The Project Gutenberg EBook of Schetsen uit de Indische Vorstenlanden, by 
Louis Rousselet

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Schetsen uit de Indische Vorstenlanden
       De Aarde en haar volken, 1873

Author: Louis Rousselet

Release Date: April 1, 2006 [EBook #18098]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SCHETSEN UIT DE INDISCHE ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






[41]

Schetsen uit de Indische Vorstenlanden.

Balkon van de groote moskee te Sirkhej.

Balkon van de groote moskee te Sirkhej.

Op het eiland Java bestaan—het zal niemand onder onze lezers onbekend zijn—nog twee zoogenoemd zelfstandige staten: het keizerrijk van Solo of Soerakarta, de ruïne van het eenmaal zoo machtige rijk van Mataram; en het rijk van Djokjokarta. De landstreken aan het gezag van den Soesoehoenan of keizer van Soerakarta en den sultan van Djokjokarta onderworpen, worden met den naam van Vorstenlanden aangeduid, ter onderscheiding van de gewesten, die rechtstreeks onder het bestuur der nederlandsche regeering staan. Toch is de onafhankelijkheid dezer beide inlandsche staten inderdaad niet veel meer dan een schijnbeeld: de keizer en de sultan zijn niet anders dan vasallen van het nederlandsche gouvernement, dat aan hun hof door een resident vertegenwoordigd wordt, zonder wiens goedvinden de bijkans machtelooze heerschers, hoe ook met alle uiterlijke teekenen en huldebetooningen der souvereiniteit omringd, niet veel vermogen. Soortgelijke toestanden bestaan ook, en op grooter schaal en in rijker afwisseling, in het reusachtige britsch-indische rijk, dat metterdaad geheel Hindostan met een deel van Achter-Indië omvat. Ook dit bijkans onmetelijke gebied is niet geheel aan de onmiddellijke heerschappij van den engelschen landvoogd onderworpen: uitgestrekte landen, koninkrijken en vorstendommen, hebben tot dus ver nog eene zekere mate van onafhankelijkheid en zelfstandigheid weten te bewaren, en worden nog altijd door hunne eigene Vorsten geregeerd; schoon al deze Vorsten, in meerdere of mindere mate, aan de opperhoogheid der britsche kroon zijn onderworpen, of althans door verdragen zoogenaamd tot bondgenooten, inderdaad tot vasallen, van Engeland zijn gemaakt. Het zijn deze landen, koninkrijken en vorstendommen, die wij met den naam van indische Vorstenlanden wenschen aan te duiden: een naam, gewettigd door de gelijkheid van toestand hier met dien op het eiland Java.

Nog onlangs hebben wij den franschen reiziger L. Rousselet vergezeld bij zijn bezoek aan het hof van een dezer inlandsche Vorsten, den Guikowar of koning van Goezerate, die te Baroda zijn zetel heeft.1 Wij waren daar getuigen van de eigenaardige gebruiken en de schitterende weelde van een indisch hof; en hadden tevens gelegenheid, zij het ook slechts van ter zijde, een blik te werpen op de innerlijke toestanden des lands en de regeering van den Rajah. Wij durven vertrouwen dat het verhaal van den heer Rousselet een gunstigen indruk heeft achtergelaten, zoodat het voorstel om hem ook op zijn verderen tocht door de indische vorstenlanden te vergezellen, onzen lezers niet onwelkom zal zijn.

I.

Van Baroda begaf ik mij naar Ahmedabad, de aloude hoofdstad der sultans, eene der prachtigste steden van het Oosten. Wij kwamen daar den 5den December aan, en namen onzen intrek in een uitmuntend ingerichte bungalow. Zulk een bungalow is eene voortreffelijke instelling, voor de reizigers van onschatbare waarde. In alle steden, waar het bezoek en verblijf van Europeanen van te weinig beteekenis is, om de partikuliere ondernemingszucht tot het bouwen van hotels [42]uit te lokken, is namelijk van regeeringswege een nette en eenvoudige bungalow, een soort van landhuis of villa, ingericht, waar de reizigers op hun gemak kunnen logeeren, tegen betaling van een roepy per dag. Daar al de vermogende inboorlingen, en ook de meeste Anglo-Indiërs, op hunne reizen voor het minst door één bediende vergezeld worden, is de peon (kastelein) van de bungalow verplicht, zijne keuken te hunner beschikking te stellen, en hun, tegen een matig gestelden vasten prijs, al de levensmiddelen te bezorgen, waaraan zij behoefte hebben. Zij, die geen kok in hun dienst hebben, kunnen zich door een aan het logement verbonden hofmeester of mess-man, overeenkomstig hun verlangen, hunne maaltijden laten bezorgen; mede volgens een vast tarief, dat in alle kamers is opgehangen.

Ahmedabad werd in 1426 door den Sultan Ahmed-Shâh gesticht, op dezelfde plaats, waar vroeger eene oude indische stad had gestaan. Hoogstwaarschijnlijk gebruikte de sultan de puinen van de door hem verwoeste steden Khandravati en Anhilwara-Patan voor den bouw der paleizen en moskeeën van zijne nieuwe hoofdstad, die weldra door den rijkdom en de pracht harer monumenten door geheel het Oosten beroemd zou worden. Want ook de opvolgers van Ahmed-Shâh waren met dezelfde liefde voor de schoone kunsten bezield; en daar zij zelf van hindoesche afkomst waren, behielden zij ook voor de heiligdommen hunner nieuwe mohammedaansche eeredienst den eigenaardigen bouwstijl des lands: een stijl, die zich door zijne oorspronkelijkheid en zuiverheid zeer gunstig onderscheidt van den zoogenaamden sarraceenschen stijl, die tegelijk met de Mongolen in Indië doordrong en daar bijkans de overheerschende werd.

Omstreeks 1570 viel de stad in de macht der Groot-mogols, en werd zij tot hoofdplaats van eene der bloeiendste provinciën van het machtige rijk verheven. Toen het zoogenaamde mongoolsche rijk ten ondergang neigde, maakte Damasji Guikowar, ten jare 1737, gebruik van de toenemende machteloosheid der keizerlijke regeering, om Ahmedabad met de daarbij behoorende landstreek bij zijn eveneens op de puinen van het keizerlijk gestichte koninkrijk van Baroda in te lijven. Zijne opvolgers behielden de stad tot 1818, toen zij aan de Engelschen overging, aan wie zij nu nog behoort.

Een gordel van zware hooge muren, meer dan zeven kilometers in omtrek, omringt de stad; torens en bolwerken geven haar een nog indrukwekkender voorkomen. Naar men zegt, zijn deze werken aangelegd door den sultan Mahmoed Begarha, omstreeks het einde der vijftiende eeuw. Achttien monumentale poorten geven toegang tot de stad, die weleer eene overtalrijke bevolking binnen hare wijde wallen herbergde; tegenwoordig strekken zich tusschen de eigenlijke stad en den wal groote tuinen en onbebouwde velden uit; zij heeft zich als het ware saamgetrokken in haar al te ruimen steenen mantel; hare verschillende wijken zijn thans door niet veel meer dan honderd-vijftig-duizend zielen bewoond. Maar ook nu nog, hoezeer van haar vroegeren luister vervallen, maakt de vroolijke, ruime, volkrijke stad een aangenamen indruk; overal vindt ge prachtig geboomte, dat tot midden in de stad heerlijke lanen vormt; en de statige overblijfselen van den ouden tijd zien er minder eenzaam en verlaten uit te midden dier schilderachtige wit gepleisterde huisjes en hutten, zoo bevallig om de ernstige bouwvallen gegroept.

Zoo ge het indische leven te Ahmedabad in al zijne verscheidenheid wilt bestudeeren, begeef u dan naar de prachtige breede straat Manik-Shauk, het middelpunt van den handel en de bedrijvigheid der stad. Daar worden de verschillende markten gehouden; daar zijn de bazars, en daar ook kunt ge de prachtige typen dier zwervende Radsjpoeten, Katis en Bhattis bewonderen, die uit de nabijgelegen halfwilde landstreken naar Ahmedabad komen, en zooveel bijdragen tot het bij uitnemendheid schilderachtig karakter harer openbare markten en bazars. Kameelen en olifanten bewegen zich met afgemeten stap te midden der bontgekleurde luidruchtige menigte, waaronder de engelsche sipayers, in hunne eenvoudige uniform, zooveel mogelijk de orde bewaren. De drukke, levendige straat, de voornaamste der stad, begint bij den hoofdingang van het oude paleis der voormalige onder-koningen, dat door zijne zware torens aan een middeleeuwsch kasteel doet denken, en dat tegenwoordig tot strafgevangenis is ingericht, waar duizende veroordeelden zich onledig houden met het vervaardigen van tapijten, grove stoffen en papier. Men treedt dit voormalige paleis binnen door eene prachtige moorsche poort, waaronder zich een wachthuis bevindt. De tegenwoordige bestemming van het gebouw laat niet meer toe, over de vroegere heerlijkheid dezer vorstelijke residentie te oordeelen; de ruime zalen zijn, op last der engelsche inspecteurs, zoo herhaaldelijk met witkalk overstreken geworden, dat alle sporen van voormalige versiering geheel zijn verdwenen.

Dit kasteel is met de Bâdre of citadel verbonden door eene lange reeks van gebouwen, eertijds tot huisvesting bestemd voor het talrijke garnizoen, dat de sultans in hunne hoofdstad onderhielden. Deze citadel bevat niet veel merkwaardigs: eenige ruime binnenplaatsen, vroeger tot tuinen aangelegd en tegenwoordig door leelijke engelsche barakken ontsierd; eenige zuilengangen, en een reusachtig bolwerk: dat is nagenoeg alles. Men vergeet ook nooit, den bezoeker opmerkzaam te maken op eene oude schijf, boven eene der poorten geplaatst, en waarop nog duidelijk de sporen van pijlpunten te herkennen zijn. Wanneer, in den ouden tijd, de sultan eene belangrijke reis of een krijgstocht zou gaan ondernemen, moest een ervaren schutter die schijf trachten te treffen; trof de pijl het wit niet, dan werd de onderneming opgegeven, of althans tot gunstiger gelegenheid uitgesteld.

Op korten afstand van het paleis, verheft zich dwars over de straat Manik-Shauk, een prachtige triomfboog die, naar de drie bogen van moorschen stijl, den naam draagt van Tin Durwazé, de Drie poorten; dit gebouw is een der bevalligste monumenten van de architectuur der zestiende eeuw. Aan gene zijde van den triomfboog verrijst de Jumah-Moesjid, de voornaamste moskee, de roem van Ahmedabad. Het opschrift aan den hoofdingang meldt u, dat de sultan Mahmoed-Shâh Begarha, de Stedendwinger, deze moskee heeft gebouwd met de puinen van de tempels der ongeloovigen, in het jaar [43]der hedsjrâh 827. Voor het eigenlijke gebouw strekt zich een ruime, geplaveide hof uit, aan drie zijden door zuilengangen omgeven. De voorgevel prijkt met drie hooge poorten, die u vergunnen een blik te werpen in het ruime heiligdom, waarvan het gewelf door eene menigte zuilen gedragen wordt. Ter wederzijde van den middelsten ingang verheffen zich twee slanke, uiterst sierlijk bewerkte minarets, maar waarvan de spitsen in 1818, ten gevolge eener aardbeving, naar beneden zijn gestort. Bij het binnentreden van het ruime bedehuis, gevoelt ge u onwillekeurig door bewondering aangegrepen bij een blik op die lange reeksen gebeeldhouwde pilaren; de koepels rusten op eene galerij van kleine, massieve zuilen, waardoor een stroom van licht in den tempel valt. Het volstrekte gemis van beelden, het groote aantal en de eigenaardige versiering der kolommen, geven aan deze moskee, die u aan een hindoe-tempel denken doet, een hoogst merkwaardig karakter. In het midden van de moskee, tegenover den tabernakel, waarin de Koran bewaard wordt, bevindt zich een groote marmeren zerk, waaronder, volgens de overlevering, het afgodsbeeld begraven ligt, dat vroeger in den heidenschen tempel, waarvan deze moskee de opvolger is, werd aangebeden. Nabij de moskee staat de vorstelijke basiliek, waar, onder marmeren troonhemels, de stoffelijke overblijfselen der Sultans Ahmed, Mohammed en Koutub Oudin rusten; in hunne nabijheid sluimeren hunne echtgenooten en afstammelingen. Al deze graftomben munten uit door sierlijke bewerking; zij prijken met prachtig beeldwerk en somwijlen met schitterende mozaïeken.

Nog heden ten dage telt Ahmedabad meer dan vijftig moskeeën en eene menigte grafmonumenten, die allen eene bijzondere studie waard zijn. Geen andere stad van Indië kan op zulk een rijkdom van dergelijke gedenkteekenen roemen. Deze moskeeën verheffen zich doorgaans, te midden van tuinen en boomgaarden; op hooge steenen terrassen, vanwaar zij de omringende huizen als met vorstelijke fierheid beheerschen. Die plaatsing is bij uitnemendheid geschikt om de schoonheid der bogen, der koepels en minarets te doen uitkomen, die zich nu, in al de zuiverheid hunner lijnen, afteekenen tegen het diepe blauw van den helderen indischen hemel.

Eenige dagen na onze aankomst, was ik des morgens uitgereden, om de frissche, geurige ochtendlucht in te ademen, toen ik eensklaps op den weg voor mij uit een stofwolk zag oprijzen, die snel naderde. Ik had nauwelijks den tijd ter zijde te gaan, toen vijf of zes open rijtuigen, van antieken vorm, mij voorbijsnelden, waarin eenige inlanders zaten, die ik aan hunne van goud schitterende tulbanden als lieden van aanzien herkende. De rijtuigen werden gevolgd door een troep ruiters van een wild, fantastisch voorkomen, met lange golvende baarden en lansen in de hand, gezeten op groote, prachtig opgetuigde paarden. Dit alles schoot mij, als een wervelwind, voorbij. Werktuigelijk groette ik, en zag nog even hoe mijn groet door een der reizigers werd beantwoord. Ik was zeer nieuwsgierig om te weten, wie deze vreemde gasten wel mochten zijn, en spoedde mij naar de bungalow terug. Daar vond ik de binnenplaats geheel ingenomen door onbekende ruiters, die er hun bivak hadden opgeslagen; overal brandden vuren; de paarden stonden op eene rij vastgebonden; en in een hoek zag ik de met stof overdekte gala-rijtuigen. Nu vernam ik dat de nieuw aangekomen gast, die zooveel opschudding veroorzaakte, geen minder personage was dan do prins Monti-Singh, zoon van den Rajah van Marwar. De ruiters van zijn gevolg waren Radsjpoeten van den stam of clan Rhatore, een der meest bekenden van de indische woestijn.

Den volgenden morgen zond ik mijn khansamah, voor deze buitengewone gelegenheid tot de waardigheid van tsjoebdar, gezant of heraut, verheven, om den hoogen vreemdeling onzen welkomstgroet aan te bieden. De prins beantwoordde de beleefdheid, door mij een deurwaarder of kamerdienaar met gouden staf te zenden, die, na de gebruikelijke begroetingen en plichtplegingen, mij mededeelde dat Zijne Hoogheid mij nog dien zelfden dag zou ontvangen. Op het bepaalde uur begaf ik mij met mijn reisgenoot naar den prins, die ons in eene ruime zaal afwachtte, waarvan vier stoelen en een tapijt het gansche ameublement uitmaakten. Monti-Singh ontving ons zeer vriendelijk en reikte ons de hand; hij zette zich tusschen ons beiden neder, en begon een gesprek in het engelsch, dat hem blijkbaar groote inspanning kostte. Ik maakte aan die kwelling een einde, door hem in het hindi te antwoorden; zeer in zijn schik, dat ik de taal zijns lands sprak, begon hij nu met groote levendigheid te praten. Hij verzekerde mij dat zijn vader, de Koning van Marwar, zich zeer gelukkig zou achten, indien hij ons aan zijn hof mocht ontvangen, en dat de bekende gastvrijheid der overige radsjpoet-vorsten ons overal eene gulle en hartelijke ontvangst verzekerde. “Een europeesch reiziger,” zeide hij, “is bij ons bijna eene onbekende zeldzaamheid; de eenige Europeanen, die wij nu en dan onder ons zien, zijn, behalve de gezanten van den onderkoning, enkele officieren, die naar hun garnizoen gaan of naar Bombay terugkeeren. Voor zoover ik weet, is er althans nog nooit een Franschman te Jhodepoor verschenen.”—Hij gaf mij daarop zeer uitvoerige en nauwkeurige inlichtingen omtrent de beste manier, waarop ik de reis zou kunnen doen, en de bezwaren die ik daarbij zou hebben te overwinnen: mij tevens zeer sterk aanradende mijn weg te nemen over Deesa, Sirohi, en Jhodepoor, in plaats van het land der Bhîls te bezoeken en over Oodipoor te gaan. Maar ten aanzien van dit punt stond mijn besluit vast; ik bepaalde er mij dan ook toe, hem te beloven dat ik mijn best zou doen om over Ajmeer naar Jhodepoor te reizen.

Prins Monti-Singh is de veertiende of vijftiende van de talrijke zonen van den ouden Rajah van Jhodepoor, Tukt-Singh. Deze aartsvaderlijke monarch bezit een vrij uitgestrekt rijk, maar dat meer woestijnen dan bebouwbaar land bevat; toch is zijne hoofdstad eene der fraaiste steden van Radsjpoetana, en zijn zijne inkomsten verre van onaanzienlijk. Monti-Singh sprak met veel geestdrift over de wildrijke vlakten van zijn vaderland, en gaf mij de verzekering dat, zoo ik kwam, te mijner eer schitterende jachtpartijen zouden worden [44]aangelegd. Zijne fijne en sprekende trekken, zijne lichte gelaatskleur en zijn lange baard deden hem dadelijk als een echten Radsjpoet kennen: zijne eenigszins verwijfde houding en manieren en zijne zeer diplomatieke wijze van spreken maakten echter op mij geen gunstigen indruk. Ik vernam later, dat mijne vermoedens te dien aanzien in geene deele ongegrond waren.

Samboe-Singh, Maha-Rana van Oodipoor.

Samboe-Singh, Maha-Rana van Oodipoor.

Van de weinige dagen, die mij nog voor ons vertrek van Ahmedabad overschoten, maakte ik gebruik om de omstreken te bezoeken, die niet alleen heerlijk schoon zijn, maar ook rijk aan historische herinneringen. Een mijner eerste uitstapjes bracht mij naar Sirkhej, de aloude zomerresidentie van Sultan Ahmed, acht mijlen (kilometers) van de stad verwijderd. Te vier uur in den morgen van onze bungalow vertrokken, bereikten wij, bij het opgaan der zon, de oevers van de Soebermoetti, het bevallige riviertje, dat de wallen van Ahmedabad bespoelt. Onze bedienden hadden, met het weinige dat wij verder mede namen, plaats genomen op een kleinen wagen door een os getrokken, die de rivier zou doorwaden. Het water was laag, maar de stroom was nog zoo sterk, dat ik inderdaad vreesde dat de wagen zou worden medegevoerd. Toen ik met mijn paard gelukkig de overzijde bereikt had, bleef ik een poos het prachtige landschap gadeslaan, waaraan de indische wintermorgen, nieuwe bekoorlijkheid bijzette. De rivier schitterde en fonkelde in het rijzende licht; gansche zwermen van watervogels vlogen, zwevende, rijzende en dalende, over de kalme oppervlakte; aan den anderen oever teekende zich, schemerachtig, half in een wazigen, blauwachtigen nevel gehuld, de lange lijn der wallen en vestingwerken. De lucht was, ondanks de zon, frisch en koel, en verkwikte en versterkte mij. Niets bijna is met deze wintermorgen in Indië te vergelijken: hij is even heerlijk als een lentedag in Europa; maar de eigenaardige, [46]grootsche pracht dezer door de natuur zoo rijk begunstigde streken geeft aan alles eon onuitsprekelijk karakter van schoonheid en verhevenheid.

Ons kamp bij Raypoer.

Ons kamp bij Raypoer.

Nadat onze wagen veilig op den oever was geraakt, zetten wij onze paarden in galop en sloegen den weg naar Sirkhej in. Wij volgden een zandpad, nu en dan met gras begroeid, en ter wijderzijde omzoomd door hooge cactussen, door dwerg-vijgeboomen, geheel behangen en omwikkeld met convolvulussen en andere bloeiende lianen. Honderde fraaie, zilvergrijze tortelduiven vlogen bij onze nadering weg, en lieten dat eigenaardig geluid hooren, dat op een kort afgebroken lach gelijkt; schitterend gekleurde papegaaien vervulden de lucht met hunne schelle kreten, en overstemden bijna geheel het liefelijk gekweel der oostersche nachtegalen, dat ons uit de naburige boschjes tegenklonk. Eeuwenheugende reusachtige boomen spreidden hier en daar hunne breede armen beschermend uit over de in hunne schaduw wegduikende spitse koepels der witte grafmonumenten: liefelijkheid en statige ernst waren in dit landschap op het schoonste vereenigd.

Na een rit van een goed half uur bereikten wij eene tamelijk eentonige, maar welbebouwde vlakte, op eenigen afstand door de heuvelen van Sirkhej, op wier toppen zich de lijnen der monumenten tegen den helderen achtergrond afteekenen, begrensd. Vroeger nam de Soebermoetti haar loop langs den voet dezer heuvelen; hare uitgedroogde bedding, met fijn los zand gevuld, was nu een rijweg, waardoor onze paarden met moeite voortzwoegden. Aan den rand dezer bedding verheffen zich twee hooge torens, waarvan het onderste gedeelte zeer veel door het water geleden heeft, en die vroeger den hoofdingang vormden der vorstelijke residentie. De weg is hier nog met groote zerken geplaveid, en boven het hoofd van den bezoeker zweven dreigend stukken van half vernielde gewelven.

Wij begaven ons naar de moskee, het eenige nog bewoonbare gedeelte van het voormalige paleis. De zware deur was gesloten; ik steeg van mijn paard, en deed herhaalde malen den zwaren ijzeren klopper nedervallen, die nog zijne oude plaats behouden had. Eene diepe, ongestoorde stilte heerschte in het ronde; ettelijke duiven, door het gerucht dat wij maakten verschrikt, vlogen in wijde kringen boven onze hoofden heen en weder. Na verloop van eenige minuten hoorde ik grendels wegschuiven, en spoedig daarop werd de deur geopend door een klein oud manneke, met een langen witten baard en een wonderlijk voorkomen. Hem was de bewaking van het heiligdom toevertrouwd; hij ontving ons met groote vriendelijkheid.

Wij traden op een ruim, geplaveid binnenplein, door portieken en galerijen omgeven, en waarop zich in het midden een zwaar gebouw verhief, met een vergulden koepel gekroond. Daar rusten, in eene reliekkast van massief zilver, de overblijfselen van Sheik Ahmed Gunj Boekeh, den biechtvader van Sultan Ahmed, en den hooggeëerden beschermheilige van Sirkhej. Zijn graf is eene zeer druk bezochte bedevaartsplaats voor al de Muzelmannen uit den omtrek; en twee malen in het jaar is deze ruime binnenplaats opgevuld met pelgrims. Voor dit monument staat eene kiosk, wier zestien slanke kolommen negen koepels dragen: zeker een der fraaiste en sierlijkste gebouwen in den eigenaardigen indo-muzelmanschen stijl.

Aan de linkerzijde van de binnenplaats geeft eene fraaie portiek den toegang naar de graven der Ranis of koninginnen: ruime kamers, wier gewelven door zware pilaren worden getorscht; de wit marmeren graftomben staan in afzonderlijke kapellen, die door sierlijk bewerkte steenen balustraden zijn afgesloten. De aanblik dezer ruime luchtige vertrekken is inderdaad schoon en indrukwekkend; maar evenals bij alle mohammedaansche graven, treft u ook hier de volstrekte afwezigheid van iedere ernstige, tot droefheid of weemoed stemmende gedachte. Groote vensters, met balkons versierd, laten het licht vrijelijk binnenstroomen, en gunnen u tegelijk een blik op den schoonen vijver, die zich aan den voet der moskee uitstrekt. Een breede trap, die naar den vijver afdaalt, scheidt deze vertrekken van eene andere reeks nog grooter en fraaier zalen, waar zich de tomben van een aantal sultans bevinden, onder anderen van den beroemden Mahmoed Begarha.—De andere zijde van de binnenplaats wordt geheel ingenomen door eene groote moskee, die, naar men zegt, getrouw naar de beroemde moskee van Mekka gevolgd is. Ik heb deze laatste nooit gezien, maar betwijfel het toch zeer of er werkelijk veel overeenkomst bestaat tusschen het groote arabische heiligdom en dit monument in indischen stijl.

De vijver, die tegenwoordig droog ligt, beslaat eene oppervlakte van bijna eene mijl in het vierkant; ten tijde van Ahmed was deze vijver een der wonderen van Indië. De eene zijde wordt geheel ingenomen door de moskee en de daaraan grenzende gebouwen; aan de drie andere zijden rijzen reusachtige trappen omhoog, weleer door prachtige paleizen gekroond. Twee daarvan zijn nog in wezen: het paleis van Ahmed en de harem. De hooge, met zuilenrij en en beeldwerk versierde gevels schenken aan deze gebouwen een karakter van grootschheid, dat men in de latere muzelmansche bouwgewrochten in Hindostan maar al te zeer mist. Uit deze paleizen voerden onderaardsche tunnels naar den oever van den grooten vijver. Aan een der hoeken is nog eene monumentale sluis, waardoor het water van de Soebermoetti in het wijde bekken gevoerd werd.

Ons tweede bezoek gold het grafmonument van Shâh Alloem, op twee mijlen afstands van Ahmedabad, te midden van eene menigte tomben, moskeeën, paleizen en tuinen. Het mausoleum zelf is met een hoogen koepel gekroond, en bevat verschillende zalen; in eene daarvan staat de porfieren graftombe van Shâh Alloem. Deze zaal is met inlegwerk van parelmoer versierd; kleine openingen, met fijn gebeeldhouwd steenen lofwerk gesloten, laten slechts een schemerachtig licht doordringen, dat eene fantastische uitwerking doet. De aangrenzende groote moskee, een langwerpig op zuilen rustend gebouw, verrijst op een hoog terras; vanwaar men een prachtig vergezicht heeft. De beide minarets zijn nog ongeschonden in wezen.

De omstreken van Ahmedabad zijn zoo rijk aan merkwaardigheden van allerlei aard, dat het wel niet anders kan, of men gaat hier bijna achteloos monumenten [47]voorbij, die elders onmiddellijk uwe aandacht trekken en uwe bewondering opwekken zouden. Datzelfde is het geval te Delhi; maar daar hebben onderscheidene machtige volksstammen en doorluchtige vorstengeslachten de sporen hunner heerschappij en grootheid nagelaten; hier dagteekenen al deze kunstgewrochten en verbazende scheppingen uit de betrekkelijk korte periode der regeering van enkele vorsten in de vijftiende eeuw.

De engelsche stad ligt te Ahmedabad op ongeveer vier mijlen afstands van de indische, waarmede zij door prachtige dreven en lanen van hoog geboomte verbonden is. Zij ligt in eene ruime vlakte, en bestaat, behalve uit de kazernen en andere militaire inrichtingen, uit een zeker aantal bevallige villa’s, te midden van sierlijke tuinen gelegen, en door ongeveer een honderdtal Europeanen, beambten der kroon, bewoond. In de onmiddellijke nabijheid staat het paleis van Shahi-Baugh, in 1625 gebouwd, op last van den onderkoning Sultan Kurrum, die er zijne residentie wilde vestigen. Hij zette evenwel nooit een voet in het paleis, omdat de groote poort in de buitenste omwalling niet hoog genoeg was om den olifant door te laten, waarop de prins gewoonlijk reed. Nog vóór dit gebrek kon worden verholpen, werd de onderkoning, door den dood van zijn vader, geroepen om den keizerlijken troon te Delhi te bestijgen, dien hij, onder den naam van Shâh-Jehan, gedurende vele jaren, met roem bekleeden zou.

Eindelijk had ik, na lang bieden en loven, eene overeenkomst gesloten met een kameeldrijver, die mij, voor honderd-tachtig roepyen, twee dromedarissen en zeven kameelen zou bezorgen om de reis naar Oodipoor te ondernemen. Ik voorzag mij van eene kleine, zeer lichte tent, en verder van de noodige bedden, keukengereedschap en andere zaken, waaraan ik behoefte zou hebben. Wij togen nu toch naar een land, waar nog logementen noch bungalows zijn te vinden, en waar ik begreep, dat wij minstens een jaar zouden moeten toeven.

II.

Op den bepaalden dag, den 19den December, stonden de kameelen op de binnenplaats van de bungalow, gereed om hunne lading te ontvangen. De twee dromedarissen, die wij berijden zouden, waren prachtig opgetuigd met zijden dekkleeden en kwasten in overvloed; maar al deze pracht zou verdwijnen, zoodra wij eenmaal op weg waren. Onze karavaan bestond verder uit onze vier bedienden, twee samwâllahs en zeven kameeldrijvers; al deze lieden waren met sabels en geweren gewapend, en hielden zich waarschijnlijk overtuigd, dat zij zich binnen kort ook van die wapenen zouden moeten bedienen. Ik riep ze allen bijeen en hield eene korte toespraak, waarbij ik hun de verzekering gaf, dat het land, hetwelk wij gingen doortrekken, overal veilig was; en dat wij bovendien, daar wij goed gewapend waren, niets van de Bhîls hadden te vreezen. Ik droeg aan een hunner het bevel over de karavaan op, en gaf hem den last, in het dorp Raypoer, op vier-en-twintig mijlen afstands van Ahmedabad te overnachten en onze komst af te wachten. Wij waren overeengekomen eerst den volgenden morgen te vertrekken.

Dien morgen werd ik reeds te vier uur door den samwallah gewekt; ik wekte op mijn beurt mijn reismakker, en binnen weinige minuten waren wij gereed. Ik wierp nog eenige kleeden op den zadel, en nam daarop de achterste zitplaats in; mijn geleider zette zich vóór mij, en de dromedaris sprong eensklaps overeind. Het zadel der dromedarissen of rijkameelen is dubbel, of liever voor twee personen ingericht, die vlak achter elkander plaats nemen. De achterste plaats is juist niet de beste; maar ik had die uitgekozen, omdat ik nog niet gewoon was aan de eigenaardige beweging van den kameel, en het dus nog niet durfde ondernemen, zelf het dier te mennen. Het duurde wel een half uur eer ik mijn evenwicht gevonden had: ik werd zoo geweldig heen en weder geslingerd, dat ik stellig gevallen zou zijn, indien ik mij niet stevig aan mijn voorman vastgehouden had. Ik weet deze beweging niet beter te vergelijken dan met die van een schip op eene woelige zee; het gevoel dat zij, bij iemand die daaraan niet gewoon is, opwekt, heeft dan ook inderdaad veel van zeeziekte. Gelukkig went men er zich vrij spoedig aan: na verloop van een groot half uur, voelde ik mij ten minste genoeg op mijn gemak om eenige aandacht over te hebben voor den weg, waarlangs wij voorttogen. Ahmedabad lag reeds op verren afstand achter ons; het rijzende morgenlicht vertoonde ons eene onafzienbare vlakte, hier en daar afgebroken door boomgroepen en bosschages, waarin de dorpen wegscholen.

Tegen zes uur in den morgen kwamen wij te Raypoer; onze tent was reeds opgeslagen onder een grooten boom, aan den oever eener rivier, en op een geweerschot afstands van het dorp. Onder een anderen boom lag onze bagage; daar was ook de keuken en het verblijf van onze bedienden; sabels en geweren, aan de takken opgehangen, gaven aan dat gedeelte van het kamp een zeker krijgshaftig voorkomen. Het was, vooral op dezen prachtigen morgen, een schilderachtig tafereel, dat ik met te meer genoegen beschouwde, omdat het voor mij een teeken was, dat nu eerst mijne eigenlijke reis begon. Tot dusver had ik bekende, platgetreden wegen gevolgd, landen doorkruist, waar de beschaafde europeesche invloed zich, in meer dan één opzicht, reeds krachtig had doen gelden, en waaromtrent ik mij van te voren volkomen had kunnen inlichten; nu stond ik aan de grenzen van het onbekende. Wat zou ik in de landen der Radsjpoeten vinden: eene welwillende ontvangst of een vijandige stemming? eene wildernis of een paradijs? Ik bracht den dag door met het bezoeken van het dorp, het schieten van eenige hazen en pauwen, en kon mij des avonds vermeien met het belangwekkend tooneel van de tehuiskomst der kudden: twee- of drieduizend buffels en ossen kwamen in galop aanrennen, en spoedden zich naar de rivier om hun dorst te lesschen.

Twee uur na middernacht verlieten wij Raypoer, doorwaadden de rivier, en bevonden ons nu weder [48]op het grondgebied van den Guikowar. De nacht is zeer donker, maar het land is volkomen vlak; onze kameelen gaan rustig en onvermoeid voort; de dorpen liggen allen op zekeren afstand van den weg; ter nauwernood ontmoeten wij eene enkele woning, tot wij te vier uur het stadje Deagaum bereiken. Aan de poort dezer stad worden wij staande gehouden door eenige sowars, die ons naar de plaats onzer bestemming vragen; en, na bekomen inlichting, ons eenige bohimias verschaffen, die ons naar het naaste dorp brengen moesten. Deze bohimias zijn lieden van geringen stand, die verplicht zijn, tegen een zeer matige vergoeding, de reizigers van het eene dorp naar het andere te geleiden. De overheid van het dorp beloont hen voor die dienst, door hun het verblijf in het dorp te vergunnen en hun eenige stukken bouwland af te staan. Daar er in dit land geen gebaande wegen zijn, zou de reiziger groot gevaar loopen in de onafzienbare velden te verdwalen, indien deze gidsen hem niet te recht hielpen. Intusschen hebben deze arme lieden een tamelijk zware taak te vervullen; te ieder uur van den dag en den nacht moeten zij gereed staan, om eenige mijlen ver de karavanen te geleiden, waarvoor zij ongeveer een stuiver per kôss—twee engelsche mijlen—ontvangen; ook is het niet zeldzaam dat zij gedwongen worden tot een volgend station mede te gaan, of wel zonder belooning worden weggezonden.

Graftomben te Tintouï.

Graftomben te Tintouï.

Dien dag en ook nog den volgenden liep onze weg nog steeds door de eindelooze vlakten, die wij sedert ons vertrek van Baroda niet verlaten hebben. Wel hadden wij in de verte enkele naakte en lage heuvelreeksen gezien, als het ware de eerste voorloopers van het Doenghêr-gebergte, waarachter het land Bâghoer, [49]het land der Bhîls, ligt: eene wilde, bergachtige streek, die de hooge vlakte van Malwa van Goezerate scheidt, en ten zuidoosten aan het uitgestrekte gebied der Radsjpoeten grenst;—maar toch verraste ons, in den vroegen morgen van den 23sten December, het gezicht van een dorp, waarvan de hutten schilderachtig lagen verspreid langs de helling van een bevalligen heuvel van witachtigen zandsteen. Het landschap nam nu eensklaps een geheel ander karakter aan. Aan de andere zijde van het dorp stroomde eene kleine rivier, door groote boomen overschaduwd, en omzoomd door bloeiend heidekruid; de heldere wateren murmelden en ruischten tusschen en over rotsen en steenblokken, en verdeelden zich in tallooze aderen en kanalen, die de aangrenzende velden bevochtigen en vruchtbaar maken. Dit liefelijke, bijna zwitsersche landschap maakt dan eensklaps plaats voor een statig indrukwekkend woud, aan welks uiteinde zich een prachtig meer voor onze blikken uitbreidt. Wat heerlijke aanblik, die wijde watervlakte, bezaaid met bloeiende lotusplanten, waartusschen gansche scharen van watervogels zwemmen en dartelen; en omzoomd door een donkeren gordel van bananen en andere reusachtige tropische boomen en gewassen. Nergens is een enkel spoor van menschelijk verblijf of werkzaamheid te ontdekken; in ongestoorde zekerheid genieten de bewoners van dit schilderachtige meer den heerlijken frisschen morgen. Op een der kleine lage eilandjes staan gansche rijen van rooskleurige flamingo’s, bijna onbewegelijk, op den uitkijk; zwermen van wilde ganzen en schitterend gekleurde eenden doorkruisen in alle richtingen de diepe, kalme wateren; reigers, karkhoundj en vele andere vogels van hunne soort staan, in kalme rust, op de half overstroomde wortels der boomen langs den oever; kleinere, purper en blauw gekleurde watersnippen springen en huppelen over de breede lotusbladen: een tafereel vol leven, vol beweging, en toch zoo kalm, zoo vredig, zoo onuitsprekelijk rustig. Zonder veel opschudding te maken, gaan wij langs den dichtbelommerden oever voort; tusschen de bloemrijke hagen, die tot boven [50]onze hoofden opschieten, openen zich bekoorlijke wegen, welke naar den mekkâm voeren.

De Maha-Rana en de engelsche resident.

De Maha-Rana en de engelsche resident.

De mekkâm, de voor het kamp aangewezen plaats, is doorgaans een boomrijke plek nabij het dorp, waarvan de grond zorgvuldig geëffend is. Deze plek wordt voor de reizigers beschikbaar gehouden; men vindt er een waterput en somwijlen een kleinen tempel, zoodat de pelgrim daar alles aantreft, wat hij noodig heeft: water, schaduw en een bedehuis. De mekkâm van Tintouï, waar wij ons nu bevinden, is zeer schoon: groote mangoboomen, nims en bananen omringen een open perk, met frisch en mollig gras bedekt, waarop ik mijne tent laat opslaan; op korten afstand vertoont zich het dorp, schilderachtig op eene hoogte gelegen, juist aan den ingang der steile en donkere bergpassen, waarvan de blauwachtige toppen en rotswanden zich aan den horizon verheffen; een fort met zware gekanteelde muren beheerscht de geheele omliggende vlakte.

Tintouï, dat zijn gewicht vooral dankt aan zijne ligging aan den ingang der passen van het Dounghêr-gebergte, behoort nog aan den Guikowar, en vormt aan deze zijde de uiterste grens van zijne staten; maar dit aanzienlijke vlek is tevens de residentie van een radsjpoeten baron of thakoer, die wel in naam de heerschappij van den koning van Baroda erkent, maar inderdaad onafhankelijk en de wezenlijke beheerscher des lands is. Deze thakoers bekleeden hier dezelfde plaats en spelen dezelfde rol, als onze feodale heeren en baronnen in de middeleeuwen: zij bezitten in hunne domeinen het hooge en lage rechtsgebied, en zijn aan den landsheer doorgaans niets anders verschuldigd dan eene zekere schatting, of de levering van een zeker aantal gewapenden. Voor het overige zijn zij bijna geheel onafhankelijk, en bezoeken slechts nu en dan de hoofdstad, om den souverein hunne hulde te brengen. Trotsch, aanmatigend en twistziek, liggen zij voortdurend met hunne naburen overhoop, en ontzien zich ook niet, de karavanen, die hun gebied doortrekken, te plunderen. Wel heeft de britsche regeering, althans voor het uiterlijke, aan deze rooverijen paal en perk gesteld; maar, in het wezen der zaak, heeft de gewelddadige plundering plaats gemaakt voor eene meer georganiseerde afzetterij. In stede van de karavanen te overvallen en uit te schudden, beschermt de thakoer ze veeleer: slechts laat hij zich voor deze bescherming behoorlijk betalen. Zoodra de karavaan het gebied van een dezer heeren betreedt, moet zij eene schatting van zooveel percent van de waarde harer koopmansgoederen voldoen; daarvoor koopt zij zich dan den vrijen en veiligen doortocht door de bergpassen; vertrouwt zij daarentegen op hare eigene kracht, en weigert zij de verlangde schatting, dan kan zij er zeker van zijn door de stammen van het gebergte te worden uitgeplunderd. De thakoer ontvangt, in zijne hoedanigheid van magistraat en rechter, de klachten der mishandelde kooplieden, hoort ze geduldig aan, houdt er aanteekening van, en roept al zijne manschappen onder de wapenen: maar alle nasporingen leiden tot niets; de soldaten keeren terug zonder de roovers te hebben gevonden, en de thakoer brengt den kooplieden onder het oog, hoe dwaas zij gehandeld hebben door zijne bescherming af te wijzen.

Bij mijne aankomst te Tintouï, werd ik door de lijfwacht van den thakoer ontvangen, die mij zijne groeten liet overbrengen en zijn bezoek aankondigen; maar, daar ik gaarne het kasteel wilde bezichtigen, verzocht ik hun, mij tot hun heer te geleiden. Eene zeer steile, met groote zerken geplaveide helling, waarop de paarden telkens uitglijden, brengt ons naar de poort van het slot, die door kleine torens en eene omrastering van met ijzer beslagen palen wordt verdedigd. Het inwendige van het kasteel vertoont eene zoo treffende gelijkenis met onze feodale burchten uit de twaalfde en dertiende eeuw, dat ieder, die een dezer slotruïnen gezien heeft, zich ook van deze indische vesting eene duidelijke voorstelling maken kan. Het is eene wonderlijke, schijnbaar ordelooze samenvoeging van torens, bolwerken, gebouwen, terrassen, die zich stout en dreigend boven het diepe dal verheft, waarin de nederige huizen van Tintouï staan verspreid. De thakoer, een Radsjpoet, met een echt aristokratisch voorkomen en een sneeuwwitten baard, ontvangt mij met groote hoffelijkheid, en vraagt mij naar het doel mijner reize: op het hooren van den naam van zijn souverein, buigt hij eerbiedig het hoofd, en zegt dat aangezien ik de vriend ben van zijn heer, den machtigen Guikowar, hij mijn slaaf is, en dat zijn persoon, zijne lieden en zijn land te mijner beschikking staan. Ik bepaal er mij toe, zijne bescherming te vragen voor mijnen tocht door de bergpassen, met verzoek eenige ruiters, als gewapend geleide, aan mijne karavaan toe te voegen. Daarop deelde hij mij allerlei bijzonderheden mede omtrent de Bhîls, hunne gewoonten en levenswijze, waarbij hij zich zeer beklaagde over de herhaalde strooptochten dier stammen, waardoor de karavanen van het bezoeken van zijn land werden afgeschrikt.

Eenige uren later kwam de baron mijn een officieel tegenbezoek in mijne tent brengen; hij was door een troep ruiters vergezeld, die er, in hunne bijkans middeleeuwsche kostumen, allerschilderachtigst uitzien. De oude thakoer vertoont in zijne houding en manieren al de waardigheid, die aan zijn rang past; alles wat hij spreekt, draagt den stempel van die fijne en nauwlettende wellevendheid, die hem doet kennen als een der heeren van het hof van Oudeypoor, dat als een voorbeeld van goeden toon en manieren door gansch Hindostan beroemd is. Bij het afscheid omhelsde hij mij zeer hartelijk, met de verklaring dat hij aan niemand de eer zou afstaan, mijne karavaan tot aan de grenzen te geleiden, indien zijn hooge leeftijd hem dit niet belette. Zijn zoon en drie ruiters zullen zich bij ons voegen; nog dienzelfden avond wordt hunne tent nevens de onze opgeslagen.

Maar eer wij verder gaan, moet ik mijn lezers het een en ander mededeelen omtrent de Bhîls, wier naam ik reeds meermalen heb genoemd, en wier land ik thans had betreden.

De Bhîls behooren tot een der merkwaardige stammen der oorspronkelijke bevolking van Indië, die vroeger in de uitgestrekte gewesten, thans onder de namen [51]van Malwa en Radsjpoetana bekend, was gevestigd. Door de arische volksverhuizing uit het hoogland van centraal Azië, uit hunne woonplaats verdrongen, trokken zij zich in het gebergte terug, en schijnen langzamerhand tot dien staat van verval en barbaarschheid verzonken te zijn, waarin wij hen thans aantreffen. In hunne overleveringen en legenden leven nog enkele herinneringen aan den ver vervlogen tijd, toen zij als oppermachtige gebieders in de vlakte heerschten; een hunner aloude volkszangen verhaalt den oorsprong van den diepgewortelden haat, die tusschen hen en de Brahmanen bestaat.

Op zekeren dag, zoo luidt deze sage, dwaalde de god Mahadeo, van vermoeidheid en honger uitgeput, door het woud, toen eene jonge, schoone vrouw zich over hem ontfermde, en hem in hare woning opnam. Hij verhief haar tot zijne echtgenoote, en verwekte een aantal kinderen bij haar. Een daarvan, een zwarte, zeer leelijke knaap, van zeldzame spierkracht, doodde Nandi, den gewijden stier van den god. Tot straf voor dit misdrijf werd hij vervloekt en naar de wouden verbannen; hij ontving den naam van Nishada of Bhîl, dat wil zeggen, de banneling, de vogelvrijverklaarde.—Uit deze legende schijnt te blijken, dat dit volk zich niet, als de andere Soedras, aan de heerschappij der Brahmanen heeft willen onderwerpen, en daarom door hen van eene misdaad beschuldigd werd, die in het oog van iederen rechtgeloovigen Hindoe een onvergeeflijke gruwel is, van namelijk den heiligen os te hebben gedood: eene misdaad, waarop zij nog schijnen roem te dragen.

Ongetwijfeld hebben zij eenmaal zekere mate van macht en invloed bezeten; en dat deze niet gering kan geweest zijn, blijkt wel uit het feit, dat nog heden ten dage, bij de plechtige kroning der koningen van Mewar, een der Radsjpoeten-staten, de teekenen der koninklijke waardigheid door een Bhîl aan den nieuwen souverein worden ter hand gesteld. Ook leeft nog in het volk een soort van godsdienstige vereering voor de bouwvallen van sommige steden, wier puinen blijkbaar van eene overoude beschaving getuigen. Eeuwen lang als wilde dieren vervolgd en geplaagd, wreekten zij zich door schrikkelijke moord- en plundertochten; en de naam van roovers van Mahadeo, dien zij zich zelf gaven, werd in den ganschen omtrek geducht. In hunne bijkans ontoegankelijke gebergten verscholen, wisten zij iederen vijandelijken aanval af te slaan, en hunne onafhankelijkheid te bewaren. Zij zijn in stammen of clans verdeeld, die ieder hun eigen opperhoofd hebben, wien zijne onderhoorigen onbepaald gehoorzamen, en die bij hunne strooptochten het bevel voert. Hunne dorpen of pâls zijn, evenals onze middeleeuwsche burgten, altijd op hoogten gebouwd; iedere woning is op zich zelf eene kleine vesting, waarvan de zware steenen muren een dak van pannen of riet dragen. Het dorp is omgeven door eene hooge en stevige omrastering van doornige struiken en dooreengevlochten cactussen; in tijd van nood, worden de kudden door de vrouwen en kinderen in de rotskloven en spelonken gedreven, en trekken de mannen zich achter die sterke omwallingen terug, vanwaar zij hunne vijanden kunnen gadeslaan en hunne pijlen afschieten. De indeeling in kasten is bij hen onbekend; de jongelingen kiezen hunne bruiden uit een anderen stam. De huwelijksplechtigheid is zoo eenvoudig mogelijk. Op zekeren bepaalden dag komen de huwbare jongelingen en jonge dochters te zamen; iedere jonkman kiest zich een meisje uit, en trekt zich met haar voor eenige dagen in het woud terug, waarna het huwelijk als wettig gesloten wordt beschouwd. Ook hunne godsdienst is hoogst eenvoudig: hunne vereering geldt voornamelijk de elementen en de demonen, die ziekten verwekken; de tempel bestaat uit een hoop steenen, met oker besmeerd, of wel uit een ruw behouwen groote zerk. Echter koesteren zij een bijzonderen eerbied voor den reusachtigen mhowah, dien boom, die hun brood, brandhout en een bedwelmende drank levert; aan zijne takken hangen zij bij voorkeur ijzeren gereedschappen op. Zij voeden zich bijkans met alles wat hun voor de hand komt, en eten ook onreine dieren, zoo als ratten en slangen.

De Bhîls zijn doorgaans van middelbare gestalte, en, hoewel minder sierlijk, echter veel krachtiger gebouwd dan de Hindoes. Hunne gelaatstrekken zijn grof; hun platte neus en uitstekende wangbeenderen zijn alles behalve fraai; hunne zwarte haren hangen in wilde wanorde langs hun gelaat, alleen door een koord om de slapen eenigszins saamgehouden. Zij gaan bijna geheel naakt, en hebben in den regel geen ander gewaad dan een soort van langoeti of schort, van twee of drie vingers breed, dat om de heupen gewonden wordt. De vrouwen zijn slanker van gestalte en lichter van kleur; haar gang is niet zonder waardigheid; zij dragen een soort van rok, die om de heupen gebonden en met een der uiteinden over de schouders geworpen wordt, zoodat de helft der borst bloot blijft. Aan armen en been en dragen zij eene menigte koperen ringen. De Bhîls gaan nooit uit, zonder bogen en pijlen mede te nemen; zij weten deze wapenen met groote behendigheid te gebruiken, en gaan er zelfs mede op de tijgerjacht. Jacht en vischvangst zijn hunne geliefkoosde bezigheden; zij tijgen in groote gezelschappen ter jacht; en vergiftigen de kreken met cactussap, om alzoo de visschen te kunnen vangen.

Hoewel zeer moedig, zijn zij tevens zeer bedachtzaam, en zullen nooit een vijand aantasten, indien zij niet zeker zijn van de overwinning. Toch is het vechten hun een ware behoefte; en wanneer zij geen vijand te bestrijden hebben, dagen zij een naburigen clan uit, en leveren elkander onderling moorddadige gevechten. Maar zoodra een algemeen gevaar dreigt, worden deze onderlinge twisten vergeten, en vereenigen zich de stammen tot den strijd tegen den gemeenschappelijken vijand. Dan weergalmt door alle dalen de kisri of snijdende oorlogskreet, die van pâl tot pâl wordt herhaald; en binnen weinige uren zijn honderde krijgsvaardige mannen op een enkel punt vereenigd en tot den tocht gereed. De Bhîls verstaan ook voortreffelijk de kunst, om het geluid van hyena’s, jakhalzen en nachtvogels na te bootsen, en [52]geven daardoor elkander teekenen, zonder den argwaan der reizigers op te wekken.

Met al hunne gebreken, hebben de Bhîls twee deugden, die de eigenlijke Hindoes missen: dankbaarheid jegens hunne weldoeners, en trouw aan het eens gegeven woord. Van de eerste loffelijke eigenschap hebben zij, tijdens den grooten opstand van 1857, een schitterend bewijs gegeven, door niet alleen de Engelschen te beschermen, die door de sipayers werden bedreigd, maar ook zelf tegen de opstandelingen te gaan vechten. Zij zijn dan ook inderdaad veel aan de Engelschen verschuldigd, die gedaan hebben wat zij konden om hen uit hun ellendigen toestand op te heffen, en die in ieder geval een einde hebben gemaakt aan de jaarlijksche strooptochten der Radsjpoeten, waarbij de dorpen werden verbrand en de oogsten vernield.

De stammen der Bhîls bewonen tegenwoordig de landstreek Baghoer, een gedeelte van het Aravalli-gebergte en bijna het geheele Windhya-gebergte. Men schat hun aantal op een à twee millioen; zij maken dus nog een der groote indische volksstammen uit. In de dalen van Mewar vindt men de kaste der zoogenaamde Bhilâlas, afstammelingen van Bhîls en Radsjpoeten. Zij zijn vrij talrijk, maar missen de goede eigenschappen van hunne stamouders. Ook bij hen bevestigt zich alzoo de algemeene ervaring, dat uit zoodanige vermenging een lager en minder begaafd ras ontspruit.


Toen wij heden morgen van Tintouï zouden opbreken, geraakte onze geheele karavaan in opschudding, en weigerde voor zonsopgang te vertrekken. Het gerucht had zich verspreid, dat een zoogenoemde admikanewallah, dat wil zeggen een tijger, die alleen menschen verslindt, op den weg in hinderlaag lag. De Hindoes beweren namelijk, dat wanneer een tijger eenmaal menschenbloed heeft geproefd, hij geen andere prooi meer aanvalt. Nu verhaalde men dat zooeven een man door zulk een admikanewallah verscheurd was. Het kostte den jongen thakoer en mij groote moeite, onze manschappen te bewegen den tocht voort te zetten: het was al erg genoeg, dat wij ons aan de aanvallen der Bhîls blootstelden; ontmoetingen met tijgers waren hun in het geheel niet naar den zin. Toch is onze karavaan thans sterk genoeg om voor geene vijanden bevreesd te zijn: zij bestaat uit drie-en-twintig gewapende mannen; wij zijn dus volkomen in staat om een geregelden veldslag te leveren tegen wilden, die geen vuurwapenen bezitten.

Boekthawoer-Singh, de jonge thakoer, rijdt nevens mij, en verhaalt mij allerlei anekdotes betreffende de Bhîls. Ook vertelt hij van de verwoestingen, die de gevreesde menschenetende tijger in den ganschen omtrek aanricht; er gaat bijna geen dag voorbij, dat hij geen nieuw slachtoffer velt; en hij is daarbij zoo slim, dat de jagers hem nog nooit hebben kunnen bereiken. De Hindoes koesteren voor deze tijgers eene bijna kinderachtige vrees, de europeesche jagers daarentegen, die zulk een admikanewallah geschoten hebben, beweren dat het dier bijna altijd krank en schurftig is: zij schrijven dit toe aan het eten van menschenvleesch. Dat de admikanewallah zich hoofdzakelijk met menschenvleesch voedt, wordt alzoo door beide partijen toegestemd; maar terwijl de Hindoes daaraan eene buitengewone mate van wildheid en bloeddorstigheid bij den tijger toeschrijven, houden de Europeanen staande, dat dit voedsel het dier verzwakt en ziek maakt. Ik stel mij de zaak aldus voor. Wanneer de tijger oud wordt, verliest hij veel van zijne kracht en nog meer van zijne vlugheid; hij durft dan geen buffel of afgedwaalden os aanvallen, omdat hij daarbij stellig het onderspit zou delven; en herten of antilopen met een fikschen sprong te bereiken, is hem onmogelijk geworden. Zoo is hij dan wel verplicht, zich langs de wegen in hinderlaag te leggen, en uit te zien of een zorgelooze wandelaar zich binnen zijn bereik waagt: geschiedt dit, dan doet de honger hem de vrees overwinnen, die hij instinktmatig voor den mensch gevoelt, en deze wordt maar al te licht zijn prooi.

Even voorbij Tintouï versmallen zich de bergpassen, en weldra bevinden wij ons in eene nauwe kloof, ter wederzijde door hooge zwartachtige rotswanden ingesloten; de hellingen en de toppen der bergen zijn met dicht bosch bedekt. Het is een grootsch, romantisch landschap, vol wilde, aangrijpende schoonheid: reusachtige marmerblokken, hier en daar over den grond verspreid, schitteren in het zonnelicht; schuimende bergstroomen storten zich met klaterend geweld in de diepe kloven, of zweven, als pluimen van stuivend zilver, van de steile hoogten neder. De dorpen der Bhîls, als vestingen boven op de steilten gebouwd, met een smallen zoom van bebouwd land aan hun voet, zien er, met hunne stekelige muren van struiken en doornen, van verre als reusachtige arendsnesten uit. Van tijd tot tijd wordt de gedaante van een Bhîl op den top eener rots zichtbaar: dat zijn de schildwachten, die moeten toezien wat er op den weg gebeurt; maar ons aantal en de bescherming van den thakoer waarborgen ons tegen alle vijandelijkheden.

Ontmoeting met de Bhîls.

Ontmoeting met de Bhîls.

De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen wij den mekkâm van Sameyra bereikten. Dit dorp behoort aan een thakoer, die vasal is van den rajah van Dounghêrpoer; het ligt aan den ingang van eene kleine, maar uiterst vruchtbare vallei. Ook hier beheerscht de burcht van den thakoer den ganschen omtrek. Wij slaan hier ons leger op, om den nacht door te brengen; voor wij ons ter rust begeven, worden de vuren rondom het kamp aangestoken en de wachten verdubbeld: het is goed dat de Bhîls weten, dat wij op onze hoede zijn. Den volgenden morgen togen wij reeds vroeg op weg. Het landschap wordt al woester en woester; groote, wild dooreengeworpen rotsblokken vullen de enge dalen en laten slechts weinige smalle paden voor den doortocht over; het is inderdaad opmerkelijk te zien, met hoeveel tact en geduld onze zwaar beladen kameelen zich door deze wildernis een weg banen. De gewapende ruiters en voetknechten vormen met mij de voorhoede; onze kameelen, door hunne drijvers geleid, en een dertigtal [54]reizigers, die zich gaandeweg bij ons hebben aangesloten, maken den middentocht uit; eenige ruiters, door mijn reismakker aangevuurd, sluiten als achterhoede den trein. Wij hebben al deze voorzorgen genomen, omdat wij nu de gevaarlijkste en slechtst befaamde streken moeten doortrekken; de ruwe, geheel onafhankelijke inlanders ontzien geen enkele karavaan, onder wiens bescherming zij ook moge staan. Na onderscheidene enge bergpassen te zijn doorgetrokken, komen wij in eene vruchtbare vallei, door prachtige bergen ingesloten, wier hellingen met ondoordringbare bosschen zijn bedekt. Aan beide zijde vertoonen zich op de hoogten, talrijke dorpen of pâls van de Bhîls.

Nauwelijks hadden wij deze vallei betreden, of een onvoorzien toeval dreigde onzen verderen tocht eensklaps te stuiten. Reeds sedert den morgen van dezen dag hadden wij onderscheidene Bhîls ontmoet, die kalm en zwijgend hun weg vervolgden, zonder den broederlijken groet te beantwoorden, dien onze sowars hun toeriepen. Een dezer laatsten, over deze onwellevendheid verontwaardigd, maakte nu van de gelegenheid gebruik om een Bhîl, die geheel onverzeld was, aan te vallen, te slaan en van zijn boog en pijlen te berooven. Deze aanranding, die zoo ernstige gevolgen voor ons kon hebben, was geheel buiten mijne voorkennis geschiedt; ook had ik, in gesprek met Boekthawoer verdiept, er niets van gemerkt, tot dat de soldaat, die gehoord had dat ik gaarne zulk wapentuig wilde bezitten, mij de veroverde boog en pijlen kwam aanbieden. Ik begreep aanstonds welk gevaar ons bedreigde: nauwelijks had ik den tijd gehad, eenige bevelen te geven, of daar weergalmde reeds de wilde krijgskreet door de vallei, voortgedragen van heuvel tot heuvel; uit alle pâls kwamen gewapende mannen te voorschijn, die in snellen loop naar ons toekwamen. Eene onbeschrijfelijke verwarring maakte zich toen van het gros onzer kleine karavaan meester: de vrouwen begonnen te schreeuwen en te jammeren; de kooplieden stelden zich aan als razenden; zelfs de kameelen droegen het hunne bij, om het gewoel en getier te vergrooten. Onze soldaten hielden zich gelukkig beter: bedaard laadden zij hunne geweren, staken de lonten aan en wachtten mijne bevelen af.

Toen de Bhîls zagen dat wij gereed waren hen te ontvangen, ontstond er eenige aarzeling in hunne rangen, en gingen zij minder vastberaden voort: onze karabijnen boezemden hun blijkbaar ontzag in; intusschen was hun getal reeds merkelijk aangegroeid, en begonnen zij hunne pijlen op ons af te schieten, maar op een te verren afstand om ons te kunnen treffen. Enkelen slaagden er in, achter de struiken voortsluipende, ons te naderen; zij schoten hunne pijlen af, en troffen een kameel, die begon te steigeren en achteruit te slaan, hetgeen de verwarring nog grooter maakte. Ik stond op het punt, bevel tot vuren te geven, toen ik eensklaps een ouden radsjpoet ruiter van ons geleide van Sameyra, in vollen galop naar een bosschage van hoog struikgewas, in de nabijheid onzer kameelen, zag rennen. Weldra wendde hij zich plotseling om, en wierp zich, met uitgetogen sabel, op een ouden Bhîl, die in de struiken verscholen zat; in een oogwenk had hij hem gevangen genomen, en de handen op den rug gebonden. Deze onverwachte daad had eene verrassende uitwerking; woeste, woedende kreten weergalmden van alle kanten; een hagelbui van pijlen daalde op ons neder, waarop de karavaan met geweerschoten antwoordde. Wij vingen den terugtocht aan, onzen gevangene medevoerende, die, zooals de oude sowar mij verzekerde, het opperhoofd was van een der dorpen. Ik liet daarop de Bhîls waarschuwen, dat zoo zij voortgingen ons aan te vallen, hun opperhoofd onverwijld zou worden ter dood gebracht. De waarschuwing werd met luid geschreeuw beantwoord: maar zij trokken zich niet terug.

Ik liet den ouden Bhîl ontboeien, die mij daarop, in slecht hindoestani, verhaalde, hoezeer de lieden van zijn stam verbaasd en geërgerd waren over de beleediging, die wij hun hadden aangedaan; zij meenden, dat zij door de Europeanen beschermd werden, en waren er niet aan gewoon door hen mishandeld te worden. “Het is voor het eerst, zeide hij, dat iemand de vermetelheid heeft, de Bhîls in hunne eigen valleien te tergen en uit te dagen.”—Hij verzocht, dat de geroofde boog en pijlen zouden worden teruggegeven, en dat de schuldige soldaat zou worden uitgeleverd: dan zouden wij ongehinderd onze reis kunnen vervolgen. Ik gaf hem de verzekering dat het voorgevallene mij leed deed, en bood hem aan den boog en de pijlen terug te geven, en den sowar vergeving voor zijne aanranding te doen vragen. Blijkbaar verlangde de oude wilde, dien man in zijne macht te hebben; maar toen hij zag, dat ik dit standvastig weigerde, nam hij mijn voorstel aan. Door twee soldaten begeleid, trad hij naar zijne stamgenooten en maakte hen met de getroffen schikking bekend. De boog en de pijlen werden teruggegeven; den gevangene echter hielden wij bij ons tot wij de vallei verlaten hadden. Eer wij hem zijne vrijheid terug gaven, liet ik hem een groot glas brandewijn inschenken, dat hij in een enkelen teug ledigde. Met haastigen tred keerde hij naar zijne stamgenooten terug, die ons zwijgend gevolgd waren, en begon nu onze lieden uit te schelden, hun toevoegende dat zij hun behoud alleen te danken hadden aan de tegenwoordigheid der sahibs (heeren); en dat zoo hij ooit een hunner in de vallei mocht ontmoeten, de verdiende straf niet zou uitblijven. Deze laatste bedreiging echter schenen de sowars, die toch langs denzelfden weg moesten terugkeeren, zich niet erg aan te trekken.

Wij sloegen dien avond ons kamp op nabij het vlek Bitsjoewara, in het midden eener ruime vallei gelegen. De thakoer van Bitsjoewara komt ons een bezoek brengen; waarschijnlijk heeft hij het noodig geacht, vooraf de flesch aan te spreken: althans hij is erg dronken. Naar het schijnt, is hij een harde meester voor zijne onderhoorigen, die zich in zijne tegenwoordigheid bitter over hem beklagen; hij tracht zich met den grootsten ernst en echte dronkemansgemoedelijkheid, te verdedigen, en de beschuldigingen, die tegen hem ingebracht worden, te wederleggen. Waarschijnlijk ziet hij ons voor agenten van het engelsche gouvernement aan, die hem rekenschap komen vragen van zijn gedrag. [55]Daar ik het een en ander noodig heb, dat in het dorp niet te krijgen is, kom ik met den thakoer overeen, dat hij mij acht kippen en vier dozijn eieren zal bezorgen, voor een flesch engelsche rum. Een uur later verschijnt hij, waggelende en zwaaiende, op den top des heuvels gevolgd door zijne bedienden: hij draagt zelf de kippen, die hij met veel beweging en allerlei buigingen en gebaren, voor mij op den grond legt; daarop vertrekt hij, zoogoed als het gaat, met zijne flesch in de hand. Een beklagelijk schouwspel, dat hier echter gelukkig zeer zeldzaam voorkomt. Gedurende den ganschen tijd van mijn verblijf in Hindostan heb ik nimmer een man van deftigen stand, vooral nooit een Radsjpoet, in zulk een ellendigen toestand gezien, als waarin deze thakoet van Bitsjoewara verkeerde.

Na een dag oponthoud in eene nette bungalow van het engelsche station Kheirwara, zetten wij onzen tocht naar Oudeypoor voort. De sowars van Sameyra en Tintouï hebben ons hier verlaten, en zijn vervangen geworden door vijf ruiters van het contingent ven Oudeypoor, die de kommandant van het garnizoen van Kheirwara ter onzer beschikking had gesteld. Een paar mijlen voorbij het station voert onze weg weder midden door de bergpassen; de bergen dragen hier echter een gansch ander karakter: de naakte, ruwe, verscheurde rotswanden stijgen tot eene aanmerkelijke hoogte, en tusschen de verschillende bergreeksen strekken zich breede valleien uit, door frissche waterstroomen besproeid. Wij hebben het Vindhya-gebergte verlaten en bevinden ons nu in de Aravallis, die zich dwars door Radsjpoetana tot aan Delhi uitstrekken. Deze bergketen is nog zeer weinig bekend; zij bevat niet alleen een onuitputtelijken rijkdom van kostbare marmersoorten, maar ook goud, zilver, koper, lood, blik, rotskristal, granaat en andere edele steenen. Al deze schatten liggen ongebruikt; de inlanders kunnen ze zelven niet exploiteeren, en houden de toegangen tot hunne bergen zooveel mogelijk voor de Europeanen gesloten. De hoogste toppen der Aravallis reiken tot ruim drie duizend voet boven de zee.

In den morgen van den 30sten December, na een vermoeiende nachtelijke reis door het gebergte en door dichte wouden, bereikten wij de plaats onzer bestemming: Oudeypoor, de hoofdstad van Mewar.

III.

Wij hadden den laatsten heuvel bestegen; mijne bedienden sprongen van vreugde; luide jubelkreten stegen uit de karavaan op: wij waren aan het einde van den bezwaarlijken tocht. Ik hield stil, en beschouwde in stomme bewondering het prachtige panorama, dat zich daar voor mijne blikken ontrolde. Ik had mij bijna nooit zoo iets schoons voorgesteld: eene tooververschijning uit de Duizend-en-een-Nacht scheen plotseling voor mij te verrijzen. Op den voorgrond eene lange reeks van vestingwerken, pagodes en paleizen, zich krachtig afteekenende tegen een breeden gordel van bloeiende tuinen en donkergroene bosschages; en daarachter en daarboven de stad, met haar fantastische weelde van torens, naalden, spitsen, kiosken, rustende tegen de helling van een hoogen heuvel, welks top gekroond wordt door een groot paleis van wit marmer, schitterend uitkomend tegen den blauwachtigen achtergrond der bergen. Geen pen, geen teekenstift of penseel, kan, naar waarheid, het wonderschoone beeld wedergeven dezer stad, zoo te recht Oudeypoor, de stad der rijzende zon, genaamd.

Na eenige oogenblikken van bewonderende beschouwing, daalden wij van den heuvel af en trokken naar de stad. Daar vroeg ik aan eenige voorbijgangers den weg naar de woning van den resident, die mij aanstonds gewezen werd. De residentie is een groot paleis met koepels en ruime terrassen: het ligt op den top van een heuvel, een à twee mijlen van de wallen verwijderd. Van een in scharlaken roode liverei uitgedosten bediende vernam ik, tot mijn grooten spijt, dat de engelsche resident nog niet van zijne officiëele rondreis was teruggekeerd, en dat wij, gedurende zijne afwezigheid, nergens in de stad een onderkomen zouden vinden. Ik wierp een wanhopigen blik op den omtrek, maar zag niets dan steenachtige heuvelen, zonder een enkelen boom, waaronder wij onze tent konden opslaan om beschutting te vinden tegen de felle hitte des daags en de scherpe koude des nachts. Juist kwam een djemadar, een chef van het dienstdoend personeel, aansnellen, en bood mij een verblijf in een der gebouwen van het paleis aan. Hoezeer tegen mijn zin, nam ik dit aanbod aan: mij vast voornemende te vertrekken, zoodra ik eene geschikte gelegenheid tot het opslaan van mijn kamp zou hebben gevonden.

Den volgenden morgen was ons eerste werk, te paard een bezoek te gaan afleggen bij Lutsjmun Rao, dewan of eerste minister van den koning van Mewar, voor wien de engelsche kommandant van Kheirwara mij een aanbevelingsbrief had medegegeven. Onze sowars hadden zich, als gewapend geleide, bij ons aangesloten, en zoo trok onze kleine stoet naar de naaste poort der stad. De hooge, zware, gekanteelde muren zijn omgeven door een diepe, met stroomend water gevulde gracht; maar er zijn geen aarden werken, en eenige kanonschoten zouden voldoende zijn om in dien muur een geweldige bres te schieten. Van afstand tot afstand verheffen zich zware vierkante bolwerken, waarop kanonnen zijn geplant.

Oudeypoor van het meer gezien.

Oudeypoor van het meer gezien.

De kommandant der wacht aan de zware, goed versterkte poort, treedt naar buiten, en vraagt waarheen wij gaan. Op het hooren van den naam des ministers, laat hij ons door, en geeft ons zelfs een soldaat mede om ons naar de woning van den dewan te geleiden. Wij bevinden ons nu in eene nauwe, drukke, volkrijke straat, waar onze sowars ons met groote vrijpostigheid een weg banen; de voorbijgangers staren ons met verbaasde en nieuwsgierige blikken aan; naar het schijnt, zijn zij niet gewoon andere Europeanen te zien, dan die tot het engelsche gezantschap behooren. Alles is hier nieuw voor mij: de bouworde der huizen, het voorkomen der inwoners, de gansche omgeving; aan alle zijden verheffen zich [57]tempels en prachtgebouwen te midden van krotten en half in puin gestorte hutten: het geheel is niet alleen verrassend en nieuw, maar ook in de hoogste mate schilderachtig.

Wij stijgen af op de binnenplaats der woning van Lutsjmun Rao. De minister ontvangt ons zeer wellevend; hij is echter een Brahmaan en geen Radsjpoet; hij vraagt naar het doel onzer reis, en paait ons, met onberispelijke beleefdheid, met die indische beloften en toezeggingen, die tot niets verbinden. “Wij wenschen bij den Maha-Rana te worden toegelaten”—“Zeker, zeker; het zal hem een groot genoegen zijn, u te kunnen ontvangen”;—maar ik kan onmogelijk te weten komen, hoe en wanneer dit geschieden zal. Ik verzoek hem dringend, ons eenig onderkomen in de stad te bezorgen; maar hij durft dit niet te doen, zonder vooraf met den Rana gesproken te hebben. Inmiddels biedt hij ons de gebouwen van den Hawalla, den circus, aan, buiten de stad in de nabijheid der residentie gelegen. Deze Hawalla, waar vroeger de gevechten van olifanten en de voorstellingen der worstelaars gegeven werden, bestaat uit een ruim langwerpig perk, de eigenlijke arena, omgeven door een acht à tien voet hoogen muur, waarop zich van afstand tot afstand sierlijke paviljoenen verheffen, wier platte daken door zuilenrijen gedragen worden. Het paviljoen, waarin wij onzen intrek namen, telde niet minder dan acht-en-veertig pilaren, in vier rijen geplaatst. Wij hadden van hier een prachtig uitzicht; en in den zomer zou deze sierlijke open zuilenhal voorzeker eene alleszins begeerlijke woning zijn geweest; in dezen, tijd des jaars was het er evenwel wat al te frisch.

Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.

Graftombe aan het meer Boerdi-Talao.

Kort nadat wij ons hier gevestigd hadden, ontvingen wij een aantal bezoeken, onder anderen van den inspecteur der koninklijke gevangenissen en van een kapitein der lijfwacht; deze beide heeren waren uiterst beleefd, maar overstelpten ons evenzoo met telkens herhaalde vragen; ik bemerkte weldra dat men ons eigenlijk voor spionnen hield. Hoe vele malen ik ook verzekerde dat wij alleen gekomen waren om het land te zien, met zijne inwoners en monumenten kennis te maken, altijd kwam weder dezelfde vraag terug: “Wie zendt u?”—en wat ik ook deed, het was mij onmogelijk hun aan het verstand te brengen, dat wij enkel uit liefde voor de wetenschap zulk een gevaarlijke reis hadden ondernomen. De eerste minister kwam zelf, met een groot gevolg, ons bezoeken; hij was zoo beleefd mogelijk, bewonderde onze paarden en alles wat wij bij ons hadden, prees de hoogst vernuftige wijze, waarop wij onze woning hadden ingericht, sprak op den gulsten en vriendelijksten [58]toon met ons:—en vroeg mij toen eensklaps, met het onnoozelste gezicht van de wereld, welke politieke zending mij was opgedragen: hij zou dit geheim aan niemand anders dan aan den Rana in persoon mededeelen. Ziende dat ik elk officieel karakter bleef ontkennen, beloofde hij, dat hij ons den volgenden dag aan den koning zou voorstellen.

Den volgenden dag herhaalde zich dezelfde komedie nog eens. Toen ik mij naar het paleis begaf, kwam ons een van de secretarissen des konings, Bulwant Rao, te gemoet rijden, en verzocht mij terug te keeren. Met een zeer ernstig gelaat deelde hij mij mede, dat ik niet bij den Rana kon worden toegelaten, indien ik hem niet vooraf in kennis stelde met hetgeen ik dezen te zeggen had. Ik gevoelde grooten lust hem te antwoorden, dat ik den Rana niet verlangde te spreken; maar ik bedwong mij, en herhaalde nog eens mijne verzekeringen en verklaringen, waarop het gewone antwoord volgde. Ditmaal had de secretaris al wat ik zeide woordelijk opgeschreven; toen hij mij verliet, gaf hij mij de verzekering, dat ik binnen weinige dagen ten gehoore zou worden ontvangen. Vraagt misschien een mijner lezers, waarom ik er dan toch zoo hoogen prijs op stelde bij den Rana te worden toegelaten, dan moge hij weten dat ik, eenmaal door dezen monarch ontvangen, met zekerheid rekenen kon op een goed onthaal bij al de andere vorsten der Radsjpoeten, die hem als het hoofd van hunne familie en van de gansche natie beschouwen.

Samboe-Singh, Maha-Rana van Mewar, was toen (1866) een jonkman van ruim achttien jaar. Uit den stam der Sesoedias gesproten, is hij het erkende hoofd en de vertegenwoordiger van de doorluchtige familie der Soeryavansis, het beroemde Zonnegeslacht van Indië. Zijn persoon is voor alle Hindoes een voorwerp van eerbiedige vereering; hij voert den weidschen titel van Hindoe-Soeradje, Zon der Hindoes. Deze hooge onderscheiding dankt hij niet aan zijne macht, want hij behoort slechts tot de vorsten van den tweeden rang; maar zijne familie heeft zich dien roem verworven door den heldhaftigen tegenstand, dien zij langen tijd aan de vreemde muzelmansche veroveraars bood. In het eind overwonnen, versmaadde zij toch de zoo verleidelijke en voordeelige verbintenissen met het keizerlijke geslacht der Groot-mogols van Delhi, en bewaarde, ook ten koste van zware offers, de zuiverheid van haar bloed on de onbevlekte reinheid harer kaste: een voorbeeld, slechts door weinige vorstelijke familiën van Hindostan gevolgd. Daaraan dankt dit aloude geslacht niet alleen zijne eereplaats aan het hoofd der indische aristokratie, maar ook vele andere voorrechten en onderscheidingen. In eene vergadering van inlandsche vorsten bekleedt de Rana altijd het gestoelte der eere, en heeft het recht te allen tijde het woord te voeren; in de geschillen, die wegens kwestiën van kaste of godsdienst tusschen de Radsjpoeten onderling ontstaan, is hij de hoogste scheidsrechter en zijne uitspraak beslissend.

Het gebied van den Maha-Rana omvat niet veel meer dan 550 vierkante mijlen, en telt eene bevolking van ruim een millioen zielen; deze staat schijnt nog ongeveer dezelfde grenzen te hebben als toen, ten jare 781, de Gheloot Bappa de Mori-koningen van Tsjittore verdreef, en de dynastie der Rana’s grondvestte. Het koninkrijk Mewar wordt ten zuiden begrensd door het Vindhya-gebergte, ten westen door de Aravallis, ten oosten door Malwa, en ten noorden door de engelsche provincie Adsjmir. De inkomsten van den staat worden geschat op veertig lakh roepyen, gelijkstaande met ongeveer twee millioen gulden. Er is geen twijfel aan, of bij voortgaande ontwikkeling, kan deze opbrengst meer dan vertienvoudigd worden.

De Rana’s zijn, zooals men ziet, van overouden stam. Het is opmerkelijk dat zij, volgens de traditiën hunner familie, verwant zouden zijn met de koningen van Perzië uit het huis der Sassaniden, en ook met de keizers van het oostersch-romeinsche rijk. Naar men verhaalt zou een Rana eene dochter van den grooten koning, den beroemden Shâh Koshroe-Anoeshirvan, hebben gehuwd; een ander zou de hand hebben verworven van de dochter van een der byzantijnsche keizers. Er is misschien geene tweede familie, die haar stamboom zoo hoog kan opvoeren als het geslacht der Rana’s van Tsjittore en Oodipoor: hunne zorgvuldig bijgehouden genealogie verliest zich in den fabelachtigen voortijd. Zeker is het, dat de Radsjpoeten zich bij voorkeur te Oodipoor vrij hebben gehouden van alle vermenging met vreemd bloed; de hoofden der aloude stammen of clans Sesoedia, Rhattore, Tsjolan, hebben daar hun verblijf. Hier bovenal hebben de Radsjpoeten nog die schitterende eigenschappen weten te bewaren, die fierheid, die loyauteit, die wellevendheid, die eenmaal zoozeer de bewondering opwekten van den engelschen majoor Todd, hun lofredenaar en geschiedschrijver; minder dan elders is in Mewar hun nationaal karakter gewijzigd door de aanraking met en den invloed van vreemde veroveraars, hetzij Muzelmannen, hetzij Engelschen. De naam Radsjpoeten beteekent zonen der koningen; en iedere familie voert haar stamboom op tot een der aloude vorsten des lands. Iedere stam splitst zich in clans, die elk een bijzonderen naam dragen; niemand mag in zijn eigen clan huwen: de mannen moeten hunne echtgenooten uit een anderen clan kiezen: eene bepaling, die niet alleen de stammen onderling door steeds nieuwe banden verbindt, maar die ook bij uitnemendheid geschikt is, om de zuiverheid van het bloed en de kracht des volks te bewaren.

De verschillende clans ontleenen hunne namen aan een of ander merkwaardig feit uit het leven van hun stamvader. Omtrent den oorsprong van den naam, dien het koninklijk geslacht van Oodipoor, de Sesoedias, voert, meldt de legende het volgende. Eens dat een der voorvaderen van den Rana met zijne edellieden, in de vlakten van Mewar op de jacht was, gebeurde het bij ongeluk, dat hij eene groote vlieg inslikte. Het insect drong tot in zijne maag door, en veroorzaakte hem zoo ondragelijke smarten, dat bij het voornemen opvatte, zich van het leven te berooven. Gelukkig verscheen er een fakir, die op zich nam om den Rana te genezen. Ongemerkt sneed hij een stukje [59]van het oor eener koe af, wikkelde dat in een linnen doekje, bond daaraan een draad vast, en liet het den Rana inslikken. Zoodra dit stukje oor in de maag van den vorst kwam, zette de vlieg, door haar instinkt gedreven, zich daarop, en werd zoo gemakkelijk te voorschijn gehaald. De monarch was genezen, en wilde nu ook weten, door welk middel dit bewerkt was. De fakir zocht allerlei uitvluchten, maar moest eindelijk de ontzettende waarheid bekennen. Wie beschrijft de ontsteltenis van den Rana, toen hij vernam dat een stuk van het heilige dier over zijne lippen gekomen was! Na zulk een misdaad, zij het dan ook onbewust, te hebben bedreven, achtte hij zich niet waardig, langer te leven; hij besloot vrijwillig te sterven, en zijne lippen te reinigen, door gesmolten lood in te slikken. Zijne bloedverwanten en hovelingen om zich vereenigd hebbende, nam de Rana met vaste hand den kelk met het gesmolten metaal, en ledigde dien met een enkelen teug. Maar, o wonder! het vloeiende lood ging over zijne lippen zonder ze te verbranden, en werd in zijn mond tot frisch, heerlijk water. Dat was de hand der hooge goden: en de Rana, dankbaar voor de hem zoo zichtbaar bewezen gunst en bescherming, nam voor zijn geslacht den naam aan van Sesoedia, van het zelfstandig naamwoord siça (lood).

De Sesoedias vooral mogen zich met volle recht koningskinderen noemen; groot en welgemaakt van gestalte, schoon van gelaat, dragen hunne edele sprekende trekken den onmiskenbaren stempel van het zuivere arische bloed. Zij kennen geen ander bedrijf dan den wapenhandel; in Mewar vormen zij de aristokratie en bekleeden alle militaire rangen; moedig, tot vermetelheid toe, zijn zij uitstekende ruiters en onverschrokken jagers. De jacht is voor hen meer dan een vermaak of een tijdverdrijf, zij is hun eene ware hartstocht, hunne godsdienst zelve legt hun de verplichting op, gedurende zekere tijden des jaars ter jacht te tijgen; en zelden gaan er eenige weken voorbij, zonder dat zij tegen het wild gedierte te velde trekken. De jonge Radsjpoet wordt niet eer in den kring der volwassen mannen opgenomen, dan nadat hij met eigen hand een dier reusachtige wilde zwijnen heeft gedood, die zich in het Aravalli-gebergte ophouden. Alleen, slechts met zijn schild en zijn zwaren catâr (een soort van slagzwaard) gewapend, begeeft zich de jonkman op weg, en wacht op een plek in het woud, waar de wilde zwijnen gewoonlijk langs komen, zijn geduchten vijand af. Ziet hij het woeste dier naderen, dan buigt hij eene knie ter aarde, en houdt zijn catâr gereed, om hem te treffen met doodelijken slag. Is hij overwinnaar in dien gevaarlijken strijd, dan keert hij naar zijne woning, en noodigt zijne verwanten tot een feestmaal, waarvan het gedoode zwijn den hoofdschotel vormt.

De kleeding der Radsjpoeten is zeer sierlijk en smaakvol. Zij bestaat uit eene lange, nauwsluitende tuniek en nauwsluitenden pantalon, beiden van rijk geborduurde en met goud doorwerkte stof; aan de voeten en de armen dragen ook de mannen zware ringen van massief goud: eene gewoonte, die bij geene andere kaste van Indië wordt aangetroffen. De vorm van den tulband is zeer verschillend, doch steeds sierlijk; ook weten zij dit bevallig hoofddeksel met zekere gratie en coquetterie te dragen, die hun iets zeer gedistingeerds geeft. In hun gordel dragen zij een volslagen tuighuis van dolken, degens, zwaarden; over den schouder hangt het ronde schild van rhinocerosvel, met gouden knoppen versierd. Hunne paarden zijn met smaak en pracht opgetuigd, en worden met groote zorg onderhouden en gekweekt.—De vrouwen der Radsjpoeten zijn groot, welgemaakt en dikwijls zeer schoon; de echtgenooten der edelen leven in den harem of de zenanah; de vrouwen van minderen stand zijn vrij en verschijnen met ongedekt gelaat op straat, maar zoodra zij meenen dat een Europeaan haar gadeslaat, omsluieren zij zich. Zij dragen een wijden geplooiden rok, die tot over de knieën reikt; een klein keurslijf, dat alleen de schouders en de borst bedekt en den rug bloot laat; en een breeden sjerp van gaas of zijde, waarmede zij zich het bovenlijf omwikkelen, en waarvan een der punten over haar hoofd geworpen wordt. Evenals alle vrouwen door geheel Hindostan, overladen zij zich met eene ongeloofelijke menigte van gouden en zilveren sieraden.

Ieder vermogend Radsjpoet heeft ten minste drie vrouwen, die niet alleen in het huiselijke, maar ook in het openbare leven eene zeer gewichtige rol spelen: niets geschiedt zonder dat vooraf haar raad is ingewonnen. Zelden zal een man, op eene belangrijke vraag, dadelijk antwoord geven: hij moet eerst zijne vrouw raadplegen, en meestal is het hare beslissing, die hij u later mededeelt. De Radsjpoeten betoonen der vrouw dien kieschen eerbied, wijden haar die dweepende vereering, die een eigenaardig kenmerk van alle ridderlijke volken is; hunne gedichten vloeien over van allerlei verhalen, waarin de verlossing van eene of andere gevangen schoone, of de wraak eener beleedigde dame het hoofdthema uitmaakt. In hunne groote oorlogen speelt bijna altijd eene vrouw de hoofdrol; en nog heden ten dage zendt eene dame, die eene beleediging te wreken heeft, een armband aan een of anderen krijgsman, dien zij tot haar ridder heeft uitverkoren. De aldus aangewezene is nu, op straffe van oneer, verplicht, als wreker der dame op te treden. De kronieken van Radsjpoetana zijn trouwens niet minder rijk aan trekken van heldenmoed en zelfopoffering ook der vrouwen.

Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.

Durbar bij den Maha-Rana van Oodipoor.

Sinds overoude tijden en nog in deze dagen, is de stand der barden of heldendichters bij de Radsjpoeten hoog in eere. Iedere stam, iedere aanzienlijke familie, elke vorst of baron heeft zijn eigen bard of bhât, wiens roeping het is de herinnering te bewaren aan de aloude overleveringen en legenden van de familie of den stam. Hij houdt de geslachtregisters, en draagt bij plechtige gelegenheden zijne liederen voor, waarin de groote daden der voorvaderen worden geprezen. Ook de huiselijke en familiefeesten luistert hij op door zijne zangen; en des avonds zet hij zich in den kring en doet allen luisteren naar zijne verhalen en improvisaties. De persoon van den bard is in zekeren zin gewijd; hij is de overbrenger van de oorlogsverklaringen; [60]hij is de voornaamste onderhandelaar in alle gewichtige zaken en vereffent de meeste geschillen. Hij houdt zich ook onledig met sterrenwichelarij; en bij de stammen der woestijn staat hij wellicht hooger in aanzien dan de priester van Brahma zelf. Hoe dit alles herinnert aan onze eigene middeleeuwsche toestanden; en hoe zonderling voelt zich de europeesche reiziger te moede, als hij hier eensklaps, in het hart van Azië, eene wereld om zich heen ziet herleven, die hij tot dusver alleen uit de oude kronieken en romancen kende, en die hij voor altijd ondergegaan waande.

De Radsjpoeten geven zich zelf tegenwoordig den titel van Kshatriyas: met welken naam, zooals men weet, vroeger de kaste der krijgslieden, de eerste in rang na die der Brahmanen, werd aangeduid, of liever de militaire adel van arischen stam, die de landen aan den voet van den Himalaya veroverde en daar een nieuw rijk grondvestte. Zij beweren dan ook af te stammen van den beroemden koning Rama, den overwinnaar van Lanka, den held van het oud-indische epos: hunne vestiging in het land zou dus tot omstreeks tweeduizend jaren voor Christus opklimmen. Intusschen is het thans zoogoed als uitgemaakt, dat de verschijning der Radsjpoeten in Hindostan tot een zeerveel later tijdperk behoort. Volgens het verhaal der Brahmanen, zouden de Kshatriyas allen gedood zijn bij een opstand der lagere kasten, aan wier hoofd zich Pasoerama, een der incarnatiën van Vishnoe, had gesteld; dit zou eenige eeuwen vóór onze jaartelling hebben plaats gehad. Wat hiervan zij: zeker is het, dat de aloude adel der Kshatriyas in den loop des tijds zijn overwicht en de alleenheerschappij verloor: want zelfs op den keizerlijken troon van Magadha ontmoeten wij verschillende familiën, die oorspronkelijk tot de lage kaste der Soedras behoorden.—De Radsjpoeten beginnen eerst omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling eene staatkundige rol in Indië te spelen; langen tijd schijnen zij zich aan de grenzen des lands, aan gene zijde van den Indus, te hebben opgehouden; Todd meende hen te moeten rekenen tot de skytische stammen, die langzamerhand de westelijke grenzen van Hindostan hadden overschreden. Tusschen de zesde en de zevende eeuw zien wij deze Radsjpoeten-stammen zich snel tot macht en aanzien verheffen; de Tsjandelas veroveren Malwa, de Tsjohans en Rhatores maken zich meester van Kanoedsj en Delhi: de Gheloten en Baghelas vestigen zich in Mewar en Goezerate. In dien tijd hielden de Radsjpoeten zich nog afgezonderd van de eigenlijke Hindoes, waarvan zij zich ook door hunne godsdienst onderscheidden. Zij waren destijds Djaïnen, doch omhelsden reeds vrij spoedig het Brahmanisme, met name de eeredienst van Çiva. Na hunne bekeering deden zij ook hunne aanspraken gelden op den titel van Kshatriyas: aanspraken, wier geldigheid echter door de Brahmanen, tot op dezen dag, nooit uitdrukkelijk is erkend. En inderdaad, zoowel door hun gelaatsvorm, zoozeer van dien der andere Hindoes afwijkende, als door hunne zeden en gewoonten, schijnen de Radsjpoeten veelmeer aan de oude Parthen, dan aan de oorspronkelijke vedische Kshatriyas verwant. Waarschijnlijk zijn zij de laatste emigranten van arischen stam, die uit het hoogland van Midden-Azië in Indië doordrongen.

Inmiddels was het mij nog niet mogen gelukken tot den Rana door te dringen, en reeds dacht ik er aan, mijne vruchtelooze pogingen op te geven en Oodipoor te verlaten, toen er eensklaps een onverwacht bondgenoot kwam opdagen, die mij zijne veelvermogende hulp aanbood. De Rao van Baidlah, de eerste baron des rijks, had nauwelijks de tijding van onze komst vernomen, of hij haastte zich ons te komen begroeten en zijne diensten aan te bieden. Hij kwam, vergezeld van een schitterend gevolg, in een prachtigen draagstoel gezeten; ik ging hem te gemoet, reikte hem de hand, hielp hem bij het uitstijgen, en geleidde hem, met de verschuldigde eerbewijzen, naar zijn zetel.

“Waar hebt gij de indische etiquette geleerd, waarvan de sahibs doorgaans niets weten?” vroeg mij de Rao. Ik verhaalde hem nu van mijn langdurig verblijf te Baroda, van mijn vertrouwelijken omgang met den Guikowar, en van het doel mijner komst in Mewar. Hij luisterde aandachtig naar mij, betuigde zijn spijt, dat ik mij niet dadelijk tot hem gewend had, en gaf mij de verzekering, dat de Rana zich stellig zou beijveren mijn eersten ongunstigen indruk weg te nemen, en mij niet minder goed zou ontvangen dan de Guikowar Khanderao.

De Rao van Baidlah is een schoon grijsaard, de volmaakte type van een Radsjpoet; zijne manieren zijn waardig en bevallig; in zijn spreken paart hij aan de onberispelijkste etiquette eene vrijmoedigheid en ongedwongenheid, die bij de Hindoes verre van algemeen is. Hij is het hoofd van den oppersten raad der zestien Raos of hertogen van het koninkrijk Mewar: die machtige leenmannen, die, voor dat de Engelschen zich met de regeering des lands bemoeiden, de macht van den souverein bijna geheel aan zich getrokken, en hem zelf tot een schijnbeeld gemaakt hadden.

Bijkans het gansche land is tusschen deze groote Raos, bijna allen aan de koninklijke familie verwant, verdeeld; in hunne gewesten of heerlijkheden oefenen zij een schier onbeperkt gezag uit; slechts zelden verschijnen zij aan het hof te Oodipoor, en zijn soms in openbaren opstand tegen den Rana. De britsche regeering heeft gedaan wat zij kon om de macht dezer Raos te breken, en den Rana het verloren gezag weder te geven; maar tot dusverre is zij daarin maar zeer ten deele geslaagd. De bezittingen van den Rao van Baidlah zijn zeer uitgestrekt, en leveren hem een inkomen van omstreeks zes ton per jaar op, zijne hoofdstad is slechts eenige mijlen van Oodipoor verwijderd, zoodat hij, zonder zijne residentie te verlaten, aan het hof verschijnen kan. Hij behoort tot den stam der Tsjohans, en aan zijn rang zijn enkele, echt middeleeuwsche privilegiën verbonden. Zoo worden, bijvoorbeeld, den derden dag der maand Samvatsiri, de teekenen der koninklijke waardigheid naar Baidlah gebracht en aan den Rao ter hand gesteld, die daarop, met groote staatsie, een bezoek gaat afleggen bij den Rana, welke hem in persoon aan den ingang van het paleis ontvangt. Scherpzinnig en met een fijn, doordringend verstand begaafd, heeft hij het volle vertrouwen [62]van den jongen vorst weten te winnen, en tevens de vriendschap van het britsche gouvernement. Hij stelt hoogen prijs op de handhaving van den alouden luister der vorstelijke dynastie van Oodipoor en van de rechten en privilegiën van den adel; maar tegelijk is hij niet afkeerig van de nieuwe denkbeelden en instellingen, die met de Europeanen naar Hindostan zijn gekomen; en wel gaarne zou hij de ontwikkeling van europeeschen handel en nijverheid in zijn vaderland bevorderen, voor zooverre dit bestaanbaar is met de oude rechten en inzettingen. Aan zijn invloed vooral was de bescherming te danken, die de europeesche vluchtelingen, tijdens den grooten opstand van 1857, in Mewar vonden; zij werden niet alleen in veiligheid gebracht, maar zelfs gedurende vele maanden kosteloos gehuisvest en gevoed. De koningin van Engeland zond, uit dankbaarheid, den ouden Rao een prachtigen eeresabel, dien hij ons met blijkbare zelfvoldoening toonde.

Zijn eerste bezoek duurde langer dan een uur; hij onderzocht al onze bagages, tot zelfs ons toiletgereedschap, en had vooral grooten schik in een stereoscoop met gekleurde platen van de Tuileriën en Versailles; hij kon zich van de beschouwing dezer platen niet verzadigen, zoodat ik hem den stereoscoop ten geschenke gaf. Om te bewijzen dat hij met de gewoonten der beschaafde wereld bekend was, nam hij zonder aarzelen een glas sherry van mij aan, en vroeg mij een sigaar. Dit verwonderde mij ten hoogste: want nog nimmer had ik een Hindoe, vooral van zoo aanzienlijke kaste, ontmoet, die dus openlijk de europeesche gewoonten volgde; later vond ik overvloedige gelegenheid om mij te overtuigen, dat, althans wat het gebruik van wijn en sigaren betreft, de Radsjpoeten zich niet streng aan de voorschriften hunner kaste houden.

Het bezoek van den Rao droeg al spoedig vruchten. Reeds den volgenden morgen stond een door hem gezonden olifant voor onze deur gereed, vergezeld van een djemadar met vier sowars. De secretaris des konings, Bulwant Rao, die ons als cicerone zal dienen, voert ons door eene voorstad, waar de rijke inwoners van Oodipoor hunne villas of landhuizen hebben; aan alle kanten verheffen zich sierlijke heuvelen, met heerlijke lommerrijke tuinen bedekt, waar, tusschen het dichte groen, sierlijke kiosken, smaakvolle paviljoenen en wit marmeren tempeltjes, die zich in heldere waterkommen spiegelen, den voorbijganger tegenlachen. Wij trekken de stad binnen door eene met bolwerken verdedigde poort, en bevinden ons nu in een prachtigen bazar- of winkelstraat; de huizen zijn allen van steen gebouwd en van platte daken voorzien; de winkels bevinden zich onder booggangen, die de straat ter wederzijde begrenzen, en zien er netjes en zindelijk uit. Het geheele voorkomen der stad is bij uitnemendheid schilderachtig; elk huis heeft zijn eigenaardige bouworde, en prijkt met balkons, pilaren, beeldwerken en fresko’s, die aan iedere woning een bijzonderen artistieken stempel geven.

Sommige straten hebben eene aanmerkelijke lengte en zijn geheel rechtlijnig; er heerscht hier over het algemeen eene groote drukte. Ook hier, evenals in de meeste oostersche en ook vroeger in de europeesche steden, zijn de verschillende beroepen en bedrijven allen bij elkander in dezelfde straat of wijk gevestigd. Zoo heeft men de straat der schoenmakers, der vervaardigers van tulbanden; der wapensmeden, der goudsmeden en juweliers, der handelaars in zijde en andere kostbare, stoffen. In de adellijke wijk vindt ge eene menigte trotsche woningen, echte kasteelen met gekanteelde muren, torens en bolwerken; jammer slechts, dat deze vorstelijke residentiën dikwijls door ruïnen en bouwvallige gebouwen worden ontsierd. De aanwezigheid dezer ruïnen midden in de stad verbaast u: zij is het gevolg van den kwalijk begrepen eerbied, dien de Radsjpoeten voor het werk der voorgeslachten koesteren; zij willen deze gebouwen noch herstellen noch afbreken, maar laten ze geheel in den toestand, waarin zij door den tijd gebracht zijn.

Langs steile straten beklimmen wij den heuvel, waarop het koninklijk paleis troont: die straten zijn zoo steil, dat zij voor rijtuigen bijna onbruikbaar zijn. In de voornaamste straat, die naar het paleis voert, en dicht bij den hoofdingang, verheft zich de groote koninklijke pagode, aan Djaggernauth gewijd, en in het laatst der zestiende eeuw door Pertap-Singh gebouwd. Zij staat op een hoog, wit marmeren terras, waarheen een breede trap, door twee marmeren olifanten met opgeheven snuit bewaakt, voert. De gansche tempel is uit wit marmer opgetrokken en geheel met beeldhouwwerk bedekt; de fraaie, bevallige groote toren verheft zich tot eene hoogte van ongeveer vijf-en-twintig ellen. Voor het heiligdom staat een sierlijk paviljoen, op zuilen rustende en met een pyramidaal dak gekroond; langs de wanden zijn bas-reliefs aangebracht, tafreelen uit het leven van Krishna voorstellend.

Wij dalen aan de andere zijde den heuvel weder af, en staan weldra aan den oever van een schilderachtig meer, dat ik reeds eenmaal uit de verte gezien had. Aan den zoom van het meer verrijst een prachtige, witmarmeren triomfboog, met drie doorgangen; door deze poort trekken de veelvuldige processiën, die bij gelegenheid der groote feesten zich naar het meer begeven. Wij stappen in eene gereedliggende boot, die ons naar de eilanden roeien moet; en weldra drijven wij op de kalme wateren van het meer Petsjola, waarin de huizen en paleizen der stad zich weerspiegelen. Eerst niet veelmeer dan eene smalle rivier, ter wederzijde door heuvelen, met paleizen gekroond, ingesloten, breidt het meer zich weldra tot eene wijde watervlakte uit, waaruit de eilanden Jug-Navas en Jug-Munder oprijzen.

Wij landen aan het eerste eiland, dat geheel wordt ingenomen door eene reeks van paleizen, door den Rana Juggut-Singh gesticht. Deze paleizen bevatten receptiezalen, staatsievertrekken, baden, kiosken: alles even rijk van stijl en schitterend van versiering. Al deze gebouwen, groote en kleine, zijn zonder uitzondering van wit of zwart marmer opgetrokken; de wanden zijn met veelkleurige mozaïeken versierd, en de voornaamste vertrekken bezitten historische fresko-schilderijen van groote waarde. Elk gebouw heeft [63]zijn bijzonderen tuin, door zuilengangen omgeven; daar verspreiden heerlijke bloemperken, bosschages van citroen- en oranjeboomen hunne welriekende geuren, en slingeren zich murmelende, kristalheldere beken door den rijken hof, waar reusachtige mango- en tamarindeboomen met hunne verkwikkende schaduw de zuilengangen omhullen. Boven de koepels der paleizen verheffen dadel- en kokospalmen hunne sierlijke bladerkroonen, zacht wiegelende op den adem der koelte. Alle onderdeelen en bijzonderheden zijn hier in volkomen overeenstemming met de heerlijke schoonheid van het geheel; niets verbaast of treft u door groote afmetingen of stoute vormen; de paleizen zijn klein, bevallig, gemakkelijk ingericht; het zijn inderdaad lusthoven, waar de Rana nu en dan verpoozing zoekt van de statelijke pracht en strenge etiquette, die aan het hof van de Zon der Hindoes heerschen.

Ik zou hier uren hebben willen vertoeven, maar Bulwant-Rao noodigde mij uit naar het andere eiland te gaan, waar een ontbijt voor ons gereed stond. Reeds van verre doet zich Jug-Munder als eene verschijning uit het feeënland voor, met zijne koepels en palmen, zich weerkaatsende in de kalme wateren van het meer. Wij leggen aan bij een marmeren trap, en beginnen nu onze wandeling door eene nieuwe reeks van paleizen en tuinen, niet minder schoon dan die op het eiland Jug-Navas. Mijn gids wees mij een groot gebouw, met een mongoolschen koepel gekroond en door hem het paleis van Shâh Jehan genoemd. Deze vorst was in opstand gekomen tegen zijn vader, den keizer Djehanghir, en had eene schuilplaats gezocht aan het hof van den Rana Koeroen, den zoon van Oemra. De Rana ontving den voortvluchtigen prins met echt oostersche gastvrijheid; hij liet voor hem op het eiland Jug-Munder een prachtig paleis bouwen, waarop hij de halve maan liet plaatsen; het inwendige prijkte met mozaïeken van jaspis, agaat, onyx, en met rijke veelkleurige tapijten en draperieën; in een der zalen stond een troon, uit een enkel blok groenachtigen serpentijnsteen gehouwen, en door vier karyatiden gedragen. Al deze heerlijkheid is nog ongeschonden in wezen. Op dit tooverachtig schoone eiland, een waar paradijs, werden in 1857 de Engelschen geherbergd, die aan den moord der garnizoenen van Neemuch en Idore waren ontkomen.

Na een eenvoudig ontbijt, dat wij in een der kiosken nuttigden, namen wij den terugtocht aan. Van hier omvat men, met een enkelen blik, de geheele reeks der paleizen van Oodipoor. Vooreerst, aan het uiteinde van den heuvel, het paleis van Oemra, dat tegenwoordig niet meer bewoond wordt; dan het paleis van den regeerenden Rana, met de Rosana, het vrouwenverblijf, waarvan de kolossale muur tot aan den oever van het meer reikt, en zijne lommerrijke tuinen, bezaaid met kiosken; en eindelijk de stad, half wegschuilende achter een woud van groote boomen. Dat gezicht is zeker een der fraaiste van geheel Indië.

Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.

Een nautsj in het paleis op het eiland Jug-Navas.

Bij het uitstappen aan de kaai, wijst men ons de staatsiebooten van den Rana: groote, zeer sierlijke gondels, waarin ongeveer een honderdtal personen plaats kunnen vinden. De achtersteven stijgt, terrasgewijze, tot eene aanmerkelijke hoogte: op het hoogste terras staat de troonzetel van den Rana. De voorsteven is versierd met de beelden van paarden of pauwen, die uit het water schijnen op te rijzen.

Onze nieuwe vriend, de Rao van Baidlah, wist ons zoo, gedurende eenige dagen, telkens nieuwe uitspanningen te bezorgen; maar van onze audiëntie kwam nog niets. Eindelijk werd ik, op zekeren morgen, gewekt door kanonschoten, die de lang verwachte terugkomst verkondigden van majoor Nixon, den engelschen resident bij het hof van den Maha-Rana. Ik schreef hem dadelijk, en zond hem mijne aanbevelingsbrieven; een half uur later zaten wij te zamen aan het ontbijt. De koele wijze, waarop men ons tot dusver behandeld had, scheen hem volstrekt niet te verwonderen; volgens hem, had men ons waarschijnlijk voor russische spionnen aangezien. Hij drong er evenwel op aan, dat wij ons verblijf zouden verlengen, en gaf de stellige verzekering, dat hij ons aan den Rana zou voorstellen, aan wiens hof wij zeker niet minder te zien en op te merken zouden vinden dan aan dat van Baroda. De majoor liet niet af, voor wij andermaal onzen intrek in de residentie hadden genomen, en stelde ons nog dien avond voor aan twee engelsche officieren, den ingenieur en den dokter, die met hem het geheele europeesche personeel der ambassade uitmaakten. Ik bracht in gezelschap van die heeren een genotvollen avond door. [137]

Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.

Paleis op het eiland Jug-Munder te Oodipoor.

IV.

Zooals ik vermoed had, bracht de komst van den engelschen resident eene groote verandering in onze positie te Oodipoor. De rana, officiëel van onze komst onderricht, kon ons nu niet langer voor russische spionnen aanzien, die gekomen waren om hem in eene of andere gevaarlijke samenzwering te wikkelen, maar toonde zich bereid ons als gewone fransche reizigers te ontvangen. De majoor Nixon wilde ons zelf aan den vorst voorstellen, en stond er op, dat de eerste audiëntie zoo statig mogelijk zou zijn. In een hofrijtuig gezeten, door eene eerewacht begeleid, reden wij van de britsche residentie naar het paleis. Voor de hoofdpoort stonden de soldaten der koninklijke lijfwacht en presenteerden het geweer; wij stapten af op het ruime voorplein; de rao van Baidlah, die ons in naam van den maha-rana ontvangen moest, wachtte ons op het bordes op.

Eer ik de tsjoebdars met gouden staven volg, die ons naar de troonzaal moeten geleiden, sta ik een oogenblik stil, om deze wonderschoone vorstenwoning te beschouwen, waarvan de toegang mij zoolang verboden bleef: hooge muren, van vensters met steenen traliewerk voorzien; torens, met sierlijke koepels gekroond; galerijen, tot bijkans duizelingwekkende hoogte boven elkander oprijzende:—en dat alles van wit marmer, overdekt met het weelderigste beeldhouwwerk. De aanblik had iets tooverachtigs; het was een fantastisch geheel, schijnbaar zonder orde en harmonie, maar toch zoo schoon, dat de herinnering daaraan niet licht wijken zal.

Doch ik kan deze wonderen slechts met een vluchtigen blik overzien: wij volgen den majoor door lange, overwelfde, koele galerijen, die, zachtkens stijgende, ons naar de bovenverdiepingen voeren. De rana zal ons in den vollen durbar ontvangen: eene hooge eere! durbar noemt men in geheel Hindostan eene plechtige audiëntie bij den rajah, waarbij ook de voornaamste edellieden, de groot-dignitarissen van het hof en staatsdienaars tegenwoordig zijn; bij uitbreiding wordt het woord soms wel van den souverein zelf gebruikt, als hij groote publieke ceremoniën met zijne tegenwoordigheid vereert.—Een der binnenplaatsen op de bovenverdieping is tot troonzaal ingericht; een groot zeildoek keert de felle zonnestralen. De deurwaarders kondigen onze komst aan; de koning zit op een zilveren troon, door gouden leeuwen gedragen; zijne hovelingen en edelen zijn ter wederzijde in een halven kring geschaard. Zoodra wij de zaal binnentreden, rijst de koning van zijn troon op, en gaat ons enkele schreden te gemoet; hij reikt ons de hand, en wij zetten ons nevens hem op zilveren leuningstoelen neder.

Samboe-Singh was toen, zoo als ik reeds zeide, achttien of negentien jaar oud; hij ziet er vriendelijk en goed uit, maar zijne trekken missen die fijnheid, dat scherp geteekende, dat anders den leden van zijn geslacht doorgaans eigen is; zijne manieren zijn vriendelijk, voorkomend en toch vol waardigheid; hij schijnt een echt gentleman. Met groote hoffelijkheid verontschuldigt hij zich over de teleurstelling, die hij ons door het lange uitstel dezer audiëntie heeft veroorzaakt: redenen van zuiver staatkundigen aard hebben hem belet vroeger aan ons verzoek gevolg te geven. Hij [138]luistert met groote belangstelling naar hetgeen ik hem omtrent het doel mijner reis verhaal, doet mij allerlei vragen aangaande Frankrijk, en drukt eindelijk zijne verwachting uit, dat ik mijn verblijf te Oodipoor nog eenigen tijd rekken zal. Wanneer wij opstaan om de zaal te verlaten, ontvangen wij—de resident, mijn reismakker en ik—uit handen van den rana zelf, het bosje betelbladeren, bîra genaamd, en besprenkelt hij zelf onze zakdoeken met eenige druppelen rozenolie. Deze ceremonie, die aan alle indische hoven bij het afscheid nemen gebruikelijk is, heeft hier eene dubbele beteekenis: alleen vorsten van hoogen stam, beroemde veldoversten of zeer aanzienlijke vreemdelingen plegen de bîra uit handen van den maha-rana van Oodipoor te ontvangen. Zulk een eerbewijs geldt bijna als een adelbrief. Ik steek de beroemde bîra eerbiedig in mijn zak, en wij keeren naar het rijtuig terug, gevolgd door de edelen, die ons tot aan de voorplaats uitgeleide doen.

Het paleis van Oodipoor, misschien het grootste en prachtigste van geheel Hindostan, beslaat den top van een tamelijk hoogen heuvel, die evenwijdig aan het meer, van het oosten naar het westen loopt. Daar de kruin des heuvels zeer smal is, hebben de indische architecten aan de eene zijde een groot terras of platform uitgebouwd, dat door drie rijen bogen en gewelven boven elkander gedragen wordt: een ware reuzenarbeid. Gedeeltelijk is het paleis op dit terras opgetrokken; het overige vormt eene groote ruime binnenplaats, waarop de kazernen en de stallen der olifanten zijn geplaatst.

De gezamenlijke paleizen, sedert de dagen van Oemra-Singh tot op die van Sirdar-Singh gebouwd, en wier lengte te zamen meer dan drie kilometers bedraagt, zijn in een dubbelen muur gevat. De hoofdingang is aan de zijde der stad: eene prachtige marmeren poort, met drie rijk gebeeldhouwde doorgangen, en met eene rijke attika gekroond; de paneelen, de balkons, de koepels zijn met smaak versierd. Deze poort voert naar de groote binnenplaats, aan twee zijden door de koninklijke vertrekken ingesloten; de muren zijn op de verschillende verdiepingen met gebeeldhouwde galerijen versierd; in de hoeken verrijzen bevallige achtkantige torens, met koepels gekroond. De hoogte van het gebouw bedraagt zeven-en-dertig el, maar de glans van het schitterend witte marmer, waarvan het geheel is opgetrokken, en de eenvoudig-grootsche stijl der architectuur maken zulk een overweldigenden indruk, dat ge aanvankelijk het paleis voor veel hooger aanziet.

Aan het uiteinde van dezen hof bevindt zich eene groote deur, die zorgvuldig gesloten en door soldaten van de lijfwacht bewaard wordt: dat is de ingang van de zenanah of het vrouwenverblijf; niemand dan rana of de leden zijner familie mag dit gedeelte van het paleis bezoeken. Boven de poort prijkt het meer dan levensgroote standbeeld van Ganesa, den god der wijsheid.

Het inwendige van het paleis beantwoordt volkomen aan de grootste pracht van het uiterlijke, en tevens aan de eigenaardige behoeften van het tropische klimaat; lange, schemerachtige, zacht-hellende gangen en galerijen vervangen onze trappen, en voeren van de eene verdieping naar de andere: de ruime, luchtige, goed verlichte zalen zijn geheel met gepolijst marmer van verschillende kleur bekleed, hetgeen niet alleen zeer fraai staat, maar ook tot de frischheid der vertrekken bijdraagt; overal binnenplaatsen, hoven, fonteinen, bloemen. De groote vertrekken zijn met draperiën behangen; zachte kussens, wollige tapijten bedekten den vloer; de wanden, schitteren van mozaïek en van ivoor, parelmoer en kostbare steenen; spiegels en veelkleurige fresko’s verhoogen die pracht. Een der zalen is op zeer eigenaardige wijze versierd, en perst den europeeschen bezoeker onwillekeurig een glimlach af: de wanden zijn geheel bedekt met europeesche borden, schoteltjes, glazen, bobèches, enz.;—het gemeenste glas- of aardewerk prijkt hier naast het kostbaarste saksische porselein of het fraaiste boheemsche kristal: de indische kunstenaar heeft niet gelet op de innerlijke waarde van al dit huisraad, maar enkel op de kleur: en met den hem aangeboren takt is hij er in geslaagd van deze wonderlijke, zoozeer heterogene elementen een niet onbevallig geheel samen te stellen, dat althans door het ongewone treft. De fresko’s op de muren en zolderingen van sommige vertrekken zijn van groote, voor ’t minst historische waarde. Men vindt hier de portretten van al de ranas, te beginnen met Oedey-Singh, den stichter van Oodipoor, tot op onzen tijdgenoot Samboe-Singh; bij deze portretten bevinden zich voorstellingen van de merkwaardigste gebeurtenissen uit de regeering dezer verschillende vorsten. Met groote zorg en eene opmerkelijke fijnheid van koloriet geschilderd, zijn deze fresko’s uitnemende bijdragen voor de studie van de geschiedenis en de zeden der Sesoedias.

Een der grootste merkwaardigheden van het paleis van Oodipoor is ongetwijfeld de tuin, die boven op het platte dak is aangelegd. Ge kunt u moeielijk voorstellen, welken zonderlingen indruk het maakt, wanneer ge daar eensklaps, hoog in de lucht, eeuwenheugende boomen en prachtige bloemperken ziet. In het midden van den tuin bevindt zich een waterbekken, vanwaar straalsgewijze de met marmer geplaveide paden uitgaan; het water vloeit door sierlijk met mozaïeken ingelegde kanalen, en verliest zich in de schaduw van geurige granaat- en oranjeboschjes. Eene opene marmeren galerij omgeeft deze bekoorlijke plek; in het rond zijn fluweelen sofa’s geplaatst, waarop de heeren van het hof hunne siësta komen houden. Van deze hoogte overzien zij de gansche schoone vallei, waar bijna iedere plek getuigd van den wapenroem en de heldendaden hunner voorvaderen, die eeuwen lang, met onbezweken volharding, deze toenmaals woeste en vergeten plek gronds, die zij in een paradijs herschiepen, tegen den aandrang der Muzelmannen hebben verdedigd.

Na dit alles bezichtigd te hebben, begeven wij ons naar het Koesh-Mahal, het paleis des vermaaks, door den laatsten rana, Sirdar Singh, opzettelijk gebouwd voor de ontvangst zijner europeesche gasten. In de groote, met vorstelijke pracht versierde zalen van dit paleis worden de diners en feesten [139]gegeven, wanneer aanzienlijke vreemdelingen uit het westen den koning bezoeken. De tsjoebdar, die ons tot cicerone dient, toont ons de toebereidselen van zulk een feest, dat tot eere van onze komst zal worden aangericht. Boven de zalen verheffen zich marmeren kiosken, vanwaar de blik het schoonste panorama van de stad, het meer en de omringende bergen overziet. De bergketen, die de vallei van Oodipoor omringt, draagt den naam van Guirwô of cirkel; eigenlijk vormt zij een onregelmatigen ellips van twee en twintig mijlen van het noorden tot het zuiden, en van zeventien mijlen van het westen tot het oosten. De stad zelf ligt aan het uiteinde van dien boog, en wordt alleen door het meer Petsjola van de bergen gescheiden. De middelbare hoogte van den Guirwô bedraagt zeshonderd el boven den beganen grond der vallei; aan den oever van het meer bereiken de bergen eene hoogte van duizend el; zij vertoonen in hunne lijnen de vreemdste en meest afwisselende vormen. Dit ingesloten dal is als strategische positie van groot gewicht: het heeft slechts drie naar het oosten gekeerde uitgangen, bij Dobarri, bij Dailwara en bij Naen; en deze openingen zijn niets meer dan enge en zeer lange bergpassen, die met het uiterste gemak tegen een overmachtigen vijand kunnen verdedigd worden.

Op de helling, aan de zijde van het meer, verheft zich de Rosanah, een uitgestrekt paleis, met den voorgevel naar het water gekeerd, en de vertrekken bevattende van de hovelingen, de heeren en officieren van het hof. Schilderachtige tuinen, terrasgewijze afdalende, voeren u naar den oever van het meer; deze tuinen prijken met paviljoenen en kiosken, half wegduikende in den lommer der boomen, waaronder fonteinen ruischen. Een dezer tooverpaleizen staat vlak aan den oever: duizend slanke zuilen dragen de met mozaïek ingelegde zoldering, en eene gansche reeks van springende fonteinen hult het geheele gebouw als in een sluier van water. Hier komt de rana met zijn hof, in de heete zomerdagen, de brandende middaguren doorbrengen.

Toen ik in de residentie terugkeerde, deelde de majoor mij mede, dat de Maha-Rana, den volgenden dag, ter onzer eere, een feest op het eiland Jug-Navas zou geven, gevolgd door een jacht op het water.

Den volgenden morgen begeven wij ons al vroeg op het pad; wij rijden de stad door, en schepen ons in aan de kaai; eenige minuten later stappen wij op het eiland Jug-Navas aan wal. Deze anders zoo stille plek is nu vol leven en beweging: de lakeien en bedienden van den rana loopen heen en weder, levensmiddelen aandragende en alles gereedmakende voor onze ontvangst. De kamers worden in der haast gemeubeld; de open vensters en galerijbogen worden met draperiën of stores behangen; de marmeren vloeren met kussens en tapijten belegd. Aan het uiteinde van het eiland is een geheel gebouw ter onzer beschikking gesteld; wij vinden daar bedden, stoelen, toilettafels, en, wat ons niet minder welkom is, een ontbijt. In eene naburige keuken is men bezig een tweede, steviger dejeuner klaar te maken, waarbij het althans aan fijne wijnen niet ontbreken zal. Van alle kanten schitteren de zilveren stralen der fonteinen tusschen het donkere loof, en honderde beekjes slingeren zich murmelend tusschen de bloembedden. Men heeft niets vergeten: in een kiosk aan den oever word ik eene groep vroolijke jonge meisjes gewaar, rijk uitgedost met gouden sieraden, en schitterende van edelgesteenten: dat zijn de nautsjnis of hofdanseressen, die de rana hier heeft gezonden om ons door hare dansen en gezangen te vermaken. Ik onderhoud mij eenige oogenblikken met deze bayaderen, en sta verbaasd over haar zuiver accent en haar sierlijke gekuischte taal, waaruit duidelijk blijkt dat zij eene beschaafde opvoeding moeten genoten hebben. Een jonge Radsjpoet, wien ik mijne verwondering mededeelde, zeide mij dat deze nautsjnis niet, als de gewone danseressen, arme schepsels zijn, die niets weten dan wat het toeval haar heeft geleerd, maar integendeel van hare eerste jeugd zeer zorgvuldig worden opgevoed en onderwezen in alles wat tot veraangenaming van het leven strekken kan, in poëzie, muziek, beschaafde innemende manieren.

Samboe-Singh zelf verschijnt eerst tegen twee uur; hij is gezeten in een prachtig versierde gondel, die aan de groote trap aanlegt, waar wij gereed staan om hem te ontvangen; de Rao van Baidlah en de Rao van Pursaoli vergezellen den Vorst. Terwijl wij met elkander praten, worden de toebereidselen voor de jacht voltooid; daarop scharen zich de tsjoebdars en de soldaten der lijfwacht ter wederzijde van den weg, en wij trekken in optocht, voorafgegaan door de zingende bayaderen, naar den oever, waar wij ons inschepen in de booten. Deze platboomde schuiten kunnen niet meer dan drie of vier personen bevatten, en zijn uitnemend geschikt voor de jacht in deze meren en moerassen, waar het water doorgaans maar weinig diepte heeft.

Wij steken het meer over, en verliezen ons weldra in een doolhof van smalle kanalen, die in alle richtingen het groote moeras aan den voet der bergen doorkruisen; reusachtige biezen en dichte rietbosschen omsluiten ons van alle kanten; en naarmate wij verder komen, vliegen gansche zwermen van eenden, ganzen en flamingo’s uit deze bosschen op. Nu werden de geweren ter hand genomen; en na verloop van een uur hadden wij eenige honderde eenden en andere vogels geschoten. Te vier uur verlieten wij het moeras, en keerden naar het meer terug, waar wij de staatsiegondels vinden; hier neemt de rana, op de meest hoffelijke wijze, afscheid van ieder onzer, en keert naar zijn paleis weder; wij blijven nog in onze booten om de jacht op krokodillen voort te zetten.

De krokodil van de indische binnenmeren is een geducht roofdier; hij bereikt eene vrij aanmerkelijke lengte, en schroomt niet de menschen aan te vallen. Sedert de engelsche resident te Oodipoor is gevestigd, en de rana, in strijd met de godsdienstige vooroordeelen, die de krokodillen onschendbaar maakten, aan de Europeanen vergunning heeft gegeven hen te dooden, hebben deze monsters de onmiddellijke omstreken der stad verlaten, en zich op den tegenover liggenden oever teruggetrokken. Onverbiddelijk in hunne schuilhoeken vervolgd, zijn zij zeer bedachtzaam en voorzichtig geworden; zoodra zich eene boot op het meer [140]vertoont, duiken zij allen onder en laten, ook wanneer zij weder boven komen, niets dan het uiteinde van hun snuit zien. Maar dit is voor den jager voldoende; de kogels van onze getrokken karabijnen treffen de krokodillen ook onder water; een heftige beweging in het meer en een roode plek op het water zijn echter de eenige zichtbare resultaten van deze jacht, want de gedoode alligator zinkt onmiddellijk naar den grond.

De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.

De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.

Wij keeren naar ons toover-eiland terug, waar wij door het gezang der bayaderen worden verwelkomd; na het middagmaal begeven wij ons andermaal in onze booten en laten ons gedurende eenige uren door het meer roeien; de maan rijst boven de bergen en giet haar zilveren licht uit over de wit marmeren koepels van het paleis; de kabbelende wateren schijnen met diamanten bezaaid; de zwoele avondwind voert ons de welluidende tonen toe van het gezang der nautsjnis, die ons op eenigen afstand volgen.

Eindelijk is het tijd om huiswaarts te keeren; onze olifanten wachten ons aan de kaai, en wij begeven ons op weg naar de residentie, vervuld met de aangenaamste herinneringen aan dezen heerlijken dag. De rana heeft woord gehouden: hij heeft ons bijna de [142]schitterende gastvrijheid van onzen vriend den Guikowar doen vergeten.

Ontmoeting met den rajah van Bunera.

Ontmoeting met den rajah van Bunera.

V.

Toch was deze dag slechts de inleiding tot eene lange reeks van feesten, die onafgebroken tot den 17den Januari voortduurden. In dien roes begonnen wij bijna te vergeten, dat wij nog eene lange reis hadden te doen, eer wij Jhodipoor, de eerstvolgende plaats onzer bestemming, bereiken zouden; toch besloot ik aan dit werkelooze leven een einde te maken, en deelde aan den majoor mijn voornemen mede, om den 20sten te vertrekken.

Intusschen had men weldra iets gevonden, om onze afreis te vertragen: de groote jacht, die de rana jaarlijks in het Aravalli-gebergte houdt, zou weldra plaats grijpen; en de majoor gaf mij zulk eene schitterende beschrijving van die monster-jacht, dat ik mijn vertrek dadelijk uitstelde. Waarom ook zou ik mij haasten: ik had mij wel vast voorgenomen niet het voorbeeld te volgen onzer hedendaagsche touristen, die land aan land pijlsnel doorvliegen, als joeg hen een demon voort; altijd gejaagd en gehaast en voortgedreven, zien zij eigenlijk niets, en eenmaal aan de plaats hunner bestemming gekomen, vragen zij zich zelf twijfelend af, waarom zij zich toch zoo gehaast hebben. Waren drie jaren niet voldoende om Indië te bezoeken, welnu, dan zou ik er vier of zoo noodig vijf jaren voor besteden, maar ik zou dan ook inderdaad iets gezien hebben.

In den morgen van den 18den Januari heerschte er in den omtrek van de residentie die eigenaardige drukte en beweging, die onafscheidelijk is van het vertrek van een hooggeplaatst persoon in Indië. Daar de majoor door al zijne bedienden en huisgenooten gevolgd werd,