Project Gutenberg's Wandelingen door Elzas-Lotharingen, by Anonymous
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
Title: Wandelingen door Elzas-Lotharingen
De Aarde en haar Volken, 1886
Author: Anonymous
Release Date: February 6, 2006 [EBook #17685]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WANDELINGEN DOOR ELZAS-LOTHARINGEN ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Feest der herders op den Hohnack.
“Wij keeren naar de vallei van Orbey terug. Het kleine kanton, waarvan La Poutroye de hoofdstad is, droeg, volgens sommige geleerden, in de zestiende eeuw den naam van les Quatre-Baroches, hetgeen dan zooveel zou moeten beteekenen als de vier parochiën. In dien tijd was Le Bonhomme, de vijfde gemeente van het kanton, die thans eene bevolking telt van elfhonderd-tachtig zielen, niet meer dan een klein gehucht, bestaande uit enkele huizen, rondom een hermitage gegroept. Uit dienzelfden tijd, namelijk uit de zestiende eeuw, dagteekent ook de redactie der oude costumen van de vallei van Orbey, die door een voormalig raadsheer in het hof van appèl te Colmar, de heer Bonvalot, zijn in het licht gegeven. Zoowel in burgerlijke als in strafzaken werd in de vallei recht gesproken door den drost van den heer van Ribeaupierre, wien zestien gezworenen uit de vier parochiën waren toegevoegd. Kwam een dier bijzitters te sterven, dan moesten de overgeblevenen, ingevolge de keur, naar hun beste weten drie mannen uit het volk aanwijzen, om een ander te kiezen ter vervanging van den afgestorvene. Dit was dus eene verkiezing met twee trappen en met beperkt stemrecht, daar de gezworenen zelven de drie personen aanwezen, die hun nieuwen ambtgenoot moesten benoemen. Echter had de gemeente het recht, om wanneer de drie aldus aangewezen kiezers haar niet aanstonden, er drie anderen te kiezen, waaruit dan de drost den nieuwen gezworene benoemde. Hij hield vier rechtzittingen in het jaar, in elke parochie een; ingezetenen zoowel als vreemdelingen, die een aanklacht indienden, waren verplicht vooruit eene zekere som als borgstelling te storten. Dit geld diende om de gemaakte kosten te betalen, ook al kwamen partijen later met elkander tot overeenstemming. Art. 15 der keur van Orbey bepaalde, dat wanneer iemand, die zich wanordelijk had gedragen, een ander beleedigingen toegevoegd of andere verkeerdheden gedaan, zich wilde verontschuldigen [106]met te zeggen, dat hij dronken was geweest, deze verontschuldiging niet zou worden aangenomen; de delinquent moest het naar het kasteel van Hohenack worden gevoerd, en daar gedurende drie dagen en drie nachten, op water en brood gevangen gezet. Bij de schrikbarende toeneming der dronkenschap in onzen tijd, zou de kerker van het kasteel al zeer spoedig te klein blijken om de veroordeelden te bevatten.—In tegenstelling met het bijna overal gehuldigde recht van eerstgeboorte, heerschte in de vallei het gebruik dat het jongste kind het kasteel of het huis der ouders erfde; het overige van de nalatenschap, met uitzondering van het woonhuis, werd onder de kinderen gelijkelijk verdeeld. De jongste, die het huis met het daarbij behoorende erf, schuren, stallen en tuin, erfde, moest evenwel zijne broeders en zusters op eene of andere wijze, hetzij door afkoop in eens, hetzij door jaarlijksche uitkeering, schadeloos stellen.
De ruïnen van het kasteel van Hohenach kronen nog heden een bergtop boven La Baroche. In de tiende eeuw behoorde dit kasteel aan de graven van Egisheim, later aan de graven van Ferrette en aan de aartshertogen van Oostenrijk, die het in 1277, met de geheele vallei van Orbey, aan de heeren van Ribeaupierre schonken. Een zware vierkante toren, van groote steenen opgetrokken, verrijst nog te midden eener zandsteengroeve. Andere en belangrijker groeven, die eene zeer harde steensoort opleveren, bevinden zich in een naburigen berg, den Grooten-Hohnack genoemd, in tegenstelling van den Kleinen-Hohnack of Hohenach, waarop weleer de feodale burcht stond. De top van den Grooten-Hohnack bereikt eene hoogte van negenhonderd-tachtig el. Volgens de overlevering, zouden de holten in de rotsen van dezen berg door de tooverheksen als ketels worden gebruikt, om haar spijzen te bereiden, wanneer zij, in het middernachtelijk uur, op haar bezemstelen gezeten, naar den top des bergs varen, om haar sabbath te vieren.
La Baroche ligt op het plateau, aan den voet van de beide Hohnacks. Onder plateau is hier evenwel geen vlak terrein te verstaan; veeleer is de grond hier zeer ongelijk. De driehonderd-veertien huizen van de gemeente of de parochie zijn over eene vrij groote oppervlakte verspreid. De omtrek bestaat uit bosschen, akkers en weilanden; de inwoners leggen zich op den landbouw toe en zijn tegelijk wevers en veefokkers. De mannen zijn niet afkeerig van het stroopersbedrijf; de vrouwen verhuren zich dikwijls als minnen. Ook hier treft u het verschijnsel, dat de gezinnen talrijker zijn, naarmate de inkomsten beperkter zijn.
Dat de romaansche gezinnen rijkelijk met kinderen zijn gezegend, kunnen wij dadelijk opmerken, wanneer wij even de school bezoeken, waar jongens en meisjes thans verplicht zijn, duitsch te leeren. Overigens had Bernard, de huisknecht van den pastoor, wel gelijk toen hij de aardige gezichtjes van de kleine meisjes in de school roemde. Hij verhaalt ons ook, dat zijn meester, de waardige geestelijke, al de leden der parochie, met inbegrip van hem, Bernard, op eene photografie had gebracht. Waarom? Omdat de bron, die de school en ook de pastorie van drinkwater moet voorzien, niet meer aan die verplichting voldoet, en omdat de gemeenteraad wel wat talmt met het aanbrengen der noodige herstellingen. Om den onderprefect te overtuigen, hoe noodig die voorziening is en hem te bewegen, daartoe last te geven, is de pastoor op den vernuftigen inval gekomen om de jongens van het dorp te laten photografeeren bij de waterlooze pomp, hunne ledige emmers en gieters toonende, die zij niet kunnen vullen.
Sedert de inlijving bij Duitschland, draagt La Baroche den officiëelen naam van Zell, waaraan geen germaansch oor zich kan ergeren, want Zell is een zuiver duitsch woord. Maar de waardige pastoor van La Baroche—ik vergis mij, van Zell—toont ons een gezangboek, een meesterstuk van kalligrafie, minstens twee eeuwen oud, dat in de sakristie zijner kerk wordt bewaard; en volgens dat gezangboek zou de ware naam van de parochie niet zijn Zell, maar Zeel. Dit laatste woord nu is ongetwijfeld van gallischen oorsprong en beteekent stoel, zetel. Nog heden, wanneer ge eene boerenwoning binnentreedt, kunt ge den huisheer tot zijne vrouw of zijn kind hooren zeggen: “Va! guouarre ein Zeel!” ga, haal een stoel.—Vraagt ge aan lieden uit den omtrek den weg naar Zell, dan zetten zij groote oogen op, en blijven het antwoord schuldig.
Tusschen Baroche en Turckheim ligt, op een voorsprong van den berg, de oude kapel van Onze-Lieve-Vrouwe van de drie Korenaren, (Notre Dame des trois Epis), vroeger slechts eene eenvoudige bedevaartsplaats, thans een vrij druk bezocht zomerverblijf met drie hotels. Omtrent den oorsprong van de heilige stede zijn verschillende legenden in omloop. Volgens eene daarvan zou een Jood zich met list hebben meester gemaakt van eene gewijde hostie en die in den grond hebben begraven op eene woeste plek, waar nu de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe staat. Maar nauwelijks was het gruwelstuk volbracht, of een hevig onweder barstte los: de donder ratelde en de hemel scheen in vuur te staan. Den geheelen nacht doolde de Jood, in doodsangst, door het bosch rond, zonder den weg naar zijn huis te kunnen vinden. Toen eindelijk het onweer bedaarde en de zon aan de kimmen verrees, zag hij, tot zijne uiterste verbazing, op de plek waar hij de hostie begraven had, drie gouden korenairen, waarop, stralende van licht, de heilige hostie lag, terwijl, onder begeleiding van hemelsche muziek, eene menigte van bijen bezig waren een omhulsel van doorschijnende witte was te bouwen. Getroffen door dit wonder, zwoer de Jood zijn geloof af, verkocht al zijne goederen en bouwde, als boete voor zijne euveldaad, de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe der drie Korenairen.
Eene andere, nog meer verspreide legende luidt aldus. Een boer, die in het bosch gras sneed, werd op deze zelfde plek door een adder gebeten, en overleed aan die wonde. Aan den eikeboom, waaronder men zijn lijk gevonden had, werd nu, [107]naar het vroom gebruik dier tijden, een Moeder-Gods-beeld geplaatst: dit geschiedde namelijk in 1491. Korten tijd daarna ging een boer uit Orbey langs den boom met het Madonnabeeld, en knielde, volgens het gebruik, neder, om voor de ziel van den doode te bidden. Terwijl hij vurig biddende nederlag, ontwaarde hij eensklaps een bovenaardsch licht, dat het beeld omstraalde. Straks verscheen hem, in dien glans, de Moeder Gods zelve in al haar majesteit, omstuwd door een koor van engelen. In de eene hand hield zij drie lichtende korenairen, in de andere een stuk ijs: daarmede te kennen gevende, dat jaren van overvloed of van gebrek aanstaande waren, naarmate de bewoners des lands zich zouden bekeeren of hun zondig leven voortzetten. De dorpeling begreep dat hij dit gezicht aan de omwonende bevolking kond moest doen; maar hetzij onachtzaamheid, hetzij vrees, hij liet het na en kocht, zonder iets te zeggen, op de markt van Nieder-Morschweier een zak koren, waarvoor hij ook gekomen was. Maar toen hij den zak op zijn paard wilde laden, waren alle pogingen daartoe vergeefs: de vereende krachten van alle mannen op de markt schoten te kort om den zak ook maar even op te tillen. De boer verstond de waarschuwing, en verhaalde, diep geroerd, zijn gezicht van dien morgen. Aanstonds kon nu de zak op het paard worden gelegd. De lieden van Nieder-Morschweier togen nu in processie, voorafgegaan door den boer uit Orbey, naar den boom met het Moeder-Gods-beeld, en bouwden op de plek eene kapel, waarin het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe werd geplaatst. Weldra werd het heiligdom door bedevaartgangers bezocht, wier aantal steeds wies, naarmate de roep zich verspreidde van de wonderen en teekenen, door de Madonna verricht.
Op vier schilderijen, in het koor der tegenwoordige kapel opgehangen, zijn de voornaamste episoden van dit laatste verhaal afgebeeld. Deze kapel staat overigens niet in verhouding tot den roem van de bedevaartsplaats, die nog zeer druk bezocht wordt; zij is in spitsbogenstijl gebouwd, maar in een tijd, toen men dien stijl niet meer begreep. In 1633 door de Zweden verbrand, werd de kapel weder herbouwd na de inlijving van den Elzas bij Frankrijk. De inwendige versiering lijdt aan overlading en pleit niet voor den smaak der ontwerpers; maar al te veel heeft men toegegeven aan den zin voor boerschen opschik.
De Trois-Epis zijn omstreeks een uur verwijderd van den Hohnack en van La Baroche. In anderhalf uur kan men, langs zeer goede wegen, met rijtuig van het station van Turckheim, van Nieder-Morschweier en van Ammerschweier daarheen gaan. Na de opening der nieuwe hotels is deze plek een geliefkoosd zomerverblijf geworden, zoowel om de schoonheid van het omringende landschap, als om de gezonde, zuivere berglucht, te midden der dennenbosschen. Op eene hoogte van tusschen de zes- en zevenhonderd meter gelegen, heeft men van hier een prachtig uitzicht over het dal van de Fecht en de vlakte van den Elzas. De profane bezoekers schrikken evenwel de vrome bedevaartgangers niet af. Onlangs nog ontmoetten wij op onzen weg eene schaar van boerinnen, barrevoets, met den rozekrans in de hand, onder het opzeggen van gebeden, in processie opgaande naar het heiligdom, zonder zich te laten storen door een troep jongelieden, die er een ruw vermaak in schenen te vinden, het godvruchtig gezang te overstemmen door het uitbrullen van allerlei dronkemansliederen. Gelukkig zijn dergelijke tooneelen hier zeldzaam: in den regel heersenen hier rust en stilte, kalmte en vrede.
Het water van de hooge vlakte der Trois-Epis vloeit ten deele naar de Fecht, ten deele naar de Weiss; welke laatste rivier uit het Witte- en uit het Zwarte-meer te voorschijn komt. Als wij den weg van Orbey naar Kaysersberg volgen, langs het kristalheldere water van het rivierke, dat zingend, murmelend, huppelend en stoeiend voorwaarts spoedt, dan laten wij de vallei van Freland links liggen, en houden te Alspach stil. Alspach was vroeger een klooster van Clarissen, dat thans tot papierfabriek is ingericht, en dus geheel van voorkomen en karakter veranderd. Wat nog van de kerk over is, wordt als historisch monument, met eene bijdrage van den staat, in stand gehouden: dat is echter niet veel meer dan een romaansch portaal uit de twaalfde eeuw, en een stuk van het koor. Het is niet meer mogelijk, zich eene voorstelling te maken van het inwendige der kerk: de overgebleven ruimte is door beschotten in een aantal grootere en kleinere hokken afgedeeld; het noordelijke zijschip is verdwenen. Hier en daar ziet men nog enkele fragmenten van het oude beeldhouwwerk.
Met de oude muren, die werden gesloopt om ruimte te maken voor de moderne fabriek, verdween ook de poëzie, of bleef zij althans enkel in de herinnering leven. Maar immers is de herinnering zoo vaak het beste deel in ons leven? Ik zal u dan ook maar niet vertellen, hoe de zware vrachten hout, die ge onderweg tegenkomt, in het voormalige klooster van Alspach tot papierdeeg worden gemaakt: ik houd mij overtuigd dat ge daarin niet het allergeringste belang stelt. Veel liever verhaal ik u, in korte trekken, eene van die treffende geschiedenissen, zooals er zoo velen gevonden worden in den rijken schat der legenden van den Elzas.—Er leefde dan, in vroeger tijd, in het klooster van Alspach eene non, die een ridder beminde. Beiden van edelen stam, beiden schoon en beminnelijk, hadden de jonkvrouw en de edelknaap elkander, in den opgang hunner bloeiende jeugd, bij een schitterend feest ontmoet; en die ontmoeting had in beider hart het vuur der reine minne ontstoken. Zij zwoeren elkander trouw en eeuwige liefde. Daar weerklonk de roepstem ter kruistocht; en de jonge ridder hechtte zich het kruis op den schouder en trok naar het Heilige Land. Op haar voorvaderlijken burcht achtergelaten, wachtte zijne geliefde, wachtte en wachtte langen tijd op zijn terugkeer. Eindelijk, daar kwam de tijding, dat hij in den krijg tegen de ongeloovigen [108]gevallen was. De jonkvrouw, nu haar zoetste hoop vervlogen was, zeide der wereld vaarwel, en nam den sluier aan bij de Clarissen van Alspach.—Maar zie, kort nadat zij de onherroepelijke gelofte had afgelegd, daar keerde de ridder terug: zijne wonden hadden hem langen tijd aan het ziekbed gekluisterd: nu stond hij daar, een krijgsheld Christi, geëerd en met roem omstraald. Doch wat baatte hem dat alles, nu zij, aan wie zijn hart behoorde, voor altijd voor hem verloren was! In sprakelooze smart verzonken, trad hij de kloosterkerk binnen, en herkende de stem zijner zielsbeminde, die met de Clarissen in het koor de heilige liederen zong. Toen kon hij zich niet langer bedwingen: een snijdende wanhoopskreet weerklonk door de kerk en deed het gezang verstommen: ook de jonkvrouw had haar minnaar herkend.... Maar hij waggelde de kerk uit: hij legde zwaard en wapenrusting neder, hulde zich in de grove pij des kluizenaars, en bouwde zich eene kluize in de vallei van Sint-Jan, van waar hij het uitzicht had op het klooster. En wanneer het zilveren kloosterklokje opriep ten gebede, dan boog ook hij de knieën, en mengde zijne gebeden met die der zusteren, zich verheugende in de gedachte dat althans hun beider zielen elkander ontmoetten in het gebed, in afwachting dat zij eenmaal elkaar zouden wederzien in het zalig paradijs. Zoo leefden beiden voort, jaren en jaren achtereen, tot eindelijk, op den vijftigsten verjaardag van zijn terugkeer uit het Heilige-Land, voor beiden, den ridder en de jonkvrouw, ter eigener stonde de ure der verlossing sloeg. Zij stierven op hetzelfde oogenblik en werden naast elkander ter ruste gelegd.

Meisje uit La Baroche en de knecht van den pastoor.
Het slaat tien uren als wij onzen intocht houden in Kaysersberg. De oude toren van Barbarossa verheft zich in de lucht boven de ouderwetsche puntgevels van de oude keizerlijke stad. De eene zijde van den toren is in schaduw; de andere wordt verlicht door het bleeke schijnsel der maan in haar laatste kwartier. Beneden ons hooren wij, te midden der plechtige stilte, het murmelend ruischen van de Weiss, die, even als wij, van Alspach komt. Er is niemand meer op straat te zien. Slechts nu en dan, met groote tusschenruimten, hangen enkele berookte lantarens aan dwars over de straat gespannen ijzerdraden, en zenden haar flauwe stralen in duistere hoeken. Waarom ook zou het gemeentebestuur geld uitgeven voor eene betere verlichting; gaan niet de meeste menschen hier met de kippen op stok, zonder zelfs de waarschuwing van den nachtwaker af te wachten? Daar komt hij ginds juist den hoek om, de eerwaardige nachtwaker, met zijn hellebaard in de rechter- en zijne doffe lantaren in de linkerhand. Daar heft hij, met min of meer schorre stem, zijn lied aan, in het eigenaardig lokaal dialekt:
Horihà wass ich eich well saïa:
D’glock het zeni g’schlaïa.
Hann sori zeu Fir un Liecht;
Dass i Gott un Maria b’hiet!2
Daar er behalve ons niemand op straat was, kon ik aan de verzoeking geen weerstand bieden, om, op eenigen afstand achter hem, met luider stemme zijn lied te herhalen: al moet ik toegeven dat dit weinig strookte met mijne waardigheid als volksvertegenwoordiger. Verbaasd over die onverwachte echo, stond de man eensklaps stil. Zijne [110]aarzeling duurt maar kort: wij zullen ondervinden dat de sergeant van de wacht hem met den sterken arm zal bijstaan. Het is niet voor het eerst dat zij met hun beiden nachtelijke zwervers hebben opgepakt, en hun geleerd dat het in een geordenden staat niet voegt, de vertegenwoordigers van de overheid in de uitoefening van hun ambt te bespotten.
“Kom aan, nachtwacht, laten wij ons niet boos maken. Ga liever, met den sergeant van de wacht, met mij mede naar den bakker daar: wij zullen daar warme broodjes eten en er een glas wijn bij drinken!”
De nachtwacht is een man die zijne wereld verstaat: glimlachend antwoordt hij dat een oud soldaat geen glas Gleisberger mag versmaden. Hij en de sergeant zullen gaarne van de partij zijn, zoodra zij hunne ronde zullen hebben gedaan, die voor dit bijzonder geval een weinig zal worden ingekort. Zoo gezegd, zoo gedaan. Tien minuten later kloppen wij aan de deur van den bakker, die zich haast voor de policie en haar beschermelingen den toegang tot zijne woning te ontsluiten. Met ons vijven bij den vroolijk brandenden oven gezeten, drinken wij ons glas blanken Geisberger, op de gezondheid van keizer Barbarossa, wiens steenen beeld de pomp versiert, en eten met smaak de geboterde broodjes, zoo heet uit den oven.

La Bonhomme.
De klapperman van Kaysersberg is iemand, die de wereld gezien heeft. Niemand is beter op de hoogte van de geschiedenis der goede stad, zoowel in het verleden als in het tegenwoordige. Eer hij zijn eersten rondgang begint, vertelt hij aan de kleine kinderen, die op zijne knieën klauteren, een sprookje van den ouden tijd, waarbij zij met open mond zitten te luisteren, al krijgen zij kippevel van de akeligheid.—En wat er zoo al ’s avonds en ’s nachts gebeurt:—nu, daar weet hij van mee te praten! Maar dat is het niet, wat ons belang inboezemt: wij willen de geschiedenis van Kaysersberg vernemen: en onze nachtwacht zal ons die geschiedenis vertellen, zoo goed als een boek.
Mag hij er niet trotsch op zijn, dat zijne vaderstad al in oude dagen de zetel was van een rijksvoogd, legerhoofd en opperrechter tevens, aan wiens gezag de rijkssteden Munster en Turckheim waren onderworpen, zoowel als de onderdanen des keizers in de heerlijkheden van Hohenlandsburg en Rappolstein? De aanstelling van dien keizerlijken rijksvoogd was mede een gevolg van den brief, dien keizer Adolf van Nassau, in 1293 aan de goede burgers van Kaysersberg verleende, en waarbij hij hun al de rechten, vrijheden, privilegiën en keuren schonk van Colmar. Naar luid der overlevering, zou het kasteel, waaraan de stad haar eigenlijken ouden naam van Kaysersberg ontleent, gesticht zijn door keizer Frederik Barbarossa, tot wiens familiebezittingen ook de Elzas behoorde. Onze klapperman houdt natuurlijk aan de traditie vast, ofschoon geen enkel dokument de waarheid daarvan bevestigt. Het is gansch niet onwaarschijnlijk, dat reeds de Romeinen hier een versterkt kamp of een wachtpost hadden, want daar de oude romeinsche heerbaan van Mons Brisacus naar Tullum, van den Rijn dwars door de Vogesen, hier juist door een soort van bergpas heenliep, was dit punt van strategisch gewicht.—Van eene romeinsche nederzetting is echter niets met zekerheid bekend: daarentegen staat het vast, dat Kaysersberg, hetwelk toen gemeenschappelijk aan de graven van Horburg en de heeren van Rappolstein behoorde, in het jaar 1226, voor den schijnbaar zeer geringen prijs van tweehonderd-vijftig mark zilver, door Hendrik, roomsch-koning en zoon van keizer Frederik II, werd gekocht. Wölfelin, landvoogd van den Elzas, zou, naar men wil, het kasteel gebouwd hebben: en wel om, met het oog op de vijandige verhouding tusschen keizer Frederik II en den hertog van Lotharingen, meester te zijn van den voornaamsten weg over de Vogesen. Het nut van den maatregel bleek weldra: want in 1237 bood Kaysersberg een hardnekkigen tegenstand aan den bisschop van Straatsburg, Hendrik von Stahleck, die de zijde van den paus tegen den geëxcommuniceerden keizer gekozen had. Maar het volgende jaar maakte de hertog van Lotharingen zich, in naam van Innocentius III, van de stad meester, geholpen door een deel der bezetting, welker trouw aan den keizer door den pauselijken banvloek aan het wankelen was gebracht.
Eenmaal tot vrije stad verheven, kon het niet uitblijven of Kaysersberg lokte een aantal vasallen en hoorigen uit de omliggende heerlijkheden binnen hare muren. Zij breidde zich gaandeweg uit, en nam in bloei en welvaart toe, maar toonde zich ook dankbaar jegens keizer en rijk, aan wier bescherming zij zoo veel verschuldigd was. Steeds zond zij getrouw hare gewapenden in het veld, naast die van Straatsburg en Colmar, wanneer het er op aankwam, den overmoed en de rooverijen van de landgraven te beteugelen, den rijksvrede te handhaven of den keizer tegen zijne vijanden te steunen. De leden van den voornaamsten adel, de Beyers, de Landsbergs, de Rathsamhausen, de Hattstadts, de Erbachs, de Rappolsteins, de Schwendi’s, de Furstenbergs, vervulden het ambt van rijksvoogd van Kaysersberg, dat somwijlen vereenigd was met dat van landvoogd van den Elzas. Na zijn terugkeer uit Italië, vertoefde Karel IV de geheele Meimaand van het jaar 1351 in het kasteel, en riep daar de afgevaardigden bijeen der steden van den Elzas. In 1374 schonk diezelfde keizer aan de stad het toen zoo begeerde recht, om den Joden te vergunnen, tegen betaling, binnen hare muren verblijf te houden. De keizers Sigismund, Frederik III en Karel V begiftigden de stad met nieuwe privilegiën. De laatste vergrooting greep plaats onder de regeering van Sigismund, die haar vergunde, haar muren en wallen naar den kant van Kientzheim uit te zetten, en tevens aan Kientzheim verbood, die uitbreiding op eenige wijze te belemmeren. De rijksvoogden, die meermalen elders resideerden, ontvingen steeds bij de aanvaarding van hun ambt, den eed van trouw en gehoorzaamheid van de burgers, waar tegenover zij zich verbonden, om de stad bij hare rechten en vrijheden te bewaren. Het contingent van Kaysersberg onderscheidde zich vooral in den oorlog, [111]dien de steden van den Elzas tegen Karel den Stoute voerden, met name in Zwitserland en bij het beleg van Nancy.
Mogen wij onzen klepperman gelooven, dan heeft geene enkele stad in den Elzas ooit soldaten geleverd, of zal ooit soldaten leveren, die in dapperheid en onversaagdheid met de wijngaardeniers van Kayserbergs heuvelen zijn te vergelijken. Nu, terwijl wij bezig zijn, ons aan dien wijn te goed te doen, zou het niet beleefd zijn, onzen braven nachtwaker tegen te spreken. Maar wat die buitengewone dapperheid zijner voorvaderen aangaat: hij kan toch niet loochenen dat de poorters van Kaysersberg de zwakheid of de dwaasheid hebben gehad, te zwichten voor de eischen der oproerige boeren en hun een contingent te leveren, dat in het bloedige gevecht bij Scherweiler, den tienden Mei 1525, voor het grootste gedeelte in de pan werd gehakt. Had Kaysersberg bij die gelegenheid de zaak van keizer en rijk, dat wil zeggen, hare eigene zaak, lafhartig verraden, het is niet meer dan billijk te erkennen, dat de burgers zich overigens, tijdens de hervorming, kenmerkten door hunne onwankelbare trouw aan de katholieke Kerk. Toen, in 1523, de pastoor de luthersche leer in de kerk begon te verkondigen, werd hij door zijne parochianen letterlijk dood geslagen. Korten tijd daarna verdreven een troep vrouwen, met zeissen gewapend, een aantal aanhangers van Luther, die van naburige plaatsen naar Kaysersberg wilden trekken, om hun geloofsgenooten te hulp te komen. Johan Geiler, de beroemde kanselredenaar, die tot aan zijn dood in 1510, in de kathedraal van Straatsburg predikte, en wiens leerredenen, vol vuur en oorspronkelijkheid, eene eerste plaats innemen onder de uitnemendste proeven der toenmalige kanselwelsprekendheid, ontving te Kaysersberg zijne opleiding.
Gedurende den dertigjarigen oorlog, viel Kaysersberg, ondanks zijn sterk kasteel en zijne zware muren, in handen der Zweden, zoo als trouwens ook met Ammerschweier en Turckheim het geval was. Eenige jaren later werd de stad, bijna zonder slag of stoot, genomen door eene afdeeling van het fransche leger onder de bevelen van den maarschalk de La Force. Een deel van de fransche troepen nam zijn intrek in den toen reeds half verwoesten burcht, waaruit de keizerlijken, door de burgers geholpen, hen vergeefs trachtten te verjagen. Sedert heeft Kaysersberg geen rol in de geschiedenis meer gespeeld. Zij bleef aan het gezag van den koning van Frankrijk onderworpen, en een fransche gouverneur trad in de plaats van den keizerlijken rijksvoogd. Tegenwoordig is Kaysersberg gedaald tot den rang van eene eenvoudige districtshoofdplaats.
Van welke zijde men de stad ook nadert, hetzij uit het dal, hetzij van den kant der vlakte, steeds trekt de oude burcht het eerst uwe aandacht, fier tronende op zijne rots, omgeven door de met wijngaarden beplante heuvelen, waarboven zijn gekanteelde toren uitsteekt. De oude poorten, waaronder de weg vroeger doorliep, zijn thans afgebroken; de muren verbrokkelen tot puin, en de grachten groeien dicht. De muur heeft nergens meer zijne oorspronkelijke hoogte behouden; maar nog verheffen zich vier of vijf, deels ronde, deels vierkante torens boven de wallen. Twee dezer torens bereiken eene aanzienlijke hoogte. Van den burcht, die door een gekanteelden muur met de stad verbonden is, heeft men een fraai uitzicht over den ingang der vallei en over de vlakte, die aan den verren gezichteinder door den Kayserstuhl en de bergen van het Schwarzwald wordt begrensd. Aan den uitgang der vallei bespeurt ge Kientzheim en Sigolsheim, in een krans van wijnbergen. De Weiss stroomt voor een gedeelte om de stad en voedt ook een zijkanaal, dat ten behoeve der molens en fabrieken is aangelegd; dit kanaal loop ten deele onder de huizen door. Over de rivier ligt eene steenen brug met twee bogen, die ter wederzijde door gekanteelde muren, bij wijze van leuningen, is omgeven en in het midden versierd met een kapelletje, waarin het beeld is geplaatst van Johannes Nepomucenus. Deze brug is minstens drie eeuwen oud.
De toren van den ouden burcht is rond. Door de zorg van den Club der Vogesen heeft men van binnen een nieuwe wenteltrap aangebracht, die naar het door een muur omgeven plat voert. Hoewel de toren niet met gehouwen steenen is bekleed,—hetgeen vreemd genoeg schijnt, want de naburige steengroeven bieden voortreffelijk materiaal in overvloed,—maakt hij nog, in spijt van de verwoestingen door den tijd aangericht, eene fiere, krijgshaftige figuur. Hoe vast en stout en trotsch staat hij daar op zijn rotsheuvel, de kloeke toren van den ouden keizerlijken burcht. Zijne hoogte bedraagt zeventig voet; de hoofdingang, waarheen men langs een ladder of trap moet opklimmen, bevindt zich ter halver hoogte.
Zoo men, ten behoeve van het verkeer, de oude poorten van Kaysersberg heeft moeten afbreken, zijn toch, aan de beide uiteinden van de hoofdstraat, de met kolommen versierde wachthuizen blijven staan. En niet alleen zijn er wachthuizen aan de ingangen der stad, maar er is nog een derde in het midden, dicht bij het stadhuis.—Hoewel de straten eigenlijk te nauw zijn, springen de bovenverdiepingen der huizen nog vooruit, waardoor het verkeer nog meer belemmerd wordt; gezwegen nog van de hoopen wingerdstaken en druivenmoer, die in de maand November de zijstraatjes geheel versperren. De oude huizen, met hun spitse gevels en hooge puntdaken, prijken doorgaans met allerlei snijwerk in hout, dat dikwijls niet van kunstwaarde ontbloot is, en in ieder geval aan die huizen een pittoresk voorkomen geeft. Even als elders in den Elzas, zoo heeft ook hier de overgangstijd uit de middeleeuwen naar de renaissance op Kaysersberg dien karakteristieken stempel gedrukt, die ons uit vele andere steden, voornamelijk in het midden en het zuiden van Duitschland, bekend is. De moderne witkwast, die alle beeldwerken en versieringen van den goeden ouden tijd op de gevels der huizen onder een laag kalk of pleister bedekt, draagt vooral niet tot verfraaiing bij en getuigt allerminst voor onzen smaak en kunstzin. Hij, die het pittoreske, het karakteristieke [112]en eigenaardige dier oude gevelversieringen bemint, kan niet anders dan er zich hartelijk over verheugen, wanneer de afschuwelijke domme kalklaag bij geheele stukken afvalt, en alzoo op nieuw de verborgen, naïeve schoonheden voor den dag komen, die onverstand en eene redelooze mode aan het oog onttrokken hadden. Op de binnenplaats van het huis van den heer Bägert, burgemeester van Kaysersberg, wordt uwe aandacht getrokken door een put in den stijl der duitsche renaissance, met zeer veel smaak versierd, en voorzien van dit vierregelig versje, ten nutte der voorbijgangers:
Drinks tu Wasser in dein Kragen
Uber Disch, es kalt den Magen
Drink mässig alten, subtilen Wein,
Rath ich, und lass mich Wasser sein.3
MDCXVIII.

De oude burcht te Kaysersberg.
Weleer was er te Kaysersberg eene kommanderije van de Duitsche orde en een klooster der Minderbroeders: welk laatste, tot het jaar 1433, in de [113]vallei van Sint-Jan nabij Alspach stond. De parochiale kerk, die er van buiten vrij verwaarloosd uitziet, maakt geen gunstigen indruk, maar toch is zij de aandacht waard, omdat zij in haar bouw de sporen vertoont van de kunst uit verschillende tijdperken. Het romaansche portaal bestaat uit een drievoudigen rondboog, door kolommen gedragen: boven de deur ziet men de kroning van Maria door Christus. Het middelschip is in romaanschen, de beide zijschepen en het koor zijn in oud-gothischen stijl. Zien wij elders, naast nieuwe kerken, vaak oude torens, hier daarentegen is de toren nieuw. De bedoeling met den bouw van dien toren was alleszins loffelijk: men wilde het middeleeuwsche gebouw verfraaien; maar de uitkomst is allerbedroevendst. Die moderne toren, nu aan het eerwaardige monument vastgeplakt, maakt een jammerlijke figuur; het is een tusschending tusschen een koepel en een campanile, iets dat misschien, van suiker of gebak vervaardigd, op het dessert van eene bruiloftstafel geene onaardige vertooning zou maken.

De nachtwacht te Kaysersberg. (Blz. 108.)
Achter het hoogaltaar ziet men een diptyk, voorstellende, aan de eene zijde de Kruisvinding, aan de andere Maria-Boodschap. Naar men zegt, zouden deze schilderijen van Holbein zijn, die eenigen tijd te Kientzheim heeft gewoond. Ook het moderne houtsnijwerk verdient de aandacht. In de zijschepen vindt men nog andere oude schilder- en beeldwerken, vermoedelijk uit de zestiende eeuw afkomstig, als ook eene voorstelling van het Heilige-Graf, in deze eeuw vervaardigd en zich onderscheidende door groote zuiverheid van bewerking.
Bijna vlak naast de kerk staat het raadhuis of [114]Gemeindehaus, een gebouw uit de zestiende eeuw, met een vooruitspringend balkon boven de deur, in den stijl der renaissance. Op de eerste verdieping vindt men twee zalen, waarvan de wanden en de zoldering met hout beschoten en met snijwerk versierd zijn; de gebeeldhouwde deuren zijn in gecanneleerde pilasters met dorische kapiteelen gevat. De paneelen tusschen de vensters zijn met hertenkoppen versierd. In een kast bewaart men kolossale met ijzer beslagen klompen, die, naar men beweert, aan een reus zouden hebben behoord. Deze legendarische reus was een vreemdeling, die op een winterdag van het jaar 1763 door de stad trok, en in de nabijheid van Alspach in de sneeuw omkwam. De klompen wegen twee-en-twintig pond; zij zijn groot genoeg om als wieg te worden gebruikt voor de laplandsche kinderen, die ik dezen zomer in Noorwegen heb gezien.
Alvorens wij het stedeke verlieten, waren wij nog in den winkel van den apotheker, vlak bij het stadhuis, getuigen van een niet onaardig tooneeltje. De held van het drama was een kleine dreumes, die de bijenstallen, in den tuin onder de muren van het oude kasteel, had willen doorzoeken. Was het hem alleen om den honig te doen, of wilde hij met zijn stok tegen de nijvere insekten vechten? Wat hiervan zij: de bijen waren met zijne verschijning niet ingenomen. Verstoord over deze inmenging in haar huiselijk leven, vielen zij eendrachtig op den beklagenswaardigen knaap aan, en staken hem in zijn gezicht, in zijn ooren, zijn neus, op zijn handen. De arme jongen stond weerloos tegenover de menigte zijner aanvallers; hem bleef niet anders over dan, luid schreeuwende, zoo hard mogelijk naar huis te loopen. Nu brengt zijne moeder hem bij den apotheker, om een geneesmiddel te vragen voor zijn schrikkelijk opgezwollen gezicht. De apotheker troost den bedremmelden deugniet met het vooruitzicht op spoedige beterschap, en wij maken van de gelegenheid gebruik, om een schets van het schilderachtige tooneeltje te ontwerpen.
Na ons bezoek te Kaysersberg, zijn Kientzheim en Ammerschweier aan de beurt. Ondanks kleine verschillen van plaatselijken aard, gelijken al deze stadjes van het elzasser wijnland zeer sterk op elkander, en vertoonen hetzelfde karakter. Overal ziet ge dezelfde oude muren, dezelfde oude grauwe, ronde of vierkante torens, dezelfde nauwe straten, dezelfde huizen met puntgevels, afgewisseld door enkele nieuwerwetsche woningen. Kientzheim ligt zoo dicht bij Kaysersberg, dat ge het, bij het verlaten van laatstgenoemde stad, aanstonds gewaar wordt. Eene wandeling van een kwartier brengt u van de eene plaats naar de andere. Het gemeentebestuur van Kientzheim heeft in den laatsten tijd eene der poorten en een stuk van den muur laten afbreken; maar de andere poort is blijven staan; en dat is zeer gelukkig, want zij past volkomen bij het kasteel van de familie Golberg, met zijn kanteelen en torentjes. Onwillekeurig waant ge u in de middeleeuwen verplaatst, en het zou u niet verbazen, onder de poort den soldenier te zien staan met zijn hellebaard in de vuist, om iederen vijand den toegang te betwisten.
Op den heuvel links, boven Sigolsheim, ziet ge den witten voorgevel van een ander kasteel, thans bewoond door den gewezen bisschop van Straatsburg, Monseigneur Ræss, die zich zoo roemrijk onderscheiden en zoo groote aanspraak op aller dankbaarheid verworven heeft gedurende de treurige dagen van het beleg der stad in den nazomer van 1870. Van het terras van het kasteel van Sigolsheim heeft men een der schoonste uitzichten over de vlakte van den Elzas, waar de Fecht, wegduikende onder den lommer der boomen, door de groene velden slingert. De eerwaardige prelaat, dien wij met zijn gezegenden, krachtvollen ouderdom geluk wenschen, beklaagt zich alleen over de zwakheid zijner beenen. Nadat de bisschop, op zijn twee-en-negentigste jaar, een val heeft gedaan, zijn die beenen niet meer zoo vlug als vroeger.
Terwijl wij een glaasje koppigen tokayer drinken, die in den tuin van het kasteel groeit, deelt de oude bisschop ons zijne meening mede, dat het welbekende Leugenveld, waar Lodewijk de Vrome door zijn leger verraden werd, in de nabijheid van Sigolsheim is te zoeken. Althans de kroniekschrijver Nithard zegt uitdrukkelijk dat het kamp van de zonen des Keizers in de buurt van die plaats was opgeslagen: Juxtaque Sigwaldi montem castra ponunt.—De tokayer, waarvan ik zoo even sprak, komt van den wijnstok, uit Hongarije overgeplant door Lazarus von Schwendi, den bekenden veldheer van Keizer Maximiliaan, die de Turken bij Tokay versloeg. In 1563 ontving Schwendi, tot belooning van zijne diensten, de heerlijkheid Hohenlandsberg, waartoe ook Kientzheim behoorde. Hij woonde in het tegenwoordige kasteel van Grolberg; in de kerk ziet men nog zijn grafsteen, met dien van zijn zoon. De ridders zijn in hoog-relief, in volle wapenrusting, blootshoofds, met het zwaard op zijde, de hand op hun helm en hun ijzeren handschoenen.—Boven de poort van Kientzheim ziet ge, in den steen uitgehouwen, een monsterachtigen kop, die tegen de voorbijgangers de tong uitsteekt. Wil hij ze uitlachen, omdat zij van den wijn des lands gedronken hebben?
De familie van Golberg is beroemd in de magistratuur. Een harer leden, Philippe-Aimé, in 1786 te Colmar geboren, is een der schrijvers van de Antiquités de l’Alsace, die hij met Godfried Schweighäuser heeft uitgegeven. Schweighäuser was de zoon van den geleerden hellenist, den uitgever van Appianus, Athenæus en Polybius; hij was professor in de klassieke letterkunde aan de hoogeschool te Straatsburg. Philippe de Golberg, raadsheer in het hof van appel te Colmar, vervolgens procureur-generaal en lid van de Kamer van afgevaardigden, had Schlosser en Niebuhr vertaald, belangrijke philologische studiën geschreven over Tibullus, Cicero en Suetonius, en de beschrijving van Zwitserland geleverd voor het Univers pittoresque van Didot. Het groote werk over de oudheden van den Elzas is eene aanvulling van de Alsatia illustrata van Schoepflin, in 1772 uitgegeven, en een waardig monument van de archeologie des lands, eene bron, waaruit alle volgende geschiedschrijvers steeds zullen moeten putten. Schoepflin had vooral zijne [115]aandacht gewijd aan de keltische en gallo-romeinsche oudheden; evenzoo Oberlin en Silbermann, die evenwel ook de monumenten uit de middeleeuwen binnen den kring hunner beschouwing begonnen op te nemen. Golberg en Schweighäuser verdeelden den arbeid onder elkander: de een bestudeerde de antiquiteiten en monumenten in het departement van den Boven-Rijn, de andere in het departement van den Beneden-Rijn. Hun gemeenschappelijken arbeid zag, in 1828, te Mulhausen het licht, in twee groote, prachtig geïllustreerde folio deelen.
De oudheidkundige onderzoekingen en nasporingen worden in den Elzas nog steeds met grooten ijver voortgezet. Er heeft zich eene speciale commissie gevormd voor de instandhouding van de historische monumenten des lands; haar voorzitter, de kanunnik Straub, is belast met de uitgave van een tijdschrift, dat de belangstelling voor deze studie levendig houdt. Staats- en gemeentebesturen werken ijverig mede en verleenen met milde hand de noodige subsidiën, om de historische monumenten in stand te houden en ze, voor zooveel dat binnen menschelijk vermogen ligt, voor een ontijdigen ondergang te bewaren.
De Weiss uit de vallei van Orbey ontmoet de Fecht bij de bosschen van het Niederwald, niet ver van het station Bennweier. Bij de groote brug van Ingersheim is de bedding van de Fecht in den zomer dikwijls droog; maar wat lager, te midden der bosschen en weiden, herleeft het rivierke weer. Als de bedding droog is, levert zij een treurigen aanblik op. Dorre kiezelbanken wijzen den loop des waters aan, en bereiken somwijlen eene lengte van ettelijke honderden ellen. Hoogstens baant zich een dunne waterstraal al kronkelend een moeizamen weg door de banken van kiezelsteen, die hier en daar bijna de hoogte der oevers bereiken. Het is alsof ge eene of andere wadi in de Sahara voor u zaagt, ver van bewoonde streken, aan zich zelve overgelaten. En inderdaad is de Fecht, na haar doorgang onder de fraaie steenen brug van Ingersheim, aan zich zelve overgelaten, want anders zou zij zoo niet, geheel naar willekeur, toomeloos en tuchteloos rondzwerven, groote uitgestrektheden gronds bedervende, die uitmuntend weiland konden opleveren, en wier verwaarloosde toestand nu een verwijt is voor eene zoo hoog ontwikkelde, nijvere bevolking. Wie deze landstreek voor de eerste maal ziet, moet aanstonds begrijpen, hoe dringend noodzakelijk het is, het werk der rivierverbetering in den Elzas ter hand te nemen en krachtig door te zetten.
Toen wij eene beschrijving gaven van de reservoirs van het Zwarte- en van het Witte-meer, hebben wij ook gesproken van een plan tot regularisatie van de Ill en de tot haar gebied behoorende wateren. Dit plan is thans in uitvoering; dientengevolge zullen al onze bergstroomen, zoo onregelmatig in hun loop, nu eens droog, dan weer verwoestend buiten hun oevers tredende, moeten worden geregulariseerd en binnen eene vaste en regelmatige bedding besloten. De regularisatie heeft reeds plaats gehad voor een belangrijk gedeelte van de Ill, tusschen Horburg en Meyenheim, en zal nu nog voortgezet moeten worden voor al de wateren en beken, die in deze rivier uitloopen. Op de Fecht missen de tot dusver aangelegde werken te zeer verband en samenhang om elkander van dienst te kunnen zijn. Van daar dat men voortdurend gedwongen is, de dijken beneden Ingersheim te herstellen, die telkens bezwijken, als ten gevolge van hevige en aanhoudende regens, de sneeuw plotseling smelt. Het water wast dan met zoo verbazende snelheid, dat ik zelf meer dan eens heb gezien, hoe, in den loop van weinige uren, de zwakke, kalme waterstraal, die nauwelijks eenige liters kan opleveren, aanzwelt tot een geweldigen stroom, die eene massa water van honderd kubieke meters per sekonde aanvoert. Het is niet te zeggen, welke schromelijke verwoestingen zulk een plotselinge, overstelpende aanvoer van water veroorzaakt. Dikwijls genoeg werden de dorpen en vlekken langs den oever der rivieren met volslagen ondergang bedreigd. Te Turckheim worden nog ieder jaar, des zondags na Sint-Thomas, openbare godsdienstoefeningen gehouden, om de herinnering te bewaren aan vreeselijke overstroomingen, die het stadje bijna hadden vernield, en om de herhaling van dergelijke rampen af te bidden. Nog al te dikwijls verandert de opgezwollen rivier van bedding, tot groote schade voor de omliggende weilanden.
Reeds in de eerste tijden na de inlijving van den Elzas bij Frankrijk, droeg de regeering aan hare ingenieurs de taak op, om de uitspattingen van de Fecht te beteugelen. Gaandeweg werden er nu langs de rivier dijken aangelegd; en om hetzij die dijken zelven, hetzij enkele bedreigde punten van den oever te verdedigen, werden in de rivier kribben gemaakt. Het gemeentebestuur van Colmar, vreezende voor het behoud van het kanaal van Logelbach, waarin de Fecht zich bij herhaling uitstortte, liet in 1760 een stevigen straatweg aanleggen, die tevens als waterkeering dienst deed, en die zich langs den rechteroever van de prise d’eau van het kanaal boven Turckheim, uitstrekte tot tegenover de steengroeven van den Letzenberg, boven Ingersheim. In 1778 bestond er eene doorloopende bedijking, ter hoogte van drie el, en zich uitstrekkende van de prise d’eau van het kanaal van Logelbach tot de brug van Ingersheim. Maar men had, bij den aanleg dezer werken, aan de Fecht een te breed bed gelaten, met plotselinge versmallingen bij de bruggen. Het gevolg hiervan was, dat er nieuwe doorbraken vielen, en dat eindelijk de werken, die niet meer werden onderhouden, in verval geraakten. Gaan er eenige jaren zonder ongelukken voorbij, dan worden allicht de noodige voorzorgsmaatregelen vergeten. Komt er dan eindelijk weer eene groote overstrooming, die het bed der rivier verlegt, akkers en landerijen verwoest, en zelfs dorpen en vlekken met den ondergang bedreigt, dan gaat er weer een algemeene kreet op, en dringt men aan op het onverwijld nemen van alle mogelijke maatregelen om het kwaad te koeren. Het eenige afdoende middel is de normalisatie van [116]de rivier en het vormen eener vaste en regelmatige bedding, in staat om in alle voorkomende gevallen het water af te voeren. Tot de verbetering behoort ook het afsnijden van bochten en krommingen, waardoor de loop der rivier wordt verkort; daar hierdoor echter tevens het verval wordt vermeerderd, moet het evenwicht worden hersteld en de al te snelle afstrooming getemperd door middel van stuwen. De heer Stoecklin, tegenwoordig inspecteur-generaal der bruggen en wegen, heeft voor de Fecht ook de vorming aanbevolen van een zomer- en van een winterbed, welk laatste voldoende ruimte moet aanbieden voor den afvoer bij hoog water. Dit stelsel, met den besten uitslag in Baden toegepast voor de riviertjes, die uit het Schwarzwald komen, is ook bij de verbetering van de Ill gevolgd.

Landmeisje uit de vallei van de Fecht.
Het is natuurlijk hier niet de plaats om ten aanzien van deze aangelegenheid in nadere bijzonderheden te treden; maar ge moogt de schilderachtige vallei van de Fecht niet verlaten, zonder een bezoek te brengen aan het goed van de familie Herzog, op de helling van den Letzenberg. Een reuzentrap van meer dan vierhonderd treden voert u in eens boven op den berg. Deze trap loopt uit op een ringmuur, die blijkens het opschrift boven de poort, in 1850 gezet werd, om aan de arme werklieden werk te verschaffen. Binnen getreden, wordt uwe aandacht getrokken door eene witte kapel, in italiaanschen stijl, op een hoogte gebouwd, die door acacia’s en dennen is omringd. Verder bespeurt ge een smaakvol chalet met sierlijke bloembedden; en overal langs de berghellingen wijnstokken. Op sommige plaatsen is de [118]helling zoo steil, dat zelfs de wijnstok er niet wortelen kan; de naakte rotswanden rijzen daar loodrecht omhoog boven een uitgestrekt park met lommerrijk geboomte en fluweelige grasperken. Van het terras voor de kapel overziet de blik de geheele vlakte van den Rijn en de vallei van de Fecht. De kathedraal van Straatsburg, de rotsen van den Kaiserstuhl, de besneeuwde toppen der Alpen, rondom de Jungfrau geschaard, zijn bij helder weer duidelijk zichtbaar, even als het Munsterthal en de volkrijke dorpen in het bassin van de Ill. Dit verrukkelijk panorama aanschouwende, zou men geneigd zijn, de aarde voor een paradijs te houden en de namelooze ellende te vergeten, die als een looden last op haar weegt. Maar zoo ge u voor een oogenblik door uwe droomen laat medevoeren, de zwarte rook uit de tallooze schoorsteenen langs het kanaal van Logelbach, waar het wemelt van spinnerijen en weverijen, allen door stoom gedreven, roept u aldra tot de werkelijkheid terug. Deze streek is een der middelpunten van de elzassche katoenindustrie, die hier op groote schaal gedreven wordt, en aan honderden gezinnen arbeid en brood verschaft.
Aan den voet van den Letzenberg, aan de oevers van de Fecht en van het kanaal van Logelbach, werd de slag bij Turckheim geleverd, die de definitieve inlijving van den Elzas bij Frankrijk ten gevolge had. In het jaar 1674 trok een duitsch leger, onder aanvoering van omstreeks twintig vorsten, het land binnen, dat bij den vrede van Munster aan Frankrijk was afgestaan. Den vierden October, bij Entzheim, door het minder talrijke leger van Turenne geslagen, betrokken de Duitschers de winterkwartieren, om nieuwe versterkingen af te wachten, alvorens den veldtocht te heropenen. Het keizerlijke leger bezette geheel den Boven-Elzas, van Huningen tot Obernai, van Belfort tot Landskron; men leefde vroolijk en lustig in de winterkwartieren, volkomen gerust gesteld door den geveinsden terugtocht der Franschen naar de andere zijde van de Vogesen. Een aantal dames maakten, in het gevolg van de generaals en hoofdofficieren, den veldtocht mede. De keurvorstin Dorothea van Brandenburg hield haar hof te Colmar, waar de stedelijke regeering, de aanzienlijke burgers en de gilden wedijverden in huldebetoon, in geestdrift en toewijding. De geheele adel van den Elzas hield de zijde van Duitschland, zoowel als de oude vrije steden. De keurvorst Frederik Willem van Brandenburg, die de keizerlijken te hulp was gesneld, zwoer dat hij den grond van den Elzas niet zou verlaten, zoo lang hij nog een enkel man over had, in staat om de wapenen te voeren.—Maar—zoo als het in het duitsche leger doorgaans ging en overal gaan moet, waar eenheid van gezag ontbreekt,—de verschillende legerhoofden lagen voortdurend met elkander overhoop, en het algemeen belang werd aan persoonlijke hartstochten en berekeningen opgeofferd. Wangunst, naijver, kinderachtige veeten deden telkens nieuwe moeielijkheden uitbarsten; men twistte onderling, en bekommerde zich niet om de bewegingen van Turenne, die, naar men zich voorstelde, in Lotharingen werd opgehouden door den buitengewoon strengen winter.

In de apotheek te Kaysersberg. (Blz. 114).
Daar verspreidde zich eensklaps, in de laatste dagen van December, de tijding, dat het fransche leger, na een koenen marsch, om de bergen heen was getrokken en voor Belfort stond. Verrast, maar in het minst niet ongerust, trokken de keizerlijke veldheeren, Bournonville, Caprara en de keurvorst van Brandenburg, hun troepen samen bij Colmar. In der haast werden nu schansen en bolwerken opgeworpen langs het kanaal van Logelbach, tusschen Colmar en Turckheim, terwijl in de eerstgenoemde stad de gilden en de poorters zich wapenden om mede te helpen bij de verdediging. Iedereen verklaarde zich bereid, tot het uiterste weerstand te bieden: de magistraat, de geestelijkheid en het volk. Aan het hof van de keurvorstin Dorothea twijfelde niemand aan de overwinning; de vorstin zelve had de legerhoofden en de dames van het hof uitgenoodigd tot een schitterend feestmaal, dat den dag vóór Driekoningen zou worden gevierd.
Inmiddels was Turenne reeds tot Colmar genaderd. Bij een voorpostengevecht had de fransche generaal, op den negen-en-twintigsten December, de keizerlijken genoodzaakt uit Mulhausen te wijken. Den derden Januari, na te Ensisheim krijgsraad te hebben gehouden, trok hij, langs den voet der bergen, naar Colmar. Twee dagen later, voor het aanbreken van den dageraad, brak het fransche leger van Pfaffenheim op, en trok, in drie evenwijdige kolonnes, voort, de infanterie voorop. Op den Letzenberg staande, ziet ge, ten zuiden, den heuvel van Egisheim, met de ruïnen van zijn drie torens: de troepen van Turenne trokken daar langs. Drie duitsche eskadrons, aan gene zijde van de beek, die den weg naar Belfort doorsnijdt, op den uitkijk gesteld, maakten rechtsom keert, toen zij de Franschen bespeurden. De twee kolonnes, die onder bevel van den graaf de Lorge door de vlakte marcheerden, hielden stil voorbij het kerkhof van Wettolsheim, en ontplooiden hun liniën tot tegenover Wintzenheim, de infanterie op den linker, de kavalerie op den rechter vleugel. Turenne zelf, die met de derde kolonne langs de bergen trok, had van de hoogten van Wettolsheim gezien, hoe de keizerlijken hunne stelling namen tusschen Colmar en Turckheim, achter het kanaal, waar langs hunne talrijke artillerie werd opgesteld. Eensklaps links afslaande, marcheerde Turenne, met veertien bataillons infanterie, eenige eskadrons gendarmes en lichte kavalerie, benevens vier kanonnen, over de steile, smalle paden der wijnbergen; trok vervolgens langs de hellingen van den boschrijken heuvel, waarop de ruïne troont van den Hohlandsburg, die reeds in den dertigjarigen oorlog verwoest was; en daalde, ondanks de sneeuw, die den weg versperde, achter den Plixburg, in het dal van de Fecht af. Tegenover Zimmerbach trok hij over de rivier; en weldra vertoonden de fransche soldaten zich op de beide oevers nabij Turckheim, tot groote verbazing der vijanden. In een oogwenk werd de stadspoort door de dragonders [119]open gebroken. De luitenant van Turenne, Foucault, viel, doodelijk getroffen, op de brug neder; maar een ander officier, Tilladet, bezette de stad met eenige honderden musketiers en grenadiers. Drie regimenten infanterie bezetten de heuvels en wijnbergen boven de stad, onder bevel van den markies de Mouchy. De lichte kavalerie plaatste zich aan den ingang van den weg naar Turckheim; andere afdeelingen bezetten het kerkhof en den molen aan gene zijde van het kanaal van Logelbach. De met beleid en spoed uitgevoerde beweging was volkomen gelukt: Turenne tastte den vijand in de flank aan.
Een verwoed gevecht volgde: het kerkhof en de molen werden driemaal genomen en hernomen. De markies de Mouchy sneuvelde, en het paard van Turenne werd onder hem doodgeschoten. De duitsche artillerie teisterde de Franschen, die, ten gevolge van den moeilijken tocht over de wijnbergen, hunne kanonnen nog niet hadden kunnen opstellen. Inmiddels spoedde de korte Januaridag naar den avond: er moest een einde aan komen. Zonder op de overmacht der vijanden te letten, liet Turenne nu zijne soldaten, in gesloten gelederen, onder het slaan der trommels en het schetteren der trompetten, ondanks het geweldig vuur der duitsche kanonnen, naar de bevrozen rivier oprukken. Men trok over de rivier en viel op den vijand aan, die wankelde, week en weldra in wanorde terugtrok.
Nu stormden de fransche soldaten den vluchtenden vijand na; maar Turenne, die wist dat de keizerlijken nog de overmacht hadden en de mogelijkheid van een vernieuwden aanval vreesde, riep zijne troepen terug. De voorzorgsmaatregel bleek onnoodig: de verwarring bij de keizerlijken was zoo groot en de verstandhouding tusschen de legeraanvoerders zoo slecht, dat aan een hervatting van den strijd niet werd gedacht. De aftocht ging weldra in volslagen vlucht over. Bournonville, de keurvorst van Brandenburg, de keurvorstin Dorothea maakten zich met alle anderen zoo haastig mogelijk uit de voeten. Van het aangekondigde feest kwam niets: in plaats van feestzangen hoorde men het gekerm der gewonden en de doodskreten der stervenden, uitgestrekt op den hard bevroren grond der weilanden langs de Fecht. De straten van Colmar weergalmden van het rumoer der vluchtende soldaten, van het geratel der haastig aangespannen kanonnen en ammunitiewagens. Doodelijke schrik vervulde de harten der burgers, die gemeene zaak hadden gemaakt met de keizerlijken, en nu de wraak van den overwinnaar vreesden. Turenne kwam den volgenden morgen in de stad, en nam zijn intrek in de herberg Zum Schwarzen Berg; hij liet de inwoners met rust en strafte hen niet voor hunne vijandelijke houding. De keizerlijken trokken over den Rijn terug, en de Elzas was voor Duitschland verloren.
Den veertienden Januari bracht de secretaris van den raad van Straatsburg aan Turenne brieven van de regeering dier stad, waarbij een beroep werd gedaan op de edelmoedigheid van den overwinnaar. De burgerij van Straatsburg was woedend tegen de keizerlijke generaals, die zich aan gene zijde van den Rijn hadden teruggetrokken en het land ten prooi lieten aan den vijand. De troepen, die door hunne stad trokken, werden door het gemeen uitgejouwd en beleedigd.
De inlijving van de hoofdstad van den Elzas was nu nog slechts eene kwestie van tijd. Zij had, in vollen vrede, bij verdrag plaats: den dertigsten September 1681 hield Lodewijk XIV zijn intocht in Straatsburg, dat bij den vrede van Rijswijk, in 1697, aan Frankrijk werd afgestaan. Voor immer, zoo luidde de formule in het vredestraktaat. Evenzoo werd, bij den vrede van Frankfort, in 1871, de Elzas weder door Frankrijk aan Duitschland afgestaan, om voor immer met het nieuw herboren Duitsche rijk vereenigd te blijven.—De geschiedenis heeft overvloedig geleerd, dat de eeuwigheid der traktaten van zeer korten duur kan zijn; in onzen tijd vooral zijn zij ter nauwernood het papier waard, waarop zij geschreven zijn. Niemand acht zich door het bezworen verdrag, het plechtig gegeven woord, inderdaad verbonden; zoodra de partij, die bij het verdrag werd benadeeld, haar kans schoon ziet, verbreekt zij het, waartoe altijd een voorwendsel is te vinden, en doet op nieuw een beroep op de wapenen. Het besef van de onbetrouwbaarheid der traktaten, van de bijna volkomen vernietiging van het rechtsgevoel, is zeker niet de minste oorzaak van het vreeselijke feit, dat de staten van Europa, ook in vollen vrede, tot de tanden gewapend tegenover elkander staan, als roovers steeds loerende op elkanders bezit en geene veiligheid kennende dan die door vrees voor de overmacht wordt afgedwongen.
Ik sprak zoo even van de katoenindustrie, die langs het kanaal van Logelbach een harer hoofdzetels in den Elzas heeft. Ik zal u niet uitnoodigen, een dier fabrieken, spinnerijen, weverijen, verwerijen of hoe ze meer heeten mogen, te bezoeken; maar ik mag niet verzwijgen wat den eigenaars dier groote industrieele inrichtingen—waaronder aan de familie Herzog eene eerste plaats toekomt—tot eer strekt: namelijk hetgeen zij in het belang hunner talrijke werklieden hebben gedaan. Allerlei inrichtingen zijn, op aansporing en met ijverige medewerking en ondersteuning van de patroons, in het leven geroepen. Vereenigingen tot ondersteuning van behoeftige kraamvrouwen, kinderbewaarplaatsen, speeltuinen, scholen voor kinderen en volwassenen, ambachtsscholen, volksbibliotheken, huizen voor jonge meisjes, weeshuizen, ziekenfondsen, coöperatieve winkelvereenigingen, spaarbanken, arbeiderswijken:—ziedaar de instellingen, die, onder verschillende namen, overal in den Elzas en ook hier, medewerken tot verbetering van het lot der fabriekarbeiders en tot hunne moreele en materieele verheffing.
In de onmiddellijke nabijheid van Colmar vinden wij de arbeiderswijk, de cité ouvrière, behoorende tot de katoenspinnerij Bagatelle. De naar één model gebouwde woningen hebben eene beneden- en eene bovenverdieping, een kelder en een zolder, benevens twee deuren, waarvan de eene op straat en de andere [120]op het binnenplein van de wijk uitkomt; tot het huis behoort ook een kleine plaats met schuur. De ramen van den voorgevel zijn breed, ten einde gelegenheid te geven voor het houden van winkeltjes of voor het maken van kleine werkplaatsen. De huizen van de middengroep ontvangen hun licht alleen aan de voorzijde; daarentegen hebben zij op de bovenverdieping een soort van houten veranda. De benedenverdieping bevat eene zit- en eene slaapkamer, benevens eene keuken; op de bovenverdieping vindt men twee vertrekken, waarvan het grootste door een beschot in tweeën kan worden verdeeld.

Eene katoenspinnerij aan de Logelbach.
De bedoeling met de stichting van deze wijk was niet alleen om den arbeiders voor matigen prijs eene goede woning te bezorgen, maar ook om hen aan te moedigen tot spaarzaamheid: tegen eene geringe vergoeding boven de gewone huur, konden zij na verloop van zekeren tijd, eigenaar hunner woning worden. Dit doel is echter te Colmar niet dan bij uitzondering bereikt. Over het algemeen weten de arbeiders niet voor zoo langen tijd te sparen en voor de toekomst te zorgen; daar komt nog bij dat de meeste werklieden in de fabrieken van Logelbach in de omliggende dorpen wonen, waar zij in den regel hetzij een huisje, hetzij een stukje grond, hetzij eene koe of eenige geiten bezitten. Bijna iedereen is eigenaar, daardoor gehecht aan den grond, en tevens van nature en krachtens zijn eigen belang, een verdediger der maatschappelijke orde.
Is dit een niet te hoog te waardeeren voorrecht, niet minder uitmuntend is het dat in al de tot de fabrieken behoorende scholen zeer goed onderwijs gegeven wordt. Een dezer scholen, tot Bagatelle behoorende, grenst aan het kosthuis waar de ongehuwde werklieden hun intrek kunnen nemen. Mevrouw Herzog, die dit huis heeft gesticht, neemt daarin ook de kranken op, die in hunne woning geene goede verpleging kunnen vinden; de verzorging der zieken is aan zusters van liefdadigheid, alzoo aan de beste handen, toevertrouwd. Elken morgen komt mevrouw Herzog, met een harer kinderen aan de hand, zelve hare zieken bezoeken, om hun woorden van troost en bemoediging toe te spreken, of, in ernstige gevallen, den geneesheer te raadplegen. Hulde, eerbiedige hulde aan de edele vrouw, wier voorbeeld meer nut sticht dan vele predikatiën en vertoogen, en die door hare eenvoudige daad krachtiger medewerkt tot oplossing van wat men de sociale kwestie noemt, dan alle staathuishoudkundigen te zamen met al hun theorieën en stelsels. [193]

Gezicht in Colmar.
Colmar is eene open stad, met eene schilderachtige, schoone ligging, halverwege tusschen Basel en Straatsburg, aan de oevers van de Ill, en met een mooi uitzicht op de Vogesen. Om haar oude monumenten, haar historische herinneringen, haar fraaie wandelingen, verdient zij wel dat de reiziger hier ophoude, waar ik hem durf verzekeren dat hij eenige aangename dagen slijten kan. In de vorige eeuw had het hoogste regeeringscollege van den Elzas hier zijn zetel, en ook na de inlijving bij het Duitsche rijk heeft Colmar het hooggerechtshof van het nieuwe rijksland behouden. Met haar bevolking van zes-en-twintigduizend-tweehonderd inwoners, waaronder een aantal magistraatspersonen en rechterlijke ambtenaren, is Colmar juist zulk een rustig, kalm, gezellig stedeke, als men zich ten verblijve zou kunnen wenschen. Een deel der bevolking leeft van den landbouw; de meer rumoerige fabriekarbeiders wonen bijna allen in de voorsteden en langs het kanaal van Logelbach: de stad zelve bleef tot dusver van de plaag der fabrieken verschoond. Haar ligging aan het spoorwegnet, die haar in rechtstreeksche verbinding brengt met Zwitserland en Frankrijk en ook met het Schwarzwald, aan de overzijde van den Rijn, heeft op de ontwikkeling van haar handel en nijverheid zeer gunstig gewerkt.
Maar deze ontwikkeling heeft ook tengevolge gehad, dat Colmar zich beklemd begon te gevoelen in haar gordel van oude muren, en dat zij dien muur stuk voor stuk is gaan afbreken, om zich ruimte te maken en versche lucht te scheppen. Gaandeweg ondergaat de stad eene herschepping. In plaats van de drie oude poorten, waarop weleer de wegen naar Basel, Breisach en Rufach uitliepen, ziet ge overal nieuwe straten, die u naar buiten voeren. De huizen, waarvan de bovenverdiepingen soms zoo schilderachtig in de straat plachten uit te steken, trekken zich terug en zwichten voor de onverbiddelijke rooilijn. De sloopingskoorts dreigt [194]ook de overgebleven gedeelte van de oude wallen, zonder eenige noodzaak, omver te halen; zelfs de boomen dier wallen loopen ernstig gevaar. De verfoeilijke speculatiewoede, voor wie niets heilig of eerbiedwaardig is, die zelfs met euvele hand in schandelijken overmoed Rome vernielt en schendt, is ook tot hier doorgedrongen. Men zegt, dat al deze veranderingen en verbouwingen in het belang der hygiëne zijn: de hygiëne speelt in deze onze dagen eene zeer gewichtige rol en in haren naam worden vele onzinnigheden, vele gruwelen zelfs gepleegd; ik weet niet, of zij ook inderdaad bij deze gedaanteverwisseling van Colmar is betrokken. Maar zooveel is ontwijfelbaar zeker, dat het pittoreske, dat de esthetica er zeer onder lijdt. Als de laatste gracht zal zijn gedempt met het puin van den laatsten muur; als alle toegangen naar de stad in breede, vlakke, rechte wegen zullen zijn herschapen; als alle huizen zooveel mogelijk naar hetzelfde model zullen zijn gebouwd en alle straten met de liniaal getrokken:—dan zal Colmar misschien, onder sommige opzichten, iets gewonnen hebben en beantwoorden aan de eischen eener moderne stad, maar dan zal het ook even eentonig, even karakterloos zijn, dan zal het alle oorspronkelijkheid, alle individualiteit hebben ingeboet, volmaakt onbeduidend zijn, plat, vulgair en vervelend in de hoogste mate.
Maar—wat de toekomst moge brengen—thans is het, Goddank! nog zoover niet. Laat ons hopen, dat eene verstandige regeering een middel zal weten te vinden om aan de eischen en behoeften van den nieuwen tijd te voldoen, zonder te kort te komen in den eerbied, aan de monumenten van vroeger eeuw verschuldigd. Ondanks de pogingen van haar sloopers en verwoesters, biedt de goede stad Colmar nog genoeg merkwaardigs, om een belangstellend bezoeker te boeien. Wie met den spoorweg of langs den weg van Logelbach in de stad komt, wordt aanstonds getroffen door de prachtige boomgroepen, perken en standbeelden van het zoogenoemde Marsfeld, dat vroeger een deel uitmaakte van den stadswal en zijn krijgshaftigen naam ontleent aan de omstandigheid dat hier vroeger de militairen exerceerden. Op het midden van het plein prijkt het standbeeld van generaal Rapp. Een ander standbeeld, dat van admiraal Bruat, verrijst midden in de groote allée, die van het plein naar het Gouvernementshuis voert, een statig indrukwekkend gebouw, dat menig vorstelijk paleis in de schaduw stelt. In de Meimaand verspreiden de oude linden van het Marsfeld een verkwikkelijken lommer en vermengen den zoeten geur van hun bloesems met het doordringend parfum der bloeiende jasmijnen. Hoe vele uren heb ik, als gymnasiast, daar met mijne kameraden van buiten doorgebracht, aan den voet van het standbeeld van Bruat allerlei plannen besprekende van verre reizen, aan gene zijde van den oceaan. Wij kwamen daar samen op het etensuur, en gaven er ons middagmaal aan, tevreden met een stuk droog brood, waardoor wij vier stuivers uitspaarden: welke stuivers dan werden gebruikt voor het aankoopen van reisverhalen.
Iederen morgen en iederen avond gingen wij te voet van Colmar naar Turckheim, met onzen tasch op den rug, onverschillig voor koude of warmte, regen of zonneschijn. Waar zijn die vroolijke gelukkige dagen, zoo vol zoete illusiën, gebleven!
Aan het Marsfeld grenzen de met linden en kastanjes beplante wallen, die de stad omringen en door den muur worden omzoomd. Feitelijk vindt men die boomen nog slechts tusschen de Rufacher- en de Baselerpoort, of, om juister te spreken, tusschen de plaatsen waar die poorten hebben gestaan. Want alle oude poorten zijn verdwenen. Vroeger waren die poorten groote, zware, vierkante torens, gelijk aan die, welke nog te Turckheim in stand zijn gebleven. Bij de uitlegging van den muur werden die oude poorten afgebroken; in het begin van deze eeuw werden zij vervangen door ijzeren hekken, waarvan het laatste thans terecht is gekomen voor den ingang van het ziekenhuis. Aan alle kanten breidt de stad zich tegenwoordig buiten de oude wallen uit; het nieuwe aristokratische kwartier, met zijn door tuinen omgeven villa’s, ligt achter, het Gouvernementsgebouw, langs den weg naar Rufach. De oude muur, die in 1682 werd gebouwd, ter vervanging van de in 1673 gesloopte vestingwerken, is nog hier en daar staande gebleven, met name langs de Lauch; en die oude vervallen brokken maken een zeer schilderachtig effekt. Aardig en karakteristiek bij uitnemendheid is het gezicht, waar de Lauch—eene beek, die in de Ill uitloopt—de stad binnentreedt en bij de Vischmarkt een der takken van het kanaal van Logelbach ontmoet. Gij zoudt u bijna in Venetië verplaatst kunnen wanen: de huizen met hunne hooge spitse daken rijzen rechtstreeks uit het water op, afgewisseld door kleine smalle tuintjes, waar de vruchtboomen buigen onder den overvloedigen oogst en de wingerd zijne ranken uitspreidt langs de grauwe muren. Hoog geladen groenteschuiten glijden langzaam door het water; onder het boomen wisselen de schuitevoerders een groet met de vrouwen en meisjes, die langs den kant haar goed spoelen. Het water ziet er uit als chocolade en schijnt, ondanks den snellen stroom, dik en drabbig.
De voornaamste straten van Colmar, breed genoeg voor de behoeften van het verkeer, volgen evenwel niet de rechte lijn, althans niet voor langen tijd. Een van de aardigste stadgezichten biedt de Lange-Gasse, van de protestantsche kerk tot het Hof van appèl. Een aantal oude huizen prijken hier nog met hunne torentjes en erkers. Na de openbare gebouwen en monumenten, zooals de Sint-Maartenskerk, het voormalige klooster Unterlinden, de Korenhal, het Kaufhaus, het Gouvernementsgebouw, wijden de vreemdelingen, meer dan de inwoners zelven, hunne aandacht aan deze oude huizen. Daaronder verdient in de eerste plaats vermelding het zoogenoemde Kopfhaus (Huis met de hoofden), met zijn puntgevel en zijn hoektorentje van gehouwen steen, met grijnzende koppen versierd; voorts het huis Pfister, dat met zijn uitstekenden traptoren, zijn erker, zijn houten balkon, zijn onlangs gerestaureerde freskoos, met recht de parel der burgerhuizen van het oude Colmar mag worden genoemd. [195]De Schädelgasse, waarin dit huis uitkomt, smal, ter wederzijde omzoomd door huizen, waarvan de bovenverdiepingen uitspringen, was, naar men zegt, in de middeleeuwen de hoofdstraat der stad. Aan het einde der straat, naar den kant van de Lange-Gasse, ziet men nog een ander oud huis met een zwaren hoektoren, en in het voorportaal een opschrift in oud-duitsch, vermeldende dat dit huis, tot straf voor een oproer, moest worden gesloopt.
“In het jaar toen men schreef na Gods geboorte dertienhonderd-acht-en-vijftig, des maandags na Sinte-Agnietedag, was de doorluchtige vorst, hertog Rudolf van Oostenrijk, stadhouder des rijks in den geheelen Elzas, en sprak vonnis ter zake van het oproer tegen den landvoogd, den burgemeester en den raad van Colmar, en beval deswege dat dit huis zou worden gebroken en nimmermeer opgebouwd worden, tot eene eeuwige gedachtenis.”
In spijt van ’s hertogs vonnis, werd het toch weder opgebouwd; en als ten spot van zulke beslissingen voor de eeuwigheid, heeft men de vorstelijke uitspraak in steen gebeiteld en in den muur geplaatst van het huis zelf, waarvan hij de oprichting verboden had! Een aantal andere huizen prijken, behalve met beeldwerken en versieringen boven de deur, met vrome spreuken en opschriften, getuigen van den degelijken, godsdienstigen zin der voorgeslachten. Meestal beveelt de eigenaar zijne woning aan de hoede van God: Deus dedit incrementum, zegt een dezer opschriften; Deus quoque custodiet. Elders geldt het zoowel het huis als het gezin: Accrescat domui res simul et decus! “Moge dit huis groeien in kracht en in eere!” Juist, zoo behoort het. Eer zonder kracht of welvaart is eene halve zegen; welvaart zonder eer is, en was toen eene schande. Daarom res et decus: voorspoed en eere. Een ander huis richt zich tot de voorbijgangers: “Gij bewondert, zoo luidt het opschrift, mij en degenen, die mij gemaakt hebben: doe meer voor mij dan zij hebben kunnen doen: bid God dat hij mij beware.”—De bede is tot hiertoe verhoord. Hoe vele huizen, niet minder rijk aan beeld- en schilderwerken en opschriften, zijn sedert gevallen onder den hamer der sloopers! Het tegenwoordige geslacht, naar eigen smaak en op eigene wijze willende wonen, haalt de woningen van het voorgeslacht omver, om ze te vervangen door anderen, die gemakkelijker en doelmatiger zijn ingericht, die warmer en beter verlicht zijn. Die meerdere gemakken zijn niet te versmaden; maar in vele gevallen zouden zij ook in de bestaande oude huizen zijn aan te brengen, die althans dit ééne hebben wat de nieuwerwetsche woningen ten eenemale missen, namelijk karakter en stijl.
Wie zich op een mooien avond, als de maan haar fantastisch schijnsel over de stad werpt en licht en schaduw zoo tooverachtig verdeelt, op den hoek plaatst van de oude Schädelgasse, tegenover de Groenmarkt, tusschen het Kaufhaus en het gebouw van het Hof van appèl, die kan zich gemakkelijk verbeelden eenige eeuwen terug te zijn gegaan. Voor zich ziet hij een huis met een puntgevel in renaissancestijl, versierd met gegroefde pilasters; en links daarnaast verrijst, met hare zware steenen leuning en haar koepelvormig dak, de buitentrap van het Kaufhaus, waarvan de smaakvolle balustrade zich tegen den hemel afteekent. Op de Groenmarkt zelve, ter rechterhand, beurt het Edelhof zijn hoogen trapgevel ten hemel, waarvan elke trede met een pinnakel is versierd. Links stuit de blik tegen den gelijksoortigen gevel van het huis met den zuilengang, waarvan de slanke achtkantige torentjes, met hun arabesken en spitse daken, door hun bevalligen vorm en schoone evenredigheden zoo te recht de bewondering opwekken.—Het Kaufhaus, dat vier eeuwen oud is, is meermalen in den loop der tijden van bestemming veranderd. In 1480 gebouwd, diende het aanvankelijk als entrepôt voor de wijnen, het graan en de verschillende koopwaren, waarvan de stad Colmar, krachtens octrooi van de Keizers Lodewijk van Beieren en Karel IV, belasting mocht heffen. Later vestigde de magistraat er zijn zetel; de tegenwoordige gymnastiekzaal in de benedenverdieping werd toen als folterkamer gebruikt; de bovenverdieping dient thans voor de vergaderingen van de Kamer van koophandel.
De voormalige groentenmarkt, die weleer op het plein voor het Kaufhaus gehouden werd, is thans overgebracht naar eene overdekte markt, waar wij de fontein van den Wijnboer gaan bewonderen, die wel de aandacht verdient. Het voornaamste sieraad van die fontein is het beeld van een jongen wijnboer of arbeider, uitrustende van zijn werk. De warmte heeft hem zijne kleederen voor het grootste deel doen afwerpen; met zijne krachtige armen tilt hij een kleinen emmer omhoog, die bij de wijnboeren in den Elzas in gebruik is. Naast hem zit zijn trouwe metgezel, zijn hond. Dit fraai bewerkte bronzen beeld, een geschenk van de fransche regeering, is het werk van den heer Auguste Bartholdi, van Colmar geboortig, die ook de monumenten voor generaal Rapp en admiraal Bruat vervaardigd heeft. Dit laatste standbeeld, insgelijks van brons, versiert mede eene fontein; toen het in 1863 te Parijs werd tentoongesteld, droeg het de algemeene goedkeuring weg. In de lommerrijke lindenlaan, waarin het nu is geplaatst,—die laan waar ik mijne eerste lessen in de aardrijkskunde leerde;—staat het beeld van den admiraal in fiere rustige houding op een prachtig zandsteenen voetstuk, uitmuntende door zijne smaakvolle proportiën en door de vier groote allegorische figuren, vier werelddeelen voorstellende.
Rapp en Bruat zijn beiden van Colmar geboortig, even als Pfeffel en Schöngauer, wier gedenkteekenen wij in het museum Unterlinden zullen zien. Rapp, tijdens het eerste keizerrijk opperbevelhebber van het Rijnleger, sedert pair van Frankrijk, bekend door zijne heldhaftige verdediging van Dantzig, aanschouwde op den 21sten April 1771 het levenslicht in het Kaufhaus, waarvan zijn vader portier was. Op zestienjarigen leeftijd als vrijwilliger bij een regiment kavalerie in dienst getreden, nam hij een werkzaam aandeel aan de [196]eerste veldtochten van Napoleon, die hem na den slag bij Marengo tot zijn adjudant benoemde. Geen andere generaal van het keizerrijk kan in persoonlijken moed en vooral in onafhankelijkheid van karakter met hem op eene lijn worden gesteld. Hij vervulde verschillende belangrijke zendingen en ontving op het slagveld twee-en-twintig wonden.—De admiraal Bruat, die jonger was dan generaal Kapp, trad in 1811 in dienst; hij stierf als opperbevelhebber van de fransche vloot in het Oosten, na de inneming van Sebastopol. Zijne onverschrokkenheid en vermetele moed verzekeren hem voor immer eene schitterende plaats in de geschiedboeken der fransche marine. Hij nam deel aan den slag van Navarino en vertoonde de fransche vlag zoowel in de Levant als in de Antilles en in de Stille-zee; aan hem dankt Frankrijk het protektoraat over, dat wil zeggen het bezit van de Taïti- of Sandwich eilanden; hij bestuurde de met zoo schitterenden uitslag bekroonde expedities in de zee van Azof, gedurende den Krim-oorlog. Even als Rapp onderscheidde ook admiraal Bruat zich als diplomaat en bekwaam administrateur.

De Wijngaardenier (Blz. 195.)
Als alle steden langs den Rijn, was Colmar eens zeer rijk aan kerken en godsdienstige gestichten, die tegenwoordig voor het meerendeel aan hunne oorspronkelijke bestemming zijn onttrokken. Behalve de collegiale kerk van Sint-Maarten, vinden wij het klooster van Unterlinden, het Franciskanerklooster, de kerk der Dominikanen; de kloosters van de Catherinetten, van de Kapucijnen, van de Augustijnen, de kommanderij van Sint-Jan, de priorie van Sint-Pieter; de filiaalhuizen der abdijen van Munster, van Marbarch, van Arlesheim en Alspach.—De priorie van Sint-Pieter is een lyceum geworden, maar waarin sedert de inlijving bij Duitschland, geen leerlingen meer worden opgenomen; de kerk is nog voor de katholieke eeredienst bestemd. Het Franciskanerklooster, in het midden der dertiende eeuw gesticht en door de pest van 1541 ontvolkt, dient tegenwoordig als stedelijk ziekenhuis; daar al de monniken, met uitzondering van den pater-gardiaan, aan de pest waren overleden, kocht de stad al de bezittingen van het klooster voor tweeduizend-zevenhonderd gulden, met de verplichting ten eeuwigen dage de monniken, op hun doortocht door Colmar, gastvrijheid te verleenen of anders twee zilveren batsen uit te keeren. Met het ziekenhuis is een weeshuis verbonden, benevens eene inrichting tot opleiding van vroedvrouwen, beiden door partikuliere liefdadigheid gesticht. Het oude Kapucijnerklooster is thans ook tot een ziekenhuis ingericht, onder leiding der zusters van Niederbronn; terwijl het klooster der dames Catherinetten sedert 1792 tot militair hospitaal, dient. Omstreeks den zelfden tijd werd het Dominikanerklooster tot gevangenis vernederd, terwijl de kerk als korenbeurs wordt gebruikt.
De meeste kerken van de voormalige kloosters zijn echter nog steeds voor de eeredienst bestemd; zoo, bijvoorbeeld, de Franciskaner-kerk, waarvan het koor en het schip door een muur gescheiden zijn; het laatste is als protestantsche kerk ingericht, terwijl het koor bestemd is voor de Katholieken, die in het stedelijk gasthuis zijn opgenomen. Geene enkele van deze kloosterkerken verdient uit een architektonisch oogpunt bijzondere vermelding.
De kollegiale kerk van Sint-Maarten zou een goed figuur maken als kathedraal, indien Colmar de zetel van een bisschop was. Zij verrijst midden in de stad, en vertoont, hoezeer uit verschillende tijdperken dagteekenend, niet die plotselinge overgangen in stijl en wijze van versiering, die elders zoo vaak den indruk van het geheel bederven. De oude uitgangen van het dwarsschip zijn toegemetseld. Onder de beelden, die den linkerboog van het portaal van Sint-Nikolaas, aan het zuidelijke dwarsschip, het oudste gedeelte van de kerk, versieren, ziet men ook het beeld van den architekt, kenbaar aan een winkelhaak, dien hij in de hand houdt. Bovendien staat daarnevens zijn naam in den steen gebeiteld, en wel in het fransch: Maistres Humbret. De bouwmeester van de Sint-Maartenskerk van Colmar was dus, even als de schepper van het groote portaal van de Sint-Theobaldskerk te Thann, een Franschman of misschien een Lotharinger. Het koor, een eeuw jonger dan het schip, werd, naar men zegt, gebouwd door Willem van Marburg, in 1366 overleden.

Hoogaltaar in de Sint-Maartenskerk te Colmar. (Blz. 198).
In de middeleeuwen, toen onze goede Elzassers, [198]als trouwens al hunne tijdgenooten, rijker waren aan geloof dan aan geld, vorderde de voltooiing van een zoo belangrijk werk als de bouw van de collegiale kerk van Colmar, in eene nog weinig bevolkte stad, uit den aard der zaak zeer veel tijd, daar met de beschikbare middelen rekening moest worden gehouden. Het is dus niet te verwonderen, dat dergelijke monumenten—waaraan op verschillende tijden, verschillende architekten, anders gevormd en met andere denkbeelden bezield, hebben gewerkt,—die eenheid van stijl missen, die een kenmerk behoort te zijn van in hun soort volmaakte kunstgewrochten.—De oorsprong van de Sint-Maartenskerk was eene eenvoudige kapel, in de negende eeuw door de Benediktijner-monniken van Munster gebouwd. Het schip dagteekent uit het midden van de dertiende eeuw; de bouw van dit deel der kerk, waarvoor van alle kanten giften werden ingezameld, duurde niet minder dan vijftig jaren. Oorspronkelijk vervingen twee groote kapellen de plaats van het koor. Om dit laatste tot stand te brengen, moesten op nieuw, ook in den vreemde, giften worden ingezameld. Reeds in 1284 richtte de bisschop Hendrik van Basel eene oproeping tot de geloovigen, waarbij hij hen vermaande de kerk van Colmar niet onvoltooid te laten, maar haar tot een Gode waardig heiligdom te maken. Zijn vicaris Albrecht vroeg bijdragen van al de inwoners van Basel, omdat de inkomsten van de particuliere fondatie van Sint-Maarten ontoereikend waren. De tweede toren, die het groote portaal aan de noordzijde flankeeren moest, werd nooit voltooid en reikt niet hooger dan het dak van het schip. Het tegenwoordige bovenstuk van den bestaanden toren, aan de zuidzijde, werd na den brand van 23 Mei 1572 aangebracht.
In 1798 door de revolutionaire horden geplunderd en gesloten, werd de kerk later aan de katholieke eerdienst teruggegeven; maar in dien tijd was zij bezoedeld door de dusgenoemde eeredienst van de Rede, hier, als elders in het republikeinsche Frankrijk, alleszins waardig vertegenwoordigd door eene veile deerne, die, zoo goed als naakt, op het altaar plaats nam. Pfeffel, de fabeldichter, wiens standbeeld wij straks voor Unterlinden zullen zien, zond aan een vriend, die hem het besluit tot instelling van de eeredienst der Rede had medegedeeld, dit puntdicht:
“Ein Tempel der Vernunft soll unsere Städte zieren;
Recht schön; doch macht’ ich gern, in Unterthänigkeit,
Die kleine Motion: eh man ein Haus ihr weiht,
Erst die Vernunft zu decretiren.”
Toen de blinde dichter later, langs de kerk gaande, daar binnen hoorde kloppen en timmeren, vroeg hij, wat er nu weer gaande was. Men antwoordde hem, dat het stedelijk bestuur toebereidselen liet maken voor het feest van het Opperwezen, dat ook te Parijs, onder voorgang van Robespierre, was gevierd. Daarop antwoordde hij dadelijk met dit ex-tempore:
“Darfst, lieber Gott, nun wieder sein;
So will’s der Schach der Franken.—
Lass flugs durch ein paar Engelein
Dich schön bij ihm bedanken.”
Van binnen is de kerk zeer eenvoudig. De steenen muren zijn kaal, uitgezonderd alleen in de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe, rechts van het koor. Men heeft die kapel onlangs in den stijl der dertiende eeuw gerestaureerd, en haar met muurschilderingen versierd, die een zeer goed effekt maken. Ook het zeer fraaie en bevallige beeld der Madonna, op het altaar, is in denzelfden stijl beschilderd.—Het hoogaltaar van gesneden hout, zonder eenig schilderwerk hoegenaamd, is in volkomen overeenstemming met de eigenaardige verlichting der kerk, terwijl het beeldwerk zelf geheel past bij den architektonischen stijl van het gebouw. Dit altaar is het meesterstuk van een uit Colmar geboortigen kunstenaar, den heer Klem, wiens werk men in verschillende kerken in den Elzas terugvindt. Er is een oogenblik sprake van geweest, dit altaar te vergulden of te kleuren, maar men heeft zeer te recht van dat voornemen afgezien. Alle figuren zijn in relief en in rond beeldwerk. Zes zuiltjes met gebeeldhouwde kapiteelen dragen het altaarblad. In de twee bogen ter weerszijde van de middelste nis, waarin de relikwiënkast van Sint-Maarten moet worden geborgen, zijn de zinnebeelden van de vier Evangelisten geplaatst. De trapjes van de altaartafel prijken met eene uitmuntend gebeeldhouwde fries: een slinger van wingerdbladen met druiventrossen en korenschoven vermengd, de symbolen van de eucharistie. In het midden verrijst de tabernakel, die door eene kleine deur van verguld brons, met het Lam Gods versierd, gesloten wordt; ter wederzijde van den tabernakel ligt een engel in knielende houding. Pilasters, door eene open gewerkte galerij verbonden, vormen, ter hoogte van den tabernakel, vier paneelen en verdeelen in drie ongelijke vakken eene prachtig gewelfde en rijk gebeeldhouwde nis, die de geheele breedte van het altaar inneemt. In het midden ziet men het Avondmaal: de figuren, op de helft der natuurlijke grootte, vertoonen den traditioneelen type en teekenen zich uitmuntend af tegen den donkeren achtergrond. In het bovenste gedeelte van het altaar wordt de aandacht dadelijk getrokken door de hoofdgroep, Christus voorstellende, omringd door heiligen uit den Elzas. In de iets lager gelegen zijnissen—even als de middelste nis bekroond door kunstig gesneden bloemen en spitsen en naalden, door al den weelderigen rijkdom der gothiek,—ziet men tafreelen uit het leven van Sint-Maarten den patroon der kerk, en van Sint-Arbogast, den patroon van het bisdom. In de groep ter linkerhand is Sint-Arbogast voorgesteld, door zijn gebed het leven terug gevende aan Siegbert, den zoon van koning Dagobert. De rechter groep verbeeldt Sint-Maarten, met zijn zwaard zijn mantel doorsnijdende om daarmede een naakten bedelaar te kleeden.—De personen in de middelste nis rondom den Heiland gegroepeerd, verbeelden Sint-Fidelius van Sigmaringen, eerst advokaat te Colmar, vervolgens Kapucijner-monnik en martelaar; Sint-Firminus, bisschop, stichter van de abdij van Murbach, met het model zijner abdijkerk in de hand; Sinte-Odilia, de maagd van Hohenburg, in knielende houding, in [199]het gewaad eener non, het geopende boek in de hand, waarin twee oogen zijn afgebeeld, ter herinnering aan het wonder, waardoor zij het gezicht herkreeg; Sinte-Richardis, echtgenoote van Keizer Karel den Dikke, met een hermelijnen mantel bekleed en haar kroon nederleggende voor de voeten van den Zaligmaker; Sint-Maternus, de eerste apostel van den Elzas, die eene kerk met drie torens in de hand houdt, ten teeken van de drie door hem gestichte bisdommen; Sint-Morand, de apostel van de Sundgau, met een wingerdrank in de hand, ter herinnering aan de legende, volgens welke hij den wijnstok in den Elzas zou hebben ingevoerd; Sinte-Huna, de godvruchtige edelvrouwe van Hunaweier, in aanbidding neergebogen; eindelijk Sint-Leo IX, de groote Paus; tegenover Sinte-Richardis neergeknield, biedt hij den Heiland het wapenschild van Colmar aan, als om ’s Heeren zegen af te smeeken over de stad, in wier nabijheid de doorluchtige opperpriester geboren werd.—Geheel uit hout gesneden, in de stijl der veertiende eeuw, heeft het hoogaltaar van Sint-Maarten eene hoogte van zestien el, en mag met volle recht, om den rijkdom en de onberispelijke bewerking der ornementen, om het diepe, fijne gevoel dat uit alle beelden en groepen spreekt, onder de kunstwerken een hoogen rang innemen; zeer zeker is het het beste van dien aard, dat wij in het geheele land bezitten.
Alvorens wij een blik werpen op het verleden van Colmar, willen wij den toren van de Sint-Maarten beklimmen om van daar de stad te overzien.—Een aardig gezicht, niet waar, waarvoor ge u wel de moeite wilt getroosten om de tweehonderd-drie-en-veertig treden te beklimmen van de wenteltrap, die naar den omgang van den toren leidt. Volgens eene plaatselijke traditie, zou die omgang een vereenigingspunt zijn geweest van de tooverheksen: vandaar de naam van Hexenplatz, waaronder dit plat nog heden bekend is. Ter wille van de gewone stervelingen, die aan duizeligheid onderhevig kunnen zijn, heeft men in het jaar 1766 dit torenplat van een steenen balustrade voorzien. De hoogte van het plat bedraagt niet meer dan acht-en-veertig el boven het kerkplein: juist voldoende om in het rond, in het oude Colmar, de voornaamste gebouwen te herkennen, aangewezen op den plattegrond van Merian uit het jaar 1643. Het meer verwijderde uitzicht is ook wel de moeite waard. Aan de eene zijde overzien wij de geheele keten der Vogesen, aan de andere de berggroep van den Kayserstuhl, en tusschen die beiden de vlakte van de Ill en van den Rijn; de twee rivieren zelven zien wij niet: zij duiken weg in het groen; de bergen van het Scharzwald, doorgaans zeer duidelijk zichtbaar, zijn nu op het heete middaguur, in een trillenden nevel gehuld. Er is geen wolkje aan den hemel: de brandende Junizon straalt in volle kracht en stooft de bloeiende aarde, die in vollen zomerdos prijkt. Hoe vol en rijk zijn de boomgroepen van het Marsfeld, en de moestuinen van de Aue, in het vochtige dal van de Lauch! Achter de tuinen beginnen de bosschen, begrensd door steenachtige terreinen, die voor bebouwing ongeschikt zijn. De akkers, in de vlakte van de Ill, zoo bij uitnemendheid vruchtbaar, zijn thans bedekt met blonde halmen, afgewisseld door wijngaarden, overal waar de nachtvorsten in de lente zich niet al te streng doen gevoelen. Aan den voet der heuvelen beginnen de wijnstokken over de geheele lengte der vallei van de Fecht, achter de Logelbach, waarvan de uitgestrekte fabriekgebouwen als het ware eene voorstad van Colmar vormen. En welk een prachtige omlijsting vormen de Vogesen, zoo schoon en bevallig met hunne fraai geteekende, schilderachtig afgeronde hellingen, niet te steil en niet te flauw, geheel met bosch bekleed tot aan de groene weiden in de hoogte; met hunne stout gevormde toppen, hier en daar oprijzende en den blik tot zich trekkende. De Letzenberg met zijne witte kapel, de ruïnen van den Hohenlandsburg, de drie torens van Egisheim, de bedevaartskapel der Drei Aehren, het kasteel Hageneck met de scherp geteekende zigzags van den nieuwen weg:—ze zijn allen duidelijk zichtbaar. Voorts overal, waarheen wij den blik ook wenden, volkrijke dorpen en vlekken met hunne torens, ver en nabij, sommigen opdoemende aan den gezichteinder, tusschen den Rijn en de bergen, van Schlettstadt tot Rufach en nog verder. In waarheid, mijne vrienden, de Elzas is een mooi land.
Het doet er dan ook weinig toe, dat op het bovenstuk van den toren van Colmar gegronde aanmerkingen te maken zijn. De torenwachter, die hier woont, en die de klok moet luiden, zoodra er in de stad of in den onmiddellijken omtrek brand uitbarst, is tevreden met zijne hooge positie. Niet zonder kennelijk welbehagen noemt hij ons de namen van alle dorpen en vlekken in het ronde, benevens die van de bergen en rivieren. Met de zekerheid van iemand die er alles van weet, zal hij u uitleggen dat de voorgevel van zijne kerk minder kaal en rijker versierd zou zijn, indien de bouwmeesters over meer geld hadden kunnen beschikken. De aan zijne zorg toevertrouwde klokken zijn meest allen uit het jaar na den brand, en voeren als wapenteeken den ouden tweehoofdigen adelaar van het heilige Roomsche rijk. Met een dezer klokken moest, van Allerheiligen tot Sint-Mathias, elken avond van zeven tot acht uren worden geluid: en dat wel krachtens eene keure van de magistraat, houdende bevel dat geen enkel herbergier of koekbakker zijne klanten na dat uur mocht houden, met bedreiging van ernstige straf en schande. Dat in den goeden ouden tijd aan deze keur van de zorgzame burgervaderen stipt de hand werd gehouden, zou ik niet durven verzekeren. De statuten van de Waagkeller-vereeniging, opgericht, “om te drinken, te eten en zich onderling te vermaken”, geven wel grond voor het vermoeden, dat ook vroeger, evenals tegenwoordig, de policieverordeningen uitzonderingen toelieten.
Elk gebouw van het oude Colmar, de burgerhuizen daaronder begrepen, is als het ware een levende getuige van het verleden der stad, eene leesbare bladzijde uit haar geschiedboek. Een aantal huizen dagteekenen uit de middeleeuwen, toen [200]het poorterschap van de oude vrije stad verbonden was aan den eigendom van eene woning aan ’s heeren straat. Daartoe behoort onder anderen het gothische huis op het plein, tegenover het Sint-Nikolaas portaal van de parochiale kerk, door den passementwerker Adolph met groote kennis en keurigen smaak gerestaureerd.—Daarnaast prijkt het commissariaat van policie met een fraai uitstekend balkon, een zoogenaamden erker, boven een portaal met het jaartal 1597. De duitsche renaissance heeft niets volmaakters in zijne soort geschapen dan dit balkon. Op dat balkon legden de heeren der stedelijke regeering en de groot-baljuw van den Elzas, tegenover de burgerij, den eed af, dat zij de stad bij hare vrijheden en privilegiën zouden handhaven. Vroeger stond op de plaats van dit gebouw eene aan Sint-Jacobus gewijde kapel, waarvan de krypt, die tot knekelhuis diende, nog bestaat. Rechts, onder den grooten boog die toegang geeft naar de Schädelgasse, werd door den provoost recht gesproken. De koetspoort, bij dien boog, vormde den ingang naar de herberg van de schoenmakers, waar de dichter George Wickram zijne zangerschool stichtte, van waar het handschrift der Minnesinger en Meistersinger, dat op de koninklijke bibliotheek te Munchen bewaard wordt, afkomstig is. Alle ambachtsgilden hadden zulk eene eigene herberg of plaats van bijeenkomst, die aan een bijzonder uithangteeken kenbaar was; even als de godsdienstige corporatiën, die van buiten daaronder begrepen, haar hof of huis in de stad hadden, waar de tienden en de opbrengsten der landerijen werden geborgen en waar haar rentmeester woonde. Die huizen onderscheidden zich doorgaans door bijzonder fraai beeldwerk: zoo als bij voorbeeld het Huis met de hoofden, weleer de herberg voor de gasten en bezoekers van het Dominikanerklooster.

Balkon van het commissariaat van policie.
Colmar draagt er roem op, ten tijde van het heilige Roomsche rijk eene vrije stad te zijn geweest, met eene eigene zelfstandige regeering. Haar oorsprong hangt samen met eene hoeve, die tot het domein der eerste frankische koningen behoorde; maar de ontdekking van steenen, potten en andere voorwerpen uit den romeinschen tijd levert het bewijs, dat hier reeds vroeger een centrum van bevolking was. Voor zoo veel wij weten, komt de naam der plaats het eerst voor in 823, in een giftbrief van Lodewijk den Vrome aan de abdij van Munster, gedagteekend ad fiscum nostrum nomine Columbarium. Hadden wij over meer tijd en ruimte te beschikken, dan zouden wij ons verdiepen in de vraag, of deze naam Columbaria een latijnsche vorm is van het duitsche Kohlmarkt, dan wel of hij eenvoudig is afgeleid van de duiventil, die bij elke hoeve behoorde. De monnik van Sint-Gallen verhaalt in zijne kroniek van den tijd van Karel den Groote, dat de machtige Keizer, in een zijner oorlogen tegen de Saksers, de bijzondere dapperheid opmerkte van twee jonge soldaten, en bij navraag van hen vernam dat zij bastaarden waren, afkomstig uit het vrouwenhuis van Columbra. Men heeft daaruit afgeleid, dat tot de koninklijke hoeve van Columbarium ook een vrouwenhuis behoorde: dat wil zeggen, een lokaal waar de vrouwen arbeidden, die de wol en het linnen sponnen en weefden en de kleederen vervaardigden voor de lieden van het hofgezin. In 884 hield Keizer Karel de Dikke hier, omstreeks het feest van Maria-Zuivering, een algemeene vergadering van den adel en de geestelijkheid zijner staten, een soort van rijksdag, om te beraadslagen over de maatregelen tegen de invallen der Noormannen. Volgens onze geschiedschrijvers bevatte het koninklijk domein, de bakermat der toekomstige stad, twee hoeven, het Oberhof en het Niederhof. In 1160 werd de hoeve of de villa, zoo als zij in de jaarboeken van de abdij van Munster genoemd wordt, door brand vernield.

De Madonna in de rozenhaag. (Blz. 207).
Deze brand mocht veeleer eene weldaad dan een ramp heeten. Niet alleen herrees de villa uit haar puin, maar reeds eene eeuw later had zij zoodanige beteekenis verworven, dat zij tot den rang van stad werd verheven en met een muur omgord. De vrije boeren, eigenaars of pachters van de verstrooide hoeven, waaruit Colmar toen bestond, en de werklieden—vrijgelatenen of vluchtelingen—die zich bij hen gevoegd hadden, gevoelden weldra de behoefte om hunne personen, hunne bezittingen en hunne vrijheid te kunnen verdedigen [202]tegen de aanvallen der adellijke heeren uit den omtrek. Daartoe was het noodig, de stad met stevige muren te omringen, die haar beveiligden tegen verrassing en overrompeling. De landvoogd Wölfelin gaf dus, in 1214, vergunning, de stad met muren en wallen te versterken. De ommuurde ruimte omvatte in de dertiende eeuw niet meer dan de zuidelijke en oostelijke wijken van de tegenwoordige stad, en toch was het er nog verre van af, dat deze ruimte geheel zou bebouwd zijn. De sedert gevolgde stichting van de kommanderij van Sint-Jan en van een paar kloosters bewijst, dat er nog genoeg onbezette terreinen binnen de muren te vinden waren.
Bij een octrooi van 1226, door keizer Frederik II tot den rang eener vrije, keizerlijke rijksstad verheven, koos Colmar met warmte de partij van dien monarch in zijne geduchte worsteling met de Curie. De vrij verklaarde gemeente bleef met zoo trouwe gehechtheid aan haar weldoener verknocht, dat zij zelfs de partij koos van een avonturier, die zich, na ’s keizers dood, voor Frederik II wilde doen doorgaan, hetgeen der poorterij op eene zware boete te staan kwam ten behoeve van den levenden keizer, Rudolf van Habsburg. In dien tusschentijd had de bisschop van Bazel een kapittel ingesteld, om met den pastoor de goederen der Sint-Maartenskerk te beheeren. Aan het hoofd van dit kapittel, dat door twee bullen van Paus Gregorius IX, in Juni 1234, bevestigd werd, stond de domproost, die door de kanunniken werd verkozen, maar de investituur van den abt van Munster ontving. Een deken, door den abt benoemd, nam de dienst van pastoor waar; terwijl een der andere kanunniken met de leiding van het koor was belast. De kanunniken, die door het kapittel verkozen werden, waren niet aan het gezag van de poorterij onderworpen. Zij ontvingen zekere uitdeelingen in natura, onder voorwaarde dat zij te Colmar wonen zouden, maar met de bevoegdheid om elders de lessen aan eene universiteit te volgen, zonder daardoor de inkomsten van hunne prebende te verliezen. Bij giftbrief van 15 December 1283 schonk een der kanunniken, meester Jacob, die jaren lang gratis het ambt van scholaster had vervuld, veertig pond, waarbij het kapittel nog tien pond voegde: van welk kapitaal de jaarlijksche rente, ten bedrage van vijf pond, moest dienen om den scholaster te bezoldigen. Ook hier, als schier overal elders, was de school eene stichting der kerk en wies onder hare hoede op. Het zegel van een der scholasters van Sint-Maarten stelt den eerwaarden leeraar voor, gezeten voor zijn lessenaar en een schrijver verklarende, terwijl de leerlingen rondom hem op den grond zitten en met ingespannen aandacht luisteren.—In dien zelfden tijd was een aanvang gemaakt met den bouw der collegiale kerk, maar de voortgang van dien arbeid werd belemmerd door innerlijke verdeeldheid en burgertwist. Er waren toen twee partijen in de stad: de eene hield de zijde van den bisschop van Straatsburg, de andere stond voor den keizer en het rijk. Deze laatste partij werd aangevoerd door den provoost Johan Rösselmann, den zoon van een gewoon werkman uit Turckheim, die, ten koste van zijn leven, Colmar in handen leverde van Rudolf van Habsburg, geruimen tijd voor deze den keizerlijken troon beklommen had. Na zijne verkiezing tot Roomsch koning schonk het hoofd der dynastie van Habsburg, te Weenen, den 29 December 1278, aan de burgers van Colmar eene stedelijke keur, die de grondslag werd van hun recht en later tot regel diende ook voor andere steden. De keizer verbond zich daarbij, niemand dan een poorter van Colmar tot provoost of schout te benoemen; deze schout zou de bevoegdheid hebben om het burgerrecht te verleenen aan wien hij wilde, zelfs aan hoorigen, die, wanneer hun heer hen niet binnen het jaar opvorderde, niet meer van hun recht konden worden ontzet. De burgers mochten leenen bezitten; de edelen werden vrijgesteld van gewone belastingen, op grond van hunne bijzondere persoonlijke verplichtingen jegens het rijk.
Weldra vinden wij, naast den schout, die door den keizer werd benoemd en als diens vertegenwoordiger gold, melding gemaakt van den burgemeester en de vertegenwoordigers der gilden. Naar het schijnt, was de burgemeester aanvankelijk niet anders dan een afgevaardigde van de gilden, dat is van de burgerij, bij het stedelijk bestuur. Door de burgers als hun hoofd erkend, hoogst waarschijnlijk rechtstreeks door hen gekozen, en geroepen om een tegenwicht te vormen tegenover het gezag van den keizerlijken schout, kon het niet anders of het gezag en de invloed van dezen magistraatspersoon moest zich gaandeweg uitbreiden. Onder den invloed der gilden won de demokratische geest steeds in kracht; en langzamerhand, met en zonder schokken en botsingen, ging ook hier het gezag en de leiding der zaken uit de handen van den schout over in die van den stedelijken raad, waarvan de burgemeester voorzitter was. Zoo als wij zagen, was reeds bij het octrooi van 1278 bepaald, dat de waardigheid van schout uitsluitend aan een poorter van Colmar kon worden opgedragen. Dat was een eerste stap; later kocht de stad van den keizer het recht der benoeming, en nu werd het schoutambt eenvoudig eene stedelijke betrekking, en de schout, in plaats van een keizerlijk, een stedelijk ambtenaar. Van toen af was de burgerij in het volle bezit der macht; maar daarmede was in geenen deele aan de stad het genot van rust en vrede verzekerd: evenals in bijna alle andere stedelijke republieken der middeleeuwen, waren ook te Colmar twisten en partijschappen aan de orde van den dag.
De gilden namen, door hare hoofdmannen, rechtsstreeks aandeel aan de regeering; het getal dier gilden, die de gansche burgerij omvatten, was aanvankelijk twintig, later tien; daarnevens vormden de adellijke familiën, wier aantal omstreeks dertig bedroeg, twee curiën. De eerste, die op de lijst der burgemeesters voorkomt, is Walther von Sleztat, die in 1296 magister burgensium was.—Uit een vonnis, des vrijdags na Sint-Nicolaas van het jaar 1323 gewezen, in een proces van de nonnen van Unterlinden tegen de edelen van Nortgasse, leeren wij de inrichting der rechtspleging [203]kennen. In eerste instantie werd recht gesproken door de schepenbank, onder voorzitting van een afgevaardigde van den keizerrijken schout; van de uitspraken van deze rechtbank was beroep op den stedelijken raad, die in hoogste ressort vonnis velde. Natuurlijk was de stedelijke raad, behalve met de hoogste rechterlijke macht, ook met wetgevende macht bekleed en berustte de regeering der stad in zijne handen.
Na de inlijving bij Frankrijk, ging natuurlijk de zelfstandigheid en autonomie der oude vrije rijksstad verloren. De stedelijke regeering van Colmar werd ondergeschikt aan het gezag van den koninklijken raad, die binnen zijne muren zetelde. Een préteur, door den koning benoemd, verving de plaats van den ouden keizerlijken schout: de stedelijke regenten werden onafzetbaar verklaard en ontleenden dus hun mandaat niet langer aan de keuze der burgerij. Dit bleef zoo tot de omwenteling uitbrak, die de bestaande instellingen vernielde en der maatschappij een ander aanzien gaf.
Onder de monumenten van de oude stad hebben wij ook het klooster Unterlinden genoemd: een eenvoudig, onaanzienlijk gebouw, in de nabijheid van de Korenbeurs, in de voormalige kerk der Dominikanen. Dit oude klooster is thans tot museum ingericht. Voor den hoofdingang staat het standbeeld van Pfeffel, door den beeldhouwer Friedrich vervaardigd. Een smal straatje of poortje, aan de beide einden met een ijzeren hek gesloten, geeft toegang tot het museum. Ondanks den frisschen, geurigen naam van Unterlinden, is nergens een linde te bespeuren. Boven de poort ziet gij het wapenschild van de orde van Sint-Dominicus: een hond, met een brandenden fakkel in den bek, waarmede hij de wereld verlicht. Behalve eene galerij van schilderijen uit de school van Schöngauer, die voor de geschiedenis der kunst in Duitschland van groot belang is, bevat het museum eene rijke verzameling van antiquiteiten en medailles, eene ethnografische collectie en eene van natuurlijke historie, benevens eene belangrijke bibliotheek. Het inwendige van het klooster is, op zich zelve, uit een architektonisch oogpunt bovendien wel de aandacht waard.
Binnentredende, ziet ge een ruimen vierkanten hof, door eene sierlijke zuilengalerij omringd. In het midden van den hof verrijst het steenen standbeeld van den schilder-graveur Maarten Schöngauer; het voetstuk is tot fontein ingericht. Aan de eene zijde wordt de voormalige kloosterhof begrensd door het schip der kerk, aan de drie andere door gebouwen voor woning en andere doeleinden bestemd. Reeds vóór de revolutie heeft het schip zulke belangrijke veranderingen ondergaan, dat het niet meer mogelijk is, zich eene voorstelling te maken van zijne oorspronkelijke gedaante; daarentegen munt het koor uit door zuiverheid van stijl en edele soberheid. Maar ondanks de omgeving, is het toch de kloosterhof zelf, die bovenal uwe aandacht trekt. Met zijn sierlijke bogen, zijne zuiltjes, zijne opengewerkte rozetten, mag deze kloosterhof als een der schoonste gewrochten gelden uit den tijd der invoering van den franschen spitsbogenstijl in Duitschland. Misschien is dit het eenige zoo volledige exemplaar in den stijl der dertiende eeuw, dat wij bezitten. Drie dubbele rondbogen met gebloemde kapiteelen, in den westelijken kloostergang, zijn vermoedelijk van een vroegeren bouw afkomstig en behooren tot de eerste helft der dertiende eeuw. Het standbeeld van Schöngauer, een werk van Bartholdi, is in volkomen overeenstemming met het karakter van den hof. Het beeld stelt een middeleeuwschen kunstenaar voor, in de kleederdracht van zijn tijd, in een album bladerende. Het voetstuk is versierd met vier allerbevalligste figuurtjes: een schilder, kleuren mengende op zijn paneel; een graveur, met zijn stift op de plaat teekenende; een beeldhouwer, die zoo juist een prachtig wierookvat heeft voltooid; eindelijk een geleerde in de lezing van een boek verdiept. De wetenschap en de plastische kunst zijn dus vertegenwoordigd.—Deze stille hof, met zijn groen en bloemen, zijne speling van licht en schaduw, zijne rust en kalmte en die omlijsting van sierlijke booggangen, stemt u onwillekeurig tot peinzen en nadenken; en het kost inderdaad moeite een gevoel van wangunst te onderdrukken jegens de gelukkigen, wien het in minder koortsige en bewogen tijden vergund was in zulke kalme verblijven hun leven aan studie en kunst, aan wetenschap en gebed te mogen wijden, zonder onophoudelijk door het rumoer der buitenwereld aan hun idealen levenskring ontrukt te worden.
De stichting van het klooster Unterlinden valt in de eerste jaren der dertiende eeuw. Twee edele vrouwen, Agnes van Mittelheim en Agnes van Herckenheim, vestigden zich op de plaats van het tegenwoordige klooster, waar eene van haar een huis bezat, in de nabijheid van een lindenboschje. Op raad van eenige andere vrome dames, die zich bij haar aangesloten hadden en eene godsdienstige vereeniging vormden, brachten zij hare woning over buiten de stad, op eene plaats Uff Muhlin genaamd, nevens eene aan Sint-Jan den Dooper gewijde kapel. Broeder Walther, lezer der Dominikanen te Straatsburg, nam zelf de godvruchtige vrouwen in de orde op, op Sint-Andriesdag van het jaar 1232. Maar de toenemende onveiligheid buiten de stad noopte de nonnen, twintig jaren later, om haar oud verblijf binnen de muren weder te betrekken. Voor zoo ver zij nog mochten aarzelen, moest, naar de legende verhaalt, elke twijfel wijken tengevolge van een visioen van haar heiligen patroon, die in den eigen nacht aan alle zusters verscheen en haar gelastte naar de stad terug te keeren. Toen zij gereed stonden Uff Muhlin te verlaten, hoorden zij eene stem, die smeekend zeide: “Neemt mij mede.” Verwonderd omziende, van waar dat verzoek komen mocht, bespeurden de nonnen een klein beeld van den Dooper. Zij verstonden den wenk en namen het beeld met zich: nog heden kunt gij het zien in de sakristij van de Sint-Maartenskerk, een der weinige monumenten van de kunst des houtsnijders [204]uit de dertiende eeuw. Het oude klooster moest aanzienlijk worden vergroot, en eene nieuwe kerk gebouwd, die in 1269 door Albrecht den Groote, bisschop van Regensburg, werd ingewijd. Weldra verwierf het klooster der Dominikaner nonnen van Colmar eene groote vermaardheid; in de geschiedenis van de duitsche mystiek neemt dit Unterlinden eene zeer voorname plaats in. Binnen de muren van dit klooster leefden, in de veertiende en de vijftiende eeuw, uitmuntende vrouwen, de geur van wier innige godsvrucht, heiligen levenswandel en hooge geestesgaven zich wijd en zijd verspreidde en niet weinig bijdroeg tot de edele glorie van het gewijde gesticht, omzweefd door liefelijke legenden en dichterlijke wonderverhalen.
Eeuwen lang was het uitgestrekte, rijke klooster de roem van Colmar, tot de revolutie ook dit monument vernielde. Op den tweeden Maart van het jaar 1792 werden, op bevel van het departementaal bestuur, ondanks de tranen en smeekbeden der nonnen, de klokken weggenomen: zestig nationale garden beschermden de kerkschenners tegen de verbitterde bevolking. Reeds in Mei van het vorige jaar, bij de uitdrijving der Kapucijners, had de kavalerie eene charge moeten maken op de burgers, die dom en bekrompen genoeg waren om de zegeningen der revolutionaire vrijheid niet te begrijpen!—Tot staatseigendom verklaard, werden de gebouwen van Unterlinden tot in 1842 als kazerne gebruikt; in dat jaar gingen zij aan de stad over, als vergoeding voor de geldelijke bijdrage voor den bouw eener nieuwe kavalerie-kazerne. Een deel der gebouwen werd sedert afgebroken: een ander deel tot verschillende doeleinden gebruikt, om niet te zeggen vernederd. Eindelijk kwam men op het denkbeeld, om de eerbiedwaardige, zoo gruwelijk mishandelde en geschonden zalen en vertrekken van Unterlinden uit hun diep verval op te heffen, door er eene bestemming aan te geven, althans niet te zeer in strijd met de edele traditiën aan dit eenmaal zoo beroemde klooster verbonden. Er werd dan besloten, de stedelijke bibliotheek en de wetenschappelijke en artistieke collectiën van den Opper-Elzas in de nog gespaard gebleven gebouwen van Unterlinden te plaatsen: een besluit, dat op de ontwikkeling en den wetenschappelijken zin van deze geheele streek een zeer gelukkigen invloed heeft uitgeoefend.

Sint-Hieronymus. (Altaar der Antoniten.)
In de eerste plaats wordt de belangstelling der kenners gewekt door de schilderij-verzameling, bepaaldelijk door de werken van oude duitsche meesters, de voorgangers van Dürer en Holbein. Deze schilderijen zijn in het schip van de oude kloosterkerk geplaatst, dat, hoewel wat bekrompen, toch eene geschikte gelegenheid aanbiedt en door de smalle spitsboogvensters voldoende licht ontvangt. Achter in het koor staat het beroemde, geheel uit hout gesneden en vergulde altaar uit eene kerk van Isenheim afkomstig. De twee beschilderde vleugeldeuren van dit altaar vormen nu, in de kerk van Unterlinden, de scheiding tusschen de schilderijen in het koor en die in het schip. In het koor hangen de werken van de oude duitsche school; het schip is bestemd voor de schilderijen uit later tijd. De twee diptyken stellen voor, de eene Christus aan het kruis; de andere, de Moedermaagd met het Kind; en aan de keerzijde Maria-Boodschap en de Opstanding, en de Verzoeking van Sint-Antonius en Sint-Paulus, en Sint-Antonius in de woestijn. Volgens eene oude overlevering zouden deze schilderijen het werk zijn van Albrecht Dürer; maar de tegenwoordige kunstcritici kennen ze toe hetzij aan Hans Baldung Grün, hetzij aan Matthias Grünewald van Aschaffenburg, zonder dat echter voor de eene of de andere hypothese afdoende argumenten kunnen worden aangevoerd. Aan den linkerwand van het koor [206]ziet men eene reeks tafreelen uit het Lijden, met groote uitvoerigheid en nauwkeurigheid op gouden grond geschilderd: dit kunstwerk draagt het jaartal 1465. De tafreelen uit het leven van Jezus, uit de school van Schöngauer afkomstig, zijn van een anderen stijl: de teekening verraadt meer gevoel en de techniek staat hooger; getuige de zoo zeer bewonderde Pietà, de Maagd het Kind aanbiddende, de engel in Maria-Boodschap, de heilige Antonius, en de Heilige Maagd den engel ontvangende: al te gader uitmuntend geconserveerde schilderstukken. Men is het niet eens over de vraag, van wie deze stukken afkomstig zijn, en de vergelijking met de gravuren van Schöngauer schijnt eene andere hand te verraden. Wij zullen hierop nader terugkomen, na een blik op de galerij van moderne schilderijen, waarin sommige voortreffelijke stukken van nog levende meesters uit den Elzas de aandacht trekken en ten volle verdienen. Wij wijzen slechts op de genre-stukken en op de tafreelen uit het elzasser leven van Pabst, van Jundt, van Brion; op de landschappen van de twee Salzmann’s en Bernier; het gezicht op Capri van Benner, den slapenden Bader en eene Magdalena van Henner; de zegekar des Doods van Schuller en vooral zijn Schlitters uit de Vogezen; eindelijk op de miniaturen van Michel Hertrich.

Het Kaufhaus te Colmar.
In den vloer van het koor ziet men de fragmenten van een prachtig romeinsch mozaïek, te Bergheim, in den omtrek van Colmar, opgegraven. De vleugels van den kruisgang bevatten een aantal steenen monumenten en antiquiteiten, fragmenten van beeldhouwwerk uit alle tijdperken, beginnende met de gallo-romeinsche grafteekenen van Kempel, de eigenaardig bewerkte steenen van den ouden heidenschen muur van Frankenburg, de votief-altaren uit het Hattenerwoud, de stèles en grafzerken van Horburg, tot de romaansche basreliefs en de spuiers aan de gothische kerken der middeleeuwen. Deze fragmenten zijn uit verschillende deelen van den Elzas afkomstig. Het standbeeld van Schöngauer, da