Project Gutenberg's Mythen & Legenden van Japan, by F. Hadland Davis

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Mythen & Legenden van Japan

Author: F. Hadland Davis

Illustrator: Evelyn Paul

Translator: B. C. Goudsmit

Release Date: June 12, 2005 [EBook #16043]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MYTHEN & LEGENDEN VAN JAPAN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team





De Gelieven, die hunne waaiers verruilden (zie blz. 232)

De Gelieven, die hunne waaiers verruilden (zie blz. 232)

Mythen & Legenden van Japan

Door
F. Hadland Davis
Voor Nederland bewerkt door
Dr B.C. Goudsmit

Met 32 gekleurde platen door Evelyn Paul
Tweede druk.
Zutphen—W. J. Thieme & Cie
1917

Inhoudsopgave

Bladzijde V

Inhoud.

Bladzijde VII

Lijst van Illustraties.

Bladzijde IX

Inleiding.

Pierre Loti in Madame Chrysanthème, Gilbert en Sullivan in De Mikado, en Sir Edwin Arnold in Zeeën en Landen, hebben ons vroeger den indruk gegeven, dat Japan een echt sprookjesland in het Verre Oosten was. Wij verheugden ons in de liefelijkheid en vreemdheid van dat land, en nog meer in de liefelijkheid en vreemdheid van het Japansche volk. Wij lachten om hun averechtsche gebruiken, beschouwen de Japansche vrouw in haar rijk gekleurde Kimono als iets zeer bekoorlijks en betooverends, en hadden een vaag begrip, dat de voornaamste kenmerken van Nippon de theehuizen en de geisha’s waren. Voor twintig jaar vatten wij Japan niet ernstig op. Nog altijd luisteren wij naar de zoetvloeiende muziek van De Mikado, maar wij beschouwen Japan nu niet langer als een soort van artistiek fantasieartikel. Het Land van de Rijzende Zon is het Land der Verrezen Zon geworden, immers wij hebben geleerd, dat zijn vreemdheid, zijn feeachtige manieren en gewoonten niets waren dan de uiterlijke teekenen van een groote, voorwaartsschrijdende natie. Wij erkennen in onze dagen Japan als een groote macht in het Oosten, en de overwinning, door dat rijk op Rusland behaald, heeft zijn leger en zijn vloot over de geheele wereld beroemd gemaakt.

De Japanners zijn altijd een nabootsende natie geweest, die gemakkelijk den godsdienst, de kunst en het maatschappelijk leven van China in zich heeft opgenomen en tot eigen voordeel gebruikt, en die, na haar eigen nationalen stempel te hebben gedrukt op datgene, wat zij aan het Hemelsche Rijk heeft ontleend, naar elders heeft uitgezien om materiaal te verkrijgen, waardoor zij haar positie kon versterken en vooruitbrengen. Die gave der nabootsing is één der meest karakteristieke eigenschappen van Japan. Steeds zijn de Japanners afkeerig geweest, om anderen inlichtingen te geven, maar ten allen tijde stonden Bladzijde Xzij gereed, te trachten zich iederen vorm van kennis te veroveren, die kon bijdragen tot hun vooruitgang. In de veertiende eeuw schreef Kenkō in zijn Tsure-dzure-gusa: “Niets opent de oogen meer dan reizen, onverschillig waarheen”, en de Japanner der twintigste eeuw heeft dien uitnemenden raad opgevolgd. Hij heeft wijd en zijd gereisd, en heeft een uitnemend gebruik gemaakt van zijn verschillende opmerkingen. De gave der nabootsing grenst bij den Japanner aan genie. Oost en West hebben tot de grootheid van het land bijgedragen, en het is voor menigeen onzer een reden tot groote verbazing, dat een land, dat zoolang geïsoleerd heeft gestaan en zoovele jaren in de boeien van het leenstelsel geklonken is geweest, binnen een betrekkelijk korte tijdsruimte ons Westersch stelsel van oorlogvoeren volkomen meester is geworden en evenzeer zich vele van onze ethische en sociale denkbeelden heeft eigen gemaakt en een wereldmacht is geworden. Maar de groote ontwikkeling van Japan moet niet geheel en al worden toegeschreven aan verstandige nabootsing, noch heeft het land zijn plaats in de voorste rij der volken met zulk een bliksemsnelheid ingenomen, als sommige schrijvers over Japan ons zouden willen doen gelooven.

Wij hooren tegenwoordig heel wat over het Nieuwe Japan, en zijn veel te veel geneigd, de beteekenis van het Oude Japan te vergeten, waarop dan toch het tegenwoordige stelsel gegrondvest is. Japan heeft van Engeland, Duitschland en Amerika de geheele tegenwoordige oorlogstactiek geleerd. Het schafte zich een uitnemend leger en een krachtige vloot aan, op Westersche beginselen gegrondvest; doch men vergete niet, dat de groote krijgshelden van Japan uit den laatsten tijd, Togo en Oyama, in hun aderen nog iets van de oude kaste der samurai hebben, en niettegenstaande al het moderne van hun wezen nog iets van den ouden toestand weerspiegelen. Het Japansche karakter is nog steeds Japansch en niet Westersch. Zijn grootheid wordt gevonden in zijn vaderlandsliefde, in zijn Bladzijde XItrouw en onuitroeibare liefde voor zijn land. De Shintodienst heeft den Japanner geleerd, de machtige dooden te vereeren; het Buddhisme heeft niet alleen zijn godsdienstige idealen in de hand gewerkt, maar ook medegewerkt aan zijn letterkunde en kunst, terwijl het Christendom ten gevolge heeft gehad, dat allerlei weldadige sociale verbeteringen zijn ingevoerd.

Er zijn heel wat tegenstrijdige theorieën over het ontstaan van het Japansche ras, en wij hebben inderdaad geen vaststaande kennis omtrent dit onderwerp. De eerste bewoners van Japan waren waarschijnlijk de Ainoe’s, een Arisch volk, dat misschien afkomstig was uit Noord-Oostazië in een tijd, toen de afstand tusschen de eilanden en het vasteland niet zoo groot was als heden ten dage. De Ainoe’s werden opgevolgd door de Mongolen, die twee verschillende invallen deden; die overweldigers kostte het geen moeite hun voorgangers te onderwerpen; maar in den loop der tijden werden de Mongolen in noordelijke richting gedreven door Maleiers van de Philippijnsche eilanden. Porter zegt: “In het jaar 500 na Christus waren de Ainoe’s, de Mongoolsche en de Maleische elementen der bevolking tot één natie samengesmolten, en wel ongeveer op dezelfde wijze als in Engeland het geval is geweest na den inval der Noormannen. Uit de nationale karaktertrekken kan worden afgeleid, dat de Ainoe’s het weerstandsvermogen leverden, de Mongolen de verstandelijke eigenschappen, en de Maleiers die handigheid en dat aanpassingsvermogen, die het erfdeel zijn van zeelieden”.1 Andere gezaghebbende geleerden, zooals Baelz en Rein, zijn van meening, dat de Japanners Mongolen zijn, en hoewel zij door huwelijken zich met de Ainoe’s hebben vermaagschapt, “zijn”, zooals Professor B.H. Chamberlain schrijft, “de beide naties evenzeer van elkander verschillend als de blanken en roodhuiden in Noord-Amerika”. Bladzijde XIIIn weerwil van het feit, dat men in Japan op den Ainoe neerziet, en hem beschouwt als een harigen oorspronkelijken bewoner van het land, die een voorwerp van belangstelling is voor den anthropoloog en den spellebaas, een arm, geminacht schepsel, dat den beer vereert als het zinnebeeld van kracht en woestheid, heeft hij toch zijn stempel op Japan gezet. Fuji was misschien wel een verbastering voor Huchi, of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Ainoe’s, en het is niet twijfelachtig, dat die oorspronkelijke bewoners aan een groot aantal aardrijkskundige namen het aanzijn schonken (voornamelijk in het noorden van het eiland), die nog in onze dagen te herkennen zijn. Wij kunnen den invloed der Ainoe’s volgen in enkele trekken van Japansch bijgeloof, zooals onder andere het geloof in den Kappa, of het riviermonster.

De Chineezen noemden Japan Jih-pén, “de plaats, van waar de zon afkomstig is”, omdat de eilandenzee gelegen was ten oosten van hun eigen koninkrijk, en ons woord Japan en Nippon zijn verbasteringen van Jih-pén. Marco Polo noemde het land Zipangu, en een oude naam voor Japan is “De-Weelderige-Riet-Vlakten-het-land-van-Versche-Rijst-Aren-van-duizend-Herfsten-van-Lange-Vijf-Honderd-Herfsten.” Het verwondert ons niet, als wij zien, dat een zoo langdradige en beschrijvende naam door de Japanners van onzen tijd niet wordt gebruikt; maar het is niet van belang ontbloot, te weten, dat de oude naam voor Japan, Yamato, nog thans veel gebruikt wordt, terwijl Yamato Damashii beteekent: “De Geest van het Onoverwinnelijke Japan.” Zoo ook wordt van Japan gesproken als van het “Eiland van het Waterjuffertje”. Men verhaalt in de oude Japansche Kronieken, dat de keizer in het jaar 630 vóór Christus een heuvel beklom, Waki Kamuno Hatsuma genaamd, van welks top hij het land van alle kanten kon overzien. Hij kwam diep onder den indruk van de schoonheid van het land en zeide, dat het geleek op “een waterjuffer, die haar achterdeel aflikt”; Bladzijde XIIIzoo kreeg het eiland den naam van Akitsu-Shima (“Eiland van de Waterjuffer”).

De Kojiki, of “Geschiedrollen van Oude Zaken”, voltooid in het jaar 712 n.C., behandelt de oude overleveringen van het Japansche ras, te beginnen met de mythen, den grondslag van het Shintōïsme, en krijgt hoe langer hoe meer geschiedkundige waarde, totdat het eindigt met het jaar 628 n.C. Dr. W.G. Aston schrijft in Een Geschiedenis der Japansche Literatuur: “De Kojiki, hoe belangrijk ook voor een onderzoek naar de mythologie, de gewoonten, de taal en de legenden van het oudste Japan, is een treurig voortbrengsel, zoowel uit een letterkundig oogpunt als om het feitenmateriaal.” Als geschiedkundig werk kan het niet vergeleken worden met de Nihongi,2 een werk uit denzelfden tijd in het Chineesch; terwijl de taal een vreemd mengelmoes is van Chineesch en van Japansch, waarbij slechts weinig moeite is gedaan om het artistieke eigenschappen te schenken. De omstandigheden, waaronder het vervaardigd is, kunnen ons voor een deel verklaren, hoe het in een zoo eigenaardigen stijl is geschreven. Er wordt verhaald, dat een zekere Yasumaro, een man geleerd in het Chineesch, het opving van de lippen van een zekeren Hiyeda no Are, die een zóó voortreffelijk geheugen had, dat hij “met zijn mond kon herhalen al wat voor zijn oogen kwam, en in zijn hart alles opteekende, wat zijn oor trof.” Het is mogelijk, dat Hiyeda no Are één der Kataribe of “Voordragers” was, wier taak het was, “oude woorden” voor te dragen voor den Mikado aan het Hof van Nara bij zekere plechtige openbare gelegenheden.

De Kojiki en de Nihongi zijn de bronnen, waaruit wij de oorspronkelijke mythen en legenden van Japan hooren. In die boeken worden wij in kennis gesteld met Izanagi Bladzijde XIVen Izanami, Ama-terasu, Susa-no-o, en een groot aantal andere godheden, en die verheven wezens leveren de stof voor verhalen, die zoowel vreemdsoortig als schoon, zoogenaamd humoristisch en somtijds eenigszins gruwelijk zijn. Wat kan men zich naïever voorstellen dan de vrijerij van Izanagi en Izanami, die op het denkbeeld kwamen om een huwelijk aan te gaan, nadat zij twee kwikstaarten hadden zien paren? In die oude mythe zien wij de sporen van de meerderheid van den man over de vrouw, een meerderheid, die in Japan tot in den laatsten tijd is blijven bestaan, ongetwijfeld onderhouden door Kaibara’s Onna Daigaku “Grootere Kennis voor Vrouwen”. Maar in den lang voortgezetten twist tusschen de Godin der Zon en haar broeder, den Onstuimigen Jongeling, leggen de oude kroniekschrijvers den nadruk op de slechtheid van Susa-no-o; en Ama-terasu, een eigenaardige mengeling van het goddelijke en het vrouwelijke, wordt geschetst als een ideaal type eener Godin. Men leert haar kennen als een vrouw, die zich tot den oorlog toerust en vestingwerken maakt door op den grond te stampen, maar tevens wordt zij beschreven als een vrouw, die uit haar grot in een rots gluurt, om zich te spiegelen in den Heiligen Spiegel. Ama-terasu is de hoofdfiguur in de Japansche mythologie, immers van de Godin der Zon stammen de Mikado’s af. In den cyclus van legenden, bekend als het Tijdperk der Goden, maken wij kennis met de Heilige Schatten, ontdekken wij den oorsprong van den Japanschen dans, en wandelen in onze verbeelding door de Hooge Vlakte des Hemels, zetten den voet op de Drijvende Brug, treden het Middenland der Riet-Vlakte binnen, slaan een blik in het Land van Yomi, en volgen Prins Uitdoovend Vuur naar het Paleis van den Zeekoning. De oude helden en krijgslieden worden altijd beschouwd als Goden van minderen rang, en de aard van het Shintoïsme heeft die goden, ook in verband met de vereering der voorouders, met menige hoogst boeiende legende omstraald. Om zijn kracht, Bladzijde XVbedrevenheid, volhardingsvermogen en een gelukkige handigheid om alle mogelijke moeilijkheden te overwinnen door een sluwe en scherpzinnige manier van handelen, moet de Japansche held uit den aard der zaak een hooge plaats innemen onder de beroemde krijgshelden van andere landen. Er is iets buitengewoons ridderlijks in de Japansche helden, dat wel de bijzondere aandacht verdient. De dapperste mannen zijn zij, die als kampioenen optreden voor de zwakkeren en die alle soorten van slechtheid en tyrannie weten te verhelpen, en wij vinden in den Japanschen held, die er ver van af is een onbekookte snoever te zijn, die eigenschappen op de meest voortreffelijke wijze terug. Hij is niet steeds boven critiek verheven, en somtijds vinden wij in hem een zweem van sluwheid, maar zulk een karaktertrek is bijzonder zeldzaam, en is zeker geen nationale karaktertrek. Een ingeboren liefde voor poëzie en voor alles wat schoon is, heeft haar beschavenden invloed gehad op den Japanschen held, met dit gevolg, dat zijn kracht vereenigd is met zachtheid van karakter.

Benkei is één der meest beminnelijke Japansche helden. Hij had de kracht van verschillende mannen te zamen; zijn groote tact grensde aan het geniale, zijn zin voor humor was sterk ontwikkeld, en de meest liefhebbende onder de Japansche moeders kon niet meer vriendelijke zachtheid hebben getoond dan hij, toen de vrouw van zijn meester het leven schonk aan een kind.

Toen Yoshitsune en Benkei aan het hoofd van het leger van Minamoto de Taira totaal verslagen hadden in het zeegevecht van Dano-Ura, wekte de schitterende overwinning de afgunst op van den Shōgun, zoodat de twee groote veldheeren genoodzaakt waren, het land te verlaten. Wij volgen hen over de zee, over bergen, voortdurend hun talrijke vijanden verschalkend. Bij Matsue werd een groot leger uitgezonden tegen die ongelukkige strijders. De vuren der legerplaatsen strekten zich in een schitterende rij uit over de laatste plaats, waar Yoshitsune Bladzijde XVIen Benkei nog rust vonden. In een vertrek was Yoshitsune met zijn vrouw en jeugdig kind. De Dood stond in het vertrek gereed, en het was beter, dat de Dood zou komen op bevel van Yoshitsune, dan op bevel van den vijand buiten de deur. Zijn kind werd door een bediende gedood, en terwijl hij het hoofd van zijn geliefde vrouw onder den linkerarm nam, stootte hij zijn zwaard diep in haar nek. Na dit te hebben volbracht, pleegde Yoshitsune zelfmoord (hara-kiri).3 Benkei echter wachtte den vijand op. Hij stond met zijn groote beenen wijd uitgespreid, zijn rug tegen een rots gedrukt. Toen de dageraad aanbrak, stond hij nog altijd met uitgespreide beenen, terwijl zijn dapper lichaam door duizend pijlen was doorboord. Benkei was dood, maar vallen kon de krachtige held niet. De zon verrees over een man, die een ware held was, en die steeds getrouw was gebleven aan de eenmaal door hem uitgesproken woorden: “Waar mijn meester heengaat, hetzij ter overwinning, of in den dood, ik zal hem volgen.”

Japan is een bergachtig land, en in zulke landen verwachten wij een ras te zullen vinden van onverschrokken, dappere mannen, en het land der Rijzende Zon heeft ons dan ook menigen krijgsman geschonken, waardig gerangschikt te worden naast de Ridders van Koning Arthur. Meer dan één legende verhaalt van de vernietiging van duivels en booze geesten, en van de bevrijding van meisjes, die het ongeluk hadden hun gevangenen te zijn. De ééne held doodt een groot monster, dat op het dak van het paleis des Keizers neerhurkte, een ander doodt den Boozen Geest van Oyeyama, een ander stoot zijn zwaard in een reusachtige spin, weer een ander verslaat een slang. Alle Japansche helden, in welke onderneming zij ook betrokken zijn, vertoonen dien geest van avontuurlijkheid, die getrouwheid aan een eenmaal gekozen doel, die koele minachting voor gevaar en dood, die nog steeds ook in onzen tijd karakteristieke eigenschappen zijn van het Japansche volk. Bladzijde XVII

“De Bamboe-Snijder en het Maan-Meisje” (Hoofdstuk III) dankt zijn oorsprong aan een verhaal uit de tiende eeuw, Taketori Monogatari genaamd, en is het oudste voorbeeld van Japansche verdichting. De schrijver is onbekend, maar hij moet een grondige kennis gehad hebben van het hofleven in Kyōto. Al de karakters van die zoo bekoorlijke legende zijn Japansch, maar de meeste daarin voorkomende gebeurtenissen zijn ontleend aan China, een land, dat zoo rijk is aan schilderachtige feeën-verhalen. Dickins schrijft over de Taketori Monogatari: “Het kunstige en bevallige van de geschiedenis van de edele Kaguya is oorspronkelijk, haar ongedwongen pathos, haar natuurlijke liefelijkheid, zijn nergens aan ontleend, en in eenvoud, bekoorlijkheid en zuiverheid van gedachte, en uitdrukking heeft zij geen enkele mededingster onder de verdichtselen van het Middenrijk of van het Land der Waterjuffer.”

Wanneer men Japansche legenden bestudeert, wordt men voornamelijk getroffen door het universeele, dat haar kenmerkt, en door haar scherpe tegenstellingen. De meeste volken hebben de zon en de maan, de sterren en de bergen, en alle groote werken der Natuur als godheden vereerd; maar de Japanners hebben de roode bloesems der azalea’s beschreven als de vuren der Goden, en de witte sneeuw van den Fuji als de gewaden van Goddelijke Wezens. Hun legenden zijn in ieder geval zeer poëtisch, en zij, die den Berg Fuji vereerden, hadden ook spookachtige verhalen te vertellen over het nietigste insect. Niet genoeg kan de nadruk gelegd worden op de liefde van Japan voor de Natuur. De oudste mythen, in de Kojiki en de Nihongi medegedeeld, zijn van zeer veel belang, maar zij kunnen niet worden vergeleken met de latere legenden, die een ziel hebben geschonken aan boomen, bloemen en vlinders, of met de vrome overleveringen, die zoo teeder en toch zoo krachtig de goddelijke beteekenis der Natuur hebben geopenbaard. Het Feest der Bladzijde XVIIIDooden kon alleen zijn voortgekomen bij een volk, waarvoor het schoone de voornaamste steun en de vreugde van het leven is, immers dat feest is niets anders dan een aanmaning, om terug te keeren tot hun oude aardsche schuilplaatsen in den zomertijd, om over de groene heuvels te trekken, die met pijnboomen bedekt zijn, langs kronkelende paden te wandelen, langs meer en zeestrand, te vertoeven in oude, geliefde tuinen, en huizen binnen te treden, waar zij zooveel kunnen zien, zonder zelf gezien te worden. Voor het gemoed van den Japanner, voor hem, die nog den geest van Prins Yamato heeft behouden, is de meest vurige beschrijving van het Paradijs der Buddhisten niet zoo schoon als Japan gedurende den zomertijd.

Misschien is het maar gelukkig, dat de Japansche mythen, legenden, sprookjes en folklore niet uitsluitend poëtisch zijn, daar wij anders gevaar zouden loopen overladen te worden met te veel zoetigheid. Wij bewonderen de bogen van een Gothische Kathedraal niet minder, omdat wij een blik hebben geslagen op de monsterachtige waterspuwers aan den buitenkant van het gewijde gebouw; zoo vinden wij ook in de legenden van Japan vele groteske dingen, die in scherpe tegenstelling zijn met de overleveringen, verbonden aan den vriendelijken en liefhebbenden Jizō. Er is in de Japansche legenden een overvloed van ruw realisme. Wij worden afgestooten door den geliefkoosden maaltijd van den Dondergod, wij worden met verbazing vervuld door de toovermacht van vossen en katten; en de geschiedenis van “Hoïchi-zonder-ooren” en van den lijken-etenden priester zijn treffende voorbeelden van het samengaan van het betooverende met het afschuwelijke. In het ééne verhaal lachen wij om de grappen van een ketel, die kunsten vertoont, en in het andere worden wij bijna tot tranen toe bewogen, als wij van een ouden Japanschen beddedeken lezen, die fluisterde: “Mijn Oudere Broeder is waarschijnlijk koud? Ja, je bent waarschijnlijk koud?” Bladzijde XIX

Er zijn reeds verschillende boeken met Japansche sprookjes verschenen, maar nooit hebben wij tot nu toe een boek gehad, dat een zoo omvattende studie gaf over de mythen en legenden van een land, dat zoo rijk is aan wonderlijke en schoone overleveringen, en het is te hopen, dat het hier gegeven boek, het resultaat van veel heerlijken arbeid, een werkelijke bijdrage tot dit onderwerp zal zijn. Wij hebben geen poging gewaagd om een volledige verzameling Japansche mythen en legenden te verzamelen, omdat het aantal van deze als het ware ontelbaar is; maar wij hebben getracht met overleg een keuze te doen, die een juist denkbeeld van die mythen zal geven, en vele van de verhalen, in dit boek zullen voor de meeste lezers wel nieuw zijn.

Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven: “De sprookjeswereld pakte mijn ziel weer aan, zacht en liefelijk—zooals een kind een vlinder aanpakt”, en als ook wij ons in dien geest indenken, zullen wij reizen naar het Land der Goden, waar de groote Kōbō Daishi op de lucht en op het stroomende water, en zelfs op onze harten iets van de tooverkracht en de poëzie van Oud Japan zal schrijven. Met Kōbō Daishi tot gids zullen wij het verrijzen van den berg Fuji bijwonen, zullen wij wandelen in het Paleis van den Zeekoning en in het Land der Eeuwige jeugd, zullen wij de gevechten van machtige helden aanschouwen, luisteren naar de wijsheid van heiligen, de Hemelsche Rivier overtrekken op een brug van vogels, en ons, als wij vermoeid zijn, koesteren in de lange mouw van den eeuwiglachenden Jizō.

Uzume wekt de nieuwsgierigheid van Ama-terasu op

Uzume wekt de nieuwsgierigheid van Ama-terasu op


1 De Volle Erkenning van Japan, door Robert P. Porter.

2 Kroniek van Japan, voltooid in 720 n.C., behandelt op zeer belangwekkende wijze de mythen, legenden, poëzie en geschiedenis van de oudste tijden af tot aan het jaar 697 n.C.

3 De buik opensnijden.

Bladzijde 1

Hoofdstuk I. Het tijdperk der goden.

In het begin.

Volgens de overlevering waren in het eerste begin “Hemel en Aarde nog niet gescheiden, en de In en Yo nog niet verdeeld.” Dit doet ons denken aan andere verhalen omtrent het ontstaan der wereld. De In en Yo, die overeenkomen met de Chineesche Yang en Yin, waren het mannelijke en het vrouwelijke beginsel. Het was voor de oude Japansche schrijvers gemakkelijker, zich de schepping voor te stellen in termen, die niet zeer afweken van die, waarin zij zich de schepping voorstelden. In de Polynesische fabelleer vinden wij tamelijk wel dezelfde opvatting, waar Rangi en Papa Hemel en Aarde voorstellen; andere hiermede overeenkomende opvattingen worden ook gevonden in Egyptische en andere scheppingsverhalen. In bijna alle verhalen zien wij, hoe de mannelijke en de vrouwelijke beginsels een in het oog loopende, en trouwens ook zeer rationeele plaats innemen. In de Nihongi wordt ons medegedeeld, dat die mannelijke en vrouwelijke beginsels “een chaotische massa vormden als een ei, dat duister bepaalde grenzen had en kiemen bevatte.” Op een zeker oogenblik kwam dat ei tot leven, en het zuiverder en helderder gedeelte kwam er uit te voorschijn en vormde den Hemel, terwijl het zwaardere element zich afzette en de Aarde werd, hetgeen vergeleken werd “bij het drijven van een visch, die dartelt op de oppervlakte van het water.” Een geheimzinnige gedaante, die geleek op een riethalm, kwam plotseling te voorschijn tusschen Hemel en Aarde, en veranderde even plotseling in een God, Kuni-toko-tachi genaamd. Wij kunnen de overige goddelijke geboorten overslaan, totdat wij komen aan de gewichtige godheden, bekend als Izanagi en Izanami. (“De man, die uitnoodigt” en “de vrouw, die uitnoodigt”). Hierover is een verrukkelijke mythe gesponnen. Bladzijde 2

Izanagi en Izanami.

Izanagi en Izanami stonden op de Drijvende Brug van den Hemel en zagen in den afgrond neer. Zij vroegen elkander, of er ver beneden de groote Drijvende Brug een land gelegen was. Zij namen het besluit, daarnaar onderzoek te doen. Om dit te doen, lieten zij een juweelen speer neer en vonden zij den oceaan. Toen zij de speer iets optilden, droop er water af, dat stolde en het eiland Onogoro-jima (“Plotseling bevroren eiland”) werd.

Beide godheden daalden naar dat eiland af. Kort daarna verlangden zij man en vrouw te worden, hoewel zij uit den aard der zaak broeder en zuster waren; maar die bloedverwantschap is in het oosten nooit een reden geweest, die het huwelijk belette. De godheden richtten daarom een pilaar op het eiland op. Izanagi liep den éénen kant er omheen, Izanami den anderen kant. Toen zij elkander tegenkwamen, zeide Izanami: “Wat heerlijk! Ik heb een bekoorlijken jongeling ontmoet.” Men zou gedacht hebben, dat een dergelijke naïeve opmerking Izanagi genoegen zou hebben gedaan; maar hij werd er juist erg boos over, en hij antwoordde: “Ik ben een man, en ontleen daaraan het recht het eerst te mogen spreken. Hoe komt het echter, dat gij, een vrouw, het eerst hebt gesproken? Dat is ongelukkig. Laat ons nog eens rondgaan.” Zoo gingen de beide godheden opnieuw op weg. Zij ontmoetten elkander ten tweeden male, en nu maakte Izanagi de opmerking: “Hoe heerlijk! Ik heb een bekoorlijk meisje ontmoet.” Korten tijd na dat zoo vernuftige huwelijksaanzoek, traden Izanagi en Izanami in het huwelijk.

Toen Izanami het leven had geschonken aan eilanden, zeeën, rivieren, struiken en boomen, overlegde zij met haar meester en sprak zij: “Wij hebben nu het Groote-Acht-Eiland voortgebracht met de bergen, rivieren, kruiden en boomen. Waarom zouden wij niet iemand voortbrengen, die de Heer van het Heelal zal zijn?”

De wensch van die godheden werd vervuld, want op Bladzijde 3het geschikste tijdstip werd Ama-terasu, de Godin der Zon, geboren. Zij stond bekend als “de Hemel-Verlichtende Groote Godheid”, en was zóó buitengewoon schoon, dat haar ouders besloten, haar de Ladder des Hemels op te doen klimmen, ten einde in de hooge lucht voor eeuwig haar schitterenden zonneschijn op de aarde te doen stralen.

Hun volgende kind was de Maan-God, Tsuki-yumi. Zijn zilveren glans was niet zoo schoon als de gouden uitstraling van zijn zuster, maar hij werd niettemin waardig geacht, haar echtgenoot te zijn. Daarop klom ook de Maan-God de Ladder des Hemels op. Spoedig raakten zij in twist, waarop Ama-terasu zeide: “Gij zijt een boosaardige godheid. Ik moet u niet van aangezicht tot aangezicht zien.” Daarom werden zij een dag en een nacht van elkander gescheiden, en woonden zij afzonderlijk.

Het volgende kind van Izanagi en Izanami was Susa-no-o (“De Onstuimige Jongeling”). Wij zullen ons later nog met Susa-no-o en zijn verrichtingen bezig houden en ons voor het oogenblik tevreden stellen, onze aandacht te beperken tot zijne ouders.

Izanami schonk ook het leven aan den God van het Vuur, Kagu-tsuchi. De geboorte van dat kind maakte haar ernstig ziek. Izanagi knielde op den grond, bitter weenend en vreeselijk klagend. Maar zijn smart hielp hem niets, daar Izanami wegsloop naar het Land van Yomi (Hades).

Haar echtgenoot kon echter zonder haar niet leven, en ging ook naar het Land van Yomi. Toen hij haar ontdekte, zeide zij met diep leedwezen: “Mijn heer en echtgenoot, waarom komt gij zoo laat? Ik heb reeds gegeten van het kookfornuis van Yomi. Maar ik ben nu op het punt mij neder te leggen om te rusten. Ik smeek u, niet naar mij te zien.”

Izanagi, door nieuwsgierigheid bewogen, weigerde aan haar wensch te voldoen. Het was duister in het land van Yomi, daarom haalde hij zijn kam met vele tanden te voorschijn, brak een stuk af en stak dat aan. Het gezicht, dat Bladzijde 4hem begroette, was afgrijselijk en ontzettend afschuwwekkend. Zijn vroeger zoo schoone vrouw was nu een gezwollen schepsel geworden, bedekt met etterende zweren. Acht verschillende soorten van Dondergoden rustten op haar. De Donder van het Vuur, de Aarde en de Bergen gluurden op hem, en bulderden met ontzaglijke stemmen.

Izanagi verschrikte hevig en walgde van het gezicht, terwijl hij zeide: “Ik ben geheel onverwacht naar een afzichtelijk en bezoedeld land gekomen”. Zijn vrouw antwoordde: “Waarom hebt gij ook niet in acht genomen, wat ik u heb bevolen? Nu is schande over mij gekomen”.

Izanami was zóó verontwaardigd op haar echtgenoot, omdat hij haar afzondering niet had geëerbiedigd, dat zij de Acht Leelijke Vrouwen van Yomi uitzond om hem te vervolgen. Izanagi trok zijn zwaard en vluchtte naar de duistere streken van de Onderwereld. Onder het loopen nam hij zijn hoofddeksel af en wierp dat op den grond. Het veranderde onmiddellijk in een tros druiven. Toen de Leelijke Vrouwen dit zagen, bukten zij en aten van de overheerlijke, zoete vruchten. Izanami zag, dat zij stilhielden, en achtte het daarom verstandig, haar echtgenoot zelf te vervolgen.

Op dit oogenblik had Izanagi den Effen Doorgang van Yomi bereikt. Daar plaatste hij een groote rots, en kwam toevallig tegenover Izanami te staan. Men zou waarlijk niet gedacht hebben, dat Izanagi tijdens zulke opwindende avonturen plechtig een echtscheiding zou hebben uitgesproken. Maar toch was dit juist wat hij toen deed. Op zijn voorstel antwoordde zijn vrouw: “Mijn waarde meester en echtgenoot, als gij zoo spreekt, zal ik al wat leeft in één dag worgen”. Dit klagende, maar tevens dreigende antwoord oefende in het minst geen invloed uit op Izanagi, die onmiddellijk antwoordde, dat hij zou zorgen, dat op één dag niet minder dan vijftien honderd wezens zouden geboren worden.

Bovenstaand antwoord blijkt inderdaad beslissend geweest Bladzijde 5te zijn, immers als wij weer van Izanagi hooren spreken, is hij uit het Land van Yomi ontsnapt, en is hij een nijdige vrouw en de Acht Leelijke Vrouwen ontloopen. Nadat hij ontsnapt was, onderwierp hij zich aan een groot aantal afwasschingen, bij wijze van reiniging, en daaruit werden een groot aantal godheden geboren. Wij lezen in de Nihongi: “Daarna, toen Izanagi zijn goddelijke taak had volbracht en toen zijn geestelijke loopbaan op het punt stond een verandering te ondergaan, bouwde hij zich een sombere verblijfplaats op het eiland Ahaji, waar hij eeuwig in stilte en afzondering in het verborgene vertoefde.”

Ama-terasu en Susa-no-o.

Susa-no-o, of de “Onstuimige Jongeling”, was de broeder van Ama-terasu, de Godin der Zon. Susa-no-o was een zeer ongewenschte godheid, en in het Rijk der Japansche Goden was hij een beslist hinderlijk element. Zijn karakter is zeer duidelijk in de Nihongi geschetst, misschien zelfs duidelijker dan dat van eenige andere godheid, in die oude geschriften vermeld. Susa-no-o had een ontzettend slecht humeur, dat zich dikwijls openbaarde in een aantal wreede en onedele handelingen. Bovendien had hij, in weerwil van zijn langen baard, de gewoonte voortdurend te huilen en te jammeren. Als een ander kind in een gril een stuk speelgoed zou vernielen, zou de Onstuimige Jongeling, als hij in ziedende drift ontstoken was, zonder een oogenblik te waarschuwen het schoone groen der bergen doen verdorren, en bovendien een aantal menschen een ontijdigen dood doen sterven.

Zijn ouders, Izanagi en Izanami, waren door zijn wijze van optreden in groote zorgen; zij besloten dan ook, na ernstig met elkander te hebben overlegd, hun weerspannigen, ongezeglijken zoon naar het land van Yomi te verbannen. Maar Susa-no-o had ook een woordje in die zaak mede te spreken. Hij deed het volgende verzoek met de woorden: “Ik zal nu uwe bevelen gehoorzamen en naar Bladzijde 6het Onder-Land (Yomi) gaan. Vóór dien tijd wensch ik echter een korten tijd naar de Vlakte van den Hoogen Hemel te gaan en een onderhoud te hebben met mijn oudere zuster (Ama-terasu), waarna ik voor eeuwig zal verdwijnen”. Dit schijnbaar zoo onschuldige verzoek werd hem toegestaan, en Susa-no-o steeg op naar den Hemel. Zijn vertrek veroorzaakte een groote beweging der zee, en de heuvelen en bergen zuchtten zwaar. Ama-terasu hoorde nu dat leven, en toen zij bemerkte, dat daardoor de aanstaande komst van haar slechten broeder Susa-no-o werd aangekondigd, zeide zij bij zich zelf: “Komt mijn jongere broeder met goede bedoelingen hier? Ik denk, dat het zijn doel is, mij van mijn koninkrijk te berooven. Volgens de opdracht, die onze ouders hun kinderen hebben gegeven, heeft ieder van ons zijn hem uitsluitend toegewezen gebied. Waarom dus verwerpt hij het koninkrijk, waarheen hij zich heeft te begeven, en drijft hij de vermetelheid zoo ver, om hier te komen spionneeren?”

Ama-terasu maakte zich toen gereed voor den strijd. Zij bond zich het haar in knoopen, en hing er juweelen in, en om haar polsen “een prachtig snoer met vijfhonderd Yasaka juweelen.” Zij zag er ontzagwekkend uit, toen zij nog bovendien over haar rug een “pijlkoker met duizend pijlen” had geslagen en bovendien een tweeden “pijlkoker met vijfhonderd pijlen”, en toen zij daarbij nog haar armen had beschermd met een soort kussens, om het terugspringen van de pees van den boog zooveel mogelijk te dempen. Nadat zij zich aldus voor een doodelijken strijd had toegerust, zwaaide zij haar boog, greep het gevest van haar zwaard, en stampte telkens hard op den grond, totdat zij een gat had gemaakt, dat wijd genoeg was, om als verschansing dienst te doen.

Al die uitgewerkte en vernuftige voorbereidingen waren vergeefsch. De Onstuimige Jongeling deed zich volkomen voor als een boeteling. “Van het begin af”, zoo sprak hij, “is mijn hart niet zoo zwart geweest. Ik ben op het punt Bladzijde 7voor eeuwig naar het Onder-Land te vertrekken, hoe kon ik de gedachte verdragen, om te vertrekken, zonder nog eens voor het laatst, u, mijn oudere zuster, van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen? Om die reden ben ik te voet de wolken en nevelen doorgetrokken en ben ik van verren afstand hierheen gekomen. Het verbaast mij, dat mijn oudere zuster van haar kant een zoo strenge en stroeve houding tegen mij aanneemt.”

Ama-terasu hoorde die opmerking niet zonder eenig wantrouwen aan. De liefde van Susa-no-o voor zijn bloedverwanten was niet gemakkelijk in overeenstemming te brengen met zijn wreedheid. Daarom besloot zij zijn oprechtheid op de proef te stellen door een merkwaardige wijze van handelen, die wij hier niet behoeven te beschrijven. Voldoende zij het te zeggen, dat de zuiverheid van hart en de oprechtheid van den Onstuimigen Jongeling tegenover zijn zuster glansrijk te voorschijn kwamen.

Maar het goede gedrag van Susa-no-o was in werkelijkheid slechts van korten duur. Ama-terasu had juist een groot aantal voortreffelijke rijstvelden in den Hemel gemaakt. Enkele waren kort en andere waren lang, en Ama-terasu was terecht trotsch op die rijstvelden. Maar nauwelijks had zij het zaad in de lente gezaaid, of Susa-no-o vernielde de scheidingen tusschen de velden en liet in den herfst een aantal bonte veulens los.

Op zekeren dag, toen hij zijn zuster zag in de heilige Weef-Zaal, terwijl zij bezig was de kleederen der Goden te weven, maakte hij een opening in de zoldering en wierp hij een gevild paard naar beneden. Ama-terasu was zóó verschrikt, dat zij zich bij ongeluk aan de weversspoel bezeerde. In woede ontstoken, besloot zij haar verblijfplaats te verlaten; haar glinsterende kleederen daarom bijeengarend, kroop zij de blauwe lucht af, trad een grot binnen, maakte die stevig dicht, en bleef daar in eenzaamheid achter.

De wereld was nu in duisternis gehuld, en men kende geen wisseling meer van dag en nacht. Toen die ontzettende Bladzijde 8ramp had plaats gegrepen, verzamelden zich de Tachtig Myriaden Goden aan den oever der Rivier van den Hemel, en bespraken samen, hoe zij het best Ama-terasu konden overreden, om den Hemel weer op nieuw te begunstigen met haar schitterende glorie. Geen mindere Godheid dan de “Gedachten-bijeenvoegende” bracht na diepzinnig overleg een aantal zangvogels bijeen uit het Eeuwige Land. Na een aantal tooverformulieren met een bot van een hertepoot over een vuur van schors van een kerseboom, vervaardigden de Godheden een aantal gereedschappen, blaasbalgen en smidsen. Sterren werden samengesmeed om een spiegel te vormen, en ten slotte werden edelgesteenten en muziekinstrumenten vervaardigd.

Toen dit alles behoorlijk voltooid was, kwamen de Tachtig Myriaden Goden naar beneden naar de grot in de rots, waar de Zon-Godin verborgen was, en gaven een goed bestudeerde voorstelling. Aan de bovenste takken van den Echten Sakaki Boom hingen zij de kostbare juweelen, en aan de middelste takken den spiegel. Aan iederen kant was er een luid gezang van vogels, wat slechts het voorspel was van wat moest volgen. Nu nam Uzume (“Hemelsch-verontrustende-vrouw”) een speer in haar hand, bekranst met Eulalia gras, en maakte een kapsel van den Echten Sakaki Boom. Daarna zette zij een tobbe omgekeerd neer, en begon op bijzonder onwelvoegelijke wijze te dansen, totdat de Tachtig Myriaden Goden in lachen uitbarstten.

Dergelijke merkwaardige en buitengewone handelingen wekten natuurlijk de nieuwsgierigheid op van Ama-terasu, en zij kwam dus te voorschijn. Op nieuw werd de wereld door haar tegenwoordigheid in goudglans gehuld. Op nieuw hield zij verblijf in de Vlakte van den Hoogen Hemel, en Susa-no-o werd behoorlijk gekastijd en naar het Yomi Land verbannen.

Susa-no-o en de Slang.

Bij de gewone tegenstrijdigheid van mythen en legenden, Bladzijde 9behoeft het ons niet te verbazen, dat nergens meer eenige melding wordt gemaakt van het leven van Susa-no-o in het Land van Yomi. Als wij hem weer terugzien, is het buiten eenig verband met zijn gewonen, boosaardigen aanleg. Wij vinden hem juist terug in een rol, die de Ridders van de Ronde Tafel waardig is. Wij zijn volkomen in onzekerheid, of zijn plotseling optreden als dolende ridder een listige zet van zijn kant was met het oog op latere plannen, dan wel of het plotselinge verdwijnen van zijn zuster uit den Hemel hem er toe geleid heeft, voor goed zijn wijze van handelen te veranderen.

Toen Susa-no-o uit den Hemel was afgedaald, kwam hij aan de rivier Hi, in de provincie Idzumo. Hier werd hij gestoord door een weenend geluid. Het was iets zóó ongewoons, een ander dan hem zelf te hooren weenen, dat hij er dadelijk op uittrok, om de oorzaak dier droefheid op te sporen. Spoedig ontdekte hij een ouden man en een oude vrouw. Zij hadden een jong meisje tusschen zich in, dat zij hartelijk liefkoosden en met medelijdende oogen aanstaarden, alsof zij haar met tegenzin een laatst vaarwel toeriepen. Toen Susa-no-o het oude paar vroeg, wie zij waren en waarom zij zoo weeklaagden, antwoordde de oude man: “Ik ben een Aardsche Godheid, en mijn naam is Ashi-nadzuchi (‘Voet-slag-oude’). De naam van mijn vrouw is Te-nadzuchi (‘Hand-slag-oude’). Dit meisje is onze dochter, en haar naam is Kushi-nada-hime (‘Bewonderenswaardige-Inada-Prinses’). De reden van onze droefheid is, dat wij vroeger acht kinderen, allen dochters, bezeten hebben; maar ieder jaar is er ééne verslonden door een achttakkige slang, en nu nadert de tijd, dat dit meisje zal worden verslonden. Er is geen kans voor haar, om hieraan te ontkomen, en daarom zijn wij zoo vreeselijk bedroefd.”

De Onstuimige Jongeling luisterde met de grootste aandacht naar dit droevige verhaal, en daar hij zag, dat het meisje bijzonder schoon was, bood hij zich aan, om de Bladzijde 10achttakkige slang te dooden, als haar ouders haar hem ten huwelijk wilden geven als een passende belooning voor zijn diensten. Dit verzoek werd bereidwillig toegestaan.

Susa-no-o en Kushi-nada-hime

Susa-no-o en Kushi-nada-hime

Susa-no-o veranderde nu Kushi-nada-hime in een kam met veel tanden en stak dien in zijn haar. Daarop verzocht hij het oude echtpaar, een ruime hoeveelheid saké te brouwen. Toen de saké gereed was, goot hij het brouwsel in acht kuipen en wachtte de komst van het vreeselijke monster af.

Eindelijk kwam de slang. Zij had acht koppen, en oogen rooder dan wintergroen. Bovendien had zij acht staarten, en dennen en cypressen groeiden op haar rug. Zij had een lengte van acht heuvels en acht valleien. Haar logge wijze van beweging was uit den aard der zaak langzaam, maar toen zij de saké ontdekte, dronk iedere kop gretig den verleidelijken drank, totdat de slang vreeselijk dronken werd en in slaap viel. Daar Susa-no-o toen weinig meer had te vreezen, trok hij zijn zwaard, dat tien span groot was, en hakte hij het groote monster in kleine stukken. Toen hij één der staarten trof, werd zijn zwaard gekorven en toen hij zich daar overheen bukte, ontdekte hij een zwaard, dat de Murakumo-no-Tsurugi genoemd werd. Toen hij zag, dat het een goddelijk zwaard was, gaf hij het aan de Goden van den Hemel.

Nadat hij zijn taak met den besten uitslag had volbracht, veranderde Susa-no-o zijn kam met vele tanden weer in Kushi-nada-hime, en kwam tenslotte in Suga, dat gelegen was in de provincie Idzumo, teneinde zijn huwelijk te kunnen sluiten. Hier vervaardigde hij het volgende gedicht:

“Vele wolken verrijzen,
Aan alle zijden een veelvuldige heining,
Om daarbinnen de bruiden te ontvangen,
Zij vormen een veelvuldige heining—
O! die veelvuldige heining!”

Nihongi.

De Goddelijke Boden.

In die dagen ontdekten de Goden, die in de Hooge Vlakte van den Hemel verzameld waren, dat er in het Bladzijde 11Middenland van Riet-Vlakten (Idzumo) voortdurend rustverstoringen waren. Men verhaalt, dat “Vlakten, de rotsen, boomstammen en grassen nog steeds het vermogen hebben te spreken. Des nachts maken zij een geraas gelijk aan dat van vurige vlammen; over dag dwarrelen zij heen en weer als vliegen in de vijfde maand.” Bovendien waren er enkele godheden, die aanleiding gaven tot klachten. De Goden besloten aan die rustverstoringen een einde te maken, en na ernstig overleg besloot Taka-mi-musubi, zijn kleinzoon Ninigi naar beneden te zenden, om het Middenland van Riet-Vlakten te besturen, ten einde den oproerigen geest uit te roeien en vrede en voorspoed in het land te brengen. Het werd noodzakelijk geacht boden te zenden, om reeds te voren den weg te effenen. De eerste afgezant was Ama-no-ho; maar daar hij drie jaar doorbracht in dat land zonder aan de Goden verslag te doen, werd zijn zoon in zijn plaats gezonden. Hij handelde volkomen als zijn vader, en tartte de bevelen der Hemelsche Goden. De derde bode was Ame-waka (“Hemel-jonge-Prins”). Ook hij was trouweloos, in weerwil van zijn edele wapens, en in plaats van zijn plichten te vervullen, werd hij verliefd op Shita-teru-hime (“Mindere-glans-Prinses”) die hij zich tot vrouw nam.

De verzamelde Goden waren verontwaardigd over dat vertoef, en zonden een fazant naar beneden, om na te gaan en te onderzoeken, wat er in Idzumo gaande was. De fazant ging zitten op een cassiaboom voor de deur van Ame-waka. Toen Ame-waka den vogel zag, schoot hij hem onmiddellijk dood. De pijl drong door den vogel heen, steeg op tot de Verblijfplaats der Goden, en werd weer teruggeslingerd, zoodat hij den trouweloozen en luien Ame-waka doodde.

Het geween van Mindere-glans-Prinses bereikte den Hemel, immers zij had haar echtgenoot innig lief en herkende in zijn plotselingen dood volstrekt niet de rechtvaardige wraak der Goden. Zij weende zóó luide en zóó hartverscheurend, dat de Hemelsche Goden haar hoorden. Bladzijde 12Een krachtige wind daalde neer, die het lichaam van Ame-waka naar de Hooge Vlakte van den Hemel heendreef. Een doodenhuis werd gemaakt, waarin de overledene gelegd werd. Gedurende acht dagen en acht nachten weerklonk het gejammer en het geween. De wilde gans in de rivier, de reiger, de ijsvogel, de musch en de fazant treurden met groote droefenis.

Het geschiedde nu, dat een vriend van Ame-waka, Aji-shi-ki genaamd, de treurige klaagliederen hoorde, die van den Hemel neerdaalden. Hij betuigde daarom zijn deelneming in de droefenis. Hij geleek echter zóózeer op den overledene, dat de ouders, bloedverwanten, vrouw en kinderen van Ame-waka, toen zij hem zagen, uitriepen: “Onze heer is nog in leven!” Dit hinderde Aji-shi-ki zóó zeer, dat hij zijn zwaard trok en het doodenhuis neerhaalde, zoodat het op de Aarde neerviel en de berg Moyama werd.

Men zegt, dat het licht, dat Aji-shi-ki uitstraalde, zóó schitterend was, dat het de oppervlakte van twee heuvels en twee valleien verlichtte. Zij, die voor de lijkplechtigheden bijeengekomen waren, zongen het volgende gezang:

“Zooals het snoer juweelen
Gedragen om den hals
Der Wevende maagd,
Die in den Hemel woont—
O! de glans der juweelen,
Over twee valleien geworpen
Door Aji-suki-taka-hiko-ne!”

“Naar den vijver ter zijde—
Den vijver ter zijde
Van den rotsigen stroom,
Welks geulen worden doortrokken
Door de landmeisjes
Ver van den Hemel,
Kom hierheen, kom hierheen!
(De vrouwen zijn schoon)
En spreid dan uw net
In den vijver ter zijde
Van den rotsigen stroom.”

Nihongi.

Er werden toen weer twee andere goden naar het Middenland van Riet-Vlakten gezonden, en die Goden slaagden Bladzijde 13in hun zending. Zij keerden met een gunstig verslag naar den Hemel terug, en deelden mede, dat alles nu gereed was voor de komst van het Verheven Kleinkind.

De komst van het Verheven Kleinkind.

Ama-terasu begiftigde haar kleinzoon Ninigi, of Prins Rijst-Aar-Rossig-Overvloed, met ruime giften. Zij schonk hem kostbare steenen van de bergtrappen des Hemels, witte kristallen ballen, en, wat de kostbaarste gift van alle was, het goddelijke zwaard, dat Susa-no-o in de slang had ontdekt. Zij gaf hem eveneens den sterrenspiegel, waarin zij gekeken had, toen zij uit haar grot gluurde. Verschillende godheden vergezelden Ninigi, en daaronder was ook die opgewekte, vroolijke en dansende maagd Uzume begrepen, wier dansen, zooals men zich zal herinneren, de Goden zooveel vreugde had verschaft.

Ninigi en zijn metgezellen waren nauwelijks door de wolken heengebroken, en aan den Weg naar den Hemel met zijn acht vertakkingen gekomen, toen zij tot hun groote ontsteltenis een reusachtig wezen ontdekten, met groote en helder schijnende oogen. Zijn uiterlijk was zóó schrikwekkend, dat Ninigi en al zijn metgezellen, met uitzondering van de vroolijke en betooverende Uzume, zich opmaakten om terug te keeren en hun zending in den steek te laten. Maar Uzume ging naar den reus toe en vroeg hem, wie het was, die hun tocht durfde tegenhouden. De reus antwoordde: “Ik ben de Godheid der Veldwegen. Ik kom mijn hulde bieden aan Ninigi, en verzoek de eer te mogen hebben, hem tot gids te strekken. Keer naar uw meester terug, o schoone Uzume, en breng hem de boodschap over.”

Uzume keerde daarop terug en bracht haar boodschap over aan de Goden, die op zoo lafhartige wijze teruggeweken waren. Toen zij het goede nieuws hoorden, verheugden zij zich zeer, braken ten tweede male door de wolken heen, rustten uit op de Drijvende Brug van den Hemel, en bereikten eindelijk den top van Takachihi. Bladzijde 14

Het Verheven Kleinkind reisde, met de Godheid der Veldwegen als gids, van het ééne deel van het rijk waarover hij zou regeeren, naar het andere. Toen hij een bijzonder liefelijke plaats had bereikt, bouwde hij een paleis.

Nigini was zóó ingenomen met den dienst, dien de God der Veldwegen hem had bewezen, dat hij dien reus de vroolijke Uzume tot vrouw gaf.

Nadat Nigini op zoo romantische wijze zijn trouwen gids had beloond, begon hij ook zelf het ontbranden van het liefdevuur in zijn borst te voelen, toen hij op zekeren dag, op een wandeling langs de kust een bijzonder lieftallig meisje zag. “Wie zijt gij, o schoone dame?” vroeg Ninigi. Zij antwoordde: “Ik ben de dochter van den Bezitter van den Grooten Berg. Mijn naam is Ko-no-Hana, de Prinses die de Bloemen en Boomen doet bloeien.”

Ninigi werd verliefd op Ko-no-Hana. Met allen spoed ging hij naar haar vader, Oho-yama, en verzocht dezen, hem wel haar hand te willen schenken.

Hoori en de Dochter van den Zeegod

Hoori en de Dochter van den Zeegod

Oho-yama had een oudere dochter, Iha-Naga, Prinses Lang-als-de-Rotsen. Zooals haar naam doet vermoeden, was zij volstrekt niet schoon, maar haar vader wenschte, dat de kinderen van Ninigi eeuwig zouden blijven leven zooals de rotsen. Daarom bracht hij zijn beide dochters naar Ninigi, en sprak hij de hoop uit, dat de keuze van den minnaar op Iha-Naga zou vallen. Evenals Asschepoester, en niet haar leelijke zusters, bij de kinderen van onze streken geliefd is, zoo bleef ook Ninigi trouw aan zijn oorspronkelijke keuze, en wilde zelfs geen blik slaan op Iha-Naga. Deze veronachtzaming maakte Prinses Lang-als-de-Rotsen vreeselijk boos. Zij riep met meer heftigheid dan bescheidenheid uit: “Als gij mij hadt gekozen, zoudt gij en uw kinderen lang in het land hebben geleefd. Nu gij mijn zuster hebt gekozen, zult gij met de uwen even snel omkomen als de bloesems der boomen, en even snel als de jeugdige frischheid op het gelaat van mijn zuster.”

Toch leefde Ninigi en Ko-no-Hana een tijdlang samen Bladzijde 15gelukkig; maar op zekeren dag werd Ninigi door jaloerschheid bevangen, waardoor hij zijn gemoedsrust verloor. Hij had geen enkele reden, jaloersch te zijn, en Ko-no-Hana nam hem zijn optreden ten hoogste kwalijk. Zij trok zich terug in een houten hut, die zij in brand stak. Uit de vlammen verrezen drie kleine jongens. Wij behoeven ons alleen maar bezig te houden met twee van hen—Hoderi (“Schijnend-Vuur”) en Hoori (“Uitdoovend-Vuur”). Zooals wij later zullen zien, was Hoori de grootvader van den eersten Mikado van Japan.

In het Paleis van den Zeegod.

Hoderi was een groot visscher, terwijl zijn jongere broeder, Hoori, een volleerd jager was. Op zekeren dag riepen zij uit: “Laat ons bij wijze van proef onze gaven omruilen.” Dit deden zij, maar de oudste broeder, die zeer goed visch kon vangen, kwam thuis zonder eenig wild, toen hij op de jacht was getrokken. Hij gaf dus den boog en de pijlen terug, en vroeg zijn broeder om den vischhaak. Het ongeluk wilde echter, dat Hoori den vischhaak van zijn broeder had verloren. Het edelmoedige aanbod, om een nieuwen haak te geven, werd met minachting geweigerd. Hij weigerde eveneens, een boordevollen bak met vischhaken aan te nemen. De oudere broeder antwoordde op dit aanbod: “Onder deze haken zie ik niet mijn ouden vischhaak; hoewel er heel wat zijn, wil ik ze niet hebben.”

Hoori nu was diep bedroefd over de norschheid van zijn broeder; daarom ging hij naar het strand der zee en gaf daar uiting aan zijn droefheid. Een vriendelijke oude man, Shiko-tsutsu no Oji genaamd (“Zoute-zee-oude”), zeide: “Waarom treurt gij hier?” Toen hij het droeve verhaal had vernomen, antwoordde de oude man: “Treur niet langer. Ik zal die zaak voor u in orde brengen.”

Getrouw aan zijn belofte, maakte de oude man een mand, zette Hoori daarin, en deed die in zee zinken. Toen Hoori diep in het water was neergedaald, kwam hij aan Bladzijde 16een liefelijk strand, dat rijk was aan verschillende soorten zeegras van de meest fantastische vormen. Hier liet hij de mand achter en kwam eindelijk aan het Paleis van den Zeegod. Dit paleis maakte een ontzaglijken indruk. Het had kasteelen, kleine torentjes en statige torens. Een bron stond aan de deur, en boven die bron stond een cassiaboom. Hier bleef Hoori in de heerlijke schaduw vertoeven. Hij had daar niet lang gestaan, toen een schoone vrouw te voorschijn trad. Toen zij op het punt was, water te scheppen, hief zij haar oogen op, zag den vreemdeling en vertrok weer onmiddellijk met groote ontsteltenis, om haar vader en moeder te vertellen, wat zij gezien had.

De Zeegod maakte, toen hij het bericht vernam, een “achtvoudig kussen” en leidde den vreemdeling naar binnen met de vraag, waaraan hij de eer van zijn tegenwoordigheid te danken had. Toen Hoori hem het droevige verlies mededeelde van den vischhaak van zijn broeder, verzamelde de Zeegod alle visschen van zijn Koninkrijk, “zoowel die met breede, als die met smalle vinnen”. En toen de duizenden en duizenden visschen verzameld waren, vroeg hen de Zeegod, of zij iets afwisten van den verloren vischhaak. “Wij weten er niets van”, antwoordden de visschen. “Alleen de Roode-vrouw (de tai) had eenigen tijd geleden een zeeren mond, en zij is niet verschenen.” Daarop werd zij ontboden, en toen haar mond werd geopend, werd de verloren vischhaak ontdekt.

Hoori trouwde daarop met de dochter van den Zeegod, Toyo-tama (“Rijk-Juweel”), en zij leefden samen in het paleis onder de zee. Gedurende drie jaren ging alles best, maar daarna kreeg Hoori heimwee, en wilde hij zoo gaarne een blik slaan op zijn land, misschien ook herinnerde hij zich, dat hij den vischhaak nog aan zijn broeder moest teruggeven. Deze volstrekt niet onnatuurlijke gedachten verontrustten het hart van de liefhebbende Toyo-tama, en zij ging naar haar vader, om hem de reden van haar droefheid mede te deelen. Maar de Zeegod, die altijd wellevend Bladzijde 17en hoffelijk was, nam het gedrag van zijn schoonzoon volstrekt niet kwalijk. Integendeel, hij gaf hem den vischhaak en zeide: “Als gij dezen vischhaak aan uw ouderen broeder geeft, zeg dan tegen dien vischhaak heimelijk: ‘Een ongelukkige vischhaak!’” Evenzoo schonk hij Hoori den Juweel van het Stijgende Water en dien van het Vallende Water en zeide: “Als gij den Juweel van het Stijgende Water onderdompelt, zal het water plotseling wassen, en zult gij uw ouderen broeder onder water doen zinken. Maar voor het geval uw oudere broeder berouw heeft en vergiffenis vraagt, zal, als gij den Juweel van het Vallende Water onderdompelt, het water plotseling dalen, en zult gij hem dus redden. Indien gij hem op die manier bejegent, zal hij zich uit eigen beweging onderwerpen.”

Juist toen Hoori op het punt stond te vertrekken, kwam zijn vrouw bij hem en deelde hem mede, dat zij hem spoedig een kind zou schenken. Zij zeide: “Op een dag, waarop de winden en de golven woeden, zal ik vast en zeker naar het strand der zee komen. Bouw voor mij een huis, en wacht daar op mij.”

Hoderi en Hoori verzoenen zich.

Toen Hoori zijn eigen huis bereikte, vond hij zijn ouderen broeder weer, die zijn beleediging erkende en om vergiffenis smeekte, welke hem gaarne werd verleend.

Toyo-tama en haar jongere zuster trotseerden dapper de winden en golven en kwamen aan het strand der zee. Daar had Hoori een hut gebouwd, gedekt met veeren van den vischdief, en daar schonk zij op den juisten tijd het leven aan een zoon. Toen Toyo-tama haar meester met kroost had gezegend, veranderde zij in een draak en gleed zij weer in zee terug. De zoon van Hoori huwde met zijn tante, en werd de vader van vier kinderen, van wie één Kamu-Yamato-Iware-Biko was, van wien men verhaalt, dat hij de eerste menschelijke Keizer van Japan was, thans bekend onder den naam van Jimmu Tennō. Bladzijde 18

Hoofdstuk II. Helden en Krijgslieden.

Yorimasa.

Langen tijd geleden werd een zekere keizer ernstig ziek. Hij kon des nachts niet slapen, het gevolg van een afschuwelijk en onverklaarbaar geluid, dat hij hoorde, en dat afkomstig was van het dak van het paleis, dat de Purperen Zaal van de Noordster heette. Een groot aantal van zijn hovelingen besloten op de loer te gaan liggen, teneinde dien vreemden nachtelijken bezoeker op te wachten. Zoodra de zon onderging, ontdekten zij, dat een donkere wolk opsteeg aan den oostelijken horizon, en neerkwam op het dak van het paleis. Zij, die de wacht hielden in het keizerlijk slaapvertrek, hoorden bijzondere krabbelende geluiden, alsof dat wat oorspronkelijk een wolk scheen te zijn, plotseling veranderd was in een beest met reusachtige en krachtige klauwen. Nacht op nacht kwam de vreeselijke bezoeker, en nacht op nacht werd de keizer hoe langer hoe zieker. Eindelijk nam zijn ziekte zóózeer toe, dat allen, die in zijn dienst waren, duidelijk zagen, dat de keizer zeker zou sterven, als niet iets kon gedaan worden, om dat monster te verdelgen.

Eindelijk werd uitgemaakt, dat Yorimasa de eenige ridder in het rijk was, die dapper genoeg was, om Zijne Majesteit te verlossen van die ontzettende beproeving. Yorimasa maakte dan ook met zorg gekozen voorbereidselen voor den strijd. Hij nam zijn besten boog en zijn beste pijlen met stalen punten, trok zijn wapenrusting aan, waarover hij een jachtkleed droeg, en zette een deftige muts op in plaats van zijn gewonen helm.

Yorimasa doodt het monster

Yorimasa doodt het monster

Tegen zonsondergang legde hij zich buiten in een hinderlaag. Terwijl hij daar afwachtte, wat zou geschieden, ratelde de donder boven zijn hoofd, flikkerde de bliksem in de lucht en loeide de wind als een bende woeste demonen. Maar Yorimasa was een dapper man, en de Bladzijde 19woede der elementen ontmoetigde hem niet in het minst. Toen het middernacht werd, zag hij hoe een zwarte wolk door de lucht heenvloog, en zich nederzette op het dak van het paleis. Zij bleef liggen op den noordoostelijken hoek. Nog eens flikkerde de bliksem in de lucht, en nu zag hij de flikkerende oogen van een ontzaglijk dier. Na de juiste plaats van dit vreemde monster met zorg te hebben vastgesteld, spande hij zijn boog, totdat deze even rond was als de volle maan. In een volgend oogenblik trof zijn pijl met stalen punt het doel. Er werd een vreeselijk gebrul van woede gehoord, en daarna een vreeselijke smak, toen het ontzaglijke monster van het dak van het paleis op den grond viel.

Yorimasa en zijn makker holden vooruit en doodden het monster, dat zij vóór zich zagen. Dat groote monster van den nacht was zoo groot als een paard. Het had den kop van een aap, en zijn lichaam en zijn klauwen waren als die van een tijger, terwijl het den staart had van een slang en de vleugels van een vogel en de schubben van een draak.

Het is niet te verwonderen, dat de keizer bevel gaf, dat de huid van dat monster ten eeuwigen dage als een merkwaardigheid in de keizerlijke schatkamer moest worden bewaard. Van het oogenblik af, dat het monster dood was, verbeterde de gezondheid van den keizer snel, en Yorimasa werd voor zijn diensten beloond door de aanbieding van een zwaard, Shishiwo genaamd, wat beteekent “de Koning der Leeuwen”. Hij kreeg bovendien een hoogeren rang aan het Hof, en huwde ten slotte de Edele Ayame, de schoonste der hofdames aan het Keizerlijke Hof.

Yoshitsune en Benkei.

Wij kunnen Yoshitsune vergelijken met den Zwarten Prins of Hendrik V, en Benkei met Little John, Will Scarlet en Friar Tuck1 in één vereenigd. Yoshitsune zou een zeer bijzondere held genoemd kunnen worden, als niet zijn Bladzijde 20getrouwe wapendrager, Benkei, eveneens in de Japansche geschiedenis en legende een rol had gespeeld. Maar thans zijn wij gedwongen toe te geven, dat Benkei verreweg de grootste held was. Hij stak niet alleen in lichaamsbouw boven zijn makkers uit, maar hij overtrof zijn broederen ook in dapperheid, slimheid, redzaamheid, en bovendien in bewonderenswaardige teederheid van gemoed. Hier had men een man, die met het grootste gemak honderd man kon verslaan, en met dezelfde rustige zekerheid de Buddhistische geschriften kon verklaren. Hij kon over Yoshitsune weenen, toen hij het om strategische overwegingen noodig achtte, hem hard te slaan en kon met oneindige teederheid hulp verleenen, toen de vrouw van zijn meester het leven schonk aan een zoon. Er was nog een andere trek in het wisselende karakter van Benkei—zijn lust, om er iemand in te laten loopen. De geschiedenis met den bel van Miidera2 kan tot bewijs hiervoor gelden, en evenzoo het rijke feest op kosten van een aantal priesters; maar als hij iemand er in had laten loopen, aarzelde hij nooit ten volle het gelag te betalen. Benkei merkte bij zekere gelegenheid op: “Als er geloot moet worden, zorgt mijn meester er wel voor, dat ik het kind van de rekening ben.” Dit was ongetwijfeld waar. Benkei stelde er altijd een eer in, het vuile werk te doen, en als zijn meester hem vroeg, iets voor hem te verrichten, was Benkei’s eenige klacht, dat de taak niet zwaar genoeg was, hoewel die taak in den regel werkelijk zóó gevaarlijk was, dat zij een dozijn minder begaafde helden zou hebben vrees aangejaagd.

Het verhaal zegt, dat Benkei reeds bij zijn geboorte lang haar had en een volledig stel tanden, en dat hij bovendien zoo snel kon loopen als de wind. Benkei was te forsch voor een gewoon Japansch huis. Als hij het aanbeeld van Jinsaku sloeg, zonk dat nuttige voorwerp diep in de aarde, en als brandhout droeg hij een grooten pijnboom aan. Toen Benkei zeventien jaar oud was, werd hij priester in een Bladzijde 21Buddhistischen tempel; maar dit belette hem niet, een schoone jonge maagd, Tamamushi genaamd, op opzienbarende wijze te schaken. Wij zien onzen held zich spoedig losbreken uit het priesterschap en uit de liefde, en zijn volle aandacht wijden aan de opwekkende avonturen van een krijgsman, die buiten de wet stond. Wij moeten hem hiervoor een korten tijd in den steek laten, en eerst de geschiedenis verhalen van Yoshitsune, ten einde duidelijk te maken, hoe hij het groote geluk had, Benkei te ontmoeten en zich van diens hulp en vriendschap te verzekeren tot aan zijn dood.

Yoshitsune en de Taira.

De vader van Yoshitsune, Yoshitomo, was gesneuveld in een grooten slag tegen de Taira. In dien tijd was de Taira-stam oppermachtig, en zijn wreede aanvoerder, Kiyomori, deed alles wat hij kon, om de kinderen van Yoshitomo uit den weg te ruimen. Maar de moeder van die kinderen, Tokiwa, vluchtte naar een schuilplaats, waarheen zij ook haar kleinen medevoerde. Met karakteristieken Japanschen moed stemde zij er eindelijk in toe, de vrouw te worden van den gehaten Kiyomori. Zij deed dit, omdat dit de eenige was, om het leven van haar kinderen te sparen. Het werd haar geoorloofd, Yoshitsune bij zich te houden, en dagelijks fluisterde zij hem toe: “Gedenk uw vader, Minamoto Yoshitomo! Word krachtig en wreek zijn dood, want hij is gestorven door de hand der Taira.”

Toen Yoshitsune zeven jaar oud was, werd hij naar een klooster gezonden, om als monnik te worden opgeleid. Hoewel hij ijverig was in zijn studies, bewaarde de jonge knaap voortdurend de onverschrokken woorden van zijn dappere, zelfopofferende moeder in zijn hart. Zij wekten hem op en bezielden hem tot daden. Hij placht naar een bepaalde vallei te gaan, waar hij zijn klein houten zwaard zwaaide, en onder het zingen van gedeelten uit krijgszangen, uitviel tegen rotsen en steenen, in de Bladzijde 22hoop, dat hij in de toekomst een groot krijgsman mocht worden, en al de rampen en ongerechtigheden die door den Taira-stam op zijn familie waren opgehoopt, kon wreken en goedmaken.

In zekeren nacht werd hij, terwijl hij daarmede bezig was, door een hevige onweersbui overvallen, en zag hij een ontzaglijken reus vóór zich met een langen rooden neus en groote fonkelende oogen, met klauwen als van een vogel, en gevederde vleugels. Terwijl hij dapper stand hield, deed Yoshitsune navraag, wie die reus was, en werd hem medegedeeld, dat het de Koning der Tengu was—dat wil zeggen, de Koning der kaboutermannetjes uit de bergen, levendige wezentjes, die zich herhaaldelijk bezig hielden met allerlei fantastische streken.

De Koning der Tengu was Yoshitsune zeer vriendelijk gezind. Hij zeide, dat hij zijn volharding bewonderde, en deelde hem mede, dat hij voor hem was verschenen met de vriendelijke bedoeling, hem alles te leeren, wat op het gebied der krijgskunde kon worden geleerd. Het onderwijs vorderde op de meest bevredigende wijze, en het duurde niet lang, of Yoshitsune kon minstens twintig kleine tengu overwinnen, en die groote vlugheid kwam Yoshitsune goed te pas, zooals wij verder in dit verhaal zullen zien.

Toen nu Yoshitsune vijftien jaar oud was, hoorde hij dat op den berg Hiei een bijzonder woeste bonze (priester) leefde, Benkei genaamd. Benkei had een tijd lang ridders belaagd, die de Gojo Brug van Kyōto overtrokken. Zijn wensch was, duizend zwaarden te bemachtigen, en hij was zóó dapper, en tevens zulk een schurk, dat hij op ridders niet minder dan negenhonderd negen en negentig zwaarden op onwettige wijze had veroverd. Toen het bericht hiervan de ooren van Yoshitsune had bereikt, besloot hij van het onderwijs van den Koning der Tengu een goed gebruik te maken, om dien Benkei te dooden, ten einde op die wijze hem, die de schrik van het land was geworden, onschadelijk te maken.

Yoshitsune en Benkei aangevallen door een troep spookachtige Krijgers van den stam der Taira’s

Yoshitsune en Benkei aangevallen door een troep spookachtige Krijgers van den stam der Taira’s

Bladzijde 23

Op zekeren avond trok Yoshitsune op weg, en ten einde den schijn aan te nemen van volkomen onverschilligheid, speelde hij op de fluit, totdat hij de Gojo Brug had bereikt. Onmiddellijk zag hij een reusachtigen man op hem afkomen, in een zwarte wapenrusting, die niemand anders was dan Benkei. Toen Benkei den jongeling zag, beschouwde hij het als beneden zijn waardigheid, iemand aan te vallen, die hem een zwakkeling voorkwam, een droomer, die voortreffelijk kon fluitspelen, en ongetwijfeld ook een mooi gedicht kon vervaardigen op de maan, die toen juist aan den hemel scheen, maar die volstrekt geen krijgsman was. Die beleediging maakte Yoshitsune vreeselijk woedend, en plotseling stootte hij de hellebaard van Benkei uit zijn hand.

Yoshitsune en Benkei vechten.

Benkei slaakte een kreet van woede, en sloeg er met zijn wapen in het wilde op los. Maar de vlugheid, die hij van den Koning der tengu had geleerd, kwam Yoshitsune zeer te stade. Hij sprong van den éénen naar den anderen kant, van voren naar achteren, en weer terug van achteren naar voren, terwijl hij den reus met menige grap voor den gek hield en telkens in een vroolijk gelach uitbarstte. Het wapen van Benkei zwaaide voortdurend rond en trof nu eens de lucht, dan weer de grond, maar raakte nooit zijn tegenstander.

Eindelijk werd Benkei moede, en weder sloeg Yoshitsune de hellebaard uit de hand van den reus. Toen Benkei trachtte zijn wapen weder op te nemen, wist Yoshitsune hem een beentje te lichten, zoodat hij op handen en voeten kwam te staan; de held besteeg nu met een triomfkreet den tijdelijk viervoetigen Benkei. De reus was stom verbaasd over zijn nederlaag, en toen hij hoorde, dat de overwinnaar niemand anders was dan de zoon van den Edelen Yoshitomo, nam hij niet alleen zijn nederlaag op waardige wijze op, maar verzocht hij, of hij van nu af aan in den dienst mocht treden van den jeugdigen overwinnaar. Bladzijde 24

Van dien tijd af vinden wij de namen van Yoshitsune en Benkei steeds samen verbonden, en in al de verhalen van krijgslieden, hetzij in Japan, hetzij elders, was er nooit een dapperder en meer eensgezinde verbinding van kracht en vriendschap. Wij lezen, hoe talrijke overwinningen zij op de Taira behaalden, en hoe zij hen naar zee dreven, waar deze dan bij Dan-no-ura ontkwamen.

Wij kennen nog een tweede legende in verband met Dan-no-ura. Yoshitsune en zijn trouwe makker maakten zich gereed, in een schip van de provincie Settsu over te steken naar Saikoku. Toen zij Dan-no-ura bereikten, stak een vreeselijke storm op. Geheimzinnige stemmen kwamen uit de zich opstapelende golven, een verwijderde echo van wapengekletter, van voortsnellende schepen en het suizen van pijlen, van het neervallen van duizend manschappen. Het geraas werd al luider en luider, en uit de opgezweepte, schuimende koppen van de golven verrees een spookachtige troep van den Taira-stam. Hun wapenrusting was gescheurd en met bloed bevlekt, en zij staken hun wasemige armen uit, terwijl zij trachtten de boot tegen te houden, waarin Yoshitsune en Benkei voeren. Het was een spookachtige herinnering aan den slag bij Dan-no-ura, toen de Taira een vreeselijke en onherstelbare nederlaag hadden geleden. Toen Yoshitsune dien grooten spookachtigen troep zag, riep hij om wraak, zelfs op de schimmen der gedoode Taira; maar Benkei, die steeds listig en voorzichtig was, verzocht zijn meester, zijn zwaard neer te leggen, en nam een rozenkrans ter hand en zeide een aantal Buddhistische gebeden op. Over den troep geesten daalde vrede neer, het gejammer hield op, en geleidelijk verdwenen zij weder in de zee, die daarna kalm werd.

De legende verhaalt ons, dat visschers nog altijd van tijd tot tijd schimmenlegers uit zee zien oprijzen, die jammerklachten uiten en met hun armen zwaaien. Men zegt, dat de kreeften met gevlekten rug de schimmen zijn der Tairastrijders. Wij zullen later een andere legende Bladzijde 25behandelen, die in verband staat met die ongelukkige geesten, die het nooit moede worden, het tooneel van hun nederlaag weer op te zoeken.

De Booze Geest van Oyeyama.

Tijdens de regeering van Keizer Ichijo waren er in Kyōto een aantal verhalen in omloop met betrekking tot een boozen geest, die op den Berg Oye woonde. Die booze geest kon verschillende gedaanten aannemen. Somtijds verscheen hij als een menschelijk wezen, en drong heimelijk in Kyōto binnen, waar hij uit menig huis teer geliefde zonen en dochters wegrukte. Hij nam die jongelingen en meisjes mede naar zijn vesting op den berg, en—het is droevig te verhalen—na met hen den spot te hebben gedreven, richtte hij met zijn makkers een groot feest aan en verslond daar die arme jongelieden. Zelfs het onschendbare Hof was niet beveiligd tegen die vreeselijke gebeurtenissen en op zekeren dag verloor Kimitaka zijn schoone dochter. Zij was door den Koning der Booze Geesten, Shutendoji, weggeroofd.

Toen dit treurige nieuws de ooren van den Keizer bereikte, riep hij zijn Raad te zamen, en overlegde hij, hoe zij dit vreeselijke monster zouden kunnen dooden. Zijne Majesteit hoorde van zijn ministers, dat Raiko een onverschrokken ridder was, en daarom raadden zij hem aan, dat deze met enkele makkers op dit gevaarlijke maar eervolle avontuur zoude worden uitgezonden.

Raiko koos dus vijf metgezellen, en vertelde hen wat bevolen was, en wel, dat zij een avontuurlijke reis moesten ondernemen, en den Koning der Booze Geesten moesten dooden. Hij legde hun uit, dat geslepenheid bij de uitvoering van hun plan zeer noodig was, indien zij hoopten hun taak naar behooren te volbrengen, en dat het verstandig zou zijn, zich te vermommen als priesters van het gebergte, en hun wapenrusting en wapenen op hun rug te dragen, voorzichtig verborgen in ransels, die geen Bladzijde 26achterdocht zouden wekken. Voordat zij op weg gingen, trokken twee der ridders, om te bidden, naar den tempel van Hachiman, den Oorlogsgod, twee naar het altaar van Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, en twee naar den tempel van Gongen.

Raiko en het betooverde meisje

Raiko en het betooverde meisje

Toen de ridders gebeden hadden, dat hun onderneming mocht gezegend worden, aanvaardden zij hun reis en bereikten na verloop van tijd de provincie Tamba, terwijl zij onmiddellijk den berg Oye tegenover zich zagen. De Booze Geest had zeker den vreeselijksten der bergen gekozen. Machtige rotsen en groote donkere bosschen belemmerden hun den weg in iedere richting, terwijl bijna bodemlooze afgronden zich aan hen voordeden, waar die het minst verwacht werden.

Toen de dappere ridders juist eenigszins moedeloos begonnen te worden, verschenen plotseling drie oude mannen vóór hen. Het eerste oogenblik werden deze nieuwe bezoekers met achterdocht aangezien, maar later met de grootste vriendelijkheid en dankbaarheid. Die oude mannen waren niemand minder dan de drie godheden, tot wie de ridders gebeden hadden, voordat zij hun tocht aanvaardden. De oude mannen boden Raiko een kruik met tooversaké aan, Shimben-Kidoku-Shu genaamd (“een hartsterking voor menschen, maar vergif voor booze geesten”), en raadde hen aan, Shutendoji door een krijgslist er toe te bewegen er van te drinken, waarna hij onmiddellijk verlamd zou worden en een gemakkelijker prooi zou zijn voor zijn vijanden. Nauwelijks hadden de oude mannen tooversaké gegeven en hun kostbaren raad daaraan toegevoegd, of een wonderbaarlijk licht schitterde om hen heen, terwijl zij in de wolken verdwenen.

Raiko en zijn paladijnen beklommen, zeer verblijd met hetgeen geschied was, verder den berg. Toen zij aan een stroom gekomen waren, zagen zij daar een schoone vrouw, die bezig was een met bloed bevlekt gewaad in het stroomende water te wasschen. Zij weende bitter, en wischte Bladzijde 27haar tranen af met de lange mouw van haar kimono. Toen Raiko vroeg, wie zij was, vertelde zij hem, dat zij een prinses was, en één der ongelukkige gevangenen van den Koning der Booze Geesten. Toen men haar had medegedeeld, dat het niemand anders was dan de groote Raiko, die vóór haar stond, en dat hij en de andere ridders gekomen waren om het afschuwelijke bergmonster te dooden, was zij onuitsprekelijk verheugd, en voerde ten slotte den kleinen troep naar een groot paleis van zwart ijzer, terwijl zij de schildwachten om den tuin leidde door hen te zeggen, dat haar volgelingen arme priesters van den berg waren, die een tijdelijke schuilplaats zochten.

Nadat zij door lange gangen waren geloopen, kwamen Raiko en zijn volgelingen in een reusachtige zaal. Aan het ééne uiteinde zat de schrikwekkende Koning der Booze Geesten. Hij had een reusachtige gestalte, met een helderroode huid en een massa wit haar. Toen Raiko hem onderdanig mededeelde, wie zij waren, noodigde de Koning, terwijl hij zijn vreugde verborg, hen uit plaats te nemen, en deel te nemen aan den feestmaaltijd, die juist zou worden voortgezet. Daarop klapte hij in zijn roode handen, en onmiddellijk kwamen een aantal schoone meisjes binnenrennen met een overvloed van spijs en drank, en toen Raiko haar aandachtig gadesloeg, begreep hij, dat zij eertijds in gelukkige woningen in Kyōto hadden gewoond.

Toen het feest in vollen gang was, haalde Raiko de kruik met de tooversaké voor den dag, en verzocht den Koning der Booze Geesten beleefd er van te proeven. Het monster dronk zonder aarzelen en zonder eenig kwaad vermoeden een weinig van de saké, en vond die zóó lekker, dat hij nog om een tweeden beker vroeg. Alle booze geesten dronken van den tooverwijn, en terwijl zij dronken, dansten Raiko en zijn metgezellen.

De tooverdrank begon zijn werking te doen gevoelen. De Koning zelf werd slaperig, totdat eindelijk hij en de andere booze geesten in een diepen slaap vielen. Toen Bladzijde 28sprong Raiko overeind, en hij en zijn makkers trokken snel hun wapenrusting aan en maakten zich gereed voor den strijd. Ten tweeden male verschenen hem de drie godheden, en zeiden tot Raiko: “Wij hebben de handen en voeten van den Boozen Geest stevig gebonden, zoodat gij niets te vreezen hebt. Terwijl de overige ridders zijn ledematen afhakken, moet gij hem het hoofd afsnijden; dood daarna de overige eni, (booze geesten) en uw taak zal volbracht zijn.” Daarna verdwenen die goddelijke wezens plotseling.

Raiko doodt den Boozen Geest.

Raiko en de overige ridders naderden voorzichtig den slapenden Koning der Booze Geesten met getrokken zwaarden. Met een reusachtigen zwaai kwam het wapen van Raiko krakend neer op den nek van den Boozen Geest. Nauwelijks was het hoofd van den romp gescheiden, of het vloog in de lucht, terwijl rook en vuur uit zijn neusgaten spoten en den dapperen Raiko brandden. Ten tweeden male viel hij met zijn zwaard uit, en nu viel het afschuwelijke hoofd op den grond en bewoog zich niet meer. Het duurde niet lang, of de dappere ridders hadden ook de volgelingen van den Boozen Geest gedood.

In een blijde stoet trokken zij uit het groote ijzeren paleis. De vijf makkers van Raiko droegen het monsterachtige hoofd van den Koning, en die afzichtige stoet werd gevolgd door een lange rij van gelukkige meisjes, die eindelijk verlost waren uit haar vreeselijke gevangenis, en er zich in verheugden weer te wandelen in de straten van Kyōto.

De Tooverspin.

Korten tijd nadat de gebeurtenis, hierboven geschetst, had plaats gegrepen, werd de dappere Raiko ernstig ziek, en hij was genoodzaakt zijn kamer te houden. Omstreeks middernacht bracht hem steeds een kleine jongen een geneesmiddel. De jongen was aan Raiko niet bekend, maar daar hij zulk een grooten stoet bedienden had, wekte dit in Bladzijde 29het begin geen argwaan op. Raiko werd echter erger, in plaats beter, en wel het ergst, onmiddellijk nadat hij het geneesmiddel had ingenomen; daarom begon hij te vermoeden, dat de ééne of andere bovennatuurlijke kracht de oorzaak was van zijn ziekte.

Ten slotte vroeg Raiko zijn voornaamsten dienaar, of hij iets wist van den knaap, die tegen middernacht bij hem kwam. Noch deze, noch iemand anders bleek iets omtrent hem te weten. Van dat oogenblik af was de achterdocht van Raiko in hooge mate opgewekt, zoodat hij besloot, de zaak met zorg na te gaan.

Toen het knaapje tegen middernacht terugkwam, wierp Raiko, in plaats van het geneesmiddel te nemen, den beker naar diens hoofd, en trachtte hem, na zijn zwaard te hebben getrokken, te dooden. Een luide kreet van pijn weerklonk door het vertrek, maar op het oogenblik, dat de knaap uit het vertrek wegvloog, wierp hij iets naar Raiko toe. Het spreidde zich uit tot een reusachtig, wit kleverig web, dat zich zóó stevig aan Raiko vasthechtte, dat hij zich nauwelijks kon bewegen. Zoodra hij het web met zijn zwaard had doorgesneden, omringde hem weer een ander. Raiko riep toen om hulp, en zijn eerste bediende ontmoette den boosdoener in één der gangen en hield hem met getrokken zwaard tegen. Ook over hem wierp de Booze Geest een web. Toen het hem eindelijk gelukt was, zich los te maken, en hij in staat was het vertrek zijns meesters binnen te hollen, zag hij, dat Raiko eveneens het slachtoffer van de Tooverspin was geworden.

De Tooverspin werd eindelijk ontdekt in een kelder, waar hij kermde van de pijn, terwijl bloed uit een wond aan zijn kop stroomde, welke wond door een zwaard was toegebracht. Onmiddellijk werd hij gedood, en met zijn dood verdween ook de kwade invloed, die de oorzaak geweest was van de ernstige ziekte van Raiko. Van dat oogenblik af kreeg de held zijn gezondheid en kracht weer terug, terwijl er een weelderige feestmaaltijd ter eere van de heugelijke gebeurtenis werd aangericht. Bladzijde 30

Een andere Lezing.

Er is nog een andere lezing van deze legende, welke afkomstig is van Kenkō Hōshi; deze verschilt in een aantal bijzonderheden zóózeer van de legende, die wij hebben medegedeeld, dat zij als een geheel nieuw verhaal kan worden beschouwd. Als wij die lezing niet mededeelden, zouden wij de legende berooven van haar sombersten vorm, die tot nu toe voor den gewonen lezer niet toegankelijk is geweest3.

Op zekeren dag vertrok Raiko uit Kyōto met Tsuna, den meest waardigen van zijn volgelingen. Toen zij de vlakte van Rendai doortrokken, zagen zij een doodshoofd in de lucht opstijgen, en voor hen wegvluchten, alsof het door den wind werd voortgedreven, totdat het eindelijk verdween op een plaats, Kagura ga Oka genaamd.

Raiko verslaat het Spook van Oyeyama

Raiko verslaat het Spook van Oyeyama

Raiko en zijn metgezel bemerkten, zoodra zij het doodshoofd hadden zien verdwijnen, een huis in puinhoopen vóór zich. Raiko trad dit verwoeste huis binnen, en zag een oude vrouw zitten met een vreemd uiterlijk. Zij was in het wit gekleed en had wit haar; zij opende haar oogen met een klein stokje, en haar bovenste oogleden vielen als een hoed over haar hoofd; daarna gebruikte zij het stokje om haar mond te openen, en liet dan haar borst over haar knieën vallen. Daarna sprak zij den verbaasden Raiko aldus aan:

“Ik ben tweehonderd negentig jaar oud. Ik dien negen meesters, en in het huis, waarin gij staat, dwalen booze geesten rond.”

Nadat hij die woorden had gehoord, wandelde Raiko de keuken binnen, en toen hij een haastigen blik op de lucht had geslagen, zag hij, dat een vreeselijke storm in aantocht was. Toen hij er op lette, hoe de donkere wolken zich opeenpakten, hoorde hij een geluid van spookachtige voetstappen, en traden een groot aantal spoken het vertrek Bladzijde 31binnen, En dit waren niet de eenige bovennatuurlijke wezens, die Raiko ontmoette, want onmiddellijk daarna zag hij een wezen, als een non gekleed. Haar ontzettend klein lichaam was naakt tot aan haar middel, haar gelaat was twee voet lang en “haar armen waren wit als sneeuw en dun als draden.” Een kort oogenblik lachte dit afschuwelijke wezen, waarna het in den nevel verdween.

Raiko hoorde met welgevallen naar het kraaien van een haan, en meende, dat de spookachtige bezoekers hem niet meer zouden hinderen; maar weder hoorde hij voetstappen, en nu zag hij geen afschuwelijke heks, maar een bekoorlijke vrouw, “sierlijker dan de wilgentakken, als zij door een zacht windje gewiegeld worden”. Toen hij dit liefelijke meisje aanstaarde, werden zijn oogen een oogenblik verblind door haar schitterende schoonheid. Voordat hij het gezicht terugkreeg, zag hij, dat hij gehuld was in ontelbare spinnewebben. Hij sloeg met zijn zwaard naar haar, en toen verdween zij, terwijl het bleek, dat hij de planken van den vloer had doorgehakt en den hoeksteen onder den vloer had gebroken.

Op dit oogenblik kwam Tsuna bij zijn meester, en zij bemerkten, dat het zwaard bedekt was met bloed, en dat de punt in den strijd gebroken was.

Na lang zoeken ontdekten Raiko en zijn onderhoorige een hol, waarin zij een monster zagen met verschillende pooten en een kop van ontzaglijke grootte, met donzig haar bedekt. Zijn groote oogen schenen als de zon en de maan, terwijl hij luide kreunde: “Ik ben ziek en heb pijn.”

Toen Raiko en Tsuna naderbij kwamen, herkenden zij de afgebroken punt van het zwaard, die uit het monster uitstak. De helden trokken het schepsel toen uit zijn hol en hakten zijn hoofd af. Uit de diepe wond in zijn buik kwamen negentienhonderd negentig doodshoofden voor den dag en bovendien nog een aantal spinnen, zoo groot als kinderen. Raiko en zijn geleider kwamen tot de ontdekking, dat het monster vóór hen niets anders was dan Bladzijde 32de Spin op den Berg. Toen zij het groote geraamte opensneden, vonden zij binnen de ingewanden de spookachtige overblijfselen van een aantal menschenlijken.

De Avonturen van Prins Yamato Take.

Koning Keiko beval zijn jongsten zoon, Prins Yamato, weg te trekken en een aantal roovers te dooden. Vóór zijn vertrek bad de Prins aan de altaren van Isé, en smeekte, dat Ama-terasu, de Godin der Zon, zijn onderneming zou zegenen. De tante van Prins Yamato was hoogepriesteres in één der tempels te Isé, en hij deelde haar mede, welke taak zijn vader hem had toevertrouwd. De brave dame was zeer verheugd, toen zij dat nieuws hoorde, en schonk haar neef een kostbaar zilveren kleed, met de mededeeling, dat het hem geluk zou brengen en hem misschien later van dienst zou zijn.

Toen Prins Yamato naar het paleis was teruggekeerd en afscheid van zijn vader had genomen, verliet hij het hof, vergezeld van zijn vrouw, Prinses Ototachibana, en een aantal beproefde volgelingen, en begaf zich naar het Zuidelijk Eiland Kiushiu, dat door roovers werd verpest. De streek was zóó ruw en ondoordringbaar, dat Prins Yamato onmiddellijk zag, dat hij het ééne of andere listige plan moest beramen, ten einde den vijand onverhoeds aan te vallen.

Prins Yamato en Takeru

Prins Yamato en Takeru

Toen hij tot dit besluit was gekomen, vroeg hij Prinses Ototochibana, hem het kostbare zijden kleed te brengen, dat zijn tante hem had geschonken. Hij trok dit aan, daarbij naar alle waarschijnlijkheid geholpen door zijn vrouw. Hij liet zijn haar vallen, stak daar een kam in, en tooide zich op met juweelen. Toen hij in een spiegel zag, was hij overtuigd, dat de vermomming volmaakt was, en dat hij er als een bijzonder mooie vrouw uitzag.

Zoo kostbaar aangekleed, ging hij de tent van zijn vijand binnen, waar Kumaso en Takeru gezeten waren. Toevallig spraken zij juist over den zoon des Konings en over zijn pogingen, hun rooverbende uit te roeien. Toen zij Bladzijde 33opkeken, zagen zij, dat een schoone vrouw op hen afkwam.

Kumaso was zóó verheugd, dat hij den vermomden Prins toewenkte en hem verzocht, zoo spoedig mogelijk wijn te schenken. Yamato was bijzonder in zijn schik, dat hij dit kon doen. Hij wendde vrouwelijke verlegenheid voor. Hij liep met zeer kleine stapjes, en keek schuin uit zijn ooghoeken met al de verlegenheid van een bloode maagd.

Kumaso dronk veel meer wijn dan goed voor hem was. Hij bleef voortgaan met drinken, ten einde het genot te hebben, te zien, hoe aanminnig dat liefelijke wezen den wijn voor hem inschonk.

Toen Kumaso dronken was, wierp Prins Yamato de kruik met wijn neer, trok zijn dolk uit de scheede, en stak hem dood.

Toen Takeru zag, wat zijn broeder overkomen was, trachtte hij te ontsnappen, maar Prins Yamato sprong op hem toe. Ten tweeden male flikkerde zijn dolk in de lucht, en ook Takeru viel ter aarde.

“Houd uw hand een oogenblik in”, hijgde de stervende roover. “Ik zou zoo gaarne willen weten, wie gij zijt en van waar gij gekomen zijt. Tot nu toe dacht ik, dat mijn broeder en ik de sterkste mannen van het rijk waren. Ik blijk mij echter vergist te hebben.”

“Ik ben Yamato” zeide de Prins, “de zoon van den Koning, die mij beval, zulke roovers als gij te dooden!” “Sta mij toe, u een nieuwen naam te geven”, zeide de roover beleefd. “Van nu af aan zult gij Yamato Take genoemd worden, daar gij de dapperste man in het land zijt.”

Na zoo gesproken te hebben, viel Takeru dood achterover.

Het Houten Zwaard.

Toen de Prins op den terugweg was naar de hoofdstad, ontmoette hij weer een bandiet, Idzumo Takeru genaamd. Weer maakte hij gebruik van een krijgslist, en deed zich voor, alsof hij dien kerel bijzonder goed gezind was. Hij