmede hij haar moeder antwoordde. V. Henk en Vicent zaten alleen aan het tafeltje bij de Conversatie-zaal, daar Betsy met den jongen Hijdrecht in eene, bijna te bruyante, flirtation rondwandelde, en Eline en Otto een oogenblik bij mevrouw Eekhof waren gaan zitten, die zij viermalen zonder groet hadden voorbij gestevend zooals Ange beweerde. --Ik was van middag half dood, van die warmte! mompelde Vincent. --Ja, Eline kan er ook niet tegen, antwoordde Henk en dronk zijn Pilsener uit. Vincent dronk niets; hij was eenigszins duizelig door dat eeuwig gedraai van al die menschen. Hij kwam zelden te Scheveningen: des morgens verging men er van de hitte, die het zand roosterde en des avonds was het hem te vermoeiend. Een enkelen keer ging hij; om er nu en dan eens geweest te zijn.... Hij had een vraag aan Henk op de lippen, een vraag, die hij bijna niet durfde doen, een vraag om geld. De tweede maal, dat Henk hem geld voorgeschoten had, was dit niet meer met de gewone, goede gulheid gedaan. Vere's eeuwigdurend geldgebrek begon Henk te vervelen.... het was altijd het zelfde liedje! Vincent had dit opgemerkt, maar toch, het kon niet anders, en hij bereidde zijn vraag voor met een inleiding, geuit op schijnbaar luchtigen toon. --Ik denk, dat ik je nog deze week een deel van mijn schuld zal kunnen afdoen, Van Raat. Ik wacht geld. Alleen voor het oogenblik zit ik wat in verlegenheid.... Als ik niet al zoo dikwijls misbruik had gemaakt van je goedheid, zou ik nog eens je hulp durven inroepen, maar het zou indiscreet worden... Ik zal wel zien, dat ik deze week nog rondspring.... Henk antwoordde niet, maar sloeg met zijn stok een langzame maat: men speelde de ouverture van den Guillaume Tell. --Het is vervelend, dat ik met die kinahistorie niet klaar ben gekomen! ging Vincent voort. Maar ik heb nu een brief gekregen van een vriend uit Amerika; hij is rijk en heeft veel relaties en zou in New-York aan een handelshuis eens voor mij rondzien.... Maar zie je.... op het oogenblik.... Zeg. Van Raat, je zou me toch een immens groot pleizier doen, als je me nog een vijftig gulden kon leenen.... Henk keerde zijn groot lichaam driftig naar Vincent toe. --Zeg, Vere, komt er nog geen einde aan dat gezanik, hè? Ik moet het gul bekennen, dat het me razend begint te vervelen. Het is dan vijfhonderd gulden, dan honderd gulden, dan vijftig gulden.... Waar.... waar wacht je dan toch op? Wat denk je te doen? Als je toch geen cent in de wereld hebt, luibak dan zoo niet, maar zoek iets. Ik kan je toch niet onderhouden, hè....? Vincent had, in een vaag voorgevoelen, een uitbarsting verwacht, en liet de korte zinnen, die Henk, met drift, log uitstootte, over zich neêrplompen zonder tegenspraak. Onder dit zwijgen werd Henk bijna verlegen en de klank zijner eigen stem bleef hemzelven ruw in de ooren hangen. Toch ging hij voort: --Dàn leuter je over geld uit Brussel.... of uit Malaga, dàn moet het komen uit New-York.... Wanneer komt het dan? Je begrijpt, mij ruïneert het niet, als je me niet terug geeft wat je me schuldig bent, en ik val je er ook nooit lastig om, maar alles te zamen loopt het nu toch naar de tweeduizend gulden en het begint me de keel uit te hangen.... Blijf dan toch niet zoo ellendig hier in Den Haag lummelen, zoek dan toch iets.... Henks toon van drift vervloeide reeds eenigszins in een van goediger betuiging, maar Vincent bleef zwijgen, de oogen op de punten zijner schoenen gericht, die hij zachtjes met zijn rotting tikte, en Henk wist niet meer wat te zeggen.... En het was hem een verlichting, toen Vincent eindelijk mat het hoofd opbeurde en fluisterde: --Het is zoo.... je hebt gelijk.... maar het is niet mijn schuld.... omstandigheden nietwaar....? Enfin, ik zal zien, wat ik doe.... neem me niet kwalijk, dat ik je lastig viel.... Hij hief zich langzaam op, terwijl Henk bij die onderworpenheid zocht naar een fraze.... --Nu adieu dan, tot weêrziens! sprak Vincent ten laatste met een flauw glimlachje en hij knikte Henk toe, zonder hem de hand te reiken. Adieu dan, ik moet weg. Henk wilde zijn hand uitsteken, maar Vincent had zich reeds omgewend en Henk zag hem zich langzaam een weg banen door de menigte, terwijl hij een enkelen keer met een loom gebaar zijn hoed afnam. Zeer ontevreden over zichzelven bleef Henk alleen aan het tafeltje. Na een pooze kwamen echter Eline en Otto terug en beklaagden hem schertsend over zijn eenzaamheid. En ook Betsy werd weldra teruggeleid door Hijdrecht, die zij hartelijk lachend de hand drukte. Het was reeds laat; tal van menschen waren reeds vóor het laatste nummer vertrokken, en nu het concert uit was; vloeide de menigte langzaam door de Kurzaal weg. Zachtjes aan temperde de luidruchtigheid van die drukke atmosfeer vol muziek, gescherts, gasgloed en bonte kleuren zich tot een leegte en een rust, terwijl de lantaarns reeds hier en daar waren uitgedraaid, en slechts enkele groepjes bleven zitten, genietende van de zachte lucht, die ruimer werd, als doorgeurd met een zilte frischheid.... Men tuurde niet meer naar elkaâr, men zag naar de zee, naar de lucht en den bleeken melkweg... --Het is hier heerlijk, willen we nog wat gaan zitten? vroeg Betsy. --Laten we liever gaan toeren! drong Eline aan; tenminste als het je niet te laat wordt en je niet gelooft, dat de paarden moê zijn, Henk. Betsy vond Eline excentriek om in den laten avond nog te willen toeren, maar toch lachte zusjes idée haar ook toe. En zij begaven zich naar de achterzijde van het Kurhaus, waar hun rijtuig wachtte, te midden van enkele andere equipages. Eline vond, dat de wind was opgestoken en wilde vóor zitten, onder de half opgeslagen kap, naast Otto. Betsy beval Dirk door het Van Stolkpark naar huis te gaan. Stil en schimachtig schemerden de villa's tusschen de vage, donkere massa's van het geboomte, waardoor een enkele zucht, slechts somwijlen hoorbaar, scheen te suizelen. Maar het getrappel der paarden en het lichte geratel der wielen over het grint bedekte dat hijgen der koelte in het loof met een luidruchtigheid, die geen woorden verbraken. Betsy lag gemakkelijk een weinig achterover en genoot. Henk was onder den onaangenamen druk van zijn gesprek met Vincent, dien hij meende leed gedaan te hebben, en Eline liet haar gedachte wegwiegelen in een zachtstreelende weelde. Zij had heur hoed afgezet en zij boog zich een weinig naar Otto toe en luisterde naar zijn ademhaling, die zich regelmatig uit zijn borst ophief. Hij, onzichtbaar in de schaduw der opgeheven kap, had zijn arm om haar middel gelegd, en haar een weinig naar zich toe getrokken, zoodat haar wang bijna op zijn schouder lag, terwijl haar hand over zijn knie hing. En zij was zeer gelukkig, en verlangde niets meer, dan zoo, in zijn arm, zich een nacht lang te laten voortrijden in de avondkoelte, onder het nauw bewogen looverdak. Zij kon zich niets voorstellen, dat zoeter zoude zijn, dan zoo tegen hem aan te leunen, het stijgen van zijn adem, die, bijna een kus, heure haren deed trillen, te bespieden en zijn arm als gordel van liefde om heur middel te voelen. En overwonnen door haar weelde, liet zij haar hoofd ten laatste zinken op zijn schouder. --Wat is de naam dien je verzonnen hebt? fluisterde zij eensklaps vragend aan zijn oor. --Nily! fluisterde hij terug en terwijl zij zijn arm vaster haar leest voelde omvatten, herhaalden haar lippen bijna onhoorbaar den naam, die als een stille klank van liefkoozing haar geheel doorjubelde. VI. Mathilde Van Rijssel had aan het strand een tent gehuurd, en Jeanne Ferelijn gezegd, dat zij maar, zooveel zij wilde, met haar kinderen bij haar moest komen zitten. Jeanne had eerst, uit bescheidenheid, slechts een enkele maal aan dit verzoek voldaan, maar Mathilde drong aan en Jeanne kwam nu zeer dikwijls; soms spraken zij beiden af des morgens reeds te vertrekken en boterhammen meê te nemen,--de kinderen konden aan den wagen der melkinrichting melk drinken,--en zij zaten dan beiden in het opgeslagen zeil der tent, waarop de zon broeide, en die slechts voor een bewaarplaats van trommels en manteltjes werd gebezigd, en werkten of lazen of praatten, terwijl haar beider kinderen óf vóor de tent of in een grooten zandkuil met hun schopjes groeven óf dicht bij de zee, als kleine ingenieurs, de wonderlijkste aquaducten schiepen. En Jeanne meende, dat de hare flinker werden en minder zeurden, nu zij door de woelige Van Rijsseltjes speelsch en vroolijk werden gemaakt, en zij en Mathilde zagen met genot op het zevental neêr, dat als jonge honden van hun kuil naar hun waterleiding draafde. Vooral Jeanne had genoten van dat veelvoudig samenzijn met Mathilde, in wie zij een vriendin had gevonden, die haar beslommeringen begreep en die haar met de ondervinding eener treurigheid, waarin zij berustte, raad gaf en zij spraken veel over hun kinderen en hun huishoudelijke zaken en Jeanne vond Mathilde, al was deze dan ook steeds gewend geweest aan eene omgeving van groot comfort, zeer practisch en zuinig. Maar niet lang duurde dit geluk aan het zonnige strand, want de Ferelijns moesten weldra vertrekken; zij zouden naar Boppard gaan, voor de koudwaterkuur van Frans, en Jeanne tobde en rekende het vermoedelijk totaal van hunne reis- en verblijfkosten uit. Hoe zouden zij het daar nog anderhalve maand kunnen rekken, met drie kinderen, terwijl zij haar bovenhuisje in de Hugo de Grootstraat toch niet konden opzeggen? Mevrouw Van Erlevoort was met Otto en Eline, die de familie van haar aanstaande wilde gaan opzoeken, voor een paar dagen naar Zwolle geweest, en mevrouw was één en al verrukking over de kleine Van Stralenburg: een baby, zoo mollig en dik als er geen tweede was en met, o, zooveel donker, krullend haar! Zij was Otto dankbaar, dat deze den tocht naar Zwolle had doorgezet; naar de Horze ging ze iederen zomer, en de reis naar heur landgoed was haar zoo gewoon geworden, dat zij er nimmer bezwaren in zag, maar de minste andere verplaatsing uit haar tehuis deed haar pijn, als sleurde men er haar voor altijd van weg. Zij genoot wanneer zij weder terug was in haar ruim huis op het Voorhout, met zijn eenigszins ouderwetsche luxe, verwelkt en verkleurd, maar vol gemak en gezelligheid. Eline vond de Van Stralenburgen allerliefst; Suzanne een snoezig moedertje, niet mooi, nu en dan wat nonchalant gekleed, maar zóo eenvoudig en vriendelijk, en zóo dol op haar kleinen jongen, dat het heerlijk was om aan te zien; hij, een goede, grappige vent, maar tot in het dolle toe bedorven door zijn vrouw, die hem zóo bediende en zóo voor hem de trappen afdraafde, dat Eline het soms moest uitproesten van het lachen.... neen, zoo zou ze nooit voor Otto worden; daar moest hij maar niet op rekenen, hoor! Maar hoewel zij Otto hiervoor schertsend gewaarschuwd had, op den grond van heur hart had zij gevoeld, dat het zalig was, zich zoo geheel en al aan een man te wijden als Suzanne zich wijdde aan Van Stralenburg; zoo als een trouwe slavin in heur meester, in een man op te gaan, slechts voor hem te bestaan en geheel en al zijn eigendom te worden. Innig huiselijke voorstellingen van heur leven als Otto's vrouw, heur leven, dat komen zou, schiep zich dan heure fantazie, die steeds behoefte had te beelden en te boetseeren, en die zelfs in een overgelukkig heden niet kon nalaten de tooverbeelden van een nog gelukkiger toekomst op te roepen. In deze stemming, die haar ziel als met idyllen vulde, zag zij ook in alles den weêrschijn van dat geluk, en de menschen harer omgeving schenen haar allen vriendelijk en liefderijk toe, nooit medegesleept in hartstochtelijke twisten, en levende voor elkaar, zonder een zweem van egoïsme. Scènes met Betsy schenen haar nooit meer te zullen voorkomen, nu dat zij haar zusters schamperen toon niet overnam, maar dien steeds beantwoordde met een stem Vol milde zachtheid, als gedoogde de waardigheid van haar geluk niet, dat zij het ontroerde door een enkelen verstorenden klank. Hare zenuwen kwamen tot een groote kalmte en zij was zelve verwonderd over haar gelijkmatig, blijmoedig humeur, door geene periodieke buien van levensmoede melancholie verbroken. Er hingen geen grauwe en zwarte nevels om haar heen; het was als ademde haar verruimde boezem in een lichte atmosfeer, vol azuur, bloemengeur en zonnevonken.... Henk had na zijn explicatie met Vincent zich een paar dagen zeer ontstemd gevoeld; in zijn goedigheid deed hij ongaarne iemand het minste leed en hij meende Vere gekrenkt te hebben; die arme drommel kon het toch niet helpen, dat alles hem tegenliep.... Henk had dus Vincent opgezocht, hem viermaal de gevraagde som willen ter hand stellen, maar Vincent had geweigerd en integendeel een groot gedeelte zijner schuld aan Henk afbetaald; hoe hij aan dit geld was gekomen bleef Henk een raadsel, zooals alles in Vincent hem een raadsel was. Thuis verweet Betsy aan haar man, dat hij niet wist, hoe met Vere om te gaan en zij, in heur vage vrees voor dien neef, in wien zij een geheime kracht vermoedde, die haar heerschzucht naar welgevallen zou kunnen doen bukken, had het voornemen opgevat coûte-que-coûte haar mans brusquerie te doen vergeten. Eline was namelijk door Théodore op de Horze te logeeren gevraagd en zij zou er de Erlevoorten en de Howards, die nu ook in Den Haag vertoefden, in het laatst van Juli vergezellen, om gedurende de geheele maand Augustus in Gelderland te blijven. Het zou dacht Betsy, dus stil zijn in haar groot huis op het Nassauplein; het lachte haar niet toe nu, alleen met Henk, uit de stad te gaan; liever wilde zij in het begin van den winter, wanneer Eline getrouwd zou zijn, een reis naar het Zuiden maken--en het was dus zoowel uit verlangen naar afleiding als uit diplomatieke aanvalligheid, dat zij Vincent vroeg gedurende den tijd, dien Eline afwezig zou zijn, zijne tenten bij hen te komen opslaan. Zij droeg haar verzoek allerliefst en ongekunsteld voor: zij zou Eline zoo vreeslijk missen, zij zou zoo alleen zijn en Vincent kon zoo gezellig wezen en zoo heerlijk over zijn omzwervingen causeeren... hij moest het dus niet weigeren, en hij zou er haar een immens groot plezier mede doen.... Vincent was ten zeerste verheugd door dit verzoek, dat hem een perspectief van kalmte en onbezorgdheid ontsloot; hij zou het goed hebben zonder een cent te behoeven uit te geven, een maand lang! En een maand van rust scheen hem in zijn tegenwoordig ellendig slingeren van den eenen dag op den anderen een tijdlengte toe, die nooit zou eindigen, een eeuwigheid van weelde. Hij nam Betsy's verzoek dus aan met heimelijke vreugde, uiterlijk echter met zekere neêrbuigende welwillendheid, als gevoelde hij nog wel een zweem van krenking over Henks weigering, en als wilde hij gaarne Betsy gelegenheid geven de onhartelijkheid van Van Raat goed te maken. Hoofdstuk XVIII. I. Lili was boos, zeer boos; haar lippen beefden en de tranen welden haar bijna in de oogen. --Ik begrijp volstrekt niet, waarom hij niet gevraagd kan worden! antwoordde zij Marie wrevelig. Hij komt geregeld hier aan huis. --Maar Lili, hoe kan je zoo dwaas zijn! Mama heeft hem van den winter immers een paar keer gevraagd en zoo intiem zijn we niet met hem, om hem voor een buitenpartij te vragen. Als je er vreemden inhaalt, wordt het stijf. --Hij is niets stijf. --Daar heb je gelijk in; hij is mij bij nadere kennismaking ook wel meêgevallen, maar we kennen hem toch niet zooals Paul en Etienne. --Ja, lieve jongens! Ze slenteren van de Witte naar Linke en van de Bordelaise naar de Bodega en altijd met dien lammen Vere. We zien ze tegenwoordig nooit; Paul komt bij hooge gratie eens aan en Etienne is voor mij een mythe geworden. Vraag dan Vere! eindigde zij op vinnigen toon. Dan heb je het drietal compleet. Marie haalde haar schouders op. --Wordt nu niet boos op mij, Lili, omdat mama De Woude niet wil vragen. Ik kan het toch niet helpen! antwoordde zij zacht. --Ach neen! Maar het is altijd zoo, als ik.... als ik eens een idée heb. Het is nooit goed. Ik bemoei me er ook niet meer meê. De heele partij kan me niets schelen. Zij ging, met moeite haar tranen inhoudend, den kleinen salon uit, terwijl Marie zuchtend haar boek opnam. Mevrouw Verstraeten was bij haar man, in de serre, gaan zitten. Zij had iets opgevangen van Lili's korte, driftige zinnen, en zij was vol van een gedachte, die over haar vriendelijk gelaat een weêrschijn van weifeling wierp. --Wat is er? vroeg de oude heer. --Ach, het is over De Woude! fluisterde mevrouw aarzelend, om niet door Marie verstaan te worden. Lili wil, dat ik hem voor overmorgen vragen zal, maar.... --Nu, waarom niet? Ik mag De Woude wel, al is hij wat fatterig; hij is nogal vroolijk zoo met de meisjes... --Maar Karel, waarlijk, wij mogen dat niet aanwakkeren... Ik ben, als ik hem zie, altijd heel beleefd tegen hem, maar we behoeven hem niet aan te halen, wel? Wat kan daar nu van komen! Lili is nog een half kind en zet zich allerlei dingen in het hoofd, maar wat... wat wil je nu dat dit wordt? --Waarom moet je nu dadelijk denken, dat ze met elkaâr willen gaan trouwen? Er is nu alleen maar kwestie van een invitatie.... --Ach ja, maar jij ziet ze nooit samen, zooals ik ze zie ... Als je eens een enkelen keer meê naar Scheveningen ging... --Ik dank je hartelijk! --Dan zou je het zelf zien... Hij is niet af te slaan van ons tafeltje. Hij is wel zoo discreet om niet altijd te accepteeren, als ik hem vraag meê ijs te gaan eten, maar hij blijft tot wij weg gaan en spreekt zijn andere kennissen ternauwernood aan. Met Marie wandelt hij eventjes, pour acquit de conscience, en dan is het Lili voor en Lili na... Je begrijpt, ik zie daar niets geen goed in... --En geloof je, dat Lili...? --Ja natuurlijk, zonder kwestie! Iedereen spreekt er ook over, iedereen kan het zien; ze winden er dan ook geen doekjes om. Ik weet het niet... ik weet niet wat daarvan worden moet! sprak mevrouw en opnieuw gleed die weifeling over haar gelaat als een schaduw. De heer Verstraeten zag een oogenblik peinzend voor zich uit; toen vroeg hij fluisterend iets aan zijn vrouw en zij spraken lang met elkaâr op onderdrukten toon. Marie intusschen had niet kunnen voortlezen en zij ging naar boven, ten einde Lili te zoeken. Zij vond haar snikkende op haar bed neêrgezonken, met haar schokkend hoofd in de kussens verborgen. --Lili! riep ze zacht. Lili schrikte toen zij Marie's stem herkende. --Och, laat me! riep ze ongeduldig uit, als wilde zij niet anders dan eenzaam en ongelukkig zijn. Marie echter vatte haar bij de handen en dwong haar op te zien. --Lili, hoe kan je toch zoo onverstandig wezen! berispte zij met haar zachte, doordringende stem. Je maakt je immers akelig voor niets... Zoo kan men op het laatst niet meer met elkaâr omgaan en geen woord meer met elkaâr spreken; van alles maak je tegenwoordig een scène. Lili hoor nu! --Ach, toe, laat me nu alleen... --Vindt je het dan prettig je ongelukkiger te maken, dan je bent en hier alleen te liggen huilen? Waarom spreek je liever niet ronduit met me? Het is immers veel beter vertrouwen in elkaâr te stellen en alles te zeggen... Zijzelve had zoo gaarne willen spreken, veel willen spreken, alles willen zeggen, aan Lili of aan haar mama, maar er zijn sommige gevoelens, waarover men niet spreken mag... Lili richtte zich een weinig op en streek van heur vochtig gelaat de verwarde haren weg. --Ach, wat wil je dan hebben, dat ik zeg? Je weet immers alles! Georges kan tegenwoordig geen goed meer doen in de oogen van mama! --Kom, je overdrijft. Zoowel papa als mama mogen hem beiden heel gaarne. --O ja, zeker! Maar als het er op aankomt hem een attentie te bewijzen.... Ach, en jij zelf immers ook... --Wat ik ook? --Je noemt hem immers zelf ook een vreemde, die het stijf zou maken! --Als ik geweten had, dat ik je met die betiteling verdriet zou doen, had ik iets anders gezegd. Alleen kan ik niet aanzien, dat je je opwindt voor niets, Lili. Je stelt je heusch aan of je geheele leven voor altijd gebroken is, en dat alleen omdat mama het nu beter vindt De Woude niet te vragen. --Het is toch ook voor mij niet prettig! Ik heb hem al... ik heb hem al over de partij gesproken en... hij rekent er natuurlijk op... --Waarom ben je dan zoo onvoorzichtig! Mama vindt het natuurlijk ook niet prettig, als de menschen over jullie kakelen. Gisteren vroeg mevrouw Eekhof nog... --Wat kan ons mevrouw Eekhof schelen, als we van elkaâr houden. Als je je aan iedereen wilt storen... Er trok om Marie's lippen een bijna spotzieke glimlach. --Ja, Lili! antwoordde zij, met een bittere treurigheid, die voor Lili echter verloren ging in haar scherts, je hebt het zwaar te verantwoorden! Je houdt van Georges en Georges houdt van jou, en de geheele wereld is tegen jullie, mama, en mevrouw Eekhof en iedereen, nietwaar? Het is wel treurig, nietwaar kind, het is wel ongelukkig! en ik kan me zoo begrijpen, dat je niet de minste hoop meer voedt, dat het anders wordt. Het is wel ongelukkig! --Hé, Marie! Hoe kan je zoo spreken, als je weet... als je weet, dat ik verdriet heb. --Ja, ik ben wreed, nietwaar? ging Marie voort, maar heur glimlach werd zachter. Kom, Lili, toe, huil nu niet meer, en geef me een zoen; vergeef me als ik onaardig was; wil ik mama nog eens zien over te halen? --O, als je zoo lief zoudt willen zijn? Mama zal het zeker doen, als jij het vraagt. --Ja, mij kan niemand iets weigeren, nietwaar? Mij loopt alles meê in de wereld. Het is alleen tegen jou, dat iedereen zich verzet. Arm kind, dat je bent! Lili lachte even door haar tranen heen, terwijl zij Marie aanzag. --Marie, wat ben je toch komiek, als je zoo plechtstatig oreert! Ik moet er heusch om lachen! --Wel ja, zusje, lach maar; laten we maar lachen, zoolang we het kunnen doen. Nu adieu, maak je haren wat op, ik ga naar mama. Zij knikte Lili toe en zij ging en benijdde haar zuster, die kon uitspreken, wat zij gevoelde. En terwijl zij de trap afging, glimlachte zij weemoedig om Lili's smart en Lili's wanhoop over Georges. Zij dacht aan haar zuster als aan een kind, om speelgoed weenend, dat men het voor een pooze ontnomen had; zij zag Lili's nu zoo innig bedroefd gezichtje reeds stralen van een blijden lach, zooals het stralen zou, wanneer zij, Marie, over een half uur bij haar terug zou komen. Gelukkige Lili, die zoo vrij mocht weenen, die zoo vrij al in jubelenden overmoed, mocht uitroepen: --Wat kan ons mevrouw Eekhof schelen, als we van elkaâr houden! II. De tocht ging naar een boer, welbekend bij de Verstraetens. Langs den Loosduinschen weg, in de brandende zon, reed de volle Jan-Plezier, een enkele maal door de tram tegemoet gestoomd. Mevrouw Verstraeten en Mathilde zaten achter-in met Nico tusschen haar beiden; Marie, Lili en Frédérique vulden met Paul, Etienne en Georges de tusschenruimte; de voorbank was ingenomen door Tine en Lientje en de neefjes Verstraeten; Johan troonde op den bok en in den kattebak zat Cateautje Van der Stoor met brutalen Janbroêr. Zoo zou het een gezellige partij worden, geheel en al een onderonsje, zonder vreemde menschen, waarvoor men maar een lastig decorum zou te bewaren hebben gehad. Marie deelde uit een groote mand kersen telkens een handvol uit, aan wie maar wilde en Etienne vertelde, al etende, hoe Marguerite Van Laren met een pretentieusen mond beweerd had, dat een Jan-Plezier burgerlijk was. --De Van Larens gaan zeker altijd in hofrijtuigen naar een buitenpartij.... met een gegalonneerden knecht! zeide Georges. --In toiletten à la Watteau, met schaapjes aan roze linten! voegde Lili er bij en zij lachten elkander toe. Een ieder lachte en zij gevoelden zich allen zeer opgewekt, in een humeur om veel plezier te hebben, de meisjes in haar eenvoudige katoenen japonnetjes, de jongelui in hunne lichte zomerpakken met strooien hoeden. --Cateau, wil je kersen? vroeg Marie, en er reisde een handvol naar Cateau toe. Deel dan met Jan. --O, ik zal het mijne wel krijgen, riep Jan met zijn brutale stem. Toos, wil ik je een kunstje leeren? --Wat voor een kunstje? vroeg Toos. --Kijk, je ziet die twee kersen aan elkaâr? Nou, steek die eene in je mond. Zoo.... --Nu, wat is er dan? vroeg Toos, en deed zooals hij begeerde. --Dan neem ik de tweede, zie je. Zie je, zoo!.... vervolgde de bengel en hapte naar de tweede kers met een flinken zoen op Cateau's lippen. --Maar Jan! bestrafte mevrouw verontwaardigd. --Die Cateau! Domme meid! riep Freddy lachend. --Ik wist het heusch niet! betuigde Cateau; die akelige jongen! --Kom Toos, dat meen je niet; je zou het niet geweten hebben! plaagde Paul. Cateau was vooral wanhopig, dat Paul haar niet geloofde.... En de Jan-Plezier ratelde voort langs de weilanden vol vette, grazende koeien, met huiden als glanzend satijn, zwart en wit gevlekt, terwijl de knotwilgen aan den zoom der slooten op knoestigen stam hun waaiers van zilvergrijs loover verhieven. --Ik vind een wilg zoo een melancholieke boom, vindt je ook niet Georges? vroeg Lili met gevoel. --O, Lili wordt poëtisch! riep Etienne. Kom Lili, een ode aan den wilg. --Ik schijn niets meer te kunnen zeggen, of jullie lachen me uit, antwoordde Lili verstoord. Ik schijn al zeer bespottelijk te zijn.... En het regende plagerijen op Lili en kersen in een ieders schoot onder een algemeen gelach. De weg klom, terwijl duinachtige verschieten verrezen. Hier en daar lag een buitenplaats, verloren in het groen, of een boerderij, met velden vol wortelen en bloemkoolen en rijen van boonenstaketsels of een tuintje vol zonnebloemen, papavers en stokrozen. Hier en daar glom een tuinspiegel, als gepolijst nikkel. Een vrouw, bezig met waschgoed aan een sloot uit te wringen, hief zich even op en glimlachte en twee boerenkinderen liepen het rijtuig achterna, daar Jan en Cateautje hun kersen toewierpen. III. De weg klom en daalde tusschen blonde velden van haver en vlas, blauw en rood doorspikkeld met korenbloemen en klaprozen, tot men ten laatste de boerderij bereikt had. De boerin verscheen met een gullen glimlach aan het hek en van alle kanten sprong men uit den wagen, terwijl mevrouw en Mathilde doozen, overdekte manden en korven aanreikten. De koetsier spande uit en bracht zijn dampende paarden naar stal. Jan Verstraeten, Cateautje en de Van Rijsseltjes maakten zich aanstonds meester van de beide schommels. Jan had aan mevrouw Van Rijssel beloofd voorzichtig te zullen zijn en Cateautje zou vooral op Nico passen. --Het is net een echtpaar met hun kroost! lachte Marie, terwijl zij hen naoogde. --Ik jaag ze toch straks weg van den schommel, ik moet ook schommelen! riep Etienne luidruchtig uit, reeds dronken van den zon en de buitenlucht. Lili, schommel je straks met me? Ten minste, als De Woude het goed vindt! fluisterde hij met smachtende oogen. --De Woude heeft niets over me te zeggen! Maar ik hou niet van schommelen: ik krijg er hoofdpijn van, dank je. --Ik ben er dol op, Eetje! riep Marie; ik reken straks op je, als cavalier, maar hoog, heel hoog, hoor! Tot in de wolken. --Kom, laten we eens een prettig plekje gaan zoeken, een beetje verder, op de duinen, ried Paul aan. --O, natuurlijk: Paul denkt vooral aan zijn gemak. Maar duinen zijn zonnig, Paultje, sprak Freddy. --Neen, er zijn boomen, eikenboomen, naar ik meen, voorbij den koepel. --En route dan. Het is eigenlijk te warm om je veel te vermoeien. Ik ben van Pauls opinie; ik hou zeer veel van een luie buitenpartij: heel lang liggen in de schaduw, en dan naar de wolken kijken boven je hoofd, lispelde Lili. --Lili weet toch altijd het langoureuze met het poëtische te vereenigen! schertste haar zuster. In godsnaam, De Woude, beweer eens wat. We kakelen allemaal door elkaar, en jij loopt stilletjes verzen te maken, geloof ik. Georges sprak lachend tegen en zij baanden zich thans allen een weg door het loover, de twijgen afwerend, die achter hen met een geruisen van bladeren weder dichtsloegen. Lili schrikte voor een spin, die aan een langen, zilveren draad naar beneden zakte, en toen De Woude het dier verwijderde, werden zij beiden zeer geplaagd: zij, als een schuchtere jonkvrouw, hij, als een dapper ridder, die de monsters om haar heen versloeg. --Maar wat doen wij toch voor buitengewoons, dat wij het altijd moeten ontgelden? riep Georges. --Ach, Georges, trek het je toch niet aan! sprak Lili. Ze doen het om geestig te zijn. O, Paul, wat laat je ons klimmen en dalen in die warmte en ik glijd telkens uit. Het is een heele reis naar dat lieve plekje. En dan die vervelende takken. Ze vermoeien me. Ai! Zij bezag hijgend haar vinger, dien een doorn geschramd had. --Laat mij vóór je loopen! fluisterde Georges, en hij fluisterde het zoo zacht en gleed zoo behendig vooruit, dat de anderen het in plagende vroolijkheid over Lili's klacht niet bespeurden. Zij beiden bleven een weinig achter en Lili ging glimlachend het laatst, terwijl Georges de takken zoo lang tegenhield, tot zij haar niet meer in het gelaat konden zwiepen. --Laat ze maar lachen! Kan het je iets schelen? vroeg hij, geheel en al verloren in zijn geluk. --Niets! antwoordde zij zeer kalm, haar blond hoofdje onder den grooten hoed vol veldbloemen schuddend, terwijl een spotziek trekje om haar lippen speelde. Wij lachen ze achter hun rug uit. Wie gilt daar zoo? --Etienne natuurlijk! sprak Georges. Paul en Etienne namelijk hadden onder kastanjeboomen een mossige plek gevonden, van waar men een klein panorama zag; eenig weiland, doorsneden met de rechte strepen der slooten, die flikkerden onder den tintelenden hemel, en hier en daar een koe. Een molentje in de verte en daarachter een zoom van populieren, regelmatig en slank. Lili en Georges naderden en zij vonden de anderen in verrukking. --Hier is het heerlijk! sprak Paul. Koel mos om op te liggen en een ruim uitzicht. Zij beäamden het allen, dat het heerlijk was en lieten zich neêr op den grond, moede van den onderzoekingstocht. Zij zetten hun hoeden af, die met de kanten of roode parasols der meisjes het donkere mos aanstonds met gloeiende, lichte kleuren bezaaiden, terwijl enkele zonnestralen, door de bladeren zinkend, strepen van lichtende atoompjes als glinsterend stof deden dansen over het kreukelend lichte katoen harer rokken en het blond en bruin heurer haren. --Het is hier nu niet zoo erg schaduwrijk. Ik zit ten minste heelemaal in de zon! meende Lili, zich in de rozige schaduw van haar en-tout-cas verbergend, en zij keek verontwaardigd naar Paul, die, het hoogst en in veel schaduw zoo lang als hij was, neêrlag, het hoofd zalig in een uitgespreiden zakdoek verbergend. --Chut--Lili, niet spreken--slapen! fluisterde hij, met gesloten oogen. --Ja, je bent amuzant, slaap maar toe! Maar ik brand hier! --Willen we een beter plekje gaan zoeken, Lili? sprak Georges. --Ja, doe dat, dat is een idée, meende Paul. --En fluit dan, als je wat gevonden hebt! sprak Etienne. Georges beloofde te zullen fluiten. Zij stonden op, waarna Lili steunende op zijne schouders, het duin afkwam, terwijl het zand onder hun voeten weggleed.... --Je begrijpt, ze zullen ons laten fluiten, in plaats van zelf te fluiten; zeide Etienne. --Onrustig is die Lili altijd! geeuwde Paul op zijn zakdoek. Maar Etienne werd geërgerd over zijn luiheid en trok hem bij de beenen naar beneden, tot groot vermaak der meisjes. Het was echter zeer warm, en er was niets aan te doen; zij ook werden lui. Zij zouden na het déjeuner wel wat wandelen en verderop de duinen ingaan. Toen de vrede tusschen Paul en Etienne gesloten was, ging Frédérique met haar hoofd op Eetjes knieën liggen, terwijl hij haar met een halmpje in de ooren kietelde; Paul sliep bijna in, loom van warmte en zaligheid, en Marie zag peinzend, met iets zwaarmoedigs om den mond, uit naar de weilanden en de slooten en de koeien.... IV. Het pad, waarlangs Georges en Lili daalden, was zeer gemakkelijk. Zij zweefde als het ware naar beneden, terwijl zij met de handen op zijn schouder steunde, en hij op een drafje afwaarts ging. En hij ging al vlugger en vlugger, terwijl zij licht lachte. Het was, alsof zij vleugels aanschoot.... --Hoe dom van ze, daar in die zon te blijven braden; kijk, onder die boomen daar.... --Die kastanjes? --Daar is veel meer schaduw. Willen we eens zien? --Goed... Zij klommen op, terwijl hij haar hielp en zij drongen het geboomte in, dat het panorama met zijn zonnige aquareltinten van groen en koeien voor hun oogen afsloot, maar het was er zeer lommerrijk, als in een koepel van bladeren, terwijl daar buiten de zon alles stoofde. --O, hier is het lief! riep Lili uit. En kijk eens, viooltjes... Zij zette zich op een zetel van mossig zand en plukte. En hij vlijde zich aan haar voeten neêr, te gelukkig om veel te spreken en speelde met de roode kwasten van haar parasol. --Kom, nu moet je fluiten, Georges.... om de anderen te laten komen! sprak zij schalks, wel wetende, dat hij het niet zou doen. --Ik kan niet fluiten, ik heb het nooit kunnen doen! antwoordde hij en keek haar lachend aan. Zij lachte ook en wierp hem haar viooltjes in het gelaat, en hij verzamelde ze, en stak ze in zijn knoopsgat. Toen vatte hij haar hand en zag haar aan. --Hoû je van me? vroeg hij, met zijn oogen in de hare. Zij legde haar witte handjes op zijn schouders en terwijl zij hem vast aanzag, boog zij zich langzaam voorover. --Wat? vroeg zij vol teêrheid. --Hoû je van me? herhaalde hij weder en zij boog zich voorover, zoodat zijn lippen de lokjes op haar voorhoofd beroerden en ze kusten. --Ja, sprak ze, en liet haar hoofd rusten op het zijne. Ja, ik hoû van je. Zoo bleven ze een wijle, terwijl hij in zijn ongemakkelijke houding genoot onder het wicht van het kopje op zijn hoofd. Maar toen zij zich oprichtte en hem weder lachend aanzag, vlijde hij zich meer aan haar zijde uit en legde haren arm om zijn hals. --Weet je... Emilie... begon hij. --Wat? vroeg zij. --Emilie heeft met mijn vader gesproken, en zou ze niet eens met je ouders kunnen komen praten? --Ja! antwoordde zij, in een glimlach glanzend. Maar ik geloof niet.... ik weet niet, of.... --Emilie kan goed praten.... --Je houdt veel van haar, hè? --Ja,... ook van jou.... Zij drukte zijn hoofd vaster in de mollige ronding van haar arm en zij gaf hem een kus op zijn hoofd: haar eersten.... En de geur van het mos en de viooltjes, stovende in de lauwe warmte, die uit het dak van den bladerkoepel neerzonk, vermengde zich als een zucht, waarvan de zoetheid haar bezwijmelde, terwijl haar kleine hand zich liefkoozend sloot en zijn lichtbruin haar verwarde. Zij luisterde, steeds met dien zelfde gelukkigen glimlach, naar zijn zachte stem, terwijl hij haar vertelde van het gesprek, dat hij met zijn zuster had gewisseld vóor hij nog wist, of Lili ooit van hem zou houden. Hij had zich toen wel een poosje wankelmoedig gevoeld; nu echter scheen de heele wereld hem een licht te torsen last toe. --Emilie dacht, dat je geen armen man zou willen hebben... Wil je geen armen man hebben...? --Ben jij arm? --Ja, ik ben niet rijk. --Goed, dan wil ik wel een armen man hebben. Ik ben, o, zoo zuinig als het moet. Ik doe soms wel drie maanden met mijn toiletgeld voor een maand. En zie ik er niet altijd netjes uit? --Beeldig.... --Maar ik geloof nooit, dat jij zuinig bent. Ik geloof, dat jij veel behoeften hebt, meer dan ik.... --Ik heb geen behoeften als ik jou heb. Je bent alles voor me. --Houdt Emilie van me? --Natuurlijk. Ze zal ons moedertje zijn. En je wilt dus overal met me meê. Naar Caïro? Naar Constantinopel? Naar de Kaap? --Naar Lapland, als het moet.... Overal.... --Mijn eigen vrouwtje! Hij sloot haar even vast aan zijn borst en kuste haar. Het werd hun, alsof de wereld voor hen wegzonk, en alsof zij alleen waren in een paradijs... het werd hun of zij het eerste paar waren, dat elkaâr liefhad, of er nooit bemind was vóor hen. V. --Mama vraagt, of jullie komen ontbijten? riep Johan Van Rijssel het viertal toe, dat lag te mijmeren in de zon. Luie, groote menschen; hè, jullie liggen te slapen, geloof ik... En hij klom naar hen toe en vocht met Paul, wiens groote ledematen, in volle lengte uitgespreid, hem ergerden. Frédérique en Etienne richtten zich op uit hun teedere houding en beweerden honger te hebben. --Zeker van het nietsdoen? schreeuwde Jan, die hen ook kwam roepen. Wij hebben al geschommeld en gewipt en met de ezelwagen gereden en op een hooiwagen geklommen, en jullie liggen maar te dutten.... --Chut! Meer eerbied, hoor, voor den ouderdom! sprak Marie deftig. Ze daalden nu allen het pad, dat zij eerst opgeklommen waren, af, opnieuw vechtende met de twijgen, die hun den doortocht versperden, toen zij achter zich hoorden fluiten. Omziende zagen zij Georges en Lili, vol heimelijke vroolijkheid. --We hebben een plekje gevonden, heel koel! sprak Georges ironisch. --O, zoo koel! herhaalde Lili. Nu werden zij overvallen met een kruisvuur van verontwaardigde blikken en plagerijen en hielden zich dus wijselijk een weinig achter; toch zorgden zij er voor tegelijkertijd met de anderen aan de ontbijttafel te komen. Mevrouw Verstraeten en Mathilde waren ijverig geweest, trots de warmte. Op het grove witte tafellaken verhieven zich stapels van broodjes, met schalen vol kersen en aardbeien en een groote kom vol room tusschen twee blonde tulbanden. Zestien stoelen stonden om de tafel geschaard en de Van Rijsseltjes, rood van hitte, moe van het draven, met glinsterende oogjes en vochtige, op de voorhoofdjes klevende haren, namen met begeerige oogjes alles op. Nico zat reeds, rammelend met glas en vork, en allen zetten zich en mevrouw en Mathilde hadden het druk met aanreiken naar alle kanten. --De Woude, er wordt niet geprezenteerd, neem wat je aanstaat! sprak mevrouw en het was weldra eene luidruchtige vroolijkheid, terwijl de broodjes en de tulbanden verdwenen, en de kippen met den haan zenuwachtig rondliepen om de tafel; vooral in de nabuurschap van Nico, die ze tot wanhoop van Mathilde heele boterhammen offerde. Jan, intusschen, verweet opnieuw aan de drie jongelieden hun luiheid, en naar hij beweerde met volle reden. Achter de boerderij namelijk lag eene breede vaart, met een bootje, en Jan en Cateau hadden er reeds gebruik van willen maken, maar mevrouw Verstraeten had het hun verboden, zoolang er niet een der ouderen bij was. Na het ontbijt stormden zij er dan ook naar toe; Paul en Etienne zouden roeien; Jan beweerde goed te zullen sturen en Frédérique, Marie en Cateau waren de "schoone en zoete last" zooals Etienne beweerde. --Zouden Georges en Lili zoo maar vertrouwd zijn, met hun beidjes? vroeg Paul, terwijl hij met zijn roeispaan de boot van den oever afstiet. Kom, Etienne, gelijk op.... --Waar zijn ze? O, kijk, daar verdwijnen ze, achter die heg! riep Frédérique. Marie, dat je als oudere zuster zoo iets toelaat! Marie lachte goedig. --Ach, laat ze maar gelukkig zijn! sprak ze eenvoudig. Etienne echter had veel drukte, zeker om het gemis aan roeikunst te bedekken, terwijl hij de vreemdste bewegingen met zijn riem maakte. Paul werd beurtelings wanhopig en driftig.... --Maar Etienne, je kan er niets van, laat je roeispaan toch niet zoo neêrploffen. Een regen van druppels was over hen heen gezonken... --Je maakt me kletsnat! sprak Frédérique verontwaardigd. --Ach kom, denk je, dat ik niet roeien kan? Cateau en Jan lachten Etienne uit en hij maakte zooveel dwaasheid, dat Toosje aan Paul durfde vragen of zij eens roeien mocht. Zij beschouwde toch meneer Van Raat als den kapitein. Etienne werd, trots tal van wederstrevingen, die de boot bijna deden omkantelen, van zijn post ontzet en Cateautje zette zich triumfeerend naast Paul, vol ijver om met hem gelijk in de maat te blijven met het rijzen en het dalen van haar roeispaan, die zij krampachtig, zonder vrees voor blaren, in beide handen hield omvat. En zij genoot, wanneer hun riemen, als door éene kracht bewogen, gelijkmatig het groene water scheerden.... --Prachtig, Cateau, je kan het! prees Marie. Jan, stuur eens naar die lelies en naar die plompen.... Jan stuurde en het bootje zwenkte langzaam naar een plas vol kroos waarop de witte en gele bekers der waterlelies en plompen lagen, tusschen de platte ronde blâren. Marie boog zich, vatte een lelie bij haar taaien, lijmerigen stengel en trok, en trok tot zij de bloem met een zeer langen steel uit het kroos ophief. --Daar, daar zijn er veel! riep Jan, verderop wijzende. En zij gleden voort, tusschen een zoom van wilgen met in het water slepende, zilverige loovertakken en een zoom van weiland, en Marie plukte werktuiglijk de modderige bloemen uit het water, zonder doel. Zij hoorde niet meer, hoe de anderen schertsten, hoe Cateautje en Etienne in een hevig dispuut waren over de wijze, waarop men een riem moest houden; zij rukte slechts, onbevreesd voor het kroos, haar bloemen op, wier stelen zij als vochtige slangen aan haar voeten wierp, en zij dacht er aan, dat als men hard, steeds hard rukte, zoo hard tot de stengels bijna de vingers wondden, de bloemen moesten loslaten. Zoo kon men ook eene dwaasheid zich hard, hard rukken uit zijn gedachte.... al bloedde die ook later na. VI. De Van Rijsseltjes, die Mathilde niet in de boot vertrouwde, als Etienne er bij was, hadden zich, toen hunne ongelukkige gezichtjes na die teleurstelling, afgewischt en opgeklaard waren, met schommel en wip opnieuw tevreden gesteld. Tina duwde Nico, die zeer deftig zat, heen en weêr en Johan, met Lientje tusschen zijn beenen zittend, weerde zich op den tweeden schommel. Daar kwamen echter Marie en Etienne aan, en toen Nico moê was van zijne deftigheid, klommen zij op de plank. --Hoog, Eetje, heel hoog? riep Marie. Etienne, de voeten vast op de plank, bracht met een paar krachtige buigingen zijner beenen den schommel in beweging. --Ah! Ik zie, je kan beter schommelen dan roeien! riep Marie. Zij ook maakte lichte bewegingen, en de schommel zwiepte al hooger en hooger, terwijl haar rokken door den wind opbolden, haar lange ceintuur fladderde, haar hoed afwoei en eenige haren in hare wangen warrelden. Zij haalde diep adem, terwijl zij, hoog in de lucht, bijna horizontaal over Etienne hing, neêrzwaaide en weder opvloog. Zij had een gewaarwording, alsof er een onmetelijke afgrond onder haar gaapte, en of zij hooger, steeds hooger in de blauwe lucht steeg, als op de wieken van een grooten vogel. Hare oogen schitterden, hare wangen gloeiden en zij had gaarne de koorden losgelaten, om zich met een wanhopige vlucht te storten in het ijle.... Daar bespeurde zij de vier kinderen, die beneden ontzet naar die "groote menschen", die zoo hoog mochten schommelen, opzagen, en zij wilde ze een woordje toeroepen, maar haar keel weigerde geluid te geven... Etienne was als dronken en hooger zwaaide de plank.... --Etienne... genoeg... genoeg, Etienne! murmelde Marie en sloot haar oogen. En eene duizeling overviel haar bijna, toen de vlucht van den grooten vogel verminderde, langzamerhand verminderde en ten laatste ophield. Zij wankelde toen zij weder op den grond stond. Etienne raapte haar hoed op... --Heerlijk geschommeld, hè? riep hij buiten adem. Marie knikte glimlachend, en streek zich met een hijgenden zucht heure verwarde haren uit het gelaat. En toen Etienne, gekheid makend, het op een loopen zette, en zijne neefjes en nichtjes toeriep, dat zij hem nooit zouden vangen, en toen de Van Rijsseltjes hem naderden, Nico het laatst haastig voortschuddende op zijn dikke beentjes.... toen zeeg Marie in het gras neêr, bij den schommel, en barstte in tranen uit... Zij dacht aan Lili en aan Georges, hoe die beiden alleen en zeer gelukkig waren geweest, terwijl zij, Marie, naar de weilanden en de koeien gestaard had, tot zij sterren voor hare oogen had zien schemeren, en hoe zij, Georges en Lili, alleen en zeer gelukkig waren geweest, terwijl zij lelies en plompen uit het water had gerukt, hard, heel hard... Hoofdstuk XIX. I. --Eline! Eline! klonk het uit den tuin. Eline was met schrik om half-acht wakker geworden--men ontbeet op de Horze te acht ure--en zij was bezig zich te reppen met haar toilet. Nu, half gereed, trad zij aan het open venster en zag naar buiten. Het waren de twee oudste meisjes van Théodore, Marianne en Henriette, zestien en veertien jaar, vlug en schalk, --Goedenmorgen! groette Eline vroolijk. --Wat, ben je al opgestaan? Nu dat is vlug, hoor! Kom je gauw? --Dadelijk, ik ben zóó klaar.... --Dag Eline, dag Eline! riep een nieuwe stem van buiten. Eline zag uit en bespeurde Gustaaf, een mooi ventje van tien, met een paar brutale, blauwe oogen, een echte straatjongen, met niet te wasschen vuile handen en komiek als een clown. --Dag Gus, riep zij. --Zeg Eline, je weet wat je me beloofd hebt? --Neen? --Je trouwt met mij, en niet met oom Otto, nietwaar? Je hebt het me beloofd, hoor je! --Ja, met jou, hoor! Maar Gus, ik moet me kleeden, anders kom ik niet klaar! riep Eline, opnieuw voor den spiegel met heur haar bezig... Zij hoorde het gewoel in den tuin al levendiger worden en het maakte haar zenuwachtig... Hare mooie gazellenoogen stonden nog wat klein, heure lokjes vielen niet zooals zij wilde... En toch, uit het park, vol zonlicht en schaduw, steeg reeds eene veelstemmige vroolijkheid op, waartusschen zij zoowel de zware stem van Théodore, als het lustige geschreeuw der Van Rijsseltjes onderscheidde. --Eline, Eline! riepen meer stemmen buiten. --Ja, ja, ik kom! antwoordde Eline bijna ongeduldig en ze snoerde haar ceintuur vast en vloog weg, den langen corridor door, somber van bruin eikenhout, de breede monumentale trappen af, de vestibule uit... In den tuin liep Cathérine Howard met haar broêr, Otto. Zij was niet mooi, maar had een blijmoedig opgewekt gelaat, en zij was bijna zoo druk van bewegingen als Etienne. --O, Otto, ik kan het me zoo goed van je begrijpen! sprak zij dwepende en hangende aan zijn arm. Ik vind haar een snoesje... Uit Freddy's en Mathilde's brieven maakte ik me een voorstelling van zoo een beetje een Haagsch nufje, zie je, want ik herinnerde mij haar niet goed meer; ik had haar alleen vroeger een paar maal gezien, toen zij nog bij die oude tante inwoonde... een weduwe Vere, geloof ik, nietwaar? --Ja, sprak Otto. --Maar, zie je, ik vind ze een snoesje, een snoesje! Ze heeft zoo iets hartelijks en liefs als ze spreekt, iets eenvoudigs en toch iets vreeselijk gedistingueerds, quite a lady.... En ze is een beeldje, ze is bepaald mooi.... --Vindt je? vroeg Otto. --Nu hoor, je mag wel trotsch zijn.... zoo een vrouwtje is niet voor iedereen weggelegd.... o, daar gaat de bel, ze zijn hier altijd vroeg bij de pinken.... Zij wandelden samen naar de open tuinkamer, die met een paar treden in den tuin uitkwam en traden binnen. Aan de lange ontbijttafel zat reeds de oude mevrouw Van Erlevoort en knikte met een blijden glimlach haren zoon en hare dochter toe. Eline stond te praten met Théodore, die haar noch aan Otto, noch aan Etienne liet denken, stevig en breed geschouderd als hij voor haar stond met zijn eenigszins ingedrongen, krachtige gestalte en zijn korten, vollen baard, maar uit zijne luide, vroolijke, zware stem, klonk de aangeboren, gezonde blijmoedigheid der Erlevoorten. Zijne vrouw, de jonge mevrouw Van Erlevoort, of Truus, zooals hij haar noemde, was, bijgestaan door Mathilde en Frédérique, nog bezig met eenige voorbereidselen tot het maal. Juffrouw Frantzen zette reeds de Van Rijsseltjes op hunne stoelen en bond hunne servetjes om. Uit den tuin kwam Etienne met Cor, den achttienjarigen zoon des huizes, die adelborst was en nu met groot verlof op de Horze vertoefde; hem volgden de meisjes en de jongens, Willy en Gustaaf, uitgelaten van scherts om hun Engelschen oom Howard, dien zij niet begrepen en die Hollandsch van hen moest leeren. --Dag Nily! zeide Otto terwijl hij Eline naderde. --Dag Otto! antwoordde Eline, en zij bood hem hare hand en zij fluisterden even samen. Zij gevoelde zich zeer gelukkig in de nieuwe bekoring, die haar door een druk familieleven geschonken werd, haar, die als kind slechts ééne zuster tot speelgenoot had gehad en als meisje eenzaam bij hare oude tante hare jeugd als vermijmerd had; zij gevoelde zich zeer gelukkig in het rumoer van zoovele menschen en kinderen te zamen en zij scheen het leven eerst nu van een anderen kant te zien, dan zij in haren roes van soirées en bals in Den Haag gedaan had. De menschen, zij waren allen vriendelijk, zij schenen haar allen genegen, zelfs Frédérique; de kinderen, zij liet ze op haar schoot klimmen, en zich met welbehagen door hunne vuile vingertjes liefkoozen, zonder vrees voor haar toilet of haar kapsel. Zij was nu als verliefd op Tina, die fijntjes als een klein nufje, door Eline's bevalligheid en vriendelijkheid werd aangetrokken, zooals Cateau Van der Stoor er vroeger door aangetrokken was en Eline zat dan ook steeds aan tafel tusschen Otto en Tina. De oude mevrouw Van Erlevoort zat tusschen hare twee kleinste kleinkinderen, de jongste van Théodore, Edmée of Memée en Kitty Howard, de eenige van haar Engelschen schoonzoon, en toen zij een langzamen blik over de lange tafel, stralend van jeugd en vroolijkheid, weidde, scheen het haar toe, dat er niemand op de wereld gelukkiger kon wezen, dan zij met hare grijze haren en haar jong hart. Na het ontbijt sloeg Théodore voor een tocht te maken naar den zoogenaamden "dikken boom", want hij beweerde, dat onder de vele dikke boomen van Gelderland, de hunne, die van de Horze, volstrekt niet de minste was. Hij zou met Howard, Etienne en Cor wandelen; Eline en Otto voegden zich bij hen en de kinderen, zelfs Memée en Kitty, bestormden, onder de hoede der drie meisjes, den reeds aangespannen tentwagen. Door de eetkamer scheen een orkaan gewoed te hebben. De stoelen stonden schots en scheef. De tafel was één wanorde van borden en glazen; servetten slingerden op den grond met een hoed van Tina, een schop van Nico en een bal van Memée. --Is het u heusch niet te druk, mama? vroeg Truus, terwijl zij mevrouw Van Erlevoort, nog aan de ontredderde ontbijttafel gezeten, zuchtende bij de hand nam. Waarlijk, ik ben soms zoo bang: de kinderen maken zoo een verschrikkelijk leven, het is een verademing als ze weg zijn. --Foei! sprak mevrouw; je moest je schamen zoo te spreken. --Ik ben soms al wanhopig over mijn viertal, Truus! sprak Mathilde; maar behalve Cor, die zich langzamerhand gaat voelen, zijn die van jou toch ook nog al woelwaters. --Maak je niet over mij ongerust, Truus! sprak mevrouw. Ik doe den heelen winter niets anders dan naar den zomer en de Horze verlangen, en het doet mij goed bij jullie te zijn. Ook vind ik het lief, dat je Eline gevraagd hebt. --Voor het volgende jaar, wanneer ze getrouwd zijn, heb ik ze al gevraagd bij ons in Londen te komen, gedurende den season, sprak Cathérine. Ik mag haar heel graag. De jonge mevrouw Van Erlevoort zag een weinig bedenkelijk voor zich, terwijl zij een servet opvouwde. --En jij, Truus? vroeg haar schoonmoeder, wie dit opviel. Jij mag haar toch ook graag? --Ach, wat zal ik je zeggen, maatje; ik ken Eline nog zoo weinig. Ik vind het heel lief van haar, dat ze zich geheel en al schikt naar onze gewoonten, naar onze leefwijze, en dat ik mij dus niet als voor een vreemde te geneeren heb: daar zou ik het te druk voor hebben. Dat vind ik zeker lief in haar. Maar u weet, ik loop niet zoo dadelijk weg met iemand. --Dat klinkt mij te diplomatisch toe, kind. Ik hou van iemand, of ik hou niet van iemand, dat gaat heel eenvoudig bij mij. --O, u moet niets achter mijn woorden zoeken, dan wat ik er meê zeg. Ik ken Eline alleen sedert de week, dat ze bij ons logeert; ze heeft op mij een lieven indruk gemaakt. Maar ik weet nog niet goed, wat ik aan haar heb. Mathilde had het op de lippen te zeggen, dat zij, die Eline sedert jaren kende, dit ook nog niet wist, maar zij zweeg. --En dan... maar u moet niet boos worden, mama! We spreken er nu over, nietwaar? --Zeker kind. --Ziet u, ik zie zoo iets in Eline, alsof ze zich nooit goed in onze familie thuis zal voelen. Zij schikt zich, zooals ik zeg, maar ik weet niet, of dat geheel uit haar hart komt. Ik doe u toch geen verdriet door zoo te spreken? Ik wensch niets liever, dan dat ik mij vergis in Eline, en als ik haar langer ken, nietwaar...? Zij aarzelde het ronduit te zeggen: zij hield niet van Eline. Zij was eene kloeke, groote vrouw, en eene verstandige moeder, die flink haar klein rijk regeerde, die vriendelijk maar beslist haar wil deed gelden; uit die kloekheid en beslistheid vloeide voort, dat zij meestal rond voor haar meening uitkwam, maar nu: zij wist, dat Mama Eline, als de aanstaande vrouw van Otto, reeds tot de hunnen rekende; zij had bespeurd, dat Eline de oude vrouw met een enkel zacht woord, met een enkel liefkoozend gebaar, tot liefde kon roeren, en zij wilde mama geen leed doen in de verloofde van haar zoon. Maar in hunne landelijke atmosfeer--zij kon zich dit niet ontveinzen--detoneerde Eline als iets gekunstelds, als iets dat niet waar was en dit ergerde Truus. Zij kon het niet weten, dat Eline op de Horze wellicht nog het meest zichzelve was, dat zij er zich inderdaad gelukkig gevoelde in hun eenvoudig familieleven, als in een vernieuwende en louterende wedergeboorte; zij kon niet tot Eline doordringen, zij ried slechts iets van de oppervlakte harer ziel; zij zag niet de zalige rust dier zenuwen, overspannen in een leven van overbeschaafdheid en luxe; zij zag alleen die ingeboren wereldschheid schemeren door een aangenomen eenvoud, en dit hinderde haar, zooals de groote, blauwe zijden strik op Eline's glad, lichtblauw katoentje haar hinderde. Cathérine Howard was een en al verontwaardiging. Hoe was het mogelijk, dat Truus zoo iets zeggen kon; dat was toch al heel weinig hartelijk in eene aanstaande zuster. En zij holde met bijna kinderlijke extaze in zulke liefkoozende zinnen over Eline door, dat de trekken der oude vrouw, strak gespannen door de woorden harer schoondochter, weldra weder glansden van genoegen. --Neen waarlijk, Truus, ik begrijp je niet... Ik, integendeel, bewonder Eline, dat ze, vreemd als ze in onze familie is, zich juist zoo dadelijk thuis voelt, met ons allemaal. Ik kan je verzekeren, toen ik toch met Howard in Londen kwam--ja, ik kende zijn familie in het geheel niet, dat is zoo--maar ik voelde me toch wel eens onder hen als een eend in een vreemde bijt, hoe hartelijk ze ook allemaal waren! En Eline.... lieve hemel! Het is of ik haar altijd gekend heb; ze is zoo gemakkelijk, zoo toeschietelijk, je hebt niets geen moeite met haar. Neen, ik begrijp heusch niet, hoe je ook maar kan denken, dat ze zich niet thuis bij ons zal voelen... Lief... vind ik dat allesbehalve van je. Truus lachte, dat Cathérine vuur en vlam vatte en verontschuldigde zich zoo goed mogelijk, en daar de meid binnenkwam om af te nemen, ging de oude mevrouw met Mathilde en Cathérine boven op het ruime, overschaduwde balcon zitten, terwijl Truus den geheelen verderen morgen onzichtbaar bleef, verloren in de drukte van haar huishouden. II. De tentwagen was reeds lang uit zicht. Théodore, Howard, Etienne en Cor liepen voorop en Otto met Eline volgden in de schaduw van Eline's groote, kanten parasol. Het gesprek der vier voorgangers was een mengeling van Engelsch en Hollandsch; Howard beweerde het laatste te verstaan en zelfs twee of drie woorden er van te spreken, terwijl Théodore telkens over zijn Engelsch struikelde in zijne uitleggingen over pachters en bouwlanden. Eenige arbeiders in Zondagspak gingen met een eerbiedigen groet voorbij. De weg was zonnig tusschen het gloeiend goud van rogge en haver, en geen zuchtje deed de stengels wuiven. Daarachter schemerde, wit op rood, de bloesemende boekweit. In de verte gluurde een boerenwoning tusschen eenig geboomte uit, met een pluim van rook, vaag grijs op het blauw der tintelende lucht. --Je voelt je hier zeker koning in het land? vroeg Howard. --Ach neen! antwoordde Théodore. Ik voel me hier meer boer dan koning. Maar keer je eens om; hier zie je dwars door den tuin heen, op ons paleis. Zij wendden zich en bleven staan, zoodat Otto en Eline hen weldra inhaalden. Door een groote opening in het loover van het park zag men, reeds in de verte, de Horze, blank als pleister, met hare jaloezietjes en kleine witte punttorens, zich spits verheffen in het blauw, terwijl de groote, met wingerd begroeide, balcons hare blanke eentonigheid met lommerrijke plekken verbraken. De vijver lag als een ronde spiegel midden in het frissche groen der gazons, bespikkeld door eene witte, fladderende vlucht duiven. --Wat een alleraardigst uitzicht, sprak Eline verrukt. Maar kijk, wie wuift daar? --O, dat zullen grootmama en de tantes zijn! riep Cor uit. Zij bespeurden in de schaduw van een balcon eenige donkere silhouetten, die zakdoeken schenen te zwaaien, en zij wuifden allen terug, verheugd over dien groet van thuis, terwijl Etienne hoera schreeuwde. --Dat is nu hèt kijkje, sprak Théodore, en drukte op het lidwoord. Maar kom, vooruit nu, anders komen we nooit aan den dikken boom. Eline sprak tamelijk vlug Engelsch en Howards conversatie vlotte het best met haar. Howard voerde haar in een druk gesprek, terwijl Eline aan Otto's arm, in de schaduw van haar parasol, die hij vasthield, Howard schertsend antwoordde. En het verbaasde Eline zelve, hoe zij zonder zich de minste moeite te geven, op iederen man een aangenamen indruk kon maken, terwijl zij eene vrouw slechts met al de listen harer liefheid tot sympathie verlokken kon. Door haar gesprek vol scherts en vroolijkheid vloog als een bliksemstraal die gedachte: Mevrouw van Erlevoort hield slechts van haar ter wille van Otto, Cathérine uit luchthartigheid, en hun beider sympathie wortelde niet in eene overtuiging; anders was het met de oude mevrouw Van Raat, met Cateautje, met Tina... En met een glimlach leunde zij zwaarder op Otto; wat deerden haar die anderen; zijne liefde stelde haar ruimschoots schadeloos voor wat zij in anderen miste; zijn liefde was haar rijkdom en zij gaf niets om de sympathie der menigte.... Het was een drie kwartier wandelens naar den dikken boom. De weg boog zich uit het blond der korenbloemen langs heiden, roze van erica, of heuvelachtige dennenbosschen, welriekend van een sterken harsgeur en vol schaduw tusschen de rechte stammen en onder het donkere, sombere loof. Eensklaps, als eene verrassing, bij eene wending van den weg, lag het dorpje Horze voor de oogen der wandelaars; eenige huisjes en hutjes met een broodwinkel, een pastorie, eene uitspanning, een stal, verstrooid om een klein kerkje, en Eline zag verbaasd rond, en zeide, dat ze het dorp niet zag. --Maar je bent er... hier... daar... dat is het dorp! zeide Otto. --Wat! Dat anderhalve huis? vroeg Eline met groote oogen. Zij lachten allen, zelfs Howard, en Etienne vroeg aan Eline of ze zich iets in het genre van Nice of Biarritz had voorgesteld. --Minstens toch iets als Scheveningen met een Kurhaus, nietwaar Elly? Zeg Elly, weet je nu al het verschil tusschen rogge en haver? --Neen, niet goed... boekweit ken ik... vlas ken ik, zoo heel lichtgeel, vol fleurs des champs... en aardappelvelden ken ik! telde Eline op haar mooie vingertjes. Maar rogge en haver en tarwe en gierst, neen... neen, ik weet er niets van! Kom me er niet meê aan, Etienne! Maar Théodore! Is dit nu heusch Horze? Ben je heer en meester van die een, twee, drie, vier schuren? En zij schaterde het uit onder den breeden rand van haar grooten, strooien hoed, hoewel Théodore zich innerlijk een weinig gekrenkt voelde. Eline zelve had dadelijk berouw over haar vroolijkheid, die niet in den toon was, en ze beweerde met een ernstig gezicht, dat er heel pittoresque plekjes waren, zoo een huisje met een paar boomen, heel lief waarlijk... --En de dikke boom, waar is de dikke boom? vroeg Eline. Zij gingen het dorp door, tusschen de pikkende kippen, die verschrikt wegstoven, terwijl de hoefsmid en een paar boeren den landheer, die hun allen een woordje toeriep, gul groetten en zijn vreemde familie nastaarden. Men ging over een vonder, en Théodore rukte een hek open en riep den jongen toe, de koe op het weiland vast te houden, daar Eline bang was voor het groote, vette beest, dat zij met zijne uitpuilende starende oogen en zijn kauwenden, kwijlenden bek, wel wat onrustbarend vond. --Etienne, Cor, schei toch uit, Cor! riep zij aan den arm van Otto, Etienne en Cor toe, die een droefgeestig boe! tegen de koe bauwden, om haar bang te maken. --Dat komt er van omdat je Horze hebt uitgelachen, Eline! riep Théodore met zijne basstem, maar zij zag hem, lachende, zoo zacht tusschen haar half geloken wimpers aan, dat hij geheel ontwapend werd en Etienne en Cor toemompelde, niet zoo flauw te zijn.... Aan het einde van het weiland stond de dikke boom, een eik op forschen, omvangrijken stam, als een ineengedrongen reus. Frédérique, Marianne, Henriette en de kinderen hadden zich reeds tusschen de uitschietende wortels neêrgevlijd, als tusschen de voeten van een kolos. De anderen werden met een luid gejuich welkom geheeten en men drong Howard en Eline zeer hunne bewondering voor den boom toch te uiten. Eline verzamelde eenige woorden als: kolossaal, immens, maar Théodore bespeurde aan haar spotziek lachje, dat de eik hoegenaamd geen indruk op haar maakte, en hij dreigde haar met den vinger, tot zij in een klaterenden schaterlach uitbarstte en er niet treuriger om werd, toen Howard, zeer ernstig, beweerde: --A big tree, indeed! I never saw such a big one. Quite interesting! --Wacht, ik zal je krijgen! riep Théodore en hij liep Eline na, die met een lachenden gil vluchtte tot zij weldra hijgend in het gras neêrzonk en hare handen uitstrekkend, riep: --Théodore, schei uit hoor! Ik roep Otto! --Ik zal je leeren! Jou kwade meid! Roep Otto maar, Ik zal je leeren! en hij vatte hare polsen, en schudde haar uit scherts, terwijl zij zich aanstelde, of hij haar vreeslijke pijn deed..... Daarna hielp hij haar op, en zij beloofde, steeds lachende, niet meer zoo weinig gevoel voor de natuur te hebben. De kinderen waren, elkaâr bij de hand vasthoudende, met hun Engelschen oom bezig den boom te omvademen. --Bespottelijk van Théodore, Eline zoo na te loopen, mompelde Frédérique ontevreden en Etienne hoorde haar. --Hé, jij wordt zoo vervelend! riep hij luid uit. Je zou op het laatst geen grapje meer kunnen hebben! III. Terzijde van het kerkje was een heuvelig pijnbosch, en Eline had er zich op de gladde naalden uitgestrekt en leunde het hoofd op de hand. Otto zat naast haar. Zij hoorden het touw van de klok knarsen over de katrol, terwijl er een geluid klonk als van een langzaam belletje. De kerk ging aan. Eenige boeren en boerinnen, glimmende in Zondagsch laken en zijden schorten, liepen, het kerkboek in de hand, op den dorpsweg en Eline en Otto volgden hen met de oogen na, zelven ternauwernood zichtbaar achter de dikke stammen. De verspreide kerkgangers waren weinig in getal.... nog enkelen, die zich verlaat hadden, spoedden zich en alles was stil onder den adem van eene landelijke Zondagsrust. In de verte blaatte een geit. Het is waar: Eline had zich de Horze grootscher en weelderiger voorgesteld, en de doodeenvoudige leefwijze op het landgoed, dat nog slechts de sporen van grootschheid en weelderigheid droeg, deed haar soms glimlachen als zij zich Ouida's Engelsche kasteelen, vol hertogen en prinsen, voor den geest riep, zooals zij er in hare verbeelding gelogeerd had gedurende hare lectuur bij tante Vere's ziekbed. Het was dan ook wel een groot verschil, die pracht van ideale aristocratie, en deze eenvoud van wel bemiddelden, maar noodzakelijk zuinigen adel, en toch, zij had nu niet willen ruilen, en zij sprak glimlachend tegen Otto van Ouida en de Engelsche kasteelen en beweerde aan de Horze de voorkeur te geven, zooals zij ook de voorkeur gaf aan hem, haar armen landjonker, boven den schatrijken Schotschen hertog, dien zij zich vroeger gedroomd had, naar het type van Erceldoune of Strathmore.... Ja, Eline gevoelde haar geluk grooter en grooter worden, in die stille eenzaamheid, onder het donkere denneloover, terwijl Otto's stem, zoo diep en vol, in heur oor klonk. Hij zeide haar, hoe hij nog niet begrijpen kon, dat zij hem toebehoorde, voor altijd, niet waar? en dat zij weldra geheel en al een zouden worden, geheel en al een.... En hij zeide haar, dat zij maar éene fout had: namelijk, dat zij zichzelve niet kende, zooals hij haar kende; hij zeide, dat zij zooveel goeds in zich sluimeren liet, dat zij schatten had, waarvan zij niet wist, en dat hij dit alles in haar zou pogen te wekken.... In de volheid van haar geluk werd zij oprecht, ook voor zichzelve, zóo als zij het nooit was; zij zag hem bijna weemoedig aan, en antwoordde, dat hij nog wel veel slechts ook in haar zou ontdekken, later, als hij haar beter kende. Neen, neen, waarlijk, hij kende haar niet door en door, al meende hij het. Er ging zooveel in iemands hart om, dat men zoo maar niet altijd kon zeggen, tenminste, dit was het geval bij haar, Eline, en zij wilde hem wel bekennen, dat zij niet altijd goede, gedachten had; zij wilde hem ook wel bekennen, dat zij niet altijd zoo gelijkmatig van humeur was, als hij haar altijd zag: zij kon kribbig zijn en zenuwachtig en melancholiek, zonder reden, maar zeker, ze zou voor hem zich trachten te herscheppen in het beeld, dat hij zich van haar voorstelde; hij was toch eigenlijk een groot idealist! Zij gevoelde zich rein en goed in die biecht; zij wist nu, dat zij hem gedachten kon openbaren, die zij zichzelve niet altijd bekend zou hebben; zij was ook niet meer angstig hem te zullen verliezen door een onvoorzichtig woord; zij zag het zoo duidelijk: hoe lief hij haar had; zij was hem toch het liefst, wanneer zij over zichzelve op die eenvoudige wijze, bijna zonder na te denken, sprak, en het werd haar vaak of hij haar geweten verpersoonlijkte, waaraan zij alles verhalen kon, wat een meisje verhalen mocht En hoe meer zij zichzelve in zulke oogenblikken van oprechtheid en waarheid afbrak, hoe meer hij haar vergoodde, en hoe meer hij hare ziel meende te doorgronden door dien glans van schoonheid en behaagzucht. Zij hoorden het psalmgezang der boeren uit de kerk dringen als een zachte, breede galm van eenvoudige vroomheid, en in hun stemming scheen hun dit onkunstige gezang vol van eene poëzie toe, die zich vermengde met de poëzie der donkere tinten van het loover, met den geur der dennenaalden, met de liefde in hun hart. Het werd Eline zoo vol, dat zij zich een weinig oprichtte, heur lokkig hoofdje aan Otto's borst legde en zich niet weêrhouden kon hare armen om zijn hals te strengelen, en toen zij zich zoo tegen hem aan voelde, met haar boezem op zijn hart, doorschokte haar eensklaps een plotselinge snik. --Mijn God, Eline.... wat.... wat is er? vroeg hij zacht. --Niets! antwoordde zij bijna stervend in heure weelde; niets, laat me.... ik ben zoo.... zoo gelukkig! En zij weende in zijne armen. IV. Men stond op de Horze vroeg op en ging er vroeg naar bed, en de dagen vlogen om. Men leefde er, een paar regenachtige dagen uitgezonderd, in de buitenlucht, vooral de kinderen, die, met goed weêr, slechts binnen waren om te eten of te slapen. Hunne wangen en hunne handjes verbrandden en zij zagen er uit als kleine nikkers, de Van Rijsseltjes, de beide jongens, Willy en Gustaaf, en Edmée en Kitty Howard. Tusschen de duiven, die van hare til over de gazons en de vijver fladderden, fladderden zij rond, soms angstvallig door juffrouw Frantzen, de juffrouw van Truus en de Engelsche bonne van Cathérine nagevlogen, vooral door juffrouw Frantzen, die in eene voortdurende vrees leefde bij de gedachte aan Nico en aan het water. Zij gingen naar de volière en den stal zien en waren de beste maatjes met den tuinbaas en zijne arbeiders, met den koetsier en zijn staljongen. Zij voederden de vogels en de kippen en de eenden, en reden, vastgehouden door den goedigen stalknecht, op Théodore's ongezadeld rijpaard, of zij zwommen of zagen in de gymnastiekkamer naar de toeren van Théodore, die zeer sterk, en van Howard, die leniger en buigzamer was, terwijl Otto beweerde zijn techniek verloren te hebben, en Etienne woest tusschen de ringen zwaaide en over den bok sprong. Maar vooral zagen de Van Rijsseltjes ademloos op naar Cor, die met een pedant gezicht, zeer kalm en zeker van zichzelven, de moeilijkste toeren uitvoerde, met de jeugdige kracht zijner lange, slanke ledematen. Na het koffiedrinken speelden de jongens met Howard cricket of, in de schaduw der hooge boomen van het park, met de meisjes lawntennis, of zij lagen lui onder een boom, met een boek, of niets doende, droomende, met de handen onder het hoofd. Na den eten toerden zij of zij dreven een weinig in het bootje op den vijver en de avond viel en het was tien uur voor zij er aan dachten. En Eline werd door haar geluk en door de weelde van dit zonnige landleven zoo geheel zichzelve, dat zij zich verwonderde, hoe zij nog dezelfde was van vóór eenige maanden geleden. Zij gevoelde zich eene geheel andere; het was haar of heure ziel zich uit glanzende draperieën had losgewonden en eenvoudig, met de naakte blankheid van een beeld, vóor haar stond. Zij ontsluierde zich niet meer in hare gemaaktheid; ze speelde geen rol meer; zij was zooals zij was: het vrouwtje van haar Otto, en deze oprechtheid gaf zulk eene nieuwe bekoring aan heure gebaren, aan het minste woord, dat zij uitte, dat Truus, tot Cathérine's zege, bekende, zich in haar vergist te hebben, dat Frédérique soms uren lang met haar sprak in zusterlijke ontboezemingen, dat mevrouw Van Erlevoort haar een engel noemde. Wanneer zij alleen was, en zich even in hare nieuwe, frissche gedachten verdiepte, welden de tranen haar in de oogen uit dankbaarheid voor al het goeds, dat haar geschonken werd, en zij wenschte alleen nog, dat de tijd niet zou voortsnellen, dat het oogenblik, het heden stil zoude staan. Verder wenschte zij niets en om haar heen zweefde een oneindige rust, eene blauwe kalmte, als eene extaze van zaligheid. V. Langzaam viel de avond en de lucht bleef helder, in eene parelgrijze tint, vol sterren. In groote, vage massa's schaduw lag het park op den achtergrond, terwijl de glazen deuren der verlichte tuinkamer openstonden en buiten de theetafel blonk in den zachten, huiselijken glans, die er uit het vertrek vloeide. De kinderen waren naar bed, maar de meisjes, Marianne en Henriette, bleven nog op. En zij zaten allen in een grooten kring en luisterden, terwijl Truus thee schonk. Binnen zong Eline en somwijlen viel er een ster. Cathérine accompagneerde Eline, terwijl Otto, op de canapé, luisterde. Het scheen Eline toe of zij hare stem voor het eerst hoorde, nu zij Mozarts Abendempfindung voordroeg, terwijl de klanken van hare lippen vielen als fluweel en kristal beide, maar meer als fluweel, zacht en bijna donzig, zonder hun vroegeren, schitterenden, metalen glans. Zij zong zonder moeite, zij dacht aan geen techniek, aan geene kunst, zij dacht aan geene planken en décors en publiek, als zij deed in haar duo's met Paul. Zij opende hare lippen en geheel haar geluk scheen uit hare ziel op te wellen in haar zang, terwijl de weemoed der woorden tot geene treurigheid, maar slechts tot eene diepere gevoeligheid stemde. Op dezen langen, lichten zomeravond, nadat de ontoombare drukte der kinderen was bedaard, goot hare muziek in hun aller huiselijk geluk een melodieuze kalmte en zij hadden haar des te meer lief om de poëzie die zij hun schonk.... Na het lied klonk een licht applaus en zij hoorden Eline even vroolijk lachen en haar spreken met Otto en Cathérine. Henriette en Marianne stoven naar binnen om haar een complimentje te maken. --O, ik zal het nooit zoo kunnen als jij! riep Marianne, want Théodore's kinderen, allen, tutoyeerden hunne toekomstige tante met eene aangeboren vrijmoedigheid. Er is op mijn kostschool in Bonn wel een koorklasse met een ouden vervelenden meester, maar het geeft me niets. Heb je lang les en van wien? Eline zette zich naast Otto op de ouderwetsche ruime bank, terwijl de beide meisjes zich op de breede leuning wiegelden, en zij vertelde van Roberts en hare duo's. Cathérine was naar buiten gegaan. --Maar Eline, zeg me eens, verveel je je hier niet op de Horze? vroeg Henriette. --Me vervelen? Waarom? Integendeel.... Henriette zag haar verbaasd aan. Zij was zeer zwaar voor haar leeftijd maar toch zeer jongensachtig, zooals zij op de leuning der bank, met de losse veters harer rijglaarzen en hare roode kousen, zat te wiegelen, bijna slordig en nog niets coquet. Heur rossig blond haar hing in een dikke vlecht op den rug; zij had vroolijke, brutale, grijze oogen, een grooten mond en prachtige tanden. Eline wekte in haar altijd een verward vizioen van bals, met gouden uniformen en gedecolleteerde dames op. Eline was voor haar de verpersoonlijking van Den Haag en in Den Haag deed men niets dan dansen en mooi zijn. --Ja, ik dacht, in Den Haag is het toch heel anders! riep zij met hare jongensstem. Veel amuzanter, zoo altijd uitgaan, plezier maken! Zie je, ik geloof niet, dat het me zou aanstaan, maar ik zou het toch wel eens willen zien! Ik kom bij je logeeren, later, als je getrouwd bent. En daarom dacht ik, dat je het hier vervelend vond.... het is hier altijd het zelfde. O, ik vindt het heerlijk: ik heb mijn ezelwagen en mijn ezel en ik heb mijn bok, en ik zou het wanhopig vinden als ik naar kostschool moest.... --Wacht maar, nog twee jaartjes! riep Marianne, die reeds zoo wat nuffig begon te worden. Dan ben ik come-out en dan marcheer jij naar Bonn! --Met je ezelwagen of op je bok! sprak Otto lachend. --Ajakkes! Naar Bonn! Nou maar, ik bedank je hoor! Ik hoef zoo knap niet te worden. Juffrouw Voermans is goed genoeg voor mij. --Is dat de gouvernante? vroeg Eline. --Ja zij is nu bij hare familie in Limburg. Ze is al lang bij ons; nu leert ze mij en de jongens, maar mama vindt, dat de jongens te oud worden, en dat ze naar kostschool moeten. Papa niet, die is veel verstandiger, die houdt niet van al dat geleer. Het is een goed mensch, juffrouw Voermans, meen ik, maar affreus, en mager als een boonenstaak. Dus je vindt het hier prettig? --Zeker.... ik ga hier ook niet vandaan, we blijven hier, nietwaar Otto? Hij knikte glimlachend en vatte heure hand. --Kom, Jet! We vervelen ze! riep Marianne opspringend en hare zuster bij den arm trekkend. Zie je dat dan niet? En hoe dom van je.... --Wat dom? --Om te vragen aan Eline of ze zich niet verveelt.... --Waarom? vroeg Eline. --Wel, als je toch geëngageerd bent, dan verveel je je niet! --Hoe weet jij dat? bromde Jet. Mal spook! Het is of je het al tienmaal geweest bent. Otto en Eline lachten om hare grappige jongensstem, kortaf en quasi mopperend, en stonden op. --Waar ga je naar toe, oom? vroeg Marianne. --Wel, naar den tuin, naar de anderen.... --Dat zou jij nooit doen hè, Marianne? plaagde Jet. Je ging in een hoekje met je love, in het donker. Marianne zag Jet verontwaardigd van het hoofd tot de voeten aan en haalde hare schouders op, terwijl Eline haar schertsend beklaagde en haar arm nam. Buiten had Truus het theeblad laten wegnemen en er verscheen een groote bowl lichten Rijnwijn, geurig van aardbeien en frambozen. De stilte, die onder Eline's zang geheerscht had, was reeds vervangen door een gezelligen kout, terwijl Truus met een langen glazen lepel glas na glas vulde. --Maar waar blijven Théodore en Etienne toch? vroeg de oude mevrouw en zag rond. --Ze zijn zooeven gaan wandelen, den tuin in! antwoordde Mathilde, terwijl Frédérique riep: --Théodore! Eetje! Otto echter zeide ze te zullen gaan zoeken, en hij drong het park in, donker, onder de vage dichtheid van het loover, vol schaduwen tusschen de silhouetten der boomstammen. Waar het gebladerte ijler was schemerde de parelgrijze avondlucht als een hoog verschiet, en er glansde een bleeke witte maan. Otto liep langzaam den breeden, slingerenden weg af, maar hij zag niets, en ten laatste riep hij ook: --Théodore! Etienne! Een zware stem antwoordde hem, en op dit geluid sloeg hij een zijpad in. Hij zag zijn twee broêrs, verloren in het donker, zittend op een bank. Hun gezichten kon hij ternauwernood onderscheiden. --Er wordt zeer naar je verlangd! sprak hij. De bowl is verschenen! Hij meende Etienne te zullen zien opspringen met zijne gewone luidruchtigheid en hij begreep niet, dat zijn jonge broêr zitten bleef, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen. --Kom je? vroeg hij verbaasd. --Ja, kom dan toch, Etienne! sprak Théodore. Maar laten we langzaam oploopen, Otto, ik wou je iets zeggen. Ik heb met Etienne gesproken, en ik schijn het niet diplomatisch genoeg gedaan te hebben. Meneer is ten minste gepiqueerd. --Ach, volstrekt niet! bromde Etienne. --Maar wat is er dan? vroeg Otto. --Ik ben volstrekt niet gepiqueerd, maar Théodore heeft een tact om je in een kwartier met zooveel liefs te overstelpen, dat je groen en geel ziet. Ik ben lui, ik voer niets uit, ik loop leeg, ik sla geld stuk, en ik weet niet wat ik nog al meer doe; in één woord, ik ben een lammeling, --Kom baasje, sla nu niet zoo door. Daar kom je niet verder mee. Ik heb je wat verveeld met financiëele overwegingen, en ik heb je eens over je toekomst gesproken, maar gerust, dat kan geen kwaad. Wat zeg jij, Otto? --Ik heb wel eens met Etienne een dergelijke conversatie gehad, en dan hoorde hij mij heel welwillend aan, maar ik geloof niet, dat er hem veel van bijbleef. --O! nu, dan is het nog zoo kwaad niet, dat ik minder diplomatisch ben dan jij; mijn ruwheid schijnt dan wat meer indruk gemaakt te hebben. --Je hebt me een tafereel opgehangen, alsof we geruïneerd waren! riep Etienne radeloos uit. --Lieve jongen, je overdrijft als een jong meisje! Ik heb je alleen eens voorgerekend, dat zoowel mama in Den Haag als wij hier op de Horze zoo zuinig mogelijk moeten leven, zuiniger dan wij nu doen, wil er niet eens een tijd komen, dat we ons op een zeer onaangename wijze zouden moeten bekrimpen. En mama uit haar huis, waar ze zooveel souvenirs heeft, dat is een gedachte, die er bij mij niet in kan. Daarbij komen Mathilde en de kinderen. Van Rijssel heeft naar het schijnt geen sou; op wie anders komen de lasten van hunne opvoeding dan op mama? En ik verzeker je, hoe doodeenvoudig wij hier allen leven, dat heb je van den winter, toen je hier met Van Raat logeerde, kunnen zien en dat zie je nu ook. De eenige luxe, die we ons permitteeren, is jullie des zomers bij ons te hebben. Intusschen ben jij te Leiden in een troepje van jongelui, die allemaal rijk zijn of doen alsof en verteer je, alleen, een beetje minder dan ik hier met mijn heele familie. Je begrijpt, vriendje, dat gaat niet langer zoo. Ik misgun je daarom niet plezier te hebben in je leven en ik begrijp, dat, als je eens in een sleur van uitgaven bent, het heel moeilijk valt op de dubbeltjes te gaan zien. Maar toch, waarlijk, probeer het eens in het vervolg, Etienne. Zij liepen langzaam door, en Etienne boog het hoofd. Zijn vroolijke luchthartigheid zwoegde onder al dien ernst, maar hij gevoelde iets als zelfverwijt. --En dan, kerel, denk er eens aan af te studeeren. Je bent, vooral tegenwoordig, verschrikkelijk aan het lummelen, geloof ik. --Ach ja, in den zomer, ik voer niets uit! riep Etienne oprecht. --En den vorigen winter! Hard geblokt, zeker? Etienne zuchtte. --Ach neen, maar God! dat weet ik nou wel! Je begrijpt, ik zal toch wel eens klaar komen. Ik zal zien; ik zal... ik zal werken. Otto glimlachte, maar hij gevoelde medelijden met Etienne... Etienne en werken! --Goed, dat is tenminste eene belofte! sprak Théodore onverbiddelijk. En ik hoú je aan je woord, hè? Nietwaar, geef je me je hand er op? Etienne gaf hem zijn hand. --Mooi zoo. En wees nu niet meer boos, of gepiqueerd. --Ach, ik was niet gepiqueerd! riep Etienne wrevelig, en ontevreden over zichzelven, daar Théodore's vermaningen hem in een onaangename stemming hadden gebracht, terwijl een verschiet van examens voor zijn blik verrees. Hij wist, dat hij zwak was, dat het houden van zijne belofte hem veel zou kosten. Hij had nooit geweten, dat hij kwaad deed; hij had nooit gedacht, dat hij zijn mama, Mathilde, Théodore, en de kinderen benadeelde door plezier te hebben en fijne soupers met zijn clubgenooten te bestellen, en dit alles warde nu in zijn hersens dooreen als een amalgama van onaangename zaken, waarin hij geen gat zag. Intusschen waren zij bij den grooten kring gekomen, en Truus was steeds bezig de glazen te vullen, --Groote goedheid, zijn jullie daar eindelijk? Ik zou het niet noodig gevonden hebben iets te bewaren als jullie nog langer op je hadt laten wachten! riep zij quasie vertoornd uit. Eline was al ongerust voor je, Otto; ze dacht, dat je in den vijver zou loopen. --Ach, wel neen! riep Eline, maar Cathérine, Cor de adelborst en de meisjes, Henriette en Marianne, beweerden, dat zij het nu niet wilde erkennen en zij maakten zulk een luidruchtige vroolijkheid om Eline, die zich verweerde, dat Etienne er door werd medegesleept en hen allen weldra overschreeuwde. Frédérique zocht tevergeefs hem te bedaren en Mathilde vertelde aan Howard, wat eigenlijk de kwestie was. Mevrouw Van Erlevoort schudde het hoofd. --Foei! Eline zoo te plagen! fluisterde zij zacht en haar verdediging bracht Etienne buiten zichzelven van vroolijkheid. VI. Het was zwoel en drukkend heet geweest. Het koffiedrinken was gedaan en de kinderen hadden zich verspreid langs den vijver, waarlangs de duiven fladderden, rondom de twee ooievaarsnesten, die op hooge stelten te midden van het gazon zich verhieven. In de open verandah, die met een paar treden in den tuin uitkwam en op den vijver zag, zat de oude mevrouw te midden harer dochters. Eline en Frédérique waren met de heeren biljart gaan spelen. --Waar zijn de kinderen toch? vroeg Cathérine, en zij zag uit over het geschoren gras, waar zij anders croquet speelden, of woelig over elkander rolden, terwijl nu de drie honden van Théodore er ongestoord lagen te sluimeren. Zij zijn na het eten dadelijk weggevlogen! --Ze zijn gaan wandelen, naar den Witten Kuil, geloof ik, antwoordde Truus. --Naar den Witten Kuil? riep Mathilde verschrikt. Maar dat is wel een uur loopen, en ik geloof zeker, dat we regen krijgen. Truus stond op en zag naar de lucht. --Het is mogelijk, dat je gelijk hebt, Tilly. Ik had het ze niet moeten toestaan, maar die Jet zeurde zoo en jouw troepje zeurde meê, en ik had eigenlijk niet op het weêr gelet. Ik kan ook niet op alles letten; mijn hoofd loopt me soms om van al die drukte, die ze maken. Maar trek je dat niet aan, ik vind het daarom wel gezellig, hoor! Intusschen zag het er buiten onheilspellend uit. Zware, loodkleurige massa's dreven aan den hemel samen en een schemering scheen als een grauwe asch neêr te vallen. De bladeren sidderden aan de twijgen en het water van den vijver rimpelde zich met lichte kabbelingen. Truus was blijven staan en keek steeds uit. --Ik hoop maar, dat ze parapluies bij zich hebben! zeide de oude mevrouw ongerust en zij verhief zich eveneens met Cathérine en Mathilde. --Parapluies! Ja, dat kan u denken! Daar zijn het me net kinderen naar. Ze zullen nauwelijks een hoed opgezet hebben! Wat moeten we doen? We krijgen een saus van belang. --We kunnen ze toch niet zoo aan hun lot overlaten. Weet je zeker, dat ze naar den Witten Kuil zijn? hernam mevrouw. --Zeker? Ja, ik durf er niet op zweren. Maar ze spraken er toch over. Ik zal in alle geval Klaas met den tentwagen naar den Witten Kuil laten rijden. Wacht! En zij ging naar achteren om den koetsier te waarschuwen. Enkele dikke druppels vielen neêr. De honden op het gazon rekten zich een voor een uit en kwamen lui en langzaam binnen, zeker van dichtbij een goed thuis te zullen vinden. Mevrouw Van Erlevoort bleef onrustig in de verandah rondloopen, en ook Cathérine en Mathilde klopte het hart en zij bedaarden slechts een weinig, toen de tentwagen met Klaas wegratelde, naar den Witten Kuil toe. Het bliksemde, als een plotselinge flikkerende glans, die de vaag-grauwe schemering even doorschoot, en de donder barstte uit en rolde met een dof gerommel weg. Het ruischte in het loover en de regen stroomde neêr als een klaterende val van water. Uit de biljartzaal kwamen Eline en Frédérique met Théodore, Otto, Etienne en Cor en zij bleven allen, bekommerd over de kinderen, in de breede verandah, hoewel het er een weinig inregende, tusschen de gepleisterde en omwingerde zuilen. Een vochtige lucht, een geur van natte bladeren woei uit het geboomte over en de groenigblauwe tinten van den vijver verdonkerden zich tot somber violet, waarop de regen onophoudelijk neêrkrinkelde. Het bliksemde telkens en de donder rolde zwaarder en zwaarder. --Ik zou hier toch niet blijven! riep Cathérine angstig uit. Laten we toch naar binnen gaan. My poor Kitty! Truus was teruggekomen, radeloos, nu het weêr erger en erger werd, en zij overstelpte zichzelve met verwijtingen, daar zij de kinderen veroorloofd had uit te gaan; daarop voer zij los tegen Cathérine en Mathilde, die, hoewel onrustig, haar niets ten laste legden; daarop tegen haar man, tegen haar moeder, ten laatste tegen Etienne die er met parapluies op uit wilde. De jongen was gek! Waarom hadden zij haar ook niet gewaarschuwd, alles kwam op haar neêr, zonder haar marcheerde er niets in huis en zij stond voor alles alleen! Niemand hielp haar ook; en plotseling keerde zij zich tot Eline. --Maar Eline, blijf daar toch niet tusschen die pilaren. Je wordt kletsnat en het is gevaarlijk met dat licht. Er is immers niets aan te doen; laten we toch naar binnen gaan. Als ze maar geen ongeluk gekregen hebben! Ik word dol als ik er aan denk! Waarom heb je mij dan toch niet gewaarschuwd, Mathilde? Het is ook altijd zoo: alles draait om mij, je hebt van niemand eenige hulp! Zij dreef ze woedend van onrust, allen naar binnen met uitgespreide armen, brommende op haar man, dien zij niet aanhoorde, en op de drie juffrouwen, die haar vragen deden. Ook de "jongens": Howard, Otto, Etienne en Cor, dreef zij de deuren in; zij was al angstig genoeg over wie daar buiten waren, en het hielp niets of zij uitkeken.... als ze soms dachten, dat de kinderen er eerder om zouden komen! Intusschen liep zijzelve zenuwachtig van binnen naar buiten, terwijl de regen steeds stroomend plaste op den vijver en over het mozaïek der verandah en het weêrlicht zijn korten glans uitwierp en de donder dof, als op kolossale raderen, wegrommelde. Binnen waren zij gaan zitten, onrustig en stilzwijgend, vol verwachting. En het was een algemeene verruiming toen de oude tentwagen aanrammelde, met overal dichtgeknoopte zeilen, waartusschen men handjes en glurende hoofdjes bespeurde. De wagen reed de Horze om en hield stil voor de overdekte achterpoort. Allen stormden naar achteren, om de geredden te ontvangen. Klaas ontknoopte de zeilen en zij kwamen een voor een te voorschijn. Marianne en Henriette het eerst, die, met Willy en Gustaaf, de Van Rijsseltjes en Memée hielpen uitklimmen, terwijl Cathérine naar Kitty vloog, die huilde. Zij kwamen druipnat te voorschijn, met bemodderde schoenen en handen, vuil van het natte zand van den Witten Kuil, terwijl het onophoudelijk druppelde van de verslapte randen hunner strooien hoeden. Er was in het eerste oogenblik, dat zij naar binnen geleid werden, geen orde onder te houden, want zij renden juichend door de vestibule en de groote eetkamer, alles bevochtigend en bemodderend, en bassend nagevlogen door de drie, honden. Marianne en Jet schaterden van het lachen, om Willy, die een schoen in den Witten Kuil had achtergelaten, en Tina, Johan en Lientje vertelden schreeuwend, tegelijk, aan Mathilde, hoe Nico bijna was achtergelaten door Klaas, omdat hij nog naar zijn schop had willen zoeken, die in het zand was verloren geraakt. Maar zoo zou het niet lang duren, want Truus was meesteres in haar huis en zij verhief haar stem, en klopte bevelend op de tafel, en er begon eenige orde en stilte te ontstaan, terwijl de kinderen beknord en naar boven gebracht werden. Juffrouw Frantzen, de juffrouw van Truus en de Engelsche bonne liepen zenuwachtig in de kleedkamers, in de kasten zoekende naar schoone kousen en flanelletjes, en Truus bracht eenige ruwe handdoeken aan, om de kinderen droog te wrijven. Zij werden ontkleed, allen tegelijk, en niemand had meer ooren en oogen voor het onweêr daarbuiten; ieder beijverde zich om te helpen, Marianne en Henriette verdwenen in haar kamer en sloten de deur, daar alles maar in en uitliep, papa en de ooms niet uitgezonderd. Ook Willy en Gustaaf werden door Truus gedreven zichzelven te helpen, en zij gooide hun handdoeken toe en schoone onderkleêren en vermaande hen zich hard en goed af te wrijven, hun rug, hun borst, hun voeten; zij zou wel andere schoenen halen. In een andere kamer hoorde men Kitty nog flink huilen te midden der Engelsche frazen van Cathérine en haar bonne. Maar den meesten last gaven de Van Rijsseltjes aan mevrouw Van Erlevoort, Mathilde en Frédérique; juffrouw Frantzen verschoonde namelijk Memée, omdat de bonne van Truus maar geen schoone kousen vinden kon voor Jet, die met haar bloote beenen telkens in de deur verscheen, scheldend op dat akelige mensch, dat haar zoo nakend liet rondpatrouilleeren. --Tina, kleed je dan toch uit! riep Mathilde verstoord, bezig met Johan, terwijl haar mama Nico en Frédérique Lientje hielp, maar Tina bleef zeurend op haar stoel zitten en wilde geholpen worden, toen Eline eensklaps binnenkwam. Zij had alles voor Tina bijeen gezocht, kousjes, schoentjes, een hemdje, een rokje, een frisch japonnetje, en zij vloog naar heur lieveling toe. --Foei, Tina, zoo te mopperen, als mama het druk heeft! Mag Eline je helpen? Tina knikte neerbuigend, dat het goed was, als een pruilend prinsesje. Eline zette zich op den grond, ontknoopte hare smerige laarsjes en stroopte hare doornatte kousjes af. --Maar schatje, hoe heb je toch zoolang zóó kunnen blijven! riep zij ontsteld, en zij wreef de kille, witte voetjes en de slanke beentjes van het kind met een harden handdoek, tot zij warm en rozig werden en Tina reeds lachend er mede in Eline's schoot woelde. Eline kreeg haar zoo ver dat zij onder de afwrijving zelve haar blouse en haar ceintuur losmaakte. --Kleed je nu van boven zoo een beetje uit, dan zal ik straks je haren borstelen en kammen. Vindt je dat niet heerlijk? --Zal je mij dan kappen? Zoo hoog als jij het draagt? --Maar, kleine dot! Ben je dwaas? Je krijgt een vlecht hoor, net als anders. --Neen toe, Eline, toe, kap me nu mooi, als een dame! --Goed, goed, maar doe dan wat ik je zeg, kleed je dan uit! Gauw, Tina! Daar vloog Tina's blouse over Eline's hoofd op den grond, en Eline, die haar reeds geschoeid had, deed haar op een stoel staan en hielp haar verder, terwijl Tina ratelde over den Witten Kuil, en hoe zij zoo bang was geweest voor het licht. Eline wreef haar geheele koude, blanke lijfje, tot het reeds huiverende kind gloeide, rozig en warm, terwijl zij als een pop met zich liet dollen. Zij hief haar armpjes op en sloeg ze Eline om den hals, alsof zij ze wurgen wilde, en Eline lachte. --Het is of je je heele leven met kinderen hebt omgegaan, Eline! riep Mathilde vriendelijk en dankbaar, nog bezig met Johan, en mevrouw Van Erlevoort en Frédérique zagen glimlachend om. Jet had eindelijk hare kousen gekregen en zat ze nu midden in het vertrek nog brommende aan te trekken, terwijl Willy en Gustaaf haar plaagden. De geheele kamer was een chaos van natte kousen en schoenen, en slingerend ondergoed en neêrgesmeten handdoeken. Eline lachte tevreden en zij kleedde, trotsch op haar handigheid, Tina vlug aan. --Kijk eens, hoe grappig ze er uitziet in haar borstrokje! Wacht, ik zal je kietelen, hoor.... Hier, allons! je beenen in je broekspijpen. Lastige meid, je staat geen oogenblik stil... En handjes thuis, s'il te plait, je maakt al mijn haar in de war. Kom, knoop zelf je jersey dicht, hoor! Denk je, dat ik alles voor je doe! Nu, waar is de borstel...? Wacht, ik zal ook even een kam halen! --En mijn rood lint! riep Tina van haar stoel. Eline ging en kwam en tusschenbeide hielp zij nog even Marianne, om een grooten strik in haar ceintuur te maken. Maar Tina werd ongeduldig, en riep jaloersch: --Eline, hè Eline! --Ja, ja, dadelijk! antwoordde Eline en zij vloog naar Tina en kapte haar even uit gekheid met een hoog kapsel, dat iedereen schateren deed, hoewel Tina het beeldig vond. Daarna vlocht zij het zware, bruine haar samen en kamde haar pony uit. --Zoo, zoo ben je veel liever, hoor! --Komt kinderen, wie klaar is, gaat naar beneden! kwam Truus, eenigszins bedaard, aan de deur commandeeren; en Jet rende woedend de twee plagende jongens achterna, de trappen af... --Die Eline met Tina! fluisterde de oude mevrouw later, tot Truus. Je had het moeten zien. Het was net een plaatje. Ik ben toch blij, dat alles zoo goed is afgeloopen. VII. Men ging op de Horze steeds vroeg naar bed; om half-elf was alles stil. Eline had een uur in Frédérique's kamer zitten keuvelen, en zij had zich gelukkig gevoeld in Frédérique's steeds toenemende sympathie. Op den rand van het bed had zij gezeten terwijl Freddy er reeds in lag en zij hadden elkaâr allerlei vertrouwelijke mededeelingen gedaan, over honderden onderwerpen. Soms hadden zij zeer gelachen, maar haar lach ingehouden, want het was alles stil in huis, doodstil. Ten laatste was Eline zachtjes, op de tippen harer teenen, weggeslopen en zij bevond zich nu alleen in haar eigen vertrekje. Zij ontstak haar kaars en ontkleedde zich langzaam, met een onbewusten en gelukkigen glimlach op de lippen. Een oogenblik bleef zij peinzend zitten, met haar loshangende haren en hare bloote armen en hals en steeds met haren glimlach. Zij verlangde niets, niets meer, zij had alles wat zij wenschte... En zij ontsloot haar venster en zag naar buiten. Het regende niet meer, maar een geur van vochtig loover steeg op. De hemel was klaar, als schoongewischt van de sombere, loodkleurige massa's; een schitterende maansikkel dreef de enkele ijle wolknevels door. De velden lagen zwijgend en ver uit elkander gespreid; een enkel molentje verhief zijn zwarte wieken roerloos in de tinteling van den bleeken glans. De slooten schitterden als strepen metaal. En een geurige frischheid hief zich uit de sluimering van het landschap op als een zachte adem. Eline leunde aan het venster en zij vouwde haar armen over haar blooten hals. Het was haar, of die geurige frischheid, die zachte adem ook al haar gedachten verfrischt en doorgeurd had als met een geur van veldbloemen, die den ongezonden muffen reuk van haar vroegere denkbeelden, als een ontzenuwend parfum van musc en opoponax, verdreven had. Zij gevoelde zich zoo innig jong, zooals zij vroeger nooit geweest was, en o--dat wist zij nu zeker--nooit had zij liefgehad als zij thans deed, nooit, nooit! Haar Otto! Wanneer zij hem zich nu dacht, gevoelde zij geen behoefte zich een geïdealizeerd beeld voor den geest te roepen; zij dacht hem zich zooals hij was, zoo mannelijk en flink in zijn hartelijken eenvoud, en met éen gedachte, die geheel zijn geestelijk leven beheerschte, de gedachte aan haar. Zijne liefde was zoo rijk, zoo vol, zijn liefde vulde alles in hem. En de hare vermeerderde iederen dag, meende zij... neen, kon niet meer vermeerderen, kon het niet meer! Geen wensch meer, geen overpeinzingen meer over haar toekomst; vanzelve zou zich die ontrollen, een verschiet van glans en goud! Niets dan de stilte van dat meer, waarin heure ziel gegleden was, niets dan de rust en de liefde van die blauwe extaze vol zaligheid! Alleen dat, niets anders, niets meer! Zij wist niet wat nog meer te wenschen zou zijn door een menschelijke gedachte... Maar alleen: éen schemerend streepje door de klaarte van al dat blauw! Alleen de vrees.... de vrees, dat het ooit anders zou worden! Zij had in zoo lang niet meer gebeden; zij wist niet meer, hoe zij het zoude doen, murmelend of slechts denkend... ach, zij wist zelve niet meer, of zij aan God geloofde, zij wist dat niet meer... maar nu, nu had zij gaarne willen bidden, willen bidden, dat het zoo zou blijven, nooit veranderen, altijd dat zachte geluk, altijd die rust, dat blauw! --Nooit, nooit meer als vroeger, God... altijd zoo, altijd zooals nu! Veranderde het, ik zou sterven! fluisterde zij onhoorbaar en terwijl zij haar handen vouwde, trilde een traan aan heure pinkers... Maar het was een traan van geluk, want in haar geluk verdronk die vrees als een druppel in de zee. Hoofdstuk XX. I. In den Haag ging Augustus gloeiend voorbij, maar de avonden waren koel op het Terras te Scheveningen of in de Tent van het Bosch. Het was nu Zondagavond, en Betsy bleef thuis: de oude mevrouw Van Raat was in zoo lang niet bij haar geweest en zij had hare schoonmoeder gevraagd eens te komen; Zondags was het toch niet prettig op Scheveningen. Men zou thee drinken in de groene serre, waarvan al de glazen deuren geopend waren. Henk liep met mevrouw even den tuin door, en de oude dame bewonderde zijn prachtige stamrozen. Betsy en Vincent zaten alleen. --Ik heb een brief van Eline; ze komt Woensdag met de Erlevoorts terug; de Howards blijven nog wat op de Horze, sprak zij. --Zoo? antwoordde Vincent. En als Eline komt moet ik zeker weg? vroeg hij op den man af. Betsy schrikte en zij glimlachte zeer lief. --Verbeeld je. Volstrekt niet. Je weet, ons huis staat voor je open, tot je iets gevonden hebt. Hoor je niets meer van... hoe heet die vriend uit New-York ook weêr? --Lawrence St. Clare. Neen, ik heb in langen tijd geen tijding van hem; ach, je vergeet je vrienden als ze zoover zijn. Ik neem het hem niets kwalijk. Hij leunde achterover in zijn rotting leunigstoel, met iets van een slachtoffer. Intusschen gevoelde hij zich zeer behagelijk, aangenaam gestreeld door de luxe, die in de serre, tusschen het groen der planten, in het weifelende halflicht schemerde. De tuin was keurig onderhouden, rijk aan bloemen, met een gazon. En in de omgeving, in de tegenwoordigheid van Betsy, zeer elegant in haar licht zomertoilet, bij het zachte geschitter van zilver en Japansch porselein op het theeblad gevoelde hij zich veilig voor de onaangenaamheden des levens. Het was rust, het was eentonigheid, maar zij verkwikten hem... Betsy wist hij te kunnen beheerschen, maar het was niet noodig zijn macht te doen gelden; ook was hij er te traag toe. Hij leefde immers gemakkelijk, hij had zich om niets te bekommeren. --Wat zou je er van zeggen, als ik een vrouw zocht? vroeg hij eensklaps, bij Betsy's aanblik denkend aan de genietingen van een rijk huwelijk. --Een vrouw? O, uitstekend! Wil ik er een voor je zoeken? In welk genre? --Mooi is geen vereischte, maar elegant.... Niet al te naïef en idealistisch!... En geld natuurlijk ... --Natuurlijk. Een dwaasheid uit passie verwacht ik niet van je... Wat zeg je van de Eekhofjes? --Ben je dwaas! Twee gichelende lachebekken! En geen geld, hè? --Men zegt van wel. Anderen beweren, dat ze te groot leven. Enfin je zou kunnen informeeren. Maar sprak je in ernst, Vincent, of voor de conversatie? --Volstrekt niet. Ik geloof, dat ik verstandig deed, als ik trouwde. Keur je mijn plan niet goed? Betsy zag hem doordringend aan, vol geheime minachting. Met zijn doffe oogen, zijn matte gebaren, zijn moede stem scheen hij haar geen ideaal van een echtgenoot voor een jong meisje. --Niet geheel en al. Ik geloof, dat je een gloeiende egoïst bent. Ik geloof ook niet, dat een vrouw veel steun aan je zou hebben. Je bent zwak... ik meen natuurlijk moreel... Zij gevoelde aanstonds berouw over hare woorden, en zij was geërgerd over haar onvoorzichtigheid. Zij huiverde bijna, nu hij haar met zijn geheimzinnigen glimlach aanzag, met zijn zachten, fletsen slangenblik. --En een vrouw heeft altijd steun noodig, hé? sprak hij, syllabe voor syllabe. Jij ook, nietwaar, je steunt op Henk, je laat je heel en al op hem neer, en hij is er sterk genoeg voor... ik meen natuurlijk fyziek... Ieder woord onderschrapte hij als met een hatelijke bedoeling en ieder woord trof haar als een naald in haar, van natuur heerschzuchtig gemoed, maar zij durfde hem niet antwoorden, zij verzonk weg in vrees en lachte slechts goedig, alsof hij een aardigheid gezegd had. En ook hij lachte nu met haar zelfden lach, goedig en zacht, maar vol bedekte wraakzucht. Zij bleven een oogenblik stil, beiden bewust van den strijd onder die uiterlijke vriendelijkheid, en Betsy wist het eerst te zullen moeten toenaderen en begon zacht eenige klachten te uiten over de oude mevrouw Van Raat, die haar altijd verkeerd begreep, en waarmede zij maar nooit zou leeren overweg te kunnen. En terwijl hij onverschillig toeluisterde, zag zij duidelijk in, hoe zij hem verafschuwde, hoe zij hem nu gaarne, na een maand met hem samen geleefd te hebben, het huis zou uitjagen, maar zij wist het: dat zou niet gaan zonder een geweldige scène; hij zou blijven hangen, blijven hangen tot in der eeuwigheid toe, en zij zou geen middel weten om hem te verwijderen. Alles was de schuld van Henk; had heur man Vincent dat ellendige sommetje geld gegeven, zij zou nooit op het idée zijn gekomen hem in huis te nemen. Zij verafschuwde Vincent en zij verafschuwde zichzelve om haar vrees; zij was immers rijk en gelukkig; wat zou hij haar kunnen doen? Maar hoe meer zij redeneerde over dien angst, hoe meer die angst zich vastklemde in haar geest, als een ontzenuwende idiosyncrasie, waarvan zij zich niet wist te bevrijden. Mevrouw Van Raat en Henk kwamen langzaam uit den tuin terug en zij zetten zich in de serre, bij een der open glazen deuren. Maar de oude vrouw was, na een paar frazen over de rozen, stil en peinzend: te midden der weelde van het huis haars zoons overviel haar nu een kilte, een leêgte, die haar melancholiek maakte, nog meer melancholiek dan in haar eigen eenzaam huis. Vroeger had zij dat gevoel toch niet bij haar Henk gekend maar nu was het, of de liefde voor haar zoon geen gloed genoeg gaf om die kille leêgte te verwarmen. En op eens trof haar de waarheid: zij miste Eline, Eline, die overal waar zij zich vertoonde haar liefelijke bekoring uitstraalde, zij miste haar goed kind, zoo geheel anders dan Betsy, zoo hartelijk en sympathiek. En zij kon zich niet weêrhouden met haar treurige stem te zeggen: --Je huis is uitgestorven zonder Elly. Wat zal het zijn, als ze getrouwd is en voor altijd weg. Die lieve Elly. Zij hoorde niet wat Betsy en Vincent antwoordden, zij hoorde niet, hoe Henk ook iets zeide, zij liet haar grijze hoofd neêrzinken op de borst en zij staarde voor zich uit, de geaderde handen gevouwen in den schoot. Het leven scheen haar troosteloos, een grijs bestaan van smart, van scheiden en weenen, waardoor de menschen als tragische schimmen somber en droef ronddwaalden. En zij huiverde, tot Betsy vroeg, of zij het koud vond, en Henk de glazen deuren dichtsloot en het gas liet ontsteken. II. Betsy, al had zij het nooit gezegd, had als haar schoonmoeder, het eveneens, trots Vincent, die "zoo gezellig kon wezen", eenzaam en vervelend in huis gevonden. Men had 's zomers ook zoo weinig afwisseling: het was eeuwig de Tent en eeuwig Scheveningen, het begon haar eindelijk de keel uit te hangen! En nu Eline terug was, stralende in haar frisch geluk, dat een geur van landelijkheid door Betsy's peluche salons verspreidde, nu Eline opgewekt duizend verhalen deed over de Horze, over Théodore en Truus en de kinderen, over de Howards en de Van Rijsseltjes, zag Betsy in, dat mevrouw Van Raat gelijk had gehad, dat Eline de bekoring van haar huis was. Zelve blikte Betsy nu eenigszins angstig het tijdstip, waarop Eline haar verlaten zou, te gemoet en deze angst maakte haar bijna zacht van humeur. Otto, dien zij vroeger te strak en te gepozeerd had gevonden, beviel haar uitstekend, nu dat zij hem vaak zag, want zij had er op aangedrongen, dat hij dikwijls zou komen dineeren. De gesprekken aan tafel werden weder levendig en vroolijk, geheel anders dan de slepende conversaties tusschen haar, haar man en Vincent. Zij was vriendelijk tegen Eline, uit dankbaarheid, dat deze weder de oude gezelligheid deed heersenen, en zij hadden eindelooze beraadslagingen over Eline's uitzet, waarmede zij nu toch moest voortmaken, als zij in het najaar wilde trouwen. Zij sleten haar middagen samen bij naaisters en in winkels; zij reisden samen met Otto eens voor twee dagen naar Brussel, waar Eline haar bruidstoilet wilde bestellen, rijk maar eenvoudig, niets dan wit satijn, zonder kant of strikken. Eline had intusschen, in al deze drukte, weinig tijd tot nadenken, en alleen des avonds kwam zij tot rust. Des avonds bleven zij veel thuis; het was September, Scheveningen verloor langzamerhand zijn aantrekkelijkheid, en nu Otto kwam dineeren, werd het vanzelve laat, zonder dat men het bespeurde. Zij zat met hem samen in den tuin of in het violette kabinetje en zij gewende zich zeer aan haar kalm geluk; het was alsof zij nooit iets anders gekend had... Alles was zoo rustig en tevreden in hare ziel, dat zij bijna naar emoties verlangde.... Maar neen, zij had Otto zoo lief, en deze eene emotie was haar genoeg.... Nooit iets anders, altijd die rust, altijd dat blauw! Toch, zich langzamerhand ook gewennend aan hare oude omgeving, werd zij een weinig stil; haar eerste levendigheid temperde zich, toen de verhalen van de Horze alle gedaan bleken te zijn, en het scheen, of haar waan van landelijkheid zich uitwischte, nu zij niet meer op den grond stoeide met de kinderen, of met Otto in de dennebosschen lag, maar rustig glimlachend, en in een molligen fauteuil op haar aanstaande wachtend, luisterde naar Vincent.... Hij praatte met zijn zachte stem over zijn reizen, over steden en menschen, die hij gezien had, over zijn eigene levensfilozofle, en de uren, dat zij Otto niet zag, werden haar gevuld door het genot, dat zij smaakte in Vincents conversatie. Zijn pessimisme bestreed zij, kalm en als hoogmoedig door haar geluk op hare aardige, onlogische wijze, waarover hij schertsend de schouders ophaalde.... zij zou het zelve ook wel eens ondervinden; men kon zich zijn leven zoo maar niet maken; het een hing af van het andere, alle omstandigheden schakelden zich samen, van het minste schijnbare toevalligheidje af, tot de verpletterendste catastrofe, en het leven was een keten, die het noodlot van al deze toevalligheidjes en catastrofes smeedde.... daar was niets aan te doen.... --Je gelooft dus, dat alles voorbeschikt is, en dat als ik denk mijn eigen wil te volgen.... ja, hoe zal ik zeggen?.... vroeg zij, verward in hare gedachten, toen zij op een namiddag een dergelijk gesprek met hem voerde, in haar kamer. --Je slechts schijnbaar je zin volgt, en het uitvloeisel van dien wil inderdaad het uitvloeisel is van honderdduizenden vooraf gebeurde, zoogenaamde toevalligheden.... Ja, dat geloof ik zeker. --Maar Vincent, wat een fatalisme. Dan vind ik maar het beste om op een stoel te blijven zitten en af te wachten wat komt. --Daar zou je niet zoo kwaad meê doen. Maar wees verzekerd, dat als jij op je stoel bleef, die passieve handeling niet het gevolg zou zijn van je wil maar wel van allerlei kleine oorzaakjes, die je natuurlijk meestal alle zou zijn vergeten of niet zou inzien. Zij dacht vaag glimlachend na en knikte langzaam. --Het is curieus, maar ik geloof toch wel, dat je gelijk zou kunnen hebben; ik voel wel zoo iets, dat het waar kan zijn. Zij had behagen in zulk een gesprek; meestal werd zij het met hem eens. En telkens weêr gevoelde zij voor hem de sympathie, die zij vroeger reeds gekoesterd had; telkens weêr deed hij haar aan heur vader denken, in zijn gezegden, in zijn gebaren, in zijn blik. Zij zag hem interessanter dan hij was, en haar, van natuur romanesk, gemoed vond op één oogenblik in de kalmte harer liefde voor Otto niet meer die voldoening. Als een bliksemschicht flitste deze gedachte door haar brein, slechts gedurende een ondeelbaar oogenblik, en zij schrikte er voor als voor een spook. Maar het spook verdween en zij lachte weêr zacht.... Wat kon zij soms toch zonderlinge, nerveuze fantazieën hebben! --Dus je gelooft.... begon zij weder, nog een weinig verschrikt en den draad kwijt. Hij zag haar glimlachend aan. --Wat? vroeg hij. --Je gelooft, bijvoorbeeld, dat als ik met Otto trouw, dit onvermijdelijk was voorbeschikt. Hij vatte haar zacht bij de hand. --Beste meid, waarom zou je je eigenlijk vermoeien in die uitpluizingen. Je houdt van Erlevoort, je bent gelukkig, stel je daar tevreden meê; het geluk is een kapel: als het om je heen fladdert, moet je het niet zoeken te grijpen om het anatomisch te ontleden, daar is het te broos en te etherisch toe, dan gaat het dood. Zij zag hem verrast aan; hij kon vaak zijn gedachte in zoo een aardigen vorm kleeden, en hij deed het zoo gewoon, zonder poëtische affectatie, alsof hij iets heel eenvoudigs zeide. Het was iets, dat in hem was, en hij wist het nauwelijks, dat hij het deed, onbewust van deze tint van artisticiteit in zijn karakter. Maar toen zij hem zoo verrast aanzag, ontstelde zij hevig. Hij was wit als een lijk geworden en had zich uit zijn stoel opgericht, met starende, verwijde oogen en twee violette doodstrekken om zijn neêrhangenden, kleinen mond.... --Mijn God, Vincent, wat heb je? riep zij eveneens oprijzend. --Niets, ik ben wat benauwd .... toe, doe je raam open ... smeekte hij. --Wil je niets hebben.... water? vroeg zij bevend. --Neen, neen... lucht... smeekte hij weder. Zij stortte op het venster toe, maar heur trillende handen vermochten het niet te openen en zij belde... --Mijn God, mijn God! riep zij. Vincent was flauw neêrgevallen op den Perzischen divan, en hij gleed langzaam van de kussens op den grond; alleen zijn hoofd bleef roerloos tegen den matras aanliggen. Een zweet parelde dik op zijn voorhoofd en een benauwde ademhaling rochelde op uit zijn borst. --Mijn God! gilde Eline radeloos. Zij snelde de deur uit en riep aan de trap: --Betsy, Mina, Henk... Betsy! Vincent... Kom toch! Vincent! Hij sterft, geloof ik... En zij keerde weder terug en belde hevig... Daar hoorde zij beneden stommelen en Betsy vloog de trappen op, gevolgd door de drie meiden, door Gerard, den knecht, en Ben. Henk was uit. --Vincent!... riep Eline haar tegen. Vincent! Hij sterft, geloof ik... Betsy schrikte, maar zij bleef zeer kalm. Zij beval aanstonds Anna de kindermeid, met Ben weg te gaan en stuurde Gerard naar een dokter in de buurt; Reijer zou toch niet thuis zijn. Met Eline en Mina tilde zij Vincent op den divan en Grete vroeg zij om azijn. --Gauw, haast je! beval zij kort. Vincent was roerloos blijven liggen met gesloten oogen en de vale, violette trekken om den mond. Betsy knoopte zijn jas en vest los en deed zijn boord en das af... --Geef ook wat Eau de Cologne, Eline... toe help me dan toch: je weet hoe onhandig ik altijd met zooiets ben! Intusschen handelde zij toch en wreef zij Vincents slapen en polsen met zakdoeken, doorweekt met azijn of Eau de Cologne... Zij vroeg Eline, hoe het gekomen was, en Eline vertelde het: zij hadden eenvoudig zitten praten, en toen was hij in eens opgestaan en zóo neêrgevallen... ze was zoo geschrikt... --Zou hij dood zijn? vroeg zij trillend. --Wel neen.... het is alleen een flauwte; hij heeft het nog eens gehad, toen je op de Horze was. --Nog eens? vroeg Eline met open mond. Betsy antwoordde niet, maar de deur werd zacht geopend en Otto verscheen. --Ik hoorde van Grete... Kan ik je helpen? vroeg hij zacht. --Neen, neen, laat maar.... neem Eline maar meê, ze is zoo geschrikt. --Toe, laat me je helpen! smeekte Eline. --Ach neen, straks komt de dokter, hoop ik, en dan is alles in orde. Ga maar! Otto vroeg, of hij naar Reijer wilde loopen, maar Betsy weigerde en hij voerde Eline weg. Hij kwam van zijn bureau, en zij hadden afgesproken te gaan wandelen, maar hij bracht haar nu naar den salon en deed haar zitten. Zij was zeer geschrikt en zij begon te weenen. --Betsy vertelde, dat hij het meer heeft gehad.... maar ik heb nooit zoo iets gezien... Ik dacht, dat hij dood zou gaan.... Tante Vere had die zelfde trekken om den mond toen zij stierf....! hijgde zij tusschen haar snikken uit. Hij trok haar aan zijn borst en kuste haar voorhoofd. --Kom, lieveling, bedaar nu.... ik geloof ook niet, dat het iets is... Wat ril je.... --Ik ben er zoo zenuwachtig van geworden! Ik.... ik voel me niet meer! O, Otto! Hij klopte haar zacht op heur handje, dat hij hield omvat. --Wees nu maar kalm.... kom.... kom.... --Zoo iets maakt me geheel van streek.... ik kan er niet tegen zoo iets te zien.... Het was, of er iets als zelfverwijt in haar ziel sloop en zij dacht na, of er een verband was tusschen haar laatste woorden tot Vincent en zijn flauwte. Maar zij herinnerde zich hun gesprek niet meer en zij liet zich moê tegen Otto's schouder neêrzinken. --Wat een kind ben ik, hè? murmelde zij nog bevend. Maar heusch, ik kan zoo iets niet zien...: Ik herinner me: vroeger heb ik eens een hond zien overrijden, en ik huiver nog, als ik er aan denk....! --Je bent wat overgevoelig, sprak hij. --O ja, ik ben zoo.... ik ben zoo.... laat me, laat me zoo maar liggen! lispelde zij en vlijde zich dichter tegen hem aan. --Lieveling! fluisterde hij. --Mijn Otto! Mijn man! antwoordde zij smachtend. O ja, ik ben zoo overgevoelig! Wat zal je een last van me hebben.... Ik ben altijd zoo.... Die arme Vincent, hè? --Ja, hij is niet gezond, geloof ik.... Zij bedaarde in zijn kalmte, terwijl zij lang tegen hem liggen bleef. Zij weende niet meer, maar heure oogen stonden vochtig en droevig, want zij dacht na over de bliksemende gedachte van dat ondeelbare tijdstip, dat spook, waarvoor zij geschrikt was, en zij herriep het in haar geest om het goed onder de oogen te zien.... Het mocht nooit meer terugkomen, nooit meer: het had haar zoo doen ontstellen! III. Na het middagmaal, inderhaast gebruikt, toen de dokter uit de buurt reeds vertrokken was, liet Betsy toch Dirk met den coupé naar dokter Reijer rijden, en zoodra deze kwam, ging zij met hem naar Vincent, dien men te bed had gelegd. Zij wist, door de eerste flauwte van Vincent alles wat zij nu te doen had, en zij had hem volgens dokter Reijers aanwijzing zeer laag met het hoofd laten liggen, door kussens onder zijn rug te schuiven. Langzamerhand kwam Vincent bij en opende hij even zijne oogen, maar hij sloot ze aanstonds en dwaalde slechts even met de hand over het dek rond. Dokter Reijer temperde het licht in de kamer en hij beval de grootste rust aan, zoowel in het vertrek als in het geheele huis. --Het is toch niet gevaarlijk, wel dokter? vroeg Betsy beneden in den salon, waar Eline, Otto en Henk waren. --Niet onmiddellijk, mevrouw! antwoordde Reijer, die haast had, en zijn eleganten demi-saison dichtknoopte. Maar u begrijpt, zoo tweemaal in betrekkelijk korten tijd... het prouveert niet voor meneer Vere's gestel. Hij schijnt me zeer anemiek, zeer, zeer zwak.... Rust, zooals ik u zeide, nietwaar.... Heeft u de familie Ferelijn reeds gezien. Ze zien er uitstekend uit, allemaal, de kinderen ook.... Een allerliefst vrouwtje.... Nu, adieu, ik mag zeker nog van uw equipage profiteeren. Adieu; adieu; blijft u binnen, meneer Van Raat.... Anna, de kindermeid, ging bij Vincent waken. En het bleef zeer stil in huis, terwijl Henk zijn dutje maakte en Betsy zelve, opdat er geen rumoer door Mina's onhandigheid zou ontstaan, Ben naar bed bracht. Otto en Eline waren alleen in het boudoir. --Ben je nu weêr kalm? vroeg hij zacht, terwijl zij op een kussen aan zijn voeten ging zitten en haar hoofd tegen zijn knieën leunde. Zij haalde diep adem en knikte van ja. Zoo, bij hem, voelde zij zich veilig en rustig, en dacht zij er niet aan zich rekenschap te geven van hare gedachten, die een weinig warden in haar brein. Vincents plotselinge ziekte; hun gesprek dat haar maar niet goed voor den geest kwam: haar medelijden voor dien neef, die haar heur vader deed herdenken.... Zij wilde nu niet aan dat alles denken, zij wilde nu slechts gelukkig zijn, bij haar Otto.... --Bij jou ben ik altijd kalm, bij jou heb ik het altijd zoo goed. --Maar je zegt me wel eens, dat je soms zonder reden nerveus bent, en.... en melancholiek, geloof ik, ook, niet? Natuurlijk, nu ben je getroffen, nu was er wel reden voor... Maar als je nu eens zoo zenuwachtig wordt zonder reden, zal je dan ook bij me komen? --Natuurlijk.... --Zal je dan bij me komen, en me alles vertellen, wat je maar vertellen kunt, en vertrouwen in me stellen, omdat ik van je hoû en altijd zal probeeren je weêr op te heffen uit die buien? Zal je dat? Beloof je me dat? --Ja, natuurlijk.... Vroeger had ik niemand dan Henk, bij wien ik dan wel eens mijn troost zocht, maar ik geloof niet dat hij me begreep, hoewel hij altijd heel vriendelijk was.... Maar nu heb ik jou.... Zeg, Otto, geloof je ook niet, dat je maar eens in je leven heusch van iemand houdt? Zie je, heusch houden, niet maar zoo eens verliefd zijn, voor een oogenblik.... Dat heb je wel eens meer, geloof ik.... Jij niet? --Nu niet! antwoordde hij glimlachend. --Dan ben je het ook met me eens.... Van mij hou je, op mij ben je nu niet zoo een beetje verliefd, omdat ik er aardig uitzie.... In het eerst begreep ik nooit waarom je van me hieldt, maar nu wel: het is omdat, omdat.... ach ik weet het niet, ik kan het niet zeggen.... en toch voel ik het zoo goed: ik ben nu alles voor je, niet? Maar toen je mij van den winter dien waaier gaf, dien waaier van Bucchi.... hoe hieldt je toen van me, zeg! Hij liet haar zachtjes voortkeuvelen, aan zijne voeten en hij antwoordde met een kus op heur haar. Zij wist het, dat zij het hem kon beloven: vertrouwen, volslagen vertrouwen; hij zou haar begrijpen en hij zou haar weêr gelukkig maken, ieder oogenblik, dat zij het niet zoude zijn. Maar eindelijk, na het gekeuvel, was zij moê, zoo moê van haar schrik, van al die emoties, en zij sprak niet meer en neuriede slechts een weinig, tot zij in de avondschemering, die tusschen de zware gordijnen viel, insliep, steeds met het hoofd op zijn knie. Hij verroerde zich niet, maar bleef onbeweeglijk op haar staren en voor het eerst sedert hij haar liefhad, rees iets als een twijfel in hem op, of alles wel worden zou, zooals hij het zich voorstelde. Een droeve weemoed straalde uit zijn blik die onafgewend op haar rusten bleef en hij gevoelde nu, dat, hoe gelukkig men was, het geluk altijd vermengd werd met een droppel alsem, al vloeide die ook slechts uit eigen overpeinzingen en eigen vertwijfelingen er in. Hoofdstuk XXI. I. Georges De Woude van Bergh studeerde druk voor zijn examen voor vice-consul, en Emilie was, op een goeden dag, naar de Verstraetens getogen en had een lang gesprek gehad met meneer en mevrouw, terwijl Lili, zeer zenuwachtig en ongelukkig, door Marie en Frédérique was getroost geworden. Emilie had zich schertsend verontschuldigd over het weinig ceremoniëele van haar bezoek, maar, waarlijk, haar oude vader was ziekelijk en ging nooit uit en zij nam hem alles uit handen, tot zelfs een verzoek om acces voor zijn zoon. O, zij was het nog volstrekt niet met Georges eens, dat men leven kon zonder geld, en zij begreep zeer goed, dat meneer en mevrouw Verstraeten ook nogal bezwaar in zoo een levensopvatting zagen, maar enfin, de jongen had toch een toekomst, nietwaar, en de kinderen schenen nu hunne zinnen zóo op die dwaasheid gezet te hebben, dat men er die toch niet uit zou praten. Het kwam er nu maar hier op aan: hadden meneer en mevrouw iets tegen zijn persoon, of wilden zij de kinderen toestaan van elkander te houden en te wachten, tot zij samen de wereld konden ingaan, zonder al te groote waarschijnlijkheid, dat zij van honger zouden omkomen? Zouden meneer en mevrouw zich op een gegeven oogenblik van Lili kunnen scheiden? En was het antwoord gunstig en geen bepaald refus, hoe zouden zij dan de zaak willen opvatten? Een bepaald engagement, of alleen een... enfin, een verbinding des harten zonder meer? Het was zeker niet goed van de kinderen, dat ze zich een weinig geafficheerd hadden, en dat de heele stad er van wist, maar het waren twee onbezonnen schapen en ze zouden mettertijd wel voorzichtiger worden. De vraag was nu maar.... en Emilie precizeerde haar vragen nogmaals op haar vrijmoedige, levendige, joviale manier, slechts inwendig een weinig ongerust over het antwoord, dat komen zou. En mevrouw Verstraeten zuchtte en schudde bedenkelijk het hoofd, maar meneer had tot Emilie's blijdschap niet al te veel onoverkomelijke bezwaren. Maar bezwaren; hij had ze... Lili was nog zoo jong, nog zoo een echt kind; was het niet beter, dat ze zich nog niet bond en liever eens rond bleef kijken, of de ware Jacob niet ergens anders school? Hij mocht De Woude heel gaarne: hij had ook wel gemerkt, dat er een degelijk fond in den jongen zat, maar toch: waren zijne optimistische, financiëele overwegingen niet al te veel gebazeerd op zijne verliefdheid? Had hij niet inderdaad meer behoeften, dan hij nu, wellicht in zelfverblinding en dweperij, voorgaf? Hij was toch gewend aan zekere luxe, aan uitgaan. Emilie hoorde schijnbaar oplettend toe, innerlijk ten volle overtuigd van al die bezwaren, die zijzelve eens geopperd had, maar nu, nu had zij zich tot de dwaasheid van dit bezoek laten verleiden, en nu wilde zij ook haar jongen niet afvallen; nu wilde zij het laten voorkomen, of al die bezwaren alleen bij den heer Verstraeten bestonden en bij niemand anders, en nu zou zij trachten ze te weêrleggen. Zoo ging het: als men eens iets dols deed, verviel men van de eene dwaasheid in de andere, en zij zou nu moeten redeneeren tegen haar eigen gevoelen in. Het was een moeilijke taak, al kon zij nog zoo goed praten, en het was misschien tot het ongeluk van haar Georges, dat zij zoo pleitte, maar ach, de jongen was zoo verliefd, en misschien had hij het toch wel aan het rechte eind! Zij was ook niet een orakel, en er waren wel meer huishoudentjes, die het krap hadden, kleine ambtenaartjes, eerste luitenants... Neen, neen, au fond vond ze zich toch bespottelijk, maar er was niets, niets meer aan te doen! En terwijl ze pleitte voor Georges, was zij innerlijk woedend, dat hij haar zóo ver gebracht had. Kon zij dien jongen dan niets weigeren, en moest zijzelven medewerken tot zijn verderf? Maar zij hield woord, zij viel hem niet af, en zij pleitte zoo goed, dat mevrouw Lili ging halen, die zeer weende en Emilie herhaaldelijk kuste. Van een engagement zou echter nog geen sprake zijn; mevrouw hield niets van zoo'n armelui's-engagement, dat wel jaren duren kon, en Emilie praatte Lili voor, dat de verbintenis des harten, gesanctioneerd door haar ouders, reeds heel veel beteekende in de gegeven omstandigheden. Het was toch ook beter zóo, nietwaar; bevielen zij elkander niet bij nadere kennismaking, dan werd er nog niets verbroken dan een platonische band, en bevielen zij elkander meer en meer, welnu, dan des te beter. Kom, zij moest het maar niet al te donker inzien, er was werkelijk nogal een beduidende overwinning behaald op die ompantserde ouderharten en... wat wilden ze dan toch eigenlijk meer?