The Project Gutenberg EBook of Mythen en Legenden van Egypte, by 
Lewis Spence and J. W. van Rooijen

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Mythen en Legenden van Egypte

Author: Lewis Spence and J. W. van Rooijen

Release Date: February 12, 2006 [EBook #14826]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MYTHEN EN LEGENDEN VAN EGYPTE ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






De voorstelling van Ani aan Osiris.

De voorstelling van Ani aan Osiris.

Uit de papyrus van Ani.

Reproductie met toestemming van den Directeur van het Britsch Museum.

Mythen en Legenden van Egypte

Door
Lewis Spence
Voor Nederland bewerkt door
Dr J. W. van Rooijen

Met 48 gekleurde en zwarte platen.
Tweede druk.
Zutphen—W. J. Thieme & Cie—1922.

Inhoudsopgave

[III]

Voorwoord.

Na een stilzwijgen van ettelijke eeuwen zijn de monumenten der Egyptenaren weer tot ons gaan spreken. Vervulden zij vroeger den toeschouwer alleen met verbazing en ontzag voor het grootsche en schoone, dat ons werd overgeleverd, thans spreken zij door hun inmiddels ontcijferde opschriften luide tot ons.

De Steen van Rosette, na den tocht van Napoleon naar Europa overgebracht, bleek de sleutel van de geheimzinnige Egyptische taal te bevatten. Door een bloot toeval kon men een begin maken met de ontcijfering en zoo werd langzamerhand de geheele oude Egyptische beschaving voor ons ontsluierd.

Dat in onzen tijd de papyri, overal opgegraven, de Egyptische levenswijze en beschaving mede helpen bekend maken, is overbodig te vermelden, doch voor de oer-Egyptische beschaving zijn wij op de eigenlijke Egyptische monumenten aangewezen.

Deze beschaving in ruimeren kring bekend te maken is het doel van dit boek. Men zal bemerken, dat de schrijver op verschillende plaatsen getracht heeft, de Egyptische mythologie en godsdienstgeschiedenis in verband te brengen met die der onbeschaafde volken, voornamelijk met die der Maya uit Midden-Amerika. Zijn werk, dat handelt over Mexicaansche en Peruviaansche mythen, heeft hem hiervoor goede diensten bewezen.

Een van de moeilijkste problemen om op te lossen is nog steeds dat van de dierenvereering; hoe komt het bijvoorbeeld toch, dat in eenige streken van Egypte sommige dieren voor heilig gehouden werden, terwijl deze in andere deelen straffeloos gedood mochten worden. De [IV]heer Spence tracht deze moeilijke quaestie op te lossen, door haar in verband te brengen met het totemisme.

Doch de schrijver brengt ons ook met verschillende onderwerpen op gebied van mythologie, beschavingsgeschiedenis en godsdienstwetenschap in aanraking. Moge dit boek er toe bijdragen, voor de kennis van de aloude Egyptische beschaving in wijderen kring belangstelling te wekken.

De Bewerker.

Het was voor mij een aangename verrassing van den uitgever te vernemen, dat de eerste druk was uitverkocht. Voor den tweeden druk heb ik verschillende veranderingen en verbeteringen aangebracht, welke mij bij nader inzien wenschelijk bleken. Overigens is de 2e uitgave niet noemenswaard veranderd.

De Bewerker. [VII]

Inhoud.

Pag.
Hoofdstuk I. Inleiding 1
Plaatselijke goden 2
Animisme 5
Fetischisme en Totemisme 8
Scheppingsmythen 14
Het Gezelschap der Goden 18
De Gods-idee der Egyptenaren 21
Godheden in de teksten der Pyramiden 22
Oudste begrafenissen 25
De Pyramiden 27
Pyramidenbouw 28
Verloren gegane pyramiden 29
Mummies 30
Begrafenisoffers 33
De Ka 35
De Ba 36
Hoofdstuk II. Onderzoekingen, geschiedenis en gebruiken.
Het Nijldal 38
Oorsprong van het ras 38
Onderzoekingen van Egypte 42
Oudste onderzoekingen 43
Plattegrond der steden 45
Paleizen en heerenhuizen 47
Levenswijze in Oud-Egypte 49
Handel 51
Wetboeken 52
Wetenschappen 54
Landbouw 54
Kleeding 55
Hoofdstuk III. Priesterschappen, mysteriën en tempels.
Priesterschappen 58
Het Priestercollege van Thebe 60
Mysteriën 62
Grieksche Mysteriën 63
De Egyptische tempel 65
Het Heilige der Heiligen 67 [VIII]
Hoofdstuk IV. De vereering van Osiris.
Osiris 69
De Osiris-Mythe 70
Set, zijn vijand 72
De tamarindeboom 74
Isis’ smart 74
Horus’ wraak 76
Sir Frazer over Osiris 77
Primitieve denkbeelden over de maan 81
Osiris en de Persephone-mythe 83
Nieuwe theorie over Osiris 85
Isis 87
Isis als voorstelling van den wind 88
Attributen van Isis 90
Horus 91
De droom van Thothmes 92
Heru-Behudeti 94
De mythe van den gevleugelden schijf 95
De slachting van de monsters 97
Andere Horus-legenden 99
Het Zwarte Zwijn 104
Set 107
Set en de Ezel 110
Anubis 112
Thoth 114
Thoth als zielerechter 116
Maät 117
Het Boek der Dooden 118
Een oude ontdekking 119
De drie resencies 122
De Rietvelden 124
Osiris’ reis 125
De Plaats der straffen 132
De Egyptische hemel 134
Het Leven der Gelukzaligen 137
Hoofdstuk V. De groote goden.
Ra, de Zonnegod 140
Rat 142
Fusie der mythen 143
Ra en Osiris 145
De heilige kever 147[IX]
Amen 147
De opkomende macht van Amen 150
Het orakel van Juppiter-Ammon 153
Mut, de Almoeder 154
Ptah 155
De Seker-boot 157
Sekhmet 158
De Zeven Wijzen 158
Bast 159
Het feest van Bast 160
Nefer-Tem 161
I-hem-hetep 161
Khnemu 163
Legende over de Bron van den Nijl 165
Satet 167
Anqet 167
Aten 168
De vereering van een eenig god 170
Een sociale omwenteling 171
De attributen van Aten 172
Een Aten-hymne 173
Hathor 174
Hathor als godin der liefde 176
De menschenslachting 178
Vormen van Hathor 181
Hapi, de Nijlgod 181
Tegenhangsters van Hapi 183
Nut 185
Taurt 187
Hekt 187
Khonsu 188
De Prinses en de Demon 189
Lagere goden 193
Hoofdstuk VI. Egyptische literatuur.
Egyptische taal en Egyptisch schrift 195
De Hieroglyphen 198
Literatuur 200
De Kat en de Jakhals 202
Reisverhalen 203
De geschiedenis van Saneha 204
De geschiedenis van den zeeman 205
De Fabel van het Hoofd en de Maag 208[X]
De Berisping van Amasis 210
Tooververhalen 211
De scheiding van het water 213
De profetie van Dedi 215
Het bezoek der godinnen 217
Lyriek en Volks-poëzie 220
De ware geschiedenis van Setne en Se-Osiris 221
Se-Osiris 223
Een visioen van Amenti 224
Het lezen van den verzegelden brief 226
De inhoud van den brief 229
Tooverkunst tegenover tooverkunst 231
Strijd in betoovering 233
Hoe Setnau de Assyriërs overwon 234
De Boer en de Werkman 235
Geschiedenis van de twee broeders 240
Het verraad van Bitou’s vrouw 242
De vervloekte prins 244
Het bezoek van Ounamounou aan de Kust 248
Geschiedenis van Rhampsinites 253
Burgeroorlog in Egypte. Het Gestolen Harnas 256
Oorlogsverschrikkingen 258
Hulp van Pakrourou 260
Het schild wordt teruggegeven 262
Geboorte van Hatshepsut 262
Hoe Thoutii de stad Joppe nam 265
De list 267
Hoofdstuk VII. Magie.
Oudheid der Egyptische magie 272
De wandelende geest 272
Het bedwingen der goden 274
Krachtnamen 275
De juiste Uitspraak 279
Een samenzwering van toovenaars 280
Amuletten 281
Tooverspreuken 282
Brabbeltaal der tooverkunst 283
Het verhaal van Setne 284
Een damspel met de dooden 286
Geneeskundige toovenarij 287
Alchemie 288
Gedaanteverwisseling 289[XI]
Droomen 291
Mummie-magie 292
Hoofdstuk VIII. Vreemde goden en goden in diergestalte. Laatste periode.
Vreemde goden 294
Aziatische goden 295
Ashtoreth 297
Semitische en Afrikaansche invloed 300
Heilige Dieren 302
De Apis 304
Het Apis-orakel 306
De Krokodil 309
De Leeuw 311
De Leeuw als bewaker 312
De Kat 313
De Hond 314
Het Nijlpaard 314
Andere dieren 315
De Ibis 316
Heilige boomen 317
De Lotus 320
Godsdienst van den lateren tijd 320
Een godsdienstige reactie 321
Dierenvereering 323
Godsdienst gedurende de Perzische overheersching 325
De Ptolemaeëntijd 325
Fusie van Grieksche en Egyptische ideeën 327
Legende van Sarapis 327
Renaissance op het gebied der bouwkunde 329
Veranderde opvatting over de onderwereld 331
Godenschemering 331
Hoofdstuk IX. Egyptische kunst.
Het Schildermateriaal 337
Het Nieuwe Rijk 339
Invloed der Egyptische kunst 342
Overblijfselen der kunst 345
Egyptische kleurschakeeringen 346
Groote eenvoud der Egyptische kunst 347

[XII]

Lijst van illustratiën

Pag.
De voorstelling van Ani aan Osiris Tegenover den titel.
Het Egyptisch symbool voor de ziel 6
Hoofdingang van den tempel te Karnak 14
De Pyramiden bij Gizeh 28
Model van eene begrafenisboot. Begrafeniskruiken 34
Tempel van Horus bij Edfû 42
Voorstelling van het weiden van een groote kudde vee op een Egyptische hoeve 52
Rāhetep. Een Priester 62
Osiris 72
Osiris in de kist gelokt 74
Isis en de jonge prins 76
Het vertrek van Isis uit Byblos 78
Een altaar van Osiris 84
Isis 88
Gevleugelde Isis 90
Zuil van Horus 94
Strijd van Horus 100
Nephthys 104
Set 108
Anubis 112
Thoth en Maāt 116
Het wegen van het hart 126
Ra 140
Isis en Ra 148
Amen-Ra 150
Mut en Ptah 156
Sekhmet en Bast 160
Khnemu, I-em-hetep en Nefer-Tem 162
Aten 168
Hathor 174
Hapi 182
Taurt en Khonsu 188
Het meisje van Bekhten 192
De Godinnen als danseressen 218
Thoth en de oppertoovenaar 234
“Wie zijt gij?” 242
De schatkamer van Rhampsinites 254
Isis bezweert Ra haar zijn naam te zeggen 276
Amuletten van Hathor 288
Bes 300
Processie van den heiligen Stier 306
Sebek 308
Ramses II door een leeuw vergezeld 312
Mummies van katten 324
Het Kind Horus 328
Aanvoer van steenblokken voor de Pyramiden 332
Een hoofdsteunsel 340
Tempel van Isis te Philae 346

[1]

Inleiding.

De verschillende groepen van geloof, welke tezamen den Egyptischen godsdienst hebben gevormd (indien er tenminste van één Egyptischen godsdienst sprake kan zijn), hebben gedurende eenige duizenden jaren dezelfde phases doorloopen, welke aan ieder, die zich met de bestudeering der vergelijkende mythologie heeft bezig gehouden, bekend zijn.

Indien wij in aanmerking nemen, dat de godgeleerden van het oude Egypte niet in staat zijn geweest, een pantheon der Egyptische godenleer te scheppen, waarin aan ieder god, of godin, een bepaalde invloedssfeer kon worden aangewezen, hetzij op wereldlijk, hetzij op geestelijk gebied, dan mag men toch zeker vragen, hoe een hedendaagsch beoefenaar der mythologie in staat zal zijn, in deze moeilijke en duistere problemen, welke de godenleer van het Oude Nijldal ons opgeeft, voldoende licht aan te brengen.

Het antwoord is echter gemakkelijk. De nieuwere wetenschap der vergelijkende godsdienstgeschiedenis breidt zich van jaar tot jaar meer uit en haar licht verspreidt zich, weliswaar langzaam, doch zeker, in de groote duisternis, welke de oude godsdienst omhult.

Laten wij dus bij het licht van deze tooverlamp (een zoo wondervolle is zelfs door een vervaardiger van Oostersche sprookjes niet uitgevonden) dwalen door de donkere pyramiden, door de koele schaduwen der tempelruïnes, ja, door het kronkelend labyrinth van den Egyptischen geest zelf, vertrouwende, dat wij door het licht, dat wij bij ons dragen, er in zullen slagen de raadselen van dit geheimzinnige land eenigermate op te lossen.

Een van de eerste gedachten, welke terstond bij ons oprijzen is, dat het verwondering zou baren, indien er bij [2]een zoo groote menigte goden, die de Egyptische godsdienst aanwijst, geen verwarring ware ontstaan bij de aanduiding over hun oorspronkelijk wezen en hun eigenlijken aard.

Dat deze werkelijk bestond, bewijzen ons de overgeleverde teksten, welke een groote moeilijkheid opleveren om de juiste eigenschappen van bepaalde godheden te definieeren en hen tot één groep, of klasse, terug te brengen. De reden van deze verwarring behoeft men niet ver te zoeken. De goden van een bepaalde landstreek vermenigvulden zich op zulk een verbazingwekkende wijze, dat, terwijl wij in de teksten der eerste dynastieën slechts de namen van tweehonderd godheden ontmoeten, de latere Thebaansche herziening van het “Boek der Dooden” ongeveer vijfhonderd er bij voegt; hierbij moeten nog geteld worden ongeveer achthonderd namen van wezens, welke in de mythologie voorkomen.

Plaatselijke goden.

Een andere oorzaak, welke tot de verwarring aanleiding gaf was, dat in iedere groote stad van Boven- of Beneden-Egypte en hare omgeving de godsdienst een localen vorm aannam. Zoo kwam het, dat de groote goden van het land in iedere provincie onder een anderen naam bekend waren, hun ritus verschillend was en zelfs de sagen over hun oorsprong en hun komst een verschillende gedaante aannamen. Vele groote steden bezaten bovendien eigen, speciale goden en aan dezen legde men dikwijls de eigenschappen van een, of meer, der grootere en meer populaire godheden bij.

Het geloof van de stad, welke de koninklijke residentie vormde, werd de godsdienst par excellence van het geheele koninkrijk, haar tempel werd het Mekka van alle vrome Egyptenaren en haar god was de Juppiter van het Egyptisch pantheon.

Nu had men mogen verwachten, dat, toen Egypte [3]één gemeenschappelijke cultuur, kunst en nationaliteit verkreeg, haar godsdienst eveneens, zooals dit bij andere volken is geschied, één van vorm en van eenvoudiger gedaante zou worden.

Dit resultaat is echter nooit bereikt. Juist de omgang met vreemden was voor de priesters en het volk een aansporing aan hun godsdienstig conservatisme vast te houden. Ja, men kan zelfs zeggen, dat het volk zich nog conservatiever heeft betoond, dan de priesters.

Veranderingen in de godsdienstpolitiek, verschil in uitlegging der heilige teksten kwamen somwijlen uit den boezem der verschillende priestercolleges voort, of ook wel de koning zelf, de bron van alle godsdiensten, verklaarde zich voor deze, of gene uitlegging.

Nimmer echter werd in de godsdienstige opvattingen, uit eerbied voor de publieke opinie, een verandering gebracht, of het was een teruggang tot een ouder type. Zoo zien wij het schouwspel, hoe verder wij in de dynastieën voortgaan, dat er van lieverlede een groote kloof ontstaat tusschen de priesters en het volk; de eersten vatten de godsdienst meer idealistisch op, de groote massa echter bleef evenzeer trouw aan den uiterlijken schijn der dingen, als aan het oude, voornamelijk omdat het oud was.

De evolutie van het geloof in het oude Egypte moet denzelfden loop hebben doorgemaakt als bij andere volken en iedere veronderstelling, welke dit op andere wijze tracht te verklaren, is reeds bij voorbaat bestemd verworpen te worden. In de laatste jaren zijn er verschillende werken door kundige Egyptologen uitgegeven, welke ten doel hebben een meer of minder uitgebreid overzicht over de Egyptische mythologie te geven en haar diepere beteekenis te ontvouwen.

De schrijvers van eenige dezer werken, hoeveel bewondering men ook voor hen moet koesteren als archaeologen, of als uitleggers der hieroglyphenteksten, [4]zijn voor het meerendeel slechts in geringe mate tegen de moeilijkheden, welke de mythologie ons aanbiedt, opgewassen.

Om in deze moeilijke problemen eenig licht aan te brengen is een speciale oefening hierin een eerste vereischte en een algeheele vertrouwdheid met de verschijnselen van de oudere godsdiensten in het algemeen, in al haar verschillende vormen en gedaanten, is een volstrekte noodzakelijkheid.

In het werk b.v. van een buitenlandsch Egyptoloog van den eersten rang treedt een volslagen onbekendheid aangaande mythologische ontwikkeling aan den dag. Hij wil den Egyptischen godsdienst voorstellen, zooals deze toeschijnt aan iemand, die niets van de moderne godsdienstwetenschap afweet. Een ander zeer bekend Egyptoloog schrijft over het z.g. totemisme op de meest elementaire wijze en werpt de stelling op, dat een zoodanig stelsel nooit in het Nijldal heeft bestaan. Deze vragen echter zullen op de daarvoor bestemde plaatsen worden behandeld.

Om met de vormen van den lageren cultus te beginnen—vormen, welke hoogstwaarschijnlijk uit Afrikaansche bron stammen—het is zoo goed als zeker, dat de oudere Egyptische godsdienst tot aan den tijd der Hyksos bleef bestaan; na dezen tijd heeft men de officieele godsdienst van het land onder een of anderen vorm met de aanbidding der zon in verband gebracht; men heeft dus alle oorspronkelijke goden van het land op een bepaald tijdstip met de idee van één zonnegod òf samengesmolten òf vereenzelvigd.

De Egyptische godsdienst in het Midden- en Nieuwe Rijk was zoowel een vrucht van filosofische vinding, alsook van latere Grieksche mythe; voor zoover wij echter kunnen beoordeelen, was hij niet zoo kunstig en in alle deelen volmaakt. Immers terwijl wij in de teksten ontelbare toespelingen op bepaalde mythen vinden, [5]komen de mythen zelf in de Egyptische literatuur zelden voor.

De voornaamste plaats, waar een Egyptische mythe voor ons is bewaard gebleven, is Plutarchus’ verhaal over Isis en Osiris, en dat is een niet zeer betrouwbaar zegsman. Men heeft nu vermoed, dat de mythen zoo algemeen onder het volk bekend waren, dat het een overbodig werk zou geweest zijn, dezen voor een zoo godsdienstig volk als het Egyptische op te schrijven.

Het is voorzeker een onherstelbaar verlies voor het nageslacht, dat dezen verloren zijn gegaan en daar wij een volledige kroniek van de daden der Egyptische goden missen, kunnen wij slechts het materiaal, dat de teksten en aanverwante voorwerpen ons geven, onderzoeken om hier en daar een brokstuk van het Egyptische godsdienstwezen op te diepen en zelfs, als men al deze stukken bijeenvoegt vertoont het geheel nog slechts een schijn van wezenlijkheid en bondigheid.

Animisme.

Wij zagen reeds, dat bij de oude Egyptenaren, evenals bij de andere vroegste volken, de godsdienst zich onmogelijk kan ontwikkeld hebben, zonder dat hij het bij allen gebruikelijke proces heeft doorloopen.

Door middel van verschillende draden, meer of minder sterk, kunnen wij ontdekken, dat hij de phase heeft doorloopen, bekend onder den naam van animisme of animatisme.1

Dit is het geloof, dat ieder voorwerp, dat den mensch omringt, werkelijk een ziel en een persoonlijkheid bezit, even goed als hij zelf.

Reeds op een vroeg tijdstip ontstond bij den mensch het geloof in een ziel, dit geheimzinnig tweede ik, waaraan [6]zelfs de minst ontwikkelde rassen gelooven. Het verschijnsel van den slaap, het weder tot bewustzijn komen na de sluimering en de vreemde gewaarwordingen en lotgevallen in den droom, zullen de oudste menschen tot de conclusie gebracht hebben, dat zij een tweede ik bezaten en het was slechts een uitbreiding van dit denkbeeld, dat hen tot de veronderstelling bracht, dat deze tweede gestalte na zijn dood zal blijven voortbestaan.

Doch welk bewijs hebben wij, dat de oude bewoners van Egypte deze phase hebben doorloopen? Afgezien van het geloof in een menschelijke ziel, ziet het animisme in ieder voorwerp der natuur een levend wezen. Op deze wijze bezitten boomen, rivieren, winden en dieren allen de natuurlijke gave van denken en spreken. Hoe is het nu mogelijk te bewijzen, dat de oude Egyptenaren het geloof koesterden, dat dergelijke dingen een ziel bezaten, welke bewustzijn had en een eigen persoonlijkheid?

In de eerste plaats wat betreft het geloof van de oude Egyptenaren, dat de mensch zelf een ziel bezat. Het Egyptisch symbool voor de ziel (ba) is een man met het hoofd van een vogel. De opvatting nu over de ziel, als vogel voorgesteld, is algemeen verbreid onder de meeste wilde en onbeschaafde volken. Voor onontwikkelde volken is de vogel altijd een onbegrijpelijk wezen, door zijn eigenaardige vliegkunst: zijn verschijning in de lucht, waar men zich de woningen der goden voorstelde, zijn gezang, dat het spreken naderbij kwam, vermeerderden nog deze opvatting.

Van den vogel ontwikkelde zich bij de wilde volken de idee van den gevleugelden geest of god, den bode uit den hemel. Zoo gaf men aan alle bovennatuurlijke wezens in alle mythologische stelsels vleugels. Verscheidene Indianen uit Amerika gelooven, dat vogels de zichtbare geesten der afgestorvenen zijn. De Powhattans van Virginia geloofden, dat de ziel van hun opperhoofd, na zijn dood, in een vogel overging en de Aztecs, dat de geest van [7]gestorven krijgslieden de gedaante van een kolibrie aannam en in den zonneschijn van bloem tot bloem fladderde.

De Boros van Brazilië koesteren het geloof, dat de ziel de gedaante van een vogel bezit en in den droom in deze gestalte het lichaam verlaat.2 De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia stellen zich de ziel voor, huizende in een ei, dat zich in den hals bevindt. Indien het ei barst en de ziel er uit vliegt, moet de mensch sterven. Een toovenaar uit Melanesië was gewoon zijn ziel in de gedaante van een arend uit te zenden, om te zien, wat er op de schepen, welke voorbijvoeren, geschiedde. Plinius vermeldt, dat men de ziel van Aristeos van Proconnesus uit diens mond in de gedaante van een raaf heeft zien vlieden. Een soortgelijk geloof vindt men in landen, die even ver van elkaar zijn verwijderd als Bohemen van Malakka.

Uit deze overeenkomstige voorbeelden zien wij, dat de oude Egyptenaren niet alleen hebben gestaan in hun voorstelling van de ziel in de gedaante van een vogel. Deze idee behoort tot de natuur van het animistisch geloof. Nog andere en meer concrete voorbeelden echter van dit soort van godsdienstvereering vinden wij bij ons onderzoek.

Om een voorbeeld te noemen: sommige voorwerpen, welke men en in Egyptische graven en elders heeft gevonden, zijn soms gebroken, klaarblijkelijk met de bedoeling hun geesten te bevrijden, zonder twijfel om zich met die van hun eigenaar te vereenigen. Het verhaal verder, in de Osiris-mythe, dat de kist van dezen verward raakte in de takken van een boom—een duidelijke aanwijzing van een volksoverlevering, welke een herinnering is aan een oude vorm van boom-aanbidding—is een tak van het animistisch geloof.

In de teksten komen ons eveneens herhaaldelijk berichten tegen, welke alle tot een vroegere stadium van animisme kunnen worden teruggebracht. Zoo was iedere [8]deur in de andere wereld gevoelig en kon geopend worden na een behoorlijke bezwering. Wij vinden in hoofdstuk 36 van den Papyrus van Asri de vlam der zon toegesproken als een levend wezen, evenzoo de veerboot van Ra in hoofdstuk 13. “Ik ben de knoest van den Asenboom”, zegt de doode man in hetzelfde hoofdstuk, terwijl hij doelt op den boom, welke zich zelf om de kist van Osiris wond.

Dit zijn alle verschijnselen, welke met het animisme in verband staan en men kan dezen nog in grooten getale vermeerderen, wanneer men slechts een blik slaat in een willekeurig Egyptisch manuscript. Eveneens is de latere toepassing der magie in het Nijldal tot op zekere hoogte een overblijfsel van een animistisch geloof.

Fetischisme en Totemisme.

Het z.g. fetischisme komt eveneens veelvuldig in de Egyptische godsdienstige opvattingen voor. Vele goden beeldt men af met die fetischen, van welke zij waarschijnlijk zijn afgeleid. Zoo zijn de pijl van Neith even zoo goed (deze opvatting zal ik later trachten te bewijzen) als de symbolen van Min en andere godheden, overblijfselen van het fetischisme.

Fetischisme (elders3 gaf ik hierover een meer uitgebreide beschrijving) is een term, welke men gebruikt voor groote of kleine voorwerpen, door de natuur gevormd, of kunstmatig vervaardigd, van welke men zich voorstelt, dat zij een bewustzijn, een wil en bovennatuurlijke eigenschappen bezitten, kortom, een fetisch is de woning van een wandelenden geest, welke zich in haar heeft gevestigd.

De overblijfselen van fetischisme kan men nog bespeuren in de amuletten, welke door ieder Egyptenaar, hetzij dood of levend, werden gedragen. Alle amuletten [9]behooren tot de natuur der fetischen en dikwijls hoort men de bewering, dat het geluk in haar huist.

Evenals de onbeschaafde volken gelooven aan een krachtigen invloed, welke het welzijn van den mensch op het oog heeft, zoo kan zelfs een beschaafd man niet geheel en al de gedachte van zich afzetten, dat èèn of ander voorwerp, aan zijn horlogeketting bevestigd, niet een aangeboren eigenschap bezit, om geluk aan te brengen.

Verscheidene van deze amuletten zijn de zinnebeeldige voorstellingen van godheden, zoo b.v. de afbeelding van een gesp, welke het symbool is van Isis’ bescherming, van het heilig oog, als voorstelling van Horus; zoo kan wellicht het symbool der evenwijdige vingers een herinnering zijn aan de fetischistische halssnoeren van vingers, welke men bij verschillende woeste volken heeft gevonden.

Verscheidene Egyptologen ontkennen, dat het totemisme, als een kracht, in de godsdienst van het oude Egypte zijn intrede heeft gedaan.

Men kan het totemisme definieeren als de erkenning en de werking van de denkbeeldige, mystieke betrekking van een persoon, of een geheele familie, tot de bovennatuurlijke machten of geesten, welke hem omringen.

Terwijl de fetisch in zeker opzicht de dienaar van haar eigenaar is, een geest, welke naderbij gelokt is om in een voorwerp te wonen, ten einde het bevel van een enkel persoon, of een gemeenschap, uit te voeren, is de totem, of tot één persoon, of tot een familie behoorende, een patroon en een beschermer en wordt dikwijls in de gedaante van een dier, of een plant, voorgesteld.

Het fundamenteele verschil tusschen de persoonlijke totem en die van een familie is nog niet geheel opgehelderd, maar het zal voor ons doel voldoende zijn de laatste te behandelen.

De meest bekende tegenstander van de theorie, dat sommige godheden van het oude Egypte van totemistischen [10]oorsprong waren is Dr. E.A. Wallis Budge, de welbekende Egyptoloog.

In zijn werk getiteld: “Gods of the Egyptians” zegt hij o.a. het volgende: “Het schijnt nu over het algemeen door de ethnologen te worden aangenomen, dat er drie hoofdoorzaken waren, welke de menschen tot het aanbidden van dieren heeft gevoerd; zij hebben hen n.l. of aangebeden als dieren, of als wezens, waarin een godheid huisde, of als vertegenwoordigers van de stamvaders der familie.

Er is geen enkele reden om er aan te twijfelen, dat de oudste Egyptenaren, in het neolithisch tijdvak, de dieren in hun kwaliteit van dieren en als niet anders hebben vereerd”.

Geen van de bovengenoemde stellingen komt de definitie van het totemisme nabij. De theorie, dat de totem een stamvader der familie is, wordt thans betwijfeld. Dr. Budge gaat daarna aldus voort: “De vraag of de Egyptenaren dieren aanbaden, als representanten van stamvaders of totems, heeft tot vele discussies aanleiding gegeven en men kan zich daarover niet verbazen, want het onderwerp is zeer lastig.

Wij weten, dat op verscheidene standaards, welke de nomen van Egypte voorstellen, afbeeldingen van vogels en andere dieren voorkomen, o.a. van een havik, een stier, een haas enz. Doch het is niet duidelijk, of men de bedoeling heeft gehad door deze afbeeldingen “totems” aan te duiden, of niet.

De afbeelding van een vogel of een ander dier, dat zich boven op een standaard van den nome bevond, was niet bedoeld als fetisch of stamvader, maar slechts als een wezen, dat als een godheid werd beschouwd, onder wier bescherming de bevolking van een bepaalde streek was geplaatst en wij mogen aannemen, dat het niet geoorloofd was, binnen de grenzen van dat gebied een zoodanigen vogel of een dergelijk dier te dooden”. Totems worden [11]altijd gedragen op banieren, stokken en schilden en het is door de wet verboden hen te dooden. Hij stelt dan vast, dat de theorie over de totems eenige opheldering kan brengen bij bepaalde feiten, welke met de dierenvereering van verschillende woeste en half-beschaafde stammen in eenige deelen der wereld in verband staan, maar het kan niet in de bedoeling van den schrijver liggen, ons een uitlegging van de dierenvereering der Egyptenaren te geven.

Waarom, kan men vragen, zou Egypte alleen van den invloed van het totemisme bevrijd zijn gebleven? Dr. Budge vervolgt en heeft hierbij de bedoeling, de geheele theorie over de totems te weerleggen, dat op de standaards van sommige nomen de afbeeldingen van nog andere voorwerpen, behalve die van dieren werden vereerd en als goden werden beschouwd, of dat zij de symbolen van goden zijn geworden, die in hun gedaante werden vereerd.

Zoo beeldde men op sommige standaards heuvels, pijlen, visschen en andere dingen af. Dr. Budge meent, dat deze voorwerpen niet van fetischistischen, of totemistischen, oorsprong kunnen zijn. Dr. Budge kan, om een voorbeeld te noemen, er geen verklaring voor vinden, dat drie heuvels met een of anderen god in verbinding kunnen staan.

Dit is echter een mythologisch probleem, dat niet zeer lastig op te lossen is. In verschillende deelen der wereld zijn bergtoppen, hetzij afzonderlijk, hetzij groepsgewijze, voorwerpen van directe vereering; een berg kan vereerd worden, omdat hij de woonplaats van een god is; dit kan zijn om zich zelf, zooals bijv. de Olympus, de Sinaï en de berg Karmel, welke later de verheven woonplaats van goden werden, of zij kunnen ook vereerd worden, omdat zij de geboorteplaatsen van bepaalde stammen zijn.

Zoo b.v. had in het oude Peru, zooals de Indische schrijver Salcamayhua ons vertelt, iedere plaatselijke tribus [12]haar z.g. paccarisca of geboorteplaats, en velen van dezen waren bergen, welke door de inboorlingen onder de volgende versregel werden aangesproken:

“Gij zijt mijn geboorteplaats,

Gij zijt mijn levenslente,

Bescherm mij tegen den boozen demon,

O paccarisca!”

Natuurlijk waren deze bergen tevens plaatsen, waar een orakel was gevestigd, evenals die, welke op de Egyptische standaards waren afgebeeld. Dat zij als orakels werden vereerd alleen om de plaats zelf en niet als de verblijfplaats van een godheid, kan men wellicht hieruit bewijzen, dat zij, liever dan de godheid, op de standaards werden afgebeeld.

Evenmin kan Dr. Budge op mythologische gronden een verklaring vinden voor de afbeelding van twee pijlen, met de inkervingen naar elkaar toe gericht en met een dubbele punt naar buiten gekeerd. Pijlen van deze soort komen als fetisch veelvuldig voor, in alle deelen der wereld. Onder de Indianen in de Plains is een getal van vier pijlen, welke heelende kracht bezitten, een palladium van den stam en zij verzekeren, dat zij dezen vanaf het begin der wereld hebben gehad; jaarlijks worden dezen bij ceremonies in hun stam gebruikt, zoo kortelings nog in het jaar 1904.

Zij hadden zelfs een plechtigheid, welke het vastmaken der pijlen werd genoemd, door bepaalde priesters, voor dit doel aangewezen, verricht, die deze fetisch moesten bewaken.4

Er zijn echter nog veel meer andere, overtuigende bewijzen voor de totemistische natuur van een groot aantal Egyptische godheden. Het is b.v. duidelijk, dat Bast, die met den kop van een kat wordt afgebeeld, en die eerst in de gedaante van een kat werd vereerd, oorspronkelijk [13]een kat-totem was. De krokodil was de incarnatie van den god Sebek en woonde in een meer in de buurt van Krokodilopolis.

Ra en Horus worden met een havikkop afgebeeld en Thoth met den kop van een ibis; Anubis heeft het hoofd van een jakhals. Dat sommige van deze gestalten totemistisch waren, is niet te betwijfelen. Het was echter een totemisme, dat in verval was en hierbij was het oorspronkelijk geloof geconcentreerd op bepaalde dieren, welke men als goddelijk beschouwde, totems, welke godheden waren geworden, van vleugels voorzien.

De Egyptenaren droegen standaards, waarop hun totemistische dieren waren voorgesteld, evenals de inboorlingen van Upper-Darling hun totems op hun schilden graveeren, of zooals verschillende Amerikaansche stammen in oorlogstijd stokken dragen, waaraan stukken boomschors zijn bevestigd, op welke men de totems van dieren heeft geschilderd.

Diodorus heeft een bericht, waarbij op de bescherming door een totem wordt gezinspeeld. Hij vertelt, dat er in Egypte een verhaal de ronde deed, dat een der oude koningen door een krokodil van den dood was gered. Tenslotte werden in eenige nomen van Egypte bepaalde dieren door de inwoners niet als spijs genuttigd. Dit is ongetwijfeld een aanwijzing van het bestaan van totemisme en geen meer overtuigend bewijs kan men hiervoor aanwijzen.

Daarentegen is er geen enkele reden om te vermoeden, dat in later tijd in Egypte alleen dieren zijn vereerd om totemistische redenen. Het kan zijn, dat de latere dierenvereering een overblijfsel van totemisme is geweest, doch het is meer waarschijnlijk, dat deze zuiver symbolisch van karakter is geweest.

Juist wanneer de gewone vormen van vereering en geloof, welke met het totemisme verbonden zijn, tenslotte herzien worden, kan het totem dier zijn dierlijke gestalte [14]behouden, en in plaats daarvan neemt dit een halfmenschelijke gedaante aan.

Er is een hit-totem, welke door een bepaalde stam van Noord-Amerika wordt vereerd; deze maakt op het oogenblik een evolutie door en is een godheid geworden, met vleugels voorzien, maar toch heeft hij nog steeds zijn gestalte van paard behouden.

Verder is het gemak, waarmede de Egyptische goden zichzelf in dieren kunnen veranderen, door middel van tooverformules5, in verschillende gevallen een evident bewijs voor hun totemistischen oorsprong.

Er is gezegd, dat niet alleen afzonderlijke dieren, maar alle dieren van een klasse in sommige nomen heilig waren. “Bij deze gevallen”, zegt Wiedemann, “werden de dieren niet als goden vereerd, maar eerder, omdat zij in het bijzonder door de goden werden vereerd”. Daar dit echter juist onder de volken in de totemistische phase voorkomt, kan deze bewering niet steekhoudend blijven.

Scheppingsmythen.

Er zijn verschillende berichten, welke op de schepping der wereld en der menschen betrekking hebben.

In de teksten der Pyramiden vinden wij toespelingen op het bestaan van acht goden, die de scheppers van het heelal zouden zijn geweest.

Nu en zijn gezellin Nut waren de goden van het firmament en den regen, welke daaruit te voorschijn komt. Hehu en Hehut schijnen de personificatie van het vuur te zijn en Kekui en Kekuit stellen de duisternis voor, welke over de oorspronkelijke watervlakte hing. Kerh en Kerhet schijnen verder den Nacht of den Chaos te personificeeren.

Sommige van deze goden worden afgebeeld met den [15]kop van een kikvorsch6, andere met dien van een slang en in dit verband worden wij vanzelf aan die goden herinnerd, over wie in de scheppingsmythe in de Popol-Vuh, het heilige boek der Kiche Indianen van Guatemala wordt verhaald; twee van deze goden, Xpiyacoc en Xmucane, worden in dit verhaal genoemd: de oude slangen, met groene veeren bedekt, een mannelijke en een vrouwelijke.

Wij vinden in dit bericht over de geschiedenis der schepping, waarvan thans sprake is, de toevoeging van de levenskiemen, in diepe duisternis gehuld, aanwijzingen, welke aan ieder, die de mythologie bestudeert, bekend zijn als symptomen der scheppingsgeschiedenis, over de geheele wereld.

Een papyrus (van het jaar 321 v.C.), welke in het Britsch Museum wordt bewaard, bevat een aantal hoofdstukken van een magisch karakter, welke zich ten doel stellen Apepi, den vriend van de duisternis te vernietigen; in dezen vinden wij twee verhalen over de geschiedenis der schepping, welke een beschrijving geven van het ontstaan der zon.

In één verhaal vertelt god Ra, dat hij zelf de gestalte van Khepera aannam, den god, van wien men geloofde, dat hij de gave van schepping in zich droeg. Hij vertelt verder, dat hij voortging nieuwe voorwerpen te vormen uit die, welke hij reeds had gemaakt en dat dezen uit zijn mond te voorschijn kwamen.

“De hemel”, aldus verhaalt hij, “bestond niet en de aarde was nog niet in wording, en de dingen op aarde en de kruipende wezens bestonden nog niet, maar ik deed hen uit Nu te voorschijn komen, uit het niet”.

Dit beteekent dus, dat Khepera het leven in het heelal deed ontstaan uit een materie, welke uit de diepte van Nu was geschept.

“Ik vond geen plaats”, zegt Khepera verder, om te [16]staan. Ik liet een toovermiddel op mijn eigen hart inwerken. Ik legde den grondslag voor Maät. Ik maakte iedere gestalte; ik was geheel alleen; ik had Shu niet uit mijzelf te voorschijn laten komen en de godin Tefnut niet uit mijzelf gespuwd. Er was geen ander wezen, dat met mij samenwerkte”.

Het zooeven gebruikt woord Maät beteekent wet, orde of regelmaat en uit de toespeling, dat hij een toovermiddel op zijn hart liet inwerken, mogen wij de conclusie trekken, dat Khepera bij het scheppingsproces van tooverkunst gebruik maakte, of het kan ook in den stijl van de Schrift beteekenen, dat hij bij zichzelf nadacht een wereld te scheppen.

De god gaat dan voort, dat uit den grondslag van zijn hart een menigte dingen te voorschijn kwam. De zon echter, het oog van Nu, was verborgen achter Shu en Tefnut en eerst na een onbepaalden tijd rezen deze twee wezens uit de watermassa op en brachten het oog van hun vader met zich.

In verband hiermede vinden wij, dat de zon, als oog, een zekere verwantschap met water heeft. Op dezelfde wijze verpandde Odin zijn oog aan Mimir voor een teug water uit de bron der wijsheid en wij zien, dat aan bronnen, welke beroemd zijn, doordat zij blindheid kunnen heelen, dikwijls legenden zijn verbonden van heiligen, die hun eigen gezicht opofferden.7

De kern van deze legende is waarschijnlijk de omstandigheid, dat de zon, als hij in het water wordt weerkaatst, het uiterlijk van een oog heeft. Zoo volgde het oog van Nu, Shu en Tefnut, toen zij uit het water oprezen. Shu is hierbij waarschijnlijk de voorstelling van het daglicht en Tefnut van de vochtigheid.

Khepera stortte hierop rijkelijk tranen en uit dezen kwamen de man en de vrouw te voorschijn. De God maakte hierna een ander oog; waarschijnlijk is hier de [17]maan bedoeld. Hierna schiep hij de kruiden en planten, al het kruipend gedierte, onder welken de slangen, terwijl uit Shu en Tefnut, Geb en Nut, Osiris en Isis, Set, Nephtys en Horus geboren werden. Dezen maken tezamen de groote goden van Heliopolis uit en hieruit kan men voldoende opmaken, dat het laatste gedeelte der geschiedenis een maaksel der priesters was.

Er was echter een andere lezing, klaarblijkelijk een scheppingsverhaal, dat de vereerders van Osiris moest bevredigen. In het begin van dit verhaal vertelt Khepera ons ineens, dat hij Osiris is, het begin der oerstof. Dit verhaal was zuiver een vrije bewerking der scheppingsmythen ten behoeve van den Osiriscultus.

In dit verhaal verhaalt Osiris, dat hij in den beginne geheel alleen was; uit de onbewegelijke wateren nu van Nu deed hij een goddelijke ziel opkomen, dat wil zeggen, hij gaf aan de oorspronkelijke watermassa een ziel uit zich zelf. De mythe gaat dan woord voor woord precies op dezelfde wijze voort als het verhaal, dat zich met het scheppingswerk van Khepera bezig houdt. Maar slechts tot zoover, want wij vinden, dat Nu eenigermate met Khepera is geïdentificeerd en dat Osiris verklaart, dat zijn oog gedurende een lange reeks van jaren bedekt was door lange struiken.

Hierop werden de menschen geschapen in een wordingsproces, ongeveer gelijk als in de eerste legende wordt beschreven. Uit deze verhalen zien wij, dat de oude Egyptenaren het geloof koesterden, dat een eeuwige godheid, die in een oer-watermassa woonde, waar hij geen steun voor zijn voet kon vinden, de watermassa onder zich van een ziet voorzag; dat hij de aarde schiep, door een toovermiddel op zijn hart te laten inwerken, bovendien uit zijn eigen bewustzijn voortkomende en dat dit hem plaats gaf, om daarop te blijven staan; dat hij verder de duisternis wegvaagde door de zon en de maan uit zijn oogen te vervaardigen. [18]

Na deze daden volgde de schepping van man en vrouw, die hij bijna niet bemerkte, n.l. door te weenen en daarna de schepping van planten, kruipend gedierte en sterren.

Bij dit alles zien wij het overblijfsel van een scheppingsmythe van een zeer primitief en onbeschaafd type, hetwelk meer gelijkt op de ruwe verbeeldingskracht van den Roodhuid, dan een opvatting, van welke men veronderstelt, dat zij is voortgekomen uit het bewustzijn van het klassieke Egypte.

Alle godsdienstsystemen echter ontspruiten uit dergelijk, weinig belovend materiaal en hoezeer men zich ook inspant om te bewijzen, dat de Egyptenaren in dit opzicht van andere rassen verschilden, kan men deze verdediging niet langen tijd staande houden en wel door het onomstootbaar bewijs der feiten.

In de teksten der Pyramiden vinden wij aanduidingen op andere goden, en sommige van dezen dragen zelfs geen naam. In den tekst van Pepi I b.v. zien wij, dat vereering aan een godheid wordt bewezen, welke drie gezichten heeft en storm brengt. Dit schijnt dus een wind- of regengod te zijn geweest en zijn voorkomen is overgebracht op de vier punten van het kompas, waaruit de vier winden komen. De tekst legt inderdaad hiervan bewijs af, terwijl zij zegt: “Gij hebt uw speer opgenomen, welke U dierbaar is, uw gepunt wapen, ’t welk in de oevers van de rivier dringt met zijn dubbele punt, evenals de pijlen van Ra en met een dubbel heft, evenals de haken van de godin Maftet”

Het gezelschap der Goden.

In de teksten der Pyramiden vinden wij herhaaldelijk melding gemaakt van verschillende groepen van goden, elk uit 9 bestaande. Eén van deze gezelschappen der goden of Enneads, heette het Groote en een ander het Kleine, en eveneens wordt op de negen goden van Horus gezinspeeld. Het is echter onbekend, of deze groep in eenig opzicht in verband staat met een van beide andere. [19]

In de pyramidenteksten van Teta lezen wij insgelijks over een dubbele groep van achttien goden en dezen vinden wij eveneens in den tekst van Pepi I. Wellicht zijn deze achttien goden eenvoudig de Groote en Kleine Gezellen van goden bij elkaar genomen. In de teksten evenwel van Pepi I en Teta vinden wij een derde gezelschap van negen goden en dezen worden door de priesters van Heliopolis officieel erkend; deze drie gezelschappen worden voorgesteld door 27 symbolen, op een rij geplaatst, die het woord neter (god) vormen.

Hoewel men, indien men over deze gezellen der goden spreekt, steeds het getal negen gebruikt, moet men dit op rekening zetten van de benaming “Pesedt”, welke negen beteekent. In werkelijkheid toch bevat het “Kleine Gezelschap” elf goden, maar hun oorspronkelijk aantal was negen, en zooals Gaston Maspéro zegt, kan ieder van hen, voornamelijk de eerste en de laatste, ontwikkeld worden. Nu kan het zijn, dat een plaatselijke vereeniging van goden, zooals b.v. in Heliopolis, de goden van een anderen nome, of district, in zich heeft opgenomen op een of twee manieren; dat wil zeggen, dat de vreemde god geheel en al de plaats van den localen god heeft ingenomen, of naast hem is geplaatst. Aan den anderen kant kunnen vreemde goden in den hoofdgod van de Pesedt zijn opgegaan.

Wanneer een nieuwe god tot het gezelschap van andere goden werd toegelaten, sloot dit in zich, dat allen, die met dezen verbonden waren, op dezelfde wijze werden opgenomen; hun namen echter werden niet gerangschikt naast die van de vroegere medeleden.

Deze drie vereenigingen van goden werden in het tijdvak der 5e dynastie geheel en al tot ontwikkeling gebracht en het lijdt geen twijfel, of de Egyptische theologie heeft de vorming van dit pantheon aan de priesterkaste, welke te Heliopolis regeerde, te danken.

Aan de derde Pesedt gaven zij geen naam. De goden [20]van het eerste gezelschap waren Tem, Shu, Tefnut, Qeb, Nut. Osiris, Isis, Set, Nephtys. Soms treedt Horus als aanvoerder van het gezelschap op, in plaats van Tem. In den tekst van Unas vinden wij de namen van de goden van het Kleine Gezelschap opgegeven, maar voor het meerendeel zijn zij geheel en al onbelangrijk.

Het derde gezelschap wordt zelden vermeld en de namen van zijn goden zijn onbekend. De aarde, zoowel als de hemel en de onderwereld, hebben hun aantal goden en het is zeer waarschijnlijk, dat de drie gezelschappen der goden op een van deze drie streken betrekking hebben. De leden van elk gezelschap varieeren in verschillende tijdvakken en in verschillende steden. De groote locale god, of godin, was altijd het hoofd van het gezelschap in een bepaalde streek.

Zooals reeds is opgemerkt, kon hij met een andere godheid worden vereenigd. In Heliopolis b.v. was de voornaamste plaatselijke god Tem; de priesters verbonden den naam van Ra met den zijne en richten tot hem hun gebeden onder den naam van Ra-Tem. Teksten uit alle tijden toonen aan, dat de voornaamste locale goden van verschillende steden tot het laatst hun vooraanstaande plaats behielden.

Het Egyptische land was in provincies verdeeld, genaamd hesput, welke door de Grieken nomen werden genoemd; in elk van deze districten had een bepaalde god, of groep van goden, de opperheerschappij, terwijl het verschil voortsproot uit overwegingen, welke met het verschil van ras in verband stonden, of anderszins. Voor de bevolking van iedere nome was hun god de god par excellence, en het is duidelijk, dat in de oudste tijden de vereering van iedere provincie bijna in een aparten godsdienst overging. Deze verdeeling van het land moet in een vroege periode hebben plaatsgevonden en dit heeft gewis bijgedragen tot het bewaren van het verschil op godsdienstig gebied. [21]

De goden der nomen dateeren uit de tijden vóór de dynastieën, zooals men kan bewijzen uit inscripties, welke men voor de teksten der pyramiden dateert. Het aantal dezer provincies varieerde in de verschillende tijdvakken, maar het getal schijnt tusschen 35 en 40 te hebben afgewisseld.

Het zou geen doel hebben op deze plaats de verschillende goden der nomen op te sommen, daar verscheidene van hen onbekend zijn; wel zullen wij vermelden, waartoe zij behoorden. Verschillende nomen vereerden denzelfden god. Zoo werd, om een voorbeeld te noemen, Horus in niet minder dan 6 provincies aanbeden, terwijl Khnemu in 3 en Hathor eveneens in 6 districten werden vereerd.

De gods-idee der Egyptenaren.

Het woord, waarmede de Egyptenaren een god en verder alle bovennatuurlijke wezens van welken aard ook, aanduidden, luidde: neter. De meeste Egyptologen zijn van meening, dat de hieroglyph, welke dit woord voorstelt, op een bijl gelijkt, welke aan een langen steel is bevestigd. Sommige archaeologen zien in deze figuren een afbeelding van een rol van geel doek, waarvan het onderste gedeelte is vastgebonden, of vastgeregen, terwijl het bovenste gedeelte volgens hun meening een lap is, aan den top vastgebonden, klaarblijkelijk om te worden losgewonden. Eveneens is het vermoeden uitgesproken, dat het voorwerp een fetisch voorstelt, b.v. een been, zorgvuldig met doek omwonden en niet doek alleen.

Over de meeste goden, die gedurende de eerste 4 dynastieën zijn vereerd, weten wij bitter weinig, voornamelijk door het gemis aan schriftelijke overlevering, hoewel men sommige kent uit de inscriptie genaamd de “Palermo-steen”, welke over verschillende locale godheden aanwijzingen heeft.

Sommige gedeelten van het “Boek der Dooden” zijn wellicht gedurende de 1e dynastie herzien en hieruit kunnen [22]wij bewijzen, dat de godsdienst der Egyptenaren, zooals hij ons uit de latere teksten wordt geopenbaard, ten naaste bij gelijk was aan dien, welke gedurende de drie eerste dynastieën bestond.

Eerst in de 5e en 6e dynastie kunnen wij materiaal ontdekken om het Egyptische pantheon te bestudeeren en wel op de pyramiden van Unas. Teta, Pepi I en anderen. Het schijnt, dat in deze periode de eerste phase der Egyptische ontwikkeling is begonnen. Tevens is het duidelijk, dat het materiaal door de Pyramiden-teksten verschaft, verschillende lagen van godsdienstige gedachten en opvattingen in zich bevat, waarschijnlijk door ontelbare menschengeslachten aan de bouwers der pyramiden nagelaten.

In deze wondervolle teksten vinden wij de duidelijke voorbeelden van de meest primitieve en onbeschaafde godsdienstige elementen van animistischen, fetischistischen en totemistischen oorsprong; deze teksten hebben voor het meerendeel betrekking op de begrafenis en in verband hiermede houden zij zich het meest met de goden der onderwereld bezig.

Godheden in de teksten der Pyramiden.

Om deze eerste phase van het godsdienstig denken in Egypte goed te verstaan, is het zeer zeker noodig in het kort de goden, waarop in de teksten der Pyramiden gezinspeeld wordt, de revue te laten passeeren en voor het oogenblik hen, afgescheiden van de rest van het Egyptisch pantheon, te beschouwen. Op deze wijze moeten wij er ons voor hoeden deze begrippen bepaaldelijk te betitelen met namen als: watergod, dondergod, zonnegod en zoo voort.

In weerwil van de nasporingen der laatste halve eeuw, is de wetenschap der mythologie nog in haar kindsheid en zij, die op dit gebied arbeiden, beginnen nu te vermoeden, dat slechts variaties of phases van bepaalde godheden, [23]welke in het geheel geen afzonderlijke wezens waren, in vele gevallen aanleiding tot het vermoeden hebben gegeven, dat zij iets tot een afzonderlijke wezen vormden, wat dit in het geheel niet verdiende.

De goden van het Grieksche of Romeinsche pantheon zijn zonder twijfel goede voorbeelden van goden, van wie de kenmerkende eigenschappen geheel en al zijn vastgesteld. Zoo kan men zeggen, dat Mars de god van den oorlog, Pallas Athene de godin der wijsheid is; dit waren echter louter de eigenschappen, door deze goden verkregen, welke in de publieke opinie het meest populair waren.

Onderzoekingen van jongeren datum hebben het bewijs geleverd, dat de meeste goden der Grieken en Romeinen tot oudere vormen kunnen worden teruggebracht; sommige van hen bezitten verschillende attributen, andere daarentegen zijn van eenvoudiger vorm dan de latere opvatting over hen zou doen vermoeden.

Verschillende goden, die later een andere strekking hebben gekregen, zijn zonder twijfel met de natuurverschijnselen verbonden. Op deze wijze ontstond er een verbinding tusschen de goden van den regen en den donder en bliksem; het bezit van een lichtenden pijl is vaak een aanduiding op de jacht of den oorlog; alle maangodheden zijn tevens goden der vochtigheid en beschermers der geboorten. Sommige regengoden zijn tevens de beheerschers der winden, van de dooden, het weerlicht, den oorlog, de jacht, de beschaving en zoo voorts.

De zonnegod, in zijn kwaliteit van beheerscher van den hemel, kan tevens alle meteorologische verschijnselen veroorzaken. Hij is de god van den wasdom, den rijkdom, daar het goud de gele kleuren van zijn stralen bezit; hij kan tevens de reizigers beschermen, daar hij zelf den hemel doortrekt en zoo bestuurt hij onbeperkt alle onderdeelen van het menschelijk bestaan.

Men kan zich verder voorstellen, dat uit het polytheisme [24]langzamerhand een soort van monotheisme is ontstaan, waarbij één god de heerschappij over het geheele menschdom verkreeg of, om het anders uit te drukken, het is mogelijk, dat één god zoo populair werd, of de priesters van dezen zoo machtig werden, dat alle andere godsdiensten bij zijn verbreiding en groei in het niet zonken.

Aan den anderen kant echter kan het polytheisme zeer goed ontstaan zijn uit een vroegeren vorm van monotheisme,8 terwijl dit weer op zijn beurt een voortbrengsel is van een volslagen fetisch of totem, want de attributen van een grooten eenvoudigen god kunnen in de handen van een volk, dat zich nog gedeeltelijk in een phase van animisme bevindt, zoo van een persoonlijkheid doordrongen worden, dat zij geheel en al aparte wezens schijnen te zijn.

Bij de behandeling van de goden, waarop in de Pyramiden-teksten wordt gezinspeeld en van wie verscheidene klaarblijkelijk zijn afgeleid, moeten wij ons herinneren, dat, hoewel het noodzakelijk is, hen meer of minder te omschrijven, men de stof van dit hoofdstuk in het oog moet houden.

Het is toch niet ons doel geheel en al over de natuur of de karakteristiek van de goden, in de Pyramiden-teksten vermeld, beschouwingen te houden, doch zuiver en alleen een korte schets van hen te geven, zoodat de lezer in staat is zich een idee te vormen over den Egyptischen godsdienst in het algemeen gedurende de oudste dynastieën.

De godin Net of Neith, die in de Pyramiden-teksten van Unas wordt vermeld, is een gestalte, waarin wij een personificatie van den mist of den regen kunnen ontdekken, daar zij met een pijl wordt afgebeeld, het symbool van den bliksem. Horus met zijn havik-hoofd (waarschijnlijk oorspronkelijk een havik-totem), is een van de [25]manifestaties van den zonnegod, van wien hij wellicht is afgeleid en met wien hij verwant is. Khepera, dien men eveneens, in de teksten van Unas vindt, is een andere vorm van den zonnegod. Het bezit van de afbeelding van den kever is een symbolische voorstelling van de wijze, waarop de zon zich wentelt langs den hemel, zooals de Egyptische kever, of scarabaeus zijn eieren over het zand voortwentelt.

Khnemu, met een hoofd van een ram voorzien, wiens naam beteekent vernietiger, of vereeniger, was klaarblijkelijk de totemistische godheid van een vreemd volk, dat zich in Egypte vestigde, welke het tot een godheid bracht, of misschien het geloof aan één god wist te verwekken, dan wel tenminste voor schepper werd gehouden en in den Egyptischen godsdienst met al zijn attributen is opgenomen. Sebet, de krokodillengod, Ra en Ptah, twee andere gestalten van den zonnegod, Nu, de waterachtige massa van den hemel, deze allen komen eveneens in de Pyramiden-teksten van Unas en Teta voor, evenals Hathor.

Oudste begrafenissen.

De Egyptische godsdienstige leerstellingen bevorderden zorgvuldig de idee het menschelijk lichaam na den dood voor bederf te vrijwaren. In de oudste periode werpen de begrafenissen van dien tijd het meeste licht op de natuur van het godsdienstig geloof.

Het lijk werd, als het begraven werd, in een zoodanige houding neergelegd, dat men kan vermoeden, dat het tevoren dubbel was gevouwen. De knieën raakten de kin aan en de handen werden over het gelaat uitgespreid. Het hoofd werd naar het Westen gekeerd. In den lateren prae-historischen tijd werd het lichaam dikwijls stevig omwonden met lappen, welke strak werden aangetrokken, om alle beenderen evenwijdig aan elkander te doen liggen. In nog later prae-historischen tijd werd een minder stijve [26]lichaamshouding toegelaten, welke een ruimere ligging gedoogde.

In nog lateren prae-historischen tijd omwond men het lijk met linnen kleedingstukken. Het werd met allerlei voorwerpen omringd, welke voor zijn gebruik, voedsel of verdediging in de andere wereld waren bestemd, of wellicht voor het gebruik van zijn ka; zoo treft men steenen vaatwerk aan met bier, verschillende soorten zalf, steenen messen en speerpunten, halssnoeren en andere voorwerpen, welke de overledene gedurende zijn leven had gebruikt. Men plaatste verder amuletten op zijn lichaam om dit tegen den invloed van booze geesten, zoowel op deze wereld, als in het leven hiernamaals, te beschermen.

In het Oude Rijk, dat men het tijdvak der Pyramiden kan noemen, komt een nieuwe wijze van begraven in zwang, en wel een eenvoudige soort van mummificatie. Men heeft goede reden aan te nemen, dat dit gebruik uit de vereering van Osiris, den god der dooden, is ontstaan en dat dit op krachtige wijze zijn invloed heeft doen gelden op de toekomstige begrafenisgebruiken en alle theologische gedachten en gebruiken.

Tusschen den tijd echter, welken wij den prae-historischen kunnen noemen en dien van de Pyramiden, waren nog verschillende andere wijzen van begraven gebruikelijk. De Pharaoh werd, gedurende de eerste dynastie, in een ruim rechthoekig gewelf van baksteen, dat verschillende kamers bevatte, doch van buiten af ontoegankelijk was, bijgezet. In een van deze kamers werd het lichaam van den koning neergelegd en in de andere vertrekken verschillende offeranden en gereedschappen geplaatst.

Het geheel was louter een verdere phase van de prae-historische wijze van begraven. In het uitwendige van de graftombe bevonden zich nissen, door welke de ka van den gestorven koning in staat zou zijn naar believen de graftombe te verlaten en weer binnen te gaan. [27]

Rondom het geheele gewelf was een muur gebouwd, van tijd tot tijd werden versche offeranden voor den gestorven heerscher in de nissen geplaatst en waarschijnlijk was over het geheel een hoogte van aarde, of baksteen aangebracht.

De naam van den monarch werd in hieroglyphen op een groote, marmeren gedenkplaat aan de buitenzijde gegrift, zonder eenige nadere aanduiding over zijn leven, karakter, of daden. Verscheidene van deze oude koningsgraven bevatten tevens de graven van vrouwen, bedienden en honden. Deze wijze van offering, welke inderdaad tot het Neolithisch tijdvak behoort, had ten doel den koning gezelschap te geven en hem van dienst te zijn bij zijn verlangens en behoeften in het nieuwe leven; later echter hield men met deze offers op en in plaats van het offer zelf werden de beeltenissen van vrouwen, of onderkoningen, in de koninklijke tombe aangebracht.

De Pyramiden.

Langzamerhand is uit deze rustplaats de grootsche opvatting der pyramiden ontstaan. Inderdaad is de pyramide niets anders dan een groot grafgewelf, een reusachtige grafheuvel, waarop in plaats van steenen of rotsblokken, groote blokken graniet werden opgestapeld. Dikwijls is de grafkamer, welke zij bevat, niets anders dan een gewelf, dat men door een nauwen doorgang, of galerij, kan bereiken, en dat men terstond na de begrafenis van den koning zorgvuldig dichtmetselde.

Oorspronkelijk waren deze grafkamers van geen enkele versiering voorzien en eerst tegen het einde van het Midden-Rijk werd het gewoonte ze met teksten te beschrijven, welke op het toekomstig leven betrekking hadden. Op deze wijze ontstonden deze wondervolle pyramiden-teksten, uit welke wij zooveel over het leven van het oude Egypte hebben geleerd.

Aan de Oostzijde van de pyramide werd een tempel [28]gebouwd, welke aan de vereering van den gestorven monarch was gewijd en in welke plichtsgetrouw en punctueel offeranden aan zijn schim werden gebracht. Daar hij na zijn dood tot een godheid werd verheven, werd zijn beeld in deze kwaliteit van godheid in een vertrek geplaatst, dat speciaal hiervoor was ingericht.

De eigenlijke steenmassa, waaruit de pyramide zich heeft ontwikkeld, kan teruggebracht worden tot de beschermende muur van de graftombe. In de derde dynastie heeft men deze kleine afsluitmuur met een dak voorzien en tot een stevige massa van metselwerk uitgebreid, welke door de Arabieren Mastaba werd genoemd, eigenlijk een afgeknotte pyramide.

Dit metselwerk werd later gedurende dezelfde dynastie in steen nagebootst, zooals bij Saqquara en door herhaalde toevoegingen en successievelijke bekleedingen van metselwerk vergroot. Ten slotte kreeg het geheel een omhulsel van blokken kalksteen en krijgen wij een bouw zooals de pyramide van Medum.

Pyramidenbouw.

De bouw in den vorm van pyramiden is typisch Egyptisch en zelfs daar beperkt zij zich tot het tijdvak tusschen de 4e en 11e dynastie, of voor 3000 v.C. Ten onrechte heeft men de teocalli van Mexico en Midden-Amerika, ook trappentempels genoemd, over ’t algemeen met de pyramiden vergeleken; deze laatsten toch waren een plaats van vereering, terwijl de Egyptische vorm alleen een begraafplaats was. Een vast plan lag aan deze reusachtige bouw ten grondslag. Sommige schrijvers hebben opgemerkt, dat de pyramiden door het bloote toeval zijn ontstaan en door woeste krachten. Het is er ver van af, dat dit juist is; integendeel, zij werden met groote zorg gebouwd en wiskunstige berekeningen, buitengewoon ingewikkeld, liggen aan het plan van den bouw ten grondslag. [29]

De oudste pyramiden werden samengesteld uit horizontale lagen van ruw gehouwen steenblokken, voornamelijk door hun eigen gewicht bijeen gehouden, doch de tusschenruimten werden met kalk aangevuld. In de latere phase van den bouw bestond de kern hoofdzakelijk uit puin, waarvan steenen en leem de voornaamste bestanddeelen uitmaakten. Dit werd aan de buitenzijde met een fijn steenen omhulsel bedekt en zorgvuldig bekleed en de doodenkamers geven een gelijke zorgvuldige constructie te aanschouwen. Dezen werden gewoonlijk beneden den beganen grond gemaakt en door een gang aan de Noordzijde der pyramide kreeg men tot dezen toegang. Gewoonlijk waren de doodenkamers één- of meermalen door granieten blokken uit één stuk versperd en soms werden zij door steenen deuren afgesloten, welke om een spil konden draaien, opdat de priesters, indien zij dat begeerden, er binnen konden gaan.

De eerste pyramide wordt op naam gezet van Cheops of Khufu en bevindt zich bij Gizeh. De tweede wordt toegeschreven aan Dad-ef-ra en werd bij Abu Roash gebouwd. Khafra werd in de tweede pyramide van Gizeh bygezet en de pyramide bekend onder den naam van “Bovenste”, welke zich op dezelfde plaats bevindt, werd door het lichaam van Menkaura ingenomen. De kleinere bouwwerken bij Gizeh naast de groote en derde pyramide werden voor de familieleden van Khufu en Khafra opgericht.

Verloren gegane pyramiden.

Verscheidene pyramiden, waarop in de teksten toespelingen worden gemaakt, zijn of geheel en al verdwenen, of kunnen niet meer geïdentificeerd worden.

Zoo is de plaats, waar Shepseskaf is begraven en welke onder den eigenaardigen naam van “de Koele” bekend is, onbekend. Wij kunnen ons de zorgvuldig geschoren priesters voorstellen, die een toevlucht zochten in de dicht [30]beschaduwde gangen, om zich tegen de gloeiende Egyptische zon beschutten. Zonder eenigen twijfel vond de ka van Shepseskaf de schaduw van zijn begraafplaats aangenaam genoeg, wanneer hij met zijn mummie het damspel beoefende in zijn ontoegankelijke vertrekken. Men weet thans, dat de pyramide van Menkauhor, “het goddelijkste gebouw” zich ergens in de buurt van Saqquara bevindt, doch welke van de statige bouwwerken daar ter plaatse aan hem kan worden toegeschreven, kan men onmogelijk uitmaken.

Hetzelfde is het geval met de pyramide van Assa, welke op tafeltjes wordt vermeld te Saqquara, Karnak en elders. Deze was “de Schoone” genaamd. Evenmin kan “de schoon oprijzende” van Rameses en het “krachtige leven” van Neferarkara voldoende worden aangewezen.

Het is zeer onwaarschijnlijk, dat deze bouwwerken zoo geheel en al in puin zijn gestort, dat er geen enkel spoor van is overgebleven, tenzij zij van steenen, uit leem vervaardigd, zijn gebouwd. De pyramide van Amenemhat III, welke uit deze grondstof was gebouwd, bestaat echter nog, evenals die van Senusert III bij Dahshur.

Er is in den laatsten tijd zooveel geschreven over de pyramiden, dat het geen doel zou hebben, verder op dit onderwerp in te gaan in een werk als het onze, daar dit zich slechts ten doel stelt over de mythologie der Egyptenaren te verhalen en een schets te geven van hun beschaving en kunst. De lezer kan in het algemeen weinig belangstelling koesteren in louter afmetingen en ruimtebeschrijvingen.

Mummies.

Zooals reeds is opgemerkt, was de mummieficeering blijkbaar een uitvinding, bij den dienst van Osiris behoorende. De priesters van Osiris leerden, dat het menschelijk lichaam een heilig voorwerp was en dat het niet mocht overgelaten worden aan de wilde dieren der woestijn [31]omdat hieruit het schitterend en herboren omhulsel van den gereinigden geest zou ontstaan. Het schijnt, dat men in prae-historischen tijd proeven heeft genomen het lichaam voor bederf te bewaren, of door het in de zon te laten drogen, of door het lichaam met een harsachtig preparaat in te smeren en in den loop der eeuwen ontwikkelde deze eenvoudige behandeling zich tot de kunst van het balsemen, tot in de kleinste bijzonderheden nauwkeurig uitgevoerd, met weliswaar duister, doch schilderachtig ceremonieel.

In de tijden van het Midden-Rijk, zooals men kan zien uit de graven van Beni Hassan, heerschte het gebruik de inwendige organen te verwijderen en dezen in een kruik te leggen, in vier afdeelingen verdeeld, welke betiteld waren met de namen der 4 hemelgoden, die hen bewaakten.

In sommige graven uit dezen tijd maakten zij, die voor de begrafenis te zorgen hadden, eenvoudig pakjes, van welken men, door een opschrift op dezen, veronderstelde, dat zij de bedoelde organen bevatten, terwijl zij zonder eenigen twijfel geloofden, dat deze schriftelijke verklaring een magische kracht had en evenzeer voldoende was, als wanneer zij werkelijk daar aanwezig waren.

Tot de periode van het Nieuwe Rijk vinden wij niet, dat het proces van mummieficeering eenigen graad van nauwkeurige bewerking heeft bereikt. In het begin werd zij tot de Pharaohs alleen beperkt, daar dezen met Osiris werden geïdentificeerd; de noodzakelijkheid evenwel van een gevolg, hetwelk hen in de duistere woningen van de Tuat moest dienen, schreef voor, dat hun hovelingen eveneens werden gebalsemd.

De gewoonte werd daarna door de rijken overgenomen en drong van rang tot rang door, totdat ten laatste zelfs het lijk van den armsten Egyptenaar op zijn minst aan een proces van indompeling in een bad van natron onderworpen was.

In de 20e dynastie bereikte de kunde haar hoogtepunt. [32]In dezen tijd was het proces zeer kostbaar en een mummieficeering, welke tot in alle nauwkeurigheid was uitgewerkt kostte ongeveer ƒ 7200, volgens onze munt berekend.

Wanneer de verwanten van den gestorvene de beroepsbalsemers raadpleegden, toonden dezen hun verschillende modellen van mummies en uit dezen kozen zij er een. Het lijk werd daarna aan de balsemers toevertrouwd. Om te beginnen spoten zij een bijtend vocht in de hersenholte, hierna werd de zacht gemaakte inhoud van deze door middel van met haken voorziene instrumenten door de neusgaten verwijderd.

Een mummiemaker, wiens beroep hem bijna tot een pariah maakte, voor zoo heilig hield men namelijk het menschelijk lichaam, maakte met een steenen mes een insnijding in het lichaam, een werktuig, dat hierdoor bewijst eenmaal in den prae-historischen tijd van nut te zijn geweest. De voornaamste inwendige organen werden uit het lichaam verwijderd, gewasschen en in palmwijn gedoopt.

Hierna onderging het lichaam een uitdrogingsproces en werd in sommige tijden of van het vleesch ontdaan terwijl de huid alleen overbleef, of met zaagsel, dat zorgvuldig door inkervingen in het lichaam werd gebracht, opgevuld, zoodat de natuurlijke vorm geheel en al werd hersteld.

De holten, door het wegnemen der organen ontstaan werden wellicht opgevuld met myrrhe, cassia of andere kruiden. Wanneer het lichaam weer was dichtgenaaid, werd het daarop in een bad van natron gelegd en wel gedurende een tijd van zeventig dagen en vervolgens in linnen gewikkeld, dat in een kleverige vloeistof was gedoopt. Een kist werd vervaardigd, welke den vorm van het menschelijk lichaam had en op levendige en kunstige wijze beschilderd was met afbeeldingen van goden, amulets, symbolen en eenige voorstellingen van een begrafenis.

Een afbeelding van het gelaat van den gestorvene [33]kwam nog bij deze schilderingen en de korte vleugel, het zinnebeeld van den levenden Egyptenaar, prijkte in meer of minder fraaie kleuren boven dit conventioneele doodenmasker, dat over het algemeen slechts weinig gelijkenis met den doode vertoonde.

De kruiken, waarin de ingewanden werden gelegd, hadden deksels, welke zoo gesneden waren, dat men er de afbeelding van een menschelijk hoofd uit kon opmaken, maar na de 18e dynastie werden de hoofden van de vier zoons van Horus, Medi, met het menschelijk hoofd, Hapi, die met den kop van een aap wordt afgebeeld, de jakhals Tuamutef en de valk Qebhsennuf, de beschermgeesten van het Noorden, Zuiden, Oosten en Westen op de deksels der kruiken afgebeeld.

In de kruiken werden de maag, de longen, het hart, de lever en de galblaas gelegd. Deze kruiken werden in de graftombe naast de mummie geplaatst, zoodat deze, bij zijn herrijzenis, gemakkelijk de beschikking er over kon hebben. Nu is het een treffende bijzonderheid, dat wij een gelijkenis met deze genii vinden onder de oude Maya van Midden-Amerika, die vier goden bezaten aan ieder punt van het kompas geplaatst, om den hemel te schragen. Hun namen waren Kan, Muluc, Ix en Cauac, of volgens andere schrijvers Hobnil, Kanzicnal, Zaczini en Hozanek en men heeft vastgesteld, dat de Maya bij hun begrafenissen gebruik maakten van grafkruiken, bacabs genaamd, welke de ingewanden van den doode bevatten9. Vreemd genoeg maakten de oude Mexicanen eveneens gebruik van een soort mummificeeren, evenals de inwoners van Peru10.

Begrafenisoffers.

Het huisraad in de graven der Egyptenaren uit de hoogere standen was kunstig bewerkt en kostbaar; men [34]vindt daar stoelen, kruiken, wapens, spiegels, ja soms zelfs wagens en pruiken! Vanaf den tijd van het Midden-Rijk (de 18e dynastie) werden kleine beeldjes, ushabtiu genaamd, in elke graftombe geplaatst. Dezen stelden verschillende beroepen voor en men veronderstelde, dat zij de gestorvenen in de andere wereld bijstonden, of dienden. De muren van de grafkamer en de zijden van sarcophaag werden gewoonlijk ingenomen door teksten uit het “Boek der Dooden” of formules, geloften inhoudende, brooden, ganzen, bier en andere behoeften aan den ka van den gestorvene te zullen offeren.

De begrafenisplechtigheid was statig en indrukwekkend. Soms gebeurde het, dat het lijk over water moest gevoerd worden en in dat geval had de processie plaats door middel van fraai geschilderde booten; in het andere geval bewoog zich de schare van rouwdragenden langzaam langs den Westelijken oever van de rivier den Nijl.

De begrafenisplechtigheid schijnt bijna altijd een theatraal karakter te hebben gedragen en was een symbolische voorstelling van de nachtelijke reis van Ra-Osiris. De voorgeschreven gebeden werden opgezegd en daarna werd wierook verbrand. De nabestaanden van den gestorvene waren luidruchtig in hun klachten en werden in dezen bijgestaan door mannen, die van dit klagen een beroep maakten; dezen begonnen luide en doordringend te klagen, wanneer de stoet langzaam de mastaba, of graftombe naderde, waarin de mummie zou worden bijgezet.

Deze werd uit de kist genomen, wanneer zij de deur van haar toekomstig verblijf had bereikt en rechtop tegen den muur van de mastaba geplaatst door een priester, die een masker van god Anubis, met het hoofd van een jakhals, droeg. Was men zoo ver gekomen, dan begon een nieuwe uitvoerige plechtigheid, bekend onder de benaming van het openen van den mond. Onder vele formules en symbolen werd de mond van den gestorvene door middel van een haak geopend, waarna men geloofde, dat [35]hij in staat was te spreken, te eten of te drinken. Een speciale lectuur is over dit gebruik ontstaan, bekend onder den naam van: “Het boek betreffende het openen van den mond”. Zorgvuldig bewerkt en talrijk waren de werktuigen, welke men voor deze plechtigheid gebruikte: de pesh-ken, of haak, vervaardigd van een steen van rose kleur, het mes van grijs-groenachtige steen, de vazen, kleine steenen messen, welke het “metaal van het Noorden” en het “metaal van het Zuiden” voorstelden, de zalven, olie enz.

Onbegrensd was het ceremonieel, indien de overledene een man van aanzien was, daar op zijn minst 28 formules moesten worden opgezegd, terwijl verschillende van dezen vergezeld gingen van reiniging, zuivering en verwisseling van kleeding door de priesters, die den dienst leidden. De kist, welke de mummie bevatte, werd daarna in het grafgewelf neergelaten door een lang touw en door de doodgravers aangenomen.

De Ka.

De gestorvene was eigenlijk voor het bestaan in de onderwereld aan de genade van de levenden overgeleverd. Indien zijn nabestaanden niet doorgingen met offers te brengen, dan was hij inderdaad in een ellendigen toestand, want zijn ka moest in dat geval sterven. Deze ka was zijn dubbelganger en kwam op hetzelfde tijdstip als hij op de wereld.

De ka moet scherp onderscheiden worden van de ba, of ziel, welke gewoonlijk na den dood van hem, die haar bezat, de gedaante van een vogel aannam en zij was inderdaad in staat de gedaante aan te nemen, welke zij wenschte, indien de begrafenisplechtigheden correct in acht genomen waren.

Sommige Egyptologen zien in de ka een bijzondere, actieve kracht, welke het menschelijk wezen met leven vervult en zien hierin een equivalent met de Hebreeuwsche [36]uitdrukking voor “geest”, in onderscheid met “ziel”. In het boek Genesis hooren wij, dat God den levensadem in den mensch blies en hij leefde. Op gelijke wijze legde de God der Egyptenaren zijn arm achter de oergoden en terstond kwam zijn ka over hen en zij leefden.

Als de mensch stierf, verliet zijn ka het lichaam, maar hield toch niet op hierin belang te stellen en bij gelegenheid bezielde hij het weer. Het was voor de ka, dat de Egyptische graven zoo goed voorzien waren van eten en drinken en alle noodzakelijke behoeften, om niet te zeggen weelde, voor het bestaan.

De Ba.

De ba bleef niet, zooals we reeds zagen, bij het lichaam, maar nam na den dood vleugels aan. Onder onbeschaafde volken—b.v. de inboorlingen van Amerika—heerscht dikwijls de opvatting, dat de ziel de gedaante en eigenschappen van een vogel bezit. Het gemak, waarmede de vogel zich door het onmetelijk luchtruim voortbeweegt, zijn vermogen om te vliegen, hetwelk men niet begrijpt, zijn geheimzinnig gezang, zijn verwantschap met den hemel zijn oorzaak, dat hij tegelijk een vreemd en benijdenswaardig wezen is.

Zulk een vrijheid, aldus redeneeren primitieve menschen, moet de bevrijde ziel hebben, wanneer zij niet meer gekluisterd is aan het lichaam, dat haar belemmert. Evenzoo moeten goden en geesten van vleugels voorzien zijn en zoo zal het met hem zelf zijn gesteld, hoopt hij, wanneer hij zijn sterfelijk omhulsel heeft afgeschud en op vleugels naar de hemelsche woningen zal opstijgen.

Zoo gelooven de Bororos van Brazilië, dat de ziel de gestalte van een vogel bezit. De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia koesteren het geloof, dat de ziel in een ei huist, dat zich in den nek bevindt en dat bij den dood het ei wordt geopend en de vogel, door dat ei uitgebroed, wegvliegt. [37]

Uit de Boheemsche folklore leert men, dat men onder het volk zich de ziel als een witten vogel voorstelt. De Maleiers en Battakkers van Sumatra beelden het onsterfelijk deel van den mensch eveneens in de gestalte van een vogel af, zoo ook de inboorlingen van Java en Borneo. Wij zien dus, dat de Egyptische opvatting in verschillende landen haars gelijke heeft. Nergens echter vinden wij een zoo diep gevestigd geloof, dat zich gedurende een onafgebroken tijdperk heeft staande gehouden, als in het Nijldal.

Geen enkel volk heeft zooveel gewicht gehecht aan de vereering der dooden, noch dezen in zoo hoog aanzien gehouden, als de Egyptenaren. Wij overdrijven niet, indien wij zeggen, dat het leven van een Egyptenaar, tenminste van een, die tot de hoogere standen behoorde, een voortdurende voorbereiding tot den dood was. Het is echter waarschijnlijk, dat hij, door de kracht der gewoonte en omgeving, zich van deze omstandigheid niet bewust was. Het is gevaarlijk een stelling op te werpen met betrekking tot een geheel volk. Doch indien ooit eenig volk het leven beschouwde zuiver en alleen als een oefenschool, of voorbereiding tot de eeuwigheid, dan was het zeker wel dit geheimzinnige en bekoorlijke menschenras, waarvan de uitgestrekte ruïnes de oevers van de oudste rivier van de wereld bedekken en als het ware met minachting neerzien op de minder majestueuze ondernemingen van een beschaving, welke zich van het tooneel van hun myriaden verwonderlijke dooden heeft meester gemaakt. [38]


1 Eenige mythologen spreken ook nog over een vorm van geloof, welke door hen wordt aangeduid met den naam van prae-animistisch. Deze vormen zijn echter niet voldoende gedefinieerd, om ze tot een bepaalde klasse te brengen. Zie Marett, “The Threshold of Religion”.

2 Zie: K. von den Steinea, Unter den Naturvölker Zentral-Brasiliens (Berlijn 1894).

3 Zie: Myths and Legends of the North American Indians, pag. 87.

4 Zie: Handbook of North American Indians, bij hoofdstuk: Cheyenne.

5 Zooals dit voorkomt bij verschillende primitieve bovennatuurlijke wezens over de geheele wereld.

6 Dit is een eigenaardigheid van vele watergoden in Amerika en Australië (verg. Lang. Myth, Rutual and Religion (deel I, pag. 43).

7 Zie: Gomme, Ethnology in Folklore.

8 Men vergelijke hiervoor Lang “The Making of Religion” en “The New Mythology”.

9 Zie H. de Charency, Le Mythe de Votan, pag. 39. Er is slechts weinig grond voor het laatste gedeelte van deze bewering. De bacabs werden zuiver geïdentificeerd met de chach, of regengoden.

10 Zie L. Spence, Myths of Mexico and Peru.

Onderzoekingen, geschiedenis en gebruiken.

Het Nijldal.

De rivier de Nijl is de oorzaak van het speciale karakter van Egypte en onderscheidt het van de overige deelen van de Sahara. Bij zijn jaarlijksche overstrooming laat deze rivier rijkelijk slib achter, dat de vruchtbare vlakten aan beide oevers vormt, welke zulk een contrast vormen met de eentonige, bruine woestijn.

Oostelijk en Westelijk van den Nijl strekken zich groote woestijnen uit, hier en daar door groene oases onderbroken en terwijl het landschap, in het algemeen genomen, te eentonig is om interessant te zijn, vertoont de Delta zelf den aanblik van een rijkelijk bebouwde vlakte, bezaaid met de hooge, sombere en donkere wallen van oude steden en dorpen, omzoomd door palmboomen.

In Boven-Egypte is het Nijldal nauw en ingesloten door tamelijk hooge bergen, welke echter nergens in bergspitsen uitloopen. Soms naderen dezen de rivier in den vorm van voorgebergten en worden door de beddingen van oude stroompjes verdeeld. Dezen zijn vrij schilderachtig, doch overigens is het landschap niet bekoorlijk voor de oogen. Wel echter wat de kleur betreft. “Het heldere groen van de velden, de roodachtig bruine of de donkergroene kleur van de groote rivier, welke een contrast vormt met de kale, gele rotsen, onder een schitterend zonlicht en een helder blauwen hemel, bieden een schoon aspect aan”.

Oorsprong van het ras.

De quaestie van de oorsprong van het ras bij de bevolking van het oude Egypte is een van de meest ingewikkelden. In graven en andere oude overblijfselen der beschaving vinden wij sporen van verschillende rassen, welke op verschillende tijdstippen in het land kwamen, [39]doch deze data van vestiging zijn zoo gebrekkig, dat het zeer gevaarlijk zou zijn, hierover te generaliseeren. Volgens professor Sergi uit Rome, de grondlegger van de theorie, dat een groote beschaafde tak in een vroeg tijdperk aan de Zuidelijke kusten der Middellandsche Zee ontstond, behoorden de oude Egyptenaren tot den Oostelijken tak van dit ras, tezamen met Nubiërs, Abessiniërs, Galla, Masai en Somalis. Het bewijs der taal is vaag, want hierbij zou het, evenals in andere gevallen, slechts met het oog op beschaving in aanmerking kunnen komen.

Een andere theorie neemt aan, dat het Nijldal in oude tijden bevolkt was door een dwergenvolk, doch dat dit uit zijn bezit is verdreven door volken, die aan de Middellandsche Zee woonden. De theorie, dat volken aan de Middellandsche Zee Egypte direct vanuit hun oorspronkelijke woonplaatsen binnenvielen, is lijnrecht in strijd met de andere opvatting, welke het land in oude tijden laat bewonen door een volk, dat zich bezighield met bewerking van steenen en dat uit Palestina afkomstig zou zijn.

Indien men de tijdrekening nauwkeurig beschouwt, zal het blijken, dat dit volken waren, aan de Middellandsche Zee wonende, welke reeds lang ervaren waren in het bewerken van steen, daar dit materiaal in ruime mate bij hen aanwezig was.

Waarschijnlijk volgden hierna successievelijk invasies uit het Oosten en Arabië en de landen daaraan grenzend en vandaar kwam een volk, aan de Babyloniërs verwant, en met hun beschaving vertrouwd, welke zij in een gemeenschappelijke woonplaats met dezen hadden gedeeld, doch dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld.

Dezen gaven hun Semitische woordenschat aan de Hamitische syntaxis van het volk, dat zij in het Nijldal vonden. Hoewel zij de taal hervormden, slaagden zij er slechts gedeeltelijk in den godsdienst te wijzigen, daar deze voor het grootste gedeelte van het Osiris-type bleef, doch zich ook met de vereering van Horus, in de gedaante [40]van een havik, vermengde, welke door de vreemdelingen was ingevoerd. Eveneens ontbreekt het niet aan hen, die meenen, dat deze immigranten uit Arabië Hamieten waren, die reeds een grooten trap van beschaving bereikt hadden. Dezen zouden door Semitische horden vanuit het Noorden in het nauw zijn gebracht, de Roode Zee zijn overgestoken en zich eerst in Berenice gevestigd hebben.

De Egyptenaren, tot de dynastie behoorend, zijn Hamieten, een omstandigheid, welke dit laatste gezichtspunt kracht schijnt bij te zetten en tevens verschillen zij in type niet veel van de tegenwoordige Galla, doch hadden wellicht proto-Semitische elementen1; men stelt zich voor, dat zij zich geconcentreerd hebben in de nauwe en vruchtbare strook langs de oevers van den Nijl.

De geschiedenis der dynastieën van het oude Egypte strekt zich op zijn minst over een periode van meer dan 3000 jaren uit. Met het oog op chronologische moeilijkheden, vond men het geschikt het dynastieke systeem, dat door Manetho, een Egyptischen priester, die in de 3e eeuw v.C. leefde, uitgedacht werd, te aanvaarden.

Manetho nu verdeelde de Egyptische geschiedenis in 31 dynastieën en hiervan vullen 26 den tijd tusschen Mena en de Perzische verovering, terwijl de overige de periode der Perzische, Helleensche en Romeinsche suprematie vullen. Met de Perzische overheersching echter begint de ontbinding van het Egyptische rijk en eigenlijk eindigt op dit tijdstip de Egyptische geschiedenis.

Hoewel Manetho’s dynastieke indeeling door moderne Egyptologen is aanvaard, wordt zijn chronologie niet zoo algemeen aangenomen, hoewel deze door één authoriteit op dit gebied, professor Flinders Petrie, wordt ondersteund.

Tegenwoordig is de opvatting overheerschend de minimum chronologie te aanvaarden, welke bekend is onder den naam van Berlijnsche school; deze plaatst Mena’s [41]verovering op 3400 v.C. en de 12e dynastie op ongeveer 2000 v.C., terwijl de opvatting van professor Petrie, welke minder algemeen wordt aangenomen, deze gebeurtenissen stelt op respectievelijk 5500 v.C. en 3400 v.C.

Het is gebruikelijk de verschillende dynastieën in drie perioden te verdeelen, n.l. het Oude Rijk, omvattende de 1e-8e dynastie, het Midden-Rijk, omvattende de 9e–18e dynastie, en het Nieuwe Rijk, loopende van de 18e–26e dynastie.

Deze verdeelingen echter vullen geen enkele onderbreking in den loop der Egyptische geschiedenis, doch worden alleen uit gewoonte gebruikt.

De volgende tafel geeft een vergelijking te zien tusschen het systeem van dateering, dat bij hen, die de Egyptische geschiedenis bestudeeren, in zwang is, overeenkomstig professor Petrie en de Berlijnsche school, door professor Breasted voorgestaan:

Petrie (1906) Berlijnsche School (1906)
I 5510 v.C. 3400 v.C.
II 5247 v.C.
III 4945 v.C. 2980 v.C.
IV 4731 v.C. 2900 v.C.
V 4454 v.C. 2750 v.C.
VI 4206 v.C. 2625 v.C.
VII 4003 v.C. 2475 v.C.
VIII 3933 v.C.
IX 3787 v.C. 2445 v.C.
X 3687 v.C.
XI 3502 v.C. 2160 v.C.
XII 3459 v.C. 2000 v.C.
XIII 3246 v.C. 1788 v.C.
XIV 2793 v.C.
XV 2533 v.C.
XVI 2249 v.C.
XVII 1731 v.C.
XVIII 1580 v.C. 1580 v.C.
XIX 1322 v.C. 1350 v.C.
XX 1202 v.C. 1200 v.C.
XXI 1102 v.C. 1090 v.C.
XXII 958 v.C. 945 v.C.
XXIII 755 v.C. 745 v.C.
XXIV 721 v.C. 718 v.C.
XXV 715 v.C. 712 v.C.
XXVI 664 v.C. 663 v.C.[42]
XXVII 525 v.C. 525 v.C.
XXVIII 405 v.C.
XXIX 390 v.C.
XXX 378 v.C.

Onderzoekingen van Egypte.

Egypte met haar grootsche ruïnes, in duisternis en geheimzinnigheid gehuld, prikkelde sinds langen tijd de nieuwsgierigheid van den reiziger; de overleveringen immers over een hoogstaande beschaving, over haar godsdienst, bestuur en beschaving, leefden in de herinnering der menschen voort en daar heeft de mensch uit tempels, pyramiden, paleizen en steden daadwerkelijke bewijzen over het bestaan van dat oude koninkrijk gezocht en gevonden.

En niet alleen is de geschiedenis van Egypte voor de moderne wereld ontsluierd, doch tevens is die van andere volken en machten opgespoord; onder dezen van Perzië, Griekenland en Rome.

Het oudste voorbeeld voor de verzameling van Egyptische oudheden in Engeland is van het jaar 1863, toen een waardevolle zuil, welke tot het Oude Rijk behoorde, uit Saqquara werd overgebracht en aan het Ashmolean Museum te Oxford ten geschenke werd aangeboden, terwijl in de 18e eeuw een poging werd gedaan de Egyptische ruïnes te beschrijven en de ligging van eenige steden, door klassieke schrijvers vermeid, vast te stellen.

In 1798 vergezelde een wetenschappelijke commissie de militaire expeditie van Napoleon tegen Egypte en veel waardevolle arbeid is door deze geleerden volvoerd en het resultaat hiervan vult verscheidene deelen van de “Description de l’Egypte”, terwijl de groote verzameling van oudheden, door hen bijeengebracht, w.o. de bekende steen van Rosette, welke de sleutel bleek te bevatten van het geheim der Egyptische hieroglyphen, in het jaar 1801 in Britsch bezit kwam.

In dit jaar, onder Mehemet Ali, werd Egypte voor [43]Europeanen opengesteld en vanaf dien tijd werd een groot aantal oudheden aan dat land onttrokken en vond zijn weg naar de Europeesche verzamelingen en musea, voornamelijk het Britsch Museum, en de musea te Leiden, Berlijn en Turijn. De uitgebreidste verzameling van Egyptische voorwerpen bevindt zich te Caïro.

Oudste onderzoekingen.

In 1821 vond de ontcijfering van de Steen van Rosette, door Champollion, plaats en dit feit was een nieuwe aansporing voor onderzoek en verzameling. Champollion zelf, tezamen met Rosellini, werd door de gouvernementen van Frankrijk en Toscane voor een expeditie naar Egypte uitgezonden en veel werd gedaan door het copieeren van zuilen en inscriptie’s.

De regeering van Pruisen echter nam in het jaar 1842 het initiatief tot een grootere onderneming, onder Lepsius, en deze strekte haar onderzoekingen tot Nubië en Khartoum uit en verder tot Syrië en Palestina. Deze expeditie, met haar wetenschappelijke methode, leverde een kostbaar resultaat op.

De officieele bescherming der oude monumenten en ruïnes, tegen de exploitatie door opkoopers, of vernieling door vandalen, werd het eerst door Mehemet Ali ter hand genomen; deze benoemde Mariette tot dezen moeilijken post en onder zijn verstandig en kundig beheer werd veel waardevols tot stand gebracht. Dit is onder de Britsche souvereiniteit tot ontwikkeling gekomen.

De oude bouwterreinen worden door het Gouvernement gehuurd en de Oudheidkundige Dienst beschikt over een ruime jaarlijksche subsidie en heeft vele Europeanen en inboorlingen tot haar beschikking. Alle provincies ressorteeren onder haar en geen opgravingen zijn zonder haar toestemming geoorloofd en dezen worden alleen aan verantwoordelijke personen toegestaan en wel onder deze voorwaarde, dat de helft van de te vinden voorwerpen [44]het eigendom zullen worden van het Egyptisch Gouvernement, terwijl de vinders de andere helft mogen behouden.

Sir Gaston Maspero, directeur van het Museum te Caïro, heeft veel tot de volmaking der Egyptische archaeologie bijgedragen.

Reeds in het jaar 1862 zag de Schotsche archaeoloog Rhind de noodzakelijkheid in tot een bepaald wetenschappelijk systeem van opgraven te geraken, indien men werkelijk waardevolle resultaten wilde verkrijgen, en hij beklaagde zich over het gebrek aan zulke methodes in zijn tijd. In 1883 werd van dit systeem van onderzoek te Tanis, onder professor Flinder Petrie, het eerst gebruik gemaakt. Ieder voorwerp, hetzij groot of klein, hetwelk men bij het ontgraven van een tempel, stad of graf vond, werd bij een verzameling gevoegd en verklaard, om zijn aandeel in het bewijsmateriaal aan te brengen. Deze methode geeft aan elk voorwerp zijn waarde.

De aandacht is niet alleen op één gebied geconcentreerd, sinds niets vernield of verloren is gegaan en de kennis van de kunsten en nijverheid, de gebruiken, de literatuur en de godsdienst van het oude Egypte is langzaam bijeengebracht en alles neemt de hem passende plaats in de geschiedenis, welke voor ons ontvouwd wordt, in.

Veel van het mysterieuse, dat over Egypte hing, is verdwenen, doch de betoovering, welke zij in het verleden uitoefende, is bijna even groot als ooit te voren. Deze is niet door de meer inwendige kennis van haar oude beschaving verminderd, maar integendeel honderdvoudig vergroot.

Het stilzwijgen van vele eeuwen is verbroken, de hieroglyphen hebben haar geschiedenis aan den modernen mensch verteld en deze luistert met steeds grootere belangstelling naar de stem van het verledene. Het zand der woestijn is weggevaagd en oude bouwwerken staan [45]opnieuw in het zonlicht te schitteren en geven hun geheimen, welke eeuwen lang bedekt waren, prijs.

De graven vertellen voor de zooveelste maal van verdriet over den dood en de eeuwenoude verlangens der menschen. Nog afgezien van de letterkundige overblijfselen, papyri en inscripties is het materiaal onmetelijk groot. De oude topographie van het land is door de overblijfselen van wegen, kanalen, steengroeven en mijnen bekend geworden.

De platte gronden der steden met haar tempels, versterkingen en particuliere woningen zijn uitvoerig besproken, zoodat de getuigenis van den bouw, tot de decoratieve teekeningen der kunstenaars toe, bijna geheel compleet zijn. De plattegrond van iedere stad is, over het algemeen genomen, bijna dezelfde als van verscheidene, welke tot verschillende tijdvakken behooren; men hoogde de ruïnes van oude bouwwerken op en de nieuwe gebouwen begonnen verscheidene voeten hooger.

Deze aldus gevormde ophoogingen zijn somtijds 80 of 90 voet hoog. Deze fundeeringen schrikten de Egyptische architecten er niet van af hooge gebouwen er op te plaatsen, zooals bijvoorbeeld die in Memphis, want in verscheidene steden bestaan nog heden muren van 30 of 40 voet hoog. Om dezen te dragen werden zij aan den voet dikker gemaakt en het fundament weder versterkt.

Onder de ruïnes van kalksteen, van huizen afkomstig, vindt men soms stukken zandsteen, graniet en albast, uit tempelruïnes aangesleept en dit bewijst, dat de Egyptenaren uit die lang vervlogen dagen precies hetzelfde deden als hun nakomelingen en de verwaarloosde en ineengestorte monumenten van hun steen beroofden.

Plattegrond der steden.

De plattegrond van een uitgegraven stad toont ons, dat de huizen om een tempel en diens vierkanten bouw zijn samengebracht. [46]

Deze diende als versterking en tot toevluchtsoord voor het geval, dat de stad werd aangevallen. De plattegrond van steden, in een bepaalde periode gebouwd, was gewoonlijk voorzien van breede geplaveide straten, welke rechte hoeken vormden en voorzien waren van steenen goten, om het water af te voeren. De gebouwen werden op een vaste lijn geschikt.

In steden echter, welke het product van verschillende eeuwen vormen, vindt men een zeer groote onregelmatigheid. Men ziet er huizen in een doolhof van donkere lanen en donkere, nauwe straten. Over het algemeen vindt men in iedere straat een plein, door wilde vijgeboomen beschaduwd, dat men twee- of driemaal per maand voor marktplaats gebruikte.

De armere klassen waren in hutten gevestigd, gewoonlijk niet meer dan 12 of 16 voet in lengte, en weinig beter dan de hutten der fellahs van heden ten dage. De huizen der middenklasse, van winkeliers, lagere beambten en hoogere bedienden hadden een beter aanzien, maar waren vrij klein.

Gewoonlijk bevatten zij een half dozijn kamers en sommigen waren twee of drie verdiepingen hoog, terwijl nauwe binnenplaatsen hen van de straat afscheidden; vaker echter grensde het huis direct aan de straat en werd met drie zijden om een binnenplaats gebouwd.

Men heeft veelvuldige bewijzen, dat zeer zorgvuldige hygiënische toestanden in het oude Egypte bekend waren, want zelfs vrij armoedige huizen in Kahûn kunnen zich op een steenen regenbak beroemen en deze weelde was algemeen, uitgezonderd bij de allerarmsten. In Tell el Amarna heeft men in een huis van een aanzienlijk beambte, tot de 18e dynastie behoorende, een mooi bewerkt bad en een kunstig systeem om het water aan te voeren, ontdekt.

De inrichting van het gewone huis was ongeveer dezelfde als in het Oosten van onze dagen; de benedenverdieping bevatte bergplaatsen, schuren en stallen; de [47]daarop volgende verdieping diende om er in te huizen en te slapen; het dak om er zomers te rusten, terwijl de vrouwen hier ook babbelden en kookten. Een trap, welke zich aan de buitenzijde van het huis bevond, nauw en zeer steil, leidde naar de bovenvertrekken. Dezen waren langwerpig van vorm en de deur alleen diende voor ventilatie en verlichting. Soms werden de muren bij wijze van versiering met wit bestreken, met rood en geel versierd, of met huiselijke tafereelen beschilderd.

Paleizen en heerenhuizen.

De paleizen en heerenhuizen stonden gewoonlijk in het midden van een tuin of hof, met boomen beplant, en omringd door muren, van schietgaten voorzien, alleen door een ingang onderbroken, welke dikwijls de maatschappelijke hooge positie der familie aantoonde. Soms vond men een gaanderij, door zuilen geschraagd, en met standbeelden versierd; bij andere een staatsiepoort, gelijkend op die, welke men bij den ingang van tempels aantreft.

“Het inwendige”, aldus zegt Maspero, “geleek bijna altijd op een kleine stad, in kwartieren verdeeld door onregelmatige muren. In sommige gevallen stond het woonhuis op een meer afgelegen afstand, terwijl de graanschuren, stallen en kantoren der bedienden over verschillende deelen van de afgesloten ruimte waren verdeeld”.

Schilderingen en plattegronden op de muren van graven aangetroffen, de overblijfselen van huizen te Tell el Amarna en van het paleis van Akhenaten, hebben nog een nadere aanvulling gebracht in de details, welke ons kunnen onderrichten. De schilderachtige plattegrond van een Thebaansch huis, half paleis, half villa, wordt door Maspero aldus beschreven.

“De ingesloten ruimte is rechthoekig en omgeven door een muur, van schietgaten voorzien. De hoofdingang komt uit op een weg, door boomen beplant, langs een kanaal, of een Nijlarm. [48]

De tuin wordt symmetrisch verdeeld door lage, steenen muren. In het midden bevindt zich een groot traliewerk, gestut door vier rijen kleine zuilen; aan den rechter- en linkerkant zijn vier bassins vol eenden en ganzen, twee broeikassen met bladeren bedekt, twee zomerhuizen, lanen van wilde vijgeboomen en dadelpalmen. Achterin bevindt zich dan het huis zelf, recht tegenover den ingang, twee verdiepingen hoog, doch van kleine afmetingen, bedekt door een beschilderde kroonlijst”.

Op een der graven van Tell el Amarna kan men een voorstelling zien van het paleis van Aï, die later den Egyptischen troon beklom. Dit is van grooter formaat, rechthoekig van vorm, met een breedere voor- dan zijgevel. De trappen, welke naar den terrasvormigen zolder leiden, geven toegang tot twee kleine kamers, beiden aan den achterkant. Het woonhuis zelf bevond zich in den uitbouw en was het heiligdom der familie en alleen intieme vrienden hadden recht daar binnen te treden.

De overblijfselen van het paleis van Akhenaten in Tell el Amarna zijn volgens hetzelfde plan ingedeeld; alleen is hier een paviljoen voor de koningin aan toegevoegd; dit bevat een ruime hal, van een afmeting van 51 bij 21 voet. In dit paleis bevindt zich een andere hal van 423 bij 234 voet. Deze bevatte 542 leemen pilaren, van ongeveer 100 vierkante c.M. Deze hal stond in verbinding met 5 kleinere. “De pilaren waren wit gemaakt en de zoldering was met afbeeldingen van wijnranken en druiventrossen, op een gelen achtergrond, beschilderd”.

Vele paleizen en huizen vertoonen verscheidene kenmerken van de decoratieve kunst van die dagen. Overblijfselen van de architectuur uit het Oude Rijk zijn niet menigvuldig, maar de plattegrond schijnt niet veel van die uit de latere perioden te hebben verschild.

De kleine voorwerpen, welke men ontdekt heeft, zooals huisraad, kleeren, wapens, amulets, schilderen ons het huiselijk leven van het oude Egypte, terwijl tempels, versterkingen [49]en monumenten ons over den godsdienst, de wijze van oorlogvoeren en den ondernemingsgeest in dien ver van ons verwijderd liggenden tijd inlichten.

Deze opgravingen strekken zich over een groote tijdruimte uit. Boven-, Beneden- en Midden-Egypte en Nubië zijn op uitgebreide schaal onderzocht, eveneens het Sinaï-Schiereiland en Syrië, met haar talrijke gedenkteekenen van verovering. In Nubië is, volgens een deskundige, de armoede van het land en de schaarsche bevolking in aanmerking genomen, het percentage der nog aanwezige monumenten grooter dan in Egypte.

Verscheidene tempels, graven, kanalen, versterkingen, grotten en pyramiden heeft men nog in goeden staat aangetroffen. In Boven-Egypte kan men de groote pyramiden en de nekropolis van Memphis vinden, benevens kleinere pyramiden, meer naar het Zuiden en tevens kan het zich op de bewonderenswaardige ruïnes van Thebe, aan beide zijden van de rivier, beroemen, daarbij nog op de graven en kanalen van Assuan en de tempels van Philae, doch hiermede is de lijst van uitgegraven bouwwerken nog niet uitgeput, daar het bekend is, dat verscheidene nog geheimen verbergen, tot dusver onaangeroerd.

Levenswijze in Oud-Egypte.

Het bestaan van Egypte, als een inheemsche monarchie, strekt zich over een zoo langdurige periode uit, dat het buitengewoon moeilijk is over de methode van bestuur of de levenswijze van het volk te generaliseeren. Hierbij moet tevens worden opgemerkt, dat geen enkele beschaving, met een verleden van duizenden jaren, minder verandering in staatkundige of inwendige aangelegenheden vertoont.

Het staat vast, dat, toen eenmaal door de Egyptenaren een landelijke levenswijze was aangenomen, zij de gebruiken en gewoonten daarvan bewaarden tot den tijd van de [50]invasie van buiten; en voor zoover de lagere klassen betreft, kan er weinig twijfel aan bestaan, of hun dagelijksch leven ging van eeuw tot eeuw kalm en onveranderlijk voorbij. De kennis der folklore heeft ons bewezen, hoe weinig verandering de loop der tijd in de levenswijze en de gedachten van dat volk aanbrengt, welks omgeving zoodanig is, dat krachten van buiten zelden eenigen invloed hierop uitoefenen. Speciaal was dit met de bewoners van het Nijldal het geval; dezen toch waren gedurende eenige eeuwen, door geografische en andere redenen, van de invallen van andere beschaafde volken verschoond. Ten tijde, dat vreemde indringers zich met hen vermengden, hadden zij zich zoo stevig gevestigd en waren zij zoo krachtig door de traditie beïnvloed, dat zij practisch voor de uitwerking van rasvermenging immuun waren.

Men moet ook niet vergeten, dat zulke indringers, als Egypte kende, hun vrouwen niet met zich plachten te nemen en dat hun huwelijk met Egyptische vrouwen gewoonlijk in een, of drie geslachten, de uitwerking had, dat zij geheel en al in de inheemsche bevolking opgingen, zoodat het gehalte van het ras vrijwel onveranderd bleef. Verder was hun aantal, vergeleken bij de bevolking van Egypte, betrekkelijk klein.

De omgeving van het Nijldal is buitengewoon goed geschikt voor de continuïteit van het rastype, zooals duidelijk blijkt uit het voortbestaan van de gestalte bij de huis- en andere dieren. Ontelbare malen heeft men daar buitenlandsche schapen, geiten en ezels ingevoerd en wel met dit resultaat, dat zij korten tijd daarna geheel opgingen in het domineerende Egyptische type van hun soort, met nauwelijks eenige verandering.

Het paard en de kameel werden betrekkelijk laat in Egypte ingevoerd en deze late invoering is een duidelijk bewijs voor de geïsoleerde ligging van het land.

Het feodale systeem was over het algemeen in oud-Egypte wijd en zijd verbeid en de Pharaoh hield zich [51]voornamelijk bezig met het controleeren van zijn hoogere onderdanen. Dezen vormden hun vorstelijke waardigheid tot een centrale macht en zelfs zij, die geen aanspraak op koninklijk bloed konden maken, kochten bezittingen van aanmerkelijke grootte op. Het krioelde van ambtenaren in het Nijldal en het schijnt, dat zij zich niet lieten leiden door een hoogen graad van politieke moraal, ten minste in de praktijk schoten zij hierin te kort. Aan de leden der koninklijke familie schonk men gemeenlijk aanzienlijke posten en op deze wijze werd het land inderdaad door een erfelijke bureaucratie bestuurd. Een kanselier, of vizier, was onmiddellijk verantwoording aan den monarch schuldig voor den toestand van het land, de financiën en het wettelijk bestuur.

Handel.

Wij weten slechts weinig over de handelsaangelegenheden van het oude Egypte. Overal hield men waarschijnlijk markten in de open lucht. Munten waren onbekend tot aan den tijd der Perzische invasie en ook toen werden gouden ringen, zilver en brons als ruilmiddel gebruikt. Ruilhandel echter domineerde voornamelijk. Koren was het stapelproduct van Egypte en het schijnt, dat dit tot een bepaalde hoeveelheid naar andere landen werd uitgevoerd, evenals papyrusrollen en linnen; maar al het zilver en koper moest worden ingevoerd, zoo ook kostbare houtsoorten, verder de huiden van zeldzame dieren, ivoor, specerijen, wierook en steenen voor het vervaardigen van buitengewoon vaatwerk.

Vele van zijn import-artikelen bereikten Egypte in den vorm van belasting, maar er bestaan nog getuigschriften van expedities, door den koning uitgezonden, om buitenlandsche zeldzame voorwerpen op te sporen. Een groot deel van den Egyptischen handel was in handen van vreemdelingen. De Phoeniciërs openden klaarblijkelijk een verbinding met Egypte op zijn vroegst in de 3e [52]dynastie. In lateren tijd werd een uitgebreide handel met Griekenland gedreven en koning Psammetichus I2 stichtte de stad Naucratis, als centrum van den Griekschen handel in Egypte.

Landbouw was de ruggegraat van de Egyptische welvaart; de natuurlijke gesteldheid van den bodem—vruchtbaar, zwart slib, door den Nijl achtergelaten, welke eveneens voor irrigatie diende—maakte de praktijk van den landbouw vrij eenvoudig. De groote hitte hielp eveneens mede om het graan spoedig te doen rijpen. De bebouwing was bijna het geheele jaar mogelijk, maar eindigde gewoonlijk met den oogst, welke tegen het eind van April werd ingehaald; vanaf dit tijdstip tot aan Juni werd den landbouwer een rusttijd toegestaan.

Voorstelling van het weiden van een groote kudde vee op een Egyptische hoeve.

Voorstelling van het weiden van een groote kudde vee op een Egyptische hoeve.

Op een graf te Thebe, 18e dynastie.

Met toestemming gereproduceerd uit “Muurschilderingen in Egyptische grafen”, uitgegeven door de beheerders van het Britsch Museum.

Men zaaide een groote verscheidenheid van vruchten; durra, waaruit men brood maakte, linzen, erwten, boonen, radijs, latuwen, uien en vlas werden allen verbouwd. Fruit was vertegenwoordigd door druiven, granaatappels, vijgen en dadels. Hout was zeldzaam en werd, zooals reeds is opgemerkt, voor het meerendeel geïmporteerd. Oudtijds was het waarschijnlijk overvloediger, maar de invoering van de kameel en de geit veroorzaakte de uitroeiing hiervan, daar deze dieren de bast van de boomen afstroopten en de takken afscheurden. Wijn werd in hoofdzaak in het district Mareotis, dichtbij Alexandrië, gefabriceerd en schijnt een zeer aangenamen geur te hebben gehad. De papyrusplant werd vanaf de vroegste tijden op groote schaal verbouwd; de stengel werd gebruikt voor den bouw van booten en het vervaardigen van touw en eveneens voor schrijfmateriaal.

Wetboeken.

Het schijnt, dat de Egyptische wetten mondeling werden overgeleverd en geen overblijfsel van eenig specifiek wetboek is tot ons gekomen. Koninklijke besluiten en [53]verordeningen werden somtijds uitgevaardigd en dezen werden gewoonlijk in steen gegrift en zorgvuldig bewaard. In den tijd der Ptolemaeën werden handelsrechtbanken ingesteld en dezen beslechten processen van allerlei soort; maar de traditioneele wet van het land schijnt aan het volk goed bekend te zijn geweest en door hun regeerders volledig erkend.

Een geliefkoosde manier tot herstel van grieven was zich op den koning, of een van de feodale vorsten te beroepen. Hoven, om bepaalde gevallen te verhooren, werden in de oudste tijden bijna altijd uit leden der koninklijke familie, of grondbezitters, samengesteld en later uit hun ambtenaren. Daarnaast bleef het recht van hooger beroep op den koning bestaan.

Men liet bewijs onder eede toe en een geliefkoosde eed luidde: “Bij den koning” of “Bij het leven van den koning”. Bij uitzondering alleen maakte men van pijniging gebruik voor bewijslevering. De straffen waren verschillend. In verscheidene gevallen werd den beschuldigde toegestaan zichzelf het leven te benemen. Voor geringere vergrijpen waren de afranseling, of de verminking, b.v. door het afsnijden van den neus, verbanning of geldboete de gebruikelijke straffen.

Gedurende het Oude Rijk was onthoofding het gebruikelijke middel om de doodstraf uit te oefenen. Het opstellen van contracten was algemeen en dezen dienden tot een wettig getuigenmiddel. Vanaf den tijd der 22e dynastie worden dezen in grooten getale gevonden en hebben gewoonlijk betrekking op verkoop, of leening.

Hoewel een vrouw eigendom kon erven, had zij niet het volledig recht daarover te beschikken, doch indien zij gescheiden was, kon haar huwelijksgift niet verbeurd worden verklaard. Vele van deze oude documenten houden zich met het koopen en verkoopen van slaven bezig. Intusschen is het niet duidelijk, of de toestemming van den slaaf zelf voor zijn verkoopen noodig was, of niet. [54]

Wetenschappen.

Kennis en wetenschap waren natuurlijk aan de godsdienstidee ondergeordend, daar deze in het Egyptische leven de hoofdrol speelde. Over de architectuur hebben wij reeds elders gehandeld. Het heeft den schijn, dat wetenschappelijke ondernemingen van alle mogelijke soort niet werden uitgevoerd door eenige gegeven formules, maar louter door wet, of gezag. Wondervolle resultaten werden op de eenvoudigste wijze verkregen en de methoden, volgens welke de pyramiden werden opgericht, hebben nog iets van een mysterie.

De dagen der feesten werden astronomisch bepaald en men heeft vastgesteld, dat de ligging van de pyramiden en andere grootsche bouwwerken op dezelfde manier werd gekenmerkt door de opkomst van de ster Sothis of Sirius.

Een groot gedeelte van de Egyptische uitvindingen schijnt van een merkwaardigen ouderdom, maar de gave van uitvinding schijnt in later tijden te zijn belemmerd, of verloren te zijn gegaan. Pogingen tot vooruitgang waren absoluut onbekend, zelfs toen de Egyptenaren met vreemdelingen in aanraking kwamen en alle nieuwigheden met achterdocht werden beschouwd.

De Landbouw.

Het is onzeker, tot welken graad het volk den adel navolgde in het streng, godsdienstig programma, dat deze voor zich had opgesteld. Er kan geen twijfel aan bestaan, of zij waren bijgeloovig als geen ander volk, maar dat zij zich zelf als passende onderdanen beschouwden van dezelfde andere wereld, waaraan de aristocratie was gebonden, is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijk dachten zij, dat zij een hoekje zouden kunnen vinden in het duistere rijk van Osiris en dat zij daar niet volkomen in het niet zouden zinken, maar dat hun ka’s behoorlijk gevoed zouden worden door de offerande, hun door hun kinderen gebracht. [55]

De Egyptische landbouwer was in buitengewone mate een zoon van de aarde, een hard werker, geduldig en tevreden, waar het voedsel, onderdak en kleeren betrof, zooals de fellah van den tegenwoordigen tijd. Het lot van de vrouw van den Egyptischen landbouwer was, evenals dat van haar echtgenoot, zwaar.

Gewoonlijk huwelijkte men haar op ongeveer vijftienjarigen leeftijd uit en op haar 30e jaar was zij dikwijls reeds grootmoeder. De zorg voor haar huis en kinderen mocht echter niet al haar tijd in beslag nemen, want op sommige tijdstippen verwachtte men van haar, dat zij haar man op het veld bijstond en hier was waarschijnlijk meer slaag dan dank haar deel.

Rechtvaardigheid werd niet zeer onpartijdig toegepast en herstel van grieven werd door iemand van de boerenklasse niet gemakkelijk verkregen en het is vreemd, dat de toestanden, onder welke de boerenstand leefde, geen voedsel voor opstand verschaften.

Waarschijnlijk was de eenige reden, dat deze niet uitbrak, in de omstandigheid gelegen, dat de toestand van slavernij te diep was ingeworteld; hierbij kwam tevens nog, dat de Egyptenaren, evenals de meeste Oosterlingen, fatalisten waren.

Kleeding.

De kleederdracht verschilde aanzienlijk in de respectievelijke dynastieën. Zooals wij reeds opmerkten, bezaten de Pharaohs een bijzondere kleeding en in zekeren zin was die van de hoogere rangen der samenleving daarnaar gevormd.

Het klimaat stond het dragen van zware stof niet toe en derhalve was fijn lijnwaad veelvuldig in gebruik. De bovenste deelen van het lichaam werden slechts gedeeltelijk bedekt en onder den adel in de oude tijden werd een soort linnen hemd gedragen. De kleederdracht der vrouwen bestond vanaf de oudste tijden uit een kleed, reikende [56]van den oksel tot de enkels, met riemen over de schouders vastgemaakt. De mannendracht was gewoonlijk een soort van lendendoek. Het dragen van pruiken was vrij algemeen en was al in prae-historische tijden ontstaan.

Op een of ander vroeg tijdstip had de inheemsche rituaal voorgeschreven, dat het hoofd moest geschoren worden, zoodat het dragen van de lange pruik, of de goedsluitende muts met oorlappen, feitelijk een noodzakelijkheid werd.

Wij vinden echter, dat sommige dames weigerden haar haardos op te offeren, en bij het welbekende beeld van Nefert kunnen wij de banden van natuurlijk haar opmerken, welke netjes over de wenkbrauwen zijn gladgestreken en uit de zware pruik gluren, welke zij draagt. Alle klassen droegen sandalen van leer, of gevlochten papyrus.

Wat zijn uiterlijke verschijning betreft, was de Egyptenaar slank en overtrof den Europeaan belangrijk in hoogte. Het ras was voor het meerendeel van een lang voorhoofd voorzien, met een dun middel en hoekig.

Op lateren leeftijd werd hij gewoonlijk corpulent, maar gedurende zijn jeugd en vroegste mannelijke leeftijd had hij een mager en gespierd uiterlijk. Hij had echter breede schouders en een goed ontwikkelde borstkas. Het onderzoek van duizenden mummies, door Dr. Elliot Smith verricht, heeft bewezen, dat het Egyptische ras in later tijd beter werd in physiek en spierkracht.

Wat het karakter betreft, was de Egyptenaar ernstig en misschien een weinig van stilzwijgende natuur en in dit opzicht niet ongelijk aan den Schot en den Spanjaard. Zijn aard en zijn volkslitteratuur zijn op sommige plaatsen een welsprekend bewijs voor een filosofie van het laissez-faire. Het is waarschijnlijk, dat het strenge godsdienstige wetboek, waaronder hij leefde, hem soms dreef tot een walging voor zijn omgeving. Het amusement van den Egyptischen landbouwer nam soms den vorm aan van dronkenschap en nog bestaan er schilderijen, waarop men [57]ziet, dat de landbouwer op de schouders van zijn knechts naar huis wordt gedragen.

Men kan niet ontkennen, dat onder de hoogere klassen de filosofie van genoegen een zeer krachtigen steun had gekregen, voornamelijk in latere tijden. Waarschijnlijk dachten zij, dat, indien zij “Het boek der dooden” ter harte namen, zij van een zalige toekomst verzekerd waren en dat hierin hun geheele moreele plicht was vervat.

Wat hun ethisch standpunt betreft, kan men zeggen, dat zij eerder zonder moraal, dan immoreel, waren en dat goed en kwaad, volgens onze opvatting, aan hen onbekend waren. De Egyptenaren echter, als ras, bezaten een aangeboren liefde voor rechtvaardigheid en rechtschapenheid en zij zullen altijd in de rij der naties hun plaats innemen als een volk, dat, misschien meer dan eenig ander, heeft medegewerkt tot den opbouw der orde, betamelijkheid en welvoeglijkheid. [58]


1 Zie Seligmann, Journal of the Royal Anthropological Institute, deel 14.

2 Pl.m. 570 v.C.

Priesterschappen, mysteries en tempels.

Priesterschappen.

De macht en het wezen van het priesterschap veranderde met het wisselen der eeuwen in hooge mate. De priesters waren waarschijnlijk ten allen tijde onafhankelijk van de koninklijke macht en er waren inderdaad in de Egyptische geschiedenis tijdstippen, waarop de troon der Pharaohs ernstig in gevaar werd gebracht, of zelfs geheel en al door de kerkelijke partij werd overschaduwd.

Uitgestrekte stukken land hadden de honderden tempels, waarvan het Egyptische land krioelde, verrijkt en dezen gaven aan een leger van ambtenaren bezigheid. In het Nieuwe Rijk b.v. wedijverde de macht van god Amen met die van den Pharaoh zelf. In den tijd van Ramses III telde deze invloedrijke eeredienst niet minder dan 80.000 dienaren, en zijn rijkdom kan hieruit worden bewezen, dat hij het vee bij duizendtallen kon tellen. De koningen echter trachtten den invloed van de priesterschappen te verminderen door hun eigen verwanten of aanhangers tot de voornaamste priesterambten te benoemen.

Oudtijds trokken de grootgrondbezitters den titel en de werkzaamheden van opperpriester in hun gebied tot zich en vereenigden aldus de feodale en kerkelijke diensten. Onder hen stond een groot aantal priesters, zoowel leeke-, als beroepspriesters. In later tijd echter werd dit systeem veranderd in een, waarin een strenge tucht de inrichting van een beroepsklasse noodzakelijk maakte en de plichten van deze waren scherp omlijnd en gespecialiseerd.

Desniettemin echter en in tegenstelling met het algemeen geloof combineerde de priesterschap zich nooit tot een kaste, welke uitdrukkelijk van het leekendom was [59]gescheiden, doch deze ging voort met hen samen te werken.

Leden van een priesterschap werden aangeduid met den naam van hen neter (dienaar van den god) of uab (de zuivere). In sommige streken voerden de opperpriesters bijzondere namen zooals Khorp hemtiu (hoofd van de werklieden), in den tempel van Ptah, of Ur ma (de groote ziener), te Heliopolis. Te Mendes was hij bekend onder een titel, welke vrij vreemd klonk voor een kerkelijk dignitaris, n.l. bestuurder der soldaten en te Thebe als: eerste profeet van Amen. De priesters, die het ceremonieel leidden, waren onder den naam van kheri-heb bekend.

De plichten van de priesters waren moeilijk. Zij hadden zich te houden aan een zeer streng wetboek, wat reinheid en tucht betrof. Voortdurende reinigingen volgden elkander op en de kleeding van den geestelijke moest frisch en zonder smetten zijn. Deze bestond geheel uit helder wit linnen, daar het dragen van wol en andere stoffen streng verboden was, ja daarvoor huiverde men zelfs. Het hoofd was geheel geschoren en men droeg geen hoofddeksel.

De dagtaak van een priester was nauwkeurig bepaald. Indien hij dienst had, wiesch hij zich zorgvuldig en ging dan naar het heilige der heiligen, zei daar bepaalde formules op en deed dezen vergezeld gaan van voorgeschreven bewegingen; dit vormde een inleiding om het zegel, hetwelk het heiligdom afsloot, te ontsluiten. Indien hij daarna van aangezicht tot aangezicht voor den god stond, knielde hij neer en nadat hij andere ritueele verrichtingen had volbracht, toonde hij den god een klein beeld van Maat, de godin van de waarheid.

De god, die voor dit oogenblik niet in staat werd geacht in het ceremonieel te deelen, werd daarop onthaald op een maaltijd, waarvan de voornaamste bestanddeelen rundvleesch, ganzenvleesch, brood en bier waren; wanneer men veronderstelde, dat hij zijn maaltijd had genuttigd, [60]werd hij wederom naar zijn altaar teruggebracht en verscheen niet voor den volgenden morgen.

Bij het gansche ritueel van deze morgenoffers schijnt het, dat de priester, die den dienst verrichtte, Horus vertegenwoordigt, den zoon van Osiris; deze, evenals alle zonen van de Egyptenaren, die hun plicht vervullen, zorgt voor het welzijn van zijn vader, na diens dood. Aldus is het ritueel door de Osiris-mythe opgesmukt. Het overige van den dag bracht de priester met overpeinzingen, met het beoefenen van verschillende kunsten en wetenschappen, zoowel in theorie als in praktijk en verrichtingen van openbare godsdienstplechtigheden, door. Zelfs de nacht bracht nog haar bezigheden met zich; immers de reiniging werd in middernachtelijke uren verricht en de priester werd tot dit doeleinde omstreeks middernacht gewekt.

Het priestercollege van Thebe.

De oude reizigers in Egypte, met name Herodotus en Strabo, spreken met enthousiasme over de bekwaamheid van den Egyptischen priester en het hooge standpunt, dat hij in zijn philosophisch denken had bereikt. Strabo maakt o.a. met bewondering melding van het priestercollege in Thebe De leden hiervan waren waarschijnlijk de meest geleerde en scherpzinnige theologen en philosophen in oud-Egypte. Colleges van bijna even groot gewicht bestonden ook elders, b.v. te Anu, het On, of Heliopolis der Grieken.

Iedere nome, of provincie, bezat zijn eigen grooten tempel en deze ontwikkelde het geloof van de provincie, zonder acht te slaan op dat van eenige mijlen verder. De goden van den nome werden ondergeschikt aan de godheid par excellence, den “Bestuurder der Goden”. “Schepper van het Heelal” en den gever van alle goede gaven aan zijn volk.

Men moet echter niet denken dat, ook al was de priesterschap, [61]als lichaam, rijk, de leden daarvan niet onder het moeilijke leven te lijden hadden. Aldus kwam het, dat, hoewel de beste condities aan den dienst in die groote tempels waren verbonden, dezen in het geheel niet met personeel overvuld waren. Te Abydus maakten slechts 5 priesters het personeel uit, terwijl Siut er 10 had. Aan den anderen kant bezaten de kleinere tempels inkomsten, welke geenszins in verhouding stonden tot hun omvang.

Een studie over dit onderwerp toont ons de inkomsten aan van de hoogepriesters der kleine heiligdommen. “Aan den Westrand van den Fayum”, aldus schrijft Erman, “bij het meer Moeris, was de tempel van Sobk (Sebek) van het Eiland, Soknopaios, zooals de Grieken dezen noemen. Deze had een hoogepriester, die de geringe jaarwedde van 344 drachmen ontving en al de overige priesters kregen dagelijks tezamen ongeveer èèn schepel tarwe, als belooning voor hun moeite. Zij waren zelfs niet vrijgesteld van den vasten arbeid bij de indijking en toen deze voor hen verminderd werd, werd deze gebruikt voor de vrome werken van hun medeburgers.

De inkomsten van den tempel, zoowel de geregelde, alsook datgene, wat als offer werd gegeven, werd voor de benoodigde plechtigheden benut, want bij ieder feest moest fijn lijnwaad worden aangeschaft om de drie beelden van den god te bekleeden en ieder keer kostte dit 100 drachmen; 20 drachmen werden bij iedere gelegenheid voor de zalven, de olie en de myrrhe gebruikt, om daarmede de beelden te zalven; 500 drachmen werden voor de wierook besteed, terwijl 40 drachmen benoodigd waren om offers te brengen op den geboortedag van den heerscher.

En nog beweerden deze priesters, die niet veel hooger dan landbouwers en de lagere stedelijke bevolking stonden, dat hun oude heiligheid niet verminderde”.

Ook priesteressen verrichtten bezigheden in de tempels. In vroegere tijden waren zij bij de altaren van goden en [62]godinnen werkzaam en alleen in lateren tijd vinden wij haar minder werkzaam in de tempels, aan goden gewijd en hier traden zij hoofdzakelijk als musiceerenden op.

Mysteriën.

Het is een algemeen dwaalbegrip, dat er boeken vol geschreven zijn over de Egyptische mysteriën, deze schilderachtige en bovennatuurlijke inwijdingsplechtigheden, van welke men veronderstelde, dat zij plaatsvonden in onderaardsche duisternis, omgeven van alle vormen van geheimen ritus en gewoonten. De waarheid is echter, dat menschen, die dit onderwerp behandelen, buitengewoon zeldzaam zijn en zekerlijk niet van dien aard, dat zij ons de hoop kunnen verschaffen eenige opheldering over de mysteries der Egyptische priesterlist te kunnen geven. Het zal beter zijn ons tot de analoge gevallen der Grieksche praktijk te wenden, of zelfs tot die van wilde en halfbeschaafde volken, van wie een groot deel van hun mysteriën in de laatste jaren aan het licht is gebracht.

Er is slechts weinig bekend betreffende de Egyptische mysteriën. Herodotus is voor ons de zegsman, dat zij bestonden en het is waarschijnlijk, dat hij die op het oog had, welke het lijden en den dood van Osiris moesten voorstellen. Deze schrijver toch zegt:

“Te Saïs in den tempel van Minerva, onder den tempel en dicht bij den muur van Minerva staan in een lage kapel eenige groote beschilderde steenen en hieraan is een lage ruimte, welke het aanzien van een kerker heeft, verbonden; deze is geheel bedekt met steenen, welke op wonderlijke wijze zijn bewerkt; de grot zelf is aan beide zijden op prachtige wijze gegraveerd en wedijvert in grootte met dien op Delos, genaamd Trochoïdes; hierin bedriegt ieder zijn eigen gevoelens en fantasieën gedurende den nacht en dit noemen de Egyptenaren mysteriën Doch indien ik hierover meer vertelde, zou ik, wat de [63]godheid moge verhoeden, dat onthullen, waarover zij mij verboden te spreken”.

In hoofdstuk 1 van het “Boek der Dooden” ontmoeten wij den volgenden zin “Ik zag naar de verborgen dingen in Re-stau”, een toespeling op de plechtigheden, welke in het heiligdom van Seker, den doodsgod in Saqquara, werden voltrokken. Dezen gaven een voorstelling van de geboorte en den dood van den zonnegod en werden tusschen middernacht en ochtendschemering gevierd. Verder leest men in hoofdstuk 125 van het Boek der Dooden (Papyrus van Ani): “Ik ben Re-stau binnengegaan (de andere wereld van Seker, dichtbij Memphis) en heb het Verborgene gezien, dat daar is”.

Hoofdstuk 118 (Saïte Recension) moet worden opgezegd: “op den dag der nieuwe maan, op den zesden feestdag, op den 15en feestdag, op het feest van Uag, op het feest van Thoth, op den geboortedag van Osiris, op het feest van Menu, in den nacht van Heker, gedurende de mysteriën van Maat, gedurende de viering van de mysteriën van Akertet” en zoo voorts. Herodotus, van wien men vermoedt, dat hij in deze mysteriën was ingewijd, houdt zich buitengewoon over dezen gesloten en juist wanneer hij onze belangstelling heeft opgewekt, bemerkt hij op ’t juiste moment, dat zijn lippen voor dat onderwerp verzegeld zijn.

Is er echter wel iets zoo buitengewoons bij deze schijnbaar verschrikkelijke dingen? Theosophen en anderen willen ons doen gelooven, dat in de duistere crypten van Egyptische betoovering spiritistische oproepingen en tooverkunsten van een duister soort werden beoefend. Wat is waarschijnlijk?

De Grieksche mysteriën.

Laat ons in het kort de mysteriën van het oude Griekenland onderzoeken. Wij vinden, dat dezen voor het meerendeel prae-Helleensch waren en dat de overwonnen [64]bevolking zich in een mysterieus waas hulde, om zijn godsdienstige ceremonies voor de oogen van de indringers te verbergen. Deze vroegere bevolking nu erfde een grooten beschavingsinvloed van Egypte.

De gewichtigste der mysteriën waren wellicht die van Eleusis en wij mogen dezen als een voorbeeld voor alle Grieksche mysteriën stellen. De hoofdpersonen in deze mysterieuse cultuur waren Demeter, Kore (of Persephone) en Pluto. Nu waren deze allen goden van de onderwereld en evenals alle andere goden van den Hades over de geheele wereld, zijn zij tot den landbouw terug te brengen. Veel aangaande het wezenlijk ritueel bij de opvoering der Mystae blijft nog onzeker, maar één ding is zeker en wel dat de ceremonie eigenlijk een passiespel was en hierin de wederwaardigheden van Demeter en Kore werden opgevoerd, een symbolische voorstelling van den groei van het graan. Hippolytus heeft verteld, dat aan de deelnemers der Eleusinische mysteriën een korenhalm werd getoond. Het geheele mysterie wordt aldus als een symbolische voorstelling van den wasdom van het graan verklaard. Hoe de plechtigheden, welke hierop betrekking hadden, het aanzien hebben gegeven aan die, waarvan de deelnemers als het ware een geheim verbond vormden, is niet geheel duidelijk.

De negers van Australië en sommige stammen van Midden-Amerika hebben genootschappen en plechtigheden, welke bijna met die van Eleusis identisch zijn, doch waarom zij in zulk een geheimzinnig waas gehuld zijn, is moeilijk te begrijpen.

Men heeft verteld, dat de mysterieuse mise en scène van deze godsdienstige vereenigingen in de meeste gevallen haar ontstaan te danken had aan de verschrikkingen der onderwereld en het miasma, dat uit deze te voorschijn kwam en een ritueele reiniging noodzakelijk maakte, doch dit schijnt niet geheel en al voor uitlegging vatbaar. In de Popul Vuh van Midden-Amerika vinden [65]wij melding gemaakt van dingen, welke het werk schijnen te zijn van een geheim genootschap onder de goden van de onderwereld, en eenige van dezen zijn goden van den wasdom.

Het schijnt, dat wij in het Boek der Dooden, dat wellicht uit prae-historische tijden stamt en zeer waarschijnlijk het overblijfsel is van een neolithischen cultus, met de verschijnselen aan den wasdom verbonden, in eenig opzicht een dergelijk gezelschap geschetst zien.

Op deze bladzijde vinden wij wachtwoorden en contraseinen en al het toovermateriaal, dat noodzakelijk is voor het bestaan van zulk een geheimen cultus, als waarover wij spraken. Wij kunnen dus aannemen, dat de Egyptische mysteriën veel geleken op die van Griekenland, dat hun ritueel hetzelfde karakter vertoonde als het Boek der Dooden en dat zij beiden uit eenzelfde bron stamden. Al deze mystische vereenigingen schijnen van neolithischen oorsprong te zijn en voor het meerendeel op den landbouw te berusten.

Indien wij nu bij Herodotus en andere schrijvers de neiging bespeuren, deze mysteriën intact te bewaren, staan wij nog eens tegenover de oorspronkelijke quaestie.

Waarom waren deze plechtigheden mysteriën? In de eerste plaats is alle groei geheimzinnig en de primitieve mensch beschouwde dit wellicht in zeker opzicht als tooverkunst. Ten tweede moet men wel degelijk in het oog houden, dat al deze mysteriën, tenminste in de Oude Wereld, onder den grond werden gehouden en dat daar de symbolische voorstelling van den groei van het graan in scène was gezet, waarschijnlijk met het doel de machten van den wasdom tot grootere werkzaamheid aan te zetten door den invloed der magie.

De Egyptische tempel.

De oudste tempelvorm was slechts een hut van gevlochten teenen, en diende als bewaarplaats van de [66]symbolen van den god; het altaar was een rieten mat. De oudste tempels ontleenden hun ontstaan aan den muur, welke rondom den naamzuil stond, welke later van een dak werd voorzien.

Met de komst van het Nieuwe Rijk kreeg de wijze van tempelbouw een meer gecompliceerd karakter, hoewel de wezenlijke plattegrond, van de oudste tot de laatste tijden, in wezen onveranderd bleef. De eenvoudigste vorm was een ringmuur, terwijl de pylon of ingangspoort door torens geflankeerd was; hiervoor werden gewoonlijk twee reusachtige beelden van den koning en twee obelisken geplaatst; hierop volgde het inwendige heiligdom, de naos, hetwelk de symbolen der godheid bevatte.

Dit was kunstig bewerkt, verdeeld in drie lanen of sphinxen, verder boven van kolommen en een hypostyl of zuilenhal voorzien. Op deze wijze vergrootten verscheidene Egyptische koningen de bouwwerken van hun voorgangers.

Deze tempels stonden in het midden van bevolkte steden, terwijl de ringmuur het lawaai en rumoer van de nauwe straten buiten sloot. Een breede weg, recht door het bewoonde kwartier aangelegd en aan beide zijden door rijen leeuwen, rammen en andere heilige dieren geflankeerd, leidde naar den grooten pylon, den hoofdingang. Voor den ingang bevonden zich twee obelisken en eveneens een beeld van den koning, die den tempel had gesticht, als beschermer van het heiligdom.

Aan iedere zijde van den ingang verhief zich een hooge toren, vierkant van vorm, met zijden naar den binnenkant afloopend. Dezen waren natuurlijk voor verdedigingsdoeleinden bestemd en op deze wijze kon de doorgang door de pylons met succes tegen den vijand versperd worden, terwijl men vanuit de poorten in den muur uitvallen kon ondernemen. Lange masten werden aan den voet van den pylon vastgehecht.

Vroolijk gekleurde wimpels waaiden vanaf deze masten [67]om den invloed van het booze ver te houden; eveneens had het symbool van de zon, de gevleugelde discus, welke zich boven de groote poorten bevond, hetzelfde doel. Deze poorten werden dikwijls uit hout vervaardigd, een zeer kostbare grondstof, zooals wij reeds zagen en bedekt met een laag glinsterend goud.

De buitenmuren werden versierd met levendig geschilderde reliëfs en inscripties, welke de daden van den stichter afbeeldden, want de tempel was zoowel een persoonlijk monument, alsook een heiligdom van den beschermgod.

Aan de binnenzijde van den pylon bevond zich een groote hof in de open lucht, gewoonlijk met een zuilengaanderij aan beide zijden; in groote tempels echter, zooals bij die in Karnak, bevond zich één rij zuilen. Hier werden de groote feesten gevierd, en een groot aantal burgers mocht hieraan deelnemen. Door een lagen ingang kwam men van hieruit in de hypostyl; de vensters van deze bevonden zich dicht bij de zoldering, zoodat er een schemerlicht heerschte, terwijl het heiligdom in diepere duisternis was gehuld.

Het heilige der heiligen.

Het heilige der heiligen was de voornaamste kamer van den tempel. Hier stond de naos, een hokje, rechthoekig van vorm en van voren open, met een deur van traliewerk voorzien. Dit diende als bewaarplaats van de goddelijke symbolen, of in sommige gevallen voor de kooi van het heilige dier.

Aan beide zijden van het heiligdom waren donkere kamers, als bergplaatsen gebruikt voor de heilige gewaden, de standaards, bij de processies gedragen, de heilige bark, het tempelgereedschap en zoo voorts. Men moet wel bedenken, dat in dezelfde mate als men van het helle licht van het voorste hof naar de diepste duisternis van het Heilige der Heilige voortschreed, evenzeer de [68]zoldering minder hoog werd. De muren en zuilen aan de binnenzijde waren met reliëfs in de schitterendste kleuren versierd; dezen gaven een voorstelling van den ritus en de aanbidding, welke den god van den tempel werd bewezen.

Rondom den tempel bevond zich de temenos, door een muur ingesloten; hierin bevonden zich andere kleinere tempels met heilige boomen en vogels, meren, waarop de heilige bark dobberde, de woningen van de priesters en soms ook paleizen, temidden van tuinen.

Aan de buitenzijde zag men wegen, welke naar verschillende richting leidden, sommige met vertakkingen van tempel tot tempel, door steden, dorpen en velden, terwijl zijwaarts trappen naar den Nijl afdaalden; hier werden de booten voor anker gelegd. Langs deze wegen bewogen zich de processies met het beeld van de godheid; hierlangs ging ook de vorst in koninklijken luister om den god offeranden te brengen en hierlangs werden ook de dooden gedragen om vervoerd te worden naar de graven aan de overzijde van den Nijl.

Dikwijls heeft men Griekenland het land der tempels genoemd. Doch met grooter recht zou men dezen naam op Egypte kunnen toepassen; immers daar verhieven zich reeds tempels van reusachtige afmeting, lang voordat Hellas zich op de kennis der bouwkunst kon beroemen. Nog staan zij daar, deze reusachtige heiligdommen, nog bijna even voltooid, als toen zij door den beitel van den ouden hoogepriester werden gevormd en geteekend. En zoo lang als een koesterende liefde voor het verleden zich in het hart van den mensch zal vormen, zoo lang zullen zij blijven bestaan. [69]

De vereering van Osiris.

Osiris.

Een van de voornaamste figuren in het Egyptisch pantheon, doch tevens een, waarvan de oorsprong moeilijk op is te sporen, is Osiris of As-ar. De oudste en eenvoudigste aanduiding voor den naam wordt uitgedrukt door twee hieroglyphen, welke een troon en een oog voorstellen. Intusschen geeft dit weinig aanwijzing voor de beteekenis van den naam. Zelfs de latere Egyptenaren waren met de afleiding daarvan onbekend, want zij dachten, dat de beteekenis was: “de kracht van het oog”, d.w.z. de kracht van den zonnegod Ra.

De tweede lettergreep van den naam, ar, kan misschien in verbinding staan met Ra, zooals we later zullen zien. In de tijden der dynastieën werd Osiris als de god van den dood en de onderwereld beschouwd. Hij nam inderdaad dezelfde positie in die streken in als Ra onder de levenden. Wij moeten ons tevens herinneren, dat het onderaardsch koninkrijk het rijk van de duisternis was.

Het ontstaan van Osiris is buitengewoon duister. Uit de teksten kunnen wij niet te weten komen, waar, of wanneer men het eerst met zijn vereering begonnen is, maar het is zeker, dat deze ouder is dan eenige tekst. De oudste centra van zijn vereering onder de dynastieën waren Abydos en Mendes.

Misschien wordt hij afgebeeld op het bovenste gedeelte van den scepter van Narmer, te Hieraconpolis gevonden en op een houten plaquet van Udy-mu (Den) of Hesepti, den 5en koning der 1e dynastie; dezen ziet men afgebeeld voor hem dansende.

Dit zou dus bewijzen, dat er gedurende de 1e dynastie te Abydos een middelpunt van Osiris-vereering was. Toespelingen echter in de Pyramidenteksten lichten ons in, [70]dat nog, voor dien, heiligdommen voor Osiris in verschillende deelen van het Nijldal zijn opgericht. Zooals in een hoofdstuk van het Boek der Dooden geschetst wordt, woont Osiris vreedzaam in de onderwereld met de rechtvaardigen, terwijl hij de zielen der afgestorvenen oordeelt, wanneer zij voor hem zijn verschenen. Dit paradijs was onder den naam van Aaru bekend en het is de moeite waard om op te merken, dat, hoewel men oorspronkelijk aannam, dat het zich in de lucht bevond, men het later in de onderwereld plaatste.

Men beeldt Osiris gewoonlijk af, in mummiewindsels gehuld, terwijl hij de witte kegelvormige kroon van het Zuiden draagt. Dr. Budge zegt aangaande hem: “Alles wat de teksten van alle tijden over hem overleveren, laten ons zien, dat hij een inheemsch god van Noord-Oost-Afrika was en dat zijn woonplaats en afkomst waarschijnlijk Libye was”.

In elk geval mogen wij aannemen, dat Osiris een Afrikaansch god van oorsprong was en hij een inboorling was van den bodem van het Zwarte Vasteland.

Brugsch en Sir Gaston Maspero zagen beiden in hem een watergod1 en meenden, dat hij over ’t algemeen een personificatie van de scheppende en voedende kracht van den Nijl en van de overstrooming in het bijzonder was. Ook Dr. Budge is deze theorie toegedaan, maar indien Osiris een god van den Nijl alleen is, waarom is hij dan uit de Libysche woestijn, welke zich op geen rivier kan beroemen, geïmporteerd? Rivieren ontstaan in den regel niet in zandstreken. Voordat wij echter verder gaan, zal het goed zijn, de Osiris-mythe te vertellen.

De Osiris-mythe.

Plutarchus is onze voornaamste bron voor de Osiris-legende. In de Egyptische teksten kan men geen complete [71]vertaling van het verhaal vinden, ofschoon dezen de verhalen van de Grieksche mythe bevestigen. Het volgende is een korte uiteenzetting van de mythe, zooals in Plutarchus’ “De Iside et Osiride”, wordt verhaald:

Rhea (de Egyptische Nut, de godin van den hemel) was de vrouw van Helios (Ra). Zij werd echter door Kronos (Geb) geliefd en beantwoordde zijn genegenheid. Toen Ra de ontrouw van zijn vrouw ontdekte, was hij vreeselijk vertoornd en sprak een vervloeking tegen haar uit, terwijl hij zeide, dat haar kind in geen enkele maand, of jaar, zou geboren worden.

Nu kon de vloek van Ra, den almachtige, niet afgewend worden, want Ra was de opperste van alle goden. In haar nood riep Nut de hulp in van den god Thoth (den Griekschen Hermes), die haar eveneens beminde. Thoth wist, dat de vervloeking van Ra vervuld moest worden, maar hij vond door een zeer slim plan een uitweg voor de moeilijkheid.

Hij ging tot Silene, de godin der maan, wier licht met dat van de zon wedijverde en daagde haar tot een spel uit. De inzet was aan beide zijden hoog, maar Silene zette een deel van haar licht in, het 17e deel van elk van haar verlichtingen en verloor.

Zoo komt het, dat haar licht somtijds vermindert en afneemt, zoodat zij niet langer de mededingster van de zon is. Uit het licht, dat hij van de maangodin Thoth had gewonnen, maakte Thoth vijf dagen en voegde dezen bij het jaar, dat in dien tijd uit 360 dagen bestond en wel op zoodanige wijze, dat zij noch tot het voorafgaande, noch tot het volgende jaar, noch tot eenige maand behoorden.

Op deze vijf dagen werd Nut van haar vijf kinderen verlost. Osiris werd op den eersten dag geboren, Horus op den tweeden, Set op den derden, Isis op den vierden en Nephtys op den vijfden2. Bij de geboorte van Osiris [72]hoorde men een stem, welke door de geheele wereld klonk en zeide: “De beheerscher der geheele aarde is geboren!” Een overlevering, welke van de vorige in gering opzicht verschilt, vertelt, dat een zeker man, Pamyles genaamd, bezig was met waterdragen voor den tempel van Ra te Thebe en een stem hoorde, welke hem beval de geboorte van den “goeden en grooten koning Osiris” alom bekend te maken en dat hij dit onmiddellijk deed. Hierom werd de opvoeding van den jeugdigen Osiris aan Pamyles toevertrouwd. Aldus zou het feest der Pamilia zijn ontstaan.

Na verloop van tijd werden de profetieën aangaande Osiris vervuld en hij werd een groot, wijs koning. Het Egyptische land bloeide onder zijn bestuur, zooals het nooit tevoren had gedaan. Evenals verscheidene andere halfgoden stelde hij zich tot taak, zijn volk te beschaven, daar dit bij zijn komst zich in zeer barbaarschen toestand bevond en zich overgaf aan kannibalisme en andere wilde praktijken.

Hij gaf het volk een wetboek, onderwees het in den landbouw en leerde het den ritus de goden te vereeren. En toen hij erin geslaagd was orde en wetten in Egypte te grondvesten, ging hij naar ver verwijderde landen, om zijn beschavingswerk voort te zetten. Zoo vriendelijk en goed was zijn methode om kennis aan de gemoederen van de barbaren bij te brengen, dat zij den grond, waarop hij liep, aanbaden.

Set, zijn vijand.

Hij had echter één verbitterden vijand, n.l. zijn broer Set, den Griekschen Typhon. Gedurende de afwezigheid van Osiris, bestuurde zijn vrouw Isis het land zoo goed, dat de plannen van den goddeloozen Set om aan dat bestuur aandeel te krijgen, niet konden slagen.

Tegen den terugkeer echter van den koning vormde Set het plan zich geheel en al van zijn broer te bevrijden. Om zijn doel te bereiken verbond hij zich met Aso, de [73]koningin van Aethiopië en 72 andere samenzweerders. Nadat hij in net geheim het lichaam van den koning had gemeten, liet hij een prachtige kist maken, rijkelijk versierd, welke juist het lichaam van Osiris kon bevatten.

Toen deze voltooid was, noodigde hij zijn gezellen en zijn broer op een groot feest. Osiris was weliswaar herhaalde malen door de koningin tegen zijn broer gewaarschuwd, maar daar hij zelf geen kwaad uitoefende, vreesde de koning dit ook niet in anderen en aldus nam hij de uitnoodiging voor het feestmaal aan.

Toen dit afgeloopen was, liet Set de prachtige kist in de feestzaal brengen en zei, als in scherts, dat deze aan hem zou behooren, die daarin zou passen. De eene gast na den ander legde zich in de kist neer, doch geen enkele paste er in, totdat de beurt aan Osiris kwam.

Geheel en al van verraad onbewust, legde de koning zich in de groote kist. In een oogenblik hadden de samenzweerders het deksel dichtgenageld en goten er kokend lood over heen, uit vrees, dat er eenige opening in zou zijn. Daarop lieten zij de kist in den Nijl drijven, bij de monding van Tanis. Deze dingen vonden plaats volgens sommigen, in het 28e levensjaar van Osiris; volgens anderen in zijn 28e regeeringsjaar.

Toen dit nieuws de ooren van Isis bereikte, werd zij door droefheid getroffen, sneed een lok van heur haar af en trok rouwgewaad aan. Daar zij zeer goed wist, dat de dooden niet kunnen rusten, voordat hun lichamen onder de gebruikelijke plechtigheden zijn begraven, ging zij op reis, om het lijk van haar echtgenoot te zoeken. Gedurende langen tijd leverde haar reis geen enkel resultaat op, hoewel zij iederen man en iedere vrouw, die zij ontmoette, vroeg, of zij niet de rijkelijke versierde kist hadden gezien.

Ten slotte kwam het bij haar op eenige kinderen, die bij den Nijl speelden, te ondervragen en toevallig waren zij in staat te vertellen, dat de kist door Set en zijn gezellen naar de monding van den Nijl bij Tanis was [74]gebracht. Vanaf dien tijd hield men het in Egypte er voor, dat kinderen een bijzondere gave van voorspellen hebben.

De tamarindeboom.

Langzamerhand werd de koningin door de werkzaamheid van demonen nauwkeurig ingelicht en kwam zij te weten, dat de kist op de kust van Byblos was aangespoeld en door de golven tegen een tamarindetak was aangedreven; deze was op verwonderlijke wijze tot een prachtigen boom opgeschoten en sloot de kist van Osiris in zijn stam in.

De koning van dat land, Melcarthus genaamd, had zich over de hoogte en schoonheid van den boom verwonderd, had dezen omgehakt en daarvan een zuil laten maken, om daarmede de zoldering van zijn paleis te stutten. In deze zuil nu was de kist, welke het lijk van Osiris bevatte, verborgen.

Osiris in de kist gelokt.

Osiris in de kist gelokt.

Evelyn Paul.

Isis haastte zich daarop in allerijl naar Byblos en zette zich daar bij een bron. Tot niemand, die haar naderde, wilde zij een woord spreken, behalve tot de meisjes van den koning; dezen sprak zij liefderijk toe, en maakte heur haar door haar adem welriekender dan het door eenige bloemengeur zou geworden zijn.

Toen de meisjes naar het paleis waren teruggekeerd, ondervroeg de koningin haar, hoe het kwam, dat heur haar zoo’n heerlijken geur van zich gaf en hierop vertelde zij haar ontmoeting met de schoone vreemdelinge. Koningin Astarte, of Athenais, verzocht haar daarop naar het paleis te komen, verwelkomde haar hartelijk en stelde haar tot voedster aan van een der prinsen.

Isis’ smart.

Isis voedde den knaap, door hem haar vinger te geven, om daarop te zuigen. Iederen nacht, als allen zich ter ruste hadden begeven, placht zij groote blokken hout in het vuur te leggen en het kind daartusschen te duwen; daarop [75]veranderde zij zichzelf in een zwaluw en was gewoon jammervolle klaagliederen over haar gestorven echtgenoot te laten hooren.

Geruchten over deze zonderlinge handelwijze werden door de dienstmaagden van de koningin aan haar meesteres aangebracht en deze besloot zelf te onderzoeken, of deze geruchten waar waren, of niet. Daarom verborg zij zich in de groote hal en toen de nacht was aangebroken, sloot Isis de deuren, legde blokken op het vuur en drukte het kind tusschen het brandende hout.

De koningin sprong, onder luid geschreeuw, op haar toe en rukte den knaap uit de vlammen. De godin berispte haar heftig en verklaarde, dat haar daad haar zoon van de onsterfelijkheid had beroofd.

Hierop vertelde Isis aan de doodelijk verschrikte Athenais, wie zij was en tevens haar geheele geschiedenis en vroeg de zuil. Toen aan haar verzoek was voldaan, hakte ze den boom open, nam de kist met het lijk van Osiris er uit en weeklaagde zoo luid, dat een van de prinsen van schrik stierf. Daarop nam zij de kist met zich over zee naar Egypte en werd op deze reis door den oudsten zoon van Melcarthus vergezeld. De latere dood van het kind wordt op verschillende wijze door overleveringen, welke met elkaar in tegenspraak zijn, verhaald. De boom, welke het lichaam van den god had bevat, werd nog langen tijd in Byblos bewaard en vereerd.

Toen zij in Egypte was aangekomen, opende Isis de kist en beweende het stoffelijk overschot van haar echtgenoot lang en smartelijk. Daarop echter dacht zij aan haar zoon Harpocrates, of Horus het kind, dien zij in Buto had achtergelaten; zij liet de kist op een geheime plaats achter en ging op reis, om hem te zoeken.

In dien tusschentijd ontdekte Set, die met het maanlicht op haar jacht maakte, de rijk versierde kist en in zijn woede scheurde hij het lijk in 14 stukken en verspreide dezen naar alle kanten van het land. [76]

Toen Isis deze nieuwe wandaad had vernomen, nam zij een boot van papyrus-riet en ging nog eens op weg om de overblijfselen van haar echtgenoot op te sporen.

Na dezen tijd plegen de krokodillen geen boot, van papyrus vervaardigd, aan te raken, waarschijnlijk, omdat zij denken, dat deze de godin bevat, die nog altijd zoekende is. Overal waar Isis een gedeelte van het lichaam vond, begroef zij het en bouwde een heiligdom, om aan de plaats een gedenkteeken te geven. Hierdoor komt het, dat er zooveel graven van Osiris in Egypte zijn.3

Isis en de jonge prins.

Isis en de jonge prins.

Evelyn Paul.

Horus’ wraak.

In dezen tijd had Horus den mannelijken leeftijd bereikt en Osiris, uit de Duat, waar hij als koning over de dooden heerschte, teruggekeerd, moedigde hem aan, het kwaad, zijn ouders aangedaan, te wreken. Horus bond daarom den strijd met Set aan, en de overwinning viel nu eens den een, dan weer den ander ten deel. Eén oogenblik werd Set door zijn tegenstander gevangen genomen en aan Isis ter bewaking gegeven, doch deze gaf hem de vrijheid, tot groote verbazing en verontwaardiging van haar zoon.

Horus was zelfs zoo boos, dat hij zijn moeder de kroon van het hoofd rukte. Thoth intusschen gaf haar een helm, in den vorm van een runderkop. Een andere lezing vertelt, dat Horus het hoofd van zijn moeder afsneed, doch dat Thoth, de toovenaar, het er weer opzettte, doch thans in den vorm van dat van een koe.

Volgens het verhaal gaat de strijd tusschen Horus nog steeds voort en heeft geen van beiden tot nog toe de overwinning behaald. Als Horus zijn vijand eindelijk geheel zal overwonnen hebben, zal Osiris naar de aarde terugkeeren en nog eens als koning over Egypte heerschen. [77]

Sir J. G. Frazer over Osiris.

Over de bijzonderheden van deze mythe heeft Sir J.G. Frazer4 getuigd dat: “Osiris een van de personificaties is van den wasdom, waarvan de jaarlijks terugkeerende dood en wederopstanding in zoo vele verschillende landen zijn gevierd”, dat hij een god is analoog met Adonis en Attis.

“De gelijkenis over het algemeen van de mythe en den ritus van Osiris met dien van Adonis en Attis”, zegt Frazer, “is in het oog vallend. In beide gevallen zien wij een god, wiens ontijdige en gewelddadige dood door een hem beminnende godin wordt bejammerd en jaarlijks door zijn aanbidders wordt gevierd.

Het karakter van Osiris, als godheid van den wasdom, blijkt duidelijk uit de legende, welke vertelt, dat hij de eerste was, die de menschen het gebruik van het koren leerde en ook uit het gebruik zijn jaarlijksch feest met den akkerbouw te beginnen. Ook vertelde men van hem, dat hij den wijnbouw had ingevoerd.

In een van de kamers in den grooten tempel van Isis te Philae, aan Osiris gewijd, wordt het lichaam van Osiris afgebeeld met korenaren, welke uit zijn lichaam te voorschijn komen en daarbij ziet men de afbeelding van een priester, die de korenaren, uit een kan, welke hij in de hand heeft, begiet. Het daarbij behoorend opschrift vertelt, dat dit de gestalte is van hem, wiens naam men niet mag noemen, van Osiris van de mysteriën, die ontspringt uit de terugkeerende wateren”.

Een meer aanschouwelijker wijze Osiris als personificatie van het graan af te beelden, kan moeilijk bedacht worden, terwijl het opschrift, bij de schildering behoorende, aanduidt, dat deze personificatie de kern van de mysteriën van den god was, het geheim, dat alleen den ingewijden werd ontsluierd.

Bij de beoordeeling van het mythisch karakter van [78]Osiris moet aan dit gedenkteeken groot gewicht worden gehecht. Het verhaal, dat stukken van zijn lichaam door het land verspreid werden, kan een mythische uitdrukking zijn, of voor het zaaien, of voor het wannen van het graan. De laatste interpretatie wordt nog waarschijnlijker door het verhaal, dat Isis de afgescheurde ledematen van Osiris op een korenzeef legde.

Het kan ook zijn, dat de legende een herinnering is aan het gebruik, een menschelijk slachtoffer te dooden, als een voorstelling van de levenskracht van het graan en het verdeelen van zijn vleesch, of het verstrooien van zijn asch, om het land vruchtbaar te maken.

Maar Osiris was meer dan een geest van het koren; hij was ook een boomgeest en dit zal wel zijn oorspronkelijk karakter zijn geweest, omdat de boomvereering in de godsdienstgeschiedenis natuurlijkerwijze ouder is dan de vereering der graanvruchten.

Het vertrek van Isis uit Byblos.

Het vertrek van Isis uit Byblos.

Evelyn Paul.

Zijn karakter als boomgeest wordt aanschouwelijk voorgesteld door Firmicus Maternus. Nadat een pijnboom geveld is, wordt het midden uitgehold en van het aldus uitgeholde hout een beeld van Osiris vervaardigd en dit wordt weer in de holte van den boom begraven. Ook hier kan men zich moeilijk voorstellen, hoe de opvatting van een boom, door een persoonlijk wezen bewoond, eenvoudiger kan worden uitgedrukt.

Het aldus vervaardigde beeld van Osiris werd een jaar bewaard en daarna begraven, juist zooals met het beeld van Attis werd gedaan, dat in den pijnboom werd vastgehecht. De ceremonie van het vellen van den boom, zooals dit door Firmicus Maternus wordt beschreven, schijnt door Plutarchus te worden aangeduid. Het was waarschijnlijk de ritueele tegenhanger van de mythische ontdekking van het lichaam van Osiris, ingesloten in de tamarinde. Wij mogen onderstellen, dat de oprichting van de Tatu-zuil, bij het einde van het jaarlijksch feest ter eere van Osiris, identisch was met de plechtigheid, door [79]Firmicus beschreven; men moet er verder wel op letten, dat in de mythe de tamarindeboom een zuil was, in het paleis van den koning.

Evenals het gebruik een pijnboom te vellen en een beeld daarin te verbergen bij den dienst van Attis voorkomt, behoorde dit gebruik misschien tot die klasse, waaronder het aanbrengen van den meiboom het meest bekend is.

Wat den pijnboom in het bijzonder betreft, de boom van Osiris te Denderah is een conifeer en de kist, welke het lichaam van Osiris bevatte, wordt hier afgeschilderd door den boom te zijn ingesloten. Op de monumenten ziet men dikwijls een denappel, welke als offer aan Osiris wordt aangeboden en een manuscript spreekt van den ceder, als uit hem ontsproten. De vijgeboom en de tamarinde zijn eveneens zijn boomen. In inscripties zegt men dat hij in dezen huist en zijn moeder Nut wordt dikwijls in een vijgeboom afgeschilderd.

In een graf te How (Diospolis Parva) ziet men een tamarinde, welke de kist van Osiris overschaduwt en in de rij van beelden, welke de mystieke geschiedenis van Osiris in den grooten tempel te Philae illustreeren is o.a. een tamarinde afgebeeld, welke twee mannen met water begieten.

“De inscriptie op dit laatste monument”, aldus spreekt Brugsch, “laat geen twijfel over, of men geloofde, dat de groei van de aarde verbonden was met den groei aan den boom en dat de afbeelding betrekking heeft op het graf van Osiris te Philae, waarvan Plutarchus vertelt, dat het overschaduwd werd door een plant methide, welke slanker was dan een olijfboom”.

Deze afbeelding, men dient dit goed te bedenken, zien wij in dezelfde kamer, waarin de god is afgebeeld met een lichaam, waaruit korenhalmen te voorschijn komen. Op andere inscripties wordt hij aangeduid als: “hij, die zich in den boom bevindt”, “de eenzame in de acacia” [80]enz. Op de monumenten wordt hij soms als mummie, door een boom of planten bedekt, voorgesteld. Het komt verder geheel met het karakter van Osiris, als boomgeest, overeen, dat men zijn aanbidders verbood boomtakken kwaad te doen en met zijn karakter, als god van den wasdom in het algemeen, strookt de omstandigheid, dat men niet toestond waterputten, welke van zooveel gewicht voor de irrigatie van de zuidelijke landen zijn, dicht te werpen.

Frazer bestrijdt verder de theorie van Lepsius; volgens dezen toch moet hij met den zonnegod Ra geïdentificeerd worden. Osiris, zegt de Duitsche geleerde, werd zelfs in het Boek der Dooden Osiris-Ra genoemd en Isis, zijn echtgenoote, wordt dikwijls de koninklijke gezellin van Ra genoemd. Frazer nu meent, dat deze identificeering wellicht een politieke beteekenis gehad heeft.

Hij geeft toe, dat de Osiris-mythe wellicht ontleend is aan de dagelijksche opkomst en ondergang van de zon en hij stelt in het licht, dat de meeste schrijvers, die de gewone theorie zijn toegedaan, uitdrukkelijk aantoonen, dat hier sprake is van den dagelijkschen en niet den jaarlijkschen omloop der zon. Maar waarom, vraagt Frazer op zijn beurt, was het dan noodig, dat er een jaarlijksch feest werd gevierd? Dit feit alleen schijnt voor de uitlegging der mythe, als beschrijving van den op- en ondergang der zon, fataal. Hoe kan men verder zeggen, ook al is het mogelijk te spreken over een dagelijkschen dood van de zon, dat zij in stukken wordt gescheurd?

Plutarchus beweert, dat, volgens sommige Egyptische wijsgeeren, Osiris een personificatie van de maan was, omdat de maan, met haar vochtig en vruchtbaar licht, de voortbrenging der dieren en den groei der planten begunstigt.

Onder wilde volken wordt de maan als een groote bron van vochtigheid beschouwd. Men denkt, dat onder haar bleeke stralen de plantengroei bloeit en men gelooft van [81]haar, dat zij de vermeerdering van menschen, dieren en planten bevordert.

Frazer nu somt verschillende redenen op, welke volgens hem bewijzen, dat de beteekenis van Osiris niets anders dan de maan zelf is. In het kort zijn het dezen, dat men zegt, dat hij acht en twintig jaar heeft geleefd (de mythische uitdrukking voor een maand) en dat men vertelt, dat zijn lichaam in veertien stukken gescheurd is. Dit zou een uitlegging kunnen zijn voor de afnemende maan, daar het den indruk geeft, dat deze iederen dag van de 14, welke de tweede helft van de maanmaand uitmaken, een gedeelte van zichzelf verliest. Typhon vond het lijk van Osiris bij volle maan; op deze wijze zou het verscheuren van zijn ledematen bij ’t afnemen der maan begonnen zijn.

Primitieve denkbeelden over de maan.

De primitieve mensch legt de afname van de maan als een werkelijke inkrimping uit en het schijnt hem toe, dat zij voortdurend in stukken wordt gebroken, of weg-gevreten. De Indianen van Z.-W. Oregon spreken over de maan als een voorwerp, dat in stukken wordt gebroken en de Dacotas gelooven, dat, als de maan vol is, een menigte muizen aan den eenen kant begint te knabbelen, totdat zij haar geheel opgepeuzeld hebben.

Om tot de bewijsvoering van Frazer terug te keeren, deze haalt Plutarchus aan en stelt vast, dat bij nieuwe maan van de maand Phanemoth (het begin der lente), de Egyptenaren een feest vierden, dat zij noemden: “het binnengaan van Osiris in de maan” en dat zij bij gelegenheid der plechtigheid “de begrafenis van Osiris” genaamd, een kist maakten, in den vorm van een halve maan, omdat “de maan, wanneer zij de zon nadert, halvemaanvormig wordt en verdwijnt”; en dat verder eens per jaar, bij volle maan, biggen (waarschijnlijk een symbool voor Set of Typhon) gelijktijdig aan de maan en aan Osiris werden geofferd. [82]

In een hymne, van welke men veronderstelt, dat zij door Isis aan Osiris wordt gericht, leest men dat Thoth:

Uw ziel plaatste in de bark Maat

Onder den naam, dien gij draagt als maangod.

En op een andere plaats:

Gij, die komt tot ons als een kind iedere maand,

Wij zullen u altijd blijven vereeren.

Uw uitstraling verhoogt den glans

Van de sterren van Orion aan het firmament.

In deze hymne wordt Osiris op onweerlegbare wijze met de maan geïdentificeerd5.

Frazers theorie over Osiris komt hierop neer, dat hij is te beschouwen als een god van den wasdom, of van het graan en dat deze later geïdentificeerd, of verward werd met de maan. Maar men mag veilig aannemen, dat het vanwege zijn wezen als maangod was, dat hij den rang kreeg van god van den wasdom.

Een korte beschouwing over de omstandigheden, welke aan de maanaanbidding verbonden zijn, kunnen ons wellicht tot een dergelijke onderstelling leiden. De zon vereischt, als god, slechts weinig nader onderzoek. Reeds op een vroeg tijdstip in de menschelijke gedachte werden de verschijnselen van den groei aan zijn werkzaamheid toegeschreven en het is waarschijnlijk, dat wind, regen en andere uitingen van de atmospheer, eveneens aan zijn invloed werden toegeschreven, of als zijn uitstralingen werden beschouwd. Speciaal is dit het geval in het tropisch klimaat, waar de snelheid van den plantengroei zoodanig is, dat de mensch aldaar een absoluut bewijs van de zonnekracht ontvangt.

Naar analogie hiervan wordt ook de zon van den nacht, de maan, als groeikracht beschouwd en de primitieve volken schrijven aan haar krachten toe, welke aan die van de zon gelijk zijn. [83]

Tevens moet bij hen, om de een of andere reden, voor ons verborgen, de gedachte zijn opgekomen de maan als een groote bewaarplaats van magische kracht te beschouwen. Het ligt in de rede, dat de twee schijven van den dag en van den nacht al spoedig voor goddelijke wezens werden gehouden.

Voor den primitieven mensch is de zon natuurlijkerwijze van goddelijken oorsprong, want de barbaarsche landbouwer hangt voor zijn bestaan van hem af en achter haar is geen geschiedenis van een evolutie uit een ouderen vorm.

Zoo is het eveneens met den maangod. In de Lybische woestijn is de maan ’s nachts een voorwerp, dat het geheele landschap beheerscht en het is moeilijk te gelooven, dat haar intense schittering en haar alles doordringend licht geen diepen indruk van eerbied en vereering op de nomaden uit die streken zou gemaakt hebben.

Inderdaad de eerbied voor zulk een voorwerp kan zeer goed de vereering van een zuiver koren- en boomgeest voorafgaan, daar deze in zulk een omgeving weinig speelruimte voor de openbaring van zijn kracht kan nebben. Wij merken verder op, dat deze maangod van de Nubiërs uit het Neolithisch tijdperk, in een vruchtbaarder land ingevoerd, spoedig geïdentificeerd werd met den wasdom, door vochtigheid verricht en op deze wijze met den Nijl zelf.

In zijn kwaliteit van god over de dooden levert Osiris geen groote moeilijkheid tot verklaring op en in deze ééne figuur vatten wij de verbinding van de ideeën van de maan, de vochtigheid, de onderwereld en den dood tezamen, inderdaad alle verschijnselen van geboorte en vergaan.

Osiris en de Persephone-mythe.

De lezer moet ongetwijfeld de in het oog springende gelijkenis tusschen de mythe van Osiris en die van [84]Demeter en Kore, of Persephone, hebben opgemerkt. Inderdaad sommige avonturen, en wel voornamelijk dat betreffende het kind van den koning van Byblos, zijn geheel en al identisch met gebeurtenissen uit het leven van Demeter. Het is daarom zeer waarschijnlijk, dat beide mythen uit een en dezelfde bron stammen.

Terwijl wij echter in het Grieksche voorbeeld een moeder naar haar kind zien zoeken, zoekt in de Egyptische mythe een vrouw naar de overblijfselen van haar echtgenoot. In de Grieksche mythe treffen wij Pluto als den echtgenoot van Persephone en den beheerscher der onderwereld aan, en tevens, evenals Osiris, voor een god van het graan en den wasdom gehouden, terwijl Persephone, evenals Isis, waarschijnlijk de personificatie van het graan zelf is.

In de Grieksche mythe hebben wij verder een mannelijke en twee vrouwelijke hoofdpersonen, in de Egyptische slechts een mannelijke en een vrouwelijke. De analogie kan wellicht nog nader gebracht worden door de godin Nephthys, die een zuster-godin van Isis was, of in elk geval aan haar verwant, aan het Egyptische verhaal toe te voegen. Aldus zou het den schijn kunnen hebben, dat de Helleensche mythe door Egyptische invloeden, misschien door Cretensische bemiddeling, vervalscht was.

Er rest ons nog Osiris, als heerscher in de onderwereld, aan een beschouwing te onderwerpen. Tot in zeker opzicht is dit reeds in het hoofdstuk, dat over het Boek der Dooden handelt, geschied. De god van de onderwereld is in bijna alle voorkomende gevallen een god van de groeikracht der planten en niet omdat Osiris de god der dooden was, beschermde hij de vruchtbaarheid, doch omgekeerd. Om duidelijker te spreken, Osiris was eerst een god der vruchtbaarheid en eerst later werd hij de god der onderwereld, dit was echter niets toevalligs, het was het logisch resultaat van zijn wezen als god der groeikracht. [85]

Een nieuwe theorie over Osiris.

Wij moeten ook zijn personificatie van Ra in het kort beschouwen; dezen toch ontmoet hij, gaat in hem over en onder zijn naam gaat hij ’s nachts door zijn eigen gebied. Dit zou kunnen duiden op een fusie van de zon- en de maanmythe, de mythe van de zon, welke ’s nachts onder de aarde voortschrijdt, vermengd met die van de nachtelijke reis van de maan, langs het hemelgewelf.

Osiris was een maangod. Deze omstandigheid verklaart de helft van de mythe; de andere helft moet als volgt verklaard worden: Ra, de zonnegod moet ’s nachts de onderwereld doorwandelen, indien hij ’s morgens in het Oosten wil opgaan. Osiris echter, als maangod en misschien als oudere god, alsook in zijn kwaliteit van god van de onderwereld, maakt zich reeds van de baan, welke hij moet passeeren, meester. De banen van beide goden worden vereenigd en wellicht is er eenig bewijs voor deze redevoering in de omstandigheid, dat in het rijk van Seker, Afra (of Osiris) de richting van zijn reis van het Noorden naar het Zuiden wijzigt naar een punt vlak O.-waarts, naar de bergen van den zonsopgang.

De samensmelting van de twee mythen is geheel en al logisch, daar de maan gedurende den nacht in dezelfde richting gaat, als de zon gedurende den dag heeft ingeslagen, en wel van O. naar W.

Gemakkelijk zal men kunnen zien, hoe het kwam, dat men Osiris niet alleen als god en rechter van de dooden, maar ook als symbool van de wederopstanding van het menschelijk lichaam beschouwde.

Frazer hecht groot gewicht aan een schildering van Osiris, waar men zijn lichaam met ontkiemende korenaren bedekt ziet; voor Frazer is dit een evident bewijs, dat Osiris eigenlijk een korengod is. Het komt ons echter voor, dat deze schildering louter een symbool van de wederopstanding is. De omstandigheid, dat Osiris hier wordt voorgesteld in de rustige houding van een doode, [86]geeft aan deze opvatting groote waarschijnlijkheid. De korenaar is over de geheele wereld een symbolische voorstelling van de wederopstanding.

Bij de Eleusinische mysteriën toonde men aan de novices een korenaar, als symbool voor de lichamelijke wedergeboorte en Loskiel, een van de Moravische broeders, citeert een Indiaan uit Noord-Amerika, die aldus spreekt: “Wij Indianen zullen niet voor goed sterven. Zelfs de graankorrels, welke wij onder de aarde verbergen, groeien op en worden levend”.

Onder de Maya van Midden-Amerika en onder de Mexicanen heeft de godin van de maïs een zoon, de groene, jonge teedere loot van den maïsplant en deze herinnert ons sterk aan Horus, den zoon van Osiris, dien wij eveneens als een typisch voorbeeld van de wederopstanding kunnen aannemen.

Later werd de mythe van den wasdom, welke met Osiris verbonden is, in een theologisch leerstuk, betreffende de wederopstanding van den mensch, gemetamorfoseerd en men geloofde, dat Osiris eenmaal een menschelijk wezen was geweest, dat gestorven en verscheurd was. Zijn lichaam was echter weer door Isis, Anubis en Horus, op bevel van Thoth, hersteld.

Met dit proces schijnt een magische ceremonie gemengd te zijn en deze werd op haar beurt door de Egyptische priesters bij iederen doode toegepast en wel in vereeniging met de balseming en de begrafenis van de dooden, in de hoop der wederopstanding.

Men beschouwde nu Osiris als de voornaamste oorzaak hiervan en hij was in staat het leven na den dood te schenken, omdat hij zelf dood was geweest. Men gaf hem den naam van “Eeuwigheid en onvergankelijkheid” en hij was het, die maakte, dat man en vrouw herboren werden.

De opvatting over de wederopstanding schijnt vanaf zeer oude tijden in Egypte in zwang te zijn geweest. Het “Boek der Dooden”, dat men zeer goed “Het Boek van [87]Osiris” zou kunnen noemen, is de voornaamste bron over Osiris; hierin leest men over zijn dagelijksche bezigheden en zijn nachtelijke reizen in zijn onderaardsch koninkrijk.

Isis.

Men moet Isis, of Ast, als een van de oudste en gewichtigste opvattingen over een vrouwelijke godheid in Egypte opvatten In den tijd der dynastiën beschouwde men haar als de tegenhangster van Osiris en wij mogen veilig aannemen, dat zij in de duistere tijden vóór de dynastiën een gelijke positie innam. De philologie voor den naam schijnt onbegrijpelijk. Geen andere godheid is waarschijnlijk over een zoo uitgebreid tijdvak vereerd, want haar eeredienst verdween volstrekt niet met dien van andere Egyptische goden, en bloeide later èn in Griekenland èn in Rome en wordt nog ernstig uitgeoefend in het hedendaagsch Parijs.

Isis stamde wellicht uit Libye en wordt gewoonlijk voorgesteld als een vrouw, gekroond met het symbool van haar naam, terwijl zij in haar hand een scepter van papyrus houdt. Boven haar kroon steken een paar horens uit, welke een discus ophouden en deze wordt op zijn beurt door haar hieroglyph, welke een zetel of troon voorstelt, bedekt. Soms stelt men haar ook met schitterende en veelkleurige vleugels voor, waarmede zij zich in beweging zet, om het lijk van Osiris te bezielen.

Geen enkele andere godin was bij de Egyptenaren zoo populair; waarschijnlijk is de moeite en de ellende, waarvan haar mythe vol was, de reden hiervoor. Deze omstandigheid trok de sympathie van het volk tot haar, doch dit was niet de eenige reden, waarom zij bij de Egyptische volksmassa zoo geliefd was; zij was toch de groote, weldoende godin-moeder en de vertegenwoordigster van den menschelijken geest, in zijn meest geliefden vorm.

In haar mythe, wellicht de schoonste en meest treffende, welke ooit uit het menschelijk brein te voorschijn kwam, [88]vinden wij de ontwikkeling van een zuivere graangodin tot een gevoelvolle vrouw en moeder, die over den dood van haar man treurt en alle pogingen in het werk stelt, om hem tot het leven terug te brengen.

Isis als voorstelling van den wind.

Hoewel Isis ongetwijfeld verscheidene gedaanten bezit en men haar als de groote korenmoeder van Egypte kan beschouwen, is het zeer waarschijnlijk, dat zij in één van haar phases den wind van den hemel voorstelt. Het schijnt, dat dit door hen, die zich met de Egyptologie bezighielden, niet opgemerkt is, maar het bewijs schijnt zeer gemakkelijk.

Osiris, als voorstelling van het koren, sterft, wordt weer levend en naar alle kanten over het land verspreid. Isis is daarna niet te troosten en jammert luide over zijn verlies; zij is zoo luid en hartroerend in haar klacht, dat de prins van Byblos, dien zij voedt, van schrik sterft.

Isis.

Isis.

Heerlijke geuren draagt zij met zich, zooals de dienstmaagden van de koningin van Byblos vertellen. Zij verandert zich daarna in een zwaluw. Zij doet den dooden Osiris weer leven, door hem met haar vleugels toe te waaien en zijn mond en neusgaten met lieflijke lucht te vullen.

Nu moet men goed letten op het feit, dat zij een van de weinige Egyptische godinnen is, die vleugels dragen. Zij is een groot reizigster en jammert en snikt onophoudelijk.

Indien deze hoedanigheden en omstandigheden geen zinnebeelden van den wind zijn, zal een vernuftiger hypothese, dan hierboven vermeld is, noodzakelijk zijn voor de mythologische betrekking. Isis toch weeklaagt, evenals de wind, zij gilt in den storm, zij draagt den geur van kruiden en bloemen door het land met zich, zij neemt de gestalte van een zwaluw aan, een van de snelste vogels en het typisch voorbeeld van de snelheid van den wind, zij gebruikt daarna het element, waarover zij de meesteres is, [89]om den dooden Osiris te doen herleven; zij bezit verder vleugels, zooals alle godheden, die met den wind verbonden zijn, hebben en evenals de rest van haar soort gaat zij voortdurend heen en weer door het land.

Wij willen hierbij niet de hypothese opwerpen, dat zij een windgodheid par excellence was, doch in een van haar phasen verpersoonlijkt zij zonder twijfel de kracht van den lentewind, welke doet herleven en welke jammert en huilt over het graf van het slapende graan en nieuwe levensaderen aan het werkelooze zaad brengt.

Isis is een van die godheden, welke door toevallige, of andere omstandigheden, bestemd waren tot grootheid te geraken.

Zij bereikte van een Libysche geest, welke op een of andere manier met den groei van het graan verbonden was, gedurende haar regeering van meer dan vier duizend jaar zulk een hoogte, dat alle mogelijke eigenschappen aan haar werden toegewezen.

Dit is zonder uitzondering het geval met godheden, welke gelukkig zijn. Niet alleen nemen zij de eigenschappen van hun medegoden tot zich, maar zelfs eigenschappen, welke met hun oorspronkelijk karakter niet overeenkomen, worden hen, vanwege hun populariteit, in groote mate toegewezen.

Dit was eveneens met Tezcatlipoca, een Mexicaanschen god, oorspronkelijk van de lucht, doch later de god van het noodlot en het geluk en eigenlijk de hoofdgod van het pantheon der Aztec, het geval, en zoo kan men nog veel meer voorbeelden aanhalen.

Aldus is Isis de geefster van leven en voedsel aan de dooden in de Duat, d.w.z. zij brengt met zich de frissche adem van den hemel in de onderwereld en zooals de luchtgod Tezcatlipoca met de rechtvaardigheid geïdentificeerd werd, zoo werd ook Isis met Maat, de godin der rechtvaardigheid, vereenzelvigd.

Isis is wellicht tevens de personificatie van den morgenwind, [90]waaruit de zon geboren wordt. In de meeste landen steekt op het oogenblik, dat de zon opkomt, een wind op en van dezen kan men zeggen, dat hij de zon aankondigt. In haar mythe vinden wij eveneens, dat, toen zij het huis, waarin zij door Set gevangen was gezet, verliet (het zomerverblijf van den wind, welke gedurende dien tijd Egypte geheel en al verlaat), zij door zeven schorpioenen werd voorafgegaan, de hevig stekende rukwinden van den winter.

Zij wezen haar den weg door poelen en moerassen. Vrouwen sloten de deur voor haar gezicht; een kind werd door de schorpioenen gestoken, maar Isis bracht het weer tot het leven terug, d.w.z. het kind herstelt bij de nadering van beter weer. Verder wordt haar eigen zoon Horus door een schorpioen gestoken, ongetwijfeld een toespeling op het feit, dat de hitte van de zon door de winterkoude verzwakt wordt, totdat deze door Isis, den zachten lentewind, hersteld wordt.

Attributen van Isis.

De Isis-mythe vond bij de Egyptenaren een zoodanig geloof, dat zij inderdaad geheel met haar vertrouwd geraakten en volkomen geloofden, dat zij eens werkelijk als vrouw had bestaan.

Meer allegorisch opgevat was zij het vrouwelijke wezen, dat de grond vruchtbaar maakte. Zij was tevens een machtig toovenaarster, zooals is op te maken uit het groot aantal goddelijke en menschelijke wezens, dat zij van den dood bevrijdde. Zij bezat woorden van groote aandrijvende kracht. Haar astronomisch symbool was de ster Sept; deze was het kenmerk van de lente en de nadering van de overstrooming van den Nijl en dit feit verhoogt aldus de waarschijnlijkheid, dat zij in een van haar phases de godin der lentewinden was.

Gevleugelde Isis.

Gevleugelde Isis.

(De vleugels hebben een houding om Horus te beschermen.)

Als de lichtgeefster in dat jaargetijde werd zij Kuth genoemd en als godin van de vruchtbare aarde Usert. Als [91]de macht, welke de krachten van de lente in beweging zette en de overstrooming van den Nijl deed afnemen, was zij Sati en als de godin van de vruchtbare waters Anqet. Verder was zij de godin van de bebouwde landen, godin van den oogst en van het voedsel. Aldus personificeerde zij, alles tezamen genomen, de krachten, welke, den wasdom van het voedsel bevorderen.

Zij personificeert de macht van het lentegetijde, de kracht van de aarde om te groeien en graan op te leveren, het moederschap en alle attributen en aanverwante eigenschappen, welke daaruit ontspringen.

Het is in dit verband niet noodzakelijk haar vereering in Griekenland, Rome en Westelijk Europa na te gaan, daar deze geheel en al van de oorspronkelijke vereering verschilde. De waardige aanbidding van de Groote Moeder nam onder de Europeesche auspiciën een orgiastisch karakter aan en deze deed een beroep op de valsche mystiek van Griekenland, Rome, Gallië en Britannië, juist als heden ten dage op zijn Transatlantisch, of Parijsch prototype. Maar de kracht van dezen cultus in het land, waar hij ontstaan is, kan blijken uit het feit, dat hij tot het einde van de 5e eeuw v.C. niet geheel en al was verzaakt.

Horus.

Zooals wij gezien hebben, werd de god Ra als valk afgebeeld, maar er was een andere god, in gelijke gestalte, die voor hem in het Egyptische land werd vereerd. Dit was n.1. de god Heru of Horus “Hij, die daar boven is”. Deze god bezat verschillende gedaanten.

Als Horus de Oudere wordt hij beschreven als een man, met het hoofd van een valk en men geloofde, dat hij de zoon van Geb en Nut was. Horus werd misschien eigenlijk beschouwd als het uiterlijk van den hemel en als Horus de Oudere stelde hij den hemel bij dag voor, in tegenstelling met Set, die den aanblik van den nachtelijken hemel voorstelde. [92]

Horus de Jongere, of Harpocrates, zooals hij door de Grieken, ter onderscheiding van Horus den Oudere, werd genoemd, wordt als jongeling voorgesteld en was de zoon van god Horus en de godin Rat-Tauit, die te Hermonthis, in de gestalte van een hippopotamus, vereerd schijnt te zijn.

Horus de Jongere stelt de eerste stralen van de opkomende zon voor en hij had niet minder dan zeven vormen, waaronder hij werd voorgesteld.

Het zou niet overeenkomstig het doel van dit werk zijn, al de verschillende gedaanten van Horus in détails te beschrijven; daarom zal het voldoende zijn, de meest belangrijke van dezen op te sommen.

De Horus van de Twee Horizons, de Harmachis van de Grieken, was een van de hoofdgestalten van den zonnegod Ra en was de verpersoonlijking van de zon, in haar dagelijkschen loop, van zonsop- tot zonsondergang. Hij sloot dus de personificaties van Ra, Tem en Khepera in zich en deze omstandigheid geeft ons een goed voorbeeld van het wijd en zijd verbreide systeem van onderling verband, dat in de Egyptische mythologie overheerschte en dat bij een andere mythologie niet tot dien graad voorkwam.

Waarschijnlijk was een aantal van deze Horus-goden plaatselijk. Aldus vinden wij dat Harmachis voornamelijk in Heliopolis en Apollinopolis werd vereerd. Zijn meest bekende monument is de Sphinx, bij de pyramiden van Gizeh. Het eerst vinden wij de Sphinx vermeld in inscripties uit de dagen van Thothmes IV; op deze plaats lezen wij in den tekst, welke op de zuil, tusschen de pooten van de Sphinx is gegrift, de volgende legende over Thothmes en de Sphinx.

De droom van Thothmes.

Daar was een koning in Egypte, Thothmes genaamd een machtig vorst, zeer ervaren in den oorlog en de jacht. [93]Hij had een aangenaam uiterlijk, bezat een schoonheid, welke bijna gelijk was aan die van Horus, dien Isis in het Noordelijke Marshes voortbracht en was zeer geliefd bij goden en menschen.

Hij was gewoon op jacht te gaan in de gloeiende heete woestijn, alleen, of slechts door eenige begeleiders vergezeld en men vertelt het volgende over zijn jachtavonturen.

Op zekeren dag, het was nog voor den tijd, waarop hij den Egyptischen troon besteeg, was hij zonder gevolg in de woestijn aan het jagen. Het liep tegen den middag en de zon stak zoo vreeselijk, dat hij genoodzaakt was de schaduw van den machtigen Harmachis, den Sphinx, op te zoeken. De god was groot en machtig, en zijn beeld was zeer majestueus, met het gezicht van een man en het lichaam van een leeuw, met een adder boven zijn wenkbrauwen. In verscheidene tempels bracht men hem offers en in vele steden vereerde men hem.

Thothmes legde zich nu in de koele schaduw neer om te rusten en sliep spoedig in. Terwijl hij sliep, droomde hij en zie, daar opende de Sphinx zijn lippen en sprak tot hem; het was thans niet meer de stomme rots, maar de god zelf, de groote Harmachis. Aldus sprak hij tot den droomende:

“Zie mij aan, Thothmes, want ik ben de zonnegod, de heerscher over alle volken. Harmachis is mijn naam en Ra en Khepera en Tem. Ik ben uw vader en gij zijt mijn zoon en door mij zal al het goede over U komen, indien gij naar mijn woorden wilt luisteren. Het Egyptische land zal het uwe zijn, zoowel het Noorden, als het Zuiden. In voorspoed en geluk zult gij gedurende vele jaren heerschen”.

Hier hield de god op en het scheen Thothmes toe, of de god zich inspande, zich uit het hem overstelpende zand te bevrijden, want alleen zijn hoofd was zichtbaar.

“Het is, zooals ge ziet”, aldus hernam Harmachis, [94]“het woestijnzand bedekt mij. Volbreng snel, wat ik U opdraag, mijn zoon Thothmes”.

Voordat Thothmes nog kon antwoorden, verdween het visioen en ontwaakte hij. De levend geworden god was verdwenen en in zijn plaats stond weer het machtige beeld, uit stevige rotsblokken gehouwen, voor hem.

En hier moet de geschiedenis noodzakelijkerwijs eindigen. Zij is op een zuil gegrift, in den kleinen tempel, welke zich tusschen de klauwen van den Sphinx bevindt en het overige van de inscriptie is zoozeer uitgewischt, dat het niet te ontcijferen is.

Zuil van Horus.

Zuil van Horus.

Heru Behudeti.

Een van de grootste en meest gewichtige gestalten van Horus is Heru-Behudeti, die den middag voorstelt en daarom de zonnehitte, wanneer deze het grootst is. Het was in deze gedaante, dat Horus den strijd tegen Set opnam. Zijn voornaamste heiligdommen waren te Edfu, Philae, Mesen, Aat-ab en Tanis; op deze laatste plaats werd hij in de gedaante van een leeuw, die zijn vijanden vertrapt, vereerd.

Over het algemeen echter schildert men hem af met den kop van havik, terwijl hij in zijn hand een wapen houdt, gewoonlijk een knots, om zijn karakter als verwoester te symboliseeren. In de oude Arthurromans en verder in verschillende andere middeleeuwsche legenden, welke een mythologische afstamming bezitten, lezen wij, hoe sommige ridders in den strijd met hun vijanden krachtiger werden, wanneer de zon aan den hemel grooter werd, doch, wanneer diens stralen afnamen, hun kracht hen in den steek liet. Dit geschiedde met Belin, met koning Arthur, die duizenden in zijn razernij neervelde en met St. George, den patroon van Engeland, oorspronkelijk een Egyptischen halfgod.

Al deze figuren waren waarschijnlijk op een vroeg tijdstip van hun ontwikkeling zonnegoden. Hun geboorte [95]en ontstaan zijn in het duister gehuld, evenals die van het licht, waarvan zij het symbool zijn, d.w.z. zij ontspringen uit het duister.

De oorsprong van Arthur, om een voorbeeld te noemen, was hem zelf onbekend, tot den mannelijken leeftijd en hetzelfde geldt voor Beowulf. De zonnehelden werden dikwijls, als zij in kracht toenamen evenals de zon, welke zij typeeren, dol en sloegen met zulk een meedoogenlooze woede om zich heen, dat zij duizenden op een manier, waartoe een gewone paladijn niet in staat zou zijn, neervelden.

Dit is een typische voorstelling voor de kracht en de woede van de zon in den middag, in het Oostersch klimaat. Daar Heru-Behudeti de god van de middagzon was, was de onmeedoogende krijgsman, die zijn knots zwaait (misschien een aanduiding voor een zonnesteek), en boog en pijlen hanteert, een symbool voor zijn vreeselijke stralen, welke het spook van den nacht en zijn demonische menigte moesten vernietigen. De afbeelding, als leeuw, was zeer juist, want wat is zoo geweldig als de tropische zon? Tegen den middag was hij de al-veroveraar en had het spook van den nacht vertrapt. Op deze wijze stelt hij eveneens de kracht van het goede, tegenover het kwade, voor.

Alsnu volgt de mythe van den strijd met Set en de troepen van zijn duivelsche metgezellen.

De mythe van de gevleugelde schijf.

In het 363e jaar van de heerschappij van Ra-Horakhti op aarde, gebeurde het, dat de god met een machtig leger in Nubië was. Set, de Booze, was tegen hem opgestaan, want Ra was in jaren vooruitgegaan en Set was de listigste en meest verraderlijke van alle wezens. Hij was het ook, die zijn tweelingbroeder Osiris, den grooten en goeden koning, gedood had en hierom verlangde Horus, de broer van Osiris, vurig hem van het leven te berooven. [96]

Met zijn strijdwagens, ruiters en voetknechten landde Ra aan den oever van de groote rivier en kwam te Edfu, waar Horus van Edfu zich met hem vereenigde.

“O Ra”, aldus sprak Horus, “groot zijn uwe vijanden en op listige wijze spannen zij tegen u samen”.

“Mijn zoon”, antwoordde Ra, “wapen u en trek tegen mijn vijanden op en vernietig hen spoedig”.

Hierop trachtte Horus de hulp van god Thoth te verkrijgen, den bedrevene in alle tooverkunsten en met diens hulp veranderde hij zichzelf in een groote zonneschijf, met schitterende vleugels, naar beide zijden uitgespreid. Hij vloog daarna recht op de zon aan en van den hemel zag hij zoo woest op zijn en Ra’s vijanden neer, dat zij noch behoorlijk konden zien, noch hooren. Ieder man beschouwde zijn buurman als een vreemde en een geschreeuw werd aangeheven, dat de vijand hen overvallen had. Zij keerden de wapens tegen elkander, het grootste gedeelte werd verslagen en enkele overlevenden verstrooiden zich. Horus dwaalde een tijd over het slagveld, in de hoop Set te vinden, doch zijn aartsvijand bevond zich daar niet; hij verborg zich in het Noordelijke land.

Daarop keerde Horus naar Ra terug en deze omarmde hem hartelijk. Horus nam nu Ra en de godin Astarte met zich mede en toonde hun het slagveld, met lijken overdekt.

Ra, de koning der goden, zeide daarna tot zijn gevolg: “Komt, laat ons naar den Nijl gaan, want onze vijanden zijn verslagen”.

Set had echter nog een groot gevolg; hij beval nu aan eenige van zijn metgezellen, zich in krokodillen en nijlpaarden te veranderen, om de opvarenden van de heilige bark te kunnen verzwelgen en tevens onkwetsbaar te zijn door hun dikke huid.

Horus echter had zijn smeden verzameld en elk van dezen vervaardigde een ijzeren lans en een ketting en sprak over dezen eenige van zijn altijd machtige tooverspreuken uit. Tevens zei hij de formules op van [97]het “Boek, dat in staat is, de Nijlpaarden te dooden”.

Toen de vreeselijke dieren een aanval deden, was de god tegen hen gewapend; verscheidene dieren werden door de betooverde wapens doorboord en stierven, terwijl de overblijvenden vluchtten. Zij, die naar het Zuiden vluchtten, werden door Horus achtervolgd en ten slotte ingehaald. Er volgde thans een nieuwe hevige strijd en hierin werden de aanhangers van Set opnieuw overwonnen.

Overeenkomstig het verlangen van Ra werd een heiligdom opgericht, om als gedenkteeken van deze overwinning te dienen en zijn beeld werd hierin geplaatst.

Er moest echter nog een andere ontmoeting plaats hebben, voordat de volgelingen van Set geheel en al vernietigd werden.

De slachting van de monsters.

Horus en Ra zeilden hierop Noordwaarts, naar de zee, om Set en diens bondgenooten op te sporen en zij hoopten alle krokodillen en nijlpaarden te vernietigen, daar hun vijanden zich in hun gestalte hadden gehuld.

De dieren echter hielden zich onder water verborgen en vier dagen verliepen er, voordat Horus hen in het gezicht kreeg. Terstond viel hij hen aan en richtte met zijn wapens groote verwoesting onder hen aan, tot groote vreugde van Ra en Thoth, die den strijd vanuit de boot gadesloegen. Honderd twee en veertig werden er bij deze gelegenheid gevangen genomen.

Nog altijd ging Horus voort met de vervolging van zijn vijanden, steeds in de gedaante van een brandende, gevleugelde schijf, tot aan zonsondergang, vergezeld door de godinnen Nekhbet en Uazet in de gestalte van twee slangen. Nog eens haalde hij de bondgenooten van Set in, ditmaal op de Westersche wateren van Mert. Bij deze gelegenheid, evenals bij de andere, was Horus overwinnaar en ongeveer 400 gevangenen werden naar de boot van Ra gebracht en daarna gedood. [98]

Doch nu werd Set zeer vertoornd en besloot in eigen persoon met Horus den strijd aan te binden. Verschrikkelijk waren inderdaad zijn geschreeuw en zijn verwenschingen, toen hij hoorde, welke verliezen zijn leger geleden had. Horus en zijn gezellen trokken daarna Set tegemoet en lang en verschrikkelijk was daarop de strijd. Ten slotte nam Horus iemand gevangen, terwijl hij in de meening verkeerde, dat het Set was. Het ongelukkige wezen werd voor Ra gesleept en deze gaf hem over aan hen, die hem gevangen genomen hadden, met het verzoek met hem naar goedvinden te handelen.

Horus doodde daarna den gevangene, sneed zijn hoofd af, sleurde hem door het stof en sneed zijn lijk in stukken, zooals Set met Osiris had gedaan.

Het was echter slechts een van Sets metgezellen, die op zoo ellendige wijze was omgekomen. Het duivelsche wezen zelf bevond zich nog in vrijheid en zwoer zijn vijanden wraak. In de gedaante van een slang verborg hij zich onder de aarde en de wetenschap, dat hij ongedeerd was, gaf zijn volgelingen moed.

Nog eens echter werden zij door Horus verslagen en deze doodde een groot aantal van hen. De goden bleven gedurende zes dagen op het kanaal en wachtten af, of hun vijand zou verschijnen, doch niemand vertoonde zich. Daarop verspreidde Horus zijn volgelingen, om de overblijfselen van Set’s leger te vernietigen.

De twee laatste gevechten werden bij Thalû (Zalu) en te Shaïs in Nubië, geleverd. Te Thalû nam Horus de gestalte van een vreeselijken leeuw aan en sloeg honderd twee en veertig vijanden neer. Te Shaïs vertoonde hij zich nog eens in de gedaante van een groote lichtgevende schijf, met schitterende vleugels en met de godinnen Nekhbet en Nazet aan iedere zijde, in de gestalte van gekroonde slangen. Ook bij deze gelegenheid kwam Horus als overwinnaar uit den strijd.

Deze mythe eindigt op verschillende manieren. In één [99]verhaal lezen wij, dat de gevangene, die Horus liet onthoofden, niemand anders dan Set was; deze werd echter weer levend en nam de gedaante van een slang aan. In dit verhaal wordt Horus van Edfû vergezeld door Horus het kind, den zoon van Isis en Osiris.

In dezelfde inscriptie, welke het verhaal geeft over de gevechten, worden Horus de Oudere en Horus het Kind ten slotte met elkaar verward. Zoo doodt Horus het Kind Set, terwijl Horus de Oudere de gevechten levert. Men moet hen echter voor een en denzelfden houden. Volgens één verhaal leverde Horus, toen hij Set gevangen had genomen, hem aan Isis over en deze sneed hem het hoofd af.

Een andere lezing verhaalt echter, dat de beslissende strijd nog niet geleverd is en dat Horus ten slotte zijn vijand geheel en al zal vernietigen, als Osiris en de goden nog eenmaal naar de aarde zullen terugkeeren.

Andere Horus legenden.

Nog een ander verhaal vermeldt, dat, toen Horus het Kind een man geworden was, Set voor den dag kwam en hem tot een doodelijk gevecht uitdaagde. Daarom vertrok Horus in een boot, welke door Isis prachtig versierd was en die deze door formules betooverd had, zoodat de inzittenden niet overwonnen konden worden.

Ondertusschen had de aartsvijand der goden de gestalte van een reusachtig, rood nijlpaard aangenomen. Hij veroorzaakte een woesten storm, welke over de booten van Horus en zijn gezelschap losbarstte, zoodat de wateren tot razernij werden opgezweept en indien de booten niet door toovermiddelen beschermd waren, zouden allen ongetwijfeld zijn omgekomen.

Horus hield echter onverschrokken zijn koers. Hij had de gedaante van een jongeling van reusachtigen lichaamsbouw aangenomen en stak boven de vergulde voorsteven van zijn boot, welke evenals het zonlicht temidden van [100]den storm en de duisternis straalde, uit. Een groote harpoen werd door hem gehanteerd, zoo groot, dat een gewoon sterveling deze niet had kunnen slingeren.

In het water loerde het nijlpaard op de boot, om deze te vernietigen en zijn vijanden te dooden. Het was hem echter niet beschoren, dit ten uitvoer te brengen, want zoodra het zich boven het water vertoonde, werd de zware harpoen naar zijn hoofd geslingerd en drong in zijn hersens.

Dit was het einde van Set, den Booze, den moordenaar van Osiris en den vijand van Ra. Ter eere van Horus den Overwinnaar werden er hymnen en overwinningskoren door het geheele land gezongen.

In de mythen van de gevechten van Horus kan men gemakkelijk de zonnemythe onderscheiden, iets wat men in bijna alle mythologische opvattingen tegenkomt. Horus, in de Edfû tekst Horbehûdti, d.w.z. Horus van Edfû genaamd, was oorspronkelijk een zonnegod en was als zoodanig met Ra equivalent, doch na een tijd werden de twee goden als afzonderlijke wezens beschouwd, terwijl men Ra voor den hoogsten hield en Horus hem als helper in den oorlog diende. De gevleugelde schijf en zijn geheele gevolg waren de verpersoonlijking van de krachten van het licht, terwijl de listige Set en zijn gezellen een symbool voor de duisternis waren. Zoo komt het, dat, terwijl Horus steeds zijn vijanden overwon, hij nooit geheel en al succes had (tenminste volgens den meest verspreiden vorm van de overlevering), daar hij hen slechts schijnbaar vernietigde.

Strijd van Horus.

Strijd van Horus.

Evelyn Paul.

Daar Horus zijn vijand in de gestalte van een gevleugelde schijf vernietigd had, werd dit symbool als een buitengewoon goed voorbehoedmiddel tegen geweld en vernietiging beschouwd. Daarom werd het herhaaldelijk en overal aangebracht in tempels, op monumenten, zuilen en zoo voorts en men geloofde, hoe meer men het aanbracht, des te krachtiger het toovermiddel werkte. In zijn [101]eenvoudigsten vorm is het beeld slechts dat van een gevleugelde schijf, doch allengs komt er een slang aan iedere zijde van de schijf, als voorstelling van de godinnen Nekhbet en Uazet, bij.

Oorspronkelijk was de mythe, welke zich met Hor-Behûdti, of Horus van Edfû, bezighield, in werkelijkheid een plaatselijke, hoewel deze na verloop van tijd een grootere uitbreiding verkreeg. In andere vormen van de legende kregen andere goden de hoofdrol van vernietiger van de vijanden van Ra.

Met deze legende van licht en duisternis werd een andere vereenigd, n.1. die, welke verhaalt, hoe Horus den dood van Osiris wreekt. Nu moet men wel opmerken, dat er in deze tweede mythe eenige verwarring bestaat tusschen Horus den Oudere en Horus het Kind, respectievelijk broer en zoon van Osiris.

In de Edfû tekst wordt er van Osiris geen melding gemaakt, maar dat deze mythe een vervolg op de Osiris-mythe is, wordt hierdoor aangeduid, dat Set aan Isis en Horus het Kind ter bestraffing wordt overgegeven. In de latere gedaante van de geschiedenis is het conflict niet meer eigenlijk tusschen licht en duisternis, maar eerder tusschen de machten van het goed en kwaad.

In deze legende is een van de meest merkwaardige omstandigheden, dat de volgelingen van Horus van metalen wapens voorzien waren. Zijn volgelingen worden in de Egyptische tekst Mesniu, of Mesnitu, genoemd, wat waarschijnlijk: metaalwerker, of grofsmid beteekent.

De vereerders van Horus van Behudet spreken voortdurend over hem als van den “Heer van de Smedenstad”, of Edfû, waar hij volgens de overlevering het bedrijf van smid had uitgeoefend, zooals wij uit een inscriptie weten. In den tempel van die stad bevond zich achter het heiligdom een vertrek, Mesnet genaamd, een woord dat metaalgieterij beteekent en hier maakte de smedenkaste der priesters den god haar opwachting. [102]

Uit afbeeldingen op tempelmuren zien wij, dat dezen met korte mantels en een soort van kraag, welke veel op een cape lijkt, waren uitgedost en dat zij hun speren met de punt naar beneden droegen en daarbij nog een wapen voerden, dat veel op een dolk gelijkt.

Horus van Behudet, die hem vergezelt, is op gelijke wijze gekleed en men ziet hem op de afbeelding een nijlpaard treffen met een speer, waarom hij een dubbele metalen ketting heeft gewonden. Dit illustreert de geschiedenis van het verslaan van Set door Horus van Behudet en wij mogen aannemen, dat de legende een meer of minder historische basis bezit.

Wij zien hier een stam, of kaste, van metaalwerkers, welke met een oogenschijnlijk meer primitieven stam oorlogvoert; dezen verslaan zij met hun wapens en binden hen met hun kettingen en slachten hen daarna op hun gemak. Het is opmerkelijk, dat zij hen niet op staanden voet dooden. Waarvoor bewaren zij hen dan? Zonder eenigen twijfel om geofferd te worden. Zij vormden een kaste van zonaanbidders, en menschenbloed was in het oude Egypte even noodzakelijk voor het bestaan van de zon als in het oude Mexico; immers ook daar onthield de militaire kaste, welke zich onder het patronaat van de zon plaatst, zich ervan, een vijand in den slag te dooden, indien zij hem krijgsgevangen kon maken, om hem daarna op hun gemak te offeren.

De legende zou een aanwijzing kunnen zijn, dat wij hier de lotgevallen van West-Aziatische indringers aanschouwen, die, na op Egyptischen bodem geland te zijn, zichzelf van Edfu meester maakten en, terwijl zij noordwaarts marcheerden, door wapengeweld zich in het land vestigden. Deze geschiedenis, of stuk geschiedenis, werd waarschijnlijk, door invloed van priesters, met de legende van Horus, den hemelgod in oudste tijden, vereenigd.

Een andere, gewichtige gedaante van Horus was die [103]van Horus, zoon van Isis en Osiris. Hij was de personificatie van de opkomende zon, zooals verschillende andere gestalten van Horus en hij bezat verschillende gedaanten. Zijn heiligdommen waren zoo talrijk, dat hij op een of ander tijdstip met alle andere Horus-goden geïdentificeerd werd, doch hoofdzakelijk stelde hij de nieuwe zon voor, welke dagelijks weer ontstaat en hij was de zoon en opvolger van Osiris.

Hij was buitengewoon populair, daar hij de wederopstanding na den dood typeerde. Zooals Osiris den dag van gisteren voorstelde, zoo vertegenwoordigde Horus, zijn zoon, in den Egyptischen geest den dag van heden. Hoewel sommige teksten ons vertellen, dat Osiris zijn vader was, eischen andere deze functie voor Ra op, maar deze twee zijn in dit opzicht een en dezelfde.

Osiris werd de vader van Horus, nadat hij dood was; dit is de oorsprong van verschillende zon-halfgoden. Zooals reeds gezegd is, is de geboorte van zulke wezens gewoonlijk eigenaardig, of in duister gehuld.

Terwijl Isis Horus, haar kind, verzorgde en voor de vervolgingen van Set bevreesd was, zocht zij in de moerassen van de Delta beschutting en verborg zichzelf en haar kind temidden van een dichte massa papyrus-planten.

Het kon nu de Egyptenaren uit de Delta toeschijnen, dat de zon uit de met papyrus overdekte moerassen, welke zich aan beide zijden van den horizon uitstrekten, oprees en op deze wijze kunnen wij deze mythe eenvoudig op allegorische wijze uitleggen. De omstandigheden van de ontsnapping van Isis uit de handen van Set zijn reeds in de Osiris-mythe in détails behandeld.

De kinderlijke liefde, welke Horus aan de nagedachtenis van zijn vader Osiris bewees, bezorgde hem veel achting van de zijde der Egyptenaars. Hij was het, die de bijzonderheden van de mummificatie van den god vaststelde en die het richtsnoer voor den vromen Egyptischen zoon bepaalde. [104]

Daarom beschouwde men hem als helper van de dooden en men geloofde, dat hij de tusschenpersoon tusschen hen en de rechters van de Taut was. Bij het verzorgen van de dooden, had hij een menigte helpers, bekend onder den naam van volgers van Horus en dezen werden als goden van de vier hoofdpunten van het kompas beschouwd. In het Boek der Dooden legt men hun groot gewicht bij en zij namen deel aan de bescherming van het lichaam der gestorvenen, zooals in het gedeelte, dat over de mummies handelt, is vermeld. Zij waren vier in getal en waren Hapi, Tuamutef, Asmet en Qebhsennuf genaamd.

Nephthys.

Nephthys.

Men hield Horus, den zoon van Isis en Osiris, voor zoo gewichtig, dat hij alle attributen van de overige Horusgoden in zich opnam, maar in sommige teksten wordt hij als kind voorgesteld, met den voorvinger aan de lip, terwijl hij een haarlok op zij van het hoofd draagt, een aanwijzing voor jeugdigen leeftijd. In later tijd wordt hij in verschillende fantastische gestalten voorgesteld.

Het Zwarte Zwijn.

Ra, Set en Horus worden in een Egyptische mythe, welke de zons- en maansverduistering tracht te verklaren, behandeld. Wij lezen daar, dat Set en Horus verbitterde vijanden waren; Set durfde den strijd echter niet openlijk te beginnen, want hij vreesde Horus, zooals het kwade altijd voor het goede bevreesd is. Daarom verzon hij listig heimelijke plannen, om daardoor den val van Horus te bewerkstelligen en dit verhaal leert ons, hoe de zaak afliep.

Op zekeren dag verzocht Horus Ra toestemming de toekomst uit zijn oogen te lezen. Volgaarne voldeed Ra aan dit verzoek, omdat hij Horus, die door alle goden en menschen bemind werd, liefhad. Terwijl zij met elkander spraken, ging hun een zwart zwijn, een reusachtig, afschuwelijk dier, voorbij, met een woest uiterlijk en met oogen, welke list en wreedheid verrieden. [105]

Hoewel noch Ra, noch Horus zich hiervan bewust waren, was het zwarte zwijn Set in eigen persoon, daar deze de macht had, zich in ieder willekeurig dier te veranderen.

“Wat een vreeselijk monster”, riep Ra uit, toen hij het dier zag.

Horus richtte thans eveneens zijn blik naar het zwarte zwijn, waarin hij zijn vijand nog niet herkende. Dit was Set’s geluk. Hij zond een lichtstraal, juist in het oog van den god.

Horus werd door de hevige pijn bijna van zijn verstand beroofd. “Set heeft mij dit kwaad aangedaan”, riep hij uit; “dit mag niet ongestraft blijven”.

Set was echter verdwenen en men kon hem nergens ontdekken. Daarom sprak Ra den vloek uit over het zwijn, om het kwaad, dat Horus overkomen was.

Toen de jonge god zijn gezicht herkregen had, gaf Ra hem de stad Pé, en hierover was hij zeer verblijd en bij zijn glimlach verdwenen de duistere wolken en het geheele land verheugde zich.

Een Grieksche lezing der mythe vertelt, dat het zwarte zwijn het oog van Horus uitrukte en het verslond, doch dat hij door Ra (Helios) genoodzaakt werd, het te herstellen.

De oogen van Horus zijn natuurlijk de zon en de maan; een van dezen wordt door het zwarte zwijn (een verduistering) verslonden, of vernietigd. De teruggave van het licht aan de aarde wordt door de vreugde van Horus, die met de stad Pé begiftigd wordt, voorgesteld.

Nephthys was de tegenhangster van Set. Zij was de dochter van Geb (of Seb) en Nut, de zuster en vrouw van Set, en de moeder van Anubis, doch het is niet duidelijk, of zij dat was door Osiris, of Set. Het woord Nebt-het beteekent: “de vrouw des huizes”, of “lucht”.

Hoewel Nephthys met Set vereenigd wordt, schijnt zij haar zuster Isis mede trouw te blijven, daar zij deze in [106]het verzamelen van de verstrooide ledematen van Osiris bijstaat.

Zij wordt in de gestalte van een vrouw voorgesteld, die op haar hoofd het symbool van haar naam draagt, d.w.z. een mand en een huis. In het Boek der Dooden verschijnt zij eenigermate als helpster van haar zuster Isis, terwijl zij achter Osiris staat, wanneer de harten gewogen worden en zij aan het hoofdeinde van Osiris’ baar knielt.

Men geloofde, dat zij, evenals haar zuster, groote tooverkracht bezat en in veel opzichten gelijkt zij op haar. Ook veronderstelt men van haar, dat zij Osiris, in zijn kwaliteit van maangod, beschermt.

Plutarchus verschaft ons eenig licht aangaande het Egyptisch geloof aan deze godin. Hij verhaalt, dat Anubis de zoon van Osiris en Nephthys was en dat Typhon of Set het eerst met hun liefde bekend werd, doordat hij een slinger van bloemen vond, welke door Osiris was achtergelaten.

Evenals Isis een voorstelling is van de vruchtbaarheid, zoo beteekent Nephthys volgens hem het bederf.

Dr. Budge, die deze passage commentarieert, zegt, dat het duidelijk is, dat Nephthys de personificatie van de duisternis is, en alles, wat daartoe behoort en dat haar attributen eerder een passief, dan een actief karakter droegen. “Zij was in elk opzicht het tegenovergestelde van Isis. Isis is het symbool van geboorte, wasdom, ontwikkeling en kracht; Nephthys echter was het type van dood, verval, vermindering en onbewegelijkheid”. De godinnen werden echter onafscheidelijk met elkaar verbonden.

Isis vertegenwoordigt, volgens Plutarchus, dat deel van de wereld, dat zichtbaar is, terwijl Nephthys het onzichtbare deel voorstelt. Isis en Nephthys stellen respectievelijk de dingen voor, welke zijn en de dingen, welke nog moeten komen, het begin en het einde, de geboorte en den dood, het leven en den dood. [107]

Ongelukkigerwijze hebben wij geen middel om te weten te komen, wat de oorspronkelijke opvatting over de attributen van Nephthys was, doch het is onwaarschijnlijk, dat dezen eenige gezichtspunten, welke in Plutarchus’ tijd over dit onderwerp gangbaar waren, bevatten. Nephthys is geen godin met juist gedefinieerde karaktertrekken, maar over het algemeen kan men haar beschrijven als de godin van den dood, welke niet eeuwig is.

Dr. Budge verklaart verder, dat Nephthys, hoewel zij een godin van den dood was, toch met het leven, dat uit den dood ontstaat, verbonden werd. Tezamen met Isis maakte zij het doodsbed van Osiris in gereedheid en vervaardigde zijn mummie-windsels. Eveneens bewaakte zij, met Isis, het lijk van Osiris.

In later tijd werden de godinnen door priesteressen voorgesteld, van wie het haar geschoren was en die op haar hoofd wollen banden droegen. Aan den arm van de eene bevond zich een band met den naam van Isis en de ander droeg eveneens een band, doch met den naam van Nephthys.

Set.

De cultus van Set dateert uit de grijze oudheid en ofschoon men hem later als het gepersonificeerde kwaad beschouwde, was dit niet zijn oorspronkelijke rol. Volgens de priesters van Heliopolis was hij de zoon van Geb en Nut en derhalve een broer van Osiris, Isis en Nephthys, echtgenoot van de laatst genoemde en vader van Anubis.

Deze verwantschapsbetrekkingen werden op een betrekkelijk laat tijdstip gemaakt.

In de pyramiden-teksten treedt Set als een vriend der dooden op en zelfs stond hij Osiris bij, toen deze door middel van een ladder den hemel trachtte te bereiken. Ook werd hij door Horus vergezeld en als diens gelijke beschouwd.

Langzamerhand echter beschouwde men hen als doodsvijanden, die alleen door den wijzen Thoth verhinderd [108]werden, elkander geheel en al te vernietigen. Horus de Oudere was de god van de lucht bij dag en Set de god van de lucht bij nacht. De een was inderdaad de directe tegenstander van den ander.

Set.

Set.

De afleiding van den naam geeft aanleiding tot vele moeilijkheden. Zijn hieroglyph wordt uitgelegd als de voorstelling van een dier, of een steen, waarschijnlijk een symbool van het steenachtige of verlaten landschap aan beide zijden van den Nijl. Wat het dier betreft, dat hem zou voorstellen, dit is tot nog toe op geen enkele wijze geïdentificeerd, doch verschillende uitleggers zien hierin een afbeelding van een kameel, of een okapi. In elk geval moet het een bewoner van de woestijn zijn geweest, welke den mensch vijandig is.

Evenals Horus de god van het Noorden was, zoo was Set die van het Zuiden. Dr. Brugsch ziet in Set de symbolische voorstelling van de benedenwaartsche beweging van de zon en maakt hem aldus tot bron van de verderfelijke zonnehitte. Men dacht, dat hij, wanneer de dagen begonnen te korten en de nachten te lengen, het licht van den zonnegod stal. Hij was eveneens behulpzaam bij de maandelijksche afname van de maan. Stormen, aardbevingen, eclipsen en alle andere natuurverschijnselen, welke duisternis veroorzaakten, werden aan zijn invloed toegeschreven en vanuit een ethisch gezichtspunt was hij de god van zonde en kwaad.

Wij vinden, dat de mythen van den strijd tusschen Set en Horus zich ontwikkelden, uit de eenvoudige tegenstelling tusschen den dag en den nacht, tot den strijd tusschen de twee goden. Ra en Osiris, inplaats van Horus, worden soms tegenover Set gerangschikt.

De strijd symboliseert de zedelijke idee van de overwinning van het goede over het kwade en men dacht dat zij van de gestorvenen, die van schuld waren vrijgesproken, Set overwonnen hadden, zooals Osiris dit gedaan had. [109]

In zijn strijd tegen den zonnegod nam Set de gedaante van den monsterslang Apep aan en werd door een leger kleinere slangen en reptielen van allerlei soort vergezeld. In later tijd vinden wij hem met Typhon geïdentificeerd.

Alle dieren van de woestijn en die, welke in de wateren huisden, werden als kinderen van Set beschouwd, zoo ook dieren, zelfs menschen, met rood haar. Zulke dieren werden zelfs dikwijls geofferd, om Set gunstig te stemmen. In de maand Pachons werden een antilope en een zwart zwijn aan hem geofferd, om hem af te schrikken, de volle maan aan te vallen en op het groote feest van Heru-Behudeti werden die vogels en visschen, van welke men geloofde, dat zij tot zijn gevolg behoorden, met de voeten vertrapt, onder het aanheffen van den kreet, dat Ra over zijn vijanden getriumpheerd had.

Ook bezat hij een koninkrijk in de Noordelijke luchtstreken en de Groote Beer was zijn bijzondere verblijfplaats. Evenals in sommige andere landen beschouwde men het Noorden als de plaats van de duisternis, de koude en den dood. Zoo vinden wij, dat men bij de Mexicanen en Maya het Noorden als de verblijfplaats van den god van den dood beschouwde en dat onder de latere bevolking de hieroglyph voor het Noorden een been is, voor het hoofd van den god van den dood geplaatst.

Van de godin Reret, met het hoofd en het lichaam van een hippopotamus, geloofde men, dat zij den boozen invloed van Set in bedwang hield. Er bestaat een afbeelding van haar, waarop zij de duisternis aan een ketting gebonden vasthoudt en men beschouwde haar als een vorm van Isis.

Waarschijnlijk begon ongeveer tegen den tijd van de 22e dynastie de vereering van Set te verminderen en in dezen tijd kreeg hij de gedaante van een duivelsche godheid. Men heeft de theorie verkondigd, dat de Hyksos, die het land binnendrongen, hem met eenige van hun [110]eigen goden identificeerden en dit feit was voldoende, om hem bij de Egyptenaren in discrediet te brengen.

Set en de Ezel.

Plutarchus in zijn werk: “De Iside et Osiride” heeft een belangwekkende passage betreffende de gelijkenis tusschen den ezel en Set.

Hij zegt daar het volgende:

“Hierdoor is hun schandelijke behandeling van die personen te verklaren, van wie zij gelooven, dat zij door de roodheid van hun gelaat een gelijkenis met hem vertoonen, en hieruit is tevens de gewoonte van de Kopten ontstaan om een ezel in een afgrond te storten. Ja, de inwoners van Busiris en Lycopolis dreven hun afschuw voor dit dier zoo ver, dat zij nooit van trompetten gebruik maakten, daar het geluid van dezen eenige overeenkomst met het gebalk van een ezel vertoonde; in één woord, dat dier werd door hen als onrein beschouwd, alleen door de gelijkenis, welke het met Typho heeft. Hiermede is in overeenstemming te brengen, dat de koeken, welke zij gedurende de laatste 2 maanden Pauni en Phaophi offeren, de afbeelding van een ezel vertoonen, welke daarin is gestempeld.

Om dezelfde reden bevelen zij uitdrukkelijk, als zij aan de Zon offeren, dat allen, die naderen, om de godheid te aanbidden, noch goud dragen aan het lichaam, noch aan een ezel voeder geven.

Het is bovendien duidelijk, dat zelfs de Pythagoreërs Typho tot den rang der demonen rekenden, daar hij tot het even getal 56 behoort. Immers evenals de driehoek tot de natuur van Pluto, Bacchus en Mars behoort, de eigenschappen van het vierkant aan Rhea, Venus, Ceres, Vesta en Juno eigen zijn en die van den twaalfhoek aan Jupiter, op dezelfde wijze is de figuur van den 56-hoek aan de natuur van Typho eigen; daar al de bovengenoemden in het systeem van Pythagoras als even zoovele [111]genii of demonen beschouwd worden, moet de laatste op gelijke wijze opgevat worden.

Door het vermeende roode uiterlijk van Typho maakten de Egyptenaren bij hun offers van geen andere ossen gebruik, dan die, welke deze kleur hadden. Ja zoo ver gingen zij hierbij, dat, indien er ook maar één zwart, of wit haar op het dier voorkwam, dit voldoende was dit voor hun offer ongeschikt te verklaren. Het was hun meening, dat offers niet uit die dingen behooren te bestaan, welke aan de goden aangenaam en welgevallig zijn, doch integendeel eerder uit die schepsels, waarin de zielen van zondige en onrechtvaardige menschen in den loop der zielsverhuizing zijn opgesloten.

Hieruit ontsproot de gewoonte, welke door hen vroeger werd bewaard, een plechtige verwensching over het hoofd van het dier, dat geofferd moest worden, uit te spreken en later dit af te snijden en in de rivier den Nijl te werpen, hoewel zij dit nu aan vreemdelingen overlaten.

Het was daarom niet geoorloofd een os aan de goden te offeren, indien niet het stempel van de z.g. Sphragistae op dezen gestempeld was; deze priesters waren speciaal voor dit doel aangewezen en van hun dienstverrichting was ook hun naam afgeleid.

Dit stempel vertoont een man, op zijn knieën liggend, met de handen op den rug gebonden, terwijl de punt van een zwaard op zijn keel is gericht.

Niet door de kleur alleen meenen zij, dat er een zekere gelijkenis tusschen den ezel en Typho bestaat, doch tevens door zijn dommen en zinnelijken aard. Met deze opmerking stemt het feit overeen, dat zij aan Ochus, dien zij van alle Perzische heerschers het meest haatten, den scheldnaam “Ezel” gaven en dit gaf aanleiding tot het volgende antwoord van dien vorst, dat ons door Dino verhaald wordt: “Maar deze ezel zal van jullie os eten”, en daarom doodde hij den Apis. In sommige gedeelten van zijn mythe wordt Set in de gedaante van een zwart zwijn voorgesteld. [112]Voornamelijk is dat het geval, als hij door Ra aan Horus getoond wordt en hij het oog van den laatsten uit diens hoofd rukt.

Anubis.

Anubis, of zooals de Egyptenaren hem noemen, An-pu, was, volgens eenigen, de zoon van Osiris en Nephthys en volgens anderen, de zoon van Set. Hij had den kop van een jakhals en het lichaam van een man en was klaarblijkelijk het symbool van dat dier, dat rondom de graven sluipt.

Zijn vereering gaat tot zeer oude tijden terug en misschien was hij eertijds een totem. Hij was de gids van de dooden in de onderwereld, op hun weg naar de woning van Osiris. In verschillende mythologieën is een hond de metgezel van de dooden in de onderwereld. In prae-historische graven heeft men de bewijzen hiervoor gevonden. Zoowel in Mexico, als in Peru, werden honden bij de begrafenis geofferd en dit gebruik was inderdaad wijd en zijd verspreid.

Set.

Set.

Het is nu juist onwaarschijnlijk, dat Anubis den prae-historischen jakhals, die half en half een huisdier was, typifieert, of een vroeger type van den hond, van welken men veronderstelde, dat hij de dooden door de onderwereld geleidde.

Plutarchus vertelt, dat de Egyptenaren meenden, dat er een zekere gelijkenis tusschen Anubis en den hond bestond.

Anubis werd in het bijzonder te Lycopolis, Abt en elders vereerd. Hij neemt een voorname plaats in het Boek der Dooden in en wel voornamelijk in die gedeelten, welke met de rechtvaardiging en de balseming der dooden verband houden.

Hij was het, die de balseming van Osiris verrichtte. Hij verleende inderdaad zeer groote hulp aan de treurende zusters en dit is wellicht een typisch voorbeeld van de zorgzame en behulpzame eigenschappen van den hond. [113]

Dit treft ons des te meer, indien men moet aannemen, dat hij de zoon van Set is en de geheele evolutie van de godheid kan wellicht beteekenen, dat de hond, toen hij nog in half wilden staat verkeerde en nog niet geheel en al huisdier, een wezen was, dat zich alleen ’s nachts vertoonde en een twijfelachtige waarde bezat, doch dat, toen hij eenmaal als huisgenoot was opgenomen, zijn goede eigenschappen eerst recht te voorschijn kwamen.

Het is waarschijnlijk dat, als men de onderzoekingen tot op een zeer ver verwijderd tijdstip kon voortzetten en er tevens schilderingen uit dien tijd over waren, wij zouden vinden, dat Anubis afgeschilderd werd als de trouwe hond, die de gestorvenen op hun reis naar de Duat voorgaat.

Later, toen iedere god door de hulp van het priesterlijk vernuft zijn speciale functie had gekregen en misschien in een tijdvak, waarin de jakhals, of hond, totemistisch waren, vinden wij nog steeds een gids, die de dooden door de duisternis geleidt, maar met het uiterlijk en de attributen van een volwassen godheid. Hoe hij het nu gebracht heeft tot mummie-maker van Osiris, schijnt zeer lastig te verklaren; misschien dat het verband, dat tusschen een begraafplaats en een jakhals bestaat, hier eenig licht kan aanbrengen. Hij was het symbool voor het graf.

Professor Petrie vermeldt in dit verband, dat de sporen van den jakhals de beste gidsen naar de Egyptische graven zijn. Een rede van Anubis in het Boek der Dooden, (hoofdstuk 102), spreekt voor zijn beschermend karakter. “Ik ben gekomen”, zegt hij daar, “om Osiris te beschermen”. In verscheidene landen wordt de hond met den gestorvene afgemaakt, om hem tegen verschillende, afzichtelijke vijanden, die hij op zijn weg naar den Hades zou kunnen ontmoeten, te beschermen en het is niet onwaarschijnlijk, dat Anubis in vroegere tijden een gelijke rol speelde. [114]

Het is de plicht van Anubis, toe te zien, dat de balans van de groote weegschaal, waarop het hart van de gestorvenen gewogen wordt, in behoorlijken toestand verkeert. Zooals Thoth voor de goden optreedt, zoo treedt Anubis voor den doode op, wien hij eveneens tegen den “Verteerder van de Dooden” beschermt.

De zielen van de afgestorvenen werden tevens door hem door de onderwereld geleid, terwijl hij hierbij door Up-uaut, een anderen god, in de gedaante van jakhals voorgesteld, werd bijgestaan; diens naam beteekent: “Hij, die de wegen opent”. Deze goden worden soms met elkaar verward, maar in sommige teksten worden zij afzonderlijk genoemd.

De naam van den lateren god is voor zijn waarschijnlijke, vroegere functie teekenend. Anubis opende, volgens Dr. Budge, de wegen van het Noorden en Up-uaut die van het Zuiden. Anubis was verder, volgens hem, de personificatie van den zomerzonnestilstand en Ap-unt (Up-uaut) van dien van den winter. Hij beweert verder dat, wanneer zij met de twee Utchats, of oogen van Ra, verschenen, zij de vier kwartieren van hemel en aarde en de vier jaargetijden symboliseeren. Plutarchus heeft eveneens een passage over de astronomische beteekenis van Anubis, doch deze is ver van duidelijk.

In Heliopolis werd Anubis eenigszins met Horus verward, zooals men uit zijn attributen kan opmaken en in zeker opzicht nam hij het karakter van de oude fusie tusschen Horus en Set aan, en was in deze opvatting de personificatie van den dood en het vergaan. In den “Gouden Ezel”, van Apuleius, vinden wij, dat Anubis vereerders had in Rome en hierbij is het opmerkelijk, dat men hem voorstelt met een hondenkop afgebeeld.

Thoth.

Thoth, of Tehuti, was een zeer samengestelde godheid Laten wij zijn attributen opsommen, voordat wij zijn [115]beteekenis trachten te ontwarren. Men spreekt over hem als den teller van de sterren, den meter en teller van de aarde, terwijl hij tevens de machtige heer der boeken en schrijver der goden was en kennis bezat van de goddelijke gave der spraak.

Thoth.

Thoth.

Over het algemeen werd hij in menschelijke gestalte afgebeeld, met het hoofd van een ibis, doch somtijds verschijnt hij ook in de geheele gestalte van dien vogel. Op zijn hoofd droeg hij de wassende maan, een schijf, de Atefkraan en de kronen van het Noorden en het Zuiden.

In het Boek der Dooden wordt hij geschilderd als schrijver, die het schrijfriet en het palet in de hand houdt, terwijl hij op de tafeltjes de getuigenissen van de dooden opschrijft, wier hart voor hem gewogen wordt.

Er is geen reden te vermoeden, dat Thoth van een totemistisch karakter was, daar hij tot de cosmogonische, of natuurgoden, behoort en geen andere, of weinigen van dezen, tot dit type behooren. Een andere vorm, waarin Thoth voorkomt, is die van een aap, met een hondenkop voorzien en deze is, zooals men vastgesteld heeft, het symbool voor het evenwicht.

De voornaamste plaats, waar hij vereerd werd, was Hermopolis; hier veronderstelde men, dat Ra ontstaan was. Men schreef Thoth de geestelijke vermogens van Ra toe en inderdaad de gezegden van Ra schenen van zijn lippen gevloden te zijn. Hij was de verpersoonlijking van de goddelijke gave van de spraak. Doch wij loopen de zaak vooruit. Laten wij eerst zijn oorspronkelijke beteekenis trachten te ontdekken, voordat wij de meer ingewikkelde attributen opsommen, welke in later tijd in overstelpende hoeveelheid zijn deel geworden zijn.

Het is zeer duidelijk, dat Thoth oorspronkelijk een maangod is. Hij wordt “de groote god” en “de god van den hemel” genoemd. Onder primitieve volken is de maan de groote regelaar van de jaargetijden. Een maankalender is altijd in gebruik vóór de invoering van de [116]zonnetijdrekening. Aldus is de maan de groote meter van het leven, in de oudste tijden.

Oude volken spreken aldus over de zaai-, de lente-, de graan- of oogstmaand en zoo voorts. Thoth was dus een meter, omdat hij een maangod was en omgekeerd, vanwege zijn beteekenis van maangod, was hij een meter.

Als Aah-Tehuti is hij het symbool voor de nieuwe maan, daar de tijd door de oudste volken vanaf haar eerste verschijning berekend wordt.

Zijn oog is de volle maan, evenals het oog van Ra de zon in den middag beteekent. Doch het linkeroog van Ra is eveneens de symbolische voorstelling hiervan, of van het koude gedeelte van het jaar, wanneer de zonnestralen niet zoo sterk zijn.

Somtijds wordt zij ook “het zwarte oog van Horus” genoemd, terwijl het witte oog dan de zon voorstelt. Dit is een staaltje, hoe de attributen van de Egyptische godheden geheel en al verward worden.

Daar hij een maangod was, werd hij tot op zekere hoogte met het vocht verbonden en in hoofdstuk 95 van het Boek der Dooden lezen wij over hem in zijn kwaliteit van regen- en dondergod.

Thoth als Zielerechter.

Het was echter als zielerechter, dat Thoth in de oogen van de Egyptische priesters van groot gewicht was. Hij oefende dit ambt uit door zijn kennis van de letters en zijn gave, om te weten, wat recht, of in evenwicht was.

Hij bezat verder de macht, de manier aan te geven, waarop woorden correct moesten uitgesproken worden. Zooals reeds is opgemerkt, was de wijze van spreken en de toon, waarop de woorden uitgesproken werden, van grooten invloed, zoowel bij gebeden, als bij magische beweringen, om succes, of mislukking tengevolge te hebben.

Thoth nu leerde het geheim hiervan aan den mensch [117]en dit wilden de Egyptenaren voornamelijk leeren. Door middel van Thoth’s formules werden de poorten van de Duat voor de gestorvenen geopend en werden zij tegen verschrikkingen gevrijwaard. Men geloofde verder, dat het Boek der Dooden het werk van Thoth was, evenals het “Boek van het Ademhalen”, een veel later werk.

De Grieksche schrijvers over Egyptische aangelegenheden stelden Thoth, wien zij Trismegistos, of Hermes den driemaal Grooten, noemden, als de voornaamste bron van alle leeren en wijsheid voor. Zij schrijven aan hem de uitvinding der astronomie, astrologie, wiskunde, geometrie en medicijnkunde toe. De letters van het alphabet waren eveneens zijn uitvinding en hieruit kwam de schrijf- en leeskunst voort. Volgens hen waren de Boeken van Thoth 42 in getal en in 6 klassen verdeeld, terwijl zij over wetten en theologie, den dienst van de goden, geschiedenis, aardrijkskunde, schrijfkunst, astronomie, astrologie, godsdienstige geschriften en medicijnen handelden. Het is bijna zeker, dat het meeste van dit materiaal het werk van Alexandrijnsche Grieken was, door oude Egyptische wetenschap vervalscht.

Maāt.

De godin Maāt gelijkt zeer veel op Thoth en wordt inderdaad als de tegenhangster van dien god beschouwd.

Maāt.

Maāt.

Zij was een van de oorspronkelijke godinnen, want toen de boot van Ra boven de wateren van den afgrond van Nu voor het eerst boven kwam, had zij haar plaats naast Thoth. Haar symbool is de struisvogelveer, welke zij of vasthoudt, of als versiering draagt.

Budge beweert, dat de reden voor de combinatie van de struisveer met Maāt, onbekend is, evenals de oorspronkelijke beteekenis van haar naam. Het is echter waarschijnlijk, dat de gelijkzijdigheid van de veer, haar verdeeling in halven, haar tot een passend symbool voor de balans, of het evenwicht, maakte. [118]

Onder de Maya van Midden-Amerika toont de veer het meervoudig getal aan. Het woord beteekent, naar men ons mededeelt, “dat wat recht is”. De naam Maāt nu beteekende bij de oude Egyptenaren iets, wat waar, echt, of werkelijk was. Aldus was de godin de personificatie van wet, orde en waarheid. Zij gaf de regelmaat aan, waarmede Ra in de lucht opkwam en daalde en, door Thoth bijgestaan, zijn dagelijkschen loop hem iederen dag voorschreef.

In deze kwaliteit wordt zij de dochter van Ra en het oog van Ra genoemd. Als de personificatie der rechtvaardigheid was haar moreele macht onmetelijk en onverbiddelijk. Zij werd langzamerhand als dat noodlot beschouwd, waarvan ieder man zijn verdiende loon ontvangt. Zij zat in een hal in de onderwereld, om de bekentenissen van de dooden aan te hooren, terwijl de deur door Anubis bewaakt werd. De gestorvenen moesten twee en veertig rechters in deze hal tevreden stellen, eerst daarna konden zij tot Osiris toegelaten worden, wien zij verzekerden, dat zij Maāt tevreden gesteld hadden en door haar van schuld gereinigd waren.

Het Boek der Dooden.

Het Boek der Dooden, in het Egyptische Pert em hru getiteld, een titel welke vertaald wordt als: “verschijnend over dag”, of “dag der openbaring”, is een groot lichaam van godsdienstige compositie, dat voor het gebruik der dooden in de onderwereld tezamen gebracht is.

Het is waarschijnlijk, dat de naam voor de Egyptenaren een beteekenis had, welke men onmogelijk in eenige moderne taal kan overbrengen en dit wordt door een ander van zijn titels: “Het hoofdstuk om de Khu (geest) te volmaken”, voldoende aangetoond.

Men weet, dat teksten, welke zich met het welzijn van de dooden en hun leven in de onderwereld bezighielden, onder de Egyptenaren zeker reeds in 4000 v. C. bekend [119]waren. De oudste vorm van het Boek der Dooden, welke ons bekend is, komen wij in de Pyramiden-teksten tegen.

Met de uitvinding der mummieficatie ontstond een meer compleet begrafenis-ritueel, op de hoop gebaseerd, dat dergelijke ceremonies het lichaam tegen bederf zouden vrijwaren, het voor altijd bewaren en het tot een gelukzalig bestaan onder de goden zouden brengen.

Bijna onmiddellijk voor den tijd der dynastieën schijnt aan den cultus van Osiris een zeer groote prikkel te zijn toegevoegd. Hij was nu de god der dooden par excellence geworden en zijn dogma leerde, dat uit het voor bederf bewaarde een ander schoon astraal lichaam te voorschijn zou komen, de toekomstige woning van den geest van den gestorvene. Daarom werd het noodzakelijk, zoo uitgebreid mogelijke maatregelen voor het bewaren van de menschelijke overblijfselen te nemen.

De meeste teksten, welke in het Boek der Dooden voorkomen, zijn ouder dan de tijd van Mena, den eersten historischen koning van Egypte. Het is nog mogelijk te zien, dat vele van deze teksten herzien, of uitgegeven waren, lang voordat de copieën, welke ons bekend zijn, gemaakt zijn. De schrijvers van beroep, die de oude teksten overschreven, schijnen reeds ongeveer in 3300 v.C. zoo door den inhoud daarvan in verwarring gebracht te zijn, dat zij ternauwernood hun bedoeling verstonden.6

Bij Dr. Budge lezen wij het volgende: “In elk geval zijn wij gerechtigd, de oudste bewerking op dat tijdstip te stellen, waarop de z.g. Egyptische beschaving begint.7

Een oude ontdekking.

Een inscriptie op den sarcophaag van koningin Khnem-nefert, de vrouw van Mentu-hetep, een koning der 11e dynastie (pl.m. 2500 jaar v.C.), vertelt ons, dat een zeker hoofdstuk van het Boek der Dooden onder de [120]regeering van Hesep-ti, den 5en koning der 1e dynastie, die pl.m. 4266 v. C. leefde, ontdekt werd.

Deze sarcophaag geeft ons twee copieën van bedoeld hoofdstuk, welke aan elkander aansluiten. Dat een hoofdstuk van het Boek der Dooden, van pl.m. 2500 v.C., tot een datum teruggebracht kon worden, welke 2000 jaar vroeger valt, is verbazingwekkend en wat te denken over een traditie, welke gedurende betrekkelijk ongeletterde eeuwen een godsdienstige formule bijna onverzwakt bewaard heeft!

Aldus werd 42 eeuwen voorheen een gedeelte van het Boek der Dooden als buitengewoon oud, mysterieus en moeilijk te begrijpen, beschouwd. Men moet ook goed op het feit letten, dat de inscriptie op het graf van koningin Khnem-nefert ons vertelt, dat ’t hoofdstuk in quaestie ongeveer 4266 v.C. ontdekt werd. Het was dus alleen op dat vroeger tijdstip ontdekt, hoe lang was echter het verloop tusschen dat tijdstip en den tijd, waarop het voor het eerst opgeschreven werd?

De inhoud van het hoofdstuk op den sarcophaag van de koningin vertelt: “dat dit hoofdstuk gevonden werd in de woningen beneden den Bewoner in de Hennu Boot, door den meesterknecht van de bouwers, in den tijd van den koning van het Zuiden en Noorden, Hesep-ti, wiens woord waar is” en de Nebseni Papyrus beweert, dat het hoofdstuk in de stad van Khemennu, of Hermopolis, gevonden werd, op een blad van albast, in letters van lapis-lazuli geschreven, onder den voet van den god.

Dit blijkt ook uit den Turijn-Papyrus, welke uit den tijd der 26e dynastie dateert en hieruit zien wij, dat de naam van den vinder Heru-ta-ta-f, den zoon van Cheops, was en dat deze op dat tijdstip een reis ondernam, om de tempels te inspecteeren.

Maspero betwijfelt het gewicht van de vermelding van bedoeld hoofdstuk, op het graf van koningin Khnem-nefert, [121]maar Naville beschouwt het hoofdstuk in quaestie als het oudste van het Boek der Dooden.

Een bas-relief uit de 2e dynastie draagt een inscriptie, welke aan de schim van een zeker priester duizend brooden en duizend kruiken bier enz. belooft, een belofte, welke later zoo algemeen voorkomt.

Wij zien dus, dat in het jaar 4000 v.C. het als een godsdienstplicht beschouwd werd, de dooden van offers, uit spijs en drank bestaande, te voorzien en het schijnt zeer waarschijnlijk, dat het in dezen tijd reeds een vaste gewoonte geworden was. Deze passage kan den tekst op den sarcophaag van de vrouw van Mentu-hetep wellicht bevestigen.

Eenige eeuwen later, ongeveer in den tijd van Seneferu (pl.m. 3766 v.C.), was de vereering der dooden, uit een architectonisch standpunt, aanmerkelijk uitgebreid en grootere en meer imponeerende graven werden voor hen gebouwd. Succesvolle oorlogen hadden aan Egypte grooten rijkdom gebracht en haar bewoners waren thans beter in staat de buitengewone uitgaven, welke de kostbaarste cultus, welke de godsdienstgeschiedenis kent, te bestrijden.

Onder de regeering van Men-kau-Ra schijnt men een herziening van eenige gedeelten van den tekst van het Boek der Dooden ter hand genomen te hebben De rubrieken, welke op sommige hoofdstukken betrekking hebben en van welke wij lezen, dat zij op een blad van albast geschreven waren, in letters van lapis-lazuli, in den tijd van dien vorst, zijn een bevestiging hiervan.

Wij vinden in de regeering van Unas (3333 v.C.) geen tekst, welke naar het Boek der Dooden, als één geheel, verwijst; de pyramide van dezen koning werd in 1851 door Maspero geopend. De muren hiervan waren met teksten bedekt, welke door hun archaistisch karakter en spelling buitengewoon moeilijk te ontcijferen waren, en hieronder bevonden zich vele uit het Boek der Dooden. [122]

Gedurende zijn opgravingen te Saqquarah, wist Maspero in de pyramiden van Teta (3300 v.C.) door te dringen en hierin ontdekte hij inscripties, waarvan sommige met die van de pyramide van Unas identisch waren, zoodat het bestaan van een volledig Boek der Dooden. gedurende den tijd van den eersten koning der 6e dynastie, bewezen was.

Teksten, welke de genoemden aanvulden, werden in het graf van Pepi I (3233 v.C.) gevonden. Hieruit zal men kunnen opmaken, dat vóór het einde van de 6e dynastie, waarschijnlijk vijf copieën van een reeks teksten, welke het Boek der Dooden in die periode vormden, bestonden en, zooals opgemerkt is, bestaat er een wezenlijk bewijs, dat het ceremonieel hiervan in de tweede en waarschijnlijk reeds in de 1e dynastie in zwang was. De teksten hiervan werden voortdurend gecopiëerd en gebruikt tot de 2e eeuw van de Christelijke jaartelling.

Het schijnt, dat ieder hoofdstuk van het Boek der Dooden uit een onafhankelijke bron stamt, en het is waarschijnlijk, dat hun opname in het werk over vele eeuwen verspreid was. Het is mogelijk, dat eenige teksten een verandering in de theologische opvatting weergeven, doch ieder hoofdstuk stond op zichzelf. Men kan echter in de opvolging der hoofdstukken een traditioneele methode ontdekken.

De Drie Recensies.

Er bestonden drie uitgaven van het Boek der Dooden, n.1. die uit Heliopolis, de Thebaansche en de Saïtische. Die uit Heliopolis werd door de priesters van het College van Anu, of On, bij de Grieken als Heliopolis bekend, uitgegeven, en is op teksten gebaseerd, welke niet meer te ontdekken zijn.

De pyramiden van Unas, Teta en Pepi bevatten de oorspronkelijke teksten van deze recensie; deze vertegenwoordigt het theologisch systeem, door de priesters van [123]Ra ingevoerd. De hoofdbestanddeelen van den oorspronkelijken Egyptischen godsdienst worden hierin echter behouden, terwijl de eenige wijziging hierin de invoering van den zonnedienst van Ra is.

In later tijd echter werden de priesters van Ra genoodzaakt de suprematie van Osiris te erkennen en deze theologische nederlaag is in de moderne teksten zichtbaar. Tusschen de 6e en 11e dynastie gaven de priesters van On van tijd tot tijd een aantal nieuwe hoofdstukken uit.

De Thebaansche recensie was van de 18e tot de 22e dynastie zeer in zwang en werd gewoonlijk op papyri geschreven en in hieroglyphen, op doodkisten, geschreven.

De Saïtische recensie is zeker op een of ander tijdstip vóór de 26e dynastie gerangschikt en werd op lijkkisten en papyri geschreven, eveneens in hieratisch en demotisch schrift. Deze werd voortdurend tot het eind van het Ptolemaeïsch tijdperk gebruikt.

Zooals wij reeds hierboven opmerkten, stond het Boek der Dooden den mensch ten dienste vanaf het oogenblik, dat hij bewoner van de onderwereld werd, Magie was de hoofdbron voor het bestaan in die streken en tenzij een geest met de formules bekend was, welke de achting van de verschillende goden en demonen en zelfs van de onbezielde voorwerpen konden opwekken, was hij hulpeloos.

De oudste Egyptenaren noemden de streek, waarheen de gestorvenen verhuisden, Duat. Zij geloofden, dat deze uit het lichaam van Osiris gevormd was. Men dacht, dat deze donker en duister was, vurige afgronden en vreeselijke monsters bevatte en op haar beurt door een rivier en een hoogen bergrug omgeven was.

Het gedeelte, dat het dichtst bij Egypte was, stelde men zich als een woestijn, door bosschen afgewisseld, voor; door deze kon de ziel van den afgestorvene niet heenworstelen, zonder de hulp van een welwillenden geest, welke de paden door deze streek van wanhoop kende.

Een dichte duisternis bedekte alles en, onder bescherming [124]hiervan, oefenden de vreeselijke bewoners van deze plaats allerlei vijandelijkheden tegen den nieuw-aangekomene uit; alleen door het gebruik van bepaalde machtwoorden kon hij de overhand over deze wezens verkrijgen.

Er was echter één liefelijke plaats in deze verschrikkelijke streek,—de z.g. Sekhet Hetepet, de Elyseïsche velden, welke Sekhet Aaru, of de Rietvelden bevatten, waar god Osiris en zijn gezelschap woonden. In den beginne had hij over dit gedeelte van de Duat alleen de heerschappij, doch langzamerhand slaagde hij er in deze over het geheele doodenland uit te strekken en werd hij hierover de heerscher.

Wij vinden ook van een god van de Duat, Duati genaamd, melding gemaakt, doch deze schijnt meer een personificatie van de streek geweest te zijn.

Nu was de wensch van ieder goed mensch het koninkrijk van Osiris te betreden en met het oog hierop maakte hij een uitgebreide studie van de gebeden en den ritus van het Boek der Dooden, om gemakkelijker het rijk der gelukzaligheid te kunnen binnengaan.

Dit konden zij op twee manieren bereiken, n.1. te land, of over water. De weg over water was niets minder vreeselijk, dan die over land, daar de doortocht der ziel door stroomen vuur en kokend water versperd werd en de oevers van de rivieren, waarlangs men varen moest, door ontelbare booze geesten bevolkt waren.

De Rietvelden.

Wij zien uit de Thebaansche recensie, dat er zeven hallen, of woningen, in de Rietvelden waren; deze allen moest de ziel doorgaan, voordat zij door den god in eigen persoon werd ontvangen. Drie goden bewaakten de deur van iedere hal, de deurwachter, de nachtwacht en de ondervrager.

Voor den nieuw aangekomene was het noodzakelijk, iederen god bij zijn naam aan te spreken. Ook waren er [125]namen voor de deuren, welke men in zijn geheugen geprent moest hebben. De naam van iederen god was in werkelijkheid een tooverformule, uit een bepaald aantal woorden bestaande.

De Rietvelden waren in 15 streken verdeeld en aan het hoofd van elk van dezen stond een god. De eerste van dezen heette Amentet, waar de zielen woonden, welke van aardsche offeranden leefden; dezen bestuurde Menuqet. De tweede was Sekhet Aaru, de eigenlijke Rietvelden; de muren, welke dezen omringden, waren uit de materie gebouwd, waaruit de lucht gemaakt wordt.

Hier woonden de zielen, welke 9 ellen hoog waren, onder het bestuur van Ra Heru-Khuti en deze plaats was het centrum van het koninkrijk van Osiris. De derde streek was een plaats van vuur. In de vierde streek woonde de vreeselijke slang, Sati-temui, welke op de dooden aasde, die in de Duat ronddoolden. De vijfde streek werd door geesten bewoond, welke zich met de schaduwen van de zwakke en hulpelooze zielen voedden. Het schijnt, dat zij het uiterlijk van een vampier hadden. De overige streken waren ongeveer aan dezen gelijk.

Osiris’ Reis.

Wij vinden nog andere beschrijvingen van de Duat in “Het Boek der Ingangen” en “Het Boek van Hem, die in de Duat is”; hierin wordt een schets gegeven van de reis, welke de zonnegod door de andere wereld maakt, nadat hij op aarde is ondergegaan.

Terstond na zijn ondergang neemt hij de gedaante van Osiris aan, welke een ram, met het hoofd van een man, voorstelt. Wanneer hij in de voorkamer van de Duat, in het Westen, aankomt, wordt zijn komst door een loflied, door de Aap-goden aangeheven, aangekondigd, terwijl slangen uit hun bek vlammen blazen en bij het licht van dezen sturen de goden, die als gids dienst doen zijn vaartuig. [126]

Alle deuren worden geopend en de dooden, door de aardsche lucht, welke Osiris met zich medebrengt, verkwikt, worden voor een kort uur weer tot het leven teruggeroepen. Alle wezens, in dat gedeelte van de Duat, worden, op bevel van den god, van spijs en drank voorzien.

De dooden, die hier wonen, zijn zij, die niet met goed gevolg het onderzoek, om tot het paleis toegelaten te worden, doorstaan hebben en alleen van het stoffelijk voordeel, dat hun door de dagelijksche passage van den god wordt verschaft, bestaan zij.

Wanneer de zon, welke in dezen vorm onder den naam Af Ra bekend is, den ingang van de tweede afdeeling van de Duat bereikt, welke Urnes genaamd is, verlaten de goden van de eerste streek hem en aanschouwen zijn gezicht niet voor den volgenden nacht. Op dit punt ontmoeten de booten van Osiris en zijn dienaren de boot van Af Ra en op deze plaats verlangt Osiris weer, dat de dooden voedsel, licht en lucht ontvangen. Hier worstelt hij met de slangen Hau en Neha-her, zooals vele zonnegoden, gedurende den tijd van de duisternis, doen en als hij hen overwonnen heeft, wordt hij naar de velden van de Graangoden geleid; hier rust hij een poos uit.

Hier luistert hij naar de gebeden van de levenden, ten behoeve van de dooden en beziet de offeranden door de eersten gebracht. Gedurende zijn reis trekt hij door de twaalf afdeelingen van de Duat. Hierbij komen wij streken tegen, welke waarschijnlijk geheel afgescheiden rijken der dooden waren, zooals het rijk van Seker een god, die waarschijnlijk veel ouder dan Osiris is.

Het wegen van het hart.

Het wegen van het hart.

Uit de Papyrus van Ani.

Reproductie met toestemming van den Directeur van het Britsch Museum.

Op deze plaats is zijn boot geheel en al overbodig, daar er in het duistere rijk van Seker geen enkele rivier is, iets, wat geheel en al in strijd met de idee over Osiris schijnt te zijn. Daarom zegt hij herhaaldelijk woorden op, welke een buitengewone kracht hebben en dezen dwingen den god van die plaats hem langs de onderaardsche streken [127]te geleiden; hieruit komt hij daarna in Amhet, waar zich een stroom van kokend water bevindt. Doch hij verlaat eerst het rijk van Seker, wanneer hij de zesde afdeeling bereikt, waar de gestorven koningen van Egypte en de Khu, of Geest-zielen, wonen.

Op dit punt van zijn reis wendt Af Ra zijn gelaat naar het Oosten en richt zijn koers naar het Gebergte van den zonsopgang. In de zevende afdeeling voegen Isis en andere godheden zich bij hem; hier wordt zijn weg door de listige slang Apep versperd, doch de goden, die hem bijstaan, steken hun zwaarden door diens lichaam.

Een gezelschap van goden loodst hem door de achtste afdeeling, maar zijn vaartuig gaat door eigen kracht door de 9e streek en in de 10e en 11e schijnt hij een aantal meren te passeeren, welke wellicht een voorstelling van de lagunen van de delta zijn. In de laatste afdeeling wordt zijn voortgang door een lichtschijf bevorderd, door een slang omringd, welke op den voorsteven van zijn boot rust.

De twaalfde streek bevat de groote massa hemelsche wateren, Nu genaamd en hier woont Nut, de personificatie van den morgen. Voor de boot duikt de groote slang Ankh-neteru op en twaalf goden, die de reeplijn vasthouden, trekken den god door het lichaam van het monster en brengen Af Ra uit diens mond te voorschijn, niet als Af Ra echter, want gedurende dien doortocht wordt hij in Khepera veranderd en in diens gestalte wordt hij door twaalf godinnen naar den hemel gesleept; dezen leiden hem voor Shu, den god van de atmospheer van de aardsche wereld.

Shu plaatst hem in de opening van den muur, welke het eind van de twaalfde afdeeling vormt en thans vertoont hij zich aan de oogen der stervelingen als een lichtschijf, terwijl hij zijn mummie-vorm, waarin hij door de Duat ging, heeft afgelegd.

Zijn voortgang wordt door de toejuichingen van de goden, die hem begeleiden, gevolgd; dezen overvallen [128]en vernietigen zijn vijanden en zingen lofliederen te zijner eere.

De Duat, in het Boek der Poorten beschreven, verschilt aanmerkelijk van die in “Het Boek van Hem, die in de Duat is”, doch ook deze laatste heeft twaalf afdeelingen en een ongeveer gelijke reis wordt daarin geschetst.

De voornaamste goden, die in het Boek der Dooden genoemd worden, zijn de volgende: Tem, of Atmu, Nu, Ra, Khepra, Ptah, Ptah-Seker, Khnemu, Shu, Set, Horus, Thoth, Nephthys, Anubis, Amen en Anu, inderdaad het grootste aantal van de voornaamste goden van Egypte.

Behalve dezen waren er nog verscheidene mindere goden en een groot gezelschap van geesten, demonen en andere bovennatuurlijke wezens. Vele van deze demonen waren zeer oude vormen van half vergeten goden. Men moet wel letten op het feit, dat Osiris feitelijk op ieder station van zijn reis een, of meer, van zijn goddelijke metgezellen achterlaat en men stelde voor, dat zij sindsdien de beheerschers, of satrapen van de streken werden, waarin hij hen achtergelaten had. Zoo placht een Pharaoh, op deze aarde, zijn hovelingen voor bewezen diensten te beloonen.

In den tijd van het Middenrijk nam de opvatting over Osiris, als rechter over de dooden, een vaste gestalte aan en werd algemeen erkend. In een van de hoofdstukken van het Boek der Dooden vinden wij hem in een ruime hal, waarvan de zoldering met vuur en symbolen der waarheid bedekt is, zitten. Voor hem bevinden zich het symbool van Anubis, de vier zonen van Horus, en de Vernietiger van het Westen, een monster, dat als zijn beschermer fungeert. Aan de achterzijde zitten de 42 doodenrechters.

De gestorvene verschijnt voor den god en zijn hart wordt in eene groote weegschaal gelegd om door Anubis gewogen te worden, terwijl Thoth, de schrijver van de [129]goden, er bij staat, om het resultaat op zijn plankjes te schrijven. Wanneer hij den uitslag aan Osiris heeft medegedeeld, wordt de doode man, indien hij tenminste waardig bevonden is, aan den god voorgesteld; voor dezen zegt hij dan een lang gebed op en hierin verklaart hij, dat hij geen enkel kwaad bedreven heeft.

Zij, die niet aan het onderzoek beantwoordden, werden weggejaagd en liepen gevaar, door een vreeselijk monster, Beby genaamd, dat buiten op hen loerde, verslonden te worden. Zij echter, die rechtvaardig bevonden waren, namen aan de levenswijze van Osiris en de andere goden, van welke men zich klaarblijkelijk voorstelde dat zij aan die van de Egyptische aristocratie gelijk waren, deel.

Zooals reeds opgemerkt is, mocht de gestorvene zichzelf veranderen in een dier-gestalte, welke hij zelf verkoos. Het leven van den doode, die rechtvaardig bevonden was, wordt juist geschetst in een inscriptie op het graf van Paheri, vorst van El Kab, welke als volgt luidt:

“Gij gaat in en uit, met een verheugd hart en met de belooningen van de goden... Gij wordt een levende ziel, gij hebt macht over brood, water en lucht. Gij verandert uzelf in een phoenix, een zwaluw, een sperwer, of een reiger, al naar gij verkiest.

Gij steekt over in de boot en wordt niet gehinderd. Gij zeilt over het water, wanneer een vloed opkomt. Gij leeft opnieuw en uw ziel heeft het lichaam niet verlaten.

Uw ziel is een god, tezamen met den verlichter en de uitstekende zielen spreken met U. Gij zijt onder hen en ontvangt, wat men op aarde geeft; gij bezit water, lucht en hebt overvloed van datgene, wat gij begeert. Uw oogen worden U gegeven, om te zien, Uw ooren om te hooren spreken, Uw mond spreekt, Uw beenen bewegen zich, Uw handen en armen spannen zich voor U in, Uw lichaam groeit, Uw aderen zijn in goeden toestand, en gij voelt Uzelf gezond in al Uw ledematen. Gij hebt Uw oprecht hart in Uw bezit en Uw vroeger hart behoort U. [130]Gij stijgt op ten hemel en wordt iederen dag opgeroepen tot de offertafel van Wennofre, gij ontvangt het goede, dat aan hem geofferd wordt en de gaven van den Heerscher van de necropolis.”

Het Boek der Dooden is oogenschijnlijk een allegorische voorstelling van den gang van de zon door de onderwereld. Het ondergaan van de zon, in den avond, deed natuurlijkerwijze bij den primitieven mensch de vraag opkomen, waar het licht, gedurende de uren der duisternis, bleef, want de zon was voor de oudste menschen een levend wezen.

Hij kon de beweging van de zon door de lucht waarnemen en andere weldaden, welke hij van haar ontving brachten hem er toe, haar als de bron van alle goed te beschouwen. Het scheen hem verder toe, dat haar dagelijksche loopbaan door den aanval van een of anderen vijand werd afgebroken en het logisch gevolg was natuurlijk de overtuiging, dat de macht, welke aan de zon vijandig was, een kwade gezindheid moest hebben. Deze macht werd als een slang, of draak, afgebeeld, welke tegen den nacht met het licht streed en het voor een poos overwon.

De goden van verschillende godsdienstige stelsels moeten naar de andere wereld afdalen, om met machten van dood en hel te strijden. Wij kennen een analoog geval in de Popol Vuh van Midden-Amerika, waarin twee heldgoden, de zonen en neven van de zon en de maan in den duisteren afgrond van den Maya Hades afdalen, zijn kracht vernielen en in triumf terugkeeren.

Men heeft vermoed, dat het Boek der Dooden niets meer, of minder, was dan het ritueel van een geheime broederschap en dat de verschillende hallen, welke hierin voorkomen, de symbolische voorstelling van de verschillende inwijdingsphases, welke de leden moesten doorloopen, zijn.

Nu is bet merkwaardig, dat T. Athol Joyce, van het [131]Britsch Museum, in zijn nieuw, interessant werk, getiteld: “Mexican Archaeology” vertelt, dat het hof van de onderaardsche Maya, waarop in de Popol Vuh gezinspeeld wordt, volgens het principe van een geheim genootschap geleid schijnt te zijn, met een bepaalden vorm van inwijding.

Het staat zoo goed als vast, dat de mysteriën van Eleusis en daaraan gelijke inwijdingsplechtigheden, met het leven in de onderwereld verbonden werden (en dit is speciaal het geval bij de geschiedenis van Demeter en Kore, of Ceres) en dat een theatrale voorstelling van het dwalen van de moeder, terwijl zij haar dochter zoekt, in den loop der plechtigheid gegeven werd.

Deze Grieksche goden waren, behalve van de dooden, goden van den landbouw en wel van het koren Goden van de onderwereld echter bevorderen dikwijls den groei van het graan, daar men geloofde, dat het koren, onder de aarde, door hun invloed gedijde.

Wij vinden b.v. in de Popol Vuh, dat Xquiq, de dochter van een van de heerschers der onderwereld, in staat was, in eenige minuten een maïsveld te oogsten, op een plaats, waar dit tevoren nooit geweest was.

Dit alles schijnt een aanwijzing te zijn voor de waarschijnlijkheid, dat, ook al bevatte het Boek der Dooden geen vroeg type van een inwijdingsplechtigheid, het toch een machtigen invloed op de plechtigheden heeft uitgeoefend, toen dezen ontstonden. De mysteriën van de Cabiri, om een voorbeeld te noemen, zijn, naar men vermoedt, van Egyptischen oorsprong.

Aan den anderen kant, is het waarschijnlijk, dat het Beek der Dooden het ceremonieel van een oudere prae-historische mysterie, welke door de Egyptenaren uit den tijd der dynastieën vergeten is, voorstelde. Onbeschaafde stammen, over de geheele wereld, bezitten zulke mysteriën. De Indianen van Noord-Amerika en de negers van Australië bezitten zeer uitvoerige inwijdingsceremonies [132]Op deze wijze is het waarschijnlijk, dat het Boek der Dooden het ritueel van Neolitische, onbeschaafde volken bewaarde, dat dezen duizenden jaren, voor de verbinding met den eeredienst van Osiris, uitoefenden.

De Plaats der Straffen.

Hoewel het schijnt, dat niet een gedeelte van de Duat speciaal voor de slechten gereserveerd werd, werden dezen op voldoende wijze op allerlei manieren gekweld, om hun bestaan tot een bestraffing, voor eenige misdaden, gedurende hun leven begaan, te maken.

Aan een eind van deze streek bevonden zich vurige afgronden, waarbij afschuwelijke goden de wacht hielden, die de lichamen der gestorvenen lieten vernietigen en in stukken houwen, voordat zij verbrand werden. Hun bestraffing werd echter door de verschijning van Ra-Osiris, op zijn nachtelijke reis, verzacht, want, als hij verscheen, werden de folteringen tijdelijk gestaakt.

De goden, die over de veroordeelden straf uitoefenden, waren de vijanden van Osiris, personificaties van duisternis, nacht, mist, damp, storm, wind enz., en dezen werden overdag door de krachtige stralen van het licht vernietigd Dezen werden in menschelijke gedaante afgebeeld en ten onrechte vermoedt men, dat de afbeelding van hun vernietiging een voorstelling van het verbranden van de zielen der veroordeelden was.

Deze booze vijand werd met iederen omloop van de zon vernieuwd, zoodat het den schijn wekte, of een nieuwe slagorde van vijanden Ra iederen nacht en iederen morgen aanviel. Gedurende den tijd tusschen schemering en zonsopkomst werden zij verslagen en gestraft.

De zielen van de verdoemden waren op geen enkele wijze in staat, den voortgang van Ra te verhinderen, doch in later tijd werden zij tot op zekere hoogte met de vijanden van Ra geïdentificeerd, woonden met dezen en hielpen hen bij den aanval tegen den zonnegod. [133]

In den daarop volgenden strijd werden zij door de krachtige zonnestralen, als pijlen, of speren, voorgesteld, doorboord en de messen, welke hun lichamen in stukken hakten, waren de zinnebeeldige voorstelling van de vlammen, welke uit het lichaam van Ra te voorschijn kwamen. De meren en poelen van vuur, waarin zij ondergedompeld werden, stelden den aanblik van den Oostdijken hemel bij de opkomst van de zon voor.

Er is niets in den Egyptischen godsdienst, dat het geloof in een eeuwigdurende straf wettigt en zulk een gezichtspunt is met het materiaal van de teksten onvereenigbaar.

Er is inderdaad niets in de Egyptische godsdienstige voorstelling, dat met de Hel van de Joden, of het Vagevuur en de Hel van het Middeleeuwsch Europa parallel loopt.

De Egyptische idee over den dood sloot de opvatting over de wederopstanding van het physieke lichaam, in de onderwereld, niet in zich, doch men geloofde, dat, als het lichaam vernietigd was, de ka, of dubbelganger, de schaduw en geest van den mensch, eveneens te gronde moest gaan.

Het is intusschen vreemd, dat de Egyptische idee van tijdelijke straf, na den dood, aan de ouderwetsche opvatting over dien toestand, in Koptische bronnen, kleur gegeven schijnt te hebben. De Koptische Christenen, uit Egypte, schijnen de idee van bestraffing, in de Duat, bijna geheel van hun heidensche voorvaderen, of tijdgenooten, overgenomen te hebben.

Amélineau citeert een Koptisch werk, waarin een doode Egyptenaar vertelt, dat op het doodsuur straffende engelen, met messen en andere wapenen, welke zij door zijn lichaam staken, gewapend, zich rondom hem verzamelden. Andere geesten trokken zijn ziel uit zijn lichaam, bonden dezen op een zwart paard vast en galoppeerden met dezen naar Amentet weg. [134]

Daar aangekomen, werd hij eerst op een plaats, welke vol walgelijke slangen was, gefolterd en daarna werd hij naar buiten, in de duisternis, geworpen. Hij viel in een put, welke op zijn minst twee honderd voet diep was; hierin bevonden zich slangen van allerlei soort, elk van zeven koppen voorzien en werd hij aan een slang, welke tanden had, op ijzeren staven gelijkende, overgegeven.

Iedere week, van Maandag tot Vrijdag, knaagde dit monster aan den ongelukkige, alleen des Zaterdags en Zondags hield de foltering op.

Alleen wat het feit betreft, dat hier niet gesproken wordt van een altijddurende straf, verschilt deze plaats van bestraffing van gelijksoortige voorstellingen in andere mythologieën; de voorstelling van de uitgeoefende straf echter, het snijden met messen, het steken met speren, het brandende vuur en zoo voorts, is eigenlijk dezelfde voorstelling, als bij andere godsdiensten.

De voorstelling van de Egyptische onderaardsche streken gelijkt verder geheel en al op die in andere mythologische stelsels.

Men moet niet denken, dat de Egyptenaren, met hun nauwkeurig uitgewerkte voorzorgsmaatregelen voor de bewaring van het lichaam, na den dood, in een eeuwige straf gelooven konden. Waarschijnlijk kunnen zij geloofd hebben in de straf van ieder ander, maar het is hoogst onwaarschijnlijk, dat eenig Egyptenaar, die zich een tijd aan de bestudeering van het Boek der Dooden overgegeven had, geloofde, dat hij zelf verdoemd was. Zijn geheele toekomst hing, volgens dat boek, van de kennis der machtwoorden, daarin vervat, af en zeer zeker kon niemand, terwijl hij zoo betrekkelijk gemakkelijke middelen had, om aan het gevaar te ontsnappen, zoo dwaas zijn, dezen te veronachtzamen.

De Egyptische Hemel.

Zooals reeds opgemerkt is, schijnt men zich bij de Egyptenaren geen voorstelling van de juiste ligging van [135]den hemel gemaakt te hebben, maar over het algemeen kan men zeggen, dat de Egyptenaren geloofden, dat deze zich ergens boven in de lucht bevond. Zij noemden dezen Pet, een uitdrukking, welke zij gebruikten ter onderscheiding van het woord Nu, dat de lucht beteekent.

Zij stelden zich den hemel en de lucht als een plaat voor, terwijl de uiteinden daarvan op een onderstel, door de twee bergen Bakhau en Manu gevormd, rustten; dit waren de bergen van den zonsop- en ondergang.

In oude tijden stelde men zich voor, dat de hemel uit twee gedeelten bestond, n.l. het Oosten en het Westen; later echter werd hij in vier deelen verdeeld en elk van dezen onder de bescherming van een god geplaatst. Deze streek werd door vier pilaren gestut en elk van dezen stond wederom onder de bescherming van een godheid; op een betrekkelijk laat tijdstip werd er nog een pilaar aan toegevoegd, om het midden te schragen.

In een mythe vinden wij over den hemel gesproken als voorzien van een menschelijk hoofd, terwijl de zon en de maan de oogen vormen en de steunsels door het haar gevormd worden. De goden van de vier kwartieren, die de oorspronkelijke zuilen bewaakten, waren de z.g. Canopische godheden, elders ook de kinderen van Horus genaamd.

In den hemel huisde de groote god Ra; hij was op een metalen troon gezeten, waarvan de zijden door leeuwenkoppen en hoeven van stieren ingelegd waren. Zijn gezellen omringden hem en dezen werden op hun beurt door de kleinere goden omgeven. Iedere god, die de wereld en de Duat bestuurde, had eveneens zijn eigen plaats in den hemel.

Onder de lagere goden stonden nog wezens, welke men eenigszins met engelen zou kunnen vergelijken. De voornaamste onder dezen waren de Shemsu-Heru, of volgelingen van Horus, die den zonnegod bedienden en, als het noodzakelijk was, onder zijn bescherming kwamen. [136]

Men beschouwde hen noodzakelijk voor zijn welzijn. Op dezen volgden de Ashemu, doch hun attributen zijn onbekend en na hen de Henmemet, misschien zielen, welke menschelijke wezens moesten worden, maar hun toestand is niet helder. Men stelde het voor, dat zij van graan en kruiden leefden.

Ook bevonden er zich nog wezens, Utennu en Afa genaamd, doch ook van hun karakter is absoluut niets bekend. Op dezen volgde een ontelbaar aantal geesten, zielen enz.; de meesten van dezen hadden op aarde gewoond en waren gezamenlijk bekend als: “de levenden”.

De Egyptenaren geloofden, dat dezen op vastgestelde tijden over de aarde konden wandelen en weer naar den hemel terugkeeren, een idee, welke waarschijnlijk hieruit ontstond, dat zij voor een toekomstig leven, zoowel voor het lichaam, als de ziel en den geest, wilden zorgen.

Zooals reeds tevoren opgemerkt is, hadden de hemelgoden hun dubbelgangers op aarde en men geloofde, dat de mensch, tot zekeren graad, aan deze dubbele natuur deel had. De Egyptische opvatting nu over den hemel veranderde langzamerhand, gedurende de eeuwen. Een onderzoek van de oudste gedenkschriften toont ons aan, dat de idee over een bestaan, na den dood, werd opgevat als een soort van onbestemde verlenging van het leven dezer wereld. Zulk een idee is allen primitieven rassen gemeen.

Op den duur echter werd deze opvatting geheel en al veranderd en een meer geestelijke nam haar plaats in. De ziel (ba) en de geest (khu), welke gewoonlijk in de hieroglyphen-teksten als een havik en een halfgod voorgesteld worden, kregen aan het hemelsche voedsel deel, werden één met de goden en langzamerhand met hst verheerlijkt lichaam, of de hemelsche stof, vereenigd, zoodat de ziel, de kracht, de schaduw, de dubbelganger en naam van den gestorvene tezamen in het eene hemelsche lichaam, onder den naam Sahu bekend, vereenigd werden; [137]men zou dit als een geestelijk lichaam kunnen beschouwen. Men geloofde, dat dit uit het doode lichaam groeide en zijn ontstaan werd veroorzaakt door de magische ceremonies en door de machtwoorden, door de priesters gedurende den begrafenisdienst gesproken.

Het Leven der Gelukzaligen.

In het Boek der Dooden wordt verteld, dat de geesten in den hemel 4.601.200 in getal zijn. Men heeft vermoed, dat dit getal waarschijnlijk de Egyptische optelling was van al de geesten van menschen, die gestorven en in den hemel opgenomen waren; dit is echter zeer onwaarschijnlijk, en wel om voor de hand liggende redenen.

De manier, waarop deze geesten hun tijd doorbrachten, is zeer duister. Sommige leidden den loop der hemellichamen, andere vergezelden de groote goden, op hun reis door den hemel, terwijl weer andere het toezicht op wereldsche zaken hielden.

Zij zongen hemelsche liederen, ter eere van Ra, als oppersten heerscher over de goden en hun hymnen beschreven de wonderen van zijn macht en glorie. Zij leefden van de lichtstralen, welke van het oog van Horus vielen, dat wil zeggen, zij werden door het zonlicht gevoed, zoodat hun lichamen langzamerhand geheel en al uit licht samengesteld werden.

Volgens één mythe leefden de goden zelf van een plant, welke de levensplant genoemd werd, welke bij een groot meer groeide. Deze opvatting is in overeenstemming met een idee, welke voorstelde, dat de gestorvenen in een Paradijs leefden, waar weelderig bloeiende graanvelden door ontelbare kanalen bevochtigd werden en waar stoffelijke genoegens, van allerlei soort, hun ten dienste stonden. Het was misschien deze plaats, waar men het voorstelde, dat het eeuwige brood, het eeuwige bier, de hemelsche vijgeboom en andere dergelijke dingen het voedsel van de gestorvenen uitmaakte. Men geloofde [138]verder, dat de gelukzaligen een gelijke kleeding als de goden droegen, doch eenige van hen schijnen, volgens hun voorstelling, een linnen gewaad en witte sandalen, aan hun voeten, gedragen te hebben.

Dit alles doet ons zien, dat de hemel van de oudste Egyptenaren eenvoudig een verlenging der aardsche toestanden was, of misschien zou men kunnen zeggen, een verbetering hiervan. Zoo lang de Egyptenaar de middelen bezat om brood te bakken en bier te brouwen, zoolang hij heldere kleeren had en beschutting vond op een plaats, welke rondom door kanalen doorsneden was, beschouwde hij dezen toestand als den besten van alle hemels. Het koren placht natuurlijk uit zichzelf te groeien. De geheele idee was materieel, daar het leven eenvoudig, doch gemakkelijk was.

Aangaande den Egyptischen hemel is er niets sophistisch, zooals bij het Mohammedaansche of Christelijke rijk der gelukzaligen; zelfs de manier het te bereiken was primitief, daar de oudste bewoners van het Nijldal geloofden, dat zij den hemel bereiken konden, door over de bergen, welke dezen schraagden, te klimmen, terwijl de latere bewoners het geloof koesterden, dat zij een ladder noodig hadden, om daarheen te klimmen.

In verscheidene graven werden deze ladders zoo geplaatst, dat de dooden van hun astrale tegenhangers gebruik konden maken, om de hemelsche streken te bereiken. Zelfs Osiris had een dergelijke ladder noodig en werd door Ra en Horus, of door Horus en Set, bijgestaan om deze te beklimmen.

Men vindt in verschillende papyri van het Boek der Dooden beschrijvingen van zulke ladders, welke in de graftomben geplaatst werden. Haar lengte werd door den gestorvene zelf bepaald, in overeenstemming met de kracht der tooverwoorden, welke hij over haar uitsprak.

De gestorvene was verder, eveneens door tooverwoorden, in staat, zich in een vogel, of andere dierengestalten, [139]te veranderen. Het is moeilijk, de reden van deze veranderingen in het Paradijs aan te geven, maar de opvatting heeft eenige overeenkomst met die der Aztec-krijgers, die geloofden, dat, wanneer zij het gebied van den zonnegod binnengetreden zouden zijn, zij hem op zijn reis vergezellen zouden en naar de aarde zouden afdalen, in de gedaante van een kolibrie. [140]


1 Zie: Zeitschrift für Aeg. Sprache, 2, p. 127: The Cult of the Drowned in Egypt.

2 Een andere lezing geeft de kinderen van Nut alsvolgt aan: Osiris, Isis, Set, Nephthys en Anubis.

3 Lang vertelt (in het art. “Mythology” in de Encyclopaedia Britannica) dat de Osiris-mythe door dezelfde verbeeldingskracht ontstond, als de geschiedenis van den bever, die aan stukken werd gesneden en uit wiens lichaam voorwerpen werden vervaardigd.

4 In “Golden Bough”, deel 2, pag. 137.

5 Zie: M. A. Murray, Osireion at Abydos, pag. 26.

6 Zie: Maspero, Recueil de Travaux, deel IV, pag. 62.

7 Zie: Boek der Dooden, Papyrus van Ani I, pag. 7.

De groote goden.

Ra, de Zonnegod.

Ra, de groote zonnegod, schijnt reeds op een vroeg tijdstip een vooraanstaande positie in het Egyptische pantheon ingenomen te hebben. De latere Egyptenaren schijnen gedacht te hebben, dat de naam in zekeren zin met schepping verbonden was.

De aanbidding van de zon was zeer oud in Egypte en het is daarom waarschijnlijk, dat een aantal zonne-eerediensten met dien van Ra versmolten. Het is zeker, dat dit het geval was met den dienst van den havikgod Heru, of Horus. Deze beide goden worden gewoonlijk met het lichaam van een man en den kop van een havik afgebeeld, doch soms hebben zij ook de werkelijke gestalte van dien vogel.

Ra.

Ra.

Vanaf de oudste tijden schijnt de havik met de zon geïdentificeerd te zijn. Zijn vliegkunst en de hoogte, welke hij bij het vliegen bereiken kan, waren waarschijnlijk de redenen, dat men hem in verbinding bracht met het groote licht van den dag. In verschillende landen zijn vogels, met hemelhooge vlucht, het symbool van de zon. Zoo is de adelaar bij verscheidene Noord-Amerikaansche Indianen het zinnebeeld van de zon. De gieren stelden in het oude Peru den dagelijkschen loop van de zon voor en misschien vervulde de adelaar deze functie in den Mexicaanschen godsdienst.

Niet altijd echter zijn het vogels met hooge vlucht, welke de zon typifieeren. Zoo schijnt in Mexico en Midden-Amerika de quetzal-vogel hiervoor gediend te hebben en in dezelfde landen werd de kolibrie soms met de zon verbonden. Nu is het vreemd, dat, evenals wij den vogel en de slang bij den Mexicaanschen god Quetzalcoatl gecombineerd vinden, wij deze zelfde dieren ook bij Ra tezamen vinden, daar deze als zijn symbool een zonneschijf draagt, welke door de slang Khut omstrengeld wordt. [141]

De Egyptenaren hadden verschillende opvattingen over de wijze, waarop de zon langs den hemel trok. Een van dezen was, dat zij door de watermassa van de lucht in verschillende booten, of schuiten, trok. Zoo bezette de opkomende zon de schuit Manzet, een naam welke “groeiende kracht” beteekent; de avondzon werd naar de plaats van den zonsondergang door de boot Mesektet overgezet welke “toenemende zwakheid” beteekent; in deze beide namen zal men gemakkelijk allegorische namen voor de opkomende en ondergaande zon ontdekken. De aangewezen weg van Ra, door de lucht, is op het tijdstip der schepping door de godin Maāt, de personificatie van rechtvaardigheid en orde, vastgesteld.

De dagelijksche reis van Osiris werd door een gezelschap van vriendelijk gezinde goden medegemaakt; dezen voerden zijn schip tot de plaats der zonsondergang, terwijl de loop door Thoth en Maāt bepaald was en Horus als stuurman en kapitein fungeerde. Aan iedere zijde van de boot zwommen een of twee visschen, welke loodsdienst verrichtten, Abtu en Ant genaamd, maar niettegenstaande de hulp van deze twee gezellen, werd Ra’s boot voortdurend door afgrijselijke monsters en demonen omringd, welke al hun best deden, den doortocht te verhinderen.

Verreweg de machtigste van dezen was de slang Apep, de personificatie van de duisternis van den nacht, over wien wij veel inlichtingen ontvangen door het boek getiteld: “Het Boek van de vernietiging van Apep”, hetwelk tooverformules en andere instructies aangeeft, om het monster te overweldigen; deze formules werden dagelijks, in den tempel van Amen-Ra, te Thebe, opgezegd.

Hierin wordt Apep tot krokodil en slang teruggebracht en er wordt in beschreven, hoe zij door middel van magie met een speer doorboord, met messen aan stukken gesneden, onthoofd, geroosterd en ten slotte door het vuur verteerd kan worden en haar duivelsche volgelingen eveneens. [142]Deze tooverkunsten werden plichtsgetrouw dagelijks te Thebe uitgevoerd en men geloofde, dat dezen de reis van den zonnegod ten zeerste bevorderde.

In Apep nu zien wij een figuur, welke in bijna iedere mythologie bekend is. Zij is het monster, dat dagelijks met de zon strijdt en ten slotte er in slaagt, deze te verslinden. Zij is dezelfde, welke met Beowulf, den zonneheld, strijdt; dezelfde als de nachtelijke draak in de Chineesche mythologie en de Fenris-wolf in de Scandinavische geschiedenis, kortom als de veelvuldige monsters der fabelen, legenden en romans. Wij vinden haar tegenhanger eveneens in den Babylonischen draak Tiamat, welke door Marduk verslagen werd.

Rat.

In den lateren tijd werd er voor Ra een tegenhangster, Rat genaamd, uitgevonden; zij werd als een vrouw afgebeeld, die op haar hoofd een schijf met horens en een uraeus torste. Zij schijnt echter niet van zeer groot gewicht geweest te zijn en wellicht dankte zij haar ontstaan aan de idee, dat iedere groote god zijn dubbelgangster moest hebben.

De vereering van Ra was gedurende de dynastieën in de stad van Anu, On, of Heliopolis, ongeveer vijf mijlen van het tegenwoordige Caïro, geconcentreerd. De priesters van den god hadden zich gedurende de vijfde dynastie daar gevestigd; de eerste koning toch van deze was hoogepriester van den god, een omstandigheid, welke aantoont, dat de cultus op dit vroege tijdstip (pl.m. 3350 v.C.) in dat gedeelte van Egypte een grooten invloed verkregen moet hebben.

Een oude legende vertelt ons, hoe een afstammeling van Ra het eerst zich van den Egyptischen troon meester maakte, welke legende men hieronder kan vinden.

Deze overlevering bewijst, dat in oude tijden de koningen geloofden, dat zij van Ra, die, naar men verzekerde, [143]eens over het land geheerscht had en wiens bloed in de aderen van de koninklijke familie stroomde, afstamden.

Inderdaad beweerde men, dat Ra de feitelijke stamvader van verschillende Egyptische koningen was en dezen werden daarna als de incarnatie van dien god beschouwd. Zulke ficties der priesters gaven aan de theocratische klasse verhoogde macht, totdat tenslotte de vereering van Ra die van bijna iedere andere godheid in het Nijldal overschaduwde, daar deze andere goden in het theologisch systeem van de priesters van Heliopolis opgenomen werden en een ondergeschikte positie in de godengroep, welke den grooten zonnegod omringde, innamen.

Fusie der Mythen.

Niet alleen in Egypte vinden wij zulke ficties, welke alleen er toe dienden, voor de doeleinden der priesters bevorderlijk te zijn. In de meeste mythologieën ontdekken wij, dat scheppingsmythen en verhalen over den oorsprong der goden, uit twee, of meer, mythen vervaardigd zijn, welke op zoo’n bekwame wijze vermengd zijn, dat zij alleen door zorgvuldige en geduldige studie tot hun oorspronkelijke bestanddeelen teruggebracht kunnen worden.

Zoo vinden wij in het boek Genesis, dat wij, behalve voor het bestaan van Jahweh, de scheppingskracht, nog bewijzen aantreffen voor het bestaan van een polytheistisch pantheon, Elohim genaamd. Dit toont dus duidelijk aan, dat de verhalen der Hebreeuwsche schepping, het een monotheistisch en het tweede polytheistisch, met elkaar zijn versmolten.

Misschien kan men het beste voorbeeld van een dergelijke samensmelting van mythen in een oude scheppingslegende van Peru vinden; hierin heeft een filosofische behendigheid al de vormen van vereering vereenigd. welke de Peruviaansche godsdienst doorloopen heeft, [144]totdat zij één bepaalden vorm bereikte. Zoo zijn de verschillende geloofsphases, van het eenvoudige animisme, tot het anthropomorphisme, voor hem, die de mythologie bestudeert, in deze eene legende zichtbaar. Dat hetzelfde kunststukje bij de Kiches van Midden-Amerika is uitgehaald, in het wonderlijke boek, de Popol Vuh, werd door den schrijver over dit onderwerp in de Times, eenige jaren geleden, aangetoond.

De oorspronkelijke locale god van Heliopolis was Tem, of Atum, die met Ra onder den naam van Ra-Tem vereenigd werd. De invloed van de priesters van Ra nam ongeveer tegen het einde van de 6e dynastie af, doch onder de regeering van Senusert (of Usertsen) I (pl.m. 2433 v.C.), werd de tempel te Heliopolis herbouwd en gewijd aan Ra en twee van zijn gestalten, Horus en Temu. In dezen tempel werden modellen van de heilige booten van Ra bewaard, n.1. de Manzet, welke een beeld van Ra, met een havikkop voorzien, bevatte en de Mesektet, met een beeld, dat het hoofd van een man had.

Primitief als de natuur der zonaanbidding is, bezat deze elementen, welke haar in staat stelden, stand te houden, waar meer geavanceerde en ingewikkelde godsdiensten bezweken. Zelfs in dat land moeten er natuurlijk, naast een aristocratie van intelligenten aard, ontelbare landbouwers en slaven bestaan hebben, die slechts door hun omgang met hun superieuren en hun plaats, als landbouwend ras, van de wilden onderscheiden waren. Voor dezen moest de zon de godheid par excellence schijnen, de groote verkwikker en vruchtbaarmaker. Wij vinden echter, dat de cultus van Ra min of meer een aristocratisch, theologisch systeem met zich droeg, tenminste in de vroegste tijden. Van de volksreligie echter moeten wij ons tot de vereering van Osiris wenden.

Men kan zonder twijfel de beste parallel voor de vereering van Ra in Egypte trekken met dien van de zon [145]in het oude Peru. Evenals de vorst van Peru de zon op aarde vertegenwoordigde, zoo stempelden de Egyptische monarchen zich tot zonen van de zon. Bij beide volken was de zonnecultus klaarblijkelijk aristocratisch van karakter.

Men kan dit bewijzen uit het feit, dat het paradijs van Ra verreweg een meer geestelijke spheer was, dan dat van Osiris, met zijn zuiver materieele genietingen. Zij, die zoo gelukkig waren den hemel van den zonnegod te bereiken, werden met licht bekleed en hun voedsel werd als “licht” voorgesteld. Het leven in het paradijs van Osiris daarentegen bestaat uit den omgang met Osiris en het feestvieren met hem.

Nu huivert de aristocratische kaste, in alle landen, voor het denkbeeld, dat zij in de andere wereld genoodzaakt zal zijn met de gewone massa gemeenzaam om te gaan. Dit was bepaaldelijk het geval in het oude Mexico en Scandinavië, waar alle krijgslieden, in den strijd gedood, het paradijs konden binnengaan.

Dit geloof was echter nimmer krachtig genoeg, om den cultus van Osiris te doen verdwijnen en daar de Egyptische geest een zeer materieel karakter bezat, begunstigde hij de opvattingen over de “rietvelden” en de “plaats van den vrede” ten zeerste; immers daar kon men van de goede gaven en gemakken, waarnaar men op aarde zoo vurig haakte, genieten, meer dan van het onwezenlijke voedsel en kleeding in de hooge standensfeer van Ra.

Ra en Osiris.

Gedurende vele eeuwen nu werd een stilzwijgende, doch heftige, strijd tusschen de priesters van Ra en Osiris gevoerd, doch ten slotte kreeg het geloof van den laatsten de overhand, ja, hij nam de titels, macht en attributen van den grooten zonnegod tot zich. Daarop werd de opvatting over een zonne- en maangod in zijn persoon vereenigd.

De Osiris-vereering was eigenlijk Afrikaansch en [146]Egyptisch van karakter, doch er is reden te vermoeden, dat de cultus van Ra verschillende vreemde elementen in zich bevatte, waarschijnlijk West-Aziatisch van oorsprong en dit zou de koelheid, waarmede de Egyptische massa zijn vereering beschouwde, verklaren. Heliopolis, zijn stad, bevatte vele inwoners van Aziatische afkomst en deze omstandigheid is wellicht de verklaring voor de invoering van eenige leerstellingen in zijn geloof, welke de inheemsche Egyptenaren onaangenaam vonden.

Er is geen twijfel mogelijk, of Ra nam, tenminste bij de Egyptische aristocratie, de positie van schepper en vader der goden in. Osiris was zijn zoon. De verwantschap tusschen deze twee goden kan men beschouwen als die tusschen god den vader en god den zoon en zooals in sommige godsdienstige stelsels de gestalte van god den zoon, die van god den vader overschaduwd heeft, zoo overvleugelde Osiris Ra.

De god Tem, of Atum, die, zooals reeds door mij opgemerkt is, de plaatselijke god van Heliopolis was, werd in den tijd der dynastieën voor een der gestalten van Ra gehouden en wel in de personificatie van de ondergaande zon. Tem was een van de eerste goden der Egyptenaren. Men stelt het voor, dat hij in de boot van Ra voer en met dezen werd hij zelfs vereenigd onder den naam van Ra-Tem. Hij schijnt een god geweest te zijn, die vele attributen met Ra gemeen had en later eveneens met Osiris geïdentificeerd te zijn.

In de mythe van Ra en Isis zegt Ra: “Ik ben Khepera in den morgen, Ra in den middag en Tem in den avond”; dit toont ons, dat voor de Egyptenaren de dag verdeeld werd in drie deelen en dat ieder van dezen onder de bescherming stond van een bijzondere gedaante van den zonnegod. Tem werd in een van zijn gestalten als een slang vereerd, een zeer gewone vorm voor een zonnegod, want in vele landen is de draak, of slang, het symbool voor de zonneschijf. [147]

De Heilige Kever.

Khepera, de nog overblijvende vorm van Ra, wordt gewoonlijk in menschelijke gedaante afgebeeld, met een kever op zijn hoofd. De vereering van den kever was in Egypte zeer oud en wij moeten zijn verbinding met den cultus van Ra aan priesterlijken invloed toeschrijven.

Wanneer de scarabaeus zijn eieren in het Egyptische zand gelegd heeft, rolt hij ze in een kleinen bal mest, dezen duwt hij daarna met zijn achterpooten door het zand naar een hol, dat hij tevoren gegraven heeft en hier worden de eieren door de zonnestralen uitgebroed.

Het scheen nu aan de oude Egyptenaren toe, dat deze handelwijze van den kever op de voortwenteling van de zon, langs den hemel, leek, zoodat Khepera, het opkomende zonnelicht, door hem gesymboliseerd werd

Khepera is een god van eenig gewicht, want hij wordt de schepper en vader der goden genoemd, tevens beschouwde men hem als het type der wederopstanding vanwege het symbool van den bal, welke levend zaad bevatte en waarschijnlijk in nog een ander opzicht, daar de opkomende zon als het ware den eenen morgen na den anderen uit zijn nachtelijke graf stapt. De scarabaeën, welke men op de Egyptische mummies vond, typeeren de hoop op wederopstanding en men heeft dezen in graven gevonden, welke waarschijnlijk al uit de 4e dynastie dateeren.

Amen.

Hoewel het schijnt, dat de god Amen reeds in de 5e dynastie onder de Egyptische goden geteld is, waar men over hem gesproken vindt als over een der oorspronkelijke goden1, begonnen zijn aanhangers eerst in een latere periode die buitengewone groote macht te ontwikkelen, welke zij in Egypte uitoefenden. [148]

Afgezien van dien van Ra en Osiris, was de vereering van Amen meer verspreid dan die van eenig ander god in het Nijldal, doch deze omstandigheid schijnt meer door politieke, dan door godsdienstige propaganda bewerkt te zijn.

Isis en Ra.

Isis en Ra.

Evelyn Paul.

Wat zijn attributen in het Oude Rijk waren, weten wij niet. Zijn naam beteekent: “wat verborgen is” of “wat niet gezien kan worden” en wij worden door hymnen en andere werken onderricht, dat hij “voor zijn kinderen verborgen is en eveneens voor goden en menschen”.

Nu heeft men vermoed, dat deze uitdrukkingen op het ondergaan van de zon betrekking hebben, doch er is meer reden te vermoeden, dat zij te kennen geven, dat Amen een god is, die door menschelijke oogen niet gezien, of opgespoord kan worden. Het is niet moeilijk te zien, dat de opvatting over zulk een godheid zich spoedig in de gunst zou verheugen van een priester- en theologenkaste, welke spoedig genoeg kreeg van de meer materieele godsdiensten, welke hen omringden en die naar een vorm voor een godheid zochten, welke minder onafgewerkt was, dan de ruime symbolische stelsels, welke in het land domineerden. De geheele theologische geschiedenis van Amen is die van een priesterschap, welke zich ten doel stelde een meer materialistische bevolking een meer geestelijk type van vereering en een hoogere opvatting over God op te leggen.

Amen werd onder verschillende gestalten vereerd2, n.1. in de gestalte van een man, op een troon gezeten, met den kop van een kikvorsch, of met het lichaam van een man, den kop van een slang en verder nog als aap, of leeuw, afgebeeld. De meest gebruikelijke vorm echter, waarin hij afgeschilderd wordt, is die van een gebaard man, die op zijn hoofd twee lange, rechte veeren draagt, welke afwisselend rood en groen, of rood en blauw, gekleurd zijn. [149]

Hij is in een linnen rok gekleed, draagt armbanden en een halsketting en achter uit zijn kleeding komt een staart, van een of ander dier, te voorschijn, een aanwijzing, dat hij in oude tijden een scheppende god was. In latere tijden is hij van een havikkop voorzien, doch dit was vóór zijn versmelting met Ra.

Het groote middelpunt van zijn vereering en de plaats, vanwaar zijn macht is toegenomen, was Thebe en hier werd te zijner eer onder de 12e dynastie een tempel gebouwd. Op dat tijdstip was hij meer een locale god, doch toen de vorsten van Thebe machtig werden en de souvereiniteit over Egypte aan zich trokken, steeg de roem van Amen, tegelijk met den hunnen en werd hij in Opper-Egypte een god, die boven anderen uitstak.

Zijn priesters, die de nieuwe politieke toestanden gretig aangrepen, slaagden er in hem met Ra en diens bijvorm, te identificeeren en al diens attributen legden zij Amen bij; zij stelden verder vast, dat, hoewel hun god al hun eigen karaktertrekken bezat, hij toch veel grooter en verhevener was dan zij zelf.

Zooals wij reeds opgemerkt hebben, werd de god, die een tijdlang de plaatselijke god van de hoofdstad van Egypte was, langzamerhand de nationale god en daar dat lot Amen ten deel viel, trokken zijn priesters alle voordeelen van dit feit. Nooit werd een god zoo benut en om het maar eens zoo uit te drukken, nooit werd voor een god zulk een reclame gemaakt, als voor Amen.

Toen ongelukkige tijden over Egypte kwamen en de Hyksos het land binnenvielen, stilde Amen, dank zij zijn priesterlijke voorvechters, den storm en is na een moorddadigen strijd de god der Egyptenaren geworden.

Toen het land zich van de verwarring herstelde en de toestanden weer geregeld werden, droegen de militaire successen van de 18e dynastie grootelijks tot de vermeerdering van de macht en roem van Amen bij en de buit van het veroverde Palestina en Syrië vulde zijn tempels. [150]

Natuurlijk was er een groote ontevredenheid bij de vereerders van Ra, bij zulk een loop der zaken. Osiris, als populair god, kon niet in ongenade vallen, daar hij een te grooten invloed op de verbeeldingskracht van het volk had gekregen en zijn cultus en karakter van een te bijzondere natuur waren, om de overweldiging van een anderen god te kunnen verdragen. Zijn cultus heeft zich langzamerhand ontwikkeld, waarschijnlijk in den loop van vele eeuwen, en de omstandigheden voor zijn vereering waren eenig.

De godsdienstige vereering van Ra echter vond een mededingster in die van een godheid, welke niet alleen attributen te zien gaf, maar een, wier vereering over het geheel genomen, meer geestelijk was en hooger stond, dan die van den zonnegod.

Wij weten niet, welke theologische strijd over de suprematie der beide goden gevoerd is, doch wel weten wij, dat priester-handigheid, evenals in andere gevallen, meer dan berekend was voor haar taak. Er had n.1. een fusie tusschen de twee goden plaats.

Het zou overijld zijn, te beweren, dat deze versmelting een overeengekomen plan tusschen de twee met elkaar wedijverende godsdiensten vormde en het is waarschijnlijker, dat hun aanbidders zich kalm bij een langzaam proces van samensmelting neerlegden. De Thebaansche priesters kwamen wellicht tot de erkenning, dat het onmogelijk was, de vereering van Ra geheel en al uit te roeien en aldus kwamen zij tot een onvermijdelijke oplossing en aanvaardden de fusie met hun eigen god.

De opkomende Macht van Amen.

Verschillende hymnen ter eere van Amen-Ra en speciaal die, welke wij in den papyrus van Hu-nefer ontmoeten, toonen ons de volkomen fusie en de snelheid, waarmede Amen tot macht gekomen is, aan. In een tijd van een eeuw ongeveer, had hij, van een zuiver plaatselijke [151]godheid, den titel van koning van de goden van Egypte verkregen. Zijn priesters waren verder de machtigste en rijkste in het land geworden en waren zelfs de mededingers der koninklijke macht zelf.

Hun politieke invloed was buitengewoon. Zij maakten oorlog en vrede en toen de Ramessiden-dynastie een einde nam, maakte de hoogepriester van Ra zich van den koninklijken troon meester en was de eerste vorst der 21e dynastie, onder den naam van de dynastie der priesterkoningen bekend.

Doch ook al waren zij sterk in theologie, zoo waren zij het zeker niet in militair genie. Zij konden de betalingen van de belastingen, welke hun voorgangers de omliggende landen hadden afgeperst, niet gedaan krijgen en hun armoede nam hand over hand toe. De heiligdommen der goden leidden een kwijnend bestaan, door gebrek aan vereerders en zelfs de hoogeren onder de priesters hadden een hard bestaan. Rooverbenden maakten de nabijheid van de tempels onveilig en de koninklijke graven werden beroofd.

Doch al verminderde hun macht, zeker niet hun aanmatiging en, zelfs met een inval der Libyers in de delta voor oogen, gingen zij door, de goden, die zij dienden, te verheerlijken. Wanneer wij de teksten en hymnen aan een onderzoek onderwerpen, welke ons vertellen, wat we van Amen-Ra weten, vinden wij, dat hij hierin als de algemeene levensbron, zoowel voor de bezielde schepsels, als levenlooze voorwerpen beschouwd wordt en dat hij geïdentificeerd wordt met den schepper van het heelal “den onbekenden god”. Alle attributen van het geheele Egyptische pantheon werden hem kwistig toebedeeld, met uitzondering van die van Osiris; het schijnt, dat de priesters van Amen-Ra van dezen geen notitie genomen hebben. Zij konden den grooten god der dooden niet geheel op zij zetten, ook al zagen zij hem over het hoofd.

In een van zijn gestalten, die van Khensu, den maangod, [152]heeft Amen een geringe gelijkenis met Osiris, doch wij kunnen niet zeggen, dat hij in dezen vorm in eenig opzicht de rol van god van de onderwereld vervult.

Amen-Ra maakte zich zelfs van de heiligdommen van verscheidene andere goden, door het geheele Nijldal, meester, trok hun attributen tot zich en nam hun plaats geheel en al in.

Een van zijn meest populaire gestalten was die van een gans en dit dier was in verschillende deelen van Egypte aan hem gewijd, evenals de ram. Kleine beeldjes van hem laten hem zien met het gebaarde gezicht van een man, het lichaam van een kever, de vleugels van een havik, de beenen van een mensch en de klauwen van een leeuw.

Al deze dingen zijn natuurlijk een symbolische voorstelling voor zijn mannelijk karakter, daar hij als de grootste der goden beschouwd werd en zijn een typisch voorbeeld van de wijze, waarop attributen van allerlei soort bij hem berustten.

Men veronderstelde, dat het geheele pesedt, of gezelschap der goden, in Amen vereenigd was en wij mogen inderdaad zijn cultus als de meest ernstige pogingen van de oudheid beschouwen, om een systeem van monotheïsme te formuleeren. Dat zij hierin niet slaagde, was in het geheel niet haar schuld.

Wij moeten zijn priesters beschouwen als een vereeniging van verlichte menschen, bezield door een geestelijk vuur, dat helder schitterde, temidden van het droevig materialisme, dat hen omringde. Evenals alle priesterlijke hiërarchieën, bezaten zij het ingeboren zwak van eerzucht en de eigenliefde van een ingebeelde kracht.

Indien zij de politiek op de haar toekomende plaats gelaten hadden, zouden zij meer succes gehad hebben, dan zij nu gehad hebben, doch de werkelijke oorzaak van hun mislukking, de overige eerediensten van Egypte geheel en al te verdringen, was in de omstandigheid [153]gelegen, dat deze godsdiensten zeer oud en te diep geworteld waren en in de dwaze onwetendheid van hen, die deze eerediensten ondersteunden.

Het Orakel van Juppiter-Ammon.

Geen enkel deel van Egypte was vrij van de overheersching van Amen-Ra, welke zich over het Noorden en Zuiden, Oosten en Westen verspreidde en zelfs vertakkingen in Syrië, Nubië en andere, van Egypte afhankelijke, streken had.

De meest invloedrijke centra waren Thebe, Hermonthis, Coptos, Panopolis, Hermopolis Magna en in Beneden-Egypte Memphis, Saïs, Heliopolis en Mendes. In later tijd bezat hij, in een van de oases, een groot orakel, bekend onder den naam van dat van Juppiter-Ammon, een geheimzinnige plek, welke door bijgeloovige Grieken en Romeinen, die zich daarheen begaven, om de godheid over staats- of particuliere aangelegenheden te ondervragen, bezocht werd.

Hier werd alle mogelijke priesterlist in toepassing gebracht. Een beeld van den god werd, van tijd tot tijd, door de priesters door den tempel gevoerd en deze gaf, indien hij goed gehumeurd was, aan zijn vereerders antwoorden, niet door te spreken, maar door te knikken en met uitgestrekten arm te wijzen.

Uit klassieke auteurs weten wij, dat de Egyptenaren een buitengewone handigheid in het vervaardigen van automaten bezaten en er is geen reden, er aan te twijfelen, dat de god op de vragen van zijn angstige vereerders, die een reis naar zijn heiligdom gemaakt hadden, door middel van kunstig verborgen touwtjes, antwoordde.

Het orakel van Ammon is desniettemin in geheimzinnigheid gehuld. Zelfs Alexander de Groote bracht aan dit beroemde heiligdom een bezoek, om zichzelf gerust te stellen over de vraag, of hij de zoon van Juppiter was, of niet. Ook Lysander en Hannibal reisden hierheen en [154]de eerste ontving een tweesnijdend antwoord, niet ongelijk aan dat, wat Macbeth van de heksen ontving.

Mut, de Almoeder.

De groote tegenhangster van Amen-Ra was Mut, de moeder van het heelal. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor, die de vereenigde kronen van het Noorden en Zuiden draagt en den scepter van papyrus vasthoudt. Op sommige afbeeldingen wordt zij met vleugels voorgesteld en op andere worden de koppen van gieren boven haar schouders zichtbaar.

Evenals haar echtgenoot, is zij soms met allerlei attributen, zoowel van menschen als dieren, versierd, waarschijnlijk, om haar alles omvattende natuur aan te duiden. Mut nam, evenals Amen, een groot aantal van de attributen van de vrouwelijke godheden van Egypte tot zich. Aldus werd zij met Bast, Nekhebet en andere geïdentificeerd, hoofdzakelijk om deze reden, dat, daar Amen zich meester gemaakt had van de attributen van andere goden, zij, als zijn vrouw, hetzelfde moest doen.

Zij is in de mythologie een treffend voorbeeld, om te doen zien, wat het huwelijk voor een godin doen kan. Zelfs Hathor wordt met haar geïdentificeerd, evenals Ta-urt en iedere andere godin, van wie men meende, dat zij de attributen van een moeder bezat. Voor haar vereering vormde Thebe een middelpunt en hier bevond zich haar tempel, een weinig ten Zuiden van het heiligdom van Amen-Ra.

Zij werd de “hemelsche vrouw” en “koningin der goden” genoemd en haar hieroglyphisch symbool, een gier, werd op de kroon der Egyptische koningin gedragen, als voorstelling van haar moederschap.

De tempel van Mut, te Thebe, werd door Amen-hetep III, ongeveer in 1450 v.C, gebouwd. De toegang hierheen werd door een prachtige laan van sphinxen gevormd en de tempel zag op een kunstig aangelegd meer uit. [155]Waarschijnlijk was Mut de oorspronkelijke tegenhangster van Nu; deze toch werd, in zeker opzicht, met Amen vereenigd. Zij wordt slechts ééns in het Boek der Dooden, in de Thebaansche recensie, vermeld, een feit, dat in het geheel niet vreemd is, wanneer men het aanzien in aanmerking neemt, dat zij bij de priesters van Amen genoten moet hebben.

Ptah.

Ptah was de grootste van de goden van Memphis. Hij is de verpersoonlijking van de opgaande zon, of liever een phase daarvan, d.w.z. hij stelt de zonneschijf voor, op het tijdstip, dat deze boven den horizon rijst, of onmiddellijk, nadat hij gerezen is.

Men zegt, dat zijn naam “opener” beteekent en wel omdat men dacht, dat Ptah den dag opende; deze afleiding van den naam wordt echter bestreden.

Dr. Brugsch vermoedt, dat “beeldhouwer, of graveerder” de juiste vertaling is en daar Ptah de beschermgod van alle handenarbeid is, schijnt het zeer waarschijnlijk, dat deze uitlegging de juiste is.

Ptah schijnt, vanaf den tijd der 2e dynastie tot de laatste tijden, dezelfde karakteristieke kenmerken behouden te hebben. Het schijnt, dat hij in de oudste tijden als schepper beschouwd werd, of misschien werd hij met een van de eerste Egyptische scheppingsgrootheden verward.

In den Pyramidentekst van Teta vinden wij over hem gesproken als eigenaar van een werkplaats en de passage schijnt aan te duiden, dat Ptah nieuwe booten vervaardigde, waarin de zielen van de dooden in de Duat moesten leven.

Uit het Boek der Dooden leeren wij, dat hij een groot bewerker van metaal was, een bouwmeester en maker van alles in het heelal, en het feit, dat de Romeinen hem met Vulcanus identificeerden, kan het begrijpen van zijn attributen zeer bevorderen. [156]

Het was eveneens Ptah, die, in vereeniging met Khnemu, de bevelen van Thoth, aangaande de schepping van het heelal, ten uitvoer bracht. Aan Khnemu werd de opdracht gegeven de dieren te vormen, terwijl Ptah den hemel en de aarde zou vervaardigen. De groote metalen plaat, van welke men veronderstelde, dat zij de vloer van den hemel vormde en de zoldering daarvan, werden door Ptah vervaardigd en hij maakte eveneens de stukken, welke dezen schraagden. Wij vinden hem steeds in verbinding met andere goden, d.w.z. hij neemt de kenmerkende eigenschappen van andere goden, voor bepaalde doeleinden aan. Als bouwmeester van het heelal b.v., deelt hij de natuur van Thoth en als de god, die het metaal van den vloer van den hemel bewerkt, lijkt hij op Shu.

Ptah wordt gewoonlijk als een gebaard man afgebeeld, met een kaal hoofd, terwijl hij kleeren draagt, welke hem nauwsluitend, als een lijkwade, om het lichaam passen. Van achter zijn hals hangt een Menat, het symbool van geluk en met de gewone waardigheidsteekenen van het koningschap en die van een godheid houdt hij het symbool van duurzaamheid vast.

Als Ptah-Seker vertegenwoordigt hij de vereeniging van de scheppende kracht met die van den chaos van de duisternis3. Ptah-Seker is inderdaad een gestalte van Osiris, als voorstelling van de nachtelijke zon, of den dooden zonnegod.

Seker wordt als een man, met een havikskop en met een lichaam, als van een mummie, voorgesteld, terwijl dit op dat van Ptah gelijkt. Oorspronkelijk stelde Seker de duisternis alleen voor, doch in later tijd werd hij met de zon der nacht geïdentificeerd. Seker wordt soms met Sept en zelfs met Geb verward. Het schijnt, dat hij over dat gedeelte van de onderwereld heerschte waar de zielen van de inwoners van Memphis en omgeving woonden. [157]

De Seker-boot.

Bij de groote plechtigheden, ter eere van dien god en voornamelijk op zijn feestdag, werd een boot, de Seker-boot genaamd, bij zonsopgang, wanneer de stralen van de zon zich langzaam over de aarde beginnen uit te gieten, op een slede geplaatst. Deze boot werd daarna om het heiligdom getrokken en deze handeling is een typische voorstelling van den loop der zon.

Deze boot was onder den naam van Henu bekend en wordt verschillende malen in het Boek der Dooden vermeld. Zij gelijkt niet op een gewone boot, maar haar ééne uiteinde is hooger dan het andere en zij was in de afbeelding van het hoofd van een dier, dat op een gazelle lijkt, vervaardigd.

In het midden van het vaartuig bevond zich een kist, waar zich bovenop een havik, met uitgespreide vleugels, bevond; men veronderstelde, dat deze het lijk van Osiris, den dooden zonnegod, bevatte.

De Seker-, of Henu-boot, was waarschijnlijk een vorm voor de Mesektet-boot, waarin de zon, gedurende de tweede helft van zijn dagelijksche reis, door de lucht voer en waarin zij des avonds de oude wereld bereikte.

Hoewel Seker, als godheid, in het oude Egypte vrij populair was, schijnen zijn attributen geheel en al door Ptah te zijn aangenomen. Wij vinden zelfs den drievoudigen naam Ptah-Seker-Asar of Ptah-Seker-Osiris en deze wordt dikwijls, als havik, op lijkkisten en sarcophagen, voorgesteld.

Ongeveer in den tijd der 22e dynastie werd dit drietal feitelijk één met Osiris en het had zelfs varianten, welke de attributen van Min, Amsu en Khepera aannamen. Deze godheid is beschreven als: “de drievoudige godheid der wederopstanding”. Er is weinig twijfel, of deze versmelting is door invloed van priesters tot stand gekomen.

Ptah werd ook met een god, onder den naam Tenen bekend, vereenigd; deze wordt gewoonlijk in menschelijke [158]gestalte voorgesteld, terwijl hij op zijn hoofd een kroon, van struisveeren voorzien, draagt. Ook wordt hij afgebeeld, terwijl hij arbeidt aan een pottebakkerswiel, waaraan hij het ei der wereld vormt. Op andere voorstellingen ziet men hem een kromme sabel vasthouden.

Budge vermoedt, dat dit wapen aantoont, dat hij de vernietigende kracht van den oorlogsgod is, doch dit is zeer onwaarschijnlijk. De bronzen sabel van Ptah, in zijn gestalte als Tenen, is precies hetzelfde symbool als de bijlen, welke over de geheele wereld de attributen van de scheppingsgoden zijn. Met de sabel toch snijdt hij de aarde, evenals god Ainu der Japaneezen dit met zijn bijl doet, of zooals andere goden, van wie wij reeds melding gemaakt hebben, hun bijlen, of hamers gebruiken. Tenen was waarschijnlijk een oude god, met scheppende kracht, en werd om die reden met Ptah vereenigd.

Sekhmet.

De voornaamste plaats van vereering van Ptah was Memphis; hier bevonden zich eveneens de tempels van Sekhmet, Bast, Osiris, Seker, Hathor, I-em-hetep, benevens die van Ra. Sekhmet was de gezellin van Ptah en zij waren de ouders van Nefer-tem.

Sekhmet.

Sekhmet.

Sekmet werd later met vormen van Hathor geïdentificeerd. Zij had den kop van een leeuwin en stond waarschijnlijk in dezelfde verhouding tot Bast, als Nephthys tot Isis. Zij verpersoonlijkt de hevige, alles verzengende hitte der zonnestralen. Eén van haar namen is Nesert, vlam, en hierin personificeert zij het vernietigende element.

De Zeven Wijzen.

Soms vinden wij Ptah in gezelschap van zekere wezens, de Zeven Wijzen van de godin Meh-urt, die hun moeder was, genaamd. Wij vernemen, dat zij uit het water ontstaan waren, uit de pupil van het oog van Ra, dat zij de [159]gestalte van zeven havikken aannamen, omhoog vlogen en, tezamen met Thoth, het toezicht op het leeren en de letters hielden. Ptah deelde, als bouwmeester en werkman, terwijl hij de teekeningen van Thoth en zijn helper uitvoerde, in al hun attributen, evenals zijn tegenhangster Sekhmet.

Bast.

Bast, de Bubastis van de Grieken, bezat de eigenschappen van een kat, of leeuwin, terwijl de laatste een meer moderne ontwikkeling van haar karakter is. Haar naam beteekent de “verscheurster” en ook wordt zij de meesteres van Sept, d.w.z. van de ster Sothis genoemd. Zij wordt verder soms met Isis en Hathor geïdentificeerd.

Bast.

Bast.

In tegenstelling met de woeste Sekhmet, stelt zij de zachte, vruchtbaar makende zonnehitte voor. De kat houdt er van zich in de zon te koesteren en om deze reden werd dit dier als symbool voor deze godin genomen. Zij werd met Sekhmet en Ra tot één godheid versmolten, onder den naam van Sekhmet-Bast-Ra bekend en als zoodanig met het hoofd van een man afgebeeld, terwijl vleugels aan haar arm zichtbaar zijn en twee koppen van gieren uit haar nek te voorschijn komen. Eveneens heeft zij leeuwenklauwen.

Zij was de godin van het Oostelijk deel der Delta en werd te Bubastis, in Beneden-Egypte, vereerd. Hare eeredienst schijnt in die streek vrij oud te zijn en hoewel zij in de Pyramidenteksten vermeld wordt, komt zij slechts zelden in het Boek der Dooden voor.

Waarschijnlijk was zij oorspronkelijk een kat-totem en in elk geval werd zij eerst in de gestalte van een kat vereerd. Men heeft willen opmerken, dat zij de karakteristieke eigenschappen van een uitheemsche godin heeft, doch voor deze opvatting zijn geen zeer vaste gronden aan te voeren.

Hoewel zij met vuur en de zon verbonden is, heeft zij misschien ook eenige gemeenschap met de schijf van de [160]maan, want haar zoon Khensu is een maangod. Kat-goden worden dikwijls met de maan verbonden, hoofdzakelijk vanwege de vruchtbaarheid van het dier, dat de voorstelling is van de vruchtbaarheid en groeikracht, welke aan de maan verbonden is.

Het Feest van Bast.

Herodotus geeft ons een zeer schilderachtige beschrijving van het feest van de godin, dat in de maanden April en Mei plaats vond. Hij vertelt, dat de Egyptenaren in schepen naar de stad Bubastis voeren, terwijl zij op trommels en tamboerijnen sloegen en allerlei ander lawaai maakten, terwijl zij, die geen muziek maakten, in hun handen klapten en luid zongen. In de stad aangekomen, dansten zij en vierden feest, onder gezang en drinkgelagen.

Van de stad Bubastis geeft hij een levendige schildering, welke als volgt luidt:

“De stad Bubastis verheft zich in de hoogte en hierin bevindt zich een zeer merkwaardige tempel, aan de godin Bubastis gewijd, in onze taal Diana genoemd en hoewel er thans tempels zijn, welke grooter en rijker uitgerust zijn, is geen enkele met dien te vergelijken, zoo bevallig is hij om aan te zien. Deze tempel is aldus. Behalve den toegang is de geheele oppervlakte van de stad een eiland, want hieromheen stroomen twee armen van den Nijl, welke zich niet met elkander vereenigen, maar één weg overlaten. Deze Nijlarmen zijn honderd voet breed en aan beide zijden van de oevers met schaduwrijke boomen beplant. De toegangspoort is 10 vademen hoog en met afbeeldingen, welke 6 el groot zijn, versierd, prachtig om te aanschouwen.

De tempel zelf bevindt zich in het midden van de stad en is van alle kanten zichtbaar. Immers, hoewel de stad steeds werd opgehoogd, bleef de tempel steeds op zijn plaats en is aldus van alle kanten gemakkelijk te bezichtigen, [161]aan alle zijden van de stad. Rondom den tempel loopt een muur, met afbeeldingen versierd.

Aan de binnenzijde van den muur bevindt zich een heilig bosch, van hooge boomen voorzien, rondom het tempelgebouw zelf en hierin bevindt zich het beeld der godin. De lengte en breedte van den tempel is een stadie.

Er leidt van den ingang van den tempel Oostwaarts een geplaveide weg naar den tempel van Mercurius, ongeveer drie stadiën lang en ongeveer 4 plethren breed; aan beide zijden van dien weg zijn hemelhooge boomen geplant”.

Nefer-Tem.

Nefer-Tem was de zoon van Ptah en Sekhmet, of van Ptah en Bast. Hij wordt als een man, wiens hoofd met veeren bedekt is, voorgesteld, terwijl hij soms op één been staat. Soms wordt hij zelfs met een leeuwenkop voorgesteld en met een lichaam van een mummie.

Nefer-Tem.

Nefer-Tem.

In oude tijden werd hij symbolisch door de lotus-bloem voorgesteld. Hij was het derde lid van het drietal van Memphis, hetwelk uit hem, Ptah en Sekhmet bestond. Waarschijnlijk is hij de jonge Tem, de god van de opkomende zon. Misschien was zijn symbool de lotus, omdat het den Egyptenaren kon toeschijnen, dat de zon uit bedden van die plant in de Delta te voorschijn kwam. In latere teksten wordt hij met verschillende andere goden geïdentificeerd, doch deze allen schijnen gestalten van Horus, of Thoth, te zijn.

I-em-hetep.

I-em-hetep, een andere zoon van Ptah, werd eveneens als een lid van het groote drietal van Memphis beschouwd. Zijn naam beteekent “Kom in vrede” en werd hem gegeven, omdat men dacht, dat hij de geneeskunde aan de menschheid had gebracht. Evenals zijn vader Ptah, schildert men hem met een hoofdkap af. Voor hem ligt een [162]papyrusrol, om zijn karakter als god der studie en het leeren aan te duiden, doch hij was in Egypte meer populair als god der medicijnkunde.

Later nam hij de plaats van Thoth, als schrijver van de goden, in en deed de tooverwoorden, welke de dooden tegen hun vijand in de Duat beschermen moesten, aan de hand. Hij bezat ook een karakter, dat met de begrafenis in verband stond en dit zou misschien kunnen bewijzen, dat geneeskundigen op eenige wijze met de kunst van balsemen in verband stonden.

I-em-hetep.

I-em-hetep.

In een tekst der Ptolemaeën, in zijn tempel op het eiland Philae, wordt hij genoemd: “hij, die het leven aan alle menschen schenkt”. Men dacht ook, dat hij aan de lijdenden het geschenk van den slaap zond en werkelijk stonden de bedroefden en terneergeslagenen onder zijne bijzondere bescherming.

Budge verkondigt de meening, dat, indien wij zijn geschiedenis vanaf het begin konden opsporen, wij wellicht zouden vinden, dat hij oorspronkelijk een zeer kundig medicus was, die aan de Egyptenaren eenige elementaire kennis der geneeskunde bijgebracht had, en die eenigszins met de wijze om de lichamen der dooden door middel van kruiden, specerijen en linnen inwikkelingen te bewaren, vertrouwd was.

Dit vermoeden is zeer waarschijnlijk, alleen de geneesheer moet in later tijd geheel anders voorgesteld zijn, zooals men uit het gebruik van den papyrus-rol zien kan. I-em-hetep was de god van de geneesheeren en van hen, die zich met geneeskundige magie ophielden en zijn vereering was in Memphis waarschijnlijk zeer oud.

Budge gaat zelfs zoover om te vermoeden, dat I-em-hetep de tot een godheid verheven gestalte van een aanzienlijk geneesheer was, die tot de priesterschap van Ra behoorde en die tegen het einde van de regeering der 3e dynastie leefde.

In de gezangen, welke in den tempel van Antuf aangeheven [163]werden, komen wij de volgende passage tegen: “Ik heb de woorden van I-em-hetep en Heru-tata-f gehoord, welke steeds herhaald worden, doch waar is tegenwoordig hun plaats? Hun muren zijn omver geworpen, hun woonplaatsen bestaan niet meer en het is, alsof zij nooit bestaan hebben. Niemand kan ons verklaren, wat voor wezens zij waren en niemand kan ons over hun bezittingen vertellen.

Heru-tata-f was een man van groote leerkracht en deze bracht, zooals wij in het Verhaal van den Toovenaar, elders in dit werk, beschreven, die geheimzinnige personen naar het hof van zijn vader Khufu. Hij ontdekte ook eenige hoofdstukken van het Boek der Dooden.

Budge vermoedt, dat I-em-hetep, die in verbinding met hem genoemd wordt, een man van hetzelfde type was, n.1. een kundig geneesheer, wiens woorden en daden verdienden, met de woorden van Heru-tata-f op één lijn gesteld te worden.

De afbeeldingen van I-em-hetep doen vermoeden, dat hij van menschelijken en plaatselijken oorsprong was en hij oefende op de verbeelding der latere Egyptenaren, uit den Saïtischen en Ptolemaeïschen tijd, grooten invloed uit. Hij was inderdaad een soort van Egyptischen Harpocrates, iemand, die, zooals Budge vermoedt, vanwege zijn groote kennis als geneesheer, tot een god verheven is.

Khnemu.

In de stad Elephantine werd een drietal groote goden vereerd. Dit bestond uit Khnemu, Satet en Anqet.

Khnemu.

Khnemu.

De vereering van eerstgenoemden god dateerde al uit oer-oude tijden en zelfs in de inscriptie van koning Unas vinden wij over hem gesproken op een wijze, welke bewijst, dat hij zeer oud was.

Zijn positie was steeds zeer verheven en zelfs tot het laatste toe, schijnt hij in de oogen van de Gnostici van zeer groot gewicht geweest te zijn. Khnemu was waarschijnlijk [164]een god van de Egyptenaren uit den prae-dynastieken tijd.

Zijn symbool is de ram, met platte horens voorzien; deze schijnt uit het Oosten ingevoerd te zijn. Na de 12e dynastie vinden wij hem echter in geen enkele inscriptie vermeld.

Gewoonlijk wordt hij in de gestalte van een man, met den kop van een ram voorzien, voorgesteld, terwijl hij de witte kroon draagt en soms de schijf. Op sommige afbeeldingen ziet men hem water over de aarde uitgieten en op weer andere met een juk boven zijn horens; dit is ongetwijfeld een aanwijzing, dat hij met vochtigheid in verband staat.

Zijn naam beteekent de bouwer, of vormer en hij was het, die den eersten mensch aan het pottebakkerswiel vormde, die het eerste ei, waaruit de zon ontsproot, vervaardigde en de lichamen der goden samenstelde en voortging hen te beschermen.

Khnemu is te Elephantine, vanaf onheuglijke tijden, vereerd en daarom was hij de god van de eerste Cataract. Zijn tegenhangsters, Satet en Anqet, zijn als een gedaante van de ster Sept en als een Nubische locale godin geïdentificeerd.

Uit de teksten is het volkomen duidelijk, dat Khnemu, evenals Hapi, oorspronkelijk een riviergod was, die als de god van den Nijl en de jaarlijksche overstrooming beschouwd werd en het kan zijn, dat hij en Hapi Nijlgoden waren, door twee verschillende rassen ingevoerd, of misschien door het volk uit twee verschillende deelen van het land.

In de teksten wordt hij genoemd “de vader van de vaderen der goden en godinnen, heer van de dingen door hemzelf geschapen, maker van hemel, aarde, Duat, water en bergen”, zoodat wij zien, dat hij, evenals Hapi, met de scheppingsgoden vereenzelvigd is.

Soms wordt hij voorgesteld als iemand met een menschelijk [165]lichaam, waarop de koppen van 4 rammen geplaatst zijn en daar hij de attributen van Ra, Shu, Geb en Osiris met die van zichzelf vereenigd heeft, stellen deze koppen waarschijnlijk de genoemde goden voor. Brugsch echter werpt het vermoeden op, dat zij de vier elementen, vuur, lucht, aarde en water voorstellen. Doch het is zeer moeilijk in te zien, hoe dit mogelijk is. In elk geval stelt Khnemu, wanneer hij met de vier koppen afgebeeld wordt, de groote, oorspronkelijke scheppingskracht voor.

De Legende over de Bron van den Nijl.

De krachten welke Khnemu-Ra als god van den aardschen Nijl werden toegeschreven, zijn in een legende belichaamd, welke in 1890 in een inscriptie, op een rots van het eiland Sahal, gevonden werd. De koning, die in deze inscriptie vermeld wordt, is als Tcheser, den derden vorst der 3e dynastie, geïdentificeerd.

De geschiedenis nu vertelt ons, dat in het 18e jaar van de regeering van dien koning, een hongersnood Egypte teisterde, omdat de Nijl gedurende 7 jaren het land niet overstroomd had. Dus was het graan schaarsch, de velden en tuinen brachten niets op, zoodat het volk gebrek had aan voedsel.

Sterke menschen waggelden, evenals oude menschen, de bejaarden vielen zelfs ter aarde en stonden niet meer op en de kinderen schreeuwden luide door den honger. Zelfs werden de menschen dieven, om het weinige voedsel, dat er nog was, in bezit te krijgen en beroofden zij hun buren.

Verhalen over dezen verschrikkelijken toestand bereikten de ooren van den koning en hij werd hierdoor smartelijk getroffen. Hij herinnerde zich, dat de god I-em-hetep, de zoon van Ptah, Egypte eens van een dergelijke ramp bevrijd had, doch toen hij diens hulp inriep, verwaardigde de god zich geen antwoord.

Daarop zond koning Tchesen een bode naar zijn gouverneur [166]Māter, die het Zuiden bestuurde, n.l. het eiland Elephantine en Nubië en vroeg hem, waar de bron van den Nijl was en welke de naam van den god, of de godin, van die rivier was.

Māter, de gouverneur, begaf zich in hoogst eigen persoon op weg, om zijn heer het antwoord op zijn vraag te brengen. Hij vertelde hem, bij zijn aankomst, van het wonderlijk eiland Elephantine, waarop de eerste van alle steden gebouwd was; hieruit rees de zon op, wanneer zij de menschen het leven schenken wilde. Hier bevond zich ook een dubbel hol, in de gestalte van twee harten; uit dit hol kwam de vloed van den Nijl op, om het land met vruchtbaarheid te zegenen, wanneer de god de grendels van de deur in het daarvoor passende jaargetijde terugschoof. Deze god was Khnemu.

Māter beschreef hierop aan zijn meester den tempel van den Nijlgod, in Elephantine en vertelde, dat zich daarin nog andere goden bevonden, onder hen de groote goden Osiris, Horus, Isis en Nephthys. Hij vertelde verder over de producten van het land en zei, dat men hiervan aan Khnemu offers brengen moest.

Daarop stond de koning op, bracht offers aan den god en aanbad hem in zijn tempel. En de god verhoorde hem en verscheen aan den koning die door smart getroffen was. Hij zeide tot hem: “Ik ben Khnemu, de Schepper. Mijn handen rusten op u, om u te beschermen en uw lichaam gezond te maken.... Ik schonk u uw hart.... Ik ben het, die het schiep. Ik ben de oorspronkelijke watermassa, ik ben de Nijl, die, al naar hij wil, rijst, om gezondheid te geven aan hen, die arbeiden. Ik ben de gids en leider van alle menschen, de Almachtige, de vader van de goden, Shu, de machtige bezitter der aarde”.

Daarop beloofde de god aan den koning, dat vanaf dat oogenblik de Nijl, evenals in oude tijden, weer zou rijzen, dat de hongersnood op zou houden en dat een groote voorspoed over het land zou komen. Doch hij [167]wees den koning er eveneens op, dat zijn heiligdom verlaten was en dat niemand moeite deed dit te herstellen, hoewel de steenen in het rond verspreid lagen.

De koning hield dit in de gedachten en vaardigde een bevel uit, dat de landen aan beide zijden van den Nijl, bij het eiland, waar Khnemu woonde, voor den god bestemd moesten worden, als schenking aan zijn tempel, dat priesters zijn heiligdom bedienen moesten en dat voor hun onderhoud een belasting door het dichtstbijgelegen land opgebracht moest worden.

Dit besluit liet de koning op een steenen zuil graveeren en dezen op een goed zichtbare plaats zetten, als een klein bewijs van dankbaarheid aan god Khnemu, den Nijlgod.

Satet.

Satet4, de voornaamste tegenhangster van Khnemu, was eveneens een godin der overstrooming. Haar naam beteekent waarschijnlijk “uitgieten” of “naar buiten strooien”, zoodat zij een godin kan aanduiden, die de kracht van den regen bestuurde. In haar hand draagt zij een boog en pijlen, evenals Neith, en dit is een typische voorstelling van den regen, of bliksemstraal. Zij werd als een gestalte van Isis beschouwd en wel hierdoor, omdat beiden met de ster Sept verbonden waren en in deze gestalte verschijnt zij in het Boek der Dooden, als een tegenhangster van Osiris.

Anqet.

Anqet, het derde lid van het drietal uit Elephantine, was een zuster-godin van Satet. Zij droeg een kroon van veeren, een omstandigheid, welke aanduidt, dat haar oorsprong een zuiver Afrikaansche was en wellicht was zij een godin van een van de eilanden van de eerste Cataract.

Vanaf zeer oude tijden is zij met de andere leden van het drietal vereenigd en haar cultus was, door het Noordelijk [168]gedeelte van Nubië, wijd en zijd verspreid. In later tijd was Sahal het middelpunt van haar vereering en hier werd zij als koningin van dat eiland beschouwd en werd, waarschijnlijk onder de 18e dynastie, een tempel voor haar gebouwd. Zij bezat ook een heiligdom te Philae en werd daar met Nephthys geïdentificeerd, zooals noodzakelijk is, als men op het feit let, dat Osiris met Khnemu en Satet met Isis vereenzelvigd is.

Brugsch beschouwt haar als de verpersoonlijking van de wateren van den Nijl en meent, dat haar naam beteekent: “omringen, omvatten” en dat dit op de omvatting en de voeding van de velden, door de rivier, slaat.

Aten.

Aten, de zonneschijf, vertegenwoordigt in de Egyptische mythologie een klasse op zichzelf. Hoewel hij oppervlakkig beschouwd eenige kenmerkende eigenschappen met andere zonnegoden van Egypte gemeen heeft, toont ons een nadere beschouwing van deze godheid aan, dat hij in vele opzichten aanmerkelijk van dezen verschilt en dat zijn vereering inderdaad geheel vreemd is aan den godsdienstigen genius van het Egyptische volk.

De dienst van Aten, van welken voor den tijd van Amen-hetep IV nog weinig melding gemaakt wordt, trad onder de regeering van dien vorst plotseling op den voorgrond en werd gedurende eenigen tijd de staatsgodsdienst van Egypte.

Aten.

Aten.

Aangaande zijn oorsprong is niets bekend en waarschijnlijk was Aten, ten tijde van het Middenrijk, een onbekende, locale godheid, ergens in de buurt van Heliopolis vereerd. Zijn gewichtige positie in het Egyptische pantheon is aan het feit te danken, dat zijn eeredienst rechtstreeks de oorzaak werd voor een godsdienstige, sociale en artistieke revolutie, welke onder de regeering van Amen-hetep IV plaats had.

Met de omverwerping der Hyksos-koningen en de [169]stevige vestiging van de Thebaansche monarchie (bij het begin der 18e dynastie), nam Amen, de plaatselijke god van Thebe, de eereplaats in het Egyptische pantheon in en werd als Amen-Ra vereerd.

Het is echter bekend, dat Thothmes IV zich beijverde, den eeredienst van Ra-Harmachis te herstellen. Zijn zoon, Amen-hetep III, bouwde voor dezen god en voor Aten te Memphis en Thebe, tempels. Zijn vrouw Tyi5, schijnt deze pogingen ondersteund te hebben; zij was een dochter van Iuaa en Thuau; deze, hoewel niet verwant met de koninklijke familie, werd het hoofd van de koninklijke vrouwen.

Misschien was zij zelf een vereerster van Aten, dit zou de eerbied, welke haar zoon, Amen-hetep IV, voor dien god bezat, kunnen verklaren. Hij nam den titel aan van “hoogepriester van Ra-Heru-Akhti6, den verhevene aan den horizon, onder zijn naam van Shu, die in Aten is”; hieruit zien wij, dat hij Aten, in overeenstemming met het in die tijden overheerschende gevoelen, eerder als de verblijfplaats van den zonnegod, dan als dien god zelf, beschouwde.

In de eerste jaren van zijn regeering vereerde Amen-hetep Amen en Aten beiden, den eersten in zijn kwaliteit van vorst, den laatsten meer in zijn particuliere functie, terwijl hij eveneens te Thebe een groote obelisk ter eere van Ra-Harmachis bouwde.

Daarop werd het echter meer en meer duidelijk, dat de koning Aten boven alle andere goden trachtte te verheffen. Dit was echter aan de vereerders van Amen geenszins aangenaam; hierbij kwam nog, dat de priesters van dezen uit de eerste families gelicht werden. Er ontstond nu een strijd tusschen de vereerders van Amen-Ra en dien van Aten en ten slotte bouwde de koning een nieuwe hoofdstad, aan Aten gewijd, op de plaats van het tegenwoordige [170]Tell-el-Amarna, in Midden-Egypte. Hij trok zich daarop met zijn volgelingen terug, toen de strijd haar hoogtepunt bereikte. Aan de nieuwe stad gaf hij den naam van Akhet-Aten (horizon van Aten). Zijn eigen naam veranderde hij in dien van Akh-en-Aten (roem van Aten).

De vereering van een eenig god.

Eén van de kenmerken van den nieuwen godsdienst was, dat het wezenlijk een monotheisme was en geen andere goden naast zich dulden kon. Daarom was het onmogelijk, ook al waren bepaalde zonnegoden onder gelijke omstandigheden met Ra vereenigd, dat dit bij Aten evenzeer gebeuren kon.

Niet alleen was hij de koning der goden, hij was de god. Dit monotheisme behield echter nog vele vormen en riten van andere eerediensten, paradoxaal als dezen geschenen moeten hebben. De koning behield zijn titel van “zoon der zon” (Aten), terwijl hij zijn Horus- en andere titels met die van Aten ruilde. De begrafenisgebruiken en het gebruik van den scarabaeus bleven bewaard.

De naam van Amen-Ra, waarmede zij vroeger verbonden waren, was overal uitgewischt, op bevel van den koning, zelfs waar deze een deel van een eigennaam vormde. Den tempel, welken de koning voor zijn god in Akhet-Aten bouwde, noemde hij Het-Benben, “het huis van het Pyramidium”. Deze werd echter nooit voltooid.

De godsdienst, welken men het Egyptische volk trachtte op te dringen, vond geenszins een gul onthaal. De godheden, welke zich tot dusver in iedere nome, of provincie, ontwikkeld hadden, hadden ieder hun bijzondere eigenschappen en ritus en elk van dezen moest door de centrale godheid aan zich getrokken worden. Maar, zooals reeds gezegd is, de aard van Aten liet een dergelijke fusie met plaatselijke goden niet toe. Hij was inderdaad een kleurloozer god dan Amen, of Horus.

Het is de moeite waard, de waarschijnlijke motieven [171]van Akh-en-Aten, bij de invoering van dezen nieuwen cultus in Egypte, aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Men heeft vermoed, dat de invoering van den Aten-dienst een verlichte, misschien eenigszins misplaatste, poging was om Egypte onder den schepper van één godsdienst, waaraan allen konden deelnemen, te vereenigen en wel een godsdienst, welke niet het cachet van een bepaalde kaste, of een bepaald ras, droeg en bijgevolg voor Syriërs, Aethiopiërs, of Egyptenaren, gelijkelijk aannemelijk zijn kon.

Indien dit zijn doel was, is het duidelijk, dat het Egyptische volk voor deze omwenteling niet gereed was. De krachtige en fanatieke maatregelen van Akh-en-Aten verzwakten zijn eigen oogmerken en verwekten wantrouwen en haat tegen deze Aten-ketterij.

Een Sociale Omwenteling.

Gelijktijdig met deze revolutie, op godsdienstig gebied, vond er een sociale en artistieke omwenteling, van niet minderen omvang, plaats. Aten was, tenminste in theorie, als godheid van de kluisters van mythe en ritus, welke rondom zijn voorgangers vastgeroest waren, bevrijd. Zijn cultus was in wezen een naturalistische. Het maatschappelijk leven richtte er zich daarom naar in, vrijer en natuurlijker te worden.

De koning en de koningin bewogen zich thans onder het volk met minder plechtigheid, dan zij tot nog toe gewoon waren; het familieleven was aan minder beperking onderworpen, kortom, overal werd een bepaalde voorliefde voor alles, wat natuurlijk en spontaan was, merkbaar.

De beweging verbreidde zich langzamerhand zelfs tot de kunst van het volk; deze toch toont, in zekere kleuren, een bepaald breken met de gevestigde tradities, daar de kunstenaars, onder de regeering van dien vorst, voor het eerst de licht- en schaduweffecten apprecieeren en eveneens die van een zuiverder schets. [172]

Ongelukkigerwijze bezitten wij niet voldoende gegevens, om de periode van Akh-en-Aten’s regeering nauwkeurig te kennen. Waarschijnlijk vulde deze een twintigtal jaren. Na hem kwamen verschillende andere heerschers, doch geen van dezen nam den Aten-cultus in bescherming, zoodat deze spoedig verminderde, terwijl de suprematie van Amen-Ra in allen luister hersteld werd. Alle monumenten en tempels, ter eere van Aten opgericht, werden weggevaagd en eerst kort geleden door Lepsius, Petrie en Davis weer ontdekt. Het laatste toevluchtsoord van den god was Heliopolis, waar een heiligdom voor hem in stand bleef.

De Attributen van Aten.

Zooals reeds opgemerkt is, was hij een eenigszins kleurlooze god en misschien kan hij beter onderscheiden worden door de attributen, welke hem niet, dan die hem wel toegeschreven worden, hoewel sommige attributen van Ra, Horus en andere voorstellingen van den zonnegod, hem langzamerhand gegeven werden.

Van zijn oorspronkelijk ondergeschikte positie, als de verblijfplaats van Ra, n.l. de schijf, waarin de godheid huisde (“Ra in zijn Aten”), duidde Aten langzamerhand den god en de zonneschijf beiden aan.

Pogingen, welke aangewend zijn, om hem met den Semitischen Adonai (den Griekschen Adonis) te identificeeren, hebben geen succes opgeleverd. Een aanwijzing voor de vroegere positie van Aten, in het pantheon, kan men in het Boek der Dooden vinden, waar Ra als volgt wordt toegesproken: “O Gij schoon wezen, Gij hernieuwt Uzelf en maakt U weder jong, in de gedaante van Aten”. “Gij wendt Uw gelaat naar de onderwereld en Gij maakt, dat de aarde op fijn koper gelijkt. De dooden verrijzen om U te zien, zij ademen de lucht in en zien naar Uw aangezicht, wanneer Aten aan den horizon schijnt”. [173]

Een Aten-hyme.

Gedurende den tijd, dat zijn cultus in Egypte de voornaamste was, werd Aten door zijn vereerders, als de uit zichzelf voortgekomen en altijd durende schepper, de bevruchter en voeder van de aarde en al, wat deze bevat, de god, die de levens der menschen bepaalt, beschouwd.

Aten werd in een lijst afgebeeld, waarin hij genoemd wordt: “Heer van den hemel, Heer der aarde, Hij, die voor altijd leeft, Hij, die de aarde verlicht, Hij, die in waarheid regeert”.

Een buitengewoon schoone en poëtische hymne ter eere van Aten, waarin hij verheerlijkt wordt als de schenker van het leven en de vruchtbaarheid van alle wezens, is in de graftombe van Aï, een hoog ambtenaar, onder Amen-hetep, of Akh-en-Aten, gevonden. Deze hymne begint aldus:

Schoon is Uw schitterende verschijning aan den horizon des hemels,

O Aten, gij, die leeft en zelf het begin van het leven zijt.

Hij is het, die den Nijl in de Duat maakte en hem naar de menschen geleidde, terwijl hij zijn wateren deed rijzen; hij zendt, eveneens den regen naar de landen, welke buiten het bereik van den weldadigen vloed van den Nijl zijn.

Gij maakt den Nijl in de onderwereld, gij geleidt hem hierheen, indien het U lust,

Opdat hij leven kan geven aan de menschen, die gij uit Uzelf gemaakt hebt, Heer over allen!

Gij geeft den Nijl in den hemel, opdat hij naar hen zal afdalen.

Deze laat zijn wateren over de rotsen rijzen, gelijk de zee en hij bevochtigt hun akkers in hun nomen.

Zoo zijn Uw middelen volmaakt, o Heer der Eeuwigheid, Gij, die de hemelsche Nijl zijt.

Gij zijt de koning van de inwoners van het land.

En van het vee, dat in ieder land op voeten gaat,

De Nijl komt uit de onderwereld naar Egypte.

De Aten-hymnen leggen hun god zulke attributen bij, als ieder volk in zijn zonnegod zien kan. Alle opsmuk, welke bij den cultus van Ra, Osiris en dergelijke godheden behoort, is bij hem afwezig. Hier geen vermelding [174]van de schepen, waarmede de goden door den hemel voeren, evenmin van Apep, de groote slang en de andere vijanden van Ra, noch van de gezelschappen van goden en godinnen, die zijn trein vormden.

Bij den Aten-cultus vinden wij geen strijd, zooals bij dien van Horus, noch ontmoeten wij ceremonies en ritueel van het gebied van Osiris. Al deze dingen komen bij den Aten-dienst niet voor. Gemakkelijk begrijpt men, waarom deze dienst mislukte, toen er een beroep op het Egyptische volk gedaan werd.

Aten werd zelfs niet in menschelijke gestalte afgebeeld, zooals Ra en Osiris, doch onveranderlijk als de zonneschijf voorgesteld, terwijl stralen vanuit deze in benedenwaartsche richting vielen. Elke straal eindigde in een menschelijke hand en hieraan waren somtijds de teekenen van het leven, der kracht, enz., vastgehecht.

Reliefs uit dezen tijd schilderen den koning en de koningin herhaaldelijk af, in gezelschap van hun kinderen zittend, terwijl zich boven hun hoofden het symbool van Aten bevindt, en een van zijn talrijke handen het levensteeken van elk lid der koninklijke familie aanduidt.

Kortom, de cultus van Aten was een zuivere en onveranderlijke zonnevereering, van welke men echter de schilderachtige geschiedenis, welke aan het hart der Egyptenaren zoo dierbaar was, had afgenomen.

Hathor.

Het is niet gemakkelijk de ware mythologische beteekenis der godin Hathor, de beschermster van de vrouwen, de liefde en het genoegen, meesteres van den hemel en de onderwereld, te peilen.

Hathor.

Hathor.

Zij nam een zeer aanzienlijke positie in het pantheon van het oude Egypte in, daar zij uit zeer oude, zelfs prae-dynastieke tijden dateerde. In de opvatting over Hathor vinden wij een menigte mythologische ideeën vermengd; zij is een maangodin, een godin van de lucht, van het [175]Oosten, het Westen, een godin, die met het heelal in verbinding staat, die tevens den landbouw beschermt, zij was verder een godin der vochtigheid en soms zelfs een zonnegodin. Hoewel haar oorspronkelijke vorm dus in het duister gehuld is, vermoedt men, dat zij in den beginne een maangodin was en wel om redenen, welke hieronder volgen.

De oorspronkelijke gestalte, waarin Hathor vereerd werd, was die van een koe. Later wordt zij als een vrouw, met den kop van een koe voorgesteld en ten slotte met een menschelijk hoofd, met een breed, vriendelijk en kalm gelaat, dat ongetwijfeld de gelijkenis met den kop van een koe vertoont, terwijl het soms nog de horens van het dier waarop zij lijkt, behouden heeft.

Soms ook ziet men haar met een haardos, welke op een paar horens gelijkt, met de schijf van de maan daartusschen. Soms ook ontmoet men haar in de gestalte van een koe, welke in een boot staat, omringd door papyrus-riet.

Nu wordt in de mythologie de koe dikwijls met de maan geïdentificeerd—waarom, is moeilijk uit te maken. Misschien is het te gewaagd, om de veronderstelling op te werpen, dat de verschijning van de maan, welke op sommige tijdstippen eenige gelijkenis met een hoorn heeft, de menschen op de gedachte gebracht heeft dat zij op een of andere wijze met de koe in verband staat.

Mythologie is in vele gevallen op zulke oppervlakkige gelijkenissen en analogieën gebaseerd en door dezen leert de geest van den oorspronkelijken mensch het eerst denken. Ook zou het kunnen zijn, dat de koe, een dier van groot gewicht voor landbouwers, met de maan verbonden werd, daar deze als meesteres van het weer en als voornaamste oorzaak van den groei en de vruchtbaarheid beschouwd werd.

Het feit, dat Hathor soms in de gedaante van een koe, in een boot, gezien wordt, wettigt het vermoeden, [176]dat zij eveneens een watergodheid was en verhoogt tevens de waarschijnlijkheid, dat zij met de maan vereenzelvigd werd; de laatste immers werd door de Egyptenaren als de bron van alle vochtigheid beschouwd.

De naam Hathor beteekent: “Huis van Horus”, d.w.z. de lucht, waarin de zonnegod Horus woonde en er is geen twijfel aan, of Hathor werd op zeker tijdstip als een godin van de lucht beschouwd, of als een godin van de Oostelijke lucht, waar Horus geboren was; ook is zij met de lucht van den nacht geïdentificeerd en met de lucht van den zonsondergang.

Indien wij haar echter als een maangodin beschouwen, zal veel van de mythologie, welke op haar betrekking heeft, duidelijk worden. Er wordt b.v. dikwijls over haar gesproken als “Oog van Ra”; Ra bezit hier waarschijnlijk de verdere beteekenis van god van de lucht. Ook wordt zij aangeduid als de “gouden”, die hoog in het Zuiden, als de vrouw van Teka, staat en het westen als de heerscheres van Sais verlicht.

Dat zij de heerscheres in de onderwereld was, is eveneens niet te verwonderen, indien wij haar identiek met de maan beschouwen; onderneemt de maan toch niet een dagelijkschen pelgrimstocht door Amentet? Evenmin is het verbazingwekkend, dat men een godin van vochtigheid en plantengroei in de onderwereld vinden kan, terwijl zij water uitdeelt aan de zielen der gestorvenen, uit de takken van een palm, of vijgeboom.

Hathor als Godin der Liefde.

Op dezelfde hypothese kunnen wij de eenigszins paradoxale bewering uitleggen, dat zij de moeder van haar vader, de dochter van haar zoon is, dat zij de moeder, vrouw en dochter van Ra is. Men kan toch de maan, wanneer zij aan den hemel verschijnt vóór de zon, als Ra’s moeder beschouwen; wanneer zij tezamen met hem regeert, is zij zijn vrouw; als zij opkomt, nadat de zon ondergegaan is, is zij zijn dochter. [177]

Het is verder mogelijk, dat de maan, met haar voortbrengende en onderhoudende kracht, beschouwd is als de scheppende en schragende kracht van het heelal, de groote moeder van den kosmos, welke niet alleen de goden en godinnen, over wie zij regeerde, voortbracht, doch eveneens haar zelf.

Zij ontving de eerbewijzen van de Egyptische vrouw, als het ideaal van vrouwelijkheid, zoowel als moeder, vrouw, of dochter en zij werd de beschermgodin van de liefde, de vreugde en pret, beschermster van muziek en zang, beschermster van den dans en de meesteres van de slingers.

Ter harer eere werden tempels opgericht van welke die in Denderah, in Boven-Egypte, van buitengewone schoonheid is, en zij bezit ontelbare andere heiligdommen. Langzamerhand werd zij met verschillende plaatselijke godheden vereenigd en men heeft inderdaad verkondigd, dat alle godinnen vormen van Hathor waren.

Als wachteres over de dooden wordt Hathor als koe voorgesteld, komende uit den berg in het westen en ook terwijl zij op den top van dezen staat, en de ondergaande zon en de zielen der dooden ontvangt, terwijl de laatsten in de voetstappen van den zonnegod treden.

In dit geval kan men Hathor als de lucht van het Westen beschouwen, doch de mythe kan eveneens op de maan betrekking hebben, welke soms op de bergen van het Westen staat, na zonsondergang, met horens, welke op uitgestrekte armen lijken, om de onzichtbare zielen te verwelkomen.

Er moet nog een ander punt met betrekking tot het mythologisch aspect van Hathor besproken worden. Toen zij, als dochter van Ra, geboren was (haar moeder was Nut, de godin der lucht) was zij geheel zwart. Dit feit laat verschillende verklaringen toe. Het kan zijn, dat Hathor’s zwart uiterlijk een aanwijzing is voor een Aethiopische afkomst, of ook kan het zijn, dat zij een voorstelling [178]is van de lucht des nachts, welke met den groei van den dag licht wordt.

Het is echter ook mogelijk, haar als een voorstelling van de maan te beschouwen, welke zwart geboren wordt, met slechts een kleine lichtsikkel, doch welke helderder wordt, als zij ouder wordt. Het is niet waarschijnlijk, dat de scherpziende oogen van den eersten mensch de donkere maanschijf niet opgemerkt zouden hebben, welke aan de buitenzijde nog door het licht, dat door de aarde teruggekaatst werd, verlicht werd.

De Menschenslachting.

In de volgende mythen over Ra en Hathor wordt de laatste geheel en al met de maangodin geïdentificeerd. Het verhaal luidt aldus:

Lang geleden woonde Ra, de zonnegod, de schepper van den mensch en alle andere wezens, en heerscher over de goden, op aarde. Een tijd lang bewezen de menschen hem den eerbied, aan zijn hooge positie verschuldigd, doch ten slotte werd hij oud, en zij bespotten hem, terwijl zij zeiden: “zie eens, zijn beenderen zijn als zilver, zijn armen lijken op goud, zijn haar is echte lapis-lazuli”. Nu was Ra zeer vertoornd, toen hij deze godslastering hoorde, daarom riep hij zijn volgelingen bijeen, de goden en godinnen van zijn gezelschap, Shu en Tefnut, Geb en Nut en Hathor, het oog van Ra.

In het geheim kwamen de goden samen, zoodat de menschenkinderen niets van hun bijeenkomst weten konden. Toen zij nu allen rondom den troon van Ra verzameld waren, sprak hij tot Nun, den oudste van de goden:

“O Nun, gij eerstgeborene van de goden, wiens zoon ik ben, ik smeek U, geef mij raad. De menschen, die ik geschapen heb, bedenken booze dingen tegen mij, zelfs zij, die uit mijn oog te voorschijn gekomen zijn. Zij hebben in hun haat gemompeld en zeiden: Zie, de koning is [179]oud geworden, zijn beenen lijken op zilver, zijn armen op goud, zijn haar lijkt op werkelijke lapis-lazuli. Zeg mij, wat moet ik tegen hen doen? Ik heb over Uw raad gedacht. Ik wil hen niet vernietigen, voordat gij gesproken hebt”.

Hierop antwoordde Nun:

“O Gij groote God, die grooter zijt, dan hij, die U maakte, Gij, die grooter zijt, dan Uw vader, wend slechts Uw oog tegen hen, als zij godslasteren en zij zullen van de aarde verdwijnen”.

Hierop wendde Ra werkelijk zijn oog naar de lasteraars, overeenkomstig den raad van Nun. De menschen echter vluchtten voor het oog van Ra en verborgen zich in woestijnen en rotsachtige plaatsen. Hierop gaven alle goden en godinnen aan Ra den raad, zijn oog onder de menschen te zenden, om hen op smartelijke wijze te treffen.

Het oog van Ra daalde daarop van den hemel, in de gedaante van de godin Hathor, trof de menschen in de woestijn en doodde hen. Daarop keerde Hathor naar het hof van Ra terug en toen de koning haar verwelkomd had, zeide zij: “Ik ben machtig geweest onder de menschen. Dit is mijn hart aangenaam”.

Den geheelen nacht waadde Sekhmet7 in het bloed van hen, die gedood waren en ’s morgens vreesde Ra, dat Hathor alle nog overigen van het menschelijk geslacht zou vernietigen; daarna sprak hij tot zijn dienaren: “Breng mij snelle boden, die de winden voorbijloopen”.

Toen de boden verschenen waren, verzocht de koning hen een groot aantal alruinen uit Elephantine te halen. Ra gaf dezen daarop aan Sekhmet en verzocht hem, dezen fijn te stampen; toen dit gedaan was, mengde hij de alruinen met een hoeveelheid van het bloed van hen, die Hathor gedood had.

Ondertusschen waren dienstmaagden bezig, bier uit [180]gerst te maken en hierin goot Ra het mengsel. Aldus werden 7000 kruiken bier gemaakt.

Des morgens verzocht Ra zijn dienaren, het bier naar de plaats te brengen, waar Hathor de overgebleven menschen zou trachten te dooden en het daar uit te gieten. Want de godheid zei bij zichzelf: “Ik zal de menschen uit haar handen bevrijden”.

Het gebeurde werkelijk, dat Hathor, tegen de schemering, de plaats bereikte, waar het bier lag, dat de velden overstroomde. Zij verheugde zich zeer over de weerkaatsing van haar schoon gezicht, dat haar uit den stroom toelachte en zooveel dronk zij van het bier, dat zij dronken werd en niet meer in staat was, menschen te dooden.

Vanaf dien tijd werden er, ter herinnering aan deze gebeurtenis, luidruchtige feesten gevierd.

Er is geen twijfel mogelijk, of in deze mythe is het bier een voorstelling van de jaarlijksche overstrooming van den Nijl en als men nog een verder bewijs zoekt dan dit, in deze geschiedenis vervat, kan men dit vinden in het feit, dat de uitgelaten feesten van Hathor, in de maand Thoth, de eerste maand van de overstrooming, vallen.

De wraak van Ra is ongetwijfeld een voorstelling van de rampen en het hongerlijden, dat het drooge seizoen, dat onmiddellijk den was van de rivier voorafgaat, vergezelt. Het oog van Ra—d.w.z. Hathor—moet, of de zon, of de maan zijn. Ra echter is de zonnegod, daarom moet Hathor waarschijnlijk als maangodin opgevat worden,

Men moet er wel aan denken, dat de Egyptenaren geloofden, dat de maan hardnekkig haar best deed de overstrooming te verhinderen en haar dus waarschijnlijk als de bron van alle rampen, welke door de droogte ontstonden, beschouwden. Het is eveneens evident, dat het oog van Ra onder de menschen een verwoesting aanrichtte gedurende den nacht en dat de schemering van den dag aanbrak, nadat de godin de menschen gedood had, toen zij stroomopwaarts ging. [181]

Vormen van Hathor.

Hathor wordt soms met de ster Sept, of Sothis (Sirius), geïdentificeerd, welke, met de zon op- en ondergaande, opkwam op den eersten dag van de maand Thoth. Toen Ra zijn schip besteeg nam Sothis, of de godin Hathor, haar plaats, boven zijn hoofd, evenals een kroon in.

Steeds heeft men gewezen op de verschillende vormen van deze godin. Door de Grieken werd zij met Aphrodite vereenzelvigd en door de Egyptenaren met een menigte plaatselijke godinnen. De Zeven Hathors, die men soms als onafhankelijke godinnen vermeldt, waren slechts in werkelijkheid een van de gestalten der godin en dezen varieerden in de verschillende plaatsen.

Zoo waren de Zeven Hathors, in Denderah vereerd, Hathor van Thebe, Hathor van Heliopolis, Hathor van Aphroditopolis, Hathor van het Sinaï-schiereiland, Hathor van Momemphis, Hathor van Herakleopolis en Hathor van Keset.

Zij werden als jonge vrouwen, met tamboerijnen in de hand, voorgesteld en voorzien van de Hathor haardracht, uit een schijf en een paar horens bestaand. In de litanieën van Seker worden andere groepen van Zeven Hathors vermeld en Mariette onderscheidt nog een ander gezelschap onder dezen titel.

Kortom, Hathor is de voorstelling van het vrouwelijk element, oorspronkelijk, vruchtbaar en aantrekkelijk, zooals dat bij de meeste barbaarsche volken bekend is en dat in den loop der eeuwen meer vervalscht is.

Hapi, de Nijlgod.

Deze god werd speciaal met de groote rivier, waarvan het bestaan van Egypte afhing, verbonden en als zoodanig was hij in het Egyptische pantheon een god van groot gewicht. Langzamerhand werd hij met Osiris vereenzelvigd.

De naam Hapi wacht nog steeds op een vertaling en is [182]waarschijnlijk van prae-dynastischen oorsprong. Misschien komt de eerste vermelding van dezen naam voor in den tekst van Unas, waarin de Nijlgod aangespoord wordt, het graan, ten behoeve van den dooden vorst, vruchtbaar te maken. In dezelfde teksten wordt over Hapi eveneens als over een vernietigende kracht gesproken; dit is natuurlijk een symbolische voorstelling voor de overstroomingen, zoo dikwijls door den Nijl veroorzaakt.

Hapi.

Hapi.

Wat zijn verschijning betreft, bezit Hapi tegelijk mannelijke en vrouwelijke karaktertrekken, terwijl deze laatsten dan een aanwijzing zijn voor zijn voedingskracht. Als god van den Noordelijken Nijl draagt hij een kroon van papyrus en als god van het Zuidelijk deel der rivier, een van lotus-planten.

Deze twee vormen van Hapi zijn een gevolg van de aardrijkskundige verdeeling van het land in Boven- en Beneden-Egypte en soms worden zij tot één figuur vereenigd, wanneer men den god met beide planten in zijn hand ziet. Op de kronen van sommige Pharaohs vinden wij dikwijls den lotus en papyrus met het zinnebeeld der vereeniging verbonden, om de souvereiniteit van den vorst over beide streken aan te duiden.

De werkelijke positie van Hapi maakte het zeker, dat hij, als godheid, succes zou hebben. Het geheele land richtte het oog naar den Nijl, als de bron van alle rijkdom en voedsel, zoodat de god, welke dezen beschermde, snel in de achting van allen rees. Aldus werd Hapi snel met de grootere en meer uitstekende figuren in de oude Egyptische mythologie vereenzelvigd.

Op deze wijze kwam hij op gelijke lijn te staan met de groote, oorspronkelijke goden, die de wereld geschapen hadden en ten slotte beschouwde men hem als den maker en vormer van alles in het heelal. Wij vinden hem met de attributen van Nu, de oer-watermassa, voorzien en deze omstandigheden maakten hem inderdaad een vader [183]van Ra, die uit dat element te voorschijn gekomen was.

Hapi stond in meer onmiddellijk verband met de Egyptenaren, dan bijna ieder ander god in het pantheon. Zonder de zon zou Egypte in duisternis gehuld zijn, doch zonder den Nijl zou ieder levend wezen op zijn oevers zonder twijfel te gronde gegaan zijn.

De omstandigheid verder, dat de bronnen van den Nijl aan de Egyptenaren onbekend waren, brachten er veel toe bij om een mysterieus waas om de godheid van deze rivier te weven. Het volk kon het rijzen en val van de rivier niet begrijpen, daar het hen toescheen, dat deze onder bovennatuurlijke auspiciën plaats hadden.

Bij gelegenheid van den jaarlijkschen was van den Nijl werd ter eere van Hapi een groot feest gevierd en beelden van dezen god werd door de steden en dorpen gevoerd.

Het is opmerkelijk, dat in verschillende mythologieën, goden der vruchtbaarheid, door het rondvoeren van hun beelden door de straat, geëerd worden en het is eenigszins moeilijk in te zien, waarom dit geschiedde. Men kan echter niet beweren, dat alleen goden, die op het landbouw betrekking hebben, aldus werden rondgevoerd, maar men kan opmerken, dat dezen het meest van allen dergelijke eerbewijzen ontvingen.

Tegenhangsters van Hapi.

Isis werd in zeker opzicht als de tegenhangster van Hapi beschouwd, doch wij vinden eveneens, dat in het Noorden van Egypte de godin Natch-ura als de gezellin van Hapi werd beschouwd en dat Nekhebet, in het Zuiden, dezelfde functie bekleedde.

De volgende Hapi-hymne, in een papyrus, uit den tijd van de 18e of 19e dynastie, doet het gewicht van zijn vereering in Egypte ten duidelijkste uitkomen; deze luidt aldus:

“Eer zij U gebracht, U, Hapi, Gij verschijnt in dit land, [184]en Gij komt in Vrede om Egypte het leven te geven. Gij zijt de verborgene, de gids in de duisternis, op den dag, waarop het U aangenaam is, den weg te wijzen. Gij zijt de bevochtiger van de velden, welke Ra geschapen heeft, Gij geeft het leven aan de dieren, gij maakt, dat het geheele land onophoudelijk drinkt, wanneer gij van den hemel afdaalt. Gij zijt de vriend van brood en van Tchabu, gij maakt, dat Nepra in kracht toeneemt, gij maakt iedere werkplaats voorspoedig, o Ptah, gij heer der visschen; wanneer de overstrooming komt, strijkt geen watervogel op de velden, welke met tarwe bezaaid zijn, neer.

Gij zijt de schepper der gerst en gij maakt, dat de tempels in stand blijven, want millioenen jaren is de rust van uw vingers voor U een afschuw. Gij zijt de heer der armen en behoeftigen. Indien gij in den hemel overweldigd zoudt worden, zouden de goden op hun gezicht vallen en menschen zouden omkomen. Gij maakt dat de geheele aarde door het vee geopend wordt en vorsten en landbouwers liggen neer en rusten.

Uw gestalte is die van Khnemu. Wanneer Gij op aarde schijnt, stijgen er kreten van vreugde op, immers iedereen is verheugd en elk krachtig man ontvangt voedsel en ieder land wordt van voedsel voorzien. Gij zijt de brenger van voedsel, gij hebt de macht over eten en drinken, gij zijt de schepper van alle goede dingen, de heer van het hemelsche voedsel, aangenaam en heerlijk. Gij laat het voedsel voor het vee groeien en gij let op datgene, wat aan iederen god geofferd wordt. De uitgezochte wierook volgt U. Gij zijt de beheerscher der twee landen. Gij vult de voorraadschuren, gij stapelt de graanzolders hoog op met koren en gij let op de aangelegenheden van de armen en behoeftigen. Gij laat het gras en de groene kruiden wassen, om de verlangens van allen te stillen en gij wordt daardoor niet verkleind. Gij maakt, dat uw sterkte een schild van den mensch is. [185]

Nut.

De godin Nut was de dochter van Shu en Tefnut, de vrouw van Geb en de moeder van Osiris en Isis, Set en Nephthys. Van tijd tot tijd zijn waarschijnlijk een groot aantal andere godinnen in haar opgegaan.

Zij is echter de personificatie van de lucht, bij dag, terwijl een zekere Naut de lucht van den nacht voorstelt, doch deze onderscheiding dateert van veel vroeger Zij werd in werkelijkheid de tegenhangster van Nu en stelde de groote watermassa, waaruit alle dingen in den beginne ontstonden voor, zoodat Nut, de vrouw van Nu, en Nut, de vrouw van Geb, een en dezelfde zijn. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor, die een vaas met water op haar hoofd draagt en dit is een aanwijzing voor haar karakter. Soms draagt zij de horens en schijf van Hathor, doch zij heeft nog verschillende andere gedaanten als de groote moeder van de goden.

Hare meest voorkomende verschijning echter is die van een vrouw, welke op handen en voeten rust, met gebogen lichaam; op deze wijze stelt zij de lucht voor. Haar ledematen zijn een voorstelling van de vier zuilen, op welke men veronderstelde, dat de lucht rustte.

Oorspronkelijk dacht men, dat zij op Geb, de aarde, steunde, toen Shu haar uit deze houding deed oprijzen. Deze mythe is onder de inboorlingen van Amerika niet zeldzaam, in andere gedaante echter, daar de lucht gewoonlijk de plaats inneemt van den oer-vader en de aarde die van oer-moeder. Gewoonlijk worden dezen door de scheppende godheden gescheiden, juist zooals Geb en Nut, en de allegorie is een voorstelling van de scheiding van de aarde en de wateren, welke zich boven haar bevonden en van de schepping der wereld.

Volgens een andere mythe gaf Nut dagelijks het aanschijn aan den zonnegod en deze ging over haar lichaam, dat een voorstelling der lucht is. In een ander verhaal stelt men het voor, dat hij langs haar rug gaat. De ledematen [186]en het lichaam der godin zijn met sterren bezaaid.

Bij een andere schilderachtige beschrijving van Nut zien wij een tweede vrouwelijke gestalte binnen de eerste afgebeeld en in deze laatste weer het lichaam van een man, de twee laatsten in overeenstemming met de halfronde gedaante van de godin der lucht.

Men legt deze afbeeldingen aldus uit, dat de twee vrouwen de lucht van den dag en den nacht voorstellen, doch van het lichaam van den man geeft men zich geen rekenschap; wellicht stelt dat de Duat voor.

Op een andere plaats lezen wij, dat Nut in een groote koe veranderd werd en herhaaldelijk wordt zij in deze gestalte afgebeeld. In het Boek der Dooden lezen wij, dat de gestorvenen zich op haar verlaten, om frissche lucht te krijgen in de onderwereld, daar men geloofde, dat zij over de wateren hiervan de heerschappij voerde.

Zij bezat een heilige boom, een wilde vijgeboom, welke zich te Heliopolis bevond; aan den voet van deze werd de slang Apep door de groote kat Ra gedood. De takken van dezen boom werden als een toevluchtsoord voor de vermoeide gestorvenen, in den middag, gedurende den zomer beschouwd en in de schaduw van dezen werden zij door het voedsel, waarvan de godin zelf leefde, verkwikt.

Door de priesters te Denderah werd verzekerd, dat Nut uit hun stad afkomstig was en dat zij daar de moeder van Isis werd. Haar vijf kinderen, Osiris, Horus, Set, Isis en Nephthys werden op de 5 dagen geboren, welke aan de 360 toegevoegd waren. Evenals in Mexico, waren sommige van dezen ongeluksdagen.

Nut neemt in de onderwereld een voorname plaats in en de dooden dragen er zorg voor, de plichten jegens haar nauwkeurig te vervullen, waarschijnlijk om voldoende lucht te krijgen. Haar gunst vernieuwde inderdaad hun lichamen en zij waren in staat op te staan en iederen dag met den god te reizen, evenals Ra, de zoon van Nut. Een afbeelding van de godin werd dikwijls op het deksel der [187]lijkkist geschilderd, om zich van hare bescherming te verzekeren en dit werd zelden bij de Egyptische begrafenisplechtigheden nagelaten.

Taurt.

Men beeldt Taurt gewoonlijk als een nijlpaard, dat op zijn achterste pooten staat, af, terwijl zij in haar hand een amulet houdt, waarvoor men tot nog toe geen verklaring heeft kunnen vinden.

Taurt.

Taurt.

Op haar hoofd draagt zij de zonneschijf en twee lange veeren. Op sommige afbeeldingen ziet men haar in menschelijke gestalte, met de horens van een koe voorzien, zooals deze door alle Egyptische godinnen gedragen worden.

Zij werd als de moeder en voedster der goden beschouwd en had een tegenhangster in Apet, de nijlpaard-godin van Thebe, van welke sommige geloofden, dat zij de moeder van Osiris was. In later tijd was Taurt onder den naam van Rert, of Rerert, bekend, het vrouwelijke nijlpaard, doch ook werd zij met Isis, Hathor, Bast en andere godinnen geïdentificeerd.

Haar beeltenis in faience was een zeer geliefkoosde amulet en deze was minstens even populair als die van Bes. Men kan zelfs figuren, welke een copie van die van Taurt schijnen te zijn, zien op Myceensche muurschilderingen, zoo wijd en zijd was haar faam verspreid.

Men geloofde verder, dat zij de wachteres van den berg van het Westen, waarover de weg naar den Hades leidde, was. Het is zeer waarschijnlijk, dat zij van totemistischen oorsprong was. Haar populariteit schijnt onder het Nieuwe Rijk het grootste geweest te zijn en ook in later tijd nam deze nog toe.

Hekt.

Hekt, de godin met den kop van een kikvorsch, werd voor de vrouw van Khnemu gehouden, hoewel men haar wellicht als een vorm van Hathor beschouwen mag. Haar [188]karakter is door schrijvers over Egyptische mythologie niet zeer duidelijk gemaakt, doch de omstandigheid, dat zij met den kop van een kikvorsch afgebeeld wordt, toont duidelijk, dat zij met het water in verband gebracht werd en aldus met de kracht der vruchtbaarheid. Ook schijnt zij met de goden der groeikracht vereenigd te zijn.

Vele graangoden zijn tevens goden der wederopstanding en wedergeboorte. Bij gelegenheid van het feest van een zekere Mexicaansche maïs-godin, werd een kikvorsch op een korenschoof geplaatst, als zijnde het symbool van de godin.

Het zou een weinig te gewaagd zijn, Hekt met de Grieksche Hecate, die misschien een maangodin was en als zoodanig met het water verbonden, te vereenzelvigen. Het is echter opmerkelijk, dat Farnell meent, dat Hecate uit Thracië ingevoerd is. Zij is, natuurlijk, eveneens de godin van de onderwereld, evenals Osiris, de maangod, de god van den dood was. Zij werd ook bij de mysteriën van Samothrace vereerd en dezen waren Egyptisch van oorsprong. Wij vinden verder, dat Hecate eveneens een godin der vruchtbaarheid was.

Khonsu.

Khonsu was een maangod en als zoodanig dikwijls met Thoth geïdentificeerd. Te Hermopolis en te Edfû werden deze twee goden soms zelfs met elkander vereenigd, onder den naam van Khonsu-Thoth. De naam wordt afgeleid van den stam khens, doortrekken en laat ons zien, dat hij de reiziger was, die des nachts langs den hemel ging.

Khonsu.

Khonsu.

Hij wordt met den kop van een havik afgebeeld, gekroond met den maansikkel en de zonneschijf. Ramses III bouwde voor hem, te Thebe een grooten tempel, tusschen die van Amen en Mut. Hij had twee verschillende vormen: Khonsu in Thebe Nefer-hetep en Khonsu, de uitvoerder van plannen. [189]

De Grieken vergeleken Khonsu met Heracles, waarom, is moeilijk uit te maken. Soms verwarden de Egyptenaren hem met Horus, Shu en Ra en dit zou kunnen bewijzen, dat hij een zonnekarakter aan kon nemen, zooals ook door den havikkop aangeduid wordt. Misschien werd Khonsu, oorspronkelijk een maangod, later een zonnegod, toen de maankalender overging in, of in den steek gelaten werd voor de zonnetijdrekening.

Het volgend verhaal is een aanwijzing voor de heelende kracht van Khonsu:

De Prinses en de Demon.

Onder de regeering van koning Ramses waren er zeer vele schoone vrouwen in Egypte, doch de dochter van den vorst van Bekhten, een van de vazallen des konings, was de bevalligste van allen.

Slank, schoon gevormd, met fijne gelaatstrekken, bestond er op aarde niets, dat haar in schoonheid kon evenaarden, daarom vergeleken de menschen hare schoonheid met die van Amen-Ra, den zonnegod, den god van het licht van den dag.

Nu was koning Ramses een groot veroveraar en een zeer krachtig man, die onder zijn vazallen vorsten had, die niet gering van aanzien waren. Deze laatsten kwamen ieder jaar naar Naharaina, aan de uitmonding van den Euphraat gelegen, om hun opperheer hun hulde te bewijzen en hem schatting op te brengen. Groot was de schatting, welke de koning ontving, want iedere vorst, die zich voor hem boog, werd door een stoet van slaven vergezeld, die schatten aan goud, kostbare edelgesteenten en welriekend hout, kortom, de meest uitgelezen voorwerpen, welke hun gebied kon aanwijzen, droegen.

Bij een dergelijke gelegenheid waren Ramses en zijn vorsten te Naharaina verzameld en de vazallen wedijverden met elkander in het aanbieden van schitterende geschenken. De vorst van Bekhten echter had een geschenk, [190]dat dat van alle andere overtrof, want hij had zijne schoone dochter medegebracht, zij, wier schoonheid aan die van Ra gelijk was.

Zoodra de koning haar zag, vatte hij terstond een vurige liefde voor haar op en verlangde haar tot zijn vrouw te maken. Om de rest der schatting bekommerde hij zich in het geheel niet en de eerbewijzen van de overige vorsten waren hem lastig. Hij huwde hierna de prinses en gaf haar een naam, welke beteekent: “Schoonheid van Ra”. En toen zij naar huis teruggekeerd waren, vervulde de koningin haar koninklijke plichten en werd door haar gemaal en haar volk bemind.

Nu geschiedde het eens, dat bij gelegenheid van het feest ter eere van god Amen, wanneer de heilige bark in de hoogte wordt gedragen, opdat allen haar zien kunnen, de koning en de koningin zich naar den tempel van den god begaven, om hem de gebruikelijke eerbewijzen te brengen. Terwijl zij bezig waren den god hun hulde te bewijzen, kwamen dienaren met het bericht bij den koning, dat een bode van den vorst van Bekhten buiten wachtte en hem wenschte te spreken. De koning liet hierop den bode binnentreden. Prachtige geschenken bracht hij van den vorst voor diens dochter, de Groote Koningin, mede, en terwijl hij voor den koning een zeer diepe buiging maakte, sprak hij:

“O Koning, de kleine zuster van de Groote Koningin is ziek. Ik verzoek U daarom een geneesheer te zenden, om haar van haar kwaal te genezen”.

Daarom riep de koning zijn wijze mannen bijeen en beraadslaagde met hen, wien zij zouden zenden, om de zuster van zijn vrouw van de ziekte te bevrijden. Ten slotte wezen de wijze mannen een van hen aan, een schrijver, Tehuti-em-heb genaamd; deze werd met algemeene stemmen uitgekozen, om den bode van Bekhten te vergezellen, en daar aangekomen, de zuster van de koningin, Bent-reshy, te genezen. [191]

Maar helaas, toen zij het gebied van den vorst van Bekhten bereikten, vond Tehuti-em-heb, dat de demon, die de oorzaak van de ziekte van de prinses was, te machtig was, om door zijn kunst uit haar lichaam gebannen te worden. Toen de vader van het meisje hoorde, dat de Egyptische schrijver machteloos was, den demon te verdrijven, verviel hij tot wanhoop. Tehuti-em-heb stelde hem echter zooveel mogelijk gerust en ried hem aan, nogmaals een bode naar Egypte te zenden, om de tusschenkomst te verzoeken van Khonsu, den duivelbanner, ten behoeve van zijn dochter. Daarom zond de heerscher van Bekhten nog een anderen bode naar het hof van Ramses.

Het land van Bekhten nu was ver verwijderd van Egypte en de reis daarheen duurde één jaar en vijf maanden. Toen de bode van den vorst van Bekhten Egypte bereikte, vond hij Ramses in Thebe, in den tempel van Khonsu, want het was in de maand, welke aan dien god gewijd was. De bode boog voor den koning en bracht hem de boodschap van den vader der koningin over. In den tempel te Thebe bevonden zich twee beelden van god Khonsu, een genaamd Khonsu van Thebe Neferhetep en de andere Khonsu den duivelbanner en beide stelden den god als een schoon jongeling voor.

Ramses naderde Khonsu in Thebe Neferhetep en smeekte hem, dat hij Khonsu, den duivelbanner zou toestaan, naar het land van Bekhten te gaan, om Bent-reshy, de kleine zuster der koningin, te genezen.

Khonsu in Thebe Neferhetep boog, ten teeken van goedkeuring en gaf aan den duivelbanner zijn bescherming. Toen dit gedaan was, werd Khonsu, de duivelbanner naar Bekhten gezonden, door een groot gevolg, dat een koning past, vergezeld.

Zij reisden een jaar en vijf maanden en ten slotte bereikten zij het land van den vader der koningin. De vorst zelf en zijn geheele volk haastten zich Khonsu te begroeten, [192]hij knielde voor hem neer en begiftigde hem rijkelijk met geschenken, zooals hij aan den Egyptischen koning zelf gegeven zou hebben.

Intusschen had de ziekte van de prinses onverminderd voortgeduurd, want de demon, die haar in zijn macht had, was zeer machtig. Toen echter Khonsu naar haar kamer gebracht werd, zie, daar werd zij terstond beter, tot groote vreugde van haar vader en zijn hovelingen. De demon, die haar lichaam verlaten had, erkende Khonsu als zijn meerdere en zij, die dichtbij stonden, hoorden deze samenspraak tusschen de twee:

Het meisje van Bekhten.

Het meisje van Bekhten.

Evelyn Paul.

“O Khonsu”, zei de geest, “ik ben Uw slaaf. Indien Gij beveelt, dat ik van hier ga, zal ik gaan. Doch ik smeek U, verzoek den vorst van Bekhten een feestdag en een offer voor mij in te stellen. Dan zal ik in vrede gaan.”

“Het zal gebeuren, zooals gij gezegd hebt”, antwoordde Khonsu en hij beval den vorst van Bekhten een ofter en een feestdag voor den demon, die Bent-reshy in bezit gehad had, te maken.

Het eerst bracht het volk een groot offer aan Khonsu, den duivelbanner, daarna een aan den demon, die daarom in vrede vertrok.

Toen deze weggegaan was, werd het gemoed van den vorst zeer beangst, want hij dacht: “Misschien zal hij weer naar ons land terugkomen en het volk kwellen, evenals hij mijn dochter, Bent-reshy, gekweld heeft.”

Daarom besloot hij niet toe te staan, dat Khonsu, de duivelbanner, uit Bekhten vertrok, doch dat hij daar steeds gehouden zou worden, uit vrees, dat de demon terug zou komen.

Meer dan drie jaren lang, hield de vorst van Bekhten Khonsu in zijn rijk en stond hem niet toe, weg te gaan. Doch in zekeren nacht had hij een droom, welke hem van meening deed veranderen. In zijn droom stond hij voor het heiligdom van Khonsu, den duivelbanner. En terwijl hij toekeek, zie, daar vlogen de deuren van den tempel [193]wijd open en de god zelf stormde naar buiten, nam de gestalte van een havik aan, met wonderschoone, gouden vleugels en vluchtte naar Egypte.

Toen de heerscher van Bekhten ontwaakte, begreep hij, dat de god werkelijk naar Egypte vertrokken was en dat het thans nutteloos was, zijn beeld langer te houden. Daarbij vreesde hij de wraak van Khonsu. Daarom deed hij het beeld van Khonsu, den duivelbanner, op een wagen laden, met rijke en schoone geschenken en zond hem met een vorstelijk gevolg naar Egypte terug.

Toen de terugreis volbracht was, schonk Khonsu, de duivelbanner al zijn geschenken aan Khonsu Neferhetep en hield niets van alles, wat hij ontvangen had, voor zichzelf.

Lagere Goden.

Er waren honderden lagere goden, welke het Egyptische pantheon omringden en de karakteristieke eigenschappen van slechts eenigen van hen, kunnen behandeld worden. Elk uur van den dag had zijn eigen god, evenals ieder uur van den nacht.

De vier winden waren onder de Egyptische goden evenzeer vertegenwoordigd als bij de Grieken. De Noordenwind werd Qebui genoemd en wordt afgebeeld als een gevleugelde ram, met vier koppen; de Zuidenwind, Shehbui, ziet men in de gestalte van een man, met een leeuwenkop; de Westenwind, Huzayui, heeft den kop van een slang, op het lichaam van een gevleugeld man. De Oostenwind, Henkhisesui, komt ons soms in menschelijke gestalte tegen en heeft, evenals de Noordenwind, den kop van een ram, doch soms ook stelt men hem als een gevleugelde kever, met een ramskop, voor.

De zintuigen werden eveneens door goden voorgesteld. Zoo was Saa de god van het zintuig der aanraking, of het gevoel. Hij wordt in menschelijke gestalte afgebeeld en hij draagt op zijn hoofd een teeken, uit parallel loopende [194]lijnen samengesteld; dezen worden naar boven toe kleiner. In de Thebaansche uitgaaf van het Boek der Dooden, ziet men hem bij het oordeel onder die goden, die toezien op het wegen van de harten der gestorvenen. Soms vaart Saa, met Thoth en andere goden, in de boot van Ra. In een passage spreekt men over hem als zoon van Geb. Hij is de personificatie van het intellect, zoowel van menschen, als goden.

De god van den smaak heette Hu. Hij wordt eveneens als een man voorgesteld en men verhaalde, dat hij uit een bloeddruppel, welke uit Ra gevallen was, voortgekomen was. Hij werd de voorstelling van het goddelijk voedsel, waarvan de goden en de gelukzalige gestorvenen leven.

Maa was de god van het gezicht. Men schildert hem als een man, met een oog boven zijn hoofd, af en dit is eveneens het symbool van zijn naam.

Setem was de god van het gehoor en bij hem wordt zijn hoofd door een oor8 gekroond.

De planeten werden eveneens als goden beschouwd. Saturnus werd Horus, de stier van den hemel, genoemd; Mars werd eveneens met Horus geïdentificeerd, onder den naam van “den rooden Horus”, doch stond, streng beschouwd, onder bescherming van Ra; de god van Mercurius was Set en die van Venus, Osiris. Sommige sterren werden eveneens als goden beschouwd. De Groote Beer was onder den naam “de dij” bekend en de Draak werd met het nijlpaard Reret vereenzelvigd.

De dagen van de maand stonden verder eveneens onder beschermgoden. [195]


1 In de pyramide van Unas (6e dynastie) wordt van een god melding gemaakt, die misschien Amen is, doch die ook kan beteekenen: “de Verborgene” en de toevoeging, welk daarop volgt, schijnt op Osiris te slaan.

2 Zie Budge, The Gods of Egypt, 2, pag. 2.

3 Zie: Budge, op. cit. p. 503.

4 Of Setet (schutter).

5 Ook Thi genoemd.

6 Of Ra-Heru-Khuti.

7 Of Sekhet. Sekhmet is dezelfde persoon, als Hathor in den oorspronkelijken tekst. Het bier werd door de bevolking van On, dat de alruinen daarmede vermengde, vervaardigd en Sekhmet-Hathor dronk het op.

8 Dit waren personificaties der zintuigen, met bepaalde namen.

Egyptische literatuur.

Egyptische Taal en Egyptisch Schrift.

De oudste kennis, welke wij van de Egyptische taal hebben, wordt ons door inscriptie’s verschaft, welke tot de 1e dynastie, ongeveer 3300 v.C., behooren. Vanaf dezen kan de opkomst en het verval verder nagegaan worden, door de verschillende opschriften op tempels, monumenten en papyri, tot de 14e eeuw na C., wanneer de Koptische manuscripten eindigen.

Van de levende taal, afgezien van de zuivere literaire taal van de hieroglyphen-inscripties, krijgt men de zuiverste voorstelling door de volksverhalen, brieven en handelsdocumenten, welke tot ons gekomen zijn, waarin de schrijvers zich natuurlijk aan de gangbare spreekvormen hielden en aldus de veranderingen, welke de taal onderging, ontsluierden.

Dat het Egyptisch aan het Semitisch verwant is, is zeker, hoewel hier een rassenprobleem tusschenbeiden komt, want het Egyptische eigenlijke ras was nooit, voor zoover men kan nagaan, Semitisch van type. Erman tracht deze quaestie door de zeer waarschijnlijke theorie op te lossen, dat in den prae-historischen tijd een horde van krijgshaftige Semieten, een deel van Egypte veroverde en zich daar vestigde, evenals de Arabieren in lateren tijd hun taal aan het land gaven, doch dat dezen, als apart ras, uitstierven, hetzij door redenen, welke met het klimaat in betrekking stonden, of doordat zij in de oorspronkelijke bevolking opgingen; deze laatste echter nam de taal van de vreemdelingen, hoewel onvolmaakt, over.

Onder deze omstandigheden veranderde de taal langzamerhand. De medeklinkers werden verkeerd uitgesproken, daar harde voor zachte plaats maakten en dezen op hun beurt, vormden biliteralen van de triliterale stammen. [196]

Deze neiging, waarbij nog een omschrijvende, inplaats van verbale, vervoeging kwam, duurde tot het eind. Koptisch, de laatste vorm, is dus biliteraal van karakter en tijden van bijzondere nauwkeurigheid werden in het werkwoord, door middel van omschrijving, ontwikkeld; de groote overeenkomst tusschen Koptisch en Semitisch moet eveneens tot den voortdurenden Semitischen invloed van latere tijden teruggebracht worden.

De Egyptische taal kan verdeeld worden naar haar vooruitgaande phases. Deze zijn: Oud-Egyptisch, Midden- en Laat-Egyptisch, Demotisch en Koptisch. Oud-Egyptisch is de taal, welke tot het Oude Rijk behoort. Het gaf het letterkundig model voor de latere tijden aan, zooals men uit de inscripties zien kan; het was onvermijdelijk, dat het door de wisselende vormen van de vigeerende taal beïnvloed werd; doch zijn hoofdkarakter werd bewaard.

De oudste voorbeelden, welke wij hebben, zijn inscripties, welke in de 1e dynastie thuis behooren, doch dezen zijn te kort, om ons veel inzicht in de taal en spreekwijze van dien tijd te geven. Hierop volgen verscheidene inscripties en eenige weinige geschiedkundige teksten, welke tot de 4e, 5e en 6e dynastie behooren. Het grootste aantal, dat tot deze phase behoort, is de uitgebreide collectie ritueele teksten en tooverformules, welke men in de pyramiden der 6e dynastie aantreft.

Midden- en Laat-Egyptisch hooren respectievelijk in het Midden- en Nieuwe Rijk thuis en komen de gebruikelijke spreektaal van het volk nabij. Geschriften uit het Midden-Egyptisch, welke nog bestaan, zijn verhalen, brieven en handelsdocumenten, vanaf de 12e dynastie tot het begin van het Nieuwe Rijk, op papyri, in hieratisch schrift geschreven.

De 18e en 21e dynastie laat ons voorbeelden van Laat-Egyptisch, op verschillende hieratische papyri, zien. Met betrekking tot dezen merkt een gezaghebbend schrijver [197]op: “De spelling van het Laat-Egyptisch is zeer eigenaardig, vol van verkeerde etymologie, vol onbeteekenende teekens, etc., terwijl de oude spellingsleer geheel en al ongeschikt is, zich nauwkeurig aan de geheel en al gewijzigde taal aan te passen. Desniettemin is deze plompe spelling krachtig en formules kunnen ons, wat betreft de uitspraak, inlichten”.

Demotisch vertegenwoordigt het volksdialect van de Saïtische periode en stemt werkelijk met het karakter, waarin het geschreven wordt, overeen. Het kan vanaf de 25e dynastie, (plm. 900 v.C.), nagegaan worden en tot de 4e eeuw n.C. was het voortdurend in gebruik. Documenten van het demotisch zijn voor het meerendeel koopcontracten en wettelijke aangelegenheden, hoewel sommige magische teksten en een merkwaardig verhaal, de Papyrus van Setna, eveneens hierin geschreven zijn.

Het Koptisch is de laatste vorm der Egyptische taal, of liever het is een dialectische vorm van het Egyptisch en hiervan zijn vier of vijf verschillende vormen bekend.

Het Koptisch is met de letters van het Grieksche alphabet geschreven en het is werkelijk de eenige phase der taal, waar de spelling een zuiver beeld van de uitspraak geeft.

Aan de Grieksche letters werden 6, uit het Demotisch genomen, toegevoegd, om klanken uit te drukken, welke meer in het bijzonder tot de Egyptische taal behoorden. Deze omstandigheid, tegelijk met de Grieksche afschrijving van Egyptische namen en woorden, hebben de eenige bestaande middelen, om tot een nauwkeurige uitspraak der Egyptische taal te komen, aangevuld.

Een reden voor deze onwetendheid was in de omstandigheid gelegen, dat het Egyptisch systeem van schrijven alleen de geraamten der medeklinkers van een woord laat zien, nooit de afwisselingen der klinkers en dikwijls de semi-consonanten weglaat. [198]

De Hieroglyphen.

Het oude Egyptische schriftsysteem schijnt naar alle waarschijnlijkheid zuiver inheemsch te zijn. Zijn begin, ontwikkeling en het algeheele verdwijnen, kan binnen het Nijldal zelf nagegaan worden, hoewel dit door verovering, onder de 18e dynastie, tot Syrië doordrong en zelfs nog verder, om de Egyptische inscripties in dat land te graveeren.

Aan den anderen kant hielden sommige schrijvers het voor mogelijk, dat de Phoenicische kooplieden en die uit de Aegeïsche Zee, uit het Egyptische hieratische schrift, het Phoenicische alphabet, ongeveer 1000 v.C., ontwikkeld hebben.

Het hieroglyphisch karakter was oorspronkelijk een beeldenschrift in zijn eenvoudigste gestalte, doch is meer ingewikkeld geworden in den tijd, dat men er het eerst kennis mede maakt, n.l. in inscripties, welke tot de 1e dynastie behooren.

Het onderging weliswaar eenige veranderingen, doch de laatste vorm, welke het aannam, bleef praktisch onveranderd bestaan vanaf de 4e dynastie, tot het in de 4e eeuw n.C. geheel verdween. In dien tijd was alle kennis van de beteekenis der karakters geheel verdwenen en niet voor de ontdekking van den Steen van Rosette1 en de ontcijfering van zijn inscriptie in Grieksch en Egyptisch, kon men eenige vordering in het lezen van hieroglyphenschrift maken.

De teekens zijn van tweeërlei soort, een n.l. welke klanken aanduidt en deze is weer in twee soorten onderverdeeld, n.l. de alphabetische en syllabische, en de andere, welke begrippen voorstelt, de z.g. ideografische. Deze laatsten zijn afbeeldingen van de voorwerpen, waarover men spreekt, welke geplaatst worden achter de phonetisch geschreven woorden, als determinatieve, of [199]typische, symbolen. Deze laatsten bestaan weder uit twee soorten, z.g. generieke, een aanwijzing van één klasse, of specifieke, welke een bijzonder voorwerp aanduiden.

Voor de schikking van den tekst is geen bepaalde regel2. Men leest het van rechts naar links, van links naar rechts, of in kolommen; terwijl het begin daar is, waarheen de vogel- of dierteekens gericht zijn.

Ongeveer 500 teekens gebruikte men. Hieratisch schrift kan men in de 1e dynastie vinden en dit komt het hieroglyphenschrift zeer nabij; doch ten tijde van het Midden-Rijk is deze gelijkenis verloren gegaan.

Het handelstijdvak der 26e dynastie bracht den demotischen vorm meer tot dagelijksch gebruik en vanaf dezen tijd werd het hieratisch schrift voor het copieeren van godsdienstige, overgeleverde teksten gebruikt op papyrus en langzamerhand werd het alleen door de geleerden begrepen, want in den Ptolemaeëntijd werd, ook al werd de tekst van een koninklijk besluit op een zuil gegrift, welke op een publieke plaats moest gezet worden, een vertaling van het uitgevaardigde besluit, in Demotische teekens, er bij gevoegd.

Zuilen met hieroglyphische, Demotische en Grieksche letters, heeft men gevonden en de meest bekenden van dezen zijn het decreet van Canopu, uit den tijd van Ptolemaeus III (247 v.C.) en de Steen van Rosette, welke men stelt in de regeering van Ptolemaeus V Epiphanes, (205 v.C.).

De inscripties van den laatstgenoemden steen verschaften in den afgeloopen eeuw den sleutel van het geheim van het hieroglyphenschrift en herstelden de wetenschap der oude Egyptische taal en literatuur.

Zooals wij gezien hebben, was het hieroglyphisch schrijfsysteem, lang voor het einde der Romeinsche overheersching, [200]in onbruik geraakt en het wijd en zijd verspreide gebruik van het Latijn en Grieksch, onder de aristocratische en beambtenklasse, had het verdwijnen van het Egyptisch, als staatstaal, veroorzaakt.

Dit kwijnde, tegelijk met de bestudeering der hieroglyphen onder de geleerden en priesters in afgelegen districten, doch in de 4e en 5e eeuw n.C. was het verdwenen.

Toen vond men in 1799 de Steen van Rosette, met zijn inscriptie, bestaande uit 14 regels hieroglyphen, 32 regels Demotisch en 54 regels Grieksch. Door vergelijking en ontcijfering van deze lezingen werd het Egyptisch alphabet ontdekt en aldus vond men den leiddraad van de verlorene gegane taal van Egypte.

Aan Akerblad in 1802, Young in 1818 en Champollion in 1822 moet men de eer geven van deze gewichtige ontdekking, welke de wondervolle beschaving, kunst en literatuur van een groot volk voor ons ontsluierde.

Literatuur.

Indien men de bestudeering der Egyptische teksten met een onderzoek van het Boek der Dooden begint en men zich van diens duistere, hoewel schilderachtige, bladzijden tot de rest der nationale literatuur keert, komt men tot ontgoocheling, want het arbeidsveld der Egyptische letteren toont, hoewel het soms heinde en ver verspreid is, een armoede aan vinding en woordenkeus, welke men bij weinig literaturen, hetzij oude, of moderne, aantreft. In de oudste tijden is de stijl, zooals men verwachten kan, eenvoudig, op het banale af, terwijl later een hooge en gewichtige voornaamheid maar al te dikwijls datgene bederft, wat anders verdienstelijk werk had kunnen zijn.

Documenten, van alle denkbare soort, zijn tot ons gekomen, als brieven van zakenmenschen, wettelijke bescheiden, fragmenten van geschiedkundige berichten, [201]magische papyri, verder werken over kunst, theologie en populaire werken, zelfs proza en poëzie.

De meeste standaardwerken, als spreuken, of leerboeken, zooals die, welke men aan Ptah-hotep en Kagemni toeschrijft, schijnen van hoogen ouderdom geweest te zijn en dateeren niet later dan het Midden-Rijk.

De stijl van dezen werd door de meeste schrijvers nagevolgd, evenals de vorm en de kleur van de hieroglyphen en muurschilderingen ijverig door teekenaars en schrijvers gecopieerd werden.

Amenemhat I schreef een boek, dat op Machiavelli’s werk, “de Vorst”, gelijkt; het diende om zijn zoon in de voorschriften van een goed bestuur te onderrichten en de voorschriften van Ani aan zijn erfgenaam droegen hetzelfde kenmerk.

In de Egyptische literatuur vinden wij overeenkomst van woordverbinding, evenals bij de Hebreeuwsche gedichten, en herhalingen zijn gewoon.

Philosophische verhandelingen schijnen, hoewel ze zeldzaam over zijn, eenigszins in trek geweest te zijn en de groote levensraadselen schijnen hierbij in den vorm van een dialoog behandeld te zijn. Een papyrus uit het Midden-Rijk (circa 2500 v.C.), welke zich thans in het Berlijnsch Museum bevindt, wisselt breedvoerig van gedachten over het al dan niet geoorloofd zijn van zelfmoord. De disputeerenden zijn een man en zijn khu, of tweede ik.

De man in quaestie schijnt van zijn bestaan genoeg te hebben en heeft het plan opgevat, zichzelf te dooden. Hij is echter voor de toekomst beducht en schijnt te vreezen, dat zijn lichaam verwaarloosd zal worden.

In dit dilemma richt hij zich tot zijn khu en smeekt hem dringend, voor hem de verplichtingen van een verwant te vervullen. De khu echter weigert botweg dit verzoek en raadt den man aan, zijn verdriet te vergeten en zijn leven zoo gelukkig mogelijk te maken. De khu beweert [202]verder, dat na den dood het geheugen van de gestorvenen spoedig verdwijnt en zelfs monumenten van graniet kunnen dit niet lang bewaren.

De man wijst dezen raad vol bitterheid af en roept uit, dat zijn verwanten hem verlaten hebben en dat zijn naam volkomen veroordeeld is; overal worden de fiere zegepraal en de nederige onderdrukt; de slechten bloeien en algemeen ziet men eerloosheid; rechtvaardige en tevreden menschen zijn er niet. De dood schijnt hem zeer aangenaam toe; in zijn kist zal hij omgeven zijn door myrrhe, hij zal in de koele schaduwen kunnen rusten en offeranden zullen hem gebracht worden.

Na deze uitbarsting weerlegt de khu hem niet langer en verzet zich niet meer tegen de plannen van den man en belooft hem, dat, wanneer hij de rust ingegaan is, hij tot hem zal afdalen en zij tezamen een woonplaats in gereedheid zullen brengen.

De Kat en de Jakhals.

Een andere dergelijke discussie, welke amusanter trekken vertoont, vindt men in een lateren Demotischen papyrus; deze is wellicht met Grieksche ideeën geverfd.

Hierbij zijn de disputeerenden een monsterkat, welke de godin Bast voorstelt en een kleine jakhals. De kat bedient zich van orthodoxe gezichtspunten en geeft als haar meening ten beste, dat de wereld door de goden bestuurd wordt; dit kan iemand duidelijk opmaken uit het feit, dat ondeugd overwonnen wordt en de deugd tenslotte overwint.

Zelfs indien een klein lam onrecht aangedaan wordt, zal het aangedane geweld op den man, die het aandeed, terugvallen. Ook al wordt de zon gedurende een tijd door wolken verduisterd, al rolt de donder en al wordt de zonsopgang door den nevel verduisterd, zal toch het daglicht tenslotte doorbreken en de vreugde tenslotte overheerschend zijn. [203]

De jakhals aan den anderen kant is een realist. Volgens hem is op aarde macht recht. De hagedis, beweert hij, verslindt het insect en wordt op haar beurt de prooi van de vleermuis en deze wordt weer door de slang verzwolgen en op deze schiet weer de havik neer. De natuur is steeds in strijd.

Het schema van de redeneering van den jakhals herinnert ons aan een, welke door Darwin ontwikkeld wordt in zijn theorie over het overleven van de krachtigste individuen: “De natuur bekommert zich niet om het leven van een enkele.”

Hoe kan nu de zondaar gestraft worden en welke smeekbede kan hem afschrikken? De strijd tusschen de twee dieren wordt heeter; zij brengen verschillende spreekwoorden en fabels aan, om de verschillende punten der discussie te illustreeren en soms ook beginnen zij zich tegenover de goden zelf te beklagen.

De schrijver heeft klaarblijkelijk een voorliefde voor den jakhals en diens spitsvondige redeneering brengt de kat soms tot razernij. Het is echter zeer jammer, dat de tekst slecht overgeleverd is en verschillende passages buitengewoon duister zijn; doch het verhaal kan dienen als een oud voorbeeld voor den nooit eindigenden strijd tusschen den optimist en pessimist.

Reisverhalen.

De interessantste passages in de Egyptische literatuur zijn die, welke zich met reizen en avonturen bezighouden. De inboorlingen van Egypte waren in het geheel geen reizigers en beperkten hun reizen voor het meerendeel tot den omtrek van hun eigen land en soms zelfs tot hun eigen nomen, of provincies.

Het leek hun een heele onderneming, de oevers van Khemi te overschrijden. Het was echter noodzakelijk, dat er gezanten gezonden werden naar de omliggende staten en dat de opgelegde belasting ingevorderd werd. Toen [204]de voordeelen van den handel meer en meer in het oog vielen, baanden de kooplieden zich meer een weg naar de naburige landen en misdadigers onttrokken zich door de vlucht aan hun straf. Zij, die een tijd op reis waren geweest, hadden de gewoonte, hun vrienden en buren bij zich te vereenigen en hen op een verhaal van hun wederwaardigheden te onthalen. Sommige van deze verhalen zijn in den besten stijl van John Maundeville geschreven, terwijl andere eenvoudige en nauwkeurige verhalen van mogelijke gebeurtenissen zijn.

De Geschiedenis van Saneha.

Een van dezen, de geschiedenis van Saneha, dateert uit het Midden-Rijk en was gedurende minstens 1000 jaar zeer populair. Het is onbekend, of de hoofdpersoon werkelijk bestaan heeft, of gefingeerd is, daar de naam in dien tijd een heel gewone was.

Saneha nu was een ambtenaar onder den eersten koning der 12e dynastie, Amenemhat I. Toen Amenemhat stierf en zijn zoon Senusert I3 den troon beklom, verborg hij zich, op gevaar af ontdekt te worden, op een plaats, waar dichtbij een zeker gezantschap in het geheim ontvangen werd, terwijl zijn koninklijke gebieder wenschte, dat het daar behandelde onbekend zou blijven. Uit vrees, dat iemand hem zou gezien hebben, vluchtte hij naar het Oosten, naar de overzijde van de Delta, ging zelfs over de grens, reisde naar de Bittere Meren en hier werd hij door dorst gekweld.

Hij voelde, dat hij spoedig van dorst sterven zou, maar hij riep al zijn geestkracht te hulp, haastte zich verder te komen, hoorde het loeien van een koe en begaf zich in die richting.

Hij zag daarop een koeherder, een man uit de woestijn; deze gaf hem water en gekookte melk en een onderdak [205]onder zijn stam. Saneha echter beschouwde zichzelf niet veilig, indien hij nog dicht bij de grens was en ging verder, naar Boven-Tenu, misschien het Zuiden van Palestina.

Hier ontmoette hij een stam en leefde geruimen tijd onder deze, huwde de oudste dochter van hun opperhoofd, werd rijk aan vee en land en genoot bij hen hooge onderscheiding.

Toen hij echter wat ouder werd, beving hem een vurig verlangen, nog eenmaal zijn Egyptisch vaderland te zien. Met koning Senusert werden onderhandelingen aangeknoopt en deze stond Saneha toe, terug te keeren. De koning ontving hem zeer vriendelijk en zijn Bedouïne-kleeding werd voor kostbare Egyptische kleeren verruild. Een prachtig graf werd voor hem gebouwd en nog eens genoot hij de gunst van den koning.

De papyrus, waarin dit verhaal voorkomt, is van groote waarde, door de levendige beschrijving van het leven der stammen, in Zuid-Palestina, de plundertochten der verschillende volken en het schilderachtig barbarendom der nomaden. Het verhaal wordt echter dikwijls, door storende lofredenen op den koning van Egypte, onderbroken.

De Geschiedenis van den Zeeman, die schipbreuk leed.

Een verhaal uit de 12e dynastie, bekend als de geschiedenis van den schipbreukeling, dat bewaard wordt in de Hermitage Verzameling in Petrograd, vormt hiermede een groote tegenstelling.

Een reizend zeeman, die zijn avonturen aan een meerdere vertelt, verzoekt dezen bij den Pharaoh toegelaten te worden. Zijn meester wilde aan de geschiedenis geen geloof slaan, doch de man verzekerde, dat deze de zuivere waarheid bevatte.

Hij vertelde dan, dat hij een contract aangegaan had, om in de mijnen van den koning te werken; hij had zich daarom ingescheept op een vaartuig, dat 150 el lang en [206]40 el breed was, bemand met de beste zeelui uit geheel Egypte; hun harten waren sterk, als van leeuwen en zij waren gewoon ontberingen te lijden.

Zij lachten bij de gedachte aan storm, doch toen zij het land naderden, zie, daar stak een heftige wind op en reusachtige golven beukten het schip. De zeeman pakte een stuk hout beet en dat was niets te vroeg, want het schip verging en alle opvarenden verdronken.

Drie dagen lang dobberde hij op de golven en hierna werd hij op een eiland aan land geworpen; hier kroop hij in de schaduw van eenige struiken, waaraan vijgen en druiven groeiden.

Ook slaagde hij erin, meloenen, bessen en graan te vinden en wist hij visschen en vogels te vangen. Besloten daar een tijd te blijven, groef hij een put, stak een vuur aan en bracht een offer aan de goden.

Plotseling deed een vreeselijk lawaai, dat op het gerommel van den donder geleek, hem uit zijn rustige stemming opschrikken. In den beginne dacht hij, dat dit het lawaai van den storm was, doch eindelijk bemerkte hij, dat de boomen schudden en dat de aarde hevig geschokt werd.

Juist voor hem lag een groote slang, dertig el lang, met een baard van een lengte van twee el; zijn rug was met gouden schubben bedekt en zijn lichaam had een kleur van lapis-lazuli.

Hevig verschrikt, wierp de zeeman zich voor het monster ter aarde; dit keek hem een oogenblik met zijn vreeselijke oogen aan, opende hierop zijn reusachtige kaken en sprak hem alsvolgt aan:

“Wat heeft u naar dit eiland gevoerd, gij nietig wezen? Spreek snel en als gij niet iets bericht, waarvan ik nooit tevoren hoorde, of wat ik nooit tevoren kende, zult gij evenals vuur verdwijnen”.

Zonder dat het den zeeman tijd gaf, om te antwoorden, tilde het hem in zijn bek op, bracht het naar zijn leger [207]en legde hem daar, zonder hem verder kwaad te doen, zacht neer.

Nog eens vroeg de slang hem, welke macht hem naar dit eiland gebracht had en de zeeman, over alle ledematen bevend, vertelde, dat hij schipbreuk had geleden, toen hij op weg was naar de mijnen van den Pharaoh.

Toen de slang dit hoorde, spoorde zij hem aan, goeden moed te houden en niet bevreesd te zijn; God had hem naar een gelukzalig eiland gebracht, waar aan niets gebrek was en alles vol goede gaven was. Binnen vier maanden zou er een schip komen, om hem te halen; dan zou hij naar Egypte terug kunnen keeren en zou hij in zijn eigen stad kunnen sterven. Om hem op te monteren, beschreef het monster hem het geheele eiland.

De bevolking hiervan bestond uit 75 slangen, oude en jonge, en deze wezens leefden in harmonie en overvloed.

De zeeman, van zijn kant, was niets minder vriendelijk en, goed gestemd als hij was, bood hij de slang aan, den Pharaoh de aanwezigheid van en den toestand op het eiland, te verhalen; hij beloofde aan het monster, het persoonlijk offers te zullen brengen, bestaande uit heilige olie, reukwerken en wierook, waarmede men de goden vereerde. Eveneens zou hij ezels voor hem, als offerdieren, slachten, vogels voor hem plukken en hem schepen, vol met schatten uit Egypte, brengen.

Hierop lachte de slang op toegeeflijke en eenigszins minachtende wijze. “Vertel mij niet”, aldus sprak zij, “dat gij rijk zijt aan reukwerken, want ik weet, dat alles slechts gewone wierook is, welke gij hebt. Ik ben vorst van het land Punt en bezit zooveel reukwerk, als ik verlang; laat mij u verder vertellen, dat, als gij van hier vertrokken zijt, gij dit land nooit meer zien zult, want het zal door de golven verzwolgen worden”.

Het schip naderde het eiland op den bepaalden tijd, zooals de slang voorspeld had en de zeeman klom in een boom, om te zien, door welke lieden het bemand was. [208]Toen het de kust naderde, zei de slang hem vaarwel, voorzag hem met gaven, bestaande uit kostbare reukwerken, welriekend hout, cassia, wierook, ivoren slagtanden, apen, bananen, kortom allerlei soort kostbare koopwaren.

Terwijl hij dezen in het schip laadde, vertelde de genius van het eiland hem ten slotte, dat hij binnen twee maanden zijn vrouw en kinderen zou terugzien. De geredde zeeman voer daarna, door Nubië, den Nijl af, naar de residentie van den Pharaoh en het verhaal eindigt met het verzoek van den verteller aan zijn kapitein, hem een geleide te geven, om zich aan den Pharaoh voor te stellen en dezen zijn geschiedenis te verhalen.

Het eiland nu, waar hij schipbreuk geleden had, was dat van de Ka, d.w.z. de Ziel. Zulk een geschiedenis kon in de oogen der Egyptenaren in het geheel niet verbazingwekkend schijnen, daar onder hen zulke romantische verhalen heel gewoon waren. Dezen waren inderdaad zoo menigvuldig en zulke ongerijmde mededeelingen verspreidden zij, dat wij in een papyrus uit Londen, uit plm. 1250 v.C., den spotgeest tegen hen in beweging gebracht vinden; deze bevat het verhaal over een denkbeeldige reis, door Palestina en Phoenicië; het doel hiervan is niet de beschrijving der reis zelf, doch de gekunsteldheid en de ongerijmdheden van de populaire romans uit die dagen belachelijk te maken en te bespotten.

De Fabel van het Hoofd en de Maag.

Romantische verhalen over het Egyptische leven, zooals die, welke zich met koning Rhampsinitus bezighouden en welke men elders in dit boek vindt, komen veelvuldig voor.

Een papyrus, uit plm. 1250 v.C., heeft, als achtergrond, den oorlog tegen de Hyksos en beschrijft een ontmoeting tusschen twee vorsten, die tegen elkander strijden, n.1. Apepi, aanvoerder der Hyksos en Ra-sekenen, den nationalen [209]vorst, die in Boven-Egypte woont. Zij geven raadsels aan elkaar op en van de oplossing hiervan, hangt het lot van één hunner af.

Fabels waren verder in het Nijldal, vanaf een vroeg tijdstip, zeer populair. In het Turijnsch Museum komt een voorbeeld hiervan, dateerende uit plm. 1000 v.C., voor; deze fabel is op kleine tafels geschilderd en bevat het verhaal van het dispuut tusschen het hoofd en de maag.

Het hof der dertig, het hoogste gerechtshof van Egypte, is vergaderd. De maag bepleit het eerst haar zaak, doch hier is het document gebrekkig overgeleverd. Wij bezitten echter het antwoord van het hoofd; dit tracht, door een grooten omhaal van woorden, te bewijzen, dat het de voornaamste bron van het licht is, dat door het geheele huis schittert. Het is het oog, dat ziet, de mond, welke spreekt en de neus, welke ademhaalt. De rest van de verhandeling en de uitspraak zijn ongelukkigerwijze corrupt.

Het is echter belangrijk, met dezen ouden voorvader van de wijd en zijd verspreide fabel van den strijd tusschen de maag en de leden kennis te maken; men denke slechts aan het verhaal van Menenius Agrippa, die deze fabel, in 494 v.C., aan de Romeinsche plebs vertelde, toen deze er over dacht, Rome voor goed te verlaten, als een symbool, wat er zou gebeuren, als zij tot het uiterste vervielen.

Dit is tevens een doorslaand bewijs, dat het populaire verhaal, evenals een wet, een levensadem over verscheidene eeuwen heeft en dat het, in één bepaald land ontstaan, langzamerhand het eigendom van verscheidene andere wordt.

Dikwijls heeft men zelfs willen vaststellen, dat de fabels van Aesopus naar alle waarschijnlijkheid in Egypte ontstaan zijn, daar dit het land der dierenvereering is en het is zeer zeker opmerkelijk, dat in den Leidschen Demotischen papyrus wij de fabel van de dankbare muis en de [210]leeuw, welke in netten verstrikt is, tegenkomen. Deze papyrus dateert echter uit de Christelijke tijdrekening en is waarschijnlijk Grieksch van opzet.

Wij vinden echter geschiedenissen van dieren, welke geheel en al als menschelijke wezens handelen, zich met spelen vermaken, slaags raken, evenals wij in de folklore van barbaarsche volken zien. Lepsius vermoedt, dat de bedoeling van dezen een satirische is.

De Berisping van Amasis.

In een papyrus, uit den tijd der Ptolemaeën, vinden wij het oude hulpmiddel, een koning te berispen, door hem een passende geschiedenis te vertellen.

De vorst in kwestie was Amasis (plm. 526 v.C.), een pretlievend heerscher, die al te gaarne en te dikwijls zich aan het drinken van een drank, kelebi genaamd, overgaf.

Het geschiedde op zekeren dag, dat hij tot zijn edelen sprak: “Ik heb er veel plezier in, Egyptischen kelebi te drinken”. Zij spraken: “Machtig heerscher, het is moeilijk, Egyptischen kelebi te drinken”. Hij zeide daarop tot hen: “Heeft dat, waarover ik spreek, een slechten smaak?” Zij antwoordden: “Machtig heerscher, laat onze koning doen, waarin hij behagen schept”.

De koning beval hierop: “Laat er Egyptische kelebi naar het meer gebracht worden”; zij deden hierop overeenkomstig den wil van den koning.

De koning wiesch zich daarna met zijn kinderen en er werd hem geen anderen wijn dan kelebi voorgezet. De koning vierde nu met zijn kinderen feest, hij dronk veel wijn, door zijn voorliefde voor den kelebi; op den avond van dien dag, viel de koning bij het meer in slaap, want hij had een rustbank, in een prieël, op den oever van het meer, laten plaatsen.

Toen de morgenschemering aanbrak, kon de koning, door de slaperigheid, tengevolge van het drinkgelag, niet opstaan. Toen er een uur voorbijgegaan was en hij nog [211]niet op kon staan, begonnen de hovelingen te klagen en zeiden: “Kunnen zulke dingen bestaan? Zie, de koning bedrinkt zich, evenals een man uit het volk. Een man uit het volk kan niet bij den koning komen, om over zaken te spreken”.

Daarna gingen de hovelingen naar de plaats, waar de koning lag en zeiden: “O machtige heerscher, welke wensch koestert de koning?” De koning antwoordde: “Het is mijn wensch en genoegen, mijzelf dronken te maken. Is er onder u niemand, die mij een geschiedenis kan vertellen, welke mij uit den slaap kan houden?”

Nu bevond er zich onder de hovelingen een hoog ambtenaar, Peun genaamd; deze kende vele verhalen. Hij ging voor den koning staan en begon aldus te vertellen: “Machtige koning, kent gij de geschiedenis van den jongen zeeman niet? In de dagen van Psammetichus leefde een jong zeeman en deze was gehuwd. Een ander zeeman werd op de vrouw van eerstgenoemden verliefd en zij beantwoordde zijn liefde. Het gebeurde nu, dat de koning hem tot zich riep. Toen het feest voorbij was, beving hem een groote begeerte (hier volgt in den tekst een hiaat) en hij wenschte nogmaals naar den koning te gaan. Hij keerde naar huis terug, wiesch zichzelf met zijn vrouw, doch kon niet als vroeger drinken. Toen het tijd geworden was te gaan slapen, kon hij den slaap niet vatten, vanwege het groote verdriet, dat hem drukte. Daarop vroeg zijn vrouw hem: “Wat is bij u de rivier overkomen?”.....

Het is ten zeerste te bejammeren, dat de rest van den tekst hier ontbreekt en wij niet nauwkeurig kunnen vertellen, op welke wijze het verhaal van datgene, wat koning Psammetichus overkwam, Amasis stichtte.

Tooververhalen.

Zooals men verwachten kan, houdt een zeer groot aantal Egyptische verhalen zich met tooverkunsten op. [212]Voornamelijk is dit het geval met den Westcar papyrus, uit plm. 1800 v.C., welke zich thans in het museum te Berlijn bevindt.

Ongelukkigerwijze zijn het begin en einde van het manuscript gebrekkig tot ons gekomen, doch het overblijvende is voldoende, om ons een indruk te geven aangaande den opzet van het geheel.

Het verhaalt dan, hoe Khufu, of Cheops, de bekende stichter van de groote pyramide bij Gizeh, zijn zoons en raadslieden rondom zich verzamelde en hen vroeg, of iemand van hen in staat was, hem een man aan te wijzen, die hem tooververhalen vertellen kon.

Zijn zoon, Khafra, vertelde, dat hij met zulk een verhaal bekend was; dit was uit de dagen van ’s konings voorvader Nebka overgeleverd en behandelde datgene, wat hem overkomen was, toen hij naar den tempel van Ptah van Ankhtaui ging. Op zijn weg naar den tempel, wendde hij zich zijwaarts, om Uba-aner, zijn hoofd-voorlezer te bezoeken. Hij werd door zijn gevolg vergezeld en hieronder bevond zich een page; op dezen werd de vrouw van Uba-aner verliefd en zij zond een dienares naar hem toe, met een kist vol prachtige kleeren ten geschenke. Zij ontmoetten elkaar daarna, in het geheim, in een zomerhuis, of paviljoen, in den tuin van Uba-aner en hier dronken ze wijn en waren vroolijk.

De hofmeester van het huis echter, achtte het zijn plicht, zijn meester over deze dingen in te lichten en Uba-aner, een man in tooverkunst ervaren, besloot zich hierop te wreken.

Hij vroeg om zijn kistje, uit ebbenhout en barnsteen vervaardigd en toen men hem dit gebracht had, maakte hij een krokodil van was, 7 vingers lang en sprak over dezen een tooverformule uit.

Tegen den avond ging de page naar het meer, dat in den tuin was, om een bad te nemen; hierop wierp de hofmeester, volgens de bevelen van zijn meester, den krokodil [213]van was achter hem. Plotseling werd deze een groote krokodil, zeven el lang, opende zijn vreeselijken bek, pakte den page beet en sleurde hem mede naar beneden.

Gedurende dezen tijd had de koning bij Uba-aner vertoefd en na verloop van 7 dagen ging hij weer weg. Toen hij op het punt stond, het huis te verlaten, verzocht Uba-aner hem, te komen zien, welk wonder er plaats gegrepen had. Zij gingen naar den oever van het meer, de voorlezer riep den krokodil en deze rees terstond uit het water op, terwijl hij den page vasthield.

“O koning, sprak Uba-aner, deze krokodil zal alles volbrengen, wat ik wensch”. De koning verzocht, dat het dier naar het water zou terugkeeren, doch Uba-aner tilde den krokodil met zijn hand op en veranderde hem terstond weer in was.

Daarop lichtte hij den koning over het gebeurde tusschen den page en zijn vrouw in en de vorst beval, verontwaardigd, den krokodil, nogmaals den page te grijpen; deze voerde het bevel terstond uit, dook met zijn prooi onder water en verdween voor altijd. Nebka beval verder, dat de vrouw verbrand en haar asch in de rivier gestrooid zou worden.

Khufu schepte zoozeer in dit verhaal behagen, dat hij beval, dat de schim van Nebka met duizend brooden, honderd teugen bier, een os en twee kruiken wierook begiftigd zou worden en dat de ka van Uba-aner één brood, een kruik bier, een kruik wierook en een portie meel zou ontvangen.

De scheiding van het Water.

Een andere zoon van den koning vertelde hierop een wonderbare geschiedenis, welke in de dagen van koning Seneferu plaats vond.

Seneferu zocht, daar hij zich buitengewoon lusteloos gevoelde en zich verveelde, in ieder vertrek van zijn paleis [214]iets, om zich te amuseeren, doch tevergeefs. Daarom liet hij Zazamankh, zijn voorlezer en schrijver, roepen en hij verklaarde hem zijn toestand.

Zazamankh gaf den koning den raad, een boot te laten klaarmaken en op het meer, voor ’t paleis, zich op en neer te laten roeien op het spiegelgladde watervlak, door de koninklijke vrouwen.

Hij vroeg om twintig roeiriemen, met goud ingelegd, van bladen uit licht hout, met barnsteen ingelegd, vervaardigd. Dezen moesten door twintig vrouwen geroeid worden.

Het hart van den koning verheugde zich over deze oefening, doch een van de vrouwen, die de boot stuurde, verloor een juweel van malachiet uit heur haar.

Onmiddellijk hield zij met haar gezang op en eveneens haar metgezellinnen en zij hielden met roeien op. Seneferu vroeg de reden en zij antwoordden: “De vrouw, die stuurt, roeit niet”. De koning wendde zich daarop naar de vrouw, die haar juweel verloren had en vroeg haar, waarom zij niet roeide.

“Helaas!” antwoordde zij, “mijn juweel van malachiet is in ’t water gevallen en mijn hart is daarover bedroefd”. De koning verzocht haar, zich het geval niet al te zeer aan te trekken en beloofde haar een ander er voor in de plaats te zullen geven. Doch op kinderlijke wijze verlangde zij haar eigen juweel terug.

De koning liet thans Zazamankh halen en legde hem de zaak bloot. Deze sprak een krachtige tooverformule uit en zie, het eene deel der wateren werd op het andere gestapeld, zoodat de koning en de roeisters, ver onder hen, het juweel op een stuk aardewerk zagen liggen.

Zazamankh klom hierna uit de boot, bracht het juweel in veiligheid en overhandigde het aan zijn eigenares; hierop beval hij de wateren, weer naar hun plaats terug te keeren.

Deze verrassende daad beurde de harten van het geheele [215]gezelschap op, zoodat zij een vroolijken middag doorbrachten en Zazamankh werd voor zijn tooverkunsten rijkelijk beloond.

De Pharaoh schepte in dit verhaal zoo’n behagen, dat hij het bevel uitvaardigde, aan de schim van Seneferu een offer te brengen, gelijk aan dat van Nebka en tevens, dat de ka van Zazamankh een brood, een kruik bier en een kruik wierook ontvangen zou.

De Profetie van Dedi.

Een derde zoon beweerde, dat hij in ’t geheel niet verhalen uit ver vervlogen tijden verhalen wilde, doch dat hij in staat was, een toovergeschiedenis te vertellen van een man, die in den tegenwoordigen tijd leefde.

Zijn naam was Dedi en hij woonde te Dedsneferu. Hij was 110 jaar en at dagelijks 500 brooden en een groot stuk rundvleesch en dronk een honderd teugen bier. Zoo groot was zijn tooverkunst, dat, als het hoofd van een mensch afgesneden was, Dedi hem het leven kon hergeven. Hij kon verder wilde dieren temmen en kende den plattegrond van het huis van Thoth.

De koning, Khufu, nu wenschte den plattegrond te kennen, daar deze hem misschien bij den bouw van zijn pyramide van dienst kon zijn. Khufu beval terstond zijn zoon, Dedi bij hem te brengen en de prins, wiens naam Hordedef4 was, ging met zijn schip Nijlopwaarts tot de plaats, waar de beroemde toovenaar leefde.

In een draagstoel werd hij naar het huis van Dedi gebracht en dezen vond hij, op een rustbed liggend, bij zijn deur, terwijl hij door zijn dienaren gemasseerd werd.

Hordedef vertelde hem, dat hij van verre gekomen was, om hem naar zijn vader, Khufu, te brengen. Dedi beantwoordde hem met een eervolle begroeting en tezamen gingen zij naar het schip, dat den prins daarheen gevoerd had. Dedi verzocht, hem een boot te geven en tevens, dat [216]zijn jongelingen en boeken hem gebracht zouden worden.

Twee booten werden hem gegeven, waarin dezen geborgen werden en Dedi zelf zat in het schip van den prins. Zonder ongelukken bereikten zij het paleis en hier berichtte Hordedef den koning, dat hij den ouden toovenaar medegebracht had.

De Pharaoh beval, hem terstond bij zich te brengen en toen hij gekomen was, vroeg hij, hoe het kwam, dat hij nooit tevoren van hem gehoord had. Dedi antwoordde: “Hij alleen, die geroepen wordt, komt; de koning roept en zie, ik kom”. Khufu vroeg hem daarop: “Is het waar, wat men u verhaalt, dat gij, als het hoofd van een mensch, of dier, afgesneden is, hen weer in het leven kunt terugroepen?” Dedi antwoordde bevestigend.

De koning wilde daarop een gevangene voor zich laten brengen, doch Dedi verzocht, dat men voor dit doel geen man zou gebruiken en zeide: “Wij hebben hiervoor niet eens een stuk van uw rundvee noodig”.

Men bracht hem hierop een eend en deze werd den kop afgesneden; haar lichaam werd aan den West-kant van de hal gelegd en haar kop aan den Oost-kant. Dedi sprak thans eenige tooverwoorden uit en zie, de kop van den vogel en het lichaam naderden elkaar en vereenigden zich, de eend stond op en kwaakte! Daarna deed hij hetzelfde met een gans en een os.

Khufu, over het succes van deze proeven verheugd, vroeg daarna Dedi, of hij de afmetingen van het Huis van Thoth kende.

De toovenaar antwoordde, dat hij het getal hiervan weliswaar niet kende, doch dat hij wel wist, waar zij waren.

De Pharaoh vroeg toen, of hij de plaats kende, waar zij verborgen waren en hoorde, dat zich in een kamer te Heliopolis, de schetsenkamer genaamd, een kast van slijpsteen bevond, waarin de afbeeldingen verborgen waren, doch Dedi voegde er terstond aan toe: “O koning, niet ik zal u bij dezen brengen”. “Wie zal dan”, vroeg [217]Khufu, “mij daarheen geleiden?” Het antwoord van Dedi luidde: “De oudste van de kinderen van Rud-didet zal u tot hen brengen”. “Wie is Rud-didet?” vroeg Khufu. “Zij is de vrouw van een priester van Ra, heerscher van Sakhebu. Haar drie zonen zijn de zonen van Ra, den god en deze heeft hun beloofd, dat zij over dit geheele land regeeren zullen en dat de oudste hoogepriester in Heliopolis zou worden”.

Op het hooren hiervan, werd het hart van den koning zeer in verwarring gebracht en Dedi, die zag, dat de koning voor de toekomst bevreesd was, sprak tot hem: “Wees niet bevreesd over hetgeen ik gezegd heb, o koning, want uw zoon zal heerschen en diens zoons, voordat de zoons van Rud-didet zullen regeeren; dit kroost van Ra is nog niet geboren!

Khufu gaf daarop den wensch te kennen, den tempel van Ra te bezoeken, wanneer de dammen van het kanaal van Letopolis opengelegd waren en Dedi beloofde, dat de oevers van het kanaal tenminste 4 el water zouden bevatten.

De toovenaar werd daarna in het paleis van Hordedef gehuisvest en dagelijks van 1000 brooden, honderd teugen bier, een os en honderd bossen uien voorzien.

Het Bezoek der Godinnen.

Toen de zoons van Ra en Rud-didet nu geboren waren, vroeg deze god Isis, Nebhat, Meshkent, Hakt en Khnumu, naar haar toe te gaan en terwijl zij allen de gedaante van danseressen aannamen, behalve Khnumu, die haar als drager volgde, daalden zij naar de aarde af en begaven zich naar het huis van den priester Ra-user, den echtgenoot van Rud-didet en speelden voor hem op hare muziekinstrumenten.

Zij begiftigden de kinderen met verschillende eigenschappen en noemden hen User-ref, Sah-ra en Kaku. Hierop verlieten zij het huis en wenschten Ra-User geluk. [218]Als belooning voor haar goede wenschen, gaf hij haar een schepel gerst en Khnumu plaatste deze op zijn hoofd. Toen zij echter op weg waren naar hun goddelijke woonplaats, zei Isis tot de anderen: Zou het niet beter geweest zijn, indien wij een wonder voor deze kinderen verricht hadden? De anderen vonden dit eveneens en terstond maakten zij een afbeelding van de kronen van Egypte, van de kroon van het Boven-land en van de kroon van het Beneden-land en verborgen dezen in het schepel gerst.

De Godinnen als danseressen.

De Godinnen als danseressen.

Evelyn Paul.

Daarna keerden zij naar het huis van Ra-user terug en vroegen toestemming, de gerst in een afgesloten kamer achter te laten, deze verzegelden zij en namen hierop afscheid.

Eenige weken later vroeg Rud-didet haar kamenier, of het huis en alles, wat zich daarin bevond, zich in goeden toestand bevond; de kamenier antwoordde, dat alles in voldoende hoeveelheid voorhanden was; alleen de gerst, om te brouwen, was nog niet gebracht.

Haar meesteres vroeg haar daarna, waarom dit niet geschied was; de vrouw antwoordde, dat de voorraad aan de danseressen, die op den geboortedag van haar kinderen gekomen waren, gegeven was, doch dat deze nog in de afgesloten kamer lag, door haar verzegeld.

Rud-didet beval daarop deze voor het oogenblik te gebruiken; Ra-user zou het voor haar terugkeer wel kunnen teruggeven.

Het meisje opende de kamer en was, toen zij de kamer binnentrad, ten hoogste verbaasd, menschen te hooren praten en zingen; ja, zij hoorde zelfs muziek en het geluid van dansen, zooals men in het paleis van den koning hoort.

Terstond keerde zij naar haar meesteres terug en vertelde haar, wat zij gehoord had. Rud-didet trad thans zelf de kamer binnen en hoorde eveneens de geluiden, doch kon de plaats, vanwaar zij kwamen, niet direct vinden. Ten laatste legde zij haar oor tegen den zak, welke de gerst bevatte en bevond, dat het geluid hieruit kwam. [219]

Terstond deed zij den zak in een kist en plaatste deze voor alle zekerheid nog in een andere kist, bekleedde deze met leer en plaatste deze in een voorraadkamer, terwijl zij haar bovendien, uit voorzorg, verzegelde; toen Ra-user terugkeerde, vertelde zij hem wat er voorgevallen was.

Eenige dagen later berispte Rud-didet, om een af andere reden, haar dienstmaagd en liet haar zelfs slaag geven; de meid morde en zei tot haar metgezellinnen: “Waarom moet ik me dit laten welgevallen? Ik zal naar koning Khufu gaan en hem vertellen, dat de drie zonen van mijn meesteres bestemd zijn, koning te worden.”

Zij nam hierop haar oom in vertrouwen; deze echter wilde naar haar verraad niet luisteren en gaf haar zelfs een slag met een bundel vlas, welke hij toevallig in de hand had.

Daar zij zich uitgeput voelde, ging zij naar de rivier, om een teug water te drinken; zij werd echter door een krokodil gegrepen, die haar meesleurde.

Haar oom bracht daarop een bezoek bij Rud-didet en vond haar in zeer neerslachtigen toestand. Hij vroeg haar, waarom zij zoo terneergeslagen was en zij antwoordde, dat zij verraad van de zijde van haar kamenier vreesde.

“Gij behoeft niet meer voor haar te vreezen”, antwoordde de man, “want zij is door een krokodil gegrepen.”

Hier laat het manuscript ons in den steek. Het is te bejammeren, dat een zoo interessante huishoudelijke passage voor ons niet gespaard is.

De drie koningen, wier namen in de geschiedenis als de drie zonen van Rud-didet verschijnen, regeerden onder de 5e dynastie, zoodat men moeilijk kan aannemen, dat zij in de 4e geboren kunnen zijn.

Misschien heeft het verhaal de officieele aanneming van de Ra-vereering in Egypte tot grondslag. Men kan opmerken, dat de drie werkelijke namen van de drie kinderen, User-ref, Sah-ra en Kaku, als een woordspeling [220]op de namen van de eerste drie koningen van de 5e dynastie, User-kaf, Sahu-ra en Kaka, bedoeld zijn.

De geschiedenis van kinderen, die door het noodlot aangewezen waren, den troon te bestijgen, komt in alle mythologieën voor en het is onvermijdelijk, dat de vorst, wiens geslacht door hen vernietigd zal worden, een poging doet, om hen te vernietigen, terwijl zij nog in de wieg liggen. De Grieksche Danaë-mythe en de oude romance van Torrent van Portugal zijn voorbeelden hiervan. De middeleeuwsche romantiek is inderdaad vol van zulke geschiedenissen, doch dit is waarschijnlijk het oudste voorbeeld, dat wij kennen.

Lyriek en Volks-poëzie.

Egypte was niet zonder lyriek en volks-poëzie; de romantiek was echter niet het fort der Egyptenaren.

Het is echter opmerkelijk, dat de meeste Oostersche volkeren onder hun werk zingen en het zou vreemd zijn, indien de werkman, aan de oevers van den Nijl, dit niet eveneens gedaan zou hebben.

De fellah, van onze dagen, zingt op eentonige wijze en zonder ophouden, terwijl hij zwaren arbeid verricht, en dezelfde woorden en muziek telkens en telkens herhaalt; de schrijvers van het oude Egypte echter, beschouwden den volkszang als ongeschikt, aan het nageslacht over te leveren.

Soms kan men een gezang op de inscriptie van een muur terugvinden. De schaapherder, die door de half ondergeloopen velden waadt en zijn kudde voor zich uitdrijft, zingt: “In het water wandelt de schaapherder, temidden der visschen. Hij spreekt met de katvisch; met de visschen wisselt hij een groet”.

Wij bezitten tevens een dorschlied, dat aldus luidt: “Dorsch, o os; dorsch voor u zelf. Dorsch stroo voor uw voer en graan voor uw meester. Rust niet, want de lucht is vandaag koel”. [221]

Ook eenige minneliederen zijn over. Dezen waren waarschijnlijk zeer talrijk. Voor het meerendeel zijn zij heftig en hartstochtelijk. Drie collecties minneliederen, ongeveer uit 1200 v.C., zijn opgegraven; een van dezen wordt door een papyrus, welke zich thans in het Britsch Museum bevindt, ingenomen.

Op een zuil, in het Louvre, wordt de lof van de vrouw van een koning, plm. uit ’t jaar 700 v.C., aldus bezongen:

“Zij is bevallig en lieflijk in tegenwoordigheid van den koning, bevallig en lieflijk voor alle menschen; de beminde boven alle vrouwen, de dochter van den koning, die bevallig en lieflijk is. De schoonste onder de vrouwen, een meisje, wiens gelijke men nooit zag. Heur haar is donkerder dan de duistere nacht, donkerder dan de bes van de zwarte aalbessenstruik. Haar tanden zijn harder dan de vuursteen aan den sikkel, elk van haar borsten is een krans van bloemen, zich strak aan haar arm zich aansluitend”.

De ware Geschiedenis van Setne en zijn zoon Se-Osiris5.

Deze bovenstaande geschiedenis werd ontdekt, op papyri geschreven, welke tot het Britsch museum behooren. In 1900 werd een Engelsche vertaling door Griffiths uitgegeven en in 1901 een Fransche, door Maspero. Zij is geschreven aan de achterzijde van eenige Grieksche officieele documenten en dateert uit het 7e jaar van Claudius’ regeering.

De papyrus is zeer verwaarloosd en beplakt; hij is incompleet en het begin der geschiedenis is verdwenen. Men zou uit het schrift kunnen vermoeden, dat de copie tot de 2e helft van de tweede eeuw van onze jaartelling behoort. De Setne, waarover gesproken wordt, is dezelfde, die in de geschiedenis van Setne en de Mummies voorkomt, waarover in het hoofdstuk over de Magie verhaald wordt. [222]

Er leefde eens een koning, Ousimares genaamd en hij had een zoon, Setne. Deze zoon was een schrijver, zeer bekwaam met zijn handen in alle dingen en hij muntte boven alle mannen, die in kunst volleerd waren en onder de bekende schrijvers van Egypte, uit.

Het gebeurde nu, dat de bestuurders van een vreemd land een bode naar den Pharaoh zonden en hem uitdaagden, iemand te vinden, die een bepaald iets, onder bepaalde omstandigheden kon verrichten. Indien dit gedaan werd, zouden de bestuurders de minderheid van hun land, ten opzichte van Egypte, erkennen; doch indien, aan den anderen kant, geen enkele schrijver of wijs man, dit kon vervullen, dan zouden zij de minderheid van Egypte uitroepen.

Ousimares riep thans zijn zoon Setne en herhaalde deze woorden; Setne antwoordde terstond op datgene, wat de aanvoerders opgegeven hadden, zoodat de laatsten genoodzaakt werden, de voorwaarden uit te voeren en de superioriteit van Egypte te erkennen. Aldus werden zij van hun triumf beroofd, zoo groot was de wijsheid van Setne en niemand dorst nog eens zulke boodschappen naar den Pharaoh te zenden.

Setne nu en zijn vrouw, Mahitouaskhit, waren zeer verdrietig, want zij hadden geen zoon. Op zekeren dag was hij, meer dan gewoonlijk, verdrietig; zijn vrouw begaf zich daarom naar den tempel van Imhetep en bad tot hem alsvolgt: “Wend Uw gezicht tot mij, Imhetep, zoon van Ptah, Gij, die wonderen verricht en die wel doet in alle opzichten. Gij kunt een zoon geven aan hen, die kinderloos zijn. Verhoor mijn gebed en sta toe, dat ik een zoon baar.”

In dien nacht sliep Mahitouaskhit in den tempel en daar droomde zij, dat men haar beval, een toovermiddel gereed te maken en vertelde, dat haar wensch, een zoon te krijgen, op deze wijze vervuld zou worden.

Toen zij ontwaakte, herinnerde zij zich voortdurend [223]haar droom en binnen eenigen tijd werd het bekend, dat haar en Setne een kind geboren zou worden en deze vertelde het vol vreugde aan den Pharaoh, terwijl hij aan zijn vrouw een amulet gaf, om haar te beschermen en tooverformules over haar uitsprak.

In zekeren nacht droomde Setne en een stem zeide tot hem: “Mahitouaskhit, uw vrouw, zal een zoon voortbrengen en door hem zullen in het Egyptische land veel wonderen geschieden. De naam van uw zoon zal zijn Se-Osiris. Toen Setne ontwaakte en zich deze woorden herinnerde, was hij zeer verheugd in zijn hart.

Se-Osiris.

Na een tijd werd een zoon geboren en, in overeenstemming met den droom, werd hij Se-Osiris genoemd. Het kind ontwikkelde zich snel, meer dan de andere kinderen en Setne beminde hem zoo teeder, dat er bijna geen uur voorbijging, of hij zag zijn zoon.

Na verloop van tijd werd hij naar school gezonden, maar spoedig bemerkte men, dat hij meer wist, dan de meester hem leeren kon. Hij begon de toover-papyri met de priesterschrijver in “Het dubbele huis des Levens” van den tempel van Ptah te lezen en zijn geheele omgeving verbaasde zich ten zeerste over hem. Setne was hierover zoo verheugd, dat hij zijn zoon naar den Pharaoh geleidde, naar het feest, opdat alle toovenaars van den koning met hem zouden wedijveren en hun minderheid zouden erkennen.

Op zekeren dag, toen Setne met zijn zoon zich voor het feest gereedmaakte, stegen er buiten luide jammerklachten op en toen Setne van uit het terras van zijn vertrekken uitkeek, zag hij, dat het lijk van een rijk man, onder groote eerbewijzen en luide jammerklachten, naar de bergen gevoerd werd, om begraven te worden. Even later keek hij nog eens naar buiten en zag toen, dat men het lichaam van een landbouwer, in een mat van stroo [224]gehuld, voorbij voerde, zonder dat iemand het vergezelde, om hem te beklagen.

Toen Setne dit zag, riep hij uit: “Bij het leven van Osiris, den god van Amenti, moge ik naar Amenti komen, zooals deze rijke man, geëerd en beklaagd en niet als de landbouwer, alleen en reeds vergeten!”

Toen Se-Osiris dit echter hoorde, zei hij: “Neen, vader, moge het lot van den armen man liever het uwe zijn en niet dat van den rijken man!”

Setne was hierover verbaasd, zelfs beleedigd en schreeuwde: “Zijn dit woorden van een zoon, die zijn vader liefheeft?” Se-Osiris antwoordde hem: “Mijn vader, ik zal hen aan u toonen, ieder op zijn plaats, den landbouwer, die onbeweend is en den rijken man, zoo bejammerd!”

Een Visioen van Amenti.

Setne vroeg hem daarop, hoe hij dit vervullen kon. Het kind Se-Osiris begon nu woorden uit de tooverboeken op te zeggen, machtige woorden. Hierop nam hij zijn vader bij de hand en geleidde hem naar een onbekende plaats, in de bergen van Memphis.

Hier waren zeven hallen, met menschen van allerlei soort gevuld. Zij gingen door drie van dezen zonder hindernis. Toen zij de vierde binnengingen, zag Setne een massa menschen, die heen en weer snelden en van schrik ineenkrompen, als wezens hen van achter aanvielen; anderen, uitgehongerd, sprongen omhoog, om het voedsel te bereiken, dat boven hen hing, terwijl weer anderen kuilen groeven, om hen te verhinderen hun doel te bereiken.

In de vijfde hal waren eerwaardige schimmen, welke haar eigen en passende plaats gevonden hadden, doch zij, die van misdaden beschuldigd waren, toefden knielend bij de deur, welke onder toezicht van een man stond, die onophoudelijk smeekte en zuchtte. [225]

In de zesde hal zaten de goden van Amenti en beraadslaagden, ieder op zijn plaats, terwijl de deurwachter de zaken afriep. In de zevende hal eindelijk was de groote Osiris, op een gouden troon gezeten, met de diadeem, uit veeren bestaande, gekroond. Aan zijn linkerzijde zat Anubis en aan zijn rechterzijde de god Thoth.

In het midden bevonden zich de schalen, waarop de deugden en ondeugden van de zielen der gestorvenen afgewogen werden, terwijl Thoth het oordeel, dat Anubis uitsprak, opschreef. Zij, wier ondeugden meer wogen dan hun deugden, werden aan Amait, den dienaar van den heer van Amenti, overgegeven; hun zielen en lichamen werden voor altijd vernietigd.

Zij echter, van wie de deugden grooter dan de ondeugden waren, namen hun plaats, onder de schimmen en goden, in, en hun zielen vonden den hemel. Indien, aan den anderen kant, de deugden en ondeugden gelijk waren, werd hij onder de dienaren van Sekerosiris geplaatst.

Setne zag nu bij Osiris iemand, van hoogen rang en in het fijnste linnen gekleed staan. Terwijl Setne zich verwonderde over alles, wat hij in het rijk van Amenti zag, sprak zijn zoon tot hem: “Mijn vader, ziet gij dien hooggeplaatsten man, in fijn linnen gekleed, bij Osiris staan? Herinnert gij u wel dien boer, dien gij uit Memphis zaagt dragen, zonder dat iemand hem vergezelde, terwijl zijn lijk in een mat gewikkeld was? Nu, dat is de man, die thans aan Osiris’ zijde staat! Toen hij naar Amenti kwam en zijn deugden tegen zijn ondeugden af gewogen werden, zie, toen sloeg het gewicht van zijn deugden over! Volgens de beslissing der goden, werden hem alle eerbewijzen, welke het aandeel der rijken zijn, toegewezen en door de wet van Osiris neemt hij zijn plaats onder de geëerden en voornamen in.

Toen de rijke man, dien gij eveneens gezien hebt, gewogen werd, wogen zijn ondeugden zwaarder dan zijn deugden en hij is de man, dien gij zaagt bij de vijfde hal; [226]onder zijn toezicht draait de deur, de man, die luid schreeuwt en jammert. Bij het leven van Osiris, indien ik op aarde tegen u zei: “Moge het lot van den boer liever het uwe zijn, dan dat van den rijken man, dan was het, omdat ik hun lot kende, mijn vader”.

Setne antwoordde hem en sprak: “Mijn zoon Se-Osiris, ontelbare wonderen heb ik in Amenti gezien; zeg mij echter, wat de bedoeling is van die menschen, die wij van schepsels, welke hen trachtten te verslinden, zagen wegijlen en die anderen, die steeds het voedsel trachten te grijpen, dat buiten hun bereik is”6.

Se-Osiris antwoordde hem: “Zij zijn in waarheid, mijn vader, door de goden vervloekt; zij zijn het, die op aarde hun vermogen verspilden en de wezens, die hen zonder ophouden trachten te verslinden, zijn de vrouwen, met wie zij hun leven verwoestten en hun vermogen verspilden en nu hebben zij niets, hoewel zij dag en nacht moeten arbeiden. En zoo is het met allen; zooals zij op aarde geweest zijn, zoo zijn zij in Amenti, in overeenstemming met hun goede en slechte daden. Dit is de onveranderlijke wet van de goden, de wet, welke geen verandering kent en naar welke zich alle menschen schikken moeten, als zij den Hades binnenkomen”.

Hierop keerden Setne en zijn zoon, hand in hand, van de bergen van Memphis terug. Vrees beving Setne om zijn zoon Se-Osiris, daar deze niet antwoordde en daarop sprak hij woorden, welke de geesten van de gestorvenen afweerden. Steeds herinnerde hij zich alles, wat hij gezien en waarover hij zich verwonderd had, doch sprak met niemand hierover. Toen Se-Osiris twaalf jaar oud was, was er geen schrijver of toovenaar in Memphis, die in het lezen van tooverboeken zijns gelijke was.

Het Lezen van den Verzegelden Brief.

Hierna gebeurde het eens, dat de Pharaoh Ousimares, in zijn audiëntie-zaal, met de prinsen, de militaire aanvoerders [227]en de edelen van Egypte, ieder volgens zijn rang, gezeten was.

Eén zei tot den Pharaoh: “Hier is een schelm van een Aethiopiër, die gaarne een onderhoud met U zou hebben; hij heeft een verzegelden brief bij zich”. De Pharaoh beval daarop, den man bij zich te brengen.

Toen hij bij den vorst gebracht werd, maakte hij een diepe buiging en sprak: “Hier is een verzegelde brief, welke ik meebracht en ik zou gaarne willen weten, of er onder Uw wijze mannen iemand is, die zijn inhoud lezen kan, zonder de zegels te verbreken. Indien gij, o koning, niemand onder Uw schrijvers en toovenaars hebt, die hiertoe in staat is, zal ik naar Aethiopië, het land der negers, de geschiedenis van Egypte’s mislukking en minderheid meenemen”.

Allen waren verwonderd, toen zij dit hoorden en de omgeving van den koning schreeuwde luid, doch de Pharaoh liet zijn zoon Setne bij zich brengen. Hij kwam terstond, boog zich diep voor den Pharaoh, waarop deze zeide: “Mijn zoon Setne, hebt gij de onbeschaamde woorden van dezen Aethiopiër gehoord?” Tevens herhaalde hij de uitdaging nog eens.

Setne was wel verbaasd, doch antwoordde onmiddellijk: “Groote koning, hoe kan iemand een brief lezen, zonder dat deze voor hem geopend en uitgespreid wordt? Indien gij mij echter tien dagen wilt geven, zal ik hierover nadenken en zal ik doen wat ik kan, om te beletten, dat aan de Negers, de eters van gom, het bericht over Egypte’s minderheid gebracht wordt”. Hierop antwoordde de Pharaoh: “Tien dagen worden u toegestaan, mijn zoon”. Hierop werden den Aethiopiër vertrekken aangewezen en de Pharaoh stond, bedroefd in zijn hart, op en begaf zich, zonder iets genuttigd te hebben, ter ruste.

Ook Setne begaf zich, peinzende en zeer verward, naar zijn legerstede, doch kon den slaap niet vatten. Zijn vrouw, Mahitouaskhit, kwam bij hem en wilde zijn zorgen [228]gaarne deelen, doch hij antwoordde, dat dit niets voor een vrouw was, om deel aan te nemen en dat zij hem niet helpen kon.

Eenigen tijd later kwam zijn zoon Se-Osiris en wenschte te weten, wat zijn vader zoo bezorgd maakte en weder weigerde Setne het aan hem te vertellen, zeggende, dat het niet voor een kind geschikt was. De knaap hield echter vol en ten slotte vertelde Setne hem de uitdaging van den Aethiopiër. Zoodra hij geëindigd had, lachte Se-Osiris en zijn vader vroeg hem naar de reden van zijn vroolijkheid.

“Vader”, antwoordde hij, “ik lach, als ik U daar bedroefd in Uw hart zie zitten, om zulk een nietige oorzaak. Ik zal den brief van den Aethiopiër, zonder het zegel te verbreken, lezen”.

Toen Setne dit hoorde, stond hij onmiddellijk op.

“Welk bewijs kunt gij mij voor Uw bewering geven, mijn zoon”.

Se-Osiris antwoordde: “Mijn vader, ga naar de benedenverdieping van dit huis en neem een boek, dat gij verkiest, van zijn plaats. Ik zal dan het boek, dat gij genomen hebt, lezen, terwijl ik voor U sta”.

Het gebeurde, zooals Se-Osiris gezegd had. Ieder boek, dat zijn vader ter hand nam, las de knaap, zonder dat het geopend werd. Daarna liet Setne geen tijd verloren gaan, om den Pharaoh over alles, wat Se-Osiris gedaan had, in te lichten en zoo verlicht werd het hart van den koning, dat hij een groot feest, ter eere van Setne en diens jongen zoon, liet aanrichten.

Hierop liet de Pharaoh den Aethiopiër roepen. Toen hij de audiëntie-zaal binnengetreden was, werd hij in het midden van allen geplaatst en de jonge Se-Osiris plaatste zich naast hem. Daarna sprak de knaap een verwensching over den man en diens goden uit, indien hij valschelijk zou durven beweren, dat hetgeen hij las, niet het juiste was. Toen de Aethiopiër den knaap zag, knielde hij voor [229]hem, door vrees bevangen. Daarop begon Se-Osiris den brief, zonder dat deze ontzegeld was, te lezen en allen hoorden zijn stem. De woorden van den brief luidden aldus:

De Inhoud van den Brief.

“Het geschiedde gedurende de regeering van den Pharaoh Manakhphre-Siamon, die een weldadig vorst was en onder wiens regeering het land met alle goede dingen overstroomd werd en die de tempels rijkelijk begiftigde, dat de koning van Nubië rustte in het paviljoen van Amen, en een gesprek van drie Aethiopiërs, die achter het huis spraken, afluisterde.

Een van hen sprak op luiden toon en zei onder anderen, dat, indien god Amen hem tegen de vijandschap van den koning van Egypte beschermen wilde, hij over het volk van dat land een tooverformule kon uitspreken, zoodat een groote duisternis heerschen zou en het gedurende 3 dagen en nachten de maan niet zou zien.

De tweede man zei daarop, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij zou maken, dat de Pharaoh naar het Negerland gebracht werd en daar, voor het gezicht van het geheele volk, vijfhonderd slagen ontvangen zou; daarna zou hij binnen zes uur naar zijn land teruggebracht kunnen worden.

Hierna sprak de derde man en zei, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij over het Egyptische land een verderf zou zenden, voor den tijd van drie jaar. Toen de koning dat hoorde, beval hij, dat deze drie mannen voor hem gebracht werden.

Hij zei tot hen: “Wie uwer beweerde, dat hij kon maken, dat het volk van Egypte de maan, gedurende drie dagen en nachten, niet zou zien!” Zij antwoordden, dat het Horus was, de zoon van Tririt (zeug).

Wederom sprak de koning: “Wie uwer zei, dat hij kon maken, dat de koning van Egypte hierheen gebracht [230]werd?” Zij antwoordden, dat het Horus, de zoon van Tnahsit, (de negerin) was.

Daarop sprak de koning: “Wie uwer beweerde, dat hij over Egypte een verderf zou zenden.” En zij zeiden, dat dit Horus, de zoon van Triphit (de prinses) was.

Daarop verzocht de koning Horus, den zoon van Tnahsit, naderbij te komen en sprak tot hem: “Bij Amen, den stier van Meroe, indien gij dat, wat gij gesproken hebt, vervullen kunt