The Project Gutenberg EBook of Onder Moeders Vleugels, by Louise M. Alcott This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Onder Moeders Vleugels Author: Louise M. Alcott Editor: G. W. Elberts Release Date: December 17, 2005 [EBook #17337] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ONDER MOEDERS VLEUGELS *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ Character set for HTML: ISO-8859-1
“Kerstmis zal geen Kerstmis zijn, zonder presenten,” bromde Jo, die languit op het haardkleedje lag.
“Het is verschrikkelijk, arm te zijn!” zuchtte Meta en keek naar haar oude japon.
“Ik vind het heel oneerlijk, dat sommige meisjes allerlei mooie dingen hebben, en andere meisjes niets,” voegde kleine Amy er ontevreden snuivend bij.
“Wij hebben in elk geval toch Vader en Moeder en elkander,” zei Bets vriendelijk uit haar hoekje.
De vier jonge gezichtjes, bestraald door het haardvuur, klaarden bij die bemoedigende woorden op, maar betrokken weer, toen Jo droevig zei:
“Wij hebben Vader niet, en zullen hem in lang niet hebben.” Ze zei niet: “Misschien nooit weer,” maar allen voegden het er in hun hart bij, en dachten aan den vader, die verre was, op het tooneel van den strijd.
Niemand sprak gedurende de eerste oogenblikken; toen begon Meta weer op vroolijker toon:
“Jullie weet, waarom Moeder voorstelde, dat we dit jaar geen Kerstpresenten zouden hebben: omdat het een moeilijke winter zal zijn voor iedereen, en ze vindt, dat wij geen geld mogen uitgeven voor ons pleizier, terwijl onze soldaten zooveel moeten doorstaan in het leger. Véél kunnen we niet doen, maar we kunnen ons wel zonder mopperen kleine opofferingen getroosten; maar ik geloof, dat ik te egoïstisch ben,” en Meta schudde haar hoofd, terwijl ze met spijt dacht aan al de mooie dingen die ze graag wilde hebben.
“Ik geloof niet, dat het beetje, dat wij te besteden hebben, veel zou kunnen uitrichten. We hebben elk een rijksdaalder, en het leger zou er niet veel bij winnen, of wij dien nu al gaven. Ik geef toe, dat ik niets van Moeder of van jou moet verwachten, maar ik zou zoo dol graag “Udine en Sintram” voor mezelf willen koopen, ik heb er al zoo lang naar verlangd,” zei Jo, die een boekworm was.
“Ik was van plan mijn geld te besteden aan nieuwe muziek,” zei Bets met een zuchtje, dat echter door niemand gehoord werd.
“Ik zal een mooi doosje met Faber’s teekenpotlood koopen; die heb ik bepaald noodig,” zei Amy vast besloten.
“Moeder heeft niets gezegd van ons eigen geld, en ze zal toch [2] niet verlangen, dat we alles opgeven. Laten we ieder iets koopen wat we graag willen hebben en wat pret maken; we zwegen heusch hard genoeg om het te verdienen,” riep Jo, terwijl ze de hakken van haar laarzen op jongensmanier bekeek.
“Ik tenminste wel,—die elken dag die gruwelijke kinderen moet leeren, terwijl ik er naar snak prettig thuis te zijn,” begon Meta op klagenden toon.
“Jij hebt het niet half zoo hard als ik,” vond Jo. “Hoe zou jij het vinden, uren lang opgesloten te zijn met een zenuwachtige, zeurige, oude dame, die je al maar heen en weer laat loopen, nooit tevreden is, en je plaagt, tot je in staat zou zijn het raam uit te springen, of haar een oorveeg te geven?”
“Het is slecht om ontevreden te zijn,—maar ik geloof, dat borden wasschen en alles netjes houden het naarste werk van de wereld is. Het bederft mijn humeur, en mijn handen worden zoo stijf; ik kan haast niet studeeren.” En Bets keek naar haar ruwe handen met een zucht, die ditmaal heel goed te hooren was.
“En ik geloof niet, dat een van allen het zoo erg heeft als ik,” riep Amy, “want jullie hoeven niet naar school te gaan met nuffen, die iemand plagen, als hij zijn lessen niet kent, of uitlachen om zijn kleeren, en met “étain” op iemands vader neerzien, als hij niet rijk is, en iemand beleedigen, als hij geen mooien neus heeft.”
“Als je “dédain” bedoelt, dan moest je dat zeggen en niet over “étain” praten, alsof Vader een tinnen peperbus was,” spotte Jo lachend.
“Ik weet heel goed, wat ik zeggen wil, en je hoeft er niet zoo “satiriek” over te zijn. Het is heel goed om juiste uitdrukkingen te gebruiken en zoo je “vocabulaire” te verrijken,” zeide Amy deftig.
“Nu, vlieg elkaar maar niet aan, kinderen! Zou jij niet willen, Jo, dat we al het geld nog hadden, dat Vader verloor, toen we nog klein waren? Hè, wat zouden we gelukkig en goed zijn, als we niets hadden, wat ons hinderde,” zei Meta, die zich betere dagen herinnerde.
“En gisteren heb je nog gezegd, dat je ons veel gelukkiger vond dan de kinderen King, omdat die altijd vochten en kibbelden, niettegenstaande ze zooveel geld hebben.”
“Dat heb ik ook gezegd, Bets; en ik geloof ook wel, dat het waar is, want al moeten wij ook werken, we hebben toch pret onder elkaar, en zijn een “moppig” troepje, zou Jo zeggen.”
“Jo gebruikt ook zulke platte uitdrukkingen,” zei Amy en zag afkeurend naar de lange gestalte op het haardkleed. Jo ging dadelijk rechtop zitten, stak de handen in de zakken van haar schort en begon te fluiten.
“Doe het toch niet, Jo, ’t is zoo jongensachtig.”
“Daarom doe ik het juist.”
“Ik heb het land aan ruwe, onbeschaafde meisjes.”
“En ik aan gemaakte, opgeprikte nuffen.” [3]
“Ieder vogeltje zingt, zooals het gebekt is,” zei Bets, de vredestichtster, met zulk een grappig gezichtje, dat de beide scherpe stemmen zich in lachen oplosten en het “aanvliegen” voor ’t oogenblik gedaan was.
“Kinderen, jullie hebt beiden schuld,” zei Meta, en begon als oudste zuster de les te lezen. “Jo, je bent nu oud genoeg om die jongensmanieren af te schaffen en je verstandig te gedragen. Het kwam er niet zooveel op aan, toen je nog een klein meisje was, maar nu je zoo lang bent geworden en je haar opgestoken draagt, moet je bedenken dat je langzamerhand een dame wordt.”
“Dat ben ik gelukkig nog niet! en als het van het opgestoken haar komt, dan zal ik het tot mijn twintigste jaar in twee staarten laten hangen,” dreigde Jo, terwijl ze haar haar lostrok en haar kastanjebruine manen schudde. “Ik wil er niet aan denken, dat ik volwassen moet worden en “Juffrouw March” moet heeten, lange japonnen moet dragen en er zoo deftig uitzien als een oude baker. Het is al erg genoeg een meisje te zijn, nu ik van jongensspelen, jongenswerk en jongensmanieren houd. Ik kan er maar niet overheen komen, dat ik geen jongen ben, en ik gevoel het tegenwoordig erger dan ooit, want ik sterf van verlangen om met Vader te gaan vechten, en ik kan niets doen dan thuisblijven en breien, als een grommige, oude vrouw,” en Jo schudde de blauwe soldatensok, dat de naalden klepperden als castagnetten en haar kluwen door de kamer vloog.
“Arme Jo, het is vreeselijk voor je! maar er is niets aan te doen; wees dus maar tevreden met je jongensachtigen naam en blijf maar voor broer spelen bij ons meisjes,” zei Bets en streek met een hand, die al het bordenwasschen en stoffen ter wereld niet onzacht kon maken, over het warhoofd, dat tegen haar knie leunde.
“En jij, Amy,” vervolgde Meta, “jij bent veel te stijf en te deftig. Die airs zijn nu wel grappig, maar je zult een geaffecteerde kleine gans worden, als je niet oppast. Ik houd van je aardige manieren en beschaafde spraak, als je niet probeert een volwassen dame na te apen; maar jouw pedante woorden zijn soms even erg als Jo’s platte uitdrukkingen.
“Als Jo een halve jongen is en Amy een gans, wat ben ik dan?” vroeg Bets, die ook haar deel aan de strafpredikatie wilde hebben.
“Jij bent een snoes, anders niets,” antwoordde Meta hartelijk; en niemand sprak haar tegen; want het “muisje” was de lieveling van het gezin.
De vier zusjes zaten in den schemer te breien, terwijl de Decembersneeuw zachtjes buiten neerviel en het vuur vroolijk knetterde in den haard. Het was een gezellige ouderwetsche kamer, hoewel het kleed verschoten en het ameublement heel eenvoudig was, maar aan den muur hingen een paar goede schilderijen, in alle hoeken stonden boekenstandaards of kleine tafeltjes, chrysanthemums en [4] late roosjes bloeiden in het venster, en over het geheel lag een waas van huiselijkheid.
Meta, de oudste van het viertal, was zestien jaar, en zag er heel lief uit. Ze was gevuld en blank, had groote oogen, zwaar, zacht, bruin haar, een vriendelijk mondje en witte tanden, waar ze nog al trotsch op was. De vijftienjarige Jo was heel lang, mager en donker, en deed iemand aan een veulen denken, want ze scheen nooit te weten, wat zij moest beginnen met haar lange ledematen, die haar erg in den weg stonden. Ze had een beslisten mond, een grappigen neus en verstandige grijze oogen, die alles schenen op te merken, en nu eens fel, dan weer guitig of peinzend keken. Het lange, dikke haar, haar eenige schoonheid, was gewoonlijk stijf in elkaar gedraaid, om uit den weg te zijn. Jo had ronde schouders, groote handen en voeten, iets slordigs in haar kleeding en een zekere linkschheid in haar manieren, die duidelijk deed zien, dat ze den kinderlijken leeftijd ontgroeide en dit alles behalve plezierig vond. Elisabeth, of Bets, zooals ieder haar noemde, was een blozend, blond dertienjarig kind, wat verlegen, met heldere oogen, een zacht stemmetje en een vriendelijke uitdrukking, die zelden verstoord werd. Haar vader noemde haar “Kleine Tevredenheid,” en die naam paste volkomen bij haar; want ze scheen in een gelukkig eigen wereldje te leven, waar ze alleen nu en dan uitkwam, om de weinigen, die ze vertrouwde en liefhad, te ontmoeten. Amy, hoewel de jongste, was een zeer gewichtig persoontje, ten minste in haar eigen schatting. Een blank, blond kind, met blauwe oogen en mooie krullen, die tot op haar rug hingen; bleek en tenger, en zich altijd gedragende als een welopgevoede dame.
’t Sloeg zes uur; en nadat Bets den haard had bijgeveegd, zette ze een paar pantoffels te warmen. Het gezicht van die oude schoenen had een goede uitwerking op de meisjes; want Moeder zou weldra thuiskomen en aller gezichten klaarden op om haar te verwelkomen. Meta hield op met preeken, en stak de lamp aan; Amy ging, zonder dat iemand iets zei, uit den leuningstoel, en Jo vergat haar vermoeidheid, en ging overeind zitten om de pantoffels dichter bij het vuur te houden.
“Ze zijn totaal versleten; Moeder moet een nieuw paar hebben.”
“Ik was van plan haar een paar nieuwe te koopen voor mijn rijksdaalder” zei Bets.
“Neen, dat wou ik doen!” riep Amy.
“Ik ben de oudste,” begon Meta, maar Jo brak alles af met een beslist:
“Ik ben de man van het gezin, nu Vader weg is, en ik zal de pantoffels koopen, want hij heeft mij opgedragen vooral op Moeder te passen, zoolang hij weg was,”
“Neen, weet je wat we moesten doen?” bedacht Bets, “laten wij haar alle vier iets geven met Kerstmis en niets voor onszelf koopen.” [5]
“Dat is juist iets voor Bep! Wat zullen we geven?” riep Jo.
Allen dachten een poos na; toen kondigde Meta aan, alsof zij door het zien van haar eigen mooie handjes op dien inval was gekomen: “Ik geef een paar handschoenen.”
“Ik een paar flinke laarzen; de beste die er te krijgen zijn!” riep Jo.
“Ik wat zakdoeken, zelf gezoomd,” zei Bets.
“Ik koop een fleschje eau de cologne; Moes houdt er veel van, en ’t zal niet zoo erg veel kosten; dan blijft er nog iets over om voor mezelf wat te koopen,” voegde Amy er bij.
“Hoe zullen we alles geven?” vroeg Meta.
“Alles op tafel leggen en dan Moeder binnen laten komen, dan zien we, hoe ze de pakjes openmaakt. Weet je niet meer, dat we dat vroeger op onze verjaardagen deden?” vroeg Jo.
“Ik vond het altijd zoo griezelig als ’t mijn beurt was om in den grooten stoel te zitten met een krans op, en als jullie dan allemaal binnenkwamen om mij de presenten te geven en te kussen, maar ik vond het verschrikkelijk de pakjes open te maken, terwijl iedereen naar me zat te kijken,” zei Bets, die, te gelijk met het brood voor de thee, haar gezichtje voor het vuur roosterde.
“Laat Moeder denken, dat we presenten voor onszelf koopen en haar dan verrassen. We moeten er morgenmiddag op uit, Meet; er is nog heel wat te doen voor de comedie op Kerstavond,” zei Jo, die, met de handen op den rug en den neus in de lucht, de kamer op en neer liep.
“Ik ben niet van plan in ’t vervolg mee te spelen, ik word te oud voor die dingen,” zei Meta, die zich intusschen nog kinderlijk verheugde over een verkleedpartij.
“En ik wed, dat jij niet aan uitscheiden zult denken, zoolang je nog wandelen kunt in een witte japon, met hangende haren en een goudpapieren diadeem. Jij bent onze beste actrice, en als jij de planken vaarwel zegt, valt alles in duigen,” zei Jo. “We moesten vanavond eens repeteeren. Kom hier, en doe de flauw-val-scène eens, want dat doe je zoo stijf als een lantaarnpaal.”
“Daar kan ik niets aan doen, ik heb nog nooit iemand zien flauw vallen, en ik heb geen lust mij bont en blauw te maken door zoo maar plat op den grond te rollen, zooals jij. Als ik me gemakkelijk neer kan laten zakken, zal ik het doen; maar kan dat niet, dan ben ik van plan zoo gracieus mogelijk op een stoel te vallen; ik geef er niets om, of Hugo met een pistool op mij afkomt,” zei Amy, die de gave voor ’t dramatische miste, maar gekozen was, omdat zij, als de kleinste, door den held van het stuk gillende kon worden weggedragen.
“Zoo moet je ’t doen; wring zoo je handen, waggel dan door de kamer en roep wanhopig: “Roderigo! red mij, red mij!” en Jo viel in onmacht, met zulk een hartroerenden kreet, dat hij de anderen door merg en been ging. [6]
Amy trachtte het haar na te doen, maar ze stak haar handen zoo houterig voor zich uit en zwaaide heen en weêr, alsof zij door touwtjes in beweging werd gebracht. Ook deed haar “Auw!” eerder denken dat ze met spelden geprikt werd, dan dat ze bezweek van schrik en angst. Jo zuchtte wanhopig en Meta lachte hardop, terwijl Bets haar brood liet verbranden, door al te aandachtig naar het spel te kijken.
“Het geeft geen steek! doe het zoo goed je kunt, als de tijd daar is, maar als de toeschouwers fluiten, moet je ’t mij niet wijten. Kom Meta, ga door.”
Alles ging verder goed, want Don Pedro tartte de wereld, zonder een woord te haperen in een speech van twee bladzijden lang. Hagar, de heks, zong een verschrikkelijk lied over haar ketel kokende padden, wat een ontzaglijke uitwerking had; Roderigo verbrak met mannenmoed zijn ketenen, en Hugo stierf, onder vreeselijke folteringen van berouw en arsenicum, met den wilden kreet: “ha! ha!” op de lippen.
“Dat is nog het beste, wat we gehad hebben,” vond Meta, toen de doode schavuit opzat en zijn ellebogen wreef.
“Ik begrijp niet, hoe je zulke prachtige dingen kunt maken en spelen! Jo, je bent een tweede Shakespeare!” riep Bets, vast overtuigd, dat haar zuster, vóór alle dingen, een bewonderenswaardig groot talent had gekregen.
“Niet precies,” antwoordde Jo bescheiden. “Ik geloof wel, dat “de Vloek van de Heks” nogal aardig is, maar ik zou zoo graag “Macbeth” eens probeeren, als we maar een valdeur hadden voor Banquo. Hè, ik gaf wat om de partij van den moordenaar eens op me te nemen! Is dat een dolk, dien ik daar voor mij zie?” prevelde Jo, met rollende oogen en met de vuist in de lucht slaande, zooals ze een beroemd acteur eens had zien doen.
“Neen, het is de roostervork met Moeders pantoffel er aan, in plaats van een boterham. Bets is een en al spel!” riep Meta, en de repetitie eindigde onder algemeen gelach.
“Ik ben blij jullie allemaal zoo vroolijk bij elkaar te vinden, kinderen,” zei een vriendelijke stem, en spelers en toeschouwers keerden zich verrast om, naar een gezette dame, die iets echt gezellig moederlijks over zich had. Ze was niet bepaald mooi, maar moeders zijn altijd lief in de oogen van hun kinderen, en de meisjes vonden de dame in den grijzen mantel en den ouderwetschen hoed de bewonderenswaardigste vrouw ter wereld.
“Wel, lievelingen, hoe is het vandaag gegaan? Er was zooveel te doen met het inpakken van de kisten, die morgen verzonden moeten worden, dat ik niet thuis kon komen eten. Is er iemand geweest, Bets? Hoe is het met de verkoudheid, Meta? Jo, je ziet er doodmoe uit. Kleintje, kom mij eens een kus geven!”
Onder deze moederlijke vragen deed Mevrouw March haar natte bovenkleederen af, haar warme pantoffels aan, zette zich in den [7] gemakkelijken stoel en trok Amy op haar schoot, om nu eens recht te genieten van het gelukkigste uur van den ganschen dag. De meisjes liepen rond om alles prettig in orde te maken, Meta zette de theetafel klaar, Jo legde blokjes op het vuur, schoof de stoelen om de tafel, liet alles vallen, gooide alles om en stootte tegen alles, wat ze aanraakte. Bets liep van de kamer naar de keuken en omgekeerd, stil en bedrijvig, terwijl Amy iedereen aanwijzingen deed en met de armen over elkaar zat toe te kijken.
Toen allen gezeten waren zei mevrouw March met een blij gezicht: “Ik heb een heerlijke verrassing voor jullie na de thee.” Het was of een zonnestraal over al de gezichtjes ging. Bets klapte in de handen, zonder te denken om de beschuit, die ze juist opgenomen had, en Jo gooide haar servet in de lucht, en riep: “Een brief, een brief! Drie hoera’s voor Vader!”
“Ja, een heerlijke lange brief. Vader is heel wel, en denkt, dat hij den winter beter door zal komen dan we dachten. Hij zendt alle mogelijke goede wenschen voor het Kerstfeest en een afzonderlijke boodschap voor jullie vieren,” zei mevrouw March, over haar zak strijkende, alsof zij daar een schat bewaarde.
“Maak dan wat voort, dat wij gauw klaar zijn. Houd ons nu maar niet op, met je pink te bekijken en op je bord te knoeien, Amy,” riep Jo, die half stikte in haar thee, en in haar haast om klaar te komen, haar boterham, met den gesmeerden kant naar onderen, op het kleed liet vallen.
Bets at niet meer, maar sloop naar haar rustig hoekje, om daar te soezen over het genot, dat haar wachtte, als de anderen klaar waren.
“Ik vind het zoo prachtig van Vader, dat hij mee is getrokken als veldprediker, nu hij te oud was om met het detachement te gaan en niet sterk genoeg meer, om soldaat te zijn,” zei Meta met warmte.
“Wat zou ik me graag als trommelslager of als marketentster of als verpleegster opgeven, om bij hem te zijn en hem te helpen,” zuchtte Jo.
”’t Lijkt mij afschuwelijk, in een tent te slapen en allerlei akelige dingen te eten en uit een tinnen kroes te drinken,” zei Amy.
“Wanneer komt hij terug, Moeder?” vroeg Bets met een bevende stem.
“Nog in verscheiden maanden niet, kindlief, tenzij hij ziek werd. Hij zal daar blijven en zijn werk doen, zoolang hij kan, en wij willen hem niet vragen een minuut vroeger terug te komen dan hij gemist kan worden. Komt nu naar den brief luisteren.
Ze gingen allen bij het vuur zitten, Moeder in den grooten stoel, Bets aan haar voeten, Meta en Amy ieder op een arm van den stoel, en Jo over den rug leunende, waar niemand eenig teeken van ontroering kon opmerken, als de brief soms aandoenlijk mocht zijn.
Zelden werd in die moeilijke dagen1 een brief geschreven, die [8] niet aandoenlijk was, vooral wanneer een vader er een naar huis zond. In dezen werd echter weinig gezegd van de geleden ontberingen, de doorgestane gevaren, of het verlangen naar huis; het was een opgeruimde, hoopvolle brief, vol van levendige beschrijvingen van het kamp, de marschen en allerlei oorlogsnieuws; en eerst aan het einde vloeide het hart van den schrijver over van vaderlijke liefde en verlangen naar de dochtertjes thuis.
“Groet ze alle vier recht hartelijk van mij met een kus. Zeg hun, dat ik den heelen dag aan hen denk en voor hen bid, en mijn grootsten troost te allen tijde vind in de gedachte, hoe lief ze mij hebben. Een jaar zonder ze te zien, schijnt me ontzettend lang toe, maar herinner ze, dat we al wachtende werken kunnen, zoodat die moeilijke dagen niet verloren hoeven te gaan. Ik weet, dat ze alles zullen onthouden, wat ik hun gezegd heb, dat ze lief en hartelijk voor je zullen zijn, getrouw hun plichten zullen vervullen, hun kleine zonden moedig bestrijden, en zoo leeren beheerschen, dat ik, wanneer ik terugkom, trotscher dan ooit zal kunnen zijn op mijn kleine meisjes.”
Allen snuften bij dat gedeelte; Jo schaamde zich niet over den dikken traan, die van haar neus droppelde, en Amy gaf er niet om, dat haar krullen in gevaar kwamen, toen zij haar gezicht verborg op haar moeders schouder en snikkend uitriep: “Ik ben een zelfzuchtig spook! maar ik zal heusch mijn best zien te doen, dat Vader niet teleurgesteld is, als hij terugkomt.”
“We zullen allemaal ons best doen!” zei Meta. “Ik denk er veel te veel over, hoe ik er uitzie en mopper op mijn werk, maar dat zal ik niet meer doen—tenminste, ik zal het probeeren.”
“En ik zal trachten te worden, wat hij me zoo graag ziet: “een echt meisje”, en niet zoo ruw en wild zijn; maar hier mijn plichtjes doen en niet altijd naar iets anders verlangen,” beloofde Jo, die het echter veel moeilijker vond thuis in haar humeur te blijven, dan tegenover een paar rebellen te staan.
Bets zei niets, maar veegde haar tranen af met de blauwe soldatensok en begon uit alle macht te breien, alsof ze geen tijd wilde verliezen in het volbrengen van den plicht die het eerst voor de hand lag, terwijl ze in haar zacht hartje het besluit nam, alles te zijn, wat haar vader hoopte in haar te zullen vinden, wanneer over een jaar de blijde hereeniging voor de deur stond. Mevrouw March verbrak de stilte, die op Jo’s woorden volgde, door op vroolijken toon te zeggen: “Herinneren jullie je nog wel, hoe dikwijls jullie “De Pelgrimstocht”2 speelden, toen jullie nog kleine kinderen waren? Niets was prettiger dan wanneer ik jullie kussens op den [9] rug bond bij wijze van pak, en hoeden en stokken gaf en rollen papier, en jullie door het huis liet trekken, van den kelder, die de “Stad des Verderfs” was, naar boven al maar naar boven, tot aan het platte dak, waar we alle mogelijke aardige dingen bijeenverzameld hadden om een “Hemelsche Stad” te maken.”
“Ja, ja, dat was dol!” riep Jo, “vooral als we de leeuwen voorbij moesten, of met Apollyon moesten vechten, of de vallei doortrokken waar de booze geesten waren.”
“Ik hield het meest van de plaats, waar onze pakken afvielen en van de trappen rolden,” zei Meta.
“Mijn lievelingsplekje was boven op het platte dak, waar de bloemen en prieeltjes waren en onze mooie dingen, als we daar allemaal van blijdschap in den zonneschijn stonden te zingen,” zei Bets glimlachend, alsof ze dat heerlijk oogenblik nog eens doorleefde.
“Ik herinner er mij niet veel meer van, behalve dat ik bang was voor den kelder en den donkeren ingang, en het heerlijk vond, als ik de koek en de melk had, die wij boven kregen. Als ik niet veel te oud was voor zulke dingen, zou ik het graag nog eens over spelen,” zei Amy, die er, op den gevorderden leeftijd van twaalf jaar, over begon te praten kinderlijke spelen te laten varen.
“Voor dat spel zijn we nooit te oud, kindlief, omdat we het op de een of andere wijze altijd spelen. Ieder heeft zijn last te dragen, onze weg ligt vóór ons, en het verlangen om goed en gelukkig te zijn is de gids, die ons door allerlei moeilijkheden en misgrepen tot het vredige geluk leidt, dat met de Hemelsche Stad bedoeld wordt. Denk er maar eens over, om den pelgrimstocht nog eens weer te beginnen, niet spelend maar in ernst, en te zien hoever jullie ’t brengen kunt, voordat Vader thuis komt.”
“Maar, Moeder, wat zijn onze pakken dan?” vroeg Amy, die alles letterlijk opvatte.
“Wel, behalve Bets, hebben jullie allemaal al gezegd, wat je bezwaarde, en ik zou haast denken, dat zij niets heeft,” zei mevrouw March.
“Ja zeker wel; ik houd niet van vuile borden wasschen en stof afnemen; ik benijd altijd de meisjes, die een mooie piano hebben, en dan vind ik zoo naar, ik altijd verlegen ben voor vreemde menschen.”
Het pak van Bets scheen de anderen zoo grappig toe, dat ze moeite hadden niet te lachen; maar ze bedwongen zich, want het zou haar erg gegriefd hebben.
“Als we ’t eens deden,” zei Meta peinzend. “Het is maar een andere naam voor probeeren om goed te zijn, en het verhaal zal ons misschien helpen; want al willen we ook nog zoo graag, het is vreeselijk moeilijk, en we vergeten het telkens weer.”
“We waren van avond in den “Poel der Moedeloosheid” tot Moeder kwam en er ons uittrok, zooals “Helper” in het boek deed. [10] We moesten onze perkamenten rollen hebben met de aanwijzing, zooals Christiaan van Evangelist kreeg. Wat zullen wij daarvoor gebruiken?” vroeg Jo, verrukt over dien inval, die een kleurtje gaf aan de zoo drooge taak van haar plicht doen.
“Kijk op Kerstmorgen maar eens onder je kussen, daar zul je je gids vinden,” zei mevrouw March.
Terwijl de oude Hanna de tafel opruimde, spraken ze over het nieuwe plan; toen werden de vier kleine werkdoosjes voor den dag gehaald, en de naalden vlogen door de lakens, die de meisjes voor tante March naaiden. Het was een vervelend werk, maar niemand was vanavond ontevreden. Ze volgden Jo’s idee om de lange zoomen in vier deelen te verdeelen en ze Europa, Azië, Afrika en Amerika te noemen; zoo kwamen ze een heel eind vooruit, onder ’t praten over de verschillende landen, die ze al zoomende moesten doortrekken.
Om negen uur werd het werk opgeborgen en zongen ze zooals altijd, eer ze naar bed gingen. Niemand, behalve Bets, kon nog muziek ontlokken aan de oude piano; ’t was of zij de gele toetsen op een bijzondere manier aanraakte, en de eenvoudige liederen, die zij zongen, wist ze altijd even prettig te begeleiden. Meta had een stem als een lijster en zij en haar moeder leidden het kleine koor. Amy zong als een krekeltje, en Jo kwinkeleerde naar welgevallen, maar kwam altijd verkeerd uit met een triller of iets dergelijks, hetgeen elke droefgeestige melodie totaal bedierf. Dat hadden ze altoos gedaan van het oogenblik, waarop ze konden lispelen:
Weet gij hoeveel hejde terren,
Aan den blauwen hemel taan.
en het was eene vaste gewoonte geworden, want Moeder March was eene geboren zangeres. ’s Morgens was haar stem het eerste wat gehoord werd, als ze het huis doorliep, zingend als een leeuwerik, en het laatste geluid ’s avonds was hetzelfde lieflijke lied, want de meisjes werden nooit te oud voor dat overbekende wijsje.
1 In den burgeroorlog dien de Noordelijke en Zuidelijke Staten van N. Amerika voerden over de afschaffing der slavernij.
2 The Pilgrim’s Progress, een beroemd boek van den Engelschen schrijver John Bunyan. (Nederlandsche uitgaven verschenen bij D. Bolle te Rotterdam). De pelgrim Christiaan had op zijn reis naar de Hemelsche Stad allerlei moeilijkheden te overwinnen, zooals “de leeuwen”, “Apollyon”, een gevleugeld monster, “de booze geesten” enz.
Jo werd het eerst wakker op den grauwen, schemerachtigen Kerstmorgen. Er hingen geen kousen bij den haard, en gedurende een paar minuten voelde ze zich even teleurgesteld, als toen, jaren geleden, haar kleine kous op den grond viel, omdat die zoo volgestopt was met lekkernijen. Toen herinnerde ze zich de belofte van haar moeder, stak haar hand onder het kussen en haalde er een rood [11] gebonden boek onder uit. Ze kende het heel goed, want het was de mooie, oude geschiedenis van het beste leven, dat ooit geleefd is, en Jo voelde, dat het een trouwe gids was voor elken pelgrim, die de lange reis ging aanvaarden. Ze maakte Meta wakker met “een gelukkig Kerstfeest” en riep haar toe eens gauw te zien wat er onder haar kussen lag. Een groen boek kwam te voorschijn, met hetzelfde plaatje er in en een paar woorden door haar moeder geschreven, waardoor dit eenige kerstgeschenk heel kostbaar werd in de oogen der meisjes. Weldra werden Bets en Amy ook wakker, zochten en vonden hun boeken ook dadelijk—het eene grijs, het andere blauw; en alle vier zaten ze er naar te kijken en over te praten, terwijl het Oosten rood gekleurd werd door den aanbrekenden dag.
In weerwil van haar kleine ijdelheden was Meta een zacht, goedhartig meisje, dat onbewust een goeden invloed uitoefende op haar zusters, vooral op Jo, die innig veel van haar hield en dikwijls haar raad volgde, omdat Meta haar op zoo’n vriendelijke manier terecht wees.
“Kinderen,” zei Meta ernstig, en keek van het verwarde hoofd naast haar, naar de twee krullebollen in de andere kamer. “Moeder hoopt, dat we de boeken zullen lezen, en er naar handelen, en we moeten er dadelijk mee beginnen. Wij deden het vroeger heel trouw, maar sedert Vader weg is en al de drukte van den oorlog ons uit ons gewone doen bracht, hebben wij ’t schandelijk verwaarloosd. Jullie kunt doen, wat je wilt, maar ik zal mijn boek hier op tafel laten liggen en er elken morgen, als ik wakker word, wat in lezen.”
De daad bij het woord voegende, deed Meta dadelijk haar nieuwe boek open en begon. Jo sloeg een arm om haar heen en las ook, tegen Meta aangeleund, met een zeldzaam rustige uitdrukking op haar beweeglijk gezicht.
“Wat is Meta toch goed! Kom Amy, laten wij ook gaan lezen. Ik zal je wel helpen met de moeilijke woorden, en de anderen zullen het ons wel uitleggen, als we iets niet begrijpen,” fluisterde Bets, die sterk onder den indruk was van de mooie boeken en het voorbeeld van haar oudste zuster.
“Ik ben blij, dat het mijne blauw is,” zei Amy. Daarop werd het stil in de kamer, terwijl de bladzijden zachtjes omgeslagen werden, en het winterzonnetje naar binnen sloop om de frissche, ernstige gezichtjes een kerstgroet te brengen.
“Waar is Moeder” vroeg Meta, toen zij en Jo een half uur later naar beneden liepen om voor het cadeau te bedanken.
“De hemel mag ’t weten! Het een of ander arm schepsel kwam bedelen en je Ma ging er dadelijk heen om te zien wat ze noodig had. Er is geen tweede mensch zoo op de heele wereld; om zoo maar eten en drinken en kleeren en brandstof weg te geven,” zei Hanna, die in het gezin gewoond had, sedert Meta geboren was, en [12] door allen meer als een vriendin dan als een dienstbode werd beschouwd.
“Ze zal wel gauw terugkomen, denk ik; maak dus maar alles klaar,” zei Meta en zag de cadeaux nog eens na, die in een mandje bij elkaar lagen en onder de canapé verborgen waren, om op het rechte oogenblik voor den dag te komen. “Maar waar is Amy’s fleschje eau de cologne?” voegde ze er bij.
“Ze heeft het een oogenblik geleden weggenomen en is er mee weggeloopen, om er een lint of zoo iets om te doen,” antwoordde Jo, door de kamer springende, om de eerste stijfheid weg te dansen van de nieuwe pantoffels.
Wat zien mijn zakdoeken er netjes uit, niet? Hanna heeft ze voor me gewasschen en gestreken en ik heb ze alle geborduurd,” zei Bets, met voldoening de min of meer onregelmatige letters bekijkende, die haar zooveel moeite gekost hadden.
“Och, goed schaap, daar heeft zij er “Moeder” op gezet in plaats van “M. March”; hoe kom j’er bij!” riep Jo en nam er een in de hand.
“Is het niet goed? ik dacht, dat het juist beter was zoo, omdat Meta’s letters ook “M.M.” zijn, en ik liever niet wou, dat iemand anders ze gebruikte dan Moeder,” zei Bets verlegen.
“Het is heel goed zoo, Bets, en heel aardig bedacht; heel slim ook, want nu is er geen vergissing mogelijk. Moeder zal er erg blij mee zijn, dat weet ik,” zei Meta met een afkeurend gebaar voor Jo en een glimlach voor Bets.
“Daar is Moeder, stop het mandje gauw weg,” riep Jo, toen er een deur werd dicht gedaan en stappen in de gang weerklonken. Amy kwam haastig binnen en keek wel wat verlegen, toen ze zag, dat al de zusters op haar wachtten.
“Waar ben je geweest, en wat hou je daar achter je rug?” vroeg Meta, verbaasd dat luie Amy, naar haar mantel en hoed te oordeelen, al zoo vroeg was uit geweest.
“Lach mij niet uit, Jo; ik had gehoopt, dat niemand het van te voren zou gemerkt hebben. Ik ben alleen maar het kleine fleschje gaan verruilen voor een grooter, en ik heb er al mijn geld voor gegeven, want ik wil echt probeeren niet meer egoïstisch te zijn.”
Al sprekende liet Amy de groote flesch zien, die in de plaats van de goedkoope was gekomen. Ze zag er zoo ernstig uit in haar streven naar zelfverloochening, dat Meta haar omhelsde en Jo haar de bovenste beste noemde, terwijl Bets naar het raam liep en haar mooiste roos plukte, om er de statige flesch mee te versieren.
“Zie je, ik schaamde me eigenlijk over mijn cadeau, na ons praten en lezen over goed zijn, en toen ben ik gauw uitgegaan om het te ruilen. Hè, ik ben er zóó blij om, want nu is mijn cadeau het mooiste.”
Weer werd de voordeur toegedaan en vloog de mand onder de canapé. De meisjes stoven naar de tafel, vol verlangen uitziende naar het ontbijt. [13]
“Een gelukkig Kerstfeest, Moeder! En nog vele jaren na dezen! Dank u wel voor uw boek; we hebben er al in gelezen en zijn van plan het elken dag te doen,” riepen ze in koor.
“Een gelukkig Kerstfeest, mijn dochtertjes! Ik ben blij dat jullie dadelijk begonnen bent en hoop, dat je er mee voort zult gaan. Maar ik moet jullie eerst iets vertellen, voordat we gaan zitten. Niet ver van ons huis is een arme vrouw met een pas geboren kindje. Zes kinderen zijn bij elkander in één bed gekropen om niet te bevriezen, want zij hebben geen vuur. Er is niets om te eten; en het oudste jongetje kwam mij vertellen, dat ze honger en kou leden. Meisjes, willen jullie je ontbijt afstaan voor een Kerstgeschenk?”
Van ’t lange wachten hadden alle vier ergen honger, en gedurende een oogenblik antwoordde niemand; maar ook slechts één oogenblik; toen riep Jo ontstuimig:
“Ik ben zoo blij, dat u kwam, voordat we begonnen waren.”
“Mag ik meegaan en alles helpen dragen voor de arme kindertjes?” vroeg Bets.
“En ik den room en de krentenbroodjes brengen,” verzocht Amy, manmoedig afstand doende van de dingen, waar ze het meest van hield.
Meta was al bezig de kadetjes en krentenbroodjes te smeren en stapelde ze op een groote schaal.
“Ik dacht wel dat jullie het zoudt doen,” zei mevrouw March, tevreden glimlachend. “Je kunt allemaal meegaan om me te helpen dragen, en als we terugkomen, zullen wij met boterhammen en melk ontbijten en van middag onze scha inhalen.”
Zoodra ze klaar waren, zette de optocht zich in beweging. Gelukkig was het nog vroeg, en gingen zij door achterstraatjes; weinig menschen zagen hen dus en niemand lachte om de grappige processie. Ze vonden een armoedige, leege, ellendige kamer, met gebroken ruiten, zonder vuur, eene zieke moeder, een schreiende baby, en een troepje bleeke, hongerige kinderen onder één oude gescheurde deken gestopt, in de hoop warm te blijven. Wat zetten zij groote oogen op, en hoe glimlachten de blauwe lippen, toen de meisjes binnenkwamen!
“Ach, lieber Gott! dat zijn goede engelen, die daar komen!” riep de arme vrouw en stortte tranen van vreugde.
“Grappige engelen, met hoeden en gebreide handschoenen,” zei Jo en maakte ze aan het lachen. Binnen weinige minuten zag het er waarlijk uit alsof goede geesten aan het werk waren geweest. Hanna, die wat hout had gebracht, maakte een vuurtje aan en stopte de gebroken ruiten met oude kranten en haar eigen doek. Mevrouw March gaf de moeder wat thee en sago, en troostte haar door beloften van hulp, terwijl ze het kleine kindje zoo teeder aankleedde, alsof het haar eigen was geweest. De meisjes dekten intusschen de tafel, zetten de kinderen om het vuur, en voedden [14] hen, alsof ze hongerige vogeltjes waren, lachten en praatten, en probeerden hun grappig gebroken taaltje te begrijpen.
“Das ist gut!” “Die Engel-kinder!” riepen de arme schapen, terwijl ze zaten te eten, en hun verkleumde handjes in den heerlijken gloed koesterden. De meisjes waren nooit te voren engelen-kinderen genoemd, en vonden het heel aardig, vooral Jo, die sinds haar geboorte als de clown van de familie beschouwd was. ’t Was een heerlijk ontbijt, hoewel zij er niets van mee kregen; en toen ze naar huis gingen, zooveel geluk achterlatende, waren er geloof ik in de gansene stad geen vroolijker schepseltjes dan de vier hongerige meisjes, die hun ontbijt hadden weggegeven en zich op dien Kerstmorgen tevreden stelden met brood en melk.
“Dat is zijn naasten liever hebben dan zich zelf; ik vond het toch wel prettig,” zei Meta, terwijl de meisjes hun cadeautjes uitstalden, en mevrouw March boven bezig was wat kleeren voor de arme hummels bij elkaar te zoeken.
Het was volstrekt geen prachtige vertooning, maar er was veel liefde in de kleine pakjes; en de groote vaas met roode rozen, witte chrysanthemums en afhangende wingerdranken, die in het midden stond, gaf bepaald een elegant aanzien aan de tafel.
“Daar komt ze! Vooruit, Bets! Doe de deur open, Amy. Drie hoera’s voor Moeder!” riep Jo, heen en weer springende, terwijl Meta naar haar moeder liep om haar naar de eereplaats te geleiden.
Betsy speelde haar vroolijksten marsch, Amy rukte de deur open, en Meta leidde haar moeder met de grootste waardigheid op. Mevrouw March, te gelijk verbaasd en ontroerd, glimlachte met de oogen vol tranen, terwijl ze haar cadeaux bekeek en de briefjes las, die er bij lagen. De pantoffels werden dadelijk aangetrokken, een nieuwe zakdoek ging aanstonds in den zak, bevochtigd met Amy’s eau-de-cologne, de roos prijkte al heel gauw in haar japon en de mooie handschoenen bleken keurig te passen.
Er werd heel wat gelachen, gekust en verteld, op de eenvoudige gezellige manier, die huiselijke feestjes op ’t oogenblik zelf zoo prettig maken, en zoo’n heerlijke herinnering achterlaten, en toen gingen allen weer aan het werk.
De morgenbezigheden namen zooveel tijd in beslag, dat het overige van den dag gewijd werd aan toebereidselen voor de avondvermakelijkheden. Daar de meisjes nog te jong waren om dikwijls naar de komedie te gaan, en niet rijk genoeg om zich groote uitgaven te veroorloven voor de voorstellingen thuis, moesten zij hun verbeelding meestal te hulp roepen, en daar de noodzakelijkheid de moeder is der uitvinding, maakten ze zelf alles, wat ze noodig hadden. Sommige van hun voortbrengselen waren wezenlijk heel aardig; gitaars van bordpapier, antieke lampen van ouderwetsche sauskommetjes gemaakt en met zilverpapier beplakt, prachtige japonnen van oud katoen, schitterend van tinnen loovertjes, uit een fabriek van ingelegd zuur afkomstig en wapenrustingen met [15] stukjes van dezelfde metalen edelgesteenten versierd: afval van de deksels van inmaakblikken. Het huisraad werd gewoonlijk onderste boven gehaald en de groote kamer was het tooneel van menig onschuldig feest.
Heeren werden niet toegelaten; dus kon Jo naar hartelust de mannenrollen op zich nemen, en ze was telkens weer verrukt over een paar bruinleeren laarzen, die ze van een vriendin gekregen had, die een dame kende, die weer een acteur kende. Deze laarzen, een oude floret en een oud fluweelen riddercostuum, dat eens door een schilder gebruikt was voor een schilderij, waren Jo’s grootste schatten en kwamen bij elke gelegenheid op de proppen. Daar het gezelschap uit zoo weinig leden bestond, moesten de twee voornaamste acteurs noodzakelijk in verscheidene rollen optreden; en ze verdienden ongetwijfeld grooten lof voor de inspanning, die ze zich getroostten, drie of vier verschillende partijen van buiten te leeren, pakken te verwisselen en daarenboven de leiding en tooneelschikking op zich te nemen. Het was een uitmuntende oefening voor het geheugen, een onschuldig genoegen, en vulde menig uur, dat anders met luieren, vervelend zou zijn doorgebracht.
Op Kerstavond nam een dozijn meisjes plaats in het ledikant dat de loge voorstelde, en zat achter de blauwe en gele sitsen gordijnen in een staat van gespannen verwachting. Er was nogal geritsel en gefluister op het tooneel, het rook naar het stoomen van een lamp, en af en toe hoorde men het gesmoord gegichel van Amy, die zenuwachtig werd door de opwinding van het oogenblik. Weldra luidde de bel, de gordijnen werden weggetrokken, en de tragedie nam een aanvang.
“Een somber woud,” volgens het eenige programma, werd voorgesteld door enkele heesters en potten, een stuk groen baai op den vloer en een hol op den achtergrond. In dit hol, dat een paardendek tot dak en kasten tot muren had, brandde een klein vuurtje in volle kracht; een zwart ijzeren potje hing er boven en een oude heks boog er zich over heen. Het tooneel was donker, en de gloed van het vuur maakte een fraai effekt, vooral wanneer er wezenlijk stoom kwam uit den ketel, toen de heks er het deksel aflichtte. De toeschouwers kregen een oogenblik om van de eerste verbazing te bekomen, toen trad Hugo, de ellendeling, op, met een rinkelend zwaard, een gedeukten hoed, zwarten baard, een geheimzinnigen mantel en de laarzen. Na een poosje zeer opgewonden heen en weer gestapt te hebben, sloeg hij zich tegen het voorhoofd, barstte los in een hartstochtelijk gezang waarin hij den haat uitte, dien hij Roderigo toedroeg, de liefde die hij voor Sara koesterde en zijn lieftallig besluit den een te dooden en de andere voor zich te winnen. De diepe toon van Hugo’s stem, die nu en dan in een heesch geschreeuw oversloeg, wanneer zijn gevoel hem te sterk werd, maakte geweldigen indruk, en de toeschouwers juichten hem toe, zoodra hij maar even stil hield om adem te scheppen. Buigende, met het [16] air van iemand aan bijval gewoon, ging hij naar de grot en gelastte Hagar er uit te komen, met een gebiedend: “Halo! oude heks, ik heb u noodig!”
Daar verscheen Meta, met een grijs paardenharen pruik, die haar over ’t gezicht hing, een rood en zwart gewaad, een staf en allerlei kabalistische teekens op haar mantel. Hugo verlangde een drankje van haar om Sara’s liefde te winnen, en een om Roderigo van kant te maken.
Hagar beloofde beide in een fraai dramatisch lied en slaagde er in den geest op te roepen, die den minnedrank moest brengen:
“Daal neder, gevleugelde geest, o, daal neer,
Verlaat uwe woning bij ’t geestenheir!
Gij, dochter der rozen, weldadige fee,
Ach, breng ons uw kostlijken liefdedrank mee.
Maar maak hem heel geurig, heel zoet en heel sterk,
Opdat hij zeer spoedig volbrenge zijn werk.
Ja kom, goede geest, en voldoe aan den wensch
Van dezen verliefden, wanhopigen mensch.”
Plotseling klonk een zachte muziek, en toen kwam uit den achtergrond der grot een kleine, in wolken van gaas gehulde gedaante te voorschijn, met schitterende vleugels, gouden lokken, en een krans van rozen op het hoofd. Een staf zwaaiende zong deze geest:
“Hier daal ik neer
Uit hooger sfeer.
Ver boven lucht en maan,
En bied den drank u aan.
Hij werkt zeer snel
Gebruik hem wel,
Opdat de kracht niet moog’ vergaan.”
en liet een klein verguld fleschje vallen voor de voeten der heks, waarna ze verdween. Een tweede lied van Hagar riep een tweeden geest te voorschijn, geen liefelijken, want—bons, daar sprong een leelijke dwerg het tooneel op, stootte een antwoord uit en wierp Hugo een donker fleschje toe, waarna hij met een honend gelach verdween. Hugo kweelde zijn dankbetuigingen, stak de drankjes in zijn laarzen en ging somber heen. Daarop deelde Hagar het publiek mee, dat ze hem, omdat hij in vervlogen tijden eenige van haar vrienden had gedood, vervloekt heeft, en nu voornemens is zich op hem te wreken door de verijdeling van zijn plannen. Toen viel het gordijn en konden de toeschouwers uitrusten, en onder ’t genot van bonbons, de verdiensten van het stuk bespreken.
Er moest heel wat getimmerd worden, eer het gordijn weer weggetrokken werd; maar toen het bleek welk een meesterstuk er tot stand was gebracht, klaagde niemand over het oponthoud. ’t Was in één woord schitterend! Een toren reikte tot aan de zoldering; halfweg zag men een venster met een wit gordijn, waarachter [17] een lamp stond te branden, en achter dit witte gordijn verscheen Sara, in een bekoorlijke blauwe japon met zilver versierd, in afwachting van Roderigo. Prachtig gekleed kwam hij aangestapt, met een gepluimde muts, een rooden mantel, kastanjebruine lokken, een gitaar, en de laarzen natuurlijk. Nederknielend aan den voet van den toren, bracht hij zijn aangebedene in smeltende tonen een serenade. Sara antwoordde en stemde er, na een gezongen gesprek, in toe, met hem te vluchten. Toen kwam het glanspunt van den avond; Roderigo haalde een touwladder te voorschijn, van vijf treden, wierp het eene eind omhoog en noodigde Sara uit er langs af te dalen. Angstig stapte ze uit het venster, legde haar hand op Roderigo’s schouder, en maakte zich juist gereed om bevallig naar beneden te springen, toen ze, arme, arme Sara! haar sleep vergat, die in het raam bleef haken; de toren wankelde, helde over, viel met een slag om en bedolf de ongelukkige gelieven onder zijn bouwvallen!
Een algemeen gegil verhief zich, toen de bruine laarzen woest heen en weer schopten tusschen de ruïne, en een goudlokkig hoofdje te voorschijn kwam, dat verontwaardigd riep: “Ik heb ’t je wel gezegd!” Met verwonderlijke tegenwoordigheid van geest vloog Don Pedro, de wreede vader, toe en rukte er zijn dochter uit, met een gejaagd ter zijde: “Lach niet, net doen of alles in orde is!” Hij beval Roderigo op te staan, en verbande hem barsch en toornig uit zijn koninkrijk. Hoewel klaarblijkelijk verdoofd door den val, trotseerde Roderigo den ouden heer en weigerde zich van de plaats te verroeren. Dit onverschrokken voorbeeld vuurde Sara’s moed aan; zij ook weerstond haar vader, totdat hij gebood beiden naar den donkersten kerker van zijn kasteel te sleepen. Daarop kwam er een dappere kleine lakei binnen, met ketenen beladen, en leidde hen weg, blijkbaar zoo verschrikt dat hij de heele speech vergat, die hij had behooren op te zeggen.
Het derde bedrijf speelde in de zaal van het kasteel. Hier kwam Hagar weer op de planken, om de gelieven te bevrijden en Hugo van kant te maken. Zij hoort hem komen en verbergt zich; ziet dat hij de drankjes in twee bekers wijn doet en hoe hij den bedeesden kleinen bediende gelast: “Breng dien wijn den gevangenen in hun cel en zeg hun, dat ik weldra kom.” Terwijl de bediende Hugo even ter zijde roept om hem iets mee te deelen, verwisselt Hagar de twee bekers met twee andere, die geen kwaad bevatten.
Ferdinando, de bediende, brengt ze weg en Hagar zet den beker met het vergif, voor Roderigo bestemd, weer op tafel. Hugo, die na een roerende tirade dorstig begint te worden, drinkt hem leeg, raakt zijn bezinning kwijt, valt, na de noodige stuiptrekkingen, op den grond en sterft, terwijl Hagar hem in een krachtig, melodieus lied meedeelt wat ze gedaan heeft.
’t Was heusch een treffend tooneel, al vonden sommigen ook, dat het plotseling te voorschijn komen van een massa lange lokken, [18] het effect van den dood des ellendelings min of meer bedierf. Hij werd teruggeroepen en kwam heel zedig te voorschijn. Hagar bij de hand leidende, wier gezang mooier werd gevonden, dan al het andere bij elkaar.
Het vierde bedrijf stelde den wanhopigen Roderigo voor, op het punt zichzelf te doorsteken, omdat men hem gezegd heeft, dat Sara hem ontrouw geworden is. Reeds richt hij den dolk op zijn hart, als eensklaps een liefelijk lied onder zijn venster wordt aangeheven, waarin hem verteld wordt, dat Sara getrouw bleef, maar in gevaar verkeert, en dat hij haar, indien hij slechts wil, kan redden. Er wordt een sleutel naar binnen geworpen, om de gevangenisdeur te openen, en opgetogen van vreugde rukt hij zijn ketenen los, en snelt weg om zijn geliefde te vinden en te bevrijden.
Het vijfde bedrijf begon met een stormachtig gesprek tusschen Sara en Don Pedro. Hij wil, dat zijn dochter in een klooster zal gaan, maar zij wil er niet van hooren en is op het punt flauw te vallen, als Roderigo binnenvliegt en haar hand vraagt. Don Pedro weigert, omdat de minnaar niet rijk is. Onder luid getwist en een geweldig spektakel is Roderigo juist van plan de uitgeputte Sara weg te dragen, als de bedeesde lakei binnenkomt met een brief en een zak van Hagar, die op geheimzinnige wijze verdwenen is. In dezen brief deelt de heks het gezelschap mee, dat ze ongehoorde rijkdommen op het jonge paar doet nederdalen en Don Pedro met een vreeselijke vervloeking dreigt, als hij ze niet gelukkig maakt. De zak wordt geopend en een stroom tinnen geldstukjes valt op het tooneel, zoodat het schittert van al die pracht. Dit verzacht den strengen vader geheel en al; hij geeft zonder verdere tegenwerping zijn toestemming, allen heffen samen een vroolijk lied aan, en het gordijn valt, terwijl de gelieven, in de allerbevalligste houding, voor Don Pedro geknield liggen om zijn zegen te ontvangen.
Een luid applaus volgde, maar werd plotseling gesmoord; want het bed, waarop de loge gebouwd was, viel eensklaps in en verzwolg het opgewonden publiek. Roderigo en Don Pedro vlogen te hulp en allen werden ongedeerd weer opgehaald, hoewel de meesten sprakeloos waren van ’t lachen. Nauwelijks was dit tumult tot bedaren gekomen, toen Hanna binnenkwam met “de complimenten van mevrouw, en of de dames beneden wilden komen om te soupeeren.”
Dit was een verrassing, zelfs voor de spelers, en toen zij de tafel zagen, keken zij elkaar opgetogen en verbaasd aan. “Echt iets voor Moeder, ons eens te trakteeren!” Maar zooiets als dit was ongekend, sedert de vervlogen dagen van overvloed. Er was room-ijs, wezenlijk twee schaaltjes, rood en wit, en taart, en vruchten en heerlijke Fransche bonbons, en in het midden van de tafel stonden vier groote bouquetten kasbloemen! Met een kleur van blijdschap keken de meisjes eerst naar de tafel, en toen naar hun moeder, die er uitzag, alsof ze innig genoot.
“Zijn er goede feeën geweest?” vroeg Amy. [19]
“Neen, Sinst Nicolaas,” zei Bets.
“Moeder heeft het gedaan,” en Meta lachte met haar vriendelijksten glimlach, in weerwil van haar grijzen baard en witte wenkbrauwen.
“Tante March had zeker een goede bui, en heeft al dat lekkers gestuurd,” riep Jo, die een plotselinge ingeving kreeg.
“Allemaal mis; de oude heer Laurence zond het,” antwoordde mevrouw March.
“De grootvader van dien jongen, hiernaast? Wat ter wereld bracht hem dat in ’t hoofd? Wij kennen hem niet eens!” riep Meta.
“Hanna vertelde toevallig aan een van zijn dienstboden van jullie ontbijtpartij; hij is een zonderlinge oude heer, maar dat beviel hem. Hij kende mijn vader jaren geleden, en hij schreef me van middag een beleefd briefje, om me te vragen of hij zijn vriendelijke gevoelens jegens mijn kinderen eens mocht toonen, door wat lekkernijen te sturen tot viering van den dag. Ik kon niet weigeren, en zoo komt het, dat jullie van avond een feestje hebt om je schadeloos te stellen voor het ontbijt van vanmorgen.”
“Dat heeft hem stellig die jongen in ’t hoofd gebracht, ik weet het zeker! ’t Is een aardige jongen, en ik wou maar, dat we kennis met hem konden maken. Hij ziet er net uit of hij ’t heel prettig zou vinden om ons te kennen; maar hij is dood verlegen en Meta is zoo deftig, ze wil niet hebben, dat ik in het voorbijgaan een woordje tegen hem zeg,” zei Jo, terwijl de schaaltjes rondgingen, en het ijs onder verrukte uitroepen van o! en hè! aanmerkelijk begon te verminderen.
“Bedoel je de menschen, die in dat groote huis hiernaast wonen?” vroeg een der meisjes. “Moeder kent mijnheer Laurence wel, maar zegt, dat hij heel trotsch is, en niet graag met zijn buren omgaat. Hij houdt zijn kleinzoon altijd in huis, behalve wanneer hij gaat rijden of wandelen met zijn gouverneur; en hij laat hem vreeselijk hard studeeren. Wij hebben hem op onze partij gevraagd, maar hij is niet gekomen. Moeder zegt, dat hij heel aardig is, maar nooit tegen meisjes spreekt.”
“Toen laatst onze kat was weggeloopen, bracht hij die terug, en wij stonden juist even te praten over de schutting, over honkbal en zoo, toen hij Meta zag aankomen en wegliep. Jammer, we schoten best op, en ik ben ook vast van plan op een goeden dag verder kennis met hem te maken, want hij heeft wel een opvroolijking noodig, daar ben ik vast van overtuigd,” zei Jo beslist.
”’t Lijkt me een aardige nette jongen, en ik heb er niets tegen, dat jullie kennis met hem maakt, als de gelegenheid zich voordoet. Hij bracht de bloemen zelf, en als ik gerust geweest was op hetgeen boven voorviel, zou ik hem gevraagd hebben om te blijven. Stakkerd, hij zag er zoo nieuwsgierig uit, toen hij al de pret hoorde en hij trok zoo sneu weg.”
”’t Is een zegen, dat u het niet deedt, Moeder,” lachte Jo, met een blik op haar laarzen. “Maar wij zullen later een andere voorstelling [20] geven, die hij wel mag zien. Misschien doet hij dan wel mee; zou dat niet heerlijk zijn?”
“Ik heb nog nooit een bouquet gekregen; wat is dit een mooie,” en Meta bekeek haar bloemen met de grootste aandacht.
“Zij zijn beelderig, maar Bets’ rozen zijn mij nog liever,” zei Mevrouw March aan het verlepte bouquetje in haar ceintuur ruikende.
Bets kroop dicht tegen haar aan en fluisterde zacht: “Ik wou dat ik mijn bloemen aan Vader kon sturen. Ik ben bang dat hij niet zoo’n vroolijke Kerstmis heeft als wij.”
“Jo! Jo! waar zit je?” riep Meta onder aan de zoldertrap.
“Hier,” antwoordde een doffe stem van boven, en toen Meta de trappen opgeloopen was, vond zij haar zuster bezig appels te eten en te schreien over “De Erfgenaam van Redclyff,” met een dikken doek om, op eene driepootige canapé bij het zonnige venster. Dit was Jo’s geliefkoosde toevlucht, en hier sloot zij zich op met een half dozijn appelen en een mooi boek, genietende van de stilte en van het gezelschap van een lievelingsrat, die daar dichtbij huisde en zich niet aan haar stoorde. Toen Meta kwam, trok Knabbelaar zich in haar hol terug. Jo veegde haar tranen af en wachtte geduldig op het nieuws.
“Verbeeld je eens, hoe heerlijk, een invitatiekaart van mevrouw Gardiner voor morgenavond!” riep Meta, met het kostbaar document wuivend, en toen met jeugdige opgewondenheid voorlezend:
“Het zal mevrouw Gardiner veel genoegen doen de jonge dames Meta en Josephina March tegenwoordig te zien bij een danspartijtje, dat ze voornemens is op Nieuwjaarsavond te geven.” Moeder vindt het goed, dat wij gaan; maar wat zullen we aandoen?”
“Dat hoef je niet te vragen, je weet heel goed, dat wij niks anders kunnen aandoen dan onze zomerjurken, omdat wij niets anders hebben,” antwoordde Jo met een vollen mond.
“Had ik maar een zijdje,” zuchtte Meta. “Moeder zegt, dat ik er misschien een krijg, als ik achttien ben; maar twee jaar is een eeuwige tijd om te wachten.”
“O kom, onze lichte japonnen zijn goed genoeg voor ons. De jouwe is zoo goed als nieuw, maar o jé, ik vergat heelemaal dat ik de mijne gescheurd en gebrand heb. Wat zal ik doen? Dat gezengde is erg te zien en ik kan er niets uitnemen.”
“Je moet maar veel blijven zitten en je niet van achteren laten [21] zien; van voren is alles in orde. Ik krijg een nieuw lint voor mijn haar, en Moeder zal me haar kleine juweelen broche leenen, en mijn nieuwe lage schoentjes zijn keurig en mijn handschoenen kunnen nog wel eens mee, al zijn ze niet zoo héél frisch meer.”
“De mijne zitten vol limonadevlekken, en ik kan geen nieuwe koopen, dus zal ik zonder dienen te gaan,” zei Jo, die zich nooit veel om haar toilet bekommerde.
“Je moet handschoenen hebben, of ik ga niet!” riep Meta vast besloten. “Handschoenen zijn van nog meer belang dan iets anders; je kunt zonder handschoenen onmogelijk dansen, en als je ze niet aandoet, schaam ik me dood.”
“Dan zal ik maar stil blijven zitten; ik geef niks om die deftige dansen en dat statige voortzeilen. ’t Is veel prettiger rond te vliegen en eens een bokkesprong te maken.”
“Je kunt Moeder niet om een paar nieuwen vragen, zij zijn zoo duur en je bent zoo wanhopig slordig. Moeder zei, toen je de andere bedorven hadt, dat je dezen winter geen nieuwe kreeg. Kun je ’r niets op bedenken?” vroeg Meta bezorgd.
“Ik zal ze in mijn hand moffelen, dan kan niemand zien, hoe smerig ze zijn; dat is al wat ik kan doen. Neen! ik weet wat, laat ons ieder één goeden aantrekken, en een slechten in onze hand houden, vind je dat geen schitterend idee?”
“Maar jou handen zijn grooter dan de mijne, en dan rek je mijn handschoen zoo vreeselijk uit,” begon Meta, wier handschoenen een teere plek in haar hart besloegen.
“Dan zal ik maar zonder gaan. Ik geef er niet om wat de menschen zeggen!” riep Jo, haar boek weer opnemende.
“Och, neen, neem er dan maar liever een van mij, maar toe, wees er netjes op, en gedraag je ordentelijk; houd je handen niet op je rug, en sta niet te staren en zeg niet “verdraaid” en zoowat, toe, Jo?”
“Maak je maar niet ongerust, ik zal zoo deftig zijn als een boonestaak en geen dommigheden begaan, als ik het maar eenigszins laten kan. Ga jij nu het antwoord maar schrijven en laat mij alstjeblieft mijn boek uitlezen.”
Meta ging dus naar beneden om “gaarne gebruik te maken van de vriendelijke invitatie,” haar japon na te zien en een vroolijk deuntje te zingen, terwijl ze haar eenigen echt kanten kraag in orde maakte, terwijl Jo haar verhaal uitlas, haar appels opat en krijgertje speelde met Knabbelaar.
Op Nieuwjaarsavond was de zitkamer verlaten, want de twee jongere meisjes speelden voor kamenier en de twee oudsten gingen heelemaal op in die allergewichtigste bezigheid: zich kleeden voor de partij. Hoe eenvoudig de toiletjes ook waren, viel er toch heel wat heen en weer te loopen onder druk gelach en gepraat, en op een zeker oogenblik was er een erge brandlucht door het huis. Meta wou graag van voren een paar krullen hebben en Jo nam op zich de papillotten er met een gloeiende tang in te branden. [22]
“Moeten ze zoo rooken?” vroeg Bets van haar zetel op het bed.
“Dat is het vocht dat verdampt,” zei Jo.
“Wat een rare lucht! het ruikt net naar verbrande veeren,” vond Amy en streek hare eigen mooie krullen met voldoening glad.
“Ziezoo, nu zal ik ze uit de papieren doen en dan zul je eens zien, wat allerliefste krulletjes het geworden zijn,” zei Jo, de tang neerleggende.
Ze haalde de papillotten los, maar er kwamen geen krulletjes te voorschijn, want het haar kwam met de papiertjes mede, en de verschrikte kamenier legde een rijtje kleine, verschroeide hoopjes haar, op de tafel voor haar slachtoffer neer.
“O, o, Jo! wat heb je gedaan? Nou is álles bedorven! Ik kan niet gaan! Mijn haar! o mijn haar!” jammerde Meta, terwijl ze wanhopig het ongelijke kroes op haar voorhoofd bekeek.
“Dat is alweer mijn ongeluk! je hadt het mij ook niet moeten vragen; ik bederf altijd alles. ’t Spijt me allervreeselijkst, maar de tang was te heet, en zoo is het gekomen,” kermde de arme Jo, en zag met tranen van berouw naar de zwarte pruikjes.
“Het is nog niet bedorven; kam het maar op en steek dan den strik er achter, dat lijkt nogal op de laatste mode. Ik heb er verscheiden meisjes mee gezien,” troostte Amy.
“Dat komt omdat ik mij mooi wou maken. Ik wou, dat ik mijn haar maar met rust had gelaten,” zei Meta wrevelig.
“Dat wou ik ook, het was zoo mooi. Maar het zal wel gauw weer aangroeien,” zei Bets, en kuste en troostte het geschoren lam.
Na eenige kleinere tegenspoeden was Meta eindelijk gereed, en door de vereende krachten der familie kwam Jo’s haar in orde en haar japon aan. Ze zagen er heel aardig uit in hun eenvoudige kleeding. Meta in een zilvergrijsje met een fluweelen lint in het haar, kanten kraag en mouwen en de juweelen broche; Jo in ’t licht lila, met een open boordje en een paar witte chrysanten als eenig versiersel. Ieder trok één netten lichten handschoen aan, en ieder hield één bevlekten in de andere hand, en de heele familie verklaarde, dat het zoo heel best kon en heel vlug stond. Meta’s hooggehakte schoentjes waren vreeselijk nauw en deden haar pijn, hoewel zij dat niet wilde erkennen; en Jo’s negentien haarspelden schenen allemaal regelrecht in haar hoofd te steken, wat niet precies plezierig was; maar, lieve hemel! liever sterven, dan niet naar de mode zijn.
“Veel plezier, kinderen,” zei mevrouw March, toen de zusters vroolijk wegtrippelden. “Eet maar niet te veel, en Hanna zal jullie om elf uur komen halen; dadelijk meegaan hoor!”
Toen het hek achter hen toeviel, riep een stem hen nog achterna:
“Meisjes! meisjes! heb jullie wel allebei een net zakdoekje?”
“Ja, ja, keurig hoor, en Meta heeft eau-de-cologne op den hare!” riep Jo en voegde er lachend bij: “Ik geloof heusch, dat Moeder daar nog naar vragen zou, al vluchtten wij allemaal voor een aardbeving.” [23]
“Dat komt omdat Moeder op en top een dame is, want een echte dame kun je dadelijk herkennen aan nette laarzen, handschoenen en zakdoek,” antwoordde Meta, die vond dat ze zelf nogal damesachtig was.
“Denk er nu aan om die leelijke plek uit het gezicht te houden, Jo. Zit mijn ceintuur recht; en is mijn haar erg leelijk?” vroeg Meta, terwijl ze zich, na een ernstige beschouwing, afwendde van den spiegel in mevrouw Gardiner’s kleedkamer.
“Ik weet wel haast zeker dat ik het vergeten zal. Als je me iets ziet doen, dat niet goed is, geef mij dan maar een wenk, wil je!” antwoordde Jo, trok eens aan haar jurk en streek haastig haar haar glad.
“Neen, wenken is niet netjes; ik zal mijn wenkbrauwen optrekken, als iets niet goed is, en knikken als alles in orde is. Nu, doe nu je schouders naar beneden en neem kleine stappen en steek niet dadelijk een hand uit als iemand aan je wordt voorgesteld, dat hoort niet.”
“Hoe is het toch mogelijk al die dingen te onthouden? Ik zie er geen kans toe. Hè wat vroolijke muziek!”
Zoo gingen ze naar beneden, wel wat verlegen, want ze kwamen zelden op partijen, en hoe weinig deftig deze ook was, het bleef toch een gebeurtenis van gewicht voor de zusjes. Mevrouw Gardiner, een statige, oude dame, ontving hen vriendelijk en gaf hen over aan de zorg van de oudste harer zes dochters. Meta kende Sallie en was dadelijk op haar gemak; maar Jo, die niet veel gaf om meisjes of meisjespraatjes, stond met haar rug tegen den muur geleund en voelde zich even weinig op haar plaats als een veulen in een bloemtuin. In een anderen hoek der kamer stond een troepje jongens over schaatsenrijden te praten, en Jo verlangde niets liever dan zich bij hen te voegen, want schaatsenrijden was een der grootste genoegens van haar leven. Ze telegrafeerde haar wensch naar Meta, maar de wenkbrauwen werden zóó verschrikt opgetrokken, dat ze zich niet durfde bewegen. Niemand kwam haar aanspreken, en langzamerhand verliep het groepje in haar buurt, totdat de arme Jo geheel alleen overbleef. Vrij heen en weer loopen kon ze niet, want dan zou de verzengde plek in ’t gezicht komen, zoodat zij min of meer ongelukkig naar de anderen stond te kijken, tot het dansen begon. Meta werd dadelijk gevraagd, en de nauwe schoentjes trippelden zoo vroolijk rond, dat niemand de pijn kon vermoeden die hun eigenares met een glimlach verdroeg. Toen zag Jo een grooten, roodharigen jongen haar hoekje naderen, vreezende, dat hij van plan mocht zijn haar te vragen, sloop zij gauw in een aangrenzend kamertje, dat door een gordijn was afgeschoten, in de hoop ongestoord te kunnen kijken en zich zoo amuseeren. Ongelukkig had een andere verlegen gast dezelfde schuilplaats gekozen; want toen het gordijn zich achter haar sloot, stond Jo van aangezicht tot aangezicht tegenover “die jongen van hiernaast.” [24]
“O, hemel! ik wist niet, dat hier iemand was,” stamelde Jo, en maakte zich gereed even spoedig te verdwijnen als zij verschenen was.
Maar de jongen lachte en zei vriendelijk, hoewel hij wat verlegen keek:
“Stoor je niet aan mij maar blijf als je’r lust in hebt.”
“Hinder ik je niet?”
“Volstrekt niet; ik kwam alleen hier omdat ik niet veel menschen ken, en mij in het eerst nogal vreemd voel.”
“Ik ook. Ga als ’t je blieft niet weg, of je moest liever willen.”
De jongen ging weer zitten en keek naar zijn laarzen, totdat Jo, die beleefd en spraakzaam wilde zijn, begon:
“Ik geloof, dat ik het genoegen gehad heb je al eens vroeger te zien. Je woont naast ons, is ’t niet?”
“Vlak naast jullie,” en hij keek haar lachend aan, want Jo’s deftigheid was nog al grappig na hun gesprek over het balspel, toen hij de kat terugbracht.
Dat bracht Jo op haar gemak, en ze lachte ook, terwijl ze op hartelijken toon zei:
“We hebben zoo’n prettigen avond gehad door jullie heerlijk cadeau op Kerstavond!”
“Grootpapa zond het!”
“Maar jij hebt hem zeker op de gedachte gebracht, hè?”
“Hoe gaat het met uw kat, juffrouw March?” vroeg de jongen plechtig, al zijn best doende om ernstig te kijken, terwijl zijn zwarte oogen glinsterden van pret.
“Heel goed, dank u, mijnheer Laurence, maar ik ben niet juffrouw March, ik ben alleen maar Jo,” antwoordde de jonge dame.
“Ik ben niet mijnheer Laurence, ik ben alleen maar Laurie.”
“Laurie Laurence? Wat een vreemde naam.”
“Mijn voornaam is Theodoor, maar ik houd niet van dien naam, want de jongens noemden mij Dora, en toen heb ik me Laurie laten noemen.”
“Ik heb ook een hekel aan mijn naam—zoo sentimenteel! Ik wou dat iedereen Jo zei, in plaats van Josephine. Hoe heb je er de jongens toe gekregen om niet langer Dora te zeggen?”
“Ik ranselde ze.”
“Ik kan tante March moeilijk ranselen, dus zal ik het moeten verdragen,” en Jo schikte zich met een zucht in haar lot.
“Houdt u niet van dansen, juffrouw Jo?” vroeg Laurie; haar aankijkend alsof hij vond, dat de naam goed bij haar paste.
“Ik houd er dol van, als er maar ruimte genoeg en iedereen jolig is. In zoo’n mooie kamer gooi ik zeker iets om, of trap op iemands toonen, of doe iets, dat onbehoorlijk is; daarom laat ik Meta er maar voor opkomen en blijf zelf buiten gevaar; dans jij niet?”
“Soms. Zie je, ik ben verscheiden jaar in Europa geweest, en nog niet lang genoeg hier om te weten, hoe alles hier toegaat.” [25]
“In Europa!” riep Jo. “O vertel er mij eens wat van! Ik hoor zoo dolgraag over reizen vertellen.”
Laurie scheen geen begin te kunnen maken; maar Jo’s vurige vragen brachten hem weldra op streek, en hij vertelde haar, hoe hij te Vevey op school was geweest, waar de jongens nooit hoeden droegen, en bootjes hadden op het meer, en in de vacantie met hun meesters voetreisjes door Zwitserland deden.
“Hè, wat wou ik graag, dat ik daar geweest was!” riep Jo. “Ben je ook in Parijs geweest?”
“We zijn er den vorigen winter geweest.”
“Kun je goed Fransch spreken?”
“Wij mochten te Vevey niet anders praten.”
“Zeg eens wat in ’t Fransch. Ik kan het wel lezen, maar niet goed spreken.”
“Quel nom a cette jeune fille en les pantoufles jolis?” zei Laurie goedhartig.
“Wat spreek je het mooi uit! Laat eens zien, je zei: Wie is die jonge dame met die mooie schoentjes, is ’t niet?”
“Oui, mademoiselle.”
“Dat is mijn zuster Margaretha, en dat wist je heel goed! Vind je haar mooi?”
“Ja, ze doet mij denken aan de Duitsche meisjes; ze ziet er zoo frisch en kalm uit en danst zoo netjes.”
Jo glom van genoegen bij dezen jongensachtigen lof over haar zuster en onthield het goed om het aan Meta te vertellen. Beiden gluurden en critiseerden en keuvelden, tot zij een gevoel hadden, alsof ze oude kennissen waren. Laurie’s verlegenheid ging heel gauw over, want Jo’s jongensmanieren zetten hem op zijn gemak, en Jo was zoo vroolijk en natuurlijk als altijd, omdat zij niet meer aan haar japon dacht en niemand de wenkbrauwen tegen haar optrok. Ze vond “die jongen van hiernaast” erg aardig, en nam hem eens goed op, om hem aan de zusjes te kunnen beschrijven; want ze hadden geen broers, weinig neven, en jongens waren bijna onbekende wezens in hun kring.
Krullend zwart haar, bruinig vel, groote zwarte oogen, lange neus en mooie tanden, kleine handen en voeten, zoo lang als ik; heel beleefd voor een jongen, en over het geheel genomen aardig. Hoe oud zou hij zijn?
De vraag brandde haar op de tong: maar ze bedwong zich bijtijds, en zocht het, met ongewonen tact, langs omwegen te weten te komen.
“Je gaat zeker gauw naar de academie? Ik zie je zoo vaak over je boeken zitten blokken—ik bedoel hard studeeren,” en Jo bloosde over het onbeleefde “blokken” dat haar ontsnapt was.
Laurie glimlachte, maar scheen niets geschokt en antwoordde schouderophalend:
“Nog in geen twee of drie jaar; ik ga in geen geval vóór ik zeventien ben.” [26]
“Ben je dan pas vijftien?” vroeg Jo, en zag den langen jongen aan, dien ze wel zeventien jaar gegeven had.
“De volgende maand word ik zestien.”
“Ik wou, dat ik naar de academie kon gaan; jij schijnt het niet zoo heel prettig te vinden.”
“Ik heb er een hekel aan; het is hard werken of fuiven; en ik vind dat ze hier in Amerika geen van beide op een leuke manier doen.”
“Wat zou jij dan willen?”
“In Italië wonen en mij op mijn eigen manier amuseeren.”
Jo zou erg graag gevraagd hebben, wat die eigen manier was, maar zijn zwarte wenkbrauwen zagen er nogal dreigend uit, als hij ze samentrok; dus veranderde zij het onderwerp van gesprek en zei, terwijl ze met haar voet de maat sloeg: “Dat is een heerlijke wals, waarom doe je niet eens mee?”
“Als jij ’t ook doet,” antwoordde hij met een spottend buiginkje.
“Ik kan niet, ik heb het Meta beloofd, omdat....” hier hield Jo op en wist niet, wat ze doen zou, het vertellen of lachen.
“Omdat?” herhaalde Laurie nieuwsgierig.
“Zul je het aan niemand zeggen?”
“Nooit.”
“Nou, ik heb de slechte gewoonte om vlak voor ’t vuur te staan, en dan verbrand ik mijn jurken, en zoo is deze ook geschroeid, wel versteld, maar het valt toch erg op, en Meta zei, dat ik maar stil moest blijven zitten, dan zou niemand het zien. Je mag er gerust om lachen, als je wilt, ik weet heel goed, dat het gek is.”
Maar Laurie lachte niet; hij keek een oogenblik naar den grond. Jo wist niet, wat van zijn gezicht te maken, totdat hij zeer vriendelijk zei:
“Stoor er je niet aan; maar zeg, ik weet wat: er is hier een lange gang, daar kunnen wij heerlijk in dansen, zonder dat iemand ons ziet. Kom als ’t je belieft mee.”
Jo bedankte hem hartelijk en ging vroolijk mee, hoewel de wensch naar een paar nette handschoenen bij haar opkwam, toen ze het nieuwe witte paar zag, dat haar cavalier aantrok.
De gang was leeg en ze dansten naar hartelust, want Laurie danste heel goed en leerde haar de Duitsche polka, die Jo verrukkelijk vond, omdat je er zoo heerlijk bij kon rondzwaaien. Toen de muziek zweeg, gingen ze even zitten om weer op adem te komen, en Laurie was juist midden in een verhaal van een studentenfeest te Heidelberg, toen Meta haar zuster kwam zoeken.
Ze wenkte, en Jo volgde haar met tegenzin in een zijkamer, waar Meta op een sofa zat, bleek en met een pijnlijken voet.
“Ik heb mijn enkel verstuikt. Die akelige hooge hak zwikte, en ’t hindert mij afschuwelijk. Ik kan bijna niet meer staan, en ik weet niet, hoe ik thuis moet komen,” zei ze, van pijn heen en weer wiegelend. [27]
“Ik wist wel, dat je je voet met die malle dingen bezeeren zou. Het spijt me, maar ik weet ook niet wat je doen moet: een rijtuig nemen of hier den heelen nacht blijven,” antwoordde Jo, den armen enkel zachtjes wrijvend.
“Een rijtuig is zoo duur; ik denk zelfs, dat ik er geen zal kunnen krijgen, want de meeste menschen komen in hun eigen, en de huurkoetsier woont zoover af en er is ook niemand, dien we er heen kunnen sturen.”
“Ik zal wel gaan.”
“Neen zeker niet; het is over tienen en pikdonker. Ik kan hier ook niet blijven, want het huis is vol; Sallie heeft al een paar meisjes te logeeren. Ik zal blijven zitten, totdat Hanna komt en dan zien, hoe het gaat.”
“Laat ik het Laurie vragen; hij zal wel gaan!” zei Jo, en haar gezicht klaarde op bij die gedachte.
“O, toe, alsjeblieft niet; zeg het aan niemand. Krijg even mijn overschoenen en zet deze schoentjes bij ons goed. Ik kan toch niet meer dansen; maar zoodra het souper is afgeloopen, moet je op de wacht gaan staan voor Hanna en me dadelijk waarschuwen als ze komt.”
“Ze gaan nu soupeeren. Ik zal bij je blijven, dat doe ik wel graag.”
“Neen Jo, haal me veel liever een kop koffie. Ik ben zoo moe, dat ik me niet kan verroeren.”
Meta zette zich op haar gemak en hield de overschoenen zorgvuldig verborgen, en Jo ging de eetkamer zoeken, die ze niet vond, dan nadat ze een provisiekamertje was binnengeloopen en de deur had opengedaan van een kamer, waar de oude heer Gardiner in alle stilte zich een weinig zat te “restaureeren”. Zij vloog op de tafel toe en maakte zich meester van een kop koffie, waarvan ze in haar haast echter het grootste gedeelte op haar japon morste, zoodat de voorbaan er nu al even erg uitzag als de achterbaan.
“Och, wat ben ik toch een sukkel!” riep Jo, en bedierf Meta’s handschoenen door er haar japon mee af te slaan.
“Kan ik soms helpen?” vroeg een vriendelijke stem, en daar stond Laurie met een vol kopje in de eene en een schoteltje in de andere hand.
“Ik zocht iets te bemachtigen voor Meta, die heel moe is, maar stootte me en nu zit ik er mooi mee,” antwoordde Jo, terwijl ze mistroostig haar oogen liet gaan over de bevlekte japon en den koffiekleurigen handschoen.
“Dat is een gek geval! Ik zocht juist iemand om dit aan te geven; mag ik het aan je zuster brengen?”
“O, als ’t je belieft; ik zal je wijzen, waar zij is. Ik zal maar niet aanbieden het zelf te dragen, want als ik het deed, zou ik zeker weer in nieuwe moeilijkheden komen.”
Jo wees den weg, en Laurie, die naar het scheen gewend was, dames te bedienen, trok een klein tafeltje naar Meta toe, bracht [28] eene tweede bezending koffie en ijs voor Jo, en was zoo gedienstig, dat zelfs Meta erkende, dat hij een aardige jongen was. Ze maakten gekheid over de bonbons en ulevelpapiertjes, en waren in het midden van een geanimeerd spelletje met twee of drie andere jongelui, die zich bij hen gevoegd hadden, toen Hanna verscheen. Meta vergat haar voet, en stond zoo haastig op, dat ze genoodzaakt was Jo bij den arm te pakken met een schreeuw van pijn.
“Stil, zeg niets,” fluisterde ze en voegde er hardop bij: “Het is niets, ik verzwikte mijn voet even, dat is alles,” en ze hinkte naar boven om haar goed om te doen.
Hanna knorde, Meta schreide en Jo wist niet wat te doen, tot ze besloot zelf de zaak in handen te nemen. Stil wegsluipende liep ze naar beneden en een knecht tegenkomend, verzocht zij hem, of hij niet een rijtuig voor haar kon bestellen. Ongelukkig was het een vreemde knecht, die de buurt niet kende, en Jo zag rond naar hulp, toen Laurie, die gehoord had wat ze vroeg, naar haar toekwam en het rijtuig van zijn grootvader aanbood, dat juist voor hem was gekomen, zooals hij zei.
“Het is nog zoo vroeg,—je zult nu toch nog niet heengaan,” begon Jo, verlicht, maar nog aarzelend om het aanbod aan te nemen.
“Ik ga altijd vroeg,—wezenlijk. Kom, laat ik jullie thuis brengen, het ligt in mijn weg, dat weet je, en ze zeggen, dat het regent.”
Dat gaf den doorslag; en nadat Jo hem op de hoogte had gebracht van Meta’s ongeval, nam ze het voorstel dankbaar aan en vloog naar boven om de anderen te waarschuwen. Hanna had evenveel afkeer van regen als een poes en maakte dus geen tegenwerpingen; en even later rolden ze weg in het gemakkelijke dichte rijtuig, echt feestelijk en voornaam gestemd. Laurie was op den bok gaan zitten, zoodat Meta haar voet op de bank kon leggen, en de meisjes vrij over de partij konden spreken.
“Ik heb een heerlijken avond gehad en jij?” vroeg Jo, haar haar wat losmakend en zich gemakkelijk achterover vleiend.
“Ja, totdat ik mijn voet bezeerde. Sallie’s vriendin, Anna Moffat, scheen me nogal aardig te vinden en vroeg, of ik een week bij haar wou komen logeeren, gelijk met Sallie. Ze gaat in ’t voorjaar, als de opera begint, dol, hè, als Moeder me maar laat gaan,” antwoordde Meta, door de gedachte aan de invitatie opgevroolijkt.
“Ik zag je dansen met dien roodharige, waar ik voor weggeloopen ben; was hij aardig?”
“O ja, heel aardig; zijn haar is kastanjebruin, niet rood; hij was heel beleefd en ik heb zóó pleizierig met hem gedanst!”
“Hij zag er uit als een sprinkhaan, die een stuip krijgt, toen hij dien nieuwen pas deed. Laurie en ik hebben gebruld van ’t lachen; kon je ons hooren?”
“Neen, maar het is heel ongemanierd. Wat heb je toch al dien tijd achter dat gordijn uitgevoerd?” [29]
Jo vertelde haar avonturen, en toen ze er mee klaar was waren ze thuis. Onder hartelijke dankbetuigingen namen ze afscheid, en slopen stil naar boven, in de hoop niemand te zullen storen; maar op het oogenblik dat de deur van hun kamer kraakte, kwamen twee hoofden te voorschijn en twee slaperige, maar verlangende stemmen riepen:
“Vertel wat van de partij, o, toe, vertel wat van de partij!”
Jo had,—Meta vond het “ongemanierd”—wat lekkers voor de zusjes bewaard, en nadat deze de gewichtigste gebeurtenissen van den avond gehoord hadden, gingen ze tevreden slapen.
”’k Heb net een gevoel of ik een rijke jonge dame ben, die in haar eigen rijtuig van een bal thuiskomt en nu in haar kamer zit met een kamenier tot haar dienst,” zei Meta, terwijl Jo haar voet inwreef met arnica en daarna haar haar borstelde.
“Ik geloof niet, dat rijke jonge dames meer pret hebben dan wij, ondanks verbrande krullen, oude japonnen, één handschoen per hoofd, en nauwe schoentjes, die je laten zwikken, als je zoo dwaas bent ze te dragen,” antwoordde Jo, en ik geloof dat ze gelijk had.
“Hè! wat is het moeilijk onze pakken weer op te nemen en voort te gaan,” zuchtte Meta ’s morgens na de partij; want nu de vacantie om was, maakte de week van pretmaken haar weinig geschikt tot het opgewekt hervatten van een taak, waar zij nooit mee ophad.
“Ik wou, dat het altijd Kerstmis of Nieuwjaar was; zou dat niet genoeglijk zijn?” vroeg Jo, akelig geeuwende.
“Wij zouden niet half zooveel plezier hebben als nu. Maar het is zoo heerlijk soupeetjes bij te wonen en bouquetten te krijgen, en naar partijen te gaan, en in een eigen rijtuig naar huis te rijden, veel te lezen en te rusten en niet te werken. Dat is zooals rijke menschen het hebben, en ik benijd altijd meisjes, die zulke dingen kunnen doen. O, ik houd eigenlijk zoo dol veel van weelde,” bekende Meta, terwijl ze onderzocht, welke van twee versleten japonnen de minst versletene was.
“Kom, laten we maar niet zaniken, we kunnen het nu eenmaal zoo niet hebben; laten we onze pakken dus maar opnemen en even tevreden voorstappen als Moeder. Jullie weet, Tante March is een echte nachtmerrie voor me, maar ik denk dat—als ik geleerd heb, haar nukken zonder klagen te verduren, de last van mij af zal vallen, of zoo licht worden dat ik er niets meer om geef.”
Deze gedachte prikkelde Jo’s verbeelding en bracht haar in [30] een goed humeur; maar Meta klaarde er niet door op, want haar last, uit vier bedorven kinderen bestaande, scheen zwaarder dan ooit. Ze had zelfs geen lust zich als naar gewoonte zoo mooi mogelijk te maken, door een blauw dasje om haar boord te knoopen en haar haar op de netste manier op te steken.
“Wat doet het er toe, of ik me netjes aankleed, als niemand me ziet, behalve die lastige apen. Niemand geeft er een zier om, of ik er netjes uitzie of niet,” pruttelde ze en deed haar la met een ruk dicht. “Ik zal mijn heele leven door moeten tobben en zwoegen, en alleen nu en dan eens een pretje hebben, en oud en leelijk en kribbig worden, omdat ik arm ben, en niet van mijn leven kan genieten zooals andere meisjes. ’t Is ellendig!”
Meta ging naar beneden met een verongelijkt gezicht en was aan ’t ontbijt alles behalve vriendelijk gestemd.
Iedereen scheen wel uit zijn humeur en knorrig. Bets had hoofdpijn en lag op de canapé, troost zoekende bij de kat met haar drie kleintjes; Amy pruilde omdat ze haar lessen niet geleerd had en haar overschoenen niet kon vinden; Jo wilde niet uitscheiden met fluiten en maakte veel onnoodige drukte en beweging om klaar te komen; mevrouw March deed haar uiterste best een brief af te krijgen, die volstrekt dadelijk op de post moest en Hanna had een booze bui, want laat opblijven vleide haar niet.
“Ik heb nog nooit zoo’n brompotten-familie gezien!” riep Jo, die uit haar humeur raakte, toen ze een inktkoker omgegooid, haar veters gebroken had, en op haar hoed was gaan zitten.
“En jij bent de brommerigste van allemaal!” antwoordde Amy en veegde de som, die maar niet lukken wou, uit, met de tranen, die op haar lei vielen.
“Bets, als je die akelige katten niet beneden in den kelder opsluit, laat ik ze verdrinken!” dreigde Meta boos, terwijl ze zich zocht te ontdoen van het katje dat langs haar rug was opgekropen en zich als een klis aan haar vastklemde.
Jo lachte, Meta bromde, Bets smeekte om genade, en Amy huilde, omdat zij niet kon onthouden, hoeveel negen maal twaalf was.
“Kinderen, kinderen! wees toch een oogenblik stil. Ik moet dezen brief afmaken en jullie brengt mij totaal in de war door dat gekibbel,” riep mevrouw March die voor den derden keer een zin in haar brief doorhaalde.
Er was een poosje rust, onderbroken door Hanna, die naar binnen stormde, twee heete blikken puddingvormen op tafel zette en weer wegvloog. Dit was een vaste gewoonte, en de meisjes noemden ze “moffen,” want ze hadden geen andere, en op koude ochtenden warmden ze hun handen aan die heete blikjes. Hanna vergat nooit ze te maken, hoe druk of knorrig ze ook mocht zijn, want de wandeling was lang en eentonig, en “de arme schapen” kregen niets anders dan die kleine trommelkoek voor hun twaalfuurtje en kwamen zelden vóór drieën thuis. [31]
“Liefkoos je katjes maar en beterschap met de hoofdpijn, Betsje. Goeden dag, Moeder, we zijn van morgen een troep akeligheden geweest, maar we komen als engelachtige wezens thuis. Kom Meta,” en Jo stapte weg, ten volle overtuigd dat de Pelgrims niet volgens hun plicht de reis aanvaardden.
Voor ze den hoek om gingen, keken ze altijd nog eens om, want mevrouw March stond altijd aan het raam om ze nog eens toe te knikken en na te wuiven. ’t Was net of de meisjes den dag niet goed zouden kunnen doorkomen, als ze dat moesten missen. Want in welke stemming ze ook mochten zijn, de laatste glimlach van Moeders lief gezicht liet nooit na als een zonnetje op hen te werken.
“Als Moeder haar vuist tegen ons balde, in plaats van ons zoo vriendelijk na te wuiven, zouden we ons verdiende loon hebben, want ondankbaarder spoken dan wij zijn, heb ik nooit gezien!” riep Jo, en trotseerde met een zekere voldoening den modderigen weg en den scherpen wind.
“Gebruik toch zulke krasse uitdrukkingen niet,” zei Meta van uit den dichten sluier, waarin ze zich gehuld had als een non, die wars is van de wereld.
“Ik houd van flinke, krachtige woorden, die iets beteekenen,” antwoordde Jo, haar hoed grijpende, die op het punt stond weg te vliegen.
“Geef jezelf zooveel scheldnamen als je verkiest; maar ik ben noch een akeligheid, noch een spook, en verkies niet zoo genoemd te worden.”
“Jij bent de verdrukte onschuld en vandaag bepaald ongenietbaar, omdat je niet altijd “in den schoot der weelde” kunt zitten. Arm schatje, wacht maar tot ik mijn fortuin heb gemaakt, dan zul je genieten van rijtuigen en van vanilleijs, en van hooggehakte schoentjes en bouquetten en van roodharige jongens om mee te dansen.”
“Wat ben je toch dwaas, Jo!” maar Meta lachte om den onzin, en voelde zich, of ze wilde of niet, toch opgevroolijkt.
“Wees blij, dat ik dwaas ben, want als ik mij ook zoo beleedigd aanstelde en net zoo diep neerslachtig trachtte te zijn, als jij, zouden wij een heerlijk leven hebben. Gelukkig maar dat ik altijd iets kan vinden om het hoofd boven water te houden. Toe, mok niet langer, maar kom vroolijk thuis, dan ben je de beste.”
Jo gaf haar zuster een bemoedigend tikje op den schouder, toen ze afscheid namen, waar ieder een verschillenden kant opging, drukte haar klein warm trommeltje aan het hart en deed haar best opgeruimd te zijn, in weerwil van het koude winterweer, het harde werk, en veel onvoldane begeerten.
Toen mijnheer March zijn vermogen verloor, door een ongelukkigen vriend bij te staan, hadden de twee oudste meisjes verzocht of zij niet iets zouden mogen doen, om tenminste in hun eigen behoeften te voorzien. Daar hun ouders meenden, dat ze niet te vroeg konden [32] beginnen met zich te gewennen aan werk en te streven naar onafhankelijkheid, gaven ze hun toestemming, en beiden vatten hun werk op met dien vasten, goeden wil, die in spijt van alle moeilijkheden ten laatste zeker slaagt. Meta vond een plaats als gouvernante, en gevoelde zich rijk met haar klein salaris. Ze kwam er rond voor uit, dat ze hunkerde naar weelde, en armoede haar grootste verdriet was. Geen geld te hebben viel haar zwaarder dan de anderen, omdat zij zich een tijd kon herinneren, toen alles in huis mooi, het leven vol gemak en genot, en ontbering, van welken aard ook, onbekend was. Terwijl ze haar best deed niet jaloersch of ontevreden te zijn, was het niet meer dan natuurlijk, dat ze dikwijls verlangde naar mooie dingen, vroolijke vrienden en een gemakkelijk leven. Bij de familie King voelde ze dagelijks wat haar ontbrak, want de oudere zusters dier kinderen gingen dien winter voor het eerst uit, en Meta zag dikwijls met een oogwenk keurige baljaponnen en dure bouquetten, woonde levendige gesprekken bij over comedies, concerten, sleevaarten en pretjes van allerlei aard, en zag geld weggegooid voor kleinigheden, die voor haar schatten zouden geweest zijn. De arme Meta klaagde zelden, maar een gevoel van onrechtvaardigheid maakte, dat ze soms bitter gestemd was jegens iedereen, want ze had nog niet leeren beseffen, hoe rijk ze was in datgene, wat alleen het leven waarde geeft.
Jo viel in den smaak van Tante March, die verlamd was en behoefte had aan een bedrijvig persoontje om haar te bedienen. Toen de slag viel had de kinderlooze oude dame aangeboden een van de meisjes als haar kind tot zich te nemen, en zich zeer beleedigd getoond, omdat haar aanbod werd afgeslagen. Andere vrienden deelden de Marches mee, dat ze alle kans verloren hadden op een legaat van de oude rijke dame, maar de onbaatzuchtige Marches hadden geantwoord:
“Wij kunnen onze meisjes niet afstaan; voor geen dozijn legaten. Rijk of arm, we blijven bij elkaar en zullen samen gelukkig zijn.”
Geruimen tijd wilde de oude dame niet tegen hen spreken, maar toen ze Jo op zekeren dag bij een vriendin ontmoette, werd ze getroffen door een zeker iets in haar grappig gezicht en vrije manieren en stelde ze voor haar als gezelschapsjuffrouw te nemen. Dit viel volstrekt niet in Jo’s smaak, maar ze nam de betrekking aan, omdat zich niets beters voordeed, en, tot ieders verbazing kon ze het zeer goed vinden met haar oploopende bloedverwant. Nu en dan had er wel een stormachtig tooneel plaats, en eens zelfs was Jo thuisgekomen met de verklaring, dat ze het niet langer kon uitstaan, maar Tante March draaide altijd gauw weer bij en verzocht haar nichtje met zulk een aandrang te willen terugkomen, dat ze niet kon blijven weigeren, want in haar hart hield ze veel van de oude, snibbige dame.
Ik geloof eigenlijk, dat de ware aantrekkingskracht zat in een groote bibliotheek, die sinds den dood van Oom March een prooi [33] geworden was van stof en spinnen. Jo herinnerde zich den ouden, vriendelijken heer nog zeer goed, die haar van zijn groote woordenboeken spoorwegen en bruggen liet bouwen, haar vertelseltjes vertelde over de wonderlijke plaatjes in zijn Latijnsche boeken, en lekkers voor haar kocht, telkens als hij haar op straat tegenkwam. De sombere, stoffige kamer, waar de bustes haar van de hooge boekenkasten aanstaarden, de globes, maar vooral de onafzienbare massa boeken, waarin ze zich naar hartelust kon begraven, maakten de bibliotheek een paradijs voor haar. Zoodra deed Tante March niet haar dutje of kreeg ze bezoek, of weg vloog Jo naar dat rustige plekje, nestelde zich in den grooten stoel, en verslond dichtwerken, romans, geschiedboeken, reisbeschrijvingen en plaatwerken, als een echte boekworm. Maar ook dat geluk duurde als naar gewoonte niet heel lang; Jo kon er zeker van zijn, dat zoodra ze het beslissend punt in een roman, het aandoenlijkste couplet in een lied, of het gevaarlijkste avontuur van haar reiziger genaderd was, een schrille stem zou roepen:
“Jose-phine! Jose-phine!” en dan moest ze haar Eden verlaten om wol te winden, den poedel te wasschen, of urenlang uit “Belsham’s Verhandelingen” voor te lezen.
Jo’s eerzucht ging er naar uit, iets groots te doen; ze kon zelf niet zeggen wat, maar ze liet het aan den tijd over dit te openbaren, en inmiddels bestond haar grootste verdriet hierin, dat ze niet naar hartelust kon lezen, loopen en beweging nemen. Een driftig humeur, een scherpe tong en een rustelooze geest brachten haar telkens in moeilijkheden, en haar leven bestond uit vallen en opstaan, aandoenlijk en grappig tegelijk. Maar de oefenschool, die ze bij Tante March doormaakte, was juist wat ze noodig had, en de gedachte dat ze iets deed voor haar eigen onderhoud maakte haar gelukkig, in spijt van het onophoudelijk: “Jose-phine!”
Bets was te teer en te verlegen om naar school te gaan; er was een proef mee genomen, maar ze had zooveel geleden, dat men het had moeten opgeven; ze leerde nu thuis bij haar vader. Zelfs na zijn vertrek, en terwijl haar moeder geroepen was om haar beste krachten te wijden aan een vereeniging tot hulp en ondersteuning van de militairen te velde, ging Bets trouw alleen voort en deed haar uiterste best. Ze was een huishoudelijk schepseltje en hielp Hanna het huis netjes en gezellig houden voor de werkende leden van het gezin, zonder ooit eenige andere belooning te wenschen dan de liefde der haren. De dagen waren lang en stil voor haar, maar werden niet eenzaam of in ledigheid doorgebracht, want haar kleine wereld was bevolkt met denkbeeldige vrienden en ze was van nature een werkzaam bijtje. Elken morgen moesten er zes poppen opgenomen en aangekleed worden, want Bets was nog een kind en hield nog evenveel als vroeger van haar lievelingen, al was geen van de zes ook meer gaaf of mooi; het waren allemaal afgedankte invaliden, want toen haar zusters te groot waren geworden voor die liefhebberij, [34] gingen ze op haar over, omdat Amy nooit iets wilde hebben, dat oud en leelijk was. Bets vertroetelde ze juist om die reden en richtte een hospitaal op voor gebrekkige poppen. Nooit stak ze een speld in hun katoenen ledematen, nooit hoorden ze een onvriendelijk woord of werden ze geslagen; het hartje van de meest terugstootende zelfs werd nooit gekrenkt door verwaarloozing, maar allen werden met onuitputtelijke teederheid gevoed en gekleed, verzorgd en geliefkoosd. Eén zwerveling uit het poppendom had aan Jo toebehoord, en was, na een stormachtig leven in de prullemand terecht gekomen, uit welk somber armhuis ze bevrijd werd door Bets en naar het hospitaal gebracht. Daar de stakkerd haar achterhoofd kwijt was, zette Bets haar een lief klein mutsje op, en daar de armen en beenen in den slag waren gebleven, wikkelde ze haar in een deken, om dit gebrek voor aller oogen te bedekken, terwijl ze haar beste kribje aan deze kwijnende zieke afstond. Indien iemand getuige was geweest van de zorg, aan dit popje besteed, zou het zeker zijn hart getroffen hebben, al wekte het ook tegelijkertijd den lachlust op. Bets bracht haar kleine bouquetjes, las haar voor, ging met haar in de lucht, warm ingestopt onder haar mantel, zong wiegeliedjes voor haar, en zou nooit naar bed gaan, zonder een kus te drukken op het verveloos gezichtje en zacht te fluisteren: “Ik hoop, lieveling, dat je een goeien nacht zult hebben.”
Bets had haar moeilijkheden zoo goed als de anderen, en daar zij geen engel was, maar een zeer menschelijk klein meisje, schreide ze dikwijls een deuntje, zooals Jo zei, omdat ze geen muziekles en geen mooie piano kon krijgen. Ze hield zooveel van muziek, deed zoo haar best om vooruit te komen en studeerde zoo gelukkig op het rammelende oude instrument, dat de een of ander (om niet van Tante March te spreken) haar waarlijk wel helpen mocht.
Maar niemand deed het, en niemand zag hoe Bets, wanneer ze alleen was, de tranen afwischte van de gele oude toetsen, die zoo ontstemd waren. Ze deed haar werk zingend als een kleine leeuwerik, was nooit te vermoeid om voor Moeder en de meisjes te spelen, en zei telkens weer opnieuw hoopvol tot zichzelve: “Ik weet, dat ik mettertijd mijn muziek nog eens krijgen zal, als ik maar goed oppas.”
Er zijn veel van die Betsy’s in de wereld, verlegen en stil in een hoekje verscholen, tenzij men ze noodig heeft, en zoo opgeruimd zich zelf vergetend voor anderen, dat niemand hun opofferingen ziet, totdat de kleine krekel aan den haard ophoudt met zingen en de liefelijke zonnige verschijning verdwijnt, stilte en schaduw achterlatend.
Als iemand aan Amy gevraagd had, wat de grootste beproeving van haar leven was, zou ze zonder aarzelen geantwoord hebben: “Mijn neus.” Toen ze nog heel klein was, had Jo haar bij ongeluk in het kolenhok laten vallen, en Amy hield vol, dat die val voor altijd haar neus bedorven had. Hij was niet dik of rood, alleen maar een beetje stomp, en al het knijpen ter wereld kon hem geen sierlijke [35] punt geven. Niemand dan zij zelf vond het bizonder betreurenswaard, en het lichaamsdeel deed zijn best te groeien, maar Amy gevoelde diep het gemis van een Grieksch neusje, en teekende vellen vol mooie exemplaren om zich te troosten.
“De klein Raphaël,” zooals de zusjes haar noemden, had een bepaald talent voor teekenen, en was niet gelukkiger dan wanneer ze bloemen copieerde, of verhaaltjes met allerlei zonderlinge plaatjes kon versieren. Dikwijls klaagden haar onderwijzers er over dat ze in plaats van haar sommen te maken, haar lei vol teekende met dieren; de witte bladen van haar atlas gebruikte ze om kaarten op na te teekenen en de bespottelijkste caricaturen fladderden op een ongelukkig oogenblik uit al haar boeken. Ze rolde zoo goed ze kon door haar lessen, en wist aan straf te ontkomen door een voorbeeldig goed gedrag. Daar ze een goed humeur had, en de gelukkige gave bezat te behagen, zonder er moeite voor te doen, was ze de lieveling van al haar kennisjes. Haar kleine gemaaktheden en pedanterieën werden zeer bewonderd, evenals haar talenten, want behalve teekenen, kon zij twaalf stukjes spelen, aardig handwerken en Fransch lezen, zonder meer dan twee derde der woorden verkeerd uit te spreken. Daarbij kon ze op zoo’n droevigen toon zeggen: “Toen Papa rijk was, deden wij zoo en zoo,” dat het heusch aandoenlijk klonk; en de meisjes op school vonden haar lange woorden wel wat driftig, maar toch “leuk”.
Men was mooi op weg Amy te bederven, want iedereen vertroetelde haar, en de kiemen van ijdelheid en zelfzucht ontwikkelden zich voorspoedig. Er was echter iets dat die ijdelheid beteugelde; Amy moest de kleeren van haar nichtje afdragen. Nu had Florence’s mama volstrekt geen smaak, en Amy vond het vreeselijk, dat ze een rooden, in plaats van een blauwen hoed moest opzetten, bij jurken die haar niet kleurden, en akelig mooie boezelaars, die haar niet pasten. Alles was goed, netjes gemaakt en weinig versleten, maar Amy’s kunstenaarsoog werd pijnlijk aangedaan, vooral dezen winter, nu haar schoolpak bestond uit een donker paarse jurk met gele moesjes en zonder eenig garneersel.
“Mijn eenige troost is, dat Moeder tenminste geen opnaaisels in mijn jurken doet, telkens als ik ondeugend ben, zooals de moeder van Mary Park,” zei ze met tranen in de oogen tegen Meta. “O, dat is wezenlijk iets verschrikkelijks; want Mary is soms zoo brutaal geweest, dat haar jurk tot boven haar knieën komt en ze niet naar school durft. Als ik aan zoo’n deggeradatie denk, heb ik nog liever mijn platten neus en mijn paarse jurk met gele stippen.”
Meta was Amy’s vertrouwde en raadsvrouw, en door de wonderlijke aantrekkingskracht die er dikwijls tusschen twee tegenovergestelde naturen bestaat, was Jo die van de zachte, vriendelijke Bets. Alleen aan Jo vertelde het schuwe kind haar gedachten, en zonder het te weten oefende ze op haar groote, wilde zuster meer invloed uit, dan eenig ander lid van het gezin. De twee oudste [36] meisjes waren veel voor elkander, maar beide namen een van de jongere onder hun bescherming en zorgden er voor op hun manier; “bemoederden” ze, zooals ze het noemden, en gaven de zusjes de plaats der onttroonde poppen, met het moederlijk instinct van aankomende meisjes.
“Heeft niemand iets te vertellen? ’t Is zóó’n saaie dag geweest, dat ik naar een opvroolijking verlang,” zei Meta, toen ze ’s avonds bij elkaar zaten te naaien.
“Ik heb nogal een grappigen dag bij Tante gehad, en ik trok vandaag aan ’t langste eind,” begon Jo, die heel graag vertelde. “Ik moest natuurlijk uit dien eindeloozen Belsham lezen, en dreunde maar voort, zooals gewoonlijk, want Tante valt gauw in slaap, en dan haal ik het een of ander mooi boek voor den dag en lees als een bezetene, totdat ze wakker wordt. Vandaag werd ik er zelf slaperig van, en voor dat ze nog begon te knikkebollen, gaapte ik zoo hoorbaar, dat ze mij vroeg, wat ik er mee bedoelde mijn mond zoo wijd open te zetten; ’t was of ik het heele boek wel zoo wou opslokken.
“Ik wou dat ik het kon, dan was ik er af,” zei ik met een ernstig gezicht.
“Jullie begrijpt, toen kreeg ik een lange preek over mijn verkeerdheden en raadde ze me aan er eens stil over te blijven nadenken, terwijl zij zich eens voor een oogenblikje “van binnen zou gaan bekijken.” Nou, dat “oogenblikje” duurt gewoonlijk nogal heel lang, en zoodra ik dus haar muts zag heen en weer wiebelen als een topzware dahlia, haalde ik “De predikant van Wakefield” uit mijn zak, en las zoo vlug ik kon, met één oog op hem en één op Tante. Ik was juist gekomen, tot waar de heele familie in ’t water valt, toen ik hardop begon te lachen. Ik dacht niet meer aan Tante, dat snap je! Ze werd wakker, maar bleek na haar slaapje wat beter gehumeurd, commandeerde me, haar een eindje voor te lezen en eens te laten zien, welk beuzelachtig boek ik de voorkeur gaf boven den waardigen en leerzamen Belsham. Ik deed mijn uiterste best en ’t beviel haar puik, maar ze zei niets anders dan:
“Ik begrijp niet waar dat allemaal over is; begin nog eens van voren af aan, kind!”
Ik begon opnieuw en maakte de Primroses zoo belangwekkend mogelijk. Toen ’t haar juist erg boeide, hield ik midden in een passage op en zei zachtzinnig: “Ik ben bang, dat het u vervelen zal, Tante; wil ik nu maar uitscheiden?”
Ze nam haar breiwerk op, dat ze had laten vallen, keek mij heel scherp aan door haar bril en zei kortaf:
“Lees het hoofdstuk uit en wees niet brutaal, jongejuffrouw.”
“Erkende ze later, dat ze ’t mooi vond?” vroeg Meta.
“Wel neen! maar ze liet den ouden Belsham gelukkig rusten, en toen ik van middag terugkwam om mijn handschoenen, zat ze weer zoo verdiept in haar lievelingsschrijver, dat ze niet eens hoorde, hoe ik in de gang liep te springen en te dansen, uit blijdschap over [37] den goeden tijd, die ophanden is. Wat zou ze een plezierig leven kunnen hebben, als ze maar wou. Ik benijd haar niets, al heeft ze ook nog zooveel geld, want alles wel beschouwd, hebben rijke menschen bijna evenveel moeilijkheden als arme, geloof ik,” voegde Jo er philosofisch bij.
“Nu schiet mij ook iets te binnen om te vertellen,” zei Meta. “Het is niet zoo leuk, als dat van Jo, maar ik heb er op mijn terugwandeling over loopen denken. Bij de Kings vond ik vandaag alles van streek, en een van de kinderen zei, dat haar oudste broer iets heel verschrikkelijks had gedaan en dat Papa hem weggejaagd had. Ik hoorde mevrouw King schreien en mijnheer King heel hard spreken, en Grace en Ellen keerden hun gezicht af, toen ze mij voorbijgingen, om niet te laten zien hoe rood hun oogen waren. Ik vroeg natuurlijk naar niets; maar ’t speet me zoo voor hen allemaal, en ik was eigenlijk blij, dat ik geen broer had, die slechte dingen deed en de familie onteerde. Ontzettend lijkt me dat.”
“Nu maar, ik vind, op school te pronk gezet te worden ook iets ontzettends,” zei Amy en schudde haar hoofd, alsof haar ondervinding in het leven al bijzonder treurig was. “Susie Perkins kwam van morgen op school met een beelderig ringetje aan, met een donkerrood steentje. Ik wou het vreeselijk graag hebben, en dacht maar al: hè, ’k wou dat ik Susie was! Maar later teekende ze een portret van meneer Davis, met een monsterachtigen neus en een bochel, en de woorden: “Jonge dames, mijn oog is op u gevestigd,” kwamen uit zijn mond in een soort van ballon. Wij stikten er om, maar opeens was zijn oog op ons gevestigd, en schreeuwde hij Susie toe, hem haar lei te brengen. Ze was geparalitizeerd van schrik, maar ging toch en o, wat denk jullie, dat hij deed? Hij trok haar bij een oor, verbeeld je! is het niet verschrikkelijk en duwde haar onder het bord, waar ze een half uur moest blijven staan en haar lei zóó voor zich houden, dat iedereen de teekening zien kon.”
“Moesten de meisjes niet onbedaarlijk lachen?” vroeg Jo, die erg veel schik had in het geval.
“Lachen! geen een, ze zaten zoo stil als muizen en Susie schreide vreeselijk, dat kan ik je wel zeggen. Ik benijdde haar toen heusch niet meer, want ik geloof, dat zelfs duizend gouden ringetjes mij na zooiets niet meer gelukkig zouden hebben gemaakt. Nooit, nooit zou ik zoo’n vernederenden morgen hebben kunnen doorkomen,” en Amy naaide weer voort, in het trotsch bewustzijn van haar braafheid en het gelukkig ten einde brengen van zoo’n sierlijke zinsnede.
“Ik heb heelemaal vergeten aan tafel te vertellen, wat ik van morgen voor aardigs gezien heb,” kwam nu ook Bets uit den hoek, terwijl ze al pratende Jo’s rommelig mandje opruimde. “Toen ik voor Hanna oesters ging halen, was mijnheer Laurence in den vischwinkel, maar hij zag me niet, want ik stond achter een ton en hij was bezig met Cutter, den vischboer. Toen kwam er een arme [38] vrouw met een emmer en luiwagen en vroeg Cutter, of ze de straat mocht schrobben voor wat visch, omdat ze geen eten had voor haar kinderen en haar werk was misgeloopen. Cutter had haast en zei nogal knorrig: “Neen,” en ze wou al hongerig en bedroefd weggaan, maar toen schoof mijnheer Laurence haar met zijn wandelstok een grooten visch toe. ’t Arme menschje was zoo blij en verbaasd, dat ze den visch in haar arm nam en mijnheer wel tienmaal bedankte. Hij zei, dat ze nu maar gauw heen moest gaan en den visch dadelijk koken; en toen liep ze dolblij, op een drafje, naar huis. Aardig van hem, hè? O, ze zag er zoo grappig uit, toen ze dien grooten, glibberigen visch zoo aan haar hart drukte en zei, dat mijnheer Laurence er den hemel aan had verdiend.”
Toen allen over Bets’ verhaal waren uitgepraat, vroegen de meisjes of Moeder niets beleefd had en na een oogenblik nadenkens begon Mevrouw March:
“Terwijl ik van morgen blauw baaien borstrokken zat te knippen in het magazijn, voelde ik me ongerust over Vader, en dacht er over hoe eenzaam en bedroefd we toch zouden zijn, als hem eens iets overkwam. Dat was nu wel niet heel wijs van me, maar ik bleef aan het tobben, totdat er een oud man binnenkwam met een briefje voor enkele dingen. Hij ging dicht bij me zitten en ik sprak hem eens toe, want hij zag er zoo arm en vermoeid en bezorgd uit.
“Heb je zoons in ’t leger?” vroeg ik, want het briefje, dat hij bracht, was niet voor mij.
“Ja mevrouw,” vertelde de man, ik had er vier, maar er zijn er al twee doodgeschoten en één zit gevangen, en nu ga ik den vierden eens opzoeken. Die ligt hard ziek in een hospitaal in Washington.”
“Je hebt wel veel voor je vaderland over gehad,” zei ik, en ik voelde nu eerder hoogachting dan medelijden.
“Geen zier meer dan ik moest, mevrouw. Ik zou zelf gaan, als ik maar iets waard was; omdat ik het niet ben, geef ik mijn jongens, en ik geef ze van heeler harte.”
“Hij sprak zoo opgeruimd, keek me zoo oprecht aan, en scheen zoo gelukkig, dat hij zijn alles geven kon, dat ik mij over mijzelf schaamde. Ik had maar één man gegeven en vond het veel, terwijl hij er vier gaf zonder morren; ik had al mijn dochtertjes thuis om mij te troosten, en zijn laatste zoon wachtte mijlen ver op hem, om hem misschien voor altijd vaarwel te zeggen. Ik voelde mij zoo rijk, zoo gelukkig, toen ik mijn voorrechten overdacht, dat ik een flink pakje voor hem maakte, hem wat geld gaf en hem hartelijk dankte voor de les, die hij me gegeven had.”
“Vertel nog eens wat, Moeder, zoo’n soort verhaal, als dit. Ik denk er graag later nog eens over na, als het wezenlijk gebeurd en niet te preekachtig is,” zei Jo, na een oogenblik van algemeen stilzwijgen.
Mevrouw March glimlachte en begon terstond, want ze had sinds jaar en dag vertelseltjes verteld aan dit kleine gezelschap, en wist, hoe ze bezig te houden. [39]
“Er waren eens vier meisjes, die alles bezaten, wat ze noodig hadden; kleeren, eten en drinken in overvloed, tal van gemakken en genoegens, lieve vrienden en ouders, die ze innig liefhadden, en toch waren ze niet tevreden. (Hier wierpen de hoorderessen elkander steelsgewijze blikken toe en begonnen ijverig te naaien). Deze meisjes verlangden niets liever dan goed te zijn en namen veel flinke besluiten, maar—ze kwamen ze niet al te best na en zeiden gedurig: “Als wij dit maar hadden,” of: “Als we dat maar konden doen,” heelemaal vergetende, hoeveel ze al hadden, en hoeveel prettige dingen ze toch al konden doen; daarom vroegen ze eens aan een oude vrouw, of ze hun niet een toovermiddeltje kon geven om zich gelukkig te voelen, en het oudje antwoordde: zoodra als je ontevreden bent, denk dan eens na, over je zegeningen, en weest dankbaar.” (Hier keek Jo plotseling op, alsof ze iets wilde zeggen, maar ze veranderde van gedachte, toen ze zag, dat het verhaal nog niet uit was).
“Daar ze verstandige meisjes waren, besloten ze haar raad op te volgen en weldra waren ze verbaasd over de goede uitwerking. De eene ontdekte, dat geld niet bij machte is schande en droefheid uit de huizen der rijken te bannen; een andere, dat zij, hoewel arm, vrij wat gelukkiger was door haar jeugd, gezondheid en opgeruimd humeur, dan zekere knorrige, zwakke, oude dame, die niet genieten kon van haar schatten; een derde dat, hoe onaangenaam het ook wezen mocht het eten te helpen klaarmaken, ’t nog veel harder was er om te moeten bedelen, en de vierde, dat zelfs gouden ringetjes niet zooveel waard zijn als een goed gedrag. Daarom sloten ze een verbond, niet langer te klagen, maar te genieten van het geluk dat ze hadden en te trachten zich dat waardig te maken; en ik geloof, dat ze nooit teleurgesteld werden of berouw kregen, dat ze den raad van die oude vrouw hadden opgevolgd.”
“Moeder, Moeder, dát is ondeugend van u, om onze eigen verhalen als een wapen tegen ons te gebruiken en ons een preek te geven, in plaats van een lang verhaal,” riep Meta.
“Ik houd wel van dat soort van preeken; ze lijken op die van Vader,” zei Bets, terwijl ze peinzend de spelden op Jo’s kussentje gelijk stak.
“Ik klaag niet half zooveel als de anderen, en ik zal nu meer dan ooit mijn best doen, want ik heb een waarschuwing gehad door Susie,” zei Amy op zedigen toon.
“We hadden het lesje noodig en zullen het niet vergeten. Als we het soms doen, moet u maar tegen ons zeggen, wat Tante Chloe in de negerhut zei: “Denk aan je voorrechten, kinders, denk aan je voorrechten,” voegde Jo er bij, die, al zou het haar ook haar leven gekost hebben, niet nalaten kon uit de kleine preek een grapje te halen, hoewel ze die even goed ter harte nam als de anderen. [40]
“Wat ter wereld ga je nu doen, Jo?” vroeg Meta op een sneeuwachtigen middag, toen haar zuster de gang door kwam stappen, met overschoenen aan, een ouden mantel om, een versleten hoed op het hoofd, een bezem in de eene hand en een schop in de andere.
“Buiten wat bewegingen nemen,” antwoordde Jo met van ondeugendheid flikkerende oogen.
“Ik zou denken, dat twee lange wandelingen per dag genoeg waren. Het is koud en akelig buiten, en ik raad je, liever warm en droog bij ’t vuur te blijven, zooals ik van plan ben,” zei Meta huiverend.
“Ik volg nooit iemands raad op, ik kan niet den heelen dag stilzitten, en omdat ik nu eenmaal geen poes ben, houd ik er niet van bij het vuur te zitten dommelen. Ik houd van avonturen, en ik ga ze opzoeken.”
Meta ging weer in de kamer om haar voeten te roosteren en “Ivanhoe” te lezen, en Jo toog met grooten ijver aan ’t werk. De sneeuw lag niet hoog en met haar bezem had zij gauw een pad schoon geveegd, de heele lengte van den tuin, zoodat Bets, als de zon doorkwam, zou kunnen wandelen, want de zieke poppen hadden behoefte aan frissche lucht. Het huis der familie March grensde aan dat van den heer Laurence; beide lagen in een der buitenwijken, waar het nog landelijk was, met boschjes en laantjes, groote tuinen en stille straten, en een lage heg scheidde de twee eigendommen. Aan de eene zijde stond een oud, bruin huis, dat er wel wat kaal en armoedig uitzag, nu het beroofd was van de dichte wijngaard-blâren, die in den zomer zijn muren bedekten, en van de bloemen, die het dan omgaven; aan de andere zijde een statig steenen gebouw, dat duidelijk de kenteekenen droeg van gemak en weelde: van het groote koetshuis en den goed onderhouden tuin af, tot de serre toe, terwijl men hier en daar tusschen de zware gordijnen door, een kijkje kon nemen van de weelde daar binnen. Toch scheen het een eenzaam, uitgestorven soort van huis, want geen kinderen stoeiden op het grasveld, geen moederlijk gelaat glimlachte ooit achter de vensters en zelden ging er iemand in of uit, behalve de oude heer en zijn kleinzoon.
Voor Jo’s levendige verbeelding scheen de mooie villa een soort van betooverd paleis, vol heerlijke, wonderlijke dingen, waarvan niemand genoot. Ze had er al lang naar gehunkerd deze verborgen pracht eens te zien en “die jongen van hiernaast” te leeren kennen, die er wel naar uitzag, alsof hij kennis wilde maken, als hij maar wist hoe te beginnen. Sedert de partij was ze begeeriger dan ooit geweest en had ze menig plan gemaakt om vriendschap met hem [41] te sluiten; maar in den laatsten tijd scheen hij nooit voor den dag te komen, zoodat Jo al begon te denken, dat hij weg was, toen ze op zekeren dag voor een der bovenvensters, een gebruind gezicht zag verschijnen, dat met verlangende oogen naar hun tuin tuurde, waar Bets en Amy elkander met sneeuwballen gooiden.
“Die jongen snakt naar gezelschap en vroolijkheid,” zei ze tot zich zelf. “Zijn grootvader weet niet wat goed voor hem is en houdt hem eenzaam opgesloten. Hij heeft behoefte aan een troep jongens om mee te spelen, of aan iemand die jong en vroolijk is. Ik heb grooten lust eens over te wippen en dat aan den ouden heer te gaan vertellen.”
Dat denkbeeld vatte post bij Jo, die graag waagstukken volbracht en Meta altijd ergerde door haar wonderlijke bedenksels. Het plan om “over te wippen” werd niet vergeten, en toen de sneeuwmiddag kwam, besloot Jo eens te probeeren wat ze kon doen. Zoodra ze mijnheer Laurence zag wegrijden, stapte ze naar buiten om een pad tot aan de heg te maken, waar ze even rust hield en eens rondkeek. Alles was stil, de gordijnen beneden waren neergelaten, de bedienden ni