Project Gutenberg's Mythen & Legenden van Japan, by F. Hadland Davis This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Mythen & Legenden van Japan Author: F. Hadland Davis Illustrator: Evelyn Paul Translator: B. C. Goudsmit Release Date: June 12, 2005 [EBook #16043] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MYTHEN & LEGENDEN VAN JAPAN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team

De Gelieven, die hunne waaiers verruilden (zie blz. 232)
Pierre Loti in Madame Chrysanthème, Gilbert en Sullivan in De Mikado, en Sir Edwin Arnold in Zeeën en Landen, hebben ons vroeger den indruk gegeven, dat Japan een echt sprookjesland in het Verre Oosten was. Wij verheugden ons in de liefelijkheid en vreemdheid van dat land, en nog meer in de liefelijkheid en vreemdheid van het Japansche volk. Wij lachten om hun averechtsche gebruiken, beschouwen de Japansche vrouw in haar rijk gekleurde Kimono als iets zeer bekoorlijks en betooverends, en hadden een vaag begrip, dat de voornaamste kenmerken van Nippon de theehuizen en de geisha’s waren. Voor twintig jaar vatten wij Japan niet ernstig op. Nog altijd luisteren wij naar de zoetvloeiende muziek van De Mikado, maar wij beschouwen Japan nu niet langer als een soort van artistiek fantasieartikel. Het Land van de Rijzende Zon is het Land der Verrezen Zon geworden, immers wij hebben geleerd, dat zijn vreemdheid, zijn feeachtige manieren en gewoonten niets waren dan de uiterlijke teekenen van een groote, voorwaartsschrijdende natie. Wij erkennen in onze dagen Japan als een groote macht in het Oosten, en de overwinning, door dat rijk op Rusland behaald, heeft zijn leger en zijn vloot over de geheele wereld beroemd gemaakt.
De Japanners zijn altijd een nabootsende natie geweest, die gemakkelijk den godsdienst, de kunst en het maatschappelijk leven van China in zich heeft opgenomen en tot eigen voordeel gebruikt, en die, na haar eigen nationalen stempel te hebben gedrukt op datgene, wat zij aan het Hemelsche Rijk heeft ontleend, naar elders heeft uitgezien om materiaal te verkrijgen, waardoor zij haar positie kon versterken en vooruitbrengen. Die gave der nabootsing is één der meest karakteristieke eigenschappen van Japan. Steeds zijn de Japanners afkeerig geweest, om anderen inlichtingen te geven, maar ten allen tijde stonden Bladzijde Xzij gereed, te trachten zich iederen vorm van kennis te veroveren, die kon bijdragen tot hun vooruitgang. In de veertiende eeuw schreef Kenkō in zijn Tsure-dzure-gusa: “Niets opent de oogen meer dan reizen, onverschillig waarheen”, en de Japanner der twintigste eeuw heeft dien uitnemenden raad opgevolgd. Hij heeft wijd en zijd gereisd, en heeft een uitnemend gebruik gemaakt van zijn verschillende opmerkingen. De gave der nabootsing grenst bij den Japanner aan genie. Oost en West hebben tot de grootheid van het land bijgedragen, en het is voor menigeen onzer een reden tot groote verbazing, dat een land, dat zoolang geïsoleerd heeft gestaan en zoovele jaren in de boeien van het leenstelsel geklonken is geweest, binnen een betrekkelijk korte tijdsruimte ons Westersch stelsel van oorlogvoeren volkomen meester is geworden en evenzeer zich vele van onze ethische en sociale denkbeelden heeft eigen gemaakt en een wereldmacht is geworden. Maar de groote ontwikkeling van Japan moet niet geheel en al worden toegeschreven aan verstandige nabootsing, noch heeft het land zijn plaats in de voorste rij der volken met zulk een bliksemsnelheid ingenomen, als sommige schrijvers over Japan ons zouden willen doen gelooven.
Wij hooren tegenwoordig heel wat over het Nieuwe Japan, en zijn veel te veel geneigd, de beteekenis van het Oude Japan te vergeten, waarop dan toch het tegenwoordige stelsel gegrondvest is. Japan heeft van Engeland, Duitschland en Amerika de geheele tegenwoordige oorlogstactiek geleerd. Het schafte zich een uitnemend leger en een krachtige vloot aan, op Westersche beginselen gegrondvest; doch men vergete niet, dat de groote krijgshelden van Japan uit den laatsten tijd, Togo en Oyama, in hun aderen nog iets van de oude kaste der samurai hebben, en niettegenstaande al het moderne van hun wezen nog iets van den ouden toestand weerspiegelen. Het Japansche karakter is nog steeds Japansch en niet Westersch. Zijn grootheid wordt gevonden in zijn vaderlandsliefde, in zijn Bladzijde XItrouw en onuitroeibare liefde voor zijn land. De Shintodienst heeft den Japanner geleerd, de machtige dooden te vereeren; het Buddhisme heeft niet alleen zijn godsdienstige idealen in de hand gewerkt, maar ook medegewerkt aan zijn letterkunde en kunst, terwijl het Christendom ten gevolge heeft gehad, dat allerlei weldadige sociale verbeteringen zijn ingevoerd.
Er zijn heel wat tegenstrijdige theorieën over het ontstaan van het Japansche ras, en wij hebben inderdaad geen vaststaande kennis omtrent dit onderwerp. De eerste bewoners van Japan waren waarschijnlijk de Ainoe’s, een Arisch volk, dat misschien afkomstig was uit Noord-Oostazië in een tijd, toen de afstand tusschen de eilanden en het vasteland niet zoo groot was als heden ten dage. De Ainoe’s werden opgevolgd door de Mongolen, die twee verschillende invallen deden; die overweldigers kostte het geen moeite hun voorgangers te onderwerpen; maar in den loop der tijden werden de Mongolen in noordelijke richting gedreven door Maleiers van de Philippijnsche eilanden. Porter zegt: “In het jaar 500 na Christus waren de Ainoe’s, de Mongoolsche en de Maleische elementen der bevolking tot één natie samengesmolten, en wel ongeveer op dezelfde wijze als in Engeland het geval is geweest na den inval der Noormannen. Uit de nationale karaktertrekken kan worden afgeleid, dat de Ainoe’s het weerstandsvermogen leverden, de Mongolen de verstandelijke eigenschappen, en de Maleiers die handigheid en dat aanpassingsvermogen, die het erfdeel zijn van zeelieden”.1 Andere gezaghebbende geleerden, zooals Baelz en Rein, zijn van meening, dat de Japanners Mongolen zijn, en hoewel zij door huwelijken zich met de Ainoe’s hebben vermaagschapt, “zijn”, zooals Professor B.H. Chamberlain schrijft, “de beide naties evenzeer van elkander verschillend als de blanken en roodhuiden in Noord-Amerika”. Bladzijde XIIIn weerwil van het feit, dat men in Japan op den Ainoe neerziet, en hem beschouwt als een harigen oorspronkelijken bewoner van het land, die een voorwerp van belangstelling is voor den anthropoloog en den spellebaas, een arm, geminacht schepsel, dat den beer vereert als het zinnebeeld van kracht en woestheid, heeft hij toch zijn stempel op Japan gezet. Fuji was misschien wel een verbastering voor Huchi, of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Ainoe’s, en het is niet twijfelachtig, dat die oorspronkelijke bewoners aan een groot aantal aardrijkskundige namen het aanzijn schonken (voornamelijk in het noorden van het eiland), die nog in onze dagen te herkennen zijn. Wij kunnen den invloed der Ainoe’s volgen in enkele trekken van Japansch bijgeloof, zooals onder andere het geloof in den Kappa, of het riviermonster.
De Chineezen noemden Japan Jih-pén, “de plaats, van waar de zon afkomstig is”, omdat de eilandenzee gelegen was ten oosten van hun eigen koninkrijk, en ons woord Japan en Nippon zijn verbasteringen van Jih-pén. Marco Polo noemde het land Zipangu, en een oude naam voor Japan is “De-Weelderige-Riet-Vlakten-het-land-van-Versche-Rijst-Aren-van-duizend-Herfsten-van-Lange-Vijf-Honderd-Herfsten.” Het verwondert ons niet, als wij zien, dat een zoo langdradige en beschrijvende naam door de Japanners van onzen tijd niet wordt gebruikt; maar het is niet van belang ontbloot, te weten, dat de oude naam voor Japan, Yamato, nog thans veel gebruikt wordt, terwijl Yamato Damashii beteekent: “De Geest van het Onoverwinnelijke Japan.” Zoo ook wordt van Japan gesproken als van het “Eiland van het Waterjuffertje”. Men verhaalt in de oude Japansche Kronieken, dat de keizer in het jaar 630 vóór Christus een heuvel beklom, Waki Kamuno Hatsuma genaamd, van welks top hij het land van alle kanten kon overzien. Hij kwam diep onder den indruk van de schoonheid van het land en zeide, dat het geleek op “een waterjuffer, die haar achterdeel aflikt”; Bladzijde XIIIzoo kreeg het eiland den naam van Akitsu-Shima (“Eiland van de Waterjuffer”).
De Kojiki, of “Geschiedrollen van Oude Zaken”, voltooid in het jaar 712 n.C., behandelt de oude overleveringen van het Japansche ras, te beginnen met de mythen, den grondslag van het Shintōïsme, en krijgt hoe langer hoe meer geschiedkundige waarde, totdat het eindigt met het jaar 628 n.C. Dr. W.G. Aston schrijft in Een Geschiedenis der Japansche Literatuur: “De Kojiki, hoe belangrijk ook voor een onderzoek naar de mythologie, de gewoonten, de taal en de legenden van het oudste Japan, is een treurig voortbrengsel, zoowel uit een letterkundig oogpunt als om het feitenmateriaal.” Als geschiedkundig werk kan het niet vergeleken worden met de Nihongi,2 een werk uit denzelfden tijd in het Chineesch; terwijl de taal een vreemd mengelmoes is van Chineesch en van Japansch, waarbij slechts weinig moeite is gedaan om het artistieke eigenschappen te schenken. De omstandigheden, waaronder het vervaardigd is, kunnen ons voor een deel verklaren, hoe het in een zoo eigenaardigen stijl is geschreven. Er wordt verhaald, dat een zekere Yasumaro, een man geleerd in het Chineesch, het opving van de lippen van een zekeren Hiyeda no Are, die een zóó voortreffelijk geheugen had, dat hij “met zijn mond kon herhalen al wat voor zijn oogen kwam, en in zijn hart alles opteekende, wat zijn oor trof.” Het is mogelijk, dat Hiyeda no Are één der Kataribe of “Voordragers” was, wier taak het was, “oude woorden” voor te dragen voor den Mikado aan het Hof van Nara bij zekere plechtige openbare gelegenheden.
De Kojiki en de Nihongi zijn de bronnen, waaruit wij de oorspronkelijke mythen en legenden van Japan hooren. In die boeken worden wij in kennis gesteld met Izanagi Bladzijde XIVen Izanami, Ama-terasu, Susa-no-o, en een groot aantal andere godheden, en die verheven wezens leveren de stof voor verhalen, die zoowel vreemdsoortig als schoon, zoogenaamd humoristisch en somtijds eenigszins gruwelijk zijn. Wat kan men zich naïever voorstellen dan de vrijerij van Izanagi en Izanami, die op het denkbeeld kwamen om een huwelijk aan te gaan, nadat zij twee kwikstaarten hadden zien paren? In die oude mythe zien wij de sporen van de meerderheid van den man over de vrouw, een meerderheid, die in Japan tot in den laatsten tijd is blijven bestaan, ongetwijfeld onderhouden door Kaibara’s Onna Daigaku “Grootere Kennis voor Vrouwen”. Maar in den lang voortgezetten twist tusschen de Godin der Zon en haar broeder, den Onstuimigen Jongeling, leggen de oude kroniekschrijvers den nadruk op de slechtheid van Susa-no-o; en Ama-terasu, een eigenaardige mengeling van het goddelijke en het vrouwelijke, wordt geschetst als een ideaal type eener Godin. Men leert haar kennen als een vrouw, die zich tot den oorlog toerust en vestingwerken maakt door op den grond te stampen, maar tevens wordt zij beschreven als een vrouw, die uit haar grot in een rots gluurt, om zich te spiegelen in den Heiligen Spiegel. Ama-terasu is de hoofdfiguur in de Japansche mythologie, immers van de Godin der Zon stammen de Mikado’s af. In den cyclus van legenden, bekend als het Tijdperk der Goden, maken wij kennis met de Heilige Schatten, ontdekken wij den oorsprong van den Japanschen dans, en wandelen in onze verbeelding door de Hooge Vlakte des Hemels, zetten den voet op de Drijvende Brug, treden het Middenland der Riet-Vlakte binnen, slaan een blik in het Land van Yomi, en volgen Prins Uitdoovend Vuur naar het Paleis van den Zeekoning. De oude helden en krijgslieden worden altijd beschouwd als Goden van minderen rang, en de aard van het Shintoïsme heeft die goden, ook in verband met de vereering der voorouders, met menige hoogst boeiende legende omstraald. Om zijn kracht, Bladzijde XVbedrevenheid, volhardingsvermogen en een gelukkige handigheid om alle mogelijke moeilijkheden te overwinnen door een sluwe en scherpzinnige manier van handelen, moet de Japansche held uit den aard der zaak een hooge plaats innemen onder de beroemde krijgshelden van andere landen. Er is iets buitengewoons ridderlijks in de Japansche helden, dat wel de bijzondere aandacht verdient. De dapperste mannen zijn zij, die als kampioenen optreden voor de zwakkeren en die alle soorten van slechtheid en tyrannie weten te verhelpen, en wij vinden in den Japanschen held, die er ver van af is een onbekookte snoever te zijn, die eigenschappen op de meest voortreffelijke wijze terug. Hij is niet steeds boven critiek verheven, en somtijds vinden wij in hem een zweem van sluwheid, maar zulk een karaktertrek is bijzonder zeldzaam, en is zeker geen nationale karaktertrek. Een ingeboren liefde voor poëzie en voor alles wat schoon is, heeft haar beschavenden invloed gehad op den Japanschen held, met dit gevolg, dat zijn kracht vereenigd is met zachtheid van karakter.
Benkei is één der meest beminnelijke Japansche helden. Hij had de kracht van verschillende mannen te zamen; zijn groote tact grensde aan het geniale, zijn zin voor humor was sterk ontwikkeld, en de meest liefhebbende onder de Japansche moeders kon niet meer vriendelijke zachtheid hebben getoond dan hij, toen de vrouw van zijn meester het leven schonk aan een kind.
Toen Yoshitsune en Benkei aan het hoofd van het leger van Minamoto de Taira totaal verslagen hadden in het zeegevecht van Dano-Ura, wekte de schitterende overwinning de afgunst op van den Shōgun, zoodat de twee groote veldheeren genoodzaakt waren, het land te verlaten. Wij volgen hen over de zee, over bergen, voortdurend hun talrijke vijanden verschalkend. Bij Matsue werd een groot leger uitgezonden tegen die ongelukkige strijders. De vuren der legerplaatsen strekten zich in een schitterende rij uit over de laatste plaats, waar Yoshitsune Bladzijde XVIen Benkei nog rust vonden. In een vertrek was Yoshitsune met zijn vrouw en jeugdig kind. De Dood stond in het vertrek gereed, en het was beter, dat de Dood zou komen op bevel van Yoshitsune, dan op bevel van den vijand buiten de deur. Zijn kind werd door een bediende gedood, en terwijl hij het hoofd van zijn geliefde vrouw onder den linkerarm nam, stootte hij zijn zwaard diep in haar nek. Na dit te hebben volbracht, pleegde Yoshitsune zelfmoord (hara-kiri).3 Benkei echter wachtte den vijand op. Hij stond met zijn groote beenen wijd uitgespreid, zijn rug tegen een rots gedrukt. Toen de dageraad aanbrak, stond hij nog altijd met uitgespreide beenen, terwijl zijn dapper lichaam door duizend pijlen was doorboord. Benkei was dood, maar vallen kon de krachtige held niet. De zon verrees over een man, die een ware held was, en die steeds getrouw was gebleven aan de eenmaal door hem uitgesproken woorden: “Waar mijn meester heengaat, hetzij ter overwinning, of in den dood, ik zal hem volgen.”
Japan is een bergachtig land, en in zulke landen verwachten wij een ras te zullen vinden van onverschrokken, dappere mannen, en het land der Rijzende Zon heeft ons dan ook menigen krijgsman geschonken, waardig gerangschikt te worden naast de Ridders van Koning Arthur. Meer dan één legende verhaalt van de vernietiging van duivels en booze geesten, en van de bevrijding van meisjes, die het ongeluk hadden hun gevangenen te zijn. De ééne held doodt een groot monster, dat op het dak van het paleis des Keizers neerhurkte, een ander doodt den Boozen Geest van Oyeyama, een ander stoot zijn zwaard in een reusachtige spin, weer een ander verslaat een slang. Alle Japansche helden, in welke onderneming zij ook betrokken zijn, vertoonen dien geest van avontuurlijkheid, die getrouwheid aan een eenmaal gekozen doel, die koele minachting voor gevaar en dood, die nog steeds ook in onzen tijd karakteristieke eigenschappen zijn van het Japansche volk. Bladzijde XVII
“De Bamboe-Snijder en het Maan-Meisje” (Hoofdstuk III) dankt zijn oorsprong aan een verhaal uit de tiende eeuw, Taketori Monogatari genaamd, en is het oudste voorbeeld van Japansche verdichting. De schrijver is onbekend, maar hij moet een grondige kennis gehad hebben van het hofleven in Kyōto. Al de karakters van die zoo bekoorlijke legende zijn Japansch, maar de meeste daarin voorkomende gebeurtenissen zijn ontleend aan China, een land, dat zoo rijk is aan schilderachtige feeën-verhalen. Dickins schrijft over de Taketori Monogatari: “Het kunstige en bevallige van de geschiedenis van de edele Kaguya is oorspronkelijk, haar ongedwongen pathos, haar natuurlijke liefelijkheid, zijn nergens aan ontleend, en in eenvoud, bekoorlijkheid en zuiverheid van gedachte, en uitdrukking heeft zij geen enkele mededingster onder de verdichtselen van het Middenrijk of van het Land der Waterjuffer.”
Wanneer men Japansche legenden bestudeert, wordt men voornamelijk getroffen door het universeele, dat haar kenmerkt, en door haar scherpe tegenstellingen. De meeste volken hebben de zon en de maan, de sterren en de bergen, en alle groote werken der Natuur als godheden vereerd; maar de Japanners hebben de roode bloesems der azalea’s beschreven als de vuren der Goden, en de witte sneeuw van den Fuji als de gewaden van Goddelijke Wezens. Hun legenden zijn in ieder geval zeer poëtisch, en zij, die den Berg Fuji vereerden, hadden ook spookachtige verhalen te vertellen over het nietigste insect. Niet genoeg kan de nadruk gelegd worden op de liefde van Japan voor de Natuur. De oudste mythen, in de Kojiki en de Nihongi medegedeeld, zijn van zeer veel belang, maar zij kunnen niet worden vergeleken met de latere legenden, die een ziel hebben geschonken aan boomen, bloemen en vlinders, of met de vrome overleveringen, die zoo teeder en toch zoo krachtig de goddelijke beteekenis der Natuur hebben geopenbaard. Het Feest der Bladzijde XVIIIDooden kon alleen zijn voortgekomen bij een volk, waarvoor het schoone de voornaamste steun en de vreugde van het leven is, immers dat feest is niets anders dan een aanmaning, om terug te keeren tot hun oude aardsche schuilplaatsen in den zomertijd, om over de groene heuvels te trekken, die met pijnboomen bedekt zijn, langs kronkelende paden te wandelen, langs meer en zeestrand, te vertoeven in oude, geliefde tuinen, en huizen binnen te treden, waar zij zooveel kunnen zien, zonder zelf gezien te worden. Voor het gemoed van den Japanner, voor hem, die nog den geest van Prins Yamato heeft behouden, is de meest vurige beschrijving van het Paradijs der Buddhisten niet zoo schoon als Japan gedurende den zomertijd.
Misschien is het maar gelukkig, dat de Japansche mythen, legenden, sprookjes en folklore niet uitsluitend poëtisch zijn, daar wij anders gevaar zouden loopen overladen te worden met te veel zoetigheid. Wij bewonderen de bogen van een Gothische Kathedraal niet minder, omdat wij een blik hebben geslagen op de monsterachtige waterspuwers aan den buitenkant van het gewijde gebouw; zoo vinden wij ook in de legenden van Japan vele groteske dingen, die in scherpe tegenstelling zijn met de overleveringen, verbonden aan den vriendelijken en liefhebbenden Jizō. Er is in de Japansche legenden een overvloed van ruw realisme. Wij worden afgestooten door den geliefkoosden maaltijd van den Dondergod, wij worden met verbazing vervuld door de toovermacht van vossen en katten; en de geschiedenis van “Hoïchi-zonder-ooren” en van den lijken-etenden priester zijn treffende voorbeelden van het samengaan van het betooverende met het afschuwelijke. In het ééne verhaal lachen wij om de grappen van een ketel, die kunsten vertoont, en in het andere worden wij bijna tot tranen toe bewogen, als wij van een ouden Japanschen beddedeken lezen, die fluisterde: “Mijn Oudere Broeder is waarschijnlijk koud? Ja, je bent waarschijnlijk koud?” Bladzijde XIX
Er zijn reeds verschillende boeken met Japansche sprookjes verschenen, maar nooit hebben wij tot nu toe een boek gehad, dat een zoo omvattende studie gaf over de mythen en legenden van een land, dat zoo rijk is aan wonderlijke en schoone overleveringen, en het is te hopen, dat het hier gegeven boek, het resultaat van veel heerlijken arbeid, een werkelijke bijdrage tot dit onderwerp zal zijn. Wij hebben geen poging gewaagd om een volledige verzameling Japansche mythen en legenden te verzamelen, omdat het aantal van deze als het ware ontelbaar is; maar wij hebben getracht met overleg een keuze te doen, die een juist denkbeeld van die mythen zal geven, en vele van de verhalen, in dit boek zullen voor de meeste lezers wel nieuw zijn.
Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven: “De sprookjeswereld pakte mijn ziel weer aan, zacht en liefelijk—zooals een kind een vlinder aanpakt”, en als ook wij ons in dien geest indenken, zullen wij reizen naar het Land der Goden, waar de groote Kōbō Daishi op de lucht en op het stroomende water, en zelfs op onze harten iets van de tooverkracht en de poëzie van Oud Japan zal schrijven. Met Kōbō Daishi tot gids zullen wij het verrijzen van den berg Fuji bijwonen, zullen wij wandelen in het Paleis van den Zeekoning en in het Land der Eeuwige jeugd, zullen wij de gevechten van machtige helden aanschouwen, luisteren naar de wijsheid van heiligen, de Hemelsche Rivier overtrekken op een brug van vogels, en ons, als wij vermoeid zijn, koesteren in de lange mouw van den eeuwiglachenden Jizō.

Uzume wekt de nieuwsgierigheid van Ama-terasu op
1 De Volle Erkenning van Japan, door Robert P. Porter.
2 Kroniek van Japan, voltooid in 720 n.C., behandelt op zeer belangwekkende wijze de mythen, legenden, poëzie en geschiedenis van de oudste tijden af tot aan het jaar 697 n.C.
3 De buik opensnijden.
Volgens de overlevering waren in het eerste begin “Hemel en Aarde nog niet gescheiden, en de In en Yo nog niet verdeeld.” Dit doet ons denken aan andere verhalen omtrent het ontstaan der wereld. De In en Yo, die overeenkomen met de Chineesche Yang en Yin, waren het mannelijke en het vrouwelijke beginsel. Het was voor de oude Japansche schrijvers gemakkelijker, zich de schepping voor te stellen in termen, die niet zeer afweken van die, waarin zij zich de schepping voorstelden. In de Polynesische fabelleer vinden wij tamelijk wel dezelfde opvatting, waar Rangi en Papa Hemel en Aarde voorstellen; andere hiermede overeenkomende opvattingen worden ook gevonden in Egyptische en andere scheppingsverhalen. In bijna alle verhalen zien wij, hoe de mannelijke en de vrouwelijke beginsels een in het oog loopende, en trouwens ook zeer rationeele plaats innemen. In de Nihongi wordt ons medegedeeld, dat die mannelijke en vrouwelijke beginsels “een chaotische massa vormden als een ei, dat duister bepaalde grenzen had en kiemen bevatte.” Op een zeker oogenblik kwam dat ei tot leven, en het zuiverder en helderder gedeelte kwam er uit te voorschijn en vormde den Hemel, terwijl het zwaardere element zich afzette en de Aarde werd, hetgeen vergeleken werd “bij het drijven van een visch, die dartelt op de oppervlakte van het water.” Een geheimzinnige gedaante, die geleek op een riethalm, kwam plotseling te voorschijn tusschen Hemel en Aarde, en veranderde even plotseling in een God, Kuni-toko-tachi genaamd. Wij kunnen de overige goddelijke geboorten overslaan, totdat wij komen aan de gewichtige godheden, bekend als Izanagi en Izanami. (“De man, die uitnoodigt” en “de vrouw, die uitnoodigt”). Hierover is een verrukkelijke mythe gesponnen. Bladzijde 2
Izanagi en Izanami stonden op de Drijvende Brug van den Hemel en zagen in den afgrond neer. Zij vroegen elkander, of er ver beneden de groote Drijvende Brug een land gelegen was. Zij namen het besluit, daarnaar onderzoek te doen. Om dit te doen, lieten zij een juweelen speer neer en vonden zij den oceaan. Toen zij de speer iets optilden, droop er water af, dat stolde en het eiland Onogoro-jima (“Plotseling bevroren eiland”) werd.
Beide godheden daalden naar dat eiland af. Kort daarna verlangden zij man en vrouw te worden, hoewel zij uit den aard der zaak broeder en zuster waren; maar die bloedverwantschap is in het oosten nooit een reden geweest, die het huwelijk belette. De godheden richtten daarom een pilaar op het eiland op. Izanagi liep den éénen kant er omheen, Izanami den anderen kant. Toen zij elkander tegenkwamen, zeide Izanami: “Wat heerlijk! Ik heb een bekoorlijken jongeling ontmoet.” Men zou gedacht hebben, dat een dergelijke naïeve opmerking Izanagi genoegen zou hebben gedaan; maar hij werd er juist erg boos over, en hij antwoordde: “Ik ben een man, en ontleen daaraan het recht het eerst te mogen spreken. Hoe komt het echter, dat gij, een vrouw, het eerst hebt gesproken? Dat is ongelukkig. Laat ons nog eens rondgaan.” Zoo gingen de beide godheden opnieuw op weg. Zij ontmoetten elkander ten tweeden male, en nu maakte Izanagi de opmerking: “Hoe heerlijk! Ik heb een bekoorlijk meisje ontmoet.” Korten tijd na dat zoo vernuftige huwelijksaanzoek, traden Izanagi en Izanami in het huwelijk.
Toen Izanami het leven had geschonken aan eilanden, zeeën, rivieren, struiken en boomen, overlegde zij met haar meester en sprak zij: “Wij hebben nu het Groote-Acht-Eiland voortgebracht met de bergen, rivieren, kruiden en boomen. Waarom zouden wij niet iemand voortbrengen, die de Heer van het Heelal zal zijn?”
De wensch van die godheden werd vervuld, want op Bladzijde 3het geschikste tijdstip werd Ama-terasu, de Godin der Zon, geboren. Zij stond bekend als “de Hemel-Verlichtende Groote Godheid”, en was zóó buitengewoon schoon, dat haar ouders besloten, haar de Ladder des Hemels op te doen klimmen, ten einde in de hooge lucht voor eeuwig haar schitterenden zonneschijn op de aarde te doen stralen.
Hun volgende kind was de Maan-God, Tsuki-yumi. Zijn zilveren glans was niet zoo schoon als de gouden uitstraling van zijn zuster, maar hij werd niettemin waardig geacht, haar echtgenoot te zijn. Daarop klom ook de Maan-God de Ladder des Hemels op. Spoedig raakten zij in twist, waarop Ama-terasu zeide: “Gij zijt een boosaardige godheid. Ik moet u niet van aangezicht tot aangezicht zien.” Daarom werden zij een dag en een nacht van elkander gescheiden, en woonden zij afzonderlijk.
Het volgende kind van Izanagi en Izanami was Susa-no-o (“De Onstuimige Jongeling”). Wij zullen ons later nog met Susa-no-o en zijn verrichtingen bezig houden en ons voor het oogenblik tevreden stellen, onze aandacht te beperken tot zijne ouders.
Izanami schonk ook het leven aan den God van het Vuur, Kagu-tsuchi. De geboorte van dat kind maakte haar ernstig ziek. Izanagi knielde op den grond, bitter weenend en vreeselijk klagend. Maar zijn smart hielp hem niets, daar Izanami wegsloop naar het Land van Yomi (Hades).
Haar echtgenoot kon echter zonder haar niet leven, en ging ook naar het Land van Yomi. Toen hij haar ontdekte, zeide zij met diep leedwezen: “Mijn heer en echtgenoot, waarom komt gij zoo laat? Ik heb reeds gegeten van het kookfornuis van Yomi. Maar ik ben nu op het punt mij neder te leggen om te rusten. Ik smeek u, niet naar mij te zien.”
Izanagi, door nieuwsgierigheid bewogen, weigerde aan haar wensch te voldoen. Het was duister in het land van Yomi, daarom haalde hij zijn kam met vele tanden te voorschijn, brak een stuk af en stak dat aan. Het gezicht, dat Bladzijde 4hem begroette, was afgrijselijk en ontzettend afschuwwekkend. Zijn vroeger zoo schoone vrouw was nu een gezwollen schepsel geworden, bedekt met etterende zweren. Acht verschillende soorten van Dondergoden rustten op haar. De Donder van het Vuur, de Aarde en de Bergen gluurden op hem, en bulderden met ontzaglijke stemmen.
Izanagi verschrikte hevig en walgde van het gezicht, terwijl hij zeide: “Ik ben geheel onverwacht naar een afzichtelijk en bezoedeld land gekomen”. Zijn vrouw antwoordde: “Waarom hebt gij ook niet in acht genomen, wat ik u heb bevolen? Nu is schande over mij gekomen”.
Izanami was zóó verontwaardigd op haar echtgenoot, omdat hij haar afzondering niet had geëerbiedigd, dat zij de Acht Leelijke Vrouwen van Yomi uitzond om hem te vervolgen. Izanagi trok zijn zwaard en vluchtte naar de duistere streken van de Onderwereld. Onder het loopen nam hij zijn hoofddeksel af en wierp dat op den grond. Het veranderde onmiddellijk in een tros druiven. Toen de Leelijke Vrouwen dit zagen, bukten zij en aten van de overheerlijke, zoete vruchten. Izanami zag, dat zij stilhielden, en achtte het daarom verstandig, haar echtgenoot zelf te vervolgen.
Op dit oogenblik had Izanagi den Effen Doorgang van Yomi bereikt. Daar plaatste hij een groote rots, en kwam toevallig tegenover Izanami te staan. Men zou waarlijk niet gedacht hebben, dat Izanagi tijdens zulke opwindende avonturen plechtig een echtscheiding zou hebben uitgesproken. Maar toch was dit juist wat hij toen deed. Op zijn voorstel antwoordde zijn vrouw: “Mijn waarde meester en echtgenoot, als gij zoo spreekt, zal ik al wat leeft in één dag worgen”. Dit klagende, maar tevens dreigende antwoord oefende in het minst geen invloed uit op Izanagi, die onmiddellijk antwoordde, dat hij zou zorgen, dat op één dag niet minder dan vijftien honderd wezens zouden geboren worden.
Bovenstaand antwoord blijkt inderdaad beslissend geweest Bladzijde 5te zijn, immers als wij weer van Izanagi hooren spreken, is hij uit het Land van Yomi ontsnapt, en is hij een nijdige vrouw en de Acht Leelijke Vrouwen ontloopen. Nadat hij ontsnapt was, onderwierp hij zich aan een groot aantal afwasschingen, bij wijze van reiniging, en daaruit werden een groot aantal godheden geboren. Wij lezen in de Nihongi: “Daarna, toen Izanagi zijn goddelijke taak had volbracht en toen zijn geestelijke loopbaan op het punt stond een verandering te ondergaan, bouwde hij zich een sombere verblijfplaats op het eiland Ahaji, waar hij eeuwig in stilte en afzondering in het verborgene vertoefde.”
Susa-no-o, of de “Onstuimige Jongeling”, was de broeder van Ama-terasu, de Godin der Zon. Susa-no-o was een zeer ongewenschte godheid, en in het Rijk der Japansche Goden was hij een beslist hinderlijk element. Zijn karakter is zeer duidelijk in de Nihongi geschetst, misschien zelfs duidelijker dan dat van eenige andere godheid, in die oude geschriften vermeld. Susa-no-o had een ontzettend slecht humeur, dat zich dikwijls openbaarde in een aantal wreede en onedele handelingen. Bovendien had hij, in weerwil van zijn langen baard, de gewoonte voortdurend te huilen en te jammeren. Als een ander kind in een gril een stuk speelgoed zou vernielen, zou de Onstuimige Jongeling, als hij in ziedende drift ontstoken was, zonder een oogenblik te waarschuwen het schoone groen der bergen doen verdorren, en bovendien een aantal menschen een ontijdigen dood doen sterven.
Zijn ouders, Izanagi en Izanami, waren door zijn wijze van optreden in groote zorgen; zij besloten dan ook, na ernstig met elkander te hebben overlegd, hun weerspannigen, ongezeglijken zoon naar het land van Yomi te verbannen. Maar Susa-no-o had ook een woordje in die zaak mede te spreken. Hij deed het volgende verzoek met de woorden: “Ik zal nu uwe bevelen gehoorzamen en naar Bladzijde 6het Onder-Land (Yomi) gaan. Vóór dien tijd wensch ik echter een korten tijd naar de Vlakte van den Hoogen Hemel te gaan en een onderhoud te hebben met mijn oudere zuster (Ama-terasu), waarna ik voor eeuwig zal verdwijnen”. Dit schijnbaar zoo onschuldige verzoek werd hem toegestaan, en Susa-no-o steeg op naar den Hemel. Zijn vertrek veroorzaakte een groote beweging der zee, en de heuvelen en bergen zuchtten zwaar. Ama-terasu hoorde nu dat leven, en toen zij bemerkte, dat daardoor de aanstaande komst van haar slechten broeder Susa-no-o werd aangekondigd, zeide zij bij zich zelf: “Komt mijn jongere broeder met goede bedoelingen hier? Ik denk, dat het zijn doel is, mij van mijn koninkrijk te berooven. Volgens de opdracht, die onze ouders hun kinderen hebben gegeven, heeft ieder van ons zijn hem uitsluitend toegewezen gebied. Waarom dus verwerpt hij het koninkrijk, waarheen hij zich heeft te begeven, en drijft hij de vermetelheid zoo ver, om hier te komen spionneeren?”
Ama-terasu maakte zich toen gereed voor den strijd. Zij bond zich het haar in knoopen, en hing er juweelen in, en om haar polsen “een prachtig snoer met vijfhonderd Yasaka juweelen.” Zij zag er ontzagwekkend uit, toen zij nog bovendien over haar rug een “pijlkoker met duizend pijlen” had geslagen en bovendien een tweeden “pijlkoker met vijfhonderd pijlen”, en toen zij daarbij nog haar armen had beschermd met een soort kussens, om het terugspringen van de pees van den boog zooveel mogelijk te dempen. Nadat zij zich aldus voor een doodelijken strijd had toegerust, zwaaide zij haar boog, greep het gevest van haar zwaard, en stampte telkens hard op den grond, totdat zij een gat had gemaakt, dat wijd genoeg was, om als verschansing dienst te doen.
Al die uitgewerkte en vernuftige voorbereidingen waren vergeefsch. De Onstuimige Jongeling deed zich volkomen voor als een boeteling. “Van het begin af”, zoo sprak hij, “is mijn hart niet zoo zwart geweest. Ik ben op het punt Bladzijde 7voor eeuwig naar het Onder-Land te vertrekken, hoe kon ik de gedachte verdragen, om te vertrekken, zonder nog eens voor het laatst, u, mijn oudere zuster, van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen? Om die reden ben ik te voet de wolken en nevelen doorgetrokken en ben ik van verren afstand hierheen gekomen. Het verbaast mij, dat mijn oudere zuster van haar kant een zoo strenge en stroeve houding tegen mij aanneemt.”
Ama-terasu hoorde die opmerking niet zonder eenig wantrouwen aan. De liefde van Susa-no-o voor zijn bloedverwanten was niet gemakkelijk in overeenstemming te brengen met zijn wreedheid. Daarom besloot zij zijn oprechtheid op de proef te stellen door een merkwaardige wijze van handelen, die wij hier niet behoeven te beschrijven. Voldoende zij het te zeggen, dat de zuiverheid van hart en de oprechtheid van den Onstuimigen Jongeling tegenover zijn zuster glansrijk te voorschijn kwamen.
Maar het goede gedrag van Susa-no-o was in werkelijkheid slechts van korten duur. Ama-terasu had juist een groot aantal voortreffelijke rijstvelden in den Hemel gemaakt. Enkele waren kort en andere waren lang, en Ama-terasu was terecht trotsch op die rijstvelden. Maar nauwelijks had zij het zaad in de lente gezaaid, of Susa-no-o vernielde de scheidingen tusschen de velden en liet in den herfst een aantal bonte veulens los.
Op zekeren dag, toen hij zijn zuster zag in de heilige Weef-Zaal, terwijl zij bezig was de kleederen der Goden te weven, maakte hij een opening in de zoldering en wierp hij een gevild paard naar beneden. Ama-terasu was zóó verschrikt, dat zij zich bij ongeluk aan de weversspoel bezeerde. In woede ontstoken, besloot zij haar verblijfplaats te verlaten; haar glinsterende kleederen daarom bijeengarend, kroop zij de blauwe lucht af, trad een grot binnen, maakte die stevig dicht, en bleef daar in eenzaamheid achter.
De wereld was nu in duisternis gehuld, en men kende geen wisseling meer van dag en nacht. Toen die ontzettende Bladzijde 8ramp had plaats gegrepen, verzamelden zich de Tachtig Myriaden Goden aan den oever der Rivier van den Hemel, en bespraken samen, hoe zij het best Ama-terasu konden overreden, om den Hemel weer op nieuw te begunstigen met haar schitterende glorie. Geen mindere Godheid dan de “Gedachten-bijeenvoegende” bracht na diepzinnig overleg een aantal zangvogels bijeen uit het Eeuwige Land. Na een aantal tooverformulieren met een bot van een hertepoot over een vuur van schors van een kerseboom, vervaardigden de Godheden een aantal gereedschappen, blaasbalgen en smidsen. Sterren werden samengesmeed om een spiegel te vormen, en ten slotte werden edelgesteenten en muziekinstrumenten vervaardigd.
Toen dit alles behoorlijk voltooid was, kwamen de Tachtig Myriaden Goden naar beneden naar de grot in de rots, waar de Zon-Godin verborgen was, en gaven een goed bestudeerde voorstelling. Aan de bovenste takken van den Echten Sakaki Boom hingen zij de kostbare juweelen, en aan de middelste takken den spiegel. Aan iederen kant was er een luid gezang van vogels, wat slechts het voorspel was van wat moest volgen. Nu nam Uzume (“Hemelsch-verontrustende-vrouw”) een speer in haar hand, bekranst met Eulalia gras, en maakte een kapsel van den Echten Sakaki Boom. Daarna zette zij een tobbe omgekeerd neer, en begon op bijzonder onwelvoegelijke wijze te dansen, totdat de Tachtig Myriaden Goden in lachen uitbarstten.
Dergelijke merkwaardige en buitengewone handelingen wekten natuurlijk de nieuwsgierigheid op van Ama-terasu, en zij kwam dus te voorschijn. Op nieuw werd de wereld door haar tegenwoordigheid in goudglans gehuld. Op nieuw hield zij verblijf in de Vlakte van den Hoogen Hemel, en Susa-no-o werd behoorlijk gekastijd en naar het Yomi Land verbannen.
Bij de gewone tegenstrijdigheid van mythen en legenden, Bladzijde 9behoeft het ons niet te verbazen, dat nergens meer eenige melding wordt gemaakt van het leven van Susa-no-o in het Land van Yomi. Als wij hem weer terugzien, is het buiten eenig verband met zijn gewonen, boosaardigen aanleg. Wij vinden hem juist terug in een rol, die de Ridders van de Ronde Tafel waardig is. Wij zijn volkomen in onzekerheid, of zijn plotseling optreden als dolende ridder een listige zet van zijn kant was met het oog op latere plannen, dan wel of het plotselinge verdwijnen van zijn zuster uit den Hemel hem er toe geleid heeft, voor goed zijn wijze van handelen te veranderen.
Toen Susa-no-o uit den Hemel was afgedaald, kwam hij aan de rivier Hi, in de provincie Idzumo. Hier werd hij gestoord door een weenend geluid. Het was iets zóó ongewoons, een ander dan hem zelf te hooren weenen, dat hij er dadelijk op uittrok, om de oorzaak dier droefheid op te sporen. Spoedig ontdekte hij een ouden man en een oude vrouw. Zij hadden een jong meisje tusschen zich in, dat zij hartelijk liefkoosden en met medelijdende oogen aanstaarden, alsof zij haar met tegenzin een laatst vaarwel toeriepen. Toen Susa-no-o het oude paar vroeg, wie zij waren en waarom zij zoo weeklaagden, antwoordde de oude man: “Ik ben een Aardsche Godheid, en mijn naam is Ashi-nadzuchi (‘Voet-slag-oude’). De naam van mijn vrouw is Te-nadzuchi (‘Hand-slag-oude’). Dit meisje is onze dochter, en haar naam is Kushi-nada-hime (‘Bewonderenswaardige-Inada-Prinses’). De reden van onze droefheid is, dat wij vroeger acht kinderen, allen dochters, bezeten hebben; maar ieder jaar is er ééne verslonden door een achttakkige slang, en nu nadert de tijd, dat dit meisje zal worden verslonden. Er is geen kans voor haar, om hieraan te ontkomen, en daarom zijn wij zoo vreeselijk bedroefd.”
De Onstuimige Jongeling luisterde met de grootste aandacht naar dit droevige verhaal, en daar hij zag, dat het meisje bijzonder schoon was, bood hij zich aan, om de Bladzijde 10achttakkige slang te dooden, als haar ouders haar hem ten huwelijk wilden geven als een passende belooning voor zijn diensten. Dit verzoek werd bereidwillig toegestaan.

Susa-no-o en Kushi-nada-hime
Susa-no-o veranderde nu Kushi-nada-hime in een kam met veel tanden en stak dien in zijn haar. Daarop verzocht hij het oude echtpaar, een ruime hoeveelheid saké te brouwen. Toen de saké gereed was, goot hij het brouwsel in acht kuipen en wachtte de komst van het vreeselijke monster af.
Eindelijk kwam de slang. Zij had acht koppen, en oogen rooder dan wintergroen. Bovendien had zij acht staarten, en dennen en cypressen groeiden op haar rug. Zij had een lengte van acht heuvels en acht valleien. Haar logge wijze van beweging was uit den aard der zaak langzaam, maar toen zij de saké ontdekte, dronk iedere kop gretig den verleidelijken drank, totdat de slang vreeselijk dronken werd en in slaap viel. Daar Susa-no-o toen weinig meer had te vreezen, trok hij zijn zwaard, dat tien span groot was, en hakte hij het groote monster in kleine stukken. Toen hij één der staarten trof, werd zijn zwaard gekorven en toen hij zich daar overheen bukte, ontdekte hij een zwaard, dat de Murakumo-no-Tsurugi genoemd werd. Toen hij zag, dat het een goddelijk zwaard was, gaf hij het aan de Goden van den Hemel.
Nadat hij zijn taak met den besten uitslag had volbracht, veranderde Susa-no-o zijn kam met vele tanden weer in Kushi-nada-hime, en kwam tenslotte in Suga, dat gelegen was in de provincie Idzumo, teneinde zijn huwelijk te kunnen sluiten. Hier vervaardigde hij het volgende gedicht:
“Vele wolken verrijzen,
Aan alle zijden een veelvuldige heining,
Om daarbinnen de bruiden te ontvangen,
Zij vormen een veelvuldige heining—
O! die veelvuldige heining!”
Nihongi.
In die dagen ontdekten de Goden, die in de Hooge Vlakte van den Hemel verzameld waren, dat er in het Bladzijde 11Middenland van Riet-Vlakten (Idzumo) voortdurend rustverstoringen waren. Men verhaalt, dat “Vlakten, de rotsen, boomstammen en grassen nog steeds het vermogen hebben te spreken. Des nachts maken zij een geraas gelijk aan dat van vurige vlammen; over dag dwarrelen zij heen en weer als vliegen in de vijfde maand.” Bovendien waren er enkele godheden, die aanleiding gaven tot klachten. De Goden besloten aan die rustverstoringen een einde te maken, en na ernstig overleg besloot Taka-mi-musubi, zijn kleinzoon Ninigi naar beneden te zenden, om het Middenland van Riet-Vlakten te besturen, ten einde den oproerigen geest uit te roeien en vrede en voorspoed in het land te brengen. Het werd noodzakelijk geacht boden te zenden, om reeds te voren den weg te effenen. De eerste afgezant was Ama-no-ho; maar daar hij drie jaar doorbracht in dat land zonder aan de Goden verslag te doen, werd zijn zoon in zijn plaats gezonden. Hij handelde volkomen als zijn vader, en tartte de bevelen der Hemelsche Goden. De derde bode was Ame-waka (“Hemel-jonge-Prins”). Ook hij was trouweloos, in weerwil van zijn edele wapens, en in plaats van zijn plichten te vervullen, werd hij verliefd op Shita-teru-hime (“Mindere-glans-Prinses”) die hij zich tot vrouw nam.
De verzamelde Goden waren verontwaardigd over dat vertoef, en zonden een fazant naar beneden, om na te gaan en te onderzoeken, wat er in Idzumo gaande was. De fazant ging zitten op een cassiaboom voor de deur van Ame-waka. Toen Ame-waka den vogel zag, schoot hij hem onmiddellijk dood. De pijl drong door den vogel heen, steeg op tot de Verblijfplaats der Goden, en werd weer teruggeslingerd, zoodat hij den trouweloozen en luien Ame-waka doodde.
Het geween van Mindere-glans-Prinses bereikte den Hemel, immers zij had haar echtgenoot innig lief en herkende in zijn plotselingen dood volstrekt niet de rechtvaardige wraak der Goden. Zij weende zóó luide en zóó hartverscheurend, dat de Hemelsche Goden haar hoorden. Bladzijde 12Een krachtige wind daalde neer, die het lichaam van Ame-waka naar de Hooge Vlakte van den Hemel heendreef. Een doodenhuis werd gemaakt, waarin de overledene gelegd werd. Gedurende acht dagen en acht nachten weerklonk het gejammer en het geween. De wilde gans in de rivier, de reiger, de ijsvogel, de musch en de fazant treurden met groote droefenis.
Het geschiedde nu, dat een vriend van Ame-waka, Aji-shi-ki genaamd, de treurige klaagliederen hoorde, die van den Hemel neerdaalden. Hij betuigde daarom zijn deelneming in de droefenis. Hij geleek echter zóózeer op den overledene, dat de ouders, bloedverwanten, vrouw en kinderen van Ame-waka, toen zij hem zagen, uitriepen: “Onze heer is nog in leven!” Dit hinderde Aji-shi-ki zóó zeer, dat hij zijn zwaard trok en het doodenhuis neerhaalde, zoodat het op de Aarde neerviel en de berg Moyama werd.
Men zegt, dat het licht, dat Aji-shi-ki uitstraalde, zóó schitterend was, dat het de oppervlakte van twee heuvels en twee valleien verlichtte. Zij, die voor de lijkplechtigheden bijeengekomen waren, zongen het volgende gezang:
“Zooals het snoer juweelen
Gedragen om den hals
Der Wevende maagd,
Die in den Hemel woont—
O! de glans der juweelen,
Over twee valleien geworpen
Door Aji-suki-taka-hiko-ne!”
“Naar den vijver ter zijde—
Den vijver ter zijde
Van den rotsigen stroom,
Welks geulen worden doortrokken
Door de landmeisjes
Ver van den Hemel,
Kom hierheen, kom hierheen!
(De vrouwen zijn schoon)
En spreid dan uw net
In den vijver ter zijde
Van den rotsigen stroom.”
Nihongi.
Er werden toen weer twee andere goden naar het Middenland van Riet-Vlakten gezonden, en die Goden slaagden Bladzijde 13in hun zending. Zij keerden met een gunstig verslag naar den Hemel terug, en deelden mede, dat alles nu gereed was voor de komst van het Verheven Kleinkind.
Ama-terasu begiftigde haar kleinzoon Ninigi, of Prins Rijst-Aar-Rossig-Overvloed, met ruime giften. Zij schonk hem kostbare steenen van de bergtrappen des Hemels, witte kristallen ballen, en, wat de kostbaarste gift van alle was, het goddelijke zwaard, dat Susa-no-o in de slang had ontdekt. Zij gaf hem eveneens den sterrenspiegel, waarin zij gekeken had, toen zij uit haar grot gluurde. Verschillende godheden vergezelden Ninigi, en daaronder was ook die opgewekte, vroolijke en dansende maagd Uzume begrepen, wier dansen, zooals men zich zal herinneren, de Goden zooveel vreugde had verschaft.
Ninigi en zijn metgezellen waren nauwelijks door de wolken heengebroken, en aan den Weg naar den Hemel met zijn acht vertakkingen gekomen, toen zij tot hun groote ontsteltenis een reusachtig wezen ontdekten, met groote en helder schijnende oogen. Zijn uiterlijk was zóó schrikwekkend, dat Ninigi en al zijn metgezellen, met uitzondering van de vroolijke en betooverende Uzume, zich opmaakten om terug te keeren en hun zending in den steek te laten. Maar Uzume ging naar den reus toe en vroeg hem, wie het was, die hun tocht durfde tegenhouden. De reus antwoordde: “Ik ben de Godheid der Veldwegen. Ik kom mijn hulde bieden aan Ninigi, en verzoek de eer te mogen hebben, hem tot gids te strekken. Keer naar uw meester terug, o schoone Uzume, en breng hem de boodschap over.”
Uzume keerde daarop terug en bracht haar boodschap over aan de Goden, die op zoo lafhartige wijze teruggeweken waren. Toen zij het goede nieuws hoorden, verheugden zij zich zeer, braken ten tweede male door de wolken heen, rustten uit op de Drijvende Brug van den Hemel, en bereikten eindelijk den top van Takachihi. Bladzijde 14
Het Verheven Kleinkind reisde, met de Godheid der Veldwegen als gids, van het ééne deel van het rijk waarover hij zou regeeren, naar het andere. Toen hij een bijzonder liefelijke plaats had bereikt, bouwde hij een paleis.
Nigini was zóó ingenomen met den dienst, dien de God der Veldwegen hem had bewezen, dat hij dien reus de vroolijke Uzume tot vrouw gaf.
Nadat Nigini op zoo romantische wijze zijn trouwen gids had beloond, begon hij ook zelf het ontbranden van het liefdevuur in zijn borst te voelen, toen hij op zekeren dag, op een wandeling langs de kust een bijzonder lieftallig meisje zag. “Wie zijt gij, o schoone dame?” vroeg Ninigi. Zij antwoordde: “Ik ben de dochter van den Bezitter van den Grooten Berg. Mijn naam is Ko-no-Hana, de Prinses die de Bloemen en Boomen doet bloeien.”
Ninigi werd verliefd op Ko-no-Hana. Met allen spoed ging hij naar haar vader, Oho-yama, en verzocht dezen, hem wel haar hand te willen schenken.

Hoori en de Dochter van den Zeegod
Oho-yama had een oudere dochter, Iha-Naga, Prinses Lang-als-de-Rotsen. Zooals haar naam doet vermoeden, was zij volstrekt niet schoon, maar haar vader wenschte, dat de kinderen van Ninigi eeuwig zouden blijven leven zooals de rotsen. Daarom bracht hij zijn beide dochters naar Ninigi, en sprak hij de hoop uit, dat de keuze van den minnaar op Iha-Naga zou vallen. Evenals Asschepoester, en niet haar leelijke zusters, bij de kinderen van onze streken geliefd is, zoo bleef ook Ninigi trouw aan zijn oorspronkelijke keuze, en wilde zelfs geen blik slaan op Iha-Naga. Deze veronachtzaming maakte Prinses Lang-als-de-Rotsen vreeselijk boos. Zij riep met meer heftigheid dan bescheidenheid uit: “Als gij mij hadt gekozen, zoudt gij en uw kinderen lang in het land hebben geleefd. Nu gij mijn zuster hebt gekozen, zult gij met de uwen even snel omkomen als de bloesems der boomen, en even snel als de jeugdige frischheid op het gelaat van mijn zuster.”
Toch leefde Ninigi en Ko-no-Hana een tijdlang samen Bladzijde 15gelukkig; maar op zekeren dag werd Ninigi door jaloerschheid bevangen, waardoor hij zijn gemoedsrust verloor. Hij had geen enkele reden, jaloersch te zijn, en Ko-no-Hana nam hem zijn optreden ten hoogste kwalijk. Zij trok zich terug in een houten hut, die zij in brand stak. Uit de vlammen verrezen drie kleine jongens. Wij behoeven ons alleen maar bezig te houden met twee van hen—Hoderi (“Schijnend-Vuur”) en Hoori (“Uitdoovend-Vuur”). Zooals wij later zullen zien, was Hoori de grootvader van den eersten Mikado van Japan.
Hoderi was een groot visscher, terwijl zijn jongere broeder, Hoori, een volleerd jager was. Op zekeren dag riepen zij uit: “Laat ons bij wijze van proef onze gaven omruilen.” Dit deden zij, maar de oudste broeder, die zeer goed visch kon vangen, kwam thuis zonder eenig wild, toen hij op de jacht was getrokken. Hij gaf dus den boog en de pijlen terug, en vroeg zijn broeder om den vischhaak. Het ongeluk wilde echter, dat Hoori den vischhaak van zijn broeder had verloren. Het edelmoedige aanbod, om een nieuwen haak te geven, werd met minachting geweigerd. Hij weigerde eveneens, een boordevollen bak met vischhaken aan te nemen. De oudere broeder antwoordde op dit aanbod: “Onder deze haken zie ik niet mijn ouden vischhaak; hoewel er heel wat zijn, wil ik ze niet hebben.”
Hoori nu was diep bedroefd over de norschheid van zijn broeder; daarom ging hij naar het strand der zee en gaf daar uiting aan zijn droefheid. Een vriendelijke oude man, Shiko-tsutsu no Oji genaamd (“Zoute-zee-oude”), zeide: “Waarom treurt gij hier?” Toen hij het droeve verhaal had vernomen, antwoordde de oude man: “Treur niet langer. Ik zal die zaak voor u in orde brengen.”
Getrouw aan zijn belofte, maakte de oude man een mand, zette Hoori daarin, en deed die in zee zinken. Toen Hoori diep in het water was neergedaald, kwam hij aan Bladzijde 16een liefelijk strand, dat rijk was aan verschillende soorten zeegras van de meest fantastische vormen. Hier liet hij de mand achter en kwam eindelijk aan het Paleis van den Zeegod. Dit paleis maakte een ontzaglijken indruk. Het had kasteelen, kleine torentjes en statige torens. Een bron stond aan de deur, en boven die bron stond een cassiaboom. Hier bleef Hoori in de heerlijke schaduw vertoeven. Hij had daar niet lang gestaan, toen een schoone vrouw te voorschijn trad. Toen zij op het punt was, water te scheppen, hief zij haar oogen op, zag den vreemdeling en vertrok weer onmiddellijk met groote ontsteltenis, om haar vader en moeder te vertellen, wat zij gezien had.
De Zeegod maakte, toen hij het bericht vernam, een “achtvoudig kussen” en leidde den vreemdeling naar binnen met de vraag, waaraan hij de eer van zijn tegenwoordigheid te danken had. Toen Hoori hem het droevige verlies mededeelde van den vischhaak van zijn broeder, verzamelde de Zeegod alle visschen van zijn Koninkrijk, “zoowel die met breede, als die met smalle vinnen”. En toen de duizenden en duizenden visschen verzameld waren, vroeg hen de Zeegod, of zij iets afwisten van den verloren vischhaak. “Wij weten er niets van”, antwoordden de visschen. “Alleen de Roode-vrouw (de tai) had eenigen tijd geleden een zeeren mond, en zij is niet verschenen.” Daarop werd zij ontboden, en toen haar mond werd geopend, werd de verloren vischhaak ontdekt.
Hoori trouwde daarop met de dochter van den Zeegod, Toyo-tama (“Rijk-Juweel”), en zij leefden samen in het paleis onder de zee. Gedurende drie jaren ging alles best, maar daarna kreeg Hoori heimwee, en wilde hij zoo gaarne een blik slaan op zijn land, misschien ook herinnerde hij zich, dat hij den vischhaak nog aan zijn broeder moest teruggeven. Deze volstrekt niet onnatuurlijke gedachten verontrustten het hart van de liefhebbende Toyo-tama, en zij ging naar haar vader, om hem de reden van haar droefheid mede te deelen. Maar de Zeegod, die altijd wellevend Bladzijde 17en hoffelijk was, nam het gedrag van zijn schoonzoon volstrekt niet kwalijk. Integendeel, hij gaf hem den vischhaak en zeide: “Als gij dezen vischhaak aan uw ouderen broeder geeft, zeg dan tegen dien vischhaak heimelijk: ‘Een ongelukkige vischhaak!’” Evenzoo schonk hij Hoori den Juweel van het Stijgende Water en dien van het Vallende Water en zeide: “Als gij den Juweel van het Stijgende Water onderdompelt, zal het water plotseling wassen, en zult gij uw ouderen broeder onder water doen zinken. Maar voor het geval uw oudere broeder berouw heeft en vergiffenis vraagt, zal, als gij den Juweel van het Vallende Water onderdompelt, het water plotseling dalen, en zult gij hem dus redden. Indien gij hem op die manier bejegent, zal hij zich uit eigen beweging onderwerpen.”
Juist toen Hoori op het punt stond te vertrekken, kwam zijn vrouw bij hem en deelde hem mede, dat zij hem spoedig een kind zou schenken. Zij zeide: “Op een dag, waarop de winden en de golven woeden, zal ik vast en zeker naar het strand der zee komen. Bouw voor mij een huis, en wacht daar op mij.”
Toen Hoori zijn eigen huis bereikte, vond hij zijn ouderen broeder weer, die zijn beleediging erkende en om vergiffenis smeekte, welke hem gaarne werd verleend.
Toyo-tama en haar jongere zuster trotseerden dapper de winden en golven en kwamen aan het strand der zee. Daar had Hoori een hut gebouwd, gedekt met veeren van den vischdief, en daar schonk zij op den juisten tijd het leven aan een zoon. Toen Toyo-tama haar meester met kroost had gezegend, veranderde zij in een draak en gleed zij weer in zee terug. De zoon van Hoori huwde met zijn tante, en werd de vader van vier kinderen, van wie één Kamu-Yamato-Iware-Biko was, van wien men verhaalt, dat hij de eerste menschelijke Keizer van Japan was, thans bekend onder den naam van Jimmu Tennō. Bladzijde 18
Langen tijd geleden werd een zekere keizer ernstig ziek. Hij kon des nachts niet slapen, het gevolg van een afschuwelijk en onverklaarbaar geluid, dat hij hoorde, en dat afkomstig was van het dak van het paleis, dat de Purperen Zaal van de Noordster heette. Een groot aantal van zijn hovelingen besloten op de loer te gaan liggen, teneinde dien vreemden nachtelijken bezoeker op te wachten. Zoodra de zon onderging, ontdekten zij, dat een donkere wolk opsteeg aan den oostelijken horizon, en neerkwam op het dak van het paleis. Zij, die de wacht hielden in het keizerlijk slaapvertrek, hoorden bijzondere krabbelende geluiden, alsof dat wat oorspronkelijk een wolk scheen te zijn, plotseling veranderd was in een beest met reusachtige en krachtige klauwen. Nacht op nacht kwam de vreeselijke bezoeker, en nacht op nacht werd de keizer hoe langer hoe zieker. Eindelijk nam zijn ziekte zóózeer toe, dat allen, die in zijn dienst waren, duidelijk zagen, dat de keizer zeker zou sterven, als niet iets kon gedaan worden, om dat monster te verdelgen.
Eindelijk werd uitgemaakt, dat Yorimasa de eenige ridder in het rijk was, die dapper genoeg was, om Zijne Majesteit te verlossen van die ontzettende beproeving. Yorimasa maakte dan ook met zorg gekozen voorbereidselen voor den strijd. Hij nam zijn besten boog en zijn beste pijlen met stalen punten, trok zijn wapenrusting aan, waarover hij een jachtkleed droeg, en zette een deftige muts op in plaats van zijn gewonen helm.

Yorimasa doodt het monster
Tegen zonsondergang legde hij zich buiten in een hinderlaag. Terwijl hij daar afwachtte, wat zou geschieden, ratelde de donder boven zijn hoofd, flikkerde de bliksem in de lucht en loeide de wind als een bende woeste demonen. Maar Yorimasa was een dapper man, en de Bladzijde 19woede der elementen ontmoetigde hem niet in het minst. Toen het middernacht werd, zag hij hoe een zwarte wolk door de lucht heenvloog, en zich nederzette op het dak van het paleis. Zij bleef liggen op den noordoostelijken hoek. Nog eens flikkerde de bliksem in de lucht, en nu zag hij de flikkerende oogen van een ontzaglijk dier. Na de juiste plaats van dit vreemde monster met zorg te hebben vastgesteld, spande hij zijn boog, totdat deze even rond was als de volle maan. In een volgend oogenblik trof zijn pijl met stalen punt het doel. Er werd een vreeselijk gebrul van woede gehoord, en daarna een vreeselijke smak, toen het ontzaglijke monster van het dak van het paleis op den grond viel.
Yorimasa en zijn makker holden vooruit en doodden het monster, dat zij vóór zich zagen. Dat groote monster van den nacht was zoo groot als een paard. Het had den kop van een aap, en zijn lichaam en zijn klauwen waren als die van een tijger, terwijl het den staart had van een slang en de vleugels van een vogel en de schubben van een draak.
Het is niet te verwonderen, dat de keizer bevel gaf, dat de huid van dat monster ten eeuwigen dage als een merkwaardigheid in de keizerlijke schatkamer moest worden bewaard. Van het oogenblik af, dat het monster dood was, verbeterde de gezondheid van den keizer snel, en Yorimasa werd voor zijn diensten beloond door de aanbieding van een zwaard, Shishiwo genaamd, wat beteekent “de Koning der Leeuwen”. Hij kreeg bovendien een hoogeren rang aan het Hof, en huwde ten slotte de Edele Ayame, de schoonste der hofdames aan het Keizerlijke Hof.
Wij kunnen Yoshitsune vergelijken met den Zwarten Prins of Hendrik V, en Benkei met Little John, Will Scarlet en Friar Tuck1 in één vereenigd. Yoshitsune zou een zeer bijzondere held genoemd kunnen worden, als niet zijn Bladzijde 20getrouwe wapendrager, Benkei, eveneens in de Japansche geschiedenis en legende een rol had gespeeld. Maar thans zijn wij gedwongen toe te geven, dat Benkei verreweg de grootste held was. Hij stak niet alleen in lichaamsbouw boven zijn makkers uit, maar hij overtrof zijn broederen ook in dapperheid, slimheid, redzaamheid, en bovendien in bewonderenswaardige teederheid van gemoed. Hier had men een man, die met het grootste gemak honderd man kon verslaan, en met dezelfde rustige zekerheid de Buddhistische geschriften kon verklaren. Hij kon over Yoshitsune weenen, toen hij het om strategische overwegingen noodig achtte, hem hard te slaan en kon met oneindige teederheid hulp verleenen, toen de vrouw van zijn meester het leven schonk aan een zoon. Er was nog een andere trek in het wisselende karakter van Benkei—zijn lust, om er iemand in te laten loopen. De geschiedenis met den bel van Miidera2 kan tot bewijs hiervoor gelden, en evenzoo het rijke feest op kosten van een aantal priesters; maar als hij iemand er in had laten loopen, aarzelde hij nooit ten volle het gelag te betalen. Benkei merkte bij zekere gelegenheid op: “Als er geloot moet worden, zorgt mijn meester er wel voor, dat ik het kind van de rekening ben.” Dit was ongetwijfeld waar. Benkei stelde er altijd een eer in, het vuile werk te doen, en als zijn meester hem vroeg, iets voor hem te verrichten, was Benkei’s eenige klacht, dat de taak niet zwaar genoeg was, hoewel die taak in den regel werkelijk zóó gevaarlijk was, dat zij een dozijn minder begaafde helden zou hebben vrees aangejaagd.
Het verhaal zegt, dat Benkei reeds bij zijn geboorte lang haar had en een volledig stel tanden, en dat hij bovendien zoo snel kon loopen als de wind. Benkei was te forsch voor een gewoon Japansch huis. Als hij het aanbeeld van Jinsaku sloeg, zonk dat nuttige voorwerp diep in de aarde, en als brandhout droeg hij een grooten pijnboom aan. Toen Benkei zeventien jaar oud was, werd hij priester in een Bladzijde 21Buddhistischen tempel; maar dit belette hem niet, een schoone jonge maagd, Tamamushi genaamd, op opzienbarende wijze te schaken. Wij zien onzen held zich spoedig losbreken uit het priesterschap en uit de liefde, en zijn volle aandacht wijden aan de opwekkende avonturen van een krijgsman, die buiten de wet stond. Wij moeten hem hiervoor een korten tijd in den steek laten, en eerst de geschiedenis verhalen van Yoshitsune, ten einde duidelijk te maken, hoe hij het groote geluk had, Benkei te ontmoeten en zich van diens hulp en vriendschap te verzekeren tot aan zijn dood.
De vader van Yoshitsune, Yoshitomo, was gesneuveld in een grooten slag tegen de Taira. In dien tijd was de Taira-stam oppermachtig, en zijn wreede aanvoerder, Kiyomori, deed alles wat hij kon, om de kinderen van Yoshitomo uit den weg te ruimen. Maar de moeder van die kinderen, Tokiwa, vluchtte naar een schuilplaats, waarheen zij ook haar kleinen medevoerde. Met karakteristieken Japanschen moed stemde zij er eindelijk in toe, de vrouw te worden van den gehaten Kiyomori. Zij deed dit, omdat dit de eenige was, om het leven van haar kinderen te sparen. Het werd haar geoorloofd, Yoshitsune bij zich te houden, en dagelijks fluisterde zij hem toe: “Gedenk uw vader, Minamoto Yoshitomo! Word krachtig en wreek zijn dood, want hij is gestorven door de hand der Taira.”
Toen Yoshitsune zeven jaar oud was, werd hij naar een klooster gezonden, om als monnik te worden opgeleid. Hoewel hij ijverig was in zijn studies, bewaarde de jonge knaap voortdurend de onverschrokken woorden van zijn dappere, zelfopofferende moeder in zijn hart. Zij wekten hem op en bezielden hem tot daden. Hij placht naar een bepaalde vallei te gaan, waar hij zijn klein houten zwaard zwaaide, en onder het zingen van gedeelten uit krijgszangen, uitviel tegen rotsen en steenen, in de Bladzijde 22hoop, dat hij in de toekomst een groot krijgsman mocht worden, en al de rampen en ongerechtigheden die door den Taira-stam op zijn familie waren opgehoopt, kon wreken en goedmaken.
In zekeren nacht werd hij, terwijl hij daarmede bezig was, door een hevige onweersbui overvallen, en zag hij een ontzaglijken reus vóór zich met een langen rooden neus en groote fonkelende oogen, met klauwen als van een vogel, en gevederde vleugels. Terwijl hij dapper stand hield, deed Yoshitsune navraag, wie die reus was, en werd hem medegedeeld, dat het de Koning der Tengu was—dat wil zeggen, de Koning der kaboutermannetjes uit de bergen, levendige wezentjes, die zich herhaaldelijk bezig hielden met allerlei fantastische streken.
De Koning der Tengu was Yoshitsune zeer vriendelijk gezind. Hij zeide, dat hij zijn volharding bewonderde, en deelde hem mede, dat hij voor hem was verschenen met de vriendelijke bedoeling, hem alles te leeren, wat op het gebied der krijgskunde kon worden geleerd. Het onderwijs vorderde op de meest bevredigende wijze, en het duurde niet lang, of Yoshitsune kon minstens twintig kleine tengu overwinnen, en die groote vlugheid kwam Yoshitsune goed te pas, zooals wij verder in dit verhaal zullen zien.
Toen nu Yoshitsune vijftien jaar oud was, hoorde hij dat op den berg Hiei een bijzonder woeste bonze (priester) leefde, Benkei genaamd. Benkei had een tijd lang ridders belaagd, die de Gojo Brug van Kyōto overtrokken. Zijn wensch was, duizend zwaarden te bemachtigen, en hij was zóó dapper, en tevens zulk een schurk, dat hij op ridders niet minder dan negenhonderd negen en negentig zwaarden op onwettige wijze had veroverd. Toen het bericht hiervan de ooren van Yoshitsune had bereikt, besloot hij van het onderwijs van den Koning der Tengu een goed gebruik te maken, om dien Benkei te dooden, ten einde op die wijze hem, die de schrik van het land was geworden, onschadelijk te maken.

Yoshitsune en Benkei aangevallen door een troep spookachtige Krijgers van den stam der Taira’s
Op zekeren avond trok Yoshitsune op weg, en ten einde den schijn aan te nemen van volkomen onverschilligheid, speelde hij op de fluit, totdat hij de Gojo Brug had bereikt. Onmiddellijk zag hij een reusachtigen man op hem afkomen, in een zwarte wapenrusting, die niemand anders was dan Benkei. Toen Benkei den jongeling zag, beschouwde hij het als beneden zijn waardigheid, iemand aan te vallen, die hem een zwakkeling voorkwam, een droomer, die voortreffelijk kon fluitspelen, en ongetwijfeld ook een mooi gedicht kon vervaardigen op de maan, die toen juist aan den hemel scheen, maar die volstrekt geen krijgsman was. Die beleediging maakte Yoshitsune vreeselijk woedend, en plotseling stootte hij de hellebaard van Benkei uit zijn hand.
Benkei slaakte een kreet van woede, en sloeg er met zijn wapen in het wilde op los. Maar de vlugheid, die hij van den Koning der tengu had geleerd, kwam Yoshitsune zeer te stade. Hij sprong van den éénen naar den anderen kant, van voren naar achteren, en weer terug van achteren naar voren, terwijl hij den reus met menige grap voor den gek hield en telkens in een vroolijk gelach uitbarstte. Het wapen van Benkei zwaaide voortdurend rond en trof nu eens de lucht, dan weer de grond, maar raakte nooit zijn tegenstander.
Eindelijk werd Benkei moede, en weder sloeg Yoshitsune de hellebaard uit de hand van den reus. Toen Benkei trachtte zijn wapen weder op te nemen, wist Yoshitsune hem een beentje te lichten, zoodat hij op handen en voeten kwam te staan; de held besteeg nu met een triomfkreet den tijdelijk viervoetigen Benkei. De reus was stom verbaasd over zijn nederlaag, en toen hij hoorde, dat de overwinnaar niemand anders was dan de zoon van den Edelen Yoshitomo, nam hij niet alleen zijn nederlaag op waardige wijze op, maar verzocht hij, of hij van nu af aan in den dienst mocht treden van den jeugdigen overwinnaar. Bladzijde 24
Van dien tijd af vinden wij de namen van Yoshitsune en Benkei steeds samen verbonden, en in al de verhalen van krijgslieden, hetzij in Japan, hetzij elders, was er nooit een dapperder en meer eensgezinde verbinding van kracht en vriendschap. Wij lezen, hoe talrijke overwinningen zij op de Taira behaalden, en hoe zij hen naar zee dreven, waar deze dan bij Dan-no-ura ontkwamen.
Wij kennen nog een tweede legende in verband met Dan-no-ura. Yoshitsune en zijn trouwe makker maakten zich gereed, in een schip van de provincie Settsu over te steken naar Saikoku. Toen zij Dan-no-ura bereikten, stak een vreeselijke storm op. Geheimzinnige stemmen kwamen uit de zich opstapelende golven, een verwijderde echo van wapengekletter, van voortsnellende schepen en het suizen van pijlen, van het neervallen van duizend manschappen. Het geraas werd al luider en luider, en uit de opgezweepte, schuimende koppen van de golven verrees een spookachtige troep van den Taira-stam. Hun wapenrusting was gescheurd en met bloed bevlekt, en zij staken hun wasemige armen uit, terwijl zij trachtten de boot tegen te houden, waarin Yoshitsune en Benkei voeren. Het was een spookachtige herinnering aan den slag bij Dan-no-ura, toen de Taira een vreeselijke en onherstelbare nederlaag hadden geleden. Toen Yoshitsune dien grooten spookachtigen troep zag, riep hij om wraak, zelfs op de schimmen der gedoode Taira; maar Benkei, die steeds listig en voorzichtig was, verzocht zijn meester, zijn zwaard neer te leggen, en nam een rozenkrans ter hand en zeide een aantal Buddhistische gebeden op. Over den troep geesten daalde vrede neer, het gejammer hield op, en geleidelijk verdwenen zij weder in de zee, die daarna kalm werd.
De legende verhaalt ons, dat visschers nog altijd van tijd tot tijd schimmenlegers uit zee zien oprijzen, die jammerklachten uiten en met hun armen zwaaien. Men zegt, dat de kreeften met gevlekten rug de schimmen zijn der Tairastrijders. Wij zullen later een andere legende Bladzijde 25behandelen, die in verband staat met die ongelukkige geesten, die het nooit moede worden, het tooneel van hun nederlaag weer op te zoeken.
Tijdens de regeering van Keizer Ichijo waren er in Kyōto een aantal verhalen in omloop met betrekking tot een boozen geest, die op den Berg Oye woonde. Die booze geest kon verschillende gedaanten aannemen. Somtijds verscheen hij als een menschelijk wezen, en drong heimelijk in Kyōto binnen, waar hij uit menig huis teer geliefde zonen en dochters wegrukte. Hij nam die jongelingen en meisjes mede naar zijn vesting op den berg, en—het is droevig te verhalen—na met hen den spot te hebben gedreven, richtte hij met zijn makkers een groot feest aan en verslond daar die arme jongelieden. Zelfs het onschendbare Hof was niet beveiligd tegen die vreeselijke gebeurtenissen en op zekeren dag verloor Kimitaka zijn schoone dochter. Zij was door den Koning der Booze Geesten, Shutendoji, weggeroofd.
Toen dit treurige nieuws de ooren van den Keizer bereikte, riep hij zijn Raad te zamen, en overlegde hij, hoe zij dit vreeselijke monster zouden kunnen dooden. Zijne Majesteit hoorde van zijn ministers, dat Raiko een onverschrokken ridder was, en daarom raadden zij hem aan, dat deze met enkele makkers op dit gevaarlijke maar eervolle avontuur zoude worden uitgezonden.
Raiko koos dus vijf metgezellen, en vertelde hen wat bevolen was, en wel, dat zij een avontuurlijke reis moesten ondernemen, en den Koning der Booze Geesten moesten dooden. Hij legde hun uit, dat geslepenheid bij de uitvoering van hun plan zeer noodig was, indien zij hoopten hun taak naar behooren te volbrengen, en dat het verstandig zou zijn, zich te vermommen als priesters van het gebergte, en hun wapenrusting en wapenen op hun rug te dragen, voorzichtig verborgen in ransels, die geen Bladzijde 26achterdocht zouden wekken. Voordat zij op weg gingen, trokken twee der ridders, om te bidden, naar den tempel van Hachiman, den Oorlogsgod, twee naar het altaar van Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, en twee naar den tempel van Gongen.

Raiko en het betooverde meisje
Toen de ridders gebeden hadden, dat hun onderneming mocht gezegend worden, aanvaardden zij hun reis en bereikten na verloop van tijd de provincie Tamba, terwijl zij onmiddellijk den berg Oye tegenover zich zagen. De Booze Geest had zeker den vreeselijksten der bergen gekozen. Machtige rotsen en groote donkere bosschen belemmerden hun den weg in iedere richting, terwijl bijna bodemlooze afgronden zich aan hen voordeden, waar die het minst verwacht werden.
Toen de dappere ridders juist eenigszins moedeloos begonnen te worden, verschenen plotseling drie oude mannen vóór hen. Het eerste oogenblik werden deze nieuwe bezoekers met achterdocht aangezien, maar later met de grootste vriendelijkheid en dankbaarheid. Die oude mannen waren niemand minder dan de drie godheden, tot wie de ridders gebeden hadden, voordat zij hun tocht aanvaardden. De oude mannen boden Raiko een kruik met tooversaké aan, Shimben-Kidoku-Shu genaamd (“een hartsterking voor menschen, maar vergif voor booze geesten”), en raadde hen aan, Shutendoji door een krijgslist er toe te bewegen er van te drinken, waarna hij onmiddellijk verlamd zou worden en een gemakkelijker prooi zou zijn voor zijn vijanden. Nauwelijks hadden de oude mannen tooversaké gegeven en hun kostbaren raad daaraan toegevoegd, of een wonderbaarlijk licht schitterde om hen heen, terwijl zij in de wolken verdwenen.
Raiko en zijn paladijnen beklommen, zeer verblijd met hetgeen geschied was, verder den berg. Toen zij aan een stroom gekomen waren, zagen zij daar een schoone vrouw, die bezig was een met bloed bevlekt gewaad in het stroomende water te wasschen. Zij weende bitter, en wischte Bladzijde 27haar tranen af met de lange mouw van haar kimono. Toen Raiko vroeg, wie zij was, vertelde zij hem, dat zij een prinses was, en één der ongelukkige gevangenen van den Koning der Booze Geesten. Toen men haar had medegedeeld, dat het niemand anders was dan de groote Raiko, die vóór haar stond, en dat hij en de andere ridders gekomen waren om het afschuwelijke bergmonster te dooden, was zij onuitsprekelijk verheugd, en voerde ten slotte den kleinen troep naar een groot paleis van zwart ijzer, terwijl zij de schildwachten om den tuin leidde door hen te zeggen, dat haar volgelingen arme priesters van den berg waren, die een tijdelijke schuilplaats zochten.
Nadat zij door lange gangen waren geloopen, kwamen Raiko en zijn volgelingen in een reusachtige zaal. Aan het ééne uiteinde zat de schrikwekkende Koning der Booze Geesten. Hij had een reusachtige gestalte, met een helderroode huid en een massa wit haar. Toen Raiko hem onderdanig mededeelde, wie zij waren, noodigde de Koning, terwijl hij zijn vreugde verborg, hen uit plaats te nemen, en deel te nemen aan den feestmaaltijd, die juist zou worden voortgezet. Daarop klapte hij in zijn roode handen, en onmiddellijk kwamen een aantal schoone meisjes binnenrennen met een overvloed van spijs en drank, en toen Raiko haar aandachtig gadesloeg, begreep hij, dat zij eertijds in gelukkige woningen in Kyōto hadden gewoond.
Toen het feest in vollen gang was, haalde Raiko de kruik met de tooversaké voor den dag, en verzocht den Koning der Booze Geesten beleefd er van te proeven. Het monster dronk zonder aarzelen en zonder eenig kwaad vermoeden een weinig van de saké, en vond die zóó lekker, dat hij nog om een tweeden beker vroeg. Alle booze geesten dronken van den tooverwijn, en terwijl zij dronken, dansten Raiko en zijn metgezellen.
De tooverdrank begon zijn werking te doen gevoelen. De Koning zelf werd slaperig, totdat eindelijk hij en de andere booze geesten in een diepen slaap vielen. Toen Bladzijde 28sprong Raiko overeind, en hij en zijn makkers trokken snel hun wapenrusting aan en maakten zich gereed voor den strijd. Ten tweeden male verschenen hem de drie godheden, en zeiden tot Raiko: “Wij hebben de handen en voeten van den Boozen Geest stevig gebonden, zoodat gij niets te vreezen hebt. Terwijl de overige ridders zijn ledematen afhakken, moet gij hem het hoofd afsnijden; dood daarna de overige eni, (booze geesten) en uw taak zal volbracht zijn.” Daarna verdwenen die goddelijke wezens plotseling.
Raiko en de overige ridders naderden voorzichtig den slapenden Koning der Booze Geesten met getrokken zwaarden. Met een reusachtigen zwaai kwam het wapen van Raiko krakend neer op den nek van den Boozen Geest. Nauwelijks was het hoofd van den romp gescheiden, of het vloog in de lucht, terwijl rook en vuur uit zijn neusgaten spoten en den dapperen Raiko brandden. Ten tweeden male viel hij met zijn zwaard uit, en nu viel het afschuwelijke hoofd op den grond en bewoog zich niet meer. Het duurde niet lang, of de dappere ridders hadden ook de volgelingen van den Boozen Geest gedood.
In een blijde stoet trokken zij uit het groote ijzeren paleis. De vijf makkers van Raiko droegen het monsterachtige hoofd van den Koning, en die afzichtige stoet werd gevolgd door een lange rij van gelukkige meisjes, die eindelijk verlost waren uit haar vreeselijke gevangenis, en er zich in verheugden weer te wandelen in de straten van Kyōto.
Korten tijd nadat de gebeurtenis, hierboven geschetst, had plaats gegrepen, werd de dappere Raiko ernstig ziek, en hij was genoodzaakt zijn kamer te houden. Omstreeks middernacht bracht hem steeds een kleine jongen een geneesmiddel. De jongen was aan Raiko niet bekend, maar daar hij zulk een grooten stoet bedienden had, wekte dit in Bladzijde 29het begin geen argwaan op. Raiko werd echter erger, in plaats beter, en wel het ergst, onmiddellijk nadat hij het geneesmiddel had ingenomen; daarom begon hij te vermoeden, dat de ééne of andere bovennatuurlijke kracht de oorzaak was van zijn ziekte.
Ten slotte vroeg Raiko zijn voornaamsten dienaar, of hij iets wist van den knaap, die tegen middernacht bij hem kwam. Noch deze, noch iemand anders bleek iets omtrent hem te weten. Van dat oogenblik af was de achterdocht van Raiko in hooge mate opgewekt, zoodat hij besloot, de zaak met zorg na te gaan.
Toen het knaapje tegen middernacht terugkwam, wierp Raiko, in plaats van het geneesmiddel te nemen, den beker naar diens hoofd, en trachtte hem, na zijn zwaard te hebben getrokken, te dooden. Een luide kreet van pijn weerklonk door het vertrek, maar op het oogenblik, dat de knaap uit het vertrek wegvloog, wierp hij iets naar Raiko toe. Het spreidde zich uit tot een reusachtig, wit kleverig web, dat zich zóó stevig aan Raiko vasthechtte, dat hij zich nauwelijks kon bewegen. Zoodra hij het web met zijn zwaard had doorgesneden, omringde hem weer een ander. Raiko riep toen om hulp, en zijn eerste bediende ontmoette den boosdoener in één der gangen en hield hem met getrokken zwaard tegen. Ook over hem wierp de Booze Geest een web. Toen het hem eindelijk gelukt was, zich los te maken, en hij in staat was het vertrek zijns meesters binnen te hollen, zag hij, dat Raiko eveneens het slachtoffer van de Tooverspin was geworden.
De Tooverspin werd eindelijk ontdekt in een kelder, waar hij kermde van de pijn, terwijl bloed uit een wond aan zijn kop stroomde, welke wond door een zwaard was toegebracht. Onmiddellijk werd hij gedood, en met zijn dood verdween ook de kwade invloed, die de oorzaak geweest was van de ernstige ziekte van Raiko. Van dat oogenblik af kreeg de held zijn gezondheid en kracht weer terug, terwijl er een weelderige feestmaaltijd ter eere van de heugelijke gebeurtenis werd aangericht. Bladzijde 30
Er is nog een andere lezing van deze legende, welke afkomstig is van Kenkō Hōshi; deze verschilt in een aantal bijzonderheden zóózeer van de legende, die wij hebben medegedeeld, dat zij als een geheel nieuw verhaal kan worden beschouwd. Als wij die lezing niet mededeelden, zouden wij de legende berooven van haar sombersten vorm, die tot nu toe voor den gewonen lezer niet toegankelijk is geweest3.
Op zekeren dag vertrok Raiko uit Kyōto met Tsuna, den meest waardigen van zijn volgelingen. Toen zij de vlakte van Rendai doortrokken, zagen zij een doodshoofd in de lucht opstijgen, en voor hen wegvluchten, alsof het door den wind werd voortgedreven, totdat het eindelijk verdween op een plaats, Kagura ga Oka genaamd.

Raiko verslaat het Spook van Oyeyama
Raiko en zijn metgezel bemerkten, zoodra zij het doodshoofd hadden zien verdwijnen, een huis in puinhoopen vóór zich. Raiko trad dit verwoeste huis binnen, en zag een oude vrouw zitten met een vreemd uiterlijk. Zij was in het wit gekleed en had wit haar; zij opende haar oogen met een klein stokje, en haar bovenste oogleden vielen als een hoed over haar hoofd; daarna gebruikte zij het stokje om haar mond te openen, en liet dan haar borst over haar knieën vallen. Daarna sprak zij den verbaasden Raiko aldus aan:
“Ik ben tweehonderd negentig jaar oud. Ik dien negen meesters, en in het huis, waarin gij staat, dwalen booze geesten rond.”
Nadat hij die woorden had gehoord, wandelde Raiko de keuken binnen, en toen hij een haastigen blik op de lucht had geslagen, zag hij, dat een vreeselijke storm in aantocht was. Toen hij er op lette, hoe de donkere wolken zich opeenpakten, hoorde hij een geluid van spookachtige voetstappen, en traden een groot aantal spoken het vertrek Bladzijde 31binnen, En dit waren niet de eenige bovennatuurlijke wezens, die Raiko ontmoette, want onmiddellijk daarna zag hij een wezen, als een non gekleed. Haar ontzettend klein lichaam was naakt tot aan haar middel, haar gelaat was twee voet lang en “haar armen waren wit als sneeuw en dun als draden.” Een kort oogenblik lachte dit afschuwelijke wezen, waarna het in den nevel verdween.
Raiko hoorde met welgevallen naar het kraaien van een haan, en meende, dat de spookachtige bezoekers hem niet meer zouden hinderen; maar weder hoorde hij voetstappen, en nu zag hij geen afschuwelijke heks, maar een bekoorlijke vrouw, “sierlijker dan de wilgentakken, als zij door een zacht windje gewiegeld worden”. Toen hij dit liefelijke meisje aanstaarde, werden zijn oogen een oogenblik verblind door haar schitterende schoonheid. Voordat hij het gezicht terugkreeg, zag hij, dat hij gehuld was in ontelbare spinnewebben. Hij sloeg met zijn zwaard naar haar, en toen verdween zij, terwijl het bleek, dat hij de planken van den vloer had doorgehakt en den hoeksteen onder den vloer had gebroken.
Op dit oogenblik kwam Tsuna bij zijn meester, en zij bemerkten, dat het zwaard bedekt was met bloed, en dat de punt in den strijd gebroken was.
Na lang zoeken ontdekten Raiko en zijn onderhoorige een hol, waarin zij een monster zagen met verschillende pooten en een kop van ontzaglijke grootte, met donzig haar bedekt. Zijn groote oogen schenen als de zon en de maan, terwijl hij luide kreunde: “Ik ben ziek en heb pijn.”
Toen Raiko en Tsuna naderbij kwamen, herkenden zij de afgebroken punt van het zwaard, die uit het monster uitstak. De helden trokken het schepsel toen uit zijn hol en hakten zijn hoofd af. Uit de diepe wond in zijn buik kwamen negentienhonderd negentig doodshoofden voor den dag en bovendien nog een aantal spinnen, zoo groot als kinderen. Raiko en zijn geleider kwamen tot de ontdekking, dat het monster vóór hen niets anders was dan Bladzijde 32de Spin op den Berg. Toen zij het groote geraamte opensneden, vonden zij binnen de ingewanden de spookachtige overblijfselen van een aantal menschenlijken.
Koning Keiko beval zijn jongsten zoon, Prins Yamato, weg te trekken en een aantal roovers te dooden. Vóór zijn vertrek bad de Prins aan de altaren van Isé, en smeekte, dat Ama-terasu, de Godin der Zon, zijn onderneming zou zegenen. De tante van Prins Yamato was hoogepriesteres in één der tempels te Isé, en hij deelde haar mede, welke taak zijn vader hem had toevertrouwd. De brave dame was zeer verheugd, toen zij dat nieuws hoorde, en schonk haar neef een kostbaar zilveren kleed, met de mededeeling, dat het hem geluk zou brengen en hem misschien later van dienst zou zijn.
Toen Prins Yamato naar het paleis was teruggekeerd en afscheid van zijn vader had genomen, verliet hij het hof, vergezeld van zijn vrouw, Prinses Ototachibana, en een aantal beproefde volgelingen, en begaf zich naar het Zuidelijk Eiland Kiushiu, dat door roovers werd verpest. De streek was zóó ruw en ondoordringbaar, dat Prins Yamato onmiddellijk zag, dat hij het ééne of andere listige plan moest beramen, ten einde den vijand onverhoeds aan te vallen.

Prins Yamato en Takeru
Toen hij tot dit besluit was gekomen, vroeg hij Prinses Ototochibana, hem het kostbare zijden kleed te brengen, dat zijn tante hem had geschonken. Hij trok dit aan, daarbij naar alle waarschijnlijkheid geholpen door zijn vrouw. Hij liet zijn haar vallen, stak daar een kam in, en tooide zich op met juweelen. Toen hij in een spiegel zag, was hij overtuigd, dat de vermomming volmaakt was, en dat hij er als een bijzonder mooie vrouw uitzag.
Zoo kostbaar aangekleed, ging hij de tent van zijn vijand binnen, waar Kumaso en Takeru gezeten waren. Toevallig spraken zij juist over den zoon des Konings en over zijn pogingen, hun rooverbende uit te roeien. Toen zij Bladzijde 33opkeken, zagen zij, dat een schoone vrouw op hen afkwam.
Kumaso was zóó verheugd, dat hij den vermomden Prins toewenkte en hem verzocht, zoo spoedig mogelijk wijn te schenken. Yamato was bijzonder in zijn schik, dat hij dit kon doen. Hij wendde vrouwelijke verlegenheid voor. Hij liep met zeer kleine stapjes, en keek schuin uit zijn ooghoeken met al de verlegenheid van een bloode maagd.
Kumaso dronk veel meer wijn dan goed voor hem was. Hij bleef voortgaan met drinken, ten einde het genot te hebben, te zien, hoe aanminnig dat liefelijke wezen den wijn voor hem inschonk.
Toen Kumaso dronken was, wierp Prins Yamato de kruik met wijn neer, trok zijn dolk uit de scheede, en stak hem dood.
Toen Takeru zag, wat zijn broeder overkomen was, trachtte hij te ontsnappen, maar Prins Yamato sprong op hem toe. Ten tweeden male flikkerde zijn dolk in de lucht, en ook Takeru viel ter aarde.
“Houd uw hand een oogenblik in”, hijgde de stervende roover. “Ik zou zoo gaarne willen weten, wie gij zijt en van waar gij gekomen zijt. Tot nu toe dacht ik, dat mijn broeder en ik de sterkste mannen van het rijk waren. Ik blijk mij echter vergist te hebben.”
“Ik ben Yamato” zeide de Prins, “de zoon van den Koning, die mij beval, zulke roovers als gij te dooden!” “Sta mij toe, u een nieuwen naam te geven”, zeide de roover beleefd. “Van nu af aan zult gij Yamato Take genoemd worden, daar gij de dapperste man in het land zijt.”
Na zoo gesproken te hebben, viel Takeru dood achterover.
Toen de Prins op den terugweg was naar de hoofdstad, ontmoette hij weer een bandiet, Idzumo Takeru genaamd. Weer maakte hij gebruik van een krijgslist, en deed zich voor, alsof hij dien kerel bijzonder goed gezind was. Hij Bladzijde 34sneed een houten zwaard en sloeg dit met geweld vast in de scheede van zijn eigen stalen wapen. Hij droeg dit telkens, als hij dacht Takeru te ontmoeten.
Bij zekere gelegenheid noodigde Prins Yamato Takeru uit, met hem in de rivier Hinokawa te gaan zwemmen. Terwijl de roover stroomafwaarts zwom, landde de Prins heimelijk, en na zich begeven te hebben naar de plaats aan den oever, waar de kleeren van Takeru lagen, gelukte het hem, diens zwaard tegen het zijne te verruilen, door zijn houten zwaard te plaatsen, waar het scherpe stalen zwaard van Takeru gelegen was.
Toen Takeru uit het water was gekomen en zijn kleeren had aangetrokken, vroeg hem de Prins, zijn bekwaamheid in het hanteeren van het zwaard te toonen, “Wij zullen,” zoo sprak hij, “onderzoeken, wie van ons beiden de beste krijgsman is.”
Daartoe volstrekt niet ongenegen, trachtte Takeru zijn zwaard uit de scheede te trekken. Het bleef vastzitten, en daar het van hout was, zou het hem natuurlijk toch niet van nut geweest zijn. Terwijl de roover aldus druk bezig was, sloeg Yamato hem het hoofd af. Ten tweede male was zijn slimheid hem te stade gekomen, en toen hij naar het paleis terugkeerde, werd hij feestelijk onthaald, en ontving hij een aantal kostbare geschenken van zijn koninklijken vader.
Prins Yamato bleef niet lang in ledigheid in het paleis, want zijn vader beval hem, weg te gaan, om een opstand der Ainu’s in de oostelijke provincies te onderdrukken.
Toen de Prins gereed was te vertrekken, gaf hem de Koning een speer, van een hulstboom vervaardigd, welke de “Achttien-Arm-Lange-Speer” werd genoemd. Met dit kostbare geschenk bezocht Prins Yamato de tempels van Isé. Zijn tante, de hooge-priesteres, begroette hem weer. Zij luisterde met belangstelling naar alles, wat haar neef haar verhaalde, en was bovenal verheugd, toen zij vernam hoe uitnemend Bladzijde 35het kleed, dat zij hem had gegeven, hem te pas was gekomen.
Toen zij naar zijn verhaal had geluisterd, ging zij den tempel binnen, en bracht zij een zwaard mede en een zak, die vuursteenen bevatte. Zij gaf deze als een afscheidsgeschenk aan Yamato.
Het zwaard was het zwaard van Murakumo, dat behoorde tot de insigniën van het Keizerlijk Huis van Japan. De Prins kon wel geen passender geschenk hebben ontvangen. Dit zwaard behoorde eertijds, zooals men zich zal herinneren, aan de Goden, en werd door Susa-no-o ontdekt.
Na een langen tocht kwamen Prins Yamato en zijn volgelingen in de provincie Suruga. De gouverneur ontving hen gastvrij, en bij wijze van feestelijk onthaal organiseerden zij een hertenjacht. Onze held was op zijn beurt nu ook eens het slachtoffer van de sluwheid zijner tegenstanders, en voegde zich bij de jacht zonder eenige achterdocht.
De Prins werd gebracht naar een groote en woeste vlakte, met hoog gras bedekt. Terwijl hij bezig was het wild op te jagen, ontdekte hij plotseling vuur in zijn nabijheid. In een oogenblik tijds zag hij vlammen en rookwolken in iedere richting opstijgen. Hij was omringd door vuur, waaruit hij blijkbaar niet kon ontsnappen. Te laat ontdekte de argelooze krijgsman, dat hij in een hinderlaag was gevallen en dat het vuur hem wel dicht aan de schenen werd gelegd!
Onze held opende de tasch, die zijn tante hem had gegeven, stak het gras in zijn nabijheid in brand, en met het zwaard van Murakumo sneed hij de groote groene halmen zoo snel mogelijk af. Nauwelijks had hij dit gedaan, of de wind draaide plotseling om, en joeg de vlammen van hem weg, zoodat de Prins ten slotte kon ontsnappen zonder zich ook maar eenigszins te hebben gebrand. En zoo geschiedde het, dat het zwaard van Murakumo bekend werd als het “Gras-Klievende-Zwaard”.
In al die avonturen was de Prins gevolgd door zijn getrouwe Bladzijde 36gade, Prinses Ototachibana. Het is wel treurig te vertellen, maar onze held, hoe voortreffelijk ook in den strijd, was lang niet zoo te prijzen en te achten als echtgenoot. Hij zag op zijn vrouw neer en behandelde haar met groote onverschilligheid. Zij had, arme ziel, haar schoonheid verloren in den dienst van haar heer. Haar huid was door de zon verbrand en haar kleederen waren bevlekt en gescheurd. Toch klaagde zij nooit, en hoewel haar gelaat droevig werd, deed zij dapper haar best, haar gewone zachtheid van karakter te behouden.
Prins Yamato kwam nu toevallig in aanraking met de betooverende Prinses Miyadzu. Haar kleederen waren bekoorlijk, haar huid zoo fijn en zacht als kersenbloesem. Het duurde niet lang, of hij werd smoorlijk op haar verliefd. Toen de tijd van vertrek voor hem naderde, zwoer hij, dat hij spoedig zou terugkeeren en de schoone Prinses Miyadzu tot zijn vrouw zou maken. Nauwelijks had hij die belofte afgelegd, of hij keek op en zag Ototachibana, en op haar gelaat lag een blik van diepe treurigheid. Maar Prins Yamato verhardde zijn gemoed en reed weg, heimelijk besloten zijn belofte te houden.
Toen Prins Yamato met vrouw en volgelingen de zeekust van Idzu bereikte, wenschten zijn manschappen een aantal booten machtig te worden, ten einde de zeeëngte van Kadzusa over te trekken.
De Prins riep hooghartig: “Maar dit is niets dan een beekje! waartoe zooveel booten? Ik zou er wel overheen kunnen springen!”
Toen zij allen aan boord gestegen waren en de reis hadden aangevangen, stak er een groote storm op. De golven stegen hemelhoog, de wind loeide, de bliksem flikkerde in de donkere wolken, en de donder bulderde. Het scheen wel, alsof de boot, die den Prins en zijn vrouw droeg, noodzakelijk moest zinken, immers de storm was het werk van Rin-Jin, den Koning der Zee, die vertoornd was over de trotsche en dwaze woorden van Prins Yamato. Bladzijde 37
Toen de bemanning de zeilen gereefd had, in de hoop het schip weer vast te leggen, werd de storm heftiger in plaats van te gaan liggen. Eindelijk stond Ototachibana op, en na haar heer vergiffenis te hebben geschonken voor al het leed, dat deze haar had aangedaan, besloot zij haar leven op te offeren, ten einde haar teer geliefden echtgenoot te redden.
Zoo sprak dan de trouwe Ototachibana: “O, Rin-Jin, de Prins, mijn echtgenoot, heeft u met zijn pochen boos gemaakt. Ik, Ototachibana, geef u mijn arm leven in de plaats van dat van Yamato Take. Ik werp mij nu in uw groot golvend rijk, maar wilt gij dan ook van uw kant mijn echtgenoot veilig naar de kust brengen.”
Na die woorden te hebben gesproken, sprong Ototachibana in de kokende golven, die in een oogenblik tijds de dappere vrouw uit het gezicht sleepten. Nauwelijks had zij dit offer gebracht, of de storm ging liggen en de zon scheen aan een wolkeloozen hemel.
Yamato Take bereikte zijn bestemming, en slaagde er in, den opstand der Ainu’s te onderdrukken.
Onze held had ongetwijfeld misdreven in de wijze, waarop hij zijn trouwe vrouw had behandeld. Eerst te laat leerde hij haar goedheid op prijs stellen; maar tot zijn eer zij gezegd, dat hij haar tot aan zijn dood in liefde bleef gedenken, terwijl Prinses Miyadzu geheel vergeten werd.
Nadat aldus Yamato Take de opdracht van zijn vader had volbracht, trok hij door de provincie Owari, totdat hij kwam in de provincie Omi.
De provincie Omi leed onder een groote ramp. Velen waren in rouw, en velen weenden en schreeuwden luid in hun smart. Toen de Prins navraag deed naar de reden dier droefheid, hoorde hij, dat een groote slang dagelijks van de bergen afdaalde en de dorpen binnenkwam, om zich te voeden met een aantal ongelukkige inwoners. Bladzijde 38
Prins Yamato ging onmiddellijk op weg om den berg Ibaki te beklimmen, waar volgens de hem verstrekte mededeelingen de slang verblijf hield. Omstreeks halfweg ontmoette hij het vreeselijke monster. De Prins was zóó sterk, dat hij de slang doodde, door zijn bloote armen om haar heen te slaan. Nauwelijks had hij dit gedaan, of plotseling viel duisternis over het land en viel de regen in stroomen neder. Later echter klaarde het weder op, en was onze held in staat, den berg af te dalen.
Toen hij zijn huis bereikte, bleek het, dat zijn voeten van een vreemde pijn brandden, en bovendien, dat hij zich zeer ziek voelde. Hij kwam tot de ontdekking, dat de slang hem had gestoken, en daar hij te ziek was om zich te bewegen, werd hij naar een geneeskrachtige bron gebracht. Hier kreeg hij volkomen zijn vroegere gezondheid en kracht terug, en voor die zegeningen bracht hij dank aan Ama-terasu, de Godin der Zon.
Op zekeren dag zag een oude vrouw, die aan den oever der rivier bezig was haar kleeren te wasschen, toevallig een reusachtige perzik, die op het water dreef. Het was verreweg de grootste perzik, die zij ooit had gezien, en daar die oude vrouw en haar man bijzonder arm waren, dacht zij er onmiddellijk aan, wat een uitnemend maal die buitengewonen perzik zou opleveren. Toen zij geen stok kon vinden, om daarmede de vrucht naar den oever te trekken, herinnerde zij zich plotseling het volgende versje:
“Het verwijderde water is bitter,
Het nabijgelegen water is zoet;
Ga voorbij het verwijderde water,
En kom in het water zoo zoet.”
Dit kleine liedje had het gewenschte gevolg. De perzik kwam hoe langer hoe naderbij, totdat zij stil bleef liggen aan de voeten der oude vrouw. Zij bukte en raapte haar op. Zij was zóó verheugd over haar ontdekking, dat zij Bladzijde 39het niet kon uithouden, daar langer te blijven wasschen, maar zich zoo spoedig mogelijk naar huis begaf.

Momotaro en de fazant
Toen haar echtgenoot ’s avonds terugkeerde, met een bundel gras op zijn rug, haalde de oude vrouw opgewonden de perzik uit de kast en liet hem die zien.
De oude man, die vermoeid en hongerig was, was evenals zijn vrouw verheugd bij de gedachte aan een zoo heerlijk maal. Hij droeg spoedig een mes aan, en was juist op het punt de perzik door te snijden, toen die plotseling van zelf openging, en het schoonste kind, dat men zich kan voorstellen, er met een vroolijken lach uitrolde.
“Weest niet bevreesd,” zeide de kleine knaap. “De Goden hebben gehoord, hoezeer gij naar een kind hebt verlangd, en hebben mij gezonden, om een troost en een verkwikking voor u te zijn in uw oude dagen.”
Het oude paar was zóó overstelpt van vreugde, dat zij nauwelijks wisten, hoe zij zich moesten gedragen. Ieder van hen op de beurt koesterde en liefkoosde het kind, en mompelde lieve en hartelijke woordjes. Zij noemden hem Momotaro of “Zoon van een Perzik”.
Toen Momotaro vijftien jaar oud was, was hij veel langer en sterker dan andere jongens van zijn leeftijd. In zijn aderen brandde de lust, een dappere held te worden, en de ridderlijke heldenmoed, dier er naar verlangde, onrecht te herstellen.
Op zekeren dag kwam Momotaro bij zijn pleegvader en vroeg hem, of hij hem wilde toestaan, een groote reis te ondernemen naar een zeker eiland in de Noord-Oostelijke Zee, waar een aantal duivels woonden, die een groote menigte onschuldige menschen hadden gevangen genomen, van wie zij er velen verslonden. Hun boosaardigheid was boven beschrijving, en Momotaro wenschte hen te dooden, de ongelukkige gevangenen te bevrijden, en een grooten buit van het eiland mede te brengen, ten einde dien met zijn pleegouders te deelen.
De oude man was niet weinig verbaasd, toen hij dit Bladzijde 40onversaagde plan vernam. Hij wist, dat Momotaro geen gewoon kind was. Hij was uit den hemel gezonden, en hij was van oordeel, dat geen duivels ter wereld hem kwaad konden doen. Op dien grond gaf de oude man eindelijk zijn toestemming en zeide: “Ga, Momotaro, dood de duivels en breng vrede aan het land.”
Toen de oude vrouw Momotaro een aantal rijstkoeken had gegeven, nam de jongeling afscheid van zijn pleegouders, en trok hij uit, om zijn tocht te beginnen.
Terwijl Momotaro onder een haag rustte en één der rijstkoeken at, kwam een groote hond op hem af, die gromde en zijn tanden liet zien. Bovendien kon de hond spreken, en vroeg Momotaro dreigend, hem een rijstkoek te geven. “Ge moet mij òf een koek geven,” zoo sprak hij, ”òf ik zal u dooden.”
Toen de hond echter hoorde, dat de beroemde Momotaro vóór hem stond, nam hij zijn staart tusschen de pooten, en boog met den kop naar den grond, terwijl hij verzocht den “Zoon van een Perzik” te mogen volgen en hem alle diensten te mogen bewijzen, die in zijn macht lagen.
Momotaro nam volgaarne dit aanbod aan, en nadat hij den hond een halven koek had toegeworpen, gingen zij samen op weg.
Zij hadden nog geen grooten afstand afgelegd, toen zij een aap ontmoetten, die eveneens vroeg, in den dienst van Momotaro te worden opgenomen. Dit werd toegestaan, maar het duurde eenigen tijd, voordat de hond en de aap in vrede samen konden omgaan, zonder elkander te willen bijten.
Toen zij hun weg vervolgden, kwamen zij een fazant tegen. Nu ontwaakte weer de ingeboren afgunst van den hond, en hij liep naar voren en trachtte den schoon gevederden vogel te dooden. Momotaro scheidde de vechtenden, en ten slotte werd ook de fazant opgenomen in den Bladzijde 41kleinen stoet, terwijl hij keurig in de achterhoede marcheerde.
Eindelijk bereikten Momotaro en zijn volgelingen de kust der Noord-Oostelijke Zee. Hier vond onze held een boot, en na eenig tegenspartelen van hond, aap en fazant, gingen zij allen aan boord, en spoedig gleed het scheepje over de blauwe zee.
Na dagen lang op den oceaan te hebben gevaren, zagen zij in de verte een eiland. Momotaro beval den vogel weg te vliegen, als een gevleugelde bode, om zijn komst aan te kondigen, en de duivels te bevelen zich over te geven.
De fazant vloog over de zee, en zette zich na de landing neer op het dak van een groot kasteel, waar hij zijn schrikwekkende boodschap toeschreeuwde, waaraan hij toevoegde, dat de duivels als teeken van onderwerping hun horens moesten afbreken.
De duivels lachten slechts om dat bevel en schudden hun horens en hun ruig, rood haar. Daarna droegen zij ijzeren staven aan, die zij woedend naar den vogel slingerden. De fazant ontweek verstandig de werptuigen, en vloog naar het hoofd van een aantal duivels.
Intusschen was Momotaro met zijn beide makkers geland. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij zag twee schoone meisjes aan den oever van een rivier weenen, terwijl zij met bloed gedrenkte kleeren uitwrongen.
“Ach!” zoo spraken zij treurig, “wij zijn dochters van daimyōs, en zijn thans de gevangenen van den Boozen Geest, die Koning is over dit vreeselijke eiland. Hij zal ons spoedig dooden, en er is, helaas, niemand, om ons te hulp te komen.” Na die opmerking te hebben gemaakt, weenden de vrouwen op nieuw.
“Dames”, zeide Momotaro, “ik ben hier gekomen, met het doel uw booze vijanden te verslaan. Wijst mij een weg, om gindsch kasteel binnen te dringen.”
Aldus kwamen Momotaro, de hond en de aap door een smalle deur het paleis binnen. Toen zij eenmaal de vesting Bladzijde 42waren binnengedrongen, vochten zij hardnekkig. Een groot aantal duivels waren zóó verschrikt, dat zij van de borstweringen afvielen, en te pletter vielen, terwijl andere onmiddellijk gedood werden door Momotaro en zijn makkers. Allen werden gedood behalve de Koning, doch deze besloot verstandig, zich over te geven, en smeekte, dat zijn leven mocht gespaard worden.
“Neen”, zeide Momotaro woedend. “Ik wil uw laaghartig leven niet sparen. Gij hebt een aantal onschuldige menschen gepijnigd en het land jaren lang geplunderd.”

Hidesato en het honderdvoetig Monster
Na die woorden te hebben gesproken, stelde hij den Koning onder de bewaking van den aap, en ging daarna door al de vertrekken van het kasteel, terwijl hij de talrijke gevangenen, die hij daar vond, bevrijdde.
De terugreis was een vroolijke tocht. De hond en de fazant droegen samen den schat, terwijl Momotaro den Koning medevoerde.
Momotaro liet de twee dochters der daimyōs naar haar huis vertrekken, benevens een aantal anderen, die op het eiland gevangen genomen waren. Het geheele land verheugde zich in die overwinning, maar niemand meer dan de pleegouders van Momotaro, die hun dagen verder doorbrachten in vrede en overvloed, dank zij den grooten schat der duivels, die Momotaro hun had geschonken.
Op zekeren dag kwam de groote Hidesato bij een brug, die over het schoone meer Biwa was gespannen. Hij was op het punt, de brug over te trekken, toen hij een slangendraak in diepen slaap zag, die hem in den weg lag. Hidesato klom zonder een oogenblik aarzelens over het monster heen en vervolgde zijn weg.
Hij was nog niet ver voortgeschreden, toen hij hoorde, dat iemand hem riep. Hij zag om, en zag, dat op de plaats van den draak een man stond, die met veel plichtplegingen voor hem boog. Het was een man met een vreemd uiterlijk, Bladzijde 43op wiens rood haar een kroon geplaatst was in den vorm van een draak.
“Ik ben de Drakenkoning van het meer Biwa”, zoo sprak de roodharige man. “Een oogenblik geleden nam ik den vorm aan van een vreeselijk monster, in de hoop, een sterveling te vinden, die niet bang voor mij was. Gij, o Heer, hebt geen vrees getoond, en ik ben daarover zeer verheugd. Een groote honderdpoot komt telkens van gindsche berg af, komt mijn paleis binnen en dood mijn kinderen en kleinkinderen. Één voor één zijn zij voedsel geworden voor dit ontzaglijke monster, en ik vrees, dat, als er niets gedaan kan worden, om dat dier te dooden, ik spoedig zelf het slachtoffer zal worden. Lang heb ik reeds op een dapper sterveling gewacht. Alle mannen, die mij tot nu toe in mijn drakengestalte hebben gezien, zijn weggeloopen. Gij zijt een dapper man, en ik smeek u, mijn bitteren vijand te dooden.”
Hidesato, wien een avontuur altijd welkom was, te meer als er gevaar aan verbonden was, stemde er onmiddellijk in toe, te probeeren, wat hij voor den Drakenkoning kon doen.
Toen Hidesato het paleis van den Drakenkoning bereikte, bleek het een prachtig gebouw te zijn, nauwelijks minder schoon dan het paleis van den Zeekoning zelf. Hij werd onthaald op gekristalliseerde lotusbladeren en bloemen en at de lekkernijen, die te kust en te keur hem werden voorgezet. Terwijl hij smulde, dansten tien kleine goudvischjes, en vlak achter de goudvischjes maakten tien karpers liefelijke muziek op de koto en de samisen. Juist dacht Hidesato er over na, hoe voortreffelijk hij onthaald was, en hoe bijzonder lekker de wijn was, toen zij allen een vreeselijk leven hoorden, als een dozijn donderslagen, die te gelijk losbraken.
Hidesato en de Drakenkoning stonden haastig op en liepen naar het balkon. Zij zagen, dat de berg Mikami nauwelijks te herkennen was, daar hij van den top tot den voet bedekt was door den ontzaglijken honderdpoot. Bladzijde 44In zijn kop gloeiden twee vuurballen en zijn honderd pooten waren als een lange, kronkelende ketens lantarens.
Hidesato deed een pijl op zijn boog en trok toen de pees met alle kracht aan. De pijl vloog door de lucht en trof den honderdpoot in het midden van den kop, maar sprong terug zonder een wond te hebben veroorzaakt. Weer liet Hidesato een pijl voortsuizen, weer trof die pijl het monster, maar weer viel hij op den grond, zonder schade te hebben berokkend. Hidesato had nog slechts één pijl over. Plotseling herinnerde hij zich de tooverwerking van menschelijk speeksel, en daarom stak hij de punt van den laatst overgebleven pijl een oogenblik in zijn mond, waarna hij dien haastig op den boog legde en nauwkeurig mikte.
De laatste pijl trof doel en doorboorde de hersenen van het monster. Het bewoog zich niet langer; het licht in zijn oogen en pooten verzwakte en ging eindelijk uit, en het meer Biwa, met zijn onderzeesch paleis, werd in diepe duisternis gehuld. De donder raasde, de bliksem flitste, en een oogenblik scheen het, alsof het paleis van den Drakenkoning op den grond zou vallen.
Den volgenden dag was ieder teeken van den storm verdwenen. De lucht was helder. De zon scheen schitterend aan den hemel. En in het fonkelende blauwe meer lag het lijk van den grooten honderdpoot.
De Drakenkoning en zijn omgeving waren bijzonder verheugd, toen zij zagen, dat hun gevreesde vijand gedood was. Hidesato werd weer feestelijk onthaald, zelfs nog vorstelijker dan te voren. Toen hij eindelijk vertrok, deed hij dit met een stoet van visschen, die plotseling in mannen veranderden. De Drakenkoning schonk onze held vijf kostbare gaven: twee klokken, een zak met rijst, een rol zijde en een kookpan.
De Drakenkoning vergezelde Hidesato tot aan de brug, en toen liet hij schoorvoetend toe, dat onze held met den grooten stoet van dienaren, die de geschenken droegen, wegtrok. Bladzijde 45
Toen Hidesato zijn huis bereikte, legden de dienaren de geschenken van den Drakenkoning neer en verdwenen plotseling.
De geschenken waren geen gewone gaven. De zak met rijst was onuitputtelijk, er was evenmin een einde aan de rol zijde, en in de kookpan kon gekookt worden zonder vuur. Alleen de klokken hadden geen magische eigenschappen; deze werden aan een naburigen tempel aangeboden. Hidesato werd rijk, en zijn roem verspreidde zich wijd en zijd. Het volk noemde hem nu niet langer Hidesato, maar Tawara Toda, of “Mijn Heer Zak met Rijst”. Bladzijde 46
1 Drie personen, voorkomende in Robin Hood. Men vindt ze genoemd in “de Talisman en in Ivanhoe” van Walter Scott.
2 Hoofdstuk X.
3 Deze lezing wordt gevonden in den Catalogus van Japansche en Chineesche schilderwerken in het Britsch Museum, door Dr. William Anderson.
Lang geleden leefde er een oude bamboesnijder, die den naam droeg van Sanugi no Miyakko. Toen hij op zekeren dag met zijn hakmes bezig was in een bamboeboschje, zag hij plotseling een wonderbaarlijk licht, en bij nadere beschouwing ontdekte hij binnen in een riet een klein schepseltje van buitengewone schoonheid. Hij nam voorzichtig het tengere meisje op, dat slechts tien centimeter groot was, en droeg het naar huis naar zijn vrouw. Het kleine meisje was zóó fijn, dat het in een mandje moest worden opgekweekt.
Het geschiedde nu, dat de bamboesnijder zijn gewone werkzaamheden voortzette, maar dag en nacht vond hij, als hij het riet afsneed, goud, en terwijl hij oorspronkelijk arm was geweest, verzamelde hij nu een aanzienlijk vermogen.
Nadat het meisje nog slechts drie maanden bij dat eenvoudige landvolk had doorgebracht, groeide zij plotseling in lengte op tot een volwassen maagd; en opdat zij in haar optreden en uiterlijk met dit heugelijke en verwonderlijke feit in harmonie zou zijn, werden haar nu de haren, die tot nu toe in lange vlechten over haar schouders lagen, op het hoofd opgestoken. De bamboesnijder noemde het meisje later de Edele Kaguya, of “Kostbaar-Slank-Bamboe-van-het-Herfstveld”. Toen zij haar naam had gekregen, werd een groot feest aangericht, waaraan alle buren deelnamen.
“Als een vrouw iets schooner is dan de groote menigte,
hoezeer verlangen dan mannen, haar schoonheid te aanschouwen!”—Taketori.
De Edele Kaguya was nu de schoonste van alle vrouwen, en onmiddellijk na het feest verspreidde zich de faam van haar schoonheid over het geheele land. Zoogenaamde Bladzijde 47minnaars verzamelden zich om de heining en bleven wachten in het voorportaal, in de hoop ten minste een vluchtigen blik te kunnen slaan op die lieftallige maagd. Dag en nacht wachtten die ongelukkige wezens, maar te vergeefs. Zij die van nederige afkomst waren, begonnen langzamerhand in te zien, dat hun vrijage nutteloos was.
Maar vijf vermogende vrijers bleven het volhouden, en wilden hun pogingen niet opgeven. Het waren Prins Ishizukuri en Prins Kuramochi, de Sadaijin Dainagon Abe no Miushi, de Chiunagon Otomo no Miyuki en Morotada, de Heer van Iso. Die vurige minnaars verdroegen “het ijs en de wintersneeuw en de met onweer bezwangerde hitte van het midden van den zomer met even groote vastberadenheid.” Toen die aanzienlijke vrijers den bamboesnijder ten slotte vroegen, zijn dochter aan één van hen te schenken, antwoordde de oude man beleefd, dat het meisje in werkelijkheid zijn dochter niet was, en dat zij, nu dit het geval was, niet kon gedwongen worden aan zijn wenschen in die zaak te gehoorzamen.
Eindelijk keerden de vrijers naar hun paleizen terug, maar bleven nog met grootere volharding voortgaan met hun smeekingen. Zelfs de zoo goedmoedige bamboesnijder begon bij de edele Kaguya aan te dringen, en als zijn meening kenbaar te maken, dat het voor een zoo schoone maagd passend was te huwen, terwijl zij toch uit de vijf edele vrijers ongetwijfeld een goede keuze zou kunnen doen. Daarop antwoordde de verstandige Kaguya: “Zóó schoon ben ik niet, dat ik zeker kan zijn van de trouw van een man, en als ik zou moeten leven met een man, wiens hart wispelturig bleek te zijn, wat een ellendig lot zou ik dan hebben! Ik twijfel er niet aan, of de mannen van wie gij spreekt, zijn aanzienlijke mannen, maar ik zou geen man willen huwen, wiens hart niet op de proef was gesteld en niet door en door gekend was”.
Eindelijk werd afgesproken, dat Kaguya zou huwen met den vrijer, die het waardigst bleek te zijn. Deze tijding Bladzijde 48bracht voor het oogenblik hoop aan de vijf aanzienlijke vrijers, en bij het aanbreken van den nacht kwamen zij bijeen vóór het huis, waar het meisje woonde, “met fluitspel en gezang, onder begeleiding der zangmuziek, met stappen op de maat en het openen en dichtslaan van waaiers”. Alleen de bamboesnijder ging naar buiten, om de Edelen voor hun serenade te danken. Toen hij zijn huis weer was binnengetreden, ontvouwde Kaguya aldus haar plan, om de vrijers op de proef te stellen:
“In Tenjiku (het Noordelijk deel van Indië) is een steenen bedelnap, die oudtijds door Buddha zelf gedragen werd; laat Prins Ishizukuri dien gaan zoeken, en mij brengen. En op den berg Horai, die hoog boven den Oostelijken Oceaan uitsteekt, groeit een boom met zilveren wortels en een gouden stam en zuiver witte juweelen vruchten, en ik verzoek Prins Kuramochi, daarheen te gaan, en een tak daarvan af te breken en hierheen te brengen. Verder vervaardigen de menschen in het land van Morokoshi kleederen van bont van het vel van de Rat die tegen het Vuur bestand is, en ik verzoek den Dainagon, een dergelijk kleed voor mij op te sporen. Dan eisch ik van den Chiunagon, dat hij den juweel met de regenboogkleuren opspoort, die zijn glans diep in den kop van den draak verbergt, en uit de handen van Heer Iso zou ik gaarne de zeeschelp willen ontvangen, die de zwaluw hierheen brengt over de breede vlakte der zee.”
Nadat Prins Ishizukuri er lang over had nagedacht, of hij wel naar het ver afgelegen Tenjiku zou gaan, om Buddha’s bedelnap te zoeken, kwam hij tot het besluit, dat een dergelijke onderneming volstrekt geen nut had. Hij besloot daarom, den bedoelden nap na te maken. Sluw beraamde hij zijn plannen, en droeg er zorg voor, dat de Edele Kaguya bericht kreeg, dat hij werkelijk den tocht had ondernomen. In werkelijkheid bleef die sluwe vrijer drie jaar lang in Yamato verborgen, en vond na dien tijd in een klooster op Bladzijde 49een heuvel in Tochi een beker van hoogen ouderdom, die lag op een altaar van Binzuru (de Helper in Ziekte). Hij nam dien beker met zich mede, en wikkelde hem in brokaat, en bevestigde aan het geschenk een kunstig nagebootsten tak bloesems.
Toen Kaguya den beker beschouwde, vond zij er binnen in een rol, waarop het volgende was geschreven:
“Over zeeën, over heuvels
Trok uw dienaar, en vermoeid
Gaat hij uitgeput te gronde:
Wat al tranen kost die steenen
Beker,
Wat een vloed van bittre tranen!”
Maar toen Kaguya ontdekte, dat de beker geen licht uitstraalde, wist zij onmiddellijk, dat hij nooit aan Buddha had toebehoord. Zij zond dan ook den beker terug met het volgende gedicht:
Van den hangenden droppel dauw
Is de voorbijgaande glans
Zelfs niet hierin:
Op den Heuvel van ’t Duister, den Heuvel
Van Ogura,
Wat hooptet gij daar te vinden?
De Prins trachtte, na den beker te hebben weggeworpen, bovenstaand verwijt om te zetten in een compliment aan de dame, die het had neergeschreven, en antwoordde:
“Op schitt’rend lichten heuvel
Moet ied’re glans
Verbleeken.
O, mocht verwijderd van het licht
Van uw schoonheid,
De glans van gindschen beker
Mijn trouw bewijzen!”
Dit was een keurig uitgedrukt compliment, afkomstig van een minnaar, die niets dan een ijdele bluffer was. Die laatste poëtische ontboezeming hielp hem echter niets, en de Prins vertrok, treurig gestemd.
Prins Kuramochi was even sluw als zijn voorganger, en Bladzijde 50verspreidde overal het gerucht, dat hij op reis ging naar het land van Tsukushi, om den Tak te halen, die Juweelen droeg. Doch inderdaad deed hij niets anders dan zes man van de familie Uchimaro, beroemde handwerkslieden, in dienst te nemen, en voor hen een schuilplaats machtig te worden, die afgezonderd was van de verblijfplaats der menschen. Daar hield hij zich zelf eveneens verborgen, met het doel de handwerkslieden te leeren, hoe zij een Tak, die Juweelen droeg, konden maken, die volmaakt overeen kwam met den tak, door de Edele Kaguya beschreven.
Toen het werk voltooid was, ging hij op weg, om zijn opwachting bij de schoone maagd te maken, die het volgende gedicht las, dat aan het geschenk was vastgehecht:
“Al ware het met gevaar
Voor eigen leven,
Zonder den met Juweelen beladen Tak
In mijn handen, zou ik nooit
Hebben durven terugkeeren!”
De Edele Kaguya aanschouwde met smart den glinsterenden tak, en luisterde zonder belangstelling naar het verzonnen verhaal van de avonturen van den Prins. De Prins weidde uit over de verschrikkingen der zee, over vreemde monsters, over geleden honger, over ziekten en over beproevingen, door hem op den oceaan doorstaan. Daarna ging de onverbeterlijke leugenaar voort te beschrijven, hoe zij aan een hoogen berg gekomen waren, die uit de zee verrees, waar zij begroet werden door een vrouw, die een zilveren schaal droeg, welke zij met water vulde. Op den berg waren bewonderenswaardige bloemen en boomen, en een rivier “met kleuren van den regenboog, geel als goud, wit als zilver, blauw als kostbaar ruri (lapis lazuli); en de rivier was overspannen met bruggen, gebouwd van verschillende soorten van edelsteenen, en daarnaast groeiden boomen, beladen met fonkelende juweelen, en van één van die boomen brak ik den tak af, dien ik het nu waag, aan de Edele Vrouwe Kaguya aan te bieden”.
Ongetwijfeld zou Kaguya gedwongen zijn geweest, Bladzijde 51aan dit vernuftige verhaal geloof te schenken, indien niet op ditzelfde oogenblik de zes handwerkslieden ten tooneele waren verschenen, die, door luide betaling te eischen voor den door hen vervaardigden Juweelen-Tak, het verraad van den Prins aan het daglicht brachten. Deze trok zich daarop ijlings terug. Kaguya betaalde zelf de handwerkslieden, ongetwijfeld gelukkig, dat zij zoo gemakkelijk was ontkomen.
De Sadaijin (Linker Groote Minister) Abeno Miushi droeg een koopman, Wokei genaamd, op, voor hem een kleed van bont te ontbieden, vervaardigd van de Rat, die tegen het vuur bestand was, en toen het koopvaardijschip uit het land van Morokoshi was teruggekeerd, had het een kleed van bont onder de koopwaren, waarvan de Sadaijin in zijn vurige begeerte dacht, dat dit het voorwerp van zijn wenschen was. Het Bont-kleed rustte in een doos, en de Sadaijin, die vertrouwde op de eerlijkheid van den koopman, beschreef het als een kleed “zeegroen van kleur, waarvan de haren eindigden in punten van schitterend goud, een schat van onvergelijkelijke schoonheid, die zelfs nog meer te bewonderen was om zijn voortreffelijke zuiverheid dan om de eigenschap, dat hij de vuurvlammen kon weerstaan”.
De Sadaijin, die er van verzekerd was als minnaar te zullen slagen, ging verheugd op reis, om zijn geschenk aan de Edele Kaguya aan te bieden, terwijl hij er het volgende gedicht aan toevoegde:
“Eind’loos is het minnevuur,
Dat mij zengt, doch onverzengd
Is het Bont-kleed:
Doch mijn mouwen zijn nu droog,
Heden toch zal ik haar zien!”
Eindelijk was de Sadaijin in de gelegenheid, zijn geschenk aan Kaguya aan te bieden. Zij sprak toen den bamboesnijder, die steeds op dergelijke oogenblikken ter juister tijd op het tooneel aanwezig schijnt te zijn geweest, aldus toe: Bladzijde 52“Indien dit kleed midden in het vuur wordt geworpen en niet verbrandt, dan zal ik weten, dat het inderdaad het kleed is, dat tegen het vuur is bestand, en zal dan niet langer het aanzoek van dezen minnaar afslaan”. Een vuur werd aangestoken, en het kleed werd in de vlammen geworpen, waarin het onmiddellijk verging. “Toen de Sadaijin dit zag, werd zijn gelaat zoo groen als gras, en hij stond daar verstomd toe te zien.” Maar de Edele Kaguya verheugde zich in stilte en zond de doos terug met het volgende gedicht:
“Zonder dat een spoor zelfs restte,
Dat het Bontkleed zóó verbrandde,
Had ik nimmer durven droomen.
Jammer voor het schoone voorwerp!
’k Had het nimmer zoo behandeld.”
De Chiunagon Otomo no Miyuki riep zijn huisgenooten bijeen en deelde zijn volgelingen mede, dat hij wenschte, dat zij hem den Juweel in den Drakenkop zouden brengen.
Na eenige aarzeling deden zij het voorkomen, alsof zij uitgingen om dien te zoeken. In dien tusschentijd was de Chiunagon er zóó zeker van, dat zijn bedienden zouden slagen, dat hij zijn geheele huis overdadig versierde met uitgelezen lakwerk in goud en zilver. Iedere kamer werd met brokaat behangen, aan de paneelen werden schilderijen gehangen, en over de zolder werden zijden kleeren gespannen.
Het wachten moede, reisde de Chiunagon na eenigen tijd naar Naniwa en ondervroeg de bewoners, of eenigen van zijn dienaren scheep gegaan waren om den Draak te zoeken. De Chiunagon vernam, dat geen enkele van zijn manschappen in Naniwa was gekomen, en zeer ontstemd over die tijding ging hij zelf scheep met een stuurman.
Toevallig was de Dondergod boos, en stond de zee hoog. Na enkele dagen werd de storm zóó hevig en was de boot zóózeer het zinken nabij, dat de stuurman het waagde de opmerking te maken: “Het huilen van den wind en het Bladzijde 53bulderen der baren en het vreeselijk loeien van den donder zijn teekenen van de woede van den God, die door mijn Heer beleedigd wordt, daar hij den Draak uit de diepte wil dooden, want door den Draak is de storm opgestoken; het zou dus goed zijn, als mijn Heer een gebed opzond.”
Daar de Chiunagon door “een vreeselijke ziekte” was overvallen, is het niet te verwonderen, dat hij gretig den raad van den stuurman opvolgde. Hij bad niet minder dan duizend keer, waarbij hij uitweidde over zijn dwaasheid, pogingen te willen aanwenden, den Draak te dooden, en deed de plechtige belofte, dat hij den Heerscher der diepte met rust zou laten.
De donder hield op en de wolken verspreidden zich, maar de wind blies nog even hevig als ooit. De stuurman deelde echter zijn meester mede, dat het een gunstige wind was, die naar hun eigen land blies.
Ten slotte bereikten zij het strand van Akashi, in Harima. Maar de Chiunagon, die nog steeds ziek was en ontzettend beangst, hield vol, dat zij op een woeste kust gedreven waren, en lag lang uit in de boot, hevig sidderend, terwijl hij weigerde op te staan, toen de gouverneur van het district zich deed aankondigen.
Toen de Chiunagon eindelijk overtuigd was, dat zij niet op een vreemde, woeste kust gedreven waren, stemde hij er in toe, aan land te gaan. Geen wonder dat de gouverneur glimlachte, toen hij het deerniswaardige uiterlijk zag van den uit het veld geslagen Heer, geheel verkleumd, met gezwollen buik en oogen, zonder eenigen glans.
Eindelijk werd de Chiunagon in een draagstoel naar zijn eigen huis gedragen. Toen hij was aangekomen, vertelden hem zijn listige dienaren ootmoedig, dat zij in hun nasporingen niet waren geslaagd. Daarop begroette hen de Chiunagon: “Gij hebt goed gehandeld om met leege handen terug te keeren. Gindsche Draak is zeker verwant met den Dondergod, en iedereen die de hand aan hem slaat, om den juweel te nemen, die in zijn kop schittert, zal zich in gevaar Bladzijde 54bevinden. Ik zelf ben vreeselijk afgemat van inspanning en ontberingen, en ik heb geen belooning gekregen. Kaguya belaagt de zielen en verwoest de lichamen der menschen, en nooit meer zal ik haar woning opzoeken, en evenmin zal ik u gelasten, uw schreden daarheen te richten.”
Men verhaalt, dat toen de vrouwen uit zijn gezin van het avontuur van haar meester hoorden, “zij lachten totdat zij pijn in de zijde hadden, terwijl de zijden kleederen, die hij voor de zoldering van zijn woning had doen spannen, draad na draad door de kraaien werden weggevoerd, om daar nesten mede te dekken.”
De roem der schoonheid van de Edele Kaguya bereikte ook het Hof, en de Mikado, verlangend haar te aanschouwen, zond één zijner hofdames, Fusago, om de dochter van den Bamboesnijder te zien, en Zijne Majesteit omtrent haar bekoorlijkheden rapport uit te brengen.
Toen echter Fusago het huis van den Bamboesnijder bereikte, weigerde de Edele Kaguya haar te zien. Daarom keerde de hofdame naar het Hof terug en deelde de zaak aan den Mikado mede. Zijne Majesteit ontbood, zeer ontstemd den Bamboesnijder, en gelastte hem, Kaguya naar het Hof te brengen, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, haar te zien, en voegde er aan toe: “Het is niet onmogelijk, dat dan haar vader tot belooning in den adelstand wordt opgenomen.”
De oude Bamboesnijder was een goede ziel, en op vriendelijke wijze keurde hij het zonderlinge gedrag van zijn dochter af. Hoewel hij op de hofgunst gesteld was, en waarschijnlijk er naar hunkerde, in den adelstand te worden verheven, moet erkend worden, dat hij in de eerste plaats trouw was aan zijn vaderlijke plichten. Bladzijde 55
Toen hij, na zijn terugkeer, de zaak met Kaguya besprak, deelde zij den ouden man mede, dat het, als zij gedwongen werd naar het Hof te gaan, zeer zeker haar dood zou veroorzaken, en voegde zij er aan toe: “De prijs van de adelbrieven van mijn vader zal de dood van zijn kind zijn.”
De Bamboesnijder was diep onder den indruk van die woorden, en vertrok ten tweede male naar het Hof, waar hij nederig de belissing van zijn dochter bekend maakte.
De Mikado, die niet duldde, dat hem iets werd geweigerd, zelfs niet door een bijzonder schoone vrouw, beraamde het vernuftige plan, een Keizerlijke jachtpartij te houden, en wel zóó, dat hij onverwachts aan de woning van den Bamboesnijder zou komen, en misschien de dame kon aanschouwen, die de wenschen van een Keizer durfde trotseeren.
Op den dag, voor de Keizerlijke Jachtpartij bepaald, kwam dus de Mikado de woning van den Bamboesnijder binnen. Nauwelijks was dit geschied, of hij zag in het vertrek, waarin hij stond, een wonderlijk licht, en in het licht niemand anders dan de Edele Kaguya.
Zijne Majesteit trad naar voren en raakte de mouw der maagd aan, waarna zij haar gelaat verborg, maar niet voordat de Mikado een vluchtigen blik op haar had geslagen. Verbaasd door haar buitengewone bekoorlijkheid, en geen acht slaande op haar verzet, beval hij, dat een keizerlijke draagstoel zou worden gebracht; maar toen de draagstoel aankwam, verdween de Edele Kaguya plotseling. De Keizer die nu ontdekte, dat hij met geen sterfelijke maagd te doen had, riep uit: “Het zal zijn, zooals gij het verlangt, jonge maagd; maar ik smeek, dat gij weer uw vorigen vorm herneemt, opdat uw schoonheid weer eens moge worden aanschouwd.”
Zoo hernam de Edele Kaguya weer haar schoone gestalte. Toen Zijne Majesteit op het punt was, weggedragen te worden, maakte hij het volgende gedicht: Bladzijde 56
“Droevig is de thuiskomst
Der Vorstlijke Jacht,
Vol van droefheid is het
Peinzende hart;
Want zij biedt weerstand en blijft terug,
De Edele Kaguya!”
De Edele Kaguya antwoordde daarop het volgende:
“Onder het dak begroeid met
Hoprank
Toefde zij vreedzame
Jaren.
Hoe kan zij wagen te staren
Op ’t Paleis met zijn kostbaar gesteente?”

De Maanbewoners eischen vrouwe Kaguya op
In het derde jaar na de Keizerlijke Jachtpartij, en in den lentetijd, staarde Kaguya voortdurend naar de maan. In de zevende maand, toen de maan vol was, nam de smart van Kaguya zóózeer toe, dat haar weenen de meisjes, die in haar dienst waren, in droefheid dompelde. Eindelijk kwamen zij bij den Bamboesnijder, en zeiden: “Langen tijd heeft de Edele Kaguya de maan gadegeslagen, in zwaarmoedigheid toenemend naarmate de maan toeneemt, en haar smart gaat nu alle maat te boven, en bitter weent en jammert zij; daarom raden wij u aan, met haar te spreken.”
Toen de Bamboesnijder met zijn dochter over haar droefenis sprak, verzocht hij haar, hem de reden van haar smart mede te deelen, en vernam hij, dat het gezicht der maan haar er toe bracht, na te denken over de goddeloosheid der wereld.
In de achtste maand vertelde Kaguya aan haar dienaressen, dat zij geen gewone stervelinge was, maar dat haar geboorteplaats de hoofdstad van het Maanland was, en dat de tijd nu nabij was, waarop het was vastgesteld, dat zij de wereld moest verlaten en naar haar oude woning moest terugkeeren.
Niet alleen werd de Bamboesnijder door smart verteerd, toen hij dit treurige nieuws vernam, maar ook de Mikado was diep bewogen, toen hij van het voorgenomen vertrek Bladzijde 57der Edele Kaguya bericht kreeg. Zijne Majesteit kreeg bericht, dat bij de volgende volle maan een troepenafdeeling van dien helderschijnenden bol zou worden neergezonden, om de Schoone Vrouwe weg te voeren, waarop hij besloot, zich tegen dien hemelschen inval te verzetten. Hij beval, dat een wacht van soldaten zou geplaatst worden bij het huis van den Bamboesnijder, gewapend en gereed om, zoo noodig, hun pijlen op dat Maanvolk af te schieten, die gaarne de Schoone Kaguya zouden weghalen.
De oude Bamboesnijder dacht, dat de inval van de maan af, met een dergelijke wacht, om zijn dochter te beschermen, volkomen vruchteloos zou zijn. Kaguya echter trachtte de oude man hieromtrent helderder denkbeelden te geven, en zeide: “Gij kunt nooit de overwinning behalen over het volk van gindsch land, noch zal uw artillerie hun kwaad doen, noch kunnen uw verdedigingswerken iets tegen hen baten, want iedere deur zal bij hun nadering open vliegen, noch zal uw dapperheid u helpen, want al zijt gij ook nog zoo stoutmoedig, als het Maanvolk komt, zal uw strijd tegen hen vruchteloos zijn.” Die opmerkingen maakten den Bamboesnijder vreeselijk woedend. Hij hield staande, dat zijn nagels in klauwen zouden veranderen—in één woord, dat hij zulke onbeschaamde bezoekers uit de maan volkomen zou vernietigen.
Terwijl nu de keizerlijke wacht rondom het huis van den Bamboesnijder, op het dak en in iedere richting was opgesteld, ging de nacht langzaam voorbij. Tegen het uur van de Rat2 scheen er een groote stralenkrans, die den glans van zon en maan overtrof, aan den hemel. Terwijl het licht nog steeds scheen, naderde een groote wolk, die een troepenafdeeling van het Maanvolk droeg. De wolk daalde langzaam neer, totdat zij den grond naderde, en het Maanvolk stelde zich in slagorde op. Toen de keizerlijke wacht hen Bladzijde 58zag, werd iedere soldaat bevreesd bij dat vreemde schouwspel; maar eindelijk vatten enkelen van hen zóóveel moed, dat zij hun bogen spanden en hun pijlen deden wegvliegen; doch al die pijlen weken van hun richting af.
Op de wolk rustte een wagen met een troonhemel, die schitterde van gordijnen, van de fijnste wol vervaardigd, en uit dien wagen weerklonk een krachtige stem, die sprak: “Kom hier, Miyakko Maro!”
De Bamboesnijder kwam waggelend nader, om aan het bevel te gehoorzamen, en kreeg voor zijn moeite niets anders te hooren van den aanvoerder van het Maanvolk, dan een toespraak, die begon met: “Gij dwaas,” en die eindigde met een bevel, dat de Edele Vrouwe Kaguya zonder eenig vertoef zou worden uitgeleverd.
De wagen dreef omhoog op de wolk, totdat hij over het dak zweefde. Toen riep dezelfde krachtige stem: “Heidaar, Kaguya! Hoe lang zijt gij nog van plan, in deze treurige plaats te talmen?”
Onmiddellijk werd de buitendeur van de provisiekamer en het inwendige latwerk door de macht van het Maanvolk geopend en werd de Edele Kaguya zichtbaar, met haar vrouwen om haar heen geschaard.
De Edele Kaguya nam, voordat zij vertrok, afscheid van den terneergebogen Bamboesnijder, en gaf hem een perkamentrol in handen, waarop de volgende woorden waren geschreven: “Als ik in dit land geboren was, zou ik het nooit hebben verlaten, voordat de tijd voor mijn vader gekomen was, dat hij geen smart meer had te lijden ter wille van zijn kind; maar nu moet ik de grenzen van deze wereld verlaten, hoewel zeer tegen mijn wil. Mijn zijden mantel laat ik hier achter als een herinnering, en als de maan den nacht verlicht, laat dan mijn vader daarop staren. Nu moeten mijn oogen een laatsten blik op u slaan, en moet ik tot gindsch firmament opstijgen, van waar ik gaarne als een meteoor zou willen naar beneden vallen.”
Het Maanvolk had in een koffer een Hemelsch Kleed Bladzijde 59van Vederen medegebracht en een paar druppels van het Levenselixer. Een der Maanbewoners sprak tot de Edele Kaguya: “Proef, wat ik u bidden mag, van dit Elixir, immers uw geest is besmet geworden met de grofheid van deze bezoedelde wereld.”
De Edele Kaguya, was, nadat zij het Elixir had geproefd, juist op het punt een weinig er van te wikkelen in den mantel, dien zij achterliet, ten behoeve van den ouden Bamboesnijder, die haar zoozeer had liefgehad, toen één van het Maanvolk haar dit belette en over haar schouders het Hemelsche Kleed trachtte te werpen; waarop de Edele Kaguya uitriep: “Heb nog een oogenblik geduld; hij, die dit kleed aantrekt, verandert zijn hart, en ik heb nog iets te zeggen voordat ik vertrek.” Daarna schreef zij de volgende woorden aan den Mikado:
“Uwe Majesteit verwaardigde zich, troepen te zenden om uw dienares te beschermen, maar het mocht niet zoo zijn, en nu is het ellendige oogenblik aangebroken, waarop zij gaat vertrekken met hen, die gekomen zijn, om haar met zich mede te voeren. Het was haar niet veroorloofd, uwe Majesteit te dienen, en het was buiten haar schuld, dat zij niet gehoorzaamde aan het Keizerlijke bevel, en haar hart is daarover met droefheid vervuld; misschien heeft Uwe Majesteit gedacht, dat het Keizerlijke bevel niet begrepen was, en dat zich er tegen verzette, en daarom zal het Uwe Majesteit toeschijnen, alsof het haar aan goede vormen ontbrak, hetgeen zij niet zou willen, dat Uwe Majesteit van haar dacht, en daarom legt zij nederig deze woorden aan Uwe Keizerlijke voeten. En nu moet zij het Vederen Kleed aantrekken, en in diepe smart haren Meester vaarwel zeggen.”
Nadat zij deze perkamenten rol den kapitein der troepen had overhandigd, te gelijk met een schacht van bamboe, die het Elixir bevatte, werd het Vederkleed over haar heen geworpen, en oogenblikkelijk was elke herinnering aan haar aardsch bestaan verdwenen. Bladzijde 60
Daarna besteeg Kaguya den wagen, omringd door de troepen van het Maanvolk, en de wolk steeg snel omhoog, totdat zij uit het gezicht verdwenen was.
De droefheid van den Bamboesnijder en den Mikado is niet te beschrijven en kende geen grenzen. De laatste hield een ministerraad, en wenschte te weten, wat de hoogste berg in het land was. Een der raadslieden antwoordde: “In Suruga staat een berg, niet ver van de hoofdstad verwijderd, die onder alle bergen van het land het hoogst naar den hemel uitsteekt.” Daarop vervaardigde Zijne Majesteit het volgende gedicht:
“Haar nooit meer terug te zien!
Tranen van smart overstelpen mij,
En wat mij betreft,
Wat moet ik doen
Met het Levenselixir?”
Daarna werd de rol, door de Edele Kaguya beschreven, te zamen met het Elixir aan Tsuki no Iwakasa gegeven. Hem werd bevolen, die te brengen naar den top van den hoogsten berg in Suruga, en daar, staande op de hoogste spits, de rol en het Levenselixir te verbranden.
Tsuki no Iwakasa hoorde nederig het keizerlijke bevel aan, en nam een afdeeling krijgslieden met zich mede, waarna hij den berg beklom en deed zooals hem was bevolen. En van dien tijd af werd aan gindschen berg de naam gegeven van de Fuji (Fuji-yama, Nooit Stervend), en men verhaalt, dat de rook van dat verbranden nog steeds van zijn hoogste spits opstijgt, om zich te vermengen met de wolken des hemels. Bladzijde 61
1 De Vijfde Taak, die van Heer Iso, wordt hier niet behandeld. De geschiedenis is plat en weinig belangrijk. Het zij voldoende, mede te deelen, dat ook de tocht van Heer Iso, om de Zeeschelp te zoeken, vergeefsch was.
2 Van middernacht tot twee uur ’s morgens. “Jaren, dagen en uren”, zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain, “werden alle gerekend te behooren tot één der teekenen van den dierenriem.”
De volgende legende is klaarblijkelijk niet van Japanschen oorsprong. De Buddhistische priesters in Japan wisten, dat de groote kracht van hun godsdienst niet lag in het uitroeien der oude Shintogoden, maar in het met ontzaglijke scherpzinnigheid aanpassen der goden aan de behoeften van hun eigen onderwijs. In het hier gegeven geval heeft Japan van Indië en in minderen graad van China geleend, indien wij ten minste den draak mogen beschouwen als oorspronkelijk te behooren tot het Hemelsche Rijk. Wij hebben de bewerking van Edward Greey op den voet gevolgd, en geven die hier, omdat zij dikwijls voorkomt in de preeken van priesters uit Nippon, en een bepaald Japansche kleur draagt. Wij zouden legenden van dien aard gemakkelijk in twee lezingen kunnen geven, maar voor ons doel is ééne voldoende. De twee overige legenden in dit hoofdstuk zijn uitdrukkelijk Japansch.
Toen Buddha zijn heilige overpeinzingen op den berg Dan-doku had voleindigd, wandelde hij op weg naar de stad langzaam voort langs een rotsachtig voetpad. De donkere schaduwen van den nacht kropen over het land voort en er was overal diepe stilte.
Toen de Buddha zijn bestemming naderde, hoorde hij dat iemand riep: ”Shio-giyo mu-jiyo” (“De uitwendige wijze van doen is niet altijd een aanwijzing voor de natuurlijke geaardheid.”)
Buddha was over die woorden uiterst verheugd, en begeerde te vernemen, wie zoo verstandig had gesproken. Telkens weer hoorde hij diezelfde woorden, en na voortgegaan te zijn naar den rand van een afgrond, keek hij neer in de vallei beneden hem, waar hij een vreeselijk leelijken draak zag, die hem met woedende oogen aanstaarde.
De Heilige Man ging toen op een rots zitten, en vroeg Bladzijde 62den draak, hoe hij één van de diepste mysteriën van het Buddhisme had geleerd. Een zoo diepzinnige wijsheid deed vermoeden, dat nog een groote overvloed van geestelijke waarheden kon worden geopenbaard, en Buddha vroeg daarom, dat de draak nog uiting zou geven aan andere wijze gezegden.

Buddha en de Draak
Daarna riep de draak, na zich om de rots te hebben gekronkeld, met luider stem: “Ze-shio metsu-po!” (“Alle levende dingen zijn tegenstrijdig aan de wet van Buddha!”).
Na die woorden te hebben geuit, was de draak eenigen tijd stil. Daarna verzocht Buddha, nog een andere spreuk te mogen hooren.
“Shio-metsu metsu-i!” (“Alle levende dingen moeten sterven!”), schreeuwde de draak.
Bij die woorden zag de draak op naar Buddha, en op zijn ijselijk gelaat was een uitdrukking van ontzettenden honger.
De draak zeide daarop tot Buddha, dat de volgende waarheid de laatste was, en van zóó groote waarde, dat hij die niet kon openbaren, zoolang zijn honger nog niet was gestild.
Daarop merkte de Heilige Man op, dat hij den draak niets zou weigeren, als hem slechts de vierde waarheid werd geopenbaard, en vroeg den draak, wat hij verlangde. Toen Buddha hoorde, dat menschenvleesch door den draak verlangd werd in ruil voor zijn laatste kostbare, wijze spreuk, deelde de Meester den draak mede, dat zijn godsdienst verbood, dat levende wezens gedood werden, maar dat hij ten behoeve van het welzijn van zijn volk zijn eigen lichaam zou opofferen.
De draak opende zijn grooten bek en zeide: ”Jaku-metsu I-raku!” (“Het grootste geluk wordt ondervonden, nadat de ziel het lichaam heeft verlaten!”).
Buddha boog, en sprong toen in den gapenden bek van den draak.
Nauwelijks had de Heilige Man de kaken van het monster aangeraakt, of deze scheidden zich in acht deelen, en Bladzijde 63in één oogenblik veranderden zij in de acht bloemblaadjes van den Gouden Lotus.
“Boven de oude zangen, vergaan tot asch en smart,
Waaronder Dood de godenbeelden en ’t geboomte hult in nevelen van zuchten,
(Waar is de tijd van Kamakura’s vroeg’ren bloei gebleven?)
Zit de Daibutsu tot in eeuwigheid, het hart tot zwijgen opgevoerd.”
Yone Noguchi.
De groote bronzen Buddha van Kamakura, of de Daibutsu, is ongetwijfeld één der meest merkwaardige beelden van Japan. In vroegere tijden was Kamakura de hoofdstad van Nippon. Het was een groote stad met ongeveer een millioen inwoners, en was de zetel der Shōguns en de Regenten uit het geslacht der Hōjō’s gedurende den veelbewogen tijd der Middeleeuwen. Maar in weerwil van al de trouwe vereerders van Buddha, die in Kamakura leefden, werd de stad bij twee gelegenheden verwoest, totdat zij ten slotte haar belangrijkheid verloor. In onze dagen vindt men in de plaats van de oude glorie rijstvelden en bosschen. Doch storm en vuur hebben den tempel van Hachiman (den Oorlogsgod) en het bronzen beeld van Buddha onaangetast gelaten. Een tijd lang rustte dit reusachtige beeld in een tempel, maar nu staat het hoog boven de boomen, met een ondoorgrondelijken glimlach op zijn groot gelaat, met oogen vol vrede, die niet kon worden geschokt door de nietige stormen der wereld.
Legenden zijn bijna altijd eenvoudig en natuurlijk. Godheden worden, zonder te letten op hun strengheid, tot een zeer menschelijk peil teruggebracht. Er is een groote afstand tusschen de ingewikkelde leeringen van Buddha en de geschiedenis van Amida Butsu en den walvisch. In de volgende legende kan men een bijna pathetisch verlangen lezen, om de grootheid van Buddha te bemantelen. De reusachtige afmetingen van den Daibutzu zijn volstrekt Bladzijde 64niet in overeenstemming met die merkwaardige voorliefde voor kleine dingen, die een zoo karakteristiek kenmerk is van het Japansche volk. Er is een speelsche ironie in dit verhaal, een verlangen om den grooten Leeraar naar beneden te halen—al is het slechts, om hem een paar armzalige centimeters kleiner voor te stellen.
Zóóvele dingen schijnen ons in Japan ten onderste boven gezet te worden, dat het ons niets verbaast, als wij ontdekken, dat de voeten op den duimstok voor het meten van metalen en voor het meten van zachte, buigzame stoffen niet gelijk zijn. Voor buigzame goederen wordt een baleinen maat gebruikt, voor hard materiaal een metalen plaat. Er is bij die maten een verschil van vijf centimeters, en de volgende legende kan ons misschien wel verklaren, wat de oorzaak is van dit oppervlakkig zoo vreemde verschil.
De Bronzen Buddha is in zijn zittende houding vijftig voet hoog en zeven en negentig voet in omtrek, terwijl de lengte van het gelaat acht voet, de omtrek der duimen drie voet is. Het is waarschijnlijk wel het grootste stuk brons in de wereld. Een zóó ontzaglijk groot beeld maakte natuurlijk een bijzonderen indruk in de dagen, toen Kamakura een bloeiende stad was, door den grooten veldheer Yoritomo gebouwd. De wegen in en om de stad waren steeds dicht bezet met pelgrims, die verlangden een blik te slaan op het jongste wonder, en allen waren het er over eens, dat dit bronzen beeld het grootste voorwerp op de geheele wereld was.
Het is nu niet onmogelijk, dat enkele zeelieden, die dit wonder hadden gezien, daarover keuvelden, terwijl zijn hun netten uitspreiden. Dit moge inderdaad het geval geweest zijn of niet, zeker is het, dat een groote walvisch, die in de Noordelijke Zee thuis behoorde, toevallig over den Bronzen Buddha van Kamakura hoorde spreken, en daar hij van oordeel was, dat hij veel grooter was dan eenig voorwerp aan land, kon hem het denkbeeld, dat er misschien een mededinger was, volstrekt niet bekoren. Hij achtte Bladzijde 65het onmogelijk, dat kleine menschen iets konden vervaardigen, dat kon wedijveren met zijn ontzaglijk lichaam, en lachte dus hartelijk over de groote dwaasheid van een dergelijke opvatting.
Zijn lachen duurde echter niet lang. Hij was buitensporig jaloersch, en toen hij hoorde van de talrijke pelgrimstochten naar Kamakura en van de voortdurende bewondering, die opgewekt werd bij hen, die het beeld hadden gezien, werd hij ontzettend boos, zweepte de zee tot schuim, en snoot zijn neus met zulk een kracht, dat de andere schepselen der zee hem een heel eind ontliepen. Zijn verlatenheid droeg er echter toe bij, zijn droefheid te vermeerderen, en hij was buiten staat te eten of te slapen, en werd ten gevolge daarvan mager. Ten slotte besloot hij de zaak te bespreken met een bevrienden haai.
De haai beantwoordde de opgewonden vragen van den walvisch met kalme belangstelling, en stemde er in toe, naar de Zuidelijke Zee te gaan, om de maat te nemen van het beeld, en het resultaat van zijn arbeid aan zijn geschokten vriend mede te deelen.
De haai ging op reis, totdat hij aan het strand kwam, waar hij ongeveer een halve mijl ver in het binnenland het beeld boven zich zag uitsteken. Daar hij niet op het droge kon loopen, was hij op het punt het doel van zijn tocht op te geven, toen hij het geluk had, een rat te ontdekken, die een uitstapje deed langs een jonk. Hij legde de rat het doel van zijn zending uit, en verzocht dat schepseltje, na het zeer te hebben gevleid, de maat te nemen van den Bronzen Buddha.
De rat daalde dus van de jonk af, zwom aan land, en trad den donkeren tempel binnen, waar de Groote Buddha stond. Eerst was zij zoozeer onder den indruk van de pracht, die zij om zich heen zag, dat zij niet zeker was, hoe zij moest handelen, om aan het verzoek van den haai te voldoen. Eindelijk besloot zij, om het beeld heen te loopen en daarbij haar voetstappen te tellen. Nadat zij Bladzijde 66die taak had volbracht, bleek het, dat zij precies vijfduizend stappen gedaan had, en bij haar terugkeer naar de jonk deelde zij den haai de maat mede van het voetstuk van den Bronzen Buddha.
De haai keerde, na de rat uitbundig te hebben bedankt, naar de Noordelijke Zee terug, en deelde den walvisch mede, dat de berichten over de afmetingen van dit ergernis wekkende beeld maar al te waar waren. “Een gebrekkige kennis is een gevaarlijke zaak”, is klaarblijkelijk evenzeer toepasselijk op walvisschen, immers de walvisch uit deze legende werd, nadat hij dit bericht had ontvangen, nog woedender dan te voren. Zooals in een sprookje, dat al onze westersche kinderen bekend is, deed hij tooverlaarzen aan, teneinde te land even goed te kunnen reizen als hij altijd ter zee had gedaan.
De walvisch bereikte tegen den nacht den tempel te Kamakura. Hij ontdekte, dat de priesters naar bed waren gegaan en blijkbaar vast in slaap waren. Hij klopte aan de deur. In plaats van het nare gemompel van een slechts half ontwaakten priester, hoorde hij Buddha zelf met een stem, die klonk als het geluid van een groote klok, zeggen: “Kom binnen!”
“Dat is onmogelijk”, antwoordde de walvisch, “omdat ik te groot ben. Wilt gij zoo goed zijn naar buiten te komen, en met mij te spreken?”
Toen Buddha ontdekte, wie zijn bezoeker was, en wat hij op zulk een spookachtig uur verlangde, stapte hij goedgunstig van zijn voetstuk af en kwam hij buiten den tempel. Van beide kanten was er stomme verbazing. Als de walvisch knieën gehad had, zouden zij ongetwijfeld in botsing zijn gekomen. Nu sloeg de walvisch zijn kop tegen den grond. Wat Buddha betreft, ook deze was verbaasd, toen hij een schepsel zag van zoo reusachtige afmetingen.
Wij kunnen ons de ontsteltenis voorstellen van den opperpriester, toen hij ontdekte, dat het voetstuk het beeld van zijn meester niet meer droeg. Daar hij een vreemd Bladzijde 67gesprek hoorde buiten den tempel, ging hij naar buiten, om te zien wat er gebeurde. De zeer ontstelde priester werd uitgenoodigd, aan het twistgesprek deel te nemen, en kreeg het verzoek de maat te nemen van het beeld en van den walvisch; hij begon daarom de maat te nemen met zijn rozenkrans. Terwijl hij daarmede bezig was, wachtten het beeld en de walvisch den uitslag met ingehouden adem af. Toen de maat genomen was, bleek het, dat de walvisch vijf centimeter langer was dan het beeld, en dat hij eveneens grooter van omtrek was.
De walvisch keerde veel ijdeler dan ooit naar de Noordelijke Zee terug, terwijl het beeld naar zijn tempel terug keerde en weer ging zitten, en daar is het tot op den huidigen dag gebleven, er waarschijnlijk niet slechter van geworden, nu het ontdekt had, dat het niet volkomen zoo groot was als het zich had voorgesteld. Handelaars in stukgoederen en handelaars in hout en in ijzer spraken van dat oogenblik af, dat er verschil zou zijn in wat beiden een voet zouden noemen—en het verschil bedroeg vijf centimeters.
In oude dagen leefde in Japan een beroemd Minister van Staat, Kamatari genaamd. Kamatari nu had een eenige dochter, Kohaku Jo, die bijzonder schoon was, en daarbij even goed als schoon. Zij was de vreugde van het hart haars vaders, en hij besloot, dat, als zij huwde, niemand minder in rang dan een Koning haar echtgenoot zou worden. Met dit denkbeeld voortdurend voor den geest, weigerde hij standvastig de aanzoeken om haar hand.
Op zekeren dag was er een groote oploop op het binnenplein van het paleis. Door de open poorten stroomden een groot aantal mannen binnen, die een vaandel droegen, waarop een zijden draak op een gelen achtergrond was gewerkt. Kamatari vernam, dat die mannen van het hof te China gekomen waren, met een boodschap van Keizer Bladzijde 68Koso. De Keizer had gehoord van de buitengewone schoonheid en de bijzondere lieftalligheid van Kohaku Jo, en verlangde haar te huwen. Zooals dit in het Oosten bij dergelijke gelegenheden gebruikelijk is, was het aanzoek van den Keizer vergezeld van de belofte, dat indien Kohaku Jo zijn bruid zou worden, hij haar zou toestaan datgene te kiezen uit zijn schatkamer, wat zij naar haar eigen land zou willen zenden.
Nadat Kamatari de afgevaardigden met behoorlijken luister en met de vereischte plechtigheid had ontvangen en een geheele vleugel van zijn paleis ter hunner beschikking had gesteld, keerde hij naar zijn eigen vertrek terug en beval zijn dienaar, zijn dochter vóór hem te geleiden.
Toen Kohaku het vertrek van haar vader was binnengetreden, boog zij voor hem en bleef geduldig op de witte matten zitten, in afwachting van het oogenblik, dat haar verheven vader het woord tot haar zou richten.
Kamatari deelde haar mede, dat hij den Keizer van China als haar echtgenoot had uitgekozen en het meisje weende, toen zij die tijding hoorde. Zij was zoo gelukkig geweest in haar eigen huis, en China scheen zoo ver verwijderd te zijn. Toen haar vader haar echter voorspelde, dat zij in de toekomst nog meer geluk zou hebben dan zij ooit in het verledene had gehad, droogde zij haar tranen en luisterde naar de woorden van haar vader, misschien wel verbaasd over de mededeeling, dat alle schatten van China aan haar eigen kleine voetjes zouden worden gelegd. Zij was verheugd, toen haar vader haar zeide, dat zij in staat zou gesteld worden, drie van die schatten naar den tempel van Kofukuji te zenden, waar zij als klein kind gezegend was.
Zoo dan gehoorzaamde Kohaku haar vader, met niet weinig bezorgdheid, en niet weinig hartzeer. Haar gezellinnen weenden, toen zij het nieuws hoorden, maar zij werden getroost, toen de moeder van Kohaku haar vertelde, dat enkelen van haar zouden worden uitgekozen om haar meesteres te vergezellen. Bladzijde 69
Voordat Kohaku naar China wegzeilde, richtte zij haar schreden naar den tempel van Kofukuji, en toen zij het heilige altaar genaderd was, bad zij om bescherming op haar reis, en beloofde zij, dat zij, als haar gebeden werden verhoord, China zou doen doorzoeken, om de drie kostbaarste schatten van dat rijk te verkrijgen, en dat zij die als een dankoffer naar den tempel zou zenden.
Kohaku bereikte veilig China en werd door Keizer Koso met groote pracht ontvangen. Haar kinderlijke vrees werd spoedig verdreven door de groote vriendelijkheid van den Keizer. Immers hij betoonde haar heel wat meer dan vriendelijkheid. Hij sprak haar toe in de taal van een minnaar: “Na lange, lange dagen van treurig wachten heb ik de azalea van het verwijderde gebergte verworven, en nu plant ik die in mijn tuin, en groot is de vreugde van mijn hart!”3
Keizer Koso leidde haar van het ééne paleis naar het andere, en zij wist niet, welk paleis het schoonst was, maar haar Keizerlijke echtgenoot wist, dat zij veel schooner was dan één van deze. Omhaar bijzondere lieftalligheid wenschte hij, dat de herinnering daaraan ten eeuwige dagen over de geheele lengte en breedte van China zou blijven voortduren, ja zelfs tot buiten de grenzen van zijn rijk. “Daarom riep hij zijn goudsmeden en tuiniers te zamen”, zooals Madame Ozaki verhaalt bij de beschrijving van dit sprookje, “en beval hen, voor de Keizerin een weg te maken, zooals nog nooit in de geheele wijde wereld bestaan had. De treden van dien weg moesten lotus-bloemen zijn, gesneden uit goud en zilver, opdat zij daarover kon loopen, zoo dikwijls zij rondzwierf onder de boomen of langs het meer, zoodat men zou kunnen zeggen, dat haar schoone voetjes nooit werden bezoedeld, door de aarde aan te raken; en sedert dien tijd hebben dichterlijke minnaars en liefdedichters in China en Japan in gezangen en sonnetten en in zoete gesprekken de voeten der vrouwen, die zij liefhebben, ‘lotusvoeten’ genoemd.” Bladzijde 70
Maar in weerwil van al de pracht, die Kohaku omringde, vergat zij haar geboorteland niet en evenmin de gelofte, die zij in den tempel van Kofukuji had afgelegd. Op zekeren dag deelde zij beschroomd den Keizer haar gelofte mede, en daar hij maar al te zeer verheugd was, een nieuwe gelegenheid te hebben, haar genoegen te doen, plaatste hij zulk een schat van schoone en kostbare zaken vóór haar, dat het wel scheen, alsof een uitgelezen sprookjeswereld van vroolijke kleuren en volmaakte vormen plotseling voor haar voeten was ontstaan. Er was daar zulk een rijkdom aan schitterende dingen, dat zij het zeer moeilijk vond, een keuze te doen. Eindelijk vestigde zij haar keuze op de volgende tooverschatten, een muziekinstrument, dat, als men er op sloeg, eeuwig bleef doorspelen, een doos met inktsteen, die, als het deksel werd opgetild, een onuitputtelijken voorraad Oost-Indischen inkt bleek te bevatten, en ten slotte “een prachtig kristal, in welks heldere diepte men, van welken kant men ook er in staarde, een beeld zag van Buddha, rijdend op een witten olifant. Het kristal was van bovennatuurlijken glans en schitterend als een ster, en ieder, die in zijn heldere diepten staarde en de gezegende verschijning van Buddha zag, had voor altijd gemoedsrust.”4
Nadat Kohaku eenigen tijd die schatten had bekeken, ontbood zij Admiraal Banko en verzocht hem, ze veilig naar den tempel van Kofukuji over te brengen.
Alles ging voorspoedig met Admiraal Banko en zijn schip, totdat zij in de Japansche wateren waren, op weg naar de baai van Shido-no-ura, toen een heftige storm het schip heen en weer slingerde. De golven rolden omhoog met de woestheid van wilde dieren, en voortdurend flikkerde de bliksem aan den hemel, om een oogenblik het rollende schip te verlichten, dat nu eens hoog opgeheven werd op een waterberg, dan weer neergedompeld werd Bladzijde 71in een groene vallei, waaruit het nooit meer scheen te kunnen verrijzen.
Plotseling ging de storm liggen, even onverwachts als hij was opgestoken. De ééne of andere fee had met haar hand al de wolken weggevaagd, en een blauw en fonkelend tapijt over de zee uitgespreid. De eerste gedachte van den admiraal was, hoe het stond met de veiligheid der schatten, die hem waren toevertrouwd, en toen hij naar beneden ging, vond hij het muziekinstrument en den inktsteen volmaakt in den toestand, waarin hij die had achtergelaten, maar bleek het, dat de kostbaarste der schatten, het Kristal van Buddha, niet te vinden was. Hij dacht er over, zich het leven te benemen, zoozeer was hij onder den indruk van het verlies; maar bij nader inzien zag hij, dat het verstandiger zou zijn, in het leven te blijven, zoolang hij nog iets kon doen, om het kristal te vinden. Daarom haastte hij zich te landen, en deelde Kamatari zijn ijselijk ongeluk mede.
Nauwelijks had Kamatari het bericht omtrent het Kristal van Buddha vernomen, of die verstandige minister begreep, dat de Koning der Draken van de Zee het gestolen had, en met dit doel de storm had veroorzaakt, die hem in staat had gesteld, ongemerkt den schat te stelen.
Kamatari bood aan een aantal visschers, die hij op het strand van Shido-no-ura zag, een ruime belooning aan, als eenigen van hen zich in zee zouden willen wagen, om het kristal terug te brengen. Alle visschers boden daarop zich vrijwillig aan, maar na een aantal vruchtelooze pogingen bleef het kostbare kleinood voortdurend onder de hoede van den Zeekoning.
Kamatari zag in zijn groote droefheid plotseling een arme vrouw, die een kind in de armen droeg. Zij vroeg den grooten minister, of zij in zee mocht afdalen om naar het kristal te zoeken, en in weerwil van haar zwakheid sprak zij met overtuiging. Haar moederhart scheen haar moed in te boezemen. Zij deed haar verzoek, omdat zij Bladzijde 72wenschte, dat Kamatari, als het haar gelukte het kristal terug te brengen, ter belooning haar zoontje zou opvoeden als samurai5, opdat hij in zijn verder leven iets anders kon worden dan een eenvoudige visscher.
Men zal zich herinneren, dat Kamatari in vroeger dagen eerzuchtig was geweest ter wille van zijn dochter. Hij begreep dan ook volkomen het verzoek der arme vrouw, en beloofde plechtig, dat hij, als zij getrouw haar taak ten uitvoer bracht, gaarne haar wensch zou vervullen.
De vrouw ging heen, en na haar bovenkleeren te hebben uitgetrokken, en een touw om haar middel te hebben gebonden, waarin zij een mes stak, was zij voor haar gevaarlijke reis gereed. Na het uiteinde van het touw aan een aantal visschers te hebben gegeven, ging zij te water.
Het eerste oogenblik zag de vrouw de vage omtrekken van rotsen, en een wegvliegenden verschrikten visch, en het matte goud van het zand onder haar voeten. Daarna zag zij plotseling de daken van het paleis van den Zeekoning, een groot en schitterend gebouw van koraal, hier en daar ondersteund door bossen veelkleurig zeegras. Het paleis geleek op een kolossale pagode, met een aantal verdiepingen. De vrouw zwom nader, om het meer van nabij te aanschouwen en zij bemerkte toen een helder licht, schitterender dan het licht van verschillende manen en zóó helder, dat het haar oogen verblindde. Het was het licht van het kristal van Buddha, dat geplaatst was op de tinne van dat uitgestrekte gebouw, en aan iederen kant van het schitterende kleinood waren drakenwachters, diep in slaap, die zelfs in hun slaap schenen te waken!
De vrouw zwom er heen, terwijl zij in haar dapper hart bad, dat de draken zouden doorslapen, totdat zij buiten gevaar zou zijn en den schat in haar bezit had. Nauwelijks had zij het kristal van zijn rustplaats gerukt, of de wachters ontwaakten; zij strekten hun groote klauwen uit en hun Bladzijde 73staarten zweepten woedend het water, en in een oogenblik vervolgden zij haar met woede. De vrouw, die alles liever wilde dan het kristal te verliezen, dat zij ten koste van zooveel gevaren had gewonnen, sneed een wond in haar linker borst, en duwde het kristal in de bloedende holte, terwijl zij haar hand tegen het arme gewonde vleesch drukte, zonder dat zij een kreet van smart deed hooren. Toen de draken bemerkten, dat het water donker gekleurd was door het bloed der vrouw, keerden zij om, immers zeedraken zijn bang voor het gezicht van bloed.
De vrouw trok nu heftig aan het touw, en de visschers, die hoog daarboven op de rotsen zaten, trokken haar met den grootsten spoed aan land. Zij legden haar zacht neder op het strand, en zagen, dat haar oogen gesloten waren, en dat haar borst vreeselijk bloedde. Kamatari dacht eerst, dat de vrouw haar leven te vergeefs had gewaagd; maar toen hij zich over haar heen boog, ontdekte hij de wond in haar borst. Op dat oogenblik opende zij de oogen, en na het kleinood uit de plaats genomen te hebben, waar zij het had verborgen, fluisterde zij nog een paar woorden over de belofte van Kamatari, en viel toen dood neder met een vredigen glimlach op het gelaat.
Kamatari nam het kind dier vrouw mede naar huis en lette op zijn opvoeding met al de liefdevolle zorg van een vader. Na verloop van tijd werd hij, op volwassen leeftijd, een dappere samurai, en werd bij den dood van Kamatari ook zelfs Rijksminister. Toen hij in latere jaren de geschiedenis vernam van de zelfopofferende daad van zijn moeder, liet hij een tempel bouwen in de baai van Shido-no-ura, ter herinnering aan haar, die zoo dapper en trouw was geweest. Die tempel heet Shidoj, hij wordt bezocht door vele bedevaartgangers, die zich nog tot op onzen tijd den zieleadel van een arme schelpenverzamelaarster herinneren. Bladzijde 74
1 Ontleend aan de Sprookjes van Oud Japan, door W.E. Griffis.
2 Ontleend aan het Kristal van Buddha, door Madame Yei Ozaki.
3 Madame Ozaki.
4 Madame Ozaki.
5 Samurai was een Japansche kaste, waaruit de ambtenaren en officieren voortkwamen.
De vos neemt een belangrijke plaats in onder de Japansche legenden, en het onderwerp is van ver reikenden en ingewikkelden aard.1 Inari was oorspronkelijk de God van de Rijst, maar in de elfde eeuw werd hij in verband gebracht met den Vossengod, en werden hem goede en kwade eigenschappen, meestal de laatste, toegekend, en wel zóó overvloedig en veelzijdig in haar toepassing, dat zij den westerschen lezer niet weinig moeilijkheid veroorzaken. Alle vossen bezitten bovennatuurlijke macht in bijna onbeperkte mate. Zij hebben het vermogen, oneindig ver te zien; zij kunnen alles hooren en de geheime gedachten verstaan van de menschheid in het algemeen, en bovendien bezitten zij het vermogen van gedaante te verwisselen. Het voornaamste kenmerk van den slechten vos is het vermogen menschelijke wezens te misleiden, en met dit doel neemt hij de gedaante aan van een schoone vrouw; groot is dan ook het aantal legenden, in dit verband verhaald.2 Indien de schaduw van een in een vrouw veranderde vos bij toeval op het water valt, dan komt alleen de vos, en niet de schoone vrouw, voor den dag. Men verhaalt, dat als een hond een dergelijke vrouw ziet, de vrouwelijke gedaante onmiddellijk verdwijnt, en alleen de vos overblijft.
Hoewel de legenden, die in Japan met den vos in betrekking staan, meestal met booze eigenschappen samenhangen, treedt Inari somtijds op als een weldoend wezen, een wezen, dat hoest en verkoudheid geneest, dat den Bladzijde 75behoeftige rijkdom schenkt en het gebed eener vrouw ten behoeve van haar kind verhoort. Een andere vriendelijke daad van Inari, die wij ook wel hadden kunnen toeschrijven aan Jizō, is, dat hij de kleine jongens en meisjes in staat stelt met moed de beproeving te dragen, om met een niet al te goed scheermes te worden geschoren, en eveneens de kleinen de bezwaren van een heet bad hielp trotseeren, waarvan in Japan de temperatuur nooit lager is dan ruim 43° Celsius!
Inari beloont niet zelden menschelijke wezens voor iedere vriendelijke daad jegens een vos. Slechts een deel van zijn belooning kan echter voor goede munt worden opgenomen. Het enkele goede, dat door Inari wordt verricht—en wij hebben getracht, hem recht te doen wedervaren—weegt geheel op tegen zijn ontelbare slechte daden, die dikwijls van een vreeselijk wreeden aard zijn, zooals later zal blijken. Het hier behandelde onderwerp: de vos in Japan is zeer juist door Lafcadio Hearn beschreven als “spoken-dierkunde”, en dit sluwe en boosaardige dier is veel meer geraffineerd spookachtig dan onze officieele en gebruikelijke geestverschijning met een lichtend gewaad en rammelende ketens.
Het door den duivel bezeten zijn moet volgens de dikwijls verkondigde opvatting toegeschreven worden aan den slechten invloed van vossen. Die vorm van bezetenheid is bekend als kitsune-tsuki. Het slachtoffer is gewoonlijk een vrouw der mindere klasse, iemand, die zeer teergevoelig is en vatbaar is voor alle mogelijke bijgeloof. Het vraagstuk der bezetenheid is nog steeds een onopgelost vraagstuk, en de onderzoekingen van Dr. Baelz, die verbonden is aan de Keizerlijke Universiteit van Japan, schijnen te wijzen op het feit, dat het bezeten zijn van menschelijke wezens door dieren, een wezenlijke en verschrikkelijke waarheid is. Hij maakt de opmerking, dat een vos gewoonlijk Bladzijde 76een vrouw binnentreedt òf door de borst, òf onder de nagels der vingers, en dat de vos daar een zelfstandig, afzonderlijk leven leidt, en meestal spreekt met een stem, die geheel afwijkt van die van een mensch.
“De Steen des Doods staat in ’t moeras
Bij wintersneeuw en zomergloed;
Het mos, dat hem bedekt, wordt grijs,
Toch zwerft de demon daar nog rond.”
“Kil waait de wind, en boven het moeras
Klinkt in het woud der uilen heesch gekras.
En onder de chrysanthemums, beneden,
Daar loert de vos, weergalmt van jakhals het geklaag,
Als over het moeras het herfstlicht gaat omlaag.”
Naar B.H. Chamberlain.
De Buddha-priester Genno kwam na een langdurige, moeilijke reis naar het moeras van Nasu, en was juist van plan, te gaan rusten onder de schaduw van een grooten steen, toen een geest plotseling te voorschijn kwam, en sprak: “Rust niet onder dezen steen. Dit is de Steen des Doods. Mannen, vogels en dieren zijn omgekomen, alleen maar door hem aan te raken!”
Die geheimzinnige woorden ter waarschuwing wekten natuurlijk de nieuwsgierigheid van Genno op, en hij verzocht, dat de geest hem het genoegen zou doen, de geschiedenis van den Steen des Doods te verhalen.
De geest begon toen aldus: “Lang geleden was er een schoone maagd, die aan het Japansche Hof leefde. Zij was zóó bekoorlijk, dat zij het Juweeltje werd genoemd. Haar wijsheid evenaarde haar schoonheid, zij verstond toch de Buddhistische wetenschappen en de leer van Confucius, de wetenschap en de poëzie van China.” Bladzijde 77
“Zoo, door natuur en kunst met schoonheid rijk belaân,
Biedt haar de Keizer zelf zijn trouwe liefde aan.”
Naar B.H. Chamberlain.
“Op zekeren nacht,” zoo vervolgde de geest, “gaf de Mikado een groot feest in het Zomerpaleis, en daar verzamelde hij het vernuft, de wijsheid en de schoonheid van het geheele land. Het was een schitterend gezelschap, maar terwijl de gasten aten en dronken, onder het hooren van de tonen van liefelijke muziek, verspreidde zich duisternis over de groote zaal. Zwarte wolken ijlden door de lucht en er was geen enkele ster te bekennen. Terwijl de gasten verstijfd van vrees ter neder zaten, verhief zich een geheimzinnige wind. Hij gierde door het Zomerpaleis en waaide al de lantarens uit. De volkomen duisternis deed een paniek ontstaan, en gedurende de verwarring riep één der aanwezigen: ‘Een licht, een licht!’”
Er straalt van ’s meisjes schoon gezicht
Een tooverachtig, schitt’rend licht!
’t Groeit aan en vult de keizerlijke zalen;
Verlicht paneelen en de schermen met zijn stralen.—
Het vroeger somber duister van den nacht
Straalt als de volle maan in al haar pracht.
Naar B.H. Chamberlain.
“Van dat oogenblik af werd de Mikado sukkelend”, zoo vervolgde de geest. “Hij werd zóó ziek, dat de Hoftoovenaar ontboden werd, en die verdienstelijke man ontdekte spoedig, wat de oorzaak was van de ziekte van Zijne Majesteit. Met de kracht eener gevestigde overtuiging verklaarde hij, dat het Juweeltje een ontuchtige vrouw en een duivelin was, die met listige kunsten ’s Keizers hart gevangen nam, om den staat te gronde te richten.
“De woorden van den Toovenaar veranderden de liefde van den Mikado voor het Juweeltje in vurigen haat. Toen die toovenares met verachting bejegend werd, nam zij haar oorspronkelijke gedaante aan, en wel die van een vos, terwijl zij wegliep naar dezen steen in het moeras van Nasu.”
De priester aanschouwde den geest met critischen blik. “Wie zijt gij?” sprak hij eindelijk. Bladzijde 78
“Ik ben de kwade geest, die eertijds huisde in de borst van het Juweeltje! Ik woon nu voor eeuwig in den Steen des Doods”.

De Mikado en het “Juweeltje”
De goede Genno was vreeselijk verschrikt door die ontzettende bekentenis, maar daar hij zich zijn plicht als priester herinnerde, zeide hij: “Hoewel gij in goddeloosheid laag gezonken zijt, zult gij weer tot deugd opstijgen. Neem dit priestergewaad en dezen bedelnap, en laat mij u in den vorm van een vos zien.”
Daarop riep de booze geest op smartelijken toon:
“In het schitt’rend zonnelicht
Houd ik schuil mijn aangezicht,
Als Asama’s bleeke gloed:
Met den nacht zal ’k hier weer zijn,
Schuld bekennend, ’t hart vol pijn,
Reine wenschen in ’t gemoed.”
Naar B.H. Chamberlain.
Na dit gezegd te hebben, verdween de geest plotseling.
Genno liet zijn goede voornemens niet varen. Nog vuriger dan ooit te voren streefde hij naar de redding van die dwalende ziel. Opdat zij Nirvana mocht bereiken, offerde hij bloemen, brandde hij wierook, en zegde hij de heilige Geschriften op, vóór den steen staande.
Toen Genno die godsdienstige plichten had vervuld, zeide hij: “Geest van den Steen des Doods, ik bezweer u! wat is er geschied in een vroegere wereld, dat gij in deze wereld een zoo valsche gedaante hebt aangenomen?”
Plotseling spleet de Steen des Doods uiteen en verscheen de geest weder onder den uitroep:
“In steenen zijn geesten,
Een stem klinkt in ’t water;
De winden, zij loeien door ’t hemelgewelf!”
Naar B.H. Chamberlain.
Genno zag een bleeken lichtglans in zijn nabijheid, en in dat licht ontdekte hij een vos, die plotseling in een schoone maagd veranderde.
De geest van den Steen des Doods sprak nu aldus: “Ik ben het, die eertijds, in Ind, de booze geest was, wien Bladzijde 79Prins Hazoku eer bewees... In Groot Cathay nam ik den vorm aan van Hōji, de echtgenoote van Keizer Iuwao; en in het Hof der Rijzende Zon werd ik het vlekkelooze Juweeltje, de bijzit van Keizer Toba.”
De geest bekende Genno, dat zij in den vorm van het Juweeltje verderf had willen brengen aan de Keizerlijke dynastie. “Reeds”, zoo sprak de geest, “maakte ik mijn plannen, overlegde ik, hoe ik den Mikado kon doen sterven, en ik zou in mijn plannen zijn geslaagd, als niet de Hoftoovenaar met zijn bovennatuurlijke macht had ingegrepen. Zooals ik u verhaalde, werd ik van het Hof verdreven. Ik werd vervolgd door honden en pijlen, en zonk eindelijk uitgeput in den Steen des Doods. Van tijd tot tijd zwierf ik over het moeras. Nu heeft Buddha medelijden met mij gehad, en hij heeft zijne priesters gezonden, om den weg naar den waren godsdienst aan te wijzen en vrede te brengen”.
De legende besluit met de volgende vrome woorden, geuit door den nu berouwvollen geest:
“Hoor, man van God, den eed, den duren eed, dien ’k zweer,
Aan u, wiens zegening mij naar den hemel voert,
Den eed, dien ’k houden zal, wat ook mijn hart beroert,
Vast, als de Steen des Doods, hier in het drassig meer.
Ik zweer, dat ’k voortaan leef als kind der deugd alleen!
Zoo sprak de geest, nu maagd, toen ze in ’t moeras verdween.”
Naar B.H. Chamberlain
Tokutaro was absoluut ongeloovig op het gebied van de toovermacht van vossen. Zijn ongeloovigheid ergerde een aantal van zijn makkers, die hem uitdaagden, naar het moeras Maki te gaan. Als hem niets overkwam, zou Tokutaro vijf maten wijn en een waarde aan visch van duizend koperen cash4 krijgen. Indien daarentegen Tokutaro door de macht der vossen schade zou lijden, moest Bladzijde 80hij een even groot geschenk aan zijn makkers geven. Tokutaro nam spottend de weddingschap aan, en toen de nacht was aangebroken, vertrok hij naar het moeras Maki.
Tokutaro had besloten, zeer slim en voorzichtig te zijn. Toen hij zijn bestemming bereikt had, ontmoette hij een vos, die door een bamboeboschje liep. Onmiddellijk daarna ontdekte hij de dochter van den hoofdman van Boven-Horikané. Toen hij de vrouw vertelde, dat hij voornemens was naar dat dorp te gaan, zeide zij, dat zij hetzelfde voornemen had, en dat zij dus wel samen konden reizen.
Daardoor was de achterdocht van Tokutaro opgewekt. Hij liep achter de vrouw, terwijl hij te vergeefs naar een vossestaart zocht. Toen zij Boven-Horikané hadden bereikt, kwamen de ouders van het meisje naar buiten, die uiterst verbaasd waren, toen zij haar dochter zagen, die gehuwd was en in een ander dorp woonde.
Tokutaro zeide hun, met een hoogmoedig lachje van ingebeelde wijsheid, dat het meisje vóór hem in werkelijkheid niet hun dochter was, maar een vermomde vos. De ouders waren eerst verontwaardigd, en weigerden te gelooven, wat Tokutaro hen had verhaald. Ten slotte overreedde hij hen, het meisje in zijn handen te laten, terwijl zij in de voorraadkamer zouden wachten op het resultaat.
Tokutaro greep toen het meisje aan, en wierp haar ruw op den grond, terwijl hij haar voortdurend beschimpte. Hij trapte op haar en pijnigde haar op alle mogelijke wijzen, terwijl hij ieder oogenblik verwachtte, dat het meisje in een vos zou veranderen. Maar zij deed niets dan ween en, en riep erbarmelijk om haar ouders, teneinde haar te verlossen.
Toen die onverbeterlijke ongeloovige zag, dat zijn pogingen tot nu toe vruchteloos waren geweest, stapelde hij op den grond hout op, en doodde hij haar op den brandstapel. Op dat oogenblik kwamen haar ouders aanhollen en bonden hem aan een pilaar, terwijl zij hem woedend van moord beschuldigden.
Juist kwam een priester dien weg langs, en toen hij dat Bladzijde 81leven hoorde, drong hij op een verklaring aan. Toen de ouders van het meisje hem alles hadden verhaald, en nadat hij de verdediging van Tokutaro had aangehoord, verzocht hij het echtpaar, het leven van den man te sparen, opdat hij mettertijd een goed en vroom priester zou worden. Na eenig tegenstreven werd dit eigenaardige verzoek toegestaan, en Tokutaro knielde neer, om zijn hoofd te doen kaalscheren, uiterst gelukkig, dat hij zoo gemakkelijk uit zijn ellendigen toestand werd bevrijd.
Nauwelijks was het goddelooze hoofd van Tokutaro geschoren, of hij hoorde een schaterend gelach, en werd hij wakker, terwijl hij aan een uitgestrekt moeras gezeten was. Instinctmatig hief hij zijn hand op, en ontdekte, dat vossen hem hadden kaalgeschoren, en hij dus zijn weddenschap had verloren.
Na de hier besproken ijzige legende, waarin de slechte eigenschappen van den vos worden beschreven, is het een opluchting een vos te mogen ontmoeten, die tot groote zelfopoffering in staat was.
Het geschiedde toch, dat op zekeren lentedag twee kleine jongens betrapt werden op het vangen van een jonggeboren vosje. De man, die getuige was van dit feit, had een vriendelijk gemoed, en toen hij hoorde, dat de jongens het jonge dier gaarne wilden verkoopen, gaf hij hun een halve bu5.
Toen de kinderen hoogst verheugd met het geld vertrokken waren, ontdekte de man, dat het kleine diertje aan den voet gewond was. Hij legde er onmiddellijk een zeker kruid op, waardoor de pijn spoedig bedaarde. Toen hij op korten afstand een troep oude vossen zag, die hem in het oog hielden liet hij edelmoedig het diertje loopen, dat in snelle vaart naar zijn ouders sprong en hen voortdurend likte.
Die goedhartige man nu had een zoon, die aan een Bladzijde 82vreemde ziekte leed. Eindelijk schreef een beroemd geneesheer de lever van een levenden vos voor als middel, dat nog tot genezing zou kunnen leiden. Toen de ouders van den knaap dit hoorden, waren zij zeer bedroefd, en wilden zij alleen de lever van een vos aannemen, geleverd door iemand, die er zijn beroep van maakte op vossen te jagen. Eindelijk droegen zij een buurman op, hun de lever te verschaffen, terwijl zij beloofden, daarvoor ruim te betalen.
Den volgenden avond werd de lever van een vos gebracht door een vreemdeling, die geheel onbekend was bij de brave bewoners van het huis. De bezoeker verklaarde, dat hij een bode was, gezonden door den buurman, wien zij de boodschap hadden opgedragen. Toen echter de buurman zelf kwam, bekende hij, dat hij, hoewel hij alle moeite had gedaan om een vosselever te krijgen, daarin niet was geslaagd, en daarom gekomen was, om zijn verontschuldigingen te maken. Hij was stom verbaasd, toen hij het verhaal hoorde, dat hem door de ouders van den lijdenden knaap werd gedaan.
Den volgenden dag werd de vosselever tot geneesmiddel toebereid door den genoemden geneesheer, waarop de jeugdige knaap onmiddellijk zijn vroegere gezondheid terugkreeg.
Des avonds verscheen een schoone jonge vrouw voor het bed der gelukkige ouders. Zij vertelde, dat zij de moeder was van het vosje, dat door den man was vrijgelaten, en dat zij uit dankbaarheid voor zijn goedheid het vosje had gedood, terwijl haar echtgenoot, onder de vermomming van den geheimzinnige bode, de verlangde lever had gebracht6.
Zooals wij reeds vroeger hebben gezien, is Inari dikwijls Bladzijde 83bijzonder goedgunstig. Er is een legende, dat een vrouw, die reeds een aantal jaren gehuwd was en niet met een kind gezegend was, aan het altaar van Inari haar gebeden opzond. Bij het eindigen van haar gebed schudden de steenen vossen hun staarten, en begon er sneeuw te vallen. Zij beschouwde die verschijnselen als gunstige voorteekenen.
Toen de vrouw haar huis bereikte, sprak haar yeta (bedelaar) aan, en vroeg haar iets te eten. De vrouw gaf met groote goedhartigheid dien ongelukkigen reiziger wat meel van roode boonen, het eenige voedsel dat zij in huis had, en bood hem dat in een schotel aan.
Den volgenden dag zag de echtgenoot dien schotel voor het altaar liggen, waar zijn vrouw had gebeden. De bedelaar was niemand anders dan Inari zelf, en de edelmoedigheid der vrouw werd ter rechter tijd beloond door de geboorte van een kind.
Raiko was een vermogend man, die in een zeker dorp woonde. In weerwil van zijn ontzaglijke rijkdommen, die hij in zijn obi (gordel) bij zich droeg, was hij ontzettend gierig. Naarmate hij ouder werd, nam zijn gierigheid toe, totdat hij er ten slotte over dacht, zijn trouwe bedienden te ontslaan, die hem steeds zoo goed hadden gediend.
Op zekeren dag werd Raiko zeer ziek, zelfs zóó, dat hij bijna wegteerde ten gevolge van een vreeselijke koorts. Den tienden nacht van zijn ziekte verscheen een arm gekleede bozu (priester) aan zijn sponde, die hem vroeg, hoe hij het maakte, en er aan toevoegde, dat hij reeds lang gedacht had, dat de oni hem zou wegvoeren.
Door dit laatste gezegde, dat bovendien niet al te kiesch was uitgedrukt, werd Raiko woedend, en hij eischte verontwaardigd, dat de priester zou vertrekken. Maar de bozu zeide hem in plaats van te vertrekken, dat er maar één geneesmiddel was tegen zijn ziekte. Het geneesmiddel was, dat Raiko zijn obi zou losmaken en zijn geld onder Bladzijde 84de armen zou verdeelen. Raiko werd nog driftiger over wat hij als een groote onbeschoftheid van den priester beschouwde. Hij trok een dolk van onder zijn kleed te voorschijn en trachtte den goedigen bozu te dooden. De priester vertelde Raiko zonder de minste vrees, dat hij gehoord had van zijn gemeen voornemen, zijn brave dienaren te ontslaan, en dat hij des nachts was gekomen, om den ouden man zijn hartebloed af te tappen. “Nu is”, zoo sprak de priester, “mijn doel bereikt!” en na het uitspreken van die woorden blies hij het licht uit.
De door en door verschrikte Raiko voelde nu, hoe een spookachtig schepsel hem naderde. De oude man stak met zijn dolk in het wilde, en veroorzaakte zulk een opschudding, dat zijn trouwe bedienden met lantarens de kamer binnenstormden; toen zagen zij den vreeselijken klauw van een monster naast de vloermat van den ouden man liggen.
Toen de dienaren van Raiko met groote nauwgezetheid de kleine bloedvlekken volgden, kwamen zij aan een kleinen berg aan het uiteinde van den tuin, en in dien berg was een wijde opening, waaruit het boveneinde van een ontzaglijke spin stak. Dit wezen vroeg de dienaren, pogingen aan te wenden, om hun meester te overreden, de goden niet aan te vallen en zich in de toekomst van inhaligheid te onthouden.
Toen Raiko die woorden uit den mond zijner dienaren hoorde, berouwde hem zijn vroeger leven en gaf hij groote geldsommen aan de armen. Inari had de gedaante van een spin en van een priester aangenomen, om den vroeger zoo gierigen man een goede les te geven. Bladzijde 85
1 De vreemde, bovennatuurlijke eigenschappen van den vos zijn niet uitsluitend van Japanschen oorsprong. Tallooze voorbeelden van de tooverkracht van den vos vindt men in Chineesche legenden. Zie Vreemde Sprookjes uit een Chineesch Studeervertrek, door H.A. Giles.
2 Zie het Land van de Gele Lente, en andere Japansche Sprookjes van den schrijver van dit werk.
3 “De Steen des Doods” is ongetwijfeld één der meest merkwaardige vossenlegenden. Zij leert ons een kwaadaardigen vos kennen, die den vorm eener verleidelijke vrouw aanneemt bij meer dan één verschijning. Zij komt dan en verdwijnt als een verlokkend, maar verderf brengend wezen, een soort van Japansche opvatting van Fata Morgana. De legende is ontleend aan een No, of lyrisch drama, vertaald door Professor B.H. Chamberlain.
4 De cash, een munt, die nu niet meer in gebruik is, kwam ongeveer met een stuiver overeen.
5 Ongeveer 40 cents.
6 De lever, zoowel van dieren als van menschen, komt in de Japansche legenden dikwijls voor als geneesmiddel voor verschillende ziekten.
Jizō, de God van kleine kinderen en de God, die de bewogen zee tot rust brengt, is ongetwijfeld de meest beminnelijke der Buddhistische goden, hoewel Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, in eigenschappen veel met hem overeenkomt. De meest populaire Goden, zoowel in het Oosten als in het Westen, zijn die, welke de meest menschelijke eigenschappen bezitten. Hoewel Jizō van Buddhistischen oorsprong is, is hij toch in zijn wezen Japansch, en wij kunnen hem het best beschrijven als de schepping van tallooze Japansche vrouwen, die er naar verlangd hebben, in de Oneindigheid, in het omsluierde leven na den dood, een wezen te plaatsen, dat een goddelijke Vader en Moeder zou zijn voor de zielen hunner kleinen. En dit is het wat Jizō inderdaad is, een God uitsluitend van het vrouwelijke hart, en niet een wezen, dat heen en weer geslingerd wordt in de haarkloverijen van in het debat vergrijsde theologen. Een bestudeering van den aard en de karakteristieke eigenschappen van Jizō zal ons het beste doen kennen, wat in de Japansche vrouwen wordt gevonden; immers hij openbaart ons haar liefde, haar zin voor het schoone en haar oneindig medelijden. Jizō heeft al de wijsheid van Buddha zelf, met dit verschil dat Jizō Nirvana heeft op zijde geschoven, en niet op den Gouden Lotus zit, maar door een heerlijk schoone zelfopoffering de goddelijke speelmakker en beschermer van Japansche kinderen is geworden. Hij is de God van glimlachjes en lange mouwen, de vijand van booze geesten, en het éénige wezen, dat de wonde eener moeder kan genezen, die haar kind door den dood heeft verloren. Er is een spreekwoord, dat alle rivieren haar weg naar zee vinden. Voor de Japansche vrouw, die haar kleine grafwaarts heeft gedragen, kronkelen alle rivieren haar zilveren loop naar de plaats, waar de eeuwig Bladzijde 86wachtende en eeuwig vriendelijke Jizō is. Dit is de reden, dat moeders, die haar kinderen door den dood hebben verloren, gebeden schrijven op kleine strooken papier, en die volgen, terwijl zij de rivieren afdrijven op weg naar den grooten geestelijken Vader en de Moeder, die met een liefhebbende glimlach al hun smeekingen zullen beantwoorden.
“Tegenover Jizō’s altaar
Bloeien nu de kerseboomen,
Aan de wiegelende takken
Rijke bloesems zijn gekomen.
“Tegen ’t mos de rose scheemring,
Takjes door den wind bewogen,
Toonen ’t beeld in al zijn kalmte,
Als de zon verlicht de oogen.
“’k Pluk een tak in de ochtendscheemring,
En een stroom van rose blaâdren
In welriekend frissche luchten
Zich op ’t wieglend gras vergaadren”.
“En in warme middaguren
Doe ik traag mijn vingers spelen,
Tusschen geurig zoete bloesems,
Die zich onder ’t spel verdeelen.”
“Daalt de zon ter westerkimme,
Dan laat ik de hand weer zinken,
Jizō, bloesems, zijn verdwenen,
Aan de lucht geen sterren blinken”.
Naar Clara A. Walsh.
Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven1: “Er is een vreemd gebruik in Izumo, dat u misschien wel belang inboezemt. Als er een bruiloft gevierd wordt in de woning van een impopulair man op het platte land, dragen de jonge mannen van het dorp een beeld van Jizō, dat op den weg staat, naar de Zashiki, en kondigen de komst van den God aan. (Dit geschiedt voornamelijk met een Bladzijde 87hebzuchtigen boer, of een gierig gezin). Door den God wordt voedsel en wijn geëischt. De leden van het gezin moeten binnenkomen, de godheid begroeten en al de saké en al het voedsel geven, dat geëischt wordt, zoolang er nog wat in huis overblijft. Het is gevaarlijk, dit te weigeren; de jonge boeren zouden waarschijnlijk het huis plunderen. Daarna wordt het standbeeld weer op zijn plaats gezet. Het bezoek van Jizō wordt zeer geducht. Het wordt nooit gebracht aan personen, die bemind zijn”.
Bij zekere gelegenheid wenschte Lafcadio Hearn, die een warme bewondering had voor dien God, den kop en de armen van een gebroken beeld van Jizō te herstellen. Zijn vrouw opperde bezwaren tegen hem, en wij halen zijn eigenaardig antwoord aan, omdat het ons niet weinig herinnert aan de laatste legende, die in dit hoofdstuk wordt vermeld: ”Gomen, gomen! (Vergeef mij!) Ik meende alleen eenige vreugde te schenken, naar ik hoopte. De Jizō, over wien ik u schreef, is niet die, welken gij op de kerkhoven vindt; maar het is Jizō, die de zeeën wil bewaken en tot rust brengen. Het is geen droevige soort, maar gij voelt niet voor mijn denkbeeld, daarom heb ik mijn voornemen opgegeven. Het was alleen een dwaas denkbeeld van papa. Maar toch weende de arme Jizōsama bitter, toen hij uw antwoord aan mij hoorde. Ik zeide hem: ‘Ik kan het niet helpen, daar moeder San uw waren aard in twijfel trok, en meent, dat gij de bewaker zijt van een kerkhof. Ik weet, dat gij de redder zijt van zeeën en zeelieden. De Jizō weent zelfs nu nog.’”
Onder de aarde is de Sai-no-Kawara, of “de Droge Bedding van de Rivier der Zielen”. Dit is de plaats, waar alle kinderen na hun dood heengaan, en, behalve de kinderen, zij die ongehuwd zijn gebleven. Hier spelen de kleinen met den kleinen Jizō, en hier bouwen zij kleine torens van steenen, want in de bedding dier rivier zijn zeer Bladzijde 88veel steenen. De moeders van die kinderen, in de wereld boven hen, stapelen eveneens steenen op rondom de beelden van Jizō, immers die kleine torens stellen gebeden voor; zij zijn toovermiddelen tegen de oni, of slechte geesten. Somtijds behalen de oni in de Droge Bedding van de Rivier der Zielen voor een oogenblik een tijdelijke overwinning, en werpen de kleine torens omver, die de geesten der kinderen onder zooveel gelach hebben opgebouwd. Als een dergelijk ongeluk geschiedt, houdt het gelach op, en vliegen de kleinen naar Jizō om bescherming te vinden. Hij verstopt hen in zijn lange mouwen, en jaagt met zijn heiligen staf de oni met roode oogen weg.

Jizō
De plaats, waar de zielen der kinderen vertoeven, is een schaduwrijke en grijs getinte wereld van donkere heuvelen en valleien, waartusschen de Sai-no-Kawari zich een weg kronkelt. Al de kinderen zijn gekleed in korte, witte kleeren, en als somtijds de booze geesten hen verschrikken, dan is Jizō er steeds, die hun tranen droogt, en is er altijd iemand, die hen weer naar hun spookachtige spelen terugzendt.
Het volgende loflied op Jizō, bekend als “De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawari”, geeft ons een prachtige en levendige voorstelling van Jizō en van dat spookachtige land, waar kinderen spelen:
“Niet van deez’ aarde is ’t verhaal van de smarte,
’t Verhaal van de Sai-no-Kawara
Aan den voet van de sombere heuvels;—
Niet van deez’ aarde is ’t verhaal; toch is het zoo droevig te hooren.
Want in de Sai-no-Kawara verzameld
Zijn kind’ren, nog jeugdig van jaren, zoo velen,—
Kind’ren slechts twee of drie jaar,
Kind’ren van vier of vijf, kinderen nog jonger dan tien.
In de Sai-no-Kawara zijn zij vereenigd.
En de stem van verlangen om beide hun ouders,
De stem, die weent om hun moeders en vaders—
Is niet zooals die van ’t geween van de kind’ren op aarde,
Maar een weenen zóó droevig te hooren,
Dat, als het gehoord werd, ’t zou dringen door vleesch en door beend’re
Bladzijde 89
En treurig is dan ook de taak, door hen te verrichten,—
De steenen van ’t bed der rivier te verzaam’len.
Om daarmeê de torens van hunne gebeden te bouwen.
De eerste dier torens, dat zijn de gebeden voor ’t heil van hun vaders;
De tweede dier torens, dat zijn de gebeden voor ’t heil van hun moeders;
De derde dier torens, dat zijn de gebeden voor broeders en zusters en allen te huis, die zij minden.
Dit is overdag droeve ontspanning.
Maar telkens als de zon ter kimme zal gaan neigen,
Dan komen tot hen de demonen van de hel, de Oni,
En zeggen hun: “Wat is die arbeid hier door u verricht?
Helaas! uw ouders, die nog leven in de Shaba-wereld,
Zij doen niet anders dan uw lot beklagen van ’s morgens vroeg tot laat des avonds,
Ach, hoe treurig en hoe onbarmhartig!
Waarlijk, de oorzaak der smarten, door u geleden,
Is niets dan het klagen, ’t gezucht uwer ouders.”
En tevens zeggen zij ach, “laak ons niet!”
De geesten werpen neer de opgehoopte torens,
En met hun ijzeren staven verspreiden zij de steenen.
Maar zie! daar komt de leeraar Jizō,
Zoo vriend’lijk nadert hij de kind’ren in hun droefheid:
Mijn lieven, vreest toch niet! wees nimmer angstig!
Gij arme, jonge zielen, wier aardsch bestaan zoo kort was!
Te snel moest gij den tocht doen, den droeven, naar de Meido,
Den langen tocht, die voert naar het gebied der dooden!
Vertrouwt mij! ’k Ben uw Vader en Moeder in de Meido,
De vader aller kinderen, in het gebied der dooden!”
En om hen slaat hij teeder den schoot van ’t schittrend kleed:
Zoo vriendlijk voelt hij mede met ’t droevig lot der jeugd.
En hen, die nog niet loopen, biedt hij den steun van zijn shakujo2,
Hij streelt, omhelst de kleinen, hij drukt hen aan zijn boezem,
Zoover gaat ’t medelijden en mint hij de arme kleinen.
Namu Amida Butsu!3
Naar Lafcadio Hearn.
Die verblijfplaats van de zielen van kinderen is zeker geen ideaal land. Het is Jizō, en niet zijn land, die zijn oorsprong heeft in de harten der Japansche vrouwen. De strenge Buddhistische leer van oorzaak en gevolg, van geboorte en wedergeboorte, is zelfs op kleine kinderen van toepassing. Maar indien het Groote Wiel van het Bestaan met onfeilbare kracht rondwentelt, en alleen gaat stilstaan, als het verlangen naar niet-bestaan eindelijk in Nirvana vervuld Bladzijde 90is, dan staat Jizō liefhebbend aan de voeten van het Noodlot, en maakt het pad gemakkelijker, waarop de voeten van kleine kinderen zich zoo zacht bewegen.
Er was in Japan een hol, bekend onder den naam van Kyu-Kukedo-San, of Oud Hol, en diep daarin kan men een beeld van Jizō vinden, met zijn mystieken juweel en zijn heiligen staf. Vóór Jizō staat een kleine torii4 en een paar gohei5, beide symbolen van het Shintō-geloof; maar, zooals Lafcadio Hearn opmerkt, “die vriendelijke godheid heeft geen vijanden; aan den voet van den vriend van de geesten der kinderen vereenigen zich beide geloofsopvattingen in teedere eerbewijzen”. Hier ontmoeten elkander de geesten van kleine kinderen, die zachtkens samen fluisteren, terwijl zij zich telkens buigen, om hun torens van steenen te bouwen. Des nachts kruipen zij over de zee uit hun Droog Bed van de Rivier der Zielen, en bedekken het zand in het hol met hun spookachtige voetstappen, terwijl zij voortdurend die gebeden van steen opbouwen, onder het vriendelijk lachen van Jizō over hun liefderijk werk. Zij vertrekken vóór de opkomst van de zon, immers men zegt, dat de dooden er te beangst voor zijn, te staren op de Godin der Zon, en voornamelijk zijn die kinderen bevreesd voor haar heldere gouden oogen.
Een ander schoon hol in zee bevat de Fontein van Jizō. Het is een fontein van vloeiende melk, waar de zielen der kinderen haar dorst lesschen. Moeders, die lijden aan gebrek aan melk, komen aan die fontein en bidden tot Jizō, Bladzijde 91en moeders, die meer melk hebben dan hun kinderen noodig hebben, bidden denzelfden God, dat hij wat van haar melk wegneme en het geve aan de zielen van kinderen in zijn uitgestrekt, schaduwrijk koninkrijk. En men zegt, dat Jizō hun gebeden verhoort.
Een vrouw, Soga Sadayoshi genaamd, voedde voor haar levensonderhoud zijdewormen, en verzamelde hun zijde. Op zekeren dag, toen zij den tempel van Ken-cho-ji bezocht, meende zij, dat een beeld van Jizō er koud uitzag, en ging zij naar huis, vervaardigde een muts, keerde daarmede terug, en plaatste die op het hoofd van Jizō, terwijl zij zeide: “Was ik maar rijk genoeg, om u een kostbare bedekking te geven voor uw geheele verheven lichaam; maar helaas! ik ben arm, en zelfs deze muts, die ik u aanbied, is niet waardig, door uw goddelijken geest te worden aangenomen.”
Op haar vijftigste jaar stierf de vrouw, en daar haar lichaam gedurende drie dagen warm bleef, wilden haar bloedverwanten geen verlof geven, haar te begraven. Op den avond van den derden dag echter keerde zij, tot groote verbazing en vreugde van hen, die in haar nabijheid waren, weer in het leven terug.
Korten tijd nadat de vrouw weer haar gewone werkzaamheden had hervat, verhaalde zij, hoe haar ziel verschenen was voor den grooten en verschrikkelijken Emma-Ō, den Heer en Rechter der dooden, en hoe dat gevreesde wezen op haar vertoornd geweest was, omdat zij in strijd met de leerstellingen van Buddha tallooze zijdewormen had gedood. Emma-Ō was zóó vertoornd geweest, dat hij bevolen had, haar in een pot te werpen, die met gesmolten metaal was gevuld. Terwijl zij in ontzettenden zielsangst het uitschreeuwde, kwam Jizō naast haar staan, en toen hield het metaal onmiddellijk op, haar te branden. Nadat Bladzijde 92Jizō vriendelijk met de vrouw had gesproken, voerde hij haar naar Emma-Ō, en verzocht hem, dat aan haar, die eens één van zijn beelden had warm gehouden, vergiffenis zou worden geschonken. En Emma-Ō vervulde den wensch van den steeds liefhebbenden en medelijdenden God, en de vrouw kon weder terugkeeren naar de zonnige wereld van Japan. Bladzijde 93
1 De Japansche Brieven van Lafcadio Hearn, uitgegeven door Elizabeth Bisland.
2 Heilige staf.
3 “Heil Almachtige Buddha!”
4 Een poort.
5 Een Tooverroede, waaraan strooken wit papier afhangen, die in kleine, hoekige bossen (gohei) gesneden zijn, die de offers moeten voorstellen van kleedingsstof, die oudtijds op feestdagen gebonden werden aan takken van den heiligen cleyeraboom.—B.H. Chamberlain.
Sir Alfred East beschreef in zijn voordrachten over Japansche kunst die kunst als “groot in kleine zaken, maar klein in groote zaken”, en dit is, in het algemeen gesproken, zeer juist. De Japansche kunstenaar munt uit in het schilderen van bloemen, insecten en vogels. Hij slaagt er voortreffelijk in, de kronkeling van een golf te schilderen, of een tak met kersebloesems in het licht der volle maan, de vlucht van een reiger, een groep pijnboomen, of een karper, die in een rivier zwemt; maar die uitnemende gave van nauwkeurige en haarfijne detailleering schijnt hem te hebben verhinderd, datgene te teekenen, wat wij een groot genrestuk noemen, een historische tafereel met een groot aantal figuren. Dat ernstige verlangen, om verschillende fragmenten naar de Natuur te schilderen, was geen kleingeestig of academisch begrip. De kunst was niet uitsluitend bestemd voor den kakemono, of hangende rol, om in een nis van een Japansch huis te worden opgehangen, ten einde een korten tijd te worden bewonderd, om dan weer door een ander te worden vervangen. De kunst in Japan was universeel, zooals dit in geen ander land ter wereld het geval is geweest; een goedkoope handdoek had een behagelijk patroon, en zelfs speelkaarten waren, in afwijking van de onze, kunstwerken.
Men heeft dikwijls beweerd, dat de vrouw in de Japansche kunst houterig is. Dit is inderdaad niet het geval, indien wij door houterig verstaan: geheel zonder uitdrukking; maar het is noodzakelijk, dat wij eerst iets weten omtrent de Japansche vrouw in het leven zelf, voordat wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de wijze, waarop zij in de kunst wordt voorgesteld. Er is een schat van traditie achter dat schijnbaar onbewegelijke gelaat. Het is een merkwaardig feit, dat elk gelaat, zoolang wij nog niet gewend Bladzijde 94zijn aan de verschillende Japansche typen, zóózeer op de andere gelijkt, dat er geen sprake is, ze van elkander te kunnen onderscheiden, en wij zouden er toe kunnen komen, te meenen, dat de natuur in Japan er mede tevreden is geweest, dezelfde gelaatstrekken telkens te herhalen, doch zouden dan vergeten, dat ook wij aan de Japanners op het eerste gezicht geen verschil in type vertoonen. Het Japansche gelaat is in de kunst niet zonder uitdrukking, maar het is een uitdrukking, die tamelijk afwijkt van die, waarmede wij vertrouwd zijn, en dit is in het bijzonder het geval bij het schilderen van Japansche vrouwen. De meesten van ons hebben een aantal gekleurde prenten gezien, aan dit onderwerp gewijd, en die niet de minste schaduw op het gelaat vertoonen. Wij zouden geneigd zijn te beweren, dat dit weglaten van schaduw een bijzonder vlakke uitdrukking aan het gelaat geeft, en daarom de opmerking te maken, dat het ons voorgelegde werk van weinig kunst getuigt. Maar het is inderdaad geen gebrek aan kunst, want het Japansche gelaat is vlak, en de kunstenaars uit dat land vergeten nooit dit karakteristieke weer te geven. Gekleurde prenten, die Japansche vrouwen voorstellen, drukken geen gemoedsbeweging uit—een glimlach, een gebaar van smachtend verlangen ontbreekt; maar het zou verkeerd zijn, uit het feit, dat wij zooveel negatieve eigenschappen vinden, te besluiten, dat een gekleurde prent van dien aard geen gevoel uitdrukt, en dat de algemeene indruk popperig en weinig belangrijk is. Wij moeten er om denken, hoe lang de periode geduurd heeft, dat de Japansche vrouw is onderdrukt geworden. Een slechts oppervlakkige studie van die belangrijke verhandeling van Kaibaira, die bekend staat onder den naam van Onna Daigaku, of “Meerdere Kennis voor Vrouwen”, zal ons leeren inzien, dat het de plicht van iedere Japansche vrouw is, lieftallig, vriendelijk en deugdzaam te zijn; zonder morren te gehoorzamen aan hen, die gezag over haar hebben, en bovenal haar gevoelens te onderdrukken. Als wij dit Bladzijde 95alles in aanmerking nemen, zullen wij geleidelijk tot de ontdekking komen, dat er kracht en geen zwakheid is in een portret van een Japansche vrouw; een rustige en waardige schoonheid, waarin elke opwelling in bedwang wordt gehouden, als het ware gehuld in een wolk van strenge overlevering. Toch heeft de Japansche vrouw, hoewel voortdurend omringd door de strengste tucht, ons een type van vrouwelijkheid gegeven, dat voortreffelijk is in haar ware innemendheid van karakter, en de Japansche kunstenaar heeft de toovermacht van hare bekoring weten te vatten. In de buiging harer lijnen geeft hij ons een beeld van de sierlijkheid van een door den wind bewogen wilg, in de patronen op haar kleed de belofte van de lente, en achter den kleinen, rooden mond een rijkdom van onbegrensde mogelijkheden.
Japan had haar kunst te danken aan het Buddhisme, en deze werd ontwikkeld en onderhouden onder Chineeschen invloed. Het Buddhisme gaf Nippon haar schilderkunst, haar wandversieringen en haar uitnemend beeldhouwwerk. De Shintō-tempels waren streng en eenvoudig, die der Buddhisten gevuld met alles, wat de kunst hun kon geven; en ten slotte, en dit was niet de minst belangrijke factor, door het Buddhisme werd in Japan de tuinbouwkunst ingevoerd, met al haar uitgewerkt en schoon symbolisme.
Een Japansch kunstcriticus heeft eens geschreven: “Indien te midden van een penseelstreek een houw van een zwaard het penseel had doorgehakt, zou deze gebloed hebben”. Hieruit mogen wij afleiden, dat de Japansche kunstenaar zijn geheele hart en zijn geheele ziel in zijn werk legde; het was een deel van hem zelf, iets wat zijn leven beheerschte, iets wat innig aan godsdienst verwant was. Het is dan ook niet te verwonderen, dat hij, met die groote kracht achter zijn penseel, in staat was die buitengewone levendigheid en beweeglijkheid aan zijn werk te geven, die zoo treffend is weergegeven in portretten van tooneelspelers. Bladzijde 96
Hoewel wij tot nu toe den Japanschen kunstenaar alleen hebben doorzien als een meester in kleine zaken, toch heeft hij met groote trouw en met uitnemend gevolg de Goden en Godinnen van zijn land voorgesteld, en een aantal van de mythen en legenden, die met dezen samenhangen. Terwijl hij uitmuntte in het weergeven van het schoone, niet minder muntte hij uit in de beschrijving van het afgrijselijke, immers geen kunstenaar ter wereld, met uitzondering van die uit China, is er in geslaagd, het bovennatuurlijke met beteren uitslag weer te geven. Wat een verschil is er tusschen een uitnemende afbeelding van Jizō of Buddha of Kwannon en de afbeelding van een Japanschen boozen geest! Buitengewone schoonheid en leelijkheid kan men in de Japansche kunst te vinden, en zij, die genot vinden in de talrijke afbeeldingen van den berg Fuji en de kleuren der afbeeldingen van de vrouwen van Utamaru, zal zich vol afschuw afwenden van de spookachtige voorstellingen van bovennatuurlijke wezens.
Een aantal van de legendarische verhalen, die in dit boek worden medegedeeld, zijn in beeld gebracht door Japansche kunstenaars, en in dit hoofdstuk stellen wij ons voor, de legenden in de Japansche kunst te behandelen, die tot nu toe nog niet zijn vermeld. Een geliefkoosd onderwerp van den Japanschen kunstenaar is ongetwijfeld dat van de Zeven Goden van het Geluk, welk onderwerp bijna altijd wordt behandeld met dartele goede luim. Men vond daar Fukurokuju, met een bijzonder groot hoofd, en vergezeld van een kraanvogel, een hert of een schildpad; Daikoku, die op rijstbalen stond en door een rat werd vergezeld; Ebisu, die een visch droeg; Hotei, den vroolijken God van het Lachen, de personificatie van de uitdrukking: “Lach en je zult dik worden”. Dan was er Bishamon, die schitterde in zijn wapenrusting, en die een speer en een afgodstempeltje droeg; Benten, de Godin van Schoonheid, Bladzijde 97Rijkdom, Vruchtbaarheid en Nakomelingschap; terwijl Jurōjin zeer veel overeenkomst had met Fukurokuju. Die Zeven Goden van het Geluk, of nauwkeuriger uitgedrukt, Zes Goden en één Godin, schijnen hun oorsprong ontleend te hebben aan het Shintōisme, Taoïsme, Buddhisme en het Brahmanisme, en zijn blijkbaar afkomstig uit de zeventiende eeuw.
De Japansche kunstenaar houdt er van, om in verband met dit onderwerp de Goden van het Geluk te schilderen als vroolijke en gezellige passagiers aan boord van de Takarabuna, of het schip met wonderschatten, waarvan wordt verhaald, dat het ieder jaar op oudejaarsavond de haven binnenzeilt met geen mindere lading dan den Hoed der Onzichtbaarheid, de Voorspoedbrengende Regenjas, den Heiligen Sleutel, de Onuitputtelijke beurs, en andere merkwaardige wonderschatten. Tegen dien tijd van het jaar worden afbeeldingen van het Schip met Wonderschatten onder de houten peluwen der kinderen geplaatst, en men zegt, dat dit gebruik de kinderen gelukkige droomen brengt.
“Slaap, lieveling, totdat de bel der duisternis
De sterren brengt, beladen met een droom.
Want met dien droom zult gij ontwaken,
Tusschen lachen en gezang”.
Yone Noguchi.
Onder andere legenden is ook bekend die van Hidari Jingorō, den beroemden beeldhouwer, wiens meesterstuk, toen het voltooid was, levend werd, welke legende ons sterk herinnert aan de geschiedenis van Pygmalion. Er zijn andere legenden verbonden aan het tot leven wekken van Japansche kunstwerken. Het gebeurde eens, dat een aantal boeren veel last ondervonden van de verwoesting in hunne tuinen, welke verwoesting het gevolg was van Bladzijde 98een wild dier. Toevallig ontdekten zij, dat de indringer een groot zwart paard was, en toen zij er jacht op maakten, verdween het plotseling in een tempel. Toen zij het gebouw binnentraden, zagen zij, dat de schilderij van Kanasoka, die een zwarten hengst voorstelde, door de groote inspanning van even te voren, dampte! De groote kunstenaar teekende er onmiddellijk een touw op, dat het paard aan een paal vastbond, en van dat oogenblik af bleven de tuinen der boeren ongedeerd.
Het verhaal loopt, dat de groote kunstenaar Sesshiu, toen hij nog een kleine jongen was, voor straf stevig werd vastgebonden in een Buddhistischen tempel. Hij gebruikte toen zijn overvloedige tranen als inkt, en zijn teen als penseel, en schetste op die wijze enkele ratten op den vloer. Onmiddellijk werden die ratten levend en knaagden het touw door, dat hun jeugdigen ontwerper had vastgebonden.
Er is iets meer dan enkel legende in die verhalen, als wij geloof mogen hechten aan de woorden van den beroemden kunstenaar Hokusai, wiens “Honderd Gezichten op Fuji” beschouwd worden als de schoonste landschapschilderingen der Japansche kunstenaars. Hij schreef in de inleiding van zijn werk: “Als ik negentig jaar oud ben, zal ik het mysterie der dingen doorgronden; als ik honderd jaar ben, zal ik een wonderbaarlijke hoogte hebben bereikt; en als ik honderd tien jaar oud ben, zal alles, wat ik schilder, tot zelfs stipjes en lijnen, levend zijn”. Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat Hokusai den leeftijd van honderd tien jaar niet heeft bereikt. In de laatste uren van zijn leven schreef hij de volgende regels, die later op zijn graftombe geschreven zijn:
“Mijn ziel, veranderd in een Dwaallicht,
Kan rustig komen en verdwijnen over zomervelden”.
Met dat krachtige dichterlijke gevoel, dat voor de Japanners Bladzijde 99zoo kenschetsend is, beteekende de Eeuwigheid voor Hokusai een onbeperkten tijd, waarin hij zijn geliefkoosd werk kon voortzetten—en hij al de bewonderingswaardige streken van zijn penseel kon volmaken en daaraan leven kon schenken. Evenals in het oude Egypte, zoo kan ook in het Oude Japan, het leven hier namaals niet anders beteekenen dan waar geluk, met periodiek herhaalde bezoeken op aarde, en in die opvatting ligt een fijne en bijna pathetische paradox, die het als het ware voorstelt, alsof de Eeuwigheid voortdurend beladen wordt met versche, aardsche herinneringen. In beide landen zien wij, hoe de geest terug verlangt naar zijn oude menschelijke verblijfplaatsen. In Egypte keerde de ziel terug door middel van het lichaam, waarin zij vroeger gehuisd had, en in Japan schonk het doodenfeest, elders door ons beschreven, de gelegenheid, opgewekt van geest de wereld in Emma-Ō te verlaten en gedurende drie dagen in het midden van Juli Japan te bezoeken, een land, dat schooner en de zielen blijkbaar dierbaarder is dan eenige voorstelling, die zich een Japanner van een leven na den dood kan maken. Maar het blijkt, dat Hokusai het doet voorkomen, alsof zijn bezoeken niet altijd in den zomer zullen plaats hebben, maar dat hij veeleer herhaaldelijk in alle jaargetijden zal komen en verdwijnen.
Een Japansch dichter heeft geschreven:
”’t Is vreeslijk, als men, sluipend, zacht
Een geest ziet zwerven onverwacht,
In ’t holle van den nacht,
Den killen duistren nacht;
Een groenig-grijzen geest,
Een schim, eens mensch geweest,
Nu zonder kracht
Dwalende eenzaam in
Duisteren nacht.
Naar Clara A. Walsh.
Het is nauwelijks minder schrikwekkend, geesten, spoken Bladzijde 100en andere bovennatuurlijke wezens op een Japansche schilderij te ontmoeten. Wij vinden geesten met lange halzen, die vreeselijk glurende gezichten te dragen hebben. Hun hals is zóó lang, dat het schijnt, alsof het spookachtige hoofd over alles heen en in alles kan zien met een duivelsch en ontzettend genot. De ghoul, die in de Japansche kunst wordt voorgesteld als een kind van drie jaar, heeft rossig bruin haar, en zeer lange ooren, en wordt dikwijls geschilderd als bezig met het eten van de nieren van lijken. Het afgrijselijke wordt in dit gedeelte der Japansche kunst tot bijna in het ondragelijke op den voorgrond gebracht, en de voorstelling, die een nog levend Japansch kunstenaar ons geeft van een optocht van geesten, is zóó akelig en weerzinwekkend, dat wij dien optocht zeker niet gaarne zouden tegenkomen op het midden van den dag, en dus nog veel minder in het holle van den duisteren nacht.1
De voorstelling, die de Japansche kunstenaar van een tuin geeft, met zijn pijnboomen en steenen lantarens, en meren, waarvan de oevers met azalea’s zijn beplant, is meestal bijzonder schoon. Hiroshige heeft, zooals zooveel Japansche kunstenaars, een tuin geschilderd, waarop sneeuw is gevallen; maar in één van zijn schilderijen schildert hij de sneeuw, terwijl zij in een aantal doodshoofden verandert; hij heeft die fantastische voorstelling ontleend aan de Heike Monogatari.
Men moet zich niet voorstellen, dat de Japansche kunstenaar, als hij het ééne of andere bovennatuurlijke wezen schildert of een tafereel uit de ééne of andere mythe weergeeft, uitsluitend het afzichtelijke en afgrijselijke aanpakt. Het afzichtelijke en afgrijselijke wordt zeker met groote levendigheid en dramatische kracht geschilderd, maar een aantal Japansche kunstenaars schilderen ook de Goden Bladzijde 101en Godinnen van het Oude Japan met veel aanminnigheid en bekoorlijkheid.
De Japansche versierselen verduidelijken dikwijls een oude legende. Wij zien somtijds op een tsuba (gevest van een degen) een pijnboom met menschen, die in de takken zitten. Één man draagt een banier, terwijl twee andere op muziekinstrumenten spelen. Er is een aardige legende aan die vreemde teekening verbonden, en hoewel die van Chineeschen oorsprong is, verdient zij een plaats te vinden in dit werk, omdat zij één van die fantastische Chineesche legenden is, die in de Japansche litteratuur en kunst is ingeweven, in het kort één van de geliefkoosde onderwerpen is geworden van Chineesche kunstenaars, en van hen, die de No, of het lyrische drama van Nippon, bijwonen.
Rosei bereikte in oude tijden de oude herberg van Kantan, zóó vermoeid van zijn reis, dat hij onmiddellijk toen zijn hoofd zijn hoofdkussens aanraakte, in slaap viel. Het was geen gewoon hoofdkussen, maar kon zeer goed beschreven worden als het Tooverkussen der Droomen, immers zoodra Rosei in slaap was gevallen, naderde hem een afgezant, die zeide: “Ik ben door den Keizer van Ibara afgezonden, om u mede te deelen, dat Zijne Majesteit wenscht afstand te doen van den troon en u in zijn plaats te stellen. Wees zoo goed in den palankijn plaats te nemen, die u wacht, en de dragers zullen u spoedig naar de hoofdstad dragen.”
Rosei, ten hoogste verbaasd door wat hij had gezien en gehoord, nam plaats in den palankijn, die bezaaid was met edelgesteenten van schitterenden glans, en werd naar een prachtig land gevoerd, dat het best in het volgende gedicht is beschreven:
Want nog nooit in die oude Keizerlijke zalen,
Zich badend in den glans, dien ’t maanlicht uit deed stralen,
Bladzijde 102
Of waar de draak zich heft op wolken in den Hooge,
Was er zoo groote wellust voor de oogen!
Met zilver en met goud was overdekt de grond.
Vier poorten in de hoeken van de zalen
Vertoonden, als men d’ oogen rond liet dwalen,
Juweelen schoon als men nooit ergens vond,
En drommen in kleedij, die fonkelde van licht,
Vertoonden overal een schitterend gezicht.
Zóó schoon was ’t al te zien,
Dat ’t sterflijk oog misschien
Zich waande vóór de poort van ’t schittrend hemelrijk.
Hier gaf het gansche volk van liefde en mildheid blijk,
Door ’t bieden van de schoonste en edelste geschenken,
Zoo kostbaar als men zich ’t gemunte goud kan denken.
En ginds de minderen, die deelden in het wonder,
Vazallen, naderend, vermetel, vol van moed,
Van wie een ieder fier zijn vaandel wapp’ren doet,
Dat ’t gansche luchtruim vult met heldren kleurengloed,
Terwijl de lucht weerklinkt, als rolde luid de donder.
Naar B.H. Chamberlain.
Rosei bevond zich in een tooverland, waar de Natuur òf haar natuurlijke wetten vergat, òf door de bevolking van dat land tot nieuwe wonderen gebracht werd. In het oosten was een zilveren hemel, waarover de gouden zon scheen, en in het westen was er een gouden heuvel, waarover de maan haar zilveren licht uitgoot.
De tijd wordt niet door herfst of lente aangeduid,
En zon zoowel als maan vergeet te spoeden langs haar weg,
Als zij het druk gewoel der rijke poorten zien.
Naar B.H. Chamberlain.
Het geheele gronddenkbeeld van dit bekoorlijke verhaal schijnt uit te drukken, dat dit land niet alleen een land was van eeuwige jeugd, maar ook een land, waar de Natuur de jaargetijden samenvoegde, waar altijd kleur en bloesem gevonden werd, en waar geen bloem verwelkte.
Toen Rosei vijftig jaar in dit heerlijke land had geleefd en geregeerd, kwam op zekeren dag een minister bij hem, en verzocht hem te drinken van het Levenselixir, opdat hij, evenals zijn onderdanen, eeuwig zou leven.
De vorst dronk het Elixir, “te midden van de schitterendste pracht en het grootste vreugdebetoon, ooit over Bladzijde 103een sterveling uitgegoten”. Rosei meende, dat hij den Dood had beroofd van hetgeen hem toekwam, en bracht een leven van poëtische, ja zelfs zinnestreelende verrukking door. Hij gaf weelderige feesten aan zijne hovelingen, feesten, die zonder onderbreking de zon en de maan zagen, waar bekoorlijke meisjes dansten, en waar eindeloos muziek en gezang werd gehoord.
Het bleek echter, dat die vroolijke feesten, dat kleurig praalvertoon, toch niet eeuwigdurend waren, want eindelijk werd Rosei wakker en ontdekte hij, dat hij op “Kantans” peluw rustte. De zedenmeester komt op dit oogenblik ten tooneele met het volgende gedicht:
“Maar wie dit goed bedenkt,
Ziet dat het leven steeds aan elk hetzelfde schenkt;
Komt eenmaal toch de dood—een eeuw van zaligheid
Zinkt als een schoone droom terug in d’ eeuwigheid.
Naar B.H. Chamberlain.
Rosei kwam na die fantastische ondervinding tot het besluit, dat “het leven een droom” is, dat ook de eerzucht een droom is; en na die Buddhistische leerstelling te hebben in zich opgenomen, keerde hij naar zijn eigen huis terug.
Sawara was een leerling in de woning van den kunstenaar Tenko, die een vriendelijk en bekwaam onderwijzer was, terwijl Sawara, zelfs reeds toen hij zijn kunstenaarsloopbaan aanving, veel voor de toekomst beloofde. Kimi, de nicht van Tenko, wijdde haar geheelen tijd aan haar oom en aan het bestuur van diens huishouding. Kimi was een schoone maagd, en het duurde niet lang, of zij werd smoorlijk verliefd op Sawara. De jonge leerling vond haar buitengewoon bekoorlijk, zelfs zóó, dat hij, als het noodig was, voor haar wilde sterven, en in zijn hart was hij heimelijk Bladzijde 104op haar verliefd. Hij deed in tegenstelling met Kimi, van zijn liefde echter weinig naar buiten blijken, daar hij zijn volle aandacht moest wijden aan zijn werk; wel was dit ook bij Kimi het geval, maar terwijl bij Sawara zijn werk boven zijn liefde ging, was voor Kimi alleen de liefde van beteekenis.
Terwijl Tenko op zekeren dag een bezoek bracht, kwam Kimi naar Sawara toe, en daar zij niet langer haar liefde kon bedwingen, deelde zij hem mede, hoezeer zij hem liefhad, en vroeg, of hij haar wilde huwen. Nadat zij dit verzoek had gedaan, zette zij thee voor haar minnaar neer, en wachtte zijn antwoord af.
Sawara deelde haar liefde, en zeide, dat het hem innig zou verheugen, met haar te huwen, maar hij voegde er aan toe, dat het huwelijk niet binnen de eerste twee of drie jaar kon plaats hebben, daar hij zich eerst een zelfstandigen werkkring moest hebben verworven en een beroemd kunstenaar moest geworden zijn.
Sawara, die zijn kunstkennis wilde vermeerderen, besloot te gaan studeeren onder een beroemd schilder, Myokei genaamd, en nadat hij alles had geregeld, nam hij afscheid van zijn meester en van Kimi, terwijl hij beloofde, dat hij dadelijk zou terugkeeren, als hij zich een naam had verworven en een groot kunstenaar was geworden.
Twee jaren gingen voorbij zonder dat Tenko of Kimi eenig nieuws van Sawara vernamen. Een aantal aanbidders van Kimi kwamen telkens bij haar oom met huwelijksaanzoeken, en Tenko overlegde bij zich zelf, wat hij onder die omstandigheden zou doen, toen hij een brief ontving van Myokei, waarin deze mededeelde, dat Sawara uitnemend werk leverde, en dat hij wenschte, dat zijn voortreffelijke leerling met zijn dochter zou huwen.
Tenko meende, misschien wel niet ten onrechte, dat Sawara Kimi geheel had vergeten, en dat hij niets beter kon doen dan haar ten huwelijk te geven aan Yorozuya, een vermogend koopman, en zoo ook den wensch te vervullen Bladzijde 105van Myokei, dat Sawara zou huwen met de dochter van den grooten schilder. Met dat doel voor oogen besloot Tenko een list te gebruiken, en riep hij Kimi bij zich en sprak:
“Kimi, ik heb een brief ontvangen van Myokei, en ik vrees, dat het treurige nieuws, dat die brief bevat, u zeer veel verdriet zal doen. Myokei wenscht, dat Sawara met zijn dochter huwt, en ik heb hem geantwoord, dat ik mijn volle toestemming geef voor die verbintenis. Ik ben er zeker van, dat Sawara u heeft veronachtzaamd, en daarom ben ik er op gesteld, dat gij met Yorozuya huwt, die, naar mijn innige overtuiging, een voortreffelijk echtgenoot voor u zal zijn.”
Toen Kimi die woorden hoorden, weende zij bitter, en ging zonder een woord te spreken naar haar kamer.
Des morgens kwam Tenko in het vertrek van Kimi, maar zijn nicht was verdwenen, en zelfs na een langdurig onderzoek, dat volgde, was hij niet in staat te ontdekken, waar zij gebleven was.
Toen Myokei het antwoord op zijn brief had ontvangen, deelde hij den veelbelovenden kunstenaar mede, dat hij wenschte, dat hij zijn dochter zou huwen, opdat er aldus een schildersfamilie zou worden gesticht; maar Sawara was verbaasd, toen hij dit buitengewone nieuws vernam, en vertelde dat hij de eer, van zijn schoonzoon te worden, niet kon aannemen, omdat hij reeds verloofd was met de nicht van Tenko.
Sawara zond nu, helaas te laat, brieven naar Kimi, en toen hij geen antwoord kreeg, vertrok hij naar zijn oude woonplaats, kort na den dood van Myokei.
Toen hij de kleine woning bereikte, waar hij zijn eerste lessen in de schilderkunst had ontvangen, vernam hij tot zijn groote ergernis, dat Kimi haar ouden oom had verlaten, en na eenigen tijd trouwde hij met Kiku (“Chrysanthemum”), de dochter van een vermogend landbouwer.
Korten tijd na zijn huwelijk werd hem door den Heer Bladzijde 106van Aki opgedragen, de zeven tooneelen der eilanden Kabakarijima te schilderen, die op gouden schermen moesten worden aangebracht. Hij vertrok dadelijk naar die eilanden en maakte een aantal ruwe schetsen. Terwijl hij daarmede bezig was, ontmoette hij aan het strand een vrouw met een rood kleed om de lendenen, en met loshangend haar, dat over haar schouders viel. Zij droeg kreeften in haar mand, en zoodra zij Sawara zag, herkenden zij hem.

Eene Kakemono Geestverschijning
“Gij zijt Sawara en ik ben Kimi”, zoo sprak zij, “met wien gij verloofd zijt”. “Het gerucht omtrent uw huwelijk met de dochter van Myokei was valsch, en mijn hart is innig verheugd, want niets staat ons huwelijk nu meer in den weg”.
“Helaas! arme, vreeselijk verongelijkte Kimi, dat kan niet geschieden”, antwoordde Sawara. “Ik dacht, dat gij Tenko hadt verlaten en mij vergeten waart, en daar ik overtuigd was, dat dit werkelijk waar was, heb ik Kiku, de dochter van een landbouwer, gehuwd”.
Kimi sprong als een opgejaagd hert, zonder een woord te zeggen, langs het strand en trad haar kleine hut binnen, terwijl Sawara achter haar aan holde en haar voortdurend bij haar naam riep. Hij zag voor zijn oogen, hoe Kimi een mes opnam, en dat in haar hals stak; een volgend oogenblik lag zij dood op den grond. Sawara weende, toen hij haar in den dood aanschouwde, en lette op de vredige schoonheid van den Dood op haar wangen, terwijl hij voor het eerst een stralenkrans zag in haar door den wind uitgespreide haren. Zij was nu zóó schoon en zóó liefelijk, dat hij, zoodra hij zijn tranen had bedwongen, een schets maakte van de vrouw, die hem zóózeer had liefgehad, maar door het lot zóó diep was getroffen. Boven het peil van den vloed begroef hij haar, en toen hij zijn eigen huis had bereikt, haalde hij de ruwe schets te voorschijn, schilderde een beeld van Kimi, en hing die als Kakemono aan den muur. Bladzijde 107
Dienzelfden nacht werd hij wakker en ontdekte, dat het beeld op de Kakemono tot leven was gewekt, en dat Kimi met de wond in haar hals en met hangende haren vóór hem stond. Elken nacht keerde zij terug, een stil en betreurenswaardig beeld, totdat ten slotte Sawara, die niet langer in staat was, die beproeving te dragen, de Kakemono ten geschenke gaf aan den Tempel van Korinji, en zijn vrouw naar haar ouders terugzond. De priesters van den tempel van Korinji baden dagelijks voor de ziel van Kimi, en langzamerhand vond Kimi vrede en rust, en kwelde zij ook Sawara niet meer. Bladzijde 108
1 Zie Oude Sproken en Folk-lore van Japan, door R. Gordon Smith.
2 Ontleend aan het No drama, vertaald door B.H. Chamberlain.
3 Zie Oude Sproken en Folk-lore van Japan door R. Gordon Smith. Een Kakemono is een prent, tusschen twee houten staven bevestigd, die kan worden opgerold of aan den muur gehangen.
Een van de meest romantische der oude Japansche feesten is het feest van Tanabata, het Wevende Meisje. Het wordt gevierd op den zevenden dag der zevende maand, en het was gebruikelijk, dat bij die gelegenheid versch gesneden bamboe’s werden geplaatst op de daken der huizen, of dat zij in den grond werden gestoken, vlak bij de huizen. Gekleurde strooken papier werden aan die bamboe’s bevestigd, en op iedere papierstrook was een gedicht geschreven ter eere van Tanabata en haar echtgenoot Hikoboshi, zooals bij voorbeeld het volgende: “Daar Tanabata sluimert tot aan het aanbreken van den dageraad, terwijl haar lange mouwen opgerold zijn, wekt haar, o ooievaars, niet door uw geklepper”. Men zal zich van dit feest een betere voorstelling maken, als wij de legende hebben beschreven, die daarmede samenhangt.
De God van het Uitspansel had een bekoorlijke dochter, Tanabata genaamd, die het grootste gedeelte van haar tijd doorbracht met het weven van gewaden voor haar doorluchtigen vader. Op zekeren dag, toen zij aan haar weefstoel zat, zag zij toevallig een schoonen jongeling, die een os voortleidde, en onmiddellijk werd zij op hem verliefd. De vader van Tanabata, die haar meest heimelijke gedachten kon raden, stemde onmiddellijk in hun huwelijk toe. Ongelukkig echter hadden zij elkander wel zeer innig, maar onverstandig lief, met dit gevolg, dat Tanabata haar weven veronachtzaamde, terwijl de os van Hikoboshi vrij kon ronddolen over de Hooge Vlakte des Hemels. De God van het Uitspansel werd uiterst vertoornd, en beval, dat die al te vurige gelieven in het vervolg door de Hemelsche rivier zouden gescheiden zijn. In den zevenden nacht Bladzijde 109der zevende maand vormde, als het weer gunstig was, een groote menigte vogels een brug over de rivier, en op die wijze waren de gelieven in staat elkander te bezoeken. Het was zelfs niet eens zeker, dat dit kort bezoek mogelijk was, immers als het regende, was de Hemelsche rivier te breed, dan dat zij zelfs door een groote brug van eksters kon worden overspannen, en de gelieven waren dan gedwongen, weer een lang treurig jaar te wachten, voordat er weer eenige kans was, elkander te ontmoeten.
Het is dus niet te verwonderen, dat op het Feest van het Wevende Meisje kleine kinderen zongen ”Tenki ni nari” (“O, weer, wees helder!”) In ons land spot liefde met gesloten deuren, maar de Hemelsche Rivier laat, als zij gezwollen is, niet met zich spotten. Als het helder weer is en de Gelieven elkander dus bezoeken, na een jaar van droevig wachten, schitteren de sterren, waarschijnlijk van de Lier en de Arend, in vijf verschillende kleuren—blauw, groen, rood, geel en wit—en dit is de reden, dat gedichten worden geschreven op papierstrooken in die kleuren.
“O goddelijk geluid, dat klinkt in onze ooren,
De feeën zingen. Door het luchtruim doet zich hooren
Welluidend klokkenspel. Der englen luiten,
Cimbaal en tamboerijn en liefelijke fluiten
Weerklinken door de lucht, gekleurd door purperrood,
Alsof Someiro’s westerglooiïng noodt
Van de ondergaande zon den glans en gloed te voelen,
Als golven hemelsblauw ’t begroeide strand bespoelen.
Van Yukishima’s wal jaagt de opgezweepte storm
De bloemen door het zwerk: maar nog verkwikt de vorm
Dier boomen sneeuwbelaân, die schittren in het licht,
Door ’t prachtig kleurenspel des menschen aangezicht.”
Ha-Goromo. (Naar B.H. Chamberlain.)
Het was lente, en langs het met pijnboomen bedekte strand van Mio werd het geluid van vogels gehoord. De Bladzijde 110blauwe zee danste en fonkelde in den zonneschijn, en Hairukoo, een visscher, zat daar neer om van het schitterende tooneel te genieten. Terwijl hij dit deed, zag hij bij toeval een prachtig kleed van zuiver witte veeren aan een pijnboom hangen.
Toen Hairukoo op het punt stond het kleed van den boom af te nemen, zag hij, dat een buitengewoon bekoorlijk meisje uit de zee naar hem toekwam, en hem vroeg, of hij haar het kleed wilde teruggeven.
Hairukoo keek met bijzondere bewondering naar het meisje en zeide: “Ik vond het kleed en ben van plan het te houden, want het is een wonder, waardig om geplaatst te worden onder de schatten van Japan. Neen, ik kan het u bij mogelijkheid niet teruggeven.”
“Ach”, riep het meisje diep ongelukkig. “Ik kan niet door de lucht vliegen zonder mijn kleed van veeren; als gij er dus bij blijft, dat gij het wilt houden, kan ik nooit meer naar mijn hemelsch verblijf terugkeeren. Ach, brave visscher, ik smeek u, geef mij mijn kleed terug!”
De visscher, die wel een zeer hardvochtig man moet geweest zijn, wilde zich niet laten vermurwen. “Hoe meer gij smeekt”, zeide hij, “des te meer ben ik besloten, te houden wat ik heb gevonden”.
Daarop antwoordde het meisje:
“O, beste visscher, spreek niet uit dat woord;
Hebt gij dan nooit van ’t vogeltje gehoord,
Welks wieken zijn geknakt; kan ’k niet met veeren prijken,
Dan tracht ik te vergeefs den Hemel te bereiken”,
Na eenige verdere besprekingen over dit onderwerp werd het hart van den visscher eenigszins verteederd. “Ik zal u uw kleed van veeren teruggeven,” zoo sprak hij, “als gij oogenblikkelijk voor mij wilt dansen.”
Daarop antwoordde het meisje: “Ik zal hier voor u den dans dansen, die het Paleis van de Maan doet ronddraaien, zoodat zelfs een arme sterveling zijn geheimen leert kennen. Maar ik kan niet dansen zonder mijn veeren”. Bladzijde 111
“Neen”, zeide de visscher wantrouwend. “Als ik u dat kleed geef, zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst”.
Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking. “Stervelingen mogen al hun beloften breken”, zoo sprak zij, “maar bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend”.
Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk, en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van veeren terug.
“Neen”, zeide de visscher wantrouwend. “Als ik u dat kleed geef, zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst”.
Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking.
“Stervelingen mogen al hun beloften breken”, zoo sprak zij, “maar bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend”.
Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk, en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van veeren terug.
Toen het meisje haar helder wit kleed had aangetrokken, tokkelde zij de snaren van een luit en begon te dansen, en terwijl zij danste en speelde, zong zij van vele vreemde en schoone dingen in verband met haar verwijderde woning in de Maan. Zij zong van het reusachtige Paleis van de Maan, waarin dertig vorsten heerschten, vijftien in witte gewaden, als de maanschijf vol was, en vijftien in het zwart, als de Maan afnam. Terwijl zij zong en speelde en danste, zegende zij Japan en drukte den wensch uit, “dat het voortdurend meer moge bloeien en groeien”.
De visscher mocht zich niet lang verheugen in die vriendelijke vertooning van de bekwaamheid van het Maanmeisje, immers zeer spoedig klopten haar lieflijke voetjes niet langer het zand. Zij steeg op in de lucht, terwijl de witte veeren van haar kleed flikkerden tegen de pijnboomen of tegen de blauwe lucht zelf. Zij steeg al hooger en hooger, nog steeds spelend en zingend, tot boven de toppen der bergen, al hooger en hooger, totdat haar gezang niet meer werd gehoord, en zij het schitterende paleis van de Maan bereikte. Bladzijde 112
1 Het onderwerp van dit verhaal heeft veel overeenkomst met een Noorsche legende. Zie William Morris, Het Land ten Oosten van de Zon en ten Westen van de Maan.
De Berg Fuji, of Fuji-yama (“De Nooit Stervende Berg”), schijnt wel typisch Japansch te zijn. Zijn groote met een sneeuw kap gedekte kegel gelijkt op een grooten omgekeerden waaier, terwijl de fijne strepen langs zijn helling gelijken op het geraamte van een waaier. Een inboorling uit dit land heeft den berg zeer juist aldus beschreven: “De Fuji beheerscht het leven door zijn rustige schoonheid. Smart wordt gestild, verlangen tot rust gebracht, vrede schijnt te stroomen van die onveranderlijke verblijfplaats van den vrede, den bergtop van den witten lotus”. De vergelijking met een witten lotus is even juist als die met den uitgespreiden waaier, want zij heeft betrekking op de heilige bloem van Buddha, en haar acht spitsen zijn voor den geloovigen Buddhist het symbool van de Acht Gaven: Gewaarwording, Bedoeling, Spraak, Gedrag, Leven, Inspanning, Oplettendheid, Overdenking. De algemeene indruk van den Fuji doet dus eendeels aan godsdienst denken, en anderdeels aan een grooten waaier, groot en schoon genoeg, om met sterren en snel voortvliegende wolken te coquetteeren. Dichters en kunstenaars hebben beide in gelijke mate hun schatting aan lof betaald aan dien onvergelijkelijken berg, en wij geven den volgenden keurigen zang over dit blijkbaar onuitputtelijke onderwerp:
“Fuji Yama,
Geraakt door een goddlijken adem,
Keeren wij weer tot de gedaante van God.
Uw zwijgen is zingen.
Uw zingen ’t gezang van den Hemel:
Ons land van koorts en van zorg
Wordt tot een woning van heerlijke rust.
De woning, ver van het land,
Waar menschen komen ter wereld
Alleen om te sterven.
Bladzijde 113
Wij allen, Japansche dochters en zonen,
Die zingen uw pracht en uw majesteit,
Den trots van de Godheid,
Wij sluiten onze schaduw in uw boezem,
De zachtste plaats der eeuwigheid,
O, wonder met wit gelaat,
Onovertroffen gezicht,
O, verhevenheid en schoonheid!
De duizend stroomen dragen uw heilig beeld
Op hun gelaat;
Alle bergen heffen hun hoofden tot u op
Gelijk het stroomend getijde,
Als wachtten zij op uw beslissend bevel....
Zie! hoe de zeeën, omgevend Japan,
Haar zang van hongrigen tand, wolfachtig begeeren, verliezen,
Gekust door de wiegelied zingende rust,
Bij ’t zien van uw schaduw,
Als ware het in een droom van een lied.
Wij, u omgevend, vergeten te sterven:
Wel is lieflijk de Dood.
Maar zachter dan Dood is het leven.
Wij zijn wel sterf’lijk, maar zijn toch ook goden,
Onschuldige makkers van u,
O eeuwige Fuji”.
Yone Noguchi.
De Fuji is honderden jaren een bedevaartsoord geweest, en Lafcadio Hearn heeft zijn top genoemd “het Hoogste Altaar der Zon”. Nog steeds houden een aantal pelgrims vast aan het oude Shintō gebruik om dien heiligen berg te beklimmen, gekleed in witte gewaden en zeer breede strooien hoeden, terwijl zij herhaaldelijk een bel luiden en zingen: “Mogen onze zes zintuigen rein zijn, en het weer op den eerwaardigen berg goed zijn”.
De Fuji was eertijds een bijzonder werkzame vulkaan. De laatste uitbarsting had plaats in de jaren 1707—1708, en bedekte Tōkyō, dat op honderd kilometers verwijderd was, met een aschlaag van vijftien centimeters. De naam Fuji zelf is waarschijnlijk afgeleid van Huchi of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Ainu’s; “immers”, zoo schrijft Chamberlain, “tot in bijna historische tijden vormde de streek rondom den Fuji een deel van het land der Ainu’s, en het geheele oostelijke deel van Japan is bezaaid met namen die aan de Ainu’s ontleend zijn”. Bladzijde 114
Sengen, de Godin van den Fuji, is eveneens bekend onder den naam van Ko-no-hana-saku-ya-hime1 (“Schitterend-bloeiend-als-de-bloemen-der-boomen”), en haar tempel is op den top gelegen. Men verhaalt, dat de Godin in oude tijden verwijlde in een lichtende wolk boven den krater, waar zij werd bediend door onzichtbare bedienden, die gereed stonden om alle bedevaartgangers naar beneden te werpen, die niet rein van harte waren. Een andere godheid van dien berg is O-ana-mochi (“Bezitter van de Groote Opening, of Krater”). Bovendien hebben wij nog de Lichtende Maagd, die zekeren keizer in zijn verderf lokte. Op de plaats, waar hij verdween werd een kleine tempel opgericht, waar hij nog steeds wordt aangebeden. Men verhaalt, dat bij zekere gelegenheid een stortvloed van kostbare juweelen van dien berg afrolde, en dat het zand, dat over dag wordt opgejaagd door de voeten van tallooze pelgrims, in de diepte neervalt en des nachts weder zijn vorige plaats herneemt.
Het is niet te verwonderen, dat een aantal legenden ten opzichte van dien eerwaardigen en aangebeden berg zijn ontstaan. Zooals zoovele bergen in Japan en ook in andere Oostersche landen, stond hij in verband met het Levenselixir. De woorden van den Japanschen dichter, “Wij, die in uw nabijheid zijn, vergeten te sterven”, schijnen, hoewel niet lang geleden geschreven, de oude gedachte weer te geven. Wij hebben reeds gezien in de legende van “De Bamboesnijder en het Maanmeisje”, dat de Edele Vrouwe Kaguya had bevolen, den Fuji te bestijgen en daar het Levenselixir te verbranden, te gelijk met een rol papier.
De faam van den Fuji, zoo luidt een oude legende, bereikte de ooren van een Keizer van China. Toen men hem Bladzijde 115had medegedeeld, dat die berg was ontstaan in één enkelen nacht, vermoedde hij, dat de Fuji het Levenselixir moest leveren. Daarvoor verzamelde hij een aantal schoone jongelingen en meisjes om zich heen, en zette koers naar het Land van de Rijzende Zon. De jonken vlogen voor den razenden wind als een overvloed van gouden bloemblaadjes; maar na eenigen tijd ging de storm liggen, en de Keizer en zijn volgelingen zagen den witten glans van den Fuji vóór zich oprijzen. Toen de jonken op het strand gezet waren, vormde de Keizer zijn volgelingen tot een stoet, en ging hij hun voor naar den top van den berg, langzaam voortgaande. Uren achtereen klom de stoet naar boven, terwijl de Keizer in zijn gouden gewaad steeds vooraan liep, totdat het geluid van de zee niet langer werd gehoord, en de duizend voeten zacht op de sneeuw trapten, waar vrede en het eeuwige leven heerschten. Toen hij het einde van den tocht naderde, ijlde de oude Keizer vroolijk vooruit, daar hij de eerste wilde zijn, die van het Levenselixir dronk. En hij was dan ook de eerste, die proefde van dat Leven, dat nooit oud wordt; doch toen zijn volgelingen hem bereikten, zagen zij, dat hij op zijn rug lag met een glimlach op het gelaat. Hij had inderdaad het Eeuwige Leven gevonden, maar het was langs den weg van den Dood.
Het verlangen om den Fuji het geheim van het Eeuwige leven te ontworstelen, schijnt nooit met een goeden uitslag te zijn bekroond. Een Chinees, Jofuku genaamd, bereikte den heiligen berg met dit doel voor oogen. Hij slaagde evenmin, en keerde nooit naar zijn eigen land terug; maar hij wordt beschouwd als een heilige, en zij, die hetzelfde doel najagen, bidden ernstig aan zijn altaar.
Sentaro bad eens bij zekere gelegenheid aan dat altaar, en ontving daar een kleinen papieren kraanvogel, die, zoodra hij hem in handen had gekregen, ontzaglijke afmetingen aannam. Op den rug van dien grooten kraanvogel Bladzijde 116vloog Sentaro naar het Land der Eeuwige Jeugd, waar de menschen, tot zijn verbazing, verschillende vergiften innamen, en er naar verlangden te sterven! Sentaro werd dat land spoedig moede, keerde naar zijn eigen land terug en besloot tevreden te zijn met de gewone spanne tijds, die den mensch is toegekend—wat hij wel mocht zijn, als men nagaat, dat hij reeds drie honderd jaar had doorgebracht in het land, waar niemand stierf en ook niemand werd geboren.
De moeder van Yosoji werd, evenals een groot aantal menschen in het dorp waar zij woonde, door de pokken aangetast. Yosoji raadpleegde den toovenaar Kamo Yamakiko hierover, want zijn moeder werd zóó ziek, dat hij ieder oogenblik meende, dat zij hem door den dood zou worden ontrukt. Kamo Yamakiko beval Yosoji naar een kleinen stroom te gaan, die afstroomde vari de zuidwestelijke helling van den Fuji. “Dicht bij den oorsprong van die rivier”, sprak de toovenaar, “is een altaar, gewijd aan den God van Langen Adem. Ga daar water halen, en geef het uw moeder, want dat alleen zal haar genezen”.

Sengen, de Godin van den Fuji Berg
Yosoji spoedde zich vol nieuwen moed op reis, doch toen hij op een plaats gekomen was, waar drie wegen elkander kruisten, was hij in moeilijkheid, welk pad hij zou kiezen. Juist terwijl hij daarover nadacht, trad een bekoorlijk meisje, in het wit gekleed, uit het bosch te voorschijn, en verzocht hem haar te volgen naar de plaats, waar de kostbare stroom vloeide in de nabijheid van het altaar van den God van Langen Adem.
Toen zij den stroom bereikten, kreeg Yosoji het bevel, zelf te drinken, en daarna de flesch met het parelende water voor zijn moeder te vullen. Toen hij dit had gedaan, vergezelde hem het schoone meisje naar de plaats, waar hij haar oorspronkelijk had gezien, en zeide: “Kom weer over drie dagen bij mij op dezelfde plaats, want gij zult een nieuwen voorraad van dit water noodig hebben”. Bladzijde 117
Na vijf bezoeken aan dat gewijde altaar verheugde zich Yosoji er over, dat zijn moeder weer geheel hersteld was, en niet alleen zijn moeder, maar ook een aantal van de dorpelingen, die eveneens het voorrecht gehad hadden van dat water te drinken. De dapperheid van Yosoji werd luide geprezen, en den toovenaar werden geschenken gezonden als belooning voor zijn op het juiste oogenblik gegeven raad; maar Yosoji, die een fatsoenlijke jongen was, wist zeer goed, dat die lof uitsluitend toekwam aan het schoone meisje, dat hem tot gids had gestrekt. Hij wilde haar nog hartelijker danken dan hij tot nu toe had gedaan, en begaf zich met dat doel nog eens op reis naar den stroom.
Toen Yosoji het altaar van den God van Langen Adem bereikte, bleek het hem, dat de stroom was opgedroogd. Ten hoogste verbaasd en tevens erg bedroefd knielde hij neer en bad hij, dat zij, die zoo goed voor zijn moeder geweest was, vóór hem zou verschijnen, opdat hij haar zoo hartelijk kon bedanken als zij verdiend had. Toen hij opstond, zag hij het meisje vóór zich staan.
Yosoji betuigde zijn dankbaarheid in warme en sierlijke bewoordingen, en verzocht, den naam te mogen vernemen van haar, die zijn geleidster was geweest en die zijn moeder haar oude gezondheid en kracht had teruggegeven. Maar het meisje weigerde, terwijl zij hem vriendelijk toelachte, haar naam te noemen. Nog steeds lachend, wierp zij een cameliatak in de lucht, zoodat het scheen, dat de schoone bloesems wenkten naar een onzichtbaren geest op grooten afstand. In antwoord op dien wenk der bloemen kwam een wolk neder van den Fuji; deze omsloot het bekoorlijke meisje en droeg haar naar den heiligen berg, van waar zij gekomen was. Nu wist Yosoji, dat zijn geleidster niemand anders was dan de Godin van den Fuji. Met verrukking boog hij zich ter aarde, toen hij de vertrekkende gestalte nazag. Toen hij haar nastaarde, wist hij in zijn hart, dat niet alleen dankbaarheid maar ook liefde in hem was opgewekt. Bladzijde 118Terwijl hij nog geknield lag, wierp de Godin van den Fuji den cameliatak neer, als een herinnering, maar misschien ook als een teeken van haar liefde voor hem.
Wij hebben reeds verhaald, hoe de Fuji in één nacht is ontstaan, en de volgende legende deelt ons mede, hoe dit merkwaardige feit zich heeft voorgedragen. Wij hebben bij die legende nog een tweede gevoegd, die van Chineeschen oorsprong is, omdat die twee goed bij elkander passen en ons merkwaardig materiaal schenken met betrekking tot dien berg.
Vele jaren geleden leefde in de toenmaals onvruchtbare vlakte van Suruga een houthakker, Visu genaamd. Hij was een reus van lichaamsbouw, en woonde in een hut met vrouw en kinderen. In zekeren nacht, toen Visu juist op het punt was in slaap te vallen, hoorde hij een zeer eigenaardig geluid, van onder den grond afkomstig, een geluid, dat krachtiger en verschrikkelijker klonk dan donder. Visu, die meende, dat hij met zijn gezin door een aardbeving zou worden gedood, nam met spoed de jongere kinderen op en ijlde naar de deur van de hut, waar hij een merkwaardig gezicht voor oogen kreeg. In plaats van de vroeger woeste vlakte zag hij een grooten berg, uit welks top vlammentongen opstegen en dichte rookwolken! Het gezicht van dien berg, die onder de aarde was voortgetrokken over een weg van honderden mijlen en zoo plotseling verrees in de vlakte van Suruga, was zóó schitterend, dat Visu, met vrouw en kinderen, op den grond bleef zitten onder de betoovering. Toen de zon den volgenden morgen verrees, zag Visu, dat de berg opalen kleederen had aangetrokken. Dit alles maakte op hem een zóó diepen indruk, dat hij den berg Fuji-yama noemde (“De Nooit-stervende Berg”), en zoo heet hij nog ten huidigen dage. Een zoo volmaakte schoonheid wekte bij den houthakker het denkbeeld op van de eeuwigheid, waardoor ook de Bladzijde 119gedachte aan het Levenselixir is opgewekt, die zoo dikwijls met dien berg is verbonden.
Dagen aaneen zat Visu daar op den Fuji te staren en juist dacht hij er over na, hoe prachtig het voor een zoo indrukwekkenden berg zou zijn, als hij zijn eigen schoonheid kon aanschouwen, toen zich plotseling een groot meer voor hem uitstrekte, dat de vorm had van een lint, en dat daarom Biwa genoemd werd.2
Op zekeren dag kreeg Visu een bezoek van een ouden priester, die aldus tot hem sprak: “Brave houthakker, ik ben bang, dat gij nooit bidt.” Visu antwoordde: “Als gij een vrouw en een groot gezin had te onderhouden, zoudt gij ook geen tijd hebben te bidden.” Die opmerking maakte den priester boos, en de oude man gaf den houthakker een levendige beschrijving van het afgrijselijke lot, te worden wedergeboren als een pad, of een muis, of een insect, en dat wel gedurende millioenen jaren. Dergelijke sombere bijzonderheden waren Visu niet zeer aangenaam, en daarom beloofde hij den priester, dat hij in het vervolg zou bidden. “Werk en bid”, zeide de priester, toen hij afscheid nam.
Ongelukkig echter was het, dat Visu niets anders deed dan bidden. Hij bad gedurende den geheelen dag en weigerde iets te werken, zoodat zijn rijst op het veld verrotte en zijn vrouw en kinderen gebrek leden. De vrouw van Visu, die tot nu toe nooit een hard of bitter woord tot haar echtgenoot had gesproken, werd nu vreeselijk boos, en riep, terwijl zij op de uitgemergelde lichamen Bladzijde 120van haar kinderen wees: “Sta op, Visu, neem uw bijl ter hand, en doe iets, dat voor ons nuttiger is dan voortdurend gebeden te prevelen!”
Visu was zóó vreeselijk verbaasd over hetgeen zijn vrouw had gezegd, dat het eenigen tijd duurde, eer hij een geschikt antwoord kon vinden. Toen hij eindelijk een antwoord gereed had, kwamen zijn woorden krachtig en driftig tot de ooren der arme, verongelijkte vrouw. “Vrouw”, zoo sprak hij, “de Goden gaan voor. Gij zijt een onbeschaamd schepsel, dat gij zoo tot mij durft te spreken, en ik wil niets meer met u te doen hebben!” Visu nam zijn bijl op, en verliet, zonder om te zien of afscheid te nemen, de hut, trok het bosch uit, en besteeg den Fuji-Yama, waar een nevel hem voor aller blikken verborg.

Visu op den Fuji-Yama Berg
Toen Visu op den berg was gaan zitten, hoorde hij een zacht ritselend geluid, en zag onmiddellijk daarna een vos in het kreupelhout vliegen. Visu vond het nu bijzonder gelukkig, dat hij een vos zag, en sprong op, terwijl hij zijn gebeden vergat, en holde heen en weder in de hoop, dat hij dat kleine schepsel met zijn scherpen neus weer terug zou vinden. Hij was juist van plan de jacht op te geven, toen hij, zoodra hij een open ruimte in een bosch had bereikt, twee dames bij een beek zag zitten, die zich vermaakten met go3 te spelen. De houthakker geraakte zóó onder de betoovering, dat hij niets anders kon doen dan zich neerzetten en haar gadeslaan. Er werd geen geluid gehoord dan het zachte bewegen der stukken op het bord en het gezang van den stroomenden beek. De dames letten in het geheel niet op Visu, want zij schenen een vreemd spel te spelen, dat geen einde nam, en haar geheele aandacht in beslag nam. Visu kon zijn oogen niet van die bekoorlijke vrouwen afslaan. Hij beschouwde haar lange zwarte haren, en de vlugge handjes, die telkens uit de groote zijden mouwen te voorschijn kwamen, om de stukken te verzetten. Bladzijde 121Nadat hij daar driehonderd jaar had gezeten, hoewel het hem niet langer was voorgekomen dan een enkelen zomeravond, zag hij, dat één der beide dames een verkeerden zet had gedaan. “Dat is mis, lieftallige dame!” riep hij opgewonden uit. In een oogenblik veranderden die vrouwen in vossen4 en holden weg.
Toen Visu haar trachtte te achtervolgen, ontdekte hij tot zijn schrik, dat zijn beenderen vreeselijk stijf, en zijn haren ontzettend gegroeid waren, terwijl zijn baard den grond raakte. Tevens ontdekte hij, dat de steel van zijn bijl, hoewel die van het taaiste hout was vervaardigd, tot een hoopje stof was vergaan.
Na een aantal pijnlijke pogingen was Visu weer in staat op zijn voeten te staan en uiterst langzaam naar zijn kleine woning terug te keeren. Toen hij de plek bereikte, was hij verbaasd, dat hij geen hut meer zag, en toen hij een oude vrouw zag staan, zeide hij: “Beste vrouw, ik ben verbaasd, dat mijne kleine hut verdwenen is. Ik ben in den namiddag eerst vertrokken en nu, met den avond, is zij verdwenen!”
De oude vrouw, die meende, dat een krankzinnige haar toesprak, vroeg naar zijn naam. Toen zij dien hoorde, riep zij uit: “Wel, gij zijt zeker gek! Visu leefde driehonderd jaar geleden! Hij vertrok op zekeren dag en is nooit meer teruggekomen”.
”Driehonderd jaar!” mompelde Visu. “Dat kan niet mogelijk zijn. Waar zijn mijn goede vrouw en kinderen?”
“Begraven!” kreet de oude vrouw uit, “en als waar is, wat gij zegt, ook uw kleinkinderen. De Goden hebben uw ellendig leven verlengd, als straf, omdat gij uw vrouw en jonge kinderen hebt verwaarloosd”.
Dikke tranen rolden langs de verweerde wangen van Bladzijde 122Visu, toen hij met heesche stem zeide: “Ik heb mijn mannelijken leeftijd laten verloren gaan. Ik heb gebeden, toen mijn lieve vrouw en kinderen gebrek leden en recht hadden op den arbeid van mijn eertijds krachtige handen. Oude vrouw, herinner u mijn laatste woorden: als gij bidt, werk dan tevens!”
Wij weten niet, hoe lang de arme, berouwvolle Visu nog leefde, nadat hij van zijn vreemde avonturen was teruggekeerd. Men verhaalt, dat zijn witte geest nog steeds op den Fuji-yama gezien wordt, als de maan helder schijnt. Bladzijde 123
2 Hier is eenige verwarring in het spel, want in werkelijkheid ligt het meer Biwa een paar honderd kilometers van den Fuji verwijderd, een afstand, die te groot is, dan dat zelfs een wonderberg zich daarin zou kunnen spiegelen. De legende verhaalt, dat de Fuji in één enkelen nacht uit de aarde te voorschijn kwam, terwijl het meer Biwa gelijktijdig daalde. Chamberlain zegt: “zouden wij hier niet een echo hebben van een vroegere uitbarsting, die leidde tot het ontstaan, niet van het Meer Biwa......maar van één van de tallooze kleine meren aan den voet van den berg?”
3 Een spel, uit China ingevoerd, en dat op het schaakspel gelijkt, doch dat iets ingewikkelder is dan ons gewone schaakspel.
4 Over de vossenlegenden hebben wij reeds in het Vijfde Hoofdstuk gesproken.
Japansche klokken behooren tot de schoonste der wereld, immers zoowel wat haar grootte, als wat haar bouw en versiering betreft, heeft de vervaardiger van klokken te Nippon een hoogen trap van vaardigheid verkregen. De grootste klok in Japan behoort aan den Jodo-tempel van Chion, te Kyōto. Zij weegt vier en zeventig ton, en er zijn vijf en zeventig man noodig, haar zóó te doen klinken, dat men uit die kolossale metaalmassa den sterksten klank verkrijgt. De klok van Enkakuji is de grootste klok van Kamakura. Zij dagteekent reeds van het begin der dertiende eeuw en is anderhalve decimeter dik, heeft een middellijn van bijna veertien decimeters, en is bijna twee en halve meter hoog. Die klok is, in tegenstelling met onze klokken, van boven tot beneden overal even wijd, een vorm, die aan alle Japansche klokken gemeen is. Zij wordt geluid door middel van een balk, die van de zoldering afhangt, en aan dien balk hangt een touw. Als de balk met voldoende snelheid aan het slingeren gebracht wordt, slaat hij tegen een stuk metaal ter zijde van de klok, dat de gedaante heeft van een lotusbloem, en een krachtig geluid weerklinkt, “diep als de donder, en vol als de lage tonen van een krachtig orgel”.
Toen Ono-no-Kimi stierf, kwam hij voor den Rechterstoel van Emma-Ō, den Rechter over de Zielen, welke strenge godheid hem mededeelde, dat hij te vroeg het aardsche leven had verlaten, en dat hij onmiddellijk moest terugkeeren. Ono-no-Kimi beweerde, dat hij niet op zijn schreden kon terugkeeren, daar hij den weg niet kende. Daarop zeide Emma-Ō: “Als gij luistert naar de klok van Enkakuji, zult gij in staat zijn, weder den weg naar de aarde terug te vinden.” En Ono-no-Kimi ging weg van den Rechterstoel, Bladzijde 124en op het geluid van de klok vond hij den weg terug naar zijn vroegere woonplaats.
Bij zekere gelegenheid werd, naar het verhaal luidt, een priester van reusachtige gestalte in het land gezien, en niemand kende zijn naam of wist, waar vandaan hij gekomen was. Met onuitputtelijken ijver doorkruiste hij het land in alle richtingen, van dorp tot dorp, van stad tot stad, met de vermaning voor de klok van Enkakuji te bidden. Toevallig werd ontdekt, dat die reuzenpriester niemand anders was dan een verpersoonlijking van de heilige klok zelf. Dit buitengewone nieuws had tot gevolg, dat een groote menigte zich nu begaf naar de klok van Enkakuji en daar bad, en dat velen terugkeerden nadat hun wenschen waren vervuld. Bij een andere gelegenheid heeft die heilige klok van zelf een diep geluid voortgebracht. Hen die ongeloovig waren en om het wonder lachten, troffen rampen, en zij die in de wondermacht der heilige klok geloofden, werden met grooten voorspoed beloond.
In het oude klooster van Miidera bevond zich een groote bronzen klok. Deze liet iederen morgen en avond een helderen, krachtigen toon hooren, en de oppervlakte schitterde als de fonkelende dauw. De priesters stonden niet toe, dat een vrouw de klok deed klinken, omdat zij van meening waren, dat daardoor het metaal zou worden bezoedeld en dof werd, en hun zelf onheil zou overkomen.
Toen een schoone vrouw, die in Kyōto woonde, dit hoorde, werd zij bijzonder nieuwsgierig, en ten slotte, toen zij niet meer in staat was, haar nieuwsgierigheid te bedwingen, zeide zij: “Ik ga die wonderlijke klok van Miidera eens bekijken. Ik zal haar een zachten toon doen voortbrengen, en in haar glinsterende oppervlakte, die Bladzijde 125grooter en helderder is dan duizend spiegels, zal ik mijn gelaat verven en poederen, en mijn haar opmaken.”
Eindelijk bereikte die ijdele en oneerbiedige vrouw het klokkenhuis, waarin de groote klok was opgehangen, op een tijdstip, waarop iedereen verdiept was in zijn heilige plichten. Zij keek in de glinsterende klok en zag haar schoone oogen, blozende wangen en lachende kuiltjes. Eindelijk strekte zij haar kleine vingers uit, raakte zacht het glinsterende metaal aan, en bad, dat zij een even grooten en schitterenden spiegel in eigendom mocht verkrijgen. Toen de klok de vingers van die vrouw voelde, kromp het brons, dat zij had aangeraakt, ineen, en liet het een kleine holte achter, terwijl die plek al haar heerlijken glans verloor.
Benkei1, de trouwe volgeling van Yoshitsune, kan met grond beschreven worden als de sterke man van het Oude Japan. Zijn kracht was wonderdadig, zooals uit de volgende legende blijkt.
Toen Benkei nog een monnik was, verlangde hij vurig de klok van Miidera te stelen en naar zijn eigen klooster te brengen. Daartoe bezocht hij Miidera, en haakte op een geschikt oogenblik de groote klok los. De eerste gedachte van Benkei was, haar den heuvel af te rollen, en zich zoo de moeite te besparen, zulk een zwaar stuk metaal te dragen; maar daar hij vreesde, dat de monniken het geluid zouden hooren, was hij gedwongen zich gereed te maken, haar zelf de steile helling af te dragen. Daarom maakte hij den dwarsbalk uit het klokkenhuis los, hing de klok aan het ééne uiteinde, en—vermakelijke trek—zijn papieren lantaarn aan het andere2, en op die manier droeg hij zijn zwaren last over een afstand van ongeveer zeven mijlen.
Toen Benkei zijn tempel bereikte, vroeg hij onmiddellijk Bladzijde 126om voedsel. Hij wist het klaar te spelen, een hoeveelheid voedsel te verorberen, die een ijzeren soeppot vulde, van vijf voet in middellijn, en toen hij daarmede klaar was, gaf hij een paar priesters verlof, de gestolen klok van Miidera te slaan. Dit geschiedde, maar bij het wegsterven der laatste tonen scheen het of zij riep: “Ik wil terug naar Miidera! Ik wil terug naar Miidera!”
Toen de priesters dit hoorden, waren zij verbaasd. De abt meende echter, dat, indien de klok werd besprenkeld met wijwater, zij met haar nieuwe verblijfplaats verzoend zou zijn; maar in weerwil van dat wijwater, weeklaagde de klok voortdurend door met haar klagend en hinderlijk geluid. Niemand werd meer door het geluid geërgerd dan Benkei zelf. Het leek wel, alsof de klok hem en zijn lastige reis bespotte. Ten slotte vloog hij, ondragelijk gekweld, naar het touw, trok er aan, totdat de balk ver van de metalen klok verwijderd was, en liet hem toen vallen, in de hoop, dat de kracht van den balk, als hij in volle vaart op de klok neerkwam, een zoo eigenzinnige en slecht opgevoede klok zou doen barsten. De snel bewogen balk viel met een vreeselijken slag op de klok neer; maar deze brak niet. Weer klonk door de lucht: “Ik wil terug naar Miidera!” en of de klok al hard of zacht geslagen werd, altijd sprak zij dezelfde woorden.
Ten slotte nam Benkei, nu razend van woede, de klok en den balk op den schouder, en toen hij op den top van een berg was gekomen, zette hij zijn last neer, en met een krachtigen schop liet hij die in de vallei vallen, welke beneden hem lag. Eenige oogenblikken later vonden de priesters van Miidera hun kostbare klok, en hingen die weer verheugd op de gewone plaats op, en van dat oogenblik af hield zij op te spreken, en klonk zij niet anders dan andere klokken.
De macht van het Karma is één van de Buddhistische Bladzijde 127leerstellingen, en groot is het aantal verhalen, zoowel waar als mythisch, die in verband met dit onderwerp worden verhaald. Van de eerste verhaalt Lafcadio Hearn in “Kokoro” de treurige geschiedenis van een priester, die het ongeluk had, dat hij de liefde opwekte van een groot aantal vrouwen. Liever dan voor haar smeekingen te bezwijken, pleegde hij zelfmoord door tusschen de spoorwegrails neder te knielen, en een sneltrein een eind te doen maken aan zijn beproevingen.
Het verhaal van “De Bamboesnijder en het Maanmeisje” geeft ons een andere voorstelling van de beteekenis van het Karma. De Edele Kaguya was uit haar woning in de maan verbannen, omdat zij aan een zinnelijken hartstocht had toegegeven. Men zal zich nog wel herinneren, dat in haar ballingschap haar zwakheid was verdwenen, en dat zij standvastig aan die bijzondere misdaad weerstand bood zoolang zij op aarde vertoefde.
Het Karma stelt volstrekt niet uitsluitend de macht voor van kwade gedachten, hoewel het gewoonlijk wordt toegepast op menschelijke hartstochten. In zijn diepere beteekenis beteekent het oorzaak en gevolg—alle gedachten en alle daden, die niet geestelijk zijn, immers door de macht van het Karma wordt de wereld en alles wat die bevat, volgens de Buddhistische leer, bestuurd. De begeerte te leven is het Karma. De begeerte, niet te bestaan, is het verbreken van het groote rad van geboorte en wedergeboorte, en het bereiken van het Nirwana.
Er zijn Japansche gelieven, die, tengevolge van bijzondere omstandigheden, niet in staat zijn te huwen; maar zij maken er de omstandigheden geen verwijt van. Zij beschouwen hun ongeluk als het gevolg van een dwaling in een vroeger bestaan, zooals het verbreken hunner huwelijksbelofte, of omdat zij elkander wreed behandelden. Dergelijke gelieven meenen, dat zij, als zij zich aan elkander vastbinden met een lijfgordel, en in een rivier of een meer springen, bij hun wedergeboorte vereenigd zullen worden. Bladzijde 128
Die zelfmoord van Japansche minnaars wordt joshi genoemd, wat beteekent “liefdesdood” of “hartstochtdood”. Het Buddhisme verzet zich krachtig tegen zelfmoord, en even sterk tegen een zoodanige liefde, immers joshi is er geen verlangen, de macht van het Karma te vernietigen, maar die veeleer aan te kweeken. Zulke minnaars mogen al vereenigd worden, maar volgens de leerstellingen van Buddha is een verbintenis van dien aard een begoocheling, terwijl alleen Nirwana de moeite waard is, er naar te streven. Wij lezen in de Ratrana Sutra: “Hun oud Karma is uitgeput, geen nieuw Karma wordt voortgebracht; hun harten zijn vrij van verlangen naar een toekomstig leven; daar de reden van hun bestaan verwoest is, en er in hen geen nieuw verlangen ontspringt, worden zij, de wijzen, als deze lamp uitgebluscht.”
“Er zijn een aantal wegen, die leiden tot het verwerven van
volmaakt geluk. Als wij ontdekken, dat wij op den slechten
weg zijn, is het onze plicht, dien te verlaten”.
Bakin.
Naast de oevers van de Hidaka vond men eertijds een wijd beroemd theehuis, dat stond te midden van een liefelijk landschap naast een heuvel, die de Drakenklauw heette. Het bekoorlijkste meisje in dat theehuis was Kiyo, want zij was als “de geur van de witte lelies, wanneer de wind, die neerwaait langs de hoogten der bergen, met welriekende geuren beladen naar den reiziger afdaalt.”
Aan de overzijde der rivier stond een Buddhistische tempel, waar de abt en een groot aantal priesters een eenvoudig en vroom leven leidden. In het klokkenhuis van dien tempel hing een groote klok, anderhalven decimeter dik, die een gewicht had van enkele tonnen. Het was één van de regels van het klooster, dat geen van de priesters visch of vleesch mocht eten of saké mocht drinken, en het was hen uitdrukkelijk verboden, zich in theehuizen op te houden, Bladzijde 129daar zij anders hun geestelijken aard zouden verliezen en in de zondige gewoonten van het vleesch zouden vallen.
Één van de priesters echter zag toevallig, toen hij van een zekeren tempel terugkeerde, de schoone Kiyo in den theetuin heen en weer dolen, evenals een groote vlinder met helder gekleurde vleugels. Hij bleef haar een oogenblik onbewegelijk gadeslaan, onder de sterke verleiding den theetuin binnen te gaan en met dit bekoorlijke wezen te spreken, maar daar hij zich zijn priesterlijke waardigheid herinnerde, stak hij de rivier over en trad zijn tempel binnen. Hij kon echter dien nacht niet slapen. De hartstocht van een vurige liefde was over hem gekomen. Hij bad zijn rozenkrans en zeide stukken op uit de Heilige Boeken van Buddha, maar dit alles bracht hem geen gemoedsrust. Tusschen al zijn vrome gedachten kwam steeds het vriendelijke en luchthartige gelaat van Kiyo voor den dag, en het leek hem, dat zij hem toeriep van dien schoonen tuin uit, die aan de overzijde der rivier was gelegen.
Zijn vurige liefde werd zóó krachtig, dat het niet lang duurde, of hij onderdrukte zijn godsdienstige gevoelens, brak één van de regels van den tempel en trad het verboden theehuis binnen. Hier vergat hij volkomen zijn godsdienst, of wel vond hij een nieuwen eeredienst bij de aanschouwing der schoone Kiyo, die hem ververschingen aanbood. Avond aan avond sloop hij de rivier over en kwam hij onder de bekoring van die vrouw. Zij beantwoordde zijn liefde met evenveel hartstocht, zoodat het den dwalenden priester een oogenblik toescheen, alsof hij in de bekoorlijkheden eener vrouw iets veel zoeters gevonden had dan de mogelijkheid, het Nirwana te bereiken.
Nadat de priester het meisje een aantal nachten had gezien, begon zijn geweten aan hem te knagen, en tegen zijn onheilige liefde te strijden. De macht van het Karma en de leerstelling van Buddha streden met elkander in zijn borst. Het was een heftige strijd, maar ten slotte week de liefde, hoewel, zooals wij zullen zien, de ellendige gevolgen van den Bladzijde 130hartstocht niet waren opgeheven. Nadat de priester zijn vleeschelijke liefde had uitgestooten, achtte hij het verstandig, tegenover Kiyo zoo voorzichtig mogelijk op te treden, uit vrees, dat zijn plotselinge ommekeer haar boos zou maken.

Kiijo en de Priester
Toen Kiyo den priester weerzag, nadat hij het vleesch had overwonnen, merkte zij op, dat de blik in zijn oogen in de verte gericht was, en dat de kalmte der zelfverloochening op zijn gelaat rustte. Zij verdubbelde haar vrouwelijke listen en verlokkingen, vastbesloten den priester weer naar zich toe te trekken, of, als dit niet gelukte, hem door toovenarij een wreeden dood te doen sterven.
Al de vleierijen en verlokkingen van Kiyo waren niet in staat, de liefde weer in hart van den priester op te wekken, en daarom ging zij, uitsluitend op wraak bedacht, naar buiten, in een wit gewaad gekleed, en vertrok naar een zekeren berg, waar een tempel van Fudo3 stond. Fudo zat daar neer, door vuur omgeven, met een zwaard in de ééne hand en een kluwen touw in de andere. Hier bad Kiyo met vreeselijken hartstocht, dat die zoo monsterachtig uitziende God haar zou laten zien, hoe zij den priester kon dooden, die haar vroeger had liefgehad.
Van Fudo ging zij naar den tempel van Kompira4, die alle magische kunsten kent en in staat is de tooverkunst te onderwijzen. Hier bad zij, dat haar de macht mocht worden geschonken, zich naar willekeur in een drakenslang te veranderen. Na een aantal bezoeken onderwees een spook met een langen neus (waarschijnlijk een Tengu), die bij Kompira in dienst was, Kiyo in al de geheimen der Bladzijde 131magische en tooverkunsten. Hij leerde dat meisje, dat eertijds zoo bekoorlijk was, hoe zij zich kon veranderen in het vreeselijke wezen, waarin zij zich wilde veranderen, ten einde een vurige wraak te kunnen uitoefenen.
Nog steeds bezocht de priester Kiyo, maar nu niet langer als minnaar. Door een aantal vermaningen trachtte hij den hartstocht van dat meisje, dat hij eertijds had liefgehad, tot staan te brengen; maar al die priesterlijke gesprekken maakten Kiyo nog des te meer besloten, eindelijk de overwinning te behalen. Zij weende, smeekte, sloeg haar schoon gevormde armen om hem heen; maar geen van haar verlokkingen had eenige uitwerking, behalve dat zij den priester voor goed wegjoeg.
Toen de priester juist op het punt stond afscheid te nemen, werd hij doodelijk verschrikt, toen hij zag, dat de oogen van Kiyo plotseling veranderden in die van een slang. Met een kreet van angst vloog hij uit den theetuin weg, zwom de rivier over en verborg zich binnen in de groote klok van den tempel.
Kiyo hief haar tooverstaf op, mompelde een tooverformulier, en in een oogenblik veranderden het liefelijke gelaat en de schoone gestalte van het meisje in die van een drakenslang, die siste en vuur spuwde. Met oogen, zoo groot en lichtend als de maan, kroop zij over den tuin, zwom de rivier over en kwam in het klokkenhuis binnen. Haar gewicht brak de kolommen, die het steunden, en de klok, met den priester er binnen in, viel met een oorverdoovenden slag op den grond.
Kiyo omhelsde de klok met een vreeselijke begeerte naar wraak. Zij hield het metaal vast als in een schroef; zij omklemde de klok al vaster en vaster, totdat het metaal gloeiend heet werd. De smeekingen van den gevangen priester waren alle vergeefsch; en even vergeefsch waren de ernstige smeekbeden van de andere priesters van den tempel, die smeekten, dat Buddha den boozen geest zou verdelgen. Al heeter en heeter werd de klok, en zij Bladzijde 132weerklonk van de deerniswaardige kreten van den priester, die er in zat. Eindelijk werd zijn stem gesmoord, en de klok smolt en liep samen tot een grooten plas gesmolten metaal. De groote macht van het Karma had de klok vernield, en tevens den priester en de drakenslang, die oorspronkelijk de bekoorlijke Kiyo geweest was. Bladzijde 133
1 Zie Hoofdstuk II.
2 Van daar de Japansche uitdrukking: “Lantaarn en klok, wie van de twee is de zwaarste?”
3 Fudo is niet, zooals men gewoonlijk meent, de God van het Vuur, maar wordt vereenzelvigd met Dainichi, den God der Wijsheid. Het is niet volkomen duidelijk, waarom Kiyo Fudo opzocht, wiens heilig zwaard de wijsheid zinnebeeldig voorstelt, terwijl zijn vuur de macht voorstelt, en het kluwen touw dient om de hartstochten te binden.
4 Kompira was oorspronkelijk een Indische God, die door de middeleeuwsche-Shinto-vereerders vereenzelvigd werd met Susa-no-o, den broeder der Zonnegodin, die, zooals wij reeds gezien hebben, er maar al te zeer behagen in schepte, ondeugende streken uit te halen.
“De sombre winter houdt de aarde omkneld,
Maar toch daalt uit den hemel
Een bloesemregen.
En fladdrend komen witte blaadjes
Op aarde neder.
Komt uit de wolken
De lente dan zoo vroeg reeds aangesneld?
Kujohara No Fukayabu. (Naar Clara A. Walsh).
De sneeuwtijd heeft in Japan zijn karakteristieke schoonheid en is een geliefkoosd onderwerp bij Japansche dichters en kunstenaars. Beiden behandelen dit onderwerp bijzonder artistiek, wat niet te verwonderen is, daar in Nippon de witte vlokken vallen op de sierlijke daken der Buddhistentempels op de feeërieke bruggen, die gelijken op de bruggen, die men wel ziet op borden, waarop wilgen zijn afgebeeld, en op de zoo prachtig gevormde steenen lantarens, die zoovele Japansche tuinen versieren. Er is geen schooner sneeuwlandschap te vinden dan in Japan, en daar het zoo bijzonder prachtig is, wekt het onze verbazing op, dat Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, er verre van af is, een welwillende en aantrekkelijke geest te zijn. Al de poëzie en al het artistieke verdwijnt in haar kwaadaardige tegenwoordigheid, immers zij vertegenwoordigt den dood met karakteristieke eigenschappen, die niet ongelijk zijn aan dien van een vampier. Maar, zooals wij reeds meermalen opmerkten, Japan is vol van scherpe en verrassende contrasten, en het sierlijke en schoone komt in botsing met het leelijke en afzichtelijke. Er is geen belofte van lente in de lange witte gedaante van Yuki-Onna; haar mond toch is de mond des doods, en haar ijskoude lippen zuigen het hartebloed uit haar ongelukkige slachtoffers.

Yuki-Onna, de heerscheres van de Sneeuw (“Sneeuw-vrouw”)
Mosaku en zijn leerling Minokichi reisden naar een Bladzijde 134bosch, dat niet ver van hun dorp verwijderd was. Het was een bitterkoude nacht, waarin zij hun bestemming bereikten en tegenover zich een kouden waterstroom zagen. Zij wilden gaarne die rivier overtrekken, maar de veerman was weggegaan, terwijl hij zijn boot aan de overzijde van het water had achtergelaten, en daar het weer veel te ongunstig was om de rivier over te zwemmen, waren zij blijde, dat zij een schuilplaats konden vinden in de kleine hut van den veerman.
Mosaku viel bijna onmiddellijk in slaap, nadat hij die nederige, maar zoo vurig begeerde hut was binnengetreden. Minokichi lag echter een geruimen tijd wakker, terwijl hij luisterde naar het geloei van den wind en het snerpen van de sneeuw, die tegen de deur blies.
Eindelijk viel Minokichi in slaap, maar spoedig werd hij weer opgewekt door een sneeuwjacht, die op zijn gelaat neerviel. Het bleek hem, dat de deur was opengewaaid en dat in de kamer eene schoone vrouw stond in een schitterend wit gewaad. Een oogenblik bleef zij zoo staan; daarna boog zij over Mosaku heen, terwijl haar adem te voorschijn kwam als witte rook. Nadat zij aldus eenige minuten over den ouden man gebogen had gestaan, draaide zij zich om naar Minokichi en hing over hem heen. Hij trachtte het uit te schreeuwen, want de adem van die vrouw was een ijskoude rukwind. Zij zeide hem, dat zij voornemens was geweest hem te behandelen, zooals zij den ouden man naast hem had behandeld, maar dat zij dit had nagelaten met het oog op zijn jeugd en zijn schoonheid. Nadat zij Minokichi met een onmiddellijken dood had bedreigd, als hij het waagde, eenig sterveling mede te deelen wat hij had gezien, verdween zij plotseling.
Daarop riep Minokichi zijn geliefden meester toe: “Mosaku, Mosuka, word wakker! Er is iets verschrikkelijks gebeurd!” Maar hij kreeg geen antwoord. Hij raakte in het duister de hand van zijn meester aan, en ontdekte, dat die als een blok ijs was. Mosaku was dood! Bladzijde 135
Den volgenden winter, toen Minokichi naar huis terugkeerde, ontmoette hij toevallig een mooi meisje, Yuki genaamd. Zij vertelde hem, dat zij op weg was naar Yedo, waar zij een plaats als dienstbode zocht. Minokichi was bekoord van dat meisje, en hij ging zelfs zóóver, dat hij haar vroeg, of zij reeds verloofd was, en toen hij hoorde, dat dit niet het geval was, nam hij haar mede naar zijn eigen huis, en huwde haar na verloop van tijd.
Yuki schonk haar echtgenoot tien keurige en schoone kinderen, die lichter van huidskleur waren dan de meeste kinderen. Toen de moeder van Minokichi stierf, waren haar laatste woorden nog een lofrede op Yuki, en die lofrede werd herhaald door een groot aantal der landlieden in den omtrek.
Op zekeren avond, terwijl Yuki bezig was te naaien, en het licht van een papieren lantaarn op haar gelaat viel, bracht Minokichi de merkwaardige ervaring ter sprake, die hij had opgedaan in de hut van den veerman. “Yuki”, zoo sprak hij, “gij doet mij bijzonder denken aan een schoone witte vrouw, die ik zag, toen ik achttien jaar oud was. Zij doodde mijn meester met haar ijskouden adem. Ik ben er zeker van, dat zij de één of andere vreemde geest was, en toch vind ik van avond, dat gij op haar gelijkt!”
Yuki wierp haar naaiwerk neer. Er was een afgrijselijke lach op haar gelaat, toen zij zich dicht naar haar echtgenoot boog en schreeuwde: “Ik was het, Yuki-Onna, die toen bij u kwam, en stil uw meester doodde! O trouwelooze snoodaard, gij hebt uw belofte geschonden, dat gij de zaak zoudt geheim houden, en als het niet was om onze slapende kinderen, zou ik u nu dooden! Denk er om, als ze zich ooit hebben te beklagen over uw gedrag jegens hen, zal ik het hooren en weten, en zal ik in een nacht, dat de sneeuw valt, u onverbiddelijk dooden!”
Daarna veranderde Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw, in een witten nevel en ging schreeuwend en huiverend door het rookkanaal, om nooit weer terug te keeren. Bladzijde 136
Volgens Gordon Smith, den schrijver van “Oude Sproken en Folklore van Japan”, “worden allen, die van sneeuw en koude omkomen, sneeuwgeesten.” Dat wil zeggen, allen die op die wijze omkomen, worden vereenzelvigd met Yuki-Onna, de Sneeuwvrouw. De volgende legende is ontleend aan het genoemde werk van Gordon Smith.
Kyuzaemon, een arme landbouwer, had de blinden van zijn nederige woning gesloten en was ter ruste gegaan.
Kort vóór middernacht werd hij gewekt door een luid kloppen. Terwijl hij naar de deur liep, riep hij uit: “Wie zijt gij? Wat wilt gij?”
De vreemde bezoeker deed geen poging om op die vragen te antwoorden, maar vroeg met den meesten aandrang voortdurend om voedsel en een schuilplaats. De voorzichtige Kyuzaemon weigerde den bezoeker verlof, binnen te treden, en nadat hij gezien had, dat zijn woning veilig was, zou hij juist weer naar bed gaan, toen hij een vrouw naast zich zag staan, gehuld in witte loshangende kleederen, terwijl haar haren over de schouders vielen.
“Waar hebt gij uw geta gelaten?” vroeg de verschrikte landbouwer.
De witte vrouw deelde hem mede, dat zij het was, die op zijn deur had geklopt. “Ik heb geen geta noodig”, zoo sprak zij, “want ik heb geen voeten! Ik vlieg over de met sneeuw bedekte boomen en zou naar het volgende dorp zijn doorgegaan, maar de wind waaide vreeselijk tegen mij aan, en ik wenschte een korten tijd te rusten.”
De landbouwer vertelde haar, hoe bang hij voor geesten was, waarop de vrouw hem vroeg, of haar gastheer een butsudan (familie-altaar) bezat. Toen het bleek, dat hij dit bezat, beval zij hem den butsudan open te zetten en een lamp op te steken. Nadat dit geschied was, bad de vrouw voor de opgehangen tafels der voorouders, en vergat daarbij niet, er een gebed aan toe te voegen voor Kyuzaemon, die nog steeds zeer geschokt was. Bladzijde 137
Nadat zij haar gebeden voor den butsudan had volbracht, vertelde zij den landbouwer, dat zij Oyasu heette, en dat zij bij haar ouders en echtgenoot Isaburo had gewoond. Toen zij stierf, verliet haar man haar ouders, en het was haar bedoeling, hem te overreden, weer terug te gaan en zijn schoonouders te ondersteunen.
Kyuzaemon begon de zaak te begrijpen, terwijl hij bij zich zelf mompelde: “Oyasu is in de sneeuw omgekomen, en dit is haar geest, dien ik vóór mij zie.” In weerwil van die herinnering was hij toch nog zeer beangst. Hij ging naar het familie-altaar met sidderende schreden, en herhaalde voortdurend: “Namu Amida Butsu!” (“Heil Almachtige Buddha!”).
Eindelijk ging de landbouwer naar bed en viel in slaap. Hij werd nog even wakker, toen hij den witten geest vaarwel hoorde mompelen; maar voordat hij kon antwoorden was zij verdwenen.
Den volgenden dag ging Kyuzaemon naar het naastbijgelegen dorp, en bezocht Isaburo, dien hij nu weer aantrof in de woning van zijn schoonvader. Isaburo deelde hem mede, dat hij herhaaldelijk bezoeken had ontvangen van den geest van zijn vrouw in de gedaante van Yuki-Onna. Na de zaak nog eens nauwkeurig te hebben nagegaan, kwam Kyuzaemon tot de overtuiging, dat de Sneeuwvrouw voor Isaburo was verschenen bijna onmiddellijk nadat zij hem een zoo geheimzinnig bezoek had gebracht. Bij die gelegenheid had Isaburo haar beloofd, haar wensch te vervullen, en noch hij, noch Kyuzaemon werden ooit weer lastig gevallen door haar, die door de lucht trekt, als de sneeuw hard neervalt. Bladzijde 138
“Al de vreugde van mijn bestaan is bijeengebracht rondom mijn peluw, die mij mijn nachtrust schenkt; al de hoop van mijn leven vind ik in de schoonheden der Natuur, die steeds mijn oogen verkwikken.”
Er is in de meeste Europeesche tuinen niets bijzonder aesthetisch. Als de tijd van het planten is aangebroken, brengt een trage oude tuinman zijn planten in den grond. Wij zien dan later een grove kleurenschittering—roode geraniums, gele calceolaria’s, blauwe lobelia’s, het groene gras en de okerkleurige paden. En dit is het kleureneffect van de meeste Europeesche tuinen, een kleureneffect, dat de oogen vermoeit, en de bloemen zelf, die zóó onverstandig geplant zijn, tot schande maakt. De waarheid is, dat wij de gave van rangschikking der bloemen missen. Wij koopen bloemen, om den tuin er fraai te doen uitzien, onder den indruk, dat fraaiheid een abstracte eigenschap is, waaronder wij onze zomersche dagen zouden willen doorbrengen. Een Engelschman trachtte eens den tuin van zijn buitenverblijf op Japansche manier aan te leggen. Hij was bijzonder trotsch op het resultaat en leidde op zekeren dag een Japanschen vriend rond, om dien te zien. De Japansche vriend riep met bijzonder groote beleefdheid uit: “Het is prachtig; wij hebben in Japan niets, dat daarop gelijkt!” De Engelschman was niet geslaagd in zijn poging tot nabootsing, omdat hij het tuinieren als een liefhebberij beschouwde, terwijl in Japan een tuin iets is, dat onuitroeibaar met het leven in Japan verbonden is. In Japan is het een oude eeredienst, waaraan dichters en kunstenaars jaren in hun gedachten hebben gewijd, en waarin ontroering, herinnering en godsdienst een rol spelen.
Eén van de meest treffende, en zeker één van de aangenaamste Bladzijde 139karaktertrekken der Japanners is hun innige liefde voor bloemen en boomen. Vroolijke groepen gaan samen uit om de azalea’s te zien bloeien, of om de schitterende schoonheid van den kersenbloesem te bewonderen, of de scharlakenroode glorie der ahornboomen. Dat “bloemen bewonderen” maakt een integreerend deel uit van hun bestaan. Tot zelfs de Kimono der lachende kinderen ziet er uit als een kleine bloementuin. Als gij hun landschap wegneemt, dan neemt gij tevens hun zin voor poëzie weg, en, wat wij er bijna aan kunnen toevoegen, ook het met de bloemen samenhangende deel van hun godsdienst, immers de Japanner vereert bloemen en boomen op een wijze, die absoluut ondenkbaar is bij den meer prozaïschen westerling.
In de vorige lente boden de bloeiende magnolia’s in den beroemden plantentuin, Kew Gardens, een schitterend schouwspel aan. Maar er waren slechts weinigen gekomen om die bladerlooze boomen te zien met hun overvloed van op lotus gelijke bloesems. De toeschouwer, die van het schouwspel het meest van allen genoot, was een kind dat onder de welriekende takken zat, de gevallen bruine bloemblaadjes in haar kleine bruine handjes verzamelde en een vreemd verhaaltje daaraan vastknoopte. Maar in Japan, waar evenzeer de Magnolia’s bloeien, zouden een aantal kleine gedichten aan de takken worden vastgeknoopt, en zouden er kleine gebakjes in den vorm dier bloemblaadjes worden gemaakt. Misschien zou ook een tak van een magnolia in een vaas gezet worden, als voorwerp van bewondering voor de leden van een theegezelschap. En later zou het takje met bloesems zacht op een rivier worden geplaatst of begraven worden met vreugde en met eerbied, om de schoonheid, die het in zijn kort leven had ten toon gespreid.
De liefde voor bloemen is slechts een klein onderdeel van de liefde der Japanners voor de natuur. In die vereering heeft een evolutieproces plaats gegrepen, zooals in iedere andere vereering, en wij hellen over tot de meening, dat de Japanners zeer ver in die zaak teruggaan en het allereerst Bladzijde 140begonnen zijn, rotsen en steenen lief te hebben. Bij ons zijn rotsen en steenen alleen van belang voor geologen en mineralogen, uitsluitend dus uit een wetenschappelijk oogpunt, en het lijkt ons bijna ongeloofelijk toe, dat rotsen en steenen een poëtische beteekenis kunnen hebben. Maar bij de Japanners is de zaak geheel anders gesteld. De Japansche tuin is in zijn wezen een tuin, die een beeld geeft van het landschap. De eigenaar van een tuin wordt verrukt door een bepaald landschap. Dat vervolgt hem voortdurend en wekt in hem eenige primitieve indrukken van genot op, die niet kunnen ontleed worden. Hij brengt het voortdurend in zijn tuin vóór zich, wel is waar in het klein, maar toch wonderlijk nauwkeurig. Zoo wordt zijn tuin een plaats van heerlijke herinnering, maar niet een plekje, met opzichtige bloemen overdekt, en met terrassen, die geen beteekenis voor hem hebben, en hem geen poëzie voor zijn geest schenken. Ongetwijfeld zijn Japansche tuinen met hun reusachtige bloemen, opgewekten zonneschijn en het zoete geklingel van popperige tooverklokjes, die opgehangen zijn aan de takken der boomen, het schoonste, wat men zich in de wereld kan denken.
Er is één zaak, die ons bij Japansche tuinen treft, en die wij in onze streken niet terugvinden, en wel de bewonderenswaardige zuinigheid, die wij bij hun aanleg waarnemen. Bij ons wordt door de bewoners der buitenwijken als verontschuldiging aangevoerd, dat hun miniatuurtuintje veel te klein is, om dat mooi te maken. Te klein, om hem mooi te maken? En de Japanner kan een allerliefst tuintje aanleggen in een ruimte, die niet grooter is dan een soepbord? De noodzakelijkheid is de moeder der uitvinding, en als wij de Natuur maar wat meer liefhadden, zouden wij spoedig genoeg het middel vinden, om zelfs de kleinste tuintjes aanlokkelijk te maken. De groote Japansche tuinarchitect, Kobori-Enshiu, zeide eens, dat een ideale tuin Bladzijde 141moest zijn als “de zoete eenzaamheid van een landschap, dat omwolkt is door het maanlicht, met een waas van schemering tusschen de boomen.”
Er is heel wat geschreven over Japansche rotsen en steenen1. Wat een poëzie wordt uitgedrukt door de namen van enkele van die tuinsteenen—bij voorbeeld, “De Steen der Gemakkelijke Rust”. Onder de steenen aan de meren vindt men één, die heet “Steen der woeste Golf,” die ons dadelijk de Matsushima voor den geest roept, wier golven tegen ontelbare rotsen gebroken worden.
De steenen of houten lantarens zijn zeer belangrijke versierselen in een Japanschen tuin. Het oorspronkelijke denkbeeld is ontleend aan Korea, en zij zijn ook thans nog wel eens bekend als “Koreaansche torens.” Zij worden slechts zelden aangestoken, behalve in de tuinen der tempels, maar zij hebben geen schitterend licht noodig om een prachtig gezicht op te leveren. Zij zijn rijk aan barnsteen en groen mos, en in den winter zijn zij met sneeuw bedekt, en maken den indruk van spooklantarens van buitengewone schoonheid. Een andere vorm van een Japansche tuin is de Torii, een eenvoudige boog van hout, in den vorm van een Chineesche letter. Zij hebben een Shintō-oorsprong, maar niemand heeft tot nu toe ontdekt, wat zij oorspronkelijk moesten voorstellen, hoewel over dit onderwerp verschillende meeningen zijn geuit. Die poorten, die nergens heenleiden, zijn in hooge mate betooverend, en als men er naar ziet met de zee aan de voeten, is het alsof men droomt van een oud sprookje uit de kinderdagen.
De meren, watervallen, kleine bruggetjes, de treden over de slingerpaden met zilverzand bedekt, zijn inderdaad een plaats van afzondering. En daarbij dan nog de kleur van dien Japanschen tuin! Iedere maand levert een ander kleurentafereel op, als de pruimenboomen, de kersen- en de perzikenboomen in bloei staan. Terwijl men door den Bladzijde 142tuin slentert tusschen dennenaalden, of terwijl men in het heldere blauwe meer staart, kan men de azalea’s aanschouwen. Als er ooit een bloem is, die een verpersoonlijking is van kleur, dan is het zeker de azalea. Zij is de regenboog onder de bloemen, en er is nauwelijks één nuance van kleur, die niet in haar bloesem gevonden wordt. Als men een azalea beschouwt, dan ziet men in de verfdoos der Natuur zelf. En in een ander jaargetijde zien wij de iris met haar purperen, gele en witte kleuren, of de schoone rooskleurige lotusbloem, die zich met een kleine ontploffing op de kalme wateren opent, alsof zij openlijk wil verkondigen, dat haar volmaaktheid nadert. Het laatste kleurenfestijn van het jaar is te genieten, als de ahornboomen in bloei staan. Ook wij hebben een prachtig karmozijnrood te bewonderen, in de bladeren van onze braambessen, wanneer die liggen verborgen in de vochtige hagen van den herfsttijd. In Japan zijn de ahornen niet verborgen. Overal schijnen zij in een schitterende omlijsting te leven. In den herfst schijnt het, alsof de ahornboomen wedijveren met de ondergaande zon, immers in dat jaargetijde is Japan niet het land van de rijzende zon, maar het land van de zon, die ondergaat in een schitterend praalvertoon van roode bladeren. En is dit dan het einde van den arbeid der Natuur in dat jaar? Neen, waarlijk niet. Het laatst van alles komt de sneeuw, en haar schoonheid is niet zoozeer in de zachte vlokken gelegen, als in de wijze, waarop zij worden opgevangen en vastgehouden op de prachtige huisjes en tempels en lantarens. Als men dan een Japanschen tuin ziet, dan ziet men hoe de Natuur daarop den stempel van haar goedkeuring drukt. Het sneeuwtafereel is misschien wel de schoonste penseelstreek der Natuur in Japan; en het is een tafereel, dat dierbaar is aan de harten der Japanners. In het midden van den zomer liet eens een Japansche Keizer de miniatuurbergen van zijn tuinen bedekken met witte zijde, om de gedachte te wekken aan een sneeuwlandschap, en ongetwijfeld ook, om aan het landschap denkbeeldige Bladzijde 143koelte te schenken. Een slechts oppervlakkige kennis der Japansche kunst zal reeds het feit openbaren, dat de sneeuw een geliefd onderwerp is voor den Japanschen schilder.
De Japanners zijn in het algemeen klein van gestalte, en hebben een voorliefde voor kleine dingen. Lafcadio Hearn doet een allerliefst verhaaltje omtrent een Japansche non, die met kinderen placht te spelen en hun dan rijstkoekjes gaf niet grooter dan erwten, en thee schonk in miniatuurkopjes. Haar liefde voor heel kleine dingen was het gevolg van een groot verdriet, dat zij had geleden, maar wij zien in die liefde der Japanners voor kleine voorwerpen iets pathetisch in de natie als zoodanig. Hun liefde voor dwergboompjes, die honderden jaren oud zijn, schijnt te zeggen: “Wees er trotsch op en blijde mede, dat gij nooit groot wordt. Wij zijn een klein ras, en daarom houden wij van kleine voorwerpen.” De oude pijnboom, die dikwijls niet hooger is dan een paar decimeters, drukt ons door zijn ouderdom volstrekt niet, en wekt ook geen vrees op, juist omdat hij zoo klein is. Wij westerlingen hebben wel eens de neiging gehad, de Japansche dwergboomen als iets onnatuurlijks te beschouwen; maar zij zijn niets onnatuurlijker dan de lach op het gelaat van het Japansche meisje, en bewijst ons, dat de natie, evenals in oude tijden de Grieken, nog steeds in harmonie is met de Natuur.
De pijnboom is het zinnebeeld van voorspoed en een lang leven. Daarom zien wij dien boom bijna aan iedere tuindeur; en wij moeten toegeven, dat een pijnboom een sierlijker talisman is dan een roestig oud hoefijzer. In een Japansch tooneelspel vinden wij het volgende gezegde: “Het zinnebeeld van onveranderlijkheid—geprezen zij hun roem tot het einde der dagen—de roem van de Bladzijde 144twee pijnboomen, die samen oud zijn geworden”. Dit slaat op de beroemde pijnboomen van Takasago. Conder2 verhaalt ons, dat bij huwelijksfeesten “een tak van den mannelijken pijnboom geplaatst wordt in één vaas, en een tak van den vrouwelijken pijnboom in de andere. De algemeene vorm van beide moet overeenkomen, maar de tak van den vrouwelijken pijnboom, die tegenover de andere vaas staat, moet iets beneden den overeenkomstigen tak van den mannelijken pijnboom zijn. Met andere woorden, hieruit blijkt, dat het vraagstuk van het Vrouwenkiesrecht nog niet in Japan bestaat, maar dat de Japansche vrouw nog onderworpen is aan haar heer en meester, wat in Engeland een hoogst gevaarlijke uitdrukking zou zijn. Het bovengenoemde symbool stelt ‘een eeuwigdurende verbintenis’ voor, en is het zinnebeeld van den trouwen liefdeband, die tusschen oude echtelieden bestaat.”
Kamo No Chōmei was een Buddhistische kluizenaar der twaalfde eeuw, die een boekje heeft geschreven, dat getiteld is Hō-jō-ki (“Opmerkingen uit een Hut van Tien Voet”). In dat boekje beschrijft hij, hoe hij het wereldsche leven vaarwel zeide en zijn verblijfplaats opsloeg in een hut aan de helling van een berg. Chōmei was gewoon te zingen, te spelen en zijn geliefde boeken te lezen te midden der natuur. Hij schrijft: “Toen het zestigste jaar van mijn leven, dat nu als een dauwdroppel verdwijnt, naderde, maakte ik een nieuwe woonplaats gereed, een soort van laatsten sprong, zooals een reiziger zich voor één enkelen nacht een schuilplaats zoekt, of zooals een oude zijdeworm zijn laatsten cocondraad spint.” Wij zien, hoe hij, als gelukkige oude man, langzaam over de heuvels strompelt, terwijl hij bloesems op zijn tocht verzamelt en voortdurend met verheugde blikken den loop en de geheimen der Natuur nagaat. Met een drogen humor Bladzijde 145schrijft hij: “Ik behoef het mij niet moeilijk te maken, hoe ik de geboden streng kan opvolgen, immers hoe zou ik, nu ik in volmaakte afzondering leef, in verzoeking komen, die te breken?” Een geheel andere ervaring dan die van sommigen onder de Indische kluizenaars, die in de eenzaamheid een onuitputtelijken bron van verleiding zien! Maar Chōmei was een gelukkige ziel, en wij maken hier van hem melding om aan te toonen, dat het hoofddoel van zijn leven niet was de dingen der wereld, maar het werk der Natuur te bestudeeren op de heuvelen en in de dalen, in de bloemen en de boomen, in het stroomende water en de wassende maan. Om zijn eigen woorden aan te halen: “Gij zijt de wereld ontvlucht, om het leven van een kluizenaar te leiden te midden van de woeste bosschen en de heuvelen, om aldus uw ziel vrede te brengen, en om te wandelen in de voetsporen van Buddha.”
In het Doodenfeest zien wij het krachtigste argument voor de liefde van den Japanner voor de Natuur. Dat Doodenfeest is voortgekomen uit de gedachte van een vrouw, en er is iets zóó teeders, zóó klagends in, dat het alleen van een vrouw kan afkomstig zijn. In Juli keeren de geesten van de dooden uit hun donkere woning terug. Kleine maaltijden worden voor dat groote aantal geesten gereed gemaakt, en de lantarens hangen op de kerkhoven en op de pijnboomen, die als het zinnebeeld van voorspoed aan de tuindeuren staan. De Japanners waren gewoon hara-kiri3 toe te passen, maar wij moeten niet vergeten, dat hun zielen weer terugkomen om te wandelen in een land, dat één groote tuin schijnt te zijn. En waarom komen zij terug? Zij komen met hun zachte voetstappen terug Bladzijde 146over de heuvelen en ver weg van over de zee, om nog eens naar de bloemen te zien en te wandelen in de tuinen, waar zij zoovele gelukkige uren hadden doorgebracht. Zij komen, die onzichtbare troep, als de zon helder straalt, als het schijnt, alsof de bloesems, die op den wind drijven, plotseling in vlinders veranderen, als het leven op zijn hoogtepunt is, als zij den dood en de duistere plaats, waar Emma-Ō heerscht, niet langer kunnen verdragen. Wat een tijd, om weer terug te keeren! Wat een stille hulde aan de Natuur, dat die groote menigte zielen weer in haar armen terugkeert tijdens het schitterendste gedeelte van den zomer.
De meesten onzer zijn bekend met de Japansche vlag, waarop een roode zon op een witten achtergrond is geschilderd, en onze eerste gedachte is natuurlijk, dat dit zinnebeeld oorspronkelijk samenhing met de Zonnegodin. Doch wij zouden ons in dat geval zeer vergissen. Astrologische voorstellingen werden in oude dagen gevonden op de Chineesche vlaggen, en Chamberlain beschrijft ze als volgt: “De Zon met de Kraai met Drie Pooten, die daarop woont, de Maan met haar Haas4 en haar Cassiaboom, de Roode Vogel, die de Zeven sterrenbeelden voorstelt van het zuidelijke deel van den Dierenriem, de Donkere Strijder (een Schildpad), die de zeven noordelijke sterrenbeelden omhelst, de Azuren Draak, die de zeven oostelijke, de Witte Tijger, die de zeven westelijke sterrenbeelden omhelst, en een zevende vlag, die den ‘Noordelijken Schepel’ (Groote Beer) voorstelt.” De Chineesche vlaggen, waarop de zon en de maan geteekend waren, waren in het bijzonder van belang, omdat de zon een voorstelling is Bladzijde 147van den oudsten broeder van den Keizer en de maan van zijn zuster. In de zevende eeuw namen de Japanners die vlaggen over; maar na verloop van tijd schaften zij een aantal van de vreemde astrologische teekeningen af, die zoo dierbaar waren aan het hart der Chineezen. Toen in het jaar 1859 een nationale vlag noodzakelijk was, werd de zonnevlag zonder eenige toevoeging aangenomen; maar een enkele bol zonder stralen was niet voldoende, en een meer uitgewerkte teekening werd uitgevoerd,—de chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. Wij kunnen niet anders dan een vermoeden uitspreken omtrent het verband tusschen de zon en de chrysanthemum. Beide werden in het oude China vereerd, en wij mogen aannemen, dat de Japansche kunstenaar, toen hij de stralen van de zon wilde uitbeelden, uitstekend materiaal vond, door de bloem van een wilden chrysanthemum na te teekenen.
De chrysanthemum is de nationale bloem van Japan, en aan Nippon danken wij het kweeken van die bloem in onze streken. Mythologische tooneelen, vooral dat van het schip met wonderschatten met de Goden van het Geluk aan boord, zijn een geliefkoosde teekening, geheel gemaakt uit tallooze chrysanthemums. Booten, kasteelen, bruggen en verscheidene andere voorwerpen zijn met de grootste handigheid uit diezelfde bloem gevormd. Japan is altijd gelukkig geweest in zijn keuze van namen, en dit is nergens meer het geval geweest dan bij de namen, die het aan zijn verschillende chrysanthemums heeft gegeven. Er is poëzie in namen als “Slaperig Hoofd”, “Gouden Dauw”, “Witte Draak” en “Sterrennacht”.
De chrysanthemum is ongetwijfeld een passend symbool voor de Keizerlijke vlag. Eens heeft hij, evenals de Engelsche roos als een herkenningsteeken dienst gedaan in den Oorlog der Chrysanthemums, een langdurigen burgeroorlog, die de natie verdeeld hield in twee vijandige partijen. Thans is de chrysanthemum het symbool van een vereenigd Rijk. Bladzijde 148
Lang geleden groeiden in een weide een witte en een gele chrysanthemum vlak naast elkander. Op zekeren dag kwam een oude tuinman er langs, die een bijzondere voorliefde kreeg voor Vrouw Geel. Hij zeide haar, dat, als zij met hem mede wilde gaan, hij haar nog veel bekoorlijker zou maken, dat hij haar lekker voedsel zou geven en prachtige kleederen.
Vrouw Geel was zóó verrukt over wat de oude man zeide, dat zij haar witte zuster geheel vergat en er in toestemde, opgetild te worden, te worden gedragen in de armen van den ouden tuinman, en in zijn tuin te worden geplaatst.
Toen Vrouw Geel en haar meester vertrokken waren, weende Vrouw Wit bitter. Haar eigen eenvoudige schoonheid was geminacht; maar, wat nog veel erger was, zij was verplicht alleen in de weide achter te blijven, zonder met haar zuster, aan wie zij zoozeer was gehecht, te kunnen spreken.
Dag aan dag werd Vrouw Geel in den tuin van haar meester al schooner en schooner. Niemand zou nu de gewone veldbloem meer hebben herkend; maar hoewel haar bloemblaadjes lang en gekruld waren en haar bladeren zoo helder en goed verzorgd, dacht zij toch somtijds aan Vrouw Wit, die eenzaam op het veld stond, en verbaasde zij er zich over, hoe zij het uithield gedurende al die lange en eenzame uren.
Op zekeren dag kwam een dorpshoofd in den tuin van den ouden man, om een volmaakten chrysanthemum te zoeken, om dien naar zijn Heer te brengen als een schets voor zijn wapen5. Hij deelde den ouden man mede, dat hij Bladzijde 149geen mooien chrysanthemum noodig had met een aantal lange bloemblaadjes. Wat hij noodig had, was een eenvoudige witte chrysanthemum met zestien bloemblaadjes. De oude man nam het dorpshoofd mede, om Vrouw Geel te zien; maar die bloem beviel hem niet, en hij nam afscheid, na den tuinman voor zijn moeite te hebben bedankt.
Op den terugweg kwam hij bij toeval op een veld, waar hij Vrouw Wit zag weenen. Zij vertelde hem de droevige geschiedenis van haar verlatenheid, en toen zij haar treurig verhaal had geëindigd, zeide haar het dorpshoofd, dat hij Vrouw Geel had gezien, maar dat hij die niet half zoo mooi vond als haar. Na die bemoedigende woorden droogde Vrouw Wit haar oogen, en zij sprong zóó hoog op, dat zij bijna van haar voetjes afbrak, toen de vriendelijke man haar meedeelde, dat hij haar wilde hebben voor het wapen van zijn heer!
Een oogenblik later werd de gelukkige Vrouw Wit in een draagstoel weggevoerd. Toen zij het paleis van den daimio bereikte, prezen allen om het zeerst de merkwaardige volmaaktheid van haar vormen. Groote kunstenaars kwamen van verre en nabij, zaten naast haar en schetsten de bloem met de grootste bekwaamheid. Zij had spoedig geen spiegel meer noodig, want na niet langen tijd zag zij haar schoon, wit gelaat op de meest kostbare eigendommen van den Daimio. Zij zag het op zijn wapenrusting en op zijn doozen, met goudlak bedekt, op zijn dekens, kussens en kleeren. Als zij naar boven keek, kon zij haar gelaat zien in groote gebeeldhouwde paneelen. Zij werd geschilderd, als dreef zij een stroom af, en op alle mogelijke eigenaardige en schoone manieren. Iedereen was het er over eens, dat de witte chrysanthemum, met haar zestien bloemblaadjes, het mooiste wapen vormde van geheel Japan.
Terwijl het gelukkige gelaat van Vrouw Wit voor altijd vereeuwigd was op de bezittingen van den Daimio, was het lot, dat Vrouw Geel trof, diep beklagenswaardig. Zij had alleen voor zich zelf gebloeid en had den lof harer bezoekers Bladzijde 150even begeerig ingezogen als den dauw op haar fijn gekrulde bloemblaadjes. Op zekeren dag voelde zij echter een stijfheid in haar beenderen, en een vermindering van haar overmaat van levenskracht. Haar vroeger zoo trotsch hoofd viel voorover, en toen de oude man haar vond, tilde hij haar op en wierp haar op een hoop afval.

Shingé en Yosishawa bij de Violen-Bron
Kikuo (“Chrysanthemum-Oude-Man”) was de trouwe onderhoorige van Tsugaru. Op zekeren dag werd de strijdmacht van zijn meester vernietigd, en werden zijn kasteel en schoone landgoederen door den vijand in bezit genomen; maar gelukkig waren Tsugaru en Kikuo in staat, naar de bergen te ontsnappen.
Kikuo, die de liefde van zijn meester voor bloemen kende, en vooral voor den chrysanthemum, besloot die bloemen naar zijn beste vermogen te kweeken, en door zoo te handelen het verdriet en de vernedering van zijn meester in diens ballingschap iets te verminderen.
Die pogingen verheugden Tsugaru zeer, maar ongelukkig werd deze spoedig daarna ziek en stierf hij; de trouwe Kikuo weende over het graf van zijn meester. Daarna keerde hij weer naar zijn werk terug, en plantte chrysanthemums rondom het graf van zijn meester, totdat hij een rand van bijna dertig meter breedte gemaakt had, zoodat de roode, witte, rose, gele en bronskleurige bloesems hun welriekende geuren in de lucht verspreidden tot verwondering van allen, die toevallig dien weg uitkwamen.
Toen Kikuo omstreeks twee en tachtig jaar oud was, vatte hij koude en moest hij zijn nederige woning houden, waar hij ontzettende pijnen leed.
Op zekeren herfstnacht, toen hij wist, dat die geliefde bloemen, die aan zijn meester gewijd waren, op haar schoonst waren, zag hij in de veranda een aantal jonge Bladzijde 151kinderen. Toen hij ze aandachtig gadesloeg, zag hij, dat het geen kinderen van deze wereld waren.
Twee van die kleinen kwamen in de nabijheid van Kikuo en zeiden: “Wij zijn de geesten van uw chrysanthemums, en zijn hier gekomen om u te vertellen, hoezeer het ons spijt, dat gij ziek zijt. Gij hebt ons met zoo groote zorg bewaakt en liefgehad. Er was eens een man in China, Hozo genaamd, die achthonderd jaar oud werd door den dauw te drinken van de bloemen der chrysanthemums. Gaarne zouden wij uw dagen verlengen, maar helaas! de Goden hebben anders beschikt. Binnen dertig dagen zult gij sterven.”
De oude man uitte den wensch, dat hij in vrede mocht sterven en drukte zijn leedwezen uit, dat hij gedwongen was, al zijn chrysanthemums achter te laten.
“Luister” zeiden de jonge geesten: “wij hebben u allen liefgehad, Kikuo, om alles wat gij voor ons gedaan hebt. Als gij sterft, zullen ook wij sterven.” Nauwelijks hadden zij die woorden gesproken, of een windvlaag blies tegen de woning, en de geesten vertrokken.
Kikuo werd erger in plaats van beter, en op den dertigsten dag stierf hij. Toen bezoekers kwamen om de chrysanthemums te zien, die hij had geplant, was alles verdwenen. De dorpelingen begroeven den ouden man naast zijn meester, en in de meening, dat zij Kikuo genoegen deden, plantten zij chrysanthemums naast zijn graf; maar deze gingen allen dood, zoodra zij in den grond waren geplant. Over het graf groeit nu alleen gras. De kinderzielen der chrysanthemums praten en zingen en spelen met den geest van Kikuo.
Shingé en haar kameniers maakten een uitstapje naar de Vallei van Shimizutani, die tusschen de bergen Yoshino en Tsubosaka gelegen was. Shingé, vol van vreugde over de lente, liep naar de Violen-Bron, waar zij purperen, welriekende viooltjes in groote menigte ontdekte. Zij was juist Bladzijde 152op het punt de welriekende bloemen te plukken, toen een groote slang naderde, waarna zij onmiddellijk flauw viel.
Toen haar kameniers haar vonden, zagen zij, dat haar lippen purper gekleurd waren en dezelfde kleur hadden als de viooltjes, die haar omgaven, en toen zij de slang zagen, die zich nog in de nabijheid schuilhield, vreesden zij, dat haar meesteres zou sterven. Matsu had de tegenwoordigheid van geest, om haar mand bloemen naar de slang te werpen, die oogenblikkelijk wegkroop.
Op datzelfde oogenblik verscheen een schoone jongeling, en terwijl hij de meisjes zeide, dat hij geneesheer was, gaf hij Matsu een geneesmiddel, dat zij haar meesteres moest toedienen.
Terwijl Matsu Shingé de poeder in den mond bracht, nam de dokter een stok op, verdween enkele oogenblikken en kwam daarna terug met de doode slang in zijn handen. In dien tijd was Shingé weer bij kennis gekomen, en vroeg zij naar den naam van den geneesheer, die haar het leven had gered. Maar hij boog beleefd, ontweek haar vraag en nam toen afscheid. Alleen Matsu wist, dat de naam van den redder harer meesteres Yoshisawa was.
Toen Shingé naar huis was gebracht, werd zij erger in plaats van beter. De knapste geneesheeren kwamen aan haar bed, maar zij konden niets doen om haar weder gezond te maken.
Matsu wist, dat haar meesteres langzaam wegkwijnde van liefde voor den schoonen man, die haar leven had gered, en daarom besprak zei de zaak met haar meester Zembei. Matsu verhaalde hem, wat geschied was, en zeide, dat, hoewel Yoshisawa van nederige afkomst was, daar hij tot de Eta, de laagste kasten in Japan behoorde, die hun kost verdienen met dieren te dooden en te villen, hij toch bijzonder hoffelijk en welopgevoed was, en, wat vormen en optreden betreft, op een samurai geleek. “Niets”, zoo sprak Matsu, “zal uw dochter haar gezondheid teruggeven, als zij niet met dien schoonen geneesheer trouwt.” Bladzijde 153
Zoowel Zembei als zijn vrouw waren door die woorden terneergeslagen, want Zembei was een aanzienlijke daimio, en kon zelfs geen oogenblik het denkbeeld verdragen, dat zijn dochter iemand van de Eta-kaste zou huwen. Toch stemde hij er in toe, inlichtingen omtrent Yoshisawa in te winnen, en Matsu keerde naar haar meesteres terug met het bericht, dat de zaak niet geheel hopeloos stond. Toen Matsu Shingé had verhaald, wat haar vader voornemens was ten hare behoeve te doen, nam zij merkbaar in beterschap toe, en was zij in staat weer voedsel tot zich te nemen.
Toen Shingé bijna hersteld was, ontbood Zembei haar en zeide, dat hij een nauwkeurig onderzoek omtrent Yoshisawa had ingesteld, en dat hij onder geen omstandigheden zijn toestemming kon geven tot een huwelijk met dezen.
Shingé weende bitter, en langen tijd peinsde zij met een treurig gemoed over haar verdriet. Den volgenden morgen was zij noch in huis, noch in den tuin te vinden. In alle richtingen werd naar haar gezocht; zelfs Yoshisawa zocht overal naar haar; maar zij die haar zochten, vonden haar nergens. Geheimzinnig was zij verdwenen, beladen met een verdriet zóó ontzettend groot, dat haar vader zich nu eerst rekenschap gaf van zijn wreede beslissing.
Na drie dagen werd zij gevonden op den bodem der Violen-Bron, en korten tijd daarna maakte Yoshisawa, door droefheid overstelpt, op dezelfde wijze een einde aan zijn leven. Men verhaalt, dat men gedurende stormachtige nachten den geest van Shingé op de bron ziet drijven, terwijl men in de nabijheid het geluid hoort van het kermen van Yoshisawa.
“Hernieuwing, o hernieuwing van Natuur en Leven!
O Bron verrijs! De Lotusknoppen splijten, ’t hart geopend,
En zingen ’t luide uit: “Namu Amida!”
Yone Noguchi.
De lotus is de heilige bloem van het Buddhisme. Daar hij groeit uit de modder, en zijn steel door het water opkweekt, Bladzijde 154en er uit zulk een duister en slijkachtig begin een liefelijke bloem wordt voortgebracht, is de lotus vergeleken met een deugdzaam man, die in deze zondige wereld leeft. Dat de bloem voortdurend als zinnebeeld wordt gebruikt, schijnt, zoo zegt Sir Monier Williams, het gevolg te zijn van het feit, dat de bloem de vorm heeft van een wiel, waar de bloemblaadjes de plaats van spaken innemen, zoodat hierin is uitgedrukt de leer der eeuwigdurende kringen van het bestaan. Buddha wordt dikwijls uitgebeeld zittende of staande op een gouden lotus, en de bloem herinnert ons aan de Buddhistische sutra, die bekend staat als de “Lotus der Goede Wet”.
Lafcadio Hearn beschrijft de lotus van het Paradijs aldus: “Zij tuinieren, die bekoorlijke wezens!—Zij liefkoozen de lotusknoppen, terwijl zij hun bloemblaadjes met iets hemelsch besprenkelen, dat haar bloei bevordert. En wat voor lotusknoppen, met kleuren niet van deze wereld. Sommige zijn opengesprongen; en in hun lichtende harten, in een glans als dien van den dauw, zijn kleine, naakte kindertjes gezeten, ieder met een kleinen lichtkrans. Dit zijn Zielen, nieuwe Buddha’s, hotoke geboren tot gelukzaligheid. Sommigen zijn zeer, zeer klein; andere zijn iets grooter; alle schijnen zichtbaar te groeien, want hun bekoorlijke voedsters voeden hen met iets ambrozijns. Ik zie er één die zijn lotuswieg heeft en door een hemelschen Jizō geleid wordt naar de hoogere verwijderde heerlijkheid”.
Tot zoover de hemelsche lotus en zijn nauwe betrekking tot het Buddhisme. In de volgende legende zien wij, hoe de bloem de tooverkracht bezit, om kwade geesten weg te houden.
In Kyōto brak een epidemische ziekte uit, waaraan duizenden menschen bezweken. De ziekte verspreidde zich tot Idzumi, waar de Edele Koriyama woonde, en Koriyama, zijn vrouw en kind, werden door de ziekte aangetast.
Op zekeren dag ontving Tada Samon, een hooggeplaatst ambtenaar in het kasteel van Koriyama, een bezoek Bladzijde 155van een yamabushi of kluizenaar op een berg. Die man was zeer onder den indruk van de ziekte van Koriyama, en zich tot Samon wendend zeide hij: “Al die ellende is het gevolg van het binnenkomen van booze geesten in het kasteel. Ze zijn gekomen, omdat de grachten rondom het kasteel droog zijn en geen lotus bevatten. Als die grachten dadelijk met die heilige bloem beplant waren, zouden de booze geesten vertrekken, en zouden uw meester, zijn vrouw en kind weer herstellen.”
Samon was zeer getroffen door die verstandige woorden, en dien kluizenaar werd verlof gegeven, lotus om het kasteel te planten. Toen hij zijn taak had volbracht, vertrok hij op geheimzinnige wijze.
Binnen een week was zoowel de Edele Koriyama, als zijn vrouw en kind in staat op te staan en hun gewone bezigheden te hervatten; immers toen waren de wallen hersteld, de grachten gevuld met zuiver water, dat de knikkende knoppen van tallooze lotusbloemen weerkaatste.
Vele jaren later, nadat ook de Edele Koriyama gestorven was, kwam toevallig een jeugdige samurai langs de grachten van het kasteel. Met bewondering zag hij naar die bloemen, toen hij plotseling twee bijzonder schoone knapen zag spelen aan den oever van het water. Hij was juist op het punt, hen naar een veiliger plaats te brengen, toen zij in de lucht sprongen en bij hun val onder het water verdwenen.
De verbaasde samurai, die in de meening verkeerde, dat hij een paar kappa’s,7 of booze watergeesten had gezien, trok zich haastig naar het kasteel terug en vertelde daar zijn vreemd avontuur. Toen hij zijn verhaal had gedaan, werden de grachten afgedregd en schoongemaakt, maar niets van de verwachte kappa’s kon worden ontdekt.
Een tijd later zag een andere samurai, Murata Ippai, bij denzelfden lotus een aantal schoone knaapjes. Hij trok zijn zwaard en sloeg op hen in, terwijl hij den krachtigen Bladzijde 156geur van die heilige bloem inademde bij iederen slag van zijn zwaard. Toen Ippai om zich heen zag, om te zien, hoeveel van die vreemde wezentjes hij had gedood, steeg een wolk van de meest verschillende kleuren voor hem op, een wolk, die met een fijnen straal op zijn gelaat viel.
Daar het te duister was om zich met zekerheid te vergewissen van den aard en den omvang van zijn slachting, bleef Ippai den geheelen nacht op die plek. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zag hij met groote afschuw dat hij alleen de koppen van een aantal lotusbloemen had afgehakt. Daar hij wist, dat die weldadige bloem het leven van den Edelen Koriyama had gered, en nu dat van zijn zoon beschermde, werd Ippai met schaamte en berouw vervuld. Na een gebed gezegd te hebben aan den oever van het water, pleegde hij hara-kiri.
Het was vastgesteld, dat Prinses Aya zou huwen met den tweeden zoon van den Edelen Ako. Alle schikkingen waren overeenkomstig de gebruiken in Japan geheel genomen zonder de goedkeuring of toestemming der beide betrokken partijen.
Op zekeren avond wandelde Prinses Aya in den grooten tuin bij haar woning, vergezeld van haar kameniers. De maan scheen helder op haar geliefkoosd perk met pioenrozen naast een vijver, en hulde de welriekende bloesems in een zilveren glans. Hier bleef zij toeven en bukte zij om den geur van die bloemen in te ademen, toen haar voet uitgleed, en zij zou gevallen zijn, als niet een schoone jonge man, gekleed in een gewaad met geborduurde pioenrozen, haar bijtijds had opgevangen. Hij verdween even snel en geheimzinnig als hij gekomen was, voordat zij tijd had hem te danken.
Het gebeurde nu, dat Prinses Aya kort na die gebeurtenis ernstig ziek werd, zoodat de dag van haar huwelijk moest worden uitgesteld. De geneeskundige hulp, die Bladzijde 157werd ingeroepen, was niet in staat, het koortsachtige meisje weer haar gezondheid te doen herwinnen.
De vader van Prinses Aya vroeg de meest geliefde kamenier van zijn dochter, Sadayo, of zij op die droevige geschiedenis eenig licht kon werpen.
Sadayo, hoewel zij tot nu toe tot geheimhouding verplicht was, voelde nu, dat de tijd was gekomen, dat het niet alleen verstandig, maar dringend noodzakelijk was, om alles te vertellen, wat zij omtrent die zaak wist. Zij deelde haar meesteres mede, dat Prinses Aya in vurige liefde was ontstoken voor den jongen samurai, die het gewaad droeg, waarop pioenrozen geborduurd waren; en zij voegde er aan toe, dat zij vreesde, dat, als hij niet kon worden gevonden, haar jonge meesteres zou sterven.
Toen dien avond een beroemd muziekspeler de biwa bespeelde in de hoop, de zieke Prinses aangenaam bezig te houden, verscheen weer achter de pioenrozen dezelfde jonge man in hetzelfde zijden gewaad.
Ook den volgenden avond, terwijl Yae en Yakumo op de fluit en op de koto speelden, verscheen de jonge man weer.
De vader van Prinses Aya besloot nu de zaak met groote zorg na te gaan, en beval daartoe Maki Hiogo, zich in het zwart te kleeden en zich den volgenden avond te verbergen in het perk met pioenrozen.
Toen de volgende avond aanbrak, verborg zich Maki Hiogo tusschen de pioenrozen, terwijl Yae en Yakumo liefelijke muziek maakten. Niet lang nadat de muziek weerklonk, verscheen de geheimzinnige samurai weer. Maki Hiogo kwam uit zijn schuilplaats te voorschijn, met zijn armen stevig om zijn vreemden bezoeker geslagen. Het scheen, alsof uit zijn gevangene een wolk stroomde. Dit maakte hem duizelig, zoodat hij op den grond viel; maar nog altijd hield hij den schoonen samurai stevig vast.
Juist toen een troep soldaten zich haastig naar die plek begaven, kreeg Maki Hiogo het bewustzijn terug. Hij zag naar beneden, in de verwachting zijn gevangene te zien. Bladzijde 158Maar alles wat hij in zijn armen hield, was een groote pioenroos!
Op dat oogenblik voegden zich Prinses Aya en haar vader bij de verbaasde groep en Vorst Naizen-no-jo begreep oogenblikkelijk den toestand. “Ik zie nu”, zoo sprak hij, “dat de geest van de pioenroos een oogenblik geleden en ook bij vroegere gelegenheden de gedaante van een jongen en schoonen samurai heeft aangenomen. Mijn dochter, gij moet die bloem nemen en haar met groote goedheid behandelen.”
Prinses Aya behoefde geen nadere verklaring te krijgen. Zij keerde naar huis terug, plaatste de pioenroos in een vaas, en plaatste die naast haar bed. Met den dag werd zij beter, terwijl haar bloem prachtig bloeide. Toen Prinses Aya volkomen hersteld was, kwam de Edele Ako naar het kasteel, met zijn tweeden zoon bij zich, die met de Prinses zou huwen. Na korten tijd werd het huwelijk gesloten, maar op datzelfde oogenblik was de prachtige pioen roos dood. Bladzijde 159
1 Men raadplege hierover, Florence du Cane, Bloemen en Tuinen van Japan.
2 Schrijver van verschillende werken over Bloemen in Japan.
3 Hara-kiri of seppuku is de uitdrukking, die onder de klasse der samurai voor zelfmoord wordt gebruikt. Voor nadere bijzonderheden zie men “Sprookjes van het Oude Japan”, door A.B. Mitford (Lord Redesdale).
4 Tot in onzen tijd gelooven de Japansche boeren aan den Haas in de Maan. Dit dier brengt zijn tijd door met het fijnstampen van rijst in een mortier en het maken van koeken daarvan. De oorsprong van dit denkbeeld moet waarschijnlijk in een woordspelling gezocht worden, immers “rijstkoek” en “volle maan” worden beide uitgedrukt door het woord mochi.
5 De Chrysanthemum met zestien bloembladeren is één van de wapens der Keizerlijke familie, terwijl het andere de bloemen en de bladeren van de Paulownia voorstelt. Het zijn in Japan niet alleen de aanzienlijken, die een wapen voeren. Het wapen wordt nog altijd gedragen op het bovengedeelte van hun oorspronkelijke kleeding, aan iederen kant van de borst, op beide mouwen en achter op den nek. Bij voorkeur worden de teekeningen ontleend aan vogels, het bamboe, waaiers, Chineesche letters, enz.
6 Dit verhaal en de volgende van dit Hoofdstuk zijn ontleend aan “Oude Sproken en Folklore van Japan,” door R. Gordon Smith.
7 Zie over kappa’s: hoofdstuk XXIX.
“Op zekeren dag redetwistten Kinto Fujiwara, Opperste Raadadviseur en de minister van Uji over de vraag, welke bloem de schoonste was onder de lente- en herfstbloemen. De minister beweerde, dat de Kers de schoonste was van de lentebloemen, de Chrysanthemum van de herfstbloemen. Daarop zeide Kinto, ‘hoe kan nu de kersen-bloesem het schoonst zijn? Gij hebt de pruim vergeten.’ Hun twistgesprek beperkte zich ten slotte tot de voortreffelijkheid van Kers en Pruim, terwijl aan andere bloemen weinig aandacht werd geschonken. Eindelijk werd Kinto, die den minister niet wilde hinderen, minder heftig in zijn betoog dan te voren, maar zeide: ‘Welnu, hetzij dan zoo: nemen wij dan aan, dat de Kers de schoonste van de twee is; maar als gij eens den bloesem van de Roode Pruim bij het aanbreken van een lentedag in de sneeuw hebt gezien, zult gij niet langer haar schoonheid vergeten.’ Dit was werkelijk een kiesch en vriendelijk gezegde”.
“De Tuin van Japan”, door F.T. Piggott.
De schitterendste bloemenpracht wordt in Japan aangetroffen in de maand April, zoodra de kersen in bloei komen, en zooals wij in de bovenstaande aanhaling hebben gezien, zijn het de kers en de pruim, die in de eerste plaats de gunst der Japanners genieten. De dichter Motoöri schrijft: “Indien iemand u zou vragen naar het hart van een echten Japanner, wijs dan naar den wilden kersenbloesem in de zon”, en Lafcadio Hearn heeft met een echt poëtisch inzicht den kersenbloesem van Japan vergeleken met een zachten zonsondergang, die als het ware uit de lucht is afgedaald en om de bladerlooze takken is blijven hangen.
De werkelijk groote wonderen der natuur zijn in staat, bij hen, die voldoende gevoel hebben voor het schoone, een niet te omschrijven verlangen achter te laten, een verdriet, dat zooveel liefelijkheid weer verloren moet gaan; en dat zachte gevoel van smart, vermengd met de verrukking, wordt gemakkelijk in veel van de Japansche poëzie ontdekt. Het is een feit, waar wel de nadruk op mag worden gelegd, omdat het een gemoedsgesteldheid openbaart, Bladzijde 160die rijk voorzien is van een buitengewone liefde voor het schoone, dat smachtend verlangen naar een bloemblaadje, dat nooit verdort, een kleur, die nooit verbleekt. Korunushi zong aldus:
De meest verstarde mensch slaakt toch nog wel een zucht,
Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht,
Van kersenbloesems dor. Die bloesems teer en fijn.
Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn”!
Naar B.H. Chamberlain.
De hoogste lof, dien Japan aan de kers heeft gebracht, is deze: “De kersenboomen in de dorpen, gelegen in het verwijderde gebergte moesten hun bloesems terughouden totdat de bloemen in de stad verwelkt zijn, immers dan zou het volk naar buiten trekken om ook die te zien.” De schoonheid van een Japansche vrouw wordt dikwijls in verband gebracht met den bloesem der kersen, terwijl haar deugd wordt vergeleken met den bloesem der pruimen.
De Kostbare-Camelia van Yaegaki, met haar dubbelen stam en ontzaglijken top is reeds zeer oud en wordt als zóó heilig beschouwd, dat zij omgeven is door een schutting en dat steenen lampen daar omheen worden geplaatst. De eigenaardige gedaante van den boom, met zijn dubbelen stam, die weer in het midden samengroeit, heeft het aanzijn geschonken aan het geloof, dat die buitengewone boom het symbool is van een gelukkig huwelijksleven, en bovendien, dat goede geesten er in wonen, die altijd bereid zijn, de vurige gebeden van minnaars te verhooren.
De cameliaboom is niet altijd goed gezind. Er is een legende omtrent een boom van die soort, die in den nacht in den tuin van een samurai te Matsue rondwandelde. De vreemde en onvermoeide wandelingen van den boom werden zóó talrijk, dat ten laatste de boom werd neergehouwen en men zegt, dat hij, toen hij neerviel, een stroom van bloed uitspoot. Bladzijde 161
Een andere boom, die hoog vereerd wordt, is de indrukwekkende cryptomeria, en er is een van die boomen, die zich uitstrekt van Utsunomiya tot Nikkō, een afstand van ruim dertig kilometers. Één van die boomen heeft een middellijn van twee meters; men verhaalt, dat deze geplant is “door een deputatie, die achthonderd Buddhistische nonnen uit de provincie Wakasa vertegenwoordigde.” In een verder gedeelte van dit hoofdstuk geven wij een legende, die met dien bijzonderen boom in betrekking staat.
In den tuin van de groote hakaba (kerkhof) der Kwannondera staat een pijnboom, die rust op vier groote wortels, welken den vorm hebben van reusachtige voeten. In de nabijheid van dien boom vindt men een schutting, een altaar en een aantal torii. Voor het altaar rusten miniatuurpaardjes, van stroo vervaardigd. Dit zijn offers aan Kōshin, den God der Wegen, als bede, dat de werkelijke paarden, waarvan zij het symbool zijn, bewaard mogen blijven voor dood of ziekte. De pijnboom staat echter niet altijd in verband met Kōshin. Hij kan met recht beschreven worden als de meest huiselijke Japansche boomen, want hij neemt een in het oog vallende plaats in bij het Nieuwjaarsfeest1—een boom, die aan de tuindeur moet worden geplant, omdat hij geacht wordt geluk te brengen, en vooral gelukkige huwelijken.
Zooals wij in de volgende legenden zullen zien, is meer dan één der Japansche boomsoorten bedeeld met bovennatuurlijke macht. Er is een boomgeest, bekend als Ki-no-o-baké, die in staat is rond te wandelen en verschillende vormen aan te nemen. De boomgeest spreekt slechts weinig, en als hij gestoord wordt, verdwijnt hij in den stam Bladzijde 162of tusschen de bladeren. De geest van den God Kōjin2 huist in den enoki-boom aan dien God zijn alle oude kinderpoppen gewijd.
Prinses Hinako-Nai-Shinnō verzocht, dat haar kastanjes zouden worden voorgezet; maar zij nam er slechts één, beet daarop en wierp die weg. Deze schoot wortel, en op alle kastanjes, die later daaruit voortkwamen, stonden de afdrukken van de kleine tandjes der Prinses. De kastanjeboom had, toen hij haar bij haar dood wilde vereeren, zijn toewijding op die wijze geopenbaard.
Keizer Go-Toba, die een vreeselijken hekel had aan het kwaken van kikvorschen, werd op zekeren dag gehinderd door een pijnboom, die door den wind werd bewogen. Nadat Zijne Majesteit den boom luide had bevolen, stil te zijn, bewoog zich de pijnboom nooit meer één enkel oogenblik. Die gehoorzame boom was zóózeer onder den indruk van het bevel, dat de hevigste wind niet alleen de takken niet bewoog, maar zelfs de duizenden dennenaalden volkomen onbewegelijk liet.
“Ik hoorde van ’t magische wierook, dat oproept de ziel van wie weg is;
Ach, kon ik wat daarvan branden, ’s nachts, als ik eenzaam moet wachten.”
Uit het Japansch.
In een zeker Japansch dorp groeide een groote wilgeboom. Geslacht na geslacht werd die door het volk vereerd. In den zomer was hij een rustplaats, een plaats, waar de dorpelingen bijeen kwamen, nadat de inspanning en de hitte van den dag voorbij waren, en waar zij bleven Bladzijde 163praten, totdat het maanlicht door de takken scheen. In den winter was hij als een half geopend zonnescherm, dat bedekt was met fonkelende sneeuw.
Heitaro, een jeugdige landbouwer, woonde vlak bij den boom, en daardoor was hij nog meer dan één van zijn makkers in innige gemeenschap gekomen met den statigen wilgeboom. De boom was bijna het eerst wat hij bij zijn ontwaken zag, en als hij van zijn werk op zijn akkers naar huis terugkeerde, zag hij steeds met verlangen uit naar zijn bekende gedaante. Dikwijls brandde hij een stuk hout onder zijn takken, en knielde daar neder om te bidden.
Op zekeren dag kwam een oud man uit dat dorp naar Heitaro, en vertelde hem, dat de dorpsbewoners een brug over de rivier wilden bouwen, en dat zij er bijzonder opgesteld waren, den grooten wilgeboom voor timmerhout te gebruiken.
“Voor timmerhout?” zeide Heitaro, terwijl hij zijn gelaat in zijn handen verborg. “Mijn geliefde wilgeboom voor een brug, die onophoudelijk het trappelen van voeten zal moeten dulden! Nooit, nooit, oude man!”
Toen Heitaro eenigszins zijn kalmte had teruggekregen, bood hij den ouden man sommige van zijn eigen boomen aan, als hij en de dorpsbewoners die voor timmerhout wilden aannemen en den ouden wilgeboom wilden sparen.
De oude man nam gaarne dit aanbod aan, en de wilgeboom bleef in het dorp staan, zooals hij reeds zoovele jaren gestaan had.
Toen Heitaro op zekeren avond onder den grooten wilgeboom zat, zag hij plotseling een prachtig meisje dicht naast hem staan, die bedeesd naar hem keek, alsof zij hem wilde toespreken.
“Achtbare dame”, zoo sprak hij, “ik zal naar huis gaan. Ik zie, dat gij op iemand wacht. Heitaro is niet onvriendelijk jegens hen, die liefhebben.
“Hij komt nu niet meer”, antwoordde het meisje lachend. Bladzijde 164
“Zou zijn liefde bekoeld zijn? Ach, hoe vreeselijk is het, dat een onechte liefde komt, en asch, en een graf achterlaat?”
“Zijn liefde is niet bekoeld, waarde heer.”
“En toch komt hij niet? Wat voor een vreemde mysterie is dit?”
“Hij is gekomen! Zijn hart is altijd hier geweest, hier onder dezen wilgeboom.” En met een stralenden glimlach verdween het meisje.
Nachten achter elkander kwamen zij onder den ouden wilgeboom samen. De bedeesdheid van het meisje was geheel verdwenen, en het scheen wel, alsof zij van de lippen van Heitaro niet genoeg lof kon hooren over den wilgeboom, waaronder zij zaten.
Op zekeren avond zeide hij tot haar: “Lieve kleine, wilt gij mijn vrouwtje worden—gij, die van den boom zelf af komstig schijn te zijn?”
“Ja,” zeide het meisje. “Noem mij Higo (‘Wilg’) en vraag, ter wille van uw liefde voor mij, niet verder. Ik heb noch vader, noch moeder, en de dag zal komen, dat gij het zult begrijpen.”
Heitaro en Higo huwden, en na verloop van tijd werd hun huwelijk gezegend met een kind, dat zij Chiyodō noemden. Hun woning was eenvoudig, maar de bewoners van het huisje waren de gelukkigste menschen van geheel Japan.
Terwijl dit gelukkige paar hun verschillende werkzaamheden verrichtten, kwam er groot nieuws in het dorp. De dorpelingen waren er vol van, en het duurde dan ook niet lang, of het bereikte de ooren van Heitaro. De oud-Keizer Toba wilde in Kyōto een tempel bouwen gewijd aan Kwannon4, en zij, die daarover te zeggen hadden, zonden wijd en zijd om timmerhout. De dorpelingen zeiden, dat zij tot de oprichting van het heilige gebouw moesten bijdragen, door hun grooten wilgeboom aan te bieden. Alle redeneeringen, alle overreding en alle beloften, dat hij Bladzijde 165andere boomen zou leveren, waren vruchteloos, want noch hij, noch iemand anders kon een zóó grooten en schoonen boom schenken als den grooten wilgeboom.
Heitaro ging naar huis en vertelde de zaak aan zijn vrouw: “Ach, vrouwtje”, zoo sprak hij, “zij zijn op het punt onzen dierbaren wilgeboom te vellen! Voordat ik met u gehuwd was, zou ik het niet hebben kunnen verdragen. Naar nu ik u bezit, kleintje, zal ik er misschien ter eeniger tijd overheen komen”.
Dien nacht werd Heitaro gewekt door het hooren van een doordringenden kreet. “Heitaro” zeide zijn vrouw, “het wordt donker!” De kamer is vol gefluister. Zijt gij daar, Heitaro? Luister? Zij vellen den wilgeboom. Zie, hoe zijn schaduw in het maanlicht siddert. Ik ben de ziel van den wilgeboom! De dorpelingen dooden mij. O, hoe hakken en trekken zij mij in stukken! Beste Heitaro, wat een pijn, wat een pijn! Leg uw handen hier, en hier. Nu kunnen de slagen toch niet vallen, niet waar?”
“Mijn Wilgevrouwtje! Mijn Wilgevrouwtje!” snikte Heitaro.
“Beste man”, zeide Higo, met zacht stem, terwijl zij haar vochtig, met den dood worstelend gelaat tegen het zijne aandrukte: “Ik ga u verlaten. Een liefde als de onze kan niet worden uitgeroeid, hoe hard de slagen ook neerkomen. Ik zal op u en Chiyodō wachten—Mijn haar valt door de lucht neer! Mijn lichaam breekt!”
Buiten werd een luid gekraak gehoord. De groote wilgeboom lag met zijn groene bladeren ordeloos over den grond. Heitaro keek rond naar haar, die hij meer liefhad dan iets op de wereld. Wilgevrouwtje was verdwenen!
In oude tijden stond op den top van den Oki-yama een tempel, gewijd aan Fudo, een god, omgeven door vuur, met een zwaard in de ééne hand en een touw in de andere. Twintig jaar lang had Yenoki zijn taak vervuld, en één Bladzijde 166van zijn verplichtingen was, Fudo te bewaken, die in een altaar zat, dat alleen toegankelijk was voor den hoogepriester zelf. Gedurende al dien tijd had Yenoki getrouw zijn verplichtingen vervuld, en had hij weerstand geboden aan de verleiding, haastig een blik te slaan op dien bijzonder leelijken God. Toen hij nu op zekeren morgen zag, dat de deur van het altaar niet volkomen gesloten was, werd zijn nieuwsgierigheid hem te machtig en sloeg hij even een blik naar binnen. Nauwelijks had hij dit gedaan, of hij werd stekeblind aan één oog, en onderging de vernedering, dat hij in een tengu5 veranderde.
Na die betreurenswaardige gebeurtenis leefde hij nog een jaar lang, maar daarna stierf hij. Zijn geest ging over in een grooten cryptomeria-boom, die aan de oostelijke helling van den berg stond, en van dien tijd af werd de geest van Yenoki aangeroepen door de zeelieden, die door stormen op de Chineesche Zee werden geteisterd. Als een licht van den boom helder brandde als antwoord op hun gebeden, dan was dat een vast teeken, dat de storm zou gaan liggen.
Aan den voet van den Oki-yama was een dorp, waar de jongelieden, het is treurig te vermelden, slap waren in hun zedelijke opvattingen. Gedurende het Doodenfeest voerden zij dansen uit, bekend als de Bon Odori. Die dansen werden woest uitgevoerd en gingen vergezeld van vurige en onzedelijke lief koozingen. Naarmate de jaren voortgingen, werden de dansen hoe langer hoe bandeloozer, en het dorp kreeg een slechten naam wegens de onzedelijke handelingen door het jonge volk gepleegd.
Na een bijzonder woeste viering van de Bon trok een jong meisje, Kimi genaamd, uit, om haar minnaar, Kurosuke, op te sporen. In plaats van hem te zien, zag zij een jongeling, die er bijzonder goed uit zag en haar toelachte en voortdurend wenkte. Kimi vergat Kurosuke geheel en al; ja zelfs, van dat oogenblik af haatte zij hem en volgde Bladzijde 167zij met innig verlangen den haar verlokkenden jongeling. Negen schoone, doch slechte meisjes verdwenen op dergelijke wijze uit het dorp, en het was altijd dezelfde jongeling, die haar op die geheimzinnige wijze van den goeden weg lokte.
De ouderen van het dorp overlegden de zaak samen, en kwamen tot de gevolgtrekking, dat de geest van Yenoki vertoornd was over de buitensporigheden, die in verband stonden met het Bonfeest, en dat die geest de gedaante van een schoonen jongeling had aangenomen, met het doel een strenge vermaning toe te dienen. De Heer van Kishiwada ontbood dus Sonobé bij zich, en beval hem te reizen naar den grooten cryptomeria-boom op Oki-Yama.
Toen Sonobé zijn bestemming had bereikt, sprak hij den ouden boom aldus toe: “O, verblijfplaats van den geest van Yenoki, ik beschuldig u er van, dat gij onze dochters hebt weggevoerd. Als dit zoo voortgaat, zal ik den boom omhakken, zoodat gij genoodzaakt zult zijn, een andere verblijfplaats voor u te zoeken.”
Nauwelijks had Sonobé gesproken, of de regen begon te vallen, en hij hoorde het gerommel van een hevige aardbeving. Daarna verscheen plotseling uit den boom de geest van Yenoki. Hij vertelde, dat een aantal van de jongelieden uit het dorp van Sonobé door hun wangedrag hadden gezondigd tegen de Goden, en dat hij, zooals ondersteld was, den vorm had aangenomen van een schoonen jongeling, ten einde de voornaamste der slechte meisjes te verwijderen. “Gij zult ze aan boomen gebonden vinden op den tweeden top van dezen berg”, zoo voegde de geest van Yenoki er aan toe. “Ga, bevrijd ze, en geef haar verlof, naar het dorp terug te keeren. Zij hebben niet alleen berouw over haar dwaasheden, maar zullen ook haar invloed op anderen uitoefenen, om een edeler en reiner leven te leiden.” En na die woorden te hebben gesproken, verdween weer Yenoki in zijn boom.
Sonobé begaf zich naar den tweeden top van den berg Bladzijde 168en bevrijdde de meisjes. Zij keerden naar haar woningen terug als deugdzame en plichtgetrouwe dochters, en van dien dag af tot heden toe zijn de Goden zeer tevreden geweest over het gedrag der inwoners van het dorp, dat gelegen is aan den voet van den Oki-Yama.
Tijdens de regeering van Keizer Go-Fukakusa leefde er een beroemd Rijksbestuurder, Saimyoji Tokiyori. Toen hij dertig jaar oud was, trok hij zich terug naar een klooster, waar hij verscheidene jaren vertoefde. Daar werd dikwijls zijn gemoedsvrede verstoord door verhalen van boeren, die leden onder de behandeling, die zij van tyrannieke ambtenaren ondervonden. Tokiyori echter voelde bijzonder veel voor de welvaart van zijn volk, en nadat hij de zaak met groote zorg had onderzocht, besloot hij, zich te vermommen, van de ééne plaats naar de andere te reizen, en op de meest nauwgezette wijze te trachten, het hart der armen te leeren kennen, en later alles in het werk te stellen, om de slechte practijken der verschillende ambtenaren te onderdrukken.
Dien ten gevolge vertrok Tokiyori uit op zijn uitnemende zending, en kwam ten slotte te Sano, in de provincie Kozuki. Het was toen in den wintertijd, en een vreeselijke sneeuwstorm was oorzaak, dat de aanzienlijke wandelaar het spoor bijster werd. Na dood vermoeid uren lang te hebben rondgezworven in de hoop een schuilplaats te vinden, was hij juist van plan zich in het onvermijdelijke te schikken en onder een boom te gaan slapen, toen hij tot zijn groote vreugde een met stroo bedekt huisje zag, dat niet op grooten afstand aan den voet van een heuvel stond. Hij ging naar dat huisje toe, en vertelde de vrouw, die hem begroette, dat hij verdwaald was, en dat hij haar zeer dankbaar zou zijn, als zij hem gedurende dien nacht een schuilplaats zou willen verleenen. De brave vrouw zeide hem, dat het, daar haar echtgenoot van huis was, niet gepast voor haar, als zijn echtgenoote, zou zijn, een Bladzijde 169schuilplaats in haar woning aan een vreemdeling te verleenen. Niet alleen dat Tokiyori dit antwoord niet kwalijk nam, maar hij was bijzonder verheugd, niettegenstaande hij den ganschen nacht in de sneeuw zou moeten doorbrengen, dat hij een zoo deugdzame vrouw aantrof. Maar hij had zich nog niet ver van het huisje verwijderd, toen hij een man hem hoorde roepen. Kokiyori bleef stilstaan, en dadelijk zag hij, dat iemand hem wenkte. De man zeide, dat hij de echtgenoot was van de vrouw, dien de vroegere Rijksbestuurder juist had verlaten, en noodigde hem, dien hij voor een rondreizend priester aanzag, uit, met hem terug te keeren, en gebruik te maken van de slechts eenvoudige gastvrijheid, die hij hem kon aanbieden.
Toen Tokiyori in de kleine woning gezeten was, werd hem een eenvoudig maal voorgezet, en daar hij sedert den vorigen morgen niets had gebruikt, deed hij het maal alle eer aan. Maar het feit, dat hem wel gierst, maar geen rijst werd voorgezet, bewees den opmerkzamen Tokiyori voldoende, dat in dat gezin wel armoede heerschte, maar dat daarmede een milddadigheid gepaard ging, die hem in het hart greep. En dit was nog niet alles, immers toen de maaltijd was afgeloopen, gingen zij samen om het vuur zitten, dat op het punt was uit te gaan bij gebrek aan brandstof. De brave huisheer keek in den bak, die de brandstof moest bevatten. Maar helaas! de bak was leeg! Zonder een oogenblik te aarzelen ging hij naar den tuin, die diep onder de sneeuw bedolven was, en bracht drie potten met dwergboompjes mede naar binnen, een pijnboom, een pruimeboom en een kerseboom. Nu moet men weten, dat dwergboompjes in Japan op hooge waarde worden geschat; groote zorg en veel tijd wordt daaraan besteed, en hun ouderdom en bijzondere schoonheid hebben hen dierbaar gemaakt aan de bevolking van Nippon. In weerwil van het verzet van Tokiyori, hakte zijn gastheer die boompjes klein en maakte zoo een vroolijk vuurtje.
Dit tooneel, dat nauwelijks door een westerling op zijn Bladzijde 170juiste waarde kan worden geschat, bracht er Tokiyori toe, zijn gastheer te ondervragen, vooral daar het bezit van die kostbare boompjes bij hem een krachtig vermoeden wekte, dat die edelmoedige man geen landbouwer van geboorte was, maar dat beroep had gekozen ten gevolge van bijzondere omstandigheden. De Oud-Rijksbestuurder bleek volkomen juist te hebben vermoed, en zijn gastheer vertelde met eenigen tegenzin, dat hij een samurai was, en dat hij Sano Genzalmon Tsuneyo heette. Hij was verplicht geweest, zich aan den landbouw te wijden ten gevolge van de oneerlijkheid van één van zijn bloedverwanten.
Tokiyori herinnerde zich inderdaad den naam van dien samurai, en sprak de meening uit, dat hij zich tot de regeering moest wenden, om herstel van het geleden onrecht te vragen. Sano zeide, dat, aangezien de goede en rechtvaardige bestuurder gestorven was (dit dacht hij namelijk) en aangezien zijn opvolger nog zeer jong was, hij het als een hopeloos pogen beschouwde, een verzoekschrift in te dienen. “Maar in weerwil hiervan”, zoo zeide hij tot zijn belangstellenden gast, die met de grootste oplettendheid toeluisterde, “zal ik, als er ooit een te wapen roepen zal plaats hebben, de eerste zijn om in Kamakura te verschijnen. Juist die gedachte, dat misschien nog eens de dag zal aanbreken, dat ik mijn vaderland van nut kan zijn, heeft de dagen van mijn armoede verlicht.”
Het gesprek, dat hier door ons slechts in korte woorden is geschetst, nam in werkelijkheid geruimen tijd in beslag en toen het geëindigd was, was reeds een nieuwe dag aangebroken. En toen de tochtdeuren waren opengezet, bleek, dat het zonlicht zich over een sneeuwvlakte uitspreidde. Voordat hij afscheid nam, bedankte Tokiyori zijn gastheer en gastvrouw hartelijk voor hun gastvrijheid. Toen de vriendelijke bezoeker vertrokken was, herinnerde hij zich plotseling, dat hij vergeten had, navraag te doen naar den naam van zijn gast.
Toevallig had er de volgende lente een te wapen roepen Bladzijde 171plaats door het gouvernement te Kamakura. Zoodra Sano het verblijdende nieuws had gehoord, begaf hij zich op weg, om aan dien oproep gehoor te geven. Zijn wapenrusting was uiterst haveloos, zijn hellebaard was met roest bedekt, en zijn paard verkeerde in een treurigen toestand. Hij maakte een treurig figuur onder de schitterende ridders, die hij in Kamakura aantrof. Een aantal van die ridders maakten onvriendelijke opmerkingen over hem, maar Sano verdroeg die onbeschaamdheden zonder een woord te antwoorden. Terwijl hij daar stond, een rampzalig figuur, onder de schitterende gelederen der samurai, die bij hem stonden, naderde een heraut, die op een prachtig paard gezeten was, en die een banier droeg, waarop het familiewapen van den Rijksbestuurder was aangebracht. Met luider stem en zoo duidelijk mogelijk beval hij den ridder, die de meest havelooze wapenrusting droeg, om voor zijn meester te verschijnen. Sano gehoorzaamde met een bezwaard gemoed aan dat bevel. Hij dacht, dat de Rijksbestuurder hem zou berispen, dat hij onder een zoo sierlijk uitgedost gezelschap verscheen, in zulk een armoedige uitrusting.
De nederige ridder was verbaasd over het hartelijk welkom, dat hij ontving, en hij was nog meer verbaasd, toen een dienaar de schermen, die voor een aangrenzende kamer waren geplaatst, op zijde duwde, en hij den Rijksbestuurder Saimyoji Tokiyori vóór zich zag, die niemand anders was dan de priester, die een schuilplaats had gevonden in zijn nederige woning. Tokiyori was het verbranden der drie dwergboompjes, den pijnboom, den pruimeboom en den kerseboom, nog niet vergeten. Als dank voor het offer, dat zonder eenige hoop op winstbejag zonder aarzelen was gebracht, werden Sano de dertig dorpen teruggegeven, waarvan hij beroofd was. Doch dit was niet meer dan Sano van rechtswege toekwam; maar bovendien voelde de dankbare Tokiyori zich gedrongen, dien trouwen ridder de dorpen Matsu-idu, Umeda en Bladzijde 172Sakurai aan te bieden, een gelukkig denkbeeld, daar matsu, ume en sakura de Japansche namen zijn voor pijnboom, pruimeboom en kerseboom.
“De dageraad nadert,
En de rijp valt neer
Op de dennetakken;
Maar der blaad’ren groen
Verandert niet.
Ochtend en avond
Worden de blaadren verwijderd
Onder hun schaduw.
Toch ontbreken zij nooit.
Het is een feit,
Dat die denneboomen
Niet al hun blaadren doen vallen;
Frisch blijft hun groen,
Lange eeuwen,
Als de slepende Masaka wijnstok;
Zelfs onder altijd groene boomen—
Het beeld van ’t onveranderlijke—
Is hun roem verspreid.
Als tot het laatst der dagen een symbool—
De faam der dennen, die te zamen
Zijn oud geworden.”
Takasago (Naar W.G. Aston).
De Takasago wordt gewoonlijk beschouwd als één der schoonste onder de Nō, of classieke drama’s. De Nō werd opgevoerd door schoon gevormde spelers, die in een oud dialect speelden. Het behoorde tot die periode van Japansche vormelijkheid, zoo juist beschreven als: “Een Hemel om van te hooren, maar een Hel om te zien.” Het onderwerp van de Takasago schijnt een overblijfsel te zijn van een phallusdienst, die veelvuldig voorkomt in de geschiedenis van primitieve volken. De pijnboom van Takasago is het symbool van een lang leven, en in het volgende koor uit dit drama kunnen wij de groote macht van dien altijd groenen boom leeren kennen:
“En nu, eindelooze wereld,
Zullen der dansende meisjes uitgespreide armen
In priesterlijk gewaad
Schadelijke invloeden wegjagen;
Haar handen, gevouwen, om in haar boezem te rusten,
Bladzijde 173
Zullen allen het geluk omvatten;
Het loflied van duizenden herfsten
Het zal het volk geluk en zegen brengen,
En de zang van tienduizend jaren
Het leven des vorsten verlengen.
En al dien tijd
Zal de stem van het windje,
Dat waait door de dennen,
Die samen oud worden,
Vreugde ons schenken.
Nog in onzen tijd gelooft men aan de krachtdadige werking der pijnboomen. Men ziet dit duidelijk bij het feest van San-ga-nichi, als dennetakken gedurende de Nieuwjaarsfeesten de poorten versieren. Zoowel dit gebruik der pijnboomen als dat van dit bijzondere Nō drama ontleenen hun oorsprong aan den grooten pijnboom van Takasago, waarover wij in de volgende legende zullen verhalen.
In oude tijden woonde in Takasago een visscher met zijn vrouw en zijn dochtertje Matsue. Nergens hield Matsue meer van, dan te zitten onder den grooten pijnboom. Zij hield in het bijzonder van de dennenaalden, die nooit schenen op te houden op den grond te vallen. Daarvan maakte zij een prachtig gewaad en ceintuur, terwijl zij zeide: “Ik zal die dennekleeren niet dragen vóór mijn trouwdag.”
Toen Matsue op zekeren dag onder den pijnboom zat, zong zij het volgende lied:
“De meest verharde mensch slaakt toch nog wel een zucht,
Als op hem nederdaalt een dwarrelende vlucht
Van kersebloesems dor. Die bloesems teer en fijn.
Dat zullen zeker wel des hemels tranen zijn.”
Terwijl zij zoo zong, stond, op de steile kust van Sumiyoshi, Teoyo, die de vlucht van een reiger gadesloeg. Al hooger en hooger steeg hij in de blauwe lucht, en Teoyo zag hem over het dorp vluchten, waar het visschersgezin met hun dochter woonde.
Teoyo was een jongman, die belust was op avonturen; daarom dacht hij, dat het zeer aangenaam zou zijn, de zee over te zwemmen en het land te onderzoeken, waarover de reiger gevlogen was. Dus dook hij op zekeren morgen Bladzijde 174in zee, en zwom hij zóó hard en zóó lang, dat de arme jongen de golven zag dwarrelen en dansen, en het breede hemelgewelf zich zag nederbuigen, om hem te trachten aan te raken, daarop lag hij bewusteloos op het water; maar toch waren de golven vriendelijk voor hem, daar zij hem vooruitdrongen, totdat hij juist aanspoelde op de plaats, waar Matsue onder den pijnboom zat.

Matsu redt Teoyo
Matsue trok Teoyo voorzichtig voort tot onder de beschuttende takken en legde hem neder op een bed van dennenaalden, waar hij spoedig weer bij kennis kwam, en Matsue hartelijk voor haar vriendelijkheid bedankte.
Teoyo keerde niet naar zijn eigen land terug, immers nadat een paar gelukkige maanden waren voorbijgegaan, trouwde hij met Matsue; zooals hij gezegd had, droeg zij op haar trouwdag haar gewaad en ceintuur van dennenaalden.
Toen de ouders van Matsue gestorven waren, deed dit verlies haar liefde voor Teoyo nog toenemen. Hoe ouder zij werden, des te meer hadden zij elkander lief. Iederen avond laat gingen zij bij maneschijn hand aan hand naar den pijnboom en maakten zij met hun kleine harken een bed voor den volgenden dag.
Op zekeren nacht keek het groote zilveren gelaat van de maan door de takken van den boom heen en zocht te vergeefs naar de oude gelieven, die plachten te zitten op een bed van dennenaalden. Hun kleine harken lagen naast elkander, en nog altijd wachtte de maan op de langzame en strompelende stappen van de Gelieven onder den Pijnboom. Maar zij kwamen dien nacht niet. Zij waren naar huis gegaan in de eeuwigdurende rustplaats aan de Rivier der Zielen. Zij hadden zóóveel en zóó heerlijk liefgehad, zoowel in hun ouderdom als in hun jeugd, dat de Goden hun zielen toestond, weer terug te keeren en rondom den pijnboom te wandelen, die gedurende zóóveel jaren hun liefde had gadegeslagen. Als het volle maan is, fluisteren en lachen zij, en zingen zij, terwijl zij de dennenaalden bijeenbrengen, en de zee zachtkens op het strand zingt. Bladzijde 175
1 Zie Hoofdstuk XVII.
2 Zie Hoofdstuk XVI.
3 Dit verhaal en dat wat volgt zijn ontleend aan Oude Sproken en Folk-lore van Japan, door R. Gordon Smith.
4 Zie Hoofstuk XV.
“Zooals het zwaard de ziel is van een samurai, zoo is de spiegel de ziel van een vrouw.”
“Als de spiegel dof is, is de ziel onrein.”
Japansche Spreekwoorden.
De oude Japansche metalen spiegels zijn cirkelvormig, met een bol oppervlak, terwijl de achterzijde versierd is met relieffiguren van bloemen, vogels en andere natuurtafereelen. Professor Chamberlain schrijft: “Een bijzondere eigenaardigheid kenmerkt sommige van die Japansche spiegels: het zonlicht, dat op de voorzijde wordt teruggekaatst, geeft een lichtend beeld van de figuren op de achterzijde! Een dergelijke vreemd verschijnsel heeft natuurlijk de aandacht der geleerden getrokken.” Het is hier de plaats niet, de verschillende theorieën te vermelden, hierover gegeven; het verschijnsel zelf boezemt ons meer belang in dan verklaring van het verschijnsel; ongetwijfeld verklaart ons dit vreemde feit eenigermate de magische beteekenis van spiegels uit Nippon.
De groote grondgedachte, die aan de legenden omtrent Japansche spiegels ten grondslag ligt, is deze, dat de spiegel, door het voortdurend terugkaatsen van het gelaat van den eigenaar, de ziel zelf van den bezitter naar zich toe trekt, en zooals wij later zullen zien, kan men iets van datzelfde denkbeeld terugvinden, waar het oude, maar zeer geliefde Japansche poppen betreft.
De beroemde beeldhouwer Hidari Jingorō werd bij zekere gelegenheid plotseling verliefd op een zeer bekoorlijke vrouw, die hij op straat ontmoette, toen hij zich naar zijn atelier begaf. Hij was zóózeer betooverd door haar zeldzame schoonheid, dat hij, zoodra hij zijn bestemming had bereikt, een beeld van haar begon te houwen. Tusschen de Bladzijde 176gebeitelde kleeren plaatste hij een spiegel, en wel dien, welken de bekoorlijke vrouw had laten vallen en dien haar ontstuimige minnaar dadelijk had opgeraapt. Omdat die spiegel duizenden malen dat schoone lichaam had teruggekaatst, had hij in zijn glinsterende oppervlakte lichaam en ziel van zijn eigenares opgenomen, en ten gevolge daarvan kwam het beeld tot leven, tot groote zaligheid zoowel van den beeldhouwer als van het meisje.
Reeds lang voordat de Japansche spiegel een voorwerp van dagelijksch gebruik in het huisgezin was geworden, had hij reeds een diepe godsdienstige beteekenis in verband met het Shintōisme. De Goddelijke Spiegel, waarin de zonnegodin staarde, berust te Isé. Er worden andere spiegels gevonden in Shintō-tempels; die spiegels vormen in werkelijkheid een voornaam bestanddeel van een tempel, die om zijn eenvoud bekend is. De spiegel “stelt een menschelijke hart voor, dat, als het volkomen vredig en zuiver is, het beeld van de godheid zelf weerkaatst.” Wij lezen in de Kojiki, dat Izanagi zijn kinderen een gepolijste zilveren schijf aanbood, en hen beval dagelijks ’s morgens en ’s avonds daarvoor te knielen en het teruggekaatste beeld te onderzoeken. Hij beval hen ook, daarbij te denken aan hemelsche dingen, hun hartstochten en alle slechte gedachten te onderdrukken, opdat de schijf een reine en beminnelijke ziel zou weerkaatsen.
De tempel van Ogawachi-Myōjin geraakte in verval, en de Shintō-priester, die belast was met het toezicht op dien tempel, Matsumura, reisde naar Kyōto, in de hoop, dat zijn verzoek aan den Shōgun, dat hij zijn toestemming zou geven tot het herstel van den tempel, met een gunstigen uitslag zou worden bekroond.
Matsumura en zijn gezin namen hun intrek in een huis te Bladzijde 177Kyōto, dat den naam had bijzonder ongelukkig te zijn, en vele bewoners hadden zich reeds in den put geworpen, die aan den noordoostelijken kant van het huis gelegen was. Maar Matsumara trok zich van die verhalen niets aan, en was volstrekt niet bevreesd voor booze geesten.
In den zomer van dat jaar heerschte er in Kyōto groote droogte. Hoewel de beddingen der rivieren opdroogden en een aantal putten bij gebrek aan regen geen water meer bevatten, was de put in den tuin van Matsumura tot overloopens vol. De ellende, die het gevolg was van het gebrek aan water, dwong vele arme menschen, om bij Matsumura om water te verzoeken, en niettegenstaande zij voortdurend water schepten, verminderde het water in dien put volstrekt niet.
Op zekeren dag vond men een lijk in den put liggen, en wel dat van een bediende, die water was komen halen. In dit geval was zelfmoord volkomen uitgesloten en het scheen onmogelijk, dat hij bij toeval in het water was gevallen. Toen Matsumura van het ongeluk hoorde, ging hij een onderzoek bij den put instellen. Tot zijn verbazing bewoog zich het water met een vreemde schommelende beweging. Toen de beweging verminderde, zag hij in het heldere water de gedaante van een schoone jonge vrouw teruggekaatst. Zij raakte haar lippen aan met beni. Eindelijk lachte zij hem toe. Het was een vreemdsoortige glimlach, die Matsumura duizelig maakte, een glimlach, die alles uitwischte behalve het prachtige gelaat der vrouw. Hij voelde een bijna onweerstaanbaar verlangen, zich in het water te werpen, opdat hij toch die betooverende vrouw mocht bereiken en vasthouden. Hij streed echter krachtig tegen dat vreemde gevoel, en was na korten tijd in staat het huis binnen te treden, waar hij bevel gaf, dat een schutting om den put zou worden gebouwd, en dat van dat oogenblik af niemand, onder welk voorwendsel ook, daar water mocht scheppen.
Korten tijd daarna hield de droogte op. Gedurende Bladzijde 178drie dagen en drie nachten viel het water voortdurend bij stroomen neder, en een aardbeving deed de geheele stad schudden. Den derden nacht van den storm werd er hard geklopt op de deur van Matsumura. De priester ging zelf onderzoeken, wie zijn bezoeker wel zou zijn. Hij opende de deur op een kier en zag nog eens de vrouw, die hij in den put had gezien. Hij weigerde haar toe te laten, en vroeg, waarom zij zooveel onschuldige en argelooze menschen aan den dood had prijs gegeven.
De vrouw antwoordde hierop: “Helaas, goede priester, ik heb nooit begeerd, menschelijke wezens in den dood te lokken. Het is de Vergif-Draak, die in dien put huisde, en die mij tegen mijn wil dwong de menschen in den dood te lokken. Maar nu hebben de Goden den Vergif-Draak gedwongen, ergens anders te wonen, zoodat ik van nacht in staat was de plaats te verlaten, waar ik gevangen zat. Er is nu maar weinig water in den put, en als gij daarin een onderzoek doet, zult gij mijn lichaam vinden. Zorg er ter wille van mij goed voor, en ik zal niet in gebreke blijven, u te beloonen voor uw goedheid.” Na die woorden te hebben gesproken, verdween zij even plotseling als zij verschenen was.
Den volgenden dag werd de put door putten-reinigers nagezien en deze vonden er oude haarversierselen in en een ouden metalen spiegel.
Daar Matsumura een verstandig man was, nam hij den spiegel en reinigde hij dien, in de meening, dat deze hem een oplossing van het geheim zou geven.
Op de achterzijde van den spiegel ontdekte hij verschillende letterteekens. Een aantal van die eigenaardige letterteekens waren te zeer uitgewischt om nog leesbaar te zijn, maar toch gelukte het hem, “derde maand, de derde dag” te ontcijferen. In oude tijden heette de derde maand Yayoi of Maand van Aangroeiïng, en daar hij zich herinnerde, dat de vrouw zich Yayoi had genoemd, begreep Matsumura, dat hij waarschijnlijk een bezoek had ontvangen van de Ziel van den Spiegel. Bladzijde 179
Matsumura droeg zooveel mogelijk zorg voor den spiegel. Hij liet dien op nieuw verzilveren en polijsten en toen dit geschied was, legde hij hem in een doos, die daarvoor opzettelijk was vervaardigd, en spiegel en doos werden geplaatst in een daarvoor bestemd vertrek in het huis.
Op zekeren dag, toen Matsumura in het vertrek gezeten was, waar de spiegel geplaatst was, zag hij Yayoi vóór zich staan, die er nog schooner uitzag dan ooit te voren, en de glans van haar schoonheid was als het maanlicht in den zomer. Nadat zij Matsumura had begroet, deelde zij hem mede, dat zij inderdaad de Ziel van den Spiegel was, en verhaalde zij, hoe zij in het bezit geraakt was van Kamo, een adellijke dame van het Keizerlijke Hof, en hoe zij een erfstuk geworden was van het Huis Fujiwara, totdat zij gedurende het tijdperk van Hōgen, toen de geslachten der Taira en Minamoto in strijd geraakt waren in een put werd geworpen en daar vergeten was. Nadat zij al die dingen had medegedeeld en al de gruwelen, die zij had ondergaan onder de tyrannie van den Vergift-Draak, smeekte Yayoi, dat Matsumura den spiegel ten geschenke zou geven aan den Shōgun, den Edelen Yoshimasa, die een afstammeling was van haar vroegere eigenaars, terwijl zij den priester grooten voorspoed beloofde, als hij dat deed. Voordat Yayoi vertrok, raadde zij Matsumura aan, zijn woning onmiddellijk te verlaten, daar het door een grooten watervloed zou worden weggespoeld.
Den volgenden dag verliet Matsumura het huis, en zooals Yayoi had voorspeld, werd bijna onmiddellijk daarna zijn laatste verblijfplaats weggespoeld.
Eindelijk was Matsumura in de gelegenheid, den spiegel aan den Shōgun Yoshimasa aan te bieden, te gelijk met een geschreven verhaal van die vreemde gebeurtenis. De Shōgun was zóó ingenomen met het geschenk, dat hij niet alleen Matsumura persoonlijk een aantal geschenken gaf, maar dat hij den priester ook een belangrijke som gelds aanbood voor het wederopbouwen van zijn tempel. Bladzijde 180
Toen de priesters van Mugenyama een groote klok voor hun tempel noodig hadden, vroegen zij de vrouwen in de buurt, om hare oude bronzen spiegels ten geschenke te geven, als bijdragen voor het benoodigde metaal.
Honderden spiegels werden voor dit doel geschonken, en alle werden gaarne aangeboden, met uitzondering van den spiegel, door de vrouw van een landbouwer geschonken. Zoodra zij haar spiegel aan den priester had ingeleverd, begon zij er berouw over te hebben, dat zij dien had afgestaan. Zij herinnerde zich, hoe oud die spiegel was, hoe hij de glimlachjes en tranen van haar moeder had weerkaatst, en zelfs die van haar overgrootmoeder. Zoo dikwijls de vrouw van den landbouwer naar den tempel ging, zag zij den spiegel, die zij zoo gaarne terug had, op een grooten hoop achter een hek liggen. Zij herkende hem aan een teekening op de achterzijde, die bekend was onder den naam van de Shō-Chiku-Bai, of de drie zinnebeelden van den Pijnboom, den Bamboe en de Pruim. Zij verlangde vurig, haar arm uit te steken tusschen de tralies, en haar geliefden spiegel weg te rukken. Haar ziel was gelegen in de spiegelende oppervlakte, en was vermengd met de zielen, die daarin hadden gestaard, voordat zij geboren was.
Toen men bezig was met het gieten van de klok van Mugenyama, ontdekten de klokkengieters, dat één spiegel niet wilde smelten. De werklieden zeiden, dat het metaal niet wilde smelten, omdat de eigenares later berouw had gehad van haar gift, waardoor het metaal even hard was geworden als het zelfzuchtige hart van de vrouw.
Spoedig wist iedereen, wie de geefster geweest was van den spiegel, die niet wilde smelten, en daarom verdronk zich de vrouw van den landbouwer uit boosheid en schaamte, nadat zij eerst het volgende had geschreven: “Als ik dood ben, zult gij mijn spiegel kunnen smelten en alzoo de klok kunnen gieten. Mijn ziel zal naar hem toekomen, die de klok bij het luiden breekt, en ik zal hem groote rijkdommen schenken.” Bladzijde 181
Toen de vrouw gestorven was, smolt haar oude spiegel onmiddellijk, en de klok werd gegoten en op haar gewone plaats opgehangen. Daar een aantal personen gehoord hadden van de boodschap, door de overleden vrouw van den landbouwer achtergelaten, kwam er een groote menigte naar den tempel, die één voor één de klok met ontzaglijk geweld luidden, in de hoop haar te breken en dus groote rijkdommen te verkrijgen. Dagen aaneen duurde dat luiden voort, totdat geraas ten slotte zóó ondragelijk was, dat de priesters de klok in een moeras rolden, waar zij voor het gezicht verborgen was.
In oude tijden leefden in een afgelegen gedeelte van Japan een man en zijn vrouw; zij waren gezegend met een klein meisje, dat de lieveling en de afgod van haar ouders was. Op zekeren dag werd de man voor zaken weggeroepen naar het verwijderde Kyōto. Voordat hij wegging, zeide hij zijn dochter, dat hij, als zij braaf was en aan haar moeder gehoorzaam zou zijn, haar een geschenk zou medebrengen, dat zij op hoogen prijs zou stellen. Daarna nam de goede man afscheid, terwijl moeder en dochter hem uitgeleide deden.
Eindelijk kwam hij weer thuis, en nadat zijn vrouw en kind hem zijn grooten hoed hadden afgenomen en zijn sandalen hadden uitgetrokken, ging hij op de witte matten zitten en opende hij een mand van bamboe en lette op den verlangenden blik van zijn dochtertje. Hij nam er een prachtige pop uit en een verlakte doos met gebak, en plaatste die in haar uitgestrekte handen. Nog eens stak hij zijn hand in de mand en haalde er een metalen spiegel uit voor zijn vrouw. Zijn bolle oppervlakte was schitterend gepolijst, terwijl op de achterzijde pijnboomen en ooievaars waren gegraveerd.
De vrouw van den goeden man had nooit te voren een spiegel gezien, en toen zij er in keek, kreeg zij den indruk, Bladzijde 182dat een andere vrouw haar aankeek, zoo dikwijls zij met toenemende verbazing een blik in den spiegel sloeg. Haar man verklaarde haar het geheim, en verzocht haar, goed voor den spiegel te zorgen.
Korten tijd na die gelukkige thuiskomst en de uitdeeling dier geschenken, werd de vrouw ernstig ziek. Even vóór haar dood liet zij haar dochtertje bij zich komen en zeide: “Lieveling, zorg, als ik dood ben, goed voor uw vader, Als ik u heb verlaten, zult gij mij zeer missen. Maar neem dien spiegel, als gij u erg eenzaam en verlaten voelt, kijk dan in den spiegel, en gij zult mij steeds zien.” Nadat zij die woorden had gesproken, stierf zij.
Na verloop van tijd hertrouwde de man weer, en zijn vrouw was volstrekt niet vriendelijk voor haar stiefdochter. Maar de kleine, die zich de laatste woorden van haar moeder herinnerde, trok zich dan in een hoekje terug en keek verlangend in den spiegel, waar het haar toescheen, alsof zij het gelaat van haar dierbare moeder zag, niet door smart verwrongen, zooals zij het op haar doodsbed had gezien, maar jong en schoon.
Op zekeren dag zag de stiefmoeder van het kind haar toevallig in een hoek neergehurkt over een voorwerp, dat zij niet goed kon onderscheiden, terwijl het in zich zelf iets mompelde. Die onwetende vrouw, die een hekel had aan het kind en meende, dat haar stiefdochter van haar kant ook een hekel aan haar had, verbeeldde zich, dat de kleine de ééne of andere vreemde tooverkunst volbracht—misschien wel, dat zij een beeldje maakte en daarin spelden stak. Vol van die gedachte ging de stiefmoeder naar haar echtgenoot en vertelde hem, dat zijn ondeugend kind haar best deed, haar door toovenarij te dooden.
Toen het hoofd van het gezin dit ongeloofelijke verhaal had gehoord, ging hij onmiddellijk naar de kamer van zijn dochter. Hij overviel haar onverhoeds, en zoodra het meisje hem zag, liet zij den spiegel in haar mouw vallen. Voor het eerst van haar leven werd haar vader, die zooveel Bladzijde 183van haar hield, boos op haar, en hij vreesde, dat er werkelijk eenige waarheid was in hetgeen zijn vrouw hem had verteld, en onmiddellijk deelde hij haar dat mede.
Toen zijn dochter die onrechtvaardige beschuldiging had gehoord, was zij verbaasd over de woorden van haar vader, en zij zeide hem, dat zij hem veel te veel liefhad, om ooit te trachten zijn vrouw te dooden of zelfs haar dood te wenschen, daar zij wist, hoeveel hij van deze hield.
“Wat houdt gij in uw mouw verborgen” vroeg haar vader, nog maar half overtuigd, en nog altijd niet wetende, wat hij er van moest denken.
“Den spiegel, dien gij moeder hebt geschonken, en dien zij mij op haar sterfbed heeft gegeven. Zoo dikwijls ik in het glinsterende oppervlak van den spiegel staar, zie ik het gelaat van mijn lieve moeder, jong en schoon. Als mijn hart bedroefd is—en ach! dit is in den laatsten tijd zoo dikwijls gebeurd—dan neem ik den spiegel in de hand, en het gelaat van mijn moeder, met haar zachten, vriendelijken lach, brengt mij vrede, en stelt mij in staat harde woorden en onvriendelijke blikken te verdragen”.
Toen begreep de man alles en had zijn kind nog des te meer lief om haar kinderliefde. Zelfs de stiefmoeder van het kind was, toen zij wist, wat werkelijk was geschied, beschaamd en vroeg vergiffenis. En het kind, dat geloofde, dat het moeders gelaat in den spiegel had gezien, vergaf wat geschied was, en zorgen en verdriet verdwenen uit het huis. Bladzijde 184
“Aanbidding aan de groote barmhartige Kwannon, die boven het geluid van het gebed naar beneden ziet.”
Een Opschrift.
Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, gelijkt in menig opzicht op den niet minder barmhartigen en vriendelijken Jizō; immers beiden deden afstand van de vreugde der Nirwana, ten einde vreugde en geluk aan anderen te brengen. Kwannon is echter een godheid van een meer ingewikkeld karakter dan Jizō, en hoewel zij meestal wordt uitgebeeld als een zeer schoone en heilige Japansche vrouw, neemt zij toch een aantal verschillende gedaanten aan. Wij kennen enkel Indische goden en godinnen met tallooze handen, en Kwannon wordt somtijds afgebeeld als Senjiu-Kwannon, of Kwannon-met-de-Duizend-Handen.1 Iedere hand bevat het ééne of andere voorwerp, als moest hierdoor worden uitgedrukt, dat hier inderdaad een godin is, die in haar liefde bereid is, al het mogelijke te schenken en zooveel als in haar vermogen is, gebeden te verhooren.
Vervolgens is er Jiu-ichi-men-Kwannon, de Kwannon met-de-Elf-Gezichten. Hier wordt het gelaat van Kwannon voorgesteld als “lachend met eeuwigdurende jeugd en oneindige teederheid”, en in haar schitterend uiterlijk wordt het ideaal van het goddelijk vrouwelijke voorgesteld met een onbegrensde schoonheid van opvatting. In de tiara van Jiu-ichi-men-Kwannon zijn heerlijke koppen, als het ware een straling van kleine Kwannons. Somtijds neemt de tiara van Kwannon een anderen vorm aan, zooals bij Batō-Kwannon, of Kwannon-met-den-Paardekop. De naam is Bladzijde 185eenigszins misleidend, immers zulk een sierlijk schepsel heeft in geen van de vormen, waaronder het optreedt, iets van een paardekop. Afbeeldingen van dien bijzonderen Kwannon doen ons een paard zien, in de tiara uitgesneden. Batō-Kwannon is de Godin tot wie de landbouwers bidden voor de veiligheid en de redding van hun paarden en hun vee, en men verhaalt, dat Batō-Kwannon niet alleen stomme dieren beschermt, vooral die, welke werken voor het menschdom, maar dat zij haar macht ook zóóver uitstrekt, dat zij hun geesten beschermt, en hun kalmte schenkt en een gemakkelijker leven dan zij op aarde leidden. In scherpe tegenstelling met de Kwannons, die wij reeds hebben beschreven, is Hito-Koto-Kwannon, de Kwannon, die slechts één enkel gebed wil beantwoorden. De Goden der Liefde en der Wijsheid worden dikwijls voorgesteld in verbinding met die Godin, en de “Acht en Twintig Volgelingen” zijn personificaties van bepaalde sterrenbeelden. Maar in alle vormen, waarin Kwannon optreedt, behoudt zij steeds dezelfde maagdelijke schoonheid, en die Godin der Barmhartigheid wordt zeer eigenaardig, en niet ten onrechte, wel eens de Japansche Madonna genoemd.
In China staat Kwannon bekend onder den naam van Kwanjin, en als de geestelijke zoon van Amitâbha, maar die godheid treedt steeds op als godin, zooals haar beeltenissen zoowel in China als in Japan ons aantoonen. De Chineezen maken er aanspraak op, dat Kwanjin van Chineeschen oorsprong is, en dat zij oorspronkelijk de dochter was van den Koning der Tschou-dynastie. Zij werd door haar vader ter dood veroordeeld, omdat zij weigerde te huwen, maar het zwaard van den beul brak af, zonder een wond te veroorzaken. Men verhaalt, dat haar geest later weer ter helle ging. Er was iets zóó stralend schoon in den geest van Kwanjin, dat het feit harer tegenwoordigheid de Hel in het Paradijs veranderde. De Koning Bladzijde 186der Onderwereld zond Kwanjin terug naar de aarde, ten einde het sombere uitzicht van zijn rijk te bewaren; hij liet haar op wonderbaarlijke wijze op een lotusbloem overbrengen naar het eiland Pootoo.
Chūjō Hime, een Buddhistische non, wordt meestal beschouwd als de grootste Japansche kunstenares in het borduren, uit den ouden tijd, en zij was, volgens de legende, een incarnatie van Kwannon. Chūjō Hime werd door haar stiefmoeder wreed behandeld, totdat zij zich ten slotte terugtrok in den tempel van Toema-dera, en daar werkte zij aan het wonderbaarlijke borduursel van lotusdraden, dat het Paradijs der Buddhisten voorstelde. De schets is zóó voortreffelijk, dat wij ons goed kunnen voorstellen, dat de Japanners gelooven, dat de Goden de groote kunstenares bij haar werk hielpen.
Er is nog een ander merkwaardig borduurwerk, door Kano Hogai, dat Kwannon voorstelt als de Goddelijke Moeder, die uit een kristallen fleschje het water der schepping giet. Als dit water in een reeks van blaasjes neervalt, blijkt het, dat ieder blaasje een klein kindje bevat met eerbiedig gevouwen handen. Het is een prachtig stuk werk, en als men na de artistieke schoonheid te hebben bewonderd, de technische uitvoering bestudeert, dan zien wij, dat de uitvoering drie jaar heeft geduurd, en dat 12 100 verschillende nuances van zijde, en twaalf van gouddraad zijn gebruikt.
Er zijn drie en dertig tempels, aan Kwannon gewijd. Zij zijn alle nauwkeurig genummerd, en worden gevonden in de provincies, in de nabijheid van Kyōto. De volgende legende geeft misschien wel een verklaring van den eerbied, Bladzijde 187die voor de Saikoku Sanjū-san Sho (de Drie en dertig Plaatsen) gekoesterd wordt.
Toen de groote Buddhistische abt der achtste eeuw, Tokudō Shōnin, stierf, werd hij tot voor Emma-Ō, den Heerscher over de Dooden, geleid. Het kasteel, waarin Emma-Ō woonde, schitterde van zilver en goud, rose paarlen en alle soorten van glinsterende juweelen. Een licht straalde ook uit van Emma-Ō, en die schrikwekkende God had een glimlach op zijn gelaat. Hij ontving den uitnemenden abt met de grootst mogelijke wellevendheid, en sprak hem aldus aan:
“Tokudō Shōnin, er zijn drie en dertig plaatsen, waar Kwannon haar bijzondere gunst openbaart, want weet wel, in haar grenzenlooze goedheid heeft zij zich in een aantal lichamen verdeeld, zoodat hij, die om hulp roept, niet te vergeefs zal roepen. Helaas! de menschen blijven op het slechte pad voortgaan, want zij weten van die heilige tempels niets af. Zij leven hun schandelijk leven en gaan in een groote en ontelbare menigte naar de Hel. O, hoe blind zijn zij, hoe eigenzinnig, en hoe vol van verdwaasdheid! Als zij maar één enkele bedevaart deden naar die drie en dertig tempels, die aan onze Vrouw van Barmhartigheid zijn gewijd, dan zou een rein en wonderlijk licht van hun voeten afschijnen, die geestelijk krachtig genoeg zouden worden, om alle kwaad te verpletteren en de honderd zes en dertig hellen tot stukken te verbrijzelen. Indien, in weerwil van die bedevaart, iemand bij ongeluk in de Hel valt, dan zal ik zijn plaats innemen en alle lijden op mij nemen; want, indien dit geschiedde, zou mijn verhaal over vrede een leugen zijn, en zou ik werkelijk verdienen te lijden. Hier is een lijst van de drie en dertig heilige tempels van Kwannon. Breng die lijst naar de in onrust zijnde wereld van mannen en vrouwen, en predik de eeuwigdurende barmhartigheid van Kwannon”.
Nadat Tokudō zorgvuldig geluisterd had naar alles, wat Emma-Ō hem mededeelde, antwoordde hij: “Gij hebt mij Bladzijde 188met een zoodanige zending vereerd, maar stervelingen zijn vol twijfelingen en vol vrees, en zij zouden om het ééne of andere teeken vragen, waaruit de waarheid kan blijken van wat ik hun vertel”.
Emma-Ō gaf den abt onmiddellijk zijn met juweelen bezet zegel, en na afscheid van hem te hebben genomen, zond hij hem weg, na hem twee bedienden te hebben medegegeven.
Terwijl die vreemde gebeurtenissen in de Onderwereld plaats grepen, bemerkten de leerlingen van Tokudō, dat niettegenstaande het lijk van hun meester reeds drie dagen en drie nachten had neergelegen, het vleesch nog niet koud was geworden. De getrouwe volgelingen begroeven het lijk niet, daar zij meenden, dat hun meester nog niet dood was. En dit was inderdaad het geval, want na eenigen tijd ontwaakte Tokudō uit zijn bewusteloosheid, en hield hij in zijn rechter hand het met juweelen bezette zegel van Emma-Ō.
Tokudō liet er geen tijd overheen gaan, voordat hij zijn vreemde avonturen verhaalde, en toen hij zijn verhaal had geëindigd, ging hij met zijn leerlingen ter bedevaart naar de drie en dertig heilige plaatsen, waarover de Godin der Barmhartigheid het bestuur uitoefent.2
Hier volgt een volledige lijst van de “Drie en dertig Plaatsen”, aan Kwannon gewijd:
De Buddhistische tempel van Ni-gwarsu-dō (“Zaal van de Tweede Maan”) bevat een klein koperen beeld van Kwannon. Het heeft de wonderbaarlijke eigenschap, dat het warm is als levend vleesch, en sedert het beeld is Bladzijde 190weggesloten, worden in den maand Februari bepaalde godsdienstoefeningen gehouden ter eere van Kwannon, en den achttienden van iedere maand wordt het heilige beeld tentoongesteld om aangebeden te worden.
Een oude kluizenaar, Saion Zenji genaamd, koos tot verblijfplaats den berg Nariai, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, de schoonheid te aanschouwen van Ama-no-Hashidate, een smalle landtong met pijnboomen bedekt, die het Meer Iwataki en de Baai Miyazu van elkander scheidt. Ama-no-Hashidate wordt nog steeds beschouwd als één van de Sankei, of “Drie Groote Tafereelen” van Japan, en nog steeds wordt de berg Nariai beschouwd als de beste plek, van waar dit bekoorlijke tafereel kan worden bewonderd.
Op den Berg Nariai richtte die vriendelijke en heilige kluizenaar een kleinen tempel op ter eere van Kwannon, niet ver van een eenzamen pijnboom verwijderd. Hij bracht zijn gelukkige dagen door met neer te zien op Ama-no-Hashidate en met de Buddhistische geschriften te zingen, en zijn zoo vriendelijke inborst en vroom gedrag werden zeer op prijs gesteld door het volk, dat kwam bidden in den kleinen tempel, dien hij zoo liefdevol had opgericht voor zijn eigen genoegen en dat van anderen.
De verblijfplaats van den kluizenaar, die bij zacht en zonnig weder zeer liefelijk was, was in den wintertijd somber, immers als het sneeuwde, was de man van den omgang met menschen afgesloten. Op zeker tijdstip viel de sneeuw zóó hevig neer, dat zij op sommige plaatsen tot een hoogte van twintig voet lag opgestapeld. Dag aan dag bleef het strenge weer voortduren, en eindelijk bleek het den armen kluizenaar, dat hij hoegenaamd geen voedsel meer over had. Toen hij op zekeren morgen toevallig naar buiten keek, zag hij een hert dood in de sneeuw neerliggen. Toen hij het arme schepsel aanschouwde, dat Bladzijde 191doodgevroren was, dacht hij er aan, dat het naar de opvatting van Kwannon tegen de wet was, het vleesch van dieren te eten; maar toen hij de zaak nog eens nauwkeuriger overwoog, kwam het hem voor, dat hij zijn medeschepselen meer goed kon doen door van dat vleesch te eten dan door zich te houden aan de strenge letter der wet en zich te laten verhongeren in het gezicht van den overvloed.
Toen Saion Zenji tot dit verstandige besluit was gekomen, ging hij naar buiten en sneed een stuk van het wild af, kookte het, en at de helft op, onder talrijke dankzeggingen voor zijn behoud. Het overige gedeelte van het wild liet hij in zijn kookpan achter.
Eindelijk smolt de sneeuw, en een aantal menschen gingen op weg van het naburige dorp en bestegen den Berg Nariai, in de verwachting, dat hun goede en teerbeminde kluizenaar, voor goed van deze wereld zou zijn verdwenen. Toen zij den drempel naderden, hoorden zij verheugd, dat de oude man met heldere en luidklinkende stem de heilige Buddhistische Geschriften zong.
Het volk uit het dorp verzamelde zich om den kluizenaar, terwijl hij het verhaal van zijn redding deed. Toen zij uit nieuwsgierigheid eens een blik sloegen in zijn kookpan, zagen zij tot hun stomme verbazing, dat deze geen wild bevatte, maar een stuk hout, met goudblad bedekt. Terwijl zij zich steeds nog verbaasden en niet begrepen, wat dit beteekende, zagen zij naar het beeld van Kwannon in den kleinen tempel en bleek het, dat een stuk uit haar lendenen was gesneden, en toen zij het stuk hout daarin pasten, was de wond genezen. Toen begrepen de oude kluizenaar en het volk, dat zich om hem had verzameld, dat het hert niemand anders geweest was dan Kwannon, die in haar onbegrensde liefde en teedere barmhartigheid haar eigen goddelijk vleesch ten offer had gebracht.
“De wilde bloemen worden slap, de ahornblaadren,
Door vingers van de vorst geraakt, zij buigen zich ter aard’;
Bladzijde 192
Maar op den boezem van de zee
Verwelken niet de bloemen uit het nat geboren
Der golven, als de bloesems op het land,
Noch voelen zij de kilheid van des Najaars hand”,
Yasuhide (Naar Clara A. Walsh.)
Benten, de Godin der Zee, is tevens één der zeven Godheden van het Geluk, en in romantischen zin wordt zij beschouwd als de Godin van Liefde, Schoonheid en Welsprekendheid. In de Japansche kunst wordt zij voorgesteld, rijdende op een draak of slang, wat wel de verklaring kan zijn van het feit, dat in sommige streken slangen als heilig worden beschouwd. Op afbeeldingen wordt Benten weergegeven met acht armen. Zes handen zijn boven haar hoofd uitgestoken en houden een boog, een pijl, een wiel, een zwaard, een sleutel en een heilig juweel, terwijl zij haar beide overige handen eerbiedig in gebed gekruist houdt. Zij gelijkt in menig opzicht op Kwannon, en beelden van de twee godinnen worden dikwijls bij elkander gezien, maar de tempels van Benten worden gewoonlijk op eilanden gevonden.
Wij hebben er reeds melding van gemaakt, dat Benten op een draak rijdt, en de volgende legende kan misschien met die bijzondere voorstelling in verband gebracht worden.
In een zeker hol leefde een geduchte draak, die de kinderen van het dorp Koshigoe verslond. In de zesde eeuw besloot Benten een einde te maken aan het ongepaste gedrag van het monster, en na een groote aardbeving te hebben doen ontstaan, ging zij op de loer liggen in de wolken boven het hol, waar de gevreesde draak zijn woonplaats had gevestigd. Benten daalde toen uit de wolken neder, trad het hol binnen, huwde den draak, en was zoo, door haar uitstekenden invloed, in staat, een einde te maken aan de slachting van kleine kinderen. Bij de aankomst van Benten verrees uit de zee het bekende Bladzijde 193eiland Enoshima4, dat op den huidigen dag gewijd is gebleven aan de Godin der Zee.
Hanagaki Baishū, een jong dichter en geleerde, woonde een groot feest bij, dat gehouden werd ter viering van den wederopbouw van den tempel van Amadera. Hij wandelde door het schoone park en bereikte op zijn wandeling ook de plaats van een fontein, waar hij dikwijls zijn dorst had gelescht. Hij zag, dat wat oorspronkelijk een fontein was geweest, nu een vijver was geworden, en bovendien, dat aan één der hoeken van den vijver een bord stond, waarop de woorden geschreven waren Tanjo-Sui (“Geboorte-Water”) en tevens een kleine, maar aantrekkelijke tempel, aan Benten gewijd. Terwijl Baishū oplettend de veranderingen in het park van den tempel naging, voerde de wind een prachtig geschreven minnedicht naar zijn voeten. Hij raapte het op en ontdekte, dat het door een vrouwenhand was geschreven, dat de letters prachtig gevormd waren, en dat de inkt nog versch was.
Baishū keerde naar huis terug en las en herlas het gedicht. Het duurde niet lang, of hij werd verliefd op de schrijfster, en besloot ten slotte haar te huwen. Eindelijk ging hij naar den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water en riep: “O, Godin, kom mij te hulp, en sta mij bij in mijn pogingen, de vrouw te vinden, die deze door den wind naar mij toegevoerde verzen heeft geschreven!” Na zoo gebeden te hebben, besloot hij een godsdienstoefening van zeven dagen te houden, en den zevenden nacht te bestemmen aan onafgebroken vereering vóór den heiligen tempel van Benten, in het park van Amadera.
Gedurende den zevenden nacht van zijn nachtwake hoorde Baishū een stem, die riep om toegelaten te worden Bladzijde 194door de hoofdpoort van het park van den tempel. De poort werd geopend, en een oud man, in staatsiekleederen en met een zwarte muts op zijn hoofd, kwam naar voren en knielde zwijgend voor den tempel van Benten. Daarna werd de buitendeur van den tempel geheimzinnig geopend, en een bamboe-gordijn werd gedeeltelijk opgetild, waarbij een schoone knaap te voorschijn kwam, die den ouden man aldus toesprak: “Wij hebben medelijden met een jong man, die een liefdeband wenscht te sluiten, en wij hebben u geroepen, om die zaak te onderzoeken, en na te gaan, of gij de jonge lieden niet samen kunt brengen”.
De oude man boog, en trok toen uit zijn mouw een touw, dat hij om het middel van Baishū bond, terwijl hij een uiteinde aanstak aan een lantaarn van den tempel, en onderwijl met de hand wuifde, alsof hij een geest wenkte, om uit den donkeren nacht te voorschijn te komen. In een oogenblik kwam een jonge maagd het park van den tempel binnen, en terwijl zij met haar waaier haar lief gezicht halverwege bedekte, knielde zij naast Baishū neder.
Daarna sprak de schoone knaap Baishū aldus toe: “Wij hebben uw gebed gehoord, en het is ons gebleken, dat gij in den laatsten tijd veel hebt geleden. De vrouw, die gij lief hebt, is nu naast u geplaatst”. En na die woorden te hebben gesproken, vertrok de goddelijke jongeling, en de oude man verliet het park bij den tempel.
Toen Baishū zijn dank had gebracht aan Benten-van-het-Geboorte-Water, ging hij naar huis. Toen hij de straat bereikte buiten het park, zag hij een jong meisje, en herkende hij haar dadelijk als het meisje, dat hij liefhad. Baishū sprak haar aan, en toen zij antwoordde, vervulden de vriendelijkheid en liefelijkheid van haar stem den jongen man met vreugde. Zij wandelden te zamen door de stille straten, totdat zij ten slotte aan het huis kwamen, waar Baishū woonde. Er was een oogenblik van diep zwijgen, en daarna zeide het meisje: “Benten heeft mij u tot vrouw gegeven”, en de gelieven traden beiden het huis binnen. Bladzijde 195
Het huwelijk was buitengewoon voorspoedig, en de gelukkige Baishū ontdekte, dat zijn vrouw, behalve in andere huiselijke deugden, ook volmaakt bedreven was in de kunst, bloemen te rangschikken, en dat haar fijne manier van schrijven niet minder aangenaam was te zien dan haar bekoorlijke schilderijen. Baishū wist niets van haar familie af, maar daar zij hem geschonken was door de godin Benten, achtte hij het onnoodig, haar daarnaar te vragen. Er was slechts één ding, dat den verliefden Baishū vreemd voorkwam, en dat was, dat de buren totaal onkundig schenen te zijn van de tegenwoordigheid van zijn vrouw.
Toen Baishū op zekeren dag in een afgelegen gedeelte van Kyōto wandelde, zag hij, dat een bediende hem van de voordeur van een particuliere woning toewenkte. De man kwam naar hem toe, boog eerbiedig en zeide: “Wilt gij u wel verwaardigen, dit huis binnen te treden? Mijn meester verlangt er naar, de eer te hebben, met u te spreken”. Baishū, die niets afwist van den bediende of van diens meester, was niet weinig verbaasd over die vreemde begroeting, maar hij liet zich toch naar de ontvangkamer geleiden en daar sprak de bewoner van het huis hem aldus toe:
“Ik bied u zeer nederig mijn verschooning aan voor de weinig vormelijke wijze, waarop ik u heb uitgenoodigd, maar ik meen gehandeld te hebben in overeenstemming met een boodschap, die ik van de godin Benten heb ontvangen. Ik heb een dochter, en daar ik er zeer op gesteld ben, een goeden echtgenoot voor haar te vinden, heb ik de door haar geschreven gedichten naar alle tempels van Benten in Kyōto gezonden. De Godin is mij nu in een droom verschenen en heeft mij medegedeeld, dat zij een uitnemenden echtgenoot voor mijn dochter had, en dat hij mij den volgenden winter zou bezoeken. Ik heb eerst niet veel gewicht gehecht aan dien droom; maar den vorigen nacht is Benten mij weer in den droom verschenen, en zeide zij mij, dat den Bladzijde 196volgenden dag de echtgenoot, dien zij voor mijn dochter had gekozen, mij een bezoek zou brengen, en dat ik dan alles omtrent het huwelijk kon in orde brengen. De Godin beschreef het uiterlijk zóó nauwkeurig, dat ik er zeker van ben, dat gij de aanstaande echtgenoot van mijn dochter zijt.”
Die vreemde woorden vervulden Baishū met droefenis, en toen zijn beleefde gastheer voorstelde, hem met het meisje in kennis te brengen, was hij niet moedig genoeg, om zijn zoogenaamden schoonvader te vertellen, dat hij reeds een vrouw had. Baishū volgde zijn gastheer in een ander vertrek en tot zijn verbazing en vreugde bleek het hem, dat de dochter des huizes niemand anders was dan zijn eigen vrouw! En toch was er een fijn onderscheid tusschen beiden, immers de vrouw, die hem nu toelachte, was het lichaam van zijn vrouw, en zij die hem verschenen was voor den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water, was haar ziel. Men verhaalt ons, dat Benten dit wonder had volbracht ter wille van haar vereerders, en zoo geschiedde het, dat Baishū een vreemdsoortig dubbel huwelijksleven had met de vrouw, die hij liefhad.
Daikoku, de God van den Rijkdom, Ebisu zijn zoon, de God van den Arbeid, en Hotei, de God van het Lachen en van de Tevredenheid, behooren tot dien kring der godheden, die bekend staan onder den naam van de Goden van het Geluk. Daikoku wordt voorgesteld met een Tooverhamer, die het teeken draagt van den Juweel, die den mannelijken en vrouwelijken geest personifieert, en beteekent een scheppende godheid. Een slag van zijn hamer brengt rijkdom, en zijn tweede attribuut is de Rat. Daikoku is, zooals men licht zal begrijpen, een bijzonder populaire godheid, en hij wordt dikwijls geschilderd als een voorspoedige Chineesche mijnheer, rijk uitgedost, terwijl hij meestal wordt voorgesteld staande op balen rijst, met een zak vol kostbare zaken op zijn schouder. Die vroolijke Bladzijde 197en weldadige God wordt ook wel voorgesteld, zittende op balen rijst, of zijn schatten vertoonend aan een of ander gretig kind, dat vol verwachting naar die schatten ziet; ook wel wordt hij voorgesteld, de Roode Zon met de ééne hand tegen zijn borst houdend, terwijl hij den Tooverhamer met de andere hand vasthoudt.
Het attribuut van Daikoku, een Rat, heeft een zinnebeeldige en een zedelijke beteekenis, in verband met den rijkdom, die in den zak van den God verborgen is. De Rat wordt dikwijls voorgesteld òf in een baal met rijst, waaruit zijn kop uitsteekt, of terwijl deze binnen in den zak zit, òf terwijl hij met den Hamer speelt; somtijds ziet men een groot aantal ratten.
Volgens een oude legende werden de Buddhisten afgunstig op Daikoku. Zij overlegden samen, en besloten ten slotte, dat zij den te populairen Daikoku uit den weg zouden ruimen, aan wien de Japanners gebeden en wierook aanboden. Emma-Ō, de Heerscher der Dooden, beloofde zijn sluwsten en verstandigsten oni, Shiro te zenden, die, zooals hij zeide geen moeite zou hebben, den God van den Rijkdom te overmeesteren. Shiro, wien door een musch den weg werd gewezen, ging naar het kasteel van Daikoku, maar hoewel hij hoog en laag speurde, hij kon den eigenaar niet vinden. Eindelijk ontdekte Shiro een groot magazijn, waarin hij den God van den Rijkdom zag zitten. Daikoku riep zijn Rat en beval hem te onderzoeken, wie het waagde hem lastig te vallen. Toen de Rat Shiro zag, rende hij in den tuin en bracht een takje hulst mede, waarmede hij den oni verjoeg. Tot op den huidigen dag blijft Daikoku één der meest populaire Japansche Goden. Men zegt, dat deze gebeurtenis de oorsprong is van het oudejaarsavond-toovermiddel, dat bestaat uit een hulstblad en een vleeschpin, of een hulsttakje, bevestigd op den drempel van de deur van een huis, om den terugkeer van den oni te beletten. Bladzijde 198
Ebisu en zijn vader Daikoku worden gewoonlijk te zamen uitgebeeld: de God van den Rijkdom gezeten op balen rijst, terwijl hij de Roode Zon met één hand tegen zijn borst drukt, en met de andere den rijkdom schenkenden Hamer vasthoudt, terwijl Ebisu wordt uitgebeeld met een hengel en een grooten tai visch onder den arm.
Hotei, de God van het Lachen en der Tevredenheid, is één der komiekste der Japansche Goden. Hij wordt als uitermate dik voorgesteld, terwijl hij op zijn rug een linnen zak (ho-tei) draagt, waaraan hij zijn naam ontleent. In dien zak pakt hij de kostbare zaken in, maar als hij in een bijzonder speelsche bui is, gebruikt hij dien als een bewaarplaats voor vroolijke en nieuwsgierige kinderen. Somtijds wordt Hotei voorgesteld, gezeten in een gebroken en bijzonder haveloos rijtuig, dat wordt voortgetrokken door jongens; in die gedaante is hij bekend als de Wagen-Priester. Ook wordt hij geschilderd met een Chineeschen waaier in de ééne hand, en zijn zak in de andere, of terwijl hij op het ééne uiteinde van een stok den zak met kostbare zaken en op het andere uiteinde een knaap laat balanceeren. Bladzijde 199
1 De titel is niet nauwkeurig, want in werkelijkheid heeft Kwannon in die gedaante slechts veertig handen. Ongetwijfeld is de bedoeling van dien naam, een voorstelling te geven van de milddadigheid dier Godin.
2 “In navolging van de oorspronkelijke Drie en dertig Heilige Plaatsen zijn er ook drie en dertig heilige plaatsen in oostelijk Japan gesticht, en ook in het district Chichibu.” Murray’s Handboek van Japan, door B.H. Chamberlain en W.B. Mason.
3 Zie Murray’s Handboek van Japan.
4 Zie Een blik op het Onbekende Japan, door Lafcadio Hearn, deel I, blz. 62–104.
“Ik vroeg eens een bekoorlijk Japansch meisje: ‘Hoe kan een pop leven?’ ‘Wel,’ antwoordde zij, ‘als gij er genoeg van houdt, zal zij leven!’”
Lafcadio Hearn.
Onze poppen, met haar lichtblond haar, blauwe oogen en gemaakte lachjes, strekken zeker niet tot eer en roem van de poppenmakers, als het geacht moet worden, dat zij eenige gelijkenis dienen te vertoonen met levende kinderen. Als zij horizontaal gehouden worden, zal er iets in haar kopjes tikken en zullen haar blauwe oogen zich sluiten of liever gezegd achterover rollen; knijpt men ze, dan zullen zij een geluid geven dat eenigszins doet denken aan de woorden: “Papa! Mama!” en toch hebben zij, in weerwil van die mechanische kunstgrepen niets in haar voordeel dan de liefde van korten duur, haar door een kind betoond. Spoedig breken zij, of loopen zij gevaar, dat op ieder oogenblik een broertje ze het hoofd afbreekt of op andere wijze voor goed beschadigt.
In Japan echter is de pop niet alleen een stuk speelgoed, waardoor kleine meisjes zich voorstellen, moedertjes te zijn, maar in vroeger dagen werd zij als het middel beschouwd, om van vrouwen moeders te maken. Lafcadio Hearn schrijft hierover: “En als gij een dergelijke, door een Japansche moeder vervaardigde pop ziet, die haar handen kan uitsteken, haar naakte voetjes kan bewegen en haar hoofd kan omdraaien, dan zoudt gij, al werd zij vlak bij u gehouden, er bijna tegen opzien, een weddenschap aan te gaan, dat het maar een pop is.” Het is die treffende gelijkenis, die waarschijnlijk de oorzaak is van de vreemde en schoone liefde, die aan Japansche poppen verbonden is.
Er was een tijd, dat men meende, dat sommige poppen Bladzijde 200werkelijk levend werden en in haar kleine lichamen een menschelijke ziel kregen, en dat geloof is niets anders dan een echo van het oude denkbeeld, dat rijke liefde het beeld van een levend iets tot leven kan wekken. In het Oude Japan ging de pop over van het ééne geslacht op het volgende, en bleef somtijds volkomen ongeschonden gedurende een periode van meer dan honderd jaar. Een pop, die honderd jaar lang in de armen van kleine kinderen was gekoesterd, van voedsel was voorzien, geregeld iederen nacht naar bed was gebracht en het voorwerp van voortdurende liefkozingen was geweest, moest ongetwijfeld wonderen doen in de dichterlijke verbeelding van een gelukkig en kinderlijk volk.
De kleine pop, bekend als O-Hina-San valt niet binnen het gebied van deze studie; zij was eenvoudig een stuk speelgoed en niets meer. Wij hebben hier alleen de levensgroote poppen te bespreken, die poppen, die zoo uitnemend kleine kinderen voorstellen van twee of drie jaar. De meisjespop van die soort draagt den naam van O-Toku-San en de jongenspop van Tokutarō-San. Men geloofde, dat, als die poppen, hoe dan ook, slecht behandeld of verwaarloosd werden, zij zouden huilen, boos zouden worden en ongeluk zouden brengen over haar bezitters. Bovendien hadden zij nog een aantal andere bovennatuurlijke gaven.
In een zeker gezin was er een Tokutarō-San, die bijna niet minder vereerd werd dan Kishibōjin, de Godin, tot wie Japansche vrouwen en kinderen bidden. Die Tokutarō-San werd door kinderlooze echtparen geleend. Zij gaven hem nieuwe kleeren en verzorgden hem met liefdevolle zorgen, daar zij er van overtuigd waren, dat een dergelijke pop, die een ziel bezat, hen gelukkig zou maken, door hun gebeden om een kind te verhooren. Tokutarō-San was volgens de legende zeer levendig en vlug, want toen het huis in brand vloog, rende hij haastig den tuin in, om zich te redden! Bladzijde 201
Wat gebeurt er met een Japansche pop, als zij eindelijk na een lang en gelukkig leven breekt? Hoewel zij voor goed dood wordt geacht, worden haar overblijfselen met den grootsten eerbied behandeld. Zij wordt niet met vuil of afval weggeworpen of verbrand, of zelfs eerbiedig op stroomend water gelegd, zooals dikwijls met doode Japansche bloemen geschiedt. Zij wordt niet begraven, maar aan Kōjin gewijd, een godheid, die dikwijls wordt voorgesteld met een aantal armen. Men stelt zich voor, dat Kōjin huist in een enoki-boom, en tegenover dien boom is een klein altaar en torii. Hier worden de overblijfselen van een oude pop eerbiedig neergelegd. Haar klein gelaat moge al gekrabd zijn, haar zijden kleed gescheurd en verschoten, haar armen en beenen gebroken, zij had vroeger een ziel, en had eens de geheimzinnige begeerte het moederschap te schenken aan haar, die het verlangden.
Op den derden Maart wordt het Feest der Meisjes gevierd. Het is bekend als Jomi no Sekku, of Hina Matsuri, of het Poppenfeest.
“Waar bijeenverzameld liggen
Zachte bloesems, dra vergaan,
Waait daar soms een enkel blaadje
Op zijn vroeg’ren boomtak aan?
Neen, ’t was een vlinder, zoo licht als een blad,
Die zich in ’t luchtruim verheven had.”
Arakida Mortitake.
(Naar Clara A. Walsh.)
De vlinder staat in China meer dan in Japan in betrekking met legenden en folk-lore. De Chineesche geleerde Rōsan had, zoo wordt gezegd, bezoek ontvangen van twee meisjesgeesten, die hem onthaalden op spookachtige verhalen omtrent die insecten met hun prachtig gekleurde vleugels.
Het is meer dan waarschijnlijk, dat de legenden omtrent vlinders, die van Japan bekend zijn, aan China zijn ontleend. Bladzijde 202Japansche dichters en kunstenaars vonden er genoegen in, als hun beroepsnaam namen te kiezen zooals “Vlinderboom”, “Eenzame Vlinder”, “Vlinderhulp” en dergelijke. Zulke denkbeelden, hoewel waarschijnlijk van Chineeschen oorsprong, deden een beroep op de aesthetische gevoelens van het Japansche volk, en het is niet twijfelachtig, of de Japanners speelden in vroegere dagen het romantische vlinderspel. Keizer Gensō was gewoon de vlinders te gebruiken, om voor hem een keuze te doen voor zijn minnerijen. Bij een wijnfeest in zijn tuin moesten schoone dames opgesloten vlinders loslaten. Die schoongekleurde insecten vlogen dan rond en zetten zich neer op de schoonste meisjes, en die meisjes ontvingen dan dadelijk de gunst van den Keizer.
In Japan werd de vlinder een tijd lang beschouwd als de ziel van een levenden man of levende vrouw. Als hij een ontvangkamer binnenkwam en zich vastzette achter het bamboescherm, dan was dit een zeker bewijs, dat de persoon, die hij vertegenwoordigde, binnen kort in dat huis zou komen. De aanwezigheid van een vlinder werd als een goed voorteeken beschouwd, hoewel natuurlijk alles afhing van den persoon, die met den vlinder vereenzelvigd was.
De vlinder was niet altijd de voorbode van goede tijdingen. Toen Taira-no-Masakado in het geheim een oproer voorbereidde, was Kyōto het tooneel van een zwerm vlinders, en de bevolking, die ze zag, was zeer verschrikt. Lafcadio Hearn geeft als zijn meening te kennen, dat die vlinders de geesten kunnen zijn van hen, die bestemd waren in het gevecht te sneuvelen, de geesten van de levenden, die een voorgevoel hadden van een spoedig naderen van den dood. Vlinders kunnen ook de zielen der dooden zijn, en zij verschijnen dikwijls onder die gedaante, ten einde kenbaar te maken, dat zij voor goed afscheid nemen van het lichaam. Bladzijde 203
Het Japansche drama maakt herhaaldelijk van de spookachtige beteekenis der vlinders gebruik. In het tooneelspel, dat bekend staat als De Vliegende Haarspeld van Kochō, pleegt de heldin, Kochō, zelfmoord, op grond van valsche beschuldigingen en wreede behandeling. Haar minnaar tracht te ontdekken, wie de oorzaak van haar ontijdigen dood is geweest. Op een zeker oogenblik verandert Kochō’s haarspeld in een vlinder, welke blijft zweven boven de schuilplaats van den misdadiger, die al die ellende heeft veroorzaakt.
Er is een vreemde en roerende Japansche legende, die in verband staat met den vlinder. Een oude man, Takahama genaamd, woonde in een huisje achter het kerkhof van den tempel van Sōzanji. Hij was een uiterst beminnelijk man en bij al zijn buren dan ook zeer geliefd, hoewel de meesten hem als eenigszins krankzinnig beschouwden. Zijn krankzinnigheid bestond, naar het scheen, uitsluitend in het feit, dat hij nooit was getrouwd en nooit het verlangen had uitgesproken naar intiemen omgang met vrouwen.
Op een zekeren Zondag werd hij ernstig ziek, en wel zóó ziek, dat hij zijn schoonzuster met haar zoon liet ontbieden. Zij kwamen beiden, en deden alles wat in hun macht was, om in zijn laatste levensuren zijn lijden te verzachten. Terwijl zij waakten, viel Takahama in slaap; maar nauwelijks was hij in rust, of een groote witte vlinder vloog de kamer binnen, en bleef stil zitten op het hoofdkussen van den lijder. De jonge man trachtte dien met een waaier te verdrijven, maar driemaal kwam hij terug, alsof hij er tegen opzag, den zieke te verlaten.
Eindelijk joeg de neef van Takahama hem op naar den tuin, waarna hij door de tuindeur naar het kerkhof vloog, dat aan den overkant gelegen was, waar hij bleef Bladzijde 204zitten op het graf van een vrouw en daarna geheimzinnig verdween. Toen de jonge man den grafsteen nader beschouwde, zag hij, dat er de naam “Akiko” op was geschreven, en tevens een beschrijving, hoe Akiko op achttienjarigen leeftijd was gestorven. Hoewel de grafsteen met mos was bedekt en wel vijftig jaar geleden moest zijn opgericht, zag de jonge man, dat hij door bloemen omringd was, en dat de kleine waterbak onlangs was gevuld.
Toen de jonge man naar huis terugkeerde, bleek het, dat in dien tusschentijd Takahama was gestorven; hij keerde toen naar zijn moeder terug en vertelde haar, wat hij op het kerkhof had gezien.
“Akiko?” mompelde zijn moeder. “Toen uw oom jong was, was hij met Akiko verloofd. Zij stierf kort vóór haar trouwdag aan de tering. Toen Akiko deze wereld verliet, besloot uw oom, nooit te huwen en steeds in de nabijheid van haar graf te blijven wonen. Al die jaren lang is hij zijn gelofte getrouw gebleven, en hield zijn hart al de zoete herinneringen aan zijn eenige liefde. Dagelijks ging Takahama naar het kerkhof, zoowel als de lucht geurig was van de zomerzoelte, als wanneer zij bezwangerd was met vallende sneeuw. Dagelijks ging hij naar het graf en bad voor haar heil, maakte den grafsteen schoon en plaatste daarop bloemen. Toen Takahama stervende was, en hij die hem zoo dierbare taak niet meer kon volbrengen, kwam Akiko hem bezoeken. Die witte vlinder was haar vriendelijke en liefhebbende ziel.” Voordat Takahama naar het Land van de Gele Lente vertrok, kon hij wel woorden gemompeld hebben zooals die van Yone Noguchi:
“Daar waar de bloemen slapen,
Slaap ik, Goddank! van avond.
O, kom, o vlinder kom.1
1 Legenden in verband met andere insecten worden in Hoofdstuk XXIII behandeld.
De San-ga-nichi, of “drie dagen” van het Nieuwe Jaar, is één van de belangrijkste van de Japansche feestgetijden, want de Japanners vieren het nieuwjaarsfeest veel feestelijker dan wij. Zij beschouwen de eerste drie dagen van het jaar als een geschikte gelegenheid, om zich voorspoed en geluk voor de toekomst te verzekeren, en om dit gedaan te krijgen, worden een aantal vreemde en oude gebruiken in acht genomen. Voordat de huizen worden versierd, heeft er eerst een afdoende winterschoonmaak plaats. “In oude tijden”, zoo schrijft Mevrouw Salwey, “werd dit gebruik in acht genomen zoowel aan het Hof van den Keizer als in de hut van den boer, en wel zóó nauwgezet, dat het Hof van den Shōgun opzichters leverde, die rondgingen met versierde stoffers, om het werk der bedienden na te zien, en die hun officieele bezems over richels en spleten bewogen, terwijl zij daarbij hun tooverroeden op een bepaalde wijze zwaaiden, om daarmede het Chineesche teeken, dat water beteekende, aan te duiden.” Niet alleen wordt het geheele huis door en door gereinigd en alles op zijn plaats gezet, maar men wordt verlost van de booze geesten, door erwten en boonen uit de open shoji te werpen, of ook wel papiersnippers.
Bij het Nieuwjaarfeest worden de huizen en deurposten versierd met koorden van stroo, en deze worden dikwijls zóó gemaakt, dat zij de getallen drie, vijf of zeven voorstellen, welke getallen bij de Chineezen als gelukkig worden beschouwd. Het voornaamste voedsel, dat bij die gelegenheid wordt gegeten, bestaat uit zeekreeften (wier gebogen en oud uiterlijk op een lang leven wijst), sinaasappels en enkele soorten van eetbaar zeegras. Bovendien zijn er spiegelkoeken, in verband met de Zonnegodin, en die koeken, die uit rijst bestaan, worden gegeten met de sinaasappelen en de zeekreeften, en opgediend op zuiver witte bakken. Bladzijde 206Een andere belangrijke versiering mag niet over het hoofd gezien worden, en wel de takken van een pijnboom. Die takken zijn het zinnebeeld van een lang leven, en om de ééne of andere niet bekende reden worden zij verbrand, zoodra het feest is afgeloopen.
Één van de meest schilderachtige gebruiken, dat met dit feest in verband staat en dat in het bijzonder op kinderen een grooten indruk maakt, is het Spookschip met de Zeven Goden van het Geluk aan boord, waarover wij reeds vroeger hebben gesproken.1
De Tango no Sekku, of Feestdag voor Jongens, wordt gevierd op den 5den Mei, en dient, om de Japansche jeugd met krijgshaftige eigenschappen te bezielen. Het is de dag, waarop overal vlaggen worden gezien, waarop de daken der huizen met irisbladeren worden versierd, zoodat de vlag der Natuur en de vlag door menschenhanden vervaardigd, beide in het oog vallen op dien vroolijken feestdag, die algemeen bekend staat onder den naam van het Vlaggenfeest. De knapen krijgen dien dag kleine beeldjes ten geschenke, die bepaalde groote helden uit het verleden voorstellen, terwijl oude zwaarden, bogen, pijlen, speren en dergelijke van het ééne geslacht van kinderen aan het andere worden overgegeven.
Misschien is wel de meest op den voorgrond tredende trek van dit feest de papieren vlag, die de gedaante heeft van een karper. Zij is hol, en als zij met wind wordt gevuld, heeft zij het voorkomen, alsof zij krachtig door de lucht vliegt. De karper is meer dan een gewoon symbool van den ruwen oorlogsgeest, want hij is het zinnebeeld van vasthoudendheid in den opzet en van ontembaren moed. Zooals de karper tegen den stroom opzwemt, zoo wordt van de Japansche jeugd verwacht, dat zij tegen de krachtigste Bladzijde 207stroomingen van den tegenspoed kan strijden. Dit denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de betooverende Chineesche legende van den Drakenkarper, wien het na een langen strijd gelukte, voorbij de watervallen van den Drakenpoort te zwemmen, en die duizend jaar leefde, totdat hij eindelijk in de lucht opsteeg.
Het Doodenfeest, of Bommatsuri, moet hier worden besproken, omdat het veel bevat, dat mythisch is. De opvatting van den Japanschen boer omtrent een toekomstig leven is niet bijzonder opgewekt. Na den dood wordt het lichaam onmiddellijk gewasschen en geschoren en dan gestoken in een helder wit gewaad—in werkelijkheid het gewaad van een pelgrim. Om den nek wordt een zakje gehangen met drie of zes rin2, welk aantal afhangt van de gewoonten der plaats, waar de overledene gewoond heeft, en die rin worden met den overledene begraven. Het denkbeeld, om munten met dooden te begraven, is ontleend aan het geloof, dat allen die sterven, met uitzondering van kinderen, moeten reizen naar de Sanzu-no-Kawa, of “De Rivier der Drie Wegen”. Aan den oever van die sombere rivier wacht Sodzu-Baba, de Oude Vrouw der Drie Wegen, de komst af van de zielen, te gelijk met haar echtgenoot, Ten-Datsu-Ba. Als geen drie rin aan de Oude Vrouw worden betaald, neemt zij de witte kleeren van den doode weg, en hangt zij die, zonder op zijn smeekingen te letten, aan de boomen op. Dan is er nog de niet minder angstwekkende Emma-Ō, de Heerscher der Dooden; en als wij bij die sombere figuren nog voegen enkele van die verschrikkingen van de hellen der Buddhisten, dan behoeft het geen verbazing te wekken, dat de zachtzinnige en poëtische Japanner een feest heeft ingesteld, dat een aangename, zij het dan ook slechts een Bladzijde 208korte vertroosting schenkt van de verschrikkingen van den Hades.
Het feest heeft plaats van 13 tot 15 Juli. In dien tijd van het jaar zijn de meeste huizen niets dan geraamten, daar zij aan alle kanten aan de zomerbries toegang verschaffen. Men loopt in de lichtst mogelijk gewaden rond. De vlinders vermaken zich, in ontelbare hoeveelheden rondvliegend over een koel lotusveld of zich neerzettend op de purperen bloemblaadjes van een iris. De Fuji steekt zijn grooten kop in de heldere blauwe lucht uit, en draagt als een witte sluier een strook van snel wegsmeltende sneeuw.
Als de ochtend van den 13den Juli aanbreekt, worden nieuwe matten van rijststroo op alle Buddhistische altaren witgespreid en op de kleine tempels in huis. Ieder Japansch huis houdt dien dag een eigenaardig nauwkeurig omschreven maal gereed voor de groote menigte geesten.
Tegen het ondergaan van de zon zijn de straten helder verlicht door de vlammen der fakkels, en de ingangen der huizen hebben een vroolijk aanzien door de helder gekleurde lantarens. Zij, voor wie dit feest in bijzondere mate geldt, en dus niet als voor ieder ander—dat wil zeggen, zij, die kort geleden iemand hebben verloren, die hun dierbaar was—gaan dien nacht naar buiten, om de kerkhoven te bezoeken, waar zij bidden, offers brengen, wierook branden en water uitgieten. Lantarens worden aangestoken en bamboevazen met bloemen gevuld.
Op den avond van den 15den Juli worden de geesten van den Kring der Boetedoening of Gakidō gevoed, en bovendien al die geesten, die onder de levenden geen vrienden hebben, die voor hen zorgen. Er is een legende, die betrekking heeft op dit bijzonder onderdeel van het Doodenfeest. Dai-Mokenren, een groot leerling van Buddha, kreeg eens toestemming, de ziel van zijn moeder in de Gakidō te bezoeken. Hij had zóó bitter verdriet over haar ontzettend lijden, dat hij haar een kom gaf, die het meest uitgelezen voedsel bevatte. Maar iederen keer, als Bladzijde 209zij trachtte er van te eten, veranderde het voedsel plotseling in vuur, en eindelijk in asch. Toen vroeg Mokenren Buddha, hem te willen mededeelen, wat hij kon doen om het lijden van zijn moeder te verzachten. Hem werd toen bevolen, om de schimmen der groote priesters in alle landen “