The Project Gutenberg EBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Over literatuur
       Critisch en didactisch

Author: M.H. Van Campen

Release Date: November 20, 2005 [EBook #17077]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***




Produced by Marc D'Hooghe





OVER LITERATUUR

CRITISCH EN DIDACTISCH

door

M.H. VAN CAMPEN

EERSTE BUNDEL


Inhoud

I. CRITISCH


BRIEVEN OVER LITERATUUR

[p.7]

I.

Sogar nun aber unter der kleinen Anzahl von Schriftstellern, die wirklich, ernstlich und zum voraus denken, sind wieder nur äusserst wenige, welche über die Dinge selbst denken: die übrigen denken bloss über Bücher, über das von Andern Gesagte. Sie bedürfen nämlich, um zu denken, der nähern und stärkern Anregung durch fremde, gegebene Gedanken.... Jene ersteren hingegen werden durch die Dinge selbst zum Denken angeregt.... Unter ihnen allein sind Die zu finden, welche bleiben und unsterblich werden.

Schopenhauer.

Gelijk alle menschen, die meenen behept te zijn met neiging tot zelfmoord (de heer Cornelis Veth had op te nadrukkelijke wijze haar aanwezigheid in mij aangetoond, dan dat ik hem niet zou geloofd hebben!) heb ik geruimen tijd met die allerluguberste idée, welke een mensch kan hebben, rondgeloopen, ja, zat ik zelfs een pooze—ik vermoed in Werther-houdingen—met dezen Schopenhauer'schen dolk te spelen, vóór ik hem mij in 't lichaam stootte. Maar nu het gebeurd is en ik niet dood ben—er zijn geen taaier wezens dan hollandsche literatoren—voel ik een ontspanning ingetreden, en onder het rustigjes verscheuren mijner gewaand-laatste beschikkingen, waaronder belangrijke literaire onthullingen, 'n chronique ... litéraire—haha, dat gaat alweer uw neus voorbij, m'n waarde lezer!—ben ik toch wel een beetje aan de juistheid van des heeren Veth's [p.8] observaties gaan twijfelen. Als het eens, overwoog ik, niet anders dan de verfijnde wreedheid ware, bij een décadent lettré èn l'art-pour-l'art-man toch van rechtswege behoorend, welke—afschuwelijk tegendeel van den edelen moed der groote wetenschapshelden, die met twijfelachtige geneesmiddelen op eigen lichaam experimenteeren!—mij ertoe gebracht had, de scherpte van dit wapen op mij-zelf te beproeven, vóór er mijne slachtoffers mee te kerven?... Maar ik griezelde van zooveel sadistische perversiteit en —bekeek mij eens in den spiegel. Nee, glimlachte ik met een oprechte zucht van verlichting, dat kan niet waar zijn, bij zóó'n gezicht!.... Maar wàt was het dan?... En ik ... Doch de lezer gelieve hier wel te verstaan, dat ik niet uit louter zelfoverschatting mij hier te analyseeren zit, integendeel: een algemeen belang van de allergewichtigste soort, dat der toekomstige geslachten van literatoren, noopt mij ertoe, want: indien Schopenhauer gelijk heeft—en ik twijfel daaraan niet!—dan rust op ons allen, letterkundigen van dezen tijd, de dure plicht, teneinde het meerendeel onzer literaire naneven voor verhongeren te behoeden, zooveel mogelijk te schrijven, te schrijven, te schrijven en, voor zoover we 't niet anderen doen, ons zelf te bepiekeren—want òns geschrijf over boeken, dat is een tè mágere erfenis ... dat zou worden een aftreksel van het aftreksel van thee!...—en de resultaten daarvan te boekstaven, vóóral! Eéne behoorlijk uitgeplozen en gepubliceerde zelfmoord-neiging van mij wordt zoodoende voor mijn letterkundig kleinkind in het jaar 2000 een malsche beafstick; wellicht, o zalige gedachte, met een half fleschje wijn erbij en een Bockje na. Terwijl de gróóte schrijvers van dezen tijd, o, dàt ìs niet te zeggen ... voorzeker zullen zij eens in het heerlijke bewustzijn kunnen sterven, dat aan hun "eêlste deel" zich gedurende onafzienbare jaren meer duizenden "artiesten" zullen zat eten dan tientallen kannibalische bourgeois het hadden gedaan, wanneer zij waren geslacht—'t geen in de jaren '80-'90 menigeen, dunkt mij, graag hadde gewild—en pondsgewijze waren verkocht. En dus.... ga ik getroost [p.9] verder: Ik vroeg me zelf af, zou het ook een soort amok-makerige baloorigheid kunnen zijn? En werkelijk, tenzij de scherpzinnige lezer, na lezing van dit opstel, een betere oplossing hebbe gevonden, acht ik deze de meest waarschijnlijke. Want by Jove, ik heb er alle reden toe. Maar hier beginne een nieuwe paragraaf. Dat is ordelijker.

De heer Robbers heeft de betreurenswaardige gedachte gehad een uitstekend artikel in Elzeviers' Maandschrift te schrijven over Frans Coenen's Charles Dickens en de Romantiek. Betreurenswaardig: want waar blijf ìk nou, mèt al mijn edelmoedigheid, die me reeds tot in de ziel verwarmde?! Toen ik namelijk het werkje des heeren Coenen gelezen en daaruit vernomen had, dat Dickens tot die "klassieken" behoort, "welke men kent en eert, doch maar weinig leest," toen dacht ik zoo bij me zelf: kijk nou eens aan, daar zit ik nou met verreweg het meerendeel mijner moderne mede-literatoren in glorie en rijkdom, onze boeken worden met wagenvrachten langs de straten gekrooien; elke maand ziet een nieuwe uitgaaf onzer werken; het volk verafgoodt ons—gelijk het Dickens deed in zijn tijd—; het dráágt ons, wij leven erùit, wij leven erméde—gelijk Dickens in zijn tijd—; het rukt onze werken uit de handen der boekverkoopers en loopt uren ver, om ons te lézen, te lézen—gelijk bij Dickens in zijn tijd—; daar zit ik nu, onder mijn medegelukkigen ... laat mìj dien armen klassieke, die bijna niet meer gelezen wordt—is zoo iemand niet als een rijkaard, die door een hevige kwaal niet van zijn rijkdom kan genieten?—eens een beetje in de hoogte werken, zooals ook Coenen, waarlijk met zooveel welwillendheid, heeft gedaan, èn laat mij 't doen naar aanleiding van dièns werkje. Dan kan ik ook hem meteen de hulde brengen die hij verdient.... En ziedaar, daar sla ik Elsevier open, en daar hei je waarachtig dat artikel van Robbers....

Maar kòm! Nu verveelt het mij en U verveelde het allang—weg nu met die verduivelde scherts—sarcasme is verduivelde scherts—en in ernst: de heer Robbers heeft, in [p.10] zijn waarlijk uitstekend artikel, op zijn hoffelijke manier, den heer Coenen niet malsch te pakken genomen, 't Is waar, als Robbers schermt, dan schermt-ie met 'n dopje op z'n floret, maar wat doet 't ertoe: menigeen is een touche in een arena, midden duizenden toeschouwers, pijnlijker dan een snijdende, doorborende degenstoot op een afgelegen plek. En met al de hoogachting voor des heeren Coenens geacheveerd kunnen, zeg ik hier ronduit, dat het mij niet ongevallig zou zijn, indien hij tot die "menigeen" behoorde. Ziehier Robbers eersten stoot:

Somtijds meent men de beschouwing bij te wonen van een monumentaal beeldhouwwerk door een liefhebbend verzamelaar van fijn-artistieke bibelots, ziet men den snuffelaar om het reuzenwerk heensluipen, loupe in de hand, zijn opgetogenheid over détails, zoowel als zijn misprijzen—op delikaten schertstoon—van de brute ruwheid der hakkerij, uitende met overvloedig 'gebruik van nu eens wat nuffig, dan weer bedrukt, vaak vooral plagerig klinkende bevestigingswoordjes als: "waarlijk," "heusch," "inderdaad"....

Tweede stoot: (Maar denk aan het dopje!)

Er zijn pagina's in dit boekje bij de afzonderlijke lectuur waarvan men zou kunnen meenen, dat de zeer ontwikkelde schrijver het werk van een ouderen, maar veel minder vergevorderden broer onder handen genomen had—zoo goedig beschermend of vriendschappelijk bespottend is daar de toon.

Derde stoot:

Als bij vele in dit eerste gedeelte van Coenens boekje, met voor dezen schrijver ongewone stelligheid neergeschreven beweringen, zoo vraagt men zich ook hierbij af: hoe weet hij dat toch allemaal zoo precies? Hoe komt hij er eigenlijk aan? Statistische bevestiging ontbreekt ten eenenmale, en ik voor mij heb gansch andere informaties ontvangen. Ook nu nog bleek mij Dickens, althans in zijn eigen taal, tot de meest gezochte schrijvers te behooren. Het aantal edities, thans nog in den handel, van Copperfield en Pickwick, Christmas Carol en Chimes is legio, en engelsche uitgevers zijn onverdacht praktische menschen, zij bestendigen geen uitgaven, waar geen gang in zit. En wat betreft de meening dat de koopers dezer uitgaven vooral onder de "meer eenvoudigen van hart" —en dan ook zeker wel "kleineren van beurs"—moeten worden gezocht, vanwaar dan, vraag ik, al die, telkens opnieuw verschijnende, dure [p.11] geïllustreerde en luxe-edities, voor genoemde harten, en hun bijbehoorende beurzen, onbereikbaar? Mocht Coenen bedoelen dat de groote volksschrijver nu juist niet meer tot de lievelings-lectuur behoort van literaire fijnproevers, noch der heeren literatoren zelf, zoo geef ik hem gelijk, doch ziet, al ziet! welk een armzalig hoopje vertoont te midden van het lezende menschdom deze in anderen gedachtengang zoo kostbare rubriek!

De ironie is dubbel en dwars verdiend....

Kent gij, lezers, Maeterlinck's "L'Oiseau bleu"?.... Daar gaat een jongetje met zijn lief zusje op weg, den blauwen vogel te zoeken, "welks bezit noodzakelijk is voor ons geluk." Na veel omzwervingen komen zij ook in het domein van den nacht. De poort van een wondren, maanlichten sprookjestuin gaat voor hun verrukte oogen open. Ze juichen: Voedend zich met manestralen, zweven millioenen en millioenen blauwe vogels daar. De kinderen grijpen er zooveel ze maar grijpen kunnen. Maar zoodra ze naar buiten zijn getreden in den dag, blijken de wondere vogels gestorven. De onnoozelen wisten niet dat de ware blauwe vogel, die ook onder 't zonlicht leven kan, zich schuil hield, onvindbaar, onder de millioenen anderen.... O lezers, sterven ook zoo niet onze blauwe vogels—die van de méésten onzer, moderne kunstenaars—die we zagen zweven, die we hoorden zingen in den schemernacht onzer ziel, zoodra we hen, toch omkoesterd met duizend zorgen, naar buiten brengen, naar den dag der menschen-maatschappij, den dag van het volk. En wij zouden hooghartig doen tegen dien Groote, die elk huis een zanger schonk, onsterfelijk, een levend lied met vreugde doorklinkend de dagen en dat de zoete ontroering de hunkerende harten inzingt. O, als dan door welke onontkoombare samenloop van omstandigheden, door welke dorheid van innerlijk ook, of ongunst van den tijd, het ons niet vergund is te geven, laat ons dan ten minste ontvangen met overgave en innige dankbaarheid. Ook dat is iets, en zelfs véél....

Doch Robbers laakt niet alleen, maar prijst ook:

.... er zijn er ook, gelukkig, waarin op warme, uiterst gevoelige en zeer juist omschrijvende wijze schitterende schoonheden [p.12] worden aangeduid in een ontzaglijk oeuvre, dat met eerbied wordt genoemd. En deze erkenningsvolle bladzijden, ze zijn op hun beurt door ons, hun lezers, ten zeerste te waardeeren.

En later:

Overigens, het mag wel eens herhaald worden, hulde aan Frans Coenen voor zijn fijn opmerken en welsprekend aantoonen van zoovele schoonheden in dit oude werk. Een nuttig boekje daarom, het zijne. Want het is goed te leeren onderscheiden, en ook voor de literaire fijnproevers blijkt nog menige schat te vinden in deze, door hen althans, bijkans verlaten mijn.

Dit artikel is ongetwijfeld een van de allerbeste kritieken, die Robbers ooit geschreven heeft. En nu: ik heb, niet zonder connaisseurigen glimlach de elegante bewegingen van Robber's floret beschouwend, zoo langzamerhand de overbodig geworden gevederde pijlen weggeworpen, waarmede ik, als een ongetwijfeld opzichtige held van Aimard zou hebben gestreden, en mij getooid—laat mij nu als een zeer kalm en bezadigd Hollander ook het mijne van Coenen's werk zeggen:

Alle Schuld rächt sich auf Erde. De heer Coenen, die, indertijd Scharten's Krachten der Toekomst besprekend, het sterk in deze prees, dat hij een keur zijner kritieken had laten herdrukken en niet zooals anderen, "uit zelfoverschatting of onverschilligheid, die slechts op wat materieel voordeel belust is," alles gebundeld had—de heer Coenen werd thans door het wrekend Noodlot met dit ééne uit zijne honderdtallen kritische opstellen naar de boekpers geduwd, en terwijl hij niets kwaads vermoedend, genoeglijk de bladzijden zich tot een boek zag stapelen, grijnsde het Noodlot achter zijn rug en over zijn hoofd heen tot ons, zijn recensenten: "Vraag hem nou ereis, of dat nu op minachting van al zijn ander kritisch werk berust en zoo ja, waarom hij dan zoo "onverschillig is," toch maar altijd door te blijven recenseeren—òf dat het berust op het bewustzijn, dat de namen al dier andere, door hem behandelde auteurs, niet zulke betrouwbare en olie-opzuigende "drijvertjes" zijn, als die van den "klassieken, slechts weinig meer gelezen wordenden" Dickens?"

[p.13] Maar ik zou geen mènsch moeten zijn, die altijd door het noodlot tot iets gedwongen wordt, om nu het mij iets verzòcht, dat niet lèkker te weigeren! Ik stel de vraag dus niet, doch alleen haar mogelijkheid, om even te laten gevoelen, dat het maken van onheusche gissingen alleen, door objectieve kritiek dient vermeden. Ik geloof: de vraag is malligheid. De heer Coenen heeft eenvoudig, zijn ander kritisch werk goed achtend, dit boek iets beters geacht. Maar hier mag dan toch weer de recensent te voorschijn treden en beweren dat dit een dwaling is: het tegendeel is het geval. Want die andere opstellen staan voor het meerendeel in levensgevoel niet beneden, vaak zelfs boven hun onderwerp. Dit is ver beneden het zijne. Tegenover the gentlemen who write, die Coenen zoo vaak behandelt, mag hij zoo glimlacherig-cynisch, zoo nemerig-en-geverig zijn als hij wil, op enkele uitzonderingen na staat hij tegenover gelijken, meest tegenover minderen.... Maar nu tegenover Dickens!... Gewaden en versierselen af, menschenkind, als bij de Multatuliaansche Gnomen, en hoe rouwiger uwe versierselen zijn des te eerder, want rouw past niet bij het kern-leven, bij het wàre, blijde leven.... Hij gaf zijn zièl, hij heeft recht op de uwe.... En wat tot de ziel is geraakt, dat weifelt niet meer, dat is fel, dat is sterk.... Hij heeft recht op uw zielsweerzin, op uw zielsliefde.... De kleine afkeertjes en genegenheidjes van uw gevoelig verstand en uw verstandig gevoel zijn véél te klein voor hem.... Kunt gij met geen andere dan deze tot hem treden, om uws zelfs wil, ga dan niet.... En hiermede ben ik meteen tot mijn gewichtigste bedenking tegen 's heeren Coenens werk genaderd: dat het bij al zijn groote deugden en geringe fouten, twee enorme tekortkomingen heeft. Doch tekortkomingen zijn niet ontleedbaar, maar meetbaar. Straks beschik ik over den maatstaf, daartoe noodig. Nu eerst de deugden etc. Daar hebt ge dan onmiddellijk de voortreffelijke Inleiding, waarin de schrijver den kultuurstroom van middeleeuwen, renaissance en laat-renaissance volgend en ten slotte in het Engeland van het begin der negentiende eeuw belandend, historisch de Dickens-figuur, zijn wording en zijn tijd verklaart. [p.14] In dat hoofdstuk treffen wij ook dat uitstekend-ontledend stukje over het wezen der "Weltschmerz" aan. Laat mij ronduit erkennen, dat ik tot dengeen, die zulk een gedegen, goed onderlegd en wijd-omvattend betoog kan schrijven, zonder dat er klaarblijkelijk eenige andere geestelijke kracht in hem werkzaam is, dan zijn eigen doodgewoon, wetenschappelijk gevormd verstand, jaloersch zit op te kijken, niet om de ten slotte weinig diepgaande historische kennis—daar is waarlijk makkelijk genoeg aan te komen—maar om de technische vaardigheid, de routine. Het "verraadt" namelijk den akademisch gevormde, in tegenstelling vooral met den autodidact; den gedisciplineerden geest, in tegenstelling met den ongedisciplineerden. En de voortreffelijkheid van dit stuk schijnt mij dan ook al evenzeer de buitengewone geschiktheid van den auteur voor het kalme analytisch betoog, als het wenschelijke eener wetenschappelijke opleiding voor den aanstaanden homme de lettres te bewijzen. Ik zou den niet breeden, maar fijnen psychologischen doorgronder en preciesen weergever, die Coenen is, onrecht doen, indien ik niet even het stukje aanhaalde, dat de historische beschouwing afsluit, over het Engeland, waarin Dickens leefde en beroemd werd:

Men kan het zich denken als een samenleving van brutale en opzichtige menschen, die zich druk en aanstellerig gedroegen, ook dwaasheden uithaalden, hun leven moedwillig vergooiden, het onmogelijkste aandurfden en soms schitterend slaagden, die met hartstochtelijken trots en hardheid hun medemenschen bejegenden, maar soms in eens omsloegen in het weekste meegevoel, die in 't algemeen de wereld door een vergrootglas beschouwden en het nuchter gewone niet verdroegen ... maar, desondanks en alles saamgenomen, toch zeer rustig en regelmatig leefden en arbeidden, als Britsche burgers, die carrière willen maken en vóór alles op godsdienst en fatsoen gesteld zijn.

Ook in het tweede hoofdstuk Dickens' Jeugd zal de lezer dezelfde eigenschap te waardeeren hebben. En hierbij denk ik vooral aan den daarin geboden schets van Dickens als parlementair verslaggever. In het derde, De Pickwickpapers, vallen als voortreffelijke bladzijden op die over de romantiek [p.15] met het diep begrip van wat haar oorsprong vooral in dien tijd was: Verlangen naar "zelfvergetelheid en eenheidsvoelen." Voorts dat stukje over de blague en den esprit, waarin deze in hun droge en hoogmoedige en vaak toch van zoo laag allooi zijnde verstandelijkheid worden vergeleken met Dickens' rijke, sappige, waarlijk comische geestigheid. Het vierde hoofdstuk Dickens' Romanfiguren bevat tal van goed-critische opmerkingen zooals de volgende:

Zoo werden, als gezegd, ook Dickens' verhalen tot leerscholen van Goed en Kwaad en zijn helden en heldinnen meerendeels niet anders dan personificaties zijner zedelijke opvattingen. Men had de zeer Engelsche ondeugden van Zelfzucht, Hoogmoed en Huichelarij en de algemeene van Gierigheid, Haat, Nijd, Wankelmoedigheid, Lichtzinnigheid, enz. Men had ook hun contrasten, de Deugden van Toewijding, Zelfopoffering, Nederigheid, Eenvoud, Oprechtheid, Vroomheid en wat dies meer zij. Van de eene en van de andere heeft Dickens menschen gemaakt.

Hoe hij dat laatste deed meent Coenen aldus te kunnen verklaren: hij bekleedde deze abstracties met "het uiterlijk—meest een zéér goed geobserveerd en realistisch uiterlijk—van menschen." Deze verklaring acht ik ernaast en vooral eronder. Heeft wellicht de geschiedenis met Leigh Hunt hier Coenen tot generaliseeren verleid?

Al deze personen blijven star onveranderd door het gansche boek heen, als antieke maskers, of wel zij veranderen naar de behoefte der intrige en zonder de minste waarschijnlijkheid plotseling geheel.

Deze opmerking is weliswaar niet nieuw, zij komt reeds voor in.... Straks! Maar aan de zegging merkt men onmiddellijk, dat Coenen onbewust van haar bestaan elders, het zelf heeft gezien. Maar wat we vooral in dit hoofdstuk te waardeeren hebben is die ook door Robbers aangehaalde passage, waarin "deze snuffelaar-met-'n-loupe" zoo krachtig en ruim-geestelijk uit den hoek komt en het opneemt voor de groot-epische vertellers als "Balzac en Dickens" tegen degenen, die hen verwijten, dat zij niet nauwgezet hun taal verzorgd hebben. In het hoofdstuk Dickens' Ontwikkeling en latere Romans is vooral interessant het aangeven der tegenstelling [p.16] tusschen de kunst der Naturalisten en de fantasievolle van Dickens; ook dat stuk over het "romantische gevoel" in Dickens, waarbij de lezer zich niet weerhouden kan smakelijk te glimlachen over het verschil tusschen deze en Coenens droge nuchterheid. Maar om van op te springen is, tusschen al dat vlakke en precies-voorzichtige, deze onbewust enthousiaste uiting:

Dit is Dickens' romantiek, die hij voor ons zoo realistisch waar maakt, dat wij kunnen meenen, hetzelfde eiken dag te zien gebeuren. Ik weet geen anderen schrijver, die dit zoo sterk heeft gekund en bewezen, dat voor het Realisme de realiteit zelve volkomen ontbeerd kan worden, dat het al verbeeldings-werk is, hetzij men vertelt van de feeënwereld of van de Londensche straat.

Als men hieruit niets anders dan de zeer gewettigde en voor de hand liggende consequenties trekt, bemerkt men, dat Coenen eigenlijk niets meer of minder zegt,—in strijd met andere zijner uitingen—dan dat Dickens de grootste menschenschepper, de grootste werkelijkheidsmaker ter wereld is! Vooral als men deze regels in verband brengt met zijn meening, dat (blz. 86) het ontbreken der objektieve werkelijkheid er ten slotte niets op aankomt. Het laatste hoofdstuk behandelt Dickens' Beteekenis voor ons. Zien wij af van het feit, dat wij nu niet bepaald dáárover wenschen voorgelicht te worden door iemand, die geheel ten onrechte meent, dat Dickens slechts weinig meer door ontwikkelden gelezen wordt, dan brengen ons zoowel de zeer mooie wijsgeerig- psychologische beschouwing over het zich aanpassen van het kind, terwijl het opgroeit, aan de omringende wereld en over zijn geheelen ontwikkelingsgang wier eindpunt slechts de allergrootsten bereiken: dat hun Ik de wereld omsluit—als het verheerlijkende slotwoord, den wensch naar de lippen, dat het gevoel van den schrijver instede van bij het einde, reeds aan het begin van zijn werk op dit hoogtepunt gestaan hadde. Zijn boek zou er voornamer karakter door verkregen hebben. En hier raken wij wat ik de twee enorme tekortkomingen van dit werk noemde. Maar tevens herinner ik mij net bijtijds, dat een overzicht-schrijver vooral anderen aan het woord [p.17] moet laten, wat hij zeker uitstekend vindt, indien hij zijn meening door dien ander zoo voortreffelijk vindt geïllustreerd: In de Fortnightly Review van 1 dezer[1] vond ik een stemmingsvol, mijmerend-wijsgeerig opstel van John Galsworthy: Vague Thoughts on Art. Ik moet U de lezing ten sterkste aanraden. De schrijver ligt op een zomerland, het zonnige leven van hemel, bloemen en dieren over hem, om hem, te peinzen. Gedachten en natuurbeschouwing wisselen elkaar nu telkens af, dringen in elkaar, steunen elkander. Voor mijn doel kan deze kleine aanhaling uit het wijsgeerig deel volstaan.

Art is that imaginative expression of human energy which through technical concretion of feeling and perception, tends to reconcile the individual with the universal, by exciting in him impersonal emotion.

Maar dan: wat is "impersonal emotion"? En ziehier het antwoord:

If I stand before it (voor een voorwerp) vibrating at sight of its colour and form, if ever so little and for ever so short a time, unhaunted by any definite practical thought or impulse—to that extent and for that moment it has stolen me away out of myself and put itself there instead, has linked me to the universal by making me forget the individual in me....

En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, déze is het nu juist, welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de lezer aan zich-zelf ontrukt, bóven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet heeft gedaan. Zijn boekje is—eerste tekortkoming—geen kunst, en—tweede tekortkoming—mist alle overgave, alle enthousiasme. Het is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van kunst zijn zij waardeloos. [p.18] Want evenals diamant slechts door diamant zóó gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt, zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren schrijver zal vinden, maar—onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel, en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de conversatie te pas zullen komen, maar diens ziel?... Doch schrijf nu, geen twintig duizend woorden, maar slechts één zin, waarin uw innigst doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een licht springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt ontroerd, d.w.z. zij is door ù gegroeid.... Zulk een schrijver is G.K. Chesterton: een groot kunstenaar, die met liefde en overgave over een grootere schrijft.

Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het eerste: Charles Dickens, waarvan juist weder een nieuwe druk verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl het de geheele Dickens-figuur behandelt; het tweede: Appreciations and Critisisms of the Works of Ch. Dickens is—precies wat de titel het zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede betreft mij er toe beperken, u de lezing ten zeerste aan te bevelen. Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u niet kan toonen. Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten althans geen [p.19] slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan.

Het onderscheid dan tusschen Coenen en Chesterton ligt vooral in het feit, dat—afgezien ervan, dat het denken van den laatste zich op een veel hooger plan beweegt dan dat van den eerste—het denken van den Hollandschen criticus denken blijft en dat van den Engelschen bijna overal zich plastisch ver-beeldt, d.i. kunst wordt. Ziehier eerst één voorbeeld van Chesterton's metaforische macht, en vervolgens eenige vergelijkingen tusschen de beide schrijvers. Ver-beelding eener wijsgeerige gedachte bij Chesterton:

For religion all men are equal, as all pennies are equal, because the only value in any of them is that they bear the image of the king.

En laat ons nu eens vergelijken. Lees Coenen:

(Dickens had als kind, de) instinktieve zekerheid, dat met goeden wil en eenig nuchter beleid het leven nog wel iets beters kon opleveren dan hun (zijn ouders) ten deel gevallen was.... Toen viel de slag van het bankroet, werd vader Dickens in de Marshalsea gegijzeld en de jonge Charles in de schoensmeerfabriek aan het werk gezet, om zijn eigen kost te verdienen. Het was in zijn tiende jaar.

En nu Chesterton:

He longed to go to school (a strange wish) to go to college, to make a name, nor did he merely aspire to these things; the great number of them he also expected. He regarded himself as a child of good position just about to enter on a life of good luck. He thought his home and family a very good spring-board or jumping-off place from which to fling himself to the positions which he desired to reach. And almost as he was about to spring the whole structure broke under him and he and all that belonged to him disappeared into a darkness far below.

Dàt is beelden. Dat is innerlijk zien.—Beide auteurs vinden het tweede deel van Pickwick oneindig beter dan het eerste. Coenen zegt dit, ongetwijfeld zeer gevoelig, aldus:

Dickens, de handige journalist, heeft plaats gemaakt voor den kunstenaar, wien alleen het leven interesseert en den gegriefden mensch, die een van de schoonste idealen der menschheid, de gerechtigheid, ziet verwrongen en bedorven.

[p.20] Chesterton voelt 't even diep, máár ver-beeldt tevens zijn diep gevoel:

Dickens went into the Pickwick Club to scoff, and Dickens remained to pray.

Hoor beiden over Dickens' fabelachtige populariteit. Coenen:

Al die duizenden lezers voelden blijkbaar de verbeeldingswereld van den schrijver evenzeer als de hunne, en zich gerechtigd mee te beslissen over het lot der boekpersonen, omdat die schepsels nu ook voor hen zoo levend en eigen waren, als verwanten en vrienden, wie men geenszins onverschillig aan kan zien.

Dit is een mededeeling van feiten, die we allen kennen, met een te waardeeren psychologische verklaring, die ook wij-zelf ons konden geven of hebben gegeven. Maar hoeveel wijder, hoeveel dieper is de psychologie, hoe wordt ons door de treffende zegging de geest dier dagen open-geweerlicht in dit:

The modern "Shocker" at its very best is an interlude in life. But in the days when Dickens' work was coming out in serial, people talked as if real life were itself the interlude between one issue of "Pickwick" and another.

Luister naar beiden als ze 't over den huiselijken haard in de Christmas-Tales hebben:

Er zijn zoo gansche gedeelten in Dickens' boeken, die men als doorgloeid gevoelt van het roode haard-vuur, dat voor de Engelschen het gansche familiale leven schijnt te symboliseeren in veilige rust en warmte en waar men de punch en het versche groen van hulsttakken ruikt.

En droomt ge u comfortabel weg in de zeer geslaagde stemmingsweergave van den Hollander, ge wordt weer klaar wakker en wrijft u genoeglijk in de handen bij de raakheid en geestigheid van den Engelschman:

... his Christmas sentiment. It has cosiness, that is the comfort that depends upon a discomfort surrounding it. It has a sympathy with the poor, and especially with the entravagance of the poor; with what may be called the temporary wealth of the poor. It has the sentiment of the hearth, that is the sentiment of the open fire being the red heart of the room. That open fire is the veritable flame of England, still kept burning in the midst of a mean civilisation of stoves.

[p.21] De typische uitbeelding door Dickens van den fog, door Coenen als "tegelijk grappig en eventjes beeldend" gewaardeerd, geeft Chesterton aanleiding tot deze m.i. allerprachtigste fantasie:

... But, considered poetically, fog is not undeserving, it has a real significance. We have in our great cities abolished the clean and sane darkness of the country. We have outlawed night and sent her wandering in wild meadows; we have lit eternal watchfires against her return. We have made a new cosmos, and as a consequence our own sun and stars. And as a consequence also, and most justly, we have made our own darkness. Just as every lamp is a warm human moon, so every fog is a rich human nightfall. If it were not for this mystic accident we should never see darkness, and he who has never seen darkness has never seen the sun.

Zal ik nu nog verder beide schrijvers vergelijken? Neen, schoon ik materiaal in overvloed heb. Zet gij, lezer, mijn werk voort door ze beiden te lezen. Doch tegen al diegenen, waaronder ook Coenen, die beweren, dat Dickens' werken weinig of niets met de weergave van het werkelijke leven hebben te maken, wil ik nog Chesterton's geniale woord hier laten klinken: (En ook Robbers, men leze zijn artikel, heeft deze waarheid gevoeld.)

This life of grey studies and half tones, the absence of which you regret in Dickens, is only life as it is looked at. This life of heroes and villains is life as it is lived. The life a man knows best is exactly the life he finds most full of fierce certainties and battles between good and ill—his own. O yes, the life we do not care about may easily be a psychological comedy. Other people's lives may easily be human documents. But a man's own life is always a melodrama.

Ten slotte: ik ben niet blind voor Chesterton's voorliefde voor het paradoxale òm het paradoxale, de geestigheid òm de geestigheid; ik voel wel heel duidelijk de aanwezigheid bijwijlen van het onweerhouden boordevolle en overloopende, zelfs van het opdringerige. Hierin staat hij ver onder Coenen, die van willen-behagen en praallust even ver verwijderd is als een nachtuil van zonnedienst. Maar men zou jegens beiden onrechtvaardig zijn, indien men in Chesterton's gezelschap, [p.22] zich niet het il a les défauts de ses qualités te binnen bracht, en achter Coenen's rug zich niet een bescheiden maar veelbeteekenend knipoogje veroorloofde tegen het beroemde meisje, dat zoo deugdzaam was omdat ze zoo leelijk was.... Wie deze uiting jegens den voortreffelijken kunstenaar Coenen, dien ook ik hoogacht en waardeer, oneerbiedig mocht vinden—hij vergeet dat ik het alibi van.... den kunstenaar Coenen bewezen heb en hem dus niet oneerbiedig heb kunnen bejegenen: hij was niet aanwezig in dit boekje. Ik ontmoette er alleen den kunstgevoelige....

Als tijdschriften, die zeer lezenswaardige Dickens-bijdragen hebben, noem ik de Nineteenth Century met Charles Dickens by Darrell Figgis; Elsevier's Maandschrift, waarin, nevens het reeds behandelde Robbers-opstel, Cornelis Veth in een artikel De oudste prenten voor Dickens gelegenheid vindt de aardige opmerking te plaatsen, dat Dickens van lijfstraffelijke rechtspleging hield en zijn schurken liefst door de hand van een voormalig slachtoffer liet afrossen, en dat wel op een wijze, waar een ongezochte symboliek in stak:

Zoo krijgt Uriah Heep op die authentieke, kleffe, knokige en op den koop toe lange vingers.... de femelaar Pecksniff, geveld door den man, dien hij in zijn zak dacht te hebben, bezeert zich ferm aan denzelfden schijnheiligen en arglistigen kop, waarin hij zooveel kwaads uitbroedde.... enz.

Dezelfde vangt in De Ploeg een rijk geïllustreerd artikel over Dickens en zijn voornaamste illustratoren aan, dat in Maart vervolgd zal worden.—Verder laat ik, trots alle beloften, dezen keer de mij ter hand gekomen tijdschriften, voor zoover ze geen Dickens-bijdragen hebben, onbesproken uit—collegiale égards: naast een Onsterfelijke schijnen de levenden dood....—

19 Febr. 1912.


BRIEVEN OVER LITERATUUR

[p.23]

II.

Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch tegelijkertijd iets méér dan het weet, want zou het wel vermoed hebben, dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij door het lezen van shilling-shockers voor te bereiden op het ambt van literair criticus, dat ik nu bekleed—en zoo ge deze opleiding ietwat vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging; weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nòg anderen hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen te leeren. Hèt verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we allen [p.24] trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander métier mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!—nu, ik herinner mij dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken en een van 't gezelschap—het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn geweest—in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en huivert, de bloem lééft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent, en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot—ik mij met een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't óók niet een ietwat griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon, als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in lévenden bloementuin....

Ook herinner ik mij—en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan woorden aan een zilversnoer? Ja zeker, als de bescheidenheid—gelijk hier—[p.25] en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden, is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor èlke kromspraak en voor vele onwaarheden—ik herinner mij dus, en ditmaal uit déze incarnatie, een zoogenaamden Polk, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was, ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nú, omdat ik geloof, dat een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt, dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, àls hij wat geeft, dan heel òn-halfgoddelijk er ... in loopt!

Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat zich afwenden van eigen tijd, dat is niet voornaam, en dat trekken van het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde—dan moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook: als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang, allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner paragrafen,[2] mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.

VAN OORDT: NAGELATEN WERK

Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en—ik mag dit van een doode immers wel zeggen:—ge hadt zijn gelaat slechts behoeven aan te zien, om te weten, [p.26] dat hij ook een groot mènsch was. Als een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen, treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid, die dreigend is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt, dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over—u-zelf. Het was ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal kunst, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk tronend in de zielsdiepten. En dit Nagelaten Werk, dat nu voor mij ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij hier.—Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.

In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave geschreven opstel zegt de Gids-criticus, de heer Scharten, dat de heer Van Oordt een middeleeuwsche ziel had en dat een, in het Nagelaten Werk opgenomen, stuk als Een Pleiziervaart, dat fijntjes humoristisch het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers verzeild, naïef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk een stuk, bij langer leven van den [p.27] schrijver uitzondering zou gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken Roman-Begin en Fragment uit Floris de Zwarte dezen beoordeelaar gelijk te geven. Maar ook niet anders dan oppervlakkig beschouwd. Want zoo 't mij geoorloofd zij—en hier wensch ik u de beloofde opheldering te geven—tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het middeleeuwsche—en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene —zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan—gelijk wel, al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen—; dáárdoor verhinderd het leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want—en moge dit mijne beweringen ondersteunen:—een vurig sociaal-demokraat als Van Oordt was, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een vurig sociaal-demokraat kan onmogelijk een geest bezitten, die hem zich precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een begraven verleden te evoqueeren, dat aan sociale rechtvaardigheid niet rijker was. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar [p.28] hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, dáárom noem ik hem een rijke en groote. Toch—laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door oprecht te zijn—niet alléén zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst—zoowel van stoffelijke als geestelijke momenten—mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde Een Pleiziervaart als In de Kroeg—het verhaal van een dronkemansruzie—en Een Liefde in Limburg te lezen, om te merken, dat, wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen—niet bewust, maar instinctief—in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit Nagelaten Werk, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen in dit:

En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar tot een burgerlijke versiering de zonnestralen[3] langs mottige vitrage gelen bij het weeë rood en bij het uitgebloeide blauw der kameromgeving.

[p.29] En welk een opperste genialiteit in deze beelding:

Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een geestdriftige stijging, en als hij op sprong staat zich over te geven aan den val der gindsche daling, glimt hij in de zon als een lint van gele japansche zijde.

Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in Een Zeereis. De verhaalgang zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk een gang en een leven in dat Fragment uit Floris de Zwarte. Hoe onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde ontbloeien in Een Liefde in Limburg....

En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was—en ik zeg 't u om uw-zelfswil—lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten, allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar—zóó, in de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden, allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....

SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.

Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen keer—en ge hebt 't uit den aanvang van dit [p.30] opstel reeds bemerkt—niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats aan den roman De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche Meren, door C. en M. Scharten-Antink, fournisseurs de la cour. Dezen laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden, maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het—gij zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer vereend heeft, de recensent mag scheiden!—het echtpaar Scharten is het, niet voornamelijk wijl het de erkende romanleverancier van De Gids is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche- woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene seizoen in Soieries Françaises, 'n ander in Inverniciatura Italiana handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in High-life tailor-made Dressing-gowns, maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche katoentjes zal "doen"—neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral, omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven, absoluut hoffähig te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af, tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht [p.31] wie de Cavarner landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee machtige vuurstroomen—die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen droom!—Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens [p.32] door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken. Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant de invasie der Duitschers in Italië, die met hun flair voor zaken-doen den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt. Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen. En dat beeld wordt er des te volkomener door en blijkt zelfs rijk aan een ongezochte symboliek, als we erop letten dat de roomsche priester Jacchini de handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is! Op deze tendenzen der huidige samenleving de hand te hebben [p.33] gelegd, en ongetwijfeld een in-kunst-herscheppende hand, dàt is de machtige verdienste van de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt: tusschen de beide dorpspatriciërs-families Muzzo en Taddeï, in verband staande met de beide andere konflikten—en het dunkt mij goed, met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit werk m.i. miskend is, op dit verband den nadruk te leggen—want de afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat de jonge Taddeï wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert—wat als eervol geldt—en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een Taddeï met een Muzzo trouwt, maar—er is een vierde dramatische botsing, die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat is de levenstragiek van den blinden Zacharia Banfi, een prachtig-gebeelde figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandië, één idee in zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt, sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het land terug te winnen.... Luister:

Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar hem een zeemen zakje op de borst hing.

"Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire, met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... [p.34] de Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn er honderd ... honderd...."

De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over de binnenplaats....

De anderen, verschrikt, zaten stil.

En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in Banfi op: een van die Duitschers, een broer van dien Walther, die op Banfi's "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent Banfi en hij geeft een deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen worden, om Fulmignano, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij, waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe kabelspoor en daar laat Walther het grootsche Kulm-hotel bouwen, daar zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:

"Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man, die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden.

Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:

Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke, kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen, die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht verklaarde in een [p.35] zachte opgetogenheid. Toen hij vóór noch achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren....

Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag, naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar Noranco lag,—hij zag dat alles in één teeder gewemel van honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze, glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het azuur van den hemel en aan het versche gras der wijngaard-glooiingen,heel dit lente-land, dat hij kende plekje bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in den geest.—"Che bellezza," zei hij zacht.

Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat wij hem zien:

Onbeweeglijk bleef hij zitten.

Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.

Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede, waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan den dood....

O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten en medelijden?

Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld. Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddeï laat trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het Mayertje, ofschoon uitstekend doorvoeld, is niet zóó goed gebeeld: de schrijvers hebben hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend, te spottend, [p.36] te humoristisch geworden. Met den Zoppo, den uit den treure preekenden vegetariër en theosoof vormt zij niettemin een aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "'t Mayertje" te waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt. Zij blijkt dan, dunkt mij, van zelf te symboliseeren het verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende, landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze minnehandels gebruikt Madame Mayer een jong meisje uit het geslacht der Muzzo's als "postillon d'amour," welk kind op een van die boodschaptochten door den "minnaar" van het Mayertje wordt verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen—en is dit niet fraai en goed?—maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om, wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die balken er niet zijn!—En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n "ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: Wat dit boek zegt, dat zegt het voortreffelijk—een enkele, in de sfeer van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor eigen vermogens bewijst—maar in 't verzwijgen, daar zit 'm het ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren gehoord, [p.37] dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit niet voortkomt uit zekere zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het—en vindt men dit een "insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!—dàn is het: wijl zij fournisseurs de la cour zijn!

LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.

En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet praten.... Diens Antiek Toerisme verplaatst ons zoowel naar vreemde landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari, een brok armoeïgheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan. Een schatrijk Romeinsch patriciër gaat met zijn van hem afhankelijken oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij —eerste rangs tooneelmalligheid!—voor eene hem ontrouw geworden en met een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart. Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.—Kijk, als ge nu een boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden—en welke gedachte zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?—hoe komt ge dan bij het betreden van dit Couperus-huis [p.38] bedrogen uit! De gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden, maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ouë Romein, men ontmoet een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene.... Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname.... Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft; meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn grooter tijd een ontzaglijk Magiër was, die machtige geesten opriep, hen bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!

Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb, den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig [p.39] en lief. Die beschrijving van den Witten Nacht is fraai en wij geraken wel in de stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch verleden ... jawel ... máár de centrale fout van het werk is, dat de menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen. Er wordt gespeeld met menschelijkheid. En de taal is verbijsterend slordig! Het woord immens komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens Nagelaten Werk voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo reuzig immens was" als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan, weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een edeler spel van hem zien? Sla dan Groot-Nederland van Maart[5] op. Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te maken: het décor is er om de menschen.... Neen, zéker: de groote Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich voor op een schitterend heroptreden—de kleine Couperus houdt zoolang het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.—


BRIEVEN OVER LITERATUUR

[p.40]

III

Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk
Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk....
Willem Kloos

Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens—dat is geen mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te dóórvoelen. Want de bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen te begrijpen, maar dan ook volledig, zóó dat zij straalt van waarheid, als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog menschjes zijn, en van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de verrukkelijke zekerheid lezen, dat dóór en uit hun nog passief, hun nog sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan ware onze spraak van zijn diepste [p.41] accenten en schoonste geluiden beroofd en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den ziels-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat denk-voelen ècht-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun wóórden rust als op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.

REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.

Aldus gaat het hen, die van hen spreken. Die hen beelden, in een kunstwerk, gaat het anders! Elk niet àl te laag staand mensch wordt hier een voortreffelijk en nauwlettend criticus. Dezelfde omstandigheid, die het den gebrekkigsten spreker gemakkelijk maakt, begrepen te worden, maakt het den beelder moeilijk bijval en lof te verwerven. Want die omstandigheid is: de liefde voor kinderen, die ieder niet àl te laag staand mensch bezit. En schoon menigeen een kunstenaar moge vergeven, dat hij de zwarte en gluipend-strompelende gedaanten van Leed en Ziekte door een zonnige belichting iets van het vreeselijke hunner donkere geheimzinnigheid ontneemt, niemand vergeeft het hem, indien hij den stralenden engel van het geluk ontluistert en deze, door den mist van licht, waarin hij gaat, te dooven, iets van zijn even geheimzinnige maar daardoor alsnog onvatbare zaligheid verkondende schoonheid ontrooft.... En kinderen zijn die engelen.... Daarom, wie kinderen beeldt, moet in zich hebben het vlugge naderen en het vlugge wijken, de bewegingen en aanrakingen van zijn geest moeten speelsch van vlug- en lichtheid zijn. [p.42] Zijn woord moet luchtig ademen als een wind, en zacht en streelend als een zàchte wind zijn, want er zullen veel vlinders en bloemen komen te leven op zijn land.... Vele der eigenschappen, die zulk een kunstenaar vooral dus bezitten moet, zijn wellicht in dit ééne woord te vatten: bevalligheid. Niet die der saletjonkers en modieuse dames, maar die der natuur: de bevalligheid der schoone verzen, der in de wei dravende jonge paarden, der neigende boomen; de bevalligheid, die alleen uit harmonieuse samenwerking van edele krachten ontstaat. En deze is het wier aanwezigheid ik telkens en telkens weer in het jongste boek van Jeanne Reyneke van Stuwe heb gevoeld. Ge weet het waarschijnlijk al: het zieleleven van kinderen uit den zeer voornamen stand wordt daarin gebeeld. Door een voortreflijken vader en een stiefmoeder, die hen liefheeft, als waren zij haar eigen kinderen, opgevoed; door alles, wat een kinderleven rijk en gelukkig kan maken, omringd, komen er geen uitzonderlijk-hevige gebeurtenissen in hun leven voor, maar de schrijfster heeft met goed gevoel voor compositie, het sterven van een heel jong broertje erin gebracht, waarmede zij, binnen den grens der meest soliede waarschijnlijkheid blijvend, de gelegenheid heeft gekregen, de zieltjes der kinderen in de hoogste gevoelsspanning te laten zien. De drie gegeven kinderkarakters loopen zeer uiteen. Er zijn: de toekomstige superieure mensch: Adèle; de toekomstige intrigante en coquette, d.w.z. intrigant en coquet op een vrij onschadelijke en kleine wijze: Eva; de toekomstige egoïst, goedhartig en vrijgevig uit praallust, iemand met een tamelijk gering intellect en een zekere lichtzinnige grilligheid: Charles. Wat echter alle drie gemeen hebben, is wat men zou kunnen noemen: hun adels-, hun standsbewustzijn, in Adèle schijnbaar het sterkst, en dit getuigt van den subtielen psychologischen voelzin der schrijfster: in werkelijkheid namelijk voelt dit kind zich zoo voornaam door eigen, onbewuste noblesse, maar bewust wordt haar die voornaamheid slechts als een zich-voelen: kind van Huize ter Aar! Het boek vol levendige handeling is vlot en luchtig geschreven: een witte raaf in onze literatuur. De kinderdialoog [p.43] is uitstekend. En ik zou de onverbeterlijke, oude zondaar niet moeten zijn, die, schoon hij telkens te hooren krijgt, dat hij zich niet weet te beperken, toch onverstoorbaar z'n gangetje gaat, als ik u hier niet wat zou laten zien uit den overvloed van mooie dingen, die ik, al lezend, verheugd zat te bekijken. Is dit niet allerliefst:

Ik gun je de pret! zei Amélie. Mag ik 'n chocolaadje? Nemen jullie die mee? En hoe doen we met de poppen? Het was lang een lieve gewoonte geweest, om naar een spel "eerlijk" de poppen mee te nemen. Zelfs Charles waren vaak, hoewel onder protest, kleine poppetjes in de zakken van zijn jasje gestopt, met de vergunning deze gedurende de geheele reis verborgen te houden, als hij, wanneer de vertooningen begonnen, de koppetjes er maar uit liet steken.[6]

En hoe uitstekend is, vooral in de door mij gecursiveerde woorden, een scherpe psychologische observatie gezegd:

Eva presenteerde "odeur" uit haar flaconnetje, en kreeg nog rooder wangen, maar nu van ingehouden verontwaardiging, toen Oom Carel zei:

—Nee, maar, wat heb jij[7] 'n prachtige kanarie-gele handschoenen aan! Want zij zag de ironie in zijn oogen, en zij háátte hem op dat oogenblik met een snellen haat, maar vergat dien weer, omdat Oom, bemerkende dat er niets dan water uit haar flaconnetje kwam, haar "economie" prees, en ofschoon zij niet precies begreep, wat hij bedoelde, glimlachte zij toch even complaisant, omdat hij iets van haar in het openbaar goedkeurde.

Maar dan ook, welk een humor zit in dit werk. Men lette eens op die prachtige condoleantie-scènes, als 'n tante is gestorven: eerst het condoleeren door Leentje, een der dienstmeisjes. "Wel gecondoleerd," zegt zij deftig, en Evatje studeert gauw het vreemde woord in, om het straks tot de ooms en tantes te kunnen zeggen! Daarna Eva's genoegen als ze merkt, dat haar vrijertje Piet Erckelens het woord ook zoo goed weet te gebruiken. Maar dan dit: Charles, die al het heele sterfgeval vergeten is, speelt met zijn vrienden roovertje, zij hebben zich verdekt achter boomen opgesteld, [p.44] om den "rijken reiziger in 't eenzame bosch" te overvallen, en Piet, die uit dat eigenaardige, toch touchant-eerzuchtige van kinderen en ... groote menschen, om vooral jegens "hooger geplaatsten" onberispelijke manieren te toonen, overal naar hem loopt te zoeken, om hem te "condoleeren," nadert:

De argelooze Piet naderde meer en meer. Hij zette zijn gezicht zoo ernstig mogelijk. Ja, hij had het wel gedacht: de jongens speelden nergens. Hij was al in den boomgaard geweest, èn bij de vischplaats, èn bij de tuintjes, èn bij het achterhek ... nu zou hij nog eens in den moestuin probeeren.

Hij naderde. Zijn hoofd was een beetje gebogen, en hij spande zich in, de juiste, bij de gelegenheid passende gelaatsuitdrukking te vinden. En ondertusschen loerde Rinaldo Rinaldini achter zijn boom, gereed om zich met blikkerende oogen op z'n slachtoffer te werpen.

Piet hoorde iets. Tenminste hij bleef staan. En op dat oogenblik sprong, tijgerwoest, zijn aanvaller achter een boom vandaan.

—Sta, of ik schiet!... was Charles van plan te schreeuwen. Maar de woorden stokten hem in de keel. Roerloos bleef hij op de plek waar hij stond. En het bloed steeg hem heet naar het hoofd van schaamte en verwarring, want Piet had zijn hand vooruit gestoken, en op somberen toon gezegd:

—Ik condoleer je wel, Arl.

Is het niet voortreffelijk, dat plotselinge ondergaan van Charles' speellust in schaamte en verwarring? Maar vooral het komische van de situatie!... Humor en van de beste soort is er ook in de weergave van het "concert," dat de kinderen voor Juf en de meid geven, en waarop ze in de volle onschuld hunner hartjes, allerlei gemeene straatliedjes beginnen te zingen en er absoluut geen begrip van hebben, waarom Juf ze plots van het podium, een tuintafeltje, trekt en ze met dìt en dàt dreigt, als ze niet ophouden.... O, ik zou u nog zooveel fijngevoelde trekjes kunnen citeeren. Ik zou u wel willen laten zien, hoe voortreffelijk de kinderen in hun onderling zoo verschillenden aard zijn doorvoeld en weergegeven, bij die groote gebeurtenis: het sterven van broêrtje: Adèle's innige smart; Evatje's sluw pogen, bij anderen den indruk te wekken, dat ook zij zoo diep voelt; haar spijt, het maar niet tot schreien te kunnen brengen. Ik [p.45] zou u even willen toonen de houding van dat geraffineerde coquettetje-in-den-dop, op het kinderbal, als haar cavalier vergeet haar ten dans te komen halen, en vooral, o vooral Adèle's extatisch voelen, "dat er op de hééle wereld geen kind, neen, geen enkel kind bestond, zoo gelukkig als zij," en, na den dood van het door haar zoo hevig geliefde broertje, haar weerzin, als ze hoort, dat er een nieuw kindje komt, dat broertjes plaats zal innemen; haar vermeende haat tegen dat nieuwe kindje! Ik zoude ook wel nader mijne meening willen motiveeren, dat de volwassen menschen niet zóó goed als de kinderen zijn gebeeld, dat met name, hun dialoog niet zoo goed geslaagd is, dat zij te veel betoogen en te redevoeringachtig spreken, dat zij ook té zeer als personages van bijzondere gewichtigheid, bijzonder verstand, en bijzonder gevoel zijn voorgesteld. Het is alsof zij, in plaats van door de schrijfster-zelf, door de hen verheerlijkende kinderen zijn gezien. En ofschoon deze omstandigheid de éénheid van het werk wel versterkt, 't is toch niet goed.... De oorzaak wordt ons klaar, indien we er op letten, dat de grove, zinnelijke Oom Carel beter gebeeld is dan de hoogstaande Alexander en Jeannette, de beide ouders: de schrijfster zich eenmaal volledig ingevoeld hebbend in de levenssfeer der kinderen, werd door de visie van de in reinheid aan kinderen verwante Alexander en Jeannette niet uit de kinderlijke levenssfeer gerukt, zij zag en beeldde hen dus van uit die sfeer; door de visie echter van Carel, die niets met het kinderlijke gemeen heeft, werd zij wel uit het kinderlijke denk-voelen gerukt. Zij zag en beeldde hem dus van uit de sfeer der kunstenares Reyneke van Stuwe. Maar nu zal ik over dit alles niet verder uitweiden, en liever de nog ter behandeling van dit werk beschikbare ruimte gebruiken, om op iets veel gewichtigers uwe aandacht te vestigen. Zooals ge u wel, m'n waarde lezer, uit eigen jeugdjaren herinneren zult: in een kinderleven behoort een sprookjesprins, en, gelùkkig, hij ontbreekt dan ook in het kinderleven van dit boek niet. Wilt ge hem van hier even zien verschijnen? Welnu, zie toe:

[p.46] Adèle stond wat verder dan de anderen stil te kijken. Het tooneel, nu het duisterder werd, had een vreemde bekoring voor haar. Tegen de klare schemerblauwte der lucht bewogen zich de zwarte figuren der menschen, als de silhouetten van een door ouderdom donkere plaat. Duidelijk teekende zich de kruisboog van het net af tegen den effen hemel. En als het plotseling zwaar werd neergelaten, dan was het opeens, als brak een glad kristal in scherven, die heftig óp-vlogen, en in glinsterend gruis verstoven. Zonder zich bewust te maken, wàt zij zag, en zonder het in zichzelve detailleerend te beschrijven, stond Adèle, en keek, gevangen in den ban van iets geheimzinnigs, iets ongewoons, dat haar met onweerstaanbare macht hield geboeid. Alles was anders[8] voor haar in deze oogenblikken ... al de menschen, die er bezig waren, leken vreemde mannen, in een omgeving, die zij niet kende. De atmosfeer was koel, en onbeweeglijk stonden de boomen en planten-groepen tegen den donkerblauwen schijn van de lucht. En de maan werd grooter en helderder, en wierp witte stralen op de werkzame handen der mannen, en schampte zoo nu en dan een fel-flitsend licht langs het stille, glanzende water.

Het was Adèle, alsof zij droomde. In den grooten prenten-bijbel kende zij de plaat: De wonderbare vischvangst, en ook wonderbaar scheen deze vischvangst haar toe, en het was haar, alsof zij nog nooit te voren het zóó had gezien: het ophalen van het net, met de levende, spartelende massa der over elkaar glippende, kwikzilver-vlugge en flikkerende visschen, waaruit door den Baas, onbeschroomd-tastend, een keus werd gedaan.... En nooit had zij 't nog gezien dat Ruitenburg zoo iets om den adem in te houden vreemds over zich had, als nu hij, met een emmer visch in de hand, zich naar de keuken begaf. Zijn voetstappen knerpten over het grint; zijn breede schouders waren wat naar voren gebogen, en zijn donker, doorgroefd gezicht was in het maanlicht van een strakken plechtigen ernst.

Dit is de Prins van het mystieke levensaanvoelen. Dit is de heilige sprookjes-Prins, die in zijn glorierijk en droome—vlug verschijnen en verdwijnen, de menschen- en de kinderzielen even stil, ademlóós-stil maakt van huiverend geluk, om de zijn oogen en gelaat ontstralende glansen.... Deze bladzij, op een oneindig hooger plan dan het overige van dit werk levend, bevat—'k zeg het zonder "Oostersch-lyrische" overdrijving, in koelen bloede en mij sterk bewust van wat [p.47] ik zeg—een mystieke visie van een héél diep voelend schilder-visionnair.

Van kind tot kunstenaar il n'y a qu'un pas. En zoo ge schalk genoeg zijt mij hier te vragen, of het diezelfde pas is, welke van het sublieme naar het ridicule voert, ik zal u in vollen ernst antwoorden, dat dit wel en ook niet het geval kan zijn, maar dat het mij althans, immer geviel in kind en kunstenaar een essentiëele gelijkaardigheid te erkennen. Want een kunstenaar, ziet ge, dat is eigenlijk zulk een zonderling en zeldzaam wezen, dat het meest wezenlijke en karakteristieke van het kind-zijn tot zijn dood behoudt. Dat meest wezenlijke en karakteristieke is het vaak en grootendeels passief-zijn van het menschelijk bewustzijn en het zeer actief-zijn van het zoogenaamde Onbewuste, dat ik, elders, het Natuurlijk of Goddelijk Bewustzijn heb genoemd. Vandaar het in onze oogen onbeheerschte en onberekenbare in kinderen en vandaar ook het onbeheerschte en onberekenbare in de handelingen van vele groote kunstenaars; vandaar het ademloos-staren in alleen door hen geziene droomwerelden en het, blind voor het ommeleven, òpgaan in voor hen opdoemende fantasieën door kinderen, èn het, tijdelijk, als werkelijkheid beleven van visioenen en verbeeldingen door kunstenaars.

De parallel zou verder door te voeren zijn, maar ik geloof, dat hij thans ver genoeg getrokken is, om u ook de door mij niet genoemde punten van overeenkomst tusschen kind en kunstenaar te doen gevoelen, en te doen begrijpen, waarom in ònze nuchtere waarneming de verhouding tusschen de beiden somtijds als van het sublieme tot het ridicule wordt: Een kind met houten sabel in de hand en papieren kroon op 't hoofd, zich in volle gemeendheid, zoolang de fantasie duurt, voor een koning of een veldheer te zien houden, ge geniet ervan, óók wijl ge 't sublieme en ongerepte voelt in zoo sterk een verbeeldingsmacht; ja, ik durf, indien ge geen al te saaie brompot zijt, er een lief ding om te verwedden, dat ge, na de eerste verontwaardiging, achter 't handje lacht, als [p.48] uw aardig zoontje uw ruit voor een vestingpoort heeft aangezien, en er met 'n katapult 'n gat in heeft geschoten, maar—ge behoeft géén brompot te zijn, om een groot kunstenaar, die zichzelf tot iets noch-nie-dagewesenes proclameert, of, om vermeende krenking, uw glazen ingooit, ridicuul en lastig te vinden. En toch—dat alles heeft een zelfde oorzaak: dat kinderen en groote kunstenaars in een oneindig losser verband dan anderen met de "werkelijke" wereld leven, en dat hun lagere persoonlijkheid telkens en telkens weer heftig en hartstochtelijk reageert op de influisteringen en 't voorgetoover van 't "Onbewuste," dat nu eenmaal gewone menschen niets influistert of voortoovert, welke reacties—het zij herhaald—zoo zij zich voltrekken in de samenleving der volwassenen, daar vaak natuurlijk buiten alle redelijke proporties en uiterst zonderling lijken. Men heeft mij onlangs verweten, dat ik meedoe "aan het bijna misdadig werk, den leek te stijven in zijn dwaling, dat koelhoofdigheid, beradenheid en zelfbeheersching "onartistiek" zouden zijn, burgerlijk en nuchter." De schromelijk-onjuiste formuleering der beschuldiging daargelaten, wil ik wèl even zeggen, dat ik mij toen voelde—en dat zal nu ieder begrijpelijk zijn—als die ongelukkige barbier van zekeren Kalief, die dien vorst onder het scheren verteld hebbend, dat een veldslag door de Ottomaansche legers verloren was, onmiddellijk door den Grooten Heer over de kling werd gejaagd. Helaas—ik houd van Turken!—ook het verhaal van dien barbier was geen dwaling, maar de onschuldige verteller had den slag toch niet verloren en ik heb toch niet de groote kunstenaars in de wereld geschopt?... Intusschen, niet altijd lijken ons die reacties ridicuul, wij achten ze soms ook wel van grootschen aard, al kan onze nuchterheid zich ook dan niet weerhouden, tegelijkertijd iets als "Don Quichottisch" te mompelen. Men denke bijv., om ons tot een voorbeeld uit de literatuur te bepalen, aan de vrij zuiver uit zijn kunstenaarsaard voortvloeiende weigering van Cyrano de Bergerac, om de gunst van den almachtigen kardinaal de Richelieu te winnen, door gehoorzaampjes de wijzigingen te aanvaarden, die deze in Cyrano's tragedie mocht [p.49] wenschen aan te brengen. Ook zulk een daad wordt natuurlijk door ieder braaf burger eene krankzinnige extravagantie geacht, maar hij is zoo genadig haar "mooi" te noemen, ten eerste, omdat zijn glazen er nimmer door kunnen breken—want laat mij u verzekeren, dat dit mooi-vinden hem, achter zijn toonbank weergekeerd, niet zal verhinderen te gnuiven: "Wat die zich daar vergooit ... dat most mijn gebeuren!... gewóón stápel!"...—en ten tweede, omdat hij niet door het leelijk-vinden eener daad, die de materie aan de idée offert, de kans wil loopen te worden aangezien voor iemand, die tot een dergelijk offer niet in staat is....

VAN GOGH-KAULBACH: VOOR TWEE LEVENS.

Ik heb hier nu twee boeken over kunstenaars voor mij liggen: een van Anna van Gogh—Kaulbach, Voor Twee Levens, dat ons een daad laat zien, die, op de boven omschreven wijze, "mooi" gevonden wordt en een van Æg.W. Timmerman, Leo en Gerda, dat ons daden toont, die hinderlijk en ridicuul zijn. Als weerspiegeling van maatschappelijk gebeuren en in den psychischen oorsprong daarvan beschouwd, zal ik nu wel, vermoedelijk, in het voorafgaande over den inhoud van beide voldoende hebben uitgeweid, laat mij dus nu voornamelijk hun waarde als kunstschepping keuren. In Voor twee Levens is in Ada de groote artisten-natuur gebeeld, die, gedwongen door het haar beheerschende Scheppende Vermogen, alle gewoon-menschelijke gevoelens onder den voet loopt. Welnu, ofschoon ernstig in aanmerking nemend, dat niet al het bijwerk even goed gelukt is, dat vooral het boek rustiger had kunnen en moeten geschreven zijn, waardoor, naast de vele uitmuntende beeldende zinnen, enkele cliché-achtige en slordig-globale vermeden waren geworden—is en blijft deze arbeid een geslaagd kunstwerk, omdat een uiterst moeilijke taak: het beelden eener zeer zeldzame uitzonderingsfiguur, met behulp van het naturalistische, dramatisch-plastische werk-procédé er uitstekend in is gelukt. Niet genoeg kan ik de doorvoelings- en voorstellingsmacht roemen, waarmede in Ada, als bij stukjes en beetjes, als door een levende mozaïek-van-vele-kleine-handelingen, het bezeten-zijn van den drang tot scheppen wordt gebeeld. Hoe allervoortreffelijkst is, hoe innig heb ik [p.50] genoten van die, door treffende waarheid prachtige, uitbeelding van den angst eens kunstenaars voor storing op dat begenadigde oogenblik, dat de scheppingsdaad zich zal voltrekken.... Hoe leeft men daarin mee ... daar geluiden naderende stappen, daar gaat een stem opklinken ... o, even, éven nog ... breek de nervig-bevende en als zich wanhopig-instràlende aandacht niet, vóór zij de nimmer weer zóó terugkeerende visie, gelukkig, heerlijk, buiten zich heeft vertastbaard en vereeuwigd, en, van het zorgelijk-hoeden van zóó broozen schat ontslagen, in een zuchten van geluk zich ontspannen mag.... O, er is nog zooveel fraais in dit boek: de in zijn liefde door Ada teleurgestelde Ru; het voelen van Louise, die als Ada, die alleen voor haar kunst kan leven, van Ru is heengegaan, hem met haar liefde troost.... Maar dàt, de voortreffelijke beelding van den kunstenaarsaard, dàt is de kostbare kern van dit boek, dàt is het bijzondere, waarvoor, naar ik hoop, mèt mij vele lezers, der schrijfster dankbaar zullen zijn.

TIMMERMAN: LEO EN GERDA.

De figuur Leo daarentegen in des heeren Timmermans' boek is van het bohémien-type, van dat type dus, dat gewoon is aan alle, ook de meest-buitensporige, verlangens toe te geven. Maar bij het lezen van al de door hem begane dolheden, bedenke men, dat, wanneer hij beweert, dat hij al die dwaasheden begaat om zich "uit te leven," om "zich frisch te houden," omdat, in een woord, z'n kunstenaarsnatuur daaraan behoefte heeft, dit soms weliswaar niet meer dan een voorwendsel van hem is, maar hij 't meestal wel heilig en waarachtig meent en intuïtief voelt. Afstammeling van een aristocratisch geslacht, móórdend-deftig opgevoed, geest-vermummiënd bewindseld door het kinderachtigst conventioneele in zijn jeugd, weet hij op later leeftijd niet veel anders met zijn vrijheid aan te vangen, dan zooveel mogelijk maatschappelijke ruiten in te gooien, met geen ander wezenlijk resultaat natuurlijk, dan dat hij eigen handen kwetst. Maar ofschoon we dus zijn bohémien-zijn voor een deel op de rekening zijner opvoeding moeten stellen, de schrijver laat ons toch geen oogenblik in onzekerheid, dat het voor het grootste [p.51] part noodwendig voortvloeit uit Leo's aard, dat wil zeggen: een kunstenaarsaard van zekere soort. En het is een verdienste van den schrijver, dat hij dit kunstenaarsschap zoo goed heeft doen uitkomen; dat hij ons Leo's plots-ernstig streven, midden-in zijn chaotisch en dolzinnig leven, naar ernst en toewijding aan zijn kunst laat zien; dat hij deze figuur zekere fijnheden laat doen en uitspreken, die ons onverklaarbaar zouden schijnen in, wij mogen wel zeggen: een dergelijken woesteling, indien die woesteling niet tevens kunstenaar ware. Gerda, een boerenmeid, uit de omgeving van zijn vaders landhuis, kan zijn hooger kunstenaarsleven niet meeleven, maar des te heviger leeft ze zijn lager kunstenaarsleven, het bohémien-zijn, mede. Al in hun jeugd hebben ze wel eens begeerend naar elkander gekeken. Later, na zijn vaders dood, ontmoet hij haar als een dood-gewone demi-mondaine "op de baan," haalt haar uit een bordeel en trouwt haar ten slotte. Men kan zich ongetwijfeld levendig voorstellen, wat voor dol- en abjectheden er dagelijks uit het samenleven dier beide gedeséquilibreerden voortvloeien. De uitbeelding van dit samenleven is uitstekend gelukt en reeds als men daarop let, voelt men een jammerlijke spijt, dat het boek zoo schromelijk is bedorven door des schrijvers malle en jongensachtige van-leer-trekkerijen tegen dit en dat. Och, och, dat een toch zoo zeer talentvol schrijver als de heer Timmerman, die plastisch, dramatisch en psychologisch zooveel in zijn mars schijnt te hebben, maar niet heeft begrepen dat hij zijn kunst een brevet van onvermogen uitreikt, door telkens en telkens weer allerlei tendenz in ellenlange betoogen en onnatuurlijke dialoog in zijn werk te wringen, in stede van zijne beeldingen—gelijk het leven zelf—door hun wijze van zijn, natuurlijk voortvloeiend uit hun aarden uit de omstandigheden, vóór of tégen iets, al naar de lezersgeest hen opvangt en verwerkt, van zelf en zelf een of andere meening te laten suggereeren of bewijzen. Want welken anderen indruk kan iemand, die als een suppoosterige museum-gids bij eigen werk staat te oreeren, wekken, dan die, dat hij voelt, dat 't werk-zelf niet sprékend-leeft?! Ook: hoe overladen is het daardoor geworden, hoe [p.52] bultig-gedisproportionneerd. Het is of al de ervaringen, of al de meeningen, al de haat en al de liefde, in een lang leven gegaard en gekoesterd, in dit eene boek chaotisch-ziedend-en-worstelend moesten worden uitgestort! Maar het samenleven van Leo en Gerda, hoe goed ook, is nog niet eens het beste in het boek. Het beste is vervat in het eerste hoofdstuk.

Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen Gerda en haar vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter, deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer, op grof-zinnelijke wijze te prikkelen—er is daar een epische zwier en tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van héél hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden, dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken valet, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te zien....—En, nu ik, vóór te eindigen, nog even dralend en keurend terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige werken te spreken, maar ook sommige [p.53] mijner lezers, naar ik mij vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid én van kinderen én van kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze beïnvloedt—nu voel ik toch de behoefte, nog even mijne meeningen dááromtrent verduidelijkend saam te vatten: dat die beïnvloeding nml. beiden tot buitensporigheden brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten éénerzijds tot groote en lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot uitspattingen drijft, alle welke buitensporigheden echter de deugd bezitten van de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te openen voor nauwelijks vermoede hoogere en lagere mogelijkheden, en dus hetzelfde te bewerken, wat een ver afgedwaalde vogel doet, die uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar verwekt....

Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen als een waarschuwing, wàt met het kunstwerk gebeurt, als de lagere persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere Bewustzijn moeit, dàt was mij èn om des heeren Timmermans' groot talent èn om zijn klaarblijkelijk zóó edele menschelijkheid, tot een zéér diep leedwezen.—

15 April 1912


BRIEVEN OVER LITERATUUR

[p.54]

IV.

Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: De alomtegenwoordigheid in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kòn zijn, zou dat wezen onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te verwerven.

Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen—terwijl ik spreek, keer tot u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zèlf, te eigener ure.... Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden, vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende parafrase en verduidelijkende begeleiding ùwer gedachten zijn.

Dus: waarom dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij—en hier ziet gij oprecht vragend op—toch waarlijk niet behept zijt?!... Och neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet ook liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, [p.55] wàt het is, naderen, toen ik zei, dat wij ook liefdevoller zijn dan wij-zelf denken?... Het is: omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer zielen! Neen, dàt wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij wilden het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet altijd geleerd—ons daardoor steunend in het al meer ònbewust wordend zelfbedrog—dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een groote van onzen tijd, van ons land, die ons de handen smachtend naar andere tijden en andere landen laat strekken. En geen andere dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in onzen tijd, in ons geslacht, in ons land, als een evenmensch met ons verkeerend, een Groote leven kan. Daarom is het spreekwoord: Geen profeet wordt in zijn eigen land geëerd, een waarheid: De zelfgeringschatting staat niet toe te gelooven, dat het eigen land een profeet kan voortbrengen! En daarom zou een alomtegenwoordige Groote nergens worden geëerd!

Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk, dat indien al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei practisch belang heeft, want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig zou zijn!

Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is, tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde gelaat aan.... Israël is ieders tijd- en ieders landgenoot.... Daarom is het nergens en nooit geëerd en geliefd met de liefde en den [p.56] eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar minder, ginds weer meer, wat iéderen Groote, in welken tijd en in welk land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt—is altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van hen, die hem moesten eeren en liefhebben. Want luister! Zooals de betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der innerlijke zelfhoogachting, het kunnen-gelooven aan met hen verwante grootheid der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de zelfgeringschatting der middelmatigen, het twijfelen aan de mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid, en zóó, ten slotte, is de haat tegen en verachting van zulk een Groote—en ge ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van zulk een haat!—anders dan de uitgebraakte zelfverachting der verdierlijkten, het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze met hen in aanraking zijnde grootheid, en het dáárom tegelijkertijd haten èn verachten als gehuichelde en geüsurpeerde meerderheid, 't geen inderdaad werkelijke en rechtmatige meerderheid is, en die zij als zoodanig doorvoeld, alleen geháát zouden hebben.

De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie, van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, máár—het allerbeste behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen, zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij, een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun slachtoffers verachten en niet weten, dat zij niet anders dan zelfverachting braken!... Dàt staat hoog boven alles uit, pràchtig [p.57] stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.

Gij, Hollander, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de zonen van menig ander volk, waarom ik ú dit vertel; gij, die slechts aan zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik óók: die tijd is lang voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien: hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer, Israëls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar, uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van zonen van dat volk.

Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig decenniën overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch vermogen—de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd, buiten beschouwing gelaten—vrij wel latent; hun plastiek niet sterk, zelfs de plastiek [p.58] van Salomo's onvergelijkelijk Lied der Liederen wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn, toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten, overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens aan die prachtige groep: Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal, eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op de knieën te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand, om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde, als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk—maar ik wensch nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche ellendelingen—deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de jonge Joden, [p.59] in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op renaissance—meest met beiden!—in hun hart, geen eerbied meer voor het geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur, hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het is alleen om in een óver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden, nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur èn van hun volk èn van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die Aronsstaf, mijn lezer—gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het boek van Dr. Slousch, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt—die Aronsstaf is de verjongd-uitbottende Hebreeuwsche taal!

DR. SLOUSCH: LA POÉSIE LYRIQUE HÉBRAÏQUE.

Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882—1910) behandelende, boek van dezen geleerden, met een zeer fijne critische intuïtie begaafden Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is, om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Máár—volkomen geëmancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt, is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem als groot geprezen Saül Tchernikhovsky, zegt hij:

[p.60] Cette dernière allusion à un rite rabbinique peu esthétique (het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beauté du culte grec et le manque de gout des rabbins.

Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:

Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des êtres pourris, vils et rebelles à la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevées a Shadaï-Dieu-Roc (cette divinité impénetrable du désert, qui présidait aux actes des conquérants de Chanaan) et qu'ils ont enchainées dans les cuirs des philactères,

hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der gebedsriemen" een gebod van "Shadaï-Dieu-Roc" zelf is. Niet dus van "Adonaï, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hébreux." Instede van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent plus oratoire que sincère" in Tchernikhovsky's poëzie noemt! Maar ten tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel op mijn arm" en ook—hoe rijk is een kind!—hoe ik midden in het ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith—den gebedsmantel—op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond, die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen: niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met een stoffigen hoed tevreden!... [p.61] Maar dus: "onaestetisch"!... ik begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:

Allusion à un passage talmudique qui exècre celui qui s'arrête à contempler "un bel arbre ou un beau champ."

Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe vertaling, aldus:

Die ten wege gaat en over gewijde onderwerpen méditeert en zijn meditatie afbreekt, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die zich schuldig maakt jegens eigen ziel.

Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!

Maar—en spreekt dit trouwens niet van zelf?—het opmerken dezer kleine vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij, Westersche Joden, daar Joodjes bij. Van hen allen schijnt Bialik mij de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment uit het gedicht Massa Nemirow, "une description réaliste du pogrome de Kichenev."

Fils de l'homme ... lève-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes mains le sang figé et les cervelles durcies sur les haies, sur les arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les ruines, en franchissant des brèches, en passant par des murs troués et par les fours brisés, la où les entailles sont les plus larges, où les trous sont les plus grands, où la pierre noire est denudée et la brique arrachée.... Elles sont pareilles aux bouches beautés des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remède n'est plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront contre les décombres des objets brisés, [p.62] contre les restes des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et des labeurs surhumains....

Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra à ta rencontre, et leur parfum pénétrera dans tes narines et leurs fleurs qui sentent le sang....

Et comme pour te contrister, leur senteur étrange répandra dans ton coeur la fraîcheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil te percera de myriades de flèches dorées qui refléteront sur chaque fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....

Car Jehova fit appel au printemps et à la tuerie à la fois. Le soleil rayonnait, l'acacia s'épanouissait et le bourreau abattait....

Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht, toont Slousch wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden, ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: La Chose (Dabar) van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:

Dans ce sanglot de désespoir suprême d'une pensee qui s'obstine à vivre, bien qu'elle soit hantée de l'idée de la Fin, s'affirme une sensibilité vivante et sympathique, qui mérite d'être connue de notre siècle d'égoïsme et de positivisme à outrance.

En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein gedeelte.)

Car une chose s'est declarée chez nous et personne ne sait ce qu'elle signifie.

Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher, est-ce pour jamais?

Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos, et n'offre aucun refuge.

Et alors même que nous voudrions implorer dans les ténèbres, nous livrer aux prières, quelle oreille nous écouterait?

Même si nous blasphémions, sur quelle tête retomberaient nos blasphèmes?

Et lors même que nous grincerions des dents, que nous lèverions le poing de colère, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent emporterait tout sans laisser des traces.

[p.63] Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les cieux se sont tus!

Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur faute.

Ouvre donc ta bouche, ô Prophète de la Fin, et si tu as quelque chose à dire, dis-le!

Dût ta parole être amère comme la mort, dût-elle être la mort elle-même, parle, dis-la!

Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque déjà son ange chevauche sur notre dos et met le mors dans notre bouche?

Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos lèvres, en plein délire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe....

En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote, Tchernikhovsky, zegt:

(Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie réelle, l'effort que le poète prêche aux fils degénerés du ghetto.

Débordant lui-même de la joie de vivre et d'agir, il exerce une action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collègues.

Il a conscience de son rôle de régénérateur. Il est aussi large, aussi prodigue que la nature l'est pour lui-même.

Ja, inderdaad: "débordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot, naar dit:

Mais non! Elle ne mourra pas la Poésie! Elle ne mourra jamais! Même le jour où l'homme ver parviendra à étendre son règne sur les domaines du Ciel et des abîmes, à dompter les tonnerres et le feu, et à jeter des clartés sur les ténèbres de la nuit polaire, elle ne mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des rimes, l'enthousiasme de l'âme du poète jaillira puissant comme le grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par les pères aux temps passés et dans la félicité sans bornes des siècles à venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...

Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle en vernuftig-ondermijnende haat van het intellect tegen het verfoeielijk maatschappelijk systeem, zich heeft gepaard aan de erbarmingsvolle [p.64] zachtheid van de ziel jegens de menschen; een beeld in één woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van Marx en Lassalle!—Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit: dat ik in de maatschappij, waarin ik leef, niets van het leven, het denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis met hun geestelijk gelaat herken.

DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.

En dat kàn niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: Heine Reliquien, dan zie ik daarin niet één mensch, hij zij Ariër of Semiet, of ik vind het meest karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug: Salomon Heine, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit, welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; Gustave Heine, de gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich, een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud, te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de Baron de Custine, met zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann, "die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk bij.) O, al die menschen ken ik empirisch èn intuïtief door en door! Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal [p.65] met het zoo oneindig belangrijker werk van Slousch, is het boek interessant. Het is het vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:

Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des Gesichtes, inclusive den Mund sind gelähmt. Dabei bin ich lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit Füssen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen und Gott sei genädig dem Hintern, den sie nächstens treffen.

Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de Jiddische Witz zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste karakteriseeren—en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer niet ongewenscht—ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een gemoedelijken, uiterst ervaringrijken en scherpzinnigen grijsaard, een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000 jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, máár: ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het volgende):

Im Laufe des Gespraches nahm ich ein französiches Journal zur Hand, und nachdem ich seinen Inhalt überflogen, fragte ich Heinrich, was er von den öffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte Französische Wachtmeister äusserte als der Lieferant Lewi seine Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen Städtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen zu seiner disposition. [p.66] Er liess deshalb die Ochsen einzeln vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter Wachtmeister der dabei war, schüttelte den Kopf mit Verwunderung und bemerkte: Es käme ihm vor, als seien es immer dieselben Ochsen."—"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."

Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel had hij niet alleen het essentiëele der Westersche beschaving in zich opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad haar fine fleur: de frànsche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst- aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen? Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere haar hand en zegt tot Gustave:

Bruder, Du warst klüger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das kleinste."

Men begrijpe mij wèl: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat hij, lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend, ze kon zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij is, ònder den grond meende te wonen, zij leven daarboven: zij heeten: eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang!

BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.

In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na [p.67] te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en vooral die van joodschen stam beïnvloed heeft en nog ten huidigen dage beïnvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij Josef Cohen wel de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; van Collem is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; de Haan veel te zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te volgen. Zijn joodsche Liederen, in De Gids van 1910 verschenen, zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan Het Joodsch Nationaalfonds gewijde gedicht in De Beweging van deze maand lijkt mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en Zionistische toekomsthoop, die niet in de dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn. Is deze, mijns inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't innigst joodsch-gevoelig, Bonn, wiens bundel Een Bonte Vlucht van Verzen hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft: arbeiders en het socialisme, en dan verder: hollandsche weidjes; hollandsche koetjes; huiselijk leven—heel innig!—. Maar zijn levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone gedachten-ònbelangrijkheid. En—'t zal u zoo op het eerste gehoor wat vreemd lijken!—niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van de laatste naast de eerste, laat weten, dat hij een echt dichter is, al moet [p.68] ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou dàt een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar worden! Maar nú zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot zoo betrekkelijk schoone verzen—men weet, ik doe te dezer plaatse niet aan eigenlijke détailkritiek—weet om te vormen, dat is een dichter.

Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht te bepalen, nadat we wat vogels hebben nageöogd, die zich neerzetten op zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei, dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig gedicht kon schrijven, maar dat de toetssteen voor den dichter het lied was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg niets episch. En indien we nu zoowel naar Bialik zien, die een poëem schrijft, waarin hij naar Slousch's getuigenis, de Kischinewsche gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen Slousch opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres hébreux aimèrent à se refugier dans la sensibilité romantique, qui écartait d'eux une perception trop nette de la réalité."

Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij worden en waren, niet langer als heerschers tegenover het hen omringende leven konden staan, dat het heerschersbewustzijn, ook in de besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten ondermijnd, niet leven kon, en—de lezer herinnert zich wellicht dat ik in mijn opstel over H. Roland Holst reeds zeer nadrukkelijk op dit [p.69] feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:[9]dit heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn, en het is, dunkt mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten—immers men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de noodwendigheid niet ziet—dat juist in ons Holland niet alleen een van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme verdienste en productiviteit, Heijermans, is opgestaan, maar ook een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de andere natiën: Is. Querido.

IS. QUERIDO: DE JORDAAN.

Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische bijmengsels, tot nu toe in zóó sterke mate in epiek van Joden aanwezig, dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer èn opstormen opnieuw, en de ééuwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal onbewuste, levens-doelen bereikt is—dat is iets wat het Joodsche ras zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige èn trotsche ras, dat ras van schuimende dondering en vleiïg gefluister, dat opgolft tot de hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk" inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen—om Slousch's woorden te gebruiken—: ne cessa d'évoluer, de se transformer et de s'impregner du génie de toutes les races, de toutes les civilisations, pour aboutir de nos jours à l'éclosion d'une littérature [p.70] moderne. Het kan lang duren vóór een der doelwitten van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht, bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,—zóó klaar zie ik geen ander beeld—den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden brachten.... Maar óók altijd door blijft het zijn bestemming, als tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?... Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch òmdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn blijkt bestemd?...—Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een openfonkelend antwoord doen òpschitteren.... Dit boek van Querido is zulk een antwoord.

In één scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en bewuste tendenzen, dan sommige Zolaïstische [p.71] werken; naakter van romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige subtiliteitjes in de dialoog—men achte dit een fout dan wel een deugd, ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap van het werk, en dus een deugd—dan de Balzac niet alleen, maar zelfs dan Zola, is dit boek één geweldige visie van het volksleven, in koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur, een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van menschen, aldoor meer en nooit genoeg, ménigten van menschen, de oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens, toch nóóit een verdwijnen, vóór, in een stralende doorlichting, het kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman pleegt te noemen, het doet geen poging dan—helaas!—in den titel, iets dergelijks te schijnen[10]. Ook [p.72] wil dit werk niet geestig, niet vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essentiëele van een zeker levensonderdeel wezen, maar juist omdat het dit alléén wil zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. Want er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch zou zijn. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke climax. Aan weerszijden van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt, zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is als het leven daar, [p.73] maar zie: dit land met al zijn wezens straalt van één klaarheid en raadsellóósheid: het licht eener verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan, en terwijl we op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien, worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. Daarom is het zóó één met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het kùnst is, maar daarom tevens straalt het zoo verklaard en verhelderd òp uit het leven, dat men aan niets anders dènken kàn, dan dat het kunst is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat het 't stralende licht is dat voor ons zoowel dien bergtop als dit veld iets anders doet zijn; dat het dit dóórlichtende licht is, dat dit boek, zoo één met het al-leven, voor ons toch nog iets anders dan dat al-leven doet zijn, want òns nu doorvoeld, verklaard leven is geworden.

Men zal hier van mij geen detailleerend exposé van den inhoud verlangen. Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in één week tijds, zijn tweeden druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden, in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de massa als dit, al is het tevens—en dit is een zijner schoonste triomfen!—een epos van de individuën, die de massa samenstellen. Want het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen, verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor alle individuën in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten, ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit [p.74] kent, begrijpt ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individuën is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden, die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, óók al kent gij de levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden, maar zoodra ge de levensomstandigheden van één Jordaner kent, kan alléén de benieuwdheid naar de individueele psychische reacties u bewegen, ook van de, immers niet-individueele, levensomstandigheden van een twééden Jordaner kennis te nemen. Want—ik herhaal het—de levensomstandigheden-zelf van den tweeden lijken, als twee druppels water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil bestaan, dat verschil is in ons oog—en op ons oog komt het hier voornamelijk aan—even microscopisch als tusschen die twee druppelen water. Dàt proletariërsleven ... dan een beetje méér, dan een beetje minder misère—wij huiveren èn van het meerdere èn van het mindere; het blijft voor ons hoogere-standsgevoel één pot viezig nat! En nu begrijpt ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk noemde—immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!—zooals ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard alléén zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon—gelijk we reeds gezien hebben—aan de weergave der individueele psychische reacties naast die van de psychologie der massa, al zal menigeen het zijn begonnen te lezen uit nieuwsgierigheid—en nog wat!—naar dat hem onbekende, duister-broeiende leven....—En welk een belangrijkheid bezit het [p.75] door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies meer zij, missen!... Eén stróóm van lichtende menschelijkheid bestraalt ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der verscheidenheid mij zulk een gevoels-begrip van eenheid geschonken als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.

Het is het heerschersbewustzijn van den auteur, dat bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is—gelijk ik reeds aanduidde —van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het voortreffelijkste kan worden genoemd, zóó als de aarde en het zonlicht het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn. Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet zijn, maakt zijn essentiëele grootheid uit. En het doet tot die grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet gehéél met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.[11] Men zegge niet, dat het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde" en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is [p.76] voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou gevoelen. Want: deze verstandelijk onontwikkelden zijn dat psychisch niet, en op dit laatste komt het aan. Want wat het laagstaan dier menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit oogenblik kunt voorstellen te leven een psychisch-frisschere en ook sterkere figuur dan Neel Burk; een psychisch-reinere, dan Huib Kilometerboekje—welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk persoons-leven niet meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!—een psychisch meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar belachelijke Tante Antje met haar aandoenlijke onbaatzuchtigheid—en men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid! —maar, vóór u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens duidelijk in, hoe weinig psychische begaafdheid met verstandelijke ontwikkeling en begaafdheid behoeft te maken te hebben. Onderscheid goed den uiterlijken glans van den innerlijken glans. En overweeg eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots, in een oogenblik van hèl-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke, uiterlijkheid is weggevallen en ziel slechts ziel ziet?

Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde bewijzen, men zou dit reeds alleen door de analyse van de figuur Stijn Burk afkunnen. Niet alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is [p.77] zonder haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen mogelijkheid zulk een mensch—allerteederste vader, schuchter man met sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust doorkild—zóó doorgrond, zóó in zijn componeerende elementen herleid en toch zoo intact, zoo fel-lévend kon gehouden worden als hij is, door observatie van buiten af, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een onderduiken, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den auteursgeest in dien zijner figuur.[12] En dit nu, dit tijdelijk zich, zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een ander, is alleen den heerscher ten opzichte van den absoluut-beheerschte mogelijk, den veel grootere tegenover den kleinere—precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan binnengaan—nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger. En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat de grond-oorzaak dier onmogelijkheid is de psychische vrees voor het onbekende, die, om zoo te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder dan tot benaderen brengen, alles slechts van den buitenkant angstvallig betasten en nooit iets durven binnentreden.

[p.78] Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, óók het opgaan van den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners zelf blijkt ontleend!

Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen als episch auteur, aan Stijn Burk en al de andere prachtig geslaagde figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die ééne minder geslaagde in het geheele boek—ofschoon ook die zeer zeker een waarlijk-levend mensch is gebleven—jegens wien hem grootendeels het heerschersbewustzijn ontbroken heeft: Karel Burk, den begaafden Don Juan van de Jordaan. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat, zoodra het Karel Burk geldt, persoonlijke liefde, d.i. liefde jegens die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke menschheidsliefde. Want waar dit psychische heerschersbewustzijn is—het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals heerschzucht, bazigheid, enz.!—daar is die menschheidsliefde en omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een persoon optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon gebroken. De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn onderdaan omhelzen wil.

[p.79] De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i. open en bloot. In Karel Hurk, den buitengewoon-intuïtieven psychologischen doorgronder; den artistieken waaghals en bereiker, die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot uiting komt; in Karel Burk, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom, zéér artistieke heerschersfiguur, ligt, op een veel lager plan, een flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien Querido—en dit spreekt m.i. van zelf—zich, in den boven aangegeven zin, geen heerscher voelt.

Men lette er ook op, dat in dit boek—en wat ik nu zeggen ga, bied ik niet aan als een bewijs mijner bewering, maar slechts als een ondersteuning ervan—vol van allerprachtigste dialoog, vol van uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het zelfs Wolf en Deken, en dàt wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist bij Karel Burk een uit-den-toon-vallen plaats vindt:

Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zóó van het glinsterende en vonkende water òver de dwarsbruggen de lucht in te koekeloeren, tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als een gloeiende, trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel in het starre blauw.

Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de gewaarwordingen van Burk in Burksch dialect te geven en die dus niet in Queridoïaansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in Burk, Querido, den schepper van Burk hier de baas was!

[p.80] Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, hier, een schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld was m.i. namelijk niet in de allereerste plaats een beeld te geven van het leven van zekere individuën, van een leven dus, welks eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft, máár, in de allereerste plaats, van een brok volksleven, d.w.z.: een leven, welks begin en einde ver buiten onze onmiddellijke perceptie liggen. Want is onze indruk van een persoonlijk bestaan die van iets eindigs, onze gevoelsindruk van het maatschappelijk, van het massa-leven is daarentegen die van iets oneindigs. Doch, een brok massa-leven, zóó meesterlijk, zóó boordevol vitaliteit te geven als in dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat leven: de individuën, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit gebeurt—en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak—dreigt de daardoor ontstaande indruk van het begrensde en eindige, te verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het oneindige—welke we immers van het massa-leven, als geheel, behooren te krijgen—bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zóó worden te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het oneindige te laten voelen van een zeker levensgeheel, naast de een eindigheidsindruk verwekkende uitbeelding der eindige deelen, moest naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen verhaalgang—want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een geheel, versterken den eindigheidsindruk—en, ten tweede, het als 't ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter tegemoetkoming aan òns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en niet omdat het [p.81] gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten, zie dàn verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien, ééuwig voort.—Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het oneindige zagen, niet schaden kon.

Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op het leven van Neel Burk met haar eersten man, den zachten Gronjee maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij getrouwd is met den onberekenbaren Stijn Bark: of, en dat brengt mij meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende stad-en-land uitbeeldingen:

't Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.

—Luilèk ... biddesèk, stoat om neige ure op ... neige of hèlleftien.... hep je de Luilèk nauit gesien?—Een donkere worp van doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als prooi beloerd, was dof néérgebonkt op ruiten en ramen van beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten, zonder iets te durven doen.—Een paar dagen later hadden diezelfde kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.—Met land- en grasgeurig doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid àl wat de gouden zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. De kinderen hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door een flonkervleugels-vertrillende [p.82] libel, die dronken om het vanielje-geurige zoet van witte orchideeën heen-kringde.[13]

Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren òpgetooid met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.—Uitgesleten, kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap gedruppeld, rookten geuren nà van klaver en iris, waterbezie en bitterzoet.—Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, dadelijk weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden.Want dwars tusschen het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de hemel-verspiegelende slootjes,—gierde het luidruchtig vertier der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes, acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en opgewonden.—De keien hadden geschud van de ratelende en rollende vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies vlamde.

Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door Stijn Burk, in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust, van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos is neergezonken, dat prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool [p.83] van Stijns eigen lijdensleven, dat lijdensleven van hem die door zijn drinkhartstocht, welke hij toch zóó gaarne zou willen bedwingen, elken dag gekruisigd wordt:

Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den grond, de armen wijd uit, gelijk een menschelijk kruis.

Of: heel die ruzie in de Wijde Gang met die Danteske visie:

Traag, tegen de grauwe muren, kroop de donkerende en grillige middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim, 't heele Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.

Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs' kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...

Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd. Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen voelen en tasten kan, maar wier leven je voelen en tasten moet en dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende werkelijkheid van den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen èn een wijd erbarmen, haat en liefde, alles, àlles in je òproept. Want men zie eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn kleine kindje naar bed brengen:

Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.

—Mot Siennetje soà ... pies goan?

—Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.

Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.—Hij was bang dat ze, verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel omzichtig moest hij te werk gaan.—Bij elk [p.84] kleedingstuk, dat hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje. (Ik sla hier een stukje over v.C.)—Nou ... 't jukkekie ... zong Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ... en nou ... 't siemesetje.... Sau fraàfe de férkies ... de snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't hàlshempie ... toktoktok ... hòat! sie!... wècht! stoute fliegie ... mô jèi bromme ... in 't auretje fèn liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't laàfie!... sss!... sss!... sòejessssse!!... sss ... sss!... hoal-àufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je hoal-àufer!... nou 't broekekie ... hoal-àufer!.... en Siennetje is 'n soete schèt!...

—Fèn sau'n mèskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns kunstig zoethouden van Sien.—Bij Lien, Mien of Jansje griende ze altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet meer tegen zich op voelde.

Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse Dien:

Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van afgunst op àlle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, hèt stuk chagrijn vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van een kaduuk weegtoestel. (Welk een prachtig beeld is dit, en zoo voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel! v.C.) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij ze zèlf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die schielijke leugenarij; voor haar waàrder dan de nijpendste werkelijkheid. Ze hield van 't liegen òm 't liegen. Het werd haar een fel, brandend genoegen te jokken. Ze kreeg zoo'n angstige vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd. (Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kòn nooit iets vertellen, zooals 't gebeurde. En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als 'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dàn te waar geworden was.

Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in [p.85] des schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn. Men vergelijke hierover mijn artikel over de Studies van dezen auteur, in De Ploeg.[14] Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....

Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun kringen):

Ze waren van één ras, eene klasse, door eenzelfden levensgolf rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achter gekanteld op één plek grond.

Of betreffende de waarzeggende "Tante Antje":

Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, meer luisterende dan kijkende oogen.

Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:

—Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de sabelbeenen uitgebogen.—

—As je blief Teun....

Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.

—Soo je siet moeder....

Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.

Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken matroos-eerste-klas.

Sèl ik stikke.... d'r hei je Teun fèn de Hoarlemmerdaik,... seg ouwe robbeklopper ... wèt bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....

De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn herinnering.

[p.86]—Nei,... dèt ken ik nie kroppe.... Wèt heb ik nou èn de hènd!... kè je Annemie niet meir.... Annemie uyt de Orènjestroat?... noù, diè kachel brent ... segge d'r seife stomme te g'laàk!... kaàk saàn is kaàke!... goa ik 'r àn?

Plots schoot bezinning bij den matroos terug.

—Nou hep ik je mins!...

—Hou fèst ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen, de armen als hengsels.

—Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ... f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie weg....

Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.—

Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten braniekraag.

Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk, prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen lach.—Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in een ziekenkamer. Het was altemaal open leven, frisch en frank.—

—Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....

Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.

Annemie lachte mee en de andere wijven ook.—

Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.—Nog 'n ander slag man dan haar suffe Stijn.—Maar Annemie voelde haar buurt bekeven.

—Alleminse ... wét bi jei grausig....

—Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...

En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt het niet uit door een prachtige waarachtigheid?—

Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele Neel Burk, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige—met diep mystisch begrip [p.87] door den auteur doorvoelde—zekerheid in haar-zelf vóórzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die een coup de maître was, dan is het hier:

Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje terug.—Zacht begonnen weer de stemmetjes òp te giebelen. Daantje krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie in te klimmen.—

Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie trônke ... jei nie ... jei kè nie ... swaaije....

—Mò je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.

—Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van kilte in zijn onderbroekje.

—Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje, doende alsof ze inschonk.

De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als vóór Neels waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil gemaakt.—Jansie, éérst het bezonnen en bedillende kind-moedertje, had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen, morrelde er een heele comedie omheen.

—Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sèl ikke.... sie je.... sèl ikke je arrestere.... bei Swèrte Jèns haur ... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies ... haur!... stookte ze Siempie op.

Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel, mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):

Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.

Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege gehoald, faàn!... mit sau'n hauge figelènte ... se wasse siek.... 0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't kètte-gèsthuys....

—Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hèp 't nie gehaurd?...

As jei sloap kè je ommers nie haure,... moedertje,... [p.88] se legge àllegoar in faàne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ... moedertje ... asse beiter binne ... mèg je se weir sien....

Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele schouder-schokjes.—

—Enne poes ... dèn? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren slaap.—

Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om steun.

Niet tènte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?

Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend grimas....

—Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend, zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.

—In 'n figelènte nie?...

—Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.

—En binne se niet naor 't kètte-gèsthuys gebracht?

—Sèlf meigereije!...

Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het gas, dàn naar buurvrouw, dàn naar moeder op.

Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in 't gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.

—En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met troostend, fijn vlei-stemmetje:

—Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se komme t'rug asse beiter binne....

Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van de twintigste eeuw nog verzonken lag—dat dan zelfs één klein stukje als het zooeven door mij aangehaalde [p.89] voldoende zal zijn om elken twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden, zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk een menschelijkheid niet anders dan wáárheid kan zijn....

ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.

Mag men ook het machtige boek van Else Jerusalem, Het Roode Huis, als een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo volkomen alles doorstralend als bij Querido. Deze bordeelroman, een aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij, lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen—deze prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale belangrijkheid betreft, naast De Jordaan worden gesteld. En ook wat dramatisch inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet licht ook de duldende Janka—de nicht van den verleider, den "prins," den schatrijken heereboer—die met de verstooten moeder en het kind is weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister gevoel dat zóó, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd en van het geslacht kan worden afgewenteld. [p.90] Maar wat de psychologie betreft—schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag—en wat de dialoog aangaat—vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk—en vóóral de beschrijvingskunst—heel vaak vieux jeu—staat het ònder Querido's werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het heerschersbewustzijn, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan de figuur van Madame Goldscheider, de gewikste waardin, tegen wie nu en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die door haar merkbaar wordt overschat. Doch dat alles neemt niet weg, dat het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die, opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene in de armen, den oever bespringt. Mevrouw Barentz-Schönberg, die het prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen, dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende oevers der toekomst heeft, maar vóóral, omdat ons met dit maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde "Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!—En om dit alles nu kan ik dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.

L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.

En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver als de heer Simons? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en van de opname zijner figuur in dit opstel over joodsche schrijvers?

[p.91] Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij, niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig, maar toch ook dit niet alleen: óók aandoening van schoonheid gevend! Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken, dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten eerste: de stijl van zijn opstel over den Gijsbreght van Aemstel. Het archaïsch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring, door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de Erven Bohn uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel willekeurig, uit wenschelijkheid, en niet uit innerlijke noodzakelijkheid geboren. Met andere woorden: ware het daarbij gebleven, dan zou dit geheele opstel geen kunst maar kunstenmakerij zijn geworden. Maar het is daarbij niet gebleven. Uitgegaan om een paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein, koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen werd. Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn verheven onderwerp hebben geschonken. Hij moet ook iets als het feestelijk gevoel gehad hebben—ik ga iets subtiels zeggen en het moet subtiel verstaan worden ook—van een kind dat onder de oogen en den lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven mag. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende, nederige en eerlijke Vondel-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder de oogen en glimlach van Vondel, in de taal-nuance van Vondel's tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van gewilde maar toch òngewilde stijlnabootsing, het product eener noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke [p.92] eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.

Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet neerslaat, vóór je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van de glibberige, vèrvloèkte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.

Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat die origine voor mij het beslissende moment is, bestaat er een zeer gewichtige reden hem in een opstel over joodsche schrijvers op te nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte: die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles, zij—om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!—dit alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde mijner medewerking aan dit Maandschrift[15] moet zijn.

Juni 1912.


NOTEN:

[1] 1 Febr. 1912.

[2] Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven" paragraaf-teekens werden gebruikt.

[3] Cursiveering overal van mij.

[4] "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met Abraham Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook goedmoedige, spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer critiek voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een criticus—iemand, die anderen steeds bedilt!—lijkt mij trouwens wel het allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere foutieve meeningen te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen "Brief," in hetzelfde maandschrift—De Boekzaal—deed afdrukken. Men zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit zeer onjuiste premissen had afgeleid:

"Rectificatie.—Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed, in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in mijn derden Brief het door mij geprezen werk De Vreemde Heerschers besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en dáárom moedwillig de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu, kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij, sprekend op zóó objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische milieu, waarin de Italiaansche boeren aan de meren leven—wel te onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de Napolitanen—benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat hier niets te verdoezelen viel. Het leven dier boerenbevolking verschilt inderdaad hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En ofschoon men kan zeggen, dat het boek zóó geschreven had moeten zijn, dat het niet-verdoezelen daaruit bleek, het is duidelijk dat dit niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden opgezocht, mij ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden medegedeeld, die mij bleken niets met eenig literair streven te maken hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.—Ten slotte: indien ik met zooveel genóegen mijne vergissing hier herstel en zelfs den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag legt." Juni, 1912.

[5] 1912.

[6] Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel wordt aangegeven.

[7] Cursiveering van de schrijfster.

[8] Cursiveering van de schrijfster.

[9] Herdrukt in mijne Schetsen en Critische Opstellen, blz. 150.

[10] Deze meening heb ik in Het Jonge Leven van September 1912 aldus nader gemotiveerd:

Het schijnt mij toe, dat de benaming roman voor dit boek zeer ten onrechte is gekozen.

Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het òf als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, òf bereid was af te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik: dat er een kern van handeling en een kern van persoonlijkheid zij, maar dat er buiten die kern slechts handeling en persoonlijkheden aanwezig zijn, voor zoover zij de hoofdhandeling en de hoofdpersoonlijkheid moeten belichten, en in onverbrekelijk boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben willen missen, want met elk zulk een figuur, ook de schijnbaar vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een rijk doorvoelde menschbeelding gemist hebben, maar allerminst kan men zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der meer op den voorgrond tredende figuren noodzakelijk is. Doch er is nog een andere eisch aan een roman te stellen, die door dit werk niet vervuld wordt, te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische toestand in heersche, die aanvange, zich ontwikkele en zijn ontknooping of eindpunt bereike, maar óók en vóóral, dat dit eindpunt tevens een punt van samenvloeiing is. Met dit laatste bedoel ik dit: een roman zij in den aanvang eene verscheidenheid, welke bij het einde tot een eenheid blijkt vervloeid, niet alleen in hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet, dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: het uitrustende verpoozen in de fraaie stad, welke zij rijk en groot heeft gemaakt, die inderdaad de rivierstad is, waarin alles van háár spreekt, alles van háár leeft en die daarom wel de meest geëigende plek mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen, al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.—En nu is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van een romangeheel niet, zij is de door geen enkele grens gehinderde eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het tegenovergestelde van de eenheid eener roman, die immers een tot geheel geworden deel van, gesneden uit het omringende leven is!

[11] Het essentiëele, de respectieve waarden aanwijzend en belichtend onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en het eveneens niet de objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een maniak, is niet zoozeer van quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van meer of minder.—Mij lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een maniak het beeld der hem omringende werkelijkheid in zijn geest moest vernietigen, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen redden, terwijl zulk een geniale mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn geest niet het geringste geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen laten bestaan. De verhouding van het gevoel van eigenwaarde tot de werkelijkheid is bij den eerste: die van iemand die zijn mededinger doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is, bij den tweede echter: die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen kracht, niet alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs liefhebben kan!

[12] Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi, l'observation était déjà devenue intuïtive, elle pénétrait l'âme sans négliger le corps; ou plutöt elle saisissait si bien les détails extérieurs, qu'elle allait sur-le-champ au delà; elle me donnait la faculté de vivre de la vie de l'individu sur laquelle elle s'exerçait, en me permettant de me substituer à lui comme le derviche des Mille et une Nuits prenait le corps et l'âme des personnes sur lesquelles il prononçait certaines paroles." Interessant ter vergelijking met de wijze, waarop Querido zijn Jordaan-Studies maakte is het onmiddellijk aan het geciteerde voorafgaande stukje: "Aussi mal vêtu que les ouvriers, indifférent au decorum, je ne les mettais point en garde contre moi; je pouvais me mêler à leurs groupes, les voir concluant leurs marchés et se querellant à l'heure où ils quittent le travail."

[13] Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.

[14] Later herdrukt in mijn Schetsen en Critische opstellen.

[15] De Boekzaal, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden gepubliceerd.


VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'

[p.93]

Blz. 7 Sogar:

Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de dingen-zelf denken: de overige denken uitsluitend over boeken: over datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te kunnen denken, de meer nabijë en sterkere opwekking van anderer gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de dingen-zelf tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.

Blz. 17 Vague Thoughts on art: vage gedachten over kunst.

Blz. 17 Art is:

Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie, welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.

Blz. 17 Impersonal emotion: onpersoonlijke ontroering.

Blz. 17 If I stand:

Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde, feitelijke gedachte—in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij te doen vergeten....

Blz. 19 For religion:

Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij het beeld des Konings dragen.

Blz. 19 He longed to go to school:

Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, [p.94] en hij verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't punt stond te springen, brak de heele stellage onder hem in elkaar en hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte.

Blz. 20 Dickens went:

Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte om te bidden.

Blz. 20 The modern Shocker:

De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, een tusschenspel in 't leven, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen, spraken de menschen erover alsof het werkelijke leven een tusschenspel tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was.

Blz. 20 ... his Christmas sentiment:

... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, die afhankelijk zijn van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is. Het heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het heeft het sentiment van den haard, dat is: het zien van het open haardvuur als het roode hart van de kamer. Dat open haardvuur is het heilige vuur van Engeland, nog brandend gebleven te midden eener slaafsche beschaving van kachels.

Blz. 21 But considered poetically:

Maar uit een poëtisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. Wij hebben Nacht vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken. Een nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme, menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke, menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag nooit de zon.

Blz. 21 This life of grey studies:

Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het [p.95] wordt gezien. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals het wordt geleefd. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen goed en kwaad ziet—zijn eigen leven. O, zeker, het leven waarmee wij niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal; maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.

Blz. 60 Cette dernière allusion:

Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus (het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der rabbijnen.

Blz. 60 Toutes ces belles choses:

Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots (Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)—deze ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaän's veroveraars bestuurde—en die door hen in het leder der gebedsriemen werden vastgesnoerd.

Blz. 61 Allusion à:

Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om "een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.

Blz. 61 Fils de l'homme:

Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en het cement der muren.... Daarna zult gij de ruïnen gaan zien, de bressen overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.

Maar houd u niet te lang bij die ruïnen op en vervolg uw weg.... En de geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....

En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, [p.96] die op elke ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....

Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....

Blz. 62 Dans ce sanglot:

In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw van tot het uiterste opgevoerd egoïsme en positivisme verdient te worden gekend.

Blz. 61 La chose: Het Iets.

Blz. 62 Car une chose:

Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat het beduidt.

Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is het er eene voor eeuwig?

Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.

En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven aan het gebed, welk oor zou ons hooren?

Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij neerkomen?

Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren zonder een spoor achter te laten.

Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De hemelen zwijgen.

Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.

Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen hebt spreek!

Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg het!

Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug berijdt en het gebit klemt in onzen mond?

En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.

Blz. 63 ... C'est la vie réelle:

... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.

Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.

Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.

[p.97] Blz. 63 débordant de joie de vivre: overvloeiend van de blijdschap van te leven.

Blz. 63 Mais non:

Maar neen! Zij sterft niet, de poëzie! Zij sterft nimmer. Zelfs ten dage dat de mensch-worm er in zal slagen zijn heerschappij over de domeinen van den hemel en den afgrond uit te strekken, den donder en bliksem te temmen, en met zijn klaarheden de duisternissen van den poolnacht te verjagen, sterft zij niet.... Midden de omlijstingen van zuiver goud en uit de halssnoeren der rijmen zal opgaan de geestdrift van de dichterziel, màchtig, als het trots gegrom van de zee. Verwijlend bij de heugenis der daden, in verleden tijden door de vaderen volbracht, en in de onmetelijke gelukzaligheid der komende eeuwen, sterft zij niet, zal zij nimmer sterven!...

Blz. 65 Lesen kann ich gar nicht:

Lezen kan ik heelemaal niet en schrijven maar weinig. Sedert een jaar is een oog geheel dicht, het andere zeer zwak en 2/3 van het gelaat, de mond daarbij inbegrepen, is verlamd. Daarbij komt, dat ik levenslustig ben gebleven en heelemaal geen trek heb mij kalmpjes onder de voet te laten loopen. Integendeel, de teenen jeuken mij en God zij het zitvlak genadig, dat zij eerstdaags zullen schoppen.

Blz. 65 Im Laufe des Gespraches:

In den loop van het gesprek nam ik een fransche krant op en nadat ik vluchtig den inhoud had doorgezien, vroeg ik Heinrich zijn meening over de publieke personen in Frankrijk, "Och," zei bij, "daar moet ik je 't zelfde op antwoorden, als wat die oude Fransche wachtmeester zei, toen de leverancier Lewi zijn ossen afleverde. Dit vond plaats op het marktplein van een klein stadje, waar de Staf, voor wie de ossen werden voorbijgedreven, om geteld te worden, stond opgesteld. De heer von Lewi had de verplichting op zich genomen 300 ossen te leveren, maar had er nu slechts 100 tot zijn beschikking. Hij liet daarom de ossen stuk voor stuk voorbijdrijven, en richtte het zoo in, dat de gekeurde ossen door zijn knechten vlug de eene poort uit, stadje om en door de andere poort weer naar binnen werden gedreven, zoodat ten slotte door den Staf een bewijs van ontvangst van 300 ossen werd afgegeven. Maar een oude wachtmeester, die erbij stond, schudde verwonderd 't hoofd en merkte op: het kwam hem voor, dat het voortdurend dezelfde ossen waren geweest.—Ja, beste broer," besloot Heinrich, "ook mij wil het voorkomen, dat 't nog altijd dezelfde ossen zijn."

Blz. 66 Bruder, du warst:

Broer, je was verstandiger dan ik, je koos je het kleinste der kwaden.

[p.98] Blz. 68 ... les lettres hébreux:

.... de hebreeuwsche letterkundigen hielden ervan hun toevlucht te nemen in de romantische gevoeligheid, die hen voor een scherpe waarneming der werkelijkheid vrijwaarde.

Blz. 77 Chez moi:

Bij mij was het opmerken intuïtief geworden, het drong door tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen om zelf het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de dervisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.

Blz. 77 Aussi mal vêtu:

Even slecht gekleed als de werklieden, en mij gedragend als zij, zorgde ik ervoor dat zij niet voor mij op hun hoede waren; ik kon mij mengen in hun groepen, hen hun handeltjes zien bedisselen en met elkaar twisten, als ze het werk verlieten.


HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK

[1] [p.99]

I.

Mevr. Henriette Roland Holst, Studies
over Socialistische Aestetica.—
H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland.

Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij zijn alleen gebleven....

O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt, nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het zóó ruim, oneindig, zoo standvastig [p.100] beklijvend en toch zonder eenige weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vroèg. Niets hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten, de pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen, gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen. Gij maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij schiept al het ontbrekende van uwe droomen en hèrschiept zelfs veel van het zijnde daarin. En alles werd één half maanlicht-blanke, half donkere sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar, arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, máár die hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen kòn. Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat, het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en dorst.—Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat èn vreest, gij vréést het als een scherpsnedig wapen, gij háát het als een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och, droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt ontvluchten. Nù weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken ochtendgloor.

[p.101] Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst ... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom ... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, hòe zij ù verscheen.... Want zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra, verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet wist: met de vrucht van ùw werk, door haar verworven, zònder u te dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher, dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet, in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... Dàn, als ge dit begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het "leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden, maar ook de toekomst en het heden slechts verschijnselen-van-de-oppervlakte zijn: drie meren, elkaars inhoud onophoudelijk wisselend door en in een diep verborgen bron. De vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is slechts eene van verhouding en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van wezen. Nu [p.102] erkent gij eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij voelt u nu rijk en gelukkig met het heden, en zijt gij al een waterdruppel in dàt meer, in dieper werkelijkheid weet ge u ook een in de andere twee èn de diepverborgen bron. Maar nauwelijks hebt gij u verheugd om uw ontdekking of het valt uwer vrijgekomen aandacht op, dat ook deze "groote gewoonte der natuur": de schijnbare vergankelijkheid der dingen, door een andere gewoonte wordt verstoord. Iets, merkt ge, is er, dat zelfs niet onderworpen schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van vertoeven en verhouding, waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken, die altijd blijven in het heden; zij stroomen niet weg naar verledens meer, zij schijnen de eigenschap der hedenmatigheid—mogen wij zóó haar even noemen?—onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen en leven in de wisselende verhoudingen van het heden; de eigenschap dus, die men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der eeuwige jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, nù levend in het heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te vinden, wàt dit uitzonderlijk eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het essentieele in hen is.

Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "nù levend in het heden": niet immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen, niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het opkomen eener [p.103] marxistisch-socialistische aesthetiek, die het probleem wàt het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat "algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit kònden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen van het Onbewuste in hen bleef: een intuïtief aanvaarden van een gevoelde maar niet doorvoelde en evenmin begrepen waarheid, een aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren zij bij machte geweest uit te zeggen waarom dat andere als het vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr. Holst's Studies over Socialistische Aesthetica en Gorter's Kritiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland, zijn invloed begon uit te strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd, [p.104] hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch- en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene menschelijkheid—waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt, geen kunst te maken is—maar het bestaan eener algemeene menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen gespecialiseerde menschelijkheid, waarvan de kunst van dien tijd gemaakt wordt, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende gespecialiseerde menschelijkheid.—Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen hóóg optrekt en met een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen alsof ik niets zie! Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer kàn hier bedriegelijk werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen? Ziehier: Niet de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de "door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en meevoelbaar blijvende schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat dat werk voortbracht.—Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde [p.105] wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten, van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der scheppende ziel, de schoone daden der kunst-scheppende Natuur, die in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar, in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de vergankelijke tijd niet doorstroomde—ja, hoe grooter hij is, des te opener staat hij voor dien tijd!—van diens vergankelijke beelden en neigingen maakt hij kunst, máár: het complex dier beelden en neigingen is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het vergankelijk is?

Neen, het ònvergankelijk lichaam, waarin dàt zich blijft openbaren is: de taal: dáárin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner beweging, de uit zich-zelf blijkende noodzakelijkheid daarvan, in één woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend gebaar, van de scheppende daad. Diè voelen alle nageslachten mee, diè is het welke zij liefhebben, àlle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch niet te deren lichaam, blìjft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend, als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer is: dat niets anders dan de in een kunstwerk bereikte tweeéénheid van Scheppend Vermogen en taal, dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent. En wat nu de werking dier tweeëenheid op het complex der verleden beelden en neigingen in betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen háár wonderen glans zien en den klank harer taalstem hooren, gelóóven zij, gelóóven zij, en volmaakt, in de herleving van dat doode, èn—hebben gelijk! Want: op het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van diè stem, hebben zij het iets van hùn [p.106] eigen menschelijkheid, onbewust, geleend, hebben zij 't met hùn menschelijkheid weer bezield.

Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al minstens evenzeer om de vrucht—de literaire critiek—als om den boom, waaraan zij groeit—de aesthetiek—te doen is, zij het mij vergund ook in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel letterlijk citeeren plicht. En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:[2]

Voor den eersten[3] zijn alle menschen gelijk en is van alle menschen het levensverloop even aesthetisch belangrijk, even waard afgebeeld te worden in kunst. Er is voor hem niet meer grond, door den eenen mensch meer getroffen te worden dan door den anderen, als er grond is wezenlijk onderscheid te maken tusschen mensch en ding. Vandaar, vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme, de neiging tot het afbeelden van volslagen onbelangrijke, vaak in de nietigste kleinigheden uitgeplozen levenssneden van volslagen onbeduidende menschen—zij het geheel objectief of in een tint van medegevoel of ironie.

[p.107] Mògen wij wel aannemen, dat deze aesthetische overtuiging van den burgerlijken kunstenaar de oorzaak is van de neiging tot het afbeelden van "volslagen onbelangrijke ... levenssneden"? Wijst dat tusschenzinnetje: "vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme" niet op de m.i. ware oorzaak? Immers, kunstenaarsaanleg is zeer verscheiden: de een heeft de macht en den drang tot het scheppen van heroïsche wezens en omvangrijke, grootsche tooneelen, de ander slechts tot het uitpluizen van kleine levens-afsneden van volslagen onbelangrijke menschen. Der eersten aanleg is meestal machtig en groot, die der laatsten meestal zwak en klein. De oorzaak van het opkomen van het groote meerendeel der laatsten is dan ook: het gewekt zijn van hun kleine aanleg door voorafgaande grooten. Waren die er niet geweest, misschien hadden zij dan nooit geschreven; vandaar, dat hun werk bijna altijd bij een nabloei hoort, nu van het naturalisme en in andere tijden van een ander isme. Altijd zijn die nabloeiers min of meer klein—zij behoeven niet geheel ontbloot van groote eigenschappen te zijn—hun werk is altijd min of meer het werk van uitpluizers, vergeleken bij de geweldige rotsklompenuithouwingen der voorafgaande grooten. De kleine uitpluizers van onzen tijd hebben dan ook niet als 't ware moed geschept, om hun werk te maken, uit, zijn daartoe niet gekomen door de door Mevr. Holst aangewezen aesthetische overtuiging van het burgerlijk kunstenaarschap, maar het is omgekeerd: omdat de burgerlijke kunstenaars inzagen, dat die kleine kunst toch ook kunst is, kregen zij of werden zij versterkt in die aesthetische overtuiging. Zien wij verder:

Hoe meer de kunstenaar er in slaagt door zijn voorstelling het gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken—dat is een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort te brengen—des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker is in haar soort zijn kunst.[4]

De schrijfster vergeve mij: even zoovele woorden, even zoovele onjuistheden acht ik hier aanwezig. Een eigenschap [p.108] van kunst, ook van "kleine" kunst, is, dat zij ons door haar afbeelding van het "ònbeduidende," het beduidensvòlle laat zien. Hoè doet zij dat? Zij ont-dekt niet, zij doorlicht. Zij rukt het mom der onbeduidendheid niet weg, maar zij maakt het doorzichtig. Zoodat wij het zelfde ziende, wat wij in het dagelijksche leven om ons heen zien, toch niet het zelfde zien en inderdaad, en zonder begoocheling, iets oneindig schooners en veel meer beteekenends aanschouwen. Hoe meer de kunstenaar daarin slaagt, zeg ik tegenover Mevr. Holst, des te voortreffelijker is zijn kunst. Maar indien hij daarin niet gehéél slaagt—hetgeen vrijwel zeker is—indien hij het hóógtepunt van voortreffelijkheid niet bereikt, dan nog—tweede onjuistheid:—kan zijn voorstelling toch geen "gevoel van wrevelige neerslachtigheid" voortbrengen. Want immers nog altijd uitgaande van de premisse, dat die voorstelling kunst en dus voor haar verreweg grootste deel wel geslaagd is, zal het gevoel van neerslachtigheid, dat het niet geslaagde, het òndoorlichte bij ons zal opwekken, onmiddellijk overheerscht en verdrongen worden door het geluk, dat 't wèl-doorlichte, 't geluk dat diep gevoelen en begrijpen geeft. En wij kunnen des te zekerder zijn, dat het laatste het eerste zal overheerschen en verdringen, omdat het naast zijn kracht van het schoonere en meer juiste te zijn, nog beschikt over die van het verrassend-nieuwe. En niets is onweerstaanbaarder dan dat.

De socialistische kunstenaar kent deze neiging niet, zij is onvereenigbaar met zijn aesthetische beginsel; niet alles van het menschenleven wil hij beelden, maar die momenten in het leven van die menschen, waarin een bepaalde schoonheid van wil en gezindheid het helderst straalt.[5]

Helaas, socialistisch of niet, geen ènkel kunstenaar kan àlles van het leven beelden; óók de grootste is geen universeel-aanvoelend wezen, en is hij verstandig genoeg, om deze eenvoudige waarheid te vatten, dan wil hij 't dus ook niet, maar zal zich bepalen tot wat het in hem werkend scheppend [p.109] vermogen wèl doorvoelen en beelden kan. Nu kan het ongetwijfeld wel te eeniger tijd geschieden—gelijk het óók gebeuren kan, dat een burgerlijk kunstenaar zich bijv. uitsluitend tot het beelden van zeer edele figuren aangetrokken voelt—dat een socialistisch kunstenaar opstaat, die zóó is geaard, dat hij niet anders beelden wil (kan) dan "die momenten in het leven van die menschen, waarin een bepaalde schoonheid ... het helderst straalt." Dat zal dan echter niet op eenige, door zijn socialisme gesterkte, breedheid en heroïsme van zijn aanleg wijzen, gelijk Mevr. Holst meent, maar integendeel op de enge beperktheid daarvan. En, gelukkig, is die kunstenaar er dan ook nìet. Tot heden is hij een niet verwerkelijkt droombeeld van Mevr. Holst! De beide groote socialistische menschenscheppers—van dezulken moeten wij immers hier toch vooral spreken—van ons land: Querido en Heijermans, lijken evenveel op zulk een kunstenaar, als her en der hun prooi bemachtigende, stoutmoedige trekvogels, op 'n schuchter en zwakpootig ooilammetje, dat aldoor op 't zelfde plaatsje blatend grasjes mummelt! Integendeel: het breede en heroïeke is juist in hen, dat zij zulk een rijke verscheidenheid van menschelijke gevoelens in hun werk tot leven brengen, en hun beste werk bestaat zelfs uitsluitend[6] uit beeldingen van menschen, in wie niets van "die bepaalde schoonheid van wil en gezindheid" straalt, maar die zich zelfs vijandig tot die gezindheid en wil verhouden![7] Nemen wij nu nog een laatste citaat:

De opvatting "de schoonheid der voorstelling onafhankelijk van den zedelijken grondslag," in waarheid een grove miskenning van het wezen der kunst, van haar zielvolle waardigheid—is hun (der burgerlijke kunstenaars, v.C.) aesthetisch beginsel en zij kunnen geen anderen lof begeeren of verwachten dan die hierin past. De hoogste bewondering hun gebracht, kan niet [p.110] anders dan de zuiverheid en schoonheid van de uitbeelding van het gevoel betreffen. Instemming met den wortel der voorstellingswijze, met het levensbegrip, ligt buiten de sfeer van het burgerlijk aesthetisch bewustzijn; onverschilligheid voor, afkeer van het levensbegrip van een kunstenaar kan in deze sfeer op de aesthetische waardeering van geen invloed, en moet den kunstenaar zelven onverschillig zijn. De lof hem gebracht voor de uitbeelding der aandoening moet hem ten volle bevredigen. Vanaf een ander plan, d.w.z. dat der weer gewonnen eenheid, de proletarisch-socialistische aesthetica, lijkt dit of een moeder ermee tevreden zou wezen, dat men in haar kind roemde zijn open voorhoofd, zijn lachenden mond, den stralenden blik van zijn klare oogen, en er bijvoegde dat die trekken de spiegel waren van een terugstootende ziel.[8]

Ik heb hierboven gezegd, dat kunst óók de doorlichter van het mom der dingen is. Ik zou hieraan nu verduidelijkend willen toevoegen, dat kunst het zichtbaar worden der noodwendigheid in 't voorgesteld gebeuren ten gevolge heeft, en dat het blijken dier noodwendigheid de schóónheid van 't voorgesteld gebeuren uitmaakt. Meenden wij van een zeker gebeuren, zoolang kunst dat niet had doorlicht, dat 't op een zedelijken grondslag rustte of die miste—zoodra kunst dat wel heeft doorlicht blijkt het te rusten op den grondslag der noodwendigheid, blijkt het dus te bestaan in een sfeer, die buiten-menschelijk-zedelijk is en dus geen menschelijk-zedelijken grondslag daar te kunnen hebben. Te zeggen dus, dat de schoonheid der voorstelling wèl afhankelijk is, in welken tijd ook, van den zedelijken grondslag, dàt is in waarheid een grove miskenning van het wezen der kunst, en dit niet alleen, maar het is ook het onmogelijke en ongerijmde beweren.[9] Doch hierbij blijft het niet. Mevr. Holst accentueert haar meening sterker, zij zegt: wie afkeer van de uitgebeelde aandoeningen heeft en desalniettemin de uitbeelding bewondert, [p.111] verkeert in de positie van iemand, die in de physionomie van een kind klaarblijkelijk alles aanwezig acht, wat tot de kenmerken eener schoone ziel behoort en er dan bijvoegt, dat die physionomie de spiegel eener terugstootende ziel is. Maar iemand, die dit zou beweren, zou immers toch niet alleen van het standpunt der socialistische aesthetiek, maar van af alle mogelijke standpunten ter wereld een zich-zelf-weersprekende ongerijmdheid zeggen! En welnu, ik ben verplicht te constateeren, dat onze schrijfster-zelf zich in een onbewaakt oogenblik in de positie van zulk een heeft bevonden. Immers zij zei: "Hoe meer de kunstenaar erin slaagt door zijn voorstelling het gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken ... des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker in haar soort is zijn kunst." Zulk werk is dus kùnst, is dus voortreffelijk, ook in háár oogen. Maar tegelijkertijd heeft zij een afkeer van het levensbegrip van den kunstenaar, die het schiep en van de onbeduidende of lage aandoeningen en neigingen die erin gebeeld zijn. En daar zij deze alle gelooft het zelfde in een kunstwerk te zijn als de ziel is in een kind, gelijkt zij-zelf dengenen die de trekken van een kind edel vinden en desalniettemin zeggen, dat zij een terugstootende ziel weerspiegelen! Ware zij toen tot bezinning gekomen! Hadde zij zich afgevraagd: hoe kan ik deze ongerijmdheid zeggen? Zou dan toch waarlijk dat kind wèl een edele ziel hebben? Zou wellicht datgene, wat ìk voor de ziel van een kunstwerk houd, toch nìet de ziel zijn, Zouden wellicht niet het levensbegrip, niet de afgebeelde gevoelens, niet de "zedelijke grondslag" de ziel zijn, maar iets anders? Waarom zij niet tot zelfbezinning kwam, zullen wij nu nog niet onderzoeken. Blijve dit tot straks bewaard. Wenden wij ons nu allereerst tot Herman Gorter. En dan zullen we tot ons niet gering genoegen allengskens merken, dat ook hij den bestrijdingsarbeid heeft verlicht, door onbewust zich-zelf te bestrijden! Tot ons genoegen, zeg ik: niet alleen omdat hij zelf daardoor zoo sterk bevestigd heeft wat wij voor waarheid houden, maar wijl juist door die onbewuste zelfbestrijding deze prachtige [p.112] dichters- en denkersfiguur opnieuw zoo gróót blijkt. Want niet hij is 't grootst, die in dogmatische dwalingen bevangen, door zijn niet-verstelselde intuïtie zoo weinig wordt beschermd, dat hij van zijn ònlogisch uitgangspunt af den redeneeringsdraad zonder hem te breken of verwarren verder spinnen kan, maar hij is groot, die in zulk een voortdurend verband met die intuïtie leeft, dat zij hem, in weerwil van zijn lager verdogmatiseerd bewustzijn, telkens bij schokken den weg ter waarheid opdringt en hem, onbewust, de waarheid spreken laat. Citeeren wij nu allereerst die gedeelten uit Gorter's betoog, welke zijn bestrijding van Kloos behelzen. Dit zal, naar ik vertrouw, het tweeledig nut hebben, van aan te toonen, 1°. dat de algemeene-en-eeuwige-menschelijkheids-theorie niet wel houdbaar is; 2°. dat hoewel Kloos en de schrijver van dit opstel beiden de proletarisch-socialistische aesthetica bestrijden, de wijze waarop deze bestrijding zich voltrekt geheel verschillend is. Kloos dan, in het algemeen menschelijke het vereeuwigend bestanddeel ziende, heeft deze meening aldus geformuleerd en verdedigd:

De Grieksche Literatuur ... was zeer zeker literatuur van een bepaald volk, zooals iedere mogelijke literatuur dat steeds is. Maar dit is even zeker, dat in geen enkele andere literatuur, het algemeen-menschelijke, dat van alle eeuwen is, zóó voor den dag komt, als juist in de Grieksche, en dat door datzelfde algemeen-menschelijke, dat nergens zoo evident is als dáár, de Grieksche literatuur reeds 3000 jaar vereerders en bewonderaars onder alle andere volken heeft gevonden. Om bij de Antigone te blijven, Antigone is een vrouw, niet alleen van een speciaal volk van 2500 jaar geleden, maar een vrouw zooals men ze tegenwoordig ook nog heeft—die handelt en zich uit, zooals een levende superieure vrouw in overeenkomende omstandigheden ook thans nog zal kunnen en moeten spreken en doen.[10]

Welnu, een klein citaat uit Gorters bestrijding zal, geloof ik, voldoende zijn, om de onhoudbaarheid der door Kloos verdedigde theorie aan te toonen:

[p.113] Het eeuwig menschelijke is een abstract begrip dat alleen in het verstand voorkomt.

Dit eeuwig menschelijke, als men het in zijn geheel nagaat, en het niet, zooals Kloos doet, slechts als frase gebruikt, blijkt allersimpelst, allerkaalst, allerdorst en zoo kunsteloos als de beginselen der rekenkunde te zijn, zoo kaal, simpel, dor en kunsteloos, dat er nooit een kunst van gemaakt zou kunnen worden....[11]

Wij zelve hebben boven gezegd, dat de drie groote onbewuste driften tot zelfbehoud, voortplanting en maatschappelijk zijn eeuwig-menschelijke driften zijn. Maar wie zou van deze dorre waarheid, van dit, juist door zijn algemeene eeuwige menschelijkheid beweginglooze leven, van dezen "onsterfelijken dood" kunst kunnen maken?....[12]

In de telkens veranderende omstandigheden, in de andere verhoudingen, waarin de menschen in de geschiedenis tot elkaar komen, veranderen hun gedachten, woorden en daden. Die, door een groot dichter voorgesteld, doen ons ontroeren. Het is niet de platte algemeenheid, het algemeen menschelijke in zijn eeuwigheid, dat ons ontroert, maar het gewijzigde, het speciale, het bijzonder menschelijke.[13]

Er is dus in deze beschouwingen geenszins ontkend, dat er een eeuwig of algemeen menschelijks zou bestaan. Er is slechts beweerd en bewezen, dat het een abstractie is, op alles wat menschelijk is, toepasselijk, en dus, als kunstbeginsel, waardeloos en onbruikbaar.[14]

Gorter betoogt dus, dat het niet van de algemeene menschelijkheid, de onveranderlijke, is waarvan kunst gemaakt is en wordt, maar van de menschelijkheid, zooals zij door de maatschappijvormen (productieverhoudingen) gespecialiseerd is. Hij bewijst dat verder zoowel aan het door Kloos aangehaalde voorbeeld der Antigone als aan zeer vele andere kunstwerken. Hij betoogt, dat die aldus gespecialiseerde menschelijkheid van bijv. den tijd der Antigone bijna niets doet, niets weet, niets zegt, zooals ònze menschelijkheid zoude voelen, doen, zeggen. Dit betoog, dat hier natuurlijk niet in zijn geheel kan worden overgenomen, schijnt mij toe, gelijk ik [p.114] reeds zei, waarheid te bevatten. Het is dus niet de algemeene menschelijkheid, die ons in een kunstwerk kan ontroeren en verheugen. Maar tot hiertoe samengaande met Gorter, scheiden zich nu onze wegen. Want dat de gespecialiseerde menschelijkheid, een iets geboren uit zoo vergankelijke dingen als de invloeden van tijd en plaats, vergankelijk wezen moet en zij het dus niet zijn kan, die ons na duizenden jaren nog ontroert—ik heb het den lezer reeds vroeger waarschijnlijk gemaakt. Zou hij-zelf zich trouwens niet zijn opgetrokken wenkbrauwen en haastig gegrepen potlood nog herinneren?... En op de vraag, die nu onontkoombaar rijst: wàt dàn dat eeuwig geluk- en genot-gevende in kunst is, ook daarop kent de lezer mijn antwoord reeds.—Maar ook Gorter moest natuurlijk een antwoord geven en hij doet dit dan ook op een manier, die—des lezers heftiglijk neergeschreven vraagteeken meer dan rechtvaardigt! Het "gespecialiseerd menschelijke," dat uitteraard van onbetwijfelbaar vergankelijke natuur is, blijkt nu pour le besoin de la cause, van ...ja hoe zal ik 't zeggen ... welnu: van min of meer ééuwige natuur te zijn:

De zaak, waarde lezer, is heel eenvoudig. Zij biedt ook u waarschijnlijk niet de minste moeite. De simpele waarheid is: alle menschelijke aandoeningen zijn eeuwig menschelijk. Niet in dien zin dat de menschelijke aandoeningen eeuwig dezelfde blijven, maar in dezen, dat er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het, sterker of zwakker, ook wel voelen.[15]

Dit stukje lezend voelde ik opnieuw de felle waarheid van Querido's Gorter-karakteristiek:—in een Handelsbladkroniek—dat hem in zijn betoogend proza altijd een zoo bijzondere schijnklaarheid eigen is[16]. Een sterke suggestie: "de zaak ... is heel eenvoudig," "biedt ook u waarschijnlijk niet de minste moeite," "de simpele waarheid is," wil hier den lezer iets, de aanwezigheid nml. eener klaarheid, opdringen, dat er niet is. Want neen, zóó gaat dat niet! De bewering: dat er "niets is, [p.115] wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kàn het, sterker of zwakker, ook wel voelen"—overigens een zeer aanvechtbare stelling zooals wij zullen zien—zegt hier niets. Wat hier van Gorter's standpunt gezegd èn verklaard had moeten worden is: dat en waarom 'tgeen een ver en vreemd geslacht gevoeld en gedacht heeft, ons onder zekere omstandigheden—die van kunst—enorm sterk, enorm fel ontroeren kan, feller en sterker dan vaak ònze werkelijkheid. Want het is niet zóó, dat wij tegen die oude werken zitten op te kijken en ons neusknijpertje recht zettend, om beter te zien, in ons-zelf mompelen: "Hé ja, daar kan ik ook toch wel in komen," maar het is zóó, dat wij machtig worden gegrepen, dat onze mond siddert, onze oogen glinsteren van de tranen, omdat daar iets voor ons leeft, zoo diep als een hemel en zóó lichtgedrenkt, zoo verrukkelijk, en trillende van jeùgdig schoon....—En als ik nu Gorter vraag: wat is dat, wat daar voor mij leeft met zoo fel, zoo diep en schoon een leven, als ik mij nauwelijks óóit iets menschelijks heb gedroomd? dan antwoordt hij mij, den in schemer gezetene, verblindend door klaarte: Hoè, weet ge dat niet?! Dat zijn die half of heel vergane gevoelens van een lang verdwenen geslacht, die zoo goddelijk sterk voor u leven! Die gevoelens—herinnert ge 't u, dat ik 't u leerde?—zij werden gevormd, bepaald door een zoo geheel andere maatschappij dan de uwe, zij staan vér van u, zij zijn u vreemd. Welnu ... hokus pokus pas ... ziedaar, dáárom leven zij zoo fel voor u, daarom ontroeren zij u, hen ziende, nog meer soms dan die ùwer lévende maatschappij.—Intusschen: zelfs in gevallen, waar de invloed van oneindig-verschillende maatschappij-vormen en tijdsafstand niet bestaat, is het niet waar, dat "er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het sterker of zwakker, ook wel voelen;" is het niet waar, dat dáárdoor een kunstwerk voor ons leeft en ons ontroert. Door hen, die van "Les Chants de Maldoror" aesthetisch hebben genoten, is er niet één, die iets van sommige daarin geheelde gevoelens, sterk of zwak maar wèrkelijk voelen kan, want in iemand, bij wien dit wel het geval ware, zou onder het [p.116] lezen van dàt werk de bestiaal- en pervers-zinnelijke lust het aesthetisch genot onmiddellijk hebben opgeheven.

Ziehier dus een kunstwerk, waarvan het zelfs gewenscht is, de erin gebeelde menschelijkheid niet te kunnen meevoelen, indien men er aesthetisch van genieten wil! Gelijk dan ook de ervaring leert, dat van sommige kunstwerken, in bijv. een revolutionnairen tijd ontstaan, en wier voorstellingen beeldingen waren van het revolutionnair voelen in dien tijd, wèl genoten werd door de menschen op de wijze van iemand wiens innigste meeningen en gevoelens door een ander worden goedgekeurd en toegejuicht, maar niet genoten werd datgene wat men kunstgenot noemt. Dit laatste kon dan ook niet, juist omdat de menschen in dien tijd, de in dat werk gebeelde menschelijkheid te sterk meevoelden! Eerst later kon men dan aesthetisch van zulk werk genieten.

"Keesje van Van Hulzen," zegt Kloos, "zal blijven leven, ook bij menschen die heelemaal niets meer weten van dezen tijd. Dat komt omdat hij het algemeen-menschelijke heeft vastgehouden." Een onwaarheid. Niet daarvan zal het afhangen of de latere geslachten "Keesje" zullen vasthouden. Het zal er integendeel van afhangen of dit speciaal-menschelijke, dit kleinburgerlijke Keesje den lateren geslachten schoon genoeg zal lijken om vast te houden. En dat hangt weer af, behalve van de artistieke kracht[17] van den heer Van Hulzen, vooral van het speciaal-menschelijke dier lateren. Het kon wel eens gebeuren dat die lateren zoo vrij en zoo gelukkig waren, dat zij in het kleine Keesje niet zóó veel meer zagen, dat zij hem vasthouden wilden.

Dat schrijft Gorter op blz. 29, maar op blz. 27 vinden wij dit:[18]

Blijkbaar is valschheid, vuilheid etc. even eeuwig-menschelijk, en kunnen zij, als zij maar door een groot kunstenaar[19] worden beschreven, even eeuwig-mooi als reinheid en eerlijkheid zijn.

Hoe! en komt het er nu niet op aan of de lateren zoo oprecht en helder zijn, dat zij maar liever die valschheid [p.117] en vuilheid niet willen vasthouden? Komt het er nu alleen op aan, of die vuilheid en valschheid door een groot kunstenaar worden beschreven? Maar, veroorloof mij: zou het óók in het geval van "Keesje" van Van Hulzen, instede van "behalve" van des heeren van Hulzen's artistieke kracht, niet uitsluitend daarvan afhangen of "Keesje" zal blijven leven, al dan niet? En zouden wij dan maar niet meteen concludeeren—o, onbescheiden vrager, die ik ben!—dat dit leven-blijven niet bedreigd wordt: noch door het vaak "onbeteekenende" en "onbeduidende" der levensgevalletjes, die een werk beschrijft, zooals Boccaccio's Decamerone; noch door het zonderlinge en vreemde, het gedeeltelijk ver buiten onzen tijd liggende der voorstellingen, zooals bij de Sakuntala; noch door het niet medevoelbaar Uebermensch-sadistische zooals bij Les Chants de Maldoror, maar dat dit leven-blijven uitsluitend en alleen afhangt van de artistieke macht, die het werk schiep, het Scheppend Vermogen, dat erin straalt, en of men diens schoone bewegingen daarin zoo onvertroebeld en duidelijk ziet, dat men het "vast wil houden"? Het antwoord kan, dunkt mij, niet langer twijfelachtig zijn. En evenmin of 't wel juist was, toen ik zei, dat Gorter, gelukkig, soms zichzelf bestrijdt! Ik zal straks gelegenheid hebben u een andere volstrekt-afdoende zelfbestrijding van onzen schrijver te toonen, laat ons nu echter even een terugblik werpen en onderzoeken hoe Mevr. Holst en hij ertoe gekomen zijn, de door ons bestreden onjuistheden te zeggen. Wij dan hebben aangetoond of waarschijnlijk gemaakt, at de neiging tot het uitpluizen van "volslagen onbelangrijke levenssneden" gevolg is van den betrokken kunstenaarsaanleg; wij hebben waarschijnlijk gemaakt, dat deze kunstenaars juist als nabloei van het naturalisme verschenen, omdat zij daardoor gewekt zijn, daardoor pas tot schrijven zijn gekomen. Mevr. Holst niet aldus, zij wijt het bestaan dezer kleine kunst aan de scheiding van zedelijk en aesthetisch ideaal—terwijl wij hebben aangetoond, dat een kunstenaar als zoodanig, d.i. een ziener en ontdekker der noodwendigheid niet door het eerste kàn worden beïnvloed—"want [p.118] zulk een ideaal geeft aan het leven een zin"[20] en "voor de burgerlijke kunstenaars, die dit misten"[21] wordt de wereld een ding om afgebeeld te worden, het leven "in de eerste plaats een ding om kunst van te maken."[22] En daar er dus voor hen geen zedelijk-sociale reden bestaat, om het een boven het ander van dat leven de voorkeur te geven, beelden zij ook het heel kleine en onbelangrijke en zelfs perverse af. En, ten slotte, wat heeft de scheiding tusschen zedelijk en aesthetisch ideaal bewerkstelligd? Antwoord: de kapitalistische productiewijze. Ziehier dus als oorzaak van deze haar aesthetische redeneering: de historisch-materialistische gedachtegang.—Wij hebben aangetoond, dat kunst nimmer een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort kan brengen. Dat zij immer daarentegen het gevoel van geluk, bewondering, opgeheven-worden voortbrengt. Mevr. Holst daarentegen beweert, dat hoe sterker zekere "burgerlijke" kunst een gevoel van wrevelige neerslachtigheid veroorzaakt, des te voortreffelijker is zij! Hoe komt zij tot een dergelijke bewering? Omdat onze schrijfster slechts de keus had tusschen twee dingen: òf te zeggen, dat dergelijke werken[23] als die zij bedoelt, geen kunst zijn, 't geen zij vermoedelijk zelf een ongerijmdheid vindt, òf te zeggen, dat zij bij den lezer sentimenten produceeren niet alleen minderwaardig aan maar het tegenovergestelde van wat, volgens haar, de kunst alleen dier samenlevingen te weeg brengt, waarin zedelijk en aesthetisch ideaal wèl konden samengaan, waarin de kapitalistische productiewijze de scheiding dier beide niet had voltrokken. "Wrevelige neerslachtigheid" dus tegenover: geluk, bewondering, opgeheven worden.—Zoo gebood 't het historisch-materialisme.

Och, ik weet het, dit onderzoek naar de primaire oorzaak van de aesthetisch-critische meeningen onzer schrijfster mocht [p.119] eigenlijk overbodig heeten: weet niet ieder, die niet alleen de werken der dichteres maar ook der prozaïste Roland Holst gelezen heeft, dat zij niets schrijven kan of haar gedachtegang wordt door het historisch-materialisme bepaald en dus zeker, en in de allereerste plaats, haar socialistische aesthetiek? En wie trouwens zou zich daarover kunnen verwonderen? Het historisch-materialisme is nog betrekkelijk jong; als methode van verklaring der herkomst van den denk- en gevoels-inhoud is het in de handen dezer vurige socialiste een strijdbijl, waarvan zij van den ochtend tot den avond de snede beproeft. O erger—en verre zij 't van mij hiermede iets kwetsends te willen zeggen, ik wil slechts zonder schipperen de waarheid uiten zooals ik die zie—; zij als haar mederedacteur Gorter hanteeren de methode zoo er-op-verliefd, als een kind een zaag, die het pas gekregen heeft, die het niet één oogenblik uit de handen zou kunnen leggen: in de kostbaarste meubelen snijdt het krabben en krassen ... och de zaag is zoo mooi, hij is zóó scherp ... nu eens probeeren of je dit en dan weer of je dat ermee zagen kunt....—Maar wilt ge trots dit feit en niettegenstaande de historisch-materialistische premissen in de voorafgegane citaten uit Gorter open en bloot liggen, het toch ook bij hem, tenminste éénmaal, aangetoond zien? Welnu dan: In zijn betoog, dat er 1° geen menschelijke aandoening in kunst gebeeld wordt of zij is door de productieverhoudingen gespecialiseerd—waarin ik het volstrekt eens met hem ben—en, 2°, dat die gespecialiseerde en door hem-zelf als half-verworden gekenschetste menschelijkheid de kern van kunst uitmaakt en onze bewondering, genot en opgeheven-worden veroorzaakt,—'t geen ik een evidente ongerijmdheid acht—slaat hij twee vliegen in een marxistischen klap. Want liet hij zijn laatstgenoemde stelling los, dan liet hij daarmee de kunst uit de greep van het historisch-materialisme ontsnappen!

Doch nu zij hiervan genoeg gezegd. Laat mij thans liever scherper omlijnen en als tastbaar maken, wat ik onder Scheppend Vermogen versta en ook wat de oorzaak is, dat et nimmer geheel onvertroebeld in een kunstwerk kan verschijnen. [p.120] Want dit alles mag geen abstractie voor u blijven, lezer, gij moet het voelen en zien, als ik. Doch hier ontmoet ik een moeilijkheid op mijn weg: in vroeger werk heb ik reeds hierover geschreven, en ik geloof dat ik nu, mij-zelf herhalend, het eer slechter dan beter dan toen zou formuleeren. Zoo moge ik het dan, met terzijdestelling van een zekeren schroom, hier als citaat doen volgen:

"De kunst-scheppende Macht heeft geen menschelijken wil of bewustzijn. Scheppend met het schitterendst vernuft, de diepste teederheid of heftigsten hartstocht van het gevoel, met de verrukkelijkste omvaming der intuïtie, verschijnt Zij den onbedachtzamen als menschelijk vernuft, gevoel of intuïtie, maar Zij is geen dezer, noch eene samensmelting van hen. Zij bevindt zich tezelfder plaatse als dit drietal: den menschelijken geest, máár—gelijk een meester onder zijne leerlingen. Haar bewustzijn, oneindig ver verheven boven het hunne, wordt door hen niet gekend. Uit de grondelooze diepten van haar Wezen doet zij de kleurrijke visioenen, de heerlijke vergelijkingen, de melodieuse rhythmen en de zoete saamklinkingen der harmonieën opwellen en deinen en blinken voor hun luisterende, voor hun ziende verlangen. Dit zijn Hare geschenken aan hen wier verheffing en geluk Zij beoogt. Van Haar leeren zij, aan Haar richten zij zich op. En moge het verstand haar vrijmoedigste, het gevoel haar schuchterste en aanhankelijkste en de intuïtie haar meest zielvolle en begenadigde leerling zijn, leerlingen zijn zij alle drie, en kunnen nimmer, wìjl zij 't zijn, zelfstandig werkend, zóó pure, zóó heil-verleenende wijsheid winnen, als die hun uit hare handen daalt. Want Zìj is de absoluut-volmaakte, de voortbrengster van vlekkelooze werken, de groote Vereenster, de Oneindige Liefde. Niet alleen in den menschelijken geest bevindt Zij zich, en kan als zoodanig de kunst en wijsheid voortbrengende Macht worden genoemd, maar in alles wat is, is Zij, en wij allen noemen Haar dan Natuur of God. In den aanvang, zoo ik met mijn armelijke woorden van haar werken mag spreken, doet Zij de atomen tot een wereld samensnellen, dan, wanneer zij verbonden zijn tot een aarde, [p.121] blijde tot 't baren van schoonheid bereid, drijft Zij uit haar de wezens omhoog. En is onder dezen de mensch verschenen dan doet Zij uit hem—die geestelijke aarde—de kunstgewrochten, de wijze gedachten en alle de geestelijke verheugingen opbloeien, 't Is dan of Zij, voor 't eerst, hem wil inwijden in 't geheim van haar scheppend vermogen: uit hem, mèt hem, baart Zij een nieuwe wereld, eene afschijning van gene, die Zij alleen schiep; een nieuwe aarde vol geurende bloemen en zingende vogels, vol wezens als dieren en menschen rijst in 't licht.... Zóó ontstond al de waarachtige wijsheid, de waarachtige kunst, àl dat onnoemelijk kostbare, dat de menschheid uit de handen der menschheid ontving.

"En echter, hiermede treedt haar scheppen eene nieuwe phase in: de volkomenheid van haar werk verdwijnt. Want hier ontmoet Zij voor 't eerst een bewustzijn, buiten het hare, oneindig ver onder het hare en toch genoegzaam ontwikkeld, niet alleen, om náár haar werk te grijpen, maar storend te kunnen ingrijpen. Dat bewustzijn, welks wanen Zij liefdevol duldt, opdat het eens tot hare goddelijkheid zal kunnen stijgen en die deelachtig worden, gelooft zelfs vaak haar arbeid de zijne en meenend die nog te verbeteren, verderft het hem. Dàt is de reden, waarom elk kunstwerk, ook van den voortreffelijksten kunstenaar, onvolmaakt is: hij is nimmer in die mate voortreffelijk kunstenaar, dat hij er in zou kunnen slagen, zijn menschelijk bewustzijn te weerhouden, in te grijpen in het werk van het Natuurlijk Bewustzijn, dat in en door hem schept. En alles, wat zijn onvolmaakte geestelijke krachten kunnen vlechten door de schepping der Natuur heen, moet, dáárbij vergeleken, leelijk zijn, omdat het uit ònvolmaakte krachten werd geboren, terwijl daarentegen het werk der Natuur schoon moet zijn, omdat het uit volmaaktheid het aanzijn kreeg."[24]

Maar wat nu de waarneming van de bewegingen van het Scheppend Vermogen betreft, zoo fel, zoo duidelijk gezien, dat zij zich voor de oogen van den waarnemer verzinnelijkten [p.122] tot die van een mensch; van den mensch in wien het zich openbaarde; zóó gezien, dat ge niet langer kùnt denken, dat de mogelijkheid dier waarneming een cerebraal geconstrueerde abstractie van mij is; zóó, dat ge 't mee moèt voelen; dat ge zegt, met stralend-opziende oogen: ja nu doorvoel ik 't alles, nu zie ik 't—daarvan zou ik u tallooze voorbeelden uit 't werk van groot-visionnaire, zoowel als van scheppend-analytische critici kunnen toonen. Maar ik geloof, dat één voorbeeld, een schitterend, zal volstaan. Het is van den meester, voor wien, zoo hij weer wilde spreken, Scharten, zoo terecht, wel veertig anderen wilde doen zwijgen:

Drie uiterste belang-stellingen hebben zich in mij opgericht:

Ten eerste eene van algemeene en onvermengde emotie-oplettendheid, verbeeld-verlichamelijkt: het roerloos en angstig-heerlijk staren naar de vreemde en hooge bewegingen, naar de sublime toeren van deze nieuwe ziel; hoe hij staat, dit wondermensch, en het leven omhuivert hem met pijnlijk vervoerende vlagen....

... zacht lichtend, bevend leven, dat een grond wordt, een zachtjes en zoetjes kabbelende grond, een grond van zee waar hij gaat hoog op, waar hij gaat ongedeerd, en de golven liggen sluik neer, als honden aan zijn voeten....

... hoe hij gáát, en zacht-breed bewegen, als bol hangende etherische goudene tapijten de luchten....

... hoe hij het leven bewoont als een koning, zijn rood-gouden levenspaleis, waar alles wondert en hemelt....[25]

Zéker, zóó zijn de bewegingen van die ziel der ziel, van het Scheppend Vermogen, wellicht door geen tweede gezien; zóó zèlf doorgloeid van geluk heeft geen ander die goddelijke bewegingslijn geteekend ... dat ook de teekening werd een lijnen-spel van parelend licht. Maar toch ... wil ik u even den weg wijzen en u een werk noemen van den allerlaatsten tijd? Ook Querido's Geschreven Portretten, zij zijn er pràchtig van, van dat niet vóóral zien van het werk, maar van het Scheppend Bewustzijn en zijn bewegingen, waardoor het werk is ontstaan.—Maar ge vraagt mij wellicht, of [p.123] dan ieder mensch zekerlijk in kiem reeds iets in zich heeft wat met dat Bewustzijn is verwant en hem in staat stelt het te begrijpen, lief te hebben?—Och, zou er dan wel één mensch zijn, die geen schepper is, hoe klein ook, al droomde hij in zijn hééle leven maar één schoonen droom van verlangen? Kent gij één kind, dat geen schepper is?—Wat betreft de ontvankelijkheid voor inspiratie is er dan ook tusschen kunstenaar en niet-kunstenaar geen essentieel verschil, slechts een gradueel. Alleen wat de uitingsmacht betreft is er een essentieel onderscheid. Maar dit kan den niet-kunstenaar toch niet verhinderen te genieten van het geuite, of óók van wat hij wel niet uiten kan, maar in hem leeft: zijn èigen droomen? There are many poets who have never penned, welk een diep woord was dat!—Ongetwijfeld zijn er eigenschappen, die zekere menschen kunnen beletten, het Scheppend Vermogen lief te hebben en ervan te genieten, zooals verstomping, te geringe of te eenzijdige ontwikkeling, maar nimmer kan door maatschappij-wisseling en veranderde productieverhoudingen deze hoogste Natuurkracht-zelf, gelijk zij zich manifesteerde in vroeger tijd, in een lateren onmedevoelbaar worden, omdat ook zij verouderen zou. Zij is niet als de menschelijke drijfveeren en gevoelens. Zij is onveranderlijk. Niet om niets noemden de bijbelsche dichters zich profeten, van God bezielden. Zij waren het, zóóals nog elk waarachtig kunstenaar het is en zijn zal, immer. En ook zij waren als mensch, in hun lagere persoonlijkheid, vaak zwak en zondig, zóóals de kunstenaars van elken tijd, omdat zij àllen wel begenàdigd door het Scheppend Vermogen maar daarom nog die Vlekkelooze-zelf niet zijn! O zie toch, zie toch, hoe dit alles juist en licht en klaar is, en hoe véél, hoe 't bijna àlles verheldert.... Maar indien ge nu ziet, wat de eeuwige kern der kunst is, hoe zoudt ge er dan vrede mee kùnnen hebben, dat het historisch-materialisme zich mengt in de critiek dier kunst. Luister even, hoe Gorter, de uitmuntende kenner ervan, het kenschetst:

Het historisch materialisme is geen filosofie, het spreekt niet als het filosofisch Materialisme of Idealisme van het wezen [p.124] van geest en stof, het spreekt over den inhoud van het denken en het toont aan, hoe het komt dat in een bepaalden tijd door bepaalde menschen zóó en zóó gedacht wordt, de inhoud van het denken zoo en zoo is en zoo en zoo verandert.[26]

Welnu, vraag ik u, de hoogere literaire critiek zal toch wel de kritiek op, de beschouwing van het hoogste, het meest essentieele bestanddeel der kunst zijn. Háár taak zal het ongetwijfeld toch zijn aan te toonen, waar dàt in wáárheid en waar slechts in schijn aanwezig is. En over het wezen van dat hoogste, hebben wij gezien, verspreidt de kennis van de herkomst van den denk-inhoud niet het minste licht, en ook de bewegingen van dat hoogste vertoont die kennis ons niet. Wat zou òns dan, die kunst-critiek niet met kunstgeschiedenis wenschen te verwarren, het historisch materialisme ter versterking der eerstgenoemde kunnen baten!

"Dus," hoor ik Mevr. Holst nu spottend vragen:

Daar bij dat andere, hoogere begint pas het werk van den hoogeren aestheticus...; daar waar het leven eindigt; achter, buiten, boven de eigenschappen en omstandigheden die, meenen wij, het geheele menschelijk zijn uitmaken, buiten of boven welke het niet bestaat?[27]

En, juist Mevrouw, antwoorden wij gelaten, zeer juist, daar begint het pas. Want niet het leven eindigt daar, maar slechts 't leven, dat gij in uwe marxistische reageerbuizen, uw historisch-materialistische weegschalen en microscopen kunt oplossen, wegen en bespiedend ontleden. Het leven kunnen wij niet ontleden, wij kunnen zijn wezen slechts synthetisch zien, met onze ziel, en daarna kunnen wij verhalen van hoe het bewoog, hoe het schitterde, hoe het scheen terug te wijken, wegdonkerde en verdween, en dàt verhaal kan een analyse zijn, maar het is er dan ook slechts eene van de bewegingen, de handelingen, niet van het wezen. O, Mevrouw, ook al hadde Mozes alle de boomen van het doornbosch omgehouwen, waarin de Godheid, hem verschijnend, brandde en elk takje doorsneden en onderzocht, hij had de [p.125] goddelijke essentie daardoor niet kunnen vinden, integendeel: verder dan ooit ware hij daarvan verwijderd geweest, omdat zijn aandacht zich dan in 't bijkomstige en betrekkelijk onbelangrijke zou hebben verloren. Hij deed beter: hij knielde neer in een vrees en liefde, die ook een zaligheid en een verrukking was; hij zag, zàg en dronk zich vol de ziel, en uit die rijke ziel kon hij zijn volk toen veel leeren en verhalen. En dat was voldoende.... Gij spreekt van het "buitenmaatschappelijke en ondoorgrondelijke".... Welnu, juist, daar ligt de grens, waar dat leven begint....

Wijs mij één critiek, een eindelóósheid van historische en biographische bijzonderheden overhoop halend, die heller, neen even hel, u het Scheppend Vermogen eens kunstenaars laat verschijnen, dan deze uitsluitend-literaire van Van Deyssel u den Gorter der sensitivistische verzen vertoont.... Gij kunt het niet!

En wat is dan ook natuurlijker dan dit! Gij zoudt toch niet willen beweren, dat de zonnegloed op gindschen bergtop vulkanisch uit den aard-afgrond komt opgestegen?! Welnu, wat dringt ge mij het historisch materialisme dan op, deze geologie der maatschappij, ter verklaring van het hemellicht op hare toppen!... Zou dáárom de historisch-materialistische literatuur-critiek de "hoogere" zijn, omdat zij zooveel overhoop haalt? O, ik begrijp, dat zij door haar "gedocumenteerdheid" en gewichtigheid op naïeve en jonge geesten dien indruk maakt! Maar is zij het daarom? Slechts hij, dunkt me, kan hierop een bevestigend antwoord geven, die door den rijkdom en de veelheid harer middelen overbluft, niet ziet, dat zij trots al die middelen, ja daardoor, haar dòel mist.—Er is één middel: de aangeboren gave van den scheppend-critischen kunstenaar. Die bestaat dáárin: iemand te zijn, wiens psychische inhoud en wiens uiting op hun beurt het doornbosch zijn, waarin brandend het Scheppend Vermogen verschijnt, zoodat ook dáár iets onvergankelijks staat en de ziel van den aanschouwer zich zelf ziet verlicht, en niet slechts gewaar wordt, dat haar wetens- en gevoelsinhoud is uitgebreid, maar in waarheid, zij 't voor nog zoo gering een [p.126] deel, haar potentie om te voelen en te weten; dat niet slechts het bezit van haar wezen zich heeft vergroot, maar haar wezen-zelf openbladiger is ontloken. Door een kunst-critiek, die dit is en dit veroorzaakt, voelt de lezer dus niet vooral wàt en hòe het "behandelde" werk is, maar hij voelt in de alleréérste plaats wat en hoe het geluk is, dat het hem kan geven: hij voelt iets gelijksoortigs aan dat geluk.

Welnu, zegt ge hier allicht, ik voel wel iets voor uwe beweringen, maar zie, indien ge nu zoudt doen wat ge beloofd hebt; als ge mij nu kondt laten zien, dat Gorter-zelf zijn meening afdoende heeft bestreden: dat de critische kunstenaar in hem klaarblijkelijk zelf het historisch-materialistisch hulpmiddel overbodig en te ontberen acht, dan—ja dan zou het wellicht iets meer dan een ervoor-voelen worden.—Welnu, ik verlang niets liever, ziehier:

Niet minder dwaalt Kautsky als hij in zijn gedenkschrift over Marx zegt dat de Duitsche kunst van Goethe en Schiller de Engelsche overtrof. Zulk een oordeel bewijst hoe weinig groote poëzie wordt verstaan. De groep Wordsworth, Coleridge, Keats, Shelley overtreft de groep Lessing, Schiller, Goethe en,—daar in de poëzie de daad geldt, niet de aanleg—Shelley staat als een toren boven Goethe. Dat zegt niet alleen de zekerheid van een hart, dat tegenover poëzie nooit heeft gedwaald, maar het verstand dat van Marx geleerd heeft waardoor poëzie groot wordt[28].

Gij ziet natuurlijk duidelijk, dat Gorter hier "het verstand dat van Marx geleerd heeft" best had kunnen thuislaten, indien hij dat, zonder vader Historisch-Materialisme in diens zoontje te beleedigen, maar had kunnen doen. Want dat verstand, dat van Marx geleerd heeft, is—Gorter zal wel de laatste zijn om het te ontkennen—in zulk een verreweg grooter mate van geschooldheid en kracht in den grooten internationalen theoreticus der sociaal-democratie Kautsky aanwezig dan bij hem, dat hij daaraan onmogelijk recht en [p.127] moed had kunnen ontleenen, om zich autoritair tegenover dien te stellen. Dat zou dan ook niet in hem opgekomen zijn. Maar er was iets anders: zijn groote Onbewustheid, de sterke kunstenaar, die in hem leeft, drong hem den weg naar de waarheid op. Hij voelde dat er iets ver boven "dat van Marx geleerd hebbende verstand" bestaat, dat wel in hem, maar niet in Kautsky is, en dat dit hier, in kwesties van kunst den doorslag had te geven. En in weerwil van zichzelf roept hij 't dan trotsch en triomfantelijk uit—en hoor de heerlijke aandoening beven in zijn woord:—"dat zegt de zekerheid van een hart, dat tegenover poëzie nooit heeft gedwaald."—O, dus dat is het, waardoor men in deze zaken, de kern, de waarheid, het wezen ziet.[29] O, Gorter en gij lezer, zijn wij het allen nu niet eens? En zouden wij hem niet evenzeer hièrvoor danken, als voor al het heerlijk werk van het Onbewuste, waarmede hij zoo ontelbare dagen van ons leven heeft doorzond, hij zoowel als zijn groote medestrijdster en medekunstenares, wie wij niet minder dankbaar mogen zijn, al is zij niet zoo Muziek als hij, niet zoo groot-naïef als hij, niet zoo "adamisch" dichter, in één woord: niet zoo geniaal als hij; want in één prachtige eigenschap althans zijn zij even machtig. Laat mij even zeggen, wat ik bedoel en daarvan denk. Het is mij zoo wèl, van hun groot kunstenaarsschap, ook in de door mij bestreden verhandelingen, te mogen [p.128] spreken, nadat ik zoo straf hunne meeningen daarin verwerpen moest.

Geloof is geprosterneerd denk-voelen, maar dat denkvoelen uit zijn knielhouding weer verrezen, is het gesublimeerde boven al zijn broeders. Oòk over zijn wit verteerd gelaat, zijn emotief vermagerd en ingetrokken gelaat, maar in zijn groote als roerlooze vijvers dóórklaarde oogen het diepst, ligt de onwankelbare zelfgerustheid, de ondeerbare in-zich-zelf-vrede, zóó als over het gelaat en in de oogen van een mensch, die diep-verdroomd en in zijn God verloren, gebeden heeft en daarna opwaakte, om zijn dagtaak te hernemen. Aldus ook knielde het denk-voelen dezer beide dichters voor de Socialistische Idee, het verdroomde zich erin, het verloor zich erin.... O, lezer, het is niet de God, aan wien men zich overgaf, die den vrede en de zelfgerustheid schenkt, het is de overgave.... Het is het zich-verdroomen, het zich-zelfvergeten in Iets ... een Idee, een God, een Mensch... Toen het opstond was het gesublimeerd; over zijn gelaat en in elk zijner woorden en over zijn gebarende handen en over alles, àlles, lag dàt. Het dwaalde, maar hoe had dat zijn schoonheid, zijn noblesse kunnen deren! Het was immers de zelfgeruste, de in zich-zelf volmaakt-vredige en volgroeide subjectieve waarheid. Toch uitte zich die op zeer ongelijke wijs, gelijk trouwens vanzelf spreekt, bij beide dichters. Slechts de zelfgerustheid, verkregen door de overgave aan dezelfde idee, diè eigenschap hadden zij gemeen. Overigens ... Mevrouw Holst's scheppingen zijn een woud gelijk, dat, zèker, zon vangt op zijn dichte looverkronen, maar de gronden schaduwig maakt. Gij loopt in halflicht; luister, daar floot een verre vogel ... een eenzaam geluid.... Ge hoort nog even na en weer staat ge stil en ziet schuw ter zijde en houdt uw adem in.... Vluchtte daar geen bevallig wezentje, even gezien? kort ritselde het geblaarte... En weer is alles geluidloos.... Het is hier alles zoo stil, zoo roerloos ... het is in ten-hemel-streving verstijfd.... Het is één donkere in zich gekeerde ernst.... Gij zijt hier de eenige, die weet te [p.129] kunnen lachen en de oogen tintelend bewegen.... Wat ge op de gronden ziet en op den roerloozen voet der stammen, het zijn de fluweelzachte, effen mossen der zonlóóze vruchtbaarheid....

Anders Gorter's levenswerk.

Een lupine-veld, klaterend-geel, 't is zonnig, zonnig neerwaarts van den stralend-blauwen hemel naar het gele veld, opwaarts van het veld naar den hemel ... het klaterende veld juicht u de zon in het gelaat. O, welk een zomer, welk een hoogzomer, wat levenskracht om ende om, waar ge ziet, waar uw stralende oogen zien.... Zwermen van tierelierders en fluiters wieken uit het gele omhoog.... En meer nog, meer.... Hoevelen zitten daar wel verscholen in die bezonde bloemen....

Gorter is een ééngewordenheid van fel zonlicht en muziek. Zijn licht schalt, zijn geluid straalt.

Mevr. Holst's stem is die der vaste, maar stroef-, maar moeilijk-verworven zekerheden. Er zijn geen groote verheffingen, geen dalingen in, er is één effen hoogheid, maar vaak komt er toch ook iets héél innigs beven in die stem.... Zij kan dan de zachtheid van haar vrouw-zijn niet weerhouden.... Ingetogen slaat die hare sluiers even terug. Een streeling van de hand, een innige blik....

Mevr. Holst: een vrome Zuster aan de sponde van het proletariaat, haar worstelingen zijn gestild ... zij kent het leed èn de uitkomst; zij is kalm omdat zij zèker is....—

Gorter: een veldheer van den nieuwen kruistocht; hij haast, jacht voort, midden zijn glorieuse woordenstoeten. Ook hem lokt de rijke stad op de heuvelen, de ochtendstad in de dagende verte. Hij gunt zich geen respijt, hoor de hijging van de borsten zijner paarden, de klettering van den razenden galop. De vaandels stroomen in dien stormgang als amazonenhaar in het gouden licht. Hij gunt den vijand geen rust en geen herstel. Hij drijft hem voor zich uit, om hem ten doode toe te kneuzen en te pletten tusschen de heilige stad en zijn aanstormende cohorten. De lippen zijn opeengeklemd van energie-drift, de adem stokt, het is een ademloos [p.130] leven van voortijlende haast, en èven voor het bereiken, straalt al dat leven nog eens hooger op in de vast-starende, in de prooi-fixeerende oogen.... Dan is er de botsing, eindelijk, de omarming van den haat, de ontslaking al dier ingetoomde kracht in een uitstroomenden klankendonder, een verscheuren met wapens en met tanden....

O, die geweldige, aangehouden polemische kracht van den grooten Gorter. Ik heb op manlijken leeftijd van zijn ónpersoonlijken, zijn prachtigen haat genoten als nauwelijks in mijn jeugd van zijn liefde en zijn Mei....

Maar laat ons nu hier eindigen, doch niet dan na ons te hebben voorgenomen, in het volgende óók naar de volledige opheldering te streven van hoe dit zijn kan, 't geen wij ook zooeven hebben gezien: dat men een werk hevig bestrijden én tegelijkertijd warm bewonderen, groot vinden en liefhebben kan.


NOTEN:

[1] Voor de eerste maal gepubliceerd in De Gids, 1913—'14.

[2] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.

[3] Den burgerlijken kunstenaar.

[4] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.

[5] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.

[6] Waarom dit zoo is wordt later in dit opstel verklaard.

[7] Of de schrijver met het beelden dier anti-socialistische gezindheden en personen een pro-socialistische "tendenz" had, doet thans natuurlijk niet ter zake. En trouwens bij Querido is behalve in "Levensgang" ook van zulk een tendenz geen sprake.

[8] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 505.

[9] Dit alles wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat kunst geen zedelijken invloed op den aanschouwer uitoefent! Integendeel: alle kunst, ook de "onzedelijke," heeft, indien zij als kunst wordt genoten, een hoog-zedelijken invloed. Zij kweekt altruïsme: De verrukte aanschouwer heeft de vermogens van den door hem bewonderden kunstenaar lief, en vergeet, zij 't voor korten tijd, zich-zelf voor hem en zijn werk.

[10] Ik citeer uit De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 16. Het is daar overgenomen uit Nieuwe Litt. Gesch. III blz. 44.

[11] De Nieuwe Tijd, 1909, blz. 17—18.

[12] Ibid. blz. 18.

[13] Ibid. blz. 22.

[14] Ibid. blz. 31.

[15] De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 27.

[16] Algem. Hbl., 9 januari 1913.—De schrijver voegt er nog, m. i. zeer terecht, aan toe: "Het is een gevolg van propagandistischen ijver."—

[17] Deze cursiveering is van mij.

[18] De Nieuwe Tijd, 1909.

[19] Cursiveering van mij.

[20] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 492.

[21] ibid.

[22] ibid.

[23] Onder die rubriek valt zeker: Henri Hartog's prachtig "Sjofelen"; veel uitmuntend werk van Coenen; ongetwijfeld veel werk van Van Deyssel en, last not least, menig stuk van Van Looy!

[24] Schetsen en Critische Opstellen, blz. 161—163.

[25] L. van Deyssel, derde bundel Verzamelde Opstellen, blz. 61 e.v. (Over Gorter's Sensitivistische Verzen). De puntjes wijzen aan, waar ik hier niet ter zake doende gedeelten uit den tekst heb gelicht. Cursiveering van mij.

[26] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 408, e.v.

[27] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 13.

[28] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 369, e.v.—Cursiveering van mij.

[29] Er is overigens, in dat tusschenzinnetje "daar In de poëzie de daad geldt, niet de aanleg," nog een van die typische denk-fouten welke door het marxistisch-aesthetisch denken vooral veroorzaakt worden, de meening namelijk, dat de kunstdaad nog iets anders zou kunnen weerspiegelen dan de aanleg, dat de daad bijv. kleiner zou kunnen zijn—zeg bijv.: door neerdrukkende omstandigheden—dan de aanleg, die immers niets anders is dan de potentie van den kunstenaarsgeest. Gorter verwart hier weer de stof, waarin de daad zichtbaar is geworden met de daad-zelf, d.i. de beweging van den kunstenaarsgeest. Wat hij de daad noemt, is in waarheid het product van de daad. Dit product weerspiegelt de daad èn de worsteling van de daad met de stof èn met de haar weerstrevende omstandigheden, maar die daarin dus névens al het andere zichtbaar geworden daad-zelf, in haar bewegen: hoe zij worstelt, overwint of succombeert, is alleen en uitsluitend de zuivere spiegel van de grootte, de macht of de zwakheid van den aanleg. Men kan dus niet zeggen, "dat in de poëzie de daad geldt, niet de aanleg," alsof uit beiden iets verschillends zou kunnen blijken!


HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK

[p.131]

II.

Mevr. Holst's Rousseau.
(Literair-critisch beschouwd).

De literaire critiek toetst nimmer eens schrijvers subjectieve waarheid, gelijk die haar in een werk blijkt te bestaan, aan eenige andere waarheid haar van elders bekend, om daarna, al naar het resultaat dier toetsing, het werk goed of slecht te noemen. Neen, zij toetst—hetzij verstandelijk en meer koel-analytisch, hetzij emotioneel-omvattend en meer synthetisch—het te beoordeelen werk aan die subjectieve waarheid, en onderzoekt hoe deze zich daarin uit. Want zich uiten in een werk, dàt doet zij altijd. Het is alleen de vraag op welke wijze. Uit zij zich, ònbestreden, ònweerstreefd door het lager bewustzijn des schrijvers, èn voortgestuwd en bestraald door zijn Scheppend Vermogen, dan is het werk kunst. Uit zij zich daarentegen bestreden en weerstreefd door het lager bewustzijn, dat iets anders dan haar voor de subjectieve waarheid wilde doen doorgaan, dan is dat werk niet alleen geen kunst, maar 't is ook een vervalsching. Maar evenzeer geen kunst is zulk werk, of dat gedeelte van een werk, waarin het lager bewustzijn, volkomen te goeder trouw, en juist om de subjectieve waarheid, naar het meent beter te verwoorden, die uiting verminkt en veronecht. Doch zoo eenvoudig als dit alles nu in theorie er uit ziet en zoo simpel [p.132] 't zich zeggen laat in 't algemeene, zoo eenvoudig is 't niet in de praktijk en in zijn toepassing op 't bijzondere. Want er zijn wel ontelbare werken, die geheel en volstrekt niet-kunst zijn, doch er is niet een wellicht, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben, dat volmaakt kunst is. En er is ten slotte wel slechts één oorzaak waaròm een werk geen of slechts gedeeltelijk kunst is: zijn niet of slechts gedeeltelijk voortgebracht zijn door het "Onbewuste," d.i. de Scheppende Natuurkracht, maar de redenen die deze dit hebben belet, kunnen vele en zeer uiteenloopende zijn. Laat mij u slechts nog een drietal van de allervoornaamste noemen:

Het van nature psychisch onvatbaar zijn voor de inwerking van dàt Scheppend Vermogen, noodig om diè zekere subjectieve waarheid in kunst te herscheppen. (Bijvoorbeeld: een lyricus, die van eene in hem levende voorstelling, tot wier ver-beelding het episch Scheppend Vermogen wordt vereischt, kunst maken wil).

Het verstelseld of verdogmatiseerd zijn van het lager bewustzijn, zonder dat de voorstellingen enz. aan dat dogma of stelsel verbonden, geëigend zijn, door het in die persoonlijkheid werkend Scheppend Vermogen te worden ver-beeld.

Een te critische gesteldheid van het lager bewustzijn, waardoor de door- en uitvloeiing der inspiratie te zeer bemoeilijkt, soms volkomen en voortdurend verhinderd wordt.—

Zoo verschijnt ons de taak der literaire critiek als een zeer verwikkelde en uitgebreide. Zoodra zij met een kunstwerk te doen heeft, vervalt die taak in twee groote deelen: kenbaar te maken aard en beweging van 't kunst-scheppende Hooger Bewustzijn èn aard en beweging van het ingegrepen-hebbend kunstbedervende lager bewustzijn. Wel beschouwd is dus de literaire critiek een bij uitstek mensch-beeldende kunst. Immers óók de synthetische aanvoeling van het Scheppend Vermogen, benevens zijne bewegingen, synthetisch of analytisch doorvoeld, kunnen meestal niet anders dan vermenschelijkt worden ver-beeld. Is het te beoordeelen werk-zelf van critischen aard, dan verandert dit niets aan de zaak—in theorie! In de praktijk blijkt dat wel anders: instede [p.133] van het werk uitsluitend aan des schrijvers subjectieve waarheid te toetsen, toetst menig criticus die waarheid weer aan een andere—ten slotte zijn eigen, óók louter subjectieve, want meestal niet te bewijzen—waarheid. De literaire recensent, die zich hieraan schuldig maakt en aldus van den m.i. juisten weg afwijkt, doet te veel en maakt daardoor zijn arbeid minder betrouwbaar en minder waard. Want hij loopt alle kans, als de waarheid van den door hem beoordeelde en de zijne niet overeenkomen, dat ontstemming en toorn over het z.i. onjuiste oordeel, hem ook de zuiver-aesthetische waarde van het werk te laag zullen doen aanslaan. Ik zelf, die dit alles hier hekel, zou er nochtans niet voor kunnen instaan, niet in dezelfde fout te vervallen, indien er geen afdoend middel bestond, zich daartoe de gelegenheid te benemen. Want het is niet te ontkennen, dat een kunstwerk van critischen aard daar veel meer aanleiding toe geeft dan een ander: van en betreffende de bijzondere menschelijkheid eener in bijv. een roman geheelde figuur, heeft de criticus allicht geen vast-omlijnde apriorische voorstelling of oordeel, hij toetst daarom zonder vooringenomenheid het beeld-in-'t-boek aan des kunstenaars subjectieve visie, en zoo hem dan het een 't ander blijkt te dekken, d.i. zoo hem de noodwendigheid in de beelding blijkt, noemt hij 't beeld goed en kunst. Maar van den aard en de waarde van een werk dat, of eener historische figuur, die in een kunstwerk van critischen aard wordt voorgesteld, hebben de meeste beoordeelaars wel degelijk eene apriorische opvatting, voor welke zij vaak niet kunnen nalaten te strijden. En dikwijls liggen hieraan de nobelste sentimenten ten grondslag, zooals de groote liefde voor een figuur, die zij onjuist beoordeeld achten, maar waar die sentimenten toch in die sfeer misplaatst zijn, veroorzaken zij somtijds zeer ignobele gevolgen. Het is daarom wenschelijk, dat een kunstcriticus indachtig aan het feit, dat hij een—meest zeer impulsief—mensch is, zich-zelf de gelegenheid beneme, zich al te klein-menschelijk te gedragen. En hieraan is het mede toe te schrijven, dat ik, nu ik ook Mevr. Holst's Rousseau in deze studie zal behandelen, mijn taak in twee scherp-gescheiden deelen zal splitsen. Ten [p.134] eerste: in dit hoofdstuk het toetsen van haar werk aan de in haar geest aanwezige beelden, het beoordeelen van haar essai dus als literair kunstwerk—den lezer zal het nu ongetwijfeld duidelijk zijn, waarom men "een werk hevig bestrijden en tegelijkertijd warm bewonderen, groot vinden en liefhebben kan"—; ten tweede: het toetsen van haar waarheid omtrent Rousseau aan mijne en de mij van elders bekende en te bewijzen waarheid, het beoordeelen van haar essai dus als biographischen, critischen en psychologischen arbeid, in het vólgend hoofdstuk. Zoodoende zal, hoop ik, de bestrijder-in-mij der marxistisch-aesthetische theorie en der daaruit voortvloeiende meeningen, den literairen criticus niet interrompeeren, wanneer deze nu zal pogen zijne groote bewondering en luttele bedenkingen zuiver uit te spreken, en anderzijds de literaire criticus, tevreden, dat hij die bewondering heeft kunnen uiten, zijn tweelingbroer, den bestrijder, niet remmend beïnvloeden. Zeker, het had kunnen gebeuren, dat de literaire criticus tevens die bestrijder had moeten zijn, in het geval namelijk, dat door den socialistisch-aesthetischen invloed wèrk en sùbjectieve waarheid elkaar niet zouden hebben gedekt. Dat is hier echter niet, althans niet bewijsbaar, het geval. Onweerlegbaar aan te toonen, dat er eenige waarheid aanwezig was in de schrijfster, welke het Hooger Bewustzijn niet kon uiten, ten gevolge van dien invloed of eene der reeds vroeger genoemde oorzaken, is m.i. niet mogelijk.


Dit werk dan, allereerst voortreffelijk en van een zoete bekoring door het statig ruischen van den diepen psychischen ondertoon der schrijfster, die alle fijnere modulaties in de hoogste mate natuurlijk en ongedwongen uit zich laat opwellen—dit boek opent met een zeer eenvoudige en nog schetsmatige uiteenzetting van den kerkelijken, economischen en politieken toestand der stad Genève ten tijde dat Rousseau daar werd geboren. Maar in die uiteenzetting leeft al iets van de omglorieïng der dingen door den dichtergeest, en reeds op het einde dier weinige bladzijden bloeit die diepe [p.135] aandoening open, welke zich van dan af, nacht of dag der kunstenaarsziel mogen over het werk heerschen, niet meer sluiten zal: Een avondplein in Genève. Bij het uitschietend en weer krimpend tooverlicht van rood-gouden flambouwen, hebben de burgerwachten van het vrij en democratisch gemeenebest hun gemeenschappelijk avondmaal genoten. Een rijke vreugd rijst hoog in de harten, de vreugd van als broeders samen te zijn; vrouwen en kinderen komen hun deel van het feestgeluk halen en mengen zich onder de groepen. ... Er wordt een reidans gedanst en liederen gezongen ... O, de beschrijving van dit tafereel is in haar soberte zóó voortreffelijk; de psychische onderstroom voert zoo zonder inspanning die visioenen voor mijn oogen.... Maar deze deinzen nu, er is een open ruimte, en zie nu, zie ...er komen woorden als voorzichtige en zegenende handen, hun aanraking sterk èn teer van liefde, ze toonen mij een kind, niets dan een kind, een "bruinoogig, sierlijk knaapje".... Maar een ontroerd vrouwegelaat zie ik boven zijn hoofd, oogen, die mij glanzend, trotsch-gelukkig en suggestief aanzien, en ik versta plots in vollen omvang, wat dit gelaat mij zegt: hoeveel dit kind voor de menschheid zal beteekenen. Mijn hart zwelt den kleinen uitverkorene tegemoet. Het is Jean-Jacques Rousseau.—

En dan volgen de zes-en-dertig schoone bladzijden over zijn jeugd, één zoete, innige melodie, maar—als door een fluit een nachtegaal nagefloten. Voor wien de nachtegaal-zelf te voren heeft gehoord!... Want het beeld van Rousseau's jeugd, zooals het in Les Confessions, dat stylistisch wonderwerk van subtiele zelfbeluistering, tot ons is gekomen, is niet louter een brok autobiographie, dat elk later dichter, die de voor de verwerking dier stof geschikte vermogens bezit, zou kunnen benuttigen, om er zijn eigen schoonen droom uit te scheppen, maar het is zelf een subliem gedicht, dat den lezer, en zeer zeker den bewerker, niet alleen materiaal aanbiedt, maar hem ook noodwendig beheerscht, door de artistiek-geniale doorlichting en verheerlijking van dat materiaal, zoodat tenzij die bewerker een Rousseau verre [p.136] overtreffend genie bezitte, dat dezelfde stof nòg heller doorlichten, nòg schoener en ànders gezien in kunst zou kunnen beelden—vrijwel ondenkbaar in dit geval—hij zich niet slechts niet zal kunnen vrijmaken van die overheersching, maar zich zelfs wel wachten zal voor eenige poging daartoe, wel overtuigd als hij zijn zal, daardoor te zullen komen tot het maken van werk, dat èn slechts quasi-zelfstandig èn sterk minderwaardig zou zijn aan het oorspronkelijk gedicht.... Een gedicht, waarin al de weemoed herfst van een oud gebroken man, die zijn zoete jeugd herdenkt; waarin menschengestalten, sinds lang in den dood verdwenen, herrijzen, van verre staande met de aureool zijner liefde om de slapen, en waar veel flonkerende kostbaarheden al geborgen staan in herinnerings-schrijn, om straks—o toch luttele vergaarde schatten van dit aardsche leven!—te worden meegevoerd naar dat eeuwig leven, waarnaar hij smacht.—Want wèl ter dege behoort men, om naar àlle zijden rechtvaardig te zijn, de relatieve waarde der dingen niet uit 't oog te verliezen. "Wanneer zij Rousseau's jeugd herdenkt, wordt dit verhaal een gedicht onder hare handen," las ik in De Ploeg![30] Wel waarlijk, dat staat er, alsof Mevr. Holst uit een of andere oude, bestoven en droge kroniek—zooals bijv. Shakespeare voor zijn drama's!—de stof had opgediept en daaromheen, daaruit haar schoonen droom, haar gedicht had geschapen, terwijl de waarheid is: dat zij wel hier en daar ook eigen doorvoeling heeft gegeven, maar overigens en grootendeels een van de schoonste en innigste gedichten der wereld, slechts "van verre volgend" en het zeer verzwakkend, heeft nagedicht en dit—een tweede oorzaak dier verzwakking naast het verschil in genialiteit tusschen haar en Rousseau—door de compositorische eischen van eigen werk gedwongen, hevig besnoeid heeft, waardoor dan ook helaas oneindig veel van het in 't oorspronkelijke poëem aanwezige schoone, bevallige en beteekenisvolle is verdwenen, zonder dat opmerkelijke, nieuwe, door haar geschapen aesthetische waarden, [p.137] in dit gedeelte eenige noemenswaardige vergoeding bieden voor dat gemis. Neen, de groote oorspronkelijk-scheppende kracht straalt dan ook eerst op in het werk, als zij, bevrijd uit den ban van dat zoet-schoone en vermaarde jeugdverhaal in de Confessions, haar oogst niet meer hoeft te maaien onder den drukkenden zonnegang van Rousseau's wereldgenie! Dàn huivert door het boek een medelijden met de armen en verdrukten, de hopeloos verloren geganen in de niet terug te roepen tijden, een medelijden, dat zijn tranen bedwingt, om fel te kunnen strijden. Dan proeft ge de verrukking van deze hooge vrouw, zelf eene van het geslacht te zijn, waarvan Rousseau een van de vorsten was; dan voelt ge haar genot, zich één met hem in het hooge willen te weten; zijn schildknaap, zijn verheerlijker, zijn zwaarddrager te zijn. Waar zijn oogenlicht op valt, dat is geheiligd voor haar, de felle wreekster en verdedigster ook van Thérèse Levasseur. Prachtig-innige bladzijden hebben wij dier verdediging te danken, een stroom van gevoel breekt hier uit dit nobel hart, die elke ruimte van der woorden bedding vult, en schuimend elke hindernis verbreekt, tot, eindelijk, vrij weer stroomend, zijn toorn valt en hij voortkabbelend van de oevers bloemen gaart en zonnevonkjes vangt op zijn ontschuimde vlakte; een omvlijende beek van liefde nu, een bloemenwater van geur en licht omwademd, komt hij aangewiegd tot aan de voeten van dat kleine menschje, ootmoedig aan de voeten dier "trouwe, lieve vrouw" en vlijt er alles neer, àl bloemen voor dat "eenvoudige plebejerskind," de "veelgesmade, veelgelasterde Thérèse Levasseur".... En stroomt dan vonkelend en ruischend weer voorbij....

Dàn openbaart zich ook haar beeldend en metaphorisch vermogen in zijn volle kracht. Vermocht ik in het jeugdverhaal slechts ééne werkelijk-beeldende uitdrukking te vinden, die nog klaarblijkelijk een reminiscentie is[31] en slechts één vergelijking, 'n rhetorische, en nog wel eene van zeer geringe soort, welke [p.138] geheel uit het kader van haar werk valt en volstrekt vreemd is aan de hooge sfeer van haar stijl,[32] later verandert dit alles, ziet zij in dat Parijs, "dat koortste van goudkoorts als een delverskamp," het Parijsche volk lijden: "ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte van een modern reuzenschip"; ziet zij: de gedachten zich uit Rousseau's Onbewustheid losmaken en stijgen "tot 't bewuste, met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't diepste van 't woud." Merk hoe verrukkelijk deze beelden zijn omdat zij, zoowel wat ik wensch te noemen: de hoofdzakelijke als additioneele schoonheid aan goede metaphoren eigen, bezitten, en rhetorisch noch reminiscenties zijn. Immers de hoofdzakelijke schoonheid van een "beeld," bestaat daarin, dat het de verborgen eenheidsessentie van twee verschillende of zelfs schijnbaar tegenstrijdige begrippen, zaken of wezens aantoont. En hoe duidelijker en overtuigender ons die eenheid wordt aangetoond, hoe grooter onze verrukking is. Deze heeft dan een tweeledige oorzaak: een algemeen-menschelijke èn een artistieke. De eerste is: dat het doorvoelen, zij het slechts tot op zekere diepte, van de eenheid van dat wat men tot dan verschillend of tegenstrijdig heeft geloofd, het hoogste geluk is, dat een mensch, die op dien naam aanspraak maken mag, gebeuren kan. Want het hart van zulk een mensch haakt en verlangt naar eenheid, hij voelt het veroveren van het bewustzijn, dat alles en allen in diepste wezen één zijn als zijn hoogste levenstaak, en telkens als hij dus—om 't zoo eens te zeggen:—een stukje van dit bewustzijn heeft veroverd, voelt hij ook bevrediging en geluk. De tweede is: dat wij de beweging van het Scheppend Vermogen bewonderen, toen het dit een-zijn van het verschillende of tegenstrijdige uitbeeldde. Het zal den lezer uit deze beschouwing duidelijk zijn, dat het dus van het hoogste gewicht voor die zoo rijk [p.139] genot schenkende eigenschappen van een "beeld" is, dat het niet rhetorisch en geen reminiscentie is. Kent immers de lezer het reeds van vroeger, of voelt hij in de verwoording, dat het niet oorspronkelijk is, dan kan, in 't eerste geval, zijn bewustzijn van de eenheid der dingen nù niet meer dáárdoor verrijkt worden, en, in beide gevallen, kan hij dááraan het Scheppend Vermogen in dien auteur niet bewonderen. Hij weet immers of voelt dat deze zich dit "beeld" slechts bewust of onbewust herinnerd en 't niet geschapen heeft. Het is dus juist omdat de hierboven aangehaalde beelden, in tegenstelling met de ter voorafgaande bladzijden, in de noten, geciteerde, niet rhetorisch en geen reminiscenties zijn, dat zij mij in hun zoo prachtig aantoonen der verborgen "eenheidsessentie," dat rijke en tweeledige genot konden schenken,—een waarheid, die helaas nog niet algemeen door de literaire critiek wordt aanvaard.—En wat nu de additioneele schoonheid betreft: deze bestaat in het passen van het "beeld" in de stemmingssfeer van het geheel, waarvan het een deel is. Dat is natuurlijk gewenscht voor elk deel van een kunstschepping, maar voor een vergelijking of metaphoor is het meer gewenscht dan voor welk ander deel ook, omdat als zij de eenheid van het geheel verbreekt, ze iets doet, wat met haar innigste wezen in strijd is. Haar wezen is immers: het eenheid-aantoonen, en nu—verbreekt zij een eenheid! Zij neemt dus dan op de eene wijze en tegelijkertijd terug wat zij op een andere gaf.—En zie nu eens, in hoe sterke mate deze beelden van Mevr. Holst ook die additioneele schoonheid bezitten. De beide eerste, die iets van het maatschappelijk leven beelden: Parijs en het Parijsche volk, zijn beide aan de maatschappij-sfeer ontleend: een gouddelverskamp, een stookruimte; het derde daarentegen, dat de werking der Scheppende Natuurkracht in Rousseau beeldt, aan het natuurleven.

En hoe prachtig is ook dit, als onze schrijfster het Contrat Social bespreekt: "De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich tusschen hen." Even te voren [p.140] zegt zij: "Men voelt den gloed wel, maar de vlam brandt achter een muur," 't geen ons hier de gelegenheid biedt te zien, hoe het beeld zich volkomen natuurlijk ontwikkeld heeft uit het gevoel, waaruit de geheele context werd geboren.

En dàn is het ook, dat zij, zooals ik eens van haar schreef, bij menigten "subtiele fijnheden in het door-raadselde levensgebeuren en in de verhouding tusschen de uiterlijke en innerlijke menschen ontdekt." Wilt ge een voorbeeld van het eerste zoowel als het laatste? Gun u-zelf dan het genot van haar diepe en meesterlijk neergeschreven inzicht te leeren kennen in de zedenverdorvenheid van het Parijs der XVIIIde eeuw, en vergun mij even dit kleine stukje voor u te citeeren:

Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.

Hoe trilt hier toch in de diepte hetzelfde sentiment, dat eens een Ander, in hòngerige oververzadigdheid, zijn smartelijk "IJdelheid der ijdelheden" als een weeroep over menschheid kreunen deed, zóó, dat zij het in dertig eeuwen niet vergat....—Maar is dit stukje fijn-doorvoelde psychologie niet even diep en innig:

Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige waardeering, in de omstandigheid dat de vergode grijsaard toch altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan ik, in hem en zijn werk ligt iets diepers en teederders, dat mij vreemd is"—terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke [p.141] meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft, naar ik meen, ook de verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.

Wie anders dan òf een heel groot, "objectief-indringend menschenschepper, die Mevr. Holst—ik heb het indertijd aangetoond—niet is, òf een wel anders begaafd, maar in zijn sfeer toch ook heel groot en edel kunstenaar, die zelf in het bewustzijn van zijn zielsrijkdom zijn tegenstrevers en miskenners kan vergeven, gelijk deze groote lyrische dichteres er eene is—wie anders dan een dièr twee had dit vermogen te schrijven....

Hoe diep heeft zij dan ook àlles doorvoeld, wat Rousseau's persoonlijkheid en de hare gemeen hebben, hoezeer is zij erin geslaagd, ook de leiddraad aanvaardend van Rousseau's zelfbeluisteringen in de Confessions en de Rêveries, een beeld te scheppen dat nagenoeg harmonieus is in zichzelven. Luistert ge slechts even naar het volgende kleine stukje, dan hoort ge bij beurten: Henriëtte Roland Holst, herkennend Rousseau in en beeldend hem uit háár innerlijkheid, èn Rousseau-zelf in de zelfbeluistering en beelding der Confessions:

Haar volgend (de roepstem der opkomende klassen, v.C.) moest hij strijden tegen een stuk van zich-zelven, tegen zijn zwakheid, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn hart.

Hier beeldde Mevr. Holst Rousseau uit zich-zelf: de schrijfster van De Vrouw in het Woud, vóór zij "de Vrouw in het Woud" werd, maar reeds alles in zich had, dat 't haar zou doen worden. En ziehier voornamelijk weergave van de zelfbeluistering in de Confessions en de Rêveries:

Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij overwon dit alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel en gedachte die hij kon vinden, bereikt was; hij de bandelooze, [p.142] lag zijn liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. .

Zooals het volgende weer zuiver datgene is wat beiden gemeen hebben:

Hij was dikwijls zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de gloed van geestdrift voor zijn idealen,—met een anderen naam: de liefde tot de menschheid,—èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid van den kunstenaar.

Het schoonste en duidelijkste voorbeeld echter van dit Rousseau-hervinden in zichzelf, heeft Mevr. Holst wel gegeven in dit stukje, dat ik hoe bevreesd ook mij te zeer aan citeeren te bezondigen, den lezer niet mag onthouden:

Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in eenen,—zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat 't blijve, sidderend van verlangen—zoo deed hij.

Evenmin zou ik echter de schoonheid van dit werk voldoende recht hebben gedaan, indien ik verzuimde u opmerkzaam te maken op het prachtig begrijpen, doorvoelen en uitbeelden van sommige invloeden, die het Scheppend Vermogen op de lagere persoonlijkheid van Rousseau gehad heeft. Ziehier, een kort stukje:

Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefdesbegeeren slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en verrukking [p.143] en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?

En dan met nog heller intuïtief doorvoelen van de verhouding van Scheppend Vermogen tot de lagere persoonlijkheid:

Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch van herinnering.

Maar buiten hem groeide,[33] schepsel van vuur en tranen, het wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Héloïse." In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.

Hoe zuiver en diep-gegrift is met één trek in die paar door mij gecursiveerde woorden, het werken der Onbewustheid aangegeven. Hoe wordt door dat ééne beeld van de gaal den lezer fel de psychische oorzaak der Nouvelle Héloïse duidelijk: zooals de gaal zingt uit liefdesdrang zóó schreef Rousseau dit boek. Maar bijzonder dankbaar ben ik der schrijfster voor die erkenning, dat "dichter's smart duizenden blij maakt van bevende zaligheid." Want deze uitspraak wint nog aan beteekenis, wanneer zij bijv. lyrische poëzie betreft, waarin een dichter zijn smart-zelf heeft afgebeeld. En dus blijkt Mevr. Holst hier wel duidelijk en diep te doorvoelen, dat de kunstuitbeelding van een sentiment zelfs precies het tegenovergestelde sentiment in den beschouwer der uitbeelding kan wakker roepen, en anders dan het in 't leven buiten de kunst gebeurt; dáár zou smart wel aanleiding tot genot kunnen geven, maar tot wreedheidsgenot, hier wekt het iets goddelijks in den genietenden mensch: een blijdschap van "bevende zaligheid"! A bon entendeur demi-mot suffit. En overigens—de literaire criticus mag zich toch wel even zoover vergeten, dat hij hier naar het werk van zijn tweelingbroer verwijst—zie het eerste hoofdstuk [p.144] dezer studie: daar staan de hééle woorden! Maar zoo gij meent, dat hij dìt zelfs niet had mogen doen—welnu: het is een goed gebruik iemand dergelijke kleinigheden bij het afscheid-nemen te vergeven, en de literaire-criticus-in-deze-studie néémt hier afscheid. Eérlijk gezegd: ik meen te weten, dat hij daar blij om is. En geen wonder: gewend altijd zelfstandig te werken, ziet hij hier zijn arbeid als een bijkomstig onderdeel van een andersoortig geheel beschouwd, werkte hij hier onder toezicht en onder zekeren druk. Zoo ben ik er, bijvoorbeeld, zeker van, dat het niet zijn meening weergaf, toen ik zei, dat niet hij hier den schadelijken socialistisch-aesthetischen invloed kon aantoonen en bestrijden, omdat het geval, waarin hij dat had kunnen doen, nml.: dat door dien invloed "subjectieve waarheid en werk elkaar niet dekken," hier niet aanwezig was. Hij meende dat wel degelijk hier en daar te kunnen aantoonen. Hij geloofde zeker, dat de zeer tendentieuse lagere persoonlijkheid der schrijfster op eenige plaatsen, onwillens natuurlijk, de uiting der subjectieve waarheid door het Hooger Bewustzijn verminkt had. En hij geloofde al evenzeer demonstreerbaar, dat er subjectieve waarheid in het werk was, die het niet verder dan het lager bewustzijn heeft gebracht, òndoorlichte subjectieve waarheid dus, en van een soort, die niet kòn doorlicht, verpuurd, vernoodwendigd worden door het lyrisch scheppend vermogen, terwijl de waarlijk epische kracht, daartoe benoodigd, niet of in niet voldoende mate in deze schrijfster aanwezig is. En als ik hem zei dat wat haar ontbrak toch kon aangevuld worden door de zelfbeluistering, de biecht van Rousseau, dan fluisterde hij ironisch: "Ook door zijn zelfbedrog, ook door zijn pose?" En ik glimlachte, maar wat zijne eerste bewering betreft leken mij zijn bewijzen niet afdoende, en wat het in de tweede genoemde aangaat, daarvan zijn noodwendigerwijze, gelijk later zal worden aangetoond, de gevolgen in dit werk zoo nietig, vergeleken bij die van den marxistisch-aesthetischen invloed, dat het geenerlei nut heeft hen te bespreken. En zoo legde ik hem het zwijgen op, een weinig onrechtvaardig [p.145] wellicht, gelijk geen enkel machthebber, die voor de juiste verhoudingen in een groot geheel verantwoordelijk is, altijd jegens den bewerker van een onderdeel kan vermijden te zijn. Maar daarom: wees gij lezer arbiter tusschen hem en mij! Gij zult in het volgend hoofdstuk ruimschoots stof tot vorming van uw oordeel vinden.

NOTEN:

[30] "Een studie over Rousseau" door Dirk Coster, De Ploeg Febr. 1913.

[31] "Hij eenvoudige burgerknaap, zoo gesprongen uit het zwarte hol van zijn leertijd." Zie Shelley's prachtig: "Then from the caverns of my dreary youth I sprang" etc.

[32]"Een goede fee had aan zijn wieg gestaan.... Het was de fee: verbeelding." Kan het flauwer, onpersoonlijker en slapper?

[33] Cursiveering van mij.


HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK

[p.146]

III.

Mevr. Holst's Rousseau.
(Beschouwing der critische en psychologisch-biographische opvattingen.)

Geen mijner lezers, die mij tot hiertoe gevolgd zijn en mijne leidende aesthetische gedachte nu kennen, zal het verwonderen, dat ik het niet eens kan zijn met hen, die zeggen, "dat wij uit eerbied voor den grooten geest den mensch moeten vergeten." Mij immers, wien de scheppende natuurkracht, die de aarden uit den chaos en de wezens uit de aarden omhoog drijft, de zelfde is, die de kunstwerken en de voortbrengselen van het hooge denken uit gene kleine werelden, die wij menschen zijn, doet geboren worden—mij lijkt die bewering even onjuist, als wanneer mij iemand zou zeggen, dat ik uit eerbied voor de natuur, de aard en gesteldheid van een kwalijk-riekend moeras niet zou mogen onderzoeken, dat zij zelf nochtans voortbracht en waarin zij zelf een rijke flora en fauna leven doet. Deze eerbied, zij hier entre parenthèse gezegd, schijnt mij dan ook bedenkelijk veel op een beleedigen te gelijken. Het is dan wel, of wij arme, kleine menschjes ons verbeelden, sommige daden en voortbrengselen der natuur "met den mantel der liefde te moeten bedekken"! De lezer ziet dus duidelijk, dat in iemand van mijne overtuiging die eerbied volstrekt geen eerbied, maar een belachelijke en verdwaasde hoogmoed [p.147] zou zijn. Maar overigens is er nog een andere reden, waarom ik dat argument verwerpen moet. En ik kan slechts ernstig hopen, dat het bekend maken dier reden geen aanleiding tot misverstand tusschen den lezer en mij zal te weeg brengen. Uiten mòet ik haar. Ik ken den eerbied niet en evenmin de keerzijde van dat begrip: de moraliseerende geringschatting of verachting.

Ik ken slechts de liefde en den instinctmatigen afkeer. Eerbied beteekent immer een min of meer op een afstand blijven—een eerbiedigen afstand, zegt het spraakgebruik!—van, en een niet-indringen in het geëerbiedigde. Liefde beteekent: een naderen tot en een indringen in het geliefde. Waarom zouden wij op een afstand blijven van datgene, dat de Natuur ons toestond te naderen, toen zij ons de vermogens daartoe verleende? Zouden wij het beter willen weten dan Zij? Laat ons gerust zijn, waarvoor wij "eerbied" moeten hebben, dat kunnen wij niet naderen, want Zij heeft den weg daarheen voor onze voeten opengebroken, toen Zij ons de vermogens onthield, gelijk Zij over andere wegen, die naar het lage leiden, waarvoor wij nog te onrijp en te zwak zijn om er het hooge in te herkennen, de versperring van onzen afkeer sloeg.

Eerbied, zeg ik u, is iets overtolligs; liefde, indringende liefde vraagt de wereld van ons. Eerbied is ook een slechte begeleider der waarheid. Uitteraard heeft hij dikwijls geen andere keus dan zelfmoord of het vermoorden der waarheid. Hij is als die reiziger in de woestijn, die zijn metgezel doodde omdat er voor beiden niet genoeg water meer was. Niet alzoo de liefde: zij is als dat vlugvoetige, zachtoogige, trouwe wezen, snel doorijlend elke woestijn: ook haar kan geen enkele deren; levend van de zuivere lafenis in eigen lijf bewaard, voert zij, niets vragend, alles dragend, den mensch naar het Doel.


Men verwachte dus van mij, nu ik ter toetsing van Mevr. Holst's meeningen omtrent Rousseau en Thérèse Le Vasseur, veel, in dit hoofdstuk, van die beiden zal moeten spreken, [p.148] geen op een afstand blijvenden eerbied, maar liefde tot hun menschelijkheid, liefde tot de waarheid. Want daar ik er op zal moeten wijzen, dat zoowel in haar critische als psychologisch-biographische beschouwingen vele het essentieele rakende dwalingen—voornamelijk onder den historisch-materialistisch-aesthetischen invloed—binnengeslopen zijn, voel ik het als een plicht en deel van mijn taak, wat ik als de waarheid voel en vaak objectief zal kunnen aantoonen die te zijn, vreesloos daartegenover te stellen.

"C'est le pardon à cause de la gloire." O, het is schoon gezegd, de wereld applaudisseert. Maar beter deed die wereld met te begrijpen, dat wij, zèlf geringen, nu eenmaal nìets te vergeven, nìet te vonnissen, maar alleen alles, voor zoover we dat dan kunnen, te onderzoeken, te doorvoelen en te begrijpen hebben.—

Wenden we ons nu allereerst tot Mevr. Holst's meer critische beschouwingen:

Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij (de Fransche revolutionnairen, v.C.) leefden, uitgingen boven den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het gevoel.

Dit noodlot der revolutionnairen van 1789—92, was ook het noodlot van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als bijv. bij Byron en Schiller, gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de burgerlijke vrijheidsidealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos....

En Rousseau was een uiterst gevoelig kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar [p.149] ook de valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan het theatrale, gezwollene, geforceerde, dat zijn werken ontsiert daar waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.[34]

Om te beginnen: het is niet juist, dat wanneer Rousseau zijn persoonlijke ervaring in beeld brengt, het holle pathos, de opgeschroefde gezwollenheid afwezig zouden zijn. Integendeel, ik beweer: in het autobiographisch werk zijn ze er pas goed, in gezelschap nog wel van hun valsch opgedirkte en geblankette zuster: de pose. Gij, die de schoone paden der Confessions gegaan zijt, hoevele malen hebt ge er dit ongure, kermisachtige drietal, in den kleurigen opschik hunner klatergouden todden, niet ontmoet? Maar behoef ik dat wel te vragen, sterker: zij openden u het hek van den tuin!

Je me suis montré tel que je fus; méprisable et vil quand je l'ai été; bon, généreux, sublime, quand je l'ai été: j'ai devoilé mon intérieur tel que tu l'as vu toi-même, Être éternel. Rassemble autour de moi l'innombrable foule de mes semblables; qu'ils écoutent mes confessions, qu'ils gémissent de mes indignités, qu'ils rougissent de mes misères. Que chacun d'eux découvre à son tour son coeur au pied de ton trône avec la même sincérité, et puis qu'un seul te dise s'il l'ose: Je fus meilleur que cet homme-là.[35]

Deze toon, die toon van: "à tout prendre: je suis le meilleur des hommes," die telkens en telkens weer ons in de ooren klinken, het heele werk door, is niet die van de eerlijke zelfverheerlijking maar die van de in "valsch pathos" zich uitende "geforceerde spanning van het gevoel" van het zelfbedrog. En spreekt hij over het te-vondeling-leggen zijner kinderen, dan, zooals wij later zullen zien, klinken zijn redeneeringen als leeg vaatwerk met barsten, dan wordt 't alles bombast, dan dringen in al zijn uitingen "smakelooze liefde voor het theatrale" en "overdreven huilerige gevoeligheid." En daar heeft hij het toch wel over zijn "persoonlijke [p.150] ervaringen," zou ik zeggen! Mevr. Holst schijnt wel eens op weg te zijn geweest, om in deze de waarheid te zien. Blz. 203 zegt zij:

Het (zelfonderzoek, v.C.) was voor hem de weg tot zijn apologie en zijn apotheose, tot zelfbehagen, zelfvereering en zelfvergoding.

En blz. 204:

In de "Nouvelle Héloïse, het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten gaan—veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde bedding stuurden....

Indien iemand zooveel psychologisch en hooger-critisch inzicht toont te hebben, dat hij in een werk de neiging tot, en het feit van zelfvergoding, etc., benevens en vooral de "achtergedachten van zelf-apotheose" aanvoelt, hoe is het dan mogelijk, is men geneigd te vragen, dat hij de nòg meer aan de oppervlakte liggende pose, het valsch pathos en al de opgeschroefd-geuite verzekeringen van eigen voortreffelijkheid niet aanvoelt?! Of hoe is 't dan bestaanbaar, dat een dergelijke inzichtsvolle niet inzie, dat de neiging tot zelf-apotheose al die eigenaardigheden ten gevolge moet hebben? Hoe is 't mogelijk, dat iemand, die ter eenre plaats schrijft, dat:

Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, alles kil en doodsch. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen gevoelde.... Slechts eenmaal in zijn leven schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij toen schreef werd hol en rhetorisch, van een gloed die niet verwarmde.[36]

en dus de "ontsiering zijner stijl" wijt aan een hem eigen psychisch element, die op een andere plaats verklaart uit "de valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel" in het gevoel der burgerlijke klassen? Wat heeft hier haar blik beneveld, dat zij zich zulk een aantoonbaar-onjuiste subjectieve [p.151] waarheid vormde?[37] Wel lezer, sla één blik in mijn citaten op de vorige bladzijden en ge weet het: de idealen der burgerlijke klassen waren voos, de daardoor ontstane valsche elementen in hun gevoel zoog hij in, en die zijn schuld aan het theatrale, het valsch pathos en de opgeschroefde gezwollenheid.... Is dit niet het historisch-materialisme pur sang? Vandaar, dat zìj al die leelijke eigenschappen, tegen alle helder als de dag blijkende feitelijkheid in, alleen in zijn maatschappij-beeldingen en niet in zijn autobiographische geschriften zag. Haar perceptievermogen zat ingesponnen in de theorieën harer socialistische aesthetiek!

Maar welk een in-zich-zelf-onjuiste bewering deden haar het historisch-materialisme eenerzijds en de eerbied voor Byron, Schiller, en Rousseau vooral, anderzijds neerschrijven, toen zij ter nadere verklaring van wat naar hare meening, het pathos enz. in hun stijl veroorzaakte, dit zinnetje er aan toevoegde, dat ik gemakshalve hier nog eens citeeren zal:

Hun gevoel was oprecht, evenals dat der revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos....

Vluchtte eerst het onafhankelijk critisch inzicht, hier vlood de logica: indien "hun gevoel oprecht was," indien "zij van ganscher harte in de waarheid hunner idealen geloofden," dan kon dier innerlijke voosheid hun niets doen. Die bestond dan eenvoudig niet voor hen. Iemand kan slechts uiten wat op eenigerlei wijze in hem is. Een ideaal is echter nooit in een mensch, maar zijn zien daarvan, zijn voelen daarvoor. Het echte of onechte van het ideaal kan dus niet in zijn uiting leven. Dat kan alleen [p.152] het echte of onechte van zijn gevoel ervoor. Òf Mevr. Holst had moeten zeggen: Zij voelden hun idealen als echt, zij geloofden vast erin, maar hun genie was niet groot genoeg om ze te ver-beelden—maar dan had de historisch-materialiste geen gelegenheid gehad om de tekortkomingen hunner schrifturen uit de "voosheid" der idealen van de burgerlijke klassen te verklaren!—òf zij had moeten zeggen: zij voelden de voosheid van hun idealen wel, maar zij bedrogen zich-zelf, doch daarvan weerhield haar natuurlijk behalve haar diepe gevoel voor die Grooten, ook dat van de tastbare onjuistheid eener dergelijke bewering. Over deze stellingen ware echter verder te redeneeren geweest, over de eerste vooral, zooals daar dadelijk blijken zal. Maar nu eerst iets anders, dat wellicht in staat is, Mevr. Holst zelf van het onjuiste harer zienswijze te overtuigen: is zij bereid te aanvaarden wat wij, naar mij dunkt, niet onberechtigd zijn als de consequentie harer stelling te beschouwen? Heijermans is een groot menschenschepper, en zijn Raphaël—in Ghetto—ver-beeldt te midden van een klein- en plat-bùrgerlijke omgeving het socialistisch ideaal, maar desalniettemin is, zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn Raphaël één bonk hol pathos, één bonk opgeschroefde gezwollenheid. Moeten wij dit dus, in aanmerking nemend de voortreffelijkheid zijner overige productie, zijner werkelijkheidsbeeldingen, wijten aan de voosheid van het socialistisch ideaal?

Querido is een groot menschenschepper en zijn Heins—in Levensgang—is een schepping, geïnspireerd door het proletarisch ideaal, maar desalniettemin leeft Heins op geen stukken na met de levenswaarheid van bijv. den ordinair-burgerlijken Bresser. Moeten wij dit dus wijten, gezien alweer de voortreffelijkheid der andere beeldingen, aan de voosheid van het proletarisch ideaal? Wat kàn Mevr. Holst hierop antwoorden? Ik vrees, niet veel anders dan dat ik, mijne gevolgtrekkingen makend, haar stelling heb omgekeerd, hetgeen echter, de zooeven genoemde voortreffelijkheid immers in aanmerking genomen, van geen werkelijk belang is.

[p.153] Maar niettemin kan òns, om het ware antwoord te vinden, een uiting onzer schrijfster uitmuntenden dienst bewijzen. Over Rousseau, Byron en Schiller sprekend zegt zij dit, in een noot:

Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.

Ongetwijfeld mag men Mevr. Holst hier vragen, hoe dat komt, dat Shelley wel vrij van valsch gevoel is en de anderen niet. Hoe ook de Engelsche bourgeoisie van Shelley's tijd moge verschild hebben van de Fransche van 1789, de voosheid, die immers veroorzaakt werd volgens Mevr. Holst, door hetgeen de lezer hieronder vindt aangehaald,[38] kan dan ook niet aan hare idealen ontbroken hebben en die moeten dan dus ook hun nadeeligen invloed op Shelley's geschriften hebben uitgeoefend! Waarom deden zij dat niet? Hield hij er misschien een apart-burgerlijk-ideaaltje- voor-eigen-gebruik op na? Wacht maar niet op het antwoord, lezer. Mevr. Holst gééft hier geen antwoord op! Wij echter, wien een historisch- materialistische aesthetica niet hare dorre hand op den mond leggen, allicht wel: de kunstenaar die een werkelijkheid beeldt in kunst, doet als 't ware een fata morgana spiegelen boven en naar het beeld eener stad; de kunstenaar, die een ideaal beelden wil in kunst, wil een stad bouwen onder en naar een fata morgana. Het eerste kunnen alle kunstenaars, genieën en talenten, groote en kleine; zij maken dan kunst, groote of kleine, naar hun aanleg. Het laatste kan maar één wellicht in duizend jaren, één begenadigde onder geslachten en geslachten van kunstenaars, één vorst onder zijn broeders, een profeet onder de wáár-zeggers! En als de laatsten dat voor hen onmogelijke tòch beproeven, dan vernevelt de ideëele fata morgana voor hun oogen, en zij zien niet meer, zij zìen niet meer, maar maken zich diets dat zij nog zien, [p.154] en hun bouwsel wordt een verwarde doolhof; hun gevoel wordt valsch gevoel, hun uiting valsche pathos en opgeschroefde gezwollenheid. Zéker ligt het dus niet aan de "voosheid" van hun ideaal, maar ook evenmin kan hen de oprechtheid van hun gevoel ervoor redden; het hangt er alleen van af—och, het is zoo eenvoudig, zoo zonder diepzinnigheid—of zij een Shelley zijn al dan niet. En nu zal het u ook duidelijk zijn, waarom niet alleen in de beelding van het burgerlijk ideaal maar ook wel degelijk in de zelf-beelding der Confessions, zooveel pathos en gezwollenheid zit. Niet alleen, dat, zooals wij reeds hebben gezegd, "achtergedachten van zelf-apotheose" in een schrijver altijd zijn stijl onzuiver moeten maken, maar er was ook nog een andere oorzaak daarvan, een zelfde in de Confessions als in de beeldingen van het burgerlijk ideaal: de unique, de alleredelste, de le-meilleur-des-hommes-persoonlijkheid van Rousseau—de lagere persoonlijkheid wel te verstaan!—bestond niet. De "schrijver der Confessions moest hier dus wel geen stad maar een—Rousseau scheppen, onder en naar een luchtspiegeling, met natuurlijk hetzelfde gevolg, hier als daar! Och, als dat waar zou zijn: dat de voosheid van een ideaal de werken der daardoor geïnspireerden nadeelig beïnvloedt! Zou er dan wel één werk bestaan, dat daarvan vrijgebleven is? Want zijn alle idealen niet voos in dien zin, dat zij in hun verwezenlijking, precies als het burgerlijk ideaal der groote Fransche revolutionnairen, niet geven wat zij beloofden en integendeel weer op hun beurt veroorzaken nieuwen strijd en nieuwe smart, maar ook nieuwe bevrediging en vreugde èn nieuwe—idealen!

Wij hebben dus nu als oorzaak van Mevr. Holst's onjuiste critische verklaringen het feit gevonden, dat zij, door verreweg te veel gewicht aan den invloed der maatschappijverhoudingen te hechten, geheel of gedeeltelijk de psychische oorzaak der door haar te beoordeelen verschijnselen uit het oog verliest. Welnu, dit is een euvel onafscheidelijk aan de gewoonte van het historisch-materialistisch denken verbonden [p.155] en voortvloeiend uit zijn aard. Onderzoeken wij nu haar psychologisch-biographische inzichten omtrent Rousseau. En dan valt onmiddellijk op, dat:

1°. hare ontledingen volmaakt gaaf zijn, zoolang zij niets minderwaardigs in hem te boekstaven hebben;

2°. dat zij echter een sterk verfraaiende tendenz krijgen, zoodra dat wel zoo is;

3°. dat wanneer zij, schijnbaar met deze bewering in strijd, ook in het laatstgenoemde geval zuiver zijn, dit veroorzaakt wordt doordat de betreffende biecht in de Confessions zoo ondubbelzinnig is, dat alleen oneerlijkheid de oogen er voor zou kunnen sluiten. Het bewijs van de juistheid mijner eerste bewering zal de lezer mij wel willen schenken. Ik, de bestrijder van Mevr. Holst's analysen en der oorzaak van wat ik noem hun ondeugdelijkheid, heb er immers geen noemenswaardig belang bij te beweren, dat hare analysen onder zekere omstandigheden wel zuiver zijn! Wat de beide laatste betreft, zij mij echter alvorens ik verder ga, het leveren van bewijs en het geven van voorbeelden toegestaan. Dus ad 2:

Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en ontembaar, zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en meegesleept worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zich-zelven en moest zoowel het genot als wijsheid derven.[39]

Men kan hier het streven naar objectiviteit zeer zeker waardeeren, maar, als men dit gedaan heeft, zich ook verplicht voelen op te merken dat van dat "dobberen tusschen deugd en meegesleept worden," als gevolg van een neiging en kracht in de lagere persoonlijkheid, niet veel te bespeuren valt: waar de verzoeking was, daar werd hij ook meegesleept, tenzij niet de deugd maar egoïstische ijdelheids- of utiliteitsredenen, of overwegingen voortvloeiend uit zijn latere waanvoorstellingen hem de overwinning op de verzoeking deden behalen. Men denke aan de walgelijke scène tusschen [p.156] "la papesse Jeanne," Grimm, Diderot en hem-zelf als gasten van baron Klupffel, maar vooral aan het naar de Enfants-Trouvés brengen zijner twee eerste kinderen, zonder dat hij één oogenblik "dobberde" tusschen wel en niet doen, zonder dat iets in hem zich daartegen verzette, meegesleept als hij was—dit alles naar zijn eigen getuigenis—door de opvattingen en gesprekken zijner tafelgenooten elken dag. Als Mevr. Holst dan ook vervolgt:

In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat was hij.[40]

en dus de scheidingslijn tusschen het tijdperk van meegesleept-worden en dat van 't "dobberen tusschen" laat samenvallen met die tusschen jeugd en mannelijken leeftijd, dan weerspreken de zooeven genoemde feiten haar—hij was toen respectievelijk 37 en 38 jaar—. Neen, de scheidingslijn tusschen de twee eerstgenoemde tijdperken blijkt duidelijk te trekken precies ten tijde, dat zijn genie zich openbaart. Dit feit te zien—waarmee ons trouwens Rousseau-zelf, gelijk men zoo dadelijk zal ontwaren, heeft bekend gemaakt—is van het hoogste gewicht voor de kennis zijner lagere persoonlijkheid, gelijk het ook boekdeelen spreekt voor mijne bewering, dat het Scheppend Vermogen ook als een heerscher, leeraar en opheffer in de lagere persoonlijkheid werkt! Waarom dit feit van zoo hoog gewicht is, laat mij het verklaren, na zijn bestaan-zelf te hebben bewezen: (Het Discours, waarvan Rousseau in het nu volgend citaat spreekt is ook volgens Mevr. Holst het eerste werk van zijn eigenlijk Genie.)

L'année suivante, 1750, comme je ne songeois plus à mon Discours, j'appris, qu'il avoit remporté le prix à Dyon. Cette nouvelle réveilla toutes les idees qui me l'avoient dicté, les anima d'une nouvelle force....[41]

En daarna:

Tandis que je philosophois sur les devoirs de l'homme, un [p.157] événement vint me faire mieux réfléchir sur les miens. Thérèse devint grosse pour la troisième fois. Trop sincère avec moi, trop fier en dedans pour vouloir démentir mes principes par mes oeuvres, je me mis à examiner la destination de mes enfants.[42]

Men weet dat hier het "dobberen tusschen" niet eindigde in een omslaan naar de zijde van het goede; het scherpte alleen maar zijn verstand in het vinden van plausible uitvluchten, zooals wij later zullen zien, maar, waar het thans op aankomt: Zie nu eens den weg, waarlangs hij ertoe kwam, te gaan nadenken ten minste over het lot zijner drie laatste kinderen: Als een profetisch gezicht, een onverwachte, helle openstraling van het genie, komt de visie van zijn Discours op den weg naar Vincennes over hem—hij zelf heeft ons dat treffelijk verhaald[43]—en de herinnering aan de scheppende gedachten, die toen uit het "onbewuste" op hem neerdaalden, die is het, welke nu zijn lagere persoonlijkheid schaamtevol tot zich-zelf inkeeren doet. Hij is zich trouwens daarvan wel bewust geweest, evenals van het feit, dat er in zijn lagere persoonlijkheid qualitatief-potentieel niets veranderd was:

D'ailleurs les principes élévés que je m'étais faits devoient me rendre désormais bien supérieur à de telles bassesses, et il est certain que depuis lors je l'ai d'ordinaire été: mais c'est moins pour avoir appris à vaincre mes tentations que pour en avoir coupé la racine—d.w.z.: zichzelf de gelegenheid, om meegesleept te worden, te hebben benomen; zie maar verder:—et j'aurois grand'peur de voler comme dans mon enfance si j'étois sujet aux mêmes désirs. J'eus la preuve de cela chez M. de Mably.[44]

En zoo is het ook met de andere neigingen zijner lagere persoonlijkheid gebleven. Men kan het reageeren van deze op den invloed van het Scheppend Vermogen aldus kenschetsen: Zijn lagere persoonlijkheid schaamde zich voortdurend voor het op haar neerblikkend gelaat van zijn verheven genie. Al ontstond deze schaamte niet uit louter zijn eigen innerlijkheid rakende overwegingen, maar voor een groot [p.158] deel ook uit bepeinzing van wat de menschen wel zeggen zouden van iemand die zóó leeraarde en zùs deed.—En wat is nu de beteekenis van dit thans door mij en ongetwijfeld ook door de lezers, die al het voorafgaande goed in zich opgenomen hebben, bewezen geachte feit? Geen andere dunkt mij, dan dat de klaarblijkelijke meening van Mevr. Holst als zou er in den loop der jaren een qualitatief-potentieele ontwikkeling ten goede in Rousseau's lagere persoonlijkheid hebben plaats gegrepen, door de feiten en de door hem-zelf bekend gemaakte overwegingen gelogenstraft wordt, en dat er slechts een zich aanpassen in daden, strevingen en woorden—de beide laatste vooral!—van de lagere aan de Hoogere valt te constateeren, zonder dat er in de neigingen dus iets veranderde, waaruit weer blijkt, dat sommige dier neigingen geen "reminiscenties uit zijn lakeientijd" waren, zooals Mevr. Holst meent, maar saamgegroeid met, inhaerent aan zijn geheele wezenscomplex.

Thans ad 3:

Nu kwam hij in een omgeving, die al de lagere aandriften en neigingen in hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust hoe snel zijn karakter in korten tijd was vervallen.[45]

Voor dit stukje mogen wij der schrijfster onverdeeld-dankbaar zijn. Er is hier—men lette op den door mij gecursiveerden zin—niets verfraaid, niets uitgewischt. Maar [p.159] hier scheen dan ook zulk een fel licht uit de Confessions-zelf, dat de schrijfster door haar onbewuste verfraaiïngs- en uitwisschings-tendenzen niet kon verhinderd worden te zien. Want de geniale zelfbeluisteraar, die waarheid sprak als zijn artisticiteit hem ertoe drong, d.w.z.: die moest uiten wat zijn Scheppend Psychologisch Vermogen in hem zelf ontraadseld had—die groote zelfbeluisteraar heeft, van dien zelfden tijd sprekend, het veel vlijmender gezegd:

Il faut que, malgré l'éducation la plus honnête, j'eusse un grand penchant à dégénérer, car cela se fit trés rapidement, sans la moindre peine, et jamais César si précoce ne devint pi promptement Laridon.[46]

En het is dan ook ongetwijfeld op deze uiting, dat Mevr. Holst zinspeelt, als zij zegt, dat hij zich in later dagen daarvan pijnlijk bewust werd.

Ik gewaagde daar van den "genialen zelfbeluisteraar, die waarheid sprak, als zijn artisticiteit hem daartoe drong." Zeker, ik bedoelde: als dit niet het geval is, dan.... Want het blijkt wel duidelijk, dat hij betreffende die drijfveeren, die hij niet als artist in zich-zelf ontdekt, maar die zoo zijn, dat hun aard voor zijn gewone menschelijkheid klaar open ligt, meestal de waarheid niet zegt. Een treffend voorbeeld daarvan is alles wat hij beweert omtrent het te-vondeling-brengen zijner drie laatste kinderen.—Ook is er nog een groep daden, waarvan het twijfelachtig moet genoemd worden, of hun drijfveeren tot de laatstgenoemde soort behooren, of dat hij inderdaad de waarheid omtrent hen niet heeft gekend, omdat ook zijn artistiek-psychologisch vermogen erop is afgeketst. Van dezulken zegt hij dan soms, dat zij ontspringen uit zijn "délire inconcevable." Dat Mevr. Holst dit "délire" niet psychologisch doorlicht heeft, mag ongetwijfeld een ernstige leemte in haar werk worden geacht. Is zij ook daarvan instinktief en door haar verfraaiïngstendenzen geleid afgebleven? Ik waag het, die vraag bevestigend te beantwoorden. Want hebben wij nu [p.160] reeds gezien, dat die tendenzen in werking treden, zoodra er iets minderwaardigs in Rousseau valt te boekstaven en de Confessions-zelf hen niet krachteloos maakt, wij zullen allereerst bij het beschouwen der gebeurtenissen, voortspruitend uit, of in verband staande met het "délire," hun invloed op onze schrijfster als zoo sterk-beheerschend kunnen bewijzen, dat zij haar met een totaal gebrek aan psychologisch inzicht doen heenijlen in een paar onbeteekenende woorden over voorvallen, welke voor den objectieven psycholoog, die voortschrijdt, zonder de waarschuwende stompen van een hem bewakend en vervolgend dogma telkens in den rug te krijgen, van het hoogste belang zijn. Zoo geeft de ontzettende daad jegens het kamermeisje Marion, na den dood van Mad. de Vercelli—hij was toen ongeveer 19 jaar—Mevr. Holst slechts aanleiding te spreken van een "nietig voorval op zich-zelf." Wel, wel, als dat eens Voltaire, "die kleine, minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst", of Grimm, de "baron van het heilige Duitsche Rijk" gedaan hadde! Ge zegt: jawel, maar die zouden niet groot en edel genoeg zijn geweest om de daad te biechten. Maar ik antwoord: Rousseau evenmin, indien hij niet in het schrijven der "Confessions" het vormen van een verpletterend wapen tegen het "Complot" zou hebben gezien. Doch om de Confessions tot dat wapen te maken mocht hij dan ook geen feit, dat hem in een ongunstig daglicht stelde, weglaten. Want kwam dan zoo'n feit later voor den dag, waar toch altijd kans op is,[47] dan ware de geheele Confessions waarde- en krachteloos. Aan de drijfveeren mocht hier en daar een beetje gemorreld en gewrongen worden, de feiten moesten verhaald worden. Dáár was niets aan te verhelpen! Wat voor gevolgen overigens dit "nietige voorval" waarschijnlijk gehad heeft—en uiteraard moest hebben—laat 't hem-zelf hier verhalen:

[p.161] Je ne regarde pas même la misère et l'abandon comme le plus grand danger auquel je l'aie exposée. Qui sait, à son âge, où le découragement de l'innocence avilie a pu la porter?

Voor Mevr. Holst bewijst deze daad slechts, hoe klein de "zedelijke kracht is in den jongeling;" voor mij: hoe zij 't ook is gebleven in den man. Want had deze in zijn geheele leven geen poging moeten doen, Marion terug te vinden, om zooveel mogelijk goed te maken, wat hij bedorven had?—"Qui sait?" Hij had moeten weten. Goed! èven aangenomen, dat hij, gelijk hij beweert, inderdaad de kracht miste, de daad ooit aan een vriend, zelfs aan Mad. de Warens te biechten, dan nog had hij kunnen en moeten pogen háár te vinden. Daarvoor had hij de kracht en de deugd moeten hebben. Hij had ze niet. Dáár ligt de zedelijke depravatie van den man. Indien Mevr. Holst zegt, dat uit zijn katholiek worden blijkt, "dat de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap" en er dan aan toevoegt: "eens zullen zij weer opleven: het kind is vader van den man," dan is dat wel een mooie psychologische ... gemeenplaats, maar de toepasselijkheid op het geval-Rousseau—let wel: wat de daden en vooral de gevoelens der lagere persoonlijkheid betreft!—laat zich zoeken en het meest in de zaak Marion. Deze man, die zègt nauwelijks een dag zonder wroeging te zijn geweest, schrijft aan Mad. d'Epinay: "Moi qui ne fis jamais de mal à personne." Deze man, die zegt nooit de daad te hebben durven biechten, leest in ter auditie van de Confessions bijeengekomen gezelschappen van soms 'n twintigtal personen, het relaas dier daad voor, 't geen nog heel wat anders is dan het neerleggen ervan in een werk, dat men niet voor zijn dood wenscht gepubliceerd, en zelfs nog heel wat meer kracht vereischt dan het biechten aan een vriend.—"Als hij haar biecht in de Confessions schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit," zegt Mevr. Holst. Welnu, zijn vijanden, beweer ik, al hadden zij ongelijk zijn vijanden te zijn, hadden daarin gelijk, en zijn vrienden stonden klaarblijkelijk niet objectief-psychologisch voor de zaak, anders [p.162] hadden zij de oorzaak dier nuttelooze want te laat gekomen waarheidsliefde, in een man, die niet nobel genoeg was, om het kind, dat hij ongelukkig had gemaakt, te zoeken en te hulp te komen, anders begrepen dan zij deden. Dan hadden zij haar begrepen, gelijk ik haar begrijp.

En dan het geval met den ongelukkigen Le Maître. Dit verhaalt Mevr. Holst aldus:

"... maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den zieken meester te bekommeren."[48]

Wat gaat ons nu in 's hemelsnaam hier aan of "de jongeling niet geleerd heeft daartegen te strijden"?! Wanneer ik een kind van 'n jaar of tien, zijn vleesch-en-aardappelen in plaats van met vork en mes, met zijn vingers zie bewerken, dan vraag ik misschien: "Hé, heeft Pietje nu nog niet geleerd, hoe men behoort te eten?" Ik vraag dat dan zóó, omdat 't er wel iets, maar toch slechts heel weinig voor den psychischen aanleg van dat kind op aan komt, dat het niet uit zich-zelf meer beschaafde manieren heeft; maar wanneer ik omtrent een twintig jarigen man verneem, dat hij zijn leeraar, die hem belangeloos heeft onderwezen, die hem altijd vriendelijk en welwillend bejegend heeft, te midden van vreemden als een vod op straat heeft laten liggen en wegliep, toen die man, in zeer penibele omstandigheden verkeerend, door hem naar een vreemde stad begeleid, een epileptischen aanval kreeg—dan zeg ik allicht: "Dat is òf 'n verdorven òf een krankzinnig mensch." Het is dan uw goed recht, o psycholoog, mij te antwoorden: "Neen, die man is geen van beide," mits gij mij dan maar verklaart, hoe hij dat niet zijn kan en dit toch doen. Maar vertel mij alsjeblieft niet, dat de reden is, dat hij niet geleerd heeft er tegen te strijden. Dat zou mij iedere gevangenispredikant allicht vertellen. Het vreeselijke is dat het in hem zit. Waarom is dat niet zoo vreeselijk, als het er wel uitziet—gelijk gij klaarblijkelijk [p.163] meent. Daarvoor heb ik u noodig, menschen-herscheppend psycholoog! Maar Mevr. Holst, onze psycholoog, antwoordt niet.... "Een plotselinge opwelling." O ja, dank u, nu weet ik 't wel!

Doch een der meest teekenende omstandigheden vind ik, dat onze schrijfster bij het àl tè vluchtig behandelen van het feit, dat Rousseau zijn kinderen naar de Enfants-Trouvés liet brengen, niets zegt van de zeer onechte apologie in de Confessions. Hier ware een prachtige gelegenheid geweest, den mensch uit zijn werk zelfstandig op te bouwen; de waarheid aan het licht te brengen, die er tègen zijn wil uit blijkt, en hem dus niet na te beelden zooals hij zich-zelf gelieft voor te stellen, maar hem te beelden, zooals hij zich ondanks zich-zelf ten toon stelt, werk dus der inderdaad "hoogere" critiek!

"... cette horreur du mal en tout genre, cette impossibilité de haïr, de nuire (Nu, nu, dat hebben we toch wel anders gezien! v.C.) et même de le vouloir, cet attendrissement, cette vive et douce émotion que je sens à l'aspect de tout ce qui est vertueux, généreux, aimable: tout cela peut-il jamais s'accorder dans la même âme avec la dépravation qui fait fouler aux pieds sans scrupule le plus doux des devoirs? (Zeker, het blijkt dat dit kan! Want bij het te vondeling brengen der twee eerste kinderen was er immers volgens zijn eigen getuigenis, geen sprake van eenige overweging noch van eenige scrupule! v.C.) Non, je le sens, et le dis hautement, cela n'est pas possible. Jamais un seul instant de sa vie Jean-Jacques n'a pu être un homme sans sentiment, sans entrailles, un père dénaturé. J'ai pu me tromper mais non m'endurcir. Si je disois mes raisons, j'en dirois trop. Puisqu'elles ont pu me séduire, elles en séduiroient bien d'autres: je ne veux pas exposer les jeunes gens qui pourroient me lire à se laisser abuser par la même erreur.[49]

Het is duidelijk dat dit een uitvlucht is. Zoo het waar is, dat het bekend maken dier redenen jonge menschen had kunnen verleiden, omdat zij hem hebben kunnen verleiden, dan is het ook waar, dat 't bekend-maken der overwegingen, die hem later die redenen als dwalingen hebben doen beschouwen, evenmin zijn uitwerking op die jonge lieden zou [p.164] hebben gemist. Hij moet toch hebben ingezien, dat het verzwijgen èn van de redenen èn van datgene, dat hen in zijn eigen oordeel tot dwalingen stempelde, de zaak voor de jongeren pas recht gevaarlijk maakte: nu blééf hun alleen een slecht voorbeeld gegeven door een groot man. En overigens zal men mij wel willen toegeven, dat deze bezorgdheid al zeer vreemd aandoet in den mond van iemand die wel zeer gemoedelijk spreekt over zekere sexueele hebbelijkheid, waaraan hij verslaafd was, 't geen niet alleen heel wat prikkelender op jonge gemoederen kan werken dan dit, maar ook heel wat gevaarlijker is, omdat het zooveel makkelijker kan worden nagevolgd. Waar bleef toen wel die bezorgdheid? Men begrijpe mij wèl: ik acht er de Confessions en hun schrijver des te hooger om, dat toen die "bezorgdheid" er niet was. Zij is geheel out of season in een werk, dat nu eenmaal, zonder zich om de meer verwijderde en bijkomstige gevolgen te bekommeren, een biecht wil zijn en niets dan dat.—Máár—waarom dan alleen bij deze gelegenheid van dat standpunt afgeweken? Dàt geeft te denken—wat ìk heb gedacht!—Het is dan ook waarlijk wel volkomen te begrijpen, dat er onder de lezers van den Emile waren, die lezend wat hij daar omtrent de plichten van den vader leert—en niet wetend, dat de Hoogere Persoonlijkheid wel verwant met, maar toch een geheel andere dan de lagere is—minachtend hun schouders optrokken over 't geen zij voor huichelarij moesten houden, en de sarcastische noot daar ter plaatse, waarin de "petites bonnes gens" Cato en Augustus worden vergeleken met de "grands hommes de nos jours," die te gewichtige zaken aan het hoofd hebben, om hun ouderplichten na te komen, kortweg een onbeschaamdheid noemden.—Wat nu de werkelijke reden moge geweest zijn, 't geen wij thans niet zullen onderzoeken—hij-zelf heeft 't later voorgesteld alsof "les raisons déterminantes" voortsproten uit vrees voor en afkeer van Thérèse's familie—zeker is, dat hij, die hier terwille der jonge lieden zoo bezorgd was, in de Rêveries die bezorgdheid geheel heeft verloren en daar weer zegt, dat zijn verstand hem geen [p.165] enkel verwijt doet, en dat indien hij er weer toe genoopt ware hij er nog met vrij wat minder aarzeling toe zou overgaan als destijds! Arme jeunes gens! Nu ziet ge dus, dat 't zelfs geen dwaling was.... Ik vrees dan ook, dat indien gij in het gelukkig bezit van een intrigante schoonmoeder en diefachtigen zwager waart, ge uw kinderen wel hals over kop, na het lezen diér passage, naar de zoo aangeprezen Enfants-Trouvés zult hebben gebracht![50]


Alvorens nu echter over te gaan tot het bespreken van het verband dat er tusschen de door mij thans aangetoonde verfraaiïngstendenzen in Mevr. Holst's psychologisch-biographische beschouwingen van de Rousseau-figuur, en den invloed van het marxistisch-aesthetisch systeem bestaat, zij het mij vergund ter aanvulling mijner voorafgaande, alle min of meer negatieve, opmerkingen, een zéér schetsmatig positief Rousseau-beeld te ontwerpen. Ik vertrouw dat daardoor de juistheid dier opmerkingen den lezer des te duidelijker blijken zal. Het aanbrengen van een paar trekjes slechts zal ik ook thans, ten einde niet in herhalingen te vervallen, moeten opschorten tot de bespreking van Thérèse Le Vasseur.

Ik geloof dan, dat de grondaard van Rousseau's persoonlijkheid een lichtelijk-pathologisch-erotische is geweest en dat daarin nagenoeg het geheele complex van eigenschappen valt op te merken, dat vaak bij zulk een erotischen aard behoort, zooals: actief-mystische aanleg, bij Rousseau wel is waar slechts ééns, maar zeer duidelijk en sterk blijkend, èn neiging tot mystiek gelooven; een hysterische behoefte de aandacht op zich te vestigen en—zeer typisch daarvoor!—altijd te klagen over zijn gezondheid, ook wanneer daar geen reden voor was; een onder-normale capaciteit om zich kennis eigen te maken, verergerend tot volslagen onmacht, zoodra hij onder leiding van anderen studeeren moet; onontvankelijkheid voor door anderen hem opgelegde discipline; snoep-[p.166] en vooral daardoor diefachtig; vaak grootmoedig en vrijgevig, zooals de meeste niet alleen-sensueele maar ook geestelijk-erotische naturen—het lichamelijk-eruptive weerspiegelt zich namelijk vaak en gemakkelijk in hun geestelijkheid—; vaak berouwvol, doch het berouw weer wegredeneerend met hooggestemde uitweidingen over eigen deugdzaamheid en deugd in 't algemeen—sommige erotische neigingen en de laatstgenoemde eigenaardigheden vindt men in zeer verhevigde, maar daardoor ook zeer verduidelijkende projectie in Van Oordt's Warhold—dikwijls dus een mooiprater, die zich... met schrijven moest behelpen, omdat, alweer zeer typisch, hij een verward en moeizaam denker en zoo zwak van geheugen was, dat hij elke gedachte bijna onmiddellijk na haar geboorte vergat. Uit dezen aard, zooals bijna altijd, vergezeld van een zwakken ethischen wil—geen zwak ethisch bewustzijn!—en welke, omdat hij in een kunstenaar voorkwam, die als alle kunstenaars onwillekeurig en voortdurend zich-zelf zag en doorschouwde, noodwendig gepaard moest gaan en dan ook ging met beschaamdheid, timiditeit en min of meer groote vrees voor omgang met menschen; uit dezen vrij geringen aard dus, die eigen geringheid kende, maar óók eigen genie: die beïnvloed werd door het Scheppend Vermogen en, ook in de handelingen van het lager bewustzijn telkens reageerde op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkte—daaruit is, dunkt mij, alles en alles in Rousseau te verklaren. Dàn blijft hij niet langer een "vat vol tegenstrijdigheid"! Laat mij nu even deze beweringen, voor zoover zij bewijs behoeven en door het hun voorafgaande niet reeds bewezen zijn, aan sommige levensfeiten en daden van Rousseau toetsen. Indachtig aan het feit, dat deze psychologisch-biographische beschouwingen middel en geen doel in dit opstel zijn, zal de lezer mij wel de telegram- en horoscoopstijl in dit gedeelte willen vergeven, terwijl hij ook wel in het oog gelieve te houden, dat ook ik natuurlijk elke daad het gevolg acht van de wisselwerking aller neigingen en krachten der persoonlijkheid, die de psychisch-oorzakelijke [p.167] sfeer dier daad kunnen beïnvloeden, en dat ik dus door het op den voorgrond brengen van enkele dier neigingen, die m.i. de hoofdoorzaak van een zekere daad vormden, den invloed der andere allerminst wensch te ontkennen.

Actief-mystische aanleg en neiging tot mystiek gelooven. Wat de eerste betreft: het visioen in Annecy. Hij zelf zegt daarvan: "Si jamais rêve d'un homme éveillé eut l'air d'une vision prophétique, ce fut assurément celui-la," en kenschetsend voor zijn luciditeit op dat oogenblik is 't geen hij er aan toevoegt: "et ce qui m'a frappé le plus dans le souvenir de cette rêverie, quand elle s'est réalisée, c'est d'avoir retrouvé des objets tels exactement que je les avais imaginés.[51] (Het verhaal van dit visioen is dan ook van niet te overtreffen en als onstoffelijke en volmaakt-verpuurde taal-schoonheid). Wat de tweede betreft: men zie 't voorval van het steenen-werpen naar een boom om zekerheid te verkrijgen of hij, zoo hij dan mocht sterven, verdoemd of zalig-gesproken zou worden (hij is dan 24 jaar oud):

... la peur de l'enfer m'agitois encore souvent. Je me demandois: En quel état suis je? Si je mourois à l'instant même, serois je damné?... Je me dis: Je m'en vais jeter cette pierre contre l'arbre qui est vis à vis de moi, si je le touche, signe de salut; si je le manque, signe de damnation. Tout en disant ainsi, je jette ma pierre d'une main tremblante et avec un horrible battement de coeur.... Depuis lors je n'ai douté de mon salut....[52] Men lette ook op het willen-neerleggen van het manuscript der "Dialogues" op het altaar der Nôtre-Dame.—Deze neiging, één of ten nauwste samenhangend in hem, met die van immer iets te verwachten van het wonderlijke, van het nu-nog-niet-te-begrijpen-onverwachte, dat straks komen en helpen zal, is ten deele oorzaak van zijn, in sommige gevallen, uiterst luchthartig gods water over gods akker laten loopen: Madame de Warens gaat zienderoogen financieel achteruit, hij—wel is waar onder het zelf-accompagnement van veel Warholdiaansche [p.168] schoone plannenmakerij, betuigingen en speeches—blijft meeëten, pleizierreisjes maken en helpt zoodoende nog een beetje sneller den boel naar den kelder. Hij verklaart dan ook, nooit ongerust te zijn geweest, wanneer hij doodarm was. Ook zijn hierdoor ten deele een paar uitingen van zijn "délire inconcevable" te verklaren; zoo bijv. het kattenmuziek-concert bij de Treytorens: hij wéét, dat hij nagenoeg niets bezit van de technische kennis, vereischt om muziek te componeeren; hij wéét, dat 't dus voor iemand als hij aan het krankzinnige grenst, zoo iets te ondernemen; jawel, alles goed en wel, máár—de wonderbaarlijke hulp op het beslissende oogenblik, wenkt hem in de vage verte... alles zal wel terecht komen....—En zoo ook: het verlaten der Gouvons, zonder eenig bestaansmiddel dan: de goocheltoertjes met een fontaine de Hiéron! Toch worden deze buitensporigheden, zooals ik reeds zei, slechts ten deele door bovengenoemde neiging verklaard. Zij komt immers in tallooze personen voor, zonder hen zoover te brengen. Om dat wel te kunnen is het dan ook noodig, dat zij enorm en op een geheel eigenaardige wijze wordt versterkt door een haar bijna gelijke, maar uit geheel andere bron ontspringende eigenschap, welke alleen in hen wordt gevonden, door wie het Scheppend Vermogen werkt, of die psychisch voorbestemd zijn, dat het door hen werken zal: artisten. Kunstenaars zijn namelijk zulke menschen, die in hùn bewustzijn voortdurend gaven ontvangen van het hun-Onbewuste; die voortdurend in hùn bewustzijn tooneelen beleven, beelden zien oplichten, welke zij niet hebben samengesteld of gevormd; in 't kort: die allerlei onverwachts in zich-zelf zien gebeuren. In zulke menschen leeft daardoor de neiging, ook in 't dagelijksche leven hunner lagere persoonlijkheid, allerlei dingen van het niet-ik te verwachten, welke een gewoon mensch er nimmer van verwachten zou.[53] En deze neiging bezit hun lagere persoonlijkheid reeds voor het Scheppend Vermogen zich in haar openbaart. Zonder [p.169] die neiging zou de gewenschte verhouding van den lageren mensch tot zijn hem beheerschend genie niet mogelijk zijn. Zij maakt den eerste geschikt voor het nederig-receptieve, en voor de zelfvergetelheid-in-aanvaarding van de gaven van het laatste! Zulk een mensch, zulk een kunstenaar nu was Rousseau. En in de aanwijzing dier samenwerking van beide genoemde neigingen in hem, ziet de lezer dus niet slechts zulke uit zijn "délire" voortkomende daden als de hier beschouwde, verklaard, maar hij heeft daardoor tevens gelegenheid gehad, in een paar voorbeelden op te merken, het reageeren der lagere persoonlijkheid, in hare handelingen, op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkt of werken zal.—

Als ten dééle veroorzaakt door zijn moeizaam denken, of liever: door zijn nièt-kunnen-denken in sommige gevallen—alles wordt dan één chaotisch-warrelende zinneloosheid in zijn brein—blijkt ook het geval-Marion te moeten worden beschouwd: het vermiste lint wordt bij hem ontdekt; de schrik sláát zijn denkvermogen; het feit, dat hij 't haar ten geschenke wilde geven—dit heeft hij zelf verklaard—doet nog de reddende gedachte in hem opspringen, te zeggen, dat hij 't van haar gekregen heeft, maar dan is 't ook uit met denken in zijn verwilderd brein; dan treedt de chaos in: zelfs de angst voor de schande bestaat dan niet meer in hem: hij is als een locomotief, die geen bestuurder meer heeft en door alle wissels heen rijdt en alles reddeloos vermorzelt op zijn weg, hij is een menschelijke machine, die alleen herhalen, zinneloos herhàlen kan wat hij eens heeft gezegd. Maar let wel: zonder het ethisch defect ware de primaire gedachten-associatie niet in hem ontstaan en, indien al ontstaan, onmiddellijk neergeslagen, gelijk hij ook, daarzonder, een uur later tot bezinning gekomen, naar den Comte de la Roque ware gegaan, om dien alles te bekennen, of zooals ik reeds vroeger zei, later gepoogd zou hebben te herstellen wat nog te herstellen viel.—

Het geval Le Maître kan ten dééle worden verklaard uit chronisch angstgevoel voor de menschen, dat niet anders [p.170] was dan de vrees, zijn eigen lagere persoonlijkheid, wier betrekkelijke geringheid hij-zelf zoo wel kende, door de menschen te laten doorzien; chronische angst ook voor geestelijke degenstooten, die hij te traag-denkend was, om bij tijds te kunnen pareeren. En op sommige oogenblikken, oogenblikken gelijk er toen een was, werd die menschenvrees acuut. Toen hij die menigte daar zag, zich verdringend om hem en dien bezwijmden man, de vreemdheid van de gelaten, van de huizen, van àlles, hem, den hulpelooze en verwarde, koud-ondervragend aanstuurschend, moet hem die onredelijke angst adem-benemend in de keel gekropt hebbend, verwilderend in zijn denken gestegen zijn! Als bij een kind, dat verdwaald om moeder huilt, flitst dan, in die felle benauwing de reddingsvolle gedachte aan het zoo lieve en zachte tehuis bij "Maman" in hem op. Het wenken van de veiligheid, van het voor harde vreemden afgesloten intieme, is dan tè groot, tè verlokkend: hij snelt weg. Ten deele, zei ik, is die daad uit dit alles te verklaren, want zonder het zedelijk-defecte in hem, zou, in dit geval, de menschenvrees het plichtsgevoel niet hebben kunnen overwinnen.—

Wat nu de hysterische behoefte betreft, de aandacht op zich te vestigen: deze heeft niet alleen aanleiding gegeven tot allerlei onschuldige pueriliteiten, zooals hoogstwaarschijnlijk het dragen van Armenische kleeding, e.d., die nog met een weinig goeden wil kunnen worden geacht, uit ijdelheid voort te komen, maar ook tot ernstiger dingen, als het vragen om hulp, zonder die noodig te hebben—van uit Ermenonville—; het klagen over zijn kwaal, ook in een tijd, dat hij bergtoeren ondernam en niemand van zijn omgeving iets van ziekte of ongemak bij hem kon bespeuren;[54] het bekoesteren van het martelaarschap, zijn, volgens geloofwaardigen, sterk-overdrijven van de "lapidation" te [p.171] Motiers,[55] benevens, voor een goed deel tot die handelingen welke Dusaulx vlijmend-juist kenschetst met de woorden: "Il partit donc, quittant celui dont il avoit fait la conquête.—

Alles samenvattend kan men zeggen, dat Rousseau's leven vooral tragisch is geweest door de worsteling van zijn betrekkelijk-geringe lagere persoonlijkheid met zijn geweldige Hoogere, zijn edel Genie. Een gering mensch, die telkens als hij iets doet of denkt wat tot die geringe natuur behoort, plotseling de diepe, treurige oogen van een Christus op zich voelt gevestigd, die hem overal begeleidt. Maar meest openbaarde het zich niet zoo in zìjn bewustzijn, hij voelde vaak slechts als een terughoudenden ruk, maar wist niet wie daar rukte; een verkillende tot bezinning brengende greep, en hij wist niet wie daar greep. Zoo heeft hij ook nooit de grondoorzaak van zijn zonderling gedrag bij de schoone Zulietta in Venetië doorvoeld. Deze was die grondoorzaak. Midden in een hartstocht-opwelling viel soms een ijzige kilte op hem neer... hij bezon zich en dacht dan koel, plotseling een ander mensch, aan allerlei dingen.... En hoe kwam dat nu toch in hem.... waarom moest hij nu zoo vreemd-koel denken?... zoo mijmerde hij dan, al het andere dáárvoor vergeten... maar hij wist het niet, en een vreemde schaamte kwam in hem, die toch nauwelijks schaamte was, en hoe hij ook wroette, hij kende niet, hij vond niet de oorzaak van dat alles.... Dan ontwaakte hij, zag iemand, die hem uitlachte, en werd dan eerst recht beschaamd en verward.—"Lascia le donne e studia matematica," voegt Zulietta hem verachtelijk toe. Ja, ja, zoo kon zich zelfs deze op dit punt zoo zeer ervaringrijke jonge dame vergissen! Want ik geloof, dat van nature Rousseau wel voor niets minder dan "matematica" en voor niets meer dan "le donne" geschikt was!

Zeker, zijn gevoel van niet te passen in die koud-vernuftige, gevatte, geestige kringen der encyclopaedisten, der plutocraten en van den adel; zijn bewustzijn van daar niet tegen op te kunnen en een ongelukkig figuur te slaan; van [p.172] behept te zijn met den echten esprit de l'escalier, dat alles noopte hem de maatschappij te vlieden. Maar toch, het dient gezegd: wat hem verbitterde was niet alleen gekrenkte eigenliefde, maar ook beleedigd rechtsgevoel. Het was onrecht, zoo moet hij 't gevoeld hebben, dat hij, het genie, "balourdises" zei: niet alleen niet wist te schitteren in de salons, maar zelfs niet één woord bijna zeggen kon, of hij ontdekte later, een domheid te hebben gezegd; het was onrecht, dat die anderen, zijn minderen, aldus over hem heerschen konden, in stede van hij over hen. Arme Jean-Jacques! Hij geleek een koningszoon, die door een boozen toovenaar veroordeeld is, in de gestalte eens geringen door het leven te gaan. Slechts op die oogenblikken, zoo heeft de wreede gezegd, als het onbaatzuchtig genie van een waarachtig en goddelijk heerscher in u komt en ge dàt zult moeten uiten, hetzij in spreken of in schrijven, dàn zal het u gegeven zijn, uw verheven vorstelijkheid te doen schitteren; maar te anderen tijde.... waar de luister uwer princelijkheid u-zelf den omgang met medemenschen tot een rijke en zoete vreugde zou maken, dan zult ge een geringe zijn....—Maar o, lezer, was die booze toovenaar wel een toovenaar en boos? Was hij niet de alwijze Noodwendigheid, wier werken immer zijn te prijzen? Want indien de mènsch Rousseau, de ijdele en sensueele, ook de lagere geneugten zijner vorstelijkheid had kunnen genieten, zou hij dan daarin niet zijn ondergegaan? Of zoo hij al een groot kunstenaar ware gebleven, zou hij wel Rousseau, de Leeraar der groote revolutie, het zwaard, de ploeg en de zaadkorf der armen en verdrukten, het lichtbaken der volgende geslachten geworden zijn?....

En nu: wàt heeft de verfraaiïngstendenzen ten opzichte der Rousseau-figuur in Mevr. Holst veroorzaakt? Wel, dunkt mij, niets is duidelijker: het pogen de synthese tusschen hoogere en lagere persoonlijkheid langs den historisch-materialistischen weg te bereiken. Indien men het kunstwerk in zijn geheel, maatschappelijk- en psychisch-geologisch, om 't nog eens weer zoo te noemen, uit de productieverhoudingen [p.173] en de lagere persoonlijkheid wil verklaren en daarbij tevens aanneemt, dat er in die lagere persoonlijkheid niets aan maatschappij- of natuur-invloed aanwezig is, dat niet zijn uiting vindt in de schepping der Hoogere, 't geen Mevr. Holst, de marxistische aestheticus, inderdaad meent; indien men wat wij den aanleg, het talent, het genie noemen, in zijn volle kracht en schoonheid der menschelijke, lagere persoonlijkheid acht te ontstijgen, en daarbij tevens aanneemt, dat er niets in die lagere persoonlijkheid aan neigingen, krachten en zwakheden aanwezig is, dat niet de een of andere wijziging in de scheppingsbeweging-zelf van het talent of genie te weeg brengt, 't geen Mevr. Holst inderdaad meent; indien men dan ziet, dat er in het werk van dat talent of genie, meeningen worden voorgestaan, theorieën verkondigd, die in de menschelijke keuringssfeer "goed" of "zedelijk" en dat wel in den hoogsten graad heeten, terwijl er daarentegen geen enkele theorie of meening in wordt verkondigd, welke in die sfeer "slecht" of "onzedelijk" wordt genoemd—dan wordt men er immers onweerstaanbaar en onbewust toe gebracht, de "onzedelijke" en de "niet goede" dingen der lagere persoonlijkheid niet, of zoo microscopisch-klein te zien, dat het dáárdoor verklaarbaar wordt, dat zij geen merkbaren invloed gehad hebben; dan wordt men er dus immers onbewust toe gebracht de lagere persoonlijkheid te verfraaien! In hoeveel vrijere positie komt men daarentegen ten opzichte van het kunstwerk en de lagere persoonlijkheid des kunstenaars te staan, indien men aanneemt zooals ik, dat door haar algemeene ontvankelijkheid voor bevruchting, de lagere persoonlijkheid eens kunstenaars het Scheppend Vermogen aantrekt, zooals aarde zaad, en de bloem den bestuivenden vlinder, maar met dien verstande en met die beperking, dat zij slechts die scheppende krachten kan aantrekken, wier aequivalenten in menschelijk-onvolmaakten staat, maar in voldoend-sterke mate, zij-zelf in zich heeft. Zoo was Rousseau's lagere persoonlijkheid grootmoedig en medelijdend; zoo was zij erotisch; zoo blaakte zij van een ontembare vrijheidsbegeerte en kon den geringsten dwang niet [p.174] dulden. En deze eigenschappen waren sterk genoeg in hem ontwikkeld, om de aequivalente krachten der Scheppende Natuur tot zich te roepen. En zoo verschenen deze dan ook, in-zichzelf-volmaakt, puur en eeuwig, in zijn werk. Zoo werd hij dus een edel revolutionnair denker en een erotisch-bewogen kunstenaar.—Waar nu, vraagt ge, is dan bijv. de geringheid van zijn zedelijke wilskracht gebleven? Maar, natuurlijk waar zij blijven moest: in zijn lagere persoonlijkheid; omdat zij iets louter negatiefs was: een tekort aan zedelijke kracht, een zwakheid, die haar positieven vorm: "misdadigheid" niet kon zijn en dus niet krachtig genoeg was, om haar scheppend aequivalent tot zich te roepen. Ware dat wel het geval geweest, dan zou Rousseau inderdaad kunstwerken hebben geschreven, gelijk zoo menig kunstenaar heeft gedaan, welke in de menschelijke ethische keuringssfeer onzedelijk of misdadig zouden zijn geheeten. Nù kon die zwakte van zijn zedelijk willen, uitsluitend eigenschap van de lagere persoonlijkheid blijvende, slechts kunstbedèrvend werken. Zij moèst dat niet doen, zij kòn het doen en hééft het gedaan, zooals wij bij de behandeling van Confessions-fragmenten hebben bemerkt. Voor Mevr. Holst echter, die in Rousseau's Scheppend Vermogen, evenmin als wie ook, iets van dat zedelijk-defecte zag of kon zien, bestond het dus, op grond van haar leerstellingen, ook in zijn geheele persoonlijkheid slechts in niet noemenswaardige mate. Aldus neem ik aan, is nu voldoende aangetoond en ontleed, hoe nadeelig een invloed de marxistische aesthetiek op Mevr. Holst's psychologisch-biographische Rousseau-beschouwingen heeft geoefend en op welke wijze dit is gebeurd. Maar één twijfel, die te dien opzichte nog in mijn lezers kan bestaan, dien ik weg te nemen.

Een feit is het, dat, zooals ik vroeger elders heb aangetoond,[56] Mevr. Holst wel in zeer hooge, wellicht de hoogste mate die kracht van liefdevolle overgave aan te beelden figuren bezit, welke een groot menschenschepper mòet bezitten, [p.175] maar dat iets anders, dat dezen even onontbeerlijk is, haar ontbreekt: het aangeboren bewustzijn van den heerscher, dak zich zelf ongerept, in die overgave, bewaart. Zoowel de heerscher als de minnaar moeten beiden in den grooten menschenschepper leven: de eerste mòet blijven keuren, overwegen en rechtvaardig beschikken, hoe hartstochtelijk ook des laatsten liefde zij. De lezer nu, die aan dit alles denkt, zou dus niet zonder schijn van recht kunnen vragen: moet veel van wat hier aan de historisch-materialistische aesthetiek werd verweten, eigenlijk niet worden toegeschreven aan het feit dier liefdevolle, maar onbeheerschte overgave; aan het feit, in één woord, dat Mevr. Holst een groote lyricus, maar volstrekt geen epicus, geen menschenschepper is? Maar indien hij slechts even let op het enorm verschil in eigenlijke mensch-beeldende kracht, zooals eenerzijds bijv.: de romanschrijver, die naar het òndoorlichte leven beeldt, van noode heeft, en anderzijds de psychologische biograaf, die kunstwerken, d.i. het doorlichte leven, en ander reeds bewerkt materiaal slechts opnieuw bewerkt, dan zal hij-zelf niet aarzelen die vraag ontkennend te beantwoorden.


Beschouwen wij nu Mevr. Holst's Thérèse Le Vasseur. En ik durf bij voorbaat beweren, dat, zóóals hier den lezer het verderfelijke der marxistische aesthetiek zal blijken, het hem bezwaarlijk elders blijken kan. Hebben wij gezien hoe deze aesthetiek onze schrijfster er toe bracht den mensch Rousseau te flatteeren, thans zullen wij zien hoe dit tot noodzakelijk gevolg had, dat ook Thérèse Le Vasseur geflatteerd werd en wel in een nog zooveel sterker mate dan Rousseau-zelf, dat ik geen oogenblik aarzelen mag, de psychologisch-biographische beelding dier figuur volslagen onjuist en pueriel-goedgeloovig te noemen.

Waarom of het eerste 't laatste tot noodzakelijk gevolg had? vraagt ge. Och, gelieve maar even naar mij te luisteren: Mevr. Holst werd door haar proletarisch-voelen—waarvan ik de diepte en uitingsschoonheid in 't tweede hoofdstuk dezer studie zoozeer bewonderd heb—er onweerstaanbaar [p.176] toe gedreven Thérèse te verdedigen.[57] Haar intuïtie zei haar zeer te recht, dat die verdediging met vrucht te voeren is. Maar wat haar intuïtie haar niet zei—omdat deze te dien opzichte verzwakt was door haar onbewuster tendenz, Rousseau te flatteeren—is: dat die verdediging van Thérèse alleen te voeren is ten koste van Rousseau. Om haar nu desalniettemin toch door te zetten werd het noodig ook Thérèse veel edeler voor te stellen dan zij was.—Toetsen we dit alles nu aan Mevr. Holst's boek, de historische feiten en de gevolgtrekkingen, die daaruit redelijkerwijze kunnen worden afgeleid.

Voor Mevr. Holst is Thérèse de nederig-dienende zorgzaamheid in Rousseau's leven geweest, heeft zij de materieele basis gevormd, waarop bijv. de "schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste geschrift" heeft kunnen bestaan. Er is hierin veel waars. Jawel, maar luister nu eens even naar wat onze schrijfster verder zegt:

Dit (dat Rousseau haar volkomen bleef vertrouwen en niet in het "complot" betrokken zag. v.C.) kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan?[58]

De verfraaiing van Thérèse en de ontzenuwing van de beweringen der biographen is hier mogelijk geworden door het niet-vermelden van de veel zwaardere beschuldigingen, die tegen haar zijn ingebracht. Zulke als deze:

... La maniere dont elle s'est conduite après sa mort suffiroit pour mettre la chose hors de doute, si déjà la preuve n'en étoit bien acquise par le témoignage unanime de tous ceux qui ont frequenté Rousseau à toutes les époques de sa vie. Or il est constant qu'à Motiers, à Wootton et partout où elle a suivi son maître, jusqu'à ses derniers moments, elle a fait naître et entretenu en [p.177] lui l'ombrage et la méfiance prompte à lui rendre suspects tous ceux qui l'approchoient et qui parvenoient à lui plaire, pour posséder seule sa confiance et le dominer avec plus d'empire. Si cette femme, s'ennuyant à Motiers, ne négligea rien pour en rendre le séjour insupportable à Rousseau, que ne dut elle pas faire dans la solitude de Wootton où elle devoit n'avoir rien plus à coeur que de le mettre dans la nécessité d'en sortir! Or tout assure que, pour donner plus d'appui à ses suggestions calomnieuses et perfides, elle brisoit les cachets des lettres adressées à son maître, qui, dupe de cette manoeuvre, en tiroit mille inductions, mille consequences plus étranges les unes que les autres, mais dont il n'y a plus dès lors droit de s'étonner.[59]

"Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, tous ceux qui ont écrit sur Rousseau, sont d'accord sur ce point," zegt dezelfde schrijver.—Hier blijken dus doodgewone misdaden, uit eigenbelang bedreven. Dat is niet meer: het niet-bestrijden van den waan, om van den waanzinnige het eenige schepsel niet te vervreemden, dat hij nog vertrouwt; dat is: het perfide hevig-versterken van den waan, om maar niet langer op die vervelende landgoederen en kasteelen te moeten leven. Dat Thérèse daar telkens vandaan wilde, erkent ook Mevr. Holst:

Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biografen er Thérèse een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame kasteelen—eerst in Engeland, later in Frankrijk—met een zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet opgewassen voelde—alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.[60]

Zeker, dit alles zij grif toegegeven. Maar lang niet vermakelijk te lezen is, door welke middelen zij dat doel poogde te bereiken. Daarop komt het aan ter doorgronding van Thérèse's persoonlijkheid!

"Dat zij kort voor het eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril zou gehad hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn...."[61] Neen maar, zou ik tot Mevr.

[p.178] Holst weer willen zeggen. Wat gaat ons nu de al of niet-smakelijkheid daarvan aan! We zijn toch geen aan ethiek verslaafde en moraliseerende preekers en rechters! Wij willen een mensch leeren kennen, dat is ons eenig verlangen. En bovendien—dat vertelt Mevr. Holst er weer niet bij: Zij heeft niet alleen kort voor het eind van Rousseau's leven een gril voor dien Ierschen stalknecht van den Markies de Girardin gehad, maar zij heeft nog een geruimen tijd na Rousseau's dood met hem geleefd en een zeer aanzienlijk bedrag met hem er doorgejaagd!

Wat is er nu in deze vrouw, "die nederige goede vriendin," "dat eenvoudige plebejerskind," dat "liefhebbende hart," omgegaan, dat zij zich zoo kon vergooien onmiddellijk na den dood van den man dien zij had "liefgehad," dien zij "verzorgd" had, enz. enz.? Dat wenschen wij te weten, dat opgehelderd te zien, daarvoor luisteren wij gaarne naar een scheppend psycholoog! Dat het niet "smakelijk" was—nu ja, dat weten we waarachtig allemaal wel! Heeft mevr. Holst niet gevoeld, dat hier de tragedie van een geheel leven te doorvoelen viel? Neen, klaarblijkelijk heeft zij er niets van gevoeld; de scheppend-psychologische biograaf zweeg hier in haar; de proletarisch-voelende socialiste, die het kind uit het volk had te verdedigen en dat niet op de juiste wijze kon doen, omdat Rousseau zelf er dan bekaaid af zou komen, èn daarmee de historisch-materialistisch-opgebouwde synthese tusschen zijn hoogere en lagere persoonlijkheid in den hoek zou liggen, beheerschte hier de scheppende kunstenares en achtte alles genoegzaam verklaard door die mantel-der-liefde-achtige woordjes!

Zelfs reeds het ontstaan hunner verhouding wordt dan ook reeds—wat Rousseau betreft—door onze schrijfster verfraaid voorgesteld:

Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte aan innigheid.[62]

Dat is nu precies, inplaats van de waarheid in de armen [p.179] te loopen, haar rakelings voorbijschuiven. Immers, Rousseau-zelf zegt:

Je n'avois cherché d'abord qu'à me donner un amusement. Je vis que j'avois plus fait et que je m'étois donné une compagne. Un peu d'habitude avec cette excellente fille, un peu de réflexion sur ma situation, me firent sentir qu'en ne songeant qu'à mes plaisirs, j'avois beaucoup fait pour mon bonheur.[63]

Gij voelt nu wel al lezer, dat beteekenisvolle verschil in nuance tusschen Mevr. Holst's en zijn woorden: neen, zeker, geen lust was 't die hem dreef, maar evenmin eenige hoogere geestelijke behoefte aan innigheid. Dat hij ook die bij haar bevredigen kon, ontdekte hij immers pas later! Wat hem dreef was doodeenvoudig de prozaïsche, primair-natuurlijke behoefte aan sexueelen omgang. Nog al bang in dit opzicht uitgevallen—men herinnert zich uit de Confessions zijn angst na zijn visite met Vitali bij de Padoana?—was hij heel blij—och ja, het is heel-laag-bij-den-grond, plat zoo ge wilt, maar het is zoo—dat hij háár gevonden had! Jubelkreten slaakt hij als hem blijkt, dat Thérèse's aanvankelijke aarzeling zich hem te geven, niet voortkomt uit dat door hem zoo gevreesde!

En dan: weet Mevr. Holst wel, dat als zij aan Rousseau's vrienden verwijt, dat hun "klassegevoel en intellectueele hoogmoed" niets dan "een onbeschaafde waschvrouw" etc. in Thérèse zagen, zij met dat verwijt aan het verkeerde adres is? Helaas, het kon alweer niet tot haar doordringen, dat zij hiermede bij Rousseau-zelf moest zijn.

Autrefois j'avois fait un dictionnaire de ses phrases pour amuser Madame de Luxembourg, et ses quiproquo sont devenus célèbres dans les sociétés où j'ai vécu.[64]

Arme Jean-Jacques! Zelf vertelt hij, dat hij altijd, bij de conversatie in de kringen zijner geleerde en adellijke vrienden met den mond vol tanden zat. Hij voelde dan ten leste eigen zwijgen zoo pijnlijk worden, dat hij er maar wat uitflapte, [p.180] om maar iets te zeggen, wat dan achteraf een "balourdise" bleek. Máár, heer-in-den-hemel! daar valt hem Thérèse met al haar onbewuste grappighedens in. Welk een mijn, welk een onuitputtelijke rijkdom aan stof. Nu niet langer op je stoel zitten draaien in 'n benauwing van verlegenheid, nu geen stommiteiten meer vertellen, om maar wàt te zeggen, nu ook eens geestig zijn, ook eens de vrienden laten lachen—ten koste van de vrouw, "wier engelhartig hart hij roemt." O, Mevrouw, het is te begrijpen: zeker, alles is te begrijpen. Maar welk een gebrek aan fijngevoeligheid—der lagere persoonlijkheid!—welk een grove ijdeltuiterij. Welk een gebrek aan eerbied ook voor—zich zelf! Tenzij hij wist—let wel!—dat die vrienden ook wel begrepen, dat zij voor hem een vrouw slechts in den lageren zin was, maar wat blijft er dan van de "innigheid" en al dat fraais over? En wanneer Rousseau-zelf aldus Thérèse tot een "onbeschaafde waschvrouw" stempelt, kan men dan wel anderen kwalijk nemen, dat zij niets anders dan zulk een waschvrouw in haar zagen? Gaan wij er nu toe over, zelf Thérèse te beschouwen en toonen wij aan, dat op àndere gronden dan die van Mevr. Holst—gronden, die echter voor le-meilleur-des-hommes-Rousseau geen standplaats bieden!—haar verdediging met vrucht te voeren valt.


Thérèse dan blijkt klaar een onbedorven, goed en gewetensvol meisje te zijn geweest, met iets zelfs van uitzonderlijke en aangeboren reinheid in zich, want men moet niet vergeten, dat van wat wij, in een anderen tijd levend, als iets min of meer van-zelf-sprekends beschouwen, juist het tegendeel als het van-zelf-sprekende zou ik bijna zeggen, in het Parijs harer dagen werd beschouwd. Haar aarzeling, zich hem te geven, sproot uit iets anders dan het door hem gevreesde voort. Laat Rousseau-zelf u verhalen wat het was, en merk dan tevens uit zijn verwondering, hoe uitzonderlijk in dien tijd haar scrupules waren.

Enfin nous nous expliquâmes: elle me fit en pleurant l'aveu d'une faute unique au sortir de l'enfance, fruit de son ignorance [p.181] et de l'adresse d'un séducteur. Sitôt que je la compris, je fis un cri de joie: Pucelage! m'écriai je: c'est bien à Paris, c'est bien à vingt ans qu'on en cherche![65]

Bovendien blijkt die kuische aard uit hare houding, als dienstmeisje in het hotel, onder de schunnige moppen der abbés, tegen wie Rousseau haar in bescherming neemt. Zóó was Thérèse Le Vasseur, rein te midden van een al groeiende zedenverdorvenheid, toen zij zich Rousseau gaf. Laat ons nu zien: Zij, het gevoelige dienstmeisje, met die sentimenten in zich, wèlke moet zij wel in den geliefde-zelf, dien zij zoo ver boven zich stelde, aanwezig hebben gemeend?! Zij, de bijna-analphabete—die niet wist, dat talent of genie soms niets met noblesse hebben te maken—welk een wereld van àl-soortige verhevenheid moet zij niet in Rousseau geloofd hebben te bestaan, in dien man, die haar nog bovendien tegen de gemeenheden der anderen verdedigd had! Als haar nu langzamerhand het tegendeel blijkt, is het dan niet onafwendbaar, dat zij niet alleen het geloof in hem, maar op de wijze aller onontwikkelden, die het bijzondere zoo gaarne veralgemeenen, ook het geloof in de waarde van deugd-zelf verliest? En dat zij dóórsláát, dóórhólt naar den anderen kant?

Onderzoeken wij dus nu door wèlke feiten haar dat tegendeel kan zijn gebleken—voor zoover dan die feiten te onzer beschikking staan: er zijn natuurlijk nog tallooze kleinigheden, voor ons verloren, die ertoe hebben medegewerkt haar de waarheid duidelijk te maken.

Daar is dan ten eerste het geval met "la papesse Jeanne," de maîtresse van Kluppfel. "Une faute," zegt Petitain, "qu'elle l'a généreusement pardonnée." Jawel, vergéven, maar kon ze 't ook vergéten? Liet het geen wrange nasmaak van beleedigde vrouwelijkheid in haar gemoed? Deed het bovendien niet de gedachte bij haar ontkiemen, dat de berisper van destijds al niet beter dan de berispten was, en dat zij met haar scrupules eigenlijk een onnoozel halsje, een onwetend mallootje was geweest?

[p.182] Maar dàn... en hoe zinkt alles, wat zij hem, wat hij haar aan kwaads moge gedaan hebben in het niet bij die vreeselijke daad vijf maal betaald: het haar ontnemen van haar kinderen tegen haar zin.

Je m'y déterminai gaillardement sans le moindre scrupule; et le seul que j'eus à vaincre fut celui de Thérèse, à qui j'eus toutes les peines du monde de faire adopter cet unique moyen de sauver son honneur. (Sic!) L'année suivante, même inconvénient et même expédient, au chiffre près qui fut négligé. Pas plus de réflexion de ma part, pas plus d'approbation de celle de la mère: elle obéit en gémissant.[66]

Peilt nu, gij allen, die ooit een kind zaagt geboren worden en die ontzettende vertwijfelende worsteling met de smart hebt gezien; die dan bij de eerste geluidjes van het kleine schepsel, op het pijn-verwrongen gezicht der moeder, die plotselinge ontslaking, een glimlach als een licht zaagt schijnen; gij die dan de àlle-smàrt-vergételheid, de als overmoedige en jeugd-dronken vreugde, den zaligen trots zaagt stralen, tot die weer ebde, heel zacht, ter zoete zelf-inkeer, het zich-zelf tot rustig-zijn dwingen, om zóó groot heil niet te verbeuren; gij, die ooit beluisterd hebt die eerste moeder-woordjes, als kleine bloemen ontrankend de màchtig-sterke, de van zelfbedwang èn popelend verlangen bévend-vàste liefde; ontbloeiend de diepste diepten van de ziel en het hart, als òpen, rèikende kelken, naar het kindje toe—peilt gij, wétenden, de ontzettende en nooit te heelen wonde, het afgrondige leed van de moeder, die na zóó kort dien hemel te hebben genoten, met den vloek der kinderloosheid, menschelijk-moedwillig wordt belast; peilt gij den haat, den wrok, het gevoel van verlatenheid, de wanhoop aan alle deugd, de verstarring tot egoïsme, die in die vrouw zullen gaan leven, leven hun bestaan van monsters, waar engelen hadden kunnen zijn.... En hèbt ge dit alles doorvoeld.... Och... ja.... Zàl ik u dan nog wel vragen of Thérèse Le Vasseur aan haar misdrijven, welke ze ook mogen geweest zijn, in waarheid schuldig staat, dan wel de man, die haar dàt aandeed?... Maar gij wendt u af, [p.183] ge ziet naar uw eigen kinderen, uw blikken gaan zegenend naar hen uit... en ik versta u: zonder mijn vraag te wachten en zonder te antwoorden, hèbt ge haar beantwoord....


Want ook dit weten wij, nietwaar: één deugd voor alle moet door ons geleerd worden, het is zij, die alle bevat. Die haar in volkomenheid zou bezitten—maar geen mènsch kan dat—kan intreden tot alles wat waardevol is; de sleutel tot het hooger denkvoelen, de ingang tot de waarheid en het onschokbare geluk is zij: het altruïsme, in haar hoogsten vorm, voor ons onbereikbaar: de volkomen ik-vergetelheid. Maar de Natuur, de Al wijze, die geen haast kent, die van graad tot graad en van trede tot trede de wezens laat opwaarts klimmen, heeft drie groote Liefden in hun zielen opgericht, drie onderrichters van het altruïsme, die achtereenvolgens in hun bewustzijn verschijnen, met het wonder hunner gestalte en van hun stem. De eerste is nog geen straffe Leerares. Zij onderricht het altruïsme spelenderwijze. Hoe zou zij ook anders: even, slechts éven na het eerst ontwaken van het bewustzijn, verschijnt ook zij, een engeltje even klein en speelgenoot van het kindje, groeit zij daarmee op. Zij is de kinderliefde, de egoïstische, die veel vraagt en weinig schenken kan. Maar al opgroeiend komen er toch tijden, dat het kind zelfs zijn hartebloed voor zijn ouders zou willen geven.... En zie nu, zie: dat kleine speelgenootje heeft dan toch niet slechts met het kindje gespééld, het heeft, met hem opgroeiend en slechts weinige zijner egoïstische en levenshongerige nukken weerstrevend, klaarblijkelijk óók hem onderricht—in altruïsme.—Dan komt er een tijd.... Zij verlaat haar speelgenoot niet, maar treedt achteruit: de tweede groote Liefde verschijnt, een strenger Leerares: de liefde tusschen man en vrouw; veel egoïsme weerstreeft zij, veel opofferingen vraagt zij, veel ontzegging van de genoegens en verlangens van het ik; maar veel egoïsme duldt zij nog—de Alwijze gebood haar, niet tè streng in het onderricht te zijn. Ook is haar sfeer zuiver noch doorzichtig, vooral niet in den man. De driftige zinnen dringen om haar heen, hun [p.184] hoog opgeheven flambouwen werpen smokerige en roode gloeden, trekken misvormende schijnsels over haar Venusgelaat. Ja, soms zijn haar de zinnen voortrennende paarden: dàn leidster en meegevoerde, stralend in de overwinningen, de slapen omkranst, vaart zij, een grond-opwervelende storm, een lichtende davering voorbij.—Maar ten leste verschijnt der Drie hoogst tronende: uittreding van de Ziel der wereld op dier gelaat is zij, éénig beeld van de oneindigheid, want ook de grenzen van haar wezen zijn nimmer gevonden; ouders kennen haar zeeën van gevoel, doch hun diepte of breedte zijn niet te kennen; ouders zien haar hemel, hun kinderen zijn de gesternten daaraan, maar zijn hoogte is niet te weten.... Egoïsme wordt in haar niet gekend, het is een onverstaanbaar woord uit andere tijden, uit andere landen. Zij leeraart niet, zij is het altruïsme, zij is ook niet straf, niet streng, zij kàn het niet zijn: de opofferingen, die zij verlangt, worden niet als opofferingen gevoeld; de afstand, dien zij eischt van zooveel begeerten van het ik, worden een rìjker-worden bevonden! Voor het eerst dan van zijn leven wellicht, voelt een mensch het altruïsme nìet een bedwinging zijner begeerten, voor het eerst niet als een moeilijk te verkrijgen en lastig te volgen deugd, voor het eerst niet als een sfeer, waarin hij slechts bezwaarlijk leven kan. Integendeel: zijn begeerten zijn altruïstisch, zònder die deugd kan hij nu niet leven en in háár sfeer beweegt hij zich nu opperst gelukkig, natuurlijk en vrij als in den staat, die zijn meest ongerepte natuurlijkheid het best past. Gelukkig de man en de vrouw, die dit hebben gekend, voor zij sterven, zij hebben niet tevergeefs geleefd. Rijker aan eigen waarde keeren zij terug van waar zij werden gezonden. Want kinderen leeren den ouders oneindig meer, dan ouders den kinderen. Jonkheid ontlokt Ouderdom zijn schoonste gevoelens. Zij u de zon het stralend symbool daarvan, wier glanzende jeugd der oude en verkillende aarde alle de schoone gestalten der bloemen, dieren en menschen ontlokt....—


Langs den weg van ons gevoel zijn wij van ons uitgangspunt [p.185] heengetrokken. En deze, die geen dwaalweg was, heeft ons, naar onzen wensch, daarheen teruggebracht. Zeg mij nu: van deze groote leering-in-altruïsme, van het onderricht in die deugd, welke alle deugden omsluit, van dit opperst geluk, deze blijde natuur werd Thérèse Le Vasseur menschelijk-moedwillig beroofd. Heeft men nu nog van noode, ten einde haar verdediging te voeren, hare ondeugden te bedekken, of is er eenige reden voor ons deze waarheden te verzwijgen, om de blaam, waarmede zij den man treffen, die haar dat aandeed?...


Ik zie haar gaan door de dagen, alléén in haar onwetendheid, alléén met haar wrok, alléén met het schrijnende bewustzijn van haar gemis, naast den man, dien zij daarvan de oorzaak weet en die, verzonken, dàn in de droomen van zijn genie of van zijn eerzucht, dàn in die zijner liefde of zijner angst, vaak zelfs haar bestaan niet schijnt op te merken. Alléén weet zij zich, een eenzame huissloof, al het nederige werk doende; achter haar rug uitgelachen—hoe zal haar dit hebben gestoken!—door haar man, die grapjes op haar onwetendheid maakt, bij wiens voorname vrienden zij zelden komt, aan wiens tafel zij zelfs niet zit, wanneer hij een dier vrienden te gast heeft; in haar gezicht uitgelachen door de bedienden van Rousseau's gastheeren, die in haar een dienstmeid zagen en niets meer. Hoe vaak zal zij aan haar kinderen hebben gedacht, die haar steun hadden kunnen zijn, vleesch van haar vleesch, bloed van haar bloed; met wie zij had kunnen praten, die haar hadden begrepen en met haar zouden hebben meegeleefd in haar kleinheid en onwetendheid, wellicht; die, zéker, haar een vertroosting zouden zijn geweest voor veel. Hoe moet zij soms dien man hebben gehaat, toch zorgvuldig met haar boersche sluwheid, haar onovertrefbare slimheid van niet veel meer dan analphabete, wier verstandskracht door niets anders wordt verbruikt, haar voelen verbergend—en tòch daarin niet slagend bij Rousseau's vrienden! die zagen juist, Mevr. Holst!—in de eerste jaren daartoe gedwongen door, en onder leiding van haar megera van 'n moeder, in wier [p.186] karakter schraapzucht, valschheid en lust tot intrigeeren al het andere overheerschten; in de latere jaren, met veel behendigheid, uit eigen inzicht en zònder hulp alles doende, goed of slecht, wat verhinderen kon, dat Rousseau aan haar invloed ontsnapt; alles doende wat hem sterker aan haar binden kan. Waarom? Zie haar op het eind van haar leven, aan de deur van de Comédie Française de hand ophouden voor een aalmoes, en ge weet het! Eénmaal gedurende de lange jaren van haar leven met hem, schijnt haar beleedigde vrouwelijkheid haar te sterk te zijn geworden. Rousseau spreekt namelijk van een "refroidissement dans Thérèse" en wijt deze aan de abstinentie waartoe hij zich verplicht voelde, zoowel met het oog op zijn wankelende gezondheid, als om niet in een herhaling van zijn vijfvoudig herhaald misdrijf te moeten vervallen. Dat was echter hoogstwaarschijnlijk de ware oorzaak niet. Die moet gezocht worden in zijn verhouding tot Mad. d'Houdetot: onder Thérèse's oogen hadden de maneschijn-wandelingen plaats gevonden, onder haar oogen was de geheele geschiedenis afgespeeld. Welke vrouw zou zich hier niet beleedigd hebben gevoeld, ten eerste, door het feit-zelf, maar dan, en wellicht vooral, door de minachting jegens haar, die uit de omstandigheid sprak, dat haar man niet de minste moeite deed, iets ervan voor haar te verbergen[67]. Zoo heeft zij, in hardnekkig zelfbedwang, zich vast aan hem gehecht, hem nimmer loslatend, hem overal volgend, hem met haar invloed omwikkelend als met een web, gehaat daarom en in haar drijfveeren door allen doorzien, die haar dan ook "une cerbère odieuse" noemden, door Rousseau alleen niet doorzien. Zij heeft met hem de jaren doorgebracht, wrokkend zonder twijfel, hatend zonder twijfel, toch soms ook weer, dunkt mij, neigend naar een zachte verteedering en liefde voor hem, bij het zien zijner ongelukken en hulpeloosheid. Maar dan kwam altijd weer die stekende gedachte aan haar verloren kinderen, die haar kracht moet hebben [p.187] gegeven te doen wat zij deed; die, dra na het ontluiken weer, al de zachtere gevoelens deed verwelken; die haar moet hebben ingefluisterd, dat zij het recht had, tegenover hem, die haar den natuurlijken steun van haar ouden dag had ontroofd, door èlk middel en trots alles te zorgen, dat het levensonderhoud, dat haar van hem, bij zijn leven en na zijn dood, kon geworden, haar niet ontging. Zoo hebben in dit hart—ik herhaal het: àl zijn vrienden hebben het gezien!—monsters gewoond, omdat—'t geen zijn vrienden en ook Mevr. Holst nièt hebben gezien—Rousseau de engelen had verdreven. Zoo heeft zij stil gewacht.... Dan sterft hij... de dwang is uit, al haar weggedrongen instinkten sprìngen nu op.... Nu, op haar ouden dag gaat zij zich uitleven.... Na het leven met dien man, dien zij niet meer liefhad; na het leven met hem, dien zij de wereld een Groote hoort noemen, maar die tegenover haar met dat al zijn simpelste plichten met voeten getreden had, wil zij nu een van haar soort, die dan wel niet die verhevenheid heeft, waarvan zij toch niets begrijpt, maar die haar, in zijn gewone menschelijkheid, wel niet zoo behandelen zal als hij heeft gedaan. De schuchterheid, de kuischheid, die ze in haar jeugd, gelijk we zagen, bezat, het geloof in de deugd, och kom, dat is nu alles gekheid voor haar geworden.... Ze heeft veel gezien en veel ondervonden.... Niet voor niets heeft zij de handelingen van Rousseau jegens haar gezien, niet voor niets de groote wereld jaren lang bespied.... Ingetogenheid is goed voor zulke domme mallootjes uit het volk, als zij in haar jeugd er een was!... Genieten moet je, genieten, zooals allen om je heen! En met haar stalknecht jaagt ze er dan in een paar jaar een burgermanskapitaal doorheen, als vroolijke erfgenamen, die, in juichende brooddronkenheid, het geld van een gehaten of hun onverschillig geweest zijnden erflater verkwisten.... Neen, die Thérèse Le Vasseur's leven kent, doorvoelt, behoeft te harer verdediging haar figuur niet te verfraaien. Hare slechtheden waren geboet vóór zij ze beging, door de oorzaak, waaruit ze ontstonden. Arme vrouw, misleid door onwetendheid en door haar mishandelde instincten; [p.188] moeder, die hare kinderen niet heeft gekend, en zij had ze zoo gaarne gekoesterd; die nu, op hare beurt, hun steun missen moet: op tachtigjarigen leeftijd bedelt zij op straat haar dagelijksch brood!...


Met het leven van twee vrouwen is dat van den mensch Rousseau langdurig vervlochten geweest. Het onderzoek van zijn gedrag zoowel jegens de eene als de andere, wijst op oneindig meer leelijks dan schoons in zijn karakter. Zijn uit alles blijkend neerzien op Thérèse verhinderde hem te begrijpen, wat hij háár had aangedaan. Wat Madame de Warens aangaat, jegens haar noemde hij zich-zelf "ingrat," al heeft hij ook daar allerlei schoonschijnende redenen bij de hand, om die zelfveroordeeling haar scherpte te ontnemen. Behaagden hem dan ook in Thérèse slechts de frisch-open zinnelijkheid, de gezonde kracht en de eenvoudige huiselijkheid van het volkskind, aan Madame de Warens verbonden hem een diep-gewortelde psychische overeenkomst èn een diep-geworteld —verschil. De overeenkomst bestond daarin, dat zij beiden uiterst impulsive menschen waren, wezens van gevoel vóóral. Het verschil: bij Rousseau ging dat gevoel denken vooraf. Het moeizaam-schrijdend volk zijner denkbegrippen trok nimmer op, vóór hen de lichtende wolk van een droom den weg wees. Beter is het wellicht te zeggen, dat Rousseau's denken zùlk een arbeider geleek, die immer ter verkwikking zijn weg neemt langs een dichtbegroeid land, wanneer hij zich in den vroegen ochtend naar de strenge en harde fabriek begeeft, om daar den loop der onverbiddelijk in elkaar grijpende raderen te bewaken, en die in het vrije middaguur wéér ter verpoozing naar dat land gaat en zich vlijt in het hooge gras.... Want naar zijn eigen getuigenis werd zijn denken ook telkens onderbroken door divageerend gedroom.... Bij Madame de Warens echter ging het gevoel handelen vooraf; elke droom, elke fantasie veroorzaakte bij haar een hàndelen, dat, gelijk het denken bij hem, telkens door opnieuw-fantaseeren werd onderbroken. De psychologische verklaring van: de rust, de volkomen tevredenheid, de afwezigheid van al [p.189] ongedurigs en gejaagds, die Rousseau in tegenwoordigheid van Mad. de Warens gevoelde, ligt dan ook mijns inziens nergens anders dan in die overeenkomst en dat verschil: wat hèm ontbrak, waarom hij vaak zich-zelf minachtte en welk gemis hij, wellicht onbewust, weet aan het predomineeren van zijn gevòel: het snel-doortasten, de moed tot de daad, dat zag hij bij haar juist uit het gevoel ontkiemen! Zoo, tegelijkertijd, verzoende het hem met den grondslag van zijn wezen èn voelde hij dit, in de tweeëenheid van hun beider bestaan, bevredigend en berustigend aangevuld.—


En wat nu zijn korte, maar voor de vrijmaking van zijn genie hoogst beteekenisvolle, verhouding tot Madame d'Houdetot betreft, dèze heeft Mevr. Holst, gelijk ik reeds vroeger zei, prachtig doorvoeld. Die verhouding bleef dan ook beiderzijds rein en edel, zoodat de uit Mevr. Holst's historisch-materialistische aesthetiek voorspruitende verfraaiïngstendenzen hier tot het vertroebelen harer visie geen aanleiding hadden.—


NOTEN:

[34] Mevr. Holst, J.J. Rousseau. Blz. 158, 159, 160.—Cursiveering van mij.

[35] Les Confessions, blz. 1. Cursiveering van Rousseau.

[36] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 33. Cursiveering, ook in de beide voorafgaande citaten van mij.

[37] Hier kunt ge nu, lezer, mocht ge er lust toe gevoelen, als arbiter tusschen mijn literairen criticus en mij optreden! Hij meende, dat Mevr. Holst de klaarblijkelijk juiste subjectieve waarheid wel bezeten heeft, maar dat haar tendentieuse lagere persoonlijkheid die verminkt heeft tot 't dan onechte, dat wij nu kennen. Ik neem liever aan, dat zij niet in haar was. Veel doet 't er niet toe, wie gelijk heeft, want in beide gevallen, zooals wij zullen zien, valt op den invloed der historisch-materialistische aesthetiek de schuld.

[38]...maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos, want de overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende, dan de aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd." Blz. 159.

[39] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.

[40] Zie noot vorige pagina. ([39])

[41] Confessions. Cursiveering van mij.

[42] zie noot 2 vorige pagina. ([41])

[43] ibid.

[44] Zie Seconde lettre à M. de Malesherbes.

[45] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.

[46] Confessions.

[47] Hoe Rousseau inderdaad aan deze mogelijkheid gedacht heeft, moge de volgende uitlating bewijzen: De tout ce que j'ai dit jusqu'à présent, il en est resté quelque trace dans tous les lieux où j'ai vécu....—Einde Livre IV, Confessions. De voorvallen, waarvan hier sprake was en zijn zal, behooren dus alle tot die, die "een spoor hebben achtergelaten."—

[48] H. Roland Holst, J.J. Rousseau. Blz. 36.

[49] Confessions.—Cursiveering van mij.

[50] Er is nog een andere en zeer beteekenisvolle zijde aan de zaak, welke echter pas belicht kan worden bij de behandeling der Le Vasseur-figuur.

[51] Confessions.

[52] Confessions. Cursiveering van mij.—

[53] Ik geloof, dat dit over 't algemeen het "wilde" leven van vele groote artisten verklaart. Men zie overigens mijn 3den "Brief over Literatuur."

[54] Dans ces temps-la même où Rousseau entretenoit l'Europe de ses souffrances, je ne l'ai jamais vu incommodé; il cheminoit, gambadoit, atteignoit avant les autres le sommet des montagnes, et mangeoit de fort bon appetit" (d'Escherny, geciteerd bij Petitain.)

[55] d'Escherny.

[56] Schetsen en Critische opstellen, blz. 149—150.

[57] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 87: "Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen minder bevooroordeeld door klassegevoel," enz. enz.

[58] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 82.

[59] G. Petitain, Appendix aux Confessions.

[60] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 252.—

[61] Ibid., blz. 83.—

[62] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 83.

[63] Confessions. Cursiveering van mij.—

[64] Confessions. Cursiveering van mij.—

[65] Confessions.—

[66] Confessions.—

[67] Men zie eens wat Petitain, in een noot bij de Confessions, van de d'Houdetot-geschiedenis met betrekking tot Thérèse zegt. En deze schrijver is waarlijk geen vriend van Thérèse.—


HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK

[p.190]

IV.

Conclusiën.

Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de letterkundige criticus, het óók op ervaring steunend recht meent te hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, hòe verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!

Dàt is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele vraagstuk in verband staan. Dàt is wel de voornaamste vraag, die zich aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde, dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven, de vraag of deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te beschouwen en slechts de mate, waarin [p.191] zij het is, nog voor discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di Rimini in den Inferno. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt, laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, één oogenblik van rust.... Ik denk daar nù aan, omdat het de historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen het omstormde proletariaat te naderen als een verademing-brengende troost. Ik denk daar nù aan, omdat zij het volk niet de kunst doen zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij, in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als zèlf een macht van den storm, die hen omslingerend jaagt. En zóó doende—en dat is het jammerlijkste—laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene en klare, die diepe bevrediging, welke zuiver kunstgenot schenkt.—Het was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettré, die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van nature is, in dezen tijd, gelijk in alle tijden.

Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, zóó is het niet. Maar elke mensch, die niet geheel van algemeen inzicht is ontbloot, het leven en zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te dienen op die wijze als met zijn aanleg het natuurlijkst strookt. Dan dient hij hen ook 't best. De kunstenaar dus: door zonder bewuste bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door [p.192] kunstwerken in hun essentie te doen begrijpen, niets meer. Het wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook niet: de kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk alleen; zijn aandacht zùiver houdend, opdat hij eens der wereld zijne schepping moge geven, bijna zóó schoon als hij haar van de Natuur ontving. Zóó verricht hij zijn werk het best en zóó dient hij dus 't leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine webje weeft, nièts meer, dàt is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen: niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met mìjn web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook mìjn draad in Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen dan dat geluk?...


Keeren wij nu nog èven na deze korte toelichting van het schijnbaar enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle, burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers dier [p.193] begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na dàt gezien te hebben, het recht heeft te vragen: wàt zullen de mindere goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf nièts over kunst kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters druks te vervaardigen over het bijkomstige in een kunstwerk, het eenige waar zij bij kunnen, en dat niets ter zake doet! En daar ligt een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel. Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat deze critici de bas étage, deze phrasen-kooplui uit de literaire voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar! Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is toch après tout iets van een voornamen geest.... En zij en een voorname geest!... Dàt zou 'n áárdige vooruitgang voor hen zijn, komaan! Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend. Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen aangetoond wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd wàs voorheen iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen, omdat alleen hij 't is, die intuïtief een kunstwerk doorvoelen kan, en deze phraseurs was er een tè enorm verschil. Maar zoodra deze kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van voetklemmende en gordelende parasieten, rondom—o heiligschennis!—de kerken en [p.194] paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen kùnnen neerzetten aan hun voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen, tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.

Aug.—Sept. 1913.


VERTALINGEN BEHOOREND BIJ "HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITTERAIRE KRITIEK"

[p.195]

Blz. 101 Mestra:

Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de Metamorphosen van Ovidius Naso.

Blz. 123 There are:

Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.

Blz. 137 Then from:

"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.

Blz. 148 C'est le pardon:

Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.

Blz. 149 Je me suis montré:

Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag, wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik heb mijn innerlijk ontsluierd, zóó als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden, blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat dáárna één enkele het wage te zeggen: Ik was beter dan deze.

Blz. 149 à tout prendre:

Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.

Blz. 156 L'Année suivante:

Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. Deze tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht....

Blz. 156 Tandis que je philosophois:

Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Thérèse werd voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk te fier om mijne principes [p.196] in mijn daden te verloochenen, zette ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.

Blz. 157 D'ailleurs les principes élévés:

Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd. Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably.

Blz. 159 Il faut que:

Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.

Blz. 159 délire inconcevable = onbegrijpelijke razernij.

Blz. 159 délire = razernij, delirium.

Blz. 160 De tout ce que:

Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.

Blz. 161 Je ne regarde:

De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?

Blz. 161 Qui sait: = wie weet.

Blz. 161 Moi qui ne fit:

Ik, die nooit iemand kwaad deed....

Blz. 163 cette horreur du mal:

... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel—kan dat alles in een en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean Jacques één oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei te veel. Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen lezen, er [p.197] niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde dwaling te worden.

Blz. 164 petites bonnes gens = goede luidjes.

Blz. 164 grand hommes de nos jours = groote mannen onzer dagen.

Blz. 164 les raisons déterminantes = de beslissende redenen.

Blz. 164 Out of season = misplaatst.

Blz. 165 jeunes gens = jonge lieden.

Blz. 165 Enfants-Trouvés = Vondelingenhuis.

Blz. 167 Si jamais rêve d'un homme eveillé:

Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch visioen geleek, dan was het wel deze.

Blz. 167 et ce qui m'a frappé:

En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.

Blz. 167 ... la peur de l'enfer:

... de vrees voor de hel maakte mij nog dikwijls opgewonden. Ik vroeg mij af: In welken staat ben ik? Zoo ik op dit oogenblik-zelf stierf, zou ik verdoemd worden? Ik zei tot mij zelf: Ik zal dit steentje tegen dien boom daar vlak tegenover mij werpen, zoo ik hem raak, is dat een teeken van heil, mis ik hem, dan beduidt het verdoeming. Aldus sprekend werp ik mijn steentje met bevende hand en terwijl mijn hart vreeselijk klopte.... Sedert dien heb ik niet meer aan mijn zaligheid getwijfeld.

Blz. 168 Fontaine de Hiéron: een instrumentje om goocheltoeren mee te doen.

Blz. 170 Lapidation: steeniging.

Blz. 170 Dans ces temps-la:

In diezelfde tijden, waarin Rousseau Europa met klachten over zijn kwalen bezig hield, heb ik hem nooit ongesteld gezien; hij stapte voort, maakte luchtsprongen, bereikte vóór de anderen de bergtoppen en at met zeer goeden eetlust.

Blz. 171 Il partit donc:

Hij vertrok dan en verliet dengeen, wiens hart hij had gewonnen.

Blz. 171 Lascia le donne e studia matematica = Laat de vrouwen maar met rust en bepaal je ertoe wiskunde te studeeren.

Blz. 176 La manière dont elle s'est conduite:

De wijze, waarop zij zich na zijn dood heeft gedragen, zou voldoende zijn elken twijfel op te heffen, indien wij ons niet reeds volkomen zeker voelden door het eensgezinde getuigenis van allen, die Rousseau op verschillende tijdperken zijns levens hebben bezocht. Het staat dan vast, dat zoowel te Motiers als te Wootton en overal, waar zij haar meester heeft gevolgd, ze, tot in zijn laatste oogenblikken, haar best heeft gedaan, argwaan [p.198] en wantrouwen in hem te verwekken en te voeden en dat zij met het doel, met niemand zijn vertrouwen te moeten deelen en hem aldus beter te kunnen beheerschen, allen verdacht bij hem maakte, die in zijn nabijheid kwamen en erin slaagden, hem te behagen. Wat moet deze vrouw, die, toen zij zich te Motiers verveelde, niets verzuimde te doen wat er Rousseau het verblijf onverdragelijk kon maken, wel niet gedaan hebben in de eenzaamheid van Wootton, waar haar niets zoozeer na aan het hart moet hebben gelegen dan hem in de noodzakelijkheid te brengen, het te verlaten. Men kan dan ook verzekerd zijn, dat zij, om meer schijn van waarheid aan haar lasterlijke en valsche ingevingen te verleenen, de zegels van de aan haar meester gerichte brieven verbrak, die, dupe van dezen streek, er duizend gevolgtrekkingen uit afleidde, de eene nog vreemder dan de andere, over wier zonderlingheid zich echter niemand, die dit alles in aanmerking neemt, langer verwonderen kan.

Blz. 177 Hume, Mercier:

Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, allen, die over Rousseau hebben geschreven, zijn 't op dit punt eens.

Blz. 179 Je n'avois cherché d'abord:

Aanvankelijk had ik niets meer beoogd dan mij een amusement te verschaffen. Ik merkte echter, dat ik meer had gedaan en mij een gezellin had gegeven. Een weinig omgang met dit uitmuntende meisje, een weinig nadenken over mijn toestand, deden mij gevoelen dat ik, slechts denkend aan mijn vermaak, mijn geluk had gevonden.

Blz. 179 Autrefois j'avois fait:

Vroeger had ik van haar uitdrukkingen een woordenboek samengesteld, om Mevrouw de Luxembourg te amuseeren, en hare kluchtige vergissingen zijn dan ook beroemd geworden in de kringen, waarin ik heb geleefd.

Blz. 180 Enfin nous nous expliquâmes:

Eindelijk vond er een verklaring tusschen ons plaats: schreiend bekende zij mij een enkelen misstap, vrucht van hare onwetendheid en de sluwheid van een verleider, tegen het einde harer kindsheid gebeurd. Zoodra ik haar begreep, slaakte ik een vreugdekreet. Maagdelijkheid! riep ik uit, wie zou die dan in Parijs, bij een twintigjarig meisje nog denken te vinden!

Blz. 181 "Une faute":

"Een vergrijp," zegt Petitain, "dat zij hem grootmoediglijk heeft vergeven."

Blz. 182 Je m'y déterminai gaillardement:

Luchtig-weg nam ik het besluit, en zonder het minste gewetensbezwaar; het eenige, dat ik had te overwinnen, was dat van Thérèse, die ik al de moeite van de wereld had, dit eenige middel, om haar eer te redden (sic!) te doen aanvaarden. [p.199] Het volgend jaar dezelfde zwarigheid en dezelfde uitweg, slechts vergaten wij ditmaal een naamcijfer aan de kleertjes te hechten. (Met behulp van zulk een naamcijfer kon men dan later, als een kind door de ouders werd opgeëischt, dit onder de menigte der in de vondelingenhuizen verpleegden terugvinden, v.C.) Overigens niet meer nagedachten mijnerzijds noch goedkeuring van den kant der moeder: kermend gehoorzaamde zij.

Blz. 186 Refroidissement dans Thérèse = Verkoeling in Thérèse.

Blz. 186 "une cerbère odieuse" = een afschuwelijke Cerberus.

Blz. 188 Ingrat: ondankbaar.


II. DIDACTISCH


VOORWOORD

[p.203]

Het woord didactisch, vóór dit gedeelte van den bundel geplaatst, moge veel van aard en bedoeling der navolgende opstellen benevens de uitvoerigheid der daarin voorkomende analysen en de lengte der citaten verklaren—zekere eigenaardigheden van stijl en inhoud: de gemeenzame toon en de, feitelijk buiten het gebied der literatuurcritiek liggende, min of meer moraliseerende uitweidingen, eischen, dunkt mij, willen zij niet ontstemmend op een algemeen lezerspubliek werken, nog korte toelichting. Deze opstellen, op een enkele uitzondering na, werden geschreven voor en verschenen in Het Jonge Leven, het onder redactie van den heer Henri Polak staande ontwikkelingsblad van den A.N.D.B. Houdt de lezer dit in het oog, dan zal hij zich nu ongetwijfeld zoowel de aanwezigheid der bovengenoemde lichtelijk moraliseerende gedeelten kunnen verklaren—immers tot mijn lezerspubliek behoorden ook zeer jonge lieden, wien mijn gevoel mij drong het eene, dat zij al evenzeer van noode hebben als het andere, niet te onthouden, terwijl ik hun dat andere gaf—als den, hier en daar heerschenden, gemeenzamen toon, dien ik mij zeker niet zou hebben veroorloofd tegen een algemeen publiek aan te slaan, gesteld al, dat ik daartoe neiging zou hebben gevoeld, 't geen niet waarschijnlijk is. Hoe geheel anders echter lag hier het geval! Zelden heb ik bij het schrijven dezer opstellen het gevoel gemist, voor een vriendenkring te schrijven, en allerminst toen ik de zekerheid kreeg, dat de ouderen vooral [p.204] mijne artikelen met genegenheid en aandacht lazen, een omstandigheid die mij bevestigde in de overtuiging, dat zij ook buiten de grenzen van den A.N.D.B. een invloed konden uitoefenen, die het doorvoelen en begrijpen van literatuur in ons land, ten goede komen kan. En moge menigeen glimlachen bij de gedachte, dat deze "vriendenkring" van lezers zeker wel niet onder de twintigduizend menschen tellen zal, niet hij die de eensgezindheid in den A.N.D.B. kent, de georganiseerde verwerkelijking van het zoo moeilijk te verwezenlijken "Een voor allen en allen voor een", de onderlinge trouw en het ver boven materieel winstbejag uitgaande gevoel van saamhoorigheid; niet hij, die wel eens een "Bondsvergadering" heeft bijgewoond, waar al die duizenden wel elkaar schenen te kennen, en als vrienden zoo gemoedelijk-intiem, voor de opening der bijeenkomst in rustig vertrouwen met elkander praatten; waar bij alle soms hooggestegen verschil van meening, nooit de kalm-zekere genegenheid van de blijmoedige gelaten verdween, nooit ook de joviale toon van hartige volksboertigheid werd gemist, als wisten al die menschen wel, dat die ruzietjes best en waarachtig wel als kleurige verzetjes op den effen en diepen stroom hunner eensgezindheid mochten drijven en wat rook en roet uitpuffen ook, wel ja—wat hinderde dat die breede en klare rivier! Hoe vaak heb ik daar blijde van de naar het podium in den lichtglans omhooggeheven gezichten gelezen die wellicht soms nauwelijks bewust maar enorm sterk werkende zekerheid, hier schouder aan schouder met vrienden en niets dan vrienden te staan, hier veilig te staan in éénheid en door noest werken veroverde macht, hier heerlijk de menschen-waarde van zich-zelf en zijn lotgenooten te voelen, herwonnen op broodnijd, plat en bruut individualisme en concurrentie-haat.—Welnu, dit alles bedenkend, zal, vertrouw ik, de lezer zich door het gemeenzame in den toon der hier navolgende opstellen niet gekwetst voelen niet alleen, maar ook, begrijpend, hoe het voortsproot bij den schrijver niet uit een zich hooger voelen, doch uit een diepe en innige genegenheid, 't billijken, dat hij uit piëteit voor eigen gevoel—de [p.205] eerste plicht eens schrijvers!—het liet zoo het was.

Is hiermede mijn inlichtend woord tot den lezer van dit deel van den bundel geëindigd, de overtuiging, dat "wie aan den weg timmert veel ... bekijks heeft" legt mij de verplichting op, hier nadrukkelijk het volgende te verklaren: zoo dit mijn werk een blijvend nut zal blijken te hebben gebracht; zoo er harten door zijn opengebloeid in liefde tot het schoone, geesten erdoor gebracht zijn tot het begrijpen en doorvoelen van kunst, dan prijze men hen vooral, die de gelegenheid ertoe schiepen: het Bestuur van den A.N.D.B. en in de allereerste plaats zijn voorzitter, den Redacteur van Het Jonge Leven, mijn waarden en geëerden vriend Polak, die door de ruime en hooge opvatting van zijn taak, het rijke genot, voor mij aan mijn arbeid verbonden, zéér heeft verhoogd en dus niet weinig tot het welslagen zal hebben bijgedragen; doch zoo het mocht blijken te hebben gefaald, dan prijze men hen niet minder, maar lake uitsluitend mij, die in volkomen onafhankelijkheid schrijvend wat ik wilde, een van de kostbaarste gelegenheden, zij het met de beste bedoelingen, zou hebben misbruikt.

Maart 1914. DE SCHRIJVER


[p.206]

HOE LITERAIRE KUNST GELEZEN EN GENOTEN MOET WORDEN

[1]

Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw verstand. Het geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw gevoel. Is dat gebeurd—tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge vóór dien bezat. Maar ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als bróód, als wèrk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof romannetjes-geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert die statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij het boeken-kiezen. Maar mijn hoop [p.207] leunt op een anderen staf: de adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw massa òp de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan: Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij stóót u op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.


Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor eenige doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het uit zijn eigen aard voor een of eenige van die verschillende doeleinden het meest geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't aan, waartoe 't het meest geschikt is, dan gebruikt ge 't, wendt ge 't echter voor iets anders aan, dan misbruikt ge 't. Ten overvloede, zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?! Zoo is 't op stoffelijk, maar zóó ook op geestelijk gebied. Nemen we nu ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een roman, welke tevens een literair kunstwerk is, Zoo'n roman dan is een geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman verkeeren, schijnt u te pleiten vóór uwe overtuiging of levensbeschouwing, [p.208] of wel daartégen; of: er worden door die roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder uitvoerig relaas ùwe zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die dit alles doet, vertelt en bevat, maar ook een kunstwerk is, u nu dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel? Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen verkeeren, vóór uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig, wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der sexueele handelingen uwe zinnelijkheid làten prikkelen? Of wel, moet ge dien roman als kunstwerk op u laten inwerken en dus ervan hebben: dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die vèr van kleine blijdschap, vèr van toorn, vèr van verdrietelijkheid, vèr van innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet zóó effen of zij rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water onder zonlicht?

Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, die een kunstwerk is, het meest uit eigen aard geschikt is, om als kunstwerk te worden genoten en dat ge hem dus misbruikt en niet gebruikt, zoo ge iets anders er mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen splinter zelfs, te verspillen.


"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de toestand der menschen in het verhaal vóór onze levensbeschouwing, vóór onze politieke inzichten, vóór de juistheid van ons geloof of ongeloof pleiten, [p.209] toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde. Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt. Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen wij zelfs niet wàt kunstgenot is."

Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt, dan kàn ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't méén te weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus vòèl, dat ik 't onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge nù niet aan mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden, zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, vóór zij 't met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter, gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand veroorzaken, vóór ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.


Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is: het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het intuïtief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende. Vraag daarom aan de kunst geen [p.210] onderzoek, geen betoog en geen bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde alleen.

Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het alles-omvattende. Verwonder u daarom niet, dat alles wat bestaat in haar verheerlijking wordt opgenomen. Wat bestaat in de stoffelijke en wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en verheerlijkt—want dit is één voor haar—zoowel het kleine leven der dieren. (Maeterlinck) als het supreme leven der onstoffelijke werelden (Dante). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (Velasquez) zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (Herman Gorter: Mei, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (Les Chants de Maldoror) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en hooggestegene bereikt heeft (Epipsychidion van Shelley). Gij ziet, ik bewéér niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare eigen scheppingskracht. Die vreugde te hergenieten, dat is het kunstgenot. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik behoorde, las een voor uit Gorter's Mei—Balders afscheid van Mei.—De voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat die eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach van opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen hij geëindigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook: hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk, door kunst te [p.211] verkrijgen, is: het hervoelen van de verrukking, die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had.


Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"

Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar ùw zien stelt u de dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun èchte, dièpe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij intuïtie tot in dièn grond van hun aard èn in hun samenhang met het andere.[2] En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die weergave en de daad van het weergeven: Schoonheid. En die schoonheid is de verheerlijking.

Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels in háár èn in u-zèlf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd? Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas nù de wáárheid ziet. En ge bekent u-zelf, [p.212] dat hij haar heeft gegeven, zooals zij wèrkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals zij wèrkelijk was.


"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het dan zoo dikwijls voor, dat één kunstenaar zich, bijvoorbeeld, uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders gesteld: van u wordt niet geëischt, dat gij de omhulde diepte van de dingen in de natuur onthullen zult. Van u wordt slechts geëischt, dat gij dat diepe wezen zien zult zooals het, reeds door den kunstenaar onthuld, in een kunstwerk voor u staat.

Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van die menschen iets in zich heeft, wat hèm dat belet. Indien gij echter een kunstafbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit belet, om de eenvoudige reden, dat—er geen alleen-uiterlijke verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!

[p.213] Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en op-leiden kunt tot dat zóó-zien van een kunstwerk, tot dat zóó-hervoelen der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.


Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt, doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd. Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz., hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en objectief. [p.214] En hij moet wèl objectief zijn.[3] Ten tweede: wat gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge en groote vreugde in hem, èn om de schoonheid van zijn erkennen èn om die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. Het zijn deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken.[4]

Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding? Neen, dit is hem aangeboren, hij moèt dit doen. Het is hem aangeboren alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept. Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld, geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen, wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't. En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.

L'art pour l'art—De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling.


[p.215] Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te hervoelen?

Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor hij zich sluit.

Waarom kunt gij dit willekeurig, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern, door hèm onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch willekeurig door oefening laat verwerven.

Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, laten?

Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, nalaten eraan te denken, wat de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u niet laten beïnvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.

En wat moet gij dan wel doen?

Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat. Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die dàt kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....

Wat is meer altruïstisch, wat veredelender dan dit....

Dàn zijt ge in wáárheid kunst-genieter.


[p.216] "Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen, niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan moeten wij laten."

En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is, waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk; een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer hij vermag.

Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden, telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt.

Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt gij uw strijd![5]

30 Augustus 1909.


OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE.

[p.217]

I.

Na 't Hollandsch laagland met z'n gevaarlooze wegen, z'n kabbelende rivieren, zijn gecultiveerde bosschen, z'n heldre dorpen met kerk en torentje, z'n langzaam op-schemerenden ochtend en neerschemerenden avond; na de Hollandsche wei met de haasteloos-mummelende koetjes; na de Hollandsche binnenkamers met hun stoffage van begouwenaarde burgerheeren en, meest 'n weinig houterig, vrijende jongelingen en jonge dochters, na al dit gemoedelijke, zich-zelf gelijk blijvende en veilige—plots nu een tropisch bergland, met ravijnen en neerdonderende stroomen, met oerwouden, waar leeuw en tijger brullen, en gij, zoo ge u er waagt, de beet en omkronkeling van slangen zult hebben te vreezen; een land met rook-bepluimde vulkanen, wier inwendig vuur de wijngaarden en olijfbosschen op de hellingen eerst koesterend doet zwellen van olie en wijn, om dan, vroeg of laat den krater uitgebarsten, zijn eigen teelt te vernielen in één brandende giftuitstrooming, door één slag; met dorpen, des nachts vol zwoelheid van doffe geuren en zwaarmoedige deunen, waar, daags, een wijsgeer u als bedelaar nadert, en wien ge voor een Grande hieldt, een bedelaar blijkt; waar de liefde geen braaf-burgerlijke vrijage, maar hartstocht en heet begeeren is; een land waar nauwelijks afkeer zijn kan, of zij groeit tot haat. Een Indisch land, waar de ochtend bruusk [p.218] den nacht afwerpt, als een mensch zijn kleed, en de dag niet langzaam heengaat, maar zich snel het masker van den nacht voorbindt, als had hij zich verlaat en schoot het hem plòts te binnen, dat hij den wezens de rust moet gunnen, die onder de stralen van zijn gelaat niet mogelijk is.... Een land, waar alles grillig, uitbundig en snelwisselend is....

In minder woorden: na het talentvolle, het geniale; na het afgepaste en zeer wel vermoedbare, het uitbruischend onberekenbare.... Ziedaar: na Hildebrand: Multatuli![6]


Ik erken het volmondig: een geweldenaar als Multatuli, met zóó vrouwelijke zachtheid als zijn gemoed bezat; een hater mèt zóóveel liefde; een beeldstormer met dat ééne verlangen: plaats vrij te maken voor zijn reuzenbouw van rechtvaardigheid en menschenmin en schoonheid; zulk een met zóó groote fouten en ontzaglijke deugden, is voor de jeugd vol gevaars. Want zijn deugden trekken haar maar aan voor korten tijd: zóó deugdzaam te zijn is wel een tikje moeielijk! Maar zijn gebreken, wellicht, in zekeren zin, niet minder grootsch en schoon van sterke menschelijkheid, die zijn makkelijker en genoeglijker na te bootsen! Zoo denken ten minste de mannen en vrouwen in den dop. En dìt is het gevaar. Men moet het echter onder de oogen zien, men kan 't niet mijden, tenzij men een bedeesd en braaf moederskindje is, dat aan huiskamers en warme kachels, benevens beekjes, wolkjes en molentjes dicht bij honk, zat genoeg heeft en nooit naar bergen en bergstroomen, olijfbosschen en wijngaarden verlangt.

Multatuli heeft in onze kringen, lang vóór de stichting van onzen Bond, een geweldige rol gespeeld. En dit sproot nu juist niet voort uit de bijzondere beschaving in die kringen, uit ontvankelijkheid voor het subtiel-schoone en fijn-geestige—och och heere neen, ook hier heeft de Bond bijna àlles te doen [p.219] gehad....—maar uit twee geheel andere oorzaken. De eerste was, dat men in Multatuli's werk zag een vrijbrief voor, een rechtvaardiging van 'n soort gêne-looze en zich op zich-zelf beroemende bandeloosheid; de tweede echter, van edele natuur: dat die onontwikkelde, maar daardoor wellicht des te frisscher menschen voelden, dat er iets nieuws, schoons, machtigs en van-kracht-heerlijks in hen openbrak, door hem. Wilt ge weten wàt dat was?... 't Was hun revolutionnair gevoel! Dat, vrienden, is misschien het mooiste in een mensch. Het is 't opstandsgevoel tegen rechtsverdraaiïng en leelijkheid in het leven. Dat wrokt en brandt in zoo'n jongen mensch. Toch brandt het maar met 'n heel klein vlammetje dikwijls, maar het leven vraagt daar niet naar, gooit elken dag weer nieuwe brandstof op, die door dat kleine vlammetje niet verteerd wordt.... Dat geeft een teveel, dat geeft een drukking.... Zoo nu en dan schiet het vlammetje weer wat hooger op, maar er zijn nog dompers: "fatsoen," traditie en verkapitalistischt, vermaatschappelijkt, verwrongen kerkgeloof, en zoo waar, zoo'n jongmensch gebruikt die dompers zelf! Dat heeft men hem zoo geleerd. Tot daar plotseling zoo'n kerel, zoo'n reus bij hem binnenkomt, en die vraagt hèm niet of hij 't goed vindt en ook niet aan "de menschen die zooveel ouder en wijzer zijn dan hij," maar die slaat kort en goed voor zijn oogen al z'n dompers stuk. En daar schiet zijn vlam omhoog en gaat ze heerlijk branden.... En hij begrijpt dat die man een weldoener van hem is ... o God, wat heeft z'n jong hart hem dan lief ... hij zou hem om den hals wel willen vliegen.... Welnu, zulk een man was Multatuli, en daarom hadden die verachte diamantslijpers hem zoo lief en dwéépten met hem en omarmden hem.... Och neen, ze begrépen hem niet, wat je begrijpen noemt, geen denken aan; wat kunnen hun zijn fijnheden, de rapheid zijner wendingen, het overdonderende zijner strijdhaftige geestigheid geweest zijn; máár zij begrepen, zij voelden, dat dit de stem was van hun eigen, gesmoorden haat; het ziende oog van hun hulploos, onbestemd en blind verlangen; de sterke hand, die hun tastende zwakke handen greep; zij zagen eindelijk eens [p.220] het ongekende wonder van een héérlijk mensch, die máling had aan de machtigen, aan de rijken; het wonder van een mensch, door wien een god had mogen spreken, en die nochtans niet anders dan der àrmen en verdrùkten mond wou zijn! Wat schatten van liefde en dankbaarheid heeft hun ziel zich door hem verworven. Hoe hebben zij toen, in hun donker leven, door hèm de hèilige geestdrift gekend. En wie weet, of niet hij 't was, die voor 't eerst dat mooi-menschelijke in hen wekte, welks prachtige opvaart hun eenheid in den Bond verrijzen deed....

Maar met dat al: dwepers kunnen geen maat houden. En daarvoor wil ik u behoeden. En trouwens, wat hun 't noodigste was, is het nog daarom u niet. Gij behoeft niet meer gewekt te worden. Gij zijt wakker, daar ben ik zeker van. En die brandstof in u, die voedt geen persoonlijk-revolutionnair, geen klein-flikkerend vlammetje meer, maar hij helpt mede-voeden dat zekere en klare licht, dat socialisme heet. Daarom: gij zult en moet Multatuli kalmer genieten, gij zult onderscheiden leeren. En o, vóóral, gij moogt niet in de fout vervallen, waarin zij vervielen:

... Een ieder mensch, een mensch, die met een Groote verkeert, voelt vroeg of laat den drang, dien te gelijken. Die drang kan hem heilzaam, maar ook onheilbrengend zijn. Heilzaam is zij hem, wanneer hij denkt: Die groote mensch, dien ik zoo liefheb, is toch een mensch, hij moet dus gebreken hebben. Laat ik oppassen dat ik niet, door mijn overgroote liefde verblind, die gebreken overneem. Want die fouten, welke in 't geheel van zijn ontzaglijke persoonlijkheid zoo gering lijken, zouden mij, kleìne, verpletteren. Laat mij groeien en genieten van zijn voortreffelijkheden. Maar laat mij ook hierin wijs zijn: laat mij hem niet nabootsen in zijn deugden, want naäpen, dat is het werk van apen; de plicht en het verlangen van menschen is: blijde te zijn met, te genieten van het goede; hun wijsheid: te weten dat dáárdoor hun wezen van zelf groeit en natuurlijk en geleidelijk beter wordt. Wat voor uw wezen van zijn voortreffelijkheid geschikt is, dat eigent het zich van zelf toe, mits gij u maar zoover opwerkt, dat ge [p.221] die voortreffelijkheid kunt begrijpen en beminnen. Maar nabootsen, vooral niet! Een mensch, die van de zon geniet, moet daarom niet voor zon willen gaan spelen, noch zich verbeelden, dat hij stralen schiet.... Om u nu reeds in dit inleidend stuk het onderscheiden van Multatuli's deugden en gebreken makkelijker te maken, zeg ik dit: zijn deugden waren: een sterk ontwikkeld bewustzijn van eigen hooge waarde; een machtig revolutionnair sentiment; een onbegrensde menschenliefde: een heftig begeeren naar waarheid (welke hij echter nog minder vaak kon bereiken dan hij anders had gekund, wijl hij gehinderd werd, ten eerste: door de bitterheid van zijn geest, ontstaan door het ondervonden onrecht; ten tweede: door zijn groote menschelijke en kunstenaars-ijdelheid, waardoor hij niet nalaten kon te "poseeren"); een in-staat-zijn zich op te offeren en een onwrikbaar vasthouden aan wat hij goed en recht achtte.

Zijn deugden, als kunstenaar, waren: een ontzaglijk doorvoelings-en uitbeeldings-vermogen (dat echter geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit); een vlijmscherp taal-begrip; een buitengewoon geestig vernuft (dat m.i. slechts overtroffen wordt, maar dan ook ver, door den grooten Heine, van wien hij trouwens veel geleerd heeft); een rijke fantasie.

Zijn gebreken, ik heb er reeds eenige genoemd, waren meest de keerzijden van zijn deugden: een anarchistische neerhalingswoede (keerzijde van zijn revolutionnair sentiment); een soms zeer lichtzinnig oordeelen over alles, wat hij maar gemoette (keerzijde van zijn uiterst-vlug-denken-kunnen); een soms enorme zelfoverschatting en minachtend neerzien op de allergrootsten (keerzijden van zijn hooggestemde zelfachting); een uittartende en pralerige opzichtigheid (keerzijde van zijn heldenmoed).—Gij moet dus, ik herhaal 't, zeer critisch tegenover hem staan, u voor kinderachtige naäperij, waartoe deze suggestieve persoonlijkheid iemand makkelijk verleidt, zorgvuldig bewaren en bovenal dit goed begrijpen: dat de ontkennende, de negatieve houding van zijn geest, die hem schoon stond, wijl hij groot was, en [p.222] leefde in een tijd, die dat noodig had en 't als 't ware zelf deed geboren worden, u leelijk zou staan, niet alleen wijl gij niet groot zijt, maar omdat gij in een tijd leeft, die óók en bovenal een positieve, een bevestigende geesteshouding noodig heeft: het innig geloof in de waarachtigheid van het socialisme. Vroeg zijn tijd een ongebreideld, een naar eigen begeerte kampend mensch, deze vraagt gehoorzame soldaten voor het groote leger, dat strijdt in alle landen voor menschenrècht en menschengelùk, soldaten nièt gedrild tot tucht, maar uit eigen weten en eigen vrije keus de tucht verkiezend boven tuchtelóósheid. Houdt ge u aan dit alles, wat ik u heb gezegd, dan kunt ge zonder vrees dat oostersch-vreemde en prachtig land, dat Multatuli's werk is, bereizen en moedig de hellingen van dien trotschen berg beklimmen, waarop bosschen vol van sappige vruchten staan. Wat mij betreft, ik zal het nu bij deze, naar mij dunkt niet ongemotiveerde, waarschuwing en uiteenzetting laten, en in de volgende artikelen de Geschiedenis van Woutertje Pieterse, haar zooveel mogelijk los makend uit de Ideeën waarvan ze een deel is, zuiver letterkundig behandelen, gelijk ik dat met Hildebrand's Familie Kegge heb gedaan.[7]


OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE

[p.223]

II

In de Geschiedenis van Woutertje Pieterse, zooals die nu, helaas onvoleindigd, voor ons ligt, hebben wij in de allereerste plaats te zien een poging tot weergave der geleidelijk voortschrijdende geestelijke ontwikkeling van een geniaal kind—Woutertje-zelf—; in de tweede plaats een schets van: het Hollandsche volksleven:—Femke en haar moeder, Gerrit Sloos, Klaas Verlaan, de joodsche familie Roebens, de illuminatie-avond, enz.—; de klein-burgers:—de Pietersen, juffrouw Laps, e.d.—; de "deftige" burgerij:—de Kopperlith's: typen van het dwaze, opgeblazen parvenudom, met zijn sleep van kruiperige loonslaven, en de Holsma's: ietwat geïdealiseerde beelding eener verstandige, liefderijke, boven alle vooroordeelen hóógstaande doktersfamilie—; de geestelijken, vertegenwoordigd door de kluchtige, verachtelijke figuur van den huisdominee, en de heerlijk-gebeelde, kinderlijk-reine persoonlijkheid van pastoor Jansen; "allerhoogste" personages, zooals de groote Napoléon, op wien wij even in den schouwburg een vluchtig kijkje krijgen, de Paltsgravin, prinses Erica, enz.; in de derde plaats.... Maar nee, ik ga zóó niet verder, die zin werd veel te lang, te vermoeiend door zijn lengte, zelfs als jullie op al die "plaatsen" even waart gaan zitten, wat nog zoo gek niet zou zijn geweest, want, laat me je verzekeren, je hebt vandaar heerlijke inkijkjes en prachtige vergezichten....

[p.224] Wat ik verder wou zeggen, kwam in 't kort hierop neer, dat het geheele werk één worsteling van het hooge met het gemeene, één Multatuliaansch-heftig-beukende, maatschappelijke meubelen, ruiten, hééle heilige huisjes stuk-rinkinkende pràchtige worsteling is.

Men zou, wellicht interesseert jullie deze mededeeling, ons boek kunnen indeelen bij: romantisch realisme.... Maar hoe! ik zei: "wellicht interesseert 't jullie" ... het moet je interesseeren, want het geldt hier niet, je 'n paar geleerde woorden naar 't hoofd te smijten, of je 'n kruieniersachtig suiker-rijst-boonen-indeelingsgewoontetje in te stampen, maar het gaat erom, je de begrippen, de zeer veel verheldering veroorzakende begrippen, waarvan die termen namen zijn, bij te brengen, èn om de te behandelen stof, de letterkunde dus, door verdeeling meer overzichtelijk en begrijpelijk te maken.

Wat ìs Romantiek?

Nou, om 't 'ns erg kort en populair te zeggen: een kunstbeelding van, zeer wel bestaanbare, uitzonderingsfiguren, levend in zelden voorkomende omstandigheden; daardoor heel vaak verschijnend als een "overdrijving" van de algemeene werkelijkheid, want die uitzonderingsfiguren maken, door hun levenswaarheid, op den gemiddelden lezer den indruk van vertegenwoordigers der algemeene werkelijkheid te zijn.[8]

De romantiek nu, in dit romantisch-realistische werk, uit zich niet slechts in het feit der beelding van sommige personen van het tweede plan—prinses Erica bijvoorbeeld—, ook niet alleen in het doen plaats hebben van gebeurtenissen, die, wanneer we ons het totaal-beeld voor oogen brengen, dat de werkelijkheid ons van den loop der dingen voorhoudt, een sterken bijsmaak van onwaarschijnlijkheid krijgen, maar [p.225] die romantiek uit zich al dadelijk heel principieel in den opzet en op het hoofdplan van het werk: het beschrijven der zielsgeschiedenis van een geniaal mensch. En nu ga ik verder en zeg dit: omdat een geniaal mensch zelf "een stuk romantiek" is, door de Natuur, te midden van Háár dag-dagelijksch "realisme" neergezet, botst hij daarmee, verstoort hij er in zekeren zin de harmonie van (zeer zeker: om tot een hoogere harmonie te geraken, en: de botsing is een heilzame, maar dat verandert voor 't oogenblik aan 't onaangename van de zaak niets. Multatuli-zelf is hier een uitstekend voorbeeld van) en zóó, en daarom verstoort de afbeelding van een geniaal mensch in een werk als dit—voor driekwart een afbeelding der algemeene werkelijkheid—de harmonie van dat we